diff options
Diffstat (limited to '33284-8.txt')
| -rw-r--r-- | 33284-8.txt | 8810 |
1 files changed, 8810 insertions, 0 deletions
diff --git a/33284-8.txt b/33284-8.txt new file mode 100644 index 0000000..6d76363 --- /dev/null +++ b/33284-8.txt @@ -0,0 +1,8810 @@ +Project Gutenberg's De Zwervers van het Groote Leger, by Piet Visser + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Zwervers van het Groote Leger + Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813 + +Author: Piet Visser + +Illustrator: Otto Geerling + +Release Date: July 28, 2010 [EBook #33284] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZWERVERS VAN HET GROOTE LEGER *** + + + + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at <a +href="http://www.pgdp.net">http://www.pgdp.net</a> + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoten | + | zijn hernummerd en naar het eind van de bijbehorende alinea | + | verplaatst. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven | + | als _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | + | ~uitgespatieerd~; vette tekst als =vet=. | + | | + | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | + | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens". | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | + | e-boek op http://www.gutenberg.org | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + + + + DE ZWERVERS VAN HET GROOTE LEGER. + + +[Illustratie: »Ik wou, dat ik Napoleon zoo eens onder handen had!"] + + + + + DE ZWERVERS + + VAN HET + + GROOTE LEGER. + + Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813. + + door P. VISSER. + + Schrijver van: »Taco de Minstreel," »Heemskerck op Nova Zembla," + »De Laatsten der Arkels," e.a. + + + Geïllustreerd door O. GEERLING. + + [Decoratieve Illustratie] + + ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN + 1913. + + + Gebr. Kluitman's Boek- en Kunstdrukkerij, Alkmaar. + + + [Decoratieve Illustratie] + + + + +Eerste Hoofdstuk. + +Een Kattenburger huisvader en zijn gezin. + + +Hompelend achter zijn leege vischkar, de beenstomp doelloos in stâge +wiegeling tusschen de ploffende kruk en het forsche rechterbeen, repte +Franciscus Stargardt zich naar huis. + +Zijn gezicht stond grimmig van verzwegen wrok om het juist verschenen +Keizerlijk decreet, waarbij ook in Holland de felgehate conscriptie[1] +zou worden ingevoerd. + +[1] In de Republiek hadden nooit andere Nederlanders dan vrijwilligers +onder onze troepen gediend. + +Reeds het vorige jaar, tegelijkertijd dat door Koning Lodewijk afstand +van het bewind was gedaan ten behoeve van zijn minderjarigen zoon, +had Napoleon maarschalk Oudinot met een Fransch leger naar Nederland +gestuurd; leunend op zijn kruk had de kreupele op de Ossenmarkt, door de +wijd-open ramen, met weemoedsblikken naar het feest gezien van den 4den +Juli; en terwijl daar geklonken en gedronken, gejuicht en gejubeld werd +door de Franschen en de Hollandsche militairen, had hij zelf, met schier +heel de Amsterdamsche burgerij, in de vreeselijkste spanning verkeerd. + +Och, hij voorzag het toen wel, dat die gast-vrienden der Hollandsche +militairen gekomen waren om Holland's vlag van de aarde te verdringen, +Holland's taal uit te roeien, Holland's goed te rooven, Holland's +jongelingen van de ouders af te scheuren om ze, ver van hun +geboortegrond, te offeren aan de onverzadelijkste heerschzucht. + +Op de Kattenburgerbrug hield een _douanier_ hem staande, om zich te +overtuigen, of hij ook koloniale waren in zijn handkar hebben mocht. Hij +wist het reeds lang, zij wantrouwden hem, de Fransche tolbeambten, wijl +zijn huidig bedrijf hem noodwendig met visschers in aanraking bracht, +die als de grootste smokkelaars verdacht stonden. Maar toch steeg +Franciscus geregeld nog het bloed naar het hoofd, telkens wanneer hij +zich een onderzoek moest laten welgevallen. + +Door een enkelen blik had de belastingambtenaar gezien, dat de kar ledig +was. Zwijgend wenkte hij toen, dat de aangehoudene weer dóór kon gaan. + +Hoe waren de tijden dan toch veranderd! + +En Franciscus Stargardt herdacht opeens met schaamte aan zijn opgewonden +patriottenroes, toen ook hij den goedigen, maar helaas te zwakken +stadhouder[2] voor een Alva en een Nero had uitgekreten, toen ook hij +de Franschen als bevrijders der tirannie had ingehaald, en ze bij hun +komst als broeders had helpen ontvangen. Ja, hij had ze vergood bijkans, +diezelfde Franschen, nu door hem gevreesd als beulen, eerlang gereed om, +op last van een overweldiger hem te ontrooven het dierbaarste wat hij +bezat: zijn flinke, gezonde, levenslustige jongens. + +[2] Willem V. + +Jakob en Willem, ze waren beiden op 't timmeren. En schoon er +tegenwoordig, bij de algemeene achteruitgang en armoede meer geslóópt +dan gebóuwd werd, had de baas hun nog steeds aan het werk kunnen houden. +Alzoo nooit zonder verdienste geweest, hadden zij hun vader de zorg voor +het dagelijksch brood, sedert hij 's lands werf, na zijn ongeluk, had +moeten verlaten, niet weinig helpen verlichten. + +Want »Frans met de kruk", gelijk hij tegenwoordig algemeen genoemd +werd, had voor weinige jaren nog een paar stevige beenen tot zijn +beschikking, die zonder vermoeienis zijn forsch en krachtig lichaam +op zomersche Zondagen tot ver buiten de stad vermochten te brengen. + +Maar toen opeens die noodlottige val, onderwijl hij zijn beroep van +blokkenmaker uitoefende! + +»Je bent nog een jonge, sterke vent", zei de dokter, »dat is je behoud". + +Zijn krachtig gestel bracht hem dan ook vrij spoedig er weer bovenop, +maar--zijn rechterbeen had hem afgezet moeten worden en voor 's lands +werf wist hij zich nu een, zijn leven lang, onbruikbaren kerel. + +Toen, pogende op een andere wijze zijn brood te verdienen, was hij met +visch gaan venten. De begunstiging van zijn vrienden en vroegere makkers +en de ijver van zijn flinke huisvrouw Jane Overbeek, ondersteunden hem +daarbij met het beste gevolg. Hoe zorglijk de omstandigheden ook werden, +»Frans met de kruk" vond toch altoos zijn bescheiden deel, zelfs thans +nog te midden der vreemde onderdrukking. + +Want de tijd van spanning, door den troonsafstand van Koning Lodewijk +ontstaan, was van heel korten duur geweest. Napoleon toch, de daad zijns +broeders ten sterkste afkeurend, had, slechts weinige dagen later, het +koninkrijk Holland tot een onderdeel van het Fransche Keizerrijk +verklaard. + +Het vaderland bestond niet meer. + +Charles François Le Brun, hertog van Plaisance, kwam als +_luitenant-generaal_ of algemeen stedehouder het paleis bewonen, het +land werd in departementen verdeeld, met _prefecten_ tot bestuurders. +Beneden die _prefecten_ stonden _onder-prefecten_; de burgemeesters +werden _maires_. + +En tegelijkertijd bracht Napoleon een verpletterende slag toe aan de +overblijfselen onzer vroegere welvaart. Het decreet der inlijving toch +eischte van den ganschen Handelsstand 50 procent van de waarde der +koloniale waren en tevens ontnam het, met één pennestreek, aan vele +duizenden twee derden van hun vermogen. De renten der Hollandsche +schuld zouden namelijk niet verder dan voor een derde onder de lasten +worden opgenomen. Vermogende lieden waren door deze willekeur eensklaps +tot een bekrompen staat, anderen, die van een klein kapitaal met hun +huisgezinnen wisten te leven, tot diepe armoede gebracht. + +Al die ellende, voor Franciscus Stargardt was ze natuurlijk hoegenaamd +niet nieuw meer, maar Napoleons jongste decreet en het onderzoek aan de +brug, daareven, hadden gemaakt dat hij er op 't oogenblik meer dan ooit +mee vervuld werd. + +In de grootste verbittering trad hij dan ook zijn woning binnen, die op +den hoek van de Kleine Kattenburgerstraat en het Kattenburgerplein +stond. + +»Er is toch niets gebeurd?" riep moeder Jane, toen zij nog maar +nauwelijks zijn gezicht gezien had. + +»Het ergste wat ons nog overkomen kon!" zei de kreupele somber: »De +conscriptie wordt ingevoerd!" + +Hij liet zich in zijn stoel neer, de kruk ruw naast zich in den hoek +werpend. + +Moeder Jane verbleekte. De conscriptie! Vaak genoeg was de mogelijke +invoering reeds in zorgelijke vrees besproken, om te kunnen weten wat +dat zeggen wou. Niet langer dan vijf jaren hadden de conscrits te +dienen, zoo heette het. Maar in Frankrijk was geen voorbeeld bekend dat +men een soldaat, tenzij wegens ongeschiktheid voor den dienst, ooit weer +ontsloeg. + +»Ja, zóóver is het dan gekomen!" vervolgde Stargardt dof. »Was het +al niet genoeg dat wij dagelijks bloot staan aan de schandelijkste +willekeur van douanen en gendarmen? Dat we worden bestuurd naar vreemde +wetten en onder vreemde heerschers? Dat we voortdurend worden uitgeperst +en uitgezogen, terwijl de lasten en opbrengsten, inplaats van het +algemeen welzijn te dienen, als buit over de grenzen worden gevoerd? + +Maar nee, nu ook dàt nog!" + +Zijn ellebogen op tafel gesteund, liet hij het hoofd in beide vuisten +rusten. Toen staarde hij verder, met saâmgetrokken wenkbrauwen, zwijgend +voor zich uit. + +Ook het gezicht van moeder Jane stond zorgelijk. + +Maar zij was een flinke vrouw en na haar eerste ontsteltenis zon zij +dadelijk op uitkomst. Willem werd al twee-en-twintig, die kwam voor +de conscriptie dus niet meer in aanmerking, meende zij. En Jakob zou +toekomende jaar pas moeten loten. Kon hij, bij dat, niet naar Engeland +ontsnappen, waar Napoleon niemendal te vertellen had? Hàrd mocht dat +zijn, 't zou toch altoos nog beter wezen dan verminkt of doodgeschoten +te worden als soldaat. In ieder geval, waarom zouden zij nu zich al +zorgen maken? Wie weet, wat nog gebeuren kon. + +»Willem niet in aanmerking komen?!..." + +Bruusk hief Stargardt het hoofd op: »Neen, dat is juist het +onrechtvaardigste van alles, de Keizer heeft bevolen dat zijn decreet, +voor dezen eersten keer, een terugwerkende kracht zal hebben van drie +jaren liefst!" + +»Dat wil zeggen...?" vroeg moeder Jane beangst. + +»Dat zelfs de jonge mannen van drie-en-twintig nog aan de loting moeten +deelnemen!" + +Nu wist ook Jane geen raad. In de diepste verslagenheid en schier +zwijgend bleven zij tegenover elkander zitten, totdat eindelijk Willem +en Jakob van 't werk thuiskwamen. + +»Wat ben jullie van avond laat, jongens?" zei Jane bezorgd. + +'t Was op het einde van Februari en met die korte dagen konden zij dus +al lang binnen geweest zijn. + +»We hadden vandaag ons werk een heel eind van de stad," gaf Willem tot +opheldering. + +»Een buitenplaats sloopen!" voegde Jakob er aan toe. + +»Ja, slóópen, slóópen! Da's tegenwoordig nog maar het bloeiendste +handwerk!" barstte Stargardt wrevelig uit. »Hier in Amsterdam verdwijnen +nu al gehééle wijken; de Vechtstreek, de Diemermeer en Haarlem's +omgeving verloren het ééne landgoed na het andere! + +En ga eens door de stad!.. Bij troepen zie je ambachtslui met de handen +in de zakken langs pleinen en straten slenteren. Geen dienstbode krijgt +meer een betrekking, geen schipper vindt langer vracht, winkelier en +kramer ervaren duizenden kwellingen! + +Vroeger, o 't was een liefhebberij om langs den IJkant te loopen. Geen +mooier gezicht dan al die schepen, die er voor anker lagen. Een bòsch +leek het wel, een bosch van masten! + +Kom daar nù eens om! Wat zie je? Een stuk of wat vaartuigen maar, die +er liggen te rotten, omdat Napoleon met zijn Continentaal-stelsel onzen +handel vermoord heeft. + +Ja, is het niet God geklaagd", wond hij zich al heviger op, »dat wegens +dit stelsel niet minder dan 18000 man onze kusten moeten bewaken en +al onze havens met oorlogsschepen worden geblokkeerd om toch maar te +zorgen, dat er geen koopvaarder uit of in komt? + +O, als ik bedenk," ging hij al heftiger voort, »dat één man dit alles +ons aandoet, dat één man onzen koophandel verlamd, onze visscherij en +scheepvaart zoo goed als vernietigd en bankroet op bankroet veroorzaakt +heeft, o, dan zou ik in staat zijn om den ellendeling..." + +»Fràns!!..." gilde Jane, doodelijk ontsteld. + +»Vader, vader!" waarschuwden de jongens verschrikt, »maak ons in +Godsnaam toch niet allemaal ongelukkig!" + +Angstig luisterde Willem aan het venster, bevend kierde Jacob de deur... + +Want de Fransche geheime politie had overal haar agenten; in de +koffiehuizen, in de schouwburgen, bij zijn vrienden, ja, zelfs in zijn +eigen woning was het gevaarlijk om te morren over het tiranniek bestuur. +Mijnheer Devilliers Duterrage[3] toch, had zijn stille verklikkers onder +alle standen, onder de welgekleede heeren, onder eenvoudige kleine +burgers, onder handwerkslieden, tot onder de voddenkrabbers incluis. + +[3] De directeur-generaal van politie. + +Vaak was een enkele aanklacht van zoo'n laag gezonkene voldoende om +iemand in de gevangenis te brengen, of te doen veroordeelen tot den +dood. + +Franciscus zat een oogenblik ontsteld, dat hij zich zóó had laten gaan. + +»Jullie hebt gelijk," sprak hij eindelijk meer bedaard en met gedempte +stem. »Maar een mensch heeft wel eens behoefte om zich te uiten. Het zat +me tot _hier_!" wees hij met het bekende gebaar. + +»Ook voor jou, mijn jongen, is er geen aangenaam nieuws," ging hij +weemoedig voort, meer bepaald tot Willem sprekend. + +Willem zag doodsbleek, toen hij het wist. + +»Maar ik kan vrijloten!" bracht hij er eindelijk met moeite uit. 't Was +een mislukte poging om zijn ouders met een verwachting op te beuren, die +hij zelf niet had. + +»O, zeker, je kunt nog vrij loten!" zuchtten de anderen, meenend, dat +dit hem troosten zou. + +Maar geen van die vier bedrukte menschen bezat in waarheid de hoop, +waarmee elk den ander dacht te bemoedigen. + + * * * * * + +IJverig werd nu met de inschrijving van alle dienstplichtige jongelingen +begonnen en reeds den 28sten Maart zou de loting plaats hebben. + +Willem zou als reden tot vrijstelling opgeven, dat hij bijziende was. +Voor een poosje namelijk was het Jakob eens opgevallen, dat zijn broer +het boek onder het lezen wat dichter bij de oogen hield dan hijzelf. +Dadelijk hadden zij daar toen allemaal een reden tot ongeschiktheid voor +den dienst in gevonden. + +Op den morgen van den lotingsdag had echter geen van de Stargardts nog +eenig vertrouwen meer in de deugdelijkheid van het kortelings ontdekte +vrijstellingsmotief. Treurig zaten zij aan het ontbijt, maar alle vier +konden zij niet dan met moeite eenige beten naar binnen krijgen. + +Er werd meer gezucht dan gesproken. + +»Kom, Willem! het wordt je tijd!" zei Stargardt eindelijk met een door +aandoening verschorde stem. + +Hij nam zijn kruk onder den oksel en ook de beide jongens stonden op. + +Moeder Jane begon hevig te snikken. Het leek haar toe, of haar kind dit +oogenblik de eerste stap tot een bloedigen dood ging doen. + +»Kom, moeder, flink wezen nu!" poogde Willem nog te troosten: »Wie weet +of ik geen hoog nummer trek!" Maar in 't midden van die hokkend geuite +woorden moest hij zich omkeeren, om zijn eigen ontroering te verbergen. + +Zij gingen met hun vieren de deur uit, naar het stadhuis. Want de +loting zou deels in de Amstelkerk, deels ten raadhuize plaats hebben. + +Op straat zagen Jane's oogen nog rood van het schreien dat zij gedaan +had. Maar moeder Jane was waarlijk in dit opzicht de eenige niet. Dien +morgen bleek de stad vòl van vrouwen, die in gezelschap van lotelingen, +met roodbekreten oogen over straat gingen. + +Voor het stadhuis was een groote ophooping van menschen; de Stargardts +hadden moeite, er door te komen. Maar eindelijk was dit toch gelukt. De +beide ouders en Jakob wilden nu méé naar binnen treden, maar door de +gendarmen die den ingang bewaakten, werden zij met barschen grauw +teruggehouden. Alleen Willem mocht binnengaan. + +»Flink raak grijpen maar!" bemoedigde Jakob zijn broer, die er in dit +oogenblik allerellendigst uitzag. + +»Ja, mijn jongen, grijp maar ferm toe!" schorde zijns vaders ontroerde +en hokkende stem: »Het geluk is voor de brutaalsten!" + +Maar Willem schudde treurig het hoofd; het lag hem zoo bij, dat hij wel +een laag nummer zou trekken. + +Ook moeder Jane was begonnen, haar armen jongen nog een woord van troost +toe te snikken; maar ongeduldig duwde een der gendarmen Willem naar +binnen. + +»Allo, vooruit! Je kunt hier den heelen dag niet blijven staan janken!" +schreeuwde hij ruw. + +Met vreemdstrakken blik liep Willem nu dóór. Uit de raadkamer hoorde +hij de nummers afroepen en nu en dan ging een loteling hem voorbij, met +roodgloeiend gezicht, of zoo wit als het genummerde stukje papier, dat +tusschen zijn vingers beefde. + +Hij schuifelde de zaal in; daar zaten of stonden nog een menigte +jongelingen hun beurt af te wachten, en niet één keek blijmoedig. +Sommigen straalde de wanhoop als een koortsgloed de branderige oogen +uit; anderen zaten, met het hoofd op de borst, als geknakte witte +bloemen. Slechts enkelen deden zenuwachtig druk, om zich een voorkomen +van flinkheid te geven, maar de meesten openbaarden een doffe, schier +wezenlooze onderwerping. + +Bijna angstig staarde Willem naar de groote, met groen laken overdekte +tafel, waarop de lotbus stond. Aan die tafel zat de Raad van +Conscriptie; mijnheer De Celles, de om zijn wreedheid gehate prefect, +had de eereplaats. Een sterke balie scheidde deze tafel van de +zaalruimte, waar de lotelingen waren. Twee openingen, de eene tot +ingang, de andere tot uitgang bestemd, bleken ieder bewaakt door vier +Fransche soldaten. + +Eén voor één werden de lotelingen opgeroepen, om uit de noodlottige bus +het stukje papier te grijpen, waaraan misschien hun leven hing. Soms +snerpte een kreet van wanhoop door de zaal, als een conscrit een zeer +laag nummer bleek getrokken te hebben, soms schalde er een juichkreet +op, wanneer het een buitengewoon hóóg nummer bleek te zijn. + +»Willem Stargardt!" klonk het opeens. + +Willem voelde een schok, toen hij zijn naam hoorde aflezen. +Tegelijkertijd ging hem een ijskoude huivering over den rug, alsof +hij de koorts had. In een vreemde droomdoezeling ging hij tusschen de +militairen door. 't Was of niet _hij_ daar ging, maar iemand anders; of +niet _hij_ voor de heeren trad om zijn hand in de glazen bus te steken, +maar iemand búiten hem... Doch opeens werd hij weer zichzelf, nadat hij +het getrokken nummer aan den militairen auditeur had overgereikt. + +»No. 15", las de auditeur. Toen werd al weer een nieuwe loteling +opgeroepen. + +Willem stond daar nog, roerloos, geheel verbijsterd. + +»Neen, mijn jongen, je behoeft vandáág nog niet op schildwacht te +staan!" spotte mijnheer De Celles, en de andere heeren lachten dat +zij schudden om die wreede grappigheid van den hardvochtigen prefect. + +Nu kwam Willem plotseling tot een klaar besef van zijn ongelukkigen +toestand. Met een prikkelende trilling in zijn beenen ging hij naar de +plaats waar zijn signalement werd opgenomen, en een oogenblik later +stond hij weer op straat. + +Al dien tijd hadden de andere Stargardts daar in het vreeselijkste +ongeduld staan wachten. + +»Daar komt hij!" riep Jakob nu opeens. »Maar..." + +»Hemelsche goedheid! Ik zie het al, ik zie het al!" jammerde moeder +Jane, »zijn gezicht is zoo wit als een doek!" + +»Welnu?..." hijgde Stargardt, op zijn kruk naar voren wippend. + +»No. 15--soldaat!" zuchtte Willem. + +Zijn onderkaak was in zenuwachtige trilling, toen hij met moeite dit +antwoord uitbracht. + +»Maar je hebt toch opgegeven, dat je bijziende was!" vraagde moeder nog +angstig. + +Willem knikte. + +»Kom laten we gaan!" zei Stargardt dof. + +In somber zwijgen, als menschen die een dierbaren doode naar het kerkhof +hebben gebracht, keerden zij daarop naar huis. + +Drie dagen later moest Willem reeds voor den Raad van keuring +verschijnen, die zitting hield in het Besjeshuis aan den Amstel. + +Hij ging er heen met weinig hoop. Toen hem bovendien al heel spoedig +bleek, dat tal van conscrits, die eveneens gebreken hadden opgegeven, +reeds allemaal waren goedgekeurd, ging hij in doffe gelatenheid bij de +nog wachtenden zitten. + +Weldra kraakte een deur open en tien lotelingen kwamen er +uit,--goedgekeurd! Duidelijk was het te zien aan hun strakke, bedroefde +gezichten. + +Onmiddellijk daarop stak een gendarme het hoofd door de deuropening en +schreeuwde de namen van tien andere lotelingen uit. Ook die van Willem +was er bij. + +Zij traden binnen en de gendarme sloot de deur. + +Verscheidene heeren, meerendeels notabelen, om zoo noodig van advies te +dienen, zaten op stoelen in een halven kring; mijnheer De Celles, de +gehaten prefect, op een leuningstoel in het midden; en zijn secretaris +zat aan een tafel. + +Eenige militaire chirurgijns en een overste stonden in een hoek van het +vertrek met elkaar te praten. + +»Uitkleeden!--Een beetje vlug asjeblieft!" commandeerde de gendarme +barsch. + +Toen zij alle tien zich geheel ontkleed hadden, werden zij betast en +bekeken als het vee op een marktplein. + +Een was er bij, die doofheid had opgegeven. + +»Hoe heet je?" werd hem gevraagd. + +»In de Willemstraat!" zei de jongen. + +»Mijnheer vraagt, hoe je heet!" bulderde een der gendarmen. + +»O, zóó! Frederik Nottens!--Ik dacht dat mijnheer de chirurgijn vroeg, +waar ik wóónde. Ik ben een beetje doof, ziet u!" + +»Maar toch zeker niet zoo erg?" + +»Wâblief?" vroeg de Willemstrater, de hand aan het oor geschulpt. + +»Of het èrg is?" herhaalde de chirurgijn luid. + +»Vér? Ja, de Willemstraat is tamelijk ver", was het antwoord. + +»We moeten met hèm maar uitscheiden!" zei de prefect. »'t Is duidelijk, +de lummel is zoo doof als een pot!" En zonder de minste stemverheffing +liet hij terstond er op volgen: + +»Je bent afgekeurd, vriend. Je kunt gaan!" + +Met een glans van blijdschap op het gelaat keerde Frederik Nottens zich +om en wilde dadelijk zijn kleeren aandoen om heen te gaan. + +»Halt!" donderde de stem van mijnheer De Celles. En toen zich met een +boosaardig lachje tot den secretaris wendend: + +»Frederik Nottens,--goedgekeurd voor den dienst!" + +Een naar het uiterlijk sterke en gezonde loteling had vallende ziekte +als reden tot vrijstelling opgegeven en, uit angst, kreeg hij plotseling +werkelijk een toeval. Zijn oogen draaiden akelig in hun kassen, wit +schuim bruiste hem om den mond en met een plof smakte hij op den vloer. + +De heeren notabelen toonden, met den armen jongen te doen te hebben. +Maar mijnheer De Celles zei: »Nu, ja, de kunst gaat ver. We zullen +dadelijk onderzoeken wat er van aan is." + +Toen liet hij door een der gendarmen, den beruchten Jean Malot, het +naakte lichaam van den ongelukkige met brandend lak bedruipen, om te +zien of de kwaal ook nagebootst was. + +Met een gevoel van afgrijzen zagen de andere heeren dat wreede bevel ten +uitvoer brengen. De prefect echter nam een snuifje en keek doodbedaard +toe. + +Toen de arme jongen nochtans roerloos liggen bleef sprak hij, +onverschillig en koud: »Hm, de ziekte blijkt heusch toch echt te wezen!" + +Willem had dit alles met ontzetting bijgewoond en angstig vroeg hij zich +af, wat men zoo meteen met hèm wel doen zou. Een tengere, bleeke jongen +echter, die reeds van den aanvang af had staan trillen als was hij, +onder een ijzigen vrieswind, zoo juist uit een bijt gered, was in +onmacht gevallen. + +Om hem bij te brengen onderging hij dezelfde afschuwelijke bewerking. + +Gillend sprong de mishandelde stumper toen overeind. + +»U ziet het, heeren," zei de prefect, met zijn wreed lachje: »Het middel +is waarlijk nog zoo kwaad niet." + +Als zoovele ambtenaren volvoerde mijnheer De Celles des Keizers bevelen +met gestrengheid, zonder verschooning of verzachting; maar waar anderen +dit deden uit angst voor Napoleon, uit zucht om zich aangenaam te maken, +of uit nauwgezette plichtsbetrachting, daar deed _hij_ het steeds uit +ingeboren neiging. Hoe wreeder de Keizerlijke bevelen waren, te minder +blijk van weerzin of mededoogen deze prefect openbaarde, als ontbrak hem +alle gevoel van menschelijkheid, als was het hem een genòt om leed te +stichten. + +De jonge Stargardt, na alles wat hij gezien had, huiverde, toen +eindelijk de beurt aan hèm kwam. + +»En jij?" vroeg een der militaire chirurgijns. + +»Bijziende!" stamelde Willem bevend. + +Enkele proeven werden nu genomen en daar hij te eerlijk was tot een +poging om den raad van keuring te misleiden, klonk het weldra: + +»Willem Stargardt,--goedgekeurd voor den dienst!" + + + + +Tweede Hoofdstuk. + +Het oproer aan de Haarlemmerpoort. + + +Op den avond van den 10den April werden alle goedgekeurde conscrits +bijeengebracht en in de kazerne aan de Utrechtsche poort opgesloten, +om den volgenden dag naar hun corpsen te worden gezonden. + +Zoodra de morgen aanlicht, zet de sombere stoet zich in beweging, naar +de Haarlemmerpoort, waar verscheidene schuiten tot hun vervoer gereed +liggen. + +Door talrijke gendarmen begeleid volgt de droeve jongelingenschaar de +aanvoerders als weerloos slachtvee. + +Willem Stargardts familie is niet aanwezig. + +Om hem het heengaan niet nog moeilijker te maken had hij dringend +verzocht, dat het laatste afscheid den dag te voren in het ouderlijke +huis zou plaats hebben. + +Maar in weerwil dat de tocht met voordacht langs achterbuurten gaat, +zijn toch vele vrienden en verwanten op de been, die met de uittrekkende +lotelingen meeloopen. En dat aantal wordt gaandeweg nog hoe langer hoe +grooter. Af en toe knerpt een raam open, waardoor een vaarwel wordt +toegewuifd. Dan heft de loteling dien het geldt in den regel zwijgend +een hand op, en laat vervolgens het hoofd weer moedeloos op de borst +zinken. + +Willem loopt tusschen Lodewijk Hantelman, den tengeren jongen die op den +keuringsdag in zwijm viel, en Frederik Nottens, den Willemstrater, die +doofheid had voorgewend. + +De doodsbleeke Lodewijk snikt als een kind, terwijl zijn roodgeschreide +oogen aanhoudend naar zijn ouders kijken, zich voortbewegend onder +de nog immer aangroeiende menigte. En naast Lodewijk's vader, den +stevig-gedrongen, breedgeschouderden Antonie Hantelman, stapt de +reuzengestalte van Toon Janssen. Zijn eigen jongen was wel is waar, om +zijn vallende ziekte, ongeschikt verklaard voor den dienst, maar toch +laait een felle woede weer telkens in hem op, zoo vaak hij maar bedenkt, +hoe mishandeld hij zijn kind weer thuis kreeg. + +Hij is meegeloopen met den stoet, omdat hij er enkele verwanten onder +heeft. En nu moet hij het zien dat, daar vóór hem, de ellendeling gaat +die zich gretig haastte, het onmenschelijk bevel van den prefect ten +uitvoer te brengen. + +Toon Janssen klemt de vingers krampachtig om de duimen, zijn oogen +gloren somber van verzwegen wrok, nu hij daar dien hatelijken Jean Malot +ontdekt, wiens hand de gloeiende lakdruppels op het naakte lijf van zijn +ongelukkigen jongen liet inbranden. + +Zwaar stapt hij naast Antonie Hantelman voort, wiens jongen op dezelfde +onmenschelijke wijze mishandeld werd. + +En in hun haat komen de versomberde zielen dier beide vaders tot +elkander, voldoening zoekend in zacht-mompelend beurt-geschimp. + +Daar tracht iemand uit de menigte tot de lotelingen door te dringen, +om zijn zoon de hand te drukken. Doch met een stomp wordt hij +teruggedrongen onder het volk. Anderen pogen hetzelfde, maar stooten en +slagen van de gendarmen doen hen dof-grommend af deinzen. Aanstekelijk +werkt dit grommen op heel de verbitterde massa; het wordt een zwaar, +gonzend, opstandig gebrom, langzaam groeiend en aansterkend tot nog +onverstaanbaar, dreigend woordgezwatel; hoofden en handen komen in +onrustig gebaar; oogen drinken haat uit anderer haatvervulde oogen.... +In dien toestand van nog onderdrukte opgewondenheid, geraakt heel de +massa, met de lotelingen, tot buiten de Haarlemmerpoort. + +En daar liggen zij te wachten, de schuiten, stil-geduldig als loerende +leviathans, de wijd-open klepluiken hongerig gapend als monstermuilen, +om, zoo dadelijk, één voor één, die aangevoerde prooi van Amsterdamsche +jongelingen te verslinden. + +Thans wordt de wanhoop die zwaarbeproefde vrienden en verwanten te +machtig. Zij dringen zich door de gendarmen tot een laatsten handdruk, +een laatste omhelzing. + +Moeder Hantelman heeft zich wild aan de borst van haar zoon geworpen, +luid jammerend: + +»O mijn jongen, mijn jongen!.. Ik kàn je niet missen!.." + +Hun armen houden elkander vast als in onbreekbare omstrengeling. Maar +driftig nadert Jean Malot. Barsch scheurt hij beiden van elkaar, dat de +moeder met een smartkreet terzijde slingert, terwijl hij den zoon naar +de schutten poogt voort te drijven. + +Doch in 't zelfde oogenblik springt de vader op den ruwen gendarme +toe..; ontembare worgdrift vaart bevend door zijn armen, en als een +roofdierklauw omhaken zijn vingers hem nijpend den strot... + +De Franschman, het vuurroode hoofd achterover, reutelt een gesmoorden +vloek omhoog, zijn sabel trekkend tot bloedigen tegenweer... Maar Toon +Janssen's sterke handen ontwringen het wapen aan zijn vuist... als een +weerlicht flitst het over de hoofden der menigte, tot het neerploft in +de Haarlemmervaart... + +Deze daad werkt op de massa als een vurig verbeid, onderling afgesproken +aanvalssein. Het lang reeds smeulende vuur van hun wrok slaat plotseling +uit in wild-flakkerende vlammen. Hun oordeel ligt in onmacht; hun haat, +in zijn honger naar gewelddadigheden, ontwringt zich aan den greep der +zelfbeheersching... En die vreedzame burgers, die rustige huisvaders en +huismoeders, zij worden opeens tot furiën! Bij tientallen bespringen +zij de schuiten, zij snijden de jaaglijnen in stukken, zij bemachtigen +gretig de lange schippershaken, en de lotelingen die reeds waren +ingescheept voelen zich eensklaps naar boven gesjord en weer aan wal +gesleurd, nog vóór ze beseffen wat er eigenlijk te doen is. + +Zoodra Willem Stargardt zich bevrijd weet, begint hij zich echter af te +vragen, wat hij met zijn vrijheid nu toch wel moet aanvangen. Liefst +zou hij naar huis gaan, maar hij begrijpt zeer goed, dat de Fransche +gendarmen hem niet rustig thuis zullen laten. Gauw genoeg zal hij daar +ontdekt worden. En dan is zijn lot natuurlijk, dat hij tòch zal moeten +uittrekken en heel zijn leven soldaat blijven, zoo hij niet gedood of +verminkt wordt. Zijn leven lang zal hij dan hebben te vechten, niet +voor zijn eigen vaderland en zijn eigen vorst, maar een vreemd land +en een vreemden heerscher zal hij moeten dienen; hij zal zijn jonge +leven aanhoudend moeten wagen in dienst van den nooit voldanen +veroveringshonger van den man, die zijn land en zijn volk zoo diep +heeft vernederd en nog dagelijks onderdrukt. + +Heel zijn ziel komt opnieuw tegen dit onduldbaar-hatelijk denkbeeld in +verzet en hij besluit, niét naar huis te gaan. + +Maar, wat dàn? + +Terwijl hij hier nog over nadenkt, fluistert iemand hem in 't oor: »Maak +dat je van avond aan 't Legmeer bent.--Maar òngemerkt, hoor!--dan zal ik +je verbergen!" + +Meteen keert de man zich om en verdwijnt tusschen de vechtende en +tierende menigte. + +Willem heeft echter dadelijk Ep de Breukelaar herkend, een visscher, van +wien zijn vader nog al eens baars en paling koopt. Zoo ergens, dan is +hij dààr veilig. + +Zijn besluit staat nu vast. Hij zal zich bij Ep de Breukelaar voorloopig +schuil houden en vandaar trachten, naar Engeland te ontkomen. + +Dit laatste is zonder twijfel een onderneming, vol van het grootste +gevaar. En wordt hij gesnapt, hij weet het, dan zal hij, als deserteur, +tot den kogel veroordeeld worden. + +Maar dat waagt hij er op. Liever éénmaal de kans om doodgeschoten te +worden bij zijn streven naar de vrijheid, dan honderd maal wellicht, +op het slagveld den dood onder de oogen te moeten zien. + +Ongemerkt maakt hij zich nu uit de voeten, want het tumult en de +verwarring zijn in dit oogenblik heviger dan ooit. Woedend de sabel +zwaaiend pogen de politiemannen nog meester te blijven van den toestand. +Maar met de lange vaarhaken worden zij smalend en jouwend omvergerukt, +met woest getier overvallen, en ontwapend onder brullend +triomfgeschreeuw. + +Het gevoel harer onmacht heeft die verbitterde menigte voor een +oogenblik geheel verloren, tot de gehate gendarmen, getrapt en geslagen, +gehavend en wapenloos, zich zoeken te redden in wilde, ordelooze +vlucht... + +Die ongehoorde uitslag werkt plotseling als een ontnuchtering... + +Angstig komt men tot een klaar besef van wat men eigenlijk gedaan +heeft... en trekt dan af, in de grootste verslagenheid, terwijl de +bevrijde lotelingen zich door de stad verspreiden, waar de mare van +hetgeen er aan de schuiten voorviel, hun reeds is vóórgegaan. + +In verschillende wijken ontstond nu gisting. Toen het 46ste regiment, +dat op 't Funen manoeuvreerde, zich naar de Haarlemmerpoort wilde +spoeden, werd het door de bewoners der Joden-Breestraat zoo vinnig met +stokken en steenen en allerlei andere wapens bestookt, dat het hierdoor +geruimen tijd werd tegengehouden. Ja, de Fransche ambtenaren begonnen +blijkbaar voor hun leven te vreezen. Brunier, de knecht van mijnheer +Devilliers Duterrage, den gevreesden directeur-generaal der Fransche +politie, kwam tenminste bij den parfumeur Jaquement, op de +Reguliers-Breestraat, binnensnellen onder den uitroep: + +»Ach, landsman, alle Franschen worden verwurgd!" + +»Maar wij zijn geen Franschen, wij zijn Zwitsers," antwoordde de +winkelier bemoedigend. + +»Jawel, we zijn Zwitsers, maar Zwitsers die Fransch praten; dat is voor +'t verbitterde volk genoeg om ons aan een lantaarnpaal op te hangen!" + +En werkelijk, er dreigde voor de Franschen gevaar. Maar in den namiddag +kwam de Nationale garde (schutterij) in 't geweer, en deze hield het +volk van verdere bewegingen terug. + +Zoozeer zat echter de schrik bij de Fransche regeering er in, dat zij +per telegraaf versterking aanvroeg. + +Op de Weesperpoort stond namelijk een ijzeren stijl met zes ijzeren +borden, die recht konden liggen of dwars opstaan. Hiermee vermocht men +alle letters te maken, ja kon men zelfs teekens geven en allerlei andere +seinen. Nu stond er op den toren van Ouwerkerk ook zoodanig toestel +dat al die teekens onmiddellijk navolgde. De telegrafen te Vreeland, +Westbroek en verdere dorpen deden evenzoo, en op die manier, van toren +op toren overgebracht, konden, van Amsterdam uit, berichten worden +gezonden tot zelfs naar Parijs. + +Langs dezen weg nu werd door de Fransche overheid, in haar ontsteltenis, +naar Utrecht om hulp gevraagd, waarmee zij allerduidelijkst bewees, hoe +ernstig zij den toestand nog altoos achtte. + +Intusschen zwierf Willem Stargardt op eenzame wegen en velden rond. + +Voorloopig had hij, om zijn spoor te verheimelijken, den weg naar +Haarlem ingeslagen. Spoedig was hij evenwel Zuidwaarts afgeweken, immer +zorgend, herhaaldelijk van richting te veranderen en zich liefst zoo ver +mogelijk uit de menschen te houden. + +Beurtelings loopend en rustend, bracht hij op die manier den dag door, +om zich eindelijk in de buurt van het Legmeer schuil te houden tot het +donker zou zijn. + +Toen ging hij naar den oever en bleef er wachtend turen over den +rietzoom, in de richting waar hij Ep de Breukelaar's woning wist... + +Een gevoel van verlatenheid beving hem, in de vreemde, geheimzinnige +stilte om hem heen... Geen enkel gerucht, dat aan de nabijheid van +menschen deed denken... + +»Nu moest Ep eens berouw gekregen hebben en wegblijven!" dacht hij +bekommerd. + +Hij boog zijn hoofd over het riet, het oor in luistering naar het water +gericht... + +Dáár vernam hij een vaag gekabbel... Dat gerucht viel echter dra te +onderkennen... Het bleek een langzaam naderend, stil-omzichtig +riemgeplas... + +Willem kon eindelijk den schimmigen vorm van bootje en roeier +onderscheiden. + +De visscher legde aan, zacht werden wederzijds eenige woorden geuit... +Willem stapte in... en even behoedzaam als Ep gekomen was, roeide hij +weer, de duisternis in, naar zijn woning. + +Gebouwd op een der honderden eilandjes die, na het vervenen van den +grond, nog in het meer waren overgebleven, lag het huisje van Ep de +Breukelaar eenzaam te midden van hooge rietbosschen, gelijk het nest van +een schuwen watervogel. + +'t Was spoedig bereikt; Ep maakte het schuitje aan den walkant vast en +bracht Willem in het woonvertrek, waar hij allerhartelijkst door de +vrouw van den visscher werd ontvangen. + +»Komaan, ga dáár nu eens zitten!" zei ze, een stoel van den wand bij de +tafel plaatsend. »En kijk, dat zal er wel ingaan, denk ik!" + +Meteen zette zij een bord vol dampende karnemelksche pap voor hem neer. + +Nu, òf dat er in ging!--Want Willem had in de kazerne bijna niets door +de keel kunnen krijgen en heel dien dag had hij verder nat noch droog +gehad. + +Met ijver werd het bord dus leeg gelepeld, waardoor echter een opschrift +bloot kwam, dat door Willem niet zonder verbazing gelezen werd: + + Oranje boven is mijn leus, + Een Prinsman heeft geen andre keus! + +stond daar in sierlijke, blauwe krulletters. + +»Ja, ja," grinnikte Ep, die zijn verbazing gemerkt had: »Je bent hier +bij een volbloed Oranjeklant! Kijk maar vrij om je heen, dan zal je daar +méér bewijzen van zien!" + +»Ik denk, dat onze maat op 't oogenblik net zoo lief nog een bordje pap +heeft," lachte zijn vrouw, terwijl zij meteen zijn bord nog eens vulde. + +Willem zei geen _neen_, maar toen hij ook dàt geleegd had, keek hij op +zijn gemak het vertrek eens rond, naar de overige bewijzen van Ep de +Breukelaar's Oranjeliefde. + +Aan den wand ontdekte hij nu een paar omlijste prenten, met Willem V en +zijn gemalin ten voeten uit en een oranjeboom in het midden, waaronder: + + Hier is de deugt en roem geplant + Den vorst van 't Vrije Nederlant. + +Op de katoenen paneelen der beddeurtjes zag hij den Prins en de Prinses +_en medaillon_; en het kunstig houtsnijwerk waarmee de opstap-bankjes +voor de hooge bedden gesierd waren, hield tusschen loovers en bloemen de +letters: »P. W. D. 5." + +»Prins Willem De 5 de!" legde Ep hem uit. + +Maar dan de schoorsteen! + +'t Was een groote, vooruitspringende schouw, omrand met een veelkleurig +katoenen, in plooien geregen valletje... + +O, dat vàlletje! 't was de trots van de huisvrouw! Maar wat daar bóven +pronkte, in het rek van den breeden, geribden mantel, daar gingen +ze _beiden_ hoog op! Die zes groote borden, ze waren hun een zoete +herinnering aan voorbije dagen, een stille troost in het rampvol heden, +een blijde hoop voor de toekomst! Want ieder bord droeg het beeld van +den Prins en onder iedere Prinsenbeeltenis stond een zegewensch op het +Oranjehuis te lezen. + +»Da's nog eens de moeite wáárd, hè?" riep Ep, met ingenomenheid zijn +eigen woorden naknikkend. + +»Ja, vriendschap, die borden zijn nog uit den tijd van de Keezen en +Prinsmannen! Maar ook onder de Bataafsche Republiek en de regeering van +Koning Lodewijk zijn ze niet van hun plaats geweest!--En je ziet het, +zelfs nou, onder de dwingelandij van Napoleon," besloot hij met +voldoening, »nou staan ze daar nòg!" + +Zij raakten daarop over het voorval bij de schuiten aan het praten en +Ep, die den anderen morgen met paling naar stad moest, nam op zich, om +Willem's huisgenooten gerust te stellen. + +Den volgenden dag bleef Willem met het grootste ongeduld op Ep de +Breukelaar's thuiskomst wachten. Pas tegen den avond kwam hij terug, een +overvloed van nieuws meebrengend. + +»Nou, vriendschap, daar is je me gister wat gebeurd!" begon hij. +»Niet alleen aan de Haarlemmerpoort is het er te doen geweest, maar ook +binnen de stad zijn er nog verscheidene relletjes voorgevallen. In hun +benauwdheid hebben de Franschen toen om hulp gevraagd; en van morgen, +alheel in de vroegte, is het 93ste regiment uit Utrecht aangekomen, om +de bezetting van Amsterdam te versterken. + +De gendarmen, die gister wel in een doosje konden, ze stappen nu weer +als pauwen door de straten! + +En overal in de stad zijn bekendmakingen aangeplakt, vol van allerlei +dreigementen: + +Vooreerst, dat er een commissie benoemd is om de aanstookers en +medeplichtigen bij de relletjes van gister, op te sporen en te +vonnissen. + +Verder zal er huiszoeking gedaan worden, staat er, in alle wijken, waar +de lui oproerig geweest zijn; en alle verzamelingen van tien personen +zijn streng verboden. + +Maar dan staat er óók nog wat op, dat voor _jou_ van belang is: + +De dienstplichtige lotelingen moeten zorgen, uiterlijk morgenochtend +zeven uur, weer aan de Utrechtsche poort te zijn, of zij zullen als +deserteurs beschouwd worden. + +Ik heb je vader gesproken en die wou het heelemaal aan jezelf overlaten, +wat je nu doen wilt. Maar _blijf_ je bij je plan om te ontsnappen, dan +raadt hij je aan, om dat vandáág nog te probeeren. Want mocht het eens +blijken, dat je vlucht onmogelijk was, dan kan je nog altijd zorgen, +niet als deserteur beschouwd te worden, door je in dat geval nog tijdig +aan te melden. + +Toevallig was mijn broer Teunis van morgen in de stad en die wil +probeeren, je aan boord van een Engelschman te krijgen, heeft hij me +beloofd. Ook heb ik nog met een vertrouwden kennis afspraak gemaakt, +dat hij ons, zoo gauw het donker is, met zijn wagen naar Noordwijk zal +brengen.--Want mijn broer is een Noordwijker visscher, moet je weten! + +Dus--wàt is nu je plan?" + +Daar Willem halsstarrig bij zijn eerste voornemen blééf, roeiden zij dan +'s avonds naar den Zuidelijken oever van het Legmeer, waar de boer al +met zijn rijtuig op hen wachtte. + +Zij namen hun weg bezuiden het Haarlemmermeer en na een rit van +verscheidene uren geraakten zij zonder tegenspoed tot in de buurt van +het dorp Noordwijk. + +Hier zou de boer blijven wachten. Ep sloeg met Willem een duinpad in. +Het pad was hem blijkbaar volkomen bekend, want schoon het vrij donker +bleek, liep hij zonder de minste aarzeling voor Willem uit, tot zij +eindelijk aan een eenzame duinhut gekomen waren. + +Ep de Breukelaar tikte aan het venster. + +»Wie daar?" werd er van binnen geroepen. + +»Goed volk, doe maar open Teun!" + +»Ha, zoo! Ben jij het?" + +Er volgde nu eenig gestommel; daarop werden beiden binnen gelaten. + +Bij het licht van een zwak olielampje zag Willem, dat de visscher geheel +gekleed was. Hij kwam dus niet rechtstreeks uit bed, schoon het toch +middernacht moest zijn. + +»En dat is dus de jonge borst, dien we naar Engeland moeten +prakkizeeren?" zei Teun. »Nou, je hebt schoon gelijk, hoor! En wat +het mooiste is, er leit juist een Engelschman op de kust. Hij heeft +duidelijk een paar maal sein gemaakt. + +Asjeblieft Ep, daar heb-je wat koffie, suiker en thee en een paar +pondjes tabak!--Maar nou moet ik er dadelijk op uit, want de maats +zullen al met ongeduld op me wachten!" + +Willem begreep onmiddellijk--uit den aard der artikelen die Teun zijn +broer present deed--dat de Noordwijker, evenals zoovéle visschers wier +bedrijf door het continentaal stelsel zoo goed als stil stond--het +gevaarlijk bedrijf van smokkelaar uitoefende en dat hijzelf op zoo'n +nachtelijken smokkeltocht aan boord van het Engelsche vaartuig zou +gebracht worden. + +Hij was evenwel tot alles bereid en nadat Ep dus afscheid genomen had om +weer met den boer naar huis te rijden, gaf hij zich moedvol aan het +geleide van zijn nieuwen helper over. + +»Nu geen woord spreken," zei Teun, »en je nergens over verwonderen!" + +Willem beloofde dit en volgde vol vertrouwen zijn gids die, een +roeispaan over den schouder, met de grootste behoedzaamheid in het +duister voortschreed... + +Dáár bleef de smokkelaar staan. Willem zag hem iets in den mond steken. +Een soort van fluitje moest het geweest zijn, want plots liet de +Noordwijker, bedrieglijk natuurlijk, het geluid van een smient hooren. + +Hij wachtte even... Daar klonk, heel zacht, hetzelfde fluitgeluid als +antwoord... Donkere gestalten kwamen uit het duister naar voren, en een +oogenblik later had zich een vijftal mannen bij hen gevoegd, ieder, +evenals Teun, een riem over den schouder. + +»Wie heb je daar bij je?" werd achterdochtig gefluisterd. + +»Een neef van me, die op 't oogenblik werkeloos is," zei Teun gedempt. +Hij vond dit korte leugentje gemakkelijker, dan zijn maats een +breedvoerigen uitleg te geven. + +Met de grootste behoedzaamheid sloegen de smokkelaars nu een duinpad in, +waarlangs zij weldra het strand genaderd waren. + +»De kustwacht!" waarschuwde de voorste opeens. + +»Laat je plat op den grond vallen!" fluisterde Teun tot Willem. + +Hij deed het onmiddellijk, bijna te gelijk met de anderen. + +Terwijl zij daar nu roerloos bleven liggen, weifelden de vage +lichtvlakken van een schommelende handlantaarn over het strand. Het +bleken inderdaad eenige mannen van de kustpolitie die een nachtelijke +ronde deden. + +Toen het licht eindelijk weer verdwenen was, rezen de smokkelaars +overeind. + +Willem meende, dat zij nu regelrecht naar het strand zouden gaan, maar +hij vergiste zich: + +De Noordwijkers begonnen, even ter zijde van het pad, volijverig in het +zand te woelen en daarop kwam een omgekeerde vlet te voorschijn, die +gekanteld en naar zee gezeuld werd. De meegebrachte riemen werden +tusschen de roeipinnen geplaatst... Geruischloos gleed het vaartuig den +nacht in. + +Het lantaarnlicht in een der masten verried de plaats waar de +koopvaarder ten anker lag. + +Spoedig had men het vaartuig bereikt en onderwijl Teunis met Willem +langs de uitgeworpen valreep aan boord klom, werden achtereenvolgens +verscheidene vaatjes, kisten en balen in de vlet neergelaten. + +Na een kort onderhoud met den koopman en den schipper, kwam Teun alleen +weer van boord. + +»En je neef?" vroeg er een. + +»Heeft zich als scheepstimmerman laten aannemen! Vooruit, mannen!" + +Langzaam gleed de zwaargeladen vlet de kust te gemoet. + +Willem Stargardt bevond zich op Engelsch grondgebied; hij was gered! + + + + +Derde Hoofdstuk. + +Een vreeselijke nacht. + + +Tegenover de militaire macht, die thans binnen Amsterdam was vereenigd, +viel aan geen nieuw verzet meer te denken. De lotelingen meldden zich +dan ook aan, behalve Willem Stargardt en nog acht of negen anderen die +voorloopig onvindbaar waren. En in den vroegen morgen van Zaterdag, +den 13den April, trokken zij heen, ditmaal in het midden der Nationale +garden (schutters) die hiertoe des nachts waren gewekt, zonder dat zij +wisten welke dienst van hen werd gevorderd. + +De droeve stoet trok de Utrechtsche poort uit, de buitensingels langs, +tot op den Haarlemmerweg,--zwijgend, somber, als bij een doodenmarsch. + +Het Amsterdamsche volk gevoelde zich als een afgeranselde hond, die +plots een wilden sprong aan zijn ketting had gedaan. Maar de ketting was +niet gebroken en de sprong had het arme dier slechts pijnlijk gewond. +Onmiddellijk toch nadat de conscrits vertrokken waren, werden +achtereenvolgens tal van personen gevangen genomen en in verscheidene +woningen werd huiszoeking gedaan. + +In huivering van angst ging het gerucht dier gebeurtenissen de stad +door, een atmosfeer van wee scheen plotseling dompig in alle straten +neer te hangen, de menschen ademden als onder een zware benauwenis. + +Franciscus Stargardt stond dien morgen juist klaar om met zijn vischkar +de stad in te gaan, toen een wachtmeester der gendarmen met twee +ondergeschikten voor zijn deur stil hielden. Zij stegen af en onderwijl +één van hen drieën bij de paarden bleef, traden de beide anderen binnen. + +»We komen huiszoeking doen!" zegt de wachtmeester. + +»Ga je gang!" antwoordt de kreupele onverschillig. + +Doch die onverschilligheid is maar schijn; want bedwongen toorn +doorsiddert hem het bloed tot in de uiterste vezelen. Hij vindt het +onverdraaglijk, dat die kerels bij hem rond komen spionneeren en dat +hij dit machteloos moet aanzien. + +Die vreemde huurlingen kunnen zijn geheele huis het onderste boven +halen; zij kunnen zijn brieven en papieren nalezen zoo ze dat willen; en +als hij zich verzet, dan weet hij, dat ze hem zullen wegsleepen naar de +gevangenis op den Heiligenweg, of naar een der drie andere gebouwen, die +ijverig door de politie met ongelukkige stadgenooten worden volgepropt. + +Moeder Jane houdt zich wondergoed, onderwijl zij de gendarmen zoo in de +weer ziet. Zij halen de kasten open, zij onderzoeken de bedsteden; de +wachtmeester stoot zijn degen hier en daar in het stroo en luistert dan, +of hij niets hoort, waarop hij het staal bekijkt, of er geen bloed +aankleeft. + +Dan zetten de gendarmen het onderzoek weer voort; blijkbaar hebben zij +het meer bij de hand gehad. In de pronkkamer kijken zij spiedend den +ongebruikten schoorsteen in, zij halen er het pronkbed over den vloer +en trappen er op met hun smerige laarzen; zij kloppen langs de muren, +en luisteren naar den klank dien de muren geven; zij doorsnuffelen het +geheele huis en klimmen van den kelder tot aan de vliering. + +Doch Willem Stargardt kunnen zij niet vinden en teleurgesteld rijden zij +eindelijk weer weg. + +Nog verbitterd over de huiszoeking der gendarmen vangt Franciscus daarop +zijn dagelijkschen rondgang bij de klanten aan. + +Zijn gemoed is bovendien bekommerd over Willem. Want wordt de arme +jongen gesnàpt, dan gaat het om zijn leven. En slààgt hij in zijn pogen, +dan zal hij toch nooit wellicht zijn kind nog weer terugzien... + +En dat alles om de heerschzucht van den Keizer, wrokt het in hem... + +Om de heerschzucht van één enkel mensch zijn van morgen al die gezonde, +jonge mannen als een weerlooze schapendrift de stad uitgevoerd... +Hoeveel zullen er van terug komen?... En _hoe_ komen die dan misschien +terug?... + +Een opbeving van haat doortrilt hem plots, fel uitsidderend in de +saâmgekrampte, zware wenkbrauwen. + +Maar hij wil aan dit gevaarlijk haatgevoel niet toegeven.----Hij wil het +bedwingen en klemt de tanden op elkaar als onder de steking van een +vlijmende pijn. + +Op zijn rondgang hoort hij echter niets dan allerlei schokkend nieuws, +sarrend zijn verontwaardiging, om zich los te wringen uit den worgenden +greep van zijn wil. + +Hier verneemt hij, dat Anthonie Hantelman, nog geen uur geleden, werd +gearresteerd. + +Wat verder weet men hem te vertellen, dat Toon Janssen eveneens gevat +werd. + +»Bij wel twintig menschen is nu al huiszoeking gedaan!" hoort hij +elders. + +»Emanuel van Praag en Barth Meijer uit de Jodenbreêstraat zitten óók al +achter slot!" verzekert een ander. + +Sneller hipt de kreupele achter zijn vischkar voort, als gedreven door +de rusteloos elkander najachtende bevliegingen van zijn grimmigen wrok. + +Voor den winkel van mijnheer Vermaat, den tabaksverkooper over de Munt, +houdt hij eindelijk weer stil. + +Mijnheer Vermaat heeft hem een bestelling gedaan met het oog op de +naderende Paschen. Hij is nog een oud vriend van Stargardt uit die +dwaas-opgewonden dagen van »gelijkheid en broederschap" en zelden zal +hij verzuimen een praatje te maken, als Franciscus komt venten. + +Ook nu weer staat de tabaksverkooper in zijn winkeldeur, onderwijl +Franciscus' mes, stuk voor stuk, de bestelde waterbaars schrapt en +kerft. + +»Jan Dupker ook al door de gendarmen weggehaald, hè?" zegt mijnheer +Vermaat meewarig. + +»Jan Dupker?!..." + +Het boven zijn werk gebogen hoofd van den kreupele veert overeind, de +punt van het vinnige schrapmes wijst eensklaps doelloos de lucht in. + +»Jan Dupker?!..." + +»Had je 't nog niet gehoord?"... + +Neen, hij had het nog niet gehoord. Maar Dupker was, zoo al geen vriend, +dan toch een goede kennis van hem. Het bericht schokte hem daarom meer +dan alles wat hij tot nog toe reeds vernomen had. + +Jan Dupker!... Wat tijden waren het dan toch! + +Driftig greep hij een grooten, volronden baars; en de schubben vliegen +als zilverspetten in het voorjaarszonnelicht. + +God, God, wat moet men al beleven tegenwoordig! + +Reng!--Venijnig kerft het mes een diep gapende snede in de +blankgeschrapte visch. + +Reng!!