diff options
Diffstat (limited to '30467-0.txt')
| -rw-r--r-- | 30467-0.txt | 9344 |
1 files changed, 9344 insertions, 0 deletions
diff --git a/30467-0.txt b/30467-0.txt new file mode 100644 index 0000000..1af3443 --- /dev/null +++ b/30467-0.txt @@ -0,0 +1,9344 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 30467 *** + + Thet Oera Linda Bok + + Naar een handschrift uit de dertiende eeuw. + + + Eigendom der familie Over de Linden, + Aan Den Helder, + Bewerkt, vertaald en uitgegeven door + + Dr. J. G. Ottema. + + + Tweede uitgave. + + Te Leeuwarden, bij + H. Kuipers. + + 1876. + + + + + + Gedrukt bij J. R. Miedema te Leeuwarden. + + + + + + + +VOORBERICHT. + + +De eerste druk van het Oera Linda Boek is uitverkocht, en daardoor de +gelegenheid ontstaan, om eene tweede uitgave ter perse te leggen. Voor +mij is dit eene gewenschte zaak, omdat ik nu in staat gesteld ben +hier en daar eene ingeslopen fout te herstellen of eene minder juiste +vertaling te verbeteren. + +Van zijne eerste verschijning af, ja zelfs reeds voor dat het +gedrukt was, heeft het boek eene groote tegenspraak en veroordeeling +ondervonden. Vele pennen zijn daarover in beweging gebracht, eerst om +de uitgave te beletten en vervolgens om de verspreiding tegen te gaan. + +Niet alleen binnen 's lands, maar ook daar buiten is men tegen dat +boek te velde getrokken, als of van de echtheid of onechtheid daarvan +het welzijn van land en volk afhing. + +Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en +verbittering op te wekken? Is het zoo'n bespottelijk prulschrift, +zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men +leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat +ik er bij en over geschreven heb in de Inleiding, de Geschiedkundige +Aanteekeningen, de Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek, en +de Deventer Courant en het Oera Linda Boek. Doch dat is juist wat men +niet doet. Men wil niet ingelicht wezen over den aard, de strekking en +de wetenschappelijke waarde van het boek. Het is veel gemakkelijker en +pleizieriger in den blinde te schermen en in het wilde te schreeuwen, +dan zich te zetten tot een ernstig onderzoek. Ieder, die maar even +het boek oppervlakkig heeft ingezien, of er wat over heeft hooren +praten, waant zich gerechtigd om er een afkeurend oordeel over uit +te spreken. Dat oordeel maakt een triumftocht door alle nieuwsbladen, +wordt door het van de zaak onkundig publiek toegejuicht, en het land +is gered. + +Nu hebben de Heeren F. Muller en P. Smidt van Gelder, te Amsterdam, +het papier van het Handschrift zoo het heet onderzocht, en beweren +in de Nederlandsche Spectator no. 32 van den 5 Augustus 1876, dat +het papier in deze eeuw is vervaardigd en wel in de laatste 25 jaren, +dat het machinaal papier vergé is en afkomstig uit de fabriek van de +Heeren Tielens en Schrammen te Maastricht. + +De Heer Muller schrijft, dit gevoelen steunt op de navolgende gronden: + +1. Het papier was in de 13e eeuw geheel van katoen, dik, ongelijk, +wollig, met zeer ongelijke onduidelijke waterlijnen,--dit papier +is dun, gelijk, hard, hier en daar doorschijnend, met geregelde +duidelijke waterlijnen. + +Antw. Het katoenpapier uit de 13e en vroegere eeuwen moest, eer men +er op kon schrijven, daarvoor opzettelijk geprepareerd worden door +polijsten. De Arabieren en Gothen hebben dit gedaan op dezelfde +wijze als de Egyptenaren hun papier en de Romeinen de fijnere +perkamentsoorten glansden, namelijk door sterke wrijving met de +slagtand van een wildzwijn, apri dente levigatur (Plinius). Tot een +gelijk doel bedienen de boekbinders zich van een agaat. Door de sterke +wrijving werden de papiervezelen dichter ineen geperst en daardoor +het papier glad en effen en iets dunner als het was. + +Doch daarom kan men het papier van het H. S. niet dun noemen. Het +H. S. bestaat uit 96 bladen, die tusschen eene pers gezet eene +gezamenlijke dikte hebben van ruim 12 m.M., waartegen de dikte van +2 boek best hollandsch schrijfpapier 12½ m.M. bedraagt, zoodat de +dikte van die beide papiersoorten gelijk staat. En best hollandsch +schrijfpapier behoort toch niet onder de dunne papiersoorten. + +Ik moet het er voor houden, dat de monsters papier, welke de Heer +Muller vroeger gezien heeft, nog ongeprepareerd en ongepolijst +geweest zijn, en dat hierdoor het verschil verklaard moet worden, +'t welk hij bij deze vergelijking heeft opgemerkt. + +2. Het papier is van oudsher tot ongeveer 1800 in het midden tusschen +de waterlijnen dunner dan ter weerszijde dicht bij de waterlijnen,--dit +papier is bij de waterlijnen egaal, gelijk alleen het papier van deze +eeuw is. + +Antw. Ik merk hierbij op, dat die uitdrukking van oudsher niet verder +gaat dan tot het midden der 14e eeuw, toen het linnenpapier in de +plaats van het katoenpapier is getreden en de papier-fabrikatie +zich al meer en meer over Europa heeft uitgebreid. Die vergelijking +heeft dus geene betrekking op het katoenpapier van de 13e eeuw, en +leidt tot geene gevolgtrekking tegen het papier van het Handschrift, +namelijk dat dit van de tegenwoordige zijn zoude. + +Het onderscheidt zich juist van het tegenwoordig papier in vier hier +zeer belangrijke punten. + +a. De breedte der horizontale waterlijnen. Want in een afstand van 33 +millimeters telt men daarbij 16 horizontale waterlijnen, zoodat de +breedte van elke lijn voluit 2 m.M. bedraagt. Het machinaal papier +wijst in dien afstand 17 tot 18 zulke lijnen aan, of voor elke lijn +eene breedte van niet meer dan 1.85 m.M. Zwaar Engelsch postpapier +heeft op dien afstand 20 lijnen, elk ter breedte van 1.65 m.M. + +b. De afwezigheid van chloor. Eene proef, genomen in mijne +tegenwoordigheid door wijlen den heer A. P. H. Kuipers, heeft +aangetoond dat het papier in het minst niet reageert op zilver en +dus volstrekt geen chloor bevat. Terwijl in deze eeuw geen papier +vervaardigd wordt of het is met chloor behandeld en laat bij dezelfde +proef op zilver een witten aanslag achter. + +c. De afwezigheid van stijfsel, amylum. De proef met eene oplossing +van iodium, die op machinaal papier eene zuivere en heldere violette +kleur te voorschijn brengt, heeft op dit papier geene uitwerking +en laat de bruine kleur van het iodium onveranderd, althans niet +meer dan bij elke uit zuivere planten vezelen vervaardigde stof wordt +waargenomen, omdat in alle planten vezelstof als natuurlijk bestanddeel +eenig amylum aanwezig is. Dit papier is derhalve vervaardigd zonder +toevoeging van stijfsel en dus niet in de tegenwoordige eeuw. + +d. Ten aanzien van die waterlijnen is er nog een groot verschil +tusschen machinaal papier en dat van het Handschrift. Bij het +eerste zijn de lijnen van de vergeering uitwendig zichtbaar en +vallen terstond in het oog. Bij het laatste zijn de waterlijnen +van buiten bijna onzichtbaar, zoo zelfs, dat Dr. E. Verwijs in een +brief, d.d. Leiden 1 Dec. 1870, (d.i. nadat het Handschrift gedurende +drie jaren in zijne handen geweest was,) aan mij gericht, schreef: +Verder het papier, dat èn om den vorm èn om de stof mij verdacht +voorkomt. Oogenschijnlijk is het velijnpapier, dat in den rook heeft +gehangen.--Scheurt men de bladen in, dan vertoont het zich op de +scheur veel witter. Een watermerk is nergens te vinden, en ik heb +nooit middeleeuwsch papier gezien +zonder watermerk en kan mij het zelfs niet denken." + +Dr. Verwijs heeft dus in al dien tijd de waterlijnen niet gezien, +zelfs niet toen hij naar een watermerk zocht. Dit was niet mogelijk, +wanneer hij gevergeerd machinaal papier voor zich had gehad. + +3. Dit papier is geel gekleurd en niet van nature geel, gelijk veele +plaatsen bewijzen. + +Antw. Als het papier gekleurd, d. i. geverfd was, dan moest de +kleurstof in het papier zijn ingedrongen, doch dit is niet het +geval. Op de breuk ziet men duidelijk dat van binnen de vezel wit +is. De vuile geelachtig zwarte kleur van het papier is alleen het +gevolg van den tijd, en de uitwerking van den ouderdom in een verloop +van meer dan zes eeuwen. + +Dat overigens het papier nog zoo goed geconserveerd is en vooral door +vocht of mot niet geleden heeft, is een bewijs voor de zorgvuldige +bewaring van het H. S. als een om het zoo te noemen familie-heiligdom. + +4. Dit papier is afgesneden, gelijk duidelijk zichtbaar is; het papier +der 13e eeuw laat zich niet afsnijden noch afknippen zonder vezels +achter te laten. + +Antw. Dit laatste mag in zeker opzicht waar zijn bij ongepolijst +papier, maar bewijst niets ten opzichte van gepolijst en daardoor +dichter zamengeperst papier, en hangt in allen gevalle af van de +meerdere of mindere scherpte van mes of schaar. + +5. Het afsnijden doet mij denken aan machinaal papier, waarin wel de +perpendiculaire waterlijnen (pontuseaux) kunnen gebracht worden, doch +het is mij onbekend of daarin de horizontale lijnen van papierramen +kunnen zijn; indien ja, dan houd ik dit voor goed machinaal papier, +wat daarom niet ouder dan 25 of 30 jaar kan zijn, vroeger kon men in +machinaal papier die lijnen niet maken. + +Antw. Ik heb voor mij liggen eene authentieke verklaring van de +Heeren E. van Berk, P. Uurbanus, A. J. Leijer en T. Mooy aan den +Helder woonachtig, waarin zij verzekeren, dat bij hen bepaaldelijk +tusschen de jaren 1848 en 50 bekend is geweest het bestaan van het +handschrift, toebehoorende aan de familie over de Linden, dat later +is uitgegeven onder den titel van Thet Oera Linda Bok. + +Deze verklaring is in zijn geheel opgenomen in de Heldersche Courant +van den 12 Maart 1876. + +Daarmede vervalt de geheele redeneering van den Heer Muller omtrent +het machinaal papier, dat volgens zijne verklaring voor 25 of 30 jaar, +d. i. vóór het jaar 1848, nog niet met horizontale waterlijnen gemaakt +kon worden. + +Het papier van het H. S. is dus niet in deze 19e eeuw gemaakt. Van de +14e tot de 18e eeuw is geen papier bekend of het is voorzien van een +fabriekmerk (watermerk); maar in het papier van het H. S. is nergens +een spoor van fabriekmerk aanwezig. + +Het is dus ook niet vervaardigd in de 14e of latere eeuwen. Zoodat +er geen ander besluit overblijft, dan dat het papier uit de 13e eeuw +afkomstig moet zijn. + +6. Dit papier is tot boek ingenaaid geweest, blijkens de gaatjes; het +is veel te hard rondom die gaatjes om oud te zijn; ook is de wijze van +innaaijen geheel modern en geheel anders als bij oude handschriften; +daarbij gebruikte men minder gaten en dikker touw of perkament, +dan hiervoor kan bezigd zijn. + +Antw. Indien de Heer Muller het geheele H. S. gezien had, dan zoude +hij hebben opgemerkt, dat de rugzijde der katerns (of liever sexterns) +nergens eene spoor van lijm of ander plaksel vertoont. Dit bewijst, +dat het niet ingenaaid is geweest op eenige moderne manier, noch +op touwtjes, noch op reepjes perkament, noch op strookjes, maar +daarentegen op eene zeer eenvoudige en primitieve manier, door +onmiddellijke vasthechting met naald en draad in een perkamenten +omslag, gelijk men in den handel nog wel aantreft bij kleine boekjes, +zoogenaamd los ineengehangen goedje, als almanakken en dergelijke. + +Dit kan iedereen doen, en dit zal Hiddo oera Linda ook wel eigenhandig +gedaan hebben, en wel reeds daarom, omdat hij zijn Handschrift niet +kon toevertrouwen aan een boekbinder, dewijl die kunst in de kloosters +werd uitgeoefend, en zijn voorzaat Liko dringend gewaarschuwd had +voor de monniken, papekappa, wier oogen vooral niet mochten gaan over +deze schriften. + +7. Het schrift is veel te nieuw voor een hoogen ouderdom; de inkt +ligt op het papier; heeft het papier niet aangetast, wat bij hoogen +ouderdom van den inkt noodzakelijk moet gebeuren. + +De inkt is veel te zwart voor hoogen ouderdom, die was oudtijds +lichter en werd na langen tijd geheel bruin. + +Antw. Hiertegenover stel ik de woorden van Wattenbach, das Schriftwesen +im Mittelalter (Leipzig 1871) S. 137: »In alten Handschriften ist +die Dinte schwarz oder bräunlich, immer von ausgezeichnet guter +Beschaffenheit. Nachdem aber von 13 Jahrhundert an immer massenhafter +geschrieben wird, erscheint die Dinte häufig grau oder gelblich, +und ist zuweilen ganz verblasst." + +»Als Bestandtheile des atramentum librarium giebt Plinius Russ +(lampenroet) und Gummi an. Marcianus Capella erwähnt zuerst die +Galläpfel: gallarum gummeosque commixtio." + +»Eine Mischung von Kupfervitriol und Galläpfeln soll am häufigsten +sein." + +Uit welke bestanddeelen nu de inkt, waarmede het H. S. geschreven is, +kan bereid zijn, is mij onbekend; doch ik hecht aan de getuigenis van +Wattenbach voor de goede hoedanigheid der inkt tot in de 13e eeuw, +als bewijs voor de herkomst van het H. S. uit de 13e eeuw. + + + +Om deze redenen kan ik mij niet vereenigen met of berusten in het +oordeel van de Heeren Muller en Van Gelder, welk oordeel bovendien niet +geheel vrij is van eenzijdigheid. Zij hebben zich hoofdzakelijk de +vraag gesteld: komt het papier van het H. S. in meerdere of mindere +mate overeen met eene papiersoort van den tegenwoordigen tijd, +papier vergé. Dit is echter de tweede helft der kwestie. De eerste +en voornaamste helft is: in hoeverre komt het Handschrift overeen +met andere Manuscripten op papier die ouder zijn dan van het jaar 1300. + +In betrekking hiertoe heb ik hier nog eene opmerking bij te voegen. Het +Handschrift is gelinieerd geweest, waarschijnlijk met lood, +doch de hooge ouderdom heeft die lijnen doen verbleeken en bijna +uitgewischt, zoozeer dat ik in den eersten tijd ze wel vermoedde, +maar niet onderscheiden kon, voordat Jhr. Hooft van Iddekinge er mij +opmerkzaam op maakte. Zoodra deze een deel van het Handschrift onder +oogen kreeg, zeide hij: dat is gelinieerd geweest, en dáár kan men de +sporen er van zien." En toen ik zoo die sporen eens had leeren zien, +viel het mij gemakkelijk ze overal op elke bladzijde te onderkennen. + +Daarom heb ik ook op het facsimilé van bl. 45 de linieering hersteld, +teneinde te doen blijken hoe nauwkeurig en zorgvuldig die lijnen +getrokken, en de letters daartusschen geschreven waren, en tevens om te +doen beseffen, hoeveel tijd en vlijt er aan dat H. S., waarvan slechts +een paar honderd bladzijden zijn overgebleven, besteed is. Daarvan +heb ik de proef genomen door op gewoon gelinieerd papier pagina voor +pagina het H. S. in zijn eigen schrift te copieeren, en aan dat werk +300 uren moeten besteden. Dat is nog maar alleen overschrijven, en dan +zoude een verdichter nog eerst het geheele boek moeten zamengesteld +hebben, in eene taal, die van de bekende dialekten van het Oud-friesch +even onderscheiden is, als deze alle onderling verschillen; want die +oude Friesche wetten d. i. het wester Lauwers, het Hunsingoër, het +Fivelgoër, het Oldampster, het Emsingoër, het Brokmer, het Rustringer +recht, zijn in even zooveele verschillende dialecten geschreven en +wijken in spelling en woordvormen van elkander af. Tegenover die alle +zoude hij een afzonderlijk dialect moeten uitvinden, dat gesproken +is tusschen het Flie en de Schelde. En ten slotte had hij nog een +letterschrift moeten bedenken, dat meer en beter dan eenig ander voor +de Friesche taal geschikt is. + +Ten aanzien van dat letterschrift moet ik eindelijk nog wijzen op +eene zeer kenmerkende bijzonderheid: + +Het alfabet heeft nog geen q en z. De verbindingen qu, sc, sch en +de c aan het begin van een woord zijn nog niet bekend, ten bewijze, +dat deze geschriften zijn uit den vóór Romeinschen tijd. + +De c wordt niet anders gebruikt dan in de verbinding ch, als +geadspireerde of verscherpte g b.v. burch m.v. burga. + +In de Friesche Rechtboeken daarentegen heeft de taal die schrijfwijze +uit het Latijn aangenomen, en afzonderlijke teekens voor verlengde +vocalen verloren, gelijk mede die voor gs, ng en th. Die invloed +van het Latijn heeft vooral sedert Karel den Groote het alfabet door +vermindering van het getal der letters vereenvoudigd, maar daardoor +ook bedorven en minder geschikt gemaakt voor de aanduiding van aan +de Friesche taal eigendommelijke klanken. In dit opzicht heeft de +Friesche schrijfwijze of spelling een verbastering ondergaan, waarvan +de gevolgen bij de tegenwoordige schrijvers diep gevoeld worden. + +Een verdichter zoude zich wel gewacht hebben aan de spelling en het +alfabet van de oud-Friesche wetten iets te veranderen, en wel gezorgd +hebben door eenige verandering geen wantrouwen te wekken. + +Zie dat is niet een werkje, dat een of andere guit voor de grap +uitvoert, alleen om iemand te foppen. Dit te veronderstellen is immers +eene ongerijmdheid. Doch dat is niets. De negative kritiek der moderne +wetenschap staat voor geene ongerijmdheden. Als zij zich eenmaal in +het hoofd gezet heeft niet te willen dulden dat het Oera Linda Boek +echt is, dan moet het onecht wezen, het koste wat het wil. Nu loopt +zij overal rond om den bedrieger te zoeken; er is zelfs sprake van +geld bijeen te brengen om een prijs op zijn hoofd te stellen en den +aanbrenger te beloonen. Doch alles even vruchteloos, om de eenvoudige +en natuurlijke reden, dat die man niet bestaat en nooit bestaan heeft. + +Intusschen meent zij overal het publiek af te schrikken en richt tot +iedereen de inquisitoriale vraag: geloof jij nog aan het Oera Linda +Boek? Mijn antwoord is: ja Mijne Heeren. Ik heb nu bijna zes jaren lang +dat boek door en door als 't ware van binnen en van buiten bestudeerd, +in verband met de geheele oude Grieksche en Latijnsche literatuur, +maar nergens heb ik iets kunnen vinden, wat mij eenigen grond tot +twijfel aanbood. Daarom geloof ik nog aan de echtheid van thet Oera +Linda Bok, [1] en om deze reden heb ik de eer u eene tweede uitgave +daarvan aan te bieden. + + +Leeuwarden, Sept. 1876. + +Dr. J. G. Ottema. + + + + + + + +INLEIDING [2]. + + +De heer C. over de Linden aan den Helder, eerste Meesterknecht bij +'s Rijks Marine-werf, bezit een overoud Handschrift, dat sinds +onheugelijke jaren in zijne familie vererfd en bewaard is, zonder +dat iemand meer de herkomst daarvan wist, of den inhoud er van kende, +wegens de onbekendheid van taal en schrift. Alleen wist men, dat eene +daaraan verbondene traditie van geslacht tot geslacht de zorgvuldige +bewaring daarvan had aanbevolen. Het is gebleken, dat die traditie +berustte op den inhoud van twee brieven, waarmede het Handschrift +aanvangt; van Hiddo oera Linda Ao. 1256 en van Liko oera Linda Ao. 803. + +Het was aan hem gekomen volgens beschikking van zijn grootvader den +heer Andries over de Linden, wonende te Enkhuizen en aldaar overleden +den 15 April 1820, in den ouderdom van 61 jaren. Daar de kleinzoon +echter destijds nog slechts 10 jaren oud was, moest het H. S. voor hem +bewaard worden door zijne tante Aafje Meylhoff geb. over de Linden, +wonende te Enkhuizen, die het in Augs. 1848 aan den tegenwoordigen +eigenaar ten hand gesteld heeft. + +Dr. E. Verwijs daarvan kennis gekregen hebbende, verzocht van dit +stuk inzage te mogen hebben en herkende het terstond voor zeer +oud Friesch. Hij bekwam tevens vergunning er een afschrift van te +vervaardigen ten behoeve van het Friesch Genootschap, en was van +oordeel, dat het een stuk van groot belang kon wezen, bijaldien +het niet een ondergeschoven en met bedriegelijke oogmerken verdicht +geschrift was, waarvoor hij vreesde. Het afschrift in mijne handen +gesteld zijnde, liet ook mij in den aanvang nog in het onzekere, +schoon ik minder bevreesd was, omdat ik niet konde begrijpen, dat +iemand een valsch geschrift zoude opstellen zonder eenig doel, en +alleen om het geheim te houden. Doch de onzekerheid bleef bestaan, +tot dat ik naauwkeurige facsimilés van een paar fragmenten en later het +Handschrift zelf onder oogen kreeg. Het eerste gezicht daarvan stelde +mij terstond omtrent den hoogen ouderdom van het geschrift gerust. + +Oogenblikkelijk toch stonden mij Caesars woorden voor den geest, +als hij van het letterschrift der Galliers en Helvetiers sprekende +B. G. I. 29 en VI. 14 zegt: Graecis utuntur literis. Echter blijkt +uit V. 48 dat het niet geheel grieksche letters waren. Caesar +maakt dus slechts eene vergelijking en wel eene zeer juiste. Want +het schrift, dat met geen bekende lettervormen geheel overeenkomt, +gelijkt oppervlakkig nog het meest op het Grieksche schrift, zoo als +het op monumenten of in de oudste handschriften voorkomt, en behoort +tot den vorm, dien men lapidair of steenschrift noemt. Daarbij is +mij later gebleken, dat de schrijver van het laatste gedeelte des +boeks een tijdgenoot van Caesar geweest is. De vorm en oorsprong +van dit schrift is in het eerste gedeelte des boeks zoo omstandig en +uitvoerig beschreven, als men het van geene taal kan aanwijzen. Het +is zeer volkomen en bestaat uit 34 letterteekens, waaronder drie +afzonderlijke vormen voor de a en u en twee voor de e, i, y en o, +benevens vier zamengestelde of dubbelde medeklinkers: ng, th, ks +en gs. De ng, die als neusklank in geene andere westersche taal een +afzonderlijk teeken heeft, is eene ondeelbare verbinding, de th is +zacht als in het Engelsen en wordt somwijlen door d vervangen, en de +gs komt slechts zeer zelden voor, ik geloof alleen in het woord segse, +zeggen, in het hedendaagsche Friesch sidse, uitgesproken sisze. + +Het papier, groot kwarto formaat, is katoen papier, vrij dik, zonder +water- of fabriekmerk, op een raam of draadvorm geschept, met niet +zeer wijde perpendiculaire lijnen. + +Een inleidende brief geeft het jaar 1256 op als het jaar, waarin het +afschrift vervaardigd is door Hiddo overa Linda op overlandsch of +buitenlandsch papier. Diensvolgens zoude het afkomstig moeten zijn +uit Spanje, waar de Arabieren destijds katoenpapier vervaardigden +en in den handel brachten. Hieromtrent schrijft W. Wattenbach, das +Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871), S. 93: + +»De vervaardiging van papier uit katoen moet bij de Chinezen sedert +overoude tijden in gebruik geweest zijn, en bij de verovering van +Samarkand omstreeks den jare 704 aan de Arabieren bekend geworden. Te +Damascus werd dat fabriekaat een levendige tak van industrie, waarom +het Charta Damascena genoemd werd. Door de Arabieren werd de kunst +naar de Grieken overgebracht. Men beweert Grieksche handschriften +uit de tiende eeuw op katoenpapier te hebben, en in de dertiende eeuw +komen deze reeds menigvuldiger voor dan die op perkament. + +Men noemde het, om het van Egyptisch papier te onderscheiden, Charta +bombycina, gossypina, cuttunea, xylina. Eene onderscheiding van het +linnenpapier was toen nog niet noodig. + +Tot de vervaardiging van het katoenpapier bezigde men oorspronkelijk +de ruwe boomwol. Papier uit lompen vindt men het eerst vermeld bij +Petrus Clusiacensis (1122-1150.) + +Van de Arabieren leerden de Spanjaarden en de Italianen de +vervaardiging van dit papier. De voornaamste fabrieken waren te Jativa, +Valencia, Toledo, benevens Fabriano in de Mark Ancona. [3] + +In Duitschland is het gebruik van deze stof wel niet zeer verbreid +geweest, tenzij het papier uit Italie of Spanje ingevoerd werd. Doch +hoe meer de vervaardiging zich uit het oosten en de daarmede in verkeer +staande landen uitbreidde, des te meer moest ook linnen in de plaats +van katoen treden. Eene oorkonde van Kaufbeuren op linnenpapier uit +het jaar 1318 is van twijfelachtige echtheid. Bodmann stelt het oudste +zuiver linnenpapier in het jaar 1324; tot aan 1350 komt er ook nog +gemengd papier voor. + +Alle zorgvuldig geschrevene Manuscripten uit den oudsten tijd toonen +reeds door de regelmatigheid van de regels, dat zij gelinieerd geweest +zijn, ook waar de sporen daarvan niet meer herkend kunnen worden. + +Tot het linieeren bezigde men eene dunne schijf van lood, een liniaal +en een passer om de afstanden te bepalen. + +In oude handschriften is de inkt donker zwart of bruinachtig. Naar +mate echter sedert de 13e eeuw meer geschreven werd, vertoont de +inkt zich vaak grijs of geelachtig, of somtijds geheel verbleekt, +ten bewijze dat zij ijzerhoudend is." + +Dit alles is volkomen van toepassing op het voor ons liggend +Handschrift uit het midden der dertiende eeuw, beschreven met helder +zwarte letters tusschen fijne naauwkeurig met lood getrokken lijnen. De +kleur van de inkt toont duidelijk aan, dat zij niet ijzerhoudend +is. Door deze kenteekenen wordt het opgegeven jaartal 1256 geheel +gewettigd en valt er aan geen lateren oorsprong te denken. Maar +daarmede vervalt ook alle verdacht van bedrog uit lateren tijd. + +De taal is overoud Friesch, nog ouder en veel zuiverder dan de taal +van het Friesch Rjuchtboek of oude Friesche wetten en daarvan in vele +vormen en spelling verschillende, zoodat zij een geheel afzonderlijken +tongval of dialekt vertoont, en blijkens de lokaliteiten de taal +moet geweest zijn, zoo als die gesproken werd van het Vlie tot aan +de Schelde. + +De stijl is hoogst eenvoudig, beknopt, in korte volzinnen, ongedwongen +zich bewegende, even als de dagelijksche spreektaal, en vrij in de +vormen der woorden. + +De spelling is eveneens eenvoudig en gemakkelijk, zoodat de lezing +geene de minste moeite kost; en bij alle regelmatigheden toch zoo vrij, +dat ieder van de verschillende schrijvers, die aan het boek gewerkt +hebben, zijne eigene bijzonderheden heeft, die voortkomen uit de +wijziging van den klank der vokalen in verloop van lange tijdruimten, +hetgeen natuurlijk het geval moet zijn, daar het laatste gedeelte +vijf eeuwen later geschreven is als het eerste. + +Als antiquiteit van taal en schrift, geloof ik te kunnen zeggen, +dat dit boek geheel eenig in zijne soort is. + +Het schrift geeft aanleiding tot eene misschien zeer gewichtige +opmerking. + +De Grieken weten en erkennen, dat zij hun schrift niet hebben +uitgevonden. Zij schrijven de invoering daarvan toe aan Kadmus, +een Phenicier. De namen hunner oudste letters van de Alfa tot de Tau +komen zoo geheel overeen met de namen der letters in het Hebreeuwsche +Alfabet, waaraan het Phenicische wel naauw verwant zal geweest zijn, +dat de Phenicische herkomst dier namen wel niet betwijfeld kan +worden. Maar de vorm hunner letters verschilt zoo geheel en al van +die in het Phenicisch en Hebreeuwsch schrift, dat in dit opzigt aan +geene verwantschap te denken valt. Van waar hebben dus de Grieken +die letter vormen ontvangen? + +Uit thet bok thêra Adela follistar (het boek van Adelas helpers) +leeren wij, dat in den tijd, waarin die Kadmus moet geleefd hebben, +omstreeks 16 eeuwen voor Christus, een levendig handelsverkeer bestond +tusschen de Friesen en de Pheniciers, die zij Kadhemar, kustbewoners, +noemden. De naam Kadmus komt te nabij dat woord Kadhemar, om niet te +besluiten, dat Kadmus eenvoudig een Phenicier beteekent. + +Voorts lezen wij, dat omstreeks denzelfden tijd eene Priesteres van de +Burgt op Walcheren, Min-erva, ook Nyhellenia genoemd, aan het hoofd +eener Friesche kolonie, zich neergezet heeft in Attika en daar de +burgt Athene gesticht heeft. Alsmede uit de berichten, opgeteekend +aan de wanden der Waraburch, dat Findas volk ook een eigen schrift +bezat, doch zeer omslachtig en moeijelijk om te lezen; en dat daarom +de Tyriers en de Krekalanders het schrift van Frya hebben geleerd. + +Bij deze voorstelling verklaart de geheele zaak zich zelve, en is het +duidelijk, waardoor die uiterlijke gelijkenis tusschen het Grieksche en +oud Friesche schrift ontstaan is, welke ook Caesar in het oog gevallen +is bij de Galliers; alsmede op welke wijze de Grieken de namen van +Findas en de vormen van Fryas schrift nevens elkander hebben gekregen +en behouden. + +Even opmerkelijk zijn de vormen der cijfers. Men noemt onze +getalteekens gewoonlijk Arabische cijfers, ofschoon zij met de +Arabische getalteekens niet de minste overeenkomst hebben. De Arabieren +in Spanje hebben hunne cijfers niet uit het oosten medegebracht, +want de Semitische volken bezigden het geheele alfabet tot het +opschrijven van getallen. De wijze van met 10 teekens alle getallen +uit te drukken hebben de Arabieren in het westen geleerd, doch daar +vormen voor gekozen eenigermate in overeenstemming met die van hun +letterschrift, en toch geschreven van de linker naar de rechterhand op +Westersche manier. Onze cijfers blijken hier oorspronkelijk Friesche +cijfers (siffar) te wezen, wier vorm denzelfden oorsprong heeft als +het letterschrift en aan de lijnen van het Juul ontleend is. + +Het boek, zooals het voor ons ligt, bestaat uit twee van elkander +zeer verschillende, en in tijd vrij ver verwijderde gedeelten. Als +schrijfster van het eerste gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van +Apol, grevetman over de Lindaoorden. Dit is vervolgd door haren +zoon Adelbrost en hare dochter Apollonia. Het eerste boek loopende +van pag. 1-88 (hier p. 4-120) is geschreven door Adela. Een vervolg +van pag. 88-94 (122-128) is begonnen door Adelbrost en voortgezet +door Apollonia. Het tweede boek loopende van pag. 94-114 (128-154) +is geschreven door Apollonia. Veel tijd, misschien 250 jaren +later, is een derde boek geschreven van pag. 114-134 (156-180) door +Frethorik. Vervolgens van pag. 134 tot 143 (180-192) door zijne weduwe +Wiljow, daarna van pag. 144-169 (194-226) door hun zoon Konereed, +alsdan van pag. 169-192 (226-232) door hun kleinzoon Beeden; nu +ontbreken bl. 193 en 194, waarmede het laatste stuk pag. 195-210 +(235-253) moet hebben aangevangen, daardoor is de schrijver ons +onbekend, hij zal wel een zoon van Beeden geweest zijn. Door Wiljow +worden op bl. 134 (182) nog andere geschriften genoemd; daar vermeldt +zij thet bok thêra sanga, (thet bok) thêra tellinga, and thet Hellênia +bok; en vervolgens tha skrifta fon Dela jeftha Hellênia. + +Voor de tijdsbepalingen moeten wij uitgaan van het jaar 1256 na +Christus, waarin Hiddo overa Linda het afschrift vervaardigd heeft, +en waarvan hij zegt, dat het was het 3449 jaar nadat Atland verzonken +is. Dit vergaan van het oude land, âldland, âtland, is bij de Grieken +ook in geheugen geweest en Plato maakt in zijn Timaeus, 24, nog melding +van het verdwenen Atlantis, van welks ligging niets anders bekend was, +dan dat het ver buiten de zuilen van Herkules had gelegen. Uit dit +geschrift blijkt, dat het een uitgestrekt land geweest is ten westen +van Jutland, waarvan Helgoland en de Noordfriesche eilanden de laatste +schamele overblijfselen zijn. Deze gebeurtenis, waardoor het schijnt +dat een groote verstrooijing van den Frieschen stam veroorzaakt is, +was het aanvangspunt eener eigene tijdrekening, overeenkomende met +2193 voor Chr. Bij de geologen bekend als de eerste Cimbrische vloed. + +Op bladzijde 80 (110) begint een verhaal in het jaar 1602 nadat Atland +verzonken is en dus met 591 voor Chr., en bl. 82 (112) het verhaal +van den moord gepleegd aan Frâna, Eeremoeder op Texland, twee jaren +later, en dus 589. Wanneer nu Adela haar geschrift aanvangt met haar +eigen optreden in eene volksvergadering, 30 jaren na den dag dat de +Eeremoeder was omgebracht, dan zijn wij in het jaar 559 voor Chr. Uit +het schrijven van hare dochter Apollonia vernemen wij, dat Adela +15 maanden na die vergadering, bij eene overrompeling van Texland +door de Finnen, verslagen is; dit moet dus gebeurd zijn in 557 voor +Chr. en hieruit volgt, dat het eerste boek door Adela geschreven is +in 558 voor Chr. Het tweede boek, door Apollonia geschreven, mag dus +gesteld worden omstreeks het jaar 530 voor Chr. + +Het latere gedeelte behelst de geschiedenis van de bekende Koningen +van Friesland, Friso, Adel (Ubbo) en Asega Askar, genaamd zwarte +Adel. Evenwel is van den derden Koning Ubbo niets gemeld, of +liever dit stuk is verloren gegaan, bl. 169-188 (zie bl. 226) +ontbreken. Frethorik, de eerste schrijver, die hier voorkomt, is +een tijdgenoot van de gebeurtenissen, die hij verhaalt, namelijk de +komst van Friso. Hij is een vriend van Liudgert, den Geertman, die +als skelta bi thêr nacht op de vloot van Wichhirte den sêkening met +Friso hier was gekomen, in 't jaar 303 voor Chr., 1890 jaren nadat +Atland verzonken was. Uit het dagboek van Liudgert heeft hij vele +van zijne berichten ontleend. + +De laatste schrijver geeft zich zelven zeer duidelijk te kennen als +een tijdgenoot van Zwarte Adel of Askar, omstreeks het midden van +diens regering, welke bij Furmerius gesteld wordt van 70 vóór 11 na +Chr. gelijktijdig met Julius Ceasar en Augustus. Hij schreef dus in +het midden der eerste eeuw voor Chr. en droeg kennis van de verovering +van het land der Golen (Galliers) door de Romeinen. + +Er liggen dientengevolge ruim twee eeuwen tusschen de beide afdeelingen +van het handschrift. + +Van die Gôla lezen wij bl. 84: alsa hêton tha såndalinga prestera +Sidonis. En op bl. 124: tha Gola jeftha Trowyda. + +De Golen zijn dus de Druiden, en de naam Galli, overgedragen op het +geheele volk, eigenlijk de naam van eene Priesterorde of Priesterstam +van oostersche herkomst, even als bij de Romeinen de Galli, Priesters +van Cybele. + +De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw, namelijk er staat +bijna niets in, dat wij van elders reeds wisten. Hetgeen wij hier van +Friso, Adel en Askar lezen, verschilt gansch en al van hetgeen onze +bekende kronijkschrijvers weten te vertellen, of wel doet zulks in +een geheel ander daglicht beschouwen. B. v. allen verhalen dat Friso +uit Indie gekomen is, en dat dus de Friesen uit Indie afkomstig zijn, +en toch voegen zij er bij dat Friso een Germaan was en behoorde tot +een Persische stam, dien Herodotus Germanen noemt Germ'anioi. Naar +de berichten, die we hier ontmoeten, is Friso ook uit Indie gekomen +en wel met de vloot van Nearchus, maar hij is daarom geen Indiër, hij +is van Friesche afkomst, van Fryas volk. Hij behoort namelijk tot eene +kolonie Friesen, die na den dood van Nijhellênia, 15½ eeuwen voor Chr., +onder aanvoering eener Priesteres Geert, zich aan den Pangab (Indus) +neergezet en den naam Geertmannen aangenomen hebben. Die Geertmannen +zijn slechts bij een van de Grieksche schrijvers bekend, namelijk bij +Strabo, die hen vermeld als Germ=anec eene van de Braqm=anec in zeden, +taal en godsdienst geheel en al verschillende volkstam. + +Bij de schrijvers van Alexanders tochten worden noch Friesen noch +Geertmannen genoemd, doch zij spreken van Indoscythae; en geven +daardoor te kennen een volk, dat wel in Indie woont, maar uit het +verre onbekende Noorden afkomstig is. + +In de berichten van Liudgert worden geene namen genoemd van plaatsen, +waar die Friesen in Indie gewoond hebben. Wij vernemen alleen, +dat zij zich eerst in het land ten oosten van den Pangab hebben +nedergezet, en later verhuisd zijn naar den westelijken oever dier +rivier. Verder wordt als eene bijzonderheid medegedeeld, dat in den +zomer de zon op den middag recht boven hun hoofd stond. Zij woonden +dus nagenoeg onder den keerkring. En nu vinden wij bij Ptolomeus +(zie b. v. de kaarten van Kiepert) juist daar op 24° N. B. aan den +westelijken oever van den Indus den naam Minnagara, en een graad of +zes oostelijk van daar op 22° N. B. nog een Minnagara. Die naam is +zuiver Friesch, gelijk Walhallagara, Folsgara, en gevormd van Minna, +den naam eener Eeremoeder (zie pag. 74), in wier tijd de tochten van +Teunis en zijn neef Inka plaats vonden. + +Die overeenkomst is te opmerkelijk om enkel toevallig te wezen, en +niet dat Minnagara voor de hoofdplaats dier Friesche kolonie te houden. + +De vestiging van die kolonie in Indie aan den Pangab in 1551 voor +Chr. en hunne reis derwaarts, vinden wij in Adela's boek vrij +uitvoerig beschreven, en wel met de bijvoeging van eene uiterst +merkwaardige bijzonderheid, namelijk dat die Friesche zeelieden +gevaren zijn door de straat welke in die tijden nog op de Roode Zee +uitliep. Uit een bericht bij Strabo L. I fol. 38 en 50 blijkt dat +Eratosthenes nog kennis gedragen heeft van die voormalige zeeëngte, +waarvan de latere geografen geene melding meer maken. Zij bestond +nog in de dagen van Mozes, Exod. XIV : V, daar hij zich legerde bij +Pi ha chiroht, den mond der zeeëngte. Strabo vermeldt bovendien, dat +Sesostris eene poging gedaan heeft om de landengte door te graven, +maar dat plan niet heeft kunnen uitvoeren. + +Dat daar werkelijk eertijds de zee doorgestroomd heeft, bewijzen +de uitkomsten van het geologisch onderzoek van de landengte door +de commissie voor het kanaal van Suez, waarvan de heer Renaud op +den 19 Junij 1856 een rapport heeft uitgebracht bij de Academie des +Sciences. In dat rapport komt onder anderen voor: Une question fort +controversée est celle de savoir, si à l'époque où les Hebreux fuyaient +de l'Egypte sous la conduite de Moïse, les lacs amèrs faisaient encore +partie de la mer rouge. Cette dernière hypothèse s'accorderait mieux +que l'hypothèse contraire avec le texte des livres sacrés, mais alors +il faudrait admettre que depuis l'époque de Moïse le seuil de Suez +serait sorti des eaux. + +Ten aanzien van deze vraag is het zeker van belang in dit Friesche +handschrift een bericht te ontmoeten, waaruit blijkt dat in het midden +der 16e eeuw voor Chr. de verbinding van de Bittermeeren met de Roode +Zee nog bestond en de straat nog bevaarbaar was. + +Het handschrift bericht verder, dat kort na die doorvaart van de +Geertmannen beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo +hoog ophief, dat al het water de straat uitliep en dat alle wadden +en schorren als een wal oprezen. + +Deze dingen zullen dus na den tijd van Mozes geschied zijn, zoodat +tijdens de uittocht (1564) de streek tusschen Suez en de Bittermeeren +nog wel bevaarbaar was, maar bij lagen waterstand droogvoets kon +worden doorgetrokken. + +Dit punt is dus de oorspronkelijke Isthmus, na welks vorming zeker +spoedig de verdere inham noordwaarts tot aan de golf van Pelusium +geheel is opgeslibd. + +Een duidelijk overzicht over de formatie van dit terrein geeft de +kaart gevoegd bij: l'année scientifique et industrielle etc. par +Louis Figuier (première année). Paris, Hachette, 1857. + + + +Een ander bericht, dat ook alleen bij Strabo voorkomt, vindt hier +insgelijks eene opheldering en bevestiging. Strabo namelijk is onder +de Grieksche schrijvers de eenige die vermeldt, dat Nearchus na zijne +troepen in de Persische golf aan den mond van de Pasitigris te hebben +ontscheept, op bevel van Alexander met zijne vloot weer de Persische +golf uitgezeild en om Arabie heen door de Arabische golf gestevend +is. Zoo als dit bericht daar staat, is het niet duidelijk wat Nearchus +daar te maken had en wat het doel van die verdere tocht wezen kon; +enkel tot het doen van geographische onderzoekingen, zoo als Strabo +meent, behoefde hij toch niet eene gansche vloot mede te nemen, +daartoe was een schip of twee voldoende. Wij lezen ook niet dat hij +weer teruggevaren is; waar is hij dan met die vloot gebleven? + +Op deze vraag vinden wij hier het antwoord in de Friesche lezing van +de geschiedenis. Alexander had die schepen aan den Indus gekocht van, +of laten bouwen door de daar gevestigde afstammelingen van de Friesen, +de Geertmannen, en van hen scheepsvolk in dienst genomen, en aan het +hoofd van deze bevond zich Friso. Alexander had na de volbragte tocht +en het transport van de troepen, die schepen in de Persische Golf niet +meer noodig, maar wilde ze in de Middellandsche zee gebruiken. Dat had +hij in zijn hoofd gezet en dat moest gebeuren. Alexander wilde iets +doen, dat niemand voor hem gedaan had. Te dien einde moest Nearchus +de Roode zee opvaren, en aan het eind daarvan gekomen (bij Suez), +vond hij daar 200 elephanten en duizend kameelen en werklieden en +gereedschap, balken, touwen enz., om de schepen op het land te halen +en over de landengte te slepen. Dit werk werd met zooveel overleg en +ijver ondernomen en voltooid, dat na een arbeid van drie maanden de +vloot in de Middellandsche zee weer te water gelaten werd. Dat de vloot +werkelijk in de Middellandsche zee gebracht is, blijkt uit het bericht +van Plutarchus (vit. Alexandri), doch deze laat te dien einde Nearchus +met de vloot om Afrika heen door de straat van Hercules zeilen. Na de +nederlaag bij Actium heeft Kleopatra, in navolging van dit voorbeeld, +getracht hare vloot over den Isthmus te brengen, om naar Indie te +ontsnappen. Zij is daarin verhinderd door de Petraeische Arabieren, +die hare schepen in brand staken. (Zie Plutarchus vit. Antonii.) + +Friso is, toen kort daarop Alexander stierf, in dienst gebleven +van Antigonus en Demetrius, totdat hij door den laatste op eene +schandelijke wijze beleedigd zijnde, besloot met zijne manschappen +het oorspronkelijke moederland, Friesland, op te zoeken. Naar Indie +terugkeeren kon hij trouwens niet. Zoo vullen de berichten elkander +aan en helderen elkander op, en verleenen daardoor eene wederkeerige +bevestiging. + +Zulke enkele trekken en verrassende uitkomsten leiden mij tot het +besluit, dat wij hier met meer te doen hebben, dan met bloote sagen +of legenden. + +Sints een twintigtal jaren is de aandacht getrokken door de +overblijfselen van paalwoningen, het eerst opgemerkt in de meeren +van Zwitserland en vervolgens in een aantal streken van Europa +gevonden. Men zie daarover Dr. E. Rückert, Die Pfalhbauten. Würtzburg +1869, of Dr. T. C. Winkler, in de Volksalmanak t. N. v. A. 1867. Toen +men ze gevonden had, trachtte men uit de onder het water aanwezige +fragmenten van wapens, gereedschappen en huisraad na te sporen, door +wie en wanneer deze verblijfplaatsen bewoond geweest waren. Uit +berichten van historieschrijvers bleek daaromtrent niets meer, +dan hetgene Herodotus Lib. v. c. 16 van de Paeonen schrijft. Alleen +vond men eene spoor in een der tafereelen op de zuil van Trajanus, +waarin de verwoesting van een paaldorp in Dacie is afgebeeld. Dubbel +belangrijk is het daarom uit het geschrift van Apollonia te vernemen, +dat zij als burgtmaagd (omstreeks 540 v. Chr.) eene reis langs den +Rijn gedaan, Switserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners +(Marsaten) heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op +palen gebouwde woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze. Zij +vermeldt, dat die Marsaten van vischvangst en jacht leven, en de huiden +van het wild bereiden met de schors van berkenboomen, om die pelterij +te verkoopen aan de Rijnschippers, die ze verder in den handel brengen. + +Dit bericht omtrent de paalwoningen in de meeren van Switserland +kan niet geschreven zijn, dan in een tijd toen die paaldorpen nog +bestonden en bewoond werden. + +In het tweede gedeelte van het Handschrift wordt door Konerêd oera +Linda vermeld, dat Adel de zoon van Friso (± 260 j. v. Chr.) met +zijne vrouw Ifkja ook die paaldorpen in Switserland bezocht heeft, +»fon Walhallagâra brûdon hja alingen thêra sûder Hrênum al-ont hja +mith grâte frêse boppa thêre Rêne by tha Mârsâta kêmon, hwêrfon vsa +Apollônja skrêven heth. Tha hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja +wither nêi tha delta." + +Later als dit bericht komt bij geen schrijver ergens eenige +vermelding van die paalwoningen voor en is die zaak gedurende +twintig eeuwen volkomen onbekend gebleven, totdat in den jare 1853, +bij buitengewoon lagen waterstand, overblijfselen van zulke woningen +ontdekt zijn. Daarom heeft niemand zulk een bericht in lateren tijd +kunnen verzinnen. + +Hoewel een groot gedeelte van het eerste stuk, het Boek van Adela, +geheel valt in het Mythologisch Tijdvak vóór den Trojaanschen oorlog, +is hier in de verhalen een groot verschil met de Grieksche Mythen +in het oogloopend. De Mythen kennen geene tijdsbepaling, veel min +eene geregelde tijdrekening. Bij de Mythen bestaat geen inwendige +zamenhang of consequentie. De vrije verdichting ontwikkelt zich in +iedere sage afzonderlijk en onafhankelijk. De Mythologische verhalen +weerspreken elkander bijna op ieder punt. Les Mythes ne se tiennnent +pas is de eenige sleutel op de Grieksche Mythologie. + +Hier daarentegen ontmoeten wij eene geregelde jaartelling uitgaande van +een vast punt, het vergaan van Atland (2193 voor Chr.) De verhalen, +natuurlijk, eenvoudig, vaak naïf, weerspreken elkander nimmer, +en zijn altijd met elkander bestaanbaar, ook in plaats en tijd. Als +b. v. de komst en het verblijf van Ulysses bij de Burgtmaagd Kalip op +Walhallagara (Walcheren), 't gene wel het meest sagenhafte stuk is +van allen, hier gesteld is op 1005 jaren nadat Atland verzonken is, +dan komt dat uit op 1188 jaren voor Chr. en dus vrij nabij overeen +met den tijd, waarin de Grieken meenen, dat de Trojaansche oorlog +heeft plaats gehad. Die Ulysses-sage is hier niet door de Romeinen +aangebracht. Tacitus vond ze reeds in Neder Germanie (zie Germania +cap. 3) en zegt er bij, dat te Asciburgium een altaar was, waarop de +naam van Ulysses en die van zijn vader Laërtes gelezen werd. + +Een ander kenmerkend onderscheid bestaat daarin, dat de Mythe geene +herkomst kent, voor hare verhalen nooit berichtgevers of schrijvers +noemt, en dus nimmer eenig gezag weet aan te voeren. In Adelas boek +daarentegen wordt bij ieder verhaal opgegeven, waar het gevonden of +waaruit het ontleend is, b. v. dit is uit Minno's schriften, dit is +aan de Wanden der Waraburch gegrift, dit aan de Fryas burch, dit te +Stavia, dit op Walhallagara. + +En dan is er nog iets. Wetten, geregelde wetgevingen, gelijk zij in +Adelas boek in vrij grooten getale voorkomen, zijn in de Mythologie +eene onbekende en met haar wezen onvereenigbare zaak. Zelfs als +de Mythe aan Minos toeschrijft de invoering van eene wetgeving op +Kreta, dan weet zij van die wetgeving zelve niet het geringste te +berichten. Ook in de Mythische godenwereld bestaat geene wetgeving, +de eenige wet is daar het onveranderlijke Noodlot, of de wil van den +oppermachtigen Zeus. + +Ten opzichte van de Mythologie is dit geschrift, dat zelf geen +mythisch karakter draagt, niet minder merkwaardig dan voor de +geschiedenis. Ondanks de vele en velerlei betrekkingen met Denemarken, +Zweden (Skênland = Schonen) en Noorwegen (Northland), vindt men +hier geene sporen van bekendheid met de Noordsche of Scandinavische +mythologie. Alleen schijnt Wodan hier voor te komen als Wodin, een +Friesch heerman, die door een Magy, koning der Finnen, tot schoonzoon +aangenomen en na zijn dood vergood is. + +De Friesche godenleer of liever godsdienst, is hoogst eenvoudig en +zuiver Monotheisme. Wralda of Wralda's geest is het eenige, eeuwige, +onveranderlijke, volmaakte en almachtige wezen. Wralda heeft alle +dingen geschapen; alles komt uit hem voort, eerst de aanvang, dan de +tijd, en vervolgens Irtha, de Aarde. Irtha baart drie dochters Lyda, +Finda en Frya, de stammoeders van de drie menschenrassen, het zwarte, +het geele en het blanke (Afrika, Asia en Europa). Als zoodanig is Frya +de moeder van Frya's volk, de Friezen. Zij is de vertegenwoordigster +van Wralda en wordt als zoodanig vereerd. Frya heeft hare tex gegeven, +de eerste wet, en de eeredienst ingesteld van het eeuwige licht. Die +dienst bestaat in het onderhouden van de altijd brandende lamp, foddik, +door priesteressen, maagden; aan het hoofd dier maagden staat op alle +burgten eene Burgtmaagd; de opperste van alle Burgtmaagden, is de +Eeremoeder op de Fryasburgt op Texland. De Eeremoeder heerscht over het +geheele land; de Koningen mogen niets doen, er mag niets geschieden, +buiten hare raad en goedkeuring. De eerste Eeremoeder is door Frya +zelve aangesteld, zij heette Fåsta. Met één woord, wij ontmoeten hier +de prototype van de Romeinsche Vestadienst en de Vestaalsche maagden. + +Men denke hierbij aan Velleda (Welda) en Aurinia bij Tacitus Germ. 8 +Hist. IV. 61. 65. V. 22. 24. Annal. I. 51 en Gauna de opvolgster van +Velleda bij Dio Cassius fragm. 49. + +Van de burgt van Velleda spreekt Tacitus als eene edita turris; +Verg. hier bl. 146. Zij was de burgt Mannagarda forda (Munster). In +het land der Marsi noemt hij deze burgt Templum Tanfane (Tanfanc) +zoo genoemd naar het teeken van het Juul. Zie plaat I. + +De laatste dier burgten is de Fåstaburgt op Ameland geweest, templum +Foste, volgens Occa Scarlensis verwoest in het jaar 806. + +Ontmoeten wij hier bij de Friezen een Godsbegrip en godsdienstige +denkbeelden, geheel verschillende van de mythologien bij andere volken, +nog onverwachter komen ons hier zaken voor, die in het nauwste verband +staan met de Grieksch-Romeinsche Mythologie en wel met de herkomst +van twee godheden van den eersten rang, Minerva en Neptunus. Min erva +(Athénè), is oorspronkelijk eene burgtmaagd, priesteres van Frya +op de burgt Walhallagara, Middelburg, of Domburg, op Walcheren. En +deze zelfde Min erva is tevens die geheimzinnige, raadselachtige +godin, van welker vereering bijna geene sporen zijn overgebleven, +dan alleen op Walcheren in de votivsteenen te Domburg, Nehalennia +[4], van welke geene mythologie iets naders weet dan enkel den naam, +waarvan de etymologie zich heeft meester gemaakt tot het uitvinden +van allerlei fantastische afleidingen. + +De andere, Neptunus, bij de Etruriers Nethunus, de God van de +Middellandsche zee, blijkt hier bij zijn leven een Friesche Viking, +zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga (Ouddorp +niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Teunis, in de wandeling bij +zijne manschappen Neef Teunis genoemd, die vooral de Middellandsche +zee tot het doel en tooneel zijner tochten gekozen had, en door de +Tyriers vergood zoude zijn, in den tijd toen de Phenicische zeevaart +zich aanmerkelijk begon uit te breiden en naar Friesland stevende, om +hier Britsch tin, Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balda (Baltische) +zee te halen, omstreeks 2000 jaren v. Chr. + +Behalve dit tweetal ontmoeten wij nog een derde Mythologisch persoon, +Minos, de wetgever van Kreta, die alsmede verschijnt als een Friesche +zeekoning Minno, geboren te Lindaoord tusschen Wieringen en Kreyl, +die aan de Kreters een Asegaboek heeft medegedeeld. Namelijk die +Minos, die met zijn broeder Rhadamanthus en Aeakus als rechter in de +onderwereld over het lot der schimmen beslist. Niet te verwarren met +den lateren Minos, den tijdgenoot van Aegeus en Theseus, die voorkomt +in de Atheensche sage. + +Bij deze voorstelling kan misschien iemand zijn lachen niet bedwingen, +en kaatst hij mij het straks gebezigde woord fantastisch terug met +dat van avontuurlijk. Ook ik kon eerst mijne oogen niet gelooven, +en toch ben ik bij nadere overweging gekomen tot de ontdekking van +verrassende overeenkomsten, die de zaak vrij wat minder avontuurlijk +maken, als de geboorte van Athene uit het hoofd van Zeus door een +bijlslag van Hephaistos.--B. v. + +De Grieksche Mythologie kent van alle Goden eene jeugd, alleen Pallas +heeft geene jeugd, zij is niet anders bekend dan als volwassen. Minerva +komt als opperpriesteres uit den vreemde, uit een den Krekalanders +onbekend land, in Attica. Pallas is eene maagdelijke godin, Minerva +is eene burgtmaagd. De blonde, blaauwoogige Pallas onderscheidt zich +door deze type van de overige goden en godinnen, als behoorende tot +Fryas volk. De wijsheid van beide en de zinnebeeldige attributen zijn +dezelfde, inzonderheid de uil. Pallas geeft aan de nieuwe stad haren +naam Athènai, die overigens in 't Grieksch geene beteekenis heeft: +Minerva geeft aan de door haar gestichte burgt den naam Athene, die in +het Friesch wel eene beteekenis heeft en te kennen geeft dat zij als +vrienden âthen daar gekomen zijn. Minerva komt in Attica omstreeks 1600 +jaren voor Chr. in het tijdperk, waarin zich de Grieksche godenleer +begint te vormen. Minerva is met de vloot van Jon aan het hoofd van +eene kolonie in Attica geland; op Walcheren vindt men haar in later +tijd blijkens de Romeinsche votivsteenen onder den naam Nehalennia +vereerd als eene godin van de scheepvaart; en bij de Atheners is +Pallas de beschermgodin van scheepsbouw en zeevaart. + +De Tijd is de Kroder, de kruijer, die eeuwig met het jol, het wiel, +moet rondloopen, en voeren de zon langs hare baan door het stergewelf +van winter-zonnestand tot winter-zonnestand. Zoo vormt hij de jaren, +waarbij elke omwenteling van het wiel een dag uitmaakt. Te midwinter +wordt het Jolfeest gevierd op Fryasdag. Dan worden koeken gebakken in +den vorm van het zonnerad, want van dat Jol heeft Fryas de letters +gemaakt, toen zij hare Tex schreef, en het Jolfeest is daarom ook +een feest ter eere van Frya als uitvindster van het letterschrift. + +Even zoo als dit Jolfeest in Denemarken en geheel Duitschland door +de Christenheid op 't Kerstfeest en in ons land op St. Nikolaasdag +verplaatst is, even zoo zeker zijn onze St. Nikolaaspoppen, de +vrijster en de vrijer, eene herinnering aan Frya, en onze St. Nikolaas +(banket) letters eene gedachtenis aan Fryas van het Zonnerad gevormd +letterschrift. + +Ik kan niet den geheelen inhoud van dit merkwaardige geschrift +ontleden en moet mij vergenoegen met de gemaakte opmerkingen. Zij +mogen eenig denkbeeld geven van den rijkdom en belangrijkheid van +dien inhoud. Want al loopen er Sagen onder, ook als Sagen moeten zij +waarde hebben voor ons, dewijl van den Sagenschat van ons voorgeslacht +zoo goed als niets was overgebleven. + +Een inwendig bewijs voor de oudheid van deze geschriften ligt ook +daarin, dat de naam Batavieren er nog niet in voorkomt. De inwoners +van het geheele land tot aan de Schelde zijn Fryas volk, Friezen. De +Batavieren zijn niet een afzonderlijk volk geweest. De naam Batavi is +eene uitvinding van de Romeinen, die dezen naam gegeven hebben aan de +bewoners van het land ter weerzijde van de Waal, welke rivier op de +Tabula Peutingeriana den naam Patabus draagt. Die naam Batavi komt ook +niet vroeger voor dan bij Tacitus en Plinius, want de bekende plaats +bij Caesar B. G. IV. 10, is geinterpoleerd. Zie mijne verhandeling +over den loop der rivieren door het land der Friesen en Batavieren +bl. 49 in de Vrije Fries, IV Deel 1e Stuk, 1845. + + + +Met nog eene opmerking betreffende de taal wil ik eindigen. + +Zij die nog slechts eene oppervlakkige inzage van het H. S. hebben +kunnen nemen, zijn getroffen door de beschaafdheid van de taal en de +overeenkomst met het tegenwoordige Friesch en Hollandsch. Hierin meenen +zij een grond te zien voor twijfel aan de oudheid van het geschrift. + +Maar ik vraag: is dan de taal van Homerus veel minder beschaafd dan +die van Plato of Demosthenes? en leeft niet het grootste deel van +den Homerischen woordenschat nog voort in het Grieksch van onze dagen? + +Het is waar, eene taal beweegt zich altijd, en is steeds aan +kleine veranderingen onderhevig, waardoor men verschil vindt bij +dezelfde taal in onderscheidene tijdperken. Deze wisseling van de +taal geeft juist in dit H. S. stof tot belangrijke opmerkingen voor +den taalbeoefenaar. Want niet alleen, dat van de acht schrijfsters +en schrijvers, die achtereenvolgende aan dit boek gewerkt hebben, +ieder zich kenmerkt door kleine eigenaardigheden in stijl, taal en +spelling; maar vooral tusschen de beide afdeelingen van het boek, +waar tusschen een tijdverloop van meer dan twee eeuwen ligt, is een +in het oog vallend verschil aanwezig, dat aantoont, welk een langzaam +voortgaande wijziging de taal in dat bestek ondervonden heeft. + +Als slotsom van deze beschouwingen kom ik tot het besluit, dat ik +geene reden vinden kan, om aan de echtheid van dit geschrift te +twijfelen. Verdichting kan het niet zijn. In de eerste plaats het +afschrift van 1256 kan het niet zijn. Wie had in dien tijd zoo iets +kunnen verdichten? Zeker niemand, en vroeger nog veel minder. In +lateren tijd is eene verdichting evenzeer onmogelijk, om de eenvoudige +reden, dat niemand meer die taal machtig was. Buiten de namen van +Rask, Richthofen en Hettema, is er geen te noemen, die als taalkundige +in dit vak bekend is geweest, of de taal zoo bestudeerd heeft, dat +hij daar in schrijven kon. En al kon iemand zulks, dan stond hem nog +geen ruimer woordenschat ten dienste, dan de beperkte voorraad, dien +de O. F. Wetten aanboden. Daarom is in de laatstverloopen eeuwen de +vervaardiging van dit geschrift eene onmogelijkheid geweest. Wie dit +in twijfel wil trekken, beginne met aan te toonen, waar, wanneer, +door wien en waartoe zulk eene vervalsching had kunnen gepleegd +worden, en wijze uit lateren tijd de weergade aan van dit papier, +dit schrift en deze taal. + +Dat het H. S. van 1256 bovendien geen origineel, maar eene kopie is, +bewijzen zoowel gedurige schrijffouten, als enkele ophelderingen +van woorden, die in des afschrijvers tijd reeds verouderd en weinig +meer bekend waren; b. v. bl. 82 (114) to thêra flête jeftha bedrum; +op bl. 151 (204) bargum jefta tonnum fon tha besta bjar. + +Nog sterker bewijs is, dat tusschen bladzijde 157 en 158 een of meer +bladen ontbroken hebben, die uit dit H. S. niet hebben kunnen verloren +gaan, omdat bl. 167 en 168 (212-214) de paginas recta en versa zijn +van hetzelfde blad. + +Bl. 157 eindigt: Drie maanden daarna zond Adel boden naar alle +vrienden, die hij gewonnen had, en liet hen bidden, dat zij in de +Minnemaand verstandige lieden tot hem zouden zenden. + +Keert men nu het blad om, dan begint de keerzijde: zijne vrouw, zeide +hij, die maagd geweest was te Texland, had daarvan een afschrift +gekregen. + +Daar tusschen is geen zamenhang. Voor het minst ontbreekt er: de +komst dier genoodigden, en het verhaal van hetgene bij die zamenkomst +is voorgevallen. De afschrijver moet dus in het door hem gevolgde +exemplaar twee bladen in plaats van een hebben omgeslagen. Er bestond +dus een vroeger exemplaar, en wel dat in den jare 803 door Liko oera +Linda was geschreven. + +Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift, waarvan het eerste +gedeelte is opgesteld in de zesde eeuw voor onze jaartelling, het +oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europesche +letterkunde ontmoeten. En daar vinden wij in ons vaderland eene +eeuwenoude bevolking, in 't bezit van eene ontwikkeling, beschaving, +nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere verhevene +Godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden hebben +gehad. In onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen +van ons volk niet hooger, dan tot de komst van Friso, den vermeenden +stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die herinneringen +opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor Christus, en in hoogen +ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Israël evenaren. + + + + + +BIJLAGE TOT PAG. XX. + +Vergelijkende Taalproeve van de oud Friesche Wetten en de taal van +het Handschrift. + + + +Dyo forme need is: hweerso en kynd jongh is finsen ende fitered noerd +wr hef, jefta (sud) wr birgh. Soe moet die moder her kindes eerwe +setta ende sella ende her kynd lesa ende des lives bihelpa. + +Dioe oder need is: jef da jere diore wirdat, ende di heta honger wr +dat land faert, ende dat kynd honger stere wil, so moet dio moder +her kindes eerwe setta ende sella ende capia her bern ky ende ey ende +coern deerma da kinde des lives mede helpe. + +Dyo tredde need is: Als dat kind is al stocnaken, jefta huus laes, +ende dan di tiuestera nevil ende calde winter oen comt sa faert +allermanick oen syn hof ende oen sin huis ende an waranne gaten, ende +da wiilda dier seket diin holla baem ende der birgha hlii, aldeer +hit siin liif oen bihalda mey. Soe weinet ende scryt dat onieriga +kind ende wyst dan syn nakena lyae ende syn huuslaes, ende syn fader +deer him reda schuld, to ienst dyn honger ende winter nevil cald, dat +hi so diepe ende dimme mitta fiower neylen is onder eke ende onder +da eerda bisloten ende bitacht, so moet dio moder her kindes eerwe +setta ende sella omdat hio da bahield habbe ende biwaer also lang so +hit onierich is, dat hit oen forste ner oen honger naet forfare. + + +Anjumer druk e.i.i.. + +(1466.) + + + +Thju forma nêd is: Sâhwersa en bårn jvng is fensen ånd fêterad +northward vr-et hef jeftha sûdward vr tha berga, sa âch thju måm hjara +bårns erva to settande ånd to seljande ånde hjra bårn to lêsane ånd +thes lives to bihelpane. + +Thju ôthera nêd is: jef tha jêra djura wårthat ånd thi hête hvnger wr +thet lând fârth ånd thåt bårn sterva wil, sa mot thju måm hjara bårns +erva setta ånd selja ånd kâpja hiri bårne ky ånd skêp ånd kêren thêr +mitha mån thet bårn thes lives bihelpe. + +Thju tredde nêd is: sâhwersa thåt bårn is stoknâked jefta hûslâs ånd +then thi tjustera nêvil ånd kalda winter ankvmth, sa fârth allera +månnalik an sin hof ånd an sin hus ånd an wârande gâta, ånd thet wilde +kwik sykath thene hola bâm ånd thêre berga hly thêr-it sin lif an +bihalda mêi, sa wênath ånd krytath thåt vnjêrich bårn ånd wyst then +sin nâkeda litha ånd siu hûslâs-sâ ånd sin tât thêr him hrêda skolde +tojenst tha hvnger ånd tha kalda winter nêvil, that hi sa djap ånd +dimme mith fjuwer nêilum vndera êke ånd vnder tha irtha bisletten ånd +bidobben is, sa mot thju måm hjara bårns erva setta and selja vmbe +that hju tha bihield håve ånd tha wâringa al sa long sa hit vnjêrich +sy, til thju-t hor an forst ner an hvnger navt vmkvma ne mêi. + + +Vertaald door J. G. O. + + + + + + + +ADELA. + + +OKKE MIJN ZOON. + + +Deze boeken moet gij met lijf en ziel bewaren, zij bevatten +de geschiedenis van ons geheele volk, en ook van onze +voorvaderen. Verleden jaar heb ik die uit den vloed gered tegelijk +met u en met uwe moeder. Doch zij waren nat geworden, daardoor +gingen zij naderhand bederven. Om ze niet te verliezen, heb ik ze +op overlandsch papier overgeschreven. Bijaldien gij ze erft, moet +gij ze ook overschrijven. Uwe kinderen desgelijks, opdat zij nimmer +verloren gaan. Geschreven te Liuwert, nadat Atland verzonken is, het +drie duizend vier honderd negen en veertigste jaar, dat is naar de +Christen-rekening het twaalf honderd zes en vijftigste jaar, Hiddo +bijgenaamd Over de Linde. Waak. + + + +Lieve erfgenamen, om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve +vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de oogen van +een monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete +woorden, maar zij tornen ongemerkt, aan alles wat ons Fries betreft. Om +rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze +weten dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden +toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten +zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig +is van onze oude zeden. Och lieve, ik ben bij hen aan het hof geweest; +wil Wralda het gehengen, en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij +ons altegader verdelgen. Geschreven te Liudwert, acht honderd en drie +jaar, na de Christen meening. Liko bijgenaamd Over de Linde. + + + + + +HET BOEK VAN ADELA'S AANHANGERS. + + +Dertig jaren na den dag, waarop de volksmoeder omgebracht was, +door den overste Magy, stond het er erg aan toe. Alle Staten, die +er liggen aan de andere zijde der Weser, waren van ons afgescheurd +en onder het geweld des Magy gekomen; en het stond te vreezen, +dat hij geweldig zoude worden over het geheele land. Om dat ongeluk +te weeren, had men eene algemeene volksvergadering belegd, alwaar +vergaderd waren alle manspersonen, die in een goeden roep stonden bij +de maagden (priesteressen). Doch nadat er meer verloopen waren dan drie +etmalen, was de geheele Go-raad in de war, en alles even als bij hunne +komst. Toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak: Gij allen +weet, dat ik drie jaren burgtmaagd geweest ben; ook weet gij, dat ik +gekozen ben tot volksmoeder en dat ik niet volksmoeder wezen wilde, +omdat ik Apol tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet, +dat is, dat ik alle gebeurtenissen nagegaan heb, evenals of ik een +wezenlijke volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weder +gereisd, toeziende wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veele zaken +openbaar geworden, die anderen niet weten. Gij hebt gisteren gezegd, +dat onze stamverwanten aan de andere zijde der Wezer tam en laf waren; +doch ik mag tot u zeggen, dat de Magy hun niet één dorp afgewonnen +heeft door het geweld zijner wapenen, maar bloot door arglistige +ranken en nog meer door de hebzucht der hertogen en edelingen. Frya +heeft gezegd: wij moesten geene