diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:48:21 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:48:21 -0700 |
| commit | ac63ffc20f96b649cc6e0dfba5d2f9e06add4ec8 (patch) | |
| tree | 2a6122bc384e9a22cf07c87949b33d88110a2315 /29856-0.txt | |
Diffstat (limited to '29856-0.txt')
| -rw-r--r-- | 29856-0.txt | 6318 |
1 files changed, 6318 insertions, 0 deletions
diff --git a/29856-0.txt b/29856-0.txt new file mode 100644 index 0000000..39adfd6 --- /dev/null +++ b/29856-0.txt @@ -0,0 +1,6318 @@ +The Project Gutenberg eBook of Al de Kinderliederen, by J. P. Heije + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: Al de Kinderliederen + +Author: J. P. Heije + +Release Date: August 30, 2009 [eBook #29856] +[Most recently updated: November 25, 2022] + +Language: Dutch + +Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net (This book was produced from scanned +images of public domain material from the Google Print +project.) + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK AL DE KINDERLIEDEREN *** + + + + + Al de Kinderliederen + + Van + + J. P. Heije. + + Met vertalingen van + + A. Clavareau, Prof. Karl Arenz en F. J. Millard. + + + Photographie van VAN KONINGSVELD, + + Teekeningen van CHANTAL en ROCHUSSEN, + + Staalgravuren van SLUIJTER. + + + + Amsterdam, + + P. N. van Kampen. + + 1861. + + + + + + + + Gedrukt bij C. A. Spin & Zoon. + + + + + +AAN DE KINDEREN! + + +Herinneren sommigen uwer, mijn Lievertjes! zich nog, hoe 'k, bij +de Nieuwe Kinderliederen, wenschte, dat ge op mijn Verjaardag aan +mij dacht? 'k Zette toen (als een Onder-ons-je) den datum bij 't +Woordje-vooràf. Dàt doe 'k thans ook hier-onder, opdat ge 't allen +zoudt kunnen weten. + +Want zie! ik geef U hier al de Versjes en Liedjes bijéén, die ik +voor U gemaakt heb! Behalve de Bundeltjes van vroeger (ook dat van +'t Nut), staan in dit boekje nog wel een dertig Gedichtjes, waarvan +ge de meesten in 't geheel niet kende'. + +En hoe vindt ge dan de vriendelijkheid van de HH. Clavareau, Arenz +en Millard om U (haast zonder dat ge 't merkt) drie vreemde talen te +leeren? Ik ten minste ben er hun zeer dankbaar voor, want Vader Cats +reeds heeft gezeîd: + + + Zóóveel mannen in één man, + Als hij vreemde talen kan! + + +en dit geldt net zoo goed voor meisjes als voor jongens! + +Mooije prentjes hebben de HH. Rochussen en Sluijter er bij gemaakt; +en zoo ge verlangd hebt te weten, hoe ik zelf er ten naasten bij +uitzie, dan moet ge den Heer Chantal, den Heer Sluijter en den Heer +van Koningsveld (die er eerst eene photographie van maakte) bedanken +voor het portret op den titel. 't Meisje, dat vóór mij staat, is +mijn éénig dochtertje Sophie! Een zoon heb ik niet; maar, opdat de +jongens niet vreezen zouden, dat ik dáárom minder van hen hield, +heb ik er ook een kleinen knaap bij laten teekenen. + +En nu, zoo als gezeîd is:--doe uw best, om t' elken dag liever, +flinker, knapper, braver, zachtmoediger en blijmoediger te worden, +óók (zoo 'k hoop) door 't véél lezen en zingen van deze Versjes en +Liedjes: en ontvang, als ge zóó zijt of worden wilt, en zóó aan mij +denkt, in gedachten een kus en een hand, en een hand en een kus + + +Amsterdam, Van Uw Vriend +1 Maart 1861. Dr. Heije. + + + + + + + +INHOUD.[1] + + + I. Schoudermanteltje 96. + Nieuwe klompjes 97. + Bladz. Winter 98. + Dageraad 3. Broodkruimels 99. + Morgenlied 4. In de kaars 100. + Weddenschap 5. In 't donker 101. + Zons-opgang 6. *Twee schildwachts 102. + *Winterkoning 7. In den maneschijn 103. + *Schoolexamen 8. Des avonds laat 105. + Voorjaarsdag 9. *Sterretjes 107. + Voorjaarskoelte 10. Ter ruste 108. + Van zeven kikkertjes 11. + Lentelied 12. + *Meimaand 13. III. + Mei-regen 14. + *Groen takje 15. Bij 't ontwaken 111. + Onkruid 16. Vroeg op 112. + Bloemkweeken 17. *Morgenlied 113. + Klimop 18. Leeuwrik 114. + Appelboom 19. Handjes wasschen 115. + Grazen 20. Zamen 116. + Kersentijd 21. Dauw 117. + Kersenplukken 22. Hebt gij 't gehoord? 118. + Vogelnestje 23. Al te vroeg 119. + *Jonge vogeltjes 24. *Een prijs 120. + Vogelen-lied 25. Vergeet-mij-nietje 121. + Duifje 26. Vlasbloemetje 122. + Roodborstje 27. Maandrozen 124. + Nachtegaal 28. Een woud-bloempje 125. + In 't bosch 29. Gebroken 127. + Wensch 30. Korenbloemen 128. + Honigbijen 31. Korenären 129. + 't Verdwaalde lam 32. De kromme boom 130. + De Herder 33. De wijnrank 131. + *Kleeding 34. Bloemen en vogels 132. + *Geärmd 35. Haantje 133. + De kleine bedelaarster 36. De mieren 134. + *Van Glas 37. Zoet en bitter 135. + *Nemen en geven 38. Het doode mugje 136. + Vlieger oplaten 39. Glimworm 137. + Blindemannetje 40. Zwaantje 139. + Onze manieren 41. Ooijevaar 140. + Voor de smidse 42. *Een middagslaapje 142. + Haasje 43. *Doen en laten 143. + 't Jagertje 44. *Zwemmen 144. + *October 45. *Regtop 145. + Sint-Nicolaas 46. De langste dag 146. + Sneeuwballen 47. Medicijn 148. + Winteravond 48. Voorzigtig 149. + Naar bed 49. Smakelijk eten 150. + Maneschijn 50. Matig 151. + Avondbede 51. Van een aapje 152. + Engelen 52. Duinlied 153. + Vaderlandsch lied 154. + *Kloek en blank 155. + II. Volhouden 157. + *Een vijand 158. + Ochtenddank 55. Treuzeltje 159. + Zondag-morgen 56. Kringetjes in 't water 161. + Meesters verjaardag 57. *Beurtzang 162. + Des morgens vroeg 58. *In tijds 164. + Naar school 59. Sneeuwliedje 165. + *Kis-kassen 60. De holle boom 167. + Klein zusje 61. *Vroeg verwelkt 169. + Stukjes-draaijen 62. *Winternacht 170. + Opgepast 63. + *Kerk-examen 64. + *Nieuwsgierig 65. IV. + *De lente kwam 66. + In Mei 68. *Le lever du soleil 171. + Boterblômmetje 69. *Le printemps 173. + Och Heer! 70. *Le nid d'oiseaux 174. + 't Viooltje 71. *Le rossignol. 175. + Brandneteltje 72. *Le petit lièvre 176. + *Niet plukken 73. *Le clair de lune 177. + 't Verflenste bloempje 75. + Verwelkte rozen 76. *Sonntag-morgen 178. + De vlinder 77. *Zur Schule 179. + In de weî 78. *O Herr! 181. + Lijsterbessen 79. *Der Bienenkorb 182. + Nachtegaals-liedje 80. *Schultermäntelchen 184. + *'t Binnenst 81. *Der Winter 185. + Klein spinnekopje 82. *Brodkrümchen 187. + Spinneweb 83. + De bijenkorf 84. *On Awaking 188. + Ons poesje 85. *Forget-Me-Not 190. + Lorretje 86. *The Flax-Flower 191. + Draaitol 87. *A Wood-Flower 193. + Hobbelpaard 88. *Flowers and Birds 195. + Luilekkerland 89. *Cock-a-Doodle 197. + Honger 90. *The Longest Day 199. + *'t Een en 't ander 91. *Circles in the Water 201. + Vogelverschrikker 92. + Onpartijdig 93. + Een klein jokkentje 94. V. + *Krachtig en zedig 95. + Honderd spreuken 205. + + + + + + +I. + + +DAGERAAD. + + +Wel zoo! gij schoone dageraad! + Wat zeggen ons de liên, +Komt gij met rozen in uw' mond? + Dat mogt ik weleens zien! + +En plukt gij ieder' knaap of maagd, + Die langer slaapt dan gij, +Een roosje van de volle wang + Wanneer ge gaat voorbij? + +En geeft gij ieder' knaap of maagd, + Die korter slaapt dan gij, +Twee roosjes uit uw rijken schat + Wanneer ge gaat voorbij?-- + +Op, kinders! op, het schemert al, + Daar komt de Dageraad!-- +Hij houdt wel veel van bleek te zien, + Die nu niet op en staat! + + + + +MORGENLIED. + + +Kinderkens! 't is uchtend! + Komt ter slaapsteê uit! +Hoort! de voglen zingen + Reeds met zoet geluid. +'t Haantje roept u wakker, + Hoort! hij kraait uw' naam, +En de boomtak tikt u + Tegen 't vensterraam. + +Langer niet geslapen! + Doopt uw hoofd in 't nat, +Dat het frissche water + Om uwe ooren spatt': +Veel moet nog begonnen, + Veel is nog te doen; +Kinderkens! wordt wakker; + Al te ras is 't Noen![2] + + + + +WEDDENSCHAP. + + +Ei roosje! kijk eens uit uw' knop, + Of 't niet haast dag zal wezen! +Kom, steek uw kopje veilig op, + Ge hebt geen leed te vreezen; +Of ziet ge mij niet voor u staan, +Met al mijn beste kleêrtjes aan? + +Had Moeder gistren niet gewed, + Dat gij al lang zoudt prijken, +Eer ik, nog domlend in het bed, + Uit mijn gordijn zou kijken!-- +Ei, sliep uit! 'k ben al lang gekleed, +En gij zijt nog niet half gereed! + +Maar 'k ben ook vroeg naar bed gegaan: + Daar zal het wel van komen, +Dat ik het eerst nu op kon staan, + En gij nog staat te droomen:-- +Och, Moederlief! och zeg me noû, +Wie dacht u, dat het winnen zoû? + + + + +ZONS-OPGANG. + + + Och! 't is wel aardig in mijn' tuin + Als 's morgens vroeg de zon opgaat, + Maar 'k woon zoo midden in een straat, + Zoo tusschen muren, grijs en bruin:-- +Doch, naar ik gistren heb gelezen + En zoo mij Moeder heeft verteld, + Daarbuiten, in het vrije veld, +Dáár, kindren! moet dat heerlijk wezen. + + Dan, zeî ze, is eerst de lucht nog graauw + En hier en daar blinkt nog een ster, + Maar langzaam schemert er van verr' + Wat rozenrood en hemelsblaauw; +Dan ziet men witte wolkjes dwalen, + Doortrokken met een purpren tint; + Dan komt, als waar' 't een koningskind, +De zon, met al haar gouden stralen.-- + + Zie! 't is wel aardig in mijn' tuin + Als 's morgens vroeg de zon opgaat, + Maar 'k woon zoo midden in een straat, + Zoo tusschen muren, grijs en bruin:-- +Och! wie dat buiten mogt aanschouwen, + Die knielde vast van blijdschap neêr, + En zou voor onzen Lieven Heer +Wel duizendmaal zijn handjes vouwen. + + + + +WINTERKONING. + + +Hoe grijs van haar, hoe wit van baard, + Waart gij, o Winterkoning! +Wij hebben bang op u gestaard, +Al kleumend aan den killen haard + In onze leege woning! + +Wat was het eten vreeslijk duur, + Wat was het drinken schraaltjes; +Wat was het buiten bitter guur, +Wat was er binnen weinig vuur, + Wat was de plunje kaaltjes. + +Welop dan, hartjes! weest nu blij, + En zingt eens uit den treuren! +Daar is het zoele jaargetij +Met duizend bloempjes, rij aan rij, + Met kleuren en met geuren. + +Gij kwaamt alweêr dien Winter door + En ziet weêr de Aard zich tooijen: +Dankt God er voor, in juichend koor... +En--zoo ook stem en hart bevroor, + Zij zullen wel ontdooijen! + + + + +SCHOOLEXAMEN. + + + April, April, + Doet wat hij wil, + En geeft, naar zijn behagen, +Ons zonneschijn of hagelvlagen; + Toch zingen wij met luider stem + Een lied voor hem, +En hopen, dat het dezer dagen + Wel enkel, klinkklaar zonneschijn + Voor ons zal zijn. + + April, April, + Doet wat hij wil; + Maar wie zich goed gedragen, +Die hebben thans wel niet te klagen; + Wie 't heele jaar heeft opgepast, + Die weet wel vast, +Dat hij een' prijs hier weg zal dragen, + En met een' halfbeschaamden lach + Bedanken mag. + + April, April! + Doe wat je wil, + En geef, naar uw behagen, +Ons zonneschijn of hagelvlagen; + Toch zullen wij voor al het goed', + Wat men ons doet, +U dankbaar in ons hartje dragen,-- + En groeten u, met zoet gezang, + Ons leven lang. + + + + +VOORJAARSDAG. + + +De boomen ontluiken, de bloesem komt uit, +De vogeltjes zingen met lieflijk geluid, +De schaapjes die springen door 't groenende gras, +Ik spring met ze meê, of ik zelf er een was. + +En weet ge, wáárom ik zoo spring en zoo zing? +Die Winter dat vond ik zoo'n akelig ding; +Toen had ik het koud in mijn' duffelsên jas, +En denk 'reis, hoe koud dan een beedlaar wel was! + +Maar nu is het lekker en zacht op het land; +Weg, mantel en das! in de kas aan den wand; +Komt, jongens! naar buiten, en houdt je maar kras, +Wij schelden hem luilak, die 't laatste daar was. + + + + +VOORJAARSKOELTE. + + +Zoele, koele Zuidewind, +Bode! wien ons hart bemint, +Draagt gij op uw vleuglenpaar +Niet den schoonsten tijd van 't jaar? + +Bloemengeuren, frisch en zoet, +Brengt gij, als der Lente groet; +Vogelfluiten, bladgeruisch, +Smelten in uw wiekgesuis. + +Goede vriend, zoo lang verwacht! +Zeg ons! waait ge dag en nacht? +Kom dan 's nachts ook zonder schroom, +En omzweef ons in den droom! + + + + +VAN ZEVEN KIKKERTJES. + + +Daar zaten zeven kikkertjes + Al in een boerensloot, + De sloot was toegevroren, + Ze lagen hallef dood, +Ze kwekten niet, ze kwaakten niet + Van honger en verdriet. + +De jongste, die een wijsneus was, + Zei tot zijn kameraads: + "Die malle nachtegalen, + Wat hadden die een praats! +Was eerst het ijs maar in den dooi, + Wij zongen eens zoo mooi!" + +De milde, lieve Lente kwam;.... + Zij kwaakten de oude wijs: + Als zij dat zingen noemen, + Wensch ik ze weêr in 't ijs; +Ik geef die kikkers allemaal + Voor éénen nachtegaal. + + + + +LENTELIED. + + +Voelt ge wel de koeltjes zweven; + Riekt ge wel den zoeten geur? +Kindertjes! dat is een leven! + Lente staat weêr voor de deur: +Laat haar binnen, laat haar binnen; +Lentelief, die wij beminnen! + +Hoort ge wel dat slepend fluiten, + Dat door alle vensters dringt? +Nachtegaaltje slaat daarbuiten; + Hoort, hoe zuiver dat hij zingt! +Laat hem binnen, laat hem binnen, +'t Zangertje, dat wij beminnen! + +Neen! zet deur en venster open, + Hangt aan kapstok hoed en jas, +Máár--om prettig vrij te loopen + Door het frissche, malsche gras: +Lente! toef nog, kom niet binnen, +Buiten zullen we u beminnen. + + + + +MEIMAAND. + + +De vogels springen door de heg + En zingen uit den treuren; +De Mei strooit bloesems langs den weg + En klopt aan alle deuren, +En zie! daar komt bij 't blij geluid +Het jonge volk de huizen uit. + +Gij, kinders! zat een winter lang + Te kleumen en te treuren; +Nu lijkt die lieve vogelzang + Uw hartjes op te beuren; +Komt, zingt en springt dan nu om strijd, +Zoo flink alsof gij vogels zijt. + +En zingt gij laag en zingt gij hoog, + En zingt gij uit den treuren, +En ziet gij aan des Hemels boog + De voorjaarsnevlen scheuren, +Denkt dan aan onzen lieven Heer, +Die bloesems geeft en Lenteweêr. + +Mijn vogelkoor, mijn kinderkoor, + Dat 's beter dan te treuren! +Zingt vrij en blij uw Lente door + Bij zonneschijn en geuren, +En denkt--ook als gij ouder zijt-- +"Na winterdag komt lentetijd!" + + + + +MEI-REGEN. + + +Wie graag sterk wil zijn en groot, + Groeijen wil ter degen, +Loop' maar met zijn hoofdje bloot + In den zoelen regen! +Wees niet angstig voor een spat, + Frisch er in gesprongen, +Vrees niet voor een drop of wat, + Dreumes van een' jongen! + +Zie de blômmetjes maar aan, + Hoe ze 't buitje drinken! +Kijk maar goed, hoe op de blaân + Al die druppels blinken! +In dat lekkre, zoele nat + Ligt des Hemels zegen; +Daarom, dreumes! rep je wat, + Loop 'reis in den regen! + + + + +GROEN TAKJE. + + + Groen takje, dat uit de aarde spruit, + Wat zal er van u groeijen? + Wordt gij onnut of schaadlijk kruid, +Zult ge als een roos of anjer bloeijen, + Of zult gij geven lekker fruit?-- + + Jong volkje! nu nog klein en teêr, + Wat zal er van u groeijen? + Zult gij tot schande meer en meer, +Of wel tot heerlijk sieraad bloeijen, + En vruchten dragen, God ter eer? + + Doch 't plantje--zij het kwaad of goed. + Och! kan niet anders groeijen; + Gij--kunt, naar ligchaam en gemoed +In kracht en kunde en vroomheid bloeijen... + Wanneer ge er maar uw best toe doet! + + Als gij dus wandelt in den hof + En plant en kruid ziet groeijen, + Dan geev' 't u ruime dankensstof, +Dat gij, naar vrije keus, kunt bloeijen + Tot vreugde of smart--tot schande of lof! + + + + +ONKRUID. + + +Zeg, Baasje! wat staat er uw tuintje frisch, + Wat is er uw hofje toch keurig! +Het mijne dat lijkt wel een wildernis, + Mijn bloempjes zijn half niet zoo fleurig; +Zoo wit is uw zand en zoo groen is uw gras; +Ik gaf er wat om, als het mijne zoo was! + +--Wel, geef dan een' zoen... en ik leer je gaauw + Uw tuintje zoo netjes te hoûen; +Maar dan uit de veêren vóór dag en dauw, + De handjes wel flink uit de mouwen, +En waar ge dan spruitjes van onkruid mogt zien, +Daar ga je maar vlijtig aan 't harken en wiên. + +--Dat Onkruid, melievert! daar zit de plaag, + Daar kunnen geen bloempjes in groeijen; +En daarom, dat rooi je maar alle daag, + Dan zal eerst uw tuintje gaan bloeijen! +En, groeit in uw hartje misschien van dat kruid.... +Och! doe me plêzier, trek meteen het maar uit!-- + + + + +BLOEMKWEEKEN. + + +Ik heb een' kleinen, kleinen tuin, + Daar kweek ik bloemen in; +En als mijn aardig zusje komt, + Dan zing ik blij van zin: + +--"Klein kleuterke, klein kleuterke! + Wat doet gij in mijn' hof? +Gij plukt er al de bloemkens af + En maakt het veel te grof!"-- + +En als zij dan die plantjes ziet, + Met zooveel zorg gekweekt, +Dan wed ik, dat het lieve kind + Geen van de bloempjes breekt. + + + + +KLIMOP. + + +Groene bladen, spits van punt, + Hoekig aan de randen! +Zeg eens hoe ge groeijen kunt + Aan die naakte wanden? + +--'k Lag versmeten voor de deur, + Vuil en overloopen; +Vond ik hier of daar een scheur, + 'k Ben er in gekropen. + +Ieder straaltje, dat ik ving, + Gaf mij kracht en leven, +Ieder druppel, die er hing, + Deed mij hooger streven. + +Dankend onzen Lieven Heer + Voor zijn zon en regen, +Groeide ik daaglijks meer en meer + In des Hemels zegen.