summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:48:18 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:48:18 -0700
commit8b266cfcd58e820a51c2e841a953d810d17eca93 (patch)
treed40bb27cde657d1c02a30913a5d5f76593349447 /old
initial commit of ebook 29837HEADmain
Diffstat (limited to 'old')
-rw-r--r--old/29837-8.txt5790
-rw-r--r--old/29837-8.zipbin0 -> 105397 bytes
-rw-r--r--old/29837-h.zipbin0 -> 209251 bytes
-rw-r--r--old/29837-h/29837-h.htm6781
-rw-r--r--old/29837-h/images/back.jpgbin0 -> 39934 bytes
-rw-r--r--old/29837-h/images/external.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--old/29837-h/images/front.jpgbin0 -> 42703 bytes
-rw-r--r--old/29837-h/images/logo.gifbin0 -> 2459 bytes
-rw-r--r--old/29837-h/images/spine.jpgbin0 -> 10090 bytes
9 files changed, 12571 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/29837-8.txt b/old/29837-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..1fedb14
--- /dev/null
+++ b/old/29837-8.txt
@@ -0,0 +1,5790 @@
+Project Gutenberg's De verliefde ezel, by Louis Marie Anne Couperus
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De verliefde ezel
+
+Author: Louis Marie Anne Couperus
+
+Release Date: August 28, 2009 [EBook #29837]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERLIEFDE EZEL ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ De verliefde ezel
+
+ Door
+
+ Louis Couperus
+
+
+ Rotterdam
+
+ Nijgh & Van Ditmar's Uitgevers-Maatschappij
+
+ MCMXVIII.
+
+
+
+
+
+
+
+AAN DEN LEZER.
+
+
+Sedert wij door middel van den Wereldoorlog tot de Middeneeuwen
+zullen terug keeren (denk maar allereerst aan de kaarsen, bij welke
+gij heden ten dage dineert; denk dan aan de helmen der soldaten;
+denk dan.... ik laat aan u over waarover ge nog meer wilt denken),
+keer ik persoonlijk maar in eens tot de Oudheid terug en schrijf u een
+echt ouderwetschen, ja antieken avonturenroman,--zónder psychologie,
+zónder symboliek, realistiesch noch naturalistiesch,--onvervalscht
+antiek ouderwetsch. Want het motief steel ik er voor uit Apuleius'
+Gouden Ezel en die roman was, geloof ik, de tweede, die er ooit
+geschreven werd, als ge ten minste Petronius' Satyricon de eerste
+noemen wilt! (Ik kan mij met dit alles best vergissen; informeer dus,
+als gij het naadje van de kous wilt zien, waar gij meent onfeilbaar
+te zullen worden ingelicht.)
+
+Ik hoop, dat ge mijne poging u iets anders voor te zetten dan
+novellistiesch opgevatte moderne oorlogsberichten zult waardeeren en
+tevens goedkeuren, dat wij alle, eenmaal onvermijdelijk geachte, dingen
+als naturalisme, realisme, symboliek, psychologie over boord gooien en
+samen zwelgen zullen in de meest antieke onwaarschijnlijkheid, die een
+moderne romanschrijver--om maar in eens tot de Oudheid terug te keeren
+zonder te blijven bij de Middeneeuwen, tot welke ons de Wereldoorlog
+brengt--kan verzinnen. En wilt ge zoo niet met mij zwelgen, keer u dan,
+o Waarde Lezer, onmiddellijk van mij af en blijf in uw Middeneeuw van
+heden-ten-dage, die werkelijk minder stemmingsvol is dan de werkelijke
+Middeneeuw was: wat mij betreft, ik bestijg mijn Verliefden Ezel, sla
+mijn hielen in zijn grauwe flanken en spring met hem van den barren,
+onbeminden rots van mijn eigen tijd in het Antieke Verleden, om samen
+te zwelgen, om in niets anders te zwelgen dan in de Onwaarschijnlijkste
+Onwaarschijnlijkheid, psychologie-loos, symboliek-loos (denk vooral
+niet, dat mijn Verliefde Ezel een symbool is!!) maar toch, willen wij
+samen hopen, mijn Ezel en ik, niet kunstloos, niet schoonheidsloos,
+o neen, vooral niet dat!
+
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+
+Indien gij, o vrienden, deze bladen zult lezen, zult gij zeer
+zeker versteld staan over de vreemde avonturen, die zij bevatten en
+niet gelooven willen, wat ik hier, te mijner herinnering en te uwer
+genoegen en ontroering beiden, te boek heb gesteld. Welnu, ik verzeker
+u gaarne en zweer u bij alle goden en vooral bij de heilige Isis, wier
+priester ik heden ten dage geworden ben, dat de zonderlinge dingen,
+die gij vernemen zult, niet anders zijn dan de loutere waarheid,
+die ik heb doorleefd, dikwijls zonder zelve aan haar te kunnen
+gelooven en dikwijls bepeinzende of ik niet in een voortdurenden
+droom zoo onwaarschijnlijke levenservaringen door maakte. Tot ik
+mij moest bedenken, dat het geheele leven zelve een droom is, éen
+onbegrepen toeven, vol huiver en aarzeling, op de breede drempels van
+de Poorten dier goudene Werkelijkheid en ik, vroom, niet anders kón
+dan gelooven aan een door de goden bestierde aan een geschakelde keten
+van onwaarschijnlijkheden, waarmede ik geleid werd tot het einddoel
+mijner levensdagen.
+
+Ik ben een koopmanszoon en heet Charmides en mijne ouders, hoewel uit
+Athene afkomstig, woonden te Epidaurus in Argolis en mijn vader had er
+een bloeienden groothandel. Uit Indië, over Klein-Azië, uit Arabië en
+Egypte brachten zijne schepen hem velerlei kostbare koopwaar, die hij
+wederom verzond naar Athene en Rome niet alleen, maar naar allerlei
+streken van het Romeinsche Rijk, dat in die tijden mijner jeugd
+beheerscht werd door onzen genadigen Keizer Hadrianus. Zeer vermogend,
+was mijn vader tevens een krachtig en energiek koopman gebleven en zag
+het met leede oogen aan, dat ik, zijne eenige zoon en het bedorven
+kind mijner moeder, die een Romeinsche was, niet naar hem aardde en
+weinig belang stelde in de uitgebreide zaken van het handelshuis, dat
+zijn eigen was. Integendeel, niets boezemde mij minder belang in dan
+handel, dan geld maken en wat mij alleen belang inboezemde, dat was
+de liefde. Ik was geboren voor de liefde en ik heb bemind, geloof ik,
+van klein knaapske af: misschien is mijn voedster mijn eerste liefde
+geweest, ook al herinner ik mij die niet meer. Maar zekerlijk herinner
+ik mij, dat, zoo dra ik loopen kon, zoo dra ik stamelen kon, ik lief
+heb gehad, de kleine dochtertjes van onze buurlui, de slavinnen van
+mijne moeder, de vriendinnen zelfs mijner moeder, en dat, hoewel de
+kleine meisjes voor mij weg liepen, onze slavinnen mij uit lachten
+omdat ik zoo nietig nog was en mijner moeder vriendinnen, hoewel
+zij mij op den schoot namen, mij plaagden om mijn verliefden aard op
+zoo prillen leeftijd, ik mij niet kon verdedigen te beminnen en dat
+ik door bijna ieder vrouwelijk wezen van jeugd en schoonheid werd
+aangetrokken op een wijze, die bijna aan een tooverban deed denken.
+
+Nu was ik een mooie, knappe jongen--ik geleek op mijn vader en
+moeder beiden--en door tal van vluchtige verliefdheden heen had ik
+den leeftijd van twintig jaren bereikt, toen mijn vader, meer en meer
+toornig om mijne lichtzinnigheid, mij plotseling, trots mijner moeder
+tranen, beval, alleen, met mijn knecht Davus, een handelsreis aan
+te vangen, over Corinthe heen naar de binnenlanden van Thessalië en
+Epirus, om aldaar in de steden als zijn vertegenwoordiger op te treden
+en de fijnere koopwaren van het Oosten er van de hand te doen. Het
+was een zeer wreede beproeving voor mij, vooral omdat mijn vader er
+bij voegde, dat ik hem niet meer onder de oogen behoefde te komen,
+zoo ik niet slaagde in het doel mijner reis. En de reis zelve was
+waarlijk geen pleizierreis, want hoewel Corinthe een beminnelijke stad
+was vol levensvreugde en schoone vrouwen, was over Boeotië en Focis,
+naar Thessalië en Epirus te trekken niet anders dan een straftocht,
+ook al kon ik bij verschillende wisselaars onder weg beschikken over
+vrij aanzienlijke sommen, die mijn vader er te mijnen gerieve had
+doen neder leggen.
+
+Er was niets aan te doen. Ik nam teeder afscheid van mijne moeder,
+van hare vriendinnen, die, matronen geworden, niet meer lachten maar
+mij weenende omhelsden; ik nam afscheid van onze slavinnen en van de
+kleine buurmeisjes, die tot lieflijke maagden waren opgebloeid. En
+omgeven door geheel een gevolg van vrouwen en meisjes, die weenden
+en weeklaagden, besteeg ik mijn gerieflijken reiswagen, die door vier
+krachtige buffels getrokken mij over Mycenæ naar Corinthe zoû voeren,
+terwijl Davus zich naast den voerman zette.
+
+De eerste dagen mijner reis verliepen zonder avontuur. Wat zal
+ik u vertellen van de dienstmeisjes der herbergen, van enkele
+aanzienlijkere vrouwen, die met eenige vreugde mijn anders zoo sombere
+dagen doorweefden? Het waren bloemenkransen, die dadelijk braken. Het
+waren geen banden des levens en ook de beroemd schoone vrouwen van
+Boeotië, die er in Tanagra door de beeldhouwers worden vereeuwigd in
+schoone lijn en gracelijken vorm, gingen door die week mijner reize
+heen niet anders dan als weêr verzwijmende fantomen van bevalligheid,
+die ik mij nauwlijks meer herinner dan de blanke, ijle wolken, die
+dreven aan de blauwe hemelen der verre oorden, die ik door trok.
+
+Van Thebe ging de reis over Thespiæ naar Delfi. Wat al beroemde
+namen en wat al vervallene steden! Voor een handelsreiziger als ik,
+die de kostbaarste waar van de hand moest doen--geurwerk en parels,
+zijden stoffen en tapijtwerk--was hier niets te doen, dan uit te
+rusten van het wiegelen in mijn reiswagen: in Thebe zag ik het huis
+van Pindaros, den grooten dichter en zanger, dat Alexander de Groote,
+toen hij de stad fnuiken wilde en haar tot den grond toe deed slechten,
+uit eerbied spaarde, maar... of het mij getoonde huisje wel dat van
+Pindaros was, betwijfelde ik zeer; het dienstmeisje in de herberg,
+was hare eigene grootmoeder, geloof ik.... Te Thespiæ wist niemand
+mij meer te vertellen waar de Eros van Praxiteles gebleven was, die
+Fryne haar geboortestad had geschonken en toen ik te Delfi aan kwam,
+overviel mij, hoezeer ik er mij die eerste week tegen had vermand,
+een eindelooze melancholie. Mijn reiswagen hield stil voor een kleine
+herberg; er hing in den kouden najaarswind een blikken uithangbord
+boven de poort te rammelen; op dat rammelende bord was geschilderd
+iets als een witte figuur en er onder stond geschreven:
+
+
+ IN DE PYTHIA.
+
+
+Ik begreep. "In de Pythia", dat was de herberg, de allereerste in
+Delfi, de stad eenmaal van het beroemde Orakel Apollo's, waar zijne
+door geuren vervoerde priesteres, de geheiligde Pythia, de wondervolle
+spreuken op den gouden drievoet gestameld had. "In de Pythia". Ik steeg
+uit, door Davus geholpen, en de herbergierster, een dikke waardin,
+kwam mij begroeten.
+
+--Hebt gij een kamer? vroeg ik.
+
+--Helaas! riep de herbergierster. Edele prins, gij komt te laat. Ik
+heb slechts éen kamer met drie bedden voor gasten, maar alle de drie
+bedden zijn ingenomen!
+
+--Ik kan dan in mijn wagen slapen, zeide ik; als je mij slechts wat
+voedsel kunt geven, en ook mijn dienaar en voerman voeden en zorgen
+voor frissche postbuffels.... Maar een prins ben ik niet; ik ben
+slechts een handelsreiziger en als zoodanig slechts kan ik je betalen.
+
+Voor de deur, op een bank, zaten twee mannen te praten en een derde,
+die er ziek en ellendig uit zag, lag op den grond, tegen een boomstam,
+zorgzaam gewikkeld in dekens en doeken. Zoodra zij mijne woorden
+hoorden, stonden de twee mannen op en naderden mij. Zij zeiden:
+
+--Zijt gij een handelsreiziger, heer? Zoo zijn wij collega's, want
+ook wij zijn handelsreizigers, ja, zeker.
+
+De eene was dik en kort en de andere lang en mager. Zij bogen en ik
+stak hun de hand toe.
+
+--Ik, zeide de dikke korte; reis in allerlei voedingsmiddelen, graan,
+rijst, wijn en kom uit Thessalië, waar ik goede zaken gedaan heb. Mijn
+naam is Crito.
+
+--Ik, zeide de lange magere; reis in allerlei kleedingmateriaal: wol,
+katoen, lijnwaad, en kom ook uit Thessalië; ook ik deed vrij goede
+zaken, mijn naam is Chremes.
+
+--Ik, zeide ik op mijn beurt, heet Charmides en ik reis in
+weelde-artikelen.
+
+--Toch niet naar Thessalië?? vroegen zij beiden te gelijker tijd.
+
+--En waarom niet? Zoû ik er geen goede zaken doen? Het handelshuis
+van mijn vader is beroemd om zijn fijne Oostersche koopwaar....
+
+Crito en Chremes schudden bedenkelijk met de hoofden en handen en de
+zieke, die op den grond lag, riep schril:
+
+--Heer, hoed u te gaan naar Thessalië! Daar ben ik ziek geworden! Daar
+ben ik eerst behekst geworden! En toen ik onthekst was, ziek, ziek,
+ziek!
+
+--Wie zijt ge? vroeg ik den zieke.
+
+--Ik ben Aristomenes en reisde slechts voor mijn genoegen, heer;
+ik wenschte het beroemde Thebe te zien, het beroemde Thespiæ en den
+tempel, waar het goddelijke beeld van Praxiteles' Eros gestaan heeft;
+ik wenschte Delfi, het heilige Delfi te zien; ik wenschte Thrachis
+te zien, waar Herakles heeft gewoond: ach, heer, ik was slechts een
+simpel toerist, ik was een dichter, ik beminde de letteren en de
+schoonheid, ik beminde het reizen en het trekken en Thessalië heeft
+schoone steden, schooner en weelderiger dan dit vervallene Delfi en dan
+Thespiæ en Thebe, maar, heer, ik werd er behekst en anderen werden er
+behekst als ik, in Larissa, in Hypata.... O, heer, o Charmides, gij,
+die reist in weelde-artikelen, neem u in acht: hoèd u voor Thessalië!
+
+Zoo klaagde de zieke op den grond. Mijn reiswagen was uitgespannen en
+ter zijde geleid; mijne bagage bleef in den wagen: Davus en de voerman
+aten reeds ieder een bord linzensoep op de andere bank ter zijde der
+herbergpoort en ik zat tusschen Crito en Chremes op de bank bij den
+boom, waartegen de zieke lag. Een dienstmeisje bracht mij mijn maal:
+lamsbraad en brood en honig en ooft....
+
+--Hoe heet je? vroeg ik beminnelijk.
+
+--Fotis, heer, en ik ben tot uw dienst, zeide het beminnelijke meisje.
+
+Ik knikte haar welgevallig toe en at met smaak. Ik was iets
+minder melancholiek nu ik Fotis gezien had; waarlijk, zij zag er
+uit om verliefd op te worden en ik werd dan ook dadelijk op Fotis
+verliefd. Het geen niet weg nam, dat ik met jeugdigen honger mijn
+tanden sloeg in het droge lamsbraad, het harde brood en den azijnzuren
+wijn uit dronk.
+
+--Ik heb, zeide ik tot den zieke; wel eens meer gehoord, dat Thessalië
+het land van beheksing is, maar weet niet of ik hieraan gelooven kan.
+
+--Toch is het zoo, heer!
+
+--Toch is het zoo, heer! riepen Crito en Chremes om beurten.
+
+--Noem mij Charmides! zeide ik genadig; ik reis wel in weelde-artikelen
+maar ben handelsreiziger als gij beiden, die reist in kaas en in
+wol en wij zijn toch collega's, niet waar. Noem mij Charmides, als
+Aristomenes mij reeds noemde.
+
+--Toch is het zoo, Charmides! riep de zieke. Thessalië is het land
+der beheksing. De heksen zweven er rond in de lucht en spinnen uit de
+maan de tooverdraden! En weven de tooverwebben! En dansen er op den
+viersprong der wegen rondom Hekate, de driehoofdige! En de schimmen
+der vermoorde kindertjes zweven er als vleêrmuizen en nachtuilen rond
+door de nachten om wraak op de heksen te nemen, maar zij zijn sterker,
+o Charmides: de heksen zijn àltijd stèrker, dan wie ook, dan de goden;
+de heksen beheksen de goden zelfs en éen heks heeft mij behekst: in
+een zwijn heeft zij mij veranderd als Circe Ulyssus' makkers deed
+en hokkende en hikkende heb ik haar gevolgd, terwijl zij lachte,
+de tooverkol! Hoed u voor Thessalië, Charmides!
+
+De nacht viel, sinister, over het plein voor de herberg: In de
+Pythia. De najaarswind woei klagelijk. Davus en de voerman, op de
+andere bank, zaten met angstige gezichten toe te luisteren. Ruischend
+als van vreemden zang, vielen de platanebladeren om ons rond. Ginds
+stond mijn reiswagen, waar ik zoû moeten rusten.... geriefelijker
+eigenlijk, dacht ik, dan in de éene kamer "In de Pythia", met de drie
+bedden, die Aristomenes, Crito en Chremes reeds zouden innemen. De
+arme dichter-toerist, ziek was hij wel, al verbeeldde hij zich
+misschien in een zwijn te zijn veranderd geweest! Crito, een goede
+kaasboer; Chremes, een brave lappeman: ik zag toch wèl een beetje
+op hen neêr. Ik, ik was Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus:
+ik reisde in purper en parels, in myrrhe en cinnamoom, in Sidonische
+tapijten en bombyx-zijde: ik was jong, rijk, mooi, krachtig, door
+de vrouwen bemind; ik beminde zelve altijd, ik was altijd heerlijk
+verliefd; ik was nu verliefd op Fotis, die ik toelachte toen zij
+de borden weg nam.... Mijne melancholieën om mijn strafreis en de
+sombere oorden, die ik door trok, gingen als lichte wolkjes....
+
+En toch.... Sinister die nacht over het plein.... Klagelijk de
+najaarswind.... Zoo bleek de gezichten van dienaar en voerman.... Hoor,
+wat zong er toch vagelijk door de vallende platanebladeren? Waren
+het de vermoorde kindertjes?? Ik werd mij even bewust niet gehéel
+lichtzinnig te zijn: ik werd mij even bewust te willen worden ingewijd
+in de mysteriën van Eleuzis: een vreemde vroomheid huiverde vaak
+door mijn gloeiend kloppende aderen: ik wist, dat er dingen van
+goddelijkheid en ongoddelijkheid zijn, die een verliefde, jonge man
+niet altijd begrijpt!
+
+--Ik zal mij hoeden voor Thessalië! riep ik Aristomenes toe: maar ik
+zal Thessalië niet ontwijken! Ik reis morgen Thessalië in! Er zijn
+de steden als Hypata en Larissa, die bloeien, die zijn weelderige
+steden, niet vervallen als Delfi, Thespiæ en Thebe en daar zal ik
+bombyx verkoopen en Sidoniesch tapijt, cinnamoom en myrrhe en parels
+en purper en ik zal er zaken maken als Crito en Chremes hebben gedaan!
+
+Crito en Chremes schudden handen en hoofden.
+
+--Wij, heer Charmides, zeiden zij beiden; gaan er nooit meer heen,
+trots de goede zaken....
+
+--Ik, heer Charmides, zeide Crito; ben er dik en kort geworden en ik
+was, toen ik er heen ging, lang en mager.
+
+--Ik, heer Charmides, zeide Chremes; ben er mager en lang geworden
+en ik was, toen ik er heen ging, kort en dik.
+
+Ik keek van den een naar den ander.
+
+--Wie is dan de een en wie is de ander? vroeg ik.
+
+Ze schudden hoofden en handen.
+
+--We weten het zelve soms niet! bekenden zij.
+
+Ik lachte, toch in mijn binnenborst geschokt in mijn vertrouwen.
+
+--Ik moet tóch gaan, zeide ik. Ik zàl ook gaan, zeide ik
+moediger. Avontuur, zelfs van heksen, stoot mij niet af. Bang was
+ik nooit. Fotis, riep ik het meisje toe; wat bereiden ze voor op
+het plein?
+
+Want fakkels werden hier en daar op het donkere plein in gestampt.
+
+--Heer, antwoordde Fotis en lachte als een roos; het zijn de rond
+trekkende kunstenmakers, die gehoord hebben, dat gij in purper en
+parels reist en die een voorstelling geven komen.
+
+Ik lachte helderder.
+
+--Laat ze komen! riep ik. Laat ze komen! Zij zullen ons verstrooien
+voor wij slapen gaan en wij zullen niet van heksen droomen.
+
+En met ketelmuziek kwamen zij op: twee mannen, drie meisjes, vier
+jongens, een beer....
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+
+Aan de drie zijden van het pleintje voor de herberg waren nu de
+vlammende, walmende toortsen geplant en de harstriekende gloor weifelde
+fantastiesch door de nacht, die geheel gevallen was. Links en rechts
+duisterden een paar straatjes en sloppen, waar nu wat volk uit kwam,
+dat zich met donkere silhouet verzamelde op het pleintje. Voór de
+herberg, ter vierde zijde dus, rees een stuk oude muur, vermoedelijk
+nog over van de ommuring van een antiek heiligdom.... Delfi! Dit was
+Delfi! moest ik mijzelven herinneren. Ik was te Delfi, de heilige stad
+van Apollo's Orakel en dit was Delfi: dit herbergje: "In de Pythia",
+dit modderige plein, die verbrokkelde muur over ons, die fakkels,
+in den grond geplant; die kunstenmakers en die beer, die aan kwamen,
+tusschen dat groezelige volk. En mijn reiswagen ginds, waarin ik
+slapen zoû, met mijn stalen van kostbare koopwaar--als mijn bagage
+maar niet gestolen werd....
+
+--Davus! riep ik mijn knecht.
+
+Hij stond op, naderde.
+
+--Davus, waarschuwde ik; ga met den voerman zitten op treê of bok
+van den wagen om de kunstenmakers te zien en pas op, dat het volk
+niets steelt....
+
+Davus en voerman deden als ik beval....
+
+....Dit, dit was alles Delfi! En Fotis, die mij een kruik wijn bracht
+en vier kroezen en de zieke Aristomenes tegen den plataan en Crito
+en Chremes, mijn beide collega's in wol en kaas, die behekst waren
+geweest en niet meer wisten wie van de een eigenlijk kort en dik en
+wie lang en mager was... Dit, dit was alles Delfi?
+
+Toen voelde ik het misschien voor het eerst.... Trots mijn
+lichtzinnigheid, trots mijn altijd verliefde jeugd.... Den eerbied voor
+de Goden en het Onuitsprekelijke.... Toen voelde ik bijna een weemoed
+om Apollo, wiens heilige stad zoo was vervallen, wiens Orakel niet
+meer werd geraadpleegd.... Toen voelde ik dat vreemde gevoel, terwijl
+mijne oogen toch Fotis, op wie ik verliefd was, bewonderden, als zij
+in gezonde, wat boersche maar mij aantrekkelijke, jonge-vrouwelijkheid
+ons bediende.... Dat vreemde gevoel, dat er àndere Dingen waren dan
+te reizen in kaas en wol, zelfs in purper, parels en geurwerk!
+
+--Vertelt ge mij niet uw avontuur, beste vrienden? vroeg ik Crito
+en Chremes; terwijl ginds de kunstenmakers ons hunne toeren zullen
+vertoonen?
+
+Zij wilden mij hun avontuur wel vertellen.... Intusschen deden reeds
+de twee paar jeugdige knapen de wonderlijkste akrobatische toeren:
+zij wrongen zich twee aan twee in elkaâr, tot zij geleken op twee
+staven van Hermes-Mercurius, den god van ons, handelsreizigers!--op
+twee caduceeën, op twee paar om elkaâr gekronkelde slangen: zoó liepen
+zij, zich telkens geheel om buigend, op de handen: als de een op de
+handen liep, hief wie zich om hem gekronkeld had, de zijne omhoog,
+tot zij zich, hoepelsgewijze, bogen en de ander op zijn beurt op
+de handen liep. En de eene man at vuur en de andere slikte een
+gladiatorezwaard in....
+
+--Gij moet dan weten, Charmides, zeide Crito; dat ik samen met Chremes
+reisde, hij in wol, ik in kaas, en dat wij reeds sedert lang goede
+vrienden zijn, niet waar, Chremes?
+
+--Voorzeker, Crito, antwoordde Chremes. En ge moet weten, Charmides,
+dat wij kwamen op een driesprong van wegen, dicht bij Hypata....
+
+--Larissa is een moóie stad, niet waar? viel ik in de rede; voor ons
+dansten de drie meisjes een kordax-dans: een wulpsch schuifelend beweeg
+tusschen de twee groepen der vier om elkaâr gekronkelde jongens; een
+beer zat, gemuilband, te wachten.... En er zijn tal van mooie vrouwen,
+niet waar? Ook die drie danseresjes zijn heél mooi....
+
+--... En het was vallende avond, ging Crito voort, zonder zich veel
+te storen aan mijne vragen en opmerkingen. En op eens....
+
+--... Zagen wij vóor ons...
+
+--Een driehoofdig beeld van Hekate, de in Thessalië ge-eerediende
+godin!!
+
+--Nu, zeide ik; is dat zoo vreemd. Op vier- of driesprong der wegen
+staat wel meer het beeld der toovergodin.
+
+--Ja, maar Charmides....!
+
+--... maar Charmides...! riepen zij beiden, links en rechts en toen
+te zamen:
+
+--Toen wij nader kwamen.... Lieten de drie hoofden af van den
+romp.... En omvlogen ons drie verschrikkelijke heksen!
+
+--Hoed u, hoed u, o Charmides, voor Thessalië! riep de zieke
+Aristomenes.
+
+--En deden zij ons geweld aan! riepen door elkander Crito en Chremes.
+
+--En maakten zij mij, riep Crito; die lang was en mager, kort en dik!
+
+--En mij, riep Chremes; die kort was en dik, lang en mager!
+
+Ik lachte.
+
+--Kom, kom! zeide ik. Ge zult gedroómd hebben. Ik geloof die verhalen
+niet. Even als Aristomenes heeft gedroomd, dat hij in een zwijn werd
+veranderd. Zie liever eens naar die drie bevallige danseresjes. Bij
+mijn godin, die nooit Hekate worden zal, maar altijd Afrodite blijft,
+ik geloof, dat ik verliefd word op àlle drie!
+
+Fotis hoorde mij, lachte schamper en riep:
+
+--Op drie dansmeiden van de straat!
+
+Maar eene van de danseressen kwam nader. Zij spreidde een tapijtje en
+legde er zich glimlachende voor-over op, de armen sierlijk gekruist. De
+fakkelvlam weêrspiegelde in de koperen munten, die bedekten haar
+voorhoofd en borst.
+
+--Zij is de mooiste! riep ik. O wat is zij mooi en bevallig! En lenig!
+
+En ik werd zeer verliefd op het meisje, dat op het tapijtje lag. En
+wilde opstaan.
+
+Maar, liggende, boog zij rond als een hoepel. De man, die vuur had
+geslikt, bood haar een boog, dien zij nam tusschen de teenen van
+haar eenen opgehoudenen voet en met de teenen van den anderen voet
+richtte zij een pijl op de koorde. Zij boog het hoofd gracelijk, een
+weinig, om te zien. Zij glimlachte steeds. De man, die het zwaard
+had ingeslikt, hield een appel omhoog. En het meisje schoot met de
+teenen, armen steeds gekruist en liggende, hoepelrond op den buik,
+den pijl af, in den appel.
+
+Er was bewonderend gejuich en applaus en ik, Charmides, zoon van
+Lyzias van Epidaurus, en die reisde in purper en parels, wierp enkele
+geldstukken op het tapijtje.
+
+--Ach, Charmides! riep de zieke Aristomenes. Verwerp toch niet
+onze waarschuwing! Denk toch, ik, dichter en toerist, ik werd ook
+verliefd, als gij vaak wordt; ik werd verliefd op Meroë, de beroemde
+hetære van Hypata, maar zij is een dienares van Hekate en zij zweeft
+'s nachts rond door de lucht, met de schimmen van Medea en Circe,
+die twee tooverprinsessen, dochters van de Zon, en zij bezweert met
+haar beiden de Maan en de Sterren en den Storm! En zij behekste mij
+in een zwijn, tot ik den rooden amaryllis at en weêr mensch werd maar
+verlamd voor heel mijn leven! Hoed u voor Thessalië, Charmides!!
+
+Ik lachte. Geloofde ik? Ik wist het niet. Lichtzinnig, wàs ik heel
+jong, heel verliefd nu op het lieve boogschutstertje, zoó verliefd,
+dat ik niet dacht aan goddelijke of óngoddelijke dingen.... Ik stond
+op en naderde de kleine kunstenmaakster....
+
+Honden blaften, tusschen de menigte, zeker tegen den beer.
+
+--De honden blaffen! riep Aristomenes. Zij voelen, dat Hekate zweeft
+in de lucht! Zij blaffen, omdat de maan rijst! Crito en Chremes,
+voert mij naar binnen! Ik ben moê, ik ben ziek; helaas, ik ben lam:
+ik wil rusten, ik wil rusten gaan!
+
+Crito en Chremes hielpen den zieke op, steunden hem, voerden hem
+binnen in àl zijn doeken en dekens.
+
+--Hoe heet je? vroeg ik.
+
+--Demea, heer! zeide het meisje.
+
+--Je pijl, zeide ik; is geschoten in den appel, maar dieper nog elders.
+
+--Waar dan, heer?
+
+--In mijn hart.
+
+--Heer, ge schertst: ik ben maar een kind van de straat, gij een prins.
+
+--Neen, geén prins; ik rèis, in purper en parels. Wil je mij niet,
+Demea, bezoeken, deez' nacht, in mijn wagen, die wacht voor de deur
+hier, ter zij van het huis....?
+
+--Heer, thàns moet ik dansen....
+
+En zij danste met de beide andere meisjes. De vier jongens kronkelden
+steeds als Hermes-caduceeën, en buitelden als wielen, om en om. En
+de twee mannen met den beer speelden, als in het theater, een klein
+mimus-spel van drie personen. Toen bevrijdden zij den beer van den
+muilkorf en er was ontroering van schrik tusschen de menigte. Maar
+de mannen klommen den muur op voor ons en heschen den beer op den
+muur. En op den muur danste de beer met een stok in zijn pooten en
+de mannen dansten met hem.
+
+Een luik in de herberg werd open gestooten en Aristomenes riep mij toe:
+
+--Hoed u, Charmides, voor Thessalië!
+
+--Kennen jullie Thessalië? vroeg ik de drie meisjes nu; ik wist bijna
+niet op wie van drieën ik het meeste verliefd was: zij waren alle
+drie allerliefst; donker van tint en haren, jong krachtig van leden,
+verrieden zij, dwaalsters over de wereld, haar Egyptische afkomst.
+
+--Ja, heer, antwoordden zij alle drie en voegden er om beurten aan toe:
+
+--Maar ons, arme kunstenmaaksters....
+
+--Doen de heksen....
+
+--Neen, de heksen geén kwaad....
+
+--Charmides! riep uit zijn raam de zieke; hoed u! De Egyptische
+kunstenmaaksters zijn zelve heksen!
+
+Maar de meisjes tolden lachende om elkaâr rond.
+
+--Zijn jullie heksen? vroeg ik.
+
+--Wij weten alleen liefdedrank te bereiden, maar meer heks zijn wij
+niet, heer....
+
+En zij lachten en wij spraken over de liefde. Intusschen werden de
+flambouwen gedoofd; de menigte vervloeide in de nacht, de kunstenmakers
+met den beer verdwenen, de herberg werd gesloten. Ik bevond mij alleen
+op het plein. De verbrokkelde muur, waar de beer niet meer danste,
+teekende zich af tegen den afschijn der rijzende maan. Maar de wind
+blies luguber en de wolken dreven en de platanebladeren ruizelden
+neêr en ik hoorde als kleine kindertjes klagen of er zieltjes zweefden
+door de nacht.
+
+Ik naderde mijn wagen. Davus en de voerman rezen op van de treê.
+
+--Heer, zeide Davus; de voerman wil niet naar Thessalië....
+
+--Is hij bang? vroeg ik.
+
+--Ja, heer, zei de voerman, bleek. Wij hebben te veel gehoord, van
+Thessalië, alleen reeds dezen enkelen avond. Ik keer morgen terug
+naar Argolis.
+
+--Je bent de slaaf van mijn vader, zeide ik. Je bent mijn
+slaaf. Geeselen zal ik je laten, wanneer je weigert den wagen te
+mennen.
+
+--Zoo laat mij dood geeselen, zeide de voerman. Maar ik men den wagen
+niet naar Thessalië....
+
+Ik haalde mijn schouders op.
+
+--Ga nu slapen, zeide ik. Gaat slapen, allebei. Morgen brengt de
+Dageraad nieuwen raad.
+
+Zij zouden voor in den wagen slapen. Zij sliepen dadelijk. Ik,
+in den ruimen wagen, strekte mij op kussens ter ruste. Maar sliep
+niet. Mijn slapen bonsden. Ik zag den driesprong der wegen en het
+beeld van Hekate, wier drie hoofden af lieten van den romp en toen
+drie heksen werden.
+
+Langs den wagen sloop in den flauwen maneschijn een schim. Ik keek uit.
+
+--Heer! fluisterde Fotis. Uw beide slaven slapen.... Daarom kom ik
+u waarschuwen, dat, zoo gij naar Thessalië gaat, gij goed doet een
+talisman om uw hals te dragen....
+
+--Kom binnen, noodde ik Fotis. Kom in den wagen en waarschuw mij
+beter....
+
+Om den wagen ruischte geheimzinnig de wind en vielen de
+platane-bladeren en Davus en de voerman snurkten.... Voor het herbergje
+rammelde telkens het uithangbord:
+
+
+ IN DE PYTHIA.
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+
+Toen Fotis mij op zeer bevredigende wijze gewaarschuwd had en mij een
+weldadige amulet om den hals had gehangen, slipte zij weg door het
+eene portier van mijn reiswagen en verdween als een schim in de nacht
+"In de Pythia".... Maar op dit zelfde oogenblik hoorde ik murmelen
+aan het andere portier:
+
+--Heer! Heer Charmides! Gij, die in purper en parels reist....
+
+Ik lichtte den voorhang op en herkende Demea.
+
+--Wat is er, Demea....?
+
+--Heer, zeide Demea; als ik niet gezien had, dat Fotis, die minne
+herbergmeid, in uw reiswagen was binnen geslopen....
+
+--Om mij te waarschuwen, zeide ik; voor de heksen van Thessalië....
+
+--Dan zou ik, zeide Demea, een weinig verbolgen; en béter dan zij,
+u hebben willen waarschuwen voor die zelfde heksen en u een filter
+hebben willen geven, die onthekst, wie ook behekst is geworden....
+
+--Kom dan binnen, lieve Demea, noodde ik; want het terrein is nu
+vrij.... en door jou laat ik mij gaarne beheksen en ontheksen beiden.
+
+--Heer, zeide Demea; ik ben een kind van de vrije luchten, en dochter
+van de zanden en het stof van de wegen en achter den voorhang van
+een reiswagen, met twee ronkende slaven in elkanders rug, voór op den
+bok, geef ik mijn filter u niet. De woestijn was de kamer, waar mijn
+moeder mij baarde, de Sfinx waakte over mijn kinderspel, de maan is
+mijn nachtlamp en het starbezaaide firmament is het koepeldak van
+mijn eindeloos pavillioen.
+
+--Demea, zeide ik; je hebt dat alles heel mooi en rhetoriesch gezegd;
+het laat mij denken aan een tirade uit Seneca, den treurspeldichter
+en ik ben bereid je te volgen waar je mij voeren wilt, in welke ook
+van je ruime slaapsaletten onder de gouden sterren....
+
+--Kom dan meê! lonkte Demea.
+
+Ik richtte mij op uit de kussens, wipte uit den wagen en vroeg:
+
+--Waarheen....
+
+--Volg mij, lokte Demea, vol onweêrstaanbare verleiding, en oogen
+als gloeiende offerkolen.
+
+Ik volgde haar. Ik voelde even of ik mijn Syrischen dolk bij mij had,
+in mijn gordel, en Demea zweefde mij voor, steeds om ziende, lachende,
+of ik wel volgde. Wat was zij luchtig en vlug, de kleine boogschutster,
+die met de teenen richtte en af trok haar pijl. Zij was zoo vluchtig
+als een vizioen voor mij. Zij voerde mij, ter zijde van de herberg,
+oogenblikkelijk in een verwilderd woud. De wind ruischte klagelijk
+door de takken en boven ons zeilde de maan de drijvende witte wolken
+in en uit over den hemel der nacht. De schaduwen lagen, slechts even
+doorschemerd, ter zijde van het pad als groote, zwarte monsterbeesten
+gestapeld....
+
+--Heks!! riep ik. Demea! Ben je al een heks, al ben ik nog niet
+in Thessalië??
+
+--Mijn moeder was een heks! riep Demea. En een heks zal ik worden
+als zij, wanneer de groote Bok mij roept! Kom, kom!
+
+Ik kon niet weêrstaan. Ik volgde haar, terwijl zij voort zweefde en
+lokte en lonkte.... Ik zag niets dan, door de schaduw, den schemer,
+schitteren hare kole-oogen en soms leek het mij, zag ik schitteren
+haar glimlach als om een bloemmond van roode sulfer. Plotseling stond
+zij stil op een opene vlakte. Er rezen enkele verbrokkelde muren,
+de geknotte zuilen van een portiek.
+
+--Waar zijn wij? riep ik verwilderd.
+
+Demea naderde mij en riep tragiesch:
+
+--Wij zijn in de ruïne van den grooten Tempel! zeide zij. Eenmaal
+rees hier het Heiligdom gewijd aan den goddelijken Boogschutter, dien
+ik dien maar met mijn voeten. Eenmaal zat hièr--zij wees mij in het
+midden een ronde, steenen plek--de Pythia op haar drievoet, dronken
+van lauriersap en geuren en zij zeide de heilige Orakels. En waar dit
+alles eenmaal was, zal ik dansen mijn dans van beheksing, ontheksing!
+
+Zij danste. Tusschen de geknotte zuilen danste zij in den maneschijn,
+die heller en heller den hemel uit gleed. Zij danste. Zij danste in
+blauwe en grauwe en blanke sluiers en zij was als een spiraal van
+geurwalm uit een geurvat. Zij wirrelde als een ijle, dunne wolk, die
+verijlde in de nacht. Zij veronwezenlijkte als een tooverdamp. Zij
+deed de vervoerende heiligschennis op de heilige plek van Delfi. Ik
+was mijzelve niet meer:
+
+--Demea! riep ik en opende de armen.
+
+Demea's armen sloten zich om mij rond. Zij nam mij als op in de
+dronkenschap van haar dans. De sterren schenen te regenen in een
+vloed van vuur over de ruïne van den Tempel en uit de maan vloot
+een zilveren zee en overgolfde hemel en aarde. Toen ik bij kwam,
+bood Demea mij een albasten fiool, zoo lang en smal als een vinger....
+
+--De filter.... zeide zij; die onthekst....
+
+--Geef ik je geld? vroeg ik en nam de fiool.
+
+--Purper en parels! lachte zij. Geef mij purper voor een keurs en
+een parel gelijk aan een peer!
+
+Zij geleidde mij lachende terug door het woud naar den wagen. Ik voelde
+als wraakgodinnen achter in mijn rug, om de heiligschennis gepleegd. Op
+het plein weifelde reeds de nacht... Davus vond ik ontwaakt.
+
+--Heer, zeide hij; de voerman is ontvlucht....
+
+--Wij zullen wel zien, zeide ik, bijna onbewust.
+
+Ik zocht in mijn wagen, in twee, drie valiezen....
+
+--Hier, zeide ik tot Demea; is een staal van purper van Thiatyra,
+allereerste kwaliteit. Maar het is niet zoo purper als je kus was,
+Demea....
+
+--Het is purper genoeg voor een keurs, zeide Demea.
+
+--En hier, toonde ik; is een parel, heel groot, gevormd als een peer,
+maar....
+
+--Maar wat, heer?
+
+--....niet echt, zeide ik. Ik reis niet met èchte parels. Deze
+parels zijn de monsters slechts van de echte parels, die mijn vader
+verkoopt. Zij zijn nagemaakt.
+
+--Een valsche parel, zeide Demea; heeft meer kracht in zich, want
+is demonischer en bedriegelijker dan een echte. Ik wil deze valsche
+parel!....
+
+Zij nam purper en parel en plotseling was zij verdwenen.
+
+--Heer! zeide Davus en knielde in angst voor mij neêr. Waarheen zondt
+u uw vader Lyzias in toorn? Waarheen gaan wij! Thessalië is een land
+vervloekt, zeggen allen! Heer, ik ben bang. Spaar mij! Dat ik niet
+vluchtte, was, omdat ik u hoedde van klein jongske af! Ik was iets
+ouder dan gij! Ik speelde met u en paste op u! Heer, wees genadig en
+keeren wij, keeren wij, heer!
+
+--Ik kan niet, Davus. Ik moèt naar Thessalië....
+
+--Het zij dan! zei Davus. Maar de goden behoeden ons! En behoeden mij,
+die u mennen zal, als wij geen anderen menner krijgen....
+
+
+
+Ik legde mij in den wagen te ruste, en ik sliep op mijn kussens en
+tusschen mijn stalen van purper en bombyx en monsters van wierook
+en valsche parelen als de onschuld zelve. Want de Onbewustheid was
+in mij en om mij en ik leefde het leven als een groot kind hoewel er
+somtijds, plotseling, in mij als een vermoeden zich wekte, dat ik niet
+goèd leefde.... Dit vermoeden was dan heel vaag, als een doortrekkende
+lijn van weemoed, door mijn brein heen, waarna mijn ziel in mij zwaar
+woog van een matte ontevredenheid en dàn verlangde ik ingewijd te
+worden in de mysteriën van Eleuzis.... Maar nu sliep ik en ik dàcht
+niet meer aan Fotis en Demea, aan de vrouwen van Boeotië en Korinthe,
+aan de verlaten matronen van Epidaurus.... Maar ik droomde.... Voor
+mij verscheen, streng, een glanzende godin, en zij schudde afkeurend
+het hoofd.... Ik werd wakker, verschrikt en zag om mij rond. De morgen
+gloorde zacht over het modderig pleintje; de dikke herbergierster
+stond op den drempel.
+
+Ik betaalde en Davus spande de vier frissche postbuffels voor. Hij
+zoû mijn menner zijn want er was er geen te huren, die naar Thessalië
+wilde.
+
+--Het is overdreven, heer, meende de herbergierster; er gebeuren
+misschien wel eens vreemde dingen in Thessalië, maar niet iedereen
+wordt er behekst! Hoeveel reizigers komen hier niet, die uit Thessalië
+komen en wie nièt is gebeurd, wat Crito, Chremes en Aristomenes meenen,
+dat hun gebeurd is! Maar bij wassende maan huilen de honden, die zijn
+Hekate gewijd en dan zijn de menschen banger dan later in de maand....
+
+Wij gingen. Het was nu een lieflijke morgen, bepareld van dauw. De
+wagen rolde op zijn vier groote, goed gesmeerde wielen gelijkmatig over
+den gladden weg en de glanzende postbuffels, vier, trokken statig en
+stevig. Wij overschreden den grens van Locris. Wij reden vier dagen en
+rustten in veilige gehuchten des nachts. Voor roovers was geen reden
+te vreezen. Angst had ik voor roovers noch heksen. Het waren echter
+de eerste herfstdagen, vol huiveren wind. Na het heerlijke morgenuur
+werd de middag somberder en de regenvlagen, schuin, striemden wel
+eens de altijd straf trekkende buffels. Ontmoetingen hadden wij niet
+dan de gewone, langs den heirweg.... Een centuria lichte cavalerie,
+die zich naar Amfissa begaf, haalde ons in. Uit mijn wagen wisselde
+ik eenige woorden van begroeting met den centurio. Maar wij spraken
+niet van heksen. Bedelpriesters van de Groote Godin, Rheia Kubele,
+geleidden hun ezel, op wiens rug gesnoerd, in een kastje, het heilige
+beeldje. Ik wierp den priesters wat penningen toe. Des nachts sliepen
+wij in de herbergen: niet altijd waren de dienstmeisjes er hare
+eigene grootmoeders, neen.... Frissche postbuffels waren steeds te
+verkrijgen: de postdienst naar Thessalië was er goed geregeld. Het
+was toch ook een rijke landstreek, Thessalië: na Hypata waren er
+Farsalus, Fecæ, Larissa, de prachtig welvarende steden. Hypata.... de
+eerste stad.... die scheen wel het heksennest te zijn, naar wat ik
+gehoord had....
+
+Den vierden dag was het herfstweêr somberder dan te voren. De
+anders dauw-gedrenkte, zonnige morgen was regen-gedrenkt en met mist
+overwaasd. Ik huiverde toen ik den wagen besteeg. Maar te blijven in
+dit kleine gehucht.... Het was ondoenlijk. De verveling grijnsde er
+mij tegen. Wij gingen. Davus, zwijgend, mende. Wij aten, onderweg,
+in den wagen. Telkens regende het, striemden de regenstralen. De weg
+was een lang, lang moeras van modder....
+
+--Davus, zeide ik; de avond valt: wij moeten spoedig onze halte
+naderen....
+
+--Heer, zeide hij; ik zie niets dan den weg zich strekken,
+eindeloos....
+
+--Heb je niet vergeten rechts in te slaan, bij den vijftienden
+mijlpaal?
+
+--Neen, heer, bij den vijftienden mijlpaal ben ik rechts ingeslagen:
+ge sluimerdet toen even, geloof ik....
+
+--Rijd dan maar door....
+
+Hij reed door. Geen eind kwam er aan den weg. Het was er, in den
+weeklagenden wind, zoo eenzaam, dat roovers geloof ik, mij welkom
+waren geweest, als reisgenooten en kameraden. De nacht grauwde met
+groot wolkgevaarte, zwaar van regen, boven de velden, de vlakte, den
+vervalenden horizon met verre dalen en heuvelende hellingen. In de
+veerte streepten zwart de regenstralen schuinende tegen de duistere
+kim. De wind loeide uit het Westen aan met een huilende woede over den
+weg, waarin telkens de wagen bleef steken, in de diepe moddervoren,
+waaruit nauwlijks de buffels het voertuig naar voren weêr trokken,
+vooruit.... Vooruit.... Noodweêr omwoelde het land. Nat werd ik in
+den wagen, trots wollen mantel en deken: de voorhangen flapperden op
+als natte lappen en klapperden om mijn ooren. Plotseling zeide Davus:
+
+--Heer, ik geloof toch, dat ik mij heb vergist. Wij moesten geen
+driesprong van wegen meer ontmoeten en ik zie.... ginds, vóor mij,
+is een driesprong.... Welken weg nu te nemen, heer?!
+
+Ik keek uit langs zijn schouder. En ik zag, als een bleeke star,
+liggen op den grond voor mij den driesprong. De weg, dien wij gingen,
+mondde er heen. Twee andere wegen schoten er uit, als witte stralen,
+en vervaagden weg, links en rechts, in regen en veerte. De lucht er
+boven was zwart en zwaar van dreiging en onheil.... Dikke wolken dreven
+en woelden dooreen als met draaikolken en de wind scheen er dreigend
+door heen te joelen en er boven in het rond te wirrelen. En midden op
+den driesprong rees, op een korte zuil, een beeld. Ik herkende het als
+de driehoofdige Hekate, de drie hoofden gedekt met de Frygische muts,
+slangen, fakkels en messen in de zes handen geheven. Om het beeld,
+op het altaar, smeulde, nog in den regen, de offerande: de half
+verkoolde, drie zwarte honden, klaarblijkelijk dien morgen geofferd....
+
+Davus riep:
+
+--Heer! Heer! Zie! De driesprong, dien wij vermijden wilden! Het
+beeld, het verschrikkelijke beeld! De godin, heer, der Toovermaan en
+der heksen! Help mij, heer, sta mij bij!! Heilige goden, gij allen,
+staat ons bij, staat ons bij!!
+
+Hij riep het, door den huilenden storm. Zijn zwakke kreet verwoei. Ik
+was opgerezen. Een geweldige windvlaag woei den wagen schuin ter zij
+van den weg. De rampzalige buffels, mede getrokken, loeiden, aan den
+storm gelijk. Uit gesprongen, stond ik in de modder. Ik zag op. Boven
+mijn hoofd, in de zwarte draaikolk der wirrelende wolken, warrelden
+allerlei wilde gedrochten. Het waren vleêrmuizen met vrouwegezichten
+om een reusachtigen vampyr, die met vale fosforoogen loenschte. Het
+waren vleugels, vlerken, klauwen als van harpijen, door elkaâr verward
+en Davus, krankzinnig van angst, was aan mijn voeten neêr gevallen,
+en school in de slip van mijn mantel, terwijl om mijn hoofd, in een
+cirkel, de afschuwelijke gedrochten te zamen drongen...
+
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Ik ontrukte op dat oogenblik aan den bezwijmden knecht de zweep, die
+hij nog in de hand hield geklemd en cirkelde met den langen geesel
+in de lucht, om mijn hoofd. Het was vreemd, maar ik geloofde nog
+niet aan heksen. Ik geloofde aan storm en aan vreeslijke stormvogels
+en aan reuzevleêrmuizen, zoo als ik er nimmer nog had aanschouwd,
+maar ik geloofde niet aan heksen. En ik poogde met mijn lange zweep
+de gedrochten mij van het lijf te houden. Ik voelde echter, dat
+ik dit niet lang zoû kunnen. Daarom wierp ik de zweep in den wagen
+en de afschuwelijke vleugels en vlerken sloegen mij om het hoofd,
+geeselden mij op hun beurt. Wat vermag echter een jonge, sterke
+man veél in de uiterste oogenblikken van bijna niet te begrijpen
+gevaar: wat een kracht hebben de goden den mensch in gegeven, kracht,
+die vertienvoudigd hem schijnt als een uiterste poging gedaan moet
+worden! Want ik, ik had de kracht mijn bezwijmden Davus op te tillen
+en hem in mijn mantel binnen in den wagen te werpen. De buffels, ook
+geslagen door de vlerken en vleugels, brulden van smart en wanhoop
+maar ik greep den voorste de leidsels en leidde hen in het rond om den
+driesprong heen. Ik voelde, dat ik óver den driesprong--ter zij van het
+beeld, dat mij scheen te bewegen, te grijnzen, bezield te worden, in
+drie wezens zich te verdeelen!--onmogelijk buffels en wagen zoû kunnen
+geleiden. Maar om den driesprong rond, even buiten den toovercirkel,
+die daar beschreven scheen, rukte ik de buffels voorwaarts, terwijl
+ik voelde, dat ik vooruit moest en niet achteruit--den weg terug--zoû
+kunnen gaan! O, hoe ik het betreurde niet ingewijd te zijn in de
+mysteriën van Eleuzis! Dàn had ik één woord van bezwering kunnen
+roepen, eéne beweging kunnen maken, die... Hèksen? Neen, toch geen
+heksen! Maar wel afschuwelijke gedrochten...!
+
+Plotseling daalde uit den schreeuwenden, huilenden troep, voor mij,
+een harpij. Zij was een verschrikkelijk wezen: een vogelvrouw was zij;
+haar gelaat was dat eener van hartstocht verteerde vrouw; ros roode,
+ruige veêren stonden gloeiend in fosforschijn uit op haar kale kruin,
+hare gele oogen schroeiden als vuur de nacht; hare wijde, zwarte mond
+lachte monsterlijk; zij had vleugels en vogelpooten; rood, zwart,
+geel scheen haar geveêrte en uit zoo veel geveêrt stond naakt van
+vleesch uit hare vrouweborst met het vel van een geplukte kip. Zij
+had, behalve vleugels, ook armen, lang en mager, met vogelklauwen,
+scherpe. En zij stond voor mij en lachte.
+
+--Ga weg!! riep ik, en trok de buffels, die brulden, met de eene hand
+om de leidsels en cirkelde de zweep met de ander.
+
+Zij huilde een kreet en riep:
+
+--Kom meê! Kom meê!! Kom meê!!!
+
+En zij strekte de klauwen uit: er bleef steeds fosforglans om
+haar heen... Ik sloeg haar met de zweep, die cirkelde om haar
+harpijelijf. Zij danste razende in mijn zweepkronkeling op en te
+gelijker tijd riep zij tot de andere gedrochten, die drongen, te
+gaan, te gaàn, te gààn! Zij wilde mij alleen! Maar ik zwiepte en trok
+de buffels, in het rond, om den driesprong. De rampzalige beesten
+begrepen: zij trokken uit alle macht... Ik voelde de klauwen der
+harpij streelen aan mijn wang en strikte snel het touw van de zweep
+om haar hals, om haar te worgen. Zij krijschte van woede en pijn
+en ik gevoelde, dat zij niet almachtig was, vermoedelijk omdat zij
+beheerscht werd door haar hartstocht voor mij en hare gedachte zich
+inspande mij op te voeren in de luchten, in de stormwolk. De buffels
+hadden nu het derde gedeelte van den tooverban om getrokken en wij
+waren den tweeden weg van den driesprong genaderd... Ik rukte het
+gespan op den weg, die vaag slechts blankte in de stormnacht. Maar in
+mijn zweepstrik hield ik nog steeds de harpij omworgd bij den hals...
+
+Zij poogde zich te bevrijden en zij kon niet en lachte... En zij riep
+als een behaagzieke vroouw:
+
+--Omdat ik niet wil! Omdat ik niet wil! Je hebt mij gevangen omdat
+ik mij vangen wil laten! Ik kan wel, ik kan wel, maar ik wil niet,
+ik wil niet! Mooie jongen, ik heb je zoo lief! Ik wil je, ik wil je:
+kom meê, kom meê!
+
+Ik trok echter de buffels, liet ze toen los, en lokte ze voort en ze
+draafden bijna, de brave beesten, terwijl ik in den zweepstrik steeds
+de harpij mede trok. Ginds, achter ons, scheen nu de vreeslijke
+driesprong niet meer dan een samenvloeiing van wegen in duistere
+onweêrsnacht van draaikolkende wolken vol huilende vogels... Maar
+niet meer. "Eleuzis! Eleuzis!" bad ik. "Ceres en Hermes! Behoedt
+mij!" En het scheen of die gedachte aan de goden macht mij gaf en
+meerdere kracht. Het stortregende en de harpij krijschte steeds,
+in mijn zweep geworgd, behaagziek:
+
+--Ik kan wel, maar ik wil niet vrij! Mooie jongen, kom meê! Kom meê!
+
+Toen trad ik op haar toe, greep haar bij den klauwpols, ontwirrelde
+vlug mijn zweepstrik en hief den geesel dreigend op... Liet haar los...
+
+--Wèg! riep ik. Wèg!!
+
+Zij wilde zich op mij werpen, maar ik zwiepte haar. Hare klauw brak mij
+het lange zweeptouw. En zij lachte afgrijselijk... Maar ik zwiepte haar
+steeds en sloeg haar met den stok van de zweep. Haar klauwen voelde ik
+al in mijn rug. Ik greep haar bij den strot... Ja, nu worgde ik haar:
+ik voelde het.
+
+--Goden van Eleuzis! riep ik. Staat mij bij...!!
+
+Wij vochten nu samen, gevallen in de modder des wegs. Ik had haar
+bij een vleugel gegrepen en wrikte den vleugel om. Zij slaakte een
+razenden kreet en rukte zich op. Ik greep haar bij den vogelpoot en
+bràk dien... Zij gilde den storm te boven, en viel neêr.... Maar ik
+haastte mij naar den wagen, sprong op den bok...
+
+--Hoè! Hoè! riep ik tot de buffels: hoe de brave beesten begrepen!
+
+Maar achter mij, door het slik, sleepte de harpij zich voort.
+
+--Ah! Ah! Ah! krijschte zij in woede. Mijn vleugel, mijn vleugel heb
+je ontwricht! En mijn poot, en mijn poot heb je gebroken! Ik vloek
+je, ik vloek je, ellendige knaap! Ezel, die je bent, om mijn min
+te versmaden! Jij, die niet weet wat mijn liefde is! Jij, die mint
+iedere herbergmeid! Ezel, die je bent en weêr worden zal, iederen keer,
+dat je ooit weêr verliefd zal worden!
+
+Ik keek om, uit. De harpij was opgerezen en hinkte mij achterna met
+haren lammen poot en eén vleugel op, de andere neêr hangend, gebroken,
+slap. De regen stroomde...
+
+--Ezel, die je was en weêr worden zal, iederen keer, dat je ooit weêr
+verliefd zal worden op een ander dan mij, op een ander dan mij! riep
+de harpij.
+
+Toen zonk zij in een, op den weg, en huilde naar den hemel op.
+
+De regen stroomde. De buffels hijgden.
+
+--Hoè! Hoè! riep ik...
+
+Waar ging ik heen, in de nacht. In de donkere onheilsnacht?
+
+--Goden van Eleuzis! riep ik. Geleidt mij!
+
+
+
+Ik mende. Ik mende, geloof ik, die geheele nacht, werktuigelijk. In
+den wagen lag Davus, bezwijmd... Maar ik liet hem, zorgde alleen,
+verder en verder te komen. Ik voelde mij tot stervens moede, mijn wang
+bloedde en ook over mijn rug voelde ik het bloed tappelen: zoó had
+de harpij mij hare verliefde klauwen in het vleesch geslagen. Maar
+wat het vreemdste was, was, dat mijn rechterhand, die haar bij den
+strot had gegrepen, om de leidsels in de nacht steeds lichtte als
+van een valen fosforglans! Hoe ik ook wreef en veegde, de fosforglans
+bleef er om lichten. Onderwijl mende ik. De storm scheen gedaan, maar
+de nacht bleef zwart en de weg was niet meer dan vage, eindelooze
+bleekte, die zich verloor naar den horizon toe... Eindelijk,
+tegen den eersten schijn van den nieuwen morgen, zag ik, ginds,
+als een pleisterplaats. Ja, gelukkig: het was de posthalte, bij den
+vijf-en-twintigsten mijlpaal. Er was een herberg; ik zag het gedoe der
+stalling voor de postbuffels. Ik klakte met mijn kapotte zweep. Slaven
+keken uit; de postmeester-waard verscheen op den drempel. Ik naderde
+eindelijk, eindelijk, ten doode vermoeid. Er was begroeting. Ik
+toonde mijne papieren: "Charmides, zoon van Lyzias van Epidaurus,
+handelsreiziger, op weg naar Thessalië, gehuurd hebbende vier
+postbuffels, wordt gemachtigd bij de halte van den vijf-en-twintigsten
+mijlpaal deze buffels te verwisselen voor wederom vier postbuffels..."
+
+--Ze zien er afgetakeld uit, heer Charmides! zei de postmeester,
+naar de uitgeputte dieren kijkende.
+
+--Ik ben zelve ook afgetakeld, postmeester! zeide ik. En mijn knecht
+niet minder: die ligt in den wagen voor dood. Wij hebben zoo veel
+van den storm te lijden gehad, dat ik dacht nooit te zullen aan komen.
+
+--Storm? vroeg de postmeester verbaasd. Nu ja, het heeft wat gewaaid...
+
+--O niet meer? vroeg ik en ik weet niet waarom, maar zeide hem niets
+van de harpij en de heksen: de heksen, waaraan ik nu wel geloofde. Nu,
+op den laatsten driesprong, was het toch wel heel bar weêr!
+
+--Op den driesprong, heer Charmides? vroeg de postmeester en
+verbleekte. Was het daar toch... wel bàr weêr??
+
+Hij keek mij met bedoeling aan, maar ik zeide alleen:
+
+--Ja, het woei er nog al en het regende. Davus! riep ik. Davus! Ben
+je wakker??
+
+--Waar ben ik? vroeg Davus met zwakke stem.
+
+--Bij de posthalte, antwoordde ik. Kom Davus, kom bij en sta op...
+
+--Wat is er gebeurd? vroeg Davus, wankelend uit den wagen komend.
+
+--Je bent van schrik bevangen, zeide ik; door dien plotselingen
+storm. Je bent bezwijmd en ik heb maar zelf gemend...
+
+--Heer! zeide Davus, een schim gelijk. Was het alleen storm of waren
+het...??
+
+--Kom, Davus! zeide ik ruw. Word helder. Eet eerst wat en ga dan naar
+bed. Wat heb ik aan een knecht, die bezwijmt om donder en weêrlicht,
+zoo dat ik zelf moet mennen...
+
+De postmeester liet de buffels uitspannen, stalde mijn wagen, borg mijn
+bagage. Hij had eén kamer, voor mij en Davus. In mijn kleinen, metalen
+reisspiegel zag ik, dat ik er uit zag, als Davus, een schim gelijk!
+
+--Postmeester, zeide ik. Wij zijn moê. Ik zoû niet gaarne morgen weêr
+voort willen trekken. Ik moet naar Hypata en de weg is lang. Ik wensch
+een paar dagen hier te toeven. Kan dat?
+
+--Voorzeker, heer Charmides, zeide de postmeester. Uw kamer is de
+uwe, voor u en uw knecht. Ik heb nog enkele andere kamers en slechts
+twee gasten, die de mooiste kamers bewonen: dat is Demifo met zijne
+vrouw Nausistrata; zij zijn hier met groot gevolg van slavinnen en
+slaven en op weg naar Lamia, waar een aanzienlijke erfenis hun ten
+deel is gevallen. De reizigers, die dezer dagen zullen komen en gaan,
+kan ik altijd wel onder dak brengen, ook al blijft ge langer toeven
+dan meestal een reiziger toeft.
+
+Ik bedankte den postmeester, ik at, Davus verzorgde mijne wonden; ik
+sliep, ik ging daarna in gepeinzen den weg op. Het was een namiddag van
+zilveren licht, gezeefd door zacht grauwe najaarswolk en er beefde een
+oneindig weemoedige teederheid door de luchten, die zich weefden boven
+den weg en over de velden en weiden. Ik liep den weg af; dankbaar dacht
+ik aan de goden, die mij hadden behoed. Er was als een klare kalmte
+in mij, een lief, teeder gevoel vol schoonheid, zoo als somtijds mij,
+trots al mijne lichtzinnigheid, doorvaren kon. Niemand liep over den
+weg: het was er de eenzaamheid, de weemoed, de schoonheid. Ik weet niet
+welke vreemde rust mij omgolfde. Toen zag ik als een zilveren zee...
+
+Het was, ter zij van den wit stoffigen postweg, een wijd veld, vol
+gebloeid van zacht stralende zilverasters. De duizenden bloemen, met
+bloembladeren als lichtende straaltjes, verdrongen zich dicht tegen
+elkaâr en onafzienbaar in weligsten bloei. Het was of de geheele
+hemel al zijne sterren dien middag had neêr gezaaid over de aarde:
+het veld scheen als met sterren bezaaid, die zacht, zacht zilver
+straalden. De sterren stonden op de hooge stelen uit en er was meer
+gebloemt dan gebladert. Het woekerde er van zilveren sterren. O,
+wat waren het mooie, zacht glanzende bloemen en zóó velen, dat het
+een sprookje van sterren en bloemen scheen! Een oude tuinman, met
+spâ in de hand, zag mij komen en groette.
+
+--Wat heerlijke bloemen! bewonderde ik. Wie kweekt ze hier?
+
+--De Isispriester Clitifo, zeide hij; die woont ginds, vèr, in dat
+eenzame huis, waar hij vaak in overpeinzingen maanden blijft....
+
+--Waarom kweekt hij ze? vroeg ik.
+
+--Het zijn weldadige bloemen, zei de oude tuinman. De zilverasters
+zijn weldadige bloemen. Zoo heilig als de Lotos zijn zij niet, maar
+zij bezitten toch de wondere kracht...
+
+--Welke dan? vroeg ik.
+
+--Die der ontheksing, zeide de tuinman. Dit is het gezegende veld...
+
+Ik herinnerde mij Fotis' talisman, voelde aan mijn hals, maar de
+talisman was verdwenen, vermoedelijk mij door de harpij ontrukt. En
+ik herinnerde mij Demea's filter, die ook onthekste...
+
+--Zijn hier dan werkelijk heksen?
+
+--Heer, zeide de tuinman. Gij zijt in Thessalië. Gij nadert Hypata:
+een mooie, rijke stad, maar vol slechtheid. Hoewel Hekate, in zich,
+geen slechte godin is, zijn velen die haar aanbidden, slecht. Heer,
+daarom kweekt mijn meester de zilverasters...
+
+Ik zag rond over het stralende veld. De bloemenweide strekte zich uit,
+tot aan den horizon, bloem tegen bloem, zilveren aster tegen zilveren
+aster, glanzende ster tegen glanzende ster.
+
+--O, zaligheid! dacht ik. Zalig als de Elyzeïsche velden! Zoû ik u
+altijd langs mijn weg ontmoeten?
+
+De oude tuinman glimlachte mij toe: het scheen mij, dat hij mijne
+gedachte raadde.
+
+Een zachte wind stak op en voer door de zilveren bloemen als met een
+grauwende golf, die weêr op schuimde en blanker verstraalde... Ik
+had nimmer schooner en zaliger tuin aanschouwd.
+
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+
+Toen keerde ik op mijn passen terug... En er was als een zilverreine
+effenheid in mijn gemoed.
+
+Plotseling schokte ik op uit die weldadige stemming. Voor de
+posthalte stond een groote vrouw: zij was in een rijk plooiende,
+donkergroene palla gehuld, die, over haar hoofd heen getrokken, haar
+den rug, dien zij mij toegekeerd hield, omgoot in een nauwte van
+gebeeldhouwde lijnen, weg golvend over haar eveneens rijk plooiende
+stola en een puntige, ronde reishoed van riet beschaduwde het reeds
+in palla-slip omlijste gelaat, drie-kwart gekeerd naar mij toe. Zij
+zag mij niet... Toen ik naderde, bespiedde ik, hoe hare zeer donkere
+lokken langs haar roomblank gelaat neêrvielen als met twee donkere
+druiventrossen. Met een grooten reiswaaier van palmblad beschutte zij,
+opgeheven de eene arm, uitkijkende, zich den blik... De ondergaande
+zon wierp een halo van wemelend stofgoud om haar heen, waar zij stond
+op den wit stoffigen weg. Mijn hart klopte naar mijn keel, ik had
+nooit nog zoo een heerlijk schoone vrouw gezien!! Haar boezem deinde
+lichtjes in den, met den anderen arm er overheen getrokken, mantel,
+die, groen, glanzende gouden vegen pakte... Wat waren er toch mooie
+vrouwen ter wereld!!! Wat was deze betooverend schoon...!
+
+En ik naderde haar... Mijn gemoed was zóo fel bewogen, dat mijn oogen
+knipten verblind, dat mijn lippen en keel droog voelden... Ik naderde
+haar... Schielijk zag ik even rond, of iemand mij gade sloeg... Er
+was niemand, noch op weg, noch voor herberg, dan zij en ik, dien zij
+niet zag... En de gedachte schoot snel door mij heen haar te zeggen:
+Vrouwe, gij zijt schoon en ik heb u lief: wilt ge de mijne zijn...?
+
+Ik naderde, ik was genaderd, haar geur bedwelmde mij heviger. En
+reeds wilde ik de lippen openen om te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon
+en... toen ik plotseling mij bewust werd door een vreemde kracht
+buiten mij? in mij? voor-over te worden geduwd, gedrongen, gedrukt,
+zoodat ik den rug moest buigen en met de handen viel over den grond
+voor over. En te gelijker tijd opende ik de lippen, fluisterend,
+maar in plaats dat ik fluisterde:
+
+--Vrouwe, gij zijt schoon... kwam er een heesch, schor, vreemd, mijzelf
+onbekend en onaangenaam aandoend geluid uit mijn keel en balkte ik,
+een ezel gelijk:
+
+--Hi-ha: rouwe, rij rijt roo...oon!
+
+Met zulk een verschrikkelijk, toch fluisterend gekrijsch als alleen
+een verliefde ezel zoû kunnen slaken, die een ezelin voor zich op
+weg of weide zag...
+
+De schoone vrouw verschrikte hevig, slaakte een doordringenden gil
+en vluchtte, omziende, de herberg in, roepende:
+
+--Help mij! Help mij! Een verliefde ezel!
+
+Ook ik schrikte hevig... En steeds stond ik, gebogen, op handen en
+voeten en toen...?
+
+Toen voelde ik, als een niet zegbare na-pijn, dat mijn rug was
+uit gerekt, mijn hoofd tot een bek zich verlengd had, mijn handen
+hoeven werden, mijn sterke armen sterke ezelspooten, mijn beenen
+ook, dat mijn ooren groeiden en mijn tanden zich vierkantten tot
+mozaïeksteenen zoo groot, dat mijn ruggegraat zich strekte tot een
+staart, dat mijn geheele lichaam zich bedekte met een effen grauwe
+vacht, dat een lange tong mij de lippen lekte, terwijl geheel dit
+nieuwe wezen mij vreemd aan deed en onbehagelijk als niet het mijne,
+hoewel toch mijn ziel de mijne gebleven was...!
+
+Ik was een ezel! Ik was in een ezel veranderd! Ik herinnerde mij,
+in een flits door mijn menschelijk brein in ezelekop, de vervloeking
+van de harpij, die ik niet meer geteld had dan ijdele woorden,
+ijdele bedreiging! Ja, ik was in een ezel veranderd! En van overal,
+achter om de herberg, uit de herberg, kwamen de knechten en slaven,
+kwam Davus ook, met knuppels gewapend om mij te ranselen: den wilden,
+vreemden, verliefden ezel, die Nausistrata, de vrouw van Demifo,
+had willen bijten, misschien... misschien wel op eten!!
+
+Ik hief mijne ezelshoeven van den grond en zette het op een rennen. Ik
+rende den postweg af: ik voelde mij groot, sterk, vlug, maar... een
+ezel! Ik was een ezel! Maar een ezel met menschegedachte, want ik
+deed wat nooit een achtervolgde ezel zoû hebben gedaan: ik verborg
+mij, ter zij van den weg, in de hoog strengelende zilverasters van
+Clitifo's tuin en hurkte neêr, onzichtbaar, grauw ik tusschen de
+zilveren bloemen...
+
+Tuin van ontheksing, herinnerde ik mij des tuinmans woord. Tuin van
+ontheksing!! Zoû ik werkelijk... Zoû ik werkelijk door zilverasters
+kunnen worden onthekst? Was Aristomenes, die door Meroë van Hypata
+was behekst in een zwijn, niet onthekst door roode amaryllis??
+
+Gulzig sloeg ik mijn ezelebek in de zilverasters, maar met een gevoel
+of ik heiligschennis bedreef. En at ik de zilverasters, brak ik ze
+af met mijn ezeletanden, verslond ik de heilige bloemen... Het was
+allervreemdst maar, te gelijker tijd, dat op den weg, in een van
+laatste zonnegoud doorpoeierde stofwemel, de slaven en Davus met
+knuppels aan liepen, rukte een magische kracht mij omhoog op de
+achterhoeven, voelde ik mij krimpen, rilde een koorts mij over de
+leden, voelde ik mijn staart verkrinkelen, mijn ooren verkleinen en
+stond ik tusschen de asters, terwijl mijn harige vel weêr mijn gladde
+huid en grijze reiskleed verwerd...
+
+Ik rees uit de bloemen op en Davus en de knechten zagen mij. Een
+inwendige stem ried mij te zwijgen over wat er mij was geschied.
+
+--Wat is er? vroeg ik allen.
+
+--Heer, zeide Davus; wij zoeken een wilden ezel, die de edele
+Nausistrata bijna verslonden heeft!
+
+--Ik heb, zeide ik; juist een ezel over den weg zien rennen, maar--loog
+ik--het was geen gewone ezel. Het was een ezel met vlerken en hij vloog
+weg, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels, de lucht in...
+
+--De lucht in, heer?? riepen ontsteld Davus en de knechten.
+
+Ik verzekerde het en zwoer bij de goden, godlastering mijn woord
+tusschen de goddelijke bloemen, die mij hadden gered. En ging tusschen
+de mannen terug.
+
+Voor de herberg lag de schoone Nausistrata, half bezwijmd nog, in
+een leunstoel en haar man, Demifo, en de postmeester en hare vele
+slavinnen beijverden zich om haar rond. En Davus riep reeds van verre:
+
+--De ezel sloeg vlèrken uit: wij hebben het àllen gezien en hij
+verdween in de lucht, daar ginds tusschen de olijveboomen en de
+heuvels!!
+
+--Die ezel wàs geen ezel! riep ik.
+
+--Neen! riepen alle de knechten en slaven. Die ezel was een booze
+geest!
+
+--O! riep Nausistrata en stond wankelend op. Ik wil weg van deze
+euvele plaats! Een ezel, die geen ezel was! Een gevleugelde ezel,
+die mij te lijf wilde, vermoedelijk mij wilde ontvoeren door de
+luchten! Er gebeuren toch verschrikkelijke dingen in Thessalië! Als
+te Lamia ons niet die erfenis wachtte... Demifo! Demifo! Geen uur
+blijf ik langer hier!!
+
+Bevelen werden gegeven. Een uur later vertrokken in drie reiswagens
+Demifo en Nausistrata met groot gevolg. Hoewel de nacht viel... Maar
+Nausistrata had liever willen vertrekken in de nacht, dan blijven
+ter plaatse, waar een gevleugelde ezel misschien nog zweefde door de
+betooverde luchten! En hare slaven en slavinnen, die opgepakt in twee
+der reiswagens zaten, hadden schelle koperen bekkens en ratels en
+rammelaars in de hand en zij maakten er een ontzettend lawaai mede,
+een schel klinkend geklinkklank, een getingelingeling van klokjes en
+een geboeng-boeng-boeng van cymbalen, om verre de slechte geesten te
+houden. Zoo verdween de reisstoet de nacht in tusschen oorverdoovend
+gedruisch.
+
+En viel de stilte van duisternis over de eenzame posthalte aan den
+verlatenen heirweg. Alleen, staande voor de deur, keek ik uit. Ginds
+blankte een zilveren vaagte, de astertuin... Mijn hart klopte van
+beduchtheid... Ik was onttooverd... maar... zoû ik werkelijk iederen
+keer, dat ik verliefd werd, in een ezel worden herschapen? Zoû de
+vervloeking van de harpij haar invloed doen gelden, iederen keer,
+dat ik... Troosteloos verschiet! Ik was zoo jong, zoo verliefd van
+aard en...
+
+Een groote somberheid overviel mij. Drie nachten sliep ik bijna niet,
+meende telkens, bij iedere vrouweschim, die rees in mijn droom of
+wakende herinnering, dat ik in een ezel veranderde... En voelde ik
+mijzelve angstig aan in mijn bed. Den vierden morgen vertrokken wij:
+zwijgend mende Davus. Wij gingen door Thrachis, vol heugenis aan den
+grooten Held, Herakles, die hier had vertoefd met Deianeira. De Mythe
+zweefde als een onsterfelijke godin in de luchten. Links rees de Oita
+omhoog, op welks top Herakles in den vuurgloed zijn ziel had geslaakt,
+die ten hemel gestegen was. De herfst purperde om mij heen met de
+pracht van Dionyzos' druiven, wier wingerden de festoenen slingerden
+langs de bergflanken, terwijl het verschiet weg dreef in wazen van
+morgenmist, waarin de vochtige parelen hingen. Toch bleef ik vol
+argwaan en somber. Wij naderden Hypata... Ginds, in de Noordelijke
+verte, blankten reeds de tinnen van hare poorten. Onderweg, aan een
+posthalte, wisselden wij van buffels. Tegen den middag naderden wij
+de stad...
+
+Juist toen wij haar binnen trokken, kwam uit de stad een stoet ons te
+gemoet en er was verwarring. En om den stoet te doen trekken voorbij,
+dreef Davus ons vierspan ter zijde. Het waren Nubische voorloopers,
+met zweepen en keelgeluid klakkend; het waren gewapende wachten; het
+waren slaven te dravende voet; het waren aanzienlijke jongelieden
+te paard; het waren vier, vijf draagstoelen, getorst door stevige
+dragers... Het was, hoorde ik, een schatrijke landeigenaar, die voor
+de wijnfeesten naar zijn landgoed trok. Uit den wagen gesprongen
+zàg ik hem: een voorname, prinselijke man: hij zat te paard en reed
+tusschen zijne bloedverwanten en het volk om mij, dat toe keek,
+noemde zijn naam: Menedemus... Ook Davus, op zijn bok gebleven,
+keek toe. Plotseling werd mijn oog echter getroffen door een rijken
+draagstoel, waarin, met twee dienaressen, een jonkvrouw, half liggende,
+gezeten was. Een schok doorvoer mijn ziel en lichaam; nimmer nog had
+ik zoo lieflijke schoonheid aanschouwd... De maagd, die daar voor
+mij henen gedragen werd, scheen mij Psyche zelve toe, de geliefde
+van der Liefde god!! Hoewel haar gelaat voor de reize was omspeld
+in dunne sluiers, waarboven een puntige hoed van zilverachtig rijs,
+zag ik er het fijne ovaal van haar allerlieflijkst gelaat door heen,
+zuiver getrokken in zoo ontroerend teedere lijn, dat ik voor haar had
+willen knielen. Enkele gouden lokjes kruifden den sluier uit. Hare
+oogen zagen mijn kant uit zonder mij te zien en die oogen waren groot
+en blauw en zoo lieflijk onschuldig en rein als blauwe lotus. Zij
+glimlachte juist en het was of haar glimlach een glans uit straalde en
+op straalde over haar geheele gelaat. De blauwe mantel liet de teedere
+lijn van hals en borst slechts raden, maar de hand, die uit de plooien
+te voorschijn bewoog en den rieten waaier hield, was een aandoenlijke
+belofte van alles wat verborgen bleef: zoo klein en edel, zoo fijn en
+rank met iets, dat aan een lelie denken liet. Aan lotus en lelie, aan
+zonnegoud en mereblauw deed dit lieflijke wezen mij denken, in dien
+flits, dat ik haar zag. Ik liep meê. Er was gedrang voor de poort,
+die de stoet uit trok... Ik liep meê, naast den draagstoel, bijna
+naàst haar: ik had haar aanbiddelijke hand kunnen beroeren. En een
+zalige warmte doorvloeide mijn hart, zoó, dat ik had kunnen stamelen:
+
+--Toef even, o gij, die langs mij heen gaat als een hemelsch vizioen,
+opdat ik voor u kniele en u aanbidde...
+
+Op het zelfde oogenblik, dat ik dit in de poort dacht, tusschen het
+dichte gedrang, voelde ik een geweldigen ruk, die mij voor-over drong,
+drukte, dwong en stond ik op handen en voeten. En ik stamelde niet,
+maar balkte verschrikkelijk:
+
+--Hi-ha...
+
+De maagd verschrikte, hield de hand aan het oor, lachte even zoó
+zacht en lieflijk, dat ik van zaligheid weg smolt... Maar ik was een
+ezel! Ik stond even buiten de poort op den heirweg als een ezel! Ik was
+in een ezel veranderd. Ik werd mij bewust van mijn kop, bek, staart,
+hoeven en grauwe vacht... En de stoet draafde en liep mij voorbij.
+
+Mijne herschepping scheen in het gedrang van ruiters, karren, wagens,
+draagstoelen, voetgangers niet bespeurd te zijn. Wie, die het had
+kunnen bespeuren, zoû zijne oogen hebben willen gelooven! Wie kon
+bespeurd hebben in zulk gedrang, dat een mensen was verdwenen en een
+ezel verschenen in dat ondeelbare oogenblik van herschepping. Zij
+duwden mij, schopten mij, grepen mij zelfs, omdat ik, een onbeheerde
+ezel, zeker ontvlucht, daar balkte en liep over den heirweg...
+
+Even uit den draagstoel keek de zoete maagd uit, keek zij naar mij. Zij
+glimlachte en hare lotus-oogen ontmoetten mijne ezelsoogen. En ik
+weet niet waarom, maar op dat zoo noodlottige oogenblik mijner
+wederom onverhinderbare metamorfoze, zegende ik het toeval, dat
+haar maagdeblik ontmoette mijn ezeleblik en scheen het mij toe, dat
+hare gedachte één oogenblik van zaligheid-voor-mij tot mij toe ging,
+onverklaarbaar... Misschien, dat zij niets anders dacht dan:
+
+--Arme ezel, die daar wordt geduwd en geschopt, in dat dichte
+gedrang...
+
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Op dit oogenblik, dat ik gegrepen, geduwd, getrapt, geschopt werd
+te midden van het dichte gedrang, kwam Davus de poort om kijken en
+vroeg den poortwachters, die toe zagen:
+
+--Hebben jullie mijn meester ook niet gezien?
+
+--Welken meester? vroegen de poortwachters, en ik hoorde alles heel
+goed met mijn lange ezelsooren, die spitsten.
+
+--Mijn heer, met wien ik reis! riep Davus, in verbijstering om zich
+heen ziende. Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus! Hij is den
+wagen uit gesprongen, toen de stoet van Menedemus de poort uit trok;
+hij is, geloof ik, even meê geloopen en nu zie ik hem niet meer en
+weet niet wat er met hem gebeurd is!! Een mensch kan toch maar niet
+zoo op eenmaal verdwijnen!
+
+De drukke menigte, nu de stoet zich op den heirweg verloor, vloeide
+geleidelijk de stad in en uit, maar éen van de poortwachters en een
+paar stedewachten hielden mij vast aan mijn opstaande manen, terwijl ik
+onwillig wilde ezelbewegingen maakte, mij schudde, ongeduldig, wanhopig
+zwiepte met mijn langen ezelstaart... "Davus!" had ik willen roepen;
+"ik, deze ezel, ben je meester!" Maar ik slaakte niet anders dan een
+afschuwelijk gebalk:
+
+--Hi-ha!!
+
+--Je heer is er heusch niet! zeiden de mannen rondom.
+
+--Zeker is hij meê geloopen met den stoet! weeklaagde Davus. Als hij
+een schoone vrouw of jonkvrouw ziet, is hij buiten zichzelf en... die
+maagd in den draagstoel was wel bizonder lieflijk...
+
+--Zij was Charis, Menedemus' dochter, zeiden de mannen; ja, zij is
+wel betooverend mooi!
+
+--Zeker is hij meê geloopen? weeklaagde wanhopiger Davus. Wachters,
+mag ik jullie onzen reiswagen toe vertrouwen, en vertrouwen jullie
+mij dien weg geloopen ezel toe? Dan bestijg ik zijn ongezadelden rug
+en ren naar den stoet, om mijn meester te zoeken en hem te zeggen
+hoe onverantwoordelijk hij handelt!
