summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/30467-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 19:53:49 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 19:53:49 -0700
commitb61f55b99a65b1ad9ef95fb98aa0953236cb6c62 (patch)
treed05883d2a6de87e5592b152e09f1b0e60493e211 /30467-0.txt
initial commit of ebook 30467HEADmain
Diffstat (limited to '30467-0.txt')
-rw-r--r--30467-0.txt9344
1 files changed, 9344 insertions, 0 deletions
diff --git a/30467-0.txt b/30467-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..1af3443
--- /dev/null
+++ b/30467-0.txt
@@ -0,0 +1,9344 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 30467 ***
+
+ Thet Oera Linda Bok
+
+ Naar een handschrift uit de dertiende eeuw.
+
+
+ Eigendom der familie Over de Linden,
+ Aan Den Helder,
+ Bewerkt, vertaald en uitgegeven door
+
+ Dr. J. G. Ottema.
+
+
+ Tweede uitgave.
+
+ Te Leeuwarden, bij
+ H. Kuipers.
+
+ 1876.
+
+
+
+
+
+ Gedrukt bij J. R. Miedema te Leeuwarden.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+De eerste druk van het Oera Linda Boek is uitverkocht, en daardoor de
+gelegenheid ontstaan, om eene tweede uitgave ter perse te leggen. Voor
+mij is dit eene gewenschte zaak, omdat ik nu in staat gesteld ben
+hier en daar eene ingeslopen fout te herstellen of eene minder juiste
+vertaling te verbeteren.
+
+Van zijne eerste verschijning af, ja zelfs reeds voor dat het
+gedrukt was, heeft het boek eene groote tegenspraak en veroordeeling
+ondervonden. Vele pennen zijn daarover in beweging gebracht, eerst om
+de uitgave te beletten en vervolgens om de verspreiding tegen te gaan.
+
+Niet alleen binnen 's lands, maar ook daar buiten is men tegen dat
+boek te velde getrokken, als of van de echtheid of onechtheid daarvan
+het welzijn van land en volk afhing.
+
+Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en
+verbittering op te wekken? Is het zoo'n bespottelijk prulschrift,
+zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men
+leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat
+ik er bij en over geschreven heb in de Inleiding, de Geschiedkundige
+Aanteekeningen, de Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek, en
+de Deventer Courant en het Oera Linda Boek. Doch dat is juist wat men
+niet doet. Men wil niet ingelicht wezen over den aard, de strekking en
+de wetenschappelijke waarde van het boek. Het is veel gemakkelijker en
+pleizieriger in den blinde te schermen en in het wilde te schreeuwen,
+dan zich te zetten tot een ernstig onderzoek. Ieder, die maar even
+het boek oppervlakkig heeft ingezien, of er wat over heeft hooren
+praten, waant zich gerechtigd om er een afkeurend oordeel over uit
+te spreken. Dat oordeel maakt een triumftocht door alle nieuwsbladen,
+wordt door het van de zaak onkundig publiek toegejuicht, en het land
+is gered.
+
+Nu hebben de Heeren F. Muller en P. Smidt van Gelder, te Amsterdam,
+het papier van het Handschrift zoo het heet onderzocht, en beweren
+in de Nederlandsche Spectator no. 32 van den 5 Augustus 1876, dat
+het papier in deze eeuw is vervaardigd en wel in de laatste 25 jaren,
+dat het machinaal papier vergé is en afkomstig uit de fabriek van de
+Heeren Tielens en Schrammen te Maastricht.
+
+De Heer Muller schrijft, dit gevoelen steunt op de navolgende gronden:
+
+1. Het papier was in de 13e eeuw geheel van katoen, dik, ongelijk,
+wollig, met zeer ongelijke onduidelijke waterlijnen,--dit papier
+is dun, gelijk, hard, hier en daar doorschijnend, met geregelde
+duidelijke waterlijnen.
+
+Antw. Het katoenpapier uit de 13e en vroegere eeuwen moest, eer men
+er op kon schrijven, daarvoor opzettelijk geprepareerd worden door
+polijsten. De Arabieren en Gothen hebben dit gedaan op dezelfde
+wijze als de Egyptenaren hun papier en de Romeinen de fijnere
+perkamentsoorten glansden, namelijk door sterke wrijving met de
+slagtand van een wildzwijn, apri dente levigatur (Plinius). Tot een
+gelijk doel bedienen de boekbinders zich van een agaat. Door de sterke
+wrijving werden de papiervezelen dichter ineen geperst en daardoor
+het papier glad en effen en iets dunner als het was.
+
+Doch daarom kan men het papier van het H. S. niet dun noemen. Het
+H. S. bestaat uit 96 bladen, die tusschen eene pers gezet eene
+gezamenlijke dikte hebben van ruim 12 m.M., waartegen de dikte van
+2 boek best hollandsch schrijfpapier 12½ m.M. bedraagt, zoodat de
+dikte van die beide papiersoorten gelijk staat. En best hollandsch
+schrijfpapier behoort toch niet onder de dunne papiersoorten.
+
+Ik moet het er voor houden, dat de monsters papier, welke de Heer
+Muller vroeger gezien heeft, nog ongeprepareerd en ongepolijst
+geweest zijn, en dat hierdoor het verschil verklaard moet worden,
+'t welk hij bij deze vergelijking heeft opgemerkt.
+
+2. Het papier is van oudsher tot ongeveer 1800 in het midden tusschen
+de waterlijnen dunner dan ter weerszijde dicht bij de waterlijnen,--dit
+papier is bij de waterlijnen egaal, gelijk alleen het papier van deze
+eeuw is.
+
+Antw. Ik merk hierbij op, dat die uitdrukking van oudsher niet verder
+gaat dan tot het midden der 14e eeuw, toen het linnenpapier in de
+plaats van het katoenpapier is getreden en de papier-fabrikatie
+zich al meer en meer over Europa heeft uitgebreid. Die vergelijking
+heeft dus geene betrekking op het katoenpapier van de 13e eeuw, en
+leidt tot geene gevolgtrekking tegen het papier van het Handschrift,
+namelijk dat dit van de tegenwoordige zijn zoude.
+
+Het onderscheidt zich juist van het tegenwoordig papier in vier hier
+zeer belangrijke punten.
+
+a. De breedte der horizontale waterlijnen. Want in een afstand van 33
+millimeters telt men daarbij 16 horizontale waterlijnen, zoodat de
+breedte van elke lijn voluit 2 m.M. bedraagt. Het machinaal papier
+wijst in dien afstand 17 tot 18 zulke lijnen aan, of voor elke lijn
+eene breedte van niet meer dan 1.85 m.M. Zwaar Engelsch postpapier
+heeft op dien afstand 20 lijnen, elk ter breedte van 1.65 m.M.
+
+b. De afwezigheid van chloor. Eene proef, genomen in mijne
+tegenwoordigheid door wijlen den heer A. P. H. Kuipers, heeft
+aangetoond dat het papier in het minst niet reageert op zilver en
+dus volstrekt geen chloor bevat. Terwijl in deze eeuw geen papier
+vervaardigd wordt of het is met chloor behandeld en laat bij dezelfde
+proef op zilver een witten aanslag achter.
+
+c. De afwezigheid van stijfsel, amylum. De proef met eene oplossing
+van iodium, die op machinaal papier eene zuivere en heldere violette
+kleur te voorschijn brengt, heeft op dit papier geene uitwerking
+en laat de bruine kleur van het iodium onveranderd, althans niet
+meer dan bij elke uit zuivere planten vezelen vervaardigde stof wordt
+waargenomen, omdat in alle planten vezelstof als natuurlijk bestanddeel
+eenig amylum aanwezig is. Dit papier is derhalve vervaardigd zonder
+toevoeging van stijfsel en dus niet in de tegenwoordige eeuw.
+
+d. Ten aanzien van die waterlijnen is er nog een groot verschil
+tusschen machinaal papier en dat van het Handschrift. Bij het
+eerste zijn de lijnen van de vergeering uitwendig zichtbaar en
+vallen terstond in het oog. Bij het laatste zijn de waterlijnen
+van buiten bijna onzichtbaar, zoo zelfs, dat Dr. E. Verwijs in een
+brief, d.d. Leiden 1 Dec. 1870, (d.i. nadat het Handschrift gedurende
+drie jaren in zijne handen geweest was,) aan mij gericht, schreef:
+Verder het papier, dat èn om den vorm èn om de stof mij verdacht
+voorkomt. Oogenschijnlijk is het velijnpapier, dat in den rook heeft
+gehangen.--Scheurt men de bladen in, dan vertoont het zich op de
+scheur veel witter. Een watermerk is nergens te vinden, en ik heb
+nooit middeleeuwsch papier gezien
+zonder watermerk en kan mij het zelfs niet denken."
+
+Dr. Verwijs heeft dus in al dien tijd de waterlijnen niet gezien,
+zelfs niet toen hij naar een watermerk zocht. Dit was niet mogelijk,
+wanneer hij gevergeerd machinaal papier voor zich had gehad.
+
+3. Dit papier is geel gekleurd en niet van nature geel, gelijk veele
+plaatsen bewijzen.
+
+Antw. Als het papier gekleurd, d. i. geverfd was, dan moest de
+kleurstof in het papier zijn ingedrongen, doch dit is niet het
+geval. Op de breuk ziet men duidelijk dat van binnen de vezel wit
+is. De vuile geelachtig zwarte kleur van het papier is alleen het
+gevolg van den tijd, en de uitwerking van den ouderdom in een verloop
+van meer dan zes eeuwen.
+
+Dat overigens het papier nog zoo goed geconserveerd is en vooral door
+vocht of mot niet geleden heeft, is een bewijs voor de zorgvuldige
+bewaring van het H. S. als een om het zoo te noemen familie-heiligdom.
+
+4. Dit papier is afgesneden, gelijk duidelijk zichtbaar is; het papier
+der 13e eeuw laat zich niet afsnijden noch afknippen zonder vezels
+achter te laten.
+
+Antw. Dit laatste mag in zeker opzicht waar zijn bij ongepolijst
+papier, maar bewijst niets ten opzichte van gepolijst en daardoor
+dichter zamengeperst papier, en hangt in allen gevalle af van de
+meerdere of mindere scherpte van mes of schaar.
+
+5. Het afsnijden doet mij denken aan machinaal papier, waarin wel de
+perpendiculaire waterlijnen (pontuseaux) kunnen gebracht worden, doch
+het is mij onbekend of daarin de horizontale lijnen van papierramen
+kunnen zijn; indien ja, dan houd ik dit voor goed machinaal papier,
+wat daarom niet ouder dan 25 of 30 jaar kan zijn, vroeger kon men in
+machinaal papier die lijnen niet maken.
+
+Antw. Ik heb voor mij liggen eene authentieke verklaring van de
+Heeren E. van Berk, P. Uurbanus, A. J. Leijer en T. Mooy aan den
+Helder woonachtig, waarin zij verzekeren, dat bij hen bepaaldelijk
+tusschen de jaren 1848 en 50 bekend is geweest het bestaan van het
+handschrift, toebehoorende aan de familie over de Linden, dat later
+is uitgegeven onder den titel van Thet Oera Linda Bok.
+
+Deze verklaring is in zijn geheel opgenomen in de Heldersche Courant
+van den 12 Maart 1876.
+
+Daarmede vervalt de geheele redeneering van den Heer Muller omtrent
+het machinaal papier, dat volgens zijne verklaring voor 25 of 30 jaar,
+d. i. vóór het jaar 1848, nog niet met horizontale waterlijnen gemaakt
+kon worden.
+
+Het papier van het H. S. is dus niet in deze 19e eeuw gemaakt. Van de
+14e tot de 18e eeuw is geen papier bekend of het is voorzien van een
+fabriekmerk (watermerk); maar in het papier van het H. S. is nergens
+een spoor van fabriekmerk aanwezig.
+
+Het is dus ook niet vervaardigd in de 14e of latere eeuwen. Zoodat
+er geen ander besluit overblijft, dan dat het papier uit de 13e eeuw
+afkomstig moet zijn.
+
+6. Dit papier is tot boek ingenaaid geweest, blijkens de gaatjes; het
+is veel te hard rondom die gaatjes om oud te zijn; ook is de wijze van
+innaaijen geheel modern en geheel anders als bij oude handschriften;
+daarbij gebruikte men minder gaten en dikker touw of perkament,
+dan hiervoor kan bezigd zijn.
+
+Antw. Indien de Heer Muller het geheele H. S. gezien had, dan zoude
+hij hebben opgemerkt, dat de rugzijde der katerns (of liever sexterns)
+nergens eene spoor van lijm of ander plaksel vertoont. Dit bewijst,
+dat het niet ingenaaid is geweest op eenige moderne manier, noch
+op touwtjes, noch op reepjes perkament, noch op strookjes, maar
+daarentegen op eene zeer eenvoudige en primitieve manier, door
+onmiddellijke vasthechting met naald en draad in een perkamenten
+omslag, gelijk men in den handel nog wel aantreft bij kleine boekjes,
+zoogenaamd los ineengehangen goedje, als almanakken en dergelijke.
+
+Dit kan iedereen doen, en dit zal Hiddo oera Linda ook wel eigenhandig
+gedaan hebben, en wel reeds daarom, omdat hij zijn Handschrift niet
+kon toevertrouwen aan een boekbinder, dewijl die kunst in de kloosters
+werd uitgeoefend, en zijn voorzaat Liko dringend gewaarschuwd had
+voor de monniken, papekappa, wier oogen vooral niet mochten gaan over
+deze schriften.
+
+7. Het schrift is veel te nieuw voor een hoogen ouderdom; de inkt
+ligt op het papier; heeft het papier niet aangetast, wat bij hoogen
+ouderdom van den inkt noodzakelijk moet gebeuren.
+
+De inkt is veel te zwart voor hoogen ouderdom, die was oudtijds
+lichter en werd na langen tijd geheel bruin.
+
+Antw. Hiertegenover stel ik de woorden van Wattenbach, das Schriftwesen
+im Mittelalter (Leipzig 1871) S. 137: »In alten Handschriften ist
+die Dinte schwarz oder bräunlich, immer von ausgezeichnet guter
+Beschaffenheit. Nachdem aber von 13 Jahrhundert an immer massenhafter
+geschrieben wird, erscheint die Dinte häufig grau oder gelblich,
+und ist zuweilen ganz verblasst."
+
+»Als Bestandtheile des atramentum librarium giebt Plinius Russ
+(lampenroet) und Gummi an. Marcianus Capella erwähnt zuerst die
+Galläpfel: gallarum gummeosque commixtio."
+
+»Eine Mischung von Kupfervitriol und Galläpfeln soll am häufigsten
+sein."
+
+Uit welke bestanddeelen nu de inkt, waarmede het H. S. geschreven is,
+kan bereid zijn, is mij onbekend; doch ik hecht aan de getuigenis van
+Wattenbach voor de goede hoedanigheid der inkt tot in de 13e eeuw,
+als bewijs voor de herkomst van het H. S. uit de 13e eeuw.
+
+
+
+Om deze redenen kan ik mij niet vereenigen met of berusten in het
+oordeel van de Heeren Muller en Van Gelder, welk oordeel bovendien niet
+geheel vrij is van eenzijdigheid. Zij hebben zich hoofdzakelijk de
+vraag gesteld: komt het papier van het H. S. in meerdere of mindere
+mate overeen met eene papiersoort van den tegenwoordigen tijd,
+papier vergé. Dit is echter de tweede helft der kwestie. De eerste
+en voornaamste helft is: in hoeverre komt het Handschrift overeen
+met andere Manuscripten op papier die ouder zijn dan van het jaar 1300.
+
+In betrekking hiertoe heb ik hier nog eene opmerking bij te voegen. Het
+Handschrift is gelinieerd geweest, waarschijnlijk met lood,
+doch de hooge ouderdom heeft die lijnen doen verbleeken en bijna
+uitgewischt, zoozeer dat ik in den eersten tijd ze wel vermoedde,
+maar niet onderscheiden kon, voordat Jhr. Hooft van Iddekinge er mij
+opmerkzaam op maakte. Zoodra deze een deel van het Handschrift onder
+oogen kreeg, zeide hij: dat is gelinieerd geweest, en dáár kan men de
+sporen er van zien." En toen ik zoo die sporen eens had leeren zien,
+viel het mij gemakkelijk ze overal op elke bladzijde te onderkennen.
+
+Daarom heb ik ook op het facsimilé van bl. 45 de linieering hersteld,
+teneinde te doen blijken hoe nauwkeurig en zorgvuldig die lijnen
+getrokken, en de letters daartusschen geschreven waren, en tevens om te
+doen beseffen, hoeveel tijd en vlijt er aan dat H. S., waarvan slechts
+een paar honderd bladzijden zijn overgebleven, besteed is. Daarvan
+heb ik de proef genomen door op gewoon gelinieerd papier pagina voor
+pagina het H. S. in zijn eigen schrift te copieeren, en aan dat werk
+300 uren moeten besteden. Dat is nog maar alleen overschrijven, en dan
+zoude een verdichter nog eerst het geheele boek moeten zamengesteld
+hebben, in eene taal, die van de bekende dialekten van het Oud-friesch
+even onderscheiden is, als deze alle onderling verschillen; want die
+oude Friesche wetten d. i. het wester Lauwers, het Hunsingoër, het
+Fivelgoër, het Oldampster, het Emsingoër, het Brokmer, het Rustringer
+recht, zijn in even zooveele verschillende dialecten geschreven en
+wijken in spelling en woordvormen van elkander af. Tegenover die alle
+zoude hij een afzonderlijk dialect moeten uitvinden, dat gesproken
+is tusschen het Flie en de Schelde. En ten slotte had hij nog een
+letterschrift moeten bedenken, dat meer en beter dan eenig ander voor
+de Friesche taal geschikt is.
+
+Ten aanzien van dat letterschrift moet ik eindelijk nog wijzen op
+eene zeer kenmerkende bijzonderheid:
+
+Het alfabet heeft nog geen q en z. De verbindingen qu, sc, sch en
+de c aan het begin van een woord zijn nog niet bekend, ten bewijze,
+dat deze geschriften zijn uit den vóór Romeinschen tijd.
+
+De c wordt niet anders gebruikt dan in de verbinding ch, als
+geadspireerde of verscherpte g b.v. burch m.v. burga.
+
+In de Friesche Rechtboeken daarentegen heeft de taal die schrijfwijze
+uit het Latijn aangenomen, en afzonderlijke teekens voor verlengde
+vocalen verloren, gelijk mede die voor gs, ng en th. Die invloed
+van het Latijn heeft vooral sedert Karel den Groote het alfabet door
+vermindering van het getal der letters vereenvoudigd, maar daardoor
+ook bedorven en minder geschikt gemaakt voor de aanduiding van aan
+de Friesche taal eigendommelijke klanken. In dit opzicht heeft de
+Friesche schrijfwijze of spelling een verbastering ondergaan, waarvan
+de gevolgen bij de tegenwoordige schrijvers diep gevoeld worden.
+
+Een verdichter zoude zich wel gewacht hebben aan de spelling en het
+alfabet van de oud-Friesche wetten iets te veranderen, en wel gezorgd
+hebben door eenige verandering geen wantrouwen te wekken.
+
+Zie dat is niet een werkje, dat een of andere guit voor de grap
+uitvoert, alleen om iemand te foppen. Dit te veronderstellen is immers
+eene ongerijmdheid. Doch dat is niets. De negative kritiek der moderne
+wetenschap staat voor geene ongerijmdheden. Als zij zich eenmaal in
+het hoofd gezet heeft niet te willen dulden dat het Oera Linda Boek
+echt is, dan moet het onecht wezen, het koste wat het wil. Nu loopt
+zij overal rond om den bedrieger te zoeken; er is zelfs sprake van
+geld bijeen te brengen om een prijs op zijn hoofd te stellen en den
+aanbrenger te beloonen. Doch alles even vruchteloos, om de eenvoudige
+en natuurlijke reden, dat die man niet bestaat en nooit bestaan heeft.
+
+Intusschen meent zij overal het publiek af te schrikken en richt tot
+iedereen de inquisitoriale vraag: geloof jij nog aan het Oera Linda
+Boek? Mijn antwoord is: ja Mijne Heeren. Ik heb nu bijna zes jaren lang
+dat boek door en door als 't ware van binnen en van buiten bestudeerd,
+in verband met de geheele oude Grieksche en Latijnsche literatuur,
+maar nergens heb ik iets kunnen vinden, wat mij eenigen grond tot
+twijfel aanbood. Daarom geloof ik nog aan de echtheid van thet Oera
+Linda Bok, [1] en om deze reden heb ik de eer u eene tweede uitgave
+daarvan aan te bieden.
+
+
+Leeuwarden, Sept. 1876.
+
+Dr. J. G. Ottema.
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING [2].
+
+
+De heer C. over de Linden aan den Helder, eerste Meesterknecht bij
+'s Rijks Marine-werf, bezit een overoud Handschrift, dat sinds
+onheugelijke jaren in zijne familie vererfd en bewaard is, zonder
+dat iemand meer de herkomst daarvan wist, of den inhoud er van kende,
+wegens de onbekendheid van taal en schrift. Alleen wist men, dat eene
+daaraan verbondene traditie van geslacht tot geslacht de zorgvuldige
+bewaring daarvan had aanbevolen. Het is gebleken, dat die traditie
+berustte op den inhoud van twee brieven, waarmede het Handschrift
+aanvangt; van Hiddo oera Linda Ao. 1256 en van Liko oera Linda Ao. 803.
+
+Het was aan hem gekomen volgens beschikking van zijn grootvader den
+heer Andries over de Linden, wonende te Enkhuizen en aldaar overleden
+den 15 April 1820, in den ouderdom van 61 jaren. Daar de kleinzoon
+echter destijds nog slechts 10 jaren oud was, moest het H. S. voor hem
+bewaard worden door zijne tante Aafje Meylhoff geb. over de Linden,
+wonende te Enkhuizen, die het in Augs. 1848 aan den tegenwoordigen
+eigenaar ten hand gesteld heeft.
+
+Dr. E. Verwijs daarvan kennis gekregen hebbende, verzocht van dit
+stuk inzage te mogen hebben en herkende het terstond voor zeer
+oud Friesch. Hij bekwam tevens vergunning er een afschrift van te
+vervaardigen ten behoeve van het Friesch Genootschap, en was van
+oordeel, dat het een stuk van groot belang kon wezen, bijaldien
+het niet een ondergeschoven en met bedriegelijke oogmerken verdicht
+geschrift was, waarvoor hij vreesde. Het afschrift in mijne handen
+gesteld zijnde, liet ook mij in den aanvang nog in het onzekere,
+schoon ik minder bevreesd was, omdat ik niet konde begrijpen, dat
+iemand een valsch geschrift zoude opstellen zonder eenig doel, en
+alleen om het geheim te houden. Doch de onzekerheid bleef bestaan,
+tot dat ik naauwkeurige facsimilés van een paar fragmenten en later het
+Handschrift zelf onder oogen kreeg. Het eerste gezicht daarvan stelde
+mij terstond omtrent den hoogen ouderdom van het geschrift gerust.
+
+Oogenblikkelijk toch stonden mij Caesars woorden voor den geest,
+als hij van het letterschrift der Galliers en Helvetiers sprekende
+B. G. I. 29 en VI. 14 zegt: Graecis utuntur literis. Echter blijkt
+uit V. 48 dat het niet geheel grieksche letters waren. Caesar
+maakt dus slechts eene vergelijking en wel eene zeer juiste. Want
+het schrift, dat met geen bekende lettervormen geheel overeenkomt,
+gelijkt oppervlakkig nog het meest op het Grieksche schrift, zoo als
+het op monumenten of in de oudste handschriften voorkomt, en behoort
+tot den vorm, dien men lapidair of steenschrift noemt. Daarbij is
+mij later gebleken, dat de schrijver van het laatste gedeelte des
+boeks een tijdgenoot van Caesar geweest is. De vorm en oorsprong
+van dit schrift is in het eerste gedeelte des boeks zoo omstandig en
+uitvoerig beschreven, als men het van geene taal kan aanwijzen. Het
+is zeer volkomen en bestaat uit 34 letterteekens, waaronder drie
+afzonderlijke vormen voor de a en u en twee voor de e, i, y en o,
+benevens vier zamengestelde of dubbelde medeklinkers: ng, th, ks
+en gs. De ng, die als neusklank in geene andere westersche taal een
+afzonderlijk teeken heeft, is eene ondeelbare verbinding, de th is
+zacht als in het Engelsen en wordt somwijlen door d vervangen, en de
+gs komt slechts zeer zelden voor, ik geloof alleen in het woord segse,
+zeggen, in het hedendaagsche Friesch sidse, uitgesproken sisze.
+
+Het papier, groot kwarto formaat, is katoen papier, vrij dik, zonder
+water- of fabriekmerk, op een raam of draadvorm geschept, met niet
+zeer wijde perpendiculaire lijnen.
+
+Een inleidende brief geeft het jaar 1256 op als het jaar, waarin het
+afschrift vervaardigd is door Hiddo overa Linda op overlandsch of
+buitenlandsch papier. Diensvolgens zoude het afkomstig moeten zijn
+uit Spanje, waar de Arabieren destijds katoenpapier vervaardigden
+en in den handel brachten. Hieromtrent schrijft W. Wattenbach, das
+Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871), S. 93:
+
+»De vervaardiging van papier uit katoen moet bij de Chinezen sedert
+overoude tijden in gebruik geweest zijn, en bij de verovering van
+Samarkand omstreeks den jare 704 aan de Arabieren bekend geworden. Te
+Damascus werd dat fabriekaat een levendige tak van industrie, waarom
+het Charta Damascena genoemd werd. Door de Arabieren werd de kunst
+naar de Grieken overgebracht. Men beweert Grieksche handschriften
+uit de tiende eeuw op katoenpapier te hebben, en in de dertiende eeuw
+komen deze reeds menigvuldiger voor dan die op perkament.
+
+Men noemde het, om het van Egyptisch papier te onderscheiden, Charta
+bombycina, gossypina, cuttunea, xylina. Eene onderscheiding van het
+linnenpapier was toen nog niet noodig.
+
+Tot de vervaardiging van het katoenpapier bezigde men oorspronkelijk
+de ruwe boomwol. Papier uit lompen vindt men het eerst vermeld bij
+Petrus Clusiacensis (1122-1150.)
+
+Van de Arabieren leerden de Spanjaarden en de Italianen de
+vervaardiging van dit papier. De voornaamste fabrieken waren te Jativa,
+Valencia, Toledo, benevens Fabriano in de Mark Ancona. [3]
+
+In Duitschland is het gebruik van deze stof wel niet zeer verbreid
+geweest, tenzij het papier uit Italie of Spanje ingevoerd werd. Doch
+hoe meer de vervaardiging zich uit het oosten en de daarmede in verkeer
+staande landen uitbreidde, des te meer moest ook linnen in de plaats
+van katoen treden. Eene oorkonde van Kaufbeuren op linnenpapier uit
+het jaar 1318 is van twijfelachtige echtheid. Bodmann stelt het oudste
+zuiver linnenpapier in het jaar 1324; tot aan 1350 komt er ook nog
+gemengd papier voor.
+
+Alle zorgvuldig geschrevene Manuscripten uit den oudsten tijd toonen
+reeds door de regelmatigheid van de regels, dat zij gelinieerd geweest
+zijn, ook waar de sporen daarvan niet meer herkend kunnen worden.
+
+Tot het linieeren bezigde men eene dunne schijf van lood, een liniaal
+en een passer om de afstanden te bepalen.
+
+In oude handschriften is de inkt donker zwart of bruinachtig. Naar
+mate echter sedert de 13e eeuw meer geschreven werd, vertoont de
+inkt zich vaak grijs of geelachtig, of somtijds geheel verbleekt,
+ten bewijze dat zij ijzerhoudend is."
+
+Dit alles is volkomen van toepassing op het voor ons liggend
+Handschrift uit het midden der dertiende eeuw, beschreven met helder
+zwarte letters tusschen fijne naauwkeurig met lood getrokken lijnen. De
+kleur van de inkt toont duidelijk aan, dat zij niet ijzerhoudend
+is. Door deze kenteekenen wordt het opgegeven jaartal 1256 geheel
+gewettigd en valt er aan geen lateren oorsprong te denken. Maar
+daarmede vervalt ook alle verdacht van bedrog uit lateren tijd.
+
+De taal is overoud Friesch, nog ouder en veel zuiverder dan de taal
+van het Friesch Rjuchtboek of oude Friesche wetten en daarvan in vele
+vormen en spelling verschillende, zoodat zij een geheel afzonderlijken
+tongval of dialekt vertoont, en blijkens de lokaliteiten de taal
+moet geweest zijn, zoo als die gesproken werd van het Vlie tot aan
+de Schelde.
+
+De stijl is hoogst eenvoudig, beknopt, in korte volzinnen, ongedwongen
+zich bewegende, even als de dagelijksche spreektaal, en vrij in de
+vormen der woorden.
+
+De spelling is eveneens eenvoudig en gemakkelijk, zoodat de lezing
+geene de minste moeite kost; en bij alle regelmatigheden toch zoo vrij,
+dat ieder van de verschillende schrijvers, die aan het boek gewerkt
+hebben, zijne eigene bijzonderheden heeft, die voortkomen uit de
+wijziging van den klank der vokalen in verloop van lange tijdruimten,
+hetgeen natuurlijk het geval moet zijn, daar het laatste gedeelte
+vijf eeuwen later geschreven is als het eerste.
+
+Als antiquiteit van taal en schrift, geloof ik te kunnen zeggen,
+dat dit boek geheel eenig in zijne soort is.
+
+Het schrift geeft aanleiding tot eene misschien zeer gewichtige
+opmerking.
+
+De Grieken weten en erkennen, dat zij hun schrift niet hebben
+uitgevonden. Zij schrijven de invoering daarvan toe aan Kadmus,
+een Phenicier. De namen hunner oudste letters van de Alfa tot de Tau
+komen zoo geheel overeen met de namen der letters in het Hebreeuwsche
+Alfabet, waaraan het Phenicische wel naauw verwant zal geweest zijn,
+dat de Phenicische herkomst dier namen wel niet betwijfeld kan
+worden. Maar de vorm hunner letters verschilt zoo geheel en al van
+die in het Phenicisch en Hebreeuwsch schrift, dat in dit opzigt aan
+geene verwantschap te denken valt. Van waar hebben dus de Grieken
+die letter vormen ontvangen?
+
+Uit thet bok thêra Adela follistar (het boek van Adelas helpers)
+leeren wij, dat in den tijd, waarin die Kadmus moet geleefd hebben,
+omstreeks 16 eeuwen voor Christus, een levendig handelsverkeer bestond
+tusschen de Friesen en de Pheniciers, die zij Kadhemar, kustbewoners,
+noemden. De naam Kadmus komt te nabij dat woord Kadhemar, om niet te
+besluiten, dat Kadmus eenvoudig een Phenicier beteekent.
+
+Voorts lezen wij, dat omstreeks denzelfden tijd eene Priesteres van de
+Burgt op Walcheren, Min-erva, ook Nyhellenia genoemd, aan het hoofd
+eener Friesche kolonie, zich neergezet heeft in Attika en daar de
+burgt Athene gesticht heeft. Alsmede uit de berichten, opgeteekend
+aan de wanden der Waraburch, dat Findas volk ook een eigen schrift
+bezat, doch zeer omslachtig en moeijelijk om te lezen; en dat daarom
+de Tyriers en de Krekalanders het schrift van Frya hebben geleerd.
+
+Bij deze voorstelling verklaart de geheele zaak zich zelve, en is het
+duidelijk, waardoor die uiterlijke gelijkenis tusschen het Grieksche en
+oud Friesche schrift ontstaan is, welke ook Caesar in het oog gevallen
+is bij de Galliers; alsmede op welke wijze de Grieken de namen van
+Findas en de vormen van Fryas schrift nevens elkander hebben gekregen
+en behouden.
+
+Even opmerkelijk zijn de vormen der cijfers. Men noemt onze
+getalteekens gewoonlijk Arabische cijfers, ofschoon zij met de
+Arabische getalteekens niet de minste overeenkomst hebben. De Arabieren
+in Spanje hebben hunne cijfers niet uit het oosten medegebracht,
+want de Semitische volken bezigden het geheele alfabet tot het
+opschrijven van getallen. De wijze van met 10 teekens alle getallen
+uit te drukken hebben de Arabieren in het westen geleerd, doch daar
+vormen voor gekozen eenigermate in overeenstemming met die van hun
+letterschrift, en toch geschreven van de linker naar de rechterhand op
+Westersche manier. Onze cijfers blijken hier oorspronkelijk Friesche
+cijfers (siffar) te wezen, wier vorm denzelfden oorsprong heeft als
+het letterschrift en aan de lijnen van het Juul ontleend is.
+
+Het boek, zooals het voor ons ligt, bestaat uit twee van elkander
+zeer verschillende, en in tijd vrij ver verwijderde gedeelten. Als
+schrijfster van het eerste gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van
+Apol, grevetman over de Lindaoorden. Dit is vervolgd door haren
+zoon Adelbrost en hare dochter Apollonia. Het eerste boek loopende
+van pag. 1-88 (hier p. 4-120) is geschreven door Adela. Een vervolg
+van pag. 88-94 (122-128) is begonnen door Adelbrost en voortgezet
+door Apollonia. Het tweede boek loopende van pag. 94-114 (128-154)
+is geschreven door Apollonia. Veel tijd, misschien 250 jaren
+later, is een derde boek geschreven van pag. 114-134 (156-180) door
+Frethorik. Vervolgens van pag. 134 tot 143 (180-192) door zijne weduwe
+Wiljow, daarna van pag. 144-169 (194-226) door hun zoon Konereed,
+alsdan van pag. 169-192 (226-232) door hun kleinzoon Beeden; nu
+ontbreken bl. 193 en 194, waarmede het laatste stuk pag. 195-210
+(235-253) moet hebben aangevangen, daardoor is de schrijver ons
+onbekend, hij zal wel een zoon van Beeden geweest zijn. Door Wiljow
+worden op bl. 134 (182) nog andere geschriften genoemd; daar vermeldt
+zij thet bok thêra sanga, (thet bok) thêra tellinga, and thet Hellênia
+bok; en vervolgens tha skrifta fon Dela jeftha Hellênia.
+
+Voor de tijdsbepalingen moeten wij uitgaan van het jaar 1256 na
+Christus, waarin Hiddo overa Linda het afschrift vervaardigd heeft,
+en waarvan hij zegt, dat het was het 3449 jaar nadat Atland verzonken
+is. Dit vergaan van het oude land, âldland, âtland, is bij de Grieken
+ook in geheugen geweest en Plato maakt in zijn Timaeus, 24, nog melding
+van het verdwenen Atlantis, van welks ligging niets anders bekend was,
+dan dat het ver buiten de zuilen van Herkules had gelegen. Uit dit
+geschrift blijkt, dat het een uitgestrekt land geweest is ten westen
+van Jutland, waarvan Helgoland en de Noordfriesche eilanden de laatste
+schamele overblijfselen zijn. Deze gebeurtenis, waardoor het schijnt
+dat een groote verstrooijing van den Frieschen stam veroorzaakt is,
+was het aanvangspunt eener eigene tijdrekening, overeenkomende met
+2193 voor Chr. Bij de geologen bekend als de eerste Cimbrische vloed.
+
+Op bladzijde 80 (110) begint een verhaal in het jaar 1602 nadat Atland
+verzonken is en dus met 591 voor Chr., en bl. 82 (112) het verhaal
+van den moord gepleegd aan Frâna, Eeremoeder op Texland, twee jaren
+later, en dus 589. Wanneer nu Adela haar geschrift aanvangt met haar
+eigen optreden in eene volksvergadering, 30 jaren na den dag dat de
+Eeremoeder was omgebracht, dan zijn wij in het jaar 559 voor Chr. Uit
+het schrijven van hare dochter Apollonia vernemen wij, dat Adela
+15 maanden na die vergadering, bij eene overrompeling van Texland
+door de Finnen, verslagen is; dit moet dus gebeurd zijn in 557 voor
+Chr. en hieruit volgt, dat het eerste boek door Adela geschreven is
+in 558 voor Chr. Het tweede boek, door Apollonia geschreven, mag dus
+gesteld worden omstreeks het jaar 530 voor Chr.
+
+Het latere gedeelte behelst de geschiedenis van de bekende Koningen
+van Friesland, Friso, Adel (Ubbo) en Asega Askar, genaamd zwarte
+Adel. Evenwel is van den derden Koning Ubbo niets gemeld, of
+liever dit stuk is verloren gegaan, bl. 169-188 (zie bl. 226)
+ontbreken. Frethorik, de eerste schrijver, die hier voorkomt, is
+een tijdgenoot van de gebeurtenissen, die hij verhaalt, namelijk de
+komst van Friso. Hij is een vriend van Liudgert, den Geertman, die
+als skelta bi thêr nacht op de vloot van Wichhirte den sêkening met
+Friso hier was gekomen, in 't jaar 303 voor Chr., 1890 jaren nadat
+Atland verzonken was. Uit het dagboek van Liudgert heeft hij vele
+van zijne berichten ontleend.
+
+De laatste schrijver geeft zich zelven zeer duidelijk te kennen als
+een tijdgenoot van Zwarte Adel of Askar, omstreeks het midden van
+diens regering, welke bij Furmerius gesteld wordt van 70 vóór 11 na
+Chr. gelijktijdig met Julius Ceasar en Augustus. Hij schreef dus in
+het midden der eerste eeuw voor Chr. en droeg kennis van de verovering
+van het land der Golen (Galliers) door de Romeinen.
+
+Er liggen dientengevolge ruim twee eeuwen tusschen de beide afdeelingen
+van het handschrift.
+
+Van die Gôla lezen wij bl. 84: alsa hêton tha såndalinga prestera
+Sidonis. En op bl. 124: tha Gola jeftha Trowyda.
+
+De Golen zijn dus de Druiden, en de naam Galli, overgedragen op het
+geheele volk, eigenlijk de naam van eene Priesterorde of Priesterstam
+van oostersche herkomst, even als bij de Romeinen de Galli, Priesters
+van Cybele.
+
+De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw, namelijk er staat
+bijna niets in, dat wij van elders reeds wisten. Hetgeen wij hier van
+Friso, Adel en Askar lezen, verschilt gansch en al van hetgeen onze
+bekende kronijkschrijvers weten te vertellen, of wel doet zulks in
+een geheel ander daglicht beschouwen. B. v. allen verhalen dat Friso
+uit Indie gekomen is, en dat dus de Friesen uit Indie afkomstig zijn,
+en toch voegen zij er bij dat Friso een Germaan was en behoorde tot
+een Persische stam, dien Herodotus Germanen noemt Germ'anioi. Naar
+de berichten, die we hier ontmoeten, is Friso ook uit Indie gekomen
+en wel met de vloot van Nearchus, maar hij is daarom geen Indiër, hij
+is van Friesche afkomst, van Fryas volk. Hij behoort namelijk tot eene
+kolonie Friesen, die na den dood van Nijhellênia, 15½ eeuwen voor Chr.,
+onder aanvoering eener Priesteres Geert, zich aan den Pangab (Indus)
+neergezet en den naam Geertmannen aangenomen hebben. Die Geertmannen
+zijn slechts bij een van de Grieksche schrijvers bekend, namelijk bij
+Strabo, die hen vermeld als Germ=anec eene van de Braqm=anec in zeden,
+taal en godsdienst geheel en al verschillende volkstam.
+
+Bij de schrijvers van Alexanders tochten worden noch Friesen noch
+Geertmannen genoemd, doch zij spreken van Indoscythae; en geven
+daardoor te kennen een volk, dat wel in Indie woont, maar uit het
+verre onbekende Noorden afkomstig is.
+
+In de berichten van Liudgert worden geene namen genoemd van plaatsen,
+waar die Friesen in Indie gewoond hebben. Wij vernemen alleen,
+dat zij zich eerst in het land ten oosten van den Pangab hebben
+nedergezet, en later verhuisd zijn naar den westelijken oever dier
+rivier. Verder wordt als eene bijzonderheid medegedeeld, dat in den
+zomer de zon op den middag recht boven hun hoofd stond. Zij woonden
+dus nagenoeg onder den keerkring. En nu vinden wij bij Ptolomeus
+(zie b. v. de kaarten van Kiepert) juist daar op 24° N. B. aan den
+westelijken oever van den Indus den naam Minnagara, en een graad of
+zes oostelijk van daar op 22° N. B. nog een Minnagara. Die naam is
+zuiver Friesch, gelijk Walhallagara, Folsgara, en gevormd van Minna,
+den naam eener Eeremoeder (zie pag. 74), in wier tijd de tochten van
+Teunis en zijn neef Inka plaats vonden.
+
+Die overeenkomst is te opmerkelijk om enkel toevallig te wezen, en
+niet dat Minnagara voor de hoofdplaats dier Friesche kolonie te houden.
+
+De vestiging van die kolonie in Indie aan den Pangab in 1551 voor
+Chr. en hunne reis derwaarts, vinden wij in Adela's boek vrij
+uitvoerig beschreven, en wel met de bijvoeging van eene uiterst
+merkwaardige bijzonderheid, namelijk dat die Friesche zeelieden
+gevaren zijn door de straat welke in die tijden nog op de Roode Zee
+uitliep. Uit een bericht bij Strabo L. I fol. 38 en 50 blijkt dat
+Eratosthenes nog kennis gedragen heeft van die voormalige zeeëngte,
+waarvan de latere geografen geene melding meer maken. Zij bestond
+nog in de dagen van Mozes, Exod. XIV : V, daar hij zich legerde bij
+Pi ha chiroht, den mond der zeeëngte. Strabo vermeldt bovendien, dat
+Sesostris eene poging gedaan heeft om de landengte door te graven,
+maar dat plan niet heeft kunnen uitvoeren.
+
+Dat daar werkelijk eertijds de zee doorgestroomd heeft, bewijzen
+de uitkomsten van het geologisch onderzoek van de landengte door
+de commissie voor het kanaal van Suez, waarvan de heer Renaud op
+den 19 Junij 1856 een rapport heeft uitgebracht bij de Academie des
+Sciences. In dat rapport komt onder anderen voor: Une question fort
+controversée est celle de savoir, si à l'époque où les Hebreux fuyaient
+de l'Egypte sous la conduite de Moïse, les lacs amèrs faisaient encore
+partie de la mer rouge. Cette dernière hypothèse s'accorderait mieux
+que l'hypothèse contraire avec le texte des livres sacrés, mais alors
+il faudrait admettre que depuis l'époque de Moïse le seuil de Suez
+serait sorti des eaux.
+
+Ten aanzien van deze vraag is het zeker van belang in dit Friesche
+handschrift een bericht te ontmoeten, waaruit blijkt dat in het midden
+der 16e eeuw voor Chr. de verbinding van de Bittermeeren met de Roode
+Zee nog bestond en de straat nog bevaarbaar was.
+
+Het handschrift bericht verder, dat kort na die doorvaart van de
+Geertmannen beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo
+hoog ophief, dat al het water de straat uitliep en dat alle wadden
+en schorren als een wal oprezen.
+
+Deze dingen zullen dus na den tijd van Mozes geschied zijn, zoodat
+tijdens de uittocht (1564) de streek tusschen Suez en de Bittermeeren
+nog wel bevaarbaar was, maar bij lagen waterstand droogvoets kon
+worden doorgetrokken.
+
+Dit punt is dus de oorspronkelijke Isthmus, na welks vorming zeker
+spoedig de verdere inham noordwaarts tot aan de golf van Pelusium
+geheel is opgeslibd.
+
+Een duidelijk overzicht over de formatie van dit terrein geeft de
+kaart gevoegd bij: l'année scientifique et industrielle etc. par
+Louis Figuier (première année). Paris, Hachette, 1857.
+
+
+
+Een ander bericht, dat ook alleen bij Strabo voorkomt, vindt hier
+insgelijks eene opheldering en bevestiging. Strabo namelijk is onder
+de Grieksche schrijvers de eenige die vermeldt, dat Nearchus na zijne
+troepen in de Persische golf aan den mond van de Pasitigris te hebben
+ontscheept, op bevel van Alexander met zijne vloot weer de Persische
+golf uitgezeild en om Arabie heen door de Arabische golf gestevend
+is. Zoo als dit bericht daar staat, is het niet duidelijk wat Nearchus
+daar te maken had en wat het doel van die verdere tocht wezen kon;
+enkel tot het doen van geographische onderzoekingen, zoo als Strabo
+meent, behoefde hij toch niet eene gansche vloot mede te nemen,
+daartoe was een schip of twee voldoende. Wij lezen ook niet dat hij
+weer teruggevaren is; waar is hij dan met die vloot gebleven?
+
+Op deze vraag vinden wij hier het antwoord in de Friesche lezing van
+de geschiedenis. Alexander had die schepen aan den Indus gekocht van,
+of laten bouwen door de daar gevestigde afstammelingen van de Friesen,
+de Geertmannen, en van hen scheepsvolk in dienst genomen, en aan het
+hoofd van deze bevond zich Friso. Alexander had na de volbragte tocht
+en het transport van de troepen, die schepen in de Persische Golf niet
+meer noodig, maar wilde ze in de Middellandsche zee gebruiken. Dat had
+hij in zijn hoofd gezet en dat moest gebeuren. Alexander wilde iets
+doen, dat niemand voor hem gedaan had. Te dien einde moest Nearchus
+de Roode zee opvaren, en aan het eind daarvan gekomen (bij Suez),
+vond hij daar 200 elephanten en duizend kameelen en werklieden en
+gereedschap, balken, touwen enz., om de schepen op het land te halen
+en over de landengte te slepen. Dit werk werd met zooveel overleg en
+ijver ondernomen en voltooid, dat na een arbeid van drie maanden de
+vloot in de Middellandsche zee weer te water gelaten werd. Dat de vloot
+werkelijk in de Middellandsche zee gebracht is, blijkt uit het bericht
+van Plutarchus (vit. Alexandri), doch deze laat te dien einde Nearchus
+met de vloot om Afrika heen door de straat van Hercules zeilen. Na de
+nederlaag bij Actium heeft Kleopatra, in navolging van dit voorbeeld,
+getracht hare vloot over den Isthmus te brengen, om naar Indie te
+ontsnappen. Zij is daarin verhinderd door de Petraeische Arabieren,
+die hare schepen in brand staken. (Zie Plutarchus vit. Antonii.)
+
+Friso is, toen kort daarop Alexander stierf, in dienst gebleven
+van Antigonus en Demetrius, totdat hij door den laatste op eene
+schandelijke wijze beleedigd zijnde, besloot met zijne manschappen
+het oorspronkelijke moederland, Friesland, op te zoeken. Naar Indie
+terugkeeren kon hij trouwens niet. Zoo vullen de berichten elkander
+aan en helderen elkander op, en verleenen daardoor eene wederkeerige
+bevestiging.
+
+Zulke enkele trekken en verrassende uitkomsten leiden mij tot het
+besluit, dat wij hier met meer te doen hebben, dan met bloote sagen
+of legenden.
+
+Sints een twintigtal jaren is de aandacht getrokken door de
+overblijfselen van paalwoningen, het eerst opgemerkt in de meeren
+van Zwitserland en vervolgens in een aantal streken van Europa
+gevonden. Men zie daarover Dr. E. Rückert, Die Pfalhbauten. Würtzburg
+1869, of Dr. T. C. Winkler, in de Volksalmanak t. N. v. A. 1867. Toen
+men ze gevonden had, trachtte men uit de onder het water aanwezige
+fragmenten van wapens, gereedschappen en huisraad na te sporen, door
+wie en wanneer deze verblijfplaatsen bewoond geweest waren. Uit
+berichten van historieschrijvers bleek daaromtrent niets meer,
+dan hetgene Herodotus Lib. v. c. 16 van de Paeonen schrijft. Alleen
+vond men eene spoor in een der tafereelen op de zuil van Trajanus,
+waarin de verwoesting van een paaldorp in Dacie is afgebeeld. Dubbel
+belangrijk is het daarom uit het geschrift van Apollonia te vernemen,
+dat zij als burgtmaagd (omstreeks 540 v. Chr.) eene reis langs den
+Rijn gedaan, Switserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners
+(Marsaten) heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op
+palen gebouwde woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze. Zij
+vermeldt, dat die Marsaten van vischvangst en jacht leven, en de huiden
+van het wild bereiden met de schors van berkenboomen, om die pelterij
+te verkoopen aan de Rijnschippers, die ze verder in den handel brengen.
+
+Dit bericht omtrent de paalwoningen in de meeren van Switserland
+kan niet geschreven zijn, dan in een tijd toen die paaldorpen nog
+bestonden en bewoond werden.
+
+In het tweede gedeelte van het Handschrift wordt door Konerêd oera
+Linda vermeld, dat Adel de zoon van Friso (± 260 j. v. Chr.) met
+zijne vrouw Ifkja ook die paaldorpen in Switserland bezocht heeft,
+»fon Walhallagâra brûdon hja alingen thêra sûder Hrênum al-ont hja
+mith grâte frêse boppa thêre Rêne by tha Mârsâta kêmon, hwêrfon vsa
+Apollônja skrêven heth. Tha hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja
+wither nêi tha delta."
+
+Later als dit bericht komt bij geen schrijver ergens eenige
+vermelding van die paalwoningen voor en is die zaak gedurende
+twintig eeuwen volkomen onbekend gebleven, totdat in den jare 1853,
+bij buitengewoon lagen waterstand, overblijfselen van zulke woningen
+ontdekt zijn. Daarom heeft niemand zulk een bericht in lateren tijd
+kunnen verzinnen.
+
+Hoewel een groot gedeelte van het eerste stuk, het Boek van Adela,
+geheel valt in het Mythologisch Tijdvak vóór den Trojaanschen oorlog,
+is hier in de verhalen een groot verschil met de Grieksche Mythen
+in het oogloopend. De Mythen kennen geene tijdsbepaling, veel min
+eene geregelde tijdrekening. Bij de Mythen bestaat geen inwendige
+zamenhang of consequentie. De vrije verdichting ontwikkelt zich in
+iedere sage afzonderlijk en onafhankelijk. De Mythologische verhalen
+weerspreken elkander bijna op ieder punt. Les Mythes ne se tiennnent
+pas is de eenige sleutel op de Grieksche Mythologie.
+
+Hier daarentegen ontmoeten wij eene geregelde jaartelling uitgaande van
+een vast punt, het vergaan van Atland (2193 voor Chr.) De verhalen,
+natuurlijk, eenvoudig, vaak naïf, weerspreken elkander nimmer,
+en zijn altijd met elkander bestaanbaar, ook in plaats en tijd. Als
+b. v. de komst en het verblijf van Ulysses bij de Burgtmaagd Kalip op
+Walhallagara (Walcheren), 't gene wel het meest sagenhafte stuk is
+van allen, hier gesteld is op 1005 jaren nadat Atland verzonken is,
+dan komt dat uit op 1188 jaren voor Chr. en dus vrij nabij overeen
+met den tijd, waarin de Grieken meenen, dat de Trojaansche oorlog
+heeft plaats gehad. Die Ulysses-sage is hier niet door de Romeinen
+aangebracht. Tacitus vond ze reeds in Neder Germanie (zie Germania
+cap. 3) en zegt er bij, dat te Asciburgium een altaar was, waarop de
+naam van Ulysses en die van zijn vader Laërtes gelezen werd.
+
+Een ander kenmerkend onderscheid bestaat daarin, dat de Mythe geene
+herkomst kent, voor hare verhalen nooit berichtgevers of schrijvers
+noemt, en dus nimmer eenig gezag weet aan te voeren. In Adelas boek
+daarentegen wordt bij ieder verhaal opgegeven, waar het gevonden of
+waaruit het ontleend is, b. v. dit is uit Minno's schriften, dit is
+aan de Wanden der Waraburch gegrift, dit aan de Fryas burch, dit te
+Stavia, dit op Walhallagara.
+
+En dan is er nog iets. Wetten, geregelde wetgevingen, gelijk zij in
+Adelas boek in vrij grooten getale voorkomen, zijn in de Mythologie
+eene onbekende en met haar wezen onvereenigbare zaak. Zelfs als
+de Mythe aan Minos toeschrijft de invoering van eene wetgeving op
+Kreta, dan weet zij van die wetgeving zelve niet het geringste te
+berichten. Ook in de Mythische godenwereld bestaat geene wetgeving,
+de eenige wet is daar het onveranderlijke Noodlot, of de wil van den
+oppermachtigen Zeus.
+
+Ten opzichte van de Mythologie is dit geschrift, dat zelf geen
+mythisch karakter draagt, niet minder merkwaardig dan voor de
+geschiedenis. Ondanks de vele en velerlei betrekkingen met Denemarken,
+Zweden (Skênland = Schonen) en Noorwegen (Northland), vindt men
+hier geene sporen van bekendheid met de Noordsche of Scandinavische
+mythologie. Alleen schijnt Wodan hier voor te komen als Wodin, een
+Friesch heerman, die door een Magy, koning der Finnen, tot schoonzoon
+aangenomen en na zijn dood vergood is.
+
+De Friesche godenleer of liever godsdienst, is hoogst eenvoudig en
+zuiver Monotheisme. Wralda of Wralda's geest is het eenige, eeuwige,
+onveranderlijke, volmaakte en almachtige wezen. Wralda heeft alle
+dingen geschapen; alles komt uit hem voort, eerst de aanvang, dan de
+tijd, en vervolgens Irtha, de Aarde. Irtha baart drie dochters Lyda,
+Finda en Frya, de stammoeders van de drie menschenrassen, het zwarte,
+het geele en het blanke (Afrika, Asia en Europa). Als zoodanig is Frya
+de moeder van Frya's volk, de Friezen. Zij is de vertegenwoordigster
+van Wralda en wordt als zoodanig vereerd. Frya heeft hare tex gegeven,
+de eerste wet, en de eeredienst ingesteld van het eeuwige licht. Die
+dienst bestaat in het onderhouden van de altijd brandende lamp, foddik,
+door priesteressen, maagden; aan het hoofd dier maagden staat op alle
+burgten eene Burgtmaagd; de opperste van alle Burgtmaagden, is de
+Eeremoeder op de Fryasburgt op Texland. De Eeremoeder heerscht over het
+geheele land; de Koningen mogen niets doen, er mag niets geschieden,
+buiten hare raad en goedkeuring. De eerste Eeremoeder is door Frya
+zelve aangesteld, zij heette Fåsta. Met één woord, wij ontmoeten hier
+de prototype van de Romeinsche Vestadienst en de Vestaalsche maagden.
+
+Men denke hierbij aan Velleda (Welda) en Aurinia bij Tacitus Germ. 8
+Hist. IV. 61. 65. V. 22. 24. Annal. I. 51 en Gauna de opvolgster van
+Velleda bij Dio Cassius fragm. 49.
+
+Van de burgt van Velleda spreekt Tacitus als eene edita turris;
+Verg. hier bl. 146. Zij was de burgt Mannagarda forda (Munster). In
+het land der Marsi noemt hij deze burgt Templum Tanfane (Tanfanc)
+zoo genoemd naar het teeken van het Juul. Zie plaat I.
+
+De laatste dier burgten is de Fåstaburgt op Ameland geweest, templum
+Foste, volgens Occa Scarlensis verwoest in het jaar 806.
+
+Ontmoeten wij hier bij de Friezen een Godsbegrip en godsdienstige
+denkbeelden, geheel verschillende van de mythologien bij andere volken,
+nog onverwachter komen ons hier zaken voor, die in het nauwste verband
+staan met de Grieksch-Romeinsche Mythologie en wel met de herkomst
+van twee godheden van den eersten rang, Minerva en Neptunus. Min erva
+(Athénè), is oorspronkelijk eene burgtmaagd, priesteres van Frya
+op de burgt Walhallagara, Middelburg, of Domburg, op Walcheren. En
+deze zelfde Min erva is tevens die geheimzinnige, raadselachtige
+godin, van welker vereering bijna geene sporen zijn overgebleven,
+dan alleen op Walcheren in de votivsteenen te Domburg, Nehalennia
+[4], van welke geene mythologie iets naders weet dan enkel den naam,
+waarvan de etymologie zich heeft meester gemaakt tot het uitvinden
+van allerlei fantastische afleidingen.
+
+De andere, Neptunus, bij de Etruriers Nethunus, de God van de
+Middellandsche zee, blijkt hier bij zijn leven een Friesche Viking,
+zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga (Ouddorp
+niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Teunis, in de wandeling bij
+zijne manschappen Neef Teunis genoemd, die vooral de Middellandsche
+zee tot het doel en tooneel zijner tochten gekozen had, en door de
+Tyriers vergood zoude zijn, in den tijd toen de Phenicische zeevaart
+zich aanmerkelijk begon uit te breiden en naar Friesland stevende, om
+hier Britsch tin, Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balda (Baltische)
+zee te halen, omstreeks 2000 jaren v. Chr.
+
+Behalve dit tweetal ontmoeten wij nog een derde Mythologisch persoon,
+Minos, de wetgever van Kreta, die alsmede verschijnt als een Friesche
+zeekoning Minno, geboren te Lindaoord tusschen Wieringen en Kreyl,
+die aan de Kreters een Asegaboek heeft medegedeeld. Namelijk die
+Minos, die met zijn broeder Rhadamanthus en Aeakus als rechter in de
+onderwereld over het lot der schimmen beslist. Niet te verwarren met
+den lateren Minos, den tijdgenoot van Aegeus en Theseus, die voorkomt
+in de Atheensche sage.
+
+Bij deze voorstelling kan misschien iemand zijn lachen niet bedwingen,
+en kaatst hij mij het straks gebezigde woord fantastisch terug met
+dat van avontuurlijk. Ook ik kon eerst mijne oogen niet gelooven,
+en toch ben ik bij nadere overweging gekomen tot de ontdekking van
+verrassende overeenkomsten, die de zaak vrij wat minder avontuurlijk
+maken, als de geboorte van Athene uit het hoofd van Zeus door een
+bijlslag van Hephaistos.--B. v.
+
+De Grieksche Mythologie kent van alle Goden eene jeugd, alleen Pallas
+heeft geene jeugd, zij is niet anders bekend dan als volwassen. Minerva
+komt als opperpriesteres uit den vreemde, uit een den Krekalanders
+onbekend land, in Attica. Pallas is eene maagdelijke godin, Minerva
+is eene burgtmaagd. De blonde, blaauwoogige Pallas onderscheidt zich
+door deze type van de overige goden en godinnen, als behoorende tot
+Fryas volk. De wijsheid van beide en de zinnebeeldige attributen zijn
+dezelfde, inzonderheid de uil. Pallas geeft aan de nieuwe stad haren
+naam Athènai, die overigens in 't Grieksch geene beteekenis heeft:
+Minerva geeft aan de door haar gestichte burgt den naam Athene, die in
+het Friesch wel eene beteekenis heeft en te kennen geeft dat zij als
+vrienden âthen daar gekomen zijn. Minerva komt in Attica omstreeks 1600
+jaren voor Chr. in het tijdperk, waarin zich de Grieksche godenleer
+begint te vormen. Minerva is met de vloot van Jon aan het hoofd van
+eene kolonie in Attica geland; op Walcheren vindt men haar in later
+tijd blijkens de Romeinsche votivsteenen onder den naam Nehalennia
+vereerd als eene godin van de scheepvaart; en bij de Atheners is
+Pallas de beschermgodin van scheepsbouw en zeevaart.
+
+De Tijd is de Kroder, de kruijer, die eeuwig met het jol, het wiel,
+moet rondloopen, en voeren de zon langs hare baan door het stergewelf
+van winter-zonnestand tot winter-zonnestand. Zoo vormt hij de jaren,
+waarbij elke omwenteling van het wiel een dag uitmaakt. Te midwinter
+wordt het Jolfeest gevierd op Fryasdag. Dan worden koeken gebakken in
+den vorm van het zonnerad, want van dat Jol heeft Fryas de letters
+gemaakt, toen zij hare Tex schreef, en het Jolfeest is daarom ook
+een feest ter eere van Frya als uitvindster van het letterschrift.
+
+Even zoo als dit Jolfeest in Denemarken en geheel Duitschland door
+de Christenheid op 't Kerstfeest en in ons land op St. Nikolaasdag
+verplaatst is, even zoo zeker zijn onze St. Nikolaaspoppen, de
+vrijster en de vrijer, eene herinnering aan Frya, en onze St. Nikolaas
+(banket) letters eene gedachtenis aan Fryas van het Zonnerad gevormd
+letterschrift.
+
+Ik kan niet den geheelen inhoud van dit merkwaardige geschrift
+ontleden en moet mij vergenoegen met de gemaakte opmerkingen. Zij
+mogen eenig denkbeeld geven van den rijkdom en belangrijkheid van
+dien inhoud. Want al loopen er Sagen onder, ook als Sagen moeten zij
+waarde hebben voor ons, dewijl van den Sagenschat van ons voorgeslacht
+zoo goed als niets was overgebleven.
+
+Een inwendig bewijs voor de oudheid van deze geschriften ligt ook
+daarin, dat de naam Batavieren er nog niet in voorkomt. De inwoners
+van het geheele land tot aan de Schelde zijn Fryas volk, Friezen. De
+Batavieren zijn niet een afzonderlijk volk geweest. De naam Batavi is
+eene uitvinding van de Romeinen, die dezen naam gegeven hebben aan de
+bewoners van het land ter weerzijde van de Waal, welke rivier op de
+Tabula Peutingeriana den naam Patabus draagt. Die naam Batavi komt ook
+niet vroeger voor dan bij Tacitus en Plinius, want de bekende plaats
+bij Caesar B. G. IV. 10, is geinterpoleerd. Zie mijne verhandeling
+over den loop der rivieren door het land der Friesen en Batavieren
+bl. 49 in de Vrije Fries, IV Deel 1e Stuk, 1845.
+
+
+
+Met nog eene opmerking betreffende de taal wil ik eindigen.
+
+Zij die nog slechts eene oppervlakkige inzage van het H. S. hebben
+kunnen nemen, zijn getroffen door de beschaafdheid van de taal en de
+overeenkomst met het tegenwoordige Friesch en Hollandsch. Hierin meenen
+zij een grond te zien voor twijfel aan de oudheid van het geschrift.
+
+Maar ik vraag: is dan de taal van Homerus veel minder beschaafd dan
+die van Plato of Demosthenes? en leeft niet het grootste deel van
+den Homerischen woordenschat nog voort in het Grieksch van onze dagen?
+
+Het is waar, eene taal beweegt zich altijd, en is steeds aan
+kleine veranderingen onderhevig, waardoor men verschil vindt bij
+dezelfde taal in onderscheidene tijdperken. Deze wisseling van de
+taal geeft juist in dit H. S. stof tot belangrijke opmerkingen voor
+den taalbeoefenaar. Want niet alleen, dat van de acht schrijfsters
+en schrijvers, die achtereenvolgende aan dit boek gewerkt hebben,
+ieder zich kenmerkt door kleine eigenaardigheden in stijl, taal en
+spelling; maar vooral tusschen de beide afdeelingen van het boek,
+waar tusschen een tijdverloop van meer dan twee eeuwen ligt, is een
+in het oog vallend verschil aanwezig, dat aantoont, welk een langzaam
+voortgaande wijziging de taal in dat bestek ondervonden heeft.
+
+Als slotsom van deze beschouwingen kom ik tot het besluit, dat ik
+geene reden vinden kan, om aan de echtheid van dit geschrift te
+twijfelen. Verdichting kan het niet zijn. In de eerste plaats het
+afschrift van 1256 kan het niet zijn. Wie had in dien tijd zoo iets
+kunnen verdichten? Zeker niemand, en vroeger nog veel minder. In
+lateren tijd is eene verdichting evenzeer onmogelijk, om de eenvoudige
+reden, dat niemand meer die taal machtig was. Buiten de namen van
+Rask, Richthofen en Hettema, is er geen te noemen, die als taalkundige
+in dit vak bekend is geweest, of de taal zoo bestudeerd heeft, dat
+hij daar in schrijven kon. En al kon iemand zulks, dan stond hem nog
+geen ruimer woordenschat ten dienste, dan de beperkte voorraad, dien
+de O. F. Wetten aanboden. Daarom is in de laatstverloopen eeuwen de
+vervaardiging van dit geschrift eene onmogelijkheid geweest. Wie dit
+in twijfel wil trekken, beginne met aan te toonen, waar, wanneer,
+door wien en waartoe zulk eene vervalsching had kunnen gepleegd
+worden, en wijze uit lateren tijd de weergade aan van dit papier,
+dit schrift en deze taal.
+
+Dat het H. S. van 1256 bovendien geen origineel, maar eene kopie is,
+bewijzen zoowel gedurige schrijffouten, als enkele ophelderingen
+van woorden, die in des afschrijvers tijd reeds verouderd en weinig
+meer bekend waren; b. v. bl. 82 (114) to thêra flête jeftha bedrum;
+op bl. 151 (204) bargum jefta tonnum fon tha besta bjar.
+
+Nog sterker bewijs is, dat tusschen bladzijde 157 en 158 een of meer
+bladen ontbroken hebben, die uit dit H. S. niet hebben kunnen verloren
+gaan, omdat bl. 167 en 168 (212-214) de paginas recta en versa zijn
+van hetzelfde blad.
+
+Bl. 157 eindigt: Drie maanden daarna zond Adel boden naar alle
+vrienden, die hij gewonnen had, en liet hen bidden, dat zij in de
+Minnemaand verstandige lieden tot hem zouden zenden.
+
+Keert men nu het blad om, dan begint de keerzijde: zijne vrouw, zeide
+hij, die maagd geweest was te Texland, had daarvan een afschrift
+gekregen.
+
+Daar tusschen is geen zamenhang. Voor het minst ontbreekt er: de
+komst dier genoodigden, en het verhaal van hetgene bij die zamenkomst
+is voorgevallen. De afschrijver moet dus in het door hem gevolgde
+exemplaar twee bladen in plaats van een hebben omgeslagen. Er bestond
+dus een vroeger exemplaar, en wel dat in den jare 803 door Liko oera
+Linda was geschreven.
+
+Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift, waarvan het eerste
+gedeelte is opgesteld in de zesde eeuw voor onze jaartelling, het
+oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europesche
+letterkunde ontmoeten. En daar vinden wij in ons vaderland eene
+eeuwenoude bevolking, in 't bezit van eene ontwikkeling, beschaving,
+nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere verhevene
+Godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden hebben
+gehad. In onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen
+van ons volk niet hooger, dan tot de komst van Friso, den vermeenden
+stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die herinneringen
+opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor Christus, en in hoogen
+ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Israël evenaren.
+
+
+
+
+
+BIJLAGE TOT PAG. XX.
+
+Vergelijkende Taalproeve van de oud Friesche Wetten en de taal van
+het Handschrift.
+
+
+
+Dyo forme need is: hweerso en kynd jongh is finsen ende fitered noerd
+wr hef, jefta (sud) wr birgh. Soe moet die moder her kindes eerwe
+setta ende sella ende her kynd lesa ende des lives bihelpa.
+
+Dioe oder need is: jef da jere diore wirdat, ende di heta honger wr
+dat land faert, ende dat kynd honger stere wil, so moet dio moder
+her kindes eerwe setta ende sella ende capia her bern ky ende ey ende
+coern deerma da kinde des lives mede helpe.
+
+Dyo tredde need is: Als dat kind is al stocnaken, jefta huus laes,
+ende dan di tiuestera nevil ende calde winter oen comt sa faert
+allermanick oen syn hof ende oen sin huis ende an waranne gaten, ende
+da wiilda dier seket diin holla baem ende der birgha hlii, aldeer
+hit siin liif oen bihalda mey. Soe weinet ende scryt dat onieriga
+kind ende wyst dan syn nakena lyae ende syn huuslaes, ende syn fader
+deer him reda schuld, to ienst dyn honger ende winter nevil cald, dat
+hi so diepe ende dimme mitta fiower neylen is onder eke ende onder
+da eerda bisloten ende bitacht, so moet dio moder her kindes eerwe
+setta ende sella omdat hio da bahield habbe ende biwaer also lang so
+hit onierich is, dat hit oen forste ner oen honger naet forfare.
+
+
+Anjumer druk e.i.i..
+
+(1466.)
+
+
+
+Thju forma nêd is: Sâhwersa en bårn jvng is fensen ånd fêterad
+northward vr-et hef jeftha sûdward vr tha berga, sa âch thju måm hjara
+bårns erva to settande ånd to seljande ånde hjra bårn to lêsane ånd
+thes lives to bihelpane.
+
+Thju ôthera nêd is: jef tha jêra djura wårthat ånd thi hête hvnger wr
+thet lând fârth ånd thåt bårn sterva wil, sa mot thju måm hjara bårns
+erva setta ånd selja ånd kâpja hiri bårne ky ånd skêp ånd kêren thêr
+mitha mån thet bårn thes lives bihelpe.
+
+Thju tredde nêd is: sâhwersa thåt bårn is stoknâked jefta hûslâs ånd
+then thi tjustera nêvil ånd kalda winter ankvmth, sa fârth allera
+månnalik an sin hof ånd an sin hus ånd an wârande gâta, ånd thet wilde
+kwik sykath thene hola bâm ånd thêre berga hly thêr-it sin lif an
+bihalda mêi, sa wênath ånd krytath thåt vnjêrich bårn ånd wyst then
+sin nâkeda litha ånd siu hûslâs-sâ ånd sin tât thêr him hrêda skolde
+tojenst tha hvnger ånd tha kalda winter nêvil, that hi sa djap ånd
+dimme mith fjuwer nêilum vndera êke ånd vnder tha irtha bisletten ånd
+bidobben is, sa mot thju måm hjara bårns erva setta and selja vmbe
+that hju tha bihield håve ånd tha wâringa al sa long sa hit vnjêrich
+sy, til thju-t hor an forst ner an hvnger navt vmkvma ne mêi.
+
+
+Vertaald door J. G. O.
+
+
+
+
+
+
+
+ADELA.
+
+
+OKKE MIJN ZOON.