-- + +Wie het kleinste niet versmaadt, + Wat hem God wil geven, +Die kan groeijen naar zijn' staat + En tevreden leven! + + + + +APPELBOOM. + + +Wel, appelboom! wat sta je rijk, + Gij lijkt wel éénen bloesem! +Waar dat ik tuur, waar dat ik kijk, + 'k Zie enkel, enkel bloesem; +Ik zie geen tak, ik zie geen' blad; +Me dunkt, gij hebt ze nooit gehad! + +En toch, 't is pas een' dag of wat, + Terwijl ik keek naar buiten, +Of 'k zag uw takken kaal en glad + Daar slingren voor mijn ruiten, +En 'k vroeg al aan de tuinmansvrouw, +Of je ook gestorven wezen zou? + +"Neen," zei ze toen, "neen, lieve schat!" + En kneep mij in mijn kaken; +"Neen, wacht nog maar een' dag of wat, + Dan staat hij als een laken:-- +En als ge braaf zijt, kleine man! +Dan krijgt ge er nog wel appels van." + + + + +GRAZEN. + + +Pluk bloemen, pluk bloemen, +Pluk bloemen en gras! +En wrijf die elkaâr +Door het haar +Bij het stoeijen: +Waar anders zou gras en waar bloemen voor groeijen +En bloeijen! + +En wie er een knorrig gezigtje +Bij trekt, +Of wie er bij geeuwt, +Of bij schreeuwt +Als wij stoeijen, +Die 'hoeft niet te zien hoe de bloemkens al groeijen +En bloeijen. + +Hij trekk' maar naar huis +En hij kruip' in den hoek, +De brompot, die mort +En die knort +Bij het stoeijen: +Voor hem is het niet, dat de bloemkens zoo groeijen +En bloeijen! + + + + +KERSENTIJD. + + +Nu eens in 't rond gesprongen, + Gesprongen hand aan hand, +Nu vrolijk eens gezongen, + De Zomer is in 't land; +De bloesem van de boomen + Vloog lang reeds wijd en zijd; +De Zomer is gekomen: + Nu is het kersentijd! + +Wat zal ze lekker smaken + Die kers, waar wijn in zit; +Wat zullen wij haar kraken + Die harde kersenpit; +Och! waren we al gezeten + Voor boordevolle schaal, +Wij zouden er van eten + Al was het honderdmaal. + + + + +KERSENPLUKKEN. + + + Kersen, kersen, zacht en rood, +Hangen tusschen groene bladen; +o! De boom is rijk geladen; + Vang bij 't plukken, in uw schoot, + Kersen, kersen zacht en rood! + + Kersen, kersen, rijp en frisch, +Is 't niet om te watertanden? +Kom, ik pluk met volle handen, + 't Meest krijgt wie het handigst is, + Kersen, kersen, rijp en frisch! + + Kersen, kersen van de Mei, +Iedre maand de rozen bloeijen,... +Alle maanden moest ge groeijen + Voor der kindren zoeten rei,-- + Kersen, kersen van de Mei! + + + + +VOGELNESTJE. + + +Jongens! ginder zitten spreeuwen! + Laat ons klimmen om het best; + Ziet, ze kijken over 't nest: +Hoort dat jonge goed eens schreeuwen! + 't Oudje dat vliegt af en ân, + Net alsof hij 't raden kan. + +Och! wat kijkt dat beest verslagen; + 'k Vind het wel een beetje naar:-- + Jongens! of 't niet beter waar', +'t Arme dier maar niet te plagen? + Denkt eens als er iemand kwam, + Die ons zoo van Moeder nam! + + + + +JONGE VOGELTJES. + + +Ze vlogen hoog, ze vlogen laag, + Ze sprongen en ze zongen, +Ze pikten wurmpjes gaauw en graag, + En bragten ze aan hun' jongen; +En 't kleine volk in 't nestje riep: +"Piep, piep.... 'k bedankje wel.--Piep, piep!" + +En 'k dacht, toen 'k dat zoo aardig vond: + "Ben 'k ook zoo'n dankbre jongen?"-- +En 'k ben mijn Moedertje terstond + Eens om den hals gesprongen; +En Moeder pakte mij, toen 'k riep: +"Piep, piep.... 'k bedankje wel.--Piep, piep!" + + + + +VOGELEN-LIED. + + +Klein vogelijn, op groenen tak! + Wat zingt ge een lustig lied! +Wij vinden in ons heele boek + Zoo'n vrolijk wijsje niet; +o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest! +Wie of uw meester is geweest? + +Zoo zuiver zingt gij en zoo hoog, + Zoo keurig in de maat, +En 't hart dat popelt ons van vreugd, + Wanneer uw keeltje gaat; +o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest! +Wie of uw meester is geweest? + +o! Zeker is 't de goede God, + Die 't u heeft toebetrouwd, +Opdat gij aan der blinden oor + Zijn goedheid melden zoudt; +o Ja! wij weten 't, aardig beest! +Wie of uw meester is geweest. + + + + +DUIFJE. + + +Duifje met uw blanke veêren! + Vlieg je niet door alle weêr, +Kan geen regenbui u deren + Als ge ronddwaalt heinde en veer? + Altijd proper is uw kuif, + Zijn uw pluimpjes, blanke duif! + +--Waait het al te hard daar buiten, + Ik kan thuis zijn als ik wil; +'k Vind er alle mijn kornuiten + In de warme duiventil: + Maar ter vlugt of op het slag, + 'k Net mijn veêrtjes alle dag! + +--Opgenebt en gladgestreken + Met wat waters uit mijn' pot, +Ben ik waard te zijn bekeken + In de lucht en in het kot:.... + Kinders! nu ge 't kunstje weet, + 'k Bidje, dat ge 't niet vergeet!-- + + + + +ROODBORSTJE. + + + Roodborstje, roodborstje, geestige dief! +Hebje wel ooit zoo te pronken gezeten? +'t Kooitje van koper en 't bakje vol eten: + Aardige springer! wat heb ik je lief! +Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen, + Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd, +Dat ge de veêrtjes zoo slapjes laat hangen, + Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt? + + --Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi, +Was er mijn eten ook lekker en keurig, +Buiten in 't bosch is het eens nog zoo fleurig: + Vrij te zijn, lievert! is beter dan mooi! +Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen, + Ginds op dien boom, waar geen tralie mij stoort; +Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingen + Zoo als ge nimmer of nooit hebt gehoord!-- + + + + +NACHTEGAAL. + + +Hoort, kindren! wat een klaar geluid +Dringt ginder door de bladren heen! +De vogels zijn allang in slaap, +En zóó, zoo zingt er zeker geen. +Wie of zóó heerlijk zingen kan? +'t Is waar, mijn hartje klopt er van! + +Stil!--Dat is vast de nachtegaal, +Daar Moeder lest zooveel van zeî; +'k Wist niet, dat dàt te hooren was +Wanneer men ons te slapen leî, +'k Had anders Moeder lang verzocht, +Of ik wat laat naar bed toe mogt? + +Och! zoo ik ooit weêr ziek mogt zijn, +'k Woû, dat het voorjaar dan begon; +Dan hoorde ik vast den nachtegaal +Wanneer ik 's nachts niet slapen kon!-- +Zeg, Moeder! zingt dat lieve beest +Wel niet voor zieke kindren meest? + + + + +IN 'T BOSCH. + + +Gij, lieve vogels, schuw en wild! +Wat zijt ge met uw liedren mild, + Wat kweelt ge blijde zangen! +'t Is of er 't heele bosch van trilt, + Die toonen op te vangen! + +Het ruischt en suist van ieder blad, +Alsof het vol met ooren zat + En 't lieflijk lied kon hooren; +Alsof het duizend tongen had + En meê zong in uw koren. + +Gij, schuwe vogels! zijt niet bang, +Al stemmen in uw wild gezang + Der kindren vrome wijzen; +Wij wenschen met u, vaak en lang, + Den goeden God te prijzen. + + + + +WENSCH. + + +Ik woû dat ik een vogel was, + Een vogeltje met veêren, + Wat zou me kunnen deren? +Ik vloog maar hoog, ik vloog maar ras + En niemand kon me keeren: +Geen school of bed kwam meer te pas +Als ik een vrije vogel was! + +--Zeg, vrindje! hebje wel bedacht, + Hoe dikwijls op de stangen + De lijsters blijven hangen,.... +Wat vinkjes onder 't net gebragt, + Wat snipjes zijn gevangen, +En dat er menig vooglaar wacht +Op dat onnoozele geslacht? + +--Al vloog je hoog, al vloog je ras,.... + Die lastige geweren + Ze zouden je wel keeren: +Wat hielp dan of je een vogel was, + Een vogeltje met veêren? +Geloof me ('t komt nog best van pas): +Wie wijs is, blijft hetgeen hij was!-- + + + + +HONIGBIJEN. + + +Wel zoete honig zuigt de bij + Uit bloem en geurig kruid; +Gij, lieve kinders! doet als zij: +Gaat in uw lente niets voorbij, + Of trekt er leering uit. + +En in haar huis van klevend was + Daar heeft ze zaâmgegaard +Al wat ze vond in veld of kas;-- +De bloemkens, kindren! dorren ras! + Wie wijs is, die bewaart! + +Doet ook zoo in uw blijde jeugd, + Waar alles bloesem draagt; +Wat is het, later dan, een vreugd, +Als u op ouden dag nog heugt, + Wat ge in uw jonkheid zaagt! + + + + +'T VERDWAALDE LAM. + + +Lammetje! loop je zoo eenzaam te blaten + Over de hei? +Hoe kom je hier, zoo van allen verlaten? + Bleef je niet liever daarginds op de wei? + Lammetje! hier groeijen bloemen noch gras, +Hier is geen watertje, dat ge zoudt lusten, +Hier is geen schaduw om onder te rusten,.... + En als je dan nog zoo klein maar niet was! + +--Kindren! ik had al zoo lang loopen spelen + Ginds op de weî; +Altijd dat grazen begon te vervelen, + 'k Woû weleens zien hoe het was op de heî. + Ach! nu verdwaalde ik al verder en meer, +'k Zoek er mijn moedertje, 'k zoek er mijn vrinden, +'k Zoek om wat gras en wat water te vinden: + Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr!-- + +Schaapje! wij zullen den weg u wel leeren + Over de hei, +Ga maar met ons en geen leed zal je deren, + Zeker! wij brengen u weêr op de weî. + Maar, maak dan voort, of wij laten je staan, +Moeder ziet zeker al uit, waar wij toeven, +Waarlijk, ik woû haar niet graag zóó bedroeven, + Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan! + + + + +DE HERDER. + + +Daarbuiten op de weide + Gaan lam'ren, klein en groot; +Zij grazen van den morgen + Tot aan het avondrood. +Opdat geen leed hen deren, + Geen lam verdwalen zou, +Bewaakt een wakkre herder + De kudde vroom en trouw! + +Maar meer nog dan de herder + De lammerkens bewaakt, +Waakt God voor brave kindren, + Dat hun geen onheil naakt; +Hij ziet van uit den Hemel + Behoedend op ons neêr, +En als we onwetend dwalen, + Voert hij ten goede ons weêr! + + + + +KLEEDING. + + + Lelie, met uw wit gewaad! +Roosje, met uw purpren hoedje! +De arme knaap en 't meisje groet-je... + En ze vinden, inderdaad, + Dat uw tooi u prachtig staat. + + Ziet de knaap zijn halfsleets buis +Digt bezaaid met menig lapje, +Ziet het meisjen op haar kapje, + Hier vol gleedjes,--daar vol pluis... + Half bedroefd gaan zij naar huis! + + Maar als moeder dáár, zoo blij, +Zit te naaijen en te stikken, +Om die plunjes op te flikken,-- + Bloempjes! och dan vinden wij + Ons gelukkiger dan gij! + + Of men veel of weinig heeft.... +Ieder kunnen wij behagen, +Als wij knap en dankbaar dragen + Wat de hand der liefde ons geeft;-- + Of men veel of weinig heeft! + + + + +GEÄRMD. + + + Honger, honger! leelijk woord, + Als een leêge maag u hoort! +Als de tanden watertanden, +En men staat met leêge handen.... +Als ge op volle schaal of manden + Gretig u een' blik verstout,-- + Maar de maag vacantie houdt. + + Doch--hoe lastig gij soms zijt, + Toch maakt ge ons ook dubbel blijd, +Zullen we u graag welkom heeten +Als we happig zijn gezeten +Voor een' schotel lekker eten.... + Grage tand de spijs vermaalt, + Zelf verdiend en zelf betaald! + + Daarom roept ons blij gezang: + Lieve Honger! plaag ons lang! +Rijk en ziek zou menigmalen +(Kon het!) u met goud betalen-- +Ons zult gij zoo ligt niet falen; + Maar verlangt gij dank en prijs, + Kom dan (kan 't!) geärmd met.... spijs! + + + + +DE KLEINE BEDELAARSTER. + + + Daar liep een meisje langs den weg; + Haar oogjes waren rood: + "Ik weet in 't land geen heg of steg, + Mijn vader en moeder zijn dood, + Mijn oudste broêr die is soldaat; +Och had ik maar werk, dan wist ik raad!" + + Dat zag een brave boerenvrouw + En zei: "Mijn lieve kind! + Wat loop je barvoets in de koû + En huilt er uw kijkertjes blind! + Wie werken wil, vindt altijd raad! +Voor jou heb ik nog wel overdaad."-- + + Ze werkte laat, ze werkte vroeg + En diende braaf en trouw; + Een boertje flink en rijk genoeg + Die haalde haar thuis als zijn vrouw; + Maar had ze toen ook overdaad, +Toch bleef ze nog vlijtig vroeg en laat. + + + + +VAN GLAS. + + +Wanneer het maar voor 't geven was, + Dan gaf ik ieder kind, + Dat graag wou zijn bemind, +Een hartje van het fijnste glas; + Van glas.... van glas? + Ja wel van glas! + +"'t Is zaak dat ik er goed op pass'!" + Dacht ieder dan (hoe klein!) + "Want, houd ik het niet rein, +Dan ziet men gaauw een smet op 't glas; + Op 't glas.... op 't glas? + Ja wel op 't glas!" + +En--heeft het eerst een barst of kras + Zij gaan er nooit weêr uit + En 't geeft een valsch geluid +Wanneer er iemand tikt aan 't glas; + Aan 't glas.... aan 't glas! + Ja wel aan 't glas! + +Och! dat het maar voor 't geven was.... + Doch zie! 't is even goed + Wanneer ge, o kindren! doet, +Alsòf uw hartje waar' van glas; + Van glas.... van glas? + Ja wel van glas! + + + + +NEMEN EN GEVEN. + + +Ei! goeden morgen, Peereboom! + Wat zijt ge rijk geladen; +Ik zie, van welken kant ik koom', + Meer vruchten haast dan bladen; +'t Is waarlijk, of zich blad bij blad +In peer bij peer veranderd had. + +En waar gij, lieve Peereboom! + Zoo heerlijk staat te prijken, +Roept Vader:--"Jongen! nu niet loom + Daaronder staan te kijken; +Kom flink er in--zoo'n groote schat +Blijft groot nog, al verliest hij wat!" + +Dus, allerbeste Peereboom! + Zal 'k maar niet lang meer temen +En van uw peertjes zonder schroom + Een fermen zak vol nemen; +En 'k geef dan elken buurknaap wat, +Die zulk een milden boom niet had. + + + + +VLIEGER OPLATEN. + + + Vieren, vieren!.... achteruit!.... +Zal uw vlieger stijgen kunnen +Moet ge hem de strengen gunnen, + Of de kans die is verbruid: + Geef uw vlieger vrije lucht, + Geef hem ruimte voor zijn vlugt. + + Loopen, loopen, wat je kan! +Als uw vlieger neêr wil dalen +Moet ge hem weêr op gaan halen, + Met een strakker, straffer span: + Zonder moeite geen plêzier + Met dat vliegende papier. + + Palmen, palmen, wat je mag! +Kunt ge hem niet boven houên, +Zorg ten minste voor uw touwen.... + 't Is een les voor d' ouden dag: + Wie dat alles tijdig kan, + Die wordt een verstandig man. + + + + +BLINDEMANNETJE. + + + Stoelen en stoven op zij, +Dat hij zijn voetjes niet stoot; + 't Heeft geen nood!-- + Loop hem voorbij, + Trek hem op zij. + Blindeman, Blindeman! + Pak me maar ân, + Als je me krijgen kan. + + Kijk! wat hij rondloopt en tast! +Sliep uit, dat 's mis, kameraad!.... + 't Is te laat! + Raagbol en kwast, + Hoû ze maar vast!-- + Blindeman, Blindeman! + Pak me maar ân, + Als je me krijgen kan. + + Meisjes! wat kraakt er uw kleed! +Jongens! uw fluistren verraadt + Waar je staat! + Eer dat ge 't weet, + Heeft hij je beet!.... + Blindeman, Blindeman! + Hoû wat je kan: + Je bent weêr ziende, man! + + + + +ONZE MANIEREN. + + + Tusschen Keulen en Parijs + Leît de weg naar Rome: + Al die met ons meê wil gaan, +Die moet onze manieren verstaan: + Goeije manieren, + Zoete manieren, + Zoo zijn onze manieren. + + Ben je klein of ben je groot, + Altijd kan je leeren; + Woudt ge gaarne zijn bemind, +Houdt maar onze manieren te vrind: + Brave manieren, + Vrome manieren, + Zoo zijn onze manieren. + + Ben je niet van Hollandsch bloed, + Woudt ge dat niet blijven? + Houdt dan, kindren! waar het past, +Houdt dan Hollands manieren maar vast; + Oûwe manieren, + Trouwe manieren, + Zoo zijn onze manieren. + + + + +VOOR DE SMIDSE. + + +Heisa! dat hamert er lustig op toe, +Smidje! vertel me 'reis, wordt ge niet moê? +Toen wij van morgen naar school zijn gegaan, +Waart gij al lang aan het smeden en slaan; +Oef! wat een werken en zweeten is dat, +Wacht eens een omzien en rust ereis wat! + +--Maatjes! je ziet er zoo dom nog niet uit, +Maar van het smeden versta je geen' duit; +'t IJzer is gloeijend, zoo als jelui ziet; +Wacht ik een beetje, dan deugt het weêr niet; +Denkt er om, jongens! 't is goed, dat ge 't weet: +IJzer, dat deugd houdt, moet gloeijend gesmeed!-- + + + + +HAASJE. + + +Haasje zat in 't rijpend koren, + Knabblend aan het groene kruid;-- + Haasje, haasje! kijk wat uit, +Klonk daar niet een jagershoren? + Klonk daar niet een paardedraf? + Klonk daar niet een hondgeblaf? + +"Nog een blaadje, nog een kruidje,.... + Ik kan loopen, hard genoeg, + 't Is, warempel! nog te vroeg, +Nog dat ééne, kleine spruitje...." + Paf!.... daar knalde het geweer, + 't Haasje dat viel bloedend neêr! + +Haasje, haasje! 't kan me spijten, + Maar uw lot dat is verdiend: + Waart ge minder gulzig, vriend! +Zou de hond je nu niet bijten: + Wie niet hoort naar goeden raad, + Die beklaagt het zich te laat! + + + + +'T JAGERTJE. + + +Jaapje woû een veldhoen schieten, + En hij trof zijns buurmans schaap. + Ieder zeî: Wat domme knaap!-- +Jaapje liet zich 't niet verdrieten, + En hij laadde zijn geweer + Voor een' ander' keer. + +Met zoo greep hij 't in zijn handen, + Schoot en trof een vetten haas; + Ieder riep: Je bent een baas!-- +Jaapje liet ze watertanden, + En hij bragt hem blij te moê + Naar zijn' buurman toe.-- + +'k Heb in vroeger tijd gelezen: + "Hans komt door zijn domheid voort!" + 't Is niet altijd waar, dat woord, +Mag 't ook nu en dan eens wezen; + Maar, wanneer ge een domheid doet, + Maak haar gaauw weêr goed! + + + + +OCTOBER. + + + Kijk! October is in 't land! +Vol van appels buigen, zakken, +Knakken haast, de dikste takken, + Geef een mand! +Neen! geef duizend, duizend manden! +Pluk en raap, met volle handen, + Doe, van al dien overvloed, + Nu uw buikje eens regt te goed. + + Maar, bedenk het, jonge borst! +'t Is (hoeveel gij ook moogt garen) +Goed--een appeltje te sparen + Voor den dorst! +Als de winter is gekomen, +Vindt ge er geen meer aan de boomen, + En uw al te grage tand + Bijt ligt in een leêge mand! + + Zoo 't voor appel geldt en peer, +Lieve kind!