+
+En werkelijk, de poortwachters en stedewachten stemden toe! Zij zouden
+den reiswagen achter de stadspoort ter zijde geleiden uit de drukte
+van het verkeer en zij stonden toe, dat Davus mijn rug besteeg!!
+
+--Het is toch maar een vreemde ezel! zeiden de wachters en de wachten
+zeiden:
+
+--En niemand weet aan wie hij behoort!
+
+En Davus slingerde zich op mijn rug. Daar zat hij, mijn knecht
+op zijns meesters rug en ik voelde in mijn grauwe flank zijn
+hiel! De vreemdste gewaarwordingen bedrongen mijn menscheziel in
+mijn ezelelijf. Als mensch-in-ezel was ik zeer verontwaardigd, dat
+mijn knecht Davus mij bestegen had, mij spoorde met zijne hielen en
+met mij den stoffigen heirweg afstormde. Ik draafde hevig, met de
+hoeven tegen mijn onderlijf. Maar trots die verontwaardiging, was
+ik zalig blij den stoet na te rennen en kans te hebben, al ware het
+met ezelsoogen, de lieflijke Charis weêr te zien. Tevens smachtte ik
+met hevig verlangen terug naar den tuin der zilveren asters... Wat
+al gemoedsbeweging voor dubbel betooverd mensch in grauw fluweelige
+ezelepens! Wij draafden, wij draafden, wij naderden... Davus riep
+naar de achterhoede van den stoet: daar waren slaven en wachten:
+
+--Is onder u ook mijn meester: Charmides, de zoon van Lyzias? Is hij
+niet meê geloopen met uw stoet?
+
+Maar de slaven en wachten riepen, dat zij niet wisten van Lyzias'
+zoon, Charmides...
+
+Plotseling keek de lieflijke Charis achter om, achter uit... Maar
+helaas, mij zag zij niet aan; zij zag nu slechts Davus en ik hoorde
+haar stem, zacht lachende:
+
+--Wat wenscht die ruiter op zijn ezel?
+
+--Edele jonkvrouw, o Charis! riepen de wachten en slaven; hij vraagt
+naar Charmides, Lyzias' zoon...
+
+--Uit Epidaurus!!
+
+O, vreemde zaligheid, die mij door voer, terwijl Davus, op hun aller
+betuigingen van onwetendheid met Charmides, Lyzias' zoon, zijn vaart op
+mijn rug bedwong! Vreemde zaligheid, dat Charis hoorde van Charmides,
+zoo als Charmides van Charis hoorde! Zaligheid, ons beider namen
+hadden samen geklonken in die zelfde ure, als in een zelfde harmonie
+van bekoring! Nooit zoû ik, ezel of man, vergeten lieflijke Charis'
+naam en misschien, dat Charis niet vergeten zoû, hoe buiten de poort
+van Hypata tot haar oor was door gedrongen de naam van Charmides,
+Charmides, die haar aanbad! O, zoo de goden, de zalige, van Eleuzis,
+eens weêr samen zouden doen klinken, in eene zelfde ure, die beide
+namen van Charis en van Charmides, van Charmides en van Charis!
+
+Intusschen wenschte ik niet terug naar de stad! Ik wilde naar den
+astertuin en terwijl de stoet van Menedemus den zijweg insloeg,
+die zeker naar zijne landgoederen geleidde, stond ik schrap op de
+hoeven, koppig mijn ooren spits, mijn staart ingetrokken tusschen
+de achterpooten, terwijl Davus alle moeite deed om mij op mijne
+passen te doen keeren. Ik sloeg met de achterpooten uit, als een
+echte ezel en Davus tuimelde mij over den kop! O, hoe ik wenschte
+hem te doen begrijpen. Maar ik kon niet spreken. Ik poogde met
+mijn rechter-voorhoef op het stof van den weg te schrijven: ik ben
+Charmides, maar Davus begreep niet mijn vreemde arabesken en het
+stof was zoo wit en mul! En toen Davus, vloekende opgestoven, mij
+weêr wilde bestijgen, steigerde ik, wierp hem weder af en zette het
+op een loopen. Als of ik een ezel-op-hol was!
+
+Naar de zilverasters! Naar de zilverasters! suisde het in mijn
+arme ezelehoofd. Naar de zilverasters terug! Den geheelen langen
+weg terug! Meer dan dertig mijlen terug! Ik rende, ik holde. In den
+avond, die viel, holde ik terug. De weg was eenzaam en een violette
+damp hulde de weiden en velden ter zijde in eene somberheid, waarin
+vale wezens schenen te waren. Een onwezenlijke wind, die, ik wist
+niet uit welken windstreek woei, hulde om mij. Het was of een vlerk
+mij sloeg. En plotseling, waar de weg helde naar een ravijn, dat ik
+af holde, was ik weêr omdrongen door de gedrochten. En hoorde ik een
+grijnslach en zag ik een grimlach.
+
+De harpij! De harpij!! Zij vlerkte om mij rond en vloog mij toen op
+den rug. En zij riep:
+
+--Mijn vlerk, mijn vlerk is al weêr genezen! En mijn poot, en mijn
+poot is weêr heelemaal heel! Hu! Hu! Naar den astertuin! Naar den
+astertuin! Dat wij hem vernielen! Dat wij hem vernielen!
+
+Langs den weg terug, holde ik, de harpij, van wie ik mij niet bevrijden
+kon, schrijlings op mij gezeten, met hare mij schurende vogelpooten,
+hare pooteklauwen mij verscheurende aan mijn buik, hare magere armen
+om mijn hals en hare hande-klauwen aan mijn keel. Boven ons, als een
+stormwind, drong de woeste horde meê. O, ik geloofde aan heksen! Al
+die gedrochten waren heksen en zij wilden Clitifo's zaligen tuin met
+zilverasters vernielen!
+
+Hoe vele uren duurde de onheilige rit? Ik weet het niet, ik holde,
+ik holde maar voort. Dat wat anders geschiedt alleen in den
+droom, geschiedde mij door den heksendrang en ik holde, ik holde
+maar voort. Het was pikzwarte nacht. Soms scheen het mij toe, dat
+ik zweefde boven den grond, als of de harpij hare wijde vlerken
+hield uitgespreid, en ik niet meer met eigen hoeven tikte tegen den
+weg, maar voort werd bewogen zonder eigenen wil. Een troost was,
+dat zij niet anders wilde, dan ik gewild had: naar den astertuin,
+naar den astertuin, al ware het dan ook om met hare horde dien te
+vernielen. Eensklaps klaarde in de verte een zachte schijn. Het waren
+in de heksennacht de velden der zilver-asters en aan het einde dier
+velden bleekte Clitifo's blanke huis.
+
+Met stormgeweld, gekrijsch en kreten wilde de horde, wilde ook de
+harpij met mij zich neêr storten op de gaarde, en over den grond, toen,
+o, wonder, uit een groote lamp, een gondel gelijk, die stralend boven
+het huis verzichtbaarde, als een zee van zilveren schijn verklaarde
+door de onheilsnacht en ik staarde verblind in een vloed van blanken
+glans, die uit vlood. En te gelijker tijd weêrklonk een welluidend
+geklater van sistrum-snaren, aangetikt door zilveren staven, zoo
+heilig, zoo rein de muziek, dat razende de heksen opstormden en ik,
+een ezel, eenzaam stond tusschen de zilveren bloemen, in het zilveren
+licht, om mij de zilveren melodie. En het was zoo zalig, dat ik de
+bloemen met mijn dierebek niet dorst benaderen.
+
+Maar mij naderde een witte man tusschen tal van witte maagden en zij
+tikten de sistrum-snaren. En de man, die Clitifo was, bood mij de
+zilveren asters.
+
+Ik boog mij, ik at. Ik was mijzelve, mensch vóor Clitifo.
+
+--De weg terug, zeide hij, of hij alles wist; is de weg, die nutteloos
+schijnt, maar nuttig der boete is.
+
+--Heer, zeide ik; wat is mijn zonde, waarvoor ik moet boeten?
+
+Hij antwoordde niet, maar langs mij schreden de maagden, wier
+sistra-klanken verklonken.....
+
+--Zie ze aan, zeide Clitifo.
+
+Ik zag ze schrijden langs mij heen.
+
+--Vindt gij ze schoon? vroeg Clitifo.
+
+Het waren schoone maagden, maar zij schenen mij schimmen, verschijnende
+en verdwijnende...
+
+--Zij zijn schoon, heer, zeide ik, onverschillig.
+
+--Gevoelt ge liefde voor éene harer, om haar de uwe te noemen? vroeg
+Clitifo.
+
+--Neen, heer, zeide ik; want ik zag Charis...
+
+--Zoo blijf trouw, zeide Clitifo.
+
+--Trouw is niet mijn wezen, weerde ik af; zoo ik schoonere vrouw zag
+dan Charis, zou ik niet trouw zijn, heer.
+
+De heksen waren heen; de sistra waren verklonken; de heilige schijn
+taande en alleen de zilverasters schemerden. Clitifo glimlachte mij
+toe, met een meêlijden, dat ik niet begreep.
+
+--Laat mij u geleiden naar huis, en rust uit, en morgen zult ge den
+weg terug gaan der boete, toe naar verdere beproeving.
+
+Ik liet mij leiden, een kind gelijk.
+
+
+
+Dien volgenden morgen vroeg reisde ik, te paard, met een dienaar van
+Clitifo, ook te paard achter mij, naar Hypata. Het was een stralende
+herfstmorgen, met een zon van zaligen goudschijn, die verspreidde zich
+over de zacht azuren flanken der bergen, waar de morgenschaduwen,
+de eene na de andere, ontwaakten en weg schemerden in het alomme
+licht. Wat was het wijd en hoe welig wingerden de wingerds en
+slingerden in festoenen van olm naar eik! Een droom, een nachtmerrie
+geleek mij de vorige nacht, een niet te gelooven begoocheling... Zoû
+ik werkelijk hier, langs dezen zelfden weg, gehold zijn, met een
+harpij voorover geheld op mijn rug? Ik geloofde mijn eigen herinnering
+niet... Het voelde zoo rustig en goed aan in mijn gemoed en tusschen de
+heugenis van naklank der sistra-tonen klonk het door mijn effene ziel:
+
+--Charis! Charis!...
+
+Ik naderde Hypata's poort en dadelijk zag ik Davus. Hij zat, uitgeput,
+bij de poortwachters op hun steenen bank en toen hij mij zag, gaf
+hij een gil van geluk.
+
+--Heer Charmides! riep mijn arme Davus. Zijt ge dan daar! Ik heb u
+gisteren den geheelen dag gezocht, op den heirweg en in de stad! Waar
+zijt ge geweest??
+
+--Ben ik je rekenschap schuldig? zeide ik koel en hard. Ik ontmoette
+in het gedrang Clitifo, den Isispriester, ik vergezelde hem. Thans
+ben ik hier weêr terug en zullen wij een herberg zoeken...
+
+Mijn stem had onzeker geklonken en ik voelde, dat Davus, de
+poortwachters, de wachten mij vreemd, ongeloovig, bijna angstig
+aanzagen. Ik steeg af, beloonde Clitifo's dienaar, die met de twee
+paarden vertrok. Davus, uit de schuur bij de stadspoort, voerde
+de postbuffels en spande ze voor den wagen. Wij reden de stad
+door,--zoekende naar de herberg, die de poortwachters hadden genoemd.
+
+Een bont krioelende menigte vulde de groote stad, wier breede straten
+met prachtige portieken en van vergulde Nikè's pralende paleizen
+voerden naar het forum. Plotseling uit een dier paleizen, de treden
+der trappen af, ontrolde zich een stoet en het volk drong samen om
+te zien. Op een draagbedde droegen zwarte slaven een glimlachende
+hetære aan. Ik sprong uit den wagen...
+
+--Heer! riep Davus. In aller goden heiligen naam! Verdwijn weêr niet
+voor mijn oogen, omdat ge een schoone vrouw ziet!
+
+Ik zag toe.... Om mij hoorde ik fluisteren:
+
+--Meroë! Meroë!
+
+Ik herinnerde mij! Dat was Meroë, die Aristomenes, den armen
+dichter-toerist, in een zwijn had behekst, tot hij de roode amaryllis
+gevonden had! En werkelijk, Meroë, die daar in praal werd aangedragen,
+op een bedde van Babyloniesch tapijtwerk, onder vijf schermwaaiers van
+pauwgeveêrte, tusschen een stoet van wirrelende danseressen, dansende
+fluitspelers, hield, met een hand, glimlachende, aan vergulde kettingen
+twee zwijnen vast, die, zacht grommende, links en rechts van haar
+draagbedde, krulgestaart, mede waggelden... Onderwijl speelde hare
+andere hand, juweel-overflonkerd, met roode amaryllissen op lange
+stelen en tartende hield zij de bloemen dicht bij de snoeten der
+zwijnen! En al dat volk, o goden, al dat volk wist niet of geloofde
+niet, dat daar in stralenden zonschijn door Hypata's straten een heks
+ging, die twee in zwijnen betooverde minnaars mede voerde in haar
+stoet! Goden van Eleuzis, waar was ik verdwaald! In welke onzaligheid!
+
+Meroë's oogen ontmoetten mijn oogen.
+
+--Heer! riep Davus, als of hij geraden had. Pas op!!
+
+Maar mijne oogen tartten Meroë's oogen. Hare oogen waren als stralende,
+zwarte karbonkelen, die zochten te betooveren met beloften van
+wellusten, der menschheid onbekend... Maar ik, ik voelde nog de
+bekoring van lotosblauwe maagde-oogen.
+
+Ik werd niet verliefd....
+
+Ik veranderde niet in een ezel...
+
+--Kom! zeide ik tot Davus, instijgende--de stoet vloeide voorbij. Laat
+ons de herberg zoeken...
+
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Welnu, ik was in Hypata. De herberg was er groot, meer een
+aanzienlijk diversorium [1] en ik stelde er mij, gedachtig, dat ik
+een handelsreiziger was, in betrekking met verschillende handelaren:
+zij kwamen bij mij om te zien mijne stalen van purper, mijne monsters
+van parelen, het grein van mijn wierook en geurwerk. Ik deed werkelijk
+geen slechte zaken. Verder leefde ik er als een vermogend jongmensch,
+die twee, drie eerste dagen, bezocht de Thermen des middags en de
+portieken des avonds en was er dadelijk, door mijne betrekkingen,
+omringd door een kring van vrienden en kennissen. En de stad scheen mij
+zelfs levenslustiger en schooner toe dan Corinthe, dat toch eigenlijk
+reeds verviel en insliep... Wat dreef er toch voor opwekkends in de
+lucht van Hypata?? Als een geheime dronkenschap, die deed grijpen
+naar bekers, naar àlle genot om te leven...!
+
+Het was vreemd, maar in die levenslustige stemming... werd ik niet
+verliefd. Des avonds, die eerste drie dagen, lag ik met de nieuwe
+vrienden aan feestgelagen en mooie vrouwen waren om ons heen, zongen,
+fluitspeelden, dansten... Ik glimlachte haar onverschillig toe. Een
+soort van ongekende kuischheid verfrischte mijn ziel en gaf rust aan
+geheel mijn wezen en zelfs zoo mij omhelsden die verleideressen,
+terwijl een rozenkrans mij den kruin omgaf en de schaal overvloot
+tusschen mijn vingers, gevoelde ik niet anders dan eene gelatene
+onbewogenheid te midden harer liefdekunstige verleidingen... Tevens,
+telkens, die navrees of ik werkelijk, weêr, zoó ik verliefd weêr
+werd...? Aan Charis dacht ik vaak, maar meer als aan een onbereikbaar,
+verzweefd vizioen: ik hoorde nu, dat Menedemus de rijkste landeigenaar
+was van Thessalië, waar hij her en der uitgestrekte goederen bezat
+en dat zijne vrouw, gestorven, van vorstelijke afkomst geweest was
+en zich gesteld had onder de nakomelingen van den grooten Alexander
+van Macedonië, zoodat de lieflijke Charis ook vaak het "prinsesje"
+of het "vorstinnetje" werd bijgenaamd. Ik hoorde ook, dat haar vader
+reeds verschillende aanzienlijke dingers naar hare hand had afgewezen
+en dat hij eigenlijk een Aziatischen koningszoon wenschte voor zijne
+dochter. Ook hoorde ik, dat wie het meeste kans nog zoû hebben zoo
+rijke, schoone en bijna vorstelijke bruid te huwen, Chersonezus zoû
+zijn, eveneens een schatrijk landeigenaar van prinselijken bloede. Maar
+van wien men fluisterde, dat hij van euvele dingen wist en omgang
+had met Hekate en hare heksen... Dat gerucht was echter slechts als
+een murmeling door de feestvreugde, want eigenlijk werd van heksen
+en betoovering niet gesproken en ik ook, uit schaamte en kieschheid,
+sprak niet over wat mij gebeurd was...
+
+Nu was het de vierde dag, toen in de Thermen des namiddags een dwerg
+mij zocht.
+
+--Charmides, Lyzias' zoon, uit Epidaurus? vroeg de dwerg, bont gedost,
+terwijl ik, tusschen mijne vrienden, neêr zat onder het rozenpriëel,
+nog in wijden badmantel omplooid.
+
+--Die ben ik, zeide ik. Wat wil je, dwerg?
+
+--Uitnoodiging over brengen, van mijne meesteres, Meroë, voor dezen
+avond, en tevens aan allen, die gij in uw gevolg wilt mede nemen,
+zeide de dwerg.
+
+Ik nam aan en zond Davus met een geschenk naar Meroë: een
+gouden schaaltje vol kostbare nardusballetjes uit Taprobane; twee
+druiventrossen van amethyst: iedere druif besloot enkele droppelen
+geur en een zwijntje, uit chalcedoon gesneden. Het was sierlijk
+geschenk en toen ik, met mijne vrienden, dien avond bij Meroë kwam,
+was zij wel tevreden en ontving ons, stralende schoon als Circe,
+hare patronesse, die zij aanbad.
+
+--Pas op, heer! fluisterde Davus mij toe, steeds in angst; had hij
+dan geraden?
+
+--Davus! vroeg ik hem, terwijl der dubbelfluiten muziek om ons heen
+klonk. Waarom waarschuw je mij toch zoo vaak? Zag ik niet meér mooie
+vrouwen, matronen, hetæren of maagden? Ben ik een kind geworden?
+
+--Neen, heer, zeide Davus; een kind zijt ge niet geworden en wat ge
+geworden zijt, toen ge op eenmaal bij de stadspoort verdweent en den
+volgenden dag weêr verscheent als of niets vreemds u geschied was, durf
+ik niet zeggen, hoewel de vreemdste veronderstellingen mijn arm hoofd
+soms bedringen; zoo ik u waarschuw, is dat alleen om u, zoo mogelijk,
+te bewaren voor mijne oogen te verdwijnen, als ge een mooie vrouw ziet.
+
+Ik lachte en het feest was om ons. Meroë lokte en lonkte mij toe;
+zij lag, in het gewaad van Circe, op een bed van zonnebloemen,
+terwijl de twee zwijnen, in walgelijke aanbidding, gromden aan hare
+voeten. Ook zonnebloemen, van juweel--chryzoliet met harten van
+anthraciet--schitterden om hare slapen, op hare borsten; een juweelen
+zonnebloem straalde aan haar Circe-schepter. En om haar heen, tusschen
+de zuilen en de gordijnen en verder in een onwezenlijk tooverlandschap,
+waarover een zongroote maan rees, straalden de zonnebloemen, weken zij
+terug in stralenden bloei naar een horizon, waar zij vergloeiden... En
+ik vroeg mij al of zij heilige of onheilige bloemen waren...
+
+--Charmides! lonkte mij Meroë nader; zondt je mij een zwijn van
+chalcedoon omdat je bevreesd waart hier te veranderen in een zwijn
+van vleesch en bloed?
+
+--Ik ben niet bevreesd en was het nooit! antwoordde ik.
+
+--Ik bèn geen toovenares! lachte Meroë; al leende ik van nacht
+Circe's gewaad en al bemin ik de zonnebloemen, zoo als Circe deed,
+Helios' kind...
+
+--En al grommen er twee zwijnen aan je voet, lachte ik spottend;
+zoo als aan Circe's voet, in de tuinen van onzalig Aiaia...
+
+--Charmides! lokte Meroë weêr; wat ik wensch is enkel je kus, en weêr
+je kus en altijd je kus!
+
+Zij strekte de armen uit. Zij gloeide van liefde en alle de
+zonnebloemen gloeiden, als een vuur van duizenden vlammen. Ik naderde
+bezwijmeld; ik...
+
+Maar plotseling zag ik tusschen Meroë en mij als een vizioen op
+rijzen--Charis, zoo blank en lieflijk zuiver--en ik deinsde terug...
+
+Meroë richtte woedend zich op.
+
+--Weiger je, riep zij; mij te geven wat ik wensch en wat je gunt aan
+wie ook op je weg?
+
+--Ja! riep ik.
+
+Zij richtte zich met een schreeuw omhoog en strekte haar onmachtigen
+schepter uit. Ik had haar liefde geweigerd en veranderde niet in
+een zwijn. Maar terwijl zij verdween in een glans van gouden sulfer,
+zag ik alle de zonnebloemen verlept. En woei over het tooverlandschap
+als een vale nevel...
+
+De twee zwijnen knorden wanhopig en wentelden in een cirkel rond.
+
+--Zoek de roode amaryllis-tuinen! riep ik hen toe in een ingeving,
+dat die bloemen zouden worden gekweekt zoo als de zilverasters werden
+gekweekt.
+
+En ik vluchtte weg, door het feest, dat zoo vreemd scheen geworden,
+zoo vaal van tint, alles spokebleek in onwezenlijkheid.
+
+In het diversorium vond ik Davus.
+
+--Waarom ben je hier? vroeg ik en mijn stem klonk bleek ook als van
+een spook.
+
+--Ach heer, ach heer! weeklaagde Davus en juichte tegelijker tijd. Zie
+ik u weêr! Zie ik u weêr! Ge waart op het feest plotseling zoo ver en
+ik zag u toch tusschen allerlei zonnebloemen, die op bloeiden en toen
+ben ik gevlucht, heer, hoewel de andere feestgenooten en hun slaven
+mij verzekerden, dat gij nièt ver waart en dat deze zonnebloemen er
+altijd waren geweest! Maar zij waren dronken, heer, en ik niet en ik
+kon u niet zien in een zwijn veranderen, zoo als ik u reeds in een
+ezel veranderd wist!
+
+--Hoe weet je!? riep ik uit en greep hem wild om den pols.
+
+--Ach heer! Ach, heer! riep Davus. Ben ik dan zoo een
+stommeling? Hoorden wij dan niet reeds van Delfi af wat er gebeurt in
+Thessalië? Heb ik dan geen hersens om na te denken hoe het zijn kon,
+dat gij buiten de poort van Hypata verdweent, toen er een mooie maagd
+werd voorbij gedragen en hoe een ezel verscheen precies als er een
+ezel verscheen en weêr verdween, toen Nausistrata zoo verschrikte
+op den heirweg...? En heer, ach heer, zoo een ezel heb ik bereden
+en heb ik misschien wel geslagen en met den hiel gespoord; ik, heer,
+ik, Davus, uw trouwe slaaf, die u diende van klein jongsken af!
+
+--Het is niets, Davus, fluisterde ik hem in. Het is niets! Zwijg
+alleen, zeg nooit iemand iets. Je ziet, ik ben noch ezel, noch zwijn
+en ik heb goede zaken gedaan in Hypata. Morgen reizen wij af naar
+Farsalus...
+
+--Verder Thessalië in!? klaagde Davus. Ach heer, ik word liever
+zelf maar dadelijk een ezel, of een zwijn als het moet, dan verder
+Thessalië in te gaan!
+
+--Davus! fluisterde ik verder. De toover is nu verbroken! Wat gebeurde,
+is gebeurd en zal niet meer gebeuren. Want ik kan mij niet begrijpen,
+dat ik niet even verliefd, ja verliefd op Meroë ben geworden... Zij was
+zoo heerlijk schoon, zoo verleidelijk schoon, zoo beloftevol schoon...
+
+--Heer! Heer! Pas op!! riep Davus. Het schijnt mij toe, dat uw ooren
+reeds gaan groeien!
+
+Ik schrikte, voelde aan mijn ooren, duwde hem ongeduldig van mij,
+zonk op mijn bed en sliep, verpletterd van ontroering en moêheid.
+
+
+
+Zeker, dien volgenden dag verliet ik Hypata. Zoû ik niet verder
+Thessalië in reizen? En dan... waren er heksen? Bestonden er heksen?
+
+Ik moest mij, in mijne nog moede hersenen, herinneren, dat de harpij
+op den driesprong mij had betooverd, dat ik twee malen reeds in een
+ezel veranderd was... Dat was toch gebeurd? Wàs het gebeurd? Het
+geleek mij zoo onwaarschijnlijk, dat ik er nauwlijks aan gelooven
+kon. Want het was een kristalklare herfstmorgen en om mij heen dreef
+een gelijkmatig gouden schijn van zon over het wijde landschap. De
+reiswagen wiegelde voort, getrokken door de geduldige buffels. Davus'
+zweep klakte zacht rhythmiesch door de lucht en wij vervolgden onze
+reis als of er niets gebeurd was. Ik sluimerde half en onderwijl dacht
+ik aan allerlei mooie, lieve dingen... Aan Eleuzis, aan de heilige
+Mysteriën, waar in ik mij zoû laten wijden, zoo ik terug kwam; aan
+Charis... Ik dacht aan haar met een teederen weemoed, omdat ik haar
+vermoedelijk nooit weêr zoû zien en een wee van spijt werd ik mij
+in mijn ziel bewust. Die nacht sliepen wij in een dorp. De volgende
+nacht in een posthalte... O, de lange, eentonige reis! Wat gaf het
+mij purper te verkoopen en parels... Er waren àndere dingen, al waren
+er dan misschien ook heksen...
+
+De derde dag, sedert wij Hypata hadden verlaten, was eveneens
+in rustige reize verstreken. Wij hadden de halte voor die nacht
+bereikt. Het was te Xyniæ, aan het meer van dien naam...
+
+Ik weet niet waarom, maar ik kon die nacht niet slapen. En ik stond
+op en verliet de herberg nog voor de dageraad rozigde... Een vreemd,
+zacht verlangen omving mij, waarnaar, had ik niet kunnen zeggen. En ik
+liep den weg op, den eenzamen, nog nachtbleeken heirweg... Straks zoû
+ik keeren op mijn passen, als Davus zoû voorspannen de buffels... Ik
+liep voort. De zon rees uitstralende achter de rozigende golving der
+bergen omhoog. Een honigkleurige schijn overstroomde den hemel. Ter
+andere zij van den weg week in den windloozen dageraad het nog in
+dauw overfloerste water van het in de verte weg flauwende meer...
+
+Het meer, langs den weg, vervloeide met een lange kreek, waaruit
+aan den oever rees het gekrookte riet. Peinzende bleef ik staan,
+en mijne mijmering ging als meê met de tintwisselingen over het
+water, dat wijder en blauwer werd, naar mate de zon rees en de misten
+verijlden... En ik zag, dat de kreek daar vol blanke lotus gebloeid
+was... Als blanke bekers, die het morgenlicht opvingen in hare juist
+ontslotene, smettelooze ontlokenheden, lagen de bloemeschalen op het
+water, dat zacht opgloeide en verspiegelde... Wind stak omhoog en
+bewoog in het riet, dat ritselde. Een vlucht reigers steeg er uit op
+en schaduwde even, teêr grijs van vlucht in de honigblonde lucht. Het
+meer, verder-op, verzichtbaarde duidelijker en ik zag, dat het, tot
+den horizon, vol gebloeid was met blanke lotus en iedere bloem ving
+een straal op, een atoom op van licht...
+
+Toen, eensklaps, werd mijn blik getroffen door een witte wemeling op
+de landouw, die aan den overkant van die riet-omkreukelde kreek zich
+verloor in een zacht gedoezel van rozig-grauw sycomoren-geloover. Het
+waren maagden, die dansten, rondom een maagd. Zij hielden witte
+bloemekransen in de handen en zij zongen zacht, als wilden zij
+de maagd in haar midden verstrooien... Ik zag ademloos uit en
+herkende... Charis! Charis!! Daar was zij, aan den overkant van
+het lotus-overladen water en ik zag, door het riet heen, haar
+bewegen, als met een moeden weemoed, toch even glimlachende tegen
+hare genooten. Zij danste niet, maar scheen de maagden te willen
+weêrhouden te dansen. Haar gebaar was een teedere muziek van lijn,
+hare ijle gestalte zwéefde in het morgenlicht en hare handen bewogen
+als smeekend de maagden niet meer zich te reien rondom haar heen. En
+in weemoed zagen hare blauwe oogen op, twee lotussen blauw hare oogen
+boven de duizenden blanke lotussen, die op het water lagen.
+
+En ik, ik staarde haar toe. Zij zag mij niet, half verborgen als ik
+mij hield in het riet. Mijn hart klopte op naar mijn keel, ik bedwong
+met de handen het razende kloppen, ik voelde mij duizelig van geluk
+en bezwijmden van zaligheid en ik opende mijne lippen en wilde roepen:
+
+--Charis...
+
+Maar rauw riep ik slechts:
+
+--Ha...hi!... Hi...ha....
+
+Mijn roep verloor zich over het water, in lucht en licht. Daar ginds
+dansten de maagden voort rondom de zacht zich verwerende Charis en
+zij bespeurde niet, hoe, aan den overkant, door het riet heen, een
+ezel te gluren stond met verlangende oogen, door de krokende halmen...
+
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Toen ik mij geheel bewust mijn herschepping werd, waren met Charis
+de dansende maagden in de rozige schaduwen verdwenen... En trad ik,
+als ezel, uit het riet weêr op den weg... En dacht ik aan den verren
+astertuin, honderden mijlen nu van mij verwijderd... En stond ik,
+in sombere vertwijfeling...
+
+Op dit oogenblik klonken grove stemmen en zag ik drie mannen aankomen,
+vergezeld van twee jongens. Het waren houthakkers, zij hadden bijlen
+in de hand en koorden om de middels gesnoerd. En zij praatten luid en
+ontevreden, terwijl zij naar hun werk gingen: ik begreep dadelijk,
+dat zij slaven van Menedemus waren en dat zij vloekten tegen hunne
+opzichters, om den zoo zwaren arbeid. En terwijl ik nog stond,
+vertwijfeld en somber, riep een der mannen:
+
+--Maar kijk, daar staat een ezel!
+
+--Een onbeheerde ezel! riep een andere.
+
+En de derde stemde in:
+
+--Dien de erbarmende goden zeker stelden op onzen weg, om ons ons
+werk te verlichten!
+
+Ik begreep, dat gevaar mij dreigde... Ik poogde te vluchten op
+ezeledraf, maar het is vreemd, een dier, dat niet wild is, vermag
+niet veel tegen vijf menschen. Op den weg verspreidden zich snel
+de drie mannen en de twee knapen en zij ontsnoerden zich van hun
+koorden... En slingerden die met lissen uit....
+
+Een der lissen viel over mijn kop. De man, die mij gevangen had,
+trok mij naar zich toe. Ik zette mij schrap op de achterhoeven, koppig
+weêrstreefde ik.... maar plotseling voelde ik een hevigen knuppelslag
+over mijn ruggegraat. Zoodat ik, ingetrokken mijn achterdeel van pijn,
+verontwaardigd voorwaarts stoof....
+
+Twee, drie, vier andere knuppelslagen regenden over mijn rug en er
+was niet meer aan zilverasters te denken. Ik was niet meer Charmides,
+Lyzias' zoon, uit Epidaurus: ik was een ezel, onbeheerd en door lage
+slaven, ontevreden houthakkers, gevangen genomen!
+
+
+
+O, de gruwelijkheid van dien winter! Strenge winter was het, die
+heerschte over de boschbedekte bergflanken van Thessalië, over de met
+sneeuw overdekte hellingen van de Othrysketen, waar in mythologische
+eeuwen de Lapithen en de Centauren met elkander de epische strijden
+hadden gestreden. Als met dier vreeslijke fabelwezens eigene kreten
+en somber gehuil, voeren de koude waaiingen van Boreas door de
+kale, gestriemde takken, langs de zwiepend geschudde stammen en des
+stormenden nachts scheen het, of dichte horden van helsche wezens,
+demonen en heksen, onder de lage wolken voort joegen over bosschen
+en bergen, zich plots verspreidend in alle richtingen, als of uit
+euvele starren onheil voerende stralen schoten. En bitter zware
+nood was het niet alleen voor de houthakkers in hun armoedige hut,
+boven op den bergflank, maar ook voor hun ezel, in zijn bouwvalligen
+stal. Des nachts stond ik slapeloos en de sneeuwvlokken joegen binnen
+de reten en vielen als ijskoud vuur over de wonden van mijn ontvelden
+rug, dien de houthakkers met hunne slagen mij vilden iederen dag. De
+vreeslijke winden loeiden tochtende om mijne ooren en duldig leed ik
+den durenden straf. Des morgens trokken de mannen mij uit den stal en
+als zij het hout hadden gehakt, belaadden zij er mij mijn rug meê. Zoo
+zwaar was de vracht van tronken en takken, die zij mij torsen deden,
+dat eerder een olifant dan een ezel geschikt kon worden geacht om
+zoo bovenmatig gewicht te dragen. En zij dwongen mij dan te dalen,
+en als ik struikelde langs de wortelen der boomen of over het scherpe
+rotsgesteent en neêrstortte op mijn ontvleesde knieën, staken zij
+mij met puntige stokken in de bloederige wond, altijd de zelfde, van
+mijn linkerflank. Moesten wij, lager, een zijtak van den Sperchius
+oversteken, dan zetten dikwijls de beide knapen, die mij brachten
+naar stad of dorp, zich nog voor en achter den stapel hout en als op
+den heirweg ik niet snel genoeg draafde met mijn onduldbaren last,
+bonden zij brandnetel en doorngewas mij tusschen de achterpooten,
+zoodat ik gemarteld maar draafde, draafde, in de hoop om mijn ijver
+verlost te worden van het marteltuig.
+
+In mijn smartelijk leven dacht ik dikwijls aan Davus. Wat was er van
+hem geworden en zocht hij mij en had hij naar mijn ouders boodschap
+gezonden, dat ik verdwenen was en wellicht betooverd?? Ook dacht
+ik dikwijls aan Charis... Ik vergat haar nooit... In de vreeslijke
+nachten, in mijn doorsneeuwden stal, verrees dikwijls haar lieflijk
+beeld mij voor den geest: zoo als ik haar had gezien de laatste
+maal aan de andere zij van de kreek, waar de lotussen bloeiden... En
+vroeg ik mij, met menschegedachte in ezelekop, af waarom zoo grooten
+weemoed toch over hare schoonheid als een sluier geweest was, toen
+ik haar gezien had, zich tegen blijdschap verwerende tusschen de
+dansende maagden...?
+
+Van de hoogte, waar de houthakkers woonden en ik mijn stal had, kon ik
+bij heldere dagen in het rond zien over de lager liggende valleien;
+zij golfden weg, doorsneden van vele zijstroomen van den Sperchius;
+zij zouden zeker na den winter weelderig weiland en bouwland zijn;
+zij behoorden alle Menedemus toe en zijne hoeven lagen er in verspreid
+tusschen de nu ontbladerde wingerds. Wijd spreidde het landschap zich
+dan rondom en de zon, tusschen de wolken, wierp groote plakkaten van
+licht en wisselende schaduw over de wijd uitgestrekte domeinen. Maar
+meestal loeide de wind en woei-aan de regen of warrelden de grauw-witte
+vlekken sneeuw... Hadden de hakkers hun hout gehakt langs de flanken
+van het gebergte, dan zaten zij neêr en aten hun schamel maal en kreeg
+ik mijn handvol schaars toegemeten rantsoen van hooi. Honger leed ik
+en armoê, de stille ellende van een afgebeuld beest, dat nooit met
+een andere klacht dan met belachelijk gebalk zijn smart kan uiten
+en daarbij gevoelde ik in mijn menschehersenen dien vreemden angst
+eenmaal héelemaal ezel te worden en alles te verliezen wat in mij
+nog school van mijn menscheziel; want meer en meer voelde ik mij
+ezel worden: ik had de koppighedan van den ezel, zelfs al regende
+het stokslagen over mijn rug; ik had het geduld ook soms van den
+ezel, zijne filozofische gelatenheid als ik mij schikte en maar,
+hout-beladen, voorzichtig afdaalde tusschen rotsblok en boomwortel
+om, beneden ontladen, weêr op te stijgen, een oogenblik herademend,
+naar nieuwen last, die mij wachtte. Als ik mij, gebukt mijn kop, zag
+weêrspiegeld in de rivier tusschen de weg spelende verspiegelingen
+van de witte wolken in blauwe lucht, zag ik mij niet anders dan
+een koppig-geduldigen ezel, grof met grauw, ruig haar, waar het nog
+groeide over mijn geranselde, ontvelde en ontvleesde lijf: zag ik mijn
+treurigen kop van werkezel, met van ziekte tranende oog vol weemoed,
+zag ik mijn van moêheid kwijlenden bek... Zag ik geheel mijn mager,
+geslonken dierelijf, op de moê knakkende pooten, op de reeds breed
+uitbreidende hoeven--om het steeds moeten dalen, zwaar beladen--zag
+ik mijn onthaarden staart naargeestig ingetrokken tusschen mijn met
+doorn en stekel steeds gemartelde achterpooten. En vergat ik soms wie
+ik geweest was en werd het mij dof en stomp in mijne verstomming of
+langzaam in mij verstierf mijn menscheziel in mijn vorm van dier...
+
+Eenmaal--een huiveringwekkende stormnacht--waren de houthakkers beneden
+in de hoeve gebleven, van waar het gehakte hout verder vervoerd werd,
+en was ik alleen gelaten boven in mijn stal op den bergtop. De wind
+en de regen raasden rondom de rotte planken, die mij ter nauwer nood
+beschutten... Nauwlijks dacht ik aan vlucht, al had ik wellicht
+ook met trap op trap de gebarsten deur van mijn stal kunnen doen
+wijken. Rillende stond ik, den staart tusschen de pooten, in mijn
+bezoedelde stroo en voor mijn leêge krib. Menschegeestkracht scheen
+niet meer in mij, zoo misschien nog wel logiesch denken. Want wel
+dacht ik: waar moet ik heen, zelfs zoo ik vermag te vluchten. Waar
+moest een afgebeulde ezel heen, zelfs al wist hij zich te bevrijden
+uit de slavernij van hartelooze houthakkers. En steeds stond ik, de
+binnen gierende wind tusschen mijn pooten waaiende en spelende met de
+vuile vlokken van mijn staart. Buiten schenen de schimmen der Centauren
+en woeste Lapithen in woedenden strijd door elkaâr te woelen...
+
+Plotseling hoorde ik stemmen. Stemmen van menschen, grovere
+stemmen nog dan die van de houthakkers. Ik begreep, dat het roovers
+waren. Ellendige roovers, wezens, die bewonen de bergspelonken,
+nauwlijks menschen meer, maar verbeestelijkt van ellende en die in de
+nachten van stormgeweld naar buiten sluipen en in hoeven en hutten
+langs de bergflanken trachten te stelen wat vergeten gereedschap,
+een paar hoenderen, een stuk vee... Ik hoorde hen reeds de hut open
+breken maar zij braakten verwenschingen uit, want zij vonden niet
+anders dan een kapotte kruik en een gebroken schotel, een gescheurden
+mantel en een versleten mat... En toen beukten zij op mijn staldeur. In
+een oogwenk bezweken de planken en maakten zij juichende zich van mij
+meester. Veel waarde had ik niet, maar ik was toch een ezel en meer
+waard dan een versleten mat, gescheurden mantel, gebroken schotel
+of kapotte kruik. In die onheilsnacht, waarin zeker Hekate tusschen
+al hare heksen zege vierde over de rampzalige wereld, sleurden mij
+de drie boeven mijn stal uit en slingerden zich alle drie op mijn
+rug. Meer dan ik hen zag in stormgeweld en regengestriem, voelde ik
+hen, de havelooze schavuiten en schurken, zoo als er zich naamloos
+en wetloos verbergen in het gebergte, de haren en baarden en nagels
+nimmer geknipt, nauwlijks bedekt met lompen en schurftige schapenhuid,
+wilde-mannen meer dan menschelijke wezens, voor wie zelfs de saters der
+wouden vreezen en de verdwaalde nymfen zich verschuilen in de spleten
+der doorbliksemde boomstammen. En op mijn rug joegen zij mij voort
+in het stormgeweld, berg-af, berg-af... Ik strompelde, ik struikelde
+over de rotsblokken en boomewortelen, een zware tak viel juist over
+mijn kop en verblindde mij... Eindelijk in den morgen, uitgeput,
+was ik met mijn drietal berijders den berg af- en omgedaald. De
+wind raasde niet meer zoo hevig; de rivier schuimde, hoog gezwollen,
+over de rotsen; ik stak haar over, getrapt in mijn flanken door drie
+paar boevehielen... Maar nu dorsten zij niet verder... Ginds was een
+uitgebreid molenbedrijf: de gebouwen er van teekenden zich af tegen
+de grauwe morgenlucht: de verwinterde velden lagen er verlaten,
+verwilderd rondom. Molenslaven waren reeds bezig voor een schuur,
+zakken met meel te laden op een wagen, toen zij de drie boeven zagen,
+die, op mijn rug, stil hielden op eenigen afstand.
+
+En de opzichter van de slaven riep de boeven toe, dat zij heen
+zouden gaan en dat er niets te schooieren viel en dat zij geen meel
+zouden krijgen. Maar de vreeslijke boeven riepen, dat zij hun ezel
+geven wilden voor meel, want dat zij honger leden, dat zij voor een
+kleinen zak meel hun ezel geven wilden... De opzichter naderde met
+zijn slaven en klaarblijkelijk gevoelde dat molenaarsvolk walging
+van de drie mizerabele verworpelingen zoo als zij, de wilde-mannen,
+bijna schuw waren dichter te naderen waar werkelijke menschwezens
+woonden. Maar toen scheen de opziener zijn afkeer wel te bedwingen,
+naderde hij; de wilde-mannen stegen af, de slaven wierpen hun een zak
+meel toe en maakten zich van mij meester. De wilde-mannen verdwenen
+dadelijk en de opziener zeide:
+
+--Het is een afgebeulde ezel, maar altijd nog goed genoeg om een
+molensteen te draaien: hij kan dan draaien tot hij er bij neêr valt.
+
+En met een schop in mijn achterdeel joegen zij mij voorwaarts, naar
+de molensteenen, die ginds onder afdakken werden rond gedraaid door
+ezels en misdadigers beiden...
+
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Sedert draaide ik den molensteen.... In het lamoen gespannen,
+draaide ik, geblinddoekt, aan een houten boom den zwaren molensteen
+steeds rond en rond, onder de zweepstriemen en knuppelslagen van de
+erbarminglooze opzichters. Eindeloos, eindeloos trok ik en liep ik
+in de cirkelvormige gleuf om en om, altijd in het rond, trekkende
+het centenaarzware gewicht, waaronder het graan knarste boven den
+ondersten steen. Mijlen, mijlen liep ik af in het nauwe rond, trots
+blinddoek versuft en duizelig in mijne hersenen, die meer en meer
+die van een ezel werden en alle besef van menschelijkheid schenen te
+verliezen... Liep ik en liep ik, steeds den zelfden engen cirkelgang,
+terwijl de bovenste steen meê met mij draaide, knarsende, boven den
+onbewegelijken ondersten, over het gepletterde graan. Soms mocht ik
+stand houden, werd mij de blinddoek afgerukt, als de opzichter moê was
+geworden. En zag ik, in die korte pooze van rust om mij rond, kauwende
+een schrale handvol hooi... En zag ik de andere molensteenen, onder de
+rieten afdaken, regelmatig draaien in het rond, getrokken door andere,
+als ik, afgebeulde lastdieren, ezels en muilen of ook sjouwerig voort
+geduwd door misdadigers en gestrafte slaven. Zij waren meestal half
+geschoren het hoofdhaar, om hen herkenbaar te houden zoo zij poogden
+te vluchten, gemuilband opdat zij geen meel of graan zouden eten,
+gebrandmerkt bovendien op het voorhoofd met getallen en letters:
+de sporen van herhaalde geeseling waren rauw en violet zichtbaar
+over hunne ruggen onder de lompen, die bedekten nauwlijks hunne
+ellendige naaktheden; zware ijzeren ringen bezwaarden hen om beide
+enkels en geheel grauw-wit waren zij bestoven met meel, als waren zij
+mizerabele, afgeleefde worstelaars, die zich met zand zouden hebben
+ingewreven om hun laatsten strijd uit te strijden. Nauwlijks konden
+zij zien: de laaiende vuren der ovens hadden hun de knippende oogleden
+geschroeid en de wimpers verbrand, gebogen waren hunne schouders,
+misvormd hunne armen en handen en voeten en het zware werk scheen
+hen als langzaam op te vreten, als om hen langer te doen lijden in
+het leven, dat geen dadelijke, weldadige dood deed eindigen. En ik
+was, als mijn menschelijke en ook dierlijke lotgenooten, afgebeuld,
+nauwlijks, des morgens reeds, in staat den duldloozen arbeid te
+beginnen, die eerst eindigde als de zwarte vleêrmuizen tegen oranje
+zonsondergang begonnen rond te flapperen; schoon niet geschoren,
+groeide nauwlijks haar meer op mijn schurftige huid; diepe wonden
+bloedigden en etterden overal over mijn lijf en mijn reeds zieke oog
+traande steeds van het meelgestuif en van den gloed der groote ovens,
+waarheen ik de zware zakken torsen moest.
+
+Hoe lang deze marteling mij duurde, weet ik niet. De eene winterdag
+was aan de andere gelijk, met altijd den zelfden wind en regen,
+met sneeuwvlokken soms, met altijd den zelfden arbeid. En de eenige
+troost, die ik mij denken kon, was, dat ik mij dood zwoegde op de
+bezittingen van Menedemus, Charis' vader, want dit was ik te weten
+gekomen uit enkele woorden der opzieners. Mijn eenige troost was
+te weten, dat ik den molensteen rond draaide, éen der molensteenen,
+waaronder, misschien, het graan tot meel werd, dat dienen zoû om het
+witte brood te bakken, dat Charis nuttigen zoû. Zoo schrale troost
+was mijn eenige. En de zon rees op en daalde neêr en altijd was het
+het zelfde. En de regen stroomde en stroomde niet meer en altijd was
+het het zelfde. En de dagen volgden elkander op en altijd waren zij de
+zelfde. En de nachten waren de zelfde, dat ik, te moê om te slapen,
+stond en bleef staan in den stal naast de andere uitgeputte dieren,
+ezels en muilen...
+
+Het is vreemd hoe soms de allerongelukkigsten in deze wereld elkander
+helpen, zonder het te willen misschien, zonder misschien het te
+weten. Een der misdadigers was onder een hevigen knuppelslag van een
+der opzieners neêr gezonken in het meelwitte stof van den weg en kon,
+om zijn zware, ijzeren boeien om de enkels, niet dadelijk op staan. Hij
+lag en kreunde... Juist ging ik voorbij, terug geleid naar mijn stal:
+de zon zonk rood en de vleêrmuizen flapperden in kringen tegen den
+bloedschijn... En bloed ook scheen mij toe te tappelen van den rug van
+den half bezwijmden slaaf: het ron rood over den wit bepoeierden grond.
+
+Toen, als met een menschelijke ingeving van erbarming, likte ik met
+mijn moede tong de wonde van den slaaf. Als verwonderd zag hij op,
+dat een ezel, in het voorbij gaan, hem likte en misschien begreep hij,
+dat ik medelijden met hem gehad had....
+
+Die nacht, terwijl alles in rust lag en allen sliepen, werd mijn stal
+voorzichtig geopend. Maneschijn vloot witblauw binnen door zwarte
+schaduw en ik herkende den slaaf, dien ik gelikt had. Klaarblijkelijk
+was hij er in geslaagd, uit het gevang te ontsnappen. Hij zocht mij,
+hij koos mij uit onder de lastdieren, die daar stonden, duttende in al
+het zwart van de schaduw, die nauwlijks de rijzende maan door vloeide
+met haar blauwe wit. Hij bond mij los en leidde mij uit den stal. Hij
+geleidde mij uit het molengedoe naar den rand van het woud; daar
+besteeg hij mij... Hij keek om en ik keek om... De schuren en gedoofde
+ovens lagen als lage, donkere dakenmassa's tegen de manelucht. Over
+den bepoeierden grond schitterde de maneschijn. Niemand bewoog,
+niemand zag ons, in de schaduwen, in het licht. Ook het bosch was
+schaduw en licht, maar schaduw bovenal. Ik steeg den weg op, dien de
+boeven in der tijd met mij neêr waren gedaald. En weldra waren wij
+verloren in het bergwoud...
+
+De ontvluchte slaaf bereed mij, maar hij lag uitgeput en bijna
+krachteloos over mij heen, zijne armen rondom mijn nek. Hij dreef mij,
+hij wist zelve niet waarheen, links, rechts.... Doel scheen hij niet
+te hebben, niet te weten, mijn nieuwe meester. Stap voor stap klom
+ik en daalde ik. Plotseling, door de luchten, klonken mij toe bekende
+kreten, bekend gekreun. Waar had ik reeds gehoord dat gekreun, en die
+kreten?? En als met een flits wist ik in eens: de kreten, zij waren
+van heksen; het gekreun.... o het gekreun had ik gehoord die nacht te
+Delfi, in de bladeren der windbewogen platanen op het herbergplein,
+en het had mij toegeschenen het gekreun van dwalende zieltjes, van
+klagende, vermoorde kindertjes! Een vlakte lag eensklaps voor ons. Een
+wijde hoogvlakte, wit van maanlicht in de wijde nacht. En een rij van
+heksen danste krijschend rondom. En boven haar, in de lucht, zwierde
+een tweede rij in het rond. Een derde rij zweefde daarboven. Ik
+begreep: het waren heksenbezweringen, om de maan uit haar loopbaan
+te rukken, uit haar zilveren kring van noodwendigheid en het gelukte
+der heksen somtijds en zoo het haar gelukte, hadden zij die maand
+macht over de elementen, die dan gunstig waren aan haar verderfelijke
+werken. En o afschuw, toen zij dansten rondom, hand aan hand, zag ik,
+dat zij dansten rondom drie tot aan het hoofd begraven kindertjes,
+die kreten en die sterven zouden die nacht.... Midden in de vlakte
+stond de immense koperen ketel op een smeulend vuur van takken en de
+dansende heksen wierpen er, in het rondomme zwieren, allerlei in: ik
+herkende een slang, een pad, een bebloeden sluier, stukken wrakhout
+van een verongelukt schip, het koord van een gehangene en bezworene
+ledematen, ik weet niet welke.... En intusschen schenen zij als de
+maan naar beneden te trekken, tusschen de wilde wolken uit, waarin
+allerlei wezens schenen te schuilen en te verzichtbaren en riepen zij:
+
+--Hekate! Hekate!!
+
+Op mijn rug had mijn berijder zich opgericht, zeker om beter te
+kijken. Maar zoodra hij de verschrikking gezien had, slaakte hij een
+verschrikkelijken kreet van afschuw, wierp zich achterover en stortte
+over den grond in het struikgewas. Ik balkte, boog mij naar hem toe en
+bespeurde, dat hij bezwijmd lag, zoo hij niet gestorven ware, in dat
+zelfde oogenblik, van ontzetting. Maar zijn kreet en mijn balk waren
+voldoende geweest om de heksen, gestoord in hare bezweringen, van woede
+te doen razen met wilde kreten en zich allen, als éene horde, te doen
+storten in onze richting. De damp van den ketel woei naar den grond;
+de drie kinderkopjes zag ik, begraven tot de halsjes, bezwijmen.... De
+maan scheen te rijzen. De betoovering scheen gebroken. En de heksen,
+in helsche woede, stortten op ons toe. Ik vluchtte, maar zij vielen
+in wellust neêr op den slaaf en ik hoorde hare kreten, terwijl zij
+zijn lijf uit elkander rukten:
+
+--Aan mij zijn nog lillende wonde! Aan mij zijn brandmerk! Aan mij
+zijn geeselstriemen....!
+
+Ik, ik vluchtte. Door het heksenwoud vluchtte ik. De maan, boven,
+scheen mèt mij te vluchten. De heksen achtervolgden mij niet; om
+kijkende zag ik de Thessalische duivelinnen wederom zwieren boven
+haar tooverketel en wierpen zij er de ledematen in van den slaaf,
+en hervatten zij hare bezweringen met woestere kreten, terwijl ik
+het geschreeuw der gemartelde kindertjes weêr de nacht hoorde door
+schrillen.
+
+Ik vluchtte. Langs zwarte boomstammen, over slangachtige boomwortels,
+vluchtte ik strompelend, struikelend: ik tuimelde op wrakke pooten
+het rotsgesteent af. De sinistere wind woei boven mij; het geheele
+woud scheen te leven van reusachtige houthakkers en takkebossen, van
+reusachtige molensteenen, die duizelingwekkend snel draaiden, van uilen
+en vampyrs, en zoowel takken, zwiepende, als wolken, zwierende, schenen
+vol krijtende kinderkopjes. En ik vluchtte, ik vluchtte voort....
+
+Ik vluchtte, verwilderd, die geheele nacht. De morgen klaarde met
+bleeken schijn, schijn zoo bleek en lijkachtig als slechts in Thessalië
+morgenschemert na heksennacht. Schijn, schimmebleek, of de dag huiverde
+te ontwaken en of Eos, de rozige, verbleekt was, door wat zij ried en
+aarzelde aan te zien.... Ik was het bergwoud afgedaald. Plotseling
+zag ik een wijde vlakte. Een streep van zonnegoud liep dwars door
+de grauwe morgenlucht. Weilanden, waarover de mist nog verwijlde,
+weken hun verren einder uit. Een zoele belofte van lente wemelde in
+de wijde lucht....
+
+Een verwondering woog op mijn brein. Waar was ik? Wie was ik? Wat
+had ik door gemaakt? Was die winter voorbij? Ja, ik voelde mij tot
+bezwijkens moê, uitgeput... Ja, ik was afgebeuld geworden.... Stekels
+hadden mijn wonden verder open gereten.... Het bloed leekte langs
+mijn pooten en passen.... Maar vogels zongen in de twijgen, waaraan
+de bladknoppen zwollen, bleek goud. Een geur van kruid steeg op. Iets
+vreemd lieflijks trilde zoo teeder als een Aeoliesch geluid door
+de luchten.
+
+Ik liep door, moê, ziek, met een hinkenden poot, mager en
+bebloed..... Een zijstroom van den Sperchius stroomde dwars door de
+vlakte; de irissen schoten er uit op; de eerste irisbloemen ontloken,
+wit en zacht geel. Toen was het een meer en het lag overladen met lotus
+en het herinnerde mij aan dat andere meer, aan die kreek, waar ik ter
+overzijde Charis gezien had, maanden, ja maanden geleden... Door het
+hooge riet en de lotusbloemen stak ik het lage water over. Ik weet
+niet waarom ik zoo ging, doelloos, maar er was iets, dat mij lokte....
+
+Ik stapte uit het water, druipende, en er waren weêr de weilanden
+en zij waren bespikkeld met madelieven. Werkelijk, dit was de lente,
+de vroege lente... Er ruischte als een etherische lenteharp door de
+lucht. Ik voelde nauwlijks mijne moêheid en afbeuling van lastdier. En,
+met een verrassing, tusschen het verschiet der uitbladerende olmen
+en abeelen zag ik, in de verte, als een vorstelijk landhuis schemeren
+in den verwijderden morgenmist, die daar optrok in de jonge zon. Het
+huis maakte een witten halfcirkel van zuilen en het lag geheel omgeven
+van vijvers en op de rozig grauwende plassen lagen altijd en altijd
+de lotussen en ik zàg ze openen, een voor een. En uit het landhuis,
+over het wijde grasveld traden tal van maagden en mannen....
+
+Ik was blijven staan bij een heining, die afsloot het domein; de witte
+windekelken wonden zich door de kruislingsche houten stijlen. Ik zag
+toe, bekoord door een nieuwsgierigheid, die ik nauwlijks begreep. Maar
+eensklaps herkende ik de maagd tusschen de maagden, die om haar heen,
+de witte bloemenkransen beurende, dansten.
+
+Zij was Charis! Ik zag haar heel duidelijk, maar zij scheen moê en mat
+van verdriet en zij verweerde zich niet anders dan zij zich verweerd
+had toen ik haar gezien had, maanden geleden, van den heirweg af,
+waar ik tusschen het riet herschapen was in een ezel. Ademloos,
+vreemd gelukkig bleef ik steeds staren....
+
+Plotseling schenen de aanzienlijke mannen, die achter de maagden
+kwamen, mij te zien. En ik zag hen zeer schrikken en bevelen geven. En
+slaven liepen in mijn richting toe met knuppels en reeds van verre
+trachtten hunne kreten mij te verschrikken en weg te jagen... Ik
+bewoog echter niet; ik staarde. Om het geweld der slaven zagen de
+maagden om Charis om, zagen zij mij allen.... zag mij ook Charis....
+
+Zij slaakte een juichenden kreet, klaar als een gouden galm van geluk,
+die zich verloor in de lichte lucht. En toen ijlde zij, licht als
+een nymf, vooruit, ijlde zij, ijlde vooruit, weêrhield de slaven met
+haar bevelend gebaar en riep, terwijl zij de armen hoog wierp en hare
+sluiers wemelden om haar rond:
+
+--Eindelijk! Eindelijk! Mijn bruidegom! Mijn lang verwachte bruidegom,
+die terug uit den strijd tot mij komt! Kom! Kom!! Slaven, opent
+de hekken! Speelgenooten, danst nu in reien! Hij is gekomen! Mijn
+Charmides is gekomen!!
+
+En terwijl ik wel de hevige ontsteltenis zag der mannen en der maagden
+om dien walging en weêrzin wekkenden, afgebeulden, wonde-bloedenden
+ezel, die daar bij de heining tusschen de windekelken te staren stond,
+naderde Charis mij en voelde ik, bezwijmelende van geluk en verrassing,
+de heining tusschen ons, hare armen en sluiers in een omhelzing rondom
+mijn ezelenek....
+
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+
+En werkelijk, trots de ontsteltenis, die ik zag op de gelaatstrekken
+van die aanzienlijke mannen--Charis' vader, hare broeders en
+neven--werden bevelen gegeven de hekken te openen en leidde Charis,
+die haar sluier om mijn zieke oog had gewikkeld en tusschen mijn
+ooren door, mij de bloembespikkelde weide binnen! Mijn geluk was
+even groot als mijn verwondering en ik liet met mij doen als Charis
+wenschte en bevolen had; het was of een sprookje zich om mij weefde,
+of ik dubbel betooverd was, of ik droomde; ik kon niet gelooven aan wat
+mij geschiedde. Maar toen Charis, juichend, terwijl hare maagden rondom
+ons dansten, voorbij haar vader, broeders en neven trad, die, steeds in
+ontsteld gefluister, elkander raadpleegden, hoorde ik Menedemus roepen:
+
+--Bij alle barmhartige goden!! Wat moèten wij nu met dien schurftigen
+ezel! Terwijl wij bevolen hadden, dat geen drie mijlen in den omtrek
+van dit lustverblijf een ezel mocht worden gehouden, zendt ons
+Toeval of Noodlot een schurftigen ezel toe, juist op het oogenblik,
+dat wij Charis op hare morgenwandeling begeleiden en verlieft mijn
+dochter op dien schurftigen ezel!! Ondoorgrondelijk zijn der goden
+raadsbesluiten! Zegt mij, gij zonen van Hermes en Aesculapius,
+wondermeesters, geneesheeren, zegt mij, wat nu te doen!!
+
+En in wanhoop wenkte Menedemus drie Frygiesch gemutste heeren nader
+en stond, in radeloosheid voor hen, de armen wijd.
+
+--Heer, zeide een van hen, een grijze, waardige in langen tabbaard. Wij
+kunnen niet anders dan Charis laten in den waan, dat zij haar bruidegom
+heeft gevonden.
+
+--Zoo wij haar overreden wilden, zoû zij ons nooit gelooven! viel de
+tweede geleerde in.
+
+--Zij is betooverd door Chersonezus! riep de derde. Pas op,
+o Menedemus, dat gij uw dochter niet doodt, door haar te willen
+overreden, dat deze ezel haar bruidegom niet is!
+
+En de neven om Menedemus klaagden tot Charis' broeders:
+
+--Ach, onze Charis! Ach, onze liève Charis! Had zij slechts een onzer
+gekozen, in plaats van na Chersonezus' vervloeking, op een schurftigen
+ezel te verlieven, dien zij dadelijk Charmides noemt!
+
+Ik hoorde dit alles, terwijl mij Charis langs de mannen geleidde. En
+ik hoorde ook Menedemus, die verder vroeg aan de geleerden:
+
+--Dus, wondermeesters, wat raadt ge mij?
+
+De eerste zoon Aesculapius' antwoordde:
+
+--Het beste lijkt mij dien ezel te verzorgen....
+
+De tweede viel in:
+
+--En Charis te zeggen, dat haar bruidegom, die verwond uit den strijd
+is gekomen, met toewijding door ons verpleegd zal worden....
+
+En de derde zeide:
+
+--Om, als hij genezen is, de plechtige verloving te vieren....
+
+Menedemus sloeg de handen in wanhoop op en de broeders en neven,
+in wanhoop, wrongen de hunne....
+
+--En al dit ongeluk, riep Menedemus; omdat Chersonezus, wien ik mijn
+eenige dochter had toegedacht, een slechte man is, een vervloekte
+toovenaar, die Charis betooverde, toen ik eindelijk de waarheid
+omtrent hem wist en weigerde mijn kind op te offeren!
+
+Meer hoorde ik niet; tusschen reidans en bloemenkrans geleidde Charis
+mij--en gewillig volgde ik--naar het zuilenrijke buitenverblijf....
+
+Maar de geneesheeren kwamen ons achterop en zij zeiden:
+
+--Edele Charis, uw bruidegom, die zoo juist uit den strijd is
+gekeerd....
+
+--Is gewond en ziek, edele Charis!
+
+--Uw edele Charmides, o Charis....!
+
+--Is ziek en gewond en verpleegd moet hij worden...!
+
+--In der daad! zeide Charis, de betooverde maagd, en hare stem klonk
+als de klank van een Lydische fluit, als Ionische melodie. Hij is
+gewond, mijn Charmides, na den vijand verslagen te hebben, o mijn
+liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!
+
+En eerst zoet meewarig, juichte haar stem op en hare armen omhelsden
+mij en zij kuste mij op mijn ezeleneus, terwijl ik mij verwonderde,
+dat zij mijn naam wist.
+
+De drie geneesheeren maakten gebaren van weêrzin en afkeer.
+
+--Charis! riepen zij alle drie. Staat ons toe, dat wij uw bruidegom
+verplegen!
+
+--Is hij genezen, zoo wordt uwe verloving gevierd!
+
+--Duld, o Charis, dat wij Charmides voeren waar hij de liefdevolste
+zorgen zal ondervinden!
+
+--Ja, riep Charis. Ja, wondermeesters! Geneest mij Charmides'
+wonden! Huwen zal ik hem, zoodra hij weer krachtig is, o mijn liefde,
+o mijn held, o mijn heerlijkheid!!
+
+En wederom wilde zij mij omhelzen, maar de wondermeesters hadden
+zich reeds meester van mij gemaakt en Charis, juichende van geluk,
+al scheidde zij van mij, dànste te midden van hare maagden.
+
+De drie mannen geleidden mij verder. Hunne slaven liepen toe.
+
+--Vuile ezel!! scholden mij de wijze mannen nu. Moeten wij onze kunst
+nu werkelijk verspillen aan een dergelijken vuilen ezel!
+
+Maar zij verboden de slaven mij te slaan.
+
+--Wij moeten hem verplegen!
+
+--Ons leven staat op het spel....
+
+--Als wij Charis niet genezen...
+
+--Zal Menedemus ons doen vermoorden!
+
+--Als wij Charis genezen....!
+
+--Overstelpt hij ons met goud!
+
+--Zij is betooverd: wij kunnen voor het oogenblik haar niet anders
+laten dan in den waan...
+
+--En dàn haar onttooveren....
+
+--Langzamerhand... Langzamerhand....
+
+Zij waren het met elkander eens. Zij zouden mij verplegen, niet uit
+liefde voor mij, schurftigen ezel, maar uit hoop rijk beloond te
+worden, eenmaal, als zij Charis onttooverd hadden....!
+
+En zij voerden mij naar een ruimen stal. Ik was daar zonder andere
+beesten. De slaven brachten versch stroo, dat zij spreidden tot
+legerstede; zij vulden de ruif vol hooi, vol haver en doorgeurden
+mijn maal met de eerste klaverblaadjes. Ik at en de geneesheeren
+onderzochten mijn wonden en zagen mijn tanden malen.
+
+--Hij is jong! zeide de een.
+
+--Maar hij is afgebeuld, zeide de ander.
+
+--Hij heeft hout getorst, zei de derde en wees. Kijk, zijn hoeven
+breed zijn.
+
+--Hij heeft een molensteen rond gedraaid, zei de eerste weêr. Kijk,
+de sporen van het lamoen....
+
+--En van den draaiboom....
+
+En zij onderzochten mij met aandacht. Ik vond hen drie knappe
+wondermeesters, die dadelijk veel hadden geraden, al rieden zij niet,
+dat ik een mensch was, betooverd door een harpij. Gewillig gaf ik
+mij aan hun zorgen en wetenschap over.
+
+--Het is wel een gewillige ezel, dien onze jonkvrouw heeft
+uitverkoren! moesten zij alle drie erkennen.
+
+En, met behulp van hunne slaven wieschen zij mij en verbonden zij
+mij mijne wonden, na die gebalsemd te hebben. Ik stribbelde geen
+oogenblik tegen en zij lachten er om, de drie wijze mannen, omdat
+ik zoo geduldig mij behandelen liet. Zwijgend en deftig zat ik nu,
+genietende van mijn nieuw welbehagen, op mijn achterdeel in het stroo,
+gesteund op de twee voorpooten en omwikkeld oog en pooten en rug in
+windsels, terwijl de oudste wondermeester bezig was mijn voorpoot,
+waarop ik hinkte, bij de knie te masseeren met zorgzaam drukkende en
+strijkende vingers. En met scharen knipten zij mij de vieze klitten
+en vlokken weg aan mijn pooten en aan mijn staart.
+
+Juist op dit oogenblik kwam Charis voorbij tusschen hare meisjes.
+
+--Ik zocht mijn bruidegom! riep zij. Ik zocht Charmides! O, daar zie
+ik mijn held! Wat!! Meesters, wordt mijn edele geliefde in een stal
+gehuisvest? Wat moet dit beduiden! Waarom verleent mijn vader hem
+geen gastvrijheid in het vreemdelingenpavillioen??
+
+--Charis, o Charis! riepen de wondermeesters. Trek u terug met uw
+maagden! Wij verplegen uw bruidegom en het is niet voegzaam, dat gij
+daarbij tegenwoordig zijt!
+
+Zij waren opgestaan en weêrhielden mijn liefde binnen te te treden
+en pruilende moest zij wijken.
+
+--Tot spoedig dan, Charmides, mijn held, mijn prins!
+
+Ik werd hevig ontroerd in mijn hart. Iets sterkers dan mijn verstand
+dwong mij mijn ezelebek te openen; ik wilde "Charis!" roepen en riep:
+
+--Ha....hi!!
+
+De drie wondermeesters barstten uit in onbedaarlijk gelach.
+
+--Hij roept mij! Hij roept mij! riep Charis opgetogen. O, wreede
+wondermeesters, die mij verhinderen mijn held en bruidegom te
+omhelzen! O wreede scheiding! Tot ziens, tot spoedigen ziens, tot
+spoedige beterschap, o mijn Liefde!
+
+Zoo riep Charis en de maagden voerden haar weg en de wondermeesters
+schudden steeds van het lachen terwijl hunne ronde mutsen als schelpen
+en hoornen tegen elkander bonsden en bogen. En ik, die mij belachelijk
+wist in hun oogen, ook al had Charis mijn gebalk aan gehoord voor
+haar naam, beloofde mijzelven nooit meer te balken.
+
+Deftig en stil, verbonden met tal van banden, zat ik in het stroo en
+de nog lachende drie hadden pleizier in hun ezel, dien zij verpleegden.
+
+--Hij zit er net als een mensch! zei de oudste.
+
+Een gedachte flitste in mij op.... Zoo ik nu knikte met mijn
+kop....! Zoo ik nu schreef met mijn poot in het zand....! En om
+zilverasters vroeg....!! Maar een na-gedachte weêrhield mij.... Wat
+zoo zij mij vroegen wie ik was en ik verried, dat ik een koopmanszoon
+was? Onttooverd zoû mij Menedemus misschien purper en parels koopen
+maar mij dan weg zenden, verder Thessalië in! Ik knikte niet met
+mijn kop! Ik schreef nièt met mijn poot in het zand! Ik vroeg niet
+om zilverasters!
+
+--Ja, hij zit er net als een mensch! beaâmden de twee andere
+wondermeesters. Wat zoo wij poogden....!
+
+--Ik dacht dat juist ook! ried de tweede.
+
+--Dat is een uitnemend denkbeeld! riep de derde.
+
+Wat hadden zij met mij voor? Maar spoedig begreep ik. Zij zonden hun
+slaven naar de keukens om een schaal pastei en een wijden beker vol
+Chios-wijn en zij zetten mij beiden voor. En zij wilden mij leeren,
+zij wilden mij een geleerden ezel maken, een ezel met goede manieren,
+een ezel, die pastei at uit een schotel en Chios-wijn dronk uit een
+drinkschaal! Ik had nu evenveel schik in hen als zij hadden in mij
+en opzettelijk deed ik eerst of ik niet hun noodiging begreep.
+
+--Kom Charmides, schertsten de drie wondermeesters. Eet de
+pastei! Drink den wijn!
+
+En, met hun slaven, schudden zij steeds van het lachen, om mij,
+ezel Charmides!
+
+Ik speelde mijn rol van ezel, die geleerd, die gedresseerd werd. Ik
+rook eerst, bescheidenlijk onderzoekende, aan de pastei, toen aan den
+wijn. Beide geurden naar lang niet gekend geneucht; ik moest in mij
+houden om beiden niet gulzig naar binnen te slokken. Maar ik hield
+mij in, speelde mijn rol. Eindelijk tastte ik met mijn tong naar den
+wijn en slurpte even....
+
+--Hij drinkt! Hij drinkt! riepen de wondermeesters en hielden de
+buiken zich vast en de slaven krompen van het schaterlachen.
+
+Toen tastte ik met mijn groote ezeltanden voorzichtig naar de pastei,
+knabbelde er een stukje van, kwam weêr terug naar mijn beker....
+
+--Hij eet! Hij drinkt! Hij eet en drinkt als een mensch! riepen de
+wondermeesters en slaven.
+
+--Als hij maar niet.... fluisterde plotseling de oudste.
+
+--Wàt?? vroegen geheimzinnig de twee anderen.
+
+--.... Een betooverde ezel is.... Een mensch....
+
+--.... In een ezel betooverd?
+
+--.... Het zoû kunnen.... hier in Thessalië!
+
+Zij fluisterden samen, de drie.
+
+--Neen, besloten zij alle drie. Als hij een betooverde ezel was....
+
+--Een betooverde mensch....
+
+--Dan zoû hij zich ànders gedragen hebben....
+
+--Bij voorbeeld, met zijn poot in het zand geschreven...
+
+--En gevraagd om....
+
+Ik hoorde niet meer wat zij fluisterden.... Om zilverasters,
+fluisterden denkelijk de drie. Deftig, verbonden, zittende, twee
+voorpooten gestrekt, at ik de pastei en dronk den wijn.
+
+--Dàt hebben wij hem al heel vlug geleerd! riepen zij door elkaâr,
+schaterlachend.
+
+De nacht was gevallen. Lachende lieten zij mij en sloten den stal.
+
+Ik zag om mij rond. Het was een ruime stal en breed was mij het
+versche stroo gespreid. Voor een ezel, die hout had getorst en een
+molensteen rond gedraaid, was deze stal, na mijn menschemaal van
+pastei en wijn, vorstelijke weelde. De balsem werkte weldadig op mijn
+wonden. Ik strekte mij uit als een mensch had gedaan op zijn bed. En
+doodmoede maar zalig sliep ik in mijn verbindselen en windselen in,
+denkende meer dan balkend ditmaal:
+
+--Charis! O mijn Liefde, o Charis!!
+
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Een tijd van ongekende zaligheid brak voor mij aan, al was ik een
+ezel. Drie weken lang werd ik verpleegd, gewasschen, gebalsemd,
+gemasseerd, overvoed en toen mijn wonden genazen, geroskamd, geborsteld
+en had ik niets te doen dan te grazen in madelief-bespikkelde
+voorjaarsweide. En bij deze stoffelijke welvaart was ik zoo zalig mij
+Charis' kus te heugen en hare omhelzing en zag ik haar vaak van verre,
+tusschen hare maagden en gaf ik mij in stilte over aan het gelukzalige
+gevoel mijner liefde. Echter niet zonder de bezorgdheid om Charis
+zelve, nu ik begrepen had, dat zij betooverd was door Chersonezus, die,
+terug gestooten door Menedemus, een tooverban om haar had opgeroepen,
+zoo dat zij had moeten verlieven op den eersten, besten ezel, die
+haar te moet was getreden. Dit te bedenken weêrhield mij, nog meer
+dan de angst, dat Menedemus nooit een handelsreiziger zoû willen
+als echtgenoot voor zijn dochter, door welk teeken ook mij bekend te
+maken. Zoo ik in mensch weêr herschapen werd, zoû Charis vermoedelijk
+zoo geschokt worden, zoo getroffen in hare liefde voor haar ezel,
+dat zij er om sterven kon. Ik begreep uit der wondermeesters woorden,
+dat door de betoovering haar geest verzwakt was, dat ook haar teedere
+lijf geleden had in de winterlange afwachting van den bruidegom,
+die eindelijk, onverwachts, gekomen was in mijn vorm van schurftigen
+ezel. Nu zeide men haar, dat zij wachten moest, tot haar held, uit
+den oorlog terug gekeerd, genezen was van zijne wonden en als ik
+haar zag van verre, meende ik werkelijk, dat reeds een nieuwe blos
+bloeide op hare wangen, dat hare oogen tintelden van blijderen gloed
+en voelde ik mij, hoe verwijderd ook van haar gehouden, gelukkig als
+ik mij nimmer gevoeld had. En nauwlijks dacht ik meer aan zilverasters.
+
+Er waren er ook geene; zij werden hier niet gekweekt, zoo als de
+Isispriesters de heilige bloemen wisten te doen weligen, in welk
+seizoen ook. Er waren hier de wijde madelieve-weiden en om het
+vorstelijke lusthuis lagen verspreid de stille vijvers, die de witte
+en blauwe wolken spiegelden in hunne gladde plassen, overladen met
+de ontlokene lotusschalen, die zich openden naar mate de zon rees
+en zich sloten zoo zij daalde. Eens, in een rozigen morgen, dat
+ik dwaalde de weide over en tusschen de vijvers door, naderde ik
+een der plassen en tusschen de spiegelingen der wolken en de witte
+bloemekelken, zag ik mijn eigen beeld. En ik herkende mijzelven niet,
+mij herinnerend welk een armzalige ezel mij steeds had aan gestaard
+in de wateren der bergstroomen! Ik zag mij terug als een prachtige
+ezel, een jonge, gezonde, sterke ezel; mijn effene vacht glom als
+zilvergrijze zijde zoo glanzend en glimmend; mijn oogen hadden den
+zelfden blauwen glans, dien mijn mensche-oogen hadden gehad; mijne
+pooten waren genezen, stonden recht en sierlijk en van louter ledig
+dwalen door bloemeweiden, waren mijne hoeven weêr tot smalleren vorm
+verfijnd, terwijl mijn manenkam en mijn staartkwast met zorg waren
+geknipt en geborsteld en mij gaven het uiterlijk van een weelde-ezel,
+die niets heeft te doen dan zich te vermeien tusschen madelieven en
+boterbloemen en die zelfs behalve met haver en klaver gevoed wordt
+met pastei uit schotels en met Chios-wijn uit drinkschalen! Een
+vreemde ijdelheid welde op in mijn menschehart: een ijdelheid om
+mijn ezelevorm, die zoo volmaakt was en zoo verfijnd. Ja werkelijk,
+nooit had ik een dergelijken prachtigen ezel gezien als ik zelve was
+en zoo heel ongelukkig om mijn dierevorm kon ik mij niet meer voelen,
+vooral nu ik wist, dat Charis mij lief had. Een menschelijke ijdelheid
+was de mijne zeer zeker, een mannelijke ijdelheid, zoo als echter
+dieren er wel eens hebben; paarden hebben vooral die ijdelheid, een
+paard is ook een edel dier en heeft bijna menschelijke hoedanigheden
+en ik voelde mij wel een edele ezel.
+
+Zoo gingen de dagen voorbij, toen op een morgen de wondermeesters
+mij op zochten en tot elkaâr zeiden:
+
+--Hij ziet er nu prachtig uit!
+
+--Hij heeft een vacht, als zilver zoo licht grauw!
+
+--En als zij zoo zacht: voel toch eens!
+
+Zij streelden mij alle drie de vacht: ik trilde van voldane ijdelheid
+en de slaven zeiden:
+
+--Wij hebben hem dan ook geborsteld!
+
+--En het heeft hem aan niets ontbroken....
+
+--Wij kunnen Menedemus zeggen, zeide de oudste wondermeester,
+
+--Dat de verloving gevierd kan worden, viel de tweede in.
+
+--Maar een huwelijk zal het wel nooit worden! lachte de derde
+wondermeester.
+
+En zij schaterden alle drie....
+
+Maar zeide toen de eerste:
+
+--Arme Charis! Wij moèten haar onttooveren....
+
+En de twee anderen vielen in:
+
+--Is zij onttooverd, dan wordt de verloving verbroken....!!
+
+--En kiest zij een harer neven....
+
+--Izidorus....
+
+--Pamfilius....
+
+--Of Lyzippos misschien....
+
+Ik begreep, dat zij ièder een anderen neef hadden op het oog,
+die ieder van hen wederom bevoordeelde, met het geld van Menedemus
+natuurlijk.... En ik dacht:
+
+--Als ik maar een ezel blijf.... Een pràchtezel, als ik nu ben.... Een
+weelde-ezel, met zilvergrauwe, zijdige vacht....
+
+En ik geloof, zoo mij te dier stonde zilverasters waren geboden, ik
+zoû ze geweigerd hebben, uit angst voor Menedemus, die mij weg jagen
+zoû, uit bezorgdheid om Charis' geest en gezondheid, uit ijverzucht
+op hare neven....
+
+Ik bleef een ezel. En mijne verloving zoû, werkelijk, worden gevierd.
+
+--Bericht Menedemus, zei de eerste wondermeester tot de twee
+anderen. Laat hem bevelen alles in gereedheid te brengen. De jonkvrouw
+heeft tot nu toe geduld geoefend maar het zoû haar kwaad doen haar
+langer nog te laten wachten....
+
+De twee jongere wondermeesters gingen.
+
+--Borstel hem nog eens, beval de oudste.
+
+En de slaven borstelden mij. Ik stond geduldig, zoo als een man
+geduldig zit voor den spiegel bij den barbier. De slaven borstelden
+mij en ik glom, zelve een spiegel gelijk. Zij schoren mij boven de
+hoeven mijn pooten met gladde, breede banden. Zij knipten mij hier
+en daar de wilde haren weg....
+
+--Besla hem nu de hoeven en schilder ze....
+
+En ze besloegen mij de hoeven, met gouden ijzers en zij beschilderden
+mij de hoeven met menie-rood. Ik bewoog niet.... liet hen poot na
+poot behandelen.
+
+De wondermeester lachte luid....
+
+--De geduldigste ezel, dien ik ooit zag! prees mij de wondermeester.
+
+--En de prachtigste, die wij ooit zagen! prezen de slaven.
+
+--Zet hem zijn pluim nu op! beval de wondermeester.
+
+De slaven omvatten mijn kruin in een gouden band, waarin een roode
+pluim stak; het voelde wat zwaar maar ik was verzekerd, dat de pluim
+mij wel stond,.... tusschen mijn lange ooren.
+
+--En doe hem zijn mantel om....
+
+De slaven, lachende, kwamen met den mantel, die was als een schabrak
+van reepen rood en met gouden bloemen doorweven, met gouden franjes,
+en met een gouden band om het middel bevestigd en mijn staart trokken
+zij tusschen de reepen door; mijn hals en borst en voorrug bleven vrij.
+
+--Hij ziet er als een echte bruidegom uit! riepen de slaven en de
+wondermeester knikte wel te vreden.
+
+Intusschen scheen, op der beide andere wondermeesters aandrang,
+Menedemus zijne bevelen te hebben gegeven, bevelen, dat de verloving
+zijner dochter gevierd zoû worden, dien zelfden dag. En voerden mij
+de drie wondermeesters, met al hunne slaven, naar buiten.... met een
+handklap op mijn schoft....
+
+--Zoû hij kunnen loopen, zonder dat wij hem aan een teugel
+hielden? raadpleegde de oudste wondermeester de twee anderen.
+
+--Laten wij het eens probeeren....
+
+--Hij is zachtmoedig; hij heeft nooit nog tegen gestribbeld, meenden
+de anderen.
+
+--Charmides! lokten zij mij. Charmides, kom dan....
+
+En zij poogden mij te dresseeren, zoodat ik los zoû loopen tusschen de
+slaven en er niet op het onverwachts van door zoû gaan, met kluchtige
+ezelbuitelingen. De dressuur gelukte hun in minder tijd dan zij zeker
+hadden gedacht, want ik had mij voorgenomen zoo tam en beschaafd
+een ezel te zijn als geen ezel in Thessalië. Ik trad dus tusschen de
+slaven naar voren. Ik liep afgemeten en sierlijk op mijn menie-roode
+hoeven met gouden ijzers beslagen. Ter zijde bezag ik mij in een der
+vijverplassen en ik was wel te vreden. Tusschen de lotusbloemen,
+die al het zonnelicht op vingen als in schalen albast, zag ik mij
+weêrkaatst en herkende ik bijna mijzelven aan mijn oogen. Herkende ik
+mij bijna aan zekere trekken en uitdrukking van mijn ezelgezicht. En
+bewonderde ik mij, zoo als ik vroeger wel eens mij in een metalen
+spiegel bewonderd had: toen als een knappe jongen, die op iedere
+mooie vrouw verliefd werd; nu als een sierlijk getuigde weelde-ezel,
+wiens verloving gevierd zou worden met de lieflijkste maagd ter
+wereld! Wèl in mij de weemoed, dat ik geen man was, maar die weemoed
+getemperd door het geluk, dat Charis mij liefde al was ik een ezel,
+juist omdàt ik een ezel was.