onvrije lieden bij ons toelaten; +doch wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden nagevolgd; +want in plaats van hunne gevangenen te dooden of vrij te laten, +hebben zij Fryas raad veracht en hen tot hunne slaven gemaakt. Omdat +zij zulks deden, had Frya geene lust meer langer over hen te waken; +zij hebben eens anders vrijheid benomen, en dat is oorzaak, dat zij +hunne eigene verloren hebben. Doch dat alles is u zelven ook bekend; +maar ik wil tot u zeggen, hoe zij allengs zoo laag verzeild zijn. De +vrouwen der Finnen kregen kinderen; deze groeiden op met onze vrije +kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij te zamen op het hiem, of +zij waren met elkander bij den haard. Daar hoorden zij met welgevallen +naar de losbandige sagen der Finnen, omdat die slecht en nieuw +waren. Zoo zijn zij ontfriesd ondanks de macht hunner ouders. Toen +de kinderen groot werden en zagen dat de kinderen der Finnen geene +wapenen mochten hanteeren en slechts moesten werken, kregen zij van +het werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De meesters en hunne +kloekste zoonen kropen bij de wulpsche meisjes der Finnen; en hunne +eigene dochteren, door het slechte voorbeeld van den weg gebracht, +lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, ten spot van +hare verdorvene ouders. Toen de Magy dat in de neus kreeg, toen nam hij +de schoonste zijner Finnen en Magyaren, en beloofde hun roode koeijen +met gouden hoornen, zoo zij zich door ons volk lieten gevangen nemen, +ten einde zijne leer te verbreiden. Maar zijne lieden deden meer; +kinderen werden te zoek gemaakt, naar de bovenlanden weggevoerd, +en nadat zij opgevoed waren in zijne verderfelijke leer, dan werden +zij terug gezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren, +klampten zij de Hertogen en Edelingen aan boord en zeiden, dat zij +den Magy onderhoorig moesten worden, dan konden hunne zoonen hen +opvolgen zonder door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om +hunne goede daden een vóórdeel tot hun huis gekregen hadden, beloofden +zij van zijnentwege ook nog een achterdeel er bij; zulken die een +voor- en achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe; +en die een ronddeel hadden eene geheele State. Waren de ouders te +hard Fryasgezind, dan wenden zij den boeg en hielden aan op hunne +verbasterde zoonen. Gisteren waren er onder u, die al het volk te +hoop roepen wilden om de oostelijke Staten weder tot hare plicht +te dwingen. Doch naar mijne eenvoudige meening zou dat verkeerd +uitkomen. Denk eens, daar was er eene hevige longziekte onder het vee, +en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen om uw +gezonde vee te voeren onder hun ziek vee? Immers neen. Bijaldien nu +iedereen beamen en toestemmen moet, dat het dan met de (vee)stapel +erg afloopen zoude; wie zoude dan zoo onvoorzichtig wezen om zijne +kinderen te wagen onder een volk, dat geheel en al verdorven is? + +Mocht ik u een raad geven, ik zoude tot u zeggen, gij moest voor alle +dingen eene nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel dat gij daarmede +aan den grond zit, uithoofde dat er van de dertien burgtmaagden, +die wij nog overig hebben, wel acht zijn, die naar die eere dingen, +maar daar zoude ik geen acht op slaan. Teuntia, die maagd is op de +burgt Medeasblik, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand +van wetenschap en helder inzicht en wel zoo sterk op haar volk en +onze gewoonten gesteld, als alle andere te zamen. Voorts zoude ik +aanraden, gij moest naar de burgten gaan en daar opschrijven alle +wetten van Fryas tex, benevens alle geschiedenissen, ja alles wat +er te vinden is op de wanden, opdat die alle niet verloren gaan, +en met de burgten tevens niet worde vernield. Daar staat geschreven: +De moeder en elke burgtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden, +eenentwintig maagden en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bijvoegen, +dan zoude ik schrijven, en alzoo veele eerzame dochteren om te leeren, +als daar op de burgten wezen mogen. Want ik zeg in trouwe en de tijd +zal het bevestigen, bijaldien gij echte Fryas kinderen wilt zijn, +nimmer te overwinnen noch door list noch door wapenen, zoo behoort gij +er voor te waken, dat uwe dochters echte Fryas vrouwen worden. Den +kinderen moet men leeren, hoe groot ons land weleer geweest is, +hoe groote mannen onze voorvaderen waren, hoe groot wij nog zijn, +zoo wij ons neder liggen (vergelijken) bij anderen: men moet hun +vertellen van de zeehelden en van hunne heldhaftige daden, ook over +de verre zeetochten. Alle deze verhalen behooren gedaan te worden bij +den haard, op het hiem, en waar het wezen moge, zoo in blijdschap, +als bij tranen. Maar zal het standhoudend komen in het brein en in +het hart, dan moeten alle leeringen over de lippen uwer vrouwen en +dochteren daarin vloeijen. Adelas raad is opgevolgd. + +Deze zijn de grevetmannen onder wier bestuur dit boek is vervaardigd. + +Apol, Adelas man, driewerf is hij zeekoning geweest, nu is hij +grevetman over Oostflyland en over de Lindeoorden, de burgten +Liudgarda, Lindahem en Stavia zijn onder zijne hoede. + +De Saxman Storo, Sytias man, grevetman over de Hoogefennen en Wouden, +negenwerf is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen; de burgten +Buda en Manna-garda-forda zijn onder zijne hoede. + +Abelo, Jaltias man, grevetman over de Zuiderflylanden, driewerf is +hij heerman geweest, de burgten Aken, Liudburg en Katsburg zijn onder +zijne hoede. + +Enoch, Dywekes man, grevetman over Westflyland en Texel, negenmaal is +hij tot zeekoning gekozen, Waraburg, Medeasblik, Forana en Fryasburg +zijn onder zijne hoede. + +Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, vijf maal +is hij zeekoning geweest, de burgt Walhallagara is onder zijne hoede. + +Dit stond op de wanden der Fryasburg te Texland geschreven, dat staat +ook te Stavia, ook te Medeasblik. + +Het was Fryasdag en te dier tijd was het zeven maal zeven jaren +geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder, naar Fryas +begeerte. De burgt Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen. Nu +zoude Festa hare nieuwe lamp opsteken, en toen dat gedaan was in +tegenwoordigheid van het volk, toen riep Frya van hare waakstar, zoodat +iedereen het hooren konde: Festa neem uwe stift en schrijf de dingen, +die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzoo als haar geboden was. Zoo +zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis gekomen. + +Dit is onze vroegste geschiedenis. + +Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte den aanvang, alsdan kwam +de tijd, de tijd wrochte alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde +alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het +booze gedierte. Alles wat goed en liefelijk is, bragt zij bij dag +voort, en alles wat boos en kwaad is, bragt zij bij nacht voort. Na +het twaalfde Juulfeest bragt zij voort drie maagden: + +Lyda uit gloeijende stof, + +Finda uit heete stof, en + +Frya uit warme stof. + +Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem, +opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen +waren, kregen zij vermaak en genoegen in de droomen van Wralda. Haat +trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf +dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle menschen gekomen. + +Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren +fonkelden hare oogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig +bij de hare. + +Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen hooren, en wanneer er visschen +in het water waren, ontging dat hare neusgaten niet. + +Snelgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij +liep brak geen bloemstengel onder hare voet. + +Geweldige Lyda. Hard was hare stem, en schreeuwde zij uit verbittering, +dan liep ieder schielijk weg. + +Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; hare daden werden +door hare driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de +sterken, en wanneer zij dat gedaan had, weende zij bij het lijk. + +Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste stierf +zij van hartseer over de boosheid harer kinderen. + +Onverstandige Kinderen. Zij betichteden elkander van hunne moeders +dood, zij huilden als wolven en vochten evenzoo, en terwijl zij zoo +deden, vraten de vogels aan het lijk. Wie mag daarbij zijne tranen +weerhouden. + +Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard; een boom +kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij +wel tien. + +Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen gelijk +zij, hare oogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een slaaf. + +Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er +niet eene van op. Zij verfoeide de goeden wegens hunne vrijmoedigheid, +maar aan flikflooisters gaf zij bijna haar zelve weg. Dat was haar +ongeluk. Haar hoofd was te vol, doch haar hart te ijdel. Zij beminde +niemand dan haar zelve, en zij wilde dat elk haar lief zoude hebben. + +Valsche Finda. Honingzoet waren hare woorden; doch wie haar vertrouwde, +dien was ongeluk nabij. + +Zelfzuchtige Finda, Over allen wilde zij heerschen, en hare zoonen +waren gelijk zij. Zij lieten zich bedienen van hunne zusteren, en +elkander sloegen zij om het meesterschap dood. + +Dubbelhartige Finda. Om een schuins woord werd zij gram, en de ergste +daden roerden haar niet. Zag zij een hagedis eene spin verslinden, +dan werd zij om het hart als ijs; maar zag zij hare kinderen een +Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen. + +Ongelukkige Finda. Zij stierf in den bloeitijd van haar leven, en +het is nog duister hoe zij gevallen is. + +Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij +haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op, +luid weenende om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet +een eenige traan. + +Verfoeijelijk volk. De tex (inzetting), die Finda naliet, was op +gouden bladen geschreven, doch de besten, waarvoor zij gemaakt was, +was zij nimmer tot nut; de goede wetten werden uitgewischt en zelfzucht +schreef daar slechte voor in de plaats. O Finda, toen werd de aarde +vol bloed, en de hoofden der menschen maaiden uwe kinderen af gelijk +grashalmen. Ja Finda, dat zijn de vruchten van uwe ijdelheid, zie +neer van uwe waakstar en ween. + +Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw harer +oogen won het de regenboog af. + +Schoone Frya. Als stralen der middagzon schitterden hare haarlokken, +die zoo fijn waren als spinrag. + +Bekwame Frya. Ontsloten zich hare lippen, dan zwegen de vogelen en +geen bladeren bewogen zich meer. + +Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor +hare voeten neder, en hield de adder zijn gift terug. + +Reine Frya. Hare spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in +de boesem der bloemen. + +Verstandige Frya. Het eerste wat zij hare kinderen leerde was +zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij +volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. Want, +zeide zij, zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om +u tot slaven te maken, uwe afkomst tot eene eeuwige schande. + +Milde Frya. Nimmer liet zij metaal uit de aarde delven om eigen +voordeel, maar wanneer zij het deed, was het tot nut van iedereen. + +Gelukkigste Frya. Gelijk de sterren de aarde omzwermen, zoo zwermden +hare kinderen om haar. + +Wijze Frya. Toen zij hare kinderen had opgevoed tot in het zevende +lid, toen riep zij ze alle naar Flyland te zamen. Daar gaf zij hun +hare tex, en zeide laat die uw wegwijzer wezen, dan zal het u nimmer +kwalijk gaan. + +Uitverkoren Frya. Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als Wraldas +zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten neder, de lucht werd +zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar hunne moeder +omzagen, was zij al lang opgerezen tot hare waakstar. Toen ten laatste +sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het luchtruim: waak! + +Verziende Frya. Het land van waar zij was opgevaren, was nu een stroom, +en behalve hare tex was daarin alles bedolven, wat van hare handen +gekomen was. + +Gehoorzame kinderen. Toen zij tot hun zelven kwamen, toen maakten zij +dit hooge terp, bouwden deze burgt daarop, aan diens wanden schreven +zij de tex, en omdat iedereen die zoude mogen vinden, hebben zij het +land daarom heen Texland geheeten. Daarom zal het blijven bestaan, +zoo lang de aarde aarde is. + + + + + +FRYAS TEX. + + +Heil verbeidt de vrijen. Ten laatste zullen zij mij weder zien. Doch +hem alleen mag ik als vrij erkennen die geen slaaf is van een ander +noch van zijne driften. Hier is mijn raad. + +1. Zoo wanneer de nood erg is, en goede raad en goede daad niets +meer vermogen, roep dan den geest van Wralda aan; maar gij moet hem +niet aanroepen, bevorens alle dingen beproefd zijn. Doch ik zeg u met +redenen, en de tijd zal het waar maken: De moedeloozen zullen immer +bezwijken onder hun eigen leed. + +2. Wraldas geest mag men alleen kniebuigende dank toewijden, ja +driewerf, voor hetgene gij van hem genoten hebt, voor hetgene gij +geniet en voor de hoop, die hij u laat in angstige tijden. + +3. Gij hebt gezien, hoe spoedig ik hulp verleende. Doe al eender +met uwen naaste; maar en toef niet tot dat men u gebeden heeft; de +lijdende zoude u vloeken, mijne maagden zouden uwen naam uitwisschen +uit het boek en ik zoude u als een onbekende moeten afwijzen. + +4. Neem nimmer kniebuigende van uwen naaste dank aan, deze behoort +aan Wraldas geest. De nijd zoude u bekruipen; de wijsheid zoude u +belagchen; mijne maagden zouden u betigten van vaderroof. + +5. Vier dingen zijn tot uw genot gegeven, met name lucht, water, +land en vuur; maar Wralda wil alleen daarvan bezitter wezen. Daarom +raad ik u, gij zult u rechtvaardige mannen kiezen, die den arbeid en +de vruchten naar recht verdeelen, zoodat niemand vrij van werken noch +van verdedigen zij. + +6. Zoo wanneer daar iemand onder u gevonden wordt, die zijne eigene +vrijheid verkoopt, die is niet van uw volk, hij is een bastaard met +verbasterd bloed. Ik raad u, dat gij hem en zijne moeder uit het land +drijft. Zeg dat tot uwe kinderen des morgens en des middags en des +avonds, tot dat zij daar van droomen des nachts. + +7. Een iegelijk die een ander van zijne vrijheid berooft, al ware de +ander hem schuldig, dien moet ik aan den leiband eener slavin laten +voeren. Doch ik raad u om zijn lijk en dat zijner moeder op eene +kale plaats te verbranden en daarna hunne asch vijftig voet onder +den grond te begraven, opdat daar geen grashalm op groeijen moge, +want zoodanig gras zoude uw kostelijkste vee dooden. + +8. Tast nooit aan het volk van Lyda, noch van Finda, omdat Wralda +zoude hen helpen; zoodat al het geweld, dat van u uitging, op uw +eigen hoofd zoude terugkeeren. + +9. Zoo wanneer het mocht gebeuren, dat zij van u raadgeving of iets +anders begeerden, zoo behoort gij hen te helpen. Maar komen zij om +te rooven, val dan op hen neder als het bliksemende vuur. + +10. Zoo wanneer een van hun eene uwer dochteren tot vrouw begeert, +en zij dat wil, dan zult gij haar hare dwaasheid beduiden, doch wil +zij toch haren vrijer volgen, dat zij dan met vrede ga. + +11. Wil uw zoon eene van hunne dochteren, dan moet gij even zoo doen +als met uwe dochter. Maar noch de een, noch de ander mag terugkeeren, +want zij zouden uitheemsche zeden en gewoonten medevoeren, en zoodra +deze bij u gehuldigd worden, mag ik niet langer over u waken. + +12. Op mijne dienares Fasta heb ik al mijne hoop gevestigd. Daarom +moet gij haar tot uwe Eeremoeder nemen. Volgt gij mijn raad, dan +zal zij namaals mijne dienares blijven en alle vrome maagden die +haar volgen. Dan zal de lamp nimmer uitgaan, die ik voor u opgestoken +heb. Het licht daarvan zal dan eeuwig uw brein verlichten, en gij zult +dan even vrij blijven van onvrij geweld, als uwe zoete rivierwateren +van het zoute water der eindelooze zee. + + + + + +DIT HEEFT FASTA GEZEGD. + + +Alle inzettingen die eene eeuw, dat is honderd jaren, mogen omloopen +met den Kroder (kruijer) en zijn Juul, die mogen op raad der Eeremoeder +en bij gemeene wil op de wanden der burgten gegrift worden; zijn +zij op de wanden geschreven, dan zijn zij wetten (ewa), en het +is onze plicht om die alle in eere te houden. Komt nood en dwang +ons inzettingen te geven, strijdende met onze wetten en gewoonten, +zoo moet de mensch doen gelijk zij eischen; doch zijn zij geweken, +dan moet men immer tot het oude terugkeeren. Dat is Fryas wil en dat +moet wezen die van alle hare kinderen. + + + + + +FASTA ZEIDE + +Alle dingen die men aanvangen wil, hoedanig zij mogen wezen, op +den dag, waarop wij Frya gehuldigd hebben, zullen eeuwig falikant +uitkomen. Nadat de tijd nu bewezen heeft, dat zij recht had, zoo is +dat eene wet geworden, dat men zonder nood en dwang op Frya haren +dag niets anders doen mag dan blijde feesten vieren. + + + + + +DIT ZIJN DE WETTEN DIE TOT DE BURGTEN BETREKKING HEBBEN. + + +1. Zoo wanneer ergens eene burgt gebouwd is, dan moet de lamp aldaar +aan de eerste lamp te Texland aangestoken worden, doch dat mag nimmer +anders dan door de Moeder geschieden. + +2. Elke moeder zal hare eigene maagden kiezen. Eveneens die welke op +andere burgen moeder zijn. + +3. De Moeder te Texland mag hare opvolgster kiezen, doch bijaldien +zij sterft voor dat zij het gedaan heeft, dan moet die gekozen worden +op eene algemeene vergadering bij raad van alle staten te zamen. + +4. De Moeder op Texland mag eenentwintig maagden hebben en zeven +spinmeisjes, opdat er altijd zeven bij de lamp mogen waken des daags +en des nachts. Bij de maagden die op de andere burgten als moeder +dienen, even zoo vele. + +5. Bijaldien eene maagd aan iemand huwen wil, zoo moet zij dat aan +de moeder berichten, en op staande voet tot de menschen terugkeeren, +eer zij met haar tochtige adem het licht verontreinigt. + +6. Aan de Moeder en aan iedere burgtmaagd zal men toevoegen +eenentwintig burgtheeren, zeven bejaarde wijzen, zeven bejaarde +krijgslieden en zeven oude zeestrijders. + +7. Daarvan zullen alle jaren naar huis keeren drie van elk zevental, +maar zij mogen niet opgevolgd worden door hunne nabestaanden, nader +dan het vierde lid. + +8. Ieder mag drie honderd jonge burgtverdedigers hebben. + +9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van +de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den +oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren +noodig zijn. + +10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren; +doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten +blijven hun geheele leven lang. + +11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene +stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel +het volk alleen. + +12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden, +met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd +drie boden met zeven paarden. + +15. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het +volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet +geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders zijn. + +14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren +zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld +ontvangt. + +15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet, +dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem +hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen. + +16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene +burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt +hem bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is +naar den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade +tochten. Is hij goedgekeurd, dan ontdoet hij zich van zijne wapenen +en zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder. + +17. Is de zaak over ééne state, dan mogen er niet minder dan drie +boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan moeten er nog +driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen kwaad +vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde. + +18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare kinderen, +dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan, dat is +de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om haar +daar in te helpen. + +19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om uitspraak +te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij de zaak +twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken, opdat +er vrede kome, en omdat het beter is dat aan één man onrecht gedaan +wordt dan aan velen. + +20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op +het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad, +dan mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad, +dan mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen +raad beter is dan een verkeerde raad. + +21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan +moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en bloot. + +22. Zijn hare burgtheeren medeplichtig, dan doet men even zoo met hen. + +23. Is hare schuld twijfelachtig of bloot vermoeden, dan moet men +hier over beraadslagen en spreken, zoo het noodig is, eenentwintig +weken lang. Stemt het half deel schuldig, zoo houde men haar voor +onschuldig. Twee derde, zoo wacht men nog een vol jaar. Stemt men dan +ook nog zoo, dan mag men haar voor schuldig houden, maar niet dooden. + +24. Bijaldien er onder het derde deel sommigen zijn, die haar voor +zoo onschuldig houden, dat zij haar willen volgen, zoo mogen zij dat +doen met al hunne drijvende en tilbare have en niemand behoort hen +daarom te minachten, aangezien de meerderheid even goed kan dwalen +als de minderheid. + + + + + +ALGEMEENE WET. + + +1. Alle vrijgeborenen zijn op gelijke wijze geboren. Daarom moeten +zij ook gelijke rechten hebben, even goed op het land als op het ee, +dat is water, en op alles dat Wralda geeft. + +2. Elk manspersoon mag de vrouw zijner keuze vrijen, en elke dochter +mag haren heildrank aanbieden aan hem, dien zij bemint. + +3. Heeft iemand eene vrouw genomen, dan geeft men hem huis en werf. Is +er geen, dan moet het gebouwd worden. + +4. Is hij naar een ander dorp gegaan, om eene vrouw en wil hij daar +blijven, dan moet men hem aldaar een huis en werf geven, benevens +het genot van de hemrik. + +5. Aan ieder manspersoon moet men een achterdeel als werf bij zijn +huis geven: want niemand mag een voordeel bij zijn huis hebben, veel +min een ronddeel. Alleen wanneer iemand eene daad verricht heeft tot +gemeenen nutte, dan mag hem dat gegeven worden. Ook mag zijn jongste +zoon dat erven. Na dezen moet het dorp dat terugnemen. + +6. Elk dorp zal een hemrik hebben naar zijne behoefte en de graaf zal +hoeden dat elk zijn deel bemest en goed houdt, opdat de nakomelingen +geene schade lijden mogen. + +7. Elk dorp mag eene markt hebben ter koop en verkoop, of tot +ruilhandel, Al het andere land zal bouw en bosch blijven. Doch de +boomen daarin zal niemand vellen, buiten gemeene raad, en buiten +weten van den woudgraaf. Want de wouden zijn ten gemeenen nutte, +daarom mag niemand er meester van zijn. + +8. Als marktgeld mag het dorp niet meer nemen dan het twaalfde +gedeelte van den koopschat, noch van de inwoners, noch van den +verafwonenden. Ook mag de marktschatting niet eerder verkocht worden +als het andere goed. + +9. Al het marktgeld moet jaarlijks verdeeld worden, drie dagen voor +den Juuldag, in honderd deelen te verdeelen. + +10. De grevetman met zijne graven zal daarvan ontvangen twintig +deelen; de marktrechter tien deelen en zijne helpers vijf deelen; +de volksmoeder een deel; de vroedvrouw vier deelen; het dorp tien +deelen; de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen, +vijftig deelen. + +11. Degene die te markt komen mogen niet woekeren. Komen er sommige, +dan is het de plicht der maagden, hen kenbaar te maken over het geheele +land, opdat zij nimmer gekozen worden tot eenig ambt, want zulke hebben +een gierig hart. Om rijkdom te vergaderen zouden zij alles verraden, +het volk, de Moeder, hunne nabestaanden en ten laatsten zich zelven. + +12. Is er iemand zoo boos dat hij zuchtziek vee of bedorven waar voor +heel goed verkoopt, dan moet de marktrechter hem weren en de maagden +hem noemen over het geheele land. + +In vroegere tijden huisde Findas volk meest al te gader over hun +moeders geboorteland, met name Aldland, dat nu in zee ligt. Zij +waren dus ver af. Daarom hadden wij ook geen oorlog. Toen zij +verdreven zijn en herwaarts kwamen om te rooven, toen kwam er van +zelf landverdediging, heermannen, koningen en oorlog. Voor die alle +kwamen inzettingen, en uit de inzettingen kwamen wetten. + + + + + +HIER VOLGEN DE WETTEN DIE DAARUIT ZAMENGESTELD ZIJN. + + +1. Elke Fries moet de beleedigers of vijanden afweren, met al zulke +wapenen, als hij verzinnen, bekomen en hanteren mag. + +2. Is een knaap twaalf jaar, dan moet hij de zevende dag missen van +zijn leertijd om vaardig te worden met de wapenen. + +3. Is hij bekwaam geworden, dan geve men hem wapenen en hij wordt +tot krijgsman geslagen. + +4. Is hij drie jaren krijgsman, dan wordt hij burgtheer en mag hij +helpen zijn hoofdman te kiezen. + +5. Is hij zeven jaren kiezer, dan mag hij helpen een heerman of koning +te kiezen en dan zelf ook gekozen worden. + +6. Alle jaren moet hij herkozen worden. + +7. Behalve de koning mogen alle ambtmannen wedergekozen worden, +die recht doen en naar Fryas raad. + +8. Geen koning mag langer dan drie jaren koning blijven, opdat hij +niet bestendig moge worden. + +9. Heeft hij zeven jaren gerust, dan mag hij weer gekozen worden. + +10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne +nabestaanden ook naar die eer dingen. + +11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven, +dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan +het vierde lid. + +12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets +verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te +hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de +liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen. + + + + + +DIT ZIJN DE RECHTEN DER MOEDER EN DER KONINGEN. + + +1. Zoo wanneer er oorlog komt, zende de Moeder hare boden naar den +koning, de koning zende boden naar de grevetmannen om de landweer. + +2. De grevetmannen roepen alle burgtheeren te zamen en bespreken hoe +vele mannen zij zullen zenden. + +3. Alle besluiten van dezen moeten dadelijk naar de Moeder gezonden +worden, met boden en getuigen. + +4 De Moeder laat alle besluiten verzamelen en geeft het guldengetal, +dat is het middengetal van alle besluiten te zamen. Hiermede moet +men vooreerst vrede hebben, en de koning eveneens. + +5. Is het leger te velde, dan behoeft de koning slechts met zijne +hoofdmannen te raadplegen, doch daarbij moeten altijd de drie +burgtheeren der Moeder vooraan zitten zonder stem. Deze burgtheeren +moeten dagelijks boden naar de Moeder zenden, opdat zij weten moge +of er iets gedaan wordt, strijdende met Fryas raadgeving. + +6. Wil de koning iets doen, en zijne raden niet, zoo mag hij het +niet onderstaan. + +7. Komt een vijand onverwacht, dan moet men doen, zooals de koning +gebiedt. + +8. Is de koning niet op het pad, dan moet men zijn volger gehoorzaam +wezen, of die op dezen volgt, tot den laatsten toe. + +9. Is er geen hoofdman, dan moet men een kiezen. + +10. Is daar geen tijd toe, dan werpe zich een tot hoofdman op, die +zich sterk gevoelt. + +11. Heeft de koning een gevreesd volk afgeslagen, dan mogen zijne +nakomelingen zijnen naam achter hun eigen naam voeren. De koning +mag, zoo hij wil, op eene onbebouwde plaats eene plek uitkiezen tot +een huis en erf. Dat erf mag een ronddeel zijn, zoo groot, dat hij +naar alle zijden zeven honderd treden van zijn huis af loopen mag, +eer hij aan zijn grensscheiding komt. + +12. Zijn jongste zoon mag dat goed erven, na hem diens jongste zoon, +dan zal men het terug nemen. + + + + + +HIER ZIJN DE RECHTEN ALLER FRIESEN OM VEILIG TE WEZEN. + + +Zoo wanneer er wetten gemaakt worden, of nieuwe inzettingen +zamengesteld, alsdan moet het ten gemeenen nutte geschieden, maar +nimmer ten bate van enkelde menschen, noch van enkelde geslachten, +noch van enkelde staten, noch van iets dat enkeld is. + +2. Zoo wanneer er oorlog komt en daar worden huizen vernield of +schepen, hoedanig het ook wezen mogen, hetzij door den vijand, hetzij +bij gemeenen rade, zoo behoort de gemeene gemeente, dat is al het volk +te zamen, dit weder te vergoeden, daarom opdat niemand de algemeene +zaak zal helpen verliezen, om zijn eigen goed te behouden. + +3. Is de oorlog voorbij gegaan, en zijn er sommige zoodanig verminkt, +dat zij niet langer werken kunnen, dan moet de gemeene gemeente hen +onderhouden, bij de feesten behooren zij vooraan te zitten, opdat de +jeugd hen zal eeren. + +4. Zijn er weduwen en weezen gekomen, dan moet men haar ook +onderhouden, en de zonen mogen de namen hunner vaderen op hunne +schilden schrijven tot eere van hun geslacht. + +5. Zijn er sommigen door den vijand gevangen genomen en komen zij +terug, dan moet men hen verre van het kamp wegvoeren, want zij mochten +vrij gelaten zijn onder kwade beloften, en dan mogen zij hunne beloften +niet houden en toch eerlijk blijven. + +6. Indien wij zelve vijanden gevangen nemen, dan voere men die diep +in het land weg, en leert hen onze vrije zeden. + +7. Indien men hen naderhand vrijlaat, dan laat men dat met goedheid +door de Maagden doen, opdat wij makkers en vrienden winnen in plaats +van haters en vijanden. + + + + + +UIT MINNO'S GESCHRIFTEN. + + +Zoo wanneer daar een man is dermate boos, dat hij onze naburen berooft, +doodslagen pleegt, huizen in brand steekt, maagden schendt, wat het +ook zij dat boos is, en onze landgenooten willen dat gewroken hebben, +dan is het recht, dat men den dader vatte en in hunne tegenwoordigheid +doode, opdat daar over geen oorlog kome, waardoor de onschuldige zoude +boeten voor den schuldige. Willen zij hem zijn lijf laten behouden +en de wraak laten afkoopen, zoo mag men dat gedoogen. Is de schuldige +een koning, grevetman, grevet, wie dat het zij, die over de zeden moet +waken, zoo moeten wij het kwaad herstellen, maar hij moet zijne straf +hebben. Voert hij een eernaam op zijn schild van zijne voorvaderen, +dan mogen zijne nabestaanden dien naam niet langer voeren, daarom +dat de eene bloedverwant zorgdragen zal over de zeden des anderen. + + + + + +WETTEN VOOR DE STUURLIEDEN. STUURMAN IS EEN TITEL VOOR DE +BUITENVAARDERS. + + +1. Alle Fryas zonen hebben gelijke rechten, daarom mogen alle flinke +knapen zich als buitenvaarders aanmelden bij den olderman, en deze +mag hen niet afwijzen, ten ware dat er geen plaats is. + +2. De stuurlieden mogen hun eigen meesters benoemen. + +3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente, +aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen +stem hebben. + +4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is, +dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning +zich beklagen bij den olderman. + +5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de zeelieden +daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning twaalf +mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen elk +twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk elk +een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de middelste +jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een tweederde deel. + +6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen voor +hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene feesten, +bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten. + +7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun +deel erven. + +8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene +gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld, +dan mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren. + +9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een geheel +mansdeel hebben. + +10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen +om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor +deze eer weduw blijven haar leven lang. + +11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders +zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen. + +12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch erf, +dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo mogen +zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat vergoeden +naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel weigeren. + + + + + +NUTTIGE ZAKEN UIT DE NAGELATEN SCHRIFTEN VAN MINNO. + + +Minno was een oude zeekoning, een ziener en wijsgeer; hij heeft aan +de Kretensen wetten gegeven. Hij is geboren aan de Lindeoord, en +na al zijne omzwervingen heeft hij het geluk genoten om te Lindahem +te sterven. + +Zoo wanneer onze naburen een stuk land hebben of water, dat ons goed +toeschijnt, zoo voegt het ons dat te koop te vragen; willen zij dat +niet doen, zoo moet men hun dat laten behouden: dat is naar Fryas +tex en het zoude onrecht wezen dat afhandig te maken. + +Wanneer er naburen te zamen kijven en twisten over eenige zaak (anders) +dan over land, en zij ons verzoeken een oordeel uit te spreken, zoo +behoort men dat liever achterwege te laten; doch als men daar niet +buiten kan, zoo moet men dat eerlijk en rechtvaardig doen. + +Komt er iemand en zegt: ik heb oorlog en nu moet gij mij helpen. Of +een ander komt en zegt: mijn zoon is minderjarig en onbekwaam en ik +ben oud, nu wilde ik u tot voogd over hem en over mijn land stellen, +totdat hij meerderjarig is, zoo behoort men dat te weigeren, opdat wij +niet in twist mogen komen over zaken strijdende met onze vrije zeden. + +Wanneer een buitenlandsch koopman komt op de toegelatene markt te +Wyringen of te Almanland en hij bedriegt, zoo wordt hij terstond in +de marktboete geslagen en door de maagden kenbaar gemaakt over het +geheele land. Komt hij dan terug, dan zal niemand van hem koopen, en +hij mag vertrekken gelijk hij gekomen is. Dus wanneer er kooplieden +gekozen worden om ter markt te gaan, of met de vloot te varen, dan +behoort men alleen dezulken te kiezen, die men door en door kent en +in een goeden roep staan bij de maagden. Gebeurt het desniettemin, +dat er een slecht man onder is, die de menschen bedriegen wil, zoo +behooren de anderen dat te weren. Heeft hij het reeds gedaan, dan +moet men dat herstellen, en den misdadiger uit het land verbannen, +opdat onze naam overal met eere genoemd mag worden. + +Maar zoo wij ons op eene buitenlandsche markt bevinden, hetzij nabij +of ver af en het volk ons leed doet of besteelt, dan behooren wij met +een haastigen aanval toe te slaan, want ofschoon wij alles behooren te +doen om des vredes wille, mogen onze halfbroeders ons nimmer minachten +of wanen dat wij bang zijn. + +In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten, +achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze +voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda +of Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en +zeeën heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik +overtuigd, dat wij alleen door Alfader uitverkoren zijn, om wetten +te hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden, +zij zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Velen gelijken op Finda, +zijn schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hovaardig, valsch, +onkuisch en moordzuchtig. De padde blaast zich op en zij kan slechts +kruipen. De kikvorsch roept werk, werk, en zij doet niets als huppelen +en grappenmaken. De raven roepen spaar, spaar, maar zij stelen en +verslinden al wat onder hun snavel komt. Aan die allen gelijk is +het Findas volk, zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil +inzettingen maken om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan +gebonden wezen. Diegene wiens geest het listigste is en daardoor +sterk, diens haan kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn +wil onderworpen wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel +verdrijft. Het woord ewa is te heilig om eene gemeene zaak te benoemen, +daarom heeft men ons evin leeren zeggen. Ewa beteekent inzettingen, +die bij alle menschen gelijkelijk in hun gemoed geprent zijn, opdat +zij weten mogen wat recht en onrecht is, en waardoor zij in staat +zijn hunne eigene daden en die van anderen te beoordeelen, dat wil +zeggen: alzoo verre zij goed en niet misdadig opgevoed zijn. Ook is +er nog een andere zin aan vast: Ewa (effen) beteekent ook gelijk, +vlak als water, recht en slecht gelijk water dat door geen hevige wind +of iets anders verstoord is. Wordt het water verstoord, dan wordt het +oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weder effen te worden. Dat +ligt in zijn wezen, even als de neiging tot recht en vrijheid in Fryas +kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door den geest van Wralda onzen +vader, die luide spreekt in Fryas kinderen. Daarom zal die ook eeuwig +beklijven. Ewa (eeuwig) is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die +eeuwig recht en onverstoord blijft, ofschoon het in zijn ligchaam +erg toe gaat. Eeuwig en onverstoord zijn de kenmerken der wijsheid +en rechtvaardigheid die door alle vrome menschen gezocht en door alle +rechteren moeten bezeten worden. Willen dus de menschen inzettingen en +bepalingen maken, die steeds goed blijven en aller wege, zoo moeten +zij gelijk wezen voor alle menschen. Naar deze wetten behooren de +rechteren hun oordeel uit te spreken. Is er eenig kwaad bedreven, +waaromtrent geene wetten gemaakt zijn, zoo moet men eene algemeene +vergadering beleggen, daar oordeelt men naar den zin, dien Wraldas +geest in ons spreekt, om over alles rechtvaardig te oordeelen. Zoo +doende zal ons oordeel nimmer falikant uitkomen. Doet men geen recht, +maar onrecht, dan rijst er twist en tweespalt onder de menschen en +staten; daaruit ontspruit binnenlandsche oorlog, waardoor alles in de +war gebragt en in 't verderf gestort wordt. Maar o domheid. Terwijl wij +bezig zijn elkander te schaden, komt het nijdige volk Findas met zijne +valsche priesteren om uwe have te rooven, uwe dochteren te schenden, +uwe zeden te verderven, en ten laatste sluiten zij slavenbanden om +een ieders vrijen hals. + + + + + +UIT MINNOS SCHRIFTEN. + + +Toen Nyhalennia, die van haar eigen naam Min-erva heette, goed gezeten +was, en de Krekalanders haar soms evenzeer lief hadden als ons eigen +volk, toen kwamen daar eenige vorsten en priesteren op hare burgt en +vraagden Min-erva, waar hare erven gelegen waren. Hellenia antwoorde +mijne erven draag ik om in mijn boezem, 't gene ik geërfd heb is liefde +tot wijsheid, rechtvaardigheid en vrijheid. Heb ik die verloren, dan +ben ik gelijk aan den minste van uwe slaven. Nu geef ik raad om niet, +maar dan zoude ik die verkoopen. De heeren gingen heen en riepen al +lachende, uwe gehoorzame dienaren, wijze Hellenia. Doch daarmede misten +zij hun doel, want het volk dat haar beminde en volgde nam dezen naam +als een eernaam op. Toen zij zagen, dat hun schot gemist had, toen +gingen zij haar belasteren, en zeiden dat zij het volk behekst had; +maar ons volk en de goede Krekalanders beweerden allerwege dat het +laster was. Eens kwamen zij en vroegen: als gij dan geen tioenster +(heks) zijt, wat doet gij dan met de eijeren, die gij altijd bij +u hebt. Minerva antwoordde: Deze eijeren zijn het zinnebeeld van +Frya's raadgevingen, waarin onze toekomst verholen ligt en die van het +geheele menschelijk geslacht. De tijd moet ze uitbroeden, en wij moeten +waken dat er geen leed aan komt. De priesteren (zeiden): goed gezegd, +maar waartoe dient de hond aan uwe rechter hand. Hellenia antwoorde: +Heeft de herder geen schaapshond om zijne kudde bijeen te houden? wat +de hond is in de dienst des schaapsherders, dat ben ik in Frya's +dienst. Ik moet over Frya's kudde waken. Dat komt ons goed voor zeiden +de priesters, maar zeg ons wat is de beteekenis van de nachtuil, die +altijd boven uw hoofd zit; is dat lichtschuwende dier soms het teeken +van uw helder zien? Neen, antwoorde Hellenia, hij helpt mij herinneren +dat er een slag van menschen over de aarde omdwaalt, dat even gelijk +hij in kerken en holen huist, die in duister omwroeten, doch niet +als hij, om ons van muizen en andere plagen te bevrijden, maar om +ranken te verzinnen, andere menschen hunne wetenschap te rooven, +opdat zij hen des te beter mogen vatten om er slaven van te maken, en +hun bloed uit te zuigen even als de bloedzuigers doen. Eens kwamen zij +met eene bende volks (de pest was over het land gekomen), zij zeiden: +wij alle zijn bezig de goden te offeren, opdat zij de pest mogen weren, +wilt gij dan niet helpen hunne gramschap te stillen, of hebt gij zelve +de pest over het land gebracht met uwe kunsten. Neen, zeide Minerva, +maar ik ken geene goden die kwaaddoende zijn, daarom kan ik niet vragen +of zij beter willen worden. Ik ken slechts een goede, dat is Wralda's +geest, maar omdat hij goed is, doet hij ook geen kwaad. Waar komt het +kwaad dan weg, vroegen de priesteren. Alle kwaad komt van u en van de +domheid der menschen, die zich van u laten vangen. Indien uwe godheid +dan zoo bijster goed is, waarom weert hij dan het kwaad niet, vroegen +de priesters. Hellenia antwoorde: Frya heeft ons op den weg gebracht, +en de Kroder, dat is de Tijd, die moet het overige doen; voor alle +rampen is raad en hulp te vinden, doch Wralda wil dat wij die zelve +zullen zoeken, opdat wij sterk zullen worden en wijs. Willen wij niet, +dan laat hij onze verbastering uitrazen, opdat wij zullen ervaren, +wat na verstandige daden en wat na dwaze daden volgt. + +Toen zeide een vorst: Ik zoude wanen, dat het beter ware, die te +weeren. Wel mogelijk, antwoordde Hellenia, want dan zouden de menschen +blijven gelijk makke schapen, gij en de priesters zoudt hen willen +hoeden, maar ook scheren en naar de slachtbank voeren. Doch zoo wil +het onze godheid niet, hij wil, dat wij elkander helpen, maar hij +wil ook dat iedereen vrij zij en wijs worde. En dat is ook onze wil, +en daarom kiest ons volk zijne vorsten, graven, raadgevers en alle +bazen en meesters uit de wijsten der goede menschen, opdat alle man +even zeer zijn best zal doen, om wijs en goed te worden. Zoodoende +zullen wij eens weten en aan het volk leeren, dat wijs zijn en +wijs doen alleen leidt tot zaligheid. Dat schijnt wel een oordeel, +zeiden de priesters, maar als gij nu meent dat de pest door onze +domheid ontstaat, zoude Nyhellenia dan wel zoo goed willen wezen, +om ons wat van dat nieuwe licht te leenen, waarop zij zoo trotsch +is. Ja, zeide Hellenia, de raven en andere vogelen komen alleen af op +bedorven aas, maar de pest bemint niet alleen bedorven aas, maar ook +bedorven zeden en gewoonten en booze lusten; wilt gij nu dat de pest +van u zal wijken en niet terugkomen, dan moet gij de booze lusten +wegdoen, opdat gij alle rein wordt van binnen en van buiten. Wij +willen gelooven, dat de raad goed is, zeiden de priesters, maar zeg +ons, hoe zullen wij daar alle menschen toe krijgen, die onder onze +heerschappij zijn? Toen stond Hellenia op van haren zetel en sprak: +De musschen volgen den zaaijer, de volken hunne goede vorsten, daarom +betaamt het u te beginnen met u zelven alzoo rein te maken, dat gij +uwe blikken naar binnen en naar buiten moogt richten zonder schaamrood +te worden voor uw eigen gemoed. Doch in plaats van het volk rein te +maken, hebt gij vuile feesten uitgevonden, waarop het volk alzoo lang +zuipt, dat zij ten laatsten, gelijk de zwijnen in het slik wroeten, +omdat gij uwe lusten boeten moogt. Het volk begon te joelen en te +spotten, daardoor durfden zij geen strijd weder aan te spinnen. Nu +zoude ieder wanen dat zij overal het volk te hoop geroepen hadden, om +ons allen te zamen het land uit te drijven. Neen, in plaats van haar +te beschimpen gingen zij allerwegen, ook naar het heinde Krekaland +tot aan de Alpen uitroepen: dat het den Oppersten God behaagd had +zijne verstandige dochter Minerva, bijgenaamd Nyhellenia, onder de +menschen te zenden van over zee met eene wolk, om de menschen goede +raad te geven, en opdat alle menschen die haar hooren wilden rijk +en gelukkig zouden worden, en eens meester zouden worden over alle +koningrijken der aarde. Zij stelden haar beeld op hunne altaren, +zij verkondigden of verkochten aan de domme menschen allerwegen +raadgevingen die zij nimmer gegeven had, en vertelden wonderen die zij +nooit gedaan had. Door list wisten zij zich meester te maken van onze +wetten en inzettingen en door listen en drogredenen wisten zij alles te +bewijzen en te verbreiden. Zij stelden ook priesteressen onder hunne +hoede, die schijnbaar onder de hoede van Festa onze eerste eeremoeder +(waren) om over het heilige licht te waken, maar dat licht hadden zij +zelve ontstoken, en in plaats van de priesteressen wijs te maken en +naderhand onder het volk te zenden om de zieken te verplegen en de +jeugd te onderwijzen, maakten zij ze dom en duister, en zij mochten +nimmer buiten komen. Ook werden zij als raadgeefsters gebezigd, maar +die raad was voor den schijn uit hare monden, want hare monden waren +niet anders dan de roepers, waardoor de priesters hunne begeerten +uitspraken. Toen Nyhellenia gestorven was, wilden wij eene andere +moeder kiezen. Sommigen wilden naar Texland om aldaar eene te vragen; +maar de priesters die bij hun eigen volk het rijk weder in hadden, +wilden dat niet gedoogen, en kreten ons bij het volk als onheilig uit. + + + + + +UIT DE SCHRIFTEN VAN MINNO. + + +Toen ik aldus weggevaren was met mijne lieden van Athenia, kwamen wij +ten laatsten aan een eiland, door mijne manschappen Kreta geheeten, +wegens de woeste kreten die het volk aanhief bij onze komst. Toen zij +echter zagen, dat wij geen oorlog in het schild voerden, werden zij +gedwee, zoodat ik ten laatsten voor een boot met ijzer gereedschap +eene havenmond en een plek grond inruilde, doch toen wij daar eene +poos gezeten waren, en zij bespeurden dat wij geene slaven hadden, +toen waren zij daarover versteld. Maar toen dat ik hun nu verteld +had, dat wij wetten hadden om gelijk recht te doen over allen, toen +wilde het volk ook zulke hebben, doch nauwlijks hadden zij die, of +het geheele land kwam in de war. De vorsten en priesteren kwamen en +gaven voor dat wij hunne onderdanen oproerig gemaakt hadden, en het +volk kwam tot ons om heul en schut te vragen. Doch toen de vorsten +zagen dat zij hun rijk zouden verliezen, toen gaven zij aan het volk +vrijheid en kwamen bij mij om een Asegaboek. Doch het volk was aan +geen vrijheid gewoon, en de heeren bleven heerschen, naardat hun goed +dacht. Nadat die storm over was, begonnen zij tweespalt tusschen ons +te zaaijen. Zij zeiden aan mijn volk, dat ik hunne hulp had ingeroepen, +om bestendig koning te worden. Eens vond ik vergif in mijne spijs. Doch +als er eens een schip van Flyland bij ons verzeilde, ben ik daarmede +stilletjes weggetogen. Doch mijn eigen wedervaren daarlatende, wil ik +met deze geschiedenis alleen zeggen, dat wij ons niet moeten inlaten +met Finda's volk, van waar het ook zij, omdat zij vol zijn van valsche +ranken, even te vreezen als hunne zoete wijnen met doodend vergif. + + +Einde van Menno's schriften. + + + + + +HIERONDER ZIJN DRIE BEGINSELEN, DAARNAAR ZIJN DEZE INZETTINGEN GEMAAKT. + + +1. Iedereen weet dat hij zijn nooddruft moet hebben, maar wordt aan +iemand zijne nooddruft onthouden, dan weet niemand wat hij doen zal, +om zijn lijf te behouden. + +2. Alle volwassen menschen worden gedrongen kinderen te verwekken, +zoo dat geweerd wordt, weet niemand, wat kwaads daarvan kan komen. + +3. Een ieder weet dat hij vrij en onverlet wil leven, en dat anderen +dat ook willen. Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen +gemaakt. + +Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze +zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en +vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en moord. + +1. Bijaldien iemand gebrek heeft en hij kan hem zelf niet helpen, +zoo moeten de Maagden dat ter kennis brengen van den graaf, om reden +dat het een hooghartigen Fries niet past dat zelf te doen. + +2. Zoo iemand arm wordt, doordien hij niet werken wil, die moet uit +den lande uitgedreven worden; want de laffen en tragen zijn lastig +en ergdenkend, daarom behoort men hen te weren. + +3. Ieder jong man behoort eene bruid te zoeken, en is hij vijf en +twintig jaar oud, dan behoort hij eene vrouw te hebben. + +4. Is iemand vijf en twintig jaar, en heeft hij nog geene echtgenoot, +dan behoort men hem uit zijn huis te weren, de knapen behooren hem +te vermijden. Neemt hij dan nog geene vrouw, dan moet men hem dood +verklaren, opdat hij uit het land vertrekke, en hier geen ergernis +mag geven. + +5. Is iemand machteloos, dan moet hij openbaar zeggen dat niemand +van hem te vreezen heeft, dan mag hij komen, waar hij wil. + +6. Pleegt hij naderhand ontucht, dan mag hij vluchten; vlucht hij niet, +dan wordt hij aan de wraak der bedrogene overgelaten en niemand mag +hem helpen. + +7. Bijaldien iemand eenig goed heeft, en een ander begeert dat +dermate, dat hij zich daaraan vergrijpt, dan moet hij dat drievoudig +vergelden. Steelt hij dan nog eens weer, dan moet hij naar de +tinlanden; wil de bestolene hem vrij laten, dan mag hij dat doen, +maar gebeurt het voor de derde reis, dan mag niemand hem de vrijheid +schenken. + + + + + +DEZE BEPALINGEN ZIJN GEMAAKT VOOR TOORNIGE MENSCHEN. + + +Zoo iemand in drift of uit boosheid een ander leden breekt, een oog +uitstoot, ofte tand, wat het ook zij, zoo moet de beleediger betalen, +wat de beleedigde eischt. Kan hij dat niet doen, zoo moet er openbaar +aan hem gedaan worden, wat hij aan den ander deed. Wil hij dat niet +uitstaan, dan moet hij zich tot zijne burgtmaagd wenden, of hij in +de ijzer- of tinlanden mag werken, tot dat zijne schuld voldaan is +volgens de algemeene bepaling. + +2. Wanneer iemand gevonden wordt zoo boos, dat hij een Fries dood +slaat, dan moet hij dat met zijn lijf betalen. Doch kan zijne +burgtmaagd hem voor altijd naar de tinlanden helpen, voor dat hij +gevat wordt, dan mag zij dat doen. + +3. Bijaldien de gevangene kan bewijzen met erkende getuigen, dat het +bij ongeluk geschied is, zoo zal hij vrij wezen. Maar gebeurt het +nog eenmaal, dan moet hij toch naar de tinlanden, opdat men daardoor +vermijde alle onbehoorlijke wraak en veete. + + + + + +DIT ZIJN BEPALINGEN VOOR DE HOERENKINDEREN. + + +1. Wie eens anders huis uit boosheid den rooden haan opzet, is geen +Fries, hij is een hoerenkind, met basterd bloed. Kan men hem op heeter +daad vatten, dan moet men hem in het vuur werpen. Hij mag vlieden +zoo hij kan, nergens zal hij veilig wezen voor de wrekende hand. + +2. Geen echte Fries zal over de misslagen zijns naaste mallen of +kwaadspreken. Is iemand misdadig jegens hem zelven, maar niet te +vreezen voor anderen, dan mag hij zijn eigen rechter wezen. Wordt hij +zoo slecht, dat hij gevaarlijk wordt, dan moet men het aan den graaf +openbaren. Maar is er iemand die een ander achter zijn rug aantijgt, +in plaats van het bij den graaf te doen, die is een hoerenkind, +op de markt moet hij aan den paal gebonden worden, zoodat het jong +volk hem mag aanspuwen; daarna leidt men hem over de grenzen, maar +niet naar de tinlanden, want een eerrover is ook te vreezen. + +3. Bijaldien er eens iemand zoo slecht was, dat hij ons ging verraden, +aan den vijand de paden en bijpaden wees om onze vliedburgten +te genaken, of des nachts daar in te sluipen, die zoude alleen +gesproten zijn uit Finda's bloed, men zoude hem moeten verbranden, +de zeelieden zouden zijne moeder en al zijne bloedverwanten naar +een afgelegen eiland moeten brengen, en daar zijn asch verstuiven, +opdat er geen vergiftige kruiden van mochten groeijen. De maagden +moeten zijn naam vervloeken over alle onze staten, opdat geen kind +zijn naam moge krijgen, en de ouden hem mogen verwerpen. + +Oorlog was voorbij gegaan, maar nood was in zijne plaats gekomen; nu +waren er drie menschen die elk een zak koorn stalen van afzonderlijke +eigenaren. Doch zij werden alle gevangen. Nu ging de eerste (eigenaar) +heen en bracht den dief bij den schout, de maagden zeiden daarvan +allerwege, dat hij gehandeld had naar het recht. De andere nam den +dief het koorn af, en liet hem voorts met vrede; de maagden zeiden, +hij heeft wel gedaan. Maar de derde eigenaar ging naar den dief in +zijn huis. Toen hij nu zag, hoe de nood daar zijn zetel had opgesteld, +ging hij terug en keerde weder met een wagen vol nooddruftigheden, +waarmede hij den nood van den haard verdreef. Frya's maagden hadden +bij hem rondgewaard en zijne daad in het eeuwige boek geschreven, +terwijl zij al zijne zonden hadden uitgewischt. Het werd gezegd aan +de eeremoeder, en deze liet het verkondigen over het geheele land. + + + + + +HETGENE HIERONDER STAAT IS AAN DE WANDEN VAN DE WARABURGT GEGRIFT. + + +(Zie plaat I.) + +Wat hier boven staat, dat zijn de teekens van het Juul, dat is het +eerste zinnebeeld van Wralda, ook van den aanvang of het begin, waaruit +de Tijd is voortgekomen; deze is de Kroder, die eeuwig met het Juul +moet rondloopen. Hiernaar heeft Frya het staand schrift gevormd, +'t welk zij gebruikte voor hare tex. Toen Fasta eeremoeder was, +heeft zij er het run of loopend schrift van gemaakt. De Witkoning +d. i. Zeekoning Godfried, de oude, heeft er afzonderlijke getalteekens +van gemaakt voor het staand en loopend schrift beide. Het is daarom +niet te veel dat wij er jaarlijks eenmaal feest voor vieren. Wij +mogen Wralda eeuwig dank wijden, dat hij zijn geest zoo krachtig +over onze voorvaderen heeft laten varen. In haren tijd heeft Finda +ook een schrift uitgevonden; maar dat was zoo hoogdravend en vol +met franjes en krullen, dat de nakomelingen de beteekenis daarvan +spoedig verloren hebben. Naderhand hebben zij ons schrift geleerd, +met name de Finnen, de Thyriers en de Krekalander. Maar zij wisten +niet goed, dat het van het Juul gemaakt was, en dat het daarom altijd +moest geschreven worden met de zon om. Bovendien wilden zij dat hun +schrift voor andere volken onleesbaar zoude wezen, omdat zij altijd +geheimnissen hebben. Zoodoende zijn zij zeer van de wijs geraakt, +dermate, dat de kinderen de schriften hunner ouderen bezwaarlijk kunnen +lezen; terwijl wij onze alleroudste schriften even gemakkelijk kunnen +lezen als die, die gisteren geschreven zijn. + +Hieronder is het staand schrift, daaronder het loopend schrift, +vervolgens de getalteekens op beide wijzen. + +(Zie plaat II.) + + + + + +DIT STAAT OP ALLE BURGTEN GESCHREVEN. + + +Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De zon +rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters groeiden +vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten hadden +wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als goud +blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden +niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan +de eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk +behalve wij, mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij +door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor +het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het +wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee, +en ten westen aan de Middellandsche zee, zoodat wij buiten de kleine +rivieren wel twaalf groot zoetwater stroomen hadden, ons door Wralda +gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den weg +naar zijne zee te wijzen. + +De oevers van deze stroomen werden somtijds alle door ons volk bezeten, +ook de velden aan den Rijn, van 't eene einde tot het andere toe. + +Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met +eene burgtmaagd. Van daar trokken wij koper en ijzer, benevens teer, +pik en sommige andere benoodigdheden. Tegenover ons voormalig Westland +hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der +ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun +lijf te behouden. Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst +een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf, +de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden +en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie) +en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land +zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke +gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd, +uithoofde zij dikwijls anders niet deden dan barnsteen jutten +(aan het strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden +Letten geheeten, omdat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en +kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde, +werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren zoo +noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of +hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van +daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers +genoemd, omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven). Die +in de hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden, +werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd gewapend waren tegen +het wild gedierte en de verwilderde Britten. Daarenboven hadden wij +de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten. + + + + + +HOE DE BANGE TIJD KWAM. + + +Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde +zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor +rook en damp als zeilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd +aldus droef en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch +vreugde. Te midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij +stervende was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen; +andere zonken in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had, +hief zij nu bergen omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten, +zonk neder, en de woeste golven traden zoo verre over bergen en +dalen, dat alles onder de zee bedolven was. Vele menschen werden +in de aarde begraven, en velen die aan het vuur ontkomen waren, +kwamen daarna in het water om. Niet alleen in het land van Finda +spuwden de bergen vuur, maar ook in het Twiskland. Wouden brandden +daardoor achterelkander weg, en toen de wind daar van daan kwam, +waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden verlegd en bij hunne +monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend vee. Drie jaren was +de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon men hare wouden +zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee opgerezen +en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk kwamen de +ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd, of zij +werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel geboden, +en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt is. + + + + + +DIT STAAT AAN DE WARABURGT BIJ DE ALDEGAMUDE GEGRIFT. + + +De Waraburgt is geen Maagdeburgt, maar daarin werden alle uitheemsche +en buitenlandsche dingen bewaard, die mede gebracht zijn door de +zeelieden. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uren) zuidwaarts +van Medeasblik gelegen. Aldus is de voorafspraak: Bergen neigt uwe +kruinen, wolken en stroomen weent. Ja, Schoonland bloost, slavenvolken +stappen op uw kleed, o Frya. + + + + + +ZOO IS DE GESCHIEDENIS. + + +100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam uit het oosten een volk +weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons Twiskland, +kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en elk ging +zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons gekomen, +maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland. Schoonland was +schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van al. Daarom +mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij anders geen +leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij hen hebben +leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en daarna hoe het +ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk vele geslachten +van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij hebben priesters, +even als deze, en in de kerken hebben zij ook beelden. De priesters +zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf Magyaren, hun opperste +heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met een; al het andere volk +is nul in 't cijfer en gelijk, en allen zijn onder hun geweld. Het +volk heeft niet eens een naam; door ons worden zij Finnen genoemd; +want ofschoon hunne feesten allemaal treurig en bloedig zijn, zijn +zij daar toch zoo fijn op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn +zij niet te benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters, +maar nog veel meer van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol +is van booze geesten, die in de menschen en dieren sluipen; maar van +Wraldas geest weten zij niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren +koperen. De Magyaren verhalen, dat zij de booze geesten kunnen bannen +en verbannen, daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun +gelaat is nimmer vrolijkheid te zien. + +Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij ons, +zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen, +die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen, +en hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte +onze waakzaamheid. + +Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij +onverwacht, gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze +landen toeloopen. Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd +aangeroepen, maar de Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen +werden krachten verzameld, drie palen van Godasburgt werden zij +wederstaan, de oorlog bleef. Kat of Katerinne, zoo heette de +priesteres, die burgtmaagd op Godasburgt was. Kat was trotsch en +hooghartig, daarom liet zij noch raad, noch helpers aan de Moeder +vragen. Maar toen de burgtheeren dat begrepen, zonden zij zelve boden +naar Texland tot de Eeremoeder. Minna, zoo was de naam der Moeder, liet +al de zeelieden oproepen en al het andere jong volk van Oostflyland +en van de Dennemarken. Uit deze tocht is de geschiedenis van Wodin +ontstaan, die op de burgten gegrift is, en hier is uitgeschreven. + +Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn +naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven; +Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij +zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren +zeestrijders, en juist nu bij hunne vaderen aan de Aldergamude. Toen +nu de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun +heerman of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning +en Inka tot hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar +de Dennemarken varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige +landweer aan boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien +in Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij elkander gevoegd +hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya +was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof +het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal +omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot +Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch +al wat wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij +uwe broeders met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze +vijanden voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij +hebben dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft +zich om ons niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander +voor de helft vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen +en ons allen vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij +heeft gezien, dat Frya veel machtiger is als alle onze geesten te +zamen. Hij wil zijn hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de +krijgshaftigste koning der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze +koning, en wij allen willen uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol +voor u wezen, als gij de wilden weder terug kondt drijven, onze +basuinen zouden het rondblazen, en onze berichten zouden u overal +vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en krijgshaftig, maar hij was +niet helder ziende, daardoor werd hij in hunne strikken gevangen en +door den Magy gekroond. Zeer velen van de zeelieden en de landweer, +dien deze keuze niet naar den zin was, vertrokken in stilte, Kat +medenemende. Maar Kat die niet voor de Moeder, noch voor de algemeene +vergadering, wilde verschijnen, sprong over boord. Toen kwam de +stormwind en dreef de schepen op de schorren van de Dennemarken, +zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben zij die straat het +Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij op de wilden los; +zij waren allen ruiters; gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins +heer aan, maar als een dwarrelwind wendden zij om, en durfden niet +weder verschijnen. Toen Wodin nu terug kwam, gaf de Magy hem zijne +dochter tot vrouw. Daarop werd hij met kruiden berookt, doch er waren +tooverkruiden onder; want Wodin werd trapsgewijze zoo zeer vermetel, +dat hij Frya en Wraldas geest durfde miskennen en bespotten, terwijl +hij zijn vrije hals boog voor de valsche gedrochtelijke beelden. Zijn +rijk duurde zeven jaren, toen verdween hij. De Magy zeide dat hij onder +hunne goden was opgenomen, en dat hij van daar over hen heerschte, +maar ons volk lachte om zijne taal. Toen Wodin eene poos weg geweest +was, kwam er tweespalt; wij wilden een anderen koning kiezen, maar +dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij beweerde dat het een recht was, +hem door zijne afgoden gegeven. Maar buiten en behalve deze twist, +was nog eene tusschen de Magiaren en Finnen, die Frya noch Wodin +wilden eeren, doch de Magy deed zoo als hem goed dacht, want zijne +dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu wilde de Magy dat deze +zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl allen keven en twisten, +kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich zelven tot voogd of +raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf, dan van het recht, +lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele Magiaren vloden +met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen scheep en een +heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met hun. + +Nu komen de geschiedenissen van neef Teunis en zijn neef Inka eerst +recht op het pad. + + + + + +DIT ALLES STAAT NIET ALLEEN OP DE WARABURGT, MAAR OOK OP DE BURGT +STAVIA, DIE GELEGEN IS ACHTER DE HAVEN VAN STAVRE + + +Toen Teunis met zijne schepen naar huis wilde keeren, ging hij +het eerst op de Dennemarken af, maar hij mocht daar niet landen, +dat had de Moeder besteld. Ook te Flyland mocht hij niet landen en +voorts nergens. Hij zoude alzoo met zijne manschappen van kommer en +gebrek omgekomen zijn; daarom gingen zij des nachts aan land om te +rooven, en voeren bij dag verder. Aldus langs de kust voort varende +kwamen zij tot de volkplanting Kadik, zoo geheeten omdat zij door een +steenen kadijk gevormd was. Hier kochten zij allerhande leeftocht, +maar Tuntia de burgtmaagd wilde niet gedoogen, dat zij zich daar +nederzetteden. Toen zij gereed waren, kregen zij twist. Teunis wilde +door de straat van de Middellandsche zee, om te varen voor den rijken +koning van Egyptenland, gelijk hij wel eer gedaan had. Maar Inka zeide +dat hij zijn bekomst had van al dat Findas volk. Inka meende dat er +misschien wel een hooggelegen deel van Atland, bij wijze van eiland, +zoude overgebleven wezen, waar hij met zijne manschappen vredig +leven mocht. Als de beide neven het aldus niet eens konden worden, +ging Teunis heen en stak een roode banier in het strand, en Inka +eene blaauwe. Daarna mocht ieder kiezen, wien hij volgen wilde, en o +wonder, tot Inka die er een afkeer van had, om de koningen van Findas +volk te dienen, liepen de meeste Finnen en Magyaren over. Toen zij +nu het volk geteld en de schepen daarnaar verdeeld hadden, scheidden +de vloten van elkander; van neef Teunis is naderhand bericht gekomen, +van neef Inka nimmer. + +Neef Teunis voer langs de kust door de straat der Middellandsche +zee. Toen het Atland verzonken is, was het aan de oevers der +Middellandsche zee ook erg toegegaan. Daardoor waren vele menschen van +het Findas volk naar onze heinde en verre Krekalanden gekomen en ook +velen van Lydas land. Daarentegen waren ook velen van ons volk naar +Lydas land gegaan. Dat alles had uitgewerkt, dat de heinde en verre +Krekalanden voor het oppergezag der Moeder verloren waren. Daar had +Teunis op gerekend, daarom wilde hij daar een goede haven kiezen en +van daaruit voor de rijke vorsten varen doch omdat zijne vloot en zijn +volk er zoo haveloos uitzagen, meenden de Kadhemers (kustbewoners), +dat zij roovers waren en daarom werden zij overal geweerd. Doch +ten laatste kwamen zij aan Phoenisius kust, dat was 193 jaren nadat +Atland gezonken is. Nabij de kust vonden zij een eiland met twee diepe +golven, zoodat het als drie eilanden uitzag. Op het middelste daarvan +stelden zij hunne schuilplaats op, naderhand bouwden zij daar eenen +burgtwal om toe. Toen zij nu daaraan een naam, wilden geven, werden +zij oneens, sommigen wilden het Fryasburgt heeten, andere Neettunia, +maar de Magyaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburgt zoude +heeten. Thyr noemden zij een hunner afgoden, en op diens verjaardag +waren zij daar geland; tot eene vergelding wilden zij Teunis eeuwig +als hun koning erkennen. Teunis liet hem belezen, en de anderen +wilden daarover geen oorlog hebben. Toen zij nu goed zaten zonden +zij sommige oude zeelieden en Magyaren aan den wal en verder naar +de burgt Sydon, maar in het eerst wilden de Kadhemers niets van hen +weten. Gij zijt veraf wonende zwervers, zeiden zij, die wij niet achten +kunnen. Doch toen wij hun van onze ijzeren wapenen wilden verkoopen, +ging ten laatsten alles goed. Ook waren zij zeer begeerig naar onze +barnsteenen, en het vragen daarnaar nam geen einde. Maar Teunis, die +verziende was, deed alsof hij geen ijzeren wapenen noch barnsteenen +meer had. Toen kwamen de kooplieden en baden hem, hij zoude twintig +schepen geven die zij alle met de fijnste waren wilden bevrachten, +en zij wilden hem zoovele lieden tot roeijers geven als hij begeerde. + +Twaalf schepen liet hij bevrachten met wijn, honig, toebereid leder, +daarbij kwamen toomen en zadels met goud overtrokken, gelijk men +ze nimmer gezien had. Met al dien schat viel Teunis het Flymeer +binnen. De grevetman van Westflyland werd door al deze dingen verrukt, +hij bewerkte dat Teunis bij de mond van het Flymeer een pakhuis bouwen +mocht. Naderhand is die plaats Almanaland genoemd en de markt, waarop +zij naderhand te Wyringen ruilhandel mochten drijven, Toelaatmarkt. De +Moeder raadde dat wij hun alles zouden verkoopen behalve ijzeren +wapenen, maar men sloeg geen acht op haar. Daar de Thyriers dus vrij +spel hadden, kwamen zij steeds weder om onze waren heinde en ver te +vervoeren, tot schade van onze eigene zeelieden. Daarna is besloten +op eene algemeene vergadering, jaarlijks zeven Tyrische schepen toe +te laten en niet meer. + + + + + +WAT DAARVAN GEWORDEN IS. + + +In de noordelijkste hoek van de Middellandsche zee ligt een eiland +bij die kust. Nu kwamen zij dat te koop vragen. Daarover werd eene +algemeene vergadering belegd. Moeders raad werd ingewonnen, maar Moeder +zag hen liefst ver af. Daarom meende zij dat er geen kwaad in stak, +doch als wij achterna zagen, hoe wij verkeerd gedaan hadden, noemden +wij dat eiland Mis.sellia. [5] Hierachter zal blijken, hoe wij hiertoe +reden hadden. De Golen, zoo heetten de zendeling-priesters van Sydon, +hadden wel gezien dat het land daar schaars bevolkt was en ver van +de Moeder was. Om nu zich zelven een goeden schijn te geven, lieten +zij zich zelve in onze taal aan de trouw gewijden heeten, maar dat was +beter geweest, als zij zich zelve van de trouw gewenden genoemd hadden +of kort weg Triuwenden, gelijk onze zeelieden later gedaan hebben. + +Toen zij wel gezeten waren, ruilden hunne kooplieden schoone koperen +wapenen en allerlei sieraden tegen onze ijzeren wapenen en huiden +van wilde dieren, die in onze zuidelijke landen in menigte te bekomen +waren, maar de Golen vierden allerhande vuile gedrochtelijke feesten, +en dan dienden de Kadheimers die door toedoen van hunne wulpsche +meisjes en de zoetheid van hunne vergiftige wijn. Was er iemand van +ons volk die het zoo erg verbruid had, dat zijn leven in gevaar kwam, +dan verleenden de Golen hem heul en schuilplaats, en voerden hem +naar Phonisia, dat is Palmland. Was hij daar gezeten, dan moest hij +aan zijne bloedverwanten, vrienden en aanverwanten schrijven, dat het +land zoo goed was en de menschen zoo gelukkig, als niemand zich konde +verbeelden. In Brittania waren zeer vele mannen, doch weinig vrouwen, +toen de Golen dat wisten, lieten zij allerwege meisjes schaken, en +deze gaven zij aan de Britten om niet. Doch al deze meisjes waren +hunne dienaren die kinderen van Wralda stalen om ze aan hunne valsche +afgoden te geven. + + + + + +NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN OVER DEN OORLOG DER BURGTMAAGDEN KALTA EN +MIN-ERVA. + + +En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de +Golen verloren hebben. + +Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden, genoemd +naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene eiland is +de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de volgende +geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en waak. + +563 jaar nadat Atland verzonken is zat hier eene wijze burgtpriesteres, +Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd Nyhellenia. Deze +bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij verleende was nieuw +en helder boven alle andere. + +Over de Schelde op de Flyburgt, zat Sijrhed; deze burgtmaagd was vol +ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare tong; maar de raad die zij +gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden +Kalta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de +uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva +het tweede en Syrhed het derde als opvolgster beschreven. Minerva +had daar geen weet van, maar Syrhed was er door geknakt. Even als +eene buitenlandsche vorstin wilde zij geëerd, gevreesd en gebeden +wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen +alle zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken +en van het Flymeer. Dat kwetste Syrhed, want zij wilde boven Minerva +uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude +hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen +en maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond, +zeide zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt +over de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar +de haan heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne +hoovaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten +geworden. Als Kalta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van +kwaad tot erger; in stilte liet zij de Magyaren bij zich komen om +toverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich +in de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet +beteren. Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken, +wilde zij hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig, +dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij +alle zouden vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts +verblindde zij hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor +water hielden, daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op +het eerste krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren, +liet zij hun tonne bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank +gedaan. Toen het volk nu allen te zamen dronken waren, ging zij boven +op haar strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het +morgenrood kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen +op haar gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en +dochteren van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatste tijd veel +schade en gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer +komen om ons schrijfvilt te koopen, maar gij weet niet, waardoor dat +gekomen is. Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu +kan ik het niet langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt, +waarnaar gij bijten moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij van +tijd tot tijd de vaart van alle zeeën hebben, daar maken zij heden +ten dage schrijfvilt van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit, +en kunnen zij ons ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd +ons voornaamste bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat +men het van ons zoude leeren. Maar Minerva heeft al het volk behekst, +ja behekst, vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven +is. Er uit moet het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd, +ik zoude het wel weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen +zij het laatste woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar +het beschonken volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet +vermocht te waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal, +en nadien de nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek +op de burcht los. Doch Kalta miste al weder haar doel, want Minerva +en hare maagden en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered. + + + + + +HIERBIJ KOMT DE GESCHIEDENIS VAN JON. + + +Jon, Jôn, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan de +uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het +verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was +zeekoning, geboren te Alderga, het Flymeer uitgevaren met 127 schepen +uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin, +koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en +konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch +toen Jon hier kwam en zag, hoe Kalta onze roemrijke burgt verwoest had, +toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op +Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar +door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden +de lamp en de maagden gered; doch Syrhed of Kalta mochten zij niet +vatten. Zij klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in +de vlammen moest omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden +stokstijf van schrik stonden, kwam zij schooner als te voren op haren +klepper, hun toeroepende: naar Kalta . Toen stroomde het +andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij: +wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende +gesneuveld zijn. + +Te dier tijde was Rosamund, dat is Rosamuda Moeder; zij had veel +in der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam, +maakte zij korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en +liet een algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landsverdedigers +uit alle oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon +bergde zich met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide +lampen, benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk, +de heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan +de overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer +en terstond daarna naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele +van ons volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag, +dat men hem en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok +hij heimelijk. Hij deed terecht, want al onze eilanders en al het +andere Schelde volk, die gevochten hadden, werden naar Brittanje +gebracht. Deze stap was verkeerd, want nu kwam het begin van het einde. + +Kalta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op +het land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia +af. Toen kwamen de Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee +naar Kadix varen en geheel ons buitenland langs en vielen op en over +Brittannia, doch daar konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de +bestuurders machtig en de bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam +Kalta en sprak: gij zijt vrij geboren en om kleine gebreken heeft men +u tot verworpenen gemaakt, niet om u te verbeteren, maar om tin te +winnen door uwe handen. Wilt gij weer vrij wezen en onder mijn raad +en hoede leven, trekt dan uit, wapenen zullen u gegeven worden en ik +zal over u waken. Als bliksemvuur ging het over de landen, en eer +des Kroders juul eens omgeloopen was, was zij meesteres over allen +te zamen en de Thyriers van al onze zuiderstaten tot de Seine. Om dat +Kalta haar zelve niet betrouwde, liet zij in het noordelijke bergland +een burgt bouwen. Kaltasburch werd zij geheeten, zij is nog in wezen +maar nu heet zij Kerenak. Van deze burgt uit heerschte zij als eene +echte moeder, doch niet ter wille van, maar over hare volgelingen, +die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen heerschten allengs +over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat zij geen burgten +meer hadden, anderdeels omdat zij daar geene burgtmaagden hadden en +in de derde plaats omdat zij geene echte lamp hadden. Door al deze +oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom en dwaas en werd +eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd en ten laatste +als een stier bij de neus omgeleid. + + + + + +NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN HOE HET JON VERGAAN IS. HET STAAT TE TEXLAND +GESCHREVEN. + + +Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het +Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen); en van +hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven. + +Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hun +overal vooruitgegaan, zoodat zij aan de kusten van het naastbijzijnde +Krekaland (Italie) nergens veilig waren. Hij stak dus met zijne vloot +naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie). Daar wilden de zwarte +menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus, +maar Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest +door de priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk +wij later hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben, +die daar naar hun begrip van overlang was (?) hadden zij Teunis tot +een God verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus +achter den rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede +rooven. Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet +terug winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende +Jon zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een +land, dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond. + +Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of +priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden +beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet +ruim genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te +laf om verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en +vaan, het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde +scharen. Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste +deel voegde zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij +Jon. Jon nam de lamp van Kalta en hare maagden mede; Minerva behield +hare eigene lamp en hare eigene maagden. + +Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige +eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het +woud tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden +uit ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen, +daarom zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische +eilanden genoemd. + +Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika genoemd +is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij onderhielden +hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en honing. Zij waren +met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen op de hellingen +der bergen. Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers geheeten. + +In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet +taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote +vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten +nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden +helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne +kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij +eene burgt anderhalve paal (uurgaans) van de haven. Op raad van Minerva +werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren +te weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar +als vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen +de voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden, +behaagde hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken, +omdat zij dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde: +hoe zijt gij wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoorden: sommige +hebben wij gekocht, andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide: +bijaldien niemand menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen +rooven, en gij zoudt daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus onze +bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten. + +Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar +de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen, +die wij nu van steen maken. + +Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva. + +Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om ijzeren +burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig; doch zoo +wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als zij daarin +toegestemd hadden, vroegen die lieden of Fryas zeden te Athene en in +de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder antwoorde: Indien de +verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya behooren, zoo zullen zij +daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe, dan zal er lang over +gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog vijfduizend jaren +met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor de vrijheid is. + + + + + +DIT IS OVER DE GEERTMANNEN. + + +Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich +als of zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude, +hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij +geene andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden, +dat er onder hare maagden geene zouden wezen, die zij zoo zouden +kunnen vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar +wij wilden Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve +ons gezegd had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas +geest. Daarom kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder. + +Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet mochten +braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij Minerva niet als +eene Godin wilden bekennen uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel +liefde had bewezen. Daarop gaven zij het volk beeldtenissen van hare +gelijkenis, betuigende dat zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang +zij gehoorzaam bleven. Door al deze verhalen werd het domme volk van +ons afkeerig gemaakt, en ten laatsten vielen zij ons te lijf. Maar +wij hadden onze steenen burgtwal met twee hoornen omgebogen tot +aan de zee. Zij konden ons daarom niet genaken. Doch wat gebeurde, +een Egyptenaar die een overpriester was, helder van oogen, klaar +van brein, en verlicht van geest, zijn naam was Cecrops, hij kwam om +raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met zijne lieden onze wal +niet bestormen kon, toen zond hij boden naar Thyrus. Daarop kwamen +driehonderd schepen vol soldaten van de wilde bergvolken onverwacht +in onze haven varen, terwijl wij met al onze mannen op den wal +strijdende waren. + +Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het +dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje +geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische +zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij +dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij +zult uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden +noch van verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te +eischen, zij mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en +dragende have, en hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der +burgtheeren heel goed ziende, dat zij de burgt niet konden houden, +raadden Geert aan, dat zij gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops +woedend werd en anders begon en drie maanden daarna, vertrok Geert +met met de beste Fryaszonen en zeven maal twaalf schepen. Toen zij +een poos buiten de haven waren, kwamen er wel dertig schepen van +Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene gaan, doch +als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen zij met +Geert. De zeekoning der Thyriers bracht allen te zamen door de straat, +die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landen zij +aan Pangab, dat is in onze spraak vijf wateren, omdat vijf rivieren +met elkander naar de zee toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat +land hebben zij Geertmania genoemd. De koning van Thyrus later ziende, +dat zijne allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen +met zijne wilde soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als +zij bij de straat kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief +aarde haar lijf daar zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep, +en dat alle wadden en schorren als een burgtwal voor hen oprezen. + +Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen +klaar en duidelijk zien kan. + + + + + +IN HET JAAR 1005 NADAT ATLAND GEZONKEN IS, IS DIT OP DE OOSTERWAND +VAN FRIJASBURGT GESCHREVEN. + + +Nadat wij in twaalf jaren tijd geen Krekalander te Almanland gezien +hadden, kwamen hier drie schepen zoo sierlijk als wij er geen hadden, +en te voren nimmer hadden gezien. Op het grootste van deze was een +koning der Jonische eilanden; zijn naam was Ulysus en de roep zijner +wijsheid groot. Aan dezen koning was door eene priesteres voorzegd +dat hij koning zoude worden over alle Krekalanden, zoo hij raad wist +om eene lamp te krijgen, die opgestoken was aan de lamp te Texland. Om +die te verkrijgen had hij vele schatten medegebracht, bovenal vrouwen +sieraden, gelijk er in de wereld niet schooner gemaakt werden. Zij +waren afkomstig van Troje, eene stad, die de Krekalanders hadden +ingenomen. Al deze schatten bood hij de Moeder aan; maar de Moeder +wilde nergens van weten. Als hij ten laatsten zag, dat zij niet te +winnen was, ging hij naar Walhallagara. Daar was eene burgtmaagd +gezeten, wier naam was Kaat; doch in de wandeling werd zij Kalip +genoemd, omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak. Bij deze +heeft hij jaren vertoefd tot ergernis van allen die het wisten. Naar +het zeggen der maagden heeft hij van haar ten laatste eene lamp +gekregen; doch zij heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam, +is zijn schip vergaan, en hij naakt en bloot opgenomen door de +andere schepen. + +Van dezen koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver +Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en hetgene hier +volgt heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag +besluiten, hoe waar de Moeder Hellicht gesproken heeft toen zij zeide +dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de +andere Krekalanders hebt gij zeker veel kwaad over Cecrops gehoord, +want hij was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, hij was een +verlicht man, hoogelijk geroemd, zoowel bij de inwoners als bij ons, +want hij was er niet voor om de menschen te onderdrukken, gelijk de +andere priesteren, maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid der ver +afwonende volken naar waarde te schatten. Daarom, omdat hij dat wist +heeft hij ons toegestaan, dat wij mochten leven naar ons eigenlijk +Asegaboek. Er liep een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij +geboren zoude wezen uit een Friesch meisje en een Egyptisch priester, +uithoofde dat bij blauwe oogen had, en dat er vele meisjes bij ons +geschaakt waren en verkocht naar Egypte. Doch zelf heeft hij dit +nimmer bevestigd. Hoe het daarmede is, zeker is het dat hij ons meer +vriendschap bewees, als alle andere priesteren te zamen. Maar toen +hij gestorven was, gingen zijne opvolgers al spoedig aan onze wetten +tornen, en allengs zoo vele ongeschikte keuren maken, dat er ten langen +laatste van gelijkheid en van vrijheid niet anders, als de schijn en +de naam overbleef. Verder wilden zij niet gedoogen dat de inzettingen +in schrift werden gebracht, waardoor de wetenschap daarvan voor ons +verborgen werd. Te voren werden alle zaken binnen Athene in onze taal +bepleit, naderhand moest het in beide talen geschieden, en ten laatste +alleen in de landstaal. In de eerste jaren nam het manvolk te Athene +enkel vrouwen van ons eigen geslacht, maar het jongvolk opgewassen +met de meisjes der landzaten namen daar ook van. De basterd kinderen +die daarvan kwamen, waren de schoonste en schranderste van de wereld, +maar zij waren ook de slechtste. Hinkende over beide zijden, zich +bekreunende noch om wet, noch om gewoonte, tenzij dat het was voor hun +eigen belang. Alzoo lang er nog een straal van Fryas geest opwelde, +werd al de bouwstof tot gemeene werken verarbeid, en niemand mocht een +huis bouwen, dat ruimer en rijker was als dat van zijn buurman. Doch +toen sommige verbasterde stedelingen rijk waren door onze zeevaart +en door het zilver, dat de slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen +zij buiten op de hellingen (der bergen) of in de dalen wonen. Aldaar +achter hooge wallen van loof of van steen, bouwden zij hoven (paleizen) +met kostbaar huisraad, en om bij de vuile priesteren in een goeden +dunk te wezen, plaatsten zij daar op valsche goden gelijkende en +ontuchtige beelden in. Bij de vuile priesteren en vorsten werden soms +de knapen meer begeerd, als de dochteren, en vaak door rijke giften +of door geweld van het pad der deugd afgeleid. Naardien rijkdom bij +het verwende en verbasterde geslacht ver boven deugd en eere gold, zag +men altemet knapen, die zich met wijde prachtige kleederen versierden, +hunne ouders en de maagden tot schande en hunne sekse ten spot. Kwamen +onze eenvoudige ouders te Athene op de algemeene volksvergadering, +en wilden daar zich beklagen, dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar +zal een zeegedrocht spreken. Zoo is Athene geworden, gelijk een moeras +in de heete landen vol bloedzuigers, padden en vergiftige slangen, +waarin geen mensch van strenge zeden zijn voet kan wagen. + + + + + +DIT STAAT OP AL ONZE BURGEN. + + +Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat Atland +was verzonken. Door Wodins dwaze dartelheid, was de Magy meester +geworden over het oosterdeel van Schoonland. Over de bergen en over +de zee durfden zij niet komen. De Moeder wilde het niet weren, zij +sprak zeggende: Ik zie geen gevaar in zijne wapenen, maar wel om de +Schoonlanden weer te nemen, omdat zij verbasterd en verdorven zijn. Op +de algemeene vergadering dacht men gelijkerwijze. Daarom is het aan +hem gelaten. Groot honderd jaren geleden begonnen de Denemarkers met +hun handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapenen, daarvoor ruilden +zij gouden sieraden benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boden +en raadde hun, zij zouden den ruilhandel laten varen. Daar was gevaar, +zeide zij, voor hunne zeden, en indien zij hunne zeden verloren, dan +zouden zij ook hunne vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden +nergens ooren naar; zij wilden niet begrijpen, dat hunne zeden verloren +konden gaan; daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste +brachten zij hunne eigene wapenen en leeftocht zoek. Maar dit kwaad +veroorzaakte hunne straf. Hunne ligchamen werden overladen met glans +en schijn, maar hunne kisten, kasten en schuren werden ledig. Juist +honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee +gestoken was, kwam armoede en gebrek door de vensters binnen, honger +spreidde zijne wieken uit en streek op het land neder, tweespalt liep +trotsch over de straat, en voorts de huizen in, liefde kon geen steun +langer vinden, en eendracht liep weg. Het kind vroeg eten van zijne +moeder, en die had geene spijs, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen +tot hunne mannen, deze gingen tot de graven, de graven hadden zelve +niets, of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkoopen, +maar terwijl de zeelieden daarmede vertrokken waren, kwam de vorst en +legde een plank neder op de zee en op de straat (de Sond). Toen de +vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het land +uit, en het verraad klom op zijn zetel. In plaats van de oevers te +bewaken, spanden hij hunne paarden voor hunne sleden, en reden naar +Schoonland. Doch de Schoonlanders, die begeerig waren naar het land +hunner voorvaderen, kwamen naar de Denemarken. Op een heldere nacht +kwamen zij alle. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land hunner +voorvaderen, en terwijl men daarover streed, kwamen de Finnen in de +verlatene dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en dat zij +geene goede wapenen hadden, deed hun de strijd verliezen en daarmede +de vrijheid, want de Magy werd meester. Dat kwam daar van daan, dat +zij Fryas tex niet lazen en hare raadgevingen verwaarloosd hadden. Er +zijn sommigen, die meenen, dat zij door de graven verraden zijn, en dat +de maagden dat al lang bespeurd hadden. Doch zoodra iemand daarover +spreken wilde, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketens. Wij +kunnen daarover niet oordeel vellen, maar wij willen u toeroepen: +Verlaat u niet te zeer op de wijsheid en deugd noch van uwe vorsten +noch van uwe maagden; want zal het stand houden, dan moet iedereen +waken over zijn eigene hartstochten en voor het algemeene welzijn. + +Twee jaren daarna kwam de Magy zelf met eene vloot van lichte booten +om aan de Moeder van Texland de lamp te ontrooven. Deze booze daad +bestond hij bij nacht in den winter bij stormweder, terwijl de wind +gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter, +die meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijne toorts. Zoodra als het +licht van den toren op het ronddeel neder viel, zag hij dat reeds vele +gewapende mannen over de burgtwal waren. Nu ging hij om de klok te +luiden, doch het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren reeds twee +duizend in de weer om de poort te rammeijen. De strijd duurde daarom +kort, want omdat de krijgslieden geene goede wacht gehouden hadden, +kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten was, was er een +leelijke Fin in de (fleete) of het slaapvertrek van de Moeder binnen +geslopen, en wilde haar geweld aandoen. De Moeder weerde hem af, dat +hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weder op de been was, +stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wilt gij mijne roede +niet, zoo zult gij mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een zeeman van +de Denemarken, deze nam zijn zwaard en kloofde den Fin den kop. Daaruit +stroomde zwart bloed en daarboven zweefde eene blaauwe vlam. + +De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen. Toen zij nu zoo +verre hersteld en beter was, dat zij helder spreken konde, zeide +de Magy, dat zij met hem mede varen moest, doch dat zij hare lamp +en hare maagden zoude behouden, dat zij een staat zoude voeren, +zoo hoog als zij nooit te voren gekend had. Voorts zeide hij, dat +hij haar vragen zoude in tegenwoordigheid van zijne voornaamsten, +of hij meester zoude worden over alle landen en volken van Frya. Hij +zeide, dat zij dit bevestigen en verzekeren moest, anders zoude hij +haar onder vele smarten laten sterven. Toen hij daarna alle zijne +voornaamsten om haar leger vergaderd had, vroeg hij luide: Frana, +vermits ge helderziende zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester +zal worden over alle landen en volken van Frya. Frana deed, als sloeg +zij geen acht op hem. Ten langen laatste opende zij hare lippen, en +sprak: Mijne oogen worden verduisterd, doch het andere licht daagt +op in mijne ziel. Ja, ik zie het. Hoor Irtha, en wees blijde met +mij. In de tijden, dat Atland verzonken is, stond de eerste spaak +van het Juul in top. Daarna is zij nedergegaan en onze vrijheid met +haar. Als het twee spaken of twee duizend jaren nedergewenteld heeft, +zullen de zonen opstaan, die de vorsten en priesteren in ontucht bij +het volk geteeld hebben, en die tegen hunne vaderen getuigen. Die +allen zullen door moord bezwijken; maar wat zij verkondigd hebben, +zal voortdurend blijven en vruchtbaar worden in den boezem der kloeke +menschen, gelijk goede zaden die neergelegd worden in uwen schoot. Nog +duizend jaren zal de spaak naar beneden dalen en al meer neder zijgen +in de duisternis en in het bloed over u uitgestort door de lagen der +vorsten en priesteren. Daarna zal het morgenrood weder aanvangen te +gloren. Dit ziende zullen de valsche vorsten en priesters allen te +zamen tegen de vrijheid kampen en worstelen; maar vrijheid, liefde en +eendracht zullen het volk in hare hoede nemen, en met het juul uit +de vuile poel rijzen. Het licht, dat eerst alleen gloorde, zal dan +van lieverlede tot eene vlam worden. Het bloed der boozen zal over uw +ligchaam stroomen, maar gij moogt het niet tot u nemen. Ten laatste +zal het vergiftige gedierte daarop azen en daarvan sterven. Alle vuile +geschiedenissen, die verzonnen zijn om de vorsten en priesteren te +roemen, zullen aan de vlam geofferd worden. Voortaan zullen alle +uwe kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken had, zeeg zij +neder. Maar de Magy, die haar niet wel verstaan had, schreeuwde: ik +heb u gevraagd of ik meester zoude worden over alle landen en volken +van Frya, en nu hebt gij tot een ander gesproken. Frana richtte zich +weder op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven etmalen om zijn, +zal uwe ziel met de nachtvogels bij de graven rond waren, en uw lijk +zal liggen op den bodem van de zee. Heel goed, zeide de Magy met +verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij tot zijn +gerigtsdienaars: werpt dat wijf over scheepsboord. Zoo was het einde +van de laatste der Moeders. Wraak willen wij daarover niet roepen, +die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij Frya +na roepen: waak! waak! waak! + + + + + +HOE HET DEN MAGY VERDER GEGAAN IS. + + +Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar zijn +schip brengen, benevens allen inboedel, die hem behaagde. Vervolgens +ging hij het Flymeer op, want hij wilde de maagd van Medeasblik of +van Stavoren rooven, en die tot Moeder aanstellen. Doch daar waren +zij op hunne hoede gebracht. De zeelieden van Staveren en Alderga +hadden zich gaarne tot Jon begeven, maar de groote vloot was op eene +verre tocht uit. Nu gingen zij heen en voeren met hunne kleine vloot +naar Medeasblik en hielden zich schuil achter de luwte der boomen. De +Magy naderde Medeasblik, bij helderen dag en schijnende zon. Evenwel +gingen zijne manschappen stoutweg op de burgt aanstormen. Maar als +al het volk met de booten geland was, kwamen onze zeelieden uit de +kreek weg en schoten hunne pijlen met brandende terpentijnballen op +zijne vloot. Zij waren zoo goed gericht, dat vele van zijne schepen +terstond in brand waren. Die op de schepen de wacht hielden, schoten +ook naar ons, doch zij raakten niets. Toen ten laatste een schip al +brandende naar het schip van den Magy dreef, beval hij zijn stuurman +af te houden; maar die stuurman was de Denemarker, die den Fin geveld +had; deze zeide: gij hebt onze Eeremoeder naar den bodem van de +zee gezonden om te melden, dat gij komen zoudt, dat zoudt gij door +de drukte wel vergeten; nu wil ik zorgen, dat gij uw woord gestand +doet. De Magy wilde hem afweren, maar de stuurman een echte Fries en +sterk als een jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem +over boord in de golvende zee. Vervolgens heesch hij zijn bruin schild +in top en voer recht toe recht aan naar onze vloot. Daardoor kwamen +de maagden ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan, en niemand +wist, hoe het gekomen was. Toen zij op de onvernielde schepen hoorden, +dat de Magy verdronken was, trokken zij weg, want de zeelieden daarvan +waren meest Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, wendden onze +zeelieden en schoten hunne brandpijlen op de Finnen af. Toen de Finnen +dat zagen en hoe zij verraden waren, liep alles door elkander en er +was langer geen gehoorzaamheid noch bevel. Op dat tijdstip liep de +bezetting hen uit de burgt. Die niet vluchtte werd afgemaakt en die +vluchtte vond zijn einde in de poelen van het Krylinger woud. + + + + + +NASCHRIFT. + + +Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren +onder hun, die zeide Medea mag wel lachen, als wij haar uit hare burgt +redden. Daarom hebben de maagden die Kreek Medea mêilakkia genoemd. De +gebeurtenissen, die daarna geschied zijn, mogen iedereen heugen. De +maagden behooren die op hare wijze te verhalen en goed te laten +beschrijven. Daarom rekenen wij hiermede onzen arbeid volbracht. Heil. + + + Einde van het Boek. + + + + + +DE SCHRIFTEN VAN ADELBROST EN APOLLONIA. + + +Mijn naam is Adelbrost, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk ben +ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit boek +vervolgen, op zoodanige wijze als mijne moeder gesproken heeft. + +Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest +er eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare +opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te +vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en +wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksamarken paalt. Mijne +moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het +leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen, +nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder +van haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder +behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt, +en even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief +heb boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet +wezen. Zoo sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden +wilden alle Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd +en wilde niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk +dus bandeloos. Uit het volgende moogt gij het begrijpen. Liudgert +de koning die onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder +gekozen, blijkbaar door alle staten met liefde en vertrouwen. Het +was zijne beurt op het groote hof te Dokhem te wonen; en bij het +leven der Moeder, werd hem daar groote eer bewezen; want het was er +altijd zoo vol boden en ridders, als men er nooit te voren gezien +had. Doch nu was hij eenzaam en verlaten; want iedereen was bevreesd, +dat hij zich meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk +de slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed, +als hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den +ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde +op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten +haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde +er eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene +maagd ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten +voordeele van haar eigen staat. Door dusdanige ranken brachten zij +tweespalt over de staten, en tornden zij den band zoodanig van een, +dat het volk van de eene staat nijdig was op het volk van de andere +staat, en voor het allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg +daarvan is geweest, dat de Golen of Truwenden al ons land afgewonnen +hebben tot aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het +hierbij toegegaan is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het +boek niet geschreven geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb, +dat het helpen zal ten bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat +ik daardoor het land zal winnen of behouden, dat is mijns achtens +ondoenlijk. Ik schrijf alleen voor het nakomende geslacht, opdat +zij al te zamen mogen weten, op hoedanige wijze wij verloren gingen, +en opdat ieder daaruit leeren mag, dat alle kwaad zijne straf teelt. + +Mij heeft men Apollonia genoemd. Tweeëndertig dagen na moeders dood, +heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf, +zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader, +die ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere +broeder, van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar +heeft hij eene burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om daar ons leed +te wreken. Wralda heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf +zonen gewonnen. Die alle brengen den Magy schrik en mijn broeder roem +aan. Na den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten +van onze landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten, +Adelbond geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij +mij en mijn jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de +maagden en mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud +was, heeft men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig +was, werd hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder +de zesde, maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne +nakomelingen niet overa Linda achter hunne namen voeren; maar iedereen +wilde het hebben ter eere van mijne moeder. Daarenboven heeft men ons +ook een afschrift gegeven van het boek van Adela's aanhangers. Daarmede +ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid kwam het +in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften gevonden, ook +lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter schrijven. + +Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest +is op deze burgt. Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten +overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift +was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene +vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd +Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne +Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij +Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van +waar meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund +was, opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt +zeer te hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet +sluiten noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan, +dat gij haar zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig, +zoo is zij te voren hier Burgtmaagd geweest; is zij daarom wijzer en +beter als ik en alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden +en gewoonten? Was dat het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden +zijn, toen zij daartoe gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk +hebben met alle vreugde en genoegens, die daaraan verbonden zijn, +in plaats van eenzaam over haar zelve en het volk te waken. Zij is +zeer helderziende, goed, maar mijne oogen zijn verre van verduisterd +te wezen. Ik heb gezien dat zij haren echtgenoot grootelijks bemint, +nu goed, dat is loffelijk, maar ik heb verder gezien, dat Teuntje +Apols nicht is. Wijders wil ik niets zeggen. + +De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar +onder het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier +kwam, wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden +geëindigd: de messen uit den zak gehaald, en er werd geene Moeder +gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot +nu toe was hij braaf geweest, daarom had mijne burgtmaagd verlof hem +buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar +het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts +naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde +haar aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer, +zij zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij +meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin +van Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder +geworden. Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar +bode zijne krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft +haar bode zelf beleden. + + + + + +HET TWEEDE GESCHRIFT. + + +Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was +het Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan lustige +vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na +te jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid +niet mag verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel +onze oorden in dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de +waakzaamheid wilde niet terugkeeren. De strandwakers waren van +hunne noodvuren weggeloopen, en op de toegangen was niemand te +zien. Toen de nevel optrok, keek de zon door de reeten der wolken +op aarde neder. Iedereen kwam weder uit om te juichen en te joelen, +het jongvolk trok zingende met de (zakpijp?), en deze vervulde de +lucht met haar lieffelijken adem. Maar, terwijl daar iedereen zich in +vreugde baadde, was verraad geland met paarden en ruiters; gelijk al +het booze waren zij geholpen door de duisternis, en binnengeslopen +door de paden van Lindaswoud. Voor de deur van Adela trokken twaalf +meisjes met twaalf lammeren en twaalf knapen met twaalf hokkelingen, +een jonge Saksman bereed een wilden buffel, dien hij zelf gevangen +en getemd had. Met allerlei bloemen waren zij versierd, en de linnen +jurken der meisjes waren omboord met goud uit den Rijn. + +Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op haar +hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken +boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier +vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep +Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en +haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar +binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees +waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste +der roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den +tweede en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne +ouders hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De +roovers zouden hen spoedig gevangen genomen hebben, maar Adela kwam +(op de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was +zij lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over +haar hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras. + +Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden +geveld en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem +getroffen. Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en +daaraan stierf zij. + + + + + +DE LOFSPRAAK DER BURGTMAAGD. + + +Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere +zijn op weg. + +Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren. + +Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste geweest. + +O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare +tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij +hare schoonheid verhoogen? Niet met parelen, want hare tanden zijn +witter; niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met +edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch +te gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat +spreek ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya +die zeven schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene, +hoogstens drie geërfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch +zoude zij ons dierbaar wezen. + +Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van +onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog +grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen. + +Zie hier, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op gindschen +grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de +moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij, roept +zij, tracht hulp te verleenen, en Wralda zal u krachten geven. Daarop +ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht eene brug te +maken; nu helpt ook de andere en de kinderen zijn gered. + +Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen neêrleggen. + +Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden +mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat +de onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat +zij onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een +spinrok vast. De uitheemsche heeren kwamen hunne lieden opeischen; +toen zij zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op; +doch men verhaalde hun, hoe het gebeurd was. + +Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van +haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten voor +de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid hooren. + +Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt, +is moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden +gegrift. + + + LOOP NIET TE SCHIELIJK, WANT HIER LIGT ADELA. + + +De oude leer, die gegrift is op de buitenwand des burgttorens, is niet +geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten is, +weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil +ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten. + + + + + +OUDSTE LEER. + + +Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor zal het +zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is +het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda +is alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal +tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest +genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door +zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen +en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde, +alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want +alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda +komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is +hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem. + +Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het geschapene, +en er zijn geene goede wetten, of zij moeten daarnaar ingericht +zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der menschen +is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid +of domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda +nimmer. Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft, +zijn de boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid +te vinden, noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele +dingen zien; maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele +dingen leeren, maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele +dingen ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen +zijn mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen +beminnen en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is +Wralda alleen goed, en er zijn geene goeden buiten hem. Met het Juul +verandert en wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen +onveranderlijk. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; en +omdat hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn. + + + + + +HET TWEEDE DEEL VAN DE OUDSTE LEER. + + +Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid +zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden +doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest +het beste deel is van Wralda's geest, en dat Wralda alleen kan denken +door hulp van hun brein. + +Dat ieder schepsel een deel is van Wralda's oneindig wezen, dat hebben +zij van ons gestolen. + +Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid +heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan +zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want +hun geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij +naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon +de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo +hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen +allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat +daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en geëerd +willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen en schatting +eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf godsdienaren +of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en vergaderen dat alles +voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te behouden. Dat alles +bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij zich zelven goden +wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn er sommigen die +hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden zij door hunne +rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met vele statelijke +plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in trouwe, alleen opdat +zij hun niet schaden zouden. Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen +tegen hunne afgodische leer, zoo behooren de maagden hen te doen van +buiten leeren, wat hier zal volgen. + +Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij +wezen. Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets +buiten hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle +dingen geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze +zaken moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat +zij het aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre +gewonnen, dan zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo +zijn wij een deel van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het +geschapene. Doch wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen +geest en al onze bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit +alles zijn vluchtige dingen, die door Wraldas leven verschijnen; +doch door zijne wijsheid zoodanig en niet anders verschijnen. Maar +doordien zijn leven steeds voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne +plaats blijven. Daarom verwisselen alle geschapene dingen van plaats, +van gedaante en ook van denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch +eenig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch +zeggen: ik denk, maar bloot: ik dacht. De knaap is grooter en anders +als toen hij een kind was. Hij heeft andere begeerten, neigingen en +denkwijze. De man en vader is en denkt anders als toen hij knaap +was. Even zoo de oude van dagen. Dat weet iedereen. Bijaldien nu +iedereen weet, en moet erkennen, dat hij steeds wisselt, zoo moet hij +ook bekennen, dat hij ieder oogenblik wisselt; ook terwijl hij zegt: +ik ben; en dat zijne denkbeelden veranderen, terwijl hij zegt: ik denk. + +In plaats dus, van dat wij de boose Finda's op eene onwaardige wijze +napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel Wraldas, +ja door ons alleen mag hij denken, zoo willen wij verkondigen +overal en allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn +verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot: +doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo +goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda's geest, +hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep, heeft +hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele goede +eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en zijne +wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen wij +spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene +zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden +nog redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe +en door vloed. + + + + + +DIT STAAT OP SCHRIJFFILT GESCHREVEN. TAAL EN ANTWOORD AAN ANDERE +MAAGDEN TOT EEN VOORBEELD. + + +Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te +Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda +gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte +Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan, +zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het +kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide: +toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed +tegen de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand, +die haar hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in +haar gemoed neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich; +hare neiging koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder +de beschuttende lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was, +dat zij nat werd. Doch zij had gezien, hoe het water bij de hellende +bladeren neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden, +op staken maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen +daaronder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij +heen en maakte eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde +en vervolgens aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als +te voren, en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda, +noch tegen Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen +daarop. Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben, +zoo beduidde zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze +handelden en dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen +gekomen met stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde +tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en +vervolgens al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest, +dan moet gij trachten het andere beter te maken. Mijn huis was +sterk genoeg, zeide hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd +en de stormwind heeft het andere gedaan. Waar stond uw huis dan, +vroeg Troost. Aan den oever van den Rijn, antwoordde de man. Stond +het dan niet op eene nol (ronde hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen, +zeide de man, mijn huis stond eenzaam bij den oever; alleen heb ik het +gebouwd, maar ik kon daar alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel, +antwoordde Troost, de maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw +leven een afkeer gehad van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven +of doen moest voor hun. Doch daarmede kan men niet verre komen. Want +Wralda die mild is, keert hem af van de gierigen. Fåsta heeft ons +geraden en boven de deuren van alle onze burgten is 't gegrift in +steen: zijt ge erg baatzuchtig, zeide Fåsta, behoed dan uwe naasten, +onderricht dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het +u wederom doen. Is u deze raad niet goed genoeg, ik weet geene betere +voor u. De man werd schaamrood en droop stil af. + + + + + +NU WIL IK ZELF SCHRIJVEN, EERST OVER MIJNE BURGT EN DAN OVER HETGENE +IK HEB MOGEN ZIEN. + + +Mijne burgt ligt aan 't noordeinde van de Liudgaarde. De toren heeft +zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een klein +huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde van +den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven +voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van +hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is +een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed +driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden, +dan ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de +zuidelijke huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre, +daarvan moeten de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de +noordelijke huizen is alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn +vol koorn en andere benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor +de maagden, om school te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is +de woning der Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van +den toren zijn gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de +Tex gegrift. Aan de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan +de linkerzijde de wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere +zijden. Tegen den dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven +en de meelmolen door vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is +de plaats, waarop de burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk +daaromheen is een uur groot, niet een zeemans, maar een zonne uur, +waarvan tweemaal twaalf in een etmaal gaan. Aan de binnenzijde +van den dijk is een plat, vijf voet beneden de kruin. Daarop zijn +drie honderd kraanbogen, gedekt met hout en leder. Behalve de +huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den dijk nog drie maal +twaalf noodhuizen voor de omwoners. Het veld dient tot kamp en tot +weide. Aan de zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Liudgaarde +omtuind door het groote Lindenwoud. Hare gedaante is driehoekig, +met de breede zijde naar buiten, opdat de zon daarin mag zien. Want +daar zijn vele buitenlandsche boomen en bloemen, door de zeevaarders +medegebracht. Gelijk de gedaante van onze burgt is, zoo zijn alle +andere; doch onze burgt is de grootste; maar de allergrootste is die +van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog, dat hij de wolken +tornt, en in evenredigheid van den toren is al het overige. + +Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken +bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij +huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest, +dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne +zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest, +dan mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan. + +De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De +grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde, +kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen, +benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De +Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij +de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij +door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie +oude maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis +is langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen +oever benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de +menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat +daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te +winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen +waren er meer geweest, maar sedert wij Schoonland misten, zijn zij +naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar zij ijzer van +maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik Marsaten +gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren wonen. Hunne +huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild gedierte en booze +menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte afgrijselijke leeuwen. En +zij zijn de naburen of aangrenzenden van de heinde Krekalanden, der +Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle begeerig naar roof en +buit. De Marsaten generen zich met visschen en jagen. De huiden worden +door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors van berken. De kleine +huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te Fryasburgt zeide ons, +dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch had ik haar niet vooraf +hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat zij geen Fryas volk waren, +maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er uit. Hunne vachten en kruiden +werden door de Rijnbewoners verhandeld en door de schippers buiten +gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn was het eveneens tot +aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of mare. Op deze vliet +waren ook menschen, die huizen op palen hadden. Doch dat was geen +Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen, die gediend +hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te helpen. Zij +moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok. + +Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat +de Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns, +wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden +medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote +vliet omzoomd met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In +die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei +verf. Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken +gelijk de zon. De schilden van den zeekoning en den schout bij nacht +waren met goud omboord. Van uit die vliet was eene gracht gegraven +van daar voortloopende langs de burgt Forana en voorts met eene enge +mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en het Fly de ingang. Aan +beide zijden der gracht zijn schoone huizen met helder blinkende verwen +geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene hagen omheind. Ik heb +daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen, als of het schrijffilt +was. Even als te Staveren waren de meisjes met gouden kroonen op hare +hoofden en met ringen om de armen en voeten gesierd. Zuidwaarts van +Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of vliet, daarin ligt een +eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine menschen verwijlen, +even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana zeide mij, dat de +burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te leeren, wat echte +vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren te leven om +zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die hooren wilde +en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij volleerd +was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken, en +om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de +burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien, +als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de +Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes +daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt +gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en +hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar +van daan is 't gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de vrouwen +overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag of +schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk op +zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een dier, +dat hij geveld heeft. En eindelijk, daarvan daan is het gekomen, dat +zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even dom zijn +als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de Twisklanders, +met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee geschapen. Alle +onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het Findasvolk zullen +elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen bevolken. In het +heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de bovenlanders deel +hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u een raad geven. Laat +het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare vrijers te vragen, +eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld rondgevaren? wat +kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en over verwonende +volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige knapen tot ons +komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen geen behoefte +langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de maagden, die bij +mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te huis kwamen, +heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand is zij daar +Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat heden ten +dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen. + + + Einde van Apollonias boek. + + + + + +DE GESCHRIFTEN VAN FRÊTHORIK EN WILJOW. + + +Mijn naam is Frêthorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen over +de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is een +nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgaarda, waarvan de +naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel +had ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen +gemeld. Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek +schrijven, de goede menschen tot eere, de slechten tot oneer. + +In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze +tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes +terug gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze +landpalen gevonden. + +Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt +strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende +over de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de +kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de +beelden eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de +burgt. Een grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen, +zeide ik. Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders +mag het u niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver +leeren. Acht jaren later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht +had bedreven en dat sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden +met den Magy. En vele menschen waren op hunne zijde. Overal kwam +tweespalt. Er waren kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In +'t geheim werden de brave menschen vermoord. Het oude vrouwtje, dat +alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel. Mijn vader, +die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd hij in zijn +huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder strijd. De +Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten alle goede +menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de anderen. De Magy +verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem toonen, dat zij +geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige schoot, waaruit +zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen schudt, nadat +het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo schudde Irtha +hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden gespreid. De zee +kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij gespuwd hadden, +slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang van Arnemaand +(oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder, al lager +en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken van +Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren, +werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst +in de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank +(ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind +uit het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen +springvloed kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam +en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne of Minnemaand +(bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met +eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De +wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was, +was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield, +en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik +een steen; onze schrijver had daar zijn naam ingegrift; dat was mij +een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was het ook met +de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de aarde, en in +de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht op Texland +werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts gelegen had, +was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan dezen oever +van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute plassen gekomen, +ontstaan door de wouden, die met grond en al weg gedreven waren. Te +Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga dwars door het +land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden en ander +varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met magen en +bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van Lydasburgt en +Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten zuidwaarts dreven, +hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand kwam om ze op +te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De menschen die +terug kwamen, gingen alle binnen de ringdijken der burgten wonen, +omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude huizen +werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en schapen, +en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd waren, +werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit geschiedde +1888 jaren nadat Atland verzonken was. + +In 282 jaren hadden wij geene Eeremoeder gehad en nu alles misschien +verloren scheen, ging men eene kiezen. Het lot viel op Gosa toegenaamd +Makonta. Zij was Burgtmaagd op Fryasburgt te Texland. Helder van hoofd +en klaar van zin, heel goed, en omdat hare burgt alleen gespaard was, +zag iedereen daaruit hare roeping. Tien jaren later kwamen de zeelieden +van Forana en van Lydasburgt. Zij wilden de zwarte mannen met vrouw +en kinderen uit het land drijven. Daarover wilden zij de raad der +Moeder inwinnen. Maar Gosa vroeg: kunt gij een en ander terug voeren +naar hunne landen, dan behoort gij spoed te maken, anders zullen zij +hunne bloedverwanten niet weder vinden. Neen, zeiden zij. Toen zeide +Gosa: Zij hebben uw zout geproefd en uw brood gegeten. Hun lijf en +leven hebben zij onder uwe hoede gesteld. Gij moet uw eigen hart +onderzoeken. Maar ik wil u een raad geven. Houdt hen tot dat gij +in staat zijt om hen weder naar huis te voeren. Maar houdt hen bij +uwe burgten daar buiten. Waakt over hunne zeden, en onderwijs hen +alsof zij Fryas zonen waren. Hunne vrouwen zijn hier de sterkste. Als +rook zal hun bloed vervliegen, tot er ten laatsten niets anders dan +Fryas bloed in hunne nakomelingen zal overblijven. Zoo zijn zij hier +gebleven. Nu wenschte ik wel dat mijne nakomelingen daar op letten, +in hoeverre Gosa waarheid sprak.--Toen onze landen weder te begaan +waren, kwamen er benden arme Saxmannen en vrouwen naar de oorden van +Staveren en het Alderga, om gouden en andere sieraden te zoeken uit de +drassige bodem. Doch de zeelieden wilden hen niet toelaten. Toen gingen +zij de ledige dorpen bewonen te West Flyland, om hun lijf te behouden. + + + + + +NU WIL IK SCHRIJVEN HOE DE GEERTMANNEN EN VELE VOLGELINGEN VAN HELENIA +TERUG KWAMEN. + + +Twee jaren nadat Gosa moeder werd, kwam er eene vloot het Flymeer in +vallen. Het volk riep ho.n.sêen. (welk een zegen!) Zij voeren naar +Staveren, daar riepen zij nog eenmaal. De banieren waren in top en +des nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad +was, roeiden sommige met eene snik de haven in, zij riepen weder +hoezee. Toen zij landden, wipte een jong kerel op den wal. In zijne +handen had hij een schild, daarop was brood en zout gelegd. Na hem +kwam een grijze; hij zeide wij komen van de verre Krekalanden weg, om +onze zeden te bewaren. Nu wenschten wij, dat gij zoo vriendelijk zoudt +wezen, om ons zoo veel land te geven, dat wij daarop mogen wonen. Hij +vertelde eene heele geschiedenis, die ik hierna beter beschrijven +wil. De grijzen wisten niet wat te doen, zij zonden boden allerwege, +ook tot mij. Ik ging heen en zeide: nu wij eene Moeder hebben, +behooren wij haar raad te vragen. Ik zelf ging mede. De Moeder, +die alles reeds wist, zeide: laat hen komen, zoo mogen zij ons land +helpen behouden: maar laat hen niet op ééne plek blijven, opdat zij +niet machtig worden over ons. Wij deden gelijk zij gezegd had. Dat +was heel naar hun zin. Fryso bleef met zijne lieden te Staveren dat +zij weder tot eene zeestad maakten, zoo goed zij konden. Wichhirte +ging met zijne lieden oostwaarts naar de Emude. Sommige der Joniers, +die meenden dat zij van het Alderga volk gesproten waren, gingen +daarheen. Een klein deel, die waanden, dat hunne voorvaderen van de +Zeven eilanden weg kwamen, gingen heen en zetten zich neder binnen +den ringdijk van de burgt Walhallagara. Liudgert de schout bij nacht +van Wichhirte werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn +dagboek heb ik de geschiedenis die hier achter zal volgen. + +Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren gezeten +waren, terwijl onze zeestrijders alle zeeën bevoeren, die er te vinden +waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van boven langs +den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem wederstaan. Doch +wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze +have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk eene groote vloot +hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat hij alle dorpen +aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug komen. Wichhirte +lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, tot +dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam sprekende; +doch hij bedroog gelijk hij vroeger gedaan had. Wichhirte antwoordde: +o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen allerwege, wij +hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol eerbied +jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij +anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven +niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen +sterven, want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide: +ik wil uw land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne +slaven. Ik wil alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil +ik zweeren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden +zal zijn. Toen Alexander naderhand brood en zout met hem deelde, +heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen +door zijn zoon. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle +gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar den heiligen Ganges voeren, +dien hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij toe en koos al +degene uit zijn volk en zijne soldaten, die gewoon waren over zee te +varen. Wichhirte was weder ziek geworden, daarom ging ik alleen mede +en Nearchus van des konings wege. De tocht liep zonder voordeel ten +einde, uithoofde de Joniers altijd in onmin waren tegen de Pheniciers, +zoodat Nearchus zelf er geen meester over blijven kon. Intusschen +had de koning niet stil gezeten. Hij had zijne soldaten boomen laten +kappen en tot planken maken. Met hulp van onze timmerlieden had +hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden, +en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de soldaten die +uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden, +dat zij moesten, staken zij de timmerschuren in den brand. Daardoor +werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij dat +Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen. Maar +Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk +laten ombrengen. Maar Nearchus, die niet alleen zijn eerste vorst, +maar ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij +zich als of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij +durfde zijn tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer +hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra +hij dat wist, liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw +dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen +te temmen en om eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen +mede nemen. Als wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten +wij daar eene plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even +gaarne toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen +waren, liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn +ander volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land, +dat Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze +voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen. + +Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven, +die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten +wij Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie +dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen, +ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch +hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij +zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van +de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen +kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat +vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds +uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen, +medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen +(touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche +zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek ons raar toe; maar Nearchus +verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat +hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij +zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij +moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen, +dat wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen +waren. Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was, +werd hij zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen, +Irtha ten spot. Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij +in den wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na +zijn dood, werd het rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk +een deel voor zijne zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk +wilde zijn deel behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog +en wij konden niet terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden +nederzetten aan de kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij +zeiden het liever te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen +bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte +Fryaskinderen voormaals heen getogen waren. Voorts gingen wij soldaten, +leeftocht en wapenen voeren. Onder de vele vorsten had Nearchus een +vriend met name Antigonus. Deze streden beide om één doel, gelijk zij +zeiden, als helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle +Grieksche landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had +onder vele anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd +de stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar +een geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot +van Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst, die heerschte over +Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten, +maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit +vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed, +door zijne blanke huid met blauwe oogen en wit haar. Naderhand ging +Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten en +leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de +oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij +in de haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso, +die koning was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis, +zoo bijster frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo +wonderschoon als niemand heugen mocht. De roep daarvan ging over alle +Krekalanden en kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en +onzedelijk, en hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter +openlijk schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen +de schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij +zoethart. De schippers noemen hunne wijven troost en fro of frow, +dat is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren +man niet durfde opwachten, ging zij met haren zoon naar Demetrius, +en smeekte, dat hij haar hare dochter weer zoude geven. Maar als +Demetrius haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en +deed met hem eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de +moeder zond hij een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen +zij thuis kwam werd zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat: +(roepende) hebt gij mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij +u eene schuilplaats zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat +ik zijne kinderen verloren heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso +weer thuis was, zond hij een bode tot hem zeggende, dat hij zijne +kinderen tot zich genomen had om hen te voeren tot eene hoogen staat, +en om hem te beloonen voor zijne diensten. Maar Friso, die trotsch en +hartstochtig was, zond een bode met een brief naar zijne kinderen, +daarin vermaande hij hen, zij zouden Demetrius te wille zijn, +vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode had nog een anderen +brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te nemen; want, +zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam verontreinigd, dat zal u +niet toegerekend worden, doch indien gij uwe ziel verontreinigt, +zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen zullen dan over de +aarde omwaren, zonder het licht te mogen zien; gelijk de vleermuizen +en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe holen schuilen en des +nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen en huilen, dewijl +Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen deden gelijk hun +vader hun bevolen had. De bode liet hunne lijken in de zee werpen, en +aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu wilde Friso +met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger geweest was; +maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen en schoot +het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon en +durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren; +behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij +waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap. + +Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging hij +met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand +in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen +zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval +ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene +breede linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts +gebood hij, dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en +aan den achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al +vluchtende te vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden +vijand te vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl +wij daarmede reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg +tot schrik van de lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven +hadden, dan die ons vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand +dus niet door roeijen ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij +zoo deed. En Friso, die het vatte, liet spoedig de brandpijlen op +de kraanbogen leggen. Tevens gebood hij dat niemand schieten mogt, +voor dat hij geschoten had. Daarop zeide hij, dat wij alle naar het +middelste schip moesten schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij, +dan zullen de andere hem te hulp komen, dan moet ieder schieten, +zoo hij best kan. Toen wij nu ander half ketting (kabelslengte) +van hen af waren, begonnen de Pheniciers te schieten, maar Friso +beantwoordde dat niet voor dat de eerste pijl op zes vademen van +zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de anderen volgden, het geleek +wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met den wind medegingen, +bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de derde laag. Alle +mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer tegenstanders waren +zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen Friso meende, dat het +wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden ons weg. Doch na dat +wij twee dagen voort gesukkeld hadden, kwam er eene andere vloot in +'t gezicht van dertig schepen, die ons steeds inwon. Friso liet ons +weer klaar maken; maar de anderen zonden eene lichte snik met roeijers +bemand vooruit. Hunne boden baden uit aller naam, of zij met ons mede +varen mogten. Zij waren Joniers. Door Demetrius waren zij gewelddadig +naar de oude haven gestuurd; daar hadden zij van dit gevecht gehoord; +nu hadden zij het stoute zwaard aangegord, en waren ons gevolgd. Friso, +die veel met Joniers gevaren had, zeide ja; maar Wichhirte onze koning +zeide neen. De Joniers zijn afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb +gehoord hoe zij die aanriepen. Friso zeide, dat komt door den omgang +met de echte Krekalanders. Dat heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben +ik zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was de man, die ons naar +Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers mede. Ook scheen het +naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden verloopen waren, gingen +wij langs Brittania, en drie dagen later mochten wij hoezee roepen. + + + + + +DIT GESCHRIFT IS MIJ OVER NOORDLAND OF SCHOONLAND GEGEVEN. + + +Ten tijde dat ons land neder zonk, was ik in Schoonland. Daar ging +het zoo toe. Er waren groote meeren, die van den bodem als een +blaas uitzetten, dan spleten zij vaneen, uit de scheuren kwam eene +stof, alsof het gloeijend ijzer was. Er waren bergen, wier kruinen +aftuimelden, deze stortten neder en vernielden wouden en dorpen. Ik +zelf zag, dat een berg van een ander werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij +neder. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen +de aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindasburgt met zijn +volk en eene maagd, die alom uitriep: de Magy is schuldig aan al +het leed, dat wij geleden hebben. Zij trokken steeds voort en het +heer werd al grooter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk, +hij had zich zelf omgebracht. Toen werden de Finnen verdreven naar +ééne plaats, daar mochten zij leven. Er waren ook van gemengd bloed, +deze mochten blijven, doch velen gingen met de Finnen mede. De hertog +werd tot koning gekozen. De kerken, die heel gebleven waren, werden +vernield. Sedert dien tijd komen de goede Noormannen dikwijls op +Texland om raad van de Moeder. Doch wij kunnen hen niet voor rechte +Friezen meer houden. In de Dennemarken is het zeker gegaan, als bij +ons. De zeelieden, die zich zelven stoutelijk zeekampers noemen, +zijn op hunne schepen gegaan, en naderhand zijn zij terug getrokken. + + + HEIL! + + +Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de +nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen +medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor +wil ik waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik +gezien heb. Over de Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen. Ik +heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb, +zijn zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik +niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden weg komen, zijn +kwaad ter taal, en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben +bruine oogen en haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door +bijgeloovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop, +die het laatst komen moesten. Tegen âld zeggen zij âd, tegen sâlt, +sât, ma voor man, sol voor skil, sode voor skolde, te veel om +te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge en verkorte namen, +waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers spreken beter, +doch zij verzwijgen de h, en waar die niet wezen moet, wordt zij +uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene +en het gelijkt, dan gelooven zij, dat de geest des overledene daarin +vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van Frya, Fâsta, +Medea, Thiania, Hellenia en vele andere. Wordt er een kind geboren, +dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot Frya, dat zij hare +dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden +hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren. Begint het kind +te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een kwaad teeken, +en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven heeft. Daarvan +heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat +een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in den slaap, +dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd. Vervolgens gelooven +zij aan booze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof +zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik, +dat ik meer geschreven heb, als een mijner voorvaderen. Frethorik. + +Frethorik mijn echtgenoot is drieenzestig jaren oud geworden. Sints +honderd en acht jaren is hij de eerste van zijn geslacht, die vreedzaam +gestorven is; alle anderen zijn onder de slagen bezweken, daarom dat +allen kampten met eigen volk en vreemden om recht en plicht. + +Mijn naam is Wiljo, ik ben de maagd, die met hem uit de Saksenmarken +naar huis voer. Door taal en omgang kwam het uit, dat wij alle beide +van Adelas geslacht waren; toen ontstond liefde en daarna zijn wij +man en vrouw geworden. Hij heeft mij vijf kinderen nagelaten, twee +zonen en drie dochters. Konereed, zoo heet mijne oudste, Hachgana mijn +tweede, mijne oudste dochter heet Adela, de tweede Frulik en de jongste +Nocht. Toen ik naar de Saksenmarken voer, heb ik drie boeken gered, +het boek der zangen, het boek der verhalen en het Hellenia boek. Ik +schrijf dit, opdat men niet moge denken, dat zij van Apollonia +zijn; ik heb daar veel verdriet over gehad, nu wil dus de eere ook +hebben. Ook heb ik meer gedaan; toen Gosa-Makonta gestorven is, wier +goedheid en helderziendheid tot een spreekwoord geworden is, toen +ben ik alleen naar Texland gegaan, om de schriften over te schrijven, +die zij nagelaten had, en toen de laatste wil gevonden is van Frana, +en de nagelaten schriften van Adela of Hellenia heb ik dat nog eens +gedaan. Dit zijn de schriften van Hellenia. Ik heb ze voorop geplaatst, +omdat zij de alleroudsten zijn. + + + ALLE ECHTE FRIESEN HEIL! + + +In oude tijden wisten de Slavonische volken niet van vrijheid. Gelijk +ossen werden zij onder het juk gebracht. Zij werden in de ingewanden +der aarde gejaagd om metaal te delven, en uit de harde bergen moesten +zij huizen houwen, tot woningen voor vorsten en priesters. Bij alles +wat zij deden was niets voor hun zelven, maar alles moest dienen, om +de vorsten en priesteren nog rijker en geweldiger te maken, om zich +te verzadigen. Onder dezen arbeid werden zij grijs en stram eer zij +oud waren en stierven zonder genot, ofschoon de aarde dat overvloedig +veel geeft ter bate van al hare kinderen. Maar onze weggeloopenen en +ballingen kwamen door Twiskland over in hunne marken trekken, en onze +zeelieden kwamen in hunne havens. Van deze hoorden zij spreken over +gelijke vrijheid en recht en over wetten, waar niemand buiten kan. Dit +alles werd door de droeve menschen ingezogen als dauw door de dorre +velden. Toen zij vol daar van waren, begonnen de stoutmoedigsten +te klippen met hunne ketenen, zoodat het den vorsten wee deed. De +vorsten zijn trotsch en krijgshaftig, daarom is er ook nog deugd in +hunne harten, zij raadpleegden te zamen, en deelden iets mede van +hunnen overvloed. Maar de laffe schijnvrome priesters konden dat +niet dulden, onder hunne verdichte goden hadden zij ook booze wreede +gedrochten geschapen. De pest kwam over het land, toen zeiden zij dat +de goden toornig waren over de overheersching der boozen. Toen werden +de stoutmoedigste menschen met hunne ketenen gewurgd. De aarde heeft +hun bloed gedronken, met dat bloed voedde zij vruchten en koorn en +al die daarvan aten werden wijs. + +Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken, en te dier tijde +gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had. + +In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte die +geheeten is Kasamyr, dat is, zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren, +zijne moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een +opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen +bloed verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme +menschen. Intusschen was den knaap (toen hij grooter werd) niets +verheeld geworden; daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en +te vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles begreep, +wat hij zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de +priesters werden beangst voor zijne vragen. Toen hij meerderjarig +werd, ging hij naar zijne ouders. Zij moesten harde dingen hooren; om +hem kwijt te worden, gaven zij hem een overvloed van edelgesteenten; +maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met +droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij +omdwalen. Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die +als slaaf diende, van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij +kocht hem vrij, en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven. Alom +waar hij voorts henen trok, leerde hij aan de menschen dat zij noch +rijken noch priesters moesten toelaten; dat zij zich moesten hoeden +tegen de valsche schaamte, die allerwegen kwaad doet aan de liefde. De +aarde, zeide hij, schenkt hare gaven naarmate men hare huid krabt, +dat men daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaijen, zoo men +daarvan maaijen wil. Doch, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor +een ander, zoo het niet met gemeene wil of uit liefde geschiedt. Hij +leerde dat niemand in hare ingewanden mocht wroeten om goud of zilver +of edelgesteenten, waar nijd aan kleeft en liefde van vliedt. Om uwe +meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft haar de rivier water +genoeg. Niemand, zeide hij, is machtig alle menschen tevens rijkdom +en gelijk geluk te geven; doch het is aller menschen plicht om de +menschen alzoo tevens rijk te maken en zooveel genoegen te geven als +te bereiken is. Geene wetenschap, zeide hij, mag men minachten, doch +rechtvaardigheid, is de grootste wetenschap, die de tijd ons leeren +mag. Daarom, dat zij ergernis van de aarde weert, en de liefde voedt. + +Zijn eerste naam was Jessos, doch de priesters, die hem zeer haatten, +heetten hem Fo, dat is valsch, het volk heette hem Krishna, dat is +herder, en zijn Friesche vriend noemde hem Buddha (buidel), omdat hij +in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een schat +van liefde. + +Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesteren, maar overal +waar hij kwam was zijne leer hem vooruitgegaan, en overal waar hij +ging volgden hem zijne vijanden als zijne schaduw. Toen Jessos zoo +twaalf jaren rondgereisd had, stierf hij, maar zijne vrienden bewaarden +zijne leer en verkondigden die, waar zij ooren vond. + +Wat meent gij nu dat de priesters deden? dat moet ik u melden; +ook moet gij er zeer acht op geven, voorts moet gij waken voor +hun bedrijf en ranken met alle krachten, die Wralda in u gelegd +heeft. Terwijl de leer van Jessos over de aarde zich uitbreidde, +gingen de valsche priesters naar het land zijner geboorte, om zijn +dood bekend te maken; zij zeiden dat zij van zijne vrienden waren, +zij veinsden eene groote droefheid door hunne kleederen in stukken +te scheuren en hun hoofd kaal te scheeren. Zij gingen in de holen +der bergen wonen, doch hierin hadden zij hunne schatten gebracht, +daar binnen maakten zij beelden van Jessos. Deze beelden gaven ze aan +de onergdenkende lieden; ten langen laatste zeiden zij dat Jessos een +godheid was, dat hij zelf dit aan hun had beleden, en dat allen die +aan hem en zijne leer gelooven wilden, hiernamaals in zijn koningrijk +zouden komen, waar vreugde is en genietingen zijn. Vermits zij wisten +dat Jessos tegen de rijken was te velde getrokken, verkondigden zij +allerwegen, dat armoede lijden en eenvoudig zijn de deur was om in +zijn rijk te komen, dat degene die op aarde het meeste geleden hadden, +hier namaals de meeste vreugde hebben zouden. Ofschoon zij wisten, +dat Jessos geleerd had, dat men zijne hartstochten overmeesteren en +besturen moest, zoo leerden zij dat men alle zijne hartstochten dooden +moest en dat de volkomenheid des menschen daarin bestond, dat hij +even gevoelloos werd als de koude steen. Ten einde nu het volk wijs +te maken, dat zij zelve zoo deden, veinsden zij armoede op straat, +en om voorts te bewijzen, dat zij al hunne zinnelijke lusten gedood +hadden, namen zij geene vrouwen. Doch zoo ergens eene jonge dochter +een misstap gedaan had, werd haar dat spoedig vergeven; de zwakken, +zeiden zij, moest men helpen, en om zijne eigene ziel te behouden, +moest men veel aan de kerk geven. Dusdoende hadden zij vrouw en +kinderen zonder huishouding, en werden zij rijk zonder werken; maar +het volk werd veel armer en meer ellendig als ooit te voren. Deze +leer, waarbij de priesters geen andere wetenschap noodig hebben, +als bedriegelijk te redeneren, een vrome schijn en ongerechtigheden, +breidde zich zelve van 't oosten naar het westen, en zal ook over +ons land komen. + +Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya +en van Jessos leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden +menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en +voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk +bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas +bloed. Deze zullen hunne fakkels en het licht buiten brengen, zoodat +alle man de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der +priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het +recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen, +maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Findas volk +zal zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lydas volk +zijne krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters +weggevaagd worden van de aarde; Wraldas geest zal alom en allerwege +geëerd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang +in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene +andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij +algemeene wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en de Irtha zal +hare gaven alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal +aanvangen vierduizend jaren nadat Atland verzonken is, en duizend +jaren later zal er langer geen priester noch dwang op aarde zijn. + +Dela toegenaamd Hellenia, waak! + +Zoo luidde Franas uiterste wil. Alle edele Friesen, heil! In den +naam van Wralda, van Frya en der vrijheid groet ik u, en bid u zoo +ik sterven mocht, eer ik eene opvolgster benoemd heb, dan beveel ik +u Teuntja aan, die Burgtmaagd is op de burgt Medeasblik, tot op heden +is zij de beste. + +Dit heeft Gôsa nagelaten. Alle menschen heil. Ik heb geene Eeremoeder +benoemd, omdat ik geene wist, en omdat het u beter is geene Moeder +te hebben, dan eene waarop gij u niet verlaten kunt. Een booze tijd +is voorbijgegaan, maar daar komt nog een andere. Irtha heeft hem niet +gebaard, en Wralda heeft hem niet beschoren. Hij komt uit het oosten, +uit den boezem der priesteren weg. Zoo veel leed zal hij broeden, +dat Irtha het bloed niet zal kunnen drinken van hare verslagene +kinderen. Duisternis zal hij over den geest der menschen spreiden, +gelijk onweerswolken over het zonnelicht. Alom en allerwege zullen +list en bedrog met vrijheid en recht kampen. Vrijheid en recht +zullen bezwijken en wij met haar. Maar deze winst zal haar verlies +uitwerken. Van drie woorden zullen onze nakomelingen aan hunne lieden +en slaven de beteekenis leeren. Zij zijn algemeene liefde, vrijheid +en recht. In het eerst zullen zij schitteren, daarna met duisternis +kampen, totdat het helder en klaar wordt in ieders hart en hoofd. Dan +zal de dwang van de aarde geveegd worden, gelijk de donderwolken door +den stormwind, en alle bedrog zal niets meer daar tegen vermogen. Gôsa. + + + + + +HET GESCHRIFT VAN KONERÊD. + + +Mijne voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit wil +ik bovenal doen, omdat in mijne staat geene burgt overig is, waarin +de gebeurtenissen opgeschreven worden gelijk te voren. Mijn naam is +Konereed (Koenraad), mijn vaders naam was Frethorik, mijne moeders naam +was Wiliow. Na mijn vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen. Toen +ik vijftig jaren telde, koos men mij tot opperste Grevetman. Mijn +vader heeft geschreven, hoe de Lindaoorden en de Liudgaarden verwoest +zijn. Lindahem is nog weg, de Lindaoorden voor een deel, de noordelijke +Liudgaarden zijn door de zoute zee bedolven. Het bruissende zeewater +slikt aan den ringdijk der burgt. Gelijk mijn vader vermeld heeft, zijn +de van have beroofde menschen heengegaan en hebben huisjes gebouwd +binnen den ringdijk der burgt, daarom is dat ronddeel nu Liudwerd +geheeten. De zeelieden zeggen Liuwerd, maar dat is wanspraak. In mijne +jeugd was het andere land, dat buiten den ringdijk ligt, alles poel en +broek. Maar Fryas volk is wakker en vlijtig, zij werden moede noch mat, +omdat hun doel ten beste geleidde. Door slooten te delven en kadijken +te maken van de aarde die uit de slooten kwam, hebben wij weder een +goede hemrik buiten den ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef, +drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts +gemeten. Heden ten dage zijn wij bezig waterpalen te heijen om eene +haven te maken en meteen om onzen ringdijk te beschermen. Als het werk +gereed is, zullen wij zeelieden uitlokken. In mijne jeugd stond het er +hier raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen die in +reijen staan. Leken en gebreken, die met de armoede waren ingeslopen, +zijn door vlijt uitgedreven. Hier uit kan iedereen leeren, dat Wralda, +onze Alvader, alle zijne schepselen voedt, mits dat zij moed houden +en elkanderen willen helpen. + + + + + +NU WIL IK OVER FRISO SCHRIJVEN. + + +Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot +opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanden. Hij spotte +met onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft +hij eene school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de +wijze der Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om +het jongvolk aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar +heen gezonden, dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij +geene Moeder langer hebben, om den een tegen den ander te beschermen, +behoor ik dubbel te waken, opdat hij niet meester over ons wordt. + +Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen oordeel +vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die meenen, dat +zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa gestorven was, +wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder kiezen. Maar +Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te maken, Friso +begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden der Landsaten +tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was verziende +geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij geen +licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen moed +gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen die +twijfelachtig was daar heeft zij kwaad ingezien: daarom heeft zij in +hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben +als eene, op welke gij u niet verlaten kunt. Friso had veel gezien, +hij was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en listen der Golen +en vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig +had om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe +hij daarmede is te werk gegaan. + +Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van +Wilfrêthe, die bij zijn leven opperste Graaf te Stavoren geweest +was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door +zijn beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder +uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helia +geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch +verbonden. Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van +Wichhirte den koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed +Friesch en moet Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer +medegebracht, als goede zeden. + +Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren. + +Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele +Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij +Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust, +en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens geen menschen +in het gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar +hunnen naam hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen +wel vele Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich +zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan +waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze +schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen +gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen +of geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van +de Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan +de zuidwestelijke hoek van Schoonland, aldaar ligt Lindasburgt, +toegenaamd Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek +geschreven staat. Alle kustbewoners en ommelanders waren daar echt +Friesch gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en +tegen de Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen; +maar dat zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders +hadden vele verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de +booze Magyaren, Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich +zelven rooven, maar als het te pas kwam, dan stonden zij malkander +getrouwelijk bij. Doch ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek +te krijgen aan goede schepen. Hunne scheepmakers waren omgekomen, +en hunne wouden waren met grond en al van het land weggevaagd. Nu +kwamen er onverwacht drie schepen bij den ringdijk van onze burgt +voor anker. Door de inbraken van onze landen waren zij verdwaald en +den Flymond misgevaren. De koopman die mede gegaan was, wilde van ons +nieuwe schepen hebben, daartoe hadden zij allerlei kostelijke waren +medegebracht, die zij geroofd hadden van de Kaltanarlanden en van +de Pheniciers schepen. Nadien wij zelve geene schepen hadden, gaf ik +hun flinke paarden en vier gewapende renboden mede naar Friso. Want +te Staveren en langs het Alderga, daar werden de beste oorlogschepen +gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting in komt. Terwijl +de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen Jutten naar Texland +gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De Zeelanders hadden +vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten op hunne banken +roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze kinderen te +verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren, doordien +zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld hadden, +en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten laatste, +of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja, antwoordden +zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist gelijk +uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen +wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch +burgtwapenen, om de roofschepen er uit te houden. Dan moest gij er +eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten; maar +wij hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn +visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge +landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden +met de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten, +hoe Friso allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen +en ten bate van zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij, +zij zouden jaarlijks vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en +voor vaste gelden, toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en +met volle tuig, gelijk het voor krijgsschepen noodig en nuttig is; +maar de Jutten zouden zij dan met vrede laten, en al het volk, dat +tot Fryaskinderen behoorde. Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze +zeekampers uitnoodigen, dat zij mede zouden vechten en rooven. Toen de +Zeelanders vertrokken waren, liet hij veertig oude schepen beladen met +burgtwapenen, hout, hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren, en +smeden om daarmede burgten te bouwen. Witto, dat is witte, zijn zoon, +zond hij mede om toe te zien. Wat er al is voorgevallen, is mij niet +gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk geworden, dat aan beide zijden +van den havenmond eene versterkte burgt gebouwd is, en daarin is volk +gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken trok. Witto heeft Siuchthirte +bevrijd en tot zijne vrouw genomen. Wilhem, zoo heette haar vader, +hij was opperste Olderman der Jutten, dat is opperste Grevetman of +Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en Witto is in zijne plaats +gekozen. + + + + + +WAT FRISO VERDER DEED. + + +Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer +kloek waren. Hetto, dat is heete, den jongste zond hij als zendbode +naar Kattaburgt, dat diep in de Saksenmarken ligt. Hij had van +Friso medegekregen zeven paarden, behalve zijn eigen, beladen met +kostbare zaken door de zeekampers geroofd. Bij ieder paard waren twee +jonge zeekampers en twee jonge ruiters met rijke kleederen gekleed, +en met geld in hunne buidels. Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt +zond, zoo zond hij Bruno, dat is bruine, den anderen zwager naar +Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda +forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede +hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en +vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de +gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven +met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze +boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle +geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten, +en op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu +gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij +goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden, +dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog +vorstelijker vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn +getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand +kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar +het Flymeer afzakken. De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare +vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom +spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar +babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan +zijne zaak. Zij zeiden allomme: wij hebben langer geene Moeder meer, +maar dat komt daar vandaan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig +past ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de +Moeders verloren hebben door hare onvoorzichtigheid. Verder spraken +zij: Aan ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten +hooren, voor dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst, +maar als het zoover komen mogt, dat gij u weder een koning kiest, +dan wil ik ook mijne meening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is +Friso daartoe door Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier +heen geleid. Friso kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt, +hij kan dus tegen hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog +te houden: welken graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de +anderen daar wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de +jonge maagden gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal, +tapten hunne redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en +tot iedereen: Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen, +des nachts spant hij zijne netten naar alle zijden en des daags +verschalkt hij daarin zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat +hij geene priesteren noch vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg, +hij mag niemand lijden dan hem zelven. Daarom wil hij niet gedogen, +dat de burgt Stavia weder opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder +weêr hebben. Vandaag is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw +koning worden, opdat hij over u allen rechten mag. In den boezem des +volks ontstonden nu twee partijen. De ouden en armen wilden nu weder +eene Moeder hebben, maar het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde +een Vader of koning hebben. De eersten noemden zich Moederszonen, +en de anderen noemden zich Vaderszonen; maar de Moederszonen werden +niet geteld; want omdat er vele schepen gemaakt werden, was hier +overvloed voor de scheepmakers, smeden, zeilmakers, reepmakers en +voor alle andere ambachtslieden. Daarenboven brachten de zeekampers +allerhande sieraden mede. Daarvan hadden de vrouwen genoegen, de +maagden genoegen, de meisjes genoegen, en daarvan hadden alle hunne +bloedverwanten genoegen, en alle hunne goede kennissen en vrienden. + +Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden, +stierf hij. Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot +malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet +bevestigen. Van alle Graven, die voor hem waren, was er niemand zoo +befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge +maagden spraken zijn lof, terwijl de oude vrouwen alles deden om hem +te laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de +oude vrouwen hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij +hadden met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven +is zonder dat hij koning was. + + + + + +NU WIL IK SCHRIJVEN OVER ZIJN ZOON ADEL. + + +Friso die onze geschiedenis had leeren kennen uit het boek der +Adelingen, had alles gedaan om hunne vriendschap te winnen. Zijn +eersten zoon, dien hij hier won bij zijne vrouw Swethirte heeft hij +terstond Adel genoemd. En ofschoon hij kampte met al zijne macht, +om geene burgten te herstellen noch op te bouwen, zond hij toch Adel +naar de burgt te Texland, opdat hij hoe eer hoe beter bekend worden +mocht met alles wat tot onze wetten, taal en zeden behoort. Toen Adel +twintig jaren telde, liet Friso hem naar zijn eigen school komen, en +toen hij daar volleerd was, liet hij hem door alle staten reizen. Adel +was een beminnenswaardige jongman; op zijne reizen heeft hij vele +vrienden gewonnen, daardoor is het gekomen, dat het volk hem Atharik +(vriendenrijk) genoemd heeft, iets dat hem naderhand zoo wel te pas +is gekomen, want toen zijn vader gestorven was, bleef hij in zijne +plaats, zonder dat er over het kiezen van een anderen Graaf sprake +kwam. Terwijl Adel te Texland in de leer was, bevond zich aldaar tevens +eene heel lieve maagd op de burgt. Zij kwam uit de Saksenmarken weg, +uit de staat die genoemd is Suobaland, daarom werd zij te Texland +Suobene genoemd, ofschoon haar naam Ifkja was. Adel had haar lief +gekregen, en zij had Adel lief; maar zijn vader verzocht hem, dat +hij nog wat wachten zoude. Adel was gehoorzaam, maar zoodra zijn +vader gestorven was en hij gezeten, zond hij terstond boden naar +Berthold haren vader (met verzoek) of hij zijne dochter tot vrouw +mogt hebben. Berthold was een vorst van onverbasterde zeden, hij +had Ifkja naar Texland in de leer gezonden in de hoop, dat zij eens +tot burgtmaagd zoude gekozen worden in zijn land. Doch hij had hun +beider begeerte leeren kennen, daarom ging hij heen en gaf hun zijnen +zegen. Ifkja was eene flinke Friesin. Voor zoo verre ik haar heb leeren +kennen, heeft zij steeds gewerkt en gewroet, opdat Fryaskinderen weder +mochten komen onder dezelfde wet en onder eenen bond. Om de menschen +op hare zijde te krijgen, was zij met haren echtgenoot van haren vader +door alle Saksenmarken gereisd en voorts naar Geertmannia. Geertmannia, +zoo hadden de Geertmannen hunne staat geheeten, die zij door Gosas +bemoeijing gekregen hadden. Daarop gingen zij naar de Denemarken. Van +de Denemarken gingen zij te scheep naar Texland. Van Texland gingen +zij naar Westflyland en zoo langs de zee naar Walhallagara. Van +Walhallagara vertrokken zij langs den Zuiderrijn (de Waal), totdat zij +met groote vrees boven den Rijn bij de Marsaten kwamen, waarvan onze +Apollonia geschreven heeft. Toen zij hier eene wijle geweest waren, +gingen zij weer naar de laagte. Als zij nu een tijdlang naar de laagte +afgevaren waren, totdat zij in de streek van de oude burgt Aken kwamen, +zijn er onverhoeds vier knechten vermoord en naakt uitgekleed. Zij +waren een weinig achteraan gekomen. Mijn broeder, die overal bij was, +had hun vaak verboden, doch zij hadden niet geluisterd. De moordenaars +die dat gedaan hadden, waren Twisklanders, die heden ten dage stoutweg +over den Rijn komen te moorden en te rooven. De Twisklanders, dat +zijn gebannen en weggeloopen Fryaskinderen, maar hunne vrouwen hebben +zij van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een bruin Findasvolk, +aldus genoemd, omdat zij alle volken ten strijde uittarten. Zij zijn +allen ruiters en roovers. Daar van daan zijn de Twisklanders evenzoo +bloeddorstig geworden. De Twisklanders, welke die boosheid bedreven +hadden, noemden zich zelven Frijen of Franken. Er waren, zeide mijn +broeder, roode, bruine en witte onder. Die, welke rood of bruin waren, +beten hun haar met kalkwater wit. Naardien echter hunne aangezichten +bruin bleven, werden zij des te leelijker daardoor. Even als Apollonia +beschouwden zij naderhand Lydasburgt en het Alderga. Daarna trokken +zij over Staverens oorden bij hunne lieden rond. Zij hadden zich +zoo beminnelijk aangesteld, dat de menschen hen allerwege houden +wilden. Drie maanden later zond Adel boden naar alle vrienden die hij +gewonnen had en liet hun verzoeken, dat zij in de Minnemaand wijze +lieden tot hem zouden zenden,† + +zijne vrouw, zeide hij, die maagd geweest was te Texland had daarvan +een afschrift gekregen. Te Texland, worden nog vele geschriften +gevonden, die niet in het boek der Adelingen overgeschreven zijn. Van +deze schriften had Gosa een bij haar uiterste wil gelegd, 't welk +door de oudste maagd Albetha openbaar gemaakt moest worden, zoodra +Friso gestorven was. + + + + + +HIER IS DIT GESCHRIFT MET GOSAS RAAD. + + +Toen Wralda kinderen gaf aan de moeders van het menschelijk geslacht, +toen legde hij ééne taal in aller tongen en op aller lippen. Dit +geschenk had Wralda aan de menschen gegeven, opdat zij elkander +daarmede mochten kenbaar maken, wat men vermijden moet en wat men +najagen moet om zaligheid te vinden en zaligheid te houden in alle +eeuwigheid. Wralda is wijs en goed en alles voorziende. Naardien hij nu +wist, dat geluk en zaligheid van de aarde moet vlieden, als de boosheid +de deugd bedriegen kan, zoo heeft hij aan de taal eene regtvaardige +eigenschap verbonden. Deze eigenschap is hierin gelegen, dat men +daarmede geen leugen zeggen, noch bedriegelijke woorden spreken kan +zonder stamelen, noch zonder blozen, waardoor men de boozen van harte +terstond onderkennen kan. Naardien dus onze taal tot geluk en zaligheid +den weg baant, en dus mede waakt tegen de booze neigingen, daarom +is zij met alle recht godestaal (de taal des goeds) genoemd, en alle +degene, die haar in eere houden, hebben daar eere van. Doch wat is er +gebeurd. Zoodra er onder onze halfzusteren en halfbroederen bedriegers +opkwamen, die zich zelf voor dienaren des goeds uitgaven, is dat weldra +anders geworden. De bedriegelijke priesters en de boosaardige vorsten, +die altijd te zamen heulden, wilden naar willekeur leven en buiten de +wetten des goeds handelen. In hunne ondeugendheid zijn zij heen gegaan +en hebben andere talen verzonnen, opdat zij heimelijk konden spreken in +tegenwoordigheid van ieder ander over alle booze dingen en over alle +onwaardige zaken, zonder dat stamelen hen zoude verraden, noch blozen +hun gelaat ontsieren. Maar wat is daaruit geboren? Even gemakkelijk +als het zaad van goede kruiden van onder den grond weg ontkiemt, dat +in 't openbaar gezaaid is door goede menschen bij lichten dag, even +gemakkelijk brengt de tijd de schadelijke kruiden aan het licht, die +gezaaid zijn door booze menschen in het verborgene en bij duisternis. + +De wulpsche meisjes en verwijfde knapen, die met de onzedelijke +priesters en vorsten boeleerden, ontlokten die nieuwe talen aan +hunne boelen, derwijze zijn zij verspreid onder de volken, tot dat +zij godestaal glad vergeten hebben. Wilt gij nu weten, wat daarvan +geworden is? Nu het stamelen en de gelaatskleur hunne booze driften +niet meer verrieden, is de deugd van uit haar midden geweken, +de wijsheid is gevolgd en de vrijheid is medegegaan; de eendracht +is te zoek geraakt, en tweespalt heeft hare plaats ingenomen; de +liefde is gevlucht, en de ontucht zit met nijd aan tafel; en waar +vroeger rechtvaardigheid heerschte, heerscht nu het zwaard. Allen +zijn slaven, de lieden van hunne heeren van nijd, booze lusten en +begeerlijkheid. Hadden zij nu maar ééne taal uitgevonden, mogelijk +was het dan nog eene wijle goed gegaan. Maar zij hebben zoo vele talen +uitgevonden als er staten zijn. Daardoor kan het eene volk het andere +volk even min verstaan als de koe den hond of de wolf het schaap. Dit +kunnen de zeelieden betuigen. Doch daar van daan is het nu gekomen, +dat alle slavenvolken elkander als andere menschen beschouwen, en dat +zij tot straf van hunne onbezonnenheid en vermetelheid elkander zoo +lang moeten beoorlogen en bestrijden tot dat zij alle verdelgd zijn. + + + + + +HIER IS NU MIJN RAAD. + + +Zijt gij alzoo begeerig, dat gij de aarde alleen wilt beërven, zoo +behoort gij nimmer meer eene andere taal over uwe lippen te laten komen +als godestaal, en dan behoort gij te zorgen, dat uw eigen taal vrij +blijft van uitheemsche klanken. Wilt gij nu dat er sommige van Lydas +kinderen en van Findas kinderen blijven, dan doet gij even zoo. De +taal der Oost Schoonlanders is door de vuile Magyaren verdraaid; de +taal der Keltana volgers is door de smerige Golen verdorven. Nu zijn +wij zoo mild geweest om de terugkeerende Hellenia volgers weder in +ons midden te nemen, maar ik schroom en ben zeer bezorgd, dat zij onze +mildheid zullen vergelden met verontreiniging van onze zuivere taal. + +Veel hebben wij wedervaren, maar van alle burgten die door de booze +tijd verstoord en verdelgd zijn, heeft Irtha Fryasburgt onverlet +behouden; ook mag ik daar bij vermelden dat Fryas of Gods taal hier +even ongeschonden behouden is. + +Hier op Texland moest men dus scholen stichten; van alle staten, die +het met de oude zeden houden, moest het jong volk hier heen gezonden +worden; daarna mochten zij die volleerd waren, de anderen helpen die +te huis verbeiden. Willen de andere volken ijzerwaren van u koopen +en daarover met u spreken en dingen, dan moeten zij tot godestaal +terugkeeren. Leeren zij Godstaal, dan zullen de woorden vrij zijn en +recht hebben tot hen inkomen, in hun brein zal het dan beginnen te +glimmen en te gloren tot dat alles tot eene vlam wordt. Deze vlam +zal alle slechte vorsten verteeren en alle schijnvrome en smerige +priesters. + +De inlandsche en uitlandsche zendboden hadden genoegen van dat +geschrift, doch er kwamen geene scholen. Toen stichtte Adel zelf +scholen, na hem deden de andere vorsten hetzelfde. Jaarlijks gingen +Adel en Ifkja de scholen in oogenschouw nemen. Bevonden zij dan onder +de inlanders of buitenlanders zoodanige, die elkander vriendschap +toedroegen, dan lieten zij beide groote blijdschap blijken. Hadden +sommige zoodanige elkander vriendschap gezworen, dan lieten zij +alle menschen bij elkander komen, en met groote staatsie lieten +zij dan hunne namen in een boek schrijven, door hun het boek der +vriendschap genoemd: daarna werd feest gevierd. Al deze gebruiken +werden onderhouden om de afzonderlijke takken van Fryas stam weder +te zamen te snoeren. Doch de maagden die op Adel en Ifkja afgunstig +waren zeiden, dat zij het nergens anders om deden, dan om een goeden +roep en om allengs te heerschen over een anders staat. + +Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door +Luidgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen +aangaan, geef ik hier het andere ten beste. + +Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is +eene rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd, +omdat vier andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel +verre oostwaarts is nog eene groote rivier, de heilige of vrome +Ganges geheeten. Tusschen deze beide rivieren is het land der +Hindos. De beide rivieren loopen van de hooge bergen naar de laagte +neer. Die bergen, waar zij van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij +tot den hemel reiken (laia), daarom wordt het gebergte Himmellaia +gebergte genoemd. Onder de Hindos en andere uit die landen zijn er +sommige lieden die in stilte bij elkander komen. Zij gelooven dat +zij onverbasterde kinderen van Finda zijn. Zij gelooven dat Finda +van uit het Himmellaia gebergte geboren is, van waar zij met hare +kinderen naar de delte of de laagte getrokken is. Sommigen onder hen +gelooven, dat zij met hare kinderen op het schuim van de heilige Ganges +naar beneden gegaan is. Daarom zoude die rivier de heilige Ganges +heeten. Maar de priesters die uit een ander land weg komen lieten +die menschen opsporen en verbranden; daarom durven zij voor hunne +zaak niet openlijk uitkomen. In dit land zijn alle priesters dik en +rijk. In hunne kerken worden allerlei gedrochtelijke beelden gevonden, +daaronder zijn vele van goud. Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers) +of wrangen (Drangianen), de Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen, +en de Urgetten of vergetenen. Al deze namen zijn hun door de +nijdige priesters gegeven, omdat zij hen ontvlieden wegens de zeden +en het geloof. Bij hunne komst hadden onze voorouders zich ook aan +den oostelijken oever van den Pangab neergezet, maar om der priesteren +wille zijn zij ook naar den westelijken oever gevaren. Daardoor hebben +wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren zijn geen wilden, +maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch aanbidden: ook +willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even als wij het +heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege vuur +in hunne huizen brandende. Komt men later heel westelijk, zoo komt +men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken +verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn +wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de +velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten +verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder +houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de +Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden +en wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat +daar bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze +hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten +worden: maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindos zijn +even bloode en vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de +wolven zijn. Daarom hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd, +dat hinden beteekent. Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk +misbruik gemaakt. Komen er uitheemsche kooplieden om koren te koopen, +dan wordt alles te gelde gemaakt, en door de priesters wordt het niet +geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te +zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels +komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten +lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte +lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die +soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte +en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren +zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende +dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte +van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar +de kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen +bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die +ze willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven, +want tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de +menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar +allerlei soort van hagedissen, schildpadden en krokodillen; al deze +disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot; +naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle +niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators omdat zij +even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven +naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen +overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen, +en waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en +granen als aan de oostzyde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende +dieren gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen +verbrand, en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er +slechts weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab, +dan vindt men nevens vetten kleigrond ook dorre geestlanden, die +eindeloos schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken, +waaraan het oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn +er vele, die ik hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er +ook goudgeel; ook goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als +honing, en andere zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden +zoo groot als kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze +oud dan maakt men er olie van; van de bast maakt men touw, en van de +kernen maakt men kelken en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik +kruip- en steekbessen gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als +uwe lindeboomen, waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter +zijn als uwe doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn +en de zon uit het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw +hoofd neder. Is men dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren, +en men des middags met zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo +schijnt de zon tegen uwe linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe +rechterzijde doet. Hiermede wil ik eindigen, maar na mijn schrijven +zal het u licht genoeg vallen, om de leugenachtige verhalen te kunnen +schiften van de ware berichten. Uw Liudgert. + + + + + +HET GESCHRIFT VAN BEEDEN. + + +Mijn naam is Beeden, zoon van Hachgane. Konereed mijn oom is nooit +getrouwd geweest en alzoo kinderloos gestorven. Mij heeft men in zijne +plaats gekozen. Adel, de derde koning van dezen naam, heeft die keuze +goedgekeurd, mits ik hem als mijn meester erkennen wilde. Behalve +het volle erf van mijn oom, heeft hij mij eene plek gronds gegeven, +die aan mijn erf paalde, onder voorwaarde, dat ik daarop menschen +zoude stellen, die zijne lieden nimmer zouden ... + +daarom wil ik dit hier eene plaats vergunnen. + + + + + +BRIEF VAN RIKA DE OUDMAAGD, VOORGELEZEN TE STAVEREN BIJ HET JUULFEEST. + + +Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis +tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar +wil ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek +wijzen, dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet, +hoe Wralda duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat +hij Alvoeder wordt genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt +en wast tot voeding van zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha +bijwijlen ook Alvoedster genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en +granen baart, waarmede mensen en dier zich voeden. Doch zij zoude +geene vruchten en granen baren, bijaldien Wralda haar geene krachten +gaf. Ook vrouwen, die hare kinderen zogen aan hare borsten, worden +voedsters genoemd. Doch gaf Wralda daar geene melk in, zoo zouden +de kinderen daar geen baat bij vinden. Zoodat bij slot van rekening +Wralda alleen de voeder blijft. Dat Irtha bijwijlen Alvoedster +geheeten wordt, en eene mem (moeder) voedster, kan nog door eene +wending (overdrachtelijke spreekwijze): maar dat een taat (vader) +zich voeder laat noemen, omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden. + +Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt +van onze vijanden (lëtha) en wanneer die gevolgd worden, zoo zult +gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen +hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is, +daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur +leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet +wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen +dat een koning niet over den wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding +door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne +vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij +in het eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben +het volk eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam, +huurden zij buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven +legden. Vervolgens namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en +de kleine vorsten en heeren deden eveneens. Toen naderhand twist +en tweespalt in de huishouding sloop, en daarover klachten kwamen, +hebben zij gezegd: ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin, +daarom zal hij ook meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de +willekeur, en even als die met de mannen over het huisgezin heerschte, +ging zij ook met de koningen over de volken doen. Toen de koningen het +zoo ver gebracht hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij +heen en lieten beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten +zij in de kerken stellen naast de beelden der afgoden, en degene die +daar niet voor buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe +voorvaderen en de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan, +daarvan hebben zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige +uwer mannen zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik +mij over vele uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden, +die zich met Wralda op eene lijn willen stellen, er worden bij u ook +wijven gevonden, die dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen +gebaard hebben, laten zij zich moeder noemen. Doch zij vergeten, dat +Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet alleen hebben +zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen berooven, +met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen het even +zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich vrouwe +laten noemen, ofschoon zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen +van vorsten toebehoort. Ook laten zij hare dochters maagden noemen, +ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag, tenzij +zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat naam +stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aankleeft, en +dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal +de tijd daar wasdom aan geven, zoo sterk, dat men er het eind niet +van kan zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden; +zij zullen niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar +ofschoon gij de maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat, +toch zullen er blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij +zullen uwe nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig +aan zijt. Dan zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit +hunne graven oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare +maagden aanroepen, doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren, +bevorens het Juul een anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst +gebeuren als drie duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw. + + + Einde van Rikas brief. + + + + + +daarom wil ik eerst over zwarte Adel schrijven. Zwarte Adel was de +vierde koning na Friso. In zijne jeugd heeft hij op Texland geleerd, +naderhand heeft hij te Staveren geleerd, en vervolgens heeft hij door +alle staten gereisd. Toen hij vier en twintig jaar oud was, heeft zijn +vader gemaakt dat hij tot Asega Asker gekozen is. Toen hij eenmaal +Asker was, eischte hij altijd in het voordeel van de armen. De rijken, +zeide hij, plegen genoeg ongerechte dingen door middel van hun geld, +daarom behooren wij te zorgen, dat de armen naar ons omzien. Door +deze en andere redeneringen, was hij de vriend der armen en de schrik +der rijken. Het is zoo erg gekomen, dat zijn vader hem naar de oogen +zag. Toen zijn vader gestorven was, heeft hij diens zetel beklommen, +toen wilde hij even goed zijn ambt behouden gelijk de koningen van +het oosten plegen te doen. De rijken wilden dat niet dulden, maar +nu liep al het andere volk te hoop, en de rijken waren blijde dat +zij heelhuids van de vergadering afkwamen. Van toen aan hoorde men +nimmer meer over gelijkheid van recht praten. Hij veroordeelde de +rijken en hij vleide de armen, met wier hulp hij alle zaken eischte, +daar hij bestek op had. Koning Askar, gelijk hij altijd genoemd werd, +was bij de zeven aardvoet lang, en zoo groot zijne gestalte was, +waren ook zijne krachten. Hij had een helder verstand, zoodat hij +alles verstond, waarover gesproken werd, doch in zijn doen kon men +geene wijsheid bespeuren. Bij een schoon gelaat had hij eene gladde +tong, maar nog zwarter als zijn haar is zijne ziel bevonden. Toen +hij een jaar koning was, noodzaakte hij alle jongelingen uit zijn +staat, om jaarlijks in het kamp te komen en daar een schijnoorlog te +maken. In het eerst had hij daar moeite mede, maar ten laatste werd +het zoo manierlijk, dat oud en jong uit alle oorden weg kwamen, om te +vragen, of zij mochten mede doen. Toen hij het zoo ver gebracht had +liet hij krijgscholen stichten. De rijken kwamen te klagen en zeiden, +dat hunne kinderen geen lezen of schrijven meer leerden. Askar sloeg +er geen acht op, maar toen er kort daarop weer schijnoorlog gehouden +werd, ging hij op een gestoelte staan en sprak luidde. De rijken zijn +tot mij gekomen te klagen, dat hunne knapen geen lezen of schrijven +genoeg leeren; ik heb daar niets op gezegd; doch hier wil ik mijne +meening zeggen, en de algemeene vergadering laten beslissen. Toen +elk nu nieuwsgierig tot hem op zag zeide hij verder: Naar mijn begrip +moet men tegenwoordig het lezen en schrijven aan de maagden en wijze +lieden overlaten. Ik wil geen kwaad spreken van onze voorvaderen, +ik wil alleen zeggen, in die tijden, waarop door sommigen zoo hoog +geroemd wordt, hebben de Burgtmaagden tweespalt over onze landen +gebracht en de Moeders voor en na konden de tweespalt niet weder +uit het land drijven. Nog erger, terwijl zij praatten en keuvelden +over noodelooze gewoonten, zijn de Golen gekomen en hebben al +onze schoone zuiderlanden geroofd. Heden ten dage zijn zij met onze +verbasterde broeders en hunne soldaten reeds over de Schelde gekomen, +er schiet ons dus over te kiezen tusschen het dragen van een juk of +een zwaard. Willen wij vrij zijn en vrij blijven, zoo behooren de +jongelieden het lezen en schrijven voorhands achterwege te laten, +en in stede dat zij op hun gezelschappen wip en zwik spelen, moeten +zij met zwaard en speer spelen. Zijn wij in allen deele geoefend, +en de knapen groot genoeg om helm en schild te dragen en de wapenen +te hanteeren, dan zal ik mij met uwe hulp op de vijanden werpen. De +Golen mogen dan de nederlagen van hunne helpers en soldaten op onze +velden schrijven met het bloed dat uit hunne wonden druipt. Hebben +wij den vijand eenmaal voor ons uitgedreven, zoo moeten wij daarmede +voortgaan, tot dat er geen Golen, noch Slaven, noch Tartaren meer +van Fryas erf te verdrijven zijn.--Dat is recht, riepen de meesten, +en de rijken durfden hunne monden niet open doen. Deze toespraak had +hij zeker te voren bedacht en laten overschrijven, want des avonds van +dien zelfden dag waren de afschriften daarvan in wel twintig handen; +en die alle waren eensluidend. Naderhand beval hij de scheepslieden, +zij moesten dubbele voorstevens maken, waaraan men eene stalen +kraanboog kon bevestigen. Die hierin achterwege bleef werd beboet; +kon iemand zweeren, dat hij geene middelen bezat, dan moesten de +rijken van het dorp het betalen. Nu zal men zien, waarop al dat boha +uitgeloopen is. Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge +bergen is, daar zit een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas +bloed gesproten; voor het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers, +voor het ander gedeelte uit Britten en vluchtelingen, die allengs met +der tijd uit de tinlanden derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden +kwamen, hebben al te gader buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch +ras. Zij zijn alle onder de heerschappij der Golen, hunne wapenen +zijn houten bogen en sprieten met punten van hertshoornen, of ook van +flinten. Hunne huizen zijn van zoden en stroo, en sommigen wonen in +de holen der bergen. Schapen, die zij geroofd hebben, is hun eenige +schat. Onder de afstammelingen van de Keltanavolgers hebben sommigen +nog ijzeren wapenen, die zij van hunne voorvaderen geërfd hebben. Om nu +goed verstaan te worden, moet ik mijn verhaal over het Schotsche volk +laten rusten, en iets van de heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De +heinde Krekalanden hebben te voren ons alleen toebehoord, maar sedert +onheugelijke tijden hebben zich daar ook nakomelingen van Lyda en +Finda nedergezet, van deze laatsten kwamen eindelijk een heele hoop +van Troje. Troja alzoo heeft eene stad geheeten, die het volk van de +verre Krekalanden (Griekenland) heeft ingenomen en verwoest. Toen de +Trojanen in de heinde Krekalanden genesteld waren, toen hebben zij +daar met tijd en vlijt eene sterke stad met wallen en burgten gebouwd, +Rome, dat is Ruim, geheeten. Toen dat gedaan was, heeft het volk +zich door list en geweld van het geheele land meester gemaakt. Het +volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche zee huist, is voor +het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De Phoeniciers (Puniers) +zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed en van Findas bloed +en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als slaven, maar door +de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al het andere +volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome kampen +gestadig om het meesterschap van de Middellandsche Zee. Voorts leven +die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne priesteren, +die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen de Golen +niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia afgenomen, +daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts +liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij +de Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn +duizende Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar +de opperste der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak, +dat is hoek, van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was +daar al hun goud te zamen gebracht. Keeren herne (uitverkoren hoek) of +Kerenak is eene steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden +de Maagden van de nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder +hebben. Alzoo was door de vijandschap der Maagden en der Golen veete +en twist over het Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden +kwamen daar dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden +en linnen. Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de +Maagden en met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden, +om de Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam, +gaf hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen +bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen +bloed bij de hellingen der bergen neder. Toen Askar meende, dat de kans +hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen, en nam Kerenak en den +opperste der Golen met al zijn goud. Het volk waarmede hij tegen de +soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de Saksenmarken gelokt +met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus werd den Golen niets +gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot bergplaats voor zijne +schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle Phoenicische schepen +en steden te berooven, die hij beloopen konde. Toen hij terug kwam +bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van het Schotsche +bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven waren, opdat +hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden blijven; +doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn hof, +waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren van +allerlei wapenen. De Dennemarkers, die zich sinds lang boven alle +andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra +niet van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop +afgunstig, dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over +zijne landen. Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen +de bouwvallen van de verwoeste burgt Stavia was nog een schrandere +Burgtmaagd met eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er +ging een groote roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar +hare hulp aan, onder beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude +laten opbouwen. Toen hij zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met +drie Maagden naar Hals; 's nachts ging zij reizen, en bij dag sprak +zij op alle markten en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij, +had haar door donder laten toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden +moest worden, als zusters en broeders vereenigd; anders zoude Findas +volk komen en hen alle van de aarde verdelgen. Na dien donder waren +Fryas zeven waakmaagden haar in den droom verschenen, zeven nachten +achtereen; zij hadden gezegd: boven Fryas landen zwabbert ramp met juk +en ketenen. Daarom moeten alle volken, die uit Fryas bloed gesproten +zijn, hunne toenamen wegwerpen en zich alleen Fryaskinderen of Fryas +volk noemen. Voorts moeten allen opstaan en Findas volk van Fryas +erf verdrijven. Willen ze dat niet doen, zoo zullen zij slavenbanden +om hunne halzen krijgen; zoo zullen de buitenlandsche heeren hunne +kinderen misbruiken en laten geesselen, totdat het bloed zijgt in uwe +graven. Dan zullen de schimmen uwer voorvaderen u komen wekken en u +bekijven over uwe lafheid en onbezonnenheid. Het domme volk, dat door +toedoen der Magyaren reeds aan zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde +alles wat zij zeide, en de moeders klemden hare kinderen tegen hare +borsten aan. Toen Reintja den koning van Hals en alle andere menschen +tot eendracht had overgehaald, zond zij boden naar Askar en toog zelve +langs de Baltische zee; van daar ging zij bij de Lithauers, alzoo +genoemd omdat zij hunne vijanden altijd naar het aangezicht houwen. De +Lithauwers zijn voortvluchtigen en verbannenen van ons eigen volk, dat +in de Twisklanden zit en omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle +van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht, +en aldus door de Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede +willen, maar de menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging +zij achter de Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen, +om allerwege dat zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren, +kwam zij langs den Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich +zelve voor Moeder uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije +en franke menschen terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn +gaan, en de Gola volgers uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat +deden, dan zoude haar koning Askar over de Schelde gaan en daar het +land afwinnen. Bij de Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de +Tartaren en Magyaren binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze +zeden gebleven. Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen +onderwijzen en de ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja +vijandig, maar ten laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en +allerwege geprezen, waar het nuttig en noodig was. Zoodra Askar van +Reintjas boden vernam, hoe de Jutten gezind waren, zond hij terstond +boden van zijnentwege naar den koning van Hals. Het schip, waarmede de +boden gingen, was vol geladen met vrouwen sieraden, en daarbij was een +gouden schild, waarop Askars gedaante kunstig was afgebeeld. Deze boden +moesten vragen of Askar des konings dochter Frethogunsta tot zijne +vrouw mocht hebben. Frethogunsta kwam een jaar later te Staveren; +bij haar gevolg was ook een Magy, want de Jutten waren sedert lang +verdorven. Kort nadat Askar met Frethogunsta getrouwd was, werd er te +Staveren eene kerk gebouwd; in de kerk werden booze gedrochtelijke +beelden gesteld, met goud doorwevene kleederen. Ook is er beweerd +dat Askar bij nacht en bij ontijde met Frethogunsta zich daar voor +nederboog. Maar zooveel is zeker, de burgt Stavia werd niet weder +opgebouwd. + +Reintja was reeds teruggekomen, en ging nijdig naar Prontlik de Moeder +te Texland zich beklagen. Prontlik ging heen en zond allerwege boden, +die verkondigden: Askar is overgeven aan afgoderij. Askar deed alsof +hij het niet merkte, maar onverwacht kwam er een vloot uit Hals. Des +nachts werden de Maagden uit de burgt gedreven, en des ochtens konde +men van de burgt slechts eene gloeijende puinhoop zien. Prontlik en +Reintja kwamen bij mij om eene schuilplaats; toen ik daar later over +nadacht, scheen het mij toe dat het kwaad voor mijne staat bedijen +konde. Daarom hebben wij te zamen eene list verzonnen, die ons +allen moest baten. Zie hier hoe wij te werk gegaan zijn. Midden in +het Krijlwoud beoosten Liudwerd ligt onze vlied of weerburg, die men +alleen langs doolpaden kan genaken. Op deze burgt had ik sints langen +tijd jonge wachters gesteld, die alle een afschuw van Askar hadden en +alle andere menschen daar vandaan hielden. Nu was het bij ons al zoo +ver gekomen, dat vele vrouwen en ook mannen al praatten over spoken, +witte wijven en kabouter mannekes even als de Denemarkers. Askar had al +deze dwaasheden tot zijn voordeel aangewend, en dat wilden wij nu ook +tot ons voordeel doen. Bij eene duistere nacht bragt ik de Maagden naar +de burgt en daarna gingen zij met hare dienaressen langs de doolpaden +spoken in witte kleederen gehuld, zoo dat er naderhand geen mensch +meer durfde komen. Toen Askar meende dat hij de handen ruim had, +liet hij de Magjaren onder allerlei namen door zijne staten reizen +en behalve mijne staat werden zij nergens geweerd. Nadat Askar alzoo +met de Jutten en de andere Denemarkers was verbonden gingen zij alle +te zamen rooven; doch dat heeft geene goede vruchten gebaard. Zij +brachten allerhande buitenlandsche schatten te huis. Maar juist +daardoor wilden de jonge mannen geen ambacht leeren, noch op het +veld arbeiden; zoodat hij ten laatste wel slaven nemen moest. Maar +dat was geheel tegen Wraldas wil en tegen Fryas raad. Daarom konde de +straf niet achterwege blijven. Zie hier hoe de straf gekomen is. Eens +hadden zij te zamen eene geheele vloot gewonnen, deze kwam uit de +Middellandsche zee. Deze vloot was geladen met purperen kleederen +en andere kostbaarheden, die uit Phoenicie kwamen. Het zwakke volk +der vloot werd bezuiden de Seine aan wal gezet, maar het sterke volk +werd gehouden. Dat moest hun als slaven dienen. De schoonsten werden +gehouden om op het land te blijven, en de leelijkste en zwartste werden +aan boord gehouden om op de banken te roeijen. In het Fly werd de +boedel gedeeld, maar zonder hun weten werd ook de straf gedeeld. Van +de menschen, die op de buitenlandsche schepen gesteld waren, werden +zes door buikpijn gedood. Men dacht dat het eten en drinken vergiftigd +waren, daarom werd alles over boord gegooid. Doch de buikpijn bleef +en allerwege, waar slaven of goederen kwamen, kwam ook de buikpijn +binnen. De Saksmannen brachten ze over hunne marken; met de Jutten +voer zij naar Schoonland en langs de kusten van de Baltische zee; +met Askar zijne zeelieden voer zij naar Brittannia. Wij en die van +Grenega lieten geene goederen noch menschen over onze landpalen komen, +en daarom bleven wij van de buikpijn bevrijd. Hoevele menschen de +buikpijn heeft weggeraapt, weet ik niet te schrijven, maar Prontlik +die het naderhand van de andere Maagden hoorde heeft mij gemeld, dat +Askar duizendmaal meer vrije menschen uit zijne staten geholpen heeft, +als hij er vuile slaven in bracht. Toen de pest voor goed geweken +was, kwamen de vrij geworden Twisklanders naar den Rijn, maar Askar +wilde met de vorsten van dat vuile verbasterde volk niet op eene lijn +staan. Hij wilde niet dulden dat zij zich Fryas kinderen zouden noemen, +gelijk Reintja aangeboden had; maar hij vergat daarbij dat hij zelf +zwart haar had. Onder de Twisklanders waren er twee volken, die zich +zelve geen Twisklanders noemden. Het eene volk kwam heel ver uit het +zuidoosten weg, ze noemden zich Allemannen. Dezen naam hadden zij zich +gegeven, toen zij nog zonder vrouwen in de wouden als bannelingen +omdwaalden. Later hebben zij van het Slavenvolk vrouwen geroofd, +evenals de Lithauwers, maar zij hebben hun naam behouden. Het andere +volk, dat meer in de nabijheid omdwaalde, noemde zich Franken, niet +omdat zij vrij waren, maar Frank zoo had de eerste koning geheeten, +die zich zelf met hulp van de ontaarde Maagden tot erflijk koning +over zijn volk gemaakt had. De volken, die aan hem grensden, noemden +zich Thioth-his zonen dat is volkszonen, zij waren vrije menschen +gebleven, naardien zij nimmer een koning, noch vorst, noch meester +erkennen wilden, als dengene die bij algemeene wil gekozen was op de +algemeene vergadering. Askar had reeds van Reintja vernomen, dat de +Twisklander vorsten meest altijd met elkander in vijandschap en veete +waren. Nu stelde hij hun voor, dat zij één hertog van zijn volk zouden +kiezen, omdat hij bang was, gelijk hij zeide, dat zij met elkander +zouden twisten om het meesterschap. Ook zeide hij dat zijne vorsten +met de Golen konden spreken. Dat zeide hij was ook de meening der +Moeder. Toen kwamen de vorsten der Twisklanders bij elkander, en na +driemalen zeven etmalen kozen zij Alrik tot hertog. Alrik was Askars +neef, hij gaf hem tweehonderd Schotten en honderd van de grootste +Saksmannen mede tot eene lijfwacht. De vorsten moesten driemaal zeven +van hunne zonen naar Staveren zenden tot borg van hunne trouw. Tot nu +toe was alles naar zijn wensch gegaan, maar toen men over den Rijn +zoude varen, wilde de koning der Franken niet onder Alriks bevelen +staan. Daardoor liep alles in de war. Askar, die meende, dat alles +goed ging, landde met zijne schepen aan de overkant der Schelde, maar +daar was men reeds van zijne komst ingelicht en op zijne hoede. Zij +moesten even haastig vluchten als zij gekomen waren, en Askar werd +zelf gevangen genomen. De Golen wisten niet, wien zij gevangen hadden, +en zoo werd hij naderhand uitgewisseld voor een aanzienlijken Gole, +dien Askars volk had medegevoerd. Terwijl dit alles gebeurde, +liepen de Magyaren nog stoutmoediger over de landen onzer naburen +heen. Bij Egmuda, waar te voren de burgt Forana gestaan had, lieten +zij eene kerk bouwen nog grooter en rijker als Askar te Staveren gedaan +had. Naderhand zeiden zij, dat Askar den strijd had verloren tegen de +Golen, omdat het volk niet wilde gelooven, dat Wodan hen konde helpen, +en dat zij hem daarom niet wilden aanbidden. Voorts gingen zij heen +en schaakten jonge kinderen, die zij bij zich hielden en opvoedden in +de geheimenissen van hunne verfoeijelijke leer. Waren er menschen, die + + + + + + + +ADELA. + + +OKKE MIN SVN. + + +Thissa boka mot i mith lif ånd sêle wârja. Se vmbifattath thju skêdnise +fon vs êle folk âk fon vsa êthlum. Vrlêden jêr håb ik tham ut-er +flod hred tolik mith thi ånd thinra moder. Tha hja wêron wet wrden; +thêr thrvch gvngon hja åfternei vrdarva. Vmbe hja navt to vrlysa håb +ik-ra vp wrlandisk pampyer wrskrêven. Sa hwersa thu se erve, mot hu +se âk wrskryva. Thin bårn alsa til thju hja nimmerthe wêi navt ne kvma. + +Skrêven to Ljuwert. Nêi âtland svnken is [6] thåt thria thûsond +fjvwer hvndred ånd njugon ånd fjvwertigoste jêr, thåt is nei kersten +rêknong that tvelfhvndred sex ånd fiftigoste jêr. Hidde tobinomath +oera Linda.--Wâk. + + + +Ljawa ervnôma. Vmb vsa ljawa êthlas wille ånd vmb vsa ljawa fridoms +wille, thusand wâra sâ bidd-ik to jo. Och ljawa ne lêt tha âgon +ênis pâpekappe tach nimmerthe over thissa skrifta ne wêja. Hja +sprêkath swêta wirda: men hja tornath vnmårksêm an alles hwat fon +vs fryas trefth. Vmbe rika prebende to winnande sâ hêlath hja mith +tha poppa kêninggar. Thissa wêtath that wi hjara grâteste fianda +send. thrvchdam wi hjara liuda to sprêke thvra vr frijdom, rjucht +ånd forstne plicht. Thervmbe lêtath hja alles vrdiligja, hwat fon +vsa êthlum kvmt ånd hwat thêr jeta rest fon vsa alda sêdum. Och ljawa +ik håv by tham et hove wêst. Wil Wr.alda-t thjelda ånd willath wi vs +navt sterik ne mâkja hja skilun vs algâdur vrdiligja. + +Skrêven to Ljudwerd. Acht hondred ånd thrju jèr nei kersten +bigrip. Liko tonômath ovira Linda. + + + + + +THET BOK THÊRA ADELA FOLSTAR. + + +Thrittich jêr åftere dêi that thju folksmoder wmbrocht was thrvch +thêne vreste Mâgy [7] stand et er årg vm to. Alle stâta thêr-er lidsa +anda ôre syde thêre Wrsara, wêron fon vs ofkêrth ånd vnder-et weld thes +Magy kêmen, ånd-et stand to frêsane, that er weldig skolde wertha vr-et +êlle lând. Vmbe thåt vnluk to wêrane hêde mån êne mêna âcht bilidsen, +hwêr gâdurath wêron âllera månnelik, thêr ann-en gode hrop stande by +tha fâmna. Tha nêi thât-er mâr vrlâpen wêron as thrjv etmelda, was al +go-rêd anda tys ånd al-ên sa by hjara kvmste. Thâ to tha lesta frêge +Adela thåt wird, ånde kêth. J alle wêt-et that ik thrjv jêr burchfâm +wêsen sy. Ak wêt j that ik kêren sy to moder, ånd âk, that ik nên moder +nêsa [8] navt nilde [9], thrvchdam ik Apol to min êngâ jêrde. Thach +hwat j navt nête [10], thåt is, that ik alle bêrtnisa nêigvngen håw, +êvin as ik en wrentlike folksmoder wêsen wêre. Ik håv al-an fon ånd +witherfâren to sjande hwåt-er bêrde. Thêr thrvch send my fêlo sêka +bâr wrden, thêr ôra navt nête. J håweth jester sêith, thåt vsa sibba +an tha ôra syd thêre Wrsara njvt ånd lâf wêre. Thâ ik mêi sedsa to jv, +thåt-er Mâgy se nên yne gâ of wnnen heth thrvch thåt weld synra wêpne, +men blât thrvch årgelestige renka, ånd jeta mâr thrvch thåt gyrich +sa thêra hyrtogum ånd thêra êthelinga. Frya heth sêit wi ne skoldon +nên vnfrya ljvd by vs tolêta, thâ hwat håvon hja dên? hja håvon vsa +fjand nêi folged: hwand an stêd fon hjara fensenum to dêiande, jeftha +fry to lêtane, håvon hja Fryas rêd minacht ånd se to hjara slâfonum +mâked. Thrvchdam hja sok dêdon, macht Frya navt longer wâka ovir hjam: +hja håvon ynes ôtheris frydom binimen, ånd thåt is êrsêke, thåt hja +hjara åjn vrlêren håwe. Thach thåt ella is jo selva âken. Men ik wil +sedsa to jo, ho hja nêi grâdum sâ lêg vrsylth send. Thêra finnum hjara +wiva krêjon bårn. Thissa waxton vppa mith vsa frya bårn. Altomet +tvildon ånd joldon hja to samne vppa hêm, jeftha hja wêron mith +ekkorum by thêre hêrd. Thêr hêrdon hja mith lustum nêi tha vrdwâlska +finna sâgum, thrvchdam hja thjvd ånd nêi wêron. Sâ send hja vntfryast +vnthônkes thene wald hjarar aldrum. As tha bårn grât wrdon ånd sagon +thåt tha finna-ra bårn nên wêpne hantêra machte, ånd blât wårka moste, +thâ krêjon hja anneth wårka en gryns ånd wrdon hårde hâchfârande. Tha +bâsa ånd hjara storsta svnum krupton by tha lodderiga finna mangêrtum; +ånd hjara åjne toghatera thrvch thåt vvle fârbild fon-a wêi brocht, +lêton hjara selva bigorda thrvch tha skênesta finna knâpa, hjara vvle +aldrum to spot. Tha thêne Magy thåt anda nôs kryg, tha nam-er tha +skênesta sinar Finna ånd Magyara vrlovende râ ky mith golden horna, sa +hja ra thrvch vs folk fata dêdon, åfterdam sina lêr vtbrêda. Men sin +ljuda dêdon mâr: bern wrdon to sok makad, nei vpsalândum wêibrocht, +ånd sâhwersa hja vpbrocht wêron an sina vvla lêr, thån wrdon hja to +bek sendon. Thâ tha skinslâvona vsa tâl måchtich wêron, thâ klivadon +hja tha hêrtoga ånd êthelinga an bord, ånd kêthon, hja moston thene +Magy hêroch wertha, sa kvndon hjara svnum vpfolgja tham, oni [11] +thrvch-et folk kêron to wrdane. Thêra thêr vmbe goda dêdum en fârdêl +to-ra hus kryen hêde-vrlovadon hja fon sinant wêgum jeta-n åfter-dêl +bij; hoka tham en fâr ånd åfter-dêl kryen hêde sêidon hja en rond-dêl +to, ånd tham en rond-dêl hêde en êlle stât. Wêron tha êthla to hårde +fryas, thâ wendon hja tha stêwen ånd hildon vppar vrbastera svnum +an. Jesterdêi wêron-er mong [12] jo tham allet folk to hâpa hropa +wilde vmb tha âstlike stâta wither to hjara plyga to tvangande. Thach +nêi min ynfalda myning skolde thât falikant [13] utkvmma. Thånk ynes +thêr was wêsen en hårde lvngsyakte among-eth fja, ånd thåt-er thêr +jeta årg vvde, skolde j-eth thån wel wâgja vmbe jvw hêlena fja to +fârande among hjara syaka fja? åmmer nâ. Sâhwersa allra månnelik nw +biâma ånd bijechta mot, thåt-eth thêr mitha stapel årg of kvma skolde, +hwa skolde thån alsa dryst wêsa vmbe sina bårn to wagande among en folk +thåt êlle ånd al vrdêren is. Macht ik jo rêd jêva, ik skolde sedsa +to jo, j moste bifara alle dingum jo en nêie folksmoder kyasa. Ik +wêt wel thåt j thêrmitha anda brvd sitte, vt hawede thåt-er fon tha +thredtine burchfâmna than wi jeta ower håve wel achte send thêr nêi +thêre êra dinge, men thåt skold ik navt ne melda. Tüntja thêr fâm +is et-er burch Mêdêasblik het er nåmmer nêi tâlth; tach is hja fol +witskip ånd klarsyan, ånd wel sa hårde vppir folk ånd usa plyga stålth +as all ôthera etsamne. Forth skold-ik rêda j moste nêi tha burgum gâ, +ånd thêr vpskrywa alle êwa fryas tex, bijvnka alle skydnisa, jâ ella +thåt er to finda sy vppa wâgum, til thju ella navt vrlêren ni gâ, +ånd mitha burgum alsa vrdên navt ne werth. Thêr ståt askriwen: thiu +moder ånd jahwelik burchfàm skil håva buta helpar ånd senda bodon, +yn and twintich fâmna ånd sjugon lêrfâmkis. Macht ik thêr hwat to +dvande, thâ skol-ik skrywa, ånd alsa fêlo êrsêma toghatera vmbe to +lêrane, sa thêr vppa burgum wêsa müge; hwand ik seg an trowe ånd tid +skil-eth jechta, sâhwersa j åfta Fryas bårn wille nåmmer to winnande, +hor thrvch lesta ner thvch wêpne, sa hagath j to nvdande thåt jvwe +toghatera åfta frya wiva wrde. Bårn mot mån lêre, ho grât vs lând êr +wêsen sy, hokke grâte månniska vsa ethla wêron, ho grât wi jeta send, +sa wi vs dål ledsath bij ôra, mån mot tâla hjam fon tha wicharda ånd +fon hjara wichandlika dêdum, åk wra fâra sêtochta. Al thissa tållinga +hagath dên to werthande bij thêre hêrd, vppa hêm ånd hwêr et wêsa mêi, +sâ bij blyskip as bij târum. Men skil-et standfåst kvma an dat bryn +ånd andåt hirta, thån moton alle lêringa overa wêra jvwera wiva ånd +toghatera thêr-in strâma. Adelas rêd is vpfolgath. + +Thit send tha nâma thêra grêvetmanna, vnder hwam-mis wald thit bok +awrochten is. Apol, Adelas man, Thria is-er sêkening wêsen, nw is-er +grêvetman over Ast-flylând ånd ovir-a Linda-wrda. Tha bvrga Ljvdgârda, +Lindahêm, ånd Stâvja send vnder sin hod. + +Ther Saxman Storo, Sytjas man, grêvetman ovir-a hâga fenna ånd +walda. Njvgun wâra is-er to hêrtoga, thåt is to hyrman, kêren. Tha +burga Bvda ånd Manna-gârda-forda send vnder sin hod. + +Abêlo, Jaltjas man, grêvetman ovir tha Sûdar Flylânda. Fjvwers is-er +hyrman wêsen. Tha burga Aken, Ljvdburch ånd Kâtsburch send vnder +sin hod. + +Enoch Dywek his man, grêvetman ovir West-flylând ånd Texland. Njvgun +mel is-er to sêkening kêren. Thiu Wâraburch, Mêdêasblik, Forâna ånd +ald Fryasburch send vnder sin hod. + +Foppa, man fon Dunrôs, grêvetman ovir tha Sjvgon êlânda. Fif mel +is-er sêkening wêsen. Thju burch Walhallagâra is vnder sin hod. + +Thit stand vppa tha wâgum et Fryasburch to Texland askrywen, thåt +stêt âk to Stâvia ånd to Mêdêas blik. + +Thåt was Frya his dêi ånd to thêre stonde was et vrlêden sjvgun wâra +sjvgun jêr, thåt Fåsta was anståld as folksmoder nêi Fryas jêrta. Thju +burch Mêdêasblik was rêd ånd en fâm was kêren. Nw skolde Fåsta thju +nêja foddik vpstêka, ånd thâ thåt dên was an åjnwarda fon thåt folk, +thâ hrop Frya fon hira wâkståre, sâ thåt allera månnalik thåt hêra +machte: Fåsta nim thinra stifte ånd writ tha thinga thêr ik êr navt +sedsa ne machte. Fåsta dêde alsa hja boden wårth. Sâ send wy Fryas +bårn an vsa forma skêdnise kêmen. + +Thåt is vsa forma skêdnise. + +Wr.alda [14] tham allêna god ånd êvg is, mâkade t.anfang, dana kêm +tid, tid wrochte alle thinga âk jrtha. Jrtha bârde alle gârsa, krûdon +ånd boma, allet djara kwik ånd allet årge kwik. Alhwat god ånd djar +is, brocht hju by dêgum ånd alhwat kwâd ånd årg is, brocht hju thes +nachtis forth. Afteret twilifte jol-fêrste bârde hja thrja mangêrta. + +Lyda wårth ut glyande, + +Finda wårth ut hêta ånd + +Frya ut warme stof. + +Thâ hja blât kêmon spisde Wr.alda hjam mith sina âdama; til thju tha +månneska an him skolde bvnden wêsa. Ring as hja rip wêron krêjon hja +früchda ånd nochta anda drâma Wr.aldas. Od [15] trâd to-ra binna: ånd +nw bârdon ek twilif svna ånd twilif togathera ek joltid twên. Thêrof +send alle månneska kêmen. + +Lyda was swart, krolhêred alsa tha lômera: lik ståra blonken hjra ôgon; +ja thes gyrfügels blikkar wêron vnmodich by hjras. + +Skårpe Lyda. Annen sanâka kvn hju kruppa hêra, ånd hwersa thêr fiska +invr wêter wêre n-vntgong thåt hira nostera navt. + +Rådbvwde Lyda. En store bâm kvn hju bûgja ånd sahwersa hja run ne +bråk nêne blomstâl vnder hjara fyt. + +Weldige Lyda. Hård was hjra steme ånd krêt hju ut grimme sâ run ek +flux wêi. + +Wonderfvlle Lyda. Fon êwa nilde hju navt nêta: hjra dêda wrdon thrvch +hjra tochta stjvrat. Vmbe tha têdra to helpâne, dâde hju tha stôra +ånd hwersa hju-t dên hêde grâjde hju by-t lik. + +Arme Lyda. Hju wårth gris fon-t vnwisse bihjelda ånd vpp-it ende +sturf hja fon hirtsêr vmbe tha bårn-ra kwâd. + +Vnwisa bårn. Hja tichtegadon ekkorum, fen måm-ra dâd, hja gråjadon +lik wolva, fjvchtadon alsa ånd dahwile hja that dêdon êton tha fügelon +thåt lik. Hwâ mêi sin târa hwither to haldane. + +Finda. Was gêl ånd hjr hêr sâ tha mâna êner hors: êne thrê ne kv hja +navt ni bûgja; men hwêr Lyda annen lavwa macht to dêjande, thêr dâde +hja wel tjån. + +Vrlêdalike Finda. Svet was hjra stemme ånd nannen fügel kvn sjonga +lik hju. Hjra êgon lokton ånd lordon, men thêrer ansach wårth slâf. + +Vnrêdalika Finda. Hju skrêf thûsande êwa, tha hju ne folgde nên er +fon vp. Hja vrfyade tha goda vmbe hjara frymod, thâ an slikmåmkes +jêf hju hjr selva hast wêi. + +That was hir vnluk. Hjra hâved was to fvl: tha hjr hirte to ydel; +hju ne minde nimmån sa hja selva ånd hju wilde thåt ek hja lyaf +håwe skolde. + +Falske Finda. Hüning swet wêron hjra wirda, thâ hok tham hja trjvwade +wêre vnluk nêi by. + +Selvsjochta Finda. Ovir ella wilde hju welda, ånd hjra svnum wêron +lik hju; fon hjara susterum lêton hja ra thjanja ånd ekkorum slogon +hja vmb-et mâsterskip dâd. + +Dubbelhirta Finda. Vmbe skotse wirda wårth hju yre, ånd tha årgste +dêda ne rorde hja navt. Sach hju en nyndask en spinne vrslynna, +thån wårth hju omm-et hirte sa ys; men sach hju hjra bårn en fryas +vrmorde sâ swol hjra bosm fon nocht. + +Vnluke Finda. Hju sturf anda blomtid fon hjra lêva, ånd-t is jeta +tjvester ho hju fallen sy. + +Skinhêliga bårn. Vnder kestlike stêna lêidon hja hjra lik dêl, mit +kwabbjana skriftum smukton hja tham vppa, togrâjande vmbe hêrath to +wårthande men an stilnise ne wênadon hja nênen ênge târ. + +Vrijfalik folk. Thi tex thêr Finda nêi lêt was in golden blêdar wryt: +thach tha besta hwêr-far i mâkad was, wêr i nåmmer to not. Tha goda +êwa wrdon utfâgad ånd selfv sjocht wryte thêr kwâda far in. + +O Finda. Tha wårth jrtha fvl blod, ånd tha hâveda thêr månneska +måjadon thin bårn lik gårs hålma of. Ja Finda thåt send tha früchda +thinera ydlenise. Sjan dål fon thinre wâkstår ånd wên. + +Frya. Was wit lik snêi bij-t môrnerâd ånd thåt blâw hjrar ôgnum wn-et +jeta thêre rêinbôge of. + +Skêne Frya. Lik strêlon thêre middêi svnne blikadon hjra hêron, +thêr sa fin wêron as rach. + +Abela Frya. Vntlvkton hjra wêra, thån swêgon tha fügelon ånd ne rordon +tha blêdar navt mar. + +Weldige Frya. Thrvch thêne kråft hjrar blikkar strêk thene lâwa to +fara hjara fyt dål ånd held thene addur sin gif tobåk. + +Rêne Frya. Hjra yta was hüning ånd hjra drank was dâwa, gâdvrad anda +bôsma thêra blommur. + +Lichte Frya. Thåt forma hwat hju hjra bårn lêrde was selv-twang, thåt +ôthera was lyafte to düged, ånd thâ hja jêroch wrdon, thâ lêrde hju +hjam thju wêrtha fon tha frijdom kånna: hwand sêide hju svnder frijdom +send alle ôthera dügedon allêna god vmbe jo to slâvona to mâkjande, +jvwe ofkvmste to êvge skantha. + +Milde Frya. Nåmmer lyt hju mêtal ut jrtha dålva vmb åjnbât, men +sâhwersa hja-t dêde wêr-et to jahwelikis not. + +Lukigoste Frya. Alsa tha ståra om jrtha omswyrmia swirmadon hjara +bårn om hja. + +Wise Frya. Thâ hju hjra bårn vpbrocht hêde alto thêre sjugonde kny, +thâ hrop hju-ra alle a Flylând to såmne. Thêr jêf se hjam hjra tex, +ånd sêide, lêt tham jvwe wêiwisar wêsa, thâ ne skil thåt jo nâ navt +kwalik ni gâ. + +Utforkêrena Frya. Thâ hju-t sêid hêde, bêvade jrtha lîk Wr.aldas sê, +Flylândis bodem svnk an grâda vnder hjara fyt dål. Thju loft wârt swart +ånd nylof [16] fon târa to stirtane ånd thâ hja nêi moder omsâgon, +was hju al lang vppira wâkstår. Thâ to tha lesta språk tongar ut-a +wolka ånd blixen schrêf an thåt loftrvm, wâk. + +Farsjanda Frya. Thåt lând fon hwêr hju was vpfaren was nw en strâm ånd +buta hira tex was thêr in ella bidvlwen hwat fon hjra hôndum kêmen was. + +Hêriga bårn. Thâ hja to-ra selva wêron, thâ mâkadon hja thit hâge +therp, bvwadon thâs burch thêrvppa, anda wågrum thessa wryton hja +thene tex, ånd vmbe that allera mannalik hja skolde müga finda, +håvath hja thåt lând rondomme Texlând hêten. Thêrvmbe skil-åt bilywa +al wenne jrtha jrtha sy. + + + + + +TEX FRYAS. + + +Held bêid tha Frya, to tha lesta skilun hja my hwiter sja. Thach thêra +allêna mêi ik as fry kånna thêr nên slâf is fon ên ôther ni fon sine +tochta. Hyr is min rêd. + +Sâhwersa thju nêd årg sy ånd gode rêd ånd gode dêd nawet mâr ne +formüge, hrop thån thi gâst Wr.aldas an, men j ne mot-im navt anhropa +bifâra alle thinga prvvath send. Tha ik segs to jo mith rêdene ånd +tid skil-et wâra, tha modelâsa skilun åmmar swika vnder hjar åjn lêd. + +2. Wr.aldas gâst mêi mån allêna knibuwgjande thânk to wya, jâ thrju +wâra far hwat jv fon him noten håve, far hwat jv nith, ånd fara hâpe +thêr hy jo lêt an ånga tida. + +3. J håwed sjan ho ring ik helpe lênde, dva al ên mith jo nêston, +men ne tof navt til mån jo bêden heth, tha lydande skolde jo floka, +min fâmna skoldon jvwa nâma utfaga ut-åt bok ånd ik skolde jo lik +vnbikånnade ofwisa mota. + +4. Nim nåmmar knibuwgjande tânk fon jv nêston an, thjus âgath Wr.aldas +gâst. Nid skolde j bikrjupa, wisdom solde j bilâka ånd min fâmna +skoldon jo bityga fon fâderrâv. + +5. Fjuwer thinga send to jvwe not jêven, mith nâma, loft, wêter, lând +ånd fjur. Men Wr.alda wil thêr allêna bisittar of wêsa. Thêrvmbe rêd +ik jo, j skilun jo rjuchtfêrdiga manna kyasa, tham thju arbêd ånd tha +früchda nêi rjuchta dêla, sâ that nåmman fry fon wârka ni fon wêra sy. + +6. Sâhwersa thêr åmman among jo fvnden wårth, thêr sin åjn frydom +vrsellath, tham-n is navt fon jvw folk: hi is en horning mith basterd +blod. Ik rêde jo that j him ånd sin måm to thåt lând utdriva, sêgs +that to jvwa bårn, thes mornes, thes middêis ånd thes êwendes, til +thju hja thêrof drâme thes nachtis. + +7. Allera månnalik thêr en ôther fon sine frydom birâwath, al wêre +thêne ôre him skeldech, mot ik anda bårntâm êner slâfinne fâra +lêta. Thach ik rêde jo vmbe sin lik ånd that sinera måm vpp êne kåle +stêd to vrbarnande, åfternêi hjara aske fiftich fyt anda grvnd to +dålvane, til hju thêr nênen gårshålm vp waxa ni mêi, hwand aldulkera +gårs skolde jvw diaroste kvik dêja. + +8. Ne grip nâ thåt folk fon Lyda ner fon Finda an. Wr.alda skolde +helpa hjam, sa that-åt weld that fon jo utgong vppa jvwa åjne hâveda +skolde witherkvma. + +9. Sâhwersa thåt machte bêra that hja fon juwe rêd jefta awet owers +wilde, alsa aghat j to helpane hjam. Men kvmath hja to râwande; +fal than vppa tham nither lik blixenande fjvr. + +10. Sâhwersa annen fon hjam êner jvwer toghaterum to wif gêrth ånd +hju that wil, thån skolun j hja hjra dvmhêd bitjvtha; thach wil hju +toch hjra frêjar folgja, that hja than mith frêtho gâ. + +11. Willath jvw svna fon hjara toghaterum, sâ mot j alsa dva as mith +jvwa toghaterum. Thach hor tha êna nor tha ôthera mêi witherkvma; +hwand hja skoldvn uthêmeda sêda ånd plêga mith fara; ånd drêi thessa +by jo heldgad wrde, mêi ik navt longer ovir jo wâka. + +12. Vppa minre fâm Fåsta håv ik min hâp fåstegth, thêrvmbe most j hja +to êremoder nêma, Folgath j min rêd, thån skil hju nêmels min fâm +bilywa ånd alla frâna fâmna thêr hja folgja; thån skil thju foddik +nåmer utgâ thêr ik far jo vpstoken håv. Thåt ljucht thêra skil thån +êvg jvwe bryn vpklarja, ånd j skilun thån êvin fry bilyva fon vnfrya +weld as jvwa swite rinstrâma fon thåt salte wêter thêr åndelâse sê. + + + + + +THET HET FASTA SÊID. + + +Alle setma thêr en êw, thåt is hvndred jêr, omhlâpa müge mith tha +krodar ånd sin jol, thêra mügon vppa rêd thêre moder, ånd by mêna +willa vppa wêgar thêra burgum writ hwertha; send hja uppa wêgar writ, +thân send hja êwa, ånd thåt is vsa plicht vmbe altham an êra to +haldande. Kvmth nêd ånd tvang vs setma to jêvane, stridande wither +vsa êwa ånd plêgum, sâ mot månneska dva alsa hja askja; thach send +hja wêken, thån mot mån åmmer to thåt alda witherkêra. Thåt is Fryas +willa, ånd thåt mot wêsa tham fon al hjra bårn. + + + + + +FASTA SÊIDE. + + +Alle thinga, thêr mån anfangja wil, hoka thåt-åt môga wêsa, vppa tha +dêi, thêr wy Frya heldgad håwa, tham skilun êvg falykant utkvma: +nêidam tid nw biwysd heth thåt hju riucht hêde, sâ is thåt en êwa +wrdon, thåt mån svnder nêd ånd tvang a Frya hjra dêi nawet owers ni +dva ne mêi, tha blyda fêrsta fyrja. + + + + + +THAT SEND THA ÊWA THÊR TO THÊRA BURGUM HÊRA. + + +1. Sâhwersa thêr årne êne burch bvwet is, sâ mot thju foddik thêra an +tha forma foddik et Texlând vpstêken wrda. Thach thåt ne mêi nåmmer +owers as troch tha moder skên. + +2. Ek moder skil hjra åjn fâmna kjasa; alsa thêra thêr vppa thêra +ôthera burgum as moder send. + +3. Thju moder to Texlând mêi hjra folgster kjasa, thach sâhwersa hju +falth êr hju-t dên heth, sa mot thas kêren hwertha vppa êna mêna acht, +by rêdum fon alle stata et sêmne. + +4. Thju moder to Texlând mêi ên ånd tvintich fâmna ånd sjvgun spille +mangêrta håva, til thju thêr åmmer sjvgun by thêre foddik muge wâkja +dêilikes ånd thes nachtes. By tha fâmna thêr vppa ora burgum as moder +thjanja alsa fêlo. + +5. Sâhwersa en fâm annen gâda wil, sa mot hju-t thêre moder melda, +ånd bistonda to tha månniska kêra, êr hju mith hjra tochtige âdama +thåt ljucht bivvlath. + +6. Thju moder ånd alrek burchfâm skil mån tofogjande ên ånd tvintich +burchhêran, sjvgun alda wisa, sjvgun alda kåmpar, ånd sjvgun alda +sêkåmper. + +7. Ther fon skilun alle jêron to honk kêra thrim fon elik sjvgun, +thach hja ne mügon navt vpfolgath ne wertha thrvch hjara sibtal nêjar +sa tha fjarda kny. + +8. Aider mêi thrê hvndred jonga burchwêrar håva. + +9. Far thissa thjanesta skilun hja lêra Fryas tex ånd tha êwa, fon +tha wisa mannon thêne wisdom, fon tha alda hêrmannon thene kunst fon +tha orloch ånd fond tha sêkeningar thene kunsta thêr bi thåt butafâra +nêthlik send. + +10. Fon thissa wêrar skilun jêrlikes hvndred to bek kêra. Thach send +thêr svme vrlåmth wrden, sa mügon hja vpper burch bilywa hjara êlle +lêva long. + +11. By thåt kjasa fon tha wêrar ne mêi nimmen fon thêra burch nên +stem navt ne håva, ni tha grêvetmanna jefta ôthera hâveda, mån thåt +blåta folk allêna. + +12. Thju moder et Texlând skil mån jêva thrja sjvgun flinka bodon mith +thrja twilif rappa horsa. Vppa ora burgum ek burchfâm thrê bodon mith +sjvgun horsa. + +13. Ak skil åjder burchfâm håva fiftich bvwara thrvch thåt folk +akêren. Men thêrto mêi mån allêna jêva sokka, thêr navt abel ånd +stora for wêra ner to butafârar send. + +14. Ajder burch mot hiri selva bidruppa ånd genêra fon hjra åjn +ronddêl ånd fon thåt dêl that hju fon thåt mårkjeld bürth. + +15. Is thêr åmman kêren vmbe vppa burgum to thjanjande ånd nil-er navt, +thån ne mêi-er na nên burchhêr wertha, ånd dus nên stem navt ni håva, +is er al burchhêr sa skil hi thju êr vrljasa. + +16. Sâhwersa åmman rêd gêrt fon thêre moder, tha fon êne burchfâm, +sa mot hi him selva melde by tha skrivwer. Thesse brångth-im by +tha burchmâster. + +Forth mot-i nêi tha lêtsa, thåt is thêne hêlener. Thêr mot sja jef er +âk bisêken is fon kvada tochtum. Is-er god sêid, tha vndvath hi him +selva fon sinum wêpna, ånd sjvgun wêrar brångath him by thêre moder. + +17. Is thju sêk vr êne stâte sa ne mügon thêr navt miner thån thrê +bodon kvma: is-t vr-t êlla Fryaslând, thån moton thêr jeta sjvgun +tjuga bywêsa. Thêrumbe thåt er nên kva formvda navt risa ne mêi nor +skalkhêd dên ne wrde. + +18. By alle sêkum mot tha moder walda ånd njvda thåt hjra bårn, +thåt is Fryas folk, sâ mêt-rik bilywa as thåt wêsa mêi. Thåt is thi +grâtesta hjrar plichta, ånd vs alra vmb-er thêr an to hêlpande. + +19. Håt mån hja by êne rjuchtlika sêke anhropen vmb-er utsprêk twisk +annen grêvetman ånd tha mênte, ånd findath hju thju sêke tvivelik, +sâ mot hju to bâte fon thêr mênte sprêka til thju thêr frêtho kvma, +ånd thrvchtham thåt bêtre sy that ên man vnrjucht dên wrde thån fêlo. + +20. Kvmth hwa vmb rêd ånd wêt thju moder rêd, sa âch hju tham bystonda +to jêvane, wêt hju bystonda nên rêd, sâ mêi hju wachtja lêta sjvgun +dêgum. Wêt hju thån nach nên rêd, sa mügon hja hinne brûda, ånd hja +mügon hjra selva navt biklagja, til thju nên rêd bêtre is thån kva rêd. + +21. Heth en moder årge rêd jêven ut kvada willa, sâ mot mân hja dêja +jefta ut of lândum dryva stoknaken ånd blât. + +22. Send hjra burchhêra mêdeplichtich, thån dvath mån alsa mith tham. + +23. Is hjra skild tvivelik jefta blât formoda, sâ mot mån thêr-vr +thingja ånd sprêka, is-t nêdich, ên ånd twintich wyka long. Stemth tha +halfdêl skildich, sâ halde mån hja vr vnskildich, twêde sâ wacht mån +jeta en fvl jêr. Stemth mån thån alsa, sâ mêi mån hja skildich halda, +tha navt ni dêja. + +24. Sâhwersa svme among thåt thrimna send tham hja alsa sêr vnskildich +mêne that hja hja folgja wille, sâ mügon hja thåt dva mith al hjara +driwande ånd tilbara hâva ånd nåmman acht hjam thêr ovir min to +achtiane, til thju thåt mâra dêl alsa blyd kån dwâla sa thåt minra del. + + + + + +MÊNA ÊWA. + + +1. Alle frya bårn send a êlike wysa bårn. Thêrvmbe moton hja âk êlika +rjuchte håva, alsa blyd vpp-åt lând as vpp-åth ê, thåt is wêter ånd +vp ella thåt Wr.alda jefth. + +2. Allera mannalik mêi-t wif sinra kêsa frêja ånd ek toghater mêi +efter hjra helddrvnk bjada thêr hju minth. + +3. Heth hwa en wif nimth, sâ jêft mån hjam hus ånd wårv. N-is thêr nên, +sa mot-åt bvwat wrde. + +4. Is-er nêi en ôther thorp gongon vmb en wif ånd wil hi thêr bilywa, +sâ mot mån him thêr en hus en wårf jêwa bijonka thåt not fon tha +hêmrik. + +5. Allera mannalik mot mån en åfterdêl as wårf by sina hus jêva. Tha +nimman ne mêi en fardêl by sin hus nåva, fül min en ronddêl. Allêna ief +hwa en dâd dên heth to mêna nitha, sâ mêi him thåt jêven wrde. Ak mêi +sin jongste svn that erva. After tham mot thåt thorp that wither nima. + +6. Ek thorp skil en hêmrik håva nêi sina bihof ånd thêne grêva skil +njvda that alra ek sin dêl bidongth ånd god hald, til thju tha åfter +kvmmande nên skåde navt ne lyda ne muge. + +7. Ek thorp mêi en mårk hava to kâp ånd to vrkâp iefta to +wandelja. Alle-t ôra lând skil bvw ånd wald bilyva. Thâ tha bâma thêra +ne mêi nimman navt fålla, buta mêna rêda ånd buta wêta thes waldgrêva, +hwand tha walda send to mêna nitha. Thêrvmbe ne mêi nimman thêr måster +of sa. + +8. As mårkjeld ne mêi thåt thorp navt mâr ni nimma sa tha tillifte +dêl fon tha skat, hor fon tha inhêmar ner fon tha fêrhêmande. Ak ne +mêi tha mårk skat navt êr vrsellath [17] ne wertha as thåt ôra god. + +9. Alle-t mårkjeld mot jêrlikes dêlath wrde, thrja dêgan far thêre +joldêi, an hvndred dêlun to dêlande. + +10. Thi grêvetman mit sinum grêvum skil thêr of büra twintich dêla; +thêne mårk rjuchter tian dêla, ånd sinum helpar, fif dêla; thju +folkesmoder ên dêl; thju gâ moder fjvwer dêla; thåt thorp tian dêla; +tha årma, thåt is thêra tham navt wårka ni kunna ni müge, fiftich dêla. + +11. Thêra, tham to mårka kvma, ne mügon navt ni wokeria, kvmath thêr +svm, sa is-t thêra famna plicht hjam kånbêr to makjana in-vr thåt êlle +lând, til thju hja nimmerthe kêren navt wrde to eng ampt, hwand soka +håvath en gyra-lik hirte, vmbe skåt to garja skolde hja ella vrrêda, +thåt folk, thjv moder, hjara sibben ånd tho tha lesta hjara selva. + +12. Is thêr åmman alsa årg that-er sjvcht-siak fja jeftha vrdêren +wêr vrsellath vr hêl god, sa mot thene mårk-rjuchtar him wêra ånd +tha famna him noma invr-et êlle lând. + +In êra tyda hêmadon Findas folk mêst algadur invr hjara moders +bårta-lând, mit nôma ald-lând that nw vnder-ne sê lêith; hja wêron +thus fêr-of, thêrvmbe nêdon wi âk nên orloch, tha hja vrdrêven send +ånd hêinda kêmon to râwane, thâ kêm-er fon selva lândwêr hêrmanna +kêninggar ånd orloch, vr altham kêmon setma ånd uta setma kêmon êwa. + + + + + +HYR FOLGATH THA ÊWA THÊR THÊRUT TAVLIKT SEND. + + +1. Ek Fryas mot-a lêtha jeftha fyanda wêra mith aldulkera wåpne as-er +forsinna, bikvma ånd hândtêra mêi. + +2. Is en boi twilif jer, sa mot-i tha sjvgunde dêi miste fon sin +lêr-tid vmbe rêd to werthande mith-a wåpne. + +3. Is hi bikvmen, sa jêve mån him wåpne ånd hi warth to wêrar slâgen. + +4. Is hi thrê jêr wêrar, sâ wårth-i burch-hêr ånd mêi hi hêlpa sin +hâwed-manna to kjasane. + +5. Is hwa sjvgun jêr kjasar, sâ mêi hi hêlpa en hêrman jeftha kêning +to kjasane, thêr to âk kêren wrde. + +6. Alle jêr mot-er ovir kêren wertha. + +7. Buta tha kêning mügon alle ambtmanna wither kêren wertha, tham +rjucht dva ånd nêi fryas rêd. + +8. Annen kêning ne mêi navt ni lônger as thrê jêr kêning bilywa, +til thju hi navt biklywa ne mêi. + +9. Heth-i sjvgun jêr rest, sâ mêi hi wither kêren wertha. + +10. Is thi kêning thruch thene fyand fallen, sâ mügon sina sibba âk +nêi thêre êre thinga. + +11. Is-er vppa sin tid ofgvngen jeftha binna sin tid sturven, sâ ne +mêi nên sibba him vpfolgja, thêr-im nêiar sy sa tha fjarde kny. + +12. Thêra tham strida mitha wåpne an hjara handa ne kunnath navt +forsinna ånd wis bilywa, thêrvmbe ne focht-eth nêne kêning wåpne to +hantêra an tha strid. Sin wisdom mot sin wåpen wêsa ånd thju ljafte +siura kåmpona mot sin skyld wêsa. + + + + + +HYR SEND THA RJUCHTA THÊRE MODER AND THÊRA KÊNINGGAR. + + +1. Sahwersa orloch kumth, send tha moder hira bodon nêi tha kêning, +thi kêning send bodon nêi tha grêvetmanna vmbe lând-wêr. + +2. Tha grêvetmanna hropath alle burch-hêra et sêmne ånd birêdath ho +fêlo manna hja skilun stjura. + +3. Alle bisluta thêra moton ring nêi thêre moder senden wertha mith +bodon