--'t Is of zijn haat zich moet uitvieren in de kracht van iedere +verwonding. + +»Ho, ho, je wilt me toch het beest niet aan moten kerven?" meent de +tabaksverkooper te moeten waarschuwen. + +»Ik wou," barst Stargardt nu grimmig uit, »dat ik Napoleon zoo eens +onder handen had!" + +Verschrikt schiet mijnheer Vermaat opeens den winkel in, gebarend of +men daar iets brak. Hij wenscht niet als getuige tegen een stadgenoot op +te treden en vooràl niet, waar die stadgenoot daarenboven nog een oud +vriend van hem is. + +Franciscus begrijpt opeens, hoe zeer hij zich vergat. Hij siddert en +ziet schrikkerig rond... Maar die voorbijgangers, neen, die moesten hem +toch niet gehoord hebben, stelt hij zich gerust. Anders zouden ze daar +toch wel eenig blijk van geven! + +Met aandacht schrapt en kerft hij vervolgens de overige baarzen, zich +dwingend geheel òp te gaan in dien arbeid. + +»Drommels, dat was een leelijk-onvoorzichtige uitval van me, hè? daar +zoo metéén!" zegt hij bij het weggaan. + +»Onvoorzichtige uitval?..." + +Mijnheer Vermaat's gezicht veinst groote verbazing: »Ik weet nergens +van!--Maar ja, voorzichtigheid is in dezen tijd wel aan te bevelen," +laat hij er waarschuwend op volgen. + +Franciscus begrijpt wel, dat de tabaksverkooper liever buiten de zaak +wenscht te blijven, en daar is hij hem dankbaar voor. Maar zoo'n vaart +zal het niet loopen. Niemand heeft zijn uitval immers gehoord! Hij maakt +zich daarover dan ook in 't minst niet angstig, ja, een oogenblik later +denkt hij er zelfs niet meer aan. + +In den laten namiddag vertelde hem Ep de Breukelaar in de gauwigheid, +dat Willem onverlet bij zijn broer was aangekomen en hij twijfelde niet, +of de jongen zou nu wel al veilig op zee zijn. + +Franciscus, die juist zijn kar leeg had, repte zich, om deze tijding aan +moeder Jane te brengen. + +De beide Paaschdagen die nu volgden, gingen voor de Stargardts niettemin +treurig voorbij; want hun spreken en denken was steeds over Willem: Waar +hij nu wel wezen mocht, of zij hem ooit nog wel eens terug zouden zien, +ja, of het misschien toch niet beter zou zijn geweest, als hij zich maar +gewillig weer aangemeld had. + +»Dat is de eerste Paschen," zei Stargardt 's avonds bij het naar bed +gaan, »die we niet feestelijk hebben doorgebracht." + +»Ja", zuchtte Jakob verveeld, »'t zijn voor dit jaar een paar +verdrietige dagen geweest". + +»Och", zei moeder Jane, »laten we maar dankbaar zijn, dat ze nog zóó +waren. Als de gendarmen onzen Willem eens bij Ep de Breukelaar hadden +gesnapt, zouden zij dan niet oneindig veel treuriger zijn geweest?" + +Ja, moeder had wel gelijk, meenden zij, deze Paschen had nog heel wat +rampzaliger kunnen zijn. En hoe armelijk die troost was, toch gingen zij +daardoor nog onder een vleugje van blijmoedigheid ter rust. + +Midden in den nacht schrikten zij eensklaps wakker door een hevig +deurgeklop. + +»Gerechtige goedheid, wat moet dàt beteekenen?" vroeg moeder Jane +angstig. + +»Ik denk vrouw, dat het gendarmen zijn, die opnieuw naar Willem komen +zoeken". + +»En ze weten al, dat hij hier niet is!" + +»Maar hij kon later nog wel in het ouderlijk huis teruggekomen zijn, in +de meening dat hij, nà de huiszoeking, daar volkomen veilig was, zullen +ze denken". + +Het geklop op de deur herhaalde zich, maar nu veel luider dan te voren. + +»Hemel, wat gaan ze te keer!" klaagde Jane ontdaan. + +Jakob had reeds broek en kousen aangeschoten: + +»Ik zal wel even kijken, wat er aan de hand is!" + +Ook zijn ouders waren het bed al uit en begonnen zich te kleeden, +onderwijl Jakob naar de huisdeur liep. + +Het kloppen was nu in bònzen overgegaan. + +»Wie daar?" riep Jakob. + +»De politie!" werd er terug geroepen. »Doe maar gauw open of we trappen +de deur in!" + +Jakob schoof de grendels weg en onmiddellijk traden hem twee mannen +voorbij, die regelrecht de kamer in liepen. + +Bij het licht van de kaars, die moeder Jane dadelijk bij het opstaan had +aangestoken, bleken het inderdaad gendarmen te zijn: een wachtmeester en +een ondergeschikte. + +»Woont hier Franciscus Stargardt?" + +»Jawel", antwoordde Stargardt stug; »Wat was er van uw order?" + +»Dan moeten we u verzoeken", richtte de wachtmeester zich tot Jakob, »om +dadelijk met ons mee te gaan!" + +»Maar _ik_ ben Franciscus Stargardt", antwoordde de vader. + +»In dat geval zijn we verplicht, _ù_ te arresteeren!" zei de +wachtmeester, met verwondering en zelfs met eenig medelijden den +kreupele aanziend. + +»Maar... ik ben volstrekt niet aan de Haarlemmerpoort geweest... Aan +géén van de opstootjes heb ik deelgenomen...!" + +»Neen, neen, mijn man is onschuldig...! Jullie moet je vergissen!" riep +Jane zenuwachtig. + +De wachtmeester haalde de schouders op. + +»Wij hebben alleen onze instructie te volgen!" + +»Maar worden onschuldigen dan óók al gearresteerd?" jammerde moeder +Jane. »Hij heeft toch niets, heelemaal niets verkeerds uitgevoerd!... +Kijk, de stakker heeft immers niet eens zijn beide beenen tot zijn +gebruik... Hoe wou hij dan aan het oproer mee gedaan hebben?..." + +»Hoor eens, vrouwtje", overreedde de wachtmeester gemoedelijk, »als hij +werkelijk onschuldig is, dan zal dit natuurlijk wel blijken. En in dat +geval wordt hij immers weer dadelijk op vrije voeten gesteld?" + +Maar tegen den gendarme zei hij zacht: »Een mooi karweitje waarachtig! +Voor mijn part hadden ze maar een ander uitgestuurd om zoo'n kreupelen +stakker gevangen te nemen!" + +»Vader", raadde Jakob, zich inspannend om kordaat te schijnen, »'t beste +zal zijn, er ons in te schikken, en dat u zonder tegenspraak meegaat. +'t Moet immers een misverstand wezen, u bent immers volkomen onschuldig! +Gaat u dus maar kalm en bedaard met ze mee, dan zullen de gendarmen ook +geen geweld gaan gebruiken!" + +Hij meende daarop zijn vader bij het verder aankleeden te helpen. + +Maar ontsteld hield hij het reeds opgevatte kleedingstuk plots roerloos +in de hand. + +De kreupele toch zat daar doodsbleek op zijn stoel, de oogen wild van +ontzetting in het verstrakte, bloedelooze gezicht.... + +Want als een bliksemflits was hem opeens zijn uitval jegens den Keizer +door het bewustzijn gevlogen!... Ze hadden het dan toch gehoord, die +kerels! Ze hadden hem verraden! Met zijn vloekwaardige onvoorzichtigheid +had hij dan nu zichzelf en zijn gezin tot de grootste ellende gebracht! + +In waanzinnig zelfverwijt mepte hij zich met de vuist op de borst, zijn +wangen trilden onder de woeste siddering van zijn kaakspieren. + +Hij hoorde in verdoovingsdofheid, zijn vrouw kermen en zenuwhuilen; toen +voelde hij haar armen zich ketenen om zijn hals en aan zijn oor klonk +haar jammerstem: »O, mijn arme, goeie Frans, ik laat je niet weggaan, +nooit, nooit! Je bent immers onschuldig, je zou immers geen kind zelfs +kwaad kunnen doen?" + +Ze zoende zijn wangen, zijn voorhoofd,... en de verbijsterde kreupele +voelde de wreede spierspanning zijner armen verslappen, onder die +smartelijke omhelzing. + +Zijn borst hijgde en kreunend begon hij te snikken, in striemend +zelfverwijt: + +»O, die rampzalige onvoorzichtigheid van me!... Ik heb den Keizer +vervloekt!..." + +Jane rilde, als had ze zijn doodvonnis gehoord. Met een luiden gil wierp +zij zich opnieuw aan zijn borst, het hoofd schokkend op zijn schouder +onder haar heftig, pijnend zenuwgesnik. + +Franciscus' armen omstrengelden haar en schor smeekte zijn huilstem, als +de klacht van een verdoemde: + +»Vergeef me; o, ik bid je, vergeef me, dat ik ook jullie heb ongelukkig +gemaakt!" + +De gendarmen maanden met zachte stem tot spoed aan. + +Toen, onder een geweldige inspanning tot zelfbeheersching, maakte hij +zich los uit haar omhelzing, en begonnen zijn bevende vingers zijn vest +toe te knoopen. + +Jakob, de tanden op elkaar geklemd om niet úit te schreeuwen zijn +schrijnend verdriet, deed onhandige moeite om zijn vader bij het verder +aankleeden te helpen. + +De wachtmeester, geheel ontroerd, reikte hem toen zijn kruk. + +Nu drukte de ongelukkige Jakob de hand en zóó krachtig bleef hij die een +poos omklemd houden, alsof hij ze nooit meer los zou laten. + +»Mijn jongen," hikte hij schor,... »het heeft zoo moeten zijn!... Wees +jij ten minste verstandiger dan je vader was!--Belóóf je me dat?..." + +Jakob knikte, niet in staat om een woord te uiten. + +Toen nam Franciscus afscheid van zijn vrouw, die, gillend en jammerend, +hem nogmaals en nogmaals omhelsde, tot de ontroerde gendarmen den +arrestant voorzichtig uit haar armen los maakten, hem wenkend om mee te +gaan.... + +Akelig bleef het verflauwend geplof van de kruk moeder en zoon in de +ooren martelen, zelfs toen zij het onmogelijk meer konden hooren. + +»O, mijn jongen,... mijn jongen!" jammerde moeder Jane onder zenuwachtig +gesnik, »nu heb je geen vader meer!" + +»Ze zullen... het toch wel... bij gevangenisstraf laten!" nokte Jakob +moeizaam. + +Maar zelf had hij geen vertrouwen in wat hij zei. + + + + +Vierde Hoofdstuk. + +Tot den kogel veroordeeld. + + +IJverig hield de militaire commissie, door den divisie-generaal Molitor +benoemd, zich bezig met het uitvoerig onderzoek naar den aard en omvang +der verschillende relletjes en met het verhoor der negen of tien +gearresteerden. + +Niemand twijfelde, of Franciscus Stargardt zou wel ter dood veroordeeld +worden. Toch deed moeder Jane wat maar mogelijk was, om nog genade voor +haar man te verwerven. + +Het hoofd van alle Fransch-Hollandsche gewesten was Le Brun, Prins van +het Keizerrijk en Hertog van Plaisance. Het was een grijsaard, +zachtzinnig van inborst, iemand waarvan bekend was, dat hij elk ontving +en te woord stond. + +Jane, zich aan het paleis vervoegend, kreeg dan ook zonder veel moeite +toegang tot den luitenant-generaal. + +Welwillend hoorde hij haar aan, en toen zij zich eindelijk als +smeekeling aan zijn voeten wierp, beurde hij haar minzaam op, de +bedroefde vrouw eenige woorden van troost toesprekend, waardoor ze, een +weinig bemoedigd, weer heen ging. + +Maar al spoedig hoorde zij, dat mijnheer Le Brun wel een goedaardig, oud +man was, maar eigenlijk niets te vertellen had, veel minder dan De +Celles, schoon die in rang beneden hem stond. + +En jammer genoeg, was het wáár, wat men haar zeide. + +Napoleon had reden om bevreesd te zijn, dat een man van vasten moed en +karakter, in het bestuur dezer gewesten geplaatst, zijn broeders[4] +voorbeeld zou volgen en, gelijk hij dat noemde, besmet worden met den +Hollandschen geest. Daarom was de Keizer er toe gekomen, Le Brun, dien +hij dóór en dóór kende, wijl deze vroeger zijn medeconsul was geweest, +naar Holland te zenden onder een weidschen titel, maar bekleed met een +schaduw van gezag. Beneden hem in rang, maar vèr boven hem in macht en +vertrouwen, waren echter De Celles en--in Den Haag--De Stassart. + +[4] Koning Lodewijk. + +Jane besloot, zich dan tot den beruchten De Celles te wenden. + +Na ongelooflijk veel moeite gelukte het haar, tot den prefect door te +dringen. Maar toen zij een beroep op zijn welwillendheid deed en hem +om genade voor haar man begon te smeeken, antwoordde hij ongevoelig +en koud, dat hij zich met de voorspraak van oproerlingen niet inliet; +hij voor zich achtte het wenschelijk zelfs, dat er eens een flink +afschrikwekkend voorbeeld werd gesteld; op _zijn_ hulp in deze zaak had +zij dus allerminst te rekenen. + +Toen, in haar wanhoop, omklemde de ongelukkige vrouw zijn knieën, maar +de prefect stootte haar onmeedoogend van zich af, zeggend, dat hij op +zoo'n comedievertooning volstrekt niet gesteld was. + +Grievend beleedigd hief Jane zich op en ging heen, hem een blik +toewerpend zóó vol van de diepste verachting, dat mijnheer De Celles +onwillekeurig zijn oogen neêrsloeg. + +Maar nòg gaf de kloeke vrouw haar pogen niet op. Thans ging zij met haar +bede naar den generaal Molitor, den samensteller der militaire commissie +van onderzoek. + +Geduldig hoorde de generaal haar aan, maar verklaarde daarop, dat het +recht nu eenmaal zijn beloop moest hebben en hij in dezen zelfs niet het +geringste voor haar doen kon! + +Nu wist de arme vrouw geen raad meer en wachtte onder vlagen van +wanhoop, angst en verbittering, de beslissende uitspraak der commissie +af. + +Het vruchtelooze van al die pogingen zijner moeder was echter voor Jakob +volstrekt geen verrassing geweest. Hij had niet anders verwacht. De +Franschen, meende hij, nu ze gezien hadden dat de Amsterdammers nog +tegen hun onderdrukkers in verzet durfden komen, zouden trachten wel zóó +den schrik onder de mokkende bevolking te brengen, dat zij voor altoos +den moed tot dergelijke opstootjes verloor. + +Jakob twijfelde dus niet, of zijn vader zou wel ter dood worden +veroordeeld. En wat zou dan weldra het lot van zijn moeder zijn, vroeg +hij zich bekommerd af? O, zeker, hij zou voor haar werken en zorgen zoo +lang hij kon. Maar het volgend jaar liep hij kans om in de conscriptie +te vallen. En dan,--och, dan stond zijn moeder geheel alleen. + +En van lieverlede kwam hij toen op het denkbeeld, om zichzelf in de +plaats van zijn vader aan te bieden. Wat zou het die Franschen kunnen +schelen _wien_ zij doodschoten ter bereiking van hun doel? Immers, +het feit _dàt_ er een doodgeschoten werd moest toch eigenlijk den +gewenschten schrik te weeg brengen! En zijn vàder zou hij, met zich op +te offeren, het leven redden, zijn móeder er een _blijvenden_ verzorger +door teruggeven, wat hijzelf waarschijnlijk toch maar hoogstens voor een +jáár zou kunnen zijn. Neen, alles wel beschouwd was het veel beter dat +_hij_ in plaats van zijn váder als offer viel. + +En welberaden begaf Jakob Stargardt zich, na van zijn baas een halven +dag vrij gekregen te hebben, naar het huis van den Graaf De Celles, dat +in de Doelenstraat stond. + +De huisknecht wees hem bij de deur barsch terug, zeggend dat zijn +meester zoo aanstonds uitging en voor niemand te spreken was. + +Jakob echter liet zich maar niet zoo dadelijk afschepen; hij hield aan, +bewerend dat zijn boodschap volstrekt geen uitstel lijden kon. En juist +begon het tusschen den knecht en hem tot een woordenstrijd te komen, +toen de prefect zelf in de vestibule verscheen. + +»Wat is er aan de hand, François?" + +»Wel, excellentie, dat brutale heerschap beweert, dat hij u met alle +geweld spreken moet, ofschoon ik hem toch duidelijk gezegd heb, dat daar +op het oogenblik geen gelegenheid voor is!" + +»Je naam?" vroeg De Celles. + +»Jakob Stargardt, excellentie!" + +»Stargardt?... Stargardt?... Ah, jawel! Dus zeker een broer van dien +deserteur en een zoon van dien oproermaker." + +»Vergeef me, excellentie! Maar een oproermaker is mijn vader nooit +geweest. Hij heeft zich alleen een onvoorzichtige uitdrukking laten +ontvallen, die hij beter gedaan had vóór zich te houden..." + +»O, wel zeker," zei de prefect ironisch, »die Amsterdammers zijn in den +grond toch eigenlijk zoo'n zachtaardig en onschuldig volkje! Als daar +iemand, giftig van haat, in 't openbaar verklaart dat hij den Keizer wel +eens als een baars zou willen kerven, dan is dat geen oproer maken, wel +neen, dan is dat een _onvoorzichtige uitdrukking_! + +En nu kom je me zeker, evenals je moeder, genade voor dien +onvoorzichtigen vader vragen?" + +»Toch niet," antwoordde Jakob met groote vastheid: »Ik begrijp zeer +goed, dat die uitdrukking mijn armen vader het leven zal kosten en een +verzoek om genade niemendal zal uitwerken..." + +»Hm! Inderdaad nog zoo dom niet!" zei de prefect, een snuifje nemend. + +»Maar--wat was dan je boodschap toch eigenlijk?" + +»Ik kwam uw excellentie smeeken, _mij_ in plaats van mijn vader de straf +te laten ondergaan." + +»Ei, ei! Je bent een dappere borst. Maar juist daarom zou het toch zonde +en jammer zijn, als wij je dood lieten schieten en den Keizer hierdoor +van een dapper soldaat beroofden!" ging den prefect spottend voort. +»Want waarlijk, een knaap die tot zooveel zelfopoffering bereid is, zal +natuurlijk even bereidwillig en moedig zijn leven voor den Keizer ten +offer brengen." + +Jakob wist niet, hoe hij het had. Hij had stugheid, zelfs barschheid +verwacht, maar tegenover dergelijke taal stond hij onvoorbereid en dus +een oogenblik geheel sprakeloos. + +Toen hij echter zag dat mijnheer De Celles wilde dóórloopen en de zaak +blijkbaar voor afgedaan hield, begon hij te smeeken in een vloed van +hartstochtelijke woorden, dat de prefect zijn verzoek toch mocht +toestaan, ja, in zijn wanhoop greep hij zelfs een slip van diens rok +vast. + +De Celles echter gaf stilzwijgend François een wenk en in 't zelfde +oogenblik smeet de knecht den onthutsten jongen de deur uit... + +»Neem me niet kwalijk..." stamelde Jakob verbouwereerd, want hij was +juist tegen een voorbijganger aan gekomen. + +Tegelijkertijd echter zag hij, dat het mijnheer Vermaat was. + +»Verbeeld u," begon hij thans, bevend van verontwaardiging: »Daar kom ik +niets anders doen dan beleefd verzoeken, of ze _mij_ in plaats van mijn +vader willen vonnissen. En wat is het antwoord? Dat ik als een hond op +straat word gesmeten! O, 't is schande, schande!!" barstte hij uit, de +nagels woedend in de handpalm drukkend. + +De tabaksverkooper legde hem echter haastig de hand op zijn mond, uit +vrees dat de verontwaardigde knaap licht te veel mocht zeggen en troonde +hem mee naar zijn huis. + +»Ziezoo," begon hij toen, »hier kunnen we ten minste veilig praten. Want +de inkwartiering heb ik tot heden gelukkig af kunnen koopen." Hij liet +nu Jakob uitvoerig zijn wedervaren bij De Celles vertellen, waardoor de +knaap langzamerhand weer tot kalmte kwam. + +Onder het luisteren groeide in den tabaksverkooper en zijn vrouw een +groote sympathie voor dien nobelen jongen, die zèlf zijn moedige, +liefdevolle zelfopoffering blijkbaar voor de natuurlijkste zaak ter +wereld hield. + +»Wacht, ik zal jullie eens trakteeren," zei juffrouw Vermaat. Het water +was aan den kook en na een oogenblik hadden ze alle drie een geurig +kopje _echte_ thee voor zich staan. + +»'t Is natuurlijk alleen bij hooge uitzondering," zei ze. »Want je +begrijpt wel, hè?..." + +»Ja, als de thee meer dan drie gulden het pond kost, is ze voor +dagelijksch gebruik wel wat duur," antwoordde Jakob. »Thuis drinken we +altijd gedroogde abrikozenbladeren voor thee." + +»Zoo? Nee, òns bevallen gedroogde perzikbladeren nog het best, hè +vrouw?" + +»Ja," zuchtte Juffrouw Vermaat, »'t is een treurige tijd tegenwoordig; +àlles, letterlijk alles is even duur! Wanneer zal daar nog eens een eind +aan komen?" + +»Niet, vóór we met het Oranje op de borst durven loopen. Maar ik vrees, +dat _wij_ dat wel niet zullen beleven! + +En niettemin," ging hij voort, »wat wáren we, als jonge, vurige +patriotten, toch op die kleur gebeten! Zelfs tot in 't kinderachtige +toe! + +Zoo herinner ik me, hoe Nierop, de oude speelgoedkoopman uit de +Stadhuissteeg, in het begin van 1787 een collectie poppen had ontvangen, +die hij natuurlijk voor zijn winkelraam ten toon stelde. + +Nu wilde het geval, dat er onder die poppenverzameling één was, in 't +hoog geel gekleed, een geel dat zwéémde naar 't oranje! + +Enkelen van onze Vrijheidshelden viel dat al heel gauw in 't oog +en--daar hàdt je 't, hoor! + +Dadelijk gingen zij zich in de hoogste verontwaardiging tot de Regeering +wenden, met het dringend verzoek, dien gruwel toch uit hun midden weg te +nemen! + +Burgemeesters, om hun terwille te zijn, zonden toen een Bode naar +Nierop, met last, dat die gele juffer onmiddellijk op het stadhuis +diende te komen. Maar Nierop verkoos niet, dat ze met den Bode zou gaan. +Hij nam ze daarom zelf met zich mee naar 't Raadhuis en introduceerde ze +bij de overheid. + +Deftig en waardig, als past bij zoo'n ernstig geval, werd nu het +poppenkostuum in beschouwing genomen. Maar helaas, tien Edelachtbaren +zelf bleken het niet volkomen eens omtrent de kleur; de beoordeeling +over het oranje of niet oranje bleef in deliberatie, het kwam niet tot +een uitspraak en de pop werd inmiddels preventief gevangen gehouden. + +Of er een commissie van deskundigen werd benoemd om verslag uit te +brengen over de kleur, heb ik nooit vernomen; wèl, dat de pop in +hechtenis bleef, tot de Pruisen den Oranjevorst te hulp kwamen en een +omwenteling te weeg brachten. Toen werd zij ontslagen en in zegepraal +naar den winkel van Nierop teruggevoerd." + +De tabaksverkooper, eenmaal op dreef, vertelde nu nog een en ander uit +de eerste dagen van 1795, waarop zijn zoon Reinier thuiskwam, die in de +affaire van zijn vader werkzaam en van denzelfden leeftijd als Jakob +was. + +De beide jongelui waren te voren nooit met elkander in aanraking +geweest, waarom Jakob bij het heengaan aan den tabaksverkooper moest +beloven, de kennismaking met Reinier maar eens gauw te komen vernieuwen. + +Voorloopig echter kwam daar weinig van, en inmiddels hield de +militaire commissie haar laatste, beslissende vergadering. Alle tien +gearresteerden had zij schuldig bevonden. Drie werden er tot twee jaren +gevangenisstraf veroordeeld; Emanuel van Praag en Barth Meijer tot +vijf jaar opsluiting; Jan Dupker en nog vier anderen kregen acht jaar +tuchthuisstraf, terwijl Toon Janssen en Anthonie Hantelman, als de +eigenlijke aanleggers van het oproer, gefusilleerd zouden worden. + +Franciscus Stargardt eindelijk werd, wegens majesteitsschennis, eveneens +tot den kogel veroordeeld. + +Aan Stargardt zou het éérst dit harde vonnis worden voltrokken. Reeds +des avonds werd hij in een koets van 't Verbeterhuis afgehaald en langs +de Schans geleid, om den volgenden dag op het Funen te sterven. + +Voor de kazerne Saint-Charles had zich den anderen morgen, al vroeg, een +groote volksmenigte opgehoopt. + +Eindelijk, daar trad een afdeeling Fransche soldaten het gebouw uit, een +tamboer voorop, die den doodenmarsch sloeg. + +In het midden hompelde, lijkwit, Franciscus Stargardt. Naast hem liep +een man, in het zwart gekleed, de veldprediker van het regiment. Hij +trachtte den ongelukkige moed in te spreken en hield hem den troost van +het Evangelie voor... + +De commandeerende officier liet halt maken. Nu trad de provoost vooruit +en las, in de Fransche taal, het vonnis van den veroordeelde voor. + +»Zoo'n stakker toch," zei een vrouw meewarig. + +»Hij heeft niet eens zijn beenen tot zijn verdoen! 't Is een schande!" + +»Hou je mond!" grauwde haar man, »of het zou met jou al even ongelukkig +afloopen!" + +»Ja, ja, 't is ongehoord zooals er met ons geleefd wordt!" zei ze weer. +Maar nu toch wat zachter. + +»Kijk, hij vouwt zijn handen," merkte een ander op, »hij doet zeker zijn +laatste gebed." + +»Arme kerel!" ging het dofmompelend door de volksmassa. + +Werkelijk bad de kreupele, de sidderende handen krampachtig te zamen +gevlochten, het lijkwitte gelaat ten hemel gericht... + +Zoo stond hij een wijle. + +Toen naderde de provoost en deed hem een blinddoek voor. Daarop trad hij +met den prediker terug en plaatsten beiden zich nevens den officier. + +Met zijn degen gaf de officier een teeken,--toen traden zes man vooruit. + +Weer zwaaide de officier het wapen,--nu legden de zes man hun geweren +aan... + +Daar zwaaide de degen voor het laatst,--zes kogels doorboorden de borst +van den ongelukkige, die onmiddellijk dood voorover viel. + + + + +Vijfde Hoofdstuk. + +Hoe de Amsterdammers Napoleon ontvingen. + + +»Een zware dag voor vrouw Stargardt!" Met die verzuchting was mijnheer +Vermaat uit den winkel gekomen, waar men hem juist verteld had, dat een +uur geleden het doodvonnis aan den kreupele was voltrokken. + +»Ik ga er dadelijk heen!" had juffrouw Vermaat toen gezegd. »De arme +ziel zal wel wat troost en opbeuring noodig hebben." En zóó eenvoudig +was haar binnenkomen, zóó hartelijk en natuurlijk haar deelneming +geweest, dat sedert langzamerhand een warme genegenheid tusschen de +beide vrouwen was ontstaan. + +Maar ook Jakob Stargardt en Reinier Vermaat waren van lieverlede groote +vrienden geworden, die men weldra schier geen Zondag buiten elkanders +gezelschap zag. + +Van Willem had moeder Jane, sinds Ep de Breukelaar nog eens was komen +zeggen dat hij behouden aan boord van een Engelsch schip geraakt was, +nooit weer iets vernomen. + +Trouwens, ze had niet anders kunnen verwachten, wijl Napoleon's +continentaal stelsel alle briefwisseling met Engeland verbood. Maar +moeder Jane was het onder die omstandigheid, of zij niet één, maar twee +dooden had te betreuren en al haar liefde droeg zij sedert op haar zoon +Jakob over. Zij zou hem graag den heelen Zondag bij zich thuis gehad +hebben, maar spoorde hem niettemin zelf aan, om met zijn vriend Reinier +de stad in te wandelen, wat te roeien op den Amstel of zich op eenige +andere betamelijke wijze te verstrooien. 't Is het recht van zijn jeugd, +redeneerde zij, en ze was er al tevreden mee, dat hij 's avonds +gewoonlijk thuis bleef. + +Na een hunner Zondagsche uitstapjes, toen de beide vrienden in een +koffiehuis een glas bier gingen drinken, vernamen zij daar als het +groote nieuws, dat keizer Napoleon een reis door Holland ging doen en +natuurlijk dan ook te Amsterdam zou komen. + +Zij geloofden er aanvankelijk weinig van, maar weldra bleek, dat er aan +het gerucht niet langer viel te twijfelen. + +Reeds den 8sten Augustus had mijnheer De Celles den maire kennis gegeven +van de komst des Keizers en hem uitgenoodigd, maatregelen voor een +waardige ontvangst te beramen. Deze aanschrijving werd door meer dan +twintig andere gevolgd, want op alle toebereidselen moest de goedkeuring +van den prefect worden gegeven; hij moest een lijst hebben van de +personen, die aan Zijne Majesteit zouden worden voorgesteld; zelfs +mocht niet aan de versiering der loge in den schouwburg worden begonnen, +voor mijnheer De Celles de inrichting had goedgekeurd. Ja, de geldsom, +die de stad bij deze gelegenheid ten koste wilde leggen, moest ter +beoordeeling aan den prefect worden toegezonden, een post, waarvoor de +gemeenteraad den 25sten September 165.000 francs had toegestaan. Nog +meer, de prefect geliefde zelfs over de beurs der ingezetenen te +beschikken. + +Dra wist men ook, wat het doel van Napoleon's reis door Holland was. + +De keizer stond in die dagen op het toppunt van zijn glorie. Zijn +monarchieën strekten zich uit van de Pyreneeën tot de bergen van +Epirus, van de Middellandsche zee tot het Baltische strand. Van het +Rijnverbond voerde hij den titel van beschermer, van het Zwitschersche +bondgenootschap dien van bemiddelaar. Leden van zijn geslacht bekleedden +de koninklijke of vorstelijke waardigheid in Spanje, in Napels, in +Westfalen, in Lucca en in Berg. Een zijner generaals was erfgenaam +geworden van den Zweedschen troon, een ander heerschte over het +vorstendom Neuchâtel. Door staatszucht hiertoe genoopt, had de +Keizer van Oostenrijk zijn dochter Maria Louise aan den gelukkige tot +vrouw gegeven, en al de overige souvereinen van het vasteland waren +Napoleon's gedweeë bondgenooten. De geboorte van een zoon, den Koning +van Rome, op den 20sten Maart, had Napoleon's stamhuis bevestigd. +Zij was gevierd met een praal zóó overweldigend, als nog nooit bij +de geboorte van een vorstenkind aanschouwd was. In Bonaparte, door +al dien voorspoed bedwelmd, begon in deze dagen hoe langer hoe meer +de aan hoogmoeds-waanzin grenzende gedachte vorm te krijgen, dat de +Voorzienigheid hem met een bepaalde roeping hier op aarde had doen +verschijnen. + +En toch, in weerwil van al de glorie die hem omgaf, bleef Napoleon +onbevredigd. + +Even als de hartstochtelijke speler, prikkelde ieder nieuw geluk hem, om +nog grooter kansen te wagen, naar nog grooter gewin te trachten. Landen +te veroveren, volken te bedwingen, vorsten te vernederen, overwonnenen, +aan zijn voeten te zien, het was hem een onverzadelijke behoefte +geworden, en het bleek ook deze behoefte die hem aanzette, Holland +te bezoeken. Het trotsche Engeland, dat hem stoutmoedig bleef tarten, +hem Egypte en Syrië had ontwrongen, hem de eene Fransche kolonie na +de andere in Oost en West had ontrukt, hem belette om vasten voet op +Sicilië te krijgen, hem in Portugal en Spanje niet zonder voordeel +bestreed en ter zee de heerschappij voerde, dat Engeland bleef hem immer +de donkere wolk boven den in hellen zonneglans badenden horizon van zijn +bestaan. Kon hij Engeland vernederen en ten onder brengen, dan achtte +hij geen macht meer ter wereld in staat, om perk te stellen aan zijn +veroveringen, dan kon hij alleenheerscher worden van geheel Europa. + +De vereeniging nu der Fransche en Hollandsche zeemacht deed hem een +uitbreiding zijner marine verwachten, welke hem in staat stellen zou om +met zijn vloten die van Brittanje te vernietigen. Daarom achtte hij het +van het hoogste belang, Holland's maritime krachten te leeren kennen uit +eigen aanschouwing. + +Zoo waren de hooge autoriteiten te Amsterdam dan rusteloos in de weer, +om den Keizer bij zijn bezoek aan »de derde hoofdstad" van zijn rijk, +een schitterende ontvangst te bereiden en van wege den prefect, den +maire of den politie-directeur Duterrage verscheen het eene bevel na +het andere. Bevelen aan de voornaamste ingezetenen, om personen uit het +Keizerlijk gevolg behoorlijk te huisvesten; bevelen omtrent de militaire +inkwartiering der hoogstwaarschijnlijk te wachten vermeerdering van +krijgsbezetting, verbodsbepalingen met betrekking tot het opslaan van +kramen, stellages en stalletjes, het klimmen in boomen tijdens den +intocht, het afsteken van voetzoekers of ander vuurwerk binnen de stad, +kortom, het regende aanschrijvingen. + +En weldra kwamen Reiniers nog schoolgaande broers Bert en Bruno, die als +echte jongens overal bij waren, op een Zaterdagmiddag thuis, druk en +opgewonden over al het moois dat zij gezien hadden. + +»Aan den Outelerweg wordt een eereboog gemaakt," zei Bert, »toch zóó +prachtig, ò!!..." + +»Nee maar, dan moet je de Muiderpoort eens zien!" riep Bruno, »die is +nog veel, véél mooier!" + +»En in 't midden van de Plantage zijn ze óók al aan een eereboog te +maken!" begon Bert nu weer. + +»En op de Reguliers-Breêstraat!" viel Bruno in. + +»En op het Kadijksplein!" vulde zijn broer weer dadelijk aan. + +»Jongens, jongens!" riep juffrouw Vermaat ten slotte wanhopig, »jullie +maakt ons nog doof met al dat geschreeuw." + +Na zoo'n waarschuwing zwegen ze wel, maar de volgende dagen ging het +precies hetzelfde. Dan waren zij in verrukking over de drie zegezuilen +welke op de hooge Amstelbrug werden opgericht, over den fraaien tempel, +die aan het einde der Keizersgracht getimmerd werd, of over het +prachtige salon, dat op de muren der schutsluisen werd gemaakt, om den +Keizer en de Keizerin te ontvangen, wanneer zij het vuurwerk op den +Amstel zouden bijwonen. + +»En op school heb ik gehoord," zei Bruno, »dat àlle klokken bij den +intocht moeten luiden!" + +»En àlle torens en openbare gebouwen moeten vlaggen!" viel Bert dadelijk +in. + +»En àlle geestelijken in vol ornaat voor hun kerken staan!" wist Bruno +weer te vertellen. + +Zij waren er vòl van, de jongens, en konden maar niet begrijpen, hoe hun +vader en moeder er zoo weinig mee òp schenen te hebben. + +Op zekeren dag kwamen zij met vuurroode gezichten thuis, zwoegend onder +den last van eenige potten met planten en bloemen, die ze met moeite in +hun armen droegen. + +»Wat heb ik _nu_ aan de hand?" zei mijnheer Vermaat verbaasd. + +»Gekregen! Allemaal gekregen!" juichten de knapen, hun vracht behoedzaam +neerzettend. + +Hun vader vertrouwde de zaak echter niet. Hij maakte zich erg ongerust, +dat zijn jongens misschien de Bloemmarkt geplunderd hadden en ging +onmiddellijk op onderzoek uit. + +Tot zijn onuitsprekelijke vreugde bleek hem dra, dat Bert en Bruno +werkelijk op een eerlijke wijze aan al die bloemen gekomen waren. + +Van wege Napoleon's hofhouding--zoo vernam de tabaksverkooper--was de +groot-hofmaarschalk Duroc in het paleis aangekomen, om de vorstelijke +verblijven in gereedheid te brengen. Niets veroorzaakte hem meer zorg +dan de stallen. Die, waarvan Koning Lodewijk zich had bediend, waren +te ver van de hand, daar de Keizer dikwijls onverwacht uitreed en het +rijtuig dan oogenblikkelijk vóór moest zijn. De naburige Bloemmarkt werd +eindelijk als de meest geschikte plaats beschouwd. Maar, daarbij deed +zich een zwarigheid op. Duroc wist, dat de Keizer,--in kleinigheden +althans,--de denkbeelden en gebruiken van het volk niet wilde kwetsen +en wanneer hij nu de Amsterdammers hun bloemenmarkt ontnam, dan zou de +groote menigte dit wel eens als een nieuwe grief kunnen opvatten. + +Om dit te voorkomen, bedacht hij een aardige vond. + +Hij gaf bevel aan eenige bedienden, om al de bloemen en planten, die +ter markt waren gebracht, op te koopen tegen den prijs dien men er voor +vroeg en ze weg te schenken aan de omstanders op voorwaarde, dat zij er +dadelijk mee naar huis zouden gaan. + +De menschen wilden in het eerst niet best gelooven, dat het met dit +aanbod ernst was. Zij aarzelden, om het aangebodene in ontvangst te +nemen, maar toen zij ten leste begrepen, dat de Keizerlijke bedienden +het werkelijk méénden, verwekte dit evenveel verbazing als genoegen. Elk +nam nu zooveel hij dragen kon en ging er opgeruimd en blijmoedig mee +naar huis. + +Oningewijde voorbijgangers, de Keizerlijke bedienden overal op de markt +zoo ijverig bloemen ziende koopen, meenden eerst dat die tot versiering +van het paleis moesten strekken, maar toen zij daarop menschen van +allerlei slag in verschillende richtingen met bloempotten en planten +zagen aftrekken, begrepen zij er niets van. + +Zonder wanorde of vechtpartijen geraakte het terrein op die manier in +een oogenblik ontruimd. Ja, de heele zaak had zóó 'n rustig en kalm +verloop, dat in het overige van de stad geen mensen gewaar werd, wat er +was voorgevallen. Wie dus een uur later ter markt kwamen keken niet +weinig verwonderd, dat er geen bloemen meer te koop waren, doch een +honderdtal werklieden ijverig zwoegden om er stallen op te slaan. + +Mijnheer Vermaat behoefde zich dus over de herkomst van de bloemenschat +zijner bengels niet langer te bekommeren en ging welgemoed weer aan zijn +werk. + +Toen hij 's avonds met enkele bekenden, waaronder de humoristische +schrijver en dichter, Fokke Simonsz., in een der koffiehuizen van +de Kalverstraat te praten zat, vertelde hij het voorgevallene op de +Bloemmarkt aan zijn gezelschap, en als vanzelf kwam toen het gesprek op +Napoleon's reis door Holland en zijn aanstaande komst in Amsterdam. + +»Ik zal er geen voet om verzetten!" zei Fokke Simonsz., zoo los weg en +daarmee werd het onderwerp beëindigd. + +Maar nauwelijks zat de dichter den volgenden morgen aan zijn +schrijftafel, of hij ontving bezoek van een hem welbekend Fransch +ambtenaar. Het was de tooneelschrijver Alexander van Ray, berucht om den +ijver waarmee hij De Celles diende, en daardoor gehaat bij al zijn +stadgenooten. + +De bezoeker begon met een luchtig praatje, dat in het minst geen kwaad +deed vermoeden, sprak verder over allerlei onbeduidendheden, maar +eindigde met de verklaring, dat de dichter zijn huis verlaten en met hem +mee moest gaan. + +Fokke Simonsz., begrijpend dat het doelloos zijn zou, zich te verzetten, +onderwierp zich, ondanks het gejammer van zijn gezin, aan het lot dat +hem wachten mocht. Want zijn bezoeker liet hem in het onzekere, wat de +aanleiding tot deze inhechtenisneming was. + +De dichter, die op de Prinsengracht bij het Aalmoezeniershuis woonde, +had maar weinig schreden buiten zijn deur te doen, daar Van Ray hem +geleidde naar een der beide gevangenissen, waarin bij voorkeur +dergelijke ongelukkigen achter slot werden gebracht. + +Weldra zat Fokke Simonsz. in een akelige cel van het Verbeterhuis, +vergeefs vorschend naar de reden, waarom men hem zijn vrijheid ontnomen +had. De oppasser, die hem het levensonderhoud bracht, haalde bij zijn +vragen de schouders op, en de politie gaf geen verantwoording van haar +daden. + +Fokke Simonsz. was de eenige niet, wien in deze dagen het lot van +inkerkering te beurt viel; hij deelde het met verscheidene anderen, +terwijl daarenboven ettelijke burgers last hadden, om hun woning tot +wederopzeggens niet te verlaten, of wel voor den tijd van enkele weken +de stad te ontruimen. + +Op deze manier beijverde zich De Celles om alle, voor een gunstig +verloop der aanstaande feestelijkheden gevaarlijk geachte elementen, +intijds te isoleeren en onschadelijk te maken. + +'t Was dus waarlijk geen wonder--toen Jakob den Zondag vóór 's Keizers +intocht zijn vriend Reinier tot een roeitochtje afhaalde--dat mijnheer +Vermaat bij het heengaan hun meer dan ooit tot voorzichtigheid in hun +spreken aanspoorde. + +Nauwelijks echter kon Jakob zijn woorden volkomen onbereikbaar achten +voor ieder verraders-oor, of hij moest zich uiten over iets dat hem zeer +onaangenaam had getroffen. + +»Kijk", begon hij, »dat je vader ons voortdurend tot voorzichtigheid +aanmaant, is natuurlijk te prijzen. Aan mijn eigen vader hebben we +kunnen zien, hoeveel ellende een enkel woord wel kan te weeg brengen. +Maar voorzichtigheid is toch nog heel iets anders dan wat jullie +doet..." + +»O, ik begrijp het al!" viel Reinier dadelijk in. »Je bedoelt, dat ons +huis versierd is, nietwaar?..." + +»Ja, ronduit gezegd is me dat vreeselijk tegengevallen..." + +»Dacht je dan, dat het ons zèlf niet ergerde?" vroeg Reinier bitter. +»Maar wij móeten wel! De Celles heeft den maire last gegeven om te +zorgen, dat al de huizen, waar de Keizer bij zijn intocht langs moet +komen, versierd zullen zijn. En de politie zorgt natuurlijk, dat die +last behoorlijk wordt uitgevoerd. + +Begrijp je wel? 't Is den prefect niet genoeg dat de _autoriteiten_ hun +hulde bewijzen, neen, ook de _burgerij_ moet den Keizer huldigen! + +Met hetzelfde doel zijn er van de week drie eerewachten opgericht, een +eerewacht te paard, een te voet, en een marinewacht. Ook dáár was bij +een heeleboel lui al even weinig liefhebberij voor. Maar De Celles wist +al weer raad. Hij liet biljetten bij de voornaamste Amsterdammers +rondbrengen, waarin gedreigd werd, dat zij voor hun zoons, als die +straks in de loting mochten vallen, geen plaatsvervanger konden stellen, +wanneer die zoons weigerden om den Keizer te verwelkomen." + +»Jawel", zei Jakob, »de prefect wil blijkbaar met alle mogelijke +middelen Napoleon in het idée brengen, dat Amsterdam wonderveel van hem +houdt, gedwongen stadsversieringen, gedwongen versiering vanwege de +burgerij, gedwongen eerewachten,--och, och, wat een komedie! Maar bij +een _welkomen_ intocht behoort nu eenmaal óók gejuich en gejubel, en +meneer De Celles moet knap zijn, als hij dàt weet klaar te spelen!" + +»Neen, dáár zal hij toch wel geen kans toe zien!" gaf Reinier toe. + +Het bleek echter bij den intocht, hoe deerlijk zij zich hierin +vergisten. + +'t Is waar, de algemeene stemming bij de burgerij was dof, somber, +mokkend; en de prefect begreep zéér goed, van een dergelijke burgerij +geen kreten van geestdrift te kunnen verwachten. Maar toch had hij het +er op gezet, dat Napoleon bij zijn intocht zou toegejuicht worden, en +tot het uiten van die jubelklanken had hij de tweeduizend manschappen op +'s Rijks werf en de stedelijke werkwinkels bestemd. Die allen moesten +zich bij 's Keizers intocht, onder contrôle hunner kommandeurs--doch +zonder eenige onderscheidingsteekens--op bepaalde plaatsen vereenigen, +daar hun »_Leve de Keizer!_" aanheffen en dan zoo gauw mogelijk langs +een anderen weg opnieuw den stoet zien te bereiken, om dit spelletje te +herhalen. + +Den 9den October, den dag, dat Napoleon zijn intocht zou houden, kon de +prefect dus met volle gerustheid achten, de ontvangst behoorlijk _en +scêne_ te hebben gezet. + +Te middag begaf zich Jakob, die vrijaf gekregen had, naar het huis +van den tabaksverkooper over de Munt, om er den stoet voorbij te zien +trekken, gedreven als hij werd door een onweerstaanbaar begeeren, om nu +eindelijk den man zelf eens te zien, wiens naam en daden geheel Europa +vervulden. + +Hij vond de geheele familie Vermaat op de voorbovenkamer vereenigd. + +Bert en Bruno stormden dadelijk naar hem toe, in de overtuiging dat zij +reeds wonderveel nieuws te vertellen wisten. + +»O, o, wat ben je laat! Mijnheer Le Brun is den Keizer al te gemoet +gereden!" riep Bert. + +»Met den prefect en den maire!" viel Bruno in. + +»Mijnheer Duterrage was er ook bij!" vervolledigde Bert weer, »en nog +een heele boel andere heeren, wel twintig!" + +»Twintig?!--Puh! Wel dertig!" meende Bruno. Toen begonnen zij te +kibbelen over het aantal, tot vader hun vermaande om wat rustig te zijn. + +Nu tuurden zij om de vijf minuten de straat in, keken aanhoudend op de +klok en zuchtten gedurig: »Wat duurt het toch lang, wat duurt het toch +lang!" + +Eindelijk, te drie uur ongeveer, daar ving het bulderen der kanonnen aan +en in 't zelfde oogenblik begonnen alle klokken in de stad vroolijk te +beieren... + +Bert en Bruno vlogen naar de ramen, schoon daar natuurlijk nog niemendal +te zien was dan de dubbele rij van nationale garden, die heel den weg +van de Muiderpoort tot aan het paleis bezet hadden en van dit oogenblik +af niemand meer door mochten laten. + +»Blijf gerust nog maar wat zitten jongens", vermaande de +tabaksverkooper, »de Keizer is de Muiderpoort nog pas genaderd!" + +Thans begon het wachten die onrustige jongens echter moeilijker te +vallen dan ooit. + +Dáár klonk de kreet: _Le cheval blanc! Le cheval blanc!_ aangeheven door +eenige personen, die den naderenden stoet voorafgaande, blijkbaar in +last hadden de tallooze toeschouwers tot vreugdebetoon op te wekken. + +Allen namen nu aan de ramen plaats. + +Het eerste wat zij te zien kregen, was een piket van de eerewacht te +paard. + +Toen volgde de Hollandsche ruiterij onder aanvoering van den generaal +Colbert en nog was die niet voorbij of Bert en Bruno riepen om strijd: +»Kijk, kijk! Allemaal vreemde soldaten, soldaten met pieken!" + +»Dat zijn Poolsche lanciers!" lichtte hun vader in. + +Na de Polen kwamen vijf statiekoetsen en zij begrepen onmiddellijk, +dat in het laatste op een na de Keizerin moest zitten, want het was +bespannen met niet minder dan acht melkwitte paarden, terwijl acht pages +terzijde van het rijtuig gingen. + +Nu volgde een piket van vijf-en-twintig grenadiers te paard; daarop drie +afdeelingen kurassiers, het piket van 's Keizers lijfwacht, de jagers +der garde, de ordonnance-officieren en eindelijk, op een wit Arabisch +paard--de Keizer! + +Plotseling daverde een zwaar en krachtig: _Vive l' Empereur!_ Want de +stadstimmerlieden en stratenmakers, die kort te voren hun jubelkreet op +de Botermarkt[5] hadden uitgegalmd, waren langs de Kistenmakersgracht +naar de Muntsluis geijld, om thans ook hier hun gejuich aan te heffen. + +[5] Tegenwoordig het Rembrandtsplein. + +»Is dàt nu de Keizer!" zeiden Bert en Bruno teleurgesteld. + +»Stil, jongens!" waarschuwde hun vader, »of je gaat onmiddellijk naar de +achterkamer!" + +Maar ook hij was zichtbaar teleurgesteld en evenzeer Reinier en Jakob. + +Die kleine, tamelijk gezette persoon, met zijn ronden rug, gekleed in +de eenvoudige uniform van kolonel der garde-jagers te paard, die man, +met zijn fluweelzachte oogen in het bleek-bolle gezicht, was dàt nu die +geduchte Napoleon, waar heel Europa voor sidderde? + +En toch,--terwijl het vervolg van den schitterenden stoet, de officieren +van 's Keizers Huis, de maarschalken, de generaals en stafofficieren, +de grenadiers van de lijfwacht te paard, de dragonders der lijfwacht en +eindelijk de zevende afdeeling kurassiers, terwijl dat alles aan hun +blikken voorbijtrok, zagen zij in hun verbeelding nog altoos die kleine, +gezette figuur met de raadselachtige oogen in het bleek-bolle gelaat. + +Toen de Keizer, in het paleis aangekomen, zich op het balkon vertoonde +aan de menigte, die geheel den Dam vulde, klonk het gejuich en gejoel +nog luider dan ergens anders. + +Geen wonder, het stads- en landswerkvolk, dat gecontroleerd door zijn +kommandeurs, zich op verschillende plaatsen bij de geheime politie had +moeten aansluiten, om het _Vive l' Empereur_ aan te heffen, had nergens +gelegenheid gevonden, de Kalverstraat troepsgewijze binnen te dringen, +om de voorgeschreven kreten te herhalen, doch het kreeg gelegenheid te +over, om naar den Dam te snellen. Daar was ieder op het appèl en het +_Vive l' Empereur_ daverde schier onafgebroken door de lucht. + +Mijnheer De Celles kon te vreden zijn: Amsterdam had den Keizer met +gejuich ontvangen, schoon de prefect hierdoor met zijn eigen rapporten +in tegenspraak gekomen was, die herhaaldelijk van de ontevreden stemming +onder het volk gerept hadden. Om de waarheid dezer beweringen te staven, +had hij niets anders behoeven te doen, dan de ontvangst van den Keizer +geheel aan het volk over te laten. Maar--hij wist het--in dat geval zou +aan Napoleons triomftocht een volkomen _fiasco_ ten deel zijn gevallen. + +Intusschen, men kon Napoleon niet straffeloos misleiden, zelfs niet om +hem te vleien. Hij wees De Celles, die hem op het balkon gevolgd was, op +de juichende menigte en zei: »Zie eens, mijnheer de prefect, hoezeer u +zich vergist heeft!" + +De Celles was echter voorbereid op die aanmerking en met een buiging +antwoordde hij hoffelijk: »Sire, dat is de cijns, die ieder volk brengt +aan den grootsten man zijner eeuw." + +Onmiddellijk daarop ontving de Keizer de ministers en den staatsraad ten +gehoor en zoolang hij te Amsterdam vertoefde werden iederen dag opnieuw +mannen van rang en aanzien ter audiëntie ontvangen. + +Evenals bij zijn luisterrijken intocht deed hij bij deze gehooren de +zeldzaamste pracht en weelde ten toon spreiden. Men kon zich inderdaad +niets schitterenders voorstellen dan het Keizerlijk hof op het paleis te +Amsterdam. De rijke en smaakvolle tooisels der dames van het Huis der +Keizerin, de kostbare en verblindende costumes der groot-officieren, +der hooge ambtenaren, der aides-de-camp en ordonnance-officieren, +het civile en militaire Huis des Keizers uitmakende, de rijke mengeling +van uniformen der officieren van land- en zeemacht, de met goud +geborduurde kleeding der hoofdambtenaren van verschillende burgerlijke +administratiën, de menigte van ordelinten, grootkruisen, versierselen +van alle ridderorden in Europa, zetten aan de plechtige ontvangsten en +feesten aldaar een ongemeenen luister bij. + +Over deze tentoonspreiding van schier nooit geziene weelde uitte +Napoleon zich tot zijn vertrouwde, Caulincourt: + +»Denk toch niet, dat de pracht, die ik op deze reis ten toon spreid, +het gevolg zou wezen van een kleingeestige ijdelheid! 