summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/29856-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:48:21 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:48:21 -0700
commitac63ffc20f96b649cc6e0dfba5d2f9e06add4ec8 (patch)
tree2a6122bc384e9a22cf07c87949b33d88110a2315 /29856-0.txt
initial commit of ebook 29856HEADmain
Diffstat (limited to '29856-0.txt')
-rw-r--r--29856-0.txt6318
1 files changed, 6318 insertions, 0 deletions
diff --git a/29856-0.txt b/29856-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..39adfd6
--- /dev/null
+++ b/29856-0.txt
@@ -0,0 +1,6318 @@
+The Project Gutenberg eBook of Al de Kinderliederen, by J. P. Heije
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: Al de Kinderliederen
+
+Author: J. P. Heije
+
+Release Date: August 30, 2009 [eBook #29856]
+[Most recently updated: November 25, 2022]
+
+Language: Dutch
+
+Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net (This book was produced from scanned
+images of public domain material from the Google Print
+project.)
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK AL DE KINDERLIEDEREN ***
+
+
+
+
+ Al de Kinderliederen
+
+ Van
+
+ J. P. Heije.
+
+ Met vertalingen van
+
+ A. Clavareau, Prof. Karl Arenz en F. J. Millard.
+
+
+ Photographie van VAN KONINGSVELD,
+
+ Teekeningen van CHANTAL en ROCHUSSEN,
+
+ Staalgravuren van SLUIJTER.
+
+
+
+ Amsterdam,
+
+ P. N. van Kampen.
+
+ 1861.
+
+
+
+
+
+
+
+ Gedrukt bij C. A. Spin & Zoon.
+
+
+
+
+
+AAN DE KINDEREN!
+
+
+Herinneren sommigen uwer, mijn Lievertjes! zich nog, hoe 'k, bij
+de Nieuwe Kinderliederen, wenschte, dat ge op mijn Verjaardag aan
+mij dacht? 'k Zette toen (als een Onder-ons-je) den datum bij 't
+Woordje-vooràf. Dàt doe 'k thans ook hier-onder, opdat ge 't allen
+zoudt kunnen weten.
+
+Want zie! ik geef U hier al de Versjes en Liedjes bijéén, die ik
+voor U gemaakt heb! Behalve de Bundeltjes van vroeger (ook dat van
+'t Nut), staan in dit boekje nog wel een dertig Gedichtjes, waarvan
+ge de meesten in 't geheel niet kende'.
+
+En hoe vindt ge dan de vriendelijkheid van de HH. Clavareau, Arenz
+en Millard om U (haast zonder dat ge 't merkt) drie vreemde talen te
+leeren? Ik ten minste ben er hun zeer dankbaar voor, want Vader Cats
+reeds heeft gezeîd:
+
+
+ Zóóveel mannen in één man,
+ Als hij vreemde talen kan!
+
+
+en dit geldt net zoo goed voor meisjes als voor jongens!
+
+Mooije prentjes hebben de HH. Rochussen en Sluijter er bij gemaakt;
+en zoo ge verlangd hebt te weten, hoe ik zelf er ten naasten bij
+uitzie, dan moet ge den Heer Chantal, den Heer Sluijter en den Heer
+van Koningsveld (die er eerst eene photographie van maakte) bedanken
+voor het portret op den titel. 't Meisje, dat vóór mij staat, is
+mijn éénig dochtertje Sophie! Een zoon heb ik niet; maar, opdat de
+jongens niet vreezen zouden, dat ik dáárom minder van hen hield,
+heb ik er ook een kleinen knaap bij laten teekenen.
+
+En nu, zoo als gezeîd is:--doe uw best, om t' elken dag liever,
+flinker, knapper, braver, zachtmoediger en blijmoediger te worden,
+óók (zoo 'k hoop) door 't véél lezen en zingen van deze Versjes en
+Liedjes: en ontvang, als ge zóó zijt of worden wilt, en zóó aan mij
+denkt, in gedachten een kus en een hand, en een hand en een kus
+
+
+Amsterdam, Van Uw Vriend
+1 Maart 1861. Dr. Heije.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.[1]
+
+
+ I. Schoudermanteltje 96.
+ Nieuwe klompjes 97.
+ Bladz. Winter 98.
+ Dageraad 3. Broodkruimels 99.
+ Morgenlied 4. In de kaars 100.
+ Weddenschap 5. In 't donker 101.
+ Zons-opgang 6. *Twee schildwachts 102.
+ *Winterkoning 7. In den maneschijn 103.
+ *Schoolexamen 8. Des avonds laat 105.
+ Voorjaarsdag 9. *Sterretjes 107.
+ Voorjaarskoelte 10. Ter ruste 108.
+ Van zeven kikkertjes 11.
+ Lentelied 12.
+ *Meimaand 13. III.
+ Mei-regen 14.
+ *Groen takje 15. Bij 't ontwaken 111.
+ Onkruid 16. Vroeg op 112.
+ Bloemkweeken 17. *Morgenlied 113.
+ Klimop 18. Leeuwrik 114.
+ Appelboom 19. Handjes wasschen 115.
+ Grazen 20. Zamen 116.
+ Kersentijd 21. Dauw 117.
+ Kersenplukken 22. Hebt gij 't gehoord? 118.
+ Vogelnestje 23. Al te vroeg 119.
+ *Jonge vogeltjes 24. *Een prijs 120.
+ Vogelen-lied 25. Vergeet-mij-nietje 121.
+ Duifje 26. Vlasbloemetje 122.
+ Roodborstje 27. Maandrozen 124.
+ Nachtegaal 28. Een woud-bloempje 125.
+ In 't bosch 29. Gebroken 127.
+ Wensch 30. Korenbloemen 128.
+ Honigbijen 31. Korenären 129.
+ 't Verdwaalde lam 32. De kromme boom 130.
+ De Herder 33. De wijnrank 131.
+ *Kleeding 34. Bloemen en vogels 132.
+ *Geärmd 35. Haantje 133.
+ De kleine bedelaarster 36. De mieren 134.
+ *Van Glas 37. Zoet en bitter 135.
+ *Nemen en geven 38. Het doode mugje 136.
+ Vlieger oplaten 39. Glimworm 137.
+ Blindemannetje 40. Zwaantje 139.
+ Onze manieren 41. Ooijevaar 140.
+ Voor de smidse 42. *Een middagslaapje 142.
+ Haasje 43. *Doen en laten 143.
+ 't Jagertje 44. *Zwemmen 144.
+ *October 45. *Regtop 145.
+ Sint-Nicolaas 46. De langste dag 146.
+ Sneeuwballen 47. Medicijn 148.
+ Winteravond 48. Voorzigtig 149.
+ Naar bed 49. Smakelijk eten 150.
+ Maneschijn 50. Matig 151.
+ Avondbede 51. Van een aapje 152.
+ Engelen 52. Duinlied 153.
+ Vaderlandsch lied 154.
+ *Kloek en blank 155.
+ II. Volhouden 157.
+ *Een vijand 158.
+ Ochtenddank 55. Treuzeltje 159.
+ Zondag-morgen 56. Kringetjes in 't water 161.
+ Meesters verjaardag 57. *Beurtzang 162.
+ Des morgens vroeg 58. *In tijds 164.
+ Naar school 59. Sneeuwliedje 165.
+ *Kis-kassen 60. De holle boom 167.
+ Klein zusje 61. *Vroeg verwelkt 169.
+ Stukjes-draaijen 62. *Winternacht 170.
+ Opgepast 63.
+ *Kerk-examen 64.
+ *Nieuwsgierig 65. IV.
+ *De lente kwam 66.
+ In Mei 68. *Le lever du soleil 171.
+ Boterblômmetje 69. *Le printemps 173.
+ Och Heer! 70. *Le nid d'oiseaux 174.
+ 't Viooltje 71. *Le rossignol. 175.
+ Brandneteltje 72. *Le petit lièvre 176.
+ *Niet plukken 73. *Le clair de lune 177.
+ 't Verflenste bloempje 75.
+ Verwelkte rozen 76. *Sonntag-morgen 178.
+ De vlinder 77. *Zur Schule 179.
+ In de weî 78. *O Herr! 181.
+ Lijsterbessen 79. *Der Bienenkorb 182.
+ Nachtegaals-liedje 80. *Schultermäntelchen 184.
+ *'t Binnenst 81. *Der Winter 185.
+ Klein spinnekopje 82. *Brodkrümchen 187.
+ Spinneweb 83.
+ De bijenkorf 84. *On Awaking 188.
+ Ons poesje 85. *Forget-Me-Not 190.
+ Lorretje 86. *The Flax-Flower 191.
+ Draaitol 87. *A Wood-Flower 193.
+ Hobbelpaard 88. *Flowers and Birds 195.
+ Luilekkerland 89. *Cock-a-Doodle 197.
+ Honger 90. *The Longest Day 199.
+ *'t Een en 't ander 91. *Circles in the Water 201.
+ Vogelverschrikker 92.
+ Onpartijdig 93.
+ Een klein jokkentje 94. V.
+ *Krachtig en zedig 95.
+ Honderd spreuken 205.
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+
+DAGERAAD.
+
+
+Wel zoo! gij schoone dageraad!
+ Wat zeggen ons de liên,
+Komt gij met rozen in uw' mond?
+ Dat mogt ik weleens zien!
+
+En plukt gij ieder' knaap of maagd,
+ Die langer slaapt dan gij,
+Een roosje van de volle wang
+ Wanneer ge gaat voorbij?
+
+En geeft gij ieder' knaap of maagd,
+ Die korter slaapt dan gij,
+Twee roosjes uit uw rijken schat
+ Wanneer ge gaat voorbij?--
+
+Op, kinders! op, het schemert al,
+ Daar komt de Dageraad!--
+Hij houdt wel veel van bleek te zien,
+ Die nu niet op en staat!
+
+
+
+
+MORGENLIED.
+
+
+Kinderkens! 't is uchtend!
+ Komt ter slaapsteê uit!
+Hoort! de voglen zingen
+ Reeds met zoet geluid.
+'t Haantje roept u wakker,
+ Hoort! hij kraait uw' naam,
+En de boomtak tikt u
+ Tegen 't vensterraam.
+
+Langer niet geslapen!
+ Doopt uw hoofd in 't nat,
+Dat het frissche water
+ Om uwe ooren spatt':
+Veel moet nog begonnen,
+ Veel is nog te doen;
+Kinderkens! wordt wakker;
+ Al te ras is 't Noen![2]
+
+
+
+
+WEDDENSCHAP.
+
+
+Ei roosje! kijk eens uit uw' knop,
+ Of 't niet haast dag zal wezen!
+Kom, steek uw kopje veilig op,
+ Ge hebt geen leed te vreezen;
+Of ziet ge mij niet voor u staan,
+Met al mijn beste kleêrtjes aan?
+
+Had Moeder gistren niet gewed,
+ Dat gij al lang zoudt prijken,
+Eer ik, nog domlend in het bed,
+ Uit mijn gordijn zou kijken!--
+Ei, sliep uit! 'k ben al lang gekleed,
+En gij zijt nog niet half gereed!
+
+Maar 'k ben ook vroeg naar bed gegaan:
+ Daar zal het wel van komen,
+Dat ik het eerst nu op kon staan,
+ En gij nog staat te droomen:--
+Och, Moederlief! och zeg me noû,
+Wie dacht u, dat het winnen zoû?
+
+
+
+
+ZONS-OPGANG.
+
+
+ Och! 't is wel aardig in mijn' tuin
+ Als 's morgens vroeg de zon opgaat,
+ Maar 'k woon zoo midden in een straat,
+ Zoo tusschen muren, grijs en bruin:--
+Doch, naar ik gistren heb gelezen
+ En zoo mij Moeder heeft verteld,
+ Daarbuiten, in het vrije veld,
+Dáár, kindren! moet dat heerlijk wezen.
+
+ Dan, zeî ze, is eerst de lucht nog graauw
+ En hier en daar blinkt nog een ster,
+ Maar langzaam schemert er van verr'
+ Wat rozenrood en hemelsblaauw;
+Dan ziet men witte wolkjes dwalen,
+ Doortrokken met een purpren tint;
+ Dan komt, als waar' 't een koningskind,
+De zon, met al haar gouden stralen.--
+
+ Zie! 't is wel aardig in mijn' tuin
+ Als 's morgens vroeg de zon opgaat,
+ Maar 'k woon zoo midden in een straat,
+ Zoo tusschen muren, grijs en bruin:--
+Och! wie dat buiten mogt aanschouwen,
+ Die knielde vast van blijdschap neêr,
+ En zou voor onzen Lieven Heer
+Wel duizendmaal zijn handjes vouwen.
+
+
+
+
+WINTERKONING.
+
+
+Hoe grijs van haar, hoe wit van baard,
+ Waart gij, o Winterkoning!
+Wij hebben bang op u gestaard,
+Al kleumend aan den killen haard
+ In onze leege woning!
+
+Wat was het eten vreeslijk duur,
+ Wat was het drinken schraaltjes;
+Wat was het buiten bitter guur,
+Wat was er binnen weinig vuur,
+ Wat was de plunje kaaltjes.
+
+Welop dan, hartjes! weest nu blij,
+ En zingt eens uit den treuren!
+Daar is het zoele jaargetij
+Met duizend bloempjes, rij aan rij,
+ Met kleuren en met geuren.
+
+Gij kwaamt alweêr dien Winter door
+ En ziet weêr de Aard zich tooijen:
+Dankt God er voor, in juichend koor...
+En--zoo ook stem en hart bevroor,
+ Zij zullen wel ontdooijen!
+
+
+
+
+SCHOOLEXAMEN.
+
+
+ April, April,
+ Doet wat hij wil,
+ En geeft, naar zijn behagen,
+Ons zonneschijn of hagelvlagen;
+ Toch zingen wij met luider stem
+ Een lied voor hem,
+En hopen, dat het dezer dagen
+ Wel enkel, klinkklaar zonneschijn
+ Voor ons zal zijn.
+
+ April, April,
+ Doet wat hij wil;
+ Maar wie zich goed gedragen,
+Die hebben thans wel niet te klagen;
+ Wie 't heele jaar heeft opgepast,
+ Die weet wel vast,
+Dat hij een' prijs hier weg zal dragen,
+ En met een' halfbeschaamden lach
+ Bedanken mag.
+
+ April, April!
+ Doe wat je wil,
+ En geef, naar uw behagen,
+Ons zonneschijn of hagelvlagen;
+ Toch zullen wij voor al het goed',
+ Wat men ons doet,
+U dankbaar in ons hartje dragen,--
+ En groeten u, met zoet gezang,
+ Ons leven lang.
+
+
+
+
+VOORJAARSDAG.
+
+
+De boomen ontluiken, de bloesem komt uit,
+De vogeltjes zingen met lieflijk geluid,
+De schaapjes die springen door 't groenende gras,
+Ik spring met ze meê, of ik zelf er een was.
+
+En weet ge, wáárom ik zoo spring en zoo zing?
+Die Winter dat vond ik zoo'n akelig ding;
+Toen had ik het koud in mijn' duffelsên jas,
+En denk 'reis, hoe koud dan een beedlaar wel was!
+
+Maar nu is het lekker en zacht op het land;
+Weg, mantel en das! in de kas aan den wand;
+Komt, jongens! naar buiten, en houdt je maar kras,
+Wij schelden hem luilak, die 't laatste daar was.
+
+
+
+
+VOORJAARSKOELTE.
+
+
+Zoele, koele Zuidewind,
+Bode! wien ons hart bemint,
+Draagt gij op uw vleuglenpaar
+Niet den schoonsten tijd van 't jaar?
+
+Bloemengeuren, frisch en zoet,
+Brengt gij, als der Lente groet;
+Vogelfluiten, bladgeruisch,
+Smelten in uw wiekgesuis.
+
+Goede vriend, zoo lang verwacht!
+Zeg ons! waait ge dag en nacht?
+Kom dan 's nachts ook zonder schroom,
+En omzweef ons in den droom!
+
+
+
+
+VAN ZEVEN KIKKERTJES.
+
+
+Daar zaten zeven kikkertjes
+ Al in een boerensloot,
+ De sloot was toegevroren,
+ Ze lagen hallef dood,
+Ze kwekten niet, ze kwaakten niet
+ Van honger en verdriet.
+
+De jongste, die een wijsneus was,
+ Zei tot zijn kameraads:
+ "Die malle nachtegalen,
+ Wat hadden die een praats!
+Was eerst het ijs maar in den dooi,
+ Wij zongen eens zoo mooi!"
+
+De milde, lieve Lente kwam;....
+ Zij kwaakten de oude wijs:
+ Als zij dat zingen noemen,
+ Wensch ik ze weêr in 't ijs;
+Ik geef die kikkers allemaal
+ Voor éénen nachtegaal.
+
+
+
+
+LENTELIED.
+
+
+Voelt ge wel de koeltjes zweven;
+ Riekt ge wel den zoeten geur?
+Kindertjes! dat is een leven!
+ Lente staat weêr voor de deur:
+Laat haar binnen, laat haar binnen;
+Lentelief, die wij beminnen!
+
+Hoort ge wel dat slepend fluiten,
+ Dat door alle vensters dringt?
+Nachtegaaltje slaat daarbuiten;
+ Hoort, hoe zuiver dat hij zingt!
+Laat hem binnen, laat hem binnen,
+'t Zangertje, dat wij beminnen!
+
+Neen! zet deur en venster open,
+ Hangt aan kapstok hoed en jas,
+Máár--om prettig vrij te loopen
+ Door het frissche, malsche gras:
+Lente! toef nog, kom niet binnen,
+Buiten zullen we u beminnen.
+
+
+
+
+MEIMAAND.
+
+
+De vogels springen door de heg
+ En zingen uit den treuren;
+De Mei strooit bloesems langs den weg
+ En klopt aan alle deuren,
+En zie! daar komt bij 't blij geluid
+Het jonge volk de huizen uit.
+
+Gij, kinders! zat een winter lang
+ Te kleumen en te treuren;
+Nu lijkt die lieve vogelzang
+ Uw hartjes op te beuren;
+Komt, zingt en springt dan nu om strijd,
+Zoo flink alsof gij vogels zijt.
+
+En zingt gij laag en zingt gij hoog,
+ En zingt gij uit den treuren,
+En ziet gij aan des Hemels boog
+ De voorjaarsnevlen scheuren,
+Denkt dan aan onzen lieven Heer,
+Die bloesems geeft en Lenteweêr.
+
+Mijn vogelkoor, mijn kinderkoor,
+ Dat 's beter dan te treuren!
+Zingt vrij en blij uw Lente door
+ Bij zonneschijn en geuren,
+En denkt--ook als gij ouder zijt--
+"Na winterdag komt lentetijd!"
+
+
+
+
+MEI-REGEN.
+
+
+Wie graag sterk wil zijn en groot,
+ Groeijen wil ter degen,
+Loop' maar met zijn hoofdje bloot
+ In den zoelen regen!
+Wees niet angstig voor een spat,
+ Frisch er in gesprongen,
+Vrees niet voor een drop of wat,
+ Dreumes van een' jongen!
+
+Zie de blômmetjes maar aan,
+ Hoe ze 't buitje drinken!
+Kijk maar goed, hoe op de blaân
+ Al die druppels blinken!
+In dat lekkre, zoele nat
+ Ligt des Hemels zegen;
+Daarom, dreumes! rep je wat,
+ Loop 'reis in den regen!
+
+
+
+
+GROEN TAKJE.
+
+
+ Groen takje, dat uit de aarde spruit,
+ Wat zal er van u groeijen?
+ Wordt gij onnut of schaadlijk kruid,
+Zult ge als een roos of anjer bloeijen,
+ Of zult gij geven lekker fruit?--
+
+ Jong volkje! nu nog klein en teêr,
+ Wat zal er van u groeijen?
+ Zult gij tot schande meer en meer,
+Of wel tot heerlijk sieraad bloeijen,
+ En vruchten dragen, God ter eer?
+
+ Doch 't plantje--zij het kwaad of goed.
+ Och! kan niet anders groeijen;
+ Gij--kunt, naar ligchaam en gemoed
+In kracht en kunde en vroomheid bloeijen...
+ Wanneer ge er maar uw best toe doet!
+
+ Als gij dus wandelt in den hof
+ En plant en kruid ziet groeijen,
+ Dan geev' 't u ruime dankensstof,
+Dat gij, naar vrije keus, kunt bloeijen
+ Tot vreugde of smart--tot schande of lof!
+
+
+
+
+ONKRUID.
+
+
+Zeg, Baasje! wat staat er uw tuintje frisch,
+ Wat is er uw hofje toch keurig!
+Het mijne dat lijkt wel een wildernis,
+ Mijn bloempjes zijn half niet zoo fleurig;
+Zoo wit is uw zand en zoo groen is uw gras;
+Ik gaf er wat om, als het mijne zoo was!
+
+--Wel, geef dan een' zoen... en ik leer je gaauw
+ Uw tuintje zoo netjes te hoûen;
+Maar dan uit de veêren vóór dag en dauw,
+ De handjes wel flink uit de mouwen,
+En waar ge dan spruitjes van onkruid mogt zien,
+Daar ga je maar vlijtig aan 't harken en wiên.
+
+--Dat Onkruid, melievert! daar zit de plaag,
+ Daar kunnen geen bloempjes in groeijen;
+En daarom, dat rooi je maar alle daag,
+ Dan zal eerst uw tuintje gaan bloeijen!
+En, groeit in uw hartje misschien van dat kruid....
+Och! doe me plêzier, trek meteen het maar uit!--
+
+
+
+
+BLOEMKWEEKEN.
+
+
+Ik heb een' kleinen, kleinen tuin,
+ Daar kweek ik bloemen in;
+En als mijn aardig zusje komt,
+ Dan zing ik blij van zin:
+
+--"Klein kleuterke, klein kleuterke!
+ Wat doet gij in mijn' hof?
+Gij plukt er al de bloemkens af
+ En maakt het veel te grof!"--
+
+En als zij dan die plantjes ziet,
+ Met zooveel zorg gekweekt,
+Dan wed ik, dat het lieve kind
+ Geen van de bloempjes breekt.
+
+
+
+
+KLIMOP.
+
+
+Groene bladen, spits van punt,
+ Hoekig aan de randen!
+Zeg eens hoe ge groeijen kunt
+ Aan die naakte wanden?
+
+--'k Lag versmeten voor de deur,
+ Vuil en overloopen;
+Vond ik hier of daar een scheur,
+ 'k Ben er in gekropen.
+
+Ieder straaltje, dat ik ving,
+ Gaf mij kracht en leven,
+Ieder druppel, die er hing,
+ Deed mij hooger streven.
+
+Dankend onzen Lieven Heer
+ Voor zijn zon en regen,
+Groeide ik daaglijks meer en meer
+ In des Hemels zegen.--
+
+Wie het kleinste niet versmaadt,
+ Wat hem God wil geven,
+Die kan groeijen naar zijn' staat
+ En tevreden leven!
+
+
+
+
+APPELBOOM.
+
+
+Wel, appelboom! wat sta je rijk,
+ Gij lijkt wel éénen bloesem!
+Waar dat ik tuur, waar dat ik kijk,
+ 'k Zie enkel, enkel bloesem;
+Ik zie geen tak, ik zie geen' blad;
+Me dunkt, gij hebt ze nooit gehad!