+
+Ik naderde, tusschen wie om mij waren, tusschen de lotusvijvers,
+het groote, wijde grasveld, dat zich uitstrekte voor de zuilenrijke,
+half-cirkelige portiek van het landhuis. En omdat de slaven koperen
+cymbels hadden ter hand genomen, die zij sloegen tegen elkaâr, naderde
+ik te mid van mijn stoet met schetterblijde muziek. Andere muzikanten,
+met fluiten, voegden zich bij ons en de lieflijke hymenæische melodieën
+liepen op en af als blijde beekjes van water. Om mij straalde de
+morgen. Als een paleis der goden straalde de witte woning en de
+schaduwen langs de zuilen waren bijna azuur, zoo onwerkelijk tooverde
+het morgenlicht de tinten òp der dingen van natuur en van menschen Er
+beefde een goudene rilling over de plassen, er weefde een trilling
+van lenteglans over alles: over het bevend turkoois van het water,
+over het warme marmer gloeide die glans van vuur....
+
+Maar uit het landhuis, op muziek ook van fluiten en cymbels, kwam
+mij Charis te moet. Zij was omringd door haar vader en broeders en
+neven en hare maagden dansten om haar en jubelend liep zij mij tegen.
+
+--O mijn Charmides! riep zij.
+
+.... Hoe wist zij mijn naam toch....?
+
+--O, mijn Charmides, mijn held en mijn heerlijkheid, ben je daar
+eindelijk, genezen en zoo krachtig en schoon! O mijn vader, zie: o
+mijn broeders en neven, ziet: wie is er met mijn held te vergelijken?!
+
+En zij slingerde om mijn nu zacht zijdigen, zilvergrauwen nek hare
+armen en stond toen, zegevierend.
+
+Ik zag Menedemus glimlachen. Ik zag zelfs lachen de jaloersche
+neven, de bezorgde broeders. Nu ik werkelijk een zoo goed verzorgde,
+wèl doorvoede, glanzig geborstelde ezel was, schenen zij Charis te
+gunnen hare verdwazing en lieten zij haar begaan. Zij kuste mij op
+den snoet en van zaligheid rilde ik. Tevens nam ik mij voor, niet
+te balken, nóoit te balken en mij te gedragen geheel en al als een
+kunstig gedresseerde ezel zich zoû gedragen. Hoe gelaten die rol
+ook was, zij was de eenige, die mij geschikt scheen, wilde ik mijn
+geluk laten duren. Bruidegom, kon ik niet anders zijn dan geduldig
+en lijdzaam. Charis kuste mij, maar ik kon Charis niet kussen. Ter
+nauwer nood dorst ik mijn ezelesnuit even, speelsch, tegen haar handje
+reiken. Charis omhelsde mij, maar ik kon niet Charis omhelzen: ik
+stond slechts en onderging wat ik zoo gaarne zelve volbracht had en
+mijn geheele manneziel in vorm van weelde-ezel was er op gespitst mij
+voegzaam te gedragen, zoodat allen vertrouwen in mij stellen zouden.
+
+Maar Charis, tusschen de maagden, geleidde mij naar het terras in het
+midden der zuilen van de portiek. Er waren daar tapijten gespreid;
+er waren groote kussens gestapeld. En Charis, met de wondermeesters,
+deed er mij zitten, zoo als dezen meenden, dat zij het mij hadden
+geleerd; op mijn achterdeel en met de twee voorpooten gestrekt. Ik deed
+het deftig, als een geleerde ezel het zoû hebben gedaan en Menedemus
+en de broeders en de neven lachten. Zij zetten zich om ons rond. En
+Charis vlijde zich aan mijn zij....
+
+--Bijt hij niet? hoorde ik Menedemus fluisteren tot den oudsten
+wonderdokter.
+
+--Hij doet geen vlieg kwaad, heer, antwoordde de wonderdokter; maar
+wij hebben dan ook werk aan hem gehad, al die weken, dat wij hem
+hebben verzorgd en geleerd!
+
+En Charis leunde zich liefdevol tegen mij. Hoe gaarne had ik ook haar
+niet aan mijn hart gedrukt. Maar ik had een ezelehart en ik had geen
+armen, maar vier pooten. Gelaten bleef ik dus zitten, sidderend van
+geluk en ontroering en alleen boog ik, bijna teeder, mijn kop over
+haar heen, zijlings met mijn blik van bijna menschelijkheid. Ik hoorde
+de broeders en neven lachen: die menschelijkheid trof hen zeker en
+zij dachten natuurlijk, dat zij was aangeleerd en zij vonden haar
+komiesch en vermakelijk.
+
+Maar Charis zeide mij teeder, terwijl zij opzag in mijn menschelijke
+oogen:
+
+--Mijn lief, ik herken je blik... Van den eersten keer, dat ik je
+zag... Het was bij de poort van Hypata... Het was buiten de stad,
+op den heirweg... Je liep naast mijn draagstoel voort... Je blik,
+je lieve blik staarde mij toe... Ik had je lief, ik had je lief om
+dien blik... Toen... toen verdween je.... O je verdweent!! En een
+slaaf riep luide ons van zijn rijdier toe, dat wie verdwenen was,
+Charmides heette en de zoon was van Lyzias uit Epidaurus! Nooit heb ik
+je naam vergeten! Charmides, Charmides, weêr heb ik je gevonden, ik,
+Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata!! En wij zijn gelukkig en
+wij zijn verloofd, o Charmides, o mijn Charmides: Charis en Charmides
+zijn verloofd!
+
+In den licht-trillenden morgen klonken onze namen te zamen op, terwijl
+de fluiten trillerden en de cymbels goud schetterend te zamen sloegen.
+
+En het blijde feest rondom ons, zalige verloofden, begon!
+
+
+
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Ik zat naast mijn liefde op een soort van troon vol kussens, tusschen
+de zuilen van het terras en ik geloof, iedereen was wel verbaasd, dat
+een ezel, die gekomen was de Goden wisten van waar, zoo wel-opgevoed
+ter neêr zat, op zijn achterdeel, de voorpooten gestrekt en zonder
+onwelluidend gebalk en het minste onvoegzaam gebaar, geheel en al
+als een goed gedresseerde ezel, terwijl mijn bruid hare armen vaak om
+mijn hals sloeg en zoete woorden tot mij zeide. Om ons zaten en lagen
+op lage bedden Menedemus en zijne zonen en de neven aan en terwijl
+de muziek der fluiten weêrklonk, met gouden cymbelslag onderbroken,
+diende een zwerm van slaven ons een maal op, dat zij in vaatwerk van
+goud en vazen van opaalblank kristal voor ons neder zetten op lage
+tafelen. En het gebeurde alles zoo plechtig als bij een werkelijke
+bruiloft. Mijn schotel en drinkschaal waren grooter dan van de
+anderen en de wondermeesters hadden het mij zeer gemakkelijk gemaakt
+pastei te eten en Chios-wijn te drinken en ik at en ik dronk zoo
+mensch-beschaafd, dat--ik lette het zijlings wel op!--allen er schik
+in hadden en zich vermaakten en den wondermeesters hunne bewondering
+betuigden, zulk een wonderezel van mij te hebben gemaakt.
+
+Voor ons, in den stralenden morgen, glinsterden, zilveren spiegels, de
+vijverplassen hier en daar, bloeiden wijd open de witte lotusbloemen,
+weken de bloemevijvers weg naar het wijde verschiet en tusschen al
+die schitterende waters waren de weiden, bespikkeld met duizenden
+madelieven. De olmen en sycomoren vervioletten met vage, in licht
+uitgeveegde kruinemassa's van heel verre boomen en over alles zwom
+de wijde weelde van blauwe, diepste lucht. En over de weiden en
+tusschen de plassen traden de maagden aan en zij dansten er over de
+bloemen en tusschen de bloemen, zoo licht, zoo lucht als nymfen,
+zoo ijl ook en onwezenlijk, als waren zij droomen en de muziek
+klonk zoo ijl en onwezenlijk, als waren de cymbelslagen hoorbare
+zonneschijn... Maar toen ik zoo gelukkig zat, roerloos bijna, met
+Charis' armen als een lelieboei om mijn nek en naar de dansende maagden
+zag, die onze verloving vierden, trof mij een onverwacht schouwspel,
+vreemd als een wedergekeerde werkelijkheid. Want tusschen de vijvers
+liepen op eens, in het gloeiende dagelicht, vier bruine jongens aan,
+naakt en brons, en zij slingerden zich twee aan twee om elkaâr als
+Hermes-caduceeën en liepen toen, de twee ondersten op hunne handen,
+de twee bovensten zegevierend de handen omhoog, tot zij, in een
+gestrengeld, ombuitelden en de bovensten op de handen liepen en die
+eerst zoo geloopen hadden zegevierden op hunne beurt. Ik herkende
+hen als de reizende kunstenmakers, die op het herbergplein te Delfi
+hunne kunsten hadden vertoond en van verbazing zat ik te staren,
+toen plotseling ik Demea herkende, met hare beide dansgenooten. Ik
+had bijna wel kunnen balken van verwondering, dat ik Demea hier
+plotseling verschijnen zag, maar vreemd was het toch niet, dat
+Menedemus de reizende kunstenmakers gehuurd had om met hunne spelen
+de bruiloft op te luisteren. Tusschen vader en broeders en neven van
+Charis, Charis zelve aan mijn zijde, zat ik en verwonderde mij over de
+vreemde dingen van het leven en de zonderlinge lotsverwisselingen,
+die den menschen overkomen. Zoo Demea geweten hadde, dat zij nu
+hare acrobatische toeren ten beste gaf voor Charmides, die een ezel
+geworden was en die tóch zijne verloving vierde met de edelste maagd
+in Thessalië! Zij liep over een koorde, die de twee mannen gespannen
+hielden over de vijverplassen, de bloemoverladen wateren over; zij
+liep met gazen vleugels aan en in gouden looveren omgoten en hare
+genooten liepen als zij, en omdat de koorde vertrilde in het felle
+licht, scheen het of zij drie libellen waren, die zweefden, zweefden
+want zij liepen heel snel en het was of er de koorde niet was. En
+het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken,
+maar ik balkte niet. Toen, plotseling, geleidden de twee mannen
+negen jeugdige ezels naar voren op de weide vlak voor ons terras
+en het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken,
+maar ik balkte niet.... Voor mij zag ik de negen jeugdige ezels; zij
+waren getuigd en getooid en zij waren zekerlijk gedresseerd, want zij
+dansten recht-op met Charis' maagden en de wondermeesters hielden de
+buiken vast van het lachen en allen lachten, maar ik lachte niet en
+balkte niet en zat slechts verwonderd te staren....
+
+Toen zette Charis mij een bloemenkrans van lotuskelken, die zij
+gewonden had, de lange stengelen door elkaâr, op den kop en zij leunde
+tegen mij aan. En zij zeide:
+
+--Mijn lief! Zie, ginds zijn je schildknapen en zij dansen met mijn
+maagden om onze oogen te verheugen! Zie je, mijn lief, het zijn
+négen schildknapen en zij dansen met negen mijner maagden. Het zijn
+schoone jongelingen, mijn lief, maar zoo schoon als jij is er niet
+een! Niet een is er, die heeft zoo een lieven kop, rood gepluimd,
+goud-omband en lotus-omkranst; niet een is er, die heeft zulke
+diep blikkende, blauwe oogen; niet een is er, die heeft zulk een
+zacht vochten snoet en zoo een roze, lange tong, of zulke lieve,
+lange ooren, die zoo aardig bewegen heen en weêr, heen en weêr! En
+niemand heeft er zoo een zilvergrauwe, zijdige vacht en zulke fijne,
+sterke pooten met goud-beslagen, menie-roode hoeven! Te vergelijken,
+mijn lief, ben je met nièmand, niet met je schildknapen, niet met
+mijn broeders, niet met mijn neven, die zijn zoo gewoon-menschelijk
+maar, maar jij bent een prins, een vorst, een god, mijn lief; jij
+bent een fabelwezen, een mythe-schepsel, en ik min je, ik min je,
+mijn lief! Wat ik alleen betreur, o mijn heerlijke lief, is, dat je
+niet spreekt tot Charis! Eenmaal slechts heb je mijn naam genoemd en
+je stem klonk me zoo zalig toe in mijn ooren en mijn naam sprak je
+zoo lieflijk uit als niemand hem uitspreekt, mijn Charmides; allen
+harden klank aan mijn naam liet je weg en mijn naam uit je lieven,
+open bek, doorklonk mij met zaligheid! O zeg nog eens mijn naam,
+zeg nog eens mijn naam, Charmides, o mijn lief!
+
+Ik kon het waarlijk niet nalaten. Om Charis genoegen te doen, zette ik
+mij schrap op mijn voorpooten, rekte mijn nek, opende mijn bek en riep:
+
+--Ha.... hi!
+
+Ik hoorde alle de gasten in onuitbluschbaren schaterlach uit barsten
+en zelfs de maagden en slaven en zelfs de kunstenmakers lachten om
+het gebalk van den bruidegom, maar Charis jubelde:
+
+--Charmides!
+
+En zij omhelsde mij in liefdegeluk en strooide de lotusbloemen om
+mij rond...
+
+Zoodra ik echter gebalkt had, schrikte Demea, op het koord.
+
+En afgesprongen, in hare gouden looveren omgoten en met hare gazen
+libellevleugelen, liep zij in grootste verwondering naar ons toe,
+bleef voor onzen troon en tafel staan en blikte mij diép in de
+oogen. En nu zag ik, dat zij werkelijk ontstelde en zij riep, als
+Charis geroepen had:
+
+--Charmides!
+
+Maar Charis schrikte op. En zij riep, hare armen om mijn hals:
+
+--Wat wil die koorddanseres! Wil zij mij mijns bruidegoms liefde
+ontstelen! Ik ben ijverzuchtig! Ik wil niet, dat zij ons nadert!
+
+Maar Demea, die zich herstelde, riep:
+
+--O, lieflijke bruid, vergeef uw dienares en uw slavin! Ik wenschte
+alleen in het glanzende aanschijn te staren van uw onverwinlijken held
+Charmides, van den roemrijken veldheer, wiens faam tot de hoogste
+luchten weêrklonken heeft en tot de verste horizonnen! En ik breng
+hem enkel mijn hulde en roep hem toe: heil Charmides!
+
+Zij riep het en allen stemden in:
+
+--Heil Charmides! Heil den bruidegom!
+
+Bijna had ik gebogen naar links en rechts, maar ik bedacht mij bij
+tijds. En balkte daarom slechts:
+
+--Hi--ha!
+
+En allen schaterden het uit en Demea schaterde het uit in mijn oogen.
+
+Maar Charis riep:
+
+--Hij dankt, mijn held, voor uw hulde, o blijde feestgenooten!
+
+En zij wierp zich aan mijn hals en nieuwe spijzen en wijnen werden
+voor gediend en er was dans van ezels en maagden en fluitmuziek en
+Demea zweefde met de beide andere meisjes over de, in het licht als
+wèg vertrilde, koorde en de kunstenmakers buitelden....
+
+Toen het feest ten einde was, daalde de zon, immense bloedroode schijf
+aan den einder. De massa's van boomen, de looverkruinen vervloeiden
+te zamen in roodgoudig violet, minder doorschijnend; in dichtere
+schaduw slopen reeds schimmen van nacht.... Over de vijverplassen
+rimpelde in meerderen bries de roode afschijn en brak in kabbeling bij
+kabbeling tusschen de platte lotusbladeren en de blanke schalen, die
+zich, groener in schutsbladen, sloten. Al de veldbloemen sloten. Het
+lusthuis stond overvloeid van rood. En de hemel vervaalde in violette
+schemering.
+
+Flambouwen werden ontstoken. En met zang en muziek werd ik in een
+feeststoet terug geleid. Maar Charis, droevig, fluisterde, hare armen
+om mijn hals:
+
+--Mijn lief, zij gaan ons scheiden....! Zij huwen ons nog niet, zij
+huwen ons nog niet: vele offers schijnen eerst den goden te moeten
+worden gebracht, opdat geen schaduw over ons geluk kunne vallen! Mijn
+lief, zij gaan ons scheiden!
+
+Ik antwoordde niet, zelfs niet balkende, zelve droevig te moê... Wat
+zoo ik mij bekend maakte! Ik aarzelde. Ik zoû, ach, onttooverd, niet
+meer zijn dan een handelsreiziger en Menedemus zoû mij, onttooverd,
+verjagen! En nu, dat ik ezel was, bleef ik Charis' bruidegom. Zonder
+verdere hoop en verwachting, maar toch, toch welke zaligheid nog,
+in vergelijking met wat onttoovering brengen zoû. Een ezel, een ezel
+wilde ik blijven!
+
+En de stoet geleidde mij verder. Niet meer naar een stal, maar naar
+een marmerzuilig pavillioen. Tusschen bloemenkransen en maagdendans
+en ezelgetrip en flambouwengeflakker en muziekgeschal geleidden zij
+mij waar vreemdelingen van aanzien, Menedemus' gasten, gewoon waren te
+overnachten. Geleidden zij mij binnen een zaal, purper behangen.... En
+weende Charis, scheidende van mij met laatste omhelzing en mede
+gevoerd door vader en broeders, die troostten.
+
+De wondermeesters sloten de zaal. Ik zag om mij rond. Een
+bed van purper, groot genoeg voor mijn ezelleden. Een bad van
+porfier. Bloemenkransen om zuilen. Slaven naderden mij; zij onttuigden
+mij, vroolijk om den bruidegom, die een ezel was en verlieten mij
+met kluchtige huldebuigingen. Ik bleef alleen....
+
+De nacht viel: door de hoog aangebrachte ramen starrelde de
+zomerlucht....
+
+Plots hoorde ik:
+
+--Charmides!
+
+Een stem riep. Ik zag op. Aan een der hooge ramen had Demea zich
+buiten opgeheschen en keek zij naar binnen in mijn nachtschemerig
+verblijf. En zij riep, fluister-zacht toch:
+
+--Charmides! Ik heb je herkend! Je bent betooverd! Je bent geen
+ezel maar je bent mijn Charmides, die betooverd werd! Herinner je,
+Charmides, Delfi en den vervallen tempel der Pythia en onze liefde,
+onze brandende liefde! Zie, mijn looverenkeurs is het purper, dat
+je mij gaaft en om mijn hals hangt de valsche maar wonderkrachtige
+peerparel! Charmides, waar is de filter, dien ik je gaf?! O, Charmides,
+Charmides, hoor mij! Ik zal je deur open breken--sterk ben ik--en
+ik zal je rug beklimmen en wij zullen vluchten van hier en ik zal je
+onttooveren met een heel sterken filter en wij zullen gelukkig zijn,
+ver van de menschen, op de rotsen, in de wouden, op de bergen! Ik
+weet de wondere plaatsen! Charmides, zeg mij, wil je?
+
+Maar ik schudde met mijn kop van neen....
+
+--Charmides!? Wat? Wil je een ezel blijven, wil je een ezel blijven
+om Charis! O, dwaze Charmides, die eenmaal een man was, verliefd op
+alle vrouwen en nu een kuische ezel is, wien zelfs geen simpele ezelin
+bekoort! O, dwaze Charmides, o domme ezel, die zelfvoldaan vertoeft
+in een marmeren pavillioen bij een bad van porfier en een bed van
+weelderige kussens.... Kom tot inkeer! Knik van ja! Dat ik je deur open
+zal breken!? Dat wij, ik op je rug, vluchten zullen van hier! Dat ik je
+onttooveren zal! Dat je mij lief hebt, Charmides, als een man, die je
+weêr worden zult, en dat je niet Charis lief hebt, voor wie je nooit
+anders dan een ezel zal blijven, dwazelijk getuigd als een bruidegom,
+die nooit gemaal, nooit gemaal zal worden! Charmides, Charmides, knik!
+
+Ik knikte niet, ik schudde mijn kop van neen.
+
+--Vervloekte Charmides! riep woedend Demea. Blijf dan een ezel,
+jij ezel, die je bent, ezelachtige ezel!!
+
+En met een hoongelach glipte zij weg....
+
+
+
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+--Vader, waarom huwen wij niet?
+
+Zoo klonk Charis' stem, een avond vol van zomerweemoed. Hare arm lag,
+blank, rond en meisjesjong over mijn nek, waar ik stond in de weide
+en speelsch met mijn bek de halmen en lang opgeschoten veldbloemen
+trok. Charis speelde vaak met mij en hare verwanten prezen mij,
+dat ik een zeer tamme ezel was. Want dikwijls liep Charis voor mij
+weg en moest ik haar achtervolgen en zij lachte als een kind en ik
+achtervolgde haar dan, hield mijn draf in, om haar langer van het spel
+te doen genieten en dan, eindelijk, haalde ik haar in en greep zacht
+tusschen mijn tanden den slip van haar sluier. En zij gaf zich dan
+gewonnen en leunde, lachende, tegen mij aan en kuste en bekranste mij,
+omwond mij met bloemen. Hare maagden dansten om ons rond en wel eens
+zette zij zich op mijn rug en ik liep in een cirkel over de weide,
+terwijl Charis jubelde van pleizier. Of ik lag in het lange gras,
+sierlijk en voegzaam en zij zette zich naast mij, zei lieve woordjes
+en vertelde mij fabels. En hare handjes streelden mijn kop, gleden
+mijn ooren langs, die zij wenschte heen en weêr te zien bewegen,
+het eene hoog-op, het andere hangende en dan weêr beurtelings het
+eene hangende, hoog-op het andere en zij lachte, hare lieve oogen
+diep in mijn oogen....
+
+--Zeg dan, vader, herhaalde Charis; waarom huwen wij niet?
+
+Om Menedemus stonden de wondermeesters, de broeders, de neven. En
+zij fluisterden meêwaardig onder elkaâr en ik hoorde Menedemus tot
+de wondermeesters zeggen:
+
+--Wanneer onttoovert ge mijn dochter dan eindelijk, dat zij ziet,
+dat zij verliefde op een ezel, verloofd is met een ezel?
+
+En de wondermeesters schudden bedenkelijk met de hoofden en
+de Frygische mutsen. Maar Charis weende en op een teeken van de
+wondermeesters, die meenden, dat zij het mij hadden geleerd, liep ik,
+dansende, in het rond, sierlijk met goud-beslagen, rood geschilderde
+hoeven, zettende den een voor den ander. Toen lachte Charis weêr en
+de maagden dansten om mij en zij zelve danste mede.
+
+En zij vonden mij allen een bewonderenswaardige, goed gedresseerde
+prachtezel, zoo tam en die geen vlieg kwaad zoû doen en vooral niet
+zijn lieve bruid Charis, maar aan huwelijk was niet te denken! En
+daarom was ik zelve ook vaak wanhopig, wanneer ik dacht aan mijn
+betoovering, aan mijn herschepping en tevens overpeinsde, dat, zoodra
+ik herschapen in een man en onttooverd zoû zijn, ik niet meer dan
+een handelsreiziger zijn zoû, Charis niet evenboortig, als hare neven
+waren, zoo dat mijn zalig geluk gedaan zoû zijn! O, hoe lang zoû het
+nog duren! Nog nooit had ik zoo lief gehad, zoo innig, zoo teeder en
+zoo geduldig. Ezel, voelde ik mij bijna gelukkig, als ik nog nimmer
+geweest was.
+
+Dien middag, dat Charis sliep, door de maagden in slaap gezongen
+onder een dicht rozen-begroeid traliewerk--de witte rozen hingen,
+de traliën langs, langs haar heen--zag ik haar, van uit de weide, met
+liefde, geluk en weemoed aan. Zomerzonneschijn golfde omlaag. En toen
+dwaalde ik verder tusschen de vijverplassen, die blonken en blikkerden
+goud en blauw, overbloeid met de ontlokene bloemen. En naderde het
+altaar van Venus-Afrodite tusschen het roode-rozenbosch. De godin rees
+marmer en wonderschoon achter haar altaar in de purperen schaduw. Het
+boschje zoemde vol van verliefde vliegjes, die dansten. De duiven,
+die er nestelden, klapwiekten er uit op en zilverden over de stralende
+lucht. En ik boog de voorpooten; ik knielde neêr. En ik bad:
+
+--Heilige godin, bad ik. Wees mijn toeverlaat, wees onze
+toeverlaat! Help ons! Charis, betooverd, heeft in mijn ezelvorm lief
+Charmides, dien zij zàg, een, twee seconden naast haar draagstoel,
+op den heirweg, bij de poort van Hypata. Groote godin, help ons! Niet
+alleen zilverasters kunnen mij helpen! Misschien helpen uw roode
+rozen mij beter!
+
+En, ezel, lag ik geknield voor de godin. En wat ik Charis nooit had
+durven doen, deed ik de godin: ik kuste met mijn ezelsnoet haar den
+marmeren voet. Ik brak teeder met mijn tanden enkele harer rozen af
+en legde de bloemen op haar altaar, opdat zij in meerderen geur van
+vereering zouden uit bloeien aan haar voet....
+
+En ik dwaalde terug. Er was het blijde feest, als er iederen middag was
+met mijn bruid; er was het uitgezochte maal en de dans en de muziek....
+
+--Vader, waarom huwen wij niet...? hoorde ik wederom Charis vragen.
+
+Maar mijne dienslaven geleidden mij terug tot het pavillioen. Uit
+vertrouwen en zorgeloosheid lieten zij den laatsten tijd de deur
+open. Zij waren zoo gewend in mij te zien een wonderlijk tammen,
+goed gedresseerden ezel, een ezel, die menschelijk at en aan lag, een
+ezel, die speelde met hunne jonge meesteres, een ezel, die zich nooit
+onvoegzaam gedroeg, die als een mensch zijn pavillioen bewoonde. Zij
+lieten mij doen als ik wilde....
+
+De nacht was zwoel, of onweêr dreigde. Ik kon niet slapen, op mijn
+weelderige kussens. Ik legde mij op het koele vloermozaïek, mijn
+ezelebruin vol mensche- en mannegedacht. Ik stond weêr op en trad uit
+het pavillioen. Ik dwaalde over de weide. Ik zag naar den hemel. In
+der daad, zware wolken dreven aan uit het Noord-Westen.... Zij
+ontrolden, naderende, als een dikke rook.... Zij bedekten geheel
+den hemel.... Plotseling...! Plotseling zag ik in de rollende wolken
+menschengezichten....
+
+Heksen? Gedrochten? Helsche wezens? Ik verborg mij in het dichtste
+struikgewas onder zwarte steeneikenbladeren. Ik zag toe, ik luisterde
+toe....
+
+Drukkend, maar anders dan van naderend onweêr, rolden de wolken
+nader.... Overdekten nu geheel de lucht boven het landhuis.... Waren
+als éen wolkende nacht over de weiden.... Van nachtkim tot
+nachtkim.... En omsloten met de bergen weiden en woning als in een
+knellenden, vijandigen cirkel....
+
+Ik hoorde stemmen.... De stemmen, zij sisten en suizelden als met
+slangegeschuifel, daar boven, in de dichter broeiende wolken.... En
+het was als een onweêr, hoewel het geen onweêr was. Zeker zouden de
+bewoners van het landhuis denken aan onweêr. Maar ik, ik wist reeds
+genoeg van de onheilige dingen van Thessalië om te weten, dat dit geen
+onweêr was.... Ik spiedde uit, uit mijn schuilhoek. En plotseling
+verduidelijkten zich hel in felle sulfergloren, die als weêrlicht
+schenen, de tronies der aangezweefde, demonische schepselen, bleek,
+grijnzend, dreigend. En door het schuifelen en suizen en sissen heen,
+verstond ik de woorden, die weêrklonken van uit de rollende wolk,
+die woelde boven de wereld....
+
+--Zeg ons, heer, uw wil! Zeg ons, machtige Chersonezus, uw machtigen
+wil...! Gehoorzaam zullen wij uw wil volvoeren, wij geesten van
+de lucht....
+
+--Wij geesten van het water...!
+
+--Wij, van het vuur...!
+
+--Wij, van de aarde...!
+
+--Wij, àllen, elementen, waar over gij heerscht, o machtige
+Chersonezus! Zeg ons uw wil!!
+
+En het donderde en het weêrlichtte, of was het enkel het rollen der
+wolken en dringen der dreigende geesten en de sulfergloor van hun
+atmosfeer, die telkens hel op vlamde tusschen de dichter en dichter
+aankrullende dampen? Maar een vreeslijke stem, machtig, weêrklonk....
+
+--Heilige goden van Eleuzis! bad ik. Bewaar wie mij dierbaar is!!
+
+....--Heft gehéel dat verdoemde huis in de lucht, als ware het niet
+meer dan een pluim, die op waait in den wind. En stort het dan neêr op
+de aarde! Vernietigt het, verdelgt het met aardbeving en stormgeweld en
+met vlammen! En doet tusschen die verdelgingen Charis alleen behouden
+blijven, zoo dat zij tusschen de puinhoopen aan mij is en ik haar
+ontvoer door de luchten!
+
+Een vreeslijk warrelen en woelen begon. Bijna had ik luide gebalkt
+van ontzetting. Ik balkte echter niet en onder de zwarte schaduwen en
+tusschen struikgewas en struweel, sloop ik terug. Ik glipte over de
+padden, die angstiglijk brulden. Ik struikelde over de slangen. Ik wist
+niet of zij dieren waren, gunstig aan Chersonesus of ongunstig. Over
+de weide sloop ik onder het razender en razender rumoer in de luchten,
+sloop ik, staart tusschen de pooten, glipte ik tusschen de waaiende
+halmen....
+
+--Goden van Eleuzis! Doet mij onzichtbaar zijn!
+
+.... Sloop ik terug en bereikte het landhuis.... Boven mij
+scheen de storm al zijn geweld in éen woesten draaikolk samen te
+mengen als een heks haar brouwsel hadde gemengd in een immensen,
+zwarten ketel. Lichtende vlerken waren niet meer dan schichtende
+bliksemflitsen.... Ik naderde de zuilenrijke portieken, die angstig
+opblankten, telkens, dat de bleeke gloren op gloeiden.... Ik rende nu
+de portieken door, ik rende tot voor het raam van Charis' eigene kamer.
+
+Niemand bewoog in huis? Sliepen zij allen, trots het vreeslijk geweld,
+rond kolkende om in de nacht boven het huis, of waren zij reeds,
+vóor hunne verdelging, betooverd? Niemand bewoog. Maar voor het raam
+van Charis hield ik stand....
+
+--Hi-ha! balkte ik.
+
+Niemand antwoordde en mijn gebalk verloor zich in den rond donderenden
+storm.
+
+--Ha-hi! balkte ik, als ik het kon, Charis' aangebeden naam. Ha-hi!
+
+Ik stiet met mijn snoet tegen de luiken.
+
+--Ha-hi!! balkte ik steeds en van overspanning, eindelijk, balkte ik:
+
+--Cha-i! Cha-is! Chà-ris!!!
+
+De luiken werden ge-opend. Charis, het blonde haar los om de schouders,
+verscheen, zóo blond, zoo blank in haar blanke gewaad....
+
+--Charmides! kreet zij. Mijn lieveling! Wat is er!? De storm barst
+los! En ik ben bang, ik ben bàng! Hoor dien ronden donder draaien en
+rommelen blijven boven het huis! Zie de felle lichten! Charmides,
+o bescherm mij! Iedereen slaapt in diepsten slaap! Mijn vader,
+mijn broeders, mijn neven, de maagden, de slaven! Charmides, het
+aardbeeft! Vader! Broeders! Neven! Is dood dan iedereen al!?
+
+--Charis! balkte ik....
+
+....En in mijn overspanning spràk ik en riep, wijd mijn bek open
+naar Charis:
+
+--Be...stij...g... mijn... rr...ug!!
+
+Charis begreep; zij slaakte een gil, bijna van vreugde: zij klom op
+de raampost; vlàk tegen den muur hield ik mij gedrukt; zij wierp zich
+op mij....
+
+--Sla... om... mijn... nek... je armen!
+
+Zij sloeg hare armen om mijn nek. En ik holde voort, de portieken
+door.... Het aardbeefde, het aardbeefde vreeslijk.... En ik holde voort
+ter zij van het huis, maar het scheen te trillen, en te bewegen.... Ik
+holde voort, op het gevoel af, want het was inkt-donker om ons,
+een duisternis, die alleen de sulfergloren bleek op lichtten, telkens.
+
+Dan vergewiste ik mij, dat ik goed draafde, over de weilanden,
+tusschen de vijvers, naar de heiningen. Mijn draf scheen niet te worden
+bespeurd, door de helsche geesten, die al hunne machten samen stuwden
+boven het huis. Eens dat hunne bliksems flitsten, zag ik om.... En
+ik zag, o verschrikking, het geheele huis met zijne portieken, die
+wankelden, in de lucht zich verheffen, als in een vreemd vizioen,
+maar dat waarheid was: ik zag het prachtige landhuis sidderen op zijne
+grondvesten tusschen de wolken, waarin het gelicht werd en die het
+als een zwart stormende zee omdrongen; ik zag het toen storten in
+éen, met brokkelende zuilen, die even nog op glansden in de gloren
+der helsche flitsen, ik zag het toen vernietigd, een wrak gelijk,
+uit-een drijven op den steeds kronkelenden damp...
+
+Bij het einde der weilanden, op de zelfde plek, waar Charis mij had
+binnen geleid, sprong ik over de heining, draafde ik langs de rivier,
+even slechts te raden met huiverig bleeken afglans, draafde ik,
+draafde ik voort, Charis steeds liggende over mijn rug, hare armen
+vast om mijn nek. Hoe lang ik draafde? Ik weet het niet! Waarheen
+ik draafde? Ik wist het niet. Ik draafde slechts, draafde slechts:
+ik draafde denkelijk de geheele nacht. Somber bleef de nacht maar de
+storm, de duivelsche storm, had alleen zijn kring getrokken rondom
+het domein van Menedemus, en wij waren dien tooverban uit.
+
+--Goden van Eleuzis! bad ik telkens. Goden van Eleuzis! Behoedt
+ons allen!
+
+En in de donkere nacht draafde een onzichtbaar grauwe ezel met de
+witte vlak van een blonde maagd op zijn rug voort, langs de bleeke
+rivier, onder de wind-doorzwiepte boomen. Tot ik, uitgeput, omzag,
+stil hield.... Achter ons verdiepte de nacht, voor ons schemerde door
+de vale sluiers het allereerste dagebegin. Een wand van rotsen piekte
+voor ons op.... Maar ik had Charis gered!
+
+Zij gleed van mijn rug op het mos, half bezwijmd.... Zij strekte
+de armen nog naar mij uit.... Ik viel voor haar neêr, ik wilde haar
+omhelzen, haar drukken aan mijn hart.
+
+Maar ik herinnerde mij dadelijk na, dat ik een ezel was... En ik bleef
+op mijn voorpooten geknield, aanbad mijn geliefde en wilde haar roepen
+bij haar zoeten naam....
+
+Maar verloren had ik mijn menschestem, die mij uit wanhoop éen
+oogenblik scheen terug geschonken en ik balkte slechts rauw mijn
+ruigen ezelskreet....
+
+Die tegen de rotsen, weêrechoënd, brak....
+
+
+
+
+
+
+
+XIV.
+
+
+De morgen straalde. Ik zag om mij rond. De rivier aan den rand van
+het woud en den weg, overschaduwd door takken en blâren.... Maar dan,
+ter zijde, het rotsgebergte. Het was piek bij piek, die uit stak;
+hoogere en lagere rotsen stonden verwonderlijk recht de lucht in,
+als met een leger van bijna regelmatige pieken; zij schenen als
+menschelijke monumenten te rijzen, als een stad van steen, als een
+massa van vreemde torens, maar zij waren enkel het werk der natuur;
+zij staken hunne hemelhooge monoliethen, hun steile, gladde gevaarten
+met ontzaglijke kegels op in de blauwste lucht; sommigen schenen
+wel naalden zoo scherp in de verte en verschemerden in het rozige
+lichtwaas. Twee arenden vlogen er over heen....
+
+Toen boog ik mijn kop naar Charis. Zij sloeg juist de oogen op en
+zij riep, angstig:
+
+--Mijn lief, waar zijn wij?
+
+Ik wist niet hoe haar te antwoorden, bang haar met mijn rauw gebalk
+te verschrikken. Maar zich richtende op de knieën, herhaalde zij:
+
+--Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?
+
+En zij sloeg de armen om mijn nek.
+
+--Zoo lang heb je gedraafd, zoo ver heb je mij gevoerd, weg van mijn
+vader en van mijn verwanten en mijn maagden zijn niet om mij heen! Mijn
+lief, mijn lief, waar zijn wij?
+
+Ik kuste haar met mijn snoet de hand, ik likte haar de palm, maar
+ik wist niet haar te antwoorden. En zij rees plotseling op. Zij zag
+zich in haar witte kleed, met hare lange, blonde haren los, zonder
+mantel of gordel of sluier en zij begon luide te schreien en riep,
+dat zij wilde naar huis. Bedenkende hoe ik haar troosten kon, plukte
+ik gele en blanke veldbloemen met mijn tanden af en wierp ze op om
+haar heen. Zij lachte als een kind, zette zich neuriënde en begon de
+bloemen te vlechten en ons met de bladeren te versieren. Ik draafde
+om en om, om haar te vermaken en den krans, dien zij gevlochten had,
+zette zij mij om de lange ooren heen, die zij zoo gaarne heen en weêr
+zag bewegen. Dan scheurde de krans en viel af en zij hervatte haar
+werk, terwijl ik de grashalmen graasde....
+
+--Ik heb honger! riep zij op eens, als een kind.
+
+Wanhopig zag ik rond. Waar heen zoû ik Charis voeren? Dit eenzame woud,
+dat wij waren uitgedwaald in de nacht; deze stroom, dien ik niet wist
+of hij de Sperchius was en waar langs ik niet wist wàar te geraken
+en dan die vreemde rotsenmassa, die zonderlinge natuurspeling van
+dat oppiekende, -piekende rotsgebergte, dat, nu klaarder het licht
+werd, scheen te rijzen, eindeloos te rijzen, dat scheen te pieken,
+op te pieken tot den verren horizon toe.... En zoo ik ook iets nog
+geweten hadde van woud en stroom en rots, wat zou ik ook hebben kunnen
+aanvangen met een teêre, onnoozele en betooverde jonkvrouw, gewoon
+aan de liefdevolste en te gelijker tijd weelderigste zorgen, gewoon
+aan rijke kleederen, aan kostbaar huisraad, aan uitgezocht voedsel
+en steeds omringd door een schaar dienaressen, die haar omzongen,
+omdansten, elk van haar wedijverend met Charis in schoonheid? Hier
+ving ik den nieuwen dag en het nieuwe leven aan, bemind en minnende en
+samen, alleen met mijn bruid, zonder iets voor haar te kunnen doen,
+dan haar te dragen op mijn rug! O, hoe wanhopig zwol op eenmaal in
+mij het late berouw, dat ik, onbezonnen, omdat ik beminde, mij niet
+als eveneens betooverd had bekend willen maken, door met mijn poot
+een paar letters in het zand te schrijven, zoo dat de wondermeesters
+mij zilverasters hadden kunnen zoeken en ik op nieuw weêr mensch en
+man ware geworden. Dàn ware ik weg gejaagd, ik koopmanszoon, wien
+Menedemus nooit zijn dochter van vorstelijke geboorte als vrouw zoû
+willen afstaan, maar dan hadde ik beschikking gehad over onmisbare,
+menschelijke hoedanigheden; dan hadde ik misschien, wie weet, zoo niet
+op mijn rug, Charis geschaakt in mijn armen, dan ware ik met haar
+gevlucht en hadden wij ons geluk ergens in stille zaligheid kunnen
+verbergen, terwijl nu...! Wat ving ik met mijn geliefde aan!? Zij was
+wederom in schreien en snikken uitgebarsten; zij liep handen wringende
+om; zij wilde niet meer met de bloemen spelen.... Ik deed haar de
+vlinders op letten, die fladderden om ons rond, maar zij lette de
+vlinders niet op, de goudvisschen, die snel schoten den stroom af
+als zonneflikkeringen, maar zij lette de visschen niet op en zij
+klaagde, de armen om mijn hals en smeekte mij haar terug te voeren
+naar huis. Zoo dat ik, met mijn goud-beslagen hoef schreef in het zand:
+
+--Zet je dan weêr op mijn rug...
+
+Zij lachte door hare tranen en klapte in de handen, om dadelijk
+meêwarig te klagen, dat ik mijn stem in den oorlog verloren had! Maar
+zij juichte, dat ik nu schreef en zij wierp zich op mijn rug en
+zat tevreden, half liggende, hare armen om mijn nek. Bekranst en
+versierd wij beiden met bloemen en blârenfestoen, liep ik met Charis
+den rotsberg om, langzaam.... Honger had ik niet, daar ik grazen kon
+en geen wijn en pastei behoefde, maar Charis klaagde op eens weêr:
+
+--Charmides.... Ik heb honger!
+
+Ik wist wel, zij léed nog geen honger, maar toch zwol de wanhoop
+weêr in mij op.... Waar vond ik voedsel voor mijn bruid...? Tot
+ik plotseling, opener het woud en de zon gestegen, een vruchten
+dragenden appeleboomgaard bespeurde en ik blijde het zette op
+een draf. Charis, van pleizier, juichte op en in den stralenden
+zomermorgen liep daar een ezel, met een schoone maagd op zijn rug,
+beiden vertuit met bloemen en blâren als voor een herdersfeest, den
+rood doorappelden bongerd te moet.... En tusschen de boomen doolde ik
+met Charis langzaam voort en zij plukte de appelen, die laag hingen
+en ik at de appelen, die, overrijp, waren gevallen over den grond
+in gras en madelieven en mos. En een oogenblik gevoelde ik, dat wij
+beiden zalig gelukkig waren. De morgen, de zon, het gras, de appelen,
+onze kransen, wij beiden te zamen alleen, terwijl alleen de vogelen
+om ons twetterden, de vlinders in liefde fladderden, de mugjes als
+genstertjes schitterden: meér was er niet, maar dit oogenblik was
+dat alles genoeg van geluk voor de beide betooverden, voor Charis,
+die verliefd op haar ezel was, voor Charmides, den verliefden ezel,
+op wien Charis verliefd was geworden. En ik dwaalde met Charis den
+bongerd door, ik steigerde speelsch of sloeg met de achterpooten uit,
+ik balkte zelfs Charis' naam, zoo als ik het kon en de roode appelen
+lokten, honderden, om ons heen....
+
+Zoo gingen de uren voorbij en vergaten wij beiden, dat wij geen
+toekomst voor ons zagen, en had Charis haar honger gestild, en haar
+dorst gelescht aan een beek en toen, van ons spel moede, zich neér
+gelegd in het vliegjes-doorzoemde lommer, waar ik, in het mos gelegerd,
+had gewaakt over haar sluimering. Maar nu, in de middagstilte, begon de
+zorg, op nieuw in mij gewekt, om te zien naar een uitkomst. Ik spiedde
+uit links en rechts en speurde geen menschelijk wezen. Als een witte
+oven gloeide het piekende rotsgebergte door de appelboomen heen en
+vertrilde tegen de stralende zomerlucht... Wat zoû die verdere dag,
+wat zoû die nacht ons brengen? Hoe geheimvol onbekend was ons de
+naaste seconde! Hoe zoû ik verder Charis kunnen behoeden, ik, een
+ezel op mijn gouden hoefijzers, voor wilde beesten en saters, voor
+heksen, voor alles wat de geheimnisvolle nacht met zich meê voert en
+hoè voor honger, ellende, armoede! Alleen met mijn bruid in het woud,
+had ik éen oogenblik kunnen vergeten, tusschen bloem en spel en ooft,
+dat wij beiden betooverd waren en aan zware levensbeproeving bloot
+gegeven, nu de middagstilte suisde om Charis' slaap en ik waakte,
+wekte de wanhoop op nieuw zich in mij.
+
+Tot ik meende tusschen de bladeren geritsel te hooren. Ik spiedde uit
+en werkelijk zag ik mannen sluipen.... Zoû ik balken, zoû ik mij bekend
+maken als Charmides, de betooverde zoon van Lyzias van Epidaurus,
+die met Charis, Menedemus' dochter, gevlucht was, van het instortende
+landhuis weg? Bijna meende ik, dat dit het verstandigst zijn zoû,
+toen ik begreep aan der mannen uitzicht, dat zij roovers waren! Ja,
+zij waren roovers; geen armoedige, barre, weêrzin en afgrijzen wekkende
+wilde-mannen des wouds, als mij hadden gestolen uit de houthakkershut,
+maar wel twintig, dertig groote, sterke, gewapende roovers in korte
+mantels gehuld en met groote hoeden op.... Zij slopen wel tusschen het
+lagere hout--vermoedelijk om niet langs den heirweg te gaan--maar zij
+praatten toch en lachten zelfs onder elkaâr, als of zij hier thuis
+en bekend waren. Zekerlijk was deze afgelegen, prachtig gekweekte
+appelebongerd, die wij geplunderd hadden, hun eigendom! Toch, roovers,
+zoo ik bekend mij maakte, zouden misschien mij zilverasters kunnen
+zoeken en ik zoû voor losprijs mijzelven weêr worden.... Roovers
+zouden voor losprijs Charis vrij zeker laten.... Bliksemsnel bedacht
+ik dit alles, tevens beducht of zij ruw geweld mijn aangebeden bruid
+zouden kunnen doen.... Tot ik hunne woorden hoorde:
+
+--Deze nacht dus?
+
+--Ja, beaâmde wie hun hoofdman scheen. Het landhuis van Menedemus....
+
+--Het omsingelen...?
+
+--Ja en zijn dochter schaken....
+
+In ontzetting was ik opgerezen. Ik begreep, dat zij niet wisten,
+dat Menedemus' landhuis was behekst geworden, in de lucht geheven,
+vernietigd! Ik begreep, dat zoo zij het op Charis voorzien hadden,
+een hun gunstig noodlot Menedemus' dochter op hun weg had gevoerd! Ik
+begreep, dat geen tijd te verliezen was....
+
+--Cha-i! stiet ik mijn bruid aan met mijn trillenden snoet.
+
+Zij ontwaakte, wilde mij omhelzen, maar dadelijk beduidde ik haar,
+door te knielen, dat zij op zoû stijgen. En zij steeg op. En juist
+toen de roovers in den bongerd verschenen, draafde ik weg, naar de
+rivier terug.
+
+De mannen bleven bevangen staan. Het moest ook dien ruwe klanten als
+een tooverbeeld, niet eigen der werkelijkheid, gelijken, hoe daar
+een prachtige, zilver gevachte ezel, op glinsterend beslagen, roode
+hoeven weg draafde met een blanke, blonde maagd over zijn rug, hare
+armen om zijn nek en beiden versierd met bloemen en bladerfestoenen,
+die nu af van hen vielen. Zij moesten wel denken aan een nymf uit het
+woud, aan een goddelijk wezen, een onwaarschijnlijken ezel berijdend,
+in het stralendste zonnelicht, tusschen de gelooverde en be-appelde
+schaduwvallen, dravende naar de rivier, waar zij zeker in een mist
+aan hun oog zouden worden onttrokken! En ik draafde door.... Maar de
+mannen, wat ook hunne verbijstering hun had voor gegoocheld, waren ons
+reeds met wijde passen achtervolgd.... Ons inhalen zouden zij zeker
+niet, was ik mij overtuigd, terwijl ik hupte over steenen en boomtakken
+en Charis juichte om den rit, niet wetende welk gevaar dreigde. Tot
+plotseling, tusschen de rivier en ons, andere mannen op doken,
+komende van den tegenovergestelden kant. Zij riepen elkander toe:
+de eersten riepen den anderen toe, dat zij zich zouden verspreiden en
+ons tegen houden. En in der daad, zij verspreidden zich in een wijden
+cirkel, te zamen zeker een veertigtal roovers. Te vergeefs trachtte
+ik hier tusschen hen weg te komen, trachtte ik daàr tusschen hen te
+ontvluchten: zij sloten dichter hun cirkel en ik zag geen uitgang
+meer en zij grepen mij aan snoet, aan staart, aan manen. Ik steigerde,
+ik sloeg met de achterpooten uit, ik poogde hen, woedend, te bijten:
+wat kan éen ezel tegen veertig Thessalische roovers! Luide hoorde
+ik Charis van ontzetting jammeren, maar er was niets aan te doen:
+de mannen omringden ons en de hoofdman Charis, die van mijn rug af
+gegleden was, op beurende, riep:
+
+--Schoone jonkvrouw, die op uw ezel vluchtte, gij zijt aan ons en de
+kostbaarste buit, dien Hermes-Mercurius, onze god, ons ooit gunde!
+
+Ik had geen tijd mij te verbazen, dat roovers den zelfden god vereeren
+als eerlijke kooplieden in parels en purper: trillende stond ik op
+mijn hoeven.
+
+--Een sterke, mooie ezel! prezen de roovers, mij slaande vol
+hartelijkheid op de schoft. Een dappere ezel! Een flinke ezel! En
+een edele, wonderschoone maagd, die hem berijdt!
+
+--Wie zoû zij zijn? vroeg de hoofdman.
+
+De roovers wisten het niet.
+
+--In alle gevallen een aanzienlijke maagd, die ons zal troosten,
+mochten wij Menedemus' dochter heden avond niet kunnen ontvoeren,
+zei de hoofdman. Jonkvrouw, berijd weêr uw ezel. Schrei niet en jammer
+niet meer: wij wenschen geen kwaad u te doen.
+
+En hij dwong Charis mijn rug wederom te bestijgen en zij zette zich,
+maar luid snikkende:
+
+--Mijn bruidegom! Mijn Charmides, red mij!!
+
+--Ver is uw bruidegom, meende de hoofdman; en zijn vrouw zult ge zoo
+gauw niet worden!
+
+En zij voerden ons terug, door den appelebongerd: er was niets te doen
+dan voort, met mijn bedroefden last, tusschen hen mede te stappen...
+
+Toen, omdat ik Charis noch redden, noch zelfs te troosten wist,
+balkte ik wanhopiglijk luid uit naar den stralenden zomerhemel.
+
+
+
+
+
+
+
+XV.
+
+
+Tusschen de roovers stapte ik nu voort, schreiende Charis op mijn rug,
+den bongerd door, dan een eikenwoud door, tot wij naderden den wit
+gestoofden wand van het rotsgebergte, dat als een vreemd kasteel,
+immens en duizend malen getorend, op rees. En verwonderde ik mij,
+waar zij ons henen leidden.... Tot de rooverhoofdman zeide:
+
+--Jonkvrouw, schrei nu niet langer. En duld, dat ik mijn mantel u over
+het gezicht sla, want ge moogt niet zien, waar wij u brengen. Vrees
+echter niets, geen kwaad zal u geschieden en ik wensch alleen losgeld
+van uw ouders of verwanten te ontvangen; zoo dra ge ons de noodige
+inlichtingen hebt gegeven, zullen wij ons in verbinding met hen
+stellen en wil ik hopen, dat ge spoedig, met uw ezel, weêr vrij zijt.
+
+Zijn toon was zoo hoffelijk, dat werkelijk Charis haar jammeren staakte
+en duldde, dat hij zijn mantel haar over het gezicht wierp. Onderwijl
+lette ik alles goed op en had ik ook eén oogenblik gedacht mij aan
+de roovers bekend te maken, ik zoû nu wel oppassen dat te doen;
+een ezel blinddoekten zij niet, als zij een man hadden gedaan, een
+ezel lieten zij vrij rond blikken en op letten.... En ik lette op,
+terwijl wij langs den heeten wand van het gebergte trokken,--het stond
+soms als met kalkwitte, brokkelige tafelen op--dat deze roovers, die
+ons hadden overmeesterd, geen ruwe wilde-mannen waren, maar sommigen
+eer mannen van zeker aanzien: er schenen meesters en dienaren onder
+te zijn; de hoofdman zelve, dien zijne makkers Dionyzius noemden,
+was een kloek gebouwde, jonge man, trotsch en gebiedend, maar beleefd
+tegen over zijne gevangene en geen onvertogen woord voegde eén van
+hen Charis tegen; reeds gelatener lachte zij in de mantelplooien,
+die Dionyzius, bijna schertsende, om haar heen trok. Maar ik lette op,
+ik lette op... Ik bespeurde, dat zij ons plotseling leidden binnen zoo
+nauwe spleet van het gebergte, dat ik nauwlijks mijn goed doorvoede
+flanken er tusschen door kon wringen, terwijl zij Charis verzochten
+hare voetjes te zetten op mijn nek. Eén van hen geleidde mij aan de
+vlok tusschen mijn ooren den nauwen bergspleet in; Dionyzius volgde,
+al de andere mannen volgden een voor een. Als ik poogde om te gluren,
+zag ik, in het schemerlicht, dat viel van den dag, boven, tusschen
+de hooge muren, die zij wel tevreden waren en schertsten met elkaâr,
+zag ik hunne knappe avonturiersgezichten beter onder de randen der
+zorgeloos achter op gezette hoeden, zag ik hunne kostbare wapenen
+flikkeren tusschen hunne losser omgehangene mantels: hunne zwaarden
+en dolken waren bezet met gesteente... Eén achter hen trof mij door
+zijn donker, somber uiterlijk; hij was zoo groot als Dionyzius,
+zware brauwen overschaduwden zijn geknepen, koolzwarte oogen; zijne
+makkers noemden hem Manes. Hoe lang wij de kronkelende gang van den
+spleet volgden, kon ik echter niet beseffen, toen ik mij plots bewust
+werd, liever raadde door iets van mijn diere-instinct, dat zich naast
+mijn menscheverstand had ontwikkeld, hoe de roovers telkens op hunne
+passen terug kwamen langs dien linte-achtig door eén geslingerden
+meanderweg en misschien de ingang van den bergflank wel vlak bij de
+zaal moest zijn, die zij ons binnen voerden.. Die zaal ontving door
+lange, smalle, onregelmatige spleten bundels van zonnestralen aan de
+Zuidzijde--een dier voelt dadelijk windstreek en richting--; door
+andere van die spleten blauwde de zomerlucht en het licht poeierde
+zoo helder binnen, dat ik dadelijk alles onderscheidde, terwijl
+klaarblijkelijk van buiten die ramen zich zouden verliezen met de
+tallooze groeven van het gebergte en tevens onbereikbaar zouden zijn
+voor den stoutmoedigsten beklimmer. En Dionyzius ontdeed Charis van
+den mantel, die haar geblinddoekt hield.
+
+--Waar ben ik? vroeg zij angstig, terwijl hij haar hielp af stijgen.
+
+--Bij mij, glimlachte Dionyzius. En zeg mij nu, jonkvrouw, wie
+zijt gij?
+
+--Ik ben, zeide argeloos Charis; Charis, de dochter van Menedemus
+uit Hypata...
+
+--De dochter van Menedemus!! riep hoogst verwonderd Dionyzius uit.
+
+--De dochter van Menedemus! riepen de andere roovers.
+
+--Die ik schaken wilde! fluisterde Dionyzius tot zijn makkers.
+
+--Die wij schaken wilden, om hooge losprijs te winnen! riepen de
+anderen.
+
+--En, wees Charis, naast mij staande en met haar arm leunende over
+mijn nek: dit is Charmides, de zoon van Lyzias, uit Epidaurus en hij
+is mijn verloofde....
+
+En glimlachende wees zij naar mij en de roovers ontzetten van wat
+zij zeide.
+
+--Die ezel? vroeg Dionyzius. Die ezel heet Charmides en is de zoon
+van een anderen ezel, die Lyzias heet en in Epidaurus woont?
+
+De roovers, door hunne verbazing, barstten in bulderenden lach uit.
+
+--Charmides, o edele heeren, zei Charis argeloos en tevens zoo als
+spreekt een maagd van aanzien; is geen ezel. Hij is een held, die uit
+den oorlog terug kwam, gewond en die zijn spraak bijna geheel verloor,
+hoewel hij mijn naam uitspreekt zoo teeder als zelfs mijn vader
+het niet vermag! Hij is mijn verloofde, wij vierden onze verloving
+met blijde pracht en prachtig is hij ook zelve nu hij genezen is en
+alleen nog niet geheel en al zijn spraak terug won; hij is prachtig in
+zijn nieuwe gedaante, die gij ten onrechte aan zaagt voor die van een
+ezel; waar zaagt ge ooit, o heeren, wie ook met zulk een glanzende,
+zilverachtige vacht, met zulke fijne, sterke beenen, met zoo een
+aanbiddelijken, lieven, vochten snoet, met zulke mij dierbare,
+beweeglijke ooren en met zulke blauwe oogen, met zulke blauwe oogen?
+
+En zij wees mij steeds en de roovers rondom stonden ontzet. Toen
+zeide Dionyzius:
+
+--Haar geest doolt....
+
+--Zij is waanzinnig, zei Manes.
+
+--Zij is waanzinnig, herhaalden alle de anderen.
+
+--Zeg mij, o Charis, vroeg Dionyzius; waarom dwaaldet ge ver van uw
+vaders huis door deze streken, die iedereen vreest en at ge in onzen
+boomgaard de appels?
+
+--Het huis van mijn vader stortte in, er was hevige aardbeving en
+Charmides redde mij. O, mijn vader, o mijn broeders en neven, waar
+zijt gij, waar zijt gij? Dood of gered!?
+
+En zij begon hevig te snikken.
+
+Ik balkte zacht.
+
+--Cha-i....!
+
+--Ja, Charmides! riep Charis, hartstochtelijk hare armen slaande om
+mijn nek. Alleen jij, mijn bruidegom, bleef mij over!
+
+De roovers raadpleegden elkaâr.
+
+--Charis, Menedemus' dochter....?
+
+--Een aardbeving....?
+
+--Ik heb er niets van gemerkt in deze streken!
+
+--Wij geen van allen....
+
+--Charis, zeide Dionyzius met zekeren eerbied. Vergeef ons, dat
+wij uw bruidegom aanzagen voor een ezel. Ik zie, dat ik mij nu
+vergis. Uw bruidegom is een held, al is zijn vorm ook niet gewoon
+menschelijk. Wilt ge, dat wij hem bij u laten en hij uw gevangenschap
+deelt of wilt ge alleén blijven, Charis?
+
+--Neen, neen, neen! riep Charis angstig. Neem hem mij niet af! Neem
+hem mij niet af!!
+
+En zij klampte zich angstig om mijn ezelnek.
+
+--Wij zullen u uw bruidegom laten, verzekerde Dionyzius. Tot wij van
+Menedemus losgeld hebben ontvangen. In afwachting daarvan zal het u
+aan niets ontbreken. Kom meê, kom meê, met Charmides.
+
+Ik liet het mij geen tweemaal zeggen. Ik vergezelde dadelijk
+mijn bruid en ik verwonderde mij al gaande over dit wonderlijke
+rooversverblijf. De zaal uit, een lange, vreemd kronkelende gang door,
+doolhof, gelijk aan het Labyrinth, waar Thezeus door Ariadne geleid
+werd om den Minotaurus te verslaan, gingen wij links, rechts, Charis
+wederom geblinddoekt en ik verloren in te-vergeefsche bespieding
+welke richtingen wij namen, links en rechts en wederom rechts en
+links.... Tot ik niet meer wist en mijn ezelkop mismoedig schudde.
+
+Eindelijk voerden de roovers ons een ronde zaal binnen, die, even
+als de vorige, in den berg gehouwen scheen, gewelfd, met de lange
+raamspleten in de hoogte onbereikbaar en ondoordringbaar, zoo wel
+van binnen als van buiten en Dionyzius zeide, Charis onthullend:
+
+--Zie, Charis, dit is het verblijf voor hooge, gevangen gasten en
+hier zult ge met Charmides blijven tot wij gunstig bericht hebben
+van uw vader....
+
+In het midden der zaal was een breede rustbank van beren- en
+lynxevellen: er waren tafels en schabellen; in een kast stond
+tafelgerei, nuttig en sierlijk; in staande bronzen lampen zouden des
+avonds pitten kunnen worden ontstoken; er hingen muziekinstrumenten
+aan den blanken rotswand, er stonden boekrollen in bronzen kokers;
+rijke stoffen plooiden met een weelderigheid van kleur hier en daar....
+
+--Hier, ging onze gastheer voort en wees door een open deurboog
+van rotssteen; kan uw edele bruidegom huisvesten. Wij zullen een
+stroobed bereiden, hem wellicht welgevallig aan zijne zilvergrauw
+gevachte leden.
+
+En hij wees een soort van bergruimte, werkelijk allergeschiktst om
+in ezelstal te worden herschapen.
+
+Charis zag wederom glimlachend in het rond. Maar de beminnelijke
+rooverhoofdman klopte met een bronzen klopper op een bronzen schaal.
+
+Uit een andere boogdeur, van achter de kleurrijke stoffen, kwamen
+drie oude, zwarte vrouwen te voorschijn.
+
+--En hier, Charis, ging Dionyzius voort; zijn drie dienaressen te uwer
+beschikking. Zij spreken niet en zij hooren niet want zijn doofstom,
+maar zij zullen u kleederen brengen en voedsel en twee doofstomme
+eunuchen zullen de dienaars zijn van uw bruidegom en hem verzorgen,
+borstelen en voeder brengen.
+
+De twee eunuchen verschenen en kregen dadelijk bevel mijn stal in orde
+te brengen en de oude vrouwen brachten op haars meesters aanwijzing
+Charis in een aangrenzend badvertrek. En terwijl zij haar baadden,
+verzorgden de eunuchen mij in mijn stal. Ik had echter geen honger en
+toen zij mij verlaten hadden, keek ik verwonderd in het rond, alles
+oplettende in het vreemdste rooververblijf, dat een fantazie-rijke
+dichter maar zich zoû kunnen droomen. En Charis, met de drie oude
+vrouwen kwam te voorschijn: zij was gedost in zacht gele zijden
+peplos; hare blonde haren waren gevlochten en opgestoken. Zij liep
+op mij toe en omhelsde mij en zij deed mij zitten op de rustbank
+van beestevellen. De vrouwen boden haar een lier en zij speelde en
+neuriede met hare kinderstem, te vreden en klaarblijkelijk wederom
+alles vergeten van de heksennacht, die ons had doen vluchten, van
+den vermoedelijken ondergang haars vaders en hare verwanten. De
+eunuchen en vrouwen dienden spijs en drank op en Charis deed mij
+mede eten. Noch de vrouwen noch de eunuchen verwonderden zich over
+iets, vermoedelijk gewend aan vorige vreemde dingen in dit vreemde
+rooververblijf, in deze zaal der aanzienlijke gevangen gasten. Toen
+stond Charis op en zij zag naar boven, naar de hooge raamspleten,
+waardoor poeierden goud enkele zonnestralen en pruilende riep zij:
+
+--Ik wil naar buiten! Ik wil naar de tuinen!
+
+Ik vreesde, dat zij hare gevangenschap zoû gaan begrijpen en dat er
+zeker in deze bergspelonken geen tuinen zouden zijn aangelegd. Maar
+de twee eunuchen wezen juist op dit oogenblik hen te volgen. En zij
+geleidden de jonkvrouw en haar ezel een derde boogdeur door, een
+witte rotsgang door en onverwachts traden wij in een opene ruimte en
+Charis gaf een juichkreet en ik keek verwonderd om. Het was werkelijk
+een groote tuin, tusschen de pieken en naalden van het gebergte, die
+stonden schitterende wit in de diep blauwe lucht van den nanoen als de
+torens van een immens, krijtblank tooverkasteel. De hooge rotswanden,
+die den tuin omgaven, dropen ter Noordzijde van neêr druppelende
+watervalletjes, sijpelend tusschen de groeven over groene en gele
+mossen, dicht overwoekerend het gesteent. Er bloeide een schat van
+bloemen overal op aan de dichte heesters, waar de roode en witte rozen
+gloeiden en geurden over geheel de Zuidzijde van den ingeslotenen
+wondertuin. En een klein meertje, een vijver, die weêrspiegelde de
+diep blauwe lucht, lag in het midden; enkele waterplanten spreidden
+er hunne platte bladeren over heen....
+
+De avond viel: in het Westen gloeide de lucht van oranje, na het zinken
+der zon achter den rotswand. Een honigblonde teederheid weifelde
+aldaar over de lucht, terwijl de lila nacht hare ijle sluiers reeds
+spreidde. Toen rees de maan, terwijl wij lagen aan den rand van het
+meertje; Charis, geleund tegen mij aan, sluimerde, haar hoofd tegen
+mijn roerloos ezellijf.
+
+Heel hel rees de maan en zij liet haar zilveren, ronde schijf neêr
+zinken in het rimpelloos water. En ik zag, dat tusschen de glimmende,
+platte bladeren der waterplanten een stengel zich als beurde en een
+knop ontlook. Het was een enkele lotusknop en terwijl ik staarde,
+opende wijd de bloem en straalde blank in het maanlicht en ik was
+bekoord door die schoonheid....
+
+Maar de drie doofstomme, zwarte vrouwen en de drie eunuchen verschenen
+aan de deur en het scheen ons toe, dat zij ons noodden ter ruste
+te gaan.
+
+Van de roovers zagen wij die nacht niets meer....
+
+
+
+
+
+
+
+XVI.
+
+
+Ook den volgenden dag niet. Wij doorleefden hem samen in
+sprookjes-achtige rust van de dageraad tot de nacht, in de zaal en
+in den tuin, terwijl de eunuchen en de zwarte vrouwen het ons aan
+niets lieten ontbreken. De morgen daarop verscheen Dionyzius.
+
+--Charis, zeide hij. Wij zonden boodschappers naar het buitenverblijf
+van uw vader. Ingestort is het niet, zoo als zij met eigen oogen zagen,
+een aardbeving is er in het Zuiden van Thessalië sedert jaren niet voor
+gekomen, maar het huis was gesloten en onbewoond en de omwonende boeren
+verzekerden, dat Menedemus en alle de zijnen vertrokken waren, met
+misbaar en wanhoop, omdat zijn dochter verdwenen was en dat zij niet
+wisten waar heen. Edele jonkvrouw, waar vinden wij thans Menedemus? In
+welke van zijn tallooze buitenverblijven? In Hypata wellicht?
+
+Maar Charis wist niets te antwoorden en ik evenmin. Dionyzius
+zeide toen, dat hij geheel Thessalië zoû laten doorzoeken, tot hij
+Menedemus gevonden had. Intusschen begreep ik niet, dat wat ik gezien
+had met eigen oogen, wat ik ontvlucht was met eigen dravende beenen
+een begoocheling zoû geweest zijn, dat het landhuis tusschen de
+lotusvijvers nog altijd bestond en slechts onbewoond en gesloten zoû
+zijn! Maar hoewel ik steeds dacht aan het raadsel, ging de dag toch
+voorbij als de vorige. Tot tegen den avond Dionyzius ons noodiging
+zond het feest bij te wonen, waartoe hij en zijne makkers hadden
+besloten. De doofstomme, zwarte vrouwen dosten Charis in rijkeren
+dos en de eunuchen geleidden ons samen door vele kronkelgangen,
+het inwendige van den berg door, tot wij in een zaal kwamen,
+zoo schitterend, dat ik verblindde. Werkelijk, ik had veel reeds
+in mijn jonge leven aanschouwd: het tooververblijf van Meroë, het
+landhuis van Menedemus, maar wat ik nu zag, was zoo fabelachtig, dat
+ik verblind om mij heen zag. In het rotssteen, dat als gebeeldhouwd
+was met Corinthische pilasters en architraven, waren groote vakken
+van glanzend goud als reusachtige spiegels in gevat en overal stonden
+tegen dien wand gouden lampen, zich vertakkende en vertwijgende en
+iedere twijg beurende een brandende pit, zoo dat het van vlammen
+wemelde en alle die vlammen weêrspiegelden zich duizenden malen in
+de glanzende, gouden spiegelwanden. Toen wij binnen kwamen, weêrklonk
+muziek van fluiten en kleine harpen en in het midden der zaal dansten
+Georgische danseressen.... De danseressen en de muzikanten waren allen
+slavinnen en slaven der roovers, begreep ik later en ik verwonderde
+mij wel zeer over die vreemde roovers, die in het binnenste van een
+wonderlijk piekgebergte leefden als prinsen, tusschen groote schatten
+en vorstelijke weelde en geen oogenblik schenen bevreesd te zijn,
+dat hun wonderkasteel ontdekt zoû worden. Zij lagen, in rijke kleedij,
+hunne gesteente-schitterende dolken in hun breede, zijden gordels, op
+bedden van tapijtwerk en aten en dronken uit het kostbaarste vaatwerk,
+dat ik ooit had gezien, terwijl de flakkerende vlammen der honderden
+lampepitten overal aan hunne juweelen op tulband en aan wapenen, aan
+schotels en kannen en bekers blauwe, gele en groene vonken ontlokten,
+die zich weder terug kaatsten in de glanzende spiegels, zoodat het
+tooverachtige schouwspel mij onvergelijkelijk scheen met wàt ik ook
+in mijn leven had mogen aanschouwen.
+
+Zoodra wij binnen kwamen, rezen Dionyzius en de sombere Manes op;
+zij traden Charis te gemoet, die met mij, haar arm om mijn nek, nader
+trad en ook verrast en bekoord om zich heen blikte, aan hoeveel de
+dochter van den schatrijken Menedemus ook gewoon was. En de beide
+rooverhoofdmannen noodigden hoffelijk Charis uit tusschen hen beiden
+aan te zitten op een verhevenheid en duldden, dat ik mij vlijde
+aan hare voetjes. Mijn lieve bruid bevroedde niet in welk vreemd
+gezelschap zij zich bevond; angst koesterde zij niet, nu zij zoo
+hoffelijk reeds twee dagen lang bejegend werd door hare gastheeren;
+nadenken vermocht niet haar betooverde geest en het scheen wel of die
+betoovering eene bescherming om haar heen spon, die zij zich ook niet
+bewust werd; gevlucht in een heksennacht uit haars vaders betooverd
+huis op den rug van een ezel, was haar geen haar gekrenkt, was zij
+gevoed, gekleed, was er een feest om haar heen en ik verwonderde
+mij over den geleidelijken loop van dingen, die toch niet gewoon
+schenen en bedacht of het de goden van Eleuzis waren, die dergelijke
+harmonische onwaarschijnlijkheden om de lieflijke onschuld van Charis
+sponnen en weefden.
+
+Intusschen zweefde de dans der Georgische vrouwen door de gouden
+spiegelzaal--overal verdubbelde zich hare bevallige beeltenissen, over
+en weêr, en telkens werden de diepe drinkschalen ingeschonken,--toen
+ik, plotseling, verrast, den kop richtte. Want Dionyzius was dichter
+bij Charis geschoven en ik hoorde hem, verhit door den wijn zeggen:
+
+--Charis, ik heb je lief! Ik heb je willen schaken om losprijs van
+je vader te krijgen, maar nu een gunstig noodlot je gevoerd heeft
+tot bijna in mijn armen, wil ik je omhelzen en zal je de mijne zijn
+en zullen alle deze schatten je toe behooren, o schoone maagd!
+
+Ik verschrikte hevig, toen ik plotseling Manes ter andere zijde,
+somber de brauwen fronsende, hoorde zeggen:
+
+--Dionyzius, neem je in acht! Aan mij zal het zijn, dat Charis toe zal
+behooren, zoo als ook deze schatten aan mij toebehooren en niet aan
+jou, en niet aan jou, die met een vervloekten glimlach meent alles
+te winnen, schatten en vrouwen en heerschappij over onze mannen en
+ons bezit!
+
+Woedend rezen plots de twee dronken rooverhoofdmannen op. En ik
+begreep, dat een lang gekoesterde ijverzucht plots tusschen hen los
+barstte. Ook ik was opgerezen en Charis wierp zich met een kreet
+om mijn nek. Wat! Beschermden de Eleuzische godheden ons dan niet
+meer?! De beide roovers hadden elkaâr naar de keel gegrepen, terwijl
+gillende de danseressen en muzikanten vluchtten tusschen de wanorde
+der omver gestootene tafels. En tusschen al de andere roovers weêrklonk
+boos, ruw geroep en zij stonden plots in twee kampen tegen over elkaâr.
+
+--Charis behoort aan Manes! riepen de eenen.
+
+--Aan Dionyzius! schreeuwden de anderen.
+
+Plotseling, in de van lichten flakkerende en spiegelende feestzaal,
+barstte los een verwoede strijd. Een twintigtal mannen stortte zich
+op een twintigtal mannen en er vloeide bloed en een verschrikkelijk
+schouwspel van helsche woede spiegelde zich daar over en weêr tusschen
+de van bloed druipende, stralende wanden. Intusschen had ik in een
+plotse ingeving Charis met een gebaar bewogen te springen op mijn
+rug en baande ik mij een weg, stootende met mijn kop, trappende
+met mijn hoeven. Plots voelde ik een hevige pijn en een dolkstoot
+in mijn flank. Mijn bloed vloeide maar diep was de wonde niet en,
+een verwoede ezel ik, tusschen die verwoede roovers, ging ik voort
+mij een weg te banen. Zij waren plots zoo op elkander verbitterd,
+dat zij eigenlijk niet op mij letten. Charis, op mijn rug, sloeg de
+armen op en jammerde van verschrikking. En de verwarring woelde door
+een. Maar ik wist te bereiken den uitgang. De roovers hielden mij niet
+tegen, vermoedelijk zeker, dat ik toch geen uitweg zou vinden. Door
+een labyrinth van nauwe gangen zocht ik mijn weg.
+
+--Cha-i! Cha-i! balkte ik, om mijn bruid gerust te stellen.
+
+Zij omhelsde mij vast en lag trillende over mij heen. Ik voelde
+haar zachte maagdelijf in hare goud-doorweven sluiers kloppen tegen
+mijn ezelelijf. Een zaal stond open: het was vermoedelijk Dionyzius'
+slaapverblijf, vol weelde: uit een kist van ivoor hingen parelsnoeren,
+maar ik holde voort. Waar zoû ik een uitgang vinden? Nergens
+vermoedelijk. Aan den wand hingen purperen mantels, krokosgele
+mantels, mantels van vossebont. Ik holde voort... De open gelaten
+wijnkelders holde ik door: de amforen stonden er, puntig en dubbel
+geöord; de dikbuikige vaten stonden er: het rook er naar een roode
+bezwijmeling. Ik holde voort! Waar was ik? Ik werd mij bewust in het
+rond te draven. Daar was onze tuin, daar was ons eigen verblijf. Maar
+daar hoorde ik plots ook weêr het gewoel van den strijd der verbitterde
+roovers en ik holde weêr terug...
+
+Een nachtmerrie werd die inwendige berg, het verwonderlijke rooverhol;
+een booze droom werd het van onbestaanbaarheid. Ik holde om en om;
+ik scheen mij door een nauwe cirkelgang te wringen en wanhoopte ooit
+te kunnen ontkomen. Gesloten zouden vermoedelijk alle uitgangen
+zijn. De roovers achtervolgden ons niet, zeker vreesloos, dat ik
+zoû kunnen vluchten. Daar was weêr onze tuin, daar klonk weêr het
+verschrikkelijk rumoer van den strijd....
+
+Te gelijker tijd struikelde ik. Het was midden op een ronden binnenhof,
+tusschen de hooge, witte wanden van de op stekende pieken, als een put,
+die scheen geboord in het gebergte. En ik zag, dat ik gestruikeld was
+over een even op stekenden, vierkanten steen, waaraan een ijzeren
+ring. Ik weet niet welke ingeving mij bezielde, maar ik greep den
+ring met mijn sterke ezeltanden. Ik lichtte aan den ring den steen
+met al mijn kracht op.
+
+--Charmides! riep Charis. Vlucht! Ik ben bang, ik ben bang voor de
+mannen, die vechten!
+
+Ik bukte mijn kop. Ik zag een opening, wijd en een trap, die daalde
+steil naar beneden. Ik weet niet waarom, maar ik daalde de trap af,
+alleen vreezende, dat Charis zich het hoofd stooten zoû. Maar de trap
+was wijd in het rotssteen uit gehouwen en ik daalde voorzichtig maar
+gemakkelijk haar af. Mijn ezelhoeven tastten uit. Ik daalde lager
+en lager. Vage lichtschijn viel nog van boven. Nu en dan tastte en
+daalde ik in den donker....
+
+Plotseling werd het lichter voor mijn blik. Ik zag op. Ik zag de
+lucht. Die was hoog, hoog, een blauwe, verre hoogte boven den zwarten
+trechter, waarin ik mij bevond. Maar in dien trechter was een steile
+trap gehouwen!
+
+Ik aarzelde niet en ik steeg de steile trap op. Bijna recht-op steeg
+ik, hoef voor hoef zettende op de smalle treden en Charis steeds
+krampachtig zich klemmende om mijn nek. Hoe lang die moeilijke
+stijging duurde! Het was of ik uit het diepste der aarde op steeg
+naar het hoogste van den hemel. Maar ik steeg en ik steeg... Charis
+zeide geen woord en alleen mijn gehijg doorkreunde de nauwte van de
+steile trechtertrap. Eindelijk, eindelijk bereikte ik den rand. Nóg
+een poging en nog een poging!
+
+Daar ademde mijn hijgende snoet aan de trechteropening de wijdere
+lucht. Daar heesch ik mij als aan mijn hoeven op en stond op den
+trechterrand. O zalige vreugde! Om mij piekte het wondere gebergte
+met zijn witte torens in rozigen dageraad. De arenden vlogen in wijde
+kringen rond. De lucht was als een oceaan van parelvochten ether. De
+landouwen lagen in de diepte uitgesmolten in licht groene wazigheid
+met de donkere plekken der bosschen tot aan verijlende horizonnen. De
+nieuwe zon straalde uit.
+
+Ik zag rond, of de roovers ons misschien langs een anderen weg...? Ik
+zag niets. De wereld was immens wijd, verlaten en goddelijk schoon. En
+een ezel ik, met een jonkvrouw op mijn rug, stond daar hoog, op het
+witte gekartel van een hoogen bergkam.... Waarheen? Het was alles
+onbekend. De naaste minuut zoû de onbedenkbare verrassing zijn.
+
+Waar de bergkam daalde, zette ik mijn hoef. En daalde met den
+bergkam mede. Hoe voorzichtig daalt toch een ezel langs de steilste
+bergflanken omlaag! Weg was er niet: ik koos slechts de geschiktste
+plekken om mijn hoeven te zetten. In den rozigen morgen, nog wazig
+blauw van dauw, daalde daar een ezel het krijtwitte gebergte af,
+op zijn rug een betooverde maagd in zacht gazen feestgewaad van
+kostbare sluiers gehuld en de witte pieken rezen op en de zwarte
+arenden cirkelden rond. En het was alles zoo gewoon en zoo gelukkig,
+dat ik mijn wonde niet achtte. De zilverbrem bloeide om ons heen
+en hier en daar ruischelde het schuimende water de blanke groeven
+omlaag. En ik daalde, ik daalde altijd.
+
+Ik daalde af, werd ik mij bewust, aan den anderen kant van het
+gebergte. Maar de appelebongerds omringden geheel den berg en toen
+ik was afgedaald, dwaalden wij verder de bongerds door en aten de
+appels en dronken samen aan de beek. En rustten uit in de doorappelde
+schaduwen. En gingen weêr verder. En niemand kwamen wij tegen. Het
+was de noen en nauwlijks dacht ik aan wat het einde van dezen dag
+brengen zoû.
+
+Den warmen middag liep ik een schaduwrijk bosch door van dicht
+bladerige kastanjes. Er volgden weilanden, bouwlanden; er graasde
+het vee, er golfde het graan, er doken de boerenhoeven op tusschen
+de olmeboomen. Landbouwers zag ik met hunne knechten bezig: zij
+sloegen de blinkende sikkels de neêr zijgende aren door en zongen hun
+juichend oogstlied. Maar ik vreesde hen te naderen, omdat wij beiden
+betooverd waren.
+
+En toch naderde ik. De mannen keken verwonderd op naar den ezel,
+die daar naderde op roode hoeven, goudbeslagen en een in feestgewaad
+gehulde, blonde jonkvrouw op zijn rug. En een der mannen naderde op
+zijn beurt. En toen ik hem aanzag, herkende ik Davus, van wien ik
+sedert maanden gescheiden was.
+
+Toen balkte ik van verbazing, heel luid en schreef met mijn hoef
+duidelijk in de mulle aarde:
+
+--Ik ben Charmides, Davus, je meester, en deze jonkvrouw is Charis,
+de dochter van Menedemus uit Hypata, die wij ontmoetten bij de poort
+van de stad en om wier liefde ik betooverd werd....
+
+
+
+
+
+
+
+XVII.
+
+
+Davus, zoodra hij op den grond gespied had wat mijn hoef had
+geschreven, slaakte een juichkreet en wierp beide armen hartstochtelijk
+om mijn ezelnek.
+
+--Heer! riep hij. O mijn heer Charmides! Zie ik u eindelijk terug!?
+
+En ik balkte luid van blijdschap en duwde hem met mijn snoet in zijn
+maag uit speelschheid.
+
+--En zijt gij de ezel van deze jonkvrouw geworden? vroeg Davus,
+in blijde verbazing. De ezel van Charis, Menedemus' dochter uit Hypata?
+
+Maar Charis, gelukkig, bespaarde mij veelvuldig, moeizaam hoefschrift
+en riep zelve uit, na ook gelezen te hebben:
+
+--De ezel van Menedemus' dochter? Neen, domme slaaf, maar haar
+bruidegom, die in dezen aanbiddelijken vorm uit den oorlog is gekomen,
+en toen hij gewond werd, zijn spraak verloor! Hoewel hij mijn naam
+als muziek zegt!
+
+Davus keek verwonderd op, maar ik beduidde hem met een zijlinkschen
+blik en vele schuine oorbewegingen, dat Charis, als ik, was betooverd
+en verliefd op een ezel geworden.
+
+--Ik begrijp het, ik begrijp het, heer! riep Davus. Werkelijk, ik
+begrijp er alles van! Ben ik ook niet betooverd geworden, toen ik
+u zocht bij Xeniæ, terug in Hypata, helaas, overal in den omtrek,
+heel ver, tot in Larissa toe, waar ik slechts u vermoeden kon? Maar ik
+vond u niet, hoewel ik toch niet alleen naar u maar ook naar een ezel
+zocht! En ik vond wel ezels maar ik vond u niet en zelfs niet den ezel,
+die ge waart, zoo als ik u nu heb gevonden! O heer, er spon allerlei
+betoovering om mij rond; er was een web van verhindering om mij heen:
+ik dorst zeker niet terug naar uw ouders, toen ik u had verloren en ik
+zelve werd spoedig, toen ik u te Larissa in een ezelstal zocht--want
+ik vermoedde wel, dat ge van vorm veranderd waart!--als veedief gepakt
+en gegeeseld en toen in het gevang geworpen en toen verkocht op de
+slavenmarkt en ik wisselde van meester drie malen: ik was eerst slaaf
+van den stadsreiniger, maar verheugd er om, want ik liep steeds op de
+straat met mijn korf en bezem àlle ezels na; mijn meester verkocht mij
+toèn met voordeel aan een purperfabrikant en ik zegende mijn noodlot,
+omdat ik berekende, dat, zoo ge niet in een ezel herschapen waart,
+ik u misschien daar kon ontmoeten zoo ge handelsbetrekking aanknooptet
+met mijn baas en ook deze verkocht mij met voordeel aan den opziener
+van een groot landeigenaar, in wiens gronden ik nu werk--hij toonde
+zijn sikkel--maar dien ik zelve nog niet heb gezien en wiens naam ik
+wederom vergeten ben: hij heet, geloof ik....