+
+
+Deze boeken moet gij met lijf en ziel bewaren, zij bevatten
+de geschiedenis van ons geheele volk, en ook van onze
+voorvaderen. Verleden jaar heb ik die uit den vloed gered tegelijk
+met u en met uwe moeder. Doch zij waren nat geworden, daardoor
+gingen zij naderhand bederven. Om ze niet te verliezen, heb ik ze
+op overlandsch papier overgeschreven. Bijaldien gij ze erft, moet
+gij ze ook overschrijven. Uwe kinderen desgelijks, opdat zij nimmer
+verloren gaan. Geschreven te Liuwert, nadat Atland verzonken is, het
+drie duizend vier honderd negen en veertigste jaar, dat is naar de
+Christen-rekening het twaalf honderd zes en vijftigste jaar, Hiddo
+bijgenaamd Over de Linde. Waak.
+
+
+
+Lieve erfgenamen, om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve
+vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de oogen van
+een monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete
+woorden, maar zij tornen ongemerkt, aan alles wat ons Fries betreft. Om
+rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze
+weten dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden
+toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten
+zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig
+is van onze oude zeden. Och lieve, ik ben bij hen aan het hof geweest;
+wil Wralda het gehengen, en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij
+ons altegader verdelgen. Geschreven te Liudwert, acht honderd en drie
+jaar, na de Christen meening. Liko bijgenaamd Over de Linde.
+
+
+
+
+
+HET BOEK VAN ADELA'S AANHANGERS.
+
+
+Dertig jaren na den dag, waarop de volksmoeder omgebracht was,
+door den overste Magy, stond het er erg aan toe. Alle Staten, die
+er liggen aan de andere zijde der Weser, waren van ons afgescheurd
+en onder het geweld des Magy gekomen; en het stond te vreezen,
+dat hij geweldig zoude worden over het geheele land. Om dat ongeluk
+te weeren, had men eene algemeene volksvergadering belegd, alwaar
+vergaderd waren alle manspersonen, die in een goeden roep stonden bij
+de maagden (priesteressen). Doch nadat er meer verloopen waren dan drie
+etmalen, was de geheele Go-raad in de war, en alles even als bij hunne
+komst. Toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak: Gij allen
+weet, dat ik drie jaren burgtmaagd geweest ben; ook weet gij, dat ik
+gekozen ben tot volksmoeder en dat ik niet volksmoeder wezen wilde,
+omdat ik Apol tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet,
+dat is, dat ik alle gebeurtenissen nagegaan heb, evenals of ik een
+wezenlijke volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weder
+gereisd, toeziende wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veele zaken
+openbaar geworden, die anderen niet weten. Gij hebt gisteren gezegd,
+dat onze stamverwanten aan de andere zijde der Wezer tam en laf waren;
+doch ik mag tot u zeggen, dat de Magy hun niet één dorp afgewonnen
+heeft door het geweld zijner wapenen, maar bloot door arglistige
+ranken en nog meer door de hebzucht der hertogen en edelingen. Frya
+heeft gezegd: wij moesten geene onvrije lieden bij ons toelaten;
+doch wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden nagevolgd;
+want in plaats van hunne gevangenen te dooden of vrij te laten,
+hebben zij Fryas raad veracht en hen tot hunne slaven gemaakt. Omdat
+zij zulks deden, had Frya geene lust meer langer over hen te waken;
+zij hebben eens anders vrijheid benomen, en dat is oorzaak, dat zij
+hunne eigene verloren hebben. Doch dat alles is u zelven ook bekend;
+maar ik wil tot u zeggen, hoe zij allengs zoo laag verzeild zijn. De
+vrouwen der Finnen kregen kinderen; deze groeiden op met onze vrije
+kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij te zamen op het hiem, of
+zij waren met elkander bij den haard. Daar hoorden zij met welgevallen
+naar de losbandige sagen der Finnen, omdat die slecht en nieuw
+waren. Zoo zijn zij ontfriesd ondanks de macht hunner ouders. Toen
+de kinderen groot werden en zagen dat de kinderen der Finnen geene
+wapenen mochten hanteeren en slechts moesten werken, kregen zij van
+het werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De meesters en hunne
+kloekste zoonen kropen bij de wulpsche meisjes der Finnen; en hunne
+eigene dochteren, door het slechte voorbeeld van den weg gebracht,
+lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, ten spot van
+hare verdorvene ouders. Toen de Magy dat in de neus kreeg, toen nam hij
+de schoonste zijner Finnen en Magyaren, en beloofde hun roode koeijen
+met gouden hoornen, zoo zij zich door ons volk lieten gevangen nemen,
+ten einde zijne leer te verbreiden. Maar zijne lieden deden meer;
+kinderen werden te zoek gemaakt, naar de bovenlanden weggevoerd,
+en nadat zij opgevoed waren in zijne verderfelijke leer, dan werden
+zij terug gezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren,
+klampten zij de Hertogen en Edelingen aan boord en zeiden, dat zij
+den Magy onderhoorig moesten worden, dan konden hunne zoonen hen
+opvolgen zonder door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om
+hunne goede daden een vóórdeel tot hun huis gekregen hadden, beloofden
+zij van zijnentwege ook nog een achterdeel er bij; zulken die een
+voor- en achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe;
+en die een ronddeel hadden eene geheele State. Waren de ouders te
+hard Fryasgezind, dan wenden zij den boeg en hielden aan op hunne
+verbasterde zoonen. Gisteren waren er onder u, die al het volk te
+hoop roepen wilden om de oostelijke Staten weder tot hare plicht
+te dwingen. Doch naar mijne eenvoudige meening zou dat verkeerd
+uitkomen. Denk eens, daar was er eene hevige longziekte onder het vee,
+en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen om uw
+gezonde vee te voeren onder hun ziek vee? Immers neen. Bijaldien nu
+iedereen beamen en toestemmen moet, dat het dan met de (vee)stapel
+erg afloopen zoude; wie zoude dan zoo onvoorzichtig wezen om zijne
+kinderen te wagen onder een volk, dat geheel en al verdorven is?
+
+Mocht ik u een raad geven, ik zoude tot u zeggen, gij moest voor alle
+dingen eene nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel dat gij daarmede
+aan den grond zit, uithoofde dat er van de dertien burgtmaagden,
+die wij nog overig hebben, wel acht zijn, die naar die eere dingen,
+maar daar zoude ik geen acht op slaan. Teuntia, die maagd is op de
+burgt Medeasblik, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand
+van wetenschap en helder inzicht en wel zoo sterk op haar volk en
+onze gewoonten gesteld, als alle andere te zamen. Voorts zoude ik
+aanraden, gij moest naar de burgten gaan en daar opschrijven alle
+wetten van Fryas tex, benevens alle geschiedenissen, ja alles wat
+er te vinden is op de wanden, opdat die alle niet verloren gaan,
+en met de burgten tevens niet worde vernield. Daar staat geschreven:
+De moeder en elke burgtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden,
+eenentwintig maagden en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bijvoegen,
+dan zoude ik schrijven, en alzoo veele eerzame dochteren om te leeren,
+als daar op de burgten wezen mogen. Want ik zeg in trouwe en de tijd
+zal het bevestigen, bijaldien gij echte Fryas kinderen wilt zijn,
+nimmer te overwinnen noch door list noch door wapenen, zoo behoort gij
+er voor te waken, dat uwe dochters echte Fryas vrouwen worden. Den
+kinderen moet men leeren, hoe groot ons land weleer geweest is,
+hoe groote mannen onze voorvaderen waren, hoe groot wij nog zijn,
+zoo wij ons neder liggen (vergelijken) bij anderen: men moet hun
+vertellen van de zeehelden en van hunne heldhaftige daden, ook over
+de verre zeetochten. Alle deze verhalen behooren gedaan te worden bij
+den haard, op het hiem, en waar het wezen moge, zoo in blijdschap,
+als bij tranen. Maar zal het standhoudend komen in het brein en in
+het hart, dan moeten alle leeringen over de lippen uwer vrouwen en
+dochteren daarin vloeijen. Adelas raad is opgevolgd.
+
+Deze zijn de grevetmannen onder wier bestuur dit boek is vervaardigd.
+
+Apol, Adelas man, driewerf is hij zeekoning geweest, nu is hij
+grevetman over Oostflyland en over de Lindeoorden, de burgten
+Liudgarda, Lindahem en Stavia zijn onder zijne hoede.
+
+De Saxman Storo, Sytias man, grevetman over de Hoogefennen en Wouden,
+negenwerf is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen; de burgten
+Buda en Manna-garda-forda zijn onder zijne hoede.
+
+Abelo, Jaltias man, grevetman over de Zuiderflylanden, driewerf is
+hij heerman geweest, de burgten Aken, Liudburg en Katsburg zijn onder
+zijne hoede.
+
+Enoch, Dywekes man, grevetman over Westflyland en Texel, negenmaal is
+hij tot zeekoning gekozen, Waraburg, Medeasblik, Forana en Fryasburg
+zijn onder zijne hoede.
+
+Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, vijf maal
+is hij zeekoning geweest, de burgt Walhallagara is onder zijne hoede.
+
+Dit stond op de wanden der Fryasburg te Texland geschreven, dat staat
+ook te Stavia, ook te Medeasblik.
+
+Het was Fryasdag en te dier tijd was het zeven maal zeven jaren
+geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder, naar Fryas
+begeerte. De burgt Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen. Nu
+zoude Festa hare nieuwe lamp opsteken, en toen dat gedaan was in
+tegenwoordigheid van het volk, toen riep Frya van hare waakstar, zoodat
+iedereen het hooren konde: Festa neem uwe stift en schrijf de dingen,
+die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzoo als haar geboden was. Zoo
+zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis gekomen.
+
+Dit is onze vroegste geschiedenis.
+
+Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte den aanvang, alsdan kwam
+de tijd, de tijd wrochte alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde
+alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het
+booze gedierte. Alles wat goed en liefelijk is, bragt zij bij dag
+voort, en alles wat boos en kwaad is, bragt zij bij nacht voort. Na
+het twaalfde Juulfeest bragt zij voort drie maagden:
+
+Lyda uit gloeijende stof,
+
+Finda uit heete stof, en
+
+Frya uit warme stof.
+
+Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem,
+opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen
+waren, kregen zij vermaak en genoegen in de droomen van Wralda. Haat
+trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf
+dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle menschen gekomen.
+
+Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren
+fonkelden hare oogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig
+bij de hare.
+
+Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen hooren, en wanneer er visschen
+in het water waren, ontging dat hare neusgaten niet.
+
+Snelgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij
+liep brak geen bloemstengel onder hare voet.
+
+Geweldige Lyda. Hard was hare stem, en schreeuwde zij uit verbittering,
+dan liep ieder schielijk weg.
+
+Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; hare daden werden
+door hare driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de
+sterken, en wanneer zij dat gedaan had, weende zij bij het lijk.
+
+Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste stierf
+zij van hartseer over de boosheid harer kinderen.
+
+Onverstandige Kinderen. Zij betichteden elkander van hunne moeders
+dood, zij huilden als wolven en vochten evenzoo, en terwijl zij zoo
+deden, vraten de vogels aan het lijk. Wie mag daarbij zijne tranen
+weerhouden.
+
+Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard; een boom
+kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij
+wel tien.
+
+Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen gelijk
+zij, hare oogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een slaaf.
+
+Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er
+niet eene van op. Zij verfoeide de goeden wegens hunne vrijmoedigheid,
+maar aan flikflooisters gaf zij bijna haar zelve weg. Dat was haar
+ongeluk. Haar hoofd was te vol, doch haar hart te ijdel. Zij beminde
+niemand dan haar zelve, en zij wilde dat elk haar lief zoude hebben.
+
+Valsche Finda. Honingzoet waren hare woorden; doch wie haar vertrouwde,
+dien was ongeluk nabij.
+
+Zelfzuchtige Finda, Over allen wilde zij heerschen, en hare zoonen
+waren gelijk zij. Zij lieten zich bedienen van hunne zusteren, en
+elkander sloegen zij om het meesterschap dood.
+
+Dubbelhartige Finda. Om een schuins woord werd zij gram, en de ergste
+daden roerden haar niet. Zag zij een hagedis eene spin verslinden,
+dan werd zij om het hart als ijs; maar zag zij hare kinderen een
+Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen.
+
+Ongelukkige Finda. Zij stierf in den bloeitijd van haar leven, en
+het is nog duister hoe zij gevallen is.
+
+Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij
+haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op,
+luid weenende om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet
+een eenige traan.
+
+Verfoeijelijk volk. De tex (inzetting), die Finda naliet, was op
+gouden bladen geschreven, doch de besten, waarvoor zij gemaakt was,
+was zij nimmer tot nut; de goede wetten werden uitgewischt en zelfzucht
+schreef daar slechte voor in de plaats. O Finda, toen werd de aarde
+vol bloed, en de hoofden der menschen maaiden uwe kinderen af gelijk
+grashalmen. Ja Finda, dat zijn de vruchten van uwe ijdelheid, zie
+neer van uwe waakstar en ween.
+
+Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw harer
+oogen won het de regenboog af.
+
+Schoone Frya. Als stralen der middagzon schitterden hare haarlokken,
+die zoo fijn waren als spinrag.
+
+Bekwame Frya. Ontsloten zich hare lippen, dan zwegen de vogelen en
+geen bladeren bewogen zich meer.
+
+Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor
+hare voeten neder, en hield de adder zijn gift terug.
+
+Reine Frya. Hare spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in
+de boesem der bloemen.
+
+Verstandige Frya. Het eerste wat zij hare kinderen leerde was
+zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij
+volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. Want,
+zeide zij, zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om
+u tot slaven te maken, uwe afkomst tot eene eeuwige schande.
+
+Milde Frya. Nimmer liet zij metaal uit de aarde delven om eigen
+voordeel, maar wanneer zij het deed, was het tot nut van iedereen.
+
+Gelukkigste Frya. Gelijk de sterren de aarde omzwermen, zoo zwermden
+hare kinderen om haar.
+
+Wijze Frya. Toen zij hare kinderen had opgevoed tot in het zevende
+lid, toen riep zij ze alle naar Flyland te zamen. Daar gaf zij hun
+hare tex, en zeide laat die uw wegwijzer wezen, dan zal het u nimmer
+kwalijk gaan.
+
+Uitverkoren Frya. Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als Wraldas
+zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten neder, de lucht werd
+zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar hunne moeder
+omzagen, was zij al lang opgerezen tot hare waakstar. Toen ten laatste
+sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het luchtruim: waak!
+
+Verziende Frya. Het land van waar zij was opgevaren, was nu een stroom,
+en behalve hare tex was daarin alles bedolven, wat van hare handen
+gekomen was.
+
+Gehoorzame kinderen. Toen zij tot hun zelven kwamen, toen maakten zij
+dit hooge terp, bouwden deze burgt daarop, aan diens wanden schreven
+zij de tex, en omdat iedereen die zoude mogen vinden, hebben zij het
+land daarom heen Texland geheeten. Daarom zal het blijven bestaan,
+zoo lang de aarde aarde is.
+
+
+
+
+
+FRYAS TEX.
+
+
+Heil verbeidt de vrijen. Ten laatste zullen zij mij weder zien. Doch
+hem alleen mag ik als vrij erkennen die geen slaaf is van een ander
+noch van zijne driften. Hier is mijn raad.
+
+1. Zoo wanneer de nood erg is, en goede raad en goede daad niets
+meer vermogen, roep dan den geest van Wralda aan; maar gij moet hem
+niet aanroepen, bevorens alle dingen beproefd zijn. Doch ik zeg u met
+redenen, en de tijd zal het waar maken: De moedeloozen zullen immer
+bezwijken onder hun eigen leed.
+
+2. Wraldas geest mag men alleen kniebuigende dank toewijden, ja
+driewerf, voor hetgene gij van hem genoten hebt, voor hetgene gij
+geniet en voor de hoop, die hij u laat in angstige tijden.
+
+3. Gij hebt gezien, hoe spoedig ik hulp verleende. Doe al eender
+met uwen naaste; maar en toef niet tot dat men u gebeden heeft; de
+lijdende zoude u vloeken, mijne maagden zouden uwen naam uitwisschen
+uit het boek en ik zoude u als een onbekende moeten afwijzen.
+
+4. Neem nimmer kniebuigende van uwen naaste dank aan, deze behoort
+aan Wraldas geest. De nijd zoude u bekruipen; de wijsheid zoude u
+belagchen; mijne maagden zouden u betigten van vaderroof.
+
+5. Vier dingen zijn tot uw genot gegeven, met name lucht, water,
+land en vuur; maar Wralda wil alleen daarvan bezitter wezen. Daarom
+raad ik u, gij zult u rechtvaardige mannen kiezen, die den arbeid en
+de vruchten naar recht verdeelen, zoodat niemand vrij van werken noch
+van verdedigen zij.
+
+6. Zoo wanneer daar iemand onder u gevonden wordt, die zijne eigene
+vrijheid verkoopt, die is niet van uw volk, hij is een bastaard met
+verbasterd bloed. Ik raad u, dat gij hem en zijne moeder uit het land
+drijft. Zeg dat tot uwe kinderen des morgens en des middags en des
+avonds, tot dat zij daar van droomen des nachts.
+
+7. Een iegelijk die een ander van zijne vrijheid berooft, al ware de
+ander hem schuldig, dien moet ik aan den leiband eener slavin laten
+voeren. Doch ik raad u om zijn lijk en dat zijner moeder op eene
+kale plaats te verbranden en daarna hunne asch vijftig voet onder
+den grond te begraven, opdat daar geen grashalm op groeijen moge,
+want zoodanig gras zoude uw kostelijkste vee dooden.
+
+8. Tast nooit aan het volk van Lyda, noch van Finda, omdat Wralda
+zoude hen helpen; zoodat al het geweld, dat van u uitging, op uw
+eigen hoofd zoude terugkeeren.
+
+9. Zoo wanneer het mocht gebeuren, dat zij van u raadgeving of iets
+anders begeerden, zoo behoort gij hen te helpen. Maar komen zij om
+te rooven, val dan op hen neder als het bliksemende vuur.
+
+10. Zoo wanneer een van hun eene uwer dochteren tot vrouw begeert,
+en zij dat wil, dan zult gij haar hare dwaasheid beduiden, doch wil
+zij toch haren vrijer volgen, dat zij dan met vrede ga.
+
+11. Wil uw zoon eene van hunne dochteren, dan moet gij even zoo doen
+als met uwe dochter. Maar noch de een, noch de ander mag terugkeeren,
+want zij zouden uitheemsche zeden en gewoonten medevoeren, en zoodra
+deze bij u gehuldigd worden, mag ik niet langer over u waken.
+
+12. Op mijne dienares Fasta heb ik al mijne hoop gevestigd. Daarom
+moet gij haar tot uwe Eeremoeder nemen. Volgt gij mijn raad, dan
+zal zij namaals mijne dienares blijven en alle vrome maagden die
+haar volgen. Dan zal de lamp nimmer uitgaan, die ik voor u opgestoken
+heb. Het licht daarvan zal dan eeuwig uw brein verlichten, en gij zult
+dan even vrij blijven van onvrij geweld, als uwe zoete rivierwateren
+van het zoute water der eindelooze zee.
+
+
+
+
+
+DIT HEEFT FASTA GEZEGD.
+
+
+Alle inzettingen die eene eeuw, dat is honderd jaren, mogen omloopen
+met den Kroder (kruijer) en zijn Juul, die mogen op raad der Eeremoeder
+en bij gemeene wil op de wanden der burgten gegrift worden; zijn
+zij op de wanden geschreven, dan zijn zij wetten (ewa), en het
+is onze plicht om die alle in eere te houden. Komt nood en dwang
+ons inzettingen te geven, strijdende met onze wetten en gewoonten,
+zoo moet de mensch doen gelijk zij eischen; doch zijn zij geweken,
+dan moet men immer tot het oude terugkeeren. Dat is Fryas wil en dat
+moet wezen die van alle hare kinderen.
+
+
+
+
+
+FASTA ZEIDE
+
+Alle dingen die men aanvangen wil, hoedanig zij mogen wezen, op
+den dag, waarop wij Frya gehuldigd hebben, zullen eeuwig falikant
+uitkomen. Nadat de tijd nu bewezen heeft, dat zij recht had, zoo is
+dat eene wet geworden, dat men zonder nood en dwang op Frya haren
+dag niets anders doen mag dan blijde feesten vieren.
+
+
+
+
+
+DIT ZIJN DE WETTEN DIE TOT DE BURGTEN BETREKKING HEBBEN.
+
+
+1. Zoo wanneer ergens eene burgt gebouwd is, dan moet de lamp aldaar
+aan de eerste lamp te Texland aangestoken worden, doch dat mag nimmer
+anders dan door de Moeder geschieden.
+
+2. Elke moeder zal hare eigene maagden kiezen. Eveneens die welke op
+andere burgen moeder zijn.
+
+3. De Moeder te Texland mag hare opvolgster kiezen, doch bijaldien
+zij sterft voor dat zij het gedaan heeft, dan moet die gekozen worden
+op eene algemeene vergadering bij raad van alle staten te zamen.
+
+4. De Moeder op Texland mag eenentwintig maagden hebben en zeven
+spinmeisjes, opdat er altijd zeven bij de lamp mogen waken des daags
+en des nachts. Bij de maagden die op de andere burgten als moeder
+dienen, even zoo vele.
+
+5. Bijaldien eene maagd aan iemand huwen wil, zoo moet zij dat aan
+de moeder berichten, en op staande voet tot de menschen terugkeeren,
+eer zij met haar tochtige adem het licht verontreinigt.
+
+6. Aan de Moeder en aan iedere burgtmaagd zal men toevoegen
+eenentwintig burgtheeren, zeven bejaarde wijzen, zeven bejaarde
+krijgslieden en zeven oude zeestrijders.
+
+7. Daarvan zullen alle jaren naar huis keeren drie van elk zevental,
+maar zij mogen niet opgevolgd worden door hunne nabestaanden, nader
+dan het vierde lid.
+
+8. Ieder mag drie honderd jonge burgtverdedigers hebben.
+
+9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van
+de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den
+oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren
+noodig zijn.
+
+10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren;
+doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten
+blijven hun geheele leven lang.
+
+11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene
+stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel
+het volk alleen.
+
+12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden,
+met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd
+drie boden met zeven paarden.
+
+15. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het
+volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet
+geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders zijn.
+
+14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren
+zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld
+ontvangt.
+
+15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet,
+dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem
+hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen.
+
+16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene
+burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt
+hem bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is
+naar den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade
+tochten. Is hij goedgekeurd, dan ontdoet hij zich van zijne wapenen
+en zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder.
+
+17. Is de zaak over ééne state, dan mogen er niet minder dan drie
+boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan moeten er nog
+driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen kwaad
+vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde.
+
+18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare kinderen,
+dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan, dat is
+de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om haar
+daar in te helpen.
+
+19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om uitspraak
+te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij de zaak
+twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken, opdat
+er vrede kome, en omdat het beter is dat aan één man onrecht gedaan
+wordt dan aan velen.
+
+20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op
+het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad,
+dan mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad,
+dan mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen
+raad beter is dan een verkeerde raad.
+
+21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan
+moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en bloot.
+
+22. Zijn hare burgtheeren medeplichtig, dan doet men even zoo met hen.
+
+23. Is hare schuld twijfelachtig of bloot vermoeden, dan moet men
+hier over beraadslagen en spreken, zoo het noodig is, eenentwintig
+weken lang. Stemt het half deel schuldig, zoo houde men haar voor
+onschuldig. Twee derde, zoo wacht men nog een vol jaar. Stemt men dan
+ook nog zoo, dan mag men haar voor schuldig houden, maar niet dooden.
+
+24. Bijaldien er onder het derde deel sommigen zijn, die haar voor
+zoo onschuldig houden, dat zij haar willen volgen, zoo mogen zij dat
+doen met al hunne drijvende en tilbare have en niemand behoort hen
+daarom te minachten, aangezien de meerderheid even goed kan dwalen
+als de minderheid.
+
+
+
+
+
+ALGEMEENE WET.
+
+
+1. Alle vrijgeborenen zijn op gelijke wijze geboren. Daarom moeten
+zij ook gelijke rechten hebben, even goed op het land als op het ee,
+dat is water, en op alles dat Wralda geeft.
+
+2. Elk manspersoon mag de vrouw zijner keuze vrijen, en elke dochter
+mag haren heildrank aanbieden aan hem, dien zij bemint.
+
+3. Heeft iemand eene vrouw genomen, dan geeft men hem huis en werf. Is
+er geen, dan moet het gebouwd worden.
+
+4. Is hij naar een ander dorp gegaan, om eene vrouw en wil hij daar
+blijven, dan moet men hem aldaar een huis en werf geven, benevens
+het genot van de hemrik.
+
+5. Aan ieder manspersoon moet men een achterdeel als werf bij zijn
+huis geven: want niemand mag een voordeel bij zijn huis hebben, veel
+min een ronddeel. Alleen wanneer iemand eene daad verricht heeft tot
+gemeenen nutte, dan mag hem dat gegeven worden. Ook mag zijn jongste
+zoon dat erven. Na dezen moet het dorp dat terugnemen.
+
+6. Elk dorp zal een hemrik hebben naar zijne behoefte en de graaf zal
+hoeden dat elk zijn deel bemest en goed houdt, opdat de nakomelingen
+geene schade lijden mogen.
+
+7. Elk dorp mag eene markt hebben ter koop en verkoop, of tot
+ruilhandel, Al het andere land zal bouw en bosch blijven. Doch de
+boomen daarin zal niemand vellen, buiten gemeene raad, en buiten
+weten van den woudgraaf. Want de wouden zijn ten gemeenen nutte,
+daarom mag niemand er meester van zijn.
+
+8. Als marktgeld mag het dorp niet meer nemen dan het twaalfde
+gedeelte van den koopschat, noch van de inwoners, noch van den
+verafwonenden. Ook mag de marktschatting niet eerder verkocht worden
+als het andere goed.
+
+9. Al het marktgeld moet jaarlijks verdeeld worden, drie dagen voor
+den Juuldag, in honderd deelen te verdeelen.
+
+10. De grevetman met zijne graven zal daarvan ontvangen twintig
+deelen; de marktrechter tien deelen en zijne helpers vijf deelen;
+de volksmoeder een deel; de vroedvrouw vier deelen; het dorp tien
+deelen; de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen,
+vijftig deelen.
+
+11. Degene die te markt komen mogen niet woekeren. Komen er sommige,
+dan is het de plicht der maagden, hen kenbaar te maken over het geheele
+land, opdat zij nimmer gekozen worden tot eenig ambt, want zulke hebben
+een gierig hart. Om rijkdom te vergaderen zouden zij alles verraden,
+het volk, de Moeder, hunne nabestaanden en ten laatsten zich zelven.
+
+12. Is er iemand zoo boos dat hij zuchtziek vee of bedorven waar voor
+heel goed verkoopt, dan moet de marktrechter hem weren en de maagden
+hem noemen over het geheele land.
+
+In vroegere tijden huisde Findas volk meest al te gader over hun
+moeders geboorteland, met name Aldland, dat nu in zee ligt. Zij
+waren dus ver af. Daarom hadden wij ook geen oorlog. Toen zij
+verdreven zijn en herwaarts kwamen om te rooven, toen kwam er van
+zelf landverdediging, heermannen, koningen en oorlog. Voor die alle
+kwamen inzettingen, en uit de inzettingen kwamen wetten.
+
+
+
+
+
+HIER VOLGEN DE WETTEN DIE DAARUIT ZAMENGESTELD ZIJN.
+
+
+1. Elke Fries moet de beleedigers of vijanden afweren, met al zulke
+wapenen, als hij verzinnen, bekomen en hanteren mag.
+
+2. Is een knaap twaalf jaar, dan moet hij de zevende dag missen van
+zijn leertijd om vaardig te worden met de wapenen.
+
+3. Is hij bekwaam geworden, dan geve men hem wapenen en hij wordt
+tot krijgsman geslagen.
+
+4. Is hij drie jaren krijgsman, dan wordt hij burgtheer en mag hij
+helpen zijn hoofdman te kiezen.
+
+5. Is hij zeven jaren kiezer, dan mag hij helpen een heerman of koning
+te kiezen en dan zelf ook gekozen worden.
+
+6. Alle jaren moet hij herkozen worden.
+
+7. Behalve de koning mogen alle ambtmannen wedergekozen worden,
+die recht doen en naar Fryas raad.
+
+8. Geen koning mag langer dan drie jaren koning blijven, opdat hij
+niet bestendig moge worden.
+
+9. Heeft hij zeven jaren gerust, dan mag hij weer gekozen worden.
+
+10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne
+nabestaanden ook naar die eer dingen.
+
+11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven,
+dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan
+het vierde lid.
+
+12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets
+verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te
+hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de
+liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen.
+
+
+
+
+
+DIT ZIJN DE RECHTEN DER MOEDER EN DER KONINGEN.
+
+
+1. Zoo wanneer er oorlog komt, zende de Moeder hare boden naar den
+koning, de koning zende boden naar de grevetmannen om de landweer.
+
+2. De grevetmannen roepen alle burgtheeren te zamen en bespreken hoe
+vele mannen zij zullen zenden.
+
+3. Alle besluiten van dezen moeten dadelijk naar de Moeder gezonden
+worden, met boden en getuigen.
+
+4 De Moeder laat alle besluiten verzamelen en geeft het guldengetal,
+dat is het middengetal van alle besluiten te zamen. Hiermede moet
+men vooreerst vrede hebben, en de koning eveneens.
+
+5. Is het leger te velde, dan behoeft de koning slechts met zijne
+hoofdmannen te raadplegen, doch daarbij moeten altijd de drie
+burgtheeren der Moeder vooraan zitten zonder stem. Deze burgtheeren
+moeten dagelijks boden naar de Moeder zenden, opdat zij weten moge
+of er iets gedaan wordt, strijdende met Fryas raadgeving.
+
+6. Wil de koning iets doen, en zijne raden niet, zoo mag hij het
+niet onderstaan.
+
+7. Komt een vijand onverwacht, dan moet men doen, zooals de koning
+gebiedt.
+
+8. Is de koning niet op het pad, dan moet men zijn volger gehoorzaam
+wezen, of die op dezen volgt, tot den laatsten toe.
+
+9. Is er geen hoofdman, dan moet men een kiezen.
+
+10. Is daar geen tijd toe, dan werpe zich een tot hoofdman op, die
+zich sterk gevoelt.
+
+11. Heeft de koning een gevreesd volk afgeslagen, dan mogen zijne
+nakomelingen zijnen naam achter hun eigen naam voeren. De koning
+mag, zoo hij wil, op eene onbebouwde plaats eene plek uitkiezen tot
+een huis en erf. Dat erf mag een ronddeel zijn, zoo groot, dat hij
+naar alle zijden zeven honderd treden van zijn huis af loopen mag,
+eer hij aan zijn grensscheiding komt.
+
+12. Zijn jongste zoon mag dat goed erven, na hem diens jongste zoon,
+dan zal men het terug nemen.
+
+
+
+
+
+HIER ZIJN DE RECHTEN ALLER FRIESEN OM VEILIG TE WEZEN.
+
+
+Zoo wanneer er wetten gemaakt worden, of nieuwe inzettingen
+zamengesteld, alsdan moet het ten gemeenen nutte geschieden, maar
+nimmer ten bate van enkelde menschen, noch van enkelde geslachten,
+noch van enkelde staten, noch van iets dat enkeld is.
+
+2. Zoo wanneer er oorlog komt en daar worden huizen vernield of
+schepen, hoedanig het ook wezen mogen, hetzij door den vijand, hetzij
+bij gemeenen rade, zoo behoort de gemeene gemeente, dat is al het volk
+te zamen, dit weder te vergoeden, daarom opdat niemand de algemeene
+zaak zal helpen verliezen, om zijn eigen goed te behouden.
+
+3. Is de oorlog voorbij gegaan, en zijn er sommige zoodanig verminkt,
+dat zij niet langer werken kunnen, dan moet de gemeene gemeente hen
+onderhouden, bij de feesten behooren zij vooraan te zitten, opdat de
+jeugd hen zal eeren.
+
+4. Zijn er weduwen en weezen gekomen, dan moet men haar ook
+onderhouden, en de zonen mogen de namen hunner vaderen op hunne
+schilden schrijven tot eere van hun geslacht.
+
+5. Zijn er sommigen door den vijand gevangen genomen en komen zij
+terug, dan moet men hen verre van het kamp wegvoeren, want zij mochten
+vrij gelaten zijn onder kwade beloften, en dan mogen zij hunne beloften
+niet houden en toch eerlijk blijven.
+
+6. Indien wij zelve vijanden gevangen nemen, dan voere men die diep
+in het land weg, en leert hen onze vrije zeden.
+
+7. Indien men hen naderhand vrijlaat, dan laat men dat met goedheid
+door de Maagden doen, opdat wij makkers en vrienden winnen in plaats
+van haters en vijanden.
+
+
+
+
+
+UIT MINNO'S GESCHRIFTEN.
+
+
+Zoo wanneer daar een man is dermate boos, dat hij onze naburen berooft,
+doodslagen pleegt, huizen in brand steekt, maagden schendt, wat het
+ook zij dat boos is, en onze landgenooten willen dat gewroken hebben,
+dan is het recht, dat men den dader vatte en in hunne tegenwoordigheid
+doode, opdat daar over geen oorlog kome, waardoor de onschuldige zoude
+boeten voor den schuldige. Willen zij hem zijn lijf laten behouden
+en de wraak laten afkoopen, zoo mag men dat gedoogen. Is de schuldige
+een koning, grevetman, grevet, wie dat het zij, die over de zeden moet
+waken, zoo moeten wij het kwaad herstellen, maar hij moet zijne straf
+hebben. Voert hij een eernaam op zijn schild van zijne voorvaderen,
+dan mogen zijne nabestaanden dien naam niet langer voeren, daarom
+dat de eene bloedverwant zorgdragen zal over de zeden des anderen.
+
+
+
+
+
+WETTEN VOOR DE STUURLIEDEN. STUURMAN IS EEN TITEL VOOR DE
+BUITENVAARDERS.
+
+
+1. Alle Fryas zonen hebben gelijke rechten, daarom mogen alle flinke
+knapen zich als buitenvaarders aanmelden bij den olderman, en deze
+mag hen niet afwijzen, ten ware dat er geen plaats is.
+
+2. De stuurlieden mogen hun eigen meesters benoemen.
+
+3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente,
+aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen
+stem hebben.
+
+4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is,
+dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning
+zich beklagen bij den olderman.
+
+5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de zeelieden
+daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning twaalf
+mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen elk
+twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk elk
+een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de middelste
+jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een tweederde deel.
+
+6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen voor
+hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene feesten,
+bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten.
+
+7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun
+deel erven.
+
+8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene
+gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld,
+dan mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren.
+
+9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een geheel
+mansdeel hebben.
+
+10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen
+om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor
+deze eer weduw blijven haar leven lang.
+
+11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders
+zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen.
+
+12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch erf,
+dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo mogen
+zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat vergoeden
+naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel weigeren.
+
+
+
+
+
+NUTTIGE ZAKEN UIT DE NAGELATEN SCHRIFTEN VAN MINNO.
+
+
+Minno was een oude zeekoning, een ziener en wijsgeer; hij heeft aan
+de Kretensen wetten gegeven. Hij is geboren aan de Lindeoord, en
+na al zijne omzwervingen heeft hij het geluk genoten om te Lindahem
+te sterven.
+
+Zoo wanneer onze naburen een stuk land hebben of water, dat ons goed
+toeschijnt, zoo voegt het ons dat te koop te vragen; willen zij dat
+niet doen, zoo moet men hun dat laten behouden: dat is naar Fryas
+tex en het zoude onrecht wezen dat afhandig te maken.
+
+Wanneer er naburen te zamen kijven en twisten over eenige zaak (anders)
+dan over land, en zij ons verzoeken een oordeel uit te spreken, zoo
+behoort men dat liever achterwege te laten; doch als men daar niet
+buiten kan, zoo moet men dat eerlijk en rechtvaardig doen.
+
+Komt er iemand en zegt: ik heb oorlog en nu moet gij mij helpen. Of
+een ander komt en zegt: mijn zoon is minderjarig en onbekwaam en ik
+ben oud, nu wilde ik u tot voogd over hem en over mijn land stellen,
+totdat hij meerderjarig is, zoo behoort men dat te weigeren, opdat wij
+niet in twist mogen komen over zaken strijdende met onze vrije zeden.
+
+Wanneer een buitenlandsch koopman komt op de toegelatene markt te
+Wyringen of te Almanland en hij bedriegt, zoo wordt hij terstond in
+de marktboete geslagen en door de maagden kenbaar gemaakt over het
+geheele land. Komt hij dan terug, dan zal niemand van hem koopen, en
+hij mag vertrekken gelijk hij gekomen is. Dus wanneer er kooplieden
+gekozen worden om ter markt te gaan, of met de vloot te varen, dan
+behoort men alleen dezulken te kiezen, die men door en door kent en
+in een goeden roep staan bij de maagden. Gebeurt het desniettemin,
+dat er een slecht man onder is, die de menschen bedriegen wil, zoo
+behooren de anderen dat te weren. Heeft hij het reeds gedaan, dan
+moet men dat herstellen, en den misdadiger uit het land verbannen,
+opdat onze naam overal met eere genoemd mag worden.
+
+Maar zoo wij ons op eene buitenlandsche markt bevinden, hetzij nabij
+of ver af en het volk ons leed doet of besteelt, dan behooren wij met
+een haastigen aanval toe te slaan, want ofschoon wij alles behooren te
+doen om des vredes wille, mogen onze halfbroeders ons nimmer minachten
+of wanen dat wij bang zijn.
+
+In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten,
+achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze
+voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda
+of Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en
+zeeën heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik
+overtuigd, dat wij alleen door Alfader uitverkoren zijn, om wetten
+te hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden,
+zij zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Velen gelijken op Finda,
+zijn schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hovaardig, valsch,
+onkuisch en moordzuchtig. De padde blaast zich op en zij kan slechts
+kruipen. De kikvorsch roept werk, werk, en zij doet niets als huppelen
+en grappenmaken. De raven roepen spaar, spaar, maar zij stelen en
+verslinden al wat onder hun snavel komt. Aan die allen gelijk is
+het Findas volk, zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil
+inzettingen maken om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan
+gebonden wezen. Diegene wiens geest het listigste is en daardoor
+sterk, diens haan kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn
+wil onderworpen wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel
+verdrijft. Het woord ewa is te heilig om eene gemeene zaak te benoemen,
+daarom heeft men ons evin leeren zeggen. Ewa beteekent inzettingen,
+die bij alle menschen gelijkelijk in hun gemoed geprent zijn, opdat
+zij weten mogen wat recht en onrecht is, en waardoor zij in staat
+zijn hunne eigene daden en die van anderen te beoordeelen, dat wil
+zeggen: alzoo verre zij goed en niet misdadig opgevoed zijn. Ook is
+er nog een andere zin aan vast: Ewa (effen) beteekent ook gelijk,
+vlak als water, recht en slecht gelijk water dat door geen hevige wind
+of iets anders verstoord is. Wordt het water verstoord, dan wordt het
+oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weder effen te worden. Dat
+ligt in zijn wezen, even als de neiging tot recht en vrijheid in Fryas
+kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door den geest van Wralda onzen
+vader, die luide spreekt in Fryas kinderen. Daarom zal die ook eeuwig
+beklijven. Ewa (eeuwig) is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die
+eeuwig recht en onverstoord blijft, ofschoon het in zijn ligchaam
+erg toe gaat. Eeuwig en onverstoord zijn de kenmerken der wijsheid
+en rechtvaardigheid die door alle vrome menschen gezocht en door alle
+rechteren moeten bezeten worden. Willen dus de menschen inzettingen en
+bepalingen maken, die steeds goed blijven en aller wege, zoo moeten
+zij gelijk wezen voor alle menschen. Naar deze wetten behooren de
+rechteren hun oordeel uit te spreken. Is er eenig kwaad bedreven,
+waaromtrent geene wetten gemaakt zijn, zoo moet men eene algemeene
+vergadering beleggen, daar oordeelt men naar den zin, dien Wraldas
+geest in ons spreekt, om over alles rechtvaardig te oordeelen. Zoo
+doende zal ons oordeel nimmer falikant uitkomen. Doet men geen recht,
+maar onrecht, dan rijst er twist en tweespalt onder de menschen en
+staten; daaruit ontspruit binnenlandsche oorlog, waardoor alles in de
+war gebragt en in 't verderf gestort wordt. Maar o domheid. Terwijl wij
+bezig zijn elkander te schaden, komt het nijdige volk Findas met zijne
+valsche priesteren om uwe have te rooven, uwe dochteren te schenden,
+uwe zeden te verderven, en ten laatste sluiten zij slavenbanden om
+een ieders vrijen hals.
+
+
+
+
+
+UIT MINNOS SCHRIFTEN.
+
+
+Toen Nyhalennia, die van haar eigen naam Min-erva heette, goed gezeten
+was, en de Krekalanders haar soms evenzeer lief hadden als ons eigen
+volk, toen kwamen daar eenige vorsten en priesteren op hare burgt en
+vraagden Min-erva, waar hare erven gelegen waren. Hellenia antwoorde
+mijne erven draag ik om in mijn boezem, 't gene ik geërfd heb is liefde
+tot wijsheid, rechtvaardigheid en vrijheid. Heb ik die verloren, dan
+ben ik gelijk aan den minste van uwe slaven. Nu geef ik raad om niet,
+maar dan zoude ik die verkoopen. De heeren gingen heen en riepen al
+lachende, uwe gehoorzame dienaren, wijze Hellenia. Doch daarmede misten
+zij hun doel, want het volk dat haar beminde en volgde nam dezen naam
+als een eernaam op. Toen zij zagen, dat hun schot gemist had, toen
+gingen zij haar belasteren, en zeiden dat zij het volk behekst had;
+maar ons volk en de goede Krekalanders beweerden allerwege dat het
+laster was. Eens kwamen zij en vroegen: als gij dan geen tioenster
+(heks) zijt, wat doet gij dan met de eijeren, die gij altijd bij
+u hebt. Minerva antwoordde: Deze eijeren zijn het zinnebeeld van
+Frya's raadgevingen, waarin onze toekomst verholen ligt en die van het
+geheele menschelijk geslacht. De tijd moet ze uitbroeden, en wij moeten
+waken dat er geen leed aan komt. De priesteren (zeiden): goed gezegd,
+maar waartoe dient de hond aan uwe rechter hand. Hellenia antwoorde:
+Heeft de herder geen schaapshond om zijne kudde bijeen te houden? wat
+de hond is in de dienst des schaapsherders, dat ben ik in Frya's
+dienst. Ik moet over Frya's kudde waken. Dat komt ons goed voor zeiden
+de priesters, maar zeg ons wat is de beteekenis van de nachtuil, die
+altijd boven uw hoofd zit; is dat lichtschuwende dier soms het teeken
+van uw helder zien? Neen, antwoorde Hellenia, hij helpt mij herinneren
+dat er een slag van menschen over de aarde omdwaalt, dat even gelijk
+hij in kerken en holen huist, die in duister omwroeten, doch niet
+als hij, om ons van muizen en andere plagen te bevrijden, maar om
+ranken te verzinnen, andere menschen hunne wetenschap te rooven,
+opdat zij hen des te beter mogen vatten om er slaven van te maken, en
+hun bloed uit te zuigen even als de bloedzuigers doen. Eens kwamen zij
+met eene bende volks (de pest was over het land gekomen), zij zeiden:
+wij alle zijn bezig de goden te offeren, opdat zij de pest mogen weren,
+wilt gij dan niet helpen hunne gramschap te stillen, of hebt gij zelve
+de pest over het land gebracht met uwe kunsten. Neen, zeide Minerva,
+maar ik ken geene goden die kwaaddoende zijn, daarom kan ik niet vragen
+of zij beter willen worden. Ik ken slechts een goede, dat is Wralda's
+geest, maar omdat hij goed is, doet hij ook geen kwaad. Waar komt het
+kwaad dan weg, vroegen de priesteren. Alle kwaad komt van u en van de
+domheid der menschen, die zich van u laten vangen. Indien uwe godheid
+dan zoo bijster goed is, waarom weert hij dan het kwaad niet, vroegen
+de priesters. Hellenia antwoorde: Frya heeft ons op den weg gebracht,
+en de Kroder, dat is de Tijd, die moet het overige doen; voor alle
+rampen is raad en hulp te vinden, doch Wralda wil dat wij die zelve
+zullen zoeken, opdat wij sterk zullen worden en wijs. Willen wij niet,
+dan laat hij onze verbastering uitrazen, opdat wij zullen ervaren,
+wat na verstandige daden en wat na dwaze daden volgt.
+
+Toen zeide een vorst: Ik zoude wanen, dat het beter ware, die te
+weeren. Wel mogelijk, antwoordde Hellenia, want dan zouden de menschen
+blijven gelijk makke schapen, gij en de priesters zoudt hen willen
+hoeden, maar ook scheren en naar de slachtbank voeren. Doch zoo wil
+het onze godheid niet, hij wil, dat wij elkander helpen, maar hij
+wil ook dat iedereen vrij zij en wijs worde. En dat is ook onze wil,
+en daarom kiest ons volk zijne vorsten, graven, raadgevers en alle
+bazen en meesters uit de wijsten der goede menschen, opdat alle man
+even zeer zijn best zal doen, om wijs en goed te worden. Zoodoende
+zullen wij eens weten en aan het volk leeren, dat wijs zijn en
+wijs doen alleen leidt tot zaligheid. Dat schijnt wel een oordeel,
+zeiden de priesters, maar als gij nu meent dat de pest door onze
+domheid ontstaat, zoude Nyhellenia dan wel zoo goed willen wezen,
+om ons wat van dat nieuwe licht te leenen, waarop zij zoo trotsch
+is. Ja, zeide Hellenia, de raven en andere vogelen komen alleen af op
+bedorven aas, maar de pest bemint niet alleen bedorven aas, maar ook
+bedorven zeden en gewoonten en booze lusten; wilt gij nu dat de pest
+van u zal wijken en niet terugkomen, dan moet gij de booze lusten
+wegdoen, opdat gij alle rein wordt van binnen en van buiten. Wij
+willen gelooven, dat de raad goed is, zeiden de priesters, maar zeg
+ons, hoe zullen wij daar alle menschen toe krijgen, die onder onze
+heerschappij zijn? Toen stond Hellenia op van haren zetel en sprak:
+De musschen volgen den zaaijer, de volken hunne goede vorsten, daarom
+betaamt het u te beginnen met u zelven alzoo rein te maken, dat gij
+uwe blikken naar binnen en naar buiten moogt richten zonder schaamrood
+te worden voor uw eigen gemoed. Doch in plaats van het volk rein te
+maken, hebt gij vuile feesten uitgevonden, waarop het volk alzoo lang
+zuipt, dat zij ten laatsten, gelijk de zwijnen in het slik wroeten,
+omdat gij uwe lusten boeten moogt. Het volk begon te joelen en te
+spotten, daardoor durfden zij geen strijd weder aan te spinnen. Nu
+zoude ieder wanen dat zij overal het volk te hoop geroepen hadden, om
+ons allen te zamen het land uit te drijven. Neen, in plaats van haar
+te beschimpen gingen zij allerwegen, ook naar het heinde Krekaland
+tot aan de Alpen uitroepen: dat het den Oppersten God behaagd had
+zijne verstandige dochter Minerva, bijgenaamd Nyhellenia, onder de
+menschen te zenden van over zee met eene wolk, om de menschen goede
+raad te geven, en opdat alle menschen die haar hooren wilden rijk
+en gelukkig zouden worden, en eens meester zouden worden over alle
+koningrijken der aarde. Zij stelden haar beeld op hunne altaren,
+zij verkondigden of verkochten aan de domme menschen allerwegen
+raadgevingen die zij nimmer gegeven had, en vertelden wonderen die zij
+nooit gedaan had. Door list wisten zij zich meester te maken van onze
+wetten en inzettingen en door listen en drogredenen wisten zij alles te
+bewijzen en te verbreiden. Zij stelden ook priesteressen onder hunne
+hoede, die schijnbaar onder de hoede van Festa onze eerste eeremoeder
+(waren) om over het heilige licht te waken, maar dat licht hadden zij
+zelve ontstoken, en in plaats van de priesteressen wijs te maken en
+naderhand onder het volk te zenden om de zieken te verplegen en de
+jeugd te onderwijzen, maakten zij ze dom en duister, en zij mochten
+nimmer buiten komen. Ook werden zij als raadgeefsters gebezigd, maar
+die raad was voor den schijn uit hare monden, want hare monden waren
+niet anders dan de roepers, waardoor de priesters hunne begeerten
+uitspraken. Toen Nyhellenia gestorven was, wilden wij eene andere
+moeder kiezen. Sommigen wilden naar Texland om aldaar eene te vragen;
+maar de priesters die bij hun eigen volk het rijk weder in hadden,
+wilden dat niet gedoogen, en kreten ons bij het volk als onheilig uit.
+
+
+
+
+
+UIT DE SCHRIFTEN VAN MINNO.
+
+
+Toen ik aldus weggevaren was met mijne lieden van Athenia, kwamen wij
+ten laatsten aan een eiland, door mijne manschappen Kreta geheeten,
+wegens de woeste kreten die het volk aanhief bij onze komst. Toen zij
+echter zagen, dat wij geen oorlog in het schild voerden, werden zij
+gedwee, zoodat ik ten laatsten voor een boot met ijzer gereedschap
+eene havenmond en een plek grond inruilde, doch toen wij daar eene
+poos gezeten waren, en zij bespeurden dat wij geene slaven hadden,
+toen waren zij daarover versteld. Maar toen dat ik hun nu verteld
+had, dat wij wetten hadden om gelijk recht te doen over allen, toen
+wilde het volk ook zulke hebben, doch nauwlijks hadden zij die, of
+het geheele land kwam in de war. De vorsten en priesteren kwamen en
+gaven voor dat wij hunne onderdanen oproerig gemaakt hadden, en het
+volk kwam tot ons om heul en schut te vragen. Doch toen de vorsten
+zagen dat zij hun rijk zouden verliezen, toen gaven zij aan het volk
+vrijheid en kwamen bij mij om een Asegaboek. Doch het volk was aan
+geen vrijheid gewoon, en de heeren bleven heerschen, naardat hun goed
+dacht. Nadat die storm over was, begonnen zij tweespalt tusschen ons
+te zaaijen. Zij zeiden aan mijn volk, dat ik hunne hulp had ingeroepen,
+om bestendig koning te worden. Eens vond ik vergif in mijne spijs. Doch
+als er eens een schip van Flyland bij ons verzeilde, ben ik daarmede
+stilletjes weggetogen. Doch mijn eigen wedervaren daarlatende, wil ik
+met deze geschiedenis alleen zeggen, dat wij ons niet moeten inlaten
+met Finda's volk, van waar het ook zij, omdat zij vol zijn van valsche
+ranken, even te vreezen als hunne zoete wijnen met doodend vergif.
+
+
+Einde van Menno's schriften.
+
+
+
+
+
+HIERONDER ZIJN DRIE BEGINSELEN, DAARNAAR ZIJN DEZE INZETTINGEN GEMAAKT.
+
+
+1. Iedereen weet dat hij zijn nooddruft moet hebben, maar wordt aan
+iemand zijne nooddruft onthouden, dan weet niemand wat hij doen zal,
+om zijn lijf te behouden.
+
+2. Alle volwassen menschen worden gedrongen kinderen te verwekken,
+zoo dat geweerd wordt, weet niemand, wat kwaads daarvan kan komen.
+
+3. Een ieder weet dat hij vrij en onverlet wil leven, en dat anderen
+dat ook willen. Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen
+gemaakt.
+
+Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze
+zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en
+vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en moord.
+
+1. Bijaldien iemand gebrek heeft en hij kan hem zelf niet helpen,
+zoo moeten de Maagden dat ter kennis brengen van den graaf, om reden
+dat het een hooghartigen Fries niet past dat zelf te doen.
+
+2. Zoo iemand arm wordt, doordien hij niet werken wil, die moet uit
+den lande uitgedreven worden; want de laffen en tragen zijn lastig
+en ergdenkend, daarom behoort men hen te weren.
+
+3. Ieder jong man behoort eene bruid te zoeken, en is hij vijf en
+twintig jaar oud, dan behoort hij eene vrouw te hebben.
+
+4. Is iemand vijf en twintig jaar, en heeft hij nog geene echtgenoot,
+dan behoort men hem uit zijn huis te weren, de knapen behooren hem
+te vermijden. Neemt hij dan nog geene vrouw, dan moet men hem dood
+verklaren, opdat hij uit het land vertrekke, en hier geen ergernis
+mag geven.
+
+5. Is iemand machteloos, dan moet hij openbaar zeggen dat niemand
+van hem te vreezen heeft, dan mag hij komen, waar hij wil.
+
+6. Pleegt hij naderhand ontucht, dan mag hij vluchten; vlucht hij niet,
+dan wordt hij aan de wraak der bedrogene overgelaten en niemand mag
+hem helpen.
+
+7. Bijaldien iemand eenig goed heeft, en een ander begeert dat
+dermate, dat hij zich daaraan vergrijpt, dan moet hij dat drievoudig
+vergelden. Steelt hij dan nog eens weer, dan moet hij naar de
+tinlanden; wil de bestolene hem vrij laten, dan mag hij dat doen,
+maar gebeurt het voor de derde reis, dan mag niemand hem de vrijheid
+schenken.
+
+
+
+
+
+DEZE BEPALINGEN ZIJN GEMAAKT VOOR TOORNIGE MENSCHEN.
+
+
+Zoo iemand in drift of uit boosheid een ander leden breekt, een oog
+uitstoot, ofte tand, wat het ook zij, zoo moet de beleediger betalen,
+wat de beleedigde eischt. Kan hij dat niet doen, zoo moet er openbaar
+aan hem gedaan worden, wat hij aan den ander deed. Wil hij dat niet
+uitstaan, dan moet hij zich tot zijne burgtmaagd wenden, of hij in
+de ijzer- of tinlanden mag werken, tot dat zijne schuld voldaan is
+volgens de algemeene bepaling.
+
+2. Wanneer iemand gevonden wordt zoo boos, dat hij een Fries dood
+slaat, dan moet hij dat met zijn lijf betalen. Doch kan zijne
+burgtmaagd hem voor altijd naar de tinlanden helpen, voor dat hij
+gevat wordt, dan mag zij dat doen.
+
+3. Bijaldien de gevangene kan bewijzen met erkende getuigen, dat het
+bij ongeluk geschied is, zoo zal hij vrij wezen. Maar gebeurt het
+nog eenmaal, dan moet hij toch naar de tinlanden, opdat men daardoor
+vermijde alle onbehoorlijke wraak en veete.
+
+
+
+
+
+DIT ZIJN BEPALINGEN VOOR DE HOERENKINDEREN.
+
+
+1. Wie eens anders huis uit boosheid den rooden haan opzet, is geen
+Fries, hij is een hoerenkind, met basterd bloed. Kan men hem op heeter
+daad vatten, dan moet men hem in het vuur werpen. Hij mag vlieden
+zoo hij kan, nergens zal hij veilig wezen voor de wrekende hand.
+
+2. Geen echte Fries zal over de misslagen zijns naaste mallen of
+kwaadspreken. Is iemand misdadig jegens hem zelven, maar niet te
+vreezen voor anderen, dan mag hij zijn eigen rechter wezen. Wordt hij
+zoo slecht, dat hij gevaarlijk wordt, dan moet men het aan den graaf
+openbaren. Maar is er iemand die een ander achter zijn rug aantijgt,
+in plaats van het bij den graaf te doen, die is een hoerenkind,
+op de markt moet hij aan den paal gebonden worden, zoodat het jong
+volk hem mag aanspuwen; daarna leidt men hem over de grenzen, maar
+niet naar de tinlanden, want een eerrover is ook te vreezen.
+
+3. Bijaldien er eens iemand zoo slecht was, dat hij ons ging verraden,
+aan den vijand de paden en bijpaden wees om onze vliedburgten
+te genaken, of des nachts daar in te sluipen, die zoude alleen
+gesproten zijn uit Finda's bloed, men zoude hem moeten verbranden,
+de zeelieden zouden zijne moeder en al zijne bloedverwanten naar
+een afgelegen eiland moeten brengen, en daar zijn asch verstuiven,
+opdat er geen vergiftige kruiden van mochten groeijen. De maagden
+moeten zijn naam vervloeken over alle onze staten, opdat geen kind
+zijn naam moge krijgen, en de ouden hem mogen verwerpen.
+
+Oorlog was voorbij gegaan, maar nood was in zijne plaats gekomen; nu
+waren er drie menschen die elk een zak koorn stalen van afzonderlijke
+eigenaren. Doch zij werden alle gevangen. Nu ging de eerste (eigenaar)
+heen en bracht den dief bij den schout, de maagden zeiden daarvan
+allerwege, dat hij gehandeld had naar het recht. De andere nam den
+dief het koorn af, en liet hem voorts met vrede; de maagden zeiden,
+hij heeft wel gedaan. Maar de derde eigenaar ging naar den dief in
+zijn huis. Toen hij nu zag, hoe de nood daar zijn zetel had opgesteld,
+ging hij terug en keerde weder met een wagen vol nooddruftigheden,
+waarmede hij den nood van den haard verdreef. Frya's maagden hadden
+bij hem rondgewaard en zijne daad in het eeuwige boek geschreven,
+terwijl zij al zijne zonden hadden uitgewischt. Het werd gezegd aan
+de eeremoeder, en deze liet het verkondigen over het geheele land.
+
+
+
+
+
+HETGENE HIERONDER STAAT IS AAN DE WANDEN VAN DE WARABURGT GEGRIFT.
+
+
+(Zie plaat I.)
+
+Wat hier boven staat, dat zijn de teekens van het Juul, dat is het
+eerste zinnebeeld van Wralda, ook van den aanvang of het begin, waaruit
+de Tijd is voortgekomen; deze is de Kroder, die eeuwig met het Juul
+moet rondloopen. Hiernaar heeft Frya het staand schrift gevormd,
+'t welk zij gebruikte voor hare tex. Toen Fasta eeremoeder was,
+heeft zij er het run of loopend schrift van gemaakt. De Witkoning
+d. i. Zeekoning Godfried, de oude, heeft er afzonderlijke getalteekens
+van gemaakt voor het staand en loopend schrift beide. Het is daarom
+niet te veel dat wij er jaarlijks eenmaal feest voor vieren. Wij
+mogen Wralda eeuwig dank wijden, dat hij zijn geest zoo krachtig
+over onze voorvaderen heeft laten varen. In haren tijd heeft Finda
+ook een schrift uitgevonden; maar dat was zoo hoogdravend en vol
+met franjes en krullen, dat de nakomelingen de beteekenis daarvan
+spoedig verloren hebben. Naderhand hebben zij ons schrift geleerd,
+met name de Finnen, de Thyriers en de Krekalander. Maar zij wisten
+niet goed, dat het van het Juul gemaakt was, en dat het daarom altijd
+moest geschreven worden met de zon om. Bovendien wilden zij dat hun
+schrift voor andere volken onleesbaar zoude wezen, omdat zij altijd
+geheimnissen hebben. Zoodoende zijn zij zeer van de wijs geraakt,
+dermate, dat de kinderen de schriften hunner ouderen bezwaarlijk kunnen
+lezen; terwijl wij onze alleroudste schriften even gemakkelijk kunnen
+lezen als die, die gisteren geschreven zijn.
+
+Hieronder is het staand schrift, daaronder het loopend schrift,
+vervolgens de getalteekens op beide wijzen.
+
+(Zie plaat II.)
+
+
+
+
+
+DIT STAAT OP ALLE BURGTEN GESCHREVEN.
+
+
+Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De zon
+rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters groeiden
+vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten hadden
+wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als goud
+blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden
+niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan
+de eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk
+behalve wij, mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij
+door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor
+het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het
+wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee,
+en ten westen aan de Middellandsche zee, zoodat wij buiten de kleine
+rivieren wel twaalf groot zoetwater stroomen hadden, ons door Wralda
+gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den weg
+naar zijne zee te wijzen.
+
+De oevers van deze stroomen werden somtijds alle door ons volk bezeten,
+ook de velden aan den Rijn, van 't eene einde tot het andere toe.
+
+Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met
+eene burgtmaagd. Van daar trokken wij koper en ijzer, benevens teer,
+pik en sommige andere benoodigdheden. Tegenover ons voormalig Westland
+hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der
+ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun
+lijf te behouden. Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst
+een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf,
+de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden
+en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie)
+en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land
+zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke
+gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd,
+uithoofde zij dikwijls anders niet deden dan barnsteen jutten
+(aan het strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden
+Letten geheeten, omdat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en
+kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde,
+werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren zoo
+noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of
+hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van
+daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers
+genoemd, omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven). Die
+in de hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden,
+werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd gewapend waren tegen
+het wild gedierte en de verwilderde Britten. Daarenboven hadden wij
+de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten.
+
+
+
+
+
+HOE DE BANGE TIJD KWAM.
+
+
+Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde
+zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor
+rook en damp als zeilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd
+aldus droef en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch
+vreugde. Te midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij
+stervende was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen;
+andere zonken in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had,
+hief zij nu bergen omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten,
+zonk neder, en de woeste golven traden zoo verre over bergen en
+dalen, dat alles onder de zee bedolven was. Vele menschen werden
+in de aarde begraven, en velen die aan het vuur ontkomen waren,
+kwamen daarna in het water om. Niet alleen in het land van Finda
+spuwden de bergen vuur, maar ook in het Twiskland. Wouden brandden
+daardoor achterelkander weg, en toen de wind daar van daan kwam,
+waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden verlegd en bij hunne
+monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend vee. Drie jaren was
+de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon men hare wouden
+zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee opgerezen
+en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk kwamen de
+ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd, of zij
+werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel geboden,
+en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt is.
+
+
+
+
+
+DIT STAAT AAN DE WARABURGT BIJ DE ALDEGAMUDE GEGRIFT.
+
+
+De Waraburgt is geen Maagdeburgt, maar daarin werden alle uitheemsche
+en buitenlandsche dingen bewaard, die mede gebracht zijn door de
+zeelieden. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uren) zuidwaarts
+van Medeasblik gelegen. Aldus is de voorafspraak: Bergen neigt uwe
+kruinen, wolken en stroomen weent. Ja, Schoonland bloost, slavenvolken
+stappen op uw kleed, o Frya.
+
+
+
+
+
+ZOO IS DE GESCHIEDENIS.
+
+
+100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam uit het oosten een volk
+weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons Twiskland,
+kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en elk ging
+zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons gekomen,
+maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland. Schoonland was
+schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van al. Daarom
+mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij anders geen
+leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij hen hebben
+leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en daarna hoe het
+ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk vele geslachten
+van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij hebben priesters,
+even als deze, en in de kerken hebben zij ook beelden. De priesters
+zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf Magyaren, hun opperste
+heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met een; al het andere volk
+is nul in 't cijfer en gelijk, en allen zijn onder hun geweld. Het
+volk heeft niet eens een naam; door ons worden zij Finnen genoemd;
+want ofschoon hunne feesten allemaal treurig en bloedig zijn, zijn
+zij daar toch zoo fijn op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn
+zij niet te benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters,
+maar nog veel meer van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol
+is van booze geesten, die in de menschen en dieren sluipen; maar van
+Wraldas geest weten zij niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren
+koperen. De Magyaren verhalen, dat zij de booze geesten kunnen bannen
+en verbannen, daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun
+gelaat is nimmer vrolijkheid te zien.
+
+Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij ons,
+zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen,
+die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen,
+en hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte
+onze waakzaamheid.
+
+Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij
+onverwacht, gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze
+landen toeloopen. Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd
+aangeroepen, maar de Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen
+werden krachten verzameld, drie palen van Godasburgt werden zij
+wederstaan, de oorlog bleef. Kat of Katerinne, zoo heette de
+priesteres, die burgtmaagd op Godasburgt was. Kat was trotsch en
+hooghartig, daarom liet zij noch raad, noch helpers aan de Moeder
+vragen. Maar toen de burgtheeren dat begrepen, zonden zij zelve boden
+naar Texland tot de Eeremoeder. Minna, zoo was de naam der Moeder, liet
+al de zeelieden oproepen en al het andere jong volk van Oostflyland
+en van de Dennemarken. Uit deze tocht is de geschiedenis van Wodin
+ontstaan, die op de burgten gegrift is, en hier is uitgeschreven.
+
+Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn
+naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven;
+Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij
+zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren
+zeestrijders, en juist nu bij hunne vaderen aan de Aldergamude. Toen
+nu de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun
+heerman of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning
+en Inka tot hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar
+de Dennemarken varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige
+landweer aan boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien
+in Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij elkander gevoegd
+hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya
+was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof
+het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal
+omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot
+Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch
+al wat wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij
+uwe broeders met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze
+vijanden voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij
+hebben dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft
+zich om ons niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander
+voor de helft vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen
+en ons allen vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij
+heeft gezien, dat Frya veel machtiger is als alle onze geesten te
+zamen. Hij wil zijn hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de
+krijgshaftigste koning der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze
+koning, en wij allen willen uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol
+voor u wezen, als gij de wilden weder terug kondt drijven, onze
+basuinen zouden het rondblazen, en onze berichten zouden u overal
+vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en krijgshaftig, maar hij was
+niet helder ziende, daardoor werd hij in hunne strikken gevangen en
+door den Magy gekroond. Zeer velen van de zeelieden en de landweer,
+dien deze keuze niet naar den zin was, vertrokken in stilte, Kat
+medenemende. Maar Kat die niet voor de Moeder, noch voor de algemeene
+vergadering, wilde verschijnen, sprong over boord. Toen kwam de
+stormwind en dreef de schepen op de schorren van de Dennemarken,
+zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben zij die straat het
+Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij op de wilden los;
+zij waren allen ruiters; gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins
+heer aan, maar als een dwarrelwind wendden zij om, en durfden niet
+weder verschijnen. Toen Wodin nu terug kwam, gaf de Magy hem zijne
+dochter tot vrouw. Daarop werd hij met kruiden berookt, doch er waren
+tooverkruiden onder; want Wodin werd trapsgewijze zoo zeer vermetel,
+dat hij Frya en Wraldas geest durfde miskennen en bespotten, terwijl
+hij zijn vrije hals boog voor de valsche gedrochtelijke beelden. Zijn
+rijk duurde zeven jaren, toen verdween hij. De Magy zeide dat hij onder
+hunne goden was opgenomen, en dat hij van daar over hen heerschte,
+maar ons volk lachte om zijne taal. Toen Wodin eene poos weg geweest
+was, kwam er tweespalt; wij wilden een anderen koning kiezen, maar
+dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij beweerde dat het een recht was,
+hem door zijne afgoden gegeven. Maar buiten en behalve deze twist,
+was nog eene tusschen de Magiaren en Finnen, die Frya noch Wodin
+wilden eeren, doch de Magy deed zoo als hem goed dacht, want zijne
+dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu wilde de Magy dat deze
+zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl allen keven en twisten,
+kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich zelven tot voogd of
+raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf, dan van het recht,
+lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele Magiaren vloden
+met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen scheep en een
+heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met hun.
+
+Nu komen de geschiedenissen van neef Teunis en zijn neef Inka eerst
+recht op het pad.
+
+
+
+
+
+DIT ALLES STAAT NIET ALLEEN OP DE WARABURGT, MAAR OOK OP DE BURGT
+STAVIA, DIE GELEGEN IS ACHTER DE HAVEN VAN STAVRE
+
+
+Toen Teunis met zijne schepen naar huis wilde keeren, ging hij
+het eerst op de Dennemarken af, maar hij mocht daar niet landen,
+dat had de Moeder besteld. Ook te Flyland mocht hij niet landen en
+voorts nergens. Hij zoude alzoo met zijne manschappen van kommer en
+gebrek omgekomen zijn; daarom gingen zij des nachts aan land om te
+rooven, en voeren bij dag verder. Aldus langs de kust voort varende
+kwamen zij tot de volkplanting Kadik, zoo geheeten omdat zij door een
+steenen kadijk gevormd was. Hier kochten zij allerhande leeftocht,
+maar Tuntia de burgtmaagd wilde niet gedoogen, dat zij zich daar
+nederzetteden. Toen zij gereed waren, kregen zij twist. Teunis wilde
+door de straat van de Middellandsche zee, om te varen voor den rijken
+koning van Egyptenland, gelijk hij wel eer gedaan had. Maar Inka zeide
+dat hij zijn bekomst had van al dat Findas volk. Inka meende dat er
+misschien wel een hooggelegen deel van Atland, bij wijze van eiland,
+zoude overgebleven wezen, waar hij met zijne manschappen vredig
+leven mocht. Als de beide neven het aldus niet eens konden worden,
+ging Teunis heen en stak een roode banier in het strand, en Inka
+eene blaauwe. Daarna mocht ieder kiezen, wien hij volgen wilde, en o
+wonder, tot Inka die er een afkeer van had, om de koningen van Findas
+volk te dienen, liepen de meeste Finnen en Magyaren over. Toen zij
+nu het volk geteld en de schepen daarnaar verdeeld hadden, scheidden
+de vloten van elkander; van neef Teunis is naderhand bericht gekomen,
+van neef Inka nimmer.