+
+En toch, 't is pas een' dag of wat,
+ Terwijl ik keek naar buiten,
+Of 'k zag uw takken kaal en glad
+ Daar slingren voor mijn ruiten,
+En 'k vroeg al aan de tuinmansvrouw,
+Of je ook gestorven wezen zou?
+
+"Neen," zei ze toen, "neen, lieve schat!"
+ En kneep mij in mijn kaken;
+"Neen, wacht nog maar een' dag of wat,
+ Dan staat hij als een laken:--
+En als ge braaf zijt, kleine man!
+Dan krijgt ge er nog wel appels van."
+
+
+
+
+GRAZEN.
+
+
+Pluk bloemen, pluk bloemen,
+Pluk bloemen en gras!
+En wrijf die elkaâr
+Door het haar
+Bij het stoeijen:
+Waar anders zou gras en waar bloemen voor groeijen
+En bloeijen!
+
+En wie er een knorrig gezigtje
+Bij trekt,
+Of wie er bij geeuwt,
+Of bij schreeuwt
+Als wij stoeijen,
+Die 'hoeft niet te zien hoe de bloemkens al groeijen
+En bloeijen.
+
+Hij trekk' maar naar huis
+En hij kruip' in den hoek,
+De brompot, die mort
+En die knort
+Bij het stoeijen:
+Voor hem is het niet, dat de bloemkens zoo groeijen
+En bloeijen!
+
+
+
+
+KERSENTIJD.
+
+
+Nu eens in 't rond gesprongen,
+ Gesprongen hand aan hand,
+Nu vrolijk eens gezongen,
+ De Zomer is in 't land;
+De bloesem van de boomen
+ Vloog lang reeds wijd en zijd;
+De Zomer is gekomen:
+ Nu is het kersentijd!
+
+Wat zal ze lekker smaken
+ Die kers, waar wijn in zit;
+Wat zullen wij haar kraken
+ Die harde kersenpit;
+Och! waren we al gezeten
+ Voor boordevolle schaal,
+Wij zouden er van eten
+ Al was het honderdmaal.
+
+
+
+
+KERSENPLUKKEN.
+
+
+ Kersen, kersen, zacht en rood,
+Hangen tusschen groene bladen;
+o! De boom is rijk geladen;
+ Vang bij 't plukken, in uw schoot,
+ Kersen, kersen zacht en rood!
+
+ Kersen, kersen, rijp en frisch,
+Is 't niet om te watertanden?
+Kom, ik pluk met volle handen,
+ 't Meest krijgt wie het handigst is,
+ Kersen, kersen, rijp en frisch!
+
+ Kersen, kersen van de Mei,
+Iedre maand de rozen bloeijen,...
+Alle maanden moest ge groeijen
+ Voor der kindren zoeten rei,--
+ Kersen, kersen van de Mei!
+
+
+
+
+VOGELNESTJE.
+
+
+Jongens! ginder zitten spreeuwen!
+ Laat ons klimmen om het best;
+ Ziet, ze kijken over 't nest:
+Hoort dat jonge goed eens schreeuwen!
+ 't Oudje dat vliegt af en ân,
+ Net alsof hij 't raden kan.
+
+Och! wat kijkt dat beest verslagen;
+ 'k Vind het wel een beetje naar:--
+ Jongens! of 't niet beter waar',
+'t Arme dier maar niet te plagen?
+ Denkt eens als er iemand kwam,
+ Die ons zoo van Moeder nam!
+
+
+
+
+JONGE VOGELTJES.
+
+
+Ze vlogen hoog, ze vlogen laag,
+ Ze sprongen en ze zongen,
+Ze pikten wurmpjes gaauw en graag,
+ En bragten ze aan hun' jongen;
+En 't kleine volk in 't nestje riep:
+"Piep, piep.... 'k bedankje wel.--Piep, piep!"
+
+En 'k dacht, toen 'k dat zoo aardig vond:
+ "Ben 'k ook zoo'n dankbre jongen?"--
+En 'k ben mijn Moedertje terstond
+ Eens om den hals gesprongen;
+En Moeder pakte mij, toen 'k riep:
+"Piep, piep.... 'k bedankje wel.--Piep, piep!"
+
+
+
+
+VOGELEN-LIED.
+
+
+Klein vogelijn, op groenen tak!
+ Wat zingt ge een lustig lied!
+Wij vinden in ons heele boek
+ Zoo'n vrolijk wijsje niet;
+o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!
+Wie of uw meester is geweest?
+
+Zoo zuiver zingt gij en zoo hoog,
+ Zoo keurig in de maat,
+En 't hart dat popelt ons van vreugd,
+ Wanneer uw keeltje gaat;
+o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!
+Wie of uw meester is geweest?
+
+o! Zeker is 't de goede God,
+ Die 't u heeft toebetrouwd,
+Opdat gij aan der blinden oor
+ Zijn goedheid melden zoudt;
+o Ja! wij weten 't, aardig beest!
+Wie of uw meester is geweest.
+
+
+
+
+DUIFJE.
+
+
+Duifje met uw blanke veêren!
+ Vlieg je niet door alle weêr,
+Kan geen regenbui u deren
+ Als ge ronddwaalt heinde en veer?
+ Altijd proper is uw kuif,
+ Zijn uw pluimpjes, blanke duif!
+
+--Waait het al te hard daar buiten,
+ Ik kan thuis zijn als ik wil;
+'k Vind er alle mijn kornuiten
+ In de warme duiventil:
+ Maar ter vlugt of op het slag,
+ 'k Net mijn veêrtjes alle dag!
+
+--Opgenebt en gladgestreken
+ Met wat waters uit mijn' pot,
+Ben ik waard te zijn bekeken
+ In de lucht en in het kot:....
+ Kinders! nu ge 't kunstje weet,
+ 'k Bidje, dat ge 't niet vergeet!--
+
+
+
+
+ROODBORSTJE.
+
+
+ Roodborstje, roodborstje, geestige dief!
+Hebje wel ooit zoo te pronken gezeten?
+'t Kooitje van koper en 't bakje vol eten:
+ Aardige springer! wat heb ik je lief!
+Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,
+ Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,
+Dat ge de veêrtjes zoo slapjes laat hangen,
+ Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt?
+
+ --Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi,
+Was er mijn eten ook lekker en keurig,
+Buiten in 't bosch is het eens nog zoo fleurig:
+ Vrij te zijn, lievert! is beter dan mooi!
+Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,
+ Ginds op dien boom, waar geen tralie mij stoort;
+Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingen
+ Zoo als ge nimmer of nooit hebt gehoord!--
+
+
+
+
+NACHTEGAAL.
+
+
+Hoort, kindren! wat een klaar geluid
+Dringt ginder door de bladren heen!
+De vogels zijn allang in slaap,
+En zóó, zoo zingt er zeker geen.
+Wie of zóó heerlijk zingen kan?
+'t Is waar, mijn hartje klopt er van!
+
+Stil!--Dat is vast de nachtegaal,
+Daar Moeder lest zooveel van zeî;
+'k Wist niet, dat dàt te hooren was
+Wanneer men ons te slapen leî,
+'k Had anders Moeder lang verzocht,
+Of ik wat laat naar bed toe mogt?
+
+Och! zoo ik ooit weêr ziek mogt zijn,
+'k Woû, dat het voorjaar dan begon;
+Dan hoorde ik vast den nachtegaal
+Wanneer ik 's nachts niet slapen kon!--
+Zeg, Moeder! zingt dat lieve beest
+Wel niet voor zieke kindren meest?
+
+
+
+
+IN 'T BOSCH.
+
+
+Gij, lieve vogels, schuw en wild!
+Wat zijt ge met uw liedren mild,
+ Wat kweelt ge blijde zangen!
+'t Is of er 't heele bosch van trilt,
+ Die toonen op te vangen!
+
+Het ruischt en suist van ieder blad,
+Alsof het vol met ooren zat
+ En 't lieflijk lied kon hooren;
+Alsof het duizend tongen had
+ En meê zong in uw koren.
+
+Gij, schuwe vogels! zijt niet bang,
+Al stemmen in uw wild gezang
+ Der kindren vrome wijzen;
+Wij wenschen met u, vaak en lang,
+ Den goeden God te prijzen.
+
+
+
+
+WENSCH.
+
+
+Ik woû dat ik een vogel was,
+ Een vogeltje met veêren,
+ Wat zou me kunnen deren?
+Ik vloog maar hoog, ik vloog maar ras
+ En niemand kon me keeren:
+Geen school of bed kwam meer te pas
+Als ik een vrije vogel was!
+
+--Zeg, vrindje! hebje wel bedacht,
+ Hoe dikwijls op de stangen
+ De lijsters blijven hangen,....
+Wat vinkjes onder 't net gebragt,
+ Wat snipjes zijn gevangen,
+En dat er menig vooglaar wacht
+Op dat onnoozele geslacht?
+
+--Al vloog je hoog, al vloog je ras,....
+ Die lastige geweren
+ Ze zouden je wel keeren:
+Wat hielp dan of je een vogel was,
+ Een vogeltje met veêren?
+Geloof me ('t komt nog best van pas):
+Wie wijs is, blijft hetgeen hij was!--
+
+
+
+
+HONIGBIJEN.
+
+
+Wel zoete honig zuigt de bij
+ Uit bloem en geurig kruid;
+Gij, lieve kinders! doet als zij:
+Gaat in uw lente niets voorbij,
+ Of trekt er leering uit.
+
+En in haar huis van klevend was
+ Daar heeft ze zaâmgegaard
+Al wat ze vond in veld of kas;--
+De bloemkens, kindren! dorren ras!
+ Wie wijs is, die bewaart!
+
+Doet ook zoo in uw blijde jeugd,
+ Waar alles bloesem draagt;
+Wat is het, later dan, een vreugd,
+Als u op ouden dag nog heugt,
+ Wat ge in uw jonkheid zaagt!
+
+
+
+
+'T VERDWAALDE LAM.
+
+
+Lammetje! loop je zoo eenzaam te blaten
+ Over de hei?
+Hoe kom je hier, zoo van allen verlaten?
+ Bleef je niet liever daarginds op de wei?
+ Lammetje! hier groeijen bloemen noch gras,
+Hier is geen watertje, dat ge zoudt lusten,
+Hier is geen schaduw om onder te rusten,....
+ En als je dan nog zoo klein maar niet was!
+
+--Kindren! ik had al zoo lang loopen spelen
+ Ginds op de weî;
+Altijd dat grazen begon te vervelen,
+ 'k Woû weleens zien hoe het was op de heî.
+ Ach! nu verdwaalde ik al verder en meer,
+'k Zoek er mijn moedertje, 'k zoek er mijn vrinden,
+'k Zoek om wat gras en wat water te vinden:
+ Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr!--
+
+Schaapje! wij zullen den weg u wel leeren
+ Over de hei,
+Ga maar met ons en geen leed zal je deren,
+ Zeker! wij brengen u weêr op de weî.
+ Maar, maak dan voort, of wij laten je staan,
+Moeder ziet zeker al uit, waar wij toeven,
+Waarlijk, ik woû haar niet graag zóó bedroeven,
+ Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan!
+
+
+
+
+DE HERDER.
+
+
+Daarbuiten op de weide
+ Gaan lam'ren, klein en groot;
+Zij grazen van den morgen
+ Tot aan het avondrood.
+Opdat geen leed hen deren,
+ Geen lam verdwalen zou,
+Bewaakt een wakkre herder
+ De kudde vroom en trouw!
+
+Maar meer nog dan de herder
+ De lammerkens bewaakt,
+Waakt God voor brave kindren,
+ Dat hun geen onheil naakt;
+Hij ziet van uit den Hemel
+ Behoedend op ons neêr,
+En als we onwetend dwalen,
+ Voert hij ten goede ons weêr!
+
+
+
+
+KLEEDING.
+
+
+ Lelie, met uw wit gewaad!
+Roosje, met uw purpren hoedje!
+De arme knaap en 't meisje groet-je...
+ En ze vinden, inderdaad,
+ Dat uw tooi u prachtig staat.
+
+ Ziet de knaap zijn halfsleets buis
+Digt bezaaid met menig lapje,
+Ziet het meisjen op haar kapje,
+ Hier vol gleedjes,--daar vol pluis...
+ Half bedroefd gaan zij naar huis!
+
+ Maar als moeder dáár, zoo blij,
+Zit te naaijen en te stikken,
+Om die plunjes op te flikken,--
+ Bloempjes! och dan vinden wij
+ Ons gelukkiger dan gij!
+
+ Of men veel of weinig heeft....
+Ieder kunnen wij behagen,
+Als wij knap en dankbaar dragen
+ Wat de hand der liefde ons geeft;--
+ Of men veel of weinig heeft!
+
+
+
+
+GEÄRMD.
+
+
+ Honger, honger! leelijk woord,
+ Als een leêge maag u hoort!
+Als de tanden watertanden,
+En men staat met leêge handen....
+Als ge op volle schaal of manden
+ Gretig u een' blik verstout,--
+ Maar de maag vacantie houdt.
+
+ Doch--hoe lastig gij soms zijt,
+ Toch maakt ge ons ook dubbel blijd,
+Zullen we u graag welkom heeten
+Als we happig zijn gezeten
+Voor een' schotel lekker eten....
+ Grage tand de spijs vermaalt,
+ Zelf verdiend en zelf betaald!
+
+ Daarom roept ons blij gezang:
+ Lieve Honger! plaag ons lang!
+Rijk en ziek zou menigmalen
+(Kon het!) u met goud betalen--
+Ons zult gij zoo ligt niet falen;
+ Maar verlangt gij dank en prijs,
+ Kom dan (kan 't!) geärmd met.... spijs!
+
+
+
+
+DE KLEINE BEDELAARSTER.
+
+
+ Daar liep een meisje langs den weg;
+ Haar oogjes waren rood:
+ "Ik weet in 't land geen heg of steg,
+ Mijn vader en moeder zijn dood,
+ Mijn oudste broêr die is soldaat;
+Och had ik maar werk, dan wist ik raad!"
+
+ Dat zag een brave boerenvrouw
+ En zei: "Mijn lieve kind!
+ Wat loop je barvoets in de koû
+ En huilt er uw kijkertjes blind!
+ Wie werken wil, vindt altijd raad!
+Voor jou heb ik nog wel overdaad."--
+
+ Ze werkte laat, ze werkte vroeg
+ En diende braaf en trouw;
+ Een boertje flink en rijk genoeg
+ Die haalde haar thuis als zijn vrouw;
+ Maar had ze toen ook overdaad,
+Toch bleef ze nog vlijtig vroeg en laat.
+
+
+
+
+VAN GLAS.
+
+
+Wanneer het maar voor 't geven was,
+ Dan gaf ik ieder kind,
+ Dat graag wou zijn bemind,
+Een hartje van het fijnste glas;
+ Van glas.... van glas?
+ Ja wel van glas!
+
+"'t Is zaak dat ik er goed op pass'!"
+ Dacht ieder dan (hoe klein!)
+ "Want, houd ik het niet rein,
+Dan ziet men gaauw een smet op 't glas;
+ Op 't glas.... op 't glas?
+ Ja wel op 't glas!"
+
+En--heeft het eerst een barst of kras
+ Zij gaan er nooit weêr uit
+ En 't geeft een valsch geluid
+Wanneer er iemand tikt aan 't glas;
+ Aan 't glas.... aan 't glas!
+ Ja wel aan 't glas!
+
+Och! dat het maar voor 't geven was....
+ Doch zie! 't is even goed
+ Wanneer ge, o kindren! doet,
+Alsòf uw hartje waar' van glas;
+ Van glas.... van glas?
+ Ja wel van glas!
+
+
+
+
+NEMEN EN GEVEN.
+
+
+Ei! goeden morgen, Peereboom!
+ Wat zijt ge rijk geladen;
+Ik zie, van welken kant ik koom',
+ Meer vruchten haast dan bladen;
+'t Is waarlijk, of zich blad bij blad
+In peer bij peer veranderd had.
+
+En waar gij, lieve Peereboom!
+ Zoo heerlijk staat te prijken,
+Roept Vader:--"Jongen! nu niet loom
+ Daaronder staan te kijken;
+Kom flink er in--zoo'n groote schat
+Blijft groot nog, al verliest hij wat!"
+
+Dus, allerbeste Peereboom!
+ Zal 'k maar niet lang meer temen
+En van uw peertjes zonder schroom
+ Een fermen zak vol nemen;
+En 'k geef dan elken buurknaap wat,
+Die zulk een milden boom niet had.
+
+
+
+
+VLIEGER OPLATEN.
+
+
+ Vieren, vieren!.... achteruit!....
+Zal uw vlieger stijgen kunnen
+Moet ge hem de strengen gunnen,
+ Of de kans die is verbruid:
+ Geef uw vlieger vrije lucht,
+ Geef hem ruimte voor zijn vlugt.
+
+ Loopen, loopen, wat je kan!
+Als uw vlieger neêr wil dalen
+Moet ge hem weêr op gaan halen,
+ Met een strakker, straffer span:
+ Zonder moeite geen plêzier
+ Met dat vliegende papier.
+
+ Palmen, palmen, wat je mag!
+Kunt ge hem niet boven houên,
+Zorg ten minste voor uw touwen....
+ 't Is een les voor d' ouden dag:
+ Wie dat alles tijdig kan,
+ Die wordt een verstandig man.
+
+
+
+
+BLINDEMANNETJE.
+
+
+ Stoelen en stoven op zij,
+Dat hij zijn voetjes niet stoot;
+ 't Heeft geen nood!--
+ Loop hem voorbij,
+ Trek hem op zij.
+ Blindeman, Blindeman!
+ Pak me maar ân,
+ Als je me krijgen kan.
+
+ Kijk! wat hij rondloopt en tast!
+Sliep uit, dat 's mis, kameraad!....
+ 't Is te laat!
+ Raagbol en kwast,
+ Hoû ze maar vast!--
+ Blindeman, Blindeman!
+ Pak me maar ân,
+ Als je me krijgen kan.
+
+ Meisjes! wat kraakt er uw kleed!
+Jongens! uw fluistren verraadt
+ Waar je staat!
+ Eer dat ge 't weet,
+ Heeft hij je beet!....
+ Blindeman, Blindeman!
+ Hoû wat je kan:
+ Je bent weêr ziende, man!
+
+
+
+
+ONZE MANIEREN.
+
+
+ Tusschen Keulen en Parijs
+ Leît de weg naar Rome:
+ Al die met ons meê wil gaan,
+Die moet onze manieren verstaan:
+ Goeije manieren,
+ Zoete manieren,
+ Zoo zijn onze manieren.
+
+ Ben je klein of ben je groot,
+ Altijd kan je leeren;
+ Woudt ge gaarne zijn bemind,
+Houdt maar onze manieren te vrind:
+ Brave manieren,
+ Vrome manieren,
+ Zoo zijn onze manieren.
+
+ Ben je niet van Hollandsch bloed,
+ Woudt ge dat niet blijven?
+ Houdt dan, kindren! waar het past,
+Houdt dan Hollands manieren maar vast;
+ Oûwe manieren,
+ Trouwe manieren,
+ Zoo zijn onze manieren.
+
+
+
+
+VOOR DE SMIDSE.
+
+
+Heisa! dat hamert er lustig op toe,
+Smidje! vertel me 'reis, wordt ge niet moê?
+Toen wij van morgen naar school zijn gegaan,
+Waart gij al lang aan het smeden en slaan;
+Oef! wat een werken en zweeten is dat,
+Wacht eens een omzien en rust ereis wat!
+
+--Maatjes! je ziet er zoo dom nog niet uit,
+Maar van het smeden versta je geen' duit;
+'t IJzer is gloeijend, zoo als jelui ziet;
+Wacht ik een beetje, dan deugt het weêr niet;
+Denkt er om, jongens! 't is goed, dat ge 't weet:
+IJzer, dat deugd houdt, moet gloeijend gesmeed!--
+
+
+
+
+HAASJE.
+
+
+Haasje zat in 't rijpend koren,
+ Knabblend aan het groene kruid;--
+ Haasje, haasje! kijk wat uit,
+Klonk daar niet een jagershoren?
+ Klonk daar niet een paardedraf?
+ Klonk daar niet een hondgeblaf?
+
+"Nog een blaadje, nog een kruidje,....
+ Ik kan loopen, hard genoeg,
+ 't Is, warempel! nog te vroeg,
+Nog dat ééne, kleine spruitje...."
+ Paf!.... daar knalde het geweer,
+ 't Haasje dat viel bloedend neêr!
+
+Haasje, haasje! 't kan me spijten,
+ Maar uw lot dat is verdiend:
+ Waart ge minder gulzig, vriend!
+Zou de hond je nu niet bijten:
+ Wie niet hoort naar goeden raad,
+ Die beklaagt het zich te laat!
+
+
+
+
+'T JAGERTJE.
+
+
+Jaapje woû een veldhoen schieten,
+ En hij trof zijns buurmans schaap.
+ Ieder zeî: Wat domme knaap!--
+Jaapje liet zich 't niet verdrieten,
+ En hij laadde zijn geweer
+ Voor een' ander' keer.
+
+Met zoo greep hij 't in zijn handen,
+ Schoot en trof een vetten haas;
+ Ieder riep: Je bent een baas!--
+Jaapje liet ze watertanden,
+ En hij bragt hem blij te moê
+ Naar zijn' buurman toe.--
+
+'k Heb in vroeger tijd gelezen:
+ "Hans komt door zijn domheid voort!"
+ 't Is niet altijd waar, dat woord,
+Mag 't ook nu en dan eens wezen;
+ Maar, wanneer ge een domheid doet,
+ Maak haar gaauw weêr goed!
+
+
+
+
+OCTOBER.
+
+
+ Kijk! October is in 't land!
+Vol van appels buigen, zakken,
+Knakken haast, de dikste takken,
+ Geef een mand!
+Neen! geef duizend, duizend manden!
+Pluk en raap, met volle handen,
+ Doe, van al dien overvloed,
+ Nu uw buikje eens regt te goed.
+
+ Maar, bedenk het, jonge borst!
+'t Is (hoeveel gij ook moogt garen)
+Goed--een appeltje te sparen
+ Voor den dorst!
+Als de winter is gekomen,
+Vindt ge er geen meer aan de boomen,
+ En uw al te grage tand
+ Bijt ligt in een leêge mand!
+
+ Zoo 't voor appel geldt en peer,
+Lieve kind!--in rijper jaren
+Zult gij zien, dat zóó te sparen
+ Geldt voor meer!....
+Wil dus vroeg en jong beginnen
+Steeds te sparen van uw winnen,
+ Om te maken, dat gij, oud,
+ Appels voor den dorst behoudt.
+
+
+
+
+SINT-NICOLAAS.
+
+
+Zie, de maan schijnt door de boomen,
+ Makkers! staakt uw wild geraas;
+'t Heerlijk avendje is gekomen,
+ 't Avendje van Sint-Niclaas!
+ Van verwachting klopt ons hart,
+ Wie de koek krijgt, wie de gard!
+
+o! Wat pret zal 't zijn te spelen
+ Met dien bonten arlekijn!
+Eerlijk zullen we alles deelen,
+ Suikergoed en marsepijn;
+ Maar, o wee! wat bittre smart,
+ Kregen wij voor koek, een gard!