+
+Terwijl Davus zich den naam van zijn nieuwen meester wilde herinneren,
+kwamen langzamerhand de andere slaven en arbeiders en landbouwers
+aanloopen en verzamelden om ons heen en Davus was zoo vervoerd van
+geest, omdat hij mij terug had gevonden, dat hij geen oogenblik
+bedacht hoe stilzwijgen en geheimenis de beste atmosfeer zijn rondom
+betoovering en luide zichzelf in de rede viel:
+
+--Vrienden, medeslaven en gij heeren opzieners, komt toch nader
+en loopt toch toe: kijk, dat is mijn meester; dit is Charmides,
+Lyzias' zoon, uit Epidaurus, die in een ezel veranderde.... o neen,
+die niet in een ezel veranderde maar in een held, die uit den oorlog
+kwam, hoewel hij toch wel op een ezel gelijkt.... En deze jonkvrouw
+is.... hoe heet zij ook weêr, heer Charmides; ge weet, uw trouwe
+Davus vergeet altoos namen!
+
+En de opzieners en de slaven verzamelden in dichten drom.... Nu
+was er niet veel te herstellen meer aan Davus' onbescheidenheid;
+de opzieners vroegen Davus, zij vroegen toen Charis, die, steeds op
+mijn rug gezeten, argeloos en waardig antwoordde, dat zij Charis was
+en ik haar bruidegom Charmides; zij vroegen zelfs mij en er bleef mij
+niets over, dan ja te knikken en zelfs mijne toestemming schriftelijk
+in het stof van den weg te onderteekenen.
+
+Er was hevige verwondering om ons rond. Nu was langzamerhand al het
+landvolk om ons heen gedrongen:
+
+En het klonk, door elkaâr:
+
+--Een betooverde koopmanszoon en een betooverde maagd! Nu, wat
+is er voor vreemds aan betoovering? Zegt men niet, dat onze heer
+zelve....? En onze meesteres....?
+
+Ik verstond niet wat zij meer fluisterden, want het was als een
+ruischende, dringende zee om ons rond en eindelijk zei de hoofdopziener
+tot Davus:
+
+--Het lijkt mij het beste, dat wij Charis en Charmides geleiden
+voor onze meester en meesteres en dat jij, Davus, ons vergezelt om
+getuigenis af te leggen, dat je je eersten heer terug vondt in dezen
+onwaarschijnlijken vorm.
+
+Veel was er niet tegen dit voorstel in te brengen. De opzieners
+gelastten den slaven en arbeiders terug tot hun arbeid te gaan en
+omringden ons, vier van hen met den hoofdopziener, om ons naar hunne
+meesters te brengen. Het was echter een lange weg, dien wij volgden,
+terwijl de avond viel. Het waren uitgestrekte bezittingen. Toen de
+landerijen waren gedaan, waar men nauwlijks wist hoe de schatrijke
+bezitter heette en wie hij was en met wie hij gehuwd was en waar nog
+een landelijk geluk scheen te zijn tusschen landbouw en veeteelt,
+kwamen wij aan het uitgestrekt molenbedrijf en daar zag ik ter
+weêrszijde van den weg de zelfde ellende, die ik zelve had door
+gemaakt. Een rilling ging door mij heen. Maar de opzieners begrepen,
+dat wij beiden, hoewel betooverd, een jonkman en een maagd van aanzien
+waren en zij geleidden ons steeds met zorg; zij deden ons telkens
+rusten; zij boden Charis honigkoek, melk, brood, ooft; zij gaven mij
+klaver en haver: zij zagen nu wel, overtuigd, dat ik geen gewone ezel
+was, maar een betooverde koopmanszoon, want ik beantwoordde enkele
+hunner vragen schriftelijk en bekende hun, met mijn hoef schrijvende in
+het zand, dat ik aan roovers was ontsnapt. En zich wel verwonderende,
+maar niet zóo zeer als ik wel begrijpelijk had gevonden, geleidden zij
+ons steeds voorwaarts, nu langs in de nacht somberder rifgebergte, waar
+zij zeiden, dat de goudmijnen van hun heer zich bevonden. Ik vermoedde,
+dat hij minstens wel even zoo vermogend zou zijn als Menedemus en mij
+herinnerende, dat Davus nog niet mij zijn naam had genoemd, vroeg ik,
+schrijvende, toen wij een oogenblik halt hielden:
+
+--Hoe heet, opzieners, uw heer....
+
+En de hoofdopziener antwoordde, en het was mij, of ik een donderslag
+hoorde:
+
+--Chersonezus, die zich noemt de zoon van Hermes en Hekate....
+
+Chersonezus! De zoon van Hekate! En die zich ook nog verhoovaardigde
+te zijn de zoon van Hermes, van den edelen god aller kooplieden
+in parels en purper?! Neen, dat nooit! Maar van Hekate! Wellicht
+Chersonezus, dien ik had gezièn, had gehóord, zwevende in de nacht
+boven het landhuis van Menedemus, om alles te vernietigen en Charis
+te schaken! Het was Chersonezus, waarheen zij ons leidden! Een
+ontzétting rilde door mij heen, maar ik begreep dadelijk niets te
+moeten laten blijken. Charis zelve begreep niets, wist niets van dien
+machtigen toovenaar; voor Davus was Chersonezus' naam niet meer dan
+welke andere klank! Alleen voor mij was hij de ontzetting! Wat kon
+ik doen? Vluchten met Charis? Een ezel met een jonkvrouw tusschen
+vele menschen is zelfs niet gelijk aan éen man met zijn geliefde
+tusschen vele mannen. Duizend gedachten en voornemens woelden in
+mij duizelsnel rond, maar ik begreep, dat er geen enkele was uit te
+werken of te volvoeren. Schijnbaar rustig stapte ik voort. Charis,
+gerust gesteld, omdat zij gezeten bleef op mijn rug, keek links en
+rechts en vroeg de zoete vragen van een kind. Maar Davus riep:
+
+--Heeren opzieners, zegt men niet, dat Chersonezus bekend is met de
+geheime krachten en zoû hij mijn heer niet onttooveren kunnen?
+
+Wat de opzieners antwoordden, verstond ik niet in mijne
+verwarring. Maar wel deed Davus' vraag mij begrijpen, dat het beste
+zoû zijn werkelijk mij te gedragen bij Chersonezus of ik onttooverd
+door hem wilde worden. Intusschen waren wij het goudmijnbedrijf
+voorbij gegaan en plotseling zag ik, hoewel in de verte, een wonder
+vizioen van architectuur opzuilen in de nacht. Het schenen zacht
+gouden zuilen, die rezen tusschen wijde, maanblauwe tuinen. Nooit
+nog had ik zulke vreemde, onwaarschijnlijk blauwe tuinen gezien:
+het was donker blauw van boomgroepen en heestermassa's tegen lichter,
+star-doorzaaid blauw van lucht; het was nachtachtig azuur van vijvers
+tusschen lazuursteenblauw van bladeren en bloemen en tusschen al deze
+betoovering van blauw rezen de zacht gouden zuilen, in Corinthische
+kapiteel- en gleufverschieten met hare tallooze schachten op, terwijl
+de daken ook met zacht gouden vakken verschoten. En toen wij naderden,
+kondigde de hoofdopziener ons aan, door te blazen op een fluit en van
+daar ginds antwoordde een cymbelslag en er was even een korte muziek
+over en weêr. En toen wij naderden--een jonkvrouw op een ezel met een
+slaaf en verschillende opzieners--door de tuinen en langs de vijvers,
+liepen van alle kanten slaven toe om te weten en hun meester kond te
+doen. Er was op de vele gouden trappen van het breede huis een beweging
+op en neêr van slaven en slavinnen en zij zouden kond doen van een
+betooverde jonkvrouw, met een betooverden jonkman, die Chersonezus'
+hulp kwamen in roepen. Toen, na een pooze, dat wij toefden voor de
+trappen, begon het inwendige van het huis te stralen van starachtige
+lampen, die uitschitterden aan duizenden Hekate-fakkels, in ver
+verschiet geplant en tusschen de fakkels naderde wie wel Chersonezus
+scheen. Hij droeg een tiara, die schitterde, een langen tabbaard en
+zwarten baard. Hij was omringd van tal van trawanten en hij zelve was
+zoo groot, dat hij boven allen uitstak. Hij scheen wel een Aziatiesch
+keizer en de mannen rondom hem schenen satrapen. En ik begreep,
+dat hij een allermachtigst toovenaar zijn moest en toovenaars ook
+wie hem omringden.
+
+Aan de hoogste trap bleef hij staan in zijn glorie en van de opzieners
+langs de trawanten, ging het inlichtend woord hem te gemoet. En
+ik hoorde:
+
+--.... Beiden betooverd.... Charmides.... Charis....
+
+Toen zag ik hem van blijde verbazing opschrikken en hij daalde de
+trappen af en naderde Charis, die steeds op mijn rug was gezeten.
+
+--Jonkvrouw, zeide hij met zijn diepe, verleidelijke stem. Edele
+Charis, wees welkom in mijn huis, dat uw eigendom is.
+
+Charis ontsluierde zich half uit hare gele feestsluiers, die zij
+droeg en zij zeide, zoet lachende, want gewoon aan vereering en hulde:
+
+--Dit is mijn bruidegom, dit is Charmides, de held....
+
+--Ik heet hem welkom als u, zei Chersonezus, terwijl hij Charis deed af
+stijgen en dadelijk een zwerm van slavinnen haar als gevolg omringde.
+
+En hij scheen haar niet dadelijk te willen overtuigen, dat zij
+betooverd was en op een ezel verliefd, dat ik betooverd was en een
+ezel: hij voerde haar aan de hand de treden op en ik volgde met
+Davus, de trawanten, de slaven, tusschen de gouden zuilen door,
+tusschen de starrelende fakkels door, de lange, lange galerijen
+door. Intusschen bonsde mijn hart in mijn ezellijf, al liep ik ook
+deftig op goud-rooden hoeven achter mijn bruid en den toovenaar. Tot
+wij kwamen in een feesthal, opene marmeren kolonnade, elke kolom
+bekroond met een zwart marmeren hond, den hond van Hekate, die tegen
+den starrenhemel somber indrukwekkend zijn blafkop ophief, terwijl in
+het midden een waterbekken den zwart marmeren, wijden bak diepte, waar,
+op het donkere water een zwarte lotus te bloeien lag. En Chersonezus'
+deed Charis zitten op een marmeren troon, zette zich aan haar zijde
+en vroeg:
+
+--Zeg mij nu, edele Charis, hoe kan ik u of uw bruidegom helpen?
+
+--Door hem zijn spraak terug te geven, o Chersonezus! zei Charis.
+
+--En met zijn spraak ook een menschelijken vorm?
+
+--Dat niet, o Chersonezus, want zijn vorm is mij dierbaarder dan
+welke vorm ook zoû zijn....
+
+Chersonezus zag haar aan: klaarblijkelijk had hij, hoe machtig
+toovenaar hij was, een ander antwoord verwacht; klaarblijkelijk
+had hij nooit berekend, dat Charis' betoovering door zijn eigen
+tooverwoord toch nog geluk haar geworden zoû zijn om hare liefde,
+die de goden van Eleuzis wel hadden toe laten gaan naar een ezel,
+maar naar een eveneens betooverden, in een ezel betooverden jonkman,
+zoo dat zich toch liefde, hoe wonderbaar, tusschen beider zielen had
+kunnen weven, zoo dat toch geluk hen had kunnen door glanzen en hij
+aarzelde te antwoorden, terwijl de maagd, die hij, de goden wisten
+welke schande had toebedacht, rein en argeloos en goddelijk onnoozel
+en zoo onvergelijkelijk schoon zat aan zijn zijde....
+
+Maar plotseling weêrklonk van uit de diepte der tuinen, waaruit het
+van flambouwen ook te starrelen begon, een vreemd geluid, als van
+aansnorkende zwijnen; ik zag op en kon mijne ezelsoogen niet gelooven,
+toen ik aanschouwde wie daar in praal werd aangedragen, op een bedde
+van zonnebloemen....!
+
+
+
+
+
+
+
+XVIII.
+
+
+Een klaterende lach weêrklonk. En ik zag Meroë aangedragen en zij riep:
+
+--Ik herken je, ik herken je, o Charmides, o koopmanszoon uit
+Epidaurus, o reiziger in purper en parels, al herschiep mijn dienende
+geest je in een ezel, elken keer, dat je verliefd werdt!
+
+Zij steeg af van haar bloemenbedde, dat men neder zette en naderde
+Chersonezus en zeide:
+
+--Mijn groote en machtige vriend, gij, die met mij heerscht in de
+luchten boven Thessalië, ik vraag u een gunst, niet meer dan de gunst,
+die een versmade vrouw zoû vragen. Geef mij den ezel, dien ik hier
+voor mij zie, opdat ik met hem doe naar mijn believen. Want ik wil
+op dien ezel mij wreken.
+
+--Zal ik niet aan mijn gast, de edele Charis, mishagen, antwoordde
+Chersonezus met een valschen lach van hoffelijkheid; zoo ik u, o
+Meroë, den ezel af sta, die geen ezel is maar een held, Charmides,
+uit den oorlog terug gekeerd en Charis' verloofde??
+
+--Charis zal zeker, spotte op haar beurt tusschen den drom der
+toovenaars en hunne trawanten, die ons omringden, Meroë; zich
+troosten voor Charmides, zoo zij zich met Chersonezus verlooft. Sta,
+Chersonezus, mij dien Charmides af.
+
+--Ik sta, Meroë, u hem af, zoo Charis aan Chersonezus zal zijn.
+
+Zoo spraken zij over en weêr, vol helsche ironie en plotseling
+weêrdaverde hun klaterende lach. En weêrdaverde om ons heen aller
+klaterende lach, zoo vreeslijk en duizendvoudig, schel schaterend,
+dat het geheele paleis scheen te schudden met zijne zuilen, dat àlles
+lachte, dat de zuilen lachten, dat de booze nacht van het lachen bewoog
+en dat in den omtrek wel honderden honden lachende blaften, met de
+zwart marmeren Hekate-honden op de lachende zuilen mede. En het was
+een vreeslijke ontzetting in mij: rillende stond ik op mijn pooten,
+om Charis bevreesd, die ik niet wist hoe te redden uit deze helsche
+omtoovering, maar zijzelve, zekerlijk zich om hare onnoozelheid niet
+bewust wat haar omringde en bedreigde, scheen alleen te doorvoelen,
+dat Meroë haar wilde ontrooven haar bruidegom en als een furie wierp
+zij zich voor mij, breidde de armen uit, roepende:
+
+--Nooit zal Charis aan Chersonezus zijn en Charmides nooit aan deze
+slechte vrouw, die mij mijn bruidegom wil ontrooven! Wij hebben
+elkander lief en nooit zal wie ook van ons lief hebben een ander,
+wat hare wraak ook bedenkt!
+
+Het helsche gelach was verzwegen en in een doodstilte weêrklonken de
+woorden der maagd. Geen hond blafte meer, maar een dreiging, bijna
+vreeslijker dan het lachen, huiverde door deze booze sfeer, waarin
+wij ons bevonden. De blanke schijn van de nacht was lijkvaal geworden,
+de gouden glanzen der lampen versulferden en bleeke schimmespooksels
+doemden larve-achtig om ons rond kronkelend op. En in het gewarrel
+dier vreemde lijnen en lintelijven bloeide in het waterbekken de
+zwarte lotusbloem op een zich zichtbaar rekkenden slangestengel
+omhoog uit het zacht ziedende water. De stengel slingerde, groeiende,
+van rechts naar links, kronkelde steeds langer over het bekken en
+bereikte eindelijk met haar bovenmatig groote, zwart gloeiende bloem
+mijn bek.... En Meroë zeide, huichellachende:
+
+--Lieflijke Charis, laat mij u zeggen, dat Charmides een duivelsche
+slechtaard is, die om straf in dezen ezelsvorm veranderd werd. Gij
+waant hem een held, uit den oorlog gekeerd, maar hij is een monster,
+een vreeslijk gedrocht en zoo gij hem dwingt deze lotus te eten,
+zult gij hem in zijn ware gedaante voor u zien.
+
+Verstrikt zag Charis van Meroë naar Chersonezus en mij. Rondom ons
+stonden de toovenaars en alle hunne oogen staarden op ons. En Meroë
+spotlachte steeds, gestrekt haar staf, en in Circe's gewaad, met de
+juweelen zonnebloemen van chryzoliet-en-harten-van-anthraciet aan
+hare slapen en op hare borsten. En het was of alles dwong Charis
+de bloem te plukken. Zij strekte de hand naar den langen stengel,
+die toe naar haar kronkelde. Zij plukte de bloem. Het was of de bloem
+zwart straalde in haar witte kinderhand. En zij reikte mij de bloem,
+onmachtig te weêrstaan de verleiding der nieuwsgierigheid....
+
+Zij zag mij met hare dierbare oogen, die als blauwe lotussen waren,
+aan, terwijl zij mij den zwarten lotus reikte. Het was mij bijna
+onmogelijk te weêrstaan, waar de vreeslijke verzoeking mij kwam van
+hare hand. O Goden van Eleuzis, wat zoû gebeuren, zoo ik at?! En
+dadelijk, dat ik in mijne vertwijfeling dacht aan de heilige goden,
+voelde ik mij doordrongen als met een pijl met deze ingeving:
+
+--Vat de bloem aan maar eet haar niet....
+
+En strekte ik den bek. Ik voelde om mij de hevige trilling van de
+boosheid, die wachtte.... Ik vatte met mijn tanden den stengel aan
+en de bloem bengelde tusschen mijn tanden. Maar dadelijk spuwde ik
+den verleidelijk zoet smakenden stengel uit en vertrapte met mijn
+hoeven de bloem.
+
+Plotseling doofden alle lichten en een helsche storm van gekrijsch
+warrelde razende op in de duisternis. Maar ik voelde om mijn nek
+Charis' armen en tusschen hare kreten hoorde ik het woedende brullen
+der toovenaars en Chersonezus' en Meroë's stemmen tegen elkander in:
+
+--Hoe is het mogelijk, onmachtige Chersonezus....!
+
+--Hoe is het mogelijk, machtelooze Meroë....!
+
+--Dat een ezel....!
+
+--Een handelsreiziger....!
+
+--Telkens en telkens weêr....!
+
+--Je toovermacht breekt....!
+
+--Je toovermacht breekt....
+
+Zij scholden woedende op elkaâr in de stikdonkere nacht.
+
+--Goden van Eleuzis, bad ik; ik weèt het, waarom hun toovermacht
+brak! Het is om uw bescherming, goden! Goden van Eleuzis, beschermt
+ons steeds!
+
+En steeds stond ik, een rillende ezel, terwijl ik, Charis, bezwijmd,
+om mijn nek voelde. De nacht klaarde op. Het was als een vale morgen
+en ik zag het tooverpaleis er bleek in op zuilen als de grauwe schaduw
+van wat het die nacht was geweest. Er hing als een nevel in. Het scheen
+onbewoond, op dat oogenblik: het scheen er leêg van menschen en dingen,
+van boosheid en van betoovering. Die nacht, misschien zoû het weêr
+hergloeien door helsche machten: nu stond het slechts verlaten om
+ons op, immens, leêg en grijs....
+
+--Waar ben ik! stamelde Charis, die ontwaakte. O, wat een
+droom! Charmides, Charmides, vluchten wij?
+
+Zij wierp zich op mijn rug.
+
+Maar plotseling hoorde ik een stem:
+
+--Mijn heer! Mijn heer Charmides! Vergeet ge dan uw knecht! Vergeet
+ge dan uw trouwen Davus! Zie toch eens naar hem om al zijt ge maar een
+ezel! Want drie dikke zwijnen achtervolgen hem en laten hem niet los!!
+
+En werkelijk, mijn rechtervoorpoot reeds geheven om op de vlucht met
+Charis te gaan, zag ik om en bespeurde ik Davus, die om het waterbekken
+rond liep, achtervolgd door drie snorkende zwijnen.
+
+Hij rende op mij af en verschool zich tusschen mijn pooten en riep:
+
+--Bescherm mij, heer! Bescherm mij, heer!!
+
+Maar de zwijnen schenen hem geen kwaad te willen doen. Zij snorkten
+slechts heviger, smartelijker, en o wonder, ik verstond plotseling wàt
+zij snorkten. Want ik had geleerd, dat der dieren taal er eene is van
+telkens bij ieder dier wisselenden klank voor het zelfde begrip en
+dat elk dier, bij ontwikkeld instinct, een ander dier begrijpt. Het
+was dus tusschen de drie zwijnen en mij een hevig gebalk en gesnork
+over en weêr en zij smeekten mij:
+
+--Hàrr-mides! Hàrr-mides!
+
+Wat is er?
+
+--Erbàrm, erbàrm u onzer!
+
+--Wie zijt ge?
+
+--Wij zijn drie senatoren, die op reis waren in Thessalië....
+
+--Wat overviel u? vroeg ik.
+
+--Wij werden alle drie, riepen zij; in Hypata door Meroë betooverd! En
+als zij haar minnaars betooverd heeft, werpt zij hen, geslacht,
+in de tooverketels der heksen, op de bergvlakten, onder de maan,
+die zij uit haar loopbaan rukken....
+
+--Een zwijnetand hier....
+
+--Een zwijnepoot daar....
+
+--Een zwijnestaart hier....
+
+--En zwijnborstels daar... riepen zij door elkaâr.
+
+--Ge moet amaryllis eten! riep ik.
+
+--Waar vinden wij amaryllis te eten? riepen de zwijnen. En het was
+alles balken en snorken, verscheurend en grommend, zoo dat Charis riep:
+
+--Charmides! Charmides! Vlucht!!
+
+En Davus:
+
+--Heer Charmides! Heer Charmides! Bescherm mij!
+
+Ik zette het op een loopen, balkende. En het scheen, dat zoowel de
+drie zwijnen als Davus zelve mijn gebalk begrepen, want terwijl Charis
+mij om mijn hals omklampt hield en de drie zwijnen mij ter zijde en
+achter mij aan stommelden, had Davus mijn staart gegrepen en liet
+zich zoo, hollende hij, dravende ik, mede sleepen door zijn heer,
+die een ezel was. Het was juist wat ik zoowel mijn knecht als de
+zwijnen had toe gebalkt; het geschiedde alles zoo als ik het wilde
+en door den valen morgen draafde onze stoet tuinen door, wegen op,
+velden over, stroomen door. Waarheen ik hen allen leidde, was ik
+mij onbewust: ik begreep alleen, dat ik vooruit moest, wèg moest,
+Chersonezus' zoo uitgebreide bezittingen, landerijen en tooverban
+uit, om Charis te redden, om mij en Davus te redden en te redden de
+drie betooverde senatoren.... Ons allen te redden vóor Chersonezus,
+zich bezinnende na die woede over zijn tijdelijke machteloosheid,
+ons met éen gebaar van zijn staf zoû weêrhouden verder te vluchten
+in heilige zekerheid. En daarom draafde ik door. Het scheen of de
+zon niet op straalde, dien dag. Het scheen of ik liep met een geheime
+kracht, of ik zweefde, mijn hoefslag nauwlijks tikkend den grond. Over
+mij heen, hare armen rondom mijn hals, lag Charis en ik vermoedde,
+bezwijmd. Aan mijn staart, allerpijnlijkst, marteling, die mij deed
+denken aan vroegere martelingen, toen ik takkenbossen getorst had en
+molensteenen gedraaid, hing, als ware het, Davus, liet mij niet los
+en ik sleepte hem meê, terwijl zijne voeten ondanks zichzelven mede
+liepen. En snorkende, grommende, knorrende, renden achter, ter zij,
+de drie zwijnen mede, zich liever hunne senatorenzielen uit hunne
+dikke leden loopende dan hun redder, mij, te verlaten. Neen, het werd
+geen dag, durende dien vreeslijken rit. Het regende en ik rende den
+regen door, tot een diep ravijn zich boorde voor mijne blikken. En
+een hevige bliksemschicht uit schoot en de donder dadelijk rolde....
+
+Ik stond stil, steil op mijn rechte pooten, mijn ooren steil en
+steil mijn pijnlijken staart, dien Davus niet los had gelaten. De drie
+zwijnen tolden wanhopiglijk om hun dikke zelve rond als wisten zij niet
+meer wat nu te doen. En nu ik eenmaal stil stond, wist ik, dat ik niet
+verder kon, uit vermoeidheid ten doode toe, niet vèrder kon, dat diepe
+ravijn neêr en ginder weêr op, in den slagregen, die stortte neêr.
+
+--O mijn heer! O mijn heer Charmides! klaagde Davus, die reeds
+gewend aan de zwijnen scheen en tusschen hun drieër rondgetol de
+armen wanhopiglijk rekte en de handen wrong.
+
+Ik balkte, heel wijd. Ik balkte, in ezeletaal, dat Davus de jonkvrouw,
+bezwijmend op mijn rug, af zoû tillen en haar zoû dragen in rotskloof,
+veilig voor stormgeweld. De drie zwijnen begrepen mij dadelijk en ook
+zij beduidden het Davus met geknor en gegrom en gesnork. En o wonder,
+het was of Davus het wèl begreep, uit mensch-intuïtie, omdat een mensch
+toch wel eens een dier begrijpt. Terwijl ik, mijn kop naar hem toe,
+balkte, balkte als geen ezel ooit balkte, terwijl de zwijnen snorkten,
+snorkten als geen zwijn ooit snorkte, ontwrong hij voorzichtig Charis'
+greep om mijn hals, tilde haar op, droeg haar binnen de diepe kloof,
+legde haar hoofd op het mos, dekte haar toe met breede varenbladeren
+en hurkte toen aan hare voeten neêr om er zelve in zwijm te vallen.
+
+Toen, vóor de kloof, viel ik in een. Ik voelde mij of mijn menscheziel
+ontsnappen zoû aan mijn dierelijf in mijn zwoegend ezelgehijg. Mijn
+oogen puilden mij uit den kop; mijn staart voelde aan als uitgetrokken
+aan mijn ruggegraat. Rondom mij lagen de drie dikke zwijnen, zwoegende
+ook, vlak op de flanken ter neêr. En zoo bleven wij die nacht van
+stormgeweld: een maagd, drie senatoren, een handelsreiziger en een
+slaaf, aan den rand van het ravijn, dat zich uit strekt langs den
+heirweg, die voert naar de stad van Larissa.
+
+
+
+
+
+
+
+XIX.
+
+
+In diepen slaap lagen wij, geloof ik, allen die nacht ter
+neêr. Plotseling schrikte ik op en mijn eerste gedachte was aan mijn
+bruid. Hoe had ik kunnen slapen, terwijl zij daar lag in de spelonk,
+onder de varenbladeren. Davus aan hare voeten en de drie zwijnen,
+rondom mij, als de enkele lijfwacht, die haar behoedde! Zoo verweet ik
+mij hevig en met éen sprong stond ik op mijn vier pooten. En schudde
+den dauw van mijn vacht. Werkelijk, de zwijnen sliepen nog. Davus
+sliep. En Charis, de zoete, sliep. Hoewel zij, een Egyptische mummie
+gelijk, omplakt in hare natte wade en sluiers, sliep in de spelonk
+op het mos, schenen de vele varens, waarmeê Davus haar had overdekt,
+haar warm te hebben gehouden, want zij sluimerde als een kind zoo
+rustig, haar blank gezichtje in het blonde haar enkel zichtbaar,
+verder de lijn van haar lichaam slechts even te raden onder het breed
+geblaârte. O, zoo zij ziek ware geworden van den vreeslijken rit door
+den slagregen! Maar het scheen wel, dat de goden waakten over haar,
+want zij lag zoo rustig als hadde zij gelegen in haar kuische bedde
+te huis!
+
+Herademend keek ik om. Het ravijn glooide diep naar omlaag, met ruig
+struweel begroeid; de gezwollen stroom schuimde er bruischend met
+val op val de rotsblokken af en in die diepten doken de nachtelijke
+schaduwen weg. Maar ginds, in het Oosten, rilde een rozige schijn
+op, een kier van goud scheurde lang in den nog schemergrauwen hemel
+laag over de oorden, die wij verlaten hadden en de jonge dag, zelfs
+aanbiddelijk boven dit ruwe landschap, rees als een jonge god op. En
+plotseling vernam mijn lang, steil gespitste oor een zacht geluid, dat
+naderde uit dat zelfde Oosten aan over den met steenblokken bezaaiden
+baaierd, die het ravijn omgaf en waardoor nauwlijks van weg meer
+spoor was.... Het was een zacht zilveren getinkel en aangetokkel,
+zoo als ik meende wel meer in vroegere dagen te hebben vernomen en
+het klonk zoo zalig zuiver ginds uit de rozigende verte aan, dat ik
+luisterde, luisterde, zonder nog mij van die bekoring rekenschap te
+kunnen geven. Tot ik zag een witten stoet, nauwlijks nog omlijnd in
+den rozigen dauw, die optrok: meer nog een stoet van schimmen, vage
+mannen, vage vrouwen, aan bewegende over het rotsgesteent en met den
+eersten dageschijn om de zich tegen de lucht uitheffende hoofden,
+zingende en musiceerende.... Nu, duidelijker, klonken de stemmen,
+trillerden, aangetinkeld, de sistra-snaren en ik herkende de zoete
+muziek en ik balkte luide op, om mijn lotgenooten te doen ontwaken.
+
+Davus ontwaakte het eerst en ook Charis sloeg hare oogleden op en
+zij riep:
+
+--Charmides! Charmides! Waar ben ik?
+
+Ik was wèl gewoon op velerlei manier met mijne bruid gesprek te voeren,
+maar dit maal was het Davus, die antwoordde:
+
+--In veiligheid, edele jonkvrouw: vrees niets! Wij hebben over uw slaap
+gewaakt al sliepen wij ook zelve, ten minste ik, uw slaaf! Maar mijn
+meester, heer Charmides, uw onvergelijkelijke bruidegom, heeft mij
+wakker gebalkt... Hoewel onze drie metgezellen, van wie ik werkelijk
+niet weet of zij zwijnen of senatoren zijn, nog in diepste rust
+zijn gedompeld!
+
+En opgestaan riep hij:
+
+--Heeren zwijnen of senatoren, ontwaakt! Het is dag, het is dag en
+de zon rijst over de vlakte!
+
+De zwijnen, grommende, richtten zich op en ik balkte, terwijl hoog
+in de lucht de leeuweriken jubelden. En Charis en Davus zagen nu ook
+den stoet, die uit de rozige verte aan kwam....
+
+--Het zijn Isis-priesters! riep Davus. Het is een goed voorteeken,
+dat hun stoet ons nadert en misschien kunnen zij ons bijstaan met
+raad zoowel als met daad!
+
+In der daad kwamen zij nader, de heilige mannen met de zingende maagden
+en in hun midden liep de opperpriester, herkenbaar aan de zilveren
+banden, die zijn kruin omgaven en langs zijn slapen hingen. En toen
+zij vlak bij ons genaderd waren, deed ik een paar stappen voorwaarts
+en knielde neêr op mijn twee voorpooten.
+
+Het was zeker een vreemd gezicht, een dergelijke knielende
+ezel. Maar de Isis-priesters, die wisten alle de vreemde dingen,
+die in Thessalië gebeuren konden, verwonderden zich niet al te zeer
+en hielden zwijgende stand.
+
+--Heilige heeren! riep Davus. Erbarmt u over ons allen! Erbarmen zich
+de goden over ons allen: alle menschen, die door veel avontuur gegaan
+zijn, maar de jonkvrouw en de slaaf mensch nog alleen en de anderen
+zwijnen en ezel! Erbarmt u vooral over den ezel, heilige heeren,
+den ezel, die is mijn heer!
+
+De opperpriester was naar voren getreden en hij las, wat ik,
+opgerezen uit mijne knieling, in het stof van den weg met mijn hoef
+had geschreven:
+
+--"Ik ben Charmides, zoon van Lyzias.... En de maagd, die ik redde
+uit veel gevaar, is Charis, de dochter van Menedemus...."
+
+--Ik ben Davus, heilige heeren! riep Davus. Aan mijn slavennaam
+begrijpt ge, dat ik eens ezels slaaf ben!
+
+--En de zwijnen? wees de opperpriester naar de drie, die zich grommende
+en tollende, verlegen, hielden ter zijde.
+
+Ik schreef het met mijn hoef en Davus beaâmde het.
+
+--Gij zijt dus allen betooverd geworden? vroeg de opperpriester
+ernstig.
+
+--Ik wel het minste, heilige heer, zei Davus; maar anders, ja, heeft
+iedereen wel een tikje beet!
+
+--Vergezelt ons in onzen stoet, zei de opperpriester. Wij gaan terug
+naar het heiligdom van de godin.
+
+En wij voegden ons in den stoet. Nu, op het trilleren der
+sistra-snaren, aangetokkeld door de staven, liep ik tusschen de
+priesters, plechtig, en bereed Charis mij met een kinderlijken lach
+van zoete blijdschap. En achter mij en ter zijde, liepen de drie
+zwijnen mede, zoo deftig, of zij reeds weêr senatoren waren. En
+achter ons kwam Davus. Dan schreed, tusschen weêr priesters, de
+zilvergebande opperpriester en de zingende maagden gingen vóor het
+gedragen en gesluierde beeld van de godin, dat, zoo als ik begreep,
+voor een mysterie naar Larissa vervoerd was geworden en nu wederom naar
+haar tempel terug werd gebracht. En het was een zacht en rythmiesch
+treden op de maat der teêr neêr tinkelende en als met helle droppelen
+afdroppelende muziek, die hoog op in de lucht en den morgen steeg,
+met het twetteren der leeuweriken mede. Rond om ons baaierde de woeste
+wereld, breidde zich het woeste landschap, strekten zich de ruige
+rotsvelden of groeven zich de rotsafgronden afgrijslijk, maar boven
+ons blauwde de wijde hemel op door de laatste, rozige ochtendmisten
+en slingerde zich onze witte stoet langs wat hier weg was en daàr
+zich verloor onder de neêr getuimelde blokken....
+
+--Charmides! fluisterde mij bekoord aan het oor mijn
+bruid. Waar gaan wij heen? Huwen zij ons nu spoedig, na zoo vele
+lotsverwisselingen? Want ik herinner mij, o ik herinner mij de
+vlucht uit mijn vaders bezittingen, toen ik het landhuis zich zag
+verheffen en weêr neêr storten in vernietiging... Ik herinner mij
+den appelebongerd en de gouden feestzaal, waar de booze mannen
+gingen vechten; ik herinner mij den diepen put en de steile trap,
+die geleidde bóven op het blanke gebergte en ik herinner mij de
+vreeslijke nacht der blaffende honden en het helsche gelach van de
+slechte vrouw, die je aan mij wilde ontrooven en toèn onze urenlange
+vlucht door storm en regengeweld! En nu Charmides, is alles zóo zoet
+geworden: de lieflijke muziek, de witte mannen, de witte vrouwen,
+die ons omringen en volgen: o Charmides, zelfs de drie zwijnen,
+die niet af van ons lieten, schijnt het mij toe, dat ik lief heb,
+zoo als ik alles, alles lief heb, dezen morgen, dezen zaligen morgen!
+
+Zoo juichte zacht aan mijn oor mijn bruid toen wij uit het
+rotsgesteente af sloegen op den grooten heirweg. Wij ontmoetten er
+de warmoeziers, die gingen ter stad, reizigers in draagstoelen of
+wagens, een cohors legionariï en allen hielden stil, knielden neêr,
+aanbaden de godin en verwonderden zich over de drie zwijnen en den
+ezel, dien een blonde jonkvrouw bereed. En ik hoorde hen wel vragen
+of veronderstellen:
+
+--Betooverd....? Betooverd....? En worden zij nu onttooverd?
+
+Dat meende ik ook wel, terwijl ik deftig voort schreed, op het zachte
+getinkel der eentonige sistra-melodieën, klanken als uit bloemeklokjes,
+die vielen over den weg, over het knielend gebaar en de vroomheid
+van wie zij ontmoetten. Maar toen sloeg onze stoet een zijweg in en
+een dicht bosch van laurier, myrt en sycomoren, schaduwde heilig en
+geheimzinnig aan weêrszijden des breeden wegs. En voor ons, in de
+verte, zuilde de witte tempel....
+
+Het waren eerst de twee pylonen, immens en Egyptiesch, toegang gevend
+als een immense poort tot de laan der sfinxen, die geleidden naar
+het heilige huis, waar de eeredienst der vreemde godin werd gevierd,
+ter gelukzaligheid van wie in Thessalië betooverd waren geworden. O,
+ik wist het wel, dat de goden van Eleuzis, die ik zoo dikwijls had
+ingeroepen, mijne bruid en mij hadden behoed, maar ik herinnerde
+mij ook Clitifo's lieflijken tuin van zilverasters en hoe reeds
+aan den grens van Thessalië een Isis-priester de weldadige bloemen
+kweekte, die mij hadden kunnen onttooveren, toen ik op Nausistrata
+verliefde! Zoû ik ooit weêr als toen gulzig storten in de starrige
+bloemen, ze verslinden en terug winnen mijn vorm van mensch en van
+man? Ik smachtte er naar; ik zag er naar uit, toen wij het voorplein
+van den tempel naderden... Want ik meende, dat mijn ezelvorm lang
+genoeg mij had omhuld, tot boete voor vele euveldaden-van-liefde; ik
+meende, dat het heilige tijdstip nu weêr naderen zoû, sinds ik trouw
+was gebleven aan mijn stralendste liefde, aan mijn heilige liefde
+voor Charis. Was ik ooit, sedert ik ezel was, verliefd geworden op een
+andere vrouw of maagd? Was ik ooit op een ezelin verliefd geworden? En
+in de zekerheid van mijn aanstaande belooning voor trouw en zuivere
+liefde, ging ik mede met den stoet tusschen de pylonen en langs de
+sfinxen, tot wij stil hielden op het groote plein voor den tempel. En
+de opperpriester ons beval te wachten, tot de priesters het beeld
+van de godin op haar altaar zouden herplaatst hebben. Intusschen
+wachtten wij, Charis van mij afgegleden en den arm om mijn nek, Davus
+en de drie zwijnen rondom ons. En vroom zagen wij uit in het even
+geschemerde tempelverschiet, van waar de zang en de zilveren muziek
+nu, steeds zoo zoet trillerend, weêrklonk. Zelfs de drie zwijnen,
+scheen het mij toe, hurkten vroom, als knielende neêr, wachtten vol
+vrome vreeze af en gromden slechts behaaglijk in ondertoon, of zij
+voorgevoelden het einde hunner vernedering en metamorfoze....
+
+Toen, tusschen zijne priesters, kwam de opperpriester terug. Hij was
+zoo groot en zacht, zoo huiverwekkend bleek van wijsheid en geheel
+geschoren zijn ouden schedel tusschen zijne zilveren priesterbanden. In
+zijn aderige handen, die staken uit de wijde mouwen van zijn weeke,
+witte gewaad, was een gebaar van menschenliefde, zoo groot, dat het
+mij ontroerde, ezel, die ik nog was. En hij zeide, terwijl zijn stem
+vol erbarming klonk en weten van wijze dingen:
+
+--Charmides, hoor mij thans aan. Betooverd als gij zijt geworden,
+nadert het oogenblik van uwe onttoovering. Maar weet eerst, dat
+tusschen Clitifo, die de zilverasters kweekt dicht bij Thessalië's
+grenzen en mij ziele-aanvoeling geweven heeft door middel der
+heilige machten van Isis. Ik wist van u af en ik wachtte u af, zoo
+ge niet reeds vroeger zoudt onttooveren, door de bloem, die ik vele
+malen ontluiken deed op uw weg. Maar de heilige goden van Eleuzis,
+wien gij vroom steeds waart in uw hart, gunden mij niet te vroeg
+erbarmen en hebben gewild, dat gij den heiligen, witten lotus niet
+weten zoudt... O, Charmides, niet de zilveraster zal u voor altijd
+onttooveren, hoe schoon en zalig de bloem ook zij! Het einde van
+uw onttoovering zal u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen
+uit de blanke u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit den
+blanken lotus. Herinnert gij u niet? Aan blauwe lotus lieten nog
+de azuren oogen van Charis u denken; maar met blanke lotus lag het
+meer bij Xeniæ overladen, toen gij, op Charis verliefde ten tweede
+male en ten derde male herschapen werd. Om Charis' woning bloeiden
+de vijvers van blanke lotus. In den tuin van Dionyzius deed ik nog
+eenmaal een enkele lotus ontbloeien in het water tusschen de hooge,
+blankende rotsen en pieken. Maar, zoon, de Eleuzische goden gaven u
+niet wetenschap en voorgevoel omdat gij de boete volbrengen moest en
+de trouw in de liefde deelachtig moest worden....
+
+Op dit oogenblik traden de maagden den tempel uit en éene harer, in
+heur midden, droeg in een zilveren vaas twee prachtige, zeer groote,
+zilverstralende lotuskelken aan, die stralend ontloken op lange stelen.
+
+De opperpriester wees.
+
+--Zoon, zeide hij; zie hier. Zie hier de heilige bloemen, gekweekt in
+onze heilige vijvers. Twee heb ik er voor u geplukt. Het oogenblik
+is gekomen. Eet thans de heilige bloem: de goden van Eleuzis gunnen
+het u...
+
+Ik knielde in huiverende vroomheid neêr. Ook voelde ik, dat Davus
+knielde en dat de drie zwijnen zich vernietigden op den grond, voor
+zoo ver een zwijn zich op den grond in vroomheid vernietigen kan,
+want zij gromden altijd, hoe zachtjes ook. Maar Charis, bekoord door
+de bloemen en in hare onnoozelheid de heiligheid van dit oogenblik
+wellicht niet bevroedende, knielde niet en riep alleen juichende uit:
+
+--O wat prachtige bloemen! Wat prachtige bloemen! Prachtiger dan zij
+ooit bloeiden op onze vijvers!
+
+En zij naderde; hare handjes gingen begeerig uit naar de vaas, die
+de maagd reikte aan den opperpriester.
+
+Maar de maagden hielden haar tegen en niet begrijpende, dat zij
+de bloemen niet hebben mocht, deinsde zij even terug. Toen nam de
+opperpriester een der bloemen uit de vaas en bood mij die.
+
+Mijn menschehart klopte hevig in mijn ezellijf; ik strekte den bek,
+opende voorzichtig mijn lippen en vatte de bloem.
+
+En at haar zoo vroom of ik bad.
+
+Nauwlijks had ik de lotus gegeten of ik voelde mij duizelen, maar in
+mijne vreemde duizeling richtte, rekte ik mij op.
+
+En was een mensch. En was een man. Charmides, Lyzias' zoon uit
+Epidaurus, in zijn reisgewaad....!
+
+Kringen van licht en zaligheid breidden zich wijd om mij uit!
+
+--Heilige vader! riep ik met mijn eigen stem.
+
+--Mijn heer Charmides! hoorde ik Davus juichen.
+
+Maar een schelle kreet klonk naast mij.
+
+--Charmides! riep omzoekende Charis, als gek. Waar is hij
+gebleven? Waar is mijn bruidegom? Waar is mijn held, mijn prins,
+die uit den oorlog kwam in zoo aanbiddelijken vorm, grauw gevacht,
+langgeöord en zoo lieflijk altijd vocht van snoet, waarmede hij als
+muziek zeide mijn naam?! Wie is nu deze jonge man?! Ik ken hem niet en
+ik wil hem niet kennen! Waar is mijn Charmides in eens henen?! Waarom
+is hij verdwenen! Vader, broeders, neven, o wondermeesters, die hem
+mij pleegden, wàar zijt gij allen! En waar ben ik en waar is mijn
+Charmides!?
+
+En ontsteld zag zij mij aan, slaakte haar wanhoopskreten en weerde
+mij angstig af, toen ik haar liefdevol naderde, uitroepende:
+
+--Wèg, wèg van mij! Jou ken ik niet! Ik ken alleen mijn Charmides en
+al was hij maar een ezel, hèm heb ik lief, en hem wil ik alleen!
+
+En terwijl zij in snikken uitbarstte, viel zij in de armen der
+maagden-van-Isis, en verscheurde zij hare sluiers, trok zich de haren
+los, terwijl hare kreten snerpten:
+
+--Mijn ezel! Charis wil haar ezel! Charis wil niemand dan haar ezel
+Charmides!
+
+
+
+
+
+
+
+XX.
+
+
+Een hevige wanhoop maakte zich van mij meester. Wat, wilde Charis
+dan wel den ezel blijven beminnen, maar niet den jongen man, wiens
+ziel huisde in dat betooverde dierelijf?! En reeds wilde ik mijne
+handen vouwen en Charis bezweren mij lief te hebben, die de zelfde
+toch was als haar ezel geweest was, maar nu in vroegeren man- en
+menschvorm herschapen, toen de opperpriester, groot, mild en wijs,
+mij met éen gebaar tegen hield. En hij nam uit de zilveren vaas de
+tweede, wijd ontlokene lotusbloem en Charis naderend, sprak hij:
+
+--Charis, gij die zoo trouw uw bruidegom bemint, wien geen ezel
+gij ooit wildet zien maar een held uit den oorlog terug gekeerd,
+ontvang deze heilzame en heilige bloem uit mijn hand en eet haar om
+tot bezinning te komen....
+
+Aarzelend nam Charis de bloem aan, bezag haar, kuste haar zacht omdat
+zij zoo schoon was en vroeg:
+
+--Moet ik zoo schoone bloem eten, o vader? Zie, hoe zij straalt of
+er licht in schuilt, zie hoe zilverig de bloembladeren zich plooien
+het een naast het andere: moet ik werkelijk zoo schoone bloem eten....?
+
+De opperpriester sprak niet meer: hij glimlachte slechts met zijn
+zachten, wijzen glimlach van grijsaard, die vele dingen van hemel en
+aarde doorpeild heeft. Maar om haar heen namen de maagden de sistra
+en zij tokkelden met de staven de snaren en zij zongen en zij bewogen
+in rhythmiesch beweeg rondom Charis, die steeds aarzelend, de bloem
+in hare hand, om zich heen en naar de zingende en dansende maagden
+zag en het scheen, die zuivere maat en die zilveren muziek bewoog
+iets in hare half onnoozele ziel, dwong haar met zoeten dwang iets te
+doen tegen haar eigenen wil in, want steeds omziende, glimlachende,
+o zoo zoet haar kinderlach, hief zij hooger en hooger de bloem aan
+hare lippen, zette als een roode vlinder hare lippen op den kelk...
+
+En at de lotus....
+
+Mij was de bloem als versmolten, dadelijk, op mijn tong, die toen
+nog die van een ezel was; ook Charis scheen de bloem op de tong te
+smelten: de lange stengel viel haar uit de hand en als ontwakend
+uit een slaap, die weken, maanden geduurd had, zag zij om zich heen,
+vreemd, verbleekte als tot een schim en bezwijmde, zoo geleidelijk
+zacht als smolt haar geheele lichaam en teêre ziel weg in het niets
+van den dood. Ik sloeg een kreet van angst en ook Davus en de zwijnen
+gromden heviger en tolden wanhopig om zichzelve rond als waren ook
+zij bevreesd, voor de jonkvrouw, die, op eens ezels rug, hen vóor
+was geijld op de wanhopige vlucht, in de regennacht, uit Chersonezus'
+verschrikkelijk paleis.
+
+Maar de Isis-maagden hadden Charis in hare zorgzame armen op gevangen
+en op een wenk van den opperpriester droegen zij haar van daar. En
+de heilige man zeide zacht:
+
+--Charmides, laat Charis eerst ontwaken uit hare bezwijming... Heb
+geduld...
+
+Ik boog voor hem neêr, knielde, kuste den zoom van zijn gewaad.
+
+En hij naderde de drie zwijnen, terwijl Davus en ik ter zijde weken.
+
+Zij tolden om hem rond en gromden; hij zeide:
+
+--Claudius Veturius....
+
+Een der zwijnen sprong op, de voorpooten hoog.
+
+--Gaudentius Rufus... zei de opperpriester.
+
+Een tweede zwijn knikte als wanhopiglijk met zijn kop en snorkte hevig.
+
+--Euzebius Silvanus... noemde de opperpriester het derde zwijn.
+
+En het bewoog hevig met den korten krulstaart, schudde zijn borstelig
+lijf en gromde, maar eerbiediglijk, aan 's priesters voet...
+
+--Gij zijt alle drie genoeg gestraft voor uwe euveldaden, zeide
+de priester. Gij hebt gestolen uit den Schat des Rijks; gij hebt
+beschuldigd zonder reden wier ongeluk uw voordeel zoû zijn; weduwen
+en weezen hebt gij doen lijden, maar, wat kwaads gij deedt, is
+hersteld tijdens den tijd, dien gij zelve leedt. Gij kwaamt, door
+Noodlot geleid, in Thessalië; Meroë is u verleideresse geweest, en
+zoodra ge meendet in hare armen zalig te zijn, werd gij in zwijnen
+vertooverd. Maar ik weet, dat gij tijdens uw dierlijken staat, berouw
+hebt gevoeld over al uwe misdadigheid en dus....
+
+De opperpriester gaf een wenk: uit den tempel trad een priester,
+houdende een vaas met drie amaryllisbloemen, maar zoo wit als de
+lotussen waren geweest.
+
+--... Heeft uw lijden een einde, voltooide des opperpriesters zachte,
+welluidende grijsaardsstem.
+
+En hij nam de drie bloemen en zeide:
+
+--Eet ze, Euzebius, Gaudentius en Claudius, want niet de roode,
+de witte amaryllis alleen, geneest voor altijd van booze betoovering.
+
+En de opperpriester bood den zwijnen, een voor een, de witte
+amaryllis. Zij verslonden, een voor een, de bloemen tusschen hunne
+nederig gestrekte zwijnssnuiten en o wonder, een voor een hieven zij,
+ietwat moeizaam, zich recht en wij zagen voor ons drie senatoren,
+Romeinen: Euzebius geheel kaal, kort, met een dikken buik; Gaudentius,
+lang en mager met een treurigen mond, die hing in twee plooien neêr;
+Claudius scheel en met een dikken neus, waarop een wrat. En zij
+droegen, o wonder, hunne toga's en voor den opperpriester hadden zij
+dadelijk verkregen een zekere waardigheid van aanzienlijke Romeinen,
+van senatoren, toch nederig en berouwvol om het bewustzijn, zeker,
+dat wij allen hen als zwijnen hadden gekend. En zij knielden, en ik
+met hen mede, en wij kusten allen den heiligen man zijn mantelzoom
+en wij begaven ons met de priesters in het heiligdom, om de godin
+te danken....
+
+
+
+Dien avond was het zoo zacht in de lucht als zweefde een godenadem
+den tempel om. En ik zag de drie senatoren: zij zaten op een marmeren
+bank in den tempeltuin, rustig en ik denk wel blijde en bespraken--ik
+overluisterde hen even--hoe zij naar Rome terug zouden keeren, waar
+Keizer Hadrianus en de Senaat zeker niets zouden begrepen hebben
+van hunne lange afwezigheid. De een krabde aan zijn kaal voorhoofd,
+de tweede loenschte scheler in moeizaam bedenken, de derde wreef zich
+over zijn maag, na het menschelijk maal, dat zij juist hadden genoten
+en ik hoorde Gaudentius zeggen:
+
+--Nooit iets in Rome zeggen van wat ons is overkomen.
+
+--Niemand zoû het gelooven, zeide Claudius.
+
+--Ik geloof het zelf niet, zei Euzebius overmoedig.
+
+Ik liet de drie senatoren. Ik zelve geloofde wèl, vroom aan Isis,
+vroom aan de Eleuzische goden en tevens, vol van liefde, liefde
+als ik beter voelde als man nu dan als ezel destijds, voor Charis,
+mijn zoete bruid. En terwijl ik, Davus, ginds, in een der kleine
+vertrekken, die ons ter zijde van de tempelgebouwen waren toegewezen,
+zag slapen, doodmoê nog, mijn arme knecht van den tocht, dien hij
+aan mijn verdwenen ezelstaart had moeten volbrengen, dwaalde ik zelve
+vol verlangen naar Charis om in de tuinen, terwijl het scheen, dat de
+godenadem mij zoo zacht en weldadig omzweefde.... En voelde ik mij,
+in dat verlangen naar mijn bruid, gelouterd, vroom afwachtende de
+dingen, die komen zouden en wèl anders dan ik mij gevoeld had als de
+dartele handelsreiziger, die ik eenmaal geweest was...
+
+Toen zag ik twee priesters: klaarblijkelijk zochten zij mij, want nu
+zij mij zagen, kwamen zij op mij toe. De maan, heel zuiver, rees aan
+de kim, over de verre, rotsige vlakte, die van uit de Isis-tuinen
+was te zien, als een blankende, eindelooze woestijn....
+
+--Charmides... zeide mij een der priesters.
+
+--Wij zoeken u, zeide de andere; om u op bevel van onzen heiligen
+vader tot Charis te voeren. Zij wacht u...
+
+Mijn hart sprong op naar mijn keel en ik bezwijmelde bijna van
+geluk. De priesters, ik tusschen hen beiden, geleidden mij; door
+de tuinen, achter den tempel om, langs de lange rij tempelgebouwen,
+waarvoor de myrtehagen als tot groene schermen waren recht gesnoeid,
+voerden de priesters mij tot ik eensklaps mij bevond in een prieel
+zoo tooverschoon, dat ik aan werkelijkheid niet dadelijk gelooven
+kon. Een vijver, in het midden, bloeide in de blankte van de rijzende
+maan, van de heilige lotus, die voor altijd onttooverde wiens boete
+door de goden was aangenomen, maar de bloemen lagen niet steeds op
+het water; de grootste, de allerzilverste rezen op langere stengelen
+omhoog en schitterden tegen de nacht als sterren der aarde. En rondom
+verhieven zich hoog de witte amaryllis-kelken als blanke bekers van
+albast en alle de bloemen schenen de beginnende maneklaarte in hare
+diepe ontvankelijkheden op te vangen en stráalden, heilige tempelvaten
+gelijk.... En in dit gewijde prieel, achter, uit een witzuilige gang,
+trad Charis mij te moet. Twee maagden geleidden haar. Ik zag haar
+in de zacht blanke nachteklaarte naderen als een teedere schim:
+zij was bleek en ernstig maar zoo lieflijk als ik nog nimmer haar
+meende te hebben gezien: iets minder kind en meer vrouw, schreed zij
+mij langzaam te moet: haar blonde haar omgaf zoo lieflijk kuisch hare
+broze slapen en teêr, bleek gelaat; een witte peplos plooide bijna als
+met lotusblankte van hare smalle schouders en langs haar slanke heupen
+en als blauwe lotus bloeiden hare oogen op in den blik, waarmeê zij mij
+zocht. En de twee maagden en de twee priesters verdwenen ter zijde....
+
+--Charis! riep ik haar zacht.
+
+--Charmides! riep zij zacht mij toe.
+
+Ik naderde haar en onze armen hieven zich en wij omhelsden elkaâr,
+innig en dicht.
+
+--Charis! zeide ik. Uit liefde voor je werd ik betooverd in den vorm,
+dien je, zelve betooverd, lief kreegt.
+
+--Ik weet het, zeide zij. Ik weet alles. En het is alles goed
+geweest. Charmides, ik heb je éen oogenblik, o een enkele seconde,
+geloof ik nu, gezien zoo als ik je nu herken. Het was buiten de poort
+van Hypata. Ik, in mijn draagstoel, volgde mijns vaders stoet. Jij
+verscheent éen oogenblik mij ter zijde; je zaagt mij aan, ik zag je
+aan... Meer was er niet... Toèn... liep er een ezel naast mij, een
+oogenblik slechts... Toen... toen, herinner ik mij, draafde Davus--ik
+heb hem herkend--op een ezel...
+
+--Op mij....
+
+--.... onzen stoet te gemoet... En weêrklonk je naam, o Charmides!
+
+--En weêrklonk Charis' naam....
+
+--Sedert had ik je, Charmides, lief. Chersonezus betooverde mij,
+omdat ik hem niet wilde minnen en ik smachtte naar je.... En toen je
+verscheent in een ezelvorm....
+
+--Aan hek en heining der grasweiden.. vol madelieven..
+
+--Herkende ik je aan je oogen en wist ik, dat je Charmides was... En
+beminde ik je, als een ezel...
+
+--En verloofde Menedemus Charmides aan zijn dochter Charis....
+
+Wij omhelsden elkaâr innig en dicht.
+
+--Vader leeft, zeide zij. Zij leven allen.... Wat wij zagen, was
+vizioen....
+
+--Vizioen... herhaalde ik.
+
+--O, Charmides, zeide Charis. Wanneer gaan wij terug tot hèn?
+
+--Morgen, beloofde mij de opperpriester, o Charis. Maar zal Menedemus
+aan een koopmanszoon geven zijn prinsesje, zijn dochter Charis....?
+
+--Hij zal Charis geven aan Charmides, die haar beminde en redde uit
+veel gevaar, o Charmides....
+
+--O Charis....
+
+Onze namen, uit onze monden, klonken in een roep van liefde op. Onze
+roepende monden vonden elkaâr in den eersten kus, dien wij, maagd en
+man, elkander gaven. De maan rees hooger, straalde, heilige Isis zelve,
+hooger in de hemelsche tuinen, waar de sterren als lotus ontloken
+over de azuren hemelmeren en om ons heen, zilver en zuiver, tinkelend
+en aangetokkeld met de dunne staven, weêrtrilden, weêrtrillerden, de
+sistra melodie-vol in de vele handen der onzichtbare maagden van den
+tempel en weêrklinkelden, weêrklonken de even hellere schelletjes,
+en tikten hare tonen neêr als met dauwdroppelen van teêrste muziek,
+terwijl de aanzwellende stemmen op zongen ter eere van de goede
+godin....
+
+--O goden van Eleuzis! baden wij beiden, in ons beider omhelzing. Gij
+behoeddet Charis en Charmides en wij zullen ons in Eleuzis, o goden,
+doen wijden in uw heilig mysterie!
+
+
+
+Lezer, zoo is het gebeurd. Ik was een ezel en ben het niet meer. Wij
+werden beiden, na ons huwelijk, ingewijd in Eleuzis' mysteriën. Ik
+ben opgenomen in de Broederschap van Isis en, in mijn zoet geluk
+naast Charis, behoef ik, omdat ik de trouw heb geleerd in zoo vele
+lotsverwisselingen, niet meer bevreesd te zijn ooit weêr in een ezel
+veranderd te worden....
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENING
+
+
+[1] Hôtel.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De verliefde ezel, by Louis Marie Anne Couperus
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERLIEFDE EZEL ***
+
+***** This file should be named 29837-8.txt or 29837-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/9/8/3/29837/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/29837-8.zip b/old/29837-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..faa68ba
--- /dev/null
+++ b/old/29837-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/29837-h.zip b/old/29837-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..cb4bc29
--- /dev/null
+++ b/old/29837-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/29837-h/29837-h.htm b/old/29837-h/29837-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..9545710
--- /dev/null
+++ b/old/29837-h/29837-h.htm
@@ -0,0 +1,6781 @@
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta name="generator" content="HTML Tidy, see www.w3.org">
+<meta http-equiv="Content-Type" content=
+"text/html; charset=ISO-8859-1">
+<title>De verliefde ezel</title>
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="Louis Couperus">
+<meta name="DC.Creator" content="Louis Couperus">
+<meta name="DC.Title" content="De verliefde ezel">
+<meta name="DC.Date" content="#####">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<style type="text/css">
+ /* Standard CSS stylesheet */
+body
+{
+ font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+ margin: 1.58em 16%;
+ text-align: left;
+}
+.titlePage
+{
+ border: #DDDDDD 2px solid;
+ margin: 3em 0% 7em 0%;
+ padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+h1.docTitle
+{
+ font-size:1.6em;
+ line-height:2em;
+}
+h2.byline
+{
+ font-size:1.1em;
+ font-weight:normal;
+ line-height:1.44em;
+}
+span.docAuthor
+{
+ font-size:1.2em;
+ font-weight:bold;
+}
+h2.docImprint
+{
+ font-size:1.2em;
+ font-weight:normal;
+}
+.transcribernote
+{
+ background-color:#DDE;
+ border:black 1px dotted;
+ color:#000;
+ font-family:sans-serif;
+ font-size:80%;
+ margin:2em 5%;
+ padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+ background-color:#FFFEE0;
+ border:black 1px dotted;
+ color:#000;
+ margin:2em 5%;
+ padding:1em;
+}
+.div0
+{
+ padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+ padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+ font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+ padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+ padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+ padding: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4
+{
+ clear: both;
+ font-style: normal;
+ text-transform: none;
+}
+h3, .pseudoh3
+{
+ font-size:1.2em;
+ line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+ font-size:1em;
+ line-height:1.2em;
+ margin-bottom:0;
+}
+h4, pseudoh4
+{
+ font-size:1em;
+ line-height:1.2em;
+}
+h4.lghead
+{
+ margin-left:10%;
+ margin-right:10%;
+}
+.alignleft
+{
+ text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+ text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+ text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+ margin-top: 1.6em;
+ margin-bottom: 1.6em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ text-align: center;
+}
+p.poetry
+{
+ margin:0 10% 1.58em;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+ color: white;
+}
+p.line
+{
+ margin:0 10%;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+ margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocChapter
+{
+ margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+ margin:0.7em 5%;
+}
+div.epigraph
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ width: 60%;
+ margin-left: auto;
+}
+div.epigraph span.bibl
+{
+ display: block;
+ text-align: right;
+}
+.epigraph .poem
+{
+ margin-left: 0;
+}
+.epigraph .line
+{
+ margin-left: 0;
+ text-indent: 0;
+}
+.trailer
+{
+ clear: both;
+ padding-top: 2.4em;
+ padding-bottom: 1.6em;
+}
+.floatLeft
+{
+ float:left;
+ margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+ float:right;
+ margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+ font-size:100%;
+ text-align:center;
+}
+.figure p
+{
+ font-size:80%;
+ margin-top:0;
+ text-align:center;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+ color:#666666;
+ font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+ font-weight: bold;
+}
+.leftnote
+{
+ font-size:0.8em;
+ height:0;
+ left:1%;
+ line-height:1.2em;
+ position:absolute;
+ text-indent:0;
+ width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+ display:inline;
+ font-size:70%;
+ font-style:normal;
+ margin:0;
+ padding:0;
+ position:absolute;
+ right:1%;
+ text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+ font-size: 80%;
+ text-decoration: none;
+ vertical-align: 0.25em;
+}
+.red
+{
+ color: red;
+}
+.displayfootnote
+{
+ display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+ margin-top: 1em;
+ padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+ margin-left: 0;
+ margin-right: 0;
+ text-align: left;
+ width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+ font-size: 80%;
+ margin-bottom: 0.5em;
+ margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+ float: left;
+ text-align:left;
+ width:2em;
+}
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+ font-size: 80%;
+}
+.centertable
+{
+ /* center the table */
+ margin: 0px auto;
+}
+.poem
+{
+ margin-left:5%;
+ position:relative;
+ text-align:left;
+ width:90%;
+}
+.poem h4
+{
+ font-weight:normal;
+ margin-left:5em;
+}
+.poem .linenum
+{
+ color:#777;
+ font-size:90%;
+ left:-2.5em;
+ margin:0;
+ position:absolute;
+ text-align:center;
+ text-indent:0;
+ top:auto;
+ width:1.75em;
+}
+.versenum
+{
+ font-weight:bold;
+}
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum, .flushright
+{
+ position: absolute;
+ right: 16%;
+ top: auto;
+}
+.footnotes .line
+{
+ font-size:80%;
+ margin:0 5%;
+}
+.poem .i0
+{
+ display:block;
+ margin-left:2em;
+}
+.poem .i1
+{
+ display:block;
+ margin-left:3em;
+}
+.poem .i2
+{
+ display:block;
+ margin-left:4em;
+}
+.poem .i3
+{
+ display:block;
+ margin-left:5em;
+}
+.poem .i4
+{
+ display:block;
+ margin-left:6em;
+}
+.poem .i5
+{
+ display:block;
+ margin-left:7em;
+}
+.poem .i6
+{
+ display:block;
+ margin-left:8em;
+}
+.poem .i7
+{
+ display:block;
+ margin-left:9em;
+}
+.poem .i8
+{
+ display:block;
+ margin-left:10em;
+}
+.poem .i9
+{
+ display:block;
+ margin-left:11em;
+}
+span.corr
+{
+ border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+ border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+ border-bottom:1px dotted green;
+}
+.letterspaced
+{
+ letter-spacing:0.2em;
+}
+.smallcaps
+{
+ font-variant:small-caps;
+}
+.caps
+{
+ text-transform:uppercase;
+}
+.fraktur
+{
+ font-family: 'Walbaum-Fraktur';
+}
+.rm
+{
+ font-style: normal;
+}
+hr
+{
+ clear:both;
+ height:1px;
+ margin-left:auto;
+ margin-right:auto;
+ margin-top:1em;
+ text-align:center;
+ width:45%;
+}
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+ text-align:center;
+}
+h1,h2
+{
+ font-size:1.44em;
+ line-height:1.5em;
+}
+h1.label,h2.label
+{
+ font-size:1.2em;
+ line-height:1.2em;
+ margin-bottom:0;
+}
+h5,h6
+{
+ font-size:1em;
+ font-style:italic;
+ line-height:1em;
+}
+p,p.initial
+{
+ text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+ text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+ float: left;
+ clear: left;
+ margin: 0em 0.05em 0 0;
+ padding: 0px;
+ line-height: 0.8em;
+ font-size: 420%;
+ vertical-align:super;
+}
+.poem
+{
+ padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+ text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: disc; }
+ol { list-style-type: decimal; }
+ol.AL { list-style-type: lower-alpha; }
+ol.AU { list-style-type: upper-alpha; }
+ol.RU { list-style-type: upper-roman; }
+ol.RL { list-style-type: lower-roman; }
+.lsdisc { list-style-type: disc; }
+.lsoff { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+.pglink
+{
+ background: url(images/book.png) center right no-repeat;
+ padding-right: 18px;
+}
+.catlink
+{
+ background: url(images/card.png) center right no-repeat;
+ padding-right: 17px;
+}
+.exlink
+{
+ background: url(images/external.png) center right no-repeat;
+ padding-right: 13px;
+}
+.pglink:hover
+{
+ background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover
+{
+ background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover
+{
+ background-color: #FFDCDC;
+}
+ /* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml
+ " */
+body
+{
+ background: #FFFFFF;
+ font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+ color: black;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4
+{
+ color: #001FA4;
+ font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+p.byline
+{
+ font-style: italic;
+ margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage
+{
+ color: #001FA4;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+ color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+ color: red;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+ color: #001FA4;
+ font-weight: bold;
+}
+sub, sup
+{
+ line-height: 0;
+}
+ /* Standard Aural CSS stylesheet */
+.pagenum, .linenum
+{
+ speak: none;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+Project Gutenberg's De verliefde ezel, by Louis Marie Anne Couperus
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De verliefde ezel
+
+Author: Louis Marie Anne Couperus
+
+Release Date: August 28, 2009 [EBook #29837]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERLIEFDE EZEL ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<div class="front">
+<div class="div1">
+<div class="figure"><img border="0" src="images/front.jpg" alt=
+"Oorspronkelijke voorkant." width="540" height="720"></div>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<p class="aligncenter">De verliefde ezel</p>
+</div>
+
+<div class="titlePage">
+<h1 class="docTitle">De verliefde ezel</h1>
+
+<h2 class="byline">Door <span class="docAuthor">Louis
+Couperus</span></h2>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/logo.gif" alt=
+"Uitgeverslogo met tekst: &bdquo;Nimmer-Dralend&rdquo;" width="122"
+height="90"></div>
+
+<h2 class="docImprint">Rotterdam<br>
+ Nijgh &amp; Van Ditmar&rsquo;s Uitgevers-Maatschappij<br>
+ MCMXVIII.</h2>
+</div>
+
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e96" href="#xd0e96">5</a>]</span>
+<div class="div1">
+<p><i>Aan den Lezer.</i></p>
+
+<p>Sedert wij door middel van den Wereldoorlog tot de Middeneeuwen
+zullen terug keeren (denk maar allereerst aan de kaarsen, bij welke gij
+heden ten dage dineert; denk dan aan de helmen der soldaten; denk
+dan.... ik laat aan u over waarover ge nog meer wilt denken), keer ik
+persoonlijk maar in eens tot de Oudheid terug en schrijf u een echt
+ouderwetschen, ja antieken avonturenroman,&mdash;z&oacute;nder
+psychologie, z&oacute;nder symboliek, realistiesch noch
+naturalistiesch,&mdash;onvervalscht antiek ouderwetsch. Want het motief
+steel ik er voor uit Apuleius&rsquo; Gouden Ezel en die roman was,
+geloof ik, de tweede, die er ooit geschreven werd, als ge ten minste
+Petronius&rsquo; Satyricon de eerste noemen wilt! (Ik kan mij met dit
+alles best vergissen; informeer dus, als gij het naadje van de kous
+wilt zien, waar gij meent onfeilbaar te zullen worden ingelicht.)</p>
+
+<p>Ik hoop, dat ge mijne poging u iets anders voor te zetten dan
+novellistiesch opgevatte moderne oorlogsberichten zult waardeeren en
+tevens goedkeuren, dat wij alle, eenmaal onvermijdelijk geachte, dingen
+als naturalisme, realisme, symboliek, psychologie over boord gooien en
+samen zwelgen zullen in de meest antieke onwaarschijnlijkheid, die een
+moderne romanschrijver&mdash;om maar in eens tot de Oudheid terug te
+keeren zonder te blijven bij de Middeneeuwen, tot welke ons de
+Wereldoorlog brengt&mdash;kan verzinnen. En <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e106" href="#xd0e106">6</a>]</span>wilt ge zoo niet met mij
+zwelgen, keer u dan, o Waarde Lezer, onmiddellijk van mij af en blijf
+in uw Middeneeuw van heden-ten-dage, die werkelijk minder stemmingsvol
+is dan de werkelijke Middeneeuw was: wat mij betreft, <span class=
+"letterspaced">ik</span> bestijg mijn Verliefden Ezel, sla mijn hielen
+in zijn grauwe flanken en spring met hem van den barren, onbeminden
+rots van mijn eigen tijd in het Antieke Verleden, om samen te zwelgen,
+om in niets anders te zwelgen dan in de Onwaarschijnlijkste
+Onwaarschijnlijkheid, psychologie-loos, symboliek-loos (denk vooral
+niet, dat mijn Verliefde Ezel een symbool is!!) maar toch, willen wij
+samen hopen, mijn Ezel en ik, niet kunstloos, niet schoonheidsloos, o
+neen, vooral niet dat!</p>
+</div>
+</div>
+
+<div class="body"><span class="pagenum">[<a id="xd0e112" href=
+"#xd0e112">7</a>]</span>
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">I.</h2>
+
+<p>Indien gij, o vrienden, deze bladen zult lezen, zult gij zeer zeker
+versteld staan over de vreemde avonturen, die zij bevatten en niet
+gelooven willen, wat ik hier, te mijner herinnering en te uwer genoegen
+en ontroering beiden, te boek heb gesteld. Welnu, ik verzeker u gaarne
+en zweer u bij alle goden en vooral bij de heilige Isis, wier priester
+ik heden ten dage geworden ben, dat de zonderlinge dingen, die gij
+vernemen zult, niet anders zijn dan de loutere waarheid, die ik heb
+doorleefd, dikwijls zonder zelve aan haar te kunnen gelooven en
+dikwijls bepeinzende of ik niet in een voortdurenden droom zoo
+onwaarschijnlijke levenservaringen door maakte. Tot ik mij moest
+bedenken, dat het geheele leven zelve een droom is, &eacute;en
+onbegrepen toeven, vol huiver en aarzeling, op de breede drempels van
+de Poorten dier goudene Werkelijkheid en ik, vroom, niet anders
+k&oacute;n dan gelooven aan een door de goden bestierde aan een
+geschakelde keten van onwaarschijnlijkheden, waarmede ik geleid werd
+tot het einddoel mijner levensdagen.</p>
+
+<p>Ik ben een koopmanszoon en heet Charmides en mijne ouders, hoewel
+uit Athene afkomstig, woonden te Epidaurus in Argolis en mijn vader had
+er een bloeienden groothandel. Uit Indi&euml;, over Klein-Azi&euml;,
+uit Arabi&euml; en Egypte brachten zijne schepen hem velerlei kostbare
+koopwaar, die hij wederom verzond naar Athene en Rome niet alleen, maar
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e120" href=
+"#xd0e120">8</a>]</span>naar allerlei streken van het Romeinsche Rijk,
+dat in die tijden mijner jeugd beheerscht werd door onzen genadigen
+Keizer Hadrianus. Zeer vermogend, was mijn vader tevens een krachtig en
+energiek koopman gebleven en zag het met leede oogen aan, dat ik, zijne
+eenige zoon en het bedorven kind mijner moeder, die een Romeinsche was,
+niet naar hem aardde en weinig belang stelde in de uitgebreide zaken
+van het handelshuis, dat zijn eigen was. Integendeel, niets boezemde
+mij minder belang in dan handel, dan geld maken en wat mij alleen
+belang inboezemde, dat was de liefde. Ik was geboren voor de liefde en
+ik heb bemind, geloof ik, van klein knaapske af: misschien is mijn
+voedster mijn eerste liefde geweest, ook al herinner ik mij die niet
+meer. Maar zekerlijk herinner ik mij, dat, zoo dra ik loopen kon, zoo
+dra ik stamelen kon, ik lief heb gehad, de kleine dochtertjes van onze
+buurlui, de slavinnen van mijne moeder, de vriendinnen zelfs mijner
+moeder, en dat, hoewel de kleine meisjes voor mij weg liepen, onze
+slavinnen mij uit lachten omdat ik zoo nietig nog was en mijner moeder
+vriendinnen, hoewel zij mij op den schoot namen, mij plaagden om mijn
+verliefden aard op zoo prillen leeftijd, ik mij niet kon verdedigen te
+beminnen en dat ik door bijna ieder vrouwelijk wezen van jeugd en
+schoonheid werd aangetrokken op een wijze, die bijna aan een tooverban
+deed denken.</p>
+
+<p>Nu was ik een mooie, knappe jongen&mdash;ik geleek op mijn vader en
+moeder beiden&mdash;en door tal van vluchtige verliefdheden heen had ik
+den leeftijd van twintig jaren bereikt, toen mijn vader, meer en meer
+toornig om mijne lichtzinnigheid, mij plotseling, trots mijner moeder
+tranen, beval, alleen, met mijn knecht Davus, een handelsreis aan te
+vangen, over Corinthe heen naar de binnenlanden van Thessali&euml; en
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e124" href=
+"#xd0e124">9</a>]</span>Epirus, om aldaar in de steden als zijn
+vertegenwoordiger op te treden en de fijnere koopwaren van het Oosten
+er van de hand te doen. Het was een zeer wreede beproeving voor mij,
+vooral omdat mijn vader er bij voegde, dat ik hem niet meer onder de
+oogen behoefde te komen, zoo ik niet slaagde in het doel mijner reis.
+En de reis zelve was waarlijk geen pleizierreis, want hoewel Corinthe
+een beminnelijke stad was vol levensvreugde en schoone vrouwen, was
+over B&oelig;oti&euml; en Focis, naar Thessali&euml; en Epirus te
+trekken niet anders dan een straftocht, ook al kon ik bij verschillende
+wisselaars onder weg beschikken over vrij aanzienlijke sommen, die mijn
+vader er te mijnen gerieve had doen neder leggen.</p>
+
+<p>Er was niets aan te doen. Ik nam teeder afscheid van mijne moeder,
+van hare vriendinnen, die, matronen geworden, niet meer lachten maar
+mij weenende omhelsden; ik nam afscheid van onze slavinnen en van de
+kleine buurmeisjes, die tot lieflijke maagden waren opgebloeid. En
+omgeven door geheel een gevolg van vrouwen en meisjes, die weenden en
+weeklaagden, besteeg ik mijn gerieflijken reiswagen, die door vier
+krachtige buffels getrokken mij over Mycen&aelig; naar Corinthe
+zo&ucirc; voeren, terwijl Davus zich naast den voerman zette.</p>
+
+<p>De eerste dagen mijner reis verliepen zonder avontuur. Wat zal ik u
+vertellen van de dienstmeisjes der herbergen, van enkele aanzienlijkere
+vrouwen, die met eenige vreugde mijn anders zoo sombere dagen
+doorweefden? Het waren bloemenkransen, die dadelijk braken. Het waren
+geen banden des levens en ook de beroemd schoone vrouwen van
+B&oelig;oti&euml;, die er in Tanagra door de beeldhouwers worden
+vereeuwigd in schoone lijn en gracelijken vorm, gingen door die week
+mijner reize heen niet anders dan als we&ecirc;r verzwijmende <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e130" href="#xd0e130">10</a>]</span>fantomen
+van bevalligheid, die ik mij nauwlijks meer herinner dan de blanke,
+ijle wolken, die dreven aan de blauwe hemelen der verre oorden, die ik
+door trok.</p>
+
+<p>Van Thebe ging de reis over Thespi&aelig; naar Delfi. Wat al
+beroemde namen en wat al vervallene steden! Voor een handelsreiziger
+als ik, die de kostbaarste waar van de hand moest doen&mdash;geurwerk
+en parels, zijden stoffen en tapijtwerk&mdash;was hier niets te doen,
+dan uit te rusten van het wiegelen in mijn reiswagen: in Thebe zag ik
+het huis van Pindaros, den grooten dichter en zanger, dat Alexander de
+Groote, toen hij de stad fnuiken wilde en haar tot den grond toe deed
+slechten, uit eerbied spaarde, maar... of het mij getoonde huisje wel
+dat van Pindaros was, betwijfelde ik zeer; het dienstmeisje in de
+herberg, was hare eigene grootmoeder, geloof ik.... Te Thespi&aelig;
+wist niemand mij meer te vertellen waar de Eros van Praxiteles gebleven
+was, die Fryne haar geboortestad had geschonken en toen ik te Delfi aan
+kwam, overviel mij, hoezeer ik er mij die eerste week tegen had
+vermand, een eindelooze melancholie. Mijn reiswagen hield stil voor een
+kleine herberg; er hing in den kouden najaarswind een blikken
+uithangbord boven de poort te rammelen; op dat rammelende bord was
+geschilderd iets als een witte figuur en er onder stond geschreven:</p>
+
+<div class="q">
+<p class="aligncenter">IN DE PYTHIA.</p>
+</div>
+
+<p>Ik begreep. &bdquo;In de Pythia&rdquo;, dat was de herberg, de
+allereerste in Delfi, de stad eenmaal van het beroemde Orakel
+Apollo&rsquo;s, waar zijne door geuren vervoerde priesteres, de
+geheiligde Pythia, de wondervolle spreuken op den gouden drievoet
+gestameld had. &bdquo;In de Pythia&rdquo;. Ik steeg uit, door <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e140" href="#xd0e140">11</a>]</span>Davus
+geholpen, en de herbergierster, een dikke waardin, kwam mij
+begroeten.</p>
+
+<p>&mdash;Hebt gij een kamer? vroeg ik.</p>
+
+<p>&mdash;Helaas! riep de herbergierster. Edele prins, gij komt te
+laat. Ik heb slechts &eacute;en kamer met drie bedden voor gasten, maar
+alle de drie bedden zijn ingenomen!</p>
+
+<p>&mdash;Ik kan dan in mijn wagen slapen, zeide ik; als je mij slechts
+wat voedsel kunt geven, en ook mijn dienaar en voerman voeden en zorgen
+voor frissche postbuffels.... Maar een prins ben ik niet; ik ben
+slechts een handelsreiziger en als zoodanig slechts kan ik je
+betalen.</p>
+
+<p>Voor de deur, op een bank, zaten twee mannen te praten en een derde,
+die er ziek en ellendig uit zag, lag op den grond, tegen een boomstam,
+zorgzaam gewikkeld in dekens en doeken. Zoodra zij mijne woorden
+hoorden, stonden de twee mannen op en naderden mij. Zij zeiden:</p>
+
+<p>&mdash;Zijt gij een handelsreiziger, heer? Zoo zijn wij
+collega&rsquo;s, want ook wij zijn handelsreizigers, ja, zeker.</p>
+
+<p>De eene was dik en kort en de andere lang en mager. Zij bogen en ik
+stak hun de hand toe.</p>
+
+<p>&mdash;Ik, zeide de dikke korte; reis in allerlei voedingsmiddelen,
+graan, rijst, wijn en kom uit Thessali&euml;, waar ik goede zaken
+gedaan heb. Mijn naam is Crito.</p>
+
+<p>&mdash;Ik, zeide de lange magere; reis in allerlei
+kleedingmateriaal: wol, katoen, lijnwaad, en kom ook uit
+Thessali&euml;; ook ik deed vrij goede zaken, mijn naam is Chremes.</p>
+
+<p>&mdash;Ik, zeide ik op mijn beurt, heet Charmides en ik reis in
+weelde-artikelen.</p>
+
+<p>&mdash;Toch niet naar Thessali&euml;?? vroegen zij beiden te
+gelijker tijd.</p>
+
+<p>&mdash;En waarom niet? Zo&ucirc; <span class="letterspaced">
+ik</span> er geen goede zaken doen? <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e167" href="#xd0e167">12</a>]</span>Het handelshuis van mijn vader
+is beroemd om zijn fijne Oostersche koopwaar....</p>
+
+<p>Crito en Chremes schudden bedenkelijk met de hoofden en handen en de
+zieke, die op den grond lag, riep schril:</p>
+
+<p>&mdash;Heer, hoed u te gaan naar Thessali&euml;! Daar ben ik ziek
+geworden! Daar ben ik eerst behekst geworden! En toen ik onthekst was,
+ziek, ziek, ziek!</p>
+
+<p>&mdash;Wie zijt ge? vroeg ik den zieke.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben Aristomenes en reisde slechts voor mijn genoegen,
+heer; ik wenschte het beroemde Thebe te zien, het beroemde
+Thespi&aelig; en den tempel, waar het goddelijke beeld van
+Praxiteles&rsquo; Eros gestaan heeft; ik wenschte Delfi, het heilige
+Delfi te zien; ik wenschte Thrachis te zien, waar Herakles heeft
+gewoond: ach, heer, ik was slechts een simpel toerist, ik was een
+dichter, ik beminde de letteren en de schoonheid, ik beminde het reizen
+en het trekken en Thessali&euml; heeft schoone steden, schooner en
+weelderiger dan dit vervallene Delfi en dan Thespi&aelig; en Thebe,
+maar, heer, ik werd er behekst en anderen werden er behekst als ik, in
+Larissa, in Hypata.... O, heer, o Charmides, gij, die reist in
+weelde-artikelen, neem u in acht: ho&egrave;d u voor
+Thessali&euml;!</p>
+
+<p>Zoo klaagde de zieke op den grond. Mijn reiswagen was uitgespannen
+en ter zijde geleid; mijne bagage bleef in den wagen: Davus en de
+voerman aten reeds ieder een bord linzensoep op de andere bank ter
+zijde der herbergpoort en ik zat tusschen Crito en Chremes op de bank
+bij den boom, waartegen de zieke lag. Een dienstmeisje bracht mij mijn
+maal: lamsbraad en brood en honig en ooft....</p>
+
+<p>&mdash;Hoe heet je? vroeg ik beminnelijk.</p>
+
+<p>&mdash;Fotis, heer, en ik ben tot uw dienst, zeide het beminnelijke
+meisje. <span class="pagenum">[<a id="xd0e183" href=
+"#xd0e183">13</a>]</span></p>
+
+<p>Ik knikte haar welgevallig toe en at met smaak. Ik was iets minder
+melancholiek nu ik Fotis gezien had; waarlijk, zij zag er uit om
+verliefd op te worden en ik werd dan ook dadelijk op Fotis verliefd.