--in rijper jaren +Zult gij zien, dat zóó te sparen + Geldt voor meer!.... +Wil dus vroeg en jong beginnen +Steeds te sparen van uw winnen, + Om te maken, dat gij, oud, + Appels voor den dorst behoudt. + + + + +SINT-NICOLAAS. + + +Zie, de maan schijnt door de boomen, + Makkers! staakt uw wild geraas; +'t Heerlijk avendje is gekomen, + 't Avendje van Sint-Niclaas! + Van verwachting klopt ons hart, + Wie de koek krijgt, wie de gard! + +o! Wat pret zal 't zijn te spelen + Met dien bonten arlekijn! +Eerlijk zullen we alles deelen, + Suikergoed en marsepijn; + Maar, o wee! wat bittre smart, + Kregen wij voor koek, een gard! + +Doch ik vrees niet, dat wij klagen, + Vader, Moeder zijn te goed! +Waren we ook niet alle dagen, + Véle waren wij toch zoet! + Ban dus vrij de vrees van 't hart, + 'k Wed, er ligt geen enkle gard! + + + + +SNEEUWBALLEN. + + +Sneeuw bedekt de landen: +Wascht de kille handen +Dat ze tintlend branden, +Kneedt den sneeuwbal vast; +Krachtig de' arm geheven, +Fiksch den bal gedreven: +Ha! dat is een leven, +Dat aan jongens past! + +Koudkleum mag zich warmen +In zijn Moeders armen, +Schreijen om erbarmen, +Als de bal hem raakt; +Laat de kagchel gloeijen,.... +Ons zal door het stoeijen +'t Bloed wel sneller vloeijen, +Waar de sneeuwbal kraakt! + + + + +WINTERAVOND. + + +Zoo'n winteravond mag ik wel, + Al stormt het wat daarbuiten, +Al klettert ook de hagel schel + En ram'lend langs de ruiten; +Hierbinnen is een fiksche gloed +En chocolade, warm en zoet, + En knappende beschuiten. + +Wij vroegen om dat lekkers niet, + Maar laten het ons smaken, +En zingen soms een vrolijk lied, + Dat kindren kan vermaken; +En leêgen menig groote schaal, +En hooren menig vreemd verhaal + Van allerhande zaken. + +Maar zijn we aan 't einde van de pret, + En wordt het vuurtje zwakker, +Dan gaan wij vrolijk naar ons bed, + En groeten vriend en makker; +Dan leggen wij ons dankbaar neêr, +En bidden: "o! Behoed ons, Heer! + En maak gezond ons wakker!" + + + + +NAAR BED. + + + Kindertjes! zijt ge nog niet moê?-- +Of gij uw oogjes al wilt wrijven, + Ziet! ze vallen zoo zachtkens toe; +Vroeg je niet om 'reis op te blijven? + Hadt ge maar om Klaas Vaak gedacht; + Kindertjes! komt, uw bedje wacht! + + Is het niet of uw hartje slaapt?-- +Worden uw koontjes niet al strakker? + Foei, hoe dat er uw mondje gaapt! +Zingt maar eens meê, dan wordt ge wakker! + Kleedt je dan uit en bidt den Heer; + Kindertjes! komt, 't is tijd en meer! + + + + +MANESCHIJN. + + +Die klare, heldre maneschijn, + Wat houdt hij trouw de wacht! +Ik kruip maar achter mijn gordijn + En slaap den heelen nacht. + +Kijk vrij door 't venster met uw licht, + Gij allerliefste maan! +Ik knijp maar beî mijn oogjes digt + En laat je buiten staan. + +Als morgen vroeg de zon opgaat, + Spring ik weêr voor den dag; +En wensch dan, beste kameraad! + Dat je ook eens slapen mag. + + + + +AVONDBEDE. + + +Kinders! zult ge slapen gaan, +Bidt met zulk een vroom gemoed, +Of ge 't voor het leste doet +En misschien niet op zult staan. + +Dankt voor 't goeds, wat God u gaf, +Hem, die 't u geschonken heeft; +Smeekt voor 't kwaad, wat gij bedreeft, +Onzen Heer vergeving af. + +De oogjes, door den slaap bezwaard, +Mogen dan ter ruste gaan; +Vrolijk zult ge ze openslaan +In den Hemel of op aard'. + + + + +ENGELEN. + + +In den Bijbel staat geschreven, +Dat Gods Englen ons omzweven, + En bewaken in den nacht; +Dat geen boosheid ons kan hindren +En dat alle vrome kindren + Veilig slapen in hun wacht! + +Dikwijls als ik had gebeden +Was 't, of op mijn oogeleden + Nog een nachtkus werd gedrukt: +Zou dat niet een Engel wezen, +Dacht ik--en met heilig vreezen + Heb ik 't hoofd ter rust gebukt. + + + + + + + +II. + + +OCHTENDDANK. + + + Wij, kindren, knielen dankend neêr, + En loven U, o Lieve Heer! +Nu wij uit zoeten slaap ontwaken. + Uw hand maakte onze peluw zacht, + Uwe Englen waakten heel den nacht, +Dat ons geen onheil mogt genaken; + En thans geeft Gij ons nieuwe kracht:-- + o Vader! U zij dank gebragt! + + + + +ZONDAG-MORGEN. + + +Nu roept de kerkklok met zacht geluid +De kindren alle ter woning uit; +Naar 't Huis des Heeren gaat groot en kleen, +In stillen eerbied, aandachtig heen. + +Om Hem te danken, die zoo veel goed +Aan alle menschen en kindren doet; +Om Hem te bidden, dat Hij vergeev', +Wat ieder onzer voor kwaad bedreef. + +o Lieve Heere, Gij, goede God! +o Leer ons leven naar uw gebod! +En ieder kerkgang zij ons een feest, +Waarop we U loven met blijden geest. + + + + +MEESTERS VERJAARDAG. + + +Hoe! zijn uwe oogjes nog vol vaak? + Kijk uit, langs weî en akker, + De bloempjes worden wakker,-- + Ontwaak, ontwaak, ontwaak! + +Ei, bloempjes! dat is mis geweest, + Dat dien-je maar te weten! + Wij hadden 't niet vergeten + Dat blijde, blijde feest. + +Neen, lang al zijn wij kant en klaar, + Van 't hoofd tot aan de voeten, + Om Meester-lief te groeten, + Te groeten paar aan paar. + +En als ter school hij binnentreedt, + Dan zullen wij met zangen + En versjes hem ontvangen + Voor 't goed dat hij ons deed. + +Dan bidden we onzen Lieven Heer: + "o Mogt uw gunst ons geven, + Om hem tot vreugd te leven, + En U, o God! tot eer!" + + + + +DES MORGENS VROEG. + + +Des morgens vroeg, des morgens vroeg, +Al lig ik warm nog in mijn bed, +Dan weet ik, dat mijn Moederlief +De deur en vensters openzet; +Dan staat mijn melk en boterham +Al netjes op de tafel reê, +En Moeder gaat al vroeg aan 't werk +En neemt hare eigen bótrâm meê. + +Des morgens vroeg, des morgens vroeg, +Wanneer mij Moeder heeft gekust, +Dan sluipt zij op haar toontjes weg +En fluistert: "Slaap nog maar gerust!" +Maar 'k zorg wel, dat ik knap en blij +En tijds genoeg naar school toe ga, +En als ik eerst gebeden heb, +Kijk ik nog gaauw mijn lessen na. + +Des morgens vroeg, des morgens vroeg, +Als ik gegroeid ben tot een' man (vrouw), +Spring ik het eerst de veêren uit, +Dat Moederlief wat rusten kan (zou); +Dan zet ik eerst haar bótrâm klaar, +En als ik haar dan heb gekust, +Dan sluip ik zacht ons huisjen uit +En denk: "Slaap gij nu maar gerust!" + + + + +NAAR SCHOOL. + + +"Naar school, naar school! de klok sloeg acht!" + Ei kijk! op alle wegen, +Van stoep en trap, langs straat en gracht, + Komt ons een troepje tegen; +Wel koud, maar rein van wang en hand; +Wel arm, maar helder als een brand; +En aan hunne oogjes zie-je 't aan, +Dat zij wàt graag naar school toe gaan. + +Eerst stoeit en lacht de blijde schaar + En springt op stoep en steenen; +Dan ziet ge zachtjes paar aan paar + Zich tot een rij vereenen; +En is er hier of daar een guit, +Ze voeren toch geene ondeugd uit:-- +Daar mag een ziertje pret op staan +Voor wie zoo graag naar school toe gaan. + +Maar dan naar school,--en opgepast! + De les moet flink gelezen, +Het schrift moet netjes in de kast, + De som in orde wezen; +En denkt bij alles op het lest, +Het is toch tot mijn eigen best:-- +Want zijt ge zóó ter school gegaan, +Dan komt ge er wijs en braaf van daan. + + + + +KIS-KASSEN. + + +Kom nu, mijn gladde kittelsteen, +Ik zal-je gooijen, scherp en plat! +Kom, huppel over 't water heen, +En kis-kas langs het vlak van 't nat, +Totdat ge, haast als een Pailjas, +Een sprong maakt tot in 't groene gras! + +Hei, jongens! opgepast--hij gaat! +Kis-kas... één, twee, drie, vier! kas-kis, +Nog eens... plomp!... Mis is 't, kameraad!-- +Een andre... plomp!... dat's daadlijk mis! +Nog eens--wat goed is, gaat in drie!... +Daar springt hij--hoep!--daar is hij... zie! + +Hoezee!--of hij een vogel was, +Zoo scheerde hij het spiegelvlak! +En kijk! een heel eind in het gras, +Ligt hij, ginds, bij dien bruinen tak!... +Heb dank, mijn gladde kittelsteen! +Als gij spring 'k--maar naar School nu, heen! + + + + +KLEIN ZUSJE. + + +Mijn allerliefste zusje, + Dat zit op Moeders schoot; +Ik geef haar van mijn eten, + Dan wordt ze spoedig groot; +Ik zing haar al mijn liedjes, + Dan wordt ze spoedig zoet; +Ik leer haar al mijn lesjes, + Dan wordt ze wijs en goed. + +Mijn allerliefste zusje! + Wat zal dat aardig staan, +Als wij met ons twee beidjes + Te zaam naar school toe gaan! +Dan op de kleine steentjes + Parmantig voortgestapt, +Ik zal wel op u passen, + Dat ge in geen plassen trapt. + +Mijn allerliefste zusje! + Och, zeg! geloof-je nou +Hoe dat ik in mijn hartje + Zoo magtig van u hoû? +Toe, lach 'reis tegen broertje (zusje) + En geef me 'reis een' kus, +En pak me eens in je boutjes, + Mijne allerliefste zus! + + + + +STUKJES-DRAAIJEN. + + + Hé! dat 's wat anders, als op school +Te muffen op die harde banken, +Te kijken naar die zwarte planken, + En zoet te zijn als domme Jool! + Kom, kom! dat leeren is maar wind, + 'k Denk, dat ik tòch mijn' kost wel vind!... + + Wat woû-je, man?... een' halve cent? +Ik heb er waarlijk geen' te geven.... +Maar kunt ge van uw werk niet leven, + En moet ge beedlen, arme vent? + Gij lijkt toch anders groot en sterk, + Hoe komt het--heb-je dan geen werk? + + "Och, lieve kind! toen 'k jonger was, +Toen woû ik mij niet goed gedragen +En ging, als 't schooluur was geslagen, + Uit slentren in het groene gras; + Ik wou niet leeren toen ik môst, + En moet nu beedlen voor den kost." + + Och, arme man! ik schrik er van: +Ik was daar juist aan 't stukjes-draaijen; +Maar 'k laat mij door uw voorbeeld raaijen. + Kom morgen maar 'reis bij ons ân:-- + Als Moeder 't mij vergeven heeft, + Is 't vast, dat ze u een bótrâm geeft. + + + + +OPGEPAST. + + +Ik wou wel als een vogeltje + Zoo vliegen en zoo springen; +Ik woû wel als een vogeltje + Een vrolijk liedje zingen, +En iedereen' vertelde ik graag, +Dat ik zoo vrolijk ben van daag! + +En wilt ge weten hoe dat komt? + Och, luister dan maar even! +Ik heb het best mijn les gekend, + Het best mijn schrift geschreven: +En Moeder trok mij op haar' schoot +En zoende beî mijn wangen rood. + + + + +KERK-EXAMEN. + + +Och Lentelief, och hartedief! + Hoe prachtig zijn uw kleêren, +Gestikt met bloempjes wit en blaauw +En paereltjes van morgendauw + En bonte vogelveêren! +Wat ben je mooi, wat ben je mooi, +Mijn lievert! in dien rijken tooi. + +En God de Heer, die tot zijn eer, + o Lente! u zoo woû kleeden, +Zal zeker aan het arme kind, +Wiens mond Hem prijst, wiens hart Hem mint, + Nog grooter zorg besteden. +Zijn goedheid geeft der schaamle jeugd +Den tooi van kennis en van deugd. + +Rijk jaargetij! dat mogen wij + Van daag weêr dankbaar toonen +(Zij 't met versleten jurk en buis), +Nu liefde ons in des Heeren Huis + Voor deugd en vlijt wil loonen; +Die liefde ziet op pronk noch tooi, +Maar denkt: "De hartjes zijn toch mooi!" + + + + +NIEUWSGIERIG. + + +De beek ontdooit, de sneeuwlaag smelt-- + En duizend bloemenknopjes + Verheffen weêr hun kopjes +En kijken langs 't ontluikend veld; + Half, ja! met welbehagen-- + Maar half met schuchter vragen: +"Zeg! is de Lente ver genoeg, + Dat wij het durven wagen... + Of komen wij te vroeg?" + +Gij lieve bloempjes, wit en rood, + Gij teêre madeliefjes, + Och! wees voorzigtig, diefjes! +Gij zat zoo goed in Moeders schoot! + Geen winter kon u deren.... + En als met donzen veêren +Dekte u de blanke sneeuwvlok-sprei: + Wat kondt ge méér begeeren + Gij bloempjes van de weî? + +"Begeeren, ja!... begeeren, neen! + Maar toch, wat rond te kijken + Dat zou ons wel eens lijken!"... +'t Is goed!--Ik ben er meê te vreên; + Ik antwoordde op uw vraagjes: + Doch schijnt de zon nog traagjes-- +En komt weêr sneeuw en ijs... + Wordt dan, nieuwsgierige Aagjes! + Door schande en schaê maar wijs! + + + + +DE LENTE KWAM. + + +De winterkoû is weggejaagd: +Zie maar! wat bloemen, overal, +De hof, de haag, de boomgaard draagt. +'k Hoop, dat het niet meer vriezen zal! +En dat 'k geen andre sneeuw meer zie, + Dan die + Als witte bloesem sneeuwt! + +Of haast de zwaluw komen zal?-- +Met stroo en fijngekamde wol +Maakte ik de nestjes, in den stal +En onder aan de dakgoot, vol. +Ik denk: 't doet vast het trouwe dier + Plêzier, + Dat 'k zóóveel van hem hoû! + +En komt onze ooijevaar dan weêr, +De langpoot met zijn langen bek, +Dan zal 't een pret zijn!--vrij wat meer, +Dan, toen hij stond op zijn vertrek, +En ieder droevig keek naar 't dak + En sprak: + "Hij neemt den zomer meê!" + +Zoo klink' het dan, aan allen kant, +Terwijl we ons scharen tot een dans, +"Hoezee!--de Lente kwam in 't land, +Vlecht haar een madelievenkrans!"-- +En de Armoê roept, nog eens zoo blij + Als wij: + "Koû en gebrek zijn nu voorbij!" + + + + +IN MEI. + + + In Mei, +Dan leggen alle vogeltjes + Een ei! + En waar ze zitten broeijen, + Daar zullen we niet stoeijen. + + In Mei, +Dan kruipt een heel klein vogeltje + Door 't ei! + Wie zou het willen deren? + Het heeft geen eens nog veêren. + + In Mei, +Dan leggen alle vogeltjes + Een ei! + En wie die beestjes hindren, + Dat zijn wel booze kindren. + + + + +BOTERBLÔMMETJE. + + + Ik moet u toch 'reis roemen, + Mijn kleine boterblôm! + Al keken de andre bloemen + Daar nog zoo knorrig om; +Gij staat zoo glinstrend in het hout, +Alsof ge waart van klinkklaar goud. + + De bloempjes in de potten, + De bloempjes in de kast, + Die hebben mak'lijk spotten, + Zij worden opgepast; +Gij staat in alle wind en weêr +En groeit en bloeit toch evenzeer. + + Ik kon wel van u leeren, + Heeft Vader mij gezeîd: + Meer dan de mooiste kleêren + Siert ons tevredenheid;-- +Zoodat een arm en dankbaar kind +Verdient, dat men het dubbel mint! + + + + +OCH HEER! + + +Geen van de bloempjes heeft zijn' knop meer toe, +Het lieve zonnetje lacht weltemoê, +De dartle vogels springen hoog en laag; +Och Heer! wat is het alles mooi van daag! + +Och Heer!... foei! 'k zeî dat woord daar onbedacht,-- +En alles spreekt toch van Gods liefde en magt; +Ja alles roemt de goedheid van den Heer, +En bloeit en lacht en huppelt Hem ter eer. + +En ik, die zoo veel goeds genieten mag, +Ik zou Gods naam niet noemen met ontzag, +Niet denken aan den Gever van dat goed, +Die ook mijn jeugd zoo vaderlijk behoedt!... + +Vergeef't, o Heer! en moog' mijn liefde en dank +Uw goedheid prijzen heel mijn leven lank; +En iedren dag zeg' biddend mijn gemoed: +Och, lieve Heer! wat zijt Ge groot en goed! + + + + +'T VIOOLTJE. + + +Viooltje, zacht van kleuren! + Gij siert mijn' kleinen hof, +Viooltje, zoet van geuren! + Ik zing 'reis tot uw' lof; +Als alle bloempjes rusten + En sluimren in heur' knop, +Dan snuif ik nog met lusten + Uw lekkre geurtjes op. + +En daarom steek uw kopje + Gerust maar uit het gras, +Zoo goed alsof-je een knopje + Van roos of lelie was. +Ei, waarom weg te schuilen, + Mijn kleine hartedief! +Zeg, waarom zou-je pruilen? + Ik heb u net zoo lief! + +Wie lieflijk is van wezen + En nedrig van gemoed, +(Dat heb ik laatst gelezen) + Is dubbel schoon en goed: +En daarom, zedig bloempje! + Zing ik nu tot uw' lof, +En prijs u als het roempje, + Het roempje van mijn' hof. + + + + +BRANDNETELTJE. + + +Ai, ai, mijn heele handje brandt!.... + Of heeft me een beest gebeten? +Wel neen! dat is die booze plant, + Hoe of ze wel mag heeten? + Dat stoute kruid,-- +Het zag er toch zoo aardig uit! + +"Brandneteltje, me-lieve kind! + Zoo is dat kruid geheeten, +En waart ge niet zoo haastig, vrind! + Het had u niet gebeten: + Dat beetje pijn +Dat leer-je nu voorzigtig zijn!" + +"Al wat ge voor het eerste ziet + (Gij moogt het wel onthouên!), +Dat grijp-, of proef- of ruik-je niet, + Want bitter kon 't u rouwen: + Dus niets gewaagd, +Of 't eerst aan wijzer luî gevraagd." + + + + +NIET PLUKKEN. + + +Blaauwbloempje, bloeijend aan den vliet, +Ik meen, gij heet + Vergeet + Mij niet! +Als 'k wist dat ik U plukken dorst, +Ik zou u steken op mijn borst; + Dan zag ik +Den heelen dag uw kleurenpracht! +En 'k droomde er van den heelen nacht; +Zeg, bloempjen-blaauw! zeg... mag ik? + +"Lief meisje! zoo ge 't heel graag deedt, +Pluk voor plêzier + Mij hier-- + Doch weet, +Als ge mij vaststeekt op uw borst, +Dan sterf ik dáár van hitte en dorst!... + Zal 'k bloeijen +Bij 't felle stralen van de zon, +Dan moet het water van de bron +Mijn worteltjes besproeijen!" + +"Laat mij dus hier, bij 't frissche nat!... +Maar wacht, mijn kind! + Ik vind + Nog wat! +Graaf, om mijn worteltjes, een kluit +Met aarde, heel voorzigtig, uit, + En zet mij, +Begoten, op een koele plek +In 't vensterbank van uw vertrek, +Dan leef 'k nog lang--wat wedt gij?" + + Het meisje groef met zachte hand +De wortels uit + Van 't kruid + Der plant, +En liep naar huis, en zette haar +In een regt beeldig vaasje daar + Op 't plankje, +Aan 't kleine raam--en week op week +Bloeit daar 't Vergeet-mij-niet der beek +En fluistert daaglijks: "'k Dank je!" + + + + +'T VERFLENSTE BLOEMPJE. + + +Arm bloemetje! hoe staat ge zoo verdord, + Uw blaadjes rimplen aan den steel; + Wat zijn ze flets, wat zijn ze geel! +Zeg, bloemken! is 't aan water, dat het schort? +Ei! wacht, dat ik u handig eens begiet.... +Dat doet-je goed, hê, bloemken! doet het niet? + +--Och, aardig kind! wat zijt ge lief en goed! + 'k Word frisscher weêr bij iedren drop, + En al mijn blaadjes luiken op: +Och, 't is zoo naar, als men verwelken moet, +Terwijl een weinig water uit de bron, +Zoo 't iemand geven woû, ons helpen kon. + +En 't doet u zelv' plêzier, zeg! doet het niet? + Gij voelt uw hartje blijder slaan + Nu dat ge mij hebt welgedaan: +Och! denk om mij, als ge eens een' Arme ziet: +Ligt helpt den stumpert uit zijn' diepen nood +Één teugje water en één bete brood.-- + + + + +VERWELKTE ROZEN. + + + Moeder, wat bloeijen de roosjes toch kort! +Gistren, u weet het, hoe mooi dat ze stonden, +'k Had ze nog pas aan de stokjes gebonden,-- + Nu zijn de meeste verlept en verdord; +Kijk, hoe de wind nu haar blaadjes doet zweven, +Niets dan de bottels is overgebleven.... + Moeder! ik vond, dat het aardiger waar', + Dat ze maar bloeiden tot laat in het jaar! + + --Liefje! 