+
+Doch ik vrees niet, dat wij klagen,
+ Vader, Moeder zijn te goed!
+Waren we ook niet alle dagen,
+ Véle waren wij toch zoet!
+ Ban dus vrij de vrees van 't hart,
+ 'k Wed, er ligt geen enkle gard!
+
+
+
+
+SNEEUWBALLEN.
+
+
+Sneeuw bedekt de landen:
+Wascht de kille handen
+Dat ze tintlend branden,
+Kneedt den sneeuwbal vast;
+Krachtig de' arm geheven,
+Fiksch den bal gedreven:
+Ha! dat is een leven,
+Dat aan jongens past!
+
+Koudkleum mag zich warmen
+In zijn Moeders armen,
+Schreijen om erbarmen,
+Als de bal hem raakt;
+Laat de kagchel gloeijen,....
+Ons zal door het stoeijen
+'t Bloed wel sneller vloeijen,
+Waar de sneeuwbal kraakt!
+
+
+
+
+WINTERAVOND.
+
+
+Zoo'n winteravond mag ik wel,
+ Al stormt het wat daarbuiten,
+Al klettert ook de hagel schel
+ En ram'lend langs de ruiten;
+Hierbinnen is een fiksche gloed
+En chocolade, warm en zoet,
+ En knappende beschuiten.
+
+Wij vroegen om dat lekkers niet,
+ Maar laten het ons smaken,
+En zingen soms een vrolijk lied,
+ Dat kindren kan vermaken;
+En leêgen menig groote schaal,
+En hooren menig vreemd verhaal
+ Van allerhande zaken.
+
+Maar zijn we aan 't einde van de pret,
+ En wordt het vuurtje zwakker,
+Dan gaan wij vrolijk naar ons bed,
+ En groeten vriend en makker;
+Dan leggen wij ons dankbaar neêr,
+En bidden: "o! Behoed ons, Heer!
+ En maak gezond ons wakker!"
+
+
+
+
+NAAR BED.
+
+
+ Kindertjes! zijt ge nog niet moê?--
+Of gij uw oogjes al wilt wrijven,
+ Ziet! ze vallen zoo zachtkens toe;
+Vroeg je niet om 'reis op te blijven?
+ Hadt ge maar om Klaas Vaak gedacht;
+ Kindertjes! komt, uw bedje wacht!
+
+ Is het niet of uw hartje slaapt?--
+Worden uw koontjes niet al strakker?
+ Foei, hoe dat er uw mondje gaapt!
+Zingt maar eens meê, dan wordt ge wakker!
+ Kleedt je dan uit en bidt den Heer;
+ Kindertjes! komt, 't is tijd en meer!
+
+
+
+
+MANESCHIJN.
+
+
+Die klare, heldre maneschijn,
+ Wat houdt hij trouw de wacht!
+Ik kruip maar achter mijn gordijn
+ En slaap den heelen nacht.
+
+Kijk vrij door 't venster met uw licht,
+ Gij allerliefste maan!
+Ik knijp maar beî mijn oogjes digt
+ En laat je buiten staan.
+
+Als morgen vroeg de zon opgaat,
+ Spring ik weêr voor den dag;
+En wensch dan, beste kameraad!
+ Dat je ook eens slapen mag.
+
+
+
+
+AVONDBEDE.
+
+
+Kinders! zult ge slapen gaan,
+Bidt met zulk een vroom gemoed,
+Of ge 't voor het leste doet
+En misschien niet op zult staan.
+
+Dankt voor 't goeds, wat God u gaf,
+Hem, die 't u geschonken heeft;
+Smeekt voor 't kwaad, wat gij bedreeft,
+Onzen Heer vergeving af.
+
+De oogjes, door den slaap bezwaard,
+Mogen dan ter ruste gaan;
+Vrolijk zult ge ze openslaan
+In den Hemel of op aard'.
+
+
+
+
+ENGELEN.
+
+
+In den Bijbel staat geschreven,
+Dat Gods Englen ons omzweven,
+ En bewaken in den nacht;
+Dat geen boosheid ons kan hindren
+En dat alle vrome kindren
+ Veilig slapen in hun wacht!
+
+Dikwijls als ik had gebeden
+Was 't, of op mijn oogeleden
+ Nog een nachtkus werd gedrukt:
+Zou dat niet een Engel wezen,
+Dacht ik--en met heilig vreezen
+ Heb ik 't hoofd ter rust gebukt.
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+
+OCHTENDDANK.
+
+
+ Wij, kindren, knielen dankend neêr,
+ En loven U, o Lieve Heer!
+Nu wij uit zoeten slaap ontwaken.
+ Uw hand maakte onze peluw zacht,
+ Uwe Englen waakten heel den nacht,
+Dat ons geen onheil mogt genaken;
+ En thans geeft Gij ons nieuwe kracht:--
+ o Vader! U zij dank gebragt!
+
+
+
+
+ZONDAG-MORGEN.
+
+
+Nu roept de kerkklok met zacht geluid
+De kindren alle ter woning uit;
+Naar 't Huis des Heeren gaat groot en kleen,
+In stillen eerbied, aandachtig heen.
+
+Om Hem te danken, die zoo veel goed
+Aan alle menschen en kindren doet;
+Om Hem te bidden, dat Hij vergeev',
+Wat ieder onzer voor kwaad bedreef.
+
+o Lieve Heere, Gij, goede God!
+o Leer ons leven naar uw gebod!
+En ieder kerkgang zij ons een feest,
+Waarop we U loven met blijden geest.
+
+
+
+
+MEESTERS VERJAARDAG.
+
+
+Hoe! zijn uwe oogjes nog vol vaak?
+ Kijk uit, langs weî en akker,
+ De bloempjes worden wakker,--
+ Ontwaak, ontwaak, ontwaak!
+
+Ei, bloempjes! dat is mis geweest,
+ Dat dien-je maar te weten!
+ Wij hadden 't niet vergeten
+ Dat blijde, blijde feest.
+
+Neen, lang al zijn wij kant en klaar,
+ Van 't hoofd tot aan de voeten,
+ Om Meester-lief te groeten,
+ Te groeten paar aan paar.
+
+En als ter school hij binnentreedt,
+ Dan zullen wij met zangen
+ En versjes hem ontvangen
+ Voor 't goed dat hij ons deed.
+
+Dan bidden we onzen Lieven Heer:
+ "o Mogt uw gunst ons geven,
+ Om hem tot vreugd te leven,
+ En U, o God! tot eer!"
+
+
+
+
+DES MORGENS VROEG.
+
+
+Des morgens vroeg, des morgens vroeg,
+Al lig ik warm nog in mijn bed,
+Dan weet ik, dat mijn Moederlief
+De deur en vensters openzet;
+Dan staat mijn melk en boterham
+Al netjes op de tafel reê,
+En Moeder gaat al vroeg aan 't werk
+En neemt hare eigen bótrâm meê.
+
+Des morgens vroeg, des morgens vroeg,
+Wanneer mij Moeder heeft gekust,
+Dan sluipt zij op haar toontjes weg
+En fluistert: "Slaap nog maar gerust!"
+Maar 'k zorg wel, dat ik knap en blij
+En tijds genoeg naar school toe ga,
+En als ik eerst gebeden heb,
+Kijk ik nog gaauw mijn lessen na.
+
+Des morgens vroeg, des morgens vroeg,
+Als ik gegroeid ben tot een' man (vrouw),
+Spring ik het eerst de veêren uit,
+Dat Moederlief wat rusten kan (zou);
+Dan zet ik eerst haar bótrâm klaar,
+En als ik haar dan heb gekust,
+Dan sluip ik zacht ons huisjen uit
+En denk: "Slaap gij nu maar gerust!"
+
+
+
+
+NAAR SCHOOL.
+
+
+"Naar school, naar school! de klok sloeg acht!"
+ Ei kijk! op alle wegen,
+Van stoep en trap, langs straat en gracht,
+ Komt ons een troepje tegen;
+Wel koud, maar rein van wang en hand;
+Wel arm, maar helder als een brand;
+En aan hunne oogjes zie-je 't aan,
+Dat zij wàt graag naar school toe gaan.
+
+Eerst stoeit en lacht de blijde schaar
+ En springt op stoep en steenen;
+Dan ziet ge zachtjes paar aan paar
+ Zich tot een rij vereenen;
+En is er hier of daar een guit,
+Ze voeren toch geene ondeugd uit:--
+Daar mag een ziertje pret op staan
+Voor wie zoo graag naar school toe gaan.
+
+Maar dan naar school,--en opgepast!
+ De les moet flink gelezen,
+Het schrift moet netjes in de kast,
+ De som in orde wezen;
+En denkt bij alles op het lest,
+Het is toch tot mijn eigen best:--
+Want zijt ge zóó ter school gegaan,
+Dan komt ge er wijs en braaf van daan.
+
+
+
+
+KIS-KASSEN.
+
+
+Kom nu, mijn gladde kittelsteen,
+Ik zal-je gooijen, scherp en plat!
+Kom, huppel over 't water heen,
+En kis-kas langs het vlak van 't nat,
+Totdat ge, haast als een Pailjas,
+Een sprong maakt tot in 't groene gras!
+
+Hei, jongens! opgepast--hij gaat!
+Kis-kas... één, twee, drie, vier! kas-kis,
+Nog eens... plomp!... Mis is 't, kameraad!--
+Een andre... plomp!... dat's daadlijk mis!
+Nog eens--wat goed is, gaat in drie!...
+Daar springt hij--hoep!--daar is hij... zie!
+
+Hoezee!--of hij een vogel was,
+Zoo scheerde hij het spiegelvlak!
+En kijk! een heel eind in het gras,
+Ligt hij, ginds, bij dien bruinen tak!...
+Heb dank, mijn gladde kittelsteen!
+Als gij spring 'k--maar naar School nu, heen!
+
+
+
+
+KLEIN ZUSJE.
+
+
+Mijn allerliefste zusje,
+ Dat zit op Moeders schoot;
+Ik geef haar van mijn eten,
+ Dan wordt ze spoedig groot;
+Ik zing haar al mijn liedjes,
+ Dan wordt ze spoedig zoet;
+Ik leer haar al mijn lesjes,
+ Dan wordt ze wijs en goed.
+
+Mijn allerliefste zusje!
+ Wat zal dat aardig staan,
+Als wij met ons twee beidjes
+ Te zaam naar school toe gaan!
+Dan op de kleine steentjes
+ Parmantig voortgestapt,
+Ik zal wel op u passen,
+ Dat ge in geen plassen trapt.
+
+Mijn allerliefste zusje!
+ Och, zeg! geloof-je nou
+Hoe dat ik in mijn hartje
+ Zoo magtig van u hoû?
+Toe, lach 'reis tegen broertje (zusje)
+ En geef me 'reis een' kus,
+En pak me eens in je boutjes,
+ Mijne allerliefste zus!
+
+
+
+
+STUKJES-DRAAIJEN.
+
+
+ Hé! dat 's wat anders, als op school
+Te muffen op die harde banken,
+Te kijken naar die zwarte planken,
+ En zoet te zijn als domme Jool!
+ Kom, kom! dat leeren is maar wind,
+ 'k Denk, dat ik tòch mijn' kost wel vind!...
+
+ Wat woû-je, man?... een' halve cent?
+Ik heb er waarlijk geen' te geven....
+Maar kunt ge van uw werk niet leven,
+ En moet ge beedlen, arme vent?
+ Gij lijkt toch anders groot en sterk,
+ Hoe komt het--heb-je dan geen werk?
+
+ "Och, lieve kind! toen 'k jonger was,
+Toen woû ik mij niet goed gedragen
+En ging, als 't schooluur was geslagen,
+ Uit slentren in het groene gras;
+ Ik wou niet leeren toen ik môst,
+ En moet nu beedlen voor den kost."
+
+ Och, arme man! ik schrik er van:
+Ik was daar juist aan 't stukjes-draaijen;
+Maar 'k laat mij door uw voorbeeld raaijen.
+ Kom morgen maar 'reis bij ons ân:--
+ Als Moeder 't mij vergeven heeft,
+ Is 't vast, dat ze u een bótrâm geeft.
+
+
+
+
+OPGEPAST.
+
+
+Ik wou wel als een vogeltje
+ Zoo vliegen en zoo springen;
+Ik woû wel als een vogeltje
+ Een vrolijk liedje zingen,
+En iedereen' vertelde ik graag,
+Dat ik zoo vrolijk ben van daag!
+
+En wilt ge weten hoe dat komt?
+ Och, luister dan maar even!
+Ik heb het best mijn les gekend,
+ Het best mijn schrift geschreven:
+En Moeder trok mij op haar' schoot
+En zoende beî mijn wangen rood.
+
+
+
+
+KERK-EXAMEN.
+
+
+Och Lentelief, och hartedief!
+ Hoe prachtig zijn uw kleêren,
+Gestikt met bloempjes wit en blaauw
+En paereltjes van morgendauw
+ En bonte vogelveêren!
+Wat ben je mooi, wat ben je mooi,
+Mijn lievert! in dien rijken tooi.
+
+En God de Heer, die tot zijn eer,
+ o Lente! u zoo woû kleeden,
+Zal zeker aan het arme kind,
+Wiens mond Hem prijst, wiens hart Hem mint,
+ Nog grooter zorg besteden.
+Zijn goedheid geeft der schaamle jeugd
+Den tooi van kennis en van deugd.
+
+Rijk jaargetij! dat mogen wij
+ Van daag weêr dankbaar toonen
+(Zij 't met versleten jurk en buis),
+Nu liefde ons in des Heeren Huis
+ Voor deugd en vlijt wil loonen;
+Die liefde ziet op pronk noch tooi,
+Maar denkt: "De hartjes zijn toch mooi!"
+
+
+
+
+NIEUWSGIERIG.
+
+
+De beek ontdooit, de sneeuwlaag smelt--
+ En duizend bloemenknopjes
+ Verheffen weêr hun kopjes
+En kijken langs 't ontluikend veld;
+ Half, ja! met welbehagen--
+ Maar half met schuchter vragen:
+"Zeg! is de Lente ver genoeg,
+ Dat wij het durven wagen...
+ Of komen wij te vroeg?"
+
+Gij lieve bloempjes, wit en rood,
+ Gij teêre madeliefjes,
+ Och! wees voorzigtig, diefjes!
+Gij zat zoo goed in Moeders schoot!
+ Geen winter kon u deren....
+ En als met donzen veêren
+Dekte u de blanke sneeuwvlok-sprei:
+ Wat kondt ge méér begeeren
+ Gij bloempjes van de weî?
+
+"Begeeren, ja!... begeeren, neen!
+ Maar toch, wat rond te kijken
+ Dat zou ons wel eens lijken!"...
+'t Is goed!--Ik ben er meê te vreên;
+ Ik antwoordde op uw vraagjes:
+ Doch schijnt de zon nog traagjes--
+En komt weêr sneeuw en ijs...
+ Wordt dan, nieuwsgierige Aagjes!
+ Door schande en schaê maar wijs!
+
+
+
+
+DE LENTE KWAM.
+
+
+De winterkoû is weggejaagd:
+Zie maar! wat bloemen, overal,
+De hof, de haag, de boomgaard draagt.
+'k Hoop, dat het niet meer vriezen zal!
+En dat 'k geen andre sneeuw meer zie,
+ Dan die
+ Als witte bloesem sneeuwt!
+
+Of haast de zwaluw komen zal?--
+Met stroo en fijngekamde wol
+Maakte ik de nestjes, in den stal
+En onder aan de dakgoot, vol.
+Ik denk: 't doet vast het trouwe dier
+ Plêzier,
+ Dat 'k zóóveel van hem hoû!
+
+En komt onze ooijevaar dan weêr,
+De langpoot met zijn langen bek,
+Dan zal 't een pret zijn!--vrij wat meer,
+Dan, toen hij stond op zijn vertrek,
+En ieder droevig keek naar 't dak
+ En sprak:
+ "Hij neemt den zomer meê!"
+
+Zoo klink' het dan, aan allen kant,
+Terwijl we ons scharen tot een dans,
+"Hoezee!--de Lente kwam in 't land,
+Vlecht haar een madelievenkrans!"--
+En de Armoê roept, nog eens zoo blij
+ Als wij:
+ "Koû en gebrek zijn nu voorbij!"
+
+
+
+
+IN MEI.
+
+
+ In Mei,
+Dan leggen alle vogeltjes
+ Een ei!
+ En waar ze zitten broeijen,
+ Daar zullen we niet stoeijen.
+
+ In Mei,
+Dan kruipt een heel klein vogeltje
+ Door 't ei!
+ Wie zou het willen deren?
+ Het heeft geen eens nog veêren.
+
+ In Mei,
+Dan leggen alle vogeltjes
+ Een ei!
+ En wie die beestjes hindren,
+ Dat zijn wel booze kindren.
+
+
+
+
+BOTERBLÔMMETJE.
+
+
+ Ik moet u toch 'reis roemen,
+ Mijn kleine boterblôm!
+ Al keken de andre bloemen
+ Daar nog zoo knorrig om;
+Gij staat zoo glinstrend in het hout,
+Alsof ge waart van klinkklaar goud.
+
+ De bloempjes in de potten,
+ De bloempjes in de kast,
+ Die hebben mak'lijk spotten,
+ Zij worden opgepast;
+Gij staat in alle wind en weêr
+En groeit en bloeit toch evenzeer.
+
+ Ik kon wel van u leeren,
+ Heeft Vader mij gezeîd:
+ Meer dan de mooiste kleêren
+ Siert ons tevredenheid;--
+Zoodat een arm en dankbaar kind
+Verdient, dat men het dubbel mint!
+
+
+
+
+OCH HEER!
+
+
+Geen van de bloempjes heeft zijn' knop meer toe,
+Het lieve zonnetje lacht weltemoê,
+De dartle vogels springen hoog en laag;
+Och Heer! wat is het alles mooi van daag!
+
+Och Heer!... foei! 'k zeî dat woord daar onbedacht,--
+En alles spreekt toch van Gods liefde en magt;
+Ja alles roemt de goedheid van den Heer,
+En bloeit en lacht en huppelt Hem ter eer.
+
+En ik, die zoo veel goeds genieten mag,
+Ik zou Gods naam niet noemen met ontzag,
+Niet denken aan den Gever van dat goed,
+Die ook mijn jeugd zoo vaderlijk behoedt!...
+
+Vergeef't, o Heer! en moog' mijn liefde en dank
+Uw goedheid prijzen heel mijn leven lank;
+En iedren dag zeg' biddend mijn gemoed:
+Och, lieve Heer! wat zijt Ge groot en goed!
+
+
+
+
+'T VIOOLTJE.
+
+
+Viooltje, zacht van kleuren!
+ Gij siert mijn' kleinen hof,
+Viooltje, zoet van geuren!
+ Ik zing 'reis tot uw' lof;
+Als alle bloempjes rusten
+ En sluimren in heur' knop,
+Dan snuif ik nog met lusten
+ Uw lekkre geurtjes op.
+
+En daarom steek uw kopje
+ Gerust maar uit het gras,
+Zoo goed alsof-je een knopje
+ Van roos of lelie was.
+Ei, waarom weg te schuilen,
+ Mijn kleine hartedief!
+Zeg, waarom zou-je pruilen?
+ Ik heb u net zoo lief!
+
+Wie lieflijk is van wezen
+ En nedrig van gemoed,
+(Dat heb ik laatst gelezen)
+ Is dubbel schoon en goed:
+En daarom, zedig bloempje!
+ Zing ik nu tot uw' lof,
+En prijs u als het roempje,
+ Het roempje van mijn' hof.
+
+
+
+
+BRANDNETELTJE.
+
+
+Ai, ai, mijn heele handje brandt!....
+ Of heeft me een beest gebeten?
+Wel neen! dat is die booze plant,
+ Hoe of ze wel mag heeten?
+ Dat stoute kruid,--
+Het zag er toch zoo aardig uit!
+
+"Brandneteltje, me-lieve kind!
+ Zoo is dat kruid geheeten,
+En waart ge niet zoo haastig, vrind!
+ Het had u niet gebeten:
+ Dat beetje pijn
+Dat leer-je nu voorzigtig zijn!"
+
+"Al wat ge voor het eerste ziet
+ (Gij moogt het wel onthouên!),
+Dat grijp-, of proef- of ruik-je niet,
+ Want bitter kon 't u rouwen:
+ Dus niets gewaagd,
+Of 't eerst aan wijzer luî gevraagd."
+
+
+
+
+NIET PLUKKEN.
+
+
+Blaauwbloempje, bloeijend aan den vliet,
+Ik meen, gij heet
+ Vergeet
+ Mij niet!
+Als 'k wist dat ik U plukken dorst,
+Ik zou u steken op mijn borst;
+ Dan zag ik
+Den heelen dag uw kleurenpracht!
+En 'k droomde er van den heelen nacht;
+Zeg, bloempjen-blaauw! zeg... mag ik?
+
+"Lief meisje! zoo ge 't heel graag deedt,
+Pluk voor plêzier
+ Mij hier--
+ Doch weet,
+Als ge mij vaststeekt op uw borst,
+Dan sterf ik dáár van hitte en dorst!...
+ Zal 'k bloeijen
+Bij 't felle stralen van de zon,
+Dan moet het water van de bron
+Mijn worteltjes besproeijen!"
+
+"Laat mij dus hier, bij 't frissche nat!...
+Maar wacht, mijn kind!
+ Ik vind
+ Nog wat!
+Graaf, om mijn worteltjes, een kluit
+Met aarde, heel voorzigtig, uit,
+ En zet mij,
+Begoten, op een koele plek
+In 't vensterbank van uw vertrek,
+Dan leef 'k nog lang--wat wedt gij?"
+
+ Het meisje groef met zachte hand
+De wortels uit
+ Van 't kruid
+ Der plant,
+En liep naar huis, en zette haar
+In een regt beeldig vaasje daar
+ Op 't plankje,
+Aan 't kleine raam--en week op week
+Bloeit daar 't Vergeet-mij-niet der beek
+En fluistert daaglijks: "'k Dank je!"
+
+
+
+
+'T VERFLENSTE BLOEMPJE.
+
+
+Arm bloemetje! hoe staat ge zoo verdord,
+ Uw blaadjes rimplen aan den steel;
+ Wat zijn ze flets, wat zijn ze geel!
+Zeg, bloemken! is 't aan water, dat het schort?
+Ei! wacht, dat ik u handig eens begiet....
+Dat doet-je goed, hê, bloemken! doet het niet?
+
+--Och, aardig kind! wat zijt ge lief en goed!
+ 'k Word frisscher weêr bij iedren drop,
+ En al mijn blaadjes luiken op:
+Och, 't is zoo naar, als men verwelken moet,
+Terwijl een weinig water uit de bron,
+Zoo 't iemand geven woû, ons helpen kon.
+
+En 't doet u zelv' plêzier, zeg! doet het niet?
+ Gij voelt uw hartje blijder slaan
+ Nu dat ge mij hebt welgedaan:
+Och! denk om mij, als ge eens een' Arme ziet:
+Ligt helpt den stumpert uit zijn' diepen nood
+Één teugje water en één bete brood.--
+
+
+
+
+VERWELKTE ROZEN.