't Is louter een +middel, dat ik te baat neem. De menschen geraken gaarne in beweging +en hun geestdrift valt hèm ten deel, die ze weet op te wekken. De +verleiding gaat door de oogen tot het hart. Het Keizerlijk hof moet zich +groot en indrukwekkend vertoonen; men is altijd geneigd zich te buigen +voor hetgeen men bewondert." + +Herhaaldelijk liet Napoleon zich in een sloep naar de werf en de haven +roeien, bezocht Muiden en Naarden om de linie van Amsterdam te leeren +kennen, begaf zich over Broek-in-Waterland, Hoorn en Medemblik naar +Den Helder, om er den staat der vloot en vesting- en havenwerken op te +nemen, gaf overal bevelen, wilde alles zelf zien en was ook nu weer, +door zijn juisten blik en afdoend ingrijpen waar hij fouten zag, als +altoos en overal een raadsel voor allen die hem vergezelden. + +Den 21sten October vertrokken de Keizer en de Keizerin weer uit +Amsterdam, om hun tocht naar de Hollandsche departementen voort te +zetten. Den laatsten dier zelfde maand verlieten zij het Hollandsche +grondgebied en keerden over Wezel en Keulen naar Frankrijk terug. + + + + +Zesde Hoofdstuk. + +Moeder Jane neemt een kloekmoedig besluit. + + +De burgers, die door de Fransche gezaghebbers, als gevaarlijk voor de +rust, gedurende Napoleons reis in den kerker waren gezet, doch van geen +misdaad of samenspanning konden beticht worden, kregen na 's Keizers +vertrek hun vrijheid weer. Die ontsluiting kwam voor hen even onverwacht +als de gevangenneming. + +Den dichter Fokke Simonsz. werd zijn vrijheid enkel aangekondigd met een +kort: »Je bent ontslagen!" Dit moest hem genoeg zijn, en niet voor hij +thuis gekomen was werd het hem duidelijk, dat hij _gedurende_ Napoleons +verblijf te Amsterdam achter slot en grendel had moeten zitten. + +Hadden sommigen van de reis des Keizers naar Holland verzachting der +drukkendste beperkingen, van de knevelarijen der ambtenaren, van de +kwellingen der hooggeplaatste gezaghebbers gehoopt, die hoop werd ten +volle verijdeld. Ja, weldra bleek, dat de naaste toekomst nog drukkender +worden zou. + +Tegen betaling van een daalder per maand werd aan mijnheer Vermaat, +uit het koffiehuis aan den overkant, iederen avond na zevenen, als de +bezoekers de krant al gelezen hadden, het _Staatkundig Dagblad van het +Departement der Zuiderzee_ bezorgd. Daar dit het orgaan der regeering +was, werden alle stukken er dus het eerst in opgenomen. Bovenaan stond +het Keizerlijk wapen, de Fransche adelaar, en het blad was, evenals toen +al de andere bladen in ons land, in twee kolommen gedrukt, waarvan de +eene in het Fransch was geschreven, de andere hetzelfde in het +Hollandsch bevatte. + +Op een avond, nadat mijnheer Vermaat den winkel gesloten had, ging hij, +als naar gewoonte, bij de familie in de huiskamer zitten, om de courant +te lezen. + +Maar hij had het blad nog nauwelijks ingezien of wanhopig riep hij: +»Groote God!... Dat wordt mijn ondergang!..." + +»Manlief, wat _is_ er?" riep juffrouw Vermaat ontsteld. Ook Reinier en +de beide schooljongens keken vragend en angstig hun vader aan. Zijn +gezicht zag doodsbleek en strak tuurde hij op de courant, die beefde +tusschen zijn handen. + +»Een nieuw decreet... De Regie wordt ingevoerd!" + +Bert en Bruno begrepen daar niet veel van. Maar voor hun moeder en +Reinier waren die enkele woorden droevig-duidelijk. Zij wisten dat ze +beteekenden: Weldra is alleen de Keizer tabakshandelaar, dan mag niemand +meer tabak verkoopen dan enkel de door Napoleon aangestelde ambtenaren. + +Door dit decreet werd alzoo hun welvaart, tegelijk met die van duizenden +andere nijvere kooplieden, winkeliers en fabrikanten als met één slag +vernield en zouden knechts en werklui met hun gezinnen tot volslagen +armoede geraken. + +Op den eersten Januari 1812 moesten alle kerfbanken, snuifmolens en +andere werktuigen, benevens al de nog voorhanden tabak onder eede en +tegen vastgestelde prijzen aan de magazijnen van het Bestuur worden +afgeleverd. De overneming en beoordeeling der waarde zou geschieden ten +overstaan van twee rijksambtenaren en twee schatters; de eersten zouden +de belangen van den Keizer, de beide anderen die van den koopman +behartigen. + +Alle tabaksverkoopers werden niet meer dan slijters. Zij moesten naar +die betrekking dingen en konden ze in geen geval zonder belangrijke +geldelijke offers verwerven. Gelukte hun dit, dan kregen zij borden met +het Keizerlijk wapen voor hun deur en verkochten de regie-tabak, door de +magazijnen geleverd, in kleine pakjes, voorzien van het Keizerlijk merk. + +Mijnheer Vermaat had het onmogelijk van zich kunnen verkrijgen, om +Fransch ambtenaar te worden en het Keizerlijk wapen voor zijn deur te +dulden. Hij had zich dan ook niet aangegeven en zou dus op den 1sten +Januari eensklaps zonder bestaansmiddel zijn. + +'t Was alzoo een treurige Oudejaarsavond voor de familie Vermaat, die +Oudejaarsavond van 1811. + +In den winkel bleek het heel dien dag drukker dan ooit. Iedere klant +wenschte zich zoo lang mogelijk van tabak te voorzien, om vooreerst +althans niet van de, naar alle waarschijnlijkheid zeer dure rijkstabak, +te moeten koopen. Niemand mocht echter meer dan tien pond in huis +hebben. Toen zij later, wijl hun voorraad opgerookt was, van de Regie +moesten inslaan, bleek die tabak, meerendeels inlandsch gewas, zóó duur +en zóó slecht, dat men ze haast niet rooken kon. + +In den winkel hadden vader en Reinier het dus overdruk met het bedienen +der klanten en intusschen was juffrouw Vermaat met toebereidselen tot de +Oudejaarsavondviering beslommerd: Misschien is het voor de laatste maal +dat we het doen kunnen, had ze gemeend. + +Terwijl ze juist even de deur was uitgewipt om nog wat inslag te doen, +had Bert toevallig een ontdekking gedaan. + +»Psst!..." wenkte hij, het hoofd om de kamerdeur stekend, geheimzinnig +fluisterend tegen Bruno, »Kom eens mee!" + +Bruno, die in een boek te lezen zat, was dadelijk gereed hem te volgen. + +Bert bracht hem in de keuken voor de aanrechtbank, waar hun moeder al +een en ander had klaargezet, en gewichtig op een groote kan wijzend, +vroeg hij: + +»Wat is dat?" + +»Melk!..." + +»En dat?" + +»Eieren!..." + +»En dàt?" ging Bert met onverstoorbare geheimzinnigheid voort, op een +papieren zak wijzend. + +»Meel!" zei Bruno. »Maar wat wil je toch?" + +»Weet je, wat je van meel en melk wel maken kunt?..." + +Bruno bedacht opeens, dat het straks Oudejaarsavond was, een glans van +begrijpen vloog over zijn gezicht, lichtte tintelend zijn oogen uit en +van blijdschap een bokkesprong makend riep hij vroolijk: + +»Oliebollen!... O, heerlijk, we krijgen oliebollen van avond!" + +»Echt, hè?" zei Bert en uit den blij-tintelenden blik waarmee hij Bruno +in de oogen zag straalde tegelijkertijd de trotsch dat _hij_ het was die +de verrassende ontdekking deed. »Maar laten we nu weer naar de kamer +gaan." + +Nauwelijks was echter hun moeder teruggekomen, of ook de jongens waren +al weer in de keuken. + +»Komen er geen rozijnen in, moe?" vroeg Bert. + +»Wáárin?" glimlachte moeder, om hem te plagen. + +»Hè, nee, dat wéét u wel!" zei Bert met een verlegen lachje. + +»Nietwaar, we krijgen immers oliebollen van avond?" informeerde Bruno +vrijmoediger. + +»Met rozijnen, hè moe?" vleide Bert. + +»Goed, met rozijnen dan! Maar nu ook verder niet lastig wezen, hoor!" + +De jongens beloofden het en muisstil zagen zij toe, hoe herhaaldelijk +witte scheuten meel of melk in een grooten aarden pot gestort en tot +deeg gemengd werden. Eén voor één sloeg moeder daarop de eieren stuk, ze +klutsend tot een egale, lichtgeele gelei; met welbehagen snoven zij den +geur van de smeltende, goudkleurige boter, en het sissen en pruttelen +was hun als een zoete muziek. + +Het beslag was eindelijk gereed, werd toegedekt en op een warme plaats +gezet om behoorlijk te rijzen. + +»Vooruit, jongens! Nu de keuken uit!" zei moeder. + +Maar 's avonds, toen het bakken begon, waren Bert en Bruno er dadelijk +weer bij. Op hun knieën lagen zij bij den pot met beslag en zagen met +onverdeelde belangstelling toe, hoe moeder met een ijzeren lepel telkens +een schepje van het geurige beslag in de pan met kokende olie deed tot +er geen plaats meer was, de bollen nu en dan naar onder stootend en ze +er uit nemend, die een mooi-bruine kleur bekomen hadden. + +En in den winkel liep het intusschen nog altoos maar af en aan. + +Eindelijk was echter de laatste klant vertrokken, het laatste tonnetje +met gekorven tabak schier leeg verkocht. + +Juffrouw Vermaat zat haar man en Reinier met een ketel warmen wijn en +een schaal, hoog opgestapeld met versche, heerlijke oliebollen te +wachten. + +Bert en Bruno speelden op het ganzebord, maar de rechte lust was er toch +niet bij, verlangend als ze waren, dat vader nu toch eindelijk eens in +den winkel gedààn had. + +Daar hoorden zij dan toch de winkeldeur sluiten, de kaarsen werden +gesnoten, vader en Reinier kwamen binnen. + +»Ziezoo, vrouw," zei de tabaksverkooper mistroostig, »dat zijn de +laatste ontvangsten geweest. _Verdienen_ doen we niet meer, als alles +dus opgeteerd is, mogen we gaan bedelen." + +»Kom, kom! Moed houden!" troostte juffrouw Vermaat. »Is 't niet een +zegen, dat we vooreerst geen gebrek behoeven te lijden? Geen ellende +vóór den tijd, zeg ik maar en met zuinigheid en overleg kunnen we nog +een heele poos voor armoe bewaard blijven." + +»Jawel, maar 't is zoo'n ellendig gevoel voor een man, te weten, dat hij +niets voor zijn gezin meer kan verdienen..." + +»Komaan, zet nu al die zorg eens op zij en laat ons nog eens een +onbekommerden Oudejaarsavond vieren. Wat helpt al dat getob? De zaken +worden er toch niet beter door!" + +»Och nee, dat is wel zoo, maar..." + +»En dan--hebben we niet alle reden, om nog dankbaar te zijn? Bleven +we niet allen met en voor elkaar gespaard en mochten we ons niet, het +geheele jaar door, in een goede gezondheid verheugen?" + +»Ja, dat is waar!" gaf Vermaat grif toe. + +»Vergelijken we ons bij anderen, hoeveel gelukkiger zijn we dan niet! +Bedenk eens, wat droevige Oudejaarsavond vrouw Stargardt en Jakob +hebben!" + +Zoo voortgaande slaagde juffrouw Vermaat er in, haar man weer een weinig +te bemoedigen. Maar toch bleef het een Oudejaarsavondviering, triestiger +dan zij ooit beleefd hadden. + +Treurig ook was de Nieuwjaarsdag, de eerste Januari van het jaar +1812, treurig voor de Vermaats, treurig voor duizenden bij duizenden +in ons land. In steê van vrienden, verwanten en kennissen te gaan +gelukwenschen, konden groot- en kleinhandelaars in tabak zich naar de +magazijnen der Regie begeven, om daar hun goed dat ze niet kwijt wilden +zijn, om daar hun werktuigen die hun een eerlijk stuk brood verschaften, +te zien taxeeren tot een prijs, die--misschien nooit zou worden +uitbetaald. Op verscheidene plaatsen althans hebben de tabaksfabrikanten +nooit een enkelen penning ontvangen. + +Dat was dan het Nieuwjaarscadeau, hetwelk Napoleon Bonaparte aan zijn +Hollandsche onderdanen gaf, die, tot slot van alles, nog in de kerken +van den kansel God hoorden danken voor het gespaarde leven van hun +onderdrukker, God hoorden bidden om voorspoed en geluk voor hem, die +het geluk en den voorspoed van duizenden verwoestte. + +Ook onze landsbibliotheken en museums van schilderijen ontzag de +Fransche Keizer niet. Wat had een overwonnen volk met kunsten en +wetenschappen noodig? Belastingen opbrengen, soldaten leveren, zich +onderwerpen en daarbij de zweep nog prijzen die hen striemde, dat +was de taak voor slaven, voor een volk, dat zijn naam en zijn +onafhankelijkheid verloren had. De zeldzaamste boekwerken, de +meestberoemde schilderijen en de merkwaardigste prenten, ja, zelfs +het stuk van den Munsterschen vrede, dat document onzer vroegere +onafhankelijkheid, werden uit onze verzamelingen gehaald, in kisten +gepakt en naar Parijs gevoerd. + +In dat zelfde jaar 1812 werd tevens de druk van het continentaal-stelsel +nog weer dermate verzwaard, dat alle Engelsche fabriekswaren verbrand +moesten worden. + +Toevallig was Jakob Stargardt van de eerste verbranding getuige, toen +hij op een middag door zijn baas voor een karweitje naar den Kadijk was +gestuurd. + +In 't Park bij de Plantage gekomen, zag hij een volksmenigte +saamgehoopt, kijkend naar een groot vuur dat door eenige douanen werd +gestookt. Pakken manufacturen, messen, scharen, horloges, van alles werd +op den brandstapel geworpen, of het niet de minste waarde had. + +»'t Is verschrikkelijk! 't Is een schandaal!" hoorde hij mompelend om +zich heen. + +»Wat zullen die Engelschen razend op Napoleon wezen!" zei een eenvoudige +hals. + +»'t Mocht wat!" onderrichtte de man, die naast hem stond. »Hoe meer +van hun goederen de Keizer hier laat verbranden, des te liever zij het +hebben. Al die goederen hebben onze winkeliers van de Engelschen gekocht +en aan hen betaald. 't Is dus niet _hun_ eigendom, maar het eigendom +van onze eigen landslui, dat door die kerels daar, zoo roekeloos wordt +vernield." + +»Maar dan..." + +»Is 't een schandaal, bedoel je!" + +»Stil toch, man, ze mochten je er voor achter de tralies brengen!" +waarschuwde zijn vrouw. + +»Och wat, de gevangenis op de Heiligenweg is al veel te vol! Daar is dus +geen plaats meer." + +»Het Verbeterhuis en het Spinhuis zitten ook al opgepropt!" wist er een +aan toe te voegen. + +»En in 't Werkhuis is al net zoo min plaats meer," zei een ander. + +»Goeie genade, kijk toch! Is het geen zonde!" riep een vischwijf, »daar +smijten ze me handen vol horloges in 't vuur!" + +»Ben je mal, Kee!" zei een mosselmeid, »denk je dat die nakende rotten +de beste niet achterbaks houden? Mijn kop er af,--alleen de zilveren +horloges gooien zij in den brandhoop en de gouden steken ze in hun +hongerige zakken." + +Daar kwamen eenige douanen met wat balen koffie en een paar kisten +suiker aan slepen. + +»'t Is God geklaagd!" zuchtte een kruidenier, toen die eveneens in den +vuurgloed werden geworpen. »_Ons_ laten ze er veertig of vijftig procent +belasting voor betalen en _zij_ smijten den boel maar zóó op het vuur!" + +»Kijk me daar nou toch ereis ân!" riep een groentevrouw. »En _wij_, arme +stakkers, kunnen maar suikerij lebberen, omdat we zelfs nog aan geen +loodje koffie kunnen toekomen!" + +»Ik wou, dat er per ongeluk een vaatje buskruit bij was, en dat heel dat +douanentuig in de lucht vloog!" gromde een visscherman. + +Jakob durfde onmogelijk langer blijven. Wie weet, wat hij anders nog +gehoord had. Maar hij zou zich niet gaarne de ontevredenheid van zijn +baas berokkend hebben, bang als hij was, daardoor eens zonder werk te +geraken. En dàn?--wat zou er dan van hem en zijn moeder worden? + +Met angst dacht hij dikwijls aan den dag, dat hij loten moest en die met +onrustbarende snelheid naderde. + +Als hij nu toch eens in de conscriptie viel! + +Hij _wilde_ er niet aan denken, want dan scheen hem de toekomst zóó +droevig, zóó troosteloos, dat hij er wanhopig onder worden kon. En toch +werd hij er voortdurend aan herinnerd, overal ging het gerucht, dat er +een oorlog met Rusland op til was en met zorg en kommer sprak men over +de, reeds in 't vorige jaar uitgetrokken, lichtingen en van de nieuwe +loting die in zicht was. Zijn moeder had het daar nimmer over, doch zij +werd gaandeweg stil en mijmerend, schoon zij haar uiterste best deed om +Jakob eenige opgeruimdheid te toonen. + +Eindelijk gebeurde wat moeder en zoon al zoo lang hadden gevreesd--Jakob +werd soldaat! + +Het afscheid was van een wilde smart en toen hij, na een laatste +omhelzing, schok-snikkend de deur uitging, viel de vereenzaamde vrouw +bewusteloos op den grond. + +Medelijdende buren brachten haar te bed, oordeelend, dat rust het +allernoodzakelijkst voor haar wezen zou. + +Maar toen de ongelukkige weduwe weer bij kwam, bleek ze geheel +veranderd. Zij was stil en somber geworden, haar hooge, kloeke gestalte +scheen opeens verslapt en ontzenuwd, haar krachtige natuur in één +enkelen dag verlamd door den knotsslag van het noodlot die haar +trof. Versuft zat zij uren lang in haar hoekje neer, starend, altoos +starend... Maar naderde de tijd, dat de postbode in aantocht moest zijn, +dan werd ze onrustig, opende de deur, keek het Kattenburgerplein over, +liep weer in huis, deed wéér de deur open en tuurde opnieuw over het +plein, soms wel tien maal achtereen. + +Maar als ze den man ten leste zag aankomen, dan was het haar onmogelijk, +weer naar binnen te gaan. Ze bleef aan de deur staan wachten, in +zenuwstrakkende aandacht elk zijner bewegingen verspiedend. Een schok +doorsidderde haar het lijf, wanneer hij een greep in zijn tasch soms +mocht doen... + +Maar onveranderlijk klonk het steeds, zoodra de bode haar nabij gekomen +was: »Geen brief nog, moeder Jane!" + +Dan trok zij zich zuchtend terug en ging weer als wezenloos in haar +hoekje zitten, of poogde wat te werken. Doch van het werken kwam +gewoonlijk niet veel en haar huishouding liet zij meer en meer +verwaarloozen. Want als zij begon met den leuningstoel af te stoffen, +dan herinnerde dit meubel haar aan Franciscus; mijmerend over den armen +kreupele stond zij dan langen tijd roerloos met den stofdoek in de +werkelooze hand; nam zij een mat op, de indrukken van zijn kruk werden +haar als smartvertrokken monden, die klagelijk van den dierbaren doode +spraken; die stoelen, de tafel, dat kastje, de Friesche klok daar, al +die voorwerpen, samen hadden zij ze gekozen en gekocht, elk meubelstuk +had zijn kleine geschiedenis, onderdeel van het familieleven der +Stargardts vormend; ieder ding kreeg een ziel voor moeder Jane, en de +zielen van al die lieve dierbare voorwerpen om haar heen, begonnen nu +met weeke, weenende stemmen van hun verleden te fluisteren... + +»Zóó kan het niet langer!" zei juffrouw Vermaat tegen haar man, toen zij +weer eens tevergeefs gepoogd had moeder Jane wat op te beuren: »Het arme +mensch verkniest hoe langer hoe meer en haar huishouden laat ze +heelemaal verwaarloozen. Wist ik toch maar, wat ik er aan verhelpen +kon!" + +Beiden hadden zij innig te doen met de ongelukkige weduwe. 't Is waar, +ook _zij_ hadden hun zoon Reinier aan de legers van den Keizer moeten +afstaan, maar bezaten zij niet elkánder, hadden zij niet hun +luidruchtige bengels van jongens? Doch moeder Jane bezat thans niets +meer en zij konden het zich dus zoo begrijpen, dat de vereenzaamde vrouw +verkwijnde naar lichaam en ziel. + +Eindelijk meende het echtpaar Vermaat er iets op te hebben gevonden, +waardoor de weduwe Stargardt een groot deel van den dag uit haar +omgeving en daardoor allicht ook eenigermate aan haar herinneringen zou +worden ontrukt: Zij zou namelijk, door hun bemoeiingen en voorspraak, in +het Munthôtel als werkster kunnen komen. + +Met doffe onverschilligheid hoorde moeder Jane deze beschikking aan, +maar toen juffrouw Vermaat op een morgen gekomen was om haar er heen te +geleiden, maakte ze ook in het minst geen tegenwerping. + +Sedert kwam zij geregeld iederen dag in het hôtel haar werk verrichten +en schoon de nieuwe werkster weinig spraakzaam bleek, wat zij dóen +moest, dat deed zij met de nauwgezetheid van een machine. + +Op een avond--ze was juist een poosje te voren uit het hôtel weer thuis +gekomen--had de postbode een brief voor haar. + +Nauwelijks had zij de acht stuivers port betaald, of ze scheurde het +couvert open en zenuwachtig begon zij te lezen, want het was een brief +van hèm, van Jakob, haar jongen! De letters dansten haar voor de oogen, +onderwijl zij in jachtende haast de bladzijden doorvloog. Toen begon zij +weer van voren af, en nu veel kalmer: + + Sabelsdorph, 20 April 1812. + + Lieve moeder, dit is dan de eerste brief, dien u van mij krijgt. + Waarom ik niet vroeger schreef, zal u hieruit straks wel blijken. + + Zoodra wij te Wezel waren aangekomen, werden Reinier en ik met + nog verscheiden andere Amsterdamsche lotelingen als huzaren + uitgerust. En van toen af, na de eerste oefeningen in het + paardrijden te hebben doorstaan, is het niet anders geweest + dan marcheeren en exerceeren, over Munster en Osnabrück op + Maagdenburg aan en toen verder, altijd verder maar weer, en dat + langs zùlke slechte wegen en meestal onder zulk slecht weer, dat + ik 's avonds geregeld doodmoe op mijn leger viel. + + En zoo zijn we dan nu hier, te Sabelsdorph, op een halven mijl + van Stettin. Het volk, dat deze streken door trekt of reeds + doorgetrokken is, blijkt gewoonweg onnoemelijk. Verscheidene + burgers zijn trouwens reeds uit de steden gevlucht, omdat zij + alle dagen 16 en 17 man in kwartier kregen. Men lijdt veel in + Holland, maar hier nog meer, men wordt hier opgegeten! + + Ons regiment treft het goed, wij zijn altijd bij de boeren en + alleen de Generale staf met één compagnie blijft in de steden + en dat gaat geregeld zoo door, iedere compagnie op haar beurt. + + Doordat wij altoos bij de plattelandsbevolking in kwartier liggen + heb ik niet veel gelegenheid om te schrijven, want meestal zijn + we met acht à negen man in dezelfde kleine ruimte en dan moet men + op zijn spullen passen. Bovendien weten de boeren hier te land + haast niet wat papier en pennen zijn. + + Op het oogenblik liggen we met zijn negenen bij een goeden boer, + en die had ook pen en inkt, zooals u ziet, maar het is dan ook de + burgemeester van het dorp. + + Zondag zijn we gearriveerd, Dinsdag maakten wij inspectie voor + den ritmeester, Donderdag voor den kolonel, die ons zóó duchtig + liet manoeuvreeren, dat mijn oude knol bijna niet meer voort kon + en 's avonds bij het afzadelen een gat als een vuist in zijn lijf + had. + + Heden, Zondag, is het groote inspectie voor den Generaal, maar + omdat mijn paard zoo áf en gedrukt is, heb ik het geluk van thuis + te mogen blijven, waarom ik niet rouwig ben; want het sneeuwt + hier alle dagen en het is braaf koud ook. + + De stad zelf ligt zóó vol van de Jonge Garde en Badensche en + Hesselsche troepen, dat men over de hoofden wel loopen kan. + Alle troepen moeten tweemaal daags exerceeren, wat _wij_ dus óók + gedaan hebben, de dagen dat wij geen inspectie hadden. Nu, daar + went men aan. Alleen hoop ik, dat ik maar spoedig een anderen + harddraver krijg. Denk eens aan, ik ben, gedurende onze opmarsch, + met dien ouden stijven knol al driemaal gevallen, gelukkig zonder + mij erg te bezeeren, doch niettemin met het plezierig gevolg, dat + ik van Brunswijk af een heel eind naast mijn oudje loopen mocht, + want de stumper was een weinig gedrukt op de schoft. + + Dat marcheeren langs slechte wegen, tot aan de knieën door de + modder, was natuurlijk niet alles. Gelukkig echter kwam mijn + stramme sukkel toch al gauw weer wat op dreef. Maar verbeeld u, + den dag dat we hier aankwamen ging hij weer heel netjes met me + in het wagenspoor liggen en of ik hem al aanzette of wát ook, + sinjeur stond niet op voor en aleer ik er afging. + + Of we hier nog lang zullen blijven? Het zeggen is, dat we + spoedig naar Koningsbergen zullen opmarcheeren en dan verder + naar Rusland, omdat er met dat rijk een oorlog op til is, zooals + iedereen beweert. + + Ik ben tot nog toe heel gezond en als ik niet voortdurend + bekommerd was om u, dan zou ik mij in het soldatenleven heel goed + kunnen schikken. Maar o, hoe verlang ik er soms naar, u terug + te zien! Wat zou ik er niet voor geven om, al was het maar één + oogenblik, weer eens bij u te zijn en u te kunnen omhelzen. Maar + wie weet, hoe lang het nog wel kan duren, voor ik weer bij u + terug zal zijn. + + Neen, dan is één van mijn nieuwe kameraads er toch vrij wat beter + aan toe. Zijn moeder, moet u weten, is een van de marketentsters. + Zij trekt geregeld achter het regiment aan, van de eene plaats + naar de andere en zoodoende kunnen zij, buiten diensttijd, elkaar + net zoo vaak ontmoeten als zij maar willen. + +Dit laatste gedeelte van den brief maakte op moeder Jane een diepen +indruk, die van groote gevolgen zou wezen. Het wekte een voornemen bij +haar op, waartoe zij uit zichzelf nooit zou gekomen zijn: + +Wat die moeder kon, dat kon _zij_ immers ook? En wat verlóór zij er +bij? Haar leven toch was eenzaam en treurig en werd door slavigen +arbeid gesleept van den eenen dag naar den volgenden, met geen ander +vooruitzicht dan dat het eenzaam en treurig _blijven_ zou. Want niet +alleen Willem was zoo goed als dood voor haar, ook haar Jakob zou zij, +onder haar tegenwoordige omstandigheden, toch denkelijk wel nooit weer +terug zien. Werd zij daarentegen marketentster, dan kon zij dag aan dag +weer met en bij hem zijn. En zoo hij gekwetst mocht worden, wie zou hem +beter kunnen oppassen en verzorgen dan zij, zijn eigen moeder? + +Zij keek op de klok. Het was nog vroeg genoeg om gauw even met den brief +naar de Vermaats te gaan. Daar hoorde zij, dat ook Reinier geschreven +had. Toen zij echter vertelde, tot welk besluit zij gekomen was, deed +het echtpaar alles, om moeder Jane daar weer van terug te brengen. + +Zij wezen haar op de moeilijkheden, aan dat eindeloos reizen en trekken +verbonden; op de gevaren, waaraan zij voortdurend zou bloot staan; niets +mocht baten. + +»Maar je kunt immers niet eens met paarden omgaan?" zei juffrouw Vermaat +ten leste. »En voor een huzarenmarketentster zal dat toch, dunkt me, wel +noodig zijn." + +»Niet met paarden omgaan? Nu, dat zou je meevallen! In mijn jeugd woonde +ik op een dorp; mijn ouders hadden een boerderij en ik ben dus, om zoo +te zeggen, bij paarden grootgebracht. Ja, als kleine meid nog, was het +altijd een van mijn grootste genoegens als ik het paard, waar vader mee +naar stad was geweest, in de wei mocht brengen. Dan ging ik op het hek +staan, klauterde vandaar parmantig op het beest zijn rug en reed er zoo +mee tot aan den dam." + +Haar besluit bleek dus onwankelbaar en aan niets dacht zij thans zoo +zeer, dan om het zoo goed mogelijk ten uitvoer te brengen. Haar huis en +inboedel diende zij te verkoopen, allerlei inlichtingen had zij in te +winnen, doch mijnheer Vermaat stond haar hierin met raad en daad ter +zij. + +Meer en meer ging zij òp in haar plan, de oude energie herleefde, haar +gang herkreeg zijn vroegere veerkracht, zij zag weer een toekomst, zij +had weer een levensdoel, en toen zij eindelijk tot de afreis gereed was, +bleek moeder Jane weer volkomen de kloeke, krachtige vrouw van voorheen. + + + + +Zevende Hoofdstuk. + +Vrienden in vijandschap. + + +In de laatste jaren waren de betrekkingen van Napoleon met Alexander van +Rusland van zoodanigen aard geworden, dat een volslagen vredebreuk op +den duur niet kon uitblijven. Steunende op zijn krijgsgenie rekende de +Fransche Keizer de Russen niet alleen te _overwinnen_, maar tevens naar +Azië terug te kunnen dringen, na welke operatiën Turkije aan de beurt +lag. + +Gelukte Napoleon die stoute onderneming, dan zou hij met zijn phalanx +langs Perzië naar Indië doordringen, ten einde Engeland in zijn koloniën +aan te tasten en zoodoende dat gehate rijk tòch voor zijn wil te doen +bukken. Mocht ook déze expeditie slagen, dan zou het vrede op aarde +zijn! + +Tot de Fransche officieren, die eenigen tijd in Rusland hadden gediend, +behoorde de overste De Ponthon. Toen de Keizer dezen officier omtrent +de moeilijkheden van een oorlog tegen Rusland ondervroeg, vernam hij een +reeks van bezwaren: De fanatieke tegenstand dien de oude Moscovieten aan +den dag zouden leggen; de onherbergzame streken, welke de troepen zouden +moeten doortrekken; de onbegaanbaarheid der wegen voor de artillerie +wanneer het eenige uren geregend had en ten slotte, dat de ruwe, +geduchte Russische winter, die meestal half October reeds inviel, +het oorlogvoeren in dat land physiek onmogelijk maakte. + +Doch overste De Ponthon ging nog verder, dan den Keizer deze bezwaren +te ontwikkelen. Hij viel voor Napoleon op de knieën, hem smeekend ter +wille van het geluk van Frankrijk en van zijn eigen roem toch niet dien +gevaarvollen veldtocht te ondernemen, waarvan de rampen niet te overzien +zouden zijn. + +Verscheidene dagen na dit onderhoud bleef Napoleon afgetrokken en +verspreidde zich het gerucht, dat de Keizer van den veldtocht had +afgezien. Maar Napoleon had dezen karaktertrek dat hij _niets_ ontzag, +voor _niets_ terugdeinsde om een eenmaal gesteld doel te bereiken. Zijn +heerschzuchtswaanzin dreef hem reeds lang naar de alléénheerschappij +over geheel Europa en openlijk deelde hij zijn voornemen mee, om zich +op den zetel der Grieksche kerk te Moscou tot keizer van het Westen der +oude wereld te doen kronen. + +Er was dan ook in de gewesten waar Fransche troepen stonden, doch +vooral langs de oevers van de Oostzee tusschen Hamburg en de Weichsel, +waar maarschalk Davoust commandeerde, en te Dantzig, waar generaal +Rapp gouverneur was, reeds maanden lang een rustelooze bedrijvigheid. +Derwaarts trokken, te voet en per scheepsgelegenheid, duizenden +jonge mannen van verschillende natiën, om onder Davoust's gestrenge +tucht gekleed, gewapend en gedrild te worden; derwaarts werden +honderdduizenden Hectoliters graan, reusachtige voorraden wijn, +kleedingstukken, munitie en andere krijgsbehoeften gezonden om een +macht van schier een half millioen krijgers voor geruimen tijd van +al het benoodigde te voorzien. Derwaarts togen langzamerhand gansche +corpsen, in onderafdeelingen gesplitst, uit Frankrijk, uit Spanje, +uit Italië en Duitschland, geleidelijk met kleine dagmarschen, om +eerst langs den Oder en van hieruit langs de Weichsel te worden +opgesteld. Duizenden paarden werden aangekocht, honderden lichte +voertuigen bijeengebracht, pontontreinen samengesteld, al de +voorbereidingsmaatregelen getroffen om een leger, zoo reusachtig als +zich nog nooit te voren op één oorlogsterrein had bewogen, zonder te +groote vermoeienis en zonder veel opzien te baren over een breed front, +van Warschau tot Koningsbergen, geleidelijk te voeren naar Ruslands +grenzen. + +Doof bleef de Keizer voor de vertoogen zijner ministers en vertrouwde +generaals, en vruchteloos schreef zijn vertegenwoordiger aan het hof te +Petersburg hem, dat keizer Alexander geen oorlog _wilde_ en zich alleen +wapende, omdat Napoleons eigen geweldige krijgstoerustingen in Polen en +Pruisen hem daartoe dwongen. Letterlijk door een boozen geest gedreven, +beheerscht door een soort van grootheidswaanzin, die zijn brein met de +stoutste plannen vervulde, die hem zelfs voortooverde dat zijn dynastie +eenmaal de oudste kon worden van gansch Europa, liet hij zich door niets +ter wereld van zijn plan afbrengen. In 1805 en 1807 had hij Rusland +geslagen, doch niet onderworpen; thans zou hij het genade doen vragen. + +Reinier en Jakob moesten diensvolgens ten oorlog trekken. + +Beiden hadden zij zich na hun vertrek uit Amsterdam al heel spoedig +in hun lot geschikt, maar terwijl Jakob zijn dienstplicht deed, om +niet in onaangenaamheden te komen, was Reiniers eerzucht er ras op uit, +bevordering te maken. Over een jaar wenschte hij officier te zijn. +Schoon dat in onze dagen een ijdel voornemen zou heeten, hield zijn +besluit toch niets buitengewoons in: Bij de opvoeding, door Reinier +genoten, gepaard met zijn lichamelijke en verstandelijke hoedanigheden, +behoefde hij slechts te _willen_ om ook te _worden_ hetgeen hij zich +voornam. In het Fransche leger toch, welks kaders aanhoudend werden +gedund, bestond ook geregeld behoefte aan geschikte personen om dat +kader voltallig te houden. + +Uit vrees echter, dat zijn ijver en gedrag eens niet voldoende in het +oog mochten vallen, meldde Reinier zich, na zijn eerzuchtig voornemen, +bij den majoor aan. + +»Majoor," begon hij, »als ik er mijn best voor doe, zou ik dan niet heel +gauw wachtmeester kunnen worden?" + +De majoor, een oudgediende, vond het altoos prettig, wanneer hij bij +recruten de begeerte tot promotie mocht zien. Ook had hij reeds +opgemerkt, dat Reinier wel bevattelijk was en een goede opvoeding had +genoten. Hij was dus aangenaam verrast. + +»Is je dat ernst?" vroeg hij niettemin met strakken blik. + +»Volle ernst!" antwoordde Reinier met overtuiging. + +»Over vier dagen ben je korporaal. En blijf je stipt je best doen dan +zal je, binnen een maand of wat, onderofficier zijn! Zoo niet, dan +wordt je onmiddellijk weer gedegradeerd!" + +De majoor wenkte en Reinier trok af. + +Vier dagen daarna was hij korporaal en voor er drie maanden om waren had +hij den graad van onderofficier. + +De nieuwe wachtmeester kreeg nu wel is waar omgang met andere +onderofficieren, maar in de verhouding tot Jakob kwam hierdoor +aanvankelijk toch geen verandering. + +Een week later kregen zij echter plotseling groote oneenigheid. Ze +kwamen, na een korte dagmarsch, met een man of acht, in den omtrek van +Thorn bij een boer in kwartier en zouden reeds den volgenden dag weer +verder moeten. Ze kregen eenige sneden grof brood, met een laagje vet +besmeerd. De menschen hadden het blijkbaar niet te ruim en aten er zelf +lekker van. Ook de huzaren, in den laatsten tijd niet verwend, lieten +het zich wel smaken. + +Reinier echter was er niet mee tevreden. Hij was wachtmeester en eischte +ham! + +Ham aten zij nooit, zei de man. + +Ja, dat kon hèm wat schelen! Maar met vet was hij niet tevreden en hij +zou dan zelf maar eens kijken of hij niet wat beters vinden kon. + +Weldra kwam hij met twee hammen terug, die hij lachend en triomfantelijk +in de hoogte hield. + +Daarop bediende hij er zich van en deed de rest in zijn knapzak voor +later. + +De boerin begon te schreien. Het waren hun beide laatste hammen, +snikte ze, en zij hadden die morgen aan een herbergier in Thorn moeten +bezorgen. Hoe zouden zij kunnen leven, als er door de soldaten, geregeld +maar, zóó met hen gehandeld werd? Hadden de huzaren hun rieten schuurdak +niet gebruikt om hun paarden er mee te voederen? Had niet gisteren een +andere bende ruiters daarvoor het onrijpe koren afgesneden? Wáár moest +het heen als dat zoo doorging? Zouden ze dan niet van honger en ellende +moeten omkomen? + +Jakob kreeg medelijden met de arme menschen. + +»Kom," zei hij tegen Reinier, »ik zou dan die eene ham ten minste +maar terug geven. Stel je voor, als andere soldaten zoo eens bij +jullie thuis deden en het laatste pakje thee wederrechtelijk gebruikten +terwijl jullie zelf toch op gewone dagen nooit anders dan aftreksel van +morellebladeren drinkt? Dat zou je toch ook niet goed vinden, is 't wel? +En is het hier eigenlijk nog niet erger? Geldt het hier niet een +bestaansmiddel van die menschen?" + +Reinier gevoelde nu plotseling al het leelijke van zijn daad, schoon +hij volstrekt niet verder was gegaan dan hetgeen hij dagelijks door +anderen had zien doen. De transportwagens met levensmiddelen konden, +door allerlei omstandigheden, onmogelijk het voorttrekkende leger snel +genoeg volgen, en men voorzag zich dus van voorraad, terwijl men voort +marcheerde. Daar het land vruchtbaar was, werden paarden, wagens, +beesten, levensmiddelen van allerlei soort ontvoerd: men sleepte alles +mee, ook de benoodigde inwoners om heel dien voorraad aan te voeren. + +Met dergelijke voorbeelden iederen dag voor oogen, had Reinier er niet +zooveel kwaad ingezien, zich zelf eens wat beter te doen onthalen dan +de anderen. Wel voelde hij, na Jakobs redeneering, hoe leelijk hij +eigenlijk had gedaan, maar dit nobele gevoel werd in 't zelfde oogenblik +door valsche schaamte overwonnen. Het ergerde hem, in tegenwoordigheid +van die anderen zoo terecht gezet te worden. Wat drommel, wat verbeeldde +Jakob Stargardt zich wel? Hij, Reinier, was toch wachtmeester, en wáár +zou het met zijn prestige naar toe, als vriendschap het recht gaf hem +een zedepreek te houden in het bijzijn van »minderen"! + +Hij stoof dus geweldig op, Jakob bleef hem het antwoord niet schuldig en +het gevolg was, dat beiden, na een heftige woordentwist, met heete +hoofden ter rust gingen. + +Den volgenden morgen scheen de oude verstandhouding weer volkomen +hersteld. Toch had het voorgevallene bij Reinier een zekere vervreemding +bewerkt, die hij gaandeweg al minder te verbergen wist. + +Jakobs voortdurend bijzijn, gepaard met dien vrijmoedigen omgang waar +hun vriendschap recht op gaf, begon de jonge wachtmeester met den dag +meer te gevoelen als iets hinderlijks, iets dat hem belemmerde in zijn +gedragingen, terwijl aanhoudend de vrees hem verontrustte, dat die +familjare omgang nadeel doen mocht aan het ontzag, dat zijn overige +manschappen toch voor hem dienden te hebben. + +Voor Jakob Stargardt kon het natuurlijk niet verborgen blijven, dat +Reinier steeds gedwongener jegens hem werd, en daar het niet in zijn +karakter lag om zich ook in 't minst maar op te dringen, werd hun +omgang, schoon naar het uiterlijk nog precies dezelfde gebleven, toch +gaandeweg al minder vertrouwelijk. + +Na met korte dagmarschen van dorp tot dorp getrokken te zijn, kwamen de +troepen waartoe ze beiden behoorden, in en om Koningsbergen in kwartier. + +Hun regiment zou weldra worden ingedeeld bij het derde legercorps, onder +maarschalk Ney. Te Nogarisky moest dit corps zich met de regimenten van +den Koning van Napels, Davoust, Bessières en Oudinot vereenigen, waarna +deze verzamelde legermacht onder de persoonlijke leiding van Napoleon +zou komen te staan. + +De bierbrouwerijen en herbergen in de stad waren aanhoudend overvuld van +militairen en dit jongste legernieuws werd er dus overal levendig +besproken. + +Reinier Vermaat zat met een groepje van andere onderofficieren voor +de »_Bonte Os_." Ook oudgedienden waren daar bij, aan de hachelijkste +omstandigheden gewoon, kerels die door niets meer werden afgeschrikt. +Men herkende ze dadelijk aan hun krijgshaftige houding en aan hun +gesprekken. Zij hadden geen herinneringen dan aan den oorlog, voor hen +was geen toekomst dan in den krijg; over niets anders spraken zij. + +Tegenover de jongeren snoefden die gebronsde kerels over hun groote +daden in den slag bij de Pyramiden, dien van Marengo, van Austerlitz, +van Jena of Friedland, zij stroopten hun mouwen op of ontblootten hun +breede borsten om te pronken met de litteekens hunner wonden; en daar +zij intusschen met woord en daad voortdurend tot drinken aanspoorden, +werden ook de nieuwelingen hoe langer hoe opgewondener. + +»Neen, dit," zeiden de oude ijzervreters, »werd een veldtocht, grooter +dan zij ooit beleefd hadden!" De goede uitslag er van scheen zeker; het +zou een militaire marsch wezen tot aan Petersburg en Moscou toe. Nog +déze poging, en alle krijg zou misschien voor goed geëindigd zijn; dit +was een laatste gelegenheid, meenden zij, om zich nog eens roemvol te +onderscheiden. + +Een der nieuwelingen verklaarde dat hij, om de risico van den krijg, +toch net zoo lief van deelname aan dezen veldtocht verschoond was +gebleven. + +»Och wat," zei een grijze snorrebaard, »dacht je dan, dat je daardoor +aan den oorlog ontkomen zou? Die is immers overal! Wees dus liever blij, +dat je zoo'n buitenkansje hebt! Want slagveld of slagveld, dat is lang +niet onverschillig! In Rusland zal de Keizer zèlf het bevel voeren, +terwijl je in een ander land wel voor dezelfde zaak, maar onder een +ander opperhoofd zou moeten strijden. En het is genoeg bekend, dat +Napoleon nu eenmaal zijn gunsten het overvloedigst uitdeelt aan _die_ +soldaten, wier roem aan _zijn_ roem herinnert. + +Vooral jij, Vermaat," wendde hij zich nu meer in 't bijzonder tot +Reinier, »moogt wel van geluk spreken. Kijk, _wij_ zijn maar domme +kerels, die als kind niets geleerd hadden, maar help eens kijken, _jij_ +zult fortuin maken in dezen veldtocht! Als majoor zie ik je nog terug +komen! Nu ja,--mits je moedig bent natuurlijk!" + +Reinier's ijdelheid was niet weinig gestreeld. Hij verklaarde, dat het +hem aan moed niet zou ontbreken. Daarop liet hij, op zijn kosten, de +glazen nog eens vullen en hield een opgewonden toost op den roem en den +voorspoed van het Groote Leger, die met daverende toejuichingen werd +beantwoord. + +Juist in dit oogenblik kwam Jakob uit de verte aan. + +»Daar komt je trouwe vriend, de timmerman!" zei een der jonge +onderofficieren plagend. + +»Hm!... Vriénd?!" zei Reinier, »nou ja, omdat we vroeger kennissen +waren loopt hij me nog altijd na als een hondje..." + +»Begrijpt zoo'n jongen dan niet, dat jullie verhouding nu toch heel +anders geworden is," vroeg een tweede. + +Reinier, geërgerd, haalde de schouders op. + +»'t Schijnt van niet!" zei hij kregel. + +»Maar dan zou ik zelf daar toch een eind aan maken!" adviseerde een +ander. »Hij zou je waarachtig zijn kameraadschap nog wel kunnen +opdringen als je al lang en breed majoor was!" + +Daar had Jakob eindelijk Reinier in 't oog gekregen, die zich echter +hield, of hij hem in 't geheel niet zag. + +Jakob Stargardt had juist een brief met de veldpost ontvangen, een brief +van zijn moeder, waarin ze hem meldde, dat zij marketentster geworden +was en zich voorloopig bij de voortrukkende Westfaalsche troepen had +aangesloten, maar toestemming bezat, om zoo spoedig mogelijk bij het +elfde regiment huzaren, _zijn_ regiment, over te gaan. Al binnen enkele +dagen konden zij dus reeds bij elkander wezen. + +Jakob brandde van begeerte om die heugelijke tijding zoo gauw mogelijk +aan Reinier mee te deelen. Wel was hun vriendschap niet meer dàt, wat +zij te voren was geweest, maar toch gingen zij nog veel te dikwijls met +elkander om dan dat hij zijn heerlijk nieuws niet in de eerste plaats +aan Reinier zou verteld hebben. + +Nauwelijks kreeg hij dezen dus in 't oog, of hij stapte haastig op hem +toe, vol blijdschap vertellend, waar hij zelf zoo vol van was. + +Reinier zag hem spottend aan: + +»Ei zoo, had het jongentje soms gevraagd of zijn moesje op hem wou komen +passen?" vroeg hij ironisch. »En zal moesjes schort nu straks de kogels +voor hem moeten opvangen?" + +Hij had meer gedronken dan hij verdragen kon en zei nu woorden, die hij +zich in normalen toestand zou geschaamd hebben. + +Jakob werd rood van verontwaardiging. + +»Bah, wat laag, wat vreeselijk laag van je," riep hij driftig, »om +mij als een lafaard voor te willen stellen, die bloôhartig de kogels +ontvluchten zou! Want zoo iemand, dan moest _jij_ beter weten!" + +Hij doelde op het feit, dat hij indertijd zichzelf in de plaats van zijn +vader had aangeboden. + +»'t Is waar, ik vergat een oogenblik dat het bij jullie een soort van +familiekwaal lijkt, om zich te laten doodschieten--al is het dan ook +maar wegens majesteitsschennis!..." + +'t Werd eensklaps doodstil. Allen begrepen, dat een van Jakob's +bloedverwanten wegens majesteitsschennis gefusilleerd moest zijn en hem +dit nu op de meest grievende wijze werd herinnerd. De gezichten, zoo +even nog glinsterend van opgewektheid en genoegen, waren alle strak en +ernstig. + +De armen over elkaar gekruist, doodsbleek, met vlammenden blik, stond +Jakob Stargardt tegenover zijn beleediger, als een onheilspellende +verschijning, die eensklaps uit den grond was opgerezen. Enkele schreden +verder stond een oude huzaar, die met Jakob opgeloopen was en tot +hetzelfde escadron behoorde. 't Was een brave, oppassende kerel, maar +zóó gering van aanleg, dat hij het, spijt al zijn dienstjaren, nooit +verder dan gewoon soldaat had kunnen brengen. Maar zoo klein zijn +verstand mocht wezen, zoo nobel was zijn inborst. Die oude krijger zag +dan ook even bleek als zijn jeugdige makker. Zwervend en onrustig ging +zijn blik; want evenals al de aanwezigen duchtte ook hij ieder oogenblik +een uitbarsting. + +»Kom!"--zei de oude huzaar, Jakob bij de mouw trekkend,--»kom,--we +moeten weer naar ons kwartier!" + +Maar Jakob verroerde zich niet en zag Reinier nog altoos woest-dreigend +aan. + +Reinier was eerst onthutst: maar hij herstelde zich spoedig en eveneens +de armen kruisend, mat hij den verontwaardigden jongeling met tergenden +blik. + +»Wat wil je?" vroeg hij barsch. + +»Wat ik wil," antwoordde Jakob schijnbaar kalm, »is licht te begrijpen; +wat elk ander soldaat je in mijn plaats vragen zou: Een kans om mij te +wreken!" + +»Het spijt me," antwoordde Reinier met een sarrend-hatelijk lachje, »dat +ik je die voldoening niet geven mag, maar een wachtmeester duëlleert nu +eenmaal niet met zijn minderen." + +»Welnu dan, ik zweer je, dat ik met mijn eischen bij je terug zal komen, +meneer de wachtmeester, al is het ook over twintig jaar!" + +»Dan ben _ik_ generaal en _jij_--timmermansbaas!" zei Reinier spottend. +»We zullen dus moeilijk met elkander tot vereffening kunnen komen." + +»Of _ik_ ben majoor en jij nog niet: Ik zal dan evenwel minder +hooghartig wezen dan jij. Wees in ieder geval verzekerd, dat uitstel +geen afstel is: Binnen een jaar zijn we gelijk in rang en dàn--geloof +me, dan zal ik je toonen met wien je te doen hebt!" + +Reinier Vermaat werd woedend van schaamte en ergernis. Hoe grievend hij +Jakob ook had bejegend, zijn ijdele inborst kon niet dulden, dat hij +als een schuldige tegenover een »mindere" stond,--en vooràl niet, +dat die mindere hem zijn schuld zoo vernederend deed gevoelen in +tegenwoordigheid van mannen wier achting hij zoozeer op prijs stelde. + +»Huzaar Ros!"--beval hij den oudgediende met wien Jakob gekomen +was,--»breng den kerel onmiddellijk in arrest!" + +»Dank u, wachtmeester," antwoordde de brave krijgsman,--»ik heb geen +lust om een kameraad te arresteeren, alleen omdat zijn chef hem +beleedigde en hij de vrijmoedigheid had, hém dat te verwijten. U kunt +me straffen zoo zwaar u wil, maar een schelm hoop ik nooit te worden!" + +Hij maakte rechts-omkeert en wilde gaan. + +»Wacht, Ros, ik ga met je mee," zei Jakob, »ik zal me zelf in arrest +begeven; wachtmeester Vermaat, tot ziens!" + +»Dat zal ik je beiden inpeperen!" gromde Reinier, bleek van wraakzucht. + +[Illustratie: ... mat hij den verontwaardigden jongeling met tergenden +blik.] + +Maar tot zijn spijt werd hij reeds den volgenden morgen naar een nog +onvolledig regiment overgeplaatst. + + + + +Achtste Hoofdstuk. + +De opmarsch. + + +Moeder Jane had zich bij het regiment van haar zoon aan kunnen sluiten, +nog vóór dit Koningsbergen verliet, maar reeds den 22sten Juni lag +geheel het Fransche leger op den linkeroever van den Niemen. + +Napoleon, die tot hiertoe in een rijtuig gezeten had, wierp zich 's +morgens om twee uur in het zadel, om dien Russischen grensstroom te +verkennen. Toen hij aan de rivier kwam, struikelde eensklaps zijn paard +en wierp hem in het zand. + +»Een slecht voorteeken!" klonk het. »Een Romein zou terug keeren!" + +Of hij zelf het was of iemand van zijn gevolg, die deze woorden sprak, +is niet bekend. + +Napoleon echter steeg kalm weer te paard om zijn onderzoek voort te +zetten. + +Toen de verkenning afgeloopen was beval hij, dat er tegen het vallen +van den avond drie bruggen over de rivier zouden gelegd worden. Daarop +begaf hij zich naar zijn legerplaats, waar hij den geheelen dag nu eens +in zijn tent, dan weer in een Poolsch huis doorbracht, machteloos +neerliggend onder de zwoele, drukkende hitte en vergeefs naar rust +zoekend. + +Zoodra de avond echter gevallen was naderde hij opnieuw de rivier, waar +sappeurs reeds met het leggen der bruggen waren begonnen. Drie +compagnieën soldaten moesten hen beschermen. + +Eenige sappeurs steken met een schuitje de rivier over. Tot hun +verwondering komen zij zonder hindernis aan den Russischen oever. Alles +is rustig op dien vreemden grond, dien men hun als zoo dreigend heeft +afgemaald. + +Spoedig echter zien zij een kozakkenofficier aan het hoofd eener kleine +patrouille. Hij is alleen, hij schijnt zich in vollen vrede te wanen en +niet te weten, dat geheel Europa gewapend tegenover hem staat. Hij +vraagt aan de vreemdelingen wie zij zijn. + +»Franschen!" antwoorden zij hem. + +»Frànschen?!" vraagt de Officier. »Maar wat komt ge dan in Rùsland +doen?" + +Een der sappeurs zegt hem op barschen toon: + +»U beoorlogen! Wilna innemen! Polen bevrijden!" + +Zonder eenig antwoord te geven wendt de kozakkenofficier zijn paard en +rent met de zijnen het bosch in, waarop drie sappeurs, in overdreven +ijver, hun geweren lossen. + +Zoo werd het zwak gerucht van drie schoten, welke onbeantwoord bleven, +het sein, dat er een nieuwe veldtocht geopend en een groote vijandelijke +inval begonnen was. + +Een compagnie soldaten kreeg terstond bevel de rivier over te varen, om +de plaatsing der bruggen te beschermen. + +Weldra kwamen al de Fransche colonnes uit de bosschen en van achter +de heuvelen te voorschijn. Zij trokken, begunstigd door een dichte +duisternis, stilzwijgend tot bij de rivier. Geen wachtvuren mochten +ontstoken, geen vonken zelfs gezien worden. De groene en door een zwaren +dauw bevochte rogge strekte de menschen tot bed, de paarden tot voedsel. + +'t Was de eerste keer dat Jakob Stargardt, evenals zoo menig ander jong +soldaat, in de open lucht, en dat zonder bivakvuur, zou vernachten. + +Hij bleef aarzelend nog wat staan. + +»Leg je hoofd maar gerust op je ransel neer, kameraad!" zei Ros, »je +bent jong en sterk, het zal-je geen kwaad doen." + +Jakob deed het, en onderwijl was het hem aangenaam te bedenken, dat ten +minste zijn moeder in haar wagen een vrij wat beter nachtverblijf had. + +Maar och, wat zou zoo'n enkele slechte nacht, meende hij, als over +weinige uren de zon toch al weer opging. + +Zoodra de dag aanbrak, richtte hij zich op en tuurde de rivier over, +naar het Russische grondgebied. Hij zag niets dan somber-donkere wouden +en kaal, dor zand. Op een driehonderd schreden van de rivier ontdekte +hij de tent van den Keizer, die men in den nacht op den hoogsten heuvel +geplaatst had. Daaromheen zag hij alle heuvelhellingen en dalen bedekt +met menschen en paarden, die plotseling in beweging kwamen nu de +reveille klonk. + +Moeder Jane stond met tal van anderen--kooplieden, marketentsters en +zoetelaars,--alle tot den nasleep van het leger behoorend, op een +heuveltop naar de eerste bewegingen van de groote armée te kijken. + +Zij zag een luisterrijken stoet van maarschalken en generaals Napoleons +tent omstuwen... Daar trad de Keizer zelf naar buiten... Hij groette en +besteeg zijn Arabischen schimmel... + +Dan weerklonk het sein... Opeens was het of de gansche landstreek woelde +en golfde... En boven die bewegende donkere massa's flikkerden en +wemelden de wapens in de gloeiende morgenzon als flitsende stralen en +spattende zilvervonken... + +Arm Rusland! dacht moeder Jane bij den aanblik van die ontzettende +strijdkrachten.--In drie breede stroomen zag zij den zwarten vloed +over de gele zandvlakte naar de drie bruggen voortrollen... Zij zag ze +kronkelend naar den oever afdalen, de bruggen naderen, zich uitstrekken +en inéénkrimpen om die over te gaan en eindelijk den vreemden grond +bereiken, dien zij gingen verwoesten en verderven. + +Napoleon haastte zich, om den voet op vijandelijken bodem te zetten. +Zonder aarzelen deed hij dien eersten stap tot zijn verderf. In het +begin hield hij zich dicht bij de bruggen op, de soldaten met zijn +tegenwoordigheid aanmoedigend, die hem, als steeds, begroetten met hun: +»Leve de Keizer!" + +Eindelijk werd hij ongeduldig en rende het bosch in, maar schoon hij er +meer dan een mijl ver in dóórdrong--tot zijn verwondering zag hij geen +vijand. + +Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort; met een zekere +beklemdheid spraken de soldaten over het zonderlinge feit, dat hun die +voortgang in 't minst niet door den vijand betwist werd. + +»Daar hoor ik in de verte toch kanonschoten," zei Jakob tegen Ros, die +naast hem reed. + +De oude krijgsman luisterde... + +Opnieuw klonk een dof gedreun... + +Ros schudde het hoofd: »Dat zijn geen kanonnen," zei hij, »maar een +opkomend onweer." + +Inderdaad werd de lucht met ieder oogenblik duisterder. Donder en +bliksem volgden weldra elkander rusteloos op, tot ontsteltenis van vele +soldaten, die van »een slecht voorteeken" begonnen te mompelen. + +Het duurde niet lang, of de zwaarbetrokken lucht ontlastte zich in +een geweldigen plasregen. Wegen en velden werden overstroomd en de +ondraaglijke hitte werd eensklaps vervangen door een onaangename koude. +De Keizer zocht een schuilplaats in een naburig klooster. Maar de arme +soldaten waren zonder eenige beschutting aan het vreeselijke weer +blootgesteld. Tienduizend paarden en vele menschen kwamen bij de daarop +volgende marschen om, tal van voertuigen bleven in het zand zitten. +Trouwens, door zijn vervaarlijke menigte reeds, was het Groote Leger +verderfelijk voor zichzelf. Verscheidene behoeften vonden geen +bevrediging. Al bij het bezetten der eerste stad, Kowno, heerschte +gebrek aan levensbenoodigdheden en toen Napoleon de veste binnentrok, +vond hij er de grootste wanorde. + +Dit gebrek en die wanorde vermeerderden, naarmate de Keizer dieper +doordrong. Hij ondervond, dat het Russische volk, wild en woest als +Rusland zelf, den oorlog beschouwde als een heilige zaak, waarvoor het +alles moest opofferen om zijn tegenpartij te verdelgen. Overal ontmoette +hij asch en puinhoopen, in plaats van kwartieren om uit te rusten; +overal honger en ziekten, in plaats van den buit en den roem, dien hij +verdeelen wilde. + +Zich alleen tot verdediging hunner strijdkrachten beperkend, trokken de +Russische veldheeren Barclay de Tolly en Bagration van de eene stelling +naar de andere. Nergens vonden de Franschen levensmiddelen! allen +voorraad had de vijand zorgvuldig vernield, onderwijl hij aanhoudend +achterwaarts trok. + +Daar was voor het Fransche leger iets onheilspellends in, dat ze in het +vijandelijke land nergens een vijand vonden. Napoleon had gehoopt, dat +de Russen hem ten minste Wilna zouden betwist hebben; maar hij vond de +stad open en onverdedigd. + +In Pruisen had de Keizer zijn leger slechts voor twintig dagen +levensmiddelen doen meenemen. Dat was genoeg om Wilna met één veldslag +te winnen; maar Wilna behóefde niet veroverd te worden. En--voorwaarts +ging het weer, met snelle marschen den vijand achterna, zoodat de +onafzienbare toevoer van levensmiddelen onmogelijk kon volgen. +Uitgehongerd kwamen de soldaten aan kasteelen en woningen, waar ze geen +voedsel vonden en die ze uit wraak verwoestten en uitplunderden. Ja er +waren er reeds, die door zelfmoord een eind aan hun leven maakten. En +toch moest het leger maar immer voort... + +Als wilden de Russen Napoleon's verlangen om tot een beslissenden strijd +te komen prikkelen, hem dieper naar het hart van Moskovië lokken, +streelden ze hem soms met de hoop op een veldslag, doch wanneer Napoleon +den volgenden morgen den vijand zocht, was hij in de duisternis van den +nacht weer verder getrokken. + +Niet dan te Smolensk hielden de Russen stand, waar zij de versterkte +stad bezetten. Den 17den Augustus werd zij krachtig door de Franschen +aangegrepen. Hevige aanvallen volgden en werden besloten met een +vernielend bombardement, hetwelk tot in den nacht aanhield. + +Napoleon zat voor zijn tent. + +Plots zag hij op verscheidene punten dikke en zwarte rookwolken +opstijgen... Zij werden, bij tusschenpoozen, door flauwe schijnsels en +daarna door vonken verlicht... Eindelijk stegen er hooge vuurkolommen +van alle kanten op... Het was als een menigte van verschillende groote +branden... De Keizer zag dit afgrijzelijk schouwspel met somber +stilzwijgen aan... Dat kon onmogelijk de uitwerking der granaten zijn... +Langzamerhand vereenigden zich die onderscheidene branden tot één groote +vlam, die zich kronkelend ten hemel hief en heel Smolensk als in zich +opnam: Er was geen twijfel meer aan of de Russen zelf hadden Smolensk, +de Heilige stad, in brand gestoken. + +Omstreeks drie uur in den morgen sloop een onderofficier van Davoust tot +aan den muur en waagde het, dien voorzichtig te beklimmen. Aangemoedigd +door de stilte die er rondom hem heerschte, drong hij dieper de stad in. +Zij bleek ledig en door de Russen verlaten. + +Nadat de Keizer hiervan kennis gekregen had rukte het leger op zijn +gewone wijze de poorten binnen: met krijgsmuziek en oorlogspraal trok +het over de rookende en bloedige ruïnen voort; zegevierende over die +verlaten puinhoopen en slechts zichzelf tot getuige hebbend van zijn +roem. Schouwspel zonder aanschouwers, overwinning bijna zonder winst, +bloedige roem, waarvan de rook die het Fransche leger omringde, het +treffendste zinnebeeld was. + +Weer bleek dus de beslissende veldslag, dien Napoleon zoo vurig +begeerde, hem als een schaduw ontglipt. + +Barclay, die in den nacht den weg naar Moscou was ingeslagen, werd +echter door maarschalk Ney achterhaald. De Russen begrepen, wilden zij +een veiligen aftocht hebben, dat hun achterhoede diende stand te houden, +daar anders de Franschen hun den pas zouden afsnijden. + +Bij Walutina had daarop een treffen plaats. Napoleon hield het er +voor, dat het niet meer dan een schermutseling worden zou. Hij zond +den maarschalk dus enkel generaal Gudin ter hulp, terwijl hij zelf +binnen Smolensk bleef. Maar de schermutseling werd een kleine veldslag. +Achtereenvolgens werden er van weerskanten dertig duizend man in +betrokken. Vreeselijk was de verwoedheid, waarmee men aan beide zijden +vocht en waaraan zelfs de invallende duisternis geen eind maakte. +Eindelijk meester van de bergvlakte en uitgeput van bloedverlies, +gaf Ney, die zich door dooden en stervenden omringd zag, bevel om met +schieten op te houden. De Russen maakten van de duisternis van den nacht +gebruik, om hun aftocht te bewerkstelligen. Zij oogstten evenveel roem +met dien aftocht in, als de Franschen met hun zegepraal: want geen +enkelen gewonde, geen enkel stuk geschut lieten zij achter. + +Gudin werd zwaar gekwetst binnen Smolensk gebracht, waar hij, ondanks de +zorgen des Keizers, weldra aan zijn wonden stierf. De overwinning bij +Walutina was duur gekocht. + +Den volgenden dag verscheen Napoleon zelf op het slagveld. Hij vond +er de soldaten van Ney en die van de afdeeling Gudin, geschaard bij de +lijken hunner makkers en die der Russen, omringd door half afgebroken +boomen, op een door de strijders platgetreden en door kanonkogels +geploegden grond, overdekt met overblijfsels van wapens, verscheurde +kleederen, militaire gereedschappen, omvergeworpen wagens en verspreide +ledematen. Want dit zijn de zegeteekenen van den oorlog! dit is de +schoonheid van het veld der overwinning! + +De bataljons van Gudin schenen niet veel meer dan pelotons te zijn; zij +toonden zich echter te hoogmoediger naar zij te meer verminderd waren; +bij hen ademde men de lucht nog in der afgeschoten patronen en van het +kruit, waarvan de grond doordrenkt, waarvan hun kleeren doortrokken en +hun gezichten nog geheel zwart waren. De keizer kon hun gelederen niet +langs gaan, zonder lijken te vermijden, of over te stappen; door de +hevigheid van den schok bij den aanval, waren verscheidene bajonetten +gekromd. + +Maar al deze afgrijselijkheden bedekte hij met roem. Zijn erkentenis +herschiep dit veld des doods in een veld van zegepraal, waar, gedurende +eenige uren, slechts aan roem en voldane eerzucht werd gedacht. + +Hij gevoelde, dat het tijd was om zijn soldaten met zijn woorden +en belooningen op te monteren. Nooit waren dan ook zijn blikken +vriendelijker geweest; in zijn toespraak noemde hij dit gevecht het +schoonste wapenfeit uit Frankrijks militaire geschiedenis; de soldaten, +die hem aanhoorden, waren mannen, met wie men de wereld kon veroveren; +de gesneuvelden heetten oorlogshelden, die een onsterfelijken dood +gestorven waren. Aldus sprak hij, wel wetend dat, in het midden van die +verwoesting, woorden over onsterfelijkheid indruk zouden maken. + +Glansrijk waren de belooningen, welke hij daarop uitdeelde. +Zeven-en-tachtig bevorderingen en eereteekenen ontvingen de troepen van +Gudin; het 127ste regiment dat nog geen standaard had, omdat men zijn +vaandels op het slagveld moest verdienen, kreeg er een; eigenhandig +reikte de Keizer het over. Ook het corps van Ney werd bedacht. + +Jakob Stargardt, wiens regiment tot dit legercorps behoorde en die te +Wilna reeds korporaal geworden was, ontving den graad van wachtmeester. +Thans stond hij met Reinier Vermaat dus gelijk in rang; thans zou zijn +beleediger, wanneer hij dezen nog eens ontmoeten mocht, het recht niet +langer hebben hem zijn eisch te ontzeggen. + +Maar op 't oogenblik dacht Jakob Stargardt daar slechts vluchtig aan: +Ondanks zichzelf was de jonge Hollander door de eerzucht-prikkelende +toespraak des Keizers, diens erkentelijkheid jegens zijn dapperen, den +vorm vooral waarin zij werd geopenbaard, geheel onder de betoovering van +Napoleons machtige persoonlijkheid gekomen. + +De Keizer toch wist aan zijn belooningen, op zichzelf reeds groot, nog +een hoogere waarde te geven, door de wijze waarop hij ze verleende: +Hij liet zich achtereenvolgens van ieder regiment omringen als van een +familie. Dan sprak hij met luider stem de officieren, onderofficieren +en soldaten aan, hun naar de dappersten uit al die dapperen vragend om +die terstond te kunnen beloonen. De officieren wezen aan, de soldaten +bevestigden, de Keizer keurde goed: aldus werden de verkiezingen +oogenblikkelijk gedaan en met toejuichingen door de troepen bevestigd. + +Deze vaderlijke manieren, ze verrukten Jakob. Bovendien, nooit leverde +een veld van overwinning een schouwspel op, dat meer geschikt was om +in geestdrift te brengen: het geschenk van dien zoo wèl verdienden +standaard, de praal van die bevorderingen, de vreugdekreten, de roem +van die oorlogshelden, welke op de plaats zelf, waar hij behaald was, +werd beloond, dat alles te zamen bracht Jakob Stargardt in een wondere +geestvervoering. + +Maar die bedwelming hield spoedig op, toen de troepen van Ney weer +naar Smolensk terug keerden. De weg toch werd hun bemoeilijkt door +de tallooze overblijfselen van het gevecht; telkens ondervonden zij +vertraging door de lange reeksen van gewonden, die zich voortsleepten of +stadwaarts werden gedragen; en in Smolensk zelf ontmoetten zij karren +vol afgezette ledenmaten, welke men ergens buiten de stad ging +wegwerpen. + +Al die afgrijselijkheden van den oorlog ontnuchterden, bedroefden, ja +verbitterden hem. Smolensk was slechts een reusachtig hospitaal en het +hevig gekreun dat er uit opsteeg was sterker dan de jubelkreten om den +behaalden roem, die in de velden van Walutina waren opgegaan. + +Door zijn moeder, die een half verwoest huis tot cantine had ingericht, +werd hij met ontstuimige blijdschap ontvangen. Zij had reeds gehoord, +dat er den vorigen dag bloedig gevochten was en ieder oogenblik +gevreesd, het bericht van zijn dood te vernemen. + +'t Was er druk, in de cantine van moeder Jane, maar de kortstondige +opwinding over de zegepraal bij Walutina was reeds voorbij en schier +over niets werd gesproken dan over de ellende van het leger. + +»Mijn compliment, moeder Jane," zei de oude Ros: »dat is andere +brandewijn dan het bocht, dat ze hier te lande stoken." + +»Geen wonder," zei een grenadier, »ze stoken het uit graan, met +verdoovende planten vermengd. 