summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/33297-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '33297-8.txt')
-rw-r--r--33297-8.txt5768
1 files changed, 5768 insertions, 0 deletions
diff --git a/33297-8.txt b/33297-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..333ecdb
--- /dev/null
+++ b/33297-8.txt
@@ -0,0 +1,5768 @@
+Project Gutenberg's Van Aardappel-mes tot Officiersdegen, by Melis Stoke
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Van Aardappel-mes tot Officiersdegen
+ Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.
+
+Author: Melis Stoke
+
+Illustrator: I. van Mens
+ Henry van den Velde
+
+Release Date: July 31, 2010 [EBook #33297]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN AARDAPPEL-MES TOT OFFICIERSDEGEN ***
+
+
+
+
+Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoten |
+ | zijn hernummerd en naar het eind van de bijbehorende alinea |
+ | verplaatst. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
+ | ~uitgespatieerd~; onderstreepte tekst als #onderstreept#. |
+ | |
+ | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
+ | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als |
+ | »aanhalingstekens«. De enkele aanhalingstekens zijn als |
+ | >aanhalingstekens< aangegeven. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
+ | e-boek op https://www.gutenberg.org |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ VAN AARDAPPEL-MES
+
+ TOT
+
+ OFFICIERSDEGEN.
+
+ Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.
+
+ door
+
+ »MELIS STOKE«.
+
+ Illustraties van I. VAN MENS, HENRI VAN DE VELDE e.a.
+
+ * * * * *
+
+ AMSTERDAM,
+ VAN HOLKEMA & WARENDORF.
+
+ 1917.
+
+
+ GEDRUKT IN »'T KASTEEL VAN AEMSTEL«, AMSTERDAM
+
+
+
+
+ OPGEDRAGEN
+
+ AAN ALLE OFFICIEREN, DIE WETEN WILLEN
+ #»WAT ER LEEFT IN DEN RECRUUT«#.
+
+
+
+
+TWEE BRIEVEN.
+
+
+
+
+I.
+
+VAN MELIS STOKE, LANDSTORMPLICHTIGE, AAN DEN BURGER, DIE HIJ EENMAAL
+WAS....
+
+
+ Amsterdam, Maart 1916.
+
+ Aan den vooravond der inlijving.
+
+ Mijn zeer waarde,
+
+Dit is een afscheidsbrief... Alle afscheidsbrieven die geschreven zijn,
+worden, en zullen worden, zijn in drie categorieën onder te brengen, te
+weten van stervenden, van zelfmoordenaars en van ter dood veroordeelden.
+Deze draagt de kenmerken van alle drie die soorten. Men gaat mijn
+burger-ik vermoorden, ik ga mij daartoe aanmelden, en ik voel de banden
+verslappen die mij binden aan het burgerlijk deel dezer samenleving.
+
+Deze regelen zijn, door het koelbloedig bewustzijn van den schrijver,
+van zeer tragischen aard; de eenige vreugde die mij nog wacht, zal zijn,
+dit schrijven persoonlijk te posten; ik stel mij voor, dit te doen op
+dezen zelfden vooravond, wellicht ook morgen, onderweg naar het lokaal,
+waar ik mij te melden heb voor den militairen dienst, waar de
+duisternissen grijnzen van den persoonlijken ondergang...
+
+Ik kan u het gevoel van physiek ònbehagen, dat mij reeds bij voorbaat
+bevangen heeft, bezwaarlijk omschrijven, het is me, of ik noodgedwongen
+toegetreden ben tot een derde-rangs voetbalclub of rooverbende, of dat
+men mij dwingt, in dienst te treden der stadsreiniging... dien tak van
+dienst, waarover zindelijke heeren in mooie vertrekken beraadslagen, en
+waarvan de uitoefening is opgedragen aan kwalijk riekende
+riool-ledigers...
+
+Over eenige uren, wanneer ik onder den krijgstucht zal staan, zal ik
+deze dingen niet meer mogen schrijven... ze wellicht niet eens meer
+gevoelen...; dit is mijn galgemaal aan den disch van gal en bitterheid.
+
+Het ontbreekt mij niet aan goeden wil, of vaderlandsliefde;
+integendeel!
+
+Maar ik voel mij zoo slecht geprepareerd op het mij wachtende werk; men
+spreekt mij van dwijlen en zwabberen...
+
+Het schijnt, dat de aankleve van het krijgsbedrijf onvoorwaardelijk
+ònsmakelijk moet zijn; mijn hemel, ik wil graag exerceeren, ook in den
+modder, en een geweer afschieten... Maar waarom moet ik mijn kleeren
+zelf van dien modder reinigen, en dat geweer zelf schoonmaken... Ik wil
+wel met vieze kerels in één kamer slapen; dat doet men in de bergen ook
+wel, met zijne gidsen... maar nog nimmer heb ik een Alphenhut behoeven
+te dwijlen.
+
+Men zegt mij, dat het in zoo'n kazerne aan de minst pretentieuse vormen
+van bediening ontbreekt; zoo'n kazerne is een énorm groot gebouw,
+grooter dan welk hôtel ook. Stel u voor... een hôtel zonder één knecht
+of loopjongen of kamermeisje of schoonmaakster of kellner...
+
+Waarlijk, het duizelt mij... moeten wij dat alles, àlles zèlf doen:
+schoonmaken, bedienen, boodschappen doen, schoenen poetsen, bedden
+opmaken...
+
+En dat àl dat werk tezamen zoo een mooien naam heeft: krijgsbedrijf.
+
+Ik word niet alleen soldaat, maar ook knecht, loopjongen, kamermeisje,
+schoonmaakster en kellner...
+
+Ik moet dat alles worden...; het eenige, wat ik goed kan is schieten,
+en een beetje schermen... helaas, dat zijn voor een soldaat slechts
+eigenschappen van secundair belang. Geef mij een raad: moet ik
+privaatlessen nemen bij Hendrik, den ouden knecht, bij Jo, mijn moeder's
+kamermeisje, of Sien, mijn moeder's schoonmaakster? Moet ik bij een
+loopjongen van mijn vader's kantoor en bij een kellner van het
+Doelen-Hôtel in de leer gaan?
+
+Of zouden mijne aanstaande superieuren mij voldoende kunnen bekwamen in
+al die vakken?
+
+Gij kunt mij begrijpen, nietwaar? Wij beiden hebben nooit onze
+lastgevers erkend dan in hen, die wij daartoe zedelijk hoog genoeg
+schatten; en onze hoogste lastgeefsters waren de gestrengheid onzer
+eigen beschaving, en onze bewondering voor 't geen schoon en
+rechtvaardig was.
+
+Wij behoorden tot de gelukkigen, die hunne ruggen niet behoeven te
+krommen voor onwaardige en baatzuchtige broodheeren.
+
+Nu gaat het toeval mij andere superieuren stellen... wie zullen ze
+zijn? Zal ik mij moeten voegen naar de luimen van een waanwijzen
+oud-kappersbediende, of van een jaloerschen kroegen-habitué met botte
+hersenen...? Zal een minderwaardige patser, in wien ik wellicht mijn
+meerdere zal moeten erkennen, zich op mij wreken, omdat ik hem voorheen
+over het ledige hoofd placht te zien?
+
+Dit alles beklemt mij...
+
+Geef mij een wapen, en ik zal vechten tot den laatsten droppel bloed...
+maar geef mij een dwijl en een emmer zeepsop, en smartelijk zuchtend zal
+ik terneerzitten... _als een lafaard_...
+
+ Geloof mij en blijf mijner gedenken
+ MELIS STOKE.
+
+
+RIJM-KRONYCK.
+
+_Mijn Landstormlichting komt op..._
+
+ De Koningin doet roeren
+ in 't land de landstormtrom,
+ en duizend jonge krijgers
+ verschijnen van alom...
+ Vaarwel, mijn dier'bre boeken,
+ mijn kamers en mijn hond,
+ mijn vrienden en vriendinnen...
+ Ik staar nog ééns in 't rond,
+ en streel mijn armen Setter,
+ en 't liefelijk whisky-stel...
+ Ge zult mij niet vergeten
+ of hoonen, is het wel?
+ De zoete schijn der lampen,
+ de glimmers in mijn haard,
+ mijn pijpje en mijn huisjas,
+ en 't geen er was vergaard
+ aan wetenschap en schoonheid
+ in d'eiken boekenschrijn...
+ het zal m'in twee, drie dagen
+ zoo vèr en dierbaar zijn.
+ Mijn prima tennis-racket,
+ mijn hagelnieuwe fiets,
+ zal 'k u nog ééns beroeren,
+ belooft ge mij nog iets?...
+
+[Illustratie]
+
+
+(_Vertroosting aan Melis Stoke van George van Raemdonck_)
+
+ Ik ga een brits beslapen,
+ met òndergoed aan 't lijf,
+ en bruine boonen eten...
+ ...ik ril terwijl 'k dit schrijf!
+
+ * * *
+
+ Ach, ware er bloed te plengen
+ voor Vaderland en Vorst,
+ dat ware altans sportiever,
+ dan kwatta, kool en worst.
+ Ach, waren er nog andere
+ gevaren in het spel,
+ dan vlooien, of dan zuchten
+ in een bedompte cel...
+ Dàn zoude ik vroolijk juichen,
+ en 'k had' mijn bajonet
+ aan den meest blanken slijpsteen
+ eens extra-scherp gewet...[A]
+ Helaas, het geldt niet vechten,
+ doch loopen in de pas
+ met een belachelijk mutsje
+ en in een grijzen jas...
+
+ * * *
+
+ De koningin doet roeren
+ in 't land de landstorm-trom...
+ 'k Ben lichting 1912
+ en weerbaar... dus ik kom!
+
+[A] Als Melis Stoke maar eerst eens afgeëxerceerd is, zal hij begrijpen,
+dat hij nooit met een slijpsteen aan zijn bajonet mag komen! [Corr.]
+
+
+
+
+II.
+
+VAN DEN BURGER, DIE MELIS STOKE, LANDSTORMPLICHTIGE ZAL WORDEN, AAN ZIJN
+MILITAIRE ZÈLF.
+
+
+ Mijn allerminst verachtelijke, en in zekeren zin benijdenswaardige
+ vriend!
+
+Ja zeker, ik noem u benijdenswaardig! Gij gaat de vreugde beleven, van
+uw eigen-zelf, te mogen toetsen aan het ruw klimaat der militaire
+samenleving. Voorzeker, het is een proef, waaruit ge evenzeer als een
+beest, zoogoed als gelouterde Phoenix te voorschijn zult kunnen komen.
+Ik vertrouw op het laatste. Ge houdt al te zeer vast aan wat ge noemt uw
+burger-ik. Ge houdt mij echter ten goede, dat ik deze term stempel met
+de qualificatie: bekrompenheid. Uw eigen, sterke Zelf is verheven, of
+behoort dat te zijn, boven zuiver uiterlijke invloeden van civielen of
+burgerlijken aard. Wat doet het er toe, of een schoone vrouw u laat
+dansen naar haar grillen, of dat een afgunstige onderofficier u zijne
+kwade luimen doet ondergaan? In beide gevallen is uw persoon onderworpen
+aan van hoogerhand gestelde krachten: in het eerste geval de eeuwige
+kracht Vrouw, in het tweede de tijdelijke overmacht van vak-kennis.
+
+Leer de vrouwen kennen, en ge zijt hun slaaf niet meer; geef u de moeite
+eenige reglementen uit uw hoofd te leeren, en geen macht zal u
+weerhouden zelve tot den rang van onderofficier of officier op te
+klimmen.
+
+Mijn raad is zoo simpel: cultiveer uw krachtig zelf. Mijn zeer waarde,
+van af ons eerste levensuur warm wij tesamen, en nóg kennen wij elkander
+niet volkomen... wie zal ooit zijn dubbel-ik leeren doorgronden? Eerder
+nog begrijpt men de verzwegen gevoelens een er beminde gade. Daarom
+zullen wij elkander niet observeeren, het zou tot niets dienen; wie
+zijne vrouw blijft gadeslaan kweekt eerder misverstand dan wederzijds
+vertrouwen.
+
+Veeleer is het de heilige impuls van het Goede dat ons, mits vrij van
+afleidende ijdelheden, handelen doet. Zoo is het met ons dubbel-ik, het
+militaire en het civiele; de maatschappelijke verhoudingen doen ons, als
+in een huwelijk onafscheidelijk voor elkander bestemd zijn. Het kind dat
+geboren wordt, is in onze maatschappij door zijn geboorte-uur tot eene
+militie lichting aangewezen...
+
+Er is slechts één enkel ding, dat ik, uw burger-ik, u in het militaire
+bestaan kan medegeven; het is niet iets materieels, als worst of kaas
+of ham... dergelijke zaken krijgen Pruisische soldaten mee, want hun
+burger- en militaire-zelf zijn niet verscheiden... Wat ik, uw burger-ik,
+u kan meêgeven is het kostelijk bezit der Humor!
+
+De Humor is de heerlijke gave, die het slechte vergefelijk en het goede
+genietbaar maakt, die den leugen als een dwaling, en de waarheid als
+natuurlijkheid doet zien, en die de schijnbare onrechtmatigheden en
+verschillen nivelleert tot ééne vlakte van wijd uitzicht en waarachtigen
+eenvoud.
+
+Voorzeker, het _is_ moeilijk uw zelf-cultuur te onderwerpen aan uniforme
+tucht, maar het is beter, en moeilijker nog onder dien schijn van
+willekeur den utiliteitsgrond te blijven voelen. Blijf met uw voeten op
+dien vasten bodem staan, en hef uw glimlachend hoofd boven de golven van
+bezwaarlijkheid, die u zullen omspoelen.... wellicht tot aan den mond.
+En de zoute smaak, die de spatten u zullen schenken, zij u een proefje
+van 't geen den werkman in zijn dagelijksch eten hindert.
+
+Tot nu toe is uw levensfilosofie een volkomen rustig-theoretische
+geweest...
+
+Wellicht zult ge dat gestijlde gebouw zien ineenstorten, door de
+factoren van het bezwaarlijk leven, die de omgang met de arbeidende
+klasse u als on-elimineerbaar zal doen kennen.
+
+Daarom is het, mijn waarde, dat ik u »in zekeren zin benijdbaar« noem.
+
+ Geloof mij, en tot wederziens en beter
+ begrijpen wellicht...
+ UW BURGER-ZELF.
+
+
+
+
+UIT HET MILITAIRE DAGBOEK VAN MELIS STOKE.
+
+
+_10 Maart 1916._
+
+...Ik zit in het lokaal waarin wij, honderden burgers van--hoe
+wonderlijk--één en dezelfden leeftijd, tezamen zijn gekomen om soldaat
+te worden.
+
+Honderden kleine drama's op één dag, geduldige lezer, en ge hebt
+het niet geweten! Ach, dagelijks spelen zich om ons heen duizenden
+kleine drama's af: een vlieg in de soep, een lekke fietsband van een
+plattelands-geneesheer, of een kip gestolen... wij weten het niet. En
+toch zijn het drama's, dramatischer drama's wellicht dan die groote,
+waarvan de dagbladen ons vertellen, en die ons besef volkomen te boven
+gaan... een transportschip getorpedeerd, een lange lijst vermisten, een
+dorp in puin... wiens adem stokt er nog bij?
+
+Onze drama's zijn van minimale belangrijkheid, en wij schreeuwen zóó
+luid en aanhoudend door elkander, dat ons besef er door insluimert.
+
+Er zitten hier 24-jarigen met baarden, en 24-jarigen met
+kindergezichten; er zijn hier 24-jarigen wier vrouwen buiten wachten, en
+24-jarigen uit wier zakken rollen chocolade van moeder-thuis steken.
+
+Ik wist niet, dat er zóóveel verschillende soorten van 24-jarigen waren!
+Persoonlijk reken ik mij tot de 24-jarigen, die: »aan een drukke studie-
+en werkkring ontrukt zijn«.
+
+Ons drama is van uitsluitend moreelen aard! Wat laten wij achter?... wat
+dictaten, wat half-àf werk, wat onnutte en wat strikt òn-ontbeerlijke
+zaken... kortom de inhoud van een requisieten-kamer van een
+tooneelgezelschap dat »gezelschappelijke stukken« vertoont.
+
+Wat de anderen achterlaten, kan ik bij verre na niet nagaan. De man
+naast mij, naar zijn adem te oordeelen, een ledige jenever-flesch, en
+die tegenover mij een huilende vrouw... Enfin, dat alles zal ik nog
+vernemen!
+
+Ik zal een dagboek houden; dat denkbeeld geeft mij wat rust. Daardoor
+heb ik mijn houding bepaald tot eene beschouwende.
+
+Want ik wist eerst werkelijk niet of ik moest mede-tieren of niet... nu
+ik mijn houding bepaald heb, gevoel ik mij waarlijk pleizierig.
+
+Of iemand zich voor mijn dagboek interesseeren zal? Ik weet het niet.
+
+De menschen lezen altijd weer over datzelfde simpele thema: de liefde.
+Waarom zouden ze niet over »den dienst« willen lezen?
+
+De liefde en de krijgsdienst... ze voltrekken zich immers aan iederen
+levenden mensch!
+
+ * * * * *
+
+Het getier houdt aan; het is of ik een meeting bijwoon, zonder sprekers.
+
+Toch, er is er een; hij draagt uniform en beklimt een stoel. Meer uit
+nieuwsgierigheid dan eerbied verstomt het getier.
+
+»Vanaf dit oogenblik«, zegt de redenaar, »staan jullie onder militairen
+tucht«.
+
+Het gehuil verdubbelt...
+
+Men voert ons met vieren de stad door.
+
+Mijn broer wenkt mij toe uit een venster.
+
+Ik glimlach... ietwat zuur.
+
+Vrouwen loopen mede met den stoet, havelooze vrouwen.
+
+Opeens vind ik mijn jas veel te mooi; ik zet mijn kraag op...
+
+Vreemd... dit is het eerste »sociale gevoel« van mijn leven...
+
+Daarom moet ik, ditmaal oprecht, even lachen...
+
+ * * * * *
+
+De rest is een roes...
+
+Wij naderen de kazerne... wij gaan het hek binnen... het volk blijft
+achter.
+
+Een kort, reëel besef van het feit: dat wij nu »soldaten onder elkaar
+zijn«.
+
+Inderdaad, er is geen vrouw op het wijde kazerneplein te ontdekken; maar
+des te meer soldaten.
+
+Ik heb nog nooit zulke soldaten gezien; ze dragen geen blinkende
+uniformen en wapenen, maar grauwe kleeren, vol modder; zooiets als
+schoonmaaksters, maar dan in het mannelijk.
+
+Een naamloos wee stijgt mij naar de keel: aardappelenschillen...
+dwijlen... emmers... zeepwater......!!!
+
+Een roode sergeant-majoor leest ons de krijgsartikelen voor; hij vergeet
+komma's en punten.... begrijpt de moeilijk-officieele zinswendingen zelf
+niet.
+
+Telkens verheft hij even den stem, dan hooren wij: »_doodstraf_«, »_dood
+door den kogel_«, »_de kogel_«. De man naast mij siddert; ik ben veel
+banger voor de aardappels en het zeepwater en de dwijlen.
+
+Men brengt ons naar groote slaapvertrekken.
+
+Ik val neer op een vuilen ijzeren krib; mijn mooie jas kreukt....
+
+Een handvol cigaretten geef ik om mij heen.
+
+Zwarte, vuile handen zijn gretig naar mij uitgestrekt.
+
+Ik geef nòg meer cigaretten... mijn koker is leeg... er is er geen meer
+over voor mij-zelf.
+
+Dan steekt een der groezelige handen mij een sigaret toe.
+
+»Hier, je heb' er zelf geen meer over!«
+
+Ik kijk verbaasd op. De man lacht wat verlegen: »Ik had 'er twéé
+genòme!«
+
+Dan lach ik; ook ditmaal oprecht...
+
+Het is het tweede »sociale oogenblik« van mijn leven.
+
+ * * * * *
+
+_13 Maart._
+
+Ik kan nog niet aan mijn dagboek werken. De indrukken zijn tévele. Ik
+wist niet, dat het volk zóózeer geleek, op de menschen die over »het
+volk« praten. Men kleedt ons in uniforme kleedingstukken.
+
+Dat is prettig.
+
+ * * * * *
+
+_14 Maart._
+
+Mijn mooie jas hangt thuis. Ik loop nu in uniform, en groet op straat
+méér menschen dan ooit te voren. Ik ken ze niet eens persoonlijk. Als ik
+ze niet groet, krijg ik straf.
+
+ * * * * *
+
+_18 Maart._
+
+Neen, het wordt geen dagboek; het worden losse notities... Ik stuur ze
+in bij de redactie van de »_Groene_«.
+
+Ik noem ze:
+
+
+
+
+KANTTEEKENINGEN VAN EEN LANDSTORMPLICHTIGE.
+
+
+I.
+
+(Notities uit een militair zakboekje, door onzen medewerker Melis Stoke
+in de omgeving van de Oranje Nassau-kazerne te Amsterdam gevonden.)
+
+
+RIJM-KRONYCK.
+
+~Krijgszangen I.~
+
+_De Landstorm Recruut vraagt..._
+
+ Ik vraag om werk,
+ ...men schenkt mij slappe koffie,
+ wat lijfgoed, twee paar schoenen en een »kug«.[B]
+ Ik hoop op »werk«...
+ ...ha, wij gaan exerceeren...
+ ...tien tellen... 't sneeuwt... naar de chambrée terug.
+
+ Ik vraag een pak,
+ ...men laat m' in burger loopen,
+ hetgeen géén krijgsmansziel in eere doet
+ 'k vraag een geweer
+ ...en wilde gaarne vechten...
+ ...men geeft m' een stoffer slechts, dien 'k voeren moet.
+
+ Ik vraag de kans
+ een eerekruis te winnen,
+ doch weet niet hòe een krijgsdaad te begaan,
+ en stiekem hoop
+ ik op de Willemsorde,
+ door netjes recht-op voor mijn krib te staan.
+
+[Illustratie: Teekening van Johan Braakensiek.]
+
+ Ik vraag een post...
+ een postje van vertrouwen,
+ waaraan Gevaar en Eer verbonden zijn,
+ doch mocht slechts ééns
+ --, met twee, drie kameraden,--
+ (om kaas) de keuken in gezonden zijn.
+
+ Ik wilde graag
+ een vijand gaan bedreigen,
+ doch zie slechts goede vrienden om mij heen,
+ en de sergeant
+ zegt »vent kijk naar je eige,«
+ »Je grootste vijand is je stijve been!«
+
+ Ik vraag niet meer,
+ het is niet goed te vragen,
+ en draag--leergierig--dus mijn Landstorm-lot.
+ Wanneer ik vraag
+ of ik een zwaard mag dragen,
+ dan ga ik een-twee-drie in het cachot.
+
+_Conclusie._
+
+ Dus doe ik zwijgzaam slechts mijn plicht,
+ en komt de vijand,... best!
+ Dan zwaai ik juichend mijn geweer,[C]
+ en schiet hem voor zijn t-st.
+
+[B] Soldatenbroodje. Corr.
+
+[C] Het geweer heb ik echter nog niet.
+
+
+
+
+I.
+
+
+_Onze Analphabeet._
+
+Onze analphabeet heet Jacob, en hij is uit de provincie. Intusschen
+heeft hij gretig gebruik gemaakt van de hem hier geboden gelegenheid,
+om zich verder te ontwikkelen. Er zijn namelijk cursussen ingesteld
+in allerlei nuttige vakken, en Jacob was een der eersten die zich vol
+ijver aanmeldde. Alleen zijn keuze bevredigt mij niet geheel....
+Hij koos namelijk _stenographie_. »Maar och, als je dan toch leert
+schrijven«--antwoordde hij mij--»dan doe je toch beter het direct vlug
+te leeren doen!«
+
+
+_De »moffen«._
+
+Het percentage der Duitsche Nederlanders is in mijn sectie niet klein.
+Velen hunner zijn voor het eerst in het land, vanwaar hun ouders eenmaal
+kwamen. Gemeenlijk worden zij, zonder eenige politieke bijbedoeling,
+aangesproken als »mof«, in bewoordingen als: »zeg mof, hè je een
+centimeter tabak voor mij?« of »mof, hè je je broodkaart wel
+meegebracht?«[D] Zij doen groote moeite, de in min-of-meer onberispelijk
+Nederlandsch uitgesproken bevelen hunner sergeanten en korporalen te
+begrijpen; alleen bij de theorie, (een soort grove hersengymnastiek)
+ondervinden zij wel eens de bezwaren hunner buitenlandsche educatie.
+
+[D] Toen bestonden de Nederlandsche broodkaarten nog niet. Corr.
+
+Het doet mij wel eens wonderlijk aan, te hooren, hoe de instructeur hen
+ijverig bijbrengt hoe sterk ons leger is, en hoeveel mitrailleurs wij
+bezitten per regiment.
+
+In verhollandscht Duitsch herhalen zij de getallen, en men corrigeert
+zorgvuldig eventueele over- of onderschattingen.
+
+Opdat zij goed op de hoogte zullen geraken.
+
+En de regeering is blijkbaar zeer op hen gesteld; dit is nog gebleken,
+toen het voorstel van B. en W. van Amsterdam, om hen--met het oog op het
+pokken-gevaar--niet in te lijven, werd afgewezen.
+
+Zij zijn dan ook Nederlanders nu, en dragen onzen uniform. Vanmorgen
+sprak ik met een hunner over den oorlog; »_wir_« verzekerde mij de
+Nederlander, »_werden siegen!_«
+
+
+_»Kat en muis« en andere spelletjes._
+
+Vandaag was het mooi weer. Wij zijn naar een speelterrein geweest, en
+wij speelden er kat en muis. Kees, die reeds drie kinderen heeft, »was
+'m«. Jan, wiens vrouw in de kraam is, werd gepakt, en Karel, die mij
+vertelde, dat z'n gezin moeite heeft van de uitkeering rond te komen,
+viel lang-uit op zijn gezicht.
+
+Om half vier waren wij weer in de kazerne, en om kwart over vieren
+gingen wij naar huis. Ik liep op met Piet. Piet draagt een kwartiermuts
+op straat, omdat hij geen kepi wil koopen; z'n vrouw kan 't geld wel
+beter gebruiken. Hij liep zeer snel, want z'n vrouw was ziek thuis. »En
+ik«--lachte hij--»heb den heelen middag kat en muis gespeeld.... als het
+ten minste nog maar exerceeren geweest was!«
+
+»Het staat in de reglementen,« antwoordde ik.
+
+»De reglementen hebben het over militieplichtigen,« ontkende hij--»wij
+zijn geen sn-tneuzen van twintig!«
+
+Toen wist ik alleen nog te zeggen: »jullie trouwen te vroeg!«
+
+
+_De kwartierzieke._
+
+Gisteren is mijn kamergenoot Z.... ziek thuis gekomen, en van morgen
+heeft hij zich opgegeven voor den dokter. Dit geschiedde tusschen
+reveille en morgenappèl, terwijl wij allen binnensmonds mopperend, de
+stugge broeken en tunieken om onze nog slaapslappe lichamen heeschen en
+de beenen omwonden met windsels uit scheurgrage substantie. Deze levée
+en masse is de onveranderlijk tragi-comische introductie tot een nieuwen
+dag van reeds lang bekende verdeeling.... en de uren van vrijheid hebben
+voor mij geen bekoring, wanneer ik ze van tevoren op de minuut bepalen
+kan. Zoo was dan vanmorgen het ziek-zijn van onzen kameraad een
+gebeurtenis, en als zoodanig belangrijk.... want, wat er buiten de
+kazerne geschiedt, blijft voor de vele honderden menschen die het gebouw
+bewonen onbekend, tot 's middags vijf uur... alswanneer wij het
+ochtendblad lezen.
+
+De dingen gingen hun gewonen gang, die weinig meer poëtische elementen
+bevat, dan de reglementen, die hem regelen; want wie zou het wagen de
+volgorde van: 1e aankleeden, 2e dekens opvouwen, 3e wasschen, op eigen
+initiatief te veranderen? Slechts schroomvallig veroorlooft de een of
+andere weeldemensch zich eene uitbreiding in punt 3.
+
+Na de opeenvolging dezer gebeurlijkheden dan, ontwikkelde zich de dag
+zoo als een roos, nl. op dezelfde wijze als alle reeds verbloeide en
+toekomstige.
+
+Het weder--naast den bataljons-commandant de hoogste
+force-majeure--maakte ten slotte verder buiten-zijn onmogelijk, zoodat
+onze weerbaarheid verdere ontwikkeling verkrijgen zou op de, in dien
+tijd oppervlakkiglijk van nacht- en consumptie-vuil gereinigde,
+chambrée. Daar werden, volgens voorschrift, tafels en banken op de
+ijzeren kribben geworpen, om voldoende ruimte te winnen.... en pas bij
+deze haastige bezigheid was het, dat wij onzen zieken vriend terug
+vonden.
+
+Een in allerhaast opgeruimde bank scheerde hem rakelings langs het
+hoofdkussen en plofte neer op zijn krib....
+
+»Hoe gaat het ermee?« vraagde ik belangstellend.
+
+Hij kroop dieper onder de dekens, en rilde: »koorts!«
+
+Werkelijk, Z.... is geen simulant, en hij vertelde, hoe de
+korporaal-ziekenvader met zijn horloge in de hand de diagnose had
+uitgesproken. Er was geen plaats in de ziekenzaal, dus werd hij naar
+zijn eigen bed verwezen. Ook lange Jan en smalle Barend, twee mijner
+vrienden, waren inmiddels nader getreden en spanden zich in, leunend
+tegen het bed, om uit hunne herinnering alle koorts-gevallen met
+doodelijken afloop op te roepen, waarvan zij persoonlijk getuige geweest
+waren.
+
+De zieke zweeg, en sloot vermoeid de oogen; toen de anderen zwegen,
+opende hij ze, en glimlachte: »die ziekenvader hè? zoo goeiïg.... net
+een wijf, zoo zorgzaam!«
+
+Jan en Barend gingen daarop niet in, doch gingen voort, het ziektegeval
+te bespreken:
+
+»Hij rilt effectief!«
+
+»Kijk, z'n voorhoofd es bezweet weze!«
+
+»Hij heb de koors!«
+
+De machtstem des sergeants beval ons, in twee gelederen aan te treden.
+
+Even later stapten ruim vijftig landstormplichtigen de chambrée rond,
+maakten rechts- en links om's, en zwaaiden de armen. Het gloeikousje in
+de lamp brak in wit stof uiteen, het vloervuil dwarrelde op onder den
+krachtigen tred, bevelen klonken....
+
+In de krib lag, diep onder zijn wolletje, de zieke.
+
+Hij rilde; hij had »de koors«.
+
+
+RIJM-KRONYCK.