+Het geen niet weg nam, dat ik met jeugdigen honger mijn tanden sloeg in
+het droge lamsbraad, het harde brood en den azijnzuren wijn uit
+dronk.</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb, zeide ik tot den zieke; wel eens meer gehoord, dat
+Thessali&euml; het land van beheksing is, maar weet niet of ik hieraan
+gelooven kan.</p>
+
+<p>&mdash;Toch is het zoo, heer!</p>
+
+<p>&mdash;Toch is het zoo, heer! riepen Crito en Chremes om
+beurten.</p>
+
+<p>&mdash;Noem mij Charmides! zeide ik genadig; ik reis wel in
+weelde-artikelen maar ben handelsreiziger als gij beiden, die reist in
+kaas en in wol en wij zijn toch collega&rsquo;s, niet waar. Noem mij
+Charmides, als Aristomenes mij reeds noemde.</p>
+
+<p>&mdash;Toch is het zoo, Charmides! riep de zieke. Thessali&euml; is
+het land der beheksing. De heksen zweven er rond in de lucht en spinnen
+uit de maan de tooverdraden! En weven de tooverwebben! En dansen er op
+den viersprong der wegen rondom <span class="corr" id="xd0e196" title=
+"Bron: Hecate">Hekate</span>, de driehoofdige! En de schimmen der
+vermoorde kindertjes zweven er als vle&ecirc;rmuizen en nachtuilen rond
+door de nachten om wraak op de heksen te nemen, maar zij zijn sterker,
+o Charmides: de heksen zijn &agrave;ltijd st&egrave;rker, dan wie ook,
+dan de goden; de heksen beheksen de goden zelfs en &eacute;en heks
+heeft mij behekst: in een zwijn heeft zij mij veranderd als Circe
+Ulyssus&rsquo; makkers deed en hokkende en hikkende heb ik haar
+gevolgd, terwijl zij lachte, de tooverkol! Hoed u voor Thessali&euml;,
+Charmides!</p>
+
+<p>De nacht viel, sinister, over het plein voor de herberg: <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e201" href="#xd0e201">14</a>]</span>In de
+Pythia. De najaarswind woei klagelijk. Davus en de voerman, op de
+andere bank, zaten met angstige gezichten toe te luisteren. Ruischend
+als van vreemden zang, vielen de platanebladeren om ons rond. Ginds
+stond mijn reiswagen, waar ik zo&ucirc; moeten rusten.... geriefelijker
+eigenlijk, dacht ik, dan in de &eacute;ene kamer &bdquo;In de
+Pythia&rdquo;, met de drie bedden, die Aristomenes, Crito en Chremes
+reeds zouden innemen. De arme dichter-toerist, ziek was hij wel, al
+verbeeldde hij zich misschien in een zwijn te zijn veranderd geweest!
+Crito, een goede kaasboer; Chremes, een brave lappeman: ik zag toch
+w&egrave;l een beetje op hen ne&ecirc;r. Ik, ik was Charmides, de zoon
+van Lyzias van Epidaurus: ik reisde in purper en parels, in myrrhe en
+cinnamoom, in Sidonische tapijten en <span class="letterspaced">
+bombyx</span>-zijde: ik was jong, rijk, mooi, krachtig, door de vrouwen
+bemind; ik beminde zelve altijd, ik was altijd heerlijk verliefd; ik
+was nu verliefd op Fotis, die ik toelachte toen zij de borden weg
+nam.... Mijne melancholie&euml;n om mijn strafreis en de sombere
+oorden, die ik door trok, gingen als lichte wolkjes....</p>
+
+<p>En toch.... Sinister die nacht over het plein.... Klagelijk de
+najaarswind.... Zoo bleek de gezichten van dienaar en voerman.... Hoor,
+wat zong er toch vagelijk door de vallende platanebladeren? Waren het
+de vermoorde kindertjes?? Ik werd mij even bewust niet geh&eacute;el
+lichtzinnig te zijn: ik werd mij even bewust te willen worden ingewijd
+in de mysteri&euml;n van Eleuzis: een vreemde vroomheid huiverde vaak
+door mijn gloeiend kloppende aderen: ik wist, dat er dingen van
+goddelijkheid en ongoddelijkheid zijn, die een verliefde, jonge man
+niet altijd begrijpt!</p>
+
+<p>&mdash;Ik zal mij hoeden voor Thessali&euml;! riep ik Aristomenes
+toe: maar ik zal Thessali&euml; niet ontwijken! Ik reis morgen <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e210" href=
+"#xd0e210">15</a>]</span>Thessali&euml; in! Er zijn de steden als
+Hypata en Larissa, die bloeien, die zijn weelderige steden, niet
+vervallen als Delfi, Thespi&aelig; en Thebe en daar zal ik <span class=
+"letterspaced">bombyx</span> verkoopen en Sidoniesch tapijt, cinnamoom
+en myrrhe en parels en purper en ik zal er zaken maken als Crito en
+Chremes hebben gedaan!</p>
+
+<p>Crito en Chremes schudden handen en hoofden.</p>
+
+<p>&mdash;Wij, heer Charmides, zeiden zij beiden; gaan er nooit meer
+heen, trots de goede zaken....</p>
+
+<p>&mdash;Ik, heer Charmides, zeide Crito; ben er dik en kort geworden
+en ik was, toen ik er heen ging, lang en mager.</p>
+
+<p>&mdash;Ik, heer Charmides, zeide Chremes; ben er mager en lang
+geworden en ik was, toen ik er heen ging, kort en dik.</p>
+
+<p>Ik keek van den een naar den ander.</p>
+
+<p>&mdash;Wie is dan de een en wie is de ander? vroeg ik.</p>
+
+<p>Ze schudden hoofden en handen.</p>
+
+<p>&mdash;We weten het zelve soms niet! bekenden zij.</p>
+
+<p>Ik lachte, toch in mijn binnenborst geschokt in mijn vertrouwen.</p>
+
+<p>&mdash;Ik moet t&oacute;ch gaan, zeide ik. Ik z&agrave;l ook gaan,
+zeide ik moediger. Avontuur, zelfs van heksen, stoot mij niet af. Bang
+was ik nooit. Fotis, riep ik het meisje toe; wat bereiden ze voor op
+het plein?</p>
+
+<p>Want fakkels werden hier en daar op het donkere plein in
+gestampt.</p>
+
+<p>&mdash;Heer, antwoordde Fotis en lachte als een roos; het zijn de
+rond trekkende kunstenmakers, die gehoord hebben, dat gij in purper en
+parels reist en die een voorstelling geven komen.</p>
+
+<p>Ik lachte helderder.</p>
+
+<p>&mdash;Laat ze komen! riep ik. Laat ze komen! Zij zullen <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e243" href="#xd0e243">16</a>]</span>ons
+verstrooien voor wij slapen gaan en wij zullen niet van heksen
+droomen.</p>
+
+<p>En met ketelmuziek kwamen zij op: twee mannen, drie meisjes, vier
+jongens, een beer.... <span class="pagenum">[<a id="xd0e247" href=
+"#xd0e247">17</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">II.</h2>
+
+<p>Aan de drie zijden van het pleintje voor de herberg waren nu de
+vlammende, walmende toortsen geplant en de harstriekende gloor weifelde
+fantastiesch door de nacht, die geheel gevallen was. Links en rechts
+duisterden een paar straatjes en sloppen, waar nu wat volk uit kwam,
+dat zich met donkere silhouet verzamelde op het pleintje. Vo&oacute;r
+de herberg, ter vierde zijde dus, rees een stuk oude muur, vermoedelijk
+nog over van de ommuring van een antiek heiligdom.... Delfi! Dit was
+Delfi! moest ik mijzelven herinneren. Ik was te Delfi, de heilige stad
+van Apollo&rsquo;s Orakel en dit was Delfi: dit herbergje: &bdquo;In de
+Pythia&rdquo;, dit modderige plein, die verbrokkelde muur over ons, die
+fakkels, in den grond geplant; die kunstenmakers en die beer, die aan
+kwamen, tusschen dat groezelige volk. En mijn reiswagen ginds, waarin
+ik slapen zo&ucirc;, met mijn stalen van kostbare koopwaar&mdash;als
+mijn bagage maar niet gestolen werd....</p>
+
+<p>&mdash;Davus! riep ik mijn knecht.</p>
+
+<p>Hij stond op, naderde.</p>
+
+<p>&mdash;Davus, waarschuwde ik; ga met den voerman zitten op
+tre&ecirc; of bok van den wagen om de kunstenmakers te zien en pas op,
+dat het volk niets steelt....</p>
+
+<p>Davus en voerman deden als ik beval....</p>
+
+<p>....Dit, dit was alles Delfi! En Fotis, die mij een kruik wijn
+bracht en vier kroezen en de zieke Aristomenes tegen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e263" href="#xd0e263">18</a>]</span>den plataan en
+Crito en Chremes, mijn beide collega&rsquo;s in wol en kaas, die
+behekst waren geweest en niet meer wisten wie van de een eigenlijk kort
+en dik en wie lang en mager was... Dit, dit was alles Delfi?</p>
+
+<p>Toen voelde ik het misschien voor het eerst.... Trots mijn
+lichtzinnigheid, trots mijn altijd verliefde jeugd.... Den eerbied voor
+de Goden en het Onuitsprekelijke.... Toen voelde ik bijna een weemoed
+om Apollo, wiens heilige stad zoo was vervallen, wiens Orakel niet meer
+werd geraadpleegd.... Toen voelde ik dat vreemde gevoel, terwijl mijne
+oogen toch Fotis, op wie ik verliefd was, bewonderden, als zij in
+gezonde, wat boersche maar mij aantrekkelijke, jonge-vrouwelijkheid ons
+bediende.... Dat vreemde gevoel, dat er &agrave;ndere Dingen waren dan
+te reizen in kaas en wol, zelfs in purper, parels en geurwerk!</p>
+
+<p>&mdash;Vertelt ge mij niet uw avontuur, beste vrienden? vroeg ik
+Crito en <span class="corr" id="xd0e269" title="Bron: Cchremes">
+Chremes</span>; terwijl ginds de kunstenmakers ons hunne toeren zullen
+vertoonen?</p>
+
+<p>Zij wilden mij hun avontuur wel vertellen.... Intusschen deden reeds
+de twee paar jeugdige knapen de wonderlijkste akrobatische toeren: zij
+wrongen zich twee aan twee in elka&acirc;r, tot zij geleken op twee
+staven van Hermes-Mercurius, den god van ons,
+handelsreizigers!&mdash;op twee caducee&euml;n, op twee paar om
+elka&acirc;r gekronkelde slangen: zo&oacute; liepen zij, zich telkens
+geheel om buigend, op de handen: als de een op de handen liep, hief wie
+zich om hem gekronkeld had, de zijne omhoog, tot zij zich,
+hoepelsgewijze, bogen en de ander op zijn beurt op de handen liep. En
+de eene man at vuur en de andere slikte een gladiatorezwaard in....</p>
+
+<p>&mdash;Gij moet dan weten, Charmides, zeide Crito; dat ik <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e276" href="#xd0e276">19</a>]</span>samen
+met Chremes reisde, hij in wol, ik in kaas, en dat wij reeds sedert
+lang goede vrienden zijn, niet waar, Chremes?</p>
+
+<p>&mdash;Voorzeker, Crito, antwoordde Chremes. En ge moet weten,
+Charmides, dat wij kwamen op een driesprong van wegen, dicht bij
+Hypata....</p>
+
+<p>&mdash;Larissa is een mo&oacute;ie stad, niet waar? viel ik in de
+rede; voor ons dansten de drie meisjes een <span class="letterspaced">
+kordax</span>-dans: een wulpsch schuifelend beweeg tusschen de twee
+groepen der vier om elka&acirc;r gekronkelde jongens; een beer zat,
+gemuilband, te wachten.... En er zijn tal van mooie vrouwen, niet waar?
+Ook die drie danseresjes zijn he&eacute;l mooi....</p>
+
+<p>&mdash;... En het was vallende avond, ging Crito voort, zonder zich
+veel te storen aan mijne vragen en opmerkingen. En op eens....</p>
+
+<p>&mdash;... Zagen wij v&oacute;or ons...</p>
+
+<p>&mdash;Een driehoofdig beeld van Hekate, de in Thessali&euml;
+ge-eerediende godin!!</p>
+
+<p>&mdash;Nu, zeide ik; is dat zoo vreemd. Op vier- of driesprong der
+wegen staat wel meer het beeld der toovergodin.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, maar Charmides....!</p>
+
+<p>&mdash;... maar Charmides...! riepen zij beiden, links en rechts en
+toen te zamen:</p>
+
+<p>&mdash;Toen wij nader kwamen.... Lieten de drie hoofden af van den
+romp.... En omvlogen ons drie verschrikkelijke heksen!</p>
+
+<p>&mdash;Hoed u, hoed u, o Charmides, voor Thessali&euml;! riep de
+zieke Aristomenes.</p>
+
+<p>&mdash;En deden zij ons geweld aan! riepen door elkander Crito en
+Chremes.</p>
+
+<p>&mdash;En maakten zij mij, riep Crito; die lang was en mager, kort
+en dik! <span class="pagenum">[<a id="xd0e305" href=
+"#xd0e305">20</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;En mij, riep Chremes; die kort was en dik, lang en mager!</p>
+
+<p>Ik lachte.</p>
+
+<p>&mdash;Kom, kom! zeide ik. Ge zult gedro&oacute;md hebben. Ik geloof
+die verhalen niet. Even als Aristomenes heeft gedroomd, dat hij in een
+zwijn werd veranderd. Zie liever eens naar die drie bevallige
+danseresjes. Bij mijn godin, die nooit Hekate worden zal, maar altijd
+Afrodite blijft, ik geloof, dat ik verliefd word op &agrave;lle
+drie!</p>
+
+<p>Fotis hoorde mij, lachte schamper en riep:</p>
+
+<p>&mdash;Op drie dansmeiden van de straat!</p>
+
+<p>Maar eene van de danseressen kwam nader. Zij spreidde een tapijtje
+en legde er zich glimlachende voor-over op, de armen sierlijk gekruist.
+De fakkelvlam we&ecirc;rspiegelde in de koperen munten, die bedekten
+haar voorhoofd en borst.</p>
+
+<p>&mdash;Zij is de mooiste! riep ik. O wat is zij mooi en bevallig! En
+lenig!</p>
+
+<p>En ik werd zeer verliefd op het meisje, dat op het tapijtje lag. En
+wilde opstaan.</p>
+
+<p>Maar, liggende, boog zij rond als een hoepel. De man, die vuur had
+geslikt, bood haar een boog, dien zij nam tusschen de teenen van haar
+eenen opgehoudenen voet en met de teenen van den anderen voet richtte
+zij een pijl op de koorde. Zij boog het hoofd gracelijk, een weinig, om
+te zien. Zij glimlachte steeds. De man, die het zwaard had ingeslikt,
+hield een appel omhoog. En het meisje schoot met de teenen, armen
+steeds gekruist en liggende, hoepelrond op den buik, den pijl af, in
+den appel.</p>
+
+<p>Er was bewonderend gejuich en applaus en ik, Charmides, zoon van
+Lyzias van Epidaurus, en die reisde in purper en parels, wierp enkele
+geldstukken op het tapijtje. <span class="pagenum">[<a id="xd0e326"
+href="#xd0e326">21</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Ach, Charmides! riep de zieke Aristomenes. Verwerp toch niet
+onze waarschuwing! Denk toch, ik, dichter en toerist, ik werd ook
+verliefd, als gij vaak wordt; ik werd verliefd op Mero&euml;, de
+beroemde het&aelig;re van Hypata, maar zij is een dienares van Hekate
+en zij zweeft &rsquo;s nachts rond door de lucht, met de schimmen van
+Medea en Circe, die twee tooverprinsessen, dochters van de Zon, en zij
+bezweert met haar beiden de Maan en de Sterren en den Storm! En zij
+behekste mij in een zwijn, tot ik den rooden amaryllis at en we&ecirc;r
+mensch werd maar verlamd voor heel mijn leven! Hoed u voor
+Thessali&euml;, Charmides!!</p>
+
+<p>Ik lachte. Geloofde ik? Ik wist het niet. Lichtzinnig, w&agrave;s ik
+heel jong, heel verliefd nu op het lieve boogschutstertje, zo&oacute;
+verliefd, dat ik niet dacht aan goddelijke of &oacute;ngoddelijke
+dingen.... Ik stond op en naderde de kleine kunstenmaakster....</p>
+
+<p>Honden blaften, tusschen de menigte, zeker tegen den beer.</p>
+
+<p>&mdash;De honden blaffen! riep Aristomenes. Zij voelen, dat Hekate
+zweeft in de lucht! Zij blaffen, omdat de maan rijst! Crito en Chremes,
+voert mij naar binnen! Ik ben mo&ecirc;, ik ben ziek; helaas, ik ben
+lam: ik wil rusten, ik wil rusten gaan!</p>
+
+<p>Crito en Chremes hielpen den zieke op, steunden hem, voerden hem
+binnen in &agrave;l zijn doeken en dekens.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe heet je? vroeg ik.</p>
+
+<p>&mdash;Demea, heer! zeide het meisje.</p>
+
+<p>&mdash;Je pijl, zeide ik; is geschoten in den appel, maar dieper nog
+elders.</p>
+
+<p>&mdash;Waar dan, heer?</p>
+
+<p>&mdash;In mijn hart. <span class="pagenum">[<a id="xd0e347" href=
+"#xd0e347">22</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Heer, ge schertst: ik ben maar een kind van de straat, gij
+een prins.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, ge&eacute;n prins; ik r&egrave;is, in purper en parels.
+Wil je mij niet, Demea, bezoeken, deez&rsquo; nacht, in mijn wagen, die
+wacht voor de deur hier, ter zij van het huis....?</p>
+
+<p>&mdash;Heer, th&agrave;ns moet ik dansen....</p>
+
+<p>En zij danste met de beide andere meisjes. De vier jongens
+kronkelden steeds als Hermes-caducee&euml;n, en buitelden als wielen,
+om en om. En de twee mannen met den beer speelden, als in het theater,
+een klein <span class="letterspaced">mimus</span>-spel van drie
+personen. Toen bevrijdden zij den beer van den muilkorf en er was
+ontroering van schrik tusschen de menigte. Maar de mannen klommen den
+muur op voor ons en heschen den beer op den muur. En op den muur danste
+de beer met een stok in zijn pooten en de mannen dansten met hem.</p>
+
+<p>Een luik in de herberg werd open gestooten en Aristomenes riep mij
+toe:</p>
+
+<p>&mdash;Hoed u, Charmides, voor Thessali&euml;!</p>
+
+<p>&mdash;Kennen jullie Thessali&euml;? vroeg ik de drie meisjes nu; ik
+wist bijna niet op wie van drie&euml;n ik het meeste verliefd was: zij
+waren alle drie allerliefst; donker van tint en haren, jong krachtig
+van leden, verrieden zij, dwaalsters over de wereld, haar Egyptische
+afkomst.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, heer, antwoordden zij alle drie en voegden er om beurten
+aan toe:</p>
+
+<p>&mdash;Maar ons, arme kunstenmaaksters....</p>
+
+<p>&mdash;Doen de heksen....</p>
+
+<p>&mdash;Neen, de heksen ge&eacute;n kwaad....</p>
+
+<p>&mdash;Charmides! riep uit zijn raam de zieke; hoed u! De Egyptische
+kunstenmaaksters zijn zelve heksen!</p>
+
+<p>Maar de meisjes tolden lachende om elka&acirc;r rond. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e377" href="#xd0e377">23</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Zijn jullie heksen? vroeg ik.</p>
+
+<p>&mdash;Wij weten alleen liefdedrank te bereiden, maar meer heks zijn
+wij niet, heer....</p>
+
+<p>En zij lachten en wij spraken over de liefde. Intusschen werden de
+flambouwen gedoofd; de menigte vervloeide in de nacht, de kunstenmakers
+met den beer verdwenen, de herberg werd gesloten. Ik bevond mij alleen
+op het plein. De verbrokkelde muur, waar de beer niet meer danste,
+teekende zich af tegen den afschijn der rijzende maan. Maar de wind
+blies luguber en de wolken dreven en de platanebladeren ruizelden
+ne&ecirc;r en ik hoorde als kleine kindertjes klagen of er zieltjes
+zweefden door de nacht.</p>
+
+<p>Ik naderde mijn wagen. Davus en de voerman rezen op van de
+tre&ecirc;.</p>
+
+<p>&mdash;Heer, zeide Davus; de voerman wil niet naar
+Thessali&euml;....</p>
+
+<p>&mdash;Is hij bang? vroeg ik.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, heer, zei de voerman, bleek. Wij hebben te veel gehoord,
+van Thessali&euml;, alleen reeds dezen enkelen avond. Ik keer morgen
+terug naar Argolis.</p>
+
+<p>&mdash;Je bent de slaaf van mijn vader, zeide ik. Je bent mijn
+slaaf. Geeselen zal ik je laten, wanneer je weigert den wagen te
+mennen.</p>
+
+<p>&mdash;Zoo laat mij dood geeselen, zeide de voerman. Maar ik men den
+wagen niet naar Thessali&euml;....</p>
+
+<p>Ik haalde mijn schouders op.</p>
+
+<p>&mdash;Ga nu slapen, zeide ik. Gaat slapen, allebei. Morgen brengt
+de Dageraad nieuwen raad.</p>
+
+<p>Zij zouden voor in den wagen slapen. Zij sliepen dadelijk. Ik, in
+den ruimen wagen, strekte mij op kussens ter ruste. Maar sliep niet.
+Mijn slapen bonsden. Ik zag den driesprong <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e402" href="#xd0e402">24</a>]</span>der wegen en het beeld van
+Hekate, wier drie hoofden af lieten van den romp en toen drie heksen
+werden.</p>
+
+<p>Langs den wagen sloop in den flauwen maneschijn een schim. Ik keek
+uit.</p>
+
+<p>&mdash;Heer! fluisterde Fotis. Uw beide slaven slapen.... Daarom kom
+ik u waarschuwen, dat, zoo gij naar Thessali&euml; gaat, gij goed doet
+een talisman om uw hals te dragen....</p>
+
+<p>&mdash;Kom binnen, noodde ik Fotis. Kom in den wagen en waarschuw
+mij beter....</p>
+
+<p>Om den wagen ruischte geheimzinnig de wind en vielen de
+platane-bladeren en Davus en de voerman snurkten.... Voor het herbergje
+rammelde telkens het uithangbord:</p>
+
+<div class="q">
+<p class="aligncenter">IN DE PYTHIA.</p>
+</div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="xd0e416" href=
+"#xd0e416">25</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">III.</h2>
+
+<p>Toen Fotis mij op zeer bevredigende wijze gewaarschuwd had en mij
+een weldadige amulet om den hals had gehangen, slipte zij weg door het
+eene portier van mijn reiswagen en verdween als een schim in de nacht
+&bdquo;In de Pythia&rdquo;.... Maar op dit zelfde oogenblik hoorde ik
+murmelen aan het andere portier:</p>
+
+<p>&mdash;Heer! Heer Charmides! Gij, die in purper en parels
+reist....</p>
+
+<p>Ik lichtte den voorhang op en herkende Demea.</p>
+
+<p>&mdash;Wat is er, Demea....?</p>
+
+<p>&mdash;Heer, zeide Demea; als ik niet gezien had, dat Fotis, die
+minne herbergmeid, in uw reiswagen was binnen geslopen....</p>
+
+<p>&mdash;Om mij te waarschuwen, zeide ik; voor de heksen van
+Thessali&euml;....</p>
+
+<p>&mdash;Dan zou ik, zeide Demea, een weinig verbolgen; en
+b&eacute;ter dan zij, u hebben willen waarschuwen voor die zelfde
+heksen en u een filter hebben willen geven, die onthekst, wie ook
+behekst is geworden....</p>
+
+<p>&mdash;Kom dan binnen, lieve Demea, noodde ik; want het terrein is
+nu vrij.... en door jou laat ik mij gaarne beheksen en ontheksen
+beiden.</p>
+
+<p>&mdash;Heer, zeide Demea; ik ben een kind van de vrije luchten, en
+dochter van de zanden en het stof van de <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e438" href="#xd0e438">26</a>]</span>wegen en achter den voorhang
+van een reiswagen, met twee ronkende slaven in elkanders rug,
+vo&oacute;r op den bok, geef ik mijn filter u niet. De woestijn was de
+kamer, waar mijn moeder mij baarde, de Sfinx waakte over mijn
+kinderspel, de maan is mijn nachtlamp en het starbezaaide firmament is
+het koepeldak van mijn eindeloos pavillioen.</p>
+
+<p>&mdash;Demea, zeide ik; je hebt dat alles heel mooi en rhetoriesch
+gezegd; het laat mij denken aan een tirade uit Seneca, den
+treurspeldichter en ik ben bereid je te volgen waar je mij voeren wilt,
+in welke ook van je ruime slaapsaletten onder de gouden sterren....</p>
+
+<p>&mdash;Kom dan me&ecirc;! lonkte Demea.</p>
+
+<p>Ik richtte mij op uit de kussens, wipte uit den wagen en vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Waarheen....</p>
+
+<p>&mdash;Volg mij, lokte Demea, vol onwe&ecirc;rstaanbare verleiding,
+en oogen als gloeiende offerkolen.</p>
+
+<p>Ik volgde haar. Ik voelde even of ik mijn Syrischen dolk bij mij
+had, in mijn gordel, en Demea zweefde mij voor, steeds om ziende,
+lachende, of ik wel volgde. Wat was zij luchtig en vlug, de kleine
+boogschutster, die met de teenen richtte en af trok haar pijl. Zij was
+zoo vluchtig als een vizioen voor mij. Zij voerde mij, ter zijde van de
+herberg, oogenblikkelijk in een verwilderd woud. De wind ruischte
+klagelijk door de takken en boven ons zeilde de maan de drijvende witte
+wolken in en uit over den hemel der nacht. De schaduwen lagen, slechts
+even doorschemerd, ter zijde van het pad als groote, zwarte
+monsterbeesten gestapeld....</p>
+
+<p>&mdash;Heks!! riep ik. Demea! Ben je al een heks, al ben ik nog niet
+in Thessali&euml;??</p>
+
+<p>&mdash;Mijn moeder was een heks! riep Demea. En een heks <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e456" href="#xd0e456">27</a>]</span>zal ik
+worden als zij, wanneer de groote Bok mij roept! Kom, kom!</p>
+
+<p>Ik kon niet we&ecirc;rstaan. Ik volgde haar, terwijl zij voort
+zweefde en lokte en lonkte.... Ik zag niets dan, door de schaduw, den
+schemer, schitteren hare kole-oogen en soms leek het mij, zag ik
+schitteren haar glimlach als om een bloemmond van roode sulfer.
+Plotseling stond zij stil op een opene vlakte. Er rezen enkele
+verbrokkelde muren, de geknotte zuilen van een portiek.</p>
+
+<p>&mdash;Waar zijn wij? riep ik verwilderd.</p>
+
+<p>Demea naderde mij en riep tragiesch:</p>
+
+<p>&mdash;Wij zijn in de ru&iuml;ne van den grooten Tempel! zeide zij.
+Eenmaal rees hier het Heiligdom gewijd aan den goddelijken
+Boogschutter, dien ik dien maar met mijn voeten. Eenmaal zat
+hi&egrave;r&mdash;zij wees mij in het midden een ronde, steenen
+plek&mdash;de Pythia op haar drievoet, dronken van lauriersap en geuren
+en zij zeide de heilige Orakels. En waar dit alles eenmaal was, zal ik
+dansen mijn dans van beheksing, ontheksing!</p>
+
+<p>Zij danste. Tusschen de geknotte zuilen danste zij in den
+maneschijn, die heller en heller den hemel uit gleed. Zij danste. Zij
+danste in blauwe en grauwe en blanke sluiers en zij was als een spiraal
+van geurwalm uit een geurvat. Zij wirrelde als een ijle, dunne wolk,
+die verijlde in de nacht. Zij veronwezenlijkte als een tooverdamp. Zij
+deed de vervoerende heiligschennis op de heilige plek van Delfi. Ik was
+mijzelve niet meer:</p>
+
+<p>&mdash;Demea! riep ik en opende de armen.</p>
+
+<p>Demea&rsquo;s armen sloten zich om mij rond. Zij nam mij als op in
+de dronkenschap van haar dans. De sterren schenen te regenen in een
+vloed van vuur over de ru&iuml;ne van den <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e472" href="#xd0e472">28</a>]</span>Tempel en uit de maan vloot een
+zilveren zee en overgolfde hemel en aarde. Toen ik bij kwam, bood Demea
+mij een albasten fiool, zoo lang en smal als een vinger....</p>
+
+<p>&mdash;De filter.... zeide zij; die onthekst....</p>
+
+<p>&mdash;Geef ik je geld? vroeg ik en nam de fiool.</p>
+
+<p>&mdash;Purper en parels! lachte zij. Geef mij purper voor een keurs
+en een parel gelijk aan een peer!</p>
+
+<p>Zij geleidde mij lachende terug door het woud naar den wagen. Ik
+voelde als wraakgodinnen achter in mijn rug, om de heiligschennis
+gepleegd. Op het plein weifelde reeds de nacht... Davus vond ik
+ontwaakt.</p>
+
+<p>&mdash;Heer, zeide hij; de voerman is ontvlucht....</p>
+
+<p>&mdash;Wij zullen wel zien, zeide ik, bijna onbewust.</p>
+
+<p>Ik zocht in mijn wagen, in twee, drie valiezen....</p>
+
+<p>&mdash;Hier, zeide ik tot Demea; is een staal van purper van
+Thiatyra, allereerste kwaliteit. Maar het is niet zoo purper als je kus
+was, Demea....</p>
+
+<p>&mdash;Het is purper genoeg voor een keurs, zeide Demea.</p>
+
+<p>&mdash;En hier, toonde ik; is een parel, heel groot, gevormd als een
+peer, maar....</p>
+
+<p>&mdash;Maar wat, heer?</p>
+
+<p>&mdash;....niet echt, zeide ik. Ik reis niet met &egrave;chte
+parels. Deze parels zijn de monsters slechts van de echte parels, die
+mijn vader verkoopt. Zij zijn nagemaakt.</p>
+
+<p>&mdash;Een valsche parel, zeide Demea; heeft meer kracht in zich,
+want is demonischer en bedriegelijker dan een echte. Ik wil deze
+valsche parel!....</p>
+
+<p>Zij nam purper en parel en plotseling was zij verdwenen.</p>
+
+<p>&mdash;Heer! zeide Davus en knielde in angst voor mij ne&ecirc;r.
+Waarheen zondt u uw vader Lyzias in toorn? Waarheen gaan wij!
+Thessali&euml; is een land vervloekt, zeggen allen! <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e504" href="#xd0e504">29</a>]</span>Heer, ik ben
+bang. Spaar mij! Dat ik niet vluchtte, was, omdat ik u hoedde van klein
+jongske af! Ik was iets ouder dan gij! Ik speelde met u en paste op u!
+Heer, wees genadig en keeren wij, keeren wij, heer!</p>
+
+<p>&mdash;Ik kan niet, Davus. Ik mo&egrave;t naar
+Thessali&euml;....</p>
+
+<p>&mdash;Het zij dan! zei Davus. Maar de goden behoeden ons! En
+behoeden mij, die u mennen zal, als wij geen anderen menner
+krijgen....</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Ik legde mij in den wagen te ruste, en ik sliep op mijn kussens en
+tusschen mijn stalen van purper en <span class="letterspaced">
+bombyx</span> en monsters van wierook en valsche parelen als de
+onschuld zelve. Want de Onbewustheid was in mij en om mij en ik leefde
+het leven als een groot kind hoewel er somtijds, plotseling, in mij als
+een vermoeden zich wekte, dat ik niet go&egrave;d leefde.... Dit
+vermoeden was dan heel vaag, als een doortrekkende lijn van weemoed,
+door mijn brein heen, waarna mijn ziel in mij zwaar woog van een matte
+ontevredenheid en d&agrave;n verlangde ik ingewijd te worden in de
+mysteri&euml;n van Eleuzis.... Maar nu sliep ik en ik d&agrave;cht niet
+meer aan Fotis en Demea, aan de vrouwen van <span class="corr" id=
+"xd0e517" title="Bron: Boeoti&euml;">B&oelig;oti&euml;</span> en
+Korinthe, aan de verlaten matronen van Epidaurus.... Maar ik
+droomde.... Voor mij verscheen, streng, een glanzende godin, en zij
+schudde afkeurend het hoofd.... Ik werd wakker, verschrikt en zag om
+mij rond. De morgen gloorde zacht over het modderig pleintje; de dikke
+herbergierster stond op den drempel.</p>
+
+<p>Ik betaalde en Davus spande de vier frissche postbuffels voor. Hij
+zo&ucirc; mijn menner zijn want er was er geen te huren, die naar
+Thessali&euml; wilde. <span class="pagenum">[<a id="xd0e522" href=
+"#xd0e522">30</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Het is overdreven, heer, meende de herbergierster; er
+gebeuren misschien wel eens vreemde dingen in Thessali&euml;, maar niet
+iedereen wordt er behekst! Hoeveel reizigers komen hier niet, die uit
+Thessali&euml; komen en wie ni&egrave;t is gebeurd, wat Crito, Chremes
+en Aristomenes meenen, dat hun gebeurd is! Maar bij wassende maan
+huilen de honden, die zijn Hekate gewijd en dan zijn de menschen banger
+dan later in de maand....</p>
+
+<p>Wij gingen. Het was nu een lieflijke morgen, bepareld van dauw. De
+wagen rolde op zijn vier groote, goed gesmeerde wielen gelijkmatig over
+den gladden weg en de glanzende postbuffels, vier, trokken statig en
+stevig. Wij overschreden den grens van Locris. Wij reden vier dagen en
+rustten in veilige gehuchten des nachts. Voor roovers was geen reden te
+vreezen. Angst had ik voor roovers noch heksen. Het waren echter de
+eerste herfstdagen, vol huiveren wind. Na het heerlijke morgenuur werd
+de middag somberder en de regenvlagen, schuin, striemden wel eens de
+altijd straf trekkende buffels. Ontmoetingen hadden wij niet dan de
+gewone, langs den heirweg.... Een <span class="letterspaced">
+centuria</span> lichte cavalerie, die zich naar Amfissa begaf, haalde
+ons in. Uit mijn wagen wisselde ik eenige woorden van begroeting met
+den <span class="letterspaced">centurio</span>. Maar wij spraken niet
+van heksen. Bedelpriesters van de Groote Godin, Rheia Kubele, geleidden
+hun ezel, op wiens rug gesnoerd, in een kastje, het heilige beeldje. Ik
+wierp den priesters wat penningen toe. Des nachts sliepen wij in de
+herbergen: niet altijd waren de dienstmeisjes er hare eigene
+grootmoeders, neen.... Frissche postbuffels waren steeds te verkrijgen:
+de postdienst naar Thessali&euml; was er goed geregeld. Het was toch
+ook een rijke landstreek, Thessali&euml;: na Hypata waren er <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e533" href=
+"#xd0e533">31</a>]</span>Farsalus, Fec&aelig;, Larissa, de prachtig
+welvarende steden. Hypata.... de eerste stad.... die scheen wel het
+heksennest te zijn, naar wat ik gehoord had....</p>
+
+<p>Den vierden dag was het herfstwe&ecirc;r somberder dan te voren. De
+anders dauw-gedrenkte, zonnige morgen was regen-gedrenkt en met mist
+overwaasd. Ik huiverde toen ik den wagen besteeg. Maar te blijven in
+dit kleine gehucht.... Het was ondoenlijk. De verveling grijnsde er mij
+tegen. Wij gingen. Davus, zwijgend, mende. Wij aten, onderweg, in den
+wagen. Telkens regende het, striemden de regenstralen. De weg was een
+lang, lang moeras van modder....</p>
+
+<p>&mdash;Davus, zeide ik; de avond valt: wij moeten spoedig onze halte
+naderen....</p>
+
+<p>&mdash;Heer, zeide hij; ik zie niets dan den weg zich strekken,
+eindeloos....</p>
+
+<p>&mdash;Heb je niet vergeten rechts in te slaan, bij den vijftienden
+mijlpaal?</p>
+
+<p>&mdash;Neen, heer, bij den vijftienden mijlpaal ben ik rechts
+ingeslagen: ge sluimerdet toen even, geloof ik....</p>
+
+<p>&mdash;Rijd dan maar door....</p>
+
+<p>Hij reed door. Geen eind kwam er aan den weg. Het was er, in den
+weeklagenden wind, zoo eenzaam, dat roovers geloof ik, mij welkom waren
+geweest, als reisgenooten en kameraden. De nacht grauwde met groot
+wolkgevaarte, zwaar van regen, boven de velden, de vlakte, den
+vervalenden horizon met verre dalen en heuvelende hellingen. In de
+veerte streepten zwart de regenstralen schuinende tegen de duistere
+kim. De wind loeide uit het Westen aan met een huilende woede over den
+weg, waarin telkens de wagen bleef steken, in de diepe moddervoren,
+waaruit nauwlijks de buffels het <span class="pagenum">[<a id="xd0e549"
+href="#xd0e549">32</a>]</span>voertuig naar voren we&ecirc;r trokken,
+vooruit.... Vooruit.... Noodwe&ecirc;r omwoelde het land. Nat werd ik
+in den wagen, trots wollen mantel en deken: de voorhangen flapperden op
+als natte lappen en klapperden om mijn ooren. Plotseling zeide
+Davus:</p>
+
+<p>&mdash;Heer, ik geloof toch, dat ik mij heb vergist. Wij moesten
+geen driesprong van wegen meer ontmoeten en ik zie.... ginds,
+v&oacute;or mij, is een driesprong.... Welken weg nu te nemen,
+heer?!</p>
+
+<p>Ik keek uit langs zijn schouder. En ik zag, als een bleeke star,
+liggen op den grond voor mij den driesprong. De weg, dien wij gingen,
+mondde er heen. Twee andere wegen schoten er uit, als witte stralen, en
+vervaagden weg, links en rechts, in regen en veerte. De lucht er boven
+was zwart en zwaar van dreiging en onheil.... Dikke wolken dreven en
+woelden dooreen als met draaikolken en de wind scheen er dreigend door
+heen te joelen en er boven in het rond te wirrelen. En midden op den
+driesprong rees, op een korte zuil, een beeld. Ik herkende het als de
+driehoofdige Hekate, de drie hoofden gedekt met de Frygische muts,
+slangen, fakkels en messen in de zes handen geheven. Om het beeld, op
+het altaar, smeulde, nog in den regen, de offerande: de half verkoolde,
+drie zwarte honden, klaarblijkelijk dien morgen geofferd....</p>
+
+<p>Davus riep:</p>
+
+<p>&mdash;Heer! Heer! Zie! De driesprong, dien wij vermijden wilden!
+Het beeld, het verschrikkelijke beeld! De godin, heer, der Toovermaan
+en der heksen! Help mij, heer, sta mij bij!! Heilige goden, gij allen,
+staat ons bij, staat ons bij!!</p>
+
+<p>Hij riep het, door den huilenden storm. Zijn zwakke kreet verwoei.
+Ik was opgerezen. Een geweldige windvlaag <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e561" href="#xd0e561">33</a>]</span>woei den wagen schuin ter zij
+van den weg. De rampzalige buffels, mede getrokken, loeiden, aan den
+storm gelijk. Uit gesprongen, stond ik in de modder. Ik zag op. Boven
+mijn hoofd, in de zwarte draaikolk der wirrelende wolken, warrelden
+allerlei wilde gedrochten. Het waren vle&ecirc;rmuizen met
+vrouwegezichten om een reusachtigen vampyr, die met vale fosforoogen
+loenschte. Het waren vleugels, vlerken, klauwen als van harpijen, door
+elka&acirc;r verward en Davus, krankzinnig van angst, was aan mijn
+voeten ne&ecirc;r gevallen, en school in de slip van mijn mantel,
+terwijl om mijn hoofd, in een cirkel, de afschuwelijke gedrochten te
+zamen drongen... <span class="pagenum">[<a id="xd0e563" href=
+"#xd0e563">34</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">IV.</h2>
+
+<p>Ik ontrukte op dat oogenblik aan den bezwijmden knecht de zweep, die
+hij nog in de hand hield geklemd en cirkelde met den langen geesel in
+de lucht, om mijn hoofd. Het was vreemd, maar ik geloofde nog niet aan
+heksen. Ik geloofde aan storm en aan vreeslijke stormvogels en aan
+reuzevle&ecirc;rmuizen, zoo als ik er nimmer nog had aanschouwd, maar
+ik geloofde niet aan heksen. En ik poogde met mijn lange zweep de
+gedrochten mij van het lijf te houden. Ik voelde echter, dat ik dit
+niet lang zo&ucirc; kunnen. Daarom wierp ik de zweep in den wagen en de
+afschuwelijke vleugels en vlerken sloegen mij om het hoofd, geeselden
+mij op hun beurt. Wat vermag echter een jonge, sterke man ve&eacute;l
+in de uiterste oogenblikken van bijna niet te begrijpen gevaar: wat een
+kracht hebben de goden den mensch in gegeven, kracht, die
+vertienvoudigd hem schijnt als een uiterste poging gedaan moet worden!
+Want ik, ik had de kracht mijn bezwijmden Davus op te tillen en hem in
+mijn mantel binnen in den wagen te werpen. De buffels, ook geslagen
+door de vlerken en vleugels, brulden van smart en wanhoop maar ik greep
+den voorste de leidsels en leidde hen in het rond om den driesprong
+heen. Ik voelde, dat ik &oacute;ver den driesprong&mdash;ter zij van
+het beeld, dat mij scheen te bewegen, te grijnzen, bezield te worden,
+in drie wezens zich te verdeelen!&mdash;onmogelijk buffels en wagen
+zo&ucirc; kunnen <span class="pagenum">[<a id="xd0e569" href=
+"#xd0e569">35</a>]</span>geleiden. Maar om den driesprong rond, even
+buiten den toovercirkel, die daar beschreven scheen, rukte ik de
+buffels voorwaarts, terwijl ik voelde, dat ik vooruit moest en niet
+achteruit&mdash;den weg terug&mdash;zo&ucirc; kunnen gaan! O, hoe ik
+het betreurde niet ingewijd te zijn in de mysteri&euml;n van Eleuzis!
+D&agrave;n had ik &eacute;&eacute;n woord van bezwering kunnen roepen,
+e&eacute;ne beweging kunnen maken, die... H&egrave;ksen? Neen, toch
+geen heksen! Maar wel afschuwelijke gedrochten...!</p>
+
+<p>Plotseling daalde uit den schreeuwenden, huilenden troep, voor mij,
+een harpij. Zij was een verschrikkelijk wezen: een vogelvrouw was zij;
+haar gelaat was dat eener van hartstocht verteerde vrouw; ros roode,
+ruige ve&ecirc;ren stonden gloeiend in fosforschijn uit op haar kale
+kruin, hare gele oogen schroeiden als vuur de nacht; hare wijde, zwarte
+mond lachte monsterlijk; zij had vleugels en vogelpooten; rood, zwart,
+geel scheen haar geve&ecirc;rte en uit zoo veel geve&ecirc;rt stond
+naakt van vleesch uit hare vrouweborst met het vel van een geplukte
+kip. Zij had, behalve vleugels, ook armen, lang en mager, met
+vogelklauwen, scherpe. En zij stond voor mij en lachte.</p>
+
+<p>&mdash;Ga weg!! riep ik, en trok de buffels, die brulden, met de
+eene hand om de leidsels en cirkelde de zweep met de ander.</p>
+
+<p>Zij huilde een kreet en riep:</p>
+
+<p>&mdash;Kom me&ecirc;! Kom me&ecirc;!! Kom me&ecirc;!!!</p>
+
+<p>En zij strekte de klauwen uit: er bleef steeds fosforglans om haar
+heen... Ik sloeg haar met de zweep, die cirkelde om haar harpijelijf.
+Zij danste razende in mijn zweepkronkeling op en te gelijker tijd riep
+zij tot de andere gedrochten, die drongen, te gaan, te ga&agrave;n, te
+g&agrave;&agrave;n! Zij wilde mij alleen! Maar ik zwiepte en trok de
+buffels, in het rond, om den <span class="pagenum">[<a id="xd0e581"
+href="#xd0e581">36</a>]</span>driesprong. De rampzalige beesten
+begrepen: zij trokken uit alle macht... Ik voelde de klauwen der harpij
+streelen aan mijn wang en strikte snel het touw van de zweep om haar
+hals, om haar te worgen. Zij krijschte van woede en pijn en ik
+gevoelde, dat zij niet almachtig was, vermoedelijk omdat zij beheerscht
+werd door haar hartstocht voor mij en hare gedachte zich inspande mij
+op te voeren in de luchten, in de stormwolk. De buffels hadden nu het
+derde gedeelte van den tooverban om getrokken en wij waren den tweeden
+weg van den driesprong genaderd... Ik rukte het gespan op den weg, die
+vaag slechts blankte in de stormnacht. Maar in mijn zweepstrik hield ik
+nog steeds de harpij omworgd bij den hals...</p>
+
+<p>Zij poogde zich te bevrijden en zij kon niet en lachte... En zij
+riep als een behaagzieke vroouw:</p>
+
+<p>&mdash;Omdat ik niet wil! Omdat ik niet wil! Je hebt mij gevangen
+omdat ik mij vangen wil laten! Ik kan wel, ik kan wel, maar ik wil
+niet, ik wil niet! Mooie jongen, ik heb je zoo lief! Ik wil je, ik wil
+je: kom me&ecirc;, kom me&ecirc;!</p>
+
+<p>Ik trok echter de buffels, liet ze toen los, en lokte ze voort en ze
+draafden bijna, de brave beesten, terwijl ik in den zweepstrik steeds
+de harpij mede trok. Ginds, achter ons, scheen nu de vreeslijke
+driesprong niet meer dan een samenvloeiing van wegen in duistere
+onwe&ecirc;rsnacht van draaikolkende wolken vol huilende vogels... Maar
+niet meer. &bdquo;Eleuzis! Eleuzis!&rdquo; bad ik. &bdquo;Ceres en
+Hermes! Behoedt mij!&rdquo; En het scheen of die gedachte aan de goden
+macht mij gaf en meerdere kracht. Het stortregende en de harpij
+krijschte steeds, in mijn zweep geworgd, behaagziek:</p>
+
+<p>&mdash;Ik kan wel, maar ik wil niet vrij! Mooie jongen, kom
+me&ecirc;! Kom me&ecirc;! <span class="pagenum">[<a id="xd0e591" href=
+"#xd0e591">37</a>]</span></p>
+
+<p>Toen trad ik op haar toe, greep haar bij den klauwpols, ontwirrelde
+vlug mijn zweepstrik en hief den geesel dreigend op... Liet haar
+los...</p>
+
+<p>&mdash;W&egrave;g! riep ik. W&egrave;g!!</p>
+
+<p>Zij wilde zich op mij werpen, maar ik zwiepte haar. Hare klauw brak
+mij het lange zweeptouw. En zij lachte afgrijselijk... Maar ik zwiepte
+haar steeds en sloeg haar met den stok van de zweep. Haar klauwen
+voelde ik al in mijn rug. Ik greep haar bij den strot... Ja, nu worgde
+ik haar: ik voelde het.</p>
+
+<p>&mdash;Goden van Eleuzis! riep ik. Staat mij bij...!!</p>
+
+<p>Wij vochten nu samen, gevallen in de modder des wegs. Ik had haar
+bij een vleugel gegrepen en wrikte den vleugel om. Zij slaakte een
+razenden kreet en rukte zich op. Ik greep haar bij den vogelpoot en
+br&agrave;k dien... Zij gilde den storm te boven, en viel
+ne&ecirc;r.... Maar ik haastte mij naar den wagen, sprong op den
+bok...</p>
+
+<p>&mdash;Ho&egrave;! Ho&egrave;! riep ik tot de buffels: hoe de brave
+beesten begrepen!</p>
+
+<p>Maar achter mij, door het slik, sleepte de harpij zich voort.</p>
+
+<p>&mdash;Ah! Ah! Ah! krijschte zij in woede. Mijn vleugel, mijn
+vleugel heb je ontwricht! En mijn poot, en mijn poot heb je gebroken!
+Ik vloek je, ik vloek je, ellendige knaap! Ezel, die je bent, om mijn
+min te versmaden! Jij, die niet weet wat mijn liefde is! Jij, die mint
+iedere herbergmeid! Ezel, die je bent en we&ecirc;r worden zal, iederen
+keer, dat je ooit we&ecirc;r verliefd zal worden!</p>
+
+<p>Ik keek om, uit. De harpij was opgerezen en hinkte mij achterna met
+haren lammen poot en e&eacute;n vleugel op, de andere ne&ecirc;r
+hangend, gebroken, slap. De regen stroomde... <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e610" href="#xd0e610">38</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Ezel, die je was en we&ecirc;r worden zal, iederen keer, dat
+je ooit we&ecirc;r verliefd zal worden op een ander dan mij, op een
+ander dan mij! riep de harpij.</p>
+
+<p>Toen zonk zij in een, op den weg, en huilde naar den hemel op.</p>
+
+<p>De regen stroomde. De buffels hijgden.</p>
+
+<p>&mdash;Ho&egrave;! Ho&egrave;! riep ik...</p>
+
+<p>Waar ging ik heen, in de nacht. In de donkere onheilsnacht?</p>
+
+<p>&mdash;Goden van Eleuzis! riep ik. Geleidt mij!</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Ik mende. Ik mende, geloof ik, die geheele nacht, werktuigelijk. In
+den wagen lag Davus, bezwijmd... Maar ik liet hem, zorgde alleen,
+verder en verder te komen. Ik voelde mij tot stervens moede, mijn wang
+bloedde en ook over mijn rug voelde ik het bloed tappelen: zo&oacute;
+had de harpij mij hare verliefde klauwen in het vleesch geslagen. Maar
+wat het vreemdste was, was, dat mijn rechterhand, die haar bij den
+strot had gegrepen, om de leidsels in de nacht steeds lichtte als van
+een valen fosforglans! Hoe ik ook wreef en veegde, de fosforglans bleef
+er om lichten. Onderwijl mende ik. De storm scheen gedaan, maar de
+nacht bleef zwart en de weg was niet meer dan vage, eindelooze bleekte,
+die zich verloor naar den horizon toe... Eindelijk, tegen den eersten
+schijn van den nieuwen morgen, zag ik, ginds, als een pleisterplaats.
+Ja, gelukkig: het was de posthalte, bij den vijf-en-twintigsten
+mijlpaal. Er was een herberg; ik zag het gedoe der stalling voor de
+postbuffels. Ik klakte met mijn kapotte zweep. Slaven keken uit; de
+postmeester-waard verscheen op den drempel. Ik naderde <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e627" href="#xd0e627">39</a>]</span>eindelijk,
+eindelijk, ten doode vermoeid. Er was begroeting. Ik toonde mijne
+papieren: &bdquo;Charmides, zoon van Lyzias van Epidaurus,
+handelsreiziger, op weg naar Thessali&euml;, gehuurd hebbende vier
+postbuffels, wordt gemachtigd bij de halte van den vijf-en-twintigsten
+mijlpaal deze buffels te verwisselen voor wederom vier
+postbuffels...&rdquo;</p>
+
+<p>&mdash;Ze zien er afgetakeld uit, heer Charmides! zei de
+postmeester, naar de uitgeputte dieren kijkende.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben zelve ook afgetakeld, postmeester! zeide ik. En mijn
+knecht niet minder: die ligt in den wagen voor dood. Wij hebben zoo
+veel van den storm te lijden gehad, dat ik dacht nooit te zullen aan
+komen.</p>
+
+<p>&mdash;Storm? vroeg de postmeester verbaasd. Nu ja, het heeft wat
+gewaaid...</p>
+
+<p>&mdash;O niet meer? vroeg ik en ik weet niet waarom, maar zeide hem
+niets van de harpij en de heksen: de heksen, waaraan ik nu wel
+geloofde. Nu, op den laatsten driesprong, was het toch wel heel bar
+we&ecirc;r!</p>
+
+<p>&mdash;Op den driesprong, heer Charmides? vroeg de postmeester en
+verbleekte. Was het daar toch... wel b&agrave;r we&ecirc;r??</p>
+
+<p>Hij keek mij met bedoeling aan, maar ik zeide alleen:</p>
+
+<p>&mdash;Ja, het woei er nog al en het regende. Davus! riep ik. Davus!
+Ben je wakker??</p>
+
+<p>&mdash;Waar ben ik? vroeg Davus met zwakke stem.</p>
+
+<p>&mdash;Bij de posthalte, antwoordde ik. Kom Davus, kom bij en sta
+op...</p>
+
+<p>&mdash;Wat is er gebeurd? vroeg Davus, wankelend uit den wagen
+komend.</p>
+
+<p>&mdash;Je bent van schrik bevangen, zeide ik; door dien plotselingen
+storm. Je bent bezwijmd en ik heb maar zelf gemend... <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e651" href="#xd0e651">40</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Heer! zeide Davus, een schim gelijk. Was het alleen storm of
+waren het...??</p>
+
+<p>&mdash;Kom, Davus! zeide ik ruw. Word helder. Eet eerst wat en ga
+dan naar bed. Wat heb ik aan een knecht, die bezwijmt om donder en
+we&ecirc;rlicht, zoo dat ik zelf moet mennen...</p>
+
+<p>De postmeester liet de buffels uitspannen, stalde mijn wagen, borg
+mijn bagage. Hij had e&eacute;n kamer, voor mij en Davus. In mijn
+kleinen, metalen reisspiegel zag ik, dat ik er uit zag, als Davus, een
+schim gelijk!</p>
+
+<p>&mdash;Postmeester, zeide ik. Wij zijn mo&ecirc;. Ik zo&ucirc; niet
+gaarne morgen we&ecirc;r voort willen trekken. Ik moet naar Hypata en
+de weg is lang. Ik wensch een paar dagen hier te toeven. Kan dat?</p>
+
+<p>&mdash;Voorzeker, heer Charmides, zeide de postmeester. Uw kamer is
+de uwe, voor u en uw knecht. Ik heb nog enkele andere kamers en slechts
+twee gasten, die de mooiste kamers bewonen: dat is Demifo met zijne
+vrouw Nausistrata; zij zijn hier met groot gevolg van slavinnen en
+slaven en op weg naar Lamia, waar een aanzienlijke erfenis hun ten deel
+is gevallen. De reizigers, die dezer dagen zullen komen en gaan, kan ik
+altijd wel onder dak brengen, ook al blijft ge langer toeven dan
+meestal een reiziger toeft.</p>
+
+<p>Ik bedankte den postmeester, ik at, Davus verzorgde mijne wonden; ik
+sliep, ik ging daarna in gepeinzen den weg op. Het was een namiddag van
+zilveren licht, gezeefd door zacht grauwe najaarswolk en er beefde een
+oneindig weemoedige teederheid door de luchten, die zich weefden boven
+den weg en over de velden en weiden. Ik liep den weg af; dankbaar dacht
+ik aan de goden, die mij hadden <span class="pagenum">[<a id="xd0e664"
+href="#xd0e664">41</a>]</span>behoed. Er was als een klare kalmte in
+mij, een lief, teeder gevoel vol schoonheid, zoo als somtijds mij,
+trots al mijne lichtzinnigheid, doorvaren kon. Niemand liep over den
+weg: het was er de eenzaamheid, de weemoed, de schoonheid. Ik weet niet
+welke vreemde rust mij omgolfde. Toen zag ik als een zilveren
+zee...</p>
+
+<p>Het was, ter zij van den wit stoffigen postweg, een wijd veld, vol
+gebloeid van zacht stralende zilverasters. De duizenden bloemen, met
+bloembladeren als lichtende straaltjes, verdrongen zich dicht tegen
+elka&acirc;r en onafzienbaar in weligsten bloei. Het was of de geheele
+hemel al zijne sterren dien middag had ne&ecirc;r gezaaid over de
+aarde: het veld scheen als met sterren bezaaid, die zacht, zacht zilver
+straalden. De sterren stonden op de hooge stelen uit en er was meer
+gebloemt dan gebladert. Het woekerde er van zilveren sterren. O, wat
+waren het mooie, zacht glanzende bloemen en z&oacute;&oacute; velen,
+dat het een sprookje van sterren en bloemen scheen! Een oude tuinman,
+met sp&acirc; in de hand, zag mij komen en groette.</p>
+
+<p>&mdash;Wat heerlijke bloemen! bewonderde ik. Wie kweekt ze hier?</p>
+
+<p>&mdash;De Isispriester Clitifo, zeide hij; die woont ginds,
+v&egrave;r, in dat eenzame huis, waar hij vaak in overpeinzingen
+maanden blijft....</p>
+
+<p>&mdash;Waarom kweekt hij ze? vroeg ik.</p>
+
+<p>&mdash;Het zijn weldadige bloemen, zei de oude tuinman. De
+zilverasters zijn weldadige bloemen. Zoo heilig als de Lotos zijn zij
+niet, maar zij bezitten toch de wondere kracht...</p>
+
+<p>&mdash;Welke dan? vroeg ik.</p>
+
+<p>&mdash;Die der ontheksing, zeide de tuinman. Dit is het gezegende
+veld... <span class="pagenum">[<a id="xd0e680" href=
+"#xd0e680">42</a>]</span></p>
+
+<p>Ik herinnerde mij Fotis&rsquo; talisman, voelde aan mijn hals, maar
+de talisman was verdwenen, vermoedelijk mij door de harpij ontrukt. En
+ik herinnerde mij Demea&rsquo;s filter, die ook onthekste...</p>
+
+<p>&mdash;Zijn hier dan werkelijk heksen?</p>
+
+<p>&mdash;Heer, zeide de tuinman. Gij zijt in Thessali&euml;. Gij
+nadert Hypata: een mooie, rijke stad, maar vol slechtheid. Hoewel
+Hekate, in zich, geen slechte godin is, zijn velen die haar aanbidden,
+slecht. Heer, daarom kweekt mijn meester de zilverasters...</p>
+
+<p>Ik zag rond over het stralende veld. De bloemenweide strekte zich
+uit, tot aan den horizon, bloem tegen bloem, zilveren aster tegen
+zilveren aster, glanzende ster tegen glanzende ster.</p>
+
+<p>&mdash;O, zaligheid! dacht ik. Zalig als de Elyze&iuml;sche velden!
+Zo&ucirc; ik u altijd langs mijn weg ontmoeten?</p>
+
+<p>De oude tuinman glimlachte mij toe: het scheen mij, dat hij mijne
+gedachte raadde.</p>
+
+<p>Een zachte wind stak op en voer door de zilveren bloemen als met een
+grauwende golf, die we&ecirc;r op schuimde en blanker verstraalde... Ik
+had nimmer schooner en zaliger tuin aanschouwd. <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e695" href="#xd0e695">43</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">V.</h2>
+
+<p>Toen keerde ik op mijn passen terug... En er was als een zilverreine
+effenheid in mijn gemoed.</p>
+
+<p>Plotseling schokte ik op uit die weldadige stemming. Voor de
+posthalte stond een groote vrouw: zij was in een rijk plooiende,
+donkergroene palla gehuld, die, over haar hoofd heen getrokken, haar
+den rug, dien zij mij toegekeerd hield, omgoot in een nauwte van
+gebeeldhouwde lijnen, weg golvend over haar eveneens rijk plooiende
+stola en een puntige, ronde reishoed van riet beschaduwde het reeds in
+palla-slip omlijste gelaat, drie-kwart gekeerd naar mij toe. Zij zag
+mij niet... Toen ik naderde, bespiedde ik, hoe hare zeer donkere lokken
+langs haar roomblank gelaat ne&ecirc;rvielen als met twee donkere
+druiventrossen. Met een grooten reiswaaier van palmblad beschutte zij,
+opgeheven de eene arm, uitkijkende, zich den blik... De ondergaande zon
+wierp een halo van wemelend stofgoud om haar heen, waar zij stond op
+den wit stoffigen weg. Mijn hart klopte naar mijn keel, ik had nooit
+nog zoo een heerlijk schoone vrouw gezien!! Haar boezem deinde lichtjes
+in den, met den anderen arm er overheen getrokken, mantel, die, groen,
+glanzende gouden vegen pakte... Wat waren er toch mooie vrouwen ter
+wereld!!! Wat was deze betooverend schoon...!</p>
+
+<p>En ik naderde haar... Mijn gemoed was z&oacute;o fel bewogen, dat
+mijn oogen knipten verblind, dat mijn lippen <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e705" href="#xd0e705">44</a>]</span>en keel droog voelden... Ik
+naderde haar... Schielijk zag ik even rond, of iemand mij gade sloeg...
+Er was niemand, noch op weg, noch voor herberg, dan zij en ik, dien zij
+niet zag... En de gedachte schoot snel door mij heen haar te zeggen:
+Vrouwe, gij zijt schoon en ik heb u lief: wilt ge de mijne zijn...?</p>
+
+<p>Ik naderde, ik was genaderd, haar geur bedwelmde mij heviger. En
+reeds wilde ik de lippen openen om te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon
+en... toen ik plotseling mij bewust werd door een vreemde kracht buiten
+mij? in mij? voor-over te worden geduwd, gedrongen, gedrukt, zoodat ik
+den rug moest buigen en met de handen viel over den grond voor over. En
+te gelijker tijd opende ik de lippen, fluisterend, maar in plaats dat
+ik fluisterde:</p>
+
+<p>&mdash;Vrouwe, gij zijt schoon... kwam er een heesch, schor, vreemd,
+mijzelf onbekend en onaangenaam aandoend geluid uit mijn keel en balkte
+ik, een ezel gelijk:</p>
+
+<p>&mdash;Hi-ha: rouwe, rij rijt roo...oon!</p>
+
+<p>Met zulk een verschrikkelijk, toch fluisterend gekrijsch als alleen
+een verliefde ezel zo&ucirc; kunnen slaken, die een ezelin voor zich op
+weg of weide zag...</p>
+
+<p>De schoone vrouw verschrikte hevig, slaakte een doordringenden gil
+en vluchtte, omziende, de herberg in, roepende:</p>
+
+<p>&mdash;Help mij! Help mij! Een verliefde ezel!</p>
+
+<p>Ook ik schrikte hevig... En steeds stond ik, gebogen, op handen en
+voeten en toen...?</p>
+
+<p>Toen voelde ik, als een niet zegbare na-pijn, dat mijn rug was uit
+gerekt, mijn hoofd tot een bek zich verlengd had, mijn handen hoeven
+werden, mijn sterke armen sterke <span class="pagenum">[<a id="xd0e723"
+href="#xd0e723">45</a>]</span>ezelspooten, mijn beenen ook, dat mijn
+ooren groeiden en mijn tanden zich vierkantten tot moza&iuml;eksteenen
+zoo groot, dat mijn ruggegraat zich strekte tot een staart, dat mijn
+geheele lichaam zich bedekte met een effen grauwe vacht, dat een lange
+tong mij de lippen lekte, terwijl geheel dit nieuwe wezen mij vreemd
+aan deed en onbehagelijk als niet het mijne, hoewel toch mijn ziel de
+mijne gebleven was...!</p>
+
+<p>Ik was een ezel! Ik was in een ezel veranderd! Ik herinnerde mij, in
+een flits door mijn menschelijk brein in ezelekop, de vervloeking van
+de harpij, die ik niet meer geteld had dan ijdele woorden, ijdele
+bedreiging! Ja, ik was in een ezel veranderd! En van overal, achter om
+de herberg, uit de herberg, kwamen de knechten en slaven, kwam Davus
+ook, met knuppels gewapend om mij te ranselen: den wilden, vreemden,
+verliefden ezel, die Nausistrata, de vrouw van Demifo, had willen
+bijten, misschien... misschien wel op eten!!</p>
+
+<p>Ik hief mijne ezelshoeven van den grond en zette het op een rennen.
+Ik rende den postweg af: ik voelde mij groot, sterk, vlug, maar... een
+ezel! Ik was een ezel! Maar een ezel met menschegedachte, want ik deed
+wat nooit een achtervolgde ezel zo&ucirc; hebben gedaan: ik verborg
+mij, ter zij van den weg, in de hoog strengelende zilverasters van
+Clitifo&rsquo;s tuin en hurkte ne&ecirc;r, onzichtbaar, grauw ik
+tusschen de zilveren bloemen...</p>
+
+<p>Tuin van ontheksing, herinnerde ik mij des tuinmans woord. Tuin van
+ontheksing!! Zo&ucirc; ik werkelijk... Zo&ucirc; ik werkelijk door
+zilverasters kunnen worden onthekst? Was Aristomenes, die door
+Mero&euml; van Hypata was behekst in een zwijn, niet onthekst door
+roode amaryllis??</p>
+
+<p>Gulzig sloeg ik mijn ezelebek in de zilverasters, maar <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e733" href="#xd0e733">46</a>]</span>met een gevoel
+of ik heiligschennis bedreef. En at ik de zilverasters, brak ik ze af
+met mijn ezeletanden, verslond ik de heilige bloemen... Het was
+allervreemdst maar, te gelijker tijd, dat op den weg, in een van
+laatste zonnegoud doorpoeierde stofwemel, de slaven en Davus met
+knuppels aan liepen, rukte een magische kracht mij omhoog op de
+achterhoeven, voelde ik mij krimpen, rilde een koorts mij over de
+leden, voelde ik mijn staart verkrinkelen, mijn ooren verkleinen en
+stond ik tusschen de asters, terwijl mijn harige vel we&ecirc;r mijn
+gladde huid en grijze reiskleed verwerd...</p>
+
+<p>Ik rees uit de bloemen op en Davus en de knechten zagen mij. Een
+inwendige stem ried mij te zwijgen over wat er mij was geschied.</p>
+
+<p>&mdash;Wat is er? vroeg ik allen.</p>
+
+<p>&mdash;Heer, zeide Davus; wij zoeken een wilden ezel, die de edele
+Nausistrata bijna verslonden heeft!</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb, zeide ik; juist een ezel over den weg zien rennen,
+maar&mdash;loog ik&mdash;het was geen gewone ezel. Het was een ezel met
+vlerken en hij vloog weg, daar ginds tusschen de olijveboomen en de
+heuvels, de lucht in...</p>
+
+<p>&mdash;De lucht in, heer?? riepen ontsteld Davus en de knechten.</p>
+
+<p>Ik verzekerde het en zwoer bij de goden, godlastering mijn woord
+tusschen de goddelijke bloemen, die mij hadden gered. En ging tusschen
+de mannen terug.</p>
+
+<p>Voor de herberg lag de schoone Nausistrata, half bezwijmd nog, in
+een leunstoel en haar man, Demifo, en de postmeester en hare vele
+slavinnen beijverden zich om haar rond. En Davus riep reeds van
+verre:</p>
+
+<p>&mdash;De ezel sloeg vl&egrave;rken uit: wij hebben het &agrave;llen
+gezien <span class="pagenum">[<a id="xd0e751" href=
+"#xd0e751">47</a>]</span>en hij verdween in de lucht, daar ginds
+tusschen de olijveboomen en de heuvels!!</p>
+
+<p>&mdash;Die ezel w&agrave;s geen ezel! riep ik.</p>
+
+<p>&mdash;Neen! riepen alle de knechten en slaven. Die ezel was een
+booze geest!</p>
+
+<p>&mdash;O! riep Nausistrata en stond wankelend op. Ik wil weg van
+deze euvele plaats! Een ezel, die geen ezel was! Een gevleugelde ezel,
+die mij te lijf wilde, vermoedelijk mij wilde ontvoeren door de
+luchten! Er gebeuren toch verschrikkelijke dingen in Thessali&euml;!
+Als te Lamia ons niet die erfenis wachtte... Demifo! Demifo! Geen uur
+blijf ik langer hier!!</p>
+
+<p>Bevelen werden gegeven. Een uur later vertrokken in drie reiswagens
+Demifo en Nausistrata met groot gevolg. Hoewel de nacht viel... Maar
+Nausistrata had liever willen vertrekken in de nacht, dan blijven ter
+plaatse, waar een gevleugelde ezel misschien nog zweefde door de
+betooverde luchten! En hare slaven en slavinnen, die opgepakt in twee
+der reiswagens zaten, hadden schelle koperen bekkens en ratels en
+rammelaars in de hand en zij maakten er een ontzettend lawaai mede, een
+schel klinkend geklinkklank, een getingelingeling van klokjes en een
+geboeng-boeng-boeng van cymbalen, om verre de slechte geesten te
+houden. Zoo verdween de reisstoet de nacht in tusschen oorverdoovend
+gedruisch.</p>
+
+<p>En viel de stilte van duisternis over de eenzame posthalte aan den
+verlatenen heirweg. Alleen, staande voor de deur, keek ik uit. Ginds
+blankte een zilveren vaagte, de astertuin... Mijn hart klopte van
+beduchtheid... Ik was onttooverd... maar... zo&ucirc; ik werkelijk
+iederen keer, dat ik verliefd werd, in een ezel worden herschapen?
+Zo&ucirc; de vervloeking <span class="pagenum">[<a id="xd0e763" href=
+"#xd0e763">48</a>]</span>van de harpij haar invloed doen gelden,
+iederen keer, dat ik... Troosteloos verschiet! Ik was zoo jong, zoo
+verliefd van aard en...</p>
+
+<p>Een groote somberheid overviel mij. Drie nachten sliep ik bijna
+niet, meende telkens, bij iedere vrouweschim, die rees in mijn droom of
+wakende herinnering, dat ik in een ezel veranderde... En voelde ik
+mijzelve angstig aan in mijn bed. Den vierden morgen vertrokken wij:
+zwijgend mende Davus. Wij gingen door Thrachis, vol heugenis aan den
+grooten Held, Herakles, die hier had vertoefd met Deianeira. De Mythe
+zweefde als een onsterfelijke godin in de luchten. Links rees de Oita
+omhoog, op welks top Herakles in den vuurgloed zijn ziel had geslaakt,
+die ten hemel gestegen was. De herfst purperde om mij heen met de
+pracht van Dionyzos&rsquo; druiven, wier wingerden de festoenen
+slingerden langs de bergflanken, terwijl het verschiet weg dreef in
+wazen van morgenmist, waarin de vochtige parelen hingen. Toch bleef ik
+vol argwaan en somber. Wij naderden Hypata... Ginds, in de Noordelijke
+verte, blankten reeds de tinnen van hare poorten. Onderweg, aan een
+posthalte, wisselden wij van buffels. Tegen den middag naderden wij de
+stad...</p>
+
+<p>Juist toen wij haar binnen trokken, kwam uit de stad een stoet ons
+te gemoet en er was verwarring. En om den stoet te doen trekken
+voorbij, dreef Davus ons vierspan ter zijde. Het waren Nubische
+voorloopers, met zweepen en keelgeluid klakkend; het waren gewapende
+wachten; het waren slaven te dravende voet; het waren aanzienlijke
+jongelieden te paard; het waren vier, vijf draagstoelen, getorst door
+stevige dragers... Het was, hoorde ik, een schatrijke landeigenaar, die
+voor de wijnfeesten naar zijn <span class="pagenum">[<a id="xd0e769"
+href="#xd0e769">49</a>]</span>landgoed trok. Uit den wagen gesprongen
+z&agrave;g ik hem: een voorname, prinselijke man: hij zat te paard en
+reed tusschen zijne bloedverwanten en het volk om mij, dat toe keek,
+noemde zijn naam: Menedemus... Ook Davus, op zijn bok gebleven, keek
+toe. Plotseling werd mijn oog echter getroffen door een rijken
+draagstoel, waarin, met twee dienaressen, een jonkvrouw, half liggende,
+gezeten was. Een schok doorvoer mijn ziel en lichaam; nimmer nog had ik
+zoo lieflijke schoonheid aanschouwd... De maagd, die daar voor mij
+henen gedragen werd, scheen mij Psyche zelve toe, de geliefde van der
+Liefde god!! Hoewel haar gelaat voor de reize was omspeld in dunne
+sluiers, waarboven een puntige hoed van zilverachtig rijs, zag ik er
+het fijne ovaal van haar allerlieflijkst gelaat door heen, zuiver
+getrokken in zoo ontroerend teedere lijn, dat ik voor haar had willen
+knielen. Enkele gouden lokjes kruifden den sluier uit. Hare oogen zagen
+mijn kant uit zonder mij te zien en die oogen waren groot en blauw en
+zoo lieflijk onschuldig en rein als blauwe lotus. Zij glimlachte juist
+en het was of haar glimlach een glans uit straalde en op straalde over
+haar geheele gelaat. De blauwe mantel liet de teedere lijn van hals en
+borst slechts raden, maar de hand, die uit de plooien te voorschijn
+bewoog en den rieten waaier hield, was een aandoenlijke belofte van
+alles wat verborgen bleef: zoo klein en edel, zoo fijn en rank met
+iets, dat aan een lelie denken liet. Aan lotus en lelie, aan zonnegoud
+en mereblauw deed dit lieflijke wezen mij denken, in dien flits, dat ik
+haar zag. Ik liep me&ecirc;. Er was gedrang voor de poort, die de stoet
+uit trok... Ik liep me&ecirc;, naast den draagstoel, bijna na&agrave;st
+haar: ik had haar aanbiddelijke hand kunnen beroeren. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e771" href="#xd0e771">50</a>]</span>En een zalige
+warmte doorvloeide mijn hart, zo&oacute;, dat ik had kunnen
+stamelen:</p>
+
+<p>&mdash;Toef even, o gij, die langs mij heen gaat als een hemelsch
+vizioen, opdat ik voor u kniele en u aanbidde...</p>
+
+<p>Op het zelfde oogenblik, dat ik dit in de poort dacht, tusschen het
+dichte gedrang, voelde ik een geweldigen ruk, die mij voor-over drong,
+drukte, dwong en stond ik op handen en voeten. En ik stamelde niet,
+maar balkte verschrikkelijk:</p>
+
+<p>&mdash;Hi-ha...</p>
+
+<p>De maagd verschrikte, hield de hand aan het oor, lachte even
+zo&oacute; zacht en lieflijk, dat ik van zaligheid weg smolt... Maar ik
+was een ezel! Ik stond even buiten de poort op den heirweg als een
+ezel! Ik was in een ezel veranderd. Ik werd mij bewust van mijn kop,
+bek, staart, hoeven en grauwe vacht... En de stoet draafde en liep mij
+voorbij.</p>
+
+<p>Mijne herschepping scheen in het gedrang van ruiters, karren,
+wagens, draagstoelen, voetgangers niet bespeurd te zijn. Wie, die het
+had kunnen bespeuren, zo&ucirc; zijne oogen hebben willen gelooven! Wie
+kon bespeurd hebben in zulk gedrang, dat een mensen was verdwenen en
+een ezel verschenen in dat ondeelbare oogenblik van herschepping. Zij
+duwden mij, schopten mij, grepen mij zelfs, omdat ik, een onbeheerde
+ezel, zeker ontvlucht, daar balkte en liep over den heirweg...</p>
+
+<p>Even uit den draagstoel keek de zoete maagd uit, keek zij naar mij.
+Zij glimlachte en hare lotus-oogen ontmoetten mijne ezelsoogen. En ik
+weet niet waarom, maar op dat zoo noodlottige oogenblik mijner wederom
+onverhinderbare metamorfoze, zegende ik het toeval, dat haar maagdeblik
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e785" href=
+"#xd0e785">51</a>]</span>ontmoette mijn ezeleblik en scheen het mij
+toe, dat hare gedachte &eacute;&eacute;n oogenblik van
+zaligheid-voor-mij tot mij toe ging, onverklaarbaar... Misschien, dat
+zij niets anders dacht dan:</p>
+
+<p>&mdash;Arme ezel, die daar wordt geduwd en geschopt, in dat dichte
+gedrang... <span class="pagenum">[<a id="xd0e789" href=
+"#xd0e789">52</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">VI.</h2>
+
+<p>Op dit oogenblik, dat ik gegrepen, geduwd, getrapt, geschopt werd te
+midden van het dichte gedrang, kwam Davus de poort om kijken en vroeg
+den poortwachters, die toe zagen:</p>
+
+<p>&mdash;Hebben jullie mijn meester ook niet gezien?</p>
+
+<p>&mdash;Welken meester? vroegen de poortwachters, en ik hoorde alles
+heel goed met mijn lange ezelsooren, die spitsten.</p>
+
+<p>&mdash;Mijn heer, met wien ik reis! riep Davus, in verbijstering om
+zich heen ziende. Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus! Hij is
+den wagen uit gesprongen, toen de stoet van Menedemus de poort uit
+trok; hij is, geloof ik, even me&ecirc; geloopen en nu zie ik hem niet
+meer en weet niet wat er met hem gebeurd is!! Een mensch kan toch maar
+niet zoo op eenmaal verdwijnen!</p>
+
+<p>De drukke menigte, nu de stoet zich op den heirweg verloor, vloeide
+geleidelijk de stad in en uit, maar &eacute;en van de poortwachters en
+een paar stedewachten hielden mij vast aan mijn opstaande manen,
+terwijl ik onwillig wilde ezelbewegingen maakte, mij schudde,
+ongeduldig, wanhopig zwiepte met mijn langen ezelstaart...
+&bdquo;Davus!&rdquo; had ik willen roepen; &bdquo;ik, deze ezel, ben je
+meester!&rdquo; Maar ik slaakte niet anders dan een afschuwelijk
+gebalk:</p>
+
+<p>&mdash;Hi-ha!!</p>
+
+<p>&mdash;Je heer is er heusch niet! zeiden de mannen rondom. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e807" href="#xd0e807">53</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Zeker is hij me&ecirc; geloopen met den stoet! weeklaagde
+Davus. Als hij een schoone vrouw of jonkvrouw ziet, is hij buiten
+zichzelf en... die maagd in den draagstoel was wel bizonder
+lieflijk...</p>
+
+<p>&mdash;Zij was Charis, Menedemus&rsquo; dochter, zeiden de mannen;
+ja, zij is wel betooverend mooi!</p>
+
+<p>&mdash;Zeker is hij me&ecirc; geloopen? weeklaagde wanhopiger Davus.
+Wachters, mag ik jullie onzen reiswagen toe vertrouwen, en vertrouwen
+jullie mij dien weg geloopen ezel toe? Dan bestijg ik zijn ongezadelden
+rug en ren naar den stoet, om mijn meester te zoeken en hem te zeggen
+hoe onverantwoordelijk hij handelt!</p>
+
+<p>En werkelijk, de poortwachters en stedewachten stemden toe! Zij
+zouden den reiswagen achter de stadspoort ter zijde geleiden uit de
+drukte van het verkeer en zij stonden toe, dat Davus mijn rug
+besteeg!!</p>
+
+<p>&mdash;Het is toch maar een vreemde ezel! zeiden de wachters en de
+wachten zeiden:</p>
+
+<p>&mdash;En niemand weet aan wie hij behoort!</p>
+
+<p>En Davus slingerde zich op mijn rug. Daar zat hij, mijn knecht op
+zijns meesters rug en ik voelde in mijn grauwe flank zijn hiel! De
+vreemdste gewaarwordingen bedrongen mijn menscheziel in mijn ezelelijf.
+Als mensch-in-ezel was ik zeer verontwaardigd, dat mijn knecht Davus
+mij bestegen had, mij spoorde met zijne hielen en met mij den stoffigen
+heirweg afstormde. Ik draafde hevig, met de hoeven tegen mijn
+onderlijf. Maar trots die verontwaardiging, was ik zalig blij den stoet
+na te rennen en kans te hebben, al ware het met ezelsoogen, de
+lieflijke Charis we&ecirc;r te zien. Tevens smachtte ik met hevig
+verlangen terug naar den tuin der zilveren asters... Wat al
+gemoedsbeweging <span class="pagenum">[<a id="xd0e822" href=
+"#xd0e822">54</a>]</span>voor dubbel betooverd mensch in grauw
+fluweelige ezelepens! Wij draafden, wij draafden, wij naderden... Davus
+riep naar de achterhoede van den stoet: daar waren slaven en
+wachten:</p>
+
+<p>&mdash;Is onder u ook mijn meester: Charmides, de zoon van Lyzias?
+Is hij niet me&ecirc; geloopen met uw stoet?</p>
+
+<p>Maar de slaven en wachten riepen, dat zij niet wisten van
+Lyzias&rsquo; zoon, Charmides...</p>
+
+<p>Plotseling keek de lieflijke Charis achter om, achter uit... Maar
+helaas, mij zag zij niet aan; zij zag nu slechts Davus en ik hoorde
+haar stem, zacht lachende:</p>
+
+<p>&mdash;Wat wenscht die ruiter op zijn ezel?</p>
+
+<p>&mdash;Edele jonkvrouw, o Charis! riepen de wachten en slaven; hij
+vraagt naar Charmides, Lyzias&rsquo; zoon...</p>
+
+<p>&mdash;Uit Epidaurus!!</p>
+
+<p>O, vreemde zaligheid, die mij door voer, terwijl Davus, op hun aller
+betuigingen van onwetendheid met Charmides, Lyzias&rsquo; zoon, zijn
+vaart op mijn rug bedwong! Vreemde zaligheid, dat Charis hoorde van
+Charmides, zoo als Charmides van Charis hoorde! Zaligheid, ons beider
+namen hadden samen geklonken in die zelfde ure, als in een zelfde
+harmonie van bekoring! Nooit zo&ucirc; ik, ezel of man, vergeten
+lieflijke Charis&rsquo; naam en misschien, dat Charis niet vergeten
+zo&ucirc;, hoe buiten de poort van Hypata tot haar oor was door
+gedrongen de naam van Charmides, Charmides, die haar aanbad! O, zoo de
+goden, de zalige, van Eleuzis, eens we&ecirc;r samen zouden doen
+klinken, in eene zelfde ure, die beide namen van Charis en van
+Charmides, van Charmides en van Charis!</p>
+
+<p>Intusschen wenschte ik niet terug naar de stad! Ik wilde naar den
+astertuin en terwijl de stoet van Menedemus den <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e840" href="#xd0e840">55</a>]</span>zijweg insloeg, die
+zeker naar zijne landgoederen geleidde, stond ik schrap op de hoeven,
+koppig mijn ooren spits, mijn staart ingetrokken tusschen de
+achterpooten, terwijl Davus alle moeite deed om mij op mijne passen te
+doen keeren. Ik sloeg met de achterpooten uit, als een echte ezel en
+Davus tuimelde mij over den kop! O, hoe ik wenschte hem te doen
+begrijpen. Maar ik kon niet spreken. Ik poogde met mijn
+rechter-voorhoef op het stof van den weg te schrijven: ik ben
+Charmides, maar Davus begreep niet mijn vreemde arabesken en het stof
+was zoo wit en mul! En toen Davus, vloekende opgestoven, mij we&ecirc;r
+wilde bestijgen, steigerde ik, wierp hem weder af en zette het op een
+loopen. Als of ik een ezel-op-hol was!</p>
+
+<p>Naar de zilverasters! Naar de zilverasters! suisde het in mijn arme
+ezelehoofd. Naar de zilverasters terug! Den geheelen langen weg terug!