+
+
+ Moeder, wat bloeijen de roosjes toch kort!
+Gistren, u weet het, hoe mooi dat ze stonden,
+'k Had ze nog pas aan de stokjes gebonden,--
+ Nu zijn de meeste verlept en verdord;
+Kijk, hoe de wind nu haar blaadjes doet zweven,
+Niets dan de bottels is overgebleven....
+ Moeder! ik vond, dat het aardiger waar',
+ Dat ze maar bloeiden tot laat in het jaar!
+
+ --Liefje! 't heeft alles zijn beurt en zijn' dag.
+Hoe zou er zaad in de botteltjes groeijen,
+Zoo al die roosjes niets deden dan bloeijen?
+ 'k Wed, dat men spoedig geen een er meer zag!
+'t Is met de kindertjes net als de rozen:
+Denk, als het spelen uw koontjes doet blozen,
+ "Altijd te spelen, dat geeft geen profijt;
+ Spelen en werken, 't heeft ieder zijn' tijd!"--
+
+
+
+
+DE VLINDER.
+
+
+Och! zou het waar zijn, dartel beest!
+Wat Grootmoê straks mij heeft verteld,
+Dat gij een rupsje zijt geweest
+(Gij, die nu rondzweeft over 't veld!)
+En kruipen moest langs tak en blad
+Of in een pop verscholen zat?
+
+Wat moet ge, als 't waar is, vrolijk zijn,
+Nu je zoo prettig vliegen mag,
+En nu ge uit rozen en jasmijn
+Uw' maaltijd ophaalt alle dag....
+En nu de vlerkjes, waar ge op zwiert,
+Zoo kostelijk mooi zijn opgesierd!--
+
+En in 't priëel zat Grootemoê.....
+Zij trok me zachtkens aan haar' schoot
+En sloot hare oogen biddend toe,
+En zeî: "Zoo zal eens, na den dood,
+Verlost van aardschen strijd en pijn,
+De brave mensch een Engel zijn!"
+
+
+
+
+IN DE WEÎ.
+
+
+Lieve beestjes in de weî!
+Vindt ge hier niet allerlei?
+Bloempjes, klaver, gras en kruid,
+Ieder zoekt zijn gading uit;
+Op dat groene tafelkleed
+Staat voor allen wat gereed.
+
+Luister hoe die vogel zingt,
+Kijk eens hoe dat veulen springt,
+'t Koetje loeit en 't schaapje blaat,
+Ieder spreekt er naar zijn' staat,
+Ieder dankt er in zijn taal
+Voor dat kostelijke maal.
+
+Foei! dat ik beschaamd moet staan,
+Die aan 't eten ben gegaan
+(Och! te dikwijls en te lank)
+Zonder bidden, zonder dank!--
+Hoor! nu eet ik nimmer weêr,
+Of ik dank ons' Lieven Heer!
+
+
+
+
+LIJSTERBESSEN.
+
+
+Lijstertje, zoo zwart van veêren,
+ Met uw' snavel geel als goud!
+'k Hoor u daaglijks kwinkeleren
+ In de toppen van het hout;
+ Hoog en droog zingt gij uw lied,--
+ Kom 'reis hier... of durf-je niet?
+
+Zie-je niet die roode bessen,
+ Daar ge toch zooveel van houdt?
+Kijk, ze slingren zich als tressen
+ Om de heesters van het woud;
+ Kijk maar, proef maar, kom eens hier,
+ Kom, mijn allerliefste dier!
+
+--Ei! ge dacht me fijn te foppen,
+ Knaapje!... maar ik hoû me doof!
+'k Zag maar al te goed de stroppen
+ Daar verborgen tusschen 't loof:
+ Dwaas is, wie voor lekkernij
+ Zich laat vangen:--ik blijf vrij!--
+
+
+
+
+NACHTEGAALS-LIEDJE.
+
+
+Een nachtegaal zit in den boom,
+ Die voor mijn venster staat;
+Hij zingt zoo vroeg, hij zingt zoo laat,
+Ik hoor hem 's nachts nog in mijn' droom;
+En 's morgens roept zijn heldre zang:
+"Wat slaap-je lang, wat slaap-je lang!"
+
+Wel, lieve, kleine nachtegaal!
+ Zeg, slaap-je zelf dan niet?
+En 's nachts, wie hoort dan naar uw lied?
+De menschen slapen allemaal!
+Of zingt ge mooglijk voor den wacht.
+Omdat hij oppast in den nacht?
+
+De Meester zeît, als 't winter wordt,
+ Dan trekt ge ver van hier;
+Och, kom maar binnen, aardig dier,
+Als 't dan aan dek of eten schort!
+Ik zal u koestren aan mijn zij,
+En 'k laat u 's zomers vrank en vrij!
+
+
+
+
+'T BINNENST.
+
+
+Hoorde ik vogels kwinkeleren
+ In het stille, koele woud,
+'k Zag dan eertijds naar hun veêren:--
+ 'k Dacht, dat purper, blaauw of goud
+Om het gorgeltje moest spelen,
+ Dat zoo hemelsch mooi kon kwelen.
+
+Maar--mijn lieve nachtegaaltjes
+ Och! ze leerden mij alras,
+Dat een keeltje graauw en vaaltjes
+ 't Volst met schoone liedren was,
+En bij 't heerlijkst klankgetoover
+ 't Zedigst wegschool in het loover.
+
+Zijt ge pover in de kleêren,
+ Arme knaap, arm maagdelijn!
+'k Wil u lieven toch en eeren,
+ Toont ge, in 't hart, wat flinks te zijn:
+'k Mogt van 't nachtegaaltje leeren,
+ Dat het niet zit in de.... veêren!
+
+
+
+
+KLEIN SPINNEKOPJE.
+
+
+Wel, aardig spinnekopje! wat ben-je bitter kleen!
+Hoe durf-je zoo te loopen, en dat nog wel alleen?
+Zeg, heb-je dan geen moeder, geen zuster of geen meid,
+En niet als ik een bedje, waarin ge u 's avonds leît?--
+Wel, aardig spinnekopje! als ik je eens bij me nam,
+En gaf je een rozenblaadje voor avond-boterham;
+Maar zult ge dan beloven, wanneer ge grooter zijt,
+Dat gij die kleine vliegjes niet meer zoo vinnig bijt?
+
+
+
+
+SPINNEWEB.
+
+
+ Of er de wind ook uw webbetje scheurt,
+Of er een hommel doorhenen komt strijken,
+ En of het nogeens en nogeens gebeurt,
+Spinnetje! nooit zit ge lustloos te kijken:--
+ "'t Wordt niet weêr heel, of men pruttelt of treurt!"
+ Denkt gij, en tijgt maar weêr pootig aan 't werk
+ En maakt uw webbetje dubbel zoo sterk.
+
+ Hoor eens, ik woû, dat Ik altijd zóó was,
+Wierd soms mijn arbeid bevlekt of bedorven.....
+ Dat ik zoo lustig, zoo handig, zoo ras
+Maar weêr verhielp, wat een aêr had verkorven;
+ Waarlijk, uw voorbeeld dat komt me te pas....
+ 't Blijkt weêr: er is toch zoo leelijk geen beest,
+ Of 't is wel ergens nog nut voor geweest!
+
+
+
+
+DE BIJENKORF.
+
+
+ Foei! stoute bij!
+ Wat steek-je mij!
+ Ik deed u toch geen kwaad:
+ Ik keek maar even hoe het gaat
+ En hoe het met uw korfje staat,
+En of ge voor de winterdagen
+ Al menig vette honigraat
+ Hebt zaâmgedragen.
+
+ --Ja, kind! ik gaâr
+ Het halve jaar
+ Mijn' honig en mijn was;
+ Ik zwerf en vlieg langs beemd en plas,
+ En zoek de bloempjes in het gras
+En op de hoogste heuveltoppen,
+ En zuig mijn' honig en mijn was
+ Uit alle knoppen.
+
+ En als ik dan,
+ Mijn kleine man!
+ Vermoeid naar huis toe dril,
+ En 'k zie daar sluipen, zacht en stil,
+ Een' knaap, die heimlijk snoepen wil,
+Dan ben ik 't steken niet vergeten....
+ Want 'k meen, dat wie niet werken wil,
+ Ook niet mag eten.--
+
+
+
+
+ONS POESJE.
+
+
+Wel, poesje! wat is er uw velletje zacht,
+ Uw pootjes, die lijken fluweel,
+Zoo wit is uw neus en zoo bont is uw vacht,
+Gij spint er zoo goedig als ik met u speel,
+Zoo aardige poesjes, die zijn er niet veel:--
+ Wat let me, dat ik je 'reis zoen!
+ Want weet-je, mijn dief! ik heb-je zoo lief!
+ Maar krabben, dat moet ge niet doen!
+
+--Wel, vrind! met mijn pootjes zoo zacht als fluweel
+ Daar strijk ik mijn haartjes meê glad;
+Ik wasch me wel telkens, ik wasch me wel veel,
+Wie speelt er toch graag met een morsige kat?
+En 'k heb van uw melk ook zoo dikwijls gehad;
+ Och, geef me gerust maar een' zoen:
+ En krabben, mijn vrind!--Gij zijt een zoet kind,
+ Dat zou ik de Stouterts maar doen.--
+
+
+
+
+LORRETJE.
+
+
+"Lorretje, kaporretje, kapoe!...."
+ Foei, ik hoû mijne ooren toe,--
+ Wat geschreeuw en wat getier,
+ Leelijk dier!
+ Hè! mijn heele hoofd is moê....
+"Lorretje, kaporretje, kapoe!"
+
+--Ja, mijn kind! al vindt ge het verkeerd,
+ Ik heb anders niet geleerd;
+ Maar een kind, dat beter weet,
+ En vergeet
+ Hoe zijn snappen andren deert....
+ Doet dan willens dubbel zoo verkeerd.--
+
+
+
+
+DRAAITOL.
+
+
+ Tolletje, tolletje! ben-je niet lui?
+Als ik je niet met mijn zweep kom te raken,
+ Geef-je van 't loopen en draaijen den brui;
+Stoutert, je zult me nog tureluurs maken!
+ Vader! och, geef mij een' tol, die blijft staan,
+ Weet u! met snoer en met knoopjes er aan,
+ Dan ben ik los van dat vliegen en slaan!
+
+ --Jongetje, zeg eens! gij praat zoo van lui?
+Maar zoo de Meester u niet komt vermanen,
+ Geeft ge van lessen en schriften den brui;
+Jongen! het kost me wat zuchten en tranen;
+ Waarlijk, ik vrees,--als het langer zoo duurt,
+ Wordt ge met schande, ten spot van de buurt,
+ Lui als uw tol, naar de mieren gestuurd.--
+
+
+
+
+HOBBELPAARD.
+
+
+Hop, hop! mijn vrolijk hobbelpaard!
+Nu moet gij rijden met een vaart;
+Want och! ik heb zoo'n groote haast,
+Ik moet wat halen van hiernaast;--
+Daar is door Moeder, om de pret,
+Een bord met kersen neêrgezet,
+En als ge nu niet voort en maakt,
+Misschien is 't bord dan leêggeraakt:
+Dus rep-je, rep-je, wat je kan,
+Dan krijg-je er ook een kersje van;
+Want Vader zeît: 'een vlijtig paard
+Dat is de haver dubbel waard'.
+
+
+
+
+LUILEKKERLAND.
+
+
+'k Heb van Luilekkerland gistren gelezen,
+Jongens! daar moet het wel wonderlijk wezen,
+ Dáár heb-je grachten van melk en van wijn,
+ Dáár heb-je straten, die theerandjes zijn!
+
+Om er te komen, dat dient ge te weten,
+Moet men door bergen van rijstepap eten:
+ Ben-je er, dan leg-je maar lui op den grond,
+ Eten en drinken, dat loopt je in den mond!
+
+Jongens!--hoe aardig het is om te lezen,
+'k Denk, dat die luiheid vervelend moet wezen;
+ Neen! als men arbeidt met ijver en lust,
+ Dan smaakt het eten, dan smaakt de rust!
+
+
+
+
+HONGER.
+
+
+ Honger is de beste saus;
+Draven, slaven, zwoegen, zweeten,
+Geeft den regten trek tot eten;
+ Wie gewerkt heeft flink en goed,
+ Smaken raauwe boonen zoet.
+
+ Honger is de beste saus!
+Had-je taarten en pastijen,
+Had-je 's werelds lekkernijen,
+ Och wat hielp het u, mijn schat!
+ Als ge toch geen' honger hadt.
+
+ Honger is de beste saus!
+Loopt het somtijds op een schraaltje,--
+Denk, wat baat het beste maaltje
+ Aan een' luijen lekkerbek.....
+ Groote schotels, kleine trek!
+
+
+
+
+'T EEN EN 'T ANDER.
+
+
+ Eten, is een kostlijk ding!
+Doch, zoo u de spijs zal smaken,--
+ Acht den honger niet gering,
+Die de saus er op moet maken!
+ Waarlijk!--zoo ik kiezen moet,
+Òf geen honger, òf geen eten...
+Och! dan dient gij maar te weten,
+ Ik kies honger... kort en goed!
+
+ Rusten, is een kostlijk ding!
+Doch, zult gij het welkom heeten--
+ Acht het werken niet gering,
+Dat den prijs er van doet weten!
+ Waarlijk!--zoo ik kiezen moet,
+Meest te werken... meest te rusten...
+ Och! trots al de zoetste lusten,
+Ik kies werken... kort en goed!
+
+ Rijkdom, is een kostlijk ding!
+Doch, wilt gij hem goed waarderen,
+ Acht het arm zijn niet gering
+Om u 't regt gebruik te leeren!
+ Waarlijk--zoo ik kiezen moet,
+Altijd rijk... soms arm te wezen,
+Och! ik zeg het zonder vreezen,
+ Ik kies arm zijn... kort en goed!
+
+
+
+
+VOGELVERSCHRIKKER.
+
+
+Wel, vogeltjes! wat ben-je dom,
+Dat ge alle wegvliegt als ge 't ziet!....
+Het is een pop en anders niet,
+Met menig' ouden lap er om:
+Kijk! of ge 'em pikt en of ge 'em slaat,
+Hij blijft een doode, kameraad!
+En doet u zeker leed noch kwaad.
+
+--Wel, jongelief! zijn wij zoo dom,
+Gij zijt toch ook zoo'n slimmert niet;
+Want, als ge 's avonds eens wat ziet,
+Dan schrikt ge er van, en loopt weêrom,
+En vreest voor spook of ander kwaad....
+En keek-je eens op de keper, maat!
+Dan was 't verbeelding, kameraad!--
+
+
+
+
+ONPARTIJDIG.
+
+
+Braaf is braaf en slecht is slecht!
+Of het vrind of vijand doet;
+Daarom, jongens! hoû-je goed,
+Dat ge trouw uw meening zegt,
+Dat ge spreken durft in 't regt:
+"Dat is braaf, en dat is slecht."
+
+Heb-je een' goeijen kameraad,
+Daar ge magtig veel van houdt,
+En hij is soms boos of stout,
+Zeg hem dan: "Mijn beste maat!
+"Dat is slecht",--of, "dat is kwaad!"
+'k Wed, dat hij het verder laat.
+
+Vond-je er één' een' raren kwant,
+Maar ge zaagt er, nu of dan,
+Eens wat braafs of nobels van,
+Geef hem dan uw regterhand
+En vertel aan allen kant:
+"Hij is toch een ferme klant!"
+
+Maar bedenk u eigen goed,
+Eer ge tot een' ander' spreekt,
+Of je zelv' ook wat ontbreekt,
+Dat ge nog verhelpen moet:--
+Zeg dan eerlijk, wat ge ook doet:
+"Dàt was kwaad, en dàt was goed."
+
+
+
+
+EEN KLEIN JOKKENTJE.
+
+
+ Een klein, klein jokkentje,
+ Zou dat wel zonde wezen?
+ Me dunkt, het heeft geen' nood....
+Maar--kleine kindren worden groot,
+ Dat heb ik laatst gelezen;
+En zijn ze jonk een beetje kwaad,
+Me dunkt, dat men van zelv' al raadt,
+ Wat ze ouder zullen wezen.
+
+ Een klein, klein jokkentje,
+ Al was het nog zoo'n diefje,
+ Groeit tot een boozen gast,
+En grijpt-je en knijpt-je en houdt-je vast,
+ Dat geef ik je op een briefje;--
+En menig brave man of vrouw
+Heeft van zoo'n jokkentje berouw
+ Hun heele leven,--liefje!
+
+
+
+
+KRACHTIG EN ZEDIG.
+
+
+Kort en krachtig in het goede,
+ Kort en krachtig tegen 't kwaad,
+In den voorspoed kalm te moede,
+ Dubbel flink als 't kwalijk gaat....
+ Zoo ge dàt leert, kameraad!
+Zult ge zien, dat--kort en krachtig
+Meer nog is, dan rijk en magtig.
+
+Stil en zedig in het goede,
+ Stil en zedig bij het kwaad,
+In den voorspoed kalm te moede,
+ Dubbel zacht als 't kwalijk gaat....
+ Zoo ge dàt leert, meisjemaat!
+Zult ge zien, hoe--stil en zedig,
+'t Best eens ieders wensch bevredig'.
+
+Knapen, Meisjes!--Uitgelezen,
+ Vol van heil en vol van vreê,
+Zou de heele wereld wezen,
+ Hoorde een ieder naar mijn beê;
+ Doch!--doen ze Allen ligt niet meê,
+'k Waar tevreê, wierdt Gij, eendragtig,
+Stil en zedig, kort en krachtig!
+
+
+
+
+SCHOUDERMANTELTJE.
+
+
+Een lapje hier, een lapje daar,
+ Waar ik ze maar kan vinden,
+Die gaâr ik netjes bij malkaar
+ Van buurtjes en van vrinden;
+En geef voor chits,--ja, voor katoen,
+Een hand, een lachje, en soms een' zoen.
+
+Een lapje hier, een lapje daar,
+ Die snij ik dan tot ruiten,
+En stik ze netjes aan malkaâr,
+ De mooiste zij naar buiten;
+En, zijn dan alle hoekjes vol,
+Dan voer ik ze met warme wol.
+
+Een lapje hier, een lapje daar
+ Ging anders toch verloren....
+Nu ben ik menig' winter klaar
+ En warm me naar behooren:--
+'k Ben met dien mantel dubbel blijd',
+Want 'k heb hem door mijne eigen vlijt.
+
+
+
+
+NIEUWE KLOMPJES.
+
+
+Mijn Kees-oom is een timmerman,
+Daar is geen knapper op de werf;
+Hij maakt in huis en op het erf
+Al wat-je zien of denken kan;
+Zijn hand is ruw, en grof zijn stem,
+Maar 'k ben daarom niet bang voor hem.
+
+Hij kneep me lestmaal in mijn oor
+En zeî: "Nu, als ge vlijtig leert,
+Uw' Vader en uw Moeder eert,
+Dan krijgt ge er wat op Kerstijd voor!"
+En tintelde ook mijn oor er van,
+Toch keek ik Kees-oom vriendlijk ân.
+
+En denk 'reis wat hij heeft gebragt?....
+Een nieuw paar klompjes, puik en net,
+Met zilvren neusjes afgezet,
+Gevoerd met witte schapenvacht....
+En binnen in daar lag een brief,
+Waar op stond: "Voor mijn Neefje-lief!"
+
+En Moeder zeî me, met een' lach:
+"Nu ziet ge maar, mijn beste maat!
+Hoe of het zoete kindren gaat;
+'k Hoop, dat je nu zoo blijven mag!"
+En 'k gaf mijn Moeder-lief een' zoen
+En zeî: dat ik mijn best zou doen!
+
+
+
+
+WINTER.
+
+
+Och winter, barre winter,
+ Wat zijt ge bitter koud!
+Ik woû, ik had een' gulden,
+ Dan kocht ik turf en hout.
+Een vuurtje zou ik bouwen
+ Als onze plaat zoo groot,
+En 'k vroeg mijne arme buurtjes
+ Op koffij en op brood.
+
+Wat zouden ze dan smullen
+ In 't hoekje van den haard!
+Voor mij wierd zachts een plaatsje
+ En ook wat brood bewaard:
+Och had ik maar een' gulden....
+ Maar toen ik Moeder vroeg,
+Toen zeî ze: "Kind! we hebben
+ Pas voor ons zelv' genoeg."
+
+Hoor, Jongens! als ik groot ben,
+ Dan zult ge 'reis wat zien:
+Een' cent wil ik bewaren
+ Van wat ik daags verdien;
+Dan heb ik een' driegulden
+ Met Nieuwejaar bespaard,
+En 'k vraag mijne arme buurtjes
+ In 't hoekje van mijn' haard.
+
+
+
+
+BROODKRUIMELS.
+
+
+Wat pikt er tegen 't vensterglas,
+ Alsof het vroeg: doe open!--
+Zoo 't eens die kleine vogel was,
+ Die 'k op de plaats zag loopen!
+Och ja! daar zit hij, koud en stram;
+ Hoe sjilpt hij om wat eten....
+Och, dat ik nu mijn boterham
+ Maar niet had opgegeten!
+
+Of had ik al de kruimels maar,
+ Die Moeder weg moest vegen,
+Dan was het arme diertje klaar
+ En ik stond niet verlegen!--
+Och, Moeder! help mij uit den nood,
+ En 'k zal het nooit vergeten,
+Dat ook geen krûmmeltje van brood
+ Mag worden weggesmeten.
+
+
+
+
+IN DE KAARS.
+
+
+ "Wat danst ge vrolijk om het licht,
+Zeg, mugje! heb-je dan geene oogen,
+ Of schemert het voor uw gezigt?
+Zoo menig is er ingevlogen,
+ Die half verbrand te spartlen ligt,
+ En, 'k moet het waarlijk vreezen,
+'t Zal straks met u wel ook zoo wezen!"
+
+ Doch, wat de huisvrouw zeî of deê
+En of zij 't beestje al weg woû jagen,
+ Het hoorde naar vermaan noch beê
+Maar volgde blind zijn welbehagen:--
+ En 't duurde pas een tel of twee,
+ Of zie! tot straf van 't dartlen,
+Daar lag het in de kaars te spartlen!
+
+ Ik woû wel, dat een zeker kind
+(Ik zal zijn' naam hier maar niet zeggen!)
+ Dat waanwijs mugje, zoo verblind,
+Daar in die heete kaars zag lêggen!--
+ Maar 't beestje is dood, eer ik hem vind....
+ Misschien kan 't nog genezen,
+Als ik er handig bij wil wezen!
+
+
+
+
+IN 'T DONKER.
+
+
+Gij kruipt vergeefs in struik en heg,
+Nu dat ge kwaad deedt aan de liên;
+ Gij dacht misschien:
+"Het is toch donker op den weg
+En niemand zag me bij mijn vlugt!"--
+Kijk eens naar boven, naar de lucht....
+De Sterren hebben het gezien!
+
+Nu zijt ge 's avonds, vroeg of laat,
+Voor iedren struik en iedren boom
+ In angst en schroom;
+Want waar ge zit, of waar ge staat,
+Daar kijken u de Sterren aan
+En roepen: "Gij hebt kwaad gedaan!...."
+En 's nachts nog hoort ge 't in uw' droom.