+
+Neef Teunis voer langs de kust door de straat der Middellandsche
+zee. Toen het Atland verzonken is, was het aan de oevers der
+Middellandsche zee ook erg toegegaan. Daardoor waren vele menschen van
+het Findas volk naar onze heinde en verre Krekalanden gekomen en ook
+velen van Lydas land. Daarentegen waren ook velen van ons volk naar
+Lydas land gegaan. Dat alles had uitgewerkt, dat de heinde en verre
+Krekalanden voor het oppergezag der Moeder verloren waren. Daar had
+Teunis op gerekend, daarom wilde hij daar een goede haven kiezen en
+van daaruit voor de rijke vorsten varen doch omdat zijne vloot en zijn
+volk er zoo haveloos uitzagen, meenden de Kadhemers (kustbewoners),
+dat zij roovers waren en daarom werden zij overal geweerd. Doch
+ten laatste kwamen zij aan Phoenisius kust, dat was 193 jaren nadat
+Atland gezonken is. Nabij de kust vonden zij een eiland met twee diepe
+golven, zoodat het als drie eilanden uitzag. Op het middelste daarvan
+stelden zij hunne schuilplaats op, naderhand bouwden zij daar eenen
+burgtwal om toe. Toen zij nu daaraan een naam, wilden geven, werden
+zij oneens, sommigen wilden het Fryasburgt heeten, andere Neettunia,
+maar de Magyaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburgt zoude
+heeten. Thyr noemden zij een hunner afgoden, en op diens verjaardag
+waren zij daar geland; tot eene vergelding wilden zij Teunis eeuwig
+als hun koning erkennen. Teunis liet hem belezen, en de anderen
+wilden daarover geen oorlog hebben. Toen zij nu goed zaten zonden
+zij sommige oude zeelieden en Magyaren aan den wal en verder naar
+de burgt Sydon, maar in het eerst wilden de Kadhemers niets van hen
+weten. Gij zijt veraf wonende zwervers, zeiden zij, die wij niet achten
+kunnen. Doch toen wij hun van onze ijzeren wapenen wilden verkoopen,
+ging ten laatsten alles goed. Ook waren zij zeer begeerig naar onze
+barnsteenen, en het vragen daarnaar nam geen einde. Maar Teunis, die
+verziende was, deed alsof hij geen ijzeren wapenen noch barnsteenen
+meer had. Toen kwamen de kooplieden en baden hem, hij zoude twintig
+schepen geven die zij alle met de fijnste waren wilden bevrachten,
+en zij wilden hem zoovele lieden tot roeijers geven als hij begeerde.
+
+Twaalf schepen liet hij bevrachten met wijn, honig, toebereid leder,
+daarbij kwamen toomen en zadels met goud overtrokken, gelijk men
+ze nimmer gezien had. Met al dien schat viel Teunis het Flymeer
+binnen. De grevetman van Westflyland werd door al deze dingen verrukt,
+hij bewerkte dat Teunis bij de mond van het Flymeer een pakhuis bouwen
+mocht. Naderhand is die plaats Almanaland genoemd en de markt, waarop
+zij naderhand te Wyringen ruilhandel mochten drijven, Toelaatmarkt. De
+Moeder raadde dat wij hun alles zouden verkoopen behalve ijzeren
+wapenen, maar men sloeg geen acht op haar. Daar de Thyriers dus vrij
+spel hadden, kwamen zij steeds weder om onze waren heinde en ver te
+vervoeren, tot schade van onze eigene zeelieden. Daarna is besloten
+op eene algemeene vergadering, jaarlijks zeven Tyrische schepen toe
+te laten en niet meer.
+
+
+
+
+
+WAT DAARVAN GEWORDEN IS.
+
+
+In de noordelijkste hoek van de Middellandsche zee ligt een eiland
+bij die kust. Nu kwamen zij dat te koop vragen. Daarover werd eene
+algemeene vergadering belegd. Moeders raad werd ingewonnen, maar Moeder
+zag hen liefst ver af. Daarom meende zij dat er geen kwaad in stak,
+doch als wij achterna zagen, hoe wij verkeerd gedaan hadden, noemden
+wij dat eiland Mis.sellia. [5] Hierachter zal blijken, hoe wij hiertoe
+reden hadden. De Golen, zoo heetten de zendeling-priesters van Sydon,
+hadden wel gezien dat het land daar schaars bevolkt was en ver van
+de Moeder was. Om nu zich zelven een goeden schijn te geven, lieten
+zij zich zelve in onze taal aan de trouw gewijden heeten, maar dat was
+beter geweest, als zij zich zelve van de trouw gewenden genoemd hadden
+of kort weg Triuwenden, gelijk onze zeelieden later gedaan hebben.
+
+Toen zij wel gezeten waren, ruilden hunne kooplieden schoone koperen
+wapenen en allerlei sieraden tegen onze ijzeren wapenen en huiden
+van wilde dieren, die in onze zuidelijke landen in menigte te bekomen
+waren, maar de Golen vierden allerhande vuile gedrochtelijke feesten,
+en dan dienden de Kadheimers die door toedoen van hunne wulpsche
+meisjes en de zoetheid van hunne vergiftige wijn. Was er iemand van
+ons volk die het zoo erg verbruid had, dat zijn leven in gevaar kwam,
+dan verleenden de Golen hem heul en schuilplaats, en voerden hem
+naar Phonisia, dat is Palmland. Was hij daar gezeten, dan moest hij
+aan zijne bloedverwanten, vrienden en aanverwanten schrijven, dat het
+land zoo goed was en de menschen zoo gelukkig, als niemand zich konde
+verbeelden. In Brittania waren zeer vele mannen, doch weinig vrouwen,
+toen de Golen dat wisten, lieten zij allerwege meisjes schaken, en
+deze gaven zij aan de Britten om niet. Doch al deze meisjes waren
+hunne dienaren die kinderen van Wralda stalen om ze aan hunne valsche
+afgoden te geven.
+
+
+
+
+
+NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN OVER DEN OORLOG DER BURGTMAAGDEN KALTA EN
+MIN-ERVA.
+
+
+En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de
+Golen verloren hebben.
+
+Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden, genoemd
+naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene eiland is
+de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de volgende
+geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en waak.
+
+563 jaar nadat Atland verzonken is zat hier eene wijze burgtpriesteres,
+Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd Nyhellenia. Deze
+bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij verleende was nieuw
+en helder boven alle andere.
+
+Over de Schelde op de Flyburgt, zat Sijrhed; deze burgtmaagd was vol
+ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare tong; maar de raad die zij
+gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden
+Kalta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de
+uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva
+het tweede en Syrhed het derde als opvolgster beschreven. Minerva
+had daar geen weet van, maar Syrhed was er door geknakt. Even als
+eene buitenlandsche vorstin wilde zij geëerd, gevreesd en gebeden
+wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen
+alle zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken
+en van het Flymeer. Dat kwetste Syrhed, want zij wilde boven Minerva
+uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude
+hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen
+en maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond,
+zeide zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt
+over de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar
+de haan heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne
+hoovaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten
+geworden. Als Kalta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van
+kwaad tot erger; in stilte liet zij de Magyaren bij zich komen om
+toverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich
+in de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet
+beteren. Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken,
+wilde zij hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig,
+dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij
+alle zouden vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts
+verblindde zij hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor
+water hielden, daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op
+het eerste krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren,
+liet zij hun tonne bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank
+gedaan. Toen het volk nu allen te zamen dronken waren, ging zij boven
+op haar strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het
+morgenrood kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen
+op haar gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en
+dochteren van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatste tijd veel
+schade en gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer
+komen om ons schrijfvilt te koopen, maar gij weet niet, waardoor dat
+gekomen is. Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu
+kan ik het niet langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt,
+waarnaar gij bijten moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij van
+tijd tot tijd de vaart van alle zeeën hebben, daar maken zij heden
+ten dage schrijfvilt van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit,
+en kunnen zij ons ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd
+ons voornaamste bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat
+men het van ons zoude leeren. Maar Minerva heeft al het volk behekst,
+ja behekst, vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven
+is. Er uit moet het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd,
+ik zoude het wel weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen
+zij het laatste woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar
+het beschonken volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet
+vermocht te waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal,
+en nadien de nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek
+op de burcht los. Doch Kalta miste al weder haar doel, want Minerva
+en hare maagden en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered.
+
+
+
+
+
+HIERBIJ KOMT DE GESCHIEDENIS VAN JON.
+
+
+Jon, Jôn, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan de
+uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het
+verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was
+zeekoning, geboren te Alderga, het Flymeer uitgevaren met 127 schepen
+uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin,
+koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en
+konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch
+toen Jon hier kwam en zag, hoe Kalta onze roemrijke burgt verwoest had,
+toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op
+Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar
+door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden
+de lamp en de maagden gered; doch Syrhed of Kalta mochten zij niet
+vatten. Zij klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in
+de vlammen moest omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden
+stokstijf van schrik stonden, kwam zij schooner als te voren op haren
+klepper, hun toeroepende: naar Kalta         . Toen stroomde het
+andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij:
+wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende
+gesneuveld zijn.
+
+Te dier tijde was Rosamund, dat is Rosamuda Moeder; zij had veel
+in der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam,
+maakte zij korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en
+liet een algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landsverdedigers
+uit alle oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon
+bergde zich met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide
+lampen, benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk,
+de heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan
+de overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer
+en terstond daarna naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele
+van ons volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag,
+dat men hem en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok
+hij heimelijk. Hij deed terecht, want al onze eilanders en al het
+andere Schelde volk, die gevochten hadden, werden naar Brittanje
+gebracht. Deze stap was verkeerd, want nu kwam het begin van het einde.
+
+Kalta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op
+het land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia
+af. Toen kwamen de Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee
+naar Kadix varen en geheel ons buitenland langs en vielen op en over
+Brittannia, doch daar konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de
+bestuurders machtig en de bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam
+Kalta en sprak: gij zijt vrij geboren en om kleine gebreken heeft men
+u tot verworpenen gemaakt, niet om u te verbeteren, maar om tin te
+winnen door uwe handen. Wilt gij weer vrij wezen en onder mijn raad
+en hoede leven, trekt dan uit, wapenen zullen u gegeven worden en ik
+zal over u waken. Als bliksemvuur ging het over de landen, en eer
+des Kroders juul eens omgeloopen was, was zij meesteres over allen
+te zamen en de Thyriers van al onze zuiderstaten tot de Seine. Om dat
+Kalta haar zelve niet betrouwde, liet zij in het noordelijke bergland
+een burgt bouwen. Kaltasburch werd zij geheeten, zij is nog in wezen
+maar nu heet zij Kerenak. Van deze burgt uit heerschte zij als eene
+echte moeder, doch niet ter wille van, maar over hare volgelingen,
+die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen heerschten allengs
+over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat zij geen burgten
+meer hadden, anderdeels omdat zij daar geene burgtmaagden hadden en
+in de derde plaats omdat zij geene echte lamp hadden. Door al deze
+oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom en dwaas en werd
+eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd en ten laatste
+als een stier bij de neus omgeleid.
+
+
+
+
+
+NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN HOE HET JON VERGAAN IS. HET STAAT TE TEXLAND
+GESCHREVEN.
+
+
+Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het
+Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen); en van
+hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven.
+
+Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hun
+overal vooruitgegaan, zoodat zij aan de kusten van het naastbijzijnde
+Krekaland (Italie) nergens veilig waren. Hij stak dus met zijne vloot
+naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie). Daar wilden de zwarte
+menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus,
+maar Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest
+door de priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk
+wij later hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben,
+die daar naar hun begrip van overlang was (?) hadden zij Teunis tot
+een God verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus
+achter den rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede
+rooven. Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet
+terug winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende
+Jon zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een
+land, dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond.
+
+Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of
+priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden
+beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet
+ruim genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te
+laf om verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en
+vaan, het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde
+scharen. Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste
+deel voegde zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij
+Jon. Jon nam de lamp van Kalta en hare maagden mede; Minerva behield
+hare eigene lamp en hare eigene maagden.
+
+Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige
+eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het
+woud tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden
+uit ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen,
+daarom zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische
+eilanden genoemd.
+
+Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika genoemd
+is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij onderhielden
+hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en honing. Zij waren
+met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen op de hellingen
+der bergen. Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers geheeten.
+
+In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet
+taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote
+vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten
+nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden
+helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne
+kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij
+eene burgt anderhalve paal (uurgaans) van de haven. Op raad van Minerva
+werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren
+te weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar
+als vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen
+de voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden,
+behaagde hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken,
+omdat zij dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde:
+hoe zijt gij wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoorden: sommige
+hebben wij gekocht, andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide:
+bijaldien niemand menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen
+rooven, en gij zoudt daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus onze
+bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten.
+
+Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar
+de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen,
+die wij nu van steen maken.
+
+Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva.
+
+Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om ijzeren
+burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig; doch zoo
+wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als zij daarin
+toegestemd hadden, vroegen die lieden of Fryas zeden te Athene en in
+de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder antwoorde: Indien de
+verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya behooren, zoo zullen zij
+daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe, dan zal er lang over
+gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog vijfduizend jaren
+met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor de vrijheid is.
+
+
+
+
+
+DIT IS OVER DE GEERTMANNEN.
+
+
+Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich
+als of zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude,
+hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij
+geene andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden,
+dat er onder hare maagden geene zouden wezen, die zij zoo zouden
+kunnen vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar
+wij wilden Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve
+ons gezegd had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas
+geest. Daarom kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder.
+
+Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet mochten
+braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij Minerva niet als
+eene Godin wilden bekennen uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel
+liefde had bewezen. Daarop gaven zij het volk beeldtenissen van hare
+gelijkenis, betuigende dat zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang
+zij gehoorzaam bleven. Door al deze verhalen werd het domme volk van
+ons afkeerig gemaakt, en ten laatsten vielen zij ons te lijf. Maar
+wij hadden onze steenen burgtwal met twee hoornen omgebogen tot
+aan de zee. Zij konden ons daarom niet genaken. Doch wat gebeurde,
+een Egyptenaar die een overpriester was, helder van oogen, klaar
+van brein, en verlicht van geest, zijn naam was Cecrops, hij kwam om
+raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met zijne lieden onze wal
+niet bestormen kon, toen zond hij boden naar Thyrus. Daarop kwamen
+driehonderd schepen vol soldaten van de wilde bergvolken onverwacht
+in onze haven varen, terwijl wij met al onze mannen op den wal
+strijdende waren.
+
+Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het
+dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje
+geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische
+zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij
+dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij
+zult uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden
+noch van verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te
+eischen, zij mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en
+dragende have, en hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der
+burgtheeren heel goed ziende, dat zij de burgt niet konden houden,
+raadden Geert aan, dat zij gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops
+woedend werd en anders begon en drie maanden daarna, vertrok Geert
+met met de beste Fryaszonen en zeven maal twaalf schepen. Toen zij
+een poos buiten de haven waren, kwamen er wel dertig schepen van
+Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene gaan, doch
+als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen zij met
+Geert. De zeekoning der Thyriers bracht allen te zamen door de straat,
+die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landen zij
+aan Pangab, dat is in onze spraak vijf wateren, omdat vijf rivieren
+met elkander naar de zee toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat
+land hebben zij Geertmania genoemd. De koning van Thyrus later ziende,
+dat zijne allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen
+met zijne wilde soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als
+zij bij de straat kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief
+aarde haar lijf daar zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep,
+en dat alle wadden en schorren als een burgtwal voor hen oprezen.
+
+Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen
+klaar en duidelijk zien kan.
+
+
+
+
+
+IN HET JAAR 1005 NADAT ATLAND GEZONKEN IS, IS DIT OP DE OOSTERWAND
+VAN FRIJASBURGT GESCHREVEN.
+
+
+Nadat wij in twaalf jaren tijd geen Krekalander te Almanland gezien
+hadden, kwamen hier drie schepen zoo sierlijk als wij er geen hadden,
+en te voren nimmer hadden gezien. Op het grootste van deze was een
+koning der Jonische eilanden; zijn naam was Ulysus en de roep zijner
+wijsheid groot. Aan dezen koning was door eene priesteres voorzegd
+dat hij koning zoude worden over alle Krekalanden, zoo hij raad wist
+om eene lamp te krijgen, die opgestoken was aan de lamp te Texland. Om
+die te verkrijgen had hij vele schatten medegebracht, bovenal vrouwen
+sieraden, gelijk er in de wereld niet schooner gemaakt werden. Zij
+waren afkomstig van Troje, eene stad, die de Krekalanders hadden
+ingenomen. Al deze schatten bood hij de Moeder aan; maar de Moeder
+wilde nergens van weten. Als hij ten laatsten zag, dat zij niet te
+winnen was, ging hij naar Walhallagara. Daar was eene burgtmaagd
+gezeten, wier naam was Kaat; doch in de wandeling werd zij Kalip
+genoemd, omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak. Bij deze
+heeft hij jaren vertoefd tot ergernis van allen die het wisten. Naar
+het zeggen der maagden heeft hij van haar ten laatste eene lamp
+gekregen; doch zij heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam,
+is zijn schip vergaan, en hij naakt en bloot opgenomen door de
+andere schepen.
+
+Van dezen koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver
+Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en hetgene hier
+volgt heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag
+besluiten, hoe waar de Moeder Hellicht gesproken heeft toen zij zeide
+dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de
+andere Krekalanders hebt gij zeker veel kwaad over Cecrops gehoord,
+want hij was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, hij was een
+verlicht man, hoogelijk geroemd, zoowel bij de inwoners als bij ons,
+want hij was er niet voor om de menschen te onderdrukken, gelijk de
+andere priesteren, maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid der ver
+afwonende volken naar waarde te schatten. Daarom, omdat hij dat wist
+heeft hij ons toegestaan, dat wij mochten leven naar ons eigenlijk
+Asegaboek. Er liep een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij
+geboren zoude wezen uit een Friesch meisje en een Egyptisch priester,
+uithoofde dat bij blauwe oogen had, en dat er vele meisjes bij ons
+geschaakt waren en verkocht naar Egypte. Doch zelf heeft hij dit
+nimmer bevestigd. Hoe het daarmede is, zeker is het dat hij ons meer
+vriendschap bewees, als alle andere priesteren te zamen. Maar toen
+hij gestorven was, gingen zijne opvolgers al spoedig aan onze wetten
+tornen, en allengs zoo vele ongeschikte keuren maken, dat er ten langen
+laatste van gelijkheid en van vrijheid niet anders, als de schijn en
+de naam overbleef. Verder wilden zij niet gedoogen dat de inzettingen
+in schrift werden gebracht, waardoor de wetenschap daarvan voor ons
+verborgen werd. Te voren werden alle zaken binnen Athene in onze taal
+bepleit, naderhand moest het in beide talen geschieden, en ten laatste
+alleen in de landstaal. In de eerste jaren nam het manvolk te Athene
+enkel vrouwen van ons eigen geslacht, maar het jongvolk opgewassen
+met de meisjes der landzaten namen daar ook van. De basterd kinderen
+die daarvan kwamen, waren de schoonste en schranderste van de wereld,
+maar zij waren ook de slechtste. Hinkende over beide zijden, zich
+bekreunende noch om wet, noch om gewoonte, tenzij dat het was voor hun
+eigen belang. Alzoo lang er nog een straal van Fryas geest opwelde,
+werd al de bouwstof tot gemeene werken verarbeid, en niemand mocht een
+huis bouwen, dat ruimer en rijker was als dat van zijn buurman. Doch
+toen sommige verbasterde stedelingen rijk waren door onze zeevaart
+en door het zilver, dat de slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen
+zij buiten op de hellingen (der bergen) of in de dalen wonen. Aldaar
+achter hooge wallen van loof of van steen, bouwden zij hoven (paleizen)
+met kostbaar huisraad, en om bij de vuile priesteren in een goeden
+dunk te wezen, plaatsten zij daar op valsche goden gelijkende en
+ontuchtige beelden in. Bij de vuile priesteren en vorsten werden soms
+de knapen meer begeerd, als de dochteren, en vaak door rijke giften
+of door geweld van het pad der deugd afgeleid. Naardien rijkdom bij
+het verwende en verbasterde geslacht ver boven deugd en eere gold, zag
+men altemet knapen, die zich met wijde prachtige kleederen versierden,
+hunne ouders en de maagden tot schande en hunne sekse ten spot. Kwamen
+onze eenvoudige ouders te Athene op de algemeene volksvergadering,
+en wilden daar zich beklagen, dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar
+zal een zeegedrocht spreken. Zoo is Athene geworden, gelijk een moeras
+in de heete landen vol bloedzuigers, padden en vergiftige slangen,
+waarin geen mensch van strenge zeden zijn voet kan wagen.
+
+
+
+
+
+DIT STAAT OP AL ONZE BURGEN.
+
+
+Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat Atland
+was verzonken. Door Wodins dwaze dartelheid, was de Magy meester
+geworden over het oosterdeel van Schoonland. Over de bergen en over
+de zee durfden zij niet komen. De Moeder wilde het niet weren, zij
+sprak zeggende: Ik zie geen gevaar in zijne wapenen, maar wel om de
+Schoonlanden weer te nemen, omdat zij verbasterd en verdorven zijn. Op
+de algemeene vergadering dacht men gelijkerwijze. Daarom is het aan
+hem gelaten. Groot honderd jaren geleden begonnen de Denemarkers met
+hun handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapenen, daarvoor ruilden
+zij gouden sieraden benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boden
+en raadde hun, zij zouden den ruilhandel laten varen. Daar was gevaar,
+zeide zij, voor hunne zeden, en indien zij hunne zeden verloren, dan
+zouden zij ook hunne vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden
+nergens ooren naar; zij wilden niet begrijpen, dat hunne zeden verloren
+konden gaan; daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste
+brachten zij hunne eigene wapenen en leeftocht zoek. Maar dit kwaad
+veroorzaakte hunne straf. Hunne ligchamen werden overladen met glans
+en schijn, maar hunne kisten, kasten en schuren werden ledig. Juist
+honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee
+gestoken was, kwam armoede en gebrek door de vensters binnen, honger
+spreidde zijne wieken uit en streek op het land neder, tweespalt liep
+trotsch over de straat, en voorts de huizen in, liefde kon geen steun
+langer vinden, en eendracht liep weg. Het kind vroeg eten van zijne
+moeder, en die had geene spijs, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen
+tot hunne mannen, deze gingen tot de graven, de graven hadden zelve
+niets, of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkoopen,
+maar terwijl de zeelieden daarmede vertrokken waren, kwam de vorst en
+legde een plank neder op de zee en op de straat (de Sond). Toen de
+vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het land
+uit, en het verraad klom op zijn zetel. In plaats van de oevers te
+bewaken, spanden hij hunne paarden voor hunne sleden, en reden naar
+Schoonland. Doch de Schoonlanders, die begeerig waren naar het land
+hunner voorvaderen, kwamen naar de Denemarken. Op een heldere nacht
+kwamen zij alle. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land hunner
+voorvaderen, en terwijl men daarover streed, kwamen de Finnen in de
+verlatene dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en dat zij
+geene goede wapenen hadden, deed hun de strijd verliezen en daarmede
+de vrijheid, want de Magy werd meester. Dat kwam daar van daan, dat
+zij Fryas tex niet lazen en hare raadgevingen verwaarloosd hadden. Er
+zijn sommigen, die meenen, dat zij door de graven verraden zijn, en dat
+de maagden dat al lang bespeurd hadden. Doch zoodra iemand daarover
+spreken wilde, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketens. Wij
+kunnen daarover niet oordeel vellen, maar wij willen u toeroepen:
+Verlaat u niet te zeer op de wijsheid en deugd noch van uwe vorsten
+noch van uwe maagden; want zal het stand houden, dan moet iedereen
+waken over zijn eigene hartstochten en voor het algemeene welzijn.
+
+Twee jaren daarna kwam de Magy zelf met eene vloot van lichte booten
+om aan de Moeder van Texland de lamp te ontrooven. Deze booze daad
+bestond hij bij nacht in den winter bij stormweder, terwijl de wind
+gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter,
+die meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijne toorts. Zoodra als het
+licht van den toren op het ronddeel neder viel, zag hij dat reeds vele
+gewapende mannen over de burgtwal waren. Nu ging hij om de klok te
+luiden, doch het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren reeds twee
+duizend in de weer om de poort te rammeijen. De strijd duurde daarom
+kort, want omdat de krijgslieden geene goede wacht gehouden hadden,
+kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten was, was er een
+leelijke Fin in de (fleete) of het slaapvertrek van de Moeder binnen
+geslopen, en wilde haar geweld aandoen. De Moeder weerde hem af, dat
+hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weder op de been was,
+stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wilt gij mijne roede
+niet, zoo zult gij mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een zeeman van
+de Denemarken, deze nam zijn zwaard en kloofde den Fin den kop. Daaruit
+stroomde zwart bloed en daarboven zweefde eene blaauwe vlam.
+
+De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen. Toen zij nu zoo
+verre hersteld en beter was, dat zij helder spreken konde, zeide
+de Magy, dat zij met hem mede varen moest, doch dat zij hare lamp
+en hare maagden zoude behouden, dat zij een staat zoude voeren,
+zoo hoog als zij nooit te voren gekend had. Voorts zeide hij, dat
+hij haar vragen zoude in tegenwoordigheid van zijne voornaamsten,
+of hij meester zoude worden over alle landen en volken van Frya. Hij
+zeide, dat zij dit bevestigen en verzekeren moest, anders zoude hij
+haar onder vele smarten laten sterven. Toen hij daarna alle zijne
+voornaamsten om haar leger vergaderd had, vroeg hij luide: Frana,
+vermits ge helderziende zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester
+zal worden over alle landen en volken van Frya. Frana deed, als sloeg
+zij geen acht op hem. Ten langen laatste opende zij hare lippen, en
+sprak: Mijne oogen worden verduisterd, doch het andere licht daagt
+op in mijne ziel. Ja, ik zie het. Hoor Irtha, en wees blijde met
+mij. In de tijden, dat Atland verzonken is, stond de eerste spaak
+van het Juul in top. Daarna is zij nedergegaan en onze vrijheid met
+haar. Als het twee spaken of twee duizend jaren nedergewenteld heeft,
+zullen de zonen opstaan, die de vorsten en priesteren in ontucht bij
+het volk geteeld hebben, en die tegen hunne vaderen getuigen. Die
+allen zullen door moord bezwijken; maar wat zij verkondigd hebben,
+zal voortdurend blijven en vruchtbaar worden in den boezem der kloeke
+menschen, gelijk goede zaden die neergelegd worden in uwen schoot. Nog
+duizend jaren zal de spaak naar beneden dalen en al meer neder zijgen
+in de duisternis en in het bloed over u uitgestort door de lagen der
+vorsten en priesteren. Daarna zal het morgenrood weder aanvangen te
+gloren. Dit ziende zullen de valsche vorsten en priesters allen te
+zamen tegen de vrijheid kampen en worstelen; maar vrijheid, liefde en
+eendracht zullen het volk in hare hoede nemen, en met het juul uit
+de vuile poel rijzen. Het licht, dat eerst alleen gloorde, zal dan
+van lieverlede tot eene vlam worden. Het bloed der boozen zal over uw
+ligchaam stroomen, maar gij moogt het niet tot u nemen. Ten laatste
+zal het vergiftige gedierte daarop azen en daarvan sterven. Alle vuile
+geschiedenissen, die verzonnen zijn om de vorsten en priesteren te
+roemen, zullen aan de vlam geofferd worden. Voortaan zullen alle
+uwe kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken had, zeeg zij
+neder. Maar de Magy, die haar niet wel verstaan had, schreeuwde: ik
+heb u gevraagd of ik meester zoude worden over alle landen en volken
+van Frya, en nu hebt gij tot een ander gesproken. Frana richtte zich
+weder op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven etmalen om zijn,
+zal uwe ziel met de nachtvogels bij de graven rond waren, en uw lijk
+zal liggen op den bodem van de zee. Heel goed, zeide de Magy met
+verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij tot zijn
+gerigtsdienaars: werpt dat wijf over scheepsboord. Zoo was het einde
+van de laatste der Moeders. Wraak willen wij daarover niet roepen,
+die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij Frya
+na roepen: waak! waak! waak!
+
+
+
+
+
+HOE HET DEN MAGY VERDER GEGAAN IS.
+
+
+Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar zijn
+schip brengen, benevens allen inboedel, die hem behaagde. Vervolgens
+ging hij het Flymeer op, want hij wilde de maagd van Medeasblik of
+van Stavoren rooven, en die tot Moeder aanstellen. Doch daar waren
+zij op hunne hoede gebracht. De zeelieden van Staveren en Alderga
+hadden zich gaarne tot Jon begeven, maar de groote vloot was op eene
+verre tocht uit. Nu gingen zij heen en voeren met hunne kleine vloot
+naar Medeasblik en hielden zich schuil achter de luwte der boomen. De
+Magy naderde Medeasblik, bij helderen dag en schijnende zon. Evenwel
+gingen zijne manschappen stoutweg op de burgt aanstormen. Maar als
+al het volk met de booten geland was, kwamen onze zeelieden uit de
+kreek weg en schoten hunne pijlen met brandende terpentijnballen op
+zijne vloot. Zij waren zoo goed gericht, dat vele van zijne schepen
+terstond in brand waren. Die op de schepen de wacht hielden, schoten
+ook naar ons, doch zij raakten niets. Toen ten laatste een schip al
+brandende naar het schip van den Magy dreef, beval hij zijn stuurman
+af te houden; maar die stuurman was de Denemarker, die den Fin geveld
+had; deze zeide: gij hebt onze Eeremoeder naar den bodem van de
+zee gezonden om te melden, dat gij komen zoudt, dat zoudt gij door
+de drukte wel vergeten; nu wil ik zorgen, dat gij uw woord gestand
+doet. De Magy wilde hem afweren, maar de stuurman een echte Fries en
+sterk als een jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem
+over boord in de golvende zee. Vervolgens heesch hij zijn bruin schild
+in top en voer recht toe recht aan naar onze vloot. Daardoor kwamen
+de maagden ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan, en niemand
+wist, hoe het gekomen was. Toen zij op de onvernielde schepen hoorden,
+dat de Magy verdronken was, trokken zij weg, want de zeelieden daarvan
+waren meest Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, wendden onze
+zeelieden en schoten hunne brandpijlen op de Finnen af. Toen de Finnen
+dat zagen en hoe zij verraden waren, liep alles door elkander en er
+was langer geen gehoorzaamheid noch bevel. Op dat tijdstip liep de
+bezetting hen uit de burgt. Die niet vluchtte werd afgemaakt en die
+vluchtte vond zijn einde in de poelen van het Krylinger woud.
+
+
+
+
+
+NASCHRIFT.
+
+
+Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren
+onder hun, die zeide Medea mag wel lachen, als wij haar uit hare burgt
+redden. Daarom hebben de maagden die Kreek Medea mêilakkia genoemd. De
+gebeurtenissen, die daarna geschied zijn, mogen iedereen heugen. De
+maagden behooren die op hare wijze te verhalen en goed te laten
+beschrijven. Daarom rekenen wij hiermede onzen arbeid volbracht. Heil.
+
+
+ Einde van het Boek.
+
+
+
+
+
+DE SCHRIFTEN VAN ADELBROST EN APOLLONIA.
+
+
+Mijn naam is Adelbrost, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk ben
+ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit boek
+vervolgen, op zoodanige wijze als mijne moeder gesproken heeft.
+
+Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest
+er eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare
+opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te
+vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en
+wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksamarken paalt. Mijne
+moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het
+leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen,
+nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder
+van haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder
+behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt,
+en even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief
+heb boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet
+wezen. Zoo sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden
+wilden alle Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd
+en wilde niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk
+dus bandeloos. Uit het volgende moogt gij het begrijpen. Liudgert
+de koning die onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder
+gekozen, blijkbaar door alle staten met liefde en vertrouwen. Het
+was zijne beurt op het groote hof te Dokhem te wonen; en bij het
+leven der Moeder, werd hem daar groote eer bewezen; want het was er
+altijd zoo vol boden en ridders, als men er nooit te voren gezien
+had. Doch nu was hij eenzaam en verlaten; want iedereen was bevreesd,
+dat hij zich meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk
+de slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed,
+als hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den
+ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde
+op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten
+haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde
+er eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene
+maagd ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten
+voordeele van haar eigen staat. Door dusdanige ranken brachten zij
+tweespalt over de staten, en tornden zij den band zoodanig van een,
+dat het volk van de eene staat nijdig was op het volk van de andere
+staat, en voor het allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg
+daarvan is geweest, dat de Golen of Truwenden al ons land afgewonnen
+hebben tot aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het
+hierbij toegegaan is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het
+boek niet geschreven geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb,
+dat het helpen zal ten bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat
+ik daardoor het land zal winnen of behouden, dat is mijns achtens
+ondoenlijk. Ik schrijf alleen voor het nakomende geslacht, opdat
+zij al te zamen mogen weten, op hoedanige wijze wij verloren gingen,
+en opdat ieder daaruit leeren mag, dat alle kwaad zijne straf teelt.
+
+Mij heeft men Apollonia genoemd. Tweeëndertig dagen na moeders dood,
+heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf,
+zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader,
+die ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere
+broeder, van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar
+heeft hij eene burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om daar ons leed
+te wreken. Wralda heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf
+zonen gewonnen. Die alle brengen den Magy schrik en mijn broeder roem
+aan. Na den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten
+van onze landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten,
+Adelbond geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij
+mij en mijn jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de
+maagden en mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud
+was, heeft men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig
+was, werd hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder
+de zesde, maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne
+nakomelingen niet overa Linda achter hunne namen voeren; maar iedereen
+wilde het hebben ter eere van mijne moeder. Daarenboven heeft men ons
+ook een afschrift gegeven van het boek van Adela's aanhangers. Daarmede
+ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid kwam het
+in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften gevonden, ook
+lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter schrijven.
+
+Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest
+is op deze burgt. Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten
+overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift
+was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene
+vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd
+Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne
+Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij
+Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van
+waar meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund
+was, opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt
+zeer te hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet
+sluiten noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan,
+dat gij haar zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig,
+zoo is zij te voren hier Burgtmaagd geweest; is zij daarom wijzer en
+beter als ik en alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden
+en gewoonten? Was dat het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden
+zijn, toen zij daartoe gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk
+hebben met alle vreugde en genoegens, die daaraan verbonden zijn,
+in plaats van eenzaam over haar zelve en het volk te waken. Zij is
+zeer helderziende, goed, maar mijne oogen zijn verre van verduisterd
+te wezen. Ik heb gezien dat zij haren echtgenoot grootelijks bemint,
+nu goed, dat is loffelijk, maar ik heb verder gezien, dat Teuntje
+Apols nicht is. Wijders wil ik niets zeggen.
+
+De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar
+onder het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier
+kwam, wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden
+geëindigd: de messen uit den zak gehaald, en er werd geene Moeder
+gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot
+nu toe was hij braaf geweest, daarom had mijne burgtmaagd verlof hem
+buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar
+het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts
+naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde
+haar aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer,
+zij zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij
+meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin
+van Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder
+geworden. Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar
+bode zijne krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft
+haar bode zelf beleden.
+
+
+
+
+
+HET TWEEDE GESCHRIFT.
+
+
+Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was
+het Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan lustige
+vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na
+te jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid
+niet mag verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel
+onze oorden in dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de
+waakzaamheid wilde niet terugkeeren. De strandwakers waren van
+hunne noodvuren weggeloopen, en op de toegangen was niemand te
+zien. Toen de nevel optrok, keek de zon door de reeten der wolken
+op aarde neder. Iedereen kwam weder uit om te juichen en te joelen,
+het jongvolk trok zingende met de (zakpijp?), en deze vervulde de
+lucht met haar lieffelijken adem. Maar, terwijl daar iedereen zich in
+vreugde baadde, was verraad geland met paarden en ruiters; gelijk al
+het booze waren zij geholpen door de duisternis, en binnengeslopen
+door de paden van Lindaswoud. Voor de deur van Adela trokken twaalf
+meisjes met twaalf lammeren en twaalf knapen met twaalf hokkelingen,
+een jonge Saksman bereed een wilden buffel, dien hij zelf gevangen
+en getemd had. Met allerlei bloemen waren zij versierd, en de linnen
+jurken der meisjes waren omboord met goud uit den Rijn.
+
+Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op haar
+hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken
+boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier
+vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep
+Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en
+haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar
+binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees
+waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste
+der roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den
+tweede en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne
+ouders hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De
+roovers zouden hen spoedig gevangen genomen hebben, maar Adela kwam
+(op de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was
+zij lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over
+haar hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras.
+
+Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden
+geveld en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem
+getroffen. Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en
+daaraan stierf zij.
+
+
+
+
+
+DE LOFSPRAAK DER BURGTMAAGD.
+
+
+Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere
+zijn op weg.
+
+Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.
+
+Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste geweest.
+
+O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare
+tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij
+hare schoonheid verhoogen? Niet met parelen, want hare tanden zijn
+witter; niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met
+edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch
+te gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat
+spreek ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya
+die zeven schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene,
+hoogstens drie geërfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch
+zoude zij ons dierbaar wezen.
+
+Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van
+onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog
+grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.
+
+Zie hier, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op gindschen
+grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de
+moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij, roept
+zij, tracht hulp te verleenen, en Wralda zal u krachten geven. Daarop
+ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht eene brug te
+maken; nu helpt ook de andere en de kinderen zijn gered.
+
+Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen neêrleggen.
+
+Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden
+mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat
+de onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat
+zij onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een
+spinrok vast. De uitheemsche heeren kwamen hunne lieden opeischen;
+toen zij zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op;
+doch men verhaalde hun, hoe het gebeurd was.
+
+Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van
+haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten voor
+de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid hooren.
+
+Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt,
+is moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden
+gegrift.
+
+
+ LOOP NIET TE SCHIELIJK, WANT HIER LIGT ADELA.
+
+
+De oude leer, die gegrift is op de buitenwand des burgttorens, is niet
+geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten is,
+weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil
+ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten.
+
+
+
+
+
+OUDSTE LEER.
+
+
+Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor zal het
+zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is
+het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda
+is alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal
+tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest
+genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door
+zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen
+en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde,
+alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want
+alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda
+komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is
+hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem.
+
+Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het geschapene,
+en er zijn geene goede wetten, of zij moeten daarnaar ingericht
+zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der menschen
+is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid
+of domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda
+nimmer. Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft,
+zijn de boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid
+te vinden, noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele
+dingen zien; maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele
+dingen leeren, maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele
+dingen ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen
+zijn mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen
+beminnen en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is
+Wralda alleen goed, en er zijn geene goeden buiten hem. Met het Juul
+verandert en wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen
+onveranderlijk. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; en
+omdat hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn.
+
+
+
+
+
+HET TWEEDE DEEL VAN DE OUDSTE LEER.
+
+
+Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid
+zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden
+doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest
+het beste deel is van Wralda's geest, en dat Wralda alleen kan denken
+door hulp van hun brein.
+
+Dat ieder schepsel een deel is van Wralda's oneindig wezen, dat hebben
+zij van ons gestolen.
+
+Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid
+heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan
+zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want
+hun geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij
+naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon
+de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo
+hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen
+allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat
+daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en geëerd
+willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen en schatting
+eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf godsdienaren
+of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en vergaderen dat alles
+voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te behouden. Dat alles
+bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij zich zelven goden
+wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn er sommigen die
+hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden zij door hunne
+rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met vele statelijke
+plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in trouwe, alleen opdat
+zij hun niet schaden zouden. Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen
+tegen hunne afgodische leer, zoo behooren de maagden hen te doen van
+buiten leeren, wat hier zal volgen.
+
+Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij
+wezen. Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets
+buiten hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle
+dingen geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze
+zaken moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat
+zij het aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre
+gewonnen, dan zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo
+zijn wij een deel van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het
+geschapene. Doch wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen
+geest en al onze bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit
+alles zijn vluchtige dingen, die door Wraldas leven verschijnen;
+doch door zijne wijsheid zoodanig en niet anders verschijnen. Maar
+doordien zijn leven steeds voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne
+plaats blijven. Daarom verwisselen alle geschapene dingen van plaats,
+van gedaante en ook van denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch
+eenig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch
+zeggen: ik denk, maar bloot: ik dacht. De knaap is grooter en anders
+als toen hij een kind was. Hij heeft andere begeerten, neigingen en
+denkwijze. De man en vader is en denkt anders als toen hij knaap
+was. Even zoo de oude van dagen. Dat weet iedereen. Bijaldien nu
+iedereen weet, en moet erkennen, dat hij steeds wisselt, zoo moet hij
+ook bekennen, dat hij ieder oogenblik wisselt; ook terwijl hij zegt:
+ik ben; en dat zijne denkbeelden veranderen, terwijl hij zegt: ik denk.
+
+In plaats dus, van dat wij de boose Finda's op eene onwaardige wijze
+napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel Wraldas,
+ja door ons alleen mag hij denken, zoo willen wij verkondigen
+overal en allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn
+verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot:
+doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo
+goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda's geest,
+hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep, heeft
+hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele goede
+eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en zijne
+wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen wij
+spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene
+zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden
+nog redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe
+en door vloed.
+
+
+
+
+
+DIT STAAT OP SCHRIJFFILT GESCHREVEN. TAAL EN ANTWOORD AAN ANDERE
+MAAGDEN TOT EEN VOORBEELD.
+
+
+Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te
+Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda
+gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte
+Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan,
+zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het
+kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide:
+toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed
+tegen de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand,
+die haar hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in
+haar gemoed neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich;
+hare neiging koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder
+de beschuttende lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was,
+dat zij nat werd. Doch zij had gezien, hoe het water bij de hellende
+bladeren neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden,
+op staken maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen
+daaronder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij
+heen en maakte eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde
+en vervolgens aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als
+te voren, en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda,
+noch tegen Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen
+daarop. Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben,
+zoo beduidde zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze
+handelden en dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen
+gekomen met stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde
+tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en
+vervolgens al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest,
+dan moet gij trachten het andere beter te maken. Mijn huis was
+sterk genoeg, zeide hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd
+en de stormwind heeft het andere gedaan. Waar stond uw huis dan,
+vroeg Troost. Aan den oever van den Rijn, antwoordde de man. Stond
+het dan niet op eene nol (ronde hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen,
+zeide de man, mijn huis stond eenzaam bij den oever; alleen heb ik het
+gebouwd, maar ik kon daar alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel,
+antwoordde Troost, de maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw
+leven een afkeer gehad van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven
+of doen moest voor hun. Doch daarmede kan men niet verre komen. Want
+Wralda die mild is, keert hem af van de gierigen. Fåsta heeft ons
+geraden en boven de deuren van alle onze burgten is 't gegrift in
+steen: zijt ge erg baatzuchtig, zeide Fåsta, behoed dan uwe naasten,
+onderricht dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het
+u wederom doen. Is u deze raad niet goed genoeg, ik weet geene betere
+voor u. De man werd schaamrood en droop stil af.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK ZELF SCHRIJVEN, EERST OVER MIJNE BURGT EN DAN OVER HETGENE
+IK HEB MOGEN ZIEN.
+
+
+Mijne burgt ligt aan 't noordeinde van de Liudgaarde. De toren heeft
+zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een klein
+huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde van
+den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven
+voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van
+hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is
+een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed
+driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden,
+dan ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de
+zuidelijke huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre,
+daarvan moeten de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de
+noordelijke huizen is alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn
+vol koorn en andere benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor
+de maagden, om school te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is
+de woning der Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van
+den toren zijn gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de
+Tex gegrift. Aan de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan
+de linkerzijde de wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere
+zijden. Tegen den dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven
+en de meelmolen door vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is
+de plaats, waarop de burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk
+daaromheen is een uur groot, niet een zeemans, maar een zonne uur,
+waarvan tweemaal twaalf in een etmaal gaan. Aan de binnenzijde
+van den dijk is een plat, vijf voet beneden de kruin. Daarop zijn
+drie honderd kraanbogen, gedekt met hout en leder. Behalve de
+huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den dijk nog drie maal
+twaalf noodhuizen voor de omwoners. Het veld dient tot kamp en tot
+weide. Aan de zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Liudgaarde
+omtuind door het groote Lindenwoud. Hare gedaante is driehoekig,
+met de breede zijde naar buiten, opdat de zon daarin mag zien. Want
+daar zijn vele buitenlandsche boomen en bloemen, door de zeevaarders
+medegebracht. Gelijk de gedaante van onze burgt is, zoo zijn alle
+andere; doch onze burgt is de grootste; maar de allergrootste is die
+van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog, dat hij de wolken
+tornt, en in evenredigheid van den toren is al het overige.
+
+Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken
+bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij
+huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest,
+dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne
+zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest,
+dan mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan.
+
+De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De
+grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde,
+kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen,
+benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De
+Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij
+de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij
+door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie
+oude maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis
+is langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen
+oever benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de
+menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat
+daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te
+winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen
+waren er meer geweest, maar sedert wij Schoonland misten, zijn zij
+naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar zij ijzer van
+maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik Marsaten
+gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren wonen. Hunne
+huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild gedierte en booze
+menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte afgrijselijke leeuwen. En
+zij zijn de naburen of aangrenzenden van de heinde Krekalanden, der
+Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle begeerig naar roof en
+buit. De Marsaten generen zich met visschen en jagen. De huiden worden
+door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors van berken. De kleine
+huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te Fryasburgt zeide ons,
+dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch had ik haar niet vooraf
+hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat zij geen Fryas volk waren,
+maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er uit. Hunne vachten en kruiden
+werden door de Rijnbewoners verhandeld en door de schippers buiten
+gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn was het eveneens tot
+aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of mare. Op deze vliet
+waren ook menschen, die huizen op palen hadden. Doch dat was geen
+Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen, die gediend
+hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te helpen. Zij
+moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok.
+
+Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat
+de Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns,
+wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden
+medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote
+vliet omzoomd met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In
+die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei
+verf. Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken
+gelijk de zon. De schilden van den zeekoning en den schout bij nacht
+waren met goud omboord. Van uit die vliet was eene gracht gegraven
+van daar voortloopende langs de burgt Forana en voorts met eene enge
+mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en het Fly de ingang. Aan
+beide zijden der gracht zijn schoone huizen met helder blinkende verwen
+geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene hagen omheind. Ik heb
+daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen, als of het schrijffilt
+was. Even als te Staveren waren de meisjes met gouden kroonen op hare
+hoofden en met ringen om de armen en voeten gesierd. Zuidwaarts van
+Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of vliet, daarin ligt een
+eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine menschen verwijlen,
+even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana zeide mij, dat de
+burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te leeren, wat echte
+vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren te leven om
+zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die hooren wilde
+en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij volleerd
+was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken, en
+om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de
+burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien,
+als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de
+Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes
+daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt
+gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en
+hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar
+van daan is 't gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de vrouwen
+overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag of
+schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk op
+zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een dier,
+dat hij geveld heeft. En eindelijk, daarvan daan is het gekomen, dat
+zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even dom zijn
+als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de Twisklanders,
+met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee geschapen. Alle
+onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het Findasvolk zullen
+elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen bevolken. In het
+heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de bovenlanders deel
+hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u een raad geven. Laat
+het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare vrijers te vragen,
+eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld rondgevaren? wat
+kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en over verwonende
+volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige knapen tot ons
+komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen geen behoefte
+langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de maagden, die bij
+mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te huis kwamen,
+heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand is zij daar
+Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat heden ten
+dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.
+
+
+ Einde van Apollonias boek.
+
+
+
+
+
+DE GESCHRIFTEN VAN FRÊTHORIK EN WILJOW.
+
+
+Mijn naam is Frêthorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen over
+de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is een
+nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgaarda, waarvan de
+naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel
+had ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen
+gemeld. Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek
+schrijven, de goede menschen tot eere, de slechten tot oneer.
+
+In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze
+tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes
+terug gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze
+landpalen gevonden.
+
+Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt
+strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende
+over de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de
+kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de
+beelden eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de
+burgt. Een grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen,
+zeide ik. Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders
+mag het u niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver
+leeren. Acht jaren later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht
+had bedreven en dat sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden
+met den Magy. En vele menschen waren op hunne zijde. Overal kwam
+tweespalt. Er waren kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In
+'t geheim werden de brave menschen vermoord. Het oude vrouwtje, dat
+alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel. Mijn vader,
+die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd hij in zijn
+huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder strijd. De
+Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten alle goede
+menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de anderen. De Magy
+verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem toonen, dat zij
+geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige schoot, waaruit
+zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen schudt, nadat
+het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo schudde Irtha
+hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden gespreid. De zee
+kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij gespuwd hadden,
+slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang van Arnemaand
+(oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder, al lager
+en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken van
+Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren,
+werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst
+in de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank
+(ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind
+uit het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen
+springvloed kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam
+en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne of Minnemaand
+(bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met
+eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De
+wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was,
+was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield,
+en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik
+een steen; onze schrijver had daar zijn naam ingegrift; dat was mij
+een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was het ook met
+de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de aarde, en in
+de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht op Texland
+werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts gelegen had,
+was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan dezen oever
+van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute plassen gekomen,
+ontstaan door de wouden, die met grond en al weg gedreven waren. Te
+Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga dwars door het
+land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden en ander
+varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met magen en
+bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van Lydasburgt en
+Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten zuidwaarts dreven,
+hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand kwam om ze op
+te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De menschen die
+terug kwamen, gingen alle binnen de ringdijken der burgten wonen,
+omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude huizen
+werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en schapen,
+en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd waren,
+werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit geschiedde
+1888 jaren nadat Atland verzonken was.
+
+In 282 jaren hadden wij geene Eeremoeder gehad en nu alles misschien
+verloren scheen, ging men eene kiezen. Het lot viel op Gosa toegenaamd
+Makonta. Zij was Burgtmaagd op Fryasburgt te Texland. Helder van hoofd
+en klaar van zin, heel goed, en omdat hare burgt alleen gespaard was,
+zag iedereen daaruit hare roeping. Tien jaren later kwamen de zeelieden
+van Forana en van Lydasburgt. Zij wilden de zwarte mannen met vrouw
+en kinderen uit het land drijven. Daarover wilden zij de raad der
+Moeder inwinnen. Maar Gosa vroeg: kunt gij een en ander terug voeren
+naar hunne landen, dan behoort gij spoed te maken, anders zullen zij
+hunne bloedverwanten niet weder vinden. Neen, zeiden zij. Toen zeide
+Gosa: Zij hebben uw zout geproefd en uw brood gegeten. Hun lijf en
+leven hebben zij onder uwe hoede gesteld. Gij moet uw eigen hart
+onderzoeken. Maar ik wil u een raad geven. Houdt hen tot dat gij
+in staat zijt om hen weder naar huis te voeren. Maar houdt hen bij
+uwe burgten daar buiten. Waakt over hunne zeden, en onderwijs hen
+alsof zij Fryas zonen waren. Hunne vrouwen zijn hier de sterkste. Als
+rook zal hun bloed vervliegen, tot er ten laatsten niets anders dan
+Fryas bloed in hunne nakomelingen zal overblijven. Zoo zijn zij hier
+gebleven. Nu wenschte ik wel dat mijne nakomelingen daar op letten,
+in hoeverre Gosa waarheid sprak.--Toen onze landen weder te begaan
+waren, kwamen er benden arme Saxmannen en vrouwen naar de oorden van
+Staveren en het Alderga, om gouden en andere sieraden te zoeken uit de
+drassige bodem. Doch de zeelieden wilden hen niet toelaten. Toen gingen
+zij de ledige dorpen bewonen te West Flyland, om hun lijf te behouden.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK SCHRIJVEN HOE DE GEERTMANNEN EN VELE VOLGELINGEN VAN HELENIA
+TERUG KWAMEN.
+
+
+Twee jaren nadat Gosa moeder werd, kwam er eene vloot het Flymeer in
+vallen. Het volk riep ho.n.sêen. (welk een zegen!) Zij voeren naar
+Staveren, daar riepen zij nog eenmaal. De banieren waren in top en
+des nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad
+was, roeiden sommige met eene snik de haven in, zij riepen weder
+hoezee. Toen zij landden, wipte een jong kerel op den wal. In zijne
+handen had hij een schild, daarop was brood en zout gelegd. Na hem
+kwam een grijze; hij zeide wij komen van de verre Krekalanden weg, om
+onze zeden te bewaren. Nu wenschten wij, dat gij zoo vriendelijk zoudt
+wezen, om ons zoo veel land te geven, dat wij daarop mogen wonen. Hij
+vertelde eene heele geschiedenis, die ik hierna beter beschrijven
+wil. De grijzen wisten niet wat te doen, zij zonden boden allerwege,
+ook tot mij. Ik ging heen en zeide: nu wij eene Moeder hebben,
+behooren wij haar raad te vragen. Ik zelf ging mede. De Moeder,
+die alles reeds wist, zeide: laat hen komen, zoo mogen zij ons land
+helpen behouden: maar laat hen niet op ééne plek blijven, opdat zij
+niet machtig worden over ons. Wij deden gelijk zij gezegd had. Dat
+was heel naar hun zin. Fryso bleef met zijne lieden te Staveren dat
+zij weder tot eene zeestad maakten, zoo goed zij konden. Wichhirte
+ging met zijne lieden oostwaarts naar de Emude. Sommige der Joniers,
+die meenden dat zij van het Alderga volk gesproten waren, gingen
+daarheen. Een klein deel, die waanden, dat hunne voorvaderen van de
+Zeven eilanden weg kwamen, gingen heen en zetten zich neder binnen
+den ringdijk van de burgt Walhallagara. Liudgert de schout bij nacht
+van Wichhirte werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn
+dagboek heb ik de geschiedenis die hier achter zal volgen.
+
+Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren gezeten
+waren, terwijl onze zeestrijders alle zeeën bevoeren, die er te vinden
+waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van boven langs
+den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem wederstaan. Doch
+wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze
+have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk eene groote vloot
+hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat hij alle dorpen
+aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug komen. Wichhirte
+lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, tot
+dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam sprekende;
+doch hij bedroog gelijk hij vroeger gedaan had. Wichhirte antwoordde:
+o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen allerwege, wij
+hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol eerbied
+jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij
+anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven
+niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen
+sterven, want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide:
+ik wil uw land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne
+slaven. Ik wil alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil
+ik zweeren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden
+zal zijn. Toen Alexander naderhand brood en zout met hem deelde,
+heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen
+door zijn zoon. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle
+gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar den heiligen Ganges voeren,
+dien hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij toe en koos al
+degene uit zijn volk en zijne soldaten, die gewoon waren over zee te
+varen. Wichhirte was weder ziek geworden, daarom ging ik alleen mede
+en Nearchus van des konings wege. De tocht liep zonder voordeel ten
+einde, uithoofde de Joniers altijd in onmin waren tegen de Pheniciers,
+zoodat Nearchus zelf er geen meester over blijven kon. Intusschen
+had de koning niet stil gezeten. Hij had zijne soldaten boomen laten
+kappen en tot planken maken. Met hulp van onze timmerlieden had
+hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden,
+en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de soldaten die
+uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden,
+dat zij moesten, staken zij de timmerschuren in den brand. Daardoor
+werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij dat
+Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen. Maar
+Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk
+laten ombrengen. Maar Nearchus, die niet alleen zijn eerste vorst,
+maar ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij
+zich als of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij
+durfde zijn tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer
+hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra
+hij dat wist, liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw
+dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen
+te temmen en om eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen
+mede nemen. Als wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten
+wij daar eene plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even
+gaarne toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen
+waren, liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn
+ander volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land,
+dat Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze
+voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen.
+
+Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven,
+die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten
+wij Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie
+dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen,
+ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch
+hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij
+zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van
+de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen
+kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat
+vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds
+uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen,
+medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen
+(touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche
+zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek ons raar toe; maar Nearchus
+verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat
+hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij
+zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij
+moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen,
+dat wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen
+waren. Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was,
+werd hij zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen,
+Irtha ten spot. Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij
+in den wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na
+zijn dood, werd het rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk
+een deel voor zijne zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk
+wilde zijn deel behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog
+en wij konden niet terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden
+nederzetten aan de kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij
+zeiden het liever te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen
+bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte
+Fryaskinderen voormaals heen getogen waren. Voorts gingen wij soldaten,
+leeftocht en wapenen voeren. Onder de vele vorsten had Nearchus een
+vriend met name Antigonus. Deze streden beide om één doel, gelijk zij
+zeiden, als helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle
+Grieksche landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had
+onder vele anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd
+de stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar
+een geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot
+van Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst, die heerschte over
+Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten,
+maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit
+vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed,
+door zijne blanke huid met blauwe oogen en wit haar. Naderhand ging
+Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten en
+leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de
+oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij
+in de haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso,
+die koning was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis,
+zoo bijster frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo
+wonderschoon als niemand heugen mocht. De roep daarvan ging over alle
+Krekalanden en kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en
+onzedelijk, en hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter
+openlijk schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen
+de schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij
+zoethart. De schippers noemen hunne wijven troost en fro of frow,
+dat is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren
+man niet durfde opwachten, ging zij met haren zoon naar Demetrius,
+en smeekte, dat hij haar hare dochter weer zoude geven. Maar als
+Demetrius haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en
+deed met hem eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de
+moeder zond hij een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen
+zij thuis kwam werd zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat:
+(roepende) hebt gij mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij
+u eene schuilplaats zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat
+ik zijne kinderen verloren heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso
+weer thuis was, zond hij een bode tot hem zeggende, dat hij zijne
+kinderen tot zich genomen had om hen te voeren tot eene hoogen staat,
+en om hem te beloonen voor zijne diensten. Maar Friso, die trotsch en
+hartstochtig was, zond een bode met een brief naar zijne kinderen,
+daarin vermaande hij hen, zij zouden Demetrius te wille zijn,
+vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode had nog een anderen
+brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te nemen; want,
+zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam verontreinigd, dat zal u
+niet toegerekend worden, doch indien gij uwe ziel verontreinigt,
+zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen zullen dan over de
+aarde omwaren, zonder het licht te mogen zien; gelijk de vleermuizen
+en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe holen schuilen en des
+nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen en huilen, dewijl
+Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen deden gelijk hun
+vader hun bevolen had. De bode liet hunne lijken in de zee werpen, en
+aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu wilde Friso
+met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger geweest was;
+maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen en schoot
+het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon en
+durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren;
+behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij
+waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap.
+
+Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging hij
+met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand
+in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen
+zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval
+ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene
+breede linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts
+gebood hij, dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en
+aan den achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al
+vluchtende te vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden
+vijand te vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl
+wij daarmede reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg
+tot schrik van de lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven
+hadden, dan die ons vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand
+dus niet door roeijen ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij
+zoo deed. En Friso, die het vatte, liet spoedig de brandpijlen op
+de kraanbogen leggen. Tevens gebood hij dat niemand schieten mogt,
+voor dat hij geschoten had. Daarop zeide hij, dat wij alle naar het
+middelste schip moesten schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij,
+dan zullen de andere hem te hulp komen, dan moet ieder schieten,
+zoo hij best kan. Toen wij nu ander half ketting (kabelslengte)
+van hen af waren, begonnen de Pheniciers te schieten, maar Friso
+beantwoordde dat niet voor dat de eerste pijl op zes vademen van
+zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de anderen volgden, het geleek
+wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met den wind medegingen,
+bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de derde laag. Alle
+mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer tegenstanders waren
+zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen Friso meende, dat het
+wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden ons weg. Doch na dat
+wij twee dagen voort gesukkeld hadden, kwam er eene andere vloot in
+'t gezicht van dertig schepen, die ons steeds inwon. Friso liet ons
+weer klaar maken; maar de anderen zonden eene lichte snik met roeijers
+bemand vooruit. Hunne boden baden uit aller naam, of zij met ons mede
+varen mogten. Zij waren Joniers. Door Demetrius waren zij gewelddadig
+naar de oude haven gestuurd; daar hadden zij van dit gevecht gehoord;
+nu hadden zij het stoute zwaard aangegord, en waren ons gevolgd. Friso,
+die veel met Joniers gevaren had, zeide ja; maar Wichhirte onze koning
+zeide neen. De Joniers zijn afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb
+gehoord hoe zij die aanriepen. Friso zeide, dat komt door den omgang
+met de echte Krekalanders. Dat heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben
+ik zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was de man, die ons naar
+Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers mede. Ook scheen het
+naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden verloopen waren, gingen
+wij langs Brittania, en drie dagen later mochten wij hoezee roepen.
+
+
+
+
+
+DIT GESCHRIFT IS MIJ OVER NOORDLAND OF SCHOONLAND GEGEVEN.
+
+
+Ten tijde dat ons land neder zonk, was ik in Schoonland. Daar ging
+het zoo toe. Er waren groote meeren, die van den bodem als een
+blaas uitzetten, dan spleten zij vaneen, uit de scheuren kwam eene
+stof, alsof het gloeijend ijzer was. Er waren bergen, wier kruinen
+aftuimelden, deze stortten neder en vernielden wouden en dorpen. Ik
+zelf zag, dat een berg van een ander werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij
+neder. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen
+de aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindasburgt met zijn
+volk en eene maagd, die alom uitriep: de Magy is schuldig aan al
+het leed, dat wij geleden hebben. Zij trokken steeds voort en het
+heer werd al grooter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk,
+hij had zich zelf omgebracht. Toen werden de Finnen verdreven naar
+ééne plaats, daar mochten zij leven. Er waren ook van gemengd bloed,
+deze mochten blijven, doch velen gingen met de Finnen mede. De hertog
+werd tot koning gekozen. De kerken, die heel gebleven waren, werden
+vernield. Sedert dien tijd komen de goede Noormannen dikwijls op
+Texland om raad van de Moeder. Doch wij kunnen hen niet voor rechte
+Friezen meer houden. In de Dennemarken is het zeker gegaan, als bij
+ons. De zeelieden, die zich zelven stoutelijk zeekampers noemen,
+zijn op hunne schepen gegaan, en naderhand zijn zij terug getrokken.
+
+
+ HEIL!
+
+
+Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de
+nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen
+medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor
+wil ik waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik
+gezien heb. Over de Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen. Ik
+heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb,
+zijn zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik
+niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden weg komen, zijn
+kwaad ter taal, en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben
+bruine oogen en haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door
+bijgeloovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop,
+die het laatst komen moesten. Tegen âld zeggen zij âd, tegen sâlt,
+sât, ma voor man, sol voor skil, sode voor skolde, te veel om
+te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge en verkorte namen,
+waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers spreken beter,
+doch zij verzwijgen de h, en waar die niet wezen moet, wordt zij
+uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene
+en het gelijkt, dan gelooven zij, dat de geest des overledene daarin
+vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van Frya, Fâsta,
+Medea, Thiania, Hellenia en vele andere. Wordt er een kind geboren,
+dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot Frya, dat zij hare
+dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden
+hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren. Begint het kind
+te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een kwaad teeken,
+en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven heeft. Daarvan
+heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat
+een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in den slaap,
+dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd. Vervolgens gelooven
+zij aan booze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof
+zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik,
+dat ik meer geschreven heb, als een mijner voorvaderen. Frethorik.
+
+Frethorik mijn echtgenoot is drieenzestig jaren oud geworden. Sints
+honderd en acht jaren is hij de eerste van zijn geslacht, die vreedzaam
+gestorven is; alle anderen zijn onder de slagen bezweken, daarom dat
+allen kampten met eigen volk en vreemden om recht en plicht.
+
+Mijn naam is Wiljo, ik ben de maagd, die met hem uit de Saksenmarken
+naar huis voer. Door taal en omgang kwam het uit, dat wij alle beide
+van Adelas geslacht waren; toen ontstond liefde en daarna zijn wij
+man en vrouw geworden. Hij heeft mij vijf kinderen nagelaten, twee
+zonen en drie dochters. Konereed, zoo heet mijne oudste, Hachgana mijn
+tweede, mijne oudste dochter heet Adela, de tweede Frulik en de jongste
+Nocht. Toen ik naar de Saksenmarken voer, heb ik drie boeken gered,
+het boek der zangen, het boek der verhalen en het Hellenia boek. Ik
+schrijf dit, opdat men niet moge denken, dat zij van Apollonia
+zijn; ik heb daar veel verdriet over gehad, nu wil dus de eere ook
+hebben. Ook heb ik meer gedaan; toen Gosa-Makonta gestorven is, wier
+goedheid en helderziendheid tot een spreekwoord geworden is, toen
+ben ik alleen naar Texland gegaan, om de schriften over te schrijven,
+die zij nagelaten had, en toen de laatste wil gevonden is van Frana,
+en de nagelaten schriften van Adela of Hellenia heb ik dat nog eens
+gedaan. Dit zijn de schriften van Hellenia. Ik heb ze voorop geplaatst,
+omdat zij de alleroudsten zijn.
+
+
+ ALLE ECHTE FRIESEN HEIL!
+
+
+In oude tijden wisten de Slavonische volken niet van vrijheid. Gelijk
+ossen werden zij onder het juk gebracht. Zij werden in de ingewanden
+der aarde gejaagd om metaal te delven, en uit de harde bergen moesten
+zij huizen houwen, tot woningen voor vorsten en priesters. Bij alles
+wat zij deden was niets voor hun zelven, maar alles moest dienen, om
+de vorsten en priesteren nog rijker en geweldiger te maken, om zich
+te verzadigen. Onder dezen arbeid werden zij grijs en stram eer zij
+oud waren en stierven zonder genot, ofschoon de aarde dat overvloedig
+veel geeft ter bate van al hare kinderen. Maar onze weggeloopenen en
+ballingen kwamen door Twiskland over in hunne marken trekken, en onze
+zeelieden kwamen in hunne havens. Van deze hoorden zij spreken over
+gelijke vrijheid en recht en over wetten, waar niemand buiten kan. Dit
+alles werd door de droeve menschen ingezogen als dauw door de dorre
+velden. Toen zij vol daar van waren, begonnen de stoutmoedigsten
+te klippen met hunne ketenen, zoodat het den vorsten wee deed. De
+vorsten zijn trotsch en krijgshaftig, daarom is er ook nog deugd in
+hunne harten, zij raadpleegden te zamen, en deelden iets mede van
+hunnen overvloed. Maar de laffe schijnvrome priesters konden dat
+niet dulden, onder hunne verdichte goden hadden zij ook booze wreede
+gedrochten geschapen. De pest kwam over het land, toen zeiden zij dat
+de goden toornig waren over de overheersching der boozen. Toen werden
+de stoutmoedigste menschen met hunne ketenen gewurgd. De aarde heeft
+hun bloed gedronken, met dat bloed voedde zij vruchten en koorn en
+al die daarvan aten werden wijs.
+
+Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken, en te dier tijde
+gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had.
+
+In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte die
+geheeten is Kasamyr, dat is, zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren,
+zijne moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een
+opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen
+bloed verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme
+menschen. Intusschen was den knaap (toen hij grooter werd) niets
+verheeld geworden; daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en
+te vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles begreep,
+wat hij zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de
+priesters werden beangst voor zijne vragen. Toen hij meerderjarig
+werd, ging hij naar zijne ouders. Zij moesten harde dingen hooren; om
+hem kwijt te worden, gaven zij hem een overvloed van edelgesteenten;
+maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met
+droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij
+omdwalen. Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die
+als slaaf diende, van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij
+kocht hem vrij, en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven. Alom
+waar hij voorts henen trok, leerde hij aan de menschen dat zij noch
+rijken noch priesters moesten toelaten; dat zij zich moesten hoeden
+tegen de valsche schaamte, die allerwegen kwaad doet aan de liefde. De
+aarde, zeide hij, schenkt hare gaven naarmate men hare huid krabt,
+dat men daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaijen, zoo men
+daarvan maaijen wil. Doch, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor
+een ander, zoo het niet met gemeene wil of uit liefde geschiedt. Hij
+leerde dat niemand in hare ingewanden mocht wroeten om goud of zilver
+of edelgesteenten, waar nijd aan kleeft en liefde van vliedt. Om uwe
+meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft haar de rivier water
+genoeg. Niemand, zeide hij, is machtig alle menschen tevens rijkdom
+en gelijk geluk te geven; doch het is aller menschen plicht om de
+menschen alzoo tevens rijk te maken en zooveel genoegen te geven als
+te bereiken is. Geene wetenschap, zeide hij, mag men minachten, doch
+rechtvaardigheid, is de grootste wetenschap, die de tijd ons leeren
+mag. Daarom, dat zij ergernis van de aarde weert, en de liefde voedt.
+
+Zijn eerste naam was Jessos, doch de priesters, die hem zeer haatten,
+heetten hem Fo, dat is valsch, het volk heette hem Krishna, dat is
+herder, en zijn Friesche vriend noemde hem Buddha (buidel), omdat hij
+in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een schat
+van liefde.
+
+Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesteren, maar overal
+waar hij kwam was zijne leer hem vooruitgegaan, en overal waar hij
+ging volgden hem zijne vijanden als zijne schaduw. Toen Jessos zoo
+twaalf jaren rondgereisd had, stierf hij, maar zijne vrienden bewaarden
+zijne leer en verkondigden die, waar zij ooren vond.