+
+~Krijgsmansgezangen II.~
+
+_Ode aan mijn Wapenrok._
+
+ Ik heb mijn wapenrok gekregen,
+ en, 's morgens vroeg op de chambrée,
+ dien aangedaan, en toen terdege
+ (_pardon_) de broek-gesp vastgeregen...
+ ...en 'k ging als vecht-soldaat in zee...
+
+ Ik heb mijn rok op straat gedragen,
+ en duizend maal gesalueerd...
+ ...zoo gaat het voortaan alle dagen...
+ ...Ik speur naar sterren, streepen, kragen...
+ ach, vélen zijn gegradueerd!
+
+ Ik streel verheugd mijn gulden knoopen,
+ die talrijk zijn, en bijster mooi...
+ En hang mijn overjas graag open,
+ om goed in 't oog te laten loopen:
+ mijn simpel, koninklijk emplooi!
+
+ Doch 's nachts als d'anderen »ingemaft« zijn,
+ dan denk ik, starend naar mijn jas:
+ »mijn ijdelheid zou wèl gestraft zijn...
+ »als drie-kwart van ons neergepaft zijn,
+ »en ik... in jou gesneuveld was!...«
+
+ Wie weet, wat wij nog eens beleven,
+ o jas!... ik denk er dikwijls an...
+ ..._jij_ bent dan nèt zoo grijs gebleven...
+ ...alleen ontwaart men, misschien, èven
+ ...een gaatje met wat rood d'r an...
+
+
+
+
+II.
+
+
+_Maand-overzicht._
+
+Het is nu een maand geleden, dat ik met u te samen ging wonen, Jan,
+Gerrit, Gijs en Jacob, en in dien maand zijn wij soldaten geworden.
+
+Velerlei hebben wij te samen genoten en verfoeid... en ik zoude... Ha!
+ik zoude veel, veel meer vastgehouden hebben, van hetgeen ons overkwam,
+indien niet zoo schaarsch geweest waren de vrije uren, waarin ik dit,
+mijn besmoezeld zakboek, te voorschijn brengen mocht, en er in
+neerschrijven ons gemeenschappelijk leed.
+
+In dien tijd zijn een viertal onzer vader geworden, en even zoovelen
+hebben hunne verkeering gewisseld; gisteren was er een broodje te weinig
+aan het ontbijt, en verleden week is een onzer overleden.
+
+Overigens waren de dagen aan elkaar gelijk. En voor ons is het
+perspectief der wachtende weken wijd, emotieloos en grauw, als de in
+zonnebrand vertrillende einder van eene zandwoestenij.
+
+Waarin ik slechts substantieel voel mijne aanteekeningen, hard en
+onbedekbaar als kantige steenen, waartegen wij vruchteloos schoppen op
+onzen langen marsch naar het onbekende...
+
+ * * * * *
+
+
+_9 April, Zondagmorgen._
+
+Zooeven ben ik mijn bad ontstegen; juist is het geklok van het
+wegstroomend, modderig water, vergorgeld, en als ik mijn eigen
+slaapkamer betreed, omvangt mij daar de stilte als de mystieke
+plechtigheid eener sinds lang verlaten abdij. Om zeven uur, twee uren
+geleden, verliet ik de chambrée, waar de Zondagmorgen aanbrak in
+feestelijk getier, vol pijnlijke geeuwen echter van mijne vele
+kamergenoten, wier Zaterdagavond zich in bier en brandewijn ontwikkeld
+had.
+
+En nog slechts flauwelijk herinner ik mij, hoe zij, bij het avondappèl
+ietwat waggelend voor hunne stroozakken stonden, vriendelijk lachend
+tegen den strengen sergeant, met het kennelijk doel daardoor een
+sympathieken en onschuldigen indruk teweeg te brengen.
+
+Nu ik weer rustig bij mijn eigen haardje zit, overdenk ik deze week,
+waarin één oogenblik was, waarin de realiteit van onze militaire
+bestemming doorgeschemerd heeft.
+
+Dat waren vreemde dagen; het was, alsof, naarmate de krijgsgeruchten
+duidelijker verneembaar werden, al ons doen beteekenis verkreeg.
+
+Het »verspreiden«, dat wij oorspronkelijk als eene moeilijke
+orde-oefening beschouwd hadden, bleek ons plotseling eene manoeuvre te
+zijn, om onverwacht invallend vuur te ontkomen; het doodstil liggen op
+den viezen grond van het exercitie-terrein, met het geweer in de armen,
+en het hoofd diep weggedoken, eene oefening, die ons tegengestaan had om
+de noodzakelijk daaraan verbonden bevuiling van handen en tuniek, kreeg
+opeens de sombere beteekenis van schuilen voor levensbehoud.
+
+En zoo meer.
+
+Het is nu ook een week geleden, dat wij onze stroozakken op den vloer
+legden, en de kribben naar de nood-logies sjouwden. Men sprak van
+Duitsche hulptroepen, n.b. Den nacht daarop sliepen wij weinig.
+
+De vloer was hard, en de toekomst ongewis.
+
+Ik herinner mij, hoe een pijnlijke spanning ontstond gedurende den nacht
+door eene gebeurtenis, die--zonder de alarmeerende berichten der laatste
+dagen--onopgemerkt gebleven zou zijn.
+
+Op het rangeerterrein voor de kazerne n.l., waar reeds sinds
+onheugelijke tijden een roode-kruis-trein staat te roesten, was
+bewegelijkheid. De wagens rammel-bonkten tegen elkander, er klonken
+hoornsignalen, en stoom siste. Wij lagen allen stil in de donkere
+chambrée op ons stroo, en luisterden; niemand sprak, doch er was
+aandacht in de stilte, spanning zelfs, die gebroken werd door gebrom
+in een hoek: »daar komme wij nog es in terug!«
+
+Niemand antwoordde: ieder hield zich slapende.
+
+En het gerammel en gestoot ging verder...
+
+'s Morgens lag een groot stuk spoorbaan bloot, als een akelig gat
+tusschen de nog restende wagons.
+
+ * * * * *
+
+
+_Afgekeurden._
+
+Langzamerhand heeft zich een nieuw element onder ons ontwikkeld: n.l.
+dat der afgekeurden. Gemeenlijk zijn zij herkenbaar aan burgerkleeding,
+een hooghartigen glimlach van bourgeois satisfait, ietwat zwierige en
+on-militaire gedragingen, en veel verlof. De mil. geneesk. dienst toch,
+die, voornamelijk op administratief gebied, zoozeer ijvert in het
+landsbelang, laat perioden van 14 dagen tot circa een jaar verloopen,
+alvorens zij aan afgekeurden de noodige papieren verstrekt, die hun
+algeheele terugtrekking uit het legerverband mogelijk maken. Het is
+geen geheim, dat in het begin van de mobilisatie b.v. iemand na drie
+dagen dienst werd afgekeurd; daarop keerde hij met verlof en voor
+rijks-rekening naar zijn betrekking in het buitenland terug. Na een
+jaar werd hij ontboden om zijne papieren te halen, en kreeg daarbij tot
+zijne verrassing... een jaar soldij (pl.m. f 150.--). Dergelijke zoete
+perspectieven openen zich voor eenigen onder mijne kameraden, die
+afgekeurd zijn, en geen dienst doen.
+
+Zij zijn een soort blinde-darm in het legerverband, bezoeken de appèls
+in burgerkleeding, als Cook's reizigers een abattoir in Chicago, en
+wandelen kwatta-etend over het exercitie-terrein, dan wel spelen billard
+in de cantine, als schatrijke particulieren.
+
+Op ieder bevel antwoorden zij, rekenend op eene civiele behandeling, met
+het machtwoord ~afgekeurd~.
+
+Een hunner vereerde mij, ter viering van het blijde feit, een sigaar
+met een bandje; een andere--ietwat angstig aangelegde--accentueert, uit
+vrees voor her-goedkeuring het inconvenient zijner platvoeten, door zéér
+wijdbeens en hinkend, met een als van smart verwrongen gelaat rond te
+loopen, kreunend bij het passeeren van iederen korporaal of sergeant.
+
+ * * * * *
+
+
+_W.C.-wee._
+
+Stel u voor: een huisje, gelegen aan een ruim, ietwat afhellend,
+exercitie-terrein. Het huisje is niet nader te omschrijven: het terrein
+is grootendeels grauw; ik zeg grootendeels, want rondom het huisje is
+een terrein-strook van verscheidene tientallen meters uitgebreidheid
+donker getint en drassig. Ik onthoud mij van eene verdere verklaring
+van dit verschijnsel, doch prevel slechts iets van verstopten afvoer.
+
+Ten slotte zij medegedeeld, dat op het exercitie-terrein dikwijls, en
+dan langdurig, plat op het aangezicht gelegen wordt... zonder
+gasmaskers.
+
+ * * * * *
+
+
+_Reclame-marsch._
+
+Dezer dagen hebben wij met z'n tweeduizenden een Kalverstraatje
+gewandeld. Het was eene z.g. reclame-marsch. Mijne aandoening was
+veel-ledig.
+
+Het is n.l. niet mijne gewoonte door de Kalverstraat te loopen om drie
+uur des namiddags, en ik ontmoette dan ook weinig kennissen. Dan begrijp
+ik, hoe onpleizierig vreemdelingen zich in onze stad moeten gevoelen,
+daar zij en hun gezelschap met dezelfde starre blik aan- en nagestaard
+worden als het met ons geschiedde.
+
+Maar een trotsch gevoel is het, te zien, hoe het geheele verkeer stop
+staat... voor Ons...; zoo iets als de bekende plaat van »His Majesty,
+the Baby«.
+
+Enkele burgers, die mij herkenden, wisten, dat zij niet groeten mochten,
+daar het ons verboden is een groet te beantwoorden. Alleen E., een
+automobiel-luitenant, groette mij vriendelijk. Mijn sergeant fronste de
+wenkbrauwen.
+
+Sinds dien dag ken ik een nieuwe luxe: vrij en zonder geleide op straat
+te loopen.
+
+Ik bestraf mijn hond niet meer, als hij een dag er van door gaat...
+
+
+
+
+III.
+
+
+_Verloven._
+
+_Mei 1916._
+
+Wij, soldaten, wenschen de lengte en het aantal der ons van hooger hand
+toegestane verloven gehandhaafd te zien, zooals een huisdier het volume
+van zijn portie voedsel.
+
+En het moge u drie, viermaal gelukken, de etensbak van uwen hond weg te
+nemen, terwijl hij slechts dreigend gromt... er komt een keer, dat hij
+grimmig bijten zal. Intusschen zult ge in het daarop volgend conflict
+de sterkste en machtigste blijken, doch onloochenbaar zal het incident
+eene verkoeling teweeg brengen in de verhouding tusschen u en hem. De
+vergelijking gaat echter op één punt mank: het zal u n.l. niet mogelijk
+zijn, den hond aan het verstand te brengen, _waarom_ hij zijn gewone
+portie derven moet, terwijl het ons, soldaten, zeer zeker aan het
+redelijk verstand te brengen zoude zijn, welke de reden is van deze
+onaangename onthouding.
+
+En het meerendeel onzer zou deze explicatie, zoo niet getroost, dan toch
+berustend aanvaarden. En in dit opzicht is dus onze wensch dezelfde als
+die van de burger-maatschappij: eenig commentaar van de zijde der
+regeering.
+
+Nu is het grommen luider dan aangenaam is, en het gerucht van incidenten
+en onlusten bereikte ons van het veldleger.
+
+»Maar wat wil je?« zegt mijn »slaapie«--»als d'r één man staakt, pakken
+er twee hem op, en douwen hem de pot in... als er een sectie staakt,
+staat er een compie klaar... en tegenover een compie een bataljon, en
+daartegenover weer een regiment, en dan een brigade en dan een divisie,
+en dan vier divisies... en dan?«
+
+Ja, meer is er niet heeft de sergeant ons op de »tieërie« geleerd... en
+opeens flakkeren de oogen van Simon, den stiekemen anti-militarist, en
+hij brult de gemeenplaatsen, die ik vandaag op de parapluie's eener
+demonstreerende menigte geschilderd zag:
+
+»Algemeene demobilisatie... geen man en geen cent voor het militarisme;«
+
+Verder gaan mijne vrienden niet; voor deze stoute geestes-schepping
+staan zij vol ontzag en ontzetting... zooals een groot kunstenaar voor
+zijn meesterwerk!
+
+ * * * * *
+
+
+_Oudjes._
+
+Bij Kon. besluit van 11 dezer is aan Jan Jacob Pisters, milicien der
+lichting 1855 voor de gemeente Nuth, vrijstelling voorgoed van den
+dienst bij de militie verleend.
+ (_St. Ct._)
+
+Bovenstaand bericht, geput uit de »N. R. Ct.« van Zondagmorgen, deed mij
+in gepeinzen verzinken. Een tachtigjarige is dus voorgoed vrijgesteld
+van den dienst bij de militie! Welk een veteraan! Neen zóó oud zijn er
+bij ons niet. Wèl dommelt gemeenlijk bij een der kachels in de cantine
+een soldaat, dien ik een dikke vijftig geef, doch deze is nog zeer
+weerbaar.
+
+[Illustratie]
+
+ * * * * *
+
+
+_Een moment van ontzetting!_
+
+Voor het eerst in mijn militairen loopbaan ben ik heviglijk geschrokken;
+niet door het feit, dat dezer dagen mijne schoenen gestolen zijn...
+Wij zijn er reeds lang aan gewend, dat telkens zaken spoorloos uit
+de chambrées verdwijnen, en wij vatten dit op als roof- en plunder
+oefeningen van een mede-krijgsman. De schrik beving mij achteraf, toen
+men mij voorstelde als schadeloosstelling te aanvaarden: ...een paar
+gedragen schoenen! Nu vraag ik u... men zoude mij evengoed in overweging
+kunnen geven, mijns buurmans tandenborstel of oorlepel te benutten. Vol
+afschuw haastte ik mij, deze vraag met de wedervraag te beantwoorden:
+of er _nieuwe_ schoenen verkrijgbaar waren. Helaas zag ik mij
+genoodzaakt den fourier te épateeren met het aanvaarden der laatste
+mogelijkheid: vijf weken soldij in ruil voor een nieuw paar schoenen!
+
+Dief! Indien deze regelen u onder de oogen mochten komen, bedenk
+dan, dat ik vijf weken exerceeren zal, zonder daarvoor honorarium
+te genieten... Het ergste is, dat men mij van diefstal schijnt te
+verdenken; telkenmaal toch, dat ik met mijn citybag de kazerne verlaat,
+gelast de deurbewaker mij met verwachtingsvolle en bevelende gebaren de
+tasch te open!
+
+[Illustratie]
+
+ * * * * *
+
+
+_Regendag._
+
+Een regendag in de kazerne is, wat een vleeschlooze dag in een
+wildenbeestenspel zijn moet: het eenige noodige ontbreekt, en flauwe
+surrogaten vermogen niet, het te vervangen.
+
+Reeds stemt de simpele kleeding van mijn anders zoo sierlijk
+geuniformden luitenant mij treurig, en met minder genoegen dan
+gewoonlijk, schiet ik zelve de tuchthuisboevenkleedij aan, die hier
+onder den naam van »werkgoed« verstrekt wordt. In dit goed nu wordt de
+dag gedood. Het begint met urenlange aanslag-oefeningen op de chambrée,
+waarbij gemikt wordt op de meubelen, en lang-uit gelegen op de vloer,
+waarvan de geringe oppervlakte den schutter noodzaakt zijn beenen
+onder de krib te schuiven, en den loop van zijn geweer onder het
+tegenoverstaande bed. Deze omstandigheden suggereeren allerminst
+slagveld-emoties, en de oefening verloopt met de animo, waarmede een
+krasse oude heer op zijn slaapkamer met halters werkt.
+
+'s Middags klaart het weer wat op, en trekken wij, tot de tanden
+gewapend, de modderzee van het exercitieterrein in, om een paar uur
+later aanmerkelijke hoeveelheden daarvan aan onze doorweekte kleeding
+het slaapvertrek weer binnen te dragen.
+
+Een regendag is te hatelijker, door het gevoelen van een force-majeure,
+die niet die des superieurs is. Er is weifeling in de lucht: wijfeling
+omtrent de indeeling van den dienst,... want op regen is de kazerne niet
+berekend.
+
+....Zooals er ook geen rekening gehouden kan worden met schoenendieven
+en andere krachten, die in on-militaire geheimzinnigheid en
+onberekenbaarheid optreden.
+
+[Illustratie]
+
+ * * * * *
+
+
+_»Voor den dokter«._
+
+Neen, neen, en nogmaals neen! Voor den dokter wensch ik mij niet aan te
+melden. Niet, omdat de localiteit, waarin de medicus heerscht, mij al
+te zeer aan een ongemeubelde stationswachtkamer derde klasse herinnert,
+doch om het bloote feit, dat ik niet onder verdenking wil geraken van
+simuleeren. Want evenzeer als het meerendeel der drankjes, die een
+huisarts ons verstrekt, naar peperment riekt, is er aan de geneeswijzen
+des militairen dokters een onmiskenbaar geurtje van _straf_. Het moge
+zeer nuttig zijn, iemand, die gedurende den looppas uitvalt, twee dagen
+achtereen na den dienst het bed te doen opzoeken, of een ander, die zijn
+pols bezeerd heeft, hetzelfde recept te geven, ik persoonlijk prefereer
+een meer »civiele« geneeswijze. Het is zonderling, maar ik, onmuzikaal
+aangelegde, verwar altijd de hoornsignalen, die de zieken naar den
+dokter en de gestraften naar de wacht roepen.
+
+ * * * * *
+
+
+_Klein viezigheidje._
+
+Op gevaar af, van mijne superieuren te mishagen, wil ik ook ditmaal
+eindigen met een klein viezigheidje. D.w.z., voor u is het er een...
+voor mij mindere, is het er sinds lang geen meer.
+
+[Illustratie]
+
+Exercitie met het geweer op de chambrée. Men staat in een lange rij, met
+het geweer in den aanslag.
+
+De sergeant: _vuurrrrr!_
+
+Boven het rikketikketik der geweren klinkt, duidelijk waarneembaar
+het viezigheidje, waarmede Japanners hunnen gastheer het teeken van
+over-verzadigd te zijn geven. In dit geval echter, is het minder
+hoffelijk bedoeld, en de sergeant heeft gelijk, met op strengen toon te
+vragen naar den dader. »Wie heeft dat gedaan?« roept hij, vergetende dat
+er feitelijk--integendeel--iets gelaten is.
+
+Doodsche, pijnlijke stilte.
+
+»Wie?«
+
+Iedereen kijkt zijn buurman aan met den ernst, die ons alleen op
+belachelijke momenten beheerscht...
+
+Het geval geeft aanleiding tot een ultimatum.
+
+»Indien de dader zich niet direct aanmeldt...!«
+
+Dan treedt Kees naar voren.
+
+»Ik ben onschuldig«, zegt hij ridderlijk, »maar ik moet vanavond tòch
+thuisblijven...«
+
+»Neen, neen«, roepen wij, die niet minder edel willen zijn--»de dáder!«
+
+Het debat duurt voort... tant de bruit, pour un tout petit bruit...
+
+De »dader« is nog steeds niet gevonden.
+
+Eindelijk wordt ook de luitenant van het geval in kennis gesteld; hij is
+een practisch man.
+
+»Als niemand het gedaan heeft«, zegt hij--»dan moet het de sergeant
+geweest...«
+
+Dan pas lachen wij.
+
+Ook de sergeant... die intusschen even onschuldig is, als uw u dw.
+
+ MELIS STOKE.
+
+
+RIJM-KRONYCK.
+
+~Krijgsmanszangen III.~
+
+_Aan mijne nieuwe vrienden._
+
+ De kazerne is een woning,
+ waar de jeugd geen vreugde is,
+ en waar 't schuren, lange uren,
+ van portalen, gangen, muren,
+ de hoogste aller deugden is.
+
+ De kazerne is een zeestrand,
+ waar 'k gebracht ben door den vloed,
+ waar de eb mij heeft gelaten,
+ tusschen allerlei soldaten,
+ wier bestaan 'k nooit had vermoed.
+
+ Barend, Joopie, Kees en Gerrit,
+ strekken hun vermoeide lijf
+ naast het mijne in de kribben,
+ en des morgens port mijn ribben,
+ een sergeant, dien 'k niet beschrijf.
+
+ Gerrit, Joopie, Kees en Barend,
+ 'k had nog nooit van u gehoord,
+ doch reeds kennen we elkaars vreugden,
+ zorgen, droefenis en deugden,
+ sokken, ondergoed en boord.
+
+ Kees heeft vaste-loop-verkeering,
+ Joop en Barend, zijn getrouwd,
+ Gerrit wacht zijn tweede »kleine«...
+ en 'k heb op mijn beurt ook mijne
+ hoop' en plannen hun ontvouwd.
+
+ . . . . . . . . . . . . . . .
+ De kazerne is een woning,
+ die men zuchtend binnen-gaat,
+ en die ieder vòl verlangen
+ naar zijn dierb'ren, na een langen
+ dag van rechts-om-keert's, verlaat...
+
+
+
+
+IV.
+
+
+_»Lolletjes«, en de waardeering ervan._
+
+»En,« zoo vraagde mij mijn goede oom J., »hoe hebt ge u geamuseerd
+vandaag?«
+
+Mij docht, dat de vermoeienis en bevuiling, die duidelijk door mijn
+uiterlijk gedemonstreerd werden, het antwoord »minimaal« overbodig
+maakten en zoo zweeg ik, vragend...
+
+»Voor veertienhonderd gulden«--zoo ging oom verder,--zoudt ge toch met
+uwe kameraden een prettigen dag gehad kunnen...
+
+Ik herhaalde verbaasd het bedrag, en toen vertelde hij mij, hoe dien
+middag op de beurs dat geld bijeen gebracht was, om ons, Amsterdamsche
+soldaten, een prettigen dag te bezorgen.
+
+Een officier had gesproken van kregelige stemming, »door het inhouden
+van verloven«, en onze beursvaderen hadden het hunne trachten te doen,
+om onheilen te voorkomen.
+
+»Dank u wel oom,« zeide ik hartelijk, »bij voorbaat!«
+
+ * * * * *
+
+De »prettige dag« is er geweest, en was in zijn soort een zéér groot
+onheil.
+
+Des avonds, na den feestdag, zeiden wij hoofdschuddend tot elkander dat
+het een zwàre dag geweest was, en wij toonden malkander de bonnetjes,
+waarvoor wij ververschingen hadden kúnnen krijgen indien...
+
+...Indien de dag niet tot een vreemde herinnering vergaan was, aan
+duwen, Grieg, de gangen van het Concertgebouw, bier en slaap.
+
+Ik heb het gezegd: wij bevolkten het Concertgebouw... nooit hebt ge
+het eerbiedwaardig monument zóó bekleed gezien, het was eene symphonie
+in grijs: het grijs der uniformen lag golvend uit over de parterre,
+als morgennevels op zee, en het bedekte met egale grauwheid de ruimte,
+die anders in zoovele nuances en schakeeringen prijkt: de plaatsen
+waar dweepende jongemeisjes hunnen Willem toejuichen, de zetels
+der heeren van Rees en Oyens en de zijstoelen der telaatkomers en
+quasi-dandineerenden. Het grijs golfde òp tegen het podium, dekte de
+gaanderijen, en er stegen geuren uit op, en eene murmeling, die den
+grooten dirigent tot woede gebracht zouden hebben en in de bekende
+afwachtende houding, totdat het laatste kuchje (gemeenlijk van mr.
+J. A. L.) verstorven was.
+
+Ik wil u niet spreken van het concert, of van de concerteerenden,
+dit alles was slechts secundair; het belangrijke van dezen dag was de
+vreemde stemming binnen deze muren van traditie, kalk en roode pluche.
+Daar was het vreemde van menschen, die in de korte pauze tusschen
+Allegro en Andante applaudisseerden, of opstonden en met los geknoopte
+kleeding en scheeve hoofddeksels de zaal verlieten, om elders consumptie
+te gaan genieten. Daar was het zotte van approuveerende geluidjes bij
+het verschijnen der gracieuse zangeres, en het geroep van bekenden
+onderling, tusschen balcon en parterre.
+
+[Illustratie]
+
+Daar was eindelijk de stroeve aanblik van lànge, lànge rijen slapende
+jongemannen, en vervolgens de pauze, waarin de gangen het tooneel waren
+van verwarring en bousculades, ingewikkelder dan de Alpen-symphonie,
+waarin het bier klokte door duizenden kelen, als een bergbeek, het
+verscherven van een ruit als een lawine...
+
+Het vreemdste was echter het gedwongene van al deze vreugde; ik vraag
+u in gemoede: waart ge ooit bij een concert, waar een schildwacht u
+het heengaan belette, zaagt ge ooit op een feest dozijnen genoodigden
+»ontsnappen« door den tuin, en, over de muur klimmend, een »goed
+heenkomen« zoeken? Zijn concertgebouw-programma's ooit misbruikt door ze
+te scheuren in het formaat van »bier-en-thee-bons«, en als zoodanig aan
+de buffetten ingewisseld?
+
+Neen immers?
+
+Gedurende een korte flauwte, die mij tijdens de pauze beving, had ik een
+vreemd vizioen: ik waande mij op een Zondagnamiddag, en alle kameraden
+om mij heen kregen de gestalten van concertgebouwers.
+
+Ik zag mr. Theodore Stuart en den heer Van Rees worstelen om een glas
+Pils, ik zag mr. dr. A. Röell bestraft worden wegens het uittrekken van
+zijn tuniek, door een luitenant, die de trekken vertoonde van den heer
+Labouchère, en, puffend en pratend zaten amechtig op een gangbankje de
+heeren S. P. van Eeghen en van Aalst naast elkander.
+
+[Illustratie]
+
+De obsessie was afschuwelijk, en ik ontwaakte niet, vóórdat een
+luitenant mij de zaal weer binnenduwde.
+
+Na de pauze vertoonden het verlaten podium, en de gapingen in de
+parterre, hoevele »gasten« over het tuinhek ontvlucht waren.
+
+De cellist speelde de »Träumerei«... mijne kameraden dommelden, met
+zweet-beparelde voorhoofden, losgegespte kragen en verwarde hoofdharen.
+
+Als gold het hier een orgiastisch feest, in stede van een bezoek aan het
+concertgebouw...
+
+ * * * * *
+
+»Nee jô! dan was het fijnder in de Flora onderlaatst!« voegde Kees mij
+toe, »daar zàg je tenminste wat, en daar kò je méézingen!«
+
+Hier had mijn vriend het oog op ons voorlaatste »lolletje«, eene
+uiterst profane matinée in het bekende varieteiten théater. Daar was
+men en pays de connaissance. Daar riep men »psssst« tegen heldinnen van
+bioscope-drama's. Daar stemde men in met de liederen van zekeren Raf.
+Kappers, aan het klavier begeleid door zijnen vriend Agsteribbe. Daar
+rookte men de zaal blauw en schier ondoorwaadbaar, en verdween men onder
+luid gejuich der overigen in een zéér zichtbare deur, waarop het woord
+(of begrip) »_Dames_« geschilderd was. En het is een feit, dat men nóg
+de liederen van den heer Kappers zingt, terwijl niemand zich van de
+sonate van Grieg ook maar de eerste noten herinnert.
+
+Trouwens men kènde de »artisten«, en in Flora waren vergissingen
+uitgesloten, zooals die in het Concertgebouw plaats vonden, waar mijn
+buurman vóór hij insliep den cellist bekeek, en toen het programma,
+mompelend: »Mendelssohn.... Mendelssohn.... een mòf netuurlijk... dat
+zie-je zoo!«
+
+ * * * * *
+
+
+_Zingen._
+
+Het spijt mij, maar van de liederen, die wij gemeenlijk tesamen
+aanheffen, kan ik u den tekst bezwaarlijk herhalen. Doch toepasselijk
+zijn ze àlle.
+
+Zoo, toen Gerrit thuiskwam en ons stràlend van vadervreugde mededeelde,
+dat vrouw Gerrit hem eenen zoon gebaard had.
+
+Onmiddellijk werd mijn gelukwensch gesmoord, door het gemeenschappelijk
+en krachtig ingezette lied, dat aanvangt met de woorden:
+
+ _Onze káter het jòngkies gekrége..._
+
+en waarvan het refrein luidt:
+
+ _poes, poes, sméeerige poes..._
+
+enz.
+
+Voorts is er een lied, dat zeer populair is, en waarin men voortdurend
+herhaalt, dat »bij ons alles zóó óóóóó gaat« afgewisseld met »hallo,
+hallo«. _Wàt_ en _wáár_ en _hoè_ er iets »_gáát_« is echter niemand
+recht duidelijk, evenmin als men met voldoende duidelijkheid motiveert
+waarom »_een mensch niet van stroo_« is of in hoeverre men »_naar
+Amsterdam terug_« gebracht wil worden... altemaal uitbundiglijk
+populaire liederen, waarvan de strekking geen andere is, dan spektakel
+maken.
+
+[Illustratie]
+
+ * * * * *
+
+
+_Meningitis-gevaar._
+
+Het gevaar, dat ons soldaten bedreigt, aangestoken te worden door
+meningitis cerebro spinalis, heeft tot nu toe geen andere moreele
+uitwerking gehad, dan de nieuwe verwensching »krijg de nekkramp«.
+
+Deze expressie is volstrekt niet gemeener dan die, welke iemand
+respectievelijk de »pest«, »cholera« of anderszins toeschuiven en in den
+laatsten tijd zelfs »de pokken«. De volksmond richt zich blijkbaar naar
+de momenteel vigeerende ziekte!...
+
+»Vandaag«, zeide de sergeant, »staat er in mijne orders, dat ik theorie
+moet geven over de nekkramp... Ik zeg dus, weest zindelijk, in alles!
+Deze ziekte is besmettelijk en gevaarlijk!«
+
+»Weet iemand anders nog iets?«
+
+Toen zeide Karel, dat het een »baktil« was, en betoogde Gerrit, dat
+»hij« binnenkwam door de neus,... vervolgens ontstond twist onder de
+toehoorders, waardoor de docent genoodzaakt werd de debatten te sluiten,
+en den raad gaf, véél te rooken.
+
+Kortom:
+
+_De militaire geneeskundige dienst heeft ook hier gefaald, door niet
+aan militaire dokters op te dragen een soort college te houden over de
+nekkramp en de beveiligingsmiddelen tegen deze ziekte._
+
+_Ook zij geconstateerd, dat ontsmettingsmiddelen voor de lokalen in
+onvoldoende mate verstrekt zijn._
+
+_Dat geen voldoende medische contrôle op deze reiniging plaats heeft._
+
+_Noot:_ Zooeven heeft een tweede »lolletje« plaats gehad in Carré. Men
+amuseerde zich uitbundiglijk. Den schenkers der benoodigde gelden dank,
+ook namens Maupie Staal, eenen zanger van indécente coupletten, en den
+exploitant der buffetten.
