diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:48:18 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:48:18 -0700 |
| commit | 8b266cfcd58e820a51c2e841a953d810d17eca93 (patch) | |
| tree | d40bb27cde657d1c02a30913a5d5f76593349447 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 29837-0.txt | 5784 | ||||
| -rw-r--r-- | 29837-0.zip | bin | 0 -> 108147 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29837-h.zip | bin | 0 -> 211980 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29837-h/29837-h.htm | 6808 | ||||
| -rw-r--r-- | 29837-h/images/back.jpg | bin | 0 -> 39934 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29837-h/images/external.png | bin | 0 -> 172 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29837-h/images/front.jpg | bin | 0 -> 42703 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29837-h/images/logo.gif | bin | 0 -> 2459 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29837-h/images/logo.png | bin | 0 -> 2459 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29837-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 10090 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/29837-8.txt | 5790 | ||||
| -rw-r--r-- | old/29837-8.zip | bin | 0 -> 105397 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/29837-h.zip | bin | 0 -> 209251 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/29837-h/29837-h.htm | 6781 | ||||
| -rw-r--r-- | old/29837-h/images/back.jpg | bin | 0 -> 39934 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/29837-h/images/external.png | bin | 0 -> 172 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/29837-h/images/front.jpg | bin | 0 -> 42703 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/29837-h/images/logo.gif | bin | 0 -> 2459 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/29837-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 10090 bytes |
22 files changed, 25179 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/29837-0.txt b/29837-0.txt new file mode 100644 index 0000000..3c18e5e --- /dev/null +++ b/29837-0.txt @@ -0,0 +1,5784 @@ +The Project Gutenberg eBook of De verliefde ezel, by Louis Marie Anne +Couperus + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: De verliefde ezel + +Author: Louis Marie Anne Couperus + +Release Date: August 28, 2009 [eBook #29837] +[Most recently updated: November 25, 2022] + +Language: Dutch + +Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERLIEFDE EZEL *** + + + + + De verliefde ezel + + Door + + Louis Couperus + + + Rotterdam + + Nijgh & Van Ditmar's Uitgevers-Maatschappij + + MCMXVIII. + + + + + + + +AAN DEN LEZER. + + +Sedert wij door middel van den Wereldoorlog tot de Middeneeuwen +zullen terug keeren (denk maar allereerst aan de kaarsen, bij welke +gij heden ten dage dineert; denk dan aan de helmen der soldaten; +denk dan.... ik laat aan u over waarover ge nog meer wilt denken), +keer ik persoonlijk maar in eens tot de Oudheid terug en schrijf u een +echt ouderwetschen, ja antieken avonturenroman,--zónder psychologie, +zónder symboliek, realistiesch noch naturalistiesch,--onvervalscht +antiek ouderwetsch. Want het motief steel ik er voor uit Apuleius' +Gouden Ezel en die roman was, geloof ik, de tweede, die er ooit +geschreven werd, als ge ten minste Petronius' Satyricon de eerste +noemen wilt! (Ik kan mij met dit alles best vergissen; informeer dus, +als gij het naadje van de kous wilt zien, waar gij meent onfeilbaar +te zullen worden ingelicht.) + +Ik hoop, dat ge mijne poging u iets anders voor te zetten dan +novellistiesch opgevatte moderne oorlogsberichten zult waardeeren en +tevens goedkeuren, dat wij alle, eenmaal onvermijdelijk geachte, dingen +als naturalisme, realisme, symboliek, psychologie over boord gooien en +samen zwelgen zullen in de meest antieke onwaarschijnlijkheid, die een +moderne romanschrijver--om maar in eens tot de Oudheid terug te keeren +zonder te blijven bij de Middeneeuwen, tot welke ons de Wereldoorlog +brengt--kan verzinnen. En wilt ge zoo niet met mij zwelgen, keer u dan, +o Waarde Lezer, onmiddellijk van mij af en blijf in uw Middeneeuw van +heden-ten-dage, die werkelijk minder stemmingsvol is dan de werkelijke +Middeneeuw was: wat mij betreft, ik bestijg mijn Verliefden Ezel, sla +mijn hielen in zijn grauwe flanken en spring met hem van den barren, +onbeminden rots van mijn eigen tijd in het Antieke Verleden, om samen +te zwelgen, om in niets anders te zwelgen dan in de Onwaarschijnlijkste +Onwaarschijnlijkheid, psychologie-loos, symboliek-loos (denk vooral +niet, dat mijn Verliefde Ezel een symbool is!!) maar toch, willen wij +samen hopen, mijn Ezel en ik, niet kunstloos, niet schoonheidsloos, +o neen, vooral niet dat! + + + + + + + +I. + + +Indien gij, o vrienden, deze bladen zult lezen, zult gij zeer +zeker versteld staan over de vreemde avonturen, die zij bevatten en +niet gelooven willen, wat ik hier, te mijner herinnering en te uwer +genoegen en ontroering beiden, te boek heb gesteld. Welnu, ik verzeker +u gaarne en zweer u bij alle goden en vooral bij de heilige Isis, wier +priester ik heden ten dage geworden ben, dat de zonderlinge dingen, +die gij vernemen zult, niet anders zijn dan de loutere waarheid, +die ik heb doorleefd, dikwijls zonder zelve aan haar te kunnen +gelooven en dikwijls bepeinzende of ik niet in een voortdurenden +droom zoo onwaarschijnlijke levenservaringen door maakte. Tot ik +mij moest bedenken, dat het geheele leven zelve een droom is, éen +onbegrepen toeven, vol huiver en aarzeling, op de breede drempels van +de Poorten dier goudene Werkelijkheid en ik, vroom, niet anders kón +dan gelooven aan een door de goden bestierde aan een geschakelde keten +van onwaarschijnlijkheden, waarmede ik geleid werd tot het einddoel +mijner levensdagen. + +Ik ben een koopmanszoon en heet Charmides en mijne ouders, hoewel uit +Athene afkomstig, woonden te Epidaurus in Argolis en mijn vader had er +een bloeienden groothandel. Uit Indië, over Klein-Azië, uit Arabië en +Egypte brachten zijne schepen hem velerlei kostbare koopwaar, die hij +wederom verzond naar Athene en Rome niet alleen, maar naar allerlei +streken van het Romeinsche Rijk, dat in die tijden mijner jeugd +beheerscht werd door onzen genadigen Keizer Hadrianus. Zeer vermogend, +was mijn vader tevens een krachtig en energiek koopman gebleven en zag +het met leede oogen aan, dat ik, zijne eenige zoon en het bedorven +kind mijner moeder, die een Romeinsche was, niet naar hem aardde en +weinig belang stelde in de uitgebreide zaken van het handelshuis, dat +zijn eigen was. Integendeel, niets boezemde mij minder belang in dan +handel, dan geld maken en wat mij alleen belang inboezemde, dat was +de liefde. Ik was geboren voor de liefde en ik heb bemind, geloof ik, +van klein knaapske af: misschien is mijn voedster mijn eerste liefde +geweest, ook al herinner ik mij die niet meer. Maar zekerlijk herinner +ik mij, dat, zoo dra ik loopen kon, zoo dra ik stamelen kon, ik lief +heb gehad, de kleine dochtertjes van onze buurlui, de slavinnen van +mijne moeder, de vriendinnen zelfs mijner moeder, en dat, hoewel de +kleine meisjes voor mij weg liepen, onze slavinnen mij uit lachten +omdat ik zoo nietig nog was en mijner moeder vriendinnen, hoewel +zij mij op den schoot namen, mij plaagden om mijn verliefden aard op +zoo prillen leeftijd, ik mij niet kon verdedigen te beminnen en dat +ik door bijna ieder vrouwelijk wezen van jeugd en schoonheid werd +aangetrokken op een wijze, die bijna aan een tooverban deed denken. + +Nu was ik een mooie, knappe jongen--ik geleek op mijn vader en +moeder beiden--en door tal van vluchtige verliefdheden heen had ik +den leeftijd van twintig jaren bereikt, toen mijn vader, meer en meer +toornig om mijne lichtzinnigheid, mij plotseling, trots mijner moeder +tranen, beval, alleen, met mijn knecht Davus, een handelsreis aan +te vangen, over Corinthe heen naar de binnenlanden van Thessalië en +Epirus, om aldaar in de steden als zijn vertegenwoordiger op te treden +en de fijnere koopwaren van het Oosten er van de hand te doen. Het +was een zeer wreede beproeving voor mij, vooral omdat mijn vader er +bij voegde, dat ik hem niet meer onder de oogen behoefde te komen, +zoo ik niet slaagde in het doel mijner reis. En de reis zelve was +waarlijk geen pleizierreis, want hoewel Corinthe een beminnelijke stad +was vol levensvreugde en schoone vrouwen, was over Boeotië en Focis, +naar Thessalië en Epirus te trekken niet anders dan een straftocht, +ook al kon ik bij verschillende wisselaars onder weg beschikken over +vrij aanzienlijke sommen, die mijn vader er te mijnen gerieve had +doen neder leggen. + +Er was niets aan te doen. Ik nam teeder afscheid van mijne moeder, +van hare vriendinnen, die, matronen geworden, niet meer lachten maar +mij weenende omhelsden; ik nam afscheid van onze slavinnen en van de +kleine buurmeisjes, die tot lieflijke maagden waren opgebloeid. En +omgeven door geheel een gevolg van vrouwen en meisjes, die weenden +en weeklaagden, besteeg ik mijn gerieflijken reiswagen, die door vier +krachtige buffels getrokken mij over Mycenæ naar Corinthe zoû voeren, +terwijl Davus zich naast den voerman zette. + +De eerste dagen mijner reis verliepen zonder avontuur. Wat zal +ik u vertellen van de dienstmeisjes der herbergen, van enkele +aanzienlijkere vrouwen, die met eenige vreugde mijn anders zoo sombere +dagen doorweefden? Het waren bloemenkransen, die dadelijk braken. Het +waren geen banden des levens en ook de beroemd schoone vrouwen van +Boeotië, die er in Tanagra door de beeldhouwers worden vereeuwigd in +schoone lijn en gracelijken vorm, gingen door die week mijner reize +heen niet anders dan als weêr verzwijmende fantomen van bevalligheid, +die ik mij nauwlijks meer herinner dan de blanke, ijle wolken, die +dreven aan de blauwe hemelen der verre oorden, die ik door trok. + +Van Thebe ging de reis over Thespiæ naar Delfi. Wat al beroemde +namen en wat al vervallene steden! Voor een handelsreiziger als ik, +die de kostbaarste waar van de hand moest doen--geurwerk en parels, +zijden stoffen en tapijtwerk--was hier niets te doen, dan uit te +rusten van het wiegelen in mijn reiswagen: in Thebe zag ik het huis +van Pindaros, den grooten dichter en zanger, dat Alexander de Groote, +toen hij de stad fnuiken wilde en haar tot den grond toe deed slechten, +uit eerbied spaarde, maar... of het mij getoonde huisje wel dat van +Pindaros was, betwijfelde ik zeer; het dienstmeisje in de herberg, +was hare eigene grootmoeder, geloof ik.... Te Thespiæ wist niemand +mij meer te vertellen waar de Eros van Praxiteles gebleven was, die +Fryne haar geboortestad had geschonken en toen ik te Delfi aan kwam, +overviel mij, hoezeer ik er mij die eerste week tegen had vermand, +een eindelooze melancholie. Mijn reiswagen hield stil voor een kleine +herberg; er hing in den kouden najaarswind een blikken uithangbord +boven de poort te rammelen; op dat rammelende bord was geschilderd +iets als een witte figuur en er onder stond geschreven: + + + IN DE PYTHIA. + + +Ik begreep. "In de Pythia", dat was de herberg, de allereerste in +Delfi, de stad eenmaal van het beroemde Orakel Apollo's, waar zijne +door geuren vervoerde priesteres, de geheiligde Pythia, de wondervolle +spreuken op den gouden drievoet gestameld had. "In de Pythia". Ik steeg +uit, door Davus geholpen, en de herbergierster, een dikke waardin, +kwam mij begroeten. + +--Hebt gij een kamer? vroeg ik. + +--Helaas! riep de herbergierster. Edele prins, gij komt te laat. Ik +heb slechts éen kamer met drie bedden voor gasten, maar alle de drie +bedden zijn ingenomen! + +--Ik kan dan in mijn wagen slapen, zeide ik; als je mij slechts wat +voedsel kunt geven, en ook mijn dienaar en voerman voeden en zorgen +voor frissche postbuffels.... Maar een prins ben ik niet; ik ben +slechts een handelsreiziger en als zoodanig slechts kan ik je betalen. + +Voor de deur, op een bank, zaten twee mannen te praten en een derde, +die er ziek en ellendig uit zag, lag op den grond, tegen een boomstam, +zorgzaam gewikkeld in dekens en doeken. Zoodra zij mijne woorden +hoorden, stonden de twee mannen op en naderden mij. Zij zeiden: + +--Zijt gij een handelsreiziger, heer? Zoo zijn wij collega's, want +ook wij zijn handelsreizigers, ja, zeker. + +De eene was dik en kort en de andere lang en mager. Zij bogen en ik +stak hun de hand toe. + +--Ik, zeide de dikke korte; reis in allerlei voedingsmiddelen, graan, +rijst, wijn en kom uit Thessalië, waar ik goede zaken gedaan heb. Mijn +naam is Crito. + +--Ik, zeide de lange magere; reis in allerlei kleedingmateriaal: wol, +katoen, lijnwaad, en kom ook uit Thessalië; ook ik deed vrij goede +zaken, mijn naam is Chremes. + +--Ik, zeide ik op mijn beurt, heet Charmides en ik reis in +weelde-artikelen. + +--Toch niet naar Thessalië?? vroegen zij beiden te gelijker tijd. + +--En waarom niet? Zoû ik er geen goede zaken doen? Het handelshuis +van mijn vader is beroemd om zijn fijne Oostersche koopwaar.... + +Crito en Chremes schudden bedenkelijk met de hoofden en handen en de +zieke, die op den grond lag, riep schril: + +--Heer, hoed u te gaan naar Thessalië! Daar ben ik ziek geworden! Daar +ben ik eerst behekst geworden! En toen ik onthekst was, ziek, ziek, +ziek! + +--Wie zijt ge? vroeg ik den zieke. + +--Ik ben Aristomenes en reisde slechts voor mijn genoegen, heer; +ik wenschte het beroemde Thebe te zien, het beroemde Thespiæ en den +tempel, waar het goddelijke beeld van Praxiteles' Eros gestaan heeft; +ik wenschte Delfi, het heilige Delfi te zien; ik wenschte Thrachis +te zien, waar Herakles heeft gewoond: ach, heer, ik was slechts een +simpel toerist, ik was een dichter, ik beminde de letteren en de +schoonheid, ik beminde het reizen en het trekken en Thessalië heeft +schoone steden, schooner en weelderiger dan dit vervallene Delfi en dan +Thespiæ en Thebe, maar, heer, ik werd er behekst en anderen werden er +behekst als ik, in Larissa, in Hypata.... O, heer, o Charmides, gij, +die reist in weelde-artikelen, neem u in acht: hoèd u voor Thessalië! + +Zoo klaagde de zieke op den grond. Mijn reiswagen was uitgespannen en +ter zijde geleid; mijne bagage bleef in den wagen: Davus en de voerman +aten reeds ieder een bord linzensoep op de andere bank ter zijde der +herbergpoort en ik zat tusschen Crito en Chremes op de bank bij den +boom, waartegen de zieke lag. Een dienstmeisje bracht mij mijn maal: +lamsbraad en brood en honig en ooft.... + +--Hoe heet je? vroeg ik beminnelijk. + +--Fotis, heer, en ik ben tot uw dienst, zeide het beminnelijke meisje. + +Ik knikte haar welgevallig toe en at met smaak. Ik was iets +minder melancholiek nu ik Fotis gezien had; waarlijk, zij zag er +uit om verliefd op te worden en ik werd dan ook dadelijk op Fotis +verliefd. Het geen niet weg nam, dat ik met jeugdigen honger mijn +tanden sloeg in het droge lamsbraad, het harde brood en den azijnzuren +wijn uit dronk. + +--Ik heb, zeide ik tot den zieke; wel eens meer gehoord, dat Thessalië +het land van beheksing is, maar weet niet of ik hieraan gelooven kan. + +--Toch is het zoo, heer! + +--Toch is het zoo, heer! riepen Crito en Chremes om beurten. + +--Noem mij Charmides! zeide ik genadig; ik reis wel in weelde-artikelen +maar ben handelsreiziger als gij beiden, die reist in kaas en in +wol en wij zijn toch collega's, niet waar. Noem mij Charmides, als +Aristomenes mij reeds noemde. + +--Toch is het zoo, Charmides! riep de zieke. Thessalië is het land +der beheksing. De heksen zweven er rond in de lucht en spinnen uit de +maan de tooverdraden! En weven de tooverwebben! En dansen er op den +viersprong der wegen rondom Hekate, de driehoofdige! En de schimmen +der vermoorde kindertjes zweven er als vleêrmuizen en nachtuilen rond +door de nachten om wraak op de heksen te nemen, maar zij zijn sterker, +o Charmides: de heksen zijn à ltijd stèrker, dan wie ook, dan de goden; +de heksen beheksen de goden zelfs en éen heks heeft mij behekst: in +een zwijn heeft zij mij veranderd als Circe Ulyssus' makkers deed +en hokkende en hikkende heb ik haar gevolgd, terwijl zij lachte, +de tooverkol! Hoed u voor Thessalië, Charmides! + +De nacht viel, sinister, over het plein voor de herberg: In de +Pythia. De najaarswind woei klagelijk. Davus en de voerman, op de +andere bank, zaten met angstige gezichten toe te luisteren. Ruischend +als van vreemden zang, vielen de platanebladeren om ons rond. Ginds +stond mijn reiswagen, waar ik zoû moeten rusten.... geriefelijker +eigenlijk, dacht ik, dan in de éene kamer "In de Pythia", met de drie +bedden, die Aristomenes, Crito en Chremes reeds zouden innemen. De +arme dichter-toerist, ziek was hij wel, al verbeeldde hij zich +misschien in een zwijn te zijn veranderd geweest! Crito, een goede +kaasboer; Chremes, een brave lappeman: ik zag toch wèl een beetje +op hen neêr. Ik, ik was Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus: +ik reisde in purper en parels, in myrrhe en cinnamoom, in Sidonische +tapijten en bombyx-zijde: ik was jong, rijk, mooi, krachtig, door +de vrouwen bemind; ik beminde zelve altijd, ik was altijd heerlijk +verliefd; ik was nu verliefd op Fotis, die ik toelachte toen zij +de borden weg nam.... Mijne melancholieën om mijn strafreis en de +sombere oorden, die ik door trok, gingen als lichte wolkjes.... + +En toch.... Sinister die nacht over het plein.... Klagelijk de +najaarswind.... Zoo bleek de gezichten van dienaar en voerman.... Hoor, +wat zong er toch vagelijk door de vallende platanebladeren? Waren +het de vermoorde kindertjes?? Ik werd mij even bewust niet gehéel +lichtzinnig te zijn: ik werd mij even bewust te willen worden ingewijd +in de mysteriën van Eleuzis: een vreemde vroomheid huiverde vaak +door mijn gloeiend kloppende aderen: ik wist, dat er dingen van +goddelijkheid en ongoddelijkheid zijn, die een verliefde, jonge man +niet altijd begrijpt! + +--Ik zal mij hoeden voor Thessalië! riep ik Aristomenes toe: maar ik +zal Thessalië niet ontwijken! Ik reis morgen Thessalië in! Er zijn +de steden als Hypata en Larissa, die bloeien, die zijn weelderige +steden, niet vervallen als Delfi, Thespiæ en Thebe en daar zal ik +bombyx verkoopen en Sidoniesch tapijt, cinnamoom en myrrhe en parels +en purper en ik zal er zaken maken als Crito en Chremes hebben gedaan! + +Crito en Chremes schudden handen en hoofden. + +--Wij, heer Charmides, zeiden zij beiden; gaan er nooit meer heen, +trots de goede zaken.... + +--Ik, heer Charmides, zeide Crito; ben er dik en kort geworden en ik +was, toen ik er heen ging, lang en mager. + +--Ik, heer Charmides, zeide Chremes; ben er mager en lang geworden +en ik was, toen ik er heen ging, kort en dik. + +Ik keek van den een naar den ander. + +--Wie is dan de een en wie is de ander? vroeg ik. + +Ze schudden hoofden en handen. + +--We weten het zelve soms niet! bekenden zij. + +Ik lachte, toch in mijn binnenborst geschokt in mijn vertrouwen. + +--Ik moet tóch gaan, zeide ik. Ik zà l ook gaan, zeide ik +moediger. Avontuur, zelfs van heksen, stoot mij niet af. Bang was +ik nooit. Fotis, riep ik het meisje toe; wat bereiden ze voor op +het plein? + +Want fakkels werden hier en daar op het donkere plein in gestampt. + +--Heer, antwoordde Fotis en lachte als een roos; het zijn de rond +trekkende kunstenmakers, die gehoord hebben, dat gij in purper en +parels reist en die een voorstelling geven komen. + +Ik lachte helderder. + +--Laat ze komen! riep ik. Laat ze komen! Zij zullen ons verstrooien +voor wij slapen gaan en wij zullen niet van heksen droomen. + +En met ketelmuziek kwamen zij op: twee mannen, drie meisjes, vier +jongens, een beer.... + + + + + + + +II. + + +Aan de drie zijden van het pleintje voor de herberg waren nu de +vlammende, walmende toortsen geplant en de harstriekende gloor weifelde +fantastiesch door de nacht, die geheel gevallen was. Links en rechts +duisterden een paar straatjes en sloppen, waar nu wat volk uit kwam, +dat zich met donkere silhouet verzamelde op het pleintje. Voór de +herberg, ter vierde zijde dus, rees een stuk oude muur, vermoedelijk +nog over van de ommuring van een antiek heiligdom.... Delfi! Dit was +Delfi! moest ik mijzelven herinneren. Ik was te Delfi, de heilige stad +van Apollo's Orakel en dit was Delfi: dit herbergje: "In de Pythia", +dit modderige plein, die verbrokkelde muur over ons, die fakkels, +in den grond geplant; die kunstenmakers en die beer, die aan kwamen, +tusschen dat groezelige volk. En mijn reiswagen ginds, waarin ik +slapen zoû, met mijn stalen van kostbare koopwaar--als mijn bagage +maar niet gestolen werd.... + +--Davus! riep ik mijn knecht. + +Hij stond op, naderde. + +--Davus, waarschuwde ik; ga met den voerman zitten op treê of bok +van den wagen om de kunstenmakers te zien en pas op, dat het volk +niets steelt.... + +Davus en voerman deden als ik beval.... + +....Dit, dit was alles Delfi! En Fotis, die mij een kruik wijn bracht +en vier kroezen en de zieke Aristomenes tegen den plataan en Crito +en Chremes, mijn beide collega's in wol en kaas, die behekst waren +geweest en niet meer wisten wie van de een eigenlijk kort en dik en +wie lang en mager was... Dit, dit was alles Delfi? + +Toen voelde ik het misschien voor het eerst.... Trots mijn +lichtzinnigheid, trots mijn altijd verliefde jeugd.... Den eerbied voor +de Goden en het Onuitsprekelijke.... Toen voelde ik bijna een weemoed +om Apollo, wiens heilige stad zoo was vervallen, wiens Orakel niet +meer werd geraadpleegd.... Toen voelde ik dat vreemde gevoel, terwijl +mijne oogen toch Fotis, op wie ik verliefd was, bewonderden, als zij +in gezonde, wat boersche maar mij aantrekkelijke, jonge-vrouwelijkheid +ons bediende.... Dat vreemde gevoel, dat er à ndere Dingen waren dan +te reizen in kaas en wol, zelfs in purper, parels en geurwerk! + +--Vertelt ge mij niet uw avontuur, beste vrienden? vroeg ik Crito +en Chremes; terwijl ginds de kunstenmakers ons hunne toeren zullen +vertoonen? + +Zij wilden mij hun avontuur wel vertellen.... Intusschen deden reeds +de twee paar jeugdige knapen de wonderlijkste akrobatische toeren: +zij wrongen zich twee aan twee in elkaâr, tot zij geleken op twee +staven van Hermes-Mercurius, den god van ons, handelsreizigers!--op +twee caduceeën, op twee paar om elkaâr gekronkelde slangen: zoó liepen +zij, zich telkens geheel om buigend, op de handen: als de een op de +handen liep, hief wie zich om hem gekronkeld had, de zijne omhoog, +tot zij zich, hoepelsgewijze, bogen en de ander op zijn beurt op +de handen liep. En de eene man at vuur en de andere slikte een +gladiatorezwaard in.... + +--Gij moet dan weten, Charmides, zeide Crito; dat ik samen met Chremes +reisde, hij in wol, ik in kaas, en dat wij reeds sedert lang goede +vrienden zijn, niet waar, Chremes? + +--Voorzeker, Crito, antwoordde Chremes. En ge moet weten, Charmides, +dat wij kwamen op een driesprong van wegen, dicht bij Hypata.... + +--Larissa is een moóie stad, niet waar? viel ik in de rede; voor ons +dansten de drie meisjes een kordax-dans: een wulpsch schuifelend beweeg +tusschen de twee groepen der vier om elkaâr gekronkelde jongens; een +beer zat, gemuilband, te wachten.... En er zijn tal van mooie vrouwen, +niet waar? Ook die drie danseresjes zijn heél mooi.... + +--... En het was vallende avond, ging Crito voort, zonder zich veel +te storen aan mijne vragen en opmerkingen. En op eens.... + +--... Zagen wij vóor ons... + +--Een driehoofdig beeld van Hekate, de in Thessalië ge-eerediende +godin!! + +--Nu, zeide ik; is dat zoo vreemd. Op vier- of driesprong der wegen +staat wel meer het beeld der toovergodin. + +--Ja, maar Charmides....! + +--... maar Charmides...! riepen zij beiden, links en rechts en toen +te zamen: + +--Toen wij nader kwamen.... Lieten de drie hoofden af van den +romp.... En omvlogen ons drie verschrikkelijke heksen! + +--Hoed u, hoed u, o Charmides, voor Thessalië! riep de zieke +Aristomenes. + +--En deden zij ons geweld aan! riepen door elkander Crito en Chremes. + +--En maakten zij mij, riep Crito; die lang was en mager, kort en dik! + +--En mij, riep Chremes; die kort was en dik, lang en mager! + +Ik lachte. + +--Kom, kom! zeide ik. Ge zult gedroómd hebben. Ik geloof die verhalen +niet. Even als Aristomenes heeft gedroomd, dat hij in een zwijn werd +veranderd. Zie liever eens naar die drie bevallige danseresjes. Bij +mijn godin, die nooit Hekate worden zal, maar altijd Afrodite blijft, +ik geloof, dat ik verliefd word op à lle drie! + +Fotis hoorde mij, lachte schamper en riep: + +--Op drie dansmeiden van de straat! + +Maar eene van de danseressen kwam nader. Zij spreidde een tapijtje en +legde er zich glimlachende voor-over op, de armen sierlijk gekruist. De +fakkelvlam weêrspiegelde in de koperen munten, die bedekten haar +voorhoofd en borst. + +--Zij is de mooiste! riep ik. O wat is zij mooi en bevallig! En lenig! + +En ik werd zeer verliefd op het meisje, dat op het tapijtje lag. En +wilde opstaan. + +Maar, liggende, boog zij rond als een hoepel. De man, die vuur had +geslikt, bood haar een boog, dien zij nam tusschen de teenen van +haar eenen opgehoudenen voet en met de teenen van den anderen voet +richtte zij een pijl op de koorde. Zij boog het hoofd gracelijk, een +weinig, om te zien. Zij glimlachte steeds. De man, die het zwaard +had ingeslikt, hield een appel omhoog. En het meisje schoot met de +teenen, armen steeds gekruist en liggende, hoepelrond op den buik, +den pijl af, in den appel. + +Er was bewonderend gejuich en applaus en ik, Charmides, zoon van +Lyzias van Epidaurus, en die reisde in purper en parels, wierp enkele +geldstukken op het tapijtje. + +--Ach, Charmides! riep de zieke Aristomenes. Verwerp toch niet +onze waarschuwing! Denk toch, ik, dichter en toerist, ik werd ook +verliefd, als gij vaak wordt; ik werd verliefd op Meroë, de beroemde +hetære van Hypata, maar zij is een dienares van Hekate en zij zweeft +'s nachts rond door de lucht, met de schimmen van Medea en Circe, +die twee tooverprinsessen, dochters van de Zon, en zij bezweert met +haar beiden de Maan en de Sterren en den Storm! En zij behekste mij +in een zwijn, tot ik den rooden amaryllis at en weêr mensch werd maar +verlamd voor heel mijn leven! Hoed u voor Thessalië, Charmides!! + +Ik lachte. Geloofde ik? Ik wist het niet. Lichtzinnig, wà s ik heel +jong, heel verliefd nu op het lieve boogschutstertje, zoó verliefd, +dat ik niet dacht aan goddelijke of óngoddelijke dingen.... Ik stond +op en naderde de kleine kunstenmaakster.... + +Honden blaften, tusschen de menigte, zeker tegen den beer. + +--De honden blaffen! riep Aristomenes. Zij voelen, dat Hekate zweeft +in de lucht! Zij blaffen, omdat de maan rijst! Crito en Chremes, +voert mij naar binnen! Ik ben moê, ik ben ziek; helaas, ik ben lam: +ik wil rusten, ik wil rusten gaan! + +Crito en Chremes hielpen den zieke op, steunden hem, voerden hem +binnen in à l zijn doeken en dekens. + +--Hoe heet je? vroeg ik. + +--Demea, heer! zeide het meisje. + +--Je pijl, zeide ik; is geschoten in den appel, maar dieper nog elders. + +--Waar dan, heer? + +--In mijn hart. + +--Heer, ge schertst: ik ben maar een kind van de straat, gij een prins. + +--Neen, geén prins; ik rèis, in purper en parels. Wil je mij niet, +Demea, bezoeken, deez' nacht, in mijn wagen, die wacht voor de deur +hier, ter zij van het huis....? + +--Heer, thà ns moet ik dansen.... + +En zij danste met de beide andere meisjes. De vier jongens kronkelden +steeds als Hermes-caduceeën, en buitelden als wielen, om en om. En +de twee mannen met den beer speelden, als in het theater, een klein +mimus-spel van drie personen. Toen bevrijdden zij den beer van den +muilkorf en er was ontroering van schrik tusschen de menigte. Maar +de mannen klommen den muur op voor ons en heschen den beer op den +muur. En op den muur danste de beer met een stok in zijn pooten en +de mannen dansten met hem. + +Een luik in de herberg werd open gestooten en Aristomenes riep mij toe: + +--Hoed u, Charmides, voor Thessalië! + +--Kennen jullie Thessalië? vroeg ik de drie meisjes nu; ik wist bijna +niet op wie van drieën ik het meeste verliefd was: zij waren alle +drie allerliefst; donker van tint en haren, jong krachtig van leden, +verrieden zij, dwaalsters over de wereld, haar Egyptische afkomst. + +--Ja, heer, antwoordden zij alle drie en voegden er om beurten aan toe: + +--Maar ons, arme kunstenmaaksters.... + +--Doen de heksen.... + +--Neen, de heksen geén kwaad.... + +--Charmides! riep uit zijn raam de zieke; hoed u! De Egyptische +kunstenmaaksters zijn zelve heksen! + +Maar de meisjes tolden lachende om elkaâr rond. + +--Zijn jullie heksen? vroeg ik. + +--Wij weten alleen liefdedrank te bereiden, maar meer heks zijn wij +niet, heer.... + +En zij lachten en wij spraken over de liefde. Intusschen werden de +flambouwen gedoofd; de menigte vervloeide in de nacht, de kunstenmakers +met den beer verdwenen, de herberg werd gesloten. Ik bevond mij alleen +op het plein. De verbrokkelde muur, waar de beer niet meer danste, +teekende zich af tegen den afschijn der rijzende maan. Maar de wind +blies luguber en de wolken dreven en de platanebladeren ruizelden +neêr en ik hoorde als kleine kindertjes klagen of er zieltjes zweefden +door de nacht. + +Ik naderde mijn wagen. Davus en de voerman rezen op van de treê. + +--Heer, zeide Davus; de voerman wil niet naar Thessalië.... + +--Is hij bang? vroeg ik. + +--Ja, heer, zei de voerman, bleek. Wij hebben te veel gehoord, van +Thessalië, alleen reeds dezen enkelen avond. Ik keer morgen terug +naar Argolis. + +--Je bent de slaaf van mijn vader, zeide ik. Je bent mijn +slaaf. Geeselen zal ik je laten, wanneer je weigert den wagen te +mennen. + +--Zoo laat mij dood geeselen, zeide de voerman. Maar ik men den wagen +niet naar Thessalië.... + +Ik haalde mijn schouders op. + +--Ga nu slapen, zeide ik. Gaat slapen, allebei. Morgen brengt de +Dageraad nieuwen raad. + +Zij zouden voor in den wagen slapen. Zij sliepen dadelijk. Ik, +in den ruimen wagen, strekte mij op kussens ter ruste. Maar sliep +niet. Mijn slapen bonsden. Ik zag den driesprong der wegen en het +beeld van Hekate, wier drie hoofden af lieten van den romp en toen +drie heksen werden. + +Langs den wagen sloop in den flauwen maneschijn een schim. Ik keek uit. + +--Heer! fluisterde Fotis. Uw beide slaven slapen.... Daarom kom ik +u waarschuwen, dat, zoo gij naar Thessalië gaat, gij goed doet een +talisman om uw hals te dragen.... + +--Kom binnen, noodde ik Fotis. Kom in den wagen en waarschuw mij +beter.... + +Om den wagen ruischte geheimzinnig de wind en vielen de +platane-bladeren en Davus en de voerman snurkten.... Voor het herbergje +rammelde telkens het uithangbord: + + + IN DE PYTHIA. + + + + + + + +III. + + +Toen Fotis mij op zeer bevredigende wijze gewaarschuwd had en mij een +weldadige amulet om den hals had gehangen, slipte zij weg door het +eene portier van mijn reiswagen en verdween als een schim in de nacht +"In de Pythia".... Maar op dit zelfde oogenblik hoorde ik murmelen +aan het andere portier: + +--Heer! Heer Charmides! Gij, die in purper en parels reist.... + +Ik lichtte den voorhang op en herkende Demea. + +--Wat is er, Demea....? + +--Heer, zeide Demea; als ik niet gezien had, dat Fotis, die minne +herbergmeid, in uw reiswagen was binnen geslopen.... + +--Om mij te waarschuwen, zeide ik; voor de heksen van Thessalië.... + +--Dan zou ik, zeide Demea, een weinig verbolgen; en béter dan zij, +u hebben willen waarschuwen voor die zelfde heksen en u een filter +hebben willen geven, die onthekst, wie ook behekst is geworden.... + +--Kom dan binnen, lieve Demea, noodde ik; want het terrein is nu +vrij.... en door jou laat ik mij gaarne beheksen en ontheksen beiden. + +--Heer, zeide Demea; ik ben een kind van de vrije luchten, en dochter +van de zanden en het stof van de wegen en achter den voorhang van +een reiswagen, met twee ronkende slaven in elkanders rug, voór op den +bok, geef ik mijn filter u niet. De woestijn was de kamer, waar mijn +moeder mij baarde, de Sfinx waakte over mijn kinderspel, de maan is +mijn nachtlamp en het starbezaaide firmament is het koepeldak van +mijn eindeloos pavillioen. + +--Demea, zeide ik; je hebt dat alles heel mooi en rhetoriesch gezegd; +het laat mij denken aan een tirade uit Seneca, den treurspeldichter +en ik ben bereid je te volgen waar je mij voeren wilt, in welke ook +van je ruime slaapsaletten onder de gouden sterren.... + +--Kom dan meê! lonkte Demea. + +Ik richtte mij op uit de kussens, wipte uit den wagen en vroeg: + +--Waarheen.... + +--Volg mij, lokte Demea, vol onweêrstaanbare verleiding, en oogen +als gloeiende offerkolen. + +Ik volgde haar. Ik voelde even of ik mijn Syrischen dolk bij mij had, +in mijn gordel, en Demea zweefde mij voor, steeds om ziende, lachende, +of ik wel volgde. Wat was zij luchtig en vlug, de kleine boogschutster, +die met de teenen richtte en af trok haar pijl. Zij was zoo vluchtig +als een vizioen voor mij. Zij voerde mij, ter zijde van de herberg, +oogenblikkelijk in een verwilderd woud. De wind ruischte klagelijk +door de takken en boven ons zeilde de maan de drijvende witte wolken +in en uit over den hemel der nacht. De schaduwen lagen, slechts even +doorschemerd, ter zijde van het pad als groote, zwarte monsterbeesten +gestapeld.... + +--Heks!! riep ik. Demea! Ben je al een heks, al ben ik nog niet +in Thessalië?? + +--Mijn moeder was een heks! riep Demea. En een heks zal ik worden +als zij, wanneer de groote Bok mij roept! Kom, kom! + +Ik kon niet weêrstaan. Ik volgde haar, terwijl zij voort zweefde en +lokte en lonkte.... Ik zag niets dan, door de schaduw, den schemer, +schitteren hare kole-oogen en soms leek het mij, zag ik schitteren +haar glimlach als om een bloemmond van roode sulfer. Plotseling stond +zij stil op een opene vlakte. Er rezen enkele verbrokkelde muren, +de geknotte zuilen van een portiek. + +--Waar zijn wij? riep ik verwilderd. + +Demea naderde mij en riep tragiesch: + +--Wij zijn in de ruïne van den grooten Tempel! zeide zij. Eenmaal +rees hier het Heiligdom gewijd aan den goddelijken Boogschutter, dien +ik dien maar met mijn voeten. Eenmaal zat hièr--zij wees mij in het +midden een ronde, steenen plek--de Pythia op haar drievoet, dronken +van lauriersap en geuren en zij zeide de heilige Orakels. En waar dit +alles eenmaal was, zal ik dansen mijn dans van beheksing, ontheksing! + +Zij danste. Tusschen de geknotte zuilen danste zij in den maneschijn, +die heller en heller den hemel uit gleed. Zij danste. Zij danste in +blauwe en grauwe en blanke sluiers en zij was als een spiraal van +geurwalm uit een geurvat. Zij wirrelde als een ijle, dunne wolk, die +verijlde in de nacht. Zij veronwezenlijkte als een tooverdamp. Zij +deed de vervoerende heiligschennis op de heilige plek van Delfi. Ik +was mijzelve niet meer: + +--Demea! riep ik en opende de armen. + +Demea's armen sloten zich om mij rond. Zij nam mij als op in de +dronkenschap van haar dans. De sterren schenen te regenen in een +vloed van vuur over de ruïne van den Tempel en uit de maan vloot +een zilveren zee en overgolfde hemel en aarde. Toen ik bij kwam, +bood Demea mij een albasten fiool, zoo lang en smal als een vinger.... + +--De filter.... zeide zij; die onthekst.... + +--Geef ik je geld? vroeg ik en nam de fiool. + +--Purper en parels! lachte zij. Geef mij purper voor een keurs en +een parel gelijk aan een peer! + +Zij geleidde mij lachende terug door het woud naar den wagen. Ik voelde +als wraakgodinnen achter in mijn rug, om de heiligschennis gepleegd. Op +het plein weifelde reeds de nacht... Davus vond ik ontwaakt. + +--Heer, zeide hij; de voerman is ontvlucht.... + +--Wij zullen wel zien, zeide ik, bijna onbewust. + +Ik zocht in mijn wagen, in twee, drie valiezen.... + +--Hier, zeide ik tot Demea; is een staal van purper van Thiatyra, +allereerste kwaliteit. Maar het is niet zoo purper als je kus was, +Demea.... + +--Het is purper genoeg voor een keurs, zeide Demea. + +--En hier, toonde ik; is een parel, heel groot, gevormd als een peer, +maar.... + +--Maar wat, heer? + +--....niet echt, zeide ik. Ik reis niet met èchte parels. Deze +parels zijn de monsters slechts van de echte parels, die mijn vader +verkoopt. Zij zijn nagemaakt. + +--Een valsche parel, zeide Demea; heeft meer kracht in zich, want +is demonischer en bedriegelijker dan een echte. Ik wil deze valsche +parel!.... + +Zij nam purper en parel en plotseling was zij verdwenen. + +--Heer! zeide Davus en knielde in angst voor mij neêr. Waarheen zondt +u uw vader Lyzias in toorn? Waarheen gaan wij! Thessalië is een land +vervloekt, zeggen allen! Heer, ik ben bang. Spaar mij! Dat ik niet +vluchtte, was, omdat ik u hoedde van klein jongske af! Ik was iets +ouder dan gij! Ik speelde met u en paste op u! Heer, wees genadig en +keeren wij, keeren wij, heer! + +--Ik kan niet, Davus. Ik moèt naar Thessalië.... + +--Het zij dan! zei Davus. Maar de goden behoeden