+
+Wat meent gij nu dat de priesters deden? dat moet ik u melden;
+ook moet gij er zeer acht op geven, voorts moet gij waken voor
+hun bedrijf en ranken met alle krachten, die Wralda in u gelegd
+heeft. Terwijl de leer van Jessos over de aarde zich uitbreidde,
+gingen de valsche priesters naar het land zijner geboorte, om zijn
+dood bekend te maken; zij zeiden dat zij van zijne vrienden waren,
+zij veinsden eene groote droefheid door hunne kleederen in stukken
+te scheuren en hun hoofd kaal te scheeren. Zij gingen in de holen
+der bergen wonen, doch hierin hadden zij hunne schatten gebracht,
+daar binnen maakten zij beelden van Jessos. Deze beelden gaven ze aan
+de onergdenkende lieden; ten langen laatste zeiden zij dat Jessos een
+godheid was, dat hij zelf dit aan hun had beleden, en dat allen die
+aan hem en zijne leer gelooven wilden, hiernamaals in zijn koningrijk
+zouden komen, waar vreugde is en genietingen zijn. Vermits zij wisten
+dat Jessos tegen de rijken was te velde getrokken, verkondigden zij
+allerwegen, dat armoede lijden en eenvoudig zijn de deur was om in
+zijn rijk te komen, dat degene die op aarde het meeste geleden hadden,
+hier namaals de meeste vreugde hebben zouden. Ofschoon zij wisten,
+dat Jessos geleerd had, dat men zijne hartstochten overmeesteren en
+besturen moest, zoo leerden zij dat men alle zijne hartstochten dooden
+moest en dat de volkomenheid des menschen daarin bestond, dat hij
+even gevoelloos werd als de koude steen. Ten einde nu het volk wijs
+te maken, dat zij zelve zoo deden, veinsden zij armoede op straat,
+en om voorts te bewijzen, dat zij al hunne zinnelijke lusten gedood
+hadden, namen zij geene vrouwen. Doch zoo ergens eene jonge dochter
+een misstap gedaan had, werd haar dat spoedig vergeven; de zwakken,
+zeiden zij, moest men helpen, en om zijne eigene ziel te behouden,
+moest men veel aan de kerk geven. Dusdoende hadden zij vrouw en
+kinderen zonder huishouding, en werden zij rijk zonder werken; maar
+het volk werd veel armer en meer ellendig als ooit te voren. Deze
+leer, waarbij de priesters geen andere wetenschap noodig hebben,
+als bedriegelijk te redeneren, een vrome schijn en ongerechtigheden,
+breidde zich zelve van 't oosten naar het westen, en zal ook over
+ons land komen.
+
+Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya
+en van Jessos leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden
+menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en
+voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk
+bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas
+bloed. Deze zullen hunne fakkels en het licht buiten brengen, zoodat
+alle man de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der
+priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het
+recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen,
+maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Findas volk
+zal zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lydas volk
+zijne krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters
+weggevaagd worden van de aarde; Wraldas geest zal alom en allerwege
+geëerd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang
+in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene
+andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij
+algemeene wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en de Irtha zal
+hare gaven alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal
+aanvangen vierduizend jaren nadat Atland verzonken is, en duizend
+jaren later zal er langer geen priester noch dwang op aarde zijn.
+
+Dela toegenaamd Hellenia, waak!
+
+Zoo luidde Franas uiterste wil. Alle edele Friesen, heil! In den
+naam van Wralda, van Frya en der vrijheid groet ik u, en bid u zoo
+ik sterven mocht, eer ik eene opvolgster benoemd heb, dan beveel ik
+u Teuntja aan, die Burgtmaagd is op de burgt Medeasblik, tot op heden
+is zij de beste.
+
+Dit heeft Gôsa nagelaten. Alle menschen heil. Ik heb geene Eeremoeder
+benoemd, omdat ik geene wist, en omdat het u beter is geene Moeder
+te hebben, dan eene waarop gij u niet verlaten kunt. Een booze tijd
+is voorbijgegaan, maar daar komt nog een andere. Irtha heeft hem niet
+gebaard, en Wralda heeft hem niet beschoren. Hij komt uit het oosten,
+uit den boezem der priesteren weg. Zoo veel leed zal hij broeden,
+dat Irtha het bloed niet zal kunnen drinken van hare verslagene
+kinderen. Duisternis zal hij over den geest der menschen spreiden,
+gelijk onweerswolken over het zonnelicht. Alom en allerwege zullen
+list en bedrog met vrijheid en recht kampen. Vrijheid en recht
+zullen bezwijken en wij met haar. Maar deze winst zal haar verlies
+uitwerken. Van drie woorden zullen onze nakomelingen aan hunne lieden
+en slaven de beteekenis leeren. Zij zijn algemeene liefde, vrijheid
+en recht. In het eerst zullen zij schitteren, daarna met duisternis
+kampen, totdat het helder en klaar wordt in ieders hart en hoofd. Dan
+zal de dwang van de aarde geveegd worden, gelijk de donderwolken door
+den stormwind, en alle bedrog zal niets meer daar tegen vermogen. Gôsa.
+
+
+
+
+
+HET GESCHRIFT VAN KONERÊD.
+
+
+Mijne voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit wil
+ik bovenal doen, omdat in mijne staat geene burgt overig is, waarin
+de gebeurtenissen opgeschreven worden gelijk te voren. Mijn naam is
+Konereed (Koenraad), mijn vaders naam was Frethorik, mijne moeders naam
+was Wiliow. Na mijn vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen. Toen
+ik vijftig jaren telde, koos men mij tot opperste Grevetman. Mijn
+vader heeft geschreven, hoe de Lindaoorden en de Liudgaarden verwoest
+zijn. Lindahem is nog weg, de Lindaoorden voor een deel, de noordelijke
+Liudgaarden zijn door de zoute zee bedolven. Het bruissende zeewater
+slikt aan den ringdijk der burgt. Gelijk mijn vader vermeld heeft, zijn
+de van have beroofde menschen heengegaan en hebben huisjes gebouwd
+binnen den ringdijk der burgt, daarom is dat ronddeel nu Liudwerd
+geheeten. De zeelieden zeggen Liuwerd, maar dat is wanspraak. In mijne
+jeugd was het andere land, dat buiten den ringdijk ligt, alles poel en
+broek. Maar Fryas volk is wakker en vlijtig, zij werden moede noch mat,
+omdat hun doel ten beste geleidde. Door slooten te delven en kadijken
+te maken van de aarde die uit de slooten kwam, hebben wij weder een
+goede hemrik buiten den ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef,
+drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts
+gemeten. Heden ten dage zijn wij bezig waterpalen te heijen om eene
+haven te maken en meteen om onzen ringdijk te beschermen. Als het werk
+gereed is, zullen wij zeelieden uitlokken. In mijne jeugd stond het er
+hier raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen die in
+reijen staan. Leken en gebreken, die met de armoede waren ingeslopen,
+zijn door vlijt uitgedreven. Hier uit kan iedereen leeren, dat Wralda,
+onze Alvader, alle zijne schepselen voedt, mits dat zij moed houden
+en elkanderen willen helpen.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK OVER FRISO SCHRIJVEN.
+
+
+Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot
+opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanden. Hij spotte
+met onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft
+hij eene school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de
+wijze der Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om
+het jongvolk aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar
+heen gezonden, dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij
+geene Moeder langer hebben, om den een tegen den ander te beschermen,
+behoor ik dubbel te waken, opdat hij niet meester over ons wordt.
+
+Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen oordeel
+vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die meenen, dat
+zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa gestorven was,
+wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder kiezen. Maar
+Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te maken, Friso
+begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden der Landsaten
+tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was verziende
+geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij geen
+licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen moed
+gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen die
+twijfelachtig was daar heeft zij kwaad ingezien: daarom heeft zij in
+hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben
+als eene, op welke gij u niet verlaten kunt. Friso had veel gezien,
+hij was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en listen der Golen
+en vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig
+had om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe
+hij daarmede is te werk gegaan.
+
+Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van
+Wilfrêthe, die bij zijn leven opperste Graaf te Stavoren geweest
+was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door
+zijn beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder
+uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helia
+geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch
+verbonden. Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van
+Wichhirte den koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed
+Friesch en moet Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer
+medegebracht, als goede zeden.
+
+Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren.
+
+Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele
+Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij
+Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust,
+en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens geen menschen
+in het gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar
+hunnen naam hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen
+wel vele Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich
+zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan
+waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze
+schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen
+gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen
+of geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van
+de Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan
+de zuidwestelijke hoek van Schoonland, aldaar ligt Lindasburgt,
+toegenaamd Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek
+geschreven staat. Alle kustbewoners en ommelanders waren daar echt
+Friesch gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en
+tegen de Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen;
+maar dat zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders
+hadden vele verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de
+booze Magyaren, Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich
+zelven rooven, maar als het te pas kwam, dan stonden zij malkander
+getrouwelijk bij. Doch ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek
+te krijgen aan goede schepen. Hunne scheepmakers waren omgekomen,
+en hunne wouden waren met grond en al van het land weggevaagd. Nu
+kwamen er onverwacht drie schepen bij den ringdijk van onze burgt
+voor anker. Door de inbraken van onze landen waren zij verdwaald en
+den Flymond misgevaren. De koopman die mede gegaan was, wilde van ons
+nieuwe schepen hebben, daartoe hadden zij allerlei kostelijke waren
+medegebracht, die zij geroofd hadden van de Kaltanarlanden en van
+de Pheniciers schepen. Nadien wij zelve geene schepen hadden, gaf ik
+hun flinke paarden en vier gewapende renboden mede naar Friso. Want
+te Staveren en langs het Alderga, daar werden de beste oorlogschepen
+gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting in komt. Terwijl
+de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen Jutten naar Texland
+gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De Zeelanders hadden
+vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten op hunne banken
+roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze kinderen te
+verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren, doordien
+zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld hadden,
+en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten laatste,
+of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja, antwoordden
+zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist gelijk
+uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen
+wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch
+burgtwapenen, om de roofschepen er uit te houden. Dan moest gij er
+eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten; maar
+wij hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn
+visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge
+landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden
+met de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten,
+hoe Friso allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen
+en ten bate van zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij,
+zij zouden jaarlijks vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en
+voor vaste gelden, toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en
+met volle tuig, gelijk het voor krijgsschepen noodig en nuttig is;
+maar de Jutten zouden zij dan met vrede laten, en al het volk, dat
+tot Fryaskinderen behoorde. Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze
+zeekampers uitnoodigen, dat zij mede zouden vechten en rooven. Toen de
+Zeelanders vertrokken waren, liet hij veertig oude schepen beladen met
+burgtwapenen, hout, hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren, en
+smeden om daarmede burgten te bouwen. Witto, dat is witte, zijn zoon,
+zond hij mede om toe te zien. Wat er al is voorgevallen, is mij niet
+gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk geworden, dat aan beide zijden
+van den havenmond eene versterkte burgt gebouwd is, en daarin is volk
+gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken trok. Witto heeft Siuchthirte
+bevrijd en tot zijne vrouw genomen. Wilhem, zoo heette haar vader,
+hij was opperste Olderman der Jutten, dat is opperste Grevetman of
+Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en Witto is in zijne plaats
+gekozen.
+
+
+
+
+
+WAT FRISO VERDER DEED.
+
+
+Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer
+kloek waren. Hetto, dat is heete, den jongste zond hij als zendbode
+naar Kattaburgt, dat diep in de Saksenmarken ligt. Hij had van
+Friso medegekregen zeven paarden, behalve zijn eigen, beladen met
+kostbare zaken door de zeekampers geroofd. Bij ieder paard waren twee
+jonge zeekampers en twee jonge ruiters met rijke kleederen gekleed,
+en met geld in hunne buidels. Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt
+zond, zoo zond hij Bruno, dat is bruine, den anderen zwager naar
+Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda
+forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede
+hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en
+vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de
+gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven
+met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze
+boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle
+geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten,
+en op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu
+gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij
+goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden,
+dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog
+vorstelijker vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn
+getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand
+kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar
+het Flymeer afzakken. De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare
+vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom
+spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar
+babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan
+zijne zaak. Zij zeiden allomme: wij hebben langer geene Moeder meer,
+maar dat komt daar vandaan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig
+past ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de
+Moeders verloren hebben door hare onvoorzichtigheid. Verder spraken
+zij: Aan ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten
+hooren, voor dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst,
+maar als het zoover komen mogt, dat gij u weder een koning kiest,
+dan wil ik ook mijne meening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is
+Friso daartoe door Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier
+heen geleid. Friso kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt,
+hij kan dus tegen hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog
+te houden: welken graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de
+anderen daar wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de
+jonge maagden gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal,
+tapten hunne redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en
+tot iedereen: Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen,
+des nachts spant hij zijne netten naar alle zijden en des daags
+verschalkt hij daarin zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat
+hij geene priesteren noch vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg,
+hij mag niemand lijden dan hem zelven. Daarom wil hij niet gedogen,
+dat de burgt Stavia weder opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder
+weêr hebben. Vandaag is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw
+koning worden, opdat hij over u allen rechten mag. In den boezem des
+volks ontstonden nu twee partijen. De ouden en armen wilden nu weder
+eene Moeder hebben, maar het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde
+een Vader of koning hebben. De eersten noemden zich Moederszonen,
+en de anderen noemden zich Vaderszonen; maar de Moederszonen werden
+niet geteld; want omdat er vele schepen gemaakt werden, was hier
+overvloed voor de scheepmakers, smeden, zeilmakers, reepmakers en
+voor alle andere ambachtslieden. Daarenboven brachten de zeekampers
+allerhande sieraden mede. Daarvan hadden de vrouwen genoegen, de
+maagden genoegen, de meisjes genoegen, en daarvan hadden alle hunne
+bloedverwanten genoegen, en alle hunne goede kennissen en vrienden.
+
+Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden,
+stierf hij. Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot
+malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet
+bevestigen. Van alle Graven, die voor hem waren, was er niemand zoo
+befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge
+maagden spraken zijn lof, terwijl de oude vrouwen alles deden om hem
+te laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de
+oude vrouwen hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij
+hadden met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven
+is zonder dat hij koning was.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK SCHRIJVEN OVER ZIJN ZOON ADEL.
+
+
+Friso die onze geschiedenis had leeren kennen uit het boek der
+Adelingen, had alles gedaan om hunne vriendschap te winnen. Zijn
+eersten zoon, dien hij hier won bij zijne vrouw Swethirte heeft hij
+terstond Adel genoemd. En ofschoon hij kampte met al zijne macht,
+om geene burgten te herstellen noch op te bouwen, zond hij toch Adel
+naar de burgt te Texland, opdat hij hoe eer hoe beter bekend worden
+mocht met alles wat tot onze wetten, taal en zeden behoort. Toen Adel
+twintig jaren telde, liet Friso hem naar zijn eigen school komen, en
+toen hij daar volleerd was, liet hij hem door alle staten reizen. Adel
+was een beminnenswaardige jongman; op zijne reizen heeft hij vele
+vrienden gewonnen, daardoor is het gekomen, dat het volk hem Atharik
+(vriendenrijk) genoemd heeft, iets dat hem naderhand zoo wel te pas
+is gekomen, want toen zijn vader gestorven was, bleef hij in zijne
+plaats, zonder dat er over het kiezen van een anderen Graaf sprake
+kwam. Terwijl Adel te Texland in de leer was, bevond zich aldaar tevens
+eene heel lieve maagd op de burgt. Zij kwam uit de Saksenmarken weg,
+uit de staat die genoemd is Suobaland, daarom werd zij te Texland
+Suobene genoemd, ofschoon haar naam Ifkja was. Adel had haar lief
+gekregen, en zij had Adel lief; maar zijn vader verzocht hem, dat
+hij nog wat wachten zoude. Adel was gehoorzaam, maar zoodra zijn
+vader gestorven was en hij gezeten, zond hij terstond boden naar
+Berthold haren vader (met verzoek) of hij zijne dochter tot vrouw
+mogt hebben. Berthold was een vorst van onverbasterde zeden, hij
+had Ifkja naar Texland in de leer gezonden in de hoop, dat zij eens
+tot burgtmaagd zoude gekozen worden in zijn land. Doch hij had hun
+beider begeerte leeren kennen, daarom ging hij heen en gaf hun zijnen
+zegen. Ifkja was eene flinke Friesin. Voor zoo verre ik haar heb leeren
+kennen, heeft zij steeds gewerkt en gewroet, opdat Fryaskinderen weder
+mochten komen onder dezelfde wet en onder eenen bond. Om de menschen
+op hare zijde te krijgen, was zij met haren echtgenoot van haren vader
+door alle Saksenmarken gereisd en voorts naar Geertmannia. Geertmannia,
+zoo hadden de Geertmannen hunne staat geheeten, die zij door Gosas
+bemoeijing gekregen hadden. Daarop gingen zij naar de Denemarken. Van
+de Denemarken gingen zij te scheep naar Texland. Van Texland gingen
+zij naar Westflyland en zoo langs de zee naar Walhallagara. Van
+Walhallagara vertrokken zij langs den Zuiderrijn (de Waal), totdat zij
+met groote vrees boven den Rijn bij de Marsaten kwamen, waarvan onze
+Apollonia geschreven heeft. Toen zij hier eene wijle geweest waren,
+gingen zij weer naar de laagte. Als zij nu een tijdlang naar de laagte
+afgevaren waren, totdat zij in de streek van de oude burgt Aken kwamen,
+zijn er onverhoeds vier knechten vermoord en naakt uitgekleed. Zij
+waren een weinig achteraan gekomen. Mijn broeder, die overal bij was,
+had hun vaak verboden, doch zij hadden niet geluisterd. De moordenaars
+die dat gedaan hadden, waren Twisklanders, die heden ten dage stoutweg
+over den Rijn komen te moorden en te rooven. De Twisklanders, dat
+zijn gebannen en weggeloopen Fryaskinderen, maar hunne vrouwen hebben
+zij van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een bruin Findasvolk,
+aldus genoemd, omdat zij alle volken ten strijde uittarten. Zij zijn
+allen ruiters en roovers. Daar van daan zijn de Twisklanders evenzoo
+bloeddorstig geworden. De Twisklanders, welke die boosheid bedreven
+hadden, noemden zich zelven Frijen of Franken. Er waren, zeide mijn
+broeder, roode, bruine en witte onder. Die, welke rood of bruin waren,
+beten hun haar met kalkwater wit. Naardien echter hunne aangezichten
+bruin bleven, werden zij des te leelijker daardoor. Even als Apollonia
+beschouwden zij naderhand Lydasburgt en het Alderga. Daarna trokken
+zij over Staverens oorden bij hunne lieden rond. Zij hadden zich
+zoo beminnelijk aangesteld, dat de menschen hen allerwege houden
+wilden. Drie maanden later zond Adel boden naar alle vrienden die hij
+gewonnen had en liet hun verzoeken, dat zij in de Minnemaand wijze
+lieden tot hem zouden zenden,†
+
+zijne vrouw, zeide hij, die maagd geweest was te Texland had daarvan
+een afschrift gekregen. Te Texland, worden nog vele geschriften
+gevonden, die niet in het boek der Adelingen overgeschreven zijn. Van
+deze schriften had Gosa een bij haar uiterste wil gelegd, 't welk
+door de oudste maagd Albetha openbaar gemaakt moest worden, zoodra
+Friso gestorven was.
+
+
+
+
+
+HIER IS DIT GESCHRIFT MET GOSAS RAAD.
+
+
+Toen Wralda kinderen gaf aan de moeders van het menschelijk geslacht,
+toen legde hij ééne taal in aller tongen en op aller lippen. Dit
+geschenk had Wralda aan de menschen gegeven, opdat zij elkander
+daarmede mochten kenbaar maken, wat men vermijden moet en wat men
+najagen moet om zaligheid te vinden en zaligheid te houden in alle
+eeuwigheid. Wralda is wijs en goed en alles voorziende. Naardien hij nu
+wist, dat geluk en zaligheid van de aarde moet vlieden, als de boosheid
+de deugd bedriegen kan, zoo heeft hij aan de taal eene regtvaardige
+eigenschap verbonden. Deze eigenschap is hierin gelegen, dat men
+daarmede geen leugen zeggen, noch bedriegelijke woorden spreken kan
+zonder stamelen, noch zonder blozen, waardoor men de boozen van harte
+terstond onderkennen kan. Naardien dus onze taal tot geluk en zaligheid
+den weg baant, en dus mede waakt tegen de booze neigingen, daarom
+is zij met alle recht godestaal (de taal des goeds) genoemd, en alle
+degene, die haar in eere houden, hebben daar eere van. Doch wat is er
+gebeurd. Zoodra er onder onze halfzusteren en halfbroederen bedriegers
+opkwamen, die zich zelf voor dienaren des goeds uitgaven, is dat weldra
+anders geworden. De bedriegelijke priesters en de boosaardige vorsten,
+die altijd te zamen heulden, wilden naar willekeur leven en buiten de
+wetten des goeds handelen. In hunne ondeugendheid zijn zij heen gegaan
+en hebben andere talen verzonnen, opdat zij heimelijk konden spreken in
+tegenwoordigheid van ieder ander over alle booze dingen en over alle
+onwaardige zaken, zonder dat stamelen hen zoude verraden, noch blozen
+hun gelaat ontsieren. Maar wat is daaruit geboren? Even gemakkelijk
+als het zaad van goede kruiden van onder den grond weg ontkiemt, dat
+in 't openbaar gezaaid is door goede menschen bij lichten dag, even
+gemakkelijk brengt de tijd de schadelijke kruiden aan het licht, die
+gezaaid zijn door booze menschen in het verborgene en bij duisternis.
+
+De wulpsche meisjes en verwijfde knapen, die met de onzedelijke
+priesters en vorsten boeleerden, ontlokten die nieuwe talen aan
+hunne boelen, derwijze zijn zij verspreid onder de volken, tot dat
+zij godestaal glad vergeten hebben. Wilt gij nu weten, wat daarvan
+geworden is? Nu het stamelen en de gelaatskleur hunne booze driften
+niet meer verrieden, is de deugd van uit haar midden geweken,
+de wijsheid is gevolgd en de vrijheid is medegegaan; de eendracht
+is te zoek geraakt, en tweespalt heeft hare plaats ingenomen; de
+liefde is gevlucht, en de ontucht zit met nijd aan tafel; en waar
+vroeger rechtvaardigheid heerschte, heerscht nu het zwaard. Allen
+zijn slaven, de lieden van hunne heeren van nijd, booze lusten en
+begeerlijkheid. Hadden zij nu maar ééne taal uitgevonden, mogelijk
+was het dan nog eene wijle goed gegaan. Maar zij hebben zoo vele talen
+uitgevonden als er staten zijn. Daardoor kan het eene volk het andere
+volk even min verstaan als de koe den hond of de wolf het schaap. Dit
+kunnen de zeelieden betuigen. Doch daar van daan is het nu gekomen,
+dat alle slavenvolken elkander als andere menschen beschouwen, en dat
+zij tot straf van hunne onbezonnenheid en vermetelheid elkander zoo
+lang moeten beoorlogen en bestrijden tot dat zij alle verdelgd zijn.
+
+
+
+
+
+HIER IS NU MIJN RAAD.
+
+
+Zijt gij alzoo begeerig, dat gij de aarde alleen wilt beërven, zoo
+behoort gij nimmer meer eene andere taal over uwe lippen te laten komen
+als godestaal, en dan behoort gij te zorgen, dat uw eigen taal vrij
+blijft van uitheemsche klanken. Wilt gij nu dat er sommige van Lydas
+kinderen en van Findas kinderen blijven, dan doet gij even zoo. De
+taal der Oost Schoonlanders is door de vuile Magyaren verdraaid; de
+taal der Keltana volgers is door de smerige Golen verdorven. Nu zijn
+wij zoo mild geweest om de terugkeerende Hellenia volgers weder in
+ons midden te nemen, maar ik schroom en ben zeer bezorgd, dat zij onze
+mildheid zullen vergelden met verontreiniging van onze zuivere taal.
+
+Veel hebben wij wedervaren, maar van alle burgten die door de booze
+tijd verstoord en verdelgd zijn, heeft Irtha Fryasburgt onverlet
+behouden; ook mag ik daar bij vermelden dat Fryas of Gods taal hier
+even ongeschonden behouden is.
+
+Hier op Texland moest men dus scholen stichten; van alle staten, die
+het met de oude zeden houden, moest het jong volk hier heen gezonden
+worden; daarna mochten zij die volleerd waren, de anderen helpen die
+te huis verbeiden. Willen de andere volken ijzerwaren van u koopen
+en daarover met u spreken en dingen, dan moeten zij tot godestaal
+terugkeeren. Leeren zij Godstaal, dan zullen de woorden vrij zijn en
+recht hebben tot hen inkomen, in hun brein zal het dan beginnen te
+glimmen en te gloren tot dat alles tot eene vlam wordt. Deze vlam
+zal alle slechte vorsten verteeren en alle schijnvrome en smerige
+priesters.
+
+De inlandsche en uitlandsche zendboden hadden genoegen van dat
+geschrift, doch er kwamen geene scholen. Toen stichtte Adel zelf
+scholen, na hem deden de andere vorsten hetzelfde. Jaarlijks gingen
+Adel en Ifkja de scholen in oogenschouw nemen. Bevonden zij dan onder
+de inlanders of buitenlanders zoodanige, die elkander vriendschap
+toedroegen, dan lieten zij beide groote blijdschap blijken. Hadden
+sommige zoodanige elkander vriendschap gezworen, dan lieten zij
+alle menschen bij elkander komen, en met groote staatsie lieten
+zij dan hunne namen in een boek schrijven, door hun het boek der
+vriendschap genoemd: daarna werd feest gevierd. Al deze gebruiken
+werden onderhouden om de afzonderlijke takken van Fryas stam weder
+te zamen te snoeren. Doch de maagden die op Adel en Ifkja afgunstig
+waren zeiden, dat zij het nergens anders om deden, dan om een goeden
+roep en om allengs te heerschen over een anders staat.
+
+Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door
+Luidgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen
+aangaan, geef ik hier het andere ten beste.
+
+Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is
+eene rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd,
+omdat vier andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel
+verre oostwaarts is nog eene groote rivier, de heilige of vrome
+Ganges geheeten. Tusschen deze beide rivieren is het land der
+Hindos. De beide rivieren loopen van de hooge bergen naar de laagte
+neer. Die bergen, waar zij van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij
+tot den hemel reiken (laia), daarom wordt het gebergte Himmellaia
+gebergte genoemd. Onder de Hindos en andere uit die landen zijn er
+sommige lieden die in stilte bij elkander komen. Zij gelooven dat
+zij onverbasterde kinderen van Finda zijn. Zij gelooven dat Finda
+van uit het Himmellaia gebergte geboren is, van waar zij met hare
+kinderen naar de delte of de laagte getrokken is. Sommigen onder hen
+gelooven, dat zij met hare kinderen op het schuim van de heilige Ganges
+naar beneden gegaan is. Daarom zoude die rivier de heilige Ganges
+heeten. Maar de priesters die uit een ander land weg komen lieten
+die menschen opsporen en verbranden; daarom durven zij voor hunne
+zaak niet openlijk uitkomen. In dit land zijn alle priesters dik en
+rijk. In hunne kerken worden allerlei gedrochtelijke beelden gevonden,
+daaronder zijn vele van goud. Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers)
+of wrangen (Drangianen), de Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen,
+en de Urgetten          of vergetenen. Al deze namen zijn hun door de
+nijdige priesters gegeven, omdat zij hen ontvlieden wegens de zeden
+en het geloof. Bij hunne komst hadden onze voorouders zich ook aan
+den oostelijken oever van den Pangab neergezet, maar om der priesteren
+wille zijn zij ook naar den westelijken oever gevaren. Daardoor hebben
+wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren zijn geen wilden,
+maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch aanbidden: ook
+willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even als wij het
+heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege vuur
+in hunne huizen brandende. Komt men later heel westelijk, zoo komt
+men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken
+verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn
+wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de
+velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten
+verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder
+houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de
+Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden
+en wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat
+daar bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze
+hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten
+worden: maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindos zijn
+even bloode en vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de
+wolven zijn. Daarom hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd,
+dat hinden beteekent. Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk
+misbruik gemaakt. Komen er uitheemsche kooplieden om koren te koopen,
+dan wordt alles te gelde gemaakt, en door de priesters wordt het niet
+geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te
+zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels
+komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten
+lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte
+lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die
+soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte
+en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren
+zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende
+dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte
+van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar
+de kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen
+bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die
+ze willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven,
+want tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de
+menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar
+allerlei soort van hagedissen, schildpadden en krokodillen; al deze
+disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot;
+naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle
+niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators omdat zij
+even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven
+naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen
+overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen,
+en waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en
+granen als aan de oostzyde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende
+dieren gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen
+verbrand, en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er
+slechts weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab,
+dan vindt men nevens vetten kleigrond ook dorre geestlanden, die
+eindeloos schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken,
+waaraan het oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn
+er vele, die ik hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er
+ook goudgeel; ook goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als
+honing, en andere zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden
+zoo groot als kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze
+oud dan maakt men er olie van; van de bast maakt men touw, en van de
+kernen maakt men kelken en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik
+kruip- en steekbessen gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als
+uwe lindeboomen, waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter
+zijn als uwe doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn
+en de zon uit het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw
+hoofd neder. Is men dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren,
+en men des middags met zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo
+schijnt de zon tegen uwe linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe
+rechterzijde doet. Hiermede wil ik eindigen, maar na mijn schrijven
+zal het u licht genoeg vallen, om de leugenachtige verhalen te kunnen
+schiften van de ware berichten. Uw Liudgert.
+
+
+
+
+
+HET GESCHRIFT VAN BEEDEN.
+
+
+Mijn naam is Beeden, zoon van Hachgane. Konereed mijn oom is nooit
+getrouwd geweest en alzoo kinderloos gestorven. Mij heeft men in zijne
+plaats gekozen. Adel, de derde koning van dezen naam, heeft die keuze
+goedgekeurd, mits ik hem als mijn meester erkennen wilde. Behalve
+het volle erf van mijn oom, heeft hij mij eene plek gronds gegeven,
+die aan mijn erf paalde, onder voorwaarde, dat ik daarop menschen
+zoude stellen, die zijne lieden nimmer zouden ...
+
+daarom wil ik dit hier eene plaats vergunnen.
+
+
+
+
+
+BRIEF VAN RIKA DE OUDMAAGD, VOORGELEZEN TE STAVEREN BIJ HET JUULFEEST.
+
+
+Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis
+tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar
+wil ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek
+wijzen, dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet,
+hoe Wralda duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat
+hij Alvoeder wordt genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt
+en wast tot voeding van zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha
+bijwijlen ook Alvoedster genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en
+granen baart, waarmede mensen en dier zich voeden. Doch zij zoude
+geene vruchten en granen baren, bijaldien Wralda haar geene krachten
+gaf. Ook vrouwen, die hare kinderen zogen aan hare borsten, worden
+voedsters genoemd. Doch gaf Wralda daar geene melk in, zoo zouden
+de kinderen daar geen baat bij vinden. Zoodat bij slot van rekening
+Wralda alleen de voeder blijft. Dat Irtha bijwijlen Alvoedster
+geheeten wordt, en eene mem (moeder) voedster, kan nog door eene
+wending (overdrachtelijke spreekwijze): maar dat een taat (vader)
+zich voeder laat noemen, omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden.
+
+Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt
+van onze vijanden (lëtha) en wanneer die gevolgd worden, zoo zult
+gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen
+hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is,
+daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur
+leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet
+wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen
+dat een koning niet over den wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding
+door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne
+vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij
+in het eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben
+het volk eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam,
+huurden zij buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven
+legden. Vervolgens namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en
+de kleine vorsten en heeren deden eveneens. Toen naderhand twist
+en tweespalt in de huishouding sloop, en daarover klachten kwamen,
+hebben zij gezegd: ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin,
+daarom zal hij ook meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de
+willekeur, en even als die met de mannen over het huisgezin heerschte,
+ging zij ook met de koningen over de volken doen. Toen de koningen het
+zoo ver gebracht hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij
+heen en lieten beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten
+zij in de kerken stellen naast de beelden der afgoden, en degene die
+daar niet voor buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe
+voorvaderen en de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan,
+daarvan hebben zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige
+uwer mannen zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik
+mij over vele uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden,
+die zich met Wralda op eene lijn willen stellen, er worden bij u ook
+wijven gevonden, die dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen
+gebaard hebben, laten zij zich moeder noemen. Doch zij vergeten, dat
+Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet alleen hebben
+zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen berooven,
+met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen het even
+zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich vrouwe
+laten noemen, ofschoon zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen
+van vorsten toebehoort. Ook laten zij hare dochters maagden noemen,
+ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag, tenzij
+zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat naam
+stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aankleeft, en
+dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal
+de tijd daar wasdom aan geven, zoo sterk, dat men er het eind niet
+van kan zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden;
+zij zullen niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar
+ofschoon gij de maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat,
+toch zullen er blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij
+zullen uwe nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig
+aan zijt. Dan zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit
+hunne graven oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare
+maagden aanroepen, doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren,
+bevorens het Juul een anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst
+gebeuren als drie duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw.
+
+
+ Einde van Rikas brief.
+
+
+
+
+
+daarom wil ik eerst over zwarte Adel schrijven. Zwarte Adel was de
+vierde koning na Friso. In zijne jeugd heeft hij op Texland geleerd,
+naderhand heeft hij te Staveren geleerd, en vervolgens heeft hij door
+alle staten gereisd. Toen hij vier en twintig jaar oud was, heeft zijn
+vader gemaakt dat hij tot Asega Asker gekozen is. Toen hij eenmaal
+Asker was, eischte hij altijd in het voordeel van de armen. De rijken,
+zeide hij, plegen genoeg ongerechte dingen door middel van hun geld,
+daarom behooren wij te zorgen, dat de armen naar ons omzien. Door
+deze en andere redeneringen, was hij de vriend der armen en de schrik
+der rijken. Het is zoo erg gekomen, dat zijn vader hem naar de oogen
+zag. Toen zijn vader gestorven was, heeft hij diens zetel beklommen,
+toen wilde hij even goed zijn ambt behouden gelijk de koningen van
+het oosten plegen te doen. De rijken wilden dat niet dulden, maar
+nu liep al het andere volk te hoop, en de rijken waren blijde dat
+zij heelhuids van de vergadering afkwamen. Van toen aan hoorde men
+nimmer meer over gelijkheid van recht praten. Hij veroordeelde de
+rijken en hij vleide de armen, met wier hulp hij alle zaken eischte,
+daar hij bestek op had. Koning Askar, gelijk hij altijd genoemd werd,
+was bij de zeven aardvoet lang, en zoo groot zijne gestalte was,
+waren ook zijne krachten. Hij had een helder verstand, zoodat hij
+alles verstond, waarover gesproken werd, doch in zijn doen kon men
+geene wijsheid bespeuren. Bij een schoon gelaat had hij eene gladde
+tong, maar nog zwarter als zijn haar is zijne ziel bevonden. Toen
+hij een jaar koning was, noodzaakte hij alle jongelingen uit zijn
+staat, om jaarlijks in het kamp te komen en daar een schijnoorlog te
+maken. In het eerst had hij daar moeite mede, maar ten laatste werd
+het zoo manierlijk, dat oud en jong uit alle oorden weg kwamen, om te
+vragen, of zij mochten mede doen. Toen hij het zoo ver gebracht had
+liet hij krijgscholen stichten. De rijken kwamen te klagen en zeiden,
+dat hunne kinderen geen lezen of schrijven meer leerden. Askar sloeg
+er geen acht op, maar toen er kort daarop weer schijnoorlog gehouden
+werd, ging hij op een gestoelte staan en sprak luidde. De rijken zijn
+tot mij gekomen te klagen, dat hunne knapen geen lezen of schrijven
+genoeg leeren; ik heb daar niets op gezegd; doch hier wil ik mijne
+meening zeggen, en de algemeene vergadering laten beslissen. Toen
+elk nu nieuwsgierig tot hem op zag zeide hij verder: Naar mijn begrip
+moet men tegenwoordig het lezen en schrijven aan de maagden en wijze
+lieden overlaten. Ik wil geen kwaad spreken van onze voorvaderen,
+ik wil alleen zeggen, in die tijden, waarop door sommigen zoo hoog
+geroemd wordt, hebben de Burgtmaagden tweespalt over onze landen
+gebracht en de Moeders voor en na konden de tweespalt niet weder
+uit het land drijven. Nog erger, terwijl zij praatten en keuvelden
+over noodelooze gewoonten, zijn de Golen gekomen en hebben al
+onze schoone zuiderlanden geroofd. Heden ten dage zijn zij met onze
+verbasterde broeders en hunne soldaten reeds over de Schelde gekomen,
+er schiet ons dus over te kiezen tusschen het dragen van een juk of
+een zwaard. Willen wij vrij zijn en vrij blijven, zoo behooren de
+jongelieden het lezen en schrijven voorhands achterwege te laten,
+en in stede dat zij op hun gezelschappen wip en zwik spelen, moeten
+zij met zwaard en speer spelen. Zijn wij in allen deele geoefend,
+en de knapen groot genoeg om helm en schild te dragen en de wapenen
+te hanteeren, dan zal ik mij met uwe hulp op de vijanden werpen. De
+Golen mogen dan de nederlagen van hunne helpers en soldaten op onze
+velden schrijven met het bloed dat uit hunne wonden druipt. Hebben
+wij den vijand eenmaal voor ons uitgedreven, zoo moeten wij daarmede
+voortgaan, tot dat er geen Golen, noch Slaven, noch Tartaren meer
+van Fryas erf te verdrijven zijn.--Dat is recht, riepen de meesten,
+en de rijken durfden hunne monden niet open doen. Deze toespraak had
+hij zeker te voren bedacht en laten overschrijven, want des avonds van
+dien zelfden dag waren de afschriften daarvan in wel twintig handen;
+en die alle waren eensluidend. Naderhand beval hij de scheepslieden,
+zij moesten dubbele voorstevens maken, waaraan men eene stalen
+kraanboog kon bevestigen. Die hierin achterwege bleef werd beboet;
+kon iemand zweeren, dat hij geene middelen bezat, dan moesten de
+rijken van het dorp het betalen. Nu zal men zien, waarop al dat boha
+uitgeloopen is. Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge
+bergen is, daar zit een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas
+bloed gesproten; voor het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers,
+voor het ander gedeelte uit Britten en vluchtelingen, die allengs met
+der tijd uit de tinlanden derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden
+kwamen, hebben al te gader buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch
+ras. Zij zijn alle onder de heerschappij der Golen, hunne wapenen
+zijn houten bogen en sprieten met punten van hertshoornen, of ook van
+flinten. Hunne huizen zijn van zoden en stroo, en sommigen wonen in
+de holen der bergen. Schapen, die zij geroofd hebben, is hun eenige
+schat. Onder de afstammelingen van de Keltanavolgers hebben sommigen
+nog ijzeren wapenen, die zij van hunne voorvaderen geërfd hebben. Om nu
+goed verstaan te worden, moet ik mijn verhaal over het Schotsche volk
+laten rusten, en iets van de heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De
+heinde Krekalanden hebben te voren ons alleen toebehoord, maar sedert
+onheugelijke tijden hebben zich daar ook nakomelingen van Lyda en
+Finda nedergezet, van deze laatsten kwamen eindelijk een heele hoop
+van Troje. Troja alzoo heeft eene stad geheeten, die het volk van de
+verre Krekalanden (Griekenland) heeft ingenomen en verwoest. Toen de
+Trojanen in de heinde Krekalanden genesteld waren, toen hebben zij
+daar met tijd en vlijt eene sterke stad met wallen en burgten gebouwd,
+Rome, dat is Ruim, geheeten. Toen dat gedaan was, heeft het volk
+zich door list en geweld van het geheele land meester gemaakt. Het
+volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche zee huist, is voor
+het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De Phoeniciers (Puniers)
+zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed en van Findas bloed
+en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als slaven, maar door
+de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al het andere
+volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome kampen
+gestadig om het meesterschap van de Middellandsche Zee. Voorts leven
+die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne priesteren,
+die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen de Golen
+niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia afgenomen,
+daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts
+liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij
+de Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn
+duizende Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar
+de opperste der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak,
+dat is hoek, van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was
+daar al hun goud te zamen gebracht. Keeren herne (uitverkoren hoek) of
+Kerenak is eene steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden
+de Maagden van de nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder
+hebben. Alzoo was door de vijandschap der Maagden en der Golen veete
+en twist over het Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden
+kwamen daar dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden
+en linnen. Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de
+Maagden en met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden,
+om de Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam,
+gaf hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen
+bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen
+bloed bij de hellingen der bergen neder. Toen Askar meende, dat de kans
+hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen, en nam Kerenak en den
+opperste der Golen met al zijn goud. Het volk waarmede hij tegen de
+soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de Saksenmarken gelokt
+met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus werd den Golen niets
+gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot bergplaats voor zijne
+schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle Phoenicische schepen
+en steden te berooven, die hij beloopen konde. Toen hij terug kwam
+bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van het Schotsche
+bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven waren, opdat
+hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden blijven;
+doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn hof,
+waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren van
+allerlei wapenen. De Dennemarkers, die zich sinds lang boven alle
+andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra
+niet van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop
+afgunstig, dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over
+zijne landen. Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen
+de bouwvallen van de verwoeste burgt Stavia was nog een schrandere
+Burgtmaagd met eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er
+ging een groote roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar
+hare hulp aan, onder beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude
+laten opbouwen. Toen hij zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met
+drie Maagden naar Hals; 's nachts ging zij reizen, en bij dag sprak
+zij op alle markten en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij,
+had haar door donder laten toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden
+moest worden, als zusters en broeders vereenigd; anders zoude Findas
+volk komen en hen alle van de aarde verdelgen. Na dien donder waren
+Fryas zeven waakmaagden haar in den droom verschenen, zeven nachten
+achtereen; zij hadden gezegd: boven Fryas landen zwabbert ramp met juk
+en ketenen. Daarom moeten alle volken, die uit Fryas bloed gesproten
+zijn, hunne toenamen wegwerpen en zich alleen Fryaskinderen of Fryas
+volk noemen. Voorts moeten allen opstaan en Findas volk van Fryas
+erf verdrijven. Willen ze dat niet doen, zoo zullen zij slavenbanden
+om hunne halzen krijgen; zoo zullen de buitenlandsche heeren hunne
+kinderen misbruiken en laten geesselen, totdat het bloed zijgt in uwe
+graven. Dan zullen de schimmen uwer voorvaderen u komen wekken en u
+bekijven over uwe lafheid en onbezonnenheid. Het domme volk, dat door
+toedoen der Magyaren reeds aan zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde
+alles wat zij zeide, en de moeders klemden hare kinderen tegen hare
+borsten aan. Toen Reintja den koning van Hals en alle andere menschen
+tot eendracht had overgehaald, zond zij boden naar Askar en toog zelve
+langs de Baltische zee; van daar ging zij bij de Lithauers, alzoo
+genoemd omdat zij hunne vijanden altijd naar het aangezicht houwen. De
+Lithauwers zijn voortvluchtigen en verbannenen van ons eigen volk, dat
+in de Twisklanden zit en omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle
+van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht,
+en aldus door de Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede
+willen, maar de menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging
+zij achter de Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen,
+om allerwege dat zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren,
+kwam zij langs den Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich
+zelve voor Moeder uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije
+en franke menschen terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn
+gaan, en de Gola volgers uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat
+deden, dan zoude haar koning Askar over de Schelde gaan en daar het
+land afwinnen. Bij de Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de
+Tartaren en Magyaren binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze
+zeden gebleven. Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen
+onderwijzen en de ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja
+vijandig, maar ten laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en
+allerwege geprezen, waar het nuttig en noodig was. Zoodra Askar van
+Reintjas boden vernam, hoe de Jutten gezind waren, zond hij terstond
+boden van zijnentwege naar den koning van Hals. Het schip, waarmede de
+boden gingen, was vol geladen met vrouwen sieraden, en daarbij was een
+gouden schild, waarop Askars gedaante kunstig was afgebeeld. Deze boden
+moesten vragen of Askar des konings dochter Frethogunsta tot zijne
+vrouw mocht hebben. Frethogunsta kwam een jaar later te Staveren;
+bij haar gevolg was ook een Magy, want de Jutten waren sedert lang
+verdorven. Kort nadat Askar met Frethogunsta getrouwd was, werd er te
+Staveren eene kerk gebouwd; in de kerk werden booze gedrochtelijke
+beelden gesteld, met goud doorwevene kleederen. Ook is er beweerd
+dat Askar bij nacht en bij ontijde met Frethogunsta zich daar voor
+nederboog. Maar zooveel is zeker, de burgt Stavia werd niet weder
+opgebouwd.
+
+Reintja was reeds teruggekomen, en ging nijdig naar Prontlik de Moeder
+te Texland zich beklagen. Prontlik ging heen en zond allerwege boden,
+die verkondigden: Askar is overgeven aan afgoderij. Askar deed alsof
+hij het niet merkte, maar onverwacht kwam er een vloot uit Hals. Des
+nachts werden de Maagden uit de burgt gedreven, en des ochtens konde
+men van de burgt slechts eene gloeijende puinhoop zien. Prontlik en
+Reintja kwamen bij mij om eene schuilplaats; toen ik daar later over
+nadacht, scheen het mij toe dat het kwaad voor mijne staat bedijen
+konde. Daarom hebben wij te zamen eene list verzonnen, die ons
+allen moest baten. Zie hier hoe wij te werk gegaan zijn. Midden in
+het Krijlwoud beoosten Liudwerd ligt onze vlied of weerburg, die men
+alleen langs doolpaden kan genaken. Op deze burgt had ik sints langen
+tijd jonge wachters gesteld, die alle een afschuw van Askar hadden en
+alle andere menschen daar vandaan hielden. Nu was het bij ons al zoo
+ver gekomen, dat vele vrouwen en ook mannen al praatten over spoken,
+witte wijven en kabouter mannekes even als de Denemarkers. Askar had al
+deze dwaasheden tot zijn voordeel aangewend, en dat wilden wij nu ook
+tot ons voordeel doen. Bij eene duistere nacht bragt ik de Maagden naar
+de burgt en daarna gingen zij met hare dienaressen langs de doolpaden
+spoken in witte kleederen gehuld, zoo dat er naderhand geen mensch
+meer durfde komen. Toen Askar meende dat hij de handen ruim had,
+liet hij de Magjaren onder allerlei namen door zijne staten reizen
+en behalve mijne staat werden zij nergens geweerd. Nadat Askar alzoo
+met de Jutten en de andere Denemarkers was verbonden gingen zij alle
+te zamen rooven; doch dat heeft geene goede vruchten gebaard. Zij
+brachten allerhande buitenlandsche schatten te huis. Maar juist
+daardoor wilden de jonge mannen geen ambacht leeren, noch op het
+veld arbeiden; zoodat hij ten laatste wel slaven nemen moest. Maar
+dat was geheel tegen Wraldas wil en tegen Fryas raad. Daarom konde de
+straf niet achterwege blijven. Zie hier hoe de straf gekomen is. Eens
+hadden zij te zamen eene geheele vloot gewonnen, deze kwam uit de
+Middellandsche zee. Deze vloot was geladen met purperen kleederen
+en andere kostbaarheden, die uit Phoenicie kwamen. Het zwakke volk
+der vloot werd bezuiden de Seine aan wal gezet, maar het sterke volk
+werd gehouden. Dat moest hun als slaven dienen. De schoonsten werden
+gehouden om op het land te blijven, en de leelijkste en zwartste werden
+aan boord gehouden om op de banken te roeijen. In het Fly werd de
+boedel gedeeld, maar zonder hun weten werd ook de straf gedeeld. Van
+de menschen, die op de buitenlandsche schepen gesteld waren, werden
+zes door buikpijn gedood. Men dacht dat het eten en drinken vergiftigd
+waren, daarom werd alles over boord gegooid. Doch de buikpijn bleef
+en allerwege, waar slaven of goederen kwamen, kwam ook de buikpijn
+binnen. De Saksmannen brachten ze over hunne marken; met de Jutten
+voer zij naar Schoonland en langs de kusten van de Baltische zee;
+met Askar zijne zeelieden voer zij naar Brittannia. Wij en die van
+Grenega lieten geene goederen noch menschen over onze landpalen komen,
+en daarom bleven wij van de buikpijn bevrijd. Hoevele menschen de
+buikpijn heeft weggeraapt, weet ik niet te schrijven, maar Prontlik
+die het naderhand van de andere Maagden hoorde heeft mij gemeld, dat
+Askar duizendmaal meer vrije menschen uit zijne staten geholpen heeft,
+als hij er vuile slaven in bracht. Toen de pest voor goed geweken
+was, kwamen de vrij geworden Twisklanders naar den Rijn, maar Askar
+wilde met de vorsten van dat vuile verbasterde volk niet op eene lijn
+staan. Hij wilde niet dulden dat zij zich Fryas kinderen zouden noemen,
+gelijk Reintja aangeboden had; maar hij vergat daarbij dat hij zelf
+zwart haar had. Onder de Twisklanders waren er twee volken, die zich
+zelve geen Twisklanders noemden. Het eene volk kwam heel ver uit het
+zuidoosten weg, ze noemden zich Allemannen. Dezen naam hadden zij zich
+gegeven, toen zij nog zonder vrouwen in de wouden als bannelingen
+omdwaalden. Later hebben zij van het Slavenvolk vrouwen geroofd,
+evenals de Lithauwers, maar zij hebben hun naam behouden. Het andere
+volk, dat meer in de nabijheid omdwaalde, noemde zich Franken, niet
+omdat zij vrij waren, maar Frank zoo had de eerste koning geheeten,
+die zich zelf met hulp van de ontaarde Maagden tot erflijk koning
+over zijn volk gemaakt had. De volken, die aan hem grensden, noemden
+zich Thioth-his zonen dat is volkszonen, zij waren vrije menschen
+gebleven, naardien zij nimmer een koning, noch vorst, noch meester
+erkennen wilden, als dengene die bij algemeene wil gekozen was op de
+algemeene vergadering. Askar had reeds van Reintja vernomen, dat de
+Twisklander vorsten meest altijd met elkander in vijandschap en veete
+waren. Nu stelde hij hun voor, dat zij één hertog van zijn volk zouden
+kiezen, omdat hij bang was, gelijk hij zeide, dat zij met elkander
+zouden twisten om het meesterschap. Ook zeide hij dat zijne vorsten
+met de Golen konden spreken. Dat zeide hij was ook de meening der
+Moeder. Toen kwamen de vorsten der Twisklanders bij elkander, en na
+driemalen zeven etmalen kozen zij Alrik tot hertog. Alrik was Askars
+neef, hij gaf hem tweehonderd Schotten en honderd van de grootste
+Saksmannen mede tot eene lijfwacht. De vorsten moesten driemaal zeven
+van hunne zonen naar Staveren zenden tot borg van hunne trouw. Tot nu
+toe was alles naar zijn wensch gegaan, maar toen men over den Rijn
+zoude varen, wilde de koning der Franken niet onder Alriks bevelen
+staan. Daardoor liep alles in de war. Askar, die meende, dat alles
+goed ging, landde met zijne schepen aan de overkant der Schelde, maar
+daar was men reeds van zijne komst ingelicht en op zijne hoede. Zij
+moesten even haastig vluchten als zij gekomen waren, en Askar werd
+zelf gevangen genomen. De Golen wisten niet, wien zij gevangen hadden,
+en zoo werd hij naderhand uitgewisseld voor een aanzienlijken Gole,
+dien Askars volk had medegevoerd. Terwijl dit alles gebeurde,
+liepen de Magyaren nog stoutmoediger over de landen onzer naburen
+heen. Bij Egmuda, waar te voren de burgt Forana gestaan had, lieten
+zij eene kerk bouwen nog grooter en rijker als Askar te Staveren gedaan
+had. Naderhand zeiden zij, dat Askar den strijd had verloren tegen de
+Golen, omdat het volk niet wilde gelooven, dat Wodan hen konde helpen,
+en dat zij hem daarom niet wilden aanbidden. Voorts gingen zij heen
+en schaakten jonge kinderen, die zij bij zich hielden en opvoedden in
+de geheimenissen van hunne verfoeijelijke leer. Waren er menschen, die
+
+
+
+
+
+
+
+ADELA.
+
+
+OKKE MIN SVN.
+
+
+Thissa boka mot i mith lif ånd sêle wârja. Se vmbifattath thju skêdnise
+fon vs êle folk âk fon vsa êthlum. Vrlêden jêr håb ik tham ut-er
+flod hred tolik mith thi ånd thinra moder. Tha hja wêron wet wrden;
+thêr thrvch gvngon hja åfternei vrdarva. Vmbe hja navt to vrlysa håb
+ik-ra vp wrlandisk pampyer wrskrêven. Sa hwersa thu se erve, mot hu
+se âk wrskryva. Thin bårn alsa til thju hja nimmerthe wêi navt ne kvma.
+
+Skrêven to Ljuwert. Nêi âtland svnken is [6] thåt thria thûsond
+fjvwer hvndred ånd njugon ånd fjvwertigoste jêr, thåt is nei kersten
+rêknong that tvelfhvndred sex ånd fiftigoste jêr. Hidde tobinomath
+oera Linda.--Wâk.
+
+
+
+Ljawa ervnôma. Vmb vsa ljawa êthlas wille ånd vmb vsa ljawa fridoms
+wille, thusand wâra sâ bidd-ik to jo. Och ljawa ne lêt tha âgon
+ênis pâpekappe tach nimmerthe over thissa skrifta ne wêja. Hja
+sprêkath swêta wirda: men hja tornath vnmårksêm an alles hwat fon
+vs fryas trefth. Vmbe rika prebende to winnande sâ hêlath hja mith
+tha poppa kêninggar. Thissa wêtath that wi hjara grâteste fianda
+send. thrvchdam wi hjara liuda to sprêke thvra vr frijdom, rjucht
+ånd forstne plicht. Thervmbe lêtath hja alles vrdiligja, hwat fon
+vsa êthlum kvmt ånd hwat thêr jeta rest fon vsa alda sêdum. Och ljawa
+ik håv by tham et hove wêst. Wil Wr.alda-t thjelda ånd willath wi vs
+navt sterik ne mâkja hja skilun vs algâdur vrdiligja.
+
+Skrêven to Ljudwerd. Acht hondred ånd thrju jèr nei kersten
+bigrip. Liko tonômath ovira Linda.
+
+
+
+
+
+THET BOK THÊRA ADELA FOLSTAR.
+
+
+Thrittich jêr åftere dêi that thju folksmoder wmbrocht was thrvch
+thêne vreste Mâgy [7] stand et er årg vm to. Alle stâta thêr-er lidsa
+anda ôre syde thêre Wrsara, wêron fon vs ofkêrth ånd vnder-et weld thes
+Magy kêmen, ånd-et stand to frêsane, that er weldig skolde wertha vr-et
+êlle lând. Vmbe thåt vnluk to wêrane hêde mån êne mêna âcht bilidsen,
+hwêr gâdurath wêron âllera månnelik, thêr ann-en gode hrop stande by
+tha fâmna. Tha nêi thât-er mâr vrlâpen wêron as thrjv etmelda, was al
+go-rêd anda tys ånd al-ên sa by hjara kvmste. Thâ to tha lesta frêge
+Adela thåt wird, ånde kêth. J alle wêt-et that ik thrjv jêr burchfâm
+wêsen sy. Ak wêt j that ik kêren sy to moder, ånd âk, that ik nên moder
+nêsa [8] navt nilde [9], thrvchdam ik Apol to min êngâ jêrde. Thach
+hwat j navt nête [10], thåt is, that ik alle bêrtnisa nêigvngen håw,
+êvin as ik en wrentlike folksmoder wêsen wêre. Ik håv al-an fon ånd
+witherfâren to sjande hwåt-er bêrde. Thêr thrvch send my fêlo sêka
+bâr wrden, thêr ôra navt nête. J håweth jester sêith, thåt vsa sibba
+an tha ôra syd thêre Wrsara njvt ånd lâf wêre. Thâ ik mêi sedsa to jv,
+thåt-er Mâgy se nên yne gâ of wnnen heth thrvch thåt weld synra wêpne,
+men blât thrvch årgelestige renka, ånd jeta mâr thrvch thåt gyrich
+sa thêra hyrtogum ånd thêra êthelinga. Frya heth sêit wi ne skoldon
+nên vnfrya ljvd by vs tolêta, thâ hwat håvon hja dên? hja håvon vsa
+fjand nêi folged: hwand an stêd fon hjara fensenum to dêiande, jeftha
+fry to lêtane, håvon hja Fryas rêd minacht ånd se to hjara slâfonum
+mâked. Thrvchdam hja sok dêdon, macht Frya navt longer wâka ovir hjam:
+hja håvon ynes ôtheris frydom binimen, ånd thåt is êrsêke, thåt hja
+hjara åjn vrlêren håwe. Thach thåt ella is jo selva âken. Men ik wil
+sedsa to jo, ho hja nêi grâdum sâ lêg vrsylth send. Thêra finnum hjara
+wiva krêjon bårn. Thissa waxton vppa mith vsa frya bårn. Altomet
+tvildon ånd joldon hja to samne vppa hêm, jeftha hja wêron mith
+ekkorum by thêre hêrd. Thêr hêrdon hja mith lustum nêi tha vrdwâlska
+finna sâgum, thrvchdam hja thjvd ånd nêi wêron. Sâ send hja vntfryast
+vnthônkes thene wald hjarar aldrum. As tha bårn grât wrdon ånd sagon
+thåt tha finna-ra bårn nên wêpne hantêra machte, ånd blât wårka moste,
+thâ krêjon hja anneth wårka en gryns ånd wrdon hårde hâchfârande. Tha
+bâsa ånd hjara storsta svnum krupton by tha lodderiga finna mangêrtum;
+ånd hjara åjne toghatera thrvch thåt vvle fârbild fon-a wêi brocht,
+lêton hjara selva bigorda thrvch tha skênesta finna knâpa, hjara vvle
+aldrum to spot. Tha thêne Magy thåt anda nôs kryg, tha nam-er tha
+skênesta sinar Finna ånd Magyara vrlovende râ ky mith golden horna, sa
+hja ra thrvch vs folk fata dêdon, åfterdam sina lêr vtbrêda. Men sin
+ljuda dêdon mâr: bern wrdon to sok makad, nei vpsalândum wêibrocht,
+ånd sâhwersa hja vpbrocht wêron an sina vvla lêr, thån wrdon hja to
+bek sendon. Thâ tha skinslâvona vsa tâl måchtich wêron, thâ klivadon
+hja tha hêrtoga ånd êthelinga an bord, ånd kêthon, hja moston thene
+Magy hêroch wertha, sa kvndon hjara svnum vpfolgja tham, oni [11]
+thrvch-et folk kêron to wrdane. Thêra thêr vmbe goda dêdum en fârdêl
+to-ra hus kryen hêde-vrlovadon hja fon sinant wêgum jeta-n åfter-dêl
+bij; hoka tham en fâr ånd åfter-dêl kryen hêde sêidon hja en rond-dêl
+to, ånd tham en rond-dêl hêde en êlle stât. Wêron tha êthla to hårde
+fryas, thâ wendon hja tha stêwen ånd hildon vppar vrbastera svnum
+an. Jesterdêi wêron-er mong [12] jo tham allet folk to hâpa hropa
+wilde vmb tha âstlike stâta wither to hjara plyga to tvangande. Thach
+nêi min ynfalda myning skolde thât falikant [13] utkvmma. Thånk ynes
+thêr was wêsen en hårde lvngsyakte among-eth fja, ånd thåt-er thêr
+jeta årg vvde, skolde j-eth thån wel wâgja vmbe jvw hêlena fja to
+fârande among hjara syaka fja? åmmer nâ. Sâhwersa allra månnelik nw
+biâma ånd bijechta mot, thåt-eth thêr mitha stapel årg of kvma skolde,
+hwa skolde thån alsa dryst wêsa vmbe sina bårn to wagande among en folk
+thåt êlle ånd al vrdêren is. Macht ik jo rêd jêva, ik skolde sedsa
+to jo, j moste bifara alle dingum jo en nêie folksmoder kyasa. Ik
+wêt wel thåt j thêrmitha anda brvd sitte, vt hawede thåt-er fon tha
+thredtine burchfâmna than wi jeta ower håve wel achte send thêr nêi
+thêre êra dinge, men thåt skold ik navt ne melda. Tüntja thêr fâm
+is et-er burch Mêdêasblik het er nåmmer nêi tâlth; tach is hja fol
+witskip ånd klarsyan, ånd wel sa hårde vppir folk ånd usa plyga stålth
+as all ôthera etsamne. Forth skold-ik rêda j moste nêi tha burgum gâ,
+ånd thêr vpskrywa alle êwa fryas tex, bijvnka alle skydnisa, jâ ella
+thåt er to finda sy vppa wâgum, til thju ella navt vrlêren ni gâ,
+ånd mitha burgum alsa vrdên navt ne werth. Thêr ståt askriwen: thiu
+moder ånd jahwelik burchfàm skil håva buta helpar ånd senda bodon,
+yn and twintich fâmna ånd sjugon lêrfâmkis. Macht ik thêr hwat to
+dvande, thâ skol-ik skrywa, ånd alsa fêlo êrsêma toghatera vmbe to
+lêrane, sa thêr vppa burgum wêsa müge; hwand ik seg an trowe ånd tid
+skil-eth jechta, sâhwersa j åfta Fryas bårn wille nåmmer to winnande,
+hor thrvch lesta ner thvch wêpne, sa hagath j to nvdande thåt jvwe
+toghatera åfta frya wiva wrde. Bårn mot mån lêre, ho grât vs lând êr
+wêsen sy, hokke grâte månniska vsa ethla wêron, ho grât wi jeta send,
+sa wi vs dål ledsath bij ôra, mån mot tâla hjam fon tha wicharda ånd
+fon hjara wichandlika dêdum, åk wra fâra sêtochta. Al thissa tållinga
+hagath dên to werthande bij thêre hêrd, vppa hêm ånd hwêr et wêsa mêi,
+sâ bij blyskip as bij târum. Men skil-et standfåst kvma an dat bryn
+ånd andåt hirta, thån moton alle lêringa overa wêra jvwera wiva ånd
+toghatera thêr-in strâma. Adelas rêd is vpfolgath.
+
+Thit send tha nâma thêra grêvetmanna, vnder hwam-mis wald thit bok
+awrochten is. Apol, Adelas man, Thria is-er sêkening wêsen, nw is-er
+grêvetman over Ast-flylând ånd ovir-a Linda-wrda. Tha bvrga Ljvdgârda,
+Lindahêm, ånd Stâvja send vnder sin hod.
+
+Ther Saxman Storo, Sytjas man, grêvetman ovir-a hâga fenna ånd
+walda. Njvgun wâra is-er to hêrtoga, thåt is to hyrman, kêren. Tha
+burga Bvda ånd Manna-gârda-forda send vnder sin hod.
+
+Abêlo, Jaltjas man, grêvetman ovir tha Sûdar Flylânda. Fjvwers is-er
+hyrman wêsen. Tha burga Aken, Ljvdburch ånd Kâtsburch send vnder
+sin hod.
+
+Enoch Dywek his man, grêvetman ovir West-flylând ånd Texland. Njvgun
+mel is-er to sêkening kêren. Thiu Wâraburch, Mêdêasblik, Forâna ånd
+ald Fryasburch send vnder sin hod.
+
+Foppa, man fon Dunrôs, grêvetman ovir tha Sjvgon êlânda. Fif mel
+is-er sêkening wêsen. Thju burch Walhallagâra is vnder sin hod.
+
+Thit stand vppa tha wâgum et Fryasburch to Texland askrywen, thåt
+stêt âk to Stâvia ånd to Mêdêas blik.
+
+Thåt was Frya his dêi ånd to thêre stonde was et vrlêden sjvgun wâra
+sjvgun jêr, thåt Fåsta was anståld as folksmoder nêi Fryas jêrta. Thju
+burch Mêdêasblik was rêd ånd en fâm was kêren. Nw skolde Fåsta thju
+nêja foddik vpstêka, ånd thâ thåt dên was an åjnwarda fon thåt folk,
+thâ hrop Frya fon hira wâkståre, sâ thåt allera månnalik thåt hêra
+machte: Fåsta nim thinra stifte ånd writ tha thinga thêr ik êr navt
+sedsa ne machte. Fåsta dêde alsa hja boden wårth. Sâ send wy Fryas
+bårn an vsa forma skêdnise kêmen.
+
+Thåt is vsa forma skêdnise.
+
+Wr.alda [14] tham allêna god ånd êvg is, mâkade t.anfang, dana kêm
+tid, tid wrochte alle thinga âk jrtha. Jrtha bârde alle gârsa, krûdon
+ånd boma, allet djara kwik ånd allet årge kwik. Alhwat god ånd djar
+is, brocht hju by dêgum ånd alhwat kwâd ånd årg is, brocht hju thes
+nachtis forth. Afteret twilifte jol-fêrste bârde hja thrja mangêrta.
+
+Lyda wårth ut glyande,
+
+Finda wårth ut hêta ånd
+
+Frya ut warme stof.
+
+Thâ hja blât kêmon spisde Wr.alda hjam mith sina âdama; til thju tha
+månneska an him skolde bvnden wêsa. Ring as hja rip wêron krêjon hja
+früchda ånd nochta anda drâma Wr.aldas. Od [15] trâd to-ra binna: ånd
+nw bârdon ek twilif svna ånd twilif togathera ek joltid twên. Thêrof
+send alle månneska kêmen.
+
+Lyda was swart, krolhêred alsa tha lômera: lik ståra blonken hjra ôgon;
+ja thes gyrfügels blikkar wêron vnmodich by hjras.
+
+Skårpe Lyda. Annen sanâka kvn hju kruppa hêra, ånd hwersa thêr fiska
+invr wêter wêre n-vntgong thåt hira nostera navt.
+
+Rådbvwde Lyda. En store bâm kvn hju bûgja ånd sahwersa hja run ne
+bråk nêne blomstâl vnder hjara fyt.
+
+Weldige Lyda. Hård was hjra steme ånd krêt hju ut grimme sâ run ek
+flux wêi.
+
+Wonderfvlle Lyda. Fon êwa nilde hju navt nêta: hjra dêda wrdon thrvch
+hjra tochta stjvrat. Vmbe tha têdra to helpâne, dâde hju tha stôra
+ånd hwersa hju-t dên hêde grâjde hju by-t lik.
+
+Arme Lyda. Hju wårth gris fon-t vnwisse bihjelda ånd vpp-it ende
+sturf hja fon hirtsêr vmbe tha bårn-ra kwâd.
+
+Vnwisa bårn. Hja tichtegadon ekkorum, fen måm-ra dâd, hja gråjadon
+lik wolva, fjvchtadon alsa ånd dahwile hja that dêdon êton tha fügelon
+thåt lik. Hwâ mêi sin târa hwither to haldane.
+
+Finda. Was gêl ånd hjr hêr sâ tha mâna êner hors: êne thrê ne kv hja
+navt ni bûgja; men hwêr Lyda annen lavwa macht to dêjande, thêr dâde
+hja wel tjån.
+
+Vrlêdalike Finda. Svet was hjra stemme ånd nannen fügel kvn sjonga
+lik hju. Hjra êgon lokton ånd lordon, men thêrer ansach wårth slâf.
+
+Vnrêdalika Finda. Hju skrêf thûsande êwa, tha hju ne folgde nên er
+fon vp. Hja vrfyade tha goda vmbe hjara frymod, thâ an slikmåmkes
+jêf hju hjr selva hast wêi.
+
+That was hir vnluk. Hjra hâved was to fvl: tha hjr hirte to ydel;
+hju ne minde nimmån sa hja selva ånd hju wilde thåt ek hja lyaf
+håwe skolde.
+
+Falske Finda. Hüning swet wêron hjra wirda, thâ hok tham hja trjvwade
+wêre vnluk nêi by.
+
+Selvsjochta Finda. Ovir ella wilde hju welda, ånd hjra svnum wêron
+lik hju; fon hjara susterum lêton hja ra thjanja ånd ekkorum slogon
+hja vmb-et mâsterskip dâd.
+
+Dubbelhirta Finda. Vmbe skotse wirda wårth hju yre, ånd tha årgste
+dêda ne rorde hja navt. Sach hju en nyndask en spinne vrslynna,
+thån wårth hju omm-et hirte sa ys; men sach hju hjra bårn en fryas
+vrmorde sâ swol hjra bosm fon nocht.
+
+Vnluke Finda. Hju sturf anda blomtid fon hjra lêva, ånd-t is jeta
+tjvester ho hju fallen sy.
+
+Skinhêliga bårn. Vnder kestlike stêna lêidon hja hjra lik dêl, mit
+kwabbjana skriftum smukton hja tham vppa, togrâjande vmbe hêrath to
+wårthande men an stilnise ne wênadon hja nênen ênge târ.
+
+Vrijfalik folk. Thi tex thêr Finda nêi lêt was in golden blêdar wryt:
+thach tha besta hwêr-far i mâkad was, wêr i nåmmer to not. Tha goda
+êwa wrdon utfâgad ånd selfv sjocht wryte thêr kwâda far in.
+
+O Finda. Tha wårth jrtha fvl blod, ånd tha hâveda thêr månneska
+måjadon thin bårn lik gårs hålma of. Ja Finda thåt send tha früchda
+thinera ydlenise. Sjan dål fon thinre wâkstår ånd wên.
+
+Frya. Was wit lik snêi bij-t môrnerâd ånd thåt blâw hjrar ôgnum wn-et
+jeta thêre rêinbôge of.
+
+Skêne Frya. Lik strêlon thêre middêi svnne blikadon hjra hêron,
+thêr sa fin wêron as rach.
+
+Abela Frya. Vntlvkton hjra wêra, thån swêgon tha fügelon ånd ne rordon
+tha blêdar navt mar.
+
+Weldige Frya. Thrvch thêne kråft hjrar blikkar strêk thene lâwa to
+fara hjara fyt dål ånd held thene addur sin gif tobåk.
+
+Rêne Frya. Hjra yta was hüning ånd hjra drank was dâwa, gâdvrad anda
+bôsma thêra blommur.
+
+Lichte Frya. Thåt forma hwat hju hjra bårn lêrde was selv-twang, thåt
+ôthera was lyafte to düged, ånd thâ hja jêroch wrdon, thâ lêrde hju
+hjam thju wêrtha fon tha frijdom kånna: hwand sêide hju svnder frijdom
+send alle ôthera dügedon allêna god vmbe jo to slâvona to mâkjande,
+jvwe ofkvmste to êvge skantha.