't heeft alles zijn beurt en zijn' dag. +Hoe zou er zaad in de botteltjes groeijen, +Zoo al die roosjes niets deden dan bloeijen? + 'k Wed, dat men spoedig geen een er meer zag! +'t Is met de kindertjes net als de rozen: +Denk, als het spelen uw koontjes doet blozen, + "Altijd te spelen, dat geeft geen profijt; + Spelen en werken, 't heeft ieder zijn' tijd!"-- + + + + +DE VLINDER. + + +Och! zou het waar zijn, dartel beest! +Wat Grootmoê straks mij heeft verteld, +Dat gij een rupsje zijt geweest +(Gij, die nu rondzweeft over 't veld!) +En kruipen moest langs tak en blad +Of in een pop verscholen zat? + +Wat moet ge, als 't waar is, vrolijk zijn, +Nu je zoo prettig vliegen mag, +En nu ge uit rozen en jasmijn +Uw' maaltijd ophaalt alle dag.... +En nu de vlerkjes, waar ge op zwiert, +Zoo kostelijk mooi zijn opgesierd!-- + +En in 't priëel zat Grootemoê..... +Zij trok me zachtkens aan haar' schoot +En sloot hare oogen biddend toe, +En zeî: "Zoo zal eens, na den dood, +Verlost van aardschen strijd en pijn, +De brave mensch een Engel zijn!" + + + + +IN DE WEÎ. + + +Lieve beestjes in de weî! +Vindt ge hier niet allerlei? +Bloempjes, klaver, gras en kruid, +Ieder zoekt zijn gading uit; +Op dat groene tafelkleed +Staat voor allen wat gereed. + +Luister hoe die vogel zingt, +Kijk eens hoe dat veulen springt, +'t Koetje loeit en 't schaapje blaat, +Ieder spreekt er naar zijn' staat, +Ieder dankt er in zijn taal +Voor dat kostelijke maal. + +Foei! dat ik beschaamd moet staan, +Die aan 't eten ben gegaan +(Och! te dikwijls en te lank) +Zonder bidden, zonder dank!-- +Hoor! nu eet ik nimmer weêr, +Of ik dank ons' Lieven Heer! + + + + +LIJSTERBESSEN. + + +Lijstertje, zoo zwart van veêren, + Met uw' snavel geel als goud! +'k Hoor u daaglijks kwinkeleren + In de toppen van het hout; + Hoog en droog zingt gij uw lied,-- + Kom 'reis hier... of durf-je niet? + +Zie-je niet die roode bessen, + Daar ge toch zooveel van houdt? +Kijk, ze slingren zich als tressen + Om de heesters van het woud; + Kijk maar, proef maar, kom eens hier, + Kom, mijn allerliefste dier! + +--Ei! ge dacht me fijn te foppen, + Knaapje!... maar ik hoû me doof! +'k Zag maar al te goed de stroppen + Daar verborgen tusschen 't loof: + Dwaas is, wie voor lekkernij + Zich laat vangen:--ik blijf vrij!-- + + + + +NACHTEGAALS-LIEDJE. + + +Een nachtegaal zit in den boom, + Die voor mijn venster staat; +Hij zingt zoo vroeg, hij zingt zoo laat, +Ik hoor hem 's nachts nog in mijn' droom; +En 's morgens roept zijn heldre zang: +"Wat slaap-je lang, wat slaap-je lang!" + +Wel, lieve, kleine nachtegaal! + Zeg, slaap-je zelf dan niet? +En 's nachts, wie hoort dan naar uw lied? +De menschen slapen allemaal! +Of zingt ge mooglijk voor den wacht. +Omdat hij oppast in den nacht? + +De Meester zeît, als 't winter wordt, + Dan trekt ge ver van hier; +Och, kom maar binnen, aardig dier, +Als 't dan aan dek of eten schort! +Ik zal u koestren aan mijn zij, +En 'k laat u 's zomers vrank en vrij! + + + + +'T BINNENST. + + +Hoorde ik vogels kwinkeleren + In het stille, koele woud, +'k Zag dan eertijds naar hun veêren:-- + 'k Dacht, dat purper, blaauw of goud +Om het gorgeltje moest spelen, + Dat zoo hemelsch mooi kon kwelen. + +Maar--mijn lieve nachtegaaltjes + Och! ze leerden mij alras, +Dat een keeltje graauw en vaaltjes + 't Volst met schoone liedren was, +En bij 't heerlijkst klankgetoover + 't Zedigst wegschool in het loover. + +Zijt ge pover in de kleêren, + Arme knaap, arm maagdelijn! +'k Wil u lieven toch en eeren, + Toont ge, in 't hart, wat flinks te zijn: +'k Mogt van 't nachtegaaltje leeren, + Dat het niet zit in de.... veêren! + + + + +KLEIN SPINNEKOPJE. + + +Wel, aardig spinnekopje! wat ben-je bitter kleen! +Hoe durf-je zoo te loopen, en dat nog wel alleen? +Zeg, heb-je dan geen moeder, geen zuster of geen meid, +En niet als ik een bedje, waarin ge u 's avonds leît?-- +Wel, aardig spinnekopje! als ik je eens bij me nam, +En gaf je een rozenblaadje voor avond-boterham; +Maar zult ge dan beloven, wanneer ge grooter zijt, +Dat gij die kleine vliegjes niet meer zoo vinnig bijt? + + + + +SPINNEWEB. + + + Of er de wind ook uw webbetje scheurt, +Of er een hommel doorhenen komt strijken, + En of het nogeens en nogeens gebeurt, +Spinnetje! nooit zit ge lustloos te kijken:-- + "'t Wordt niet weêr heel, of men pruttelt of treurt!" + Denkt gij, en tijgt maar weêr pootig aan 't werk + En maakt uw webbetje dubbel zoo sterk. + + Hoor eens, ik woû, dat Ik altijd zóó was, +Wierd soms mijn arbeid bevlekt of bedorven..... + Dat ik zoo lustig, zoo handig, zoo ras +Maar weêr verhielp, wat een aêr had verkorven; + Waarlijk, uw voorbeeld dat komt me te pas.... + 't Blijkt weêr: er is toch zoo leelijk geen beest, + Of 't is wel ergens nog nut voor geweest! + + + + +DE BIJENKORF. + + + Foei! stoute bij! + Wat steek-je mij! + Ik deed u toch geen kwaad: + Ik keek maar even hoe het gaat + En hoe het met uw korfje staat, +En of ge voor de winterdagen + Al menig vette honigraat + Hebt zaâmgedragen. + + --Ja, kind! ik gaâr + Het halve jaar + Mijn' honig en mijn was; + Ik zwerf en vlieg langs beemd en plas, + En zoek de bloempjes in het gras +En op de hoogste heuveltoppen, + En zuig mijn' honig en mijn was + Uit alle knoppen. + + En als ik dan, + Mijn kleine man! + Vermoeid naar huis toe dril, + En 'k zie daar sluipen, zacht en stil, + Een' knaap, die heimlijk snoepen wil, +Dan ben ik 't steken niet vergeten.... + Want 'k meen, dat wie niet werken wil, + Ook niet mag eten.-- + + + + +ONS POESJE. + + +Wel, poesje! wat is er uw velletje zacht, + Uw pootjes, die lijken fluweel, +Zoo wit is uw neus en zoo bont is uw vacht, +Gij spint er zoo goedig als ik met u speel, +Zoo aardige poesjes, die zijn er niet veel:-- + Wat let me, dat ik je 'reis zoen! + Want weet-je, mijn dief! ik heb-je zoo lief! + Maar krabben, dat moet ge niet doen! + +--Wel, vrind! met mijn pootjes zoo zacht als fluweel + Daar strijk ik mijn haartjes meê glad; +Ik wasch me wel telkens, ik wasch me wel veel, +Wie speelt er toch graag met een morsige kat? +En 'k heb van uw melk ook zoo dikwijls gehad; + Och, geef me gerust maar een' zoen: + En krabben, mijn vrind!--Gij zijt een zoet kind, + Dat zou ik de Stouterts maar doen.-- + + + + +LORRETJE. + + +"Lorretje, kaporretje, kapoe!...." + Foei, ik hoû mijne ooren toe,-- + Wat geschreeuw en wat getier, + Leelijk dier! + Hè! mijn heele hoofd is moê.... +"Lorretje, kaporretje, kapoe!" + +--Ja, mijn kind! al vindt ge het verkeerd, + Ik heb anders niet geleerd; + Maar een kind, dat beter weet, + En vergeet + Hoe zijn snappen andren deert.... + Doet dan willens dubbel zoo verkeerd.-- + + + + +DRAAITOL. + + + Tolletje, tolletje! ben-je niet lui? +Als ik je niet met mijn zweep kom te raken, + Geef-je van 't loopen en draaijen den brui; +Stoutert, je zult me nog tureluurs maken! + Vader! och, geef mij een' tol, die blijft staan, + Weet u! met snoer en met knoopjes er aan, + Dan ben ik los van dat vliegen en slaan! + + --Jongetje, zeg eens! gij praat zoo van lui? +Maar zoo de Meester u niet komt vermanen, + Geeft ge van lessen en schriften den brui; +Jongen! het kost me wat zuchten en tranen; + Waarlijk, ik vrees,--als het langer zoo duurt, + Wordt ge met schande, ten spot van de buurt, + Lui als uw tol, naar de mieren gestuurd.-- + + + + +HOBBELPAARD. + + +Hop, hop! mijn vrolijk hobbelpaard! +Nu moet gij rijden met een vaart; +Want och! ik heb zoo'n groote haast, +Ik moet wat halen van hiernaast;-- +Daar is door Moeder, om de pret, +Een bord met kersen neêrgezet, +En als ge nu niet voort en maakt, +Misschien is 't bord dan leêggeraakt: +Dus rep-je, rep-je, wat je kan, +Dan krijg-je er ook een kersje van; +Want Vader zeît: 'een vlijtig paard +Dat is de haver dubbel waard'. + + + + +LUILEKKERLAND. + + +'k Heb van Luilekkerland gistren gelezen, +Jongens! daar moet het wel wonderlijk wezen, + Dáár heb-je grachten van melk en van wijn, + Dáár heb-je straten, die theerandjes zijn! + +Om er te komen, dat dient ge te weten, +Moet men door bergen van rijstepap eten: + Ben-je er, dan leg-je maar lui op den grond, + Eten en drinken, dat loopt je in den mond! + +Jongens!--hoe aardig het is om te lezen, +'k Denk, dat die luiheid vervelend moet wezen; + Neen! als men arbeidt met ijver en lust, + Dan smaakt het eten, dan smaakt de rust! + + + + +HONGER. + + + Honger is de beste saus; +Draven, slaven, zwoegen, zweeten, +Geeft den regten trek tot eten; + Wie gewerkt heeft flink en goed, + Smaken raauwe boonen zoet. + + Honger is de beste saus! +Had-je taarten en pastijen, +Had-je 's werelds lekkernijen, + Och wat hielp het u, mijn schat! + Als ge toch geen' honger hadt. + + Honger is de beste saus! +Loopt het somtijds op een schraaltje,-- +Denk, wat baat het beste maaltje + Aan een' luijen lekkerbek..... + Groote schotels, kleine trek! + + + + +'T EEN EN 'T ANDER. + + + Eten, is een kostlijk ding! +Doch, zoo u de spijs zal smaken,-- + Acht den honger niet gering, +Die de saus er op moet maken! + Waarlijk!--zoo ik kiezen moet, +Òf geen honger, òf geen eten... +Och! dan dient gij maar te weten, + Ik kies honger... kort en goed! + + Rusten, is een kostlijk ding! +Doch, zult gij het welkom heeten-- + Acht het werken niet gering, +Dat den prijs er van doet weten! + Waarlijk!--zoo ik kiezen moet, +Meest te werken... meest te rusten... + Och! trots al de zoetste lusten, +Ik kies werken... kort en goed! + + Rijkdom, is een kostlijk ding! +Doch, wilt gij hem goed waarderen, + Acht het arm zijn niet gering +Om u 't regt gebruik te leeren! + Waarlijk--zoo ik kiezen moet, +Altijd rijk... soms arm te wezen, +Och! ik zeg het zonder vreezen, + Ik kies arm zijn... kort en goed! + + + + +VOGELVERSCHRIKKER. + + +Wel, vogeltjes! wat ben-je dom, +Dat ge alle wegvliegt als ge 't ziet!.... +Het is een pop en anders niet, +Met menig' ouden lap er om: +Kijk! of ge 'em pikt en of ge 'em slaat, +Hij blijft een doode, kameraad! +En doet u zeker leed noch kwaad. + +--Wel, jongelief! zijn wij zoo dom, +Gij zijt toch ook zoo'n slimmert niet; +Want, als ge 's avonds eens wat ziet, +Dan schrikt ge er van, en loopt weêrom, +En vreest voor spook of ander kwaad.... +En keek-je eens op de keper, maat! +Dan was 't verbeelding, kameraad!-- + + + + +ONPARTIJDIG. + + +Braaf is braaf en slecht is slecht! +Of het vrind of vijand doet; +Daarom, jongens! hoû-je goed, +Dat ge trouw uw meening zegt, +Dat ge spreken durft in 't regt: +"Dat is braaf, en dat is slecht." + +Heb-je een' goeijen kameraad, +Daar ge magtig veel van houdt, +En hij is soms boos of stout, +Zeg hem dan: "Mijn beste maat! +"Dat is slecht",--of, "dat is kwaad!" +'k Wed, dat hij het verder laat. + +Vond-je er één' een' raren kwant, +Maar ge zaagt er, nu of dan, +Eens wat braafs of nobels van, +Geef hem dan uw regterhand +En vertel aan allen kant: +"Hij is toch een ferme klant!" + +Maar bedenk u eigen goed, +Eer ge tot een' ander' spreekt, +Of je zelv' ook wat ontbreekt, +Dat ge nog verhelpen moet:-- +Zeg dan eerlijk, wat ge ook doet: +"Dàt was kwaad, en dàt was goed." + + + + +EEN KLEIN JOKKENTJE. + + + Een klein, klein jokkentje, + Zou dat wel zonde wezen? + Me dunkt, het heeft geen' nood.... +Maar--kleine kindren worden groot, + Dat heb ik laatst gelezen; +En zijn ze jonk een beetje kwaad, +Me dunkt, dat men van zelv' al raadt, + Wat ze ouder zullen wezen. + + Een klein, klein jokkentje, + Al was het nog zoo'n diefje, + Groeit tot een boozen gast, +En grijpt-je en knijpt-je en houdt-je vast, + Dat geef ik je op een briefje;-- +En menig brave man of vrouw +Heeft van zoo'n jokkentje berouw + Hun heele leven,--liefje! + + + + +KRACHTIG EN ZEDIG. + + +Kort en krachtig in het goede, + Kort en krachtig tegen 't kwaad, +In den voorspoed kalm te moede, + Dubbel flink als 't kwalijk gaat.... + Zoo ge dàt leert, kameraad! +Zult ge zien, dat--kort en krachtig +Meer nog is, dan rijk en magtig. + +Stil en zedig in het goede, + Stil en zedig bij het kwaad, +In den voorspoed kalm te moede, + Dubbel zacht als 't kwalijk gaat.... + Zoo ge dàt leert, meisjemaat! +Zult ge zien, hoe--stil en zedig, +'t Best eens ieders wensch bevredig'. + +Knapen, Meisjes!--Uitgelezen, + Vol van heil en vol van vreê, +Zou de heele wereld wezen, + Hoorde een ieder naar mijn beê; + Doch!--doen ze Allen ligt niet meê, +'k Waar tevreê, wierdt Gij, eendragtig, +Stil en zedig, kort en krachtig! + + + + +SCHOUDERMANTELTJE. + + +Een lapje hier, een lapje daar, + Waar ik ze maar kan vinden, +Die gaâr ik netjes bij malkaar + Van buurtjes en van vrinden; +En geef voor chits,--ja, voor katoen, +Een hand, een lachje, en soms een' zoen. + +Een lapje hier, een lapje daar, + Die snij ik dan tot ruiten, +En stik ze netjes aan malkaâr, + De mooiste zij naar buiten; +En, zijn dan alle hoekjes vol, +Dan voer ik ze met warme wol. + +Een lapje hier, een lapje daar + Ging anders toch verloren.... +Nu ben ik menig' winter klaar + En warm me naar behooren:-- +'k Ben met dien mantel dubbel blijd', +Want 'k heb hem door mijne eigen vlijt. + + + + +NIEUWE KLOMPJES. + + +Mijn Kees-oom is een timmerman, +Daar is geen knapper op de werf; +Hij maakt in huis en op het erf +Al wat-je zien of denken kan; +Zijn hand is ruw, en grof zijn stem, +Maar 'k ben daarom niet bang voor hem. + +Hij kneep me lestmaal in mijn oor +En zeî: "Nu, als ge vlijtig leert, +Uw' Vader en uw Moeder eert, +Dan krijgt ge er wat op Kerstijd voor!" +En tintelde ook mijn oor er van, +Toch keek ik Kees-oom vriendlijk ân. + +En denk 'reis wat hij heeft gebragt?.... +Een nieuw paar klompjes, puik en net, +Met zilvren neusjes afgezet, +Gevoerd met witte schapenvacht.... +En binnen in daar lag een brief, +Waar op stond: "Voor mijn Neefje-lief!" + +En Moeder zeî me, met een' lach: +"Nu ziet ge maar, mijn beste maat! +Hoe of het zoete kindren gaat; +'k Hoop, dat je nu zoo blijven mag!" +En 'k gaf mijn Moeder-lief een' zoen +En zeî: dat ik mijn best zou doen! + + + + +WINTER. + + +Och winter, barre winter, + Wat zijt ge bitter koud! +Ik woû, ik had een' gulden, + Dan kocht ik turf en hout. +Een vuurtje zou ik bouwen + Als onze plaat zoo groot, +En 'k vroeg mijne arme buurtjes + Op koffij en op brood. + +Wat zouden ze dan smullen + In 't hoekje van den haard! +Voor mij wierd zachts een plaatsje + En ook wat brood bewaard: +Och had ik maar een' gulden.... + Maar toen ik Moeder vroeg, +Toen zeî ze: "Kind! we hebben + Pas voor ons zelv' genoeg." + +Hoor, Jongens! als ik groot ben, + Dan zult ge 'reis wat zien: +Een' cent wil ik bewaren + Van wat ik daags verdien; +Dan heb ik een' driegulden + Met Nieuwejaar bespaard, +En 'k vraag mijne arme buurtjes + In 't hoekje van mijn' haard. + + + + +BROODKRUIMELS. + + +Wat pikt er tegen 't vensterglas, + Alsof het vroeg: doe open!-- +Zoo 't eens die kleine vogel was, + Die 'k op de plaats zag loopen! +Och ja! daar zit hij, koud en stram; + Hoe sjilpt hij om wat eten.... +Och, dat ik nu mijn boterham + Maar niet had opgegeten! + +Of had ik al de kruimels maar, + Die Moeder weg moest vegen, +Dan was het arme diertje klaar + En ik stond niet verlegen!-- +Och, Moeder! help mij uit den nood, + En 'k zal het nooit vergeten, +Dat ook geen krûmmeltje van brood + Mag worden weggesmeten. + + + + +IN DE KAARS. + + + "Wat danst ge vrolijk om het licht, +Zeg, mugje! heb-je dan geene oogen, + Of schemert het voor uw gezigt? +Zoo menig is er ingevlogen, + Die half verbrand te spartlen ligt, + En, 'k moet het waarlijk vreezen, +'t Zal straks met u wel ook zoo wezen!" + + Doch, wat de huisvrouw zeî of deê +En of zij 't beestje al weg woû jagen, + Het hoorde naar vermaan noch beê +Maar volgde blind zijn welbehagen:-- + En 't duurde pas een tel of twee, + Of zie! tot straf van 't dartlen, +Daar lag het in de kaars te spartlen! + + Ik woû wel, dat een zeker kind +(Ik zal zijn' naam hier maar niet zeggen!) + Dat waanwijs mugje, zoo verblind, +Daar in die heete kaars zag lêggen!-- + Maar 't beestje is dood, eer ik hem vind.... + Misschien kan 't nog genezen, +Als ik er handig bij wil wezen! + + + + +IN 'T DONKER. + + +Gij kruipt vergeefs in struik en heg, +Nu dat ge kwaad deedt aan de liên; + Gij dacht misschien: +"Het is toch donker op den weg +En niemand zag me bij mijn vlugt!"