ons! En behoeden mij, +die u mennen zal, als wij geen anderen menner krijgen.... + + + +Ik legde mij in den wagen te ruste, en ik sliep op mijn kussens en +tusschen mijn stalen van purper en bombyx en monsters van wierook +en valsche parelen als de onschuld zelve. Want de Onbewustheid was +in mij en om mij en ik leefde het leven als een groot kind hoewel er +somtijds, plotseling, in mij als een vermoeden zich wekte, dat ik niet +goèd leefde.... Dit vermoeden was dan heel vaag, als een doortrekkende +lijn van weemoed, door mijn brein heen, waarna mijn ziel in mij zwaar +woog van een matte ontevredenheid en dà n verlangde ik ingewijd te +worden in de mysteriën van Eleuzis.... Maar nu sliep ik en ik dà cht +niet meer aan Fotis en Demea, aan de vrouwen van Boeotië en Korinthe, +aan de verlaten matronen van Epidaurus.... Maar ik droomde.... Voor +mij verscheen, streng, een glanzende godin, en zij schudde afkeurend +het hoofd.... Ik werd wakker, verschrikt en zag om mij rond. De morgen +gloorde zacht over het modderig pleintje; de dikke herbergierster +stond op den drempel. + +Ik betaalde en Davus spande de vier frissche postbuffels voor. Hij +zoû mijn menner zijn want er was er geen te huren, die naar Thessalië +wilde. + +--Het is overdreven, heer, meende de herbergierster; er gebeuren +misschien wel eens vreemde dingen in Thessalië, maar niet iedereen +wordt er behekst! Hoeveel reizigers komen hier niet, die uit Thessalië +komen en wie nièt is gebeurd, wat Crito, Chremes en Aristomenes meenen, +dat hun gebeurd is! Maar bij wassende maan huilen de honden, die zijn +Hekate gewijd en dan zijn de menschen banger dan later in de maand.... + +Wij gingen. Het was nu een lieflijke morgen, bepareld van dauw. De +wagen rolde op zijn vier groote, goed gesmeerde wielen gelijkmatig over +den gladden weg en de glanzende postbuffels, vier, trokken statig en +stevig. Wij overschreden den grens van Locris. Wij reden vier dagen en +rustten in veilige gehuchten des nachts. Voor roovers was geen reden +te vreezen. Angst had ik voor roovers noch heksen. Het waren echter +de eerste herfstdagen, vol huiveren wind. Na het heerlijke morgenuur +werd de middag somberder en de regenvlagen, schuin, striemden wel +eens de altijd straf trekkende buffels. Ontmoetingen hadden wij niet +dan de gewone, langs den heirweg.... Een centuria lichte cavalerie, +die zich naar Amfissa begaf, haalde ons in. Uit mijn wagen wisselde +ik eenige woorden van begroeting met den centurio. Maar wij spraken +niet van heksen. Bedelpriesters van de Groote Godin, Rheia Kubele, +geleidden hun ezel, op wiens rug gesnoerd, in een kastje, het heilige +beeldje. Ik wierp den priesters wat penningen toe. Des nachts sliepen +wij in de herbergen: niet altijd waren de dienstmeisjes er hare +eigene grootmoeders, neen.... Frissche postbuffels waren steeds te +verkrijgen: de postdienst naar Thessalië was er goed geregeld. Het +was toch ook een rijke landstreek, Thessalië: na Hypata waren er +Farsalus, Fecæ, Larissa, de prachtig welvarende steden. Hypata.... de +eerste stad.... die scheen wel het heksennest te zijn, naar wat ik +gehoord had.... + +Den vierden dag was het herfstweêr somberder dan te voren. De +anders dauw-gedrenkte, zonnige morgen was regen-gedrenkt en met mist +overwaasd. Ik huiverde toen ik den wagen besteeg. Maar te blijven in +dit kleine gehucht.... Het was ondoenlijk. De verveling grijnsde er +mij tegen. Wij gingen. Davus, zwijgend, mende. Wij aten, onderweg, +in den wagen. Telkens regende het, striemden de regenstralen. De weg +was een lang, lang moeras van modder.... + +--Davus, zeide ik; de avond valt: wij moeten spoedig onze halte +naderen.... + +--Heer, zeide hij; ik zie niets dan den weg zich strekken, +eindeloos.... + +--Heb je niet vergeten rechts in te slaan, bij den vijftienden +mijlpaal? + +--Neen, heer, bij den vijftienden mijlpaal ben ik rechts ingeslagen: +ge sluimerdet toen even, geloof ik.... + +--Rijd dan maar door.... + +Hij reed door. Geen eind kwam er aan den weg. Het was er, in den +weeklagenden wind, zoo eenzaam, dat roovers geloof ik, mij welkom +waren geweest, als reisgenooten en kameraden. De nacht grauwde met +groot wolkgevaarte, zwaar van regen, boven de velden, de vlakte, den +vervalenden horizon met verre dalen en heuvelende hellingen. In de +veerte streepten zwart de regenstralen schuinende tegen de duistere +kim. De wind loeide uit het Westen aan met een huilende woede over den +weg, waarin telkens de wagen bleef steken, in de diepe moddervoren, +waaruit nauwlijks de buffels het voertuig naar voren weêr trokken, +vooruit.... Vooruit.... Noodweêr omwoelde het land. Nat werd ik in +den wagen, trots wollen mantel en deken: de voorhangen flapperden op +als natte lappen en klapperden om mijn ooren. Plotseling zeide Davus: + +--Heer, ik geloof toch, dat ik mij heb vergist. Wij moesten geen +driesprong van wegen meer ontmoeten en ik zie.... ginds, vóor mij, +is een driesprong.... Welken weg nu te nemen, heer?! + +Ik keek uit langs zijn schouder. En ik zag, als een bleeke star, +liggen op den grond voor mij den driesprong. De weg, dien wij gingen, +mondde er heen. Twee andere wegen schoten er uit, als witte stralen, +en vervaagden weg, links en rechts, in regen en veerte. De lucht er +boven was zwart en zwaar van dreiging en onheil.... Dikke wolken dreven +en woelden dooreen als met draaikolken en de wind scheen er dreigend +door heen te joelen en er boven in het rond te wirrelen. En midden op +den driesprong rees, op een korte zuil, een beeld. Ik herkende het als +de driehoofdige Hekate, de drie hoofden gedekt met de Frygische muts, +slangen, fakkels en messen in de zes handen geheven. Om het beeld, +op het altaar, smeulde, nog in den regen, de offerande: de half +verkoolde, drie zwarte honden, klaarblijkelijk dien morgen geofferd.... + +Davus riep: + +--Heer! Heer! Zie! De driesprong, dien wij vermijden wilden! Het +beeld, het verschrikkelijke beeld! De godin, heer, der Toovermaan en +der heksen! Help mij, heer, sta mij bij!! Heilige goden, gij allen, +staat ons bij, staat ons bij!! + +Hij riep het, door den huilenden storm. Zijn zwakke kreet verwoei. Ik +was opgerezen. Een geweldige windvlaag woei den wagen schuin ter zij +van den weg. De rampzalige buffels, mede getrokken, loeiden, aan den +storm gelijk. Uit gesprongen, stond ik in de modder. Ik zag op. Boven +mijn hoofd, in de zwarte draaikolk der wirrelende wolken, warrelden +allerlei wilde gedrochten. Het waren vleêrmuizen met vrouwegezichten +om een reusachtigen vampyr, die met vale fosforoogen loenschte. Het +waren vleugels, vlerken, klauwen als van harpijen, door elkaâr verward +en Davus, krankzinnig van angst, was aan mijn voeten neêr gevallen, +en school in de slip van mijn mantel, terwijl om mijn hoofd, in een +cirkel, de afschuwelijke gedrochten te zamen drongen... + + + + + + + +IV. + + +Ik ontrukte op dat oogenblik aan den bezwijmden knecht de zweep, die +hij nog in de hand hield geklemd en cirkelde met den langen geesel +in de lucht, om mijn hoofd. Het was vreemd, maar ik geloofde nog +niet aan heksen. Ik geloofde aan storm en aan vreeslijke stormvogels +en aan reuzevleêrmuizen, zoo als ik er nimmer nog had aanschouwd, +maar ik geloofde niet aan heksen. En ik poogde met mijn lange zweep +de gedrochten mij van het lijf te houden. Ik voelde echter, dat +ik dit niet lang zoû kunnen. Daarom wierp ik de zweep in den wagen +en de afschuwelijke vleugels en vlerken sloegen mij om het hoofd, +geeselden mij op hun beurt. Wat vermag echter een jonge, sterke +man veél in de uiterste oogenblikken van bijna niet te begrijpen +gevaar: wat een kracht hebben de goden den mensch in gegeven, kracht, +die vertienvoudigd hem schijnt als een uiterste poging gedaan moet +worden! Want ik, ik had de kracht mijn bezwijmden Davus op te tillen +en hem in mijn mantel binnen in den wagen te werpen. De buffels, ook +geslagen door de vlerken en vleugels, brulden van smart en wanhoop +maar ik greep den voorste de leidsels en leidde hen in het rond om den +driesprong heen. Ik voelde, dat ik óver den driesprong--ter zij van het +beeld, dat mij scheen te bewegen, te grijnzen, bezield te worden, in +drie wezens zich te verdeelen!--onmogelijk buffels en wagen zoû kunnen +geleiden. Maar om den driesprong rond, even buiten den toovercirkel, +die daar beschreven scheen, rukte ik de buffels voorwaarts, terwijl +ik voelde, dat ik vooruit moest en niet achteruit--den weg terug--zoû +kunnen gaan! O, hoe ik het betreurde niet ingewijd te zijn in de +mysteriën van Eleuzis! Dà n had ik één woord van bezwering kunnen +roepen, eéne beweging kunnen maken, die... Hèksen? Neen, toch geen +heksen! Maar wel afschuwelijke gedrochten...! + +Plotseling daalde uit den schreeuwenden, huilenden troep, voor mij, +een harpij. Zij was een verschrikkelijk wezen: een vogelvrouw was zij; +haar gelaat was dat eener van hartstocht verteerde vrouw; ros roode, +ruige veêren stonden gloeiend in fosforschijn uit op haar kale kruin, +hare gele oogen schroeiden als vuur de nacht; hare wijde, zwarte mond +lachte monsterlijk; zij had vleugels en vogelpooten; rood, zwart, +geel scheen haar geveêrte en uit zoo veel geveêrt stond naakt van +vleesch uit hare vrouweborst met het vel van een geplukte kip. Zij +had, behalve vleugels, ook armen, lang en mager, met vogelklauwen, +scherpe. En zij stond voor mij en lachte. + +--Ga weg!! riep ik, en trok de buffels, die brulden, met de eene hand +om de leidsels en cirkelde de zweep met de ander. + +Zij huilde een kreet en riep: + +--Kom meê! Kom meê!! Kom meê!!! + +En zij strekte de klauwen uit: er bleef steeds fosforglans om +haar heen... Ik sloeg haar met de zweep, die cirkelde om haar +harpijelijf. Zij danste razende in mijn zweepkronkeling op en te +gelijker tijd riep zij tot de andere gedrochten, die drongen, te +gaan, te gaà n, te gà à n! Zij wilde mij alleen! Maar ik zwiepte en trok +de buffels, in het rond, om den driesprong. De rampzalige beesten +begrepen: zij trokken uit alle macht... Ik voelde de klauwen der +harpij streelen aan mijn wang en strikte snel het touw van de zweep +om haar hals, om haar te worgen. Zij krijschte van woede en pijn +en ik gevoelde, dat zij niet almachtig was, vermoedelijk omdat zij +beheerscht werd door haar hartstocht voor mij en hare gedachte zich +inspande mij op te voeren in de luchten, in de stormwolk. De buffels +hadden nu het derde gedeelte van den tooverban om getrokken en wij +waren den tweeden weg van den driesprong genaderd... Ik rukte het +gespan op den weg, die vaag slechts blankte in de stormnacht. Maar in +mijn zweepstrik hield ik nog steeds de harpij omworgd bij den hals... + +Zij poogde zich te bevrijden en zij kon niet en lachte... En zij riep +als een behaagzieke vroouw: + +--Omdat ik niet wil! Omdat ik niet wil! Je hebt mij gevangen omdat +ik mij vangen wil laten! Ik kan wel, ik kan wel, maar ik wil niet, +ik wil niet! Mooie jongen, ik heb je zoo lief! Ik wil je, ik wil je: +kom meê, kom meê! + +Ik trok echter de buffels, liet ze toen los, en lokte ze voort en ze +draafden bijna, de brave beesten, terwijl ik in den zweepstrik steeds +de harpij mede trok. Ginds, achter ons, scheen nu de vreeslijke +driesprong niet meer dan een samenvloeiing van wegen in duistere +onweêrsnacht van draaikolkende wolken vol huilende vogels... Maar +niet meer. "Eleuzis! Eleuzis!" bad ik. "Ceres en Hermes! Behoedt +mij!" En het scheen of die gedachte aan de goden macht mij gaf en +meerdere kracht. Het stortregende en de harpij krijschte steeds, +in mijn zweep geworgd, behaagziek: + +--Ik kan wel, maar ik wil niet vrij! Mooie jongen, kom meê! Kom meê! + +Toen trad ik op haar toe, greep haar bij den klauwpols, ontwirrelde +vlug mijn zweepstrik en hief den geesel dreigend op... Liet haar los... + +--Wèg! riep ik. Wèg!! + +Zij wilde zich op mij werpen, maar ik zwiepte haar. Hare klauw brak mij +het lange zweeptouw. En zij lachte afgrijselijk... Maar ik zwiepte haar +steeds en sloeg haar met den stok van de zweep. Haar klauwen voelde ik +al in mijn rug. Ik greep haar bij den strot... Ja, nu worgde ik haar: +ik voelde het. + +--Goden van Eleuzis! riep ik. Staat mij bij...!! + +Wij vochten nu samen, gevallen in de modder des wegs. Ik had haar +bij een vleugel gegrepen en wrikte den vleugel om. Zij slaakte een +razenden kreet en rukte zich op. Ik greep haar bij den vogelpoot en +brà k dien... Zij gilde den storm te boven, en viel neêr.... Maar ik +haastte mij naar den wagen, sprong op den bok... + +--Hoè! Hoè! riep ik tot de buffels: hoe de brave beesten begrepen! + +Maar achter mij, door het slik, sleepte de harpij zich voort. + +--Ah! Ah! Ah! krijschte zij in woede. Mijn vleugel, mijn vleugel heb +je ontwricht! En mijn poot, en mijn poot heb je gebroken! Ik vloek +je, ik vloek je, ellendige knaap! Ezel, die je bent, om mijn min +te versmaden! Jij, die niet weet wat mijn liefde is! Jij, die mint +iedere herbergmeid! Ezel, die je bent en weêr worden zal, iederen keer, +dat je ooit weêr verliefd zal worden! + +Ik keek om, uit. De harpij was opgerezen en hinkte mij achterna met +haren lammen poot en eén vleugel op, de andere neêr hangend, gebroken, +slap. De regen stroomde... + +--Ezel, die je was en weêr worden zal, iederen keer, dat je ooit weêr +verliefd zal worden op een ander dan mij, op een ander dan mij! riep +de harpij. + +Toen zonk zij in een, op den weg, en huilde naar den hemel op. + +De regen stroomde. De buffels hijgden. + +--Hoè! Hoè! riep ik... + +Waar ging ik heen, in de nacht. In de donkere onheilsnacht? + +--Goden van Eleuzis! riep ik. Geleidt mij! + + + +Ik mende. Ik mende, geloof ik, die geheele nacht, werktuigelijk. In +den wagen lag Davus, bezwijmd... Maar ik liet hem, zorgde alleen, +verder en verder te komen. Ik voelde mij tot stervens moede, mijn wang +bloedde en ook over mijn rug voelde ik het bloed tappelen: zoó had +de harpij mij hare verliefde klauwen in het vleesch geslagen. Maar +wat het vreemdste was, was, dat mijn rechterhand, die haar bij den +strot had gegrepen, om de leidsels in de nacht steeds lichtte als +van een valen fosforglans! Hoe ik ook wreef en veegde, de fosforglans +bleef er om lichten. Onderwijl mende ik. De storm scheen gedaan, maar +de nacht bleef zwart en de weg was niet meer dan vage, eindelooze +bleekte, die zich verloor naar den horizon toe... Eindelijk, +tegen den eersten schijn van den nieuwen morgen, zag ik, ginds, +als een pleisterplaats. Ja, gelukkig: het was de posthalte, bij den +vijf-en-twintigsten mijlpaal. Er was een herberg; ik zag het gedoe der +stalling voor de postbuffels. Ik klakte met mijn kapotte zweep. Slaven +keken uit; de postmeester-waard verscheen op den drempel. Ik naderde +eindelijk, eindelijk, ten doode vermoeid. Er was begroeting. Ik +toonde mijne papieren: "Charmides, zoon van Lyzias van Epidaurus, +handelsreiziger, op weg naar Thessalië, gehuurd hebbende vier +postbuffels, wordt gemachtigd bij de halte van den vijf-en-twintigsten +mijlpaal deze buffels te verwisselen voor wederom vier postbuffels..." + +--Ze zien er afgetakeld uit, heer Charmides! zei de postmeester, +naar de uitgeputte dieren kijkende. + +--Ik ben zelve ook afgetakeld, postmeester! zeide ik. En mijn knecht +niet minder: die ligt in den wagen voor dood. Wij hebben zoo veel +van den storm te lijden gehad, dat ik dacht nooit te zullen aan komen. + +--Storm? vroeg de postmeester verbaasd. Nu ja, het heeft wat gewaaid... + +--O niet meer? vroeg ik en ik weet niet waarom, maar zeide hem niets +van de harpij en de heksen: de heksen, waaraan ik nu wel geloofde. Nu, +op den laatsten driesprong, was het toch wel heel bar weêr! + +--Op den driesprong, heer Charmides? vroeg de postmeester en +verbleekte. Was het daar toch... wel bà r weêr?? + +Hij keek mij met bedoeling aan, maar ik zeide alleen: + +--Ja, het woei er nog al en het regende. Davus! riep ik. Davus! Ben +je wakker?? + +--Waar ben ik? vroeg Davus met zwakke stem. + +--Bij de posthalte, antwoordde ik. Kom Davus, kom bij en sta op... + +--Wat is er gebeurd? vroeg Davus, wankelend uit den wagen komend. + +--Je bent van schrik bevangen, zeide ik; door dien plotselingen +storm. Je bent bezwijmd en ik heb maar zelf gemend... + +--Heer! zeide Davus, een schim gelijk. Was het alleen storm of waren +het...?? + +--Kom, Davus! zeide ik ruw. Word helder. Eet eerst wat en ga dan naar +bed. Wat heb ik aan een knecht, die bezwijmt om donder en weêrlicht, +zoo dat ik zelf moet mennen... + +De postmeester liet de buffels uitspannen, stalde mijn wagen, borg mijn +bagage. Hij had eén kamer, voor mij en Davus. In mijn kleinen, metalen +reisspiegel zag ik, dat ik er uit zag, als Davus, een schim gelijk! + +--Postmeester, zeide ik. Wij zijn moê. Ik zoû niet gaarne morgen weêr +voort willen trekken. Ik moet naar Hypata en de weg is lang. Ik wensch +een paar dagen hier te toeven. Kan dat? + +--Voorzeker, heer Charmides, zeide de postmeester. Uw kamer is de +uwe, voor u en uw knecht. Ik heb nog enkele andere kamers en slechts +twee gasten, die de mooiste kamers bewonen: dat is Demifo met zijne +vrouw Nausistrata; zij zijn hier met groot gevolg van slavinnen en +slaven en op weg naar Lamia, waar een aanzienlijke erfenis hun ten +deel is gevallen. De reizigers, die dezer dagen zullen komen en gaan, +kan ik altijd wel onder dak brengen, ook al blijft ge langer toeven +dan meestal een reiziger toeft. + +Ik bedankte den postmeester, ik at, Davus verzorgde mijne wonden; ik +sliep, ik ging daarna in gepeinzen den weg op. Het was een namiddag van +zilveren licht, gezeefd door zacht grauwe najaarswolk en er beefde een +oneindig weemoedige teederheid door de luchten, die zich weefden boven +den weg en over de velden en weiden. Ik liep den weg af; dankbaar dacht +ik aan de goden, die mij hadden behoed. Er was als een klare kalmte +in mij, een lief, teeder gevoel vol schoonheid, zoo als somtijds mij, +trots al mijne lichtzinnigheid, doorvaren kon. Niemand liep over den +weg: het was er de eenzaamheid, de weemoed, de schoonheid. Ik weet niet +welke vreemde rust mij omgolfde. Toen zag ik als een zilveren zee... + +Het was, ter zij van den wit stoffigen postweg, een wijd veld, vol +gebloeid van zacht stralende zilverasters. De duizenden bloemen, met +bloembladeren als lichtende straaltjes, verdrongen zich dicht tegen +elkaâr en onafzienbaar in weligsten bloei. Het was of de geheele +hemel al zijne sterren dien middag had neêr gezaaid over de aarde: +het veld scheen als met sterren bezaaid, die zacht, zacht zilver +straalden. De sterren stonden op de hooge stelen uit en er was meer +gebloemt dan gebladert. Het woekerde er van zilveren sterren. O, +wat waren het mooie, zacht glanzende bloemen en zóó velen, dat het +een sprookje van sterren en bloemen scheen! Een oude tuinman, met +spâ in de hand, zag mij komen en groette. + +--Wat heerlijke bloemen! bewonderde ik. Wie kweekt ze hier? + +--De Isispriester Clitifo, zeide hij; die woont ginds, vèr, in dat +eenzame huis, waar hij vaak in overpeinzingen maanden blijft.... + +--Waarom kweekt hij ze? vroeg ik. + +--Het zijn weldadige bloemen, zei de oude tuinman. De zilverasters +zijn weldadige bloemen. Zoo heilig als de Lotos zijn zij niet, maar +zij bezitten toch de wondere kracht... + +--Welke dan? vroeg ik. + +--Die der ontheksing, zeide de tuinman. Dit is het gezegende veld... + +Ik herinnerde mij Fotis' talisman, voelde aan mijn hals, maar de +talisman was verdwenen, vermoedelijk mij door de harpij ontrukt. En +ik herinnerde mij Demea's filter, die ook onthekste... + +--Zijn hier dan werkelijk heksen? + +--Heer, zeide de tuinman. Gij zijt in Thessalië. Gij nadert Hypata: +een mooie, rijke stad, maar vol slechtheid. Hoewel Hekate, in zich, +geen slechte godin is, zijn velen die haar aanbidden, slecht. Heer, +daarom kweekt mijn meester de zilverasters... + +Ik zag rond over het stralende veld. De bloemenweide strekte zich uit, +tot aan den horizon, bloem tegen bloem, zilveren aster tegen zilveren +aster, glanzende ster tegen glanzende ster. + +--O, zaligheid! dacht ik. Zalig als de Elyzeïsche velden! Zoû ik u +altijd langs mijn weg ontmoeten? + +De oude tuinman glimlachte mij toe: het scheen mij, dat hij mijne +gedachte raadde. + +Een zachte wind stak op en voer door de zilveren bloemen als met een +grauwende golf, die weêr op schuimde en blanker verstraalde... Ik +had nimmer schooner en zaliger tuin aanschouwd. + + + + + + + +V. + + +Toen keerde ik op mijn passen terug... En er was als een zilverreine +effenheid in mijn gemoed. + +Plotseling schokte ik op uit die weldadige stemming. Voor de +posthalte stond een groote vrouw: zij was in een rijk plooiende, +donkergroene palla gehuld, die, over haar hoofd heen getrokken, haar +den rug, dien zij mij toegekeerd hield, omgoot in een nauwte van +gebeeldhouwde lijnen, weg golvend over haar eveneens rijk plooiende +stola en een puntige, ronde reishoed van riet beschaduwde het reeds +in palla-slip omlijste gelaat, drie-kwart gekeerd naar mij toe. Zij +zag mij niet... Toen ik naderde, bespiedde ik, hoe hare zeer donkere +lokken langs haar roomblank gelaat neêrvielen als met twee donkere +druiventrossen. Met een grooten reiswaaier van palmblad beschutte zij, +opgeheven de eene arm, uitkijkende, zich den blik... De ondergaande +zon wierp een halo van wemelend stofgoud om haar heen, waar zij stond +op den wit stoffigen weg. Mijn hart klopte naar mijn keel, ik had +nooit nog zoo een heerlijk schoone vrouw gezien!! Haar boezem deinde +lichtjes in den, met den anderen arm er overheen getrokken, mantel, +die, groen, glanzende gouden vegen pakte... Wat waren er toch mooie +vrouwen ter wereld!!! Wat was deze betooverend schoon...! + +En ik naderde haar... Mijn gemoed was zóo fel bewogen, dat mijn oogen +knipten verblind, dat mijn lippen en keel droog voelden... Ik naderde +haar... Schielijk zag ik even rond, of iemand mij gade sloeg... Er +was niemand, noch op weg, noch voor herberg, dan zij en ik, dien zij +niet zag... En de gedachte schoot snel door mij heen haar te zeggen: +Vrouwe, gij zijt schoon en ik heb u lief: wilt ge de mijne zijn...? + +Ik naderde, ik was genaderd, haar geur bedwelmde mij heviger. En +reeds wilde ik de lippen openen om te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon +en... toen ik plotseling mij bewust werd door een vreemde kracht +buiten mij? in mij? voor-over te worden geduwd, gedrongen, gedrukt, +zoodat ik den rug moest buigen en met de handen viel over den grond +voor over. En te gelijker tijd opende ik de lippen, fluisterend, +maar in plaats dat ik fluisterde: + +--Vrouwe, gij zijt schoon... kwam er een heesch, schor, vreemd, mijzelf +onbekend en onaangenaam aandoend geluid uit mijn keel en balkte ik, +een ezel gelijk: + +--Hi-ha: rouwe, rij rijt roo...oon! + +Met zulk een verschrikkelijk, toch fluisterend gekrijsch als alleen +een verliefde ezel zoû kunnen slaken, die een ezelin voor zich op +weg of weide zag... + +De schoone vrouw verschrikte hevig, slaakte een doordringenden gil +en vluchtte, omziende, de herberg in, roepende: + +--Help mij! Help mij! Een verliefde ezel! + +Ook ik schrikte hevig... En steeds stond ik, gebogen, op handen en +voeten en toen...? + +Toen voelde ik, als een niet zegbare na-pijn, dat mijn rug was +uit gerekt, mijn hoofd tot een bek zich verlengd had, mijn handen +hoeven werden, mijn sterke armen sterke ezelspooten, mijn beenen +ook, dat mijn ooren groeiden en mijn tanden zich vierkantten tot +mozaïeksteenen zoo groot, dat mijn ruggegraat zich strekte tot een +staart, dat mijn geheele lichaam zich bedekte met een effen grauwe +vacht, dat een lange tong mij de lippen lekte, terwijl geheel dit +nieuwe wezen mij vreemd aan deed en onbehagelijk als niet het mijne, +hoewel toch mijn ziel de mijne gebleven was...! + +Ik was een ezel! Ik was in een ezel veranderd! Ik herinnerde mij, +in een flits door mijn menschelijk brein in ezelekop, de vervloeking +van de harpij, die ik niet meer geteld had dan ijdele woorden, +ijdele bedreiging! Ja, ik was in een ezel veranderd! En van overal, +achter om de herberg, uit de herberg, kwamen de knechten en slaven, +kwam Davus ook, met knuppels gewapend om mij te ranselen: den wilden, +vreemden, verliefden ezel, die Nausistrata, de vrouw van Demifo, +had willen bijten, misschien... misschien wel op eten!! + +Ik hief mijne ezelshoeven van den grond en zette het op een rennen. Ik +rende den postweg af: ik voelde mij groot, sterk, vlug, maar... een +ezel! Ik was een ezel! Maar een ezel met menschegedachte, want ik +deed wat nooit een achtervolgde ezel zoû hebben gedaan: ik verborg +mij, ter zij van den weg, in de hoog strengelende zilverasters van +Clitifo's tuin en hurkte neêr, onzichtbaar, grauw ik tusschen de +zilveren bloemen... + +Tuin van ontheksing, herinnerde ik mij des tuinmans woord. Tuin van +ontheksing!! Zoû ik werkelijk... Zoû ik werkelijk door zilverasters +kunnen worden onthekst? Was Aristomenes, die door Meroë van Hypata +was behekst in een zwijn, niet onthekst door roode amaryllis?? + +Gulzig sloeg ik mijn ezelebek in de zilverasters, maar met een gevoel +of ik heiligschennis bedreef. En at ik de zilverasters, brak ik ze +af met mijn ezeletanden, verslond ik de heilige bloemen... Het was +allervreemdst maar, te gelijker tijd, dat op den weg, in een van +laatste zonnegoud doorpoeierde stofwemel, de slaven en Davus met +knuppels aan liepen, rukte een magische kracht mij omhoog op de +achterhoeven, voelde ik mij krimpen, rilde een koorts mij over de +leden, voelde ik mijn staart verkrinkelen, mijn ooren verkleinen en +stond ik tusschen de asters, terwijl mijn harige vel weêr mijn gladde +huid en grijze reiskleed verwerd... + +Ik rees uit de bloemen op en Davus en de knechten zagen mij. Een +inwendige stem ried mij te zwijgen over wat er mij was geschied. + +--Wat is er? vroeg ik allen. + +--Heer, zeide Davus; wij zoeken een wilden ezel, die de edele +Nausistrata bijna verslonden heeft! + +--Ik heb, zeide ik; juist een ezel over den weg zien rennen, maar--loog +ik--het was geen gewone ezel. Het was een ezel met vlerken en hij vloog +weg, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels, de lucht in... + +--De lucht in, heer?? riepen ontsteld Davus en de knechten. + +Ik verzekerde het en zwoer bij de goden, godlastering mijn woord +tusschen de goddelijke bloemen, die mij hadden gered. En ging tusschen +de mannen terug. + +Voor de herberg lag de schoone Nausistrata, half bezwijmd nog, in +een leunstoel en haar man, Demifo, en de postmeester en hare vele +slavinnen beijverden zich om haar rond. En Davus riep reeds van verre: + +--De ezel sloeg vlèrken uit: wij hebben het à llen gezien en hij +verdween in de lucht, daar ginds tusschen de olijveboomen en de +heuvels!! + +--Die ezel wà s geen ezel! riep ik. + +--Neen! riepen alle de knechten en slaven. Die ezel was een booze +geest! + +--O! riep Nausistrata en stond wankelend op. Ik wil weg van deze +euvele plaats! Een ezel, die geen ezel was! Een gevleugelde ezel, +die mij te lijf wilde, vermoedelijk mij wilde ontvoeren door de +luchten! Er gebeuren toch verschrikkelijke dingen in Thessalië! Als +te Lamia ons niet die erfenis wachtte... Demifo! Demifo! Geen uur +blijf ik langer hier!! + +Bevelen werden gegeven. Een uur later vertrokken in drie reiswagens +Demifo en Nausistrata met groot gevolg. Hoewel de nacht viel... Maar +Nausistrata had liever willen vertrekken in de nacht, dan blijven +ter plaatse, waar een gevleugelde ezel misschien nog zweefde door de +betooverde luchten! En hare slaven en slavinnen, die opgepakt in twee +der reiswagens zaten, hadden schelle koperen bekkens en ratels en +rammelaars in de hand en zij maakten er een ontzettend lawaai mede, +een schel klinkend geklinkklank, een getingelingeling van klokjes en +een geboeng-boeng-boeng van cymbalen, om verre de slechte geesten te +houden. Zoo verdween de reisstoet de nacht in tusschen oorverdoovend +gedruisch. + +En viel de stilte van duisternis over de eenzame posthalte aan den +verlatenen heirweg. Alleen, staande voor de deur, keek ik uit. Ginds +blankte een zilveren vaagte, de astertuin... Mijn hart klopte van +beduchtheid... Ik was onttooverd... maar... zoû ik werkelijk iederen +keer, dat ik verliefd werd, in een ezel worden herschapen? Zoû de +vervloeking van de harpij haar invloed doen gelden, iederen keer, +dat ik... Troosteloos verschiet! Ik was zoo jong, zoo verliefd van +aard en... + +Een groote somberheid overviel mij. Drie nachten sliep ik bijna niet, +meende telkens, bij iedere vrouweschim, die rees in mijn droom of +wakende herinnering, dat ik in een ezel veranderde... En voelde ik +mijzelve angstig aan in mijn bed. Den vierden morgen vertrokken wij: +zwijgend mende Davus. Wij gingen door Thrachis, vol heugenis aan den +grooten Held, Herakles, die hier had vertoefd met Deianeira. De Mythe +zweefde als een onsterfelijke godin in de luchten. Links rees de Oita +omhoog, op welks top Herakles in den vuurgloed zijn ziel had geslaakt, +die ten hemel gestegen was. De herfst purperde om mij heen met de +pracht van Dionyzos' druiven, wier wingerden de festoenen slingerden +langs de bergflanken, terwijl het verschiet weg dreef in wazen van +morgenmist, waarin de vochtige parelen hingen. Toch bleef ik vol +argwaan en somber. Wij naderden Hypata... Ginds, in de Noordelijke +verte, blankten reeds de tinnen van hare poorten. Onderweg, aan een +posthalte, wisselden wij van buffels. Tegen den middag naderden wij +de stad... + +Juist toen wij haar binnen trokken, kwam uit de stad een stoet ons te +gemoet en er was verwarring. En om den stoet te doen trekken voorbij, +dreef Davus ons vierspan ter zijde. Het waren Nubische voorloopers, +met zweepen en keelgeluid klakkend; het waren gewapende wachten; het +waren slaven te dravende voet; het waren aanzienlijke jongelieden +te paard; het waren vier, vijf draagstoelen, getorst door stevige +dragers... Het was, hoorde ik, een schatrijke landeigenaar, die voor +de wijnfeesten naar zijn landgoed trok. Uit den wagen gesprongen +zà g ik hem: een voorname, prinselijke man: hij zat te paard en reed +tusschen zijne bloedverwanten en het volk om mij, dat toe keek, +noemde zijn naam: Menedemus... Ook Davus, op zijn bok gebleven, +keek toe. Plotseling werd mijn oog echter getroffen door een rijken +draagstoel, waarin, met twee dienaressen, een jonkvrouw, half liggende, +gezeten was. Een schok doorvoer mijn ziel en lichaam; nimmer nog had +ik zoo lieflijke schoonheid aanschouwd... De maagd, die daar voor +mij henen gedragen werd, scheen mij Psyche zelve toe, de geliefde +van der Liefde god!! Hoewel haar gelaat voor de reize was omspeld +in dunne sluiers, waarboven een puntige hoed van zilverachtig rijs, +zag ik er het fijne ovaal van haar allerlieflijkst gelaat door heen, +zuiver getrokken in zoo ontroerend teedere lijn, dat ik voor haar had +willen knielen. Enkele gouden lokjes kruifden den sluier uit. Hare +oogen zagen mijn kant uit zonder mij te zien en die oogen waren groot +en blauw en zoo lieflijk onschuldig en rein als blauwe lotus. Zij +glimlachte juist en het was of haar glimlach een glans uit straalde en +op straalde over haar geheele gelaat. De blauwe mantel liet de teedere +lijn van hals en borst slechts raden, maar de hand, die uit de plooien +te voorschijn bewoog en den rieten waaier hield, was een aandoenlijke +belofte van alles wat verborgen bleef: zoo klein en edel, zoo fijn en +rank met iets, dat aan een lelie denken liet. Aan lotus en lelie, aan +zonnegoud en mereblauw deed dit lieflijke wezen mij denken, in dien +flits, dat ik haar zag. Ik liep meê. Er was gedrang voor de poort, +die de stoet uit trok... Ik liep meê, naast den draagstoel, bijna +naà st haar: ik had haar aanbiddelijke hand kunnen beroeren. En een +zalige warmte doorvloeide mijn hart, zoó, dat ik had kunnen stamelen: + +--Toef even, o gij, die langs mij heen gaat als een hemelsch vizioen, +opdat ik voor u kniele en u aanbidde... + +Op het zelfde oogenblik, dat ik dit in de poort dacht, tusschen het +dichte gedrang, voelde ik een geweldigen ruk, die mij voor-over drong, +drukte, dwong en stond ik op handen en voeten. En ik stamelde niet, +maar balkte verschrikkelijk: + +--Hi-ha... + +De maagd verschrikte, hield de hand aan het oor, lachte even zoó +zacht en lieflijk, dat ik van zaligheid weg smolt... Maar ik was een +ezel! Ik stond even buiten de poort op den heirweg als een ezel! Ik was +in een ezel veranderd. Ik werd mij bewust van mijn kop, bek, staart, +hoeven en grauwe vacht... En de stoet draafde en liep mij voorbij. + +Mijne herschepping scheen in het gedrang van ruiters, karren, wagens, +draagstoelen, voetgangers niet bespeurd te zijn. Wie, die het had +kunnen bespeuren, zoû zijne oogen hebben willen gelooven! Wie kon +bespeurd hebben in zulk gedrang, dat een mensen was verdwenen en een +ezel verschenen in dat ondeelbare oogenblik van herschepping. Zij +duwden mij, schopten mij, grepen mij zelfs, omdat ik, een onbeheerde +ezel, zeker ontvlucht, daar balkte en liep over den heirweg... + +Even uit den draagstoel keek de zoete maagd uit, keek zij naar mij. Zij +glimlachte en hare lotus-oogen ontmoetten mijne ezelsoogen. En ik +weet niet waarom, maar op dat zoo noodlottige oogenblik mijner +wederom onverhinderbare metamorfoze, zegende ik het toeval, dat +haar maagdeblik ontmoette mijn ezeleblik en scheen het mij toe, dat +hare gedachte één oogenblik van zaligheid-voor-mij tot mij toe ging, +onverklaarbaar... Misschien, dat zij niets anders dacht dan: + +--Arme ezel, die daar wordt geduwd en geschopt, in dat dichte +gedrang... + + + + + + + +VI. + + +Op dit oogenblik, dat ik gegrepen, geduwd, getrapt, geschopt werd +te midden van het dichte gedrang, kwam Davus de poort om kijken en +vroeg den poortwachters, die toe zagen: + +--Hebben jullie mijn meester ook niet gezien? + +--Welken meester? vroegen de poortwachters, en ik hoorde alles heel +goed met mijn lange ezelsooren, die spitsten. + +--Mijn heer, met wien ik reis! riep Davus, in verbijstering om zich +heen ziende. Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus! Hij is den +wagen uit gesprongen, toen de stoet van Menedemus de poort uit trok; +hij is, geloof ik, even meê geloopen en nu zie ik hem niet meer en +weet niet wat er met hem gebeurd is!! Een mensch kan toch maar niet +zoo op eenmaal verdwijnen! + +De drukke menigte, nu de stoet zich op den heirweg verloor, vloeide +geleidelijk de stad in en uit, maar éen van de poortwachters en een +paar stedewachten hielden mij vast aan mijn opstaande manen, terwijl ik +onwillig wilde ezelbewegingen maakte, mij schudde, ongeduldig, wanhopig +zwiepte met mijn langen ezelstaart... "Davus!" had ik willen roepen; +"ik, deze ezel, ben je meester!" Maar ik slaakte niet anders dan een +afschuwelijk gebalk: + +--Hi-ha!! + +--Je heer is er heusch niet! zeiden de mannen rondom. + +--Zeker is hij meê geloopen met den stoet! weeklaagde Davus. Als hij +een schoone vrouw of jonkvrouw ziet, is hij buiten zichzelf en... die +maagd in den draagstoel was wel bizonder lieflijk... + +--Zij was Charis, Menedemus' dochter, zeiden de mannen; ja, zij is +wel betooverend mooi! + +--Zeker is hij meê geloopen? weeklaagde wanhopiger Davus. Wachters, +mag ik jullie onzen reiswagen toe vertrouwen, en vertrouwen jullie +mij dien weg geloopen ezel toe? Dan bestijg ik zijn ongezadelden rug +en ren naar den stoet, om mijn meester te zoeken en hem te zeggen +hoe onverantwoordelijk hij handelt! + +En werkelijk, de poortwachters en stedewachten stemden toe! Zij zouden +den reiswagen achter de stadspoort ter zijde geleiden uit de drukte +van het verkeer en zij stonden toe, dat Davus mijn rug besteeg!! + +--Het is toch maar een vreemde ezel! zeiden de wachters en de wachten +zeiden: + +--En niemand weet aan wie hij behoort! + +En Davus slingerde zich op mijn rug. Daar zat hij, mijn knecht +op zijns meesters rug en ik voelde in mijn grauwe flank zijn +hiel! De vreemdste gewaarwordingen bedrongen mijn menscheziel in +mijn ezelelijf. Als mensch-in-ezel was ik zeer verontwaardigd, dat +mijn knecht Davus mij bestegen had, mij spoorde met zijne hielen en +met mij den stoffigen heirweg afstormde. Ik draafde hevig, met de +hoeven tegen mijn onderlijf. Maar trots die verontwaardiging, was +ik zalig blij den stoet na te rennen en kans te hebben, al ware het +met ezelsoogen, de lieflijke Charis weêr te zien. Tevens smachtte ik +met hevig verlangen terug naar den tuin der zilveren asters... Wat +al gemoedsbeweging voor dubbel betooverd mensch in grauw fluweelige +ezelepens! Wij draafden, wij draafden, wij naderden... Davus riep +naar de achterhoede van den stoet: daar waren slaven en wachten: + +--Is onder u ook mijn meester: Charmides, de zoon van Lyzias? Is hij +niet meê geloopen met uw stoet? + +Maar de slaven en wachten riepen, dat zij niet wisten van Lyzias' +zoon, Charmides... + +Plotseling keek de lieflijke Charis achter om, achter uit... Maar +helaas, mij zag zij niet aan; zij zag nu slechts Davus en ik hoorde +haar stem, zacht lachende: + +--Wat wenscht die ruiter op zijn ezel? + +--Edele jonkvrouw, o Charis! riepen de wachten en slaven; hij vraagt +naar Charmides, Lyzias' zoon... + +--Uit Epidaurus!! + +O, vreemde zaligheid, die mij door voer, terwijl Davus, op hun aller +betuigingen van onwetendheid met Charmides, Lyzias' zoon, zijn vaart op +mijn rug bedwong! Vreemde zaligheid, dat Charis hoorde van Charmides, +zoo als Charmides van Charis hoorde! Zaligheid, ons beider namen +hadden samen geklonken in die zelfde ure, als in een zelfde harmonie +van bekoring! Nooit zoû ik, ezel of man, vergeten lieflijke Charis' +naam en misschien, dat Charis niet vergeten zoû, hoe buiten de poort +van Hypata tot haar oor was door gedrongen de naam van Charmides, +Charmides, die haar aanbad! O, zoo de goden, de zalige, van Eleuzis, +eens weêr samen zouden doen klinken, in eene zelfde ure, die beide +namen van Charis en van Charmides, van Charmides en van Charis! + +Intusschen wenschte ik niet terug naar de stad! Ik wilde naar den +astertuin en terwijl de stoet van Menedemus den zijweg insloeg, +die zeker naar zijne landgoederen geleidde, stond ik schrap op de +hoeven, koppig mijn ooren spits, mijn staart ingetrokken tusschen +de achterpooten, terwijl Davus alle moeite deed om mij op mijne +passen te doen keeren. Ik sloeg met de achterpooten uit, als een +echte ezel en Davus tuimelde mij over den kop! O, hoe ik wenschte +hem te doen begrijpen. Maar ik kon niet spreken. Ik poogde met +mijn rechter-voorhoef op het stof van den weg te schrijven: ik ben +Charmides, maar Davus begreep niet mijn vreemde arabesken en het +stof was zoo wit en mul! En toen Davus, vloekende opgestoven, mij +weêr wilde bestijgen, steigerde ik, wierp hem weder af en zette het +op een loopen. Als of ik een ezel-op-hol was! + +Naar de zilverasters! Naar de zilverasters! suisde het in mijn +arme ezelehoofd. Naar de zilverasters terug! Den geheelen langen +weg terug! Meer dan dertig mijlen terug! Ik rende, ik holde. In den +avond, die viel, holde ik terug. De weg was eenzaam en een violette +damp hulde de weiden en velden ter zijde in eene somberheid, waarin +vale wezens schenen te waren. Een onwezenlijke wind, die, ik wist +niet uit welken windstreek woei, hulde om mij. Het was of een vlerk +mij sloeg. En plotseling, waar de weg helde naar een ravijn, dat ik +af holde, was ik weêr omdrongen door de gedrochten. En hoorde ik een +grijnslach en zag ik een grimlach. + +De harpij! De harpij!! Zij vlerkte om mij rond en vloog mij toen op +den rug. En zij riep: + +--Mijn vlerk, mijn vlerk is al weêr genezen! En mijn poot, en mijn +poot is weêr heelemaal heel! Hu! Hu! Naar den astertuin! Naar den +astertuin! Dat wij hem vernielen! Dat wij hem vernielen! + +Langs den weg terug, holde ik, de harpij, van wie ik mij niet bevrijden +kon, schrijlings op mij gezeten, met hare mij schurende vogelpooten, +hare pooteklauwen mij verscheurende aan mijn buik, hare magere armen +om mijn hals en hare hande-klauwen aan mijn keel. Boven ons, als een +stormwind, drong de woeste horde meê. O, ik geloofde aan heksen! Al +die gedrochten waren heksen en zij wilden Clitifo's zaligen tuin met +zilverasters vernielen! + +Hoe vele uren duurde de onheilige rit? Ik weet het niet, ik holde, +ik holde maar voort. Dat wat anders geschiedt alleen in den +droom, geschiedde mij door den heksendrang en ik holde, ik holde +maar voort. Het was pikzwarte nacht. Soms scheen het mij toe, dat +ik zweefde boven den grond, als of de harpij hare wijde vlerken +hield uitgespreid, en ik niet meer met eigen hoeven tikte tegen den +weg, maar voort werd bewogen zonder eigenen wil. Een troost was, +dat zij niet anders wilde, dan ik gewild had: naar den astertuin, +naar den astertuin, al ware het dan ook om met hare horde dien te +vernielen. Eensklaps klaarde in de verte een zachte schijn. Het waren +in de heksennacht de velden der zilver-asters en aan het einde dier +velden bleekte Clitifo's blanke huis. + +Met stormgeweld, gekrijsch en kreten wilde de horde, wilde ook de +harpij met mij zich neêr storten op de gaarde, en over den grond, toen, +o, wonder, uit een groote lamp, een gondel gelijk, die stralend boven +het huis verzichtbaarde, als een zee van zilveren schijn verklaarde +door de onheilsnacht en ik staarde verblind in een vloed van blanken +glans, die uit vlood. En te gelijker tijd weêrklonk een welluidend +geklater van sistrum-snaren, aangetikt door zilveren staven, zoo +heilig, zoo rein de muziek, dat razende de heksen opstormden en ik, +een ezel, eenzaam stond tusschen de zilveren bloemen, in het zilveren +licht, om mij de zilveren melodie. En het was zoo zalig, dat ik de +bloemen met mijn dierebek niet dorst benaderen. + +Maar mij naderde een witte man tusschen tal van witte maagden en zij +tikten de sistrum-snaren. En de man, die Clitifo was, bood mij de +zilveren asters. + +Ik boog mij, ik at. Ik was mijzelve, mensch vóor Clitifo. + +--De weg terug, zeide hij, of hij alles wist; is de weg, die nutteloos +schijnt, maar nuttig der boete is. + +--Heer, zeide ik; wat is mijn zonde, waarvoor ik moet boeten? + +Hij antwoordde niet, maar langs mij schreden de maagden, wier +sistra-klanken verklonken..... + +--Zie ze aan, zeide Clitifo. + +Ik zag ze schrijden langs mij heen. + +--Vindt gij ze schoon? vroeg Clitifo. + +Het waren schoone maagden, maar zij schenen mij schimmen, verschijnende +en verdwijnende... + +--Zij zijn schoon, heer, zeide ik, onverschillig. + +--Gevoelt ge liefde voor éene harer, om haar de uwe te noemen? vroeg +Clitifo. + +--Neen, heer, zeide ik; want ik zag Charis... + +--Zoo blijf trouw, zeide Clitifo. + +--Trouw is niet mijn wezen, weerde ik af; zoo ik schoonere vrouw zag +dan Charis, zou ik niet trouw zijn, heer. + +De heksen waren heen; de sistra waren verklonken; de heilige schijn +taande en alleen de zilverasters schemerden. Clitifo glimlachte mij +toe, met een meêlijden, dat ik niet begreep. + +--Laat mij u geleiden naar huis, en rust uit, en morgen zult ge den +weg terug gaan der boete, toe naar verdere beproeving. + +Ik liet mij leiden, een kind gelijk. + + + +Dien volgenden morgen vroeg reisde ik, te paard, met een dienaar van +Clitifo, ook te paard achter mij, naar Hypata. Het was een stralende +herfstmorgen, met een zon van zaligen goudschijn, die verspreidde zich +over de zacht azuren flanken der bergen, waar de morgenschaduwen, +de eene na de andere, ontwaakten en weg schemerden in het alomme +licht. Wat was het wijd en hoe welig wingerden de wingerds en +slingerden in festoenen van olm naar eik! Een droom, een nachtmerrie +geleek mij de vorige nacht, een niet te gelooven begoocheling... Zoû +ik werkelijk hier, langs dezen zelfden weg, gehold zijn, met een +harpij voorover geheld op mijn rug? Ik geloofde mijn eigen herinnering +niet... Het voelde zoo rustig en goed aan in mijn gemoed en tusschen de +heugenis van naklank der sistra-tonen klonk het door mijn effene ziel: + +--Charis! Charis!... + +Ik naderde Hypata's poort en dadelijk zag ik Davus. Hij zat, uitgeput, +bij de poortwachters op hun steenen bank en toen hij mij zag, gaf +hij een gil van geluk. + +--Heer Charmides! riep mijn arme Davus. Zijt ge dan daar! Ik heb u +gisteren den geheelen dag gezocht, op den heirweg en in de stad! Waar +zijt ge geweest?? + +--Ben ik je rekenschap schuldig? zeide ik koel en hard. Ik ontmoette +in het gedrang Clitifo, den Isispriester, ik vergezelde hem. Thans +ben ik hier weêr terug en zullen wij een herberg zoeken... + +Mijn stem had onzeker geklonken en ik voelde, dat Davus, de +poortwachters, de wachten mij vreemd, ongeloovig, bijna angstig +aanzagen. Ik steeg af, beloonde Clitifo's dienaar, die met de twee +paarden vertrok. Davus, uit de schuur bij de stadspoort, voerde +de postbuffels en spande ze voor den wagen. Wij reden de stad +door,--zoekende naar de herberg, die de poortwachters hadden genoemd. + +Een bont krioelende menigte vulde de groote stad, wier breede straten +met prachtige portieken en van vergulde Nikè's pralende paleizen +voerden naar het forum. Plotseling uit een dier paleizen, de treden +der trappen af, ontrolde zich een stoet en het volk drong samen om +te zien. Op een draagbedde droegen zwarte slaven een glimlachende +hetære aan. Ik sprong uit den wagen... + +--Heer! riep Davus. In aller goden heiligen naam! Verdwijn weêr niet +voor mijn oogen, omdat ge een schoone vrouw ziet! + +Ik zag toe.... Om mij hoorde ik fluisteren: + +--Meroë! Meroë! + +Ik herinnerde mij! Dat was Meroë, die Aristomenes, den armen +dichter-toerist, in een zwijn had behekst, tot hij de roode amaryllis +gevonden had! En werkelijk, Meroë, die daar in praal werd aangedragen, +op een bedde van Babyloniesch tapijtwerk, onder vijf schermwaaiers van +pauwgeveêrte, tusschen een stoet van wirrelende danseressen, dansende +fluitspelers, hield, met een hand, glimlachende, aan vergulde kettingen +twee zwijnen vast, die, zacht grommende, links en rechts van haar +draagbedde, krulgestaart, mede waggelden... Onderwijl speelde hare +andere hand, juweel-overflonkerd, met roode amaryllissen op lange +stelen en tartende hield zij de bloemen dicht bij de snoeten der +zwijnen! En al dat volk, o goden, al dat volk wist niet of geloofde +niet, dat daar in stralenden zonschijn door Hypata's straten een heks +ging, die twee in zwijnen betooverde minnaars mede voerde in haar +stoet! Goden van Eleuzis, waar was ik verdwaald! In welke onzaligheid! + +Meroë's oogen ontmoetten mijn oogen. + +--Heer! riep Davus, als of hij geraden had. Pas op!! + +Maar mijne oogen tartten Meroë's oogen. Hare oogen waren als stralende, +zwarte karbonkelen, die zochten te betooveren met beloften van +wellusten, der menschheid onbekend... Maar ik, ik voelde nog de +bekoring van lotosblauwe maagde-oogen. + +Ik werd niet verliefd.... + +Ik veranderde niet in een ezel... + +--Kom! zeide ik tot Davus, instijgende--de stoet vloeide voorbij. Laat +ons de herberg zoeken... + + + + + + + +VII. + + +Welnu, ik was in Hypata. De herberg was er groot, meer een +aanzienlijk diversorium [1] en ik stelde er mij, gedachtig, dat ik +een handelsreiziger was, in betrekking met verschillende handelaren: +zij kwamen bij mij om te zien mijne stalen van purper, mijne monsters +van parelen, het grein van mijn wierook en geurwerk. Ik deed werkelijk +geen slechte zaken. Verder leefde ik er als een vermogend jongmensch, +die twee, drie eerste dagen, bezocht de Thermen des middags en de +portieken des avonds en was er dadelijk, door mijne betrekkingen, +omringd door een kring van vrienden en kennissen. En de stad scheen mij +zelfs levenslustiger en schooner toe dan Corinthe, dat toch eigenlijk +reeds verviel en insliep... Wat dreef er toch voor opwekkends in de +lucht van Hypata?? Als een geheime dronkenschap, die deed grijpen +naar bekers, naar à lle genot om te leven...! + +Het was vreemd, maar in die levenslustige stemming... werd ik niet +verliefd. Des avonds, die eerste drie dagen, lag ik met de nieuwe +vrienden aan feestgelagen en mooie vrouwen waren om ons heen, zongen, +fluitspeelden, dansten... Ik glimlachte haar onverschillig toe. Een +soort van ongekende kuischheid verfrischte mijn ziel en gaf rust aan +geheel mijn wezen en zelfs zoo mij omhelsden die verleideressen, +terwijl een rozenkrans mij den kruin omgaf en de schaal overvloot +tusschen mijn vingers, gevoelde ik niet anders dan eene gelatene +onbewogenheid te midden harer liefdekunstige verleidingen... Tevens, +telkens, die navrees of ik werkelijk, weêr, zoó ik verliefd weêr +werd...? Aan Charis dacht ik vaak, maar meer als aan een onbereikbaar, +verzweefd vizioen: ik hoorde nu, dat Menedemus de rijkste landeigenaar +was van Thessalië, waar hij her en der uitgestrekte goederen bezat +en dat zijne vrouw, gestorven, van vorstelijke afkomst geweest was +en zich gesteld had onder de nakomelingen van den grooten Alexander +van Macedonië, zoodat de lieflijke Charis ook vaak het "prinsesje" +of het "vorstinnetje" werd bijgenaamd. Ik hoorde ook, dat haar vader +reeds verschillende aanzienlijke dingers naar hare hand had afgewezen +en dat hij eigenlijk een Aziatischen koningszoon wenschte voor zijne +dochter. Ook hoorde ik, dat wie het meeste kans nog zoû hebben zoo +rijke, schoone en bijna vorstelijke bruid te huwen, Chersonezus zoû +zijn, eveneens een schatrijk landeigenaar van prinselijken bloede. Maar +van wien men fluisterde, dat hij van euvele dingen wist en omgang +had met Hekate en hare heksen... Dat gerucht was echter slechts als +een murmeling door de feestvreugde, want eigenlijk werd van heksen +en betoovering niet gesproken en ik ook, uit schaamte en kieschheid, +sprak niet over wat mij gebeurd was... + +Nu was het de vierde dag, toen in de Thermen des namiddags een dwerg +mij zocht. + +--Charmides, Lyzias' zoon, uit Epidaurus? vroeg de dwerg, bont gedost, +terwijl ik, tusschen mijne vrienden, neêr zat onder het rozenpriëel, +nog in wijden badmantel omplooid. + +--Die ben ik, zeide ik. Wat wil je, dwerg? + +--Uitnoodiging over brengen, van mijne meesteres, Meroë, voor dezen +avond, en tevens aan allen, die gij in uw gevolg wilt mede nemen, +zeide de dwerg. + +Ik nam aan en zond Davus met een geschenk naar Meroë: een +gouden schaaltje vol kostbare nardusballetjes uit Taprobane; twee +druiventrossen van amethyst: iedere druif besloot enkele droppelen +geur en een zwijntje, uit chalcedoon gesneden. Het was sierlijk +geschenk en toen ik, met mijne vrienden, dien avond bij Meroë kwam, +was zij wel tevreden en ontving ons, stralende schoon als Circe, +hare patronesse, die zij aanbad. + +--Pas op, heer! fluisterde Davus mij toe, steeds in angst; had hij +dan geraden? + +--Davus! vroeg ik hem, terwijl der dubbelfluiten muziek om ons heen +klonk. Waarom waarschuw je mij toch zoo vaak? Zag ik niet meér mooie +vrouwen, matronen, hetæren of maagden? Ben ik een kind geworden? + +--Neen, heer, zeide Davus; een kind zijt ge niet geworden en wat ge +geworden zijt, toen ge op eenmaal bij de stadspoort verdweent en den +volgenden dag weêr verscheent als of niets vreemds u geschied was, durf +ik niet zeggen, hoewel de vreemdste veronderstellingen mijn arm hoofd +soms bedringen; zoo ik u waarschuw, is dat alleen om u, zoo mogelijk, +te bewaren voor mijne oogen te verdwijnen, als ge een mooie vrouw ziet. + +Ik lachte en het feest was om ons. Meroë lokte en lonkte mij toe; +zij lag, in het gewaad van Circe, op een bed van zonnebloemen, +terwijl de twee zwijnen, in walgelijke aanbidding, gromden aan hare +voeten. Ook zonnebloemen, van juweel--chryzoliet met harten van +anthraciet--schitterden om hare slapen, op hare borsten; een juweelen +zonnebloem straalde aan haar Circe-schepter. En om haar heen, tusschen +de zuilen en de gordijnen en verder in een onwezenlijk tooverlandschap, +waarover een zongroote maan rees, straalden de zonnebloemen, weken zij +terug in stralenden bloei naar een horizon, waar zij vergloeiden... En +ik vroeg mij al of zij heilige of onheilige bloemen waren... + +--Charmides! lonkte mij Meroë nader; zondt je mij een zwijn van +chalcedoon omdat je bevreesd waart hier te veranderen in een zwijn +van vleesch en bloed? + +--Ik ben niet bevreesd en was het nooit! antwoordde ik. + +--Ik bèn geen toovenares! lachte Meroë; al leende ik van nacht +Circe's gewaad en al bemin ik de zonnebloemen, zoo als Circe deed, +Helios' kind... + +--En al grommen er twee zwijnen aan je voet, lachte ik spottend; +zoo als aan Circe's voet, in de tuinen van onzalig Aiaia... + +--Charmides! lokte Meroë weêr; wat ik wensch is enkel je kus, en weêr +je kus en altijd je kus! + +Zij strekte de armen uit. Zij gloeide van liefde en alle de +zonnebloemen gloeiden, als een vuur van duizenden vlammen. Ik naderde +bezwijmeld; ik... + +Maar plotseling zag ik tusschen Meroë en mij als een vizioen op +rijzen--Charis, zoo blank en lieflijk zuiver--en ik deinsde terug... + +Meroë richtte woedend zich op. + +--Weiger je, riep zij; mij te geven wat ik wensch en wat je gunt aan +wie ook op je weg? + +--Ja! riep ik. + +Zij richtte zich met een schreeuw omhoog en strekte haar onmachtigen +schepter uit. Ik had haar liefde geweigerd en veranderde niet in +een zwijn. Maar terwijl zij verdween in een glans van gouden sulfer, +zag ik alle de zonnebloemen verlept. En woei over het tooverlandschap +als een vale nevel... + +De twee zwijnen knorden wanhopig en wentelden in een cirkel rond. + +--Zoek de roode amaryllis-tuinen! riep ik hen toe in een ingeving, +dat die bloemen zouden worden gekweekt zoo als de zilverasters werden +gekweekt. + +En ik vluchtte weg, door het feest, dat zoo vreemd scheen geworden, +zoo vaal van tint, alles spokebleek in onwezenlijkheid. + +In het diversorium vond ik Davus. + +--Waarom ben je hier? vroeg ik en mijn stem klonk bleek ook als van +een spook. + +--Ach heer, ach heer! weeklaagde Davus en juichte tegelijker tijd. Zie +ik u weêr! Zie ik u weêr! Ge waart op het feest plotseling zoo ver en +ik zag u toch tusschen allerlei zonnebloemen, die op bloeiden en toen +ben ik gevlucht, heer, hoewel de andere feestgenooten en hun slaven +mij verzekerden, dat gij nièt ver waart en dat deze zonnebloemen er +altijd waren geweest! Maar zij waren dronken, heer, en ik niet en ik +kon u niet zien in een zwijn veranderen, zoo als ik u reeds in een +ezel veranderd wist! + +--Hoe weet je!? riep ik uit en greep hem wild om den pols. + +--Ach heer! Ach, heer! riep Davus. Ben ik dan zoo een +stommeling? Hoorden wij dan niet reeds van Delfi af wat er gebeurt in +Thessalië? Heb ik dan geen hersens om na te denken hoe het zijn kon, +dat gij buiten de poort van Hypata verdweent, toen er een mooie maagd +werd voorbij gedragen en hoe een ezel verscheen precies als er een +ezel verscheen en weêr verdween, toen Nausistrata zoo verschrikte +op den heirweg...? En heer, ach heer, zoo een ezel heb ik bereden +en heb ik misschien wel geslagen en met den hiel gespoord; ik, heer, +ik, Davus, uw trouwe slaaf, die u diende van klein jongsken af! + +--Het is niets, Davus, fluisterde ik hem in. Het is niets! Zwijg +alleen, zeg nooit iemand iets. Je ziet, ik ben noch ezel, noch zwijn +en ik heb goede zaken gedaan in Hypata. Morgen reizen wij af naar +Farsalus... + +--Verder Thessalië in!? klaagde Davus. Ach heer, ik word liever +zelf maar dadelijk een ezel, of een zwijn als het moet, dan verder +Thessalië in te gaan! + +--Davus! fluisterde ik verder. De toover is nu verbroken! Wat gebeurde, +is gebeurd en zal niet meer gebeuren. Want ik kan mij niet begrijpen, +dat ik niet even verliefd, ja verliefd op Meroë ben geworden... Zij was +zoo heerlijk schoon, zoo verleidelijk schoon, zoo beloftevol schoon... + +--Heer! Heer! Pas op!! riep Davus. Het schijnt mij toe, dat uw ooren +reeds gaan groeien! + +Ik schrikte, voelde aan mijn ooren, duwde hem ongeduldig van mij, +zonk op mijn bed en sliep, verpletterd van ontroering en moêheid. + + + +Zeker, dien volgenden dag verliet ik Hypata. Zoû ik niet verder +Thessalië in reizen? En dan... waren er heksen? Bestonden er heksen? + +Ik moest mij, in mijne nog moede hersenen, herinneren, dat de harpij +op den driesprong mij had betooverd, dat ik twee malen reeds in een +ezel veranderd was... Dat was toch gebeurd? Wà s het gebeurd? Het +geleek mij zoo onwaarschijnlijk, dat ik er nauwlijks aan gelooven +kon. Want het was een kristalklare herfstmorgen en om mij heen dreef +een gelijkmatig gouden schijn van zon over het wijde landschap. De +reiswagen wiegelde voort, getrokken door de geduldige buffels. Davus' +zweep klakte zacht rhythmiesch door de lucht en wij vervolgden onze +reis als of er niets gebeurd was. Ik sluimerde half en onderwijl dacht +ik aan allerlei mooie, lieve dingen... Aan Eleuzis, aan de heilige +Mysteriën, waar in ik mij zoû laten wijden, zoo ik terug kwam; aan +Charis... Ik dacht aan haar met een teederen weemoed, omdat ik haar +vermoedelijk nooit weêr zoû zien en een wee van spijt werd ik mij +in mijn ziel bewust. Die nacht sliepen wij in een dorp. De volgende +nacht in een posthalte... O, de lange, eentonige reis! Wat gaf het +mij purper te verkoopen en parels... Er waren à ndere dingen, al waren +er dan misschien ook heksen... + +De derde dag, sedert wij Hypata hadden verlaten, was eveneens +in rustige reize verstreken. Wij hadden de halte voor die nacht +bereikt. Het was te Xyniæ, aan het meer van dien naam... + +Ik weet niet waarom, maar ik kon die nacht niet slapen. En ik stond +op en verliet de herberg nog voor de dageraad rozigde... Een vreemd, +zacht verlangen omving mij, waarnaar, had ik niet kunnen zeggen. En ik +liep den weg op, den eenzamen, nog nachtbleeken heirweg... Straks zoû +ik keeren op mijn passen, als Davus zoû voorspannen de buffels... Ik +liep voort. De zon rees uitstralende achter de rozigende golving der +bergen omhoog. Een honigkleurige schijn overstroomde den hemel. Ter +andere zij van den weg week in den windloozen dageraad het nog in +dauw overfloerste water van het in de verte weg flauwende meer... + +Het meer, langs den weg, vervloeide met een lange kreek, waaruit +aan den oever rees het gekrookte riet. Peinzende bleef ik staan, +en mijne mijmering ging als meê met de tintwisselingen over het +water, dat wijder en blauwer werd, naar mate de zon rees en de misten +verijlden... En ik zag, dat de kreek daar vol blanke lotus gebloeid +was... Als blanke bekers, die het morgenlicht opvingen in hare juist +ontslotene, smettelooze ontlokenheden, lagen de bloemeschalen op het +water, dat zacht opgloeide en verspiegelde... Wind stak omhoog en +bewoog in het riet, dat ritselde. Een vlucht reigers steeg er uit op +en schaduwde even, teêr grijs van vlucht in de honigblonde lucht. Het +meer, verder-op, verzichtbaarde duidelijker en ik zag, dat het, tot +den horizon, vol gebloeid was met blanke lotus en iedere bloem ving +een straal op, een atoom op van licht... + +Toen, eensklaps, werd mijn blik getroffen door een witte wemeling op +de landouw, die aan den overkant van die riet-omkreukelde kreek zich +verloor in een zacht gedoezel van rozig-grauw sycomoren-geloover. Het +waren maagden, die dansten, rondom een maagd. Zij hielden witte +bloemekransen in de handen en zij zongen zacht, als wilden zij +de maagd in haar midden verstrooien... Ik zag ademloos uit en +herkende... Charis! Charis!! Daar was zij, aan den overkant van +het lotus-overladen water en ik zag, door het riet heen, haar +bewegen, als met een moeden weemoed, toch even glimlachende tegen +hare genooten. Zij danste niet, maar scheen de maagden te willen +weêrhouden te dansen. Haar gebaar was een teedere muziek van lijn, +hare ijle gestalte zwéefde in het morgenlicht en hare handen bewogen +als smeekend de maagden niet meer zich te reien rondom haar heen. En +in weemoed zagen hare blauwe oogen op, twee lotussen blauw hare oogen +boven de duizenden blanke lotussen, die op het water lagen. + +En ik, ik staarde haar toe. Zij zag mij niet, half verborgen als ik +mij hield in het riet. Mijn hart klopte op naar mijn keel, ik bedwong +met de handen het razende kloppen, ik voelde mij duizelig van geluk +en bezwijmden van zaligheid en ik opende mijne lippen en wilde roepen: + +--Charis... + +Maar rauw riep ik slechts: + +--Ha...hi!... Hi...ha.... + +Mijn roep verloor zich over het water, in lucht en licht. Daar ginds +dansten de maagden voort rondom de zacht zich verwerende Charis en +zij bespeurde niet, hoe, aan den overkant, door het riet heen, een +ezel te gluren stond met verlangende oogen, door de krokende halmen... + + + + + + + +VIII. + + +Toen ik mij geheel bewust mijn herschepping werd, waren met Charis +de dansende maagden in de rozige schaduwen verdwenen... En trad ik, +als ezel, uit het riet weêr op den weg... En dacht ik aan den verren +astertuin, honderden mijlen nu van mij verwijderd... En stond ik, +in sombere vertwijfeling... + +Op dit oogenblik klonken grove stemmen en zag ik drie mannen aankomen, +vergezeld van twee jongens. Het waren houthakkers, zij hadden bijlen +in de hand en koorden om de middels gesnoerd. En zij praatten luid en +ontevreden, terwijl zij naar hun werk gingen: ik begreep dadelijk, +dat zij slaven van Menedemus waren en dat zij vloekten tegen hunne +opzichters, om den zoo zwaren arbeid. En terwijl ik nog stond, +vertwijfeld en somber, riep een der mannen: + +--Maar kijk, daar staat een ezel! + +--Een onbeheerde ezel! riep een andere. + +En de derde stemde in: + +--Dien de erbarmende goden zeker stelden op onzen weg, om ons ons +werk te verlichten! + +Ik begreep, dat gevaar mij dreigde... Ik poogde te vluchten op +ezeledraf, maar het is vreemd, een dier, dat niet wild is, vermag +niet veel tegen vijf menschen. Op den weg verspreidden zich snel +de drie mannen en de twee knapen en zij ontsnoerden zich van hun +koorden... En slingerden die met lissen uit.... + +Een der lissen viel over mijn kop. De man, die mij gevangen had, +trok mij naar zich toe. Ik zette mij schrap op de achterhoeven, koppig +weêrstreefde ik.... maar plotseling voelde ik een hevigen knuppelslag +over mijn ruggegraat. Zoodat ik, ingetrokken mijn achterdeel van pijn, +verontwaardigd voorwaarts stoof.... + +Twee, drie, vier andere knuppelslagen regenden over mijn rug en er +was niet meer aan zilverasters te denken. Ik was niet meer Charmides, +Lyzias' zoon, uit Epidaurus: ik was een ezel, onbeheerd en door lage +slaven, ontevreden houthakkers, gevangen genomen! + + + +O, de gruwelijkheid van dien winter! Strenge winter was het, die +heerschte over de boschbedekte bergflanken van Thessalië, over de met +sneeuw overdekte hellingen van de Othrysketen, waar in mythologische +eeuwen de Lapithen en de Centauren met elkander de epische strijden +hadden gestreden. Als met dier vreeslijke fabelwezens eigene kreten +en somber gehuil, voeren de koude waaiingen van Boreas door de +kale, gestriemde takken, langs de zwiepend geschudde stammen en des +stormenden nachts scheen het, of dichte horden van helsche wezens, +demonen en heksen, onder de lage wolken voort joegen over bosschen +en bergen, zich plots verspreidend in alle richtingen, als of uit +euvele starren onheil voerende stralen schoten. En bitter zware +nood was het niet alleen voor de houthakkers in hun armoedige hut, +boven op den bergflank, maar ook voor hun ezel, in zijn bouwvalligen +stal. Des nachts stond ik slapeloos en de sneeuwvlokken joegen binnen +de reten en vielen als ijskoud vuur over de wonden van mijn ontvelden +rug, dien de houthakkers met hunne slagen mij vilden iederen dag. De +vreeslijke winden loeiden tochtende om mijne ooren en duldig leed ik +den durenden straf. Des morgens trokken de mannen mij uit den stal en +als zij het hout hadden gehakt, belaadden zij er mij mijn rug meê. Zoo +zwaar was de vracht van tronken en takken, die zij mij torsen deden, +dat eerder een olifant dan een ezel geschikt kon worden geacht om +zoo bovenmatig gewicht te dragen. En zij dwongen mij dan te dalen, +en als ik struikelde langs de wortelen der boomen of over het scherpe +rotsgesteent en neêrstortte op mijn ontvleesde knieën, staken zij +mij met puntige stokken in de bloederige wond, altijd de zelfde, van +mijn linkerflank. Moesten wij, lager, een zijtak van den Sperchius +oversteken, dan zetten dikwijls de beide knapen, die mij brachten +naar stad of dorp, zich nog voor en achter den stapel hout en als op +den heirweg ik niet snel genoeg draafde met mijn onduldbaren last, +bonden zij brandnetel en doorngewas mij tusschen de achterpooten, +zoodat ik gemarteld maar draafde, draafde, in de hoop om mijn ijver +verlost te worden van het marteltuig. + +In mijn smartelijk leven dacht ik dikwijls aan Davus. Wat was er van +hem geworden en zocht hij mij en had hij naar mijn ouders boodschap +gezonden, dat ik verdwenen was en wellicht betooverd?? Ook dacht +ik dikwijls aan Charis... Ik vergat haar nooit... In de vreeslijke +nachten, in mijn doorsneeuwden stal, verrees dikwijls haar lieflijk +beeld mij voor den geest: zoo als ik haar had gezien de laatste +maal aan de andere zij van de kreek, waar de lotussen bloeiden... En +vroeg ik mij, met menschegedachte in ezelekop, af waarom zoo grooten +weemoed toch over hare schoonheid als een sluier geweest was, toen +ik haar gezien had, zich tegen blijdschap verwerende tusschen de +dansende maagden...? + +Van de hoogte, waar de houthakkers woonden en ik mijn stal had, kon ik +bij heldere dagen in het rond zien over de lager liggende valleien; +zij golfden weg, doorsneden van vele zijstroomen van den Sperchius; +zij zouden zeker na den winter weelderig weiland en bouwland zijn; +zij behoorden alle Menedemus toe en zijne hoeven lagen er in verspreid +tusschen de nu ontbladerde wingerds. Wijd spreidde het landschap zich +dan rondom en de zon, tusschen de wolken, wierp groote plakkaten van +licht en wisselende schaduw over de wijd uitgestrekte domeinen. Maar +meestal loeide de wind en woei-aan de regen of warrelden de grauw-witte +vlekken sneeuw... Hadden de hakkers hun hout gehakt langs de flanken +van het gebergte, dan zaten zij neêr en aten hun schamel maal en kreeg +ik mijn handvol schaars toegemeten rantsoen van hooi. Honger leed ik +en armoê, de stille ellende van een afgebeuld beest, dat nooit met +een andere klacht dan met belachelijk gebalk zijn smart kan uiten +en daarbij gevoelde ik in mijn menschehersenen dien vreemden angst +eenmaal héelemaal ezel te worden en alles te verliezen wat in mij +nog school van mijn menscheziel; want meer en meer voelde ik mij +ezel worden: ik had de koppighedan van den ezel, zelfs al regende +het stokslagen over mijn rug; ik had het geduld ook soms van den +ezel, zijne filozofische gelatenheid als ik mij schikte en maar, +hout-beladen, voorzichtig afdaalde tusschen rotsblok en boomwortel +om, beneden ontladen, weêr op te stijgen, een oogenblik herademend, +naar nieuwen last, die mij wachtte. Als ik mij, gebukt mijn kop, zag +weêrspiegeld in de rivier tusschen de weg spelende verspiegelingen +van de witte wolken in blauwe lucht, zag ik mij niet anders dan +een koppig-geduldigen ezel, grof met grauw, ruig haar, waar het nog +groeide over mijn geranselde, ontvelde en ontvleesde lijf: zag ik mijn +treurigen kop van werkezel, met van ziekte tranende oog vol weemoed, +zag ik mijn van moêheid kwijlenden bek... Zag ik geheel mijn mager, +geslonken dierelijf, op de moê knakkende pooten, op de reeds breed +uitbreidende hoeven--om het steeds moeten dalen, zwaar beladen--zag +ik mijn onthaarden staart naargeestig ingetrokken tusschen mijn met +doorn en stekel steeds gemartelde achterpooten. En vergat ik soms wie +ik geweest was en werd het mij dof en stomp in mijne verstomming of +langzaam in mij verstierf mijn menscheziel in mijn vorm van dier... + +Eenmaal--een huiveringwekkende stormnacht--waren de houthakkers beneden +in de hoeve gebleven, van waar het gehakte hout verder vervoerd werd, +en was ik alleen gelaten boven in mijn stal op den bergtop. De wind +en de regen raasden rondom de rotte planken, die mij ter nauwer nood +beschutten... Nauwlijks dacht ik aan vlucht, al had ik wellicht +ook met trap op trap de gebarsten deur van mijn stal kunnen doen +wijken. Rillende stond ik, den staart tusschen de pooten, in mijn +bezoedelde stroo en voor mijn leêge krib. Menschegeestkracht scheen +niet meer in mij, zoo misschien nog wel logiesch denken. Want wel +dacht ik: waar moet ik heen, zelfs zoo ik vermag te vluchten. Waar +moest een afgebeulde ezel heen, zelfs al wist hij zich te bevrijden +uit de slavernij van hartelooze houthakkers. En steeds stond ik, de +binnen gierende wind tusschen mijn pooten waaiende en spelende met de +vuile vlokken van mijn staart. Buiten schenen de schimmen der Centauren +en woeste Lapithen in woedenden strijd door elkaâr te woelen... + +Plotseling hoorde ik stemmen. Stemmen van menschen, grovere +stemmen nog dan die van de houthakkers. Ik begreep, dat het roovers +waren. Ellendige roovers, wezens, die bewonen de bergspelonken, +nauwlijks menschen meer, maar verbeestelijkt van ellende en die in de +nachten van stormgeweld naar buiten sluipen en in hoeven en hutten +langs de bergflanken trachten te stelen wat vergeten gereedschap, +een paar hoenderen, een stuk vee... Ik hoorde hen reeds de hut open +breken maar zij braakten verwenschingen uit, want zij vonden niet +anders dan een kapotte kruik en een gebroken schotel, een gescheurden +mantel en een versleten mat... En toen beukten zij op mijn staldeur. In +een oogwenk bezweken de planken en maakten zij juichende zich van mij +meester. Veel waarde had ik niet, maar ik was toch een ezel en meer +waard dan een versleten mat, gescheurden mantel, gebroken schotel +of kapotte kruik. In die onheilsnacht, waarin zeker Hekate tusschen +al hare heksen zege vierde over de rampzalige wereld, sleurden mij +de drie boeven mijn stal uit en slingerden zich alle drie op mijn +rug. Meer dan ik hen zag in stormgeweld en regengestriem, voelde ik +hen, de havelooze schavuiten en schurken, zoo als er zich naamloos +en wetloos verbergen in het gebergte, de haren en baarden en nagels +nimmer geknipt, nauwlijks bedekt met lompen en schurftige schapenhuid, +wilde-mannen meer dan menschelijke wezens, voor wie zelfs de saters der +wouden vreezen en de verdwaalde nymfen zich verschuilen in de spleten +der doorbliksemde boomstammen. En op mijn rug joegen zij mij voort +in het stormgeweld, berg-af, berg-af... Ik strompelde, ik struikelde +over de rotsblokken en boomewortelen, een zware tak viel juist over +mijn kop en verblindde mij... Eindelijk in den morgen, uitgeput, +was ik met mijn drietal berijders den berg af- en omgedaald. De +wind raasde niet meer zoo hevig; de rivier schuimde, hoog gezwollen, +over de rotsen; ik stak haar over, getrapt in mijn flanken door drie +paar boevehielen... Maar nu dorsten zij niet verder... Ginds was een +uitgebreid molenbedrijf: de gebouwen er van teekenden zich af tegen +de grauwe morgenlucht: de verwinterde velden lagen er verlaten, +verwilderd rondom. Molenslaven waren reeds bezig voor een schuur, +zakken met meel te laden op een wagen, toen zij de drie boeven zagen, +die, op mijn rug, stil hielden op eenigen afstand. + +En de opzichter van de slaven riep de boeven toe, dat zij heen +zouden gaan en dat er niets te schooieren viel en dat zij geen meel +zouden krijgen. Maar de vreeslijke boeven riepen, dat zij hun ezel +geven wilden voor meel, want dat zij honger leden, dat zij voor een +kleinen zak meel hun ezel geven wilden... De opzichter naderde met +zijn slaven en klaarblijkelijk gevoelde dat molenaarsvolk walging +van de drie mizerabele verworpelingen zoo als zij, de wilde-mannen, +bijna schuw waren dichter te naderen waar werkelijke menschwezens +woonden. Maar toen scheen de opziener zijn afkeer wel te bedwingen, +naderde hij; de wilde-mannen stegen af, de slaven wierpen hun een zak +meel toe en maakten zich van mij meester. De wilde-mannen verdwenen +dadelijk en de opziener zeide: + +--Het is een afgebeulde ezel, maar altijd nog goed genoeg om een +molensteen te draaien: hij kan dan draaien tot hij er bij neêr valt. + +En met een schop in mijn achterdeel joegen zij mij voorwaarts, naar +de molensteenen, die ginds onder afdakken werden rond gedraaid door +ezels en misdadigers beiden... + + + + + + + +IX. + + +Sedert draaide ik den molensteen.... In het lamoen gespannen, +draaide ik, geblinddoekt, aan een houten boom den zwaren molensteen +steeds rond en rond, onder de zweepstriemen en knuppelslagen van de +erbarminglooze opzichters. Eindeloos, eindeloos trok ik en liep ik +in de cirkelvormige gleuf om en om, altijd in het rond, trekkende +het centenaarzware gewicht, waaronder het graan knarste boven den +ondersten steen. Mijlen, mijlen liep ik af in het nauwe rond, trots +blinddoek versuft en duizelig in mijne hersenen, die meer en meer +die van een ezel werden en alle besef van menschelijkheid schenen te +verliezen... Liep ik en liep ik, steeds den zelfden engen cirkelgang, +terwijl de bovenste steen meê met mij draaide, knarsende, boven den +onbewegelijken ondersten, over het gepletterde graan. Soms mocht ik +stand houden, werd mij de blinddoek afgerukt, als de opzichter moê was +geworden. En zag ik, in die korte pooze van rust om mij rond, kauwende +een schrale handvol hooi... En zag ik de andere molensteenen, onder de +rieten afdaken, regelmatig draaien in het rond, getrokken door andere, +als ik, afgebeulde lastdieren, ezels en muilen of ook sjouwerig voort +geduwd door misdadigers en gestrafte slaven. Zij waren meestal half +geschoren het hoofdhaar, om hen herkenbaar te houden zoo zij poogden +te vluchten, gemuilband opdat zij geen meel of graan zouden eten, +gebrandmerkt bovendien op het voorhoofd met getallen en letters: +de sporen van herhaalde geeseling waren rauw en violet zichtbaar +over hunne ruggen onder de lompen, die bedekten nauwlijks hunne +ellendige naaktheden; zware ijzeren ringen bezwaarden hen om beide +enkels en geheel grauw-wit waren zij bestoven met meel, als waren zij +mizerabele, afgeleefde