+
+
+RIJM-KRONYCK.
+
+~Krijgsmanszangen IV.~
+
+_Mijn Schietgeweer._
+
+ Mijn dierbaar, loodzwaar schietgeweer,
+ U geldt vandaag mijn zang;
+ Ik hef u op, en zet u neer,
+ wanneer ik 's morgens exerceer,
+ of leg u aan den wang.
+
+ Ik poets u 's middags blank en schoon,
+ van kruitdamp en van roet,
+ opdat, wanneer ik u vertoon
+ of presenteer, geen woord van hoon
+ uw meester blozen doet.
+
+ Soms kijk ik naar uw kleinen mond,
+ die nu nog vredig lacht,
+ en denk: »aan welken vreemden hond
+ hebt gij--stel dat er krijg ontstond--
+ uw gaven toegedacht?«
+
+ Kan 't zijn, dat ergens iemand leeft,
+ wien 't onbetrouwbaar lot,
+ dat niet om jeugd of blijheid geeft
+ een vroegen dood beschoren heeft
+ door uw, en door mijn schot...?
+
+ Of leeft er ergens een soldaat,
+ (de Wereld is zoo klein),
+ die zijn geweer nu gadeslaat,
+ onwetend, dat het, vroeg of laat,
+ op mij gericht zal zijn?
+
+ Mijn schietgeweer is als een Sphynx...
+ de mond blijft star en stom
+ -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
+ Wat bliksem!--'t is een stuk metaal...
+ Zoo zijn geweren allemaal...:
+ Zoo dóódelijk, suf en dom...
+
+
+
+
+V.
+
+
+_Over het synthetisch element in de africhting van den recruut._
+
+Bij nader beschouwing ware het wèl zoo passend geweest, in een minder
+pretentieus bovenschrift mijne simple vertoogen aan te kondigen. Alsnog,
+als blijk van mijn berouw in dezen, de volgende nadere toelichting:
+
+[Illustratie]
+
+Wanneer iemand u of mij verzocht, of gelasten mocht den neus te snuiten,
+dan zouden wij ons--daar twijfel ik niet aan--intuïtief van deze taak
+kwijten op eene wijze, die zeer zekerlijk de tevredenheid van onzen
+lastgever zoude opwekken. Dit geval heeft echter alléén betrekking tot
+de burgerlijke samenleving.
+
+Een militaire lastgever toch, zou als volgt te werk gaan: Zonder uitleg
+of inleiding zou hij de volgende reeks van bevelen tot ons richten:
+
+Breng de rechterhand naar de rechter broekzak. Steek deze (de hand) er
+in.
+
+Knel de vingers te samen, en grijp de zich in de broekzak bevindende
+neusdoek stevig vast.
+
+Breng snel en krachtig de hand (waarin zakdoek) naar buiten, en
+vervolgens naar boven, tot op circa 2 c.M. afstand van den neus. Haal
+diep adem.
+
+Breng de zakdoek om den neus, zoodat beide openingen geheel door het
+doek omgeven zijn. Pers nu krachtig de lucht uit de longen door de
+neusholte naar buiten, _en zorg daarbij den mond gesloten te houden...._
+
+De rest zal ik u--kiesch-en-kuisch-heids-halve--besparen.
+
+Nu is het ieder individu, na nauwkeurige bestudeering dezer oefeningen,
+overgelaten, ze in goede volgorde uit het hoofd te leeren.
+
+Pas wanneer dit--op straffe van hechtenis--is geschied, gaat de
+instructeur er toe over de reeks bewegingen »zonder tusschenbevelen«, in
+snel tempo te doen afwerken.
+
+Indien deze leerwijze wordt toegepast op een klasse van zeg dertig
+menschen, dan komt men voor het zonderlinge geval te staan dat--na een
+week studie--_slechts twee of drie hunner den neus kunnen snuiten_....
+hoe schitterend ook hunne antecedenten in dezen mogen zijn. En het
+zwaartepunt der verklaring ligt in het feit, dat het kostelijk
+materiaal, dat ons door de natuur als _intuïtie_ wordt gegeven,
+brutaalweg genegeerd wordt, en plaats moet maken voor een reeks
+»model-bepalingen«, wier noodzakelijk onderling verband den eenvoudige
+van geest ontgaat.
+
+Slechts weinigen zijn in staat de integraal van deze oneindige
+hoeveelheid nietigheden voor zich zelve te bepalen.
+
+Men zal mij van militaire zijde tegenwerpen, dat een zelfde beweging
+door allen op dezelfde wijze uitgevoerd moet worden, en ik twijfel er
+niet aan, dat een groot aantal--inmiddels vergetene--ontleedkundigen
+zich ernstiglijk heeft bezig gehouden met de differentiatie van een
+schijnbaar simpele beweging als »rechts-om-keert«.
+
+Hier zou ik het voorbeeld willen aanhalen van mijn strijdmakker Hannes,
+die, na bijna 3 maanden ernstiglijk oefenens, en behebd zijnde met
+bijkans middelmatige verstandelijke vermogens, nog niet in staat is mij
+op de voorgeschrevene wijze den rug toe te wenden.
+
+Intusschen riep ik hem eens op straat, toen hij voor mij uit
+dandineerde, aan met den modelkreet: »Amodjo! kameraod, gao je mee 'n
+joajempie hikken?«
+
+Tot mijn schrik en verrassing _voerde hij snel en behendig het
+rechts-om-keert op onverbeterlijke wijze uit_!
+
+»Hannes!«--zoo kreet ik verheugd----»Hannes, ge hebt hem te pakken!«
+
+»'k Hè d'r nog geen eene gepakt!« deed hij naïef, niet begrijpend.
+
+»Rechts om keert!« deed ik triomfantelijk. De lach bestierf hem op de
+lippen.
+
+»Mò jij me nou óók péste...?«
+
+_Hij had het niet geweten!_
+
+En ziet!
+
+Nòg worstelt mijn kameraad met het euvel, en struikelt over zijne
+conscientieus gepoetste schoenen, wanneer het fataal bevel klinkt!
+
+ * * * * *
+
+Ik zeide u te zullen spreken over het synthetisch element in de
+africhting van den recruut.
+
+En ge zult mij begrepen hebben:
+
+Ik bedoel het noodzakelijke opklimmen van de bijzondere stellingen tot
+eene algemeene.
+
+En alweer licht ik dit toe met »rechts-om-keert«.
+
+De eerste stelling van deze beweging is:
+
+plaats de linkervoet schuin vóór de rechter, in een hoek van circa
+90 graden met den oorspronkelijken stand, zoodat de holte op ongeveer
+2 c.M. afstand is van de punt van... mijn hemel! het _is_ mij niet
+mogelijk het alles op te schrijven... het duizelt mij van standen,
+stellingen en tusschentellen... Het is zoo met duizenderlei oefeningen
+op de plaats, met het geweer..., erbarmen!
+
+Het is alles gecompliceerd, en schijnbaar zonder noodzaak. En ik weet
+niet anders te doen, dan in starre ontzetting de bezoedelde handen ineen
+te slaan, krijtend de cosmische, zij het gemeenplaatselijke roep van
+_»Waarom?_«
+
+ * * * * *
+
+
+_De »starre blik« en »lijnen«._
+
+De soldaat is kenbaar aan... neen, denk niet dat ik u wil gaan épateeren
+met de resultaten van het door mij genoten militaire onderwijs. Ik wilde
+slechts zeggen, dat een soldaat kenbaar is aan zekeren geestesafwezigen,
+starren blik.
+
+[Illustratie]
+
+Hiermede is slechts de soldaat binnen-de-kazerne bedoeld; zijn blik is
+als die van chauffeurs, die van achter hun stuur vreemdstrak in vage
+verten kunnen staren.
+
+Dat is de blik van den afwachtende, voor wien de perspectieven
+eindeloos, en tegelijk zoo benauwend eng òpdringend zijn. Dat is de
+blik, waarmede een nabij Sloterdijk opgestelde schildwacht over drassig
+grasland tuurt, waarover--hij weet het--geen vijand naken zal.
+
+Dat is de blik van den willooze, voor wien het tijdsbesef in nevelen van
+belangstellingloosheid vergaan is.
+
+De kostelijke uren van jeugd worden gretiglijk stuk voor stuk, of bij
+dozijnen van de dragensmoede schouders geworpen, en de nog restende
+tijd-last gaat benauwend zwaar wegen, daar de gedachten er zich op
+concentreeren, en geen belangstelling ze tot gebodene centra kan
+afleiden.
+
+Wachten en tijd-dooden, dagen lang, en als opperst ideaal: »_De Lijn_«.
+Deze is de vervulling en het doodsbed van wenschen; wanneer de lijn,
+de rustige betrekking, verkregen wordt, dan is de situatie van den
+gebrekkige als die van een in de sneeuw ingeslapen reiziger... hij
+slaapt in, en zacht sterft de energie van zijn jeugd in het verraderlijk
+bed.
+
+Vaders en voogden, laat uwe zonen en pupillen geen »lijnen« verkrijgen;
+laat hen zich interesseeren voor hun dienst, voor hun simpele taak. Want
+waarlijk, voor wie zoekt, is dikwerf een uitleg te vinden voor
+schijnbaar verwerpelijke zaken en harde maatregelen.
+
+_Voor wie zoekt_, zeg ik, want àl te weinig wordt ons de beteekenis
+verklaard van onzen bescheiden rol in het militair verband.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+_Liefdewerk._
+
+Moeders van militie-plichtige zonen der lichting 1916! Het is niet om
+mij zelven lof toe te zwaaien, of om gewelddadiglijk uwe erkentelijkheid
+te winnen, dat ik u zeggen ga, dat uwe zonen zacht zullen rusten! Maar
+ik durf te verzekeren, dat de stroozakken, die uwe zonen wachtten, zacht
+gestopt waren, zonder kiezelsteenen of roestige spijkers. Ik zelve vulde
+er twee met zachtkittelende stroohalmen--en, misschien, is het een uwer
+nazaten beschoren, te rusten op een zak, waarin een zweetdroppel
+opgedroogd is van schrijver dezes, zoet en mild als een regendrop van
+September in een schoof van dor gewas des velds.
+
+[Illustratie]
+
+ * * * * *
+
+
+_Simon's pudding._
+
+Het begrip »vergif« wordt voor u allen gesymboliseerd in een doodskop
+met gekruiste botten, of in met zwart en rood beschilderde wangen en
+oogen eener verloren vrouw... voor mij echter is vanaf gisteren vergif
+analoog met Simon's pudding.
+
+Zoo verleidelijk en tegelijk kwaadaardig toch als dit knalrood gerecht
+was, kan bezwaarlijk absinth of nicotine of zelfs ether zijn... het was
+de duivel zelve in pudding-vorm.
+
+Simon is nu nog ziek; zijn vergiftigingsproces deed zich aanvankelijk
+niet als zoodanig aanzien,--integendeel!
+
+Wij waren op wacht, en het was Zondagnamiddag; nog twintig uren wachtens
+en wakens lagen vóór ons, en gaperig, gemelijk en zwijgzaam zaten wij op
+de banken aan het verlaten kazerneplein, beloerend elkanders bewegingen
+en de enkele passeerende musschen. Tot dat plots uitbundig vreugdegetier
+ons deed opschrikken; wij zagen Simon, toentertijd nog kerngezond. Hij
+danste en juichte, en er was een grijns van verrukking op zijn overigens
+gebaard gelaat; tusschen zijne handen was een pakje in courantenpapier.
+
+Op ons vragend opzien was zijn antwoord een telkens in anderen toonaard
+herhaald lied, luidende: »'k hè podding gekréege, 'k hè pódding
+gekréege! Me vrouw hét me póooding gebracht!«
+
+Na herhaaldelijk aandringen onzerzijds ontdeed hij met bevende vingeren
+het pakje van het daarom gewikkelde Zondagsblad, en toonde ons triomfaal
+een tusschen twee schoteltjes geborgen voorwerp, dat zachtjes deinde
+en--ik zeide het u reeds--knalrood van kleur was.
+
+[Illustratie]
+
+»Frambóooze!« deed Hein gulzig, en trachtte het wiebelend uiteinde van
+den spijs tusschen duim en wijsvinger te grijpen.
+
+»Afblijve«, gromde Simon, om terstond weder zijn jubelzang te hervatten
+en vervolgens ijlings te verdwijnen in de richting van het--op dat uur
+gemeenlijk verlaten--waschlokaal.
+
+[Illustratie]
+
+Wij bleven zwijgend achter; misschien ware het mogelijk geweest, meester
+te worden van de pudding, door ons de uitgave van een kwartje te
+getroosten; Simon doet àlles voor kwartjes en bracht op mijn verzoek
+zelfs een zijner persoonlijke vrienden een kaakslag toe, om zulk een
+geldstuk te verdienen.
+
+Daar de koop echter niet tijdig genoeg voorgesteld was, moesten wij het
+aanzien, dat de gelukkige eenige minuten later likkebaardend, en nog
+steeds grijnzend terugkeerde.
+
+Vanaf dit oogenblik was het, alsof Simon door allen ietwat koel bejegend
+werd...
+
+Een uur later trad een nieuweling de wacht binnen; Simon was met hevige
+buikpijnen naar de ziekenkamer gebracht, zoo vertelde deze achteloos.
+
+Niemand gaf commentaar op dit bericht; alleen Jan zeide, zeer hoorbaar,
+tot Gerrit:
+
+»Nou, wij ete maar kug, hè? En wij lache maar!«
+
+ * * * * *
+
+
+_Honorarium._
+
+Ik weet niet, lezer, of gij op het punt van honoraria opstrijken zoo
+gevoelig zijt als schrijver dezes. Voor hem is een bescheiden couvert de
+eenige mogelijkheid, waaronder hij min of meer verdiende verdiensten kan
+entameeren.
+
+[Illustratie]
+
+Zoo zult ge begrijpen, dat de Zaterdag, of betaaldag in de kazerne voor
+hem een der minst verfijnd bedoelde, maar desondanks eene uiterst
+verfijnde pijniging is.
+
+Dit proces toch ontwikkelt zich in een aantal folterings-phasen, als
+daar zijn:
+
+_a._ anderhalf uur wachtens in eene lange file;
+
+_b._ eerbiediglijk groetend treden voor een tafel, vol kwartjes en
+dubbeltjes, waarachter een sergeant-majoor gezeten is; het geheel
+herinnert aan den croupier in een speelhuis waar geringe bedragen
+omgaan;
+
+_c._ het (eerbiediglijk) uitstrekken van de linkerhand, en het ontvangen
+van soldij;
+
+_d._ het groetend rechts-om-keert maken en verheugd lachend weggaan.
+
+Teruggekeerd op de chambrée wordt de aldus tot kapitaalkrachtigheid
+geraakte soldaat aanstonds bestormd door collega's, die onder luid
+geroep van: »_Wie nog? wie nog?_« groote doozen en kisten ronddragen,
+boordevol likeur-reepen, amandel-koeken, Haloppi-sigaren, schoensmeer en
+andere weelde- of genotsartikelen.
+
+Om niet al te zeer op te vallen, koop ik dan een doosje z.g. »piraatjes«
+of een schoenveter; de rest van het honorarium wordt verbrast aan melk
+en krentenbrood.
+
+Het is mij nog niet gelukt, deze financieën, bedragende 24 tot 26
+stuivers zoodanig te bestieren, dat ik, zooals velen, twee avonden
+achtereen in »kennelijken staat« thuis vermag te komen.
+
+Ook zijn er Duitschers, die geen kennissen in Amsterdam hebben, en toch
+sparen.... ik schaam mij!
+
+ * * * * *
+
+
+_Gepoetste schoenen._
+
+Men heeft mij de vraag gesteld, of het mijne gewoonte was, thuis »te
+loopen met ongepoetste schoenen«; op mijn ontkennend antwoord gelastte
+men mij, »dat dan hier ook niet te doen!«
+
+Eerlijk gezegd, gevoel ik mij niet geheel verantwoord door mijne
+mededeeling, en ik heb mij voorgenomen, eens ernstig met onzen
+burger-oppasser te spreken. Ik herinner mij niet, mij »thuis« te aller
+ure vergewist te hebben van het gepoetst zijn mijner schoenen, zooals
+dat hier geschieden moet, doch ik placht vertrouwen te stellen in hen,
+die mij niet »voor schande« zouden laten loopen.
+
+Gepoetste schoenen! Het is mij een nachtmerrie geworden. Men eischt van
+ons, dat onze schoenen _dof-glanzend_ zullen zijn, en het is mij nog
+niet gelukt aan zoo streng een eisch te voldoen.
+
+Ik heb getracht één schoen dof te maken, en één glanzend, om de neuzen
+glanzend, de hakken dof te doen zijn, doch kreeg telkenmale berispingen.
+
+Nu vraag ik u: zijn uwe schoenen dof-glanzend? En hoe zien zij er uit?
+
+Zegt het mij en ik hoop mij te vrijwaren tegen onteerende straffen...!
+
+
+RIJM-KRONYCK.
+
+~Krijgsmanszangen V.~
+
+ _Bekentenis_
+ter overweging aan hoofden van gezinnen, die onder hunne kennissen
+landstormplichtigen hebben.
+
+ Wanneer, na langen marsch,
+ de krijgsman uit wil blazen,
+ dan kijkt hij achterom,
+ en suffig, om zich heen:
+ Hij kent de weiën niet,
+ waar vreemde koeien grazen,
+ en zet zich zuchtend op
+ een nooit-gezienen steen.
+
+ Zoo kijk ook ik rondom,
+ na ruim een maand van zwoegen,
+ en vind mij-zelf terug,
+ in streken, die 'k niet ken...
+ mijn wangen zijn verweerd,
+ mijn huid vol ruwe voegen...
+ en 'k vraag mij peinzend af,
+ of ik dat zèlve ben.
+
+ Ik vond het vroeger vies,
+ om op den grond te slapen...
+ haha! belachelijk!
+ ik droeg een òverhemd!
+ Ik dronk nooit uit mijn hand,
+ en dorst er niet uit eten,
+ en had nog nooit een »pruim«
+ bezogen en omklemd.
+
+ Ik vond het vroeger vies,
+ mij 's morgens slecht te wasschen,
+ en poetste nooit een schoen...
+ en dweilde nooit een vloer!!!
+ Doch las--ik schaam mij dood--
+ sérieuze paperassen,
+ ...en kende géén matroos
+ of smid of groentenboer!!
+
+ Ik praatte vroeger nooit
+ met mijn barbier z'n klanten,
+ of achter op de tram
+ met vreemden over 't weer...
+ Nu groet ik dagelijks
+ kapteins en luitenanten,
+ die 'k zelfs bij naam niet ken,
+ en die 'k niet frequenteer.
+
+ Mijn geest is afgestompt,
+ en 'k heb geen conversatie
+ dan over »rechts-om-keert«
+ en »schouder-het-geweer«...
+ dus, Moeders, vraagt mij niet
+ op uw diners, want gratie
+ manieren of fatsoen
+ bezit ik reeds niet meer.
+
+ 'k Bezit niet meer den tact
+ uw dochters te behagen,
+ doch neem van elk gerecht
+ zoo dikwerf als 't slechts gaat...
+ mijn glas word voor-en-na
+ ad fundum omgeslagen...
+ ...Ach! wend het weenend hoofd,
+ en zeg: »_hij is soldaat!_«
+
+
+ONBEWUSTE ZELF-CRITIEK.
+
+Zij, die hebben durven beweren, dat de Duitsche soldaat een materialist
+is, zullen leelijk opkijken bij het lezen der volgende regelen, die
+ik in een Duitsch tijdschrift vond. Er moge uit blijken, welk een
+gevoelige, tot het idealistische geneigde ziel er schuilt onder de ruwe
+krijgsmanshuid; het is het eenvoudige, doch treffende gedicht van een
+soldaat, die, na een kort verlof in zijne geboortestad, weer
+teruggekeerd is in de loopgraven:
+
+Urlaubs-Erinnerungen
+
+ Urlaub!... bist du schön gewesen!...
+ Deutsche Frauen,... deutscher Wein...
+ Taxen-Autos; Pferde-Chaisen,
+ Pilsner, Münchner, Mosel, Rhein!
+ Servietten, weiß und sauber;
+ Straßenbahn und Omnibus...
+ Deutsche Häuser, Heimatszauber,
+ Reine Tassen, Liebchens Kuß!
+
+ Vater, Mutter, Schwester, Base!
+ Meiner Ahnen alte Gruft...
+ Saubre Tücher für die Nase...
+ Heimatsprache... Heimatluft!
+ Straßenanzug und Pyama...
+ Nachts ein Bette, weiß wie Schnee!
+ Wagneroper, Kino, Drama,
+ Kabarett und Varieté!
+
+ Deutsche Wiesen, deutsche Kinder,
+ Rein die Teller und Besteck,
+ Deutsches Schulhaus, deutsche Kinder,
+ Deutsches knuspriges Gebäck...
+ Extrablatt mit deutschem Siege...
+ Abschied... Und ich halte Wacht,
+ Bis ich ~wieder~ Urlaub kriege
+ Oder bis man ~Frieden~ macht.
+
+Het zal geen verwondering wekken dat ik, die zelf soldaat ben, en
+mijnen verren collega dus begrijpen en waardeeren kan, mij door zijne
+woorden geïnspireerd gevoel tot navolging.
+
+Op dezelfde eenvoudige, doch veelzijdige en ethische wijze wensch ik
+hieronder de gevoelens weer te geven van een evenzeer Germaanschen,
+eenvoudigen Nederlandschen soldaat, die, na een kort verlof te Amsterdam
+te hebben doorgebracht, naar het veldleger teruggegaan is:
+
+VERLOFS-NAKLANKEN...
+
+ _Ach, verlof,... wat waart gij heerlijk...
+ Kalverstraat en Haantjesbier...
+ Rolmops, kaas en vette lappen...
+ Mengelberg en 't stadsvertier...
+ Riemsdijk-drama's, Schinkelhaven...
+ Artis, leverworst en ham...
+ Atax-rijden, schoone hemden...
+ de verbouwing aan den Dam..._
+
+ _'t Huis, waar eens mijn ouders woonden...
+ Uienbiefstuk in de Poort...
+ 't Kalfje, Trianon, 't Museum,...
+ Rembrandt, Ruysdael en zoo voort,...
+ IJsco en 't Bagijnenhofje,...
+ Schoone lakens, heldre boord,...
+ Al die lieve, oude grachtjes,...
+ Hoek en de Oude-man-huis-poort..._
+
+ _Pils met ramenas bij Schiller,...
+ opstaan om een uur of tien...
+ en de vreugde, om de Quelle
+ en mijn meisje weer te zien...
+ Bruine Amsterdamsche korstjes,...
+ Wijnand Fockink, klare, port,...
+ een nieuwe krant met Wolf-berichten...
+ ...Ach, zoet verlof... gij waart te kort..._
+
+
+
+
+VII.
+
+
+_Verlofsherinneringen._
+
+Wie zijn--zoo zult ge u ongetwijfeld wel eens afgevraagd
+hebben--wie zijn toch die uitdagend rond-ziende jongelieden, wier
+gezichten steen-rood verweerd zijn, die hun pasmunt, in stede
+van in de linkerbroekzak, ronddragen in dikke, ietwat vettige
+keukenmeiden-beurzen, die bij het naderen van elken gegradueerden
+militair eene reflex-beweging naar hun kwalijk-passend hoofddeksel
+maken, en die--blijkens de lieden die hen kameraadschappelijk
+groeten--connecties schijnen te bezitten onder minder- zoowel als
+onder de meer-waardigen dezer samenleving.
+
+[Illustratie]
+
+Deze jongelieden dan zijn verlofsgangers; zij slapen in
+bedden-met-lakens, zij kleeden zich in de zachtst-zijden lijfgoederen
+en sprenkelen lavendel op hun linnen, zij doen zich de meest exotische
+dranken mixen en huren stationeerende automobielen... kortom zij
+genieten van de dingen dezer aarde, en stappen driemaal daags in warme
+baden, waarin de geurigste der parfum-kristallen zijn opgelost.
+
+Valt hen niet hard, wanneer zij in eethuizen luider spreken dan
+betamelijk is, wanneer zij uwe dochteren en nichten àl te vrijmoediglijk
+toelonken... zij hebben het mom der beschaving gekozen voor hunne
+soldateske uitingen. En hoe kan het anders?
+
+Werd ik zelve niet door de zusters en nichten mijner krijgsmakkers op
+straat luide aangeroepen, en waren er niet onder deze jonge dochteren,
+die,--niet geheel vrij van behaagziekte--mij coquettelijk
+toeschreeuwden: »_Hádt je me maarrr!_«
+
+ * * * * *
+
+Er wordt gezegd, dat negers, zoodra zij hun naakten,--eventueel
+schaamschortelijken staat--verruilen tegen die van het Europeesch
+toilet, dat deze negers dan zich te buiten gaan aan kleedingstukken
+van de meest exorbitante soort. Deze zelfde eigenschap nu stempelt den
+jongen verlofganger; van ònder af is hij ééne accumulatie van wijnrood
+schoeisel en kanarie-gele slobkousen, flanellen kleeren en kleurig
+linnengoed. Hij tracht zich gedurende één dag per maand voor dertig
+dagen te »kleeden«.
+
+Nog eens, vergeef hem!
+
+[Illustratie]
+
+ * * * * *
+
+
+_Cullinaire genietingen._
+
+Het was in een der Amsterdamsche eethuizen, dat ik mijnen vriend en
+wapenbroeder Jan eene ernstige berisping moest toedienen. Ik betrapte
+hem er namelijk op, dat hij,--na zijn thee tot de laatste droppel
+gedronken, en, voor zoover het de resteerende bladen in het kannetje
+betrof, gepruimd te hebben--dat hij moeite deed, om aan het buffet het
+vaatwerk, als kopje, schoteltje en kannetje aan de verschrikte bedienden
+te verkwanselen. Men begreep hem niet, totdat een der bedienden, die
+zelve soldaat geweest was, tusschenbeide kwam. De quaestie is, dat in
+onze Kantine de dranken in gebarsten koppen verstrekt worden, die men
+tegen terugbetaling van vijf centen weder inlevert.
+
+ * * * * *
+
+Nimmer zoude ik den ziener geloofd hebben die mij--een jaar
+geleden--voorspeld mocht hebben, dat ik eenmaal verzot zou geraken op
+»kogelfleschjes«.
+
+Reeds van mijn jeugd af heb ik een grondigen afkeer gevoeld voor deze
+ploertige producten onzer vaderlandsche industrie. Of het de rammelende
+glazen bal was, die mij ontstemde dan wel het vuil-groene glas of de
+arrogante kleur van het scherp-mousseerend vocht, ik weet het niet.
+Slechts bierfleschjes vond ik bijna erger, omdat zij groen zijn als de
+groene zeep, en er in hun _ziel_ een gedécideerd vàlsch schijnsel is.
+
+Nù ben ik dol op kogelfleschjes; mijne antipathie tegen bierfleschjes
+kan ik nog steeds niet overwinnen.
+
+En èrger: ik savoureer ijswafelen, nougatblokken, Cats-bonen en
+verfrisschende-sport-pastilles; ik zet de gulzig plooiende lippen aan de
+tuit van melkfleschjes-met-contrôle-papiertje, ik... maar ach, waarom u
+»het-water-naar-de-mond« te jagen met de opsomming mijner vraat- en
+drankzuchtige genietingen.
+
+Leeft gelukkig met uwe beschimmelde kazen, uwe zéér droge champagnes,
+en verduisterde caviars... wij, minderen, hebben de wàre cullinaire
+behoeften gestild, wij sparen kwatta-soldaatjes en zilverpapier als
+herinneringstropheeën aan onze gastronomische uitspattingen.
+
+ * * * * *
+
+
+_»Geheime«-zaken._
+
+Nu ik dit sensationeel bovenschrift geplaatst heb, ben ik wel
+genoodzaakt verder te gaan--maar mijn hand beeft, en ik gevoel mij
+onzeker, want ik ga u--ja, in ernst, lezer--ik ga u een zaak verklappen,
+die ik onder de meest nadrukkelijke geheimhouding ervaren heb.
+
+Sterker nog: men heeft mij, op straffe van hechtenis, gelast, dit geheim
+aan niemand, zelfs niet aan nieuwsgierige officieren, te verklappen...
+en toch, en toch kàn ik niet anders... ik moet het u zeggen.
+
+Ik heb den korporaal, die mij inlichtte, gewaarschuwd, ik hèb hem
+gezegd, en herhaald, dat ik op de jours van mijne moeder, met hare
+vriendinnen, honderd-uit fluister, dat ik nieuwsgierig ben, walgelijk
+nieuwsgierig! dat ik aan sleutelgaten loer en luister, dat ik in café's
+menschen de woorden uit de mond staar... en dat ik alles, àlles wat ik
+op deze wijze verneem, óververtel en nàpraat: van A aan B over C, van C
+over A aan B, van B aan C over A...
+
+Hij lette er niet op... en ik ga u het geheim, dat mij toevertrouwd
+werd, verklappen.
+
+ * * * * *
+
+Ik moest dan een wacht betrekken, van één uur tot drie uur in den nacht.
+Het regende fijntjes en onzichtbaar door het stikduister. Wij togen--de
+korporaal van de aflossing en ik--naar de plek, die ik de eer zou
+genieten te mogen verdedigen.
+
+Het was de »_wacht bij de privaten_«. Neen, burger, lach niet! Militaire
+privaten staan in hoogen, zij het ook kwalijken reuk, voor zoover zij
+voor méérderen bestemd zijn. Ik plaatste mij naast den man, dien ik
+zou aflossen, en speurde aanstonds, door een lichte bezwangering der
+atmosfeer, dat de privaten, hoewel zij door het duister aan mijn oog
+onttrokken waren, niet vèr konden zijn.
+
+»Presenteer geweer«, klonk sonoor des korporaals stem door den nacht.
+
+En toen wij, in het stikdonker, en onder een fijn motregentje, naast
+elkander dit eerbewijs--voor niemand zichtbaar--uitvoerden, klonk het
+bevel »consignes overgeven«.[E]
+
+[E] Mijn vriend Hannes spreekt van »_consumpties-overgeven_«.
+
+Consignes, lezer, zijn zéér geheim, en worden fluisterend overgegeven.
+Géén meerdere, al ware het mijn allerhoogste chef Snijders zelve, heeft
+het recht, mij naar mijne consignes te vragen.
+
+Dat ik ze hier _uit eigen beweging_ vertel, is echter een andere
+quaestie, en van te voren verklaar ik, dat ik nòch door de uitgevers,
+nòch van de zijde der redactie eenige pressie te dien opzichte heb
+ondervonden.