ånd tjugum. + +4. Thju moder lêth alle bisluta gaderja ånd jêfth et guldnetal, +thåt is thåt middeltal fon alle bisluta etsêmne, thêrmitha mot mån +far thåt forma frêto ha ånd thene kening alsa. + +5. Is thju wêra a kåmp, thån hoft thi kêning allêna mith sinum +havedmanna to rêda, thach thêr moton åmmerthe thrê burch-hêra fon thêre +moder fôrana sitta svnder stem. Thissa burch-hêra moton dêjalikis +bodon nêi thêre moder senda, til thju hju wêta müge jef thêr awet +dên wârth, stridande with-a êwa jeftha with Fryas rêdjevinga. + +6. Wil thi kêning dva ånd sina rêda navt, sâ mêi hi thåt navt +vnderstonda. + +7. Kvmth-ene fyand vnwarlinga, thån mot mån dva sa thene kêning bith. + +8. Nis thene kêning navt vppet pat, sâ mot mån sin folgar hêrich wêsa +of tham-is folgar alont tha lesta. + +9. Nis thêr nên havedman, sâ kjase mån hwa. + +10. Nis thêr nên tid, sâ wårpa hi him to havedman thêrim weldich +fêleth. + +11. Heth thene kêning en frêsalik folk ofslagen, sâ mügon sina after +kvmande sin nâma åfter hjara åjne fora; wil thene kêning, sâ mêi-er +vppen vnbibvwade stêd en plåk utkjasa to hus ånd erv. Thåt erv mêi +en rond-dêl wêsa sa grât thåt hi fon alle sidum sjvgun hvndred trêdun +ut of sine hus mêi hlapa, êr hi an sina rêna kvmth. + +12. Sin jongste svn mêi thåt god erva, åfte tham thamis jongste, +thån skil mån that wither nimma. + + + + + +HYR SEND THA RJUCHTA ALLER FRYAS VMBE SÊKUR TO WÊSANDE. + + +1. Sahwersa thêr êwa vrwrocht wrde jefta nêja setma tavlikt, alsa +mot-et to mêna nitha skên, men nåmmer to bâta fon enkeldera månniska, +her fon enkeldera slachta, ner fon enkeldera stâta, nach fon awet +that enkel sy. + +2. Sahwersa orloch kvmt ånd thêr wrde husa homljat jeftha skêpa, +hok that et sy, sy-et thrvch thene fyand, tha by mêna rêdum, sâ ach +tha mêna mênta, thåt is al-et folk to sêmne that wither to hêlene; +thêr vmbe that nåmman tha mêna sêka skil helpa vrljasa vmbe sin åjn +god to bihaldane. + +3. Is orloch vrthêjan, ånd send thêr svm, alsa vrdêren that hja navt +longer wårka ne mügon, sâ mot tha mêna mênte hjam vnderhalda, by tha +fêrstum achon hja forana to sittana, til thju tha jüged skil êra hjam. + +4. Send thêr wêdvon ånd wêson kêmon, sâ mot mån hja âk vnderhalda +ånd tha svna mügon thi nâma hjarar tâta vpp-ira skildum writa hjara +slachtha to êrane. + +5. Send thêr svm thrvch thene fyand fat ånd kvmath hja to båk, sâ +mot mån hjam fêr fon thåt kåmp of fora, hwand hja machton fry lêten +wêsa by arge loftum ånd than ne mügon hja hjara lofta navt ni halda +ånd toch êrlik bilywa. + +6. Jef wi selwa fyanda fâta, sâ brånge mon tham djap anda landa wêi, +mån lêrth hja vsa frya sêde. + +7. Lêt mån hja åfternêi hlâpa, sâ lêt mån thåt mith welhêd thrvch tha +fâmna dva, til thju wi âtha ånd frjunda winna fori lêtha ånd fyandun. + + + + + +UT MINNOS SKRIFTUN. + + +Sahwersa thêr ênman is thêrmêta årg that hi vsa swetsar birawath, +morth-dedun dvat, husa barnth, mangêrtha skånth, hok thåt-et sy, +thåt årg sy, ånd vsa swetnata willon thåt wroken håva, sâ is thåt +rjucht thåt mån thene dêder fâtath ånd an hjara åjn-warda dêjath, +til thju thêr vr nên orloch ne kvme, wêrthrvch tha vnskêldiga skolde +bota fori tha skêldiga. Willath hja him sin lif bihalda lêta ând +thju wrêka ofkâpja lêta, sâ mêi mån thåt dâja. Thach is then bona en +kêning, grêvetman, grêva hwa thåt-et sy, tham ovira sêda mot wâka, +sâ moton wi thåt kwad bêterja men ta bona mot sin straf hâ. + +Forth hi en êrenâma vppa sine skeld fon sina êthelun, sâ ne mügon +sina sibba thi nâma navt lônger ne fora. Thêrvmbe thåt hi êne sibba +svrg skil håva ovira sêda thêra ôthera. + + + + + +ÊWA FARA STJURAR [18]. STJURAR IS THI ÈRENOMA THÊRA BUTAFARAR. + + +Alle fryas svna håva lika rjuchta, thêrvmb mügon âlle flinka knâpa +hjara self as butafârar melda by tha ôldermôn ånd thisse ne mêi him +nit ofwisa, wara thåt er nên sted is. + +2. Tha stjurar mügon hjara åjn måstrun noma. + +3. Tha kâpljvd moton kêren ånd binomath wertha thrvch tha mênte +thêr-et god hêreth ånd tha stjurar ne mügon thêr by nên stem håva. + +4. Jef mån vppe rêis bifinth thåt thene kêning årg jefta vnbikvmmen +is, sâ mügon hja en ôra nimma; kvmon hja to båk, sâ mêi thene kêning +him self biklagja by tha ôldermôn. + +5. Kvmth thêr flâte to honk ånd sin thêr bâta, sâ moton tha stjurar +thêr of en thrimene håva, althus to dêlande, thi witkêning twilf môn-is +dêla, thi skolt by nacht sjugun dêla, tha bôtmônna ek twa dêla, thi +skiprun ek thrê dêla, that ôra skip-is folk ek ên dêl. Tha jongste +prentar ek en thrimnath, tha midlosta ek en half-dêl ånd tha ôldesta +ek en twêdnath. + +6. Sin thêr svme vrlameth, sâ mot-a mêna mênte njvda far hjara lif, +âk moton hja fôrana sitta by tha mêna fêrsta, by huslika fêrsta, +jâ by alle fêrsta. + +7. Sin thêr vppa tocht vmkume, sâ moton hjara nêstun hjara dêl erva. + +8. Sin thêr wêdven ånd wêson fon kvmen, sâ mot thju mênte hja +vnderhalda; sin hja an ênre kase felth, sa mügon tha svna thi nôma +hjarar tâta vppira skeldun fora. + +9. Sin thêr prentara [19] forfaren, sa moton sina erva en êl mannis +dêl håva. + +10. Was hi forsêith, sâ mêi sin brud sjugun mannis dêlun aska vmbe +hira fryadulf en stên to to wjande, mar thån mot hja for tha êre +wêdve bilyva lêva lông. + +11. Sahwersa en mênte en flåte to rêth, moton tha rêdar njvda fâra +beste liftochtun ånd fâr wif ånd bårn. + +12. Jef en stjurar of ånd årm is, ånd hi heth hus nach erv, sâ mot +im that jon wertha. Nil hy nên hus nach erv, sa mügon sin friundun +hem tus nêma ånd thju mênte mot et bêtera nêi sina ståt, wara thåt +sin friunda thene bâta wêigerja + + + + + +NETLIKA SÊKA UT-A NÊILÊTNE SKRIFTUM MINNOS. + + +Minno [20] was en alde sêkêning, sjaner ånd wisgyrich. An tha +Krêtar heth-i êwa jêven. Hi is bårn an tha Lindawrda, ånd nêi al sin +witherfâra heth hi thåt luk noten umbe to Lindahêm to sterva. + +Sahwersa vsa swethnata en dêl lând håve jeftha wêtir, that vs god +tolikt, sa focht-et vs vmbe that a kâp to frêja, nillath hja thåt navt +ne dva, than mot mån hja that bihalda lêta. That is nêi Frya-his tex +ånd-et skolde vnrjucht wêsa to vnthandana that. + +Sahwersa thêr swethnata et sêmna kyva ånd sana vr enga sêka, tha +vr lând, ånd hja vs frêja en ordêl to sprêka, sa ach man thåt rêder +åfterwêja to lêtane, tach sa man thêr navt buta ne kan, sa mot man +thåt êrlik ånd rjuchtfêrdich dva. + +Kvmth thêr hwa ånd sêith, ik håv orloch, nw most-v mi helpa; jeftha en +ôra kvmth ånd sêith, min svn is vnjêrich ånd vnbikvmmen, ånd ik bin +ald, nw wild-ik thi to wâranstew ovir hini ånd ovir min lând stålla, +til hi jêrich sy, sa ach man that wêigarja, til thju wi nawt an twist +ne kvme ne müge vr sêka stridande with vsa frya sêdum. + +Sahwersa thêr kvmth en vrlandisk kapman vppa tolêtmårk et Wyringga +tha to Almanland ånd hi bidroght, sa warth-er bistonda mårk-bêten ånd +kanbêr mâkad trvch tha fâmna invr et êle land. Kvmth-er thån to båk, sa +ne skil nimman kâpja fon him, hy mêi hinne brûda sa-r kvmen is. Thus, +sahwersa-r kâpljud kêren wrde vmbe wr-a merka to gâ, jeftha mith-e +flât to fârane, sa ach man allêna aldulkera to kjasane tham mån tyge +by tyge kånth ånd an en goda hrop stâne by tha fâmna. Bêrth-et navt +to min that-er en årg man mông sy, tham tha ljud bitrogha wil, sa +agon tha ora thåt to wêrane. Het-i-t-al dên sa mot mån thåt bêterja, +ånd thene misdêdar ut of lândum banna, til thju vsa nâma vral mith +êrane skil wertha binomath. + +Men jef wir vs vppen vrlandiska mårkt finda, sy-et hêinde jeftha fêr, +ånd bêrth-et thåt-et folk vs lêt dvath jeftha bistêlleth, sâ agon wy +mith haste hêi to to slâna, hwand afskên wy êlla agon to dvande vmbe +frêtho willa, vsa halfbrothar ne mügon vs nimmer minachtja nach wâna +that wi ange send. + +In min jüged håv ik wel ênis mort overa bånda thêra êwa, åfter håv ik +Frya often tanked vr hjra tex, ånd vsa êthla vr tha êwa thêr thêrnêi +tavlikt send. + +Wr.alda jeftha Alfoder heth mi fêlo jêren jêven, invr fêlo landa ånd +sêa håv ik omme fâren ånd nêi al hwa ik sjan hå, bin ik vrtjûgad that +wi allêna trvch Alfoder utforkêren send, êwa to håvande. Lydas folk +ne mêi nên êwa to mâkjande ni to hâldande, hja send to dvm ånd wild +thêrto. Fêlo slachta Findas send snôd enoch, men hja send gyrich, +hâchfârande, falsk, vnkûs ånd mortsjochtich. Poga blêsath hjara selva +vppa, ånd hja ne mügath nawet than krupa. Forska hropath wårk, wårk, +ånd hja ne dvath nawet as hippa ånd kluchtmâkja. Tha roka hropath +spâr, spâr, men hja stêlon ånd vrslynath al wat vnder hjara snavela +kvmath. Lik al tham is thåt Findas folk, hja bogath immer ovir goda +êwa; ek wil setma mâkja vmb-et kwâd to wêrane, men selva nil nimman +theran bonden wêsa. Thêra hwam-his gâst that lestigoste sy ånd +thêrtrvch sterik, tham-his hône krêjath kêning ånd tha ôra moton +alwenna an sin weld vnderwurpen wêsa, til en ôther kvmth thêr-im +fon-a sêtel drywet. Thåt word êwa is to frân vmbe an mêna sêka to +nomande. Thervmbe heth mån vs êvin sega lêrth. Êwa thåt sêit setma +thêr bi aller månniska êlik an hjara mod prenth send, til thju hja +müge wêta hwat rjucht ånd vnrjucht sy ånd hwêrtrhvch hja weldich send +vmbe hjara åjne dêda ånd tham fon ôrum to birjuchtande, thåt wil sedsa +alsanâka hja god ånd navt misdêdich vpbrocht send. Ak is-er jet-en ôra +sin an fåst. Êwa seit ak, êlik wêter-lik; rjucht ånd sljucht as wêter +that thrvch nên stornewind jeftha awet owers vrstoren is. Warth wêter +vrstoren, sa warth-et vnêwa, vnrjucht, men et nygt êvg vmbe wither êwa +to werthande, that lêith an sin fonselvhêd, alsa tha nygung to rjucht +ånd frydom in Fryas bern leith. Thessa nygung håvath wi trvch Wr.aldas +gâst, vsa foders, thêr in Fryas bern bogth, thêrvm be skil hju vs âk +êvg biklywa. Êwa is âk thet ôra sinnebyld fon Wr.aldas gâst, thêr êvg +rjucht ånd vnforstoren bilywath, afskên-et an lichême årg to gêit. Êwa +ånd vnforstoren send tha mårka thêra wisdom ånd rjuchtfêrdichhêd thêr +fon alla frêmo månniska socht ånd trvch alla rjuchtera bisêten wrden +mot. Willath tha månniska thus setma ånd domar mâkja, thêr alan god +bilywa ånd allerwêikes, sa moton hja êlik wêsa to fara alle månniska; +nêi thisse êwa achath tha rjuchtera hjara ordêl ut to kêthande. Is +thêr eng kwâd dên, hwêrvr nên êwa tavlikt send, sa mot mån êne mêna +acht bilidsa; thêr ordêlth mån nêi tha sin thêr Wr.aldas gâst an vs +kêth vmbe over ella rjuchtfêrdich to birjuchtande, althus to dvande +ne skil vs ordêl nåmmer fâlikant ut ne kvma. Ne dvath mån nên rjucht +men vnrjucht, alsa rist thêr twist ånd twispalt emong tha månniska +ånd stâta, thêrut sprût inlandiska orloch, hwêrthrvch ella homljath +ånd vrdåren wårth. Men, o dvmhêd. Dâhwila wi to dvande send ekkorum +to skâdane, kvmth-et nidige folk Findas mith hjara falska presterum +jvw hâva to râwande, jvwa toghatera to skåndane, jvwa sêda to vrdva +ånd to tha lesta klåppath hja slâvona banda om jahwelikes frya hals. + + + + + +UT-A SKRIFTA MINNOS. + + +Tha Nyhellênia [21] tham fon hira åjn nôme Min-erva hête, god sêten +was ånd tha Krêkalander [22] hja to met even hårde minade as vs +åjn folk, thâ kêmon thêr svme forsta ånd prestera vppe-ra burch +ånd frêjon Min-erva hwêr of hjra erva lêjon. Nyhellênia andere, +mina erva drêg ik om in mina bosm, hwåt ik urven håv is ljafde vr +wisdom, rjucht ånd frydom, håv ik tham vrlêren, alsa ben ik êlik +an tha minniste jvvar slâvonena. Nw jêv ik rêd vm nawet, men than +skold ik vrkâpja tham. Tha hêra gvngon wêi, ånd hripon al lakande, +jvwer hêroga thjanra, wisa Hellênia. Thach thêrmitha miston hja +hjara dol, hwand thåt folk thåt hja minnade ånd hja folgade, nam +this nôme to-n êre nôme an. Tha hja sâgon thåt hjara skot mist hêde, +thâ gvngon hja hja bihlvda ånd sêidon that hju-t folk hexnad hêde, +men vs folk ånd tha goda Krêkalandar wêrde aller wêikes that-et laster +wêre. Enis kêmon hja ånd frêgon, as thv thån nên thjonster ne biste, +hwat dêist thân mitha åjar tham thv altid bi thi heste. Min-erva +andere, thisse åjar send that sinebyld fon Fryas rêdjêvinga, wêrin +vsa tokvmste forholen hlêit ånd fon êl thåt månneskalik slachte; tid +mot hja utbroda ånd wi moton wâka thåt-er nên lêth an ne kvmth. Tha +prestera, god sêid; men hwêrto thjanath thene hund an thina fêra +hand. Hellênia andere, heth thene hårder nên skêper vmbe sin kidde at +sêmene to haldande? hwat thene hvnd is inna thjanest thes skêphårder, +bin ik in Fryas tjanest, ik mot ovir Fryas kidde wâka. That likath vs +god to, sêdon tha prestera; men seg vs, hwat is thju bitjvtenise fon +thi nachtule, ther immer boppa thin hole sit, is that ljuchtskvwande +djar altomet thet têken thinra klârsjanhêd. Nêan andere Hellênia, +hi helpt my hügja that er en slach fon månniska ovir hirtha omme +dwâlth, thêr evin lik hi in kårka ånd hola hêma; thêr an tjuster +frota, tach navt as hi, vmb vs fon mûsa ånd ôra plåga to helpane, +men renka to forsinna, tha ôra månniska hjara witskip to râwane, til +thju hja tham to bêtre müge fâta vmber slavona fon to mâkjande ånd +hjara blod ut to sûgane, even as vampyra dva. Enis kêmon hja mith en +benda folk. Pest was over-et land kvmen, hja sêidon, wi alle send to +dvande, tha Goda to offerja, til thju hja pest wêra müge. Nilst thv +then navt ne helpa hjara grimskip to stilane, jeftha hethste pest +selva ovir-et lând brocht mith thinra kunsta. Nêan sêide Min-erva, +men ik ne kån nêne goda, thêr årg dvande send; thêrvmbe ne kan ik navt +frêja jef hja beter wrda willa. Ik kån ên gode, thåt is Wr.aldas gâst; +men thrvch tham er god is, dvath-er âk nen kwâd. Hwanath kvmth-et kwâd +thån wêi, frêjath tha prestera. Allet kwâd kvmth fon jow ånd fon thêre +dvmhêd thêra månniska, tham hjara selva fon jow fensa lêta. Jef thin +drochten thån sâ bjustre god is, wêrvmb wêrther-et kwâd thån navt, +frêjath tha prestera. Hellenia andere, Frya het vs vppe wêi brocht +ånd thene kroder thåt is tid, tham mot thåt ovrige dva. With alle +rampum is rêd ånd help to findande, tha Wr.alda wil thåt wi hja +selva soka skilon, til thju wi sterik skile wertha ånd wis. Nillath +wi navt, thån lêt-er vsa trul ut trulla, til thju wi skilon erfâra, +hwat nêi wisa dêdum ånd hwat nêi dvma dêdum folgath. Tha sêide-ne +forst, ik skolde wâna, that wêre betre, that to wêrande. Hwel müglik, +andere Hellênia, hwand than skolde tha månniska bilywa lik tåmade +skêpa; thv ånd tha prestera skolde-r than hoda willa, men âk skêra +ånd nêi thêre slacht benke fora. Tach alsa nil-t vs drochten navt, +hi wil that wi ekkorum helpa, men hi wil âk thåt jahweder fry sy ånd +wis wrde. Thåt is âk vsa wille, thêrvmbe kjasth vs folk sin forsta, +grêva, rêdjêvar ånd alle bâsa ånd mâstera ut-a wisesta thêra goda +månniska, til thju allemånnalik sin best skil dva vmbe wis ånd god to +werthande. Althus to dvande skilun wi ênis wêta ånd anda folka lêra, +that wis wêsa ånd wis dva allêna lêith to salichhêd. That likt en +ordêl, sêidon tha prestera, men aste nv mênste, that pest thrvch +vsa dvmhêd kvmth, skolde Nyhellênia thån wel sa god wêsa wille, +vmbe vs ewat fon thåt nya ljucht to lênande, hwêr vppa hju sa stolte +is. Jes sêide Hellênia; tha rokka ånd ôra füglon kvmath allêna falla +vp vûl âs, men pest minth navt allêna vûl âs, men vûla sêd-plegum ånd +fangnisa. Wilstv nv that pest fon-i wika ånd na wither ne kvma, thån +mostv tha fangnisa wêi dva, ånd that i alla rên wrde fon binna ånd fon +bûta. Wi willath bilâwa thåt thin rêd god sy, sêidon tha prestera, +men seg vs, ho skilum wi thêr alla månniska to krêja, thêr vnder vs +weld send. Tha stand Hellênia vp fon hira sêtel ånd kêth: Tha muska +folgath thene sêjar, tha folka hjara goda forsta, thêrvmbe ach-stv +to bijinnande mith thin selva ålsa rên to mâkjande, that stv thinna +blikka in ånd utward mêi rjuchta svnder skâmrâd to werthande to fara +thin åjn mod. Men in stêde fon thåt folk rên to mâkjande heste vûla +fêrsta utfonden, hwêr vppa thåt folk al sa nâka sûpth, that hja to +lesta lik tha barga annath slip frota, vmbe that stv thin vûla lusta +bota mêi. Thåt folk bigost to jolande ånd to spotande. Thêr thrvch ne +thuradon hja nên strid wither an to spinnande. Nv skolde åjder wâna, +thåt hja vral-et folk to hâpe hropen hêde vmbe vs algadur to-t land ut +to driwande. Nêan an stêde fon hja to bihluda gvngon hja allerwêikes, +âk to tha hêinde Krêkalana til tha Alpa ut to kêthane, thåt et thene +allervrste drochten hâgth hêde sin wisa toghater Min-erva, to nômth +Nyhellênia êmong tha månniska to sendane in overa sê mith-en ulk, +vmbe tha manniska gode rêd to jêvane ånd that allermannalik, thêr +hja hêra wilde, rik ånd lukich skolde wertha, ånd ênis bâs skolde +wertha ovir alle kêningkrik irtha.s. Hira byldnese ståldon hja vppe +hjara åltårum, jeftha hja vrsellade-t anda dvma månniska. Hja kêthon +allerwêikes rêd-jêvinga, thêr hju nimmer jêven hêde, ånd tåladon +wondera, thêr hju nå dên hêde. Thrvch lesta wiston hja-ra selva master +to mâkjande fon vsa êwa ånd setma, ånd thrvch wankêthinga wiston hja +alles to wisa ånd to vrbruda. Hja ståldon âk fâmma vnder hjara hode, +tha skinber vndere hoda fon Fåsta [23] vsa forma êre moder, vmbe over +thåt frâna ljucht to wâkane. Men thåt ljucht hêde hja selva vpstoken, +ånd in stêde fon tha fâmkes wis to mâkjande, ånd afternêi êmong +thåt folk to senda, ta sjaka to lêvande ånd tha bårn to lêrande, +mâkadon hja-ra dvm ånd dimme bi-t ljucht ånd ne machten hja nâ buta +ne kvma. Ak wrdon hja to rêdjêvstare brukath, tach thi rêd was by +skin ut hjara mvlun; hwand hjara mvla wêron navt owers as tha hropar, +hwêr trvch tha prestera hjara gêrta utkêthon. + +Tha Nyhellênia fallen was, wilden wi en ore moder kjasa, svme wildon +nêi Texlând vmbe thêr êne to frêjande, men tha prestera tham by hira +åjn folk thåt rik wither in hêde, nildon that ni hengja ånd kêthon +vs by-ra folk as vn-frâna ut. + + + + + +III. UT-A SKRIFTA MINNOS. + + +Tha-k althus wêi faren was mith mina ljvd fon Athenia, kêmon wi to tha +lesta an en êland thrvch min ljvd Krêta hêten vm-a wilda krêta tham +et folk anhyv by vsa kvmste. Tha as hja sagon thåt wi nên orloch an-t +skêld foron, wrdon hja mak, alsa-k et lest far en bota mit yserark en +havesmode ånd en stada land wandelde. Thach tha wi en stut sêten hêde +ånd hja spêradon that wi nên slavona nêde, tha wêron hja vrstålath, +men tha-k-ra nw talt hêde that wi êwa hêdon êlik to birjuchtande vr +alla, tha wilde-t folk âk fon sokka hâ. Tach skêrs hêdon hja tham, +jefta thåt êlle land kêm anda tys. Tha forsta ånd prestera kêmon +bârja, that wi hjara tjvth over hêrich mâkad hêde ånd thåt folk kêm +to vs vmbe hul ånd skul. Tach thâ tha forsta sagon thåt hja hjara +rik vrljasa skolda, thâ jêvon hja thåt folk frydom ånd kêmon to my +vmb-en êsega bok. Thach thåt folk was nên frydom wenth ånd tha hêra +bilêvon welda nêi that ir god thochte. Thâ thi storn wr wêr, bigoston +hja twispalt among vs to sêja. Hja sêidon to min folk that ik hjara +help anhropen hêde vmbe standfåst kêning to werthande. Enis fand ik +gif in min met, thâ as er ênis en skip fon-t Fly by vs vrsêilde, ben +ik thêrmith stolkens hinne brith.--Tach min witherfara to lêtande, +sa wil-k mith thesa skêdnesa allêna sêga, that wi navt müge hêma mith +et Findas folk fon wêr thåt et sy, hwand thåt hja fvl send mith falska +renka, êwa to frêsane as hjara swête wina mith dêjande fenin. + + + Ende wra skrifta Minnos. + + + + + +HIR VNDER SEND THRÊ WÊTA, THÊR AFTER SEND THISSA SETMA MAKAD. + + +1. Allera mannalik wêt, thåt i sin bihof mot, men wårth åmmon sin bihof +vnthalden, sa nêt nên man hwat er skil dva vmbe sin lif to bihaldande. + +2. Alle elte minniska werthat drongen a bårn to têlande, wårth that +wêrth, sa nêt nim man wath årges thêrof kvme mei. + +3. Alrek wêt thåt-i fry ånd vnforlêth wil lêva, ånd that ôre that âk +wille. Umbe sekur to wêsande send thesa setma ånd domar makad. + +Thåt folk Findas heth âk setma ånd domar: men thissa ne send navt nêi +tha rjucht, men allêna to bâta thêra prestera ånd forsta, thana send +hjara stâta immerthe fvl twispalt ånd mord. + +1. Sahwersa imman nâd heth ånd hi ne kan him selva navt ne helpe, +sa moton tha fâmna thåt kvndich dva an tha grêva. Thêrfar thåt et en +stolte Fryas navt ne focht thåt selva to dva. + +2. Sa hwa årm wårth thrvch tham hi navt wårka nil, thêr mot to thåt +lând ut drêven wertha, hwand tha låfa ånd loma send lestich ånd årg +tånkande: thêrvmbe âch mån to wêrane tham. + +3. Jahwêder jong kerdel âch en brud to sêka ånd is er fif ånd twintich +sa âcht-er en wif to håva. + +4. Is hwa fif ånd twintich, ånd heth er nên êngâ, sa âch ek man him +ut sin hus to wêrane. Ta knâpa âchon him te formyda. Nimth er thån +nach nên êngâ, sâ mot mån hin dâd sêga, til thju hi ut of lande brude +ånd hir nên årgenese nêva ne mêi. + +5. Is hwa wrak, thån mot-er avbêr sêga, that nimman fon him to frêsane +nach to duchtane heth. Sâ mêi er kvma hwêr er wil. + +6. Plêcht er åfternêi hordom, sâ mêi-r fluchta, ne fluchter navt, sâ +is er an tha wrêke thêr bitrogna vrlêten, ånd nimman ne mêi helpa him. + +7. Sahwersa åmmon eng god heth, ånd en ôther likt that thermête that +i him thêran vrfate, sa mot-i thåt thrja vrjelda. Stêlth-i jeta rêis, +thån mot hi nêi tha tinlânum. Wil thene bistêlne him fry jêva, sâ +mêi-r thåt dva. Tha bêrth et wither sa ne mêi nimman him frydom jêva. + + + + + +THISSA DOMAR SEND MAKAD FARA NYDIGA MANNISKA. + + +1. Sa hwa in hâste mode tha ut nid an nen otheris lêja brekth, âgna +ut stât, jeftha thoth, hok thåt et sy, sa mot thi lêtha bitallja +hwat thene lêdar askth. Ne kan hi håt ni dva, sâ mot-er avbêr an im +dên wertha, sa hi an thene ôre dêth. Nil hi thåt navt ut ne stonda, +sa mot-i him to sina burch-fâm wenda, jef-i inna yser jeftha tin lâna +mêi werka til sin skeld an sy, nêi thêr mêne dom. + +2. Jef ther imman fvnden wårth alsa årg that-i en Fryas felth, hi +mot et mit sina lif bitallja. Kan sina burch-fâm hin far altid nei +tha tinlâna helpa êr er fat wrde, sy mêi thåt dva. + +3. Sahwersa thi bona mêi biwisa mith vrkånda tju-gum that et by vnluk +skên is, sa skil hi fry wêsa, men bêrth et jetta rêis, sa mot i tach +nêi tha tinlânum, til thju mân thêr thrvch formitha all vnerimde +wrêka ånd fêitha. + + + + + +THIS SEND DOMAR FARA HORNINGA. + + +1. Hwa en ôtheris hvs ut nid thene râde hôn anstekt nis nên Fryas, +hi is en horning mith basterde blod. Mêi mån hin bi thêr dêd bifâra, +sa mot mån hin vppet fjvr werpa. Hy mêi flya sa-r kån tach nårne +skil-i sêkur wêsa fara wrêkande hand. + +2. Nên åfta Fryas skil ovira misslêga sinra nêste malja nach kalta. Is +hwa misdêdoch far-im selva, tha navt frêselik far en ôra, sâ mêi hi +him selva riuchta. Wårth-i alsa årg that er frêslik wårth, sa mot mån-t +anda grêva bara; men is thêr hwa thêr en ôther åfterbåkis bitighat in +stêde fon-t to dvande by tha grêva, tham is en horning. Vpper mårk +mot-i anda pêle bvnden wrde, sa that et jong folk im anspêja mêi; +åfter lâdath mån him overa mårka, men navt nêi tha tinlâna, thrvch +that en êrerâwer âk is to frêsane. + +3. Sahwersa thêr ênis imman wêre sa årg that i vs gvng vrrêde by tha +fyand, pâda ånd to pâda wes, vmbe vsa flyburga to nâka, jeftha thes +nachtis thêrin to glupa, tham wêre allêna wrocht ut Findas blod. Him +skolde mån mota barna. Tha stjurar skoldon sin måm ånd al sina sibba +nêi en fêr êland mota brånga ånd thêr sin ask forstuva, til thju-r +hyr nên feninige krûdon fon waxa ne müge. Tha fâmna moton thån sin +nâm utspêja in vr al vsa stâta, til thju nên bårn sin nâm ne krêje +ånd tha alda him müge vrwerpa. + +Orloch was vrtigen, men nêd was kvmen an sin stêd. Nw wêron hyr thrê +månniska thêr-ek en buda kêren stêlon fon asvndergane êjnhêra. Tha +hja wrdon alle fat. Nw gong thene êrosta to ånd brocht thene thjaf by +tha skelte. Tha fâmna thêr-vr kêthande sêidon allerwêis, that i dên +hêde nêi rjucht. Thi ôra nom thene thjaf thåt kêren of ånd lêth im +forth mith frêto. Tha fåmna sêidon, hi heth wel dên. Men thi thredde +êjnhêr gvng nêi tha thjaf sin hus thâ. Asser nw sach ho nêd thêr +sin sêtel vpstålth hêde, thâ gvng hi to båk ånd kêrde wither mith en +wêin fol nêdthreftum, thêr hi nêd mith fon thêre hêrd of driwe. Fryas +fâmna hêdon by him omme wârath ånd sin dêd an dat êvge bok skrêven, +dahwile hja al sina lêka ut fâchth hêde. Thju êremoder was et sêid +ånd hju lêt het kvndich dva thrvch thåt êle lând. + + + + + +THAT HYR VNDER STAT IS IN UT THA WAGAR THÊRE WARABURGH WRITEN. + + +(Zie plaat I.) + +Hwat hyr boppa ståt send thi têkna fon thåt jol. Thåt is thåt forma +sinnebild Wr.aldas, âk fon t-anfang jeftha-t bijin, wêrut tid kêm, +thåt is thene Kroder thêr êvg mith thåt jol mot ommehlâpa. Thana +heth Frya thåt standskrift mâkad, thåt hja brukte to hira tex. Thâ +Fåsta êremoder wêre, heth hju-r thåt run ieftha hlâpande skrift fon +mâkad. Ther Witkêning thåt is Sêkêning, Godfrêiath thene alda heth +thêr asvndergana telnomar fon mâkad fâr stand ånd rvnskrift bêde. T is +thêrvmbe navt to drok that wi-r jêrliks ênis fêst vr fyrja. Wy mügon +Wr.alda êvg thank to wya thåt hi sin gâst sa herde in vr vsa êthla +heth fâra lêtn. Vnder hira tid heth Finda âk en skrift utfvnden, +men thåt wêre sa hâgfârende ånd fvl mith frisla ånd krolum, thåt +tha afterkvmanda thêrof thju bitjudnese ring vrlêren hâve. Afternêi +håvon hja vs skrift lêred binoma tha Finna, tha Thyrjar ånd tha +Krekalander. Men hja niston navt god, thåt-et fon et jol mâkad was ånd +that-et thêrumbe altid skrêven wrde moste mith son om. Thêrby wildon +hja thåt hjara skrift vnlêsbêr skolde wêsa far ora folkum, hwand hja +håvath altid hêmnesa. Thus to dvanda send hja herde fon-a wis râkath, +thêrmêtha, that ta bårn tha skriftun hjarar aldrum amper lêsa en mûga; +dahwile wy vsa alderaldesta skriftun êvin rêd lêsa mûga as thêra thêr +jester skrêven send. + +Hir is thåt stand skrift, thêrvnder thåt run skrift, forth tha tålnomar +a byder wisa. + +(Zie plaat II.) + + + + + +THAT STÊT VP ALLE BURGUM ESKRÊVEN. + + +Êr thêre årge tid kêm was vs lånd thåt skênneste in wr.alda. Svnne +rês hager ånd thêr was sjelden frost. Anda bâma ånd trêjon waxton +frügda ând nochta, thêr nw vrlêren send. Among tha gårs-sêdum hedon +wi navt alena kêren, ljaver ånd blyde, men âk swete thêr lik gold +blikte ånd thåt mån vndera svnnastrêla bakja kvste. Jêron ne wrde +navt ne telath, hwand thåt êne jêr was alsa blyd as et ôthera. An +tha êne side wrdon wi thrvch Wr.aldas sê bisloten, hwêrvp nên folk +buta vs navt fara ne mochte nach kvnde. Anda ôre side wrden wi thrvch +thåt brêde Twisklând vmtunad, hwêr thrvch thåt Findas folk navt kvma +ne thvradon, fon ovira tichta walda ånd ovir it wilde kwik. By morne +paldon wi ovir it uter ende thes aster-sê, by êvind an thene middelsê, +alsa wi buta tha littiga wel twelif grâta swete rinstrama hêdon, vs +thrvch Wr.alda jêven vmb vs lând elte to haldane ånd vmb us wigandlik +folk tha wêi to wisana nêi sina sê. + +Tha owira thissar rin strama wrdon tomet algadur thrvch vs folk +bisêton, âk tha fjelda an thju Rêne fon-t êna enda alon et ôre +ende thâ. + +To jenst-vr tha Dênamarka ånd that Juttarlând hêdon wi folkplantinga +mith en burchfâm, dâna wonon wi kâper ånd yser, bijvnka târ, påk +ånd svma ôr bihof. To jenst vr vs formêlich Westland thêr hêdon wi +Brittanja mith sina tinlâna. Brittanja thåt was thåt lând thêra +bannalinga, thêr mith hulpe hjarar burchfâm wêi brith wêron vmbe +hira lif to bihâldana. Thach for that hja navt to båk kvma ne skolde, +warth er êrost en B to fâra hjara står priked, tha bana mith râde blod +farve ånd tha ôra misdêdar mith blâwe farve. Buta ånd bihalva hêdon vsa +stjurar ånd kâpljvd mêni loge anda hêinde Krêkalanda ånd to Lydia. In +vr Lydia thêr send tha swarta minniska. Thâ vs lând sâ rum ånd grât +wêre, hêdon wi fêlo asondergana nâmon. Thêra tham saton biâsten tha +Dênemarka wrdon Juttar hêton, uthâvede hja tomet navt owers ne dêdon +as barn-stên juta. Hja tham thêr saton vppa êlanda wrdon Lêtne hêten, +thrvchdam hja mêst al vrlêten lêvadon. Alle strând ånd skor hêmar +fon-a Dênemarka alont thêre Såndfal nw Skelda wrdon Stjurar [24], +Sêkåmpar [25] ånd Angelara [26] hêton. Angelara sâ hêton mân to +fora tha butafiskar vmbe that hja alan mith angel jefta kol fiskton +ånd nimmer nên netum. Thêra thêr thâna til tha hêinde Krêkalânda +sâton, wrdon blât Kâd-hêmar hêten, thrvch tham hja ninmerthe buta +foron. Thêra thêr in da hâge marka sâton, thêr anna Twisklanda pâlon, +wrdon Saxmanna hêton, uthâwede hja immer wêpned wêron vr thåt wilde +kwik ånd vrwildarda Britne. Thêr to boppa hêdon wi tha nôma Landsâton, +Mârsata [27] ånd Holtjefta Wodsâta. + + + + + +HO ARGE TID KÊM. + + +Hêl thene sümer was svnne åftere wolkum skolen, as wilde hja irtha +navt ne sja. Wind reston in sina bûdar, werthrvch rêk ånd stom lik sêla +boppa hus ånd polon stand. Loft wårth althus drov ånd dimme, ånd inna +tha hirta thêra månniska was blydskip nach früchda. To midden thisre +stilnise fång irtha an to bêvande lik as hju stårvande wêre. Berga +splyton fon ekkorum to spêjande fjvr ånd logha, ôra svnkon in hira skât +del, ånd thêr hju êrost fjelda hêde; hêjade hju berga vppa. Aldland +[28] trvch tha stjurar Atland hêten svnk nyther ånd thåt wilde hef +stâpton alsa nâka wr berg ånd dêlon, that ella vndere sê bidvlwen +wêre. Fêlo månniska wrdon in irtha bidobben, ånd fêlo thêr et fjvr +vnkêmen wêron, kêmon thêrnêi innet wêter vm. Navt allêna inda landa +Findas spêidon berga fjvr, men âk in-t Twisk-land. Walda bårnadon +thêrthrvch åfter ekkorum ånd thâ wind dâna wêi kêm, thâ wâjadon vsa +landa fvl ask. Rinstrâma wrdon vrlêid ånd by hjara mvda kêmon nêja +êlanda fon sand ånd drivande kwik. Thrju jêr was irtha alsa to lydande; +men tha hju bêter wêre macht mån hira vvnda sja. Fêlo landa wêron +vrsvnken, ôra uta sê rêsen ånd thåt Twisk-land to fâra-n halfdêl +vntwalt. Bånda Findas folk kêmon tha lêtogha rumtne bifâra. Vsa +wêibritne vrdon vrdelgen jefta hja wrdon hjara harlinga. Thâ warth +wâkandom vs dvbbeld boden ånd tid lêrd vs that êndracht vsa stårikste +burch is. + + + + + +THIT STÊT INNA WARABURCH BY THÊRE ALDEGA MVDA WRYT. + + +Thju wâraburch nis nên fâmnaburch, men thêr in wrdon alla uthêmeda +ånd vrlandeska thinga wârath, thêr mitbrocht binne thrvch tha +stjurar. Hju is thri pêla, thåt is en half ty sûdwarth fon Mêdêa-sblik +lêgen. Alsa is thåt fôrword: berga nygath thinna krunna, wolka ånd +strâma wên. Jes. Skênland [29] blôst, slâvona folka stôppath vppat +thin klât, o Frya. + + + Alsa is thju skêdnesse. + + +100 ånd 1 jêr [30] nêi that âldland svnken is, kêm thêr ut-et âsta en +folk wêi. Thåt folk was vrdrêven thrvch en ôther folk, åfter vs twisk +land krêjon hja twispalt, hja skifton hjara selva an twam hâpa, ek hêr +gvng sines wêiges. Fon-t êne dêl nis nên tâl to vs ne kêmen, men thåt +ôre dêl fyl åfter to vs Skênland. Skênland was sunnich bifolkath, +ånd anda åfter-kâd thåt sunnichste fon al. Thêrvmbe machton hja-t +svnder strid wrwinna, ånd uthâwede hja ôwers nên lêth ne dêdon, +nildon wi thêrvr nên orloch hâ. Nw wi hjam håvon kånna lêred, +sâ willath wi ovir hjara sêda skriwa, åfternêi ho-t vs mith hjam +forgungen is. Thåt folk was navt ne wild lik fêlo slachta Findas, +men êlik anda Égipta-landar, hja håvath prestera lik tham ånd nw hja +kårka håve âk byldon. Tha prestera send tha engosta hêra, hja hêton +hjara selva Mâgjara, hjara aller ovirste hêt Magy, hi is hâvedprester +ånd kêning mith ên, allet ôre folk is nul in-t siffer ånd êllik ånd +al vnder hjara weld. Thåt folk nêth navt ênis en nôme, thrvch vs send +hja Finna hêten, hwand afskên hjara fêrsta algadur drov ånd blodich +send, thach send hja thêr alsa fin vp, that wi thêr bi åfter stâne, +forth ne send hja navt to binydane, hwand hja send slâvona fon tha +presterum ånd jeta fül årger fon hjara mêninga. Hja mênath that ella +fvl kvada gâston is, thêr inda månniska ånd djara gluppe, men fon +Wr.aldas gâst nêton hja nawet. Hja håvath stêne wêpne, tha Magjara +kâpra. Tha Magjara tellath that hja tha årge gâston banna ånd vrbanna +mügon, thêr vr is-t folk ôlan in ange frêse ånd vppira wêsa nis nimmer +nên blydskip to bisjan. Thâ hja god sêten wêron, sochton tha Magjara +athskip bi vs, hja bogadon vp vsa tâl ånd sêdum, vp vs fja ånd vppa vs +ysere wêpne, thêr hja gêrn to fori hjara goldun ånd sulvere syrhedum +wandela wilde, ånd hjara tjoth hildon hja immerthe binna tha pêlon, +men thåt vrskalkton vsa wâkendom. Achtantich jêr forther, just wêr-et +jol-fêrste, thêr kêmon hja vnwarlinge lik snêi thrvch stornewind drêwen +ovir vsa landa to runnande. Thêr navt flya machton wrdon vrdên, Frya +wårth anhropen, men tha Skênlandar hêdon hira rêd warlâsed. Thâ wrdon +kråfta sâmlath, thri pêlun fon Goda-his burch [31] wrdon hja wither +stonden, tha orloch bilêv. Kât jefta Kâter-inne, alsa hête thju fâm, +thêr burchfâm to Goda burch was. Kât was stolte ånd hâchfâranda, +thêrvmbe ne lêt hju nên rêd ni follistar anda Moder ne frêja. Men +thâ tha burchhêra thåt fâta, thâ svndon hja selva bodon nêi Texlând +nêi thêre Moder thâ. Minna alsa was thêre Moder-is nôme, lêt âla tha +stjurar mânja ånd âl-et othera jongk folk fon Ast-flyland ånd fon +tha Dênnemarkum. Ut thesse tocht is thju skydnese fon Wodin bern, +sa-r vppa burgum wryten is ånd hir êskrêven. Anda Alder-gâmude [32] +thêr reste en alde sêkåning. Sterik was sin nôme ånd tha hrop vr sina +dêda was grât. Thisse alde rob hêde thrê nêva; Wodin thene aldeste +hêmde to Lumka-mâkja [33] bi thêre Ê-mude to Ast-flyland by sin eldrum +t-us. Ênes was er hêrman wêst. Tünis ånd Inka wêron sêkåmper ånd just +nw bi hjara fåderja anda Aldergâ-mude t-vs. As tha jonga kåmpar nw +bi ekkôrum kêmon, kêron hja Wodin to hjara hêrman jefta kåning ut, +ånd tha sêkåmpar kêron Tünis to-ra sêkåning ånd Inka to hjara skelte +bî thêr nacht. Tha stjurar gvngon thâ nêi tha Dênnemarka fâra, thêr +nâmon hja Wodin mith sin wigandlika landwêr in. Wînd was rum ånd alsa +wêron hja an en âmerîng [34] to Skên land. Thâ tha northeska brothar ra +selva by-m fogath hêde, dêlde Wodîn sin weldich hêr an thri wiga. Frya +was hjara wêpenhrop ånd sâ hi båkward sloch tha Finnen ånd Mâgjara +as of et bårn wêron. Thâ thene Mâgy fornôm ho sin ljvd al ombrocht +wrdon, thâ sand hi bodon mith ståf ånd krone. Hja sêidon to Wodin, +o thv alra grâteste thêra kåningar, wi send skeldich, thach al hwat +wi dên håve is ut nêd dên. Je mêne that wi jvw brothar willengklik +anfat håve, men wi send thrvch vsa fyanda forth-fêtereth ånd thi alle +send vs jeta vppa hakka. Wi håvath often helpe an thinre burchfâm +frêjath, men hja neth vs navt ne meld. Thene Mâgy sêith, sâ hwersa +wi ekkôrum to tha hålte vrdva, sâ skilun tha wilda skephårdar kêmon +ånd vs algâdur vrdva. Thene Mâgy heth fül rikdom, men hi heth sjan +that Frya weldiger is as al vsa gâston et sêmine. Hi wil sin hâved in +hira skât del ledsa. Thv bist thene wigandlikste kåning irthas, thin +folk is fon yser. Warth vsa kåning ånd wi alle willath thin slâvona +wêsa. Hwat skolde that êr-rik fâr-i wêsa, aste tha wilda wither to +låk driwa koste, vsa sêfyra skolde-t rondblêsa ånd vsa mâra skoldon +jv vral fârut gâ. + +Wodin was sterik, wost ånd wigandlîk, men hi nas navt klâr sjande, +thêrthrvch wårth i in hjar mêra fvngen ånd thrvch thene Mâgy +kroneth. Rju fêlo stjurar ånd land-wêrar, tham thisse kêr navt ne +sinde, brûdon stolkes hinne, Kât mith nêmande, men Kât thêr navt to +fâra thêre Moder ner to fâra thêre mêna acht forskine nilde, jompade +wr bord. Thâ kêm stornewind ånd fêtere tha skêpa vppa skorra fonna +Dennemarkum del svnder enkel man to mistane. Afternêi håvon hja tha +strêt Kâtsgat [35] hêten. Thâ Wodin kroned was, gvng-er vppa wilda +lôs; thi wêron al rutar, lik een hêjel buje kêmon hja ajn Wodin-is +hêr, men lik en twyrne wind wendon hja omme ånd ne thvradon nâ wither +forskina. As Wodin nw to båk kêm, jav thene Mâgy him sin toghater to-n +wîf. Afternei wårth-i mith krûdon birêkad, men thêr wêron tawerkrûdon +mong, hwand Wodin warth bi grâdum alsa sêr vrmêten, that-i Frya ånd +Wraldas gâst miskåna ând spota thvrade, thawyla hi sin frya hals bog +to fâra falska drochten-likande byldum. Sin rik hilde sjvgun jêr, thâ +vrdwind-ir. Thene Mâgy sêide that-er mong hjara godon [36] vpnimeth +wêre, ånd that hi fon thêr over hjam welda, men vs folk lakton vmbe +tin tâl. Thâ Wodin en stût wêi wêst hêde, kêm thêr twispalt, wi wildon +en ôra kåning kjasa, men thåt nilde thene Mâgy navt me hengja. Hi +wêrde that et en rjucht wêre, him thrvch sina drochtne jêven. Buta ånd +bihalva thissa twist, sa was thêr jet-ên emong sin Mâgjara ånd Finna, +thêr Frya ner Wodin êra navt nilde, men thi Mâgy dêde as-t im sinde, +hwand sin toghater hêde en svn bi Wodin wvnen, ând nw wilde thene +Mâgy that thisse fon en hâge kom-of wêsa skolde. Thawyla alle sanade +ånd twista, krônade hi thene knâp to kåning ånd stålade hin sels as +foged ånd foramond jefta rêdjêvar an. Thêra thêr mâr hildon fon hjara +balg as fon thåt rjucht, tham lêton him bidobba, men tha goda brûdon +wêi. Fêlo Mâgjara flodon mith hjara ljvda båk ward, ånd tha stjurar +gvngon to skip ånd en hêr fon drista Finna gvngen as rojar mitha. + +Nw kvmath tha skêdnese fon nêf Tünis ånd sin nêf Inka êrost rjucht +vppet pat. + + + + + +THIT ELLA STET NAVT ALLÊNA VPPER WARABURGH MEN OK TO THÊRE BURCH +STAVIA, THÊR IS LIDSEN AFTERE HAVE FON STAVRE. + + +Tha Tünis mith sinum skêpum to honk kêra wilde, gvng-i thet forma vppa +Dânnemarka of, men hi ne macht thêr navt ne landa, thåt hêde thju Moder +bisjowath. Ak et Flyland ne macht-er navt ne landa ånd forth nårne. Hi +skold alsa mith sinum ljvdum fon lek ånd brek omkomth håve, thêr vmbe +gvngon hja thes nachtis tha landa birâwa ånd fâra bi dêi. Alsa alinga +thêre kâd forth farande kêmon hja to thêre folkplanting Kâdik [37], +althus hêten vmbe that hjara have thrvch êne stênene kâdik formath +was. Hir selladon hja allerhanne liftochta, men Tutja thju burchfâm +nilde navt dâja that hja-ra selva nither setta. Thâ hja rêd wêron +krêjon hja twist. Tünis wilde thrvch thju strête fon tha middelsê +vmbe to fârane fâr tha rika kåning fon Egiptalandum, lik hi wel +êr dên hêde, men Inka sêide, that-i sin nocht hêde fon al et Findas +folk. Inka mênde that er byskin wel en hach dêl fon Atland by wysa fon +êland vrbilêwen skolde wêsa, thêr hi mith tha ljvdum frêthoch lêva +machte. As tha bêda nêva-t-althus navt ênes wrde koste, gvng Tünis +to ånd stek en râde fône in-t strând, ånd Inka êne blâwe. Thêr åfter +macht jahwêder kjasa, hwam ek folgja wilde, ånd wonder, by Inka thêr +en gryns hêde vmbe tha kåningar fon Findas folk to thjanja, hlipon +tha mâsta Finna ånd Mâgjara ovir. As hja nw thåt folk tellath ånd +tha skêpa thêr nêi dêlath hêde, tha skêdon tha flâta fon ekkorum; +fon nêf Tünis is åfternêi tâl kêmen, fon nêf Inka ninmer. + +Nêf Tünis for allinggen thêre kâd al thrvch thju porte thêre +middelsê. Tha Atland svnken is, was-t-inna middelsê ra owera âk årg +to gvngen. Thêrthrvch wêron thêr fêlo månniska fon-t Findas land +nêi vsa hêinde ånd fêre Krêkalanda kvmen ånd âk fêlo fon Lyda-his +land. Thêr åjn wêron âk fêlo fon vs folk nêi Lydas land gvngon. Thåt +ella hêde wrocht, that tha hêinde ånd fêre Krêkalanda far thåt weld +hêre Moder vrlêren was. Thêr hêde Tünis vp rêkned. Thêrvmbe wilde +hi thêr en gode hâve kjasa ånd fon thêr ut fara rikka forsta fâra, +men thrvchdam sine flâte ånd sin folk sa wanhâven utsagon, mêndon tha +Kâdhêmer that hja râwera wêron, ånd thêrvmbe wrdon hja vral wêrath. Tha +to tha lesta kêmon hja an to Phonisivs kâd, that wêre 100 ånd 93 jêr +[38] nêi Âtland svnken is. Nêi bi thêre kâd fvndon hja en êland mith +twam diapa slinka, alsa-t as thrju êlanda utsach. Vppet midloste thêra +staldon hja hjara skula vp, åfternêi bvwadon hja thêr en burchwal +om to. As hja thêran nw en nôme jêva wilde, wrdon hja vnênes, svme +wild-et Fryasburch hêta, ôra Nêf tünia, men tha Mâgjara ånd tha Finna +bâdon thåt skolde Thyrhisburch [39] hête. Thyr [40] alsa hêton hja +ên hjarar drochtena ånd vppe tham-is jêrdêi wêron hja thêr land, +to wither-jeld wildon hja Tünis êvg as hjara kåning bikånne. Tünis +lêt im bilêsa ånd tha ôra nildon thêrvr nên orloch ne hâ. Thâ hja nw +god sâton, thâ sandon hja svme alde stjvrar ånd mâgjara ana wâl ånd +forthnêi thêre burch Sydon, men that forma nildon tha Kâdhêmar nawet +fon-ra nêta. Thv bist fêrhêmanda swårvar sêidon hja, thêr wi navt +hachta ne müge. Tha thâ wi hjam fon vsa ysera wêpne vrsella wilde, +gvng to lersta ella god, âk wêron hja sêr ny nêi vsa bårnstênum ånd +thåt frêja thêr nêi nam nên ende. Men Tünis thêr fårsjande wêre, +bårde that er nên ysere wêpne ner bårnstêne mâr hêde. Thâ kêmon tha +kâpljvd ånd bâdon hi skolde twintich skêpa jêva, thêr hja alle mith-a +finneste wêrum tho hrêda wilde, ånd hja wildon him alsa fêlo ljvda +to rojar jêva as-er jêrde. Twê-lif skêpa lêt-i-to hrêda mith win +hvning ånd tomâkad lêther, thêr bi wêron tåmar ånd sitlun mith gold +wrtêin sa mån hja ninmer nêde sjan. Mith al thi skåt fyl Tünis thåt +Flymar binna. Thi grêvaman fon Westflyland wårth thrvch al thessa +thinga bigâstered, hi wrochte that Tünis bi thêre mvde fon-t Flymar +en loge bvwa mâchte, åfternêi is thju stêd Almanaland [41] heten +ånd tha mark thêr hja åfternêi to Wyringgâ [42] vp wandelja machton +tolêtmark. Thju Moder rêde that wi ra ella vrkâpja skolde buta ysere +wêpne, men mån ne melde hja navt. Thâ tha Tyrjar thus fry spel hêdon, +kêmon hja âlan wither to farand vsa wêron sâ hêinde as fêre vsa ajn +sêkåmpar to skâdne. Thêråfter is bisloten vpper mêna acht, jêrlikes +sjvgun Thyrjar skêpa to to lêtane ånd navt mar. + + + + + +HWAT THÊR OF WRDEN IS. + + +Inner northlikste herne fon tha Middelsê, thêr lêid en êland +by thêre kâd. Nw kêmon hja thåt a kâp to frêjande. Thêrvr wårth +ene mêna acht bilêid. Moder-is rêd wårth wnnen, men Moder sach ra +lyast fêr of. Thêrvmbe mênde hju that er nên kwâ an stek, thach as +wi åfternêi sâgon ho wi misdên hêde håvon wi thåt êland Missellja +[43] hêten. Hiråfter skil blika ho wi thêr to rêde hêde. Tha Gola, +[44] alsa heton tha såndalinga prestera Sydon-is, tha Gola hêdon +wel sjan thet et land thêr skares bifolkad was ånd fêr fon thêre +Moder wêre. Vmb ira selva nw en gode skin to jêvane, lêton hja ra +selva in vsa tâl ana trowe wydena hêta, men that wêre bêtre wêst, +as hja ra selva fon thêre trowe wendena nômath hêde, jefta kirt wei +trjuwendne lik vsa stjurar lêter dên håve. Thâ hja wel sêton wêron, +tha wandeldon hjara kâpljuda skêne kâpre wêpne ånd allerlêja syrhêdon +to fara vsa ysere wêpne ånd wilde djara huda, wêrfon in vsa suder landa +fêlo to bikvma wêron. Men tha Gola fyradon allerhâna wla drochtenlika +fêrsta ând to tyadon tha kadhêmar thêra thrvch todvan hjarar horiga +manghêrtne ånd tha swêt hêd fon hjara fininnige win. Was thêr hwa +fon vs folk thêr-et alsa årg vrbrud hêde, that sin lif in frêse +kêm, than lênadon tha gola him hul ånd foradon him nêi Phonisia, +that is palmland. Was hi thêr sêten, thån most-i an sina sibba ånd +âtha skriwa, that-et land sâ god wêre ând tha månniska sâ luklik, as +ninmån hin selva mocht forbylde. A Brittannja wêron rju fêlo manna, +tha lith wiva, thâ tha Gola that wiston, lêton hja alwêis manghêrtne +skâka ånd thessa javon hja tha Britne vmb nawet. Thach al thissa +manghêrtne wêron hjara thjansterum, thêr tha bern fon Wrâlda stolon +vmb-ar an hjara falske drochtne to jêvane. + + + + + +NW WILLATH WI SKRIWA VR THA ORLOCH THÊRA BURCHFAMNA KALTA AND MIN-ERVA + + +And ho wi thêr thrvch al vsa sûderlanda ånd Brittanja anda Gola +vrlêren håve. + +Bi thêre Sûder-rên-mvda ånd thêre Skelda, thêr send sjvgun ålanda, +nômath nêi Fryas sjvgum wâkfâmkes there wêk. Middel vppet êne åland is +thju burch [45] Walhallagâra, inut tha wâgrum thêra is thju folgjande +skêdnesse wrîten. Thêr bvppa stêt: lês, lêr ånd wâk. + +563 jêr [46] nêi âldland svnken is, sat hir en wise burch fâm, +Min-erva was hira nôma. Thrvch tha stjurar Nyhellênja tonômath. This +tonôma was god kêren, hwand tha rêd, thêr hju lênade, was ny ånd hel +bvppa alle ôtherum. Overa Skelda et thêre Flyburch sat Syrhêd. Thjus +fâm was fvl renka, skên was r-anhlith ånd kwik was hira tvnge, +men thi rêd thêr hju jef, was immer in thjustere worde. Thêr vmbe +warth hju thrvch tha stjurar Kålta hêten, tha landsâta mênadon that +et en êrnôma wêra. Inna ûtroste wille thêre vrsturvene Moder stand +Rôsa-mvda thet forma, Min-erva thet twêde ånd Syrhêd thet thredde as +folgstere biskreven. Min-erva nêde thêr nên wit fon, men Syrhêd was +er thrvch knaked. Lik en wrlandeske forstinne wilde hju êrath frêsath +ånd bêden wêsa, men Min-erva wilde enkel minth wêsa. To tha lesta +kêmon alle stjurar hiri hjara held bjada, selva fon tha Dena-marka +ånd fon-t Flymar. That vvnde Syrhêd, hwand hju wilde bvppa Min-erva +utminthja. Til thju mån en grôte thånk ovir hira wâkendum håva skolde, +myk [47] hju ennen hôna vpper fâne. Thâ gvng Min-erva to ånd myk en +hårder hvnd ånd en nachtul in vppira fâne. Thene hvnd sêide hju wâkt +ovir sin hêr ånd ovira kidda ånd thene nachtul wâkt ovira fjelda til +thju hja thrvch tha musa navt vrdên ne wrde. Men thene hôna neth +far nimman frjundskip, ånd thrvch sin vntocht ånd hâchfârenhêd is +er vaken thene bâna sinra nêista sibba wrden. As Kalta sach that er +wårk falikant ut kêm, to gvng hju fon kwad to årger. Stolkes lêt hju +Mâgjara to hiri kvma vmbe tâwery to lârane. As hju thêr hira nocht +fon hêde, werpte hju hira selva anda årma thêra Golum, thach fon +al thi misdêdon ne macht hju navt bêtre ne wrde. As hju sach that +tha stjurar mâr ånd mâr fon iri wêke, tha wilde hju ra thrvch frêse +winna. Was tha mône fvl ånd thene sê vnstumich, than hlip hju over +et wilde hef, tha stjurar to hropande that hja alle skolde vrgân, +sahwersa hja hiri navt anbidda nilde. Forth vrblinde hju hira âgun +hwêr thrvch hja wêter fori land ånd land fori wêter hildon, thêrthrvch +is mâni skip vrgvngen mith mån ånd mus. Vppet forma wêrfêrste tha al +hira landsâta wêpned wêron, lêt hju bårga bjar skånka, in thåt bjar +hêde hju tâverdrank dên. As et folk nv algâdur drunken wêre, gvng hju +bvppen vp hira stridhros standa, to lênande mith hira hole tojenst hira +spêri, môrnerâd ne kv navt skêner. Tha hja sach that alle ôgon vpper +fåstigath wêron êpende hju hira wêra ånd kêth, svnum ånd thogatrum +Fryas, i wêt wel that wi inna lerste tyd fûl lek ånd brek lêden håve, +thrvchdam tha stjurar navt lônger kvme vmb vs skriffilt to vrsella, men +i nête navt hwêrthrvch et kvmen is. Lông håv ik my thêr vr inhalden, +thach nv kån-k-e tnavt lônger ôn. Hark then frjunda til thju i wêta +müge hwêrnêi i bita mêi. Anda ôra syde thêre Skelda hwêr hja tomet +tha fêrt fon alle sêa håve, thêr mâkath hja hjvd dêgon skriffilt fon +pompa blêdar, thêr mith sparath hja linnent ut ånd kånnath hja vs wel +miste. Nêidam thåt skriffilt mâkja nv alti vs grâteste bydriv wêst is, +sâ heth thju Moder wilt that mån et vs lêra skolde. Men Minerva heth +al et folk bihexnath, jes bihexnath frjunda, ivin as al vs fja thåt +låsten sturven is. Er-ut mot-et, ik wil thi tella, nas-k nên burchfâm +ik skold et wel wêta, ik skolde thju hex in hjara nest vrbarne. Thâ +hju thi lerste worda ut hêde, spode hju hira selva nêi hira burch tha, +men thåt vrdrvnken folk was althus dênera bigâstered, that et vr sin +rêde navt mocht to wâkane. In dvl-dryste iver gvngon hja overa Sand +fal ånd nêidam nacht midlerwil del strêk gvngon hja evin drist vpper +burch lôs. Thach Kålta miste al hwither hira dol, hwand Minerva ånd +hira fâmna ånd tha foddik wrdon alle thrvch tha råppa stjurar hreth. + + + + + +HIRBY KVMTH THA SKÊDNESSE FON JON. + + +Jon, Jôn, Jhon ånd Jân is al ên mith jêven, thach thet lêit anda +utsprêk thêra stjurar, thêr thrvch wenhêd ellas bikirta vmbit fâra ånd +hard hropa to mvgane. Jon thåt is jêva was sêkêning, bern to-t-Aldergâ, +to-t Flymar ut fâren mith 100 ånd 27 skêpum, tohrêth fâr en grôte +butarêis, rik to lêden mith bårnstên, tin, kâper, yser, lêken, linnent, +filt, fâmna filt fon otter, bêver ånd kanina hêr. Nw skold er fon +hir jeta skriffilt mith nimma; tha to Jon hir kêm ånd sach ho Kålta +vsa rom rika burch vrdên hêde, thâ wårther sâ uter mête heftich, that +er mith al sinum ljudum vpper Flyburch of gvng ånd thêr to witterjeld +thene râda hône an stek. Men thrvch sin skelta bi nacht ånd svme sinra +ljudum wårth thju foddik ånd tha fåmna hret. Tach Syrhêd jefta Kålta +ne mochton hja navt to fâtane, hju klvwde vppa utroste tinne, jahweder +tochte that hju inna logha omkvma moste, thâ hwat bêrde? Dahwile al +hira ljuda ståk ånd stif fon skrik standon, kêm hju skêner as â-to +fora vp hira klêppar to hropande nêi Kålta min-âis [48]. Thâ strâmada +thåt ora Skelde folk to hâpa. As tha stjurar that sâgon hripon hja fâr +Minerva wy. En orloch is thêrut kvmen, hwêrthrvch thvsande fallen send. + +Under thesse tidon was Rôsamond thåt is Rôsa mvda Moder, hju hêde +fûl in thêre minne dên vmbe frêtho to wârja, tach nw-t alsa årg kêm, +myk hju kirte mête. Bistonda sand hju bodun thrvch tha land pâla +ånd lêt en mêna nêdban utkètha, thâ kêmon thâ landwêrar ut alle wrda +wêi. Thåt strydande land folk wårth al fat, men Jon burch hin selva +mith sin ljud vppa sina flâte, mith nimand bêda tha foddika, byonka +Minerva ånd tha fâmna fon bêdar burchum. Helprik thene hêrman lêt-im +in banna, men tha hwila alle wêrar jeta o-ra Skelda wêron for Jon +to bek nêi-t Flymar ånd forth wither nêi vsa ålandum. Sin ljud ånd +fêlo fon vs folk namon wif ånd bern skêp, ånd as Jon nw sach that +mån hin ånd sin ljud lik misdêdar strafja wilde, brudon hi stolkes +hinne. Hi dêde rjucht, hwand al vsa landar ånd allet ora Skelda folk +thêr fjuchten hêdon wrdon nêi Brittanja brocht. Thius stap was mis dên, +hwand nv kêm t-anfang fon thåt ende: + +Kålta thêr nêi-t segse êven blyd vppet wêter as vppet land hlâpa +machte, gvng nêi tha fåsta wal, ånd forth vppa Missellja of. Thâ kêmon +tha Gola mith hjara skepum ut-a Middelsê Kâdik bifâra ånd êl vs uter +land, forth fylon hja vp ånd over Brittannja thach hja ne mochton thêr +nên fåsta fot ne krêja, vmbe thåt tha sjvrda weldich ånd tha bannalinga +jeta fryas wêron. Men nw kêm Kålta ånd kêth, thv bist fry bern ånd vmbe +litha lêka heth mån thi to vrwurpene mâkad, navt vmbe thi to bêterja, +men vmbe tin to winnande thrvch thina handa. Wilst wêr fry wêsa ånd +vnder mina rêd ånd hoda lêva, tjån ut then, wêpne skilun thi wrda, +ånd ik skil wâka o-er thi. Lik blixen fjur gvng et o-era ålanda, ånd +êr thes Kroders jol ênis omhlâpen hêde, was hju mâsterinne over al +gadur ånd tha Thyrjar fon al vsa suder stâta til thêre Sêjene. [49] +Vmbe that Kålta hira selva navt to fül bitrowada, lêt hju in-et +northlika berchland êne burch bvwa Kålta-s burch wårth hju hêten, hju +is jet anwêsa, men nv hêt hja Kêren-åk. Fon thjus burch welde hju lik +en efte moder, navt to wille fâr men over hira folgar ånd tham hjara +selva forth Kåltana [50] hêton. Men tha Gola weldon by grâdon over êl +Brittanja, thåt kêm ênis dêlis that hju nên mâr burga nêde, twyas that +hju thêr nên burchfâmna nêde ånd thryas thrvchdam hju nên efte foddik +navt nêde. Thrvch al thessa êrsêka kvn hira folk navt ni lêra, thåt +wrde dvm ånd dor ånd wrde endelik thrvch tha Gola fon al hira ysera +wêpne birâwath ånd to thåt lesta lik en buhl by thêre nôse omme lêid. + + + + + +NV WILLATH WI SKRIVA HO-T JON VRGVNGEN IS, THIT STÊT TO TEXLAND +SKRÊVEN. + + +10 jêr åfter Jon wêi brit was, kêmon hyr thrju skêpa in-t Flymar falla, +thåt folk hrip ho-n-sêjen, fon hira tålinga heth thju Moder thit skrywa +lêten. Thâ Jon antha Middelsê kêm was then mâra thêra Gola hin vral +fâr ut gvngen, alsa hi an thêri kâd fon tha hêinda Krêkalanda nårne +fêlich nêre. Hi stêk thus mith sinum flâte nêi Lydia, thåt is Lyda his +lând, thêr wildon tha swarta månniska fâta hjam ånd êta. To tha lesta +kêmon hja et Thyrhis, men Minerva sêide hald of, hwand hir is thju loft +ôlangne vrpest thrvch tha prestera. Thi kåning was fon Tünis ofstamed, +sâ wi lêter hêrdon, men til thju tha prestera en kåning wilde håve thêr +alderlangne nêi hjara bigrip wêre, alsa hêde hja Tünis to en gode up +hêjad, to årgnisse sinra folgar. As hja nv Thyr åfter bek wêre, kêmon, +tha Thyriar en skip uta åfte hoda râwa, nêidam thåt skip to fêr was, +kvndon wi-t navt wither wina, men Jon swor wrêka thêrvr. Tha nacht +kêm kêrde Jon nêi tha fêre Krêkalandum, to lesten kêmon hja by en +land thåt bjustre skryl ut sa, men hja fondon thêr en havesmvda. Hir +sêide Minerva skil by skin nên frêse to fara forstum nach presterum +nêdich wêsa, nêidam hja algadur feta etta minna, thach thâ hja inner +have hlipon fonth mån hja navt rum noch vmbe alle skêpa to bislûta, +ånd thach wêron mêst alle to låf vmbe wider to gane. Alsa gvng Jon +thêr forth wilde mith sin spêr ånd fône thåt jongk folk to hropande, +hwa willinglik bi-m skâra wilde. Minerva thêr biliwa wilde dêde +alsa. Thåt grâteste dêl gvng nêi Minerva, men tha jonggoste stjurar +gvngon by Jon. Jon nam thêre foddik fon Kålta ånd hira fâmna mitha, +ånd Minerva hild hira ajn foddik ånd hira ajn fâmna. + +Bitwiska tha fêrum ånd heinda Krêkalandum fand Jon svma êlanda thêr +im likte, vppet grâteste gvng-er inna tha walda twisk thåt berchta en +burch bvwa. Fon uta litha êlanda gvng-er ut wrêka tha Thyrjar skêpa +ånd landa birâwa, thêrvmbe send tha êlanda evin blyd Râwer êlanda, +as Jonhis êlanda [51] hêten. + +Tha Minerva thåt land bisjan hêde, thåt thrvch tha inhêmar Attika is +hêten, sach hju that thåt folk al jêita hoder wêron, hja hildon hjara +lif mith flesk, krûdum, wilde wotelum ånd hvning. Hja wêron mith felum +tekad ånd hju hêdon hjara skula vppa hellinga thêra bergum. Thêrthrvch +send hja thrvch vs folk Hellinggar hêten. + +Thåt forma gvngon hja vppa run, tha as hja sâgon that wi navt ne +tâldon nêi hjara skåt, thâ kêmon hja tobek ånd lêton grâte âtskip +blika. Minerva frêjde jef wi vs in thêre minna machte nither +setta. That wrde to staden vnder biding that wi skolde helpa hjam +with hjara swetsar to stridande, thêr alan kêmon hjara bern to +skâkana ånd hjara skât to râwana. Thâ bvwadon wi êne burch arhalf +pâl fon thêr have. Vppa rêd Minervas wårth hju Athenia [52] heten: +hwand sêide hju, tha åfter kvmand agon to wêtane, that wi hir navt +thrvch lest ner weld kvmen send, men lik âtha vntfongen. Dahwile wi +an thêre burch wrochton kêmon tha forsta, as hja hja nv sagon that +wi nên slavona hêde, sind er sok navt, ånd lêton-t an Minerva blika, +til thju hja tochton that en forstene wêre. Men Minerva frêja, ho bist +wel an thina slâvona kvmen? Hja andere, svme håvath wi kâpad, ôra anna +strid wnnen. Minerva sêide, sâhwersa ninman månneska kâpja nilda sa +ne skolde ninman jvw bern râwa ånd i ne skolda thêrvr nên orloch håve, +wilst thus vsa harlinga biliwa sâ mot-i thina slâvona fry lêta. + +That nv willath tha forsta navt, hja willath vs wêi driwa. Men thâ +klokeste hjarar ljuda kvmath helpa vsa burch ta bvmande, thêr wi nv +fon stên mâkja. + +Thit is thju skêdnesse fon Jon ånd Minerva. + +As hja that nw ella tellad hêde, frêjath hja mith êrbjadenesse vm +yrsene burchwêpne, hwand sêidon hja vsa lêtha send weldich, tha sa +wi efta wâpne håve, skillon wi ra wel wither worda. As hju thêran +to stemad hêde, frêjath tha ljuda jef tha Fryas sêda to Athenia ånd +tha ôra Krêkalanda bloja skolde, thju Moder andere, jef tha fêre +Krêkalanda to tha erva Fryas hêra, alsa skilum hja thêr bloja, ne +hêrath hja navt thêr to, alsa skil thêr lang over kåmpad wrda mote, +hwand thene kroder skil jeva fifthusand jêr mith sin Jol ommehlâpa, +bifara thåt Findas folk rip to fâra frydom sy. [53] + + + + + +THIT IS OVER THA GÊRTMANNA. + + +Thâ Hellênja jefta Minerva sturven was, tha bâradon tha prestera +as jef hja mith vs wêron, til thju that hel blika skolde havon hja +Hellênia to-ne godene ute kêth. Ak nildon hja nêne ore Moder kjasa +lêta, to segande, hja hêde frêse that er emong hira fâmna nimman wêre, +thêr hja sa god kvnde trowa as Minerva thêr Nyhellênia tonomt was. Men +wi nildon Minerva navt as êne godene navt bikånna, nêidam hja selva +seid hêde that nimman god jefta fvlkvma wêsa ne kvnde thån Wr.aldas +gâst. Thêrumbe kêron wi Gêrt Pire his toghater to vsa Moder ut. + +As tha prestera sagon that hja hjara hering navt vp vsa fjvr brêda +ne mochton, thâ gvngon hja buta Athenia ånd sêidon that wi Minerva +navt to-ne godene bikåna nilda ut nyd, vmbe that hju tha inhêmar +sâ fûl ljafde biwêsen hede. Forth javon hja that folk byldnisse fon +hira liknese, tjûgande that hja thêrlan ella frêja machte alsa naka +hja hêroch bilewon. Thrvch al thissa tellinga warth thåt dvma folk +fon vs ofkêrad ånd to tha lesta fylon hja vs to lif. Men wi hêdon vsa +stêne burchwal mith twam hornum om têjen al to tha sê. Hja ne machton +vs thervmbe navt nâka. Thach hwat bêrde, an Êgiptalanda thêr wêre en +overprester, hel fon âgnum, klâr fon bryn ånd licht fon gâst, sin nâm +wêre Sêkrops, [54] hy kêm vmb rêd to jêvane. As Sêkrops sach that er +mith sinum ljuda vsa wal navt biranna ne kv, thâ sand hi bodon nêi +Thyrhis. Afternêi kêmon er thrja hvndred skipun fvl salt-âtha fon +tha wilde berchfolkum vnwarlinga, vsa hâva bifâra, dahwila wy mith +alle mannum vppa wallum to strydande wêron. + +Drêi as hja thju hâva innomth hêde wildon tha wilda salt-âtha thåt +thorp ånd vsa skipa birâwa. Ên salt-âthe hêde al en bukja skånd, +men Sêkrops wilde thåt navt ne hångja, ånd tha Thyrjar stjurar thêr +jeta Fryas blod int lif hêde sêidon, aste that dêiste sâ skilun +wi tha râde hône in vsa skypa stêka ånd thv ne skilst thina berga +na withera-sja. Sêkrops tham navt ne hilde ni fon morthja nor fon +hommelja, sand bodon nêi Gêrt vmbir tha burch of to askja, hju +macht frya uttochte hâ mith al hira drywande ånd bêrande hâva, hira +folgar alsa fül. Tha wista thêra burchhêrum êl god sjande thåt hja +tha burch navt hâlda ne kvnde, rêden Gêrt hja skolde gaw to bitta, +bi fira Sêkrops wodin wrde ånd overs bigvnde, thrê mônatha åfter +brûde Gêrt hinne mith tha alder besta Fryas bern ånd sjugum wara twilf +skypum. Thâ hja en stût buta thêre have wêron kêmon thêr wel thritich +skêpun fon Thyrhis mit wif ånd bern. Hja wilde nêi Athênia gâ, tha as +hja hêrdon ha-t thêr eskêpen stande gvngon hja mit Gêrt. Thi wêtking +thêra Thyrjar brocht algadur thrvch tha strête [55] thêr vnder thisse +tida vppa tha râde sê uthlip. Et leste lândon hja et Pangab, that is +in vsa sprêke fif wêtervm, vmbe that fif rinstrâma mith hiri nêi tha +sê to strâme. Hyr seton hja hjara selva nithar. That lånd håvon hja +Gêrtmannja hêton. Thene kêning fon Thyrhis åfternêi sjande that sin +alderbesta stjurar wei brit wêren sand al sin skipa mith sina wilde +saltâtha vmb-er dâd jefta lêvand to fâtane. Men as hjå by thêre strête +kêm bêvadon bêde sê ånd irtha. Forth hêf irtha hira lif thêr vppa, +sâ hâg that al et wêter to thêre strête uthlip, ånd that alle wata +ånd skorra lik en burchwal to fâra hjam vp rêson. That skêde over +tha Gêrtmanna hjara dügda lik as allera mannalik hel ånd klâr mêi sja. + + + + + +AN THA JÊRA 1000 AND 5 [56] NÊI ALDLAND SVNKEN IS, IS THIT VPP-INA +ASTERWACH IT FRYAS BURCH WRITEN. + + +Nêi that wi in twilif jêr tid nên Krêkalandar to Almanlând sjân +hêde, kêmon thêr thrju skêpa sa syrlik as wi nên hêdon ånd to fara +nimmer nêde sjan. Vppet storoste thêra wêre-n kêning thêra Jhonhis +êlandum. Sin nôme wêre Ulysus ånd tha hrop ovir sin wisdom grât. This +kêning was thrvch êne presteresse forsêid, that er kêning wertha +skolde ovir alla Krêkalanda sa-r rêd wiste vmbe-n foddik to krêjande, +thêr vpstêken was anda foddik it Texland. Vmbe-r to fensane hêder +fêle skåta mith brocht, boppa ella fâmne syrhêdum, alsa thêr in +wralda navt skênener mâkad wrde. Hja kêmon fon Troja en stede tham +tha Krêkalandar innimth hêdon. Al thissa skåta bâd hi tha Moder an, +men thju Moder nilde nârne fon nêta. As er to lesta sa, that hju navt +to winne wêre, gvng er nêi Walhallagara [57]. + +Thêr was en fâm sêten, hjra nôme wêre Kât, tha inna wandel wrde hju +Kalip [58] hêten ut hawede that hjara vnderlip as en utkikbored +farutståk. Thêrby heth er jêron hwilth to årgenisse fon al tham +et wiston. Nêi thêra fâmna hrop heth er to lesta en foddik fon hir +krêjen, tha hja heth im navt ne bât, hwand as er in sê kêm is sin +skip vrgvngon ånd hy nâked ånd blât vpnimth thrvch tha ôthera skêpa. + +Fon thisse kêning is hyr en skryver åfterbilêwen fon rên Fryas blod, +bårn to thêre nêie have fon Athênia ånd hwat hyr folgath het er vs +fon ovir Athênia skrêven, thêrut mêi mån bisluta, ho wêr thja Moder +Hel-licht sproken heth, thâ hja sêide thåt Fryas sêda to Athênia nên +stand holde ne kvste. + +Fon tha ôthera Krêkalander hetste sêkur fül kwâd ovir Sêkrops hêred, +hwand hi wêre in nên gode hrop. Men ik dâr segse, hi wêre-n lichte man, +hâchlik romed alsa sêr bi tha inhêmar as wel bi vs, hwand hi wêre +navt vmbe tha månniska to diapana sa tha ôra prestera, men hi wêre +dügedsêm ånd hi wist tha wisdom thêra fêrhêmanda folkum nêi wêrde to +skåtande. Thêrvmbe that er that wiste, hêde-r vs to stonden that wi +machte lêva nêi vs ajn êlik Sêgabok. Thêr gvng en telling that er vs +nygen were, vmbe that er tjucht wêsa skolde ut en Fryaske mangêrte ånd +Êgiptiska prester, uthawede that er blâwe âga hêde, ånd that er fül +mangêrta fon vs skâkt wêron ånd in ovir Egiptalande vrsellath. Tha +selva heth er nimmerte jecht. Ho-t thêrmêi sy, sêkur is-t that er +vs mâra âthskip biwês as alle ôthera prestum to sêmne. Men as er +fallen was, gvngon sina nêimanninga alring an vsa êwa torena ånd bi +grâdum sa fêlo mislikanda kêra to mâkjande, that er to lônge lesta +fon êlik sa ånd fon frydom ha navt ôwers as tha skin ånd tha nôme +vrbilêf. Forth nildon hja navt ne dâja that-a setma an skrift brocht +wrde, hwerthrvch tha witskip thêra far vs forborgen wårth. To fâra +wrdon alle sêkum binna Athênia in vsa tâl bithongon, åfternêi most +et in bêda tâla skên ånd to lesta allêna in tha landis tal. In tha +êrosta jêra nam that manfolk to Athênia enkel wiva fon vs ajn slacht, +men that jongkfolk vpwoxen mitha mangêrta thêr landsâton namen thêr âk +fon. Tha bâstera bern tham thêrof kemon wêron tha skênsta ånd snodsta +in wralda, men hja wêron âk tha årgsta. To hinkande vr byde syda, +to mâlande her vm sêda ner vm plêga, hit ne sy that et wêre for hjara +ajne held. Alsa nâka thêr jeta-n strêl fon Fryas gâst weldande wêre +wårth al et bvwspul to mêna werka forwrochten ånd nimmån ne mocht en +hus to bvwande, thåt rumer ånd riker wêre as thåt sinra nêstum. Tha +thâ svme vrbastere stêdjar rik wêron thrvch vs fâra ånd thrvch et +sulver, thåt tha slâvona uta sulverlôna wnnon, thâ gvngon hja buta +vppa hellinga jefta inda dêla hêma. Thêr beftha hâga wallum fon lôf +tha fon stên bvwadon hja hova mith kestlik husark, ånd vmbe by tha wla +prestrum in en goda hrop to wêsande, ståldon hja thêr falska drochten +likanda ånd vntuchtiga bilda in. By tha wla prestrum ånd forstum wrdon +tha knâpa al tomet mâra gêrt as tha toghatera, ånd fâken thrvch rika +jefta thrvch weld fon et pad thêre düged ofhlêid. Nêidam rikdom by +thåt vrbrûde ånd vrbasterde slachte fêr bvppa düged ånd êre jelde, sach +mån altomet knâpa tham hjara selva mit rûma rika klâtar syradon, hjara +aldrum ånd fâmna to skônda ånd hjara kvnna to spot. Kêmon vsa ênfalda +aldera to Athênia vppe thêre mêna acht ånd wildon hja thêrvr bâra, +sâ warth ther hropen, hark, hark, thêr skil en sêmomma kêtha. Alsa +is Athênia wrdon êlik en brokland anda hête landa, fol blodsûgar, +pogga ånd feniniga snâka, hwêrin nên månniske fon herde sêdum sin +fot navt wâga ne mêi. + + + + + +THIT STAT IN AL VSA BURGA. + + +Ho vsa Dênamarka [59] fâra vs vlêren gvngon 1600 ånd 2 jêr [60] nêi +Aldland vrgongen is. Thrvch Wodins dor ånd dertenhêd was thene Magy +bâs wrden ovir Skênlandis astardêl. Wra berga ånd wr-n sê ne tvrade +hi navt ne kvma. Thju Moder wildet navt wêrha, hja sprêk ånde kêth, +ik sja nên frêse an sina wêpne, men wel vmbe tha Skênlander wêr to +nimmande, thrvchdam hja bastered ånd vrdêren sind. Vppa mêna acht +toch te man alên. Thêrvmbe is-t im lêten. Grât 100 jêr lêden byondon +tha Dênemarkar to wandelja mith hjam. Hja jêvon him ysere wêpne ånd +rêdskip thêr fori wandeldon hja golden syrhêdon bijunka kâper ånd +yserirtha. Thju Moder sand bodon ånd rêd-er, hja skolde thju wandel +fâra lêta. Thêr wêre frêse sêide hju fori hjara sêdum, ånd bitham +hja hjara sêde vrlêren, thån skolde hja âk hjara frydom vrljasa. Men +tha Dênemarkar nêde narne âra nei, hja nilda navt bigrippa that hjara +sêde vrbrûde kvste, thêrvmbe ne meldon hja hja navt. To lônga lesta +brochton hja ajne wêpne ånd liftochta wêi. Men thåt kwâd wrocht hjara +gêia. Hjara lichêma wrdon bilâden mêi blik ånd skin, men hjara arka +spynton ånd skvra wrdon lêtoch. Krek hondred jêr eftere dêi that et +forma skip mit liftochta fona kâd fâren was, kêm ermode ånd lek thrvch +tha anderna binna, honger sprêda sina wjvka ånd strêk vppet land +del, twispalt hlip stolte in overe strêta ånd forth to tha hûsa in, +ljafde ne kv nên stek lônger navt finda ånd êntracht run êwêi. Thåt +bårn wilde êta fon sina måm ånd thju måm hêde wel syrhêdon tha nên +êta. Tha wiva kêmon to hjara manna, thissa gvngon nêi tha grêva, tha +grêva nêdon selva nawet of hildon-t skul. Nw most mån tha syrhêdon +vrsella, men thawila tha stjurar thêrmêi wêi brit wêron kêm frost +ånd lêi-n plônk del vppa sê ånd wra strête. Tha frost thju brigge +rêd hêde, stop wâkandon thêrwr to-t land ut ånd vrêd klywade vpper +sêtel. In stêde fon tha owera to biwâkande spandon hja hjara horsa +for hjara togum ånd runon nêi Skênland thâ. Tha Skênlander, tham nêy +wêron nêi that land hjarar êthla kêmon nêi tha Dênemarkum. Vppen helle +nacht kêmon hja alla. Nw sêidon hja that hja rjucht hêde vppet land +hjarar êthlon ånd thahwil that mån thêrvr kåmpade kêmon tha Finna in +tha lêtoga thorpa ånd runadon mith tha bern ewêi. Thêrtrvch ånd that +hja nên goda wêpne navt nêdon, dêd hjam tha kåsa vrljasa ånd thêrmêi +hjari frydom, hwand thene Magy wrde bâs. That kêm that hja Fryas tex +navt lêsde ånd hira rêdjêvinga warlâsed hêde. + +Ther send svme thêr mêne that hja thrvch tha grêva vrrêden send, +that tha fâmna thåt lông spêrath hêdon, tha sa hvam sa thêr vr kêtha +wilde, tham is mvla wrdon to smôrath mith golden kêdne. Wi ne mügan +thêrvr nên ordêl to fellande, men wi willath jo tohropa, ne lên navt +to sêre vppa wisdom ånd düged ni fon jvwa Forsta, ni fon jowa fâmna, +hwand skel et halda sa mot allera mannalik wâka ovir sin ajna tochta +ånd for-t mêna held. + +Twa jêr nêidam kêm thene Magy selva mith en flâte fon lichte kânum, +tha Moder fon Texland ånd tha foddik to râwane. + +Thås årge sêke bistonde-r thes nachtis anda winter by storne tydum +as wind gûlde ånd hêjel to jenst tha andêrna fêtere. Thi utkik thêr +mênde thater awet hêrde ståk sin balle vp. Tha drêi as et ljucht +fon êr tore vppet ronddêl falda, sa-r that al fêlo wêpende manna wra +burchwal wêron. Nw gvng-er to vmbe tha klokke to lettane, tha et wêre +to lêt. Êr tha wêre rêd wêre, wêron al twa thusand ina wêr vmbe tha +porte to rammande. Strid hwilde thervmbe kirt, hwand thrvchdam tha +wêra navt nên gode wacht halden nêde, kêmon alle om. + +Hwil that alrek drok to kåmpane wêre, was thêr en wla Fin to +thêre flête jefta bedrum fon thêre Moder inglupth, ând wilde hja +nêdgja. Tha thju Moder wêrd-im of that er bekwârd tojênst tha wâch +strumpelde. Thâ-r wither vpa bên wêre stek er sin swêrd to ir buk in +segsande, nilst min kul navt sâ skilst min swêrd ha. After im kêm +en skiper fona Dênemarka, thisse nam sin swêrd ånd hif thêne Fin +thrvch sina hole. Thêrut flât swart blod ånd thêrvr swêfde-n blâwe +logha. Thi Magy lêt thju Moder vpa sinra skip forplêgja. As hju +nw wither alsa fêre hêl ånd bêter wêr that hju fåst sprêka machte, +sêide thene Magy that hju mith fâra moste, tha that hju hira foddik +ånd fâmna halda skolde, that hju en stât skolde nyta sâ hâch as hju +to fara na nêde kenth. Forth sêide-r thåt hi hiri frêja skolde in +ajnwarde fon sinum forsta, jef er mâster skolde wertha over alle +lânda ånd folkra Fryas. Hi sêide that hju that bijâe ånd bijechta +most, owers skolde-r vnder fêlo wêja sterva lêta. As er thêr after al +sinra forsta om ira lêger to gadurad hêde frêjer lûd, Frâna vrmites +i klârsjande biste most m.