+Meer dan dertig mijlen terug! Ik rende, ik holde. In den avond, die
+viel, holde ik terug. De weg was eenzaam en een violette damp hulde de
+weiden en velden ter zijde in eene somberheid, waarin vale wezens
+schenen te waren. Een onwezenlijke wind, die, ik wist niet uit welken
+windstreek woei, hulde om mij. Het was of een vlerk mij sloeg. En
+plotseling, waar de weg helde naar een ravijn, dat ik af holde, was ik
+we&ecirc;r omdrongen door de gedrochten. En hoorde ik een grijnslach en
+zag ik een grimlach.</p>
+
+<p>De harpij! De harpij!! Zij vlerkte om mij rond en vloog mij toen op
+den rug. En zij riep:</p>
+
+<p>&mdash;Mijn vlerk, mijn vlerk is al we&ecirc;r genezen! En mijn
+poot, en mijn poot is we&ecirc;r heelemaal heel! Hu! Hu! Naar den
+astertuin! Naar den astertuin! Dat wij hem vernielen! Dat wij hem
+vernielen! <span class="pagenum">[<a id="xd0e848" href=
+"#xd0e848">56</a>]</span></p>
+
+<p>Langs den weg terug, holde ik, de harpij, van wie ik mij niet
+bevrijden kon, schrijlings op mij gezeten, met hare mij schurende
+vogelpooten, hare pooteklauwen mij verscheurende aan mijn buik, hare
+magere armen om mijn hals en hare hande-klauwen aan mijn keel. Boven
+ons, als een stormwind, drong de woeste horde me&ecirc;. O, ik geloofde
+aan heksen! Al die gedrochten waren heksen en zij wilden
+Clitifo&rsquo;s zaligen tuin met zilverasters vernielen!</p>
+
+<p>Hoe vele uren duurde de onheilige rit? Ik weet het niet, ik holde,
+ik holde maar voort. Dat wat anders geschiedt alleen in den droom,
+geschiedde mij door den heksendrang en ik holde, ik holde maar voort.
+Het was pikzwarte nacht. Soms scheen het mij toe, dat ik zweefde boven
+den grond, als of de harpij hare wijde vlerken hield uitgespreid, en ik
+niet meer met eigen hoeven tikte tegen den weg, maar voort werd bewogen
+zonder eigenen wil. Een troost was, dat zij niet anders wilde, dan ik
+gewild had: naar den astertuin, naar den astertuin, al ware het dan ook
+om met hare horde dien te vernielen. Eensklaps klaarde in de verte een
+zachte schijn. Het waren in de heksennacht de velden der zilver-asters
+en aan het einde dier velden bleekte Clitifo&rsquo;s blanke huis.</p>
+
+<p>Met stormgeweld, gekrijsch en kreten wilde de horde, wilde ook de
+harpij met mij zich ne&ecirc;r storten op de gaarde, en over den grond,
+toen, o, wonder, uit een groote lamp, een gondel gelijk, die stralend
+boven het huis verzichtbaarde, als een zee van zilveren schijn
+verklaarde door de onheilsnacht en ik staarde verblind in een vloed van
+blanken glans, die uit vlood. En te gelijker tijd we&ecirc;rklonk een
+welluidend geklater van <span class="letterspaced">
+sistrum</span>-snaren, aangetikt door zilveren staven, zoo heilig, zoo
+rein de muziek, dat razende de heksen opstormden en ik, een ezel,
+eenzaam stond <span class="pagenum">[<a id="xd0e858" href=
+"#xd0e858">57</a>]</span>tusschen de zilveren bloemen, in het zilveren
+licht, om mij de zilveren melodie. En het was zoo zalig, dat ik de
+bloemen met mijn dierebek niet dorst benaderen.</p>
+
+<p>Maar mij naderde een witte man tusschen tal van witte maagden en zij
+tikten de <span class="letterspaced">sistrum</span>-snaren. En de man,
+die Clitifo was, bood mij de zilveren asters.</p>
+
+<p>Ik boog mij, ik at. Ik was mijzelve, mensch v&oacute;or Clitifo.</p>
+
+<p>&mdash;De weg terug, zeide hij, of hij alles wist; is de weg, die
+nutteloos schijnt, maar nuttig der boete is.</p>
+
+<p>&mdash;Heer, zeide ik; wat is mijn zonde, waarvoor ik moet
+boeten?</p>
+
+<p>Hij antwoordde niet, maar langs mij schreden de maagden, wier <span
+class="letterspaced">sistra</span>-klanken verklonken.....</p>
+
+<p>&mdash;Zie ze aan, zeide Clitifo.</p>
+
+<p>Ik zag ze schrijden langs mij heen.</p>
+
+<p>&mdash;Vindt gij ze schoon? vroeg Clitifo.</p>
+
+<p>Het waren schoone maagden, maar zij schenen mij schimmen,
+verschijnende en verdwijnende...</p>
+
+<p>&mdash;Zij zijn schoon, heer, zeide ik, onverschillig.</p>
+
+<p>&mdash;Gevoelt ge liefde voor &eacute;ene harer, om haar de uwe te
+noemen? vroeg Clitifo.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, heer, zeide ik; want ik zag Charis...</p>
+
+<p>&mdash;Zoo blijf trouw, zeide Clitifo.</p>
+
+<p>&mdash;Trouw is niet mijn wezen, weerde ik af; zoo ik schoonere
+vrouw zag dan Charis, zou ik niet trouw zijn, heer.</p>
+
+<p>De heksen waren heen; de <span class="letterspaced">sistra</span>
+waren verklonken; de heilige schijn taande en alleen de zilverasters
+schemerden. Clitifo glimlachte mij toe, met een me&ecirc;lijden, dat ik
+niet begreep.</p>
+
+<p>&mdash;Laat mij u geleiden naar huis, en rust uit, en morgen <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e901" href="#xd0e901">58</a>]</span>zult ge
+den weg terug gaan der boete, toe naar verdere beproeving.</p>
+
+<p>Ik liet mij leiden, een kind gelijk.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Dien volgenden morgen vroeg reisde ik, te paard, met een dienaar van
+Clitifo, ook te paard achter mij, naar Hypata. Het was een stralende
+herfstmorgen, met een zon van zaligen goudschijn, die verspreidde zich
+over de zacht azuren flanken der bergen, waar de morgenschaduwen, de
+eene na de andere, ontwaakten en weg schemerden in het alomme licht.
+Wat was het wijd en hoe welig wingerden de wingerds en slingerden in
+festoenen van olm naar eik! Een droom, een nachtmerrie geleek mij de
+vorige nacht, een niet te gelooven begoocheling... Zo&ucirc; ik
+werkelijk hier, langs dezen zelfden weg, gehold zijn, met een harpij
+voorover geheld op mijn rug? Ik geloofde mijn eigen herinnering niet...
+Het voelde zoo rustig en goed aan in mijn gemoed en tusschen de
+heugenis van naklank der <span class="letterspaced">sistra</span>-tonen
+klonk het door mijn effene ziel:</p>
+
+<p>&mdash;Charis! Charis!...</p>
+
+<p>Ik naderde Hypata&rsquo;s poort en dadelijk zag ik Davus. Hij zat,
+uitgeput, bij de poortwachters op hun steenen bank en toen hij mij zag,
+gaf hij een gil van geluk.</p>
+
+<p>&mdash;Heer Charmides! riep mijn arme Davus. Zijt ge dan daar! Ik
+heb u gisteren den geheelen dag gezocht, op den heirweg en in de stad!
+Waar zijt ge geweest??</p>
+
+<p>&mdash;Ben ik je rekenschap schuldig? zeide ik koel en hard. Ik
+ontmoette in het gedrang Clitifo, den Isispriester, ik vergezelde hem.
+Thans ben ik hier we&ecirc;r terug en zullen wij een herberg zoeken...
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e920" href=
+"#xd0e920">59</a>]</span></p>
+
+<p>Mijn stem had onzeker geklonken en ik voelde, dat Davus, de
+poortwachters, de wachten mij vreemd, ongeloovig, bijna angstig
+aanzagen. Ik steeg af, beloonde Clitifo&rsquo;s dienaar, die met de
+twee paarden vertrok. Davus, uit de schuur bij de stadspoort, voerde de
+postbuffels en spande ze voor den wagen. Wij reden de stad
+door,&mdash;zoekende naar de herberg, die de poortwachters hadden
+genoemd.</p>
+
+<p>Een bont krioelende menigte vulde de groote stad, wier breede
+straten met prachtige portieken en van vergulde Nik&egrave;&rsquo;s
+pralende paleizen voerden naar het <span class="letterspaced">
+forum.</span> Plotseling uit een dier paleizen, de treden der trappen
+af, ontrolde zich een stoet en het volk drong samen om te zien. Op een
+draagbedde droegen zwarte slaven een glimlachende <span class=
+"letterspaced">het&aelig;re</span> aan. Ik sprong uit den wagen...</p>
+
+<p>&mdash;Heer! riep Davus. In aller goden heiligen naam! Verdwijn
+we&ecirc;r niet voor mijn oogen, omdat ge een schoone vrouw ziet!</p>
+
+<p>Ik zag toe.... Om mij hoorde ik fluisteren:</p>
+
+<p>&mdash;Mero&euml;! Mero&euml;!</p>
+
+<p>Ik herinnerde mij! Dat was Mero&euml;, die Aristomenes, den armen
+dichter-toerist, in een zwijn had behekst, tot hij de roode amaryllis
+gevonden had! En werkelijk, Mero&euml;, die daar in praal werd
+aangedragen, op een bedde van Babyloniesch tapijtwerk, onder vijf
+schermwaaiers van pauwgeve&ecirc;rte, tusschen een stoet van wirrelende
+danseressen, dansende fluitspelers, hield, met een hand, glimlachende,
+aan vergulde kettingen twee zwijnen vast, die, zacht grommende, links
+en rechts van haar draagbedde, krulgestaart, mede waggelden...
+Onderwijl speelde hare andere hand, juweel-overflonkerd, met roode
+amaryllissen op lange stelen en tartende hield zij de bloemen dicht bij
+de <span class="pagenum">[<a id="xd0e939" href=
+"#xd0e939">60</a>]</span>snoeten der zwijnen! En al dat volk, o goden,
+al dat volk wist niet of geloofde niet, dat daar in stralenden
+zonschijn door Hypata&rsquo;s straten een heks ging, die twee in
+zwijnen betooverde minnaars mede voerde in haar stoet! Goden van
+Eleuzis, waar was ik verdwaald! In welke onzaligheid!</p>
+
+<p>Mero&euml;&rsquo;s oogen ontmoetten mijn oogen.</p>
+
+<p>&mdash;Heer! riep Davus, als of hij geraden had. Pas op!!</p>
+
+<p>Maar mijne oogen tartten Mero&euml;&rsquo;s oogen. Hare oogen waren
+als stralende, zwarte karbonkelen, die zochten te betooveren met
+beloften van wellusten, der menschheid onbekend... Maar ik, ik voelde
+nog de bekoring van lotosblauwe maagde-oogen.</p>
+
+<p>Ik werd niet verliefd....</p>
+
+<p>Ik veranderde niet in een ezel...</p>
+
+<p>&mdash;Kom! zeide ik tot Davus, instijgende&mdash;de stoet vloeide
+voorbij. Laat ons de herberg zoeken... <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e953" href="#xd0e953">61</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">VII.</h2>
+
+<p>Welnu, ik was in Hypata. De herberg was er groot, meer een
+aanzienlijk <span class="letterspaced">diversorium</span><a class=
+"noteref" id="xd0e961src" href="#xd0e961">1</a> en ik stelde er mij,
+gedachtig, dat ik een handelsreiziger was, in betrekking met
+verschillende handelaren: zij kwamen bij mij om te zien mijne stalen
+van purper, mijne monsters van parelen, het grein van mijn wierook en
+geurwerk. Ik deed werkelijk geen slechte zaken. Verder leefde ik er als
+een vermogend jongmensch, die twee, drie eerste dagen, bezocht de
+Thermen des middags en de portieken des avonds en was er dadelijk, door
+mijne betrekkingen, omringd door een kring van vrienden en kennissen.
+En de stad scheen mij zelfs levenslustiger en schooner toe dan
+Corinthe, dat toch eigenlijk reeds verviel en insliep... Wat dreef er
+toch voor opwekkends in de lucht van Hypata?? Als een geheime
+dronkenschap, die deed grijpen naar bekers, naar &agrave;lle genot om
+te leven...!</p>
+
+<p>Het was vreemd, maar in die levenslustige stemming... werd ik niet
+verliefd. Des avonds, die eerste drie dagen, lag ik met de nieuwe
+vrienden aan feestgelagen en mooie vrouwen waren om ons heen, zongen,
+fluitspeelden, dansten... Ik glimlachte haar onverschillig toe. Een
+soort van ongekende kuischheid verfrischte mijn ziel en gaf rust aan
+geheel mijn wezen en zelfs zoo mij omhelsden die verleideressen, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e966" href="#xd0e966">62</a>]</span>terwijl
+een rozenkrans mij den kruin omgaf en de schaal overvloot tusschen mijn
+vingers, gevoelde ik niet anders dan eene gelatene onbewogenheid te
+midden harer liefdekunstige verleidingen... Tevens, telkens, die
+navrees of ik werkelijk, we&ecirc;r, zo&oacute; ik verliefd we&ecirc;r
+werd...? Aan Charis dacht ik vaak, maar meer als aan een onbereikbaar,
+verzweefd vizioen: ik hoorde nu, dat Menedemus de rijkste landeigenaar
+was van Thessali&euml;, waar hij her en der uitgestrekte goederen bezat
+en dat zijne vrouw, gestorven, van vorstelijke afkomst geweest was en
+zich gesteld had onder de nakomelingen van den grooten Alexander van
+Macedoni&euml;, zoodat de lieflijke Charis ook vaak het
+&bdquo;prinsesje&rdquo; of het &bdquo;vorstinnetje&rdquo; werd
+bijgenaamd. Ik hoorde ook, dat haar vader reeds verschillende
+aanzienlijke dingers naar hare hand had afgewezen en dat hij eigenlijk
+een Aziatischen koningszoon wenschte voor zijne dochter. Ook hoorde ik,
+dat wie het meeste kans nog zo&ucirc; hebben zoo rijke, schoone en
+bijna vorstelijke bruid te huwen, Chersonezus zo&ucirc; zijn, eveneens
+een schatrijk landeigenaar van prinselijken bloede. Maar van wien men
+fluisterde, dat hij van euvele dingen wist en omgang had met Hekate en
+hare heksen... Dat gerucht was echter slechts als een murmeling door de
+feestvreugde, want eigenlijk werd van heksen en betoovering niet
+gesproken en ik ook, uit schaamte en kieschheid, sprak niet over wat
+mij gebeurd was...</p>
+
+<p>Nu was het de vierde dag, toen in de Thermen des namiddags een dwerg
+mij zocht.</p>
+
+<p>&mdash;Charmides, Lyzias&rsquo; zoon, uit Epidaurus? vroeg de dwerg,
+bont gedost, terwijl ik, tusschen mijne vrienden, ne&ecirc;r zat onder
+het rozenpri&euml;el, nog in wijden badmantel omplooid. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e972" href="#xd0e972">63</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Die ben ik, zeide ik. Wat wil je, dwerg?</p>
+
+<p>&mdash;Uitnoodiging over brengen, van mijne meesteres, Mero&euml;,
+voor dezen avond, en tevens aan allen, die gij in uw gevolg wilt mede
+nemen, zeide de dwerg.</p>
+
+<p>Ik nam aan en zond Davus met een geschenk naar Mero&euml;: een
+gouden schaaltje vol kostbare nardusballetjes uit Taprobane; twee
+druiventrossen van amethyst: iedere druif besloot enkele droppelen geur
+en een zwijntje, uit chalcedoon gesneden. Het was sierlijk geschenk en
+toen ik, met mijne vrienden, dien avond bij Mero&euml; kwam, was zij
+wel tevreden en ontving ons, stralende schoon als Circe, hare
+patronesse, die zij aanbad.</p>
+
+<p>&mdash;Pas op, heer! fluisterde Davus mij toe, steeds in angst; had
+hij dan geraden?</p>
+
+<p>&mdash;Davus! vroeg ik hem, terwijl der dubbelfluiten muziek om ons
+heen klonk. Waarom waarschuw je mij toch zoo vaak? Zag ik niet
+me&eacute;r mooie vrouwen, matronen, <span class="letterspaced">
+het&aelig;ren</span> of maagden? Ben ik een kind geworden?</p>
+
+<p>&mdash;Neen, heer, zeide Davus; een kind zijt ge niet geworden en
+wat ge geworden zijt, toen ge op eenmaal bij de stadspoort verdweent en
+den volgenden dag we&ecirc;r verscheent als of niets vreemds u geschied
+was, durf ik niet zeggen, hoewel de vreemdste veronderstellingen mijn
+arm hoofd soms bedringen; zoo ik u waarschuw, is dat alleen om u, zoo
+mogelijk, te bewaren voor mijne oogen te verdwijnen, als ge een mooie
+vrouw ziet.</p>
+
+<p>Ik lachte en het feest was om ons. Mero&euml; lokte en lonkte mij
+toe; zij lag, in het gewaad van Circe, op een bed van zonnebloemen,
+terwijl de twee zwijnen, in walgelijke aanbidding, gromden aan hare
+voeten. Ook zonnebloemen, van juweel&mdash;chryzoliet met harten van
+anthraciet&mdash;schitterden <span class="pagenum">[<a id="xd0e990"
+href="#xd0e990">64</a>]</span>om hare slapen, op hare borsten; een
+juweelen zonnebloem straalde aan haar <span class="corr" id="xd0e992"
+title="Bron: Cice-schepter">Circe-schepter</span>. En om haar heen,
+tusschen de zuilen en de gordijnen en verder in een onwezenlijk
+tooverlandschap, waarover een zongroote maan rees, straalden de
+zonnebloemen, weken zij terug in stralenden bloei naar een horizon,
+waar zij vergloeiden... En ik vroeg mij al of zij heilige of onheilige
+bloemen waren...</p>
+
+<p>&mdash;Charmides! lonkte mij Mero&euml; nader; zondt je mij een
+zwijn van chalcedoon omdat je bevreesd waart hier te veranderen in een
+zwijn van vleesch en bloed?</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben niet bevreesd en was het nooit! antwoordde ik.</p>
+
+<p>&mdash;Ik b&egrave;n geen toovenares! lachte Mero&euml;; al leende
+ik van nacht Circe&rsquo;s gewaad en al bemin ik de zonnebloemen, zoo
+als Circe deed, Helios&rsquo; kind...</p>
+
+<p>&mdash;En al grommen er twee zwijnen aan je voet, lachte ik
+spottend; zoo als aan Circe&rsquo;s voet, in de tuinen van onzalig
+Aiaia...</p>
+
+<p>&mdash;Charmides! lokte Mero&euml; we&ecirc;r; wat ik wensch is
+enkel je kus, en we&ecirc;r je kus en altijd je kus!</p>
+
+<p>Zij strekte de armen uit. Zij gloeide van liefde en alle de
+zonnebloemen gloeiden, als een vuur van duizenden vlammen. Ik naderde
+bezwijmeld; ik...</p>
+
+<p>Maar plotseling zag ik tusschen Mero&euml; en mij als een vizioen op
+rijzen&mdash;Charis, zoo blank en lieflijk zuiver&mdash;en ik deinsde
+terug...</p>
+
+<p>Mero&euml; richtte woedend zich op.</p>
+
+<p>&mdash;Weiger je, riep zij; mij te geven wat ik wensch en wat je
+gunt aan wie ook op je weg?</p>
+
+<p>&mdash;Ja! riep ik.</p>
+
+<p>Zij richtte zich met een schreeuw omhoog en strekte haar onmachtigen
+schepter uit. Ik had haar liefde geweigerd <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1017" href="#xd0e1017">65</a>]</span>en veranderde niet in een
+zwijn. Maar terwijl zij verdween in een glans van gouden sulfer, zag ik
+alle de zonnebloemen verlept. En woei over het tooverlandschap als een
+vale nevel...</p>
+
+<p>De twee zwijnen knorden wanhopig en wentelden in een cirkel
+rond.</p>
+
+<p>&mdash;Zoek de roode amaryllis-tuinen! riep ik hen toe in een
+ingeving, dat die bloemen zouden worden gekweekt zoo als de
+zilverasters werden gekweekt.</p>
+
+<p>En ik vluchtte weg, door het feest, dat zoo vreemd scheen geworden,
+zoo vaal van tint, alles spokebleek in onwezenlijkheid.</p>
+
+<p>In het <span class="letterspaced">diversorium</span> vond ik
+Davus.</p>
+
+<p>&mdash;Waarom ben je hier? vroeg ik en mijn stem klonk bleek ook als
+van een spook.</p>
+
+<p>&mdash;Ach heer, ach heer! weeklaagde Davus en juichte tegelijker
+tijd. Zie ik u we&ecirc;r! Zie ik u we&ecirc;r! Ge waart op het feest
+plotseling zoo ver en ik zag u toch tusschen allerlei zonnebloemen, die
+op bloeiden en toen ben ik gevlucht, heer, hoewel de andere
+feestgenooten en hun slaven mij verzekerden, dat gij ni&egrave;t ver
+waart en dat deze zonnebloemen er altijd waren geweest! Maar zij waren
+dronken, heer, en ik niet en ik kon u niet zien in een zwijn
+veranderen, zoo als ik u reeds in een ezel veranderd wist!</p>
+
+<p>&mdash;Hoe weet je!? riep ik uit en greep hem wild om den pols.</p>
+
+<p>&mdash;Ach heer! Ach, heer! riep Davus. Ben ik dan zoo een
+stommeling? Hoorden wij dan niet reeds van Delfi af wat er gebeurt in
+Thessali&euml;? Heb ik dan geen hersens om na te denken hoe het zijn
+kon, dat gij buiten de poort van Hypata verdweent, toen er een mooie
+maagd werd voorbij <span class="pagenum">[<a id="xd0e1038" href=
+"#xd0e1038">66</a>]</span>gedragen en hoe een ezel verscheen precies
+als er een ezel verscheen en we&ecirc;r verdween, toen Nausistrata zoo
+verschrikte op den heirweg...? En heer, ach heer, zoo een ezel heb ik
+bereden en heb ik misschien wel geslagen en met den hiel gespoord; ik,
+heer, ik, Davus, uw trouwe slaaf, die u diende van klein jongsken
+af!</p>
+
+<p>&mdash;Het is niets, Davus, fluisterde ik hem in. Het is niets!
+Zwijg alleen, zeg nooit iemand iets. Je ziet, ik ben noch ezel, noch
+zwijn en ik heb goede zaken gedaan in Hypata. Morgen reizen wij af naar
+Farsalus...</p>
+
+<p>&mdash;Verder Thessali&euml; in!? klaagde Davus. Ach heer, ik word
+liever zelf maar dadelijk een ezel, of een zwijn als het moet, dan
+verder Thessali&euml; in te gaan!</p>
+
+<p>&mdash;Davus! fluisterde ik verder. De toover is nu verbroken! Wat
+gebeurde, is gebeurd en zal niet meer gebeuren. Want ik kan mij niet
+begrijpen, dat ik niet even verliefd, ja verliefd op Mero&euml; ben
+geworden... Zij was zoo heerlijk schoon, zoo verleidelijk schoon, zoo
+beloftevol schoon...</p>
+
+<p>&mdash;Heer! Heer! Pas op!! riep Davus. Het schijnt mij toe, dat uw
+ooren reeds gaan groeien!</p>
+
+<p>Ik schrikte, voelde aan mijn ooren, duwde hem ongeduldig van mij,
+zonk op mijn bed en sliep, verpletterd van ontroering en
+mo&ecirc;heid.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Zeker, dien volgenden dag verliet ik Hypata. Zo&ucirc; ik niet
+verder Thessali&euml; in reizen? En dan... waren er heksen? Bestonden
+er heksen?</p>
+
+<p>Ik moest mij, in mijne nog moede hersenen, herinneren, dat de harpij
+op den driesprong mij had betooverd, dat ik twee malen reeds in een
+ezel veranderd was... Dat was <span class="pagenum">[<a id="xd0e1056"
+href="#xd0e1056">67</a>]</span>toch gebeurd? W&agrave;s het gebeurd?
+Het geleek mij zoo onwaarschijnlijk, dat ik er nauwlijks aan gelooven
+kon. Want het was een kristalklare herfstmorgen en om mij heen dreef
+een gelijkmatig gouden schijn van zon over het wijde landschap. De
+reiswagen wiegelde voort, getrokken door de geduldige buffels.
+Davus&rsquo; zweep klakte zacht rhythmiesch door de lucht en wij
+vervolgden onze reis als of er niets gebeurd was. Ik sluimerde half en
+onderwijl dacht ik aan allerlei mooie, lieve dingen... Aan Eleuzis, aan
+de heilige Mysteri&euml;n, waar in ik mij zo&ucirc; laten wijden, zoo
+ik terug kwam; aan Charis... Ik dacht aan haar met een teederen
+weemoed, omdat ik haar vermoedelijk nooit we&ecirc;r zo&ucirc; zien en
+een wee van spijt werd ik mij in mijn ziel bewust. Die nacht sliepen
+wij in een dorp. De volgende nacht in een posthalte... O, de lange,
+eentonige reis! Wat gaf het mij purper te verkoopen en parels... Er
+waren &agrave;ndere dingen, al waren er dan misschien ook heksen...</p>
+
+<p>De derde dag, sedert wij Hypata hadden verlaten, was eveneens in
+rustige reize verstreken. Wij hadden de halte voor die nacht bereikt.
+Het was te Xyni&aelig;, aan het meer van dien naam...</p>
+
+<p>Ik weet niet waarom, maar ik kon die nacht niet slapen. En ik stond
+op en verliet de herberg nog voor de dageraad rozigde... Een vreemd,
+zacht verlangen omving mij, waarnaar, had ik niet kunnen zeggen. En ik
+liep den weg op, den eenzamen, nog nachtbleeken heirweg... Straks
+zo&ucirc; ik keeren op mijn passen, als Davus zo&ucirc; voorspannen de
+buffels... Ik liep voort. De zon rees uitstralende achter de rozigende
+golving der bergen omhoog. Een honigkleurige schijn overstroomde den
+hemel. Ter andere zij van den weg week in den windloozen dageraad het
+nog in dauw overfloerste <span class="pagenum">[<a id="xd0e1062" href=
+"#xd0e1062">68</a>]</span>water van het in de verte weg flauwende
+meer...</p>
+
+<p>Het meer, langs den weg, vervloeide met een lange kreek, waaruit aan
+den oever rees het gekrookte riet. Peinzende bleef ik staan, en mijne
+mijmering ging als me&ecirc; met de tintwisselingen over het water, dat
+wijder en blauwer werd, naar mate de zon rees en de misten verijlden...
+En ik zag, dat de kreek daar vol blanke lotus gebloeid was... Als
+blanke bekers, die het morgenlicht opvingen in hare juist ontslotene,
+smettelooze ontlokenheden, lagen de bloemeschalen op het water, dat
+zacht opgloeide en verspiegelde... Wind stak omhoog en bewoog in het
+riet, dat ritselde. Een vlucht reigers steeg er uit op en schaduwde
+even, te&ecirc;r grijs van vlucht in de honigblonde lucht. Het meer,
+verder-op, verzichtbaarde duidelijker en ik zag, dat het, tot den
+horizon, vol gebloeid was met blanke lotus en iedere bloem ving een
+straal op, een atoom op van licht...</p>
+
+<p>Toen, eensklaps, werd mijn blik getroffen door een witte wemeling op
+de landouw, die aan den overkant van die riet-omkreukelde kreek zich
+verloor in een zacht gedoezel van rozig-grauw sycomoren-geloover. Het
+waren maagden, die dansten, rondom een maagd. Zij hielden witte
+bloemekransen in de handen en zij zongen zacht, als wilden zij de maagd
+in haar midden verstrooien... Ik zag ademloos uit en herkende...
+Charis! Charis!! Daar was zij, aan den overkant van het lotus-overladen
+water en ik zag, door het riet heen, haar bewegen, als met een moeden
+weemoed, toch even glimlachende tegen hare genooten. Zij danste niet,
+maar scheen de maagden te willen we&ecirc;rhouden te dansen. Haar
+gebaar was een teedere muziek van lijn, hare ijle gestalte
+zw&eacute;efde in het morgenlicht en hare handen bewogen als smeekend
+de maagden niet meer zich te reien rondom haar <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1068" href="#xd0e1068">69</a>]</span>heen. En in weemoed
+zagen hare blauwe oogen op, twee lotussen blauw hare oogen boven de
+duizenden blanke lotussen, die op het water lagen.</p>
+
+<p>En ik, ik staarde haar toe. Zij zag mij niet, half verborgen als ik
+mij hield in het riet. Mijn hart klopte op naar mijn keel, ik bedwong
+met de handen het razende kloppen, ik voelde mij duizelig van geluk en
+bezwijmden van zaligheid en ik opende mijne lippen en wilde roepen:</p>
+
+<p>&mdash;Charis...</p>
+
+<p>Maar rauw riep ik slechts:</p>
+
+<p>&mdash;Ha...hi!... Hi...ha....</p>
+
+<p>Mijn roep verloor zich over het water, in lucht en licht. Daar ginds
+dansten de maagden voort rondom de zacht zich verwerende Charis en zij
+bespeurde niet, hoe, aan den overkant, door het riet heen, een ezel te
+gluren stond met verlangende oogen, door de krokende halmen... <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1080" href="#xd0e1080">70</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e961src" id="xd0e961">1</a></span> H&ocirc;tel.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">VIII.</h2>
+
+<p>Toen ik mij geheel bewust mijn herschepping werd, waren met Charis
+de dansende maagden in de rozige schaduwen verdwenen... En trad ik, als
+ezel, uit het riet we&ecirc;r op den weg... En dacht ik aan den verren
+astertuin, honderden mijlen nu van mij verwijderd... En stond ik, in
+sombere vertwijfeling...</p>
+
+<p>Op dit oogenblik klonken grove stemmen en zag ik drie mannen
+aankomen, vergezeld van twee jongens. Het waren houthakkers, zij hadden
+bijlen in de hand en koorden om de middels gesnoerd. En zij praatten
+luid en ontevreden, terwijl zij naar hun werk gingen: ik begreep
+dadelijk, dat zij slaven van Menedemus waren en dat zij vloekten tegen
+hunne opzichters, om den zoo zwaren arbeid. En terwijl ik nog stond,
+vertwijfeld en somber, riep een der mannen:</p>
+
+<p>&mdash;Maar kijk, daar staat een ezel!</p>
+
+<p>&mdash;Een onbeheerde ezel! riep een andere.</p>
+
+<p>En de derde stemde in:</p>
+
+<p>&mdash;Dien de erbarmende goden zeker stelden op onzen weg, om ons
+ons werk te verlichten!</p>
+
+<p>Ik begreep, dat gevaar mij dreigde... Ik poogde te vluchten op
+ezeledraf, maar het is vreemd, een dier, dat niet wild is, vermag niet
+veel tegen vijf menschen. Op den weg verspreidden zich snel de drie
+mannen en de twee knapen en zij ontsnoerden zich van hun koorden... En
+slingerden die met lissen uit....</p>
+
+<p>Een der lissen viel over mijn kop. De man, die mij <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1100" href="#xd0e1100">71</a>]</span>gevangen
+had, trok mij naar zich toe. Ik zette mij schrap op de achterhoeven,
+koppig we&ecirc;rstreefde ik.... maar plotseling voelde ik een hevigen
+knuppelslag over mijn ruggegraat. Zoodat ik, ingetrokken mijn
+achterdeel van pijn, verontwaardigd voorwaarts stoof....</p>
+
+<p>Twee, drie, vier andere knuppelslagen regenden over mijn rug en er
+was niet meer aan zilverasters te denken. Ik was niet meer Charmides,
+Lyzias&rsquo; zoon, uit Epidaurus: ik was een ezel, onbeheerd en door
+lage slaven, ontevreden houthakkers, gevangen genomen!</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>O, de gruwelijkheid van dien winter! Strenge winter was het, die
+heerschte over de boschbedekte bergflanken van Thessali&euml;, over de
+met sneeuw overdekte hellingen van de Othrysketen, waar in
+mythologische eeuwen de Lapithen en de Centauren met elkander de
+epische strijden hadden gestreden. Als met dier vreeslijke fabelwezens
+eigene kreten en somber gehuil, voeren de koude waaiingen van Boreas
+door de kale, gestriemde takken, langs de zwiepend geschudde stammen en
+des stormenden nachts scheen het, of dichte horden van helsche wezens,
+demonen en heksen, onder de lage wolken voort joegen over bosschen en
+bergen, zich plots verspreidend in alle richtingen, als of uit euvele
+starren onheil voerende stralen schoten. En bitter zware nood was het
+niet alleen voor de houthakkers in hun armoedige hut, boven op den
+bergflank, maar ook voor hun ezel, in zijn bouwvalligen stal. Des
+nachts stond ik slapeloos en de sneeuwvlokken joegen binnen de reten en
+vielen als ijskoud vuur over de wonden van mijn ontvelden rug, dien de
+houthakkers met hunne slagen mij vilden iederen dag. De vreeslijke
+winden loeiden tochtende om mijne ooren en <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1108" href="#xd0e1108">72</a>]</span>duldig leed ik den
+durenden straf. Des morgens trokken de mannen mij uit den stal en als
+zij het hout hadden gehakt, belaadden zij er mij mijn rug me&ecirc;.
+Zoo zwaar was de vracht van tronken en takken, die zij mij torsen
+deden, dat eerder een olifant dan een ezel geschikt kon worden geacht
+om zoo bovenmatig gewicht te dragen. En zij dwongen mij dan te dalen,
+en als ik struikelde langs de wortelen der boomen of over het scherpe
+rotsgesteent en ne&ecirc;rstortte op mijn ontvleesde knie&euml;n,
+staken zij mij met puntige stokken in de bloederige wond, altijd de
+zelfde, van mijn linkerflank. Moesten wij, lager, een zijtak van den
+Sperchius oversteken, dan zetten dikwijls de beide knapen, die mij
+brachten naar stad of dorp, zich nog voor en achter den stapel hout en
+als op den heirweg ik niet snel genoeg draafde met mijn onduldbaren
+last, bonden zij brandnetel en doorngewas mij tusschen de achterpooten,
+zoodat ik gemarteld maar draafde, draafde, in de hoop om mijn ijver
+verlost te worden van het marteltuig.</p>
+
+<p>In mijn smartelijk leven dacht ik dikwijls aan Davus. Wat was er van
+hem geworden en zocht hij mij en had hij naar mijn ouders boodschap
+gezonden, dat ik verdwenen was en wellicht betooverd?? Ook dacht ik
+dikwijls aan Charis... Ik vergat haar nooit... In de vreeslijke
+nachten, in mijn doorsneeuwden stal, verrees dikwijls haar lieflijk
+beeld mij voor den geest: zoo als ik haar had gezien de laatste maal
+aan de andere zij van de kreek, waar de lotussen bloeiden... En vroeg
+ik mij, met menschegedachte in ezelekop, af waarom zoo grooten weemoed
+toch over hare schoonheid als een sluier geweest was, toen ik haar
+gezien had, zich tegen blijdschap verwerende tusschen de dansende
+maagden...? <span class="pagenum">[<a id="xd0e1112" href=
+"#xd0e1112">73</a>]</span></p>
+
+<p>Van de hoogte, waar de houthakkers woonden en ik mijn stal had, kon
+ik bij heldere dagen in het rond zien over de lager liggende valleien;
+zij golfden weg, doorsneden van vele zijstroomen van den Sperchius; zij
+zouden zeker na den winter weelderig weiland en bouwland zijn; zij
+behoorden alle Menedemus toe en zijne hoeven lagen er in verspreid
+tusschen de nu ontbladerde wingerds. Wijd spreidde het landschap zich
+dan rondom en de zon, tusschen de wolken, wierp groote plakkaten van
+licht en wisselende schaduw over de wijd uitgestrekte domeinen. Maar
+meestal loeide de wind en woei-aan de regen of warrelden de grauw-witte
+vlekken sneeuw... Hadden de hakkers hun hout gehakt langs de flanken
+van het gebergte, dan zaten zij ne&ecirc;r en aten hun schamel maal en
+kreeg ik mijn handvol schaars toegemeten rantsoen van hooi. Honger leed
+ik en armo&ecirc;, de stille ellende van een afgebeuld beest, dat nooit
+met een andere klacht dan met belachelijk gebalk zijn smart kan uiten
+en daarbij gevoelde ik in mijn menschehersenen dien vreemden angst
+eenmaal h&eacute;elemaal ezel te worden en alles te verliezen wat in
+mij nog school van mijn menscheziel; want meer en meer voelde ik mij
+ezel worden: ik had de koppighedan van den ezel, zelfs al regende het
+stokslagen over mijn rug; ik had het geduld ook soms van den ezel,
+zijne filozofische gelatenheid als ik mij schikte en maar,
+hout-beladen, voorzichtig afdaalde tusschen rotsblok en boomwortel om,
+beneden ontladen, we&ecirc;r op te stijgen, een oogenblik herademend,
+naar nieuwen last, die mij wachtte. Als ik mij, gebukt mijn kop, zag
+we&ecirc;rspiegeld in de rivier tusschen de weg spelende
+verspiegelingen van de witte wolken in blauwe lucht, zag ik mij niet
+anders dan een koppig-geduldigen ezel, grof met grauw, ruig haar, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1115" href="#xd0e1115">74</a>]</span>waar
+het nog groeide over mijn geranselde, ontvelde en ontvleesde lijf: zag
+ik mijn treurigen kop van werkezel, met van ziekte tranende oog vol
+weemoed, zag ik mijn van mo&ecirc;heid kwijlenden bek... Zag ik geheel
+mijn mager, geslonken dierelijf, op de mo&ecirc; knakkende pooten, op
+de reeds breed uitbreidende hoeven&mdash;om het steeds moeten dalen,
+zwaar beladen&mdash;zag ik mijn onthaarden staart naargeestig
+ingetrokken tusschen mijn met doorn en stekel steeds gemartelde
+achterpooten. En vergat ik soms wie ik geweest was en werd het mij dof
+en stomp in mijne verstomming of langzaam in mij verstierf mijn
+menscheziel in mijn vorm van dier...</p>
+
+<p>Eenmaal&mdash;een huiveringwekkende stormnacht&mdash;waren de
+houthakkers beneden in de hoeve gebleven, van waar het gehakte hout
+verder vervoerd werd, en was ik alleen gelaten boven in mijn stal op
+den bergtop. De wind en de regen raasden rondom de rotte planken, die
+mij ter nauwer nood beschutten... Nauwlijks dacht ik aan vlucht, al had
+ik wellicht ook met trap op trap de gebarsten deur van mijn stal kunnen
+doen wijken. Rillende stond ik, den staart tusschen de pooten, in mijn
+bezoedelde stroo en voor mijn le&ecirc;ge krib. Menschegeestkracht
+scheen niet meer in mij, zoo misschien nog wel logiesch denken. Want
+wel dacht ik: waar moet ik heen, zelfs zoo ik vermag te vluchten. Waar
+moest een afgebeulde ezel heen, zelfs al wist hij zich te bevrijden uit
+de slavernij van hartelooze houthakkers. En steeds stond ik, de binnen
+gierende wind tusschen mijn pooten waaiende en spelende met de vuile
+vlokken van mijn staart. Buiten schenen de schimmen der Centauren en
+woeste Lapithen in woedenden strijd door <span class="corr" id=
+"xd0e1119" title="Bron: elkaar">elka&acirc;r</span> te woelen... <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1122" href="#xd0e1122">75</a>]</span></p>
+
+<p>Plotseling hoorde ik stemmen. Stemmen van menschen, grovere stemmen
+nog dan die van de houthakkers. Ik begreep, dat het roovers waren.
+Ellendige roovers, wezens, die bewonen de bergspelonken, nauwlijks
+menschen meer, maar verbeestelijkt van ellende en die in de nachten van
+stormgeweld naar buiten sluipen en in hoeven en hutten langs de
+bergflanken trachten te stelen wat vergeten gereedschap, een paar
+hoenderen, een stuk vee... Ik hoorde hen reeds de hut open breken maar
+zij braakten verwenschingen uit, want zij vonden niet anders dan een
+kapotte kruik en een gebroken schotel, een gescheurden mantel en een
+versleten mat... En toen beukten zij op mijn staldeur. In een oogwenk
+bezweken de planken en maakten zij juichende zich van mij meester. Veel
+waarde had ik niet, maar ik was toch een ezel en meer waard dan een
+versleten mat, gescheurden mantel, gebroken schotel of kapotte kruik.
+In die onheilsnacht, waarin zeker Hekate tusschen al hare heksen zege
+vierde over de rampzalige wereld, sleurden mij de drie boeven mijn stal
+uit en slingerden zich alle drie op mijn rug. Meer dan ik hen zag in
+stormgeweld en regengestriem, voelde ik hen, de havelooze schavuiten en
+schurken, zoo als er zich naamloos en wetloos verbergen in het
+gebergte, de haren en baarden en nagels nimmer geknipt, nauwlijks
+bedekt met lompen en schurftige schapenhuid, wilde-mannen meer dan
+menschelijke wezens, voor wie zelfs de saters der wouden vreezen en de
+verdwaalde nymfen zich verschuilen in de spleten der doorbliksemde
+boomstammen. En op mijn rug joegen zij mij voort in het stormgeweld,
+berg-af, berg-af... Ik strompelde, ik struikelde over de rotsblokken en
+boomewortelen, een zware tak viel juist over mijn kop en verblindde
+mij... Eindelijk in den <span class="pagenum">[<a id="xd0e1125" href=
+"#xd0e1125">76</a>]</span>morgen, uitgeput, was ik met mijn drietal
+berijders den berg af- en omgedaald. De wind raasde niet meer zoo
+hevig; de rivier schuimde, hoog gezwollen, over de rotsen; ik stak haar
+over, getrapt in mijn flanken door drie paar boevehielen... Maar nu
+dorsten zij niet verder... Ginds was een uitgebreid molenbedrijf: de
+gebouwen er van teekenden zich af tegen de grauwe morgenlucht: de
+verwinterde velden lagen er verlaten, verwilderd rondom. Molenslaven
+waren reeds bezig voor een schuur, zakken met meel te laden op een
+wagen, toen zij de drie boeven zagen, die, op mijn rug, stil hielden op
+eenigen afstand.</p>
+
+<p>En de opzichter van de slaven riep de boeven toe, dat zij heen
+zouden gaan en dat er niets te schooieren viel en dat zij geen meel
+zouden krijgen. Maar de vreeslijke boeven riepen, dat zij hun ezel
+geven wilden voor meel, want dat zij honger leden, dat zij voor een
+kleinen zak meel hun ezel geven wilden... De opzichter naderde met zijn
+slaven en klaarblijkelijk gevoelde dat molenaarsvolk walging van de
+drie mizerabele verworpelingen zoo als zij, de wilde-mannen, bijna
+schuw waren dichter te naderen waar werkelijke menschwezens woonden.
+Maar toen scheen de opziener zijn afkeer wel te bedwingen, naderde hij;
+de wilde-mannen stegen af, de slaven wierpen hun een zak meel toe en
+maakten zich van mij meester. De wilde-mannen verdwenen dadelijk en de
+opziener zeide:</p>
+
+<p>&mdash;Het is een afgebeulde ezel, maar altijd nog goed genoeg om
+een molensteen te draaien: hij kan dan draaien tot hij er bij
+ne&ecirc;r valt.</p>
+
+<p>En met een schop in mijn achterdeel joegen zij mij voorwaarts, naar
+de molensteenen, die ginds onder afdakken werden rond gedraaid door
+ezels en misdadigers beiden... <span class="pagenum">[<a id="xd0e1133"
+href="#xd0e1133">77</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">IX.</h2>
+
+<p>Sedert draaide ik den molensteen.... In het lamoen gespannen,
+draaide ik, geblinddoekt, aan een houten boom den zwaren molensteen
+steeds rond en rond, onder de zweepstriemen en knuppelslagen van de
+erbarminglooze opzichters. Eindeloos, eindeloos trok ik en liep ik in
+de cirkelvormige gleuf om en om, altijd in het rond, trekkende het
+centenaarzware gewicht, waaronder het graan knarste boven den ondersten
+steen. Mijlen, mijlen liep ik af in het nauwe rond, trots blinddoek
+versuft en duizelig in mijne hersenen, die meer en meer die van een
+ezel werden en alle besef van menschelijkheid schenen te verliezen...
+Liep ik en liep ik, steeds den zelfden engen cirkelgang, terwijl de
+bovenste steen me&ecirc; met mij draaide, knarsende, boven den
+onbewegelijken ondersten, over het gepletterde graan. Soms mocht ik
+stand houden, werd mij de blinddoek afgerukt, als de opzichter
+mo&ecirc; was geworden. En zag ik, in die korte pooze van rust om mij
+rond, kauwende een schrale handvol hooi... En zag ik de andere
+molensteenen, onder de rieten afdaken, regelmatig draaien in het rond,
+getrokken door andere, als ik, afgebeulde lastdieren, ezels en muilen
+of ook sjouwerig voort geduwd door misdadigers en gestrafte slaven. Zij
+waren meestal half geschoren het hoofdhaar, om hen herkenbaar te houden
+zoo zij poogden te vluchten, gemuilband opdat zij geen meel of graan
+zouden <span class="pagenum">[<a id="xd0e1139" href=
+"#xd0e1139">78</a>]</span>eten, gebrandmerkt bovendien op het voorhoofd
+met getallen en letters: de sporen van herhaalde geeseling waren rauw
+en violet zichtbaar over hunne ruggen onder de lompen, die bedekten
+nauwlijks hunne ellendige naaktheden; zware ijzeren ringen bezwaarden
+hen om beide enkels en geheel grauw-wit waren zij bestoven met meel,
+als waren zij mizerabele, afgeleefde worstelaars, die zich met zand
+zouden hebben ingewreven om hun laatsten strijd uit te strijden.
+Nauwlijks konden zij zien: de laaiende vuren der ovens hadden hun de
+knippende oogleden geschroeid en de wimpers verbrand, gebogen waren
+hunne schouders, misvormd hunne armen en handen en voeten en het zware
+werk scheen hen als langzaam op te vreten, als om hen langer te doen
+lijden in het leven, dat geen dadelijke, weldadige dood deed eindigen.
+En ik was, als mijn menschelijke en ook dierlijke lotgenooten,
+afgebeuld, nauwlijks, des morgens reeds, in staat den duldloozen arbeid
+te beginnen, die eerst eindigde als de zwarte vle&ecirc;rmuizen tegen
+oranje zonsondergang begonnen rond te flapperen; schoon niet geschoren,
+groeide nauwlijks haar meer op mijn schurftige huid; diepe wonden
+bloedigden en etterden overal over mijn lijf en mijn reeds zieke oog
+traande steeds van het meelgestuif en van den gloed der groote ovens,
+waarheen ik de zware zakken torsen moest.</p>
+
+<p>Hoe lang deze marteling mij duurde, weet ik niet. De eene winterdag
+was aan de andere gelijk, met altijd den zelfden wind en regen, met
+sneeuwvlokken soms, met altijd den zelfden arbeid. En de eenige troost,
+die ik mij denken kon, was, dat ik mij dood zwoegde op de bezittingen
+van Menedemus, Charis&rsquo; vader, want dit was ik te weten gekomen
+uit enkele woorden der opzieners. Mijn eenige troost <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1143" href="#xd0e1143">79</a>]</span>was te
+weten, dat ik den molensteen rond draaide, &eacute;en der molensteenen,
+waaronder, misschien, het graan tot meel werd, dat dienen zo&ucirc; om
+het witte brood te bakken, dat Charis nuttigen zo&ucirc;. Zoo schrale
+troost was mijn eenige. En de zon rees op en daalde ne&ecirc;r en
+altijd was het het zelfde. En de regen stroomde en stroomde niet meer
+en altijd was het het zelfde. En de dagen volgden elkander op en altijd
+waren zij de zelfde. En de nachten waren de zelfde, dat ik, te
+mo&ecirc; om te slapen, stond en bleef staan in den stal naast de
+andere uitgeputte dieren, ezels en muilen...</p>
+
+<p>Het is vreemd hoe soms de allerongelukkigsten in deze wereld
+elkander helpen, zonder het te willen misschien, zonder misschien het
+te weten. Een der misdadigers was onder een hevigen knuppelslag van een
+der opzieners ne&ecirc;r gezonken in het meelwitte stof van den weg en
+kon, om zijn zware, ijzeren boeien om de enkels, niet dadelijk op
+staan. Hij lag en kreunde... Juist ging ik voorbij, terug geleid naar
+mijn stal: de zon zonk rood en de vle&ecirc;rmuizen flapperden in
+kringen tegen den bloedschijn... En bloed ook scheen mij toe te
+tappelen van den rug van den half bezwijmden slaaf: het ron rood over
+den wit <span class="corr" id="xd0e1147" title="Bron:
+bepoe&iuml;erden">bepoeierden</span> grond.</p>
+
+<p>Toen, als met een menschelijke ingeving van erbarming, likte ik met
+mijn moede tong de wonde van den slaaf. Als verwonderd zag hij op, dat
+een ezel, in het voorbij gaan, hem likte en misschien begreep hij, dat
+ik medelijden met hem gehad had....</p>
+
+<p>Die nacht, terwijl alles in rust lag en allen sliepen, werd mijn
+stal voorzichtig geopend. Maneschijn vloot witblauw binnen door zwarte
+schaduw en ik herkende den slaaf, dien ik gelikt had. Klaarblijkelijk
+was hij er in geslaagd, uit het <span class="pagenum">[<a id="xd0e1154"
+href="#xd0e1154">80</a>]</span>gevang te ontsnappen. Hij zocht mij, hij
+koos mij uit onder de lastdieren, die daar stonden, duttende in al het
+zwart van de schaduw, die nauwlijks de rijzende maan door vloeide met
+haar blauwe wit. Hij bond mij los en leidde mij uit den stal. Hij
+geleidde mij uit het molengedoe naar den rand van het woud; daar
+besteeg hij mij... Hij keek om en ik keek om... De schuren en gedoofde
+ovens lagen als lage, donkere dakenmassa&rsquo;s tegen de manelucht.
+Over den bepoeierden grond schitterde de maneschijn. Niemand bewoog,
+niemand zag ons, in de schaduwen, in het licht. Ook het bosch was
+schaduw en licht, maar schaduw bovenal. Ik steeg den weg op, dien de
+boeven in der tijd met mij ne&ecirc;r waren gedaald. En weldra waren
+wij verloren in het bergwoud...</p>
+
+<p>De ontvluchte slaaf bereed mij, maar hij lag uitgeput en bijna
+krachteloos over mij heen, zijne armen rondom mijn nek. Hij dreef mij,
+hij wist zelve niet waarheen, links, rechts.... Doel scheen hij niet te
+hebben, niet te weten, mijn nieuwe meester. Stap voor stap klom ik en
+daalde ik. Plotseling, door de luchten, klonken mij toe bekende kreten,
+bekend gekreun. Waar had ik reeds gehoord dat gekreun, en die kreten??
+En als met een flits wist ik in eens: de kreten, zij waren van heksen;
+het gekreun.... o het gekreun had ik gehoord die nacht te Delfi, in de
+bladeren der windbewogen platanen op het herbergplein, en het had mij
+toegeschenen het gekreun van dwalende zieltjes, van klagende, vermoorde
+kindertjes! Een vlakte lag eensklaps voor ons. Een wijde hoogvlakte,
+wit van maanlicht in de wijde nacht. En een rij van heksen danste
+krijschend rondom. En boven haar, in de lucht, zwierde een tweede rij
+in het rond. Een derde rij zweefde daarboven. Ik begreep: <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1158" href="#xd0e1158">81</a>]</span>het waren
+heksenbezweringen, om de maan uit haar loopbaan te rukken, uit haar
+zilveren kring van noodwendigheid en het gelukte der heksen somtijds en
+zoo het haar gelukte, hadden zij die maand macht over de elementen, die
+dan gunstig waren aan haar verderfelijke werken. En o afschuw, toen zij
+dansten rondom, hand aan hand, zag ik, dat zij dansten rondom drie tot
+aan het hoofd begraven kindertjes, die kreten en die sterven zouden die
+nacht.... Midden in de vlakte stond de immense koperen ketel op een
+smeulend vuur van takken en de dansende heksen wierpen er, in het
+rondomme zwieren, allerlei in: ik herkende een slang, een pad, een
+bebloeden sluier, stukken wrakhout van een verongelukt schip, het koord
+van een gehangene en bezworene ledematen, ik weet niet welke.... En
+intusschen schenen zij als de maan naar beneden te trekken, tusschen de
+wilde wolken uit, waarin allerlei wezens schenen te schuilen en te
+verzichtbaren en riepen zij:</p>
+
+<p>&mdash;Hekate! Hekate!!</p>
+
+<p>Op mijn rug had mijn berijder zich opgericht, zeker om beter te
+kijken. Maar zoodra hij de verschrikking gezien had, slaakte hij een
+verschrikkelijken kreet van afschuw, wierp zich achterover en stortte
+over den grond in het struikgewas. Ik balkte, boog mij naar hem toe en
+bespeurde, dat hij bezwijmd lag, zoo hij niet gestorven ware, in dat
+zelfde oogenblik, van ontzetting. Maar zijn kreet en mijn balk waren
+voldoende geweest om de heksen, gestoord in hare bezweringen, van woede
+te doen razen met wilde kreten en zich allen, als &eacute;ene horde, te
+doen storten in onze richting. De damp van den ketel woei naar den
+grond; de drie kinderkopjes zag ik, begraven tot de halsjes,
+bezwijmen.... De maan scheen te rijzen. De betoovering scheen <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1164" href=
+"#xd0e1164">82</a>]</span>gebroken. En de heksen, in helsche woede,
+stortten op ons toe. Ik vluchtte, maar zij vielen in wellust ne&ecirc;r
+op den slaaf en ik hoorde hare kreten, terwijl zij zijn lijf uit
+elkander rukten:</p>
+
+<p>&mdash;Aan mij zijn nog lillende wonde! Aan mij zijn brandmerk! Aan
+mij zijn geeselstriemen....!</p>
+
+<p>Ik, ik vluchtte. Door het heksenwoud vluchtte ik. De maan, boven,
+scheen m&egrave;t mij te vluchten. De heksen achtervolgden mij niet; om
+kijkende zag ik de Thessalische duivelinnen wederom zwieren boven haar
+tooverketel en wierpen zij er de ledematen in van den slaaf, en
+hervatten zij hare bezweringen met woestere kreten, terwijl ik het
+geschreeuw der gemartelde kindertjes we&ecirc;r de nacht hoorde door
+schrillen.</p>
+
+<p>Ik vluchtte. Langs zwarte boomstammen, over slangachtige
+boomwortels, vluchtte ik strompelend, struikelend: ik tuimelde op
+wrakke pooten het rotsgesteent af. De sinistere wind woei boven mij;
+het geheele woud scheen te leven van reusachtige houthakkers en
+takkebossen, van reusachtige molensteenen, die duizelingwekkend snel
+draaiden, van uilen en vampyrs, en zoowel takken, zwiepende, als
+wolken, zwierende, schenen vol krijtende kinderkopjes. En ik vluchtte,
+ik vluchtte voort....</p>
+
+<p>Ik vluchtte, verwilderd, die geheele nacht. De morgen klaarde met
+bleeken schijn, schijn zoo bleek en lijkachtig als slechts in
+Thessali&euml; morgenschemert na heksennacht. Schijn, schimmebleek, of
+de dag huiverde te ontwaken en of Eos, de rozige, verbleekt was, door
+wat zij ried en aarzelde aan te zien.... Ik was het bergwoud afgedaald.
+Plotseling zag ik een wijde vlakte. Een streep van zonnegoud liep dwars
+door de grauwe morgenlucht. Weilanden, waarover <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1174" href="#xd0e1174">83</a>]</span>de mist nog verwijlde,
+weken hun verren einder uit. Een zoele belofte van lente wemelde in de
+wijde lucht....</p>
+
+<p>Een verwondering woog op mijn brein. Waar was ik? Wie was ik? Wat
+had ik door gemaakt? Was die winter voorbij? Ja, ik voelde mij tot
+bezwijkens mo&ecirc;, uitgeput... Ja, ik was afgebeuld geworden....
+Stekels hadden mijn wonden verder open gereten.... Het bloed leekte
+langs mijn pooten en passen.... Maar vogels zongen in de twijgen,
+waaraan de bladknoppen zwollen, bleek goud. Een geur van kruid steeg
+op. Iets vreemd lieflijks trilde zoo teeder als een Aeoliesch geluid
+door de luchten.</p>
+
+<p>Ik liep door, mo&ecirc;, ziek, met een hinkenden poot, mager en
+bebloed..... Een zijstroom van den Sperchius stroomde dwars door de
+vlakte; de irissen schoten er uit op; de eerste irisbloemen ontloken,
+wit en zacht geel. Toen was het een meer en het lag overladen met lotus
+en het herinnerde mij aan dat andere meer, aan die kreek, waar ik ter
+overzijde Charis gezien had, maanden, ja maanden geleden... Door het
+hooge riet en de lotusbloemen stak ik het lage water over. Ik weet niet
+waarom ik zoo ging, doelloos, maar er was iets, dat mij lokte....</p>
+
+<p>Ik stapte uit het water, druipende, en er waren we&ecirc;r de
+weilanden en zij waren bespikkeld met madelieven. Werkelijk, dit was de
+lente, de vroege lente... Er ruischte als een etherische lenteharp door
+de lucht. Ik voelde nauwlijks mijne mo&ecirc;heid en afbeuling van
+lastdier. En, met een verrassing, tusschen het verschiet der
+uitbladerende olmen en abeelen zag ik, in de verte, als een vorstelijk
+landhuis schemeren in den verwijderden morgenmist, die daar optrok in
+de jonge zon. Het huis maakte een witten halfcirkel van zuilen en het
+lag geheel omgeven van vijvers en op de rozig <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1182" href="#xd0e1182">84</a>]</span>grauwende plassen lagen
+altijd en altijd de lotussen en ik z&agrave;g ze openen, een voor een.
+En uit het landhuis, over het wijde grasveld traden tal van maagden en
+mannen....</p>
+
+<p>Ik was blijven staan bij een heining, die afsloot het domein; de
+witte windekelken wonden zich door de kruislingsche houten stijlen. Ik
+zag toe, bekoord door een nieuwsgierigheid, die ik nauwlijks begreep.
+Maar eensklaps herkende ik de maagd tusschen de maagden, die om haar
+heen, de witte bloemenkransen beurende, dansten.</p>
+
+<p>Zij was Charis! Ik zag haar heel duidelijk, maar zij scheen
+mo&ecirc; en mat van verdriet en zij verweerde zich niet anders dan zij
+zich verweerd had toen ik haar gezien had, maanden geleden, van den
+heirweg af, waar ik tusschen het riet herschapen was in een ezel.
+Ademloos, vreemd gelukkig bleef ik steeds staren....</p>
+
+<p>Plotseling schenen de aanzienlijke mannen, die achter de maagden
+kwamen, mij te zien. En ik zag hen zeer schrikken en bevelen geven. En
+slaven liepen in mijn richting toe met knuppels en reeds van verre
+trachtten hunne kreten mij te verschrikken en weg te jagen... Ik bewoog
+echter niet; ik staarde. Om het geweld der slaven zagen de maagden om
+Charis om, zagen zij mij allen.... zag mij ook Charis....</p>
+
+<p>Zij slaakte een juichenden kreet, klaar als een gouden galm van
+geluk, die zich verloor in de lichte lucht. En toen ijlde zij, licht
+als een nymf, vooruit, ijlde zij, ijlde vooruit, we&ecirc;rhield de
+slaven met haar bevelend gebaar en riep, terwijl zij de armen hoog
+wierp en hare sluiers wemelden om haar rond:</p>
+
+<p>&mdash;Eindelijk! Eindelijk! Mijn bruidegom! Mijn lang verwachte
+bruidegom, die terug uit den strijd tot mij komt! <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1194" href="#xd0e1194">85</a>]</span>Kom! Kom!!
+Slaven, opent de hekken! Speelgenooten, danst nu in reien! Hij is
+gekomen! Mijn Charmides is gekomen!!</p>
+
+<p>En terwijl ik wel de hevige ontsteltenis zag der mannen en der
+maagden om dien walging en we&ecirc;rzin wekkenden, afgebeulden,
+wonde-bloedenden ezel, die daar bij de heining tusschen de windekelken
+te staren stond, naderde Charis mij en voelde ik, bezwijmelende van
+geluk en verrassing, de heining tusschen ons, hare armen en sluiers in
+een omhelzing rondom mijn ezelenek.... <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1198" href="#xd0e1198">86</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">X.</h2>
+
+<p>En werkelijk, trots de ontsteltenis, die ik zag op de gelaatstrekken
+van die aanzienlijke mannen&mdash;Charis&rsquo; vader, hare broeders en
+neven&mdash;werden bevelen gegeven de hekken te openen en leidde
+Charis, die haar sluier om mijn zieke oog had gewikkeld en tusschen
+mijn ooren door, mij de bloembespikkelde weide binnen! Mijn geluk was
+even groot als mijn verwondering en ik liet met mij doen als Charis
+wenschte en bevolen had; het was of een sprookje zich om mij weefde, of
+ik dubbel betooverd was, of ik droomde; ik kon niet gelooven aan wat
+mij geschiedde. Maar toen Charis, juichend, terwijl hare maagden rondom
+ons dansten, voorbij haar vader, broeders en neven trad, die, steeds in
+ontsteld gefluister, elkander raadpleegden, hoorde ik Menedemus
+roepen:</p>
+
+<p>&mdash;Bij alle barmhartige goden!! Wat mo&egrave;ten wij nu met
+dien schurftigen ezel! Terwijl wij bevolen hadden, dat geen drie mijlen
+in den omtrek van dit lustverblijf een ezel mocht worden gehouden,
+zendt ons Toeval of Noodlot een schurftigen ezel toe, juist op het
+oogenblik, dat wij Charis op hare morgenwandeling begeleiden en
+verlieft mijn dochter op dien schurftigen ezel!! Ondoorgrondelijk zijn
+der goden raadsbesluiten! Zegt mij, gij zonen van Hermes en
+Aesculapius, wondermeesters, geneesheeren, zegt mij, wat nu te
+doen!!</p>
+
+<p>En in wanhoop wenkte Menedemus drie Frygiesch gemutste <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1208" href="#xd0e1208">87</a>]</span>heeren nader
+en stond, in radeloosheid voor hen, de armen wijd.</p>
+
+<p>&mdash;Heer, zeide een van hen, een grijze, waardige in langen
+tabbaard. Wij kunnen niet anders dan Charis laten in den waan, dat zij
+haar bruidegom heeft gevonden.</p>
+
+<p>&mdash;Zoo wij haar overreden wilden, zo&ucirc; zij ons nooit
+gelooven! viel de tweede geleerde in.</p>
+
+<p>&mdash;Zij is betooverd door Chersonezus! riep de derde. Pas op, o
+Menedemus, dat gij uw dochter niet doodt, door haar te willen
+overreden, dat deze ezel haar bruidegom niet is!</p>
+
+<p>En de neven om Menedemus klaagden tot Charis&rsquo; broeders:</p>
+
+<p>&mdash;Ach, onze Charis! Ach, onze li&egrave;ve Charis! Had zij
+slechts een onzer gekozen, in plaats van na Chersonezus&rsquo;
+vervloeking, op een schurftigen ezel te verlieven, dien zij dadelijk
+Charmides noemt!</p>
+
+<p>Ik hoorde dit alles, terwijl mij Charis langs de mannen geleidde. En
+ik hoorde ook Menedemus, die verder vroeg aan de geleerden:</p>
+
+<p>&mdash;Dus, wondermeesters, wat raadt ge mij?</p>
+
+<p>De eerste zoon Aesculapius&rsquo; antwoordde:</p>
+
+<p>&mdash;Het beste lijkt mij dien ezel te verzorgen....</p>
+
+<p>De tweede viel in:</p>
+
+<p>&mdash;En Charis te zeggen, dat haar bruidegom, die verwond uit den
+strijd is gekomen, met toewijding door ons verpleegd zal worden....</p>
+
+<p>En de derde zeide:</p>
+
+<p>&mdash;Om, als hij genezen is, de plechtige verloving te
+vieren....</p>
+
+<p>Menedemus sloeg de handen in wanhoop op en de broeders en neven, in
+wanhoop, wrongen de hunne.... <span class="pagenum">[<a id="xd0e1238"
+href="#xd0e1238">88</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;En al dit ongeluk, riep Menedemus; omdat Chersonezus, wien ik
+mijn eenige dochter had toegedacht, een slechte man is, een vervloekte
+toovenaar, die Charis betooverde, toen ik eindelijk de waarheid omtrent
+hem wist en weigerde mijn kind op te offeren!</p>
+
+<p>Meer hoorde ik niet; tusschen reidans en bloemenkrans geleidde
+Charis mij&mdash;en gewillig volgde ik&mdash;naar het zuilenrijke
+buitenverblijf....</p>
+
+<p>Maar de geneesheeren kwamen ons achterop en zij zeiden:</p>
+
+<p>&mdash;Edele Charis, uw bruidegom, die zoo juist uit den strijd is
+gekeerd....</p>
+
+<p>&mdash;Is gewond en ziek, edele Charis!</p>
+
+<p>&mdash;Uw edele Charmides, o Charis....!</p>
+
+<p>&mdash;Is ziek en gewond en verpleegd moet hij worden...!</p>
+
+<p>&mdash;In der daad! zeide Charis, de betooverde maagd, en hare stem
+klonk als de klank van een Lydische fluit, als Ionische melodie. Hij is
+gewond, mijn Charmides, na den vijand verslagen te hebben, o mijn
+liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!</p>
+
+<p>En eerst zoet meewarig, juichte haar stem op en hare armen omhelsden
+mij en zij kuste mij op mijn ezeleneus, terwijl ik mij verwonderde, dat
+zij mijn naam wist.</p>
+
+<p>De drie geneesheeren maakten gebaren van we&ecirc;rzin en
+afkeer.</p>
+
+<p>&mdash;Charis! riepen zij alle drie. Staat ons toe, dat wij uw
+bruidegom verplegen!</p>
+
+<p>&mdash;Is hij genezen, zoo wordt uwe verloving gevierd!</p>
+
+<p>&mdash;Duld, o Charis, dat wij Charmides voeren waar hij de
+liefdevolste zorgen zal ondervinden!</p>
+
+<p>&mdash;Ja, riep Charis. Ja, wondermeesters! Geneest mij
+Charmides&rsquo; wonden! Huwen zal ik hem, zoodra hij weer <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1267" href="#xd0e1267">89</a>]</span>krachtig is,
+o mijn liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!</p>
+
+<p>En wederom wilde zij mij omhelzen, maar de wondermeesters hadden
+zich reeds meester van mij gemaakt en Charis, juichende van geluk, al
+scheidde zij van mij, d&agrave;nste te midden van hare maagden.</p>
+
+<p>De drie mannen geleidden mij verder. Hunne slaven liepen toe.</p>
+
+<p>&mdash;Vuile ezel!! scholden mij de wijze mannen nu. Moeten wij onze
+kunst nu werkelijk verspillen aan een dergelijken vuilen ezel!</p>
+
+<p>Maar zij verboden de slaven mij te slaan.</p>
+
+<p>&mdash;Wij moeten hem verplegen!</p>
+
+<p>&mdash;Ons leven staat op het spel....</p>
+
+<p>&mdash;Als wij Charis niet genezen...</p>
+
+<p>&mdash;Zal Menedemus ons doen vermoorden!</p>
+
+<p>&mdash;Als wij Charis genezen....!</p>
+
+<p>&mdash;Overstelpt hij ons met goud!</p>
+
+<p>&mdash;Zij is betooverd: wij kunnen voor het oogenblik haar niet
+anders laten dan in den waan...</p>
+
+<p>&mdash;En d&agrave;n haar onttooveren....</p>
+
+<p>&mdash;Langzamerhand... Langzamerhand....</p>
+
+<p>Zij waren het met elkander eens. Zij zouden mij verplegen, niet uit
+liefde voor mij, schurftigen ezel, maar uit hoop rijk beloond te
+worden, eenmaal, als zij Charis onttooverd hadden....!</p>
+
+<p>En zij voerden mij naar een ruimen stal. Ik was daar zonder andere
+beesten. De slaven brachten versch stroo, dat zij spreidden tot
+legerstede; zij vulden de ruif vol hooi, vol haver en doorgeurden mijn
+maal met de eerste klaverblaadjes. Ik at en de geneesheeren
+onderzochten mijn wonden en zagen mijn tanden malen. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1299" href="#xd0e1299">90</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Hij is jong! zeide de een.</p>
+
+<p>&mdash;Maar hij is afgebeuld, zeide de ander.</p>
+
+<p>&mdash;Hij heeft hout getorst, zei de derde en wees. Kijk, zijn
+hoeven breed zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Hij heeft een molensteen rond gedraaid, zei de eerste
+we&ecirc;r. Kijk, de sporen van het lamoen....</p>
+
+<p>&mdash;En van den draaiboom....</p>
+
+<p>En zij onderzochten mij met aandacht. Ik vond hen drie knappe
+wondermeesters, die dadelijk veel hadden geraden, al rieden zij niet,
+dat ik een mensch was, betooverd door een harpij. Gewillig gaf ik mij
+aan hun zorgen en wetenschap over.</p>
+
+<p>&mdash;Het is wel een gewillige ezel, dien onze jonkvrouw heeft
+uitverkoren! moesten zij alle drie erkennen.</p>
+
+<p>En, met behulp van hunne slaven wieschen zij mij en verbonden zij
+mij mijne wonden, na die gebalsemd te hebben. Ik stribbelde geen
+oogenblik tegen en zij lachten er om, de drie wijze mannen, omdat ik
+zoo geduldig mij behandelen liet. Zwijgend en deftig zat ik nu,
+genietende van mijn nieuw welbehagen, op mijn achterdeel in het stroo,
+gesteund op de twee voorpooten en omwikkeld oog en pooten en rug in
+windsels, terwijl de oudste wondermeester bezig was mijn voorpoot,
+waarop ik hinkte, bij de knie te masseeren met zorgzaam drukkende en
+strijkende vingers. En met scharen knipten zij mij de vieze klitten en
+vlokken weg aan mijn pooten en aan mijn staart.</p>
+
+<p>Juist op dit oogenblik kwam Charis voorbij tusschen hare
+meisjes.</p>
+
+<p>&mdash;Ik zocht mijn bruidegom! riep zij. Ik zocht Charmides! O,
+daar zie ik mijn held! Wat!! Meesters, wordt mijn edele geliefde in een
+stal gehuisvest? Wat moet dit beduiden! <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1320" href="#xd0e1320">91</a>]</span>Waarom verleent mijn vader
+hem geen gastvrijheid in het vreemdelingenpavillioen??</p>
+
+<p>&mdash;Charis, o Charis! riepen de wondermeesters. Trek u terug met
+uw maagden! Wij verplegen uw bruidegom en het is niet voegzaam, dat gij
+daarbij tegenwoordig zijt!</p>
+
+<p>Zij waren opgestaan en we&ecirc;rhielden mijn liefde binnen te te
+treden en pruilende moest zij wijken.</p>
+
+<p>&mdash;Tot spoedig dan, Charmides, mijn held, mijn prins!</p>
+
+<p>Ik werd hevig ontroerd in mijn hart. Iets sterkers dan mijn verstand
+dwong mij mijn ezelebek te openen; ik wilde &bdquo;Charis!&rdquo;
+roepen en riep:</p>
+
+<p>&mdash;Ha....hi!!</p>
+
+<p>De drie wondermeesters barstten uit in onbedaarlijk gelach.</p>
+
+<p>&mdash;Hij roept mij! Hij roept mij! riep Charis opgetogen. O,
+wreede wondermeesters, die mij verhinderen mijn held en bruidegom te
+omhelzen! O wreede scheiding! Tot ziens, tot spoedigen ziens, tot
+spoedige beterschap, o mijn Liefde!</p>
+
+<p>Zoo riep Charis en de maagden voerden haar weg en de wondermeesters
+schudden steeds van het lachen terwijl hunne ronde mutsen als schelpen
+en hoornen tegen elkander bonsden en bogen. En ik, die mij belachelijk
+wist in hun oogen, ook al had Charis mijn gebalk aan gehoord voor haar
+naam, beloofde mijzelven nooit meer te balken.</p>
+
+<p>Deftig en stil, verbonden met tal van banden, zat ik in het stroo en
+de nog lachende drie hadden pleizier in hun ezel, dien zij
+verpleegden.</p>
+
+<p>&mdash;Hij zit er net als een mensch! zei de oudste.</p>
+
+<p>Een gedachte flitste in mij op.... Zoo ik nu knikte met mijn
+kop....! Zoo ik nu schreef met mijn poot in het zand....! En om
+zilverasters vroeg....!! Maar een na-gedachte <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1344" href="#xd0e1344">92</a>]</span>we&ecirc;rhield mij....
+Wat zoo zij mij vroegen wie ik was en ik verried, dat ik een
+koopmanszoon was? Onttooverd zo&ucirc; mij Menedemus misschien purper
+en parels koopen maar mij dan weg zenden, verder Thessali&euml; in! Ik
+knikte niet met mijn kop! Ik schreef ni&egrave;t met mijn poot in het
+zand! Ik vroeg niet om zilverasters!</p>
+
+<p>&mdash;Ja, hij zit er net als een mensch! bea&acirc;mden de twee
+andere wondermeesters. Wat zoo wij poogden....!</p>
+
+<p>&mdash;Ik dacht dat juist ook! ried de tweede.</p>
+
+<p>&mdash;Dat is een uitnemend denkbeeld! riep de derde.</p>
+
+<p>Wat hadden zij met mij voor? Maar spoedig begreep ik. Zij zonden hun
+slaven naar de keukens om een schaal pastei en een wijden beker vol
+Chios-wijn en zij zetten mij beiden voor. En zij wilden mij leeren, zij
+wilden mij een geleerden ezel maken, een ezel met goede manieren, een
+ezel, die pastei at uit een schotel en Chios-wijn dronk uit een
+drinkschaal! Ik had nu evenveel schik in hen als zij hadden in mij en
+opzettelijk deed ik eerst of ik niet hun noodiging begreep.</p>
+
+<p>&mdash;Kom Charmides, schertsten de drie wondermeesters. Eet de
+pastei! Drink den wijn!</p>
+
+<p>En, met hun slaven, schudden zij steeds van het lachen, om mij, ezel
+Charmides!</p>
+
+<p>Ik speelde mijn rol van ezel, die geleerd, die gedresseerd werd. Ik
+rook eerst, bescheidenlijk onderzoekende, aan de pastei, toen aan den
+wijn. Beide geurden naar lang niet gekend geneucht; ik moest in mij
+houden om beiden niet gulzig naar binnen te slokken. Maar ik hield mij
+in, speelde mijn rol. Eindelijk tastte ik met mijn tong naar den wijn
+en slurpte even....</p>
+
+<p>&mdash;Hij drinkt! Hij drinkt! riepen de wondermeesters en <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1362" href=
+"#xd0e1362">93</a>]</span>hielden de buiken zich vast en de slaven
+krompen van het schaterlachen.</p>
+
+<p>Toen tastte ik met mijn groote ezeltanden voorzichtig naar de
+pastei, knabbelde er een stukje van, kwam we&ecirc;r terug naar mijn
+beker....</p>
+
+<p>&mdash;Hij eet! Hij drinkt! Hij eet en drinkt als een mensch! riepen
+de wondermeesters en slaven.</p>
+
+<p>&mdash;Als hij maar niet.... fluisterde plotseling de oudste.</p>
+
+<p>&mdash;W&agrave;t?? vroegen geheimzinnig de twee anderen.</p>
+
+<p>&mdash;.... Een betooverde ezel is.... Een mensch....</p>
+
+<p>&mdash;.... In een ezel betooverd?</p>
+
+<p>&mdash;.... Het zo&ucirc; kunnen.... hier in Thessali&euml;!</p>
+
+<p>Zij fluisterden samen, de drie.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, besloten zij alle drie. Als hij een betooverde ezel
+was....</p>
+
+<p>&mdash;Een betooverde mensch....</p>
+
+<p>&mdash;Dan zo&ucirc; hij zich &agrave;nders gedragen hebben....</p>
+
+<p>&mdash;Bij voorbeeld, met zijn poot in het zand geschreven...</p>
+
+<p>&mdash;En gevraagd om....</p>
+
+<p>Ik hoorde niet meer wat zij fluisterden.... Om zilverasters,
+fluisterden denkelijk de drie. Deftig, verbonden, zittende, twee
+voorpooten gestrekt, at ik de pastei en dronk den wijn.</p>
+
+<p>&mdash;D&agrave;t hebben wij hem al heel vlug geleerd! riepen zij
+door elka&acirc;r, schaterlachend.</p>
+
+<p>De nacht was gevallen. Lachende lieten zij mij en sloten den
+stal.</p>
+
+<p>Ik zag om mij rond. Het was een ruime stal en breed was mij het
+versche stroo gespreid. Voor een ezel, die hout had getorst en een
+molensteen rond gedraaid, was deze stal, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1398" href="#xd0e1398">94</a>]</span>na mijn menschemaal van
+pastei en wijn, vorstelijke weelde. De balsem werkte weldadig op mijn
+wonden. Ik strekte mij uit als een mensch had gedaan op zijn bed. En
+doodmoede maar zalig sliep ik in mijn verbindselen en windselen in,
+denkende meer dan balkend ditmaal:</p>
+
+<p>&mdash;Charis! O mijn Liefde, o Charis!! <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1402" href="#xd0e1402">95</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">XI.</h2>
+
+<p>Een tijd van ongekende zaligheid brak voor mij aan, al was ik een
+ezel. Drie weken lang werd ik verpleegd, gewasschen, gebalsemd,
+gemasseerd, overvoed en toen mijn wonden genazen, geroskamd, geborsteld
+en had ik niets te doen dan te grazen in madelief-bespikkelde
+voorjaarsweide. En bij deze stoffelijke welvaart was ik zoo zalig mij
+Charis&rsquo; kus te heugen en hare omhelzing en zag ik haar vaak van
+verre, tusschen hare maagden en gaf ik mij in stilte over aan het
+gelukzalige gevoel mijner liefde. Echter niet zonder de bezorgdheid om
+Charis zelve, nu ik begrepen had, dat zij betooverd was door
+Chersonezus, die, terug gestooten door Menedemus, een tooverban om haar
+had opgeroepen, zoo dat zij had moeten verlieven op den eersten, besten
+ezel, die haar te moet was getreden. Dit te bedenken we&ecirc;rhield
+mij, nog meer dan de angst, dat Menedemus nooit een handelsreiziger
+zo&ucirc; willen als echtgenoot voor zijn dochter, door welk teeken ook
+mij bekend te maken. Zoo ik in mensch we&ecirc;r herschapen werd,
+zo&ucirc; Charis vermoedelijk zoo geschokt worden, zoo getroffen in
+hare liefde voor haar ezel, dat zij er om sterven kon. Ik begreep uit
+der wondermeesters woorden, dat door de betoovering haar geest verzwakt
+was, dat ook haar teedere lijf geleden had in de winterlange afwachting
+van den bruidegom, die eindelijk, onverwachts, gekomen was in mijn vorm
+van schurftigen ezel. Nu zeide <span class="pagenum">[<a id="xd0e1408"
+href="#xd0e1408">96</a>]</span>men haar, dat zij wachten moest, tot
+haar held, uit den oorlog terug gekeerd, genezen was van zijne wonden
+en als ik haar zag van verre, meende ik werkelijk, dat reeds een nieuwe
+blos bloeide op hare wangen, dat hare oogen tintelden van blijderen
+gloed en voelde ik mij, hoe verwijderd ook van haar gehouden, gelukkig
+als ik mij nimmer gevoeld had. En nauwlijks dacht ik meer aan
+zilverasters.</p>
+
+<p>Er waren er ook geene; zij werden hier niet gekweekt, zoo als de
+Isispriesters de heilige bloemen wisten te doen weligen, in welk
+seizoen ook. Er waren hier de wijde madelieve-weiden en om het
+vorstelijke lusthuis lagen verspreid de stille vijvers, die de witte en
+blauwe wolken spiegelden in hunne gladde plassen, overladen met de
+ontlokene lotusschalen, die zich openden naar mate de zon rees en zich
+sloten zoo zij daalde. Eens, in een rozigen morgen, dat ik dwaalde de
+weide over en tusschen de vijvers door, naderde ik een der plassen en
+tusschen de spiegelingen der wolken en de witte bloemekelken, zag ik
+mijn eigen beeld. En ik herkende mijzelven niet, mij herinnerend welk
+een armzalige ezel mij steeds had aan gestaard in de wateren der
+bergstroomen! Ik zag mij terug als een prachtige ezel, een jonge,
+gezonde, sterke ezel; mijn effene vacht glom als zilvergrijze zijde zoo
+glanzend en glimmend; mijn oogen hadden den zelfden blauwen glans, dien
+mijn mensche-oogen hadden gehad; mijne pooten waren genezen, stonden
+recht en sierlijk en van louter ledig dwalen door bloemeweiden, waren
+mijne hoeven we&ecirc;r tot smalleren vorm verfijnd, terwijl mijn
+manenkam en mijn staartkwast met zorg waren geknipt en geborsteld en
+mij gaven het uiterlijk van een weelde-ezel, die niets heeft te doen
+dan zich te vermeien tusschen madelieven en boterbloemen en die zelfs
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1412" href=
+"#xd0e1412">97</a>]</span>behalve met haver en klaver gevoed wordt met
+pastei uit schotels en met Chios-wijn uit drinkschalen! Een vreemde
+ijdelheid welde op in mijn menschehart: een ijdelheid om mijn
+ezelevorm, die zoo volmaakt was en zoo verfijnd. Ja werkelijk, nooit
+had ik een dergelijken prachtigen ezel gezien als ik zelve was en zoo
+heel ongelukkig om mijn dierevorm kon ik mij niet meer voelen, vooral
+nu ik wist, dat Charis mij lief had. Een menschelijke ijdelheid was de
+mijne zeer zeker, een mannelijke ijdelheid, zoo als echter dieren er
+wel eens hebben; paarden hebben vooral die ijdelheid, een paard is ook
+een edel dier en heeft bijna menschelijke hoedanigheden en ik voelde
+mij wel een edele ezel.</p>
+
+<p>Zoo gingen de dagen voorbij, toen op een morgen de wondermeesters
+mij op zochten en tot elka&acirc;r zeiden:</p>
+
+<p>&mdash;Hij ziet er nu prachtig uit!</p>
+
+<p>&mdash;Hij heeft een vacht, als zilver zoo licht grauw!</p>
+
+<p>&mdash;En als zij zoo zacht: voel toch eens!</p>
+
+<p>Zij streelden mij alle drie de vacht: ik trilde van voldane
+ijdelheid en de slaven zeiden:</p>
+
+<p>&mdash;Wij hebben hem dan ook geborsteld!</p>
+
+<p>&mdash;En het heeft hem aan niets ontbroken....</p>
+
+<p>&mdash;Wij kunnen Menedemus zeggen, zeide de oudste
+wondermeester,</p>
+
+<p>&mdash;Dat de verloving gevierd kan worden, viel de tweede in.</p>
+
+<p>&mdash;Maar een huwelijk zal het wel nooit worden! lachte de derde
+wondermeester.</p>
+
+<p>En zij schaterden alle drie....</p>
+
+<p>Maar zeide toen de eerste:</p>
+
+<p>&mdash;Arme Charis! Wij mo&egrave;ten haar onttooveren....</p>
+
+<p>En de twee anderen vielen in: <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1442" href="#xd0e1442">98</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Is zij onttooverd, dan wordt de verloving verbroken....!!</p>
+
+<p>&mdash;En kiest zij een harer neven....</p>
+
+<p>&mdash;Izidorus....</p>
+
+<p>&mdash;Pamfilius....</p>
+
+<p>&mdash;Of Lyzippos misschien....</p>
+
+<p>Ik begreep, dat zij i&egrave;der een anderen neef hadden op het oog,
+die ieder van hen wederom bevoordeelde, met het geld van Menedemus
+natuurlijk.... En ik dacht:</p>
+
+<p>&mdash;Als ik maar een ezel blijf.... Een pr&agrave;chtezel, als ik
+nu ben.... Een weelde-ezel, met zilvergrauwe, zijdige vacht....</p>
+
+<p>En ik geloof, zoo mij te dier stonde zilverasters waren geboden, ik
+zo&ucirc; ze geweigerd hebben, uit angst voor Menedemus, die mij weg
+jagen zo&ucirc;, uit bezorgdheid om Charis&rsquo; geest en gezondheid,
+uit ijverzucht op hare neven....</p>
+
+<p>Ik bleef een ezel. En mijne verloving zo&ucirc;, werkelijk, worden
+gevierd.</p>
+
+<p>&mdash;Bericht Menedemus, zei de eerste wondermeester tot de twee
+anderen. Laat hem bevelen alles in gereedheid te brengen. De jonkvrouw
+heeft tot nu toe geduld geoefend maar het zo&ucirc; haar kwaad doen
+haar langer nog te laten wachten....</p>
+
+<p>De twee jongere wondermeesters gingen.</p>
+
+<p>&mdash;Borstel hem nog eens, beval de oudste.</p>
+
+<p>En de slaven borstelden mij. Ik stond geduldig, zoo als een man
+geduldig zit voor den spiegel bij den barbier. De slaven borstelden mij
+en ik glom, zelve een spiegel gelijk. Zij schoren mij boven de hoeven
+mijn pooten met gladde, breede banden. Zij knipten mij hier en daar de
+wilde haren weg.... <span class="pagenum">[<a id="xd0e1469" href=
+"#xd0e1469">99</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Besla hem nu de hoeven en schilder ze....</p>
+
+<p>En ze besloegen mij de hoeven, met gouden ijzers en zij
+beschilderden mij de hoeven met menie-rood. Ik bewoog niet.... liet hen
+poot na poot behandelen.</p>
+
+<p>De wondermeester lachte luid....</p>
+
+<p>&mdash;De geduldigste ezel, dien ik ooit zag! prees mij de
+wondermeester.</p>
+
+<p>&mdash;En de prachtigste, die wij ooit zagen! prezen de slaven.</p>
+
+<p>&mdash;Zet hem zijn pluim nu op! beval de wondermeester.</p>
+
+<p>De slaven omvatten mijn kruin in een gouden band, waarin een roode
+pluim stak; het voelde wat zwaar maar ik was verzekerd, dat de pluim
+mij wel stond,.... tusschen mijn lange ooren.</p>
+
+<p>&mdash;En doe hem zijn mantel om....</p>
+
+<p>De slaven, lachende, kwamen met den mantel, die was als een schabrak
+van reepen rood en met gouden bloemen doorweven, met gouden franjes, en
+met een gouden band om het middel bevestigd en mijn staart trokken zij
+tusschen de reepen door; mijn hals en borst en voorrug bleven vrij.</p>
+
+<p>&mdash;Hij ziet er als een echte bruidegom uit! riepen de slaven en
+de wondermeester knikte wel te vreden.</p>
+
+<p>Intusschen scheen, op der beide andere wondermeesters aandrang,
+Menedemus zijne bevelen te hebben gegeven, bevelen, dat de verloving
+zijner dochter gevierd zo&ucirc; worden<span class="corr" id="xd0e1492"
+title="Bron: .">,</span> dien zelfden dag. En voerden mij de drie
+wondermeesters, met al hunne slaven, naar buiten.... met een handklap
+op mijn schoft....</p>
+
+<p>&mdash;Zo&ucirc; hij kunnen loopen, zonder dat wij hem aan een
+teugel hielden? raadpleegde de oudste wondermeester de twee anderen.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1497" href=
+"#xd0e1497">100</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Laten wij het eens probeeren....</p>
+
+<p>&mdash;Hij is zachtmoedig; hij heeft nooit nog tegen gestribbeld,
+meenden de anderen.</p>
+
+<p>&mdash;Charmides! lokten zij mij. Charmides, kom dan....</p>
+
+<p>En zij poogden mij te dresseeren, zoodat ik los zo&ucirc; loopen
+tusschen de slaven en er niet op het onverwachts van door zo&ucirc;
+gaan, met kluchtige ezelbuitelingen. De dressuur gelukte hun in minder
+tijd dan zij zeker hadden gedacht, want ik had mij voorgenomen zoo tam
+en beschaafd een ezel te zijn als geen ezel in Thessali&euml;. Ik trad
+dus tusschen de slaven naar voren. Ik liep afgemeten en sierlijk op
+mijn menie-roode hoeven met gouden ijzers beslagen. Ter zijde bezag ik
+mij in een der vijverplassen en ik was wel te vreden. Tusschen de
+lotusbloemen, die al het zonnelicht op vingen als in schalen albast,
+zag ik mij we&ecirc;rkaatst en herkende ik bijna mijzelven aan mijn
+oogen. Herkende ik mij bijna aan zekere trekken en uitdrukking van mijn
+ezelgezicht. En bewonderde ik mij, zoo als ik vroeger wel eens mij in
+een metalen spiegel bewonderd had: toen als een knappe jongen, die op
+iedere mooie vrouw verliefd werd; nu als een sierlijk getuigde
+weelde-ezel, wiens verloving gevierd zou worden met de lieflijkste
+maagd ter wereld! W&egrave;l in mij de weemoed, dat ik geen man was,
+maar die weemoed getemperd door het geluk, dat Charis mij liefde al was
+ik een ezel, juist omd&agrave;t ik een ezel was.</p>
+
+<p>Ik naderde, tusschen wie om mij waren, tusschen de lotusvijvers, het
+groote, wijde grasveld, dat zich uitstrekte voor de zuilenrijke,
+half-cirkelige portiek van het landhuis. En omdat de slaven koperen
+cymbels hadden ter hand genomen, die zij sloegen tegen elka&acirc;r,
+naderde ik te mid van mijn stoet met schetterblijde muziek. Andere
+muzikanten, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1508" href=
+"#xd0e1508">101</a>]</span>met fluiten, voegden zich bij ons en de
+lieflijke hymen&aelig;ische melodie&euml;n liepen op en af als blijde
+beekjes van water. Om mij straalde de morgen. Als een paleis der goden
+straalde de witte woning en de schaduwen langs de zuilen waren bijna
+azuur, zoo onwerkelijk tooverde het morgenlicht de tinten &ograve;p der
+dingen van natuur en van menschen Er beefde een goudene rilling over de
+plassen, er weefde een trilling van lenteglans over alles: over het
+bevend turkoois van het water, over het warme marmer gloeide die glans
+van vuur....</p>
+
+<p>Maar uit het landhuis, op muziek ook van fluiten en cymbels, kwam
+mij Charis te moet. Zij was omringd door haar vader en broeders en
+neven en hare maagden dansten om haar en jubelend liep zij mij
+tegen.</p>
+
+<p>&mdash;O mijn Charmides! riep zij.</p>
+
+<p>.... Hoe wist zij mijn naam toch....?</p>
+
+<p>&mdash;O, mijn Charmides, mijn held en mijn heerlijkheid, ben je
+daar eindelijk, genezen en zoo krachtig en schoon! O mijn vader, zie: o
+mijn broeders en neven, ziet: wie is er met mijn held te
+vergelijken?!</p>
+
+<p>En zij slingerde om mijn nu zacht zijdigen, zilvergrauwen nek hare
+armen en stond toen, zegevierend.</p>
+
+<p>Ik zag Menedemus glimlachen. Ik zag zelfs lachen de jaloersche
+neven, de bezorgde broeders. Nu ik werkelijk een zoo goed verzorgde,
+w&egrave;l doorvoede, glanzig geborstelde ezel was, schenen zij Charis
+te gunnen hare verdwazing en lieten zij haar begaan. Zij kuste mij op
+den snoet en van zaligheid rilde ik. Tevens nam ik mij voor, niet te
+balken, n&oacute;oit te balken en mij te gedragen geheel en al als een
+kunstig gedresseerde ezel zich zo&ucirc; gedragen. Hoe gelaten die rol
+ook was, zij was de eenige, die mij geschikt scheen, wilde ik <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1522" href="#xd0e1522">102</a>]</span>mijn
+geluk laten duren. Bruidegom, kon ik niet anders zijn dan geduldig en
+lijdzaam. Charis kuste mij, maar ik kon Charis niet kussen. Ter nauwer
+nood dorst ik mijn ezelesnuit even, speelsch, tegen haar handje reiken.