+
+Maar is dan 't hartje droef te moê
+En voelt ge regt berouw en leed,
+ Omdat ge 't deedt,
+Dan lagchen u de Sterren toe,
+En zeggen: "Doe 't maar nimmer weêr,
+Zoo kijken wij weêr vriendlijk neêr!"
+Slaap wel nu--mits ge 't nooit vergeet!
+
+
+
+
+TWEE SCHILDWACHTS.
+
+
+ Of ge deur en venster sluit,
+Booze dieven, booze boeven,
+Die berooven en bedroeven,
+ Weert ge daarmeê 't huis niet uit!
+Neen! twee schildwachts moet ge kiezen,
+Wilt ge geld noch rust verliezen.
+
+ "Arbeid" sta getrouw op post
+Om voor "buitenshuis" te zorgen;
+Wakend van den vroegen morgen,
+ 's Avonds laat pas afgelost;--
+"Liefde" hoû, met kalme zinnen,
+Vroom en ijvrig wacht "van binnen."
+
+ Waar die beiden staan op wacht,
+En de blanke wapens trekken
+Als ze boef of dief ontdekken,
+ Zijt ge veilig, dag en nacht!
+Kunt gij roepen, zonder schromen:
+"Laat het booze volk maar komen!"
+
+
+
+
+IN DEN MANESCHIJN.
+
+
+Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:
+ Komt een beetje hier!
+Zingt eens lustig met elkaâr,
+ Zingt wat voor plêzier!
+Liedjes kent ge toch genoeg,
+'k Hoor u laat en 'k hoor u vroeg,
+ Komt nu haastig hier!
+
+Als het werk is afgedaan
+ En de taak volbragt,
+Mag er wel een liedje op staan;
+ 't Klinkt zoo mooi bij nacht!
+Open gaat er menig raam,
+Al de buurtjes scholen zaam;
+ Zingt nu rein en zacht!
+
+Zingt vooreerst maar, hoe een kind
+ Leerzaam wordt en zoet!
+Dan een liedje, welbemind,
+ Van "Wien Neêrlandsch bloed!"
+Dan hoe men zijne ouders eer',
+En hoe onze lieve Heer
+ Magtig is en goed!
+
+Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:
+ Komt nu allen hier!
+Zingt eens lustig met elkaâr.
+ Zingt wat voor plêzier!
+Spoedig roept de wacht: naar bed!
+Daarom zingt nu voor de pret,
+ Komt maar haastig hier!
+
+
+
+
+DES AVONDS LAAT.
+
+
+Des avonds laat, des avonds laat,
+Dan komt mijn Vader, loof en moê,
+En dikwijls straat en grachten ver,
+Van 't werk af naar ons huisje toe;
+Dan sta ik voor ons kleine raam
+Te hunkren of ik hem bespeur',
+En als hij dan den hoek omslaat,
+Dan loop ik haastig naar de deur.
+
+Des avonds laat, des avonds laat,
+Als Moeder koffij heeft gezet,
+Schuif ik mijn Vaders leuningstoel
+In 't hoekje tusschen haard en bed;
+Ik zet zijn sloffen op de plaat
+En dan, voorzigtig opgepast,
+Krijg ik mijn Vaders lange pijp
+En zijn' tabakspot van de kast.
+
+Des avonds laat, des avonds laat,
+Als zoo mijn Vader huiswaarts keert,
+Dan geeft hij mij een lekkren zoen
+En vraagt: "Wel, heb je braaf geleerd?"
+Dan val ik Vader om zijn' hals
+En zeg: "Ik heb mijn best gedaan,
+Omdat ik gaauw zoo knap woû zijn,
+Om flink voor u naar werk te gaan!"
+
+
+
+
+STERRETJES.
+
+
+Sterretjes! zie ik u blinken en staan,
+Is het mij vaak door mijn hoofdje gegaan,
+ Waar komt ge 's avonds toch wel van daan,
+ Waar gaat ge 's morgens weêr henen,--
+ Vindt ge den weg zoo alleenen?
+
+Sterretjes! als ge zoo vriendelijk lacht,
+Heb ik er menigmaal wel aan gedacht,
+ Wie u laat schijnen in duistren nacht;
+ Menschen die kunnen 't niet wezen,
+ Zijt ge zoo groot als wij lezen!
+
+o Dat moet God zijn, die groot is en goed,
+Die uit zijn' Hemel de kinderkens hoedt,
+ Als zij Hem vreezen met vroom gemoed;
+ Leer ons Hem danken en prijzen,
+ Of ge moogt dalen of rijzen.
+
+
+
+
+TER RUSTE.
+
+
+Eer wij 't hoofd ter ruste buigen,
+ Waar ons leger is gespreid,
+ Willen we onze dankbaarheid
+Aan den goeden God betuigen
+ Voor den zegen ons bereid:
+Wil, o Vader! ons vergeven
+ Wat, in onbedachtzaamheid,
+Door uw kindren is misdreven:--
+ Laat ons droomen heel den nacht
+ Van Uw liefde, van Uw magt!
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+
+BIJ 'T ONTWAKEN.
+
+
+ Zonneschijntje, morgenlicht,
+Als ge tintelt op de ramen
+ En weêr blinkt in ons gezigt,
+Vouwen wij de handen zamen
+ En wij danken, met ontzag,
+ Voor dien nieuwen, schoonen dag.
+
+ Zie! wij leggen 's avonds 't hoofd
+Altijd maar zoo rustig neder,
+ Alsof iedereen gelooft:
+Morgen komt het zonlicht weder!--
+ Niemand onzer denkt er aan,
+ Dat ge ook eens niet op kondt staan.
+
+ Niemand mooglijk heeft gedacht,
+Dat, zoo gij al weêr mogt komen,
+ Ons misschien geen morgen wacht
+Na ons slapen, uit ons droomen....
+ Daarom, schoone morgengloed,
+ Wees met blijden dank gegroet.
+
+
+
+
+VROEG OP.
+
+
+ Vroeg op, vroeg op, in alle ding,
+Dat maakt een' domme tot een' wijze,
+ Dat maakt aanzienlijk van gering,
+Dat maakt een' jongling van een' grijze,
+ Een' grijsaard van een' jongeling.
+
+ Vroeg op, vroeg op, in deugd en vlijt,
+Vroeg op, gij maagden en gij knapen!
+ Dan kunt gij, als ge moede zijt,
+Met een geruste ziel gaan slapen,
+ Hetzij voor eens of voor altijd.
+
+
+
+
+MORGENLIED.
+
+
+Komt de dag en wijkt de nacht,
+Waak dan op tot frissche kracht,
+Klaar van oogen en verstand,
+Blank van hart en rein van hand.
+
+Roep, met vromen kinderzin,
+Dan des Vaders zegen in;
+Hij, die van zijn' Hemeltroon
+D'arbeid krachten geeft en loon.
+
+En bedenk, als--zwaar of ligt,
+Gij uw taak en werk verrigt:
+Dat geen Eeuwigheid hergeeft
+'t Uur, hier ongebruikt doorleefd.
+
+
+
+
+LEEUWRIK.
+
+
+Wat zijt gij vroeg al in de weêr,
+Wat vliegt gij juichend af en aan!
+Hoe vroeg of ik ook op moog' staan,
+Gij, leeuwrik! wint het ieder keer!
+Wat jaagt zoo gaauw u 't leger uit,
+En wat beduidt uw blij geluid?
+
+--Wel, kind! als in de heldre lucht
+Het ochtendlicht zijn stralen giet,
+Dan houdt mijn bed mij langer niet
+En 'k stijg omhoog met snelle vlugt;
+En, zwevend naar des hemels boog,
+Rijst ook mijn lied tot God omhoog.
+
+Geloof me, ik weet het, lieve kind!
+Hem gaat het daaglijks zeker goed,
+Die 't eerst het morgenlicht begroet
+En met Gods lof den dag begint...
+Al blijft dat lied ook laag bij de aard',
+Gods Englen dragen 't Hemelwaart.--
+
+
+
+
+HANDJES WASSCHEN.
+
+
+Wie zijn handjes schoon wil wasschen,
+ Moet ze wasschen met elkaâr;
+ 't Baat je niet, probeer het maar,
+Om met een voor een te plassen:
+ Als ge niet ze zamen wrijft,
+ Wed ik, dat er vuil aan blijft.
+
+Wascht ge dan zoo de een door de ander',
+ Leer er uit: dat, vroeg of laat,
+ 't In de wereld ook zoo gaat:
+Helpen moeten wij elkander!--
+ Wie maar werken wil voor loon,
+ Krijgt zijn handen nimmer schoon.
+
+
+
+
+ZAMEN.
+
+
+ Roggebrood en wittebrood
+ Dat 'hoort op elkander!
+ Eet ge 't een vóór 't ander,
+ Och! gij brengt u zelv' in nood!
+Roggebrood moet óók gegeten;
+ Is er 't wittebrood doorheen,
+Dan, gij dient het maar te weten,
+ Eet ge 't roggebrood alléén.
+
+ Rust en werk--en werk en rust
+ 'Hooren bij elkander!
+ Doet gij 't een vóór 't ander,
+ Och! gij maakt u last van lust!
+Ieders taak moet afgeweven:
+ Wie te gaauw te rusten tracht,
+Loopt gevaar zijn heele leven,
+ Dat hem nooit weêr rust verwacht.
+
+
+
+
+DAUW.
+
+
+Och, kijk! wat zijn de bloempjes nat!
+ 't Is of ze huilden van den nacht!
+ Zie eens! daar ligt een heele vracht
+Van druppeltjes op ieder blad:
+ Zeg, moeder!--wàt ze schelen zou?
+ Kan het ook wezen van de koû?
+
+--Ja, liefje! zeker weet ik 't niet,
+ Wat of de bloempjes deren kan;
+ Maar, moet ik 't zeggen, kleine man,
+'t Zijn ook geen traantjes, die gij ziet;
+ Die druppels doen de bloempjes goed...
+ 't Is dauw, die 't plantje laaft en voedt.
+
+Zoo zal 't u nog wel dikwijls gaan!
+ Zoo ziet ge, eerst als gij ouder wordt,
+ Wat heil op ons wordt uitgestort
+In menig', schijnbaar droeven, traan
+ En hoe die dauw, in ons gemoed,
+ De Hemelbloemen groeijen doet.
+
+
+
+
+HEBT GIJ 'T GEHOORD?
+
+
+Zeg, kindren! hebt gij 't al gehoord?
+ De Lente is weêr verschenen!
+Zij joeg den boozen Winter voort,
+ En grommend trok hij henen.
+
+Nu strooit ze bloempjes hier en daar
+ En leert de vogels kwelen,
+En roept de kinders bij elkaâr
+ Om lustig weêr te spelen.
+
+Kijk! hoe de beestjes ginds en hier
+ Nu zingen en nu springen;--
+Me dunkt, we moesten voor plêzier
+ Nu ook een liedje zingen:--
+
+o Lieve Lente! wees gegroet
+ En leer ons, als we u prijzen
+Voor 't goede, dat men aan ons doet,
+ Den Schepper dank bewijzen!
+
+
+
+
+AL TE VROEG.
+
+
+De zon scheen koestrend op het kruid,
+ De Lente was gekomen,
+En alle knopjes liepen uit,
+ Als waar' er niets te schromen;
+Ze dachten, dat de Wintervorst
+Bij zonneschijn niet keeren dorst.
+
+Maar toen de zon ter ruste lag,
+ Toen kwam, met sneeuw beladen,
+De Winter eensklaps voor den dag,
+ En knakte steng en bladen;
+En al de bloempjes wit en rood
+Die waren 's morgens ziek of dood.
+
+Het leed woont meestal naast de vreugd,
+ De koû naast lentedagen;
+En wie het spoedigst zich verheugt,
+ Moet vaak het langste klagen;
+Vertrouw dus, als ik bidden mag,
+Vertrouw geen' eersten lentedag.
+
+
+
+
+EEN PRIJS.
+
+
+De lieve Mei staat voor de deur,
+ Wij roepen al: kom binnen!
+Zij geeft ons bloempjes zacht van kleur
+ En zoet van geur,
+ En opgeruimde zinnen;
+Want wie van 't jaar zijn best hier deê,
+Dien brengt ze alligt een prijsje meê,--
+ Kom binnen!
+
+Dat ware ook wel een stoute gast,
+ Die roepen dorst: blijf buiten!
+'k Wed, hij had wis niet opgepast,
+ En dacht wel vast:
+ 'k Moet naar mijn' prijs toch fluiten!
+Doch was er onder ons zoo'n guit.....
+De Mei er in, en hij er uit:
+ Blijf buiten!
+
+Maar neen! dat loopt wel geen gevaar;
+ Hoor, ieder roept: kom binnen!
+En, prijs òf niet, wij toonen maar,
+ Wat wij van 't jaar
+ Aan knapheid mogten winnen:
+Kom, lieve Mei! en hoor het lied,
+Dat dankbaar uit ons harte vliet:
+ Kom binnen!
+
+
+
+
+VERGEET-MIJ-NIETJE.
+
+
+ Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!
+ Hoe komt het toch, als aan de vliet
+ Mijn oog u ziet,
+Dat ik van alle lieve menschen,
+Als gij, niet vragen durf en wenschen:
+ "Vergeet mij niet!"
+
+ Och, bloempje-lief, ik weet het wel!...
+ Maar 'k bidje, zoo ik 't u vertel,
+ Vergeet het snel...
+Ik zou op véle, véle dagen
+Met angst en schaamte moeten vragen:
+ "Vergeet mij wel!"
+
+ Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!
+ 'k Beloof 't u--als weêr aan de vliet
+ Mijn oog u ziet,
+Dat ik van alle lieve menschen,
+Als gij, durf vragen en durf wenschen:
+ "Vergeet mij niet!"
+
+
+
+
+VLASBLOEMETJE.
+
+
+ "Wat bloeit ge snel, wat welkt ge ras,
+ Blaauw bloemetje van 't groene vlas!
+De zon rees pas ter middaghoogte;
+ Van morgen stondt ge in volle praal,
+ En nu reeds zijt ge dor en vaal
+En zaâmgeschrompeld van de droogte;
+ Kijk! onbewimpeld zeg ik 't maar,
+ Als Ik zoo'n aardig bloempje waar',
+ Dan bloeide ik vast het heele jaar!"
+
+ --Ja! dat is allerliefst bedacht,
+ Als men maar leeft voor pret en pracht,
+En niet tot werken en tot winnen;
+ De mooije bloempjes, die ge ziet,
+ Die zijn bij mij 't voornaamste niet....
+Ik maak de draadjes voor uw linnen
+ En oliezaden tot gerijf....
+ En als ik nu maar bloeijen blijf,
+ Dan krijg je ligt geen hemd aan 't lijf.
+
+ Wanneer de winter komt in 't land,
+ Dan zult gij menig ijdle plant
+Vertreden op den mesthoop vinden;
+ Maar ik, al ben ik tweemaal dood,
+ Dan leef ik nog voor klein en groot,
+Want linnen wordt papier, mêvrinden!
+ Daarop leest ieder dan de leer:
+ "Och bloei wat minder, werk wat meer...
+ Van nut zijn, is de kostlijkste eer!"--
+
+
+
+
+MAANDROZEN.
+
+
+Dat is groeijen uit den treuren,
+ Dat is bloeijen, altijd klaar!
+Nieuwe knoppen, nieuwe kleuren,
+Nieuwe bloemen, nieuwe geuren,
+ Of er nooit een einde aan waar'.
+
+Staat het windeken in 't zuijen,
+ Maandroos bloeit in volle pracht;
+Plundren haar de hagelbuijen....
+Eer ze er iets van laat verluijen,
+ Bloeit ze weêr in volle kracht.
+
+Altijd bloemen, altijd geuren,
+ Altijd knoppen, altijd meer....
+Maandroos! mogt het ons gebeuren,
+Onder juichen, onder treuren,
+ Zóó te bloeijen, God ter eer!
+
+
+
+
+EEN WOUD-BLOEMPJE.
+
+
+ Eenzaam bloempjen in het bosch,
+ Diep verscholen onder 't mos,
+Niemand slaat uw bloeijen gade;
+ Maar gij bloeit toch evenzeer
+ God ter eer,
+En gij dankt voor zijn genade
+ Hem, der Schepping wijzen Heer!
+
+ Als een bij, in 't woud verdwaald,
+ Op uw knopjes nederdaalt,
+Sluit ge uw kelkjes wijder open;
+ En gij denkt in uw gemoed,
+ Hoe uw zoet
+'t Moêgevlogen, moêgekropen
+ Diertje nu verkwikken moet!
+
+ o Dan juicht gij, dat Gods hand
+ U zoo eenzaam heeft geplant,
+Om uw laafnis dáár te geven,
+ Waar de bij op 't doornig pad,
+ Moede en mat,
+Zeker van gebrek zou sneven,
+ Als zij geen verkwikking had.--
+
+ Vrome! die, in nedrigheid,
+ Heil op 't eenzaam pad verspreidt,
+In uw lot en stand tevreden...
+ Ruil ze niet voor ijdlen schijn,
+ Bloemelijn!--
+Zalig hij, die, hierbeneden,
+ 't Eenzaam bloempje in 't woud mag zijn!
+
+
+
+
+GEBROKEN.
+
+
+Dat ruikertje staat mooi genoeg,
+'t Staat allerliefst.... o maagdelijn!
+Maar weet ge wel, dat morgen vroeg
+De geur en kleur verwelkt zal zijn?
+Och! dat gij niet méér meêlij hadt
+Met zooveel kostlijk bloesemblad!
+
+Zoo 't bloempje op stam gebleven was,
+Het waar' misschien tot vrucht gegroeid,
+En zelfs met water in een glas
+Had het nog dagen lang gebloeid;
+Maar nu--een uur of wat--hoe kort!
+En 't arme bloempjen is verdord.
+
+Zoo is 't ook met des levens vreugd!....
+Wie al te veel op eens begeert,
+Die ziet al spoedig, lieve jeugd!
+Hoe gaauw 't verflenst is en verteerd!
+Verlangt gij, dat er vrucht van koom?...
+Zoo breek de bloem niet van den boom.
+
+
+
+
+KORENBLOEMEN.
+
+
+Blaauwe bloemetjes in 't koren!
+ Aardig staat gij tusschen 't graan;
+Maar een plekje gaat verloren,
+ Waar een rijke halm kon staan.
+Lieflijk sieraad moogt ge wezen;
+ Maar, zoo ge al te welig groeit,
+Zou ik (en met reden) vreezen,
+ Dat ge gaauw wordt uitgeroeid.
+
+Als de landman in de voren
+ Kostbre korrels heeft gezaaid,
+En, in plaats van voedzaam koren,
+ Niet dan blaauwe bloempjes maait,
+Zal hij 't land onvruchtbaar noemen,
+ Dat zoo schralen oogst hem gaf--
+En hij snijdt met regt uw bloemen
+ Als verdervend onkruid af.
+
+Daarom, bloemetjes in 't koren,
+ Weest een siersel, niet een last!
+'t Best van d'akker gaat verloren,
+ Waar gij al te welig wast.
+Wilt ook ons de leering geven:
+ "Nut moet vóór genoegen gaan,
+En 't vermaak in ieders leven
+ Zij eene enkle bloem in 't graan!"
+
+
+
+
+KORENÄREN.
+
+
+ Korentje, dat er zoo weelderig wast!
+Hoe zijn uw halmen zoo dun en zoo spichtig?
+'k Zie ze daar ginder wel dubbel zoo wigtig,
+ Schoon er hun lengte niet half bij u past;
+ Toch staat ge lekker in 't kleijige land,
+ En 't is daar ginder meest allemaal zand.
+
+ 'k Vrees, als de landheer zijn koren vergaârt,
+Dat hij niet eens u tot schoven laat binden;
+Dat hij maar stroo en maar sprieten zal vinden,
+ D'akker en 't oogsten en dorschen onwaard';
+ Dat hij, te onvreden hoe weinig je gaf,
+ Mooglijk uw halmen in 't vuur gooit bij 't kaf.
+
+ 't Vette der aarde, dat was u gegund,
+Mits ge ook een dubbeltal korrels zoudt geven;
+Niet, om alleen voor u zelf maar te leven,
+ En om te groeijen zoo hoog als ge kunt;
+ Niet, om te worden tot nutteloos stroo,
+ Hadt ge die plek en dat akkertje zoo.
+
+ Korentje, dat er zoo weelderig wast!
+Mogten toch velen uit dorpen en steden
+Met me dat paadje langs je akker betreden,
+ Ligt dat uw voorbeeld op enklen wel past:
+ Ik voor het minste, dat staat bij me vast,
+ Zal er om denken, hoe weeldrig gij wast.
+
+
+
+
+DE KROMME BOOM.
+
+
+ Wel, boom, wat zijt ge krom gegroeid!
+'t Is haast, alsof gij om wilt zakken;
+En hoe verward zijn al uw takken,
+ Alsof gij nooit nog waart gesnoeid;
+ 't Is waar (ik zeg het zonder schroom)
+ Ik vind je leelijk, kromme boom!
+
+ --Ja, kind! het is zoo als gij zegt,
+Ik moet mij zelv' óók leelijk vinden:
+Had ik mij vroeger laten binden,
+ Dan was ik nu niet krom, maar regt;
+ 'k Was dan misschien een pronk van 't woud...
+ Nu ben ik slechts onbruikbaar hout.
+
+ Nog gistren ('k hoorde 't met verdriet)
+Zeî tuinman: "Waart ge jong gebogen,
+Dan stondt gij als een lust der oogen;
+ Nu zijt ge brandhout, anders niet!"
+ Gij vindt mij leelijk, lieve kind!....
+ Zorg, dat geen mensch 't ook U eens vind'.--
+
+
+
+
+DE WIJNRANK.
+
+
+Gij, arme wijnrank! lig je daar
+Zoo vuil te slingren langs den grond?
+Wat zijn uw druifjes klein en naar,
+Onrijp, en zeker ongezond!
+Kom, als ik je aan de schutting bond,
+Dan raakte je misschien weêr klaar.
+
+--Neen! 'k vrees, mijn kind! 't is nu te laat....
+Wanneer dat iemand had gedaan,
+Toen 'k jong en sterk was--en in staat
+Om frisch mijn ranken uit te slaan,
+Dan zou ik nu vol vruchten staan,
+Zoo zoet en geurig als muskaat.
+
+Och! 't gaat me als menig' armen man,
+Die niet in tijds geholpen wordt:
+Die hulp komt later soms--maar dan
+Schiet moed en lust en kracht te kort....
+Steun dus de wijnrank eer zij dort,
+En d'Arme, wen 't nog baten kan.--
+
+
+
+
+BLOEMEN EN VOGELS.
+
+
+De kleine bloempjes op de heide,
+ De kleine vogels in het nest,
+ Zij hebben 't óók niet altoos best,
+ Maar worden dan toch groot op 't lest...
+De Heer des Hemels zorgt voor beide;
+ En dikwijls waakt een vrome hand
+ Voor vogelijn en heideplant.
+
+Dàn kunnen ze onbekommerd groeijen
+ En krachten putten uit den nood:
+ Des vogels lied juicht: "God is groot"!...