+
+[Illustratie]
+
+De man bracht zijn mond bij mijn oor; duidelijk speurde ik zijn adem en
+tabaksgeur, en, boven het stormgeloei uit, vernam ik zijn fluisterende
+stem, terwijl hij mij eenige scherpe patronen overgaf:
+
+»_Zorg datte d'r fen deuze private geen gebruik gemaakt wordt door
+soldate beneide de rang fen onderofsier_«...
+
+Pàts... het staat er... het schaamrood stijgt mij naar de wangen...
+
+Tot mijne verontschuldiging nog slechts dit: gedurende mijne wachturen,
+van één tot drie uur 's nachts, heeft géén mindere getracht, zich
+wederrechtelijk tot een der hokjes toegang te verschaffen.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+_Welkom, Collega's!_
+
+In het groote nationale hôtel, dat onze kazerne is, zijn eenige
+honderden nieuwe gasten aangekomen.
+
+Maar geen belletje heeft getinkeld bij hun binnentreden, en geen
+portiers of liftboy's zijn hen tegemoet gesneld. Hoogstens heeft een
+overmoedig milicien-recruutje hen, van uit het gelid, »hádjememáár«
+toegeroepen, voor welke daad van gastvrijheid hij zich eenige dagen
+kwartier-arrest toebedeeld zag.
+
+Bij het aanzien dier stoet van benepen loerende burgers, kwam mij weer
+helder mijn eigen aankomst in de gedachten, in dit ietwat wrak gebouw,
+dat mij sindsdien zoo dierbaar geworden is...
+
+Ik herinner mij als gisteren, hoe men ons, vredige particulieren,
+een kring deed formeeren, hoe vervolgens een rossige en sproetige
+sergeant-majoor ons de krijgsartikelen voorlas, met luider stemme
+sprekend, telkens wanneer quaestie was van »_de dood_«, »_straf_«,
+»_dood door de kogel_«...
+
+Velen onzer vermeenden nimmer te voren in grooter doodsgevaar verkeerd
+te hebben, dan dit oogenblik, en staarden vol ontzetting naar den
+sproetigen sergeant-majoor, die op één dreun voortging met het lezen
+der verschrikkelijkheden, die ons bedreigden, terwijl de toorn-aderen
+in zijn voorhoofd zwollen, alsof hij aanstonds uitvoering zou gaan
+geven aan het geprojecteerde bloedbad.
+
+Ik weet niet, collega's dien ik het welkom toeroep, in hoeverre de
+sp. S. M. ook u verschrikt heeft, maar het komt mij voor, dat--waar
+het meerendeel uwer gehuwd is--onder u een oogenblik het schrikbeeld
+geheerscht moet hebben van tallooze weduwen, en bloedjes van vaderlooze
+kinderen...
+
+Vreest echter niet.
+
+Indien ge ervoor zorgt, 's morgens tijdig wakker te zijn, uwe schoenen
+gepoetst te hebben, en geen appèls te verzuimen, dan verwed ik er wat
+onder, dat er onder u slechts weinigen zullen vallen als slachtoffer van
+de krijgstucht.
+
+
+_Uwe manieren._
+
+Denkt nu niet, dat ik u houd voor barbaren, of onbehoorlijke lieden,
+wanneer ik u wenken geef betreffende uw gedrag en optreden. Integendeel.
+Doch hoe hoofsch en beminnelijk uw optreden tot nu toe geweest moge
+zijn,... ik ben er van overtuigd, dat gij beginnen zult u als een
+ònwellevend soldaat te gedragen.
+
+Waag het niet ànders op uw meerderen toe te komen, dan als wildet gij
+hen van de been loopen.
+
+Sta dan met één ruk stil, en vraag beleefdelijk of ge hen iets vragen
+moogt.
+
+In de meeste gevallen zal men u toestemmend antwoorden, en gij aarzelt
+dan ook niet met te vragen, of ge hen een vraag moogt stellen. Indien
+uw meerdere ook hierop gunstig beschikt, stelt ge kort en zakelijk uw
+vraag. Ten slotte zult ge u wel wachten, uw dankbaarheid onder woorden
+te brengen.
+
+Ook zult ge ervoor moeten waken »met je poote op je bed te legge«, en
+in het oog te houden dat »de tafel is om van te éte, en niet om op te
+poesse, want dat doe je thuis ook niet!«
+
+Wanneer men u een dweil geeft, om een vloer te reinigen, dan zult ge
+niet moeten aarzelen met het verwekken van breede plassen, daar ge
+anders onvoorwaardelijk onder verdenking zult komen van »te doen zoo'as
+je je selon thuis zwabbert.«
+
+Zoo zoude ik u duizenderlei wenken kunnen geven betreffende poetsen en
+vegen... doch ik zie mij het gras voor de voeten weggemaaid door reeds
+bestaande litteratuur op dit gebied, als daar zijn: »_Het handboek voor
+de aankomende jonge dienstbode_« door Estella en »_de wenken betreffende
+het onderhoud van geweer-loopen_« uitgegeven op last van het ministerie
+van oorlog (natuurlijk het laatste alleen).
+
+Gij zult goed doen, uwe familie de wandeling in de omgeving van
+oefenterreinen te verbieden, wilt ge tenminste niet voor het geval komen
+te staan, dat uw jongste u op een vrijen dag toevoegt: »Pa, wat dée u
+gèk laatst!«, of: »pa, was de meester bòòs op u?«
+
+
+_Boosdoeners._
+
+Lang zijn de tijden voorbij, dat ik afschuw of huivering gevoelde bij
+het zien van gevangenissen of dievenwagens. Men behoeft slechts in nader
+contact met het strafsysteem te komen, om te begrijpen, dat al deze
+uiterlijkheden het wezen der zaak niet bereiken.
+
+Wanneer 's morgens, op het Kazerneplein, de gevangenen »gelucht« worden,
+en ronddrentelen onder bewaking van soldaten, dan aarzel ik niet hen een
+kameraadsschappelijken groet te brengen.
+
+Gevangenen... mijn hemel; Ge denkt aan van bloed-druipende
+moordenaarshanden, wilde oogen, en worgende vingers... hoe naïef zijt
+ge.
+
+Voor mij zijn gevangenen slechts ongelukkige collega's, in wie het
+initiatief niet gewaardeerd is. Ik ben vertrouwd geraakt met cellen en
+kettingen, zooals ge u in Engeland went aan custard, in Indië (_te_
+Indië zegt Hannes) aan rijsttafel met roode vischjes. Ik aarzel niet, de
+hand te drukken van iemand, die een dag dienst verzuimd heeft, doch zorg
+zelve geen dag te mankeeren om... geen straf te krijgen. En zoo betrapte
+ik mij onder dienst op het feit, dat ik voor het eerst van mijn leven
+mijn plicht deed... uit angst voor straf. Vergeleken met miliciens,
+mogen wij, landstormers »bewuste menschen« genoemd worden. En wij geven
+er ons rekenschap van, dat er dikwijls juist zóóveel gedaan wordt als
+noodig is, om niet wegens gebrek aan dienstijver gestraft te worden.
+
+Moge dat bij miliciens, jonge menschen, wier karakter en
+levensbeschouwing nog gevòrmd moeten worden, niet àl te ongunstig
+werken!
+
+ * * * * *
+
+
+_Toilet._
+
+»Kijk es«--zeide Simon dezen morgen, terwijl wij naast elkander stonden
+in het wasch-lokaal--»kijk es wat ik femorge me hàre fijn geplakt
+hét.«
+
+Inderdaad lag zijn vettig hoofdhaar in twee, door een rechten lijn
+gescheiden, plakken op zijn schedel.
+
+Simon plakt iederen morgen zijn »hare«, en gaat éénmaal per week onder
+'s rijks douche. Dit voorrecht geniet hij met ons allen, die in twintig
+minuten moeten aan-, uitkleeden en douchen. Jammer dat het meestal
+vóór in de week is, vindt hij, want Zondags ben je al niet meer knap.
+Met oogen vol nijd en afgunst plegen wij te loeren naar de blikken
+wasch-kommen, die de miliciens krijgen, terwijl wij ouderen, zoowat
+plensen onder een kraantje. Dit neemt echter niet weg, dat wij als
+om strijd weelde-toilet-artikelen medebrengen, en elkander de oogen
+uitsteken met geriefelijkheden, als daar zijn: handiglijk tot
+reisnécessaire ingerichte sigaren-kistjes of chocolade-reependoozen,
+in krantenpapier gewikkelde stukjes sunlight-zeep, of heusche
+tandenborstels.
+
+Één was er--en hier gevoel ik met schaamte, hoe de afgunst mijn stem
+doet dalen tot schor-kwaadsprekers-timbre--één was er, die een ècht
+beenen dingetje had, met aan de ééne kant een nagelpeuter, en aan de
+andere een tandenstoker d'r aan! Ja, ja, zoo weten sommige gegoeden het
+zich--zij het dan ook zonder kòsten te ontzien--geriefelijk te maken in
+eene kazerne.
+
+ * * * * *
+
+
+_Mijn eigen bed._
+
+Onlangs heb ik dan waarlijk mijn eigen burger-bed weer gezien. En de
+désillusie was volkomen. Ik begrijp u allen niet: hoe ge slapen kunt in
+al die kille lakens! en dan dat ènge vachtje op den grond er voor, en
+dat weeë veeren van de matras... neen, dat is niets voor mij! Ik houd er
+van, de stevige, prikkelende stroosprieten in mijne heupen te gevoelen,
+ik geniet bij het ontwaken met een mond vol deken-wol, en ik kàn niet
+inslapen, zonder mijne ellebogen blauw gestooten te hebben tegen ijzeren
+krib-stangen.
+
+En wanneer ik ooit bij u ingekwartierd mocht worden, en ge dacht
+mij genoegen te doen met het spreiden van een dier verfoeilijke,
+gecompliceerde slaapgelegenheden, waarin ge u zelve pleegt rond te
+wentelen... nu, dan kunt ge ervan overtuigd zijn (hoe ondankbaar zulks
+schijnen moge) mij den volgenden morgen te zullen vinden: òf opgerold in
+de mand van uwen hond, òf uitgestrekt op de ruwste uwer gangmatten.
+
+
+_Eten._
+
+Dezen middag heb ik een groot bord vol aardappelen gegeten. Nimmer heb
+ik geweten, dat aardappelen zóó groot konden zijn, en dat er zóóvele op
+één bord bijeen konden liggen.
+
+Ik had grooten honger, en staarde met gulzige en blinkende oogen naar de
+aardappelen op mijn bord.
+
+Ook de aardappelen staarden! Zij staarden mij aan uit tallooze groenige
+oogen, wat fletser dan de mijne wel is waar, doch véél, véél grooter in
+aantal.
+
+En zij schenen geheel verzoend met hun lot.
+
+Trouwens, links en rechts, en tegenover mij staarden tallooze
+aardappelen op àndere borden even goedig en suffig naar àndere
+hongerigen.
+
+Toen ik één aardappel gegeten had, kreeg ik plotseling een gevoel, alsof
+hij, in mijn maag, met zijne oogen begon te rollen. Maar toen ik zag,
+dat de anderen rustig bleven liggen, greep ik een groote, oranje peen,
+met het oogmerk, die den aardappel na te zenden...
+
+Hiermede, lezer, eindigde mijn feestmaal even plotseling als het
+begonnen was. Nu moogt ge mij uitschelden voor eenen verkwister, of
+verwenden kwast, die tallooze peenen en aardappelen ongestoord laat
+ronddrijven in prima vet, doch dit is reeds niet meer noodig...
+
+Ik heb mijn straf gevonden in den droevigen blik, waarmede, uit
+duizenden verwijtende, groenige oogen, de overblijvende aardappelen mij,
+hunnen versmader, aan bleven staren...
+
+
+RIJM-KRONYCK.
+
+_'t Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd..!_
+
+ 't Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd!
+ 'k Heb uren lang mijn pen bekauwd
+ en 'k weet u niets te zeggen...
+ Mijn hooge militaire kraag
+ was nooit zóó nauw als juist vandaag
+ nu 'k frissche lucht en ruimte vraag...
+ Hetgeen ik in mijn ziele draag,
+ kan 'k niet in woorden leggen...
+
+ Ach, kwame er toch een offensief!
+ dat ware mij nog wel zoo lief
+ dan al die telegrammen...
+ of ware ik vechtend aan het front!
+ voorwaar dat 'k u dit schrijven zond:
+ »_granaten bàrsten in het rond,
+ een strijdkreet welt mij naar den mond,
+ vaarwel, we gaan ze rammen!_«
+
+ Of dan het slot-gevecht op zee,
+ en ik was op zoo'n schiet-schuit-mee...
+ neen... zeeziek zou 'k niet wezen,
+ ik zond u vast een draadbericht:
+ »_de vijand krijgt op z'n gezicht,
+ de hemel is slechts vuur en licht,
+ en donderslag en bliksemschicht,
+ doch ik weet niet van vreezen_«.
+
+ Helaas, 'k ben geen d'Annunzio,
+ Romain Rolland of Doyle en zoo,
+ ik mag ze alleen benijden,..
+ ik ben een Nederlandsch soldaat
+ »die wachtend aan den drempel staat,
+ die nimmer heerschers binnenlaat
+ en die zijn wachtpost nooit verlaat
+ en die zijn tijd moet beiden«.
+
+ ...'t Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd!
+ 'k heb nog eens op mijn pen gekauwd.
+ Hoe langzaam gaan de uren.
+ Ik weet niet wat 'k u zeggen zal...
+ ...er is geen nieuws, geen moord-geval...
+ _...er is geen bloemkool_, dat is al:
+ . . . . . . . . . . . . . . .
+ vandaar, dat 'k in de zucht verval:
+ »hoe lang zal dat nog duren?«
+
+(Melis moest zich eens bij den dokter melden wegens eerste
+verschijnselen van _mobilisitis_, die in sommige gevallen in sabelkolder
+kan overslaan. Remedie: hard loopen en Valeriaan. Corrector).
+
+
+
+
+IX.
+
+
+_Een oude lotgenoot._
+
+Ik wil u vertellen van een ouden lotgenoot, van een zéér ouden! Hij was
+van de lichting 303 N. Chr. .... neen, lezer, lach nu even niet, want
+het staat in een boek!
+
+Het boek heet »Historia Lausiaca« en de schrijver, Palladius, wijdt een
+hoofdstuk aan mijnen lotgenoot. Hij werd omstreeks 292 geboren, en werd
+in 313 onder de wapenen geroepen, in het leger van Koning Constantijn.
+
+Met andere jongelui van zijne lichting werd hij den Nijl langs gevoerd,
+en naar Thebe gebracht, waar blijkbaar het infanterie-depôt was, en--zoo
+zegt de schrijver--»daar opgesloten.«
+
+De Grieksche, Koptische, Arabische en Syrische teksten en
+levensbeschrijvingen, betreffende _Pachomius_, mijnen
+mede-landstormplichtige van die oude lichting, vermelden niet de
+namen der korporaals en sergeanten, superieuren althans, van _Pach_,
+zooals hij onder zijne escouade-genooten wel genoemd zal zijn, doch
+wèl vertellen zij, dat de behandeling der recruten in het depôt te
+Thebe zéér hard was.
+
+Arme Pach, was je maar bij ons, bij het 7e geweest! Wij krijgen peen en
+vet in overvloed, terwijl gij, met uwe kornuiten, grootendeels afhingt
+van een aantal liefdadige burgers.
+
+Zestienhonderd en drie jaren, nadat gij den Nijl langs gedreven wierd,
+verlieten mijne vrienden Simon, Kees en zoovele anderen Amsterdam, en
+stapten langs de Vecht naar een vriendelijk groen fortje, waar hen de
+meest overheerlijke boonen wachteden...
+
+Arme Pach... eind 313 was hij afgericht, en toen dorst hij aarzelig te
+vragen, wie de goede burgers waren die hem getroost hadden en
+gespijzigd.
+
+Men antwoordde hem, dat het Christenen waren, en dat zij barmhartigheid
+betoonden aan vreemdelingen en aan alle anderen....
+
+Dit onthield Pach, en, toen zijn lichting naar huis mocht, trok hij naar
+een dorp in de Thebaïs, en liet zich doopen.
+
+Professor Pijper, die in zijn studie over de kloosters een hoofdstuk
+aan Pachomius wijdt, zal mij vergeven, wanneer ik hier verklaar, mij
+verbaasd te hebben over het vervolg van Pachomius' levenswandel.
+
+En ik stel op den voorgrond, dat ik mij niet als _mensch_ verbaas, doch
+uitsluitend en alleen als _recruut_, als collega dus.
+
+Want wat, lezer, deed Pachomius toen hij de kazerne van Thebe eindelijk
+uit mocht?... Wat hij deed?....
+
+Wel, ge ziet al iets schemeren! Ge denkt al aan onze soldaten, die naar
+huis mogen, en die, bepakt en wel, zooals ze afgepresenteerd zijn (- of
+»hebben«, wat is het?) schreeuwend door de stad zwieren....
+
+Wellicht is dien nacht Thebe het tooneel geweest van feestelijke
+afzwaai-partijen, van soldaten met burger-mantels om.... maar wie daar
+niet bij was, dat was Pachomius.
+
+Hij verwisselde de kazerne voor het klooster....!
+
+Neen, lezer, nu in gemoede, en dat zult ge toch met mij eens zijn: daar
+kan een Amsterdamsche jongen van _hatjememaar_ niet bij.
+
+Die bedrinkt zich, en zingt van:
+
+ »_asse me de rotzooi gaan verláaate!_«
+
+ of
+
+ »_gaif me me burregerpet terug!_«
+
+--die loopt met z'n ransel op den rug, en zijn geweer op den
+schouder, en aan iederen arm een meisje, waarvan hij alléén de vóórnaam
+kent tot in het holst van den nacht de kroegen af....
+
+--die, ja, die doet àlles, juist behalve dat, wat Pachomius deed.
+
+Pachomius had een zwaren dienst, en heelemaal geen »lijn« en hij kwam
+gelouterd uit den dienst. Hoe zullen wij Simon, Kees, Klaas en Hein,
+..., hoe zullen wij, mijne vrienden, uit den dienst komen? Simon als
+een reuze-voetballer, en Kees als een man die op alle uren van den dag
+slapen kan, en Klaas vol stiekeme stoutigheidjes....
+
+Vrienden, laten wij zijn als onze collega van de lichting 313! Laten wij
+profiteeren van de _goede elementen_, waarmede de dienst ons
+toevalliglijk in contact brengt.
+
+Dat wil nu juist niet zeggen, dat wij in kloosters behoeven te gaan....
+neen, daarvoor zal het leven ons nog te zeer behoeven.
+
+Maar laten wij als goede menschen weer onder de burgerpet terugkeeren!
+
+ * * * * *
+
+
+_Herinneringen aan een »rot-sersant«._
+
+Nu ik hem wel nooit meer terug zal zien, durf ik herinneringen
+opschrijven, die ik aan hem bewaar. Hij was een »rot-sersant«, althans
+mijne kameraden hadden dit eenstemmig uitgemaakt, en, der conversatie
+ter wille, noemde ik hem ook maar zoo.
+
+Hij heeft nooit één onzer gestraft, en nimmer iemand vriendelijk
+toegesproken. Op zijne inspecties sidderde de heele sectie, en als hij
+ontevreden was, wisten ze, dat er geen straf volgen zou.
+
+Hij kéék alleen maar. Nooit heb ik iemand of iets zoo zien kijken, als
+hij het doen kon: hij keek je spuuglok onder je pet, de vlekken uit je
+jas, en het roest van je bajonet. Hij keek zoo doordringend, dat je
+zonder den blik neer te slaan wist, welke schoen ongepoetst was, of
+welke knoop op je rug mankeerde.
+
+Als je hem, ietwat stamelend, »goeie morgen« zeide, keek hij de adem uit
+je longen weg, en als je ergens op de hei te slapen lag, kon hij je op
+een uur gaans afstands wakker doen schrikken, door zijn kijker op je te
+richten.
+
+Hij kéék zijn kogels in de schijf, en z'n mannetjes in de houding.
+
+Niemand wist wie of wat hij was, of hij thuis een kind op zijn schoot
+had, of lachen kon hij op den verjaardag van zijn zuster.
+
+»Ik weet het niet« zei Simon, »ik weet niet wat et is! Sagerijn is et
+niet, en kapsones benne et niet.....«
+
+En zoo werd, uit de algemeene onbegrepenheid de benadering »rot-sersant«
+geboren.
+
+'s Avonds zeiden we tegen elkaar dat het onzin was, dat we kerels van
+vier-en-twintig waren, en geen jongens op school. En 's ochtends, bij de
+»tieerie«, als zijn vrééselijke blik over de klas van gesnorde kerels
+waarde, dan was het zoo stil als in een bewaarschooltje. Niemand heeft
+hem, toen hij wegging, vaarwel gezegd, en hijzelf heeft,--naar men
+zegt--ergens uit een venster van de kazerne toegekeken hoe zijn sectie
+voor goed afmarcheerde....
+
+Later ben ik hem nog eens tegen gekomen, en, worstelend tegen de
+magische krachten van zijn blik, ben ik naar hem toegegaan, om hem te
+begroeten.
+
+»Zoo hebt u er al heel wat laten weggaan«, converseerde ik
+quasi-luchtig.
+
+Hij keek dwars door mij heen, terwijl hij antwoordde: »Och, toen ik
+zeventien jaar was, heb ik eens gehuild, toen m'n eerste sectie uit
+elkaar ging,... maar daar wen je aan! In dienst moet je aan alles
+wennen!«
+
+Vanmorgen kreeg ik een briefkaart van Simon; na vele inlichtingen en
+vragen schreef hij: »wanneer je de sersant mog ontmoete, doe hem dan de
+groete van ons. Wat was die altijd aleenig met zen eige!...«
+
+ * * * * *
+
+
+_Feesten._
+
+»En als jelui nou zoo onder mekaar ben, en je heb een daalder in je zak,
+ráke jelie em dan niet?« informeerde Jan, na een lang gesprek over de
+geneugten en gevaren, verbonden aan het hebben
+»van-een-daalder-in-je-zak.«
+
+Ik haastte mij te verklaren, dat zelfs de fatale samenwerking der
+factoren _»onder-mekaar-zijn_« en _»een-daalder-in-je-zak_«, niet
+onherroepelijk behoeft te leiden tot smoordronkenschap.
+
+Dit wilde er echter maar niet zoo-zonder-meer bij hem in.
+
+»Kom-schei-nou-uit!« elleboogde hij knipoogend--»dan leg je immers zóó
+voor merakel in de goot!«
+
+Nogmaals spande ik mij in, hem te doen inzien, dat ik dikwijls met het
+genoemde bedrag in mijn zak, en in gezelschap van eenige vrienden
+geweest was, zonder beschonken of in goten te zijn geraakt.
+
+Toen werd hij minachtend.
+
+»Nou«, snoefde hij,--»dan bin jelie met je alle niet zóóveel!«
+
+Dikwerf luister ik met onomwonden belangstelling naar de feestrelazen
+mijner vrienden; ik hang aan Teunis' lippen, wanneer hij mij in een
+reeks krachttermen, met enkele feiten gelardeerd, verhaalt van den nacht
+in het politie-bureau, vanwaar men hem zooeven naar de kazerne heeft
+doen vertrekken; met sympathie in mijne oogen bezie ik de tallooze snij-
+en slaagwonden op zijne handen en aangezicht.
+
+Neen, bij zulke feesten zinkt iedere kroegjool in het niet!
+
+Slechts éénen man heb ik gekend, die hoogere délices wist te
+savoureeren; dat was mijn vriend Hannes, de schipper.
+
+Hannes was een philosoof, en placht eene jonge dochter te beminnen die
+»Merie« heette, en waarop, volgens zijn zeggen, »een merakels lief koppi
+stond.«
+
+Op zekeren dag hadden Amsterdamsche menschenvrienden een soirée voor ons
+gearrangeerd in een der schouwburgen, en, op hoog bevel, hadden Hannes
+en ik, en alle anderen, na de middagsnert onze handen gewasschen en het
+voornaamste gedeelte van ons gezicht, teneinde »knap« in de comedie te
+komen.
+
+Vier aan vier, in een schier eindelooze stoet, trokken wij de vreugde
+tegemoet. Hannes en ik liepen naast elkander, en deelden niet in de
+algemeene opgewektheid.
+
+Met zijne ietwat loenzende oogen keek hij eerst naar den sergeant, en
+vervolgens fluisterde hij mij toe:
+
+»Nou ik me eige tòch gewasse heef, ken ik toch beter met Merie gaan,
+vanavond.«
+
+»Hé je geen senie in de kemedie?« informeerde ik.
+
+Hij keek minachtend en vreeselijk blasé op me neer:
+
+»Wat doe ik met al die flauwe onzin! Ik ken toch beter een bakkie koffie
+hale bij Merie?«
+
+Reeds eerder had hij mij toevertrouwd, dat hij gaarne lange avonden
+zwijgend doorbracht met Merie en koffie.
+
+Toen maakten wij samen uit, dat »de kemedie« »géén werk« was, en dat wij
+zouden probeeren te ontvluchten.
+
+Aanvankelijk namen wij vol enthousiasme onze schellinkiesplaatsen in, en
+brachten, als echte théater-habitué's een minuut of tien ongegeneerd
+zingend, spuwend en schreeuwend door. Wij gaven, zooals Hannes terecht
+opmerkte: »geen sjoege.«
+
+Toen het scherm opging, riepen wij allebei »ssssst«, en kropen toen op
+handen en voeten onder de banken door naar de nooduitgang.
+
+In de gang ontmoetten wij een soort schildwacht, die ons aanhield.
+
+»Hé, hé, wat was dat?«
+
+Hannes, vol tegenwoordigheid van geest, verklaarde, »datte-me-naar de
+koffiezaal moste, omdatte-me dorst krege van 't klappe.«
+
+In de »koffie-zaal« was natuurlijk niemand, en de juffrouw in het buffet
+keek ons wantrouwig aan.
+
+Maar we knikten haar vriendelijk toe, en zeiden dat het »zoo warrem wier
+binne«; Hannes was zoo beleefd mogelijk, spuwde slechts driemaal op den
+grond van de foyer, en ging toen naar het raam, om te kijken, of de
+brandladder bereikbaar was.
+
+Na vijf minuten kwam hij me roepen, en, terwijl hij snel de rest van
+mijn glas bier opdronk, fluisterde hij, »feruit, ze kijk net niet.«
+
+Met kloppend hart kropen wij op handen en voeten het buffet langs, de
+foyer uit, en de wandelgangen door.
+
+Ieder oogenblik vreesden wij een suppoost of ouvreuse te zullen
+ontmoeten; bij de tweede trap gleed Hannes uit, viel tegen mij aan, en
+sleepte mij mede in zijn val; met een doffen bons vielen wij in het
+portaal doch bleven muisstil liggen. Mijn been was pijnlijk geschaafd,
+en op Hannes' zooeven nog gewasschen aangezicht waren vieze zwarte
+streepen.
+
+Ik weet niet meer, hoe wij er in geslaagd zijn een zijdeurtje te
+bereiken, dat niet bewaakt werd, maar, een oogenblik later, stonden wij
+in de frissche buitenlucht.
+
+»Nou« zeide Hannes, wien ik nu blijkbaar overbodig was--»ajuus--ik ga na
+Merie!«
+
+Hij trok, bij het wegloopen, wat pijnlijk met zijn voet...
+
+ * * * * *
+
+Indien, voor dit misdrijf, de lange arm der gerechtigheid ons niet meer
+achterhalen zal, dan, Hannes, blijft ons slechts over onze excuses te
+maken voor de groote ondankbaarheid, die wij dien avond getoond hebben.
+
+Maar wat doe je al niet voor een bakkie koffie bij Merie...?
+
+
+
+
+X.
+
+
+_De militaire groet._
+
+Een collega--»_Een Nederlandsch soldaat_«--betitelde hij zich, geloof
+ik,--heeft gastvrijheid gevonden voor een ingezonden stuk van zijn hand,
+in de meeste dagbladen onzer goede stad.
+
+Boven zijn artikel schreef hij: »_de militaire groet_«. In zooverre
+gevoel ik mij dus niet onschuldig aan plagiaat. Wat mijn confrère
+betoogt, komt in hoofdzaak hierop neer,
+
+--dat hij zijn plichtmatiglijk gebrachten groet wel eens genegeerd ziet,
+of slordiglijk beantwoord,
+
+--dat zulks in hem en anderen de lust tot salueeren aanmerkelijk heeft
+doen bekoelen,
+
+en dat hij dit--in het belang der krijgstucht--een leelijk teeken acht.
+
+Behalve het hartstochtelijk ge-_Generaal_!! waardoor zich zijn in
+vocatief-vorm gewrochte pennevrucht kenmerkt, heb ik een ander bezwaar
+tegen zijn pathetisch betoog. Ik zoude namelijk mijnen wapenbroeder
+willen toeroepen, met een commando-stem, die feitelijk mijnen bescheiden
+rang kwalijk past:
+
+»_Gij, snuiter, kent niet de poëzie van den militairen groet_«.
+
+Want ontegenzeggelijk zijn er poëzie, fijne levenskunst en innige
+beschaving toe noodig om den militairen groet in zijn diepste wezen te
+kunnen genieten.
+
+ * * * * *
+
+Op dit oogenblik waar--ik heb zulks nagecijferd--_in ons land per
+secunde gemiddeld 72532 militaire handen tegen militaire
+hoofdbedekkingen tikken_, lijkt mij deze zaak van genoegzaam algemeen
+belang, om er eene nadere bespreking aan te wijden.
+
+Ik zal dit doen op ego-centrisch-militaristische wijze, en begin
+aanstonds te verklaren, dat ik gaarne salueer; de militaire groet is mij
+van een plicht tot een genoegen geworden, van genoegen tot wellust en
+van wellust tot hartstocht.
+
+In café's en restaurants spring ik, bij het naken van welken meerdere
+ook, als door een veer gedreven in kaarsrechte houding, niet lettende op
+vaatwerk, dat in scherven van mijn schokkend tafeltje valt of op
+buurlieden met wie ik in onzachte beroering geraak.
+
+Bij den scheerder spring ik--het vlijmscherp mes verachtende--omhoog.
+
+Op straat breng ik mijn groet met zóódanigen nadruk, dat de meest
+hooggeplaatste superieuren snel pijp of sigaar uit den mond nemen en de
+arm hunner echtgenoote loslaten bij mijne nadering, teneinde mijn groet
+op dezelfde wijze te kunnen beantwoorden als ik hem breng.