worstelaars, die zich met zand zouden hebben +ingewreven om hun laatsten strijd uit te strijden. Nauwlijks konden +zij zien: de laaiende vuren der ovens hadden hun de knippende oogleden +geschroeid en de wimpers verbrand, gebogen waren hunne schouders, +misvormd hunne armen en handen en voeten en het zware werk scheen +hen als langzaam op te vreten, als om hen langer te doen lijden in +het leven, dat geen dadelijke, weldadige dood deed eindigen. En ik +was, als mijn menschelijke en ook dierlijke lotgenooten, afgebeuld, +nauwlijks, des morgens reeds, in staat den duldloozen arbeid te +beginnen, die eerst eindigde als de zwarte vleêrmuizen tegen oranje +zonsondergang begonnen rond te flapperen; schoon niet geschoren, +groeide nauwlijks haar meer op mijn schurftige huid; diepe wonden +bloedigden en etterden overal over mijn lijf en mijn reeds zieke oog +traande steeds van het meelgestuif en van den gloed der groote ovens, +waarheen ik de zware zakken torsen moest. + +Hoe lang deze marteling mij duurde, weet ik niet. De eene winterdag +was aan de andere gelijk, met altijd den zelfden wind en regen, +met sneeuwvlokken soms, met altijd den zelfden arbeid. En de eenige +troost, die ik mij denken kon, was, dat ik mij dood zwoegde op de +bezittingen van Menedemus, Charis' vader, want dit was ik te weten +gekomen uit enkele woorden der opzieners. Mijn eenige troost was +te weten, dat ik den molensteen rond draaide, éen der molensteenen, +waaronder, misschien, het graan tot meel werd, dat dienen zoû om het +witte brood te bakken, dat Charis nuttigen zoû. Zoo schrale troost +was mijn eenige. En de zon rees op en daalde neêr en altijd was het +het zelfde. En de regen stroomde en stroomde niet meer en altijd was +het het zelfde. En de dagen volgden elkander op en altijd waren zij de +zelfde. En de nachten waren de zelfde, dat ik, te moê om te slapen, +stond en bleef staan in den stal naast de andere uitgeputte dieren, +ezels en muilen... + +Het is vreemd hoe soms de allerongelukkigsten in deze wereld elkander +helpen, zonder het te willen misschien, zonder misschien het te +weten. Een der misdadigers was onder een hevigen knuppelslag van een +der opzieners neêr gezonken in het meelwitte stof van den weg en kon, +om zijn zware, ijzeren boeien om de enkels, niet dadelijk op staan. Hij +lag en kreunde... Juist ging ik voorbij, terug geleid naar mijn stal: +de zon zonk rood en de vleêrmuizen flapperden in kringen tegen den +bloedschijn... En bloed ook scheen mij toe te tappelen van den rug van +den half bezwijmden slaaf: het ron rood over den wit bepoeierden grond. + +Toen, als met een menschelijke ingeving van erbarming, likte ik met +mijn moede tong de wonde van den slaaf. Als verwonderd zag hij op, +dat een ezel, in het voorbij gaan, hem likte en misschien begreep hij, +dat ik medelijden met hem gehad had.... + +Die nacht, terwijl alles in rust lag en allen sliepen, werd mijn stal +voorzichtig geopend. Maneschijn vloot witblauw binnen door zwarte +schaduw en ik herkende den slaaf, dien ik gelikt had. Klaarblijkelijk +was hij er in geslaagd, uit het gevang te ontsnappen. Hij zocht mij, +hij koos mij uit onder de lastdieren, die daar stonden, duttende in al +het zwart van de schaduw, die nauwlijks de rijzende maan door vloeide +met haar blauwe wit. Hij bond mij los en leidde mij uit den stal. Hij +geleidde mij uit het molengedoe naar den rand van het woud; daar +besteeg hij mij... Hij keek om en ik keek om... De schuren en gedoofde +ovens lagen als lage, donkere dakenmassa's tegen de manelucht. Over +den bepoeierden grond schitterde de maneschijn. Niemand bewoog, +niemand zag ons, in de schaduwen, in het licht. Ook het bosch was +schaduw en licht, maar schaduw bovenal. Ik steeg den weg op, dien de +boeven in der tijd met mij neêr waren gedaald. En weldra waren wij +verloren in het bergwoud... + +De ontvluchte slaaf bereed mij, maar hij lag uitgeput en bijna +krachteloos over mij heen, zijne armen rondom mijn nek. Hij dreef mij, +hij wist zelve niet waarheen, links, rechts.... Doel scheen hij niet +te hebben, niet te weten, mijn nieuwe meester. Stap voor stap klom +ik en daalde ik. Plotseling, door de luchten, klonken mij toe bekende +kreten, bekend gekreun. Waar had ik reeds gehoord dat gekreun, en die +kreten?? En als met een flits wist ik in eens: de kreten, zij waren +van heksen; het gekreun.... o het gekreun had ik gehoord die nacht te +Delfi, in de bladeren der windbewogen platanen op het herbergplein, +en het had mij toegeschenen het gekreun van dwalende zieltjes, van +klagende, vermoorde kindertjes! Een vlakte lag eensklaps voor ons. Een +wijde hoogvlakte, wit van maanlicht in de wijde nacht. En een rij van +heksen danste krijschend rondom. En boven haar, in de lucht, zwierde +een tweede rij in het rond. Een derde rij zweefde daarboven. Ik +begreep: het waren heksenbezweringen, om de maan uit haar loopbaan +te rukken, uit haar zilveren kring van noodwendigheid en het gelukte +der heksen somtijds en zoo het haar gelukte, hadden zij die maand +macht over de elementen, die dan gunstig waren aan haar verderfelijke +werken. En o afschuw, toen zij dansten rondom, hand aan hand, zag ik, +dat zij dansten rondom drie tot aan het hoofd begraven kindertjes, +die kreten en die sterven zouden die nacht.... Midden in de vlakte +stond de immense koperen ketel op een smeulend vuur van takken en de +dansende heksen wierpen er, in het rondomme zwieren, allerlei in: ik +herkende een slang, een pad, een bebloeden sluier, stukken wrakhout +van een verongelukt schip, het koord van een gehangene en bezworene +ledematen, ik weet niet welke.... En intusschen schenen zij als de +maan naar beneden te trekken, tusschen de wilde wolken uit, waarin +allerlei wezens schenen te schuilen en te verzichtbaren en riepen zij: + +--Hekate! Hekate!! + +Op mijn rug had mijn berijder zich opgericht, zeker om beter te +kijken. Maar zoodra hij de verschrikking gezien had, slaakte hij een +verschrikkelijken kreet van afschuw, wierp zich achterover en stortte +over den grond in het struikgewas. Ik balkte, boog mij naar hem toe en +bespeurde, dat hij bezwijmd lag, zoo hij niet gestorven ware, in dat +zelfde oogenblik, van ontzetting. Maar zijn kreet en mijn balk waren +voldoende geweest om de heksen, gestoord in hare bezweringen, van woede +te doen razen met wilde kreten en zich allen, als éene horde, te doen +storten in onze richting. De damp van den ketel woei naar den grond; +de drie kinderkopjes zag ik, begraven tot de halsjes, bezwijmen.... De +maan scheen te rijzen. De betoovering scheen gebroken. En de heksen, +in helsche woede, stortten op ons toe. Ik vluchtte, maar zij vielen +in wellust neêr op den slaaf en ik hoorde hare kreten, terwijl zij +zijn lijf uit elkander rukten: + +--Aan mij zijn nog lillende wonde! Aan mij zijn brandmerk! Aan mij +zijn geeselstriemen....! + +Ik, ik vluchtte. Door het heksenwoud vluchtte ik. De maan, boven, +scheen mèt mij te vluchten. De heksen achtervolgden mij niet; om +kijkende zag ik de Thessalische duivelinnen wederom zwieren boven +haar tooverketel en wierpen zij er de ledematen in van den slaaf, +en hervatten zij hare bezweringen met woestere kreten, terwijl ik +het geschreeuw der gemartelde kindertjes weêr de nacht hoorde door +schrillen. + +Ik vluchtte. Langs zwarte boomstammen, over slangachtige boomwortels, +vluchtte ik strompelend, struikelend: ik tuimelde op wrakke pooten +het rotsgesteent af. De sinistere wind woei boven mij; het geheele +woud scheen te leven van reusachtige houthakkers en takkebossen, van +reusachtige molensteenen, die duizelingwekkend snel draaiden, van uilen +en vampyrs, en zoowel takken, zwiepende, als wolken, zwierende, schenen +vol krijtende kinderkopjes. En ik vluchtte, ik vluchtte voort.... + +Ik vluchtte, verwilderd, die geheele nacht. De morgen klaarde met +bleeken schijn, schijn zoo bleek en lijkachtig als slechts in Thessalië +morgenschemert na heksennacht. Schijn, schimmebleek, of de dag huiverde +te ontwaken en of Eos, de rozige, verbleekt was, door wat zij ried en +aarzelde aan te zien.... Ik was het bergwoud afgedaald. Plotseling +zag ik een wijde vlakte. Een streep van zonnegoud liep dwars door +de grauwe morgenlucht. Weilanden, waarover de mist nog verwijlde, +weken hun verren einder uit. Een zoele belofte van lente wemelde in +de wijde lucht.... + +Een verwondering woog op mijn brein. Waar was ik? Wie was ik? Wat +had ik door gemaakt? Was die winter voorbij? Ja, ik voelde mij tot +bezwijkens moê, uitgeput... Ja, ik was afgebeuld geworden.... Stekels +hadden mijn wonden verder open gereten.... Het bloed leekte langs +mijn pooten en passen.... Maar vogels zongen in de twijgen, waaraan +de bladknoppen zwollen, bleek goud. Een geur van kruid steeg op. Iets +vreemd lieflijks trilde zoo teeder als een Aeoliesch geluid door +de luchten. + +Ik liep door, moê, ziek, met een hinkenden poot, mager en +bebloed..... Een zijstroom van den Sperchius stroomde dwars door de +vlakte; de irissen schoten er uit op; de eerste irisbloemen ontloken, +wit en zacht geel. Toen was het een meer en het lag overladen met lotus +en het herinnerde mij aan dat andere meer, aan die kreek, waar ik ter +overzijde Charis gezien had, maanden, ja maanden geleden... Door het +hooge riet en de lotusbloemen stak ik het lage water over. Ik weet +niet waarom ik zoo ging, doelloos, maar er was iets, dat mij lokte.... + +Ik stapte uit het water, druipende, en er waren weêr de weilanden +en zij waren bespikkeld met madelieven. Werkelijk, dit was de lente, +de vroege lente... Er ruischte als een etherische lenteharp door de +lucht. Ik voelde nauwlijks mijne moêheid en afbeuling van lastdier. En, +met een verrassing, tusschen het verschiet der uitbladerende olmen +en abeelen zag ik, in de verte, als een vorstelijk landhuis schemeren +in den verwijderden morgenmist, die daar optrok in de jonge zon. Het +huis maakte een witten halfcirkel van zuilen en het lag geheel omgeven +van vijvers en op de rozig grauwende plassen lagen altijd en altijd +de lotussen en ik zà g ze openen, een voor een. En uit het landhuis, +over het wijde grasveld traden tal van maagden en mannen.... + +Ik was blijven staan bij een heining, die afsloot het domein; de witte +windekelken wonden zich door de kruislingsche houten stijlen. Ik zag +toe, bekoord door een nieuwsgierigheid, die ik nauwlijks begreep. Maar +eensklaps herkende ik de maagd tusschen de maagden, die om haar heen, +de witte bloemenkransen beurende, dansten. + +Zij was Charis! Ik zag haar heel duidelijk, maar zij scheen moê en mat +van verdriet en zij verweerde zich niet anders dan zij zich verweerd +had toen ik haar gezien had, maanden geleden, van den heirweg af, +waar ik tusschen het riet herschapen was in een ezel. Ademloos, +vreemd gelukkig bleef ik steeds staren.... + +Plotseling schenen de aanzienlijke mannen, die achter de maagden +kwamen, mij te zien. En ik zag hen zeer schrikken en bevelen geven. En +slaven liepen in mijn richting toe met knuppels en reeds van verre +trachtten hunne kreten mij te verschrikken en weg te jagen... Ik +bewoog echter niet; ik staarde. Om het geweld der slaven zagen de +maagden om Charis om, zagen zij mij allen.... zag mij ook Charis.... + +Zij slaakte een juichenden kreet, klaar als een gouden galm van geluk, +die zich verloor in de lichte lucht. En toen ijlde zij, licht als +een nymf, vooruit, ijlde zij, ijlde vooruit, weêrhield de slaven met +haar bevelend gebaar en riep, terwijl zij de armen hoog wierp en hare +sluiers wemelden om haar rond: + +--Eindelijk! Eindelijk! Mijn bruidegom! Mijn lang verwachte bruidegom, +die terug uit den strijd tot mij komt! Kom! Kom!! Slaven, opent +de hekken! Speelgenooten, danst nu in reien! Hij is gekomen! Mijn +Charmides is gekomen!! + +En terwijl ik wel de hevige ontsteltenis zag der mannen en der maagden +om dien walging en weêrzin wekkenden, afgebeulden, wonde-bloedenden +ezel, die daar bij de heining tusschen de windekelken te staren stond, +naderde Charis mij en voelde ik, bezwijmelende van geluk en verrassing, +de heining tusschen ons, hare armen en sluiers in een omhelzing rondom +mijn ezelenek.... + + + + + + + +X. + + +En werkelijk, trots de ontsteltenis, die ik zag op de gelaatstrekken +van die aanzienlijke mannen--Charis' vader, hare broeders en +neven--werden bevelen gegeven de hekken te openen en leidde Charis, +die haar sluier om mijn zieke oog had gewikkeld en tusschen mijn +ooren door, mij de bloembespikkelde weide binnen! Mijn geluk was +even groot als mijn verwondering en ik liet met mij doen als Charis +wenschte en bevolen had; het was of een sprookje zich om mij weefde, +of ik dubbel betooverd was, of ik droomde; ik kon niet gelooven aan wat +mij geschiedde. Maar toen Charis, juichend, terwijl hare maagden rondom +ons dansten, voorbij haar vader, broeders en neven trad, die, steeds in +ontsteld gefluister, elkander raadpleegden, hoorde ik Menedemus roepen: + +--Bij alle barmhartige goden!! Wat moèten wij nu met dien schurftigen +ezel! Terwijl wij bevolen hadden, dat geen drie mijlen in den omtrek +van dit lustverblijf een ezel mocht worden gehouden, zendt ons +Toeval of Noodlot een schurftigen ezel toe, juist op het oogenblik, +dat wij Charis op hare morgenwandeling begeleiden en verlieft mijn +dochter op dien schurftigen ezel!! Ondoorgrondelijk zijn der goden +raadsbesluiten! Zegt mij, gij zonen van Hermes en Aesculapius, +wondermeesters, geneesheeren, zegt mij, wat nu te doen!! + +En in wanhoop wenkte Menedemus drie Frygiesch gemutste heeren nader +en stond, in radeloosheid voor hen, de armen wijd. + +--Heer, zeide een van hen, een grijze, waardige in langen tabbaard. Wij +kunnen niet anders dan Charis laten in den waan, dat zij haar bruidegom +heeft gevonden. + +--Zoo wij haar overreden wilden, zoû zij ons nooit gelooven! viel de +tweede geleerde in. + +--Zij is betooverd door Chersonezus! riep de derde. Pas op, +o Menedemus, dat gij uw dochter niet doodt, door haar te willen +overreden, dat deze ezel haar bruidegom niet is! + +En de neven om Menedemus klaagden tot Charis' broeders: + +--Ach, onze Charis! Ach, onze liève Charis! Had zij slechts een onzer +gekozen, in plaats van na Chersonezus' vervloeking, op een schurftigen +ezel te verlieven, dien zij dadelijk Charmides noemt! + +Ik hoorde dit alles, terwijl mij Charis langs de mannen geleidde. En +ik hoorde ook Menedemus, die verder vroeg aan de geleerden: + +--Dus, wondermeesters, wat raadt ge mij? + +De eerste zoon Aesculapius' antwoordde: + +--Het beste lijkt mij dien ezel te verzorgen.... + +De tweede viel in: + +--En Charis te zeggen, dat haar bruidegom, die verwond uit den strijd +is gekomen, met toewijding door ons verpleegd zal worden.... + +En de derde zeide: + +--Om, als hij genezen is, de plechtige verloving te vieren.... + +Menedemus sloeg de handen in wanhoop op en de broeders en neven, +in wanhoop, wrongen de hunne.... + +--En al dit ongeluk, riep Menedemus; omdat Chersonezus, wien ik mijn +eenige dochter had toegedacht, een slechte man is, een vervloekte +toovenaar, die Charis betooverde, toen ik eindelijk de waarheid +omtrent hem wist en weigerde mijn kind op te offeren! + +Meer hoorde ik niet; tusschen reidans en bloemenkrans geleidde Charis +mij--en gewillig volgde ik--naar het zuilenrijke buitenverblijf.... + +Maar de geneesheeren kwamen ons achterop en zij zeiden: + +--Edele Charis, uw bruidegom, die zoo juist uit den strijd is +gekeerd.... + +--Is gewond en ziek, edele Charis! + +--Uw edele Charmides, o Charis....! + +--Is ziek en gewond en verpleegd moet hij worden...! + +--In der daad! zeide Charis, de betooverde maagd, en hare stem klonk +als de klank van een Lydische fluit, als Ionische melodie. Hij is +gewond, mijn Charmides, na den vijand verslagen te hebben, o mijn +liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!! + +En eerst zoet meewarig, juichte haar stem op en hare armen omhelsden +mij en zij kuste mij op mijn ezeleneus, terwijl ik mij verwonderde, +dat zij mijn naam wist. + +De drie geneesheeren maakten gebaren van weêrzin en afkeer. + +--Charis! riepen zij alle drie. Staat ons toe, dat wij uw bruidegom +verplegen! + +--Is hij genezen, zoo wordt uwe verloving gevierd! + +--Duld, o Charis, dat wij Charmides voeren waar hij de liefdevolste +zorgen zal ondervinden! + +--Ja, riep Charis. Ja, wondermeesters! Geneest mij Charmides' +wonden! Huwen zal ik hem, zoodra hij weer krachtig is, o mijn liefde, +o mijn held, o mijn heerlijkheid!! + +En wederom wilde zij mij omhelzen, maar de wondermeesters hadden +zich reeds meester van mij gemaakt en Charis, juichende van geluk, +al scheidde zij van mij, dà nste te midden van hare maagden. + +De drie mannen geleidden mij verder. Hunne slaven liepen toe. + +--Vuile ezel!! scholden mij de wijze mannen nu. Moeten wij onze kunst +nu werkelijk verspillen aan een dergelijken vuilen ezel! + +Maar zij verboden de slaven mij te slaan. + +--Wij moeten hem verplegen! + +--Ons leven staat op het spel.... + +--Als wij Charis niet genezen... + +--Zal Menedemus ons doen vermoorden! + +--Als wij Charis genezen....! + +--Overstelpt hij ons met goud! + +--Zij is betooverd: wij kunnen voor het oogenblik haar niet anders +laten dan in den waan... + +--En dà n haar onttooveren.... + +--Langzamerhand... Langzamerhand.... + +Zij waren het met elkander eens. Zij zouden mij verplegen, niet uit +liefde voor mij, schurftigen ezel, maar uit hoop rijk beloond te +worden, eenmaal, als zij Charis onttooverd hadden....! + +En zij voerden mij naar een ruimen stal. Ik was daar zonder andere +beesten. De slaven brachten versch stroo, dat zij spreidden tot +legerstede; zij vulden de ruif vol hooi, vol haver en doorgeurden +mijn maal met de eerste klaverblaadjes. Ik at en de geneesheeren +onderzochten mijn wonden en zagen mijn tanden malen. + +--Hij is jong! zeide de een. + +--Maar hij is afgebeuld, zeide de ander. + +--Hij heeft hout getorst, zei de derde en wees. Kijk, zijn hoeven +breed zijn. + +--Hij heeft een molensteen rond gedraaid, zei de eerste weêr. Kijk, +de sporen van het lamoen.... + +--En van den draaiboom.... + +En zij onderzochten mij met aandacht. Ik vond hen drie knappe +wondermeesters, die dadelijk veel hadden geraden, al rieden zij niet, +dat ik een mensch was, betooverd door een harpij. Gewillig gaf ik +mij aan hun zorgen en wetenschap over. + +--Het is wel een gewillige ezel, dien onze jonkvrouw heeft +uitverkoren! moesten zij alle drie erkennen. + +En, met behulp van hunne slaven wieschen zij mij en verbonden zij +mij mijne wonden, na die gebalsemd te hebben. Ik stribbelde geen +oogenblik tegen en zij lachten er om, de drie wijze mannen, omdat +ik zoo geduldig mij behandelen liet. Zwijgend en deftig zat ik nu, +genietende van mijn nieuw welbehagen, op mijn achterdeel in het stroo, +gesteund op de twee voorpooten en omwikkeld oog en pooten en rug in +windsels, terwijl de oudste wondermeester bezig was mijn voorpoot, +waarop ik hinkte, bij de knie te masseeren met zorgzaam drukkende en +strijkende vingers. En met scharen knipten zij mij de vieze klitten +en vlokken weg aan mijn pooten en aan mijn staart. + +Juist op dit oogenblik kwam Charis voorbij tusschen hare meisjes. + +--Ik zocht mijn bruidegom! riep zij. Ik zocht Charmides! O, daar zie +ik mijn held! Wat!! Meesters, wordt mijn edele geliefde in een stal +gehuisvest? Wat moet dit beduiden! Waarom verleent mijn vader hem +geen gastvrijheid in het vreemdelingenpavillioen?? + +--Charis, o Charis! riepen de wondermeesters. Trek u terug met uw +maagden! Wij verplegen uw bruidegom en het is niet voegzaam, dat gij +daarbij tegenwoordig zijt! + +Zij waren opgestaan en weêrhielden mijn liefde binnen te te treden +en pruilende moest zij wijken. + +--Tot spoedig dan, Charmides, mijn held, mijn prins! + +Ik werd hevig ontroerd in mijn hart. Iets sterkers dan mijn verstand +dwong mij mijn ezelebek te openen; ik wilde "Charis!" roepen en riep: + +--Ha....hi!! + +De drie wondermeesters barstten uit in onbedaarlijk gelach. + +--Hij roept mij! Hij roept mij! riep Charis opgetogen. O, wreede +wondermeesters, die mij verhinderen mijn held en bruidegom te +omhelzen! O wreede scheiding! Tot ziens, tot spoedigen ziens, tot +spoedige beterschap, o mijn Liefde! + +Zoo riep Charis en de maagden voerden haar weg en de wondermeesters +schudden steeds van het lachen terwijl hunne ronde mutsen als schelpen +en hoornen tegen elkander bonsden en bogen. En ik, die mij belachelijk +wist in hun oogen, ook al had Charis mijn gebalk aan gehoord voor +haar naam, beloofde mijzelven nooit meer te balken. + +Deftig en stil, verbonden met tal van banden, zat ik in het stroo en +de nog lachende drie hadden pleizier in hun ezel, dien zij verpleegden. + +--Hij zit er net als een mensch! zei de oudste. + +Een gedachte flitste in mij op.... Zoo ik nu knikte met mijn +kop....! Zoo ik nu schreef met mijn poot in het zand....! En om +zilverasters vroeg....!! Maar een na-gedachte weêrhield mij.... Wat +zoo zij mij vroegen wie ik was en ik verried, dat ik een koopmanszoon +was? Onttooverd zoû mij Menedemus misschien purper en parels koopen +maar mij dan weg zenden, verder Thessalië in! Ik knikte niet met +mijn kop! Ik schreef nièt met mijn poot in het zand! Ik vroeg niet +om zilverasters! + +--Ja, hij zit er net als een mensch! beaâmden de twee andere +wondermeesters. Wat zoo wij poogden....! + +--Ik dacht dat juist ook! ried de tweede. + +--Dat is een uitnemend denkbeeld! riep de derde. + +Wat hadden zij met mij voor? Maar spoedig begreep ik. Zij zonden hun +slaven naar de keukens om een schaal pastei en een wijden beker vol +Chios-wijn en zij zetten mij beiden voor. En zij wilden mij leeren, +zij wilden mij een geleerden ezel maken, een ezel met goede manieren, +een ezel, die pastei at uit een schotel en Chios-wijn dronk uit een +drinkschaal! Ik had nu evenveel schik in hen als zij hadden in mij +en opzettelijk deed ik eerst of ik niet hun noodiging begreep. + +--Kom Charmides, schertsten de drie wondermeesters. Eet de +pastei! Drink den wijn! + +En, met hun slaven, schudden zij steeds van het lachen, om mij, +ezel Charmides! + +Ik speelde mijn rol van ezel, die geleerd, die gedresseerd werd. Ik +rook eerst, bescheidenlijk onderzoekende, aan de pastei, toen aan den +wijn. Beide geurden naar lang niet gekend geneucht; ik moest in mij +houden om beiden niet gulzig naar binnen te slokken. Maar ik hield +mij in, speelde mijn rol. Eindelijk tastte ik met mijn tong naar den +wijn en slurpte even.... + +--Hij drinkt! Hij drinkt! riepen de wondermeesters en hielden de +buiken zich vast en de slaven krompen van het schaterlachen. + +Toen tastte ik met mijn groote ezeltanden voorzichtig naar de pastei, +knabbelde er een stukje van, kwam weêr terug naar mijn beker.... + +--Hij eet! Hij drinkt! Hij eet en drinkt als een mensch! riepen de +wondermeesters en slaven. + +--Als hij maar niet.... fluisterde plotseling de oudste. + +--Wà t?? vroegen geheimzinnig de twee anderen. + +--.... Een betooverde ezel is.... Een mensch.... + +--.... In een ezel betooverd? + +--.... Het zoû kunnen.... hier in Thessalië! + +Zij fluisterden samen, de drie. + +--Neen, besloten zij alle drie. Als hij een betooverde ezel was.... + +--Een betooverde mensch.... + +--Dan zoû hij zich à nders gedragen hebben.... + +--Bij voorbeeld, met zijn poot in het zand geschreven... + +--En gevraagd om.... + +Ik hoorde niet meer wat zij fluisterden.... Om zilverasters, +fluisterden denkelijk de drie. Deftig, verbonden, zittende, twee +voorpooten gestrekt, at ik de pastei en dronk den wijn. + +--Dà t hebben wij hem al heel vlug geleerd! riepen zij door elkaâr, +schaterlachend. + +De nacht was gevallen. Lachende lieten zij mij en sloten den stal. + +Ik zag om mij rond. Het was een ruime stal en breed was mij het +versche stroo gespreid. Voor een ezel, die hout had getorst en een +molensteen rond gedraaid, was deze stal, na mijn menschemaal van +pastei en wijn, vorstelijke weelde. De balsem werkte weldadig op mijn +wonden. Ik strekte mij uit als een mensch had gedaan op zijn bed. En +doodmoede maar zalig sliep ik in mijn verbindselen en windselen in, +denkende meer dan balkend ditmaal: + +--Charis! O mijn Liefde, o Charis!! + + + + + + + +XI. + + +Een tijd van ongekende zaligheid brak voor mij aan, al was ik een +ezel. Drie weken lang werd ik verpleegd, gewasschen, gebalsemd, +gemasseerd, overvoed en toen mijn wonden genazen, geroskamd, geborsteld +en had ik niets te doen dan te grazen in madelief-bespikkelde +voorjaarsweide. En bij deze stoffelijke welvaart was ik zoo zalig mij +Charis' kus te heugen en hare omhelzing en zag ik haar vaak van verre, +tusschen hare maagden en gaf ik mij in stilte over aan het gelukzalige +gevoel mijner liefde. Echter niet zonder de bezorgdheid om Charis +zelve, nu ik begrepen had, dat zij betooverd was door Chersonezus, die, +terug gestooten door Menedemus, een tooverban om haar had opgeroepen, +zoo dat zij had moeten verlieven op den eersten, besten ezel, die +haar te moet was getreden. Dit te bedenken weêrhield mij, nog meer +dan de angst, dat Menedemus nooit een handelsreiziger zoû willen +als echtgenoot voor zijn dochter, door welk teeken ook mij bekend te +maken. Zoo ik in mensch weêr herschapen werd, zoû Charis vermoedelijk +zoo geschokt worden, zoo getroffen in hare liefde voor haar ezel, +dat zij er om sterven kon. Ik begreep uit der wondermeesters woorden, +dat door de betoovering haar geest verzwakt was, dat ook haar teedere +lijf geleden had in de winterlange afwachting van den bruidegom, +die eindelijk, onverwachts, gekomen was in mijn vorm van schurftigen +ezel. Nu zeide men haar, dat zij wachten moest, tot haar held, uit +den oorlog terug gekeerd, genezen was van zijne wonden en als ik +haar zag van verre, meende ik werkelijk, dat reeds een nieuwe blos +bloeide op hare wangen, dat hare oogen tintelden van blijderen gloed +en voelde ik mij, hoe verwijderd ook van haar gehouden, gelukkig als +ik mij nimmer gevoeld had. En nauwlijks dacht ik meer aan zilverasters. + +Er waren er ook geene; zij werden hier niet gekweekt, zoo als de +Isispriesters de heilige bloemen wisten te doen weligen, in welk +seizoen ook. Er waren hier de wijde madelieve-weiden en om het +vorstelijke lusthuis lagen verspreid de stille vijvers, die de witte +en blauwe wolken spiegelden in hunne gladde plassen, overladen met +de ontlokene lotusschalen, die zich openden naar mate de zon rees +en zich sloten zoo zij daalde. Eens, in een rozigen morgen, dat +ik dwaalde de weide over en tusschen de vijvers door, naderde ik +een der plassen en tusschen de spiegelingen der wolken en de witte +bloemekelken, zag ik mijn eigen beeld. En ik herkende mijzelven niet, +mij herinnerend welk een armzalige ezel mij steeds had aan gestaard +in de wateren der bergstroomen! Ik zag mij terug als een prachtige +ezel, een jonge, gezonde, sterke ezel; mijn effene vacht glom als +zilvergrijze zijde zoo glanzend en glimmend; mijn oogen hadden den +zelfden blauwen glans, dien mijn mensche-oogen hadden gehad; mijne +pooten waren genezen, stonden recht en sierlijk en van louter ledig +dwalen door bloemeweiden, waren mijne hoeven weêr tot smalleren vorm +verfijnd, terwijl mijn manenkam en mijn staartkwast met zorg waren +geknipt en geborsteld en mij gaven het uiterlijk van een weelde-ezel, +die niets heeft te doen dan zich te vermeien tusschen madelieven en +boterbloemen en die zelfs behalve met haver en klaver gevoed wordt +met pastei uit schotels en met Chios-wijn uit drinkschalen! Een +vreemde ijdelheid welde op in mijn menschehart: een ijdelheid om +mijn ezelevorm, die zoo volmaakt was en zoo verfijnd. Ja werkelijk, +nooit had ik een dergelijken prachtigen ezel gezien als ik zelve was +en zoo heel ongelukkig om mijn dierevorm kon ik mij niet meer voelen, +vooral nu ik wist, dat Charis mij lief had. Een menschelijke ijdelheid +was de mijne zeer zeker, een mannelijke ijdelheid, zoo als echter +dieren er wel eens hebben; paarden hebben vooral die ijdelheid, een +paard is ook een edel dier en heeft bijna menschelijke hoedanigheden +en ik voelde mij wel een edele ezel. + +Zoo gingen de dagen voorbij, toen op een morgen de wondermeesters +mij op zochten en tot elkaâr zeiden: + +--Hij ziet er nu prachtig uit! + +--Hij heeft een vacht, als zilver zoo licht grauw! + +--En als zij zoo zacht: voel toch eens! + +Zij streelden mij alle drie de vacht: ik trilde van voldane ijdelheid +en de slaven zeiden: + +--Wij hebben hem dan ook geborsteld! + +--En het heeft hem aan niets ontbroken.... + +--Wij kunnen Menedemus zeggen, zeide de oudste wondermeester, + +--Dat de verloving gevierd kan worden, viel de tweede in. + +--Maar een huwelijk zal het wel nooit worden! lachte de derde +wondermeester. + +En zij schaterden alle drie.... + +Maar zeide toen de eerste: + +--Arme Charis! Wij moèten haar onttooveren.... + +En de twee anderen vielen in: + +--Is zij onttooverd, dan wordt de verloving verbroken....!! + +--En kiest zij een harer neven.... + +--Izidorus.... + +--Pamfilius.... + +--Of Lyzippos misschien.... + +Ik begreep, dat zij ièder een anderen neef hadden op het oog, +die ieder van hen wederom bevoordeelde, met het geld van Menedemus +natuurlijk.... En ik dacht: + +--Als ik maar een ezel blijf.... Een prà chtezel, als ik nu ben.... Een +weelde-ezel, met zilvergrauwe, zijdige vacht.... + +En ik geloof, zoo mij te dier stonde zilverasters waren geboden, ik +zoû ze geweigerd hebben, uit angst voor Menedemus, die mij weg jagen +zoû, uit bezorgdheid om Charis' geest en gezondheid, uit ijverzucht +op hare neven.... + +Ik bleef een ezel. En mijne verloving zoû, werkelijk, worden gevierd. + +--Bericht Menedemus, zei de eerste wondermeester tot de twee +anderen. Laat hem bevelen alles in gereedheid te brengen. De jonkvrouw +heeft tot nu toe geduld geoefend maar het zoû haar kwaad doen haar +langer nog te laten wachten.... + +De twee jongere wondermeesters gingen. + +--Borstel hem nog eens, beval de oudste. + +En de slaven borstelden mij. Ik stond geduldig, zoo als een man +geduldig zit voor den spiegel bij den barbier. De slaven borstelden +mij en ik glom, zelve een spiegel gelijk. Zij schoren mij boven de +hoeven mijn pooten met gladde, breede banden. Zij knipten mij hier +en daar de wilde haren weg.... + +--Besla hem nu de hoeven en schilder ze.... + +En ze besloegen mij de hoeven, met gouden ijzers en zij beschilderden +mij de hoeven met menie-rood. Ik bewoog niet.... liet hen poot na +poot behandelen. + +De wondermeester lachte luid.... + +--De geduldigste ezel, dien ik ooit zag! prees mij de wondermeester. + +--En de prachtigste, die wij ooit zagen! prezen de slaven. + +--Zet hem zijn pluim nu op! beval de wondermeester. + +De slaven omvatten mijn kruin in een gouden band, waarin een roode +pluim stak; het voelde wat zwaar maar ik was verzekerd, dat de pluim +mij wel stond,.... tusschen mijn lange ooren. + +--En doe hem zijn mantel om.... + +De slaven, lachende, kwamen met den mantel, die was als een schabrak +van reepen rood en met gouden bloemen doorweven, met gouden franjes, +en met een gouden band om het middel bevestigd en mijn staart trokken +zij tusschen de reepen door; mijn hals en borst en voorrug bleven vrij. + +--Hij ziet er als een echte bruidegom uit! riepen de slaven en de +wondermeester knikte wel te vreden. + +Intusschen scheen, op der beide andere wondermeesters aandrang, +Menedemus zijne bevelen te hebben gegeven, bevelen, dat de verloving +zijner dochter gevierd zoû worden, dien zelfden dag. En voerden mij +de drie wondermeesters, met al hunne slaven, naar buiten.... met een +handklap op mijn schoft.... + +--Zoû hij kunnen loopen, zonder dat wij hem aan een teugel +hielden? raadpleegde de oudste wondermeester de twee anderen. + +--Laten wij het eens probeeren.... + +--Hij is zachtmoedig; hij heeft nooit nog tegen gestribbeld, meenden +de anderen. + +--Charmides! lokten zij mij. Charmides, kom dan.... + +En zij poogden mij te dresseeren, zoodat ik los zoû loopen tusschen de +slaven en er niet op het onverwachts van door zoû gaan, met kluchtige +ezelbuitelingen. De dressuur gelukte hun in minder tijd dan zij zeker +hadden gedacht, want ik had mij voorgenomen zoo tam en beschaafd +een ezel te zijn als geen ezel in Thessalië. Ik trad dus tusschen de +slaven naar voren. Ik liep afgemeten en sierlijk op mijn menie-roode +hoeven met gouden ijzers beslagen. Ter zijde bezag ik mij in een der +vijverplassen en ik was wel te vreden. Tusschen de lotusbloemen, +die al het zonnelicht op vingen als in schalen albast, zag ik mij +weêrkaatst en herkende ik bijna mijzelven aan mijn oogen. Herkende ik +mij bijna aan zekere trekken en uitdrukking van mijn ezelgezicht. En +bewonderde ik mij, zoo als ik vroeger wel eens mij in een metalen +spiegel bewonderd had: toen als een knappe jongen, die op iedere +mooie vrouw verliefd werd; nu als een sierlijk getuigde weelde-ezel, +wiens verloving gevierd zou worden met de lieflijkste maagd ter +wereld! Wèl in mij de weemoed, dat ik geen man was, maar die weemoed +getemperd door het geluk, dat Charis mij liefde al was ik een ezel, +juist omdà t ik een ezel was. + +Ik naderde, tusschen wie om mij waren, tusschen de lotusvijvers, +het groote, wijde grasveld, dat zich uitstrekte voor de zuilenrijke, +half-cirkelige portiek van het landhuis. En omdat de slaven koperen +cymbels hadden ter hand genomen, die zij sloegen tegen elkaâr, naderde +ik te mid van mijn stoet met schetterblijde muziek. Andere muzikanten, +met fluiten, voegden zich bij ons en de lieflijke hymenæische melodieën +liepen op en af als blijde beekjes van water. Om mij straalde de +morgen. Als een paleis der goden straalde de witte woning en de +schaduwen langs de zuilen waren bijna azuur, zoo onwerkelijk tooverde +het morgenlicht de tinten òp der dingen van natuur en van menschen Er +beefde een goudene rilling over de plassen, er weefde een trilling +van lenteglans over alles: over het bevend turkoois van het water, +over het warme marmer gloeide die glans van vuur.... + +Maar uit het landhuis, op muziek ook van fluiten en cymbels, kwam +mij Charis te moet. Zij was omringd door haar vader en broeders en +neven en hare maagden dansten om haar en jubelend liep zij mij tegen. + +--O mijn Charmides! riep zij. + +.... Hoe wist zij mijn naam toch....? + +--O, mijn Charmides, mijn held en mijn heerlijkheid, ben je daar +eindelijk, genezen en zoo krachtig en schoon! O mijn vader, zie: o +mijn broeders en neven, ziet: wie is er met mijn held te vergelijken?! + +En zij slingerde om mijn nu zacht zijdigen, zilvergrauwen nek hare +armen en stond toen, zegevierend. + +Ik zag Menedemus glimlachen. Ik zag zelfs lachen de jaloersche +neven, de bezorgde broeders. Nu ik werkelijk een zoo goed verzorgde, +wèl doorvoede, glanzig geborstelde ezel was, schenen zij Charis te +gunnen hare verdwazing en lieten zij haar begaan. Zij kuste mij op +den snoet en van zaligheid rilde ik. Tevens nam ik mij voor, niet +te balken, nóoit te balken en mij te gedragen geheel en al als een +kunstig gedresseerde ezel zich zoû gedragen. Hoe gelaten die rol +ook was, zij was de eenige, die mij geschikt scheen, wilde ik mijn +geluk laten duren. Bruidegom, kon ik niet anders zijn dan geduldig +en lijdzaam. Charis kuste mij, maar ik kon Charis niet kussen. Ter +nauwer nood dorst ik mijn ezelesnuit even, speelsch, tegen haar handje +reiken. Charis omhelsde mij, maar ik kon niet Charis omhelzen: ik +stond slechts en onderging wat ik zoo gaarne zelve volbracht had en +mijn geheele manneziel in vorm van weelde-ezel was er op gespitst mij +voegzaam te gedragen, zoodat allen vertrouwen in mij stellen zouden. + +Maar Charis, tusschen de maagden, geleidde mij naar het terras in het +midden der zuilen van de portiek. Er waren daar tapijten gespreid; +er waren groote kussens gestapeld. En Charis, met de wondermeesters, +deed er mij zitten, zoo als dezen meenden, dat zij het mij hadden +geleerd; op mijn achterdeel en met de twee voorpooten gestrekt. Ik deed +het deftig, als een geleerde ezel het zoû hebben gedaan en Menedemus +en de broeders en de neven lachten. Zij zetten zich om ons rond. En +Charis vlijde zich aan mijn zij.... + +--Bijt hij niet? hoorde ik Menedemus fluisteren tot den oudsten +wonderdokter. + +--Hij doet geen vlieg kwaad, heer, antwoordde de wonderdokter; maar +wij hebben dan ook werk aan hem gehad, al die weken, dat wij hem +hebben verzorgd en geleerd! + +En Charis leunde zich liefdevol tegen mij. Hoe gaarne had ik ook haar +niet aan mijn hart gedrukt. Maar ik had een ezelehart en ik had geen +armen, maar vier pooten. Gelaten bleef ik dus zitten, sidderend van +geluk en ontroering en alleen boog ik, bijna teeder, mijn kop over +haar heen, zijlings met mijn blik van bijna menschelijkheid. Ik hoorde +de broeders en neven lachen: die menschelijkheid trof hen zeker en +zij dachten natuurlijk, dat zij was aangeleerd en zij vonden haar +komiesch en vermakelijk. + +Maar Charis zeide mij teeder, terwijl zij opzag in mijn menschelijke +oogen: + +--Mijn lief, ik herken je blik... Van den eersten keer, dat ik je +zag... Het was bij de poort van Hypata... Het was buiten de stad, +op den heirweg... Je liep naast mijn draagstoel voort... Je blik, +je lieve blik staarde mij toe... Ik had je lief, ik had je lief om +dien blik... Toen... toen verdween je.... O je verdweent!! En een +slaaf riep luide ons van zijn rijdier toe, dat wie verdwenen was, +Charmides heette en de zoon was van Lyzias uit Epidaurus! Nooit heb ik +je naam vergeten! Charmides, Charmides, weêr heb ik je gevonden, ik, +Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata!! En wij zijn gelukkig en +wij zijn verloofd, o Charmides, o mijn Charmides: Charis en Charmides +zijn verloofd! + +In den licht-trillenden morgen klonken onze namen te zamen op, terwijl +de fluiten trillerden en de cymbels goud schetterend te zamen sloegen. + +En het blijde feest rondom ons, zalige verloofden, begon! + + + + + + + +XII. + + +Ik zat naast mijn liefde op een soort van troon vol kussens, tusschen +de zuilen van het terras en ik geloof, iedereen was wel verbaasd, dat +een ezel, die gekomen was de Goden wisten van waar, zoo wel-opgevoed +ter neêr zat, op zijn achterdeel, de voorpooten gestrekt en zonder +onwelluidend gebalk en het minste onvoegzaam gebaar, geheel en al +als een goed gedresseerde ezel, terwijl mijn bruid hare armen vaak om +mijn hals sloeg en zoete woorden tot mij zeide. Om ons zaten en lagen +op lage bedden Menedemus en zijne zonen en de neven aan en terwijl +de muziek der fluiten weêrklonk, met gouden cymbelslag onderbroken, +diende een zwerm van slaven ons een maal op, dat zij in vaatwerk van +goud en vazen van opaalblank kristal voor ons neder zetten op lage +tafelen. En het gebeurde alles zoo plechtig als bij een werkelijke +bruiloft. Mijn schotel en drinkschaal waren grooter dan van de +anderen en de wondermeesters hadden het mij zeer gemakkelijk gemaakt +pastei te eten en Chios-wijn te drinken en ik at en ik dronk zoo +mensch-beschaafd, dat--ik lette het zijlings wel op!