-- +Kijk eens naar boven, naar de lucht.... +De Sterren hebben het gezien! + +Nu zijt ge 's avonds, vroeg of laat, +Voor iedren struik en iedren boom + In angst en schroom; +Want waar ge zit, of waar ge staat, +Daar kijken u de Sterren aan +En roepen: "Gij hebt kwaad gedaan!...." +En 's nachts nog hoort ge 't in uw' droom. + +Maar is dan 't hartje droef te moê +En voelt ge regt berouw en leed, + Omdat ge 't deedt, +Dan lagchen u de Sterren toe, +En zeggen: "Doe 't maar nimmer weêr, +Zoo kijken wij weêr vriendlijk neêr!" +Slaap wel nu--mits ge 't nooit vergeet! + + + + +TWEE SCHILDWACHTS. + + + Of ge deur en venster sluit, +Booze dieven, booze boeven, +Die berooven en bedroeven, + Weert ge daarmeê 't huis niet uit! +Neen! twee schildwachts moet ge kiezen, +Wilt ge geld noch rust verliezen. + + "Arbeid" sta getrouw op post +Om voor "buitenshuis" te zorgen; +Wakend van den vroegen morgen, + 's Avonds laat pas afgelost;-- +"Liefde" hoû, met kalme zinnen, +Vroom en ijvrig wacht "van binnen." + + Waar die beiden staan op wacht, +En de blanke wapens trekken +Als ze boef of dief ontdekken, + Zijt ge veilig, dag en nacht! +Kunt gij roepen, zonder schromen: +"Laat het booze volk maar komen!" + + + + +IN DEN MANESCHIJN. + + +Kindren! kijk! de maan schijnt klaar: + Komt een beetje hier! +Zingt eens lustig met elkaâr, + Zingt wat voor plêzier! +Liedjes kent ge toch genoeg, +'k Hoor u laat en 'k hoor u vroeg, + Komt nu haastig hier! + +Als het werk is afgedaan + En de taak volbragt, +Mag er wel een liedje op staan; + 't Klinkt zoo mooi bij nacht! +Open gaat er menig raam, +Al de buurtjes scholen zaam; + Zingt nu rein en zacht! + +Zingt vooreerst maar, hoe een kind + Leerzaam wordt en zoet! +Dan een liedje, welbemind, + Van "Wien Neêrlandsch bloed!" +Dan hoe men zijne ouders eer', +En hoe onze lieve Heer + Magtig is en goed! + +Kindren! kijk! de maan schijnt klaar: + Komt nu allen hier! +Zingt eens lustig met elkaâr. + Zingt wat voor plêzier! +Spoedig roept de wacht: naar bed! +Daarom zingt nu voor de pret, + Komt maar haastig hier! + + + + +DES AVONDS LAAT. + + +Des avonds laat, des avonds laat, +Dan komt mijn Vader, loof en moê, +En dikwijls straat en grachten ver, +Van 't werk af naar ons huisje toe; +Dan sta ik voor ons kleine raam +Te hunkren of ik hem bespeur', +En als hij dan den hoek omslaat, +Dan loop ik haastig naar de deur. + +Des avonds laat, des avonds laat, +Als Moeder koffij heeft gezet, +Schuif ik mijn Vaders leuningstoel +In 't hoekje tusschen haard en bed; +Ik zet zijn sloffen op de plaat +En dan, voorzigtig opgepast, +Krijg ik mijn Vaders lange pijp +En zijn' tabakspot van de kast. + +Des avonds laat, des avonds laat, +Als zoo mijn Vader huiswaarts keert, +Dan geeft hij mij een lekkren zoen +En vraagt: "Wel, heb je braaf geleerd?" +Dan val ik Vader om zijn' hals +En zeg: "Ik heb mijn best gedaan, +Omdat ik gaauw zoo knap woû zijn, +Om flink voor u naar werk te gaan!" + + + + +STERRETJES. + + +Sterretjes! zie ik u blinken en staan, +Is het mij vaak door mijn hoofdje gegaan, + Waar komt ge 's avonds toch wel van daan, + Waar gaat ge 's morgens weêr henen,-- + Vindt ge den weg zoo alleenen? + +Sterretjes! als ge zoo vriendelijk lacht, +Heb ik er menigmaal wel aan gedacht, + Wie u laat schijnen in duistren nacht; + Menschen die kunnen 't niet wezen, + Zijt ge zoo groot als wij lezen! + +o Dat moet God zijn, die groot is en goed, +Die uit zijn' Hemel de kinderkens hoedt, + Als zij Hem vreezen met vroom gemoed; + Leer ons Hem danken en prijzen, + Of ge moogt dalen of rijzen. + + + + +TER RUSTE. + + +Eer wij 't hoofd ter ruste buigen, + Waar ons leger is gespreid, + Willen we onze dankbaarheid +Aan den goeden God betuigen + Voor den zegen ons bereid: +Wil, o Vader! ons vergeven + Wat, in onbedachtzaamheid, +Door uw kindren is misdreven:-- + Laat ons droomen heel den nacht + Van Uw liefde, van Uw magt! + + + + + + + +III. + + +BIJ 'T ONTWAKEN. + + + Zonneschijntje, morgenlicht, +Als ge tintelt op de ramen + En weêr blinkt in ons gezigt, +Vouwen wij de handen zamen + En wij danken, met ontzag, + Voor dien nieuwen, schoonen dag. + + Zie! wij leggen 's avonds 't hoofd +Altijd maar zoo rustig neder, + Alsof iedereen gelooft: +Morgen komt het zonlicht weder!-- + Niemand onzer denkt er aan, + Dat ge ook eens niet op kondt staan. + + Niemand mooglijk heeft gedacht, +Dat, zoo gij al weêr mogt komen, + Ons misschien geen morgen wacht +Na ons slapen, uit ons droomen.... + Daarom, schoone morgengloed, + Wees met blijden dank gegroet. + + + + +VROEG OP. + + + Vroeg op, vroeg op, in alle ding, +Dat maakt een' domme tot een' wijze, + Dat maakt aanzienlijk van gering, +Dat maakt een' jongling van een' grijze, + Een' grijsaard van een' jongeling. + + Vroeg op, vroeg op, in deugd en vlijt, +Vroeg op, gij maagden en gij knapen! + Dan kunt gij, als ge moede zijt, +Met een geruste ziel gaan slapen, + Hetzij voor eens of voor altijd. + + + + +MORGENLIED. + + +Komt de dag en wijkt de nacht, +Waak dan op tot frissche kracht, +Klaar van oogen en verstand, +Blank van hart en rein van hand. + +Roep, met vromen kinderzin, +Dan des Vaders zegen in; +Hij, die van zijn' Hemeltroon +D'arbeid krachten geeft en loon. + +En bedenk, als--zwaar of ligt, +Gij uw taak en werk verrigt: +Dat geen Eeuwigheid hergeeft +'t Uur, hier ongebruikt doorleefd. + + + + +LEEUWRIK. + + +Wat zijt gij vroeg al in de weêr, +Wat vliegt gij juichend af en aan! +Hoe vroeg of ik ook op moog' staan, +Gij, leeuwrik! wint het ieder keer! +Wat jaagt zoo gaauw u 't leger uit, +En wat beduidt uw blij geluid? + +--Wel, kind! als in de heldre lucht +Het ochtendlicht zijn stralen giet, +Dan houdt mijn bed mij langer niet +En 'k stijg omhoog met snelle vlugt; +En, zwevend naar des hemels boog, +Rijst ook mijn lied tot God omhoog. + +Geloof me, ik weet het, lieve kind! +Hem gaat het daaglijks zeker goed, +Die 't eerst het morgenlicht begroet +En met Gods lof den dag begint... +Al blijft dat lied ook laag bij de aard', +Gods Englen dragen 't Hemelwaart.-- + + + + +HANDJES WASSCHEN. + + +Wie zijn handjes schoon wil wasschen, + Moet ze wasschen met elkaâr; + 't Baat je niet, probeer het maar, +Om met een voor een te plassen: + Als ge niet ze zamen wrijft, + Wed ik, dat er vuil aan blijft. + +Wascht ge dan zoo de een door de ander', + Leer er uit: dat, vroeg of laat, + 't In de wereld ook zoo gaat: +Helpen moeten wij elkander!-- + Wie maar werken wil voor loon, + Krijgt zijn handen nimmer schoon. + + + + +ZAMEN. + + + Roggebrood en wittebrood + Dat 'hoort op elkander! + Eet ge 't een vóór 't ander, + Och! gij brengt u zelv' in nood! +Roggebrood moet óók gegeten; + Is er 't wittebrood doorheen, +Dan, gij dient het maar te weten, + Eet ge 't roggebrood alléén. + + Rust en werk--en werk en rust + 'Hooren bij elkander! + Doet gij 't een vóór 't ander, + Och! gij maakt u last van lust! +Ieders taak moet afgeweven: + Wie te gaauw te rusten tracht, +Loopt gevaar zijn heele leven, + Dat hem nooit weêr rust verwacht. + + + + +DAUW. + + +Och, kijk! wat zijn de bloempjes nat! + 't Is of ze huilden van den nacht! + Zie eens! daar ligt een heele vracht +Van druppeltjes op ieder blad: + Zeg, moeder!--wàt ze schelen zou? + Kan het ook wezen van de koû? + +--Ja, liefje! zeker weet ik 't niet, + Wat of de bloempjes deren kan; + Maar, moet ik 't zeggen, kleine man, +'t Zijn ook geen traantjes, die gij ziet; + Die druppels doen de bloempjes goed... + 't Is dauw, die 't plantje laaft en voedt. + +Zoo zal 't u nog wel dikwijls gaan! + Zoo ziet ge, eerst als gij ouder wordt, + Wat heil op ons wordt uitgestort +In menig', schijnbaar droeven, traan + En hoe die dauw, in ons gemoed, + De Hemelbloemen groeijen doet. + + + + +HEBT GIJ 'T GEHOORD? + + +Zeg, kindren! hebt gij 't al gehoord? + De Lente is weêr verschenen! +Zij joeg den boozen Winter voort, + En grommend trok hij henen. + +Nu strooit ze bloempjes hier en daar + En leert de vogels kwelen, +En roept de kinders bij elkaâr + Om lustig weêr te spelen. + +Kijk! hoe de beestjes ginds en hier + Nu zingen en nu springen;-- +Me dunkt, we moesten voor plêzier + Nu ook een liedje zingen:-- + +o Lieve Lente! wees gegroet + En leer ons, als we u prijzen +Voor 't goede, dat men aan ons doet, + Den Schepper dank bewijzen! + + + + +AL TE VROEG. + + +De zon scheen koestrend op het kruid, + De Lente was gekomen, +En alle knopjes liepen uit, + Als waar' er niets te schromen; +Ze dachten, dat de Wintervorst +Bij zonneschijn niet keeren dorst. + +Maar toen de zon ter ruste lag, + Toen kwam, met sneeuw beladen, +De Winter eensklaps voor den dag, + En knakte steng en bladen; +En al de bloempjes wit en rood +Die waren 's morgens ziek of dood. + +Het leed woont meestal naast de vreugd, + De koû naast lentedagen; +En wie het spoedigst zich verheugt, + Moet vaak het langste klagen; +Vertrouw dus, als ik bidden mag, +Vertrouw geen' eersten lentedag. + + + + +EEN PRIJS. + + +De lieve Mei staat voor de deur, + Wij roepen al: kom binnen! +Zij geeft ons bloempjes zacht van kleur + En zoet van geur, + En opgeruimde zinnen; +Want wie van 't jaar zijn best hier deê, +Dien brengt ze alligt een prijsje meê,-- + Kom binnen! + +Dat ware ook wel een stoute gast, + Die roepen dorst: blijf buiten! +'k Wed, hij had wis niet opgepast, + En dacht wel vast: + 'k Moet naar mijn' prijs toch fluiten! +Doch was er onder ons zoo'n guit..... +De Mei er in, en hij er uit: + Blijf buiten! + +Maar neen! dat loopt wel geen gevaar; + Hoor, ieder roept: kom binnen! +En, prijs òf niet, wij toonen maar, + Wat wij van 't jaar + Aan knapheid mogten winnen: +Kom, lieve Mei! en hoor het lied, +Dat dankbaar uit ons harte vliet: + Kom binnen! + + + + +VERGEET-MIJ-NIETJE. + + + Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet! + Hoe komt het toch, als aan de vliet + Mijn oog u ziet, +Dat ik van alle lieve menschen, +Als gij, niet vragen durf en wenschen: + "Vergeet mij niet!" + + Och, bloempje-lief, ik weet het wel!... + Maar 'k bidje, zoo ik 't u vertel, + Vergeet het snel... +Ik zou op véle, véle dagen +Met angst en schaamte moeten vragen: + "Vergeet mij wel!" + + Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet! + 'k Beloof 't u--als weêr aan de vliet + Mijn oog u ziet, +Dat ik van alle lieve menschen, +Als gij, durf vragen en durf wenschen: + "Vergeet mij niet!" + + + + +VLASBLOEMETJE. + + + "Wat bloeit ge snel, wat welkt ge ras, + Blaauw bloemetje van 't groene vlas! +De zon rees pas ter middaghoogte; + Van morgen stondt ge in volle praal, + En nu reeds zijt ge dor en vaal +En zaâmgeschrompeld van de droogte; + Kijk! onbewimpeld zeg ik 't maar, + Als Ik zoo'n aardig bloempje waar', + Dan bloeide ik vast het heele jaar!" + + --Ja! dat is allerliefst bedacht, + Als men maar leeft voor pret en pracht, +En niet tot werken en tot winnen; + De mooije bloempjes, die ge ziet, + Die zijn bij mij 't voornaamste niet.... +Ik maak de draadjes voor uw linnen + En oliezaden tot gerijf.... + En als ik nu maar bloeijen blijf, + Dan krijg je ligt geen hemd aan 't lijf. + + Wanneer de winter komt in 't land, + Dan zult gij menig ijdle plant +Vertreden op den mesthoop vinden; + Maar ik, al ben ik tweemaal dood, + Dan leef ik nog voor klein en groot, +Want linnen wordt papier, mêvrinden! + Daarop leest ieder dan de leer: + "Och bloei wat minder, werk wat meer... + Van nut zijn, is de kostlijkste eer!"-- + + + + +MAANDROZEN. + + +Dat is groeijen uit den treuren, + Dat is bloeijen, altijd klaar! +Nieuwe knoppen, nieuwe kleuren, +Nieuwe bloemen, nieuwe geuren, + Of er nooit een einde aan waar'. + +Staat het windeken in 't zuijen, + Maandroos bloeit in volle pracht; +Plundren haar de hagelbuijen.... +Eer ze er iets van laat verluijen, + Bloeit ze weêr in volle kracht. + +Altijd bloemen, altijd geuren, + Altijd knoppen, altijd meer.... +Maandroos! mogt het ons gebeuren, +Onder juichen, onder treuren, + Zóó te bloeijen, God ter eer! + + + + +EEN WOUD-BLOEMPJE. + + + Eenzaam bloempjen in het bosch, + Diep verscholen onder 't mos, +Niemand slaat uw bloeijen gade; + Maar gij bloeit toch evenzeer + God ter eer, +En gij dankt voor zijn genade + Hem, der Schepping wijzen Heer! + + Als een bij, in 't woud verdwaald, + Op uw knopjes nederdaalt, +Sluit ge uw kelkjes wijder open; + En gij denkt in uw gemoed, + Hoe uw zoet +'t Moêgevlogen, moêgekropen + Diertje nu verkwikken moet! + + o Dan juicht gij, dat Gods hand + U zoo eenzaam heeft geplant, +Om uw laafnis dáár te geven, + Waar de bij op 't doornig pad, + Moede en mat, +Zeker van gebrek zou sneven, + Als zij geen verkwikking had.-- + + Vrome! die, in nedrigheid, + Heil op 't eenzaam pad verspreidt, +In uw lot en stand tevreden... + Ruil ze niet voor ijdlen schijn, + Bloemelijn!-- +Zalig hij, die, hierbeneden, + 't Eenzaam bloempje in 't woud mag zijn! + + + + +GEBROKEN. + + +Dat ruikertje staat mooi genoeg, +'t Staat allerliefst.... o maagdelijn! +Maar weet ge wel, dat morgen vroeg +De geur en kleur verwelkt zal zijn? +Och! dat gij niet méér meêlij hadt +Met zooveel kostlijk bloesemblad! + +Zoo 't bloempje op stam gebleven was, +Het waar' misschien tot vrucht gegroeid, +En zelfs met water in een glas +Had het nog dagen lang gebloeid; +Maar nu--een uur of wat--hoe kort! +En 't arme bloempjen is verdord. + +Zoo is 't ook met des levens vreugd!.... +Wie al te veel op eens begeert, +Die ziet al spoedig, lieve jeugd! +Hoe gaauw 't verflenst is en verteerd! +Verlangt gij, dat er vrucht van koom?... +Zoo breek de bloem niet van den boom. + + + + +KORENBLOEMEN. + + +Blaauwe bloemetjes in 't koren! + Aardig staat gij tusschen 't graan; +Maar een plekje gaat verloren, + Waar een rijke halm kon staan. +Lieflijk sieraad moogt ge wezen; + Maar, zoo ge al te welig groeit, +Zou ik (en met reden) vreezen, + Dat ge gaauw wordt uitgeroeid. + +Als de landman in de voren + Kostbre korrels heeft gezaaid, +En, in plaats van voedzaam koren, + Niet dan blaauwe bloempjes maait, +Zal hij 't land onvruchtbaar noemen, + Dat zoo schralen oogst hem gaf-- +En hij snijdt met regt uw bloemen + Als verdervend onkruid af. + +Daarom, bloemetjes in 't koren, + Weest een siersel, niet een last! +'t Best van d'akker gaat verloren, + Waar gij al te welig wast. +Wilt ook ons de leering geven: + "Nut moet vóór genoegen gaan, +En 't vermaak in ieders leven + Zij eene enkle bloem in 't graan!" + + + + +KORENÄREN. + + + Korentje, dat er zoo weelderig wast! +Hoe zijn uw halmen zoo dun en zoo spichtig? +'k Zie ze daar ginder wel dubbel zoo wigtig, + Schoon er hun lengte niet half bij u past; + Toch staat ge lekker in 't kleijige land, + En 't is daar ginder meest allemaal zand. + + 'k Vrees, als de landheer zijn koren vergaârt, +Dat hij niet eens u tot schoven laat binden; +Dat hij maar stroo en maar sprieten zal vinden, + D'akker en 't oogsten en dorschen onwaard'; + Dat hij, te onvreden hoe weinig je gaf, + Mooglijk uw halmen in 't vuur gooit bij 't kaf. + + 't Vette der aarde, dat was u gegund, +Mits ge ook een dubbeltal korrels zoudt geven; +Niet, om alleen voor u zelf maar te leven, + En om te groeijen zoo hoog als ge kunt; + Niet, om te worden tot nutteloos stroo, + Hadt ge die plek en dat akkertje zoo. + + Korentje, dat er zoo weelderig wast! +Mogten toch velen uit dorpen en steden +Met me dat paadje langs je akker betreden, + Ligt dat uw voorbeeld op enklen wel past: + Ik voor het minste, dat staat bij me vast, + Zal er om denken, hoe weeldrig gij wast. + + + + +DE KROMME BOOM. + + + Wel, boom, wat zijt ge krom gegroeid! +'t Is haast, alsof gij om wilt zakken; +En hoe verward zijn al uw takken, + Alsof gij nooit nog waart gesnoeid; + 't Is waar (ik zeg het zonder schroom) + Ik vind je leelijk, kromme boom! + + --Ja, kind! het is zoo als gij zegt, +Ik moet mij zelv' óók leelijk vinden: +Had ik mij vroeger laten binden, + Dan was ik nu niet krom, maar regt; + 'k Was dan misschien een pronk van 't woud... + Nu ben ik slechts onbruikbaar hout. + + Nog gistren ('k hoorde 't met verdriet) +Zeî tuinman: "Waart ge jong gebogen, +Dan stondt gij als een lust der oogen; + Nu zijt ge brandhout, anders niet!" + Gij vindt mij leelijk, lieve kind!.... + Zorg, dat geen mensch 't ook U eens vind'.-- + + + + +DE WIJNRANK. + + +Gij, arme wijnrank! lig je daar +Zoo vuil te slingren langs den grond? +Wat zijn uw druifjes klein en naar, +Onrijp, en zeker ongezond! +Kom, als ik je aan de schutting bond, +Dan raakte je misschien weêr klaar. + +--Neen! 'k vrees, mijn kind! 't is nu te laat.... +Wanneer dat iemand had gedaan, +Toen 'k jong en sterk was--en in staat +Om frisch mijn ranken uit te slaan, +Dan zou ik nu vol vruchten staan, +Zoo zoet en geurig als muskaat. + +Och! 't gaat me als menig' armen man, +Die niet in tijds geholpen wordt: +Die hulp komt later soms--maar dan +Schiet moed en lust en kracht te kort.... +Steun dus de wijnrank eer zij dort, +En d'Arme, wen 't nog baten kan.-- + + + + +BLOEMEN EN VOGELS. + + +De kleine bloempjes op de heide, + De kleine vogels in het nest, + Zij hebben 't óók niet altoos best, + Maar worden dan toch groot op 't lest... +De Heer des Hemels zorgt voor beide; + En dikwijls waakt een vrome hand + Voor vogelijn en heideplant. + +Dàn kunnen ze onbekommerd groeijen + En krachten putten uit den nood: + Des vogels lied juicht: "God is groot"!... + De plant geeft bloesems, wit en rood, +En zoete geuren onder 't bloeijen; + En beide danken God den Heer, + En wie hen kweekte, Hem ter eer. + +Gij knapen, meisjes, dartle kleenen! + Gij wilde vogels, plantjes teêr! + Ook u beschermt des Hemels Heer; + Zijn Geest daalt in de harten neêr, +Opdat ze u hulp en schuts verleenen. + o Zingt en bloeit dan Hem ter eer, + Gij wilde vogels--plantjes teêr! + + + + +HAANTJE. + + + Haantje, haantje, koekeloer! + Wat een stappen, + Wat een grappen + Maak je, voor een handje voêr! +'k Denk, als Ik zoo'n spuls moest maken, + Eer ik wat te bikken had, +Eer ik aan den kost kon raken.... + Dat ik liever nooit weêr at. + + --Dwaze knaap, onnoozle bloed! + Al dat praten + Zoudt ge laten, + Waren je ouders niet zoo goed; +'k Zal, als te avond of te morgen + Ook Uw disch niet is gedekt, +En ge eens voor u zelv' moet zorgen, + Zien, wat voor gezigt gij trekt. + + Als gij de ouders eens verliest, + Die u geven + Om te leven, + Zal het blijken wat gij kiest; +'k Denk, dan maakt ge, onnoozle jongen! + Zoo ge ondankbaar blijft en traag, +Nog wel àndre kromme sprongen + Voor het vullen van uw maag.