'k Heb jonge soldaten gezien, totaal òp +van honger en vermoeienis, die dachten dat dit goedje hen weer wat zou +opmonteren. Maar wat wàs het? Krek de laatste fut ging er nog uit en +slap, als verlamd, vielen zij neer." + +»Dat waren dan misschien nog de matigsten,--of de zwaksten!"--zei Ros. +»Ik heb er ten minste gezien wie dat ontuig nog vrij wat slechter +bekwam. Ze kregen oogenblikkelijk duizelingen, of raakten zóó verdoofd, +dat ze niet meer stáán konden zelfs! In greppels en aan den wegkant +gingen zij zitten, totaal versuft... En dan zàg je als 't ware de dood +over ze komen... zoo in ééns maar, zonder gekreun, zonder een zucht.... +ffúút!!.... 't was gebeurd!..." + +Toen kwam het gesprek op het groot aantal gekwetsten. + +»Eén ding helpt," zei de grenadier: »er is hier ten minste geen gebrek +aan hospitalen, zooals in Wilna." + +»Neen," bevestigde moeder Jane, »vijftien steenen gebouwen, die niet +verbrand waren, hebben ze daarvoor ingericht; zelfs Fransche brandewijn, +wijn en geneesmiddelen zijn er gevonden..." + +»Nu ja, dat mag zoo wezen," meende een lansier, »maar toch is er van +niets genoeg! Zóóveel geblesseerden, daar is dan ook geen helpen aan! De +wondheelers werken dag en nacht door, maar verbeeld je, met den tweeden +nacht al was er niets meer over om de gekwetsten te verbinden! In plaats +van linnen gebruikten ze toen maar de perkamenten uit de archieven tot +spalken en verbanden; en als pluksel namen zij uitgeplozen touw." + +»En dan moet je nog weten," zei een korporaal die juist binnen gekomen +was, »dat ze een geheel hospitaal drie dagen lang vergeten hadden! +Toevallig heb ik het van morgen ontdekt, doordat ik van 't eene +hospitaal in het andere naar een vermisten vriend liep te zoeken. +Eindelijk vond ik hem dáár, half uitgehongerd, te midden van stervenden +en dooden, in een afschuwelijken stank. Aan maarschalk Rapp, dien ik +toevallig tegenkwam, heb ik dadelijk mijn ontdekking verteld en toen is +er onmiddellijk verpleging gekomen. De Keizer stuurde zelfs zijn eigen +wijn, om onder die ongelukkige stakkers uit te deelen, voor zoover ze +ten minste nog niet bezweken waren." + +»'t Is de ellendigste oorlog dien ik ooit meegemaakt heb," zuchtte Ros: +»Lijken en gewonden bij duizenden en toch geen enkele groote veldslag!" + +»Neen," gromde een andere oudgediende, »we hebben nog niets veroverd dan +verbrande en leeggeplunderde steden en dorpen. Van buit is geen sprake! +We bezitten op 't oogenblik niets dan wat we zelf hebben meegebracht!" + +»Maar als we dan tòch alles uit Frankrijk naar Rusland moesten sleepen," +zei de grenadier, »waarom ons dan maar niet liever in Frankrijk +gelaten?" + +»Acht honderd mijlen hebben ze ons nu al af laten leggen," verklaarde de +korporaal; »en dat waarvóór? Om ten leste niets anders te vinden dan +modderig water, hongersnood en bivakken op asch en puin!" + +In dien geest werd niet enkel in de cantine van moeder Jane, maar schier +overal onder de soldaten geprutteld. + +Doch ook verscheidene generaals waren reeds ontevreden. + +»Wat geeft het," morden zij, »dat de Keizer ons rijk gemaakt heeft, als +we er tòch geen genot van kunnen hebben; dat hij ons uitgehuwd heeft, +als we verwijderd van onze vrouwen moeten leven; dat hij ons paleizen +heeft geschonken, als we toch ver van ons land, op den blooten grond +moeten huizen en vernachten? Welhaast zal Europa niet meer voldoende +zijn voor zijn heerschzucht en zal hij ons naar Azië laten trekken!" + +Napoleon zelf was al evenmin goed gestemd. + +Op het slagveld scheen de vervoering zijner soldaten hem te hebben +meegesleept. Doch van Walutina weer naar Smolensk terugkeerend onder een +steeds drukkender hitte, terwijl zijn rijtuig door het schrikwekkend +aantal gewonden slechts langzaam voort kon gaan, was spoedig de +ontgoocheling gevolgd. Toen hem daarop weldra bleek, dat het Russische +volk, door zijn overheden en priesters misleid, den brand van Smolensk +aan hèm toeschreef en overal met het wijkende leger meevluchtte, begon +de Keizer te weifelen in zijn besluit, om den veldtocht voort te zetten. + +Doch de hoop, door de verovering van Moscou Keizer Alexander tot den +vrede te dwingen, dreef Napoleon, na een verblijf van zeven dagen, ook +weer uit Smolensk, verder en verder, zijn verderf te gemoet. + +Moeilijk bleek de weg, geweldig de hitte, zeer onvoldoende de verpleging +in die zoo goed als waterlooze, onafzienbare vlakten, welke het Fransche +leger thans door moest. Ontzettend was dan ook de ellende, geleden door +mensch en dier. En dan de steden die werden gepasseerd! Ze bleken alle +grootendeels door de inwoners verlaten, half verbrand en in puinhoopen +veranderd. + +Toch werd de marsch onafgebroken voortgezet, en tegen den 5den September +naderde de dagelijks zwakker wordende hoofdmacht het dorp Borodino, aan +den grooten weg naar Moscou. + +Alles wees er op, dat het hier eindelijk tot een grooten slag zou komen. + +Bij het Russische volk had de oorlog, zooals Alexander's veldheeren +dien voerden, een algemeene ontevredenheid verwekt. Het welberekend +terugtrekken kwam de menigte voor als een smadelijke, doemwaardige +vlucht, inzonderheid omdat daardoor de heilige stad Moscou van dag tot +dag grooter gevaar liep, den vijand in handen te vallen. Om het volk tot +nog grootere opofferingen bereid te maken, snelde Keizer Alexander zelf +naar de Czarenstad en sprak van het Kremlin zijn verzamelde onderdanen +toe, die, door zijn treffende woorden ontvlamd, de duurste eeden +zwoeren, dat zij alles geven, alles verlaten, alles ten offer brengen +zouden om »den tiran der volken en van den godsdienst" te vernietigen. +Tegelijkertijd werd de oude veldmaarschalk en lieveling des volks, +de sluwe en vaderlandslievende Kutusof met het legercommando belast, +daar Barclay de Tolly het algemeen vertrouwen had verloren. Kutusof +gehoorzaamde de stem der natie en van zijn Keizer en besloot, ten einde +Moscou te behouden, een veldslag te wagen. Bij Borodino zouden alzoo de +Russen, met den moed der vertwijfelde vaderlandsliefde, den toegang tot +hun hoofdstad verdedigen. Langs de steile hellingen van het riviertje +dat zich door het landschap kronkelde, tegen de heuvelranden, tusschen +de boomgroepen en in de vlakte, overal wierpen zij hun verschansingen op +en maakten zich tot verdediging tegen den aanval der Fransche armee +gereed. + +De veldslag die hier den 7den September plaats had, was dan ook een der +bloedigste in de gansche wereldgeschiedenis. + + + + +Negende Hoofdstuk. + +Afgunst en wrok. + + +Napoleon had de overwinning behaald. Maar welk een overwinning! Te duur +gekocht, om zoo onvolledig te zijn. In de naaste omgeving des Keizers +betreurde ieder den dood van een vriend, een bloedverwant, een broeder: +want de aanzienlijksten waren gevallen. Drie-en-veertig generaals waren +gesneuveld of gekwetst. Meer dan zeventigduizend man van beide kanten, +dood of gewond, bedekten het slagveld. Op de veroverde schansen lagen +meer dooden dan er levenden stonden. Allen die de Keizer bij zich had +laten roepen, hoorden hem over de overwinning spreken--en zwegen. Maar +hun houding, hun naar den grond gerichte oogen, hun stilzwijgen waren +niet sprakeloos. + +De Russen bleken in den nacht te zijn afgetrokken. Kutusof was tot de +inzichten van Barclay overgegaan en had de verdediging van Moscou +opgegeven, overtuigd dat de oude Czarenstad het graf van het Fransche +leger worden zou en dat hij heel wat bloed zou gespaard hebben, wanneer +hij van den aanvang af Barclay's raad gevolgd had. + +Den volgenden morgen bezocht Napoleon het slagveld. Nooit wellicht was +er een, dat afgrijselijker gezicht opleverde. Alles liep te zamen: een +donkere lucht, een koude regen, een hevige wind, de omliggende woningen +in asch, een verwoeste vlakte bedekt met overblijfselen en puin, aan den +gezichteinder het sombere groen der denneboomen, overal soldaten die +tusschen de lijken dwaalden en eenig voedsel zochten, tot zelfs in de +ransels hunner gesneuvelde metgezellen; doodsche bivakken; geen gezang +meer, geen verhalen; een treurige stilzwijgendheid. + +Bij de monstering zijner troepen zag de Keizer het overschot der +officieren en onderofficieren en eenige soldaten rondom de standaarden, +nauwelijks genoeg om het vaandel te beschermen. Hun kleeren waren met +bloed bevlekt, verscheurd door de verwoedheid van den strijd en zwart +van den kruitdamp. Een enkele maal hoorde men het oude »Leve de +Keizer!"--; echter zeer zeldzaam en zonder gloed. + +In en bij de schansen lagen de dooden op hoopen! Men begon de gekwetsten +op te nemen en ze te vervoeren naar het groote klooster van Kolotskoï. +Er waren er twintig duizend. Men vond ze vooral in de diepten der droge +stroombeddingen, in welke de meeste der Franschen waren neergestort en +waar verscheidene zich naar toe gesleept hadden om meer beveiligd te +zijn voor den vijand en voor de stormvlagen. Sommigen spraken kermend +den naam van hun vaderland uit of van hun moeder; dit waren de jongsten. +De oudsten wachtten den dood met een gevoelloos of stuiptrekkend gelaat, +zonder te klagen of om hulp te roepen; anderen verzochten, dat men hen +oogenblikkelijk doodde; maar men ging die ongelukkigen haastig voorbij, +terwijl men noch het nuttelooze medelijden had hun bijstand te bieden, +noch het wreede mededoogen hen af te maken. + +De opperste heelmeester, dokter Larray, had uit alle regimenten +helpers betrokken. De veldhospitalen waren aangekomen, maar alles +was ontoereikend. Daarbij had hij hoegenaamd geen troepen om de +hoogstnoodzakelijke dingen uit de omliggende dorpen te gaan halen. + +Zóó verwoed was er aan beide zijden gevochten, dat men niet meer dan +achthonderd gevangenen had gemaakt. + +Het Hollandsche regiment huzaren waar Jakob Stargardt toe behoorde, +op een onverantwoordelijke wijze zonder ondersteuning aangevoerd +tegen de batterijen der Russische achterhoede en door drie regimenten +vijandelijke ruiterij omsingeld, was versmolten tot zes-en-veertig +weerbare manschappen. Een paar dagen later werd het weer wat aangevuld +door een gedeelte der versterkingstroepen van den linkervleugel, welke, +na den overtocht van den Niemen, tot de Duna was voortgedrongen. + +Jakob Stargardt had, bij deze reorganisatie, zijn aanstelling tot +ritmeester ontvangen. + +Na aan zijn escadron voorgesteld te zijn trad hij op den pas +gearriveerden wachtmeester toe, teneinde nader kennis te maken. + +Eensklaps deed hij een stap achteruit. Ook de ander deed een stap +achterwaarts. Het bleek Reinier Vermaat, die met een gezichtsuitdrukking +vol haat en afgunst tegenover hem stond.--Een oogenblik staarden beiden +elkander diep in de oogen; toen ging ritmeester Stargardt met een lichte +buiging voorbij. + +Nog dienzelfden morgen kwamen beiden opnieuw met elkander in aanraking. + +»Ik had niet gedacht, dat het noodlot ons zoo spoedig en op deze manier +bij elkaar zou brengen, mijnheer," begon de ritmeester. + +»De _surprise_ is stellig voor u aangenamer dan voor mij, ritmeester," +antwoordde Reinier stug. + +»U vergist u, mijnheer!--de _surprise_ is mij volstrèkt niet aangenaam: +de veete die tusschen ons bestaat, maakt _mijn_ positie onaangenamer dan +de uwe." + +De ander haalde de schouders op. + +»Luister! mijnheer Vermaat," zei Jakob Stargardt. »Wanneer u even aan +ons laatste onderhoud te Koningsbergen terug wilt denken dan zult u +weten, dat u mij bij die gelegenheid allergrievendst beleedigd heeft +en het nog erger maakte, door spottend mijn uitdaging van de hand te +wijzen. Ik zwoer toen, nietwaar?--mij te zullen wreken en het was mijn +vaste voornemen, eenmaal met u gelijk te worden en dan een bloedige +voldoening van u te eischen. Ik heb mijn doel al voorbij gestreefd: het +lot heeft mij op een zonderlinge manier begunstigd. De rollen zijn nu +omgekeerd,--maar de enkele maanden van dezen rampzaligen veldtocht, al +de jammer en ellende die ik van Wilna tot Borodino om mij heen heb +gezien, hebben mij tot andere en betere gedachten gebracht.----De +haat en de wraakzucht zijn verdwenen. Wel zwoer ik mij te zullen +wreken,--maar het _schènden_ van zoo'n eed is, geloof ik, beter en +christelijker dan dien nà te komen. Daarom, laat ons trachten het +gebeurde te vergeten,--laat ons weer vrienden zijn." + +De ritmeester maakte een beweging om den ander de hand te reiken, maar +deze verried niet de minste gezindheid om dat verzoeningsblijk te +beantwoorden. Hij bleef met strakken blik zijn chef aanstaren en trok +zoo mogelijk zijn stuursch gelaat in nog stuurscher plooi. + +»Het schijnt," zei de ritmeester, terwijl zijn gezicht opeens vuurrood +werd,--»het schijnt dat _ik_ de beleediger was en dat _u_ het recht hebt +voldoening te eischen." + +»Ritmeester, u heeft me indertijd bedreigd, en dien blaam mag ik niet +op mij laten rusten. Wat zouden mijn kameraden van mij denken als zij +morgen hoorden, wat er vroeger tusschen ons is voorgevallen,--wat u toen +tegen mij gezegd hebt--en hoe wij nu die zaak bijgelegd hebben? Neen, ik +ben u voldoening verschuldigd, dus zal ik u die geven..." + +»Genoeg, mijnheer,--ik begrijp u volkomen. Ik zal u daarom een pijnlijke +bekentenis sparen en u ronduit zeggen wat er in u omgaat: 't Is enkel +_wangunst_ dat u zoo kunt spreken! _Ik_, uw vroegere ondergeschikte, ben +thans uw ritmeester, en dàt, nietwaar mijnheer, dat stéékt u! _U_ had +ritmeester moeten zijn, of hóóger liefst! Het spijt me voor u--maar, het +_is_ nu eenmaal niet anders." + +»Niet onmogelijk, dat u de waarheid spreekt," antwoordde Vermaat,--»de +Keizer schijnt nu eenmaal meer op te hebben met zoons van marketentsters +en zoetelaars dan met jonge mannen uit den koopmansstand..." + +»Foei, mijnheer Vermaat," zei Jakob Stargardt, »schaam u! Ik dacht dat +een braaf en fatsoenlijk Amsterdammer zich nooit zóó ver door wangunst +kon laten meesleepen! Maar omdat het dienen onder den _zoon van een +marketentster_, in wien u tevens uw vijand ziet, u stellig bijzonder +zwaar moet vallen, raad ik u ernstig aan, om overplaatsing naar een +ander escadron te vragen;--ik zal uw verzoek ondersteunen." + +»Men zou kunnen denken dat ik u vrees," antwoordde de onhandelbare +Reinier,--»dáárom wilde ik liever blijven,--hoewel ik om de eer blijf +solliciteeren, die u mij hebt toegezegd toen ik nog uw wachtmeester +was:--U herinnert u?..." + +»Zeer goed!" zei de ritmeester koel.--»Maar die eer kan ik u op 't +oogenblik niet bewijzen. We staan tegenwoordig aanhoudend tegenover +den vijand: wij kunnen er nu niet aan denken, personeele veeten te +vereffenen. Na den veldtocht ben ik tot uw dienst." + +»Dus zal ik eerst nog de eer genieten, gedurende de campagne door u +gekommandeerd te worden? Dat zal een voordeelige campagne voor mij +zijn!" + +»Ei zoo, mijnheer!--Gelooft u, dat ik mij wreken zou door u onrecht te +doen?" + +»Zoo'n gemakkelijke gelegenheid om u te wreken zou u voorbij laten +gaan?" zei Reinier met een medelijdend lachje. + +»Naar welken maatstaf beoordeelt u zoons van marketentsters, mijnheer +Vermaat?" vroeg de ritmeester, hem strak in de oogen ziend. »Niet naar u +zelf, is 't wel? Want de familie Vermaat bleek mij altoos veel te nobel +om lafhartig wraak te kunnen uitoefenen." + +Reinier beet zich op de lippen. Hij wist niets te antwoorden en maakte +zich gereed om heen te gaan. + +»Ik twijfel niet, mijnheer," zei de ritmeester ten slotte,--»of u zult +u in den dienst niet over mij te beklagen hebben. En evenzeer staat het +bij mij buiten twijfel, of _ik_ zal ten opzichte van _u_ even tevreden +zijn." + +Hij boog, en Reinier vertrok. + +Niet lang daarna kreeg de koning van Napels, Napoleons zwager, Murat, +eindelijk verlof om met de cavalerie den terugtrekkenden vijand na te +zetten. + +Tot bij Mohaisk werd de Russische achterhoede vervolgd. Toen Murat +Mohaisk zag, waande hij zich er meester van en zond zijn adjudant +naar den Keizer, om hem te zeggen, dat hij er kon overnachten. Maar +de Russische achterhoede had stand genomen voor de muren van die stad, +waarachter men het geheele overschot van het vijandelijke leger op +een hoogte bespeurde. Een schermutseling kostte den Franschen weer +eenig volk; ook een hunner generaals werd gekwetst. Men durfde, om de +nabijheid van het Russische leger, niet verder te gaan en Murat was +genoodzaakt, vóór de stad te overnachten. + +Hij had zijn volk kunnen sparen, want den volgenden morgen vond hij +de poorten open en de Russische achterhoede, die de stad verlaten had, +op de hoogten. Hij trok Mohaisk binnen, maar vond er inwoners noch +levensmiddelen; wèl dooden, die men uit de vensters wierp, om er zelf +te kunnen verblijven, en gekwetsten, die men op één plaats bij elkander +bracht. Terwille van die gekwetsten hadden de Russen de houten stad niet +durven verbranden, maar nauwelijks trokken de Franschen binnen, of ze +werden door den vijand met eenige granaten ontvangen, die een gedeelte +der huizen, met de ongelukkigen die er in waren achter gelaten, +vernielden. + +Reeds den anderen morgen werd de vervolging van den vijand weer +voortgezet en te Krimkoïé viel Murat verwoed op het leger van Kutusof +aan, waarbij hij echter, geheel noodeloos, twee duizend man verloor. + +Ook bij Zelkowo had het maar weinig gescheeld of het Fransche leger +zou opnieuw een gevoelig verlies geleden hebben. Hier echter redde +het elfde regiment huzaren, door zijn moedig stand houden onder het +moorddadig vuur des vijands, de brigade waartoe het behoorde, toen deze +plotseling volkomen door het Russische leger omsingeld bleek geraakt. + +'t Was op een der volgende dagen, even na zonsondergang, dat een groepje +van vier personen zich gezellig bij elkander had gevoegd onder een afdak +van stroo, opgezet in de luwte van enkele zware boomen. Een hunner +haalde van onder een strooleger een kleine mand te voorschijn, waarvan +hij den inhoud op den grond uitstalde. + +»Te deksel!"--zei een oude wachtmeester met het eerelegioen,--»zouden +we den Keizer niet te dineeren vragen!--'t Is een waar feestmaal, dat +Vermaat voor ons aanricht. Hoe ter wereld kom je aan al die heerlijke +zaken: ham, brood, worst?--En die flesschen zien er zoo eerwaardig uit +als hadden ze hun honderdsten verjaardag gevierd... Zeg Vermaat, wie is +je leverancier?" + +»Dat is de bewaarder van het halfverwoeste kasteel daarginds;--maar de +goeie man is mijn leverancier geweest tegen wil en dank, natuurlijk. +Maar oneindig veel meer heeft hij aan den Keizer moeten afstaan." + +»Dan behoeven we Zijne Majesteit niet te inviteeren," zei een jonge +korporaal,--»maar we konden toch wel iemand anders +noodigen--bijvoorbeeld den ritmeester." + +»Ja, dat moesten we doen!" riepen de anderen, behalve Vermaat. + +»Wat zegt de gastheer ervan?" vroeg de oude wachtmeester. + +»Ik ben er tegen," antwoordde Vermaat. + +»Je bent de eenige van het geheele escadron, die niet met onzen chef is +ingenomen,--wat heb je toch tegen hem?" vroeg een fourier, de vierde van +het clubje. + +»Vraag dat maar eens aan de anderen;--ik heb het hun verteld," +antwoordde Vermaat, terwijl hij een flesch open trok. + +»Och, oude nesterijen!" zei de grijze wachtmeester schouder-ophalend. +»Maar de ritmeester handelt verstandiger dan jij, Vermaat;--hij toont, +dat hij 't geen vroeger tusschen jullie is voorgevallen, vergeten en +vergeven heeft." + +»Wie zègt je, dat hij vergeten heeft?" vroeg Reinier. + +»Hij is toch immers altijd even beleefd tegen je." + +»Dat bewijst niemendal! Ik heb de overtuiging, dat die beleefdheid maar +een masker is. 'k Wou de rapporten wel eens zien, die hij over mij +uitbrengt." + +»Hij kan niet anders dan goeds van je zeggen." + +»Weet jij, wat een ander achter je rug van je zegt?" vroeg Reinier +eenigszins bits. + +»De ritmeester is de man niet om u iets na te geven, dat hij u niet +in 't gezicht durft zeggen," bracht de jonge korporaal, die bij +ondervinding sprak, in het midden. + +»Nieuwe bezems vegen schoon," zei Reinier met een medelijdend +schouder-ophalen.--»Wij zullen zien, mijneheeren." + +Reinier wilde juist zijn glas aan de lippen brengen, toen Ros, die +Stargardts oppasser geworden was, aankwam en zich, salueerend, tot den +gastheer richtte met de boodschap: + +»Commandant, de ritmeester wou u graag even spreken." + +»Verduiveld!..." riep Reinier, niet in staat een opwelling van drift +te bedwingen.--»'t Is goed!" zei hij tegen den huzaar, die daarop +rechtsom-keert maakte en aftrok. + +»Mijneheeren,--gaat uw gang!--Ringsma,"--dit gold den korporaal, »wil +jij de _honneurs_ voor mij waarnemen? Ik kom zoo spoedig mogelijk +terug." + +Na verloop van een klein half uur kwam Reinier weer bij het drietal en +ging, zonder een woord te spreken, zijn plaats weer innemen. + +»Te deksel--wat zie ik?" riep eensklaps de oude wachtmeester. + +De anderen keken op en deden gelijktijdig een uitroep van verrassing. + +Vermaat zat ernstig en bleek voor zich te staren: op zijn borst prijkte +het vijf-armig kruis van het eere-legioen. + +Allen reikten den nieuwen legionaris de hand, om hem geluk te wenschen; +maar Reinier Vermaat bleef ernstig, zelfs somber, voor zich zitten +staren. + +»Het schijnt, amice, dat je niet bijzonder opgewonden bent," sprak de +fourier, wiens grootste illusie het was, gedecoreerd te worden. + +»Dat ik het aan hèm te danken heb--dat hindert me," zei Vermaat en +schonk zijn glas vol, dat hij vervolgens in één teug ledigde. + +»Je ziet nu, dat je den man ten onrechte verdacht hebt," sprak de oude +wachtmeester.--»Hij heeft op een ridderlijke manier jullie wederzijdsche +rekening vereffend." + +Reinier schonk zich opnieuw in, dronk wéér zijn glas in één teug leeg en +schoof toen de flesch verder. + +»De gezondheid van den nieuwen legionaris!" riep de wachtmeester, zijn +glas opheffend. + +Gedurende een half uur werd er nu niet veel anders gedaan dan gegeten en +gedronken; vervolgens werden de pijpen opgestoken, terwijl de flesch +bleef rondgaan. + +»En vertel ons nu eens, Vermaat, hoe de ritmeester je het kruis heeft +overhandigd;--heeft hij niets gesproken?" vroeg de fourier. + +»Dat wil ik jullie in een paar woorden wel even zeggen. Toen ik +binnenkwam wees hij me met een vrij stuursch gezicht een stoel en ging +tegenover mij zitten. »Mijnheer," zei hij,--»ik heb een aangename +tijding voor u." + +Ik boog; maar ik was al dadelijk hoogstverwonderd. + +»De Keizer heeft u benoemd tot ridder van het legioen van eer. Mag +ik u geluk wenschen en u meteen de insigniën der orde overhandigen. De +omstandigheden laten niet toe, dit op 't oogenblik met de gebruikelijke +ceremoniën te doen: u had de decoratie moeten ontvangen te gelijk met +de anderen, maar een verzuim aan het hoofdkwartier is de reden, dat het +achteraan komt." + +»Is het mij vergund u te vragen, aan wien ik die onderscheiding +verschuldigd ben?" zei ik. + +»Aan u zelf, mijnheer," was zijn antwoord. + +»Maar ù hebt me toch zeker voorgedragen, ritmeester." + +»Natuurlijk--wie anders?" + +»Maar ik dacht dat we vijanden waren?" + +»Ik weet ook niet beter, maar wat doet dit tot uw voordracht af?" + +»Zóóveel," antwoordde ik, »dat ik zeer verwonderd ben; ik had mij iets +heel anders voorgesteld." + +»U schijnt teleurgesteld," zei hij. + +»Ik ben thans uw schuldenaar,--en dat hindert me." + +»U vergist u,--u bent mijn schuldenaar volstrekt niet, ik ben in zeker +opzicht de uwe, daar u het mij zoo gemakkelijk gemaakt heeft u te +toonen, dat ik jegens u de billijkheid niet uit het oog zou verliezen."" + +»Nobele kerel!" riep de fourier enthousiast. + +»Maar, mijneheeren--wat moet ik nu doen?" riep Reinier, die tamelijk +veel had gedronken en op wien de wijn nimmer een vervroolijkenden +invloed uitoefende.--»Wat moet ik doen? Want ronduit gezegd,--nu voel ik +pas, dat ik den man, die mij in mijn eigen oogen vernederd heeft, meer +haat dan ik ooit gedaan heb." + +»Kom, kom!" zei de oude wachtmeester afkeurend. + +»Je weet niet wat het is," riep Vermaat driftig,--»op die manier te +worden getergd en geprikkeld; ik was veel liever met arrest +gestraft--dan had ik ten minste mij kunnen beklagen, terwijl hij mij nu +den mond gestopt heeft..." + +»St! St!" klonk het afkeurend van de anderen. + +»Wat!" riep de legionaris, zich al meer opwindend, »wat!--die +decoratie!--ze heeft voor mij geen waarde...!" + +Allen sprongen overeind, en tegelijk verscheen aan den ingang van de +hut--ritmeester Stargardt. + +Een poos stonden de vier krijgslieden zwijgend bij elkaar. De maan +scheen helder aan den met sterren bezaaiden hemel, zoodat zij elkanders +gelaatstrekken even duidelijk konden waarnemen als was het helder dag. +De ritmeester zag ernstig en nadenkend. Vermaat, zoo meteen nog rood +en opgezet, van drift niet minder dan van den wijn, was nu bleek en +er lag iets zorgelijks in zijn trekken. Had zijn vijand zijn uitroep +gehoord?--Dan was zijn loopbaan misschien voor altijd bedorven: de +Keizer vergaf zoo iets nooit. + +»Goeden avond, heeren!" groette de ritmeester. »Neem me niet kwalijk, +dat ik u een oogenblik stoor. Maar, wachtmeester Vermaat, zou ik u nog +éven mogen spreken?" + +Reinier volgde zijn chef, die zich enkele schreden buiten het afdak met +hem verwijderde. + +»U bent onvoorzichtig geweest," fluisterde hij toen zacht. »U spreekt +te hard, en er zijn daar geen muren waarbinnen het geluid blijft +opgesloten. U weet heel goed, dat uw ondoordachte woorden u groote +onaangenaamheden zouden kunnen bezorgen;--maar wij zijn vijanden--daarom +moet ik in dit geval doen, als had ik _niets_ gehoord." + +Hij groette en vervolgde zijn wandeling. + +»Dat is nu zeker, wat ze, geloof ik, een »edelmoedig vijand" gelieven te +noemen," mompelde Vermaat woedend. »Bah, wat een onverdrágelijk ras!" + + + + +Tiende Hoofdstuk. + +In de oude hoofdstad der Czaren. + + +Den 14den September was Napoleon met de voorhoede van zijn leger tot op +weinige mijlen het groote Moscou genaderd. + +Hij reed langzaam en met omzichtigheid voort. Alle bosschen en ravijnen +voor zich uit liet hij onderzoeken, de toppen van alle heuvels deed hij +bestijgen, of men het vijandelijke leger ook ontdekken mocht. Hij +verwachtte een veldslag: de grond was er geschikt voor; er bleken zelfs +verschansingen op afgeteekend, maar alles was blijven liggen en men +ondervond niet den geringsten tegenstand. + +Eindelijk kwam men aan de laatste hoogte. Het was de Berg der +Begroeting, aan Moscou grenzend en zoo genoemd, omdat de inwoners, van +zijn kruin hun heilige stad ziende, zich knielend nederbogen en een +kruis maakten. + +Spoedig waren de scherpschutters op den top en daar zagen zij Moscou +aan hun voeten; Moscou, de stad der gulden koepeldaken, onmetelijke +verzameling van tweehonderd vijf-en-negentig kerken en vijftien honderd +kasteelen, met hun tuinen en bijgebouwen, zonderling vermengd met houten +huizen en hutten zelfs, alles over een oneffen grond verspreid. Zij +vormden een groep rondom een hooge citadel van een halve mijl in omtrek, +die zelf weer verscheidene paleizen, verscheidene kerken en onbebouwde +tusschenruimten in zich besloot, met daar omheen een onmetelijke +bazaar, stad van kooplieden, waarin de vereenigde rijkdommen van vier +werelddeelen schitterden. Die gebouwen, die paleizen, ja die winkels, +waren alle met gepolijst en gekleurd ijzer bedekt en de kerken hadden +platte daken en onderscheidene torens, uitloopend in vergulde bollen, al +hetwelk aan de stad een Oostersch voorkomen gaf. + +Het was twee uur in den middag; de zonnestralen deden de oude Czarenstad +glanzen en schitteren van duizenden kleuren. + +»Moscou! Moscou!" jubelden de soldaten, en verrukt bleven zij staan, +want het was hun, of daar een Koningsstad uit een sprookje aan hun +voeten lag, of een der wonderen uit de »Duizend en één Nacht," die zij +in hun kindsheid gelezen hadden, plotseling voor hun verbaasde oogen tot +werkelijkheid was geworden. + +Toen verhaastte een ieder zijn marsch, ijlde in wanorde aan en juichend +herhaalde heel het leger: »Moscou! Moscou!" zooals voor eeuwen de +Kruisvaarders onder Godfried van Bouillon »Jeruzalem! Jeruzalem!" +hadden uitgeroepen. + +Ook Napoleon zelf was toegesneld, ook hem trof dat gezicht. + +»Ziedaar dan eindelijk die vermaarde stad!" riep hij verheugd. Maar +onmiddellijk liet hij er op volgen: »Het werd tijd!" + +Doch heerlijk mochten de vergulde koepeldaken in het zonlicht flonkeren, +verrukt mocht de Keizer dit panorama der uitgestrekte, half Oostersche +hoofdstad overzien, tevergeefs wachtte hij op het openen der poorten, op +de komst van afgevaardigden, die de bevolking, den senaat, den adel met +hun schatten aan zijn voeten zou voeren. + +Een zekere ongerustheid begint hem te kwellen. Reeds ziet hij, op zijn +linker- en rechtervleugel, prins Eugenius en Poniatowsky ongedeerd de +vijandelijke stad omtrekken. Murat bereikt reeds haar poorten en nòg +geen ambassade; slechts een Russisch luitenant, die hem op hoogen toon +dreigt, dat zijn generaal de stad in brand zal steken, wanneer men aan +de achterhoede den tijd niet laat, om haar te ontruimen. + +Napoleon staat alles toe. + +De voorhoede van het Fransche leger en de achterhoede van het leger +der Russen ontmoeten elkander zonder het lossen van ook maar een +enkel schot. Ondertusschen loopt de dag ten einde en Moscou blijft +somber, stilzwijgend en als levenloos; in de vlakte vóór de poort van +Dorogomilow vereenigt zich een groot gedeelte van het Fransche leger; +een bivakvuur wordt voor den Keizer aangelegd en men ziet hem wel twee +uur lang onrustig heen en weer loopen. Hij wacht nog steeds het +gezantschap dat hem de sleutels zal komen aanbieden. + +Eenige officieren zijn tot in het binnenste der stad door gedrongen. Zij +brengen den Keizer de boodschap: »Moscou is ledig!" + +Napoleon gelooft het niet, wordt zelfs boos bij dat bericht--en wacht. + +Daar brengt Murat dezelfde tijding, hem aansporend, de stad maar in te +trekken. + +Nòg kan hij het niet aannemen. »Ga er weer heen," beveelt hij, »en zorg +voor de strengste orde!" Hij hoopt nog.--»Misschien," zegt hij, »weten +de inwoners niet hoe zij zich moeten overgeven; want hier is alles +nieuw, zij voor ons, en wij voor hen." + +Maar weldra volgt het eene bericht het andere; en alle komen overeen. +Eenige Franschen, inwoners van Moscou, hebben het gewaagd uit de +schuilplaats te komen, die hen, sedert eenige dagen, voor de volkswoede +verborg. Zij bevestigen de noodlottige tijding. + +De Keizer laat Daru, den kwartiermeester-generaal bij zich komen en +zegt: »ze vertellen, dat Moscou ledig is! welk een onwaarschijnlijke +gebeurtenis! Ga er heen en breng mij de raadsheeren hier." + +Hij denkt dat die menschen, òf uit hoogmoed, of van schrik, in hun +woningen blijven. Het schijnt hem nu eenmaal onmogelijk dat men die +prachtige paleizen, die schitterende kerken, die rijke magazijnen zou +verlaten hebben, evenals die eenvoudige hutten, welke hij was +voorbijgetrokken. + +Ondertusschen is Daru's poging mislukt. Er vertoont zich hoegenaamd geen +Moscoviet; er verheft zich hoegenaamd geen rook uit eenig huis; men +hoort niet het minste gerucht uit die reusachtige en volkrijke stad +komen; haar driemaal honderdduizend inwoners schijnen als met verlamming +en stomheid geslagen; het is de stilte eener woestijn! + +Maar nog is Napoleon ongeloovig, nòg blijft hij wachten. + +Eindelijk begeeft zich een officier in de stad, laat vijf of zes +landloopers oppakken en drijft ze voor zijn paard uit, naar den Keizer, +als was dat een gezantschap. Bij het eerste antwoord reeds dat die +mannen hem geven bemerkt Napoleon, dat hij slechts ongelukkige +daglooners voor zich heeft. + +Nu kan hij wel niet langer aan de volslagen ontruiming van Moscou +twijfelen. Hij trekt de schouders op en zegt met die minachtende +beweging waarmee hij alles bejegent wat zijn wenschen tegenstaat: »O, de +Russen weten nog niet welk gevolg het innemen van hun hoofdstad voor +hen zal hebben!" + +Het was een treurige intocht dien Murat met zijn lange, ineengedrongene +colonne ruiterij in de groote stad deed. Het was, of zij in de stad der +dooden reden. Met huivering hoorden de krijgslieden alleen de stappen +hunner paarden tusschen die verlaten paleizen weergalmen. Somber en +zwijgend reden zij voort, als gingen zij over een met lijken bezaaid +slagveld of over een reusachtig kerkhof... + +Na aldus eenige uren de stad verkend te hebben gingen de troepen +voorloopig op de straten en pleinen bivakkeeren. + +Eerst in den nacht kwam Napoleon zelf Moscou binnen, waar hij een der +eerste huizen in de voorstad Dorogomilow betrok. Hier stelde hij +maarschalk Mortier tot bevelhebber der stad aan, met de bijvoeging: »Met +uw hoofd blijft ge mij borg, dat er niet geplunderd wordt! Verdedig +Moscou tegen allen!" + +Omstreeks twee uur in den morgen, vernam de Keizer eensklaps, dat er +brand was uitgebroken. De handelsbeurs, in het rijkste kwartier der +stad, stond in lichter laaie. Oogenblikkelijk gaf Napoleon zijn orders +tot blusschen en toen de dag aanbrak, begaf hij zelf zich er heen, +uitvarend tegen de jonge garde en Mortier, wijl hij meent, dat de brand +door onvoorzichtigheid der soldaten is veroorzaakt. Mortier toont hem +echter, dat de huizen nog altoos gesloten zijn en er geen enkel soldaat +binnen geweest is. + +De Keizer rijdt daarop naar het Kremlin, het oude paleis der Czaren. Een +gevoel van hoogmoed en trots bevangt hem, als hij dat eerwaardige gebouw +binnentreedt. + +»Eindelijk dan te Moscou," zegt hij. »Eindelijk dan toch in het +Kremlin!" + +Door Mortier's zorg was de brand in den loop van dien dag gebluscht +en nu werd de stad onder de verschillende legercorpsen ter bezetting +verdeeld. Aan de officieren van het elfde regiment huzaren was een +prachtig paleis toegewezen, dat zij nog dienzelfden dag betrokken. +Moeder Jane, die een der vertrekken tot gebruik bekomen had, zou voor +tafel en keuken zorgen. + +Blijkbaar hadden de bewoners in allerijl het huis verlaten; de zalen en +vertrekken zagen er uit, alsof ze gisteren nog bewoond waren. Kristallen +spiegels, rijk gesneden mahoniehouten meubelen, kostbare divans waarop +de vermoeide officieren zich behagelijk neervleiden, de breede marmeren +gangen en met zachte loopers belegde trappen, alles bewees dat de +aanzienlijke bewoners van het gebouw niet den tijd of de gelegenheid +hadden gehad, de meubelen te vervoeren of hun overige bezittingen mee te +nemen. + +Slechts levensmiddelen bleken schaarsch aanwezig, doch voorloopig werd +er toch een voldoende hoeveelheid gevonden, om een behoorlijken maaltijd +aan te richten. + +Toen de officieren van tafel gingen was het reeds avond geworden en de +marketentster stak een lamp op, om in de keuken nog het een en ander te +beredderen. + +Tot haar verbazing vond ze het haardvuur geheel uit elkander geworpen en +sterk verminderd; asch en stukken half verkoold vuur lagen tot midden op +den steenen vloer. Zóó had zij de keuken niet verlaten... + +Daar ziet ze een koperen tabaksdoos op de tafel liggen... Geen twijfel +meer, er moest hier iemand geweest zijn!... + +Een hevige ontroering bevangt haar, nu zij de doos opneemt. Want zij +herkent die aan het inschrift: + + »Voor Willem Stargardt, op zijn 18den verjaardag." + +»Hemel, hoe komt die doos hier, in het hartje van Rusland? Willem, als +hij nog leefde, moest nu immers in Engeland zijn?" + +»Stom voorwerp," prevelde zij, »kon je nu maar praten! Kon je nu maar +antwoord geven!" Zij keek en keek naar dat zwijgende, koperen ding, +draaide het in haar vingers rond, opende doelloos het deksel... + +Dáár zag zij een met potlood beschreven briefje liggen! Willems naam +stond er onder! En zenuwachtig doorvloog zij den inhoud. + + »Lieve moeder," las ze, »ik schrijf dit in groote haast. Hoe ik + hier in Rusland gekomen ben kan ik u dus niet uitleggen, daarvoor + zou veel meer tijd noodig zijn. Maar ik heb u beiden heimelijk + kunnen zien, u en Jakob, en ik moet u dringend waarschuwen, dit + gebouw onmiddellijk te verlaten, want binnen korten tijd zal het + in brand staan en in de lucht vliegen. + + Uw liefhebbende zoon + + Willem." + +Als in een droom bevangen, bleef de ontstelde marketentster op die +enkele regels staren, zoo schrikwekkend en duidelijk van _inhoud_, zoo +raadselachtig wat hun hèrkomst betrof. Dan begrijpt ze, onmiddellijk +Jakob met haar vondst in kennis te moeten stellen. Zij vindt hem echter +niet. Van zijn oppasser verneemt ze, dat hij wegens dienstzaken de stad +is ingegaan. Zij laat nu den ouden Ros het briefje lezen. Maar de +veteraan schudt glimlachend het hoofd: + +»Ze hebben je bang willen maken, moeder Jane. Een misselijke laffe +streek, da's zeker! Maar--maak je nou heusch toch niet zoo ongerust. Dit +huis is immers onbewoond; wie zou het dan in de lucht laten vliegen, als +we het zèlf niet deden?... Nou ja, misschien lijkt het schrift een +beetje op dat van je zoon..." + +»Dat weet ik niet--want hij was bij ons thuis en schrijven kwam dus zoo +niet voor..." + +»Wel, kijk nou 'ereis aan! Dus enkel om dat de een of andere miserabele +vent wat bangmakerij op zoo'n vodje neerkrabbelt, zou je dwaas genoeg +zijn, je zoo van streek te laten brengen?" + +»Maar--die dóós, hoe komt die doos daar dan?" vroeg zij gejaagd en zij +haalde de tabaksdoos uit haar zak, vertellend dat die van haar Willem +was. + +De oudgediende begon de zaak nu toch wat ernstiger in te zien. + +»Te deksel! Dat is een vreemde historie!" gromde hij, bedenkelijk aan +zijn knevel trekkend. + +»En kom dan eens mee naar de keuken!" drong de marketentster opgewonden, +»dan zal ik je nog vreemder dingen laten zien!" + +De oude Ros ging begrijpen, dat hij mogelijk wijs zou doen, een +onderzoek in te stellen om te kunnen beoordeelen, of allicht de +aanwezige officieren moesten gewaarschuwd worden. + +Onderweg kwamen zij nog twee andere oppassers tegen. + +»Jongens, ga eens even mee!" zei Ros. »Moeder Jane schijnt onraad +ontdekt te hebben!" + +Met hun vieren kwamen zij in de keuken. Daar toonde de marketentster aan +de soldaten het verspreide haardvuur, hun vertellend hoe zij het geheel +anders verlaten had. Ook wees zij de asch en stukken houtskool op den +vloer. + +»Da's verdacht!" zei Ros.--Met aandacht volgde hij het spoor, dat de +gemorste asch met vrij groote duidelijkheid afteekende. Het liep tot aan +een der wanden. Hij bekeek dien met aandacht, klopte er tegen, tuurde +nog eens onderzoekend langs het eikenhouten beschot en trok vervolgens +zijn sabel. + +»Hier vind ik wat!" zei hij zacht. Toen stak hij de punt van het staal +wrikkend in een naad van den wand en peuterde, na eenig tobben, een door +niemand verwachte deur open. + +Allen drongen haastig naderbij! Een kille kelderlucht kwam hun tegen; +maar het was volslagen donker in die ruimte, daar voor hen. Alleen de +bovenste treden van een steenen trap waren zichtbaar. + +De marketentster stak een kaars aan. + +»Heb jullie wapens?" vroeg Ros aan zijn makkers. + +De een greep zijn pistool, de ander trok zijn sabel. + +Ros, met de brandende kaars in zijn linker, en zijn zwaard in de +rechterhand, daalde behoedzaam de trap af. De kameraden volgden hem. + +»Hm, wat een scherpe, prikkelende lucht!" gromde Ros. »Ruik jullie +niets?" + +»Nou, òf ik!" kuchte zijn eerste volger. »Me dunkt, daar smeult hier het +een of ander!" + +De trap kwam op een breede dwarsgang uit. Ook dáár was het donker; maar +ze vernamen een zacht gepraat dat zich meer en meer verwijderde. Dra +hoorden zij niets meer. + +»Daar dienen we meer van te weten!" fluisterde Ros. »Die schelmen +voerden hier stellig niet veel goeds uit..." + +Nauwelijks echter waren zij een tiental schreden gevorderd, of een +dichte, zwavelachtige damp sloeg hun tegen. De kaarsvlam gloeide op +eenmaal blauwachtig-rood. + +»We moeten teruggaan!" waarschuwde de achterste. + +»Ja, 't wordt hier onsecuur!" meende de ander. + +»Kom, kom," zei Ros, »de terugweg blijft toch immers nog altoos vrij!" + +Weer gingen zij eenige schreden verder; de zwaveldamp werd dichter en +dichter; het ademhalen ging moeilijker bij iederen stap. Plotseling woei +hun een koelte tegemoet, of opeens de wind ergens een vrijen doortocht +gekregen had. Op 't zelfde oogenblik was de kaars uit. + +Terwijl zij besluiteloos in 't donker stonden, dreunde een doffe knal, +die het gansche gebouw deed sidderen... + +»Dat was een mijn!" riep een der soldaten. »We moeten onmiddellijk +terug!" + +Ook Ros begreep, dat verder voortgaan dolzinnig zou wezen. + +Zij keerden dus om, tastend langs den muur van het gewelf, om de trap +weer te vinden. Het gelukte. Maar zij voelden zich steeds dichter +omwolkt van een verstikkenden walm en een verzengenden gloed. Met +beklemden adem repten zij zich de trap op en stormden de keuken binnen. +Maar ook dáár vonden zij reeds alles met rook en smook vervuld. Ros +stiet met zijn sabel eenige ruiten stuk; kletterend rinkelden zij op +straat... Nu kregen zij lucht en konden weer onbelemmerd ademhalen. + +»Brand! Brand!" klonk het opeens van buiten. Bijna te zelfder tijd +roffelden de trommen en schetterden de trompetten op het bivak, onder +de vensters... Officieren, soldaten, alles vloog langs de breede +marmertrappen naar beneden, om op de straat veiligheid te zoeken. + +Bij de poort kwam Jakob in volle vaart op hen toesnellen. + +»Goddank dat u gered bent!" riep hij zijn moeder toe. »Ik was al bang, +dat ik te laat mocht wezen... Maar we moeten ons haasten om buiten te +komen... De vlammen slaan al overal door de vensters en boven het dak +uit!..." + +Op straat pas konden zij het gevaar overzien in al zijn omvang. +Een reusachtig wolkgevaarte van zwarten, dichten rook lag over het +paleis, waar roodflakkerende vuurtongen aanhoudend doorheen flitsten. +Rook wervelde tegelijkertijd uit alle vensters, spiraalde uit de +benedenverdiepingen naar boven, steeg in zware kolommen uit de dakgoten +op. Niemand kon twijfelen, of de brand was moedwillig aangelegd. +Licht-ontvlambare stoffen moesten door het gansche gebouw verspreid +geweest zijn en door een plotswerkend middel overal tegelijk zijn +aangestoken, om zulk een brand te kunnen geven. + +Met moeite wist men de paarden, die op het binnenplein stonden +vastgebonden, benevens eenigen voorraad te redden. + +Maar déze brand was de eenige niet. In verschillende wijken der stad +stegen er vlammen omhoog; in verscheidene huizen werden eveneens +ontploffingen vernomen. Dan week men naar de nog overeind staande +stadsgedeelten uit, om een nieuw onderkomen te vinden. Maar op het punt +om die geheel gesloten en onbewoonde huizen te betreden, hoorden zij een +zwakke ontploffing; er steeg een lichte rook uit op, zich onmiddellijk +verdichtend en verdonkerend; die zwarte rook kreeg schielijk een +rosbruinen gloed; dat rosbruin nam even spoedig een vuurkleur aan; en +welhaast verdween het gebouw in een maalstroom van vlammen. + +Velen hadden mannen van een afschuwelijk voorkomen, met lompen bedekt, +en verwoede vrouwen nabij die vlammen zien ronddwalen. Door den wijn +en door het goed gevolg hunner brandstichtingen bedwelmd, deden die +ellendelingen niet eens meer de moeite, zich verborgen te houden; zij +liepen in dollen triomf door de brandende straten; men verraste hen, met +brandende toortsen en verwoed voortgaande om de vlammen te verspreiden; +men moest hen met de sabel over de handen slaan om hen te doen ophouden. +'t Was het uitvaagsel des volks, uit de gevangenissen losgelaten om, +onder aanvoering van enkele lijfeigenen en politiedienaars, Moscou te +verbranden tot verderf van de Fransche armee. + +Terstond werd bevel gegeven, om de brandstichters die men ontdekte +zonder omslag dood te schieten. Maar wat de Franschen toen nog niet +wisten was, dat het Kremlin een kruitmagazijn inhield; daarenboven +hadden de in slaap gevallen en onachtzaam uitgezette wachtposten +dienzelfden nacht een geheel artilleriepark laten binnenrukken en zich +onder de vensters van Napoleon plaatsen. Eén enkele vonk op een der +kruitkisten gevallen en de Keizer en de keur van het leger waren +verloren geweest. + +De Russen, die wél wisten dat het kruitmagazijn er zich bevond, hadden +juist ~die~ huizen aangestoken, welke gevaarlijk voor het Kremlin konden +worden. Driemalen veranderde de vrij hevige wind dien nacht en telkens +barstten nieuwe vlammen uit van den kant waar hij op dat oogenblik +vandaan kwam. + +'t Was een vreeselijke nacht! De helle vlammen verlichtten alles met +een rooden schijn en op sommige plaatsen vreesde men te stikken van den +zwaren rook. En--nergens bluschmiddelen, nergens water zelfs: want de +vijand had alle brandspuiten meegenomen, de waterleidingen afgesneden, +de wellen en putten der stad ontoegankelijk gemaakt. + +Het geheele leger was op de been. Geheel de oude garde, die een gedeelte +van het Kremlin betrokken had, was onder de wapenen. De bagage stond +gepakt, paarden en wagens waren klaar, om, als de brand hen uit Moscou +verjoeg, buiten de poorten te gaan bivakkeeren. + +Terwijl de soldaten schier wanhopig tegen de vlammen worstelden en aan +het vuur zijn prooi betwistten, was Napoleon, wiens slaap men gedurende +den nacht niet had durven storen, bij de dubbele helderheid van daglicht +en vlammen ontwaakt. Zijn eerste gemoedsbeweging was gramschap, en +terstond gaf hij bevel, den brand te blusschen, maar men overtuigt hem, +dat dit onmogelijk is. Verwonderd van in een rijk, dat hij in het hart +getroffen had, een andere gewaarwording te vinden dan vrees en +onderwerping, gevoelt hij zich overwonnen en in doortastendheid +overtroffen. + +Die verovering, waarvoor hij alles had opgeofferd, thans bleek zij als +het ware een schaduw, welke hij had vervolgd en meenen te grijpen, maar +die hij op dit oogenblik, te midden van rook en vlammen, in de lucht zag +verzwinden. + +Een groote gejaagdheid maakt zich nu van hem meester. Elk oogenblik +staat hij op, loopt met snelle schreden door zijn vertrekken, en gaat +eensklaps weer zitten. Zijn korte en driftige gebaren duiden een hevige +onrust aan; hij verlaat een dringend werk, neemt het vervolgens weer op, +en laat het opnieuw liggen om naar zijn vensters te ijlen, en den brand +te beschouwen. Driftige en korte uitroepen ontsnappen zijn beklemde +borst: »Welk een afgrijselijk schouwspel! En zèlf hebben zij den brand +gesticht! Hoe is 't mogelijk! Al die prachtige paleizen! Welk een +besluit! Wat menschen