--allen er schik +in hadden en zich vermaakten en den wondermeesters hunne bewondering +betuigden, zulk een wonderezel van mij te hebben gemaakt. + +Voor ons, in den stralenden morgen, glinsterden, zilveren spiegels, de +vijverplassen hier en daar, bloeiden wijd open de witte lotusbloemen, +weken de bloemevijvers weg naar het wijde verschiet en tusschen al +die schitterende waters waren de weiden, bespikkeld met duizenden +madelieven. De olmen en sycomoren vervioletten met vage, in licht +uitgeveegde kruinemassa's van heel verre boomen en over alles zwom +de wijde weelde van blauwe, diepste lucht. En over de weiden en +tusschen de plassen traden de maagden aan en zij dansten er over de +bloemen en tusschen de bloemen, zoo licht, zoo lucht als nymfen, +zoo ijl ook en onwezenlijk, als waren zij droomen en de muziek +klonk zoo ijl en onwezenlijk, als waren de cymbelslagen hoorbare +zonneschijn... Maar toen ik zoo gelukkig zat, roerloos bijna, met +Charis' armen als een lelieboei om mijn nek en naar de dansende maagden +zag, die onze verloving vierden, trof mij een onverwacht schouwspel, +vreemd als een wedergekeerde werkelijkheid. Want tusschen de vijvers +liepen op eens, in het gloeiende dagelicht, vier bruine jongens aan, +naakt en brons, en zij slingerden zich twee aan twee om elkaâr als +Hermes-caduceeën en liepen toen, de twee ondersten op hunne handen, +de twee bovensten zegevierend de handen omhoog, tot zij, in een +gestrengeld, ombuitelden en de bovensten op de handen liepen en die +eerst zoo geloopen hadden zegevierden op hunne beurt. Ik herkende +hen als de reizende kunstenmakers, die op het herbergplein te Delfi +hunne kunsten hadden vertoond en van verbazing zat ik te staren, +toen plotseling ik Demea herkende, met hare beide dansgenooten. Ik +had bijna wel kunnen balken van verwondering, dat ik Demea hier +plotseling verschijnen zag, maar vreemd was het toch niet, dat +Menedemus de reizende kunstenmakers gehuurd had om met hunne spelen +de bruiloft op te luisteren. Tusschen vader en broeders en neven van +Charis, Charis zelve aan mijn zijde, zat ik en verwonderde mij over de +vreemde dingen van het leven en de zonderlinge lotsverwisselingen, +die den menschen overkomen. Zoo Demea geweten hadde, dat zij nu +hare acrobatische toeren ten beste gaf voor Charmides, die een ezel +geworden was en die tóch zijne verloving vierde met de edelste maagd +in Thessalië! Zij liep over een koorde, die de twee mannen gespannen +hielden over de vijverplassen, de bloemoverladen wateren over; zij +liep met gazen vleugels aan en in gouden looveren omgoten en hare +genooten liepen als zij, en omdat de koorde vertrilde in het felle +licht, scheen het of zij drie libellen waren, die zweefden, zweefden +want zij liepen heel snel en het was of er de koorde niet was. En +het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken, +maar ik balkte niet. Toen, plotseling, geleidden de twee mannen +negen jeugdige ezels naar voren op de weide vlak voor ons terras +en het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken, +maar ik balkte niet.... Voor mij zag ik de negen jeugdige ezels; zij +waren getuigd en getooid en zij waren zekerlijk gedresseerd, want zij +dansten recht-op met Charis' maagden en de wondermeesters hielden de +buiken vast van het lachen en allen lachten, maar ik lachte niet en +balkte niet en zat slechts verwonderd te staren.... + +Toen zette Charis mij een bloemenkrans van lotuskelken, die zij +gewonden had, de lange stengelen door elkaâr, op den kop en zij leunde +tegen mij aan. En zij zeide: + +--Mijn lief! Zie, ginds zijn je schildknapen en zij dansen met mijn +maagden om onze oogen te verheugen! Zie je, mijn lief, het zijn +négen schildknapen en zij dansen met negen mijner maagden. Het zijn +schoone jongelingen, mijn lief, maar zoo schoon als jij is er niet +een! Niet een is er, die heeft zoo een lieven kop, rood gepluimd, +goud-omband en lotus-omkranst; niet een is er, die heeft zulke +diep blikkende, blauwe oogen; niet een is er, die heeft zulk een +zacht vochten snoet en zoo een roze, lange tong, of zulke lieve, +lange ooren, die zoo aardig bewegen heen en weêr, heen en weêr! En +niemand heeft er zoo een zilvergrauwe, zijdige vacht en zulke fijne, +sterke pooten met goud-beslagen, menie-roode hoeven! Te vergelijken, +mijn lief, ben je met nièmand, niet met je schildknapen, niet met +mijn broeders, niet met mijn neven, die zijn zoo gewoon-menschelijk +maar, maar jij bent een prins, een vorst, een god, mijn lief; jij +bent een fabelwezen, een mythe-schepsel, en ik min je, ik min je, +mijn lief! Wat ik alleen betreur, o mijn heerlijke lief, is, dat je +niet spreekt tot Charis! Eenmaal slechts heb je mijn naam genoemd en +je stem klonk me zoo zalig toe in mijn ooren en mijn naam sprak je +zoo lieflijk uit als niemand hem uitspreekt, mijn Charmides; allen +harden klank aan mijn naam liet je weg en mijn naam uit je lieven, +open bek, doorklonk mij met zaligheid! O zeg nog eens mijn naam, +zeg nog eens mijn naam, Charmides, o mijn lief! + +Ik kon het waarlijk niet nalaten. Om Charis genoegen te doen, zette ik +mij schrap op mijn voorpooten, rekte mijn nek, opende mijn bek en riep: + +--Ha.... hi! + +Ik hoorde alle de gasten in onuitbluschbaren schaterlach uit barsten +en zelfs de maagden en slaven en zelfs de kunstenmakers lachten om +het gebalk van den bruidegom, maar Charis jubelde: + +--Charmides! + +En zij omhelsde mij in liefdegeluk en strooide de lotusbloemen om +mij rond... + +Zoodra ik echter gebalkt had, schrikte Demea, op het koord. + +En afgesprongen, in hare gouden looveren omgoten en met hare gazen +libellevleugelen, liep zij in grootste verwondering naar ons toe, +bleef voor onzen troon en tafel staan en blikte mij diép in de +oogen. En nu zag ik, dat zij werkelijk ontstelde en zij riep, als +Charis geroepen had: + +--Charmides! + +Maar Charis schrikte op. En zij riep, hare armen om mijn hals: + +--Wat wil die koorddanseres! Wil zij mij mijns bruidegoms liefde +ontstelen! Ik ben ijverzuchtig! Ik wil niet, dat zij ons nadert! + +Maar Demea, die zich herstelde, riep: + +--O, lieflijke bruid, vergeef uw dienares en uw slavin! Ik wenschte +alleen in het glanzende aanschijn te staren van uw onverwinlijken held +Charmides, van den roemrijken veldheer, wiens faam tot de hoogste +luchten weêrklonken heeft en tot de verste horizonnen! En ik breng +hem enkel mijn hulde en roep hem toe: heil Charmides! + +Zij riep het en allen stemden in: + +--Heil Charmides! Heil den bruidegom! + +Bijna had ik gebogen naar links en rechts, maar ik bedacht mij bij +tijds. En balkte daarom slechts: + +--Hi--ha! + +En allen schaterden het uit en Demea schaterde het uit in mijn oogen. + +Maar Charis riep: + +--Hij dankt, mijn held, voor uw hulde, o blijde feestgenooten! + +En zij wierp zich aan mijn hals en nieuwe spijzen en wijnen werden +voor gediend en er was dans van ezels en maagden en fluitmuziek en +Demea zweefde met de beide andere meisjes over de, in het licht als +wèg vertrilde, koorde en de kunstenmakers buitelden.... + +Toen het feest ten einde was, daalde de zon, immense bloedroode schijf +aan den einder. De massa's van boomen, de looverkruinen vervloeiden +te zamen in roodgoudig violet, minder doorschijnend; in dichtere +schaduw slopen reeds schimmen van nacht.... Over de vijverplassen +rimpelde in meerderen bries de roode afschijn en brak in kabbeling bij +kabbeling tusschen de platte lotusbladeren en de blanke schalen, die +zich, groener in schutsbladen, sloten. Al de veldbloemen sloten. Het +lusthuis stond overvloeid van rood. En de hemel vervaalde in violette +schemering. + +Flambouwen werden ontstoken. En met zang en muziek werd ik in een +feeststoet terug geleid. Maar Charis, droevig, fluisterde, hare armen +om mijn hals: + +--Mijn lief, zij gaan ons scheiden....! Zij huwen ons nog niet, zij +huwen ons nog niet: vele offers schijnen eerst den goden te moeten +worden gebracht, opdat geen schaduw over ons geluk kunne vallen! Mijn +lief, zij gaan ons scheiden! + +Ik antwoordde niet, zelfs niet balkende, zelve droevig te moê... Wat +zoo ik mij bekend maakte! Ik aarzelde. Ik zoû, ach, onttooverd, niet +meer zijn dan een handelsreiziger en Menedemus zoû mij, onttooverd, +verjagen! En nu, dat ik ezel was, bleef ik Charis' bruidegom. Zonder +verdere hoop en verwachting, maar toch, toch welke zaligheid nog, +in vergelijking met wat onttoovering brengen zoû. Een ezel, een ezel +wilde ik blijven! + +En de stoet geleidde mij verder. Niet meer naar een stal, maar naar +een marmerzuilig pavillioen. Tusschen bloemenkransen en maagdendans +en ezelgetrip en flambouwengeflakker en muziekgeschal geleidden zij +mij waar vreemdelingen van aanzien, Menedemus' gasten, gewoon waren te +overnachten. Geleidden zij mij binnen een zaal, purper behangen.... En +weende Charis, scheidende van mij met laatste omhelzing en mede +gevoerd door vader en broeders, die troostten. + +De wondermeesters sloten de zaal. Ik zag om mij rond. Een +bed van purper, groot genoeg voor mijn ezelleden. Een bad van +porfier. Bloemenkransen om zuilen. Slaven naderden mij; zij onttuigden +mij, vroolijk om den bruidegom, die een ezel was en verlieten mij +met kluchtige huldebuigingen. Ik bleef alleen.... + +De nacht viel: door de hoog aangebrachte ramen starrelde de +zomerlucht.... + +Plots hoorde ik: + +--Charmides! + +Een stem riep. Ik zag op. Aan een der hooge ramen had Demea zich +buiten opgeheschen en keek zij naar binnen in mijn nachtschemerig +verblijf. En zij riep, fluister-zacht toch: + +--Charmides! Ik heb je herkend! Je bent betooverd! Je bent geen +ezel maar je bent mijn Charmides, die betooverd werd! Herinner je, +Charmides, Delfi en den vervallen tempel der Pythia en onze liefde, +onze brandende liefde! Zie, mijn looverenkeurs is het purper, dat +je mij gaaft en om mijn hals hangt de valsche maar wonderkrachtige +peerparel! Charmides, waar is de filter, dien ik je gaf?! O, Charmides, +Charmides, hoor mij! Ik zal je deur open breken--sterk ben ik--en +ik zal je rug beklimmen en wij zullen vluchten van hier en ik zal je +onttooveren met een heel sterken filter en wij zullen gelukkig zijn, +ver van de menschen, op de rotsen, in de wouden, op de bergen! Ik +weet de wondere plaatsen! Charmides, zeg mij, wil je? + +Maar ik schudde met mijn kop van neen.... + +--Charmides!? Wat? Wil je een ezel blijven, wil je een ezel blijven +om Charis! O, dwaze Charmides, die eenmaal een man was, verliefd op +alle vrouwen en nu een kuische ezel is, wien zelfs geen simpele ezelin +bekoort! O, dwaze Charmides, o domme ezel, die zelfvoldaan vertoeft +in een marmeren pavillioen bij een bad van porfier en een bed van +weelderige kussens.... Kom tot inkeer! Knik van ja! Dat ik je deur open +zal breken!? Dat wij, ik op je rug, vluchten zullen van hier! Dat ik je +onttooveren zal! Dat je mij lief hebt, Charmides, als een man, die je +weêr worden zult, en dat je niet Charis lief hebt, voor wie je nooit +anders dan een ezel zal blijven, dwazelijk getuigd als een bruidegom, +die nooit gemaal, nooit gemaal zal worden! Charmides, Charmides, knik! + +Ik knikte niet, ik schudde mijn kop van neen. + +--Vervloekte Charmides! riep woedend Demea. Blijf dan een ezel, +jij ezel, die je bent, ezelachtige ezel!! + +En met een hoongelach glipte zij weg.... + + + + + + + +XIII. + + +--Vader, waarom huwen wij niet? + +Zoo klonk Charis' stem, een avond vol van zomerweemoed. Hare arm lag, +blank, rond en meisjesjong over mijn nek, waar ik stond in de weide +en speelsch met mijn bek de halmen en lang opgeschoten veldbloemen +trok. Charis speelde vaak met mij en hare verwanten prezen mij, +dat ik een zeer tamme ezel was. Want dikwijls liep Charis voor mij +weg en moest ik haar achtervolgen en zij lachte als een kind en ik +achtervolgde haar dan, hield mijn draf in, om haar langer van het spel +te doen genieten en dan, eindelijk, haalde ik haar in en greep zacht +tusschen mijn tanden den slip van haar sluier. En zij gaf zich dan +gewonnen en leunde, lachende, tegen mij aan en kuste en bekranste mij, +omwond mij met bloemen. Hare maagden dansten om ons rond en wel eens +zette zij zich op mijn rug en ik liep in een cirkel over de weide, +terwijl Charis jubelde van pleizier. Of ik lag in het lange gras, +sierlijk en voegzaam en zij zette zich naast mij, zei lieve woordjes +en vertelde mij fabels. En hare handjes streelden mijn kop, gleden +mijn ooren langs, die zij wenschte heen en weêr te zien bewegen, +het eene hoog-op, het andere hangende en dan weêr beurtelings het +eene hangende, hoog-op het andere en zij lachte, hare lieve oogen +diep in mijn oogen.... + +--Zeg dan, vader, herhaalde Charis; waarom huwen wij niet? + +Om Menedemus stonden de wondermeesters, de broeders, de neven. En +zij fluisterden meêwaardig onder elkaâr en ik hoorde Menedemus tot +de wondermeesters zeggen: + +--Wanneer onttoovert ge mijn dochter dan eindelijk, dat zij ziet, +dat zij verliefde op een ezel, verloofd is met een ezel? + +En de wondermeesters schudden bedenkelijk met de hoofden en +de Frygische mutsen. Maar Charis weende en op een teeken van de +wondermeesters, die meenden, dat zij het mij hadden geleerd, liep ik, +dansende, in het rond, sierlijk met goud-beslagen, rood geschilderde +hoeven, zettende den een voor den ander. Toen lachte Charis weêr en +de maagden dansten om mij en zij zelve danste mede. + +En zij vonden mij allen een bewonderenswaardige, goed gedresseerde +prachtezel, zoo tam en die geen vlieg kwaad zoû doen en vooral niet +zijn lieve bruid Charis, maar aan huwelijk was niet te denken! En +daarom was ik zelve ook vaak wanhopig, wanneer ik dacht aan mijn +betoovering, aan mijn herschepping en tevens overpeinsde, dat, zoodra +ik herschapen in een man en onttooverd zoû zijn, ik niet meer dan +een handelsreiziger zijn zoû, Charis niet evenboortig, als hare neven +waren, zoo dat mijn zalig geluk gedaan zoû zijn! O, hoe lang zoû het +nog duren! Nog nooit had ik zoo lief gehad, zoo innig, zoo teeder en +zoo geduldig. Ezel, voelde ik mij bijna gelukkig, als ik nog nimmer +geweest was. + +Dien middag, dat Charis sliep, door de maagden in slaap gezongen +onder een dicht rozen-begroeid traliewerk--de witte rozen hingen, +de traliën langs, langs haar heen--zag ik haar, van uit de weide, met +liefde, geluk en weemoed aan. Zomerzonneschijn golfde omlaag. En toen +dwaalde ik verder tusschen de vijverplassen, die blonken en blikkerden +goud en blauw, overbloeid met de ontlokene bloemen. En naderde het +altaar van Venus-Afrodite tusschen het roode-rozenbosch. De godin rees +marmer en wonderschoon achter haar altaar in de purperen schaduw. Het +boschje zoemde vol van verliefde vliegjes, die dansten. De duiven, +die er nestelden, klapwiekten er uit op en zilverden over de stralende +lucht. En ik boog de voorpooten; ik knielde neêr. En ik bad: + +--Heilige godin, bad ik. Wees mijn toeverlaat, wees onze +toeverlaat! Help ons! Charis, betooverd, heeft in mijn ezelvorm lief +Charmides, dien zij zà g, een, twee seconden naast haar draagstoel, +op den heirweg, bij de poort van Hypata. Groote godin, help ons! Niet +alleen zilverasters kunnen mij helpen! Misschien helpen uw roode +rozen mij beter! + +En, ezel, lag ik geknield voor de godin. En wat ik Charis nooit had +durven doen, deed ik de godin: ik kuste met mijn ezelsnoet haar den +marmeren voet. Ik brak teeder met mijn tanden enkele harer rozen af +en legde de bloemen op haar altaar, opdat zij in meerderen geur van +vereering zouden uit bloeien aan haar voet.... + +En ik dwaalde terug. Er was het blijde feest, als er iederen middag was +met mijn bruid; er was het uitgezochte maal en de dans en de muziek.... + +--Vader, waarom huwen wij niet...? hoorde ik wederom Charis vragen. + +Maar mijne dienslaven geleidden mij terug tot het pavillioen. Uit +vertrouwen en zorgeloosheid lieten zij den laatsten tijd de deur +open. Zij waren zoo gewend in mij te zien een wonderlijk tammen, +goed gedresseerden ezel, een ezel, die menschelijk at en aan lag, een +ezel, die speelde met hunne jonge meesteres, een ezel, die zich nooit +onvoegzaam gedroeg, die als een mensch zijn pavillioen bewoonde. Zij +lieten mij doen als ik wilde.... + +De nacht was zwoel, of onweêr dreigde. Ik kon niet slapen, op mijn +weelderige kussens. Ik legde mij op het koele vloermozaïek, mijn +ezelebruin vol mensche- en mannegedacht. Ik stond weêr op en trad uit +het pavillioen. Ik dwaalde over de weide. Ik zag naar den hemel. In +der daad, zware wolken dreven aan uit het Noord-Westen.... Zij +ontrolden, naderende, als een dikke rook.... Zij bedekten geheel +den hemel.... Plotseling...! Plotseling zag ik in de rollende wolken +menschengezichten.... + +Heksen? Gedrochten? Helsche wezens? Ik verborg mij in het dichtste +struikgewas onder zwarte steeneikenbladeren. Ik zag toe, ik luisterde +toe.... + +Drukkend, maar anders dan van naderend onweêr, rolden de wolken +nader.... Overdekten nu geheel de lucht boven het landhuis.... Waren +als éen wolkende nacht over de weiden.... Van nachtkim tot +nachtkim.... En omsloten met de bergen weiden en woning als in een +knellenden, vijandigen cirkel.... + +Ik hoorde stemmen.... De stemmen, zij sisten en suizelden als met +slangegeschuifel, daar boven, in de dichter broeiende wolken.... En +het was als een onweêr, hoewel het geen onweêr was. Zeker zouden de +bewoners van het landhuis denken aan onweêr. Maar ik, ik wist reeds +genoeg van de onheilige dingen van Thessalië om te weten, dat dit geen +onweêr was.... Ik spiedde uit, uit mijn schuilhoek. En plotseling +verduidelijkten zich hel in felle sulfergloren, die als weêrlicht +schenen, de tronies der aangezweefde, demonische schepselen, bleek, +grijnzend, dreigend. En door het schuifelen en suizen en sissen heen, +verstond ik de woorden, die weêrklonken van uit de rollende wolk, +die woelde boven de wereld.... + +--Zeg ons, heer, uw wil! Zeg ons, machtige Chersonezus, uw machtigen +wil...! Gehoorzaam zullen wij uw wil volvoeren, wij geesten van +de lucht.... + +--Wij geesten van het water...! + +--Wij, van het vuur...! + +--Wij, van de aarde...! + +--Wij, à llen, elementen, waar over gij heerscht, o machtige +Chersonezus! Zeg ons uw wil!! + +En het donderde en het weêrlichtte, of was het enkel het rollen der +wolken en dringen der dreigende geesten en de sulfergloor van hun +atmosfeer, die telkens hel op vlamde tusschen de dichter en dichter +aankrullende dampen? Maar een vreeslijke stem, machtig, weêrklonk.... + +--Heilige goden van Eleuzis! bad ik. Bewaar wie mij dierbaar is!! + +....--Heft gehéel dat verdoemde huis in de lucht, als ware het niet +meer dan een pluim, die op waait in den wind. En stort het dan neêr op +de aarde! Vernietigt het, verdelgt het met aardbeving en stormgeweld en +met vlammen! En doet tusschen die verdelgingen Charis alleen behouden +blijven, zoo dat zij tusschen de puinhoopen aan mij is en ik haar +ontvoer door de luchten! + +Een vreeslijk warrelen en woelen begon. Bijna had ik luide gebalkt +van ontzetting. Ik balkte echter niet en onder de zwarte schaduwen en +tusschen struikgewas en struweel, sloop ik terug. Ik glipte over de +padden, die angstiglijk brulden. Ik struikelde over de slangen. Ik wist +niet of zij dieren waren, gunstig aan Chersonesus of ongunstig. Over +de weide sloop ik onder het razender en razender rumoer in de luchten, +sloop ik, staart tusschen de pooten, glipte ik tusschen de waaiende +halmen.... + +--Goden van Eleuzis! Doet mij onzichtbaar zijn! + +.... Sloop ik terug en bereikte het landhuis.... Boven mij +scheen de storm al zijn geweld in éen woesten draaikolk samen te +mengen als een heks haar brouwsel hadde gemengd in een immensen, +zwarten ketel. Lichtende vlerken waren niet meer dan schichtende +bliksemflitsen.... Ik naderde de zuilenrijke portieken, die angstig +opblankten, telkens, dat de bleeke gloren op gloeiden.... Ik rende nu +de portieken door, ik rende tot voor het raam van Charis' eigene kamer. + +Niemand bewoog in huis? Sliepen zij allen, trots het vreeslijk geweld, +rond kolkende om in de nacht boven het huis, of waren zij reeds, +vóor hunne verdelging, betooverd? Niemand bewoog. Maar voor het raam +van Charis hield ik stand.... + +--Hi-ha! balkte ik. + +Niemand antwoordde en mijn gebalk verloor zich in den rond donderenden +storm. + +--Ha-hi! balkte ik, als ik het kon, Charis' aangebeden naam. Ha-hi! + +Ik stiet met mijn snoet tegen de luiken. + +--Ha-hi!! balkte ik steeds en van overspanning, eindelijk, balkte ik: + +--Cha-i! Cha-is! Chà -ris!!! + +De luiken werden ge-opend. Charis, het blonde haar los om de schouders, +verscheen, zóo blond, zoo blank in haar blanke gewaad.... + +--Charmides! kreet zij. Mijn lieveling! Wat is er!? De storm barst +los! En ik ben bang, ik ben bà ng! Hoor dien ronden donder draaien en +rommelen blijven boven het huis! Zie de felle lichten! Charmides, +o bescherm mij! Iedereen slaapt in diepsten slaap! Mijn vader, +mijn broeders, mijn neven, de maagden, de slaven! Charmides, het +aardbeeft! Vader! Broeders! Neven! Is dood dan iedereen al!? + +--Charis! balkte ik.... + +....En in mijn overspanning sprà k ik en riep, wijd mijn bek open +naar Charis: + +--Be...stij...g... mijn... rr...ug!! + +Charis begreep; zij slaakte een gil, bijna van vreugde: zij klom op +de raampost; vlà k tegen den muur hield ik mij gedrukt; zij wierp zich +op mij.... + +--Sla... om... mijn... nek... je armen! + +Zij sloeg hare armen om mijn nek. En ik holde voort, de portieken +door.... Het aardbeefde, het aardbeefde vreeslijk.... En ik holde voort +ter zij van het huis, maar het scheen te trillen, en te bewegen.... Ik +holde voort, op het gevoel af, want het was inkt-donker om ons, +een duisternis, die alleen de sulfergloren bleek op lichtten, telkens. + +Dan vergewiste ik mij, dat ik goed draafde, over de weilanden, +tusschen de vijvers, naar de heiningen. Mijn draf scheen niet te worden +bespeurd, door de helsche geesten, die al hunne machten samen stuwden +boven het huis. Eens dat hunne bliksems flitsten, zag ik om.... En +ik zag, o verschrikking, het geheele huis met zijne portieken, die +wankelden, in de lucht zich verheffen, als in een vreemd vizioen, +maar dat waarheid was: ik zag het prachtige landhuis sidderen op zijne +grondvesten tusschen de wolken, waarin het gelicht werd en die het +als een zwart stormende zee omdrongen; ik zag het toen storten in +éen, met brokkelende zuilen, die even nog op glansden in de gloren +der helsche flitsen, ik zag het toen vernietigd, een wrak gelijk, +uit-een drijven op den steeds kronkelenden damp... + +Bij het einde der weilanden, op de zelfde plek, waar Charis mij had +binnen geleid, sprong ik over de heining, draafde ik langs de rivier, +even slechts te raden met huiverig bleeken afglans, draafde ik, +draafde ik voort, Charis steeds liggende over mijn rug, hare armen +vast om mijn nek. Hoe lang ik draafde? Ik weet het niet! Waarheen +ik draafde? Ik wist het niet. Ik draafde slechts, draafde slechts: +ik draafde denkelijk de geheele nacht. Somber bleef de nacht maar de +storm, de duivelsche storm, had alleen zijn kring getrokken rondom +het domein van Menedemus, en wij waren dien tooverban uit. + +--Goden van Eleuzis! bad ik telkens. Goden van Eleuzis! Behoedt +ons allen! + +En in de donkere nacht draafde een onzichtbaar grauwe ezel met de +witte vlak van een blonde maagd op zijn rug voort, langs de bleeke +rivier, onder de wind-doorzwiepte boomen. Tot ik, uitgeput, omzag, +stil hield.... Achter ons verdiepte de nacht, voor ons schemerde door +de vale sluiers het allereerste dagebegin. Een wand van rotsen piekte +voor ons op.... Maar ik had Charis gered! + +Zij gleed van mijn rug op het mos, half bezwijmd.... Zij strekte +de armen nog naar mij uit.... Ik viel voor haar neêr, ik wilde haar +omhelzen, haar drukken aan mijn hart. + +Maar ik herinnerde mij dadelijk na, dat ik een ezel was... En ik bleef +op mijn voorpooten geknield, aanbad mijn geliefde en wilde haar roepen +bij haar zoeten naam.... + +Maar verloren had ik mijn menschestem, die mij uit wanhoop éen +oogenblik scheen terug geschonken en ik balkte slechts rauw mijn +ruigen ezelskreet.... + +Die tegen de rotsen, weêrechoënd, brak.... + + + + + + + +XIV. + + +De morgen straalde. Ik zag om mij rond. De rivier aan den rand van +het woud en den weg, overschaduwd door takken en blâren.... Maar dan, +ter zijde, het rotsgebergte. Het was piek bij piek, die uit stak; +hoogere en lagere rotsen stonden verwonderlijk recht de lucht in, +als met een leger van bijna regelmatige pieken; zij schenen als +menschelijke monumenten te rijzen, als een stad van steen, als een +massa van vreemde torens, maar zij waren enkel het werk der natuur; +zij staken hunne hemelhooge monoliethen, hun steile, gladde gevaarten +met ontzaglijke kegels op in de blauwste lucht; sommigen schenen +wel naalden zoo scherp in de verte en verschemerden in het rozige +lichtwaas. Twee arenden vlogen er over heen.... + +Toen boog ik mijn kop naar Charis. Zij sloeg juist de oogen op en +zij riep, angstig: + +--Mijn lief, waar zijn wij? + +Ik wist niet hoe haar te antwoorden, bang haar met mijn rauw gebalk +te verschrikken. Maar zich richtende op de knieën, herhaalde zij: + +--Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij? + +En zij sloeg de armen om mijn nek. + +--Zoo lang heb je gedraafd, zoo ver heb je mij gevoerd, weg van mijn +vader en van mijn verwanten en mijn maagden zijn niet om mij heen! Mijn +lief, mijn lief, waar zijn wij? + +Ik kuste haar met mijn snoet de hand, ik likte haar de palm, maar +ik wist niet haar te antwoorden. En zij rees plotseling op. Zij zag +zich in haar witte kleed, met hare lange, blonde haren los, zonder +mantel of gordel of sluier en zij begon luide te schreien en riep, +dat zij wilde naar huis. Bedenkende hoe ik haar troosten kon, plukte +ik gele en blanke veldbloemen met mijn tanden af en wierp ze op om +haar heen. Zij lachte als een kind, zette zich neuriënde en begon de +bloemen te vlechten en ons met de bladeren te versieren. Ik draafde +om en om, om haar te vermaken en den krans, dien zij gevlochten had, +zette zij mij om de lange ooren heen, die zij zoo gaarne heen en weêr +zag bewegen. Dan scheurde de krans en viel af en zij hervatte haar +werk, terwijl ik de grashalmen graasde.... + +--Ik heb honger! riep zij op eens, als een kind. + +Wanhopig zag ik rond. Waar heen zoû ik Charis voeren? Dit eenzame woud, +dat wij waren uitgedwaald in de nacht; deze stroom, dien ik niet wist +of hij de Sperchius was en waar langs ik niet wist wà ar te geraken +en dan die vreemde rotsenmassa, die zonderlinge natuurspeling van +dat oppiekende, -piekende rotsgebergte, dat, nu klaarder het licht +werd, scheen te rijzen, eindeloos te rijzen, dat scheen te pieken, +op te pieken tot den verren horizon toe.... En zoo ik ook iets nog +geweten hadde van woud en stroom en rots, wat zou ik ook hebben kunnen +aanvangen met een teêre, onnoozele en betooverde jonkvrouw, gewoon +aan de liefdevolste en te gelijker tijd weelderigste zorgen, gewoon +aan rijke kleederen, aan kostbaar huisraad, aan uitgezocht voedsel +en steeds omringd door een schaar dienaressen, die haar omzongen, +omdansten, elk van haar wedijverend met Charis in schoonheid? Hier +ving ik den nieuwen dag en het nieuwe leven aan, bemind en minnende en +samen, alleen met mijn bruid, zonder iets voor haar te kunnen doen, +dan haar te dragen op mijn rug! O, hoe wanhopig zwol op eenmaal in +mij het late berouw, dat ik, onbezonnen, omdat ik beminde, mij niet +als eveneens betooverd had bekend willen maken, door met mijn poot +een paar letters in het zand te schrijven, zoo dat de wondermeesters +mij zilverasters hadden kunnen zoeken en ik op nieuw weêr mensch en +man ware geworden. Dà n ware ik weg gejaagd, ik koopmanszoon, wien +Menedemus nooit zijn dochter van vorstelijke geboorte als vrouw zoû +willen afstaan, maar dan hadde ik beschikking gehad over onmisbare, +menschelijke hoedanigheden; dan hadde ik misschien, wie weet, zoo niet +op mijn rug, Charis geschaakt in mijn armen, dan ware ik met haar +gevlucht en hadden wij ons geluk ergens in stille zaligheid kunnen +verbergen, terwijl nu...! Wat ving ik met mijn geliefde aan!? Zij was +wederom in schreien en snikken uitgebarsten; zij liep handen wringende +om; zij wilde niet meer met de bloemen spelen.... Ik deed haar de +vlinders op letten, die fladderden om ons rond, maar zij lette de +vlinders niet op, de goudvisschen, die snel schoten den stroom af +als zonneflikkeringen, maar zij lette de visschen niet op en zij +klaagde, de armen om mijn hals en smeekte mij haar terug te voeren +naar huis. Zoo dat ik, met mijn goud-beslagen hoef schreef in het zand: + +--Zet je dan weêr op mijn rug... + +Zij lachte door hare tranen en klapte in de handen, om dadelijk +meêwarig te klagen, dat ik mijn stem in den oorlog verloren had! Maar +zij juichte, dat ik nu schreef en zij wierp zich op mijn rug en +zat tevreden, half liggende, hare armen om mijn nek. Bekranst en +versierd wij beiden met bloemen en blârenfestoen, liep ik met Charis +den rotsberg om, langzaam.... Honger had ik niet, daar ik grazen kon +en geen wijn en pastei behoefde, maar Charis klaagde op eens weêr: + +--Charmides.... Ik heb honger! + +Ik wist wel, zij léed nog geen honger, maar toch zwol de wanhoop +weêr in mij op.... Waar vond ik voedsel voor mijn bruid...? Tot +ik plotseling, opener het woud en de zon gestegen, een vruchten +dragenden appeleboomgaard bespeurde en ik blijde het zette op +een draf. Charis, van pleizier, juichte op en in den stralenden +zomermorgen liep daar een ezel, met een schoone maagd op zijn rug, +beiden vertuit met bloemen en blâren als voor een herdersfeest, den +rood doorappelden bongerd te moet.... En tusschen de boomen doolde ik +met Charis langzaam voort en zij plukte de appelen, die laag hingen +en ik at de appelen, die, overrijp, waren gevallen over den grond +in gras en madelieven en mos. En een oogenblik gevoelde ik, dat wij +beiden zalig gelukkig waren. De morgen, de zon, het gras, de appelen, +onze kransen, wij beiden te zamen alleen, terwijl alleen de vogelen +om ons twetterden, de vlinders in liefde fladderden, de mugjes als +genstertjes schitterden: meér was er niet, maar dit oogenblik was +dat alles genoeg van geluk voor de beide betooverden, voor Charis, +die verliefd op haar ezel was, voor Charmides, den verliefden ezel, +op wien Charis verliefd was geworden. En ik dwaalde met Charis den +bongerd door, ik steigerde speelsch of sloeg met de achterpooten uit, +ik balkte zelfs Charis' naam, zoo als ik het kon en de roode appelen +lokten, honderden, om ons heen.... + +Zoo gingen de uren voorbij en vergaten wij beiden, dat wij geen +toekomst voor ons zagen, en had Charis haar honger gestild, en haar +dorst gelescht aan een beek en toen, van ons spel moede, zich neér +gelegd in het vliegjes-doorzoemde lommer, waar ik, in het mos gelegerd, +had gewaakt over haar sluimering. Maar nu, in de middagstilte, begon de +zorg, op nieuw in mij gewekt, om te zien naar een uitkomst. Ik spiedde +uit links en rechts en speurde geen menschelijk wezen. Als een witte +oven gloeide het piekende rotsgebergte door de appelboomen heen en +vertrilde tegen de stralende zomerlucht... Wat zoû die verdere dag, +wat zoû die nacht ons brengen? Hoe geheimvol onbekend was ons de +naaste seconde! Hoe zoû ik verder Charis kunnen behoeden, ik, een +ezel op mijn gouden hoefijzers, voor wilde beesten en saters, voor +heksen, voor alles wat de geheimnisvolle nacht met zich meê voert en +hoè voor honger, ellende, armoede! Alleen met mijn bruid in het woud, +had ik éen oogenblik kunnen vergeten, tusschen bloem en spel en ooft, +dat wij beiden betooverd waren en aan zware levensbeproeving bloot +gegeven, nu de middagstilte suisde om Charis' slaap en ik waakte, +wekte de wanhoop op nieuw zich in mij. + +Tot ik meende tusschen de bladeren geritsel te hooren. Ik spiedde uit +en werkelijk zag ik mannen sluipen.... Zoû ik balken, zoû ik mij bekend +maken als Charmides, de betooverde zoon van Lyzias van Epidaurus, +die met Charis, Menedemus' dochter, gevlucht was, van het instortende +landhuis weg? Bijna meende ik, dat dit het verstandigst zijn zoû, +toen ik begreep aan der mannen uitzicht, dat zij roovers waren! Ja, +zij waren roovers; geen armoedige, barre, weêrzin en afgrijzen wekkende +wilde-mannen des wouds, als mij hadden gestolen uit de houthakkershut, +maar wel twintig, dertig groote, sterke, gewapende roovers in korte +mantels gehuld en met groote hoeden op.... Zij slopen wel tusschen het +lagere hout--vermoedelijk om niet langs den heirweg te gaan--maar zij +praatten toch en lachten zelfs onder elkaâr, als of zij hier thuis +en bekend waren. Zekerlijk was deze afgelegen, prachtig gekweekte +appelebongerd, die wij geplunderd hadden, hun eigendom! Toch, roovers, +zoo ik bekend mij maakte, zouden misschien mij zilverasters kunnen +zoeken en ik zoû voor losprijs mijzelven weêr worden.... Roovers +zouden voor losprijs Charis vrij zeker laten.... Bliksemsnel bedacht +ik dit alles, tevens beducht of zij ruw geweld mijn aangebeden bruid +zouden kunnen doen.... Tot ik hunne woorden hoorde: + +--Deze nacht dus? + +--Ja, beaâmde wie hun hoofdman scheen. Het landhuis van Menedemus.... + +--Het omsingelen...? + +--Ja en zijn dochter schaken.... + +In ontzetting was ik opgerezen. Ik begreep, dat zij niet wisten, +dat Menedemus' landhuis was behekst geworden, in de lucht geheven, +vernietigd! Ik begreep, dat zoo zij het op Charis voorzien hadden, +een hun gunstig noodlot Menedemus' dochter op hun weg had gevoerd! Ik +begreep, dat geen tijd te verliezen was.... + +--Cha-i! stiet ik mijn bruid aan met mijn trillenden snoet. + +Zij ontwaakte, wilde mij omhelzen, maar dadelijk beduidde ik haar, +door te knielen, dat zij op zoû stijgen. En zij steeg op. En juist +toen de roovers in den bongerd verschenen, draafde ik weg, naar de +rivier terug. + +De mannen bleven bevangen staan. Het moest ook dien ruwe klanten als +een tooverbeeld, niet eigen der werkelijkheid, gelijken, hoe daar +een prachtige, zilver gevachte ezel, op glinsterend beslagen, roode +hoeven weg draafde met een blanke, blonde maagd over zijn rug, hare +armen om zijn nek en beiden versierd met bloemen en bladerfestoenen, +die nu af van hen vielen. Zij moesten wel denken aan een nymf uit het +woud, aan een goddelijk wezen, een onwaarschijnlijken ezel berijdend, +in het stralendste zonnelicht, tusschen de gelooverde en be-appelde +schaduwvallen, dravende naar de rivier, waar zij zeker in een mist +aan hun oog zouden worden onttrokken! En ik draafde door.... Maar de +mannen, wat ook hunne verbijstering hun had voor gegoocheld, waren ons +reeds met wijde passen achtervolgd.... Ons inhalen zouden zij zeker +niet, was ik mij overtuigd, terwijl ik hupte over steenen en