-- + + + + +DE MIEREN. + + +Wilt gij in uw jonge jaren + Wijsheid gâren, + Komt dan, kinders, komt dan hier! + Ziet die rappe, kleine mier +Slaven, draven, gâren, sparen, + Of ze 't deed voor haar plêzier.... + Jongens! wat een aardig dier! + +Zoo te werken, zoo te zwoegen, + Is genoegen + Om te zien en om te doen: + Voorraad, in het goed saizoen, +Voor den winter zaâm te voegen, + Als er vruchten zijn noch groen.... + Kinders! 'k raad je 't ook te doen. + +Luije meisjes, luije knapen! + Gapen, slapen..... + Doet gij 't in uw' jonger' tijd, + 'k Vrees, dat ge ouder honger lijdt.-- +Leert ge dus geen voorraad rapen, + 'k Zeg u: dat ge (tot mijn spijt) + Dommer dan de mieren zijt. + + + + +ZOET EN BITTER. + + +De bij gaart uit den zoeten knop + En uit het bittre kruid +De reinste en beste sappen op + En puurt er zuivren honig uit: +'k Hoop niet, dat iemand dommer zij, +Mijn kind! dan zulk een kleine bij! + +De goede God gaf u verstand, + En kloekheid van gemoed, +Een scherpziend oog, een rappe hand, + Een fijn gehoor, een' vluggen voet.... +En wat de bij, onwetend, kan, + Daar weet Gij doel en oorzaak van. + +Dus--ziet gij 't aardig diertjen aan, + En hoe 't zijn taak verrigt, +Zorg dan om niet beschaamd te staan, + Maar doe, met dubblen lust, Uw' pligt; +En vindt ge zoet of bitter kruid, +Och, puur er steeds den honig uit! + + + + +HET DOODE MUGJE. + + + Dood is het mugje!.... met uw hand +Hebt gij 't, o knaapje! doodgeslagen; + Maar dacht ge wel, mijn jonge kwant! +Hoe of 't u zelven zou behagen, + Wanneer nu eens een olifant + U 't zelfde deed, met snuit of tand? + + Ja, zie! nu doet het u verdriet; +Nu hebt ge rouw, dat gij zoo-even + Dat arme beest niet leven liet. +Voor ditmaal zij het u vergeven!-- + Maar doe dan ook een' ander' niet + Wat gij niet wilt, dat u geschied'. + + + + +GLIMWORM. + + +Gij mooije glimworm, die in 't woud +Des nachts zoo helder blinkt door 't hout, + Alsof het sappig groen der bladen + Met diamanten is beladen, +Och! zeg me eens (zoo ik 't weten mag) +Waarom glim je ook niet over dag? + Als Ik zoo prachtig licht kon geven, + Dan deed ik 't vast mijn heele leven, +En niet alleen, dat waar' gewis, + Als 't donker is. + +--Wel, kind! ik zeg 't je met plêzier; +En, ben ik maar een simpel dier, + Toch kunt ge er mooglijk nut uit halen... + Wanneer de warme zonnestralen +Een stroom van licht, een stroom van goud +Doen vloeijen over veld en woud, + Zou 'k vreezen heel verwaand te 'lijken + Als ik mijn' zwakken glans liet kijken; +En deed ik 't al... 'k wed, dat bij dag + Toch niemand 't zag. + +Och! denk om mij, mijn lieve kind! +Als gij bij andren u bevindt, + Die, als een zon, met warme stralen + Van liefheid, deugd of kennis pralen; +Hoû dan bescheiden 't mondje toe +En wacht, gelijk ik zelf het doe, + Tot gij, wanneer die andren zwijgen, + In ootmoed ook een beurt kunt krijgen.... +Slechts als ge er nut of vreugd door sticht, + Geef dan uw licht.-- + + + + +ZWAANTJE. + + +Zwaantje, met uw witte pluimen, + Met uw vlerken groot en wijd! + 'k Zie het wel, hoe trotsch ge zijt, +Als ge 't water zoo doet schuimen! + Al de vogels klein en teêr +Jaagt gij weg van beek en vlieten, +En de schuchtre vischjes schieten + Haastig in de diepte neêr. + +Mooi, dat zijt ge boven velen, + Slank en statig buiten kijf; + Kostbaar dons bedekt uw lijf; +Maar, wat kan dat andren schelen? + Zie dien kleinen nachtegaal, +Graauw en pover in de veêren,-- +Maar wat kan hij kwinkeleren.... + Zwaanlief! hè! dat 's meer dan praal? + +Zwaantje! wilt gij nedrig wezen, + 'k Wed, dat gij, door heel de streek, + Als het siersel van de beek +Wordt bewonderd en geprezen: + Maar blijft gij zoo trotsch en fier, +'k Zeg dan, als ik u hoor gagglen +En op ganzenpoot zie wagglen.... + Och, 't is toch een ak'lig dier! + + + + +OOIJEVAAR. + + + Ooijevaar, lepelaar! +'k Zit zoo graag naar u te kijken, + Als gij (dragend dat ge zweet) +Door de heldre lucht komt strijken-- + En van rust noch poozen weet, + Voor' uw nest, geheel gereed, +Hoog in d'eikenboom mag prijken. + + Ooijevaar, lepelaar! +Als ge dan nog vele weken + Zoo geduldig de eijers broedt, +En--als 't jong er uit komt breken, + 't Met zoo trouwe liefde voedt, + Zie, dan vind ik u zóó goed, +Dat ik 't haast niet uit kan spreken! + + --Lieve vrind, aardig kind! +'k Dank u voor uw vriendlijkheden! + Maar, hebt gij weleens bedacht, +Wat Uw Ouders voor U deden + Sinds men u ter wereld bragt, + En hoe ze altijd, dag en nacht, +Nòg hun moeite aan u besteden? + + Lieve vrind, aardig kind! +Breng het telkens u te binnen: + Ik zorg weinig maanden maar, +Zie!.... doch de ouders, die u minnen, + Zorgen reeds zoo ménig jaar.... + Dàt is liefde en trouw, voorwaar! +Die 't van mijne ver nog winnen!-- + + + + +EEN MIDDAGSLAAPJE. + + +Wie rusten wil in 't groene woud, + Wie rusten wil met lusten, +Hij kieze een plekje, digt in 't hout + En vlijê zich tot rusten; +Een peluwtje van mollig mos, + Een kussentje van varen + En een gordijn van blâren..... +Geeft zoeten middagslaap in 't bosch. + +De hemel van het ledekant + Blinkt prachtig-blaauw door 't loover, +De heesters slingren om den rand, + De bloesem hangt er over; +Het koeltje fluistert met de vliet, + De dartle vlinders spelen, + De nachtegalen kwelen.... +Is 't niet een lieflijk wiegelied? + +En 't best is: dat het groene woud + Met koelte en rust u lavend, +Van u geen zilver vraagt of goud, + Al slaapt gij tot den avend; +'t Vraagt enkel: zijt gij mat, of moê?... + De slaapsteê is voor allen! + En is ze u goed bevallen, +Dan krijgt gij 't avondgoud nog toe! + + + + +DOEN EN LATEN. + + + Wat ge doet of niet en doet, +Flinke jongens, knappe meiden! + Laat Voorzigtigheid den Spoed +Zachtjes bij de hand geleiden; + Maar denkt altijd, dat gij 't Kwaad + Haast wel nooit te langzaam laat. + + Wat ge laat of niet en laat, +Knappe deerens, flinke knapen! + Haastig geef Voorzigtig raad, +Niet, bij ondeugd, in te slapen; + Och! denkt altijd, dat gij 't Goed + Haast wel nooit te langzaam doet. + + Wat ge laat of wat ge doet, +Flinke jongens, knappe meiden! + Zij niet sneller dan het moet: +Doch, wil iemand u verleiden + Tot iets boos--zegt dàn, met spoed: + "'k Ben, voor kwaad doen, veel te goed!" + + + + +ZWEMMEN. + + + Wilt ge koeling voor den gloed +Van de felle Zomerzon? +In het vocht van de bron, + In den stroom, in den vloed... +Knapen!--in de frissche wellen +Voelt ge uw kracht zich weêr herstellen, + Als het nat + U omspat! + + Duik omlaag en spring omhoog, +Klief den stroom met forsche spier, +Wend en keer, zwenk en zwier.... + Als een pijl van den boog +Knapen! moogt ge voorwaarts schieten; +'t Zal u kracht in de aders gieten, + Als het nat + U omspat. + + Blijv' de bloodaard aan het strand, +Blijv' de lafaard op den dijk, + Waterland, Waterland, +Gij zijt ons Koninkrijk! + Uit het diepste van de stroomen + Is Oud-Neêrlands kracht gekomen; + Haal dien schat + Weêr uit 't nat! + + + + +REGTOP. + + + Regtop van lijf, regtop van ziel, +Dat is een stand naar mijn behagen. +'t Zij, dat ge een' staatsierok moogt dragen, + 't Zij, dat ge een' buis draagt of een kiel... + Regtop van lijf, regtop van ziel! + + En buig' men ooit zijn hoofd of knie, +'t Zij dan alleen voor God, den Heere! +Voor elk, wien men als braver eere, + Voor ieder, dien men wijzer zie.... + Voor die slechts buig' men hoofd of knie. + + Maar anders--regt van lijf en ziel, +In vreugd of leed, door heel ons leven! +Niet links, niet regts, maar 't hoofd geheven, + Wat of er buig', wat of er kniel'.... + Dat 's Nederlandsch, naar lijf en ziel! + + + + +DE LANGSTE DAG. + + + Almanak, + Leugenzak! + Och, 't is klaar, + Je fopt ons maar; + Slechts één langste dag in 't jaar? +Als men mij om raad woû vragen, +Maakte ik honderd langste dagen.-- + + Wie het eerst ten bedde uit was, + Maakt den langsten dag; + Wie het knapst en vlijtig was, + Maakt den langsten dag; + Wie de liefste en braafste was, + Maakt den langsten dag. + +Dat kan je immers alle dagen, + Driemaal honderd zestig keer, + Ja, al was het vijfmaal meer, +Zonder d'Almanak te vragen: + + Deedt gij 't flink en met verstand, +Ware 't ook maar honderd malen, +Laat ons dan in koor herhalen, + Vrolijk dansend hand aan hand: + + Almanak, + Leugenzak! + Och, 't is klaar, + Je fopt ons maar; + Slechts één langste dag in 't jaar? +Als men ons om raad wil vragen. +Zijn er honderd langste dagen! + + + + +MEDICIJN. + + + Weet ge 't?--bitter in den mond + Is voor 't kranke hart gezond! +Ril niet voor dat leelijk drankje; + Slik het kloek en handig door, + Laat geen' druppel gaan te loor; +'k Wed, ten laatste zeg je: dank je! + + Weet ge 't?--bitter voor 't gemoed + Is der kranke ziele goed! +Moog' ook 't slikken moeilijk wezen, + Als ge beter weêr zult zijn, + Dankt gij voor die medicijn, +Die zoo goed u heeft genezen! + + + + +VOORZIGTIG. + + +Kindren, brandt je bekje niet! +Beter is 't wat hard geblazen, + Kleine bazen! +En een beetje meer geduld, +Dan te krijgen door uw schuld +Hier een blaar en daar een' bult. + +Kindren, brandt je handjes niet! +Beter is 't niets aan te raken, + Kleine snaken! +Dan te merken naderhand, +Tot uw schaê en tot uw schand', +Dat ge uw pootjes hebt gebrand. + +Kindren, brandt je hartjes niet! +Dat zou 'k nog het ergste vinden, + Kleine vrinden! +Dat geeft vlekken, bruin en zwart, +Dat geeft plekken, ruw en hard, +Dat geeft eeuw'ge rouw en smart. + + + + +SMAKELIJK ETEN. + + +Wie 't lekkerst eet en altijd graag..... + Dàt weet ik en ter dege:-- +Die daaglijks van zijn volle maag + Iets afhoudt voor een leêge! + +Het beste middel tot aptijt, + Dat 'k ooit nog heb geweten, +Dat is: een' man, die honger lijdt, + Eens smaaklijk te zien eten! + +Of gij dus weinig hebt of veel.... + Mogt gij regt smullen willen, +Laat dan het halfjen of een deel + Der armren honger stillen. + + + + +MATIG. + + + Al te veel is ongezond! +Lieverts, zult gij 't niet vergeten? + Watertandt uw kleine mond +Bij een' schotel lekker eten, + Hangt de tak tot aan den grond, +Moogt ge plukken naar behagen.... +Denkt er om, gij, grage magen! + Al te veel is ongezond. + + Nu zal Moeders vriendlijk oog +U nog wel met zorg bewaken + (Welk een trek uw hart bewoog) +Dat gij 't niet te bont zult maken; + Maar, wanneer gij grooter zijt, +En niet jong hebt willen leeren +Maat te houden in 't begeeren, + Raakt ge lust en welvaart kwijt. + + Al te veel is ongezond! +Zie, dat geldt voor alle zaken, + Die eens op dit wereldrond +U begeerig zullen maken: + Waakt dan over oog en mond, +Waakt dan over hart en zinnen, +En brengt telkens u te binnen: + Al te veel is ongezond! + + + + +VAN EEN AAPJE. + + + Ik ken een aapje, loos en vlug, + Een baasjen onder de apen; + Een rokjen dekt zijn' slanken rug, + Een hoedje dekt zijn slapen; + Wanneer hij voor zijn hokje staat, + Denkt gij een' Heer te groeten, + Maar als hij aan het klimmen gaat, + Ziet gij zijn bloote voeten:-- + En wat ge dan nog verder ziet, + Dat zeg ik niet.... + Of waarom zou ik woorden spillen?.... +Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet, + Als apen hoogop klimmen willen. + + Gij, aardige aapjes, klein en groot! + Die hoedjes draagt en rokken, + Och! denkt'reis aan uw beentjes bloot + En blijft wat bij uw hokken:-- + Wie hooger zijn wil dan zijn staat, + Of meer dan zijns gelijken, + (Gij kunt er vast op gaan) die laat + Zijn bloote beenen kijken: + En wat ge dan nog verder ziet, + Dat zeg ik niet.... + Of waarom zou ik woorden spillen?.... +Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet, + Als apen hoogop klimmen willen. + + + + +DUINLIED. + + +Lustig gesprongen door 't mullige duin, +Lustig gezongen op helling en kruin; +Hoor, in ons lied stemt het lied van de streek: +'t Bruisen der zee en het ruischen der beek. + +Holland, zoet Holland! hoe zwelt ons het hart +Daar, waar uw duinwand de zeevloeden tart, +Waar al de schat van uw' weligen tuin +Grenst aan de dorheid van 't stuivende duin. + +Nedrig van buiten, maar rijk in uw borst, +Zijt ge, zoet Holland! door duinen omschorst; +Wat u belaag' op den vloed of op 't land, +Zwichte, als de golven voor 't schuttende zand! + + + + +VADERLANDSCH LIED. + + +Komt, knapen en meisjes! verheft nu in koor + Den grond, die uw wieg heeft gedragen; +Uw lied klink' de beemden van 't Vaderland door, + Dat de oogen op u houdt geslagen: +Dat Vaderland eert en verheerlijkt gij nu, +Eens, hopen wij, eens zal het fier zijn op u. + +In moed en in kennis, in vroomheid en deugd, + Was 't eenmaal het sieraad der aarde; +Die glorie verbleekte; maar 't wacht van Uw jeugd, + Dat gij het herstelt in zijn waarde: +Dan--als gij het eert en verheerlijkt als nu, +Dan zal eens dat Vaderland fier zijn op u. + + + + +KLOEK EN BLANK. + + + Kloek van ligchaam, kloek van geest, +Zijn de Nederlandsche knapen + Steeds geweest! +Op dan, Jongen, niet geslapen! + Oefen oog en oor en hand, +Rek uw pezen, staal uw spieren, + Streef naar kennis en verstand!-- +Goede zeden, goê manieren, +Scherpe zinnen, sterke spieren, + Zijn de steunsels van een Land! + + Blank van ligchaam, blank van ziel, +Was het, wat in Neêrlands maagden + Steeds geviel! +Meisje!--wie er Gistren klaagden: + "t Was slechts zóó in Ouden tijd!" +Doe hun 't Heden anders blijken! + Laat die nijders, tot hun spijt, +Hoe ze turen, hoe ze kijken, +Schaamrood vonnis moeten strijken: + Dat ge zonder smetjes zijt! + + Och! bedenk het, jong geslacht! +In Uw harten, in Uw handen, + Ligt de kracht, +Ligt het heil der Nederlanden! + Houd dan beiden kloek en blank... +'t Land, waarin gij zijt geboren, + Geeft ge nimmer beter dank, +Voor het goede aan u beschoren, +Dan, dat we als uw lofspraak hooren: + Kloek is 't ligchaam,--'t hart is blank! + + + + +VOLHOUDEN. + + + Stapje voor stapje, dat vordert toch: +Denk het in 't goede, denk het in 't kwade, +Denk het bij voordeel, denk het bij schade: + Meestal, mê-jongen, vergat gij het nog! +Vliegen of stilstaan... gij kent maar geen midden, +Wat ik moog' praten en raden en bidden. + + Drupje voor drupje, waar 't vallen kan, +Maakt wel een kuiltjen in 't hart van de steenen; +Gudst er het nat in een' stroom overhenen, + Och, het loopt weg en gij ziet er niet van; +Daarom bedenk het, bij al uw beginnen: +Sparen doet gâren... wie volhoudt, moet winnen. + + + + +EEN VIJAND. + + + Jongens! als een Vijand kwam +Om ons Neêrland te overheeren, + Iedre jongen, wed ik, nam +(Vond hij sabels noch geweren) + Tang of asschop in de hand + Tot behoud van 't Vaderland. + + Durven Meisjes ook niet veel.... +'k Denk dat zij (in zulke tijden) + Toch nog met een bezemsteel +Voor ons Neêrland zouden strijden; + Ja zelfs met een ragebol + Joegen zij 't gespuis op hol. + + Zeg eens, kindren!--zoudt ge niet? +Nu.... dan zal ik 't U maar zeggen + Dat mijn oog een Vijand ziet.... +Die (met listig overleggen) + Reeds ons arme Vaderland + Lang, ter sluips, heeft aangerand. + + Wilt gij weten, wie hij is?.... +'t Kwaad, dat insloop in uw zielen! + Dat, als 't overwint, gewis +Eens ons Neêrland zal vernielen! + Op dan--helpt het Land uit nood, + Kindren! slaat den Vijand dood! + + + + +TREUZELTJE. + + +Treuzelaartje! treuzelaartje! + Altoos, altoos tijds genoeg.... + Schaam je wat--als iemand vroeg: +Heb je een aardje naar je vaârtje? + Was je moederlief zoo traag?.... + Zeg, wat antwoordt ge op die vraag?-- + Maar, voor 't antwoord (had ik 't graag) +Dien ik zelf nog wel te zorgen, + Want ook dáárin zijt ge traag!..... +'t Luidt:--"Kom ik er niet van daag, + Och! dan kom ik er toch morgen!" + +Neen, mijn liefje!... met geteuter + Komt ge er ook op morgen niet!