+Charis omhelsde mij, maar ik kon niet Charis omhelzen: ik stond slechts
+en onderging wat ik zoo gaarne zelve volbracht had en mijn geheele
+manneziel in vorm van weelde-ezel was er op gespitst mij voegzaam te
+gedragen, zoodat allen vertrouwen in mij stellen zouden.</p>
+
+<p>Maar Charis, tusschen de maagden, geleidde mij naar het terras in
+het midden der zuilen van de portiek. Er waren daar tapijten gespreid;
+er waren groote kussens gestapeld. En Charis, met de wondermeesters,
+deed er mij zitten, zoo als dezen meenden, dat zij het mij hadden
+geleerd; op mijn achterdeel en met de twee voorpooten gestrekt. Ik deed
+het deftig, als een geleerde ezel het zo&ucirc; hebben gedaan en
+Menedemus en de broeders en de neven lachten. Zij zetten zich om ons
+rond. En Charis vlijde zich aan mijn zij....</p>
+
+<p>&mdash;Bijt hij niet? hoorde ik Menedemus fluisteren tot den oudsten
+wonderdokter.</p>
+
+<p>&mdash;Hij doet geen vlieg kwaad, heer, antwoordde de wonderdokter;
+maar wij hebben dan ook werk aan hem gehad, al die weken, dat wij hem
+hebben verzorgd en geleerd!</p>
+
+<p>En Charis leunde zich liefdevol tegen mij. Hoe gaarne had ik ook
+haar niet aan mijn hart gedrukt. Maar ik had een ezelehart en ik had
+geen armen, maar vier pooten. Gelaten bleef ik dus zitten, sidderend
+van geluk en ontroering en alleen boog ik, bijna teeder, mijn kop over
+haar heen, zijlings met mijn blik van bijna menschelijkheid. Ik hoorde
+de broeders en neven lachen: die menschelijkheid <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1532" href="#xd0e1532">103</a>]</span>trof hen zeker en zij
+dachten natuurlijk, dat zij was aangeleerd en zij vonden haar komiesch
+en vermakelijk.</p>
+
+<p>Maar Charis zeide mij teeder, terwijl zij opzag in mijn menschelijke
+oogen:</p>
+
+<p>&mdash;Mijn lief, ik herken je blik... Van den eersten keer, dat ik
+je zag... Het was bij de poort van Hypata... Het was buiten de stad, op
+den heirweg... Je liep naast mijn draagstoel voort... Je blik, je lieve
+blik staarde mij toe... Ik had je lief, ik had je lief om dien blik...
+Toen... toen verdween je.... O je verdweent!! En een slaaf riep luide
+ons van zijn rijdier toe, dat wie verdwenen was, Charmides heette en de
+zoon was van Lyzias uit Epidaurus! Nooit heb ik je naam vergeten!
+Charmides, Charmides, we&ecirc;r heb ik je gevonden, ik, Charis, de
+dochter van Menedemus uit Hypata!! En wij zijn gelukkig en wij zijn
+verloofd, o Charmides, o mijn Charmides: Charis en Charmides zijn
+verloofd!</p>
+
+<p>In den licht-trillenden morgen klonken onze namen te zamen op,
+terwijl de fluiten trillerden en de cymbels goud schetterend te zamen
+sloegen.</p>
+
+<p>En het blijde feest rondom ons, zalige verloofden, begon! <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1542" href="#xd0e1542">104</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">XII.</h2>
+
+<p>Ik zat naast mijn liefde op een soort van troon vol kussens,
+tusschen de zuilen van het terras en ik geloof, iedereen was wel
+verbaasd, dat een ezel, die gekomen was de Goden wisten van waar, zoo
+wel-opgevoed ter ne&ecirc;r zat, op zijn achterdeel, de voorpooten
+gestrekt en zonder onwelluidend gebalk en het minste onvoegzaam gebaar,
+geheel en al als een goed gedresseerde ezel, terwijl mijn bruid hare
+armen vaak om mijn hals sloeg en zoete woorden tot mij zeide. Om ons
+zaten en lagen op lage bedden Menedemus en zijne zonen en de neven aan
+en terwijl de muziek der fluiten we&ecirc;rklonk, met gouden cymbelslag
+onderbroken, diende een zwerm van slaven ons een maal op, dat zij in
+vaatwerk van goud en vazen van opaalblank kristal voor ons neder zetten
+op lage tafelen. En het gebeurde alles zoo plechtig als bij een
+werkelijke bruiloft. Mijn schotel en drinkschaal waren grooter dan van
+de anderen en de wondermeesters hadden het mij zeer gemakkelijk gemaakt
+pastei te eten en Chios-wijn te drinken en ik at en ik dronk zoo
+mensch-beschaafd, dat&mdash;ik lette het zijlings wel op!&mdash;allen
+er schik in hadden en zich vermaakten en den wondermeesters hunne
+bewondering betuigden, zulk een wonderezel van mij te hebben
+gemaakt.</p>
+
+<p>Voor ons, in den stralenden morgen, glinsterden, zilveren spiegels,
+de vijverplassen hier en daar, bloeiden wijd open de <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1550" href="#xd0e1550">105</a>]</span>witte
+lotusbloemen, weken de bloemevijvers weg naar het wijde verschiet en
+tusschen al die schitterende waters waren de weiden, bespikkeld met
+duizenden madelieven. De olmen en sycomoren vervioletten met vage, in
+licht uitgeveegde kruinemassa&rsquo;s van heel verre boomen en over
+alles zwom de wijde weelde van blauwe, diepste lucht. En over de weiden
+en tusschen de plassen traden de maagden aan en zij dansten er over de
+bloemen en tusschen de bloemen, zoo licht, zoo lucht als nymfen, zoo
+ijl ook en onwezenlijk, als waren zij droomen en de muziek klonk zoo
+ijl en onwezenlijk, als waren de cymbelslagen hoorbare zonneschijn...
+Maar toen ik zoo gelukkig zat, roerloos bijna, met Charis&rsquo; armen
+als een lelieboei om mijn nek en naar de dansende maagden zag, die onze
+verloving vierden, trof mij een onverwacht schouwspel, vreemd als een
+wedergekeerde werkelijkheid. Want tusschen de vijvers liepen op eens,
+in het gloeiende dagelicht, vier bruine jongens aan, naakt en brons, en
+zij slingerden zich twee aan twee om elka&acirc;r als
+Hermes-caducee&euml;n en liepen toen, de twee ondersten op hunne
+handen, de twee bovensten zegevierend de handen omhoog, tot zij, in een
+gestrengeld, ombuitelden en de bovensten op de handen liepen en die
+eerst zoo geloopen hadden zegevierden op hunne beurt. Ik herkende hen
+als de reizende kunstenmakers, die op het herbergplein te Delfi hunne
+kunsten hadden vertoond en van verbazing zat ik te staren, toen
+plotseling ik Demea herkende, met hare beide dansgenooten. Ik had bijna
+wel kunnen balken van verwondering, dat ik Demea hier plotseling
+verschijnen zag, maar vreemd was het toch niet, dat Menedemus de
+reizende kunstenmakers gehuurd had om met hunne spelen de bruiloft op
+te luisteren. Tusschen vader en broeders en neven van Charis, Charis
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1552" href=
+"#xd0e1552">106</a>]</span>zelve aan mijn zijde, zat ik en verwonderde
+mij over de vreemde dingen van het leven en de zonderlinge
+lotsverwisselingen, die den menschen overkomen. Zoo Demea geweten
+hadde, dat zij nu hare acrobatische toeren ten beste gaf voor
+Charmides, die een ezel geworden was en die t&oacute;ch zijne verloving
+vierde met de edelste maagd in Thessali&euml;! Zij liep over een
+koorde, die de twee mannen gespannen hielden over de vijverplassen, de
+bloemoverladen wateren over; zij liep met gazen vleugels aan en in
+gouden looveren omgoten en hare genooten liepen als zij, en omdat de
+koorde vertrilde in het felle licht, scheen het of zij drie libellen
+waren, die zweefden, zweefden want zij liepen heel snel en het was of
+er de koorde niet was. En het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel
+had willen balken, maar ik balkte niet. Toen, plotseling, geleidden de
+twee mannen negen jeugdige ezels naar voren op de weide vlak voor ons
+terras en het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen
+balken, maar ik balkte niet.... Voor mij zag ik de negen jeugdige
+ezels; zij waren getuigd en getooid en zij waren zekerlijk gedresseerd,
+want zij dansten recht-op met Charis&rsquo; maagden en de
+wondermeesters hielden de buiken vast van het lachen en allen lachten,
+maar ik lachte niet en balkte niet en zat slechts verwonderd te
+staren....</p>
+
+<p>Toen zette Charis mij een bloemenkrans van lotuskelken, die zij
+gewonden had, de lange stengelen door elka&acirc;r, op den kop en zij
+leunde tegen mij aan. En zij zeide:</p>
+
+<p>&mdash;Mijn lief! Zie, ginds zijn je schildknapen en zij dansen met
+mijn maagden om onze oogen te verheugen! Zie je, mijn lief, het zijn
+n&eacute;gen schildknapen en zij dansen met negen mijner maagden. Het
+zijn schoone jongelingen, mijn lief, maar zoo schoon als jij is er niet
+een! Niet een is er, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1558" href=
+"#xd0e1558">107</a>]</span>die heeft zoo een lieven kop, rood gepluimd,
+goud-omband en lotus-omkranst; niet een is er, die heeft zulke diep
+blikkende, blauwe oogen; niet een is er, die heeft zulk een zacht
+vochten snoet en zoo een roze, lange tong, of zulke lieve, lange ooren,
+die zoo aardig bewegen heen en we&ecirc;r, heen en we&ecirc;r! En
+niemand heeft er zoo een zilvergrauwe, zijdige vacht en zulke fijne,
+sterke pooten met goud-beslagen, menie-roode hoeven! Te vergelijken,
+mijn lief, ben je met ni&egrave;mand, niet met je schildknapen, niet
+met mijn broeders, niet met mijn neven, die zijn zoo gewoon-menschelijk
+maar, maar jij bent een prins, een vorst, een god, mijn lief; jij bent
+een fabelwezen, een mythe-schepsel, en ik min je, ik min je, mijn lief!
+Wat ik alleen betreur, o mijn heerlijke lief, is, dat je niet spreekt
+tot Charis! Eenmaal slechts heb je mijn naam genoemd en je stem klonk
+me zoo zalig toe in mijn ooren en mijn naam sprak je zoo lieflijk uit
+als niemand hem uitspreekt, mijn Charmides; allen harden klank aan mijn
+naam liet je weg en mijn naam uit je lieven, open bek, doorklonk mij
+met zaligheid! O zeg nog eens mijn naam, zeg nog eens mijn naam,
+Charmides, o mijn lief!</p>
+
+<p>Ik kon het waarlijk niet nalaten. Om Charis genoegen te doen, zette
+ik mij schrap op mijn voorpooten, rekte mijn nek, opende mijn bek en
+riep:</p>
+
+<p>&mdash;Ha.... hi!</p>
+
+<p>Ik hoorde alle de gasten in onuitbluschbaren schaterlach uit barsten
+en zelfs de maagden en slaven en zelfs de kunstenmakers lachten om het
+gebalk van den bruidegom, maar Charis jubelde:</p>
+
+<p>&mdash;Charmides!</p>
+
+<p>En zij omhelsde mij in liefdegeluk en strooide de lotusbloemen om
+mij rond... <span class="pagenum">[<a id="xd0e1570" href=
+"#xd0e1570">108</a>]</span></p>
+
+<p>Zoodra ik echter gebalkt had, schrikte Demea, op het koord.</p>
+
+<p>En afgesprongen, in hare gouden looveren omgoten en met hare gazen
+libellevleugelen, liep zij in grootste verwondering naar ons toe, bleef
+voor onzen troon en tafel staan en blikte mij di&eacute;p in de oogen.
+En nu zag ik, dat zij werkelijk ontstelde en zij riep, als Charis
+geroepen had:</p>
+
+<p>&mdash;Charmides!</p>
+
+<p>Maar Charis schrikte op. En zij riep, hare armen om mijn hals:</p>
+
+<p>&mdash;Wat wil die koorddanseres! Wil zij mij mijns bruidegoms
+liefde ontstelen! Ik ben ijverzuchtig! Ik wil niet, dat zij ons
+nadert!</p>
+
+<p>Maar Demea, die zich herstelde, riep:</p>
+
+<p>&mdash;O, lieflijke bruid, vergeef uw dienares en uw slavin! Ik
+wenschte alleen in het glanzende aanschijn te staren van uw
+onverwinlijken held Charmides, van den roemrijken veldheer, wiens faam
+tot de hoogste luchten we&ecirc;rklonken heeft en tot de verste
+horizonnen! En ik breng hem enkel mijn hulde en roep hem toe: heil
+Charmides!</p>
+
+<p>Zij riep het en allen stemden in:</p>
+
+<p>&mdash;Heil Charmides! Heil den bruidegom!</p>
+
+<p>Bijna had ik gebogen naar links en rechts, maar ik bedacht mij bij
+tijds. En balkte daarom slechts:</p>
+
+<p>&mdash;Hi&mdash;ha!</p>
+
+<p>En allen schaterden het uit en Demea schaterde het uit in mijn
+oogen.</p>
+
+<p>Maar Charis riep:</p>
+
+<p>&mdash;Hij dankt, mijn held, voor uw hulde, o blijde
+feestgenooten!</p>
+
+<p>En zij wierp zich aan mijn hals en nieuwe spijzen en <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1601" href="#xd0e1601">109</a>]</span>wijnen
+werden voor gediend en er was dans van ezels en maagden en fluitmuziek
+en Demea zweefde met de beide andere meisjes over de, in het licht als
+w&egrave;g vertrilde, koorde en de kunstenmakers buitelden....</p>
+
+<p>Toen het feest ten einde was, daalde de zon, immense bloedroode
+schijf aan den einder. De massa&rsquo;s van boomen, de looverkruinen
+vervloeiden te zamen in roodgoudig violet, minder doorschijnend; in
+dichtere schaduw slopen reeds schimmen van nacht.... Over de
+vijverplassen rimpelde in meerderen bries de roode afschijn en brak in
+kabbeling bij kabbeling tusschen de platte lotusbladeren en de blanke
+schalen, die zich, groener in schutsbladen, sloten. Al de veldbloemen
+sloten. Het lusthuis stond overvloeid van rood. En de hemel vervaalde
+in violette schemering.</p>
+
+<p>Flambouwen werden ontstoken. En met zang en muziek werd ik in een
+feeststoet terug geleid. Maar Charis, droevig, fluisterde, hare armen
+om mijn hals:</p>
+
+<p>&mdash;Mijn lief, zij gaan ons scheiden....! Zij huwen ons nog niet,
+zij huwen ons nog niet: vele offers schijnen eerst den goden te moeten
+worden gebracht, opdat geen schaduw over ons geluk kunne vallen! Mijn
+lief, zij gaan ons scheiden!</p>
+
+<p>Ik antwoordde niet, zelfs niet balkende, zelve droevig te
+mo&ecirc;... Wat zoo ik mij bekend maakte! Ik aarzelde. Ik zo&ucirc;,
+ach, onttooverd, niet meer zijn dan een handelsreiziger en Menedemus
+zo&ucirc; mij, onttooverd, verjagen! En nu, dat ik ezel was, bleef ik
+Charis&rsquo; bruidegom. Zonder verdere hoop en verwachting, maar toch,
+toch welke zaligheid nog, in vergelijking met wat onttoovering brengen
+zo&ucirc;. Een ezel, een ezel wilde ik blijven!</p>
+
+<p>En de stoet geleidde mij verder. Niet meer naar een <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1613" href="#xd0e1613">110</a>]</span>stal, maar
+naar een marmerzuilig pavillioen. Tusschen bloemenkransen en
+maagdendans en ezelgetrip en flambouwengeflakker en muziekgeschal
+geleidden zij mij waar vreemdelingen van aanzien, Menedemus&rsquo;
+gasten, gewoon waren te overnachten. Geleidden zij mij binnen een zaal,
+purper behangen.... En weende Charis, scheidende van mij met laatste
+omhelzing en mede gevoerd door vader en broeders, die troostten.</p>
+
+<p>De wondermeesters sloten de zaal. Ik zag om mij rond. Een bed van
+purper, groot genoeg voor mijn ezelleden. Een bad van porfier.
+Bloemenkransen om zuilen. Slaven naderden mij; zij onttuigden mij,
+vroolijk om den bruidegom, die een ezel was en verlieten mij met
+kluchtige huldebuigingen. Ik bleef alleen....</p>
+
+<p>De nacht viel: door de hoog aangebrachte ramen starrelde de
+zomerlucht....</p>
+
+<p>Plots hoorde ik:</p>
+
+<p>&mdash;Charmides!</p>
+
+<p>Een stem riep. Ik zag op. Aan een der hooge ramen had Demea zich
+buiten opgeheschen en keek zij naar binnen in mijn nachtschemerig
+verblijf. En zij riep, fluister-zacht toch:</p>
+
+<p>&mdash;Charmides! Ik heb je herkend! Je bent betooverd! Je bent geen
+ezel maar je bent mijn Charmides, die betooverd werd! Herinner je,
+Charmides, Delfi en den vervallen tempel der Pythia en onze liefde,
+onze brandende liefde! Zie, mijn looverenkeurs is het purper, dat je
+mij gaaft en om mijn hals hangt de valsche maar wonderkrachtige
+peerparel! Charmides, waar is de filter, dien ik je gaf?! O, Charmides,
+Charmides, hoor mij! Ik zal je deur open breken&mdash;sterk ben
+ik&mdash;en ik zal je rug beklimmen en wij <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1627" href="#xd0e1627">111</a>]</span>zullen vluchten van hier
+en ik zal je onttooveren met een heel sterken filter en wij zullen
+gelukkig zijn, ver van de menschen, op de rotsen, in de wouden, op de
+bergen! Ik weet de wondere plaatsen! Charmides, zeg mij, wil je?</p>
+
+<p>Maar ik schudde met mijn kop van neen....</p>
+
+<p>&mdash;Charmides!? Wat? Wil je een ezel blijven, wil je een ezel
+blijven om Charis! O, dwaze Charmides, die eenmaal een man was,
+verliefd op alle vrouwen en nu een kuische ezel is, wien zelfs geen
+simpele ezelin bekoort! O, dwaze Charmides, o domme ezel, die
+zelfvoldaan vertoeft in een marmeren pavillioen bij een bad van porfier
+en een bed van weelderige kussens.... Kom tot inkeer! Knik van ja! Dat
+ik je deur open zal breken!? Dat wij, ik op je rug, vluchten zullen van
+hier! Dat ik je onttooveren zal! Dat je mij lief hebt, Charmides, als
+een man, die je we&ecirc;r worden zult, en dat je niet Charis lief
+hebt, voor wie je nooit anders dan een ezel zal blijven, dwazelijk
+getuigd als een bruidegom, die nooit gemaal, nooit gemaal zal worden!
+Charmides, Charmides, knik!</p>
+
+<p>Ik knikte niet, ik schudde mijn kop van neen.</p>
+
+<p>&mdash;Vervloekte Charmides! riep woedend Demea. Blijf dan een ezel,
+jij ezel, die je bent, ezelachtige ezel!!</p>
+
+<p>En met een hoongelach glipte zij weg.... <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1639" href="#xd0e1639">112</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">XIII.</h2>
+
+<p>&mdash;Vader, waarom huwen wij niet?</p>
+
+<p>Zoo klonk Charis&rsquo; stem, een avond vol van zomerweemoed. Hare
+arm lag, blank, rond en meisjesjong over mijn nek, waar ik stond in de
+weide en speelsch met mijn bek de halmen en lang opgeschoten
+veldbloemen trok. Charis speelde vaak met mij en hare verwanten prezen
+mij, dat ik een zeer tamme ezel was. Want dikwijls liep Charis voor mij
+weg en moest ik haar achtervolgen en zij lachte als een kind en ik
+achtervolgde haar dan, hield mijn draf in, om haar langer van het spel
+te doen genieten en dan, eindelijk, haalde ik haar in en greep zacht
+tusschen mijn tanden den slip van haar sluier. En zij gaf zich dan
+gewonnen en leunde, lachende, tegen mij aan en kuste en bekranste mij,
+omwond mij met bloemen. Hare maagden dansten om ons rond en wel eens
+zette zij zich op mijn rug en ik liep in een cirkel over de weide,
+terwijl Charis jubelde van pleizier. Of ik lag in het lange gras,
+sierlijk en voegzaam en zij zette zich naast mij, zei lieve woordjes en
+vertelde mij fabels. En hare handjes streelden mijn kop, gleden mijn
+ooren langs, die zij wenschte heen en we&ecirc;r te zien bewegen, het
+eene hoog-op, het andere hangende en dan we&ecirc;r beurtelings het
+eene hangende, hoog-op het andere en zij lachte, hare lieve oogen diep
+in mijn oogen....</p>
+
+<p>&mdash;Zeg dan, vader, herhaalde Charis; waarom huwen wij niet?
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1649" href=
+"#xd0e1649">113</a>]</span></p>
+
+<p>Om Menedemus stonden de wondermeesters, de broeders, de neven. En
+zij fluisterden me&ecirc;waardig onder elka&acirc;r en ik hoorde
+Menedemus tot de wondermeesters zeggen:</p>
+
+<p>&mdash;Wanneer onttoovert ge mijn dochter dan eindelijk, dat zij
+ziet, dat zij verliefde op een ezel, verloofd is met een ezel?</p>
+
+<p>En de wondermeesters schudden bedenkelijk met de hoofden en de
+Frygische mutsen. Maar Charis weende en op een teeken van de
+wondermeesters, die meenden, dat zij het mij hadden geleerd, liep ik,
+dansende, in het rond, sierlijk met goud-beslagen, rood geschilderde
+hoeven, zettende den een voor den ander. Toen lachte Charis we&ecirc;r
+en de maagden dansten om mij en zij zelve danste mede.</p>
+
+<p>En zij vonden mij allen een bewonderenswaardige, goed gedresseerde
+prachtezel, zoo tam en die geen vlieg kwaad zo&ucirc; doen en vooral
+niet zijn lieve bruid Charis, maar aan huwelijk was niet te denken! En
+daarom was ik zelve ook vaak wanhopig, wanneer ik dacht aan mijn
+betoovering, aan mijn herschepping en tevens overpeinsde, dat, zoodra
+ik herschapen in een man en onttooverd zo&ucirc; zijn, ik niet meer dan
+een handelsreiziger zijn zo&ucirc;, Charis niet evenboortig, als hare
+neven waren, zoo dat mijn zalig geluk gedaan zo&ucirc; zijn! O, hoe
+lang zo&ucirc; het nog duren! Nog nooit had ik zoo lief gehad, zoo
+innig, zoo teeder en zoo geduldig. Ezel, voelde ik mij bijna gelukkig,
+als ik nog nimmer geweest was.</p>
+
+<p>Dien middag, dat Charis sliep, door de maagden in slaap gezongen
+onder een dicht rozen-begroeid traliewerk&mdash;de witte rozen hingen,
+de trali&euml;n langs, langs haar heen&mdash;zag ik haar, van uit de
+weide, met liefde, geluk en weemoed aan. Zomerzonneschijn golfde
+omlaag. En toen dwaalde ik verder tusschen de vijverplassen, die
+blonken en blikkerden goud en blauw, overbloeid met de ontlokene
+bloemen. En <span class="pagenum">[<a id="xd0e1660" href=
+"#xd0e1660">114</a>]</span>naderde het altaar van Venus-Afrodite
+tusschen het roode-rozenbosch. De godin rees marmer en wonderschoon
+achter haar altaar in de purperen schaduw. Het boschje zoemde vol van
+verliefde vliegjes, die dansten. De duiven, die er nestelden,
+klapwiekten er uit op en zilverden over de stralende lucht. En ik boog
+de voorpooten; ik knielde ne&ecirc;r. En ik bad:</p>
+
+<p>&mdash;Heilige godin, bad ik. Wees mijn toeverlaat, wees onze
+toeverlaat! Help ons! Charis, betooverd, heeft in mijn ezelvorm lief
+Charmides, dien zij z&agrave;g, een, twee seconden naast haar
+draagstoel, op den heirweg, bij de poort van Hypata. Groote godin, help
+ons! Niet alleen zilverasters kunnen mij helpen! Misschien helpen uw
+roode rozen mij beter!</p>
+
+<p>En, ezel, lag ik geknield voor de godin. En wat ik Charis nooit had
+durven doen, deed ik de godin: ik kuste met mijn ezelsnoet haar den
+marmeren voet. Ik brak teeder met mijn tanden enkele harer rozen af en
+legde de bloemen op haar altaar, opdat zij in meerderen geur van
+vereering zouden uit bloeien aan haar voet....</p>
+
+<p>En ik dwaalde terug. Er was het blijde feest, als er iederen middag
+was met mijn bruid; er was het uitgezochte maal en de dans en de
+muziek....</p>
+
+<p>&mdash;Vader, waarom huwen wij niet...? hoorde ik wederom Charis
+vragen.</p>
+
+<p>Maar mijne dienslaven geleidden mij terug tot het pavillioen. Uit
+vertrouwen en zorgeloosheid lieten zij den laatsten tijd de deur open.
+Zij waren zoo gewend in mij te zien een wonderlijk tammen, goed
+gedresseerden ezel, een ezel, die menschelijk at en aan lag, een ezel,
+die speelde met hunne jonge meesteres, een ezel, die zich nooit
+onvoegzaam <span class="pagenum">[<a id="xd0e1672" href=
+"#xd0e1672">115</a>]</span>gedroeg, die als een mensch zijn pavillioen
+bewoonde. Zij lieten mij doen als ik wilde....</p>
+
+<p>De nacht was zwoel, of onwe&ecirc;r dreigde. Ik kon niet slapen, op
+mijn weelderige kussens. Ik legde mij op het koele vloermoza&iuml;ek,
+mijn ezelebruin vol mensche- en mannegedacht. Ik stond we&ecirc;r op en
+trad uit het pavillioen. Ik dwaalde over de weide. Ik zag naar den
+hemel. In der daad, zware wolken dreven aan uit het Noord-Westen....
+Zij ontrolden, naderende, als een dikke rook.... Zij bedekten geheel
+den hemel.... Plotseling...! Plotseling zag ik in de rollende wolken
+menschengezichten....</p>
+
+<p>Heksen? Gedrochten? Helsche wezens? Ik verborg mij in het dichtste
+struikgewas onder zwarte steeneikenbladeren. Ik zag toe, ik luisterde
+toe....</p>
+
+<p>Drukkend, maar anders dan van naderend onwe&ecirc;r, rolden de
+wolken nader.... Overdekten nu geheel de lucht boven het landhuis....
+Waren als &eacute;en wolkende nacht over de weiden.... Van nachtkim tot
+nachtkim.... En omsloten met de bergen weiden en woning als in een
+knellenden, vijandigen cirkel....</p>
+
+<p>Ik hoorde stemmen.... De stemmen, zij sisten en suizelden als met
+slangegeschuifel, daar boven, in de dichter broeiende wolken.... En het
+was als een onwe&ecirc;r, hoewel het geen onwe&ecirc;r was. Zeker
+zouden de bewoners van het landhuis denken aan onwe&ecirc;r. Maar ik,
+ik wist reeds genoeg van de onheilige dingen van Thessali&euml; om te
+weten, dat dit geen onwe&ecirc;r was.... Ik spiedde uit, uit mijn
+schuilhoek. En plotseling verduidelijkten zich hel in felle
+sulfergloren, die als we&ecirc;rlicht schenen, de tronies der
+aangezweefde, demonische schepselen, bleek, grijnzend, dreigend. En
+door het schuifelen en suizen en sissen heen, verstond ik de <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1682" href=
+"#xd0e1682">116</a>]</span>woorden, die we&ecirc;rklonken van uit de
+rollende wolk, die woelde boven de wereld....</p>
+
+<p>&mdash;Zeg ons, heer, uw wil! Zeg ons, machtige Chersonezus, uw
+machtigen wil...! Gehoorzaam zullen wij uw wil volvoeren, wij geesten
+van de lucht....</p>
+
+<p>&mdash;Wij geesten van het water...!</p>
+
+<p>&mdash;Wij, van het vuur...!</p>
+
+<p>&mdash;Wij, van de aarde...!</p>
+
+<p>&mdash;Wij, &agrave;llen, elementen, waar over gij heerscht, o
+machtige Chersonezus! Zeg ons uw wil!!</p>
+
+<p>En het donderde en het we&ecirc;rlichtte, of was het enkel het
+rollen der wolken en dringen der dreigende geesten en de sulfergloor
+van hun atmosfeer, die telkens hel op vlamde tusschen de dichter en
+dichter aankrullende dampen? Maar een vreeslijke stem, machtig,
+we&ecirc;rklonk....</p>
+
+<p>&mdash;Heilige goden van Eleuzis! bad ik. Bewaar wie mij dierbaar
+is!!</p>
+
+<p>....&mdash;Heft geh&eacute;el dat verdoemde huis in de lucht, als
+ware het niet meer dan een pluim, die op waait in den wind. En stort
+het dan ne&ecirc;r op de aarde! Vernietigt het, verdelgt het met
+aardbeving en stormgeweld en met vlammen! En doet tusschen die
+verdelgingen Charis alleen behouden blijven, zoo dat zij tusschen de
+puinhoopen aan mij is en ik haar ontvoer door de luchten!</p>
+
+<p>Een vreeslijk warrelen en woelen begon. Bijna had ik luide gebalkt
+van ontzetting. Ik balkte echter niet en onder de zwarte schaduwen en
+tusschen struikgewas en struweel, sloop ik terug. Ik glipte over de
+padden, die angstiglijk brulden. Ik struikelde over de slangen. Ik wist
+niet of zij dieren waren, gunstig aan Chersonesus of ongunstig. Over de
+weide sloop ik onder het razender en razender rumoer in <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1702" href="#xd0e1702">117</a>]</span>de luchten,
+sloop ik, staart tusschen de pooten, glipte ik tusschen de waaiende
+halmen....</p>
+
+<p>&mdash;Goden van Eleuzis! Doet mij onzichtbaar zijn!</p>
+
+<p>.... Sloop ik terug en bereikte het landhuis.... Boven mij scheen de
+storm al zijn geweld in &eacute;en woesten draaikolk samen te mengen
+als een heks haar brouwsel hadde gemengd in een immensen, zwarten
+ketel. Lichtende vlerken waren niet meer dan schichtende
+bliksemflitsen.... Ik naderde de zuilenrijke portieken, die angstig
+opblankten, telkens, dat de bleeke gloren op gloeiden.... Ik rende nu
+de portieken door, ik rende tot voor het raam van Charis&rsquo; eigene
+kamer.</p>
+
+<p>Niemand bewoog in huis? Sliepen zij allen, trots het vreeslijk
+geweld, rond kolkende om in de nacht boven het huis, of waren zij
+reeds, v&oacute;or hunne verdelging, betooverd? Niemand bewoog. Maar
+voor het raam van Charis hield ik stand....</p>
+
+<p>&mdash;Hi-ha! balkte ik.</p>
+
+<p>Niemand antwoordde en mijn gebalk verloor zich in den rond
+donderenden storm.</p>
+
+<p>&mdash;Ha-hi! balkte ik, als ik het kon, Charis&rsquo; aangebeden
+naam. Ha-hi!</p>
+
+<p>Ik stiet met mijn snoet tegen de luiken.</p>
+
+<p>&mdash;Ha-hi!! balkte ik steeds en van overspanning, eindelijk,
+balkte ik:</p>
+
+<p>&mdash;Cha-i! Cha-is! Ch&agrave;-ris!!!</p>
+
+<p>De luiken werden ge-opend. Charis, het blonde haar los om de
+schouders, verscheen, z&oacute;o blond, zoo blank in haar blanke
+gewaad....</p>
+
+<p>&mdash;Charmides! kreet zij. Mijn lieveling! Wat is er!? De storm
+barst los! En ik ben bang, ik ben b&agrave;ng! Hoor dien ronden donder
+draaien en rommelen blijven boven het huis! Zie de felle lichten!
+Charmides, o bescherm mij! Iedereen <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1726" href="#xd0e1726">118</a>]</span>slaapt in diepsten slaap!
+Mijn vader, mijn broeders, mijn neven, de maagden, de slaven!
+Charmides, het aardbeeft! Vader! Broeders! Neven! Is dood dan iedereen
+al!?</p>
+
+<p>&mdash;Charis! balkte ik....</p>
+
+<p>....En in mijn overspanning spr&agrave;k ik en riep, wijd mijn bek
+open naar Charis:</p>
+
+<p>&mdash;Be...stij...g... mijn... rr...ug!!</p>
+
+<p>Charis begreep; zij slaakte een gil, bijna van vreugde: zij klom op
+de raampost; vl&agrave;k tegen den muur hield ik mij gedrukt; zij wierp
+zich op mij....</p>
+
+<p>&mdash;Sla... om... mijn... nek... je armen!</p>
+
+<p>Zij sloeg hare armen om mijn nek. En ik holde voort, de portieken
+door.... Het aardbeefde, het aardbeefde vreeslijk.... En ik holde voort
+ter zij van het huis, maar het scheen te trillen, en te bewegen.... Ik
+holde voort, op het gevoel af, want het was inkt-donker om ons, een
+duisternis, die alleen de sulfergloren bleek op lichtten, telkens.</p>
+
+<p>Dan vergewiste ik mij, dat ik goed draafde, over de weilanden,
+tusschen de vijvers, naar de heiningen. Mijn draf scheen niet te worden
+bespeurd, door de helsche geesten, die al hunne machten samen stuwden
+boven het huis. Eens dat hunne bliksems flitsten, zag ik om.... En ik
+zag, o verschrikking, het geheele huis met zijne portieken, die
+wankelden, in de lucht zich verheffen, als in een vreemd vizioen, maar
+dat waarheid was: ik zag het prachtige landhuis sidderen op zijne
+grondvesten tusschen de wolken, waarin het gelicht werd en die het als
+een zwart stormende zee omdrongen; ik zag het toen storten in
+&eacute;en, met brokkelende zuilen, die even nog op glansden in de
+gloren der helsche flitsen, ik zag het toen vernietigd, een wrak
+gelijk, uit-een drijven op den steeds kronkelenden damp... <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1742" href="#xd0e1742">119</a>]</span></p>
+
+<p>Bij het einde der weilanden, op de zelfde plek, waar Charis mij had
+binnen geleid, sprong ik over de heining, draafde ik langs de rivier,
+even slechts te raden met huiverig bleeken afglans, draafde ik, draafde
+ik voort, Charis steeds liggende over mijn rug, hare armen vast om mijn
+nek. Hoe lang ik draafde? Ik weet het niet! Waarheen ik draafde? Ik
+wist het niet. Ik draafde slechts, draafde slechts: ik draafde
+denkelijk de geheele nacht. Somber bleef de nacht maar de storm, de
+duivelsche storm, had alleen zijn kring getrokken rondom het domein van
+Menedemus, en wij waren dien tooverban uit.</p>
+
+<p>&mdash;Goden van Eleuzis! bad ik telkens. Goden van Eleuzis! Behoedt
+ons allen!</p>
+
+<p>En in de donkere nacht draafde een onzichtbaar grauwe ezel met de
+witte vlak van een blonde maagd op zijn rug voort, langs de bleeke
+rivier, onder de wind-doorzwiepte boomen. Tot ik, uitgeput, omzag, stil
+hield.... Achter ons verdiepte de nacht, voor ons schemerde door de
+vale sluiers het allereerste dagebegin. Een wand van rotsen piekte voor
+ons op.... Maar ik had Charis gered!</p>
+
+<p>Zij gleed van mijn rug op het mos, half bezwijmd.... Zij strekte de
+armen nog naar mij uit.... Ik viel voor haar ne&ecirc;r, ik wilde haar
+omhelzen, haar drukken aan mijn hart.</p>
+
+<p>Maar ik herinnerde mij dadelijk na, dat ik een ezel was... En ik
+bleef op mijn voorpooten geknield, aanbad mijn geliefde en wilde haar
+roepen bij haar zoeten naam....</p>
+
+<p>Maar verloren had ik mijn menschestem, die mij uit wanhoop
+&eacute;en oogenblik scheen terug geschonken en ik balkte slechts rauw
+mijn ruigen ezelskreet....</p>
+
+<p>Die tegen de rotsen, we&ecirc;recho&euml;nd, brak.... <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1757" href="#xd0e1757">120</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">XIV.</h2>
+
+<p>De morgen straalde. Ik zag om mij rond. De rivier aan den rand van
+het woud en den weg, overschaduwd door takken en bl&acirc;ren.... Maar
+dan, ter zijde, het rotsgebergte. Het was piek bij piek, die uit stak;
+hoogere en lagere rotsen stonden verwonderlijk recht de lucht in, als
+met een leger van bijna regelmatige pieken; zij schenen als
+menschelijke monumenten te rijzen, als een stad van steen, als een
+massa van vreemde torens, maar zij waren enkel het werk der natuur; zij
+staken hunne hemelhooge monoliethen, hun steile, gladde gevaarten met
+ontzaglijke kegels op in de blauwste lucht; sommigen schenen wel
+naalden zoo scherp in de verte en verschemerden in het rozige
+lichtwaas. Twee arenden vlogen er over heen....</p>
+
+<p>Toen boog ik mijn kop naar Charis. Zij sloeg juist de oogen op en
+zij riep, angstig:</p>
+
+<p>&mdash;Mijn lief, waar zijn wij?</p>
+
+<p>Ik wist niet hoe haar te antwoorden, bang haar met mijn rauw gebalk
+te verschrikken. Maar zich richtende op de knie&euml;n, herhaalde
+zij:</p>
+
+<p>&mdash;Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?</p>
+
+<p>En zij sloeg de armen om mijn nek.</p>
+
+<p>&mdash;Zoo lang heb je gedraafd, zoo ver heb je mij gevoerd, weg van
+mijn vader en van mijn verwanten en mijn maagden zijn niet om mij heen!
+Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?</p>
+
+<p>Ik kuste haar met mijn snoet de hand, ik likte haar de <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1777" href="#xd0e1777">121</a>]</span>palm, maar
+ik wist niet haar te antwoorden. En zij rees plotseling op. Zij zag
+zich in haar witte kleed, met hare lange, blonde haren los, zonder
+mantel of gordel of sluier en zij begon luide te schreien en riep, dat
+zij wilde naar huis. Bedenkende hoe ik haar troosten kon, plukte ik
+gele en blanke veldbloemen met mijn tanden af en wierp ze op om haar
+heen. Zij lachte als een kind, zette zich neuri&euml;nde en begon de
+bloemen te vlechten en ons met de bladeren te versieren. Ik draafde om
+en om, om haar te vermaken en den krans, dien zij gevlochten had, zette
+zij mij om de lange ooren heen, die zij zoo gaarne heen en we&ecirc;r
+zag bewegen. Dan scheurde de krans en viel af en zij hervatte haar
+werk, terwijl ik de grashalmen graasde....</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb honger! riep zij op eens, als een kind.</p>
+
+<p>Wanhopig zag ik rond. Waar heen zo&ucirc; ik Charis voeren? Dit
+eenzame woud, dat wij waren uitgedwaald in de nacht; deze stroom, dien
+ik niet wist of hij de Sperchius was en waar langs ik niet wist
+w&agrave;ar te geraken en dan die vreemde rotsenmassa, die zonderlinge
+natuurspeling van dat oppiekende, -piekende rotsgebergte, dat, nu
+klaarder het licht werd, scheen te rijzen, eindeloos te rijzen, dat
+scheen te pieken, op te pieken tot den verren horizon toe.... En zoo ik
+ook iets nog geweten hadde van woud en stroom en rots, wat zou ik ook
+hebben kunnen aanvangen met een te&ecirc;re, onnoozele en betooverde
+jonkvrouw, gewoon aan de liefdevolste en te gelijker tijd weelderigste
+zorgen, gewoon aan rijke kleederen, aan kostbaar huisraad, aan
+uitgezocht voedsel en steeds omringd door een schaar dienaressen, die
+haar omzongen, omdansten, elk van haar wedijverend met Charis in
+schoonheid? Hier ving ik den nieuwen dag en het nieuwe leven aan,
+bemind en minnende en samen, alleen <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1786" href="#xd0e1786">122</a>]</span>met mijn bruid, zonder iets
+voor haar te kunnen doen, dan haar te dragen op mijn rug! O, hoe
+wanhopig zwol op eenmaal in mij het late berouw, dat ik, onbezonnen,
+omdat ik beminde, mij niet als eveneens betooverd had bekend willen
+maken, door met mijn poot een paar letters in het zand te schrijven,
+zoo dat de wondermeesters mij zilverasters hadden kunnen zoeken en ik
+op nieuw we&ecirc;r mensch en man ware geworden. D&agrave;n ware ik weg
+gejaagd, ik koopmanszoon, wien Menedemus nooit zijn dochter van
+vorstelijke geboorte als vrouw zo&ucirc; willen afstaan, maar dan hadde
+ik beschikking gehad over onmisbare, menschelijke hoedanigheden; dan
+hadde ik misschien, wie weet, zoo niet op mijn rug, Charis geschaakt in
+mijn armen, dan ware ik met haar gevlucht en hadden wij ons geluk
+ergens in stille zaligheid kunnen verbergen, terwijl nu...! Wat ving ik
+met mijn geliefde aan!? Zij was wederom in schreien en snikken
+uitgebarsten; zij liep handen wringende om; zij wilde niet meer met de
+bloemen spelen.... Ik deed haar de vlinders op letten, die fladderden
+om ons rond, maar zij lette de vlinders niet op, de goudvisschen, die
+snel schoten den stroom af als zonneflikkeringen, maar zij lette de
+visschen niet op en zij klaagde, de armen om mijn hals en smeekte mij
+haar terug te voeren naar huis. Zoo dat ik, met mijn goud-beslagen hoef
+schreef in het zand:</p>
+
+<p>&mdash;Zet je dan we&ecirc;r op mijn rug...</p>
+
+<p>Zij lachte door hare tranen en klapte in de handen, om dadelijk
+me&ecirc;warig te klagen, dat ik mijn stem in den oorlog verloren had!
+Maar zij juichte, dat ik nu schreef en zij wierp zich op mijn rug en
+zat tevreden, half liggende, hare armen om mijn nek. Bekranst en
+versierd wij beiden met bloemen en bl&acirc;renfestoen, liep ik met
+Charis den rotsberg om, langzaam.... <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1792" href="#xd0e1792">123</a>]</span>Honger had ik niet, daar ik
+grazen kon en geen wijn en pastei behoefde, maar Charis klaagde op eens
+we&ecirc;r:</p>
+
+<p>&mdash;Charmides.... Ik heb honger!</p>
+
+<p>Ik wist wel, zij l&eacute;ed nog geen honger, maar toch zwol de
+wanhoop we&ecirc;r in mij op.... Waar vond ik voedsel voor mijn
+bruid...? Tot ik plotseling, opener het woud en de zon gestegen, een
+vruchten dragenden appeleboomgaard bespeurde en ik blijde het zette op
+een draf. Charis, van pleizier, juichte op en in den stralenden
+zomermorgen liep daar een ezel, met een schoone maagd op zijn rug,
+beiden vertuit met bloemen en bl&acirc;ren als voor een herdersfeest,
+den rood doorappelden bongerd te moet.... En tusschen de boomen doolde
+ik met Charis langzaam voort en zij plukte de appelen, die laag hingen
+en ik at de appelen, die, overrijp, waren gevallen over den grond in
+gras en madelieven en mos. En een oogenblik gevoelde ik, dat wij beiden
+zalig gelukkig waren. De morgen, de zon, het gras, de appelen, onze
+kransen, wij beiden te zamen alleen, terwijl alleen de vogelen om ons
+twetterden, de vlinders in liefde fladderden, de mugjes als genstertjes
+schitterden: me&eacute;r was er niet, maar dit oogenblik was dat alles
+genoeg van geluk voor de beide betooverden, voor Charis, die verliefd
+op haar ezel was, voor Charmides, den verliefden ezel, op wien Charis
+verliefd was geworden. En ik dwaalde met Charis den bongerd door, ik
+steigerde speelsch of sloeg met de achterpooten uit, ik balkte zelfs
+Charis&rsquo; naam, zoo als ik het kon en de roode appelen lokten,
+honderden, om ons heen....</p>
+
+<p>Zoo gingen de uren voorbij en vergaten wij beiden, dat wij geen
+toekomst voor ons zagen, en had Charis haar honger gestild, en haar
+dorst gelescht aan een beek en toen, van ons spel moede, zich
+ne&eacute;r gelegd in het vliegjes-doorzoemde <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1800" href="#xd0e1800">124</a>]</span>lommer, waar ik, in het
+mos gelegerd, had gewaakt over haar sluimering. Maar nu, in de
+middagstilte, begon de zorg, op nieuw in mij gewekt, om te zien naar
+een uitkomst. Ik spiedde uit links en rechts en speurde geen
+menschelijk wezen. Als een witte oven gloeide het piekende rotsgebergte
+door de appelboomen heen en vertrilde tegen de stralende zomerlucht...
+Wat zo&ucirc; die verdere dag, wat zo&ucirc; die nacht ons brengen? Hoe
+geheimvol onbekend was ons de naaste seconde! Hoe zo&ucirc; ik verder
+Charis kunnen behoeden, ik, een ezel op mijn gouden hoefijzers, voor
+wilde beesten en saters, voor heksen, voor alles wat de geheimnisvolle
+nacht met zich me&ecirc; voert en ho&egrave; voor honger, ellende,
+armoede! Alleen met mijn bruid in het woud, had ik &eacute;en oogenblik
+kunnen vergeten, tusschen bloem en spel en ooft, dat wij beiden
+betooverd waren en aan zware levensbeproeving bloot gegeven, nu de
+middagstilte suisde om Charis&rsquo; slaap en ik waakte, wekte de
+wanhoop op nieuw zich in mij.</p>
+
+<p>Tot ik meende tusschen de bladeren geritsel te hooren. Ik spiedde
+uit en werkelijk zag ik mannen sluipen.... Zo&ucirc; ik balken,
+zo&ucirc; ik mij bekend maken als Charmides, de betooverde zoon van
+Lyzias van Epidaurus, die met Charis, Menedemus&rsquo; dochter,
+gevlucht was, van het instortende landhuis weg? Bijna meende ik, dat
+dit het verstandigst zijn zo&ucirc;, toen ik begreep aan der mannen
+uitzicht, dat zij roovers waren! Ja, zij waren roovers; geen armoedige,
+barre, we&ecirc;rzin en afgrijzen wekkende wilde-mannen des wouds, als
+mij hadden gestolen uit de houthakkershut, maar wel twintig, dertig
+groote, sterke, gewapende roovers in korte mantels gehuld en met groote
+hoeden op.... Zij slopen wel tusschen het lagere
+hout&mdash;vermoedelijk om niet langs den heirweg <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1804" href="#xd0e1804">125</a>]</span>te
+gaan&mdash;maar zij praatten toch en lachten zelfs onder elka&acirc;r,
+als of zij hier thuis en bekend waren. Zekerlijk was deze afgelegen,
+prachtig gekweekte appelebongerd, die wij geplunderd hadden, hun
+eigendom! Toch, roovers, zoo ik bekend mij maakte, zouden misschien mij
+zilverasters kunnen zoeken en ik zo&ucirc; voor losprijs mijzelven
+we&ecirc;r worden.... Roovers zouden voor losprijs Charis vrij zeker
+laten.... Bliksemsnel bedacht ik dit alles, tevens beducht of zij ruw
+geweld mijn aangebeden bruid zouden kunnen doen.... Tot ik hunne
+woorden hoorde:</p>
+
+<p>&mdash;Deze nacht dus?</p>
+
+<p>&mdash;Ja, <span class="corr" id="xd0e1810" title="Bron:
+be&acirc;amde">bea&acirc;mde</span> wie hun hoofdman scheen. Het
+landhuis van Menedemus....</p>
+
+<p>&mdash;Het omsingelen...?</p>
+
+<p>&mdash;Ja en zijn dochter schaken....</p>
+
+<p>In ontzetting was ik opgerezen. Ik begreep, dat zij niet wisten, dat
+Menedemus&rsquo; landhuis was behekst geworden, in de lucht geheven,
+vernietigd! Ik begreep, dat zoo zij het op Charis voorzien hadden, een
+hun gunstig noodlot Menedemus&rsquo; dochter op hun weg had gevoerd! Ik
+begreep, dat geen tijd te verliezen was....</p>
+
+<p>&mdash;Cha-i! stiet ik mijn bruid aan met mijn trillenden snoet.</p>
+
+<p>Zij ontwaakte, wilde mij omhelzen, maar dadelijk beduidde ik haar,
+door te knielen, dat zij op zo&ucirc; stijgen. En zij steeg op. En
+juist toen de roovers in den bongerd verschenen, draafde ik weg, naar
+de rivier terug.</p>
+
+<p>De mannen bleven bevangen staan. Het moest ook dien ruwe klanten als
+een tooverbeeld, niet eigen der werkelijkheid, gelijken, hoe daar een
+prachtige, zilver gevachte ezel, op glinsterend beslagen, roode hoeven
+weg draafde met een <span class="pagenum">[<a id="xd0e1825" href=
+"#xd0e1825">126</a>]</span>blanke, blonde maagd over zijn rug, hare
+armen om zijn nek en beiden versierd met bloemen en bladerfestoenen,
+die nu af van hen vielen. Zij moesten wel denken aan een nymf uit het
+woud, aan een goddelijk wezen, een onwaarschijnlijken ezel berijdend,
+in het stralendste zonnelicht, tusschen de gelooverde en be-appelde
+schaduwvallen, dravende naar de rivier, waar zij zeker in een mist aan
+hun oog zouden worden onttrokken! En ik draafde door.... Maar de
+mannen, wat ook hunne verbijstering hun had voor gegoocheld, waren ons
+reeds met wijde passen achtervolgd.... Ons inhalen zouden zij zeker
+niet, was ik mij overtuigd, terwijl ik hupte over steenen en boomtakken
+en Charis juichte om den rit, niet wetende welk gevaar dreigde. Tot
+plotseling, tusschen de rivier en ons, andere mannen op doken, komende
+van den tegenovergestelden kant. Zij riepen elkander toe: de eersten
+riepen den anderen toe, dat zij zich zouden verspreiden en ons tegen
+houden. En in der daad, zij verspreidden zich in een wijden cirkel, te
+zamen zeker een veertigtal roovers. Te vergeefs trachtte ik hier
+tusschen hen weg te komen, trachtte ik da&agrave;r tusschen hen te
+ontvluchten: zij sloten dichter hun cirkel en ik zag geen uitgang meer
+en zij grepen mij aan snoet, aan staart, aan manen. Ik steigerde, ik
+sloeg met de achterpooten uit, ik poogde hen, woedend, te bijten: wat
+kan &eacute;en ezel tegen veertig Thessalische roovers! Luide hoorde ik
+Charis van ontzetting jammeren, maar er was niets aan te doen: de
+mannen omringden ons en de hoofdman Charis, die van mijn rug af
+gegleden was, op beurende, riep:</p>
+
+<p>&mdash;Schoone jonkvrouw, die op uw ezel vluchtte, gij zijt aan ons
+en de kostbaarste buit, dien Hermes-Mercurius, onze god, ons ooit
+gunde! <span class="pagenum">[<a id="xd0e1829" href=
+"#xd0e1829">127</a>]</span></p>
+
+<p>Ik had geen tijd mij te verbazen, dat roovers den zelfden god
+vereeren als eerlijke kooplieden in parels en purper: trillende stond
+ik op mijn hoeven.</p>
+
+<p>&mdash;Een sterke, mooie ezel! prezen de roovers, mij slaande vol
+hartelijkheid op de schoft. Een dappere ezel! Een flinke ezel! En een
+edele, wonderschoone maagd, die hem berijdt!</p>
+
+<p>&mdash;Wie zo&ucirc; zij zijn? vroeg de hoofdman.</p>
+
+<p>De roovers wisten het niet.</p>
+
+<p>&mdash;In alle gevallen een aanzienlijke maagd, die ons zal
+troosten, mochten wij Menedemus&rsquo; dochter heden avond niet kunnen
+ontvoeren, zei de hoofdman. Jonkvrouw, berijd we&ecirc;r uw ezel.
+Schrei niet en jammer niet meer: wij wenschen geen kwaad u te doen.</p>
+
+<p>En hij dwong Charis mijn rug wederom te bestijgen en zij zette zich,
+maar luid snikkende:</p>
+
+<p>&mdash;Mijn bruidegom! Mijn Charmides, red mij!!</p>
+
+<p>&mdash;Ver is uw bruidegom, meende de hoofdman; en zijn vrouw zult
+ge zoo gauw niet worden!</p>
+
+<p>En zij voerden ons terug, door den appelebongerd: er was niets te
+doen dan voort, met mijn bedroefden last, tusschen hen mede te
+stappen...</p>
+
+<p>Toen, omdat ik Charis noch redden, noch zelfs te troosten wist,
+balkte ik wanhopiglijk luid uit naar den stralenden zomerhemel. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1850" href="#xd0e1850">128</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">XV.</h2>
+
+<p>Tusschen de roovers stapte ik nu voort, schreiende Charis op mijn
+rug, den bongerd door, dan een eikenwoud door, tot wij naderden den wit
+gestoofden wand van het rotsgebergte, dat als een vreemd kasteel,
+immens en duizend malen getorend, op rees. En verwonderde ik mij, waar
+zij ons henen leidden.... Tot de rooverhoofdman zeide:</p>
+
+<p>&mdash;Jonkvrouw, schrei nu niet langer. En duld, dat ik mijn mantel
+u over het gezicht sla, want ge moogt niet zien, waar wij u brengen.
+Vrees echter niets, geen kwaad zal u geschieden en ik wensch alleen
+losgeld van uw ouders of verwanten te ontvangen; zoo dra ge ons de
+noodige inlichtingen hebt gegeven, zullen wij ons in verbinding met hen
+stellen en wil ik hopen, dat ge spoedig, met uw ezel, we&ecirc;r vrij
+zijt.</p>
+
+<p>Zijn toon was zoo hoffelijk, dat werkelijk Charis haar jammeren
+staakte en duldde, dat hij zijn mantel haar over het gezicht wierp.
+Onderwijl lette ik alles goed op en had ik ook e&eacute;n oogenblik
+gedacht mij aan de roovers bekend te maken, ik zo&ucirc; nu wel
+oppassen dat te doen; een ezel blinddoekten zij niet, als zij een man
+hadden gedaan, een ezel lieten zij vrij rond blikken en op letten....
+En ik lette op, terwijl wij langs den heeten wand van het gebergte
+trokken,&mdash;het stond soms als met kalkwitte, brokkelige tafelen
+op&mdash;dat deze roovers, die ons hadden overmeesterd, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1860" href="#xd0e1860">129</a>]</span>geen ruwe
+wilde-mannen waren, maar sommigen eer mannen van zeker aanzien: er
+schenen meesters en dienaren onder te zijn; de hoofdman zelve, dien
+zijne makkers Dionyzius noemden, was een kloek gebouwde, jonge man,
+trotsch en gebiedend, maar beleefd tegen over zijne gevangene en geen
+onvertogen woord voegde e&eacute;n van hen Charis tegen; reeds
+gelatener lachte zij in de mantelplooien, die Dionyzius, bijna
+schertsende, om haar heen trok. Maar ik lette op, ik lette op... Ik
+bespeurde, dat zij ons plotseling leidden binnen zoo nauwe spleet van
+het gebergte, dat ik nauwlijks mijn goed doorvoede flanken er tusschen
+door kon wringen, terwijl zij Charis verzochten hare voetjes te zetten
+op mijn nek. E&eacute;n van hen geleidde mij aan de vlok tusschen mijn
+ooren den nauwen bergspleet in; Dionyzius volgde, al de andere mannen
+volgden een voor een. Als ik poogde om te gluren, zag ik, in het
+schemerlicht, dat viel van den dag, boven, tusschen de hooge muren, die
+zij wel tevreden waren en schertsten met elka&acirc;r, zag ik hunne
+knappe avonturiersgezichten beter onder de randen der zorgeloos achter
+op gezette hoeden, zag ik hunne kostbare wapenen flikkeren tusschen
+hunne losser omgehangene mantels: hunne zwaarden en dolken waren bezet
+met gesteente... E&eacute;n achter hen trof mij door zijn donker,
+somber uiterlijk; hij was zoo groot als Dionyzius, zware brauwen
+overschaduwden zijn geknepen, koolzwarte oogen; zijne makkers noemden
+hem Manes. Hoe lang wij de kronkelende gang van den spleet volgden, kon
+ik echter niet beseffen, toen ik mij plots bewust werd, liever raadde
+door iets van mijn diere-instinct, dat zich naast mijn menscheverstand
+had ontwikkeld, hoe de roovers telkens op hunne passen terug kwamen
+langs dien linte-achtig door e&eacute;n geslingerden <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1862" href="#xd0e1862">130</a>]</span>meanderweg
+en misschien de ingang van den bergflank wel vlak bij de zaal moest
+zijn, die zij ons binnen voerden.. Die zaal ontving door lange, smalle,
+onregelmatige spleten bundels van zonnestralen aan de
+Zuidzijde&mdash;een dier voelt dadelijk windstreek en richting&mdash;;
+door andere van die spleten blauwde de zomerlucht en het licht poeierde
+zoo helder binnen, dat ik dadelijk alles onderscheidde, terwijl
+klaarblijkelijk van buiten die ramen zich zouden verliezen met de
+tallooze groeven van het gebergte en tevens onbereikbaar zouden zijn
+voor den stoutmoedigsten beklimmer. En Dionyzius ontdeed Charis van den
+mantel, die haar geblinddoekt hield.</p>
+
+<p>&mdash;Waar ben ik? vroeg zij angstig, terwijl hij haar hielp af
+stijgen.</p>
+
+<p>&mdash;Bij mij, glimlachte Dionyzius. En zeg mij nu, jonkvrouw, wie
+zijt gij?</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben, zeide argeloos Charis; Charis, de dochter van
+Menedemus uit Hypata...</p>
+
+<p>&mdash;De dochter van Menedemus!! riep hoogst verwonderd Dionyzius
+uit.</p>
+
+<p>&mdash;De dochter van Menedemus! riepen de andere roovers.</p>
+
+<p>&mdash;Die ik schaken wilde! fluisterde Dionyzius tot zijn
+makkers.</p>
+
+<p>&mdash;Die wij schaken wilden, om hooge losprijs te winnen! riepen
+de anderen.</p>
+
+<p>&mdash;En, wees Charis, naast mij staande en met haar arm leunende
+over mijn nek: dit is Charmides, de zoon van Lyzias, uit Epidaurus en
+hij is mijn verloofde....</p>
+
+<p>En glimlachende wees zij naar mij en de roovers ontzetten van wat
+zij zeide.</p>
+
+<p>&mdash;Die ezel? vroeg Dionyzius. Die ezel heet Charmides <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1884" href="#xd0e1884">131</a>]</span>en is
+de zoon van een anderen ezel, die Lyzias heet en in Epidaurus
+woont?</p>
+
+<p>De roovers, door hunne verbazing, barstten in bulderenden lach
+uit.</p>
+
+<p>&mdash;Charmides, o edele heeren, zei Charis argeloos en tevens zoo
+als spreekt een maagd van aanzien; is geen ezel. Hij is een held, die
+uit den oorlog terug kwam, gewond en die zijn spraak bijna geheel
+verloor, hoewel hij mijn naam uitspreekt zoo teeder als zelfs mijn
+vader het niet vermag! Hij is mijn verloofde, wij vierden onze
+verloving met blijde pracht en prachtig is hij ook zelve nu hij genezen
+is en alleen nog niet geheel en al zijn spraak terug won; hij is
+prachtig in zijn nieuwe gedaante, die gij ten onrechte aan zaagt voor
+die van een ezel; waar zaagt ge ooit, o heeren, wie ook met zulk een
+glanzende, zilverachtige vacht, met zulke fijne, sterke beenen, met zoo
+een aanbiddelijken, lieven, vochten snoet, met zulke mij dierbare,
+beweeglijke ooren en met zulke blauwe oogen, met zulke blauwe
+oogen?</p>
+
+<p>En zij wees mij steeds en de roovers rondom stonden ontzet. Toen
+zeide Dionyzius:</p>
+
+<p>&mdash;Haar geest doolt....</p>
+
+<p>&mdash;Zij is waanzinnig, zei Manes.</p>
+
+<p>&mdash;Zij is waanzinnig, herhaalden alle de anderen.</p>
+
+<p>&mdash;Zeg mij, o Charis, vroeg Dionyzius; waarom dwaaldet ge ver
+van uw vaders huis door deze streken, die iedereen vreest en at ge in
+onzen boomgaard de appels?</p>
+
+<p>&mdash;Het huis van mijn vader stortte in, er was hevige aardbeving
+en Charmides redde mij. O, mijn vader, o mijn broeders en neven, waar
+zijt gij, waar zijt gij? Dood of gered!?</p>
+
+<p>En zij begon hevig te snikken. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1904" href="#xd0e1904">132</a>]</span></p>
+
+<p>Ik balkte zacht.</p>
+
+<p>&mdash;Cha-i....!</p>
+
+<p>&mdash;Ja, Charmides! riep Charis, hartstochtelijk hare armen
+slaande om mijn nek. Alleen jij, mijn bruidegom, bleef mij over!</p>
+
+<p>De roovers raadpleegden elka&acirc;r.</p>
+
+<p>&mdash;Charis, Menedemus&rsquo; dochter....?</p>
+
+<p>&mdash;Een aardbeving....?</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb er niets van gemerkt in deze streken!</p>
+
+<p>&mdash;Wij geen van allen....</p>
+
+<p>&mdash;Charis, zeide Dionyzius met zekeren eerbied. Vergeef ons, dat
+wij uw bruidegom aanzagen voor een ezel. Ik zie, dat ik mij nu vergis.
+Uw bruidegom is een held, al is zijn vorm ook niet gewoon menschelijk.
+Wilt ge, dat wij hem bij u laten en hij uw gevangenschap deelt of wilt
+ge alle&eacute;n blijven, Charis?</p>
+
+<p>&mdash;Neen, neen, neen! riep Charis angstig. Neem hem mij niet af!
+Neem hem mij niet af!!</p>
+
+<p>En zij klampte zich angstig om mijn ezelnek.</p>
+
+<p>&mdash;Wij zullen u uw bruidegom laten, verzekerde Dionyzius. Tot
+wij van Menedemus losgeld hebben ontvangen. In afwachting daarvan zal
+het u aan niets ontbreken. Kom me&ecirc;, kom me&ecirc;, met
+Charmides.</p>
+
+<p>Ik liet het mij geen tweemaal zeggen. Ik vergezelde dadelijk mijn
+bruid en ik verwonderde mij al gaande over dit wonderlijke
+rooversverblijf. De zaal uit, een lange, vreemd kronkelende gang door,
+doolhof, gelijk aan het Labyrinth, waar Thezeus door Ariadne geleid
+werd om den Minotaurus te verslaan, gingen wij links, rechts, Charis
+wederom geblinddoekt en ik verloren in te-vergeefsche bespieding welke
+richtingen wij namen, links en rechts en <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1931" href="#xd0e1931">133</a>]</span>wederom rechts en links....
+Tot ik niet meer wist en mijn ezelkop mismoedig schudde.</p>
+
+<p>Eindelijk voerden de roovers ons een ronde zaal binnen, die, even
+als de vorige, in den berg gehouwen scheen, gewelfd, met de lange
+raamspleten in de hoogte onbereikbaar en ondoordringbaar, zoo wel van
+binnen als van buiten en Dionyzius zeide, Charis onthullend:</p>
+
+<p>&mdash;Zie, Charis, dit is het verblijf voor hooge, gevangen gasten
+en hier zult ge met Charmides blijven tot wij gunstig bericht hebben
+van uw vader....</p>
+
+<p>In het midden der zaal was een breede rustbank van beren- en
+lynxevellen: er waren tafels en schabellen; in een kast stond
+tafelgerei, nuttig en sierlijk; in staande bronzen lampen zouden des
+avonds pitten kunnen worden ontstoken; er hingen muziekinstrumenten aan
+den blanken rotswand, er stonden boekrollen in bronzen kokers; rijke
+stoffen plooiden met een weelderigheid van kleur hier en daar....</p>
+
+<p>&mdash;Hier, ging onze gastheer voort en wees door een open deurboog
+van rotssteen; kan uw edele bruidegom huisvesten. Wij zullen een
+stroobed bereiden, hem wellicht welgevallig aan zijne zilvergrauw
+gevachte leden.</p>
+
+<p>En hij wees een soort van bergruimte, werkelijk allergeschiktst om
+in ezelstal te worden herschapen.</p>
+
+<p>Charis zag wederom glimlachend in het rond. Maar de beminnelijke
+rooverhoofdman klopte met een bronzen klopper op een bronzen
+schaal.</p>
+
+<p>Uit een andere boogdeur, van achter de kleurrijke stoffen, kwamen
+drie oude, zwarte vrouwen te voorschijn.</p>
+
+<p>&mdash;En hier, Charis, ging Dionyzius voort; zijn drie dienaressen
+te uwer beschikking. Zij spreken niet en zij hooren <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1949" href="#xd0e1949">134</a>]</span>niet want
+zijn doofstom, maar zij zullen u kleederen brengen en voedsel en twee
+doofstomme eunuchen zullen de dienaars zijn van uw bruidegom en hem
+verzorgen, borstelen en voeder brengen.</p>
+
+<p>De twee eunuchen verschenen en kregen dadelijk bevel mijn stal in
+orde te brengen en de oude vrouwen brachten op haars meesters
+aanwijzing Charis in een aangrenzend badvertrek. En terwijl zij haar
+baadden, verzorgden de eunuchen mij in mijn stal. Ik had echter geen
+honger en toen zij mij verlaten hadden, keek ik verwonderd in het rond,
+alles oplettende in het vreemdste rooververblijf, dat een
+fantazie-rijke dichter maar zich zo&ucirc; kunnen droomen. En Charis,
+met de drie oude vrouwen kwam te voorschijn: zij was gedost in zacht
+gele zijden peplos; hare blonde haren waren gevlochten en opgestoken.
+Zij liep op mij toe en omhelsde mij en zij deed mij zitten op de
+rustbank van beestevellen. De vrouwen boden haar een lier en zij
+speelde en neuriede met hare kinderstem, te vreden en klaarblijkelijk
+wederom alles vergeten van de heksennacht, die ons had doen vluchten,
+van den vermoedelijken ondergang haars vaders en hare verwanten. De
+eunuchen en vrouwen dienden spijs en drank op en Charis deed mij mede
+eten. Noch de vrouwen noch de eunuchen verwonderden zich over iets,
+vermoedelijk gewend aan vorige vreemde dingen in dit vreemde
+rooververblijf, in deze zaal der aanzienlijke gevangen gasten. Toen
+stond Charis op en zij zag naar boven, naar de hooge raamspleten,
+waardoor poeierden goud enkele zonnestralen en pruilende riep zij:</p>
+
+<p>&mdash;Ik wil naar buiten! Ik wil naar de tuinen!</p>
+
+<p>Ik vreesde, dat zij hare gevangenschap zo&ucirc; gaan begrijpen en
+dat er zeker in deze bergspelonken geen tuinen <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1957" href="#xd0e1957">135</a>]</span>zouden zijn
+aangelegd. Maar de twee eunuchen wezen juist op dit oogenblik hen te
+volgen. En zij geleidden de jonkvrouw en haar ezel een derde boogdeur
+door, een witte rotsgang door en onverwachts traden wij in een opene
+ruimte en Charis gaf een juichkreet en ik keek verwonderd om. Het was
+werkelijk een groote tuin, tusschen de pieken en naalden van het
+gebergte, die stonden schitterende wit in de diep blauwe lucht van den
+nanoen als de torens van een immens, krijtblank tooverkasteel. De hooge
+rotswanden, die den tuin omgaven, dropen ter Noordzijde van ne&ecirc;r
+druppelende watervalletjes, sijpelend tusschen de groeven over groene
+en gele mossen, dicht overwoekerend het gesteent. Er bloeide een schat
+van bloemen overal op aan de dichte heesters, waar de roode en witte
+rozen gloeiden en geurden over geheel de Zuidzijde van den ingeslotenen
+wondertuin. En een klein meertje, een vijver, die we&ecirc;rspiegelde
+de diep blauwe lucht, lag in het midden; enkele waterplanten spreidden
+er hunne platte bladeren over heen....</p>
+
+<p>De avond viel: in het Westen gloeide de lucht van oranje, na het
+zinken der zon achter den rotswand. Een honigblonde teederheid weifelde
+aldaar over de lucht, terwijl de lila nacht hare ijle sluiers reeds
+spreidde. Toen rees de maan, terwijl wij lagen aan den rand van het
+meertje; Charis, geleund tegen mij aan, sluimerde, haar hoofd tegen
+mijn roerloos ezellijf.</p>
+
+<p>Heel hel rees de maan en zij liet haar zilveren, ronde schijf
+ne&ecirc;r zinken in het rimpelloos water. En ik zag, dat tusschen de
+glimmende, platte bladeren der waterplanten een stengel zich als beurde
+en een knop ontlook. Het was een enkele lotusknop en terwijl ik
+staarde, opende wijd de <span class="pagenum">[<a id="xd0e1963" href=
+"#xd0e1963">136</a>]</span>bloem en straalde blank in het maanlicht en
+ik was bekoord door die schoonheid....</p>
+
+<p>Maar de drie doofstomme, zwarte vrouwen en de drie eunuchen
+verschenen aan de deur en het scheen ons toe, dat zij ons noodden ter
+ruste te gaan.</p>
+
+<p>Van de roovers zagen wij die nacht niets meer.... <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1969" href="#xd0e1969">137</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">XVI.</h2>
+
+<p>Ook den volgenden dag niet. Wij doorleefden hem samen in
+sprookjes-achtige rust van de dageraad tot de nacht, in de zaal en in
+den tuin, terwijl de eunuchen en de zwarte vrouwen het ons aan niets
+lieten ontbreken. De morgen daarop verscheen Dionyzius.</p>
+
+<p>&mdash;Charis, zeide hij. Wij zonden boodschappers naar het
+buitenverblijf van uw vader. Ingestort is het niet, zoo als zij met
+eigen oogen zagen, een aardbeving is er in het Zuiden van
+Thessali&euml; sedert jaren niet voor gekomen, maar het huis was
+gesloten en onbewoond en de omwonende boeren verzekerden, dat Menedemus
+en alle de zijnen vertrokken waren, met misbaar en wanhoop, omdat zijn
+dochter verdwenen was en dat zij niet wisten waar heen. Edele
+jonkvrouw, waar vinden wij thans Menedemus? In welke van zijn tallooze
+buitenverblijven? In Hypata wellicht?</p>
+
+<p>Maar Charis wist niets te antwoorden en ik evenmin. Dionyzius zeide
+toen, dat hij geheel Thessali&euml; zo&ucirc; laten doorzoeken, tot hij
+Menedemus gevonden had. Intusschen begreep ik niet, dat wat ik gezien
+had met eigen oogen, wat ik ontvlucht was met eigen dravende beenen een
+begoocheling zo&ucirc; geweest zijn, dat het landhuis tusschen de
+lotusvijvers nog altijd bestond en slechts onbewoond en gesloten
+zo&ucirc; zijn! Maar hoewel ik steeds dacht aan het raadsel, ging de
+dag toch voorbij als de vorige. Tot tegen den avond <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1979" href="#xd0e1979">138</a>]</span>Dionyzius
+ons noodiging zond het feest bij te wonen, waartoe hij en zijne makkers
+hadden besloten. De doofstomme, zwarte vrouwen dosten Charis in
+rijkeren dos en de eunuchen geleidden ons samen door vele
+kronkelgangen, het inwendige van den berg door, tot wij in een zaal
+kwamen, zoo schitterend, dat ik verblindde. Werkelijk, ik had veel
+reeds in mijn jonge leven aanschouwd: het tooververblijf van
+Mero&euml;, het landhuis van Menedemus, maar wat ik nu zag, was zoo
+fabelachtig, dat ik verblind om mij heen zag. In het rotssteen, dat als
+gebeeldhouwd was met Corinthische pilasters en architraven, waren
+groote vakken van glanzend goud als reusachtige spiegels in gevat en
+overal stonden tegen dien wand gouden lampen, zich vertakkende en
+vertwijgende en iedere twijg beurende een brandende pit, zoo dat het
+van vlammen wemelde en alle die vlammen we&ecirc;rspiegelden zich
+duizenden malen in de glanzende, gouden spiegelwanden. Toen wij binnen
+kwamen, we&ecirc;rklonk muziek van fluiten en kleine harpen en in het
+midden der zaal dansten Georgische danseressen.... De danseressen en de
+muzikanten waren allen slavinnen en slaven der roovers, begreep ik
+later en ik verwonderde mij wel zeer over die vreemde roovers, die in
+het binnenste van een wonderlijk piekgebergte leefden als prinsen,
+tusschen groote schatten en vorstelijke weelde en geen oogenblik
+schenen bevreesd te zijn, dat hun wonderkasteel ontdekt zo&ucirc;
+worden. Zij lagen, in rijke kleedij, hunne gesteente-schitterende
+dolken in hun breede, zijden gordels, op bedden van tapijtwerk en aten
+en dronken uit het kostbaarste vaatwerk, dat ik ooit had gezien,
+terwijl de flakkerende vlammen der honderden lampepitten overal aan
+hunne juweelen op tulband en aan wapenen, aan schotels en kannen en
+bekers blauwe, gele en <span class="pagenum">[<a id="xd0e1981" href=
+"#xd0e1981">139</a>]</span>groene vonken ontlokten, die zich weder
+terug kaatsten in de glanzende spiegels, zoodat het tooverachtige
+schouwspel mij onvergelijkelijk scheen met w&agrave;t ik ook in mijn
+leven had mogen aanschouwen.</p>
+
+<p>Zoodra wij binnen kwamen, rezen Dionyzius en de sombere Manes op;
+zij traden Charis te gemoet, die met mij, haar arm om mijn nek, nader
+trad en ook verrast en bekoord om zich heen blikte, aan hoeveel de
+dochter van den schatrijken Menedemus ook gewoon was. En de beide
+rooverhoofdmannen noodigden hoffelijk Charis uit tusschen hen beiden
+aan te zitten op een verhevenheid en duldden, dat ik mij vlijde aan
+hare voetjes. Mijn lieve bruid bevroedde niet in welk vreemd gezelschap
+zij zich bevond; angst koesterde zij niet, nu zij zoo hoffelijk reeds
+twee dagen lang bejegend werd door hare gastheeren; nadenken vermocht
+niet haar betooverde geest en het scheen wel of die betoovering eene
+bescherming om haar heen spon, die zij zich ook niet bewust werd;
+gevlucht in een heksennacht uit haars vaders betooverd huis op den rug
+van een ezel, was haar geen haar gekrenkt, was zij gevoed, gekleed, was
+er een feest om haar heen en ik verwonderde mij over den geleidelijken
+loop van dingen, die toch niet gewoon schenen en bedacht of het de
+goden van Eleuzis waren, die dergelijke harmonische
+onwaarschijnlijkheden om de lieflijke onschuld van Charis sponnen en
+weefden.</p>
+
+<p>Intusschen zweefde de dans der Georgische vrouwen door de gouden
+spiegelzaal&mdash;overal verdubbelde zich hare bevallige beeltenissen,
+over en we&ecirc;r, en telkens werden de diepe drinkschalen
+ingeschonken,&mdash;toen ik, plotseling, verrast, den kop richtte. Want
+Dionyzius was dichter bij Charis geschoven en ik hoorde hem, verhit
+door den wijn zeggen: <span class="pagenum">[<a id="xd0e1987" href=
+"#xd0e1987">140</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Charis, ik heb je lief! Ik heb je willen schaken om losprijs
+van je vader te krijgen, maar nu een gunstig noodlot je gevoerd heeft
+tot bijna in mijn armen, wil ik je omhelzen en zal je de mijne zijn en
+zullen alle deze schatten je toe behooren, o schoone maagd!</p>
+
+<p>Ik verschrikte hevig, toen ik plotseling Manes ter andere zijde,
+somber de brauwen fronsende, hoorde zeggen:</p>
+
+<p>&mdash;Dionyzius, neem je in acht! Aan mij zal het zijn, dat Charis
+toe zal behooren, zoo als ook deze schatten aan mij toebehooren en niet
+aan jou, en niet aan jou, die met een vervloekten glimlach meent alles
+te winnen, schatten en vrouwen en heerschappij over onze mannen en ons
+bezit!</p>
+
+<p>Woedend rezen plots de twee dronken rooverhoofdmannen op. En ik
+begreep, dat een lang gekoesterde ijverzucht plots tusschen hen los
+barstte. Ook ik was opgerezen en Charis wierp zich met een kreet om
+mijn nek. Wat! Beschermden de Eleuzische godheden ons dan niet meer?!