ênis segsa of ik mâster skil wertha over +alle lânda ånd folkra Fryas. Frâna dêde as melde hja him navt. To +lônga lesta êpende hju hira wêra ånde kêth, min âgun wrde thjûstred, +tha that ôre ljucht dêgth vp in minara sêle. Jes, ik sja-t. Hark +Irtha ånd wês blyde mith my. Vndera tydum that Aldland svnken is, +stand thju forma spêke fon thet Jol an top. Thêrnêi is hju del gvngon +ånd vsa frydom mith tham. As er twa spêka jeftha 2000 jêr del trûled +het, sâ skilun tha svna vpstonda thêr tha forsta ånd prestera thrvch +hordom bi-t folk têled håve, ånd tojenst hjara tâta tjugha. Thi alle +skilum thrvch mort swika, men hwat hja kêth håve skil forth bilywa +ånd frûchdber wertha in-a bosme thêra kloke månniska, alsa lik gode +sêdum thêr del lêid wrde in thinra skât. Jeta thûsand jêr skil thju +spêke then del nyga ånd al mâra syga anda thjusternesse ånd in blod, +ovir thi utstirt thrvch tha lâga thêr forsta ånd prestera. Thêrnêi +skil thet mornerâd wither anfanga to glora. Thit sjande skilun tha +falska forsta ånd prester alsamen with frydom kåmpa ånd woxelja, men +frydom, ljafde ånd êndracht skil-et folk in hjara wach nêma ånd mit +thet jol risa uta wla pol. Thåt rjucht thåt erost allêna glorade, +skil than fon lêjar laja to-n logha wertha. That blod thêra årgum +skil ovir thin lif strâma, men thu ne mügth et navt to thi nêma. To +tha lesta skil thåt feninige kwik thêr vp âsa ånd thêrof sterva. Alle +wla skêdnese tham forsunnen send vmbe tha forsta ånd prestera to boga, +skilun an logha ofred wertha. Forth skilun al thinra bern mith frêtho +lêva. Thâ hju utspreken hêde, sêg hju del. Men thene Mâgy tham hja +navt wel forstân hêde krêth, ik håv thi frêjeth, jef ik bâs skilde +wertha ovir alle lânda ånd folkra Fryas, ånd nw håste to en other +sproken. Frâna rjuchte hiri wither, sach im star an ånd kêthe: êr +sjugun etmelde om send, skil thin sêle mitha nachtfüglon to tha grâwa +omme wâra ånd thin lik skil ledsa vppa bodem fona se. Êl wel sêide +thene Magy mith vrborgne wodin, segs men thåt ik kvme. Forth sêider +to jenst ên sinar rakkarum, werp that wif vr skippes bord. Althus +wêr-et ende fon-re leste thêra Moderum [61]. Wrêke willath wi thêr +vr navt ne hropa, tham skil tyd nima. Men thûsand wâra thûsand mêl +willath wi Frya åfternêi hropa: wâk-wâk-wâk. + + + + + +HO-T THENE MAGY FORTH VRGVNGON IS. + + +Nêi that tha modder vrdên was, lêter tha foddik ånd tha fâmna to +sina skip to brenga bijunka alle inbold thêr im likte. Forth gvng +er thåt Flymâr vp, hwand hi wilde tha fâm fon Mêdêasblik jeftha fon +Stâvora gabja ånd tham to Moder mâkja. Tha thêr wêron hja vp hjara +hodum brocht. Tha stjurar fon Stâvora ånd fon thåt Alderga hêdon hini +gêrn to Jonis togen, men tha grâte flâte wêre vppen fêre tocht ût. Nw +gvngon hja to ånd foron mith hjra littige flâte nêi Mêdêasblik ånd +hildon hja skul after thât ly thêra bâmun. Thi Mâgy nâkade Mêdêasblik +bi helle dêi ånd skynander svnne. Thach gvngon sina ljuda drist drist +wêi vppera burch to runnande. Men as allet folk mith tha bôtum land +was, kemon vsa stjurar utêre krêke wêi ånd skâton hjara pila mith +târbarntin bollum vp sinra flâte. Hja wêron alsa wel rjucht that fêlo +sinra skêpun bistonda anna brônd wêron. Tham vppa skêpun wachton, +skâton âk nêi vs thâ, thach thåt ne rojade nawet. As er to lesta en +skip al barnande nêi-t skip thes Mâgy dryf, bifel-er sin skiper hi +skolde ofhâde, men thene skiper that wêre thene Dênemarker thêr thene +Fin felad hêde, andere, thv hest vse Êremoder nêi tha bodem fona sê +svnden to meldande thatste kvma skolde, thit skoste thrvch tha drokhêd +wel vrjetta; nw wil ik njude thatste thin word jecht. Thi Mâgy wild-im +ofwêra; men thene skiper, en åfte Fryas ånd sterik lik en jokoxe, +klipade bêda sinum hônda om sin hole ånd hif hini vr bord into thåt +wellande hef. Forth hês er sin brune skild an top ånd for rjucht to +rjucht an nêi vsa flâte. Thêrthrvch kêmon tha fâmna vnforlet to vs, +men tha foddik was utgvngon ånd nimman wiste ho-t kêmen was. Tha hja +vppa vnfordene skêpa heradon, that thene Mâgy vrdrvnken was, brûde +hja hinne, hwand tha stjurar thêra mêst Dênemarkar wêron. Nêi that tha +flâte fêr enoch ewêi wêre, wendon vsa stjurar ånd skâton hjara barnpila +vppa tha Finna del. Thâ tha Finna thus sagon, ho hja vrrêden wêron, +hlip alrik thrvch vr ekkdrum ånd thêr nêre lônger nên hêrichhêd ni +bod. To thisre stonde run tha wêre hju ut têre burch. Tham navt ne +fljuchte, werth afmakad, ånd thêr fljuchte fvnd sin ende into tha +polum fon et Krylinger wald. + + + + + +NÊISCHRIFT. + + +Thâ tha stjurar an da kreke lêjon was thêr en spotter fon ut +Stavora mank, thêr sêide, Mêdêa mei lakkja, sa wi hyr ut hjra burch +reda. Thêrvmbe håvon tha fâmna thju krêke Mêdêa mêi lakkja [62] hêten. + +Tha bêrtnissa thêr afternêi skêd send, mêi alra mannalik hügja. Tha +fâmna hagon tham nei hjara wysa to tella ånd wel biskriwa +lêta. Thêrvmbe rêkenjath wi hirmitha vsa arbêd fvlbrocht. Held. + + + Ende fon 't Bok. + + + + + +THA SKRIFTA FON ADELBROST AND APOLLONIA + + +Min nôm is Adelbrost svn fon Apol ånd fon Adela. Thrvch min folk +ben ik kêren to Grêvetman ovira Linda wrda. Thêrvmbe wil ik thit bok +forfolgja vp alsa dênera wisa as mine mem sproken heth. + +Nêi that thene Mâgy felt was ånd Fryasburch vp stel brocht, most er +en moder kêren wertha. Bi-ra lêva nêde thju Moder hira folgstera navt +nômth. Hira lersta wille was sok ånd narne to findne. Sjugun mônatha +åfter werth er en mêna acht bilidsen ånd wel to Grênegâ [63] ut êrsêke +that anna Saxanamarka pâlth. Min mem werth kêren, men hju nilde nên +Moder wêsa. Hju hêde heth lif minar tât hrêd, thêrthruch hêden hja +ekkorum lyaf krêjen ånd nw wildon hja âk gâdath wertha. Fêlon wildon +min mem fon er bislut ofbrenga; men min mem sêide, en Êremoder âcht +alsa rên in -ra mod to wêsana as hja buta blikt ånd êven mild far al +hjara bern. Nêidam ik Apol nw lyaf håv boppa ella in wralda, sâ ne +kån ik sâ-ne Moder navt nêsa. Sâ sprek ånd kêth Adela, men tha ôra +burchfâmna wildon algâder Moder wêsa. Alrek stât thong fori sinera +åjne fâm ånd nilde navt fyra. Therthrvch nis er nêne kêren ånd heth +rik thus bandlâs. Hyr åfter müg-it bigripa. + +Ljudgêrt, tham kêning thêr hêmesdêga fallen is, was bi thêre Moder-is +lêva kêren blikbêr trvch alle stâtha mith lyafde ånd trjvw. Heth +wêre sin torn vmbe vppin eth grâte hof to Dok-hêm [64] to hêmande, +ånd bi thêre Moder-is lêva wrd-im ther grâte êr biwêsen, hwand et +wêre immer sa ful mith bodon ånd riddarum fon hêinde ånd fêre as-m-å +to fora na nêde sjan. Tach nw wêr-er ênsêm and vrlêten, hwand alrek +wêre ange that-er him mâster skolde mâkja boppa heth rjucht ånd welda +ê-lik tha slâvona kêninggar. Elk forst wânde forth that-er enoch +dêde as er wâkade ovir sin åjn stât; ånd thi ên ne jêf nawet tâ antha +ôthera. Mith-êra burchfamna gvnget jeta årger to. Alrek thisra bogade +vppira åjne wisdom ånd sahwersa tha Grêvetmanna awet dêdon buta hjam, +sâ wrochten hja mistryvwa bitwiska tham ånd sinum ljudum. Skêder en +sêke thêr fêlon stâtha trof ånd hêde mån thju rêd êner fâm in wnnen, +sâ kêthon alle ôthera that hju sproken hêde to fêre fon hjra åjne +stât. Thrvch althus dênera renka brochton hja twyspalt in ovira stâtha +ånd torendon hja that band sâdêne fon ên, that et folk fon tha ênne +stât nythich wêre vppet folk fon en ora stât ånd fâret alderminesta +lik fêrhêmande biskôwade. Thju fêre thêra is wêst that tha Gola jeftha +Trowyda vs al-êt lând of wnnen håven al ont thêra Skelda ånd thi Magy +al to thêre Wrsâra. Ho-r thêrby to gvngen is, heth min mem vntlêth, +owers nas thit bok navt skrêven ne wrden, afskên ik alle hâpe vrlêren +håv tha-et skil helpa thâ bâta. Ik ne skryw thus navt inna wân, +thet ik thêrthrvch thet lånd skil winna jeftha bihaldane, that is +minra achtne vndvalik, ik skryw allêna fâr et åfter kvmande slacht, +til thju hja algâdur wêta müge vp hvdêna wisa wy vrlêren gvnge, +ånd tha alra mannalik hyr ut lêra mêi that elk kwâd sin gêja têlath. + +My heth mån Apollônja hêten. Twyia thritich dêga nêi måm hira dâd heth +mån Adelbrost min brother vrslêjen fonden vppa wårf, sin hawed split +ånd sina lithne ût ên hrêten. Min tât thêr siak lêide is fon skrik +vrsturven. Thâ is Apol min jungere brother fon hyr nêi thêre westsyde +fon Skênlând fâren. Thêr heth er en burch ebuwad, Lindasburch [65] +hêten, vmbe dâna to wrekana vs lêth. Wr.alda heth-im thêr to fêlo +jêra lênad. Hy heth fif svna wnnen. Altham brengath thêne Magy skrik +ånd min brother gôma. After måm ånd brother-is dâd send tha fromesta +fon-ut-a lândum to ekkôrum kvmen, hja havon en bând sloten Adelbând +hêten. Til thju vs nên leth witherfâra ne skolde, håvath hja my ånd +Adelhirt min jungste brother vpper burch brocht, my by tha fâmna ånd +min brother by tha wêrar. Thâ ik thritich jêr werê heth man my to +Burchfâm kêren, ånd thâ min brother fiftich wêre, werth-er keren to +Grêvetman. Fon måm-is syde wêre min brother thene sexte, men fon tât +his syde thene thride. Nêi rjucht machton sine åfterkvmande thus nên +overa Linda åfter hjara nômun navt ne fora, men alra månnalik wildet +håva to êre fon mina måm. Thêr to boppa heth mån vs åk en ofskrifte +jêven fon thet bok thêra Adela follistar. Thêr mitha ben ik thet +blydeste, hwand thrvch min måm hjra wisdom kêm-et in wralda. In thas +burch håv ik jeta ôra skrifta fvnden, thêr navt in 't bok ne stan, +åk lovsprêka ovir min måm, altham wil ik åfter skriva. + +Thit send tha nêilêtne skrifta Brunnos, ther skrywer wêsen is to +thisre burch. After that tha Adela follistar ella hêde lêta overskryva +elk in sin rik, hwat wryt was in vppa wâgarum thêra burgum, bisloton +hja en Moder to kjasane. Thêrto wårth en mêna acht bilêid vp thisra +hêm. After tha forme rêd Adelas wårth Tüntja bifolen. Ak skoldet slâcht +håve. Thach nw frêge min Burgtfâm thet wort, hju hede immerthe wênich +wêst thåt hju Moder skolde wertha, ut êrsêke thåt hju hyr vpper burch +sat, hwana mêst alle Moderum kêren wêron. Tha hju thet word gund was, +êpende hju hira falxa wêra ånde kêth: I alle skinth årg to heftane +an Adelas rêd, tha thåt ne skil thêrvmde min mvla navt ne sluta ner +snôra. Hwa tach is Adela ånd hwâna kvmt et wêi thåtster sokke hâge +love to swikth. Lik ik hjuddêga is hju to fara hyr burchfâm wêst. Tha +is hju thêr vmbe wiser jefta bêtre as ik ånd alle ôthera, jefta is hju +mâr stelet vppvsa sêd ånd plêgum. Hwêre thåt et fal, sâ skolde hju wel +Moder wrden wêsa, thâ hju thêrto kêren is, men nêan hju wilde rêder +ennen bosta ha mith all joi ånd nochta thêr er anebonden send, in stêd +fon ênsum over hjam ånd et folk to wâkane. Hju is êl klarsjande, god, +men min âgne ne send fêr fon vrthjustred to wêsane. Ik håv sjan thåt +hju hira fryadelf herde minth, nw god, thåt is lovelik, men ik håv +forther sjan thåt Tüntja Apol-is nift is. Wyder wil ik navt ne sedsa. + +Tha forsta bigripen êl god, hwêr hju hly sochte, men emong et folk +kêm twyspalt, ånd nêidam heth maradêl fon hyr wei kêm, wilde-t Tüntja +thiu êre navt ne guna. Rêdne wrde stopth, tha saxne tâgon uta skådne, +men thêr ne wårth nêne Moder kêren. Kirt åfter hêde annen vsera bodne +sin makker fåleth. Til hjuddêga hêde der frod wêsen, thêrvmbe hede +min burchfâm orlovi vmb-im buta tha lândpâla to helpane. Thach in +stêd fon im to helpane nêi thet Twiskland, alsa fljuchte hju selva +mith im overe Wrsara ånd forth nêi tha Mâgy. Thi Mâgy tham sina +Fryas svna hagja wilde stald-iri as Moder to Godaburch et Skênland, +mên hju wilde mâr, hju sêid-im thåt sahwersa hi Adela vpruma koste, +hi måster skolde wertha over êl Fryas land. Hju wêr en fyand fon Adele +sêide hju, hwand thrvch hjra renka nas hju nên Moder wrden. Sahwersa +hy hir Texland forspreka wilde, sa skolde hjra boda sina wichar to +wêiwyser thjanja. Al thissa sêka heth hjra boda selva bilyad. + + + + + +THET OTHERA SKRIFT. + + +Fiftian monatha nêi thêre lerste acht wêr-et Frjunskip jeftha +Winnemônath. Alleramånnelik jef to an mery mery fru ånd bly, ånd nimman +nêde diger than to âkane sina nocht. Thach Wr.alda wild vs wysa, thåt +wâkendom navt vrgamlath wrde ne mêi. To midne fon-et fêst fyrja kêm +nêvil to hullande vsa wrda in thikke thjusternise. Nocht runde wêi, tha +wâkendom nilde navt ne kêra. Tha strandwâkar wêron fon hjara nêd fjura +hlâpen ånd vppa tha topâdum nas nênen to bisja. Thâ nêvil ewêi tâch, +lokte svnne thrvch tha rêta thêra wolkum vp irtha. Alrek kêm wither +ut to juwgande ånd to jolande, thet jungk folk tâch sjongande mitha +gürbâm [66] ånd thisse overfulde luft mith sina liaflika âdam. Men +thahwila thêr alrek in nocht bâjada, was vrrêd lând mith horsum ånd +ridderum. Lik alle årga wêron hja helpen thrvch thjusternisse, ånd +hinne glupath thrvch Linda waldis pâda. To fâra Adelas dure tagon +twilif mangêrtne mith twilif låmkes ånd twilif knâpa mith twilif +hoklinga, en junge Saxmån birêd en wilde bufle thêr er selva fensen +hêde ånd tåmad. Mith allerlêja blomma wêron hja siarad, ånd tha linnen +tohnekna thêra mångêrtne wêron omborad mith gold ut-er Rêne. + +Thâ Adela to hira hus ut vppet slecht kêm, fol en blomrêin del vppira +hole, alle juwgade herde ånd tha tot-horne thêra knâpum gûldon boppa +ella ut. Arme Adela, årm folk, ho kirt skil frü hir bydja. Thâ +thju lônge skåre ut sjocht wêre kêm er en hloth mâgjara ridderum +linrjucht to rinnande vp Adelas hêm. Hira tât ånd gâde wêron jeta +vppa stoppenbenke sêten. Thju dure stond êpen ånd thêr binna stand +Adelbrost hira svna. As er sach ho sina eldra in frêse wêron, gripter +sine bôge fon-ere wâch wêi ånd skât nêi tha foresta thêra râwarum; +this swikt ånd trulde vppet gårs del; overne twade ånd thride was +en êlik lôt biskêren. Intwiska hêdon sina eldra hjara wêpne fat, ånd +tagon vndyger to Jonis. Tha râwera skoldon hjam ring fensen ha, men +Adela kêm, vppere burch hêde hja alle wêpne to hantêra lêrad, sjugun +irthfêt wêre hju lông ånd hira gêrt sâ fêlo, thryja swikte hja tham or +hjra hole ånd as er del kêm wêr en ridder gårsfallich. Follistar kêmon +omme herne thêre lône wêi. Tha râwar wrdon fålath ånd fensen. Thach +to lêt, en pil hêde hjra bosme trefth. Vrrêdelika Magy! In fenin was +sin pint dipth ånd thêrof is hju sturven. + + + + + +THÊRE BURCHFAMS LOV. + + +Jes ferhêmande âthe, thusande send al kumen ånd jet mâra send vp wêi. + +Wel, hja willath Adelas wisdom hêra. + +Sekur is hju forstine, hwand hju is immer thja forste wêst. + +O wach hwêrto skolde hja thjanja. Hira hemeth is linnen, hira tohnekka +[67] wol, thåt hjv selva spon ånd wêvade. Hwêrmêi skolde hja hjra +skênhêd hâga. Navt mith pårlum, hwand hjra tuskar send witter; navt +mith gold, hwand hjra hêr is blikkander; navt mith stêna, wel send +hjra âgon saft as lamkes âgon, thach to lik sa glander thåt mån thêr +skrômlik in sja ne mêi. + +Men hwat kålt ik fon skên. Frya wêre wis navt skêner. + +Ja âthe, Frya thêr sjugun skênhêde hêde, hwêrfon hjra toghâtera men +êne elk hâchstens thria urven håve. Men al wêre hju lêdlik, thach +skolde hju vs djura wêsa. + +Jef hju wygandlik sy. Hark âthe, Adela is thet ênge bern vsar +grêvetman. Sjugun jrthfet is hju hâch, jeta grâter then hjra licheme +is hjra wishêd ånd hjra mod is lik bêde to sêmine. + +Lok thêr, thêr wêre ênis en fênbrônd, thrju bern wêron vp jenske +gråfstên sprongen. Wind blos fel. Alrek krêta ånd thju måm wêre +rêdalâs. Thêr kvmt Adela: ho stêitst ånd têmethste hropth hju, +tragd help to lê-nande ånd Wr.alda skil jo krefta jêva. Thêr hipth +hja nêi-t Krylwod, gript elsne trêjon, tragd en breg to makjande, +nw helpath âk tha ôthera ånd tha bern send hred. + +Jêrlikes kêmon tha bern hyr blomma ledsa. + +Thêr kêmon thrê Fonysjar skipljuda thêr hja wrêvela wilde, men Adela +kêm, hju hêde hjara hwop (hrop) hêrad, in swim slêith hju tha lêtha ånd +til thju hja selva jechta skolde, thet hja vnwêrthelike manna wêron, +bint hju alsêmen an en spinrok fest. Tha fêrhêmanda hêra kêmon hjara +thjud askja. Tha hja sagon ho skots hja misdên wêron, kêm torn vp, +thach mån tellade ho-t bêrd was. + +Hwat hja forth dêdon, hja buwgdon to fâra Adela ånd keston thju slyp +hyrar tohnekka. + +Kvm fêrhêmande âthe, tha wald füglon fljuchtath to fâra tha fêlo +forsykar. Kvm âthe sâ mêist hjara wishêd hêra. + +By tha gråfstên hwer fon in tha lovsprêke meld wårth, is måm hira +lik bigråven. Vppira gråfstên heth mån thissa worda hwryten. + + + NE HLAP NAVT TO HASTICH HWAND HYR LÊID ADELA. + + +Thju formlêre thêr is hwryten inutere wâch thêr burchtore, nis navt +wither eskrêven in thåt bok thêra Adela follistar. Hwêrvmbe thet lêten +is nêt ik navt to skriwand. Tha thit bok is min ajn, thêrvmbe wil ik +hja thêr inna setta to wille minra mågum. + + + + + +FORMLÊRE. + + +Alle god minnanda Fryas bern sy held. Hwand thrvch tham skil et +sêlich wertha vp jrtha. Lêr ånd kêth to tha folkum. Wr.alda is thet +alderaldesta jeftha overaldesta, hwand thet skop alla thinga. Wr.alda +is ella in ella, hwand thet is êvg ånd vnendlik. Wr.alda is overal +ainwardich, men narne to bisja, thêrvmbe wårth thet wêsa gâst hêten. Al +hwat wi fon him sja müge send tha skepsela thêr thrvch sin lêva kvme +ånd wither henne ga, hwand inut Wr.alda kvmath alle thinga ånd kêrath +alle thinga. Fon ut Wralda kvmth t anfang ånd et ende, alra thinga +gêith in im vppa. Wr.alda is thet êne ella machtige wêsa, hwand alle +ôre macht is fon him lênad ånd kêrath to him wither. In ut Wr.alda +kvmath alle krefta ånd alle krefta kêrath to him wither. Thêrvmbe is +hi allêna theth skeppande wêsa ånd thêr nis nawet eskêpen buta him. + +Wr.alda lêide êvge setma thet is êwa in al et skêpne, ånd thêr ne send +nên gode setma jeftha hja moton thêrnêi tavlikt wêsa. Men afskên ella +in Wr.alda sy, tha boshêd thêra månniska nis navt fon him. Boshêd +kvmth thrvch lômhêd vndigerhed ånd domhêd. Thêrvmbe kån hju wel tha +månniska skâda, Wr.alda nimmer. Wr.alda is thju wishêd, ånd tha êwa +thêr hju tavlikt heth, send tha boka wêrût wy lêra müge, ånd thêr nis +nêne wishêd to findande ner to garjande buta tham. Tha månniska mügon +fêlo thinga sja, men Wr.alda sjath alle thinga. Tha månniska mügon +fêlo thinga lêra, men Wr.alda wêt alle thinga. Tha månniska mügon fêlo +thinga vntslûta, men to fâra Wr.alda is ella êpned. Tha månniska send +månnalik ånd berlik, men Wr.alda skept bêde. Tha månniska minnath ånd +håtath, tha Wr.alda is allêna rjuchtfêrdich. Thêrvmbe is Wr.alda allêne +god, ånd thêr ne send nêne goda bûta him. Mith thet Jol wandelath +ånd wixlat allet eskêpne, men god is allêna vnforanderlik. Thruch +that Wr.alda god is, alsa ne mei hi âk navt foranderja; ånd thrvch +thet er bilywath, thêrvmbe is hy allêna wêsa ånd al et ora skin. + + + + + +THET OTHERA DÊL FONRE FORMLÊR. + + +Emong Findas folk send wanwysa, thêr thrvch hjara overfindingrikhêd +alsa årg send, thåt hja hjara selva wis mâkja ånd tha inewida bitjuga, +thåt hja thet besta dêl send fon Wr.alda; thåt hjara gâst thet beste +dêl is fon Wr.aldas gâst ånd thet Wr.alda allêna mêi thånkja thrvch +helpe hjaris bryn [68]. + +Thåt aider skepsle en dêl is fon Wr.aldas vnendlik wêsa, thåt håvon +hja fon vs gâbad. + +Men hjara falxe rêdne ånd hjara tåmlâse hâchfarenhêd heth ra vppen +dwâlwêi brocht. Wêre hjara gâst Wr.aldas gâst, sâ skolde Wr.alda +êl dvm wêsa in stêde fon licht and wis. Hwand hjara gâst slâvth him +selva immer of vmbe skêne bylda to mâkjande, thêr y åfternêi anbid. Men +Findas folk is en årg folk, hwand afskên tha wanwysa thêra hjara selva +wis mâkja thåt hja drochtne send, sa håvon hja to fâra tha vnewida +falxa drochtne eskêpen, to kêthande allerwêikes, thåt thissa drochtne +Wr.alda eskêpen håve, mith al hwat thêr inne is; gyriga drochtne +fvl nyd ånd torn, tham êrath ånd thjanath willath wêsa thrvch tha +månniska, thêr blod ånd offer willa ånd skât askja. Men thi wanwisa +falxa manna, tham hjara selva godis skalka jeftha prestera nôma lêta, +bürath ånd sâmnath ånd gethath aldam to fâra drochtne thêr er navt +ne send, vmbet selva to bihaldande. Aldam bidrywath hja mith en rum +emod, thrvchdam hja hjara selva drochtne wâne, thêr an ninman andert +skeldich ne send. Send thêr svme tham hjara renka froda ånd bâr mâkja, +alsa wrdon hja thrvch hjara rakkera fåt ånd vmbira laster vrbarnad, +ella mith fêlo stâtska plêgum, hjara falxa drochtne to-n êre. Men +in trvth, allêna vmbe thåt hja ra navt skâda ne skolde. Til thju vsa +bern nw wêpned müge wêsa tojenst hjara drochtenlika lêre, alsa hâgon +tha fâmna hjam fon buta to lêrande hwat hyr skil folgja. + +Wr.alda was êr alle thinga, ånd nêi alle thinga skil er wêsa. Wr.alda +is alsa êvg ånd hi is vnendlik, thervmb nis thêr nawet buta him. Thrvch +ut Wr.aldas lêva warth tid ånd alle thinga bern, ånd sin lêva nimth +tid ånd alle thinga wêi. Thissa sêka moton klâr ånd bâr mâkad wrda +by alle wisa, sâ thåt hja-t an ôthera bithjuta ånd biwisa müge. Is-t +sâ fâr wnnen, sa sêith mån forther: Hwat thus vsa ommefang treft, +alsa send wy en dêl fon Wr.aldas vnendelik wêsa, alsa tha ommefang +fon al et eskêpne, thach hwat angâ vsa dânte, vsa ainskipa, vsa gâst +ånd al vsa bithånkinga, thissa ne hêra navt to thet wêsa. Thit ella +send fljuchtiga thinga tham thrvch Wr.aldas lêva forskina, thach +thêr thrvch sin wishêd sâdâne ånd navt owers navt ne forskina. Men +thrvchdam sin lêva stêdes forthga, alsa ne mêi thêr nawet vppa sin +stêd navt bilywa. Thêrvmbe forwixlath alle eskêpne thinga fon stêd, +fon dânte ånd âk fon thånkwisa. Thervmbe ne mêi irtha selva, ner eng +skepsle ni sedsa: ik ben, men wel ik was. Ak ne mêi nên månniska navt +ne sedsa ik thånk, men blât, ik thochte. Thi knâp is grâter ånd owers +as tha-r bern wêre. Hy heth ora gêrtne, tochta ånd thånkwisa. Thi +man en tât is ånd thånkth owers as thâ-r knâp wêre. Êvin tha alda +fon dêgum. Thât wêt allera mannelik. Sâhwersa allera mannalik nw wêt +ånd jechta mot, thåt hy alon wixlath, sâ mot hy âk bijechta, that er +jahweder âgeblik wixlath, âk thahwila-r sêid: ik ben, ånd thåt sina +thånk bylda wixle, tha hwile-r sêid: ik thånk. + +Instêde thåt wy tha årga Findas althus vnwerthlik afternêi snakka ånd +kålta, ik ben, jeftha wel, ik ben thet beste dêl Wr.aldas, ja thrvch +vs allêna mêi-r thånkja, sâ willath wy kêtha wral ånd allerwêikes +wêr et nêdlik sy: wy Fryas bern send forskinsla thrvch Wr.aldas +lêva; by-t anfang min ånd blât, thach immer wårthande ånd nâkande to +fvlkvmenlikhêd, svnder â sa god to wrda as Wr.alda selva. Vsa gâst nis +navt Wr.aldas gâst, hi is thêrfon allêna en afskinsle. Tha Wr.alda +vs skop, heth er vs in thrvch sine wishêd-bryn-sintûga, hügia ånd +fêlo goda ainskipa lênad. Hyrmêi mugon wy sina êwa bitrachta. Thêrof +mügon wy lêra ånd thêrvr mügon wy rêda, ella ånd allêna to vs ain +held. Hêde Wr.alda vs nêne sinna jêven, sa ne skolde wy narne of nêta +ånd wy skolde jeta reddalasser as en sêkwale wêsa, thêr forthdryven +wårth thrvch ebbe ånd thrvch flod. + + + + + +THIT STAT VP SKRIVFILT SKRÊVEN. TAL AND ANDWORDE ORA FAMNA TO-N +FORBYLD. + + +En vnsels gyrich mån kêm to bârande by Trâst thêr fâm wêre to +Stavia. Hy sêide vnwêder hêde sin hus wêi brocht. Hy hêde to Wr.alda +bêden, men Wr.alda nêdim nêne helpe lênad. Bist en åfte Fryas, frêje +Trâst. Fon elder t elder, andere thene mån. Thån sêide hju wil ik åwet +in thin mod sêja in bitrouwa, thåt et kyma groja ånd früchda jêva +mêi. Forth sprêk hju ånde kêth. Thâ Frya bern was, stand vs moder +naked ånd blât, vnbihod to jenst tha strêlum thêre svnne. Ninman +macht hju frêja ånd thêr wêre ninman thêr hja help macht lêna. Thâ +gvng Wr.alda to ånd wrochte in hjra mod nigung ånd liavde anggost ånd +skrik. Hju sach rondomme, hjra nigung kâs thet beste ånd hju sochte +skul vndera wârande linda. Men rêin kêm ånd t onhlest wêre thât hju +wet wrde. Thach hju hêde sjan ho thet wêter to tha hellanda blådar of +drupte. Nw mâkade hju en hrof mith hellanda sidum, vp stôka mâkade hju +tham. Men stornewind kêm ånd blos rêin thêr vnder. Nw hêde hja sjan +thåt tha stam hly jef, åfter gong hja to ånd mâkade en wâch fon plâga +ând sâdum, thet forma an êne syda ånd forth an alle syda. Storne wind +kêm to bek jeta wodander as to fora ånd blos thju hrof ewêi. Men hju ne +bârade navt over Wr.alda ner to jenst Wr.alda. Men hja mâkade en reitne +hrof ånd leide stêne thêr vppa. Bifvnden håvande ho sêr thet dvath +vmb allêna to tobbande, alsa bithjude hju hira bern ho ånd hwêrvmbe +hju alsa hêde dên. Thissa wrochton ånd tochton to sêmine. A sadenera +wise send wy an hûsa kêmen mith stoppenbånkum, en slecht ånd warande +linda with tha svnnestrêlum. To tha lesta håvon hja en burch mâkad +ånd forth alle ôthera. Nis thin hus thus navt sterk noch wêst, alsa +mot i trachda vmbet ôre bêter to mâkjande. Min hus wêre sterk enoch, +sêider, men thet hâge wêter heth et vp bêrad ånd stornewind heth et +ore dên. Hwêr stand thin hus thån, frêje Trâst. Alingen thêre Rêne, +andere thene man. Ne stand et thån navt vppen nol jeftha therp, frêje +Trâst. Nean sêider, min hus stand ênsum by tha overe, allêna håv ik +et buwad, men ik ne macht thêr allêna nên therp to makane. Ik wist +wel, sêide Trâst, tha fâmna håv et my meld. Thv hest al thin lêva +en grûwel had an tha månniska, ut frêse thåtste awet jêva jeftha +dva moste to fara hjam. Thach thêr mitha ne mêi mån navt fêr ne +kvma. Hwand Wr.alda thêr mild is, kêrath him fona gyriga. Fåsta het +vs rêden ånd buppa tha dura fon alle burgum is t in stên ut wryten: +bist årg bâtsjochtig sêide Fåsta, bihod thån jvwe nêsta, bithjod thån +jvwe nêsta, help thån juwe nesta, sâ skilun hja t thi witherdva. Is +i thina rêd navt god noch, ik nêt fâr thi nên bêtera. Skâmrâd wårth +then mån ånd hi drupte stolkes hinne. + + + + + +NW WIL IK SELVA SKRIWA ÊROST FON OVER MIN BURCH AND THAN OVER HWAT +IK HAV MUGE SJAN. + + +Min burch lêid an-t north-ende thêre Liudgârda. Thju tore heth sex +syda. Thrya thrittich fêt is hju hâch. Flåt fon boppa. En lyth huske +thêr vppa, hwâna mån tha ståra bisjath. An aider syd thêre tore ståt +en hus, long thrya hondred, brêd thrya sjugun fêt, êlika hâch bihalva +thju hrof, thêr rondlik is. Altham fon hyrbakken stên, ånd fon buta ne +send nênen ôthera. Om tha burch is en hringdik, thêrom en gråft diap +thrya sjugun fêt, wyd thrya twilif fêt. Siath hwa fonêre tore del, +sa siath hi thju dânte fon et Jol. Vppa grvnd twisk tha sûdlika hûsa +thêre, send allerlêja krûda fon hêinde ånd fêr, thêrof moton tha fâmna +tha krefta lêra. Twisk tha nortlika hûsa is allêna fjeld. Tha thrju +nortlika hûsa send fol kêren ånd ôther bihof. Twa sûdar send to fâra +tha fâmkes vmbe to skola ånd to hêma. Thet sûdlikoste hus is thêre +Burchfâm his hêm. Inna tore hangt thju foddik. Tha wagar thêre tore +send mith kestlika stêna smukad. In vppa thêre sûderwach is thêne +Tex wrytten. An tha fêre syde thêra finth mån thju formlêre; anna +winstere syde tha êwa. Tha ora sêka finth mån vppa ôra thrja. Tojenst +tha dik by-t hus thêr fâm stêt thju owne ånd thju molmâk thrvch fjuwer +bufla kroden. Buta vsa burchwal is-t hêm, thêr vppa tha burchhêra +ånda wêrar hême. Thju ringdik thêra is en stonde grât, nên stjurar, +men svnna stonde, hwêrfon twya twilif vppen etmelde kvma. In vpper +binnasyde fona dik is en flåt, fif fêt vndera krûn. Thêr vppa send +thrya hondred krânboga, todekt mith wod ånd lêther. Bihalva tha hûsa +thêra inhêmar send thêr binna alingne tha dik jeta thrya twilif nêdhûsa +to fâra tha omhêmar. Thet fjeld thjanath to kåmp ånd to wêde. Anna +sûdsyde fon tha bûtenste hringdik is thju Liudgârde omtûnad thrvch +thet grâte Lindawald. Hjra dânte is thrju hernich, thet brêde buta, +til thju svnne thêr in sia mêi. Hwand thêr send fêlo fêrlandeska +thrêja ånd blommen thrvch tha stjurar mith brocht. Alsa thju dânte +vsar burch is, send alle ôthera; thach vs-is is thju grâteste; men +thi fon Texland is tha aldergrâteste. Thju tore fon Fryasburch is +alsa hâch thåt hju tha wolka torent, nêi thêre tore is al et ôthera. + +By vs vppa burch ist alsa dêlad. Sjugun jonge fâmna wâkath by thêre +foddik. Aider wâk thrja stonda. In ha ôre tid moton hja huswårk dva, +lêra ånd slêpa. Send hja sjugun jêr wâkande wêsen, alsa send hja +fry. Thân mügon hja emong tha månniska gâ, vp-ra sêd to letane ånd +rêd to jêvane. Is hwa thrju jêr fâm wêst, sâ mêi hju alto met mith +tha alda fâmna mith gâ. + +Thi skrywer mot tha fâmkes lêra lêsa, skrywa ånd rêkenja. Tha grysa +jeftha grêva moton lêra hjam rjucht ånd plicht, sêdkunda, krûdkunda, +hêlkunda, skêdnesa, tellinga ånd sanga, bijunka allerlêja thinga thêr +hjam nêdlik send vmbe rêd to jêva. Thju Burchfâm mot lêra hjam ho hja +thêrmith to wårk gâ mota by thå månniska. Êr en Burchfâm hjra stêd +innimt, mot hju thrvch thet lând fâra en fvl jêr. Thrê grêva burchhêra +ånd thrja alda fâmna gan mith hiri mitha. Alsa is-t âk my gvngon. Min +fârt is alingen thêre Rêne wêst, thjus kâd opward, alingen thêre ôre +syde ofward. Ho hâger ik upkêm, to årmer likte mi tha månniska. Wral +inna Rêne hêde mån utstekka makad. Thet sôn thåt thêr ain kêm, wrde +mith wêter wr skêpfachta gâten vmbe gold to winnande. Men tha mångêrta +ne drogon thêr nêne golden krone fon. Êr wêron thêr mâr wêst, men sont +wi Skênland miste, send hja nêi tha berga gvngon. Thêr delvath hja +yserirtha, thêr hja yser of mâkja. Boppa thêre Rêne twisk thet berchta, +thêr håv ik Mârsåta sjan. Tha Mârsâta thåt send månniska thêr invppa +mâra hêma. Hjara husa send vp pålum buwad. Thåt is vret wilde kwik ånda +bose månniska. Thêr send wolva, bâra ånd swârte grislika lâwa [69]. And +hja send tha swetsar [70] jeftha pålingar fonda hêinde Krêkalandar, +thêra Kålta folgar ånd tha vrwildere Twiskar, alle gyrich nêi râv ånd +but. Tha Mârsâta helpath hjara selva mith fiska ånd jâga. Tha huda +wrdat thrvch tha wiva tomâkad ånd birhet mith skors fon berkum. Tha +litha huda saft lik fâmnafilt. Thju burchfâm et Fryasburch [71] +sêide vs thåt hja gode ênfalde månniska weron. Thach hêd ik hja êr +navt sprêken hêred, ik skolde mênath håve thåt hja nên Fryas wêre, +men wilda, sâ ryst sâgon hja ut. Hjra fachta ånd kruda wrdon thrvch +tha Rênhêmar vrwandelath ånd thrvch tha stjurar buta brocht. Alingen +thêre Rêne wêr et alên, til Lydasburch [72]. Thêr was en grâte flyt +[73]. Invppa thisra flyt wêron âk månniska, thêr husa vp påla hêde. Men +thåt nêr nên Fryas folk, men thåt wêron swarte ånd bruna månniska, +thêr thjanath hêde to rojar vmbe tha butafârar to honk to helpane. Hja +moston thêr bilywa til thju thju flâte wither wêi brûda. + +To tha lersta kêmon wi to-t Alderga. By-t suderhâvahâved stêt thju +Wâraburch, en stênhus, thêrin send allerlêja skulpa, hulka, wêpne ånd +klathar wârad, fon fêre landum, thrvch tha stjurar mith brocht. En +fjardêl dâna is-t Alderga. En grâte flyt omborad mith lothum, husa +ånd gârdum ella riklik sjarad. Invpper flyt lêi en grâte flâte rêd, +mith fônon fon allerlêja farwa. Et Fryas dêi hongon tha skilda omma +tha borda to. Svme blikton lik svnna. Tha skilda thêr witking ånd +thêra skolta bi tha nachtum wêron mith gold vmborad. Abefta thêre flyt +was en gråft gråven, to hlâpande dâna alingen thêre burch Forâna [74] +ånd forth mith en ênga muda [75] in sê. To fâra thêre flâte wêre thit +tha utgvng ånd et Fly tha ingvng. A bêde syda thêre gråft send skêne +husa mith hel blikanda farwa mâlad. Tha gârdne send mit altid grêne +hâgvm omtunad. Ik håv thêr wiva sian, thêr filtne tohnekna drogon as t +skriffilt wêre. Lik to Stavere wêron tha mångêrtne mith golden kronum +vppira holum ånd mith hringum [76] om årma ånd fêt sjarad. Sudward +fon Forâna lêid Alkmârum. Alkmârum is en mâre jefta flyt, thêrin lêid +en êland, vppa thåt êland moton tha swarte ånd bruna månniska hwila +êvin as to Lydahisburch. Thju Burchfâm fon Forâna sêide my, thåt tha +burchhêra dêistik to-râ gvngon vmb ra to lêrande, hwat åfte frydom +sy, ånd ho tha månniska an thêre minne agon to lêvane vmbe sêjen to +winnande fon Wr.aldas gâst. Was thêr hwa thêr hêra wilde ånd bigripa +machte, sa wårth er halden, alont er fvl lêrad wêre. Thåt wrde dên vmbe +tha fêrhêmande folka wis to mâkane, ånd vmbe vral âtha to winnande. Êr +hêd ik anda Sâxanamarka to thêr burch Månnagârda forda [77] wêst. Thach +thêr hêd ik mâr skâmelhêd sjan, as-k hyr rikdom spêrde. Hju andere: +sâ hwersa thêr an da Sâxanamarka en frêjar kvmath en mangêrte to bi +frêjande, alsa frêjath tha mångêrtne thêr, kanst thin hus fry wêra +tojenst tha bannane Twisklandar, håst nach nêne fålad, ho fêlo bufle +håst al fånsen ånd ho fêlo bâra ånd wolva huda håst al vppa thêre +mårk brocht? Dâna ist kvmen thåt tha Saxmanna thju buw anda wiva +vrlêten håve. Thåt fon hvndred to sêmine nên êne lêsa mêi ner skriwa +ne kån. Dâna is-t kvmen, thåt nimman nên sprêk vppa sin skild neth, +men blât en mislikande dânte fon en diar, thåt er fålad heth. And +åndlik, dâna is-t kvmen, thåt hja sêr wichandlik ewrden send, men +to met êvin dvm send as et kwik, thåt hja fånsa, ånd êvin erm as +tha Twisklândar, hwêr mith hja orloge. To fâra Fryas folk is irtha +ånd sê eskêpen. Al vsa rinstrâma runath vppa sê to. Thåt Lydas folk +ånd thåt Findas folk skil ekkorum vrdelgja, ånd wy moton tha lêthoga +landa bifolka. In-t fon ånd omme fâra lêid vs held. Wilst nw thåt tha +boppalânder dêl håve an vsa rikdom ånd wisdom, sâ skil ik thi en rêd +jêva. Lêt et tha mangêrtne to wênhêd wrde hjara frêjar to frêjande, +êr hja ja segsa: hwêr håst al in wralda ommefâren, hwad kånst thin +bern tella wra fêra landa ånd wra fêrhêmanda folka? Dvath hja alsa, +sâ skilun tha wichandlika knâpa to vs kvma. Hja skilun wiser wårtha +ånd rikkâr ånd wi ne skilun nên bihof longer navt nåve an thåt wla +thjud. Tha jongste thêr fâmna fon thêra thêr by mi wêron, kêm uta +Saxsanamarka wêi. As wi nw to hongk kêmon, heth hju orlovi frêjad +vmbe nêi hjra hus to gâne. Afternêi is hju thêr Burchfâm wrden, ånd +dâna is-t kvmen thåt er hjudêga sâ felo Saxmånna by tha stjurar fâre. + + + Ende fon thet Apollonia bok. + + + + + +THA SKRIFTA FON FRETHORIK AND WILJOW. + + +Min nôm is Frêthorik to nomath oera Linda, thåt wil segsa ovir tha +Linda. To Ljudwardja bin ik to Asga kêren. Ljudwardja is en ny thorp, +binna thene ringdik fon thêr burch Ljudgarda, hwêrfon tha nôma an vnêr +kvmen is. Vnder mina tida is er fül bêred. Fül hêd ik thêr vr skrêven, +men åfternêi send mi âk fêlo thinga meld. Fon ên ånd ôther wil ik en +skêdnese åfter thit bok skrywa, tha goda månniska to-n êre tha årga +to vnêre. + +In min jüged hêrd ik grêdwird alomme, årge tid kêm, årge tid was +kvmen, Frya hêd vs lêton, hjra wâkfâmkes hêde hju abefta halden, +hwand drochten likande bylda wêron binna vsa lândpåla fvnden. + +Ik brônde fon nysgyr vmbe thi bylda to bisjan. In vsa bûrt strompele +en ôld fâmke to tha husa uta in, immer to kêthande vr årge tid. Ik +gyrde hja ling syde. Hju strik mi omme kin to. Nw wrd ik drist ånd +frêje jef hju mi årge tid ånd tha bylda rêis wisa wilde. Hju lakte +godlik ånd brocht mi vpper burch. En grêve mån frêje my jef ik al +lêsa ånd skrywa kv. Nê sêid ik. Thån most êrost to ga ånd lêra, +sêid-er owers ne mêi-t jow navt wysen wrde. Dystik gvng ik bi tha +skriwer lêra. Acht jêr lêtter hêrd ik, vsa burchfâm hêde hordom +bidryven ånd svme burchhêra hêdon vrrêd plêgad mith tha Magy, ånd +fêlo månniska wêron vp hjara syde. Vral kêm twispalt. Thêr wêron bern, +thêr vpstandon ajen hjara eldrum. Inna gluppa wrdon tha froda månniska +morth. Thet alde fâmke, thêr ella bâr mâkade, wårth dâd fvnden in +en grupe. Min tât, thêr rjuchter wêre, wilde hja wrêken hâ. Nachtis +wårth er in sin hus vrmorth. Thrju jêr lêtter wêr thene Mâgy bâs +svnder strid. Tha Saxmånna wêron frome ånd frod bilywen. Nêi tham +fljuchton alle gode månniska. Min måm bistvrv-et. Nw dêd ik lik tha +ôthera. Thi Mâgy bogade vppa sinra snôdhêd. Men Irtha skold im thâna, +thåt hja nên Mâgy ner afgoda to lêta ne mochte to thêre hêlge skêta, +hwêrut hju Frya bêrade. Êvin sa thet wilde hors sina månna sked, +nêi thåt thet sina ridder gersfallich mâkad heth, êvin sâ skodde +Irtha hjra walda ånd berga. Rinstrâma wrdon ovira fjelda sprêd. Sê +kokade. Berga spydon nêi tha wolkum, ånd hwad hja spyth hêde, swikton +tha wolka wither vp jrtha. By-t anfang there Arnemônath nigade jrtha +northward, hju sêg del, ôl lêgor ånd lêgor. Anna Wolfamônath lêidon tha +Dênemarka fon Fryas lând vnder-ne sê bidobben. Tha walda thêr bylda in +wêron, wrdon vphyvath ånd thêr windum spel. Thet jêr åfter kêm frost +inna Herdemônath ånd lêid ôld Fryas lând vnder en plônke skul. In +Sellamônath kêm stornewind ut et northa wêi, mith forande berga fon +ise ånd stênum. Tha spring kêm, hyf jrtha hjra selva vp. Ise smolt +wêi. Ebbe kêm ånd tha walda mith byldum drêvon nêi sê. Inner Winna +jeftha Minnamônath gvng aider thurvar wither hêm fâra. Ik kêm mith en +fâm to thêre burch Ljudgârda. Ho drove sach et ut. Tha walda thêra +Lindawrda wêron mêst wêi. Thêr tha Ljudgârde wêst hêde, was sê. Sin +hef fêtere thene hringdik. Ise hêde tha tore wêi brocht ånd tha husa +lêide in thrvch ekkôrum. Anna helde fonna dik fond ik en stên. vsa +skriver hêd er sin nôm inwryten, thåt wêre my en bâken. Sâ-t mith +vsa burch gvngen was, was-t mith mitha ôra gvngon. Inna hâga lânda +wêron hja thrvch jrtha, inna dêna landa thrvch wêter vrdên. Allêna +Fryasburch to Texland wårth vnedêrad fvnden. Men al et lånd thet +northward lêid hêde, wêre vnder sê. Noch nis-t navt boppa brocht. An +thås kâd fon-t Flymâre wêron nêi meld wrde thrichtich salta mâra +kvmen, vnstonden thrvch tha walda, thêr mith grvnd ånd al vrdrêven +wêron. To Westflyland fiftich. Thi gråft thêr fon-t Alderga thweres +to het land thrvchlâpen hêde, was vrsôndath ånd vrdên. Tha stjurar +ånd ôr fârande folk, thêr to honk wêron, hêde hjara selva mith mâga +ånd sibba vppira skepum hret. Men thåt swarte folk fon Lydasburch +ånd Alikmarum hêde alên dên. Thawil tha swarta sûdward dryvon, +hêdon hja fêlo mångêrtne hret, ånd nêidam nimman ne kêm to aska +tham, hildon hja tham to hjara wiva. Tha månniska thêr to bek kêmon, +gvngon alle binna tha hringdika thêra burgum hêma, thrvchdam et thêr +buta al slyp ånd broklând wêre. Tha gamla husa wrde byên klust. Fona +boppalândum kâpade mån ky ånd skêp, ånd inna tha grâte husa thêr to +fâra tha fâmna sêten hêde, wrde nw lêken ånd filt mâkad, vmbe thes +lêvens willa. Thåt skêd 1888 [78] jêr nêi thåt Atlând svnken was. + +In 282 jêr [79] nêdon wi nên Êremoder navt hat, ånd nw ella tomet +vrlêren skinde, gvng mån êne kjasa. Thet hlot falde vp Gosa to +nômath Makonta. Hju wêre Burchfâm et Fryasburch to Texlând. Hel fon +hawed ånd klâr fon sin, êlle god, ånd thrvchdam hira burch allêna +spârad was, sach alrik thêrut hira hropang. Tjan jêr lêttere kêmon +tha stjurar fon Forana ånd fon Lydas burch. Hja wildon tha swarta +månniska mith wif ånd bern to thet lând utdryva. Thêrwr wildon hja +thêre Moder is rêd biwinna. Men Gosa frêje, kånst ên ånd ôr to bek +fora nêi hjra lândum, thån âchste spod to mâkjande, owers ne skilun +hja hjara mâga navt wither ne finda. Nê sêide hja. Thâ sêide Gosa: +Hja håvon thin salt provad ånd thin bråd êten. Hjara lif ånd lêva +håvon hja vnder jow hod stålad. I moste jow ajne hirta bisêka. Men ik +wil thi en rêd jeva. Hald hjam alond jow wåldich biste vm ra wither +honk to fora. Men hald hjam bi jow burgum thêr bûta. Wâk ovir hjara +sêd ånd lêr hjam as jef hja Fryas svna wêre. Hjra wiva send hyr tha +steriksta. As rêk skil hjara blod vrfljuchta, til er tha lesta navt +owers as Fryas blod in hjara åfterkvmande skil bilywa. Sâ send hja +hyr bilêwen. Nw winst ik wel thåt mina åfterkvmande thêr vp letta, +ho fêr Gosa wêrhêd sprek. Thâ vsa lânda wither to bigana wêr, kêmon +thêr banda erma Saxmanna ånd wiva nêi tha vvrdum fon Stavere ånd thåt +Alderga, vmbe golden ånd ôra sjarhêd to sêkane fon ut tha wasige +bodeme. Thach tha stjurar nildon hja navt to lêta. Tha gvngon hja +tha lêthoga thorpa bihêma to West Flyland, vmbe ra lif to bihaldane. + + + + + +NW WIL IK SKRIWA HO THA GÊRTMANNA AND FÊLO HÊLÊNJA FOLGAR TOBEK KÊMON. + + +Twa jêr nêi thåt Gosa Moder wrde [80], kêm er en flâte to thet +Flymara in fala. Thet folk hropte ho.n.sêen. Hja foron til Stavere, +thêr hropton hja jeta rêis. Tha fôna wêron an top ånd thes nachtes +skâton hja barnpila [81] anda loft. Thâ dêirêd wêre rojadon svme mith +en snâke to thêre hava in. Hja hropton wither ho.n. sêen. Thâ hja +landa hipte-n jong kerdel wal vp. In sina handa hêdi-n skild, thêrvp +was bråd ånd salt lêid. Afterdam kêm en grêva, hi sêide wi kvmath +fona fere Krêkalandum wêi, vmb vsa sêd to warjande, nw winstath wi i +skolde alsa mild wêsa vs alsa fül lând to jêvane thåt wi thêrvp müge +hêma. Hi telade-n êle skêdnese thêr ik åfter bêtre skryva wil. Tha +grêva niston navt hwat to dvande, hja sandon bodon allerwêikes, âk +to my. Ik gvng to ånd sêide: nw wi-n Moder håve agon wi hjra rêd to +frêjande. Ik selva gvng mitha. Thju Moder, thêr ella wiste, sêide, lêt +hja kvme, sâ mügon hja vs lând helpa bihalda: men lêt hjam navt vp êne +stêd ne bilyva, til thju hja navt waldich ne wrde ovir vs. Wi dêdon +as hju sêid hêde. That wêre êl nêi hjra hêi. Fryso reste mith sinâ +ljudum to Stavere, that hja wither to êne sêstêde mâkade, sa god hja +machte. Wichhirte gvng mith sinum ljudum astward nêi there Êmude. Svme +thêra Johnjar, thêr mênde thåt hja font Alderga folk sproten wêre, +gvngen thêr hinne. En lyth dêl thêr wânde thåt hjara êthla fon tha +sjugon êlanda wei kêmon, gvngon hinne ånd setton hjara selva binna +tha hringdik fon thêre burch Walhallagâra del. Ljudgêrt thene skolte +bi nachte fon Wichhirte wårth min åthe åfternêi min frjund. Fon ut +sin dêibok håv ik thju skêdnese thêr hir åfter skil folgja. + +Nei thåt wi 12 mel 100 ånd twia 12 jêr bi tha fif wêtrum sêten hêde, +thahwila vsa sêkåmpar alle sêa bifâren hêde thêr to findane, kêm +Alexandre [82] tham kêning mith en weldich hêr fon boppa allingen +thêr strâm vsa thorpa bifâra. Nimman ne måcht im wither worda. Thach +wi stjurar thêr by tha sê sâton, wi skêpt vs mith al vsa tilbêre +hava in ånd brûda hinna. Tha Alexandre fornom thåt im sâ ne grâte +flâte vntfâra was, wårth er wodinlik, to swêrande hi skolde alle +thorpa an logha offerja jef wi navt to bek kvma nilde. Wichhirte +lêide siak to bedde. Thâ Alexandre thåt fornom heth er wacht +alont er bêter wêre. Afternêi kêm er to him sêr kindlyk snakkande, +thach hi thrjvchde lik hi êr dên hêde. Wichhirte andere thêr åfter, +o aldergrâteste thêra kêningar. Wi stjurar kvmath allerwêikes, wi +hâven fon jow grâte dêdun hêred. Thêrvmbe send wi fvl êrbidenese to +fara jowa wêpne, tha jet mar vr thina witskip. Men wi ôthera wy send +frybern Fryas bern. Wy ne mügon nêne slâfona navt ne wrde. Jef ik +wilde, tha ôra skolde rêder sterva willa, hwand alsa ist thrvch vsa +êwa bifôlen. Alexandre sêide: ik wil thin lând navt ne mâkja to min +bût, ner thin folk to mina slâfona. Ik wil blât thåt ste my thjanja +skolste vmb lân. Thêrvr wil ik swêra by vs bêdar godum, thåt nimman vr +my wrogja skil. Tha Alexandre åfternei bråd ånd salt mith im dêlade, +heth Wichhirte that wiste dêl kâsen. Hi lêt tha skêpa hala thrvch sin +svne. Tha thi alle tobek wêron, heth Alexandre thi alle hêred. Thêr +mitha wilde hi sin folk nêi tha helge Gônga fâra, thêr hi to land +navt hêde müge nâka. Nw gvng er to ånd kâs altham ut sin folk ånd +ut sina salt-atha thêr wenath wêron vvr-ne sê to fârane. Wichhirte +was wither siak wrden, thêrvmbe gvng ik allêna mitha ånd Nearchus +fon thes keningis wêga. Thi tocht hlip svnder fardêl to-n-ende, +uthâvede tha Johnjar immerthe an vnmin wêron with tha Phonisjar, +alsa Nêarchus thêr selva nên bâs ovir bilywe ne kv. Intwiska hêde +tham kêning navt stile nêst. Hi hêde sina salt-atha bâma kapja +lêta ånd to planka mâkja. Thrvch help vsar timberljud hêder thêr of +skêpa mâkad. Nw wilder selva sêkêning wertha, ånd mith êl sin hêr +thju Gonga vpfâra. Thach tha salt-atha thêr fon thet bergland kêmon, +wêron ang to fara sê. As hja hêradon thåt hja mith moste, stakon hja +tha timberhlotha ane brônd. Thêr thrvch wrde vs êle thorp anda aska +lêid. Thet forma wânde wy thåt Alexandre thåt bifalen hêde ånd jahwêder +stand rêd vmb sê to kjasane. Men Alexander wêre wodin, hi wilde tha +salt-atha thrvch sin ajn folk ombrensa lêta. Men Nêarchus tham navt +allêna sin êroste forst men ak sin frjund wêre, rêde him owers to +dvande. Nw bêrad er as wen der lavade thet vnluk et dên hêde. Tha hi +ne thvrade sin tocht navt vrfata. Nw wild er to bek kêra, thach êr +hi thåt dêde, lêt hi thet forma bisêka hwa-r skeldich wêron. Dry-r +thåt wiste lêt er altham svnder wêpne bilywa, vmb en ny thorp to +mâkjande. Fon sin ajn folk lêt er wepned vmbe tha ôra to tåmma, ånd +vmbe êne burch to bvwande. Wy moston wiv ånd bern mith nimma. Kêmon +wi anda muda thêre Êuphrat, sa machton wi thêr en stêd kiasa jeftha +omkêra, vs lân skold vs êvin blyd to dêlath wrde. An tha nya skêpa, +thêr tha brônd vntkvma wêron, let-er Johniar ånd Krêkalandar gâ. Hi +selva gvng mith sin ôra folk allingen thêre kâd thrvch tha dorra +wostêna, thåt is thrvch et land thåt Irtha vphêid hêde uta sê, tha +hju thju strête after vsa êthela vphêide as hja inna Râde sê kêmon. + +Tha wy to ny Gêrtmanja kêmon (ny Gêrtmanja is en hâva thêr wi +selva makad hede, vmbe thêr to wêterja) mêton wi Alexandre mith sin +hêr. Nêarchus gvng wal vp ånd bêide thrja dêga. Tha gvng et wither +forth. Tha wi bi thêre Êuphrat kêmon, gvng Nêarchus mith sina salt-atha +ånd fêlo fon sin folk wal vp. Tha hi kêm hring wither. Hi sêide, thi +kêning lêt jow bidda, i skille jet en lithge tocht to sinra wille dvan, +alont et ende fona Râde sê. Thêrnêi skil jawehder sâ fül gold krêja +as er bêra mêi. Tha wi thêr kêmon, lêt er vs wysa hwêr thju strête +êr wêst hêde. Thêr nêi wylader ên ånd thritich dêga, alan ut sjande +vvra wostêne. + +Tho tha lesta kêm er en hloth månniska mith forande twa hondred +êlephanta thvsend kêmlun tolêden mith woden balkum, râpum ånd allerlêja +ark vmbe vsa flâte nêi tha Middelsê to tyande. Thåt bisâwd-vs, ånd +likt vs bal to, men Nêarchus teld vs, sin kêning wilde tha ôthera +kêninggar tâna that i weldiger wêre, sâ tha kêninggar fon Thyris êr +wêsen hêde. Wi skoldon men mith helpa, sêkur skolde vs thåt nên skâda +navt dva. Wi moston wel swika, ånd Nearchus wiste ella sâ pront to +birjuchte thåt wi inna Middelsê lêide êr thrja mônatha forby wêron. Tha +Alexandre fornom ho-t mith sinra onwerp ofkvmen was, wårth er sa +vrmêten thåt er tha drage strête utdiapa wilde Irtha to-n spot. Men +Wr.alda lêt sine sêle lâs, thêrvmbe vrdronk er inna win ånd in sina +ovirmodichhêd, êr thåt er bijinna kvste. After sin dâd wrde thet rik +dêlad thrvch sina forsta. Hja skolde alrek en dêl to fara sina svnum +wârja, thach hja wêron vnmênis. Elk wilde sin dêl bihalda ånd selva +formâra. Tha kêm orloch ånd wi ne kvste navt omme kêra. Nêarchus +wilde nw, wi skolde vs del setta an Phonisi his kâd, men thåt nilde +nimman navt ne dva. Wi sêide, rêder willath wi wâga nêi Fryasland to +gâna. Tha brocht-er vs nei thêre nya hâva fon Athenia, hwêr alle åfte +Fryas bern formels hin têin wêron. Forth gvngon wi salt-âtha liftochta +ånd wêpne fâra. Among tha fêlo forsta hêde Nêarchus en frjund mith nôme +Antigonus. Thisse strêdon bêde vmb ên dol, sâ hja sêidon as follistar +to fâra-t kêninglike slachte ånd forth vmbe alle Krêkalanda hjara alda +frydom wither to jêvane. Antigonus hêde among fêlo ôtherum ênnen svn, +thi hête Demêtrius, åfter tonômad thene stêda winner. Thisse gvng +ênis vpper stêde Salâmis of. Nêi thåt er thêr en stût mêi strêden hêde +most er mith thêre flâte strida fon Ptholemeus. Ptholemêus, alsa hête +thene forst thêr welda ovir Êgiptaland. Dêmêtrius wn thêre kêse, tha +navt thrvch sina salt-âtha, men thrvch dam wy him helpen hêde. Thit +hêde wi dên thrvch athskip to fâra Nêarchus, hwand wi him far basterd +blod bikånde thrvch sin friska hûd ånd blâwa âgon mith wit hêr. After +nêi gvng Dêmêtrius lâs vp Hrodus [83] thêr hinne brochton wi sina +salt-âtha ând liftochta wr. Thâ wi tha leste rêis to Hrodus kêmon, +was orloch vrtyan. Dêmêtrius was nêi Athenia fâren. Tha vs kêning +thåt vnderstande, lêd-er vs tobek. Tha wi anda hâve kêmon, wêre êl et +thorp in row bidobben. Friso thêr kêning wêr ovir-a flâte, hêde en svn +ånd en toghater tûs, sâ bjustre fres, as jef hja pâs ut Fryasland wêi +kvmen wêren, ånd sâ wonderskên as nimman mocht hügja. Thjv hrop thêrvr +gvng vvr alle Krêkalanda ånd kêm in tha âra fon Dêmêtrius. Dêmêtrius +wêre vvl ånd vnsêdlik, ånd hi thogte thåt-im ella fry stvnde. Hi lêt +thju toghater avbêr skâkja. Thju moder ne thvrade hjra joi [84] navt +wachtja, joi nomath tha stjurar wiva hira mâna, thåt is blideskip, +ak segsath hja swêthirte. Tha stjurar hêton hjra wiva trâst, ånd fro +jefta frow thåt is frü âk frolik, thåt is êlik an frü. Thrvchdam hju +hjra man navt wachtja thurade, gvng hju mith hjra svne nêi Dêmêtrius +ånd bad, hi skolde hja hjra toghater wither jêva. Men as Dêmêtrius +hira svn sa, lêt-er tham nêi sinra hove fora, ånd dêde alên mith him, +as-er mith tham his suster dên hêde. Anda moder sand hi en buda gold, +thach hju stirt-et in sê. As hju thûs kêm, warth hju wansinnich, +allerwêikes run hju vvra strête: nåst min kindar navt sjan, o wach, +lêt mi to jow skul sêka, wand min joi wil mi dêja for tha-k sina kindar +wêi brocht håv. Tha Dêmêtrius fornom, thåt Friso to honk wêre, sand-i +en bodja to him segsande, thåt hi sina bern to him nomen hêde wmbe ra +to fora to-n hâge stât vmbe to lânja him to fâra sina thjanesta. Men +Friso thêr stolte ånd herdfochtich wêre, sand en bodja mith en brêve +nêi sinum bern tha, thêrin mânde hi hjam, hja skolde Dêmêtrius to +willa wêsa, vrmithis tham hjara luk jêrde. Thach thene bodja hêde +jeta-n ora brêve mith fenin, thêrmêi bifâl-er hja skolde thåt innimma, +hwand sêid-er-vnwillinglik is thin lif bivvllad, thåt ne skil jow +navt to rêkned ni wrde, thach sâhwersa jow jowe sêle bivvlath sa ne +skil jow nimmerthe to Walhâlla ne kvma, jow sêle skil thån ovir irtha +ommewâra, svnder å thet ljucht sja to mugande, lik tha flâramusa ånd +nachtula skilstv alra dystik in thina hola skula, thes nachtis utkvma, +then vp vsa gråva grâja ånd hûla, thahwila Frya hjra haved fon jow +ofwenda mot. Tha bern dêde lik-ra bifâlen warth. Dêmêtrius lêt ra +likka in sê werpa ånd to tha månniska wrde sêid, thåt hja fljucht +wêron. Nw wilde Friso mith alleman nêi Fryasland fâra, thêr-i êr wêst +hêde, men tha mêst nilde thåt navt ne dva. Nw gvng Friso to ånd skât +thet thorp mith-a kêninglika fârrêdskûrum anda brônd. Hjud ne kv ni +thvrade ninman ne bilywa, ånd alle wêron blyde, that hja bûta wêre, +bihalva wif ånd bern hêdon wi ella abefta lêten, thach wi wêron to +lêden mith liftochtum ånd orlochtuch. + +Friso nêde nach nên fretho. Tha wi by tha alda hâve kêmon gvnger +mith sina drista ljudum to ånd skât vnwarlinga tha brônd inna skêpa, +thêr-i mith sina pilum bigâna kv. After sex dêgum sâgon wi tha +orlochflâte fon Dêmêtrius vp vs to kvma. Friso bifâl vs, wi moston +tha lithste skêpa åfterhâde in êne brêde line, tha stora mith wif +ånd bern fârut. Forth bâd er wi skoldon tha krânboga fon for nimma +ånd anda åftestêwen fåstigja, hwand sêid er, wi achon al ffjuchtande +to fjuchtane. Nimman ne mêi him formêta vmb en enkeldera fyand to +forfolgjande, alsa sêid-er is min bislut. Tha hwila wi thêrmitha al +dvande wêron, kêm wind vs vppa kop, to thêra låfa ånd thêra wiva skrik, +thrvchdam wi nêne slâvona navt nêde as thêra thêr vs bi ajn willa +folgan wêre. Wi ne machton hja thus navt thruch roja ni vntkvma. Men +Wralda wiste wel, hwêrvmb-er sâ dêde, ånd Friso thêr-et fata, lêt +tha bårnpila ring inna krânboga lidsa. To lik bâd-er thåt nimman +skiata ne machte, êr hy skâten hêde. Forth sêid-er thåt wi alle nêi +thåt midloste skip skiata moste, is thåt dol god biracht sêid-er, +sâ skilun tha ôra him to helpane kvma ånd thån mot alrik skiata sa-r +alderbesta mêi. As wi nw arhalf ketting fon-ra of wêre, bigoston tha +Phonisiar to skiata. Men Friso n-andere navt bi fâra tha êroste pil +del falde a sex fadema fon sin skip. Nw skât-er. Tha ôra folgade, +thet likte en fjurrêin ånd thrvchdam vsa pila mith wind mêi gvngon, +bilêvon hja alle an brônd, ånd nâkade selva tha thridde lâge. Allera +månnelik gyradon ånd jûwgade. Men tha krêta vsar witherlâgum wêron +sa herde, thet-et vs thet hirte binêpen warth. As Friso mênde thåt +et to koste, lêt-er ofhalde ånd wi spode hinne. Thach nêi that +wi twa dêga forth pilath hêde, kêm thêr en ôre flâte ant sjocht, +fon thrittich skêpun, thêr vs stêdis in wnne. Friso lêt vs wither +rêd makja. Men tha ôthera sandon en lichte snâka fvl rojar forut, +tha bodon thêra bâdon ut alera nôma jef hja mith fâra machte. Hja +wêron Johniar, thrvch Dêmêtrius wêron hja wåldantlik nêi there alda +hâve skikad. Thêr hêdon hja fon thêre kêse hêrad ånd nw hêdon hja +thet stolta swêrd antjan, ånd wêron vs folgad. Friso thêr fül mitha +Johnjar faren hêde sêide jå, men Wichhirte vsa kêning sêide nê. Tha +Johnjar send afgoda thjanjar sêid-er, ik selva håv hêrad, ho hja thi +an hropte. Friso sêide thet kvmath thrvch tha wandel mith tha åfta +Krêkalandar. Thåt håv ik vâken selva dên. Thach ben ik alsa herde +Fryas as tha finste fon jow. Friso wêre thene mån thêr vs to Fryasland +wisa moste. Thus gvngon tha Johnjar mith. Ak likt-et nei Wr.aldas hêi, +hwand êr thrja mônathe om hlâpen wêron, gvngon wi allingen Britannja, +ånd thrja dêga lêter machton wi ho.n sêen hropa. + + + + + +THIT SKRIFT IS MIJ OWER NORTLAND JEFTHA SKÊNLAND JÊVEN. + + +Vndera tida thåt vs land del sêg, wêre ik to Skênland. Thêr gvng et +alsa to. Thêr wêron grâte mâra, thêr fon tha bodeme lik en blêse vt +setta, then spliton hja vt-ên. Uta rêta kêm stof as-t gliande yser +wêre. Thêr wêron berga thêr tha krunna of swikte. Thesse truldon +nêther ånd brochton walda ånd thorpa wêi. Ik self sâ thåt en berch +fon tha ôra of torent wrde. Linrjucht sêg er del. As ik afternêi +sjan gvng, was thêr en mâre kvmen. Tha irtha bêterad was, kêm er +en hêrtoga fon Lindasburch wêi, mit sin folk ånd en fâm, thju fâm +kêthe allomme: Thene Mâgy is skeldich an al-eth lêt thåt wi lêden +håve. Hja tâgon immer forth en thet hêr wårth al grâter. Thene Mâgy +fluchte hinne, mån fand sin lik, hi hêde sin self vrdên. Tha wrdon +tha Finna vrdrêven nêi ênre stêd, thêr machton hja lêva. Thêr wêron +fon basterde blode. Thissa machton biliwa, thach fêlo gvngon mith tha +Finna mêi. Thi hêrtoga warth to kêning kêren. Tha kårka thêr êl bilêven +wêron wrde vrdên. Sont komath tha gode Northljud vâken to Texland vmb +there Moder-is rêd. Thâ wi ne mügath hjam for nêne rjuchta Fryas mar +ne halde. Inna Dênamarka ist sêkur as bi vs gvngon. Tha stjurar, tham +hjara self thêr stoltelika sêkåmpar hêton, send vppira skêpa gvngon, +ånd åfternêi sind hja to bek gvngon. + + + Held! + + +Hwersa thene Kroder en tid forth kroden heth, thån skilun tha +åfterkomanda wâna thåt tha lêka and brêka, thêr tha Brokmanna mith +brocht håve, åjen were an hjara êthla. Thêr vr wil ik wâka ånd thus +sâ fül vr hjåra plêga skriva as ik sjan hå. Vr tha Gêrtmanna kån +ik rêd hinne stappa. Ik nåv navt fül mithra omme gvngen. Tha sâ +fêr ik sjan hå send hja thåt mast bi tâl ånd sêd bilêwen. Thåt ne +mêi ik navt segsa fon tha ôthera. Thêr fon.a Krêkalânda wêi kvme, +send kwâd ther tâl ånd vppira sêd ne mêi mån êl navt boga. Fêlo +håvath brûna âgon ånd hêr. Hja send nidich ånd drist ånd ång thrvch +overbilâwichhêd. Hwêrsa hja sprêka, sâ nômath hja the worda fâr vppa +thêr lerst kvma mosta. Ajen ald segath hja âd, åjen salt sâd, mâ fori +mån, sel fori skil, sode fori skolde, to fül vmb to nomande. Ak forath +hja mêst vrdvaliske ånd bikirte nôma, hwêran mån nên sin an hefta ne +mêi. Tha Johniar sprêkath bêtre, thach hja swygath thi h ånd hwêri +navt nêsa mot, wårth er ûtekêth. Hwersa imman en byld mâkath åfter +ênnen vrstvrven ånd thet likt, sâ lâwath hja, thåt thene gâst thes +vrsturvene thêr inne fârath. Thêrvr håvath hja alle bylda vrburgen +fon Frya, Fåsta, Mêdêa, Thjanja, Hellênja ånd fêlo ôthera. Hwerth +thêr en bern ebern, sâ kvmath tha sibba et sêmne ånd biddath an Frya +thåt hju hjara fâmkes mêi kvma lêta thåt bern to sêenande. Håvon hja +bêden sa ne mêi nimman him rora ni hêra lêta. Kvmt et bern to gråjande +ånd halt thit en stvnde an, alsa is thåt en kwâd têken ånd man is an +formoda, thåt thju måm hordom dên heth. Thêrvr håv ik al årge thinga +sjan. Kvmt et bern to slêpande, sâ is thåt en têken, thåt tha fâmkes +vr-et kvmen send. Lakt et inna slêp, sâ håvon tha fâmkes thåt bern +luk to sêit. Olon lâwath hja an bosa gâsta, hexna, kolla, aldermankes +ånd elfun, as jef hja fon tha Finna wei kêmen. Hyrmitha wil ik enda +ånd nw mên ik tha-k mår skrêven hå, as ên minra êthla. Frêthorik. + +Frêthorik min gâd is 63 jêr wrden. Sont 100 ând 8 jêr is hi thene +êroste fon sin folk, thêr frêdsum sturven is, alle ôthera send vndera +slêga swikt, thêrvr thåt alle kåmpade with ajn ånd fêrhêmande vmb +rjucht ånd plicht. + +Min nôm is Wil-jo, ik bin tha fâm thêr mith him fona Saxanamarka to +honk for. Thrvch tâl ånd ommegang kêm et ut, thåt wi alle bêde fon +Adela his folk wêron, thâ kêm ljafde ånd åfternêi send wi man ånd wif +wrden. Hi heth mi fyf bern lêten, 2 suna ånd thrju toghatera. Konerêd +alsa hêt min forma, Hâchgâna min ôthera, mine aldeste toghater +hêth Adela, thju ôthera Frulik ånd tha jongeste Nocht. Thâ-k nêi +tha Saxanamarka for, håv ik thrju boka hret. Thet bok thêra sanga, +thêra tellinga, ånd thet Hêlênja bok. Ik skrif thit til thju mån navt +thånka ne mêi thåt hja fon Apollânja send; ik håv thêr fül lêt vr +had ând wil thus âk thju êre hå. Ak håv ik mâr dên, tha Gosa-Makonta +fallen is, hwames godhêd ånd klârsjanhêd to en sprêkword is wrden, +thâ ben ik allêna nêi Texland gvngen vmbe tha skrifta vr to skrivane, +thêr hju åfter lêten heth, ånd thâ tha lerste wille fonden is fon +Frâna ånd tha nêilêtne skrifta fon Adela jefta Hellênja, håv ik thåt +jetta rêis dên. Thit send tha skrifta Hellênjas. Ik set hjam fâr vppa +vmbe thåt hja tha aldesta send. + + + ALLE AFTA FRYAS HELD. + + +In êra tida niston tha Slâvona folkar nawet fon fryhêd. Lik oxa wrdon +hja vnder et juk brocht. In irthas wand wrdon hja jâgath vmbe mêtal +to delvane ånd ut-a herde bergum moston hja hûsa hâwa to forst ånd +presterums hêm. Bi al hwat hja dêdon, thêr nas nawet to fâra hjara +selva, men ella moste thjanja vmbe tha forsta ånd prestera jeta riker +ånd weldiger to mâkjane hjara selva to sådene. Vnder thesse arbêd +wrdon hja grêv ånd stråm êr hja jêrich wêron, ånd sturvon svnder n +ochta afskên irtha tham overflodlik fvl jêf to bâta al hjara bern. Men +vsa britna kêmon ånd vsa bânnalinga thrvch tha Twisklânda vr in hjara +marka fâra ånd vsa stjurar kêmon in hjara hâvna. Fon hjam hêradon hja +kålta vr êlika frydom ånd rjucht ånd overa êwa, hwêr bûta nimman omme +ne mêi. Altham wrde vpsugon thrvch tha drova månniska lik dâwa thrvch +tha dorra fjelde. As hju fvl wêron bijonnon tha alderdrista månniska to +klippane mith hjara kêdne, alsa-t tha forsta wê dêde. Tha forste send +stolte ånd wichandlik, thêrvmbe is thêr âk noch düged in hjara hirta, +hja birêdon et sêmine ând javon awet fon hjara overflodalikhêd. Men +tha låfa skin frâna prestara ne machton thåt navt ne lyda, emong +hjara forsinde godum hêdon hja âk wrangwråda drochtne eskêpen. Pest +kêm inovera lânda. Nw sêidon hja, tha drochtna send tornich overa +overhêrichhêd thêra bosa. Tha wrdon tha alderdrista månniska mith +hjara kêdne wirgad. Irtha heth hjara blod dronken, mith thåt blod +fode hju früchda ånd nochta, ånd alle tham thêr of êton wrdon wis. + +16 wâra 100 jêr lêden [85] is Atland svnken, ånd to thêra tidum +bêrade thêr awat hwêr vppa nimman rêkned nêde. In-t hirte fon Findas +lând vppet berchta lêid en del, thêr is kêthen Kasamyr [86], thet is +sjeldsum. Thêr werth en bern ebern, sin måm wêre thju toghater enis +kêning ånd sin tât wêre-n hâvedprester. Vmb skôm to vnkvma mosten hja +hjara åjen blod vnkvma. Thêrvmbe wårth er bûta thêre stêde brocht bi +årma månniska. In twiska was-t im navt forhêlad ne wrden, thêr vmbe +dêd er ella vmbe wisdom to gêtane ånd gârane. Sin forstân wêre sâ grât +thåt er ella forstânde hwat er sâ ånd hêrade. Thåt folk skowde him mit +êrbêdenese and tha prestera wr don ang vr sina frêga. Thå-r jêrich +wrde gvnger nêi sinum aldrum. Hja moston herda thinga hêra, vmb-im +kwit to werthane javon hja him vrflod fon kestlika stênum; men hja ne +thvradon him navt avbêr bikânnâ as hjara åjne blod. Mith drovenese +in vrdelven overa falxe skôm sinra aldrum gvng-er ommedwâla. Al +forth fârande mête