-- + 't Geeft u eens nog zielsverdriet +Dat gepeuter en geleuter! + Als ge nadert aan den dag, + Die nog nooit een morgen zag, + Zal, in vruchteloos geklag, +De verloren tijd u rouwen.... + Liefje! nu 't nog wezen mag, + Och! gebruik nu uur en dag, +Steek de handen uit de mouwen! + +Treuzelaartje, treuzelaartje! + Anders zijt ge lief en goed; + Maar, ik bid je, maak wat spoed: +Of dat snaartje heeft een staartje! + 't Klinkt nu nog als jokkernij; + Maar, arm kind! voor u en mij +Kwam er vreeslijke ernst wel bij, +Zoudt ge eens Andrer hulp behoeven.... + 'k Smeek dus: maak me haastig blij! + En--moet er getreuzel bij.... +Treuzel enkel.... in 't bedroeven! + + + + +KRINGETJES IN 'T WATER. + + + Kittelsteentje, rond en glad, + Als gij plompt in 't klare nat, + En het water + Met geklater + Paarlend uit elkander spat, +Zijt ge pas der hand ontgleden, +Of ge wiggelt naar beneden. + + Doch, waar 't vocht u heeft omvat, + Komt een kringetjen op 't nat; + Verder vloeit het, + Lang nog groeit het, + Eer het uit elkander spat: +'t Wijst, hoe snel ge ook zinkt, aan allen +'t Plekje, waar gij zijt gevallen. + + Elk onthoû het steeds--het gaat + Even zoo met goed en kwaad: + Uren, Dagen, + Jaren, dragen + Nog het teeken van uw daad. +Och, onthoû het toch, mêvrinden, +'t Plekje is lang nog weêr te vinden! + + + + +BEURTZANG. + + +In het groene loover + Zit een vogelijn, +Onder 't groene loover + Zit een maagdelijn; +'t Vogeltje zingt boven, + 't Meisje zingt beneên + Weltevreên! +En hun zoete stemmen + Smelten zacht ineen. + +In de kruidjes luistert + Al het wollig vee, +In de blaadjes fluistert + Ieder koeltje meê; +'t Vogeltje zingt boven, + 't Meisje zingt beneên + Weltevreên! +En hun zoete stemmen + Smelten zacht ineen. + +'t Vogelkeeltje ontglippen + Liedren God ter eer, +En de maagdenlippen + Danken God den Heer; +'t Vogeltje zingt boven, + 't Meisje zingt beneên + Weltevreên! +En hun zoete stemmen + Smelten zacht ineen. + + + + +IN TIJDS. + + +Is uw vlerkje stuk geslagen, + Vogel, toen de stormwind kwam; + Bleef uw wol, onnoozel Lam, +Hangen aan de dorenhagen? + Vogel, 'k bid je, schuil dan wat +Als de stormwind zich doet hooren-- +Schaapje, pas wat op den doren, + En zoek u een ander pad! + +Wilde vogels, woeste knapen, + 'k Zie wel, hoe ontvlerkt gij zijt.... + Och! wat zijt ge al vlokjes kwijt, +Meisjes-lief, onnoosle schapen!-- + 'k Bid dan, dat ge willig hoort, +Dat ge intijds hoort naar vermanen; +Zuchten spaart het u en tranen.... + Meisjes, Knapen, zegt het voort! + + + + +SNEEUWLIEDJE. + + + Blanke vlokjes, fijn en zacht, +Doe uw duizend-duizendtallen + Spoedig vallen.... + De Aard' heeft u al lang gewacht. + + Dek haar digt en warmpjes toe, +Dat ze eens van haar last en lusten + Uit moog' rusten.... + Och! ze was zoo bitter moê. + + Had ze niet het heele jaar +Onder zorg voor bloem en vruchten + Zitten zuchten-- + Of het nimmer rusttijd waar'? + + Eindlijk viel het arme schaap +Tusschen al 't verdorde loover + Achterover.... + En in diepen, vasten slaap. + + Ligt ze daar nu bloot en kaal, +Als de Winter met zijn vlagen + Aan komt jagen-- + Dan bevriest zij heelemaal. + + Daarom, vlokjes, fijn en zacht, +Dekt haar, tot ze moog' ontwaken, + Met uw laken, + Dekt haar met uw warme vacht. + + Als het dan weêr Voorjaar is, +Springt zij uit uw donsen veêren + In de kleêren, + Even flink en even frisch! + + + + +DE HOLLE BOOM. + + +Wel, oude boom! zeg, zijt gij niet bedroefd, + Dat gij de zwakste zijt van allen, +Dat gij van zooveel kloven zijt doorgroefd, +En, enkel schors, bijna dreigt om te vallen? + 'k Zie om u heen een heele laan +Van jonge, regte, gave boomen staan,-- + Gij, uitgehold aan alle zijden, +Gij, dunkt mij, moet hun frischheid wel benijden! + +--Och neen, mijn kind! ik heb al véél doorleefd; + 'k Heb zestigmaal al vrucht gegeven, +En 'k heb gezien, wat kalme vreugd het geeft, +Zoo ge, even dankbaar, leert te sterven als te leven; + Ja, zelfs die holten in mijn' stam, +Waaruit de tijd mijn beste sappen nam, + Weet--dat ze, als in eens grijsaards armen, +Nog menigeen' beschutten en verwarmen. + +Zie, in mijn kruin, hoe ik een nest bescherm, + Waar, rustig, 't jong gebroed kan tieren, +Hoe, lager weêr, een wilde bijenzwerm +De diepe kloof met honig in komt zwieren; + + Hoe, aan mijn' voet, het wegeblad +De holte dekt, waar 't haasje veilig zat, + En, in mijn' wortel, tusschen rozen, +Het veldhoen zich een schuilplaats heeft gekozen. + +Zoo heeft ook de Ouderdom zijn troost en vreugd, + Al neigt de dorre kruin ter aarde, +Wanneer zijn hart nog deelneemt in de jeugd, +Zijn rijpe ervaring haar voor leed bewaarde.... + Dus, kind! zoo lang ik leven mag, +Verheug ik mij in iedren schoonen dag; + En (moet het!) ik zal willig vallen, +Als 'k, dood en levend, nuttig ware aan allen.-- + + + + +VROEG VERWELKT. + + +Een Roosje zag ik bloeijen, + Geen schooner kan er zijn; +Een Maagdlijn zag ik stoeijen, + Het liefste maagdelijn!.... +Wat was er te avond over? + Een lijk.... en dorrend loover! + +Ach! dat de schoonste bloemen + Zoo broos en teeder zijn!-- +Wilt dan zoo stout niet roemen + Gij Roos, gij Maagdelijn.... +Maar denk, hoe snel uw verven + Verkleuren en versterven! + +En--mogt ons bij uw sneven, + O Roos, o Maagdelijn! +De hoop in 't harte leven, + Dat gij wèl waard' zult zijn, +Verplant in 's Hemels Hoven, + Er eeuwig God te loven! + + + + +WINTERNACHT. + + +Goede God! uw liefde en magt +Straalt ook in den winternacht; +Ook in sneeuw en hageljagt +Spreekt tot ons uw liefde en magt. + +Gij bewaart der aarde kracht, +Hult het woud in donsen vacht, +Dekt met sneeuw, fluweelig zacht, +'t Zaad, dat op de Lente wacht. + +Komt dan, na den winternacht, +Lente weêr, in reine pracht, +Och! hoe geurig-fleurig lacht +Dan die aarde in frissche kracht! + +Eens rijst ook voor Ons geslacht +Hemellicht uit Aardschen nacht:-- +o Dat steeds ons hart bedacht, +Hoe eene Eeuwge Lente ons wacht! + + + + + + + +A. CLAVAREAU. + + +I. + +LE LEVER DU SOLEIL. + +Zonsopgang, I, blz. 6. + + +C'est singulier! de très-bonne heure, +Le soleil dore mon logis +Et cependant notre demeure, +N'est que dans un coin sombre et gris. +Mais je lisais hier encore, +Et ma mère me dit souvent +Qu'aux champs le lever de l'aurore +Offre un tableau plus ravissant. + +D'abord, dit-elle, quelque étoile +Scintille encor, puis, lentement, +S'efface et va prendre son voile +Dans le lointain du firmament. +Une lueur rose et bleuâtre +Pare le char oriental, +Et le soleil, sur ce théâtre, +Paraît comme un enfant royal. + +Je m'étonne quand, de bonne heure, +Le soleil dore mon logis; +Car, dans un coin, notre demeure +N'a que des murs sombres et gris. +Oh! qu'à tant de magnificence, +L'homme des champs, humble et pieux, +A genoux se courbe en silence +Et joigne ses mains vers les cieux. + + + + +II. + +LE PRINTEMPS. + +Lentelied, I, blz. 12. + + +Quel parfum! quel frais agréable! +C'est vivre! le Printemps aimable +Dans le jardin est de retour. +Devant la porte il se promène, +Nous l'aimons: qu'il vienne! qu'il vienne! +Qu'il entre dans notre séjour! + +Entendez-vous ce chant de joie +Qui résonne, qui se déploie, +Dans les bocages d'alentour? +Le rossignol revient encore; +Nous aimons tant sa voix sonore: +Qu'il entre dans notre séjour! + +Mais non! sans chapeaux, sans fourrure, +Printemps, qui chasses la froidure, +Courons aux champs au point du jour; +Allons au loin, dans la prairie, +Allons fouler l'herbe fleurie, +Et dehors fêter ton retour! + + + + +III. + +LE NID D'OISEAUX. + +Vogelnestje, I, blz. 23. + + +Amis, j'entends sous le feuillage, +Crier de jeunes étourneaux. +Grimpons! nous les mettrons en cage. +Le vieux, autour de ces oiseaux, +Voltige en rond, et j'imagine, +Quand il vole de tout côté, +Qu'à notre approche, il nous devine. +Oh! comme il a l'air agité! + +Aisément je conçois sa trance: +Allons! ne vaudrait-il pas mieux, +Mes camarades, quand j'y pense, +De laisser là ce nid heureux? +Songez à notre bonne mère; +Songez quel serait son tourment +Si quelque méchant téméraire +Lui ravissait un seul enfant! + + + + +IV. + +LE ROSSIGNOL. + +Nachtegaal, I, blz. 28. + + +Entendez-vous, quel son pur, mes enfants, +Perce là-bas, à travers le feuillage? +Et cependant les oiseaux du bocage +Sont endormis déjà depuis longtemps. +Qui donc possède une voix si sublime? +En l'écoutant mon coeur bat et s'anime. + +Silence! oh! c'est cet oiseau dont ma mère +Nous parle tant, quand nous allons dormir: +Le Rossignol, dont la voix solitaire, +Surtout la nuit, se plaît à retentir, +Et que souvent, dans l'espoir de l'entendre, +Le lit, plus tard, doit, le soir, nous attendre. + +Oui, par malheur, si quelque maladie +Me fait souffrir, que ce soit au printemps! +Pour apaiser mes moments d'insomnie, +Du rossignol j'écouterai les chants. +Sans doute, il chante encore mieux, je gage, +Pour un enfant qui souffre avec courage. + + + + +V. + +LE PETIT LIÈVRE. + +Haasje, I, blz. 43. + + +Un petit lièvre allait brouter dans la prairie. +Un berger, qui passait, l'aperçoit et lui crie: +Petit, prends garde à toi! petit, n'entends-tu rien? +C'est le cor d'un chasseur, et l'aboîment d'un chien. + +Encore, répond-il, encore un peu d'herbage! +C'est trop tôt; j'ai le temps de gagner le bocage. +Encore un petit chou!.... Mais, paf! le fusil part, +Et le lièvre sanglant veut s'enfuir, mais trop tard! + +Petit lièvre! petit lièvre! tu me fais peine. +C'est ta faute; il fallait te sauver dans la plaine; +Celui qui se refuse à suivre un bon conseil, +Se plaint souvent trop tard d'un châtiment pareil. + + + + +VI. + +LE CLAIR DE LUNE. + +Maneschijn, I, blz. 50. + + +O lune! ta limpide et brillante lumière + Fidèlement garde la nuit; +Et moi, sous mes rideaux, sur la plume légère, + Je dors lorsque ton flambeau luit. + +Lune, regarde encor par ta large fenêtre, + Avec cet éclat radieux. +Je m'en vais reposer; je te laisse paraître, + Et je ferme mes petits yeux. + +Chère lune! demain, éclairant ma demeure, + Quand le soleil va revenir, +Je te souhaiterai, hors du lit de bonne heure. + De pouvoir aussi bien dormir. + + + + + + + +K. ARENZ. + + +I. + +SONNTAG-MORGEN. + +Zondag-morgen, II, blz. 56. + + +Die Glocke ruft mit hellem Schall' +Zur Kirch' die Kinder allzumal, +Zum Haus des Herrn geht Gross und Klein +In stiller Andacht fromm und rein. + +Zu danken ihm der treu und gut +Die Kinder hält in seiner Hut, +Und um Verzeihung ihn zu fleh'n +Für alle Fehler und Vergeh'n. + +O lieber Herr, o guter Gott! +Lehr' Du uns halten Dein Gebot! +Ein Fest sei jeder Kirchengang, +Wo wir Dir singen lauten Dank. + + + + +II. + +ZUR SCHULE. + +Naar School, II, blz. 59. + + +"Zur Schul', zur Schul'! Die Glock' schlug acht!" + Da sieh! Auf allen Wegen, +Auf Strass' und Gass, wie ich's gedacht, + Kömmt mir ein Trupp entgegen. +Wohl kalt, doch rein an Wang und Hand, +Wohl arm, doch heller als ein Brand, +Und an den Augen kann man sehen, +Dass sie recht gern zur Schule gehen. + +Est scherzt und lacht die frohe Schaar, + Springt über Trepp' und Steine; +Dann aber geh'n sie Paar an Paar + In friedlichem Vereine.-- +Und wird auch mancher Spass gemacht, +Wird doch nicht bös dabei gedacht. +Den Kindern ziemet Munterkeit, +Die so zur Schule geh'n mit Freud'. + +Doch nun zur Schul' und aufgepasst! + Und jetzt mal flink gelesen, +Die Schrift regt artig abgefasst, + Wie 's gestern ist gewesen. +Und rechne sorgsam, denk' dabei, +Dass es zu Deinem Vortheil sei; +Und gehst Du so zur Schule hin, +Wird hell Dein Kopf und brav Dein Sinn. + + + + +III. + +O HERR! + +Och Heer! II, blz. 70. + + +Das Blümelein hat seine Knospen auf, +Die liebe Sonne scheinet mild darauf, +Das Vöglein hüpft und springt vor Munterkeit, +O Herr! wie ist so prächtig Alles heut. + +O Herr!... Doch nein! ich sprech' nicht mit Bedacht, +Sieh! Alles spricht von Gottes Lieb' und Macht +Und preist des Herren Güte immermehr +Und blüht und lacht und hüpfet ihm zur Ehr'. + +Und ich soll nicht für das, was ich erhielt, +Bei'm Namen Gott's mit Ehrfurcht sein erfüllt, +Nicht denken an den Geber Tag und Nacht, +Der meine Jugend väterlich bewacht!... + +Vergib, o Herr! und mög' meine Lieb' und Dank +Dich, Vater! preisen laut mein Leben lang; +Und jeden Tag ruf' Dir mein Herze zu: +"O lieber Herr, wie gross und gut bist Du!" + + + + +IV. + +DER BIENENKORB. + +De Bijenkorf, II, blz. 84. + + + "Wart, garstig Thier! + Du stichst? Wofür? +Ich that Dir doch kein Leid? +Dich zu besuchen macht' mir Freud', +Zu seh'n, ob's Körbchen auch gedeiht, +Und ob Du in den Sommertagen + Schon viel der Honigsüssigkeit + Hast heimgetragen."-- + + ""Ja, Kind, ich trag' + Bei Sommertag' +Den Wachs zu meinem Bau, +Ich schweb' und flieg' durch Wies' und Au +Such' Blümlein schon beim Morgenthau +Und geh' zu Bergesgipfeln, + Hol' mir den Honig zu dem Bau + Von hohen Wipfeln. + + Und wenn ich dann, + Mein kleiner Mann, +Nach Hause komm' mit Hüll' und Füll', +Und sehe schleichen sacht und still, +Ein Kind, das heimlich naschen will, +Dan hab' ich's stechen nicht vergessen... + Ich mein':--Der nicht arbeiten will, + Darf auch nicht essen!"" + + + + +V. + +SCHULTERMÄNTELCHEN. + +Schoudermanteltje, II, blz. 96. + + +Ein Läppchen hier, ein Läppchen da, + Such' ich in allen Ecken, +Ich such' sie fern, ich such' sie nah' + Will sie zusammenstecken; +Gibst du mir Zitz und Leinewand, +Kriegst du ein Küsschen und 'ne Hand. + +Ein Läppchen hier, ein Läppchen da, + Will sie in Scheiben schneiden, +Sie näh'n, wie man nichts Schönres sah, + Als wär's von lauter Seiden. +Und sind dann alle Eckchen voll, +Dan füttr' ich sie mit warmer Woll'. + +Ein Läppchen hier, ein Läppchen da + Ging anders doch verloren, +Ich bin geschützt, wenn Herbstwind nah, + Wenn's kalt ist und gefroren;-- +Das Mäntlein macht mir doppelt Freud', +Da ich es hab' durch Sparsamkeit. + + + + +VI. + +DER WINTER. + +Winter, II, blz. 98. + + +O Winter, harter Winter! +Was bist Du bitter kalt. +O hätt' ich einen Gulden +Für Brandholz aus dem Wald, +Ein Feurchen würd' ich bauen +In dieser Wintersnoth, +Ich lüd die armen Nachbarn +Zum Kaffe und zum Brod. + +Was würden sie dann schmausen +Im Eckchen bei dem Heerd'! +Mir würd' auch wohl ein Plätzchen +Und auch ein Brod gewährt. +Ach! hätt' ich einen Gulden... +Doch als ich Mutter frug, +Da sagt' sie: "Kind, wir haben +Kaum für uns selbst genug." + +Hört, Jungen, wenn ich gross bin, +Dan sollet ihr was seh'n: +Ich lass' all' Tag ein Centchen +Bei meinem Meister steh'n: +Ich hab dann ein Dreigulden, +Wenn's Neujahr wiederkehrt, +Dann lad' ich meine Nachbarn. +In's Eckchen bei dem Heerd'. + + + + +VII. + +BRODKRÜMCHEN. + +Broodkruimels, II, blz. 99. + + +Was pickt da? Soll's am Fenster sein? + Es klingt, als wie: "Mach' offen!" +Der kleine Vogel will herein, + Den ich im Hof getroffen. +Ach sieh! da sitzt er, fast wie todt; +Wie seufzt er um was Essen.... +Ach! dass ich nun mein Butterbrod +Nur nicht hätt' aufgegessen! + +O hätt' ich jetzt die Krümchen hier, + Die Mutter weg musst' nehmen, +Gerettet wär' das arme Thier, + Ich braucht mich nicht zu schämen. +Ach! Mutter, hilf mir aus der Noth, +Stets werd' ich darnach trachten, +Auch nicht ein kleines Krümchen Brod +In Zukunft zu missachten. + + + + + + + +F. J. MILLARD. + + +I. + +ON AWAKING. + +Bij 't Ontwaken, III, blz. 111. + + + Merry sunshine, morning light, +On my window panes you glitter, + With such golden colours bright, +And my feather'd songsters twitter; + Thankful then, indeed, I may, + Praise thee, Lord, for this fine day. + + Lo! at night repose is sought, +Rest I find, exempt from sorrow; + And by every one 't is thought: +Sure the sun will shine to morrow! + No one thinks "perhaps, in vain, + He'll be called to rise again." + + No one thinks "perhaps, o Sun, +When thy next rays shine bright beaming, + My own race may then be run, +After dozing, sleeping, dreaming".... + Therefore, lovely morning-light, + Hail I thee, with thankful sight. + + + + +II. + +FORGET-ME-NOT. + +Vergeet-mij-nietje, III, blz. 121. + + + Blue, pretty flower! forget me not! + When e'er to meet thee, 't is my lot, + On this sweet spot; +Why dare I not, as thou, at parting, +Exclaim without my conscience smarting: + "Forget me not!" + + Oh, simple, lovely flow'ret blue, + The reason I alas! must rue, + I'll tell it you..... +I oft must sigh with shame and sorrow, +On many a self-reproaching morrow: + "Forget me, do!" + + Blue, tender flower! forget me not! + I promise thee, when 't is my lot, + On this sweet spot, + To meet thee--at my second parting,-- + T'exclaim, without my conscience smarting: + "Forget me not!" + + + + +III. + +THE FLAX-FLOWER. + +Vlasbloemetje, III, blz. 122. + + + "What rapid growth, what fading mien! + Blue flow'ret of the flax so green! +The sun has reached its highest glory; + This morn you, blooming, charmed the sight, + And now, alas! in shrivelled plight, +You tell us quite a gloomy story! + I say, without disguise or fear, + Were I, you darling flax-flower here, + I'd bloom away the live-long year! + + --Yes; that's indeed a pretty thought, + If mirth and dress are only sought, +Not solid use from the beginning; + These charming flowers which here you see, + May not with me the chief things be...." +I form the threads that serve for spinning, + And linseed-oil for merchants' gain-- +Did I from blooming ne'er abstain, + Where would your shirts, I ask, remain? + + When winter cold frequents our ground, + Then many an idle plant is found, +On dunghill trodden or upturned. + Though twice to die it be my fate + I live again for small and great. +Lo! linen, friends! has paper earned, + On which, in letters, we may read: + "Though I did bloom, this was my creed, + What useful is, that 's fine indeed!" + + + + +IV. + +A WOOD-FLOWER. + +Een Woudbloempje, III, blz. 125. + + + Lonely flower to me revealed, + In the wood in moss concealed, +Thou alone dost blooming linger, + Blooming ever and anon;-- + Ere thou'rt gone, +Let us mark th' Almighty's finger, + Whom all things depend upon. + + When a bee, led all astray, + Finds to thee its weary way, +Wide thou spread'st thy bosom's treasure, + And thou thinks't within thyself: + Such sweet pelf +Must afford refreshing pleasure, + To this lonesome little elf. + + O rejoice that God's own hand, + Placed thee, lonely there to stand, +Thus kind nourishment to tender; + Lost, the bee in mazes quaint, + Tired and faint, +Soon its life must else surrender, + Missing this sweet wood-flower saint. + + Christian, who in loneliness, + On thy path reliev'st distress; +Change not for thy rank or station, + What vain show doth oft appear; + Flow'ret dear, +Happy he whose destination, + Is the lonely wood-flower's here! + + + + +V. + +FLOWERS AND BIRDS. + +Bloemen en Vogels, III, blz. 132. + + +The little tender heather-flower, + The tiny bird within its nest, + Seems oft indeed a lonely guest, + But God provideth for them best, +Sends sunshine and refreshing shower; + A friendly hand by no means scant, + Oft cares for bird and heather-plant. + +Thus, undisturbed, ye thrive and flourish, + Inspired with vital growth elate; + The bird rejoices: "God is great!" + The plant sheds blossoms variegate: +Its odours sweet the earth do nourish; + Yea, both extol their God and Lord, + And friends who reared them at his word. + +You lads and lasses, merry singing,-- + You fluttering birds and tender seeds, + The Lord with bounty ever feeds; + He well provides for all your needs, +His spirit and protection bringing. + O bloom and sing then to His praise, + Birds, plants and youths, in all your ways. + + + + +VI. + +COCK-A-DOODLE. + +Haantje, III, blz. 133. + + + Cock-a-doodle, doodle loo, + What a handy, + Little dandy, + Strutting round with such ado! +Why d'ye make such dreadful splutter, + For some grains of paltry stuff; +Rather with them to the gutter, + Than such fuss to get enough. + + --Foolish boy, with stupid mind, + All your chatter + Is mere clatter; + Now, you've parents, over-kind. +Perhaps, one day, I may be able, + To your house a turn to take, +Unprovided see your table, + What a figure you'll then make! + + Soon your parents you may lose; + Will you heedful, + Then the needful, + With wise care, judicious, choose? +No, poor boy, with awkward faces, + Should you, thankless, still remain, +You will make but wry grimaces, + And feel hunger's gnawing pain!