toch!" + +Tusschen den brand en zijn verblijf lag een groote uitgestrektheid +woeste bouwgrond, tot aan de Moskowa met haar beide kaden; en toch waren +de glazen van het vensterraam, waartegen hij leunde, reeds heet, en +de rustelooze arbeid der vegers, op de ijzeren daken van het paleis +geplaatst, was onvoldoende om er de talrijke vuursprankels af te houden. + +Op dit oogenblik verspreidt zich het gerucht, dat het Kremlin ondermijnd +is; Russen zeiden het en gevonden geschriften schenen het te bevestigen. +Eenige bedienden worden zinneloos van schrik; de soldaten wachten +gevoelloos af, wat het bevel des Keizers en hun noodlot zullen +beslissen... En--de Keizer beantwoordt deze ontsteltenis slechts met een +glimlach van ongeloof. + +Toch loopt hij nog altijd rusteloos heen en weer, houdt bij elk venster +stil, en ziet het overwinnend verschrikkingselement zijn schitterende +verovering met woede vernielen; zich van al de bruggen, van al de +doortochten zijner vesting meester maken; elk oogenblik de omringende +huizen overweldigen, om hem ten slotte binnen de muren van het Kremlin +als op te sluiten. + +Reeds ademde men daar schier louter in rook en asch. Orde en krijgstucht +bestonden niet meer; de soldaten, begeerig om aan de vlammen hun roof +te betwisten, drongen de nog gespaarde paleizen en magazijnen binnen, +plunderend wat van hun gading was. De nacht naderde, en zou door zijn +duisternis de gevaren voor Napoleon en zijn omgeving nog vermeerderen; +de wind, die de Russen behulpzaam was, werd heviger nog dan den nacht te +voren. Toen zag men den koning van Napels en prins Eugenius toesnellen: +zij voegden zich bij Berthier, drongen tot den Keizer door en op hun +knieën smeekten zij hem, die gevaarlijke plaats toch te verlaten. + +Het was vergeefs. + +Eindelijk meester van het paleis der Czaren, blijft Napoleon halsstarrig +weigeren die verovering af te staan, zelfs niet aan den brand, tot +eensklaps de kreet weerklinkt: »Het Kremlin staat in vlammen!" + +De Keizer gaat naar buiten om het gevaar te beoordeelen. Tweemaal bleek +de brand reeds uitgebroken en ook weer gebluscht in het gebouw waarin +hij zich bevond; maar de toren van het tuighuis brandt nog. Men had er +een politiesoldaat gevonden. Men voert hem mee, en Napoleon laat hem in +zijn tegenwoordigheid ondervragen. Die Rus blijkt de brandstichter. Hij +verklaart, te hebben gehandeld op hoog bevel. Alles, tot zelfs het oude +geheiligde Kremlin, was dus ter vernieling gewijd. + +De Keizer maakte een gebaar van afkeer en gramschap; daarop bracht men +den brandstichter naar het eerste voorplein, waar de woedende grenadiers +hem met hun bajonetten afmaakten. + +Dit voorval had echter Napoleons onverzettelijkheid om te blijven, doen +zwichten. Hij beval dat men hem naar het keizerlijk kasteel Petrowsky +geleiden zou, een mijl buiten de stad. + +Van de zijnen vergezeld, wilde de Keizer zich nu naar de Dorogomilowsche +poort begeven. Maar men zag zich reeds door een heir van vlammen +belegerd; zij omsingelden al de poorten der vesting en weerden de +eerste uittochtpogingen met verwoedheid af. Na eenigen tijd nauwlettend +rondgezocht te hebben, ontdekte men een poortje, dat op de Moskowa +uitkwam. Door dezen nauwen uitweg gelukte het Napoleon, met zijn staf en +zijn garde uit het Kremlin te ontsnappen. + +Maar het scheen, dat men daarmee eigenlijk nog niets gewonnen had: +Terwijl zij zich dichter bij den brand bevonden, konden zij noch +terugkeeren, noch staan blijven; en hoe kon men vooruit gaan, hoe zou +men door de golven van die onstuimige vuurzee heenkomen? Zelfs zij, die +reeds de stad doorkruist hadden, waren het spoor volslagen bijster; de +asch had hen schier blind gemaakt en de straten waren in den rook en +onder de puinen verdwenen. + +Toch drong het gevaar tot spoed. Elk oogenblik vermeerderde rondom hen +het knappend en loeiend vlammengedruisch... + +Een nauwe, kromme en geheel brandende straat deed zich eerder als de +intrede dan als de uitgang van die hel op... De Keizer snelde te voet, +en zonder aarzelen, dien gevaarlijken doortocht in. Onder het geknetter +van die geweldige vuren, onder het geraas van krakende gewelven, het +neerploffen van brandende balken, het donderend ineenstorten van +gloeiende ijzeren daken, schreed de Keizer voort... Boven hem vormden de +vlammen, door den wind gekromd en neergebogen, een gloeiend verwulf... + +Men liep op een grond van vuur, onder een hemel van vuur, tusschen twee +muren van vuur! Schroeihitte pijnde stekend hun oogen, die zij nochtans +open en op het gevaar moesten houden. Een verstikkende rook folterde +hun keel en longen; de gloeiende lucht en verzengende asch verhitten +steeds meer en meer hun korte, droge, hijgende ademhaling. Hun handen +brandden, als zij hun gelaat tegen de onverdragelijke hitte poogden te +beschermen en de vonken afsloegen, die elk oogenblik hun kleeren +bedekten en invraten. + +Eensklaps staat de gids stil. Hij weet geen weg meer! Napoleon en de +zijnen achten zich reddeloos verloren. Doch eenige plunderaars van het +eerste corps hebben, in het midden van die vlammen, hun Keizer herkend; +zij snellen toe en geleiden hem langs de rookende puinen van een des +morgens reeds verbrande wijk. + +Daar ontmoet men maarschalk Davoust, die, in den slag bij Borodino +gekwetst en nog niet hersteld, zich door de vlammen had laten dragen om +er zijn Keizer uit te bevrijden of er met hem in om te komen. Ontroerd +werpt hij zich in Napoleons armen; deze ontvangt hem hartelijk, maar met +die bedaardheid, welke hem in het gevaar nooit begeeft. + +Alvorens hij echter geheel aan de rampzalige stad ontsnapt is, moet +hij nog een convooi buskruit voorbij, dat te midden dier vuurzee wordt +weggevoerd. Dit is niet zijn minste gevaar, maar het laatste en men komt +met den nacht behouden te Petrowsky aan. + + + + +Elfde Hoofdstuk. + +Eindelijk gewroken. + + +Eenige dagen achtereen bleef de brand voortwoeden. Toen verminderde hij, +uit gebrek aan voedsel. Den 20sten trok Napoleon naar het Kremlin terug, +dat een bataljon zijner garde had weten te behouden. + +De bivakken, welke de Keizer op zijn weg naar Moscou doorreed, leverden +een zonderling gezicht op. Te midden van een dikke, koude modder vlamden +groote vuren, gevoed door mahoniehouten meubels, vergulde deuren en +vensters. Daar omheen zag men, naast van vochtig stroo gemaakte bedden, +slechts armelijk beschut door enkele planken, de soldaten en hun +officieren, geheel met slijk bedekt en zwart geworden door den rook, +doch zittend in kostbare leuningstoelen of liggend op met zijde bekleede +divans. Aan hun voeten lagen, uitgespreid of opeengehoopt, de fijnste +cachemiren sjaals, rijke Perzische weefsels, de zeldzaamste pelzen van +Siberië. Hun eten gebruikten zij uit zilveren schotels en borden, maar +het bestond slechts uit een zwart baksel, onder de asch bereid, en +een lap half geroosterd, bloederig paardevleesch; 't was overal de +zonderlingste vereeniging van overvloed en gebrek, van rijkdom en +morsigheid, van weelde en ellende! + +Tusschen die bivakken en de stad ontmoette men groote scharen van +soldaten, die zwoegend hun buit voortsleepten, of hun roof door +ongelukkige Russen lieten torsen, die zij als lastdieren voor zich +uitdreven; want de brand deed bijna twintig duizend inwoners voor den +dag komen, welke tot dien tijd in de onmetelijke stad onopgemerkt waren +gebleven. + +Toen de Keizer de stad zelf binnen kwam, vond hij van het groote +Moscou slechts weinige verspreide huizen over, en de brandlucht overal +was ondragelijk. De loop der straten bleek alleen nog maar kenbaar +aan groote hoopen asch en puin en, van afstand tot afstand, half +omvergestorte stukken muur of pilaren. Schier heel het leger was roovend +en plunderend door de stad verspreid. Napoleon vond zich herhaaldelijk +in zijn voortgang belemmerd door een lange reeks van stroopers, +uittrekkend op buit of er mee terugkeerend; door oproerige benden van +soldaten, zich opeenhoopend voor de keldergaten en voor de deuren der +paleizen, om die open te breken, eer de vlammen ze bereikten. + +Overal ook was de weg versperd door kostbare meubelen, welke men uit +de ramen geworpen had om ze aan den brand te onttrekken en die men +nochtans, ter wille van een anderen buit, daar onverschillig had laten +liggen. Pleinen en legerplaatsen bleken in markten herschapen, waar een +ieder het overbodige tegen het noodzakelijke kwam verruilen. Daar werden +de zeldzaamste voorwerpen, door hun bezitters niet gewaardeerd, voor +een spotprijs verkocht; andere, die een bedriegelijk voorkomen hadden, +daarentegen ver boven de waarde overgenomen. Overal zag men soldaten, +die op balen met koopwaren zaten, in het midden der uitgezochtste wijnen +en likeuren, welke zij tegen een stuk brood zouden willen verruilen. +Door afmatting en dronkenschap overmeesterd vielen er verscheidene dicht +bij de vlammen neer, door welke zij bereikt en verbrand werden. + +Onder zulke omstandigheden kwam Napoleon Moscou weer binnen. Hij liet de +stad aan de plundering over, hopend dat zijn over de puinen verspreid +leger deze niet vruchteloos doorzoeken zou. Toen hij echter vernam, +dat zelfs de oude garde ook al aan het plunderen was geslagen, dat de +Russische boeren, die men den voorraad welken zij aanbrachten ruim +betaalde om er meer te lokken, door zijn soldaten beroofd werden; toen +hij hoorde, dat de verschillende corpsen elkander de overblijfselen +van Moscou met geweld begonnen te betwisten; dat eindelijk al de nog +overgebleven hulpbronnen door de onregelmatige plundering verloren +gingen; gaf hij gestrenge orders. Maar het was te laat; de boeren kwamen +niet terug en vele levensmiddelen waren nutteloos verspild. + +Na zijn terugkomst in het Kremlin was Napoleon's eerste werk, er een +vast bestuur op te richten; hij benoemde een gouverneur en stedelijke +overheidspersonen en gaf bevel, om er zich van leeftocht voor den winter +te voorzien. Reusachtige voorraden wijn en levensmiddelen van allerlei +aard, meel en pekelvleesch werden door de zorg der korpscommandanten in +het Kremlin of in magazijnen bijeengebracht. Ook in het onderhoud der +troepen werd behoorlijk voorzien, terwijl door een krachtig optreden +orde en krijgstucht weer spoedig bijkans volkomen waren teruggekeerd. +Om aan Europa den indruk te geven, dat in Rusland alles naar wensch +ging, schonk de Keizer aan een te Moscou achter gebleven troep Fransche +comedianten zelfs verlof, voorstellingen te geven en voor de costumes +gebruik te maken van de gevonden goederen. De troep maakte goede zaken; +die voorstellingen werden door de soldaten druk bezocht. + +Inmiddels verwachtte de Keizer, in den vreeselijksten waan, dag op dag +boden uit Sint-Petersburg, die hem den vrede zouden komen afsmeeken, +althans tot onderhandelingen uitnoodigen. Want schoon het verbrande +Moscou geen waarde meer voor hem bezat, en hij het hachelijke van zijn +toestand zeer wel inzag, schrikte hij voor een achterwaartsche beweging. +Alles achtte hij verloren, wanneer hij voor de oogen van het verbaasde +Europa terugtrok, alles gewónnen, zoo hij Alexander in volharding +overtreffen kon. + +Middelerwijl verdubbelde Napoleon de zorg voor zijn troepen. Zooveel +doenlijk werden zij in Moscou zelf onder dak gebracht. De officieren +van Jakob Stargardt's regiment hadden reeds dadelijk twee andere huizen +betrokken, en na al de doorgestane ellende leefden zij daar over het +algemeen zeer tevreden. + +Iederen dag trok moeder Jane met haar wagen op levensmiddelen uit. +Vergezeld van een der officieren met enkele manschappen reed zij dan +naar het midden der stad en kocht van de soldaten de eetwaren welke zij +geplunderd hadden. Op deze manier kregen zij wijn, suiker, thee en nog +tal van andere artikelen. Vleesch en brood werden dagelijksch uitgedeeld +en daar in de moestuinen volop groenten werden gevonden, kon de +marketentster steeds een vrij goeden maaltijd bereiden. + +Over niets werd door moeder Jane en haar zoon zoo dikwijls gesproken als +over Willem's geheimzinnige waarschuwing,--het eenige levensteeken dat +zij sedert van hem vernomen hadden--; en voorts, over den naderenden +winter. Het scheen toch, dat men dien in het afgebrande Moscou zou +doorbrengen. En nu hoorden zij wel, dat er groote magazijnen van granen, +brandewijn en lakens in handen der Franschen waren gevallen, doch de +juiste maatregelen voor een winter-campagne werden niet genomen. De +lakens bleven in de magazijnen en aan de officieren en soldaten werd +geen uitdeeling van een goede winterkleeding gedaan. Onder die +omstandigheden besloten de marketentster en haar zoon, zichzelf zooveel +mogelijk tegen de zoo geduchte Russische koude intijds te voorzien. + +In verband hiermee ging Jakob herhaaldelijk er op uit, om nu dit, dan +dat aan te koopen. + +In de nabijheid van het Kremlin hielden namelijk de soldaten der garde +een markt van geplunderde zaken. Zoo kocht hij daar op zekeren dag twee +bonten mutsen met lange pelsooren voor slechts één franc per stuk; een +ander maal twee pelzen voor tien francs samen; daarentegen moest men er +tot honderd francs voor een paar nieuwe laarzen geven. + +Op een dier tochten had hij bijna het leven verloren. In de laatste +weken van het verblijf der Franschen te Moscou was het plunderen +strenger dan ooit verboden, ten gevolge waarvan er eenig vertier op de +straten kwam. Nu wilde het toeval dat Jakob, door een afgelegen straat +naar zijn kwartier terug rijdend, een soldaat van een der Duitsche +contingenten met een Russische vrouw zag worstelen. De ellendeling had +haar met geweld de oorbellen uitgetrokken, zoodat het arme schepsel +bloedde over het geheele gezicht. Op het oogenblik dat Jakob naderde, +wilde de kerel haar de amulet, die alle Russen dragen, van de borst +afrukken. Deze amuletten, van goud, zilver of ook wel van papier, zijn +door de Kerk gezegende voorwerpen, die men het vermogen toekent om den +drager of de draagster te beschermen. Begrijpelijk was het dus, dat de +Russin zich tegen dezen roof met wanhoop en woede verdedigde. + +Verontwaardigd steeg Jakob van zijn paard en beval den kerel, alles wat +hij haar ontstolen had, aan de vrouw terug te geven. Morrend voldeed de +soldaat hier aan en Jakob wachtte nog eenigen tijd, om de Russin in de +gelegenheid te stellen te ontvluchten. + +Toen steeg hij weer op en vervolgde stapvoets zijn weg. Maar nog geen +twintig passen verder hoorde hij een schot vallen in zijn onmiddellijke +nabijheid. Verrast omziende bemerkte hij, dat die schelm van een +soldaat, uit wraak dat hij zijn roof had moeten afstaan, op hem +geschoten had. Woedend trok hij zijn degen en stormde op den deugniet +los, die echter in een leegstaand huis de vlucht nam. + +Jakob wendde nu den teugel en reed in bedaarden stap weer voort. Zoo +veel mogelijk toch werd zijn paard door hem ontzien, want wijl steeds +grooter gebrek aan fourage begon te komen, had het arme dier in de +laatste dagen weinig meer dan het dakstroo van een boerenwoning tusschen +de kiezen gehad. Wat men tot onderhoud der paarden in de stad zelf had +gevonden, was reeds opgebruikt en nu moesten de omliggende dorpen daarin +voorzien. Men kon echter geen toevoer aanbrengen, noch fourageeren, +zonder te vechten. Daarenboven zwierven groote troepen kozakken rond, +die aan de flanken allerlei nadeelen toebrachten. Op den weg naar +Moshaisk werden zelfs honderd en vijftig dragonders van de garde +overrompeld en hun opperhoofd gevangen genomen. Ook hadden zij reeds +twee aanzienlijke transporten opgelicht: het eene door de achteloosheid, +het andere door de lafhartigheid van den aanvoerder. Elken morgen +moesten de soldaten van de ruiterij het voedsel voor den avond en den +volgenden morgen ver weg gaan zoeken. En daar de omstreken van Moscou en +van Winkowo hoe langer hoe minder levensmiddelen opleverden, moesten zij +die weldra op 4 à 6 uur afstand vandaan halen. Zoowel de menschen als de +paarden keerden uitgeput terug--àls zij nog terug keerden; want elke +maat haver, elke bundel fourage werd hun betwist. Men moest ze geregeld +den vijand ontweldigen. Het waren aanhoudende overrompelingen, +gevechten, verliezen. + +Ook de boeren werden lastig. Diegenen onder hen, welke uit winstbejag +met eenige levensmiddelen naar de Fransche legerplaatsen waagden te +gaan, straften zij met den dood. Anderen staken hun eigen dorpen in +brand om er de fourageurs uit te verjagen en aan de kozakken over te +leveren. Murat zelfs, die bij de dagelijksche schermutselingen de helft +van het overschot zijner ruiterij had zien verloren gaan, begon +eindelijk ongerust te worden. + +En steeds nog bleef keizer Alexander zwijgen. + +Napoleon werd hoe langer hoe onrustiger. In zijn toorn deed hij de +kerken van het Kremlin berooven van al wat tot zegeteekenen van het +Groote Leger kon verstrekken. Ook het reusachtige gouden kruis op den +toren van Iwan den Grooten moest er worden afgenomen om er het hôtel des +Invalides te Parijs mee te versieren. Het kostte enorm veel inspanning, +om dat kolossale gedenkstuk naar beneden te krijgen, aan welks bezit het +Russische volk het heil van 't rijk hechtte. + +Hoewel Napoleon toenmaals reeds zeer goed begreep, dat een langer +verblijf in Moscou voor hem ondoenlijk was, bleef hij zijn besluit om +heen te gaan nochtans uitstellen van den eenen dag in den anderen. Hij +gevoelde, ja wist, dat hij de kracht van zijn strategisch kunnen had +uitgeput, dat hij een grens had bereikt, die niet kon overschreden +worden zonder gevaar voor vernietiging; dat hij niet verder in Rusland +doordringen, niet tegen St. Petersburg oprukken, een nieuw doel zich +stellen kon, omdat zijn leger hiertoe te zwak was geworden, te veel had +geleden. + +Daar begon eensklaps de eerste sneeuw te vallen. Van dit oogenblik dacht +hij slechts aan den aftocht, al wilde hij er ook den naam niet van +uitspreken, geen bevel geven, dat dien stellig aankondigde. + +»Het leger moet zich over twintig dagen in zijn winterkwartieren +bevinden," gelastte hij. »Men dient te zorgen voor het vervoer der +gekwetsten." + +Er was gebrek aan paarden voor zijn grof geschut, dat voortaan te +talrijk was voor zulk een verminderd leger; men ried hem aan, een +gedeelte van zijn kanonnen in Moscou te laten. + +»Neen," stoof hij op, »de vijand zou er zich een gedenkteeken van +oprichten. Alles moet worden meegevoerd!" + +Hij gaf, in dat woeste land, bevel tot het aankoopen van twintig +duizend paarden en wilde, dat men zich voor twee maanden van fourage zou +voorzien op een grond, waar de verste en gevaarlijkste tochten +nauwelijks voldoende bleken om zich gedurende één dag te voeden. + +Ondertusschen verzamelde Napoleon zijn legercorpsen; de monsteringen, +welke hij in het Kremlin hield, werden menigvuldiger; hij rangschikte al +de van paarden beroofde ruiters in bataljons en liet al de vervoerbare +gekwetsten naar Mohaisk brengen. + +Nog te midden van deze voorbereidselen dwong de vijand hem reeds tot +handelen, want den 18den October greep deze Murats linkervleugel +onverhoeds met overmacht aan en wierp hem met een geweldig verlies in +Noordelijke richting terug. + +Thans was Napoleons besluit terstond genomen. Het gansche leger ontving +bevel, zich den volgenden morgen buiten Moscou aan den weg naar Kaluga +te verzamelen. + +In den avond van dienzelfden dag en gedurende heel den nacht trok het +zonder ophouden Moscou uit. In die colonne van honderdveertig duizend +menschen en omstreeks vijftig duizend paarden van allerlei soort, +herkende men aan de krijgslieden, die, gepakt en gewapend, met meer dan +vijfhonderd en vijftig stukken geschut en twee duizend artilleriewagens +vooruittrokken, nog het Groote Leger van weleer. Maar de rest geleek +meer op een bende Tartaren, die van een goed geslaagden rooftocht +huiswaarts keerden. + +Het was een samenmengsel van kalessen, kruitwagens, prachtige rijtuigen +en karren van allerlei soort, beladen met zegeteekenen van Russische, +Turksche en Perzische standaards, alsook het reusachtige kruis van den +Heiligen Iwan met al de kostbaarheden, welke men uit de stad der Czaren +geroofd had. Lieden van allerlei volken, zonder wapenen; bedienden die +verschillende talen spraken; Fransche neringdoenden met hun vrouwen +en kinderen; gepreste Russische boeren wier paarden een gedeelte van +den buit moesten dragen of voortsleepen; komedianten; heel die bonte +karavaan zonder regelmaat en orde, deed aan een zwervend volk der +oudheid denken. Eén enkele stoute aanval der kozakken--en deze gansche +nasleep van het leger viel in hun handen. + +Ondanks de breedte van den weg en het geschreeuw van zijn escorte, had +de Keizer moeite om door die zonderlinge menigte heen te komen. Toen hem +dit eindelijk gelukt was, ging hij op den ouden weg naar Kaluga voort. +Tegen den middag op het kasteel Krasnopasra aankomend, beval hij +eensklaps, dat zijn leger den nieuwen weg zou gaan, dien het na drie +marschen langs ongebaande wegen bereikte. Maar niet zonder moeite en +gevaar; want een zware regen maakte dien weg schier onbegaanbaar. Door +deze manoeuvre echter misleidde hij Kutusof, die hem op den ouden weg +afwachtte en dien hij nu in één dagmarsch voorbijtrekken kon, om vóór +hem te Kaluga te zijn. + +Den 23sten October bereikte de Keizer het geheel verlaten stadje +Borowsk, waar hij, vertrouwende dat Kutusof achter hem was, een +zorgeloozen en gerusten nacht doorbracht. + +Den volgenden dag werd prins Eugenius bij Malo-Jaroslawitz slaags met +een gedeelte van Kutusofs armee en behaalde een bloedige overwinning: +zij kostte Napoleon niet minder dan vierduizend man en zeven generaals. + +Ook het huzaren-regiment van Jakob Stargardt had aan den veldslag +deelgenomen. Na den moorddadigen slag bij Borodino slechts zeer +onvoldoende aangevuld, had het in de herhaalde gevechten en +schermutselingen rondom Moscou nog weer tal van manschappen verloren; +thans was dit overschot tot op de helft geslonken. + +Toen de Russen afgetrokken waren, reden Stargardt en de oude Ros in draf +naar de plaats terug, waar hun escadron het hevigst had gevochten. Daar +stegen zij af en zochten er tusschen de tallooze dooden en gewonden. + +»Wáár heb je den wachtmeester zien vallen?" vroeg Jakob Stargardt aan +zijn oppasser. + +»'t Moet niet ver van deze plaats wezen," zei Ros. + +»Zàg je hem vallen?" + +»Ik zag, dat hij een officier een houw gaf; meteen kreeg zijn paard +een slag, waardoor het begon te steigeren... Op dat oogenblik schoot +een Russische dragonder zijn pistool af, vlak langs mijn oor, en +wachtmeester Vermaat kreeg het schot in zijn borst. Hij stak zijn armen +in de lucht en viel achterover; en het paard viel op hem." + +»Dus weet je niet zeker, of hij werkelijk dood is?" + +»Hm!.... zèker,--neen, zeker kan ik het niet zeggen... Maar 't is toch +wel waarschijnlijk, ritmeester:--ik heb nog een paar keer naar hem +gekeken, maar geen lid zag ik hem verroeren... Zoowáár,--daar zie ik hem +liggen!" + +Tusschen doode paarden en gesneuvelde ruiters lag Reinier Vermaat, het +hoofd rustend op den schouder van een gesneuvelden Franschman, die dwars +over het lijk van een Rus gevallen was. Reinier scheen te sluimeren; +zijn oogen waren half gesloten, heel zijn houding was die van een man, +die na een zware vermoeienis was ingeslapen; zijn opengerukte dolman en +vest, waardoor het van bloed doorweekte hemd zichtbaar werd, weersprak +echter droevig die schijnbaar kalme rust. + +»Zoo heeft hij niet gelegen," zei Ros. Onwillekeurig sprak hij +fluisterend, als vreesde hij, den wachtmeester te zullen wekken. »Hij +lag met zijn gezicht naar den grond." + +»Dan is er wellicht nog leven in," zei Jakob Stargardt. + +Hij knielde bij den gewonde neer. + +Reinier opende de oogen, en staarde zijn ritmeester vlak in 't gezicht. + +»Laat mij sterven!" zei hij met zwakke stem, »en vervolg mij niet tot +aan mijn dood!" + +»Je zult niet sterven, Vermaat," antwoordde Jakob Stargardt, zijn klamme +hand grijpend, die geheel bebloed was;--»je zult niet sterven; we zullen +doen wat we maar kunnen om je te laten genezen." + +»Waarom ben je me komen opzoeken?" vroeg de gekwetste, terwijl zijn +oogen zich langzaam weer sloten. + +»Omdat ik het niet kon verdragen dat iemand die berouw voelde, wellicht +de eeuwigheid kon ingaan, zonder in de gelegenheid te zijn, dat berouw +te bekennen." + +»Ik heb geen berouw!" antwoordde Reinier somber. + +»Dat heb je wèl, Vermaat,--mij dunkt dat _moet_ je hebben. Ik heb je +nooit eenig kwaad gedaan; ik heb je rechtvaardig behandeld,--en toch heb +je nu eenmaal jezelf opgedrongen, dat je mij haten moest.--Kom, laat ons +weer vrienden zijn.--Er is te veel goeds in je--je bent veel te +verstandig om je gemoed door haat te laten vergiftigen." + +Reinier draaide zich om en streek met zijn mouw over de oogen. + +»Drommels!" pruttelde hij, »die wond schijnt ook al op mijn oogen te +werken." + +De gekwetste zweeg, maar liet zijn hand in die van zijn vijand. + +»Zou je op een paard kunnen zitten, als je wat ondersteund werd?" vroeg +Stargardt nu. + +»Ik weet het niet," antwoordde Reinier week. + +»We moeten het maar eens probeeren," zei Jakob, »Maar eerst wil ik zoo +goed mogelijk je wonden zien te verbinden." + +Hij ging naar zijn paard, rukte het chabrak los en haalde uit een der +holsters een rol linnen: Moeder Jane had hem geleerd, dat hij dit altijd +bij zich diende te hebben. + +Reinier Vermaat bleek een schot in de borst te hebben; het bloed vloeide +nog langzaam uit de wond. Jakob, bijgestaan door zijn oppasser, verbond +de kwetsuur zoo goed hij kon, om het bloed te stelpen. Toen werd de +gekwetste voorzichtig op Ros zijn paard getild, dat door den oppasser +bij den teugel geleid werd. Stargardt ging naast Reinier rijden, om hem +te ondersteunen. + +Op den wagen van moeder Jane werd daarop den gewonde zoo goed mogelijk +een ligplaats ingeruimd. Daarop kwam een der chirurgijns hem van den +Russischen kogel bevrijden en vervolgens verbinden. + +Den volgenden dag ging Jakob Stargardt den gekwetste zoo gauw mogelijk +bezoeken. Hij lag stil voor zich uit te kijken. + +»Ik heb goeie berichten," zeide de ritmeester,--»de chirurgijn staat er +voor in, dat je geneest; maar--je moet je rustig houden! Ook heb ik +ander mooi nieuws voor je: Je bent tot ritmeester bevorderd." + +Reinier had geen enkele beweging gemaakt; hij sloot zijn oogen, maar +twee dikke tranen rolden langzaam over zijn verbleekte wangen neer. + +»Ik zie," zei Stargardt, »dat ik je alleen moet laten; je bent wat van +streek,--dat deugt niet voor je." + +Hij wilde weggaan, maar Vermaat greep zijn hand. + +»Vergeef me," zei hij met een weeke stem, »ik heb je beleedigd en +miskend;--ik had gezworen mij niet door je edelmoedigheid te laten +vermurwen, maar je hebt overwonnen. Je hebt je verschrikkelijk +gewroken." + + + + +Twaalfde Hoofdstuk. + +Op Smolensk terug. + + +Met welk een vijand Napoleon van nu af rekening zou moeten houden, +bleek hem reeds den morgen toen hij, het slagveld willende bezoeken, +zich eensklaps omsingeld zag door een horde kozakken, die hij in +de verte aanvankelijk voor Fransche cavalerie had aangezien. Aan de +garde-grenadiers te paard gelukte het echter nog juist bijtijds, dien +onverhoedschen aanval af te slaan. + +Napoleon keerde naar zijn hoofdkwartier terug, eerst somber en zwijgend, +toen woedend, dat een handvol kozakken hem, den beheerscher van Europa, +op de vlucht had gejaagd. + +Er werd nu langen tijd beraadslaagd en ten leste nam de Keizer het +besluit om af te trekken en dat wel langs den weg, die hem vooreerst +het spoedigst van den vijand zou verwijderen. + +Het is opmerkenswaardig, dat hij het bevel tot dien aftocht naar het +Noorden gaf op hetzelfde oogenblik, dat Kutusof en zijn Russen, geheel +tot wankelen gebracht door den bloedigen slag bij Malo-Jaroslawitz, naar +het Zuiden aftrokken. + +Den 28sten October zag het Fransche leger Moshaisk weer. Deze stad +was nog vol gewonden; sommige werden meegenomen, andere op één plaats +vereenigd en, even als te Moscou, aan de edelmoedigheid van den vijand +overgelaten. Na een verschrikkelijken strijd en na tien dagen met +marschen en contra-marschen te hebben doorgebracht, was het leger drie +dagreizen van Moscou af en--begon de winter! + +Het was de Russische winter, en er was gebrek aan levensmiddelen! In de +eerste dagen van den aftocht had men de voorraadwagens, welke de paarden +niet meer konden voorttrekken, reeds verbrand. Daarna kwam het bevel, om +alles achter zich in brand te steken; men voldeed slechts gedeeltelijk +daaraan, door de kruitwagens, welker paarden uitgeput waren, in de lucht +te laten springen. + +Reeds bezweken er eenige manschappen; wat zou het dus zijn, als de +winter zich in volle strengheid deed gevoelen? Het leger werd zelfs nu +al bedrukt en neerslachtig. Al mokkend marcheerde men verder. + +Eensklaps gingen er kreten van ontroering op en een ieder zag om zich +heen. Men ontwaarde een geheel plat getreden, naakten, vernielden grond; +al de boomen bleken op eenige voeten boven de aarde afgehouwen en +verderop zag men van spitsen ontbloote heuvels; de hoogste scheen de +meest misvormde. Overal was de aarde bezaaid met overblijfsels van +helmen en harnassen, met gebroken trommels, vernielde wapenen, lompen +van monteeringen en met bloed bevlekte standaards. + +Op dien verwoesten grond lagen dertigduizend half verteerde lijken! Het +was het slagveld van Borodino! + +De Keizer trok er haastig voorbij. Niemand hield zich op. De koude, de +honger en de vijand drongen tot spoed; slechts wendde men, terwijl men +voortging, nog eens het hoofd om, teneinde een droeven en laatsten blik +te werpen op dat onmetelijke graf van zoo vele wapenbroeders, die +nutteloos waren opgeofferd. + +In den nacht bereikte Napoleon Gjatz en twee dagen later Wiasme. Hier +vertoefde hij, om de corpsen van Prins Eugenius en Davoust af te +wachten, die van Malo-Jaroslawitz de achterhoede hadden gevormd. + +Den eersten November trok de Keizer weer verder, terwijl hij Ney te +Wiasme liet, om met Davoust en Prins Eugenius den aftocht te dekken. + +Twee dagen later had een Russisch legercorps die stad bereikt en moest +de achterhoede daar een formeelen veldslag leveren, om den terugtocht te +kunnen voortzetten. + +De Franschen kostte dit treffen vierduizend man aan dooden en gewonden. +Het overschot van het Hollandsche regiment huzaren was zoo goed als +volkomen vernietigd. Slechts Jakob Stargardt, Ros en nog een stuk of wat +anderen waren ongedeerd gebleven, maar hun paarden waren bezweken, zij +zelf moedeloos en diep neerslachtig. + +Moeder Jane poogde haar zoon te troosten: Weldra zouden zij immers +Smolensk bereikt hebben: en daar was overvloed, daar wachtten hun goede +winterkwartieren; daar nam hun ellende een einde. + +»Maar vóór we zoo ver gekomen zijn, kunnen wij al lang verhongerd +wezen," zei Ros. »Uitdeelingen worden niet meer gedaan en nergens langs +den weg vinden we eenige levensmiddelen, want de voor ons uit gaande +corpsen zijn zoo roekeloos, om de meeste huizen en dorpen te verbranden. +De achterhoede vindt niets dan asch." + +Inderdaad had de ellende reeds een groote hoogte bereikt. Het eenig +voedsel, nu bijna elk zijn kleinen voorraad zoo zoetjes aan had +verbruikt, was een stuk paardevleesch. En wijl iederen dag, door gebrek +aan voeding, honderden paarden neervielen, was dááraan geen gebrek. + +Ook de beide paarden voor moeder Jane's voertuig konden nog slechts +moeizaam meer voort. Tegen den avond van den volgenden dag, juist toen +zij ze uit wilde spannen, stortte een der uitgeputte beesten plotseling +in elkaar, door zijn val ook het andere deerlijk verzwakte dier omver +werpend. De marketentster maakte de gareelen los en poogde de dieren +weer overeind en althans op zij van den weg te krijgen. Maar haar +inspanning bleek vergeefs. Vermoeid moest zij van alle verder pogen +afzien en even later bleken de dieren reeds dood. + +Terwijl moeder Jane, diep verslagen, nog altoos naar haar arme, van +honger gestorven beesten te kijken stond, kwam plotseling een troep +soldaten aan, samenmengsel van verschillende regimenten. Zij wierpen +zich als een zwerm roofvogels op de doode paarden neer, hieuwen er +lappen vleesch van af, en ondanks het protest van Reinier Vermaat en +enkele andere vrienden, ondanks de smeekingen van moeder Jane, sloegen +zij den wagen tot brandhout, om het vleesch aan de punt van sabel of +bajonet een weinig te roosteren en daarop half rauw te verslinden. + +Jakob, Ros en nog een tiental anderen waren er op uit gegaan om te zien, +of zij niet eenig voedsel op konden sporen. Toen zij met het invallen +van de duisternis terugkeerden, vonden zij de marketentster zonder wagen +en paarden. + +Maar zij waren zoo gelukkig geweest een vos te schieten en brachten +bovendien een flinken voorraad hout mee. + +Dadelijk werd het bivakvuur gemaakt en het vleesch geroosterd, dat zij +vervolgens, te gelijk met het laatste overblijfsel van den uit Moscou +meegevoerden leeftocht, verorberden. + +Toen kwam het gesprek weer, als gewoonlijk in de laatste dagen, op den +rampzaligen toestand van het leger en natuurlijk ook weer op het jongste +verlies, dat de marketentster geleden had. + +»Och," zei moeder Jane, »het spijt me natuurlijk om de arme dieren. Maar +ik was het immers ieder oogenblik te wachten dat ik ze kwijt zou raken. +En den wagen hadden we tòch niet mee kunnen nemen. Wel beschouwd is het +dus maar beter, dat onze ongelukkige soldaten er zich nog mee verwarmen, +dan dat hij in handen van die roofzieke Kozakken gevallen was. Maar ja, +op zoo'n eerste oogenblik zie je dat zoo niet in! Dan meen je, dat je +het grootste onrecht wordt aangedaan." + +»Maar _wij_ hadden toch anders het vleesch gehad, dat zullie daar nu +verslonden hebben," zei een der soldaten van hun groepje, wijzend naar +de mannen rondom een naburig bivakvuur. + +»Zou je dan denken, dat ik ook maar een enkele beet van mijn eigen +paarden zou kunnen eten?" vroeg moeder Jane. »En jullie hebt toch van +avond óók geen gebrek gehad, is 't wel?" + +»Neen, neen," zei Reinier, »het maal heeft me kostelijk gesmaakt!"--De +Russische kogel die hem op het slagveld bij Malo-Jaroslawitz getroffen +had, bleek gelukkig niet diep gegaan te zijn en had geen edele deelen +geraakt. De zorgvuldige oppassing van Jakob en zijn moeder, gepaard +aan zijn gezond en krachtig lichaamsgestel, brachten dan ook een +wonderbaarlijk voorspoedige genezing. Bovendien was ook hij zoo +verstandig geweest, zich in Moscou voor den naderenden winter uit te +rusten. + +Gelukkig echter werkte de natuur tot heden mee, om den tocht niet nòg +zwaarder te maken. Overdag was het meestal zonnig, zacht weer; alleen 's +nachts was het merkbaar, dat het koude jaargetijde naderde. + +Maar den volgenden morgen veranderde opeens de lucht; het azuur verdween +in een sluier van koude dampen. Deze dampen werden al dichter en vormden +zich weldra tot een ontzaggelijke wolk, die in groote sneeuwvlokken op +de voorttrekkende legerbenden neerdaalde. Het scheen alsof de hemel +nederviel en zich vereenigde met den vijandelijken grond en zijn +bewoners, om hun verderf volkomen te maken. Alles werd verward en +onkenbaar; de dingen veranderden van gedaante; men trok voort zonder te +weten waar men was, zonder zijn doel te bespeuren, alles werd +verhindering. + +Terwijl de soldaat zijn pogingen in het werk stelde om zich, te midden +van ijzige wervelwinden een doortocht te verschaffen, hoopten zich de +sneeuwvlokken, door den wind voortgedreven, opéén, en bleven in elke +holte liggen. Zoo verborg haar oppervlakte aanhoudend onbekende diepten, +welke zich trouweloos onder de voeten openden. De krijgsman zonk er in +weg, en de zwaksten werden er in bedolven. Zij, die achter hen kwamen, +maakten dan een omweg, maar de storm joeg de sneeuw des hemels en die +welke hij van de aarde opjoeg hun grimmig in het gezicht en verblindde +hun oogen; verwoed scheen hij zich tegen hun marsch te willen verzetten. + +Onder deze nieuwe gedaante viel de Russische winter hun van alle kanten +aan: hij drong snijdend door hun dun gewaad en opengescheurd schoeisel +heen. Hun natte kleeren bevroren op hun lichamen; het ijs hechtte zich +op hun vel en verstijfde al hun leden. De scherpe en hevige wind deed +hun de lippen op elkander klemmen, maakte zich meester van hun adem, als +zij dien uitbliezen en herschiep hem in ijskegels, welke langs hun baard +om hun mond hingen. + +Klappertandend sleepten de ongelukkigen zich voort, totdat de sneeuw, +die zich aan hun voeten klompte, een tak, een verloren wapen, of het +lichaam van een hunner kameraden hen deed struikelen en vallen. +Onmachtig de handen te roeren, was hun kermen te vergeefs; zij werden +spoedig door de sneeuw bedekt: een kleine verhevenheid slechts deed hen +dan nog onderkennen: dáár was hun graf!... + +De weg was vòl van zulke verhevenheden; de onverschilligsten, de +onverschrokkensten werden er door geroerd; met de oogen er van +afgekeerd, gingen zij er voorbij. + +Maar vóór hen, achter hen, overal was de sneeuw; hun gezicht verloor +zich in die onoverzienbare en treurige gelijkvormigheid; het was als +een onmetelijk doodskleed, waarmee de natuur het leger omhangen had. +De eenige voorwerpen, die er zich van losrukten, waren de donkere +mastboomen, boomen des grafs, met hun ontzettende somberheid en de +reusachtige onbewogenheid van hun zwarte stammen, waardoor zij dit +ijselijk schouwspel van een stervend wereldleger, te midden eener doode +natuur, slechts volmaakten. + +Het geweer werd voor de verstijfde armen der nog levenden een +ondragelijk gewicht. Zij wierpen het niet weg, maar in hun menigvuldig +vallen ontschoot het aan hun handen, het brak in stukken, of ging +verloren in de sneeuw. Van vele anderen vroren de vingers aan het geweer +dat zij nog vasthielden en dat hun de beweging ontnam, vereischt om er +een overschot van leven en warmte in te behouden. + +Welhaast ontmoette men een menigte menschen van allerlei corpsen, nu +eens afgezonderd, dan weer bij troepen. Zij waren niet laf van hun +standaards weggeloopen, het was de koude, de afmatting, die hen van hun +colonnes had gescheiden. En nu dwaalden zij rond, ongewapend, +overwonnen, zonder verdediging, zonder opperhoofden, slechts +gehoorzamend aan den drang tot zelfbehoud. + +Velen, door het zien van eenige zijdelingsche paden verlokt, +verspreidden zich in de velden met de hoop, er brood en een schuilplaats +voor den naderenden nacht te zullen vinden; maar alles bleek over een +breedte tusschen de zeven en acht mijlen verwoest; zij ontmoetten +slechts kozakken of gewapende boeren, die hen omringden, mishandelden, +uitplunderden en hen, onder een woest gelach, naakt op de sneeuw lieten +omkomen. + +Spoedig naderde de nacht, een nacht van zestien uren. Maar in die +sneeuw, welke alles bedekte, wist men niet wáár stil te houden en zich +neer te zetten om te rusten, of waar droog hout te vinden om de vuren te +ontsteken. + +Toch dwongen vermoeidheid en duisternis om stand te houden. Maar de +storm die nog altijd woedde, verspreidde de eerste toebereidselen +der bivakken; de denneboomen, geheel met sneeuw beladen, weigerden +gewoonlijk halsstarrig vuur te vatten en al vlamden zij soms een +oogenblik op,--de sneeuw die door de warmte smolt, doofde die +opflikkerende vlam en daarmee tevens den moed en de hoop op redding. + +»Neen, jongens, zóó gaat het niet!" zei moeder Jane, toen eenigen van +haar troepje met het bijeengebrachte dennenhout reeds een vuur wilden +maken: »We moeten eerst de sneeuw wegvegen!" + +»Dat is gemakkelijk genoeg gezegd," meende een der soldaten, »maar, +waarmee?" + +»Wel, met bezems natuurlijk!" + +»Die we niet hebben!" gromde een ander. + +»Maar die we best kunnen maken!" viel de marketentster in. »Dit bosch +heeft takken genoeg! Een bundeltje daarvan bij elkander gebonden, een +dikken tak tot steel, en--de bezem is klaar!" + +»Warempel, je hebt gelijk!" zei Ros. »Komt, mannen, dan maar dadelijk +aan 't werk!" + +Met hun drieën gingen zij nu aan het hakken en snijden; Jakob Stargardt, +Reinier en moeder Jane bonden de takken met eenige dunne twijgen bijeen, +terwijl de overigen met deze bezems het terrein schoon veegden. + +De plaats voor het bivak gaf blijk van een verstandige keuze. Een hoogte +beschutte tegen den fellen wind; als het hun dus gelukken mocht om vuur +aan te maken, dan zou dit ten minste niet verwaaid worden. Maar het +versch gekapte hout wilde slecht branden. Schier een half uur tobbens +was reeds voorbijgegaan, zonder noemenswaardig resultaat, toen Ros en +Jakob, na veel zoekens, ieder met een arm vol dood hout kwamen +aandragen. + +Nu laaide de vlam in een oogenblik hoog op, zoodat ook het andere hout +bruikbaar werd en waarvan men een genoegzame hoeveelheid bijeen had +gebracht om het vuur den ganschen nacht te kunnen onderhouden. + +Zij roosterden nu hun paardevleesch en het weinigje roggemeel dat ieder +nog bezat kneedde hij met sneeuwwater tot deeg, om dit vervolgens in de +heete asch te laten bakken. + +Dat was hun avondmaal. + +Niet lang bleven zij echter alleen. Tal van ongelukkigen, aangelokt door +het flikkerende vuur, hadden zich al spoedig bij hen gevoegd en slechts +met moeite konden zij hun plaats behouden. Er werd afgesproken, dat +telkens twee hunner bij beurten het vuur zouden bewaken en voeden, +terwijl de overigen mochten slapen. Zoo ging men den nacht in. + +Toen zij den volgenden morgen, ondanks het goed onderhouden vuur, +verkleumd en huiverend van het bivak opstonden om den vreeselijken tocht +weer voort te zetten, moesten zij over een dubbelen kring van lijken +stappen: soldaten, die, uit plaatsgebrek, buiten de warmtesfeer van +het vuur gebleven, in den fellen vriesnacht waren doodgevroren. Overal +elders zagen zij de bivakken door dergelijke gruwbare kringen +afgeteekend, en verder bleek de grond bedekt met honderden doode +paarden. + +Sedert dien dag zonderden zich bij elk bivak, bij elken slechten +overtocht, voortdurend een gedeelte der nog georganiseerde troepen af, +om zich bij den ordeloozen nasleep te voegen. + +Alleen bij de Keizerlijke garde bleef nog altoos de krijgstucht bestaan. +Maar men had zich genoodzaakt gezien, den buit van Moscou in een meer te +werpen: Kanonnen, Gotische wapenrustingen, uit het Kremlin meegenomen om +als zegeteekenen naar Parijs te worden gevoerd, zelfs het reusachtige +gouden kruis van den heiligen Iwan, alles verzonk in de diepte. Op dezen +ontzettenden terugtocht wierp het leger, evenals een groot schip dat +door den verschrikkelijksten storm geteisterd wordt, zonder aarzelen +alles wat zijn voortgang kon bemoeilijken of vertragen, in die zee van +sneeuw en ijs. Het was niet meer te doen om zijn leven áángenaam te +maken, maar om het te redden! + +Eindelijk zag het leger Smolensk weer, waar men het eind van al zijn +rampen dacht te vinden. Reeds van verre wezen de soldaten het elkander +aan. Dáár was het beloofde land, waar hun hongersnood den begeerden +overvloed, hun vermoeidheid de rust zou erlangen; waar de bivakken van +negentien graden koude in wèl verwarmde huizen zouden vergeten worden. +Dààr zouden zij een herstellenden slaap genieten; hun havelooze plunje +kunnen oplappen; dáár zouden hun nieuwe schoenen en voor het klimaat +geschikte kleeren worden uitgedeeld! + +Alleen de garde en eenige andere uitgelezen korpsen bleven in hun +gelederen, de overigen liepen weg en snelden naar de lang verbeide stad. +Duizenden van menschen, meest zonder wapenen, bedekten de twee steile +oevers van den Dnieper; zij verdrongen zich voor de hooge muren en +poorten der stad; maar hun onordelijke menigte, hun vervuilde gezichten, +zwart geworden door aarde en rook, hun gescheurde monteeringen, de +zonderlinge kleeding waarmee zij zich behielpen, heel hun vreemd, +afzichtelijk voorkomen en hun vervaarlijke drift, schrikten af. Uit +vrees dat die van honger razende menigte, wanneer men haar binnen liet, +alles zou uitplunderen, sloot men de poorten. Men hoopte door deze +gestrengheid tevens te bewerken, dat die verstrooiden zich weer zouden +vereenigen. + +Toen ontstond er onder het overschot van het rampzalige leger een +verschrikkelijke strijd tusschen de orde en de wanorde. Het was te +vergeefs, dat sommigen baden, weenden, smeekten, dat zij dreigden en +trachtten de poorten open te breken, dat zij stervende neervielen voor +de voeten van hun metgezellen, die belast waren hen terug te drijven. + +Daar kwamen de oude en de jonge garde aan. Zij waren met den Keizer +meegekomen, die hen voor het vuur der Russen gespaard had, en niet de +minste wanorde was in hun gelederen voorgekomen, want voor hun voeding +was wel gezorgd. Eerst nà hen konden de ongelukkigen die voor de poorten +stonden binnentrekken, voor zoover ze niet dood of stervende aan de +steile oevers der rivier nederlagen; zij snelden naar de magazijnen, +maar men dreef hen er uit terug, omdat zij hun korps verlaten hadden en +niet in het bezit van volgbriefjes waren, waarmee de magazijnmeesters +zich verantwoorden konden en die door daartoe gemachtigde officieren +moesten worden ingeleverd. Zij hàdden geen officieren meer, ze wisten +niet eens waar hun regimenten waren. In dezen toestand bevond zich +tweederde van het leger. + +Toen verspreidden zich die rampzaligen door de straten, geen hoop meer +hebbend dan in de plundering. Maar overal kondigden tot op de beenderen +toe ontlede paarden hun den hongersnood aan: overal waren de vernielde +en losgerukte deuren en ramen gebruikt om de bivakvuren te onderhouden +der doortrekkende troepen. Er waren geen winterkwartieren voorbereid, +men vond er geen hout; de zieken, de gekwetsten bleven in de straten, +op de wagens, die hen hadden vervoerd. Het was en bleef steeds de +noodlottige groote weg, dwars door een ijdelen naam heenloopende; het +was een nieuw bivak te midden van bedriegelijke puinen, die nog kouder +waren dan de bosschen, welke zij hadden verlaten. Kortom, datzelfde +Smolensk, door het leger als de grens van zijn lijden beschouwd, scheen +er slechts het eigenlijke begin van te worden. Honderden bij honderden +stierven ook hier van koude en gebrek; en toen het bleek, dat de +magazijnen slechts zeer onvoldoende werden bewaakt, kwamen de +uitgehongerde benden ze eensklaps plunderen, waarbij nog heel wat +voedsel nutteloos verloren ging. + +Moeder Jane, Jakob, Reinier en Ros waren de eenigen van hun troepje, die +zich te midden van al die wanorde bij elkander hadden gehouden. Maar +juist door hun gering aantal was het hun des te gemakkelijker gelukt, +een vrij dragelijk verblijf te bekomen. + +Reeds van Wiasme af droegen zij hun pelzen, in Moscou gekocht, op het +bloote lichaam, waardoor de koude hun weinig nadeel toebracht. Steeds +waren zij matig geweest, wanneer er onderweg nog eens voedsel gevonden +werd, en ook van het paardevleesch, soms overvloedig voorhanden, hadden +zij altoos maar weinig gebruikt. Daarenboven bezaten zij alle vier een +gezond en sterk gestel. In vergelijking van duizenden hunner metgezellen +waren zij er dus nog zoo slecht niet aan toe, maar wijl zij uit de +magazijnen niets hadden ontvangen, hadden zij thans volslagen gebrek aan +voedsel. + +Gelukkig echter werden te Smolensk de achterstallige soldijen +uitbetaald, met een voorschot van twee maanden, waardoor hun beurzen +opeenmaal goed gevuld raakten. + +Zij kochten nu zooveel mogelijk van de geroofde eetwaren der anderen, +wel wetend, dat nog tweehonderd uren gaans moesten afgelegd worden, +alvorens zij de Weichsel zouden bereikt hebben. Want dat men te Smolensk +niet overwinteren kon, was voor ieder nu wel duidelijk. + +Onderweg had Jakob geducht met zijn laarzen gesukkeld: zijn pelslaarzen, +te Moscou opgedaan, waren wel warm geweest te paard, maar niet geschikt +om te loopen. Na eenige dagen marcheeren waren zij dan ook reeds zonder +zolen. Voor tachtig francs had hij toen een paar oude laarzen van een +rijdend artillerist gekocht, maar deze bleken hem te nauw, zoodat hij ze +hier en daar had moeten opensnijden. In Smolensk kocht hij thans voor +twintig francs een paar nieuwe soldatenschoenen. + +Napoleon had er op gerekend, dat er voor vijftien dagen levensmiddelen +en fourage aanwezig zouden zijn voor een leger van honderd duizend man; +hij vond nog niet de helft dezer hoeveelheden aan meel, rijst en +brandewijn. Vleesch was er niet. + +Onder die omstandigheden moest het verbazing wekken, dat de Keizer +niettemin zijn verblijf onnoodig te rekken scheen. + +»We zijn hier nu al vier dagen," zei Jakob, »en onze aangekochte +eetwaren zijn al zoo goed als op. Wat heeft Napoleon in dit afgebrande, +verwoeste Smolensk anders te doen dan van de aanwezige levensmiddelen +gebruik te maken en zoo gauw mogelijk verder te gaan?" + +»Misschien meent de Keizer," vond Reinier, »wanneer hij gedurende +verscheidene dagen zijn brieven uit Smolensk dateert, dat hij zijn +vlucht zal laten voorkomen als een langzame, roemrijke terugtocht. Hij +heeft ten minste bevel gegeven, de torens op de wallen te vernielen, +omdat hij niet meer door die muren wil opgehouden worden, zooals hij +zegt." + +»Jawel," zei Ros, »alsof de mogelijkheid bestaat dat hij er weer terug +zal keeren, terwijl het nog niet eens zeker is, of hij er wel uit zal +kunnen komen." + +»Licht wacht hij hier wel zoo lang, om de artilleristen gelegenheid te +geven, hun paarden op scherp te zetten," giste moeder Jane. + +»Alsof er arbeid te verwachten is van werklui die uitgeput zijn van +honger en van de langdurige marschen!" zei Jakob. »De dag is voor de +meesten nog niet toereikend om de noodige levensmiddelen te vinden en ze +gereed te maken." + +»En dan," zei Ros, »de smidswagens zijn achter gelaten of vernield en +alle materiaal ontbreekt voor zoo'n omvangrijk werk. Dàt kan het dus óók +niet zijn." + +Evenwel, den volgenden dag, den 14den November, verliet Napoleon +eindelijk Smolensk toch weer. Prins Eugenius had bevel gekregen, om +de stad op den 15den, Davoust om ze op den 16den te ontruimen. Ney +daarentegen moest eerst den 17den vertrekken. Hem was opgedragen, de +assen der affuiten van de kanonnen die hij moest achterlaten, te laten +doorzagen; die kanonnen zelf te begraven, de munitie onbruikbaar te +maken, alle achterblijvers voor zich uit te drijven en de torens op de +wallen te laten springen. + +Tegen vijf uur in den morgen vertrok de Keizerlijke colonne. Zij +marcheerde nog ordelijk, doch de houding der manschappen was somber en +zwijgend. De nachtelijke stilte werd slechts afgebroken door het geluid +der slagen waarmee de arme paarden voortdurend aangezet werden, alsook +door de driftige verwenschingen bij het doortrekken van een ravijn, +wanneer er op de gladde hellingen, in de duisternis, paarden voor de +kanonnen neerstortten en de geheele bespanning in een verwarden hoop +naar beneden tuimelde. + +Op dezen eersten dag werden vijf mijlen afgelegd. De artillerie van de +garde had er twee en twintig uur voor noodig gehad. + + + + +Dertiende Hoofdstuk. + +Van Smolensk naar Orcha. + + +Toen de Keizer vertrokken was trachtte Prins Eugenius in Smolensk zijn +verspreide troepen weder te vereenigen; met moeite onttrok hij hen aan +de plundering der magazijnen en eerst den 15den gelukte het hem, acht +duizend man bij elkaar te brengen, waarmee hij zich weer op weg begaf. +Ook Jakob Stargardt en zijn moeder, benevens hun beide vrienden, sloten +zich daar bij aan. + +Het was omstreeks drie uur in den namiddag toen dit viertal het waagde, +den grooten weg te verlaten, in de hoop eenig voedsel te vinden. Weldra +stonden zij voor de ruïne van een huis. Het was een steenen gebouw +geweest, waarvan het dak en het gansche binnenwerk bleek verdwenen. De +sporen van groote bivakvuren in de omgeving bewezen duidelijk genoeg, +waartoe dat binnenwerk had moeten dienen; slechts de muren waren blijven +staan. + +Schoon die bouwval dus weinig hopen deed, ving niettemin terstond een +scherp onderzoek aan; een ieder deed zijn best om nog iets uit de ruïne +op te schommelen, dat in een of ander opzicht bruikbaar wezen mocht. + +Aanvankelijk bleef alle onderzoek vruchteloos. + +»Ik geef het op!" zei Ros al tegen Reinier. »Maar kijk eens!