+ De plant geeft bloesems, wit en rood,
+En zoete geuren onder 't bloeijen;
+ En beide danken God den Heer,
+ En wie hen kweekte, Hem ter eer.
+
+Gij knapen, meisjes, dartle kleenen!
+ Gij wilde vogels, plantjes teêr!
+ Ook u beschermt des Hemels Heer;
+ Zijn Geest daalt in de harten neêr,
+Opdat ze u hulp en schuts verleenen.
+ o Zingt en bloeit dan Hem ter eer,
+ Gij wilde vogels--plantjes teêr!
+
+
+
+
+HAANTJE.
+
+
+ Haantje, haantje, koekeloer!
+ Wat een stappen,
+ Wat een grappen
+ Maak je, voor een handje voêr!
+'k Denk, als Ik zoo'n spuls moest maken,
+ Eer ik wat te bikken had,
+Eer ik aan den kost kon raken....
+ Dat ik liever nooit weêr at.
+
+ --Dwaze knaap, onnoozle bloed!
+ Al dat praten
+ Zoudt ge laten,
+ Waren je ouders niet zoo goed;
+'k Zal, als te avond of te morgen
+ Ook Uw disch niet is gedekt,
+En ge eens voor u zelv' moet zorgen,
+ Zien, wat voor gezigt gij trekt.
+
+ Als gij de ouders eens verliest,
+ Die u geven
+ Om te leven,
+ Zal het blijken wat gij kiest;
+'k Denk, dan maakt ge, onnoozle jongen!
+ Zoo ge ondankbaar blijft en traag,
+Nog wel àndre kromme sprongen
+ Voor het vullen van uw maag.--
+
+
+
+
+DE MIEREN.
+
+
+Wilt gij in uw jonge jaren
+ Wijsheid gâren,
+ Komt dan, kinders, komt dan hier!
+ Ziet die rappe, kleine mier
+Slaven, draven, gâren, sparen,
+ Of ze 't deed voor haar plêzier....
+ Jongens! wat een aardig dier!
+
+Zoo te werken, zoo te zwoegen,
+ Is genoegen
+ Om te zien en om te doen:
+ Voorraad, in het goed saizoen,
+Voor den winter zaâm te voegen,
+ Als er vruchten zijn noch groen....
+ Kinders! 'k raad je 't ook te doen.
+
+Luije meisjes, luije knapen!
+ Gapen, slapen.....
+ Doet gij 't in uw' jonger' tijd,
+ 'k Vrees, dat ge ouder honger lijdt.--
+Leert ge dus geen voorraad rapen,
+ 'k Zeg u: dat ge (tot mijn spijt)
+ Dommer dan de mieren zijt.
+
+
+
+
+ZOET EN BITTER.
+
+
+De bij gaart uit den zoeten knop
+ En uit het bittre kruid
+De reinste en beste sappen op
+ En puurt er zuivren honig uit:
+'k Hoop niet, dat iemand dommer zij,
+Mijn kind! dan zulk een kleine bij!
+
+De goede God gaf u verstand,
+ En kloekheid van gemoed,
+Een scherpziend oog, een rappe hand,
+ Een fijn gehoor, een' vluggen voet....
+En wat de bij, onwetend, kan,
+ Daar weet Gij doel en oorzaak van.
+
+Dus--ziet gij 't aardig diertjen aan,
+ En hoe 't zijn taak verrigt,
+Zorg dan om niet beschaamd te staan,
+ Maar doe, met dubblen lust, Uw' pligt;
+En vindt ge zoet of bitter kruid,
+Och, puur er steeds den honig uit!
+
+
+
+
+HET DOODE MUGJE.
+
+
+ Dood is het mugje!.... met uw hand
+Hebt gij 't, o knaapje! doodgeslagen;
+ Maar dacht ge wel, mijn jonge kwant!
+Hoe of 't u zelven zou behagen,
+ Wanneer nu eens een olifant
+ U 't zelfde deed, met snuit of tand?
+
+ Ja, zie! nu doet het u verdriet;
+Nu hebt ge rouw, dat gij zoo-even
+ Dat arme beest niet leven liet.
+Voor ditmaal zij het u vergeven!--
+ Maar doe dan ook een' ander' niet
+ Wat gij niet wilt, dat u geschied'.
+
+
+
+
+GLIMWORM.
+
+
+Gij mooije glimworm, die in 't woud
+Des nachts zoo helder blinkt door 't hout,
+ Alsof het sappig groen der bladen
+ Met diamanten is beladen,
+Och! zeg me eens (zoo ik 't weten mag)
+Waarom glim je ook niet over dag?
+ Als Ik zoo prachtig licht kon geven,
+ Dan deed ik 't vast mijn heele leven,
+En niet alleen, dat waar' gewis,
+ Als 't donker is.
+
+--Wel, kind! ik zeg 't je met plêzier;
+En, ben ik maar een simpel dier,
+ Toch kunt ge er mooglijk nut uit halen...
+ Wanneer de warme zonnestralen
+Een stroom van licht, een stroom van goud
+Doen vloeijen over veld en woud,
+ Zou 'k vreezen heel verwaand te 'lijken
+ Als ik mijn' zwakken glans liet kijken;
+En deed ik 't al... 'k wed, dat bij dag
+ Toch niemand 't zag.
+
+Och! denk om mij, mijn lieve kind!
+Als gij bij andren u bevindt,
+ Die, als een zon, met warme stralen
+ Van liefheid, deugd of kennis pralen;
+Hoû dan bescheiden 't mondje toe
+En wacht, gelijk ik zelf het doe,
+ Tot gij, wanneer die andren zwijgen,
+ In ootmoed ook een beurt kunt krijgen....
+Slechts als ge er nut of vreugd door sticht,
+ Geef dan uw licht.--
+
+
+
+
+ZWAANTJE.
+
+
+Zwaantje, met uw witte pluimen,
+ Met uw vlerken groot en wijd!
+ 'k Zie het wel, hoe trotsch ge zijt,
+Als ge 't water zoo doet schuimen!
+ Al de vogels klein en teêr
+Jaagt gij weg van beek en vlieten,
+En de schuchtre vischjes schieten
+ Haastig in de diepte neêr.
+
+Mooi, dat zijt ge boven velen,
+ Slank en statig buiten kijf;
+ Kostbaar dons bedekt uw lijf;
+Maar, wat kan dat andren schelen?
+ Zie dien kleinen nachtegaal,
+Graauw en pover in de veêren,--
+Maar wat kan hij kwinkeleren....
+ Zwaanlief! hè! dat 's meer dan praal?
+
+Zwaantje! wilt gij nedrig wezen,
+ 'k Wed, dat gij, door heel de streek,
+ Als het siersel van de beek
+Wordt bewonderd en geprezen:
+ Maar blijft gij zoo trotsch en fier,
+'k Zeg dan, als ik u hoor gagglen
+En op ganzenpoot zie wagglen....
+ Och, 't is toch een ak'lig dier!
+
+
+
+
+OOIJEVAAR.
+
+
+ Ooijevaar, lepelaar!
+'k Zit zoo graag naar u te kijken,
+ Als gij (dragend dat ge zweet)
+Door de heldre lucht komt strijken--
+ En van rust noch poozen weet,
+ Voor' uw nest, geheel gereed,
+Hoog in d'eikenboom mag prijken.
+
+ Ooijevaar, lepelaar!
+Als ge dan nog vele weken
+ Zoo geduldig de eijers broedt,
+En--als 't jong er uit komt breken,
+ 't Met zoo trouwe liefde voedt,
+ Zie, dan vind ik u zóó goed,
+Dat ik 't haast niet uit kan spreken!
+
+ --Lieve vrind, aardig kind!
+'k Dank u voor uw vriendlijkheden!
+ Maar, hebt gij weleens bedacht,
+Wat Uw Ouders voor U deden
+ Sinds men u ter wereld bragt,
+ En hoe ze altijd, dag en nacht,
+Nòg hun moeite aan u besteden?
+
+ Lieve vrind, aardig kind!
+Breng het telkens u te binnen:
+ Ik zorg weinig maanden maar,
+Zie!.... doch de ouders, die u minnen,
+ Zorgen reeds zoo ménig jaar....
+ Dàt is liefde en trouw, voorwaar!
+Die 't van mijne ver nog winnen!--
+
+
+
+
+EEN MIDDAGSLAAPJE.
+
+
+Wie rusten wil in 't groene woud,
+ Wie rusten wil met lusten,
+Hij kieze een plekje, digt in 't hout
+ En vlijê zich tot rusten;
+Een peluwtje van mollig mos,
+ Een kussentje van varen
+ En een gordijn van blâren.....
+Geeft zoeten middagslaap in 't bosch.
+
+De hemel van het ledekant
+ Blinkt prachtig-blaauw door 't loover,
+De heesters slingren om den rand,
+ De bloesem hangt er over;
+Het koeltje fluistert met de vliet,
+ De dartle vlinders spelen,
+ De nachtegalen kwelen....
+Is 't niet een lieflijk wiegelied?
+
+En 't best is: dat het groene woud
+ Met koelte en rust u lavend,
+Van u geen zilver vraagt of goud,
+ Al slaapt gij tot den avend;
+'t Vraagt enkel: zijt gij mat, of moê?...
+ De slaapsteê is voor allen!
+ En is ze u goed bevallen,
+Dan krijgt gij 't avondgoud nog toe!
+
+
+
+
+DOEN EN LATEN.
+
+
+ Wat ge doet of niet en doet,
+Flinke jongens, knappe meiden!
+ Laat Voorzigtigheid den Spoed
+Zachtjes bij de hand geleiden;
+ Maar denkt altijd, dat gij 't Kwaad
+ Haast wel nooit te langzaam laat.
+
+ Wat ge laat of niet en laat,
+Knappe deerens, flinke knapen!
+ Haastig geef Voorzigtig raad,
+Niet, bij ondeugd, in te slapen;
+ Och! denkt altijd, dat gij 't Goed
+ Haast wel nooit te langzaam doet.
+
+ Wat ge laat of wat ge doet,
+Flinke jongens, knappe meiden!
+ Zij niet sneller dan het moet:
+Doch, wil iemand u verleiden
+ Tot iets boos--zegt dàn, met spoed:
+ "'k Ben, voor kwaad doen, veel te goed!"
+
+
+
+
+ZWEMMEN.
+
+
+ Wilt ge koeling voor den gloed
+Van de felle Zomerzon?
+In het vocht van de bron,
+ In den stroom, in den vloed...
+Knapen!--in de frissche wellen
+Voelt ge uw kracht zich weêr herstellen,
+ Als het nat
+ U omspat!
+
+ Duik omlaag en spring omhoog,
+Klief den stroom met forsche spier,
+Wend en keer, zwenk en zwier....
+ Als een pijl van den boog
+Knapen! moogt ge voorwaarts schieten;
+'t Zal u kracht in de aders gieten,
+ Als het nat
+ U omspat.
+
+ Blijv' de bloodaard aan het strand,
+Blijv' de lafaard op den dijk,
+ Waterland, Waterland,
+Gij zijt ons Koninkrijk!
+ Uit het diepste van de stroomen
+ Is Oud-Neêrlands kracht gekomen;
+ Haal dien schat
+ Weêr uit 't nat!
+
+
+
+
+REGTOP.
+
+
+ Regtop van lijf, regtop van ziel,
+Dat is een stand naar mijn behagen.
+'t Zij, dat ge een' staatsierok moogt dragen,
+ 't Zij, dat ge een' buis draagt of een kiel...
+ Regtop van lijf, regtop van ziel!
+
+ En buig' men ooit zijn hoofd of knie,
+'t Zij dan alleen voor God, den Heere!
+Voor elk, wien men als braver eere,
+ Voor ieder, dien men wijzer zie....
+ Voor die slechts buig' men hoofd of knie.
+
+ Maar anders--regt van lijf en ziel,
+In vreugd of leed, door heel ons leven!
+Niet links, niet regts, maar 't hoofd geheven,
+ Wat of er buig', wat of er kniel'....
+ Dat 's Nederlandsch, naar lijf en ziel!
+
+
+
+
+DE LANGSTE DAG.
+
+
+ Almanak,
+ Leugenzak!
+ Och, 't is klaar,
+ Je fopt ons maar;
+ Slechts één langste dag in 't jaar?
+Als men mij om raad woû vragen,
+Maakte ik honderd langste dagen.--
+
+ Wie het eerst ten bedde uit was,
+ Maakt den langsten dag;
+ Wie het knapst en vlijtig was,
+ Maakt den langsten dag;
+ Wie de liefste en braafste was,
+ Maakt den langsten dag.
+
+Dat kan je immers alle dagen,
+ Driemaal honderd zestig keer,
+ Ja, al was het vijfmaal meer,
+Zonder d'Almanak te vragen:
+
+ Deedt gij 't flink en met verstand,
+Ware 't ook maar honderd malen,
+Laat ons dan in koor herhalen,
+ Vrolijk dansend hand aan hand:
+
+ Almanak,
+ Leugenzak!
+ Och, 't is klaar,
+ Je fopt ons maar;
+ Slechts één langste dag in 't jaar?
+Als men ons om raad wil vragen.
+Zijn er honderd langste dagen!
+
+
+
+
+MEDICIJN.
+
+
+ Weet ge 't?--bitter in den mond
+ Is voor 't kranke hart gezond!
+Ril niet voor dat leelijk drankje;
+ Slik het kloek en handig door,
+ Laat geen' druppel gaan te loor;
+'k Wed, ten laatste zeg je: dank je!
+
+ Weet ge 't?--bitter voor 't gemoed
+ Is der kranke ziele goed!
+Moog' ook 't slikken moeilijk wezen,
+ Als ge beter weêr zult zijn,
+ Dankt gij voor die medicijn,
+Die zoo goed u heeft genezen!
+
+
+
+
+VOORZIGTIG.
+
+
+Kindren, brandt je bekje niet!
+Beter is 't wat hard geblazen,
+ Kleine bazen!
+En een beetje meer geduld,
+Dan te krijgen door uw schuld
+Hier een blaar en daar een' bult.
+
+Kindren, brandt je handjes niet!
+Beter is 't niets aan te raken,
+ Kleine snaken!
+Dan te merken naderhand,
+Tot uw schaê en tot uw schand',
+Dat ge uw pootjes hebt gebrand.
+
+Kindren, brandt je hartjes niet!
+Dat zou 'k nog het ergste vinden,
+ Kleine vrinden!
+Dat geeft vlekken, bruin en zwart,
+Dat geeft plekken, ruw en hard,
+Dat geeft eeuw'ge rouw en smart.
+
+
+
+
+SMAKELIJK ETEN.
+
+
+Wie 't lekkerst eet en altijd graag.....
+ Dàt weet ik en ter dege:--
+Die daaglijks van zijn volle maag
+ Iets afhoudt voor een leêge!
+
+Het beste middel tot aptijt,
+ Dat 'k ooit nog heb geweten,
+Dat is: een' man, die honger lijdt,
+ Eens smaaklijk te zien eten!
+
+Of gij dus weinig hebt of veel....
+ Mogt gij regt smullen willen,
+Laat dan het halfjen of een deel
+ Der armren honger stillen.
+
+
+
+
+MATIG.
+
+
+ Al te veel is ongezond!
+Lieverts, zult gij 't niet vergeten?
+ Watertandt uw kleine mond
+Bij een' schotel lekker eten,
+ Hangt de tak tot aan den grond,
+Moogt ge plukken naar behagen....
+Denkt er om, gij, grage magen!
+ Al te veel is ongezond.
+
+ Nu zal Moeders vriendlijk oog
+U nog wel met zorg bewaken
+ (Welk een trek uw hart bewoog)
+Dat gij 't niet te bont zult maken;
+ Maar, wanneer gij grooter zijt,
+En niet jong hebt willen leeren
+Maat te houden in 't begeeren,
+ Raakt ge lust en welvaart kwijt.
+
+ Al te veel is ongezond!
+Zie, dat geldt voor alle zaken,
+ Die eens op dit wereldrond
+U begeerig zullen maken:
+ Waakt dan over oog en mond,
+Waakt dan over hart en zinnen,
+En brengt telkens u te binnen:
+ Al te veel is ongezond!
+
+
+
+
+VAN EEN AAPJE.
+
+
+ Ik ken een aapje, loos en vlug,
+ Een baasjen onder de apen;
+ Een rokjen dekt zijn' slanken rug,
+ Een hoedje dekt zijn slapen;
+ Wanneer hij voor zijn hokje staat,
+ Denkt gij een' Heer te groeten,
+ Maar als hij aan het klimmen gaat,
+ Ziet gij zijn bloote voeten:--
+ En wat ge dan nog verder ziet,
+ Dat zeg ik niet....
+ Of waarom zou ik woorden spillen?....
+Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,
+ Als apen hoogop klimmen willen.
+
+ Gij, aardige aapjes, klein en groot!
+ Die hoedjes draagt en rokken,
+ Och! denkt'reis aan uw beentjes bloot
+ En blijft wat bij uw hokken:--
+ Wie hooger zijn wil dan zijn staat,
+ Of meer dan zijns gelijken,
+ (Gij kunt er vast op gaan) die laat
+ Zijn bloote beenen kijken:
+ En wat ge dan nog verder ziet,
+ Dat zeg ik niet....
+ Of waarom zou ik woorden spillen?....
+Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,
+ Als apen hoogop klimmen willen.
+
+
+
+
+DUINLIED.
+
+
+Lustig gesprongen door 't mullige duin,
+Lustig gezongen op helling en kruin;
+Hoor, in ons lied stemt het lied van de streek:
+'t Bruisen der zee en het ruischen der beek.
+
+Holland, zoet Holland! hoe zwelt ons het hart
+Daar, waar uw duinwand de zeevloeden tart,
+Waar al de schat van uw' weligen tuin
+Grenst aan de dorheid van 't stuivende duin.
+
+Nedrig van buiten, maar rijk in uw borst,
+Zijt ge, zoet Holland! door duinen omschorst;
+Wat u belaag' op den vloed of op 't land,
+Zwichte, als de golven voor 't schuttende zand!
+
+
+
+
+VADERLANDSCH LIED.
+
+
+Komt, knapen en meisjes! verheft nu in koor
+ Den grond, die uw wieg heeft gedragen;
+Uw lied klink' de beemden van 't Vaderland door,
+ Dat de oogen op u houdt geslagen:
+Dat Vaderland eert en verheerlijkt gij nu,
+Eens, hopen wij, eens zal het fier zijn op u.
+
+In moed en in kennis, in vroomheid en deugd,
+ Was 't eenmaal het sieraad der aarde;
+Die glorie verbleekte; maar 't wacht van Uw jeugd,
+ Dat gij het herstelt in zijn waarde:
+Dan--als gij het eert en verheerlijkt als nu,
+Dan zal eens dat Vaderland fier zijn op u.
+
+
+
+
+KLOEK EN BLANK.
+
+
+ Kloek van ligchaam, kloek van geest,
+Zijn de Nederlandsche knapen
+ Steeds geweest!
+Op dan, Jongen, niet geslapen!
+ Oefen oog en oor en hand,
+Rek uw pezen, staal uw spieren,
+ Streef naar kennis en verstand!--
+Goede zeden, goê manieren,
+Scherpe zinnen, sterke spieren,
+ Zijn de steunsels van een Land!
+
+ Blank van ligchaam, blank van ziel,
+Was het, wat in Neêrlands maagden
+ Steeds geviel!
+Meisje!--wie er Gistren klaagden:
+ "t Was slechts zóó in Ouden tijd!"
+Doe hun 't Heden anders blijken!
+ Laat die nijders, tot hun spijt,
+Hoe ze turen, hoe ze kijken,
+Schaamrood vonnis moeten strijken:
+ Dat ge zonder smetjes zijt!
+
+ Och! bedenk het, jong geslacht!
+In Uw harten, in Uw handen,
+ Ligt de kracht,
+Ligt het heil der Nederlanden!
+ Houd dan beiden kloek en blank...
+'t Land, waarin gij zijt geboren,
+ Geeft ge nimmer beter dank,
+Voor het goede aan u beschoren,
+Dan, dat we als uw lofspraak hooren:
+ Kloek is 't ligchaam,--'t hart is blank!
+
+
+
+
+VOLHOUDEN.
+
+
+ Stapje voor stapje, dat vordert toch:
+Denk het in 't goede, denk het in 't kwade,
+Denk het bij voordeel, denk het bij schade:
+ Meestal, mê-jongen, vergat gij het nog!
+Vliegen of stilstaan... gij kent maar geen midden,
+Wat ik moog' praten en raden en bidden.
+
+ Drupje voor drupje, waar 't vallen kan,
+Maakt wel een kuiltjen in 't hart van de steenen;
+Gudst er het nat in een' stroom overhenen,
+ Och, het loopt weg en gij ziet er niet van;
+Daarom bedenk het, bij al uw beginnen:
+Sparen doet gâren... wie volhoudt, moet winnen.
+
+
+
+
+EEN VIJAND.
+
+
+ Jongens! als een Vijand kwam
+Om ons Neêrland te overheeren,
+ Iedre jongen, wed ik, nam
+(Vond hij sabels noch geweren)
+ Tang of asschop in de hand
+ Tot behoud van 't Vaderland.
+
+ Durven Meisjes ook niet veel....
+'k Denk dat zij (in zulke tijden)
+ Toch nog met een bezemsteel
+Voor ons Neêrland zouden strijden;
+ Ja zelfs met een ragebol
+ Joegen zij 't gespuis op hol.
+
+ Zeg eens, kindren!--zoudt ge niet?
+Nu.... dan zal ik 't U maar zeggen
+ Dat mijn oog een Vijand ziet....
+Die (met listig overleggen)
+ Reeds ons arme Vaderland
+ Lang, ter sluips, heeft aangerand.
+
+ Wilt gij weten, wie hij is?....
+'t Kwaad, dat insloop in uw zielen!
+ Dat, als 't overwint, gewis
+Eens ons Neêrland zal vernielen!
+ Op dan--helpt het Land uit nood,
+ Kindren! slaat den Vijand dood!
+
+
+
+
+TREUZELTJE.
+
+
+Treuzelaartje! treuzelaartje!
+ Altoos, altoos tijds genoeg....
+ Schaam je wat--als iemand vroeg:
+Heb je een aardje naar je vaârtje?
+ Was je moederlief zoo traag?....
+ Zeg, wat antwoordt ge op die vraag?--
+ Maar, voor 't antwoord (had ik 't graag)
+Dien ik zelf nog wel te zorgen,
+ Want ook dáárin zijt ge traag!.....
+'t Luidt:--"Kom ik er niet van daag,
+ Och! dan kom ik er toch morgen!"
+
+Neen, mijn liefje!... met geteuter
+ Komt ge er ook op morgen niet!--
+ 't Geeft u eens nog zielsverdriet
+Dat gepeuter en geleuter!
+ Als ge nadert aan den dag,
+ Die nog nooit een morgen zag,
+ Zal, in vruchteloos geklag,
+De verloren tijd u rouwen....
+ Liefje! nu 't nog wezen mag,
+ Och! gebruik nu uur en dag,
+Steek de handen uit de mouwen!
+
+Treuzelaartje, treuzelaartje!
+ Anders zijt ge lief en goed;
+ Maar, ik bid je, maak wat spoed:
+Of dat snaartje heeft een staartje!