+
+Milde Frya. Nåmmer lyt hju mêtal ut jrtha dålva vmb åjnbât, men
+sâhwersa hja-t dêde wêr-et to jahwelikis not.
+
+Lukigoste Frya. Alsa tha ståra om jrtha omswyrmia swirmadon hjara
+bårn om hja.
+
+Wise Frya. Thâ hju hjra bårn vpbrocht hêde alto thêre sjugonde kny,
+thâ hrop hju-ra alle a Flylând to såmne. Thêr jêf se hjam hjra tex,
+ånd sêide, lêt tham jvwe wêiwisar wêsa, thâ ne skil thåt jo nâ navt
+kwalik ni gâ.
+
+Utforkêrena Frya. Thâ hju-t sêid hêde, bêvade jrtha lîk Wr.aldas sê,
+Flylândis bodem svnk an grâda vnder hjara fyt dål. Thju loft wârt swart
+ånd nylof [16] fon târa to stirtane ånd thâ hja nêi moder omsâgon,
+was hju al lang vppira wâkstår. Thâ to tha lesta språk tongar ut-a
+wolka ånd blixen schrêf an thåt loftrvm, wâk.
+
+Farsjanda Frya. Thåt lând fon hwêr hju was vpfaren was nw en strâm ånd
+buta hira tex was thêr in ella bidvlwen hwat fon hjra hôndum kêmen was.
+
+Hêriga bårn. Thâ hja to-ra selva wêron, thâ mâkadon hja thit hâge
+therp, bvwadon thâs burch thêrvppa, anda wågrum thessa wryton hja
+thene tex, ånd vmbe that allera mannalik hja skolde müga finda,
+håvath hja thåt lând rondomme Texlând hêten. Thêrvmbe skil-åt bilywa
+al wenne jrtha jrtha sy.
+
+
+
+
+
+TEX FRYAS.
+
+
+Held bêid tha Frya, to tha lesta skilun hja my hwiter sja. Thach thêra
+allêna mêi ik as fry kånna thêr nên slâf is fon ên ôther ni fon sine
+tochta. Hyr is min rêd.
+
+Sâhwersa thju nêd årg sy ånd gode rêd ånd gode dêd nawet mâr ne
+formüge, hrop thån thi gâst Wr.aldas an, men j ne mot-im navt anhropa
+bifâra alle thinga prvvath send. Tha ik segs to jo mith rêdene ånd
+tid skil-et wâra, tha modelâsa skilun åmmar swika vnder hjar åjn lêd.
+
+2. Wr.aldas gâst mêi mån allêna knibuwgjande thânk to wya, jâ thrju
+wâra far hwat jv fon him noten håve, far hwat jv nith, ånd fara hâpe
+thêr hy jo lêt an ånga tida.
+
+3. J håwed sjan ho ring ik helpe lênde, dva al ên mith jo nêston,
+men ne tof navt til mån jo bêden heth, tha lydande skolde jo floka,
+min fâmna skoldon jvwa nâma utfaga ut-åt bok ånd ik skolde jo lik
+vnbikånnade ofwisa mota.
+
+4. Nim nåmmar knibuwgjande tânk fon jv nêston an, thjus âgath Wr.aldas
+gâst. Nid skolde j bikrjupa, wisdom solde j bilâka ånd min fâmna
+skoldon jo bityga fon fâderrâv.
+
+5. Fjuwer thinga send to jvwe not jêven, mith nâma, loft, wêter, lând
+ånd fjur. Men Wr.alda wil thêr allêna bisittar of wêsa. Thêrvmbe rêd
+ik jo, j skilun jo rjuchtfêrdiga manna kyasa, tham thju arbêd ånd tha
+früchda nêi rjuchta dêla, sâ that nåmman fry fon wârka ni fon wêra sy.
+
+6. Sâhwersa thêr åmman among jo fvnden wårth, thêr sin åjn frydom
+vrsellath, tham-n is navt fon jvw folk: hi is en horning mith basterd
+blod. Ik rêde jo that j him ånd sin måm to thåt lând utdriva, sêgs
+that to jvwa bårn, thes mornes, thes middêis ånd thes êwendes, til
+thju hja thêrof drâme thes nachtis.
+
+7. Allera månnalik thêr en ôther fon sine frydom birâwath, al wêre
+thêne ôre him skeldech, mot ik anda bårntâm êner slâfinne fâra
+lêta. Thach ik rêde jo vmbe sin lik ånd that sinera måm vpp êne kåle
+stêd to vrbarnande, åfternêi hjara aske fiftich fyt anda grvnd to
+dålvane, til hju thêr nênen gårshålm vp waxa ni mêi, hwand aldulkera
+gårs skolde jvw diaroste kvik dêja.
+
+8. Ne grip nâ thåt folk fon Lyda ner fon Finda an. Wr.alda skolde
+helpa hjam, sa that-åt weld that fon jo utgong vppa jvwa åjne hâveda
+skolde witherkvma.
+
+9. Sâhwersa thåt machte bêra that hja fon juwe rêd jefta awet owers
+wilde, alsa aghat j to helpane hjam. Men kvmath hja to râwande;
+fal than vppa tham nither lik blixenande fjvr.
+
+10. Sâhwersa annen fon hjam êner jvwer toghaterum to wif gêrth ånd
+hju that wil, thån skolun j hja hjra dvmhêd bitjvtha; thach wil hju
+toch hjra frêjar folgja, that hja than mith frêtho gâ.
+
+11. Willath jvw svna fon hjara toghaterum, sâ mot j alsa dva as mith
+jvwa toghaterum. Thach hor tha êna nor tha ôthera mêi witherkvma;
+hwand hja skoldvn uthêmeda sêda ånd plêga mith fara; ånd drêi thessa
+by jo heldgad wrde, mêi ik navt longer ovir jo wâka.
+
+12. Vppa minre fâm Fåsta håv ik min hâp fåstegth, thêrvmbe most j hja
+to êremoder nêma, Folgath j min rêd, thån skil hju nêmels min fâm
+bilywa ånd alla frâna fâmna thêr hja folgja; thån skil thju foddik
+nåmer utgâ thêr ik far jo vpstoken håv. Thåt ljucht thêra skil thån
+êvg jvwe bryn vpklarja, ånd j skilun thån êvin fry bilyva fon vnfrya
+weld as jvwa swite rinstrâma fon thåt salte wêter thêr åndelâse sê.
+
+
+
+
+
+THET HET FASTA SÊID.
+
+
+Alle setma thêr en êw, thåt is hvndred jêr, omhlâpa müge mith tha
+krodar ånd sin jol, thêra mügon vppa rêd thêre moder, ånd by mêna
+willa vppa wêgar thêra burgum writ hwertha; send hja uppa wêgar writ,
+thân send hja êwa, ånd thåt is vsa plicht vmbe altham an êra to
+haldande. Kvmth nêd ånd tvang vs setma to jêvane, stridande wither
+vsa êwa ånd plêgum, sâ mot månneska dva alsa hja askja; thach send
+hja wêken, thån mot mån åmmer to thåt alda witherkêra. Thåt is Fryas
+willa, ånd thåt mot wêsa tham fon al hjra bårn.
+
+
+
+
+
+FASTA SÊIDE.
+
+
+Alle thinga, thêr mån anfangja wil, hoka thåt-åt môga wêsa, vppa tha
+dêi, thêr wy Frya heldgad håwa, tham skilun êvg falykant utkvma:
+nêidam tid nw biwysd heth thåt hju riucht hêde, sâ is thåt en êwa
+wrdon, thåt mån svnder nêd ånd tvang a Frya hjra dêi nawet owers ni
+dva ne mêi, tha blyda fêrsta fyrja.
+
+
+
+
+
+THAT SEND THA ÊWA THÊR TO THÊRA BURGUM HÊRA.
+
+
+1. Sâhwersa thêr årne êne burch bvwet is, sâ mot thju foddik thêra an
+tha forma foddik et Texlând vpstêken wrda. Thach thåt ne mêi nåmmer
+owers as troch tha moder skên.
+
+2. Ek moder skil hjra åjn fâmna kjasa; alsa thêra thêr vppa thêra
+ôthera burgum as moder send.
+
+3. Thju moder to Texlând mêi hjra folgster kjasa, thach sâhwersa hju
+falth êr hju-t dên heth, sa mot thas kêren hwertha vppa êna mêna acht,
+by rêdum fon alle stata et sêmne.
+
+4. Thju moder to Texlând mêi ên ånd tvintich fâmna ånd sjvgun spille
+mangêrta håva, til thju thêr åmmer sjvgun by thêre foddik muge wâkja
+dêilikes ånd thes nachtes. By tha fâmna thêr vppa ora burgum as moder
+thjanja alsa fêlo.
+
+5. Sâhwersa en fâm annen gâda wil, sa mot hju-t thêre moder melda,
+ånd bistonda to tha månniska kêra, êr hju mith hjra tochtige âdama
+thåt ljucht bivvlath.
+
+6. Thju moder ånd alrek burchfâm skil mån tofogjande ên ånd tvintich
+burchhêran, sjvgun alda wisa, sjvgun alda kåmpar, ånd sjvgun alda
+sêkåmper.
+
+7. Ther fon skilun alle jêron to honk kêra thrim fon elik sjvgun,
+thach hja ne mügon navt vpfolgath ne wertha thrvch hjara sibtal nêjar
+sa tha fjarda kny.
+
+8. Aider mêi thrê hvndred jonga burchwêrar håva.
+
+9. Far thissa thjanesta skilun hja lêra Fryas tex ånd tha êwa, fon
+tha wisa mannon thêne wisdom, fon tha alda hêrmannon thene kunst fon
+tha orloch ånd fond tha sêkeningar thene kunsta thêr bi thåt butafâra
+nêthlik send.
+
+10. Fon thissa wêrar skilun jêrlikes hvndred to bek kêra. Thach send
+thêr svme vrlåmth wrden, sa mügon hja vpper burch bilywa hjara êlle
+lêva long.
+
+11. By thåt kjasa fon tha wêrar ne mêi nimmen fon thêra burch nên
+stem navt ne håva, ni tha grêvetmanna jefta ôthera hâveda, mån thåt
+blåta folk allêna.
+
+12. Thju moder et Texlând skil mån jêva thrja sjvgun flinka bodon mith
+thrja twilif rappa horsa. Vppa ora burgum ek burchfâm thrê bodon mith
+sjvgun horsa.
+
+13. Ak skil åjder burchfâm håva fiftich bvwara thrvch thåt folk
+akêren. Men thêrto mêi mån allêna jêva sokka, thêr navt abel ånd
+stora for wêra ner to butafârar send.
+
+14. Ajder burch mot hiri selva bidruppa ånd genêra fon hjra åjn
+ronddêl ånd fon thåt dêl that hju fon thåt mårkjeld bürth.
+
+15. Is thêr åmman kêren vmbe vppa burgum to thjanjande ånd nil-er navt,
+thån ne mêi-er na nên burchhêr wertha, ånd dus nên stem navt ni håva,
+is er al burchhêr sa skil hi thju êr vrljasa.
+
+16. Sâhwersa åmman rêd gêrt fon thêre moder, tha fon êne burchfâm,
+sa mot hi him selva melde by tha skrivwer. Thesse brångth-im by
+tha burchmâster.
+
+Forth mot-i nêi tha lêtsa, thåt is thêne hêlener. Thêr mot sja jef er
+âk bisêken is fon kvada tochtum. Is-er god sêid, tha vndvath hi him
+selva fon sinum wêpna, ånd sjvgun wêrar brångath him by thêre moder.
+
+17. Is thju sêk vr êne stâte sa ne mügon thêr navt miner thån thrê
+bodon kvma: is-t vr-t êlla Fryaslând, thån moton thêr jeta sjvgun
+tjuga bywêsa. Thêrumbe thåt er nên kva formvda navt risa ne mêi nor
+skalkhêd dên ne wrde.
+
+18. By alle sêkum mot tha moder walda ånd njvda thåt hjra bårn,
+thåt is Fryas folk, sâ mêt-rik bilywa as thåt wêsa mêi. Thåt is thi
+grâtesta hjrar plichta, ånd vs alra vmb-er thêr an to hêlpande.
+
+19. Håt mån hja by êne rjuchtlika sêke anhropen vmb-er utsprêk twisk
+annen grêvetman ånd tha mênte, ånd findath hju thju sêke tvivelik,
+sâ mot hju to bâte fon thêr mênte sprêka til thju thêr frêtho kvma,
+ånd thrvchtham thåt bêtre sy that ên man vnrjucht dên wrde thån fêlo.
+
+20. Kvmth hwa vmb rêd ånd wêt thju moder rêd, sa âch hju tham bystonda
+to jêvane, wêt hju bystonda nên rêd, sâ mêi hju wachtja lêta sjvgun
+dêgum. Wêt hju thån nach nên rêd, sa mügon hja hinne brûda, ånd hja
+mügon hjra selva navt biklagja, til thju nên rêd bêtre is thån kva rêd.
+
+21. Heth en moder årge rêd jêven ut kvada willa, sâ mot mân hja dêja
+jefta ut of lândum dryva stoknaken ånd blât.
+
+22. Send hjra burchhêra mêdeplichtich, thån dvath mån alsa mith tham.
+
+23. Is hjra skild tvivelik jefta blât formoda, sâ mot mån thêr-vr
+thingja ånd sprêka, is-t nêdich, ên ånd twintich wyka long. Stemth tha
+halfdêl skildich, sâ halde mån hja vr vnskildich, twêde sâ wacht mån
+jeta en fvl jêr. Stemth mån thån alsa, sâ mêi mån hja skildich halda,
+tha navt ni dêja.
+
+24. Sâhwersa svme among thåt thrimna send tham hja alsa sêr vnskildich
+mêne that hja hja folgja wille, sâ mügon hja thåt dva mith al hjara
+driwande ånd tilbara hâva ånd nåmman acht hjam thêr ovir min to
+achtiane, til thju thåt mâra dêl alsa blyd kån dwâla sa thåt minra del.
+
+
+
+
+
+MÊNA ÊWA.
+
+
+1. Alle frya bårn send a êlike wysa bårn. Thêrvmbe moton hja âk êlika
+rjuchte håva, alsa blyd vpp-åt lând as vpp-åth ê, thåt is wêter ånd
+vp ella thåt Wr.alda jefth.
+
+2. Allera mannalik mêi-t wif sinra kêsa frêja ånd ek toghater mêi
+efter hjra helddrvnk bjada thêr hju minth.
+
+3. Heth hwa en wif nimth, sâ jêft mån hjam hus ånd wårv. N-is thêr nên,
+sa mot-åt bvwat wrde.
+
+4. Is-er nêi en ôther thorp gongon vmb en wif ånd wil hi thêr bilywa,
+sâ mot mån him thêr en hus en wårf jêwa bijonka thåt not fon tha
+hêmrik.
+
+5. Allera mannalik mot mån en åfterdêl as wårf by sina hus jêva. Tha
+nimman ne mêi en fardêl by sin hus nåva, fül min en ronddêl. Allêna ief
+hwa en dâd dên heth to mêna nitha, sâ mêi him thåt jêven wrde. Ak mêi
+sin jongste svn that erva. After tham mot thåt thorp that wither nima.
+
+6. Ek thorp skil en hêmrik håva nêi sina bihof ånd thêne grêva skil
+njvda that alra ek sin dêl bidongth ånd god hald, til thju tha åfter
+kvmmande nên skåde navt ne lyda ne muge.
+
+7. Ek thorp mêi en mårk hava to kâp ånd to vrkâp iefta to
+wandelja. Alle-t ôra lând skil bvw ånd wald bilyva. Thâ tha bâma thêra
+ne mêi nimman navt fålla, buta mêna rêda ånd buta wêta thes waldgrêva,
+hwand tha walda send to mêna nitha. Thêrvmbe ne mêi nimman thêr måster
+of sa.
+
+8. As mårkjeld ne mêi thåt thorp navt mâr ni nimma sa tha tillifte
+dêl fon tha skat, hor fon tha inhêmar ner fon tha fêrhêmande. Ak ne
+mêi tha mårk skat navt êr vrsellath [17] ne wertha as thåt ôra god.
+
+9. Alle-t mårkjeld mot jêrlikes dêlath wrde, thrja dêgan far thêre
+joldêi, an hvndred dêlun to dêlande.
+
+10. Thi grêvetman mit sinum grêvum skil thêr of büra twintich dêla;
+thêne mårk rjuchter tian dêla, ånd sinum helpar, fif dêla; thju
+folkesmoder ên dêl; thju gâ moder fjvwer dêla; thåt thorp tian dêla;
+tha årma, thåt is thêra tham navt wårka ni kunna ni müge, fiftich dêla.
+
+11. Thêra, tham to mårka kvma, ne mügon navt ni wokeria, kvmath thêr
+svm, sa is-t thêra famna plicht hjam kånbêr to makjana in-vr thåt êlle
+lând, til thju hja nimmerthe kêren navt wrde to eng ampt, hwand soka
+håvath en gyra-lik hirte, vmbe skåt to garja skolde hja ella vrrêda,
+thåt folk, thjv moder, hjara sibben ånd tho tha lesta hjara selva.
+
+12. Is thêr åmman alsa årg that-er sjvcht-siak fja jeftha vrdêren
+wêr vrsellath vr hêl god, sa mot thene mårk-rjuchtar him wêra ånd
+tha famna him noma invr-et êlle lând.
+
+In êra tyda hêmadon Findas folk mêst algadur invr hjara moders
+bårta-lând, mit nôma ald-lând that nw vnder-ne sê lêith; hja wêron
+thus fêr-of, thêrvmbe nêdon wi âk nên orloch, tha hja vrdrêven send
+ånd hêinda kêmon to râwane, thâ kêm-er fon selva lândwêr hêrmanna
+kêninggar ånd orloch, vr altham kêmon setma ånd uta setma kêmon êwa.
+
+
+
+
+
+HYR FOLGATH THA ÊWA THÊR THÊRUT TAVLIKT SEND.
+
+
+1. Ek Fryas mot-a lêtha jeftha fyanda wêra mith aldulkera wåpne as-er
+forsinna, bikvma ånd hândtêra mêi.
+
+2. Is en boi twilif jer, sa mot-i tha sjvgunde dêi miste fon sin
+lêr-tid vmbe rêd to werthande mith-a wåpne.
+
+3. Is hi bikvmen, sa jêve mån him wåpne ånd hi warth to wêrar slâgen.
+
+4. Is hi thrê jêr wêrar, sâ wårth-i burch-hêr ånd mêi hi hêlpa sin
+hâwed-manna to kjasane.
+
+5. Is hwa sjvgun jêr kjasar, sâ mêi hi hêlpa en hêrman jeftha kêning
+to kjasane, thêr to âk kêren wrde.
+
+6. Alle jêr mot-er ovir kêren wertha.
+
+7. Buta tha kêning mügon alle ambtmanna wither kêren wertha, tham
+rjucht dva ånd nêi fryas rêd.
+
+8. Annen kêning ne mêi navt ni lônger as thrê jêr kêning bilywa,
+til thju hi navt biklywa ne mêi.
+
+9. Heth-i sjvgun jêr rest, sâ mêi hi wither kêren wertha.
+
+10. Is thi kêning thruch thene fyand fallen, sâ mügon sina sibba âk
+nêi thêre êre thinga.
+
+11. Is-er vppa sin tid ofgvngen jeftha binna sin tid sturven, sâ ne
+mêi nên sibba him vpfolgja, thêr-im nêiar sy sa tha fjarde kny.
+
+12. Thêra tham strida mitha wåpne an hjara handa ne kunnath navt
+forsinna ånd wis bilywa, thêrvmbe ne focht-eth nêne kêning wåpne to
+hantêra an tha strid. Sin wisdom mot sin wåpen wêsa ånd thju ljafte
+siura kåmpona mot sin skyld wêsa.
+
+
+
+
+
+HYR SEND THA RJUCHTA THÊRE MODER AND THÊRA KÊNINGGAR.
+
+
+1. Sahwersa orloch kumth, send tha moder hira bodon nêi tha kêning,
+thi kêning send bodon nêi tha grêvetmanna vmbe lând-wêr.
+
+2. Tha grêvetmanna hropath alle burch-hêra et sêmne ånd birêdath ho
+fêlo manna hja skilun stjura.
+
+3. Alle bisluta thêra moton ring nêi thêre moder senden wertha mith
+bodon ånd tjugum.
+
+4. Thju moder lêth alle bisluta gaderja ånd jêfth et guldnetal,
+thåt is thåt middeltal fon alle bisluta etsêmne, thêrmitha mot mån
+far thåt forma frêto ha ånd thene kening alsa.
+
+5. Is thju wêra a kåmp, thån hoft thi kêning allêna mith sinum
+havedmanna to rêda, thach thêr moton åmmerthe thrê burch-hêra fon thêre
+moder fôrana sitta svnder stem. Thissa burch-hêra moton dêjalikis
+bodon nêi thêre moder senda, til thju hju wêta müge jef thêr awet
+dên wârth, stridande with-a êwa jeftha with Fryas rêdjevinga.
+
+6. Wil thi kêning dva ånd sina rêda navt, sâ mêi hi thåt navt
+vnderstonda.
+
+7. Kvmth-ene fyand vnwarlinga, thån mot mån dva sa thene kêning bith.
+
+8. Nis thene kêning navt vppet pat, sâ mot mån sin folgar hêrich wêsa
+of tham-is folgar alont tha lesta.
+
+9. Nis thêr nên havedman, sâ kjase mån hwa.
+
+10. Nis thêr nên tid, sâ wårpa hi him to havedman thêrim weldich
+fêleth.
+
+11. Heth thene kêning en frêsalik folk ofslagen, sâ mügon sina after
+kvmande sin nâma åfter hjara åjne fora; wil thene kêning, sâ mêi-er
+vppen vnbibvwade stêd en plåk utkjasa to hus ånd erv. Thåt erv mêi
+en rond-dêl wêsa sa grât thåt hi fon alle sidum sjvgun hvndred trêdun
+ut of sine hus mêi hlapa, êr hi an sina rêna kvmth.
+
+12. Sin jongste svn mêi thåt god erva, åfte tham thamis jongste,
+thån skil mån that wither nimma.
+
+
+
+
+
+HYR SEND THA RJUCHTA ALLER FRYAS VMBE SÊKUR TO WÊSANDE.
+
+
+1. Sahwersa thêr êwa vrwrocht wrde jefta nêja setma tavlikt, alsa
+mot-et to mêna nitha skên, men nåmmer to bâta fon enkeldera månniska,
+her fon enkeldera slachta, ner fon enkeldera stâta, nach fon awet
+that enkel sy.
+
+2. Sahwersa orloch kvmt ånd thêr wrde husa homljat jeftha skêpa,
+hok that et sy, sy-et thrvch thene fyand, tha by mêna rêdum, sâ ach
+tha mêna mênta, thåt is al-et folk to sêmne that wither to hêlene;
+thêr vmbe that nåmman tha mêna sêka skil helpa vrljasa vmbe sin åjn
+god to bihaldane.
+
+3. Is orloch vrthêjan, ånd send thêr svm, alsa vrdêren that hja navt
+longer wårka ne mügon, sâ mot tha mêna mênte hjam vnderhalda, by tha
+fêrstum achon hja forana to sittana, til thju tha jüged skil êra hjam.
+
+4. Send thêr wêdvon ånd wêson kêmon, sâ mot mån hja âk vnderhalda
+ånd tha svna mügon thi nâma hjarar tâta vpp-ira skildum writa hjara
+slachtha to êrane.
+
+5. Send thêr svm thrvch thene fyand fat ånd kvmath hja to båk, sâ
+mot mån hjam fêr fon thåt kåmp of fora, hwand hja machton fry lêten
+wêsa by arge loftum ånd than ne mügon hja hjara lofta navt ni halda
+ånd toch êrlik bilywa.
+
+6. Jef wi selwa fyanda fâta, sâ brånge mon tham djap anda landa wêi,
+mån lêrth hja vsa frya sêde.
+
+7. Lêt mån hja åfternêi hlâpa, sâ lêt mån thåt mith welhêd thrvch tha
+fâmna dva, til thju wi âtha ånd frjunda winna fori lêtha ånd fyandun.
+
+
+
+
+
+UT MINNOS SKRIFTUN.
+
+
+Sahwersa thêr ênman is thêrmêta årg that hi vsa swetsar birawath,
+morth-dedun dvat, husa barnth, mangêrtha skånth, hok thåt-et sy,
+thåt årg sy, ånd vsa swetnata willon thåt wroken håva, sâ is thåt
+rjucht thåt mån thene dêder fâtath ånd an hjara åjn-warda dêjath,
+til thju thêr vr nên orloch ne kvme, wêrthrvch tha vnskêldiga skolde
+bota fori tha skêldiga. Willath hja him sin lif bihalda lêta ând
+thju wrêka ofkâpja lêta, sâ mêi mån thåt dâja. Thach is then bona en
+kêning, grêvetman, grêva hwa thåt-et sy, tham ovira sêda mot wâka,
+sâ moton wi thåt kwad bêterja men ta bona mot sin straf hâ.
+
+Forth hi en êrenâma vppa sine skeld fon sina êthelun, sâ ne mügon
+sina sibba thi nâma navt lônger ne fora. Thêrvmbe thåt hi êne sibba
+svrg skil håva ovira sêda thêra ôthera.
+
+
+
+
+
+ÊWA FARA STJURAR [18]. STJURAR IS THI ÈRENOMA THÊRA BUTAFARAR.
+
+
+Alle fryas svna håva lika rjuchta, thêrvmb mügon âlle flinka knâpa
+hjara self as butafârar melda by tha ôldermôn ånd thisse ne mêi him
+nit ofwisa, wara thåt er nên sted is.
+
+2. Tha stjurar mügon hjara åjn måstrun noma.
+
+3. Tha kâpljvd moton kêren ånd binomath wertha thrvch tha mênte
+thêr-et god hêreth ånd tha stjurar ne mügon thêr by nên stem håva.
+
+4. Jef mån vppe rêis bifinth thåt thene kêning årg jefta vnbikvmmen
+is, sâ mügon hja en ôra nimma; kvmon hja to båk, sâ mêi thene kêning
+him self biklagja by tha ôldermôn.
+
+5. Kvmth thêr flâte to honk ånd sin thêr bâta, sâ moton tha stjurar
+thêr of en thrimene håva, althus to dêlande, thi witkêning twilf môn-is
+dêla, thi skolt by nacht sjugun dêla, tha bôtmônna ek twa dêla, thi
+skiprun ek thrê dêla, that ôra skip-is folk ek ên dêl. Tha jongste
+prentar ek en thrimnath, tha midlosta ek en half-dêl ånd tha ôldesta
+ek en twêdnath.
+
+6. Sin thêr svme vrlameth, sâ mot-a mêna mênte njvda far hjara lif,
+âk moton hja fôrana sitta by tha mêna fêrsta, by huslika fêrsta,
+jâ by alle fêrsta.
+
+7. Sin thêr vppa tocht vmkume, sâ moton hjara nêstun hjara dêl erva.
+
+8. Sin thêr wêdven ånd wêson fon kvmen, sâ mot thju mênte hja
+vnderhalda; sin hja an ênre kase felth, sa mügon tha svna thi nôma
+hjarar tâta vppira skeldun fora.
+
+9. Sin thêr prentara [19] forfaren, sa moton sina erva en êl mannis
+dêl håva.
+
+10. Was hi forsêith, sâ mêi sin brud sjugun mannis dêlun aska vmbe
+hira fryadulf en stên to to wjande, mar thån mot hja for tha êre
+wêdve bilyva lêva lông.
+
+11. Sahwersa en mênte en flåte to rêth, moton tha rêdar njvda fâra
+beste liftochtun ånd fâr wif ånd bårn.
+
+12. Jef en stjurar of ånd årm is, ånd hi heth hus nach erv, sâ mot
+im that jon wertha. Nil hy nên hus nach erv, sa mügon sin friundun
+hem tus nêma ånd thju mênte mot et bêtera nêi sina ståt, wara thåt
+sin friunda thene bâta wêigerja
+
+
+
+
+
+NETLIKA SÊKA UT-A NÊILÊTNE SKRIFTUM MINNOS.
+
+
+Minno [20] was en alde sêkêning, sjaner ånd wisgyrich. An tha
+Krêtar heth-i êwa jêven. Hi is bårn an tha Lindawrda, ånd nêi al sin
+witherfâra heth hi thåt luk noten umbe to Lindahêm to sterva.
+
+Sahwersa vsa swethnata en dêl lând håve jeftha wêtir, that vs god
+tolikt, sa focht-et vs vmbe that a kâp to frêja, nillath hja thåt navt
+ne dva, than mot mån hja that bihalda lêta. That is nêi Frya-his tex
+ånd-et skolde vnrjucht wêsa to vnthandana that.
+
+Sahwersa thêr swethnata et sêmna kyva ånd sana vr enga sêka, tha
+vr lând, ånd hja vs frêja en ordêl to sprêka, sa ach man thåt rêder
+åfterwêja to lêtane, tach sa man thêr navt buta ne kan, sa mot man
+thåt êrlik ånd rjuchtfêrdich dva.
+
+Kvmth thêr hwa ånd sêith, ik håv orloch, nw most-v mi helpa; jeftha en
+ôra kvmth ånd sêith, min svn is vnjêrich ånd vnbikvmmen, ånd ik bin
+ald, nw wild-ik thi to wâranstew ovir hini ånd ovir min lând stålla,
+til hi jêrich sy, sa ach man that wêigarja, til thju wi nawt an twist
+ne kvme ne müge vr sêka stridande with vsa frya sêdum.
+
+Sahwersa thêr kvmth en vrlandisk kapman vppa tolêtmårk et Wyringga
+tha to Almanland ånd hi bidroght, sa warth-er bistonda mårk-bêten ånd
+kanbêr mâkad trvch tha fâmna invr et êle land. Kvmth-er thån to båk, sa
+ne skil nimman kâpja fon him, hy mêi hinne brûda sa-r kvmen is. Thus,
+sahwersa-r kâpljud kêren wrde vmbe wr-a merka to gâ, jeftha mith-e
+flât to fârane, sa ach man allêna aldulkera to kjasane tham mån tyge
+by tyge kånth ånd an en goda hrop stâne by tha fâmna. Bêrth-et navt
+to min that-er en årg man mông sy, tham tha ljud bitrogha wil, sa
+agon tha ora thåt to wêrane. Het-i-t-al dên sa mot mån thåt bêterja,
+ånd thene misdêdar ut of lândum banna, til thju vsa nâma vral mith
+êrane skil wertha binomath.
+
+Men jef wir vs vppen vrlandiska mårkt finda, sy-et hêinde jeftha fêr,
+ånd bêrth-et thåt-et folk vs lêt dvath jeftha bistêlleth, sâ agon wy
+mith haste hêi to to slâna, hwand afskên wy êlla agon to dvande vmbe
+frêtho willa, vsa halfbrothar ne mügon vs nimmer minachtja nach wâna
+that wi ange send.
+
+In min jüged håv ik wel ênis mort overa bånda thêra êwa, åfter håv ik
+Frya often tanked vr hjra tex, ånd vsa êthla vr tha êwa thêr thêrnêi
+tavlikt send.
+
+Wr.alda jeftha Alfoder heth mi fêlo jêren jêven, invr fêlo landa ånd
+sêa håv ik omme fâren ånd nêi al hwa ik sjan hå, bin ik vrtjûgad that
+wi allêna trvch Alfoder utforkêren send, êwa to håvande. Lydas folk
+ne mêi nên êwa to mâkjande ni to hâldande, hja send to dvm ånd wild
+thêrto. Fêlo slachta Findas send snôd enoch, men hja send gyrich,
+hâchfârande, falsk, vnkûs ånd mortsjochtich. Poga blêsath hjara selva
+vppa, ånd hja ne mügath nawet than krupa. Forska hropath wårk, wårk,
+ånd hja ne dvath nawet as hippa ånd kluchtmâkja. Tha roka hropath
+spâr, spâr, men hja stêlon ånd vrslynath al wat vnder hjara snavela
+kvmath. Lik al tham is thåt Findas folk, hja bogath immer ovir goda
+êwa; ek wil setma mâkja vmb-et kwâd to wêrane, men selva nil nimman
+theran bonden wêsa. Thêra hwam-his gâst that lestigoste sy ånd
+thêrtrvch sterik, tham-his hône krêjath kêning ånd tha ôra moton
+alwenna an sin weld vnderwurpen wêsa, til en ôther kvmth thêr-im
+fon-a sêtel drywet. Thåt word êwa is to frân vmbe an mêna sêka to
+nomande. Thervmbe heth mån vs êvin sega lêrth. Êwa thåt sêit setma
+thêr bi aller månniska êlik an hjara mod prenth send, til thju hja
+müge wêta hwat rjucht ånd vnrjucht sy ånd hwêrtrhvch hja weldich send
+vmbe hjara åjne dêda ånd tham fon ôrum to birjuchtande, thåt wil sedsa
+alsanâka hja god ånd navt misdêdich vpbrocht send. Ak is-er jet-en ôra
+sin an fåst. Êwa seit ak, êlik wêter-lik; rjucht ånd sljucht as wêter
+that thrvch nên stornewind jeftha awet owers vrstoren is. Warth wêter
+vrstoren, sa warth-et vnêwa, vnrjucht, men et nygt êvg vmbe wither êwa
+to werthande, that lêith an sin fonselvhêd, alsa tha nygung to rjucht
+ånd frydom in Fryas bern leith. Thessa nygung håvath wi trvch Wr.aldas
+gâst, vsa foders, thêr in Fryas bern bogth, thêrvm be skil hju vs âk
+êvg biklywa. Êwa is âk thet ôra sinnebyld fon Wr.aldas gâst, thêr êvg
+rjucht ånd vnforstoren bilywath, afskên-et an lichême årg to gêit. Êwa
+ånd vnforstoren send tha mårka thêra wisdom ånd rjuchtfêrdichhêd thêr
+fon alla frêmo månniska socht ånd trvch alla rjuchtera bisêten wrden
+mot. Willath tha månniska thus setma ånd domar mâkja, thêr alan god
+bilywa ånd allerwêikes, sa moton hja êlik wêsa to fara alle månniska;
+nêi thisse êwa achath tha rjuchtera hjara ordêl ut to kêthande. Is
+thêr eng kwâd dên, hwêrvr nên êwa tavlikt send, sa mot mån êne mêna
+acht bilidsa; thêr ordêlth mån nêi tha sin thêr Wr.aldas gâst an vs
+kêth vmbe over ella rjuchtfêrdich to birjuchtande, althus to dvande
+ne skil vs ordêl nåmmer fâlikant ut ne kvma. Ne dvath mån nên rjucht
+men vnrjucht, alsa rist thêr twist ånd twispalt emong tha månniska
+ånd stâta, thêrut sprût inlandiska orloch, hwêrthrvch ella homljath
+ånd vrdåren wårth. Men, o dvmhêd. Dâhwila wi to dvande send ekkorum
+to skâdane, kvmth-et nidige folk Findas mith hjara falska presterum
+jvw hâva to râwande, jvwa toghatera to skåndane, jvwa sêda to vrdva
+ånd to tha lesta klåppath hja slâvona banda om jahwelikes frya hals.
+
+
+
+
+
+UT-A SKRIFTA MINNOS.
+
+
+Tha Nyhellênia [21] tham fon hira åjn nôme Min-erva hête, god sêten
+was ånd tha Krêkalander [22] hja to met even hårde minade as vs
+åjn folk, thâ kêmon thêr svme forsta ånd prestera vppe-ra burch
+ånd frêjon Min-erva hwêr of hjra erva lêjon. Nyhellênia andere,
+mina erva drêg ik om in mina bosm, hwåt ik urven håv is ljafde vr
+wisdom, rjucht ånd frydom, håv ik tham vrlêren, alsa ben ik êlik
+an tha minniste jvvar slâvonena. Nw jêv ik rêd vm nawet, men than
+skold ik vrkâpja tham. Tha hêra gvngon wêi, ånd hripon al lakande,
+jvwer hêroga thjanra, wisa Hellênia. Thach thêrmitha miston hja
+hjara dol, hwand thåt folk thåt hja minnade ånd hja folgade, nam
+this nôme to-n êre nôme an. Tha hja sâgon thåt hjara skot mist hêde,
+thâ gvngon hja hja bihlvda ånd sêidon that hju-t folk hexnad hêde,
+men vs folk ånd tha goda Krêkalandar wêrde aller wêikes that-et laster
+wêre. Enis kêmon hja ånd frêgon, as thv thån nên thjonster ne biste,
+hwat dêist thân mitha åjar tham thv altid bi thi heste. Min-erva
+andere, thisse åjar send that sinebyld fon Fryas rêdjêvinga, wêrin
+vsa tokvmste forholen hlêit ånd fon êl thåt månneskalik slachte; tid
+mot hja utbroda ånd wi moton wâka thåt-er nên lêth an ne kvmth. Tha
+prestera, god sêid; men hwêrto thjanath thene hund an thina fêra
+hand. Hellênia andere, heth thene hårder nên skêper vmbe sin kidde at
+sêmene to haldande? hwat thene hvnd is inna thjanest thes skêphårder,
+bin ik in Fryas tjanest, ik mot ovir Fryas kidde wâka. That likath vs
+god to, sêdon tha prestera; men seg vs, hwat is thju bitjvtenise fon
+thi nachtule, ther immer boppa thin hole sit, is that ljuchtskvwande
+djar altomet thet têken thinra klârsjanhêd. Nêan andere Hellênia,
+hi helpt my hügja that er en slach fon månniska ovir hirtha omme
+dwâlth, thêr evin lik hi in kårka ånd hola hêma; thêr an tjuster
+frota, tach navt as hi, vmb vs fon mûsa ånd ôra plåga to helpane,
+men renka to forsinna, tha ôra månniska hjara witskip to râwane, til
+thju hja tham to bêtre müge fâta vmber slavona fon to mâkjande ånd
+hjara blod ut to sûgane, even as vampyra dva. Enis kêmon hja mith en
+benda folk. Pest was over-et land kvmen, hja sêidon, wi alle send to
+dvande, tha Goda to offerja, til thju hja pest wêra müge. Nilst thv
+then navt ne helpa hjara grimskip to stilane, jeftha hethste pest
+selva ovir-et lând brocht mith thinra kunsta. Nêan sêide Min-erva,
+men ik ne kån nêne goda, thêr årg dvande send; thêrvmbe ne kan ik navt
+frêja jef hja beter wrda willa. Ik kån ên gode, thåt is Wr.aldas gâst;
+men thrvch tham er god is, dvath-er âk nen kwâd. Hwanath kvmth-et kwâd
+thån wêi, frêjath tha prestera. Allet kwâd kvmth fon jow ånd fon thêre
+dvmhêd thêra månniska, tham hjara selva fon jow fensa lêta. Jef thin
+drochten thån sâ bjustre god is, wêrvmb wêrther-et kwâd thån navt,
+frêjath tha prestera. Hellenia andere, Frya het vs vppe wêi brocht
+ånd thene kroder thåt is tid, tham mot thåt ovrige dva. With alle
+rampum is rêd ånd help to findande, tha Wr.alda wil thåt wi hja
+selva soka skilon, til thju wi sterik skile wertha ånd wis. Nillath
+wi navt, thån lêt-er vsa trul ut trulla, til thju wi skilon erfâra,
+hwat nêi wisa dêdum ånd hwat nêi dvma dêdum folgath. Tha sêide-ne
+forst, ik skolde wâna, that wêre betre, that to wêrande. Hwel müglik,
+andere Hellênia, hwand than skolde tha månniska bilywa lik tåmade
+skêpa; thv ånd tha prestera skolde-r than hoda willa, men âk skêra
+ånd nêi thêre slacht benke fora. Tach alsa nil-t vs drochten navt,
+hi wil that wi ekkorum helpa, men hi wil âk thåt jahweder fry sy ånd
+wis wrde. Thåt is âk vsa wille, thêrvmbe kjasth vs folk sin forsta,
+grêva, rêdjêvar ånd alle bâsa ånd mâstera ut-a wisesta thêra goda
+månniska, til thju allemånnalik sin best skil dva vmbe wis ånd god to
+werthande. Althus to dvande skilun wi ênis wêta ånd anda folka lêra,
+that wis wêsa ånd wis dva allêna lêith to salichhêd. That likt en
+ordêl, sêidon tha prestera, men aste nv mênste, that pest thrvch
+vsa dvmhêd kvmth, skolde Nyhellênia thån wel sa god wêsa wille,
+vmbe vs ewat fon thåt nya ljucht to lênande, hwêr vppa hju sa stolte
+is. Jes sêide Hellênia; tha rokka ånd ôra füglon kvmath allêna falla
+vp vûl âs, men pest minth navt allêna vûl âs, men vûla sêd-plegum ånd
+fangnisa. Wilstv nv that pest fon-i wika ånd na wither ne kvma, thån
+mostv tha fangnisa wêi dva, ånd that i alla rên wrde fon binna ånd fon
+bûta. Wi willath bilâwa thåt thin rêd god sy, sêidon tha prestera,
+men seg vs, ho skilum wi thêr alla månniska to krêja, thêr vnder vs
+weld send. Tha stand Hellênia vp fon hira sêtel ånd kêth: Tha muska
+folgath thene sêjar, tha folka hjara goda forsta, thêrvmbe ach-stv
+to bijinnande mith thin selva ålsa rên to mâkjande, that stv thinna
+blikka in ånd utward mêi rjuchta svnder skâmrâd to werthande to fara
+thin åjn mod. Men in stêde fon thåt folk rên to mâkjande heste vûla
+fêrsta utfonden, hwêr vppa thåt folk al sa nâka sûpth, that hja to
+lesta lik tha barga annath slip frota, vmbe that stv thin vûla lusta
+bota mêi. Thåt folk bigost to jolande ånd to spotande. Thêr thrvch ne
+thuradon hja nên strid wither an to spinnande. Nv skolde åjder wâna,
+thåt hja vral-et folk to hâpe hropen hêde vmbe vs algadur to-t land ut
+to driwande. Nêan an stêde fon hja to bihluda gvngon hja allerwêikes,
+âk to tha hêinde Krêkalana til tha Alpa ut to kêthane, thåt et thene
+allervrste drochten hâgth hêde sin wisa toghater Min-erva, to nômth
+Nyhellênia êmong tha månniska to sendane in overa sê mith-en ulk,
+vmbe tha manniska gode rêd to jêvane ånd that allermannalik, thêr
+hja hêra wilde, rik ånd lukich skolde wertha, ånd ênis bâs skolde
+wertha ovir alle kêningkrik irtha.s. Hira byldnese ståldon hja vppe
+hjara åltårum, jeftha hja vrsellade-t anda dvma månniska. Hja kêthon
+allerwêikes rêd-jêvinga, thêr hju nimmer jêven hêde, ånd tåladon
+wondera, thêr hju nå dên hêde. Thrvch lesta wiston hja-ra selva master
+to mâkjande fon vsa êwa ånd setma, ånd thrvch wankêthinga wiston hja
+alles to wisa ånd to vrbruda. Hja ståldon âk fâmma vnder hjara hode,
+tha skinber vndere hoda fon Fåsta [23] vsa forma êre moder, vmbe over
+thåt frâna ljucht to wâkane. Men thåt ljucht hêde hja selva vpstoken,
+ånd in stêde fon tha fâmkes wis to mâkjande, ånd afternêi êmong
+thåt folk to senda, ta sjaka to lêvande ånd tha bårn to lêrande,
+mâkadon hja-ra dvm ånd dimme bi-t ljucht ånd ne machten hja nâ buta
+ne kvma. Ak wrdon hja to rêdjêvstare brukath, tach thi rêd was by
+skin ut hjara mvlun; hwand hjara mvla wêron navt owers as tha hropar,
+hwêr trvch tha prestera hjara gêrta utkêthon.
+
+Tha Nyhellênia fallen was, wilden wi en ore moder kjasa, svme wildon
+nêi Texlând vmbe thêr êne to frêjande, men tha prestera tham by hira
+åjn folk thåt rik wither in hêde, nildon that ni hengja ånd kêthon
+vs by-ra folk as vn-frâna ut.
+
+
+
+
+
+III. UT-A SKRIFTA MINNOS.
+
+
+Tha-k althus wêi faren was mith mina ljvd fon Athenia, kêmon wi to tha
+lesta an en êland thrvch min ljvd Krêta hêten vm-a wilda krêta tham
+et folk anhyv by vsa kvmste. Tha as hja sagon thåt wi nên orloch an-t
+skêld foron, wrdon hja mak, alsa-k et lest far en bota mit yserark en
+havesmode ånd en stada land wandelde. Thach tha wi en stut sêten hêde
+ånd hja spêradon that wi nên slavona nêde, tha wêron hja vrstålath,
+men tha-k-ra nw talt hêde that wi êwa hêdon êlik to birjuchtande vr
+alla, tha wilde-t folk âk fon sokka hâ. Tach skêrs hêdon hja tham,
+jefta thåt êlle land kêm anda tys. Tha forsta ånd prestera kêmon
+bârja, that wi hjara tjvth over hêrich mâkad hêde ånd thåt folk kêm
+to vs vmbe hul ånd skul. Tach thâ tha forsta sagon thåt hja hjara
+rik vrljasa skolda, thâ jêvon hja thåt folk frydom ånd kêmon to my
+vmb-en êsega bok. Thach thåt folk was nên frydom wenth ånd tha hêra
+bilêvon welda nêi that ir god thochte. Thâ thi storn wr wêr, bigoston
+hja twispalt among vs to sêja. Hja sêidon to min folk that ik hjara
+help anhropen hêde vmbe standfåst kêning to werthande. Enis fand ik
+gif in min met, thâ as er ênis en skip fon-t Fly by vs vrsêilde, ben
+ik thêrmith stolkens hinne brith.--Tach min witherfara to lêtande,
+sa wil-k mith thesa skêdnesa allêna sêga, that wi navt müge hêma mith
+et Findas folk fon wêr thåt et sy, hwand thåt hja fvl send mith falska
+renka, êwa to frêsane as hjara swête wina mith dêjande fenin.
+
+
+ Ende wra skrifta Minnos.
+
+
+
+
+
+HIR VNDER SEND THRÊ WÊTA, THÊR AFTER SEND THISSA SETMA MAKAD.
+
+
+1. Allera mannalik wêt, thåt i sin bihof mot, men wårth åmmon sin bihof
+vnthalden, sa nêt nên man hwat er skil dva vmbe sin lif to bihaldande.
+
+2. Alle elte minniska werthat drongen a bårn to têlande, wårth that
+wêrth, sa nêt nim man wath årges thêrof kvme mei.
+
+3. Alrek wêt thåt-i fry ånd vnforlêth wil lêva, ånd that ôre that âk
+wille. Umbe sekur to wêsande send thesa setma ånd domar makad.
+
+Thåt folk Findas heth âk setma ånd domar: men thissa ne send navt nêi
+tha rjucht, men allêna to bâta thêra prestera ånd forsta, thana send
+hjara stâta immerthe fvl twispalt ånd mord.
+
+1. Sahwersa imman nâd heth ånd hi ne kan him selva navt ne helpe,
+sa moton tha fâmna thåt kvndich dva an tha grêva. Thêrfar thåt et en
+stolte Fryas navt ne focht thåt selva to dva.
+
+2. Sa hwa årm wårth thrvch tham hi navt wårka nil, thêr mot to thåt
+lând ut drêven wertha, hwand tha låfa ånd loma send lestich ånd årg
+tånkande: thêrvmbe âch mån to wêrane tham.
+
+3. Jahwêder jong kerdel âch en brud to sêka ånd is er fif ånd twintich
+sa âcht-er en wif to håva.
+
+4. Is hwa fif ånd twintich, ånd heth er nên êngâ, sa âch ek man him
+ut sin hus to wêrane. Ta knâpa âchon him te formyda. Nimth er thån
+nach nên êngâ, sâ mot mån hin dâd sêga, til thju hi ut of lande brude
+ånd hir nên årgenese nêva ne mêi.
+
+5. Is hwa wrak, thån mot-er avbêr sêga, that nimman fon him to frêsane
+nach to duchtane heth. Sâ mêi er kvma hwêr er wil.
+
+6. Plêcht er åfternêi hordom, sâ mêi-r fluchta, ne fluchter navt, sâ
+is er an tha wrêke thêr bitrogna vrlêten, ånd nimman ne mêi helpa him.
+
+7. Sahwersa åmmon eng god heth, ånd en ôther likt that thermête that
+i him thêran vrfate, sa mot-i thåt thrja vrjelda. Stêlth-i jeta rêis,
+thån mot hi nêi tha tinlânum. Wil thene bistêlne him fry jêva, sâ
+mêi-r thåt dva. Tha bêrth et wither sa ne mêi nimman him frydom jêva.
+
+
+
+
+
+THISSA DOMAR SEND MAKAD FARA NYDIGA MANNISKA.
+
+
+1. Sa hwa in hâste mode tha ut nid an nen otheris lêja brekth, âgna
+ut stât, jeftha thoth, hok thåt et sy, sa mot thi lêtha bitallja
+hwat thene lêdar askth. Ne kan hi håt ni dva, sâ mot-er avbêr an im
+dên wertha, sa hi an thene ôre dêth. Nil hi thåt navt ut ne stonda,
+sa mot-i him to sina burch-fâm wenda, jef-i inna yser jeftha tin lâna
+mêi werka til sin skeld an sy, nêi thêr mêne dom.
+
+2. Jef ther imman fvnden wårth alsa årg that-i en Fryas felth, hi
+mot et mit sina lif bitallja. Kan sina burch-fâm hin far altid nei
+tha tinlâna helpa êr er fat wrde, sy mêi thåt dva.
+
+3. Sahwersa thi bona mêi biwisa mith vrkånda tju-gum that et by vnluk
+skên is, sa skil hi fry wêsa, men bêrth et jetta rêis, sa mot i tach
+nêi tha tinlânum, til thju mân thêr thrvch formitha all vnerimde
+wrêka ånd fêitha.
+
+
+
+
+
+THIS SEND DOMAR FARA HORNINGA.
+
+
+1. Hwa en ôtheris hvs ut nid thene râde hôn anstekt nis nên Fryas,
+hi is en horning mith basterde blod. Mêi mån hin bi thêr dêd bifâra,
+sa mot mån hin vppet fjvr werpa. Hy mêi flya sa-r kån tach nårne
+skil-i sêkur wêsa fara wrêkande hand.
+
+2. Nên åfta Fryas skil ovira misslêga sinra nêste malja nach kalta. Is
+hwa misdêdoch far-im selva, tha navt frêselik far en ôra, sâ mêi hi
+him selva riuchta. Wårth-i alsa årg that er frêslik wårth, sa mot mån-t
+anda grêva bara; men is thêr hwa thêr en ôther åfterbåkis bitighat in
+stêde fon-t to dvande by tha grêva, tham is en horning. Vpper mårk
+mot-i anda pêle bvnden wrde, sa that et jong folk im anspêja mêi;
+åfter lâdath mån him overa mårka, men navt nêi tha tinlâna, thrvch
+that en êrerâwer âk is to frêsane.
+
+3. Sahwersa thêr ênis imman wêre sa årg that i vs gvng vrrêde by tha
+fyand, pâda ånd to pâda wes, vmbe vsa flyburga to nâka, jeftha thes
+nachtis thêrin to glupa, tham wêre allêna wrocht ut Findas blod. Him
+skolde mån mota barna. Tha stjurar skoldon sin måm ånd al sina sibba
+nêi en fêr êland mota brånga ånd thêr sin ask forstuva, til thju-r
+hyr nên feninige krûdon fon waxa ne müge. Tha fâmna moton thån sin
+nâm utspêja in vr al vsa stâta, til thju nên bårn sin nâm ne krêje
+ånd tha alda him müge vrwerpa.
+
+Orloch was vrtigen, men nêd was kvmen an sin stêd. Nw wêron hyr thrê
+månniska thêr-ek en buda kêren stêlon fon asvndergane êjnhêra. Tha
+hja wrdon alle fat. Nw gong thene êrosta to ånd brocht thene thjaf by
+tha skelte. Tha fâmna thêr-vr kêthande sêidon allerwêis, that i dên
+hêde nêi rjucht. Thi ôra nom thene thjaf thåt kêren of ånd lêth im
+forth mith frêto. Tha fåmna sêidon, hi heth wel dên. Men thi thredde
+êjnhêr gvng nêi tha thjaf sin hus thâ. Asser nw sach ho nêd thêr
+sin sêtel vpstålth hêde, thâ gvng hi to båk ånd kêrde wither mith en
+wêin fol nêdthreftum, thêr hi nêd mith fon thêre hêrd of driwe. Fryas
+fâmna hêdon by him omme wârath ånd sin dêd an dat êvge bok skrêven,
+dahwile hja al sina lêka ut fâchth hêde. Thju êremoder was et sêid
+ånd hju lêt het kvndich dva thrvch thåt êle lând.
+
+
+
+
+
+THAT HYR VNDER STAT IS IN UT THA WAGAR THÊRE WARABURGH WRITEN.
+
+
+(Zie plaat I.)
+
+Hwat hyr boppa ståt send thi têkna fon thåt jol. Thåt is thåt forma
+sinnebild Wr.aldas, âk fon t-anfang jeftha-t bijin, wêrut tid kêm,
+thåt is thene Kroder thêr êvg mith thåt jol mot ommehlâpa. Thana
+heth Frya thåt standskrift mâkad, thåt hja brukte to hira tex. Thâ
+Fåsta êremoder wêre, heth hju-r thåt run ieftha hlâpande skrift fon
+mâkad. Ther Witkêning thåt is Sêkêning, Godfrêiath thene alda heth
+thêr asvndergana telnomar fon mâkad fâr stand ånd rvnskrift bêde. T is
+thêrvmbe navt to drok that wi-r jêrliks ênis fêst vr fyrja. Wy mügon
+Wr.alda êvg thank to wya thåt hi sin gâst sa herde in vr vsa êthla
+heth fâra lêtn. Vnder hira tid heth Finda âk en skrift utfvnden,
+men thåt wêre sa hâgfârende ånd fvl mith frisla ånd krolum, thåt
+tha afterkvmanda thêrof thju bitjudnese ring vrlêren hâve. Afternêi
+håvon hja vs skrift lêred binoma tha Finna, tha Thyrjar ånd tha
+Krekalander. Men hja niston navt god, thåt-et fon et jol mâkad was ånd
+that-et thêrumbe altid skrêven wrde moste mith son om. Thêrby wildon
+hja thåt hjara skrift vnlêsbêr skolde wêsa far ora folkum, hwand hja
+håvath altid hêmnesa. Thus to dvanda send hja herde fon-a wis râkath,
+thêrmêtha, that ta bårn tha skriftun hjarar aldrum amper lêsa en mûga;
+dahwile wy vsa alderaldesta skriftun êvin rêd lêsa mûga as thêra thêr
+jester skrêven send.
+
+Hir is thåt stand skrift, thêrvnder thåt run skrift, forth tha tålnomar
+a byder wisa.
+
+(Zie plaat II.)
+
+
+
+
+
+THAT STÊT VP ALLE BURGUM ESKRÊVEN.
+
+
+Êr thêre årge tid kêm was vs lånd thåt skênneste in wr.alda. Svnne
+rês hager ånd thêr was sjelden frost. Anda bâma ånd trêjon waxton
+frügda ând nochta, thêr nw vrlêren send. Among tha gårs-sêdum hedon
+wi navt alena kêren, ljaver ånd blyde, men âk swete thêr lik gold
+blikte ånd thåt mån vndera svnnastrêla bakja kvste. Jêron ne wrde
+navt ne telath, hwand thåt êne jêr was alsa blyd as et ôthera. An
+tha êne side wrdon wi thrvch Wr.aldas sê bisloten, hwêrvp nên folk
+buta vs navt fara ne mochte nach kvnde. Anda ôre side wrden wi thrvch
+thåt brêde Twisklând vmtunad, hwêr thrvch thåt Findas folk navt kvma
+ne thvradon, fon ovira tichta walda ånd ovir it wilde kwik. By morne
+paldon wi ovir it uter ende thes aster-sê, by êvind an thene middelsê,
+alsa wi buta tha littiga wel twelif grâta swete rinstrama hêdon, vs
+thrvch Wr.alda jêven vmb vs lând elte to haldane ånd vmb us wigandlik
+folk tha wêi to wisana nêi sina sê.
+
+Tha owira thissar rin strama wrdon tomet algadur thrvch vs folk
+bisêton, âk tha fjelda an thju Rêne fon-t êna enda alon et ôre
+ende thâ.
+
+To jenst-vr tha Dênamarka ånd that Juttarlând hêdon wi folkplantinga
+mith en burchfâm, dâna wonon wi kâper ånd yser, bijvnka târ, påk
+ånd svma ôr bihof. To jenst vr vs formêlich Westland thêr hêdon wi
+Brittanja mith sina tinlâna. Brittanja thåt was thåt lând thêra
+bannalinga, thêr mith hulpe hjarar burchfâm wêi brith wêron vmbe
+hira lif to bihâldana. Thach for that hja navt to båk kvma ne skolde,
+warth er êrost en B to fâra hjara står priked, tha bana mith râde blod
+farve ånd tha ôra misdêdar mith blâwe farve. Buta ånd bihalva hêdon vsa
+stjurar ånd kâpljvd mêni loge anda hêinde Krêkalanda ånd to Lydia. In
+vr Lydia thêr send tha swarta minniska. Thâ vs lând sâ rum ånd grât
+wêre, hêdon wi fêlo asondergana nâmon. Thêra tham saton biâsten tha
+Dênemarka wrdon Juttar hêton, uthâvede hja tomet navt owers ne dêdon
+as barn-stên juta. Hja tham thêr saton vppa êlanda wrdon Lêtne hêten,
+thrvchdam hja mêst al vrlêten lêvadon. Alle strând ånd skor hêmar
+fon-a Dênemarka alont thêre Såndfal nw Skelda wrdon Stjurar [24],
+Sêkåmpar [25] ånd Angelara [26] hêton. Angelara sâ hêton mân to
+fora tha butafiskar vmbe that hja alan mith angel jefta kol fiskton
+ånd nimmer nên netum. Thêra thêr thâna til tha hêinde Krêkalânda
+sâton, wrdon blât Kâd-hêmar hêten, thrvch tham hja ninmerthe buta
+foron. Thêra thêr in da hâge marka sâton, thêr anna Twisklanda pâlon,
+wrdon Saxmanna hêton, uthâwede hja immer wêpned wêron vr thåt wilde
+kwik ånd vrwildarda Britne. Thêr to boppa hêdon wi tha nôma Landsâton,
+Mârsata [27] ånd Holtjefta Wodsâta.
+
+
+
+
+
+HO ARGE TID KÊM.
+
+
+Hêl thene sümer was svnne åftere wolkum skolen, as wilde hja irtha
+navt ne sja. Wind reston in sina bûdar, werthrvch rêk ånd stom lik sêla
+boppa hus ånd polon stand. Loft wårth althus drov ånd dimme, ånd inna
+tha hirta thêra månniska was blydskip nach früchda. To midden thisre
+stilnise fång irtha an to bêvande lik as hju stårvande wêre. Berga
+splyton fon ekkorum to spêjande fjvr ånd logha, ôra svnkon in hira skât
+del, ånd thêr hju êrost fjelda hêde; hêjade hju berga vppa. Aldland
+[28] trvch tha stjurar Atland hêten svnk nyther ånd thåt wilde hef
+stâpton alsa nâka wr berg ånd dêlon, that ella vndere sê bidvlwen
+wêre. Fêlo månniska wrdon in irtha bidobben, ånd fêlo thêr et fjvr
+vnkêmen wêron, kêmon thêrnêi innet wêter vm. Navt allêna inda landa
+Findas spêidon berga fjvr, men âk in-t Twisk-land. Walda bårnadon
+thêrthrvch åfter ekkorum ånd thâ wind dâna wêi kêm, thâ wâjadon vsa
+landa fvl ask. Rinstrâma wrdon vrlêid ånd by hjara mvda kêmon nêja
+êlanda fon sand ånd drivande kwik. Thrju jêr was irtha alsa to lydande;
+men tha hju bêter wêre macht mån hira vvnda sja. Fêlo landa wêron
+vrsvnken, ôra uta sê rêsen ånd thåt Twisk-land to fâra-n halfdêl
+vntwalt. Bånda Findas folk kêmon tha lêtogha rumtne bifâra. Vsa
+wêibritne vrdon vrdelgen jefta hja wrdon hjara harlinga. Thâ warth
+wâkandom vs dvbbeld boden ånd tid lêrd vs that êndracht vsa stårikste
+burch is.
+
+
+
+
+
+THIT STÊT INNA WARABURCH BY THÊRE ALDEGA MVDA WRYT.
+
+
+Thju wâraburch nis nên fâmnaburch, men thêr in wrdon alla uthêmeda
+ånd vrlandeska thinga wârath, thêr mitbrocht binne thrvch tha
+stjurar. Hju is thri pêla, thåt is en half ty sûdwarth fon Mêdêa-sblik
+lêgen. Alsa is thåt fôrword: berga nygath thinna krunna, wolka ånd
+strâma wên. Jes. Skênland [29] blôst, slâvona folka stôppath vppat
+thin klât, o Frya.
+
+
+ Alsa is thju skêdnesse.
+
+
+100 ånd 1 jêr [30] nêi that âldland svnken is, kêm thêr ut-et âsta en
+folk wêi. Thåt folk was vrdrêven thrvch en ôther folk, åfter vs twisk
+land krêjon hja twispalt, hja skifton hjara selva an twam hâpa, ek hêr
+gvng sines wêiges. Fon-t êne dêl nis nên tâl to vs ne kêmen, men thåt
+ôre dêl fyl åfter to vs Skênland. Skênland was sunnich bifolkath,
+ånd anda åfter-kâd thåt sunnichste fon al. Thêrvmbe machton hja-t
+svnder strid wrwinna, ånd uthâwede hja ôwers nên lêth ne dêdon,
+nildon wi thêrvr nên orloch hâ. Nw wi hjam håvon kånna lêred,
+sâ willath wi ovir hjara sêda skriwa, åfternêi ho-t vs mith hjam
+forgungen is. Thåt folk was navt ne wild lik fêlo slachta Findas,
+men êlik anda Égipta-landar, hja håvath prestera lik tham ånd nw hja
+kårka håve âk byldon. Tha prestera send tha engosta hêra, hja hêton
+hjara selva Mâgjara, hjara aller ovirste hêt Magy, hi is hâvedprester
+ånd kêning mith ên, allet ôre folk is nul in-t siffer ånd êllik ånd
+al vnder hjara weld. Thåt folk nêth navt ênis en nôme, thrvch vs send
+hja Finna hêten, hwand afskên hjara fêrsta algadur drov ånd blodich
+send, thach send hja thêr alsa fin vp, that wi thêr bi åfter stâne,
+forth ne send hja navt to binydane, hwand hja send slâvona fon tha
+presterum ånd jeta fül årger fon hjara mêninga. Hja mênath that ella
+fvl kvada gâston is, thêr inda månniska ånd djara gluppe, men fon
+Wr.aldas gâst nêton hja nawet. Hja håvath stêne wêpne, tha Magjara
+kâpra. Tha Magjara tellath that hja tha årge gâston banna ånd vrbanna
+mügon, thêr vr is-t folk ôlan in ange frêse ånd vppira wêsa nis nimmer
+nên blydskip to bisjan. Thâ hja god sêten wêron, sochton tha Magjara
+athskip bi vs, hja bogadon vp vsa tâl ånd sêdum, vp vs fja ånd vppa vs
+ysere wêpne, thêr hja gêrn to fori hjara goldun ånd sulvere syrhedum
+wandela wilde, ånd hjara tjoth hildon hja immerthe binna tha pêlon,
+men thåt vrskalkton vsa wâkendom. Achtantich jêr forther, just wêr-et
+jol-fêrste, thêr kêmon hja vnwarlinge lik snêi thrvch stornewind drêwen
+ovir vsa landa to runnande. Thêr navt flya machton wrdon vrdên, Frya
+wårth anhropen, men tha Skênlandar hêdon hira rêd warlâsed. Thâ wrdon
+kråfta sâmlath, thri pêlun fon Goda-his burch [31] wrdon hja wither
+stonden, tha orloch bilêv. Kât jefta Kâter-inne, alsa hête thju fâm,
+thêr burchfâm to Goda burch was. Kât was stolte ånd hâchfâranda,
+thêrvmbe ne lêt hju nên rêd ni follistar anda Moder ne frêja. Men
+thâ tha burchhêra thåt fâta, thâ svndon hja selva bodon nêi Texlând
+nêi thêre Moder thâ. Minna alsa was thêre Moder-is nôme, lêt âla tha
+stjurar mânja ånd âl-et othera jongk folk fon Ast-flyland ånd fon
+tha Dênnemarkum. Ut thesse tocht is thju skydnese fon Wodin bern,
+sa-r vppa burgum wryten is ånd hir êskrêven. Anda Alder-gâmude [32]
+thêr reste en alde sêkåning. Sterik was sin nôme ånd tha hrop vr sina
+dêda was grât. Thisse alde rob hêde thrê nêva; Wodin thene aldeste
+hêmde to Lumka-mâkja [33] bi thêre Ê-mude to Ast-flyland by sin eldrum
+t-us. Ênes was er hêrman wêst. Tünis ånd Inka wêron sêkåmper ånd just
+nw bi hjara fåderja anda Aldergâ-mude t-vs. As tha jonga kåmpar nw
+bi ekkôrum kêmon, kêron hja Wodin to hjara hêrman jefta kåning ut,
+ånd tha sêkåmpar kêron Tünis to-ra sêkåning ånd Inka to hjara skelte
+bî thêr nacht. Tha stjurar gvngon thâ nêi tha Dênnemarka fâra, thêr
+nâmon hja Wodin mith sin wigandlika landwêr in. Wînd was rum ånd alsa
+wêron hja an en âmerîng [34] to Skên land. Thâ tha northeska brothar ra
+selva by-m fogath hêde, dêlde Wodîn sin weldich hêr an thri wiga. Frya
+was hjara wêpenhrop ånd sâ hi båkward sloch tha Finnen ånd Mâgjara
+as of et bårn wêron. Thâ thene Mâgy fornôm ho sin ljvd al ombrocht
+wrdon, thâ sand hi bodon mith ståf ånd krone. Hja sêidon to Wodin,
+o thv alra grâteste thêra kåningar, wi send skeldich, thach al hwat
+wi dên håve is ut nêd dên. Je mêne that wi jvw brothar willengklik
+anfat håve, men wi send thrvch vsa fyanda forth-fêtereth ånd thi alle
+send vs jeta vppa hakka. Wi håvath often helpe an thinre burchfâm
+frêjath, men hja neth vs navt ne meld. Thene Mâgy sêith, sâ hwersa
+wi ekkôrum to tha hålte vrdva, sâ skilun tha wilda skephårdar kêmon
+ånd vs algâdur vrdva. Thene Mâgy heth fül rikdom, men hi heth sjan
+that Frya weldiger is as al vsa gâston et sêmine. Hi wil sin hâved in
+hira skât del ledsa. Thv bist thene wigandlikste kåning irthas, thin
+folk is fon yser. Warth vsa kåning ånd wi alle willath thin slâvona
+wêsa. Hwat skolde that êr-rik fâr-i wêsa, aste tha wilda wither to
+låk driwa koste, vsa sêfyra skolde-t rondblêsa ånd vsa mâra skoldon
+jv vral fârut gâ.
+
+Wodin was sterik, wost ånd wigandlîk, men hi nas navt klâr sjande,
+thêrthrvch wårth i in hjar mêra fvngen ånd thrvch thene Mâgy
+kroneth. Rju fêlo stjurar ånd land-wêrar, tham thisse kêr navt ne
+sinde, brûdon stolkes hinne, Kât mith nêmande, men Kât thêr navt to
+fâra thêre Moder ner to fâra thêre mêna acht forskine nilde, jompade
+wr bord. Thâ kêm stornewind ånd fêtere tha skêpa vppa skorra fonna
+Dennemarkum del svnder enkel man to mistane. Afternêi håvon hja tha
+strêt Kâtsgat [35] hêten. Thâ Wodin kroned was, gvng-er vppa wilda
+lôs; thi wêron al rutar, lik een hêjel buje kêmon hja ajn Wodin-is
+hêr, men lik en twyrne wind wendon hja omme ånd ne thvradon nâ wither
+forskina. As Wodin nw to båk kêm, jav thene Mâgy him sin toghater to-n
+wîf. Afternei wårth-i mith krûdon birêkad, men thêr wêron tawerkrûdon
+mong, hwand Wodin warth bi grâdum alsa sêr vrmêten, that-i Frya ånd
+Wraldas gâst miskåna ând spota thvrade, thawyla hi sin frya hals bog
+to fâra falska drochten-likande byldum. Sin rik hilde sjvgun jêr, thâ
+vrdwind-ir. Thene Mâgy sêide that-er mong hjara godon [36] vpnimeth
+wêre, ånd that hi fon thêr over hjam welda, men vs folk lakton vmbe
+tin tâl. Thâ Wodin en stût wêi wêst hêde, kêm thêr twispalt, wi wildon
+en ôra kåning kjasa, men thåt nilde thene Mâgy navt me hengja. Hi
+wêrde that et en rjucht wêre, him thrvch sina drochtne jêven. Buta ånd
+bihalva thissa twist, sa was thêr jet-ên emong sin Mâgjara ånd Finna,
+thêr Frya ner Wodin êra navt nilde, men thi Mâgy dêde as-t im sinde,
+hwand sin toghater hêde en svn bi Wodin wvnen, ând nw wilde thene
+Mâgy that thisse fon en hâge kom-of wêsa skolde. Thawyla alle sanade
+ånd twista, krônade hi thene knâp to kåning ånd stålade hin sels as
+foged ånd foramond jefta rêdjêvar an. Thêra thêr mâr hildon fon hjara
+balg as fon thåt rjucht, tham lêton him bidobba, men tha goda brûdon
+wêi. Fêlo Mâgjara flodon mith hjara ljvda båk ward, ånd tha stjurar
+gvngon to skip ånd en hêr fon drista Finna gvngen as rojar mitha.