--wat heeft +moeder Jane daar gevonden? Daar is vast iets bijzonders, want haar zoon +staat er bij met een gezicht als rook bij ossengebraad." + +Reinier keek in de aangeduide richting en zag de marketentster zich +bukken tot een poging, om een zwaar stuk puin weg te wentelen. + +Jakob, zonder recht te begrijpen wat zijn moeder eigenlijk voor had, +sloeg nu dadelijk zijn handen aan den steenbrok en rolde dien, schoon +niet zonder krachtsinspanning, op zij. + +»Neem nu dàt stuk óók nog weg," zei de marketentster, nog hijgend van +haar vergeefsche poging. + +Jakob deed het, zonder te vragen waarom en nam daarop een afwachtende +houding aan. + +»Als we nu die kleine brokken ook nog wegruimen--dan zal het misschien +gaan," zei de marketentster. + +»Wàt zal gaan?" vroeg Reinier, die inmiddels met Ros naderbij gekomen +was. + +»Wel, kijk eens in dit gat hier," verzocht moeder Jane. + +Reinier bukte en zag, tusschen de kleinere steenbrokken door, een losse +trap, slechts eenige treden diep, en onder die trap, een deur. + +»Dat is een kelder!" riep hij, met een uitdrukking in zijn oogen, die +dadelijk aan een menigte »goede zaken" deed denken, welke een flink +voorziene kelder zoo al bevatten kan. + +Volijverig zetten hij en Ros zich nu mede aan den arbeid, en in een +oogenblik was de trap geheel vrij. Maar de deur, of juister het luik, +dat zoo zeer de algemeene verwachting gespannen hield, was goed gesloten +en bood weerstand aan de krachtigste pogingen om het open te breken. + +De arme zwervers waren echter sedert hun vertrek uit Moscou te zeer +gewoon geraakt aan de aanwending van allerlei middelen van geweld, om +lang verlegen te staan. Er werden eenige halfverkoolde stukken hout bij +elkaar gezocht en tegen het luik gelegd, vervolgens werd vuur gemaakt en +daarna het houtstapeltje aangestoken. Toen gingen zij blazen en de lucht +in beweging brengen om het vuur goed te doen vlammen, en binnen een +kwartier was het luik zoo ver verbrand, dat het verder met gemak kon +worden verbrijzeld. + +Jakob kroop vervolgens door de opening heen... Toen hij een oogenblik +beneden geweest was stak hij het hoofd weer buiten het verbrijzelde luik +en zei verheugd: »Roep nou maar, zoo luid je kunt, hoezee!--Maar, +drommels, neen! laten wij ons liever dood stil houden, er mochten kapers +op de kust komen!" + +Toen hij dit gezegd had, wierp hij achtereenvolgens twee Westfaalsche +hammen op den besneeuwden grond, en verdween weer in de diepte. + +Een oogenblik later kwamen er gerookte worsten te voorschijn en Jakob +verklaarde, dat er nog meer lekkernijen in den kelder waren; ja, hij +geloofde, dat er ook nog wat anders in was, want er stond een groote +ijzeren kist, die hij met geen mogelijkheid alleen kon optillen. + +Reinier reikte Jakob nu een brandend stuk hout aan, om hem tot fakkel te +dienen; maar het bleek dat de kelder, op de ijzeren kist na, niets meer +bevatte dan een paar flesschen wijn. Maar de totale voorraad was toch +meer dan voldoende om het viertal gedurende eenige dagen tot onderhoud +te kunnen strekken. + +»Wij zullen verstandig doen," zei Jakob, zich weer bij de overigen +voegend, »met die ijzeren kist maar ongemoeid te laten; het ding is zoo +zwaar, dat het wel geen twijfel lijdt of het houdt geld en voorwerpen +van waarde in. Wij zijn geen roovers,--laat de eigenaar zijn schat dus +ongedeerd terugvinden." + +»En dan," zei Reinier, »waarvoor zou de ballast ons dienen? Morgen +zouden wij dien misschien toch moeten wegwerpen. Neen, laten wij liever +eens een proefje van onze kostelijke provisie nemen; want ik moet +eerlijk bekennen, dat het gezicht van al die heerlijkheden mij doet +watertanden." + +Nadat alle vier zich met een teug wijn verkwikt en een paar flinke +sneden ham benevens een stuk worst genuttigd hadden, besloten zij, +binnen den bouwval hun bivak gereed te maken. Zij togen dus naar het +nabij gelegen bosch, om een voldoende hoeveelheid hout te verzamelen. + +Nauwelijks echter waren zij daar mee bezig, of zij werden door een +sterke bende Russische boeren overvallen. Tegenover die groote overmacht +zou alle weerstand nutteloos zijn geweest, te meer, wijl zij hun wapenen +in den bouwval hadden achter gelaten. De boeren namen het viertal +in hun midden en voerden hun gevangenen met zich mee het bosch in. +Na een kwartier ongeveer hielden zij stil op een plaats, waar reeds +verscheidene der hunnen op hen wachtten; van tijd tot tijd kwamen andere +troepen den weg van Smolensk af en sommige hadden eenige Franschen als +gevangenen bij zich. De Russen schenen eindelijk voltallig te zijn. Zij +dreven de gevangenen te hoop, namen ze daarop in hun midden en trokken +verder het woud in. + +Na een half uur bereikten ze een open plaats, die echter rondom door +het bosch was ingesloten. Hier brandden hooge wachtvuren, waar talrijke +groepen gewapende landlieden omheen lagen. + +Met verwondering zagen de gevangenen ook vele vrouwen, die de algemeene +haat tegen den vijand van haar vreedzame werkzaamheden afgerukt en +midden in het krijgsgewoel der mannen gevoerd had. Eenige maakten het +eten klaar, andere poetsten wapenen, enkele zagen zij een gewonde +verbinden. + +Door de nabijheid van het Fransche leger hadden de Russen, die de vier +Hollanders waren overvallen, zich geen tijd gegund, hun gevangenen te +berooven. Thans schenen zij daartoe echter te willen overgaan. Een +baardige Rus trad op moeder Jane toe en wilde haar de pelsmuts van het +hoofd rukken. Onwillekeurig trad zij een stap achteruit, terwijl Jakob +toesprong en den boer met de hand afweerde. Woedend hief deze nu zijn +knuppel tot een geweldigen slag omhoog. Doch opeens klonk de kreet van +een vrouwenstem; in 't zelfde oogenblik drong een Russin door de rijen +en hield den opgeheven arm van den boer tegen. Driftig keerde deze zich +om, doch toen hij zag wie hem tegenhield, veranderde zijn toorn opeens +in onderdanigheid en trad hij zwijgend terug. + +Jakob drukte dankbaar de hand van zijn redster in wie hij thans de vrouw +herkende, die hij in Moscou tegen de roofzucht van den Duitschen soldaat +verdedigd had. Met gebaren beval hij nu ook zijn drie lotgenooten in +haar bescherming aan. + +Zij knikte, als bewijs dat zij hem begrepen had. + +Op dit oogenblik naderde de aanvoerder, die blijkbaar haar echtgenoot +was. Hij scheen inlichtingen te vragen, maar aan de vier Hollanders +ontging het niet, dat hij onder het uitvoerig relaas der vrouw af en toe +de wenkbrauwen samen trok en herhaaldelijk het hoofd schudde. + +Even later liet hij allen verzamelen en men zette zich in beweging, +terwijl de vier Hollandsche gevangenen door eenige landlieden met pieken +bewaakt werden. + +Eindelijk bereikte men een dorp, waar de bende zich in verscheidene +groepjes splitste om een onderkomen te zoeken. + +De aanvoerder trok met een kleine afdeeling nog wat verder, tot zij aan +een halfverwoest landhuis kwamen. Hier werden de Hollanders in een klein +vertrek opgesloten, waar zij al spoedig van vermoeidheid in slaap +vielen. + +Nauwelijks drong het eerste licht van den wintermorgen tot hen door, of +een jonge Rus trad binnen die hun eenig voedsel bracht. Moeder Jane, bij +het zien van den Russischen lijfeigene, werd plotseling doodsbleek; zij +uitte een kreet van ontroering... In 't volgende oogenblik lag zij, +snikkend van blijdschap, in de armen van haar oudsten zoon. + +»En vader?..." was Willems eerste vraag. + +»Leeft niet meer!" zei moeder Jane somber. + +Uit de aanwezigheid zijner moeder bij het Groote Leger had hij dit wel +begrepen; toch werd hij door het antwoord hevig geschokt. + +»Maar hoe ben je nu _hier_ toch te recht gekomen?" vroeg Jakob. + +»Ja," zei moeder Jane, »vertel ons dat toch eens: we meenden stellig, +dat je ergens in Engeland zat." + +»Toen ik aan boord van dat Engelsche vaartuig gekomen was, ondernamen we +al heel gauw een reis naar de Oostzee. We leden evenwel schipbreuk en, +zonder een penning op zak, werd ik aan de kust geworpen. Een Russische +herbergier borgde mij voor zes roebels. Betalen kon ik die niet en zoo +werd ik, volgens de gebruiken van dit land, zijn lijfeigene." + +»Om zes roebels?" vroeg moeder Jane ontroerd. »Verschrikkelijk!" + +»De herbergier verkocht me aan een baron en in _zijn_ dienst was het, +dat ik zijn prachtige woning te Moscou moest helpen in brand steken. +Gelukkig had ik, ongezien, u beiden herkend en kwam ik in de +gelegenheid, u nog juist bij tijds door middel van dat briefje voor het +gevaar te waarschuwen. + +Toen wij ons vernielingswerk in Moscou verricht hadden, voegden wij ons +bij het Russische leger, maar al heel spoedig sneuvelde de baron in een +van die vele schermutselingen nabij de stad, en door zijn weduwe werd +ik daarop aan een aanzienlijk koopman verkocht, mijn tegenwoordigen +meester. Te Moscou bezat hij eenige groote magazijnen en winkels, maar +zij werden door de Franschen geplunderd en toen trok ook hij uit om +Napoleon's leger zooveel mogelijk afbreuk te doen. + +Het huis waar we nú zijn is van zijn broer, een aanzienlijk +grondbezitter, die zich met al zijn volk bij de Russische landweer heeft +aangesloten... + +Maar nu kan ik hier heusch niet langer blijven!" brak hij eensklaps +haastig af, »want dat mocht argwaan wekken. En als onze betrekking eens +bekend werd, zou stellig een ander met de verzorging van u vieren belast +worden." + +»Wat hebben ze eigenlijk met ons vóór?" vroeg Ros. + +Willem haalde de schouders op: »Ik hoop het uit te vorschen," zei hij +onder het heengaan. + +In den loop van den dag kwam hij terug. Hij wist te vertellen, dat zijn +meesteres de vier gevangenen had willen vrij laten, doch haar echtgenoot +was daarvoor niet te vinden. Hij vreesde, dan in moeilijkheden te komen. +Sommigen mopperden al, dat Marasof, zoo heette de koopman, een gedeelte +van den buit voor zich alleen behield, anderen daarentegen pruttelden, +dat hij heulde met de vijanden van het vaderland. Mocht dat gemopper +toenemen, dan was hij niet van plan het viertal nog langer te +beschermen, maar zou hun het lot der andere gevangenen doen deelen. + +Dat zag er dus vrij bedenkelijk uit en daarom werd besloten, hoe eer +hoe liever te vluchten. Daar er bij de ontzettende wanorde die in het +terugtrekkende Fransche leger heerschte, voor Willem Stargardt niet het +minste gevaar bestond er zich insgelijks bij aan te sluiten, zou ook hij +mee gaan. + +Te middernacht kwam Willem, volgens afspraak, de deur ontgrendelen, +waarop het viertal hem zoo stil mogelijk volgde. Na eenigen tijd met +de grootste behoedzaamheid te zijn voort gegaan, bracht hij hen op een +plaats waar een tweetal paarden, voor een Russische slede gespannen, aan +een boom stond vastgebonden. + +Onder voorwendsel dat zijn meester plotseling naar het leger van Kutusof +moest afreizen was het Willem gelukt om, zonder achterdocht te wekken, +aan dat zoo hoognoodige voertuig te komen. + +Zij wisten, dat Ney met de achterhoede pas den 17den Smolensk mocht +verlaten en hoopten dus, in den loop van den volgenden dag, diens leger +te bereiken. + +Zoo snelden zij dus voort, in de richting van Krasnoé. Zij reden door +een groot bosch. De tamelijk heldere nacht en de sneeuw op den grond +maakten dat zij den weg zeer goed zien konden. Uren aanéén snelden zij +voort en met het aanbreken van den dag hadden zij den zoom van het woud +bereikt. Maar nu konden de paarden onmogelijk verder; de dieren waren òp +van vermoeidheid. + +»Zouden wij de rest van den tocht maar niet te voet afleggen?" stelde +Jakob voor. »Me dunkt, in den loop van den dag zullen wij het corps van +Ney toch wel ingehaald hebben." + +»Mij best," zei moeder Jane. »Ik ben verstijfd van de koû en een flinke +lichaamsbeweging zal goed doen!" + +»En de paarden?" vroeg Reinier. + +»Wel," zei Willem, »die zullen, zoodra zij uitgerust zijn, den weg naar +huis wel weer terug vinden. En als de slee met de paarden weer behouden +in 't dorp terug gekomen is, zullen de Russen een reden te minder +hebben, om ons te vervolgen." + +Zij namen nu de weinige levensmiddelen die Willem des avonds had kunnen +inladen en na zich overtuigd te hebben, dat er geen vijand te zien was, +verlieten zij daarop het woud. + +Weldra behoefden zij geen oogenblik te twijfelen, of zij zich wel op den +weg bevonden, dien het terugtrekkende Fransche leger genomen had, want +de bodem van ieder ravijn bleek bezaaid met wapens, helmen, schako's, +stukgeslagen kisten, kleedingstukken van allerlei aard, voertuigen en +kanonnen; sommige omgevallen; andere bespannen met neergestorte paarden, +waarvan er nog leefden en waarvan er half opgegeten waren. + +Ros, Jakob en Reinier zochten zich een geschikt wapen uit; Willem, +vreezend dat zijn Russisch voorkomen hem bij het Fransche leger allicht +in moeilijkheid kon brengen, hulde zich in een gescheurden mantel; +daarop trokken zij weer voort. + +Op het midden van den dag maakten zij halt om wat uit te rusten en iets +van hun levensmiddelen te nuttigen. + +Nauwelijks echter waren zij weer op marsch, of zij hoorden eensklaps een +ontzettende ontploffing, gevolgd door het fluiten van tallooze kogels +boven hun hoofd. Verschrikt bleven zij staan... Die ontploffing had +plaats gehad vóór hen en in hun onmiddellijke nabijheid, op den weg zelf +en--wonderlijk!--toch zagen zij nergens een vijand. + +Toen ze weer verder trokken vonden zij in een bocht van den weg twee +Fransche batterijen die, met munitie en al, waren achtergelaten; tevens +zagen zij over het naburige veld een bende kozakken vluchten, verschrikt +over hun eigen vermetelheid, die batterijen in brand te hebben gestoken +en over de geweldige ontploffing, die er het gevolg van was geweest. + +Zorgelijk vroegen zij elkander, wat er wel moest plaats gehad hebben, +waardoor die algemeene ontmoediging ontstaan was en waarom men den +vijand geheel bruikbare wapens had achtergelaten. Zou er dan zelfs geen +tijd geweest zijn om de stukken te vernagelen en de munitie onbruikbaar +te maken? + +Onder zulke kommervolle overdenkingen vervolgde het vijftal zijn weg. + +Tot nog toe hadden zij slechts de sporen gevonden van een rampzalige +marsch. Thans echter was het anders geworden; wat zij nù zagen deed hun +het ergste vermoeden, want zij kwamen aan een plek, waar de sneeuw rood +zag van bloed, waar wapens, vuurmonden en verminkte lijken overal +verspreid lagen. De gesneuvelden gaven nog de stelling der gelederen +aan, hoe het gevecht had plaats gehad; zij toonden het elkander aan. +'t Was niet de achterhoede van Ney maar het corps van prins Eugenius +geweest, waarmee zij zelf, in den vroegen morgen van den 15den, uit +Smolensk waren vertrokken. _Hier_ toch had de 14de divisie gestaan; aan +de nummers der schako's konden zij zien, welke regimenten het waren +geweest. Dáár had de Italiaansche garde gevochten; de uniformen der +gesneuvelden wezen het aan. + +Maar wat zou wel het lot der overgeblevenen zijn geworden? Dit bloedige +veld, die vele ziellooze lichamen, de volkomen stilte in die woestijn +van ijs en dood; te vergeefs trachtten zij er uit te weten te komen, wat +er van hun kameraden geworden was en wat hunzelf zou te wachten staan. + +Met spoed trokken zij die akeligheden voorbij; onverhinderd bereikten +zij de achterhoede, juist toen ze bivakkeeren ging. Zij vernamen, +hoe deze uit Smolensk vertrokken was met twaalf kanonnen, zesduizend +bajonetten en driehonderd paarden, terwijl zij er vijfduizend zieken +aan de edelmoedigheid van den vijand had moeten achterlaten. Ook +hoorden zij, dat Ney, zonder de kanonnen van Platof's kozakken en +het laten springen der vestingmuren, er nooit in zou geslaagd zijn, de +zevenduizend achterblijvers te ontrukken aan die stad, waar zij tusschen +de puinhopen een toevlucht hadden gevonden. + +De soldaten, vertelden, hoe zij met den maarschalk naar Krasnoé trokken; +hoe zij alle overblijfselen van het leger op den weg voorbijkwamen; welk +een treurigen aanblik dit opleverde; hoe een wanhopige massa menschen +hen volgde en een andere troep die voor hen uitliep, door den honger +gedreven, zijn schreden verhaastte. + +Een bleek maanlicht viel door de grijze wolken, toen de krijgslieden +opnieuw opbraken. Geen tromgeroffel of trompetgeschal verried den +afmarsch. In diepe stilte maakte men zich tot den moeilijken tocht +gereed. Ieder oogenblik toch verwachtte men een vijandelijken aanval. + +Intusschen legde men verscheidene uren door de sneeuw af zonder op +eenige wijze verontrust te worden. De koude bleek eenigszins minder, +zoodat men er niet zooveel meer van te lijden had; het scheen zelfs, +dat men dooiweer kon verwachten. + +Het corps was eindelijk een diep ravijn genaderd, waarin de weg +afdaalde, om vervolgens weer tegen een uitgestrekte hoogvlakte op te +loopen. Het was de hoogvlakte van Katova. + +»Herken je dit terrein?" vroeg Jakob aan Ros. + +De oude krijgsman keek opmerkzaam rond. De sneeuw toch had alles zoo'n +geheel ander aanzicht gegeven. Niettemin zag hij spoedig, waar zij +waren. + +»'t Is de plaats," zei hij, »waar wij, drie maanden geleden, Neverowskoi +hebben overwonnen en aan den Keizer de veroverde kanonnen hebben +getoond." + +»Wat dunkt je, zouden we vandaag wéér overwinnen?" + +Juist wilde Ros antwoorden, dat hij daar een zwaar hoofd in had, toen +eenigen van den ongewapenden bijsleep, die vooruit waren geloopen, in +groote haast terugkeerden. Zij riepen, dat de sneeuwvlakten zwart zagen +van vijanden. In 't zelfde oogenblik kwam een Russisch officier, een +witten doek wuivend, de hoogvlakte afrennen. Hij was alleen, richtte +zich tot maarschalk Ney en ried hem, zich over te geven, doch kleedde +zijn sommatie in de vleiendste termen. + +Hij kwam, verklaarde hij, namens Kutusof. Zijn veldmaarschalk zou zulk +een wreed voorstel niet durven doen aan een krijgsman als hij, zoo hem +nog een enkele kans tot redding was gebleven. Maar tachtigduizend Russen +bevonden zich vóór hem en om hem heen; mocht hij er aan twijfelen, dan +stond Kutusof hem toe, iemand te zenden, die de gelederen langs kon +gaan en tellen. + +Nog eer de Rus uitgesproken had, donderde eensklaps een salvo uit +veertig vuurmonden, die op de rechterflank van het vijandelijk leger +waren opgesteld, waardoor een hagel van kartetskogels door de lucht +vloog en de Fransche gelederen verscheurde. + +Onmiddellijk werpt een Fransch officier zich op den Rus, om hem als een +verrader te dooden. Ney echter verhindert dat en roept den afgezant toe: +»Een maarschalk van Frankrijk gééft zich niet over; men onderhandelt +niet onder het vuur; u is mijn gevangene!" + +De ongelukkige officier, die door de onvoorzichtigheid der zijnen op +deze wijze werd opgeofferd, gaf zijn degen gewillig over. Tegelijkertijd +opende de vijand van alle zijden het vuur; alle hoogten, die er een +oogenblik te voren nog doodsch en verlaten uitzagen, geleken eensklaps +op werkende vulkanen. Doch Ney werd er door in geestvervoering gebracht; +te midden van dat hevige vuur scheen die man van ijzer als in zijn +element te zijn. + +Kutusof had hem niet bedrogen. Aan de Russische zijde stonden +tachtigduizend man aaneengesloten, in diepe, dreigende colonnes, +talrijke escadrons en een geduchte artillerie, die een sterke stelling +had ingenomen; kortom een gansche legermacht. Aan de zijde der +Franschen: vijfduizend soldaten, een uitgeputte, verbrokkelde colonne; +een onzekere, slepende marsch; onvoldoende, vuile wapens, waarvan de +meeste in die bevende, verzwakte handen niet veel kwaad meer konden +doen. + +En evenwel dacht Ney er geen oogenblik aan zich over te geven, evenmin +om te sterven; wel om dóór te dringen, zich er doorheen te slaan, zonder +er bij in aanmerking te nemen dat hij een bovenmenschelijke poging +waagde. + +Alléén, zonder eenigen steun, terwijl alles op hèm steunde, volgde +hij slechts de ingeving van zijn krachtige natuur en handelde met het +zelfvertrouwen van den overwinnaar, dien de gewoonte van zelfs in de +meest onwaarschijnlijke gevallen de zege te behalen, het geloof +geschonken had, dat hem àlles mogelijk was. + +Ricardo bevond zich aan het hoofd met vijftienhonderd man. Ney laat hem +tegen den vijand aanrukken en de rest nakomen. Den weg volgende, daalt +de divisie in het ravijn af, maar nauwelijks aan de andere zijde er +weer uit te voorschijn komend, wordt zij door het vuur van de voorste +vijandelijke linie bijna geheel vernietigd. Zonder zich hierover +te verbazen of te veroorloven dat men er van ontstelt, verzamelt de +maarschalk het overschot, vormt er een reserve van en rukt er zelf mee +voorwaarts. Aan vierhonderd Illyriërs geeft hij last, den vijand op zijn +linkerflank aan te vallen; hijzelf tast hem met drieduizend man in het +front aan. Allen volgen hem. Zij vallen de voorste Russische linie aan, +dringen er doorheen, jagen haar uit elkaar en zonder zich op te houden, +willen zij zich op de tweede werpen, doch eer zij haar bereikt hebben, +komt een regen van ijzer en lood hen te gemoet. In een oogenblik ziet +Ney al zijn generaals gewond en de meesten zijner soldaten gedood; zijn +verzwakte colonne wankelt, begint te aarzelen, gaat terug en sleept hem +mee. + +Ney begrijpt, dat hij het onmogelijke heeft beproefd; hij wacht af, +dat de vlucht der zijnen het ravijn tusschen hem en den vijand heeft +geplaatst; het eenige wat hem redden kan. Zonder hoop en zonder vrees +weet hij hen daar tot staan te brengen en deelt hen opnieuw in. +Tegenover tachtigduizend man kan hij er slechts tweeduizend stellen; +beantwoordt hij met zes kanonnen het vuur van tweehonderd! + +En toch scheen Kutusof als met traagheid geslagen. + +Er was slechts een uitbarsting van verontwaardiging van een enkel +Russisch corps noodig geweest om er een einde aan te maken; allen +vreesden echter, een beslissende handeling te doen; allen bleven op hun +plek, met een slaafsche onbeweeglijkheid, alsof zij slechts stoutmoedig +waren in het nakomen van bevelen en gehoorzamen hun eenige kracht was. + +Ook de Illyriërs waren in volkomen wanorde teruggekeerd. Kutusof, die +meer op zijn kanonnen dan op zijn soldaten vertrouwde, trachtte thans +van uit de verte de overwinning te behalen. Zijn vuur bestreek zoodanig +het geheele terrein waar de Franschen zich bevonden, dat dezelfde kogel +die een man in het eerste gelid trof, nog slachtoffers maakte bij de +achterste voertuigen, waar zich de ongewapende mannen, vrouwen en +kinderen bevonden. + +Onder dit moorddadige vuur sloegen de soldaten van Ney, die onbeweeglijk +staan bleven, met verwondering hun aanvoerder gade; ieder oogenblik +verwachtten zij van hem de uitspraak te hooren dat zij verloren waren, +dat er niets meer aan te doen was. Zonder te weten waarom, bleven zij +nochtans hopen, omdat zij te midden van dit uiterste gevaar hem daar +zagen staan met een kalmte van gemoed, alsof er niets bijzonders +gebeurde. Zijn gelaat stond zwijgend en beslist; hij hield het +vijandelijk leger in 't oog dat zijn flanken hoe langer hoe verder +uitbreidde om hem iederen uitweg af te sluiten. + +Door de invallende duisternis begon men de voorwerpen moeilijker te +onderscheiden; de winter,--alleen in dit opzicht gunstig voor hun +terugtocht,--deed den nacht reeds vroeg aanvangen. Ney had er op +gewacht. Thans geeft hij aan zijn troepen bevel--op Smolensk terug te +trekken! + +»Is de man krankzinnig geworden?" gromde de oude Ros. + +»Het begint er op te lijken," antwoordde Reinier. »Teruggaan en weer +dieper de Russische wildernissen binnen dringen! Waarachtig, men moet +wel aan den maarschalk zijn verstand beginnen te twijfelen!" + +»Nu," zei Jakob, die zich in dit oogenblik bij hen voegde, »je bent +heusch de eenige niet, die er zoo over denkt. Zelfs zijn adjudant kon, +naar ik hoor, zijn ooren niet gelooven; hij begreep er niets van; met +een ontsteld gezicht bleef hij zijn chef sprakeloos aanstaren. Maar de +maarschalk herhaalde dezelfde order nog eens; zijn stem klonk beslist en +gebiedend; zijn omgeving werd er door gerust gesteld. Ik geloof dan ook +vast en stellig, dat hij een doordacht plan heeft gevormd, dat hij een +uitweg heeft gevonden." + +Na de eerste verbazing begon langzamerhand die overtuiging ook tot de +andere soldaten door te dringen. Hoe kritiek de toestand ook was, zij +kregen de zekerheid dat hij dien zou weten te beheerschen, en--zij +gehoorzaamden. Zonder aarzelen keerden zij den rug naar hun leger, naar +Napoleon, naar Frankrijk en trokken het noodlottige Rusland weer binnen. +Hun achterwaartsche marsch duurde een uur; zij zagen het slagveld, +aangeduid door de overblijfselen van het Italiaansche leger weer terug. +Hier bleven zij staan en voegde de maarschalk, die alleen in de +achterhoede was gebleven, zich weer bij hen. + +Zij volgden al zijn bewegingen. Wat zal hij gaan beginnen? En welk ook +zijn voornemen mag zijn, hoe zal hij zijn schreden kunnen richten zonder +gids, in een onbekend land? + +Doch hij, met zijn krijgsmansinstinct, begeeft zich naar een ravijn van +zulk een diepte, dat er waarschijnlijk op den bodem een beek vloeit. Hij +laat er de sneeuw opruimen en het ijs stuk slaan. Toen, den loop van het +water nagaande, roept hij uit: »Het is een zijstroom van den Dnieper, +hij zal ons tot gids dienen; hem moeten wij volgen totdat hij ons aan +de rivier brengt; wij zullen haar overtrekken; onze redding is op den +anderen oever." + +Hij laat nu onmiddellijk, in de aangewezen richting, den nachtelijken +marsch vervolgen. Op eenigen afstand van den grooten weg, dien hij nu +verlaten heeft, doet hij halt houden in een dorp, verzamelt er zijn +troep en laat vuren aanleggen, alsof hij er bivakkeeren wil. De kozakken +die hem volgden, doet hij dit ten minste gelooven en zonder twijfel gaan +zij Kutusof reeds inlichten omtrent de plaats waar den volgenden dag een +Fransch veldmaarschalk zijn wapen zal overgeven. + +Ney echter laat den marsch voortzetten. Intusschen waren zijn Polen op +onderzoek uitgegaan. Een kreupele boer bleek de eenige bewoner dien zij +konden ontdekken. Toch was dit een onverhoopt geluk. Hij deelde mee, dat +de Dnieper slechts een mijl daarvandaan stroomde, doch dat hij niet te +doorwaden was, wijl het ijs niet vast zat. + +»Dat zal het wel," antwoordt Ney en toen men hem er opmerkzaam op +maakte dat het was gaan dooien, liet hij er op volgen: »Het doet er niet +toe; we zullen er toch wel over komen; een anderen uitweg hebben we +niet!" + +Tegen acht uur kwam men aan een dorp; het ravijn hield hier op en de +kreupele moejik die aan het hoofd marcheerde, bleef staan en wees op +de rivier. Ney en de eersten die hem volgden, begaven zich er heen. +De ijsschotsen bleken hier door een scherpe bocht tusschen de oevers +bekneld geraakt, de winter had ze aan elkaar doen vriezen; doch alleen +op _dit_ punt:--beneden- en bovenwaarts er van was de rivier in +beweging. Deze vreugdevolle ontdekking werd echter weldra gevolgd door +een gevoel van ongerustheid: Dit ijsvlak kon van een bedriegelijke +sterkte zijn. + +Jakob Stargardt bood aan, zich er op te wagen ten einde dat te +onderzoeken. Men zag hem met moeite den anderen oever bereiken. Hij kwam +terug en meldde, dat de menschen en misschien eenige paarden er over +konden, doch het overige zou men moeten achterlaten; bovendien moest men +zich haasten, wijl door den dooi het ijs al tamelijk dun was geworden. + +Doch daar men bij dezen nachtelijken tocht zoo stil mogelijk te werk had +moeten gaan en buiten de wegen had moeten marcheeren, was die colonne +van uitgeputte mannen, van gewonden en vrouwen met hun kinderen, uit +elkaar geraakt, waren er groote tusschenruimten ontstaan en had men in +de duisternis niet altijd elkanders spoor kunnen volgen. Zoo bemerkt Ney +dan ook, dat hij slechts een gedeelte van zijn troep bij elkaar heeft. +Hij stond daarom drie uren toe, om zich te verzamelen en zonder zich +te laten beheerschen door ongeduld of door gevaar dat dit wachten +kon opleveren, wikkelde hij zich in zijn mantel en bracht die drie +gevaarlijke uren door aan den oever der rivier in een diepen slaap; hij +toonde dat hij het gestel bezat van een buitengewoon man; een sterke +ziel in een krachtig en volkomen gezond lichaam. + +Eindelijk, tegen middernacht, begon de overtocht, doch de eersten die +zich van den wal hadden verwijderd waarschuwden, dat het ijs onder hen +boog en wegzakte; dat zij tot aan de knieën in het water liepen en het +duurde dan ook niet lang, of men hoorde dien zwakken bodem aan alle +zijden op een onrustbarende wijze kraken, welk geluid zich tot in de +verte voortplantte, alsof de rivier kruien ging. + +Verschrikt bleven allen staan. + +Ney gelastte, dat men er slechts één voor één over mocht; behoedzaam +schreed men nu voorwaarts, in de duisternis dikwijls niet wetend of men +den voet zette op een ijsschots of in een tusschenruimte. Op sommige +plaatsen moest men over breede scheuren heen en van de eene schots op +de andere springen, op gevaar af van tusschen die beide in te vallen en +voor goed te verdwijnen. De voorsten aarzelden, doch van achteren riep +men hun toe zich te haasten. + +Als men dan na veel inspanning en gevaar den anderen oever had bereikt +en zich gered dacht, had men nog tegen een steile helling op te +klauteren, die geheel bedekt was met ijs, wat het beklimmen bijna +onmogelijk maakte. Verscheidenen gleden weer naar beneden en kwamen +terecht op het ijs, dat door dien val brak of waardoor zij zelf iets +braken. + +Jakob Stargardt had zich naar den ongewapenden bijsleep van het corps +begeven, waar hij zijn moeder en zijn broer Willem wist. Afgrijselijk +was hier de ontsteltenis en de wanhoop der vrouwen en zieken nu zij, met +hun bagage, het overschot moesten achterlaten van al hun bezittingen, +van hun levensmiddelen, kortom van hun hulpbronnen, zoowel voor nu als +voor de toekomst. Jakob zag ze hun eigen bezittingen plunderen, +voorwerpen uitzoeken, wegwerpen en weer opnemen en eindelijk van +uitputting en wanhoop op den bevroren oever neerzijgen. + +Toen Jakob er eindelijk in geslaagd was, Willem en zijn moeder te +vinden, geleidde hij beiden door de steeds toenemende verwarring naar de +plaats, waar men de rivier over moest. En nu ving ook voor hen de +angstwekkende, gevaarvolle tocht aan. + +Na ontzettende inspanning bereikten zij echter, één voor één, behouden +den anderen oever. Maar nog rilden zij bij de herinnering aan hun +omzichtige schreden en noodwendige sprongen op die verraderlijke +ijsvlakte, aan het gekraak als er van hun tochtgenooten uitgleden en +vielen, aan de angstkreten dergenen die er doorzakten en--wat het ergste +was--de wanhoopskreten der gewonden, die van hun voertuigen, welke men +over dezen zwakken overgang niet durfde te wagen, de handen uitstrekten +naar hun metgezellen en hun smeekten om hen toch niet achter te laten. + +Eindelijk besloot Ney het te beproeven en eenige voertuigen met deze +ongelukkigen over te brengen. Doch in het midden der rivier gekomen, kon +het ijs den last niet meer dragen en brak... Aan den oever hoorde men +hun hartverscheurende en gillende angstkreten... daarna eenig steunen +dat weldra uitstierf...; eindelijk een huiveringwekkende stilte... Allen +waren in de diepte verdwenen! + +Sedert den vorigen dag waren vierduizend achterblijvers en drieduizend +soldaten dood of vermist; alle kanonnen en de bagage was verloren; +nauwelijks bleven er van Ney nog een drieduizend strijders over en +evenveel achterblijvers. + +Nadat al die verliezen waren geleden en alles wat den anderen oever +had kunnen bereiken weer verzameld was, werd de marsch voortgezet; de +verraderlijke stroom was nu hun bondgenoot en gids geworden. + +Op goed geluk af en tastende ging men verder. Plotseling gleed Jakob uit +en kwam op den grond terecht. Hij ontdekte nu, dat de weg reeds begaan +was en deelde zijn bevinding met bezorgdheid aan Reinier en Ros mee. Zij +bukten zich, voelden met hun handen over den grond en riepen verschrikt +dat zij versche sporen vonden van een groote menigte kanonnen en +paarden. + +»We hebben dus het eene vijandelijke leger slechts ontloopen," zuchtte +Reinier, »om het andere te gemoet te gaan!" + +»Nauwelijks zijn we in staat ons nog voort te sleepen, en nu moeten we +zoowaar al weer vechten!" klaagde Ros. + +»Moet het dan overal oorlog wezen!" riep Jakob moedeloos. + +In ieder geval, men diende den maarschalk te waarschuwen en Jakob bracht +hem rapport van zijn bevinding. Ney echter werd er in 't minst niet door +getroffen en zijn aarzelende manschappen voorwaarts drijvende, volgde +hij koelbloedig het dreigende spoor. + +Het voerde hem naar een dorp, Gusina genaamd, waar men onverhoeds +binnenviel, zich van alles wat er zich bevond meester maakte en waar men +alles aantrof wat men noodig had, hetgeen sedert Moscou niet voorgekomen +was: bewoners, levensmiddelen, warme huizen en een honderdtal kozakken +die als gevangenen ontwaakten. Hun mededeelingen en de noodzakelijkheid +om wat rust te genieten alvorens verder te kunnen gaan, deden Ney +besluiten er eenigen tijd te vertoeven. + +Omstreeks tien uur in den morgen had men twee andere dorpen bereikt en +was er gaan uitrusten, toen men eensklaps in de omliggende bosschen +overal beweging bemerkte. Terwijl men elkaar waarschuwt en zich +verzamelt in het gehucht dat het dichtst bij den Dnieper gelegen was, +komen duizenden kozakken tusschen de boomen te voorschijn en omsingelen +dezen ongelukkigen troep met hun lansen en kanonnen. + +Het was Platof met zijn geheele bende, die den oever van den Dnieper +volgden. Zij hadden het dorp in brand kunnen steken, den zwakken troep +van Ney er uitjagen en afmaken, doch in plaats daarvan bleven zij drie +uren lang onbewegelijk staan; men wist niet waarom. Later vernam +men, dat zij geen orders ontvangen hadden; dat hun aanvoerder op dat +oogenblik niet in staat was ze te geven en dat men in Rusland niets op +eigen verantwoording ondernemen durfde. + +De houding van Ney hield hen in toom; hij met enkele soldaten waren +daartoe voldoende; zelfs gaf hij de overigen gelegenheid, om met hun +maaltijd voort te gaan. Tegen den nacht gaf hij bevel, om zoo stil +mogelijk op te breken, elkaar voorzichtig te waarschuwen en gesloten te +blijven. Daarop zetten zij zich in beweging, doch de eerste schrede die +zij deden was als een signaal voor den vijand; zijn stukken gaven vuur +en al zijn escadrons kwamen te gelijk te voorschijn. + +Ney wist echter den oever van den Dnieper te bereiken, waardoor althans +zijn linkerflank aangeland was; aldus marcheert hij voorwaarts, van het +eene bosch naar het volgende en van de eene terreinplooi naar de andere +en van alle verhevenheden in het terrein gebruik makende. Dikwijls is +hij genoodzaakt zich van den stroom te verwijderen, wat Platof dan +gelegenheid geeft hem van alle zijden in te sluiten. + +Zoo bleven gedurende twee dagen en onder het afleggen van twintig +mijlen, voortdurend zesduizend kozakken heenzwermen om de flanken der +colonne, die tot vijftienhonderd gewapenden inkromp. + +De nacht bracht eenige ontspanning aan; met een zeker gevoel van vreugde +zag men dan ook de duisternis te gemoet, als iemand ook maar een +oogenblik achterbleef om van een kameraad die gewond of uitgeput +neerviel, een laatste afscheid te nemen, liep men veel kans het spoor +der anderen kwijt te raken. Er waren dan ook wreede oogenblikken, +en wanhopige tooneelen vielen er voor; evenwel, schoon hongerig en +doodelijk afgemat, bereikte men ten laatste toch Orcha, waar, na +bloedige gevechten, de deerlijk gehavende Corpsen van Napoleon, Prins +Eugenius en Davoust reeds vroeger waren aangekomen. De Keizer was er +binnengetreden met zesduizend man gardetroepen, het overschot van vijf +en dertig duizend; Eugenius met achttienhonderd man, het overschot van +twee en veertig duizend; Davoust met vierduizend, het overschot van +zeventig duizend! + +Zelf had deze maarschalk alles verloren; hij bezat geen linnengoed +meer en was uitgehongerd. Gretig nam hij een brood aan, dat een zijner +wapenbroeders hem aanbood en verslond het als 't ware. Men gaf hem een +zakdoek om zijn gezicht, dat bedekt was met rijm, te kunnen afvegen. Hij +riep uit, dat alleen menschen van ijzer tegen dergelijke lotgevallen +bestand waren, dat het uithoudingsvermogen zijn grenzen had en de +grenzen der menschelijke kracht overschreden waren. + +Te Orcha echter trof men vrij goed gevulde magazijnen met levensmiddelen +aan, verder een pontontrein van zestig pontons met toebehooren, die +echter alle op Napoleons bevel verbrand moesten worden, en zes en dertig +bespannen vuurmonden, welke verdeeld werden tusschen Davoust, Eugenius +en Maubourg. + +Het rampzalige overschot van Ney's troepen werd met vreugde verwelkomd, +want men had den maarschalk reeds verloren geacht. Zoo spoedig +mogelijk werden de uitgeputte manschappen onder dak gebracht en van +levensmiddelen voorzien. Om den bijsleep van het corps werd echter niet +gedacht en zonder Jakob Stargardt en zijn beide vrienden zouden moeder +Jane en Willem er dan ook slecht aan toe geweest zijn. Thans werd +natuurlijk voor beiden behoorlijk gezorgd. + +Toen Napoleon, die zich alweer op twee mijlen van Orcha bevond, de +tijding vernam dat Ney terecht was, sprong hij op van blijdschap en +riep: »Ik heb dus mijn vleugels gered! Drie millioen uit mijn eigen kas +had ik willen geven, om het verlies van zulk een man te voorkomen!" + + + + +Veertiende Hoofdstuk. + +De doodssnik van het Groote Leger. + + +Den 22sten November begon voor het Fransche leger de vermoeiende +marsch van Orcha naar Borizof. De weg was bedekt met smeltende sneeuw, +waaronder een dikke modderlaag. De zwakkeren waren niet in staat er +doorheen te komen; velen bleven liggen. Allen, die te Smolensk in de +verwachting dat de vorst niet zou ophouden, hun wagens tegen sleden +hadden verwisseld en nu niet verder konden, vielen in handen der +kozakken. + +Het leger van Oudinot, dat niet naar Moscou was geweest, maar toch +eveneens terug had moeten trekken, zou thans de voorhoede vormen. Den +volgenden morgen, op drie mijlen voor Borizof, stootte deze maarschalk +op de Russische voorhoede, die hij krachtig terugwierp, waarbij hem een +heele bagage-trein van den vijand in handen viel. Meer dan duizend +bespannen wagens met levensmiddelen en uitrustingstukken van allerlei +aard werden zijn buit. Reusachtig was de hoeveelheid ham, worst, gerookt +vleesch, scheepsbeschuit, die werd gevonden. En dan die duizenden paren +schoenen! Verscheidene soldaten hebben zich toen voor vijf en twintig +dagen van voedsel voorzien. Dit, en de buitgemaakte schoenen hebben +menig armen krijgsman het leven gered. + +Ongelukkig genoeg werd echter door het overschot van dit corps, bij het +doortrekken van Borizof, de brug over de Berezina vernield. Napoleon +zelf bevond zich nog op drie dagmarschen van de stad, toen hem de ramp +bericht werd. Hij stampte met zijn stok op den grond van woede. Daarop +liet hij zich de positie van Borizof beschrijven. Men verzekerde hem, +dat op dit punt de Berezina niet alleen een rivier, doch een meer was +van drijvende ijsschotsen; dat de brug een lengte had van driehonderd +vademen en deze zoodanig vernield was, dat herstelling ondoenlijk bleek +en een overgang daardoor onmogelijk. + +De Keizer zag zich thans van alle kanten ingesloten en opdat geen zijner +standaards als zegeteeken in handen van den vijand mocht vallen, liet +hij de adelaars van alle corpsen verzamelen en verbranden. + +Den 24sten vernam Napoleon, dat de overtocht alleen mogelijk zou zijn +bij Studianka, waar de stroom slechts 54 voet breed en zes voet diep is, +doch dat men op den anderen oever in een moeras terecht kwam, onder het +vuur van den vijand, die daar een zeer overheerschende stelling had +ingenomen. + +De Keizer begaf zich nu onverwijld met zijn leger in de donkere en +uitgestrekte bosschen van de provincie Minsk, waar slechts enkele +gehuchten en ellendige woningen hier en daar nauwelijks een open ruimte +hadden gelaten. Het kanon van Witgenstein deed zich daar hooren. Deze +Rus, van het Noorden komend, trok op de rechterflank van het stervende +leger aan; tevens begon het weer te vriezen. Het dreigend kanongebulder +verhaastte den tocht. Veertigduizend mannen, vrouwen en kinderen volgden +het leger door deze bosschen, zoo snel als hun zwakte en het ijs dat +zich weer vormde, hun veroorloofde. + +Deze geforceerde marschen, die bij het aanbreken van den dag begonnen +en bij het vallen van den avond nog niet ophielden, deed den weinigen +samenhang, die er nog bestond, geheel verdwijnen. In de duisternis dier +onmetelijke bosschen en der lange nachten, raakte men elkander kwijt. +Des avonds werd er halt gehouden; tegen het aanbreken van den dag begaf +men zich weer op marsch, in de duisternis, op den gis en zonder het +signaal af te wachten; wat er nog van de corpsen overgebleven was, bleek +niet meer bijeen te krijgen; in de grootste verwarring liep alles door +elkaar. + +In dit laatste stadium van verzwakking en wanorde in de nabijheid van +Borizof gekomen, hoorde men in de verte luide kreten. Het was het leger +van Victor, dat door Witgenstein langzamerhand naar de rechterzijde van +de Fransche hoofdarmee toegedrongen was. Het wachtte het voorbijtrekken +van Napoleon af. Dit leger bestond nog in zijn geheel en verkeerde in +een goeden toestand. Het zag zijn Keizer terug en begroette hem met den +gebruikelijken uitroep, die bij Napoleons krijgers zelf reeds lang +vergeten was. + +Men was daar van hun tegenspoeden onkundig gebleven; zij waren +zorgvuldig verborgen gehouden; zelfs voor de officieren. + +Toen zij dan ook in plaats van het zegevierende leger van Moscou, +achter Napoleon dien sleep van uitgeputte gedaanten ontwaarden, gekleed +in lompen, vrouwenpelzen, stukken tapijt of smerige mantels, verschroeid +door het bivakvuur en vol gaten, terwijl de meesten hun voeten hadden +omwikkeld met vodden van allerlei aard, werden zij er ten hoogste door +ontsteld. Met schrik zagen zij die ongelukkige, uitgemergelde soldaten +voorbijtrekken, met vuile gezichten, afschuwelijke baarden, zonder +wapens, zonder schaamte, zich met moeite voortslepende, met hangende +hoofden, de oogen op den grond gevestigd, zwijgend als een troep +gevangenen. + +Wat het meest verwondering wekte, was het zien van de talrijke +verspreide, alleenloopende kolonels en generaals, die zich enkel met +zichzelf bemoeiden en wier eenig doel nog was, hun persoon te redden; +zij marcheerden te midden van soldaten, die hen niet eens bemerkten, die +zij niets meer te bevelen hadden; alle banden waren verbroken, alle +rangen uitgewischt door de ellende. + +De soldaten van Victor konden hun oogen niet gelooven. Hun officieren, +door medelijden bewogen, hielden met tranen in de oogen hun kameraden, +die zij herkenden, staande. Zij ondersteunden dezen met levensmiddelen +en kleeren; vroegen hun waar hun corps was gebleven. En wanneer het hun +dan gewezen werd, zagen zij in plaats van zooveel duizend man, slechts +een zwak peloton officieren en onderofficieren om een chef; zij moesten +er nog naar zoeken. + +En evenwel twijfelden zelfs de ongewapenden, de stervenden niet aan de +overwinning, hoewel zij er niet onkundig van waren, dat zij een rivier +over moesten en zich door een nieuwen vijand hadden heen te slaan. + +Het was niet meer dan de schaduw van een leger, doch het was de schaduw +van het Groote Leger. Men voelde zich slechts overwonnen door de natuur. +Het gezicht van hun Keizer gaf hun nog vertrouwen. Sedert lang was men +al niet meer gewend op hem te rekenen om te kunnen leven, doch wel om te +overwinnen. Het was de eerste noodlottige veldtocht, en er waren zoovele +gelukkige gevoerd. Als men nog maar de kracht had om hem te volgen, kon +hij alleen hen nog redden. + +In de achterhoede marcheerde thans de generaal Victor met vijftien +duizend man; de voorhoede van vijfduizend man, onder Oudinot, was reeds +tot aan de Berezina genaderd; de Keizer bevond zich tusschen beiden in +met zevenduizend man, veertigduizend achterblijvers en een langen sleep +van voertuigen en artillerie. Zoo bereikte het leger de Berezina. + +Onder bevel van den generaal der genie Eblé rukt nu het overschot der +pontonniers, ongeveer vierhonderd man, benevens enkele sappeurs, naar de +aangewezen plaats voor den overtocht, om hier het werk, door Oudinot's +mannen reeds begonnen, te voltooien. Van het pontonmateriaal, dat +men bij Orcha op Napoleon's bevel moest vernielen, had Eblé zes +voorraadwagens met gereedschap, spijkers, klampen, in één woord al de +benoodigdheden voor den bouw van twee schraagbruggen, benevens twee +veldsmidsen, alle voertuigen goed bespannen, alsmede twee karren met +steenkolen weten te redden. De huizen van Studianka zouden het noodige +hout leveren. + +In den namiddag van den 25sten kwam dit detachement ter plaatse aan. +Een compagnie was bij Oukoholda achtergelaten, die al het mogelijke +moest doen om den vijand van Studianka weg te lokken en in den waan te +brengen, dat men bij eerstgenoemde plaats den overgang beproeven wilde. +Deze schijnbeweging, meesterlijk uitgevoerd, had het gewenschte +resultaat; de vijand liet zich er door verschalken. + +Napoleon, in zijn ongeduld, had verlangd dat de bruggen nog dien avond +gereed zouden zijn. Met geen mogelijkheid echter kon hieraan worden +voldaan, want ondenkbaar waren de moeilijkheden, waarmee de pontonniers +bij hun arbeid hadden te kampen. Vermits er hoegenaamd geen vaartuig +voor handen was, moesten zij vier aan vier telkens met een schraag te +water gaan en deze in de modderige en ongelijke rivierbedding zóódanig +bevestigen, dat de kopstukken van al de schragen zich in hetzelfde vlak +bevonden om het daarover te brengen dek de vereischte horizontale +richting te geven. Het kostte een ongehoorde inspanning. Want tot +overmaat van ongeluk was, door het wassen van de rivier, de doorwaadbare +plaats zoo goed als geheel verdwenen. De beklagenswaardige kerels +moesten soms tot aan den hals in het water de ijsschotsen van zich +afhouden, die met den stroom kwamen afdrijven. Verscheidenen hunner +stierven reeds onder den arbeid van koude of werden door het ijs, dat +door den hevigen wind werd voortgestuwd, reddeloos meegesleept. + +Eblé is later te Koningsbergen van uitputting gestorven. Van zijn +dapperen, meerendeels Hollanders, hebben geen twaalf het vaderland +teruggezien. Opgeofferd hebben zij zich, die mannen! Zij hadden dan ook +met alles te kampen, behalve met den vijand. Het weer was juist streng +genoeg om den overtocht zoo bezwaarlijk mogelijk te doen zijn, zonder +dat het ijs er door ging vastzitten of dat het moerassige terrein waarin +men terecht kwam, er meer vastheid door verkreeg. + +Twee bruggen zouden worden geslagen, ongeveer tweehonderd meter van +elkander, de rechter voor de ruiters en de voetgangers, de andere voor +de voertuigen en het geschut. Hoewel zij geen ander voedsel kregen +dan een stuk gekookt paardevleesch zonder zout, hoewel het water zich +op hun armen, beenen en borst als ijskorsten vastzette en hun hevige +pijn veroorzaakte, bleven de pontonniers onafgebroken aan het werk. +Drieentwintig schragen werden voor elke brug te water gebracht, waarover +vervolgens een dekvloer werd gelegd van balken en planken, die echter de +vereischte afmetingen niet hadden en dus nieuwe moeilijkheden gaven. Met +boomschors, hennep en hooi werd eindelijk de dekvloer belegd, om sterkte +en samenhang te geven aan het geheel. + +Den volgenden dag, om één uur, was de eerste brug voltooid; de overtocht +kon beginnen. Een divisie kurassiers opende den trein, dan kwamen drie +Zwitschersche regimenten. De enkele kozakkenposten, die zij aantroffen, +werden over de kling gejaagd of verstrooid. Op ernstigen weerstand werd +aanvankelijk nergens gestooten. + +Onafgebroken werd de overtocht nu voortgezet. Op den rechteroever kwam +Oudinot al spoedig in gevecht met een Russische divisie, welke zich in +allerijl tegenover hem begon te ontwikkelen doch teruggedreven werd. +Zembin met de lange bruggen door het moeras aldaar werd vervolgens +bezet. De veilige terugtocht van het Fransche leger was hiermee +voorloopig verzekerd. + +Om vier uur was ook de andere brug gereed. De zwakke constructie, het +gebrekkige materiaal, de slappe bodem en de geweldige vrachten die zij +te torschen kreeg waren echter oorzaak, dat zij in de volgende dagen bij +herhaling onbruikbaar werd; dat stukken er van met schragen, voertuigen +en al, door het water werden verzwolgen en dat de pontonniers telkens +uit hun welverdienden slaap moesten opgewekt worden, om weer in het +ijskoude water af te dalen en de schade te herstellen. De eerste brug +behield haar samenhang onder den last der overtrekkende troepen; maar +herhaaldelijk moest de dekvloer hersteld worden, wijl de paarden er +doorheen trapten. + +Intusschen had Maarschalk Victor in last, om met zijn corps den +overtocht tegen de aanvallen der Russen te beschermen. Zijn generaal +Partouneaux was met een divisie in Borizof door hem achtergelaten om er +den aandringenden vijand te keeren, de talrijke achterblijvers die zich +in de stad bleven ophouden, voor zich uit te drijven en zich tegen den +avond weer met het corps van Victor te vereenigen. Tot deze divisie +behoorden ook twee Hollandsche regimenten en Ros, alsmede Jakob +Stargardt en Reinier Vermaat, de beide ritmeesters zonder ruiterij, +waren met nog andere Hollanders, daarbij ingedeeld. Willem en moeder +Jane, in de verwachting daar veiliger te zijn dan onder de tallooze +ongewapende achterblijvers, hadden zich bij deze Hollandsche krijgsmacht +aangesloten. Zij vermoedden niet, evenmin als de soldaten zelf het +deden, dat deze troepen bestemd waren om opgeofferd te worden. + +In den namiddag bemerkte Partouneaux, dat de voorhoede van Witgenstein +reeds tot op den weg tusschen Borizof en Studianka was doorgedrongen, +en dat hij dus was afgesneden. Ofschoon hij slechts over drie kanonnen +en 3500 man beschikken kon, besloot hij onmiddellijk, zich er doorheen +te slaan; hij nam zijn maatregelen en begaf zich op marsch. + +Aanvankelijk had hij te kampen met een glibberigen weg, die geheel +ingenomen was door voertuigen en vluchtelingen, met een hevigen, +ijskouden wind waar men recht tegen in moest, bovendien met de +duisternis. Weldra kwamen nog duizenden schoten van den vijand, die de +hoogten aan zijn rechterhand bezet had, zijn tegenspoed vermeerderen. +Zoolang hij van terzijde werd beschoten, bleef hij zijn marsch +vervolgen, doch het duurde niet lang of hij ontving ook vuur in front +van een talrijken vijand, die zich daar opgesteld had en wiens kogels +niet alleen het hoofd maar ook den staart zijner colonne troffen. + +De ongelukkige divisie bevond zich in de laagte; een lange trein +van vijf- tot zeshonderd voertuigen belemmerden zijn bewegingen; +zevenduizend achterblijvers, huilende van ontzetting en wanhoop, drongen +zich tusschen zijn zwakke gelederen. Zij verbraken ze, veroorzaakten +wanorde in de pelotons en sleepten in hun verwarring nieuwe soldaten +mee, die den moed begonnen te verliezen. Om zich te verzamelen en een +betere opstelling te zoeken, moest men weer omkeeren, doch hierdoor +stootte men op de kozakken van Platof. + +Reeds was de helft der soldaten bezweken, terwijl de vijftienhonderd +overblijvenden zich ingesloten zagen door drie legers en een rivier. +Toch wil Partouneaux nog een laatste poging wagen en zich een bloedigen +weg naar de