+
+Ik stoor er mij niet aan of zij al rustiglijk hun soep of drank genieten
+in koffie- of eethuizen... ik plaats mij kaarsrecht, met aanéénkleppende
+hakken rècht voor hun tafeltje en volhard in deze houding, totdat zij
+gelieven mijne nietige aanwezigheid te aanvaarden en te approuveeren
+door eene lichte neiging met het hoofd.
+
+Ik groet meerderen in voorbijsuizende trams en huurautomobielen, weer
+anderen met een pakje in iedere hand--die alsdan het hoofd in mijne
+richting moeten draaien, mij daarbij aanziend--meerderen op vélocipèdes,
+paarden en motorrijwielen... kortom, ik gedraag mij met innig wèlbehagen
+naar de bestaande voorschriften.
+
+Aan den anderen kant onderga ik met zeker filosofisch genot de
+bejegeningen, welke mijn confrère heeft willen onderwerpen aan de
+algemeene belangstelling.
+
+Wanneer ik mijn reglementaire eerbetoon bracht, is het herhaaldelijk
+voorgekomen, dat zulks beantwoord wierd met een goedmoedig:
+»_besjoer_«.[F]
+
+[F] _besjoer_ = _Nederlandsche volksuitdrukking, vermoedelijk afkomstig
+van den Franschen groet: bonjour_ (= _goeden dag_) [Woordenboek.]
+
+»_Besjoer_« schijnt--ondanks de hieronder aangegeven afleiding--eene
+uitdrukking te zijn, die in zekere kringen zoo goed als morgen-,
+namiddag- als avondgroet geldt. Geen enkel militair reglement bevat
+overigens de uitdrukking _besjoer_ als equivalent aan den groet.
+
+Een andere merkwaardigheid, die ik niet onopgemerkt mag laten in dit
+verband, is deze, dat het meerderen vrij staat om, als teeken van
+opperste goedertierenheid, een gebaar te maken, dat zooveel zeggen moet
+als: »houd je gemak maar--ik ben niet gediend van dit eerbetoon«.
+
+Als toelichtend voorbeeld moge hier gelden mijne ontmoeting van dezen
+middag; ik zat--goedig--ergens, in een soort societeit, te lezen,
+toen opeens de gapende deuropening de gestalte omlijstte van eenen
+ongeschoren superieur met slecht geknipt hoofdhaar. Aanstonds ontrukte
+ik mijn geest aan de lectuur, concentreerde deze op het reglement van
+krijgstucht, en maakte aanstalten, om, verrijzende uit mijne liederlijk
+gemakzuchtige houding, die aan te nemen van eenen jongen eik...
+
+Hoe groot waren echter de schrik, en tevens het weldadig gevoel van
+dankbaarheid in mij, toen deze meerdere, met een handgebaar als dat,
+waarmede de Romeinsche Keizers het leven schonken aan onderliggende
+gladiatoren, mij beval hem _niet te groeten_.
+
+Ik heb niet de eer, dezen menschlievenden superieur van nabij te kennen,
+en--hij duide het mij niet euvel--maar ik gevoel vrees voor eene
+mogelijke kennismaking. Want wat moet men doen--in 's hemelsnaam
+wàt--wanneer iemand uit vriendelijkheid je groet weigert?
+
+Het duizelt in mijn--helaas--àl te gezelschappelijk--brein. En, méér dan
+ooit, wil ik mij vanaf dezen namiddag militair gevoelen.
+
+En nòg ben ik niet uitgepraat over den groet! Er rest mij een zeer
+actueel, een _in lagere militaire kringen_ (van korporaals en nòg
+hoogeren weet ik natuurlijk niets af) op het oogenblik
+druk-bediscussieerd vraagstuk, dat ik mijn lezers met nadruk voorleg.
+
+Het luidt als volgt:
+
+_Wat of wien geldt de militaire groet? de distinctieven van een rang, òf
+den drager dezer distinctieven?_
+
+Ik persoonlijk acht mij niet competent het antwoord op dezen vraag te
+geven; ik zeide u reeds, dat ik een slaaf ben van den
+militairen-groet-hartstocht, en, gij weet het allen: in hartstocht
+ontstoken menschen hebben geen rijp oordeel.
+
+Ikzelve groet wáár en hoe ik slechts distinctieven zie: op mouwen, op
+kragen, op overjassen...
+
+Onlangs heeft men er mij in de kazerne zelfs op betrapt, dat ik--en ik
+schaam mij bijna zulks in het publiek te bekennen--dat ik op mijnen weg
+naar de cantine salueerde voor de goud-bestreepte overjas van onzen
+sergeant, die aan een lijntje (de overjas, niet de sergeant) te drogen
+hing...
+
+ * * * * *
+
+
+_Feestgeschenken._
+
+Bij al het goede, dat de dienst mij gegeven heeft is ook dit: ik zie nu
+klaar en helder voor mij, wat de groote fout is in onze maatschappelijke
+samenleving. Een fout, die bankroeten en veeten en brouilles en
+mal-entendu's bij dozijnen in de wereld brengt, die huwelijken verstoort
+en voorgenomen huwelijken doet afspringen...
+
+Ik meen _de verderfelijke spilzucht_, die in ons allen is.
+
+Wanneer onze ouders jarig zijn, of als wij het Sinterklaasfeest vieren,
+dragen wij de meest prijzige zaken in huis; naar begrafenissen zenden
+wij péperdure kransen en bloemstukken, en wij rusten niet, wanneer de
+geschenkentafel van een bruidspaar zonder een zilveren jardinière of 250
+oestervorkjes onzerzijds blijven moet...
+
+Wij putten door onze beurzen onze harten ledig, en onze zielen vullen
+zich met nijd en venijn, waar slechts liefde en toewijding behoorden te
+bestaan.
+
+Dit alles wilde ik zeggen, alvorens u het treffend voorbeeld van
+waarlijk finantieel overleg te toonen, dat ik dezer dagen mocht
+medemaken.
+
+Een mijner collega's dan huwde, althans was van plan in het huwelijk te
+treden.
+
+Nu, als goede vrienden offer je dan met genoegen je dubbeltje of je drie
+stuivers, teneinde een passend feestgeschenk te kunnen helpen
+bekostigen.
+
+Er zijn wel altijd booze tongen, die beweren, dat: »hij trouwt voor de
+ondersteuning!« of »dattet een moetje is«, maar, waarlijk goed gezinde
+kemeraden, zooals ik niet aarzel mij er een te noemen, hechten geen
+geloof aan dezen taal, en getroosten zich het ongerief van tien of
+vijftien centen, teneinde dien dag tot een onvergetelijke te doen zijn.
+
+Aldus geschiedde, en, hoewel niet zonder vechten en kleerscheuren, kwam
+een bedrag van f 9.22-1/2, zegge negen gulden en twee en twintig en een
+halve cent bijeen. Nu denkt ge alweer aan de zilveren jardinière, of de
+250 oestervorkjes...
+
+Neen, lezer, dat hebt ge nu eens lekker mis! Geen stomme jardinière, en
+geen doodgewone oestervorkjes, doch:
+
+ a. _een pendule voor schoorsteenmantel_,
+ b. _een dito zijstuk_,
+ c. _een dito dito_.
+ d. _een (ietwat gehavend) borstbeeld van Boerhaave op voetstuk_.
+ e. _twee schilderijen_.
+ f. _een doosje met opschrift: »Souvenir du Caire«_.
+
+(dit laatste luxe voorwerp voorzien van een niet onkunstig uitgevoerde
+voorstelling van het Casino met omgeving.)
+
+»Nou«,--zeide Marinus, die de aankoop had gedaan, met kwalijk verholen
+fierheid--»nou zèg, dat is nogges een kedo, waarvan ze op derlui kop
+zullen gaan staan fan de lol, wàtte?«
+
+Wat dan ook--naar men zegt--plaats heeft gehad.
+
+ * * * * *
+
+N.B. Nadere berichten melden, dat het huwelijk niet doorgegaan is, ja,
+dat de huwelijksplannen gefingeerd waren.
+
+Dit zal u het feit verklaarbaar maken, dat de geschenken momenteel
+vertoeven in den gemeentelijken Lombard.
+
+
+
+
+XI.
+
+
+_Beroeps-risico._
+
+Het was maar een héél kort, bescheiden berichtje, dat dezer dagen in
+de Vaderlandsche pers gecirculeerd heeft, doch het was er een dat mij,
+en velen met mij, vervuld heeft met innige dankbaarheid jegens onzen
+goedertieren superieuren. In het kort kwam het hier op neer, dat het
+legerbestuur een commissie afgevaardigd heeft naar een tentoonstelling
+te Düsseldorf waar--naar men mij vertelt--allerlei nuttigs en
+merkwaardigs te zien zal zijn op het gebied van kunstarmen, kunstbeenen,
+glazen oogen, houten neuzen en diergelijken. Het gemoed schiet mij vol
+bij de gedachte aan deze voorzorgen, genomen in een tijd, dat gelukkig
+ieder Nederlandsch soldaat nog in het bezit is van een volledig stel
+lichaamsdeelen en organen. Vooral de pers der centralen is sterk in het
+verspreiden van berichten en foto's betreffende handige verminkten;
+zelfs in de cinematograaf ziet men wedloopen van éénbeenigen, en
+handenarbeid, verricht door éénarmigen. Het komt mij voor, dat minder
+opgeblazen en reclame-achtige arbeid in deze richting méér sympathie
+verdienen zou.
+
+Aan den anderen kant is de risico, aan ons beroep verbonden, een al
+te weinig onder het oog geziene factor. Dit komt door de duizenderlei
+voorzorgen, waarmede de soldaat in vredestijd zich omringd ziet, als
+daar zijn: watjes in de ooren bij schietoefeningen, overjassen aan bij
+regenweer en gedwongen bedlegerigheid bij verkoudheden. Hoeveel mannen
+zijn er, die ongaarne in een boom klimmen, of in een molenwiek, om te
+observeeren?
+
+Een ken ik er, die nu reeds maandenlang iederen morgen het hospitaal
+bezoekt, om daar een soort neusgat-verwijdings-kuur te ondergaan,
+waaraan in het »burgerleven« de gedachte niet bij hem zou zijn
+opgekomen.
+
+Een marsch bij regenweer wordt afgelast, terwijl een jachtpartij onder
+dezelfde omstandigheden ongetwijfeld door zou gaan.
+
+Hoe kortzichtig zijn wij soldaten, die in onzen binnenzak het boekje
+met roode-kruis bepalingen dragen, om onze hals het identiteitsplaatje
+en in het tuniekzakje de verbandpakjes....
+
+En nu kunt ge me duizendmaal een onkieschen cynicus noemen, of een
+smakeloozen beer, maar ik zeg het tòch! Ik zou het willen toeroepen
+aan de boerenkinkels, die in uniform 's avonds tierend langs den weg
+zwaaien, en aan de onverschillige pummels, die slapen in het gras: dat
+ze soldaten zijn, en dat er iets ernstigs bestaat, dat beroeps-risico
+heet.
+
+Hebben wij het zelf niet één dag gevoeld, dien eersten mobilisatiedag,
+toen, ieder naar zijn aard, ingetogen of luidruchtig-zenuwachtig, zijns
+weegs ging, en zich _soldaat_ gevoelde?
+
+[Illustratie]
+
+ * * * * *
+
+
+_Het vakblad._
+
+Gij allen, die uitgesloten zijt van ons groot organiek verband, gij hebt
+ook uwe vakbladen. Wij hebben het ònze, in de _Soldaten courant_, die,
+òndanks Kleerekooper, door gaat met het publiceeren van berichten uit
+het _Handelsblad_ en verzen uit de cantine.
+
+Ons vakblad heeft dit gemeen met andere vakbladen, dat wij het pas
+lezen, wanneer er broodjes in verpakt geweest zijn. 's Morgens, wanneer
+wij naar ons werk gaan, op de hei, of in de schietloodsen, dan schaffen
+wij ons voor 1 cent het vakblad aan, en wikkelen daarin eenige
+consumptie.
+
+Pas wanneer deze genoten is, gaan wij de met margarine bevlekte
+drukregelen lezen.
+
+»Daarom«--zegt Kees--»moste ze die zwarte plaatjes d'r uit late--dat
+geeft maar vuile inkt-rommel an je brood.«
+
+Intusschen wordt de poëzie, die zeer door dit blad wordt aangemoedigd,
+om niet te zeggen veredeld, in ruimen kring gewaardeerd. Afscheidszangen
+aan korporaals zijn schering en inslag, zooals:
+
+ Korporaal Verbeek gaat ons verlaten
+ hij deelde lief en leed met ons een jaar
+ en was zeer goed voor zijn soldaten,
+ het ga' hem goed, roept onze vriendenschaar.
+ De jongens van de escouade
+ wenschen hem voorspoed op al zijn paden.
+
+Dezer dagen heeft de Commissie tot het verkrijgen van een goeden tekst
+op de muziek van de defileermarsch »_Turf in je ransel_« voor de zware
+taak gestaan een keuze te moeten doen uit eenige honderden inzendingen.
+Zij is geslaagd in de keuze, en heeft bovendien consolatie- en tweede
+prijzen gegeven. Waarom was »_Turf in je ransel_« niet goed? Wanneer het
+zoo door gaat, komt er weer een commissie voor »_Op de hei daar zal ik
+je dondere_« of »_Sergeant ze gooie met steene_,« en een voor »_de
+tentcommandant is dronke_.«
+
+ * * * * *
+
+
+_Alweer de militaire groet._
+
+Goede lezer, het schaamrood overvloeit mijne kaken, nu ik u een
+bekentenis moet gaan doen: men heeft mij bestraft, bestraft wegens het
+niet groeten van een meerdere in rang.
+
+Ik wil mij niet verontschuldigen... ik heb gezondigd en geboet... ik ben
+nu quitte met de gerechtigheid.
+
+Het was een afschuwelijk moment, en bij de herinnering aan het geval, en
+aan tante Alida, die er bij tegenwoordig was, krijg ik weer congestieve
+gewaarwordingen van ontzetting.
+
+Tante Alida had het middagmaal ten onzent genoten, en, tegen half tien,
+maakte ik mij op haar tot hare nabijgelegen woning te geleiden. Onderweg
+werden wij door een onverwachten regenbui overvallen, en ik haastte mij,
+tante's regenscherm in staat van actie te brengen. Op hetzelfde moment,
+dat het haakje over de pal knipte, klonk een luid, bevelend geschreeuw
+achter ons. Tante, die geenerlei relaties met schreeuwende lieden
+op straat pleegt te onderhouden, maakte geen aanstalten, om den
+voortbrenger van het geroep te zien, en ik zelve, die evenmin
+aangetrokken word door straatrumoer of relletjes, stapte beminnelijk
+koutend naast haar voort.
+
+Totdat--op eens--(bij de herinnering word ik aschgrauw in 't
+aangezicht), een niet al te zindelijke hand mijn overjas van achteren
+beroerde. Denkend aan mogelijke zakken-rollerijen, wendde ik mij
+energiek om... doch wankelde.
+
+Daar stond een meerdere, een sergeant, houdend in de linkerhand een
+soort slagersboekje, in de rechter een afgekloven potloodstompje, en
+zijn mond sprak toornig: »Wie bin je?«
+
+Ik haastte mij te informeeren naar de bron zijner belangstelling, maar
+reeds had tante Alida, hoewel sidderend, mij, en ook haarzelve, den
+schrikkelijke bekend gemaakt, wellicht in de hoop hem daarmede milder te
+stemmen.
+
+[Illustratie]
+
+Toen tante echter bemerkte, dat onze belager verzuimde hare beleefdheid
+te beantwoorden, door zich aan haar en mij voor te stellen, werd zij
+toornig.
+
+»Melis«, zeide zij, »laat ons voortgaan. Ik houd er niet van, op straat
+lastig gevallen te worden door... mannen«.
+
+»Ik ook niet, tante«, deed ik deemoedig.
+
+Inmiddels had zich een dichte haag van nieuwsgierigen, den regen ten
+spijt, om ons verzameld.
+
+Met groote letters schreef de schrikkelijke in het boek: »Stoke,
+landstormplichtige, ...e Compie, .....e Reg....« en weer sprak zijn
+mond: »Je heb je meerdere niet gegroet«.
+
+Toen, alle moed waarover ik beschik verzamelend, zeide ik, dat ik hem
+niet gezien had, en verzweeg daarbij ridderlijk, dat Tante Alida's
+regenscherm de schuld aan alles droeg.
+
+Daarop, vreezende, dat tante's reputatie onder dit relletje te lijden
+zou hebben, drong ik haar en mij door de inmiddels aanzwellende
+menschen-zee, en wij verdwenen in een steeg...
+
+Tante Alida's reputatie was gered... ten koste van de mijne... want nu
+vermeldt mijn conduite-staat een straf van vier dagen kwartierarrest,
+wegens het niet groeten van een meerdere op den openbaren weg...
+
+Zal tante ooit weten, welke de Groote Daad geweest is van mijn
+militairen loopbaan...?
+
+Primus in orbe deos fecit timor...
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+TWEEDE GEDEELTE.
+
+TUSSCHENWOORD.
+
+VAN DEN BURGER, DIE MELIS-STOKE, LANDSTORMPLICHTIGE, GEWORDEN IS.
+
+
+Hier moet ik, geduldige lezer, mijn militaire-zelf ter zijde springen,
+en wel als burger.
+
+De zaak is, dat hijzelve zich schamen zou, de bekentenis te doen die ik,
+als civilist, zonder mij of hem te blameeren, te boek kan stellen.
+
+De landstormplichtige heeft zich, nadat hij acht-en-een-halve maand (den
+verplichten oefentijd) »onder de wapenen heeft doorgebracht,« eenigen
+tijd in het burger-leven teruggetrokken.
+
+Men achtte hem voorloopig voldoende bekwaamd in het wapenbedrijf, en hij
+toog huiswaarts.
+
+Onderweg, van de kazerne naar zijne woning, kwam hij reeds vagelijk en
+uitsluitend innerlijk met mij, zijn burgerlijk-zelf, in aanraking.
+
+Ik was verbaasd over de verandering, die in hem had plaatsgegrepen.
+
+Er was een zekere goedmoedigheid in de plaats getreden van de ietwat
+koele reserve, die hem voorheen kenmerkte. Hij sprak luid en lachte gul;
+hij keek met zekere ironie naar de reeksen fleschjes en doosjes op zijn
+toilet-tafel, en ergerde zich niet, toen hij zijn hond slapend aantrof
+op zijn hoofdkussen.
+
+»Dat zijn allemaal kleinigheden,« verklaarde hij, »de hoofdzaak is, dat
+je gezond bent.«
+
+Nog nooit had ik hem zulk een gemeenplaats hooren bezigen; hij scheen
+dat te voelen, en legde zijn hand op mijn hart, terwijl hij me ernstig
+toevoegde:
+
+»Mijn waarde, het is een kenmerkend verschil, tusschen de beschaafde en
+onbeschaafde klassen, dat deze gemeenplaatsen als zoodanig voelen en
+begrijpen, terwijl gene langs allerlei vreemde omwegen tot die simpele
+waarheden moeten terugkeeren! Waarom dan niet direct de gemeenplaats in
+al haar consequenties aangenomen?«
+
+Hiertegen wist ik niets in te brengen.
+
+Vervolgens ontkleedde zich mijn militaire-ik, stapte in een
+ongeparfumeerd bad, en schoor zich daarna; ik merkte op dat hij niet,
+zooals vroeger, na het scheren zijn gezicht insmeerde met vinaigre en
+drie verschillende evenzeer geurige zalfjes.
+
+Na een korte aarzeling schoot hij een mij toebehoorende zéphir pijama
+aan, en ging te bed.
+
+Den morgen daarna, toen ik ontwaakte, wist ik, dat mijn militaire-zelf
+in mijn burger-ik was opgelost.
+
+In langen tijd had ik mij niet zoo wèl gevoeld.
+
+Om zeven uur stond ik op, en om halftien was ik, in een eenvoudig pak,
+en zonder button-hole of lichte slob-kousen onderweg naar mijne
+bezigheden.
+
+Dat leven duurde een maand.
+
+ * * * * *
+
+Na een maand stond ik weer laat op, droeg weer een button-hole en lichte
+slobkousen.
+
+Na drie maanden herinnerde ik mij nauwelijks nog de sociale gevoelens
+van mijn militaire-ik.
+
+Ik zweeg halsstarrig, wanneer iemand achter-op-de-tram mij toesprak, of
+als mijn kapper zei, dat het mooi weer was.
+
+Eens, toen ik Gerrit ontmoette, groette ik hem met meer welwillendheid
+dan gevoelens van vriendschap. Kogelfleschjes, Quatta-reepen en
+Cats-boonen waren nog slechts vergeefelijke jeugdfouten in mijne
+oogen, en Zondags in het Concertgebouw herinnerde ik mij nauwelijks de
+aangename uren, die mijn militaire-ik daar eenmaal met zijne kameraden
+gesleten had.
+
+Zelfs ondervond ik niet meer het genoegen van de vroegere meerderen van
+mijn dubbel-ik te kunnen negeeren. Ik zàg ze niet meer...
+
+Het lag àchter mij als een droom; ik leefde weer in koele
+maatschappelijkheid, zooals de reiziger, die de luchtige hoogten van een
+Alpenpas bereikt heeft, en niet meer achter zich ziet naar het warme
+Italiaansche land...
+
+De koele wind der maatschappelijke kronkelpassen woei mij om de ooren,
+en in dien wind stak ik mijn gecultiveerde civiele neus...
+
+Toen kwam de slag...
+
+De slag was een groot officieel papier, dat mij andermaal tot den
+werkelijken dienst opriep.
+
+Toen ik den brief gelezen had, stond ik tegenover mijn lang vergeten
+militaire-zelf, zooals een eerbiedwaardig rechter zich gevoelt, wanneer
+plotseling een vergeten schuldeischer uit zijn studententijd zijn deftig
+studeervertrek binnentreedt...
+
+Ik kènde zijn gelaatstrekken nauwelijks meer, maar de herinnering bracht
+mij op dat oogenblik honderd realiteiten in de gedachte, die als
+onverbiddelijk harde hamers mijn net-gekapte hoofd troffen.
+
+En, vreemd, maar ik haatte mijn militaire-ik. Ik haatte mijn dubbel-ik,
+zooals men een afgedragen, vuil kleedingstuk haat, dat men vindt bij het
+opruimen van zijn garderobe.
+
+Ik snoof de geur op die uit den brief kwam, en het was me, alsof het de
+reuk van aardappelenwater, en soep en dwijlen en zeepsop was...
+
+Dien nacht sliep ik niet.
+
+Mijn militaire-ik sarde mij, zooals een opdringerige, onsmakelijke
+kennis iemand hinderen kan. Hij drong zich aan mij op, en strekte zijn
+viese, zwarte handen naar mij uit; hij fluisterde mij dingen in het oor
+over »marschen« en »wachtkloppen« en »kribben« en »aardappelen en
+uien«... en ik háátte hem.
+
+Den volgenden morgen kwam zijn oppasser, om het geweer van zolder te
+halen en te poetsen.
+
+Hij hield mij voor hem, en zeide vriendelijk goeden morgen; hij wist
+niet, hoe mijn burger-ik hem verfoeide en verachtte.
+
+Hij wist niet, dat daar iemand ànders voor hem stond, een trotsche en
+pretentieuse burger, en hij heeft niet begrepen, waarom ik hem op dat
+oogenblik niet, zooals vroeger, hartelijk de hand drukte....
+
+Ditmaal wisselden wij geen verstandige brieven, mijn militaire- en mijn
+burger-ik.
+
+Wij accepteerden elkanders hinderlijk gezelschap, zooals doodsvijanden,
+die toevallig in dezelfde spoorwegcoupé moeten reizen.
+
+Nog drie dagen gingen wij grimmig zwijgend naast elkander voort...
+
+Toen gaven wij elkander, noodgedwongen, de hand; maar mijn militaire-ik
+bleek, misschien wel door de macht der onverzettelijke omstandigheden,
+de sterkste.
+
+Op zekeren dag greep hij me bij den strot, en wierp mij verre van zich.
+
+Nog zag ik, hoe hij haastig wegsnelde, om zijn soldaten-pak weer aan te
+trekken....
+
+Toen wierp hij zijn ransel om, nam zijn geweer, en stopte zijn zakboek
+in den zak van zijn overjas. En hij ging met driftige, maar vastberaden
+stappen weg....
+
+
+
+
+VERVOLG VAN HET DAGBOEK VAN MELIS-STOKE.
+
+NIEUWE REEKS.
+
+
+_Januari 1917._
+
+
+
+
+I.
+
+
+_Het vertrek naar het »Winterkurort«._
+
+En hiermede, goedmoedige en geduldige lezer, vangt een nieuwe reeks
+veldzakboekbladen aan.
+
+Dit feit hebt gij te wijten en ik te danken aan de beschikking omtrent
+mij en mijne kornuiten door »_hoogerhand_« genomen; de beschikking, die
+ons eene in het burgerleven voor »bescheiden beurzen« nauwelijks
+denkbare luxe in het uitzicht stelt, nl. die van een _Winterkurort_.
+
+Een besluit, dat ons tot den werkelijken dienst terugroept.
+
+Ach, hoe weingen onder u beschikken over den tijd en de middelen om u
+een winterbuitenverblijf te veroorloven... wanneer ik dit bedenk, wensch
+ik bijna, dat gij in mijn plaats (derde klas vrij vervoer) naar
+_Klei-lust_ gaan kondet.
+
+[Illustratie]
+
+Om militaire redenen noem ik mijn bestemmingsplaats _Klei-lust_, hoewel
+ik, naar hetgeen men mij er van vertelt, even zoo goed de geografische
+schuilnamen: _Modder-_, _Stank-_, _Vee-_, _Slik-_ of _Boerenkool-lust_
+zoude hebben kunnen bezigen.
+
+Intusschen behaagt het mij, deze brieven met _Klei-lust_ te
+onderschrijven, welke naam trouwens reeds boven mijn schrijfpapier en op
+mijne visitekaartjes is gedrukt.
+
+Vooralsnog ben ik echter te Amsterdam, en bereid mij voor op de reis; ik
+bereid mij voor met ongeveer dezelfde vreugde als die, waarmede gij in
+vredestijd uw sweaters en pelsjasjes en mutsen te zamen zoekt om een
+Kerstvacantie in Grindelwald of Sint Moritz te gaan doorbrengen.
+
+_Mijn_ sneeuw, lezer, zal modder, _mijn_ hôtel een fort, en _mijn_
+Grindelwald _Klei-lust_ zijn.
+
+[Illustratie]
+
+Ik zoek dan ook niet zoozeer zaken bijeen, die mij van koude en sneeuw
+zullen kunnen vrijwaren, dan wel uitrustingstukken waarmede ik mij
+althans eenigszins zal kunnen wapenen tegen onaangename zaken, als daar
+zijn: spattend slik, springend ongedierte, een middelmatige keuken en
+een lakenloos nachtleger.
+
+Zoo ziet ge, dat mijn bagage er een van andere soort zal zijn dan de
+uwe, wanneer ge naar uw wintersport gaat. Ik--ook niet dom--combineer de
+Cresta-run met het Modderbad, drink heilzame wateren, eet bruin brood,
+en wandel bij muziek (militaire)... en dit alles onder den rook van
+Amsterdam, met vrij vervoer, en met eene bezoldiging van twintig cent
+per dag!
+
+Haha, lezer! Ik zie afgunst in uwe oogen! Gij zult den heelen winter in
+Amsterdam zijn om u te laten plukken op liefdadigheids-bazars, om
+eetverplichtingen na te komen, en digestie-visites te maken....
+
+En ik ga den heelen winter naar buiten.
+
+Dit bedenkende, ga ik met dubbelen ijver voort met het pakken van mijn
+dressing-case.... of liever ransel; ik stapel pakjes zeep en blikken
+corned-beef op doozen insecten-poeder, en van tijd tot tijd werpt een
+vriendelijke hand een worst of een zijde spek tusschen de tot inpakken
+gereed liggende laarzen en lijfgoederen.
+
+»Zult ge,« vraagt tante Adolphine, »vriendelijk tegen uwe meerderen
+zijn? Wie houdt nu zulk een fort schoon, waar zoovele jongelui bijeen
+zijn? Is er een portier, die uwe brieven en boodschappen aanneemt?«
+
+Ik verzeker haar, dat mijne meerderen zich niet over hondschheid
+mijnerzijds te beklagen zullen hebben, dat een tiental schoonmaaksters
+en huisknechten mij en »de andere jongelui« keurig zullen verzorgen, en
+dat een rijk gegalonneerde portier steeds bij de fortbrug gereed staat
+om, natuurlijk tegen eene kleine belooning, brieven, boodschappen en
+handkoffers aan te nemen.
+
+[Illustratie]
+
+Tante Adolphine is gerust gesteld, en zij biedt mij haar auto aan, om
+daarin naar het fort te rijden.
+
+Indien het eenigszins mogelijk is, zal ik dat aanbod aanvaarden.
+
+Wanneer?
+
+Lezer, wanneer dit schrijven onder uwe oogen komt, zal ik er reeds zijn.
+
+Het afscheid heeft plaats op hetzelfde oogenblik dat ik deze regelen
+schrijf.
+
+En, wanneer zij u, tot strengen lettervorm gevoegd, onder de oogen
+komen, dan zult gij niet weten, dat op deze plaats van het manuscript
+een dikke, zware traan gevallen is.
+
+Dat is het geheim van den zetter en mij, nietwaar zetter?[G]
+
+[G] Noot van den zetter: »Jawèl! Wees gerust!«
+
+En, indien gij er toch achter mocht komen, dan wil ik hieraan toevoegen,
+dat het geen traan van zelfbeklag of weeklijkheid was, verre van dien.
+
+Het was een gelegenheidstraan!
+
+Zooeen van de soort, waarvan tante Adolphine er 10 à 11 storten zal op
+het oogenblik, dat ik, geheel toegerust, in haar auto zal wegrijden.
+
+Een afscheidstraan van Amsterdam, zooals iedere handelsreiziger er 365
+per jaar schreit.
+
+Want Amsterdam en hare behagelijke kazerne is mij zoo lief geraakt; men
+zegt wel eens, dat het hôtelleven iemand onhuiselijk maakt.
+
+Mijne ervaring is geheel tegengesteld aan dat begrip.
+
+[Illustratie]
+
+O! ik weet zeker, dat ik mij direct thuis en behagelijk zal gevoelen in
+Klei-lust... ik zal er een tuintje aanleggen, om tegen het volgend
+voorjaar elken morgen radijsjes aan het ontbijt, en 's avonds geregeld
+asperges aan het diner te hebben....
+
+Ik ga een kip houden, en snoeken visschen....
+
+En den geheelen winter exerceeren....
+
+Lezer, ik beloof u geregeld te zullen schrijven over mijn wintersport.