boomtakken +en Charis juichte om den rit, niet wetende welk gevaar dreigde. Tot +plotseling, tusschen de rivier en ons, andere mannen op doken, +komende van den tegenovergestelden kant. Zij riepen elkander toe: +de eersten riepen den anderen toe, dat zij zich zouden verspreiden en +ons tegen houden. En in der daad, zij verspreidden zich in een wijden +cirkel, te zamen zeker een veertigtal roovers. Te vergeefs trachtte +ik hier tusschen hen weg te komen, trachtte ik daà r tusschen hen te +ontvluchten: zij sloten dichter hun cirkel en ik zag geen uitgang +meer en zij grepen mij aan snoet, aan staart, aan manen. Ik steigerde, +ik sloeg met de achterpooten uit, ik poogde hen, woedend, te bijten: +wat kan éen ezel tegen veertig Thessalische roovers! Luide hoorde +ik Charis van ontzetting jammeren, maar er was niets aan te doen: +de mannen omringden ons en de hoofdman Charis, die van mijn rug af +gegleden was, op beurende, riep: + +--Schoone jonkvrouw, die op uw ezel vluchtte, gij zijt aan ons en de +kostbaarste buit, dien Hermes-Mercurius, onze god, ons ooit gunde! + +Ik had geen tijd mij te verbazen, dat roovers den zelfden god vereeren +als eerlijke kooplieden in parels en purper: trillende stond ik op +mijn hoeven. + +--Een sterke, mooie ezel! prezen de roovers, mij slaande vol +hartelijkheid op de schoft. Een dappere ezel! Een flinke ezel! En +een edele, wonderschoone maagd, die hem berijdt! + +--Wie zoû zij zijn? vroeg de hoofdman. + +De roovers wisten het niet. + +--In alle gevallen een aanzienlijke maagd, die ons zal troosten, +mochten wij Menedemus' dochter heden avond niet kunnen ontvoeren, +zei de hoofdman. Jonkvrouw, berijd weêr uw ezel. Schrei niet en jammer +niet meer: wij wenschen geen kwaad u te doen. + +En hij dwong Charis mijn rug wederom te bestijgen en zij zette zich, +maar luid snikkende: + +--Mijn bruidegom! Mijn Charmides, red mij!! + +--Ver is uw bruidegom, meende de hoofdman; en zijn vrouw zult ge zoo +gauw niet worden! + +En zij voerden ons terug, door den appelebongerd: er was niets te doen +dan voort, met mijn bedroefden last, tusschen hen mede te stappen... + +Toen, omdat ik Charis noch redden, noch zelfs te troosten wist, +balkte ik wanhopiglijk luid uit naar den stralenden zomerhemel. + + + + + + + +XV. + + +Tusschen de roovers stapte ik nu voort, schreiende Charis op mijn rug, +den bongerd door, dan een eikenwoud door, tot wij naderden den wit +gestoofden wand van het rotsgebergte, dat als een vreemd kasteel, +immens en duizend malen getorend, op rees. En verwonderde ik mij, +waar zij ons henen leidden.... Tot de rooverhoofdman zeide: + +--Jonkvrouw, schrei nu niet langer. En duld, dat ik mijn mantel u over +het gezicht sla, want ge moogt niet zien, waar wij u brengen. Vrees +echter niets, geen kwaad zal u geschieden en ik wensch alleen losgeld +van uw ouders of verwanten te ontvangen; zoo dra ge ons de noodige +inlichtingen hebt gegeven, zullen wij ons in verbinding met hen +stellen en wil ik hopen, dat ge spoedig, met uw ezel, weêr vrij zijt. + +Zijn toon was zoo hoffelijk, dat werkelijk Charis haar jammeren staakte +en duldde, dat hij zijn mantel haar over het gezicht wierp. Onderwijl +lette ik alles goed op en had ik ook eén oogenblik gedacht mij aan +de roovers bekend te maken, ik zoû nu wel oppassen dat te doen; +een ezel blinddoekten zij niet, als zij een man hadden gedaan, een +ezel lieten zij vrij rond blikken en op letten.... En ik lette op, +terwijl wij langs den heeten wand van het gebergte trokken,--het stond +soms als met kalkwitte, brokkelige tafelen op--dat deze roovers, die +ons hadden overmeesterd, geen ruwe wilde-mannen waren, maar sommigen +eer mannen van zeker aanzien: er schenen meesters en dienaren onder +te zijn; de hoofdman zelve, dien zijne makkers Dionyzius noemden, +was een kloek gebouwde, jonge man, trotsch en gebiedend, maar beleefd +tegen over zijne gevangene en geen onvertogen woord voegde eén van +hen Charis tegen; reeds gelatener lachte zij in de mantelplooien, +die Dionyzius, bijna schertsende, om haar heen trok. Maar ik lette op, +ik lette op... Ik bespeurde, dat zij ons plotseling leidden binnen zoo +nauwe spleet van het gebergte, dat ik nauwlijks mijn goed doorvoede +flanken er tusschen door kon wringen, terwijl zij Charis verzochten +hare voetjes te zetten op mijn nek. Eén van hen geleidde mij aan de +vlok tusschen mijn ooren den nauwen bergspleet in; Dionyzius volgde, +al de andere mannen volgden een voor een. Als ik poogde om te gluren, +zag ik, in het schemerlicht, dat viel van den dag, boven, tusschen +de hooge muren, die zij wel tevreden waren en schertsten met elkaâr, +zag ik hunne knappe avonturiersgezichten beter onder de randen der +zorgeloos achter op gezette hoeden, zag ik hunne kostbare wapenen +flikkeren tusschen hunne losser omgehangene mantels: hunne zwaarden +en dolken waren bezet met gesteente... Eén achter hen trof mij door +zijn donker, somber uiterlijk; hij was zoo groot als Dionyzius, +zware brauwen overschaduwden zijn geknepen, koolzwarte oogen; zijne +makkers noemden hem Manes. Hoe lang wij de kronkelende gang van den +spleet volgden, kon ik echter niet beseffen, toen ik mij plots bewust +werd, liever raadde door iets van mijn diere-instinct, dat zich naast +mijn menscheverstand had ontwikkeld, hoe de roovers telkens op hunne +passen terug kwamen langs dien linte-achtig door eén geslingerden +meanderweg en misschien de ingang van den bergflank wel vlak bij de +zaal moest zijn, die zij ons binnen voerden.. Die zaal ontving door +lange, smalle, onregelmatige spleten bundels van zonnestralen aan de +Zuidzijde--een dier voelt dadelijk windstreek en richting--; door +andere van die spleten blauwde de zomerlucht en het licht poeierde +zoo helder binnen, dat ik dadelijk alles onderscheidde, terwijl +klaarblijkelijk van buiten die ramen zich zouden verliezen met de +tallooze groeven van het gebergte en tevens onbereikbaar zouden zijn +voor den stoutmoedigsten beklimmer. En Dionyzius ontdeed Charis van +den mantel, die haar geblinddoekt hield. + +--Waar ben ik? vroeg zij angstig, terwijl hij haar hielp af stijgen. + +--Bij mij, glimlachte Dionyzius. En zeg mij nu, jonkvrouw, wie +zijt gij? + +--Ik ben, zeide argeloos Charis; Charis, de dochter van Menedemus +uit Hypata... + +--De dochter van Menedemus!! riep hoogst verwonderd Dionyzius uit. + +--De dochter van Menedemus! riepen de andere roovers. + +--Die ik schaken wilde! fluisterde Dionyzius tot zijn makkers. + +--Die wij schaken wilden, om hooge losprijs te winnen! riepen de +anderen. + +--En, wees Charis, naast mij staande en met haar arm leunende over +mijn nek: dit is Charmides, de zoon van Lyzias, uit Epidaurus en hij +is mijn verloofde.... + +En glimlachende wees zij naar mij en de roovers ontzetten van wat +zij zeide. + +--Die ezel? vroeg Dionyzius. Die ezel heet Charmides en is de zoon +van een anderen ezel, die Lyzias heet en in Epidaurus woont? + +De roovers, door hunne verbazing, barstten in bulderenden lach uit. + +--Charmides, o edele heeren, zei Charis argeloos en tevens zoo als +spreekt een maagd van aanzien; is geen ezel. Hij is een held, die uit +den oorlog terug kwam, gewond en die zijn spraak bijna geheel verloor, +hoewel hij mijn naam uitspreekt zoo teeder als zelfs mijn vader +het niet vermag! Hij is mijn verloofde, wij vierden onze verloving +met blijde pracht en prachtig is hij ook zelve nu hij genezen is en +alleen nog niet geheel en al zijn spraak terug won; hij is prachtig in +zijn nieuwe gedaante, die gij ten onrechte aan zaagt voor die van een +ezel; waar zaagt ge ooit, o heeren, wie ook met zulk een glanzende, +zilverachtige vacht, met zulke fijne, sterke beenen, met zoo een +aanbiddelijken, lieven, vochten snoet, met zulke mij dierbare, +beweeglijke ooren en met zulke blauwe oogen, met zulke blauwe oogen? + +En zij wees mij steeds en de roovers rondom stonden ontzet. Toen +zeide Dionyzius: + +--Haar geest doolt.... + +--Zij is waanzinnig, zei Manes. + +--Zij is waanzinnig, herhaalden alle de anderen. + +--Zeg mij, o Charis, vroeg Dionyzius; waarom dwaaldet ge ver van uw +vaders huis door deze streken, die iedereen vreest en at ge in onzen +boomgaard de appels? + +--Het huis van mijn vader stortte in, er was hevige aardbeving en +Charmides redde mij. O, mijn vader, o mijn broeders en neven, waar +zijt gij, waar zijt gij? Dood of gered!? + +En zij begon hevig te snikken. + +Ik balkte zacht. + +--Cha-i....! + +--Ja, Charmides! riep Charis, hartstochtelijk hare armen slaande om +mijn nek. Alleen jij, mijn bruidegom, bleef mij over! + +De roovers raadpleegden elkaâr. + +--Charis, Menedemus' dochter....? + +--Een aardbeving....? + +--Ik heb er niets van gemerkt in deze streken! + +--Wij geen van allen.... + +--Charis, zeide Dionyzius met zekeren eerbied. Vergeef ons, dat +wij uw bruidegom aanzagen voor een ezel. Ik zie, dat ik mij nu +vergis. Uw bruidegom is een held, al is zijn vorm ook niet gewoon +menschelijk. Wilt ge, dat wij hem bij u laten en hij uw gevangenschap +deelt of wilt ge alleén blijven, Charis? + +--Neen, neen, neen! riep Charis angstig. Neem hem mij niet af! Neem +hem mij niet af!! + +En zij klampte zich angstig om mijn ezelnek. + +--Wij zullen u uw bruidegom laten, verzekerde Dionyzius. Tot wij van +Menedemus losgeld hebben ontvangen. In afwachting daarvan zal het u +aan niets ontbreken. Kom meê, kom meê, met Charmides. + +Ik liet het mij geen tweemaal zeggen. Ik vergezelde dadelijk +mijn bruid en ik verwonderde mij al gaande over dit wonderlijke +rooversverblijf. De zaal uit, een lange, vreemd kronkelende gang door, +doolhof, gelijk aan het Labyrinth, waar Thezeus door Ariadne geleid +werd om den Minotaurus te verslaan, gingen wij links, rechts, Charis +wederom geblinddoekt en ik verloren in te-vergeefsche bespieding +welke richtingen wij namen, links en rechts en wederom rechts en +links.... Tot ik niet meer wist en mijn ezelkop mismoedig schudde. + +Eindelijk voerden de roovers ons een ronde zaal binnen, die, even +als de vorige, in den berg gehouwen scheen, gewelfd, met de lange +raamspleten in de hoogte onbereikbaar en ondoordringbaar, zoo wel +van binnen als van buiten en Dionyzius zeide, Charis onthullend: + +--Zie, Charis, dit is het verblijf voor hooge, gevangen gasten en +hier zult ge met Charmides blijven tot wij gunstig bericht hebben +van uw vader.... + +In het midden der zaal was een breede rustbank van beren- en +lynxevellen: er waren tafels en schabellen; in een kast stond +tafelgerei, nuttig en sierlijk; in staande bronzen lampen zouden des +avonds pitten kunnen worden ontstoken; er hingen muziekinstrumenten +aan den blanken rotswand, er stonden boekrollen in bronzen kokers; +rijke stoffen plooiden met een weelderigheid van kleur hier en daar.... + +--Hier, ging onze gastheer voort en wees door een open deurboog +van rotssteen; kan uw edele bruidegom huisvesten. Wij zullen een +stroobed bereiden, hem wellicht welgevallig aan zijne zilvergrauw +gevachte leden. + +En hij wees een soort van bergruimte, werkelijk allergeschiktst om +in ezelstal te worden herschapen. + +Charis zag wederom glimlachend in het rond. Maar de beminnelijke +rooverhoofdman klopte met een bronzen klopper op een bronzen schaal. + +Uit een andere boogdeur, van achter de kleurrijke stoffen, kwamen +drie oude, zwarte vrouwen te voorschijn. + +--En hier, Charis, ging Dionyzius voort; zijn drie dienaressen te uwer +beschikking. Zij spreken niet en zij hooren niet want zijn doofstom, +maar zij zullen u kleederen brengen en voedsel en twee doofstomme +eunuchen zullen de dienaars zijn van uw bruidegom en hem verzorgen, +borstelen en voeder brengen. + +De twee eunuchen verschenen en kregen dadelijk bevel mijn stal in orde +te brengen en de oude vrouwen brachten op haars meesters aanwijzing +Charis in een aangrenzend badvertrek. En terwijl zij haar baadden, +verzorgden de eunuchen mij in mijn stal. Ik had echter geen honger en +toen zij mij verlaten hadden, keek ik verwonderd in het rond, alles +oplettende in het vreemdste rooververblijf, dat een fantazie-rijke +dichter maar zich zoû kunnen droomen. En Charis, met de drie oude +vrouwen kwam te voorschijn: zij was gedost in zacht gele zijden +peplos; hare blonde haren waren gevlochten en opgestoken. Zij liep +op mij toe en omhelsde mij en zij deed mij zitten op de rustbank +van beestevellen. De vrouwen boden haar een lier en zij speelde en +neuriede met hare kinderstem, te vreden en klaarblijkelijk wederom +alles vergeten van de heksennacht, die ons had doen vluchten, van +den vermoedelijken ondergang haars vaders en hare verwanten. De +eunuchen en vrouwen dienden spijs en drank op en Charis deed mij +mede eten. Noch de vrouwen noch de eunuchen verwonderden zich over +iets, vermoedelijk gewend aan vorige vreemde dingen in dit vreemde +rooververblijf, in deze zaal der aanzienlijke gevangen gasten. Toen +stond Charis op en zij zag naar boven, naar de hooge raamspleten, +waardoor poeierden goud enkele zonnestralen en pruilende riep zij: + +--Ik wil naar buiten! Ik wil naar de tuinen! + +Ik vreesde, dat zij hare gevangenschap zoû gaan begrijpen en dat er +zeker in deze bergspelonken geen tuinen zouden zijn aangelegd. Maar +de twee eunuchen wezen juist op dit oogenblik hen te volgen. En zij +geleidden de jonkvrouw en haar ezel een derde boogdeur door, een +witte rotsgang door en onverwachts traden wij in een opene ruimte en +Charis gaf een juichkreet en ik keek verwonderd om. Het was werkelijk +een groote tuin, tusschen de pieken en naalden van het gebergte, die +stonden schitterende wit in de diep blauwe lucht van den nanoen als de +torens van een immens, krijtblank tooverkasteel. De hooge rotswanden, +die den tuin omgaven, dropen ter Noordzijde van neêr druppelende +watervalletjes, sijpelend tusschen de groeven over groene en gele +mossen, dicht overwoekerend het gesteent. Er bloeide een schat van +bloemen overal op aan de dichte heesters, waar de roode en witte rozen +gloeiden en geurden over geheel de Zuidzijde van den ingeslotenen +wondertuin. En een klein meertje, een vijver, die weêrspiegelde de +diep blauwe lucht, lag in het midden; enkele waterplanten spreidden +er hunne platte bladeren over heen.... + +De avond viel: in het Westen gloeide de lucht van oranje, na het zinken +der zon achter den rotswand. Een honigblonde teederheid weifelde +aldaar over de lucht, terwijl de lila nacht hare ijle sluiers reeds +spreidde. Toen rees de maan, terwijl wij lagen aan den rand van het +meertje; Charis, geleund tegen mij aan, sluimerde, haar hoofd tegen +mijn roerloos ezellijf. + +Heel hel rees de maan en zij liet haar zilveren, ronde schijf neêr +zinken in het rimpelloos water. En ik zag, dat tusschen de glimmende, +platte bladeren der waterplanten een stengel zich als beurde en een +knop ontlook. Het was een enkele lotusknop en terwijl ik staarde, +opende wijd de bloem en straalde blank in het maanlicht en ik was +bekoord door die schoonheid.... + +Maar de drie doofstomme, zwarte vrouwen en de drie eunuchen verschenen +aan de deur en het scheen ons toe, dat zij ons noodden ter ruste +te gaan. + +Van de roovers zagen wij die nacht niets meer.... + + + + + + + +XVI. + + +Ook den volgenden dag niet. Wij doorleefden hem samen in +sprookjes-achtige rust van de dageraad tot de nacht, in de zaal en +in den tuin, terwijl de eunuchen en de zwarte vrouwen het ons aan +niets lieten ontbreken. De morgen daarop verscheen Dionyzius. + +--Charis, zeide hij. Wij zonden boodschappers naar het buitenverblijf +van uw vader. Ingestort is het niet, zoo als zij met eigen oogen zagen, +een aardbeving is er in het Zuiden van Thessalië sedert jaren niet voor +gekomen, maar het huis was gesloten en onbewoond en de omwonende boeren +verzekerden, dat Menedemus en alle de zijnen vertrokken waren, met +misbaar en wanhoop, omdat zijn dochter verdwenen was en dat zij niet +wisten waar heen. Edele jonkvrouw, waar vinden wij thans Menedemus? In +welke van zijn tallooze buitenverblijven? In Hypata wellicht? + +Maar Charis wist niets te antwoorden en ik evenmin. Dionyzius +zeide toen, dat hij geheel Thessalië zoû laten doorzoeken, tot hij +Menedemus gevonden had. Intusschen begreep ik niet, dat wat ik gezien +had met eigen oogen, wat ik ontvlucht was met eigen dravende beenen +een begoocheling zoû geweest zijn, dat het landhuis tusschen de +lotusvijvers nog altijd bestond en slechts onbewoond en gesloten zoû +zijn! Maar hoewel ik steeds dacht aan het raadsel, ging de dag toch +voorbij als de vorige. Tot tegen den avond Dionyzius ons noodiging +zond het feest bij te wonen, waartoe hij en zijne makkers hadden +besloten. De doofstomme, zwarte vrouwen dosten Charis in rijkeren +dos en de eunuchen geleidden ons samen door vele kronkelgangen, +het inwendige van den berg door, tot wij in een zaal kwamen, +zoo schitterend, dat ik verblindde. Werkelijk, ik had veel reeds +in mijn jonge leven aanschouwd: het tooververblijf van Meroë, het +landhuis van Menedemus, maar wat ik nu zag, was zoo fabelachtig, dat +ik verblind om mij heen zag. In het rotssteen, dat als gebeeldhouwd +was met Corinthische pilasters en architraven, waren groote vakken +van glanzend goud als reusachtige spiegels in gevat en overal stonden +tegen dien wand gouden lampen, zich vertakkende en vertwijgende en +iedere twijg beurende een brandende pit, zoo dat het van vlammen +wemelde en alle die vlammen weêrspiegelden zich duizenden malen in +de glanzende, gouden spiegelwanden. Toen wij binnen kwamen, weêrklonk +muziek van fluiten en kleine harpen en in het midden der zaal dansten +Georgische danseressen.... De danseressen en de muzikanten waren allen +slavinnen en slaven der roovers, begreep ik later en ik verwonderde +mij wel zeer over die vreemde roovers, die in het binnenste van een +wonderlijk piekgebergte leefden als prinsen, tusschen groote schatten +en vorstelijke weelde en geen oogenblik schenen bevreesd te zijn, +dat hun wonderkasteel ontdekt zoû worden. Zij lagen, in rijke kleedij, +hunne gesteente-schitterende dolken in hun breede, zijden gordels, op +bedden van tapijtwerk en aten en dronken uit het kostbaarste vaatwerk, +dat ik ooit had gezien, terwijl de flakkerende vlammen der honderden +lampepitten overal aan hunne juweelen op tulband en aan wapenen, aan +schotels en kannen en bekers blauwe, gele en groene vonken ontlokten, +die zich weder terug kaatsten in de glanzende spiegels, zoodat het +tooverachtige schouwspel mij onvergelijkelijk scheen met wà t ik ook +in mijn leven had mogen aanschouwen. + +Zoodra wij binnen kwamen, rezen Dionyzius en de sombere Manes op; +zij traden Charis te gemoet, die met mij, haar arm om mijn nek, nader +trad en ook verrast en bekoord om zich heen blikte, aan hoeveel de +dochter van den schatrijken Menedemus ook gewoon was. En de beide +rooverhoofdmannen noodigden hoffelijk Charis uit tusschen hen beiden +aan te zitten op een verhevenheid en duldden, dat ik mij vlijde +aan hare voetjes. Mijn lieve bruid bevroedde niet in welk vreemd +gezelschap zij zich bevond; angst koesterde zij niet, nu zij zoo +hoffelijk reeds twee dagen lang bejegend werd door hare gastheeren; +nadenken vermocht niet haar betooverde geest en het scheen wel of die +betoovering eene bescherming om haar heen spon, die zij zich ook niet +bewust werd; gevlucht in een heksennacht uit haars vaders betooverd +huis op den rug van een ezel, was haar geen haar gekrenkt, was zij +gevoed, gekleed, was er een feest om haar heen en ik verwonderde +mij over den geleidelijken loop van dingen, die toch niet gewoon +schenen en bedacht of het de goden van Eleuzis waren, die dergelijke +harmonische onwaarschijnlijkheden om de lieflijke onschuld van Charis +sponnen en weefden. + +Intusschen zweefde de dans der Georgische vrouwen door de gouden +spiegelzaal--overal verdubbelde zich hare bevallige beeltenissen, over +en weêr, en telkens werden de diepe drinkschalen ingeschonken,--toen +ik, plotseling, verrast, den kop richtte. Want Dionyzius was dichter +bij Charis geschoven en ik hoorde hem, verhit door den wijn zeggen: + +--Charis, ik heb je lief! Ik heb je willen schaken om losprijs van +je vader te krijgen, maar nu een gunstig noodlot je gevoerd heeft +tot bijna in mijn armen, wil ik je omhelzen en zal je de mijne zijn +en zullen alle deze schatten je toe behooren, o schoone maagd! + +Ik verschrikte hevig, toen ik plotseling Manes ter andere zijde, +somber de brauwen fronsende, hoorde zeggen: + +--Dionyzius, neem je in acht! Aan mij zal het zijn, dat Charis toe zal +behooren, zoo als ook deze schatten aan mij toebehooren en niet aan +jou, en niet aan jou, die met een vervloekten glimlach meent alles +te winnen, schatten en vrouwen en heerschappij over onze mannen en +ons bezit! + +Woedend rezen plots de twee dronken rooverhoofdmannen op. En ik +begreep, dat een lang gekoesterde ijverzucht plots tusschen hen los +barstte. Ook ik was opgerezen en Charis wierp zich met een kreet +om mijn nek. Wat! Beschermden de Eleuzische godheden ons dan niet +meer?! De beide roovers hadden elkaâr naar de keel gegrepen, terwijl +gillende de danseressen en muzikanten vluchtten tusschen de wanorde +der omver gestootene tafels. En tusschen al de andere roovers weêrklonk +boos, ruw geroep en zij stonden plots in twee kampen tegen over elkaâr. + +--Charis behoort aan Manes! riepen de eenen. + +--Aan Dionyzius! schreeuwden de anderen. + +Plotseling, in de van lichten flakkerende en spiegelende feestzaal, +barstte los een verwoede strijd. Een twintigtal mannen stortte zich +op een twintigtal mannen en er vloeide bloed en een verschrikkelijk +schouwspel van helsche woede spiegelde zich daar over en weêr tusschen +de van bloed druipende, stralende wanden. Intusschen had ik in een +plotse ingeving Charis met een gebaar bewogen te springen op mijn +rug en baande ik mij een weg, stootende met mijn kop, trappende +met mijn hoeven. Plots voelde ik een hevige pijn en een dolkstoot +in mijn flank. Mijn bloed vloeide maar diep was de wonde niet en, +een verwoede ezel ik, tusschen die verwoede roovers, ging ik voort +mij een weg te banen. Zij waren plots zoo op elkander verbitterd, +dat zij eigenlijk niet op mij letten. Charis, op mijn rug, sloeg de +armen op en jammerde van verschrikking. En de verwarring woelde door +een. Maar ik wist te bereiken den uitgang. De roovers hielden mij niet +tegen, vermoedelijk zeker, dat ik toch geen uitweg zou vinden. Door +een labyrinth van nauwe gangen zocht ik mijn weg. + +--Cha-i! Cha-i! balkte ik, om mijn bruid gerust te stellen. + +Zij omhelsde mij vast en lag trillende over mij heen. Ik voelde +haar zachte maagdelijf in hare goud-doorweven sluiers kloppen tegen +mijn ezelelijf. Een zaal stond open: het was vermoedelijk Dionyzius' +slaapverblijf, vol weelde: uit een kist van ivoor hingen parelsnoeren, +maar ik holde voort. Waar zoû ik een uitgang vinden? Nergens +vermoedelijk. Aan den wand hingen purperen mantels, krokosgele +mantels, mantels van vossebont. Ik holde voort... De open gelaten +wijnkelders holde ik door: de amforen stonden er, puntig en dubbel +geöord; de dikbuikige vaten stonden er: het rook er naar een roode +bezwijmeling. Ik holde voort! Waar was ik? Ik werd mij bewust in het +rond te draven. Daar was onze tuin, daar was ons eigen verblijf. Maar +daar hoorde ik plots ook weêr het gewoel van den strijd der verbitterde +roovers en ik holde weêr terug... + +Een nachtmerrie werd die inwendige berg, het verwonderlijke rooverhol; +een booze droom werd het van onbestaanbaarheid. Ik holde om en om; +ik scheen mij door een nauwe cirkelgang te wringen en wanhoopte ooit +te kunnen ontkomen. Gesloten zouden vermoedelijk alle uitgangen +zijn. De roovers achtervolgden ons niet, zeker vreesloos, dat ik +zoû kunnen vluchten. Daar was weêr onze tuin, daar klonk weêr het +verschrikkelijk rumoer van den strijd.... + +Te gelijker tijd struikelde ik. Het was midden op een ronden binnenhof, +tusschen de hooge, witte wanden van de op stekende pieken, als een put, +die scheen geboord in het gebergte. En ik zag, dat ik gestruikeld was +over een even op stekenden, vierkanten steen, waaraan een ijzeren +ring. Ik weet niet welke ingeving mij bezielde, maar ik greep den +ring met mijn sterke ezeltanden. Ik lichtte aan den ring den steen +met al mijn kracht op. + +--Charmides! riep Charis. Vlucht! Ik ben bang, ik ben bang voor de +mannen, die vechten! + +Ik bukte mijn kop. Ik zag een opening, wijd en een trap, die daalde +steil naar beneden. Ik weet niet waarom, maar ik daalde de trap af, +alleen vreezende, dat Charis zich het hoofd stooten zoû. Maar de trap +was wijd in het rotssteen uit gehouwen en ik daalde voorzichtig maar +gemakkelijk haar af. Mijn ezelhoeven tastten uit. Ik daalde lager +en lager. Vage lichtschijn viel nog van boven. Nu en dan tastte en +daalde ik in den donker.... + +Plotseling werd het lichter voor mijn blik. Ik zag op. Ik zag de +lucht. Die was hoog, hoog, een blauwe, verre hoogte boven den zwarten +trechter, waarin ik mij bevond. Maar in dien trechter was een steile +trap gehouwen! + +Ik aarzelde niet en ik steeg de steile trap op. Bijna recht-op steeg +ik, hoef voor hoef zettende op de smalle treden en Charis steeds +krampachtig zich klemmende om mijn nek. Hoe lang die moeilijke +stijging duurde! Het was of ik uit het diepste der aarde op steeg +naar het hoogste van den hemel. Maar ik steeg en ik steeg... Charis +zeide geen woord en alleen mijn gehijg doorkreunde de nauwte van de +steile trechtertrap. Eindelijk, eindelijk bereikte ik den rand. Nóg +een poging en nog een poging! + +Daar ademde mijn hijgende snoet aan de trechteropening de wijdere +lucht. Daar heesch ik mij als aan mijn hoeven op en stond op den +trechterrand. O zalige vreugde! Om mij piekte het wondere gebergte +met zijn witte torens in rozigen dageraad. De arenden vlogen in wijde +kringen rond. De lucht was als een oceaan van parelvochten ether. De +landouwen lagen in de diepte uitgesmolten in licht groene wazigheid +met de donkere plekken der bosschen tot aan verijlende horizonnen. De +nieuwe zon straalde uit. + +Ik zag rond, of de roovers ons misschien langs een anderen weg...? Ik +zag niets. De wereld was immens wijd, verlaten en goddelijk schoon. En +een ezel ik, met een jonkvrouw op mijn rug, stond daar hoog, op het +witte gekartel van een hoogen bergkam.... Waarheen? Het was alles +onbekend. De naaste minuut zoû de onbedenkbare verrassing zijn. + +Waar de bergkam daalde, zette ik mijn hoef. En daalde met den +bergkam mede. Hoe voorzichtig daalt toch een ezel langs de steilste +bergflanken omlaag! Weg was er niet: ik koos slechts de geschiktste +plekken om mijn hoeven te zetten. In den rozigen morgen, nog wazig +blauw van dauw, daalde daar een ezel het krijtwitte gebergte af, +op zijn rug een betooverde maagd in zacht gazen feestgewaad van +kostbare sluiers gehuld en de witte pieken rezen op en de zwarte +arenden cirkelden rond. En het was alles zoo gewoon en zoo gelukkig, +dat ik mijn wonde niet achtte. De zilverbrem bloeide om ons heen +en hier en daar ruischelde het schuimende water de blanke groeven +omlaag. En ik daalde, ik daalde altijd. + +Ik daalde af, werd ik mij bewust, aan den anderen kant van het +gebergte. Maar de appelebongerds omringden geheel den berg en toen +ik was afgedaald, dwaalden wij verder de bongerds door en aten de +appels en dronken samen aan de beek. En rustten uit in de doorappelde +schaduwen. En gingen weêr verder. En niemand kwamen wij tegen. Het +was de noen en nauwlijks dacht ik aan wat het einde van dezen dag +brengen zoû. + +Den warmen middag liep ik een schaduwrijk bosch door van dicht +bladerige kastanjes. Er volgden weilanden, bouwlanden; er graasde +het vee, er golfde het graan, er doken de boerenhoeven op tusschen +de olmeboomen. Landbouwers zag ik met hunne knechten bezig: zij +sloegen de blinkende sikkels de neêr zijgende aren door en zongen hun +juichend oogstlied. Maar ik vreesde hen te naderen, omdat wij beiden +betooverd waren. + +En toch naderde ik. De mannen keken verwonderd op naar den ezel, +die daar naderde op roode hoeven, goudbeslagen en een in feestgewaad +gehulde, blonde jonkvrouw op zijn rug. En een der mannen naderde op +zijn beurt. En toen ik hem aanzag, herkende ik Davus, van wien ik +sedert maanden gescheiden was. + +Toen balkte ik van verbazing, heel luid en schreef met mijn hoef +duidelijk in de mulle aarde: + +--Ik ben Charmides, Davus, je meester, en deze jonkvrouw is Charis, +de dochter van Menedemus uit Hypata, die wij ontmoetten bij de poort +van de stad en om wier liefde ik betooverd werd.... + + + + + + + +XVII. + + +Davus, zoodra hij op den grond gespied had wat mijn hoef had +geschreven, slaakte een juichkreet en wierp beide armen hartstochtelijk +om mijn ezelnek. + +--Heer! riep hij. O mijn heer Charmides! Zie ik u eindelijk terug!? + +En ik balkte luid van blijdschap en duwde hem met mijn snoet in zijn +maag uit speelschheid. + +--En zijt gij de ezel van deze jonkvrouw geworden? vroeg Davus, +in blijde verbazing. De ezel van Charis, Menedemus' dochter uit Hypata? + +Maar Charis, gelukkig, bespaarde mij veelvuldig, moeizaam hoefschrift +en riep zelve uit, na ook gelezen te hebben: + +--De ezel van Menedemus' dochter? Neen, domme slaaf, maar haar +bruidegom, die in dezen aanbiddelijken vorm uit den oorlog is gekomen, +en toen hij gewond werd, zijn spraak verloor! Hoewel hij mijn naam +als muziek zegt! + +Davus keek verwonderd op, maar ik beduidde hem met een zijlinkschen +blik en vele schuine oorbewegingen, dat Charis, als ik, was betooverd +en verliefd op een ezel geworden. + +--Ik begrijp het, ik begrijp het, heer! riep Davus. Werkelijk, ik +begrijp er alles van! Ben ik ook niet betooverd geworden, toen ik +u zocht bij Xeniæ, terug in Hypata, helaas, overal in den omtrek, +heel ver, tot in Larissa toe, waar ik slechts u vermoeden kon? Maar ik +vond u niet, hoewel ik toch niet alleen naar u maar ook naar een ezel +zocht! En ik vond wel ezels maar ik vond u niet en zelfs niet den ezel, +die ge waart, zoo als ik u nu heb gevonden! O heer, er spon allerlei +betoovering om mij rond; er was een web van verhindering om mij heen: +ik dorst zeker niet terug naar uw ouders, toen ik u had verloren en ik +zelve werd spoedig, toen ik u te Larissa in een ezelstal zocht--want +ik vermoedde wel, dat ge van vorm veranderd waart!--als veedief gepakt +en gegeeseld en toen in het gevang geworpen en toen verkocht op de +slavenmarkt en ik wisselde van meester drie malen: ik was eerst slaaf +van den stadsreiniger, maar verheugd er om, want ik liep steeds op de +straat met mijn korf en bezem à lle ezels na; mijn meester verkocht mij +toèn met voordeel aan een purperfabrikant en ik zegende mijn noodlot, +omdat ik berekende, dat, zoo ge niet in een ezel herschapen waart, +ik u misschien daar kon ontmoeten zoo ge handelsbetrekking aanknooptet +met mijn baas en ook deze verkocht mij met voordeel aan den opziener +van een groot landeigenaar, in wiens gronden ik nu werk--hij toonde +zijn sikkel--maar dien ik zelve nog niet heb gezien en wiens naam ik +wederom vergeten ben: hij heet, geloof ik.... + +Terwijl Davus zich den naam van zijn nieuwen meester wilde herinneren, +kwamen langzamerhand de andere slaven en arbeiders en landbouwers +aanloopen en verzamelden om ons heen en Davus was zoo vervoerd van +geest, omdat hij mij terug had gevonden, dat hij geen oogenblik +bedacht hoe stilzwijgen en geheimenis de beste atmosfeer zijn rondom +betoovering en luide zichzelf in de rede viel: + +--Vrienden, medeslaven en gij heeren opzieners, komt toch nader +en loopt toch toe: kijk, dat is mijn meester; dit is Charmides, +Lyzias' zoon, uit Epidaurus, die in een ezel veranderde.... o neen, +die niet in een ezel veranderde maar in een held, die uit den oorlog +kwam, hoewel hij toch wel op een ezel gelijkt.... En deze jonkvrouw +is.... hoe heet zij ook weêr, heer Charmides; ge weet, uw trouwe +Davus vergeet altoos namen! + +En de opzieners en de slaven verzamelden in dichten drom.... Nu +was er niet veel te herstellen meer aan Davus' onbescheidenheid; +de opzieners vroegen Davus, zij vroegen toen Charis, die, steeds op +mijn rug gezeten, argeloos en waardig antwoordde, dat zij Charis was +en ik haar bruidegom Charmides; zij vroegen zelfs mij en er bleef mij +niets over, dan ja te knikken en zelfs mijne toestemming schriftelijk +in het stof van den weg te onderteekenen. + +Er was hevige verwondering om ons rond. Nu was langzamerhand al het +landvolk om ons heen gedrongen: + +En het klonk, door elkaâr: + +--Een betooverde koopmanszoon en een betooverde maagd! Nu, wat +is er voor vreemds aan betoovering? Zegt men niet, dat onze heer +zelve....? En onze meesteres....? + +Ik verstond niet wat zij meer fluisterden, want het was als een +ruischende, dringende zee om ons rond en eindelijk zei de hoofdopziener +tot Davus: + +--Het lijkt mij het beste, dat wij Charis en Charmides geleiden +voor onze meester en meesteres en dat jij, Davus, ons vergezelt om +getuigenis af te leggen, dat je je eersten heer terug vondt in dezen +onwaarschijnlijken vorm. + +Veel was er niet tegen dit voorstel in te brengen. De opzieners +gelastten den slaven en arbeiders terug tot hun arbeid te gaan en +omringden ons, vier van hen met den hoofdopziener, om ons naar hunne +meesters te brengen. Het was echter een lange weg, dien wij volgden, +terwijl de avond viel. Het waren uitgestrekte bezittingen. Toen de +landerijen waren gedaan, waar men nauwlijks wist hoe de schatrijke +bezitter heette en wie hij was en met wie hij gehuwd was en waar nog +een landelijk geluk scheen te zijn tusschen landbouw en veeteelt, +kwamen wij aan het uitgestrekt molenbedrijf en daar zag ik ter +weêrszijde van den weg de zelfde ellende, die ik zelve had door +gemaakt. Een rilling ging door mij heen. Maar de opzieners begrepen, +dat wij beiden, hoewel betooverd, een jonkman en een maagd van aanzien +waren en zij geleidden ons steeds met zorg; zij deden ons telkens +rusten; zij boden Charis honigkoek, melk, brood, ooft; zij gaven mij +klaver en haver: zij zagen nu wel, overtuigd, dat ik geen gewone ezel +was, maar een betooverde koopmanszoon, want ik beantwoordde enkele +hunner vragen schriftelijk en bekende hun, met mijn hoef schrijvende in +het zand, dat ik aan roovers was ontsnapt. En zich wel verwonderende, +maar niet zóo zeer als ik wel begrijpelijk had gevonden, geleidden zij +ons steeds voorwaarts, nu langs in de nacht somberder rifgebergte, waar +zij zeiden, dat de goudmijnen van hun heer zich bevonden. Ik vermoedde, +dat hij minstens wel even zoo vermogend zou zijn als Menedemus en mij +herinnerende, dat Davus nog niet mij zijn naam had genoemd, vroeg ik, +schrijvende, toen wij een oogenblik halt hielden: + +--Hoe heet, opzieners, uw heer.... + +En de hoofdopziener antwoordde, en het was mij, of ik een donderslag +hoorde: + +--Chersonezus, die zich noemt de zoon van Hermes en Hekate.... + +Chersonezus! De zoon van Hekate! En die zich ook nog verhoovaardigde +te zijn de zoon van Hermes, van den edelen god aller kooplieden +in parels en purper?! Neen, dat nooit! Maar van Hekate! Wellicht +Chersonezus, dien ik had gezièn, had gehóord, zwevende in de nacht +boven het landhuis van Menedemus, om alles te vernietigen en Charis +te schaken! Het was Chersonezus, waarheen zij ons leidden! Een +ontzétting rilde door mij heen, maar ik begreep dadelijk niets te +moeten laten blijken. Charis zelve begreep niets, wist niets van dien +machtigen toovenaar; voor Davus was Chersonezus' naam niet meer dan +welke andere klank! Alleen voor mij was hij de ontzetting! Wat kon +ik doen? Vluchten met Charis? Een ezel met een jonkvrouw tusschen +vele menschen is zelfs niet gelijk aan éen man met zijn geliefde +tusschen vele mannen. Duizend gedachten en voornemens woelden in +mij duizelsnel rond, maar ik begreep, dat er geen enkele was uit te +werken of te volvoeren. Schijnbaar rustig stapte ik voort. Charis, +gerust gesteld, omdat zij gezeten bleef op mijn rug, keek links en +rechts en vroeg de zoete vragen van een kind. Maar Davus riep: + +--Heeren opzieners, zegt men niet, dat Chersonezus bekend is met de +geheime krachten en zoû hij mijn heer niet onttooveren kunnen? + +Wat de opzieners antwoordden, verstond ik niet in mijne +verwarring. Maar wel deed Davus' vraag mij begrijpen, dat het beste +zoû zijn werkelijk mij te gedragen bij Chersonezus of ik onttooverd +door hem wilde worden. Intusschen waren wij het goudmijnbedrijf +voorbij gegaan en plotseling zag ik, hoewel in de verte, een wonder +vizioen van architectuur opzuilen in de nacht. Het schenen zacht +gouden zuilen, die rezen tusschen wijde, maanblauwe tuinen. Nooit +nog had ik zulke vreemde, onwaarschijnlijk blauwe tuinen gezien: +het was donker blauw van boomgroepen en heestermassa's tegen lichter, +star-doorzaaid blauw van lucht; het was nachtachtig azuur van vijvers +tusschen lazuursteenblauw van bladeren en bloemen en tusschen al deze +betoovering van blauw rezen