+
+Nw kvmath tha skêdnese fon nêf Tünis ånd sin nêf Inka êrost rjucht
+vppet pat.
+
+
+
+
+
+THIT ELLA STET NAVT ALLÊNA VPPER WARABURGH MEN OK TO THÊRE BURCH
+STAVIA, THÊR IS LIDSEN AFTERE HAVE FON STAVRE.
+
+
+Tha Tünis mith sinum skêpum to honk kêra wilde, gvng-i thet forma vppa
+Dânnemarka of, men hi ne macht thêr navt ne landa, thåt hêde thju Moder
+bisjowath. Ak et Flyland ne macht-er navt ne landa ånd forth nårne. Hi
+skold alsa mith sinum ljvdum fon lek ånd brek omkomth håve, thêr vmbe
+gvngon hja thes nachtis tha landa birâwa ånd fâra bi dêi. Alsa alinga
+thêre kâd forth farande kêmon hja to thêre folkplanting Kâdik [37],
+althus hêten vmbe that hjara have thrvch êne stênene kâdik formath
+was. Hir selladon hja allerhanne liftochta, men Tutja thju burchfâm
+nilde navt dâja that hja-ra selva nither setta. Thâ hja rêd wêron
+krêjon hja twist. Tünis wilde thrvch thju strête fon tha middelsê
+vmbe to fârane fâr tha rika kåning fon Egiptalandum, lik hi wel
+êr dên hêde, men Inka sêide, that-i sin nocht hêde fon al et Findas
+folk. Inka mênde that er byskin wel en hach dêl fon Atland by wysa fon
+êland vrbilêwen skolde wêsa, thêr hi mith tha ljvdum frêthoch lêva
+machte. As tha bêda nêva-t-althus navt ênes wrde koste, gvng Tünis
+to ånd stek en râde fône in-t strând, ånd Inka êne blâwe. Thêr åfter
+macht jahwêder kjasa, hwam ek folgja wilde, ånd wonder, by Inka thêr
+en gryns hêde vmbe tha kåningar fon Findas folk to thjanja, hlipon
+tha mâsta Finna ånd Mâgjara ovir. As hja nw thåt folk tellath ånd
+tha skêpa thêr nêi dêlath hêde, tha skêdon tha flâta fon ekkorum;
+fon nêf Tünis is åfternêi tâl kêmen, fon nêf Inka ninmer.
+
+Nêf Tünis for allinggen thêre kâd al thrvch thju porte thêre
+middelsê. Tha Atland svnken is, was-t-inna middelsê ra owera âk årg
+to gvngen. Thêrthrvch wêron thêr fêlo månniska fon-t Findas land
+nêi vsa hêinde ånd fêre Krêkalanda kvmen ånd âk fêlo fon Lyda-his
+land. Thêr åjn wêron âk fêlo fon vs folk nêi Lydas land gvngon. Thåt
+ella hêde wrocht, that tha hêinde ånd fêre Krêkalanda far thåt weld
+hêre Moder vrlêren was. Thêr hêde Tünis vp rêkned. Thêrvmbe wilde
+hi thêr en gode hâve kjasa ånd fon thêr ut fara rikka forsta fâra,
+men thrvchdam sine flâte ånd sin folk sa wanhâven utsagon, mêndon tha
+Kâdhêmer that hja râwera wêron, ånd thêrvmbe wrdon hja vral wêrath. Tha
+to tha lesta kêmon hja an to Phonisivs kâd, that wêre 100 ånd 93 jêr
+[38] nêi Âtland svnken is. Nêi bi thêre kâd fvndon hja en êland mith
+twam diapa slinka, alsa-t as thrju êlanda utsach. Vppet midloste thêra
+staldon hja hjara skula vp, åfternêi bvwadon hja thêr en burchwal
+om to. As hja thêran nw en nôme jêva wilde, wrdon hja vnênes, svme
+wild-et Fryasburch hêta, ôra Nêf tünia, men tha Mâgjara ånd tha Finna
+bâdon thåt skolde Thyrhisburch [39] hête. Thyr [40] alsa hêton hja
+ên hjarar drochtena ånd vppe tham-is jêrdêi wêron hja thêr land,
+to wither-jeld wildon hja Tünis êvg as hjara kåning bikånne. Tünis
+lêt im bilêsa ånd tha ôra nildon thêrvr nên orloch ne hâ. Thâ hja nw
+god sâton, thâ sandon hja svme alde stjvrar ånd mâgjara ana wâl ånd
+forthnêi thêre burch Sydon, men that forma nildon tha Kâdhêmar nawet
+fon-ra nêta. Thv bist fêrhêmanda swårvar sêidon hja, thêr wi navt
+hachta ne müge. Tha thâ wi hjam fon vsa ysera wêpne vrsella wilde,
+gvng to lersta ella god, âk wêron hja sêr ny nêi vsa bårnstênum ånd
+thåt frêja thêr nêi nam nên ende. Men Tünis thêr fårsjande wêre,
+bårde that er nên ysere wêpne ner bårnstêne mâr hêde. Thâ kêmon tha
+kâpljvd ånd bâdon hi skolde twintich skêpa jêva, thêr hja alle mith-a
+finneste wêrum tho hrêda wilde, ånd hja wildon him alsa fêlo ljvda
+to rojar jêva as-er jêrde. Twê-lif skêpa lêt-i-to hrêda mith win
+hvning ånd tomâkad lêther, thêr bi wêron tåmar ånd sitlun mith gold
+wrtêin sa mån hja ninmer nêde sjan. Mith al thi skåt fyl Tünis thåt
+Flymar binna. Thi grêvaman fon Westflyland wårth thrvch al thessa
+thinga bigâstered, hi wrochte that Tünis bi thêre mvde fon-t Flymar
+en loge bvwa mâchte, åfternêi is thju stêd Almanaland [41] heten
+ånd tha mark thêr hja åfternêi to Wyringgâ [42] vp wandelja machton
+tolêtmark. Thju Moder rêde that wi ra ella vrkâpja skolde buta ysere
+wêpne, men mån ne melde hja navt. Thâ tha Tyrjar thus fry spel hêdon,
+kêmon hja âlan wither to farand vsa wêron sâ hêinde as fêre vsa ajn
+sêkåmpar to skâdne. Thêråfter is bisloten vpper mêna acht, jêrlikes
+sjvgun Thyrjar skêpa to to lêtane ånd navt mar.
+
+
+
+
+
+HWAT THÊR OF WRDEN IS.
+
+
+Inner northlikste herne fon tha Middelsê, thêr lêid en êland
+by thêre kâd. Nw kêmon hja thåt a kâp to frêjande. Thêrvr wårth
+ene mêna acht bilêid. Moder-is rêd wårth wnnen, men Moder sach ra
+lyast fêr of. Thêrvmbe mênde hju that er nên kwâ an stek, thach as
+wi åfternêi sâgon ho wi misdên hêde håvon wi thåt êland Missellja
+[43] hêten. Hiråfter skil blika ho wi thêr to rêde hêde. Tha Gola,
+[44] alsa heton tha såndalinga prestera Sydon-is, tha Gola hêdon
+wel sjan thet et land thêr skares bifolkad was ånd fêr fon thêre
+Moder wêre. Vmb ira selva nw en gode skin to jêvane, lêton hja ra
+selva in vsa tâl ana trowe wydena hêta, men that wêre bêtre wêst,
+as hja ra selva fon thêre trowe wendena nômath hêde, jefta kirt wei
+trjuwendne lik vsa stjurar lêter dên håve. Thâ hja wel sêton wêron,
+tha wandeldon hjara kâpljuda skêne kâpre wêpne ånd allerlêja syrhêdon
+to fara vsa ysere wêpne ånd wilde djara huda, wêrfon in vsa suder landa
+fêlo to bikvma wêron. Men tha Gola fyradon allerhâna wla drochtenlika
+fêrsta ând to tyadon tha kadhêmar thêra thrvch todvan hjarar horiga
+manghêrtne ånd tha swêt hêd fon hjara fininnige win. Was thêr hwa
+fon vs folk thêr-et alsa årg vrbrud hêde, that sin lif in frêse
+kêm, than lênadon tha gola him hul ånd foradon him nêi Phonisia,
+that is palmland. Was hi thêr sêten, thån most-i an sina sibba ånd
+âtha skriwa, that-et land sâ god wêre ând tha månniska sâ luklik, as
+ninmån hin selva mocht forbylde. A Brittannja wêron rju fêlo manna,
+tha lith wiva, thâ tha Gola that wiston, lêton hja alwêis manghêrtne
+skâka ånd thessa javon hja tha Britne vmb nawet. Thach al thissa
+manghêrtne wêron hjara thjansterum, thêr tha bern fon Wrâlda stolon
+vmb-ar an hjara falske drochtne to jêvane.
+
+
+
+
+
+NW WILLATH WI SKRIWA VR THA ORLOCH THÊRA BURCHFAMNA KALTA AND MIN-ERVA
+
+
+And ho wi thêr thrvch al vsa sûderlanda ånd Brittanja anda Gola
+vrlêren håve.
+
+Bi thêre Sûder-rên-mvda ånd thêre Skelda, thêr send sjvgun ålanda,
+nômath nêi Fryas sjvgum wâkfâmkes there wêk. Middel vppet êne åland is
+thju burch [45] Walhallagâra, inut tha wâgrum thêra is thju folgjande
+skêdnesse wrîten. Thêr bvppa stêt: lês, lêr ånd wâk.
+
+563 jêr [46] nêi âldland svnken is, sat hir en wise burch fâm,
+Min-erva was hira nôma. Thrvch tha stjurar Nyhellênja tonômath. This
+tonôma was god kêren, hwand tha rêd, thêr hju lênade, was ny ånd hel
+bvppa alle ôtherum. Overa Skelda et thêre Flyburch sat Syrhêd. Thjus
+fâm was fvl renka, skên was r-anhlith ånd kwik was hira tvnge,
+men thi rêd thêr hju jef, was immer in thjustere worde. Thêr vmbe
+warth hju thrvch tha stjurar Kålta hêten, tha landsâta mênadon that
+et en êrnôma wêra. Inna ûtroste wille thêre vrsturvene Moder stand
+Rôsa-mvda thet forma, Min-erva thet twêde ånd Syrhêd thet thredde as
+folgstere biskreven. Min-erva nêde thêr nên wit fon, men Syrhêd was
+er thrvch knaked. Lik en wrlandeske forstinne wilde hju êrath frêsath
+ånd bêden wêsa, men Min-erva wilde enkel minth wêsa. To tha lesta
+kêmon alle stjurar hiri hjara held bjada, selva fon tha Dena-marka
+ånd fon-t Flymar. That vvnde Syrhêd, hwand hju wilde bvppa Min-erva
+utminthja. Til thju mån en grôte thånk ovir hira wâkendum håva skolde,
+myk [47] hju ennen hôna vpper fâne. Thâ gvng Min-erva to ånd myk en
+hårder hvnd ånd en nachtul in vppira fâne. Thene hvnd sêide hju wâkt
+ovir sin hêr ånd ovira kidda ånd thene nachtul wâkt ovira fjelda til
+thju hja thrvch tha musa navt vrdên ne wrde. Men thene hôna neth
+far nimman frjundskip, ånd thrvch sin vntocht ånd hâchfârenhêd is
+er vaken thene bâna sinra nêista sibba wrden. As Kalta sach that er
+wårk falikant ut kêm, to gvng hju fon kwad to årger. Stolkes lêt hju
+Mâgjara to hiri kvma vmbe tâwery to lârane. As hju thêr hira nocht
+fon hêde, werpte hju hira selva anda årma thêra Golum, thach fon
+al thi misdêdon ne macht hju navt bêtre ne wrde. As hju sach that
+tha stjurar mâr ånd mâr fon iri wêke, tha wilde hju ra thrvch frêse
+winna. Was tha mône fvl ånd thene sê vnstumich, than hlip hju over
+et wilde hef, tha stjurar to hropande that hja alle skolde vrgân,
+sahwersa hja hiri navt anbidda nilde. Forth vrblinde hju hira âgun
+hwêr thrvch hja wêter fori land ånd land fori wêter hildon, thêrthrvch
+is mâni skip vrgvngen mith mån ånd mus. Vppet forma wêrfêrste tha al
+hira landsâta wêpned wêron, lêt hju bårga bjar skånka, in thåt bjar
+hêde hju tâverdrank dên. As et folk nv algâdur drunken wêre, gvng hju
+bvppen vp hira stridhros standa, to lênande mith hira hole tojenst hira
+spêri, môrnerâd ne kv navt skêner. Tha hja sach that alle ôgon vpper
+fåstigath wêron êpende hju hira wêra ånd kêth, svnum ånd thogatrum
+Fryas, i wêt wel that wi inna lerste tyd fûl lek ånd brek lêden håve,
+thrvchdam tha stjurar navt lônger kvme vmb vs skriffilt to vrsella, men
+i nête navt hwêrthrvch et kvmen is. Lông håv ik my thêr vr inhalden,
+thach nv kån-k-e tnavt lônger ôn. Hark then frjunda til thju i wêta
+müge hwêrnêi i bita mêi. Anda ôra syde thêre Skelda hwêr hja tomet
+tha fêrt fon alle sêa håve, thêr mâkath hja hjvd dêgon skriffilt fon
+pompa blêdar, thêr mith sparath hja linnent ut ånd kånnath hja vs wel
+miste. Nêidam thåt skriffilt mâkja nv alti vs grâteste bydriv wêst is,
+sâ heth thju Moder wilt that mån et vs lêra skolde. Men Minerva heth
+al et folk bihexnath, jes bihexnath frjunda, ivin as al vs fja thåt
+låsten sturven is. Er-ut mot-et, ik wil thi tella, nas-k nên burchfâm
+ik skold et wel wêta, ik skolde thju hex in hjara nest vrbarne. Thâ
+hju thi lerste worda ut hêde, spode hju hira selva nêi hira burch tha,
+men thåt vrdrvnken folk was althus dênera bigâstered, that et vr sin
+rêde navt mocht to wâkane. In dvl-dryste iver gvngon hja overa Sand
+fal ånd nêidam nacht midlerwil del strêk gvngon hja evin drist vpper
+burch lôs. Thach Kålta miste al hwither hira dol, hwand Minerva ånd
+hira fâmna ånd tha foddik wrdon alle thrvch tha råppa stjurar hreth.
+
+
+
+
+
+HIRBY KVMTH THA SKÊDNESSE FON JON.
+
+
+Jon, Jôn, Jhon ånd Jân is al ên mith jêven, thach thet lêit anda
+utsprêk thêra stjurar, thêr thrvch wenhêd ellas bikirta vmbit fâra ånd
+hard hropa to mvgane. Jon thåt is jêva was sêkêning, bern to-t-Aldergâ,
+to-t Flymar ut fâren mith 100 ånd 27 skêpum, tohrêth fâr en grôte
+butarêis, rik to lêden mith bårnstên, tin, kâper, yser, lêken, linnent,
+filt, fâmna filt fon otter, bêver ånd kanina hêr. Nw skold er fon
+hir jeta skriffilt mith nimma; tha to Jon hir kêm ånd sach ho Kålta
+vsa rom rika burch vrdên hêde, thâ wårther sâ uter mête heftich, that
+er mith al sinum ljudum vpper Flyburch of gvng ånd thêr to witterjeld
+thene râda hône an stek. Men thrvch sin skelta bi nacht ånd svme sinra
+ljudum wårth thju foddik ånd tha fåmna hret. Tach Syrhêd jefta Kålta
+ne mochton hja navt to fâtane, hju klvwde vppa utroste tinne, jahweder
+tochte that hju inna logha omkvma moste, thâ hwat bêrde? Dahwile al
+hira ljuda ståk ånd stif fon skrik standon, kêm hju skêner as â-to
+fora vp hira klêppar to hropande nêi Kålta min-âis [48]. Thâ strâmada
+thåt ora Skelde folk to hâpa. As tha stjurar that sâgon hripon hja fâr
+Minerva wy. En orloch is thêrut kvmen, hwêrthrvch thvsande fallen send.
+
+Under thesse tidon was Rôsamond thåt is Rôsa mvda Moder, hju hêde
+fûl in thêre minne dên vmbe frêtho to wârja, tach nw-t alsa årg kêm,
+myk hju kirte mête. Bistonda sand hju bodun thrvch tha land pâla
+ånd lêt en mêna nêdban utkètha, thâ kêmon thâ landwêrar ut alle wrda
+wêi. Thåt strydande land folk wårth al fat, men Jon burch hin selva
+mith sin ljud vppa sina flâte, mith nimand bêda tha foddika, byonka
+Minerva ånd tha fâmna fon bêdar burchum. Helprik thene hêrman lêt-im
+in banna, men tha hwila alle wêrar jeta o-ra Skelda wêron for Jon
+to bek nêi-t Flymar ånd forth wither nêi vsa ålandum. Sin ljud ånd
+fêlo fon vs folk namon wif ånd bern skêp, ånd as Jon nw sach that
+mån hin ånd sin ljud lik misdêdar strafja wilde, brudon hi stolkes
+hinne. Hi dêde rjucht, hwand al vsa landar ånd allet ora Skelda folk
+thêr fjuchten hêdon wrdon nêi Brittanja brocht. Thius stap was mis dên,
+hwand nv kêm t-anfang fon thåt ende:
+
+Kålta thêr nêi-t segse êven blyd vppet wêter as vppet land hlâpa
+machte, gvng nêi tha fåsta wal, ånd forth vppa Missellja of. Thâ kêmon
+tha Gola mith hjara skepum ut-a Middelsê Kâdik bifâra ånd êl vs uter
+land, forth fylon hja vp ånd over Brittannja thach hja ne mochton thêr
+nên fåsta fot ne krêja, vmbe thåt tha sjvrda weldich ånd tha bannalinga
+jeta fryas wêron. Men nw kêm Kålta ånd kêth, thv bist fry bern ånd vmbe
+litha lêka heth mån thi to vrwurpene mâkad, navt vmbe thi to bêterja,
+men vmbe tin to winnande thrvch thina handa. Wilst wêr fry wêsa ånd
+vnder mina rêd ånd hoda lêva, tjån ut then, wêpne skilun thi wrda,
+ånd ik skil wâka o-er thi. Lik blixen fjur gvng et o-era ålanda, ånd
+êr thes Kroders jol ênis omhlâpen hêde, was hju mâsterinne over al
+gadur ånd tha Thyrjar fon al vsa suder stâta til thêre Sêjene. [49]
+Vmbe that Kålta hira selva navt to fül bitrowada, lêt hju in-et
+northlika berchland êne burch bvwa Kålta-s burch wårth hju hêten, hju
+is jet anwêsa, men nv hêt hja Kêren-åk. Fon thjus burch welde hju lik
+en efte moder, navt to wille fâr men over hira folgar ånd tham hjara
+selva forth Kåltana [50] hêton. Men tha Gola weldon by grâdon over êl
+Brittanja, thåt kêm ênis dêlis that hju nên mâr burga nêde, twyas that
+hju thêr nên burchfâmna nêde ånd thryas thrvchdam hju nên efte foddik
+navt nêde. Thrvch al thessa êrsêka kvn hira folk navt ni lêra, thåt
+wrde dvm ånd dor ånd wrde endelik thrvch tha Gola fon al hira ysera
+wêpne birâwath ånd to thåt lesta lik en buhl by thêre nôse omme lêid.
+
+
+
+
+
+NV WILLATH WI SKRIVA HO-T JON VRGVNGEN IS, THIT STÊT TO TEXLAND
+SKRÊVEN.
+
+
+10 jêr åfter Jon wêi brit was, kêmon hyr thrju skêpa in-t Flymar falla,
+thåt folk hrip ho-n-sêjen, fon hira tålinga heth thju Moder thit skrywa
+lêten. Thâ Jon antha Middelsê kêm was then mâra thêra Gola hin vral
+fâr ut gvngen, alsa hi an thêri kâd fon tha hêinda Krêkalanda nårne
+fêlich nêre. Hi stêk thus mith sinum flâte nêi Lydia, thåt is Lyda his
+lând, thêr wildon tha swarta månniska fâta hjam ånd êta. To tha lesta
+kêmon hja et Thyrhis, men Minerva sêide hald of, hwand hir is thju loft
+ôlangne vrpest thrvch tha prestera. Thi kåning was fon Tünis ofstamed,
+sâ wi lêter hêrdon, men til thju tha prestera en kåning wilde håve thêr
+alderlangne nêi hjara bigrip wêre, alsa hêde hja Tünis to en gode up
+hêjad, to årgnisse sinra folgar. As hja nv Thyr åfter bek wêre, kêmon,
+tha Thyriar en skip uta åfte hoda râwa, nêidam thåt skip to fêr was,
+kvndon wi-t navt wither wina, men Jon swor wrêka thêrvr. Tha nacht
+kêm kêrde Jon nêi tha fêre Krêkalandum, to lesten kêmon hja by en
+land thåt bjustre skryl ut sa, men hja fondon thêr en havesmvda. Hir
+sêide Minerva skil by skin nên frêse to fara forstum nach presterum
+nêdich wêsa, nêidam hja algadur feta etta minna, thach thâ hja inner
+have hlipon fonth mån hja navt rum noch vmbe alle skêpa to bislûta,
+ånd thach wêron mêst alle to låf vmbe wider to gane. Alsa gvng Jon
+thêr forth wilde mith sin spêr ånd fône thåt jongk folk to hropande,
+hwa willinglik bi-m skâra wilde. Minerva thêr biliwa wilde dêde
+alsa. Thåt grâteste dêl gvng nêi Minerva, men tha jonggoste stjurar
+gvngon by Jon. Jon nam thêre foddik fon Kålta ånd hira fâmna mitha,
+ånd Minerva hild hira ajn foddik ånd hira ajn fâmna.
+
+Bitwiska tha fêrum ånd heinda Krêkalandum fand Jon svma êlanda thêr
+im likte, vppet grâteste gvng-er inna tha walda twisk thåt berchta en
+burch bvwa. Fon uta litha êlanda gvng-er ut wrêka tha Thyrjar skêpa
+ånd landa birâwa, thêrvmbe send tha êlanda evin blyd Râwer êlanda,
+as Jonhis êlanda [51] hêten.
+
+Tha Minerva thåt land bisjan hêde, thåt thrvch tha inhêmar Attika is
+hêten, sach hju that thåt folk al jêita hoder wêron, hja hildon hjara
+lif mith flesk, krûdum, wilde wotelum ånd hvning. Hja wêron mith felum
+tekad ånd hju hêdon hjara skula vppa hellinga thêra bergum. Thêrthrvch
+send hja thrvch vs folk Hellinggar hêten.
+
+Thåt forma gvngon hja vppa run, tha as hja sâgon that wi navt ne
+tâldon nêi hjara skåt, thâ kêmon hja tobek ånd lêton grâte âtskip
+blika. Minerva frêjde jef wi vs in thêre minna machte nither
+setta. That wrde to staden vnder biding that wi skolde helpa hjam
+with hjara swetsar to stridande, thêr alan kêmon hjara bern to
+skâkana ånd hjara skât to râwana. Thâ bvwadon wi êne burch arhalf
+pâl fon thêr have. Vppa rêd Minervas wårth hju Athenia [52] heten:
+hwand sêide hju, tha åfter kvmand agon to wêtane, that wi hir navt
+thrvch lest ner weld kvmen send, men lik âtha vntfongen. Dahwile wi
+an thêre burch wrochton kêmon tha forsta, as hja hja nv sagon that
+wi nên slavona hêde, sind er sok navt, ånd lêton-t an Minerva blika,
+til thju hja tochton that en forstene wêre. Men Minerva frêja, ho bist
+wel an thina slâvona kvmen? Hja andere, svme håvath wi kâpad, ôra anna
+strid wnnen. Minerva sêide, sâhwersa ninman månneska kâpja nilda sa
+ne skolde ninman jvw bern râwa ånd i ne skolda thêrvr nên orloch håve,
+wilst thus vsa harlinga biliwa sâ mot-i thina slâvona fry lêta.
+
+That nv willath tha forsta navt, hja willath vs wêi driwa. Men thâ
+klokeste hjarar ljuda kvmath helpa vsa burch ta bvmande, thêr wi nv
+fon stên mâkja.
+
+Thit is thju skêdnesse fon Jon ånd Minerva.
+
+As hja that nw ella tellad hêde, frêjath hja mith êrbjadenesse vm
+yrsene burchwêpne, hwand sêidon hja vsa lêtha send weldich, tha sa
+wi efta wâpne håve, skillon wi ra wel wither worda. As hju thêran
+to stemad hêde, frêjath tha ljuda jef tha Fryas sêda to Athenia ånd
+tha ôra Krêkalanda bloja skolde, thju Moder andere, jef tha fêre
+Krêkalanda to tha erva Fryas hêra, alsa skilum hja thêr bloja, ne
+hêrath hja navt thêr to, alsa skil thêr lang over kåmpad wrda mote,
+hwand thene kroder skil jeva fifthusand jêr mith sin Jol ommehlâpa,
+bifara thåt Findas folk rip to fâra frydom sy. [53]
+
+
+
+
+
+THIT IS OVER THA GÊRTMANNA.
+
+
+Thâ Hellênja jefta Minerva sturven was, tha bâradon tha prestera
+as jef hja mith vs wêron, til thju that hel blika skolde havon hja
+Hellênia to-ne godene ute kêth. Ak nildon hja nêne ore Moder kjasa
+lêta, to segande, hja hêde frêse that er emong hira fâmna nimman wêre,
+thêr hja sa god kvnde trowa as Minerva thêr Nyhellênia tonomt was. Men
+wi nildon Minerva navt as êne godene navt bikånna, nêidam hja selva
+seid hêde that nimman god jefta fvlkvma wêsa ne kvnde thån Wr.aldas
+gâst. Thêrumbe kêron wi Gêrt Pire his toghater to vsa Moder ut.
+
+As tha prestera sagon that hja hjara hering navt vp vsa fjvr brêda
+ne mochton, thâ gvngon hja buta Athenia ånd sêidon that wi Minerva
+navt to-ne godene bikåna nilda ut nyd, vmbe that hju tha inhêmar
+sâ fûl ljafde biwêsen hede. Forth javon hja that folk byldnisse fon
+hira liknese, tjûgande that hja thêrlan ella frêja machte alsa naka
+hja hêroch bilewon. Thrvch al thissa tellinga warth thåt dvma folk
+fon vs ofkêrad ånd to tha lesta fylon hja vs to lif. Men wi hêdon vsa
+stêne burchwal mith twam hornum om têjen al to tha sê. Hja ne machton
+vs thervmbe navt nâka. Thach hwat bêrde, an Êgiptalanda thêr wêre en
+overprester, hel fon âgnum, klâr fon bryn ånd licht fon gâst, sin nâm
+wêre Sêkrops, [54] hy kêm vmb rêd to jêvane. As Sêkrops sach that er
+mith sinum ljuda vsa wal navt biranna ne kv, thâ sand hi bodon nêi
+Thyrhis. Afternêi kêmon er thrja hvndred skipun fvl salt-âtha fon
+tha wilde berchfolkum vnwarlinga, vsa hâva bifâra, dahwila wy mith
+alle mannum vppa wallum to strydande wêron.
+
+Drêi as hja thju hâva innomth hêde wildon tha wilda salt-âtha thåt
+thorp ånd vsa skipa birâwa. Ên salt-âthe hêde al en bukja skånd,
+men Sêkrops wilde thåt navt ne hångja, ånd tha Thyrjar stjurar thêr
+jeta Fryas blod int lif hêde sêidon, aste that dêiste sâ skilun
+wi tha râde hône in vsa skypa stêka ånd thv ne skilst thina berga
+na withera-sja. Sêkrops tham navt ne hilde ni fon morthja nor fon
+hommelja, sand bodon nêi Gêrt vmbir tha burch of to askja, hju
+macht frya uttochte hâ mith al hira drywande ånd bêrande hâva, hira
+folgar alsa fül. Tha wista thêra burchhêrum êl god sjande thåt hja
+tha burch navt hâlda ne kvnde, rêden Gêrt hja skolde gaw to bitta,
+bi fira Sêkrops wodin wrde ånd overs bigvnde, thrê mônatha åfter
+brûde Gêrt hinne mith tha alder besta Fryas bern ånd sjugum wara twilf
+skypum. Thâ hja en stût buta thêre have wêron kêmon thêr wel thritich
+skêpun fon Thyrhis mit wif ånd bern. Hja wilde nêi Athênia gâ, tha as
+hja hêrdon ha-t thêr eskêpen stande gvngon hja mit Gêrt. Thi wêtking
+thêra Thyrjar brocht algadur thrvch tha strête [55] thêr vnder thisse
+tida vppa tha râde sê uthlip. Et leste lândon hja et Pangab, that is
+in vsa sprêke fif wêtervm, vmbe that fif rinstrâma mith hiri nêi tha
+sê to strâme. Hyr seton hja hjara selva nithar. That lånd håvon hja
+Gêrtmannja hêton. Thene kêning fon Thyrhis åfternêi sjande that sin
+alderbesta stjurar wei brit wêren sand al sin skipa mith sina wilde
+saltâtha vmb-er dâd jefta lêvand to fâtane. Men as hjå by thêre strête
+kêm bêvadon bêde sê ånd irtha. Forth hêf irtha hira lif thêr vppa,
+sâ hâg that al et wêter to thêre strête uthlip, ånd that alle wata
+ånd skorra lik en burchwal to fâra hjam vp rêson. That skêde over
+tha Gêrtmanna hjara dügda lik as allera mannalik hel ånd klâr mêi sja.
+
+
+
+
+
+AN THA JÊRA 1000 AND 5 [56] NÊI ALDLAND SVNKEN IS, IS THIT VPP-INA
+ASTERWACH IT FRYAS BURCH WRITEN.
+
+
+Nêi that wi in twilif jêr tid nên Krêkalandar to Almanlând sjân
+hêde, kêmon thêr thrju skêpa sa syrlik as wi nên hêdon ånd to fara
+nimmer nêde sjan. Vppet storoste thêra wêre-n kêning thêra Jhonhis
+êlandum. Sin nôme wêre Ulysus ånd tha hrop ovir sin wisdom grât. This
+kêning was thrvch êne presteresse forsêid, that er kêning wertha
+skolde ovir alla Krêkalanda sa-r rêd wiste vmbe-n foddik to krêjande,
+thêr vpstêken was anda foddik it Texland. Vmbe-r to fensane hêder
+fêle skåta mith brocht, boppa ella fâmne syrhêdum, alsa thêr in
+wralda navt skênener mâkad wrde. Hja kêmon fon Troja en stede tham
+tha Krêkalandar innimth hêdon. Al thissa skåta bâd hi tha Moder an,
+men thju Moder nilde nârne fon nêta. As er to lesta sa, that hju navt
+to winne wêre, gvng er nêi Walhallagara [57].
+
+Thêr was en fâm sêten, hjra nôme wêre Kât, tha inna wandel wrde hju
+Kalip [58] hêten ut hawede that hjara vnderlip as en utkikbored
+farutståk. Thêrby heth er jêron hwilth to årgenisse fon al tham
+et wiston. Nêi thêra fâmna hrop heth er to lesta en foddik fon hir
+krêjen, tha hja heth im navt ne bât, hwand as er in sê kêm is sin
+skip vrgvngon ånd hy nâked ånd blât vpnimth thrvch tha ôthera skêpa.
+
+Fon thisse kêning is hyr en skryver åfterbilêwen fon rên Fryas blod,
+bårn to thêre nêie have fon Athênia ånd hwat hyr folgath het er vs
+fon ovir Athênia skrêven, thêrut mêi mån bisluta, ho wêr thja Moder
+Hel-licht sproken heth, thâ hja sêide thåt Fryas sêda to Athênia nên
+stand holde ne kvste.
+
+Fon tha ôthera Krêkalander hetste sêkur fül kwâd ovir Sêkrops hêred,
+hwand hi wêre in nên gode hrop. Men ik dâr segse, hi wêre-n lichte man,
+hâchlik romed alsa sêr bi tha inhêmar as wel bi vs, hwand hi wêre
+navt vmbe tha månniska to diapana sa tha ôra prestera, men hi wêre
+dügedsêm ånd hi wist tha wisdom thêra fêrhêmanda folkum nêi wêrde to
+skåtande. Thêrvmbe that er that wiste, hêde-r vs to stonden that wi
+machte lêva nêi vs ajn êlik Sêgabok. Thêr gvng en telling that er vs
+nygen were, vmbe that er tjucht wêsa skolde ut en Fryaske mangêrte ånd
+Êgiptiska prester, uthawede that er blâwe âga hêde, ånd that er fül
+mangêrta fon vs skâkt wêron ånd in ovir Egiptalande vrsellath. Tha
+selva heth er nimmerte jecht. Ho-t thêrmêi sy, sêkur is-t that er
+vs mâra âthskip biwês as alle ôthera prestum to sêmne. Men as er
+fallen was, gvngon sina nêimanninga alring an vsa êwa torena ånd bi
+grâdum sa fêlo mislikanda kêra to mâkjande, that er to lônge lesta
+fon êlik sa ånd fon frydom ha navt ôwers as tha skin ånd tha nôme
+vrbilêf. Forth nildon hja navt ne dâja that-a setma an skrift brocht
+wrde, hwerthrvch tha witskip thêra far vs forborgen wårth. To fâra
+wrdon alle sêkum binna Athênia in vsa tâl bithongon, åfternêi most
+et in bêda tâla skên ånd to lesta allêna in tha landis tal. In tha
+êrosta jêra nam that manfolk to Athênia enkel wiva fon vs ajn slacht,
+men that jongkfolk vpwoxen mitha mangêrta thêr landsâton namen thêr âk
+fon. Tha bâstera bern tham thêrof kemon wêron tha skênsta ånd snodsta
+in wralda, men hja wêron âk tha årgsta. To hinkande vr byde syda,
+to mâlande her vm sêda ner vm plêga, hit ne sy that et wêre for hjara
+ajne held. Alsa nâka thêr jeta-n strêl fon Fryas gâst weldande wêre
+wårth al et bvwspul to mêna werka forwrochten ånd nimmån ne mocht en
+hus to bvwande, thåt rumer ånd riker wêre as thåt sinra nêstum. Tha
+thâ svme vrbastere stêdjar rik wêron thrvch vs fâra ånd thrvch et
+sulver, thåt tha slâvona uta sulverlôna wnnon, thâ gvngon hja buta
+vppa hellinga jefta inda dêla hêma. Thêr beftha hâga wallum fon lôf
+tha fon stên bvwadon hja hova mith kestlik husark, ånd vmbe by tha wla
+prestrum in en goda hrop to wêsande, ståldon hja thêr falska drochten
+likanda ånd vntuchtiga bilda in. By tha wla prestrum ånd forstum wrdon
+tha knâpa al tomet mâra gêrt as tha toghatera, ånd fâken thrvch rika
+jefta thrvch weld fon et pad thêre düged ofhlêid. Nêidam rikdom by
+thåt vrbrûde ånd vrbasterde slachte fêr bvppa düged ånd êre jelde, sach
+mån altomet knâpa tham hjara selva mit rûma rika klâtar syradon, hjara
+aldrum ånd fâmna to skônda ånd hjara kvnna to spot. Kêmon vsa ênfalda
+aldera to Athênia vppe thêre mêna acht ånd wildon hja thêrvr bâra,
+sâ warth ther hropen, hark, hark, thêr skil en sêmomma kêtha. Alsa
+is Athênia wrdon êlik en brokland anda hête landa, fol blodsûgar,
+pogga ånd feniniga snâka, hwêrin nên månniske fon herde sêdum sin
+fot navt wâga ne mêi.
+
+
+
+
+
+THIT STAT IN AL VSA BURGA.
+
+
+Ho vsa Dênamarka [59] fâra vs vlêren gvngon 1600 ånd 2 jêr [60] nêi
+Aldland vrgongen is. Thrvch Wodins dor ånd dertenhêd was thene Magy
+bâs wrden ovir Skênlandis astardêl. Wra berga ånd wr-n sê ne tvrade
+hi navt ne kvma. Thju Moder wildet navt wêrha, hja sprêk ånde kêth,
+ik sja nên frêse an sina wêpne, men wel vmbe tha Skênlander wêr to
+nimmande, thrvchdam hja bastered ånd vrdêren sind. Vppa mêna acht
+toch te man alên. Thêrvmbe is-t im lêten. Grât 100 jêr lêden byondon
+tha Dênemarkar to wandelja mith hjam. Hja jêvon him ysere wêpne ånd
+rêdskip thêr fori wandeldon hja golden syrhêdon bijunka kâper ånd
+yserirtha. Thju Moder sand bodon ånd rêd-er, hja skolde thju wandel
+fâra lêta. Thêr wêre frêse sêide hju fori hjara sêdum, ånd bitham
+hja hjara sêde vrlêren, thån skolde hja âk hjara frydom vrljasa. Men
+tha Dênemarkar nêde narne âra nei, hja nilda navt bigrippa that hjara
+sêde vrbrûde kvste, thêrvmbe ne meldon hja hja navt. To lônga lesta
+brochton hja ajne wêpne ånd liftochta wêi. Men thåt kwâd wrocht hjara
+gêia. Hjara lichêma wrdon bilâden mêi blik ånd skin, men hjara arka
+spynton ånd skvra wrdon lêtoch. Krek hondred jêr eftere dêi that et
+forma skip mit liftochta fona kâd fâren was, kêm ermode ånd lek thrvch
+tha anderna binna, honger sprêda sina wjvka ånd strêk vppet land
+del, twispalt hlip stolte in overe strêta ånd forth to tha hûsa in,
+ljafde ne kv nên stek lônger navt finda ånd êntracht run êwêi. Thåt
+bårn wilde êta fon sina måm ånd thju måm hêde wel syrhêdon tha nên
+êta. Tha wiva kêmon to hjara manna, thissa gvngon nêi tha grêva, tha
+grêva nêdon selva nawet of hildon-t skul. Nw most mån tha syrhêdon
+vrsella, men thawila tha stjurar thêrmêi wêi brit wêron kêm frost
+ånd lêi-n plônk del vppa sê ånd wra strête. Tha frost thju brigge
+rêd hêde, stop wâkandon thêrwr to-t land ut ånd vrêd klywade vpper
+sêtel. In stêde fon tha owera to biwâkande spandon hja hjara horsa
+for hjara togum ånd runon nêi Skênland thâ. Tha Skênlander, tham nêy
+wêron nêi that land hjarar êthla kêmon nêi tha Dênemarkum. Vppen helle
+nacht kêmon hja alla. Nw sêidon hja that hja rjucht hêde vppet land
+hjarar êthlon ånd thahwil that mån thêrvr kåmpade kêmon tha Finna in
+tha lêtoga thorpa ånd runadon mith tha bern ewêi. Thêrtrvch ånd that
+hja nên goda wêpne navt nêdon, dêd hjam tha kåsa vrljasa ånd thêrmêi
+hjari frydom, hwand thene Magy wrde bâs. That kêm that hja Fryas tex
+navt lêsde ånd hira rêdjêvinga warlâsed hêde.
+
+Ther send svme thêr mêne that hja thrvch tha grêva vrrêden send,
+that tha fâmna thåt lông spêrath hêdon, tha sa hvam sa thêr vr kêtha
+wilde, tham is mvla wrdon to smôrath mith golden kêdne. Wi ne mügan
+thêrvr nên ordêl to fellande, men wi willath jo tohropa, ne lên navt
+to sêre vppa wisdom ånd düged ni fon jvwa Forsta, ni fon jowa fâmna,
+hwand skel et halda sa mot allera mannalik wâka ovir sin ajna tochta
+ånd for-t mêna held.
+
+Twa jêr nêidam kêm thene Magy selva mith en flâte fon lichte kânum,
+tha Moder fon Texland ånd tha foddik to râwane.
+
+Thås årge sêke bistonde-r thes nachtis anda winter by storne tydum
+as wind gûlde ånd hêjel to jenst tha andêrna fêtere. Thi utkik thêr
+mênde thater awet hêrde ståk sin balle vp. Tha drêi as et ljucht
+fon êr tore vppet ronddêl falda, sa-r that al fêlo wêpende manna wra
+burchwal wêron. Nw gvng-er to vmbe tha klokke to lettane, tha et wêre
+to lêt. Êr tha wêre rêd wêre, wêron al twa thusand ina wêr vmbe tha
+porte to rammande. Strid hwilde thervmbe kirt, hwand thrvchdam tha
+wêra navt nên gode wacht halden nêde, kêmon alle om.
+
+Hwil that alrek drok to kåmpane wêre, was thêr en wla Fin to
+thêre flête jefta bedrum fon thêre Moder inglupth, ând wilde hja
+nêdgja. Tha thju Moder wêrd-im of that er bekwârd tojênst tha wâch
+strumpelde. Thâ-r wither vpa bên wêre stek er sin swêrd to ir buk in
+segsande, nilst min kul navt sâ skilst min swêrd ha. After im kêm
+en skiper fona Dênemarka, thisse nam sin swêrd ånd hif thêne Fin
+thrvch sina hole. Thêrut flât swart blod ånd thêrvr swêfde-n blâwe
+logha. Thi Magy lêt thju Moder vpa sinra skip forplêgja. As hju
+nw wither alsa fêre hêl ånd bêter wêr that hju fåst sprêka machte,
+sêide thene Magy that hju mith fâra moste, tha that hju hira foddik
+ånd fâmna halda skolde, that hju en stât skolde nyta sâ hâch as hju
+to fara na nêde kenth. Forth sêide-r thåt hi hiri frêja skolde in
+ajnwarde fon sinum forsta, jef er mâster skolde wertha over alle
+lânda ånd folkra Fryas. Hi sêide that hju that bijâe ånd bijechta
+most, owers skolde-r vnder fêlo wêja sterva lêta. As er thêr after al
+sinra forsta om ira lêger to gadurad hêde frêjer lûd, Frâna vrmites
+i klârsjande biste most m.ênis segsa of ik mâster skil wertha over
+alle lânda ånd folkra Fryas. Frâna dêde as melde hja him navt. To
+lônga lesta êpende hju hira wêra ånde kêth, min âgun wrde thjûstred,
+tha that ôre ljucht dêgth vp in minara sêle. Jes, ik sja-t. Hark
+Irtha ånd wês blyde mith my. Vndera tydum that Aldland svnken is,
+stand thju forma spêke fon thet Jol an top. Thêrnêi is hju del gvngon
+ånd vsa frydom mith tham. As er twa spêka jeftha 2000 jêr del trûled
+het, sâ skilun tha svna vpstonda thêr tha forsta ånd prestera thrvch
+hordom bi-t folk têled håve, ånd tojenst hjara tâta tjugha. Thi alle
+skilum thrvch mort swika, men hwat hja kêth håve skil forth bilywa
+ånd frûchdber wertha in-a bosme thêra kloke månniska, alsa lik gode
+sêdum thêr del lêid wrde in thinra skât. Jeta thûsand jêr skil thju
+spêke then del nyga ånd al mâra syga anda thjusternesse ånd in blod,
+ovir thi utstirt thrvch tha lâga thêr forsta ånd prestera. Thêrnêi
+skil thet mornerâd wither anfanga to glora. Thit sjande skilun tha
+falska forsta ånd prester alsamen with frydom kåmpa ånd woxelja, men
+frydom, ljafde ånd êndracht skil-et folk in hjara wach nêma ånd mit
+thet jol risa uta wla pol. Thåt rjucht thåt erost allêna glorade,
+skil than fon lêjar laja to-n logha wertha. That blod thêra årgum
+skil ovir thin lif strâma, men thu ne mügth et navt to thi nêma. To
+tha lesta skil thåt feninige kwik thêr vp âsa ånd thêrof sterva. Alle
+wla skêdnese tham forsunnen send vmbe tha forsta ånd prestera to boga,
+skilun an logha ofred wertha. Forth skilun al thinra bern mith frêtho
+lêva. Thâ hju utspreken hêde, sêg hju del. Men thene Mâgy tham hja
+navt wel forstân hêde krêth, ik håv thi frêjeth, jef ik bâs skilde
+wertha ovir alle lânda ånd folkra Fryas, ånd nw håste to en other
+sproken. Frâna rjuchte hiri wither, sach im star an ånd kêthe: êr
+sjugun etmelde om send, skil thin sêle mitha nachtfüglon to tha grâwa
+omme wâra ånd thin lik skil ledsa vppa bodem fona se. Êl wel sêide
+thene Magy mith vrborgne wodin, segs men thåt ik kvme. Forth sêider
+to jenst ên sinar rakkarum, werp that wif vr skippes bord. Althus
+wêr-et ende fon-re leste thêra Moderum [61]. Wrêke willath wi thêr
+vr navt ne hropa, tham skil tyd nima. Men thûsand wâra thûsand mêl
+willath wi Frya åfternêi hropa: wâk-wâk-wâk.
+
+
+
+
+
+HO-T THENE MAGY FORTH VRGVNGON IS.
+
+
+Nêi that tha modder vrdên was, lêter tha foddik ånd tha fâmna to
+sina skip to brenga bijunka alle inbold thêr im likte. Forth gvng
+er thåt Flymâr vp, hwand hi wilde tha fâm fon Mêdêasblik jeftha fon
+Stâvora gabja ånd tham to Moder mâkja. Tha thêr wêron hja vp hjara
+hodum brocht. Tha stjurar fon Stâvora ånd fon thåt Alderga hêdon hini
+gêrn to Jonis togen, men tha grâte flâte wêre vppen fêre tocht ût. Nw
+gvngon hja to ånd foron mith hjra littige flâte nêi Mêdêasblik ånd
+hildon hja skul after thât ly thêra bâmun. Thi Mâgy nâkade Mêdêasblik
+bi helle dêi ånd skynander svnne. Thach gvngon sina ljuda drist drist
+wêi vppera burch to runnande. Men as allet folk mith tha bôtum land
+was, kemon vsa stjurar utêre krêke wêi ånd skâton hjara pila mith
+târbarntin bollum vp sinra flâte. Hja wêron alsa wel rjucht that fêlo
+sinra skêpun bistonda anna brônd wêron. Tham vppa skêpun wachton,
+skâton âk nêi vs thâ, thach thåt ne rojade nawet. As er to lesta en
+skip al barnande nêi-t skip thes Mâgy dryf, bifel-er sin skiper hi
+skolde ofhâde, men thene skiper that wêre thene Dênemarker thêr thene
+Fin felad hêde, andere, thv hest vse Êremoder nêi tha bodem fona sê
+svnden to meldande thatste kvma skolde, thit skoste thrvch tha drokhêd
+wel vrjetta; nw wil ik njude thatste thin word jecht. Thi Mâgy wild-im
+ofwêra; men thene skiper, en åfte Fryas ånd sterik lik en jokoxe,
+klipade bêda sinum hônda om sin hole ånd hif hini vr bord into thåt
+wellande hef. Forth hês er sin brune skild an top ånd for rjucht to
+rjucht an nêi vsa flâte. Thêrthrvch kêmon tha fâmna vnforlet to vs,
+men tha foddik was utgvngon ånd nimman wiste ho-t kêmen was. Tha hja
+vppa vnfordene skêpa heradon, that thene Mâgy vrdrvnken was, brûde
+hja hinne, hwand tha stjurar thêra mêst Dênemarkar wêron. Nêi that tha
+flâte fêr enoch ewêi wêre, wendon vsa stjurar ånd skâton hjara barnpila
+vppa tha Finna del. Thâ tha Finna thus sagon, ho hja vrrêden wêron,
+hlip alrik thrvch vr ekkdrum ånd thêr nêre lônger nên hêrichhêd ni
+bod. To thisre stonde run tha wêre hju ut têre burch. Tham navt ne
+fljuchte, werth afmakad, ånd thêr fljuchte fvnd sin ende into tha
+polum fon et Krylinger wald.
+
+
+
+
+
+NÊISCHRIFT.
+
+
+Thâ tha stjurar an da kreke lêjon was thêr en spotter fon ut
+Stavora mank, thêr sêide, Mêdêa mei lakkja, sa wi hyr ut hjra burch
+reda. Thêrvmbe håvon tha fâmna thju krêke Mêdêa mêi lakkja [62] hêten.
+
+Tha bêrtnissa thêr afternêi skêd send, mêi alra mannalik hügja. Tha
+fâmna hagon tham nei hjara wysa to tella ånd wel biskriwa
+lêta. Thêrvmbe rêkenjath wi hirmitha vsa arbêd fvlbrocht. Held.
+
+
+ Ende fon 't Bok.
+
+
+
+
+
+THA SKRIFTA FON ADELBROST AND APOLLONIA
+
+
+Min nôm is Adelbrost svn fon Apol ånd fon Adela. Thrvch min folk
+ben ik kêren to Grêvetman ovira Linda wrda. Thêrvmbe wil ik thit bok
+forfolgja vp alsa dênera wisa as mine mem sproken heth.
+
+Nêi that thene Mâgy felt was ånd Fryasburch vp stel brocht, most er
+en moder kêren wertha. Bi-ra lêva nêde thju Moder hira folgstera navt
+nômth. Hira lersta wille was sok ånd narne to findne. Sjugun mônatha
+åfter werth er en mêna acht bilidsen ånd wel to Grênegâ [63] ut êrsêke
+that anna Saxanamarka pâlth. Min mem werth kêren, men hju nilde nên
+Moder wêsa. Hju hêde heth lif minar tât hrêd, thêrthruch hêden hja
+ekkorum lyaf krêjen ånd nw wildon hja âk gâdath wertha. Fêlon wildon
+min mem fon er bislut ofbrenga; men min mem sêide, en Êremoder âcht
+alsa rên in -ra mod to wêsana as hja buta blikt ånd êven mild far al
+hjara bern. Nêidam ik Apol nw lyaf håv boppa ella in wralda, sâ ne
+kån ik sâ-ne Moder navt nêsa. Sâ sprek ånd kêth Adela, men tha ôra
+burchfâmna wildon algâder Moder wêsa. Alrek stât thong fori sinera
+åjne fâm ånd nilde navt fyra. Therthrvch nis er nêne kêren ånd heth
+rik thus bandlâs. Hyr åfter müg-it bigripa.
+
+Ljudgêrt, tham kêning thêr hêmesdêga fallen is, was bi thêre Moder-is
+lêva kêren blikbêr trvch alle stâtha mith lyafde ånd trjvw. Heth
+wêre sin torn vmbe vppin eth grâte hof to Dok-hêm [64] to hêmande,
+ånd bi thêre Moder-is lêva wrd-im ther grâte êr biwêsen, hwand et
+wêre immer sa ful mith bodon ånd riddarum fon hêinde ånd fêre as-m-å
+to fora na nêde sjan. Tach nw wêr-er ênsêm and vrlêten, hwand alrek
+wêre ange that-er him mâster skolde mâkja boppa heth rjucht ånd welda
+ê-lik tha slâvona kêninggar. Elk forst wânde forth that-er enoch
+dêde as er wâkade ovir sin åjn stât; ånd thi ên ne jêf nawet tâ antha
+ôthera. Mith-êra burchfamna gvnget jeta årger to. Alrek thisra bogade
+vppira åjne wisdom ånd sahwersa tha Grêvetmanna awet dêdon buta hjam,
+sâ wrochten hja mistryvwa bitwiska tham ånd sinum ljudum. Skêder en
+sêke thêr fêlon stâtha trof ånd hêde mån thju rêd êner fâm in wnnen,
+sâ kêthon alle ôthera that hju sproken hêde to fêre fon hjra åjne
+stât. Thrvch althus dênera renka brochton hja twyspalt in ovira stâtha
+ånd torendon hja that band sâdêne fon ên, that et folk fon tha ênne
+stât nythich wêre vppet folk fon en ora stât ånd fâret alderminesta
+lik fêrhêmande biskôwade. Thju fêre thêra is wêst that tha Gola jeftha
+Trowyda vs al-êt lând of wnnen håven al ont thêra Skelda ånd thi Magy
+al to thêre Wrsâra. Ho-r thêrby to gvngen is, heth min mem vntlêth,
+owers nas thit bok navt skrêven ne wrden, afskên ik alle hâpe vrlêren
+håv tha-et skil helpa thâ bâta. Ik ne skryw thus navt inna wân,
+thet ik thêrthrvch thet lånd skil winna jeftha bihaldane, that is
+minra achtne vndvalik, ik skryw allêna fâr et åfter kvmande slacht,
+til thju hja algâdur wêta müge vp hvdêna wisa wy vrlêren gvnge,
+ånd tha alra mannalik hyr ut lêra mêi that elk kwâd sin gêja têlath.
+
+My heth mån Apollônja hêten. Twyia thritich dêga nêi måm hira dâd heth
+mån Adelbrost min brother vrslêjen fonden vppa wårf, sin hawed split
+ånd sina lithne ût ên hrêten. Min tât thêr siak lêide is fon skrik
+vrsturven. Thâ is Apol min jungere brother fon hyr nêi thêre westsyde
+fon Skênlând fâren. Thêr heth er en burch ebuwad, Lindasburch [65]
+hêten, vmbe dâna to wrekana vs lêth. Wr.alda heth-im thêr to fêlo
+jêra lênad. Hy heth fif svna wnnen. Altham brengath thêne Magy skrik
+ånd min brother gôma. After måm ånd brother-is dâd send tha fromesta
+fon-ut-a lândum to ekkôrum kvmen, hja havon en bând sloten Adelbând
+hêten. Til thju vs nên leth witherfâra ne skolde, håvath hja my ånd
+Adelhirt min jungste brother vpper burch brocht, my by tha fâmna ånd
+min brother by tha wêrar. Thâ ik thritich jêr werê heth man my to
+Burchfâm kêren, ånd thâ min brother fiftich wêre, werth-er keren to
+Grêvetman. Fon måm-is syde wêre min brother thene sexte, men fon tât
+his syde thene thride. Nêi rjucht machton sine åfterkvmande thus nên
+overa Linda åfter hjara nômun navt ne fora, men alra månnalik wildet
+håva to êre fon mina måm. Thêr to boppa heth mån vs åk en ofskrifte
+jêven fon thet bok thêra Adela follistar. Thêr mitha ben ik thet
+blydeste, hwand thrvch min måm hjra wisdom kêm-et in wralda. In thas
+burch håv ik jeta ôra skrifta fvnden, thêr navt in 't bok ne stan,
+åk lovsprêka ovir min måm, altham wil ik åfter skriva.
+
+Thit send tha nêilêtne skrifta Brunnos, ther skrywer wêsen is to
+thisre burch. After that tha Adela follistar ella hêde lêta overskryva
+elk in sin rik, hwat wryt was in vppa wâgarum thêra burgum, bisloton
+hja en Moder to kjasane. Thêrto wårth en mêna acht bilêid vp thisra
+hêm. After tha forme rêd Adelas wårth Tüntja bifolen. Ak skoldet slâcht
+håve. Thach nw frêge min Burgtfâm thet wort, hju hede immerthe wênich
+wêst thåt hju Moder skolde wertha, ut êrsêke thåt hju hyr vpper burch
+sat, hwana mêst alle Moderum kêren wêron. Tha hju thet word gund was,
+êpende hju hira falxa wêra ånde kêth: I alle skinth årg to heftane
+an Adelas rêd, tha thåt ne skil thêrvmde min mvla navt ne sluta ner
+snôra. Hwa tach is Adela ånd hwâna kvmt et wêi thåtster sokke hâge
+love to swikth. Lik ik hjuddêga is hju to fara hyr burchfâm wêst. Tha
+is hju thêr vmbe wiser jefta bêtre as ik ånd alle ôthera, jefta is hju
+mâr stelet vppvsa sêd ånd plêgum. Hwêre thåt et fal, sâ skolde hju wel
+Moder wrden wêsa, thâ hju thêrto kêren is, men nêan hju wilde rêder
+ennen bosta ha mith all joi ånd nochta thêr er anebonden send, in stêd
+fon ênsum over hjam ånd et folk to wâkane. Hju is êl klarsjande, god,
+men min âgne ne send fêr fon vrthjustred to wêsane. Ik håv sjan thåt
+hju hira fryadelf herde minth, nw god, thåt is lovelik, men ik håv
+forther sjan thåt Tüntja Apol-is nift is. Wyder wil ik navt ne sedsa.
+
+Tha forsta bigripen êl god, hwêr hju hly sochte, men emong et folk
+kêm twyspalt, ånd nêidam heth maradêl fon hyr wei kêm, wilde-t Tüntja
+thiu êre navt ne guna. Rêdne wrde stopth, tha saxne tâgon uta skådne,
+men thêr ne wårth nêne Moder kêren. Kirt åfter hêde annen vsera bodne
+sin makker fåleth. Til hjuddêga hêde der frod wêsen, thêrvmbe hede
+min burchfâm orlovi vmb-im buta tha lândpâla to helpane. Thach in
+stêd fon im to helpane nêi thet Twiskland, alsa fljuchte hju selva
+mith im overe Wrsara ånd forth nêi tha Mâgy. Thi Mâgy tham sina
+Fryas svna hagja wilde stald-iri as Moder to Godaburch et Skênland,
+mên hju wilde mâr, hju sêid-im thåt sahwersa hi Adela vpruma koste,
+hi måster skolde wertha over êl Fryas land. Hju wêr en fyand fon Adele
+sêide hju, hwand thrvch hjra renka nas hju nên Moder wrden. Sahwersa
+hy hir Texland forspreka wilde, sa skolde hjra boda sina wichar to
+wêiwyser thjanja. Al thissa sêka heth hjra boda selva bilyad.
+
+
+
+
+
+THET OTHERA SKRIFT.
+
+
+Fiftian monatha nêi thêre lerste acht wêr-et Frjunskip jeftha
+Winnemônath. Alleramånnelik jef to an mery mery fru ånd bly, ånd nimman
+nêde diger than to âkane sina nocht. Thach Wr.alda wild vs wysa, thåt
+wâkendom navt vrgamlath wrde ne mêi. To midne fon-et fêst fyrja kêm
+nêvil to hullande vsa wrda in thikke thjusternise. Nocht runde wêi, tha
+wâkendom nilde navt ne kêra. Tha strandwâkar wêron fon hjara nêd fjura
+hlâpen ånd vppa tha topâdum nas nênen to bisja. Thâ nêvil ewêi tâch,
+lokte svnne thrvch tha rêta thêra wolkum vp irtha. Alrek kêm wither
+ut to juwgande ånd to jolande, thet jungk folk tâch sjongande mitha
+gürbâm [66] ånd thisse overfulde luft mith sina liaflika âdam. Men
+thahwila thêr alrek in nocht bâjada, was vrrêd lând mith horsum ånd
+ridderum. Lik alle årga wêron hja helpen thrvch thjusternisse, ånd
+hinne glupath thrvch Linda waldis pâda. To fâra Adelas dure tagon
+twilif mangêrtne mith twilif låmkes ånd twilif knâpa mith twilif
+hoklinga, en junge Saxmån birêd en wilde bufle thêr er selva fensen
+hêde ånd tåmad. Mith allerlêja blomma wêron hja siarad, ånd tha linnen
+tohnekna thêra mångêrtne wêron omborad mith gold ut-er Rêne.
+
+Thâ Adela to hira hus ut vppet slecht kêm, fol en blomrêin del vppira
+hole, alle juwgade herde ånd tha tot-horne thêra knâpum gûldon boppa
+ella ut. Arme Adela, årm folk, ho kirt skil frü hir bydja. Thâ
+thju lônge skåre ut sjocht wêre kêm er en hloth mâgjara ridderum
+linrjucht to rinnande vp Adelas hêm. Hira tât ånd gâde wêron jeta
+vppa stoppenbenke sêten. Thju dure stond êpen ånd thêr binna stand
+Adelbrost hira svna. As er sach ho sina eldra in frêse wêron, gripter
+sine bôge fon-ere wâch wêi ånd skât nêi tha foresta thêra râwarum;
+this swikt ånd trulde vppet gårs del; overne twade ånd thride was
+en êlik lôt biskêren. Intwiska hêdon sina eldra hjara wêpne fat, ånd
+tagon vndyger to Jonis. Tha râwera skoldon hjam ring fensen ha, men
+Adela kêm, vppere burch hêde hja alle wêpne to hantêra lêrad, sjugun
+irthfêt wêre hju lông ånd hira gêrt sâ fêlo, thryja swikte hja tham or
+hjra hole ånd as er del kêm wêr en ridder gårsfallich. Follistar kêmon
+omme herne thêre lône wêi. Tha râwar wrdon fålath ånd fensen. Thach
+to lêt, en pil hêde hjra bosme trefth. Vrrêdelika Magy! In fenin was
+sin pint dipth ånd thêrof is hju sturven.
+
+
+
+
+
+THÊRE BURCHFAMS LOV.
+
+
+Jes ferhêmande âthe, thusande send al kumen ånd jet mâra send vp wêi.
+
+Wel, hja willath Adelas wisdom hêra.
+
+Sekur is hju forstine, hwand hju is immer thja forste wêst.
+
+O wach hwêrto skolde hja thjanja. Hira hemeth is linnen, hira tohnekka
+[67] wol, thåt hjv selva spon ånd wêvade. Hwêrmêi skolde hja hjra
+skênhêd hâga. Navt mith pårlum, hwand hjra tuskar send witter; navt
+mith gold, hwand hjra hêr is blikkander; navt mith stêna, wel send
+hjra âgon saft as lamkes âgon, thach to lik sa glander thåt mån thêr
+skrômlik in sja ne mêi.
+
+Men hwat kålt ik fon skên. Frya wêre wis navt skêner.
+
+Ja âthe, Frya thêr sjugun skênhêde hêde, hwêrfon hjra toghâtera men
+êne elk hâchstens thria urven håve. Men al wêre hju lêdlik, thach
+skolde hju vs djura wêsa.
+
+Jef hju wygandlik sy. Hark âthe, Adela is thet ênge bern vsar
+grêvetman. Sjugun jrthfet is hju hâch, jeta grâter then hjra licheme
+is hjra wishêd ånd hjra mod is lik bêde to sêmine.
+
+Lok thêr, thêr wêre ênis en fênbrônd, thrju bern wêron vp jenske
+gråfstên sprongen. Wind blos fel. Alrek krêta ånd thju måm wêre
+rêdalâs. Thêr kvmt Adela: ho stêitst ånd têmethste hropth hju,
+tragd help to lê-nande ånd Wr.alda skil jo krefta jêva. Thêr hipth
+hja nêi-t Krylwod, gript elsne trêjon, tragd en breg to makjande,
+nw helpath âk tha ôthera ånd tha bern send hred.
+
+Jêrlikes kêmon tha bern hyr blomma ledsa.
+
+Thêr kêmon thrê Fonysjar skipljuda thêr hja wrêvela wilde, men Adela
+kêm, hju hêde hjara hwop (hrop) hêrad, in swim slêith hju tha lêtha ånd
+til thju hja selva jechta skolde, thet hja vnwêrthelike manna wêron,
+bint hju alsêmen an en spinrok fest. Tha fêrhêmanda hêra kêmon hjara
+thjud askja. Tha hja sagon ho skots hja misdên wêron, kêm torn vp,
+thach mån tellade ho-t bêrd was.
+
+Hwat hja forth dêdon, hja buwgdon to fâra Adela ånd keston thju slyp
+hyrar tohnekka.
+
+Kvm fêrhêmande âthe, tha wald füglon fljuchtath to fâra tha fêlo
+forsykar. Kvm âthe sâ mêist hjara wishêd hêra.
+
+By tha gråfstên hwer fon in tha lovsprêke meld wårth, is måm hira
+lik bigråven. Vppira gråfstên heth mån thissa worda hwryten.
+
+
+ NE HLAP NAVT TO HASTICH HWAND HYR LÊID ADELA.
+
+
+Thju formlêre thêr is hwryten inutere wâch thêr burchtore, nis navt
+wither eskrêven in thåt bok thêra Adela follistar. Hwêrvmbe thet lêten
+is nêt ik navt to skriwand. Tha thit bok is min ajn, thêrvmbe wil ik
+hja thêr inna setta to wille minra mågum.
+
+
+
+
+
+FORMLÊRE.
+
+
+Alle god minnanda Fryas bern sy held. Hwand thrvch tham skil et
+sêlich wertha vp jrtha. Lêr ånd kêth to tha folkum. Wr.alda is thet
+alderaldesta jeftha overaldesta, hwand thet skop alla thinga. Wr.alda
+is ella in ella, hwand thet is êvg ånd vnendlik. Wr.alda is overal
+ainwardich, men narne to bisja, thêrvmbe wårth thet wêsa gâst hêten. Al
+hwat wi fon him sja müge send tha skepsela thêr thrvch sin lêva kvme
+ånd wither henne ga, hwand inut Wr.alda kvmath alle thinga ånd kêrath
+alle thinga. Fon ut Wralda kvmth t anfang ånd et ende, alra thinga
+gêith in im vppa. Wr.alda is thet êne ella machtige wêsa, hwand alle
+ôre macht is fon him lênad ånd kêrath to him wither. In ut Wr.alda
+kvmath alle krefta ånd alle krefta kêrath to him wither. Thêrvmbe is
+hi allêna theth skeppande wêsa ånd thêr nis nawet eskêpen buta him.
+
+Wr.alda lêide êvge setma thet is êwa in al et skêpne, ånd thêr ne send
+nên gode setma jeftha hja moton thêrnêi tavlikt wêsa. Men afskên ella
+in Wr.alda sy, tha boshêd thêra månniska nis navt fon him. Boshêd
+kvmth thrvch lômhêd vndigerhed ånd domhêd. Thêrvmbe kån hju wel tha
+månniska skâda, Wr.alda nimmer. Wr.alda is thju wishêd, ånd tha êwa
+thêr hju tavlikt heth, send tha boka wêrût wy lêra müge, ånd thêr nis
+nêne wishêd to findande ner to garjande buta tham. Tha månniska mügon
+fêlo thinga sja, men Wr.alda sjath alle thinga. Tha månniska mügon
+fêlo thinga lêra, men Wr.alda wêt alle thinga. Tha månniska mügon fêlo
+thinga vntslûta, men to fâra Wr.alda is ella êpned. Tha månniska send
+månnalik ånd berlik, men Wr.alda skept bêde. Tha månniska minnath ånd
+håtath, tha Wr.alda is allêna rjuchtfêrdich. Thêrvmbe is Wr.alda allêne
+god, ånd thêr ne send nêne goda bûta him. Mith thet Jol wandelath
+ånd wixlat allet eskêpne, men god is allêna vnforanderlik. Thruch
+that Wr.alda god is, alsa ne mei hi âk navt foranderja; ånd thrvch
+thet er bilywath, thêrvmbe is hy allêna wêsa ånd al et ora skin.
+
+
+
+
+
+THET OTHERA DÊL FONRE FORMLÊR.
+
+
+Emong Findas folk send wanwysa, thêr thrvch hjara overfindingrikhêd
+alsa årg send, thåt hja hjara selva wis mâkja ånd tha inewida bitjuga,
+thåt hja thet besta dêl send fon Wr.alda; thåt hjara gâst thet beste
+dêl is fon Wr.aldas gâst ånd thet Wr.alda allêna mêi thånkja thrvch
+helpe hjaris bryn [68].
+
+Thåt aider skepsle en dêl is fon Wr.aldas vnendlik wêsa, thåt håvon
+hja fon vs gâbad.
+
+Men hjara falxe rêdne ånd hjara tåmlâse hâchfarenhêd heth ra vppen
+dwâlwêi brocht. Wêre hjara gâst Wr.aldas gâst, sâ skolde Wr.alda
+êl dvm wêsa in stêde fon licht and wis. Hwand hjara gâst slâvth him
+selva immer of vmbe skêne bylda to mâkjande, thêr y åfternêi anbid. Men
+Findas folk is en årg folk, hwand afskên tha wanwysa thêra hjara selva
+wis mâkja thåt hja drochtne send, sa håvon hja to fâra tha vnewida
+falxa drochtne eskêpen, to kêthande allerwêikes, thåt thissa drochtne
+Wr.alda eskêpen håve, mith al hwat thêr inne is; gyriga drochtne
+fvl nyd ånd torn, tham êrath ånd thjanath willath wêsa thrvch tha
+månniska, thêr blod ånd offer willa ånd skât askja. Men thi wanwisa
+falxa manna, tham hjara selva godis skalka jeftha prestera nôma lêta,
+bürath ånd sâmnath ånd gethath aldam to fâra drochtne thêr er navt
+ne send, vmbet selva to bihaldande. Aldam bidrywath hja mith en rum
+emod, thrvchdam hja hjara selva drochtne wâne, thêr an ninman andert
+skeldich ne send. Send thêr svme tham hjara renka froda ånd bâr mâkja,
+alsa wrdon hja thrvch hjara rakkera fåt ånd vmbira laster vrbarnad,
+ella mith fêlo stâtska plêgum, hjara falxa drochtne to-n êre. Men
+in trvth, allêna vmbe thåt hja ra navt skâda ne skolde. Til thju vsa
+bern nw wêpned müge wêsa tojenst hjara drochtenlika lêre, alsa hâgon
+tha fâmna hjam fon buta to lêrande hwat hyr skil folgja.