+
+Daar is tante Adolphine's chauffeur.... hij moet vragen of mijnheer zijn
+ski's en schaatsen mee wil nemen, en dat mijnheer zijn overschoenen niet
+vergeten moet.... Ik zal hem uitsturen om _nòg een doos insectenpoeier_
+te halen, en _een pakje B. Z. K. pruimtabak_....
+
+
+
+
+II.
+
+
+_De Aankomst._
+
+J'y suis... en ik zal er moeten blijven ook. Terstond na mijn aankomst,
+haastte ik mij, tante Adolphine van mijn voorloopig behouden-zijn op de
+hoogte te brengen, in ongeveer de volgende bewoordingen:
+
+ Klei-lust--Jan. 17.
+
+_Hooggeschatte Tante._
+
+Uw auto heeft mij snel, helaas àl te snel, naar mijn Winterkurort
+gebracht. Om u maar direct de waarheid te zeggen: ik ben nog nooit in
+eenig hôtel zoo vreemd ontvangen. Het was, alsof ik allesbehalve welkom
+was, en een brutale indringer. Nu weet niemand zoo goed als gij, hoe
+weinig deze tocht met mijn persoonlijk initiatief uitstaande heeft,
+en hoezeer het voornemen er toe beïnfluenceerd werd door Hoogerhand.
+Desondanks gedroeg men zich jegens mij, zooals ik dat wel eens
+ondervonden had in hôtels, in de haute saison, wanneer ik weinig bagage
+had, of mijn komst niet telegrafisch vooruit gemeld had.
+
+[Illustratie]
+
+Het vreemde is, dat in dit geval een telegram mij vooruit gegaan was,
+dat ik bagage had (een kist van de kleur en afmetingen eener gemiddelde
+salon-pianino-met-pianola-aanbouw) en dat het seizoen het goede niet
+is... de wintersport is uit, en de sneeuw is versmolten tot kwalijk
+riekende, vette teel-aarde. En tòch, tante, ontving men mij als een
+indringer.
+
+Licht blozend om het pijnlijke dier situatie, volgde ik een
+chasseur-à-pied naar het rez-de-chaussée-vertrek, dat ik met een
+twintigtal andere logeergasten deel.
+
+Het was er duister, want het eenige venster was zoo groot als een
+»Palthe-doos,« en bovendien ten halve gesloten.
+
+Intusschen bleek mij aanstonds, dat mijne twintig adsp. kamermakkers
+zich reeds zoozeer geassimileerd hadden aan deze nooddruftige
+toestanden, dat zij blijkbaar kans gezien hadden, met hun twintigen mijn
+aankomst door deze halve palthe doos te bespieden.
+
+Tenminste, zij riepen, doelende op uw fraaie limousine, als in koor
+»heijeveelgeldmeegebracht?«
+
+Ik begreep dien kreet niet aanstonds, maar, instede van hem zoo
+phonetisch-juist mogelijk te herhalen, vraagde ik: »pardon?«
+
+[Illustratie]
+
+Weer riepen zij, nu duidelijker accentueerend:
+
+»Hei-je-veel-geld-meê-gebracht?«
+
+Der waarheid getrouw haastte ik mij te antwoorden:
+
+»Twee-gulde-vijf-en-zestig-cente, een zilverbon en twee pietjes.« Op
+dat oogenblik bedacht ik, dat de Amerikaansche tol-beambten dezelfde,
+oppervlakkig ietwat onbescheiden lijkende, vraag aan vreemdelingen
+plegen te stellen.
+
+Reeds tastte ik naar mijn beursje, om mijne bewering waar te maken, toen
+een der vriendelijkste heeren zich ten halve van zijn bed verhief, en
+riep: »Wat mot je!«
+
+Iet of wat stotterend zeide ik, met een lichte buiging: »Mijn naam is
+Stoke.«
+
+Hij lachte honend, alsof ik gezegd had: »mijn tante heet Adolphine,« en
+gaf toen van zijn geringe belangstelling blijk, met de woorden:
+
+»Kamme niks verdomme, wat mòt je?«
+
+Toen zocht ik eenige oogenblikken naar een populaire uitdrukking,
+teneinde hem van repliek te kunnen dienen, en vond er inderdaad eene,
+die ik met een gelaat, stralend van zelfvoldoening, uitsprak:
+
+»Had je me maar!«
+
+Hoewel dit antwoord evenmin voor snedig als voor buitengemeen passend
+kon doorgaan, bracht het mij eenige sympathie van de zijde mijner
+makkers, en reeds stonden wij op het punt gezamenlijk een lied aan te
+heffen, toen de verbroederingsdroom wreedelijk verstoord werd door een
+superieur, die mij naar een ander vertrek voerde, dit hebbende twéé
+palthe-doozen en een nis aan de achterzijde, en dat bestemd bleek voor
+mij en een twintigtal andere krijgsknechten.
+
+[Illustratie]
+
+Ik zal u niet vermoeien, tante, met de geschiedenis der nieuwe
+kennismaking, of met de omschrijving der geuren, waarmede de atmosfeer
+dezer bij uitstek kleine ruimte bezwangerd werd, en die opstegen uit een
+walmende pot met _haren_ (= zuurkool) en uit eenige andere wierookvaten
+en vaatwerken.
+
+Te middernacht lag ik te bed; de geuren waren als lauwe walmen om
+mij heen; wanneer ik het hoofd méér dan twee centimeters van het
+stroo-kussen ophief, bezeerde ik het aan de ijzeren matras van mijn
+bovenbuurman. Op de boot en in den trein is een bovenbuur in de cabin
+lastig, op een fort is hij onuitstaanbaar. Wanneer hij even woelt,
+kraakt de roestige kribbe verdacht, en een wolk van stof en stroohalmen
+daalt op den argeloozen beneden-man. Het werd één uur.
+
+Men walmde, kraakte, nieste, snorkte en riekte.
+
+Het was, alsof het bovenbed langzaam dalen ging, om mij te verpletteren;
+ik was koortsig en benauwd. De stroohalmen kietelden mij... en men
+bleef walmen en snorken. Toen, tante, draaide ik mij om... en ziet, de
+natuur kwam mij troosten.
+
+Door een der geopende palthe-doozen ontwaarde ik een vaag landschap: wat
+wazige boom-silhouetten tegen een bewolkten nachthemel, waardoor het
+maanlicht vreemde schaduwen en lichtvlekken deed drijven. Nu en dan
+liet een wolk een stukje donkeren nachthemel vrij, met een troostend
+sterretje erin: ik moest denken aan de taart mijner kinderverjaardagen,
+waarvan _een-stuk-met-een-kersje_ hèt ideaal was...
+
+De nachthemel zag er zoo frisch uit... maar zoo vèr. Maar hij gaf mij de
+illussie van _buiten_-te-zijn. »_Ik ben buiten_« herhaalde ik een paar
+malen bij mijzelven:
+
+_Ik woon nu heerlijk buiten..._
+
+En met die troostende gedachte, sliep ik, walm en nies en snork ten
+spijt, rustig en berustend in...
+
+ * * * * *
+
+
+_Aardappel-practijk._
+
+Lezer hebt ge wel eens een _aardappel_ gezien? Neen, ik meen
+nu geen pommes-frites, of pommes-paille; ik bedoel zelfs niet de
+pommes-de-terre-en-robe-de-chambre, die ge als natuurgerecht met
+rustieke fierheid op uw tafel doet brengen; dit zijn altemaal
+degeneraties van _het begrip aardappel_.
+
+Ik meen een _aardappel_, geen gekookte of gebakken luxe-aardappel,
+en geen verwijfd-reine aardappel, zooals die in een kelderkist ligt,
+maar een doodgewone aardappel.
+
+Ziet, daar staat ge nu!
+
+Een aardappel, luister nu, is in den natuurlijken staat een _bonk klei_;
+wanneer ge met een vlijmscherp pennemes de omgevende humuslaag
+voorzichtig verwijdert, stoot ge op de aardvrucht zelve; deze heeft de
+grootte van een gemiddelde rose oliebol!
+
+Van zulke aardappelen, lezer, maak ik er iederen morgen vijf of zes, al
+naar men mij daarvoor één of anderhalf uur den tijd geeft, voor de
+consumptie gereed.
+
+Des morgens drijft men mij en mijne kameraden naar een houten loods,
+die tot opslagplaats van landbouw- en oorlogsmateriaal dient, te
+oordeelen naar eenige spaden, eggen en --------[H], die daar opgeslagen
+staan.
+
+[H] Door den censor geschrapt.
+
+In deze loods dan, werden wij te hoop gedreven, en zullen wij in den
+vervolge iederen morgen te hoop gedreven worden, om aardappelen te
+jassen.
+
+Jassen is een kunst.
+
+Men _schilt_ een appel, _pelt_ een sinaasappel, doch _jast_ een
+aardappel.
+
+Ook ik jaste.
+
+Daartoe deed ik, zooals mijne kameraden deden; nam plaats op een lage
+tabouret, scherpte het overigens reeds vlijmscherp pennemes aan den
+schoenzool... en... jaste.
+
+[Illustratie]
+
+Ik jaste voorzichtig, en slaagde er in, in anderhalf uur tijds vijf
+aardappelen, te weten: 2 groote, één middelsoort, en 2 kleinere, in
+blanke vruchten te doen verkeeren.
+
+Aanvankelijk ondervond ik eenigen tegenslag; uit de eerste aardappel,
+die ik kerfde, kwam iets te voorschijn: het was een zesvoetig insect,
+dat zich bliksemsnel verwijderde in de richting van mijn jassende hand.
+
+Ik slaakte een gil, en liet de vrucht vallen; deze spatte uiteen op een
+stuk veldgeschut, dat daar toevallig stond, en danig bevuild geraakte.
+
+»Kààk uit!« snauwde zekere _Uiltjesbroekersma_, een Fries, die naast mij
+jaste: »ik zal je het fort naar je hoofd gooie!« Aangezien het fort te
+Kleilust groot en zwaar is, verbeet ik mijn woede, en greep een nieuwe
+aardappel.
+
+Ditmaal was het een werkelijk buitengemeen groot exemplaar, omgeven
+door een dikken humuslaag. Na deze voorzichtig verwijderd te hebben,
+sneed ik, zuinigheidshalve, in dunne vliesjes de schil weg, want ik
+herinnerde mij, dat een aardappel vlàk ónder de schil het voedzaamst is.
+Er bleef, na een half uur jassens, een groote blanke vrucht over; maar
+deze staarde mij uit zoovele lodderige oogen droevig aan, dat ik besloot
+de enucleatie toe te gaan passen, m.a.w. al deze oogen uit hunne kassen
+te verwijderen. Na een ander half uur opereerens, staarde ik op een
+vreemd gevormde vrucht, vol diepe en ledige, netjes schoongekrabde
+oogkassen.
+
+[Illustratie]
+
+Maar, het mocht dan drie kwartieren arbeids vertegenwoordigen, het was
+een prima consumptie-aardappel; wel niet om van te watertanden (er waren
+duidelijk zichtbare afdrukken op van mijn vettig-zwarte vingers, dit
+kwam door het stuk geschut, dat ik getracht had te reinigen), maar dan
+toch een prima aardappel.
+
+»Nou?« zei ik fier tot den naast mij zittenden man, die
+_Uiltjesbroekersma_ heette, en een Fries was,--»nou? Had je me maar?« Ik
+lachte populair.
+
+Maar hij haalde minachtend de schouders, en smaalde: »Snij em es door!«
+
+Ik sneed de consumptie-aardappel door.
+
+Deze bleek van binnen verrot.
+
+Alle arbeid was tevergeefs geweest...
+
+Zoo zult ge het slechts kunnen waardeeren, dat ik nog de wilskracht
+bezat, kort achtereen, één middelsoort- en twee kleine aardappelen te
+jassen.
+
+Ook mijne vrienden namen nieuwe aardappelen ter hand, en, onder het werk
+zongen wij ... de _Internationale_.
+
+»Hou je bekke!« riep de sergeant.
+
+Toen hieven wij, schoon verschrikt, het altijd zoo aardige lied aan van:
+
+ »_Weet je al van kóóóóssie_«
+
+en daarna het onschuldige:
+
+ »»_Bai-Bai demoer_«,
+ »_Me zuster zit voor de piáááno!_«
+
+dat feitelijk beduidt:
+
+ »_Bébé d'amour_«.
+
+Dit vertelde mij mijn buurman, zekere _Uiltjesbroekersma_, geboortig uit
+Friesland.
+
+
+
+
+III.
+
+ Kleilust, Jan. 1917.
+
+
+_Reizen en Passen._
+
+Goede burgers! Ge hebt allen gesidderd bij het vernemen der
+formaliteiten, waaraan ieder, die zich naar het buitenland wil
+begeven, zich heeft te onderwerpen. Achter op lijn 2 hebt ge tegen uw
+medereiziger gezegd: »dat dat voorloopig nog wel zoo blijven zal, ook nà
+den oorlog.« En daarna hebt ge gezamenlijk, tot schrik en verbazing van
+den conducteur en den trammenden slagersknecht, anecdoten opgehaald van
+arrestaties aan de Russische grenzen, en over beroepspassenvervalschers
+in Griekenland en Siberië....
+
+[Illustratie]
+
+Onwetende burgers! Ge kent niet het verschrikkelijke van een
+_binnen_landsche reis. Ge weet niet, aan welke gevaren en bezoekingen
+een reizende soldaat in uniform, zelfs een in burgerkleeren, bloot staat
+tusschen Utrecht en Amsterdam of aan de stations te Rotterdam en te
+'s-Gravenhage.
+
+Overal staat men gereed om zijne passen te visiteeren en zijn
+legitimatie te eischen, aan ieder loket weigert men hem een kaartje,
+wanneer hij niet bewijzen kan, dat hij er een koopen màg.
+
+Zoo zijn de loerende kameraden en meerderen, op Vaderlandschen bodem hem
+vaak noodlottiger, dan Russische grens-ambtenaren het een reizenden jood
+of nihilist, Grieksche contra-spionnen het een voortvluchtigen spion
+zijn...
+
+Let eens op, wanneer ge aan een groot station door de contrôle snelt,
+om nog een taxi te vinden, buiten; let eens op, en bemerk de daar
+posteerende militairen, die tusschen den stroom der burgers op uniformen
+loeren! Zie dan, hoe gretig zij elken soldaat om pas en legitimatie
+vragen, en, wanneer ge er een kwartiertje voor over hebt zult ge
+bemerken, dat er daar in dat tijdsverloop méér worden gevat en
+teruggezonden, dan zulks aan de Russische grenzen in een half jaar
+geschiedt.
+
+[Illustratie]
+
+Rijd eens langs de wegen, die het verdedigde platteland met de stad
+verbinden; ge zult daarlangs des avonds heele optochten van fietsende
+soldaten zien. Zij mògen weg van hun forten, maar, zelfs voor hun eigen
+kosten, mogen ze niet per trein reizen. Die menschen hebben er dagelijks
+eenige uren fietsens voor over, om hun gezin even te bezoeken.
+
+Dit alles, goede burgers, heeft een doel.
+
+Dat doel is, dat gij voldoende steenkolen zult overhouden, om uwe
+kachels te stoken, om electrisch licht te hebben, om te trammen, en
+om--zij het dan ook slechts tot middernacht,--in verlichte koffiehuizen
+te kunnen zitten.
+
+Alles heeft zijn prijs.
+
+Ge kunt reizen, zooveel ge wilt, en zònder passen-ellende. Wij,
+soldaten, kunnen van tijd tot tijd reizen, en dan nog slechts op vertoon
+van een pas.
+
+Zoo sparen de spoorwegmaatschappijen kolen.
+
+Alles heeft zijn prijs.
+
+Immers, wanneer het verlangen naar huis eens een dag héél sterk in ons
+is, dan pompen wij onzen achterband op, en fietsen een uur of wat, en,
+indien wij wèl een gezin, maar geen rijwiel kunnen houden, nu, dan
+slikken wij ons verlangen maar in, en houden het oog gevestigd op het
+maandelijksch verlof.
+
+Want er is kolen-nood.
+
+Ja, ja: _pourvu qu'ils tiennent, les civils!!_
+
+ * * * * *
+
+
+_De film van Leger en Vloot._
+
+Wanneer ik een winkel had, zeide _Gerrit_, en ik bang was voor mijn
+concurrenten, dan zou ik het volgende doen: Ik huurde een groot huis,
+met veel étalage-kasten. In die étalage-kasten zette ik àllen voorraad
+dien ik had. De winkel zelf bleef ledig; alleen moesten er een paar
+vroolijk uitziende winkeljuffrouwen rondloopen. Ik zelf hing een zware
+horlogeketting op mijn buikje, en antwoordde iedereen, die iets anders
+wenschte, dan in de uitstalling lag: »het is uitverkocht maar reeds
+na-besteld!«
+
+Zoo'n winkel is de Leger- en Vlootfilm. Het is een étalage, en binnen
+loopen soldaten met vroolijke gezichten.
+
+»Ik wist niet, dat we zooveel paardenvolk hadden«, zei een juffrouw
+naast me, toen ze _de_ cavalerie-brigade voorgesteld zag als _eenige
+regimenten cavalerie_.
+
+Toen de torpedobooten voorbij-joegen, maakte ze geluiden van ontzag: op
+het juiste oogenblik verduisterde het beeld, om een nieuw te doen
+verschijnen.
+
+De duikboot herinnerde aan _de_ zakdoek van het verarmde adellijke
+geslacht.
+
+_De_ munitie-fabriek werd als _een_ munitie-fabriek met zwierige
+nonchalance aangekondigd.
+
+De afdeeling luchtvaart was een sport-evenement, het
+anti-aircraftgeschut een surprise, en de 12-cm.-lang-batterij een min of
+meer geslaagde aardigheid.
+
+Maar wat goed was, dat waren _wij_. Wij tirailleerden in de duinen, dat
+het zoo-maar niets leek, wij zwommen en turnden en fietsten, zooals wij
+inderdaad allen doen. Wij marcheerden in dubbele-marsch-colonne over de
+hei, alsof er geen gaten en struiken waren, en men juichte ons toe, toen
+wij, over hekken en sloten jagend, een spoorwegdijk bezetten.
+
+Opeens herkende ik Ari, die naar het veldleger vertrokken is. Hij stond
+op een pontonbrug, schuin achter een divisie-commandant, en ik zag hem
+zoo vlak in zijn gezicht, dat ik moeite had niet luidkeels uit, te
+roepen:
+
+[Illustratie]
+
+»Hoi, kameraad! Amodjô!«
+
+Ari keek zoo glunder, alsof hij mij erkende, maar de divisie-commandant
+stond er bij, dus hij kon niets doen.
+
+Plotseling maakte Ari een dwaas gebaar, met zijn hand aan zijn veldmuts.
+
+Hemel--dacht ik bij mezelf--als die divisie-commandant eens omkeek!
+
+Ari greinsde, trotsch op zijn moed.
+
+De divisie-commandant had niets gezien, »gaf geen sjoege« zooals Ari en
+ik dat noemen, en rookte rustig een sigaar.
+
+Ari was gered! Branie was het tòch geweest.
+
+Toen ik er later nog eens over nadacht, kwam op eens een akelig gevoel
+in mij op: als die divisie-commandant eens naar de bioscope ging... en
+hij herkende Ari, die toch bij het veldleger is...
+
+Maar intusschen kwam er een verblijdend en geruststellend
+krantenbericht, dat luidde:
+
+ H. M. de Koningin heeft de Leger- en Vlootfilm gezien, en er Hare
+ Tevredenheid over Uitgesproken. H. M. werd gevolgd door...
+
+Toen kwamen er vele hooge heeren, waaronder ook de divisie-commandant.
+
+Maar de Koningin is Tevreden: dus Zij neemt het Ari niet kwalijk. Nou,
+dan kan die divisie-commandant óók niks zeggen!
+
+Ik zal Ari een briefje schrijven.
+
+Toch een branie, die Ari!
+
+ * * * * *
+
+
+_Bazar voor Leger en Vloot._
+
+Er is een tentoonstelling van de huisvlijtproducten, die wij in onze
+ledige uren maakten.
+
+Aardig denkbeeld! Wie er iets voor maakte, kreeg eenigen tijd vrij van
+dienst.
+
+U snapt, dat we allemaal aan 't werk gingen.
+
+Keesje maakte een Zeppelin van leege groentenblikken; hij sneed zich 14
+maal in de vingers, en het ding is bij 't vervoer uit elkaar gevallen.
+
+Daan wilde van zes afgekeurde helmen een berglandschap maken; maar,
+aangezien hij nooit een berglandschap gezien had, hield het kunstwerk,
+toen het gereed was, het midden tusschen een kudde dromedarissen en een
+Bedouïnen-dorp.
+
+Hein was heel geheimzinnig bezig, in een schuurtje; elken dag kreeg hij
+een standje op 't appèl, omdat hij telkens verscheen met roode verf op
+z'n uniform, en stijfsel in z'n haren.
+
+Eindelijk kwam hij op een dag trotsch de cantine binnenloopen.
+
+Hij zwoegde onder een torenhoog toestel, dat knalrood geverfd was. Toen
+hij het op tafel zette, viel er een stuk af; met een luiden bons viel
+het op den planken-vloer.
+
+Iedereen keek er naar. Hein wischte zich 't voorhoofd af, en raapte het
+stuk op.
+
+»De Westertoren?« vroeg er een.
+
+»Naatje van de Dam?« informeerde Daan.
+
+Hein haalde minachtend de schouders op.
+
+Iedereen raadde. Achtereenvolgens ging het voorwerp door voor: »een
+bloosend maissie«, »een kenon met bloed 'r an«, »Hein assie rooie kool
+gegéte het«, »de duvel«, en »Troelstra«.
+
+Het werd een kruisvuur van aanmerkingen op het voorwerp, en opmerkingen
+aan 't adres van Hein.
+
+Hij volhardde in z'n minachtende houding, wierp een vernietigenden blik
+om zich heen, en kwam toen naast me zitten.
+
+[Illustratie]
+
+»Weet je«--zeide hij vertrouwelijk, »'t is Mars, je weet wel, van de
+oorlog! Ik had er een plaatje van, maar ie lijkt niet erg! Ik heb oude
+broodjes opgespaard, maar die benne te hard, zie-je, je ken d'r geen
+vòrm in krijge«.
+
+En hij toonde mij een steenhard stukje »kug«, dat vol roode verf zat.
+
+Het was het stuk, dat er zooeven afgevallen was, en 't stelde blijkbaar
+Mars' linkerarm voor...
+
+Ach, waarom u verder te vermoeien, met de opsomming van alles, dat uit
+ons nijver handenspel ontstond.
+
+Gaat ze zien, de doosjes en vogelkooien en prenten en »huishoudelijke
+voorwerpen«; koop wat op de bazar, waar vriendelijke dames tentjes
+exploiteeren.
+
+»Laat ze d'r pret hebbe!« zegt, goedig, Daan.
+
+»La--me eerst es afwachte wat 'r van komt«, zegt Hein.
+
+En hij maakt een tel-gebaar met duim en wijsvinger.
+
+
+
+
+IV.
+
+ Kleilust, Jan. 1917.
+
+
+_Moeilijke Grondbeginselen._
+
+Wij allen wijden onze beste krachten aan het Vaderland.
+
+Goed!
+
+Wij worden soldaat.
+
+Best!
+
+Wij laten ons opleiden tot een rang.
+
+Uitstekend!
+
+Wij ontzien daartoe geen moeiten, en leeren alle reglementen en
+voorschriften.
+
+Natuurlijk!
+
+Ook willen wij wel aardappelen-jassen.
+
+Waarom ook niet?
+
+Maar, geef ons op dat laatste punt een béétje toe!
+
+Een béétje maar!
+
+Vergeef ons, indien wij eenige aardappelen minder ontbolsteren dan onze
+buurman, als wij daarvoor enkele voorschriften beter bestudeeren.
+
+Ach, ware dat zoo!
+
+Maar dezen morgen moest ik alweer ondervinden, dat een _man_ als
+zoodanig geen _individu_ is.
+
+Ondanks noesten ijver, geraakte ik met het aardappel-ontbolsteren
+achterop.
+
+Het blanke vleesch van nauwelijks veertien naakte vruchten schemerde aan
+mijn voet.
+
+»Kom _jij_ d'r es uit!« deed dreigend de sergeant.
+
+Ik gehoorzaamde.
+
+Aanstonds dirigeerde hij mij op een gelijkelijk moeilijk werk, doch dat
+van even weinig strategische waarde is, als het aardappeljassen.
+
+Hij voerde mij, nu dreigend zwijgend als een onweerslucht, naar... de
+keuken.
+
+Daar wachtte mij een zeer moeilijke arbeid.
+
+Deze bestond uit het reinigen van de eetketels van den vorigen dag.
+
+De herinnering alleen aan de pyramide van vette, nog ten deele met
+bruine boonen en gestold vet gevulde pannen, doet mijn hart nu nog
+tesamen trekken.
+
+Maar ook _dit_ grondbeginsel diende met lust beoefend te worden; de
+sergeantelijke hemel bleef dreigen...
+
+[Illustratie]
+
+Ik greep de eerste pan; als een gladde visch ontsnapte zij aan mijn
+hand, en plonsde in de bak met geel zeepwater. Weer onderdrukte ik een
+rilling.
+
+»Hoi, haalop!« riepen de koks, terwijl zij geheele reeksen vuile
+etenspannen gereed zetten.
+
+Met den moed der vertwijfeling wierp ik mijn tuniek uit, en stroopte de
+hemdsmouwen op.
+
+Een afschuwelijke walm van warm zeepwater, oud vet, en boonen omving
+mij.
+
+Ik trachtte te vergeten, dat ik nog vele reglementen te leeren had, en
+stortte mij op het besmeurde vaatwerk....
+
+Toen geschiedde er een wonder.
+
+Duidelijk hoorde ik een mannenstem zeggen:
+
+»Voor drie kwartjes doe ik het ook!«
+
+Lezer, het was geen angst voor de onafzienbare reeksen pannen, die mij
+deed opschrikken; veeleer was het een laaiende hoop, de hoop die dubbel
+machtiglijk opwelt, wanneer er al geen verwachting op uitkomst meer
+bestond.
+
+Wild drong ik door den nevel van vet en stoomwalm, en riep uit:
+
+»Wie sprak daar?«
+
+Het was een onoogelijk, klein mannetje, dat zeide: »Ikke!«
+
+Hadde hij niet eene vuile infanterie-uniform gedragen, dan zou ik hem
+voor een reddenden Kobold gehouden hebben.
+
+Met oneindige liefde in mijne oogen keek ik hem aan, en ik strekte twee
+dampend natte bloote zeepsoparmen tot hem uit.
+
+»Drie kwartjes?« herhaalde eenvoudig-weg de bovenaardsche verschijning.
+
+[Illustratie]
+
+»Drie kwartjes!« riep ik schier buiten mijzelf van vreugd.
+
+De bovenaardsche verschijning hield mij een modderzwarte hand voor. In
+minder dan géén tijd blonken er drie zilveren munten in.
+
+De Kobold wierp zijn tuniek uit, en verdween in de wolk van vet
+zeepwater.
+
+Hij was even geheimzinniglijk verdwenen als hij gekomen was.
+
+Ik snelde juichend weg, en greep een reglement.
+
+En ik leerde vele voorschriften, waaronder er echter geen was op het
+wasschen van vuile pannen.
+
+Dat zal ik ook wel nimmer leeren....
+
+Het is in het leven de kunst, de moeilijkheden te omzeilen, niet ze op
+te lossen.
+
+Want daartoe is altijd wel een ander bereid....
+
+... Voor drie kwarretjes....
+
+ * * * * *
+
+
+_Kè-je niet groete?_
+
+Deze vraag, burger, zal u wel zelden gesteld worden, en is zeker niet
+meer tot u gericht, sinds uw groentijd aan deze of gene hoogeschool.
+
+Mij werd zij dezen middag op het onverwachtst gedaan.
+
+Ik wandelde met zekeren goeden Bertus.
+
+»Dag Bertus,« riep een passeerende korporaal.
+
+»Besjoer!« riep Bertus.
+
+»Besjoer!« zei de korporaal weer, en ging naast Bertus loopen.
+
+Ik wandelde aan Bertus' andere zijde.
+
+Wij zwegen alle drie.
+
+Omdat ik mindere ben, en die korporaal een korporaal is, kon ik niet
+zeggen: »wie is die vent!«
+
+Intusschen werd dit onuitgesproken vraagstuk evenmin van Bertus' zijde,
+als van die des korporaals opgelost.
+
+Opeens begon de korporaal een geanimeerde conversatie door mij toe te
+voegen:
+
+»Kè je niet groete?«
+
+Blijkbaar kende hij zijn reglementen zeer goed.
+
+Intusschen overwoog ik, hoe ik mij op de meest geschikte wijze van dit
+vreemd en anoniem geleide zou kunnen ontdoen.
+
+Ik vond een eenvoudigen weg, in het uitspreken der woorden:
+
+»Dag Bertus!«
+
+Het afscheid was al niet veel minder zonderling dan de kennismaking.
+
+Met hetzelfde systematische superioriteitsbetoon herhaalde de korporaal:
+
+»Kè je niet groete?«
+
+Ook ditmaal logenstrafte ik deze veronderstelling.
+
+Dit is een vreemd geval.
+
+De vraag is: Kán een meerdere zich in het simpel particulier bestaan van
+een mindere dringen, en hem vervolgens op militaire wijze hard vallen?
+
+Ik ben maar een eenvoudig en ongegradueerd wandelaartje langs 's Heeren
+wegen.
+
+En ik smeek u, heeren korporalen, mij mijne wandelgenooten zelf te doen
+kiezen.
+
+Gaarne groet ik u op straat op de voorgeschreven wijze, gaarne volg ik u
+in het eerste dubbelrot.
+
+[Illustratie]
+
+Maar verschoont me in mijn vrijen tijd van uw hoog geleide, want:
+niemand kijkt naar een soldaat en lieve schoolmeisjes kijken naar een
+officier.
+
+Maar de soort vrouwen, die op straat het oog welgevallig op gele en
+gouden strepen doen rusten, vrees ik met de angst, die ik voor zeepsop
+en gestold vet koester.
+
+En, korporalen, uw glorie straalt teveel af op mijn simpele
+verschijning.
+
+Ook klinkt uw commando mij slechts dragelijk binnen de muren van het
+dienstgebouw.
+
+ * * * * *
+
+
+_Theorie en practijk._
+
+Weer zitten wij, leergierigen, verzameld om den kundigen sergeant.
+Buiten giert de wind langs de wanden van het fort. Het is een gure
+morgen, en, tesamenhokkend rondom een snorrende potkachel, genieten wij
+militair onderwijs.