-- + + + + +VII. + +THE LONGEST DAY. + +De langste dag, III, blz. 146. + + + Almanack, + Lying pack, + Shuffling seer, + Cheat, that's clear! + But one longest day each year? +If you my advice would take: +You'll a hundred longest make. + + He who first has left his bed, + Has the longest day; + He who learns with sharpest head, + Has the longest day; + He who 's well his lessons said, + Has the longest day. + +This you can do, were it daily; + Three times hundred and three score, + Were it even five days more! +Then the year you'll spend right gaily, + + This believe and understand: +Do it but a hundred times, +And you'll shout in merry rhymes, + Gaily dancing hand in hand: + + Almanack + Lies alack; + Shuffling seer! + Cheat, that's clear! + If you my advice will take: + You'll a hundred longest make! + + + + +VIII. + +CIRCLES IN THE WATER. + +Kringetjes in 't Water, III, blz. 161. + + +Pebble-stone, so smooth and round, +In the stream with gurgling sound, + Down when dashing, + Round a splashing, + How the silv'ry pearls abound! +Swift from casting hand you're sliding, +Wriggling down away then gliding. + +Where the pebble stone has been, +In the water a circle is seen, + Further flowing, + Ever growing, + Long observed by gazers keen; +Ever showing by its bending, +Where the stone fell swift descending. + +Recollect, my lass, my lad, +Thus it goes with good and bad; + Hours don't tarry, + Years will carry + Long the marks of deeds, oft sad. +Pointed out by conscience' finger, +In the heart that spot doth linger! + + + + + + + +V. + + +I. + +Vroeg op, en vroeg naar bed te zijn, +Dat is de beste medicijn. + + + +II. + +Bidt en dankt den Heer! +Als gij slapen gaat; +Als ge uit bed opstaat, +Dankt en bidt hem weêr! + + + +III. + +Hoe langer of men slaapt, +Hoe korter dat men leeft; +Hoe wijder of men gaapt, +Hoe minder dat men heeft. + + + +IV. + + Regt te wasschen + En te plassen, +Dat er, over 't heele lijf, +Nergens vuil of smetje blijv'.... +Zij, des ochtends, 't eerst bedrijf. + + + +V. + +Houd u heele leven lank +Ziel en ligchaam even blank. + + + +VI. + +Een vuile hand, al draagt ze een gouden ring, +Blijft toch altijd een leelijk, morsig ding. + + + +VII. + +Wees rein en keurig op uw kleêren: +De vogels kent men aan hun veeren! + + + +VIII. + +Wie knap gekleed is, zal ik wèl ontvangen, +Wie knap kan praten, zal ik weêr verlangen, +Wie knap kan doen, daar zal 'k mijn hart aan hangen. + + + +IX. + +Lustig zij de dag begonnen: +Goed begin is half gewonnen! + + + +X. + +Wanneer gij 's morgens aan het werk zult gaan, +Denk eerst aan wat gij gistren hebt gedaan. + + + +XI. + +Wie langzaam denkt en handig doet +Die maakt zijn zaakjes zeker goed. + + + +XII. + +Wanneer gij handelt zonder overleg, +Zijt ge als een reiziger (geloof wat ik u zeg!) +Die zonder reisgeld trok op weg. + + + +XIII. + + Al hadt ge, tot ontwikkling van Verstand, + De beste Meesters van het Land, +Uw geest moet willig zijn en vaardig in 't begrijpen: + Al woudt ge een kei ook honderd jaren slijpen, + Hij wordt toch nooit een diamant. + + + +XIV. + +Zal de hazelnoot u smaken, +('t Geldt ook nog voor andre zaken) +Schuw dan niet, den bast te kraken. + + + +XV. + +Elk menschenwerk is onvolmaakt, +Het hapert altijd hier of daar, +Doch 't best is, dat we ons best maar doen, +Alsòf het te volmaken waar'! + + + +XVI. + +Te laat! dat is een leelijk woord: +Ik hoop, dat gij het nimmer hoort. +Dan is het beter nog, te vroeg! +Maar 't beste, dat is: tijds genoeg! + + + +XVII. + +Wie ieder raad te geven weet: +Is voor zich zelv' soms 't minst gereed. + + + +XVIII. + +Gistren, is geheugensplaag, +Morgen, maakt de handen traag; +Daarom, doe uw werk: van Daag! + + + +XIX. + +Eet, wat gaar is, +Drink, wat klaar is, +Spreek, wat waar is! + + + +XX. + +Wie leven wil gezond, +In geest- en ligchaamskracht, +Die laat' niets onbedacht +Of in- of uit zijn mond! + + + +XXI. + + Lekker in den mond, + Voedzaam en gezond, +Is de wèlverdiende beet, +Die besproeid is met ons zweet. + + + +XXII. + +Begeer van kennis steeds het Beste; +Zijt gij tevreê met wat er restte, + Dan krijgt ge niets ten leste. + + + +XXIII. + +Eens gezien, is niet gezien, +Tweemaal, is pas half gezien, +Driemaal eerst, is goed gezien. + + + +XXIV. + +Wat ge graag gedaan mogt vinden, +Vraag het magen niet of vrinden; + Niemand doet uw zaken goed, + Kindlief! zoo gij 't zelf niet doet. + + + +XXV. + +Een blij gelaat, een vroom gemoed, +Een rappe hand, een vlugge voet, +Is ieder kind een kostlijk goed. + + + +XXVI. + +'t Is niet genoeg den weg te weten, + Wanneer men ergens komen wil; +Ook 't loopen moet gij niet vergeten.... + Sta dus in 't goede nimmer stil! + + + +XXVII. + + Als men betalen moet of zorgen, +Is de allerslechtste van de slechte borgen: + Morgen! + + + +XXVIII. + +Leer te kunnen, wat gij doet, +Leer te willen, wat gij moet.... +Maar uw wil en daad zij goed! + + + +XXIX + + Laat gij iets na--of doet gij iet, +Wat gij begeert dat niemand weet of ziet.... + Zoo laat het niet--of doe het niet. + + + +XXX. + +Honderd handen, hoe ook in de weer, +Doen niet half soms dat, wat ik begeer; +Één verstandig hoofd doet meestal meer. + + + +XXXI. + +Wie niet sterk is, kan wijs zijn, +Wie niet mooi is, kan lief zijn, +Wie niet rijk is, kan braaf zijn. + + + +XXXII. + +Lange wegen leggen +Tusschen doen en zeggen. + + + +XXXIII. + +Als ge in uw binnenkamer zijt +En, eenzaam, meester van uw tijd, +Zorg dat ge in goed gezelschap zijt. + + + +XXXIV. + + Gaauw zei tegen Goed + ('t Was dom van den bloed!): +Hoe komt het, dat ik u zoo zelden ontmoet? + + + +XXXV. + +Och! geloof me, en zeg het voort: +Meestal is het nuttigst woord +Dàt, wat men ongaarne hoort. + + + +XXXVI. + +Oortjes open, mondje toe, +Dat maakt kindren vroom en vroê. + + + +XXXVII. + +Uw tong zij sleutel van 't gemoed!-- +Maar daarom is het nog niet goed +Dat gij 't voor Ieder opendoet. + + + +XXXVIII. + +Een woord te weinig heeft maar zelden nog berouwd; + Een woord te veel heeft altijd kwaad gebrouwd. + + + +XXXIX. + + Een, die zijn tong niet houdt in band, +En toch wil door de wereld komen, + Is als een ruiter Onverstand, +Die denkt te rijden zonder toomen: + Geen twintig pas.... daar ligt de kwant! + + + +XL. + + Eén woord te onpas +Is erger soms (schijn 't ook wat kras), +Dan dat men stom geboren was. + + + +XLI. + +Een goede wil, een goede raad, +Maak daarop niet te zeker staat, +Maar houd u aan een goede daad. + + + +XLII. + +Soms zegt wel Ja het mondje, +Maar 't hartje dat zegt Neen... +Ik bid je, lieve kindren! + Maakt ze tot één. + + + +XLIII. + +Weet ge, wat u met gemak +Dubble winst verkrijgen doet? + Langzaam in den zak, + Haastig aan den hoed! + + + +XLIV. + +Veel geven, als men niets te geven heeft, +En dan nog méér ontvangen, dan men geeft, +Gij kunt het, rijk of arm--wees slechts beleefd! + + + +XLV. + +Wilt gij geholpen zijn, bedenkt het, jonge maats! +Een goed en vriendlijk woord vindt steeds een goede plaats. + + + +XLVI. + +Wanneer een vreemdling u ontmoet, +Kijk dan ten eerste naar zijn hoed.... +Men kent een man vaak.... aan zijn groet. + + + +XLVII. + +De naarstigheid is grooter schat, +Dan dat gij goud of zilver hadt. + + + +XLVIII. + +De naarstige hand, +De sobere tand, +Het nedrig verstand, +Koopt anderluî land. + + + +XLIX. + +De Luiheid slentert zóó langs straat +Dat de Armoe, schoon ze op krukken gaat, +Haar inhaalt, eer ze er acht op slaat. + + + +L. + +De vogels krijgen wel den kost om niet, +Ze ploegen, zaaijen, maaijen, oogsten niet, +Maar zonder vliegen krijgen zij toch niet. + + + +LI. + + Een stuiver minder te verteren, +Dan men door arbeid daaglijks wint, + Doet kopergeld in goud verkeeren:-- +Onthoud het wel mijn lieve kind! + + + +LII. + + Fortuin's regterhand + Heet Verstand,-- +Spaarzaamheid heet zijn linkerhand. + + + +LIII. + +Wie zich aan sparen heeft gewend, +Al was het daags een enkle cent,-- +Hij wordt een guldens Heer op 't end. + + + +LIV. + +Of ik een verkwister geev', +Och 't gaat allemaal te loor.... +Gooit ge water in een zeef, + 't Loopt er door. + + + +LV. + +De zuinigheid weet beter raad +Om goed te doen met middelmaat, +Dan rijkdom weet met overdaad. + + + +LVI. + +Tien duizend druppels maken gaauw een plas; +Tien duizend centen.... reken eens, hoe ras +Of dat een som van Honderd Gulden was? + + + +LVII. + +Wie meer begeert, dan hij verkrijgen kan, + Al was hij ook de rijkste man, +Is armer, dan die weltevreden leeft + Met wat hij heeft. + + + +LVIII. + +De beste rijkdom dien ik weet, +Is brood, dat men in eeren eet. + + + +LIX. + +Niet hij is rijk, die meer dan andren heeft, +Maar die aan armer liên van 't zijne geeft. + + + +LX. + +Tweemaal geeft, wie daadlijk geeft; +Half slechts weigert, wie beleefd +En met spoed geweigerd heeft. + + + +LXI. + +Wie op zijn' rijken buurman ziet +Is arm, al heeft hij daaglijksch brood; +Wie op zijn armen buurman ziet +Is rijk, al zit hij in den nood. + + + +LXII. + +Wees met een kleine bron tevreê!-- +Zeg mij? al hadt ge een 'heele zee, +Verslaat ge uw' dorst er beter meê? + + + +LXIII. + +Veel kleine vischjes zwommen des Morgens in een' stroom, +De Visscher zeî: 'k zal wachten tot er een grooter koom'... +'t Werd Avond--en toen zwom er geen een meer in den stroom. + + + +LXIV. + +Een kleine haas sprong uit het kruid, +Een grooter haas sprong hem vooruit, +De Jager kwam tot geen besluit, +Hij had ze beiden graag tot buit: +En.... platzak kwam hij 't veld weer uit. + + + +LXV. + +Hoe velen gaan, och! bitter kruis! +Om wol--en komen, per abuis, + Zelf kaalgeschoren thuis. + + + +LXVI. + +Een enkle vogel in de hand +Is meer, dan twintig op het land. + + + +LXVII. + + Wij wenschen dikwijls staat en schat, +Maar denken niet: "waar wij iets winnen, + Verliest alligt een ander wat!" + Zeg! zoo het poesje vlerken had, +Wat zou de leeuwrik dan beginnen? + + + +LXVIII. + +Schat in de beurs, is prachtig, +Schat in het hoofd, is krachtig, +Schat in het hart, waarachtig! + + + +LXIX. + +'t Is wèl, te wezen rijk van goed, +'t Is beter, uit oud-eerlijk bloed; +Maar 't best is, edel van gemoed! + + + +LXX. + +Dartle jeugd, geeft oud geklag; +Mistige ochtend, blijden dag! + + + +LXXI. + +Wees niet te dartel, lieve kleenen! +Te hevig lagchen maakt aan 't weenen. + + + +LXXII. + +Het Venster uit--gij kwaad humeur! +Weg is het.... Och! éér ik 't bespeur, +Daar staat het alweêr in de Deur! + + + +LXXIII. + +Gaat er iets niet naar uw zin, +Laat uw zin er dan naar gaan; +Wie dàt kunstje leert verstaan, +Maakt van elk verlies gewin. + + + +LXXIV. + +Wie niet het kwaad als Vijand haat +Dien wordt het (eer hij 't weet of raadt) +Tot Kennis, Gast en Kameraad. + + + +LXXV. + + Gij trekt een splinter uit uw Hand... + En laat er toch, onnoosle kwant! +Zoo velen in uw Hart nog en Verstand! + + + +LXXVI. + +De mot doorknaagt het beste kleed, +De nijd het beste hart doorvreet:-- +Wie dus zich graag voor schade hoed', +Sluit' hart en kas voor dat gebroed. + + + +LXXVII. + +Wie met een kool of ander zwart +Zijn buurmans huis smet--of zijn hart! +Maakt ook zijn eigen handen zwart. + + + +LXXVIII. + +Ontvangen vreugd, is groot geneugt; +Geschonken vreugd, is grooter vreugd; +Gedeelde vreugd, is vreugd en deugd. + + + +LXXIX. + +Wie zien noch hooren wil +Dien helpt geen hoorn of bril. + + + +LXXX. + +Al te goed, is buurmans gek, +Al te mild, dat geeft gebrek, +Al te wijs, dat koldert ras; +'t Beste, dat is: net van pas! + + + +LXXXI. + +Wie altijd voor bedriegers vreest +Bedriegt zich zelven 't allermeest. + + + +LXXXII. + +Berouw te hebben is een kostlijk ding; +Maar 'k zeg toch, zoo 't aan mijn gevoelen hing, +'t Niet nóódig hebben, is nog beter ding! + + + +LXXXIII. + +Waar iemand gaarne wezen woû +Daar trekje 'em aan een haartje heen; +Waar iemand heen moet ontevreên, +Daar krijgje 'em met geen kabeltouw. + + + +LXXXIV. + +Plêzier, och! wilt het niet vergeten, + Plêzier, mijn kind! is specerij.... + En 'k bidje, lievert! zeg het mij, +Wie enkel specerij kan eten? + + + +LXXXV. + +Verboden kost, in d'aanvang zoet, +Smaakt op het laatst als enkel roet. + + + +LXXXVI. + +Al hebt ge lang de school begeven + Neem dankbaar goede lessen aan: +Wie wijs is, zal graag héél zijn leven + Bij wijzer liên ter schole gaan. + + + +LXXXVII. + +Bemin wie U ten goede leîen + Al grijpen ze wat straf uw hand; +Maar o, mistrouw hen, die u vleien.... + 't Is eigenbaat of onverstand! + + + +LXXXVIII. + +Staal, is steviger dan hout, +Zilver, edeler dan staal, +Goud, het duurst van allemaal.... +Deugd, is kostlijker dan Goud! + + + +LXXXIX. + +Weet ge niet, dat ieder uur zijn plagen, + Ieder uur zijn vreugde heeft? +Daarom leer genieten en verdragen + Kindren! zoo als God het geeft! + + + +XC. + +Denkt, Lieven! als zorg u het harte vervult,-- +Geen beter remedie voor leed zonder schuld, + Dan Geduld! + + + +XCI. + +De wortel heet tevredenheid, +De takken heeten stevigheid, +De bloesems heeten lieflijkheid, +De vruchten heeten zaligheid: +De heele boom heet Matigheid. + + + +XCII. + + Een diamant + Viel in het zand.... +Maar bleef toch steeds een Diamant. + + + +XCIII. + +Een windvlaag droeg een korrel zands omhoog + Naar 's hemels boog.... + Maar 't bleef toch Zand, ook daar omhoog. + + + +XCIV. + +Een leelijkert zag zich in spiegelglas + En brak het ras.... +Gelooft ge, dat de vent toen mooijer was? + + + +XCV. + +Wanneer gij rijdt op gladde baan +En iemand struikelt u ter zij, +Die hartlijk graag weer op wou staan, +Rijd niet meêdoogenloos voorbij! +En... bindt meteen Uw schaats wat aan. + + + +XCVI. + + Verborgen is het lot + Dat ons op aarde wacht:-- +Maar altijd ligt het in de hand van God! + + + +XCVII. + + Wat u de Heer +Op aard moog' geven, + Geef gij Hem eer +In woord en leven. + + + +XCVIII. + +Och kon men aan het eind van 't leven +Oprecht ons het getuignis geven: +"'t Waar jammer, was hij weggebleven!" + + + +XCIX. + +Onze kennis hier vermeêren +Voegt aan Jeugd zoowel als Grijsheid, +Maar uw vreeze, Heer der Heeren, +Is 't beginsel aller Wijsheid! + + + +C. + +Knap werkvolk zal zijn Meester niet beschamen..... +Och, of we eens met dien lof voor 't oog des Heeren kwamen; + Amen! + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Al de versjes, die zulk een sterretje vóór zich hebben, zijn +hier voor de éérste maal gedrukt en stonden dus niet in de vroeger +uitgegeven Bundels. + +[2] Noen: middag. + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK AL DE KINDERLIEDEREN *** + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that: + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