+
+Wr.alda was êr alle thinga, ånd nêi alle thinga skil er wêsa. Wr.alda
+is alsa êvg ånd hi is vnendlik, thervmb nis thêr nawet buta him. Thrvch
+ut Wr.aldas lêva warth tid ånd alle thinga bern, ånd sin lêva nimth
+tid ånd alle thinga wêi. Thissa sêka moton klâr ånd bâr mâkad wrda
+by alle wisa, sâ thåt hja-t an ôthera bithjuta ånd biwisa müge. Is-t
+sâ fâr wnnen, sa sêith mån forther: Hwat thus vsa ommefang treft,
+alsa send wy en dêl fon Wr.aldas vnendelik wêsa, alsa tha ommefang
+fon al et eskêpne, thach hwat angâ vsa dânte, vsa ainskipa, vsa gâst
+ånd al vsa bithånkinga, thissa ne hêra navt to thet wêsa. Thit ella
+send fljuchtiga thinga tham thrvch Wr.aldas lêva forskina, thach
+thêr thrvch sin wishêd sâdâne ånd navt owers navt ne forskina. Men
+thrvchdam sin lêva stêdes forthga, alsa ne mêi thêr nawet vppa sin
+stêd navt bilywa. Thêrvmbe forwixlath alle eskêpne thinga fon stêd,
+fon dânte ånd âk fon thånkwisa. Thervmbe ne mêi irtha selva, ner eng
+skepsle ni sedsa: ik ben, men wel ik was. Ak ne mêi nên månniska navt
+ne sedsa ik thånk, men blât, ik thochte. Thi knâp is grâter ånd owers
+as tha-r bern wêre. Hy heth ora gêrtne, tochta ånd thånkwisa. Thi
+man en tât is ånd thånkth owers as thâ-r knâp wêre. Êvin tha alda
+fon dêgum. Thât wêt allera mannelik. Sâhwersa allera mannalik nw wêt
+ånd jechta mot, thåt hy alon wixlath, sâ mot hy âk bijechta, that er
+jahweder âgeblik wixlath, âk thahwila-r sêid: ik ben, ånd thåt sina
+thånk bylda wixle, tha hwile-r sêid: ik thånk.
+
+Instêde thåt wy tha årga Findas althus vnwerthlik afternêi snakka ånd
+kålta, ik ben, jeftha wel, ik ben thet beste dêl Wr.aldas, ja thrvch
+vs allêna mêi-r thånkja, sâ willath wy kêtha wral ånd allerwêikes
+wêr et nêdlik sy: wy Fryas bern send forskinsla thrvch Wr.aldas
+lêva; by-t anfang min ånd blât, thach immer wårthande ånd nâkande to
+fvlkvmenlikhêd, svnder â sa god to wrda as Wr.alda selva. Vsa gâst nis
+navt Wr.aldas gâst, hi is thêrfon allêna en afskinsle. Tha Wr.alda
+vs skop, heth er vs in thrvch sine wishêd-bryn-sintûga, hügia ånd
+fêlo goda ainskipa lênad. Hyrmêi mugon wy sina êwa bitrachta. Thêrof
+mügon wy lêra ånd thêrvr mügon wy rêda, ella ånd allêna to vs ain
+held. Hêde Wr.alda vs nêne sinna jêven, sa ne skolde wy narne of nêta
+ånd wy skolde jeta reddalasser as en sêkwale wêsa, thêr forthdryven
+wårth thrvch ebbe ånd thrvch flod.
+
+
+
+
+
+THIT STAT VP SKRIVFILT SKRÊVEN. TAL AND ANDWORDE ORA FAMNA TO-N
+FORBYLD.
+
+
+En vnsels gyrich mån kêm to bârande by Trâst thêr fâm wêre to
+Stavia. Hy sêide vnwêder hêde sin hus wêi brocht. Hy hêde to Wr.alda
+bêden, men Wr.alda nêdim nêne helpe lênad. Bist en åfte Fryas, frêje
+Trâst. Fon elder t elder, andere thene mån. Thån sêide hju wil ik åwet
+in thin mod sêja in bitrouwa, thåt et kyma groja ånd früchda jêva
+mêi. Forth sprêk hju ånde kêth. Thâ Frya bern was, stand vs moder
+naked ånd blât, vnbihod to jenst tha strêlum thêre svnne. Ninman
+macht hju frêja ånd thêr wêre ninman thêr hja help macht lêna. Thâ
+gvng Wr.alda to ånd wrochte in hjra mod nigung ånd liavde anggost ånd
+skrik. Hju sach rondomme, hjra nigung kâs thet beste ånd hju sochte
+skul vndera wârande linda. Men rêin kêm ånd t onhlest wêre thât hju
+wet wrde. Thach hju hêde sjan ho thet wêter to tha hellanda blådar of
+drupte. Nw mâkade hju en hrof mith hellanda sidum, vp stôka mâkade hju
+tham. Men stornewind kêm ånd blos rêin thêr vnder. Nw hêde hja sjan
+thåt tha stam hly jef, åfter gong hja to ånd mâkade en wâch fon plâga
+ând sâdum, thet forma an êne syda ånd forth an alle syda. Storne wind
+kêm to bek jeta wodander as to fora ånd blos thju hrof ewêi. Men hju ne
+bârade navt over Wr.alda ner to jenst Wr.alda. Men hja mâkade en reitne
+hrof ånd leide stêne thêr vppa. Bifvnden håvande ho sêr thet dvath
+vmb allêna to tobbande, alsa bithjude hju hira bern ho ånd hwêrvmbe
+hju alsa hêde dên. Thissa wrochton ånd tochton to sêmine. A sadenera
+wise send wy an hûsa kêmen mith stoppenbånkum, en slecht ånd warande
+linda with tha svnnestrêlum. To tha lesta håvon hja en burch mâkad
+ånd forth alle ôthera. Nis thin hus thus navt sterk noch wêst, alsa
+mot i trachda vmbet ôre bêter to mâkjande. Min hus wêre sterk enoch,
+sêider, men thet hâge wêter heth et vp bêrad ånd stornewind heth et
+ore dên. Hwêr stand thin hus thån, frêje Trâst. Alingen thêre Rêne,
+andere thene man. Ne stand et thån navt vppen nol jeftha therp, frêje
+Trâst. Nean sêider, min hus stand ênsum by tha overe, allêna håv ik
+et buwad, men ik ne macht thêr allêna nên therp to makane. Ik wist
+wel, sêide Trâst, tha fâmna håv et my meld. Thv hest al thin lêva
+en grûwel had an tha månniska, ut frêse thåtste awet jêva jeftha
+dva moste to fara hjam. Thach thêr mitha ne mêi mån navt fêr ne
+kvma. Hwand Wr.alda thêr mild is, kêrath him fona gyriga. Fåsta het
+vs rêden ånd buppa tha dura fon alle burgum is t in stên ut wryten:
+bist årg bâtsjochtig sêide Fåsta, bihod thån jvwe nêsta, bithjod thån
+jvwe nêsta, help thån juwe nesta, sâ skilun hja t thi witherdva. Is
+i thina rêd navt god noch, ik nêt fâr thi nên bêtera. Skâmrâd wårth
+then mån ånd hi drupte stolkes hinne.
+
+
+
+
+
+NW WIL IK SELVA SKRIWA ÊROST FON OVER MIN BURCH AND THAN OVER HWAT
+IK HAV MUGE SJAN.
+
+
+Min burch lêid an-t north-ende thêre Liudgârda. Thju tore heth sex
+syda. Thrya thrittich fêt is hju hâch. Flåt fon boppa. En lyth huske
+thêr vppa, hwâna mån tha ståra bisjath. An aider syd thêre tore ståt
+en hus, long thrya hondred, brêd thrya sjugun fêt, êlika hâch bihalva
+thju hrof, thêr rondlik is. Altham fon hyrbakken stên, ånd fon buta ne
+send nênen ôthera. Om tha burch is en hringdik, thêrom en gråft diap
+thrya sjugun fêt, wyd thrya twilif fêt. Siath hwa fonêre tore del,
+sa siath hi thju dânte fon et Jol. Vppa grvnd twisk tha sûdlika hûsa
+thêre, send allerlêja krûda fon hêinde ånd fêr, thêrof moton tha fâmna
+tha krefta lêra. Twisk tha nortlika hûsa is allêna fjeld. Tha thrju
+nortlika hûsa send fol kêren ånd ôther bihof. Twa sûdar send to fâra
+tha fâmkes vmbe to skola ånd to hêma. Thet sûdlikoste hus is thêre
+Burchfâm his hêm. Inna tore hangt thju foddik. Tha wagar thêre tore
+send mith kestlika stêna smukad. In vppa thêre sûderwach is thêne
+Tex wrytten. An tha fêre syde thêra finth mån thju formlêre; anna
+winstere syde tha êwa. Tha ora sêka finth mån vppa ôra thrja. Tojenst
+tha dik by-t hus thêr fâm stêt thju owne ånd thju molmâk thrvch fjuwer
+bufla kroden. Buta vsa burchwal is-t hêm, thêr vppa tha burchhêra
+ånda wêrar hême. Thju ringdik thêra is en stonde grât, nên stjurar,
+men svnna stonde, hwêrfon twya twilif vppen etmelde kvma. In vpper
+binnasyde fona dik is en flåt, fif fêt vndera krûn. Thêr vppa send
+thrya hondred krânboga, todekt mith wod ånd lêther. Bihalva tha hûsa
+thêra inhêmar send thêr binna alingne tha dik jeta thrya twilif nêdhûsa
+to fâra tha omhêmar. Thet fjeld thjanath to kåmp ånd to wêde. Anna
+sûdsyde fon tha bûtenste hringdik is thju Liudgârde omtûnad thrvch
+thet grâte Lindawald. Hjra dânte is thrju hernich, thet brêde buta,
+til thju svnne thêr in sia mêi. Hwand thêr send fêlo fêrlandeska
+thrêja ånd blommen thrvch tha stjurar mith brocht. Alsa thju dânte
+vsar burch is, send alle ôthera; thach vs-is is thju grâteste; men
+thi fon Texland is tha aldergrâteste. Thju tore fon Fryasburch is
+alsa hâch thåt hju tha wolka torent, nêi thêre tore is al et ôthera.
+
+By vs vppa burch ist alsa dêlad. Sjugun jonge fâmna wâkath by thêre
+foddik. Aider wâk thrja stonda. In ha ôre tid moton hja huswårk dva,
+lêra ånd slêpa. Send hja sjugun jêr wâkande wêsen, alsa send hja
+fry. Thân mügon hja emong tha månniska gâ, vp-ra sêd to letane ånd
+rêd to jêvane. Is hwa thrju jêr fâm wêst, sâ mêi hju alto met mith
+tha alda fâmna mith gâ.
+
+Thi skrywer mot tha fâmkes lêra lêsa, skrywa ånd rêkenja. Tha grysa
+jeftha grêva moton lêra hjam rjucht ånd plicht, sêdkunda, krûdkunda,
+hêlkunda, skêdnesa, tellinga ånd sanga, bijunka allerlêja thinga thêr
+hjam nêdlik send vmbe rêd to jêva. Thju Burchfâm mot lêra hjam ho hja
+thêrmith to wårk gâ mota by thå månniska. Êr en Burchfâm hjra stêd
+innimt, mot hju thrvch thet lând fâra en fvl jêr. Thrê grêva burchhêra
+ånd thrja alda fâmna gan mith hiri mitha. Alsa is-t âk my gvngon. Min
+fârt is alingen thêre Rêne wêst, thjus kâd opward, alingen thêre ôre
+syde ofward. Ho hâger ik upkêm, to årmer likte mi tha månniska. Wral
+inna Rêne hêde mån utstekka makad. Thet sôn thåt thêr ain kêm, wrde
+mith wêter wr skêpfachta gâten vmbe gold to winnande. Men tha mångêrta
+ne drogon thêr nêne golden krone fon. Êr wêron thêr mâr wêst, men sont
+wi Skênland miste, send hja nêi tha berga gvngon. Thêr delvath hja
+yserirtha, thêr hja yser of mâkja. Boppa thêre Rêne twisk thet berchta,
+thêr håv ik Mârsåta sjan. Tha Mârsâta thåt send månniska thêr invppa
+mâra hêma. Hjara husa send vp pålum buwad. Thåt is vret wilde kwik ånda
+bose månniska. Thêr send wolva, bâra ånd swârte grislika lâwa [69]. And
+hja send tha swetsar [70] jeftha pålingar fonda hêinde Krêkalandar,
+thêra Kålta folgar ånd tha vrwildere Twiskar, alle gyrich nêi râv ånd
+but. Tha Mârsâta helpath hjara selva mith fiska ånd jâga. Tha huda
+wrdat thrvch tha wiva tomâkad ånd birhet mith skors fon berkum. Tha
+litha huda saft lik fâmnafilt. Thju burchfâm et Fryasburch [71]
+sêide vs thåt hja gode ênfalde månniska weron. Thach hêd ik hja êr
+navt sprêken hêred, ik skolde mênath håve thåt hja nên Fryas wêre,
+men wilda, sâ ryst sâgon hja ut. Hjra fachta ånd kruda wrdon thrvch
+tha Rênhêmar vrwandelath ånd thrvch tha stjurar buta brocht. Alingen
+thêre Rêne wêr et alên, til Lydasburch [72]. Thêr was en grâte flyt
+[73]. Invppa thisra flyt wêron âk månniska, thêr husa vp påla hêde. Men
+thåt nêr nên Fryas folk, men thåt wêron swarte ånd bruna månniska,
+thêr thjanath hêde to rojar vmbe tha butafârar to honk to helpane. Hja
+moston thêr bilywa til thju thju flâte wither wêi brûda.
+
+To tha lersta kêmon wi to-t Alderga. By-t suderhâvahâved stêt thju
+Wâraburch, en stênhus, thêrin send allerlêja skulpa, hulka, wêpne ånd
+klathar wârad, fon fêre landum, thrvch tha stjurar mith brocht. En
+fjardêl dâna is-t Alderga. En grâte flyt omborad mith lothum, husa
+ånd gârdum ella riklik sjarad. Invpper flyt lêi en grâte flâte rêd,
+mith fônon fon allerlêja farwa. Et Fryas dêi hongon tha skilda omma
+tha borda to. Svme blikton lik svnna. Tha skilda thêr witking ånd
+thêra skolta bi tha nachtum wêron mith gold vmborad. Abefta thêre flyt
+was en gråft gråven, to hlâpande dâna alingen thêre burch Forâna [74]
+ånd forth mith en ênga muda [75] in sê. To fâra thêre flâte wêre thit
+tha utgvng ånd et Fly tha ingvng. A bêde syda thêre gråft send skêne
+husa mith hel blikanda farwa mâlad. Tha gârdne send mit altid grêne
+hâgvm omtunad. Ik håv thêr wiva sian, thêr filtne tohnekna drogon as t
+skriffilt wêre. Lik to Stavere wêron tha mångêrtne mith golden kronum
+vppira holum ånd mith hringum [76] om årma ånd fêt sjarad. Sudward
+fon Forâna lêid Alkmârum. Alkmârum is en mâre jefta flyt, thêrin lêid
+en êland, vppa thåt êland moton tha swarte ånd bruna månniska hwila
+êvin as to Lydahisburch. Thju Burchfâm fon Forâna sêide my, thåt tha
+burchhêra dêistik to-râ gvngon vmb ra to lêrande, hwat åfte frydom
+sy, ånd ho tha månniska an thêre minne agon to lêvane vmbe sêjen to
+winnande fon Wr.aldas gâst. Was thêr hwa thêr hêra wilde ånd bigripa
+machte, sa wårth er halden, alont er fvl lêrad wêre. Thåt wrde dên vmbe
+tha fêrhêmande folka wis to mâkane, ånd vmbe vral âtha to winnande. Êr
+hêd ik anda Sâxanamarka to thêr burch Månnagârda forda [77] wêst. Thach
+thêr hêd ik mâr skâmelhêd sjan, as-k hyr rikdom spêrde. Hju andere:
+sâ hwersa thêr an da Sâxanamarka en frêjar kvmath en mangêrte to bi
+frêjande, alsa frêjath tha mångêrtne thêr, kanst thin hus fry wêra
+tojenst tha bannane Twisklandar, håst nach nêne fålad, ho fêlo bufle
+håst al fånsen ånd ho fêlo bâra ånd wolva huda håst al vppa thêre
+mårk brocht? Dâna ist kvmen thåt tha Saxmanna thju buw anda wiva
+vrlêten håve. Thåt fon hvndred to sêmine nên êne lêsa mêi ner skriwa
+ne kån. Dâna is-t kvmen, thåt nimman nên sprêk vppa sin skild neth,
+men blât en mislikande dânte fon en diar, thåt er fålad heth. And
+åndlik, dâna is-t kvmen, thåt hja sêr wichandlik ewrden send, men
+to met êvin dvm send as et kwik, thåt hja fånsa, ånd êvin erm as
+tha Twisklândar, hwêr mith hja orloge. To fâra Fryas folk is irtha
+ånd sê eskêpen. Al vsa rinstrâma runath vppa sê to. Thåt Lydas folk
+ånd thåt Findas folk skil ekkorum vrdelgja, ånd wy moton tha lêthoga
+landa bifolka. In-t fon ånd omme fâra lêid vs held. Wilst nw thåt tha
+boppalânder dêl håve an vsa rikdom ånd wisdom, sâ skil ik thi en rêd
+jêva. Lêt et tha mangêrtne to wênhêd wrde hjara frêjar to frêjande,
+êr hja ja segsa: hwêr håst al in wralda ommefâren, hwad kånst thin
+bern tella wra fêra landa ånd wra fêrhêmanda folka? Dvath hja alsa,
+sâ skilun tha wichandlika knâpa to vs kvma. Hja skilun wiser wårtha
+ånd rikkâr ånd wi ne skilun nên bihof longer navt nåve an thåt wla
+thjud. Tha jongste thêr fâmna fon thêra thêr by mi wêron, kêm uta
+Saxsanamarka wêi. As wi nw to hongk kêmon, heth hju orlovi frêjad
+vmbe nêi hjra hus to gâne. Afternêi is hju thêr Burchfâm wrden, ånd
+dâna is-t kvmen thåt er hjudêga sâ felo Saxmånna by tha stjurar fâre.
+
+
+ Ende fon thet Apollonia bok.
+
+
+
+
+
+THA SKRIFTA FON FRETHORIK AND WILJOW.
+
+
+Min nôm is Frêthorik to nomath oera Linda, thåt wil segsa ovir tha
+Linda. To Ljudwardja bin ik to Asga kêren. Ljudwardja is en ny thorp,
+binna thene ringdik fon thêr burch Ljudgarda, hwêrfon tha nôma an vnêr
+kvmen is. Vnder mina tida is er fül bêred. Fül hêd ik thêr vr skrêven,
+men åfternêi send mi âk fêlo thinga meld. Fon ên ånd ôther wil ik en
+skêdnese åfter thit bok skrywa, tha goda månniska to-n êre tha årga
+to vnêre.
+
+In min jüged hêrd ik grêdwird alomme, årge tid kêm, årge tid was
+kvmen, Frya hêd vs lêton, hjra wâkfâmkes hêde hju abefta halden,
+hwand drochten likande bylda wêron binna vsa lândpåla fvnden.
+
+Ik brônde fon nysgyr vmbe thi bylda to bisjan. In vsa bûrt strompele
+en ôld fâmke to tha husa uta in, immer to kêthande vr årge tid. Ik
+gyrde hja ling syde. Hju strik mi omme kin to. Nw wrd ik drist ånd
+frêje jef hju mi årge tid ånd tha bylda rêis wisa wilde. Hju lakte
+godlik ånd brocht mi vpper burch. En grêve mån frêje my jef ik al
+lêsa ånd skrywa kv. Nê sêid ik. Thån most êrost to ga ånd lêra,
+sêid-er owers ne mêi-t jow navt wysen wrde. Dystik gvng ik bi tha
+skriwer lêra. Acht jêr lêtter hêrd ik, vsa burchfâm hêde hordom
+bidryven ånd svme burchhêra hêdon vrrêd plêgad mith tha Magy, ånd
+fêlo månniska wêron vp hjara syde. Vral kêm twispalt. Thêr wêron bern,
+thêr vpstandon ajen hjara eldrum. Inna gluppa wrdon tha froda månniska
+morth. Thet alde fâmke, thêr ella bâr mâkade, wårth dâd fvnden in
+en grupe. Min tât, thêr rjuchter wêre, wilde hja wrêken hâ. Nachtis
+wårth er in sin hus vrmorth. Thrju jêr lêtter wêr thene Mâgy bâs
+svnder strid. Tha Saxmånna wêron frome ånd frod bilywen. Nêi tham
+fljuchton alle gode månniska. Min måm bistvrv-et. Nw dêd ik lik tha
+ôthera. Thi Mâgy bogade vppa sinra snôdhêd. Men Irtha skold im thâna,
+thåt hja nên Mâgy ner afgoda to lêta ne mochte to thêre hêlge skêta,
+hwêrut hju Frya bêrade. Êvin sa thet wilde hors sina månna sked,
+nêi thåt thet sina ridder gersfallich mâkad heth, êvin sâ skodde
+Irtha hjra walda ånd berga. Rinstrâma wrdon ovira fjelda sprêd. Sê
+kokade. Berga spydon nêi tha wolkum, ånd hwad hja spyth hêde, swikton
+tha wolka wither vp jrtha. By-t anfang there Arnemônath nigade jrtha
+northward, hju sêg del, ôl lêgor ånd lêgor. Anna Wolfamônath lêidon tha
+Dênemarka fon Fryas lând vnder-ne sê bidobben. Tha walda thêr bylda in
+wêron, wrdon vphyvath ånd thêr windum spel. Thet jêr åfter kêm frost
+inna Herdemônath ånd lêid ôld Fryas lând vnder en plônke skul. In
+Sellamônath kêm stornewind ut et northa wêi, mith forande berga fon
+ise ånd stênum. Tha spring kêm, hyf jrtha hjra selva vp. Ise smolt
+wêi. Ebbe kêm ånd tha walda mith byldum drêvon nêi sê. Inner Winna
+jeftha Minnamônath gvng aider thurvar wither hêm fâra. Ik kêm mith en
+fâm to thêre burch Ljudgârda. Ho drove sach et ut. Tha walda thêra
+Lindawrda wêron mêst wêi. Thêr tha Ljudgârde wêst hêde, was sê. Sin
+hef fêtere thene hringdik. Ise hêde tha tore wêi brocht ånd tha husa
+lêide in thrvch ekkôrum. Anna helde fonna dik fond ik en stên. vsa
+skriver hêd er sin nôm inwryten, thåt wêre my en bâken. Sâ-t mith
+vsa burch gvngen was, was-t mith mitha ôra gvngon. Inna hâga lânda
+wêron hja thrvch jrtha, inna dêna landa thrvch wêter vrdên. Allêna
+Fryasburch to Texland wårth vnedêrad fvnden. Men al et lånd thet
+northward lêid hêde, wêre vnder sê. Noch nis-t navt boppa brocht. An
+thås kâd fon-t Flymâre wêron nêi meld wrde thrichtich salta mâra
+kvmen, vnstonden thrvch tha walda, thêr mith grvnd ånd al vrdrêven
+wêron. To Westflyland fiftich. Thi gråft thêr fon-t Alderga thweres
+to het land thrvchlâpen hêde, was vrsôndath ånd vrdên. Tha stjurar
+ånd ôr fârande folk, thêr to honk wêron, hêde hjara selva mith mâga
+ånd sibba vppira skepum hret. Men thåt swarte folk fon Lydasburch
+ånd Alikmarum hêde alên dên. Thawil tha swarta sûdward dryvon,
+hêdon hja fêlo mångêrtne hret, ånd nêidam nimman ne kêm to aska
+tham, hildon hja tham to hjara wiva. Tha månniska thêr to bek kêmon,
+gvngon alle binna tha hringdika thêra burgum hêma, thrvchdam et thêr
+buta al slyp ånd broklând wêre. Tha gamla husa wrde byên klust. Fona
+boppalândum kâpade mån ky ånd skêp, ånd inna tha grâte husa thêr to
+fâra tha fâmna sêten hêde, wrde nw lêken ånd filt mâkad, vmbe thes
+lêvens willa. Thåt skêd 1888 [78] jêr nêi thåt Atlând svnken was.
+
+In 282 jêr [79] nêdon wi nên Êremoder navt hat, ånd nw ella tomet
+vrlêren skinde, gvng mån êne kjasa. Thet hlot falde vp Gosa to
+nômath Makonta. Hju wêre Burchfâm et Fryasburch to Texlând. Hel fon
+hawed ånd klâr fon sin, êlle god, ånd thrvchdam hira burch allêna
+spârad was, sach alrik thêrut hira hropang. Tjan jêr lêttere kêmon
+tha stjurar fon Forana ånd fon Lydas burch. Hja wildon tha swarta
+månniska mith wif ånd bern to thet lând utdryva. Thêrwr wildon hja
+thêre Moder is rêd biwinna. Men Gosa frêje, kånst ên ånd ôr to bek
+fora nêi hjra lândum, thån âchste spod to mâkjande, owers ne skilun
+hja hjara mâga navt wither ne finda. Nê sêide hja. Thâ sêide Gosa:
+Hja håvon thin salt provad ånd thin bråd êten. Hjara lif ånd lêva
+håvon hja vnder jow hod stålad. I moste jow ajne hirta bisêka. Men ik
+wil thi en rêd jeva. Hald hjam alond jow wåldich biste vm ra wither
+honk to fora. Men hald hjam bi jow burgum thêr bûta. Wâk ovir hjara
+sêd ånd lêr hjam as jef hja Fryas svna wêre. Hjra wiva send hyr tha
+steriksta. As rêk skil hjara blod vrfljuchta, til er tha lesta navt
+owers as Fryas blod in hjara åfterkvmande skil bilywa. Sâ send hja
+hyr bilêwen. Nw winst ik wel thåt mina åfterkvmande thêr vp letta,
+ho fêr Gosa wêrhêd sprek. Thâ vsa lânda wither to bigana wêr, kêmon
+thêr banda erma Saxmanna ånd wiva nêi tha vvrdum fon Stavere ånd thåt
+Alderga, vmbe golden ånd ôra sjarhêd to sêkane fon ut tha wasige
+bodeme. Thach tha stjurar nildon hja navt to lêta. Tha gvngon hja
+tha lêthoga thorpa bihêma to West Flyland, vmbe ra lif to bihaldane.
+
+
+
+
+
+NW WIL IK SKRIWA HO THA GÊRTMANNA AND FÊLO HÊLÊNJA FOLGAR TOBEK KÊMON.
+
+
+Twa jêr nêi thåt Gosa Moder wrde [80], kêm er en flâte to thet
+Flymara in fala. Thet folk hropte ho.n.sêen. Hja foron til Stavere,
+thêr hropton hja jeta rêis. Tha fôna wêron an top ånd thes nachtes
+skâton hja barnpila [81] anda loft. Thâ dêirêd wêre rojadon svme mith
+en snâke to thêre hava in. Hja hropton wither ho.n. sêen. Thâ hja
+landa hipte-n jong kerdel wal vp. In sina handa hêdi-n skild, thêrvp
+was bråd ånd salt lêid. Afterdam kêm en grêva, hi sêide wi kvmath
+fona fere Krêkalandum wêi, vmb vsa sêd to warjande, nw winstath wi i
+skolde alsa mild wêsa vs alsa fül lând to jêvane thåt wi thêrvp müge
+hêma. Hi telade-n êle skêdnese thêr ik åfter bêtre skryva wil. Tha
+grêva niston navt hwat to dvande, hja sandon bodon allerwêikes, âk
+to my. Ik gvng to ånd sêide: nw wi-n Moder håve agon wi hjra rêd to
+frêjande. Ik selva gvng mitha. Thju Moder, thêr ella wiste, sêide, lêt
+hja kvme, sâ mügon hja vs lând helpa bihalda: men lêt hjam navt vp êne
+stêd ne bilyva, til thju hja navt waldich ne wrde ovir vs. Wi dêdon
+as hju sêid hêde. That wêre êl nêi hjra hêi. Fryso reste mith sinâ
+ljudum to Stavere, that hja wither to êne sêstêde mâkade, sa god hja
+machte. Wichhirte gvng mith sinum ljudum astward nêi there Êmude. Svme
+thêra Johnjar, thêr mênde thåt hja font Alderga folk sproten wêre,
+gvngen thêr hinne. En lyth dêl thêr wânde thåt hjara êthla fon tha
+sjugon êlanda wei kêmon, gvngon hinne ånd setton hjara selva binna
+tha hringdik fon thêre burch Walhallagâra del. Ljudgêrt thene skolte
+bi nachte fon Wichhirte wårth min åthe åfternêi min frjund. Fon ut
+sin dêibok håv ik thju skêdnese thêr hir åfter skil folgja.
+
+Nei thåt wi 12 mel 100 ånd twia 12 jêr bi tha fif wêtrum sêten hêde,
+thahwila vsa sêkåmpar alle sêa bifâren hêde thêr to findane, kêm
+Alexandre [82] tham kêning mith en weldich hêr fon boppa allingen
+thêr strâm vsa thorpa bifâra. Nimman ne måcht im wither worda. Thach
+wi stjurar thêr by tha sê sâton, wi skêpt vs mith al vsa tilbêre
+hava in ånd brûda hinna. Tha Alexandre fornom thåt im sâ ne grâte
+flâte vntfâra was, wårth er wodinlik, to swêrande hi skolde alle
+thorpa an logha offerja jef wi navt to bek kvma nilde. Wichhirte
+lêide siak to bedde. Thâ Alexandre thåt fornom heth er wacht
+alont er bêter wêre. Afternêi kêm er to him sêr kindlyk snakkande,
+thach hi thrjvchde lik hi êr dên hêde. Wichhirte andere thêr åfter,
+o aldergrâteste thêra kêningar. Wi stjurar kvmath allerwêikes, wi
+hâven fon jow grâte dêdun hêred. Thêrvmbe send wi fvl êrbidenese to
+fara jowa wêpne, tha jet mar vr thina witskip. Men wi ôthera wy send
+frybern Fryas bern. Wy ne mügon nêne slâfona navt ne wrde. Jef ik
+wilde, tha ôra skolde rêder sterva willa, hwand alsa ist thrvch vsa
+êwa bifôlen. Alexandre sêide: ik wil thin lând navt ne mâkja to min
+bût, ner thin folk to mina slâfona. Ik wil blât thåt ste my thjanja
+skolste vmb lân. Thêrvr wil ik swêra by vs bêdar godum, thåt nimman vr
+my wrogja skil. Tha Alexandre åfternei bråd ånd salt mith im dêlade,
+heth Wichhirte that wiste dêl kâsen. Hi lêt tha skêpa hala thrvch sin
+svne. Tha thi alle tobek wêron, heth Alexandre thi alle hêred. Thêr
+mitha wilde hi sin folk nêi tha helge Gônga fâra, thêr hi to land
+navt hêde müge nâka. Nw gvng er to ånd kâs altham ut sin folk ånd
+ut sina salt-atha thêr wenath wêron vvr-ne sê to fârane. Wichhirte
+was wither siak wrden, thêrvmbe gvng ik allêna mitha ånd Nearchus
+fon thes keningis wêga. Thi tocht hlip svnder fardêl to-n-ende,
+uthâvede tha Johnjar immerthe an vnmin wêron with tha Phonisjar,
+alsa Nêarchus thêr selva nên bâs ovir bilywe ne kv. Intwiska hêde
+tham kêning navt stile nêst. Hi hêde sina salt-atha bâma kapja
+lêta ånd to planka mâkja. Thrvch help vsar timberljud hêder thêr of
+skêpa mâkad. Nw wilder selva sêkêning wertha, ånd mith êl sin hêr
+thju Gonga vpfâra. Thach tha salt-atha thêr fon thet bergland kêmon,
+wêron ang to fara sê. As hja hêradon thåt hja mith moste, stakon hja
+tha timberhlotha ane brônd. Thêr thrvch wrde vs êle thorp anda aska
+lêid. Thet forma wânde wy thåt Alexandre thåt bifalen hêde ånd jahwêder
+stand rêd vmb sê to kjasane. Men Alexander wêre wodin, hi wilde tha
+salt-atha thrvch sin ajn folk ombrensa lêta. Men Nêarchus tham navt
+allêna sin êroste forst men ak sin frjund wêre, rêde him owers to
+dvande. Nw bêrad er as wen der lavade thet vnluk et dên hêde. Tha hi
+ne thvrade sin tocht navt vrfata. Nw wild er to bek kêra, thach êr
+hi thåt dêde, lêt hi thet forma bisêka hwa-r skeldich wêron. Dry-r
+thåt wiste lêt er altham svnder wêpne bilywa, vmb en ny thorp to
+mâkjande. Fon sin ajn folk lêt er wepned vmbe tha ôra to tåmma, ånd
+vmbe êne burch to bvwande. Wy moston wiv ånd bern mith nimma. Kêmon
+wi anda muda thêre Êuphrat, sa machton wi thêr en stêd kiasa jeftha
+omkêra, vs lân skold vs êvin blyd to dêlath wrde. An tha nya skêpa,
+thêr tha brônd vntkvma wêron, let-er Johniar ånd Krêkalandar gâ. Hi
+selva gvng mith sin ôra folk allingen thêre kâd thrvch tha dorra
+wostêna, thåt is thrvch et land thåt Irtha vphêid hêde uta sê, tha
+hju thju strête after vsa êthela vphêide as hja inna Râde sê kêmon.
+
+Tha wy to ny Gêrtmanja kêmon (ny Gêrtmanja is en hâva thêr wi
+selva makad hede, vmbe thêr to wêterja) mêton wi Alexandre mith sin
+hêr. Nêarchus gvng wal vp ånd bêide thrja dêga. Tha gvng et wither
+forth. Tha wi bi thêre Êuphrat kêmon, gvng Nêarchus mith sina salt-atha
+ånd fêlo fon sin folk wal vp. Tha hi kêm hring wither. Hi sêide, thi
+kêning lêt jow bidda, i skille jet en lithge tocht to sinra wille dvan,
+alont et ende fona Râde sê. Thêrnêi skil jawehder sâ fül gold krêja
+as er bêra mêi. Tha wi thêr kêmon, lêt er vs wysa hwêr thju strête
+êr wêst hêde. Thêr nêi wylader ên ånd thritich dêga, alan ut sjande
+vvra wostêne.
+
+Tho tha lesta kêm er en hloth månniska mith forande twa hondred
+êlephanta thvsend kêmlun tolêden mith woden balkum, râpum ånd allerlêja
+ark vmbe vsa flâte nêi tha Middelsê to tyande. Thåt bisâwd-vs, ånd
+likt vs bal to, men Nêarchus teld vs, sin kêning wilde tha ôthera
+kêninggar tâna that i weldiger wêre, sâ tha kêninggar fon Thyris êr
+wêsen hêde. Wi skoldon men mith helpa, sêkur skolde vs thåt nên skâda
+navt dva. Wi moston wel swika, ånd Nearchus wiste ella sâ pront to
+birjuchte thåt wi inna Middelsê lêide êr thrja mônatha forby wêron. Tha
+Alexandre fornom ho-t mith sinra onwerp ofkvmen was, wårth er sa
+vrmêten thåt er tha drage strête utdiapa wilde Irtha to-n spot. Men
+Wr.alda lêt sine sêle lâs, thêrvmbe vrdronk er inna win ånd in sina
+ovirmodichhêd, êr thåt er bijinna kvste. After sin dâd wrde thet rik
+dêlad thrvch sina forsta. Hja skolde alrek en dêl to fara sina svnum
+wârja, thach hja wêron vnmênis. Elk wilde sin dêl bihalda ånd selva
+formâra. Tha kêm orloch ånd wi ne kvste navt omme kêra. Nêarchus
+wilde nw, wi skolde vs del setta an Phonisi his kâd, men thåt nilde
+nimman navt ne dva. Wi sêide, rêder willath wi wâga nêi Fryasland to
+gâna. Tha brocht-er vs nei thêre nya hâva fon Athenia, hwêr alle åfte
+Fryas bern formels hin têin wêron. Forth gvngon wi salt-âtha liftochta
+ånd wêpne fâra. Among tha fêlo forsta hêde Nêarchus en frjund mith nôme
+Antigonus. Thisse strêdon bêde vmb ên dol, sâ hja sêidon as follistar
+to fâra-t kêninglike slachte ånd forth vmbe alle Krêkalanda hjara alda
+frydom wither to jêvane. Antigonus hêde among fêlo ôtherum ênnen svn,
+thi hête Demêtrius, åfter tonômad thene stêda winner. Thisse gvng
+ênis vpper stêde Salâmis of. Nêi thåt er thêr en stût mêi strêden hêde
+most er mith thêre flâte strida fon Ptholemeus. Ptholemêus, alsa hête
+thene forst thêr welda ovir Êgiptaland. Dêmêtrius wn thêre kêse, tha
+navt thrvch sina salt-âtha, men thrvch dam wy him helpen hêde. Thit
+hêde wi dên thrvch athskip to fâra Nêarchus, hwand wi him far basterd
+blod bikånde thrvch sin friska hûd ånd blâwa âgon mith wit hêr. After
+nêi gvng Dêmêtrius lâs vp Hrodus [83] thêr hinne brochton wi sina
+salt-âtha ând liftochta wr. Thâ wi tha leste rêis to Hrodus kêmon,
+was orloch vrtyan. Dêmêtrius was nêi Athenia fâren. Tha vs kêning
+thåt vnderstande, lêd-er vs tobek. Tha wi anda hâve kêmon, wêre êl et
+thorp in row bidobben. Friso thêr kêning wêr ovir-a flâte, hêde en svn
+ånd en toghater tûs, sâ bjustre fres, as jef hja pâs ut Fryasland wêi
+kvmen wêren, ånd sâ wonderskên as nimman mocht hügja. Thjv hrop thêrvr
+gvng vvr alle Krêkalanda ånd kêm in tha âra fon Dêmêtrius. Dêmêtrius
+wêre vvl ånd vnsêdlik, ånd hi thogte thåt-im ella fry stvnde. Hi lêt
+thju toghater avbêr skâkja. Thju moder ne thvrade hjra joi [84] navt
+wachtja, joi nomath tha stjurar wiva hira mâna, thåt is blideskip,
+ak segsath hja swêthirte. Tha stjurar hêton hjra wiva trâst, ånd fro
+jefta frow thåt is frü âk frolik, thåt is êlik an frü. Thrvchdam hju
+hjra man navt wachtja thurade, gvng hju mith hjra svne nêi Dêmêtrius
+ånd bad, hi skolde hja hjra toghater wither jêva. Men as Dêmêtrius
+hira svn sa, lêt-er tham nêi sinra hove fora, ånd dêde alên mith him,
+as-er mith tham his suster dên hêde. Anda moder sand hi en buda gold,
+thach hju stirt-et in sê. As hju thûs kêm, warth hju wansinnich,
+allerwêikes run hju vvra strête: nåst min kindar navt sjan, o wach,
+lêt mi to jow skul sêka, wand min joi wil mi dêja for tha-k sina kindar
+wêi brocht håv. Tha Dêmêtrius fornom, thåt Friso to honk wêre, sand-i
+en bodja to him segsande, thåt hi sina bern to him nomen hêde wmbe ra
+to fora to-n hâge stât vmbe to lânja him to fâra sina thjanesta. Men
+Friso thêr stolte ånd herdfochtich wêre, sand en bodja mith en brêve
+nêi sinum bern tha, thêrin mânde hi hjam, hja skolde Dêmêtrius to
+willa wêsa, vrmithis tham hjara luk jêrde. Thach thene bodja hêde
+jeta-n ora brêve mith fenin, thêrmêi bifâl-er hja skolde thåt innimma,
+hwand sêid-er-vnwillinglik is thin lif bivvllad, thåt ne skil jow
+navt to rêkned ni wrde, thach sâhwersa jow jowe sêle bivvlath sa ne
+skil jow nimmerthe to Walhâlla ne kvma, jow sêle skil thån ovir irtha
+ommewâra, svnder å thet ljucht sja to mugande, lik tha flâramusa ånd
+nachtula skilstv alra dystik in thina hola skula, thes nachtis utkvma,
+then vp vsa gråva grâja ånd hûla, thahwila Frya hjra haved fon jow
+ofwenda mot. Tha bern dêde lik-ra bifâlen warth. Dêmêtrius lêt ra
+likka in sê werpa ånd to tha månniska wrde sêid, thåt hja fljucht
+wêron. Nw wilde Friso mith alleman nêi Fryasland fâra, thêr-i êr wêst
+hêde, men tha mêst nilde thåt navt ne dva. Nw gvng Friso to ånd skât
+thet thorp mith-a kêninglika fârrêdskûrum anda brônd. Hjud ne kv ni
+thvrade ninman ne bilywa, ånd alle wêron blyde, that hja bûta wêre,
+bihalva wif ånd bern hêdon wi ella abefta lêten, thach wi wêron to
+lêden mith liftochtum ånd orlochtuch.
+
+Friso nêde nach nên fretho. Tha wi by tha alda hâve kêmon gvnger
+mith sina drista ljudum to ånd skât vnwarlinga tha brônd inna skêpa,
+thêr-i mith sina pilum bigâna kv. After sex dêgum sâgon wi tha
+orlochflâte fon Dêmêtrius vp vs to kvma. Friso bifâl vs, wi moston
+tha lithste skêpa åfterhâde in êne brêde line, tha stora mith wif
+ånd bern fârut. Forth bâd er wi skoldon tha krânboga fon for nimma
+ånd anda åftestêwen fåstigja, hwand sêid er, wi achon al ffjuchtande
+to fjuchtane. Nimman ne mêi him formêta vmb en enkeldera fyand to
+forfolgjande, alsa sêid-er is min bislut. Tha hwila wi thêrmitha al
+dvande wêron, kêm wind vs vppa kop, to thêra låfa ånd thêra wiva skrik,
+thrvchdam wi nêne slâvona navt nêde as thêra thêr vs bi ajn willa
+folgan wêre. Wi ne machton hja thus navt thruch roja ni vntkvma. Men
+Wralda wiste wel, hwêrvmb-er sâ dêde, ånd Friso thêr-et fata, lêt
+tha bårnpila ring inna krânboga lidsa. To lik bâd-er thåt nimman
+skiata ne machte, êr hy skâten hêde. Forth sêid-er thåt wi alle nêi
+thåt midloste skip skiata moste, is thåt dol god biracht sêid-er,
+sâ skilun tha ôra him to helpane kvma ånd thån mot alrik skiata sa-r
+alderbesta mêi. As wi nw arhalf ketting fon-ra of wêre, bigoston tha
+Phonisiar to skiata. Men Friso n-andere navt bi fâra tha êroste pil
+del falde a sex fadema fon sin skip. Nw skât-er. Tha ôra folgade,
+thet likte en fjurrêin ånd thrvchdam vsa pila mith wind mêi gvngon,
+bilêvon hja alle an brônd, ånd nâkade selva tha thridde lâge. Allera
+månnelik gyradon ånd jûwgade. Men tha krêta vsar witherlâgum wêron
+sa herde, thet-et vs thet hirte binêpen warth. As Friso mênde thåt
+et to koste, lêt-er ofhalde ånd wi spode hinne. Thach nêi that
+wi twa dêga forth pilath hêde, kêm thêr en ôre flâte ant sjocht,
+fon thrittich skêpun, thêr vs stêdis in wnne. Friso lêt vs wither
+rêd makja. Men tha ôthera sandon en lichte snâka fvl rojar forut,
+tha bodon thêra bâdon ut alera nôma jef hja mith fâra machte. Hja
+wêron Johniar, thrvch Dêmêtrius wêron hja wåldantlik nêi there alda
+hâve skikad. Thêr hêdon hja fon thêre kêse hêrad ånd nw hêdon hja
+thet stolta swêrd antjan, ånd wêron vs folgad. Friso thêr fül mitha
+Johnjar faren hêde sêide jå, men Wichhirte vsa kêning sêide nê. Tha
+Johnjar send afgoda thjanjar sêid-er, ik selva håv hêrad, ho hja thi
+an hropte. Friso sêide thet kvmath thrvch tha wandel mith tha åfta
+Krêkalandar. Thåt håv ik vâken selva dên. Thach ben ik alsa herde
+Fryas as tha finste fon jow. Friso wêre thene mån thêr vs to Fryasland
+wisa moste. Thus gvngon tha Johnjar mith. Ak likt-et nei Wr.aldas hêi,
+hwand êr thrja mônathe om hlâpen wêron, gvngon wi allingen Britannja,
+ånd thrja dêga lêter machton wi ho.n sêen hropa.
+
+
+
+
+
+THIT SKRIFT IS MIJ OWER NORTLAND JEFTHA SKÊNLAND JÊVEN.
+
+
+Vndera tida thåt vs land del sêg, wêre ik to Skênland. Thêr gvng et
+alsa to. Thêr wêron grâte mâra, thêr fon tha bodeme lik en blêse vt
+setta, then spliton hja vt-ên. Uta rêta kêm stof as-t gliande yser
+wêre. Thêr wêron berga thêr tha krunna of swikte. Thesse truldon
+nêther ånd brochton walda ånd thorpa wêi. Ik self sâ thåt en berch
+fon tha ôra of torent wrde. Linrjucht sêg er del. As ik afternêi
+sjan gvng, was thêr en mâre kvmen. Tha irtha bêterad was, kêm er
+en hêrtoga fon Lindasburch wêi, mit sin folk ånd en fâm, thju fâm
+kêthe allomme: Thene Mâgy is skeldich an al-eth lêt thåt wi lêden
+håve. Hja tâgon immer forth en thet hêr wårth al grâter. Thene Mâgy
+fluchte hinne, mån fand sin lik, hi hêde sin self vrdên. Tha wrdon
+tha Finna vrdrêven nêi ênre stêd, thêr machton hja lêva. Thêr wêron
+fon basterde blode. Thissa machton biliwa, thach fêlo gvngon mith tha
+Finna mêi. Thi hêrtoga warth to kêning kêren. Tha kårka thêr êl bilêven
+wêron wrde vrdên. Sont komath tha gode Northljud vâken to Texland vmb
+there Moder-is rêd. Thâ wi ne mügath hjam for nêne rjuchta Fryas mar
+ne halde. Inna Dênamarka ist sêkur as bi vs gvngon. Tha stjurar, tham
+hjara self thêr stoltelika sêkåmpar hêton, send vppira skêpa gvngon,
+ånd åfternêi sind hja to bek gvngon.
+
+
+ Held!
+
+
+Hwersa thene Kroder en tid forth kroden heth, thån skilun tha
+åfterkomanda wâna thåt tha lêka and brêka, thêr tha Brokmanna mith
+brocht håve, åjen were an hjara êthla. Thêr vr wil ik wâka ånd thus
+sâ fül vr hjåra plêga skriva as ik sjan hå. Vr tha Gêrtmanna kån
+ik rêd hinne stappa. Ik nåv navt fül mithra omme gvngen. Tha sâ
+fêr ik sjan hå send hja thåt mast bi tâl ånd sêd bilêwen. Thåt ne
+mêi ik navt segsa fon tha ôthera. Thêr fon.a Krêkalânda wêi kvme,
+send kwâd ther tâl ånd vppira sêd ne mêi mån êl navt boga. Fêlo
+håvath brûna âgon ånd hêr. Hja send nidich ånd drist ånd ång thrvch
+overbilâwichhêd. Hwêrsa hja sprêka, sâ nômath hja the worda fâr vppa
+thêr lerst kvma mosta. Ajen ald segath hja âd, åjen salt sâd, mâ fori
+mån, sel fori skil, sode fori skolde, to fül vmb to nomande. Ak forath
+hja mêst vrdvaliske ånd bikirte nôma, hwêran mån nên sin an hefta ne
+mêi. Tha Johniar sprêkath bêtre, thach hja swygath thi h ånd hwêri
+navt nêsa mot, wårth er ûtekêth. Hwersa imman en byld mâkath åfter
+ênnen vrstvrven ånd thet likt, sâ lâwath hja, thåt thene gâst thes
+vrsturvene thêr inne fârath. Thêrvr håvath hja alle bylda vrburgen
+fon Frya, Fåsta, Mêdêa, Thjanja, Hellênja ånd fêlo ôthera. Hwerth
+thêr en bern ebern, sâ kvmath tha sibba et sêmne ånd biddath an Frya
+thåt hju hjara fâmkes mêi kvma lêta thåt bern to sêenande. Håvon hja
+bêden sa ne mêi nimman him rora ni hêra lêta. Kvmt et bern to gråjande
+ånd halt thit en stvnde an, alsa is thåt en kwâd têken ånd man is an
+formoda, thåt thju måm hordom dên heth. Thêrvr håv ik al årge thinga
+sjan. Kvmt et bern to slêpande, sâ is thåt en têken, thåt tha fâmkes
+vr-et kvmen send. Lakt et inna slêp, sâ håvon tha fâmkes thåt bern
+luk to sêit. Olon lâwath hja an bosa gâsta, hexna, kolla, aldermankes
+ånd elfun, as jef hja fon tha Finna wei kêmen. Hyrmitha wil ik enda
+ånd nw mên ik tha-k mår skrêven hå, as ên minra êthla. Frêthorik.
+
+Frêthorik min gâd is 63 jêr wrden. Sont 100 ând 8 jêr is hi thene
+êroste fon sin folk, thêr frêdsum sturven is, alle ôthera send vndera
+slêga swikt, thêrvr thåt alle kåmpade with ajn ånd fêrhêmande vmb
+rjucht ånd plicht.
+
+Min nôm is Wil-jo, ik bin tha fâm thêr mith him fona Saxanamarka to
+honk for. Thrvch tâl ånd ommegang kêm et ut, thåt wi alle bêde fon
+Adela his folk wêron, thâ kêm ljafde ånd åfternêi send wi man ånd wif
+wrden. Hi heth mi fyf bern lêten, 2 suna ånd thrju toghatera. Konerêd
+alsa hêt min forma, Hâchgâna min ôthera, mine aldeste toghater
+hêth Adela, thju ôthera Frulik ånd tha jongeste Nocht. Thâ-k nêi
+tha Saxanamarka for, håv ik thrju boka hret. Thet bok thêra sanga,
+thêra tellinga, ånd thet Hêlênja bok. Ik skrif thit til thju mån navt
+thånka ne mêi thåt hja fon Apollânja send; ik håv thêr fül lêt vr
+had ând wil thus âk thju êre hå. Ak håv ik mâr dên, tha Gosa-Makonta
+fallen is, hwames godhêd ånd klârsjanhêd to en sprêkword is wrden,
+thâ ben ik allêna nêi Texland gvngen vmbe tha skrifta vr to skrivane,
+thêr hju åfter lêten heth, ånd thâ tha lerste wille fonden is fon
+Frâna ånd tha nêilêtne skrifta fon Adela jefta Hellênja, håv ik thåt
+jetta rêis dên. Thit send tha skrifta Hellênjas. Ik set hjam fâr vppa
+vmbe thåt hja tha aldesta send.
+
+
+ ALLE AFTA FRYAS HELD.
+
+
+In êra tida niston tha Slâvona folkar nawet fon fryhêd. Lik oxa wrdon
+hja vnder et juk brocht. In irthas wand wrdon hja jâgath vmbe mêtal
+to delvane ånd ut-a herde bergum moston hja hûsa hâwa to forst ånd
+presterums hêm. Bi al hwat hja dêdon, thêr nas nawet to fâra hjara
+selva, men ella moste thjanja vmbe tha forsta ånd prestera jeta riker
+ånd weldiger to mâkjane hjara selva to sådene. Vnder thesse arbêd
+wrdon hja grêv ånd stråm êr hja jêrich wêron, ånd sturvon svnder n
+ochta afskên irtha tham overflodlik fvl jêf to bâta al hjara bern. Men
+vsa britna kêmon ånd vsa bânnalinga thrvch tha Twisklânda vr in hjara
+marka fâra ånd vsa stjurar kêmon in hjara hâvna. Fon hjam hêradon hja
+kålta vr êlika frydom ånd rjucht ånd overa êwa, hwêr bûta nimman omme
+ne mêi. Altham wrde vpsugon thrvch tha drova månniska lik dâwa thrvch
+tha dorra fjelde. As hju fvl wêron bijonnon tha alderdrista månniska to
+klippane mith hjara kêdne, alsa-t tha forsta wê dêde. Tha forste send
+stolte ånd wichandlik, thêrvmbe is thêr âk noch düged in hjara hirta,
+hja birêdon et sêmine ând javon awet fon hjara overflodalikhêd. Men
+tha låfa skin frâna prestara ne machton thåt navt ne lyda, emong
+hjara forsinde godum hêdon hja âk wrangwråda drochtne eskêpen. Pest
+kêm inovera lânda. Nw sêidon hja, tha drochtna send tornich overa
+overhêrichhêd thêra bosa. Tha wrdon tha alderdrista månniska mith
+hjara kêdne wirgad. Irtha heth hjara blod dronken, mith thåt blod
+fode hju früchda ånd nochta, ånd alle tham thêr of êton wrdon wis.
+
+16 wâra 100 jêr lêden [85] is Atland svnken, ånd to thêra tidum
+bêrade thêr awat hwêr vppa nimman rêkned nêde. In-t hirte fon Findas
+lând vppet berchta lêid en del, thêr is kêthen Kasamyr [86], thet is
+sjeldsum. Thêr werth en bern ebern, sin måm wêre thju toghater enis
+kêning ånd sin tât wêre-n hâvedprester. Vmb skôm to vnkvma mosten hja
+hjara åjen blod vnkvma. Thêrvmbe wårth er bûta thêre stêde brocht bi
+årma månniska. In twiska was-t im navt forhêlad ne wrden, thêr vmbe
+dêd er ella vmbe wisdom to gêtane ånd gârane. Sin forstân wêre sâ grât
+thåt er ella forstânde hwat er sâ ånd hêrade. Thåt folk skowde him mit
+êrbêdenese and tha prestera wr don ang vr sina frêga. Thå-r jêrich
+wrde gvnger nêi sinum aldrum. Hja moston herda thinga hêra, vmb-im
+kwit to werthane javon hja him vrflod fon kestlika stênum; men hja ne
+thvradon him navt avbêr bikânnâ as hjara åjne blod. Mith drovenese
+in vrdelven overa falxe skôm sinra aldrum gvng-er ommedwâla. Al
+forth fârande mête hi en Fryas stjurar thêr as slâv thjanade, fon
+tham lêrd-i vsa sêd ånd plêgum. Hi kâpade him fry, ånd to ther dâd
+send hja frjunda bilêwen. Alomme hwêr er forth hinne tâch, lêrd-i
+an tha ljuda thåt hja nêne rika ner prestera tolêta moston, thåt hja
+hjara selva hode moston åjen falxe skôm, ther allerwêikes kvad dvat
+an tha ljavde. Irtha sêid-er skånkath hjara jêva nêi mêta men hjara
+hûd klâwat, thåt mån thêrin âch to delvane to êrane ånd to sêjane,
+sâ mån thêrof skêra wil. Thach sêid-er nimman hovat thit to dvande
+fori ennen ôthera hit ne sy, thåt et bi mêne wille jef ut ljavade
+skêd. Hi lêrde thåt nimman in hjara wand machte frota vmbe gold
+her silver ner kestlika stêna, hwêr nid an klywath ånd ljavde fon
+fljuchth. Vmbe jow manghêrta ånd wiva to sjarane, sêid-er, jêvath
+hjara rin strâma ênoch. Nimman sêid-er is weldich alle månniska
+mêtrik ånd êlika luk to jân. Tha thåt it alra månniska plicht vmbe
+tha månniska alsa mêtrik to mâkjane ånd sa fêlo nocht to jân, as to
+binâka is. Nêne witskip seid-er ne mêi mån minachtja, thach êlika
+dêla is tha grâteste witskip, thêr tid vs lêra mêi. Thêrvmbe thåt
+hjv argenese fon irtha wêrath ånd ljavde feth.
+
+Sin forme nôm wêre Jes-us [87], thach tha prestera thêr-im sêralik
+håton hêton him Fo thåt is falx, thåt folk hête him Kris-en thåt is
+herder, ånd sin Fryaske frjund hêta him Bûda, vmbe that hi in sin
+hâvad en skåt fon wisdom hêde ånd in sin hirt en skåt fon ljavde.
+
+To tha lersta most-er fluchta vr tha wrêka thêra prestera, men vral
+hwêr er kêm was sine lêre him fârut gvngen ånd vral hwêr-er gvng
+folgadon him sina lêtha lik sine skâde nêi. Thâ Jes-vs alsa twilif
+jêr om fâren hêde, sturv-er, men sina frjunda wâradon sine lêre ånd
+kêthon hwêr-et âron fvnde.
+
+Hwat mênst nw thåt tha prestera dêdon, thåt mot ik jo melde, âk mot-i
+thêr sêralik acht vp jân, forth mot-i over hjara bidryv ånd renka wâka
+mith alle kråftum, thêr Wralda in jo lêid heth. Thahwila Jes-us lêre
+vr irtha for, gvngon tha falxe prestera nêi-t lând sinra berta sin
+dâd avbêra, hja sêidon thåt hja fon sinum frjundum wêron, hja bêradon
+grâte rowa, torennande hjara klâthar to flardum ånd to skêrande hjara
+hola kâl. Inna hôla thêra berga gvngon hja hêma, thach thêrin hêdon hja
+hjara skåt brocht, thêr binna mâkadon hja byldon åfter Jes-us, thessa
+byldon jâvon hja antha vnårg thånkanda ljuda, to longa lersta sêidon
+hja thåt Jes-us en drochten wêre, thåt-i thåt selva an hjam bilêden
+hêde, ånd thåt alle thêr an him ånd an sina lêra lâwa wilde, nêimels
+in sin kêningkrik kvme skolde, hwêr frü is ånd nochta send. Vrmites
+hja wiston thåt Jes-us åjen tha rika to fjelda tâgen hêde, sâ kêthon
+hja allerwêikes, that årmode hâ ånd ênfald sâ thju düre wêre vmbe in
+sin rik to kvmane, thåt thêra thêr hyr vp irtha thåt mâste lêden hêde,
+nêimels tha mâsta nochta håva skolde. Thahwila hja wiston thåt Jes-us
+lêrad hêde thåt mån sina tochta welda ånd bistjura moste, sâ lêrdon
+hja thåt mån alle sina tochta dêja moste, ånd thåt tha fvlkvminhêd
+thêra månniska thêrin bistande thåt er êvin vnforstoren wrde sâ thåt
+kalde stên. Vmbe thåt folk nw wis to mâkjande thåt hja alsa dêdon,
+alsa bêradon hja årmode overa strêta ånd vmb forth to biwisane thåt
+hja al hjara tochta dâd hêde, nâmon hja nêne wiwa. Thach sahwêrsa en
+toghater en misstap hêde, sâ wårth hja that ring forjân, tha wrakka
+sêidon hja most mån helpa and vmbe sin åjn sêle to bihaldane most
+mån fül anda cherke jân. Thus todvande hêde hja wiv ånd bern svnder
+hûshalden ånd wrdon hja rik svnder werka, men that folk wårth fül
+årmer ånd mâr êlåndich as â to fâra. Thas lêre hwêrbi tha prestera nên
+ôre witskip hova as drochtlik rêda, frâna skin ånd vnrjuchta plêga,
+brêd hiri selva ut fon-t âsta to-t westa ånd skil âk vr vsa landa kvma.
+
+Men astha prestera skilun wâna, thåt hja allet ljucht fon Frya ånd
+fon Jes-us lêre vtdâvath håva, sâ skilum thêr in alle vvrda månniska
+vpstonda, tham wêrhêd in stilnise among ekkorum wârath ånd to fâra
+tha prestera forborgen håve. Thissa skilun wêsa ut forsta blod, fon
+presterum blod, fon Slâvonum blod, ånd fon Fryas blod. Tham skilun
+hjara foddikum ånd thåt ljucht bûta bringa, sâ thåt allera månnalik
+wêrhêd mêi sjan; hja skilun wê hropa overa dêda thêra prestera ånd
+forsta. Tha forsta thêr wêrhêd minna ånd rjucht tham skilun fon
+tha prestera wika, blod skil strâma, men thêrut skil-et folk nye
+kråfta gâra. Findas folk skil sina findingrikhêd to mêna nitha wenda,
+thåt Lydas folk sina kråfta ånd wi vsa wisdom. Tha skilun tha falxa
+prestera wêi fâgath wertha fon irtha. Wralda his gâst skil alomme ånd
+allerwêikes êrath ånd bihropa wertha. Tha êwa thêr Wralda bi-t anfang
+in vs mod lêide, skilun allêna hêrad wertha, thêr ne skilun nêne ôra
+mâstera, noch forsta, ner bâsa navt nêsa, as thêra thêr bi mêna wille
+kêren send. Thån skil Frya juwgja ånd Irtha skil hira jêva allêna
+skånka an tha werkande månnisk. Altham skil anfanga fjuwer thusand
+jêr nêi Atland svnken is ånd thusand jêr lêter skil thêr longer nên
+prester ner tvang vp irtha sa.
+
+Dela tonômath Hellênja, wâk!
+
+Sâ lûda Frânas ûtroste wille. Alle welle Fryas held. An tha nôme
+Wraldas, fon Frya, ånd thêre fryhêd grête ik jo, ånd bidde jo,
+sahwersa ik falla machte êr ik en folgster nômath hêde, sâ bifêl ik
+jo Tüntja thêr Burchfâm is to thêre burch Mêdêasblik, til hjud dêgum
+is hja tha besta.
+
+Thet heth Gôsa nêi lêten. Alle månniska held. Ik nåv nêne êremoder
+binomad thrvchdam ik nêne niste, ånd et is jo bêter nêne Moder to
+håvande as êne hwêr vp-i jo navt forlêta ne mêi. Arge tid is forbi
+fâren, men thêr kvmt en ôthere. Irtha heth hja navt ne bårad ånd
+Wralda heth hja navt ne skêren. Hju kvmt ut et âsta ut-a bosma thêra
+prestera wêi. Sâ fêlo lêd skil hju broda, thåt Irtha-t blod algâdvr
+navt drinka ne kån fon hira vrslêjana bernum. Thjustrenesse skil
+hju in overne gâst thêra månniska sprêda, lik tongar-is wolka oviret
+svnneljucht. Alom ånd allerwêikes skil lest ånd drochten bidryf with
+fryhêd kâmpa ånd rjucht. Rjucht ånd fryhêd skilun swika ånd wi mith
+tham. Men thesse winst skil hjara vrlias wrochta. Fon thrju worda
+skilun vsa åfterkvmande an hjara ljuda ånd slâvona tha bithjutnesse
+lêra. Hja send mêna ljavde, fryhêd ånd rjucht. Thåt forma skilun
+hja glora, åfternêi with thjustrenesse kåmpa al ont et hel ånd klår
+in hjawlikes hirt ånd holle wårth. Thån skil tvang fon irtha fâgad
+wertha, lik tongarswolka thrvch stornewind, ånd alle drochten bidryv
+ne skil thêr åjen nawet navt ne formüga. Gôsa.
+
+
+
+
+
+THET SKRIFT FON KONERÊD.
+
+
+Min êthla håvon in åfter thit bok skrêven. Thit wil ik boppa ella
+dva, vmbe thåt er in min stât nên burch ovir is, hwêrin tha bêrtnesa
+vp skrêven wrde lik to fâra. Min nôme is Konerêd, min tât-his nôme
+was Frêthorik, min mem his nôme Wiljow. After tât his dâd ben ik to
+sina folgar kêren, ånd tha-k fiftich jêr tålde kâs men mij to vrste
+grêvetmån. Min tât heth skrêven ho tha Linda-wrda ånd tha Ljudgârdne
+vrdilgen send. Lindahêm is jeta wêi, tha Linda-wrda far en dêl,
+tha northlikka Ljudgârdne send thrvch thene salta sê bidelven. That
+brûwsende hef slikt an tha hringdik thêre burch. Lik tât melth heth, sâ
+send tha hâvalâsa månniska to gvngen ånd hâvon hûskes bvwad binna tha
+hringdik thêra burch. Thêrvmbe is thåt ronddêl nw Ljvdwerd hêten. Tha
+stjurar segath Ljvwrd, men thåt is wansprêke. Bi mina jüged was-t ôre
+lând, thåt bûta tha hringdik lêid, al pol ånd brok. Men Fryas folk
+is diger ånd flitich, hja wrdon mod ner wirg, thrvchdam hjara dol to
+tha besta lêide. Thrvch slâta to delvane ånd kâdika to mâkjane fon
+tha grvnd thêr ût-a slâta kêm, alsa håvon wi wither en gode hêm bûta
+tha hringdik, thêr thju dânte het fon en hof, thrê pêla âstwarth,
+thrê pêla sûdwarth ånd thrê pêla wêstwarth mêten. Hjud dêgum send
+wi to dvande å-pêla to hêjande, vmb êne hâve to winnande ånd mith
+ên vmb-vsa hringdik to biskirmande. Jef et werk rêd sy, sâ skilun
+wi stjurar utlvka. Bi min jüged stand-et hyr bjûstre om-to, men hjud
+send tha hûskes al hûsa thêr an rêja stân. And lek ånd brek thêr mith
+ermode hir in glupt wêron, send thrvch flit a-buta drêven. Fon hir ut
+mêi allera månnalik lêra, thåt Wr.alda vsa Alfoder, al sina skepsela
+fot, mits thåt hja mod halde ånd månlik ôtherum helpa wille.
+
+
+
+
+
+NV WIL IK VR FRISO SKRIVA.
+
+
+Friso thêr al weldich wêre thrvch sin ljud, wårth âk to vrste
+grêve kêren thrvch Staverens ommelandar. Hi spot mith vsa wisa fon
+lând-wêr ånd sêkåmpa, thêrvmbe heth-er en skol stift hwêr in tha knâpa
+fjuchta lêra nêi Krêkalandar wysa. Thån ik lâv thåt i thåt dên heth
+vmb thåt jongk-folk an sin snôr to bindane. Ik håv min brother thêr
+âk hin skikt, tha-s nv thjan jêr lêden. Hwand tocht ik nv wi nêne
+Moder lônger navt nåve, vmbe tha ênen åjen tha ôre to bi skirmande,
+âch ik dubbel to wâkane thåt hi vs nên mâster ne wårth.
+
+Gosa neth vs nêne folgstere nômeth, thêr vr nil ik nên ordêl ne fella,
+men thêr send jeta alda årg thenkande månniska, thêr mêne thåt hju-t
+thêr-vr mith Friso ênis wrden is. Thâ Gosa fallen was, thâ wildon tha
+ljud fon alle wrda êne ôthere Moder kjasa. Men Friso thêr to dvande
+wêre vmb-en rik to fara him selva to mâkjane, Friso ne gêrde nên
+rêd ner bodo fon Texland. As tha bodon thêra Landsâtum to him kêmon,
+sprek-i ånde kêth. Gosa sêid-er was fêrsjande wêst ånd wiser as alle
+grêva êtsêmne ånd thach nêde hju nên ljucht nêr klârhêd in thjuse
+sêke ne fvnden, thêrvmbe nêde hju nêne mod hân vmb êne folgstere to
+kjasane, ånd vmb êne folgstere to kjasane thêr tvyvelik wêre, thêr heth
+hju bald in sjan, thêrvmbe heth hju in hjara ûtroste wille skrêven,
+thåt is jow bêtre nêne Moder to håvande as êne hwêr vpp-i jo selva
+navt forlêta ne mêi. Friso hêde fül sjan, bi orloch was er vpbrocht,
+ånd fon tha hrenkum ånd lestum thêra Golum ånd forstum hêder krek sa
+fül lêred ånd geth, as-er nêdich hêde vmbe tha ôra grêva to wêiande
+hwêr hi hjam wilde. Sjan hir ho-r thêrmith to gvngen is.
+
+Friso hêde hir-ne ôther wif nimth, thju toghater fon Wil-frêthe,
+bi sin lêve was-er vrste Grêva to Staveren wêst. Thêr bi hêder twên
+svna wnnen ånd twa toghatera. Thrvch sin bilêid is Kornêlja sin jongste
+toghater mith min brother mant. Kornêlja is wan Fryas and mot Kornhêlja
+skrêven wrde. Wêmod sin aldeste heth er an Kavch bonden. Kavch thêr
+âk bi him to skole gvng is thi svnv fon Wichhirte thene Gêrtmanna
+kåning. Men Kavch is âk wan Fryas ånd mot Kâp wêsa. Men kvade tâle
+håvon hja mar mithbrocht as gode sêda.
+
+Nw mot ik mith mine skêdnese a-befta kêra.