bruggen banen. + +Dáár ontvangt hij uit zijn voorhoede de tijding, dat de bruggen bij +Studianka in brand staan. Partouneaux gelooft dit onjuiste bericht, +hij acht zich verlaten, overgeleverd en laat nu zeggen dat men, onder +begunstiging van de duisternis, bij kleine groepjes langs 's vijands +flank moet trachten te ontkomen. + +Jakob Stargardt en de zijnen behoorden dien ten gevolge tot een groep +van een man of vijftien, die een steile, boschrijke hoogte hadden +beklommen, hopende in het donker door het leger van Witgenstein heen te +kunnen sluipen en zich met Victor te vereenigen. + +Doch waar zij zich ook wenden, van alle kanten bespeuren zij den vijand. +Lange colonnen van voertuigen en benden ordelooze soldaten vluchtten +langs verschillende richtingen naar Studianka. De kleine schare, door +een dezer meegesleept, vergiste zich in den weg en daar zij zoodoende +den weg dien het leger gevolgd had rechts lieten liggen, kwamen zij +geheel bij toeval aan den oever der Berezina. Zij hóórden het aan het +op elkander schuren der ijsschotsen. Zij volgden nu de rivier langs al +haar bochten en begunstigd door het gevecht van hun minder gelukkige +kameraden, door de duisternis en zelfs door de moeilijkheden in het +terrein, wisten zij in stilte den vijand te ontkomen. Veilig bereikten +zij de plaats van overgang, maar op dat oogenblik heerschte daar de +afschuwelijkste verwarring. + +Het Groote Leger had twee dagen en twee nachten beschikbaar gehad voor +den overtocht. In den eersten nacht was de brug voor de voertuigen +tweemaal stuk geraakt; bij gebrek aan bouwstoffen had dit den overtocht +zeven uur vertraagd. Omstreeks vier uur in den namiddag van den 27sten +brak zij voor de derde maal. Opnieuw werd zij hersteld. Maar in plaats +van den overtocht nu voort te zetten, bleven de bruggen geheel verlaten. +De achterblijvers hadden zich naar het dorp Studianka teruggetrokken; al +de houten huizen waaruit het bestond gesloopt en alzoo het geheele dorp +in een onmetelijk bivak veranderd. Honger en koude hadden er die +ongelukkigen heen getrokken. Het was onmogelijk hen er vandaan te +krijgen en zoo ging opnieuw weer een gansche nacht voor den overtocht +verloren. + +Toen, in den morgen van den 28sten, deden plotseling de vereenigde +Russische legers op de armzalige krijgsmacht der Franschen een hevigen +aanval. De achterblijvers, bevangen door een wilden schrik, vluchtten +thans in dolzinnige haast naar de bruggen. Van alle zijden drongen zij +op elkaar in en weldra vormde die ontzettende menigte daar aan den +rivieroever, met de talrijke paarden en voertuigen, een geweldige +versperring. Tegen den middag sloegen de eerste vijandelijke kogels in +dien chaos neer; zij waren het signaal tot een algemeene wanhoop. + +Het was in dit oogenblik, dat de kleine troep van Jakob Stargardt en de +zijnen het terrein van den overgang was genaderd. Dicht aaneengedrongen +bleven zij aanvankelijk stilstaan op den oever, met angstige bezorgdheid +het gunstige oogenblik bespiedend, om zich te midden van den golvenden +stroom van menschen, paarden en voertuigen te wagen, die aanhoudend naar +de bruggen vloeide. + +Zij zagen hoe sommigen, woedend en niets ontziende, zich met de sabel in +de hand een afschuwelijken doortocht openden. Anderen zagen zij een nog +wreeder weg zich banen; met hun voertuigen reden zij onbarmhartig door +die menigte van rampzaligen heen, die zij verpletterden. Door walgelijke +hebzucht gedreven, offerden zij hun metgezellen in het ongeluk op, ter +wille van hun bagage. Anderen, door een weerzinwekkende vrees bevangen, +schreiden, jammerden en bezweken; de schrik had hun laatste krachten +uitgeput. + +Huiverend van koude bracht ons troepje verscheidene uren door met op en +neer van de eene brug naar de andere te gaan en twintig en meermalen, +dicht aaneengedrongen, opnieuw den overtocht te beproeven. Maar iederen +keer weken zij terug, wanneer een nieuwe onweerstaanbare menschenmassa +vooruit stroomde en het ontzettend gedrang nog vermeerderde. + +Velen van die zich vooraan bevonden in die massa vertwijfelden en van de +brug afgedrongen werden, beproefden haar langs de kanten te beklimmen, +doch de meesten kwamen in het water terecht. Zij zagen vrouwen met hun +kinderen in de armen te midden van ijsschotsen, hen omhoog heffende +naarmate zij zonken; reeds ondergedompeld, trachtten zij ze nog met hun +verstijfde armen boven water te houden. + +Te midden van die ontzettende verwarring zakte de brug voor de +artillerie in elkaar. Zij, die er zich op bevonden, wilden terugkeeren, +de ontzaggelijke menschenstroom die achter hen was en het ongeluk niet +bemerkte, luisterde niet naar de angstkreten der voorsten, drong hen +vooruit en in de opening, waar zij op hun beurt in geduwd werden. Toen +snelde alles naar de andere brug. Een groot aantal kruitwagens, zware +voertuigen en vuurmonden kwamen van alle zijden aanrijden. Door hun +geleiders voortgedreven, reden zij van een steile, oneffen helling in +sterken gang plotseling door die menschenmassa heen, vermorzelden de +ongelukkigen die zich in hun weg bevonden, terwijl anderen door den +schrik van de been geraakten en in hun val sloegen en grepen naar +degenen die in hun nabijheid waren. Geheele rijen radelooze menschen +vielen zoodoende op elkaar, raakten in elkaar verward en werden vertrapt +door anderen, die evenzoo werden opgedrongen; men vernam slechts kreten +van smart en woede. In het ontzettend gedrang stelden zij, die onder den +voet waren geraakt en bijna stikten, zich wanhopig te weer met nagels en +tanden. Zonder medelijden sloegen en stompten de aangevallenen van zich +af, alsof zij met vijanden te doen hadden. Het afgrijzelijk rumoer dat +uit die wriemelende menigte opsteeg, vermeerderd met het loeien van +den storm, het gedonder van het geschut, het springen van granaten, het +uitbraken van verwenschingen en vloeken, maakte die ordelooze bende doof +voor de klachten der slachtoffers die zij vertrapte. + +Eindelijk toch scheen voor Jakob Stargardt en de zijnen het gunstig +oogenblik daar, om te trachten, den overkant te bereiken. De kloeksten +van den hoop vormden de spits: als een wig moesten zij door de woelende +menigte klieven. Zij bereiken de brug. Met den stormpas rukken zij nu +vooruit. In een oogenblik zijn zij een tiental schreden voortgedrongen. +Onweerstaanbaar wringt zich de kleine schaar in den dichten, verwarden +hoop, maar weldra stuit zij in die wriemelende menschenmassa; zij golft +met haar heen en weer, machteloos worstelend tegen den drang, die haar +gelederen dreigt te breken, in den stroom te werpen, of onder den voet +te treden. + +Over hoopen gewonden, halfgestikte vrouwen en kinderen, duwden de +volgenden hen vooruit. Vergeefs dat moeder Jane met gillende angstkreten +haar beide zoons toeriep, waarvan zij zich plotseling zag losgerukt en +die zij onmogelijk weer bereiken kon. Zij strekte de armen naar Jakob en +Willem uit, smeekte om haar dóór te laten en zich weer bij haar kinderen +te mogen voegen; doch links en rechts door de menigte opgedrongen, aan +alle kanten geduwd en gestompt, viel zij neer als zoovele anderen. + +Maar de oude Ros, die ook van het troepje was afgescheurd, wist haar te +grijpen en met haar voort te dringen. Jakob strekte zijn handen nu naar +zijn moeder uit en werkelijk gelukte het hem, haar weer met hun troepje +te vereenigen. Maar in 't zelfde oogenblik werd Ros door een kanonskogel +allervreeselijkst verminkt. Jakob poogde hem op te vangen; de oude +krijgsman kon echter geen woord meer uitbrengen; enkel bewoog hij met +moeite de lippen en zijn machtelooze hand sloot zich om die van zijn +meester en vriend met een zachten druk. Een smartelijk lachje zweefde +over zijn bleek gezicht, toen zonk hij zielloos neer. + +Op dit oogenblik bevond de kleine troep zich midden op de brug. Dáár +klinkt eensklaps, boven het rumoer van zoo vele duizenden jammerstemmen, +boven den aanhoudenden donder van het geschut en het geknetter der +geweren van Victor's korps, strijdende met Witgensteins macht,--een +doordringende kreet: »~De cavalerie!~" + +Ongeveer dertig ruiters van alle wapens, en daaronder vele officieren, +stuiven de brug op, met opgeheven sabel; zij drijven hun vermagerde +paarden met spoorslagen in de op elkaar gedrongen menigte; houwen links +en rechts om ruimte te maken; werpen alles voor zich neer en zijn in +een oogwenk midden op de brug. Maar daar worden zij in hun woeste vaart +gestuit. Als een niet te ontwarren kluwen staan de veertien vereenigden +rug aan rug tegen elkaar gedrongen, vast besloten tot een wanhopige +verdediging. De moedige houding van het hoopje bleek ontzag in te +boezemen; maar in zijn gevaarlijken toestand, daar zoo midden op de +brug, kon de weifeling bij den ruitertroep niet lang duren. + +»~Vooruit!~" klonk een gebiedende stem: »~Er op in!~" + +Nu volgde een gevecht, waarbij de gevechten met den vijand in +verwoedheid niet waren te vergelijken. + +Jakob streed als nog nooit te voren; hij had zich voor zijn moeder +geplaatst, om haar met zijn lijf te beschutten. Een oogenblik verloor +de marketentster het evenwicht, struikelend door een verschoven plank +of een opening in den dekvloer. Zij dreigde te midden der woelende +ijsschotsen in het donkere water te storten, dat al zoo menig +slachtoffer verslonden had. Maar Willem sloeg zijn arm om haar heen en +redde haar nog tijdig uit dit gevaar. + +De worsteling duurde slechts een oogenblik; de ruiters, op ~hun~ beurt +gedrongen door de massa die achter hen opzette, hieuwen als razenden +er op in, en--braken een bres in den kleinen phalanx. Sommigen van het +veertiental werden overhoop gereden; anderen stortten in de rivier; +Jakob bleef als een schaduw zijn moeder nabij; opgestuwd raakten beiden +steeds verder voort door het gedrang. Nog waren zij slechts een tiental +schreden van den overliggenden oever verwijderd--daar voelde Jakob een +schok in zijn rug, die hem bijna voorover wierp en hem zijn moeder deed +loslaten. Door een schier bovenmenschelijke inspanning gelukte het +hem, zich overeind te worstelen. Maar op hetzelfde oogenblik drong een +kurassier zijn reusachtig ros op hem in en scheen hem onder den voet te +willen rijden. + +Jakob greep de teugels van het paard en deed het eenige schreden +achteruit wijken. Maar de ruiter gaf het dier de sporen en deed met +zijn lange sabel een woedenden houw naar zijn tegenstander. Deze echter +ontweek den slag en rukte zoo geweldig aan den teugel, dat het paard een +oogenblik op zijn achterbeenen werd neergedrukt. + +Terwijl de zóón op die manier worstelde met den ruiter, geraakte de +móeder opnieuw in het gedrang. Zij hield echter met de kracht der +wanhoop een punt van zijn kleeren in de hand, en zoolang Jakob die hand +voelde, bleef hij omzichtig verkennen hoe hij zijn moeder zoo goed +mogelijk door alle gevaren zou heenvoeren. + +Maar opeens, terwijl hij den teugel van het ros nog vasthield, klonk, +vlak bij hem, een doordringende vrouwengil, die hem door merg en been +ging. Hij wendde het hoofd en zag iemand van de brug in het water +storten--het was Willem! Een gevoel als zonk eensklaps het waggelend +bruggedek met hem in diepte, overviel Jakob op dat vreeselijk gezicht; +het bloed vloog hem naar het hoofd, bruiste en kookte in zijn hersenen +en benevelde zijn blik... Hij liet den teugel glippen. + +De kurassier dreef zijn paard aan; het dier sprong onder de felle +spoorslagen stijgerend op, gereed om over Jakob Stargardt en zijn moeder +en al wie zich maar in den weg bevinden mocht, naar den oever te rennen. + +»Ellendige hond!--dat zal je ontgelden!" riep Reinier nu woedend. Met +de kracht der razernij omklemden zijn armen het been van den ruiter en +hij wierp den man letterlijk uit het zadel. Het paard werd door zijn +berijder, die de teugels krampachtig in zijn vuist besloten hield, mee +getrokken, en ruiter en ros stortten over elkander in den stroom. + +Juist in dit oogenblik sloegen er opnieuw eenige kanonskogels in de +verwarde, weerlooze menschenmenigte neer. Een wilde opstuwing was er het +gevolg van; en geperst en mee gesleurd kwamen Reinier, de marketentster +en Jakob daardoor, over lijken en stervenden, aan den anderen oever. +Daar vonden zij Willem die, door den korten afstand, er in geslaagd was +den kant te bereiken. Hij klappertandde van koû en zijn natte kleeren +begonnen reeds te bevriezen, waarom het viertal besloot, zoo spoedig +mogelijk naar Zembin te gaan, waar het overschot van het Groote Leger +heen trok of zich reeds gedeeltelijk bevond. + +Eerst laat in den avond kwam een einde aan het gevecht, dat herhaalde +malen in een gruwelijk handgemeen ontaard was. De Russen gingen terug; +zij waren op alle punten geslagen, ja, half vernietigd. Om negen uur +begon Victor den afmarsch over de bruggen, nadat zijn soldaten zich +met geweld een weg hadden moeten breken door de gillende, jammerende +menschenmassa die zich, met voertuigen en losse paarden bont dooreen, +aan de toegangen verdrong en die den kostbaren tijd om de rivier over te +komen den vorigen dag had laten verloren gaan. + +Om één uur in den nacht had de laatste afdeeling van Victors mannen +den overkant bereikt. Slechts eenige duizenden achterblijvers bevonden +zich toen nog ongewapend op den linkeroever; en den volgenden morgen om +half negen liet Eblé, die uit medelijden met al die rampzaligen met de +uitvoering van 's Keizers bevel zoo lang maar eenigszins mogelijk was +gewacht had, de bruggen in brand steken. Een uur later bestonden zij +niet meer.--Toen kwamen de kozakken met hun ijzingwekkend _hoera!_... + +Op dezelfde wijze liet de Keizer handelen met de bruggen bij Zembin +door de moerassen aldaar; doch de vorst viel weer in en maakte al zijn +pogingen om zich de Russen hierdoor van het lijf te houden doelloos. +Deze naderden thans over het ijs. + +Na den tocht over de Berezina kwam het Fransche leger zoo goed als +volslagen tot oplossing. Binnen drie dagen slonk het effectief der +strijdbare manschappen weg tot beneden de negenduizend. Ney voerde weer +de achterhoede aan. + +Niet ver van Molodecno, den 3den December, zagen de vier Amsterdammers +Keizer Napoleon voor het laatst van hun leven. Hij droeg een pels van +marterbont en had een bonten muts op het hoofd. Zijn koets volgde op +korten afstand. Zij herkenden hem door eenige officieren, die in zijn +omgeving waren. Geen enkel »leve de Keizer" waaraan de groote veldheer +zoo gewend was, werd gehoord. + +In Molodecno wisten zij eenige levensmiddelen te bekomen. Het was toen +een heldere winterdag en de koude was dragelijk. Tot hiertoe was de weg, +hoewel moeilijk, niet door een zoo talrijk aantal lijken afgeteekend +als vóór de Berezina. Deze vermindering was te danken aan Ney, die den +vijand op een afstand wist te houden, aan de meer dragelijke natuur, aan +eenige hulpbronnen die een minder verwoeste landstreek opleverde en ten +slotte aan de omstandigheid, dat het de krachtigsten waren, die de +overzijde van de Berezina hadden weten te bereiken. + +De groote massa vluchtelingen had zich reeds lang verdeeld in kleine +troepen van hoogstens acht tot tien man. Verscheidene dezer beschikten +nog over een paard, dat bepakt was met hun levensmiddelen of, bij gebrek +hiervan, zelf daartoe moest dienen. Lompen, eenig keukengereedschap, een +zak en een stok, dit was de uitrusting, de bewapening van de meesten +dier ongelukkigen. In niets geleken zij meer op soldaten, zij bezaten +geen uniform, geen wapens meer; noch den wil, andere vijanden te +bestrijden dan honger en koude; het eenige wat hun nog restte was de +standvastigheid, de gewoonte om gevaren en lijden te verdragen, zoo ook +een steeds vaardigen geest om in hun toestand van alles zoo veel +mogelijk partij te trekken. + +Te Smorgoni schreef de Keizer eigenhandig zijn laatste bulletin, het +29ste, en verliet daarna in den vroegen morgen zijn stervend leger. + +Bezorgd, om bij een gevreesden afval der Pruisen tegengehouden te +worden, snelde hij, in een eenvoudige slede en vergezeld van slechts +weinigen, door Polen, Silezië en Saksen, naar den Rijn en verder naar +Parijs, waar hij in den nacht van den 18den December onverwachts +aankwam, twee dagen na de verschijning van zijn 29ste bulletin. + +Eén reusachtig, hartverscheurend drama vormde de terugtocht van het +Groote Leger over Wilna naar den Niemen, nadat Napoleon was heengegaan. +Aan honderden, die door zijn tegenwoordigheid tot nog toe zedelijk waren +geschraagd, ontzonk thans eensklaps de moed. Velen vervloekten hem. +Anderen keurden zijn handelwijze volkomen goed. Het leger redden stond +niet meer in zijn macht; dit leger was gedoemd om onder te gaan en bij +een veldheer en een vorst als hij behoorde, meenden zij, het belang van +den staat te gaan boven het gevoel. + +Van krijgstucht was echter thans geen schijn of schaduw meer. Reeds in +den nacht van Napoleons vertrek had een generaal geweigerd, om aan Murat +te gehoorzamen, en weldra nam niemand meer bevelen aan--ieder meende +verplicht te zijn, voor zichzelf te zorgen. Geen menschelijkheid, geen +verbroedering meer; de honger had alle gevoel verstompt. Zooals onder de +wilden de sterksten de zwakkeren berooven, zoo wierp men zich op zijn +stervende metgezellen, meermalen niet wachtend zelfs op hun laatsten +snik. Als een paard neerstortte, zou men gemeend hebben een troep +hyena's te zien; tal van ongelukkigen verdrongen er zich omheen, rukten +het in stukken en betwistten ze elkaar als verscheurende dieren. + +En toch waren er nog enkelen, die ondanks al hun ellende, de zwaksten +beschermden en ondersteunden, doch dezen waren zeldzaam. + +Den 6den December, den dag nadat Napoleon vertrokken was, werd +plotseling de koude weer feller dan ooit. Het vroor zóó hard, dat vogels +verstijfd en dood op den grond vielen. Vooral Willem had er veel onder +te lijden. Na het ijskoude bad in de Berezina was hij nooit recht gezond +meer geweest en zijn weerstandsvermogen bleek dan ook lang zoo groot +niet als van de drie anderen. Weldra kon hij geen schoenen meer dragen +omdat van zijn beide voeten de teenen waren bevroren: hij moest ze toen +vervangen door hazenvellen en oude lompen. Tot overmaat van ongeluk +kreeg hij den volgenden dag een geweerkogel in het rechterbeen; de +wond was echter niet van zoo ernstigen aard, of hij bleef dien dag +met de anderen voortsukkelen; doch onder steeds heviger pijn. Want de +vellen en lompen om zijn voeten, doorweekt met het bloed uit zijn wond, +waren spoedig bevroren. 's Avonds, bij het bivakvuur, was dan ook zijn +eerste werk, zijn voetlappen los te maken, want de pijn was in 't laatst +ondragelijk geworden. + +[Illustratie: ... en ruiter en ros stortten over elkander in den +stroom.] + +Hij bevond zijn teenen in een ellendigen staat; de wond in zijn been +bleek echter van weinig beteekenis. Jakob nam nu het hemd, dat hij nog +schoon in zijn ransel had, scheurde het aan strooken en verbond daar +Willems voeten mee. Dit scheen hem heel wat op te frisschen zoodat hij +er eenige rust door genoot. Den volgenden morgen echter kon hij niet +voortgaan, zonder beurtelings ondersteund te worden door de anderen; en +nog geen dag later was de ongelukkige reeds van vermoeidheid, koude en +ontbering bezweken. + +Treurig en met de wanhoop in 't hart vervolgden de drie overgeblevenen +hun weg... In den dampkring was niet de minste beweging; het scheen of +alles in de natuur, zelfs de wind, door de felle koude was aangetast +en als verstijfd door een algemeenen dood. Hun volharding en +uithoudingsvermogen werden op een zware proef gesteld; nu eens zakten +zij in de sneeuw weg, dan weer bood de spiegelgladde oppervlakte geen +enkelen steun; bij iederen stap gleden zij dan uit en moesten onder +gedurig vallen voorwaarts zien te komen; het was alsof die vijandige +bodem weigerde hen te dragen, en hun weg met opzet bemoeilijkte om de +ongelukkigen over te leveren aan de nog maar altoos hen vervolgende +Russen of aan de barheid van het klimaat. + +Hun oogen waren rood en ontstoken door gebrek aan slaap, door die +aanhoudende witheid van sneeuw om hen heen en den rook der bivakvuren. + +Zwijgend en somber gingen de drie zwervelingen naast elkander voort; +ook om hen heen hoorden zij thans geen stemmen, geen gemor meer; in dit +rijk der dooden bewoog men zich als rampzalige schimmen voorwaarts: het +gedempt en eentonig geluid hunner schreden, het gekraak van de sneeuw +en de zwakke zuchten der stervenden, waren het eenige wat die algemeene +stilte verbrak. Nu geen toorn, geen verwenschingen meer; nauwelijks +bezat men nog de kracht, om hulp te smeeken; de meesten van hen die +niet meer verder konden vielen neer zonder kreet of klacht, hetzij uit +zwakte of uit berusting. + +Moeder Jane voelde met den dag haar krachten slinken en met angst nam +zij waar, hoe ook haar zoon en hun vriend al zwakker, al magerder +werden. + +En toch, geen hunner durfde rusten, zoolang hij nog maar éénigszins +voort kon gaan. Want, honderdmaal reeds hadden zij het gezien, wie +rusten gingen gaven zich over aan den dood. Nauwelijks toch waren +zij gaan zitten, of terstond greep de winter hen aan. Dan was het +te vergeefs dat die ongelukkigen, voelende dat zij verstijfden, weer +opstonden en sprakeloos, versuft en half verdoofd als automaten eenige +passen voorwaarts deden... Zij waggelden en kwamen niet meer verder; uit +hun ontstoken oogen vloeiden in werkelijkheid bloedige tranen; hun borst +stootte diepe zuchten uit; zij zagen met een verschrikten, starenden +blik naar den hemel, vervolgens naar hun makkers en naar dien bevroren +grond. Hun knieën knikten; zij zonken er op neer, daarna op hun handen; +hun hoofd maakte nog een enkele beweging terwijl uit hun open mond +eenige stervensgeluiden kwamen; eindelijk raakte ook deze de sneeuw, +die dadelijk lichtrood werd gekleurd en hun lijden was geëindigd. + +Honderd maal wel hadden zij dit gezien en daarom--niet rusten, zoolang +zij nog een voet konden verzetten, maar vóórt, steeds voort, tot zij een +beschutting tegen den nacht bereikt hadden. + +Want bij die ontzettende koude was ieder verloren, die den nacht niet +onder een dak doorbracht, of althans aan een bivakvuur in de luwte der +bosschen. + +Meermalen reeds had ons drietal met over de honderd menschen in een +klein vertrek moeten doorbrengen. Spoedig volgde dan een ondragelijke +warmte, terwijl zij geplaagd werden door ongedierte en vuil, want in +verscheidene weken hadden zij zich niet gewasschen of verschoond; de +huid begon dan onduldbaar te jeuken, zoodat zulk een nacht moeilijker +door te brengen was dan de dagen met hun vermoeiende marschen. + +O, de vreeselijkste dingen hadden onze drie zwervers al beleefd! Geen +schuur aan den weg, of soldaten en officieren, allen wilden er binnen. +Zij hoopten en drongen er zich als beesten op elkaar om eenige vuren, +en daar zij de dooden niet van den haard konden wegkrijgen, gingen zij +er op zitten, om straks misschien zelf weer tot zetel van anderen te +dienen. Of nieuwe troepen kwamen en om het bezit van de schuur werd dan +dikwerf gevochten op leven en dood. + +Ja, het waren huiveringwekkende tooneelen, die het drietal soms had +bijgewoond. Op een der dorpen bijvoorbeeld, die zij waren doorgetrokken, +staken de soldaten geheele huizen van buiten in brand, enkel om zich +eenige oogenblikken te kunnen verwarmen. Door het schijnsel dezer +branden werden andere ongelukkigen aangelokt, die door de hevige koude +en de vele ontberingen tot razernij waren vervallen. Woest kwamen deze +bezetenen er op aangeloopen; tandenknersend en onder een helschen +schaterlach wierpen zij zich in den vuurpoel, waar zij onder +afschuwelijke stuiptrekkingen den dood vonden. + +Zulke afgrijzelijke tooneelen had het drietal reeds beleefd. Met het +Groote Leger was het zóó ver al gekomen, dat tusschen Smorgoni en Wilna +zelfs geen achterhoede meer bestond. Zij hadden Davoust, niet ver van +Osmiana, zich persoonlijk de grootste moeite zien geven om een peloton +uit alle wapens samen te stellen, ten einde aan de kozakken, die voor de +vervolgende Russische troepen uitzwermden, nog iets te kunnen vertoonen. +Hij beloofde hun gouden bergen en eindelijk was het hem gelukt een +honderdtal bijeen te brengen in twee gelederen; doch de maarschalk had +zich nog geen 500 pas verwijderd, of alles was weer uit elkander. + +In dezen staat van volkomen oplossing bereikte het vluchtende leger +eindelijk Wilna. Ongehoorde gruweltooneelen zijn ook dáár voorgevallen, +toen die benden uitgehongerde, van ellende en gebrek half waanzinnige +menschen voedsel verlangden, dat daar volop in de magazijnen was +opgehoopt, en--afgewezen werden omdat zij niet meer tot een corps +behoorden en dus niet van gewaarmerkte bons waren voorzien. Bij +gebrek aan bevelen zijn te Wilna duizenden gewonden en zieken--en +ziek waren bijna allen;--omgekomen van ellende naast magazijnen die +met levensmiddelen en kleedingstukken waren gevuld voor honderdduizend +soldaten! Eenige dagen later zouden die een buit worden voor de eveneens +half verhongerde kozakken die, voor de geregelde Russische troepen uit, +reeds den 10den December als een zwerm gieren om de stad begonnen te +zwerven. + +Onze drie Amsterdammers waren reeds in den avond van den 8sten binnen de +stad gekomen. Zoo brachten zij den nacht door in een herberg en sliepen +in een warme kamer na zich voor het eerst weer met brood en zelfs met +een flesch wijn verkwikt te hebben. Hoe heerlijk was het hun, toen +zij eindelijk zich weer in een bewoonbaar huis bevonden! Wat scheen +een behoorlijk gebakken brood hun een kostelijk voedsel! Welk een +onuitputtelijk welbehagen, het te kunnen opeten, zittende op een stoel +en onder de koesterende warmte van een kachel! Het scheen hun toe, alsof +zij van het einde der wereld gekomen waren, zoodanig had die reeks van +ellenden hen uit al hun gewoonten gerukt. + +Doch nauwelijks hadden zij een korten tijd van deze weldaden genoten, +toen het kanon der Russen al weer begon te bulderen. Alzoo vóórt! +rusteloos voort dus maar weer! + +Met groote dagreizen, die hun krachten geheel moesten uitputten, kwamen +zij de Russische voorhoede vooruit, die het vluchtende Fransche leger, +zonder zich zelf te desorganiseeren, niet geregeld volgen kon. + +Weldra kwam het drietal te Kowno. Dit was de laatste stad op Russisch +grondgebied. In den morgen van den 13den geraakten zij over den Niemen +en betraden, tusschen Wyrballe en Stallupönen, den Pruisischen bodem: Na +zes en veertig dagen onder de treurigste omstandigheden gemarcheerd te +hebben, zagen zij eindelijk een bevriend land terug. + +Zonder zich op te houden, zonder achter zich te zien, trokken de meeste +hunner lotgenooten de Pruisische bosschen in, en verspreidden zich +aldaar. + +Moeder Jane echter keerde zich om, teneinde nog éénmaal een blik te +werpen op het land, dat zij te nauwernood ontvlucht waren, waar zoo +véél ellende geleden was en--waar het overschot van haar oudsten jongen +rustte; tranen liepen haar langs de vermagerde wangen. + +Maar ook Reinier en Jakob wierpen een laatsten blik naar dat vreeselijke +Russische land, waarin zoovelen waren achtergebleven, die het met +zooveel vreugde en trotsch waren binnengerukt. + +»Kom, moeder, kom!..." zegt Jakob; het wordt hem daar op eenmaal zóó +nameloos wee, dat hij nu maar verder wil. + +Doch de marketentster schijnt zich niet los te kunnen rukken van deze +plek; het is, of zij het beeld daarvan voor immer in haar geest wil +opnemen. + +Dit was dan diezelfde oever, welke geschitterd had van die duizenden +bajonetten! Dit dezelfde grond die, slechts vijf maanden geleden, +op dien helderen Juli-morgen, haar had toegeschenen als veranderd in +heuvelen en dalen van bewegende menschen en paarden! Daar zag zij weer +diezelfde inzinkingen in het terrein, waar, onder een brandende zon, +de drie lange colonnes dragonders en kurassiers uit te voorschijn waren +gekomen als even zoovele stroomen van schitterend ijzer en staal!..... + +En nu?...: Soldaten, wapens, adelaars, paarden,--zelfs de zon en de +rivier die de krijgers met zooveel hoop en moed waren +overgetrokken,--alles is verdwenen! + +De Niemen is niet meer dan een uitgestrekte massa ijsschotsen, die door +den steeds in strengheid toegenomen winter in elkaar zijn geschoven en +vastgelegd. In plaats van de drie Fransche bruggen, die vijfhonderd +mijlen door de wakkere pontonniers waren meegevoerd en die met zulk een +stoutmoedige vaardigheid gelegd waren, bevindt er zich nu slechts een +enkele Russische brug. Van dat half millioen soldaten, die... + +»Komaan", dringt zij nu zelf opeens, »laten we verder gaan!" + +In Stollupönen vonden zij gelegenheid om ieder een paar warme sokken en +een paar wanten te koopen en aldus toegerust kwamen zij 's avonds om +acht uur nog te Gumbinnen. + +Met hun verzwakte lichamen hadden zij in acht dagen den weg van Wilna +naar hier afgelegd, een afstand van vijf en zestig uur gaans. + +Vergeefs poogden zij in Gumbinnen een onderkomen te krijgen. Toen +begaven zij zich naar het stadhuis, om een inkwartieringsbiljet. Doch +honderden van menschen verdrongen zich voor de kamer, waar de kwartieren +werden aangewezen en zij gaven den moed op, een biljet te krijgen. +Doodelijk vermoeid als zij waren, wilden zij nu in het stadhuis hier of +daar maar een hoekje opzoeken om den nacht door te brengen. De deuren +van het ruime gebouw waren gesloten, doch één deur ging open en zij +zagen een paar heeren aan lessenaars werkzaam. Jakob trad nu naar voren +en zei, in het beetje Duitsch dat hij indertijd in Pruisen had opgedaan: +»Mijne heeren, wij zijn ongelukkige Hollanders, twee ritmeesters en een +marketentster, die verschrikkelijk veel geleden hebben. Vergun ons, +dezen nacht aan uw heerlijk warme kachel door te brengen." + +Deze woorden gaven aanleiding tot een lang gesprek, waarin onze +zwervelingen aan die menschen, in een mengelmoes van Fransch en Duitsch, +hun ongelukken verhaalden. + +Het gevolg daarvan was, dat een der heeren hen in zijn huis nam, hoewel +het overvol van inkwartiering was. Hij verstrekte hun een matras, ja, +den volgenden morgen bezorgde hij hun zelfs een volledige verschooning. +Niets was het drietal aangenamer, dan zich het lichaam weer eens goed te +reinigen. + +Gesterkt door deze vriendelijke behandeling en hartelijk dank betuigend +aan hun braven gastheer namen zij afscheid. + +Een weinig later het stadhuis passeerend, wenkte hun een kolonel die hen +herkende en die daar juist op dat oogenblik een uitbetaling van eenige +soldij aan de officieren deed. Jakob en Reinier ontvingen ieder +driehonderd francs. + +Den 18den December bereikte het drietal Koningsbergen waar zij, van +al hun vermoeienissen en ellenden nu eindelijk eens heerlijk dachten +te bekomen. De winter, die hen tot daar had vervolgd, verliet hen +eensklaps; in één nacht steeg de thermometer twintig graden. Die +plotselinge overgang was velen noodlottig. Een aantal soldaten en +generaals, die zich tot nog toe op de been gehouden hadden, verslapten +eensklaps en geraakten tot verval van krachten. Velen bezweken. Iederen +dag, ieder uur ontstelde men op het vernemen van nieuwe verliezen. + +Ook voor onze Hollandsche zwervelingen werd die plotselinge overgang van +temperatuur noodlottig. Den volgenden morgen reeds lagen zij alle drie +doodziek in het hospitaal. + + + + +Vijftiende Hoofdstuk. + +Weer thuis. + + +Sedert Napoleon met zijn machtig leger Rusland binnengetrokken was, +vernam men te Amsterdam herhaaldelijk het gedreun van een en twintig +achtereenvolgende kanonschoten. + +»Alweer een overwinning!" riepen Bert en Bruno dan en zij snelden naar +de Doelenstraat, waar zij wisten, dat geregeld het nieuwste +oorlogsbulletin werd aangeplakt. + +Maar hun moeder zuchtte: »Onze arme Reinier!... Misschien heeft hem die +overwinning wel het leven gekost... Of mogelijk is hij zwaar gewond... +Ach wie weet, wat er van onzen armen jongen en zijn vriend en van die +wakkere vrouw Stargardt geworden is!..." + +Zoo ging het geregeld bij ieder overwinningsbericht en geregeld ook +poogde mijnheer Vermaat haar dan te troosten, zeggend, »dat zij toch +niet altoos het ergste mocht onderstellen. Hun zoon kon immers net zoo +goed bevòrderd zijn ook; al die gesneuvelden moesten toch weer aangevuld +worden!..." + +In het _Dagblad_ dat hij nog altijd las, werden Napoleons overwinningen +nog breeder uitgemeten dan in de bulletins; maar--nooit kwamen er +brieven uit het leger en dat moest zelfs de luchthartigsten wel ongerust +maken. + +Half September vernam men te Amsterdam des Keizers groote overwinning +bij de Moskowa, gelijk Napoleon zelf den slag bij Borodino genoemd had. +Verheugd kwam mijnheer Vermaat er mee thuis: »Nu zal het vrede worden... +nu is de oorlog gedaan!... Reinier loopt nu geen gevaar meer te +sneuvelen!..." + +Maar zijn vrouw werd er niet opgewekter door. »Och kom," zei ze, »als +Rusland veroverd is komt er wel gauw weer een ander land aan de beurt... +De wereld is nog zoo groot, lieve man!... En de Keizer zal niet te +vreden zijn, voor hij de heele wereld in zijn macht heeft..." + +Acht dagen later wist men in de hoofdstad, dat het Fransche leger te +Moscou was, en er waren er die meenden, dat nu de drukkende belastingen +toch wel spoedig wat zouden verminderen. Van wege den grooten buit +natuurlijk, want Moscou, zeiden ze, was de rijkste stad van Rusland. + +Maar het duurde niet lang of daar ging het gerucht, dat de Russen zelf +Moscou in brand hadden gestoken als was het een wespennest, en dat het +Fransche leger, om niet van honger te sterven, den terugtocht naar Polen +moest aanvangen. + +Toch gingen de bulletins en dagbladen maar voort, het volk met +leugenachtige berichten omtrent het leger te misleiden. + +En middelerwijl was reeds de winter gekomen, een winter, zoo streng, +als niemand heugde. Wie niet geregeld door stookte, zat te rillen in +zijn kamer. + +»Arme soldaten, daar in dat barre Polen!" zei de barbier, toen hij op +een morgen bij mijnheer Vermaat binnenkwam.--Het was de 22ste December, +twee dagen nadat Napoleon als een geslagen vluchteling in de Fransche +hoofdstad was teruggekeerd.-- + +»Arme soldaten!" herhaalde de barbier, zijn groene wanten uittrekkend en +zich de verkleumde handen wrijvend. »Want _wij_ klagen al over de kou, +maar hoe koud zal het dáár nu wel zijn!" + +»Nu, dat moet nog al meevallen," zei mijnheer Vermaat. »In het _Dagblad_ +las ik ten minste, gisteravond, dat wij ons hier te lande over het +algemeen een veel te buitensporig denkbeeld van zoo'n Poolschen winter +maken, maar dat wij, wat dàt betreft, over onze vrienden en verwanten +bij het leger niet zoo ongerust behoeven te zijn." + +Hij nam de courant van tafel en, het blad open vouwend vervolgde hij: +»_Hier_ bijvoorbeeld staat: _De koude is er zelden vinniger dan in +Holland, ja, verkieslijker zelfs, omdat zij geen vorst of regen +aanbrengt. Onze soldaten kunnen zich gemakkelijk daartegen beschutten. +Zij verdragen de koude even goed als de Polen en Russen, en de +winterkwartieren zijn te aangenamer, daar overal ontzaggelijke +magazijnen zijn opgericht, waarin alle voorwerpen aanwezig zijn, die +een groot leger van nut kunnen wezen. En evenzoo is er overvloed van +levensmiddelen._ + +Dat ziet er dus heusch zoo bedenkelijk nog niet uit!" + +De barbier haalde de schouders op. Trouwens, mijnheer Vermaat geloofde +zelf maar half, wat hij las en zei; maar hij hoopte dat zijn vrouw, die +juist warm water in het bekken goot, het zou gelooven. + +Onder het scheren hadden beide mannen het druk over het andere +legernieuws; want hetzelfde nummer van het »_Dagblad_" deelde +»_nouvelles_" over den Keizer mee van den 3den December, waarin breed, +ja zelfs tot vier malen, werd gepraald met »de overwinning die den +28sten November bij den overtocht van de Berezina behaald was." Het +gevecht was--volgens het nieuwsblad--»door de luisterrijkste gevolgen +bekroond geworden." De Russische legers (eenvoudig corpsen genoemd) +waren deerlijk gehavend. Men had 9000 à 10.000 krijgsgevangenen gemaakt +en tien stukken geschut en zes standaards veroverd. + +Doch hoe zeer mijnheer Vermaat zichzelf dit alles ook als waarheid +poogde op te dringen, wijl hij zoo gaarne aan den welstand van het +Groote Leger gelóófde, slechts enkele dagen later had ook hij geen hoop +meer. + +'s Morgens door de Doelenstraat gaande, had hij, niet ver van het huis +waarin mijnheer De Celles woonde, wel meer dan honderd menschen op een +hoop zien staan. Zij stonden met bleeke gezichten en uitgerekten hals +naar een groot aanplakbiljet te staren, dat alleen de voorsten lezen +konden. Het was het beruchte 29ste bulletin, waarin Napoleon vertelde, +dat de paarden gedurende den terugtocht alle nachten bij duizenden +stierven. + +Van de menschen zei hij niets!... + +Mijnheer Vermaat, die tot de voorste rijen had weten door te dringen, +las het papier met klimmende ontroering. Maar toen hij aan dat gedeelte +kwam:--»Onze kavalerie was zoodanig geslonken, dat men de officieren, +die nog een paard hadden overgehouden, heeft moeten vereenigen, ten +einde er vier compagnieën van te formeeren, elke compagnie van honderd +vijftig man. De generaals vervulden er de functiën van kapiteins, de +kolonels die van onderofficieren,"--toen hij dàt gedeelte las, hetwelk +over de ellende van het Groote Leger méér zei dan al het overige, toen +klemde hij de bleeke lippen krampachtig op elkaar om niet luide den man +te vervloeken, van wien het biljet, bij wijze van troost, aan het slot +nog meldde: »Nooit is de gezondheid van Zijne Majesteit beter geweest." + +Om hem heen hoorde hij jammerkreten en gekerm van vrouwen, met een +doffen ondergrond van somber mompelende mannenstemmen. Diep geschokt +gingen allen naar huis; maar weer anderen kwamen en het smartbetoon +herhaalde zich; en dat duurde zoo tot den avond door. Heel Amsterdam, +geheel het Vaderland kwam in een toestand van moedelooze droefenis door +het bericht van de onmetelijke ramp der Groote Armee. Men treurde niet +enkel om verwanten en vrienden die men reeds omgekomen waande, maar was +te gelijk vol angst voor de nog achtergeblevenen. Want ieder begreep +wel, dat het overschot van het leger zoo spoedig mogelijk zou aangevuld +worden. + +Te midden van de algemeene verslagenheid zagen echter eenige uitstekende +Nederlanders in, dat het, na dien noodlottigen tocht naar Rusland, niet +meer tot het gebied der onmogelijkheden hoefde te behooren, het +Vaderland eens van de overheersching der Franschen te bevrijden. +Zóó dachten Johan Melchior Kemper, hoogleeraar in de rechten te +Leiden, en Anton Reinhard Falck, die, na onder Koning Lodewijk hooge +staatsbetrekkingen bekleed te hebben, eenigen tijd, als verdacht bij +de keizerlijke politie, buiten 's lands was geweest, maar sedert 1812 +de betrekking van kapitein bij een afdeeling der nationale garde te +Amsterdam op zich genomen had. Zij kwamen met elkander overeen, naar +vermogen partij te trekken van de omstandigheden, tot herstelling van +de nationale onafhankelijkheid. Hun staatkundige beginselen waren: een +getemperde oppermacht van het Huis van Oranje en vernietiging der oude +partijschappen. + +Te zelfder tijd begonnen in Den Haag Van Hogendorp, die met het oog op +een mogelijke bevrijding reeds de schets van een grondwet had opgesteld, +Van der Duyn van Maasdam, de graaf Van Limburg Stirum en nog drie +anderen met datzelfde doel geheime bijeenkomsten te houden. Hoewel in +geen onmiddellijke betrekking tot het Haagsche zestal staande, waren +Kemper en Falck toch niet onbekend met hetgeen dat zestal wilde. + +Doch vooreerst scheen er van bevrijding nog geen sprake, want weer zoo +rusteloos als ooit te voren was Napoleon bezig, Frankrijks strijdmacht +te herstellen. Zoo bepaalde hij reeds bij een decreet van den 24sten +Januari 1813, dat de conscriptie dat jaar verscheidene maanden vervroegd +zou worden. Vervolgens liet hij de lotelingen van 1809 tot 1812, die +nog niet gediend hadden, onder de wapenen roepen. Voorts werden uit +Spanje regimenten ontboden die, met de soldaten en kaders uit Rusland +teruggekeerd, bestemd werden om het jonge personeel te onderwijzen en de +kern te vormen voor nieuwe afdeelingen. Eindelijk moest onder de wapenen +komen--de lichting van 1814! Niet veel meer dan knapen dus nog. + +»Nu nemen ze letterlijk alles, van huisvaders tot kinderen!" zuchtte het +onderdrukte volk. »Straks zullen ook nog de kreupelen, bijzienden en +halflammen den Keizer moeten dienen!" + +En waarlijk, daar begon het spoedig veel op te lijken. Reeds in 't +vorige jaar toch had Napoleon bevel gegeven tot het oprichten eener +Nationale garde (schutterij) verdeeld in twee bans. De eerste ban +was verdeeld in cohorten en mobile nationale gardes: hij bestond uit +80.000 jongelingen die, òf vrijgeloot waren, òf vrijstelling wegens +broederdienst hadden gekregen, òf door geringe lichaamsgebreken niet in +de conscriptie waren gevallen. Beide bans zouden echter nooit, volgens +een Keizerlijk decreet, in het veld worden gebruikt. + +Napoleon bekommerde zich evenwel thans weinig om dat vroeger besluit en +bepaalde, dat zij zich met het leger te velde zouden vereenigen. Ja, er +kwam zelfs nog een oproeping van een derden ban, bestaande uit mannen +die reeds jaren gehuwd waren, plaatsvervangers hadden gesteld, of om +andere gewichtige redenen vrijstelling hadden bekomen. + +Door deze verschillende maatregelen, berekende de Keizer, zouden alle +gaten weer gestopt wezen en het leger zelfs nog grooter dan vóór den +Russischen veldtocht zijn. + +Het uittrekken van de 80.000 man cohorten had plaats onder groote +weerspannigheid, maar ook de opschrijving voor den krijgsdienst +veroorzaakte op sommige plaatsen vreeselijke opschuddingen. Te +Oud-Beierland bijvoorbeeld moest de prefect zelf overkomen om de +lichting te bewerkstelligen met behulp van de gewapende macht, waarbij +de opstand in het bloed van een aantal boeren werd gesmoord. + +Van gelijke gevolgen was het verzet, dat zich half April in Rijnland +openbaarde, toen de Fransche autoriteiten de gehuwden voor den tweeden +ban begonnen op te schrijven. De anders zoo vreedzame huislieden stonden +in een oogenblik van wanhoop op en verscheurden de lijsten der +krijgsopschrijvingen, waarna ruim twintig personen werden gekerkerd. + +Aan de Zaanstreek, in Delfland en het Westland ging het desgelijks en +met hetzelfde gevolg. In het geheel werden vijftien landgenooten, bij +deze woeligen betrokken, ter dood gebracht, terwijl vele anderen tot +dwangarbeid, gevangenisstraf en verbanning werden veroordeeld. + +Duidelijk echter had men gezien, hoe onder den algemeenen druk +zoowel de Patriotten als de Oranjegezinden snakten naar vrijheid en +onafhankelijkheid. Er scheen geen twijfel, of de vrijheidskreet zou +weerklank vinden, zoo die slechts door mannen van achting en aanzien +met kracht en vastberadenheid werd geuit. Om nu den lust tot opstand bij +de Nederlanders voor goed te onderdrukken richtte Napoleon een _garde +d'honneur_ op, bestaande uit jongelingen van de aanzienlijkste familiën, +die hun kostbare uitrusting zelf moesten betalen en hem in náám als +eerewacht, in werkelijkheid als gijzelaars moesten vergezellen. De +aanneming tot deze garde werd als een gunst voorgesteld, wat niet +wegnam dat vooral in Amsterdam De Celles meestal dwang moest aanwenden, +om de jongelieden van het keizerlijk gunstbewijs gebruik te doen maken. +Het gebeurde zelfs wel, dat er voor eenige der gepreste jongelingen, +bloedverwanten van gelijken stand en leeftijd zich als plaatsvervangers +aanboden. + +»U is wel vriendelijk, mijnheer," antwoordde De Celles dan met +hatelijken spot, »om zóó onze wenschen te voorkomen en de eer te +erkennen, die 's Keizers decreet van 5 April u vergunt. Inderdaad, +het was te wenschen, dat àllen zoo dachten!" En dan werden beiden, +de gepreste en die hem wilde vervangen, in dienst gesteld. + +Onder al die kwellingen wachtte men hier te lande met angstige spanning +den loop der gebeurtenissen in Duitschland af. Tegen de gezamenlijke +legers van Rusland, Pruisen en Zweden,--waar later dat van Oostenrijk +nog bij kwam,--streed Napoleon met afwisselend geluk, doch de bulletins +en dagbladen vermeldden weer de eene overwinning na de andere. + +Bert en Bruno hadden thuis al zoo vaak gehoord, hoe onbetrouwbaar die +berichten waren, dat zij in hun jongenswijsheid meenden, de menschen +daarvoor toch eens te moeten waarschuwen. + +En toen er nu weer zoo'n biljet was aangeplakt, slopen de onnadenkende +bengels naar hun zolderkamertje, namen een vel papier en, na oneindig +veel hoofdbrekens, verscheen daar eindelijk een achtregelig versje op. + +Het toeval wilde, dat zij 's avonds voor hun vader een boodschap moesten +doen. Stilletjes liepen zij nu naar de Doelenstraat en terwijl Bert +op den uitkijk ging staan of er geen onraad kwam, plakte Bruno hun +rijmprodukt vlak onder het bulletin van mijnheer De Celles. Grinnekend +van pleizier gingen zij daarop weer naar huis. + +De menschen die den volgenden morgen door de Doelenstraat kwamen, hadden +niet weinig schik toen ze daar, onder het bulletin dat met zooveel ophef +een nieuwe overwinning van den Keizer meldde, ter inlichting lazen: + + 't Is louter kool en Fransche wind + Al wat men hier van 't leger vindt, + Wie nog de bulletins gelooft, + Is zeker toch niet wel bij 't hoofd; + Napoleon, die menschenplaag, + Krijgt tegenwoordig telkens slaag; + Ja, als dat zoo nog voort blijft gaan + Dan is zijn macht gauw naar de maan. + +'t Werd spoedig een heel oploopje, daar in de Doelenstraat; elk wilde +met eigen oogen dat versje lezen waar zoo druk over gesproken werd; men +duwde en drong elkander om er bij te komen. Dat duurde zoo voort tot +opeens die hatelijke gendarme Jean Malon verscheen en nijdig het +rijmprodukt van Bert en Bruno afscheurde. Gelukkig voor de deugnieten +had hun streek geen noodlottige gevolgen, en zij verheugden zich, de +menschen, naar zij meenden, nu toch eens wat beter te hebben ingelicht +dan die bulletins altoos deden. + +In werkelijkheid echter voerde Napoleon den krijg aanvankelijk niet +ongelukkig. Den 2den Mei behaalde hij bij Lützen een overwinning, +welke den 23sten door een tweede, bij Bautzen, gevolgd werd. Zijn +veldmaarschalken Oudinot, Macdonald en Ney waren echter minder +voorspoedig. Na een wapenstilstand van twee maanden werden hun legers in +Augustus en September achtereenvolgens verslagen en eindelijk stond de +Fransche Keizer,--die eerst nog een schitterende zege te Dresden had +behaald,--met slechts 170.000 man tegenover 300.000 van de bondgenooten, +in de vlakten bij Leipzig. De bloedige veldslag die hier geleverd werd +en van den 16den tot den 19den October duurde, viel ten nadeele van +Napoleon uit. De eens zoo machtige Keizer was zelfs genoodzaakt, zich in +Frankrijk terug te trekken en de geallieerden rukten voort tot aan den +Rijn. + +Groot was de schrik en ontsteltenis der Fransche ambtenaren hier te +lande, toen de uitslag van dezen strijd in Holland bekend werd, grooter +evenwel de blijdschap van het zoo lang onderdrukte Nederlandsche volk. + +Het Haagsche zestal meende nu een stap verder te kunnen gaan en zich de +medewerking van een aantal personen uit de gezeten standen der +maatschappij te moeten verzekeren. Daartoe stelde ieder van hen zich in +betrekking met vier personen, die, zonder elkaar te kennen, zich +verplichtten om op het eerste teeken gereed te zijn en naar het +ontvangen bevel te handelen. Deze vier kozen weer vier anderen, en op +die wijze konden de zes weldra op 400 personen rekenen. Ten einde de +nasporingen der Franschen te ontgaan werd niets op schrift gesteld. Tot +deze voorbereidende maatregelen beperkte men zich vooreerst: het uur om +te handelen scheen nog niet aangebroken. + +Anders dacht het volk te Amsterdam er over. + +Op de nadering der Pruisen en der Russen bracht het eene beurtschip na +het andere vluchtende Fransche ambtenaren en douanen uit de steden in +het Noordoosten van ons land, naar Amsterdam, waar hun vervoer met +wagens en schuiten naar het Zuiden dag en nacht werd voortgezet. De +diligences naar Antwerpen, Brussel en Parijs waren tot stikkens gevuld +met vertrekkenden, en het inpakken van goederen in de hotels der +hoofdambtenaren, ja zelfs op het Paleis, duidde aan, hoe zij die +achterbleven voorzagen, dat het wellicht spoedig ook hun beurt zou +worden. Amsterdam's burgerij begon onder het zien van al die bedrijven +met den dag vrijmoediger te worden. De vrees voor de politie had reeds +een einde: reeds Zaterdag den 13den begroetten de burgers elkaar op +straat met de levendigste vreugde en wenschten elkander, zonder omwegen, +geluk met de naderende bevrijding. Zondagavond nam de blijdschap nog +toe, bij het gerucht dat zeventien schuiten aan de Berebijt gereed +lagen om de 800 man van het strafbataillon, naar Utrecht te vervoeren. +Duizenden liepen naar den Amstel en toefden er tot omstreeks +middernacht, toen ze werkelijk de schuiten, opgepropt met Fransche +manschappen, zagen afvaren. Ook de gewapende douanen trokken nog dien +avond af, onder het gejuich en gejouw der menigte. + +Den volgenden morgen kwam een buurman de familie Vermaat met een +stralend gezicht vertellen, dat generaal Molitor met zijn 1600 man 's +nachts in alle stilte naar Utrecht was gegaan. »En nu is 't Oranje boven +in de stad!" vervolgde de man opgewonden. »Aan den Zandhoek, hoor ik, +staat al een Oranjeboom en daar dansen jonge meisjes in 't wit om heen, +dat het een liefhebberij is! En de garen- en lintwinkel op de Leidsche +straat hing vol met Oranje lint! Maar die werd binnen een half uur al +leeg verkocht! Eindelijk is het dan toch Oranjeboven!" + +»Ei kom," zei mijnheer Vermaat, »ik kan het nog maar slecht gelooven." +En hij stond op, om naar zijn kantoor te gaan; want na lang tobben had +hij eindelijk een baantje gevonden, dat redelijk wel betaald werd. + +[Illustratie: Een oogenblik later sloegen de vlammen het houten +gebouwtje reeds uit.] + +»Niet gelóóven? Maar, luister dan!... Daar hoor ik juist een troep +aankomen... Nu zult u toch zeker niet meer twijfelen!" + +Allen stormden naar de stoep! En daar zagen zij een veertig of vijftig +mannen, vrouwen en kinderen, met Oranje versierd, die liepen te zingen: +»_Al is ons Prinsje nog zoo klein_," terwijl ze tusschenbeide luidkeels +schreeuwden: »De Franschen zijn weg, de Franschen zijn weg! Oranje +boven!" + +Het zingen klonk valsch en het roepen was ruw, maar toch werden allen er +van ontroerd. + +»Tjonge, tjonge! Als ze maar niet te gauw roepen," zei mijnheer Vermaat. +»Het heele Fransche bestuur is er toch nog en als dat maar even naar +Utrecht seint... Hei, jongens! waar wou jullie heen?" + +»We mogen toch wel eens kijken, hé vader?" vroeg Bert. + +»Als jullie in 's hemelsnaam toch maar voorzichtig bent!" zei moeder +bezorgd. + +»Zeker, zeker!" riepen Bert en Bruno, die dit maar voor een verlof +hielden. En wèg waren ze reeds. + +Eerst gingen ze door de Kalverstraat. Daar bleek me wat aan de hand! 't +Was er een gejoel en gedruisch, dat de jongens hun eigen woorden haast +niet konden verstaan! De straat zag zwart van de voetgangers en alle +koffiehuizen zaten vol met lachend-pratende menschen, die openlijk op +het vertrek der Franschen en de verlossing van Nederland dronken, zich +in 't minst niet meer bekommerend om betaalde spionnen. + +Met moeite kwamen Bert en Bruno op den Dam. Ook hier was het volk reeds +op de been, ook hier klonk herhaaldelijk de vroolijke kreet: _Oranje +boven!_--en af en toe begon men daar reeds tusschen te roepen: _Weg met +de Franschen!