+ 't Klinkt nu nog als jokkernij;
+ Maar, arm kind! voor u en mij
+Kwam er vreeslijke ernst wel bij,
+Zoudt ge eens Andrer hulp behoeven....
+ 'k Smeek dus: maak me haastig blij!
+ En--moet er getreuzel bij....
+Treuzel enkel.... in 't bedroeven!
+
+
+
+
+KRINGETJES IN 'T WATER.
+
+
+ Kittelsteentje, rond en glad,
+ Als gij plompt in 't klare nat,
+ En het water
+ Met geklater
+ Paarlend uit elkander spat,
+Zijt ge pas der hand ontgleden,
+Of ge wiggelt naar beneden.
+
+ Doch, waar 't vocht u heeft omvat,
+ Komt een kringetjen op 't nat;
+ Verder vloeit het,
+ Lang nog groeit het,
+ Eer het uit elkander spat:
+'t Wijst, hoe snel ge ook zinkt, aan allen
+'t Plekje, waar gij zijt gevallen.
+
+ Elk onthoû het steeds--het gaat
+ Even zoo met goed en kwaad:
+ Uren, Dagen,
+ Jaren, dragen
+ Nog het teeken van uw daad.
+Och, onthoû het toch, mêvrinden,
+'t Plekje is lang nog weêr te vinden!
+
+
+
+
+BEURTZANG.
+
+
+In het groene loover
+ Zit een vogelijn,
+Onder 't groene loover
+ Zit een maagdelijn;
+'t Vogeltje zingt boven,
+ 't Meisje zingt beneên
+ Weltevreên!
+En hun zoete stemmen
+ Smelten zacht ineen.
+
+In de kruidjes luistert
+ Al het wollig vee,
+In de blaadjes fluistert
+ Ieder koeltje meê;
+'t Vogeltje zingt boven,
+ 't Meisje zingt beneên
+ Weltevreên!
+En hun zoete stemmen
+ Smelten zacht ineen.
+
+'t Vogelkeeltje ontglippen
+ Liedren God ter eer,
+En de maagdenlippen
+ Danken God den Heer;
+'t Vogeltje zingt boven,
+ 't Meisje zingt beneên
+ Weltevreên!
+En hun zoete stemmen
+ Smelten zacht ineen.
+
+
+
+
+IN TIJDS.
+
+
+Is uw vlerkje stuk geslagen,
+ Vogel, toen de stormwind kwam;
+ Bleef uw wol, onnoozel Lam,
+Hangen aan de dorenhagen?
+ Vogel, 'k bid je, schuil dan wat
+Als de stormwind zich doet hooren--
+Schaapje, pas wat op den doren,
+ En zoek u een ander pad!
+
+Wilde vogels, woeste knapen,
+ 'k Zie wel, hoe ontvlerkt gij zijt....
+ Och! wat zijt ge al vlokjes kwijt,
+Meisjes-lief, onnoosle schapen!--
+ 'k Bid dan, dat ge willig hoort,
+Dat ge intijds hoort naar vermanen;
+Zuchten spaart het u en tranen....
+ Meisjes, Knapen, zegt het voort!
+
+
+
+
+SNEEUWLIEDJE.
+
+
+ Blanke vlokjes, fijn en zacht,
+Doe uw duizend-duizendtallen
+ Spoedig vallen....
+ De Aard' heeft u al lang gewacht.
+
+ Dek haar digt en warmpjes toe,
+Dat ze eens van haar last en lusten
+ Uit moog' rusten....
+ Och! ze was zoo bitter moê.
+
+ Had ze niet het heele jaar
+Onder zorg voor bloem en vruchten
+ Zitten zuchten--
+ Of het nimmer rusttijd waar'?
+
+ Eindlijk viel het arme schaap
+Tusschen al 't verdorde loover
+ Achterover....
+ En in diepen, vasten slaap.
+
+ Ligt ze daar nu bloot en kaal,
+Als de Winter met zijn vlagen
+ Aan komt jagen--
+ Dan bevriest zij heelemaal.
+
+ Daarom, vlokjes, fijn en zacht,
+Dekt haar, tot ze moog' ontwaken,
+ Met uw laken,
+ Dekt haar met uw warme vacht.
+
+ Als het dan weêr Voorjaar is,
+Springt zij uit uw donsen veêren
+ In de kleêren,
+ Even flink en even frisch!
+
+
+
+
+DE HOLLE BOOM.
+
+
+Wel, oude boom! zeg, zijt gij niet bedroefd,
+ Dat gij de zwakste zijt van allen,
+Dat gij van zooveel kloven zijt doorgroefd,
+En, enkel schors, bijna dreigt om te vallen?
+ 'k Zie om u heen een heele laan
+Van jonge, regte, gave boomen staan,--
+ Gij, uitgehold aan alle zijden,
+Gij, dunkt mij, moet hun frischheid wel benijden!
+
+--Och neen, mijn kind! ik heb al véél doorleefd;
+ 'k Heb zestigmaal al vrucht gegeven,
+En 'k heb gezien, wat kalme vreugd het geeft,
+Zoo ge, even dankbaar, leert te sterven als te leven;
+ Ja, zelfs die holten in mijn' stam,
+Waaruit de tijd mijn beste sappen nam,
+ Weet--dat ze, als in eens grijsaards armen,
+Nog menigeen' beschutten en verwarmen.
+
+Zie, in mijn kruin, hoe ik een nest bescherm,
+ Waar, rustig, 't jong gebroed kan tieren,
+Hoe, lager weêr, een wilde bijenzwerm
+De diepe kloof met honig in komt zwieren;
+
+ Hoe, aan mijn' voet, het wegeblad
+De holte dekt, waar 't haasje veilig zat,
+ En, in mijn' wortel, tusschen rozen,
+Het veldhoen zich een schuilplaats heeft gekozen.
+
+Zoo heeft ook de Ouderdom zijn troost en vreugd,
+ Al neigt de dorre kruin ter aarde,
+Wanneer zijn hart nog deelneemt in de jeugd,
+Zijn rijpe ervaring haar voor leed bewaarde....
+ Dus, kind! zoo lang ik leven mag,
+Verheug ik mij in iedren schoonen dag;
+ En (moet het!) ik zal willig vallen,
+Als 'k, dood en levend, nuttig ware aan allen.--
+
+
+
+
+VROEG VERWELKT.
+
+
+Een Roosje zag ik bloeijen,
+ Geen schooner kan er zijn;
+Een Maagdlijn zag ik stoeijen,
+ Het liefste maagdelijn!....
+Wat was er te avond over?
+ Een lijk.... en dorrend loover!
+
+Ach! dat de schoonste bloemen
+ Zoo broos en teeder zijn!--
+Wilt dan zoo stout niet roemen
+ Gij Roos, gij Maagdelijn....
+Maar denk, hoe snel uw verven
+ Verkleuren en versterven!
+
+En--mogt ons bij uw sneven,
+ O Roos, o Maagdelijn!
+De hoop in 't harte leven,
+ Dat gij wèl waard' zult zijn,
+Verplant in 's Hemels Hoven,
+ Er eeuwig God te loven!
+
+
+
+
+WINTERNACHT.
+
+
+Goede God! uw liefde en magt
+Straalt ook in den winternacht;
+Ook in sneeuw en hageljagt
+Spreekt tot ons uw liefde en magt.
+
+Gij bewaart der aarde kracht,
+Hult het woud in donsen vacht,
+Dekt met sneeuw, fluweelig zacht,
+'t Zaad, dat op de Lente wacht.
+
+Komt dan, na den winternacht,
+Lente weêr, in reine pracht,
+Och! hoe geurig-fleurig lacht
+Dan die aarde in frissche kracht!
+
+Eens rijst ook voor Ons geslacht
+Hemellicht uit Aardschen nacht:--
+o Dat steeds ons hart bedacht,
+Hoe eene Eeuwge Lente ons wacht!
+
+
+
+
+
+
+
+A. CLAVAREAU.
+
+
+I.
+
+LE LEVER DU SOLEIL.
+
+Zonsopgang, I, blz. 6.
+
+
+C'est singulier! de très-bonne heure,
+Le soleil dore mon logis
+Et cependant notre demeure,
+N'est que dans un coin sombre et gris.
+Mais je lisais hier encore,
+Et ma mère me dit souvent
+Qu'aux champs le lever de l'aurore
+Offre un tableau plus ravissant.
+
+D'abord, dit-elle, quelque étoile
+Scintille encor, puis, lentement,
+S'efface et va prendre son voile
+Dans le lointain du firmament.
+Une lueur rose et bleuâtre
+Pare le char oriental,
+Et le soleil, sur ce théâtre,
+Paraît comme un enfant royal.
+
+Je m'étonne quand, de bonne heure,
+Le soleil dore mon logis;
+Car, dans un coin, notre demeure
+N'a que des murs sombres et gris.
+Oh! qu'à tant de magnificence,
+L'homme des champs, humble et pieux,
+A genoux se courbe en silence
+Et joigne ses mains vers les cieux.
+
+
+
+
+II.
+
+LE PRINTEMPS.
+
+Lentelied, I, blz. 12.
+
+
+Quel parfum! quel frais agréable!
+C'est vivre! le Printemps aimable
+Dans le jardin est de retour.
+Devant la porte il se promène,
+Nous l'aimons: qu'il vienne! qu'il vienne!
+Qu'il entre dans notre séjour!
+
+Entendez-vous ce chant de joie
+Qui résonne, qui se déploie,
+Dans les bocages d'alentour?
+Le rossignol revient encore;
+Nous aimons tant sa voix sonore:
+Qu'il entre dans notre séjour!
+
+Mais non! sans chapeaux, sans fourrure,
+Printemps, qui chasses la froidure,
+Courons aux champs au point du jour;
+Allons au loin, dans la prairie,
+Allons fouler l'herbe fleurie,
+Et dehors fêter ton retour!
+
+
+
+
+III.
+
+LE NID D'OISEAUX.
+
+Vogelnestje, I, blz. 23.
+
+
+Amis, j'entends sous le feuillage,
+Crier de jeunes étourneaux.
+Grimpons! nous les mettrons en cage.
+Le vieux, autour de ces oiseaux,
+Voltige en rond, et j'imagine,
+Quand il vole de tout côté,
+Qu'à notre approche, il nous devine.
+Oh! comme il a l'air agité!
+
+Aisément je conçois sa trance:
+Allons! ne vaudrait-il pas mieux,
+Mes camarades, quand j'y pense,
+De laisser là ce nid heureux?
+Songez à notre bonne mère;
+Songez quel serait son tourment
+Si quelque méchant téméraire
+Lui ravissait un seul enfant!
+
+
+
+
+IV.
+
+LE ROSSIGNOL.
+
+Nachtegaal, I, blz. 28.
+
+
+Entendez-vous, quel son pur, mes enfants,
+Perce là-bas, à travers le feuillage?
+Et cependant les oiseaux du bocage
+Sont endormis déjà depuis longtemps.
+Qui donc possède une voix si sublime?
+En l'écoutant mon coeur bat et s'anime.
+
+Silence! oh! c'est cet oiseau dont ma mère
+Nous parle tant, quand nous allons dormir:
+Le Rossignol, dont la voix solitaire,
+Surtout la nuit, se plaît à retentir,
+Et que souvent, dans l'espoir de l'entendre,
+Le lit, plus tard, doit, le soir, nous attendre.
+
+Oui, par malheur, si quelque maladie
+Me fait souffrir, que ce soit au printemps!
+Pour apaiser mes moments d'insomnie,
+Du rossignol j'écouterai les chants.
+Sans doute, il chante encore mieux, je gage,
+Pour un enfant qui souffre avec courage.
+
+
+
+
+V.
+
+LE PETIT LIÈVRE.
+
+Haasje, I, blz. 43.
+
+
+Un petit lièvre allait brouter dans la prairie.
+Un berger, qui passait, l'aperçoit et lui crie:
+Petit, prends garde à toi! petit, n'entends-tu rien?
+C'est le cor d'un chasseur, et l'aboîment d'un chien.
+
+Encore, répond-il, encore un peu d'herbage!
+C'est trop tôt; j'ai le temps de gagner le bocage.
+Encore un petit chou!.... Mais, paf! le fusil part,
+Et le lièvre sanglant veut s'enfuir, mais trop tard!
+
+Petit lièvre! petit lièvre! tu me fais peine.
+C'est ta faute; il fallait te sauver dans la plaine;
+Celui qui se refuse à suivre un bon conseil,
+Se plaint souvent trop tard d'un châtiment pareil.
+
+
+
+
+VI.
+
+LE CLAIR DE LUNE.
+
+Maneschijn, I, blz. 50.
+
+
+O lune! ta limpide et brillante lumière
+ Fidèlement garde la nuit;
+Et moi, sous mes rideaux, sur la plume légère,
+ Je dors lorsque ton flambeau luit.
+
+Lune, regarde encor par ta large fenêtre,
+ Avec cet éclat radieux.
+Je m'en vais reposer; je te laisse paraître,
+ Et je ferme mes petits yeux.
+
+Chère lune! demain, éclairant ma demeure,
+ Quand le soleil va revenir,
+Je te souhaiterai, hors du lit de bonne heure.
+ De pouvoir aussi bien dormir.
+
+
+
+
+
+
+
+K. ARENZ.
+
+
+I.
+
+SONNTAG-MORGEN.
+
+Zondag-morgen, II, blz. 56.
+
+
+Die Glocke ruft mit hellem Schall'
+Zur Kirch' die Kinder allzumal,
+Zum Haus des Herrn geht Gross und Klein
+In stiller Andacht fromm und rein.
+
+Zu danken ihm der treu und gut
+Die Kinder hält in seiner Hut,
+Und um Verzeihung ihn zu fleh'n
+Für alle Fehler und Vergeh'n.
+
+O lieber Herr, o guter Gott!
+Lehr' Du uns halten Dein Gebot!
+Ein Fest sei jeder Kirchengang,
+Wo wir Dir singen lauten Dank.
+
+
+
+
+II.
+
+ZUR SCHULE.
+
+Naar School, II, blz. 59.
+
+
+"Zur Schul', zur Schul'! Die Glock' schlug acht!"
+ Da sieh! Auf allen Wegen,
+Auf Strass' und Gass, wie ich's gedacht,
+ Kömmt mir ein Trupp entgegen.
+Wohl kalt, doch rein an Wang und Hand,
+Wohl arm, doch heller als ein Brand,
+Und an den Augen kann man sehen,
+Dass sie recht gern zur Schule gehen.
+
+Est scherzt und lacht die frohe Schaar,
+ Springt über Trepp' und Steine;
+Dann aber geh'n sie Paar an Paar
+ In friedlichem Vereine.--
+Und wird auch mancher Spass gemacht,
+Wird doch nicht bös dabei gedacht.
+Den Kindern ziemet Munterkeit,
+Die so zur Schule geh'n mit Freud'.
+
+Doch nun zur Schul' und aufgepasst!
+ Und jetzt mal flink gelesen,
+Die Schrift regt artig abgefasst,
+ Wie 's gestern ist gewesen.
+Und rechne sorgsam, denk' dabei,
+Dass es zu Deinem Vortheil sei;
+Und gehst Du so zur Schule hin,
+Wird hell Dein Kopf und brav Dein Sinn.
+
+
+
+
+III.
+
+O HERR!
+
+Och Heer! II, blz. 70.
+
+
+Das Blümelein hat seine Knospen auf,
+Die liebe Sonne scheinet mild darauf,
+Das Vöglein hüpft und springt vor Munterkeit,
+O Herr! wie ist so prächtig Alles heut.
+
+O Herr!... Doch nein! ich sprech' nicht mit Bedacht,
+Sieh! Alles spricht von Gottes Lieb' und Macht
+Und preist des Herren Güte immermehr
+Und blüht und lacht und hüpfet ihm zur Ehr'.
+
+Und ich soll nicht für das, was ich erhielt,
+Bei'm Namen Gott's mit Ehrfurcht sein erfüllt,
+Nicht denken an den Geber Tag und Nacht,
+Der meine Jugend väterlich bewacht!...
+
+Vergib, o Herr! und mög' meine Lieb' und Dank
+Dich, Vater! preisen laut mein Leben lang;
+Und jeden Tag ruf' Dir mein Herze zu:
+"O lieber Herr, wie gross und gut bist Du!"
+
+
+
+
+IV.
+
+DER BIENENKORB.
+
+De Bijenkorf, II, blz. 84.
+
+
+ "Wart, garstig Thier!
+ Du stichst? Wofür?
+Ich that Dir doch kein Leid?
+Dich zu besuchen macht' mir Freud',
+Zu seh'n, ob's Körbchen auch gedeiht,
+Und ob Du in den Sommertagen
+ Schon viel der Honigsüssigkeit
+ Hast heimgetragen."--
+
+ ""Ja, Kind, ich trag'
+ Bei Sommertag'
+Den Wachs zu meinem Bau,
+Ich schweb' und flieg' durch Wies' und Au
+Such' Blümlein schon beim Morgenthau
+Und geh' zu Bergesgipfeln,
+ Hol' mir den Honig zu dem Bau
+ Von hohen Wipfeln.
+
+ Und wenn ich dann,
+ Mein kleiner Mann,
+Nach Hause komm' mit Hüll' und Füll',
+Und sehe schleichen sacht und still,
+Ein Kind, das heimlich naschen will,
+Dan hab' ich's stechen nicht vergessen...
+ Ich mein':--Der nicht arbeiten will,
+ Darf auch nicht essen!""
+
+
+
+
+V.
+
+SCHULTERMÄNTELCHEN.
+
+Schoudermanteltje, II, blz. 96.
+
+
+Ein Läppchen hier, ein Läppchen da,
+ Such' ich in allen Ecken,
+Ich such' sie fern, ich such' sie nah'
+ Will sie zusammenstecken;
+Gibst du mir Zitz und Leinewand,
+Kriegst du ein Küsschen und 'ne Hand.
+
+Ein Läppchen hier, ein Läppchen da,
+ Will sie in Scheiben schneiden,
+Sie näh'n, wie man nichts Schönres sah,
+ Als wär's von lauter Seiden.
+Und sind dann alle Eckchen voll,
+Dan füttr' ich sie mit warmer Woll'.
+
+Ein Läppchen hier, ein Läppchen da
+ Ging anders doch verloren,
+Ich bin geschützt, wenn Herbstwind nah,
+ Wenn's kalt ist und gefroren;--
+Das Mäntlein macht mir doppelt Freud',
+Da ich es hab' durch Sparsamkeit.
+
+
+
+
+VI.
+
+DER WINTER.
+
+Winter, II, blz. 98.
+
+
+O Winter, harter Winter!
+Was bist Du bitter kalt.
+O hätt' ich einen Gulden
+Für Brandholz aus dem Wald,
+Ein Feurchen würd' ich bauen
+In dieser Wintersnoth,
+Ich lüd die armen Nachbarn
+Zum Kaffe und zum Brod.
+
+Was würden sie dann schmausen
+Im Eckchen bei dem Heerd'!
+Mir würd' auch wohl ein Plätzchen
+Und auch ein Brod gewährt.
+Ach! hätt' ich einen Gulden...
+Doch als ich Mutter frug,
+Da sagt' sie: "Kind, wir haben
+Kaum für uns selbst genug."
+
+Hört, Jungen, wenn ich gross bin,
+Dan sollet ihr was seh'n:
+Ich lass' all' Tag ein Centchen
+Bei meinem Meister steh'n:
+Ich hab dann ein Dreigulden,
+Wenn's Neujahr wiederkehrt,
+Dann lad' ich meine Nachbarn.
+In's Eckchen bei dem Heerd'.
+
+
+
+
+VII.
+
+BRODKRÜMCHEN.
+
+Broodkruimels, II, blz. 99.
+
+
+Was pickt da? Soll's am Fenster sein?
+ Es klingt, als wie: "Mach' offen!"
+Der kleine Vogel will herein,
+ Den ich im Hof getroffen.
+Ach sieh! da sitzt er, fast wie todt;
+Wie seufzt er um was Essen....
+Ach! dass ich nun mein Butterbrod
+Nur nicht hätt' aufgegessen!
+
+O hätt' ich jetzt die Krümchen hier,
+ Die Mutter weg musst' nehmen,
+Gerettet wär' das arme Thier,
+ Ich braucht mich nicht zu schämen.
+Ach! Mutter, hilf mir aus der Noth,
+Stets werd' ich darnach trachten,
+Auch nicht ein kleines Krümchen Brod
+In Zukunft zu missachten.
+
+
+
+
+
+
+
+F. J. MILLARD.
+
+
+I.
+
+ON AWAKING.
+
+Bij 't Ontwaken, III, blz. 111.
+
+
+ Merry sunshine, morning light,
+On my window panes you glitter,
+ With such golden colours bright,
+And my feather'd songsters twitter;
+ Thankful then, indeed, I may,
+ Praise thee, Lord, for this fine day.
+
+ Lo! at night repose is sought,
+Rest I find, exempt from sorrow;
+ And by every one 't is thought:
+Sure the sun will shine to morrow!
+ No one thinks "perhaps, in vain,
+ He'll be called to rise again."
+
+ No one thinks "perhaps, o Sun,
+When thy next rays shine bright beaming,
+ My own race may then be run,
+After dozing, sleeping, dreaming"....
+ Therefore, lovely morning-light,
+ Hail I thee, with thankful sight.
+
+
+
+
+II.
+
+FORGET-ME-NOT.
+
+Vergeet-mij-nietje, III, blz. 121.
+
+
+ Blue, pretty flower! forget me not!
+ When e'er to meet thee, 't is my lot,
+ On this sweet spot;
+Why dare I not, as thou, at parting,
+Exclaim without my conscience smarting:
+ "Forget me not!"
+
+ Oh, simple, lovely flow'ret blue,
+ The reason I alas! must rue,
+ I'll tell it you.....
+I oft must sigh with shame and sorrow,
+On many a self-reproaching morrow:
+ "Forget me, do!"
+
+ Blue, tender flower! forget me not!
+ I promise thee, when 't is my lot,
+ On this sweet spot,
+ To meet thee--at my second parting,--
+ T'exclaim, without my conscience smarting:
+ "Forget me not!"
+
+
+
+
+III.
+
+THE FLAX-FLOWER.
+
+Vlasbloemetje, III, blz. 122.
+
+
+ "What rapid growth, what fading mien!
+ Blue flow'ret of the flax so green!
+The sun has reached its highest glory;
+ This morn you, blooming, charmed the sight,
+ And now, alas! in shrivelled plight,
+You tell us quite a gloomy story!
+ I say, without disguise or fear,
+ Were I, you darling flax-flower here,
+ I'd bloom away the live-long year!
+
+ --Yes; that's indeed a pretty thought,
+ If mirth and dress are only sought,
+Not solid use from the beginning;
+ These charming flowers which here you see,
+ May not with me the chief things be...."
+I form the threads that serve for spinning,
+ And linseed-oil for merchants' gain--
+Did I from blooming ne'er abstain,
+ Where would your shirts, I ask, remain?
+
+ When winter cold frequents our ground,
+ Then many an idle plant is found,
+On dunghill trodden or upturned.
+ Though twice to die it be my fate
+ I live again for small and great.
+Lo! linen, friends! has paper earned,
+ On which, in letters, we may read:
+ "Though I did bloom, this was my creed,
+ What useful is, that 's fine indeed!"