+
+Aftre grâte flod hwêr vr min tât skrêven heth, wêron fêlo Juttar
+ånd Lêtne mith ebbe uta Balda jefta kvade sê [88] fored. Bi Kât his
+gat drêvon hja in hjara kâna mith yse vppa tha Dênemarka fåst ånd
+thêr vp send hja sitten bilêwen. Thêr nêron narne nên månniska an-t
+sjocht. Thêrvmbe håvon hja thåt lând int, nêi hjara nôme håvon hja
+thåt land Juttarland hêten. Afternêi kêmon wel fêlo Denemarker to bek
+fon tha hâga landum, men thissa setton hjara selva sûdliker del. And
+as tha stjurar to bek kêmon thêr navt vrgvngen navt nêron, gvng
+thi êna mith tha ôthera nei tha sê jefta êlandum. [89] Thrvch thisse
+skikking mochton tha Juttar thåt land halda, hwêr-vppa Wr.alda ra wêjad
+hêde. Tha Sêlandar stjurar tham hjara selva mith blâte fisk navt helpa
+ner nêra nilde, ånd thêr en årge grins hêde an tha Gola, tham gvngon
+dâna tha Phonisjar skêpa birâwa. An tha sûdwester herne fon Skênland,
+thêr lêid Lindasburcht tonômath Lindasnôse, thrvch vsa Apol stift,
+alsa in thit bok [90] biskrêwen stât. Alle kâdhêmar ånd ommelandar
+dâna wêron eft Fryas bilêven, men thrvch tha lust thêre wrêke åjen tha
+Golum ånd åjen tha Kåltana folgar gvngon hja mitha Sêlandar sâma dvan,
+men that sâma dva neth nen stek navt ne halden. Hwand tha Sêlandar
+hêde felo mislika plêga ånd wenhêde ovir nommen fon tha vvla Mâgjarum,
+Fryas folk to-n spot. Forth gvng ek to fara him selva râwa, thach jef
+et to pase kêm thån standon hja månlik ôtherum trvlik by. Thach to
+tha lesta bijondon tha Sêlandar brek to krêjande an goda skêpa. Hjara
+skipmâkar weron omkvmen ånd hjara walda wêron mith grvnd ånd al fon-t
+land of fâged. Nw kêmon thêr vnwarlingen thry skêpa by tha ringdik
+fon vsa burch mêra. Thrvch tha inbrêka vsra landum wêron hja vrdvaled
+ånd tha Flymvda misfaren. Thi kâpmon thêr mith gvngen was, wilde fon
+vs nya skêpa hå, thêrto hêdon hja mithbrocht allerlêja kestlika wêra,
+thêr hja râwed hêdon fon tha Kåltanarlandum ånd fon tha Phonisjar [91]
+skêpum. Nêidam wy selva nêne skêpa navt n-êde, jêf ik hjam flingka
+horsa ånd fjvwer wêpende rinbodon mith nei Friso. Hwand to Stâveren
+ånd allingen thåt Aldergâ thêr wrdon tha besta wêrskêpa maked fon herde
+êken wod thêr nimmerthe nên rot an ne kvmth. Thahwila tha sêkampar by
+my byde, wêron svme Juttar nêi Texland fâren ånd dânâ wêron hja nêi
+Friso wêsen. Tha Sêlandar hêdon felo fon hjara storeste knâpum râwed,
+thi moston vppa hjara benka roja, ånd fon hjara storeste toghtera vmb
+thêr by bern to têjande. Tha stora Juttar ne mochton et navt to wêrane,
+thrvchdam hja nêne gode wêpne navt nêde. Thâ hja hjara lêth telad hêde
+ånd thêrvr fêlo wordon wixlad wêron, frêje Friso to tha lesta jef hja
+nêne gode have in hjara gâ navt n-êde. O-jes, anderon hja, êne besta
+ên, êne thrvch Wr.alda skêpen. Hju is net krek lik jow bjarkrûk thêr,
+hira hals is eng, thâ in hira bålg kånnath wel thvsanda grâte kâna
+lidsa, men wi nâvath nêna burch ner burchwêpne, vmbe tha râwskêpa thêr
+ut to haldane. Thån mosten jow gvnst mâkja sêide Friso. God rêden
+anderon tha Juttar, men wi n-åvath nêne ambachtisljud ner bvwark,
+wi alle send fiskar ånd juttar. Tha ora send vrdrvnken jefta nêi tha
+hâga landum fljucht. Midlar hwila hja thus kålta, kêmon mina bodon
+mitha Sêlândar hêra et sina hove. Hir most nw letta ho Friso alle
+to bidobbe wiste to nocht fon bêde partja ånd to bâte fon sin åjn
+dol. Tha Sêlandar sêider to, hja skoldon jêrlikes fiftech skêpa håve,
+nêi fåsta mêtum ånd nêi fåsta jeldum, to hrêd mith ysere kêdne ånd
+krânbogum ånd mith fvlle tjuch alsa far wêrskêpa hof ånd nêdlik sy,
+men tha Juttar skoldon hja thån mith frêthe lêta, ånd all-et folk thåt
+to Fryasbern hêred. Jâ hi wilde mar dva, hi wilde al vsa sêkåmpar
+utnêda thåt hja skolde mith fjuchta ånd râwa. Thâ tha Sêlandar wêi
+brit wêron, thâ lêt er fjuwertich alda skêpa to laja mith burchwêpne,
+wod, hirbaken stên, timberljud, mirtselêra ånd smêda vmbe thêr mith
+burga to bvwande. Witto, that is witte sin svn, sand hi mith vmb to
+to sjanande. Hwat thêr al fâr fallen is, n-is my navt ni meld, men sa
+fül is mi bâr wrden, an byde sida thêre haves mvde is êne withburch
+bvwed, thêr in is folk lêid that Friso uta Saxanamarka tâch. Witto heth
+Sjuchthirte bifrêjad ånd to sin wiv nomen. Wilhem alsa hête hira tat,
+hi was vreste Aldermån thêra Juttar, that is vrste Grêvetman jefta
+Grêve. Wilhem is kirt after sturven ånd Witto is in sin stêd koren.
+
+
+
+
+
+HO FRISO FORTHER DÊDE.
+
+
+Fon sin êrosta wif hêder twên sviaringa bihalda, thêr sêr klok
+wêron. Hetto, that is hête, thene jongste skikt er as senda boda
+nêi Kattaburch thåt djap inna Saxanamarka lêid. Hi hêde fon Friso
+mith krêjen sjugon horsa buta sin åjn, to lêden mith kestlika sêkum,
+thrvch tha sêkåmpar râwed. Bi jahweder hors wêron twên jonga sêkåmpar
+ånd twên jonga hrutar mith rika klâdarum klâth ånd jeld in hiara
+bûdar. Êvin as er Hetto nêi Kattaburch skikte, skikter Bruno, thåt
+is brûne, thene ôthera svjaring nêi Mannagårda wrda, Mannagårda
+wrda is fâr in thit bok [92] Mannagårda forda skrêven, men thât is
+misdên. Alle rikdoma thêr hja mith hede wrdon nêi omstand wêi skånkt
+an tha forsta and forstene ånd an tha utforkêrne mangêrtne. Kêmon thâ
+sine knapa vppa thêre mêid vmbe thêr mith et jongkfolk to dônsjane,
+sa lêton hja kvra mith krûdkok kvma ånd bårgum jeftha tonnum fon
+tha besta bjar. After thissa bodon lêt-er immer jongkfolk over tha
+Saxanarmarka fâra, thêr alle jeld inna budar hêde ånd alle mêida
+jeftha skånkadja mith brochton, ånd vppa thêre mêid têradon hja alon
+vnkvmmerlik wêi. Jef-t nv bêrde thåt tha Saxana knâpa thêr nydich nêi
+utsâgon, thån lakton hja godlik ånd sêidon, aste thvrath thene mêna
+fyand to bikåmpane, sâ kånst thin brêid jet fül riker mêida jân ånd
+jet forstelik têra. Al bêda sviaringa fon Friso send bostigjad mith
+toghaterum thêra romriksta forstum, ånd åfkernêi kêmon tha Saxanar
+knâpa ånd mangêrtne by êlle keddum nêi thåt Flymar del.
+
+Tha burchfâmna ånd tha alda fâmna thêr jeta fon hjar êre grâthêd wiste,
+nygadon navt vr nêi Frisos bedriv, thêrvmbe ne kêthon hja nên god fon
+him. Men Friso snôder as hja lêt-ra snâka. Men tha jonga fâmna spônd-er
+mith goldne fingrum an sina sêk. Hja sêidon alomme wy nåvath longer
+nên Moder mâr, men thåt kvmth dâna thåt wit jêroch send. Jvd past vs
+ne kâning, til thju wi vsa landa wither winna, thêr tha Modera vrlêren
+håve thrvch hjara vndigerhêd. Forth kêthon hja, alrek Fryasbern is
+frydom jêven, sin stem hêra to lêtane bi fara thêr bisloten wårth bi
+t kjasa ênre forste, men ast alsa wyd kvma machte thåt i jo wither ne
+kåning kjasa, sâ wil ik âk min mêne segse. Nêi al hwat ik skoja mêi,
+sâ is Friso thêr to thrvch Wr.alda kêren, hwand hi heth im wonderlik
+hir hinne wêiad. Friso wêt tha hrenka thêra Golum, hwam his tâle hi
+sprêkt, hi kån thus åjen hjara lestum wâka. Thån is thêr jeta awet to
+skojande, hok Grêva skolde mån to kåning kjasa svnder that tha ôra
+thêr nidich vr wêron. Aldulkera tâlum wårth thrvch tha jonga fâmnn
+kethen, men tha alde fâmma afskên fê an tal, tapadon hjara rêdne ut en
+ôthera bårg. Hja kêthon allerwêikes ånd to alla mannalik: Friso kêthon
+hja dvath sâ tha spinna dvan, thes nachtis spônth-i netta nêi alle
+sidum ånd thes dêis vrskalkth-i thêr sina vnåftertochtlika frjunda
+in. Friso sêith that-er nêne prestera ner poppa forsta lyde ne mêi,
+men ik seg, hi ne mêi nimman lyda as him selva. Thêrvmbe nil hi navt
+ne dâja thåt thju burch Stavia wither vp hêjath warth. Thêrvmbe wil
+hi nêne Moder wêr hâ. Jud is Friso jow rêd jêvar, men morne wil hi
+jow kåning wertha, til thju hi over jo alle rjuchta mei. Inna bosm
+thes folk-is antstondon nw twa partyja. Tha alda ånd årma wildon
+wither êne Moder hâ, men thåt jongkfolk, thåt fvl strêdlust wêre
+wilde ne tât jeftha kåning hâ. Tha êrosta hêton hjara selva moder
+his svna ånd tha ôthera hêton hjara selva tât his svna, men tha Moder
+his svna ne wrde wrde navt ni meld, hwand thrvchdam thêr fêlo skêpa
+mâked wrde, was thêr ovirflod to fâra skipmâkar, smêda, sylmâkar,
+rêpmâkar ånd to fâra alle ôra ambachtisljud. Thêr to boppa brochton
+tha sêkåmpar allerlêja syrhêda mith. Thêr fon hêdon tha wiva nocht,
+tha fâmna nocht, tha mangêrtne nocht, ånd thêrof hêdon al hjara mêgum
+nocht ånd al hjara frjundum ånd âthum.
+
+Tha Friso bi fjuwertich jêr et Stâveren hushalden hêde sturf-er. [93]
+Thrvch sin bijelda hêde-r fêlo stâta wither to manlik ôtherum brocht,
+thach jef wi thêr thrvch bêter wrde thvr ik navt bijechta. Fon
+alle Grêva thêr bifâra him wêron n-as thêr nimman sâ bifâmed lik
+Friso wêst. Tha sâ as-k êr sêide, tha jonge fâmna kêthon sina love,
+thahwila tha alda fâmna ella dêdon vmb-im to achtjane ånd hâtlik to
+mâkjane bi alle månniska. Nw ne machton tha alda fâmna him thêr mitha
+wel navt ne stôra in sina bijeldinga, men hja håvon mith hjara bâra
+thach alsa fül utrjucht thåt-er sturven is svnder thåt er kåning wêre.
+
+
+
+
+
+NW WIL IK SKRIWA VR ADEL SIN SVNV.
+
+
+Friso thêr vsa skidnese lêred hêde ut-et bok thêra Adellinga, hêde
+ella dên vmbe hjara frjundskip to winnande. Sin êroste svnv thêr hi hir
+won by Swêthirte sin wif, heth-er bi stonda Adel hêten. And afskên hi
+kåmpade mith alle sin weld, vmbe nêne burga to forstålane ner wither
+vp to bvwande, thach sand hi Adel nêi thêre burch et Texland til thju
+hi diger bi diger kvd wertha machta, mith ella hwat to vsa êwa, tâle
+ånd sedum hêreth. Tha Adel twintich jêr tålde lêt Friso him to sin
+åjn skol kvma, ånd as er thêr utlêred was, lêt-er him thrvch ovir alle
+stâta fâra. Adel was-ne minlika skalk, bi sin fâra heth-er fêlo âtha
+wnnen. Dâna is-t kvmen thåt et folk him Atha-rik hêten heth, awet hwat
+him åfternêi sa wel to pase kêm, hwand as sin tât fallen was, bilêv
+er in sin stêd svnder that er vr-et kjasa êner ôthera Grêva sprêka kêm.
+
+Thahwila Adel to Texland inna lêre wêre, was thêr tefta en êlle
+ljawe fâm in vpper burch. Hju kêm fon ut tha Saxanamarkum wêi,
+fon ut-êre stâtha thêr is kêthen Svôbaland thêr thrvch wårth hju to
+Texland Svôbene [94] hêten, afskên hjra nôme Ifkja wêre. Adel hêde
+hja ljaf krêjen ånd hju hêde Adel ljaf, men sin tåt bêd-im hi skolde
+jet wachtja. Adel was hêrich, men alsa ring sin tât fallen was ånd hi
+sêten, sand hi bistonda bodon nei Berth-holda hira tât hin, as-er sine
+toghter to wif håva machte. Bertholda wêr-ne forste fon vnforbastere
+sêd, hi hêde Ifkja nêi Texland inna lêre svnden inner hâpe that hja
+ênis to burchfâm kêre wrde skolde in sine åjn land. Thach hi hêde
+hjara bêder gêrte kånna lêred, thêrvmbe gvng-er to ånd jef hjam sina
+sêjen. Ifkja wêr-ne kante Fryas. Far sa fêre ik hja håv kånna lêred,
+heth hju alôn wrocht ånd wrot til thju Fryasbern wither kvma machte
+vndera selva êwa ånd vnder ênen bôn. Vmbe tha månniska vppa hira syd
+to krêjande, was hju mith hira frjudelf fon of hira tât thrvch alle
+Saxanamarka fâren and forth nêi Gêrtmånnja. Gêrtmannja alsa hêdon
+tha Gêrtmanna hjara stât hêten, thêr hja thrvch Gosa hira bijeldinga
+krêjen hêde. Dâna gvngen hja nei tha Dênemarka. Fon tha Dênemarka
+gvngon hja skip nei Texland. Fon Texland gvngon hja nêi Westflyland
+en sa allingen tha sê nêi Walhallagâra hin. Fon Walhallagâra brûdon
+hja allingen thêra sûder Hrênum al ont hja mith grâta frêse boppa
+thêre Rêne bi tha Marsâta kêmon [95] hwêrfon vsa Apollânja skrêven
+heth. Tho hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja wither nêi tha delta
+[96]. As hja nw en tid lông nêi tha delta offâren wêron al ont hja inna
+strêk fon thêre alda burch Aken [97] kêmon, sind thêr vnwarlinga fjuwer
+skalka morth and naked uteklât. Hja wêron en lith åfter an kvmen. Min
+brother thêr vral by was hêde hja often vrbêden, thach hja nêde navt
+ne hêred. Tha bônar thêr thåt dên hêde wêron Twisklândar thêr juddêga
+drist wêi ovira Hrêna kvma to morda and to râwande. Tha Twislândar thåt
+sind bannane ånd wêi britne Fryasbern, men hjara wiva håvath hja fon
+tha Tartarum râwet. Tha Tartara is en brûn Findas folk, althus hêten
+thrvchdam hja alle folka to strida uttarta. Hja send al hrutar ånd
+râwar. Thêr fon send tha Twisklândar alsa blod thorstich wrden. Tha
+Twisklândar tham thju årgnise dên hêde, hêton hjara selva Frya jeftha
+Franka. Ther wêron sêide min brother râda bruna ånd wita mong. Thêre
+thêr râd jeftha brun wêron biton hjara hêre mith sjalkwêter [98]
+wit. Nêidam hjara ônthlita thêr brun by wêr, alsa wrdon hja thesto
+lêdliker thêr thrvch. Êvin as Apollânja biskojadon hja åfternêi
+Lydasburch ånd et Aldergâ. Dâna tâgon hju in over Stâverens wrde by
+hjara ljuda rond. Alsa minlik hêdon hja hjara selva anståled that
+tha månniska ra allerwêikes halda wilde. Thrê mônatha forther sand
+Adel bodon nêi alle âthum thêr hi biwnnen hêde ånd lêt tham bidda,
+hja skoldon inna Minna mônath lichta ljuda to him senda. [99]
+
+sin wif sêid er thêr fâm wêst hêde to Texlând, hêde dâna en ovirskrift
+krêjen. To Texland warthat jeta fêlo skrifta fvnden, thêr navt in-t
+bok thêra Adelinga vrskrêven send. Fon thissa skriftum hêde Gosa ên
+bi hira utroste wille lêid, thêr thrvch tha aldeste fâm Albêthe avbêr
+mâkt wertha most, alsa ringen Friso fallen was.
+
+
+
+
+
+HYR IS THAT SKRIFT MITH GOSAS RÊD.
+
+
+Tha Wralda bern jêf an tha modera fon thåt månniskelik slachte,
+thâ lêid er êne tâle in aller tonga ånd vp aller lippa. Thjus mêide
+hêde Wralda an tha månniska jêven, til thju hja månlik ôthera thêrmith
+machte kånbêr mâkja, hwat mån formyde mot ånd hwat mån bijagja mot vmbe
+sêlighêd to findane ånd sêlighêd to haldane in al êvghêd. Wralda is
+wis ånd god ånd al fårsjande. Nêidam er nw wist, thåt luk ånd sêlighêd
+fon irtha flya mot, jef boshêd düged bidroga mêi, alsa heth er an thju
+tâl êne rjuchtfêrdige åjendomlikhêd fåst bonden. Thjus åjendomlikhêd
+is thêr an lêgen, thåt mån thêr mith nên lêjen sêge, ner bidroglika
+worda sprêka ne mêi svnder stem lêth noch svnder skâmrâd, thrvch hvam
+mån tha bosa fon hirte bistonda vrkånna mêi. Nêidam vsa tâle thus to
+luk ånd to sêlighêd wêjath, ånd thus mith wâkt åjen tha bosa nygonga,
+thêrvmbe is hju mith alle rjucht godis tâle hêten, ånd alle tha jêna
+hwam hja an êre halda hâvath thêr gôme fon. Tha hwat is bêrth. Alsa
+ring thêr mong vsa halfsusterum ånd halfbrotharum bidrogar vpkêmon,
+tham hjara selva fori godis skalkum utjavon, also ring is thåt owers
+wrden. Tha bidroglika prestera ånd tha wrangwrêja forsta thêr immer
+sêmin hêladon, wildon nêi wilkêr lêva ånd buta god-is êwa dvan. In
+hjara tsjodishêd send hja to gvngen ånd håvon ôthera tâla forsvnnen,
+til thju hja hêmlik machte sprêka in åjenwårtha fon alrek ôtherum,
+vr alle bosa thinga ånd vr alle vnwêrthlika thinga svnder thåt
+stemlêth hjam vrrêda mocht nach skâmrâd hjara gelât vrderva. Men
+hwat is thêrut bern. Êvin blyd as-t sêd thêra goda krûdum fon vnder
+ne grvnd ut vntkêmth, thåt avbêr sêjed is thrvch goda ljuda by helle
+dêi, êven blyd brength tyd tha skâdlika krûda an-t ljucht, thêr sêjed
+send thrvch bosa ljuda in-t forborgne ånd by thjustrenesse.
+
+Tha lodderiga mangertne ånd tha vnmånlika knâpa thêr mitha vvla
+presterum ånd forstum horadon vntlvkadon tha nya tâla an hjara bola,
+thêrwisa send hja forth kvmen êmong tha folkrum, til thju hja god-is
+tâle glâd vrjetten håve. Wilst nw wêta hwat thêr of wrden is? Nv
+stemlêth ner gelât hjara bosa tochta navt longer mar vrrêdon, nv is
+düged fon ut hjara midden wêken, wisdom is folgth ånd frydom is mith
+gvngen, êndracht is sok râkt ånd twispalt heth sin stêd innommen,
+ljafde is fljucht ånd hordom sith mith nyd an têfel, ånd thêr êr
+rjuchtfêrdichhêd welde, welth nv thåt swêrd. Alle send slâvona wrden,
+tha ljuda fon hjara hêra, fon nyd, bosa lusta ånd bigyrlikhêd. Hêde hja
+nvmâr êne tâle forsvnnen, müglik was-t thån jet en lith god gvngen. Men
+hja håvon alsa fêlo tâla utfonden as thêr stâta send. Thêrthrvch mêi
+thåt êne folk thåt ôre folk êvin min forstân as thju kv thene hvnd
+ånd thi wolf thåt skêp. Thit mügath tha stjurar bitjuga. Thach dânâ
+is-t nv wêi kvmen, thåt alle slâvona folkar månlik ôthara lik ôra
+månniska biskoja ånd thåt hja to straffe hjarar vndigerhêd ånd fon
+hjara vrmêtenhêd, månlik ôthera alsa long biorloge ånd bikampa moton
+til thju alle vrdilgad send.
+
+
+
+
+
+HYR IS NV MIN RÊD.
+
+
+Bist thv alsa gyrich that thu irtha allêna erva wilste, alsa achst thv
+nimmer mâre nên ôre tâle ovir thina wêra ni kvma to lêtane as god-is
+tâle, ånd thån achst thv to njodane, til thju thin åjn tâle fry fon
+uthêmeda klinka bilyweth. Wilst thv thåt er svme fon Lydas bern ånd
+fon Findas bern resta, sâ dvath stv êvin alsa. Thju tâle thêra Ast
+Skênlandar is thrvch tha wla Mâgjara vrbrûd; thju tâle thêra Kaltana
+folgar is thrvch tha smûgrige Gole vrderven. Nv send wi alsa mild wêst
+vmbe tha witherkvmande Hellêna folgar wither in vs midden to nêmande,
+men ik skrom ånd ben sêrelik ange, thåt hja vs mild-sa vrjelda skilun
+mith vrbrûding vsra rêne tâle.
+
+Fül håvon wi witherfâren, men fon alle burgum, thêr thrvch arge
+tyd vrhomlath send ånd vrdiligad, heth Irtha Fryasburch vnforleth
+bihalden; åk mêi ik thêr by melda thåt Fryas jeftha god-is tâle hir
+evin vnforleth bihalden is.
+
+Hyr to Texland most mån thus skola stifta, fon alle stâtum thêr
+et mitha alda sêdum halda, most-et jongk folk hyr hinne senden
+wrde, åfterdam mochton thêra utlêred wêre tha ôra helpa thêr to
+honk vrbêide. Willath tha ôra folkar ysre wêron fon thi sella ênd
+thêrvr mith thi sprêka ånd thinga, sâ moton hja to god-istâle wither
+kêra. Lêrath hja god-is tâle sâ skilun tha worda fry-sâ ånd rjucht-hâ
+to hjara inkvma, in hjara brêin skilet thån bijina to glimmande ånd
+to glorande til thju ella to-ne logha warth. Thissa logha skil alle
+balda forsta vrtêra ånd alle skinfrâna ånd smûgriga prestera.
+
+Tha hêinde ånd fêrhêmande sendabodon hêdon nocht fon vr thåt skrift,
+thach thêr ne kêmon nêne skola. Thå stifte Adel selva skola, åfter
+him dêdon tha ôra forsta lik hy. Jêrlikis gvngon Adel ånd Ifkja tha
+skola skoja. Fandon hja thån êmong tha inhêmar ånd uthêmar seliga thêr
+ekkorum frjundskip bâradon, sâ lêton bêde grâte blidskip blika. Hêdon
+svme seliga ekkorum frjundskip sworen, alsa lêton hja alra mannalik
+to manlik ôrum kvma, mith grâte stât lêton hja thån hjara nôma in en
+bok skriva, thrvch hjam thåt bok thêra frjundskip hêten, åfter dam
+warth fêrst halden. Al thissa plêga wrde dên vmbe tha asvndergana
+twyga fon Fryas stam wither et sêmene to snôrane. Men tha famna thêr
+Adel ånd Ifkja nydich wêron, sêidon that hja-t niwerth ôre vr dêdon
+as vmb en gode hrop, ånd vmb bi grâdum to weldana in ovir ênis ôther
+man his stât.
+
+By min tât sinra skriftum håv ik ênen brêf funden, skrêvin thrvch
+Ljudgêrth thene Gêrtmån [100], bihalva svmlika sêka thêr min tât
+allêna jelde, jêf ik hyr thåt ôthera to thåt besta.
+
+Pang-ab, thât is fyf wåtera ånd hwêr neffen wi wech kvme, is-ne
+runstrâme fon afsvnderlika skênhêd, ånd fif wåtera hêten vmb thet
+fjuwer ôra runstrama thrvch sine mvnd in sê floja. Êl fere âstwarth is
+noch ne grâte runstrâme thêr hêlige jeftha frâna Gong-ga hêten. Twisk
+thysum runstrâmne is-t lônd thêra Hindos. Bêda runstrâma runath fon
+tha hâga bergum nêi tha delta del. Tha berga hwanâ se del strâme
+sind alsa hâch thet se to tha himel låja. Thêrvmbe wårth-et berchta
+Himellâja berchta hêten. Vnder tha Hindos ånd ôthera ut-a lôndum sind
+welka ljuda mank thêr an stilnise by malkorum kvma. Se gelâvath thet
+se vnforbastere bern Findas sind. Se gelâvath thet Finda fon ut-et
+Himmellåja berchta bern is, hvanâ se mith hjara bern nêi tha delta
+jeftha lêgte togen is. Welke vnder tham gelâvath thet se mith hjra
+bern vppet skum thêr hêlige Gongga del gonggen is. Thêrvmbe skolde thi
+runstrâme hêlige Gongga hêta. Mâr tha prestera thêr ut en ôr lônd wech
+kvma lêton thi ljuda vpspêra ånd vrbarna, thêrvmbe ne thurvath se far
+hjara sêk nit ôpentlik ut ni kvma. In thet lônd sind ôlle prestera tjok
+ånd rik. In hjara chårka werthat ôllerlêja drochtenlika byldon fvnden,
+thêr vnder sind fêlo golden mank. Biwesta Pangab thêr sind tha Yra
+jeftha wranga, tha Gedrostne jeftha britne, ånd tha Orjetten jeftha
+vrjetne. Ol thisa nôma sind-ar thrvch tha nydige prestera jêven,
+thrvchdam hja fon ar fljuchte, vmb sêda ånd gelâv. bi hjara kvmste
+hêdon vsa êthla hjara selva âk an tha âstlika ower fon Pangab del
+set, men vmb thêra prestera wille sind se âk nêi thêr wester ower
+fâren. Thêrthrvch håvon wi tha Yra ånd tha ôthera kenna lêrth. Tha
+Yra ne sind nêne yra mâr gôda minska thêr nêna byldon to lêta nach
+ônbidda, âk willath se nêna chårka nach prestar doga, ånd êvin als
+wi-t frâna ljucht fon Fåsta vpholda, êvin sâ holdon se ôllerwechs fjur
+in hjara hûsa vp. Kvmth môn efter êl westlik, ôlsâ kvmth môn by tha
+Gedrostne. Fon tha Gedrostne. Thisa sind mith ôra folkrum bastered ånd
+sprêkath ôlle afsvnderlika tâla. Thisa minska sind wêrentlik yra bonar,
+thêr ammer mith hjara horsa vp overa fjelda dwâla, thêr ammer jâgja
+ånd râwa ånd thêr hjara selva als salt-âtha forhêra an tha omhêmmande
+forsta, ther wille hwam se alles nither hâwa hwat se birêka müge.
+
+Thet lônd twisk Pangab ånd ther Gongga is like flet as Fryaslônd an tha
+sê, afwixlath mith fjeldum ånd waldum, fruchtbâr an alle dêlum, mâr
+thet mach nit vrletta that thêr bi hwila thûsanda by thûsanda thrvch
+honger biswike. Thisa hongernêde mach thêrvmbe nit an Wr.alda nach
+an Irtha wyten nit wertha, mâr allêna an tha forsta and prestera. Tha
+Hindos sind ivin blode ånd forfêred from hjara forstum, als tha hindne
+from tha wolva sind. Thêrvmbe håvon tha Yra ånd ôra ra Hindos hêten,
+thêt hindne bitjoth. Mâr fon hjara blodhêd wårth afgrislika misbruk
+mâkth. Kvmat thêr fêrhêmande kâpljud vmb kêren to kâpjande, alsa warth
+alles to jeldum mâkth. Thrvch tha prestera ni warth et nit wêrth,
+hwand thisa noch snoder ånd jyriger als alle forsta to samene, wytath
+êl god, thet al-et jeld endlik in hjara bûdar kvmth. Buta ånd bihalva
+thet tha ljuda thêr fül fon hjara forsta lyda, moton hja âk noch fül
+fon thet fenynige ånd wilde kwik lyda. Thêr send store elefante thêr
+by êle keddum hlâpa, thêr bihwyla êle fjelda kêren vrtrappe ånd êle
+thorpa. Thêr sind bonte ånd swarte katta, tigrum hêten, thêr sâ grât
+als grâte kalvar sind, thêr minsk ånd djar vrslynne. Bûta fêlo ôra
+wriggum sind thêr snâka fon af tha grâte êner wyrme âl to tha grâte
+êner bâm. Tha grâteste kennath en êle kv vrslynna, mâr tha lythste sind
+noch frêsliker als tham. Se holdon hjara selva twisk blom ånd fruchta
+skul vmb tha minska to bigâna tham thêr of plokja wille. Is môn thêr
+fon byten, sâ mot môn stårva, hwand åjen hjara fenyn heth Irtha nêna
+krûda jêven, ôlsânâka tha minska hjara selva håvon skildich mâkt an
+afgodie. Forth sind thêr ôllerlêja slacht fon hâchdiska nyndiska ånd
+adiska, ôl thisa diska sind yvin als tha snâka fon of ne wyrme til-ne
+bâmstame grât, nêi that hja grât jof frêslik sind, sind hjara nôma,
+thêr ik alle nit noma ni ken, tha aldergrâtesta âdiska sind algåttar
+hêten, thrvchdam se yvin grûsich bitte an thet rotte kwik, that mith-a
+strâma fon boppa nêi tha delta dryweth as an thet lêvande kwik, that
+se bigâna müge. An tha westsyde fon Pangab, wânâ wi wech kvme ånd hwer
+ik bern ben, thêr blojath ånd waxath tha selva frûchta ånd nochta as
+an tha âstsyde. To fâra wrdon er âk tha selva wrigga fonden, mår vsa
+êthla havon alle krylwalda vrbårnath ånd alsânâka åfter et wilde kwik
+jâged, that ther fê mår resta. Kvmth man êl westlik fon Pangab, then
+finth man neffen fette etta âk dorra gêstlanda thêr vnendlik skina,
+bihwila ofwixlath mith ljaflika strêka, hwêran thet âg forbonden
+bilywet. Vnder tha fruchta fon min land sind fêlo slachta mank, thêr
+ik hyr nit fvnden håv. Vnder allerlêja kêren is er âk golden mank,
+åk goldgêle aple, hwêrfon welke sâ swêt as hûning sind, ånd welka
+sa wrang as êk. By vs werthat nochta fonden lik bern-hâveda sâ grât,
+thêr sit tsys ånd melok in, werthat se ald sâ mâkt man ther ôlja fon,
+fon tha bastum mâkt mån tâw ånd fon tha kernum mâkt mån chelka ånd ôr
+gerâd. Hyr inna walda håv ik krup ånd stâkbêja sjan. By vs sind bêibâma
+als jow lindabâma, hwêrfon tha bêja fül swêter ånd thrêwâra grâter
+as stâkbêja sind. Hwersa tha dêga vppa sin olderlôngste sind ånd thju
+svnne fon top skinth, then skinth se linrjucht vppa jow hole del. Is
+mån then mith sin skip êl fêr sûdlik faren, ånd mån thes middêis
+mith sin gelât nêi-t âsten kêred, sâ skinth svnne åjen thine winstere
+syde lik se ôwers åjen thine fêre syde dvath. Hyrmitha wil ik enda,
+mâr after min skrywe skil-et thi licht nog falla, vmb tha lêjenaftiga
+teltjas to müge skiftane fon tha wara tellinga. Jow Ljudgêrt.
+
+
+
+
+
+THET SKRIFT FON BÊDEN.
+
+
+Mine nôm is Bêden, Hachgâna his svn. Konerêd min êm is nimmer
+bostigjath ånd alsa bernlâs sturven. My heth mån in sin stêd
+koren. Adel thene thredde kåning fon thjuse nôme heth thju kêse
+godkêrth, mites ik him as mina måstre bikenna wilde. Buta thåt fvlle
+erv minre êm heth-er mi en êle plek grvnd jêven thåt an mina erva
+pâlade, vnder fârwêrde that ik thêrvp skolde månniska stålla ther
+sina ljuda nimmerthe skolde [101].
+
+
+
+thêrvmbe wil ik thet hir-ne sted forjune.
+
+
+
+
+
+BRÊF FON RIKA THJU ALDFAM, VPSEID TO STAVEREN BY-T JOLFÊRSTE.
+
+
+Jy alle hwam his êthla mith Friso hir kêmon, min êrbydnesse to jo. Alsa
+jy mêne, send jy vnskeldich an afgodie. Thêr nil ik jvd navt vr sprêka,
+men jvd wil ik jo vppen brek wysa, thåt fê bêtre sy. Jy wêtath jeftha
+jy nêtath navt, ho Wralda thusand glornôma heth, thach thåt wêtath
+jy alle thåt hy warth Alfêder hêten, ut êrsêke thåt alles in ut him
+warth ånd waxth to fêding sinra skepsela. T-is wêr, thåt Irtha warth
+bihwyla âk Alfêdstre hêten, thrvchdam hju alle früchd ånd nochta
+bêrth, hwermitha månnisk ånd djar hjara selva fêde. Thach ne skolde
+hju nêne früchd ner nocht navt ne bêra, bydam Wralda hja nêne krefta
+ne jêf. Ak wiva ther hjara bern måma lêta an hjara brosta, werthat
+fêdstra hêten. Thâ ne jêf Wralda thêr nên melok in, sa ne skoldon
+tha bern thêr nêne bâte by finda. Sâ thåt by slot fon reknong Wralda
+allêna fêder bilywet. Thåt Irtha bihwyla warth Alfêdstre heten, ånd
+êne måm fêdstre, kån jeta thrvch-ne wende, men thåt-ne mån him lêt
+fêder hête vmbe thåt er tât sy, thåt strid with-åjen alle rêdnum. Thâ
+ik wêt wânât thjus dwêshêd wêi kvmth. Hark hyr, se kvmth fon vsa lêtha,
+ånd sâhwersa thi folgath werthe, sâ skilun jy thêrthrvch slâvona wertha
+to smert fon Frya ånd jowe hâgmod to.ne straf. Ik skil jo melda ho-t
+by tha slâvona folkar to gvngen is, thêr åfter mêi jy lêra. Tha poppa
+kåningar tham nêi wilkêr lêva, stêkath Wralda nêi thêre krône, ut nyd
+that Wralda Alfêder hêt, sa wildon hja fêdrum thêra folkar hêta. Nw
+wêt allera mannalik thåt-ne kêning navt ovir-ne waxdom ne welth,
+ånd thåt im sin fêding thrvch thåt folk brocht warth, men thach
+wildon hja fvlherdja by hjara formêtenhêd. Til thju hja to-ra dol
+kvma machte, alsa hâvon hja thet forma navt fvldên wêst mith tha frya
+jefta, men håvon hja thåt folk êne tins vplêid. Fori thene skåt, tham
+thêrof kêm, hêradon hja vrlandiska salt-âtha, tham hja in-om hjara
+hova lêidon. Forth namon hja alsa fêlo wiva, as-ra luste, ånd tha
+lithiga forsta ånd hêra dêdon al-ên. As twist ånd tvyspalt åfternêi
+inna hûshaldne glupte ånd thêr-vr klâchta kêmon, thâ håvon hja sêid,
+ja-hweder mån is thêne fêder fon sin hûshalden, thêrvmbe skil-er thêr
+âk bâs ånd rjuchter ovir wêsa. Thâ kêm wilkêr ånd êvin as tham mitha
+månnum in ovir tha hûshaldne welde, gvng er mit tha kåningar in ovir
+hjara stât ånd folkar dvan. Thâ tha kåningar et alsa wyd brocht hêdon,
+thåt hja fêderum thêra folkar hête, thâ gvngon hja to ånd lêton
+byldon åfter hjara dântne mâkja, thissa byldon lêton hja inna tha
+cherka stalla nêst tha byldon thêra drochtne ånd thi jena tham thêr
+navt far bûgja nilde, warth ombrocht jeftha an kêdne dên. Jow êthla
+ånd tha Twisklandar håvon mitha poppa forsta ommegvngen, dâna håvon
+hja thjuse dwêshêd lêred. Tha navt allêna thåt svme jower mån hjara
+selva skeldich mâkja an glornôma râw, âk mot ik my vr fêlo jower wiva
+biklâgja. Werthat by jo mån fvnden, tham mith Wralda an ên lin wille,
+thêr werthat by jo wiva fvnden, thêr et mêi Frya wille. Vmbe thåt hja
+bern bêred håve, lêtath hja hjara selva modar hêta. Tha hja vrjettath,
+that Frya bern bêrde svnder jengong ênis mån. Jå navt allêna thåt
+hja Frya ånd tha êremodar fon hjara glor-rika nôma birâwa wille,
+hwêran hja navt nâka ne müge, hja dvath alên mitha glornôma fon hjara
+nêsta. Thêr send wiva thêr hjara selva lêtath frovva hêta, afsken
+hja wête thåt thjuse nôme allêna to forsta wiva hêreth. Ak lêtath hja
+hjara toghatera fâmna hêta, vntankes hja wête, thåt nêne mangêrt alsa
+hêta ne mêi, wâra hju to êne burch hêrth. Jy alle wânath thåt jy thruch
+thåt nôm râwa bêtre werthe, thach jy vrjettath thåt nyd thêr an klywet
+ånd thåt elk kwâd sine tuchtrode sêjath. Kêrath jy navt ne wither,
+sâ skil tid thêr waxdom an jêva, alsa stêrik thåt mån et ende thêr of
+navt bisjâ ne mêi. Jow åfterkvmanda skilun thêr mith fêterath wertha,
+hja ne skilun navt ne bigripa hwânat thi slâga wêi kvme. Men afskên jy
+tha fâmna nêne burch bvwe ånd an lot vrlête, thach skilun thêr bilywa,
+hja skilun fon ut wald ånd holum kvma, hja skilun jow åfterkvmande
+biwysa thåt jy thêr willens skildech an send. Thån skil mån jo vrdema,
+jow skina skilun vrfêrth fon ut-a grêvum rysa, hja skilun Wr.alda,
+hja skilun Frya ånd hjara fâmna anhropa, thâ nimman skil-er åwet an
+bêtra ne müge, bifâre thåt Jol in op en ore hlâphring trêth, men thåt
+skil êrist bêra as thrê thûsand jêr vrhlâpen send åfter thisse êw.
+
+
+ Ende fon Rikas brêf. [102]
+
+
+
+thêrvmbe wil ik thåt forma vr swarte Adel skriva. Swarte Adel wêre
+thene fjurde kening åfter Friso. Bi sin jüged heth-er to Texland
+lêred, åfternêi heth-er to Stâveren lêred, ånd forth heth-er thrvch
+ovir alle stâta fâren. Thâ thåt er fjuwer ånd tvintich jêr wêre,
+heth sin tât mâked thåt-er to Asega-âskar kêren is. Thâ-er ênmel
+âskar wêre, âskte hi altid in-t fârdêl thêra årma. Tha rika, sêd-er,
+plêgath ênoch vnrjuchta thinga thrvch middel fon hjara jeld, thêrvmbe
+âgon wi to njvdane thåt tha årma nêi vs omme sjan. Thrvch thâ-s ånd
+ôra rêdne wêr-i thene frjund thêra årma ånd thêra rika skrik. Alsa
+årg is-t kvmen thåt sin tât him nêi tha âgum sach. Thâ sin tât fallen
+was, ând hy vppa tham-his sêtel klywed, thâ wild-er êvin god sin ambt
+bihalda, lik as tha keningar fon-t âsta plêgath. Tha rika nildon thåt
+navt ne dâja, men nw hlip allet ôra folk to hâpe, ånd tha rika wêron
+blyde that hja hêl-hûd-is fon thêre acht ofkêmon. Fon to ne hêrade
+mån nimmar mâra ovir êlika rjucht petârja. Hi dumde tha rika ånd hi
+strykte tha årma, mith hwam his helpe hi alle sêkum âskte, thêr-er
+bistek vp hêde. Kening Askar lik-er immer hêten warth, wêre by sjugun
+irthfêt lônge, sâ grât sin tôl wêr, wêron âk sina krefta. Hi hêde-n
+hel forstân, sâ thåt-er alles forstânde, hwêrwr that sprêken warth,
+thach in sin dvan ne macht mån nêne wisdom spêra. Bi-n skên ônhlite
+hêd-er êne glade tonge, men jeta swarter as sin hêr is sine sêle
+fvnden. Thâ that-er ên jêr kening wêre, nêdsêkte hi alle knâpa fon
+sin stât, hja skoldon jerlikis vppet kåmp kvma ånd thêr skin-orloch
+mâkja. In-t êrost hêde-r thêr spul mith, men to tha lersta warth-et
+sâ menêrlik, that ald ånd jong ut alle wrdum wêi kêmon to frêjande
+jef hja machte mith dva. Thâ hi-t alsa fêre brocht hêde, lêt-er
+wêrskola stifta. Tha rika kêmon to bârane ånd sêidon, that hjara
+bern nw nên lêsa nach skryva navt ne lêrade. Askar ne melde-t navt,
+men as thêr kirt åfter wither skin-orloch halden warth, gvng-er vppen
+vpstal stonda, ånd kêtha hlûd. Tha rika sind to my kvmen to bârana,
+thåt hjara knâpa nên lêsa nach skryva noch lêra, ik n.åv thêr nawet
+vp sêith, thach hir wil ik mine mênong sedsa, ånd an tha mêna acht
+bithinga lêta. Thâ alrek nw nêisgyrich nêi him vpsach, sêid-er forther,
+nêi min bigrip mot mån hjud thåt lêsa ånd skriva tha fâmna ånd alda
+lichta vrlêta. Ik n-il nên kwâd sprêka vr vsa êthla, ik wil allêna
+sega, vndera tyda hwêrvp thrvch svme sâ herde bogath warth, håvon tha
+burchfâmna twyspalt inovir vsa lânda brocht, ånd tha Modera für ånd
+nêi ne kvndôn twyspalt navt wither to-t land ut ne dryva. Jeta årger,
+thahwila hja kålta ånd petårade vr nâdelâsa plêga, send tha Gola
+kvmen ånd hâvon al vsa skêna sûdarlanda râweth. Hêmisdêga send hja
+mith vsa vrbrûda brotharum ånd hjara salt-âthum al overa Skelda kvmen,
+vs rest thus to kjasane twisk-et bêra fon juk jef swêrd. Willath wi fry
+bilywâ, alsa âgon tha knâpa thåt lêsa ånd skryva fârhôndis åfterwêi-n
+to lêtane ånd in stêde that hja invppa mêide hwip ånd swik spêle,
+moton hja mith swêrd ånd spêr spêla. Send wi in alle dêla ofned ånd
+tha knâpa stor enoch vmb helmet ånd skild to bêrane ånd tha wêpne
+to hôntêrane, then skil ik my mith jower helpa vppa thene fjand
+werpa. Tha Gola mêieath then tha nitherlêga fon hjara helpar ånd
+salt-âthum vppa vsa fjeldum skryva mith-et blod, thåt ût hjara wndum
+drjupth. Håvon wi thene fyand ên mel far vs ût drêven, alsa moton wi
+thêrmith forth gvnga, alhwenne thêr nên Gola ner Slâvona nach Tartara
+mâra fon Fryas erv to vrdryvane send. Tha-s rjucht, hrypon tha mâsta
+ånd tha rika ne thvradon hjara mvla navt êpen ne dva. Thjus tosprêke
+hêd er sekur to fara forsonnen ånd vrskriva lêten, hwand s-êwendis fon
+thêre selvare dêi wêron tha ofskriftum thêra hwel in twintich hônda
+ånd thi alle wêron ênishlûdende. Afternêi bifel-er tha skipmanna,
+hja skoldon dubbele fârstêwene mâkja lêta, hwêran mån êne stêlen
+krânboga macht fåstigja. Thêra thêr åfterwêi bilêv warth bibot,
+kvn imman swêra that-er nêne midle navt nêde, alsa moston tha rika
+fon sin gâ-t bitalja. Hjud skil mån sjan hwêr vppa al thåt bâ hêi
+ûthlâpen is. An-t north-ende fon Britanja thåt fvl mith hâga bergum
+is, thêr sit en Skots folk, vr-et mâradêl ût Fryas blod sproten,
+vr-a êne helte send hja ût Kåltanafolgar, vr-et ôra dêl ût Britne
+ånd bannane, thêr by grâdum mith tyd fon-ût-a tinlônum thêr hinna
+fljuchte. Thêr ut-a tinlôna kêmon, håvath algadur vrlandiska wiva
+jeftha fon vrlandis tuk. Thi alle send vnder-et weld thêra Golum,
+hjara wêpne send woden boga ånd spryta mith pintum fon herthis-hornum
+âk fon flintum. Hjara hûsa send fon sâdum ånd strê ånd svme hêmath
+inna hola thêra bergum. Skêpon thêr hja râwed håve, is hjara ênge
+skåt. Mong tha åfterkvmanda thêra Kåltanafolgar håvath svme jeta ysera
+wêpne, thêr hja fon hjara êthlum urven håve. Vmbe nw god forstân to
+werthande, môt ik min telling vr thåt Skotse folk resta lêta, ånd
+êwet fon tha hêinda Krêkalanda skriva. Tha hêinda Krêkalanda håvon vs
+to fara allêna to hêrath, men sunt vnhüglika tidum håvon ra thêr âk
+åfterkvmanda fon Lyda ånd fon Finda nitherset, fon tha lersta kêmon
+to tha lersta en êle hâpe fon Trôje. Trôje alsa heth êne stêde hêten,
+thêr et folk fon tha fêre Krêkalanda innomth ånd vrhomelt heth. Thâ
+tha Trôjana to tha hêinda Krêkalandum nestled wêron, tha håvon hja
+thêr mith tid ånd flit êne sterke stêd mith wâlla ånd burgum bvwed,
+Rome, that is Rum, hêten. Thâ thåt dên was, heth thåt folk him selva
+thrvch lest ånd weld fon thåt êle lând mâster mâked. Thåt folk thåt
+anda sûdside thêre Middelsê hêmth, is fâr-et mâra dêl fon Fhonysja wêi
+kvmen. Tha Fhonysjar [103] send en bastred folk, hja send fon Fryas
+blod ånd fon Findas blod ånd fon Lyda his blod. Thåt folk fon Lyda send
+thêr as slâvona, men thrvch tha vntucht thêr wyva håvon thissa swarte
+månniska al-et ôra folk bastered ånd brun vrfårvet. Thit folk ånd
+tham fon Rome kåmpath ôlân vmb-et mâsterskip fon tha Middelsê. Forth
+lêvath tham fon Roma an fjandskip with tha Fonysjar, ånd hjara prestera
+thêr-et rik allêna welda wille wr irtha, ne mügon tha Gola navt ne
+sjan. Thåt forma håvon hja tha Fphonysjar Mis-selja ofnomen, dânâ alle
+landa, thêr sûdward, westward ånd northward lidsa, âk et sûdardêl
+fon Britanja, ånd allerwêikes håvon hja tha Fonysjar prestera, that
+hêth tha Gola vrjâgeth, dânâ sind thusanda Gola nêi north Brittanja
+brit. Kirt vrlêden was thêr tha vreste thêra Golum sêten vppa thêre
+burch, thêr is kêthen Kêrenåk that is herne, hwanath hi sin bifêla jef
+an alle ôra Gola. Ak was thêr al hjara gold togadur brocht. Kêren herne
+jeftha Kêrenåk is êne stênen burch, thêr êr an Kålta hêrde. Thêrvmbe
+wildon tha fâmna fon tha åfterkvmande thêra Kåltana-folgar tha burch
+wither hâ. Alsa was thrvch tha fyanskip thêra fâmna ånd thêra Golum
+faithe ånd twist in ovir thåt Berchland kvmen mith morth ånd brônd. Vsa
+stjûrar kêmon thêr fâken wol hâlja, thåt hja sellade fori tobirêde
+hûdum ånd linne. Askar was often mith wêst, an stilnesse hêd-er mith
+tha fâmna ånd mith svme forstum âtskip sloten, ånd him selva forbonden
+vmbe tha Gola to vrjâgane ût Kêrenåk. As-er thêrnêi wither kêm jêf hi
+tha forsta ånd wigandliksta manna ysere helma ånd stêla boga. Orloch
+was mith kvmen ånd kirt åfter flojadon strâma blod by tha hellinga
+thêra bergum del. Thâ Askar mênde that kans him tolâkte, gvng-er mith
+fjuwertich skêpum hin ånd nam Kêrenåk ånd thene vreste thêra Golum
+mith al sine gold. Thåt folk wêrmith hi with tha salt-âthum thera
+Golum kåmped hêde, hêd-er ût-a Saxanamarkum lvkt mith lofte fon grâte
+hêra-râve ånd but. Thus warth tha Gola nêwet lêten. Afternêi nam-er
+twâ êlanda to berch far sinum skêpum, ånd hwânath hi lêter ûtgvng vmb
+alle Fonysjar skêpa ånd stêda to birâwane thêr hi bigâna kv. Tha er
+tobek kêm brocht-i tomet sexhvndred thêra storeste knâpum fon thåt
+Skotse berchfolk mith. Hi sêide that hja him to borgum jêven wêren,
+til thju hi sêkur wêsa machte thåt tha eldra him skolde trow bilywa,
+men-t was jok, hi hild ra as lifwêre et sina hova, thêr hja allera
+distik les krêjon in-t ryda ånd in-t hôndtêra fon allerlêja wêpne. Tha
+Denamarkar tham hjara selva sunt lông boppa alle ôra stjûrar stoltlike
+sêkåmpar hête, hêdon sâ ringe navt fon Askar sina glorrika dêdum navt
+ne hêred, jef hja wrdon nydich thêr vr, thêrmête, that hja wilde orloch
+brensa over-ne sê ånd over sina landa. Sjan hyr, ho hi orloch formitha
+machte. Twisk tha bvwfala thêre vrhomelde burch Stavja was jeta êne
+snode burchfâm mith svme fâmna sêten. Hjra nôme was Rêintja ånd thêr
+gvng en grâte hrop fon hira wishêd ût. Thjus fâm bâd an Askar hjra
+helpe vnder bithing, that Askar skolde tha burch Stavja wither vpbvwa
+lête. As-er him thêr to forbonden hêde, gvng Rêintja mith thrim fâmna
+nêi Hals, [104] nachtis gvng hju rêisa ånd thes dêis kêthe hju vppa
+alle markum ånd binna alle mêidum. Wralda sêide hju hêde hja thrvch
+thongar tohropa lêta thåt allet Fryas folk moston frjunda wertha, lik
+sustar ånd brothar tâmed, owers skolde Findas folk kvma ånd ra alle
+fon irtha vrdilligja. Nêi thongar wêron Fryas sjvgun wâkfâmkes hja
+anda drâme forskinnen, sjvgun nachta åfter ekkô-rum. Hja hêde seith
+boppa Fryas landum swabbert ramp mith juk ånd kêdne omme. Thêrvmbe
+moton alle folkar thêr ût Frya sproten send hjara tonôma wêi werpa
+ånd hjara selva allêna Fryas bern jeftha folk hêta. Forth moton alle
+vpstonda ånd et Findas folk fon Fryas erv dryva. Nillath hja thåt
+navt ne dva, alsa skilun hja slâvona benda vmbe hjara halsa krêja,
+alsa skilun tha vrlandaska hêra hjara bern misbruka ånd frytra
+lêta, til thju thåt blod sygath inna jowre grêva. Thån skilun tha
+skinna jowre êthla jo kvma wekja ånd jo bikyvja vr jo lefhêd ånd
+vndigerhêd. Thåt dvme folk, thåt thrvch todvan thêra Mâgyara al
+an sa fül dwêshêd wenth was, lâvadon alles hwat hju sêide ånd tha
+måmma klimdon hjara bern åjen hjara brosta an. Thâ Rêintja thene
+kening fon Hals ånd alle ôthera manniska to êndracht vrwrocht hede,
+sand hju bodon nêi Askar ånd tâg selva alingen thene Balda sê. Dânâ
+gvng hju by tha Hlith-hâwar, althus hêten vmbe that hja hjara fyanda
+immer nêi thet ônhlite hâwe. Tha Hlithhâwar send britne ând bannene
+fon vs åjn folk thåt inna tha Twisklanda sit ånd omme dwarelt. Hjara
+wyva hâvon hja mêst algadur fon tha Tartara râwed. Tha Tartara sênd
+en dêl fon Findas slachte ånd althus thrvch tha Twisklandar hêten
+vmbe thåt hja nimmerthe nên frêtho wille, men tha månniska alti ût
+tarta to strydande. Forth gvng hju åftera Saxnamarka tweres thrvch tha
+ôra Twisklanda hin, allerwêikes thåt selva ûtkêtha. Nêi twam jêr om
+wêron, kêm hju allingen thêre Rêne to honk. By tha Twisklandar hede
+hju hjara selva as Moder ûtjân ånd sêid thåt hja mochton as fry ånd
+franka månniska wither kvma, men thån mosten hja ovir tha Rêne gvngga
+ånd tha Gola folgar ût Fryas sûdarlandum jâgja. As hja thåt dêde,
+sa skolde hjra kêning Askar overa Skelda gvngga ånd thêr thåt land
+ofwinna. By tha Twisklandar send fêlo tjoda plêga fon tha Tartarum ånd
+Mâgjara binna glupt, men âk fül send thêr fon vsa sêdum bilêwen. Thêr
+thrvch håvath hja jeta fâmna thêr tha bern lêra ånd tha alda rêd
+jeva. Bit-anfang wêron hja Reintja nydich, men to tha lesta wårth
+hju thrvch hjam folgath ånd thjanjath ånd allerwêikes bogath, hwêr-et
+nette ånd nêdlik wêre.
+
+Alsa ringen Askar fon Rêintja hjra bodon fornom ho tha Juttar nygath
+wêron, sand hi bistonda bodon fon sinant wegum nêi tha kåning fon
+Hals. Thåt skip, wêrmith tha bodon gvngon, was fvl lêden mith fâmna
+syrhêdum ånd thêr by wêr en golden skild, hwêrvppa Askar his dânte
+kunstalik was utebyld. Thissa bodon mosten frêja jêf Askar thes kåning
+his toghter Frêthogunsta to sin wif håve machte. Frêthogunsta kêm en
+jêr lêter to Stâveren, bi hjara folgar wêre âk ênen Mâgy, hwand tha
+Juttar wêron sunt lông vrbrud. Kirt åfter that Askar mith Frêthogunsta
+bostigjath was, wårth thêr to Stâveren êne scherke bvwad, inna thju
+scherke wrdon tjoda drochten lykanda byldon stålth mith gold trvch
+wrochtne klâthar. Ak is er biwêrath that Askar thêr nachtis ånd vntydis
+mith Frêthogunsta fâr nitherbuwgade. Men sâ fül is sêkur, thju burch
+Stavia ne wårth navt wither vpebvwed. Rêintja was al to bek kvmen,
+ånd gvng nydich nêi Prontlik thju Moder et Texland bârja. Prontlik
+gvng to ånd sand allerwêikes bodon thêr ûtkêthon, Askar is vrjêven
+an afgodie. Askar dêde as murk-i-t navt, men vnwarlingen kêm thêr êne
+flâte ût Hals. Nachtis wrdon tha fâmna ût-êre burch drywen, ånd ogtins
+kvn mån fon thêre burch allêna êne glandere hâpe sjan. Prontlik ånd
+Rêintja kêmon to my vmb skul. Thå ik thêr åfternêi vr nêi tochte, lêk
+it my to, that it kwâdlik fâr min stât bidêja kvste. Thêrvmbe håvon
+wi to sêmne êne lest forsonnen, thêr vs alle bâta most. Sjan hyr ho
+wi to gvngen send. Middel in-t Krylwald biasten Ljvwerde lêith vsa
+fly jeftha wêra, thêr mån allêna thrvch dwarlpâda mêi nâka. In vppa
+thjus burch hêd ik sunt lônge jonga wâkar stald, thêr alle êne grins
+an Askar hêde, ånd alle ôra månniska dânath halden. Nv wast bi vs âk
+al sa wyd kvmen, thåt fêlo wyva ånd âk manna al patêrade vr spoka,
+witte wyva ånd uldermankes, lik tha Dênamarkar. Askar hêde al thissa
+dwâshêde to sin bâta anwenth ånd thåt wildon wi nv âk to vsa bâta
+dva. Bi-ne thjustre nacht brocht ik tha fâmna nêi thêre burch ånd
+dânâ gongen hia mith hjara fâmna in thrvch tha dwarl-pâda spokka in
+wttta klâthar huled, sâ that thêr afternêi nên månnisk mâra kvma ne
+thvrade. Tha Askar mênde thåt-er thu hônda rum hêde, lêt-i tha Mâgjara
+vnder allerlêja nôma thrvch ovir sina stâta fâra ând bûta Grênegâ
+ând bûta mina stât ne wrdon hja nårne navt ne wêrath. Nêi that Askar
+alsa mith tha Juttar ånd tha ôra Dênamarkar forbonden was, gvngon hja
+alsêmina râwa; thach that neth nêne gode früchda bâred. Hja brochton
+allerlêja vrlandiska skåta to honk. Men just thêr thrvch nildon thåt
+jong folk nên ambacht lêra, nach vppa tha fjeldum navt ne werka,
+sâ that hi to tha lersta wel slâvona nimma moste. Men thit was êl
+al åjen Wralda his wille ånd åjen Fryas rêd. Thêrvmbe kv straf navt
+åfterwêga ne bilywa. Sjan hyr ho straffe kvmen is. Ênis hêdon hja to
+sêmine êne êle flâte wnnen, hju kêm fon ûta Middelsê. Thjus flâte was
+to lêden mith purpera klâthar ånd ôra kostelikhêd, thêr alle fon of
+Phonisja kêmon. Thåt wraka folk thêre flâte wårth bisûda thêre Sêjene
+an wal set, men thåt stora folk wårth halden. Thåt most ra as slâvona
+thianja. Tha skêneste wrdon halden vmbe vppet land to bilywane ånd
+tha lêdliksta ånd swartste wrdon an bord halden vmbe vppa tha benka to
+rojande. An-t Fly wårth tha bodel dêlath, men svnder hjara wêta wårth
+âk hjara straf dêlath. Fon tha månniska thêr vppa tha vrlandiska skepum
+stalt wêron, wêron sex thrvch bukpin felth. Mån tochte thåt et eta
+ånd drinka vrjêven wêre, thêrvmbe wårth alles ovir bord jompth. Men
+bûkpin reste ånd allerwêikes, hwêr slâvona jeftha god kêm, kêm âk
+bûkpin binna. Tha Saxmanna brochten hju ovir hjara marka, mith tha
+Juttar for hju nêi Skênland ånd alingen thêre kâd fon tha Balda-sê,
+mith Askar his stjûrar for hju nêi Britanja. Wi ånd tham fon Grênegâ
+ne lêton nên god ner minniska ovir vsa pâla navt ne kvma, ånd thêrvmbe
+bilêwon wi fon tha bûkpin fry. Ho fêlo månniska bûkpin wêirâpth heth,
+nêt ik navt to skrywane, men Prontlik thêr et åfternêi fon tha ôra
+fâmna hêrde, heth my meld, thåt Askar thûsandmel mâra frya månniska
+ût sina stâtum hulpen heth, as er vvla slâvona inbrochte. Thâ pest
+far god wyken was, tha kêmon tha fri wrden Twisklandar nêi thêre Rêne,
+men Askar nilde mith tha forstum fon thåt vvla vrbasterde folk navt an
+êne lyne navt ne stonda. Hi nilde navt ne dâja, that hja skoldon hjara
+selva Fryas bern hêta, lik Rêintja biboden hêde, men hi vrjet thêrbi
+that-i selva swarte hêra hêde. Emong tha Twisklandar wêron thêr twâ
+folkar, thêr hjara selva nêne Twisklandar hêton. Thåt êne folk kêm
+êl fêr ût-et sûd-âsten wêi, hja hêton hjara selva Allemanna. Thissa
+nôma hêdon hja hjara selva jêven, thâ hja jeta svnder wiva inna
+tha walda as bannane ommedwarelde. Lêtar håvon hja fon-et slâvona
+folk wiva râvath, êvin sa tha Hlithâwar, men hja håvon hjara nôme
+bihalden. Thåt ôra folk, thåt mâra hêinde ommedwarelde, hêton hjara
+selva Franka, navt vmbe that hja fry wêron, men Frank alsa hêde thene
+êroste kåning hêten, tham him selva mith hulpe fon tha vrbrûda fâmna
+to ervlik kåning ovir sin folk mâkad hêde. Tha folkar tham an him
+pâladon, hêton hjara selva Thjoth-his svna, that is folk-his svna,
+hja wêron frya månniska bilêwen, nêidam hja nimmer ênen kåning ner
+forste nach mâster bikånnna nilde, as thene jenge tham by mêna willa
+was kêren vppa thêre mêna acht. Askar hêde al fon Rêintja fornommen,
+that tha Twisklandar forsta mêst alti in fiandskip ånd faitha
+wêron. Nw stald-i hjam to fâra, hjâ skolde ênen hêrtoga fon sin
+folk kjasa vmbe that-er ang wêre seid-er that hja skolde mit manlik
+ôtherum skoldon twista ovir-et mâsterskip. Ak sêid-er kvndon sina
+forsta mith-a Golum sprêka. Thåt sêid-er wêre âk Moder his mêne. Thâ
+kêmon tha forsta thêra Twislandar to ekkôrum ånd nêi thrija sjugun
+etmelde kêron hja Alrik to-ra hertoga ut. Alrik wêre Askar his nêva,
+hi jef him twên hvndred skotse ånda hvndred thêra storosta Saxmanna
+mith to lifwêra. Tha forsta moston thrija sjvgun fon hjara svnum nêi
+Stâveren senda to borg hjarar trow. To nv was alles nêi winsk gvngen,
+men thâ mån ovire Rêne fara skolde, nildon thene kåning thêra Franka
+navt vnder Alrikis bifêla navt ne stonda. Thêrthrvch lip alles an tha
+tys. Askar thêr mênde thåt alles god gvng, lande mith sina skêpa anna
+tha ôre syde thêre Skelda, men thêr was was man long fon sin kvmste
+to ljucht ånd vppa sin hod. Hja moston alsa ring fljuchta as hja kvmen
+wêron, ånd Askar wrde selva fath. Tha Gola niston navt hwa hja fensen
+hêde, ånd alsa warth hi åfternêi ûtwixlath fori ênnen hâge Gol, thêr
+Askar his folk mith forath hêde. Thawila thåt-et alles bêrade, hlipon
+tha Mâgjara jeta dryster as to fâra ovir vsa bûra ra landa hinna. By
+Egmvda hwêr to fâra tha burch Forâna stân hêde, lêton hja êne cherka
+bvwa jeta grâter ånd rikar as Askar to Stâveren dên hêde. Afternêi
+sêidon hja that Askar thju kåse vrlêren hêde with tha Gola, thrvchdam
+et folk navt lâwa navt nilde, that Wodin hjam helpa kvste, ånd that
+hja him thêrvmbe navt anbidda nilde. Forth gvngon hja to ånd skâkton
+jonga bern tham hja by ra hildon ånd vpbrochten in tha hemnissa fon
+hjara vrbruda lêre. Wêron thêr månniska tham
+
+
+
+Het overige ontbreekt.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Het woord Bok wordt in het Handschrift overal zoo geschreven;
+en daarmede stemmen alle Oud-Friesche Rechtboeken overeen. De
+woordenboeken van v. Richthofen en Hettema schrijven Bok of Boc. De
+spelling Bôk is Kamper wanspraak.
+
+[2] Als verslag voorgelezen in eene vergadering van het Friesch
+Genootschap Februarij 1871 en bij deze uitgave onveranderd gelaten.
+
+[3] Verg. G. Meerman, Admonitio de Chartae nostratis
+origine. Vad. Letteroef. 1762. bl. 630.
+
+Mr. J. H. de Stoppelaar, Het papier in de Nederlanden, Middelburg,
+1869. bl. 4.
+
+[4] Min-erva werd Nyhellenia genoemd, omdat hare raadgevingen ny en
+hel, nieuw en helder waren. Desgelijks heet het in Pauli Epitome van
+S. Pomponius Festus de verborum Significatione, Min-erva dicta quod
+bene moneat.
+
+Zie Preller, Rom. Myth. p. 258.
+
+[5] Mis.sellia, miskoop, verkeerde koop.
+
+[6] 3449 - 1256 = 2193 voor Chr.
+
+[7] Magy, Koning der Magyaren en Finnen.
+
+[8] nêsa = ne wêsa.
+
+[9] nilde = ne wilde.
+
+[10] nête = ne wête.
+
+[11] Oni, oud Holl. ane, Duitsch ohne = zonder.
+
+[12] Mong, among, emong = onder.
+
+[13] Falikant, fâ likande = weinig gelijkende, niet conform.
+
+[14] Wr.alda. Altijd geschreven als samengesteld woord beteekent:
+de overoude, het oudste wezen.
+
+[15] Od, wortel van het Lat. odi, ik haat.
+
+[16] Nylof; de kleur van nieuw loof? geel groen.
+
+[17] De mårkskat werd in goederen betaald.
+
+[18] Stjurar, van hier de naam Sturii by Plinius.
+
+[19] Prentar, nog op Texel een (stuurmans) leerling.
+
+[20] Minno, Minos (de oude).
+
+[21] Nyhellenia, Nehalennia.
+
+[22] Krekaland, het Krekenland, zoowel Groot Griekenland als
+Griekenland zelf.
+
+[23] Fâsta, Vesta, en de Vestaalsche maagden.
+
+[24] Stjurar, Sturii.
+
+[25] Sêkåmpar, Sicambri.
+
+[26] Angelara, Angli.
+
+[27] Mârsata, Marsacii.
+
+[28] Aldland, Atlantis.
+
+[29] Skênland, Scania, Scandinavia.
+
+[30] 2198 - 101 = 2092 v. Chr.
+
+[31] Goda-hisburch, Gothenburg.
+
+[32] Alderga, Ouddorp (bij Alkmaar).
+
+[33] Lumkamâkja bithêre Emuda, Embden.
+
+[34] Amering, nog in N.-Holland in gebruik, beteekent daar: ademtocht,
+oogenblik. Cf. Kiliaan in voce.
+
+[35] Kâtsgat, het Kattegat.
+
+[36] Wodin, Odin, Wodan.
+
+[37] Kâdik, Cadix.
+
+[38] 2193 - 193 = 2000 v. Chr.
+
+[39] Thyrhisburch, Tyrus.
+
+[40] Thyr, de zoon van Odin.
+
+[41] Almanaland, Ameland.
+
+[42] Wyringgâ, Wieringen.
+
+[43] Missellja, Marseille.
+
+[44] Gola, Galli, Gaulois.
+
+[45] Middelburg.
+
+[46] 2193 - 563 = 1630 v. Chr.
+
+[47] Myk wordt nog op Walcheren gehoord.
+
+[48] Kâlta Min-his, Minnesdochter?
+
+[49] Sêjene, de Seine.
+
+[50] Kåltana, Celtae.
+
+[51] Jonhis êlanda, Insulae Joniae, Insulae piratarum.
+
+[52] Athenia, Athene.
+
+[53] Vervolg hier het verhaal van bl. 48-56.
+
+[54] Sêkrops, Cecrops.
+
+[55] Strête, thans hersteld als Kanaal van Suez. Pangab, de Indus.
+
+[56] 2193 - 1005 = 1188 v. Chr.
+
+[57] Wallahagara, Walcheren.
+
+[58] Kalip, bij Homerus Kalipso.
+
+[59] Dêna marka, de lage marken.
+
+[60] 2193 - 1602 = 591 v. Chr.
+
+[61] Verg. bl 4.
+
+[62] Medemi'lacus.
+
+[63] Grênegâ, Groningen.
+
+[64] Dokhêm, Dokkum.
+
+[65] Lindasburch, op kaap Lindanaes, Noorwegen.
+
+[66] Gürbam. C. Niebuhr Reize enz. I 174, eene zakpijp bij de
+Egyptenaren Sumâra elKürbe genoemd.
+
+[67] To hnekka, eene hooge, tot aan de nek reikende, japon.
+
+[68] Cf. Hegel a. h. l.
+
+[69] Leeuwen in Europa, Herodotus, VII, 125.
+
+[70] Swetsar, Switsers.
+
+[71] Fryasburch, Freiburg.
+
+[72] Lydasburch, Leiden, de burcht.
+
+[73] Flyt, jeftha mâre, de Mare.
+
+[74] Forana, Vroonen.
+
+[75] Engamuda, Egmond.
+
+[76] Diod. Sic. V 27, van de Galliers.
+
+[77] Mannagârdaforda, Munster.
+
+[78] 2193 - 1888 = 305 voor Chr.
+
+[79] Sedert 587 voor Chr. Verg. pag. 110, 112.
+
+[80] 303 v. Chr.
+
+[81] Barnpila. De falarica by Livius XXI. 8.
+
+[82] Alexander aan den Indus 327 v. Chr. 327 + 1224 = 1551 v. Chr.
+
+[83] 305 voor Chr.
+
+[84] Joi en trâst. Te Scheveningen hoort men nog: joei en troos. Joi,
+Fransch joye.
+
+[85] 2193 - 1600 = 593 v. Chr.
+
+[86] Kasamyr, Kashmir.
+
+[87] Jes-us, evenmin te verwarren met Jezus, als Krisen (Krishna)
+met Christus.
+
+[88] Balda jefta kvada sê, de Baltische zee. Juttarland, Jutland.
+
+[89] Zeeland, de Deensche Eilanden.
+
+[90] Zie bl. 124.
+
+[91] Phonisiar, hier Puniers, Carthagers.
+
+[92] Zie bl. 11.
+
+[93] 263 v. Chr.
+
+[94] Hamconius. p. 8. Suobinna.
+
+[95] Zie bl. 150.
+
+[96] Delte nog in N. Holland in gebruik, laagte.
+
+[97] Aken, Aken.
+
+[98] Diod Sic. V. 28.
+
+[99] Hier heeft de afschrijver Hiddo oera Linda een blad te veel
+omgeslagen, en daardoor twee bladzijden overgeslagen.
+
+[100] Zie bl. 164.
+
+[101] Hier ontbreken in het H. S. twintig bladzijden (misschien meer),
+waarin Beeden geschreven heeft over dien koning Adel III. (Bij onze
+kronijk schrijvers Ubbo genoemd).
+
+[102] Hier eindigde het schrijven van Beeden. In het H. S. ontbreken
+twee bladzijden volgens de paginatuur. Maar zonder twijfel ontbreekt
+er meer. De afgebroken aanhef van het volgende wijst aan, dat de
+aanvang van het volgende geschrift verloren gegaan is en daarmede ook
+de aanduiding van den naam des schrijvers, die een zoon of kleinzoon
+van Beeden kan geweest zijn.
+
+[103] Fhonysiar, Carthagers.
+
+[104] Hals, Holstein.
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 30467 ***