_--en wel zóó krachtig en luid, dat mijnheer Le Brun, op +het Paleis, het stellig duidelijk hooren moest. + +Toen de beide jongens aan het eind van het Damrak gekomen waren, riep +Bert opeens: »Kijk Ep de Breukelaar, wat gaat _die_ nu toch beginnen?" + +»'t Is, of hij iemand uit het water redden wil. Hij trekt ten minste +zijn buis al uit!" zei Bruno. + +Maar toen zagen zij, dat hij een Oranjevlag te voorschijn haalde en +ontplooide. + +»Ja, menschen," zei hij tegen de omstanders, »al zes weken achter elkaar +heb ik die onder mijn kleeren gedragen! Maar nou, Goddank, behoeft dat +toch niet langer!" + +Onmiddellijk waren vier wakkere maats gereed om hem te helpen. En dra +stond, aan een hooge steng, het dundoek op de Zuidwestzijde der Nieuwe +Brug, ter plaatse waar Y en Amstel elkander ontmoeten. + +Zoo wapperde dan nu voor het eerst weer de Oranjevlag in Neerland's +hoofdstad en met daverend hoezee-gejuich werd zij begroet. Binnen +weinige minuten hadden al de omstanders zich met Oranje getooid, hing +Oranjelint te koop in tallooze winkels, wier eigenaars tot nog toe +geaarzeld hadden, en nog geen uur daarna versierde die kleur de dichte +volksmassa's, die juichten en jubelden in alle buurten der groote stad. + +De honger dreef Bert en Bruno eindelijk naar huis, maar na den maaltijd +gingen zij onmiddellijk de straat weer op, om te zien wat daar verder +voorviel. + +Op de Botermarkt[6] zagen zij een dichte volkshoop voor de hoofdwacht +der Nationale garden saamgestroomd, die reeds vrij rumoerig bleek. +Kolonel Van Brienen, die er het bevel voerde, sprak de menigte echter +met warmte en waardigheid toe en vermaande haar, zich van baldadigheid +te onthouden. + +[6] Het Rembrandtsplein. + +»Leve Kolonel van Brienen!" was het honderdvoudig antwoord en dansend en +springend ging het volk heen, onder het zingen van het lied: + + Nu zijn de Franschen van den vloer, Hoezee! + Prins Willem komt nu aan het roer, Hoezee! + Nu dansen wij weer hand aan hand + Voor 't oude, lieve vaderland. + 't Is Oranje, 't blijft Oranje, toch Oranje boven! + +'t Bleek allerwege vroolijkheid; op de pleinen, op de sluizen, overal +waar maar plaats was, zag men dansende troepjes en wie er aankwam, werd +juichend in den kring getrokken en moest meedansen. Bert en Bruno hadden +het zeker wel vijftig maal gedaan en nóg waren zij de pret niet moe. + +Tegen den avond bevonden zij zich op het Droogbak, waar groote +volkshoopen, joelend en schreeuwend, en met stokken gewapend, zich op +dat oogenblik te zamen dromden. + +»Zouden we nu toch niet eens naar huis gaan?" vroeg Bruno. + +»Ja," zei Bert, »moeder mocht ongerust worden, als we nog langer +bleven." + +Maar juist toen ze heen zouden gaan gebeurde er iets, dat hen tot +blijven noopte. Bij het volk, door de Fransche tolbeambten en commiesen +zoo vaak gekneveld en uitgebuit, ging eindelijk de behoefte aan wraak +zich in daden uiten. + +»Daar hèb je zoo'n afzetterskrot!" zei de ballastschipper »Kees draai +me een loer," en hij schopte verachtelijk tegen de houten barak der +douanen, die daar stond. + +Een sleeper spuwde er tegen. + +»Laten we de keet omver halen!" schreeuwde een knuistige varensgast. + +»Neen, in brand steken!" riep een sjouwerman. + +Dat vond gretig bijval; verscheidene mannen, schippers en sjouwerlui, +beijverden zich om lichtbrandbare stoffen bijeen te sleepen. + +»Vuur, hier heb jullie vuur, menschen!" krijschte van verre een schrale +oude-vrouwenstem. Bedrijvig kwam een schonkerig, kromgegroeid bestje met +een glimmende kool in een stooftest aangejacht. + +De tongpunt stak tusschen haar verwelkte paarse lippen en de geslonken +borst hijgde piepend onder de inspanning waarmee het krom +geraamte-lijfje zich voorwaarts repte. + +»Hier, menschen, hier; ik zal je helpen!" gorgelde het niettemin uit +haar dorre keel in schrale, kort-uitgehijgde snerp-geluidjes. + +»Hoezee!" brulden de kerels en »Kees draai me een loer," de test +aannemend, klopte het menschje op den rechter schouderschonk en zei: +»Bedankt, ouwe! Nou mag je zoo meteen je eens lekker warmen, voor je +moeite!" + +De lichtontbrandbare stoffen vatten dadelijk vuur en een oogenblik later +sloegen de vlammen het houten gebouwtje reeds uit. Een luid +triomfgeschreeuw ging uit de menigte op en afschuwelijk schril klonk de +lach der oude, die het vuur geleverd had; het magere, kromme lijfje +schokte; en haar krukje stampte zij op en neer, onder die +weerzinwekkende uitbarsting van haar wraakgenot. + +De zucht tot brandstichten werd aanstekelijk; kerels en wijven zochten +halfverbrande stukken hout te bemachtigen en snelden er mee weg, om een +volgend octrooihuisje aan te steken. Er stonden er meer dan twintig, +daar aan den Buitenkant. En binnen het uur stegen, op een lengte van +ongeveer een Hollandsche mijl, uit al die verblijven der gehate douanen +de vlammen ten hemel, zoodat men in Waterland en aan de Zaan meende, dat +half Amsterdam in brand stond. + +Drie personen, die pas met de Harlinger beurtschuit aangekomen waren, +stonden met ernstige verbazing het woeste schouwspel aan te zien. + +Nauwelijks echter had Bert het drietal bespeurd of hij gaf zijn broer +een bof in den rug van blijde verrassing en riep: »O, Bruno!--Daar heb +je Reinier!" + +»En Jakob Stargardt met zijn moeder!" schreeuwde Bruno verrukt. Want in +'t zelfde oogenblik had ook hij het drietal in 't oog. Als dol draafden +de jongens nu hun broer en de beide Stargardts te gemoet, niet achtend +de stompen en verwenschingen die hun deel werden, waar zij, zich door de +menigte spoedend, er een op de teenen trapten of tegen het lijf boften. + +»En waar zijn vader en moeder?" vroeg Reinier, onmiddellijk na de +allerhartelijkste begroeting. Want hij kon natuurlijk niet denken, dat +de knapen, geheel alleen, zoo laat nog aan den Buitenkant zouden zijn. + +Bert en Bruno bekenden met schaamte, dat zij eigenlijk lang reeds thuis +behoorden te wezen, maar zich, door het willen bijwonen van de +verbranding der douanenhuisjes, zoo schandelijk verlaat hadden. + +»Allo, dan met spoed mee naar huis!" zei Reinier, »want vader en moeder +zullen doodelijk ongerust over jullie zijn!" + +Maar van dien spoed kwam vooreerst niet veel, want opeens riep Bert: +»Daar komt de patrouille van de garde-te-paard! Nu zal 't er spannen! +Wisten we maar een goed heenkomen!" + +»Hm! ze rijden nog al zacht," zei Jakob Stargardt. »Het beste zal wezen, +dat we maar met den stroom mee gaan." + +Inderdaad, de patrouille, allen Hollandsche lotelingen--waaruit trouwens +de geheele garde was samengesteld--reed langzaam met ontbloote sabels, +door de menigte. Geen paard lieten zij springen, geen sabel werd tot +slaan gebruikt; statig reden zij voort. Hier en daar moesten zij +ophouden. »Hei mannen!" riep het volk, »jullie bent net zoo goed +Hollandsche jongens als wij! Zou je dan niet ereis op de gezondheid +van den prins willen drinken!" en dan werden hun glazen bij glazen +toegereikt en spelde men hun groote oranjestrikken op de witte mantels, +terwijl de meesten van hen mooi dronken in de kazerne terugkeerden. + +»Hé, Vermaat!" riep een man, Reinier herkennend, »ben je waarachtig de +ellende ontkomen?" 't Was een vroegere klant van zijn vader, die menig +pondje tabak uit den winkel gehaald had.--»Nou, wat zeg je er van?" ging +hij voort: »Een prachtig vuurwerk, hè?" + +»Dom genoeg," zei Reinier. »Als meneer De Celles het morgen naar Utrecht +seint, wat hier aan de hand is, dan kan generaal Molitor met zijn volk +weer gauw genoeg in Amsterdam terug wezen. En dan..." + +»Waarachtig! hij heeft gelijk!" riep »Kees draai me een loer." En toen +tot het volk: »Komt jongens! We moeten naar de Weesperpoort, om de +telegraaf te vernielen! Anders brengt die stille verklikker het naar +Molitor of misschien wel naar Parijs over, dat we hier van avond een +pretje hebben!" + +»Ja, ja! Naar de telegraaf!" schreeuwde de menigte en een dichte drom +bewoog zich nu in de richting van het Weesperplein. Heel dien nacht +bleef het volk op de been en terwijl het bij gansche troepen, zingend +en joelend, zich door de straten bewoog en overal de Fransche +wapenborden afrukte en vernielde, zaten mijnheer Vermaat en zijn vrouw +met betraande oogen te luisteren naar het lijdensverhaal der drie +zwervelingen.--O, hoe ànders bleek die ontzettende terugtocht te zijn +geweest, dan de bluffende bulletins en de leugenachtige dagbladen +verteld hadden!--En eindelijk, toen reeds alles geleden scheen, wat +vreeselijke dagen toen nog, daar in dat hospitaal te Koningsbergen! +Maanden lang hadden zij er gelegen in worsteling met den dood, maar hun +sterk gestel had toch ten slotte gezegevierd. Doch toen zij het ten +laatste verlieten, waren het Duitsche in plaats van Fransche dokters, +die hen hersteld verklaarden. Want heel Pruisen, enkele vestingen +uitgezonderd, bleek van Franschen te zijn bevrijd. Reinier en Jakob +behoefden dus niet bang te zijn, opnieuw bij het Fransche leger te +worden ingelijfd, tenzij ze dat zelf gewenscht hadden. Zij besloten +toen, de kans af te wachten, weer veilig naar het Vaderland terug te +kunnen keeren en zoo waren zij dan nu eindelijk weer in Amsterdam. + +Aanvankelijk meenden moeder Jane en haar zoon, voorloopig in een herberg +hun intrek te nemen, doch de Vermaats wisten te bewerken, dat zij net +zoo lang van hun gastvrijheid zouden gebruik maken, tot zij een +geschikte woning hadden gehuurd. + + + + +Zestiende Hoofdstuk. + +Oranje boven! + + +Den volgenden dag mochten Bert en Bruno, tot straf voor hun laat thuis +komen, de deur niet uit. Reinier en Jakob gingen echter de stad in, +benieuwd naar het verder beloop der gebeurtenissen. + +Op straat bleek het veel rumoeriger nog dan daags te voren. Al dadelijk +ontmoetten zij een bende woestelingen, aangevoerd door kerels met +knuppels, terwijl de hoofdman een knuppel droeg, geheel met oranjelinten +versierd. Daarachter kwamen een aantal jonge kerels van het gemeenste +rapalje, met witpapieren strooken om hun hoeden, waarop in plompe +cijfers het nummer stond, dat hun in de loting voor de conscriptie was +te beurt gevallen.--»Hier heb jelui nog verzwegen conscrits! Hier bennen +jongens, die derlui verzwegen hebben!" gilde en brulde, met gloeiende +koppen en puilende oogen, de woeste troep. + +»Nou naar de Doelenstraat!" schreeuwde de aanvoerder. + +»Ja, naar de Doelenstraat!" tierde de bende. »Dan zullen wij dien schelm +van een De Celles uit zijn huis halen!" + +»En hem ophangen in de post van zijn deur!" voegde de hoofdman er aan +toe. + +»Ik ga mee!" riep een smidsgezel, die 't hoorde, terwijl hij haastig een +hamer en een grooten spijker greep. Een slager hield triomfantelijk een +stuk touw omhoog en sloot zich insgelijks aan bij de moordlustige bende. + +»Maar De Celles is al weg," zei er een, die tot nog toe vergeefs gepoogd +had, zich verstaanbaar te maken. »Hij is van morgen met meneer Le Brun +naar Utrecht afgetrokken." + +»Hij is niet weg!" verzekerde de aanvoerder. »Hij lijdt aan 't pootje. +Ik weet secuur, dat de schelm nog niet weg is! En hij zal er aan +gelooven, de hond!" + +»Drommels, dat loopt verkeerd," zegt Reinier. »Als het volk zóó gaat +beginnen, waar zal dan het einde zijn!" + +Maar Jakob antwoordde niet. Hij dacht aan alles, wat hij en zijn +familie reeds door dien man geleden hadden en hij smaakte een oogenblik +een wreedaardig genoegen bij het vooruitzicht, dat ~nú~ het uur der +vergelding bleek aangebroken, dat ~nu~ het einde van den onmenschelijken +prefect nabij was. + +Maar opeens bedacht hij, hoe het een eeuwige schande voor zijn +vaderstad zou blijven, zoo het volk werkelijk volvoerde, wat het vóór +had. En dan--Reinier had gelijk--als het Janhagel eenmaal begòn te +moorden, dan was er alle kans, dat het daarmee niet zoo dadelijk weer +zou eindigen. Maar--wat er aan te doen? + +Plots kreeg de dolzinnige troep, op zijn weg naar De Celles' huis, een +paar wapenborden met den Franschen adelaar in 't oog! Die moesten er +eerst afgerukt en tot een vreugdevuurtje verstookt worden! + +»Kom mee," zei Jakob, »door dit oponthoud kunnen wij den moord misschien +nog voorkomen!" + +Zij snelden nu de uitgelaten bende vooruit, naar De Celles' woning. +Den huisknecht, die hen keeren wilde, smeten ze op zij en doorliepen +vervolgens eenige leege vertrekken. Onhoorbaar waren hun stappen op +de zachte tapijten. Eindelijk vonden zij den door pijnen gefolterden +prefect, schier radeloos van angst, terwijl hij vloekend en klagend zijn +papieren en kostbaarheden ter verzending deed inpakken. + +»Dit huis is _mijn_ huis!" riep de man wanhopig, toen hij het tweetal +zag binnenkomen; tegelijkertijd greep hij naar een pistool, dat naast +hem op de tafel lag. + +»Schiet niet!" riep Jakob, »want dat is juist uw ondergang!" + +»Wij behooren niet tot de opstandelingen," zei Reinier. »Wij komen u +redden... Het oproerige volk is al op weg naar hier... Het zal u +vermoorden, zoo u zich niet in alles door ons raden laat!" + +Jakob wist nu den wanhopigen prefect te bewegen, zich in een afgelegen +donker vertrekje te laten opsluiten en hem zijn keldersleutel toe te +vertrouwen. Daarop liet hij de knechts eenige ankers wijn op de stoep +zetten; vervolgens ging hij zelf voor de geopende huisdeur staan en +wachtte zoo het volk af. Reinier was inmiddels reeds heen gesneld om de +hoofdmacht der gardes te waarschuwen. + +Daar kwamen zij aan, de woest tierende belhamels, vlammend op het +leven van den man, die hen zoo lang getergd en onderdrukt had.--»Nou +is het onze beurt!" schreeuwde de smidsgezel, den grooten spijker als +gereedhoudend, om dien in de deurpost te hameren.--De varkensslachter +strekte zijn touw langs de wijdgespreide armen uit: »Wat dunkt je, +menschen, zou het lang genoeg zijn?" vroeg hij met een boosaardigen +lach.--»Er schiet nog best een eindje voor Devilliers-Duterrage over!" +spotte een half dronken schippersgast.--Een daverend vreugdgebrul klonk +als goedkeurend antwoord. + +Inmiddels was de troep het huis genaderd; Jakob Stargardt wenkte met de +hand;--»Wel jongens!" riep hij met zijn krachtige stem: »Een beetje te +laat is véél te laat; de vogel is al gevlogen! Maar hier heb ik zijn +sleutels. Deksels nog toe, de schelm heeft zoo 'n goeden wijnkelder! +'k Heb alvast den heelen voorraad naar buiten gesjouwd, om met jullie +op de gezondheid van den Prins van Oranje te drinken!" + +In woeste graaizucht viel de bende nu op de meer dan honderd flesschen +aan, met hun tanden rukten zij de kurken af, gulzig zwelgend den +kostelijken wijn, die hun als bloed langs mond en kleeren droop.--»Nou +bennen we groote heeren, nou maggen we ook 'ereis volop wijn zuipen!" +schreeuwde de aanvoerder van het plebs. Opnieuw nam hij een geweldigen +slok; maar hij verslikte zich, waardoor schier de gansche rest van +het vocht hem bij den hals in gulpte.--»Vervloekt," riep de woesteling, +»ik heb genoeg van dat kleverige tuig!" Kletterend wierp hij de flesch, +waarvan de inhoud hem eigenlijk in het geheel niet gesmaakt had, tegen +de straatsteenen aan scherven.--»Vooruit, jongens!" schreeuwde hij toen. +»Naar de Oude Turfmarkt!" + +»Ja, ja, naar de Oude Turfmarkt!" herhaalden verscheidene stemmen. En +joelend en tierend trok de losbandige troep weer voort: Het leven van +den prefect bleef verschoond. 's Avonds werd hij, met zijn secretaris +Dubois, in een overdekte schuit gebracht, die bij zijn huis lag, en wist +veilig uit de stad te komen. + +Op de Oude Turfmarkt, waar de plaats-commandant woonde en de Fransche +politie haar hoofdbureaux gevestigd had, ging de menigte, door den wijn +nog doller geworden, veel ontstuimiger te werk. Voor deze bureaux--twee +aanzienlijke huizen--lag een drijvend vlot, waarop een houten gebouw, +het schoutshuisje, stond, met een vertrek voor de directie, een tweede +voor de agenten en een derde ter bewaring der arrestanten die naar de +politie waren overgebracht. Berucht als holen van willekeur en tirannie, +waren zij thans ter bewaking toevertrouwd aan een kleine afdeeling van +Nationale gardes, die echter geen oogenblik aarzelde, om zich tegen de +beraamde vernieling te verzetten. Doch wat vermocht het geringe aantal +tegen de aandringende, opeengepakte menigte, die nog voortdurend grooter +werd? Nadat de officier en een der manschappen zware wonden hadden +bekomen, werd de post overweldigd, het schoutshuisje in brand gestoken +en de bureaux aan de plundenaars prijs gelaten. Van boven tot beneden +zijn in weinige oogenblikken al de vensterramen dier hooge huizen +verbrijzeld, kostbare spiegels, commodes, tafels, stoelen, pendules, +lampen, porselein, alles wordt met duivelsche vernielzucht de ramen +uitgesmeten, de bedden worden opengesneden en het dons, evenals de +losgescheurde bladen der registers en schrifturen, in de gracht +geworpen. Duizenden menschen aanschouwen dit tooneel van schandelijken +moedwil en vernielzucht. + +Eensklaps rijst, onder 't gewoel, gejuich, gedruisch en gekraak, een +kreet van ontzetting op!... Dertig of veertig Fransche gendarmes komen +rennend van de Doelenbrug met uitgetrokken sabels en werpen zich te +midden der dichte drommen! De toeschouwers stuiven uit elkaar! Maar het +gemeen blijft stand houden.----»Niet wijken, niet wijken!" riepen de +opstandelingen. »Smijt de honden in het water!... Weg met dat Fransche +canaille!..."--De gendarmes, niet in staat met hun sabels ruim baan te +maken, branden hun karabijnen los, die dood en verderf onder de menigte +brengen. Maar het gezicht der gevallenen verdubbelt de woede der +opstandelingen; ze werpen zich tandeknarsend op de kavaleristen, halen +den aanvoerder van zijn paard, smijten er eenigen in het water en +drijven de anderen op de vlucht. Ook de plaats-kommandant is nog in +tijds ontkomen. + +De plunderaars zouden echter niet lang meester blijven van het slagveld. +Welhaast rukken Nationale garden in dichte drommen aan, vuren hun +geweren af, en, met kracht voortdringende, doen zij de plunderaars +verstuiven, die verscheidene gewonden en zelfs dooden achterlieten. + +Jakob, die de plundering van de politiebureaux tot aan de komst der +gendarmes had bijgewoond, had daarop spoedig Reinier weer ontmoet, die +hem dadelijk zijn wedervaren vertelde. + +»Toen ik aan het gebouw van de hoofdwacht kwam," zei Reinier, »liet +kolonel Van Brienen daar juist parade houden. Met verbazing zag ik, hoe +hij daarbij verscheen als Hollandsch bevelhebber, zonder adelaar op den +chako. Denkelijk deed hij dit, om zijn vertrouwen op de burgerij te +toonen en haar te bemoedigen.--Nu, zijn manschappen bleven niet achter, +dat begrijp je! Onmiddellijk rukten ook zij de teekenen der dwingelandij +van hun chako's, vertrapten ze en, onder het presenteeren en kletteren +der geweren, zwoeren zij hun bevelhebber trouw! De Fransche jagers, die +óók op de Botermarkt stonden, zagen dit tooneel met groote oogen aan en +zochten, na den post aan kapitein Falck overgegeven te hebben, als de +wind een goed heenkomen!" + +Jakob vertelde nu op zijn beurt, hoe het bij De Celles was afgeloopen. +Inmiddels waren zij, aan de overzijde van het Rokin, tot bij de +Olieslagerssteeg gekomen, toen zij ook dáár een bende opstandelingen +aan den gang zagen. Het bureau en de woning van den gehaten +politie-commissaris Veyl bleken het te moeten ontgelden. Het bureau op +den wal, tegenover de woning, is welhaast aan de vlammen prijs gegeven, +en nu volgt de plundering van het huis. Alles wordt er vernield, stuk +geslagen en naar buiten geworpen. Hoewel de garden van den prefect in +'t hoekhuis aan de steeg waren gehuisvest, kwamen zij niet tegen dien +euvelmoed in verzet. Zélf slachtoffers van dwang en willekeur, +huiverden zij, om zich aan de volkswraak bloot te stellen. + +De beide vrienden zwierven nog eenigen tijd de stad door, om te zien hoe +het elders gesteld was. + +Zij vernamen, dat het volk reeds vroeg in den morgen naar het Werkhuis +was getrokken en er Emanuel van Praag en Barth Meyer, benevens nog +enkele andere gevangenen met geweld bevrijd had. + +Van het Werkhuis was de menigte naar het Spinhuis getogen, waar andere +slachtoffers der vroegere, mislukte opstanden waren gekerkerd. Ook deze +gevangenen had men verlost en in zegepraal rondgevoerd. Ten slotte had +het volk de onschuldig gevangenen in het Verbeterhuis de vrijheid +hergeven. + +Hadden zij zelf den moord op De Celles weten te keeren, ook door anderen +werden buitensporigheden voorkomen. Zoo wisten Kapitein Falck en de +Kattenburgers, naar zij hoorden, een machtige bende opstandelingen tegen +te houden, die het uitzinnige plan hadden gevormd om de magazijnen, +de pakhuizen der douanen en de gebouwen der Keizerlijke tabaksfabriek +op de eilanden Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg te vernielen; en +de bewoners van Droogbak voorkwamen het in de lucht springen van 't +bedreigde kommandantsjacht--een vaartuig van den chef der douanen, +dat veel buskruit aan boord had--door, alvorens de aanrukkende benden +naderden, dit schip te bemachtigen, het kruit over boord te werpen en de +Hollandsche vlag in top te hijschen. + +Maar lang niet overal kon de dolle moedwil van het gepeupel worden +voorkomen. Zoo zagen Reinier en Jakob een andere bende van woestelingen +bij het huis van den politie-commissaris Chandon en dat van den +ontvanger der belastingen Jonas, hun domme, schandelijke vernielzucht +uitvieren. Chandon lag ziek te bed. Zijn dienstmeisjes riepen dit het +volk toe, smeekend, haar meester toch te sparen. + +»Laat hem zijn eigen dood sterven!" schreeuwden de dolzinnigen. »Onze +handen zijn veel te goed, om zoo'n Franschen hond te vermoorden! Maar +de boeken moeten we hebben!" + +In doodsangst werden zij afgestaan. Daarop stak het rapalje het houten +kantoortje aan den waterkant in brand en wierp de registers en +schrifturen in het vuur. + +Minder goed kwam Jonas er af. Ook bij hem verbrandde het losbandige +grauw het houten kantoortje aan den wal en, om het eens ferm te laten +lieren, haalde het eenige vaten boter uit 's mans kelder en wierp die op +den vlammenden hoop. Daarop begon de menigte het huis te plunderen en +hierbij waren Jakob en Reinier bijna het slachtoffer geworden hunner +pogingen, om de benden tot bedaren te brengen. Nauwelijks toch hadden +zij, na een ernstige vermaning, de stoep verlaten, of een zware geldkist +kwam door een der bovenramen getuimeld en sloeg barsten en gaten in +zerksteen en metselwerk. + +Een afdeeling Nationale gardes kwam aangerukt, om de orde te herstellen, +maar om den hoek van de Vijzelstraat konden zij niet verder door de +onafzienbare menigte van volk. Genoodzaakt tot schieten troffen hun +kogels drie opgeschoten jongens, waarop de plunderende bende in wilden +angst op de vlucht sloeg. + +In andere wijken ging het niet beter toe en ten hoogste bekommerd om +alles wat zij gehoord en gezien hadden, keerden de beide vrienden ten +leste naar huis. + +»Welnu, wat nieuws?" vroegen moeder Jane en juffrouw Vermaat om strijd. + +»'t Is treurig met Amsterdam gesteld," was Reinier's weinig bemoedigend +antwoord. »Het hoofdbestuur heeft de stad verlaten, we zijn op 't +oogenblik volslagen regeeringloos!" + +»Ja," zei Jakob, »een bandeloos gemeen, dat van kwaad tot erger dreigt +te gaan, speelt feitelijk de baas; ieder uur kunnen bovendien de +Franschen terug komen; het ziet er voor ons arme Amsterdam dus +bedenkelijk uit!" + +Daarop vertelden zij, wat ze zoo al hadden bijgewoond. + +»'t Is toch hard voor die gardes," zuchtte juffrouw Vermaat, »om op hun +eigen medeburgers te moeten schieten." + +»Dat is het ook," zei Jakob, »maar die medeburgers waren op dat +oogenblik geen menschen meer, maar woeste, losgebroken tijgers." + +Gelukkig kwam mijnheer Vermaat tegen den avond met hoopvoller berichten +thuis: Voornamelijk door toedoen van kapitein Falck,--zoo had hij op het +kantoor vernomen,--was door de gezamenlijke officieren der gardes een +commissie uit hun midden benoemd, met opdracht, een aantal geachte, +aanzienlijke ingezeten op te roepen en deze te bewegen, aan de +regeeringloosheid een einde te maken, door zelf het bestuur in handen te +nemen. Deze commissie had onmiddellijk vergaderd en het resultaat harer +bemoeiingen was, dat, zoo aanstonds reeds, de genoodigden in de +vroedschapskamer zouden bijeenkomen. + +Reinier en Jakob begaven zich nu terstond naar het stadhuis, om toch +maar zoo spoedig mogelijk den uitslag dier bijeenkomst te kunnen +vernemen. + +Inderdaad kwamen weldra twintig van de vier-en-twintig genoodigden in de +raadzaal bijeen. Zoodra allen plaats genomen hadden nam Falck, op +verzoek van Kolonel van Brienen het woord. + +»Het is noodeloos," sprak hij, »den toestand der stad voor u open te +leggen. Verlaten door de Hoofden van het Fransch Bestuur,--God geve +dat zij er nimmer wederkeeren!--zijn alle banden van gezag losgemaakt. +Het wilde gedruisch daarbuiten, de vlammen die ten hemel stijgen, +toonen--luider dan _ik_ het vermag--den algemeenen nood. Nog kunnen wij +de woeste menigte beteugelen; maar straks zal zij haar krachten kennen, +en het gevaar niet meer tellen. Dan wordt de dag, die de eerste van ons +geluk moest wezen, het begin van nieuwe ellende. Het gemeen kan door +kogels en bajonetten worden uiteen gejaagd; maar voor anderen dan voor +medeburgers moeten onze kogels en bajonetten zijn; en het volk, al is +het uitééngejaagd, is daarmee nog niet tot bedáren gebracht. Het gezag +alleen kan het onderwerpen, de rust herstellen, en bloed dat ons +dierbaar is, sparen. Zoo lang dit volk nog meent geregeerd te zijn door +Franschen, zoo lang zal de wanorde duren, grooter, ijselijker worden, ja +ten laatste zich van alles meester maken. + +Maar toont het volk een Vaderlandsch Bestuur aan het hoofd der stad; +laat het namen hooren, die het oude ontzag en vertrouwen doen herleven: +die klank alleen zal reeds eerbied inboezemen, zal het verschiet van +betere tijden openen! Zoo zal de hoop ontluiken, en met haar de kalmte; +bandelooze woede zal voor zachtere gewaarwordingen plaats maken; en +duizenden handen, die nu slechts brandstichting en vernieling dreigen, +zullen zich wapenen voor de vrijheid! Aanvaardt dan de regeering van +Amsterdam, die wij u opdragen. Of vraagt gij, wat ons daartoe wettigt? +Wij zouden uit naam van het Fransch Bestuur zelve, u dit nieuw gezag +kunnen aanbieden. Maar gij wilt niet, dat het uit zulk een bron zal +vloeien. Al wat in de stad goed of eer te verliezen heeft roept u in, om +haar te beschermen tegen den moedwil. Het Vaderland, dat uit zijn asch +herrijzen zal, roept u in, als de eersten om het te behouden. En zoudt +gij voor die stem uw ooren dan willen sluiten? Gij _kunt_ het niet!" + +Na deze overtuigende toespraak verklaarden zeventien van de twintig +aanwezigen zich bereid, om deel te nemen aan het voorloopig bestuur. + +De aanstelling van dit nieuwe bestuur werd nu openlijk aan het volk +verkondigd, en de rustverstoorders onder bedreiging van strenge straffen +aangemaand, zich van alle baldadigheden te onthouden en tot orde en +rust terug te keeren. In plechtigen optocht, onder escorte van een +gedeelte der schutterij--welken naam de nationale garde reeds weer had +aangenomen--trokken de benoemde raadsleden bij fakkellicht door de +straten, luide toegejuicht door alle weldenkenden, die door herhaalde +hoezee's hun vertrouwen op het nieuw stadsbestuur te kennen gaven. De +genomen maatregelen hadden het beoogde gevolg, de stad kwam tot rust. + +Nog dienzelfden avond werd het gebeurde te Amsterdam aan de verbondenen +in Den Haag bekend. + +De Haagsche heeren begrepen, dat nu ook voor hen de tijd van handelen +gekomen was. Den volgenden morgen vertoonden zich Van Stirum en de zonen +van Van Hogendorp met de oranjecocarde op den hoed in de straten. Waar +zulke mannen dit waagden, daar twijfelde niemand, of de dageraad der +vrijheid was waarlijk aangebroken. Binnen weinige oogenblikken prijkte +de oranjekleur op aller hoofd of borst; welhaast zag men haar ook +voor de vensters en wapperde zij voor alle winkeldeuren. Huizen en +werkplaatsen liepen leeg, de gansche bevolking kwam op de straat, de +lucht weergalmde van gejuich en gelukwenschingen en uit veler oogen +vloeiden vreugdetranen! En schoon het aan geen verwenschingen van de +Franschen ontbrak, schoon welhaast hun adelaars en wapenschilden ook +hier niet langer geduld werden, nergens toch werd geweld gepleegd, en +nergens ontdekte men sporen der voormalige tweedracht. + +De graaf Van Limburg Stirum aanvaardde nog dienzelfden dag, in naam van +den Prins van Oranje, de betrekking van gouverneur van Den Haag en +weldra trok de Fransche bezetting bij minnelijke schikking af. + +Het eerste werk der Haagsche heeren was nu, de prinsgezinde oud-regenten +bijeen te roepen, om te beraadslagen over de instelling van een algemeen +landsbestuur. Deze vergadering leidde echter tot niets, evenals een +tweede, waarbij ook voormalige tegenstanders van het Huis van Oranje +waren genoodigd. Uit angst waren velen der opgeroepenen thuis gebleven +en voorzichtigheidshalve weigerde de overgroote meerderheid der +aanwezigen, vooreerst aan het voorgestelde doel mede te werken, daar +de uitslag van den opstand geheel zou afhangen van het oorlogsbeloop +in het buitenland. Van Hogendorp en Van der Duyn van Maasdam echter, +begrijpende dat het volk niet moest wachten, totdat het door vreemde +wapenen werd verlost, maar de gelegenheid diende aan te vatten om zich +zelf te bevrijden, aanvaardden den 21sten November het hooge landsbewind +tot de aankomst van den Prins van Oranje. Niet wetende of deze in +Engeland of in Duitschland was, zond men twee deputaties af, waarvan de +eene hem in Engeland aantrof. + +Het algemeen bestuur ontsloeg onmiddellijk alle Nederlanders van den eed +van trouw aan den keizer der Franschen, doch aanvankelijk ondervond die +stoute daad niet de gewenschte medewerking bij het Nederlandsche volk, +al sloten zich ook verscheidene Hollandsche steden bij den opstand aan. +Amsterdam echter, van de eene zijde uit Utrecht, van de andere uit +Naarden bedreigd, bleef bij de onzijdige houding volharden, die het van +het begin af had aangenomen en die hierop neerkwam, dat men zich nòch +vóór den Prins, noch tegen den Keizer verklaarde. + +Den 24sten kwam daarin verandering. Op den morgen van dien dag verscheen +namelijk een voorhoede van tweehonderd Kozakken voor de Muiderpoort, +die door de burgerij met de uitbundigste vreugde werd ontvangen. De +verschijning dier woeste gasten was als die van beschermende Engelen. En +hoe weinig ook die 200 man beteekenden, hoe ook Molitor met zijn 4000 +Franschen Amsterdam bleef bedreigen--de overtuiging, dat de verbonden +mogendheden zich Holland's zaak aantrokken, vooral de ijverige pogingen +van Falck, brachten thans de stadsregeering er toe, zich bij het +Algemeene Bestuur aan te sluiten. + +Ook Jakob en Reinier zagen dien morgen de aangekomen Kozakken, maar niet +met de opgewondenheid hunner stadgenooten. Het stemde hun bitter, dat +diezelfde ellendige, smerige kerels, die luizige schooiers in vodden van +kleeren gehuld, zittend op oude schonkige knollen, zonder zadel, met den +voet in een touw bijwijze van stijgbeugel, een oud verroest pistool als +vuurwapen, een stok met een verroesten spijker er aan in plaats van een +lans,--diezelfde eeuwig naar brandewijn stinkende schooiers, welke als +een troep gieren het stervende Groote Leger hadden omzwermd, maar de +vlucht namen bij het minste verweer,--het stemde hun bitter dat die +paar honderd hongerige lafaards door de Amsterdamsche burgerij als +vrijheidshelden werden verwelkomd en dat de komst van zóó'n bende het +weifelend stadsbestuur bemoedigde, om zich bij den opstand te voegen. + +Evenwel, toen dit besluit, onder het uitsteken der oranjevlag, van +de pui van het stadhuis afgelezen, opnieuw het volk in geestdrift +bracht,--toen waren toch ook zij van harte verheugd, dat Amsterdam +eveneens voor de zaak der vrijheid was gewonnen. + +Dordrecht, dat zich dadelijk had aangesloten, sloeg een aanval der +Franschen moedig af, doch Woerden had nog een allerschandelijkste +plundering der troepen van Molitor te doorstaan. Intusschen waren de +Kozakken de grenzen overgetrokken en hadden de Noordelijke provinciën +bezet. De Pruisen drongen tegelijkertijd Gelderland binnen en +vermeesterden den 30sten November Arnhem, terwijl de Zeeuwen in hun +opstand door de Engelschen ondersteund werden. Bij het einde van 1813 +waren nog slechts enkele vestingen in de macht der Franschen. + +Wel stond 's Gravenhage dus niet zoo heel lang alleen, wel werd ook +Utrecht den 28sten door Molitor ontruimd en den volgenden dag door +Kozakken bezet, doch zoolang men niets van den Prins van Oranje vernam, +in wiens naam men handelde, stond het te vreezen, dat de minste +tegenspoed de zoo lang gerekte en telkens weer opgewonden geestdrift +zou ter neder slaan. Gelukkig kwam er Zondag den 28sten een brief van +den Prins, waarin de vorst zijn blijdschap over de gebeurtenissen in +Holland te kennen gaf, zijn goedkeuring betuigde ten opzichte der +genomen maatregelen en de belofte deed, dat hij binnen weinige dagen +zou overkomen. + +Op het Engelsche fregat »~The Warrior~" stak hij in zee en kreeg den +30sten November Scheveningen in het gezicht. Men drong den Prins om, +alvorens te landen, kondschap in te winnen omtrent den staat van zaken, +doch Willem Frederik wees dit voorstel van de hand. Hij ging van 't +oorlogsschip in een pink over en werd vervolgens, onder het gebulder +der kanonschoten van het fregat, met een wagen aan wal gebracht. 't +Bericht dat Oranje naderde, was reeds te 's Gravenhage verspreid vóór +~The Warrior~ het anker wierp en vandaar dat strand, duinen en gansch +Scheveningen vervuld waren met tallooze scharen, die den langgewenschten +vorst verbeidden en hem jubelend welkom heetten. Van Hogendorp, Van der +Duin en de graaf van Stirum ontbraken niet, om den Prins te begroeten, +die nu in een open rijtuig, te midden der feestvierenden, naar 's +Gravenhage reed. + +Mijnheer Vermaat bevond zich juist in Den Haag, waarheen hij door zijn +patroon was gezonden, om een hangende kwestie met een daar gevestigde +firma, zoo mogelijk, tot klaarheid te brengen. En schoon hij nooit op +redenaarstalenten had mogen bogen, werd de goede man zelfs welsprekend, +toen hij 's anderendaags aan zijn huisgenooten 's Prinsen aankomst ging +verhalen. + +»De reis van Scheveningen naar Den Haag," vertelde hij, »was een +zegetocht, door het fraaiste weer begunstigd en onder de toejuiching +van duizenden! Nooit heb ik menschelijke blijdschap zich op zóó +verschillende manier zien uiten. Hier staarden de menschen wezenloos, +alsof zij niet geloofden wat zij zagen; dáár stonden er met gloeiende +wangen, anderen weer waren doodsbleek van ontroering. De een barstte +los in gejuich, de oogen van den ander stonden vol tranen. Nooit hoorde +ik zóóveel gejubel, nooit zag ik zóóveel geestdrift! Sommigen snikten, +anderen vielen elkander om den hals, ja, de menschen ontzagen vaak +hoeven noch wielen en lieten zich bijna overrijden door de Prinselijke +koets, om maar een blik of een glimlach van den Vorst op te vangen. +Hoeden werden gezwaaid, doeken werden gewuifd, het Oranjeboven galmde +uit ieders mond. 't Was, of de bejaarden een zoon, of de mannen een +broêr, of de jongelingen een vader uit den dood hadden terug gekregen! + +De Prins stapte in het Voorhout bij Van Stirum af. De deuren van het +hôtel bleven open en ieder had vrijen toegang tot den Vorst. + +Weinige uren na zijn aankomst liet de Prins een proclamatie afkondigen, +waarin hij verklaarde, al het verledene te vergeven en te vergeten en al +zijn landgenooten opriep, om zich met hem te vereenigen tot bevestiging +van Holland's onafhankelijkheid." + +»Die proclamatie heb ik gelezen," zei Reinier. »Die is van morgen +ook hier in Amsterdam aangeplakt. Maar tegelijk nog een andere, van +Fannius Scholten en Kemper, waarin zij verklaren dat de vorst, die het +Nederlandsche volk terug heeft gevraagd, niet is Willem de Zesde, van +wien de natie niet weet wat zij eigenlijk te hopen of te verwachten +heeft, maar Willem de Eerste, die als een souverein vorst, zijn volk +aan de slavernij van een schandelijke buitenlandsche overheersching zal +ontrukken." + +»Mooi zoo," riep mijnheer Vermaat, »dat is de beste manier om de oude +partijschappen nooit meer te laten herleven en nieuwe verdeeldheid te +voorkomen." + +Niet minder groot dan te 's Gravenhage was de geestdrift, toen de Prins +den volgenden dag zijn intocht in de hoofdstad deed. Meer dan twee volle +uren duurde het, eer de stoet den Dam bereikt had. Dat was een andere +intocht dan die, welke, twee jaar te voren, Napoleon in dezelfde +hoofdstad had gedaan. Toen schreeuwden gehuurden en gedwongenen het +»Vive l'Empereur!"--~nu~ klonk uit duizenden monden het hartelijk en +welgemeend: »Oranje-boven!" + +En de drie zwervers van het Groote Leger, hoe verheugd zij ook den voet +weer in het vaderland gezet hadden, zij kregen eigenlijk pas thans het +rechte, heerlijke gevoel van weer thuis te zijn! + +[Decoratieve Illustratie] + + + + + Taco de Minstreel + + [Illustratie] + + door P. VISSER. + + Met 8 platen van J. H. ISINGS Jr. + + Prijs in prachtband f 1.90. + +De schrijver heeft voor zijn geschiedenis uit den tijd der graven van +het Hollandsche huis de beste bronnen voor het tijdvak geraadpleegd. +Trouwens de heer Visser is geen onbekende en het boek geen eersteling. +Integendeel, velen weten hoe voortreffelijk hij vertelt van dingen, +die onze jongens wel moeten interesseeren. Vooral in dit nieuwe werk +ontwikkelt de schrijver een romantische kracht, die aan den beroemden +Van Lennep doet denken. + + + De Laatsten der Arkels + + [Illustratie] + + door P. VISSER. + + Met 8 platen van J. H. ISINGS Jr. + + Prijs in prachtband f 1.90. + +In dit werk stelt de schrijver zich ten doel den tragischen ondergang +van het machtige Arkelsche huis te schetsen en tevens een beeld te geven +van het schier niets ontziende streven der landheeren om zich van het +eenhoofdig gezag meester te maken. Zonder overdrijving of ongezonde +spanning is de schrijftrant levendig en boeiend. Hij laat u mee-trekken, +mee-strijden, mee-vluchten, mee-feesten naar het voorkomt. + +Behalve door de vele illustraties wordt de geschiedenis toegelicht ook +door een kaart van Gorkum uit den tijd, waarin het verhaal speelt. + + + Het Beleg van Alkmaar + + door P. VISSER. -:- Geïllustreerd door H. C. LOUWERSE. + + Tweede Druk. :: Prijs in prachtband f 1.25. + +Het Beleg van Alkmaar is beschreven door den Heer P. VISSER, die hier +een zeer boeiend en blijkbaar historisch zeer nauwkeurig verhaal heeft +gegeven van het beroemde beleg, waarvan de victorie begon. Twee kaartjes +en vier illustraties verduidelijken het werk zeer. + + + Heemskerck op Nova-Zembla + + door P. VISSER. -:- Geïllustreerd door A. H. GOUWE. + + Derde Druk. :: Prijs in prachtband f 1.25. + +De ontdekkingstochten in de Noordelijke IJszee leveren een prachtige +stof voor avontuurlijke verhalen met een geschiedkundigen ondergrond. +Over den tocht der Hollanders onder Heemskerck en Barendsz is het boek +van P. VISSER zeer aanbevelenswaardig. + + + Heemskerck voor Gibraltar + + door P. VISSER. -:- Geïllustreerd door H. C. LOUWERSE. + + Tweede Druk. :: Prijs in prachtband f 1.25. + +Een aanbevelenswaardig geschiedkundig verhaal is »Heemskerck voor +Gibraltar" door P. VISSER; de schrijver verstaat de kunst, den lezer te +doen meeleven met zijn personen uit het verleden. Hij weet maat te +houden en wordt niet langdradig; vandaar dat zijn boeken een bescheiden +omvang hebben, 't geen een deugd is in een kinderboek. + + + De Vliegende Hollander + + door P. VISSER. -:- Geïllustreerd door A. RÜNCKEL. + + Tweede Druk. :: Prijs in prachtband f 1.25. + +Kapitein van Halen, de uitvinder van een snelzeilend fregat, wordt door +zijn tijdgenooten miskend, en snijdt allen omgang met zijn medemenschen +af. Hij verwerft den bijnaam van »de Vliegende Hollander" en zijn schip +speelt een rol in de geschiedenis der Boekaniers, die in dien tijd +West-Indië onveilig maakten. + + + Prins Almanzor's Makker + + door =Marie Boddaert=. Geïll. door =B.= en =J. Midderigh-Bokhorst=. + + =Prijs in prachtband f 1.90=. + +[Illustratie] + +Prins Almanzor's makker is, zijn besluiteloosheid, zijn zucht tot +weifelen, belichaamd in de gestalte van zijn sprekend op hem gelijkenden +voedsterbroeder Manuel. En het middel om hem van die karakterzwakheid +te genezen, vindt de »Wijze van het Woud," door Almanzor met Manuel een +avontuurlijke reis vol gevaren te laten maken, waarbij de zwakke wil van +zijn voedsterbroeder den kroonprins hoe langer hoe duidelijker wordt. +En daardoor leert hij niet alleen zichzelf kennen, maar ook zichzelf +zoo flink aanpakken, dat hij aan het einde van het boek met het volste +vertrouwen kan zeggen: »Ik wil ook." + +Marie Boddaert heeft deze mooie paedagogische gedachte met veel talent +uitgewerkt en zij is er volkomen in geslaagd de belangstelling van haar +lezers door het geheele boek heen te behouden. + +Gebr. Kluitman hebben alle eer van deze uitgave die, versierd met +prachtige illustraties van B. en J. Midderigh-Bokhorst een rustig +voornamen indruk maakt. + + + De Schipper van de Jacomina + + door MARIE BODDAERT. Geïll. door LOUIS RAEMAEKERS. + + =Prijs in prachtband f 1.90=. + +Dit nieuwe werk van de begaafde schrijfster speelt op Walcheren in de +jaren toen de bevolking het vreemde dwangjuk moede was en de wensch en +wil wakker werden, dat de Prins van Oranje weer mocht terugkeeren en 't +als van ouds »Oranje Boven" zou worden. De overheerschers keken scherp +toe en waar zij vrienden van Oranje vermoedden, straften zij even +scherp. Vreedzame burgers werden opgebracht, hun huizen doorsnuffeld, +hun papieren in beslag genomen en zij zelf zonder vorm van proces achter +slot en grendel gezet. + +In die atmosfeer van geheimzinnigheid, waarin wij ook vaak smokkelaars +aantreffen op avonden dat de storm loeit en Walcheren's kust door de +zee wordt gebeukt, speelt Koen Lievensz een eervollen rol. Het is een +waagstuk, van de kust, bewaakt door gendarmes, in een wrakke boot af +te steken, door de branding heen naar de Engelsche vloot te gaan om +berichten over te brengen en daarna met tijdingen van de buitenwereld op +het eiland terug te keeren. Als ten slotte de Franschen zijn verjaagd, +spreekt schipper Bot deze woorden, welke als een profetie klinken: »_'k +Hoop dat Nederland in de toekomst geen verdere les zal noodig hebben_," +en met het oog op zijn Gillis en Marees en Koen. »_Met zulke jongens? +Dat's best mogelijk!_" + + + De Page van Napoleon + + door =S. J. Andriessen=. Geïllustreerd door =J. H. Isings Jr.= + + =Prijs in prachtband f 1.90=. + +[Illustratie] + +Een historisch verhaal uit de dagen van Napoleon, dat elke jongen met de +grootste belangstelling zal lezen. + +Hector d'Albas, de jeugdige afstammeling van een oud adellijk geslacht +vervalt door de revolutie tot groote armoede, maar komt door allerlei +wederwaardigheden aan het hof van Napoleon en wordt tot page bevorderd. +Hoe hij zich in deze betrekking gedraagt en ook wel eens misdraagt, +wordt in dit boek op onderhoudende wijze beschreven. De mooie +teekeningen van J. H. Isings Jr., verleenen aan dit royale en met +zorg uitgevoerde boek een groote attractie. + + + NAPOLEON + + Tweede Druk. + + =Prijs in prachtband f 2.90=. + + door H. TH. CHAPPUIS en A. H. P. BLAAUW. + +Het beste werk in onze taal over den grooten keizer is dat van den +overste H. Th. Chappuis. Het is waarlijk een standaardwerk, dat de +Napoleontische reuzenfiguur inderdaad op de meest voortreffelijke +wijze schetst. Er is van dit werk thans bij de gebroeders Kluitman te +Alkmaar in fraaie uitgave een tweede geheel omgewerkte druk verschenen, +waaraan de heer A. H. P. Blaauw, leeraar in de geschiedenis aan de +Cadettenschool te Alkmaar zijn medewerking heeft verleend. Met genoegen +maken wij van deze uitgave melding. + _Rotterdamsch Nieuwsblad._ + +Het groote Napoleon-boek van Generaal Chappuis, met 32 platen, +een boek voor de groote jongens over den grooten man, historisch +wèl-gedocumenteerd en voorzien van kaarten en plattegronden: Wagram, +Waterloo, is, omgewerkt door den samensteller, met behulp van den +leeraar in de geschiedenis aan de Alkmaarsche cadettenschool A. H. P. +Blaauw, in tweeden druk verschenen bij Gebr. Kluitman te Alkmaar. +Uiterlijke zoowel als innerlijke verzorging zijn den prijs waard. + _Alg. Handelsblad._ + +Van dit voortreffelijke boek is eene tweede druk verschenen, met +platen naar oorspronkelijke schilderijen. De heer Blaauw, leeraar aan +de Cadettenschool te Alkmaar, heeft het werk van den heer Chappuis, +toen deze bezweek, overgenomen. De tweede druk is aldus omgewerkt en +verbeterd en tot een standaardwerk geworden. + _Prov. Groninger Courant._ + + + + + +--------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: stem van mijnheer de Celles. En | + | C: stem van mijnheer De Celles. En | + | B: Maar mijnheer de Celles zei: | + | C: Maar mijnheer De Celles zei: | + | B: »Ja, ja," gronnikte Ep, | + | C: »Ja, ja," grinnikte Ep, | + | B: trots van de huisvouw! Maar | + | C: trots van de huisvrouw! Maar | + | B: Nu geen woord spreken," | + | C: »Nu geen woord spreken," | + | B: Laat je plat op den | + | C: »Laat je plat op den | + | B: En je neef?" | + | C: »En je neef?" | + | B: dan ook aan behalve Willem | + | C: dan ook aan, behalve Willem | + | B: gendarmen het ondezoekweer voort; | + | C: gendarmen het onderzoek weer voort; | + | B: en daar is hij hij hem dankbaar | + | C: en daar is hij hem dankbaar | + | B: En niettemin, ging hij voort | + | C: En niettemin," ging hij voort | + | B: die onmiddelijk dood voorover | + | C: die onmiddellijk dood voorover | + | B: uit van de Pyreneëen tot de | + | C: uit van de Pyreneeën tot de | + | B: riep Bruno, die is | + | C: riep Bruno, »die is | + | B: onaangenaan had getroffen. | + | C: onaangenaam had getroffen. | + | B: vervolledigde Bert weer, en nog | + | C: vervolledigde Bert weer, »en nog | + | B: garde, de ordonnence-officieren en | + | C: garde, de ordonnance-officieren en | + | B: krachtig: _Vive 'l Empereur!_ | + | C: krachtig: _Vive l' Empereur!_ | + | B: van verschillende burgelijke | + | C: van verschillende burgerlijke | + | B: Oliebollen!... O, heerlijk, | + | C: »Oliebollen!... O, heerlijk, | + | B: Maar na ook verder niet astig | + | C: Maar nu ook verder niet lastig | + | B: gelukkiger zijn we dan niet!" | + | C: gelukkiger zijn we dan niet! | + | B: wat droevige oudejaarsavond vrouw | + | C: wat droevige Oudejaarsavond vrouw | + | B: vernield. | + | C: vernield." | + | B: min plaats meer." zei | + | C: min plaats meer," zei | + | B: mosselmeid, denk je dat | + | C: mosselmeid, »denk je dat | + | B: door den knotslag van het noodlot | + | C: door den knotsslag van het noodlot | + | B: Het zeggen i,s dat | + | C: Het zeggen is, dat | + | B: beleefd hadden! De goede uitslag | + | C: beleefd hadden!" De goede uitslag | + | B: die blôohartig de kogels | + | C: die bloôhartig de kogels | + | B: Jabob Stargardt tegenover zijn | + | C: Jakob Stargardt tegenover zijn | + | B: maar een wachmeester duëlleert | + | C: maar een wachtmeester duëlleert | + | B: tot vereffening kunnen komen," | + | C: tot vereffening kunnen komen." | + | B: Dat zal ik je beiden inpeperen!" | + | C: »Dat zal ik je beiden inpeperen!" | + | B: regiment over geplaatst. | + | C: regiment overgeplaatst. | + | B: treffenste zinnebeeld was. | + | C: treffendste zinnebeeld was. | + | B: namen zij uitgeplozen touw. | + | C: namen zij uitgeplozen touw." | + | B: wraak te kunnen uitoefenen. | + | C: wraak te kunnen uitoefenen." | + | B: ze hun hondersten verjaardag | + | C: ze hun honderdsten verjaardag | + | B: korporaal,--maar we konden | + | C: korporaal,--»maar we konden | + | B: vroeg de onde wachtmeester. | + | C: vroeg de oude wachtmeester. | + | B: toch tegen hem? vroeg een fourier, | + | C: toch tegen hem?" vroeg een fourier, | + | B: Wij zullen zien, mijneheeren. | + | C: »Wij zullen zien, mijneheeren." | + | B: niet uit het oog zou verliezen." | + | C: niet uit het oog zou verliezen." | + | B: »Ga er weer heen, beveelt hij, | + | C: »Ga er weer heen," beveelt hij, | + | B: verlaten hehben, evenals | + | C: verlaten hebben, evenals | + | B: voorbijgetrokken, | + | C: voorbijgetrokken. | + | B: de tafel liggen,.. Geen | + | C: de tafel liggen... Geen | + | B: Hemel, hoe komt die doos | + | C: »Hemel, hoe komt die doos | + | B: een der soldaten. We moeten | + | C: een der soldaten. »We moeten | + | B: aanhoudend daarheen flitsten. | + | C: aanhoudend doorheen flitsten. | + | B: Siberiê. Hun eten gebruikten | + | C: Siberië. Hun eten gebruikten | + | B: voor tien frans samen; | + | C: voor tien francs samen; | + | B: te Kaluga te zijn | + | C: te Kaluga te zijn. | + | B: bij Malo-Jaroslawetz slaags | + | C: bij Malo-Jaroslawitz slaags | + | B: Hm!.... zèker,--neen, | + | C: »Hm!.... zèker,--neen, | + | B: heel zijn honding was die | + | C: heel zijn houding was die | + | B: met zwakke stem »en | + | C: met zwakke stem, »en | + | B: had men de voorraadswagens, welke | + | C: had men de voorraadwagens, welke | + | B: onkomen. | + | C: omkomen. | + | B: zei Jabob, zich weer | + | C: zei Jakob, zich weer | + | B: Napoleons's leger zooveel mogelijk | + | C: Napoleon's leger zooveel mogelijk | + | B: de bodem van iedere ravijn bleek | + | C: de bodem van ieder ravijn bleek | + | B: Franschen: vijfduizen soldaten, | + | C: Franschen: vijfduizend soldaten, | + | B: Tegen over tachtigduizend man | + | C: Tegenover tachtigduizend man | + | B: kanonnen en de bage was verloren; | + | C: kanonnen en de bagag ewas verloren; | + | B: dat het dichts bij den Dnieper | + | C: dat het dichtst bij den Dnieper | + | B: en zonder Jacob Stargardt en zijn | + | C: en zonder Jakob Stargardt en zijn | + | B: Stargardt en de zijnen het ganstig | + | C: Stargardt en de zijnen het gunstig | + | B: klappertandde van kôu en zijn natte | + | C: klappertandde van koû en zijn natte | + | B: nacht van den 18en December | + | C: nacht van den 18den December | + | B: drietal te Kowo. Dit was | + | C: drietal te Kowno. Dit was | + | B: kom!... zegt Jakob; | + | C: kom!..." zegt Jakob; | + | B: troosten, zeggend, dat zij toch | + | C: troosten, zeggend, »dat zij toch | + | B: 'd honneur_ op, bestaande | + | C: d'honneur_ op, bestaande | + | B: Als jullie in 's hemelsnaam | + | C: »Als jullie in 's hemelsnaam | + | B: _die_ nu toch beginnen? | + | C: _die_ nu toch beginnen?" | + | B: Daar hèb je zoo'n afzetterskrot!" | + | C: »Daar hèb je zoo'n afzetterskrot!" | + | B: mee," zei Jakob »door | + | C: mee," zei Jakob, »door | + | B: vocht hem hij den hals | + | C: vocht hem bij den hals | + | B: scherven.--Vooruit, jongens!" | + | C: scherven.--»Vooruit, jongens!" | + | B: blijft stand houden,----»Niet wijken, | + | C: blijft stand houden.----»Niet wijken, | + | B: rondgevoerd. Ten slottte had | + | C: rondgevoerd. Ten slotte had | + | B: veel te goed. om zoo'n | + | C: veel te goed, om zoo'n | + | B: zoo ter neder slaan. Gelukkig | + | C: zou ter neder slaan. Gelukkig | + | B: oorlogschip in een pink | + | C: oorlogsschip in een pink | + | B: de schrijftrant levendlg en boeiend. | + | C: de schrijftrant levendig en boeiend. | + | B: geslaagd de belanstelling van haar | + | C: geslaagd de belangstelling van haar | + | | + +--------------------------------------------+ + + + + + +End of Project Gutenberg's De Zwervers van het Groote Leger, by Piet Visser + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZWERVERS VAN HET GROOTE LEGER *** + +***** This file should be named 33284-8.txt or 33284-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/3/2/8/33284/ + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at <a +href="http://www.pgdp.net">http://www.pgdp.net</a> + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