+
+
+
+
+IV.
+
+A WOOD-FLOWER.
+
+Een Woudbloempje, III, blz. 125.
+
+
+ Lonely flower to me revealed,
+ In the wood in moss concealed,
+Thou alone dost blooming linger,
+ Blooming ever and anon;--
+ Ere thou'rt gone,
+Let us mark th' Almighty's finger,
+ Whom all things depend upon.
+
+ When a bee, led all astray,
+ Finds to thee its weary way,
+Wide thou spread'st thy bosom's treasure,
+ And thou thinks't within thyself:
+ Such sweet pelf
+Must afford refreshing pleasure,
+ To this lonesome little elf.
+
+ O rejoice that God's own hand,
+ Placed thee, lonely there to stand,
+Thus kind nourishment to tender;
+ Lost, the bee in mazes quaint,
+ Tired and faint,
+Soon its life must else surrender,
+ Missing this sweet wood-flower saint.
+
+ Christian, who in loneliness,
+ On thy path reliev'st distress;
+Change not for thy rank or station,
+ What vain show doth oft appear;
+ Flow'ret dear,
+Happy he whose destination,
+ Is the lonely wood-flower's here!
+
+
+
+
+V.
+
+FLOWERS AND BIRDS.
+
+Bloemen en Vogels, III, blz. 132.
+
+
+The little tender heather-flower,
+ The tiny bird within its nest,
+ Seems oft indeed a lonely guest,
+ But God provideth for them best,
+Sends sunshine and refreshing shower;
+ A friendly hand by no means scant,
+ Oft cares for bird and heather-plant.
+
+Thus, undisturbed, ye thrive and flourish,
+ Inspired with vital growth elate;
+ The bird rejoices: "God is great!"
+ The plant sheds blossoms variegate:
+Its odours sweet the earth do nourish;
+ Yea, both extol their God and Lord,
+ And friends who reared them at his word.
+
+You lads and lasses, merry singing,--
+ You fluttering birds and tender seeds,
+ The Lord with bounty ever feeds;
+ He well provides for all your needs,
+His spirit and protection bringing.
+ O bloom and sing then to His praise,
+ Birds, plants and youths, in all your ways.
+
+
+
+
+VI.
+
+COCK-A-DOODLE.
+
+Haantje, III, blz. 133.
+
+
+ Cock-a-doodle, doodle loo,
+ What a handy,
+ Little dandy,
+ Strutting round with such ado!
+Why d'ye make such dreadful splutter,
+ For some grains of paltry stuff;
+Rather with them to the gutter,
+ Than such fuss to get enough.
+
+ --Foolish boy, with stupid mind,
+ All your chatter
+ Is mere clatter;
+ Now, you've parents, over-kind.
+Perhaps, one day, I may be able,
+ To your house a turn to take,
+Unprovided see your table,
+ What a figure you'll then make!
+
+ Soon your parents you may lose;
+ Will you heedful,
+ Then the needful,
+ With wise care, judicious, choose?
+No, poor boy, with awkward faces,
+ Should you, thankless, still remain,
+You will make but wry grimaces,
+ And feel hunger's gnawing pain!--
+
+
+
+
+VII.
+
+THE LONGEST DAY.
+
+De langste dag, III, blz. 146.
+
+
+ Almanack,
+ Lying pack,
+ Shuffling seer,
+ Cheat, that's clear!
+ But one longest day each year?
+If you my advice would take:
+You'll a hundred longest make.
+
+ He who first has left his bed,
+ Has the longest day;
+ He who learns with sharpest head,
+ Has the longest day;
+ He who 's well his lessons said,
+ Has the longest day.
+
+This you can do, were it daily;
+ Three times hundred and three score,
+ Were it even five days more!
+Then the year you'll spend right gaily,
+
+ This believe and understand:
+Do it but a hundred times,
+And you'll shout in merry rhymes,
+ Gaily dancing hand in hand:
+
+ Almanack
+ Lies alack;
+ Shuffling seer!
+ Cheat, that's clear!
+ If you my advice will take:
+ You'll a hundred longest make!
+
+
+
+
+VIII.
+
+CIRCLES IN THE WATER.
+
+Kringetjes in 't Water, III, blz. 161.
+
+
+Pebble-stone, so smooth and round,
+In the stream with gurgling sound,
+ Down when dashing,
+ Round a splashing,
+ How the silv'ry pearls abound!
+Swift from casting hand you're sliding,
+Wriggling down away then gliding.
+
+Where the pebble stone has been,
+In the water a circle is seen,
+ Further flowing,
+ Ever growing,
+ Long observed by gazers keen;
+Ever showing by its bending,
+Where the stone fell swift descending.
+
+Recollect, my lass, my lad,
+Thus it goes with good and bad;
+ Hours don't tarry,
+ Years will carry
+ Long the marks of deeds, oft sad.
+Pointed out by conscience' finger,
+In the heart that spot doth linger!
+
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+
+I.
+
+Vroeg op, en vroeg naar bed te zijn,
+Dat is de beste medicijn.
+
+
+
+II.
+
+Bidt en dankt den Heer!
+Als gij slapen gaat;
+Als ge uit bed opstaat,
+Dankt en bidt hem weêr!
+
+
+
+III.
+
+Hoe langer of men slaapt,
+Hoe korter dat men leeft;
+Hoe wijder of men gaapt,
+Hoe minder dat men heeft.
+
+
+
+IV.
+
+ Regt te wasschen
+ En te plassen,
+Dat er, over 't heele lijf,
+Nergens vuil of smetje blijv'....
+Zij, des ochtends, 't eerst bedrijf.
+
+
+
+V.
+
+Houd u heele leven lank
+Ziel en ligchaam even blank.
+
+
+
+VI.
+
+Een vuile hand, al draagt ze een gouden ring,
+Blijft toch altijd een leelijk, morsig ding.
+
+
+
+VII.
+
+Wees rein en keurig op uw kleêren:
+De vogels kent men aan hun veeren!
+
+
+
+VIII.
+
+Wie knap gekleed is, zal ik wèl ontvangen,
+Wie knap kan praten, zal ik weêr verlangen,
+Wie knap kan doen, daar zal 'k mijn hart aan hangen.
+
+
+
+IX.
+
+Lustig zij de dag begonnen:
+Goed begin is half gewonnen!
+
+
+
+X.
+
+Wanneer gij 's morgens aan het werk zult gaan,
+Denk eerst aan wat gij gistren hebt gedaan.
+
+
+
+XI.
+
+Wie langzaam denkt en handig doet
+Die maakt zijn zaakjes zeker goed.
+
+
+
+XII.
+
+Wanneer gij handelt zonder overleg,
+Zijt ge als een reiziger (geloof wat ik u zeg!)
+Die zonder reisgeld trok op weg.
+
+
+
+XIII.
+
+ Al hadt ge, tot ontwikkling van Verstand,
+ De beste Meesters van het Land,
+Uw geest moet willig zijn en vaardig in 't begrijpen:
+ Al woudt ge een kei ook honderd jaren slijpen,
+ Hij wordt toch nooit een diamant.
+
+
+
+XIV.
+
+Zal de hazelnoot u smaken,
+('t Geldt ook nog voor andre zaken)
+Schuw dan niet, den bast te kraken.
+
+
+
+XV.
+
+Elk menschenwerk is onvolmaakt,
+Het hapert altijd hier of daar,
+Doch 't best is, dat we ons best maar doen,
+Alsòf het te volmaken waar'!
+
+
+
+XVI.
+
+Te laat! dat is een leelijk woord:
+Ik hoop, dat gij het nimmer hoort.
+Dan is het beter nog, te vroeg!
+Maar 't beste, dat is: tijds genoeg!
+
+
+
+XVII.
+
+Wie ieder raad te geven weet:
+Is voor zich zelv' soms 't minst gereed.
+
+
+
+XVIII.
+
+Gistren, is geheugensplaag,
+Morgen, maakt de handen traag;
+Daarom, doe uw werk: van Daag!
+
+
+
+XIX.
+
+Eet, wat gaar is,
+Drink, wat klaar is,
+Spreek, wat waar is!
+
+
+
+XX.
+
+Wie leven wil gezond,
+In geest- en ligchaamskracht,
+Die laat' niets onbedacht
+Of in- of uit zijn mond!
+
+
+
+XXI.
+
+ Lekker in den mond,
+ Voedzaam en gezond,
+Is de wèlverdiende beet,
+Die besproeid is met ons zweet.
+
+
+
+XXII.
+
+Begeer van kennis steeds het Beste;
+Zijt gij tevreê met wat er restte,
+ Dan krijgt ge niets ten leste.
+
+
+
+XXIII.
+
+Eens gezien, is niet gezien,
+Tweemaal, is pas half gezien,
+Driemaal eerst, is goed gezien.
+
+
+
+XXIV.
+
+Wat ge graag gedaan mogt vinden,
+Vraag het magen niet of vrinden;
+ Niemand doet uw zaken goed,
+ Kindlief! zoo gij 't zelf niet doet.
+
+
+
+XXV.
+
+Een blij gelaat, een vroom gemoed,
+Een rappe hand, een vlugge voet,
+Is ieder kind een kostlijk goed.
+
+
+
+XXVI.
+
+'t Is niet genoeg den weg te weten,
+ Wanneer men ergens komen wil;
+Ook 't loopen moet gij niet vergeten....
+ Sta dus in 't goede nimmer stil!
+
+
+
+XXVII.
+
+ Als men betalen moet of zorgen,
+Is de allerslechtste van de slechte borgen:
+ Morgen!
+
+
+
+XXVIII.
+
+Leer te kunnen, wat gij doet,
+Leer te willen, wat gij moet....
+Maar uw wil en daad zij goed!
+
+
+
+XXIX
+
+ Laat gij iets na--of doet gij iet,
+Wat gij begeert dat niemand weet of ziet....
+ Zoo laat het niet--of doe het niet.
+
+
+
+XXX.
+
+Honderd handen, hoe ook in de weer,
+Doen niet half soms dat, wat ik begeer;
+Één verstandig hoofd doet meestal meer.
+
+
+
+XXXI.
+
+Wie niet sterk is, kan wijs zijn,
+Wie niet mooi is, kan lief zijn,
+Wie niet rijk is, kan braaf zijn.
+
+
+
+XXXII.
+
+Lange wegen leggen
+Tusschen doen en zeggen.
+
+
+
+XXXIII.
+
+Als ge in uw binnenkamer zijt
+En, eenzaam, meester van uw tijd,
+Zorg dat ge in goed gezelschap zijt.
+
+
+
+XXXIV.
+
+ Gaauw zei tegen Goed
+ ('t Was dom van den bloed!):
+Hoe komt het, dat ik u zoo zelden ontmoet?
+
+
+
+XXXV.
+
+Och! geloof me, en zeg het voort:
+Meestal is het nuttigst woord
+Dàt, wat men ongaarne hoort.
+
+
+
+XXXVI.
+
+Oortjes open, mondje toe,
+Dat maakt kindren vroom en vroê.
+
+
+
+XXXVII.
+
+Uw tong zij sleutel van 't gemoed!--
+Maar daarom is het nog niet goed
+Dat gij 't voor Ieder opendoet.
+
+
+
+XXXVIII.
+
+Een woord te weinig heeft maar zelden nog berouwd;
+ Een woord te veel heeft altijd kwaad gebrouwd.
+
+
+
+XXXIX.
+
+ Een, die zijn tong niet houdt in band,
+En toch wil door de wereld komen,
+ Is als een ruiter Onverstand,
+Die denkt te rijden zonder toomen:
+ Geen twintig pas.... daar ligt de kwant!
+
+
+
+XL.
+
+ Eén woord te onpas
+Is erger soms (schijn 't ook wat kras),
+Dan dat men stom geboren was.
+
+
+
+XLI.
+
+Een goede wil, een goede raad,
+Maak daarop niet te zeker staat,
+Maar houd u aan een goede daad.
+
+
+
+XLII.
+
+Soms zegt wel Ja het mondje,
+Maar 't hartje dat zegt Neen...
+Ik bid je, lieve kindren!
+ Maakt ze tot één.
+
+
+
+XLIII.
+
+Weet ge, wat u met gemak
+Dubble winst verkrijgen doet?
+ Langzaam in den zak,
+ Haastig aan den hoed!
+
+
+
+XLIV.
+
+Veel geven, als men niets te geven heeft,
+En dan nog méér ontvangen, dan men geeft,
+Gij kunt het, rijk of arm--wees slechts beleefd!
+
+
+
+XLV.
+
+Wilt gij geholpen zijn, bedenkt het, jonge maats!
+Een goed en vriendlijk woord vindt steeds een goede plaats.
+
+
+
+XLVI.
+
+Wanneer een vreemdling u ontmoet,
+Kijk dan ten eerste naar zijn hoed....
+Men kent een man vaak.... aan zijn groet.
+
+
+
+XLVII.
+
+De naarstigheid is grooter schat,
+Dan dat gij goud of zilver hadt.
+
+
+
+XLVIII.
+
+De naarstige hand,
+De sobere tand,
+Het nedrig verstand,
+Koopt anderluî land.
+
+
+
+XLIX.
+
+De Luiheid slentert zóó langs straat
+Dat de Armoe, schoon ze op krukken gaat,
+Haar inhaalt, eer ze er acht op slaat.
+
+
+
+L.
+
+De vogels krijgen wel den kost om niet,
+Ze ploegen, zaaijen, maaijen, oogsten niet,
+Maar zonder vliegen krijgen zij toch niet.
+
+
+
+LI.
+
+ Een stuiver minder te verteren,
+Dan men door arbeid daaglijks wint,
+ Doet kopergeld in goud verkeeren:--
+Onthoud het wel mijn lieve kind!
+
+
+
+LII.
+
+ Fortuin's regterhand
+ Heet Verstand,--
+Spaarzaamheid heet zijn linkerhand.
+
+
+
+LIII.
+
+Wie zich aan sparen heeft gewend,
+Al was het daags een enkle cent,--
+Hij wordt een guldens Heer op 't end.
+
+
+
+LIV.
+
+Of ik een verkwister geev',
+Och 't gaat allemaal te loor....
+Gooit ge water in een zeef,
+ 't Loopt er door.
+
+
+
+LV.
+
+De zuinigheid weet beter raad
+Om goed te doen met middelmaat,
+Dan rijkdom weet met overdaad.
+
+
+
+LVI.
+
+Tien duizend druppels maken gaauw een plas;
+Tien duizend centen.... reken eens, hoe ras
+Of dat een som van Honderd Gulden was?
+
+
+
+LVII.
+
+Wie meer begeert, dan hij verkrijgen kan,
+ Al was hij ook de rijkste man,
+Is armer, dan die weltevreden leeft
+ Met wat hij heeft.
+
+
+
+LVIII.
+
+De beste rijkdom dien ik weet,
+Is brood, dat men in eeren eet.
+
+
+
+LIX.
+
+Niet hij is rijk, die meer dan andren heeft,
+Maar die aan armer liên van 't zijne geeft.
+
+
+
+LX.
+
+Tweemaal geeft, wie daadlijk geeft;
+Half slechts weigert, wie beleefd
+En met spoed geweigerd heeft.
+
+
+
+LXI.
+
+Wie op zijn' rijken buurman ziet
+Is arm, al heeft hij daaglijksch brood;
+Wie op zijn armen buurman ziet
+Is rijk, al zit hij in den nood.
+
+
+
+LXII.
+
+Wees met een kleine bron tevreê!--
+Zeg mij? al hadt ge een 'heele zee,
+Verslaat ge uw' dorst er beter meê?
+
+
+
+LXIII.
+
+Veel kleine vischjes zwommen des Morgens in een' stroom,
+De Visscher zeî: 'k zal wachten tot er een grooter koom'...
+'t Werd Avond--en toen zwom er geen een meer in den stroom.
+
+
+
+LXIV.
+
+Een kleine haas sprong uit het kruid,
+Een grooter haas sprong hem vooruit,
+De Jager kwam tot geen besluit,
+Hij had ze beiden graag tot buit:
+En.... platzak kwam hij 't veld weer uit.
+
+
+
+LXV.
+
+Hoe velen gaan, och! bitter kruis!
+Om wol--en komen, per abuis,
+ Zelf kaalgeschoren thuis.
+
+
+
+LXVI.
+
+Een enkle vogel in de hand
+Is meer, dan twintig op het land.
+
+
+
+LXVII.
+
+ Wij wenschen dikwijls staat en schat,
+Maar denken niet: "waar wij iets winnen,
+ Verliest alligt een ander wat!"
+ Zeg! zoo het poesje vlerken had,
+Wat zou de leeuwrik dan beginnen?
+
+
+
+LXVIII.
+
+Schat in de beurs, is prachtig,
+Schat in het hoofd, is krachtig,
+Schat in het hart, waarachtig!
+
+
+
+LXIX.
+
+'t Is wèl, te wezen rijk van goed,
+'t Is beter, uit oud-eerlijk bloed;
+Maar 't best is, edel van gemoed!
+
+
+
+LXX.
+
+Dartle jeugd, geeft oud geklag;
+Mistige ochtend, blijden dag!
+
+
+
+LXXI.
+
+Wees niet te dartel, lieve kleenen!
+Te hevig lagchen maakt aan 't weenen.
+
+
+
+LXXII.
+
+Het Venster uit--gij kwaad humeur!
+Weg is het.... Och! éér ik 't bespeur,
+Daar staat het alweêr in de Deur!
+
+
+
+LXXIII.
+
+Gaat er iets niet naar uw zin,
+Laat uw zin er dan naar gaan;
+Wie dàt kunstje leert verstaan,
+Maakt van elk verlies gewin.
+
+
+
+LXXIV.
+
+Wie niet het kwaad als Vijand haat
+Dien wordt het (eer hij 't weet of raadt)
+Tot Kennis, Gast en Kameraad.
+
+
+
+LXXV.
+
+ Gij trekt een splinter uit uw Hand...
+ En laat er toch, onnoosle kwant!
+Zoo velen in uw Hart nog en Verstand!
+
+
+
+LXXVI.
+
+De mot doorknaagt het beste kleed,
+De nijd het beste hart doorvreet:--
+Wie dus zich graag voor schade hoed',
+Sluit' hart en kas voor dat gebroed.
+
+
+
+LXXVII.
+
+Wie met een kool of ander zwart
+Zijn buurmans huis smet--of zijn hart!
+Maakt ook zijn eigen handen zwart.
+
+
+
+LXXVIII.
+
+Ontvangen vreugd, is groot geneugt;
+Geschonken vreugd, is grooter vreugd;
+Gedeelde vreugd, is vreugd en deugd.
+
+
+
+LXXIX.
+
+Wie zien noch hooren wil
+Dien helpt geen hoorn of bril.
+
+
+
+LXXX.
+
+Al te goed, is buurmans gek,
+Al te mild, dat geeft gebrek,
+Al te wijs, dat koldert ras;
+'t Beste, dat is: net van pas!
+
+
+
+LXXXI.
+
+Wie altijd voor bedriegers vreest
+Bedriegt zich zelven 't allermeest.
+
+
+
+LXXXII.
+
+Berouw te hebben is een kostlijk ding;
+Maar 'k zeg toch, zoo 't aan mijn gevoelen hing,
+'t Niet nóódig hebben, is nog beter ding!
+
+
+
+LXXXIII.
+
+Waar iemand gaarne wezen woû
+Daar trekje 'em aan een haartje heen;
+Waar iemand heen moet ontevreên,
+Daar krijgje 'em met geen kabeltouw.
+
+
+
+LXXXIV.
+
+Plêzier, och! wilt het niet vergeten,
+ Plêzier, mijn kind! is specerij....
+ En 'k bidje, lievert! zeg het mij,
+Wie enkel specerij kan eten?
+
+
+
+LXXXV.
+
+Verboden kost, in d'aanvang zoet,
+Smaakt op het laatst als enkel roet.
+
+
+
+LXXXVI.
+
+Al hebt ge lang de school begeven
+ Neem dankbaar goede lessen aan:
+Wie wijs is, zal graag héél zijn leven
+ Bij wijzer liên ter schole gaan.
+
+
+
+LXXXVII.
+
+Bemin wie U ten goede leîen
+ Al grijpen ze wat straf uw hand;
+Maar o, mistrouw hen, die u vleien....
+ 't Is eigenbaat of onverstand!
+
+
+
+LXXXVIII.
+
+Staal, is steviger dan hout,
+Zilver, edeler dan staal,
+Goud, het duurst van allemaal....
+Deugd, is kostlijker dan Goud!
+
+
+
+LXXXIX.
+
+Weet ge niet, dat ieder uur zijn plagen,
+ Ieder uur zijn vreugde heeft?
+Daarom leer genieten en verdragen
+ Kindren! zoo als God het geeft!
+
+
+
+XC.
+
+Denkt, Lieven! als zorg u het harte vervult,--
+Geen beter remedie voor leed zonder schuld,
+ Dan Geduld!
+
+
+
+XCI.
+
+De wortel heet tevredenheid,
+De takken heeten stevigheid,
+De bloesems heeten lieflijkheid,
+De vruchten heeten zaligheid:
+De heele boom heet Matigheid.
+
+
+
+XCII.
+
+ Een diamant
+ Viel in het zand....
+Maar bleef toch steeds een Diamant.
+
+
+
+XCIII.
+
+Een windvlaag droeg een korrel zands omhoog
+ Naar 's hemels boog....
+ Maar 't bleef toch Zand, ook daar omhoog.
+
+
+
+XCIV.
+
+Een leelijkert zag zich in spiegelglas
+ En brak het ras....
+Gelooft ge, dat de vent toen mooijer was?
+
+
+
+XCV.
+
+Wanneer gij rijdt op gladde baan
+En iemand struikelt u ter zij,
+Die hartlijk graag weer op wou staan,
+Rijd niet meêdoogenloos voorbij!
+En... bindt meteen Uw schaats wat aan.
+
+
+
+XCVI.
+
+ Verborgen is het lot
+ Dat ons op aarde wacht:--
+Maar altijd ligt het in de hand van God!
+
+
+
+XCVII.
+
+ Wat u de Heer
+Op aard moog' geven,
+ Geef gij Hem eer
+In woord en leven.
+
+
+
+XCVIII.
+
+Och kon men aan het eind van 't leven
+Oprecht ons het getuignis geven:
+"'t Waar jammer, was hij weggebleven!"
+
+
+
+XCIX.
+
+Onze kennis hier vermeêren
+Voegt aan Jeugd zoowel als Grijsheid,
+Maar uw vreeze, Heer der Heeren,
+Is 't beginsel aller Wijsheid!
+
+
+
+C.
+
+Knap werkvolk zal zijn Meester niet beschamen.....
+Och, of we eens met dien lof voor 't oog des Heeren kwamen;
+ Amen!
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Al de versjes, die zulk een sterretje vóór zich hebben, zijn
+hier voor de éérste maal gedrukt en stonden dus niet in de vroeger
+uitgegeven Bundels.
+
+[2] Noen: middag.
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK AL DE KINDERLIEDEREN ***
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg-tm electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
+Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
+on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
+phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
+Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
+other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg-tm website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
+Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
+provided that:
+
+* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation."
+
+* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
+ works.
+
+* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+* You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.