+
+»Waarom,« vraagt de kundige sergeant, »verdedigen wij het Vaderland?«
+
+De sergeant doet niets, zonder te weten waarom hij het doet. Keesje
+droomt, dat de sergeant hèm aankijkt, en schrikt wakker.
+
+Met glazige oogen staart hij den sergeant aan, wiens houding inderdaad
+aanduidt, dat hij het patriotisch antwoord uit Keesjes mond wenscht te
+vernemen.
+
+Keesjes weet niet, waarover het gaat:
+
+»Omme, omme....« stamelt hij.
+
+Pijnlijke stilte.
+
+Opeens zegt Hein luid, en vol overtuiging:
+
+»Ja, de sersant het gelijk! Wáárom verdedigen wij het vaderland ook!«
+
+Keesje lacht dom met de anderen mee.
+
+Een stormvlaag veegt langs de deur; de les gaat voort. Het wordt ook
+_mijn_ beurt.
+
+»Wat zie jij, Stoke, als je een parlementair aan ziet komen?«
+
+»Een parlementeer ankomme!« zegt Daan.
+
+»Heet jij Stoke?« vraagt hem de sergeant.
+
+»Nee, uwes?« informeert Daan.
+
+[Illustratie]
+
+Intusschen herinner ik mij, dat Gijsbrecht van Aemstel, in de zooveelste
+acte van zijn treurspel een parlementair ontvangt.
+
+Ik moderniseer en parafraseer de scéne tusschen Gijsbrecht en den heer
+van Vooren (met den trompetter van achteren).
+
+Vondel heeft blijkbaar zijn theorie goed gekend.
+
+De kennis van zijn treurspel bezorgt mij een tot vreugde stemmend
+cijfer; de les gaat voort.
+
+Achtereenvolgens beschrijven wij nauwkeurig: »wat wij zou'en doen als:
+een vliegmachine vlak bij ons neerviel, een vijandelijke ruiter ons,
+onderscheidelijk stappend, dravend of galoppeerend naderde, een
+slagveld-roover onder onze oogen een lijk bestal, een vijandelijk
+soldaat ons als vrouw vermomd trachtte uit te hooren... als... als...
+als, ja, wat al niet!«
+
+»As de hemel naar benejen komt hebbe me allegaar 'n blauwe mus op!« zegt
+Daan.
+
+De anderen geven zonder onderscheid bloeddorstige antwoorden als: »'m
+voor z'n raap schiete«, »'m door z'n test paffe«, of »'m z'n vet geve
+dat ie 't niemeer over vertelt.«
+
+[Illustratie]
+
+Nu en dan geeft de sergeant een tactische terechtwijzing, maar, over het
+algemeen blijken wij onzen taak juist in te zien.
+
+Of wij intusschen de portée dezer bloeddorstige voornemens wel ten volle
+beseffen, wordt twijfelachtig, wanneer de veronderstellingen op meer
+persoonlijk terrein komen.
+
+»Wat doe je?« vraagt de onderwijzer aan Keesje, »als Daan naast je
+gewond wordt?«
+
+»Daan helpe!« zegt Kees.
+
+Wanneer het blijkt, dat hij dit niet dan op commando zal mogen doen,
+kijkt hij Daan droevig aan.
+
+»Ik ken Daan toch niet late verrèkke,« zegt hij eindelijk, »hij is toch
+óók 'n mensch!«
+
+»Je mag 'm alléén helpen op bevel van je meerdere!« zegt de onderwijzer.
+
+»Nou, Daan, dan weet je 'n 't,« zegt Kees baloorig, »je ken verrèkke!«
+
+Plotseling is de bloeddorstige stemming geweken.
+
+»'t Is mooi!« roept er een, »dus as er zoo'n arme donder naas je lig te
+bloeie, mag je 'n 'm geeneens meeneme?«
+
+»Ik ken geen bees' sien lije!« roep een ander--»là-staan 'n kammeraad!«
+
+»Al schiete ze Daan z'n beenen van z'n lijf, dan mag je nog niet de
+linie verlaten om 'm te helpen!«
+
+Nu schreeuwen ze allemaal door elkaar; de humanitaire gevoelens krijgen
+de overhand.
+
+Maar dan verzoekt de sergeant stilte.
+
+De les gaat voort.
+
+»Wat doe jij, Uiltjesbroekersma,--vraagt hij--als je buurman naast je
+gewond wordt, en je ligt in de tirailleurs-linie?«
+
+Uiltjesbroekersma wil z'n beurt niet bederven.
+
+»Ik laat 'm liggen!« zegt hij kordaat.
+
+Op de achterste bank klinkt gesis.
+
+»Straks za'k je krijge, buite, wacht maar!« fluistert Daan venijnig.
+
+»Heel goed,« zegt de sergeant.--»De volgende: Wat zou jij doen as«...
+
+Zoo passeeren allerlei veronderstelde situaties de revue.
+
+Men antwoordt.
+
+De antwoorden staan in boekjes; het gemoed zwijgt.
+
+Wat zouden wij doen als...
+
+Ja, lezer, wanneer we geen boekjes hebben, weten wij het niet!
+
+Is niet het levens-begrip zèlf een hypothese?...
+
+
+
+
+V.
+
+ Kleilust, 1 Februari.
+
+
+_Vorst._
+
+Nu is de klei bevrozen. Goddank! Want daardoor zijn alle onaangename
+eigenschappen van deze materie tot minima gereduceerd.
+
+Wat eenmaal vette, voeten-inzuigende en kwalijk-riekende terreinen
+waren, zijn nu steenharde vloeren; de drabbige slooten zijn versteend
+tot spiegelgladde verkeersaderen, en de ons immer zoo verraderlijk
+omkronkelende fortgracht is nu niets anders dan een volstrekt
+onbelangrijk ijsvlak.
+
+[Illustratie]
+
+Alles is bevrozen.
+
+De stroompjes vuil water, die van uit de keuken over de klinkers buiten
+uitvloeien, zijn plots in hun tragen gang gestolten tot vadzige
+viezigheid in ijsvorm.
+
+Men toont u nog ijsblokken rondom de sinds lang onbruikbare pomp; daar
+heeft, éven voor de schrikkelijke en plotse vorst, de laatste man zich
+kunnen wasschen.
+
+Nu is dat alles voorloopig onmogelijk; aan de punten der sokken, die wij
+te droogen hebben gehangen, vormen zich lange ijskegels.
+
+Gerrit breekt ze verstrooid af, en stopt ze in zijn mond.
+
+En het blijft vriezen.
+
+Toch is de ijspret al door het culminatiepunt.
+
+De vreugd steeg steil tot uitbundigheid, en daalde toen zoetekens weg,
+tot de hoogte waarop zij zich nu blijft handhaven.
+
+O, die eerste dag!
+
+Toen stoeiden de drie witte koks op het ijs, toen lag Teun op z'n buik,
+en prikte zich met twee blanke bajonetten vooruit. Toen sulden ze met
+stoelen en banken over het voorheen zoo onherbergzaam water, toen werden
+er bloedneuzen op- en sterren in het ijs gevallen.
+
+Daarop kregen ze den slag van voor drie jaar weer beet en dat bracht het
+feit mede, dat ze de fortgracht verlieten, om de naburige plassen en
+banen te gaan frequenteeren, waar de een zijn Keetje vond, en de andere
+zijn Hendrika of Gijsbertina, altemaal rood-wangige en worst-armige
+boerendochteren, die nog riepen: »kijkie nogeris om?« omdat
+»hadjememaar« nog niet tot ze was doorgedrongen.
+
+[Illustratie]
+
+Verscheidene dezer dochteren heetten vele koeien te bezitten en gansche
+kudden pluimvee, en er was een groote zwarte, die de allerrijkste was,
+en dus met niemand een baantje reed.
+
+Dat lag niet aan haar, ach neen, hare oogen waren even verlangend als
+die van anderen, en in hare roodbolle wangen tintelden minstens evenveel
+levenslust, als in die harer zusteren. Neen, de schuld lag veelal bij
+ons.
+
+Wij drongen te hoop, zoodat het ijs te dier plaatse vervaarlijk kraken
+ging, en wij wezen elkander de groote zwarte boerendochter aan: de een
+wist te vertellen van achttien zeugen, alle gereed tot biggen,--een
+ander fluisterde met ontzag iets van vier en twintig koeien en twee
+paarden....
+
+Wij watertandden, de snijdende koude ten spijt, en Kees prevelde gretig
+starend:
+
+»En wij krijge maar zóó'n stukkie vlees' bij de door-me-kaar.«
+
+De rijke boerendochter bleef alleen. En intusschen omzwierven haar heure
+armere zusteren, allen met branie--en--met soldaten, en in iedere hoek
+van de ijsbaan wist men weer nieuwe rijkdommen aan levende eetbaarheid
+te verluiden.
+
+ * * * * *
+
+Vervolgens strekte de hooge overheid hare goedertieren hand over de
+feestvreugd uit; zij arrangeerde een ijsfeest.
+
+Voor een feest zijn wedstrijden noodig, voor wedstrijden deelnemers, en
+voor deelnemers lokmiddelen.
+
+De lokmiddelen waren sommen gelds.
+
+Kees heeft er een veroverd en de overheid heeft hem die, met een woord
+van hulde, overhandigd.
+
+»Nu Kees«, zeide ik na afloop van de plechtigheid, »waart ge onder den
+indruk?«
+
+Hij keek me ironisch aan, en leek, den prijs in contanten ten spijt, wel
+ietwat verstoord.
+
+»Nu«, ging ik vroolijk voort, »heeft men u in 't zonnetje gezet?«
+
+»Och, zeide hij, het was een heele toespraak. Ik kon niet alles
+verstaan. Maar hij zei ook, dat ze in de grijze tijd op osseribbe rede,
+en nou op ijzers... wat gaat dat _mijn_ nou an... wat is dat nou voor 'n
+gezegde...!« En ongeduldig wendde hij zich af.
+
+ * * * * *
+
+Des morgens geeft men elkander, zij 't ook niet geheel gewasschen,
+rendez-vous op het ijs.
+
+Daar komt de grappige cantine-beheerder, die, wanneer men een
+schoenveter bij hem komt koopen, vraagt: »een linker of een rechter«;
+daar komt de boerenzoon uit de buurt, die voor een gering wekelijksch
+bedrag de afval van het fort opkoopt en daaronder een belangrijk
+percentage rekent van H. M.'s soldatenbroodjes, die hij in een zak weg
+draagt om er zijn vette volgevreten zwijnen meê te overvoederen; daar
+komen de correcte heeren-soldaten van het bureau of de telefoon; daar
+komen wij, simpele soldaten, die tenminste nog schaatsen bezitten of
+leenen, en daar komen ook de nog simpeler soldaten die niet eens
+schaatsen hebben, en die daarom maar sullen en stoeien, en onverhoeds op
+elkanders rug springen, of op die van een passeerenden kunstrijder.
+
+Waag dat maar eens op de Amsterdamsche IJsclub!
+
+ * * * * *
+
+Wanneer dames op het ijs komen, is de animo direct veel grooter. Het was
+op een middag, dat wij de eerste zagen verschijnen.
+
+Opeens was er groote aandacht. Allen staarden op de naderende figuur,
+zooals de leden eener zoölogische expeditie, op een exploratietocht in
+nimmer betreden binnenlanden een nieuw soort kangaroe zouden waarnemen.
+
+[Illustratie]
+
+Zij bewoog zich door het sneeuwlandschap, en naderde de ijsvlakte; aan
+den oever zette zij zich neer tusschen wuivend rietgewas, en keek om
+zich heen.
+
+Het was een circa 30-jarige boerin met zwarte kleeren en een zwarte
+hoed. Alles was zwart, en stak fel af tegen den witten bodem.
+
+Ademloos bleven wij staren, en opeens werd een smalle blanke strook
+zichtbaar; het was haar onderrok, en zij wilde blijkbaar haar schaatsen
+onderbinden.
+
+»Hoooòi, koeiéééé!« riep Kees.
+
+Zij bleef voorovergebogen zitten.
+
+Het duurde lang.
+
+Toen snelde ik opeens voorwaarts, vol ridderlijk besef, en, haar
+naderend, bood ik haar op even wellevende als zichtbaar onbaatzuchtige
+wijze, mijne diensten aan bij het vastsnoeren der riemen.
+
+Reeds knielde ik neer, om het blanke ijzer onder haar ietwat plompen
+laars te bevestigen.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik trof een geweldige slag mijn schedel, en een
+schelle stem riep:
+
+»Gà je heen, beroerde rotjonge!«
+
+Toen ik opkeek, begreep ik, dat zij mij met de nog losse schaats een
+slag op het hoofd had toegebracht, en tevens dat mijne diensten evenmin
+gewaardeerd als aanvaard werden.
+
+De dertigjarige, geheel zwarte boerin zat sidderend van woede vóór mij.
+
+Achter mij tierden de kameraden.
+
+De onheusche vrouw snelde kakelend den oever langs, als eene van haar
+nest verjaagde henne.
+
+Ik bleef duizelig achter; zij werd kleiner en kleiner, en was eindelijk
+nog slechts een zwarte stip in het blanke landschap...
+
+Lezer, leer hier uit, dat onze zorgvuldiglijk gecultiveerde zeden ons
+op het land zedeloos doen schijnen, en dat het een ondankbaar, zoo niet
+gevaarlijk werk is, om dertigjarige en geheel zwarte boerinnen de
+schaatsen onder den voet te willen binden.
+
+Gaat niet een poes blazen wanneer men haar streelt, en een kanarie
+fladderen wanneer men haar grijpen wil?
+
+ * * * * *
+
+
+_Van een luitenant en een piano._
+
+Hij was een jonge kerel, en men had hem een piano leeren bespelen.
+Maar hij had niets aan zijn jeugd, aangezien men hem had ingekwartierd
+in een afgelegen gehucht van nauwelijks zestig inwoners; en ook zijn
+behendigheid op 't klavier kwam hem bitter weinig te pas, daar in de
+buurtschap slechts één amechtig harmonium leefde, dat bespeeld placht
+te worden door eene menschenschuwe boerentante. Zij speelde psalmen en
+gezangen.
+
+Zoo bleef hij dan eenzaam, en gevoelde zijn geest verslappen en zijne
+eenmaal krachtige en lenige piano-vingers verstijven.
+
+Een drenkeling komt nog éénmaal boven, vóór hij voorgoed verdwijnt. Een
+luitenant in een stil gehucht krijgt nog één levende gedachte, alvorens
+hij geestelijk ten onder gaat. Zoo kreeg dan ook deze luitenant op
+zekeren dag een gedachte.
+
+Hij sprak die uit tegenover Kees en Teunis, zeggende:
+
+»Mannen, in 't naburige dorp weet ik een piano te huur, wilt ge die voor
+mij halen?«
+
+»Och, jawel!« zei Kees.
+
+»Vrij rooken onderweg?« vroeg Teunis.
+
+Met deze, en nog andere beloften, ongerekend nog veel overredingskunst,
+gelukte het hem een zestal mannen voor het karweitje bereid te maken.
+
+Zij vertrokken met een rammelend wagentje, dat ze bij een boer gehuurd
+hadden, in de richting van 't naburig dorp. In afwachting zette de
+luitenant zich voor zijn wankele één-poots-tafel, en trommelde, zooals
+hij dat reeds vele avonden gedaan had, met zijne vingers op het
+tafelblad zijn lievelingsmelodie, te weten: »_Einzug der Gladiatoren_«.
+
+[Illustratie]
+
+Toen hij die driemaal getrommeld had, ging hij zenuwachtig voor het
+venster staan, en trommelde op de ruit: »_Ja, das haben die Mädchen so
+gerne_«.
+
+Hij was als een gramophone met vele oude platen.
+
+Na bijna drie uur van pijnigend afwachten, klonk een luide slag door de
+dorpsstraat.
+
+Hij snelde naar buiten. De piano kwam de hoek om, maar was in de bocht
+tegen het uithangbord van de plaatselijke vroedvrouw aangeslagen. De zes
+soldaten rookten als Amerikaansche-munitie-fabrieksschoorsteenen; op de
+piano, op den wagen, stond een ledig sigarenkistje; de zakken der
+soldaten waren zéér vol.
+
+Toen de piano een half uur later een-derde van de luitenants-kamer
+besloeg, kwam het den officier voor, dat het instrument er jarèn ouder
+uitzag, dan hij zich uit de verhuisinrichting meende te herinneren. Ook
+gevoelde hij stekende pijnen aan zijn voet, waarop de piano driemaal
+met kracht was neergekomen, en aan zijne knieën, die viermaal op
+onverklaarbare wijze tusschen het instrument en de geel-behangen wand
+beklemd waren geweest.
+
+De rest van den dag speelde hij: _Einzug der Gladiatoren_ en _Das haben
+die Mädchen so gerne_.
+
+Hoewel het instrument zéér ontstemd was, stond de geheele bevolking
+vóór het huis tehoop gedrongen. Om negen uur kwam de boer, van wien het
+wagentje gehuurd was, tien gulden eischen voor beschadiging van zijn
+eigendom. Om tien uur klonk plotseling muziek van de andere zijde van
+het dorp: de menschenschuwe boerentante zat voor haar amechtig
+harmonium, en speelde _Sien, Sien, Siene-là me lös_...
+
+[Illustratie]
+
+Om één uur in den nacht kwam de veldwachter den nog steeds spelenden
+luitenant verbaliseeren wegens burengerucht.
+
+Den volgenden morgen kwam een regeerings-telegram. Hij was onverwachts
+overgeplaatst naar Amsterdam. Dienzelfden morgen kwamen de zes soldaten
+weer, om de piano terug te brengen naar het naburige dorp.
+
+Toen zij binnen kwamen speelde de luitenant: »_Einzug der Gladiatoren_«.
+
+Zij grepen het instrument aan en wierpen het met een slag op een ander
+wagentje, dat ze van een anderen boer gehuurd hadden.
+
+Op een draf verlieten zij het gehucht, de piano op de rammelenden kar
+achter zich aansleepend.
+
+'s Avonds kwamen zij zéér beschonken thuis; de kar lag in een sloot,
+maar de piano was weggebracht. Even vóór hij naar zijn nieuwe
+standplaats vertrok, kreeg de luitenant nog twee rekeningen.
+
+Een van den boer, die f 50.-- schadevergoeding eischte voor zijn kar.
+
+Een van den pianoverhuurder, die f 6.-- vroeg voor één maand huur en f
+84.60 voor beschadiging van het instrument.
+
+Nu is de luitenant in Amsterdam.
+
+Iederen middag kunt ge hem vinden in de Bordelaise, waar hij naar
+_Zunci's_ strijkje luistert en denkt aan zijn piano...
+
+
+
+
+VI.
+
+ Kleilust, Febr. 1917.
+
+
+_Buiten...._
+
+Zooals een in de wildernis verdwaalde mensch, die geen lucifers bezit,
+de vonken van zijn vuurtje gedurig aanwakkert en levend houdt, zoo doe
+ik met de toevallig bij mij gerezen gedachte: _dat ik heerlijk buiten
+ben_.
+
+De gedachte van _het heerlijk buitenleven_ verlaat mij niet des nachts,
+in den benauwden droom, en evenmin des daags in de harde werkelijkheid.
+
+Ik ben buiten, ik dorre stadsmensch, en ik wil dat blijven waardeeren.
+
+Ik wil dat blijven waardeeren, wanneer ik rillend, in de grauwe
+morgenschemering den pomp-zwengel aanvat, en mijn slaperig hoofd laat
+overspoelen, ik wil het blijven bedenken, wanneer in den marsch het
+regelmatig zuigen onzer laarzen in de slikmassa's hoorbaar is, en ik wil
+het heerlijk buitenleven waardeeren, wanneer ik mij in 't holste van den
+nacht langs glibberige en stikdonkere landwegen naar het stinkend
+slaaphok spoed.
+
+Wij allen, dorre stadsmenschen, genieten van het buitenleven. Wanneer
+de dienst ons des morgens langs grazend vee en wuivend oeverriet voert,
+letten wij op duizend dingen, die de stad ons niet vermag te toonen.
+
+»Káák, 'n ráááger!« roept er een, duidend op een slanken vogel, en een
+ander, die een zwart- en witten haan, te midden van vrouwelijk pluimvee
+ontwaart, vestigt onzen aandacht daarop, zeggend: »Sèg, jô, 'n
+tààgerháán!«
+
+Wij schatten de zwaarte van zwijnen en runderen, en voorspellen met
+landelijke zekerheid het weder van den volgenden dag.
+
+Wij kennen vele boeren bij hunne voor- en geslachtsnamen, en kunnen met
+één oogopslag een regeerings- van een particulier schaap onderscheiden.
+
+Ik verzeker u, lezer, die gelachen hebt omdat Stastok Sr. zijn dag naar
+het passeeren van den wagen van drieën indeelde, dat zaken als wagens
+van drieën belangrijker zijn, dan het opdringerig beieren van uw
+beursklok.
+
+De aankomst van het bakkersknechtje, met zijn kist vol »tompoeze«
+geeft ons een inniger sensatie, dan het kanon bij de Invalides het den
+Parijzenaar ooit zal doen, en de aankomst van de veldpost, die ons een
+enkel briefje brengt, is een heerlijker moment in onzen dag, dan een
+vette morgencourier bij uw ontbijtbord het in den uwe is.
+
+[Illustratie]
+
+Let gij ooit op de sierlijke meeuwen, die in de gracht, juist tegenover
+uw hoogen stoep, zoo dartel en sierlijk stoeien?
+
+Neen! gij jaagt ze op, wanneer ge 's morgens haastig een parapluie
+opsteekt, en uw keukenmeid werpt ze hoogstens een handvol oud brood toe.
+
+Wij niet alzoo!...
+
+Wij hebben óók meeuwen, en we hebben ze lief!
+
+Zorgvuldig zoeken wij de oneetbare stukken pens, eelt, huid en darm uit
+onze soep te zamen, en leggen ze op een hoopje vóór ons op tafel.
+
+Vervolgens treedt Bertus naar buiten, en werpt ze onder het even ruraal
+als goedig geroep van: »Meeuwéééé, Meeuwéééé!« den lieven dieren voor.
+
+Wij kennen ze allen, en noemen ze bij namen als: »Vetpens« en
+»Hinkepoot« en »Darremediefie«.
+
+Zoo zijn wij, buitenmenschen.
+
+En gij lezer, ge mist véél. Ge kent niet de zoete mestgeuren, die tot
+ons overwaaien, en kunt u nauwelijks voorstellen, hoe men een ei uit een
+kippenhok wegneemt.
+
+En evenmin kent ge het heerlijke van de groote stad, wanneer ge die
+sporadisch bezoekt.
+
+Ons hart springt van vreugde op, wanneer wij een enkele maal in
+Amsterdam den trein ontstijgen; wij zijn dan vol jolijt, vanaf den
+eersten borrel in een grootsteedsch koffiehuis, tot het moment, dat we
+ons haastig weer naar het station spoeden, door de duistere straten,
+waar een dwalende vrouw ons vòl ingehouden haat tusschen de tanden door
+toe-sist: »Dag ssschàt!«
+
+ * * * * *
+
+
+_Dansen._
+
+Lezer, ik ben dóódmoe... bijna te moe om nog verder te schrijven. Ik ben
+niet moe door den dienst, maar door hetgeen bij de officieren onzer
+zeemacht wordt verstaan onder: »representatieve verplichtingen«. Ik heb
+namelijk gedanst.
+
+Zooals de officieren van H. M.'s zoo-en-zoo, die te Paramaribo ligt,
+verplicht zijn de dames dier stad ten dans te voeren, zoo heb ik mij
+verplicht gevoeld de dames van het gehucht Kleilust te doen profiteeren
+van mijne kundigheden op het gebied van: Polka, hossen, kruispolka,
+schotsche-drie en nog eenige gezelschappelijke dansen.
+
+Het gevolg is, dat ik met een paar blauwe schenen en een ingedrukten
+borstkas kwartierziek te bed lig, terwijl naast mij mijn tuniek ligt,
+die als doorzeefd is van zwarte brandgaten, die niet door kogels, zooals
+ge wellicht zoudt denken, maar veeleer door de sigaren mijner onachtzame
+mededanseurs veroorzaakt zijn.
+
+Voor het bal had ik mij zoo netjes mogelijk gekleed, en eenigszins van
+modder ontdaan; dit deed mij gunstig afsteken bij de andere heeren.
+
+Toen ik binnentrad in de danszaal, was het bal reeds begonnen, hetgeen
+merkbaar was aan veel gedreun, dikke tabaks- en stofwolken, geschreeuw,
+gerinkel van glazen, en, nu en dan hoorbaar, ook pianospel.
+
+Aangezien ik niemand kende, en er geen dames ontvingen, baande ik mij
+een weg tusschen de menigte door, en ging op een jongmensch af, dat, met
+zijn arm om de schouders eener jonge dame geslagen, een sigaar zat te
+rooken.
+
+Ik wilde, via hem, met de jongedame kennis maken, en trachtte mij voor
+te stellen, maar hij raadde en voorkwam mijn wensch door haar, met den
+uitroep: »Pak maar mee, verdorie!« in mijne armen te duwen.
+
+Aanstonds klampte ze mij, plichtsgetrouw, in een danshouding vast, en,
+vóór ik het wist, waren we in den stoet, en dansten, òm een houten tafel
+heen, een z.g. Spaanschen wals.
+
+Een wals was het echter niet, en ook het Spaansche element kòn ik,
+behoudens dan misschien in het gewèldig gestamp, waarmede de dansers
+telkens vóór- en achterwaarts sprongen, bezwaarlijk vaststellen.
+
+[Illustratie]
+
+Om iets tegen mijn danseuse te zeggen, maakte ik de opmerking: »dat het
+fijn ging!«
+
+Ze knikte van ja, en ik bemerkte, dat ze transpireerde.
+
+Toen zeide ik dat het vol was, en weer lachte ze, knikte van ja, en
+bleef transpireeren.
+
+Daarna zeide ik achtereenvolgens, dat het warm was, dat ze zeker
+verkeering had, dat haar kapsel modern was, en dat ik vreesde dat het
+zou gaan dooien, en voortdurend bleef ze lachen, ja-knikken en
+transpireeren.
+
+Toen de dans uit was, bracht ik haar naar den jongeman terug, die
+aanstonds zijn arm weer om haar hals legde.
+
+Dien avond danste ik met vele lachende, ja-knikkende en transpireerende
+boerinnen. Ten slotte werd ik wild en duizelig, rookte onder het dansen
+3-cents sigaren, trapte en kreeg blauwe schenen, en dronk veel bier en
+brandewijn.
+
+Ook nam ik deel aan het algemeen vuistgevecht, dat het geanimeerd einde
+van het bal was, en wist zelfs in belangrijke mate bij te dragen tot het
+vernielen van tafels, lampen, stoelen, en ook van het buffet.
+
+Het was werkelijk een aardig bal, mijn eerste van dezen winter. En het
+is zoo prettig, geen digestie-visite te hoeven maken.
+
+
+_Eten._
+
+Neen, neen ge weet niet, en kunt nimmer vermoeden, _hoe wij eten_.
+
+Ik weet zeker, dat gij het niet _eten_ zoudt noemen, maar veeleer
+voederen.
+
+Van het ontbijt behoef ik u niet veel te zeggen; eenige uren vóór dat
+men u komt zeggen, dat uw morgenbad gereed is, klinkt vlak naast mijn
+slapend hoofd een luide slag. Elken morgen wéér schrik ik van dien slag,
+die intusschen van zeer goedaardige soort is, en slechts verwekt wordt
+door een loodzwaar en keihard broodje, dat op mijn bed geworpen wordt.
+Dit broodje vormt, bespoeld met lauwe thee uit een emmer, mijn ontbijt.
+
+Van meer belang is echter het noenmaal.
+
+Een kwartier vóór de voedering zal plaats hebben, worden wij onrustig,
+wij dringen tezamen in ons hok, maken doffe geluiden, stampvoeten en
+twisten, zooals ge dat ongetwijfeld kent van de beren en leeuwen in de
+een of andere diergaarde.
+
+De een slijpt zijn mes aan zijn schoenzool, een ander veegt zijn bord
+nog eens af met een onderbroek, die hij tot dat doel stiekem van het bed
+eens buurmans neemt, en allen maken wij vast onze halskragen en bovenste
+jasknoopen los.
+
+Zoodra de emmer met voedsel wordt binnengedragen, dringen wij, met
+het bord in de eene hand, en met de andere de lepel boven het hoofd
+zwaaiend, naar voren. De borden verraden in hun afmetingen en diepte de
+vraatzucht hunner bezitters; de meeste borden zijn diep en rond, maar
+sommige ook langwerpig en breed. Dat is het bord van Karel, die uit
+louter gulzigheid groote hoeveelheden voedsel wil hebben, die hij niet
+voor de helft verwerken kan.
+
+Maar het zijn niet in de eerste plaats boonen of doormekaar die ons
+dringen geldt, neen, wij dringen om het gróótste stuk vleesch machtig te
+worden.
+
+Het grootste stuk vleesch... dat is het dagelijksch strijdpunt, de bron
+van vele smeulende twisten en veeten, en de oorzaak van menigen oorveeg.
+
+Eens heb ik, per ongeluk, het grootste stuk vleesch gekregen.
+
+Nimmer zal ik dien dag vergeten.
+
+Er was haat en woede in het gesmak der etende monden om mij heen, die
+kleinere stukken vleesch genoten.
+
+Men sprak van: »zeker thuis nooit vleesch«, en, dagen daarna, volgden
+mij nog sombere blikken.
+
+Wanneer het voedsel verzwolgen is, ligt de tafel vol versmade resten,
+en, na 'tgeen nog op onze borden is, in de pannedeksel teruggeschoven te
+hebben, leggen wij ons hijgend en blazend op onze bedden, en maken nòg
+een knoop los.
+
+[Illustratie]
+
+Karel echter, blijft nog om de pan zweven.
+
+Hij krabt de gestolde jus van de randen en vult daar een kommetje mee.
+Dat blijft bij zijn bed staan, en morgen smeert hij het op zijn
+boterham.
+
+Klaas eet een stuk droog brood: »tegen et opbreke van et vet.«
+
+En ik... ach, ik stamel dommelend voor mij heen de eenige troostreden,
+die mij tot formule geworden is: »ik ben buiten... heerlijk buiten.«
+
+Ik tracht een boek te lezen, maar het is te donker onder het schemerig
+gewelf; ik kan niet schrijven, want de tafel ligt vol schoensmeer en
+etensresten.
+
+Daarenboven gaan wij over een uur weer exerceeren, in de modder. Maar ik
+ben buiten... o, dierbare formule, verlaat mij niet.