hi en Fryas stjurar thêr as slâv thjanade, fon +tham lêrd-i vsa sêd ånd plêgum. Hi kâpade him fry, ånd to ther dâd +send hja frjunda bilêwen. Alomme hwêr er forth hinne tâch, lêrd-i +an tha ljuda thåt hja nêne rika ner prestera tolêta moston, thåt hja +hjara selva hode moston åjen falxe skôm, ther allerwêikes kvad dvat +an tha ljavde. Irtha sêid-er skånkath hjara jêva nêi mêta men hjara +hûd klâwat, thåt mån thêrin âch to delvane to êrane ånd to sêjane, +sâ mån thêrof skêra wil. Thach sêid-er nimman hovat thit to dvande +fori ennen ôthera hit ne sy, thåt et bi mêne wille jef ut ljavade +skêd. Hi lêrde thåt nimman in hjara wand machte frota vmbe gold +her silver ner kestlika stêna, hwêr nid an klywath ånd ljavde fon +fljuchth. Vmbe jow manghêrta ånd wiva to sjarane, sêid-er, jêvath +hjara rin strâma ênoch. Nimman sêid-er is weldich alle månniska +mêtrik ånd êlika luk to jân. Tha thåt it alra månniska plicht vmbe +tha månniska alsa mêtrik to mâkjane ånd sa fêlo nocht to jân, as to +binâka is. Nêne witskip seid-er ne mêi mån minachtja, thach êlika +dêla is tha grâteste witskip, thêr tid vs lêra mêi. Thêrvmbe thåt +hjv argenese fon irtha wêrath ånd ljavde feth. + +Sin forme nôm wêre Jes-us [87], thach tha prestera thêr-im sêralik +håton hêton him Fo thåt is falx, thåt folk hête him Kris-en thåt is +herder, ånd sin Fryaske frjund hêta him Bûda, vmbe that hi in sin +hâvad en skåt fon wisdom hêde ånd in sin hirt en skåt fon ljavde. + +To tha lersta most-er fluchta vr tha wrêka thêra prestera, men vral +hwêr er kêm was sine lêre him fârut gvngen ånd vral hwêr-er gvng +folgadon him sina lêtha lik sine skâde nêi. Thâ Jes-vs alsa twilif +jêr om fâren hêde, sturv-er, men sina frjunda wâradon sine lêre ånd +kêthon hwêr-et âron fvnde. + +Hwat mênst nw thåt tha prestera dêdon, thåt mot ik jo melde, âk mot-i +thêr sêralik acht vp jân, forth mot-i over hjara bidryv ånd renka wâka +mith alle kråftum, thêr Wralda in jo lêid heth. Thahwila Jes-us lêre +vr irtha for, gvngon tha falxe prestera nêi-t lând sinra berta sin +dâd avbêra, hja sêidon thåt hja fon sinum frjundum wêron, hja bêradon +grâte rowa, torennande hjara klâthar to flardum ånd to skêrande hjara +hola kâl. Inna hôla thêra berga gvngon hja hêma, thach thêrin hêdon hja +hjara skåt brocht, thêr binna mâkadon hja byldon åfter Jes-us, thessa +byldon jâvon hja antha vnårg thånkanda ljuda, to longa lersta sêidon +hja thåt Jes-us en drochten wêre, thåt-i thåt selva an hjam bilêden +hêde, ånd thåt alle thêr an him ånd an sina lêra lâwa wilde, nêimels +in sin kêningkrik kvme skolde, hwêr frü is ånd nochta send. Vrmites +hja wiston thåt Jes-us åjen tha rika to fjelda tâgen hêde, sâ kêthon +hja allerwêikes, that årmode hâ ånd ênfald sâ thju düre wêre vmbe in +sin rik to kvmane, thåt thêra thêr hyr vp irtha thåt mâste lêden hêde, +nêimels tha mâsta nochta håva skolde. Thahwila hja wiston thåt Jes-us +lêrad hêde thåt mån sina tochta welda ånd bistjura moste, sâ lêrdon +hja thåt mån alle sina tochta dêja moste, ånd thåt tha fvlkvminhêd +thêra månniska thêrin bistande thåt er êvin vnforstoren wrde sâ thåt +kalde stên. Vmbe thåt folk nw wis to mâkjande thåt hja alsa dêdon, +alsa bêradon hja årmode overa strêta ånd vmb forth to biwisane thåt +hja al hjara tochta dâd hêde, nâmon hja nêne wiwa. Thach sahwêrsa en +toghater en misstap hêde, sâ wårth hja that ring forjân, tha wrakka +sêidon hja most mån helpa and vmbe sin åjn sêle to bihaldane most +mån fül anda cherke jân. Thus todvande hêde hja wiv ånd bern svnder +hûshalden ånd wrdon hja rik svnder werka, men that folk wårth fül +årmer ånd mâr êlåndich as â to fâra. Thas lêre hwêrbi tha prestera nên +ôre witskip hova as drochtlik rêda, frâna skin ånd vnrjuchta plêga, +brêd hiri selva ut fon-t âsta to-t westa ånd skil âk vr vsa landa kvma. + +Men astha prestera skilun wâna, thåt hja allet ljucht fon Frya ånd +fon Jes-us lêre vtdâvath håva, sâ skilum thêr in alle vvrda månniska +vpstonda, tham wêrhêd in stilnise among ekkorum wârath ånd to fâra +tha prestera forborgen håve. Thissa skilun wêsa ut forsta blod, fon +presterum blod, fon Slâvonum blod, ånd fon Fryas blod. Tham skilun +hjara foddikum ånd thåt ljucht bûta bringa, sâ thåt allera månnalik +wêrhêd mêi sjan; hja skilun wê hropa overa dêda thêra prestera ånd +forsta. Tha forsta thêr wêrhêd minna ånd rjucht tham skilun fon +tha prestera wika, blod skil strâma, men thêrut skil-et folk nye +kråfta gâra. Findas folk skil sina findingrikhêd to mêna nitha wenda, +thåt Lydas folk sina kråfta ånd wi vsa wisdom. Tha skilun tha falxa +prestera wêi fâgath wertha fon irtha. Wralda his gâst skil alomme ånd +allerwêikes êrath ånd bihropa wertha. Tha êwa thêr Wralda bi-t anfang +in vs mod lêide, skilun allêna hêrad wertha, thêr ne skilun nêne ôra +mâstera, noch forsta, ner bâsa navt nêsa, as thêra thêr bi mêna wille +kêren send. Thån skil Frya juwgja ånd Irtha skil hira jêva allêna +skånka an tha werkande månnisk. Altham skil anfanga fjuwer thusand +jêr nêi Atland svnken is ånd thusand jêr lêter skil thêr longer nên +prester ner tvang vp irtha sa. + +Dela tonômath Hellênja, wâk! + +Sâ lûda Frânas ûtroste wille. Alle welle Fryas held. An tha nôme +Wraldas, fon Frya, ånd thêre fryhêd grête ik jo, ånd bidde jo, +sahwersa ik falla machte êr ik en folgster nômath hêde, sâ bifêl ik +jo Tüntja thêr Burchfâm is to thêre burch Mêdêasblik, til hjud dêgum +is hja tha besta. + +Thet heth Gôsa nêi lêten. Alle månniska held. Ik nåv nêne êremoder +binomad thrvchdam ik nêne niste, ånd et is jo bêter nêne Moder to +håvande as êne hwêr vp-i jo navt forlêta ne mêi. Arge tid is forbi +fâren, men thêr kvmt en ôthere. Irtha heth hja navt ne bårad ånd +Wralda heth hja navt ne skêren. Hju kvmt ut et âsta ut-a bosma thêra +prestera wêi. Sâ fêlo lêd skil hju broda, thåt Irtha-t blod algâdvr +navt drinka ne kån fon hira vrslêjana bernum. Thjustrenesse skil +hju in overne gâst thêra månniska sprêda, lik tongar-is wolka oviret +svnneljucht. Alom ånd allerwêikes skil lest ånd drochten bidryf with +fryhêd kâmpa ånd rjucht. Rjucht ånd fryhêd skilun swika ånd wi mith +tham. Men thesse winst skil hjara vrlias wrochta. Fon thrju worda +skilun vsa åfterkvmande an hjara ljuda ånd slâvona tha bithjutnesse +lêra. Hja send mêna ljavde, fryhêd ånd rjucht. Thåt forma skilun +hja glora, åfternêi with thjustrenesse kåmpa al ont et hel ånd klår +in hjawlikes hirt ånd holle wårth. Thån skil tvang fon irtha fâgad +wertha, lik tongarswolka thrvch stornewind, ånd alle drochten bidryv +ne skil thêr åjen nawet navt ne formüga. Gôsa. + + + + + +THET SKRIFT FON KONERÊD. + + +Min êthla håvon in åfter thit bok skrêven. Thit wil ik boppa ella +dva, vmbe thåt er in min stât nên burch ovir is, hwêrin tha bêrtnesa +vp skrêven wrde lik to fâra. Min nôme is Konerêd, min tât-his nôme +was Frêthorik, min mem his nôme Wiljow. After tât his dâd ben ik to +sina folgar kêren, ånd tha-k fiftich jêr tålde kâs men mij to vrste +grêvetmån. Min tât heth skrêven ho tha Linda-wrda ånd tha Ljudgârdne +vrdilgen send. Lindahêm is jeta wêi, tha Linda-wrda far en dêl, +tha northlikka Ljudgârdne send thrvch thene salta sê bidelven. That +brûwsende hef slikt an tha hringdik thêre burch. Lik tât melth heth, sâ +send tha hâvalâsa månniska to gvngen ånd hâvon hûskes bvwad binna tha +hringdik thêra burch. Thêrvmbe is thåt ronddêl nw Ljvdwerd hêten. Tha +stjurar segath Ljvwrd, men thåt is wansprêke. Bi mina jüged was-t ôre +lând, thåt bûta tha hringdik lêid, al pol ånd brok. Men Fryas folk +is diger ånd flitich, hja wrdon mod ner wirg, thrvchdam hjara dol to +tha besta lêide. Thrvch slâta to delvane ånd kâdika to mâkjane fon +tha grvnd thêr ût-a slâta kêm, alsa håvon wi wither en gode hêm bûta +tha hringdik, thêr thju dânte het fon en hof, thrê pêla âstwarth, +thrê pêla sûdwarth ånd thrê pêla wêstwarth mêten. Hjud dêgum send +wi to dvande å-pêla to hêjande, vmb êne hâve to winnande ånd mith +ên vmb-vsa hringdik to biskirmande. Jef et werk rêd sy, sâ skilun +wi stjurar utlvka. Bi min jüged stand-et hyr bjûstre om-to, men hjud +send tha hûskes al hûsa thêr an rêja stân. And lek ånd brek thêr mith +ermode hir in glupt wêron, send thrvch flit a-buta drêven. Fon hir ut +mêi allera månnalik lêra, thåt Wr.alda vsa Alfoder, al sina skepsela +fot, mits thåt hja mod halde ånd månlik ôtherum helpa wille. + + + + + +NV WIL IK VR FRISO SKRIVA. + + +Friso thêr al weldich wêre thrvch sin ljud, wårth âk to vrste +grêve kêren thrvch Staverens ommelandar. Hi spot mith vsa wisa fon +lând-wêr ånd sêkåmpa, thêrvmbe heth-er en skol stift hwêr in tha knâpa +fjuchta lêra nêi Krêkalandar wysa. Thån ik lâv thåt i thåt dên heth +vmb thåt jongk-folk an sin snôr to bindane. Ik håv min brother thêr +âk hin skikt, tha-s nv thjan jêr lêden. Hwand tocht ik nv wi nêne +Moder lônger navt nåve, vmbe tha ênen åjen tha ôre to bi skirmande, +âch ik dubbel to wâkane thåt hi vs nên mâster ne wårth. + +Gosa neth vs nêne folgstere nômeth, thêr vr nil ik nên ordêl ne fella, +men thêr send jeta alda årg thenkande månniska, thêr mêne thåt hju-t +thêr-vr mith Friso ênis wrden is. Thâ Gosa fallen was, thâ wildon tha +ljud fon alle wrda êne ôthere Moder kjasa. Men Friso thêr to dvande +wêre vmb-en rik to fara him selva to mâkjane, Friso ne gêrde nên +rêd ner bodo fon Texland. As tha bodon thêra Landsâtum to him kêmon, +sprek-i ånde kêth. Gosa sêid-er was fêrsjande wêst ånd wiser as alle +grêva êtsêmne ånd thach nêde hju nên ljucht nêr klârhêd in thjuse +sêke ne fvnden, thêrvmbe nêde hju nêne mod hân vmb êne folgstere to +kjasane, ånd vmb êne folgstere to kjasane thêr tvyvelik wêre, thêr heth +hju bald in sjan, thêrvmbe heth hju in hjara ûtroste wille skrêven, +thåt is jow bêtre nêne Moder to håvande as êne hwêr vpp-i jo selva +navt forlêta ne mêi. Friso hêde fül sjan, bi orloch was er vpbrocht, +ånd fon tha hrenkum ånd lestum thêra Golum ånd forstum hêder krek sa +fül lêred ånd geth, as-er nêdich hêde vmbe tha ôra grêva to wêiande +hwêr hi hjam wilde. Sjan hir ho-r thêrmith to gvngen is. + +Friso hêde hir-ne ôther wif nimth, thju toghater fon Wil-frêthe, +bi sin lêve was-er vrste Grêva to Staveren wêst. Thêr bi hêder twên +svna wnnen ånd twa toghatera. Thrvch sin bilêid is Kornêlja sin jongste +toghater mith min brother mant. Kornêlja is wan Fryas and mot Kornhêlja +skrêven wrde. Wêmod sin aldeste heth er an Kavch bonden. Kavch thêr +âk bi him to skole gvng is thi svnv fon Wichhirte thene Gêrtmanna +kåning. Men Kavch is âk wan Fryas ånd mot Kâp wêsa. Men kvade tâle +håvon hja mar mithbrocht as gode sêda. + +Nw mot ik mith mine skêdnese a-befta kêra. + +Aftre grâte flod hwêr vr min tât skrêven heth, wêron fêlo Juttar +ånd Lêtne mith ebbe uta Balda jefta kvade sê [88] fored. Bi Kât his +gat drêvon hja in hjara kâna mith yse vppa tha Dênemarka fåst ånd +thêr vp send hja sitten bilêwen. Thêr nêron narne nên månniska an-t +sjocht. Thêrvmbe håvon hja thåt lând int, nêi hjara nôme håvon hja +thåt land Juttarland hêten. Afternêi kêmon wel fêlo Denemarker to bek +fon tha hâga landum, men thissa setton hjara selva sûdliker del. And +as tha stjurar to bek kêmon thêr navt vrgvngen navt nêron, gvng +thi êna mith tha ôthera nei tha sê jefta êlandum. [89] Thrvch thisse +skikking mochton tha Juttar thåt land halda, hwêr-vppa Wr.alda ra wêjad +hêde. Tha Sêlandar stjurar tham hjara selva mith blâte fisk navt helpa +ner nêra nilde, ånd thêr en årge grins hêde an tha Gola, tham gvngon +dâna tha Phonisjar skêpa birâwa. An tha sûdwester herne fon Skênland, +thêr lêid Lindasburcht tonômath Lindasnôse, thrvch vsa Apol stift, +alsa in thit bok [90] biskrêwen stât. Alle kâdhêmar ånd ommelandar +dâna wêron eft Fryas bilêven, men thrvch tha lust thêre wrêke åjen tha +Golum ånd åjen tha Kåltana folgar gvngon hja mitha Sêlandar sâma dvan, +men that sâma dva neth nen stek navt ne halden. Hwand tha Sêlandar +hêde felo mislika plêga ånd wenhêde ovir nommen fon tha vvla Mâgjarum, +Fryas folk to-n spot. Forth gvng ek to fara him selva râwa, thach jef +et to pase kêm thån standon hja månlik ôtherum trvlik by. Thach to +tha lesta bijondon tha Sêlandar brek to krêjande an goda skêpa. Hjara +skipmâkar weron omkvmen ånd hjara walda wêron mith grvnd ånd al fon-t +land of fâged. Nw kêmon thêr vnwarlingen thry skêpa by tha ringdik +fon vsa burch mêra. Thrvch tha inbrêka vsra landum wêron hja vrdvaled +ånd tha Flymvda misfaren. Thi kâpmon thêr mith gvngen was, wilde fon +vs nya skêpa hå, thêrto hêdon hja mithbrocht allerlêja kestlika wêra, +thêr hja râwed hêdon fon tha Kåltanarlandum ånd fon tha Phonisjar [91] +skêpum. Nêidam wy selva nêne skêpa navt n-êde, jêf ik hjam flingka +horsa ånd fjvwer wêpende rinbodon mith nei Friso. Hwand to Stâveren +ånd allingen thåt Aldergâ thêr wrdon tha besta wêrskêpa maked fon herde +êken wod thêr nimmerthe nên rot an ne kvmth. Thahwila tha sêkampar by +my byde, wêron svme Juttar nêi Texland fâren ånd dânâ wêron hja nêi +Friso wêsen. Tha Sêlandar hêdon felo fon hjara storeste knâpum râwed, +thi moston vppa hjara benka roja, ånd fon hjara storeste toghtera vmb +thêr by bern to têjande. Tha stora Juttar ne mochton et navt to wêrane, +thrvchdam hja nêne gode wêpne navt nêde. Thâ hja hjara lêth telad hêde +ånd thêrvr fêlo wordon wixlad wêron, frêje Friso to tha lesta jef hja +nêne gode have in hjara gâ navt n-êde. O-jes, anderon hja, êne besta +ên, êne thrvch Wr.alda skêpen. Hju is net krek lik jow bjarkrûk thêr, +hira hals is eng, thâ in hira bålg kånnath wel thvsanda grâte kâna +lidsa, men wi nâvath nêna burch ner burchwêpne, vmbe tha râwskêpa thêr +ut to haldane. Thån mosten jow gvnst mâkja sêide Friso. God rêden +anderon tha Juttar, men wi n-åvath nêne ambachtisljud ner bvwark, +wi alle send fiskar ånd juttar. Tha ora send vrdrvnken jefta nêi tha +hâga landum fljucht. Midlar hwila hja thus kålta, kêmon mina bodon +mitha Sêlândar hêra et sina hove. Hir most nw letta ho Friso alle +to bidobbe wiste to nocht fon bêde partja ånd to bâte fon sin åjn +dol. Tha Sêlandar sêider to, hja skoldon jêrlikes fiftech skêpa håve, +nêi fåsta mêtum ånd nêi fåsta jeldum, to hrêd mith ysere kêdne ånd +krânbogum ånd mith fvlle tjuch alsa far wêrskêpa hof ånd nêdlik sy, +men tha Juttar skoldon hja thån mith frêthe lêta, ånd all-et folk thåt +to Fryasbern hêred. Jâ hi wilde mar dva, hi wilde al vsa sêkåmpar +utnêda thåt hja skolde mith fjuchta ånd râwa. Thâ tha Sêlandar wêi +brit wêron, thâ lêt er fjuwertich alda skêpa to laja mith burchwêpne, +wod, hirbaken stên, timberljud, mirtselêra ånd smêda vmbe thêr mith +burga to bvwande. Witto, that is witte sin svn, sand hi mith vmb to +to sjanande. Hwat thêr al fâr fallen is, n-is my navt ni meld, men sa +fül is mi bâr wrden, an byde sida thêre haves mvde is êne withburch +bvwed, thêr in is folk lêid that Friso uta Saxanamarka tâch. Witto heth +Sjuchthirte bifrêjad ånd to sin wiv nomen. Wilhem alsa hête hira tat, +hi was vreste Aldermån thêra Juttar, that is vrste Grêvetman jefta +Grêve. Wilhem is kirt after sturven ånd Witto is in sin stêd koren. + + + + + +HO FRISO FORTHER DÊDE. + + +Fon sin êrosta wif hêder twên sviaringa bihalda, thêr sêr klok +wêron. Hetto, that is hête, thene jongste skikt er as senda boda +nêi Kattaburch thåt djap inna Saxanamarka lêid. Hi hêde fon Friso +mith krêjen sjugon horsa buta sin åjn, to lêden mith kestlika sêkum, +thrvch tha sêkåmpar râwed. Bi jahweder hors wêron twên jonga sêkåmpar +ånd twên jonga hrutar mith rika klâdarum klâth ånd jeld in hiara +bûdar. Êvin as er Hetto nêi Kattaburch skikte, skikter Bruno, thåt +is brûne, thene ôthera svjaring nêi Mannagårda wrda, Mannagårda +wrda is fâr in thit bok [92] Mannagårda forda skrêven, men thât is +misdên. Alle rikdoma thêr hja mith hede wrdon nêi omstand wêi skånkt +an tha forsta and forstene ånd an tha utforkêrne mangêrtne. Kêmon thâ +sine knapa vppa thêre mêid vmbe thêr mith et jongkfolk to dônsjane, +sa lêton hja kvra mith krûdkok kvma ånd bårgum jeftha tonnum fon +tha besta bjar. After thissa bodon lêt-er immer jongkfolk over tha +Saxanarmarka fâra, thêr alle jeld inna budar hêde ånd alle mêida +jeftha skånkadja mith brochton, ånd vppa thêre mêid têradon hja alon +vnkvmmerlik wêi. Jef-t nv bêrde thåt tha Saxana knâpa thêr nydich nêi +utsâgon, thån lakton hja godlik ånd sêidon, aste thvrath thene mêna +fyand to bikåmpane, sâ kånst thin brêid jet fül riker mêida jân ånd +jet forstelik têra. Al bêda sviaringa fon Friso send bostigjad mith +toghaterum thêra romriksta forstum, ånd åfkernêi kêmon tha Saxanar +knâpa ånd mangêrtne by êlle keddum nêi thåt Flymar del. + +Tha burchfâmna ånd tha alda fâmna thêr jeta fon hjar êre grâthêd wiste, +nygadon navt vr nêi Frisos bedriv, thêrvmbe ne kêthon hja nên god fon +him. Men Friso snôder as hja lêt-ra snâka. Men tha jonga fâmna spônd-er +mith goldne fingrum an sina sêk. Hja sêidon alomme wy nåvath longer +nên Moder mâr, men thåt kvmth dâna thåt wit jêroch send. Jvd past vs +ne kâning, til thju wi vsa landa wither winna, thêr tha Modera vrlêren +håve thrvch hjara vndigerhêd. Forth kêthon hja, alrek Fryasbern is +frydom jêven, sin stem hêra to lêtane bi fara thêr bisloten wårth bi +t kjasa ênre forste, men ast alsa wyd kvma machte thåt i jo wither ne +kåning kjasa, sâ wil ik âk min mêne segse. Nêi al hwat ik skoja mêi, +sâ is Friso thêr to thrvch Wr.alda kêren, hwand hi heth im wonderlik +hir hinne wêiad. Friso wêt tha hrenka thêra Golum, hwam his tâle hi +sprêkt, hi kån thus åjen hjara lestum wâka. Thån is thêr jeta awet to +skojande, hok Grêva skolde mån to kåning kjasa svnder that tha ôra +thêr nidich vr wêron. Aldulkera tâlum wårth thrvch tha jonga fâmnn +kethen, men tha alde fâmma afskên fê an tal, tapadon hjara rêdne ut en +ôthera bårg. Hja kêthon allerwêikes ånd to alla mannalik: Friso kêthon +hja dvath sâ tha spinna dvan, thes nachtis spônth-i netta nêi alle +sidum ånd thes dêis vrskalkth-i thêr sina vnåftertochtlika frjunda +in. Friso sêith that-er nêne prestera ner poppa forsta lyde ne mêi, +men ik seg, hi ne mêi nimman lyda as him selva. Thêrvmbe nil hi navt +ne dâja thåt thju burch Stavia wither vp hêjath warth. Thêrvmbe wil +hi nêne Moder wêr hâ. Jud is Friso jow rêd jêvar, men morne wil hi +jow kåning wertha, til thju hi over jo alle rjuchta mei. Inna bosm +thes folk-is antstondon nw twa partyja. Tha alda ånd årma wildon +wither êne Moder hâ, men thåt jongkfolk, thåt fvl strêdlust wêre +wilde ne tât jeftha kåning hâ. Tha êrosta hêton hjara selva moder +his svna ånd tha ôthera hêton hjara selva tât his svna, men tha Moder +his svna ne wrde wrde navt ni meld, hwand thrvchdam thêr fêlo skêpa +mâked wrde, was thêr ovirflod to fâra skipmâkar, smêda, sylmâkar, +rêpmâkar ånd to fâra alle ôra ambachtisljud. Thêr to boppa brochton +tha sêkåmpar allerlêja syrhêda mith. Thêr fon hêdon tha wiva nocht, +tha fâmna nocht, tha mangêrtne nocht, ånd thêrof hêdon al hjara mêgum +nocht ånd al hjara frjundum ånd âthum. + +Tha Friso bi fjuwertich jêr et Stâveren hushalden hêde sturf-er. [93] +Thrvch sin bijelda hêde-r fêlo stâta wither to manlik ôtherum brocht, +thach jef wi thêr thrvch bêter wrde thvr ik navt bijechta. Fon +alle Grêva thêr bifâra him wêron n-as thêr nimman sâ bifâmed lik +Friso wêst. Tha sâ as-k êr sêide, tha jonge fâmna kêthon sina love, +thahwila tha alda fâmna ella dêdon vmb-im to achtjane ånd hâtlik to +mâkjane bi alle månniska. Nw ne machton tha alda fâmna him thêr mitha +wel navt ne stôra in sina bijeldinga, men hja håvon mith hjara bâra +thach alsa fül utrjucht thåt-er sturven is svnder thåt er kåning wêre. + + + + + +NW WIL IK SKRIWA VR ADEL SIN SVNV. + + +Friso thêr vsa skidnese lêred hêde ut-et bok thêra Adellinga, hêde +ella dên vmbe hjara frjundskip to winnande. Sin êroste svnv thêr hi hir +won by Swêthirte sin wif, heth-er bi stonda Adel hêten. And afskên hi +kåmpade mith alle sin weld, vmbe nêne burga to forstålane ner wither +vp to bvwande, thach sand hi Adel nêi thêre burch et Texland til thju +hi diger bi diger kvd wertha machta, mith ella hwat to vsa êwa, tâle +ånd sedum hêreth. Tha Adel twintich jêr tålde lêt Friso him to sin +åjn skol kvma, ånd as er thêr utlêred was, lêt-er him thrvch ovir alle +stâta fâra. Adel was-ne minlika skalk, bi sin fâra heth-er fêlo âtha +wnnen. Dâna is-t kvmen thåt et folk him Atha-rik hêten heth, awet hwat +him åfternêi sa wel to pase kêm, hwand as sin tât fallen was, bilêv +er in sin stêd svnder that er vr-et kjasa êner ôthera Grêva sprêka kêm. + +Thahwila Adel to Texland inna lêre wêre, was thêr tefta en êlle +ljawe fâm in vpper burch. Hju kêm fon ut tha Saxanamarkum wêi, +fon ut-êre stâtha thêr is kêthen Svôbaland thêr thrvch wårth hju to +Texland Svôbene [94] hêten, afskên hjra nôme Ifkja wêre. Adel hêde +hja ljaf krêjen ånd hju hêde Adel ljaf, men sin tåt bêd-im hi skolde +jet wachtja. Adel was hêrich, men alsa ring sin tât fallen was ånd hi +sêten, sand hi bistonda bodon nei Berth-holda hira tât hin, as-er sine +toghter to wif håva machte. Bertholda wêr-ne forste fon vnforbastere +sêd, hi hêde Ifkja nêi Texland inna lêre svnden inner hâpe that hja +ênis to burchfâm kêre wrde skolde in sine åjn land. Thach hi hêde +hjara bêder gêrte kånna lêred, thêrvmbe gvng-er to ånd jef hjam sina +sêjen. Ifkja wêr-ne kante Fryas. Far sa fêre ik hja håv kånna lêred, +heth hju alôn wrocht ånd wrot til thju Fryasbern wither kvma machte +vndera selva êwa ånd vnder ênen bôn. Vmbe tha månniska vppa hira syd +to krêjande, was hju mith hira frjudelf fon of hira tât thrvch alle +Saxanamarka fâren and forth nêi Gêrtmånnja. Gêrtmannja alsa hêdon +tha Gêrtmanna hjara stât hêten, thêr hja thrvch Gosa hira bijeldinga +krêjen hêde. Dâna gvngen hja nei tha Dênemarka. Fon tha Dênemarka +gvngon hja skip nei Texland. Fon Texland gvngon hja nêi Westflyland +en sa allingen tha sê nêi Walhallagâra hin. Fon Walhallagâra brûdon +hja allingen thêra sûder Hrênum al ont hja mith grâta frêse boppa +thêre Rêne bi tha Marsâta kêmon [95] hwêrfon vsa Apollânja skrêven +heth. Tho hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja wither nêi tha delta +[96]. As hja nw en tid lông nêi tha delta offâren wêron al ont hja inna +strêk fon thêre alda burch Aken [97] kêmon, sind thêr vnwarlinga fjuwer +skalka morth and naked uteklât. Hja wêron en lith åfter an kvmen. Min +brother thêr vral by was hêde hja often vrbêden, thach hja nêde navt +ne hêred. Tha bônar thêr thåt dên hêde wêron Twisklândar thêr juddêga +drist wêi ovira Hrêna kvma to morda and to râwande. Tha Twislândar thåt +sind bannane ånd wêi britne Fryasbern, men hjara wiva håvath hja fon +tha Tartarum râwet. Tha Tartara is en brûn Findas folk, althus hêten +thrvchdam hja alle folka to strida uttarta. Hja send al hrutar ånd +râwar. Thêr fon send tha Twisklândar alsa blod thorstich wrden. Tha +Twisklândar tham thju årgnise dên hêde, hêton hjara selva Frya jeftha +Franka. Ther wêron sêide min brother râda bruna ånd wita mong. Thêre +thêr râd jeftha brun wêron biton hjara hêre mith sjalkwêter [98] +wit. Nêidam hjara ônthlita thêr brun by wêr, alsa wrdon hja thesto +lêdliker thêr thrvch. Êvin as Apollânja biskojadon hja åfternêi +Lydasburch ånd et Aldergâ. Dâna tâgon hju in over Stâverens wrde by +hjara ljuda rond. Alsa minlik hêdon hja hjara selva anståled that +tha månniska ra allerwêikes halda wilde. Thrê mônatha forther sand +Adel bodon nêi alle âthum thêr hi biwnnen hêde ånd lêt tham bidda, +hja skoldon inna Minna mônath lichta ljuda to him senda. [99] + +sin wif sêid er thêr fâm wêst hêde to Texlând, hêde dâna en ovirskrift +krêjen. To Texland warthat jeta fêlo skrifta fvnden, thêr navt in-t +bok thêra Adelinga vrskrêven send. Fon thissa skriftum hêde Gosa ên +bi hira utroste wille lêid, thêr thrvch tha aldeste fâm Albêthe avbêr +mâkt wertha most, alsa ringen Friso fallen was. + + + + + +HYR IS THAT SKRIFT MITH GOSAS RÊD. + + +Tha Wralda bern jêf an tha modera fon thåt månniskelik slachte, +thâ lêid er êne tâle in aller tonga ånd vp aller lippa. Thjus mêide +hêde Wralda an tha månniska jêven, til thju hja månlik ôthera thêrmith +machte kånbêr mâkja, hwat mån formyde mot ånd hwat mån bijagja mot vmbe +sêlighêd to findane ånd sêlighêd to haldane in al êvghêd. Wralda is +wis ånd god ånd al fårsjande. Nêidam er nw wist, thåt luk ånd sêlighêd +fon irtha flya mot, jef boshêd düged bidroga mêi, alsa heth er an thju +tâl êne rjuchtfêrdige åjendomlikhêd fåst bonden. Thjus åjendomlikhêd +is thêr an lêgen, thåt mån thêr mith nên lêjen sêge, ner bidroglika +worda sprêka ne mêi svnder stem lêth noch svnder skâmrâd, thrvch hvam +mån tha bosa fon hirte bistonda vrkånna mêi. Nêidam vsa tâle thus to +luk ånd to sêlighêd wêjath, ånd thus mith wâkt åjen tha bosa nygonga, +thêrvmbe is hju mith alle rjucht godis tâle hêten, ånd alle tha jêna +hwam hja an êre halda hâvath thêr gôme fon. Tha hwat is bêrth. Alsa +ring thêr mong vsa halfsusterum ånd halfbrotharum bidrogar vpkêmon, +tham hjara selva fori godis skalkum utjavon, also ring is thåt owers +wrden. Tha bidroglika prestera ånd tha wrangwrêja forsta thêr immer +sêmin hêladon, wildon nêi wilkêr lêva ånd buta god-is êwa dvan. In +hjara tsjodishêd send hja to gvngen ånd håvon ôthera tâla forsvnnen, +til thju hja hêmlik machte sprêka in åjenwårtha fon alrek ôtherum, +vr alle bosa thinga ånd vr alle vnwêrthlika thinga svnder thåt +stemlêth hjam vrrêda mocht nach skâmrâd hjara gelât vrderva. Men +hwat is thêrut bern. Êvin blyd as-t sêd thêra goda krûdum fon vnder +ne grvnd ut vntkêmth, thåt avbêr sêjed is thrvch goda ljuda by helle +dêi, êven blyd brength tyd tha skâdlika krûda an-t ljucht, thêr sêjed +send thrvch bosa ljuda in-t forborgne ånd by thjustrenesse. + +Tha lodderiga mangertne ånd tha vnmånlika knâpa thêr mitha vvla +presterum ånd forstum horadon vntlvkadon tha nya tâla an hjara bola, +thêrwisa send hja forth kvmen êmong tha folkrum, til thju hja god-is +tâle glâd vrjetten håve. Wilst nw wêta hwat thêr of wrden is? Nv +stemlêth ner gelât hjara bosa tochta navt longer mar vrrêdon, nv is +düged fon ut hjara midden wêken, wisdom is folgth ånd frydom is mith +gvngen, êndracht is sok râkt ånd twispalt heth sin stêd innommen, +ljafde is fljucht ånd hordom sith mith nyd an têfel, ånd thêr êr +rjuchtfêrdichhêd welde, welth nv thåt swêrd. Alle send slâvona wrden, +tha ljuda fon hjara hêra, fon nyd, bosa lusta ånd bigyrlikhêd. Hêde hja +nvmâr êne tâle forsvnnen, müglik was-t thån jet en lith god gvngen. Men +hja håvon alsa fêlo tâla utfonden as thêr stâta send. Thêrthrvch mêi +thåt êne folk thåt ôre folk êvin min forstân as thju kv thene hvnd +ånd thi wolf thåt skêp. Thit mügath tha stjurar bitjuga. Thach dânâ +is-t nv wêi kvmen, thåt alle slâvona folkar månlik ôthara lik ôra +månniska biskoja ånd thåt hja to straffe hjarar vndigerhêd ånd fon +hjara vrmêtenhêd, månlik ôthera alsa long biorloge ånd bikampa moton +til thju alle vrdilgad send. + + + + + +HYR IS NV MIN RÊD. + + +Bist thv alsa gyrich that thu irtha allêna erva wilste, alsa achst thv +nimmer mâre nên ôre tâle ovir thina wêra ni kvma to lêtane as god-is +tâle, ånd thån achst thv to njodane, til thju thin åjn tâle fry fon +uthêmeda klinka bilyweth. Wilst thv thåt er svme fon Lydas bern ånd +fon Findas bern resta, sâ dvath stv êvin alsa. Thju tâle thêra Ast +Skênlandar is thrvch tha wla Mâgjara vrbrûd; thju tâle thêra Kaltana +folgar is thrvch tha smûgrige Gole vrderven. Nv send wi alsa mild wêst +vmbe tha witherkvmande Hellêna folgar wither in vs midden to nêmande, +men ik skrom ånd ben sêrelik ange, thåt hja vs mild-sa vrjelda skilun +mith vrbrûding vsra rêne tâle. + +Fül håvon wi witherfâren, men fon alle burgum, thêr thrvch arge +tyd vrhomlath send ånd vrdiligad, heth Irtha Fryasburch vnforleth +bihalden; åk mêi ik thêr by melda thåt Fryas jeftha god-is tâle hir +evin vnforleth bihalden is. + +Hyr to Texland most mån thus skola stifta, fon alle stâtum thêr +et mitha alda sêdum halda, most-et jongk folk hyr hinne senden +wrde, åfterdam mochton thêra utlêred wêre tha ôra helpa thêr to +honk vrbêide. Willath tha ôra folkar ysre wêron fon thi sella ênd +thêrvr mith thi sprêka ånd thinga, sâ moton hja to god-istâle wither +kêra. Lêrath hja god-is tâle sâ skilun tha worda fry-sâ ånd rjucht-hâ +to hjara inkvma, in hjara brêin skilet thån bijina to glimmande ånd +to glorande til thju ella to-ne logha warth. Thissa logha skil alle +balda forsta vrtêra ånd alle skinfrâna ånd smûgriga prestera. + +Tha hêinde ånd fêrhêmande sendabodon hêdon nocht fon vr thåt skrift, +thach thêr ne kêmon nêne skola. Thå stifte Adel selva skola, åfter +him dêdon tha ôra forsta lik hy. Jêrlikis gvngon Adel ånd Ifkja tha +skola skoja. Fandon hja thån êmong tha inhêmar ånd uthêmar seliga thêr +ekkorum frjundskip bâradon, sâ lêton bêde grâte blidskip blika. Hêdon +svme seliga ekkorum frjundskip sworen, alsa lêton hja alra mannalik +to manlik ôrum kvma, mith grâte stât lêton hja thån hjara nôma in en +bok skriva, thrvch hjam thåt bok thêra frjundskip hêten, åfter dam +warth fêrst halden. Al thissa plêga wrde dên vmbe tha asvndergana +twyga fon Fryas stam wither et sêmene to snôrane. Men tha famna thêr +Adel ånd Ifkja nydich wêron, sêidon that hja-t niwerth ôre vr dêdon +as vmb en gode hrop, ånd vmb bi grâdum to weldana in ovir ênis ôther +man his stât. + +By min tât sinra skriftum håv ik ênen brêf funden, skrêvin thrvch +Ljudgêrth thene Gêrtmån [100], bihalva svmlika sêka thêr min tât +allêna jelde, jêf ik hyr thåt ôthera to thåt besta. + +Pang-ab, thât is fyf wåtera ånd hwêr neffen wi wech kvme, is-ne +runstrâme fon afsvnderlika skênhêd, ånd fif wåtera hêten vmb thet +fjuwer ôra runstrama thrvch sine mvnd in sê floja. Êl fere âstwarth is +noch ne grâte runstrâme thêr hêlige jeftha frâna Gong-ga hêten. Twisk +thysum runstrâmne is-t lônd thêra Hindos. Bêda runstrâma runath fon +tha hâga bergum nêi tha delta del. Tha berga hwanâ se del strâme +sind alsa hâch thet se to tha himel låja. Thêrvmbe wårth-et berchta +Himellâja berchta hêten. Vnder tha Hindos ånd ôthera ut-a lôndum sind +welka ljuda mank thêr an stilnise by malkorum kvma. Se gelâvath thet +se vnforbastere bern Findas sind. Se gelâvath thet Finda fon ut-et +Himmellåja berchta bern is, hvanâ se mith hjara bern nêi tha delta +jeftha lêgte togen is. Welke vnder tham gelâvath thet se mith hjra +bern vppet skum thêr hêlige Gongga del gonggen is. Thêrvmbe skolde thi +runstrâme hêlige Gongga hêta. Mâr tha prestera thêr ut en ôr lônd wech +kvma lêton thi ljuda vpspêra ånd vrbarna, thêrvmbe ne thurvath se far +hjara sêk nit ôpentlik ut ni kvma. In thet lônd sind ôlle prestera tjok +ånd rik. In hjara chårka werthat ôllerlêja drochtenlika byldon fvnden, +thêr vnder sind fêlo golden mank. Biwesta Pangab thêr sind tha Yra +jeftha wranga, tha Gedrostne jeftha britne, ånd tha Orjetten jeftha +vrjetne. Ol thisa nôma sind-ar thrvch tha nydige prestera jêven, +thrvchdam hja fon ar fljuchte, vmb sêda ånd gelâv. bi hjara kvmste +hêdon vsa êthla hjara selva âk an tha âstlika ower fon Pangab del +set, men vmb thêra prestera wille sind se âk nêi thêr wester ower +fâren. Thêrthrvch håvon wi tha Yra ånd tha ôthera kenna lêrth. Tha +Yra ne sind nêne yra mâr gôda minska thêr nêna byldon to lêta nach +ônbidda, âk willath se nêna chårka nach prestar doga, ånd êvin als +wi-t frâna ljucht fon Fåsta vpholda, êvin sâ holdon se ôllerwechs fjur +in hjara hûsa vp. Kvmth môn efter êl westlik, ôlsâ kvmth môn by tha +Gedrostne. Fon tha Gedrostne. Thisa sind mith ôra folkrum bastered ånd +sprêkath ôlle afsvnderlika tâla. Thisa minska sind wêrentlik yra bonar, +thêr ammer mith hjara horsa vp overa fjelda dwâla, thêr ammer jâgja +ånd râwa ånd thêr hjara selva als salt-âtha forhêra an tha omhêmmande +forsta, ther wille hwam se alles nither hâwa hwat se birêka müge. + +Thet lônd twisk Pangab ånd ther Gongga is like flet as Fryaslônd an tha +sê, afwixlath mith fjeldum ånd waldum, fruchtbâr an alle dêlum, mâr +thet mach nit vrletta that thêr bi hwila thûsanda by thûsanda thrvch +honger biswike. Thisa hongernêde mach thêrvmbe nit an Wr.alda nach +an Irtha wyten nit wertha, mâr allêna an tha forsta and prestera. Tha +Hindos sind ivin blode ånd forfêred from hjara forstum, als tha hindne +from tha wolva sind. Thêrvmbe håvon tha Yra ånd ôra ra Hindos hêten, +thêt hindne bitjoth. Mâr fon hjara blodhêd wårth afgrislika misbruk +mâkth. Kvmat thêr fêrhêmande kâpljud vmb kêren to kâpjande, alsa warth +alles to jeldum mâkth. Thrvch tha prestera ni warth et nit wêrth, +hwand thisa noch snoder ånd jyriger als alle forsta to samene, wytath +êl god, thet al-et jeld endlik in hjara bûdar kvmth. Buta ånd bihalva +thet tha ljuda thêr fül fon hjara forsta lyda, moton hja âk noch fül +fon thet fenynige ånd wilde kwik lyda. Thêr send store elefante thêr +by êle keddum hlâpa, thêr bihwyla êle fjelda kêren vrtrappe ånd êle +thorpa. Thêr sind bonte ånd swarte katta, tigrum hêten, thêr sâ grât +als grâte kalvar sind, thêr minsk ånd djar vrslynne. Bûta fêlo ôra +wriggum sind thêr snâka fon af tha grâte êner wyrme âl to tha grâte +êner bâm. Tha grâteste kennath en êle kv vrslynna, mâr tha lythste sind +noch frêsliker als tham. Se holdon hjara selva twisk blom ånd fruchta +skul vmb tha minska to bigâna tham thêr of plokja wille. Is môn thêr +fon byten, sâ mot môn stårva, hwand åjen hjara fenyn heth Irtha nêna +krûda jêven, ôlsânâka tha minska hjara selva håvon skildich mâkt an +afgodie. Forth sind thêr ôllerlêja slacht fon hâchdiska nyndiska ånd +adiska, ôl thisa diska sind yvin als tha snâka fon of ne wyrme til-ne +bâmstame grât, nêi that hja grât jof frêslik sind, sind hjara nôma, +thêr ik alle nit noma ni ken, tha aldergrâtesta âdiska sind algåttar +hêten, thrvchdam se yvin grûsich bitte an thet rotte kwik, that mith-a +strâma fon boppa nêi tha delta dryweth as an thet lêvande kwik, that +se bigâna müge. An tha westsyde fon Pangab, wânâ wi wech kvme ånd hwer +ik bern ben, thêr blojath ånd waxath tha selva frûchta ånd nochta as +an tha âstsyde. To fâra wrdon er âk tha selva wrigga fonden, mår vsa +êthla havon alle krylwalda vrbårnath ånd alsânâka åfter et wilde kwik +jâged, that ther fê mår resta. Kvmth man êl westlik fon Pangab, then +finth man neffen fette etta âk dorra gêstlanda thêr vnendlik skina, +bihwila ofwixlath mith ljaflika strêka, hwêran thet âg forbonden +bilywet. Vnder tha fruchta fon min land sind fêlo slachta mank, thêr +ik hyr nit fvnden håv. Vnder allerlêja kêren is er âk golden mank, +åk goldgêle aple, hwêrfon welke sâ swêt as hûning sind, ånd welka +sa wrang as êk. By vs werthat nochta fonden lik bern-hâveda sâ grât, +thêr sit tsys ånd melok in, werthat se ald sâ mâkt man ther ôlja fon, +fon tha bastum mâkt mån tâw ånd fon tha kernum mâkt mån chelka ånd ôr +gerâd. Hyr inna walda håv ik krup ånd stâkbêja sjan. By vs sind bêibâma +als jow lindabâma, hwêrfon tha bêja fül swêter ånd thrêwâra grâter +as stâkbêja sind. Hwersa tha dêga vppa sin olderlôngste sind ånd thju +svnne fon top skinth, then skinth se linrjucht vppa jow hole del. Is +mån then mith sin skip êl fêr sûdlik faren, ånd mån thes middêis +mith sin gelât nêi-t âsten kêred, sâ skinth svnne åjen thine winstere +syde lik se ôwers åjen thine fêre syde dvath. Hyrmitha wil ik enda, +mâr after min skrywe skil-et thi licht nog falla, vmb tha lêjenaftiga +teltjas to müge skiftane fon tha wara tellinga. Jow Ljudgêrt. + + + + + +THET SKRIFT FON BÊDEN. + + +Mine nôm is Bêden, Hachgâna his svn. Konerêd min êm is nimmer +bostigjath ånd alsa bernlâs sturven. My heth mån in sin stêd +koren. Adel thene thredde kåning fon thjuse nôme heth thju kêse +godkêrth, mites ik him as mina måstre bikenna wilde. Buta thåt fvlle +erv minre êm heth-er mi en êle plek grvnd jêven thåt an mina erva +pâlade, vnder fârwêrde that ik thêrvp skolde månniska stålla ther +sina ljuda nimmerthe skolde [101]. + + + +thêrvmbe wil ik thet hir-ne sted forjune. + + + + + +BRÊF FON RIKA THJU ALDFAM, VPSEID TO STAVEREN BY-T JOLFÊRSTE. + + +Jy alle hwam his êthla mith Friso hir kêmon, min êrbydnesse to jo. Alsa +jy mêne, send jy vnskeldich an afgodie. Thêr nil ik jvd navt vr sprêka, +men jvd wil ik jo vppen brek wysa, thåt fê bêtre sy. Jy wêtath jeftha +jy nêtath navt, ho Wralda thusand glornôma heth, thach thåt wêtath +jy alle thåt hy warth Alfêder hêten, ut êrsêke thåt alles in ut him +warth ånd waxth to fêding sinra skepsela. T-is wêr, thåt Irtha warth +bihwyla âk Alfêdstre hêten, thrvchdam hju alle früchd ånd nochta +bêrth, hwermitha månnisk ånd djar hjara selva fêde. Thach ne skolde +hju nêne früchd ner nocht navt ne bêra, bydam Wralda hja nêne krefta +ne jêf. Ak wiva ther hjara bern måma lêta an hjara brosta, werthat +fêdstra hêten. Thâ ne jêf Wralda thêr nên melok in, sa ne skoldon +tha bern thêr nêne bâte by finda. Sâ thåt by slot fon reknong Wralda +allêna fêder bilywet. Thåt Irtha bihwyla warth Alfêdstre heten, ånd +êne måm fêdstre, kån jeta thrvch-ne wende, men thåt-ne mån him lêt +fêder hête vmbe thåt er tât sy, thåt strid with-åjen alle rêdnum. Thâ +ik wêt wânât thjus dwêshêd wêi kvmth. Hark hyr, se kvmth fon vsa lêtha, +ånd sâhwersa thi folgath werthe, sâ skilun jy thêrthrvch slâvona wertha +to smert fon Frya ånd jowe hâgmod to.ne straf. Ik skil jo melda ho-t +by tha slâvona folkar to gvngen is, thêr åfter mêi jy lêra. Tha poppa +kåningar tham nêi wilkêr lêva, stêkath Wralda nêi thêre krône, ut nyd +that Wralda Alfêder hêt, sa wildon hja fêdrum thêra folkar hêta. Nw +wêt allera mannalik thåt-ne kêning navt ovir-ne waxdom ne welth, +ånd thåt im sin fêding thrvch thåt folk brocht warth, men thach +wildon hja fvlherdja by hjara formêtenhêd. Til thju hja to-ra dol +kvma machte, alsa hâvon hja thet forma navt fvldên wêst mith tha frya +jefta, men håvon hja thåt folk êne tins vplêid. Fori thene skåt, tham +thêrof kêm, hêradon hja vrlandiska salt-âtha, tham hja in-om hjara +hova lêidon. Forth namon hja alsa fêlo wiva, as-ra luste, ånd tha +lithiga forsta ånd hêra dêdon al-ên. As twist ånd tvyspalt åfternêi +inna hûshaldne glupte ånd thêr-vr klâchta kêmon, thâ håvon hja sêid, +ja-hweder mån is thêne fêder fon sin hûshalden, thêrvmbe skil-er thêr +âk bâs ånd rjuchter ovir wêsa. Thâ kêm wilkêr ånd êvin as tham mitha +månnum in ovir tha hûshaldne welde, gvng er mit tha kåningar in ovir +hjara stât ånd folkar dvan. Thâ tha kåningar et alsa wyd brocht hêdon, +thåt hja fêderum thêra folkar hête, thâ gvngon hja to ånd lêton +byldon åfter hjara dântne mâkja, thissa byldon lêton hja inna tha +cherka stalla nêst tha byldon thêra drochtne ånd thi jena tham thêr +navt far bûgja nilde, warth ombrocht jeftha an kêdne dên. Jow êthla +ånd tha Twisklandar håvon mitha poppa forsta ommegvngen, dâna håvon +hja thjuse dwêshêd lêred. Tha navt allêna thåt svme jower mån hjara +selva skeldich mâkja an glornôma râw, âk mot ik my vr fêlo jower wiva +biklâgja. Werthat by jo mån fvnden, tham mith Wralda an ên lin wille, +thêr werthat by jo wiva fvnden, thêr et mêi Frya wille. Vmbe thåt hja +bern bêred håve, lêtath hja hjara selva modar hêta. Tha hja vrjettath, +that Frya bern bêrde svnder jengong ênis mån. Jå navt allêna thåt +hja Frya ånd tha êremodar fon hjara glor-rika nôma birâwa wille, +hwêran hja navt nâka ne müge, hja dvath alên mitha glornôma fon hjara +nêsta. Thêr send wiva thêr hjara selva lêtath frovva hêta, afsken +hja wête thåt thjuse nôme allêna to forsta wiva hêreth. Ak lêtath hja +hjara toghatera fâmna hêta, vntankes hja wête, thåt nêne mangêrt alsa +hêta ne mêi, wâra hju to êne burch hêrth. Jy alle wânath thåt jy thruch +thåt nôm râwa bêtre werthe, thach jy vrjettath thåt nyd thêr an klywet +ånd thåt elk kwâd sine tuchtrode sêjath. Kêrath jy navt ne wither, +sâ skil tid thêr waxdom an jêva, alsa stêrik thåt mån et ende thêr of +navt bisjâ ne mêi. Jow åfterkvmanda skilun thêr mith fêterath wertha, +hja ne skilun navt ne bigripa hwânat thi slâga wêi kvme. Men afskên jy +tha fâmna nêne burch bvwe ånd an lot vrlête, thach skilun thêr bilywa, +hja skilun fon ut wald ånd holum kvma, hja skilun jow åfterkvmande +biwysa thåt jy thêr willens skildech an send. Thån skil mån jo vrdema, +jow skina skilun vrfêrth fon ut-a grêvum rysa, hja skilun Wr.alda, +hja skilun Frya ånd hjara fâmna anhropa, thâ nimman skil-er åwet an +bêtra ne müge, bifâre thåt Jol in op en ore hlâphring trêth, men thåt +skil êrist bêra as thrê thûsand jêr vrhlâpen send åfter thisse êw. + + + Ende fon Rikas brêf. [102] + + + +thêrvmbe wil ik thåt forma vr swarte Adel skriva. Swarte Adel wêre +thene fjurde kening åfter Friso. Bi sin jüged heth-er to Texland +lêred, åfternêi heth-er to Stâveren lêred, ånd forth heth-er thrvch +ovir alle stâta fâren. Thâ thåt er fjuwer ånd tvintich jêr wêre, +heth sin tât mâked thåt-er to Asega-âskar kêren is. Thâ-er ênmel +âskar wêre, âskte hi altid in-t fârdêl thêra årma. Tha rika, sêd-er, +plêgath ênoch vnrjuchta thinga thrvch middel fon hjara jeld, thêrvmbe +âgon wi to njvdane thåt tha årma nêi vs omme sjan. Thrvch thâ-s ånd +ôra rêdne wêr-i thene frjund thêra årma ånd thêra rika skrik. Alsa +årg is-t kvmen thåt sin tât him nêi tha âgum sach. Thâ sin tât fallen +was, ând hy vppa tham-his sêtel klywed, thâ wild-er êvin god sin ambt +bihalda, lik as tha keningar fon-t âsta plêgath. Tha rika nildon thåt +navt ne dâja, men nw hlip allet ôra folk to hâpe, ånd tha rika wêron +blyde that hja hêl-hûd-is fon thêre acht ofkêmon. Fon to ne hêrade +mån nimmar mâra ovir êlika rjucht petârja. Hi dumde tha rika ånd hi +strykte tha årma, mith hwam his helpe hi alle sêkum âskte, thêr-er +bistek vp hêde. Kening Askar lik-er immer hêten warth, wêre by sjugun +irthfêt lônge, sâ grât sin tôl wêr, wêron âk sina krefta. Hi hêde-n +hel forstân, sâ thåt-er alles forstânde, hwêrwr that sprêken warth, +thach in sin dvan ne macht mån nêne wisdom spêra. Bi-n skên ônhlite +hêd-er êne glade tonge, men jeta swarter as sin hêr is sine sêle +fvnden. Thâ that-er ên jêr kening wêre, nêdsêkte hi alle knâpa fon +sin stât, hja skoldon jerlikis vppet kåmp kvma ånd thêr skin-orloch +mâkja. In-t êrost hêde-r thêr spul mith, men to tha lersta warth-et +sâ menêrlik, that ald ånd jong ut alle wrdum wêi kêmon to frêjande +jef hja machte mith dva. Thâ hi-t alsa fêre brocht hêde, lêt-er +wêrskola stifta. Tha rika kêmon to bârane ånd sêidon, that hjara +bern nw nên lêsa nach skryva navt ne lêrade. Askar ne melde-t navt, +men as thêr kirt åfter wither skin-orloch halden warth, gvng-er vppen +vpstal stonda, ånd kêtha hlûd. Tha rika sind to my kvmen to bârana, +thåt hjara knâpa nên lêsa nach skryva noch lêra, ik n.åv thêr nawet +vp sêith, thach hir wil ik mine mênong sedsa, ånd an tha mêna acht +bithinga lêta. Thâ alrek nw nêisgyrich nêi him vpsach, sêid-er forther, +nêi min bigrip mot mån hjud thåt lêsa ånd skriva tha fâmna ånd alda +lichta vrlêta. Ik n-il nên kwâd sprêka vr vsa êthla, ik wil allêna +sega, vndera tyda hwêrvp thrvch svme sâ herde bogath warth, håvon tha +burchfâmna twyspalt inovir vsa lânda brocht, ånd tha Modera für ånd +nêi ne kvndôn twyspalt navt wither to-t land ut ne dryva. Jeta årger, +thahwila hja kålta ånd petårade vr nâdelâsa plêga, send tha Gola +kvmen ånd hâvon al vsa skêna sûdarlanda râweth. Hêmisdêga send hja +mith vsa vrbrûda brotharum ånd hjara salt-âthum al overa Skelda kvmen, +vs rest thus to kjasane twisk-et bêra fon juk jef swêrd. Willath wi fry +bilywâ, alsa âgon tha knâpa thåt lêsa ånd skryva fârhôndis åfterwêi-n +to lêtane ånd in stêde that hja invppa mêide hwip ånd swik spêle, +moton hja mith swêrd ånd spêr spêla. Send wi in alle dêla ofned ånd +tha knâpa stor enoch vmb helmet ånd skild to bêrane ånd tha wêpne +to hôntêrane, then skil ik my mith jower helpa vppa thene fjand +werpa. Tha Gola mêieath then tha nitherlêga fon hjara helpar ånd +salt-âthum vppa vsa fjeldum skryva mith-et blod, thåt ût hjara wndum +drjupth. Håvon wi thene fyand ên mel far vs ût drêven, alsa moton wi +thêrmith forth gvnga, alhwenne thêr nên Gola ner Slâvona nach Tartara +mâra fon Fryas erv to vrdryvane send. Tha-s rjucht, hrypon tha mâsta +ånd tha rika ne thvradon hjara mvla navt êpen ne dva. Thjus tosprêke +hêd er sekur to fara forsonnen ånd vrskriva lêten, hwand s-êwendis fon +thêre selvare dêi wêron tha ofskriftum thêra hwel in twintich hônda +ånd thi alle wêron ênishlûdende. Afternêi bifel-er tha skipmanna, +hja skoldon dubbele fârstêwene mâkja lêta, hwêran mån êne stêlen +krânboga macht fåstigja. Thêra thêr åfterwêi bilêv warth bibot, +kvn imman swêra that-er nêne midle navt nêde, alsa moston tha rika +fon sin gâ-t bitalja. Hjud skil mån sjan hwêr vppa al thåt bâ hêi +ûthlâpen is. An-t north-ende fon Britanja thåt fvl mith hâga bergum +is, thêr sit en Skots folk, vr-et mâradêl ût Fryas blod sproten, +vr-a êne helte send hja ût Kåltanafolgar, vr-et ôra dêl ût Britne +ånd bannane, thêr by grâdum mith tyd fon-ût-a tinlônum thêr hinna +fljuchte. Thêr ut-a tinlôna kêmon, håvath algadur vrlandiska wiva +jeftha fon vrlandis tuk. Thi alle send vnder-et weld thêra Golum, +hjara wêpne send woden boga ånd spryta mith pintum fon herthis-hornum +âk fon flintum. Hjara hûsa send fon sâdum ånd strê ånd svme hêmath +inna hola thêra bergum. Skêpon thêr hja râwed håve, is hjara ênge +skåt. Mong tha åfterkvmanda thêra Kåltanafolgar håvath svme jeta ysera +wêpne, thêr hja fon hjara êthlum urven håve. Vmbe nw god forstân to +werthande, môt ik min telling vr thåt Skotse folk resta lêta, ånd +êwet fon tha hêinda Krêkalanda skriva. Tha hêinda Krêkalanda håvon vs +to fara allêna to hêrath, men sunt vnhüglika tidum håvon ra thêr âk +åfterkvmanda fon Lyda ånd fon Finda nitherset, fon tha lersta kêmon +to tha lersta en êle hâpe fon Trôje. Trôje alsa heth êne stêde hêten, +thêr et folk fon tha fêre Krêkalanda innomth ånd vrhomelt heth. Thâ +tha Trôjana to tha hêinda Krêkalandum nestled wêron, tha håvon hja +thêr mith tid ånd flit êne sterke stêd mith wâlla ånd burgum bvwed, +Rome, that is Rum, hêten. Thâ thåt dên was, heth thåt folk him selva +thrvch lest ånd weld fon thåt êle lând mâster mâked. Thåt folk thåt +anda sûdside thêre Middelsê hêmth, is fâr-et mâra dêl fon Fhonysja wêi +kvmen. Tha Fhonysjar [103] send en bastred folk, hja send fon Fryas +blod ånd fon Findas blod ånd fon Lyda his blod. Thåt folk fon Lyda send +thêr as slâvona, men thrvch tha vntucht thêr wyva håvon thissa swarte +månniska al-et ôra folk bastered ånd brun vrfårvet. Thit folk ånd +tham fon Rome kåmpath ôlân vmb-et mâsterskip fon tha Middelsê. Forth +lêvath tham fon Roma an fjandskip with tha Fonysjar, ånd hjara prestera +thêr-et rik allêna welda wille wr irtha, ne mügon tha Gola navt ne +sjan. Thåt forma håvon hja tha Fphonysjar Mis-selja ofnomen, dânâ alle +landa, thêr sûdward, westward ånd northward lidsa, âk et sûdardêl +fon Britanja, ånd allerwêikes håvon hja tha Fonysjar prestera, that +hêth tha Gola vrjâgeth, dânâ sind thusanda Gola nêi north Brittanja +brit. Kirt vrlêden was thêr tha vreste thêra Golum sêten vppa thêre +burch, thêr is kêthen Kêrenåk that is herne, hwanath hi sin bifêla jef +an alle ôra Gola. Ak was thêr al hjara gold togadur brocht. Kêren herne +jeftha Kêrenåk is êne stênen burch, thêr êr an Kålta hêrde. Thêrvmbe +wildon tha fâmna fon tha åfterkvmande thêra Kåltana-folgar tha burch +wither hâ. Alsa was thrvch tha fyanskip thêra fâmna ånd thêra Golum +faithe ånd twist in ovir thåt Berchland kvmen mith morth ånd brônd. Vsa +stjûrar kêmon thêr fâken wol hâlja, thåt hja sellade fori tobirêde +hûdum ånd linne. Askar was often mith wêst, an stilnesse hêd-er mith +tha fâmna ånd mith svme forstum âtskip sloten, ånd him selva forbonden +vmbe tha Gola to vrjâgane ût Kêrenåk. As-er thêrnêi wither kêm jêf hi +tha forsta ånd wigandliksta manna ysere helma ånd stêla boga. Orloch +was mith kvmen ånd kirt åfter flojadon strâma blod by tha hellinga +thêra bergum del. Thâ Askar mênde that kans him tolâkte, gvng-er mith +fjuwertich skêpum hin ånd nam Kêrenåk ånd thene vreste thêra Golum +mith al sine gold. Thåt folk wêrmith hi with tha salt-âthum thera +Golum kåmped hêde, hêd-er ût-a Saxanamarkum lvkt mith lofte fon grâte +hêra-râve ånd but. Thus warth tha Gola nêwet lêten. Afternêi nam-er +twâ êlanda to berch far sinum skêpum, ånd hwânath hi lêter ûtgvng vmb +alle Fonysjar skêpa ånd stêda to birâwane thêr hi bigâna kv. Tha er +tobek kêm brocht-i tomet sexhvndred thêra storeste knâpum fon thåt +Skotse berchfolk mith. Hi sêide that hja him to borgum jêven wêren, +til thju hi sêkur wêsa machte thåt tha eldra him skolde trow bilywa, +men-t was jok, hi hild ra as lifwêre et sina hova, thêr hja allera +distik les krêjon in-t ryda ånd in-t hôndtêra fon allerlêja wêpne. Tha +Denamarkar tham hjara selva sunt lông boppa alle ôra stjûrar stoltlike +sêkåmpar hête, hêdon sâ ringe navt fon Askar sina glorrika dêdum navt +ne hêred, jef hja wrdon nydich thêr vr, thêrmête, that hja wilde orloch +brensa over-ne sê ånd over sina landa. Sjan hyr, ho hi orloch formitha +machte. Twisk tha bvwfala thêre vrhomelde burch Stavja was jeta êne +snode burchfâm mith svme fâmna sêten. Hjra nôme was Rêintja ånd thêr +gvng en grâte hrop fon hira wishêd ût. Thjus fâm bâd an Askar hjra +helpe vnder bithing, that Askar skolde tha burch Stavja wither vpbvwa +lête. As-er him thêr to forbonden hêde, gvng Rêintja mith thrim fâmna +nêi Hals, [104] nachtis gvng hju rêisa ånd thes dêis kêthe hju vppa +alle markum ånd binna alle mêidum. Wralda sêide hju hêde hja thrvch +thongar tohropa lêta thåt allet Fryas folk moston frjunda wertha, lik +sustar ånd brothar tâmed, owers skolde Findas folk kvma ånd ra alle +fon irtha vrdilligja. Nêi thongar wêron Fryas sjvgun wâkfâmkes hja +anda drâme forskinnen, sjvgun nachta åfter ekkô-rum. Hja hêde seith +boppa Fryas landum swabbert ramp mith juk ånd kêdne omme. Thêrvmbe +moton alle folkar thêr ût Frya sproten send hjara tonôma wêi werpa +ånd hjara selva allêna Fryas bern jeftha folk hêta. Forth moton alle +vpstonda ånd et Findas folk fon Fryas erv dryva. Nillath hja thåt +navt ne dva, alsa skilun hja slâvona benda vmbe hjara halsa krêja, +alsa skilun tha vrlandaska hêra hjara bern misbruka ånd frytra +lêta, til thju thåt blod sygath inna jowre grêva. Thån skilun tha +skinna jowre êthla jo kvma wekja ånd jo bikyvja vr jo lefhêd ånd +vndigerhêd. Thåt dvme folk, thåt thrvch todvan thêra Mâgyara al +an sa fül dwêshêd wenth was, lâvadon alles hwat hju sêide ånd tha +måmma klimdon hjara bern åjen hjara brosta an. Thâ Rêintja thene +kening fon Hals ånd alle ôthera manniska to êndracht vrwrocht hede, +sand hju bodon nêi Askar ånd tâg selva alingen thene Balda sê. Dânâ +gvng hju by tha Hlith-hâwar, althus hêten vmbe that hja hjara fyanda +immer nêi thet ônhlite hâwe. Tha Hlithhâwar send britne ând bannene +fon vs åjn folk thåt inna tha Twisklanda sit ånd omme dwarelt. Hjara +wyva hâvon hja mêst algadur fon tha Tartara râwed. Tha Tartara sênd +en dêl fon Findas slachte ånd althus thrvch tha Twisklandar hêten +vmbe thåt hja nimmerthe nên frêtho wille, men tha månniska alti ût +tarta to strydande. Forth gvng hju åftera Saxnamarka tweres thrvch tha +ôra Twisklanda hin, allerwêikes thåt selva ûtkêtha. Nêi twam jêr om +wêron, kêm hju allingen thêre Rêne to honk. By tha Twisklandar hede +hju hjara selva as Moder ûtjân ånd sêid thåt hja mochton as fry ånd +franka månniska wither kvma, men thån mosten hja ovir tha Rêne gvngga +ånd tha Gola folgar ût Fryas sûdarlandum jâgja. As hja thåt dêde, +sa skolde hjra kêning Askar overa Skelda gvngga ånd thêr thåt land +ofwinna. By tha Twisklandar send fêlo tjoda plêga fon tha Tartarum ånd +Mâgjara binna glupt, men âk fül send thêr fon vsa sêdum bilêwen. Thêr +thrvch håvath hja jeta fâmna thêr tha bern lêra ånd tha alda rêd +jeva. Bit-anfang wêron hja Reintja nydich, men to tha lesta wårth +hju thrvch hjam folgath ånd thjanjath ånd allerwêikes bogath, hwêr-et +nette ånd nêdlik wêre. + +Alsa ringen Askar fon Rêintja hjra bodon fornom ho tha Juttar nygath +wêron, sand hi bistonda bodon fon sinant wegum nêi tha kåning fon +Hals. Thåt skip, wêrmith tha bodon gvngon, was fvl lêden mith fâmna +syrhêdum ånd thêr by wêr en golden skild, hwêrvppa Askar his dânte +kunstalik was utebyld. Thissa bodon mosten frêja jêf Askar thes kåning +his toghter Frêthogunsta to sin wif håve machte. Frêthogunsta kêm en +jêr lêter to Stâveren, bi hjara folgar wêre âk ênen Mâgy, hwand tha +Juttar wêron sunt lông vrbrud. Kirt åfter that Askar mith Frêthogunsta +bostigjath was, wårth thêr to Stâveren êne scherke bvwad, inna thju +scherke wrdon tjoda drochten lykanda byldon stålth mith gold trvch +wrochtne klâthar. Ak is er biwêrath that Askar thêr nachtis ånd vntydis +mith Frêthogunsta fâr nitherbuwgade. Men sâ fül is sêkur, thju burch +Stavia ne wårth navt wither vpebvwed. Rêintja was al to bek kvmen, +ånd gvng nydich nêi Prontlik thju Moder et Texland bârja. Prontlik +gvng to ånd sand allerwêikes bodon thêr ûtkêthon, Askar is vrjêven +an afgodie. Askar dêde as murk-i-t navt, men vnwarlingen kêm thêr êne +flâte ût Hals. Nachtis wrdon tha fâmna ût-êre burch drywen, ånd ogtins +kvn mån fon thêre burch allêna êne glandere hâpe sjan. Prontlik ånd +Rêintja kêmon to my vmb skul. Thå ik thêr åfternêi vr nêi tochte, lêk +it my to, that it kwâdlik fâr min stât bidêja kvste. Thêrvmbe håvon +wi to sêmne êne lest forsonnen, thêr vs alle bâta most. Sjan hyr ho +wi to gvngen send. Middel in-t Krylwald biasten Ljvwerde lêith vsa +fly jeftha wêra, thêr mån allêna thrvch dwarlpâda mêi nâka. In vppa +thjus burch hêd ik sunt lônge jonga wâkar stald, thêr alle êne grins +an Askar hêde, ånd alle ôra månniska dânath halden. Nv wast bi vs âk +al sa wyd kvmen, thåt fêlo wyva ånd âk manna al patêrade vr spoka, +witte wyva ånd uldermankes, lik tha Dênamarkar. Askar hêde al thissa +dwâshêde to sin bâta anwenth ånd thåt wildon wi nv âk to vsa bâta +dva. Bi-ne thjustre nacht brocht ik tha fâmna nêi thêre burch ånd +dânâ gongen hia mith hjara fâmna in thrvch tha dwarl-pâda spokka in +wttta klâthar huled, sâ that thêr afternêi nên månnisk mâra kvma ne +thvrade. Tha Askar mênde thåt-er thu hônda rum hêde, lêt-i tha Mâgjara +vnder allerlêja nôma thrvch ovir sina stâta fâra ând bûta Grênegâ +ând bûta mina stât ne wrdon hja nårne navt ne wêrath. Nêi that Askar +alsa mith tha Juttar ånd tha ôra Dênamarkar forbonden was, gvngon hja +alsêmina râwa; thach that neth nêne gode früchda bâred. Hja brochton +allerlêja vrlandiska skåta to honk. Men just thêr thrvch nildon thåt +jong folk nên ambacht lêra, nach vppa tha fjeldum navt ne werka, +sâ that hi to tha lersta wel slâvona nimma moste. Men thit was êl +al åjen Wralda his wille ånd åjen Fryas rêd. Thêrvmbe kv straf navt +åfterwêga ne bilywa. Sjan hyr ho straffe kvmen is. Ênis hêdon hja to +sêmine êne êle flâte wnnen, hju kêm fon ûta Middelsê. Thjus flâte was +to lêden mith purpera klâthar ånd ôra kostelikhêd, thêr alle fon of +Phonisja kêmon. Thåt wraka folk thêre flâte wårth bisûda thêre Sêjene +an wal set, men thåt stora folk wårth halden. Thåt most ra as slâvona +thianja. Tha skêneste wrdon halden vmbe vppet land to bilywane ånd +tha lêdliksta ånd swartste wrdon an bord halden vmbe vppa tha benka to +rojande. An-t Fly wårth tha bodel dêlath, men svnder hjara wêta wårth +âk hjara straf dêlath. Fon tha månniska thêr vppa tha vrlandiska skepum +stalt wêron, wêron sex thrvch bukpin felth. Mån tochte thåt et eta +ånd drinka vrjêven wêre, thêrvmbe wårth alles ovir bord jompth. Men +bûkpin reste ånd allerwêikes, hwêr slâvona jeftha god kêm, kêm âk +bûkpin binna. Tha Saxmanna brochten hju ovir hjara marka, mith tha +Juttar for hju nêi Skênland ånd alingen thêre kâd fon tha Balda-sê, +mith Askar his stjûrar for hju nêi Britanja. Wi ånd tham fon Grênegâ +ne lêton nên god ner minniska ovir vsa pâla navt ne kvma, ånd thêrvmbe +bilêwon wi fon tha bûkpin fry. Ho fêlo månniska bûkpin wêirâpth heth, +nêt ik navt to skrywane, men Prontlik thêr et åfternêi fon tha ôra +fâmna hêrde, heth my meld, thåt Askar thûsandmel mâra frya månniska +ût sina stâtum hulpen heth, as er vvla slâvona inbrochte. Thâ pest +far god wyken was, tha kêmon tha fri wrden Twisklandar nêi thêre Rêne, +men Askar nilde mith tha forstum fon thåt vvla vrbasterde folk navt an +êne lyne navt ne stonda. Hi nilde navt ne dâja, that hja skoldon hjara +selva Fryas bern hêta, lik Rêintja biboden hêde, men hi vrjet thêrbi +that-i selva swarte hêra hêde. Emong tha Twisklandar wêron thêr twâ +folkar, thêr hjara selva nêne Twisklandar hêton. Thåt êne folk kêm +êl fêr ût-et sûd-âsten wêi, hja hêton hjara selva Allemanna. Thissa +nôma hêdon hja hjara selva jêven, thâ hja jeta svnder wiva inna +tha walda as bannane ommedwarelde. Lêtar håvon hja fon-et slâvona +folk wiva râvath, êvin sa tha Hlithâwar, men hja håvon hjara nôme +bihalden. Thåt ôra folk, thåt mâra hêinde ommedwarelde, hêton hjara +selva Franka, navt vmbe that hja fry wêron, men Frank alsa hêde thene +êroste kåning hêten, tham him selva mith hulpe fon tha vrbrûda fâmna +to ervlik kåning ovir sin folk mâkad hêde. Tha folkar tham an him +pâladon, hêton hjara selva Thjoth-his svna, that is folk-his svna, +hja wêron frya månniska bilêwen, nêidam hja nimmer ênen kåning ner +forste nach mâster bikånnna nilde, as thene jenge tham by mêna willa +was kêren vppa thêre mêna acht. Askar hêde al fon Rêintja fornommen, +that tha Twisklandar forsta mêst alti in fiandskip ånd faitha +wêron. Nw stald-i hjam to fâra, hjâ skolde ênen hêrtoga fon sin +folk kjasa vmbe that-er ang wêre seid-er that hja skolde mit manlik +ôtherum skoldon twista ovir-et mâsterskip. Ak sêid-er kvndon sina +forsta mith-a Golum sprêka. Thåt sêid-er wêre âk Moder his mêne. Thâ +kêmon tha forsta thêra Twislandar to ekkôrum ånd nêi thrija sjugun +etmelde kêron hja Alrik to-ra hertoga ut. Alrik wêre Askar his nêva, +hi jef him twên hvndred skotse ånda hvndred thêra storosta Saxmanna +mith to lifwêra. Tha forsta moston thrija sjvgun fon hjara svnum nêi +Stâveren senda to borg hjarar trow. To nv was alles nêi winsk gvngen, +men thâ mån ovire Rêne fara skolde, nildon thene kåning thêra Franka +navt vnder Alrikis bifêla navt ne stonda. Thêrthrvch lip alles an tha +tys. Askar thêr mênde thåt alles god gvng, lande mith sina skêpa anna +tha ôre syde thêre Skelda, men thêr was was man long fon sin kvmste +to ljucht ånd vppa sin hod. Hja moston alsa ring fljuchta as hja kvmen +wêron, ånd Askar wrde selva fath. Tha Gola niston navt hwa hja fensen +hêde, ånd alsa warth hi åfternêi ûtwixlath fori ênnen hâge Gol, thêr +Askar his folk mith forath hêde. Thawila thåt-et alles bêrade, hlipon +tha Mâgjara jeta dryster as to fâra ovir vsa bûra ra landa hinna. By +Egmvda hwêr to fâra tha burch Forâna stân hêde, lêton hja êne cherka +bvwa jeta grâter ånd rikar as Askar to Stâveren dên hêde. Afternêi +sêidon hja that Askar thju kåse vrlêren hêde with tha Gola, thrvchdam +et folk navt lâwa navt nilde, that Wodin hjam helpa kvste, ånd that +hja him thêrvmbe navt anbidda nilde. Forth gvngon hja to ånd skâkton +jonga bern tham hja by ra hildon ånd vpbrochten in tha hemnissa fon +hjara vrbruda lêre. Wêron thêr månniska tham + + + +Het overige ontbreekt. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Het woord Bok wordt in het Handschrift overal zoo geschreven; +en daarmede stemmen alle Oud-Friesche Rechtboeken overeen. De +woordenboeken van v. Richthofen en Hettema schrijven Bok of Boc. De +spelling Bôk is Kamper wanspraak. + +[2] Als verslag voorgelezen in eene vergadering van het Friesch +Genootschap Februarij 1871 en bij deze uitgave onveranderd gelaten. + +[3] Verg. G. Meerman, Admonitio de Chartae nostratis +origine. Vad. Letteroef. 1762. bl. 630. + +Mr. J. H. de Stoppelaar, Het papier in de Nederlanden, Middelburg, +1869. bl. 4. + +[4] Min-erva werd Nyhellenia genoemd, omdat hare raadgevingen ny en +hel, nieuw en helder waren. Desgelijks heet het in Pauli Epitome van +S. Pomponius Festus de verborum Significatione, Min-erva dicta quod +bene moneat. + +Zie Preller, Rom. Myth. p. 258. + +[5] Mis.sellia, miskoop, verkeerde koop. + +[6] 3449 - 1256 = 2193 voor Chr. + +[7] Magy, Koning der Magyaren en Finnen. + +[8] nêsa = ne wêsa. + +[9] nilde = ne wilde. + +[10] nête = ne wête. + +[11] Oni, oud Holl. ane, Duitsch ohne = zonder. + +[12] Mong, among, emong = onder. + +[13] Falikant, fâ likande = weinig gelijkende, niet conform. + +[14] Wr.alda. Altijd geschreven als samengesteld woord beteekent: +de overoude, het oudste wezen. + +[15] Od, wortel van het Lat. odi, ik haat. + +[16] Nylof; de kleur van nieuw loof? geel groen. + +[17] De mårkskat werd in goederen betaald. + +[18] Stjurar, van hier de naam Sturii by Plinius. + +[19] Prentar, nog op Texel een (stuurmans) leerling. + +[20] Minno, Minos (de oude). + +[21] Nyhellenia, Nehalennia. + +[22] Krekaland, het Krekenland, zoowel Groot Griekenland als +Griekenland zelf. + +[23] Fâsta, Vesta, en de Vestaalsche maagden. + +[24] Stjurar, Sturii. + +[25] Sêkåmpar, Sicambri. + +[26] Angelara, Angli. + +[27] Mârsata, Marsacii. + +[28] Aldland, Atlantis. + +[29] Skênland, Scania, Scandinavia. + +[30] 2198 - 101 = 2092 v. Chr. + +[31] Goda-hisburch, Gothenburg. + +[32] Alderga, Ouddorp (bij Alkmaar). + +[33] Lumkamâkja bithêre Emuda, Embden. + +[34] Amering, nog in N.-Holland in gebruik, beteekent daar: ademtocht, +oogenblik. Cf. Kiliaan in voce. + +[35] Kâtsgat, het Kattegat. + +[36] Wodin, Odin, Wodan. + +[37] Kâdik, Cadix. + +[38] 2193 - 193 = 2000 v. Chr. + +[39] Thyrhisburch, Tyrus. + +[40] Thyr, de zoon van Odin. + +[41] Almanaland, Ameland. + +[42] Wyringgâ, Wieringen. + +[43] Missellja, Marseille. + +[44] Gola, Galli, Gaulois. + +[45] Middelburg. + +[46] 2193 - 563 = 1630 v. Chr. + +[47] Myk wordt nog op Walcheren gehoord. + +[48] Kâlta Min-his, Minnesdochter? + +[49] Sêjene, de Seine. + +[50] Kåltana, Celtae. + +[51] Jonhis êlanda, Insulae Joniae, Insulae piratarum. + +[52] Athenia, Athene. + +[53] Vervolg hier het verhaal van bl. 48-56. + +[54] Sêkrops, Cecrops. + +[55] Strête, thans hersteld als Kanaal van Suez. Pangab, de Indus. + +[56] 2193 - 1005 = 1188 v. Chr. + +[57] Wallahagara, Walcheren. + +[58] Kalip, bij Homerus Kalipso. + +[59] Dêna marka, de lage marken. + +[60] 2193 - 1602 = 591 v. Chr. + +[61] Verg. bl 4. + +[62] Medemi'lacus. + +[63] Grênegâ, Groningen. + +[64] Dokhêm, Dokkum. + +[65] Lindasburch, op kaap Lindanaes, Noorwegen. + +[66] Gürbam. C. Niebuhr Reize enz. I 174, eene zakpijp bij de +Egyptenaren Sumâra elKürbe genoemd. + +[67] To hnekka, eene hooge, tot aan de nek reikende, japon. + +[68] Cf. Hegel a. h. l. + +[69] Leeuwen in Europa, Herodotus, VII, 125. + +[70] Swetsar, Switsers. + +[71] Fryasburch, Freiburg. + +[72] Lydasburch, Leiden, de burcht. + +[73] Flyt, jeftha mâre, de Mare. + +[74] Forana, Vroonen. + +[75] Engamuda, Egmond. + +[76] Diod. Sic. V 27, van de Galliers. + +[77] Mannagârdaforda, Munster. + +[78] 2193 - 1888 = 305 voor Chr. + +[79] Sedert 587 voor Chr. Verg. pag. 110, 112. + +[80] 303 v. Chr. + +[81] Barnpila. De falarica by Livius XXI. 8. + +[82] Alexander aan den Indus 327 v. Chr. 327 + 1224 = 1551 v. Chr. + +[83] 305 voor Chr. + +[84] Joi en trâst. Te Scheveningen hoort men nog: joei en troos. Joi, +Fransch joye. + +[85] 2193 - 1600 = 593 v. Chr. + +[86] Kasamyr, Kashmir. + +[87] Jes-us, evenmin te verwarren met Jezus, als Krisen (Krishna) +met Christus. + +[88] Balda jefta kvada sê, de Baltische zee. Juttarland, Jutland. + +[89] Zeeland, de Deensche Eilanden. + +[90] Zie bl. 124. + +[91] Phonisiar, hier Puniers, Carthagers. + +[92] Zie bl. 11. + +[93] 263 v. Chr. + +[94] Hamconius. p. 8. Suobinna. + +[95] Zie bl. 150. + +[96] Delte nog in N. Holland in gebruik, laagte. + +[97] Aken, Aken. + +[98] Diod Sic. V. 28. + +[99] Hier heeft de afschrijver Hiddo oera Linda een blad te veel +omgeslagen, en daardoor twee bladzijden overgeslagen. + +[100] Zie bl. 164. + +[101] Hier ontbreken in het H. S. twintig bladzijden (misschien meer), +waarin Beeden geschreven heeft over dien koning Adel III. (Bij onze +kronijk schrijvers Ubbo genoemd). + +[102] Hier eindigde het schrijven van Beeden. In het H. S. ontbreken +twee bladzijden volgens de paginatuur. Maar zonder twijfel ontbreekt +er meer. De afgebroken aanhef van het volgende wijst aan, dat de +aanvang van het volgende geschrift verloren gegaan is en daarmede ook +de aanduiding van den naam des schrijvers, die een zoon of kleinzoon +van Beeden kan geweest zijn. + +[103] Fhonysiar, Carthagers. + +[104] Hals, Holstein. + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 30467 *** |