+De beide roovers hadden elka&acirc;r naar de keel gegrepen, terwijl
+gillende de danseressen en muzikanten vluchtten tusschen de wanorde der
+omver gestootene tafels. En tusschen al de andere roovers
+we&ecirc;rklonk boos, ruw geroep en zij stonden plots in twee kampen
+tegen over elka&acirc;r.</p>
+
+<p>&mdash;Charis behoort aan Manes! riepen de eenen.</p>
+
+<p>&mdash;Aan Dionyzius! schreeuwden de anderen.</p>
+
+<p>Plotseling, in de van lichten flakkerende en spiegelende feestzaal,
+barstte los een verwoede strijd. Een twintigtal mannen stortte zich op
+een twintigtal mannen en er vloeide bloed en een verschrikkelijk
+schouwspel van helsche woede spiegelde zich daar over en we&ecirc;r
+tusschen de van bloed druipende, stralende wanden. Intusschen had ik in
+een plotse ingeving Charis met een gebaar bewogen te springen op <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2002" href="#xd0e2002">141</a>]</span>mijn
+rug en baande ik mij een weg, stootende met mijn kop, trappende met
+mijn hoeven. Plots voelde ik een hevige pijn en een dolkstoot in mijn
+flank. Mijn bloed vloeide maar diep was de wonde niet en, een verwoede
+ezel ik, tusschen die verwoede roovers, ging ik voort mij een weg te
+banen. Zij waren plots zoo op elkander verbitterd, dat zij eigenlijk
+niet op mij letten. Charis, op mijn rug, sloeg de armen op en jammerde
+van verschrikking. En de verwarring woelde door een. Maar ik wist te
+bereiken den uitgang. De roovers hielden mij niet tegen, vermoedelijk
+zeker, dat ik toch geen uitweg zou vinden. Door een labyrinth van nauwe
+gangen zocht ik mijn weg.</p>
+
+<p>&mdash;Cha-i! Cha-i! balkte ik, om mijn bruid gerust te stellen.</p>
+
+<p>Zij omhelsde mij vast en lag trillende over mij heen. Ik voelde haar
+zachte maagdelijf in hare goud-doorweven sluiers kloppen tegen mijn
+ezelelijf. Een zaal stond open: het was vermoedelijk Dionyzius&rsquo;
+slaapverblijf, vol weelde: uit een kist van ivoor hingen parelsnoeren,
+maar ik holde voort. Waar zo&ucirc; ik een uitgang vinden? Nergens
+vermoedelijk. Aan den wand hingen purperen mantels, krokosgele mantels,
+mantels van vossebont. Ik holde voort... De open gelaten wijnkelders
+holde ik door: de amforen stonden er, puntig en dubbel ge&ouml;ord; de
+dikbuikige vaten stonden er: het rook er naar een roode bezwijmeling.
+Ik holde voort! Waar was ik? Ik werd mij bewust in het rond te draven.
+Daar was onze tuin, daar was ons eigen verblijf. Maar daar hoorde ik
+plots ook we&ecirc;r het gewoel van den strijd der verbitterde roovers
+en ik holde we&ecirc;r terug...</p>
+
+<p>Een nachtmerrie werd die inwendige berg, het verwonderlijke
+rooverhol; een booze droom werd het van <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2010" href="#xd0e2010">142</a>]</span>onbestaanbaarheid. Ik holde
+om en om; ik scheen mij door een nauwe cirkelgang te wringen en
+wanhoopte ooit te kunnen ontkomen. Gesloten zouden vermoedelijk alle
+uitgangen zijn. De roovers achtervolgden ons niet, zeker vreesloos, dat
+ik zo&ucirc; kunnen vluchten. Daar was we&ecirc;r onze tuin, daar klonk
+we&ecirc;r het verschrikkelijk rumoer van den strijd....</p>
+
+<p>Te gelijker tijd struikelde ik. Het was midden op een ronden
+binnenhof, tusschen de hooge, witte wanden van de op stekende pieken,
+als een put, die scheen geboord in het gebergte. En ik zag, dat ik
+gestruikeld was over een even op stekenden, vierkanten steen, waaraan
+een ijzeren ring. Ik weet niet welke ingeving mij bezielde, maar ik
+greep den ring met mijn sterke ezeltanden. Ik lichtte aan den ring den
+steen met al mijn kracht op.</p>
+
+<p>&mdash;Charmides! riep Charis. Vlucht! Ik ben bang, ik ben bang voor
+de mannen, die vechten!</p>
+
+<p>Ik bukte mijn kop. Ik zag een opening, wijd en een trap, die daalde
+steil naar beneden. Ik weet niet waarom, maar ik daalde de trap af,
+alleen vreezende, dat Charis zich het hoofd stooten zo&ucirc;. Maar de
+trap was wijd in het rotssteen uit gehouwen en ik daalde voorzichtig
+maar gemakkelijk haar af. Mijn ezelhoeven tastten uit. Ik daalde lager
+en lager. Vage lichtschijn viel nog van boven. Nu en dan tastte en
+daalde ik in den donker....</p>
+
+<p>Plotseling werd het lichter voor mijn blik. Ik zag op. Ik zag de
+lucht. Die was hoog, hoog, een blauwe, verre hoogte boven den zwarten
+trechter, waarin ik mij bevond. Maar in dien trechter was een steile
+trap gehouwen!</p>
+
+<p>Ik aarzelde niet en ik steeg de steile trap op. Bijna recht-op steeg
+ik, hoef voor hoef zettende op de smalle treden en Charis steeds
+krampachtig zich klemmende om <span class="pagenum">[<a id="xd0e2022"
+href="#xd0e2022">143</a>]</span>mijn nek. Hoe lang die moeilijke
+stijging duurde! Het was of ik uit het diepste der aarde op steeg naar
+het hoogste van den hemel. Maar ik steeg en ik steeg... Charis zeide
+geen woord en alleen mijn gehijg doorkreunde de nauwte van de steile
+trechtertrap. Eindelijk, eindelijk bereikte ik den rand. N&oacute;g een
+poging en nog een poging!</p>
+
+<p>Daar ademde mijn hijgende snoet aan de trechteropening de wijdere
+lucht. Daar heesch ik mij als aan mijn hoeven op en stond op den
+trechterrand. O zalige vreugde! Om mij piekte het wondere gebergte met
+zijn witte torens in rozigen dageraad. De arenden vlogen in wijde
+kringen rond. De lucht was als een oceaan van parelvochten ether. De
+landouwen lagen in de diepte uitgesmolten in licht groene wazigheid met
+de donkere plekken der bosschen tot aan verijlende horizonnen. De
+nieuwe zon straalde uit.</p>
+
+<p>Ik zag rond, of de roovers ons misschien langs een anderen weg...?
+Ik zag niets. De wereld was immens wijd, verlaten en goddelijk schoon.
+En een ezel ik, met een jonkvrouw op mijn rug, stond daar hoog, op het
+witte gekartel van een hoogen bergkam.... Waarheen? Het was alles
+onbekend. De naaste minuut zo&ucirc; de onbedenkbare verrassing
+zijn.</p>
+
+<p>Waar de bergkam daalde, zette ik mijn hoef. En daalde met den
+bergkam mede. Hoe voorzichtig daalt toch een ezel langs de steilste
+bergflanken omlaag! Weg was er niet: ik koos slechts de geschiktste
+plekken om mijn hoeven te zetten. In den rozigen morgen, nog wazig
+blauw van dauw, daalde daar een ezel het krijtwitte gebergte af, op
+zijn rug een betooverde maagd in zacht gazen feestgewaad van kostbare
+sluiers gehuld en de witte pieken rezen op en de zwarte arenden
+cirkelden rond. En het was alles zoo gewoon en zoo gelukkig, dat ik
+mijn wonde niet achtte. De zilverbrem <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2030" href="#xd0e2030">144</a>]</span>bloeide om ons heen en hier
+en daar ruischelde het schuimende water de blanke groeven omlaag. En ik
+daalde, ik daalde altijd.</p>
+
+<p>Ik daalde af, werd ik mij bewust, aan den anderen kant van het
+gebergte. Maar de appelebongerds omringden geheel den berg en toen ik
+was afgedaald, dwaalden wij verder de bongerds door en aten de appels
+en dronken samen aan de beek. En rustten uit in de doorappelde
+schaduwen. En gingen we&ecirc;r verder. En niemand kwamen wij tegen.
+Het was de noen en nauwlijks dacht ik aan wat het einde van dezen dag
+brengen zo&ucirc;.</p>
+
+<p>Den warmen middag liep ik een schaduwrijk bosch door van dicht
+bladerige kastanjes. Er volgden weilanden, bouwlanden; er graasde het
+vee, er golfde het graan, er doken de boerenhoeven op tusschen de
+olmeboomen. Landbouwers zag ik met hunne knechten bezig: zij sloegen de
+blinkende sikkels de ne&ecirc;r zijgende aren door en zongen hun
+juichend oogstlied. Maar ik vreesde hen te naderen, omdat wij beiden
+betooverd waren.</p>
+
+<p>En toch naderde ik. De mannen keken verwonderd op naar den ezel, die
+daar naderde op roode hoeven, goudbeslagen en een in feestgewaad
+gehulde, blonde jonkvrouw op zijn rug. En een der mannen naderde op
+zijn beurt. En toen ik hem aanzag, herkende ik Davus, van wien ik
+sedert maanden gescheiden was.</p>
+
+<p>Toen balkte ik van verbazing, heel luid en schreef met mijn hoef
+duidelijk in de mulle aarde:</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben Charmides, Davus, je meester, en deze jonkvrouw is
+Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata, die wij ontmoetten bij de
+poort van de stad en om wier liefde ik betooverd werd.... <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2042" href="#xd0e2042">145</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">XVII.</h2>
+
+<p>Davus, zoodra hij op den grond gespied had wat mijn hoef had
+geschreven, slaakte een juichkreet en wierp beide armen hartstochtelijk
+om mijn ezelnek.</p>
+
+<p>&mdash;Heer! riep hij. O mijn heer Charmides! Zie ik u eindelijk
+terug!?</p>
+
+<p>En ik balkte luid van blijdschap en duwde hem met mijn snoet in zijn
+maag uit speelschheid.</p>
+
+<p>&mdash;En zijt gij de ezel van deze jonkvrouw geworden? vroeg Davus,
+in blijde verbazing. De ezel van Charis, Menedemus&rsquo; dochter uit
+Hypata?</p>
+
+<p>Maar Charis, gelukkig, bespaarde mij veelvuldig, moeizaam
+hoefschrift en riep zelve uit, na ook gelezen te hebben:</p>
+
+<p>&mdash;De ezel van Menedemus&rsquo; dochter? Neen, domme slaaf, maar
+haar bruidegom, die in dezen aanbiddelijken vorm uit den oorlog is
+gekomen, en toen hij gewond werd, zijn spraak verloor! Hoewel hij mijn
+naam als muziek zegt!</p>
+
+<p>Davus keek verwonderd op, maar ik beduidde hem met een zijlinkschen
+blik en vele schuine oorbewegingen, dat Charis, als ik, was betooverd
+en verliefd op een ezel geworden.</p>
+
+<p>&mdash;Ik begrijp het, ik begrijp het, heer! riep Davus. Werkelijk,
+ik begrijp er alles van! Ben ik ook niet betooverd geworden, toen ik u
+zocht bij Xeni&aelig;, terug in Hypata, helaas, overal in den omtrek,
+heel ver, tot in Larissa toe, <span class="pagenum">[<a id="xd0e2062"
+href="#xd0e2062">146</a>]</span>waar ik slechts u vermoeden kon? Maar
+ik vond u niet, hoewel ik toch niet alleen naar u maar ook naar een
+ezel zocht! En ik vond wel ezels maar ik vond u niet en zelfs niet den
+ezel, die ge waart, zoo als ik u nu heb gevonden! O heer, er spon
+allerlei betoovering om mij rond; er was een web van verhindering om
+mij heen: ik dorst zeker niet terug naar uw ouders, toen ik u had
+verloren en ik zelve werd spoedig, toen ik u te Larissa in een ezelstal
+zocht&mdash;want ik vermoedde wel, dat ge van vorm veranderd
+waart!&mdash;als veedief gepakt en gegeeseld en toen in het gevang
+geworpen en toen verkocht op de slavenmarkt en ik wisselde van meester
+drie malen: ik was eerst slaaf van den stadsreiniger, maar verheugd er
+om, want ik liep steeds op de straat met mijn korf en bezem &agrave;lle
+ezels na; mijn meester verkocht mij to&egrave;n met voordeel aan een
+purperfabrikant en ik zegende mijn noodlot, omdat ik berekende, dat,
+zoo ge niet in een ezel herschapen waart, ik u misschien daar kon
+ontmoeten zoo ge handelsbetrekking aanknooptet met mijn baas en ook
+deze verkocht mij met voordeel aan den opziener van een groot
+landeigenaar, in wiens gronden ik nu werk&mdash;hij toonde zijn
+sikkel&mdash;maar dien ik zelve nog niet heb gezien en wiens naam ik
+wederom vergeten ben: hij heet, geloof ik....</p>
+
+<p>Terwijl Davus zich den naam van zijn nieuwen meester wilde
+herinneren, kwamen langzamerhand de andere slaven en arbeiders en
+landbouwers aanloopen en verzamelden om ons heen en Davus was zoo
+vervoerd van geest, omdat hij mij terug had gevonden, dat hij geen
+oogenblik bedacht hoe stilzwijgen en geheimenis de beste atmosfeer zijn
+rondom betoovering en luide zichzelf in de rede viel:</p>
+
+<p>&mdash;Vrienden, medeslaven en gij heeren opzieners, komt <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2068" href="#xd0e2068">147</a>]</span>toch
+nader en loopt toch toe: kijk, dat is mijn meester; dit is Charmides,
+Lyzias&rsquo; zoon, uit Epidaurus, die in een ezel veranderde.... o
+neen, die niet in een ezel veranderde maar in een held, die uit den
+oorlog kwam, hoewel hij toch wel op een ezel gelijkt.... En deze
+jonkvrouw is.... hoe heet zij ook we&ecirc;r, heer Charmides; ge weet,
+uw trouwe Davus vergeet altoos namen!</p>
+
+<p>En de opzieners en de slaven verzamelden in dichten drom.... Nu was
+er niet veel te herstellen meer aan Davus&rsquo; onbescheidenheid; de
+opzieners vroegen Davus, zij vroegen toen Charis, die, steeds op mijn
+rug gezeten, argeloos en waardig antwoordde, dat zij Charis was en ik
+haar bruidegom Charmides; zij vroegen zelfs mij en er bleef mij niets
+over, dan ja te knikken en zelfs mijne toestemming schriftelijk in het
+stof van den weg te onderteekenen.</p>
+
+<p>Er was hevige verwondering om ons rond. Nu was langzamerhand al het
+landvolk om ons heen gedrongen:</p>
+
+<p>En het klonk, door elka&acirc;r:</p>
+
+<p>&mdash;Een betooverde koopmanszoon en een betooverde maagd! Nu, wat
+is er voor vreemds aan betoovering? Zegt men niet, dat onze heer
+zelve....? En onze meesteres....?</p>
+
+<p>Ik verstond niet wat zij meer fluisterden, want het was als een
+ruischende, dringende zee om ons rond en eindelijk zei de hoofdopziener
+tot Davus:</p>
+
+<p>&mdash;Het lijkt mij het beste, dat wij Charis en Charmides geleiden
+voor onze meester en meesteres en dat jij, Davus, ons vergezelt om
+getuigenis af te leggen, dat je je eersten heer terug vondt in dezen
+onwaarschijnlijken vorm.</p>
+
+<p>Veel was er niet tegen dit voorstel in te brengen. De opzieners
+gelastten den slaven en arbeiders terug tot hun arbeid te gaan en
+omringden ons, vier van hen met den hoofdopziener, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2084" href="#xd0e2084">148</a>]</span>om ons naar
+hunne meesters te brengen. Het was echter een lange weg, dien wij
+volgden, terwijl de avond viel. Het waren uitgestrekte bezittingen.
+Toen de landerijen waren gedaan, waar men nauwlijks wist hoe de
+schatrijke bezitter heette en wie hij was en met wie hij gehuwd was en
+waar nog een landelijk geluk scheen te zijn tusschen landbouw en
+veeteelt, kwamen wij aan het uitgestrekt molenbedrijf en daar zag ik
+ter we&ecirc;rszijde van den weg de zelfde ellende, die ik zelve had
+door gemaakt. Een rilling ging door mij heen. Maar de opzieners
+begrepen, dat wij beiden, hoewel betooverd, een jonkman en een maagd
+van aanzien waren en zij geleidden ons steeds met zorg; zij deden ons
+telkens rusten; zij boden Charis honigkoek, melk, brood, ooft; zij
+gaven mij klaver en haver: zij zagen nu wel, overtuigd, dat ik geen
+gewone ezel was, maar een betooverde koopmanszoon, want ik beantwoordde
+enkele hunner vragen schriftelijk en bekende hun, met mijn hoef
+schrijvende in het zand, dat ik aan roovers was ontsnapt. En zich wel
+verwonderende, maar niet z&oacute;o zeer als ik wel begrijpelijk had
+gevonden, geleidden zij ons steeds voorwaarts, nu langs in de nacht
+somberder rifgebergte, waar zij zeiden, dat de goudmijnen van hun heer
+zich bevonden. Ik vermoedde, dat hij minstens wel even zoo vermogend
+zou zijn als Menedemus en mij herinnerende, dat Davus nog niet mij zijn
+naam had genoemd, vroeg ik, schrijvende, toen wij een oogenblik halt
+hielden:</p>
+
+<p>&mdash;Hoe heet, opzieners, uw heer....</p>
+
+<p>En de hoofdopziener antwoordde, en het was mij, of ik een donderslag
+hoorde:</p>
+
+<p>&mdash;Chersonezus, die zich noemt de zoon van Hermes en Hekate....
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2092" href=
+"#xd0e2092">149</a>]</span></p>
+
+<p>Chersonezus! De zoon van Hekate! En die zich ook nog verhoovaardigde
+te zijn de zoon van Hermes, van den edelen god aller kooplieden in
+parels en purper?! Neen, dat nooit! Maar van Hekate! Wellicht
+Chersonezus, dien ik had gezi&egrave;n, had geh&oacute;ord, zwevende in
+de nacht boven het landhuis van Menedemus, om alles te vernietigen en
+Charis te schaken! Het was Chersonezus, waarheen zij ons leidden! Een
+ontz&eacute;tting rilde door mij heen, maar ik begreep dadelijk niets
+te moeten laten blijken. Charis zelve begreep niets, wist niets van
+dien machtigen toovenaar; voor Davus was Chersonezus&rsquo; naam niet
+meer dan welke andere klank! Alleen voor mij was hij de ontzetting! Wat
+kon ik doen? Vluchten met Charis? Een ezel met een jonkvrouw tusschen
+vele menschen is zelfs niet gelijk aan &eacute;en man met zijn geliefde
+tusschen vele mannen. Duizend gedachten en voornemens woelden in mij
+duizelsnel rond, maar ik begreep, dat er geen enkele was uit te werken
+of te volvoeren. Schijnbaar rustig stapte ik voort. Charis, gerust
+gesteld, omdat zij gezeten bleef op mijn rug, keek links en rechts en
+vroeg de zoete vragen van een kind. Maar Davus riep:</p>
+
+<p>&mdash;Heeren opzieners, zegt men niet, dat Chersonezus bekend is
+met de geheime krachten en zo&ucirc; hij mijn heer niet onttooveren
+kunnen?</p>
+
+<p>Wat de opzieners antwoordden, verstond ik niet in mijne verwarring.
+Maar wel deed Davus&rsquo; vraag mij begrijpen, dat het beste zo&ucirc;
+zijn werkelijk mij te gedragen bij Chersonezus of ik onttooverd door
+hem wilde worden. Intusschen waren wij het goudmijnbedrijf voorbij
+gegaan en plotseling zag ik, hoewel in de verte, een wonder vizioen van
+architectuur opzuilen in de nacht. Het schenen zacht gouden zuilen, die
+rezen tusschen wijde, maanblauwe tuinen. Nooit nog had <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2099" href="#xd0e2099">150</a>]</span>ik zulke
+vreemde, onwaarschijnlijk blauwe tuinen gezien: het was donker blauw
+van boomgroepen en heestermassa&rsquo;s tegen lichter, star-doorzaaid
+blauw van lucht; het was nachtachtig azuur van vijvers tusschen
+lazuursteenblauw van bladeren en bloemen en tusschen al deze
+betoovering van blauw rezen de zacht gouden zuilen, in Corinthische
+kapiteel- en gleufverschieten met hare tallooze schachten op, terwijl
+de daken ook met zacht gouden vakken verschoten. En toen wij naderden,
+kondigde de hoofdopziener ons aan, door te blazen op een fluit en van
+daar ginds antwoordde een cymbelslag en er was even een korte muziek
+over en we&ecirc;r. En toen wij naderden&mdash;een jonkvrouw op een
+ezel met een slaaf en verschillende opzieners&mdash;door de tuinen en
+langs de vijvers, liepen van alle kanten slaven toe om te weten en hun
+meester kond te doen. Er was op de vele gouden trappen van het breede
+huis een beweging op en ne&ecirc;r van slaven en slavinnen en zij
+zouden kond doen van een betooverde jonkvrouw, met een betooverden
+jonkman, die Chersonezus&rsquo; hulp kwamen in roepen. Toen, na een
+pooze, dat wij toefden voor de trappen, begon het inwendige van het
+huis te stralen van starachtige lampen, die uitschitterden aan
+duizenden Hekate-fakkels, in ver verschiet geplant en tusschen de
+fakkels naderde wie wel Chersonezus scheen. Hij droeg een tiara, die
+schitterde, een langen tabbaard en zwarten baard. Hij was omringd van
+tal van trawanten en hij zelve was zoo groot, dat hij boven allen
+uitstak. Hij scheen wel een Aziatiesch keizer en de mannen rondom hem
+schenen satrapen. En ik begreep, dat hij een allermachtigst toovenaar
+zijn moest en toovenaars ook wie hem omringden.</p>
+
+<p>Aan de hoogste trap bleef hij staan in zijn glorie en van <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2103" href="#xd0e2103">151</a>]</span>de
+opzieners langs de trawanten, ging het inlichtend woord hem te gemoet.
+En ik hoorde:</p>
+
+<p>&mdash;.... Beiden betooverd.... Charmides.... Charis....</p>
+
+<p>Toen zag ik hem van blijde verbazing opschrikken en hij daalde de
+trappen af en naderde Charis, die steeds op mijn rug was gezeten.</p>
+
+<p>&mdash;Jonkvrouw, zeide hij met zijn diepe, verleidelijke stem.
+Edele Charis, wees welkom in mijn huis, dat uw eigendom is.</p>
+
+<p>Charis ontsluierde zich half uit hare gele feestsluiers, die zij
+droeg en zij zeide, zoet lachende, want gewoon aan vereering en
+hulde:</p>
+
+<p>&mdash;Dit is mijn bruidegom, dit is Charmides, de held....</p>
+
+<p>&mdash;Ik heet hem welkom als u, zei Chersonezus, terwijl hij Charis
+deed af stijgen en dadelijk een zwerm van slavinnen haar als gevolg
+omringde.</p>
+
+<p>En hij scheen haar niet dadelijk te willen overtuigen, dat zij
+betooverd was en op een ezel verliefd, dat ik betooverd was en een
+ezel: hij voerde haar aan de hand de treden op en ik volgde met Davus,
+de trawanten, de slaven, tusschen de gouden zuilen door, tusschen de
+starrelende fakkels door, de lange, lange galerijen door. Intusschen
+bonsde mijn hart in mijn ezellijf, al liep ik ook deftig op goud-rooden
+hoeven achter mijn bruid en den toovenaar. Tot wij kwamen in een
+feesthal, opene marmeren kolonnade, elke kolom bekroond met een zwart
+marmeren hond, den hond van Hekate, die tegen den starrenhemel somber
+indrukwekkend zijn blafkop ophief, terwijl in het midden een
+waterbekken den zwart marmeren, wijden bak diepte, waar, op het donkere
+water een zwarte lotus te bloeien lag. En Chersonezus&rsquo; deed
+Charis zitten op een marmeren troon, zette zich aan haar zijde en
+vroeg: <span class="pagenum">[<a id="xd0e2119" href=
+"#xd0e2119">152</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Zeg mij nu, edele Charis, hoe kan ik u of uw bruidegom
+helpen?</p>
+
+<p>&mdash;Door hem zijn spraak terug te geven, o Chersonezus! zei
+Charis.</p>
+
+<p>&mdash;En met zijn spraak ook een menschelijken vorm?</p>
+
+<p>&mdash;Dat niet, o Chersonezus, want zijn vorm is mij dierbaarder
+dan welke vorm ook zo&ucirc; zijn....</p>
+
+<p>Chersonezus zag haar aan: klaarblijkelijk had hij, hoe machtig
+toovenaar hij was, een ander antwoord verwacht; klaarblijkelijk had hij
+nooit berekend, dat Charis&rsquo; betoovering door zijn eigen
+tooverwoord toch nog geluk haar geworden zo&ucirc; zijn om hare liefde,
+die de goden van Eleuzis wel hadden toe laten gaan naar een ezel, maar
+naar een eveneens betooverden, in een ezel betooverden jonkman, zoo dat
+zich toch liefde, hoe wonderbaar, tusschen beider zielen had kunnen
+weven, zoo dat toch geluk hen had kunnen door glanzen en hij aarzelde
+te antwoorden, terwijl de maagd, die hij, de goden wisten welke schande
+had toebedacht, rein en argeloos en goddelijk onnoozel en zoo
+onvergelijkelijk schoon zat aan zijn zijde....</p>
+
+<p>Maar plotseling we&ecirc;rklonk van uit de diepte der tuinen,
+waaruit het van flambouwen ook te starrelen begon, een vreemd geluid,
+als van aansnorkende zwijnen; ik zag op en kon mijne ezelsoogen niet
+gelooven, toen ik aanschouwde wie daar in praal werd aangedragen, op
+een bedde van zonnebloemen....! <span class="pagenum">[<a id="xd0e2132"
+href="#xd0e2132">153</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">XVIII.</h2>
+
+<p>Een klaterende lach we&ecirc;rklonk. En ik zag Mero&euml;
+aangedragen en zij riep:</p>
+
+<p>&mdash;Ik herken je, ik herken je, o Charmides, o koopmanszoon uit
+Epidaurus, o reiziger in purper en parels, al herschiep mijn dienende
+geest je in een ezel, elken keer, dat je verliefd werdt!</p>
+
+<p>Zij steeg af van haar bloemenbedde, dat men neder zette en naderde
+Chersonezus en zeide:</p>
+
+<p>&mdash;Mijn groote en machtige vriend, gij, die met mij heerscht in
+de luchten boven Thessali&euml;, ik vraag u een gunst, niet meer dan de
+gunst, die een versmade vrouw zo&ucirc; vragen. Geef mij den ezel, dien
+ik hier voor mij zie, opdat ik met hem doe naar mijn believen. Want ik
+wil op dien ezel mij wreken.</p>
+
+<p>&mdash;Zal ik niet aan mijn gast, de edele Charis, mishagen,
+antwoordde Chersonezus met een valschen lach van hoffelijkheid; zoo ik
+u, o Mero&euml;, den ezel af sta, die geen ezel is maar een held,
+Charmides, uit den oorlog terug gekeerd en Charis&rsquo;
+verloofde??</p>
+
+<p>&mdash;Charis zal zeker, spotte op haar beurt tusschen den drom der
+toovenaars en hunne trawanten, die ons omringden, Mero&euml;; zich
+troosten voor Charmides, zoo zij zich met Chersonezus verlooft. Sta,
+Chersonezus, mij dien Charmides af. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2148" href="#xd0e2148">154</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Ik sta, Mero&euml;, u hem af, zoo Charis aan Chersonezus zal
+zijn.</p>
+
+<p>Zoo spraken zij over en we&ecirc;r, vol helsche ironie en plotseling
+we&ecirc;rdaverde hun klaterende lach. En we&ecirc;rdaverde om ons heen
+aller klaterende lach, zoo vreeslijk en duizendvoudig, schel
+schaterend, dat het geheele paleis scheen te schudden met zijne zuilen,
+dat &agrave;lles lachte, dat de zuilen lachten, dat de booze nacht van
+het lachen bewoog en dat in den omtrek wel honderden honden lachende
+blaften, met de zwart marmeren Hekate-honden op de lachende zuilen
+mede. En het was een vreeslijke ontzetting in mij: rillende stond ik op
+mijn pooten, om Charis bevreesd, die ik niet wist hoe te redden uit
+deze helsche omtoovering, maar zijzelve, zekerlijk zich om hare
+onnoozelheid niet bewust wat haar omringde en bedreigde, scheen alleen
+te doorvoelen, dat Mero&euml; haar wilde ontrooven haar bruidegom en
+als een furie wierp zij zich voor mij, breidde de armen uit,
+roepende:</p>
+
+<p>&mdash;Nooit zal Charis aan Chersonezus zijn en Charmides nooit aan
+deze slechte vrouw, die mij mijn bruidegom wil ontrooven! Wij hebben
+elkander lief en nooit zal wie ook van ons lief hebben een ander, wat
+hare wraak ook bedenkt!</p>
+
+<p>Het helsche gelach was verzwegen en in een doodstilte
+we&ecirc;rklonken de woorden der maagd. Geen hond blafte meer, maar een
+dreiging, bijna vreeslijker dan het lachen, huiverde door deze booze
+sfeer, waarin wij ons bevonden. De blanke schijn van de nacht was
+lijkvaal geworden, de gouden glanzen der lampen versulferden en bleeke
+schimmespooksels doemden larve-achtig om ons rond kronkelend op. En in
+het gewarrel dier vreemde lijnen en lintelijven bloeide in het
+waterbekken de zwarte lotusbloem op een zich zichtbaar rekkenden
+slangestengel omhoog uit het zacht <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2157" href="#xd0e2157">155</a>]</span>ziedende water. De stengel
+slingerde, groeiende, van rechts naar links, kronkelde steeds langer
+over het bekken en bereikte eindelijk met haar bovenmatig groote, zwart
+gloeiende bloem mijn bek.... En Mero&euml; zeide, huichellachende:</p>
+
+<p>&mdash;Lieflijke Charis, laat mij u zeggen, dat Charmides een
+duivelsche slechtaard is, die om straf in dezen ezelsvorm veranderd
+werd. Gij waant hem een held, uit den oorlog gekeerd, maar hij is een
+monster, een vreeslijk gedrocht en zoo gij hem dwingt deze lotus te
+eten, zult gij hem in zijn ware gedaante voor u zien.</p>
+
+<p>Verstrikt zag Charis van Mero&euml; naar Chersonezus en mij. Rondom
+ons stonden de toovenaars en alle hunne oogen staarden op ons. En
+Mero&euml; spotlachte steeds, gestrekt haar staf, en in Circe&rsquo;s
+gewaad, met de juweelen zonnebloemen van
+chryzoliet-en-harten-van-anthraciet aan hare slapen en op hare borsten.
+En het was of alles dwong Charis de bloem te plukken. Zij strekte de
+hand naar den langen stengel, die toe naar haar kronkelde. Zij plukte
+de bloem. Het was of de bloem zwart straalde in haar witte kinderhand.
+En zij reikte mij de bloem, onmachtig te we&ecirc;rstaan de verleiding
+der nieuwsgierigheid....</p>
+
+<p>Zij zag mij met hare dierbare oogen, die als blauwe lotussen waren,
+aan, terwijl zij mij den zwarten lotus reikte. Het was mij bijna
+onmogelijk te we&ecirc;rstaan, waar de vreeslijke verzoeking mij kwam
+van hare hand. O Goden van Eleuzis, wat zo&ucirc; gebeuren, zoo ik at?!
+En dadelijk, dat ik in mijne vertwijfeling dacht aan de heilige goden,
+voelde ik mij doordrongen als met een pijl met deze ingeving:</p>
+
+<p>&mdash;Vat de bloem aan maar eet haar niet....</p>
+
+<p>En strekte ik den bek. Ik voelde om mij de hevige trilling van de
+boosheid, die wachtte.... Ik vatte met mijn tanden <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2169" href="#xd0e2169">156</a>]</span>den stengel
+aan en de bloem bengelde tusschen mijn tanden. Maar dadelijk spuwde ik
+den verleidelijk zoet smakenden stengel uit en vertrapte met mijn
+hoeven de bloem.</p>
+
+<p>Plotseling doofden alle lichten en een helsche storm van gekrijsch
+warrelde razende op in de duisternis. Maar ik voelde om mijn nek
+Charis&rsquo; armen en tusschen hare kreten hoorde ik het woedende
+brullen der toovenaars en Chersonezus&rsquo; en Mero&euml;&rsquo;s
+stemmen tegen elkander in:</p>
+
+<p>&mdash;Hoe is het mogelijk, onmachtige Chersonezus....!</p>
+
+<p>&mdash;Hoe is het mogelijk, machtelooze Mero&euml;....!</p>
+
+<p>&mdash;Dat een ezel....!</p>
+
+<p>&mdash;Een handelsreiziger....!</p>
+
+<p>&mdash;Telkens en telkens we&ecirc;r....!</p>
+
+<p>&mdash;Je toovermacht breekt....!</p>
+
+<p>&mdash;Je toovermacht breekt....</p>
+
+<p>Zij scholden woedende op elka&acirc;r in de stikdonkere nacht.</p>
+
+<p>&mdash;Goden van Eleuzis, bad ik; ik we&egrave;t het, waarom hun
+toovermacht brak! Het is om uw bescherming, goden! Goden van Eleuzis,
+beschermt ons steeds!</p>
+
+<p>En steeds stond ik, een rillende ezel, terwijl ik, Charis, bezwijmd,
+om mijn nek voelde. De nacht klaarde op. Het was als een vale morgen en
+ik zag het tooverpaleis er bleek in op zuilen als de grauwe schaduw van
+wat het die nacht was geweest. Er hing als een nevel in. Het scheen
+onbewoond, op dat oogenblik: het scheen er le&ecirc;g van menschen en
+dingen, van boosheid en van betoovering. Die nacht, misschien zo&ucirc;
+het we&ecirc;r hergloeien door helsche machten: nu stond het slechts
+verlaten om ons op, immens, le&ecirc;g en grijs....</p>
+
+<p>&mdash;Waar ben ik! stamelde Charis, die ontwaakte. O, wat een
+droom! Charmides, Charmides, vluchten wij? <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2195" href="#xd0e2195">157</a>]</span></p>
+
+<p>Zij wierp zich op mijn rug.</p>
+
+<p>Maar plotseling hoorde ik een stem:</p>
+
+<p>&mdash;Mijn heer! Mijn heer Charmides! Vergeet ge dan uw knecht!
+Vergeet ge dan uw trouwen Davus! Zie toch eens naar hem om al zijt ge
+maar een ezel! Want drie dikke zwijnen achtervolgen hem en laten hem
+niet los!!</p>
+
+<p>En werkelijk, mijn rechtervoorpoot reeds geheven om op de vlucht met
+Charis te gaan, zag ik om en bespeurde ik Davus, die om het waterbekken
+rond liep, achtervolgd door drie snorkende zwijnen.</p>
+
+<p>Hij rende op mij af en verschool zich tusschen mijn pooten en
+riep:</p>
+
+<p>&mdash;Bescherm mij, heer! Bescherm mij, heer!!</p>
+
+<p>Maar de zwijnen schenen hem geen kwaad te willen doen. Zij snorkten
+slechts heviger, smartelijker, en o wonder, ik verstond plotseling
+w&agrave;t zij snorkten. Want ik had geleerd, dat der dieren taal er
+eene is van telkens bij ieder dier wisselenden klank voor het zelfde
+begrip en dat elk dier, bij ontwikkeld instinct, een ander dier
+begrijpt. Het was dus tusschen de drie zwijnen en mij een hevig gebalk
+en gesnork over en we&ecirc;r en zij smeekten mij:</p>
+
+<p>&mdash;H&agrave;rr-mides! H&agrave;rr-mides!</p>
+
+<p>Wat is er?</p>
+
+<p>&mdash;Erb&agrave;rm, erb&agrave;rm u onzer!</p>
+
+<p>&mdash;Wie zijt ge?</p>
+
+<p>&mdash;Wij zijn drie senatoren, die op reis waren in
+Thessali&euml;....</p>
+
+<p>&mdash;Wat overviel u? vroeg ik.</p>
+
+<p>&mdash;Wij werden alle drie, riepen zij; in Hypata door Mero&euml;
+betooverd! En als zij haar minnaars betooverd heeft, werpt zij hen,
+geslacht, in de tooverketels der heksen, op de bergvlakten, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2224" href="#xd0e2224">158</a>]</span>onder
+de maan, die zij uit haar loopbaan rukken....</p>
+
+<p>&mdash;Een zwijnetand hier....</p>
+
+<p>&mdash;Een zwijnepoot daar....</p>
+
+<p>&mdash;Een zwijnestaart hier....</p>
+
+<p>&mdash;En zwijnborstels daar... riepen zij door elka&acirc;r.</p>
+
+<p>&mdash;Ge moet amaryllis eten! riep ik.</p>
+
+<p>&mdash;Waar vinden wij amaryllis te eten? riepen de zwijnen. En het
+was alles balken en snorken, verscheurend en grommend, zoo dat Charis
+riep:</p>
+
+<p>&mdash;Charmides! Charmides! Vlucht!!</p>
+
+<p>En Davus:</p>
+
+<p>&mdash;Heer Charmides! Heer Charmides! Bescherm mij!</p>
+
+<p>Ik zette het op een loopen, balkende. En het scheen, dat zoowel de
+drie zwijnen als Davus zelve mijn gebalk begrepen, want terwijl Charis
+mij om mijn hals omklampt hield en de drie zwijnen mij ter zijde en
+achter mij aan stommelden, had Davus mijn staart gegrepen en liet zich
+zoo, hollende hij, dravende ik, mede sleepen door zijn heer, die een
+ezel was. Het was juist wat ik zoowel mijn knecht als de zwijnen had
+toe gebalkt; het geschiedde alles zoo als ik het wilde en door den
+valen morgen draafde onze stoet tuinen door, wegen op, velden over,
+stroomen door. Waarheen ik hen allen leidde, was ik mij onbewust: ik
+begreep alleen, dat ik vooruit moest, w&egrave;g moest,
+Chersonezus&rsquo; zoo uitgebreide bezittingen, landerijen en tooverban
+uit, om Charis te redden, om mij en Davus te redden en te redden de
+drie betooverde senatoren.... Ons allen te redden v&oacute;or
+Chersonezus, zich bezinnende na die woede over zijn tijdelijke
+machteloosheid, ons met &eacute;en gebaar van zijn staf zo&ucirc;
+we&ecirc;rhouden verder te vluchten in heilige zekerheid. En daarom
+draafde ik door. Het scheen of de zon niet op <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2246" href="#xd0e2246">159</a>]</span>straalde, dien dag. Het
+scheen of ik liep met een geheime kracht, of ik zweefde, mijn hoefslag
+nauwlijks tikkend den grond. Over mij heen, hare armen rondom mijn
+hals, lag Charis en ik vermoedde, bezwijmd. Aan mijn staart,
+allerpijnlijkst, marteling, die mij deed denken aan vroegere
+martelingen, toen ik takkenbossen getorst had en molensteenen gedraaid,
+hing, als ware het, Davus, liet mij niet los en ik sleepte hem
+me&ecirc;, terwijl zijne voeten ondanks zichzelven mede liepen. En
+snorkende, grommende, knorrende, renden achter, ter zij, de drie
+zwijnen mede, zich liever hunne senatorenzielen uit hunne dikke leden
+loopende dan hun redder, mij, te verlaten. Neen, het werd geen dag,
+durende dien vreeslijken rit. Het regende en ik rende den regen door,
+tot een diep ravijn zich boorde voor mijne blikken. En een hevige
+bliksemschicht uit schoot en de donder dadelijk rolde....</p>
+
+<p>Ik stond stil, steil op mijn rechte pooten, mijn ooren steil en
+steil mijn pijnlijken staart, dien Davus niet los had gelaten. De drie
+zwijnen tolden wanhopiglijk om hun dikke zelve rond als wisten zij niet
+meer wat nu te doen. En nu ik eenmaal stil stond, wist ik, dat ik niet
+verder kon, uit vermoeidheid ten doode toe, niet v&egrave;rder kon, dat
+diepe ravijn ne&ecirc;r en ginder we&ecirc;r op, in den slagregen, die
+stortte ne&ecirc;r.</p>
+
+<p>&mdash;O mijn heer! O mijn heer Charmides! klaagde Davus, die reeds
+gewend aan de zwijnen scheen en tusschen hun drie&euml;r rondgetol de
+armen wanhopiglijk rekte en de handen wrong.</p>
+
+<p>Ik balkte, heel wijd. Ik balkte, in ezeletaal, dat Davus de
+jonkvrouw, bezwijmend op mijn rug, af zo&ucirc; tillen en haar
+zo&ucirc; dragen in rotskloof, veilig voor stormgeweld. De drie <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2254" href=
+"#xd0e2254">160</a>]</span>zwijnen begrepen mij dadelijk en ook zij
+beduidden het Davus met geknor en gegrom en gesnork. En o wonder, het
+was of Davus het w&egrave;l begreep, uit mensch-intu&iuml;tie, omdat
+een mensch toch wel eens een dier begrijpt. Terwijl ik, mijn kop naar
+hem toe, balkte, balkte als geen ezel ooit balkte, terwijl de zwijnen
+snorkten, snorkten als geen zwijn ooit snorkte, ontwrong hij
+voorzichtig Charis&rsquo; greep om mijn hals, tilde haar op, droeg haar
+binnen de diepe kloof, legde haar hoofd op het mos, dekte haar toe met
+breede varenbladeren en hurkte toen aan hare voeten ne&ecirc;r om er
+zelve in zwijm te vallen.</p>
+
+<p>Toen, v&oacute;or de kloof, viel ik in een. Ik voelde mij of mijn
+menscheziel ontsnappen zo&ucirc; aan mijn dierelijf in mijn zwoegend
+ezelgehijg. Mijn oogen puilden mij uit den kop; mijn staart voelde aan
+als uitgetrokken aan mijn ruggegraat. Rondom mij lagen de drie dikke
+zwijnen, zwoegende ook, vlak op de flanken ter ne&ecirc;r. En zoo
+bleven wij die nacht van stormgeweld: een maagd, drie senatoren, een
+handelsreiziger en een slaaf, aan den rand van het ravijn, dat zich uit
+strekt langs den heirweg, die voert naar de stad van Larissa. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2258" href="#xd0e2258">161</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">XIX.</h2>
+
+<p>In diepen slaap lagen wij, geloof ik, allen die nacht ter
+ne&ecirc;r. Plotseling schrikte ik op en mijn eerste gedachte was aan
+mijn bruid. Hoe had ik kunnen slapen, terwijl zij daar lag in de
+spelonk, onder de varenbladeren. Davus aan hare voeten en de drie
+zwijnen, rondom mij, als de enkele lijfwacht, die haar behoedde! Zoo
+verweet ik mij hevig en met &eacute;en sprong stond ik op mijn vier
+pooten. En schudde den dauw van mijn vacht. Werkelijk, de zwijnen
+sliepen nog. Davus sliep. En Charis, de zoete, sliep. Hoewel zij, een
+Egyptische mummie gelijk, omplakt in hare natte wade en sluiers, sliep
+in de spelonk op het mos, schenen de vele varens, waarme&ecirc; Davus
+haar had overdekt, haar warm te hebben gehouden, want zij sluimerde als
+een kind zoo rustig, haar blank gezichtje in het blonde haar enkel
+zichtbaar, verder de lijn van haar lichaam slechts even te raden onder
+het breed gebla&acirc;rte. O, zoo zij ziek ware geworden van den
+vreeslijken rit door den slagregen! Maar het scheen wel, dat de goden
+waakten over haar, want zij lag zoo rustig als hadde zij gelegen in
+haar kuische bedde te huis!</p>
+
+<p>Herademend keek ik om. Het ravijn glooide diep naar omlaag, met ruig
+struweel begroeid; de gezwollen stroom schuimde er bruischend met val
+op val de rotsblokken af en in die diepten doken de nachtelijke
+schaduwen weg. Maar ginds, in het Oosten, rilde een rozige schijn op,
+een kier <span class="pagenum">[<a id="xd0e2266" href=
+"#xd0e2266">162</a>]</span>van goud scheurde lang in den nog
+schemergrauwen hemel laag over de oorden, die wij verlaten hadden en de
+jonge dag, zelfs aanbiddelijk boven dit ruwe landschap, rees als een
+jonge god op. En plotseling vernam mijn lang, steil gespitste oor een
+zacht geluid, dat naderde uit dat zelfde Oosten aan over den met
+steenblokken bezaaiden baaierd, die het ravijn omgaf en waardoor
+nauwlijks van weg meer spoor was.... Het was een zacht zilveren
+getinkel en aangetokkel, zoo als ik meende wel meer in vroegere dagen
+te hebben vernomen en het klonk zoo zalig zuiver ginds uit de rozigende
+verte aan, dat ik luisterde, luisterde, zonder nog mij van die bekoring
+rekenschap te kunnen geven. Tot ik zag een witten stoet, nauwlijks nog
+omlijnd in den rozigen dauw, die optrok: meer nog een stoet van
+schimmen, vage mannen, vage vrouwen, aan bewegende over het
+rotsgesteent en met den eersten dageschijn om de zich tegen de lucht
+uitheffende hoofden, zingende en musiceerende.... Nu, duidelijker,
+klonken de stemmen, trillerden, aangetinkeld, de sistra-snaren en ik
+herkende de zoete muziek en ik balkte luide op, om mijn lotgenooten te
+doen ontwaken.</p>
+
+<p>Davus ontwaakte het eerst en ook Charis sloeg hare oogleden op en
+zij riep:</p>
+
+<p>&mdash;Charmides! Charmides! Waar ben ik?</p>
+
+<p>Ik was w&egrave;l gewoon op velerlei manier met mijne bruid gesprek
+te voeren, maar dit maal was het Davus, die antwoordde:</p>
+
+<p>&mdash;In veiligheid, edele jonkvrouw: vrees niets! Wij hebben over
+uw slaap gewaakt al sliepen wij ook zelve, ten minste ik, uw slaaf!
+Maar mijn meester, heer Charmides, uw onvergelijkelijke bruidegom,
+heeft mij wakker gebalkt... Hoewel onze drie metgezellen, van wie ik
+werkelijk niet weet <span class="pagenum">[<a id="xd0e2276" href=
+"#xd0e2276">163</a>]</span>of zij zwijnen of senatoren zijn, nog in
+diepste rust zijn gedompeld!</p>
+
+<p>En opgestaan riep hij:</p>
+
+<p>&mdash;Heeren zwijnen of senatoren, ontwaakt! Het is dag, het is dag
+en de zon rijst over de vlakte!</p>
+
+<p>De zwijnen, grommende, richtten zich op en ik balkte, terwijl hoog
+in de lucht de leeuweriken jubelden. En Charis en Davus zagen nu ook
+den stoet, die uit de rozige verte aan kwam....</p>
+
+<p>&mdash;Het zijn Isis-priesters! riep Davus. Het is een goed
+voorteeken, dat hun stoet ons nadert en misschien kunnen zij ons
+bijstaan met raad zoowel als met daad!</p>
+
+<p>In der daad kwamen zij nader, de heilige mannen met de zingende
+maagden en in hun midden liep de opperpriester, herkenbaar aan de
+zilveren banden, die zijn kruin omgaven en langs zijn slapen hingen. En
+toen zij vlak bij ons genaderd waren, deed ik een paar stappen
+voorwaarts en knielde ne&ecirc;r op mijn twee voorpooten.</p>
+
+<p>Het was zeker een vreemd gezicht, een dergelijke knielende ezel.
+Maar de Isis-priesters, die wisten alle de vreemde dingen, die in
+Thessali&euml; gebeuren konden, verwonderden zich niet al te zeer en
+hielden zwijgende stand.</p>
+
+<p>&mdash;Heilige heeren! riep Davus. Erbarmt u over ons allen!
+Erbarmen zich de goden over ons allen: alle menschen, die door veel
+avontuur gegaan zijn, maar de jonkvrouw en de slaaf mensch nog alleen
+en de anderen zwijnen en ezel! Erbarmt u vooral over den ezel, heilige
+heeren, den ezel, die is mijn heer!</p>
+
+<p>De opperpriester was naar voren getreden en hij las, wat ik,
+opgerezen uit mijne knieling, in het stof van den weg met mijn hoef had
+geschreven: <span class="pagenum">[<a id="xd0e2294" href=
+"#xd0e2294">164</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;&bdquo;Ik ben Charmides, zoon van Lyzias.... En de maagd, die
+ik redde uit veel gevaar, is Charis, de dochter van
+Menedemus....&rdquo;</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben Davus, heilige heeren! riep Davus. Aan mijn slavennaam
+begrijpt ge, dat ik eens ezels slaaf ben!</p>
+
+<p>&mdash;En de zwijnen? wees de opperpriester naar de drie, die zich
+grommende en tollende, verlegen, hielden ter zijde.</p>
+
+<p>Ik schreef het met mijn hoef en Davus bea&acirc;mde het.</p>
+
+<p>&mdash;Gij zijt dus allen betooverd geworden? vroeg de opperpriester
+ernstig.</p>
+
+<p>&mdash;Ik wel het minste, heilige heer, zei Davus; maar anders, ja,
+heeft iedereen wel een tikje beet!</p>
+
+<p>&mdash;Vergezelt ons in onzen stoet, zei de opperpriester. Wij gaan
+terug naar het heiligdom van de godin.</p>
+
+<p>En wij voegden ons in den stoet. Nu, op het trilleren der
+sistra-snaren, aangetokkeld door de staven, liep ik tusschen de
+priesters, plechtig, en bereed Charis mij met een kinderlijken lach van
+zoete blijdschap. En achter mij en ter zijde, liepen de drie zwijnen
+mede, zoo deftig, of zij reeds we&ecirc;r senatoren waren. En achter
+ons kwam Davus. Dan schreed, tusschen we&ecirc;r priesters, de
+zilvergebande opperpriester en de zingende maagden gingen v&oacute;or
+het gedragen en gesluierde beeld van de godin, dat, zoo als ik begreep,
+voor een mysterie naar Larissa vervoerd was geworden en nu wederom naar
+haar tempel terug werd gebracht. En het was een zacht en rythmiesch
+treden op de maat der te&ecirc;r ne&ecirc;r tinkelende en als met helle
+droppelen afdroppelende muziek, die hoog op in de lucht en den morgen
+steeg, met het twetteren der leeuweriken mede. Rond om ons baaierde de
+woeste wereld, breidde zich het woeste landschap, strekten zich de
+ruige rotsvelden of groeven zich de rotsafgronden <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2311" href=
+"#xd0e2311">165</a>]</span>afgrijslijk, maar boven ons blauwde de wijde
+hemel op door de laatste, rozige ochtendmisten en slingerde zich onze
+witte stoet langs wat hier weg was en da&agrave;r zich verloor onder de
+ne&ecirc;r getuimelde blokken....</p>
+
+<p>&mdash;Charmides! fluisterde mij bekoord aan het oor mijn bruid.
+Waar gaan wij heen? Huwen zij ons nu spoedig, na zoo vele
+lotsverwisselingen? Want ik herinner mij, o ik herinner mij de vlucht
+uit mijn vaders bezittingen, toen ik het landhuis zich zag verheffen en
+we&ecirc;r ne&ecirc;r storten in vernietiging... Ik herinner mij den
+appelebongerd en de gouden feestzaal, waar de booze mannen gingen
+vechten; ik herinner mij den diepen put en de steile trap, die geleidde
+b&oacute;ven op het blanke gebergte en ik herinner mij de vreeslijke
+nacht der blaffende honden en het helsche gelach van de slechte vrouw,
+die je aan mij wilde ontrooven en to&egrave;n onze urenlange vlucht
+door storm en regengeweld! En nu Charmides, is alles z&oacute;o zoet
+geworden: de lieflijke muziek, de witte mannen, de witte vrouwen, die
+ons omringen en volgen: o Charmides, zelfs de drie zwijnen, die niet af
+van ons lieten, schijnt het mij toe, dat ik lief heb, zoo als ik alles,
+alles lief heb, dezen morgen, dezen zaligen morgen!</p>
+
+<p>Zoo juichte zacht aan mijn oor mijn bruid toen wij uit het
+rotsgesteente af sloegen op den grooten heirweg. Wij ontmoetten er de
+warmoeziers, die gingen ter stad, reizigers in draagstoelen of wagens,
+een <span class="letterspaced">cohors legionari&iuml;</span> en allen
+hielden stil, knielden ne&ecirc;r, aanbaden de godin en verwonderden
+zich over de drie zwijnen en den ezel, dien een blonde jonkvrouw
+bereed. En ik hoorde hen wel vragen of veronderstellen:</p>
+
+<p>&mdash;Betooverd....? Betooverd....? En worden zij nu onttooverd?
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2322" href=
+"#xd0e2322">166</a>]</span></p>
+
+<p>Dat meende ik ook wel, terwijl ik deftig voort schreed, op het
+zachte getinkel der eentonige sistra-melodie&euml;n, klanken als uit
+bloemeklokjes, die vielen over den weg, over het knielend gebaar en de
+vroomheid van wie zij ontmoetten. Maar toen sloeg onze stoet een zijweg
+in en een dicht bosch van laurier, myrt en sycomoren, schaduwde heilig
+en geheimzinnig aan we&ecirc;rszijden des breeden wegs. En voor ons, in
+de verte, zuilde de witte tempel....</p>
+
+<p>Het waren eerst de twee pylonen, immens en Egyptiesch, toegang
+gevend als een immense poort tot de laan der sfinxen, die geleidden
+naar het heilige huis, waar de eeredienst der vreemde godin werd
+gevierd, ter gelukzaligheid van wie in Thessali&euml; betooverd waren
+geworden. O, ik wist het wel, dat de goden van Eleuzis, die ik zoo
+dikwijls had ingeroepen, mijne bruid en mij hadden behoed, maar ik
+herinnerde mij ook Clitifo&rsquo;s lieflijken tuin van zilverasters en
+hoe reeds aan den grens van Thessali&euml; een Isis-priester de
+weldadige bloemen kweekte, die mij hadden kunnen onttooveren, toen ik
+op Nausistrata verliefde! Zo&ucirc; ik ooit we&ecirc;r als toen gulzig
+storten in de starrige bloemen, ze verslinden en terug winnen mijn vorm
+van mensch en van man? Ik smachtte er naar; ik zag er naar uit, toen
+wij het voorplein van den tempel naderden... Want ik meende, dat mijn
+ezelvorm lang genoeg mij had omhuld, tot boete voor vele
+euveldaden-van-liefde; ik meende, dat het heilige tijdstip nu
+we&ecirc;r naderen zo&ucirc;, sinds ik trouw was gebleven aan mijn
+stralendste liefde, aan mijn heilige liefde voor Charis. Was ik ooit,
+sedert ik ezel was, verliefd geworden op een andere vrouw of maagd? Was
+ik ooit op een ezelin verliefd geworden? En in de zekerheid van mijn
+aanstaande belooning voor trouw en zuivere liefde, ging ik mede met den
+stoet <span class="pagenum">[<a id="xd0e2327" href=
+"#xd0e2327">167</a>]</span>tusschen de pylonen en langs de sfinxen, tot
+wij stil hielden op het groote plein voor den tempel. En de
+opperpriester ons beval te wachten, tot de priesters het beeld van de
+godin op haar altaar zouden herplaatst hebben. Intusschen wachtten wij,
+Charis van mij afgegleden en den arm om mijn nek, Davus en de drie
+zwijnen rondom ons. En vroom zagen wij uit in het even geschemerde
+tempelverschiet, van waar de zang en de zilveren muziek nu, steeds zoo
+zoet trillerend, we&ecirc;rklonk. Zelfs de drie zwijnen, scheen het mij
+toe, hurkten vroom, als knielende ne&ecirc;r, wachtten vol vrome vreeze
+af en gromden slechts behaaglijk in ondertoon, of zij voorgevoelden het
+einde hunner vernedering en metamorfoze....</p>
+
+<p>Toen, tusschen zijne priesters, kwam de opperpriester terug. Hij was
+zoo groot en zacht, zoo huiverwekkend bleek van wijsheid en geheel
+geschoren zijn ouden schedel tusschen zijne zilveren priesterbanden. In
+zijn aderige handen, die staken uit de wijde mouwen van zijn weeke,
+witte gewaad, was een gebaar van menschenliefde, zoo groot, dat het mij
+ontroerde, ezel, die ik nog was. En hij zeide, terwijl zijn stem vol
+erbarming klonk en weten van wijze dingen:</p>
+
+<p>&mdash;Charmides, hoor mij thans aan. Betooverd als gij zijt
+geworden, nadert het oogenblik van uwe onttoovering. Maar weet eerst,
+dat tusschen Clitifo, die de zilverasters kweekt dicht bij
+Thessali&euml;&rsquo;s grenzen en mij ziele-aanvoeling geweven heeft
+door middel der heilige machten van Isis. Ik wist van u af en ik
+wachtte u af, zoo ge niet reeds vroeger zoudt onttooveren, door de
+bloem, die ik vele malen ontluiken deed op uw weg. Maar de heilige
+goden van Eleuzis, wien gij vroom steeds waart in uw hart, gunden <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2333" href="#xd0e2333">168</a>]</span>mij
+niet te vroeg erbarmen en hebben gewild, dat gij den heiligen, witten
+lotus niet weten zoudt... O, Charmides, niet de zilveraster zal u voor
+altijd onttooveren, hoe schoon en zalig de bloem ook zij! Het einde van
+uw onttoovering zal u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit de
+blanke u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit den blanken
+lotus. Herinnert gij u niet? Aan blauwe lotus lieten nog de azuren
+oogen van Charis u denken; maar met blanke lotus lag het meer bij
+Xeni&aelig; overladen, toen gij, op Charis verliefde ten tweede male en
+ten derde male herschapen werd. Om Charis&rsquo; woning bloeiden de
+vijvers van blanke lotus. In den tuin van Dionyzius deed ik nog eenmaal
+een enkele lotus ontbloeien in het water tusschen de hooge, blankende
+rotsen en pieken. Maar, zoon, de Eleuzische goden gaven u niet
+wetenschap en voorgevoel omdat gij de boete volbrengen moest en de
+trouw in de liefde deelachtig moest worden....</p>
+
+<p>Op dit oogenblik traden de maagden den tempel uit en &eacute;ene
+harer, in heur midden, droeg in een zilveren vaas twee prachtige, zeer
+groote, zilverstralende lotuskelken aan, die stralend ontloken op lange
+stelen.</p>
+
+<p>De opperpriester wees.</p>
+
+<p>&mdash;Zoon, zeide hij; zie hier. Zie hier de heilige bloemen,
+gekweekt in onze heilige vijvers. Twee heb ik er voor u geplukt. Het
+oogenblik is gekomen. Eet thans de heilige bloem: de goden van Eleuzis
+gunnen het u...</p>
+
+<p>Ik knielde in huiverende vroomheid ne&ecirc;r. Ook voelde ik, dat
+Davus knielde en dat de drie zwijnen zich vernietigden op den grond,
+voor zoo ver een zwijn zich op den grond in vroomheid vernietigen kan,
+want zij gromden altijd, hoe zachtjes ook. Maar Charis, bekoord door de
+bloemen en in <span class="pagenum">[<a id="xd0e2343" href=
+"#xd0e2343">169</a>]</span>hare onnoozelheid de heiligheid van dit
+oogenblik wellicht niet bevroedende, knielde niet en riep alleen
+juichende uit:</p>
+
+<p>&mdash;O wat prachtige bloemen! Wat prachtige bloemen! Prachtiger
+dan zij ooit bloeiden op onze vijvers!</p>
+
+<p>En zij naderde; hare handjes gingen begeerig uit naar de vaas, die
+de maagd reikte aan den opperpriester.</p>
+
+<p>Maar de maagden hielden haar tegen en niet begrijpende, dat zij de
+bloemen niet hebben mocht, deinsde zij even terug. Toen nam de
+opperpriester een der bloemen uit de vaas en bood mij die.</p>
+
+<p>Mijn menschehart klopte hevig in mijn ezellijf; ik strekte den bek,
+opende voorzichtig mijn lippen en vatte de bloem.</p>
+
+<p>En at haar zoo vroom of ik bad.</p>
+
+<p>Nauwlijks had ik de lotus gegeten of ik voelde mij duizelen, maar in
+mijne vreemde duizeling richtte, rekte ik mij op.</p>
+
+<p>En was een mensch. En was een man. Charmides, Lyzias&rsquo; zoon uit
+Epidaurus, in zijn reisgewaad....!</p>
+
+<p>Kringen van licht en zaligheid breidden zich wijd om mij uit!</p>
+
+<p>&mdash;Heilige vader! riep ik met mijn eigen stem.</p>
+
+<p>&mdash;Mijn heer Charmides! hoorde ik Davus juichen.</p>
+
+<p>Maar een schelle kreet klonk naast mij.</p>
+
+<p>&mdash;Charmides! riep omzoekende Charis, als gek. Waar is hij
+gebleven? Waar is mijn bruidegom? Waar is mijn held, mijn prins, die
+uit den oorlog kwam in zoo aanbiddelijken vorm, grauw gevacht,
+langge&ouml;ord en zoo lieflijk altijd vocht van snoet, waarmede hij
+als muziek zeide mijn naam?! Wie is nu deze jonge man?! Ik ken hem niet
+en ik wil hem niet kennen! Waar is mijn Charmides in eens henen?!
+Waarom is hij verdwenen! Vader, broeders, neven, o <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2369" href=
+"#xd0e2369">170</a>]</span>wondermeesters, die hem mij pleegden,
+w&agrave;ar zijt gij allen! En waar ben ik en waar is mijn
+Charmides!?</p>
+
+<p>En ontsteld zag zij mij aan, slaakte haar wanhoopskreten en weerde
+mij angstig af, toen ik haar liefdevol naderde, uitroepende:</p>
+
+<p>&mdash;W&egrave;g, w&egrave;g van mij! Jou ken ik niet! Ik ken
+alleen mijn Charmides en al was hij maar een ezel, h&egrave;m heb ik
+lief, en hem wil ik alleen!</p>
+
+<p>En terwijl zij in snikken uitbarstte, viel zij in de armen der
+maagden-van-Isis, en verscheurde zij hare sluiers, trok zich de haren
+los, terwijl hare kreten snerpten:</p>
+
+<p>&mdash;Mijn ezel! Charis wil haar ezel! Charis wil niemand dan haar
+ezel Charmides! <span class="pagenum">[<a id="xd0e2379" href=
+"#xd0e2379">171</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1">
+<h2 class="normal">XX.</h2>
+
+<p>Een hevige wanhoop maakte zich van mij meester. Wat, wilde Charis
+dan wel den ezel blijven beminnen, maar niet den jongen man, wiens ziel
+huisde in dat betooverde dierelijf?! En reeds wilde ik mijne handen
+vouwen en Charis bezweren mij lief te hebben, die de zelfde toch was
+als haar ezel geweest was, maar nu in vroegeren man- en menschvorm
+herschapen, toen de opperpriester, groot, mild en wijs, mij met
+&eacute;en gebaar tegen hield. En hij nam uit de zilveren vaas de
+tweede, wijd ontlokene lotusbloem en Charis naderend, sprak hij:</p>
+
+<p>&mdash;Charis, gij die zoo trouw uw bruidegom bemint, wien geen ezel
+gij ooit wildet zien maar een held uit den oorlog terug gekeerd,
+ontvang deze heilzame en heilige bloem uit mijn hand en eet haar om tot
+bezinning te komen....</p>
+
+<p>Aarzelend nam Charis de bloem aan, bezag haar, kuste haar zacht
+omdat zij zoo schoon was en vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Moet ik zoo schoone bloem eten, o vader? Zie, hoe zij straalt
+of er licht in schuilt, zie hoe zilverig de bloembladeren zich plooien
+het een naast het andere: moet ik werkelijk zoo schoone bloem
+eten....?</p>
+
+<p>De opperpriester sprak niet meer: hij glimlachte slechts met zijn
+zachten, wijzen glimlach van grijsaard, die vele dingen van hemel en
+aarde doorpeild heeft. Maar om haar heen namen de maagden de sistra en
+zij tokkelden met de <span class="pagenum">[<a id="xd0e2393" href=
+"#xd0e2393">172</a>]</span>staven de snaren en zij zongen en zij
+bewogen in rhythmiesch beweeg rondom Charis, die steeds aarzelend, de
+bloem in hare hand, om zich heen en naar de zingende en dansende
+maagden zag en het scheen, die zuivere maat en die zilveren muziek
+bewoog iets in hare half onnoozele ziel, dwong haar met zoeten dwang
+iets te doen tegen haar eigenen wil in, want steeds omziende,
+glimlachende, o zoo zoet haar kinderlach, hief zij hooger en hooger de
+bloem aan hare lippen, zette als een roode vlinder hare lippen op den
+kelk...</p>
+
+<p>En at de lotus....</p>
+
+<p>Mij was de bloem als versmolten, dadelijk, op mijn tong, die toen
+nog die van een ezel was; ook Charis scheen de bloem op de tong te
+smelten: de lange stengel viel haar uit de hand en als ontwakend uit
+een slaap, die weken, maanden geduurd had, zag zij om zich heen,
+vreemd, verbleekte als tot een schim en bezwijmde, zoo geleidelijk
+zacht als smolt haar geheele lichaam en te&ecirc;re ziel weg in het
+niets van den dood. Ik sloeg een kreet van angst en ook Davus en de
+zwijnen gromden heviger en tolden wanhopig om zichzelve rond als waren
+ook zij bevreesd, voor de jonkvrouw, die, op eens ezels rug, hen
+v&oacute;or was geijld op de wanhopige vlucht, in de regennacht, uit
+Chersonezus&rsquo; verschrikkelijk paleis.</p>
+
+<p>Maar de Isis-maagden hadden Charis in hare zorgzame armen op
+gevangen en op een wenk van den opperpriester droegen zij haar van
+daar. En de heilige man zeide zacht:</p>
+
+<p>&mdash;Charmides, laat Charis eerst ontwaken uit hare bezwijming...
+Heb geduld...</p>
+
+<p>Ik boog voor hem ne&ecirc;r, knielde, kuste den zoom van zijn
+gewaad. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2405" href=
+"#xd0e2405">173</a>]</span></p>
+
+<p>En hij naderde de drie zwijnen, terwijl Davus en ik ter zijde
+weken.</p>
+
+<p>Zij tolden om hem rond en gromden; hij zeide:</p>
+
+<p>&mdash;Claudius Veturius....</p>
+
+<p>Een der zwijnen sprong op, de voorpooten hoog.</p>
+
+<p>&mdash;Gaudentius Rufus... zei de opperpriester.</p>
+
+<p>Een tweede zwijn knikte als wanhopiglijk met zijn kop en snorkte
+hevig.</p>
+
+<p>&mdash;Euzebius Silvanus... noemde de opperpriester het derde
+zwijn.</p>
+
+<p>En het bewoog hevig met den korten krulstaart, schudde zijn
+borstelig lijf en gromde, maar eerbiediglijk, aan &rsquo;s priesters
+voet...</p>
+
+<p>&mdash;Gij zijt alle drie genoeg gestraft voor uwe euveldaden, zeide
+de priester. Gij hebt gestolen uit den Schat des Rijks; gij hebt
+beschuldigd zonder reden wier ongeluk uw voordeel zo&ucirc; zijn;
+weduwen en weezen hebt gij doen lijden, maar, wat kwaads gij deedt, is
+hersteld tijdens den tijd, dien gij zelve leedt. Gij kwaamt, door
+Noodlot geleid, in Thessali&euml;; Mero&euml; is u verleideresse
+geweest, en zoodra ge meendet in hare armen zalig te zijn, werd gij in
+zwijnen vertooverd. Maar ik weet, dat gij tijdens uw dierlijken staat,
+berouw hebt gevoeld over al uwe misdadigheid en dus....</p>
+
+<p>De opperpriester gaf een wenk: uit den tempel trad een priester,
+houdende een vaas met drie amaryllisbloemen, maar zoo wit als de
+lotussen waren geweest.</p>
+
+<p>&mdash;... Heeft uw lijden een einde, voltooide des opperpriesters
+zachte, welluidende grijsaardsstem.</p>
+
+<p>En hij nam de drie bloemen en zeide:</p>
+
+<p>&mdash;Eet ze, Euzebius, Gaudentius en Claudius, want niet <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2432" href="#xd0e2432">174</a>]</span>de
+roode, de witte amaryllis alleen, geneest voor altijd van booze
+betoovering.</p>
+
+<p>En de opperpriester bood den zwijnen, een voor een, de witte
+amaryllis. Zij verslonden, een voor een, de bloemen tusschen hunne
+nederig gestrekte zwijnssnuiten en o wonder, een voor een hieven zij,
+ietwat moeizaam, zich recht en wij zagen voor ons drie senatoren,
+Romeinen: Euzebius geheel kaal, kort, met een dikken buik; Gaudentius,
+lang en mager met een treurigen mond, die hing in twee plooien
+ne&ecirc;r; Claudius scheel en met een dikken neus, waarop een wrat. En
+zij droegen, o wonder, hunne toga&rsquo;s en voor den opperpriester
+hadden zij dadelijk verkregen een zekere waardigheid van aanzienlijke
+Romeinen, van senatoren, toch nederig en berouwvol om het bewustzijn,
+zeker, dat wij allen hen als zwijnen hadden gekend. En zij knielden, en
+ik met hen mede, en wij kusten allen den heiligen man zijn mantelzoom
+en wij begaven ons met de priesters in het heiligdom, om de godin te
+danken....</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Dien avond was het zoo zacht in de lucht als zweefde een godenadem
+den tempel om. En ik zag de drie senatoren: zij zaten op een marmeren
+bank in den tempeltuin, rustig en ik denk wel blijde en
+bespraken&mdash;ik overluisterde hen even&mdash;hoe zij naar Rome terug
+zouden keeren, waar Keizer Hadrianus en de Senaat zeker niets zouden
+begrepen hebben van hunne lange afwezigheid. De een krabde aan zijn
+kaal voorhoofd, de tweede loenschte scheler in moeizaam bedenken, de
+derde wreef zich over zijn maag, na het menschelijk maal, dat zij juist
+hadden genoten en ik hoorde Gaudentius zeggen: <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2440" href="#xd0e2440">175</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;Nooit iets in Rome zeggen van wat ons is overkomen.</p>
+
+<p>&mdash;Niemand zo&ucirc; het gelooven, zeide Claudius.</p>
+
+<p>&mdash;Ik geloof het zelf niet, zei Euzebius overmoedig.</p>
+
+<p>Ik liet de drie senatoren. Ik zelve geloofde w&egrave;l, vroom aan
+Isis, vroom aan de Eleuzische goden en tevens, vol van liefde, liefde
+als ik beter voelde als man nu dan als ezel destijds, voor Charis, mijn
+zoete bruid. En terwijl ik, Davus, ginds, in een der kleine vertrekken,
+die ons ter zijde van de tempelgebouwen waren toegewezen, zag slapen,
+doodmo&ecirc; nog, mijn arme knecht van den tocht, dien hij aan mijn
+verdwenen ezelstaart had moeten volbrengen, dwaalde ik zelve vol
+verlangen naar Charis om in de tuinen, terwijl het scheen, dat de
+godenadem mij zoo zacht en weldadig omzweefde.... En voelde ik mij, in
+dat verlangen naar mijn bruid, gelouterd, vroom afwachtende de dingen,
+die komen zouden en w&egrave;l anders dan ik mij gevoeld had als de
+dartele handelsreiziger, die ik eenmaal geweest was...</p>
+
+<p>Toen zag ik twee priesters: klaarblijkelijk zochten zij mij, want nu
+zij mij zagen, kwamen zij op mij toe. De maan, heel zuiver, rees aan de
+kim, over de verre, rotsige vlakte, die van uit de Isis-tuinen was te
+zien, als een blankende, eindelooze woestijn....</p>
+
+<p>&mdash;Charmides... zeide mij een der priesters.</p>
+
+<p>&mdash;Wij zoeken u, zeide de andere; om u op bevel van onzen
+heiligen vader tot Charis te voeren. Zij wacht u...</p>
+
+<p>Mijn hart sprong op naar mijn keel en ik bezwijmelde bijna van
+geluk. De priesters, ik tusschen hen beiden, geleidden mij; door de
+tuinen, achter den tempel om, langs de lange rij tempelgebouwen,
+waarvoor de myrtehagen als tot groene schermen waren recht gesnoeid,
+voerden de priesters mij tot ik eensklaps mij bevond in een prieel zoo
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2457" href=
+"#xd0e2457">176</a>]</span>tooverschoon, dat ik aan werkelijkheid niet
+dadelijk gelooven kon. Een vijver, in het midden, bloeide in de blankte
+van de rijzende maan, van de heilige lotus, die voor altijd onttooverde
+wiens boete door de goden was aangenomen, maar de bloemen lagen niet
+steeds op het water; de grootste, de allerzilverste rezen op langere
+stengelen omhoog en schitterden tegen de nacht als sterren der aarde.
+En rondom verhieven zich hoog de witte amaryllis-kelken als blanke
+bekers van albast en alle de bloemen schenen de beginnende maneklaarte
+in hare diepe ontvankelijkheden op te vangen en str&aacute;alden,
+heilige tempelvaten gelijk.... En in dit gewijde prieel, achter, uit
+een witzuilige gang, trad Charis mij te moet. Twee maagden geleidden
+haar. Ik zag haar in de zacht blanke nachteklaarte naderen als een
+teedere schim: zij was bleek en ernstig maar zoo lieflijk als ik nog
+nimmer haar meende te hebben gezien: iets minder kind en meer vrouw,
+schreed zij mij langzaam te moet: haar blonde haar omgaf zoo lieflijk
+kuisch hare broze slapen en te&ecirc;r, bleek gelaat; een witte peplos
+plooide bijna als met lotusblankte van hare smalle schouders en langs
+haar slanke heupen en als blauwe lotus bloeiden hare oogen op in den
+blik, waarme&ecirc; zij mij zocht. En de twee maagden en de twee
+priesters verdwenen ter zijde....</p>
+
+<p>&mdash;Charis! riep ik haar zacht.</p>
+
+<p>&mdash;Charmides! riep zij zacht mij toe.</p>
+
+<p>Ik naderde haar en onze armen hieven zich en wij omhelsden
+elka&acirc;r, innig en dicht.</p>
+
+<p>&mdash;Charis! zeide ik. Uit liefde voor je werd ik betooverd in den
+vorm, dien je, zelve betooverd, lief kreegt.</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet het, zeide zij. Ik weet alles. En het is alles goed
+geweest. Charmides, ik heb je &eacute;en oogenblik, o een <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2469" href="#xd0e2469">177</a>]</span>enkele
+seconde, geloof ik nu, gezien zoo als ik je nu herken. Het was buiten
+de poort van Hypata. Ik, in mijn draagstoel, volgde mijns vaders stoet.
+Jij verscheent &eacute;en oogenblik mij ter zijde; je zaagt mij aan, ik
+zag je aan... Meer was er niet... To&egrave;n... liep er een ezel naast
+mij, een oogenblik slechts... Toen... toen, herinner ik mij, draafde
+Davus&mdash;ik heb hem herkend&mdash;op een ezel...</p>
+
+<p>&mdash;Op mij....</p>
+
+<p>&mdash;.... onzen stoet te gemoet... En we&ecirc;rklonk je naam, o
+Charmides!</p>
+
+<p>&mdash;En we&ecirc;rklonk Charis&rsquo; naam....</p>
+
+<p>&mdash;Sedert had ik je, Charmides, lief. Chersonezus betooverde
+mij, omdat ik hem niet wilde minnen en ik smachtte naar je.... En toen
+je verscheent in een ezelvorm....</p>
+
+<p>&mdash;Aan hek en heining der grasweiden.. vol madelieven..</p>
+
+<p>&mdash;Herkende ik je aan je oogen en wist ik, dat je Charmides
+was... En beminde ik je, als een ezel...</p>
+
+<p>&mdash;En verloofde Menedemus Charmides aan zijn dochter
+Charis....</p>
+
+<p>Wij omhelsden elka&acirc;r innig en dicht.</p>
+
+<p>&mdash;Vader leeft, zeide zij. Zij leven allen.... Wat wij zagen,
+was vizioen....</p>
+
+<p>&mdash;Vizioen... herhaalde ik.</p>
+
+<p>&mdash;O, Charmides, zeide Charis. Wanneer gaan wij terug tot
+h&egrave;n?</p>
+
+<p>&mdash;Morgen, beloofde mij de opperpriester, o Charis. Maar zal
+Menedemus aan een koopmanszoon geven zijn prinsesje, zijn dochter
+Charis....?</p>
+
+<p>&mdash;Hij zal Charis geven aan Charmides, die haar beminde en redde
+uit veel gevaar, o Charmides.... <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2497" href="#xd0e2497">178</a>]</span></p>
+
+<p>&mdash;O Charis....</p>
+
+<p>Onze namen, uit onze monden, klonken in een roep van liefde op. Onze
+roepende monden vonden elka&acirc;r in den eersten kus, dien wij, maagd
+en man, elkander gaven. De maan rees hooger, straalde, heilige Isis
+zelve, hooger in de hemelsche tuinen, waar de sterren als lotus
+ontloken over de azuren hemelmeren en om ons heen, zilver en zuiver,
+tinkelend en aangetokkeld met de dunne staven, we&ecirc;rtrilden,
+we&ecirc;rtrillerden, de sistra melodie-vol in de vele handen der
+onzichtbare maagden van den tempel en we&ecirc;rklinkelden,
+we&ecirc;rklonken de even hellere schelletjes, en tikten hare tonen
+ne&ecirc;r als met dauwdroppelen van te&ecirc;rste muziek, terwijl de
+aanzwellende stemmen op zongen ter eere van de goede godin....</p>
+
+<p>&mdash;O goden van Eleuzis! baden wij beiden, in ons beider
+omhelzing. Gij behoeddet Charis en Charmides en wij zullen ons in
+Eleuzis, o goden, doen wijden in uw heilig mysterie!</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Lezer, zoo is het gebeurd. Ik was een ezel en ben het niet meer. Wij
+werden beiden, na ons huwelijk, ingewijd in Eleuzis&rsquo;
+mysteri&euml;n. Ik ben opgenomen in de Broederschap van Isis en, in
+mijn zoet geluk naast Charis, behoef ik, omdat ik de trouw heb geleerd
+in zoo vele lotsverwisselingen, niet meer bevreesd te zijn ooit
+we&ecirc;r in een ezel veranderd te worden....</p>
+</div>
+</div>
+
+<div class="back">
+<div class="div1">
+<div class="figure"><img border="0" src="images/spine.jpg" alt=
+"Oorspronkelijke rug." width="85" height="720"></div>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/back.jpg" alt=
+"Oorspronkelijke achterkant." width="536" height="720"></div>
+
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met
+vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a class=
+"exlink" title="Externe link" href="http://www.gutenberg.org/">
+www.gutenberg.org</a>.</p>
+
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie
+team op <a class="exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+
+<h3>Codering</h3>
+
+<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan
+de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel
+zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
+gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het
+corr-element.</p>
+
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+
+<ol class="lsoff">
+<li>2009-08-27 Begonnen.</li>
+</ol>
+
+<h3>Externe Referenties</h3>
+
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+
+<h3>Verbeteringen</h3>
+
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+
+<table width="75%" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in
+de tekst.">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e196">13</a></td>
+<td width="40%">Hecate</td>
+<td width="40%">Hekate</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e269">18</a></td>
+<td width="40%">Cchremes</td>
+<td width="40%">Chremes</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e517">29</a></td>
+<td width="40%">Boeoti&euml;</td>
+<td width="40%">B&oelig;oti&euml;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e992">64</a></td>
+<td width="40%">Cice-schepter</td>
+<td width="40%">Circe-schepter</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1119">74</a></td>
+<td width="40%">elkaar</td>
+<td width="40%">elka&acirc;r</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1147">79</a></td>
+<td width="40%">bepoe&iuml;erden</td>
+<td width="40%">bepoeierden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1492">99</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1810">125</a></td>
+<td width="40%">be&acirc;amde</td>
+<td width="40%">bea&acirc;mde</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De verliefde ezel, by Louis Marie Anne Couperus
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERLIEFDE EZEL ***
+
+***** This file should be named 29837-h.htm or 29837-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/9/8/3/29837/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
+
diff --git a/old/29837-h/images/back.jpg b/old/29837-h/images/back.jpg
new file mode 100644
index 0000000..526dd9e
--- /dev/null
+++ b/old/29837-h/images/back.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/29837-h/images/external.png b/old/29837-h/images/external.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/old/29837-h/images/external.png
Binary files differ
diff --git a/old/29837-h/images/front.jpg b/old/29837-h/images/front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..79b0c4f
--- /dev/null
+++ b/old/29837-h/images/front.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/29837-h/images/logo.gif b/old/29837-h/images/logo.gif
new file mode 100644
index 0000000..e9f8b34
--- /dev/null
+++ b/old/29837-h/images/logo.gif
Binary files differ
diff --git a/old/29837-h/images/spine.jpg b/old/29837-h/images/spine.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2a2fe0a
--- /dev/null
+++ b/old/29837-h/images/spine.jpg
Binary files differ