+
+Wanneer men zich in de stad heeft opgevoed tot een fatsoenlijk
+neurasthenisch jongmensch, dan komt in dit landelijk leven van frissche
+lucht en luiheid de gezondheid u besluipen als een gevaarlijke en
+afzichtelijke ziekte.
+
+Mijn wangen worden rood en dik... ik ben heerlijk buiten...
+
+
+
+
+VII.
+
+ Kleilust, Maart 1917.
+
+
+_De Beestmensch._
+
+Nimmer zal hij de roep verliezen van _een beestmensch_ te zijn. En toch
+is hij geen bloederig man. Hij is schuchter en lang en slungelig; het
+puntje van zijn neus is doorgaans rood van koude, en als hij een blauwen
+plek heeft, smeert hij dien zesmaal per dag in met zalven en heilzame
+kruiden, die zijne moeder hem toezendt. Maar hij is uiterst zenuwachtig,
+en daardoor doet hij wel eens dingen van zóó bloederigen en
+afschuwelijken aard, dat wij, die toch niet voor een klein geruchtje
+vervaard zijn, vol afgrijzen het gelaat afwenden.
+
+Voor 't eerst uitte zich zijn fatale aanleg bij een onlangs gehouden
+velddienstoefening.
+
+Een vijandelijke afdeeling kwam zich overgeven aan de wacht, die hij
+commandeeren moest. Nu gaat het commando in den regel iemand, die
+slechts gewend is te gehoorzamen, niet goed af.
+
+Zoo was het dan ook meer ongewoonte dan buitengewone vrees, die zijn
+stem deed overslaan, toen hij riep: »wapens neerleggen, handen
+opheffen«.
+
+De vijanden legden hunne wapens op den weg, en staken hunne handen in de
+hoogte; twee dier handen waren met helderwitte wol bekleed, en behoorden
+aan een wapenbroeder, die op deze wijze, zijn simpele uniform ten spijt,
+bewijzen wil, welke een »beslist-prima heer« hij in de
+burger-maatschappij wel is.
+
+Mijn vriend aarzelde. Hij wist niet, wat hij met de nu onschadelijke
+vijanden doen moest. Deze bleven met omhooggestrekte armen staan. Om de
+lippen van den beslist-prima-heer-met-witte-handschoenen, speelde een
+wereldsche glimlach, die eene oneindigheid van misprijzen uitdrukte.
+
+De toestand hield nog aan; het wachten werd pijnlijk.
+
+»Kom, wat doe je nu?« riep de ongeduldige officier.
+
+Hulpeloos keek de zenuwachtige overwinnaar van links naar rechts.
+
+Toen kuchte hij, en, zich vermannende, riep hij radeloos tot de zijnen:
+
+
+»Salvo-vuur... Aan... vúúrr...!!«
+
+Een storm van verontwaardiging loeide door onze overigens zoo
+gedisciplineerde gelederen.
+
+De ontwapende vijand was gefusilleerd...
+
+Toen klonk voor 't eerst de naam: »_Beestmensch_«. En nu is er niemand
+meer, die nog durft twijfelen aan de bloederigheid-van-ziel van mijn
+krijgsmakker wiens naam ik u blijf verzwijgen.
+
+ * * * * *
+
+
+_Jeugd!..._
+
+Gij allen, die het geloof verloren hebt in lieve, kinderlijke zaken; die
+de leegten, waaruit uwe jonge onnoozelheid gevlucht is, gevuld hebt met
+wijsheid en overleg, gij allen, hoort mij aan.
+
+Want ik was als gij, en ook ik waande mij een wijs man... totdat ik
+soldaat werd.
+
+Vanaf dien dag heb ik weer het geloof gekregen in het begrip _jeugd_.
+
+Het gaat ons met de jeugd, als met de kniebroeken onzer schooljaren. Er
+komt een dag, dat wij ze vèr van ons werpen, om onze spillebeenen te
+omkleeden met »jongeheeren-kleeding«. De meesten onzer kiezen daartoe
+stemmig donkerblauw, om daarná terug te keeren tot licht-zinnig, ruig
+goed. Zóó werpen wij ook allen gelijktijdig onze jeugd van ons af, om
+mannen te gaan schijnen.... aanvankelijk ernstige mannen en later
+jolige...
+
+En, wanneer wij niet het geluk hebben soldaat te worden, blijft het
+proces in die richting verloopen.
+
+Voorwaar, de opperbevelhebber heeft een goede daad verricht, door ons
+allemaal weer kniebroeken aan te trekken.
+
+Dat symboliseert onze toestand:
+
+Wij zijn, àllen tesamen, met één slag weer jeugdig geworden.
+
+Geen onzer had het alléén aangedurfd, maar de algemeene beweging heeft
+ons den moed geschonken, onze jeugd weer op te vatten.
+
+En nu geloof ik niet meer in oud-worden...
+
+Oud-worden is een sloopingsproces, dat wij onbewust aan ons zelf
+voltrekken,... indien wij allen in den dienst vergrijsden, zouden wij
+den moed hebben als kinderen voort te leven, en dan zouden wij als
+kinderen sterven.
+
+Dan zouden alleen onze superieuren, die voor ons moeten denken, oud
+worden.
+
+Ik zie ze voortdurend om mij heen, die vreemde groote kinderen. Daar is
+een groot slungelig kind, van bij-de-dertig. Vroeger was hij een bleeke,
+bloedarme horlogemakersonderbediende, met een grafstem en blauwe kringen
+om zijn oogen. Nu is hij een kwajongen, die slechts in schaal verschilt
+van zijn jeugdiger aardgenooten.
+
+Daar is een ingenieur, die vroeger zijn werklieden van-achter een breed
+bureau her- en derwaarts dirigeerde.
+
+Nu werpt hij onder de les met propjes papier en 's avonds met
+broodkorsten.
+
+Daar is de jong-verdorven groote-stads-zwerver, die onder gewone
+omstandigheden misschien al achter slot en grendel gezeten zou hebben...
+nu is zijn grootste zonde, dat hij een langen neus maakt achter den rug
+van zijn sergeant....
+
+En daar ben ik zelve, vroeger een nerveus heertje, en nu, o, liefelijk
+wonder, een luidruchtige plattelander.
+
+O, ge kunt u nauwelijks zoo dartel eene samenleving voorstellen als de
+onze.
+
+Het is, of ieders individueele ontwikkeling tijdelijk stop gezet is...
+Wie onderweg was een òn-maatschappelijke boef te worden, en wie zich
+op een zuiver geestelijk leven voorbereidde, wie reeds in innerlijk en
+geest beloofde een slovend ambtenaartje dan wel een knoestige werkman te
+zijn... zij allen zijn tijdelijk in hunne ontwikkeling blijven
+stilstaan, als uurwerken in een horlogemakers-étalage.
+
+Alleen verraadt een enkele maal het slagwerk hun persoonlijken aard.
+
+Ook ik voel mijn uurwerk afloopen; met wanhopige inspanning tracht ik
+nog, zoolang mogelijk, mijn veer gespannen en mijne wijzers gaande te
+houden.
+
+Maar ik luister met angst naar mijn eenzaam tikken temidden der reeds
+dof zwijgende soortgenooten. Alle uurwerken zijn flink ingevet en tegen
+roesten gevrijwaard; zoo blijven zij hagelnieuw en jeugdig... zij
+slijten niet, maar zij dienen tot niets.
+
+Zij zijn jong en krachtig, en gereed hun roeping te volgen... maar zij
+staan stil....
+
+Voorzeker, er zijn klokkenopwinders genoeg, er is zelfs een centraal
+lichaam ter ontspanning en ontwikkeling van stilstaande uurwerken.
+
+Maar er zijn er zoo weinig, en ach, de tijd is nog verre, dat alle
+uurwerken electrisch zullen zijn, en gedreven door één centrale
+krachtbron.
+
+Er zijn er, die beweren, dat het daarvoor oorlog moet zijn, en dat de
+Vaderlandsliefde de centrale bron voor al ons bewegen zal zijn. Maar
+nu...?
+
+Zoo velen missen die energie _in zichzelf!..._
+
+
+
+
+VIII.
+
+ Kleilust, einde Maart 1917.
+
+
+_Waar ik woon._
+
+Ruggelings lig ik uitgestrekt op mijn stroozak. Ik kijk en denk en rook.
+Mijn boek ligt gesloten naast mij. Het is te donker om te lezen; mijne
+oogen doen mij pijn. Ik rook, denk en kijk, zooals ik dat geleerd
+heb in de laatste maanden: bijna onbewust. De gedachten, die mijne
+onbewuste oogen projecteeren in mijn rustig brein vermaken mij, zooals
+een bioscope-voorstelling dat doen zou. De beelden zijn niet van
+sensationeelen aard, maar er is een wonderlijk spel van verrassende
+en boeiende détails; het zijn héél kleine, fijn genuanceerde détails,
+waarvan ik geniet als een botanicus die aan de dorre heide-gewassen
+onder zijn microscope bloemen en levensteekenen in overvloed herkent.
+
+[Illustratie]
+
+Ik staar om mij heen, op mijne slapende kameraden. En ik vind bloemen
+en levensteekenen in overvloed op hunne oogenschijnlijk
+dierlijk-dom-snurkende gelaten.
+
+Ik zie lijden en verlangen om hunne in den slaap half geopende monden;
+ik hoor verlangen en streven in hunne onbeheerscht-natuurlijke
+ademhaling: en hunne vuile soldatenhanden, die slap rusten op de
+groezelige dekens, zijn vol verrassende karaktertrekken.
+
+Het is één uur na den middag; ergens ver weg, op een weiland buiten het
+fort, kraait een haan.
+
+Langs de kleine vensters gaat een schaduw, en voetstappen schuiven zwaar
+door het grint; dan klinkt een jolige stem, en een deur slaat dicht. Het
+is weer stil.
+
+De kameraden snurken.
+
+Over een half uur zal een schetterend trompet-signaal ze tot het leven
+terugroepen, of liever tot den dienst, de actie.
+
+Want ik geloof dat ze nu, in hun slaap, levend zijn. Ik geloof niet, dat
+die luidruchtige grappenmakerij van straks hun leven is, ik geloof niet
+dat hun getier en buitenmatig gemor kenmerken van hun werkelijk wezen
+zijn.
+
+Ik geloof, dat zij slechts in den slaap, in den volkomen rust, in hun
+onbewustheid, hunne primaire en simpele instincten tot uiting kunnen
+brengen.
+
+Nu zijn zij eerlijk; de lippen van den schreeuwer tegenover mij zijn nu
+ontspannen; hij snurkt, en op zijn bruut gelaat is een trek van krachtig
+willen; zijn hand ligt tot een vuist gebald op zijn dekens.
+
+Het pretentieuse mannetje naast hem schijnt nu verzakt te zijn tot een
+onbelangrijk hoopje zwakheid. Zijn lippen zijn half geopend en rood en
+dik; er zijn slappe groeven langs zijn neus, die op geen smart, maar
+hoogstens op een lichamelijk onbehagen duiden.
+
+De slappe hand op zijn deken is knokig, en de vingertoppen dragen de
+sporen van veel knagens' en kluivens'. Mijn blik waart rond, en ik zie
+er nog velen, die àllen slapen, en àllen in hun slaap iets verraden van
+smart of strijd of huiselijk leed... of van absoluut niets.
+
+Plotseling vind ik ze àllen belangrijk.
+
+Van de slapers gaan mijne oogen naar hun schamele, en grootendeels
+uniforme have, die op een plank, boven het hoofdeinde der bedden, als
+uitgestald ligt.
+
+Boven den slappeling staat een jam-potje, en een kopje met vet, dat hij
+den vorigen dag uit het eten gespaard heeft; er liggen
+glacé-handschoenen en een viezige veldflesch en een bestoft stuk
+wittebrood.
+
+Er zijn er, die gekleurde prentbriefkaarten en snuisterijtjes op hun
+plank hebben, en anderen die een gebarsten scheerspiegel exposeeren....
+
+Al die willige doode dingen harmonieeren met de onbewuste openhartigheid
+hunner snorkende bezitters.
+
+Aan de zoldering hangen, als hammen aan een lange rij, de ransels; de
+zware zakken hangen daar al maandenlang leeg en slap, en wij hebben ze
+al dien tijd niet gedragen.
+
+Het invallend namiddag-licht werpt lange slagschaduwen van de slappe
+ranselzakken uit langs de gewitte zoldering; de schaduwen hebben vreemde
+vormen. En mijne onbewuste oogen tooveren plotseling een verrassend
+beeld op mijn rustig-blank brein.
+
+Het is me opeens, alsof al die slapende kerels hunne zorgen voor een
+tijdlang afgehangen hebben. Ze hangen daar aan de zoldering, die zorgen,
+op een lange rij, naast elkander.
+
+En het invallend namiddaglicht mengt de vreemd gevormde slagschaduwen
+tesamen en dooréén... tot een grauwe wolk, die langs de zoldering
+vervaagt tot een verre hoek van het vertrek...
+
+ * * * * *
+
+Daar schettert het appèl-signaal.
+
+Bijna gelijktijdig verroeren zich de rustende lichamen op de kribben.
+
+De deur wordt met een slag opengeworpen, en het is opeens veel lichter
+onder het gewelf.
+
+»Verdorie d'r uit,« schreeuwt de schreeuwer en hij schudt het
+slappelingetje naast hem door elkaar.
+
+»Jawèl, jawèl, hou je poote maar thuis,« zegt het slappelingetje
+slaperig.
+
+»D'r uit, Stoke, suffe mafkop!« roept de schreeuwer mij toe.
+
+»Hou je groote smoel,« geef ik kribbig terug.
+
+Ik ben weer ruw. Ik heb mijn liefderijke gevoelens weer verloren. Maar
+ik kàn er niets aan doen... Ze spreken zoo luide en onbezonnen...
+
+... Ach, waren ze maar blijven slapen. Ze waren zoo sympathiek, en zoo
+eerlijk... _in hun slaap_.
+
+ * * * * *
+
+
+_Jubileum-dag._
+
+In alle stilte heb ik, goede lezer, vandaag den dag herdacht, die nu
+juist een jaar achter mij ligt, en waarop ik mij voor het eerst soldaat
+mocht noemen.
+
+Ik behoef u niet te zeggen, dat ik dit feit zonder eenig feest- of
+uiterlijk vertoon geconstateerd heb. Maar het wàs een jubileum.
+
+En bij een jubileum behooren een feestredenaar en een toespraak.
+
+Om nu mijn jubileum bescheidelijk, en in zoo beperkt mogelijken kring te
+vieren, besloot ik mijn eigen feest-redenaar te zijn.
+
+'s Morgens, in bed, sprak ik mij zelf binnensmonds ongeveer als volgt
+toe:
+
+ »Melis Stoke! Jubilaris. Het is vandaag de dag... enz. enz. In
+ het afgeloopen jaar waart ge soldaat, daarmee is alles gezegd.
+ Het Vaderland heeft, om eerlijk te zijn, niets aan uw diensten
+ gehad. Daarin moet verandering komen! Ge moet uwe contemplatieve
+ houding in het legerverband opgeven! Ge moet actief worden! Ge
+ moet het Vaderland nuttig zijn.
+
+ Melis Stoke, laat ik kort en duidelijk zijn.
+
+ Dit nieuwe jaar moge u zien als officier! Al is er bij de
+ landstorm geen wettelijke--dan is er toch een _moreele
+ kaderplicht_.
+
+ Aan toeschouwers hebben wij niets: wij moeten kerels hebben die
+ wat _doen_!
+
+ Ik heb gezegd! Lang zal hij leven... enz. Hoera! Hoera!«
+
+Ik was zelf zóó geschrokken van dit, als buiten mij om geboren besluit,
+dat ik dit _Hoera!_ hardop geroepen had.
+
+»Hij oefent de stormaanval!« riep Kees hoonend. Toen ben ik op een
+tafel gaan staan, en heb mijnen kameraden mijn besluit medegedeeld.
+
+Nu zijn ze boos op me.
+
+»Wat een vènt,« roepen ze. »Eerst doet ie mee, en nou wil ie zoo'n kouwe
+luitenant worde!«
+
+»Mannen, besloot ik ernstig, op het slagveld spreken we elkaar nader.
+Tot dàn. Ik ga mij er toe bekwamen, uw aanvoerder te mogen zijn!«
+
+»Zà-je-me-niet-stràffe?« hoont Karel...
+
+ * * * * *
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+IX.
+
+ Kleilust, Einde Maart '17.
+
+
+Dit is, lezer, mijn slotzang... Voor den laatsten maal heb ik boven deze
+regelen den titel neergeschreven, onder welken ik u het lief en leed heb
+uitgezongen van een simpele soldatenziel.
+
+Ge kent mijn besluit reeds; ik ga officier worden.
+
+Na een jaar--de jubileumsdag ligt vlak achter mij--na een jaar van
+gehoorzaamheid, ga ik mij op mijn beurt onder hèn voegen, die op dit
+ijdel ondermaansche met een schijn van gezag en een zeer reëele
+verantwoordelijkheid bekleed zijn. Ik heb begrepen, dat ieder de taak
+te vervullen heeft, waartoe het lot hem beschikt heeft.
+
+Maar ik heb méér begrepen... ik heb iets begrepen van wat er in een
+ruwen soldaat omgaat; zoo'n soldaat is moeilijker te doorgronden dan
+een sphynx... want een sphynx zwijgt, en een soldaat is geneigd het
+tegendeel te zeggen van wat hij gevoelt.
+
+Misschien zal die tak van wetenschap in den verlofsofficier Stoke de
+lacune aanvullen die in zijn krijgswetenschap zal blijven bestaan. Want
+om de hoogere krijgsschool te bezoeken heb ik tijd, noch gelegenheid.
+
+Ik ben er mij zeer wèl van bewust, dat mijn dagboek niet anders geweest
+is, dan eene losse aaneenschakeling van notities; het geeft dan ook
+evenmin de »psyche« van den Nederlandschen soldaat, als het foto'tje op
+uw buitenlandschen pas die geeft van uw persoon.
+
+Maar er zit wat van hem in, en zijne grove trekken zijn te herkennen. Er
+blijft mij nu nog één ding over, en dat is u te zeggen, wàt een officier
+is, wàt ik zijn zal, in de oogen van hen, die tot op dezen dag mijne
+kameraden zijn.
+
+ * * * * *
+
+
+_De officieren._
+
+Het was op een warmen zomer-namiddag; ik was nog niet lang in dienst.
+
+Uit een venster van de kazerne gebogen, overzag ik het zonnige
+exercitie-terrein, waar recruten eener jongere lichting hunne eerste
+lessen genoten.
+
+Naast mij leunde Gerrit tegen de vensterbank, en verlustigde zich in
+hetzelfde schouwspel.
+
+De commando's klonken tot ons over op de lauwe lucht.
+
+Aan de overzijde van het water schoof bel-tinkelend een tram voorbij.
+
+[Illustratie]
+
+Plotseling werd ons beider blik getrokken tot een lichtend punt; het was
+de zon, die even schel reflexeerde in een officiers-sabel.
+
+De officier stond op eene kleine verhevenheid, en overzag vandaar het
+terrein; hij rookte een cigarette, en heel zijn houding drukte rust,
+doch tegelijkertijd latente macht uit. Hij scheen er zich niet van
+bewust, dat Gerrit en ik en wellicht nog vele anderen, naar hem keken.
+
+»Fijn leventje toch, zoo'n luit',« zeide Gerrit naast me.
+
+»Maar niks doen, en kommedeere... en 'n hoop cente in de maand...!«
+
+»Daarvoor moet hij voor jou denken!« waagde ik.
+
+»'n Ofcier en 'n ofcier zijn twéé«, ging Gerrit voort. »Je heb er 'an
+wie je merkt wat ze van je wille, maar d'r zijn d'r óók die maar eische
+dit en eische dàt, zonder dat je weet waar et goed voor is. As me vrouw
+ziek is, en de luit' wil me niet late weggaan, dan weet ik dat ie zelf
+weer knijpt voor de kaptein. Maar assie zegt >vooruit, wees weg<, dan
+voel ik, dat ie z'n eige der an waagt voor mijn!
+
+»En assie zegt >ga ligge, gauw< dan denk ik >ik ben je hond niet<, maar
+assie zegt >'n granaat, gauw ligge<, dan doen ik et graag!
+
+»Die daar staat te rooke zet een gezicht of ie zegge wil >wat gaat mijn
+dat beestespul an<; as ik dat zie, dan krijg ik de pest in.
+
+»As mijn baas tege me zegt >Gerrit maak die planke es zoo en zoo pas<,
+dan doen ik dat misschien verkeerd, maar assie zegt >dat mot 'n kassie
+worde<, dan snap ik hem direct! Kijk, an 'n ofcier zie je van buite: dat
+is me baas... da's glad genoeg, daar zorgt de kleeremaker voor. Maar
+waar de kleeremaker niet voor ken zorge, dat is dat ik zeg >ik
+gehoorzaam je graag<, daar mot ie zelf voor zorge.«
+
+[Illustratie]
+
+Gerrit heeft gelijk. Ge weet niet, burger, hoe hoog een personage een
+officier is in den troep. Wij zien onze meerderen hem naar de oogen
+zien, en wij bemerken, hoe een kort woord van hem door onzen sergeant
+tot een wet wordt uitgewerkt, die onze belangen dienen of breken kan en
+onzen vrijen tijd bekrimpen of verlengen.
+
+Het instituut tucht maakt hem het bevelen gemakkelijk, en opent hem de
+kansen op bemindheid.
+
+De exploitatie daarvan, wordt aan hem zelf overgelaten, en dat is
+minstens zoo belangrijk als de meest volledige kennis van den inwendigen
+dienst.
+
+ * * * * *
+
+
+_De sergeant._
+
+De sergeant staat ons nader. In hem gehoorzamen wij niet den meester,
+maar den ouderen broer. Hij doet alles met ons mee; de officier ziet of
+onze ransels goed hangen, de sergeant of ze wel model gepakt zijn.
+
+Met den sergeant wonen de soldaten in één straat, en ze kennen zijn
+meisje; het gemeenschappelijk ontzag voor den officier verbindt
+manschappen en onder-officieren. Zij bezigen dezelfde taal en waardeeren
+denzelfden humor; onder hen zijn de verschillen nuancen geworden en
+geen contrasten meer.
+
+Daardoor wordt het bevel van den sergeant gecenseerd te zijn een uiting
+van gezond verstand, en dat van een officier eene openbaring van
+wijsheid.
+
+Waar het de behartiging van particuliere soldatenbelangen geldt, kan
+een officier zeer zeker te rade gaan bij onderofficieren; te weten bij
+onderofficieren, die niet onder één deken liggen met een zeker soort
+soldaten, die voortdurend verklaren: »dat 't toch maar een rotzoo« is.
+
+ * * * * *
+
+
+_De korporaal._
+
+De korporaal is een kindermeid. Geen gouvernante wel te verstaan,
+maar een kindermeid, zoo een van zestien jaar, met een paar nuchtere
+vlechtjes op het achterhoofd. Als hij serieus zijn plicht doet, of gezag
+laat gelden, wordt hij uitgelachen; en als hij een standje krijgt, in
+presentie zijner minderen, wordt hij óók uitgelachen.
+
+Een korporaal kan alléén goed doen, wanneer hij vertelt van meerderen,
+met wie hij uit hoofde van zijn rang in iets nader contact gekomen is
+dan zulks den soldaat vergund is.
+
+Hij mag vertellen, hoe duur de sigaren zijn, die de kaptein rookt of
+weggeeft, en ook hoeveel stukken vleesch de kok wederrechtelijk mee naar
+huis genomen heeft.
+
+De korporaal draagt het uiterlijk kenmerk van een volleerd manschap te
+zijn.
+
+En die pretentie wordt, onbewust, door de soldaten op hem gewroken.
+
+Een korporaal spreekt over zijne ranggenooten als: korporaal X en
+korporaal IJ.
+
+Een sergeant over de zijnen als collega P en Q.
+
+Een officier spreekt tegenover minderen niet over andere officieren.
+
+ * * * * *
+
+En nu, geduldige lezer, vaarwel.
+
+Ik ga studeeren.
+
+Hiermede is de serie kantteekeningen van een landstormplichtige
+geëindigd.
+
+Een burger, die soldaat geworden is, mag tegenover burgers van zijne
+indrukken vertellen.
+
+Maar een soldaat, die officier wordt, kan zich, waar het dienstbelangen
+treft, nog slechts met een ernstig gebaar tot zijne collega's wenden.
+
+En dat zal dan niet zijn in een burgerlijk blad, maar mondeling of in de
+Militaire Spectator...
+
+Waar de actie begint, eindigt de beschouwing...
+
+Vaarwel, en dank voor uw aandacht!
+
+ MELIS STOKE.
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+NASCHRIFT.
+
+VAN MELIS STOKE, ADSPIRANT-VERLOFSOFFICIER.
+
+
+En nu, goede lezer, gaat dit verhaal eindigen, zooals ieder zichzelf
+respecteerend verhaal eindigen moet nl.:
+
+ Ze vinden elkaar!
+
+Ja, lezer, we hebben elkaar gekregen, mijn militaire- en mijn
+civiele-ik. Wij gaan ons vereenigen in één vorm, die van
+verlofsofficier.
+
+Zeer zeker, het is wel een mariage de raison, maar het zal een ideaal
+huwelijk zijn ook!
+
+Want wij zijn tesamen gekomen door een gemeenschappelijken drang, wat
+goeds te doen.
+
+Zooals in ieder huwelijk _de plicht_ een goede toekomst waarborgt, zoo
+zál de plicht, iets goeds te doen voor den soldaat, ons huwelijk
+vruchtbaar maken.
+
+In ieder leven komt een oogenblik, dat de behoefte aan _actie_ den
+levenden mensch zijn beschouwende houding doet opgeven.
+
+Zoo gaat het ook in een militaire loopbaan als de mijne.
+
+En zoo moet het ook zijn in den loopbaan van u allen,
+landstormplichtigen, die nà mij zullen komen. Het heldere bewustzijn
+van méér te zijn, dan uwe kameraden, geve u de kracht om éérst door
+den zuren africhtingstijd heen te komen, en u vervolgens de moeiten
+te getroosten van een studie voor verlofs-officieren.
+
+Uwe ondervindingen in den troep zullen er toe bijdragen, een officier
+van u te maken, die zijn mannen begrijpt, die de oorzaak voelt van
+weerbarstigheid en die de goede gevolgen kent van een rechtvaardige
+behandeling.
+
+Ik hoop, dat in deze losse dagboekkrabbels iets te vinden is van den
+Nederlandschen soldaat. Tracht ook gij dat te ontdekken; onder den
+ruwen bolster zit vaak, voor wie het weet te vinden, een vertrouwend
+en eerlijk hart.
+
+En al ontbreekt het den verlofs-officier, door zijn korten
+opleidingstijd, wellicht aan tactische kennis, in menschelijkheid en
+paedagogie behoeft hij _nimmer_ onder te doen voor zijne
+beroeps-collega's.
+
+Dat blijve u voor oogen staan!
+
+Het Nederlandsche leger vare er wèl bij.
+
+AMSTERDAM, Maart 1916-'17.
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: elkander bestemd zijn, Het kind |
+ | C: elkander bestemd zijn. Het kind |
+ | B: »_de kogel_«, De man naast |
+ | C: »_de kogel_«. De man naast |
+ | B: gretig naar mij uitgestrekt |
+ | C: gretig naar mij uitgestrekt. |
+ | B: _De »moffen«_ |
+ | C: _De »moffen«._ |
+ | B: ..een gaatje met |
+ | C: ...een gaatje met |
+ | B: eehter op één punt mank: het zal u n.l, |
+ | C: echter op één punt mank: het zal u n.l. |
+ | B: zonder daarvoor honorar um |
+ | C: zonder daarvoor honorarium |
+ | B: »Ik ben onschuldig zegt hij |
+ | C: »Ik ben onschuldig«, zegt hij |
+ | B: VI. |
+ | C: V. |
+ | B: _stechts twee of drie hunner |
+ | C: _slechts twee of drie hunner |
+ | B: V. |
+ | C: VI. |
+ | B: op den grond te slapen,.. |
+ | C: op den grond te slapen... |
+ | B: deutscher Wein.. |
+ | C: deutscher Wein... |
+ | B: was van »_de dood_«, _straf_«, |
+ | C: was van »_de dood_«, »_straf_«, |
+ | B: het oog te houde dat |
+ | C: het oog te houden dat |
+ | B: »pa, was de de meester |
+ | C: »pa, was de meester |
+ | B: wasch-lokaal--kijk es wat ik |
+ | C: wasch-lokaal--»kijk es wat ik |
+ | B: in mijn ziele draag. |
+ | C: in mijn ziele draag, |
+ | B: slot-gevecht op zee. |
+ | C: slot-gevecht op zee, |
+ | B: op mijn pen gekauwd, |
+ | C: op mijn pen gekauwd. |
+ | B: en dat zij barmtigheid |
+ | C: en dat zij barmhartigheid |
+ | B: aleenig met zen eige!...« |
+ | C: aleenig met zen eige!...« |
+ | B: belangstelling naarde feestrelazen |
+ | C: belangstelling naar de feestrelazen |
+ | B: .....e Reg.... en weer sprak |
+ | C: .....e Reg....« en weer sprak |
+ | B: maatschappelijke kronkelpasssen woei |
+ | C: maatschappelijke kronkelpassen woei |
+ | B: »Hei-je-veel-geld-meê-gebracht? |
+ | C: »Hei-je-veel-geld-meê-gebracht?« |
+ | B: »Kom _jij_ d'r es uit! deed |
+ | C: »Kom _jij_ d'r es uit!« deed |
+ | B: de bovenaardsche ver-verschijning. |
+ | C: de bovenaardsche verschijning. |
+ | B: óók 'n mensch!' |
+ | C: óók 'n mensch!« |
+ | B: morgenschemering den pomg-zwengel aanvat, |
+ | C: morgenschemering den pomp-zwengel aanvat, |
+ | B: zoete mestgeuren, die ot |
+ | C: zoete mestgeuren, die tot |
+ | B: schettert het appél-signaal. |
+ | C: schettert het appèl-signaal. |
+ | B: enz. Hoera! Hoera! |
+ | C: enz. Hoera! Hoera!« |
+ | B: IX |
+ | C: IX. |
+ | B: en kommedeere.. en 'n hoop |
+ | C: en kommedeere... en 'n hoop |
+ | B: maar assie zegt> vooruit, wees weg< |
+ | C: maar assie zegt >vooruit, wees weg< |
+ | B: maar assie zegt> dat mot |
+ | C: maar assie zegt >dat mot |
+ +------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Van Aardappel-mes tot Officiersdegen, by
+Melis Stoke
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN AARDAPPEL-MES TOT OFFICIERSDEGEN ***
+
+***** This file should be named 33297-8.txt or 33297-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/3/2/9/33297/
+
+Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.