de zacht gouden zuilen, in Corinthische +kapiteel- en gleufverschieten met hare tallooze schachten op, terwijl +de daken ook met zacht gouden vakken verschoten. En toen wij naderden, +kondigde de hoofdopziener ons aan, door te blazen op een fluit en van +daar ginds antwoordde een cymbelslag en er was even een korte muziek +over en weêr. En toen wij naderden--een jonkvrouw op een ezel met een +slaaf en verschillende opzieners--door de tuinen en langs de vijvers, +liepen van alle kanten slaven toe om te weten en hun meester kond te +doen. Er was op de vele gouden trappen van het breede huis een beweging +op en neêr van slaven en slavinnen en zij zouden kond doen van een +betooverde jonkvrouw, met een betooverden jonkman, die Chersonezus' +hulp kwamen in roepen. Toen, na een pooze, dat wij toefden voor de +trappen, begon het inwendige van het huis te stralen van starachtige +lampen, die uitschitterden aan duizenden Hekate-fakkels, in ver +verschiet geplant en tusschen de fakkels naderde wie wel Chersonezus +scheen. Hij droeg een tiara, die schitterde, een langen tabbaard en +zwarten baard. Hij was omringd van tal van trawanten en hij zelve was +zoo groot, dat hij boven allen uitstak. Hij scheen wel een Aziatiesch +keizer en de mannen rondom hem schenen satrapen. En ik begreep, +dat hij een allermachtigst toovenaar zijn moest en toovenaars ook +wie hem omringden. + +Aan de hoogste trap bleef hij staan in zijn glorie en van de opzieners +langs de trawanten, ging het inlichtend woord hem te gemoet. En +ik hoorde: + +--.... Beiden betooverd.... Charmides.... Charis.... + +Toen zag ik hem van blijde verbazing opschrikken en hij daalde de +trappen af en naderde Charis, die steeds op mijn rug was gezeten. + +--Jonkvrouw, zeide hij met zijn diepe, verleidelijke stem. Edele +Charis, wees welkom in mijn huis, dat uw eigendom is. + +Charis ontsluierde zich half uit hare gele feestsluiers, die zij +droeg en zij zeide, zoet lachende, want gewoon aan vereering en hulde: + +--Dit is mijn bruidegom, dit is Charmides, de held.... + +--Ik heet hem welkom als u, zei Chersonezus, terwijl hij Charis deed af +stijgen en dadelijk een zwerm van slavinnen haar als gevolg omringde. + +En hij scheen haar niet dadelijk te willen overtuigen, dat zij +betooverd was en op een ezel verliefd, dat ik betooverd was en een +ezel: hij voerde haar aan de hand de treden op en ik volgde met +Davus, de trawanten, de slaven, tusschen de gouden zuilen door, +tusschen de starrelende fakkels door, de lange, lange galerijen +door. Intusschen bonsde mijn hart in mijn ezellijf, al liep ik ook +deftig op goud-rooden hoeven achter mijn bruid en den toovenaar. Tot +wij kwamen in een feesthal, opene marmeren kolonnade, elke kolom +bekroond met een zwart marmeren hond, den hond van Hekate, die tegen +den starrenhemel somber indrukwekkend zijn blafkop ophief, terwijl in +het midden een waterbekken den zwart marmeren, wijden bak diepte, waar, +op het donkere water een zwarte lotus te bloeien lag. En Chersonezus' +deed Charis zitten op een marmeren troon, zette zich aan haar zijde +en vroeg: + +--Zeg mij nu, edele Charis, hoe kan ik u of uw bruidegom helpen? + +--Door hem zijn spraak terug te geven, o Chersonezus! zei Charis. + +--En met zijn spraak ook een menschelijken vorm? + +--Dat niet, o Chersonezus, want zijn vorm is mij dierbaarder dan +welke vorm ook zoû zijn.... + +Chersonezus zag haar aan: klaarblijkelijk had hij, hoe machtig +toovenaar hij was, een ander antwoord verwacht; klaarblijkelijk +had hij nooit berekend, dat Charis' betoovering door zijn eigen +tooverwoord toch nog geluk haar geworden zoû zijn om hare liefde, +die de goden van Eleuzis wel hadden toe laten gaan naar een ezel, +maar naar een eveneens betooverden, in een ezel betooverden jonkman, +zoo dat zich toch liefde, hoe wonderbaar, tusschen beider zielen had +kunnen weven, zoo dat toch geluk hen had kunnen door glanzen en hij +aarzelde te antwoorden, terwijl de maagd, die hij, de goden wisten +welke schande had toebedacht, rein en argeloos en goddelijk onnoozel +en zoo onvergelijkelijk schoon zat aan zijn zijde.... + +Maar plotseling weêrklonk van uit de diepte der tuinen, waaruit het +van flambouwen ook te starrelen begon, een vreemd geluid, als van +aansnorkende zwijnen; ik zag op en kon mijne ezelsoogen niet gelooven, +toen ik aanschouwde wie daar in praal werd aangedragen, op een bedde +van zonnebloemen....! + + + + + + + +XVIII. + + +Een klaterende lach weêrklonk. En ik zag Meroë aangedragen en zij riep: + +--Ik herken je, ik herken je, o Charmides, o koopmanszoon uit +Epidaurus, o reiziger in purper en parels, al herschiep mijn dienende +geest je in een ezel, elken keer, dat je verliefd werdt! + +Zij steeg af van haar bloemenbedde, dat men neder zette en naderde +Chersonezus en zeide: + +--Mijn groote en machtige vriend, gij, die met mij heerscht in de +luchten boven Thessalië, ik vraag u een gunst, niet meer dan de gunst, +die een versmade vrouw zoû vragen. Geef mij den ezel, dien ik hier +voor mij zie, opdat ik met hem doe naar mijn believen. Want ik wil +op dien ezel mij wreken. + +--Zal ik niet aan mijn gast, de edele Charis, mishagen, antwoordde +Chersonezus met een valschen lach van hoffelijkheid; zoo ik u, o +Meroë, den ezel af sta, die geen ezel is maar een held, Charmides, +uit den oorlog terug gekeerd en Charis' verloofde?? + +--Charis zal zeker, spotte op haar beurt tusschen den drom der +toovenaars en hunne trawanten, die ons omringden, Meroë; zich +troosten voor Charmides, zoo zij zich met Chersonezus verlooft. Sta, +Chersonezus, mij dien Charmides af. + +--Ik sta, Meroë, u hem af, zoo Charis aan Chersonezus zal zijn. + +Zoo spraken zij over en weêr, vol helsche ironie en plotseling +weêrdaverde hun klaterende lach. En weêrdaverde om ons heen aller +klaterende lach, zoo vreeslijk en duizendvoudig, schel schaterend, +dat het geheele paleis scheen te schudden met zijne zuilen, dat à lles +lachte, dat de zuilen lachten, dat de booze nacht van het lachen bewoog +en dat in den omtrek wel honderden honden lachende blaften, met de +zwart marmeren Hekate-honden op de lachende zuilen mede. En het was +een vreeslijke ontzetting in mij: rillende stond ik op mijn pooten, +om Charis bevreesd, die ik niet wist hoe te redden uit deze helsche +omtoovering, maar zijzelve, zekerlijk zich om hare onnoozelheid niet +bewust wat haar omringde en bedreigde, scheen alleen te doorvoelen, +dat Meroë haar wilde ontrooven haar bruidegom en als een furie wierp +zij zich voor mij, breidde de armen uit, roepende: + +--Nooit zal Charis aan Chersonezus zijn en Charmides nooit aan deze +slechte vrouw, die mij mijn bruidegom wil ontrooven! Wij hebben +elkander lief en nooit zal wie ook van ons lief hebben een ander, +wat hare wraak ook bedenkt! + +Het helsche gelach was verzwegen en in een doodstilte weêrklonken de +woorden der maagd. Geen hond blafte meer, maar een dreiging, bijna +vreeslijker dan het lachen, huiverde door deze booze sfeer, waarin +wij ons bevonden. De blanke schijn van de nacht was lijkvaal geworden, +de gouden glanzen der lampen versulferden en bleeke schimmespooksels +doemden larve-achtig om ons rond kronkelend op. En in het gewarrel +dier vreemde lijnen en lintelijven bloeide in het waterbekken de +zwarte lotusbloem op een zich zichtbaar rekkenden slangestengel +omhoog uit het zacht ziedende water. De stengel slingerde, groeiende, +van rechts naar links, kronkelde steeds langer over het bekken en +bereikte eindelijk met haar bovenmatig groote, zwart gloeiende bloem +mijn bek.... En Meroë zeide, huichellachende: + +--Lieflijke Charis, laat mij u zeggen, dat Charmides een duivelsche +slechtaard is, die om straf in dezen ezelsvorm veranderd werd. Gij +waant hem een held, uit den oorlog gekeerd, maar hij is een monster, +een vreeslijk gedrocht en zoo gij hem dwingt deze lotus te eten, +zult gij hem in zijn ware gedaante voor u zien. + +Verstrikt zag Charis van Meroë naar Chersonezus en mij. Rondom ons +stonden de toovenaars en alle hunne oogen staarden op ons. En Meroë +spotlachte steeds, gestrekt haar staf, en in Circe's gewaad, met de +juweelen zonnebloemen van chryzoliet-en-harten-van-anthraciet aan +hare slapen en op hare borsten. En het was of alles dwong Charis +de bloem te plukken. Zij strekte de hand naar den langen stengel, +die toe naar haar kronkelde. Zij plukte de bloem. Het was of de bloem +zwart straalde in haar witte kinderhand. En zij reikte mij de bloem, +onmachtig te weêrstaan de verleiding der nieuwsgierigheid.... + +Zij zag mij met hare dierbare oogen, die als blauwe lotussen waren, +aan, terwijl zij mij den zwarten lotus reikte. Het was mij bijna +onmogelijk te weêrstaan, waar de vreeslijke verzoeking mij kwam van +hare hand. O Goden van Eleuzis, wat zoû gebeuren, zoo ik at?! En +dadelijk, dat ik in mijne vertwijfeling dacht aan de heilige goden, +voelde ik mij doordrongen als met een pijl met deze ingeving: + +--Vat de bloem aan maar eet haar niet.... + +En strekte ik den bek. Ik voelde om mij de hevige trilling van de +boosheid, die wachtte.... Ik vatte met mijn tanden den stengel aan +en de bloem bengelde tusschen mijn tanden. Maar dadelijk spuwde ik +den verleidelijk zoet smakenden stengel uit en vertrapte met mijn +hoeven de bloem. + +Plotseling doofden alle lichten en een helsche storm van gekrijsch +warrelde razende op in de duisternis. Maar ik voelde om mijn nek +Charis' armen en tusschen hare kreten hoorde ik het woedende brullen +der toovenaars en Chersonezus' en Meroë's stemmen tegen elkander in: + +--Hoe is het mogelijk, onmachtige Chersonezus....! + +--Hoe is het mogelijk, machtelooze Meroë....! + +--Dat een ezel....! + +--Een handelsreiziger....! + +--Telkens en telkens weêr....! + +--Je toovermacht breekt....! + +--Je toovermacht breekt.... + +Zij scholden woedende op elkaâr in de stikdonkere nacht. + +--Goden van Eleuzis, bad ik; ik weèt het, waarom hun toovermacht +brak! Het is om uw bescherming, goden! Goden van Eleuzis, beschermt +ons steeds! + +En steeds stond ik, een rillende ezel, terwijl ik, Charis, bezwijmd, +om mijn nek voelde. De nacht klaarde op. Het was als een vale morgen +en ik zag het tooverpaleis er bleek in op zuilen als de grauwe schaduw +van wat het die nacht was geweest. Er hing als een nevel in. Het scheen +onbewoond, op dat oogenblik: het scheen er leêg van menschen en dingen, +van boosheid en van betoovering. Die nacht, misschien zoû het weêr +hergloeien door helsche machten: nu stond het slechts verlaten om +ons op, immens, leêg en grijs.... + +--Waar ben ik! stamelde Charis, die ontwaakte. O, wat een +droom! Charmides, Charmides, vluchten wij? + +Zij wierp zich op mijn rug. + +Maar plotseling hoorde ik een stem: + +--Mijn heer! Mijn heer Charmides! Vergeet ge dan uw knecht! Vergeet +ge dan uw trouwen Davus! Zie toch eens naar hem om al zijt ge maar een +ezel! Want drie dikke zwijnen achtervolgen hem en laten hem niet los!! + +En werkelijk, mijn rechtervoorpoot reeds geheven om op de vlucht met +Charis te gaan, zag ik om en bespeurde ik Davus, die om het waterbekken +rond liep, achtervolgd door drie snorkende zwijnen. + +Hij rende op mij af en verschool zich tusschen mijn pooten en riep: + +--Bescherm mij, heer! Bescherm mij, heer!! + +Maar de zwijnen schenen hem geen kwaad te willen doen. Zij snorkten +slechts heviger, smartelijker, en o wonder, ik verstond plotseling wà t +zij snorkten. Want ik had geleerd, dat der dieren taal er eene is van +telkens bij ieder dier wisselenden klank voor het zelfde begrip en +dat elk dier, bij ontwikkeld instinct, een ander dier begrijpt. Het +was dus tusschen de drie zwijnen en mij een hevig gebalk en gesnork +over en weêr en zij smeekten mij: + +--Hà rr-mides! Hà rr-mides! + +Wat is er? + +--Erbà rm, erbà rm u onzer! + +--Wie zijt ge? + +--Wij zijn drie senatoren, die op reis waren in Thessalië.... + +--Wat overviel u? vroeg ik. + +--Wij werden alle drie, riepen zij; in Hypata door Meroë betooverd! En +als zij haar minnaars betooverd heeft, werpt zij hen, geslacht, +in de tooverketels der heksen, op de bergvlakten, onder de maan, +die zij uit haar loopbaan rukken.... + +--Een zwijnetand hier.... + +--Een zwijnepoot daar.... + +--Een zwijnestaart hier.... + +--En zwijnborstels daar... riepen zij door elkaâr. + +--Ge moet amaryllis eten! riep ik. + +--Waar vinden wij amaryllis te eten? riepen de zwijnen. En het was +alles balken en snorken, verscheurend en grommend, zoo dat Charis riep: + +--Charmides! Charmides! Vlucht!! + +En Davus: + +--Heer Charmides! Heer Charmides! Bescherm mij! + +Ik zette het op een loopen, balkende. En het scheen, dat zoowel de +drie zwijnen als Davus zelve mijn gebalk begrepen, want terwijl Charis +mij om mijn hals omklampt hield en de drie zwijnen mij ter zijde en +achter mij aan stommelden, had Davus mijn staart gegrepen en liet +zich zoo, hollende hij, dravende ik, mede sleepen door zijn heer, +die een ezel was. Het was juist wat ik zoowel mijn knecht als de +zwijnen had toe gebalkt; het geschiedde alles zoo als ik het wilde +en door den valen morgen draafde onze stoet tuinen door, wegen op, +velden over, stroomen door. Waarheen ik hen allen leidde, was ik +mij onbewust: ik begreep alleen, dat ik vooruit moest, wèg moest, +Chersonezus' zoo uitgebreide bezittingen, landerijen en tooverban +uit, om Charis te redden, om mij en Davus te redden en te redden de +drie betooverde senatoren.... Ons allen te redden vóor Chersonezus, +zich bezinnende na die woede over zijn tijdelijke machteloosheid, +ons met éen gebaar van zijn staf zoû weêrhouden verder te vluchten +in heilige zekerheid. En daarom draafde ik door. Het scheen of de +zon niet op straalde, dien dag. Het scheen of ik liep met een geheime +kracht, of ik zweefde, mijn hoefslag nauwlijks tikkend den grond. Over +mij heen, hare armen rondom mijn hals, lag Charis en ik vermoedde, +bezwijmd. Aan mijn staart, allerpijnlijkst, marteling, die mij deed +denken aan vroegere martelingen, toen ik takkenbossen getorst had en +molensteenen gedraaid, hing, als ware het, Davus, liet mij niet los +en ik sleepte hem meê, terwijl zijne voeten ondanks zichzelven mede +liepen. En snorkende, grommende, knorrende, renden achter, ter zij, +de drie zwijnen mede, zich liever hunne senatorenzielen uit hunne +dikke leden loopende dan hun redder, mij, te verlaten. Neen, het werd +geen dag, durende dien vreeslijken rit. Het regende en ik rende den +regen door, tot een diep ravijn zich boorde voor mijne blikken. En +een hevige bliksemschicht uit schoot en de donder dadelijk rolde.... + +Ik stond stil, steil op mijn rechte pooten, mijn ooren steil en +steil mijn pijnlijken staart, dien Davus niet los had gelaten. De drie +zwijnen tolden wanhopiglijk om hun dikke zelve rond als wisten zij niet +meer wat nu te doen. En nu ik eenmaal stil stond, wist ik, dat ik niet +verder kon, uit vermoeidheid ten doode toe, niet vèrder kon, dat diepe +ravijn neêr en ginder weêr op, in den slagregen, die stortte neêr. + +--O mijn heer! O mijn heer Charmides! klaagde Davus, die reeds +gewend aan de zwijnen scheen en tusschen hun drieër rondgetol de +armen wanhopiglijk rekte en de handen wrong. + +Ik balkte, heel wijd. Ik balkte, in ezeletaal, dat Davus de jonkvrouw, +bezwijmend op mijn rug, af zoû tillen en haar zoû dragen in rotskloof, +veilig voor stormgeweld. De drie zwijnen begrepen mij dadelijk en ook +zij beduidden het Davus met geknor en gegrom en gesnork. En o wonder, +het was of Davus het wèl begreep, uit mensch-intuïtie, omdat een mensch +toch wel eens een dier begrijpt. Terwijl ik, mijn kop naar hem toe, +balkte, balkte als geen ezel ooit balkte, terwijl de zwijnen snorkten, +snorkten als geen zwijn ooit snorkte, ontwrong hij voorzichtig Charis' +greep om mijn hals, tilde haar op, droeg haar binnen de diepe kloof, +legde haar hoofd op het mos, dekte haar toe met breede varenbladeren +en hurkte toen aan hare voeten neêr om er zelve in zwijm te vallen. + +Toen, vóor de kloof, viel ik in een. Ik voelde mij of mijn menscheziel +ontsnappen zoû aan mijn dierelijf in mijn zwoegend ezelgehijg. Mijn +oogen puilden mij uit den kop; mijn staart voelde aan als uitgetrokken +aan mijn ruggegraat. Rondom mij lagen de drie dikke zwijnen, zwoegende +ook, vlak op de flanken ter neêr. En zoo bleven wij die nacht van +stormgeweld: een maagd, drie senatoren, een handelsreiziger en een +slaaf, aan den rand van het ravijn, dat zich uit strekt langs den +heirweg, die voert naar de stad van Larissa. + + + + + + + +XIX. + + +In diepen slaap lagen wij, geloof ik, allen die nacht ter +neêr. Plotseling schrikte ik op en mijn eerste gedachte was aan mijn +bruid. Hoe had ik kunnen slapen, terwijl zij daar lag in de spelonk, +onder de varenbladeren. Davus aan hare voeten en de drie zwijnen, +rondom mij, als de enkele lijfwacht, die haar behoedde! Zoo verweet ik +mij hevig en met éen sprong stond ik op mijn vier pooten. En schudde +den dauw van mijn vacht. Werkelijk, de zwijnen sliepen nog. Davus +sliep. En Charis, de zoete, sliep. Hoewel zij, een Egyptische mummie +gelijk, omplakt in hare natte wade en sluiers, sliep in de spelonk +op het mos, schenen de vele varens, waarmeê Davus haar had overdekt, +haar warm te hebben gehouden, want zij sluimerde als een kind zoo +rustig, haar blank gezichtje in het blonde haar enkel zichtbaar, +verder de lijn van haar lichaam slechts even te raden onder het breed +geblaârte. O, zoo zij ziek ware geworden van den vreeslijken rit door +den slagregen! Maar het scheen wel, dat de goden waakten over haar, +want zij lag zoo rustig als hadde zij gelegen in haar kuische bedde +te huis! + +Herademend keek ik om. Het ravijn glooide diep naar omlaag, met ruig +struweel begroeid; de gezwollen stroom schuimde er bruischend met +val op val de rotsblokken af en in die diepten doken de nachtelijke +schaduwen weg. Maar ginds, in het Oosten, rilde een rozige schijn +op, een kier van goud scheurde lang in den nog schemergrauwen hemel +laag over de oorden, die wij verlaten hadden en de jonge dag, zelfs +aanbiddelijk boven dit ruwe landschap, rees als een jonge god op. En +plotseling vernam mijn lang, steil gespitste oor een zacht geluid, dat +naderde uit dat zelfde Oosten aan over den met steenblokken bezaaiden +baaierd, die het ravijn omgaf en waardoor nauwlijks van weg meer +spoor was.... Het was een zacht zilveren getinkel en aangetokkel, +zoo als ik meende wel meer in vroegere dagen te hebben vernomen en +het klonk zoo zalig zuiver ginds uit de rozigende verte aan, dat ik +luisterde, luisterde, zonder nog mij van die bekoring rekenschap te +kunnen geven. Tot ik zag een witten stoet, nauwlijks nog omlijnd in +den rozigen dauw, die optrok: meer nog een stoet van schimmen, vage +mannen, vage vrouwen, aan bewegende over het rotsgesteent en met den +eersten dageschijn om de zich tegen de lucht uitheffende hoofden, +zingende en musiceerende.... Nu, duidelijker, klonken de stemmen, +trillerden, aangetinkeld, de sistra-snaren en ik herkende de zoete +muziek en ik balkte luide op, om mijn lotgenooten te doen ontwaken. + +Davus ontwaakte het eerst en ook Charis sloeg hare oogleden op en +zij riep: + +--Charmides! Charmides! Waar ben ik? + +Ik was wèl gewoon op velerlei manier met mijne bruid gesprek te voeren, +maar dit maal was het Davus, die antwoordde: + +--In veiligheid, edele jonkvrouw: vrees niets! Wij hebben over uw slaap +gewaakt al sliepen wij ook zelve, ten minste ik, uw slaaf! Maar mijn +meester, heer Charmides, uw onvergelijkelijke bruidegom, heeft mij +wakker gebalkt... Hoewel onze drie metgezellen, van wie ik werkelijk +niet weet of zij zwijnen of senatoren zijn, nog in diepste rust +zijn gedompeld! + +En opgestaan riep hij: + +--Heeren zwijnen of senatoren, ontwaakt! Het is dag, het is dag en +de zon rijst over de vlakte! + +De zwijnen, grommende, richtten zich op en ik balkte, terwijl hoog +in de lucht de leeuweriken jubelden. En Charis en Davus zagen nu ook +den stoet, die uit de rozige verte aan kwam.... + +--Het zijn Isis-priesters! riep Davus. Het is een goed voorteeken, +dat hun stoet ons nadert en misschien kunnen zij ons bijstaan met +raad zoowel als met daad! + +In der daad kwamen zij nader, de heilige mannen met de zingende maagden +en in hun midden liep de opperpriester, herkenbaar aan de zilveren +banden, die zijn kruin omgaven en langs zijn slapen hingen. En toen +zij vlak bij ons genaderd waren, deed ik een paar stappen voorwaarts +en knielde neêr op mijn twee voorpooten. + +Het was zeker een vreemd gezicht, een dergelijke knielende +ezel. Maar de Isis-priesters, die wisten alle de vreemde dingen, +die in Thessalië gebeuren konden, verwonderden zich niet al te zeer +en hielden zwijgende stand. + +--Heilige heeren! riep Davus. Erbarmt u over ons allen! Erbarmen zich +de goden over ons allen: alle menschen, die door veel avontuur gegaan +zijn, maar de jonkvrouw en de slaaf mensch nog alleen en de anderen +zwijnen en ezel! Erbarmt u vooral over den ezel, heilige heeren, +den ezel, die is mijn heer! + +De opperpriester was naar voren getreden en hij las, wat ik, +opgerezen uit mijne knieling, in het stof van den weg met mijn hoef +had geschreven: + +--"Ik ben Charmides, zoon van Lyzias.... En de maagd, die ik redde +uit veel gevaar, is Charis, de dochter van Menedemus...." + +--Ik ben Davus, heilige heeren! riep Davus. Aan mijn slavennaam +begrijpt ge, dat ik eens ezels slaaf ben! + +--En de zwijnen? wees de opperpriester naar de drie, die zich grommende +en tollende, verlegen, hielden ter zijde. + +Ik schreef het met mijn hoef en Davus beaâmde het. + +--Gij zijt dus allen betooverd geworden? vroeg de opperpriester +ernstig. + +--Ik wel het minste, heilige heer, zei Davus; maar anders, ja, heeft +iedereen wel een tikje beet! + +--Vergezelt ons in onzen stoet, zei de opperpriester. Wij gaan terug +naar het heiligdom van de godin. + +En wij voegden ons in den stoet. Nu, op het trilleren der +sistra-snaren, aangetokkeld door de staven, liep ik tusschen de +priesters, plechtig, en bereed Charis mij met een kinderlijken lach +van zoete blijdschap. En achter mij en ter zijde, liepen de drie +zwijnen mede, zoo deftig, of zij reeds weêr senatoren waren. En +achter ons kwam Davus. Dan schreed, tusschen weêr priesters, de +zilvergebande opperpriester en de zingende maagden gingen vóor het +gedragen en gesluierde beeld van de godin, dat, zoo als ik begreep, +voor een mysterie naar Larissa vervoerd was geworden en nu wederom naar +haar tempel terug werd gebracht. En het was een zacht en rythmiesch +treden op de maat der teêr neêr tinkelende en als met helle droppelen +afdroppelende muziek, die hoog op in de lucht en den morgen steeg, +met het twetteren der leeuweriken mede. Rond om ons baaierde de woeste +wereld, breidde zich het woeste landschap, strekten zich de ruige +rotsvelden of groeven zich de rotsafgronden afgrijslijk, maar boven +ons blauwde de wijde hemel op door de laatste, rozige ochtendmisten +en slingerde zich onze witte stoet langs wat hier weg was en daà r +zich verloor onder de neêr getuimelde blokken.... + +--Charmides! fluisterde mij bekoord aan het oor mijn +bruid. Waar gaan wij heen? Huwen zij ons nu spoedig, na zoo vele +lotsverwisselingen? Want ik herinner mij, o ik herinner mij de +vlucht uit mijn vaders bezittingen, toen ik het landhuis zich zag +verheffen en weêr neêr storten in vernietiging... Ik herinner mij +den appelebongerd en de gouden feestzaal, waar de booze mannen +gingen vechten; ik herinner mij den diepen put en de steile trap, +die geleidde bóven op het blanke gebergte en ik herinner mij de +vreeslijke nacht der blaffende honden en het helsche gelach van de +slechte vrouw, die je aan mij wilde ontrooven en toèn onze urenlange +vlucht door storm en regengeweld! En nu Charmides, is alles zóo zoet +geworden: de lieflijke muziek, de witte mannen, de witte vrouwen, +die ons omringen en volgen: o Charmides, zelfs de drie zwijnen, +die niet af van ons lieten, schijnt het mij toe, dat ik lief heb, +zoo als ik alles, alles lief heb, dezen morgen, dezen zaligen morgen! + +Zoo juichte zacht aan mijn oor mijn bruid toen wij uit het +rotsgesteente af sloegen op den grooten heirweg. Wij ontmoetten er +de warmoeziers, die gingen ter stad, reizigers in draagstoelen of +wagens, een cohors legionariï en allen hielden stil, knielden neêr, +aanbaden de godin en verwonderden zich over de drie zwijnen en den +ezel, dien een blonde jonkvrouw bereed. En ik hoorde hen wel vragen +of veronderstellen: + +--Betooverd....? Betooverd....? En worden zij nu onttooverd? + +Dat meende ik ook wel, terwijl ik deftig voort schreed, op het zachte +getinkel der eentonige sistra-melodieën, klanken als uit bloemeklokjes, +die vielen over den weg, over het knielend gebaar en de vroomheid +van wie zij ontmoetten. Maar toen sloeg onze stoet een zijweg in en +een dicht bosch van laurier, myrt en sycomoren, schaduwde heilig en +geheimzinnig aan weêrszijden des breeden wegs. En voor ons, in de +verte, zuilde de witte tempel.... + +Het waren eerst de twee pylonen, immens en Egyptiesch, toegang gevend +als een immense poort tot de laan der sfinxen, die geleidden naar +het heilige huis, waar de eeredienst der vreemde godin werd gevierd, +ter gelukzaligheid van wie in Thessalië betooverd waren geworden. O, +ik wist het wel, dat de goden van Eleuzis, die ik zoo dikwijls had +ingeroepen, mijne bruid en mij hadden behoed, maar ik herinnerde +mij ook Clitifo's lieflijken tuin van zilverasters en hoe reeds +aan den grens van Thessalië een Isis-priester de weldadige bloemen +kweekte, die mij hadden kunnen onttooveren, toen ik op Nausistrata +verliefde! Zoû ik ooit weêr als toen gulzig storten in de starrige +bloemen, ze verslinden en terug winnen mijn vorm van mensch en van +man? Ik smachtte er naar; ik zag er naar uit, toen wij het voorplein +van den tempel naderden... Want ik meende, dat mijn ezelvorm lang +genoeg mij had omhuld, tot boete voor vele euveldaden-van-liefde; ik +meende, dat het heilige tijdstip nu weêr naderen zoû, sinds ik trouw +was gebleven aan mijn stralendste liefde, aan mijn heilige liefde +voor Charis. Was ik ooit, sedert ik ezel was, verliefd geworden op een +andere vrouw of maagd? Was ik ooit op een ezelin verliefd geworden? En +in de zekerheid van mijn aanstaande belooning voor trouw en zuivere +liefde, ging ik mede met den stoet tusschen de pylonen en langs de +sfinxen, tot wij stil hielden op het groote plein voor den tempel. En +de opperpriester ons beval te wachten, tot de priesters het beeld +van de godin op haar altaar zouden herplaatst hebben. Intusschen +wachtten wij, Charis van mij afgegleden en den arm om mijn nek, Davus +en de drie zwijnen rondom ons. En vroom zagen wij uit in het even +geschemerde tempelverschiet, van waar de zang en de zilveren muziek +nu, steeds zoo zoet trillerend, weêrklonk. Zelfs de drie zwijnen, +scheen het mij toe, hurkten vroom, als knielende neêr, wachtten vol +vrome vreeze af en gromden slechts behaaglijk in ondertoon, of zij +voorgevoelden het einde hunner vernedering en metamorfoze.... + +Toen, tusschen zijne priesters, kwam de opperpriester terug. Hij was +zoo groot en zacht, zoo huiverwekkend bleek van wijsheid en geheel +geschoren zijn ouden schedel tusschen zijne zilveren priesterbanden. In +zijn aderige handen, die staken uit de wijde mouwen van zijn weeke, +witte gewaad, was een gebaar van menschenliefde, zoo groot, dat het +mij ontroerde, ezel, die ik nog was. En hij zeide, terwijl zijn stem +vol erbarming klonk en weten van wijze dingen: + +--Charmides, hoor mij thans aan. Betooverd als gij zijt geworden, +nadert het oogenblik van uwe onttoovering. Maar weet eerst, dat +tusschen Clitifo, die de zilverasters kweekt dicht bij Thessalië's +grenzen en mij ziele-aanvoeling geweven heeft door middel der +heilige machten van Isis. Ik wist van u af en ik wachtte u af, zoo +ge niet reeds vroeger zoudt onttooveren, door de bloem, die ik vele +malen ontluiken deed op uw weg. Maar de heilige goden van Eleuzis, +wien gij vroom steeds waart in uw hart, gunden mij niet te vroeg +erbarmen en hebben gewild, dat gij den heiligen, witten lotus niet +weten zoudt... O, Charmides, niet de zilveraster zal u voor altijd +onttooveren, hoe schoon en zalig de bloem ook zij! Het einde van +uw onttoovering zal u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen +uit de blanke u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit den +blanken lotus. Herinnert gij u niet? Aan blauwe lotus lieten nog +de azuren oogen van Charis u denken; maar met blanke lotus lag het +meer bij Xeniæ overladen, toen gij, op Charis verliefde ten tweede +male en ten derde male herschapen werd. Om Charis' woning bloeiden +de vijvers van blanke lotus. In den tuin van Dionyzius deed ik nog +eenmaal een enkele lotus ontbloeien in het water tusschen de hooge, +blankende rotsen en pieken. Maar, zoon, de Eleuzische goden gaven u +niet wetenschap en voorgevoel omdat gij de boete volbrengen moest en +de trouw in de liefde deelachtig moest worden.... + +Op dit oogenblik traden de maagden den tempel uit en éene harer, in +heur midden, droeg in een zilveren vaas twee prachtige, zeer groote, +zilverstralende lotuskelken aan, die stralend ontloken op lange stelen. + +De opperpriester wees. + +--Zoon, zeide hij; zie hier. Zie hier de heilige bloemen, gekweekt in +onze heilige vijvers. Twee heb ik er voor u geplukt. Het oogenblik +is gekomen. Eet thans de heilige bloem: de goden van Eleuzis gunnen +het u... + +Ik knielde in huiverende vroomheid neêr. Ook voelde ik, dat Davus +knielde en dat de drie zwijnen zich vernietigden op den grond, voor +zoo ver een zwijn zich op den grond in vroomheid vernietigen kan, +want zij gromden altijd, hoe zachtjes ook. Maar Charis, bekoord door +de bloemen en in hare onnoozelheid de heiligheid van dit oogenblik +wellicht niet bevroedende, knielde niet en riep alleen juichende uit: + +--O wat prachtige bloemen! Wat prachtige bloemen! Prachtiger dan zij +ooit bloeiden op onze vijvers! + +En zij naderde; hare handjes gingen begeerig uit naar de vaas, die +de maagd reikte aan den opperpriester. + +Maar de maagden hielden haar tegen en niet begrijpende, dat zij +de bloemen niet hebben mocht, deinsde zij even terug. Toen nam de +opperpriester een der bloemen uit de vaas en bood mij die. + +Mijn menschehart klopte hevig in mijn ezellijf; ik strekte den bek, +opende voorzichtig mijn lippen en vatte de bloem. + +En at haar zoo vroom of ik bad. + +Nauwlijks had ik de lotus gegeten of ik voelde mij duizelen, maar in +mijne vreemde duizeling richtte, rekte ik mij op. + +En was een mensch. En was een man. Charmides, Lyzias' zoon uit +Epidaurus, in zijn reisgewaad....! + +Kringen van licht en zaligheid breidden zich wijd om mij uit! + +--Heilige vader! riep ik met mijn eigen stem. + +--Mijn heer Charmides! hoorde ik Davus juichen. + +Maar een schelle kreet klonk naast mij. + +--Charmides! riep omzoekende Charis, als gek. Waar is hij +gebleven? Waar is mijn bruidegom? Waar is mijn held, mijn prins, +die uit den oorlog kwam in zoo aanbiddelijken vorm, grauw gevacht, +langgeöord en zoo lieflijk altijd vocht van snoet, waarmede hij als +muziek zeide mijn naam?! Wie is nu deze jonge man?! Ik ken hem niet en +ik wil hem niet kennen! Waar is mijn Charmides in eens henen?! Waarom +is hij verdwenen! Vader, broeders, neven, o wondermeesters, die hem +mij pleegden, wà ar zijt gij allen! En waar ben ik en waar is mijn +Charmides!? + +En ontsteld zag zij mij aan, slaakte haar wanhoopskreten en weerde +mij angstig af, toen ik haar liefdevol naderde, uitroepende: + +--Wèg, wèg van mij! Jou ken ik niet! Ik ken alleen mijn Charmides en +al was hij maar een ezel, hèm heb ik lief, en hem wil ik alleen! + +En terwijl zij in snikken uitbarstte, viel zij in de armen der +maagden-van-Isis, en verscheurde zij hare sluiers, trok zich de haren +los, terwijl hare kreten snerpten: + +--Mijn ezel! Charis wil haar ezel! Charis wil niemand dan haar ezel +Charmides! + + + + + + + +XX. + + +Een hevige wanhoop maakte zich van mij meester. Wat, wilde Charis +dan wel den ezel blijven beminnen, maar niet den jongen man, wiens +ziel huisde in dat betooverde dierelijf?! En reeds wilde ik mijne +handen vouwen en Charis bezweren mij lief te hebben, die de zelfde +toch was als haar ezel geweest was, maar nu in vroegeren man- en +menschvorm herschapen, toen de opperpriester, groot, mild en wijs, +mij met éen gebaar tegen hield. En hij nam uit de zilveren vaas de +tweede, wijd ontlokene lotusbloem en Charis naderend, sprak hij: + +--Charis, gij die zoo trouw uw bruidegom bemint, wien geen ezel +gij ooit wildet zien maar een held uit den oorlog terug gekeerd, +ontvang deze heilzame en heilige bloem uit mijn hand en eet haar om +tot bezinning te komen.... + +Aarzelend nam Charis de bloem aan, bezag haar, kuste haar zacht omdat +zij zoo schoon was en vroeg: + +--Moet ik zoo schoone bloem eten, o vader? Zie, hoe zij straalt of +er licht in schuilt, zie hoe zilverig de bloembladeren zich plooien +het een naast het andere: moet ik werkelijk zoo schoone bloem eten....? + +De opperpriester sprak niet meer: hij glimlachte slechts met zijn +zachten, wijzen glimlach van grijsaard, die vele dingen van hemel en +aarde doorpeild heeft. Maar om haar heen namen de maagden de sistra +en zij tokkelden met de staven de snaren en zij zongen en zij bewogen +in rhythmiesch beweeg rondom Charis, die steeds aarzelend, de bloem +in hare hand, om zich heen en naar de zingende en dansende maagden +zag en het scheen, die zuivere maat en die zilveren muziek bewoog +iets in hare half onnoozele ziel, dwong haar met zoeten dwang iets te +doen tegen haar eigenen wil in, want steeds omziende, glimlachende, +o zoo zoet haar kinderlach, hief zij hooger en hooger de bloem aan +hare lippen, zette als een roode vlinder hare lippen op den kelk... + +En at de lotus.... + +Mij was de bloem als versmolten, dadelijk, op mijn tong, die toen +nog die van een ezel was; ook Charis scheen de bloem op de tong te +smelten: de lange stengel viel haar uit de hand en als ontwakend +uit een slaap, die weken, maanden geduurd had, zag zij om zich heen, +vreemd, verbleekte als tot een schim en bezwijmde, zoo geleidelijk +zacht als smolt haar geheele lichaam en teêre ziel weg in het niets +van den dood. Ik sloeg een kreet van angst en ook Davus en de zwijnen +gromden heviger en tolden wanhopig om zichzelve rond als waren ook +zij bevreesd, voor de jonkvrouw, die, op eens ezels rug, hen vóor +was geijld op de wanhopige vlucht, in de regennacht, uit Chersonezus' +verschrikkelijk paleis. + +Maar de Isis-maagden hadden Charis in hare zorgzame armen op gevangen +en op een wenk van den opperpriester droegen zij haar van daar. En +de heilige man zeide zacht: + +--Charmides, laat Charis eerst ontwaken uit hare bezwijming... Heb +geduld... + +Ik boog voor hem neêr, knielde, kuste den zoom van zijn gewaad. + +En hij naderde de drie zwijnen, terwijl Davus en ik ter zijde weken. + +Zij tolden om hem rond en gromden; hij zeide: + +--Claudius Veturius.... + +Een der zwijnen sprong op, de voorpooten hoog. + +--Gaudentius Rufus... zei de opperpriester. + +Een tweede zwijn knikte als wanhopiglijk met zijn kop en snorkte hevig. + +--Euzebius Silvanus... noemde de opperpriester het derde zwijn. + +En het bewoog hevig met den korten krulstaart, schudde zijn borstelig +lijf en gromde, maar eerbiediglijk, aan 's priesters voet... + +--Gij zijt alle drie genoeg gestraft voor uwe euveldaden, zeide +de priester. Gij hebt gestolen uit den Schat des Rijks; gij hebt +beschuldigd zonder reden wier ongeluk uw voordeel zoû zijn; weduwen +en weezen hebt gij doen lijden, maar, wat kwaads gij deedt, is +hersteld tijdens den tijd, dien gij zelve leedt. Gij kwaamt, door +Noodlot geleid, in Thessalië; Meroë is u verleideresse geweest, en +zoodra ge meendet in hare armen zalig te zijn, werd gij in zwijnen +vertooverd. Maar ik weet, dat gij tijdens uw dierlijken staat, berouw +hebt gevoeld over al uwe misdadigheid en dus.... + +De opperpriester gaf een wenk: uit den tempel trad een priester, +houdende een vaas met drie amaryllisbloemen, maar zoo wit als de +lotussen waren geweest. + +--... Heeft uw lijden een einde, voltooide des opperpriesters zachte, +welluidende grijsaardsstem. + +En hij nam de drie bloemen en zeide: + +--Eet ze, Euzebius, Gaudentius en Claudius, want niet de roode, +de witte amaryllis alleen, geneest voor altijd van booze betoovering. + +En de opperpriester bood den zwijnen, een voor een, de witte +amaryllis. Zij verslonden, een voor een, de bloemen tusschen hunne +nederig gestrekte zwijnssnuiten en o wonder, een voor een hieven zij, +ietwat moeizaam, zich recht en wij zagen voor ons drie senatoren, +Romeinen: Euzebius geheel kaal, kort, met een dikken buik; Gaudentius, +lang en mager met een treurigen mond, die hing in twee plooien neêr; +Claudius scheel en met een dikken neus, waarop een wrat. En zij +droegen, o wonder, hunne toga's en voor den opperpriester hadden zij +dadelijk verkregen een zekere waardigheid van aanzienlijke Romeinen, +van senatoren, toch nederig en berouwvol om het bewustzijn, zeker, +dat wij allen hen als zwijnen hadden gekend. En zij knielden, en ik +met hen mede, en wij kusten allen den heiligen man zijn mantelzoom +en wij begaven ons met de priesters in het heiligdom, om de godin +te danken.... + + + +Dien avond was het zoo zacht in de lucht als zweefde een godenadem +den tempel om. En ik zag de drie senatoren: zij zaten op een marmeren +bank in den tempeltuin, rustig en ik denk wel blijde en bespraken--ik +overluisterde hen even--hoe zij naar Rome terug zouden keeren, waar +Keizer Hadrianus en de Senaat zeker niets zouden begrepen hebben +van hunne lange afwezigheid. De een krabde aan zijn kaal voorhoofd, +de tweede loenschte scheler in moeizaam bedenken, de derde wreef zich +over zijn maag, na het menschelijk maal, dat zij juist hadden genoten +en ik hoorde Gaudentius zeggen: + +--Nooit iets in Rome zeggen van wat ons is overkomen. + +--Niemand zoû het gelooven, zeide Claudius. + +--Ik geloof het zelf niet, zei Euzebius overmoedig. + +Ik liet de drie senatoren. Ik zelve geloofde wèl, vroom aan Isis, +vroom aan de Eleuzische goden en tevens, vol van liefde, liefde +als ik beter voelde als man nu dan als ezel destijds, voor Charis, +mijn zoete bruid. En terwijl ik, Davus, ginds, in een der kleine +vertrekken, die ons ter zijde van de tempelgebouwen waren toegewezen, +zag slapen, doodmoê nog, mijn arme knecht van den tocht, dien hij +aan mijn verdwenen ezelstaart had moeten volbrengen, dwaalde ik zelve +vol verlangen naar Charis om in de tuinen, terwijl het scheen, dat de +godenadem mij zoo zacht en weldadig omzweefde.... En voelde ik mij, +in dat verlangen naar mijn bruid, gelouterd, vroom afwachtende de +dingen, die komen zouden en wèl anders dan ik mij gevoeld had als de +dartele handelsreiziger, die ik eenmaal geweest was... + +Toen zag ik twee priesters: klaarblijkelijk zochten zij mij, want nu +zij mij zagen, kwamen zij op mij toe. De maan, heel zuiver, rees aan +de kim, over de verre, rotsige vlakte, die van uit de Isis-tuinen +was te zien, als een blankende, eindelooze woestijn.... + +--Charmides... zeide mij een der priesters. + +--Wij zoeken u, zeide de andere; om u op bevel van onzen heiligen +vader tot Charis te voeren. Zij wacht u... + +Mijn hart sprong op naar mijn keel en ik bezwijmelde bijna van +geluk. De priesters, ik tusschen hen beiden, geleidden mij; door +de tuinen, achter den tempel om, langs de lange rij tempelgebouwen, +waarvoor de myrtehagen als tot groene schermen waren recht gesnoeid, +voerden de priesters mij tot ik eensklaps mij bevond in een prieel +zoo tooverschoon, dat ik aan werkelijkheid niet dadelijk gelooven +kon. Een vijver, in het midden, bloeide in de blankte van de rijzende +maan, van de heilige lotus, die voor altijd onttooverde wiens boete +door de goden was aangenomen, maar de bloemen lagen niet steeds op +het water; de grootste, de allerzilverste rezen op langere stengelen +omhoog en schitterden tegen de nacht als sterren der aarde. En rondom +verhieven zich hoog de witte amaryllis-kelken als blanke bekers van +albast en alle de bloemen schenen de beginnende maneklaarte in hare +diepe ontvankelijkheden op te vangen en stráalden, heilige tempelvaten +gelijk.... En in dit gewijde prieel, achter, uit een witzuilige gang, +trad Charis mij te moet. Twee maagden geleidden haar. Ik zag haar +in de zacht blanke nachteklaarte naderen als een teedere schim: +zij was bleek en ernstig maar zoo lieflijk als ik nog nimmer haar +meende te hebben gezien: iets minder kind en meer vrouw, schreed zij +mij langzaam te moet: haar blonde haar omgaf zoo lieflijk kuisch hare +broze slapen en teêr, bleek gelaat; een witte peplos plooide bijna als +met lotusblankte van hare smalle schouders en langs haar slanke heupen +en als blauwe lotus bloeiden hare oogen op in den blik, waarmeê zij mij +zocht. En de twee maagden en de twee priesters verdwenen ter zijde.... + +--Charis! riep ik haar zacht. + +--Charmides! riep zij zacht mij toe. + +Ik naderde haar en onze armen hieven zich en wij omhelsden elkaâr, +innig en dicht. + +--Charis! zeide ik. Uit liefde voor je werd ik betooverd in den vorm, +dien je, zelve betooverd, lief kreegt. + +--Ik weet het, zeide zij. Ik weet alles. En het is alles goed +geweest. Charmides, ik heb je éen oogenblik, o een enkele seconde, +geloof ik nu, gezien zoo als ik je nu herken. Het was buiten de poort +van Hypata. Ik, in mijn draagstoel, volgde mijns vaders stoet. Jij +verscheent éen oogenblik mij ter zijde; je zaagt mij aan, ik zag je +aan... Meer was er niet... Toèn... liep er een ezel naast mij, een +oogenblik slechts... Toen... toen, herinner ik mij, draafde Davus--ik +heb hem herkend--op een ezel... + +--Op mij.... + +--.... onzen stoet te gemoet... En weêrklonk je naam, o Charmides! + +--En weêrklonk Charis' naam.... + +--Sedert had ik je, Charmides, lief. Chersonezus betooverde mij, +omdat ik hem niet wilde minnen en ik smachtte naar je.... En toen je +verscheent in een ezelvorm.... + +--Aan hek en heining der grasweiden.. vol madelieven.. + +--Herkende ik je aan je oogen en wist ik, dat je Charmides was... En +beminde ik je, als een ezel... + +--En verloofde Menedemus Charmides aan zijn dochter Charis.... + +Wij omhelsden elkaâr innig en dicht. + +--Vader leeft, zeide zij. Zij leven allen.... Wat wij zagen, was +vizioen.... + +--Vizioen... herhaalde ik. + +--O, Charmides, zeide Charis. Wanneer gaan wij terug tot hèn? + +--Morgen, beloofde mij de opperpriester, o Charis. Maar zal Menedemus +aan een koopmanszoon geven zijn prinsesje, zijn dochter Charis....? + +--Hij zal Charis geven aan Charmides, die haar beminde en redde uit +veel gevaar, o Charmides.... + +--O Charis.... + +Onze namen, uit onze monden, klonken in een roep van liefde op. Onze +roepende monden vonden elkaâr in den eersten kus, dien wij, maagd en +man, elkander gaven. De maan rees hooger, straalde, heilige Isis zelve, +hooger in de hemelsche tuinen, waar de sterren als lotus ontloken +over de azuren hemelmeren en om ons heen, zilver en zuiver, tinkelend +en aangetokkeld met de dunne staven, weêrtrilden, weêrtrillerden, de +sistra melodie-vol in de vele handen der onzichtbare maagden van den +tempel en weêrklinkelden, weêrklonken de even hellere schelletjes, +en tikten hare tonen neêr als met dauwdroppelen van teêrste muziek, +terwijl de aanzwellende stemmen op zongen ter eere van de goede +godin.... + +--O goden van Eleuzis! baden wij beiden, in ons beider omhelzing. Gij +behoeddet Charis en Charmides en wij zullen ons in Eleuzis, o goden, +doen wijden in uw heilig mysterie! + + + +Lezer, zoo is het gebeurd. Ik was een ezel en ben het niet meer. Wij +werden beiden, na ons huwelijk, ingewijd in Eleuzis' mysteriën. Ik +ben opgenomen in de Broederschap van Isis en, in mijn zoet geluk +naast Charis, behoef ik, omdat ik de trouw heb geleerd in zoo vele +lotsverwisselingen, niet meer bevreesd te zijn ooit weêr in een ezel +veranderd te worden.... + + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Hôtel. + + + + + + +End of Project Gutenberg's De verliefde ezel, by Louis Marie Anne Couperus + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERLIEFDE EZEL *** + +***** This file should be named 29837-8.txt or 29837-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/9/8/3/29837/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/29837-0.zip b/29837-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4fe8349 --- /dev/null +++ b/29837-0.zip diff --git a/29837-h.zip b/29837-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3f3fa42 --- /dev/null +++ b/29837-h.zip diff --git a/29837-h/29837-h.htm b/29837-h/29837-h.htm new file mode 100644 index 0000000..a93daf3 --- /dev/null +++ b/29837-h/29837-h.htm @@ -0,0 +1,6808 @@ +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl"> +<head> +<meta name="generator" content="HTML Tidy, see www.w3.org"> +<meta http-equiv="Content-Type" content= +"text/html; charset=utf-8"> +<title>De verliefde ezel</title> +<link rel="schema.DC" href= +"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Louis Couperus"> +<meta name="DC.Creator" content="Louis Couperus"> +<meta name="DC.Title" content="De verliefde ezel"> +<meta name="DC.Date" content="#####"> +<meta name="DC.Language" content="nl"> +<style type="text/css"> + /* Standard CSS stylesheet */ +body +{ + font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; + margin: 1.58em 16%; + text-align: left; +} +.titlePage +{ + border: #DDDDDD 2px solid; + margin: 3em 0% 7em 0%; + padding: 5em 10% 6em 10%; +} +h1.docTitle +{ + font-size:1.6em; + line-height:2em; +} +h2.byline +{ + font-size:1.1em; + font-weight:normal; + line-height:1.44em; +} +span.docAuthor +{ + font-size:1.2em; + font-weight:bold; +} +h2.docImprint +{ + font-size:1.2em; + font-weight:normal; +} +.transcribernote +{ + background-color:#DDE; + border:black 1px dotted; + color:#000; + font-family:sans-serif; + font-size:80%; + margin:2em 5%; + padding:1em; +} +.advertisment +{ + background-color:#FFFEE0; + border:black 1px dotted; + color:#000; + margin:2em 5%; + padding:1em; +} +.div0 +{ + padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ + padding-top: 4.8em; +} +.index +{ + font-size: 80%; +} +.div2 +{ + padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ + padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ + padding: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4 +{ + clear: both; + font-style: normal; + text-transform: none; +} +h3, .pseudoh3 +{ + font-size:1.2em; + line-height:1.2em; +} +h3.label +{ + font-size:1em; + line-height:1.2em; + margin-bottom:0; +} +h4, pseudoh4 +{ + font-size:1em; + line-height:1.2em; +} +h4.lghead +{ + margin-left:10%; + margin-right:10%; +} +.alignleft +{ + text-align:left; +} +.alignright +{ + text-align:right; +} +.alignblock +{ + text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ + margin-top: 1.6em; + margin-bottom: 1.6em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + text-align: center; +} +p.poetry +{ + margin:0 10% 1.58em; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ + color: white; +} +p.line +{ + margin:0 10%; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ + font-size:0.9em; + line-height:1.2em; + text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ + margin:1.58em 10%; +} +p.tocChapter +{ + margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ + margin:0.7em 5%; +} +div.epigraph +{ + font-size:0.9em; + line-height:1.2em; + width: 60%; + margin-left: auto; +} +div.epigraph span.bibl +{ + display: block; + text-align: right; +} +.epigraph .poem +{ + margin-left: 0; +} +.epigraph .line +{ + margin-left: 0; + text-indent: 0; +} +.trailer +{ + clear: both; + padding-top: 2.4em; + padding-bottom: 1.6em; +} +.floatLeft +{ + float:left; + margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ + float:right; + margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ + font-size:100%; + text-align:center; +} +.figure p +{ + font-size:80%; + margin-top:0; + text-align:center; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ + color:#666666; + font-size:80%; +} +span.parnum +{ + font-weight: bold; +} +.leftnote +{ + font-size:0.8em; + height:0; + left:1%; + line-height:1.2em; + position:absolute; + text-indent:0; + width:14%; +} +.pagenum +{ + display:inline; + font-size:70%; + font-style:normal; + margin:0; + padding:0; + position:absolute; + right:1%; + text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ + font-size: 80%; + text-decoration: none; + vertical-align: 0.25em; +} +.red +{ + color: red; +} +.displayfootnote +{ + display: none; +} +div.footnotes +{ + margin-top: 1em; + padding: 0; +} +hr.fnsep +{ + margin-left: 0; + margin-right: 0; + text-align: left; + width: 25%; +} +p.footnote +{ + font-size: 80%; + margin-bottom: 0.5em; + margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ + float: left; + text-align:left; + width:2em; +} +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ + font-size: 80%; +} +.centertable +{ + /* center the table */ + margin: 0px auto; +} +.poem +{ + margin-left:5%; + position:relative; + text-align:left; + width:90%; +} +.poem h4 +{ + font-weight:normal; + margin-left:5em; +} +.poem .linenum +{ + color:#777; + font-size:90%; + left:-2.5em; + margin:0; + position:absolute; + text-align:center; + text-indent:0; + top:auto; + width:1.75em; +} +.versenum +{ + font-weight:bold; +} +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ + position: absolute; + right: 16%; + top: auto; +} +.footnotes .line +{ + font-size:80%; + margin:0 5%; +} +.poem .i0 +{ + display:block; + margin-left:2em; +} +.poem .i1 +{ + display:block; + margin-left:3em; +} +.poem .i2 +{ + display:block; + margin-left:4em; +} +.poem .i3 +{ + display:block; + margin-left:5em; +} +.poem .i4 +{ + display:block; + margin-left:6em; +} +.poem .i5 +{ + display:block; + margin-left:7em; +} +.poem .i6 +{ + display:block; + margin-left:8em; +} +.poem .i7 +{ + display:block; + margin-left:9em; +} +.poem .i8 +{ + display:block; + margin-left:10em; +} +.poem .i9 +{ + display:block; + margin-left:11em; +} +span.corr +{ + border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ + border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ + border-bottom:1px dotted green; +} +.letterspaced +{ + letter-spacing:0.2em; +} +.smallcaps +{ + font-variant:small-caps; +} +.caps +{ + text-transform:uppercase; +} +.fraktur +{ + font-family: 'Walbaum-Fraktur'; +} +.rm +{ + font-style: normal; +} +hr +{ + clear:both; + height:1px; + margin-left:auto; + margin-right:auto; + margin-top:1em; + text-align:center; + width:45%; +} +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ + text-align:center; +} +h1,h2 +{ + font-size:1.44em; + line-height:1.5em; +} +h1.label,h2.label +{ + font-size:1.2em; + line-height:1.2em; + margin-bottom:0; +} +h5,h6 +{ + font-size:1em; + font-style:italic; + line-height:1em; +} +p,p.initial +{ + text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ + text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ + float: left; + clear: left; + margin: 0em 0.05em 0 0; + padding: 0px; + line-height: 0.8em; + font-size: 420%; + vertical-align:super; +} +.poem +{ + padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ + font-size:0.9em; + line-height:1.2em; + margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ + text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: disc; } +ol { list-style-type: decimal; } +ol.AL { list-style-type: lower-alpha; } +ol.AU { list-style-type: upper-alpha; } +ol.RU { list-style-type: upper-roman; } +ol.RL { list-style-type: lower-roman; } +.lsdisc { list-style-type: disc; } +.lsoff { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } +.exlink +{ + background: url(images/external.png) center right no-repeat; + padding-right: 13px; +} +.exlink:hover +{ + background-color: #FFDCDC; +} + /* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml + " */ +body +{ + background: #FFFFFF; + font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ + color: black; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4 +{ + color: #001FA4; + font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +p.byline +{ + font-style: italic; + margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage +{ + color: #001FA4; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ + color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ + color: red; +} +p.dropcap:first-letter +{ + color: #001FA4; + font-weight: bold; +} +sub, sup +{ + line-height: 0; +} + /* Standard Aural CSS stylesheet */ +.pagenum, .linenum +{ + speak: none; +} +</style> +</head> +<body> + +<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of De verliefde ezel, by Louis Marie Anne Couperus</p> +<div style='display:block; margin:1em 0'> +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online +at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you +are not located in the United States, you will have to check the laws of the +country where you are located before using this eBook. +</div> + +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: De verliefde ezel</div> +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Louis Marie Anne Couperus</div> +<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: August 28, 2009 [eBook #29837]<br> +[Most recently updated: November 25, 2022]</p> +<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p> + <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/</p> +<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERLIEFDE EZEL ***</div> + +<div class="front"> +<div class="div1"> +<div class="figure"><img border="0" src="images/front.jpg" alt= +"Oorspronkelijke voorkant." width="540" height="720"></div> +</div> + +<div class="div1"> +<p class="aligncenter">De verliefde ezel</p> +</div> + +<div class="titlePage"> +<h1 class="docTitle">De verliefde ezel</h1> + +<h2 class="byline">Door <span class="docAuthor">Louis +Couperus</span></h2> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/logo.png" alt= +"Uitgeverslogo met tekst: „Nimmer-Dralend”" width="122" +height="90"></div> + +<h2 class="docImprint">Rotterdam<br> + Nijgh & Van Ditmar’s Uitgevers-Maatschappij<br> + MCMXVIII.</h2> +</div> + +<span class="pagenum">[<a id="xd0e96" href="#xd0e96">5</a>]</span> +<div class="div1"> +<p><i>Aan den Lezer.</i></p> + +<p>Sedert wij door middel van den Wereldoorlog tot de Middeneeuwen +zullen terug keeren (denk maar allereerst aan de kaarsen, bij welke gij +heden ten dage dineert; denk dan aan de helmen der soldaten; denk +dan.... ik laat aan u over waarover ge nog meer wilt denken), keer ik +persoonlijk maar in eens tot de Oudheid terug en schrijf u een echt +ouderwetschen, ja antieken avonturenroman,—zónder +psychologie, zónder symboliek, realistiesch noch +naturalistiesch,—onvervalscht antiek ouderwetsch. Want het motief +steel ik er voor uit Apuleius’ Gouden Ezel en die roman was, +geloof ik, de tweede, die er ooit geschreven werd, als ge ten minste +Petronius’ Satyricon de eerste noemen wilt! (Ik kan mij met dit +alles best vergissen; informeer dus, als gij het naadje van de kous +wilt zien, waar gij meent onfeilbaar te zullen worden ingelicht.)</p> + +<p>Ik hoop, dat ge mijne poging u iets anders voor te zetten dan +novellistiesch opgevatte moderne oorlogsberichten zult waardeeren en +tevens goedkeuren, dat wij alle, eenmaal onvermijdelijk geachte, dingen +als naturalisme, realisme, symboliek, psychologie over boord gooien en +samen zwelgen zullen in de meest antieke onwaarschijnlijkheid, die een +moderne romanschrijver—om maar in eens tot de Oudheid terug te +keeren zonder te blijven bij de Middeneeuwen, tot welke ons de +Wereldoorlog brengt—kan verzinnen. En <span class="pagenum">[<a +id="xd0e106" href="#xd0e106">6</a>]</span>wilt ge zoo niet met mij +zwelgen, keer u dan, o Waarde Lezer, onmiddellijk van mij af en blijf +in uw Middeneeuw van heden-ten-dage, die werkelijk minder stemmingsvol +is dan de werkelijke Middeneeuw was: wat mij betreft, <span class= +"letterspaced">ik</span> bestijg mijn Verliefden Ezel, sla mijn hielen +in zijn grauwe flanken en spring met hem van den barren, onbeminden +rots van mijn eigen tijd in het Antieke Verleden, om samen te zwelgen, +om in niets anders te zwelgen dan in de Onwaarschijnlijkste +Onwaarschijnlijkheid, psychologie-loos, symboliek-loos (denk vooral +niet, dat mijn Verliefde Ezel een symbool is!!) maar toch, willen wij +samen hopen, mijn Ezel en ik, niet kunstloos, niet schoonheidsloos, o +neen, vooral niet dat!</p> +</div> +</div> + +<div class="body"><span class="pagenum">[<a id="xd0e112" href= +"#xd0e112">7</a>]</span> +<div class="div1"> +<h2 class="normal">I.</h2> + +<p>Indien gij, o vrienden, deze bladen zult lezen, zult gij zeer zeker +versteld staan over de vreemde avonturen, die zij bevatten en niet +gelooven willen, wat ik hier, te mijner herinnering en te uwer genoegen +en ontroering beiden, te boek heb gesteld. Welnu, ik verzeker u gaarne +en zweer u bij alle goden en vooral bij de heilige Isis, wier priester +ik heden ten dage geworden ben, dat de zonderlinge dingen, die gij +vernemen zult, niet anders zijn dan de loutere waarheid, die ik heb +doorleefd, dikwijls zonder zelve aan haar te kunnen gelooven en +dikwijls bepeinzende of ik niet in een voortdurenden droom zoo +onwaarschijnlijke levenservaringen door maakte. Tot ik mij moest +bedenken, dat het geheele leven zelve een droom is, éen +onbegrepen toeven, vol huiver en aarzeling, op de breede drempels van +de Poorten dier goudene Werkelijkheid en ik, vroom, niet anders +kón dan gelooven aan een door de goden bestierde aan een +geschakelde keten van onwaarschijnlijkheden, waarmede ik geleid werd +tot het einddoel mijner levensdagen.</p> + +<p>Ik ben een koopmanszoon en heet Charmides en mijne ouders, hoewel +uit Athene afkomstig, woonden te Epidaurus in Argolis en mijn vader had +er een bloeienden groothandel. Uit Indië, over Klein-Azië, +uit Arabië en Egypte brachten zijne schepen hem velerlei kostbare +koopwaar, die hij wederom verzond naar Athene en Rome niet alleen, maar +<span class="pagenum">[<a id="xd0e120" href= +"#xd0e120">8</a>]</span>naar allerlei streken van het Romeinsche Rijk, +dat in die tijden mijner jeugd beheerscht werd door onzen genadigen +Keizer Hadrianus. Zeer vermogend, was mijn vader tevens een krachtig en +energiek koopman gebleven en zag het met leede oogen aan, dat ik, zijne +eenige zoon en het bedorven kind mijner moeder, die een Romeinsche was, +niet naar hem aardde en weinig belang stelde in de uitgebreide zaken +van het handelshuis, dat zijn eigen was. Integendeel, niets boezemde +mij minder belang in dan handel, dan geld maken en wat mij alleen +belang inboezemde, dat was de liefde. Ik was geboren voor de liefde en +ik heb bemind, geloof ik, van klein knaapske af: misschien is mijn +voedster mijn eerste liefde geweest, ook al herinner ik mij die niet +meer. Maar zekerlijk herinner ik mij, dat, zoo dra ik loopen kon, zoo +dra ik stamelen kon, ik lief heb gehad, de kleine dochtertjes van onze +buurlui, de slavinnen van mijne moeder, de vriendinnen zelfs mijner +moeder, en dat, hoewel de kleine meisjes voor mij weg liepen, onze +slavinnen mij uit lachten omdat ik zoo nietig nog was en mijner moeder +vriendinnen, hoewel zij mij op den schoot namen, mij plaagden om mijn +verliefden aard op zoo prillen leeftijd, ik mij niet kon verdedigen te +beminnen en dat ik door bijna ieder vrouwelijk wezen van jeugd en +schoonheid werd aangetrokken op een wijze, die bijna aan een tooverban +deed denken.</p> + +<p>Nu was ik een mooie, knappe jongen—ik geleek op mijn vader en +moeder beiden—en door tal van vluchtige verliefdheden heen had ik +den leeftijd van twintig jaren bereikt, toen mijn vader, meer en meer +toornig om mijne lichtzinnigheid, mij plotseling, trots mijner moeder +tranen, beval, alleen, met mijn knecht Davus, een handelsreis aan te +vangen, over Corinthe heen naar de binnenlanden van Thessalië en +<span class="pagenum">[<a id="xd0e124" href= +"#xd0e124">9</a>]</span>Epirus, om aldaar in de steden als zijn +vertegenwoordiger op te treden en de fijnere koopwaren van het Oosten +er van de hand te doen. Het was een zeer wreede beproeving voor mij, +vooral omdat mijn vader er bij voegde, dat ik hem niet meer onder de +oogen behoefde te komen, zoo ik niet slaagde in het doel mijner reis. +En de reis zelve was waarlijk geen pleizierreis, want hoewel Corinthe +een beminnelijke stad was vol levensvreugde en schoone vrouwen, was +over Bœotië en Focis, naar Thessalië en Epirus te +trekken niet anders dan een straftocht, ook al kon ik bij verschillende +wisselaars onder weg beschikken over vrij aanzienlijke sommen, die mijn +vader er te mijnen gerieve had doen neder leggen.</p> + +<p>Er was niets aan te doen. Ik nam teeder afscheid van mijne moeder, +van hare vriendinnen, die, matronen geworden, niet meer lachten maar +mij weenende omhelsden; ik nam afscheid van onze slavinnen en van de +kleine buurmeisjes, die tot lieflijke maagden waren opgebloeid. En +omgeven door geheel een gevolg van vrouwen en meisjes, die weenden en +weeklaagden, besteeg ik mijn gerieflijken reiswagen, die door vier +krachtige buffels getrokken mij over Mycenæ naar Corinthe +zoû voeren, terwijl Davus zich naast den voerman zette.</p> + +<p>De eerste dagen mijner reis verliepen zonder avontuur. Wat zal ik u +vertellen van de dienstmeisjes der herbergen, van enkele aanzienlijkere +vrouwen, die met eenige vreugde mijn anders zoo sombere dagen +doorweefden? Het waren bloemenkransen, die dadelijk braken. Het waren +geen banden des levens en ook de beroemd schoone vrouwen van +Bœotië, die er in Tanagra door de beeldhouwers worden +vereeuwigd in schoone lijn en gracelijken vorm, gingen door die week +mijner reize heen niet anders dan als weêr verzwijmende <span +class="pagenum">[<a id="xd0e130" href="#xd0e130">10</a>]</span>fantomen +van bevalligheid, die ik mij nauwlijks meer herinner dan de blanke, +ijle wolken, die dreven aan de blauwe hemelen der verre oorden, die ik +door trok.</p> + +<p>Van Thebe ging de reis over Thespiæ naar Delfi. Wat al +beroemde namen en wat al vervallene steden! Voor een handelsreiziger +als ik, die de kostbaarste waar van de hand moest doen—geurwerk +en parels, zijden stoffen en tapijtwerk—was hier niets te doen, +dan uit te rusten van het wiegelen in mijn reiswagen: in Thebe zag ik +het huis van Pindaros, den grooten dichter en zanger, dat Alexander de +Groote, toen hij de stad fnuiken wilde en haar tot den grond toe deed +slechten, uit eerbied spaarde, maar... of het mij getoonde huisje wel +dat van Pindaros was, betwijfelde ik zeer; het dienstmeisje in de +herberg, was hare eigene grootmoeder, geloof ik.... Te Thespiæ +wist niemand mij meer te vertellen waar de Eros van Praxiteles gebleven +was, die Fryne haar geboortestad had geschonken en toen ik te Delfi aan +kwam, overviel mij, hoezeer ik er mij die eerste week tegen had +vermand, een eindelooze melancholie. Mijn reiswagen hield stil voor een +kleine herberg; er hing in den kouden najaarswind een blikken +uithangbord boven de poort te rammelen; op dat rammelende bord was +geschilderd iets als een witte figuur en er onder stond geschreven:</p> + +<div class="q"> +<p class="aligncenter">IN DE PYTHIA.</p> +</div> + +<p>Ik begreep. „In de Pythia”, dat was de herberg, de +allereerste in Delfi, de stad eenmaal van het beroemde Orakel +Apollo’s, waar zijne door geuren vervoerde priesteres, de +geheiligde Pythia, de wondervolle spreuken op den gouden drievoet +gestameld had. „In de Pythia”. Ik steeg uit, door <span +class="pagenum">[<a id="xd0e140" href="#xd0e140">11</a>]</span>Davus +geholpen, en de herbergierster, een dikke waardin, kwam mij +begroeten.</p> + +<p>—Hebt gij een kamer? vroeg ik.</p> + +<p>—Helaas! riep de herbergierster. Edele prins, gij komt te +laat. Ik heb slechts éen kamer met drie bedden voor gasten, maar +alle de drie bedden zijn ingenomen!</p> + +<p>—Ik kan dan in mijn wagen slapen, zeide ik; als je mij slechts +wat voedsel kunt geven, en ook mijn dienaar en voerman voeden en zorgen +voor frissche postbuffels.... Maar een prins ben ik niet; ik ben +slechts een handelsreiziger en als zoodanig slechts kan ik je +betalen.</p> + +<p>Voor de deur, op een bank, zaten twee mannen te praten en een derde, +die er ziek en ellendig uit zag, lag op den grond, tegen een boomstam, +zorgzaam gewikkeld in dekens en doeken. Zoodra zij mijne woorden +hoorden, stonden de twee mannen op en naderden mij. Zij zeiden:</p> + +<p>—Zijt gij een handelsreiziger, heer? Zoo zijn wij +collega’s, want ook wij zijn handelsreizigers, ja, zeker.</p> + +<p>De eene was dik en kort en de andere lang en mager. Zij bogen en ik +stak hun de hand toe.</p> + +<p>—Ik, zeide de dikke korte; reis in allerlei voedingsmiddelen, +graan, rijst, wijn en kom uit Thessalië, waar ik goede zaken +gedaan heb. Mijn naam is Crito.</p> + +<p>—Ik, zeide de lange magere; reis in allerlei +kleedingmateriaal: wol, katoen, lijnwaad, en kom ook uit +Thessalië; ook ik deed vrij goede zaken, mijn naam is Chremes.</p> + +<p>—Ik, zeide ik op mijn beurt, heet Charmides en ik reis in +weelde-artikelen.</p> + +<p>—Toch niet naar Thessalië?? vroegen zij beiden te +gelijker tijd.</p> + +<p>—En waarom niet? Zoû <span class="letterspaced"> +ik</span> er geen goede zaken doen? <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e167" href="#xd0e167">12</a>]</span>Het handelshuis van mijn vader +is beroemd om zijn fijne Oostersche koopwaar....</p> + +<p>Crito en Chremes schudden bedenkelijk met de hoofden en handen en de +zieke, die op den grond lag, riep schril:</p> + +<p>—Heer, hoed u te gaan naar Thessalië! Daar ben ik ziek +geworden! Daar ben ik eerst behekst geworden! En toen ik onthekst was, +ziek, ziek, ziek!</p> + +<p>—Wie zijt ge? vroeg ik den zieke.</p> + +<p>—Ik ben Aristomenes en reisde slechts voor mijn genoegen, +heer; ik wenschte het beroemde Thebe te zien, het beroemde +Thespiæ en den tempel, waar het goddelijke beeld van +Praxiteles’ Eros gestaan heeft; ik wenschte Delfi, het heilige +Delfi te zien; ik wenschte Thrachis te zien, waar Herakles heeft +gewoond: ach, heer, ik was slechts een simpel toerist, ik was een +dichter, ik beminde de letteren en de schoonheid, ik beminde het reizen +en het trekken en Thessalië heeft schoone steden, schooner en +weelderiger dan dit vervallene Delfi en dan Thespiæ en Thebe, +maar, heer, ik werd er behekst en anderen werden er behekst als ik, in +Larissa, in Hypata.... O, heer, o Charmides, gij, die reist in +weelde-artikelen, neem u in acht: hoèd u voor +Thessalië!</p> + +<p>Zoo klaagde de zieke op den grond. Mijn reiswagen was uitgespannen +en ter zijde geleid; mijne bagage bleef in den wagen: Davus en de +voerman aten reeds ieder een bord linzensoep op de andere bank ter +zijde der herbergpoort en ik zat tusschen Crito en Chremes op de bank +bij den boom, waartegen de zieke lag. Een dienstmeisje bracht mij mijn +maal: lamsbraad en brood en honig en ooft....</p> + +<p>—Hoe heet je? vroeg ik beminnelijk.</p> + +<p>—Fotis, heer, en ik ben tot uw dienst, zeide het beminnelijke +meisje. <span class="pagenum">[<a id="xd0e183" href= +"#xd0e183">13</a>]</span></p> + +<p>Ik knikte haar welgevallig toe en at met smaak. Ik was iets minder +melancholiek nu ik Fotis gezien had; waarlijk, zij zag er uit om +verliefd op te worden en ik werd dan ook dadelijk op Fotis verliefd. +Het geen niet weg nam, dat ik met jeugdigen honger mijn tanden sloeg in +het droge lamsbraad, het harde brood en den azijnzuren wijn uit +dronk.</p> + +<p>—Ik heb, zeide ik tot den zieke; wel eens meer gehoord, dat +Thessalië het land van beheksing is, maar weet niet of ik hieraan +gelooven kan.</p> + +<p>—Toch is het zoo, heer!</p> + +<p>—Toch is het zoo, heer! riepen Crito en Chremes om +beurten.</p> + +<p>—Noem mij Charmides! zeide ik genadig; ik reis wel in +weelde-artikelen maar ben handelsreiziger als gij beiden, die reist in +kaas en in wol en wij zijn toch collega’s, niet waar. Noem mij +Charmides, als Aristomenes mij reeds noemde.</p> + +<p>—Toch is het zoo, Charmides! riep de zieke. Thessalië is +het land der beheksing. De heksen zweven er rond in de lucht en spinnen +uit de maan de tooverdraden! En weven de tooverwebben! En dansen er op +den viersprong der wegen rondom <span class="corr" id="xd0e196" title= +"Bron: Hecate">Hekate</span>, de driehoofdige! En de schimmen der +vermoorde kindertjes zweven er als vleêrmuizen en nachtuilen rond +door de nachten om wraak op de heksen te nemen, maar zij zijn sterker, +o Charmides: de heksen zijn àltijd stèrker, dan wie ook, +dan de goden; de heksen beheksen de goden zelfs en éen heks +heeft mij behekst: in een zwijn heeft zij mij veranderd als Circe +Ulyssus’ makkers deed en hokkende en hikkende heb ik haar +gevolgd, terwijl zij lachte, de tooverkol! Hoed u voor Thessalië, +Charmides!</p> + +<p>De nacht viel, sinister, over het plein voor de herberg: <span +class="pagenum">[<a id="xd0e201" href="#xd0e201">14</a>]</span>In de +Pythia. De najaarswind woei klagelijk. Davus en de voerman, op de +andere bank, zaten met angstige gezichten toe te luisteren. Ruischend +als van vreemden zang, vielen de platanebladeren om ons rond. Ginds +stond mijn reiswagen, waar ik zoû moeten rusten.... geriefelijker +eigenlijk, dacht ik, dan in de éene kamer „In de +Pythia”, met de drie bedden, die Aristomenes, Crito en Chremes +reeds zouden innemen. De arme dichter-toerist, ziek was hij wel, al +verbeeldde hij zich misschien in een zwijn te zijn veranderd geweest! +Crito, een goede kaasboer; Chremes, een brave lappeman: ik zag toch +wèl een beetje op hen neêr. Ik, ik was Charmides, de zoon +van Lyzias van Epidaurus: ik reisde in purper en parels, in myrrhe en +cinnamoom, in Sidonische tapijten en <span class="letterspaced"> +bombyx</span>-zijde: ik was jong, rijk, mooi, krachtig, door de vrouwen +bemind; ik beminde zelve altijd, ik was altijd heerlijk verliefd; ik +was nu verliefd op Fotis, die ik toelachte toen zij de borden weg +nam.... Mijne melancholieën om mijn strafreis en de sombere +oorden, die ik door trok, gingen als lichte wolkjes....</p> + +<p>En toch.... Sinister die nacht over het plein.... Klagelijk de +najaarswind.... Zoo bleek de gezichten van dienaar en voerman.... Hoor, +wat zong er toch vagelijk door de vallende platanebladeren? Waren het +de vermoorde kindertjes?? Ik werd mij even bewust niet gehéel +lichtzinnig te zijn: ik werd mij even bewust te willen worden ingewijd +in de mysteriën van Eleuzis: een vreemde vroomheid huiverde vaak +door mijn gloeiend kloppende aderen: ik wist, dat er dingen van +goddelijkheid en ongoddelijkheid zijn, die een verliefde, jonge man +niet altijd begrijpt!</p> + +<p>—Ik zal mij hoeden voor Thessalië! riep ik Aristomenes +toe: maar ik zal Thessalië niet ontwijken! Ik reis morgen <span +class="pagenum">[<a id="xd0e210" href= +"#xd0e210">15</a>]</span>Thessalië in! Er zijn de steden als +Hypata en Larissa, die bloeien, die zijn weelderige steden, niet +vervallen als Delfi, Thespiæ en Thebe en daar zal ik <span class= +"letterspaced">bombyx</span> verkoopen en Sidoniesch tapijt, cinnamoom +en myrrhe en parels en purper en ik zal er zaken maken als Crito en +Chremes hebben gedaan!</p> + +<p>Crito en Chremes schudden handen en hoofden.</p> + +<p>—Wij, heer Charmides, zeiden zij beiden; gaan er nooit meer +heen, trots de goede zaken....</p> + +<p>—Ik, heer Charmides, zeide Crito; ben er dik en kort geworden +en ik was, toen ik er heen ging, lang en mager.</p> + +<p>—Ik, heer Charmides, zeide Chremes; ben er mager en lang +geworden en ik was, toen ik er heen ging, kort en dik.</p> + +<p>Ik keek van den een naar den ander.</p> + +<p>—Wie is dan de een en wie is de ander? vroeg ik.</p> + +<p>Ze schudden hoofden en handen.</p> + +<p>—We weten het zelve soms niet! bekenden zij.</p> + +<p>Ik lachte, toch in mijn binnenborst geschokt in mijn vertrouwen.</p> + +<p>—Ik moet tóch gaan, zeide ik. Ik zàl ook gaan, +zeide ik moediger. Avontuur, zelfs van heksen, stoot mij niet af. Bang +was ik nooit. Fotis, riep ik het meisje toe; wat bereiden ze voor op +het plein?</p> + +<p>Want fakkels werden hier en daar op het donkere plein in +gestampt.</p> + +<p>—Heer, antwoordde Fotis en lachte als een roos; het zijn de +rond trekkende kunstenmakers, die gehoord hebben, dat gij in purper en +parels reist en die een voorstelling geven komen.</p> + +<p>Ik lachte helderder.</p> + +<p>—Laat ze komen! riep ik. Laat ze komen! Zij zullen <span +class="pagenum">[<a id="xd0e243" href="#xd0e243">16</a>]</span>ons +verstrooien voor wij slapen gaan en wij zullen niet van heksen +droomen.</p> + +<p>En met ketelmuziek kwamen zij op: twee mannen, drie meisjes, vier +jongens, een beer.... <span class="pagenum">[<a id="xd0e247" href= +"#xd0e247">17</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">II.</h2> + +<p>Aan de drie zijden van het pleintje voor de herberg waren nu de +vlammende, walmende toortsen geplant en de harstriekende gloor weifelde +fantastiesch door de nacht, die geheel gevallen was. Links en rechts +duisterden een paar straatjes en sloppen, waar nu wat volk uit kwam, +dat zich met donkere silhouet verzamelde op het pleintje. Voór +de herberg, ter vierde zijde dus, rees een stuk oude muur, vermoedelijk +nog over van de ommuring van een antiek heiligdom.... Delfi! Dit was +Delfi! moest ik mijzelven herinneren. Ik was te Delfi, de heilige stad +van Apollo’s Orakel en dit was Delfi: dit herbergje: „In de +Pythia”, dit modderige plein, die verbrokkelde muur over ons, die +fakkels, in den grond geplant; die kunstenmakers en die beer, die aan +kwamen, tusschen dat groezelige volk. En mijn reiswagen ginds, waarin +ik slapen zoû, met mijn stalen van kostbare koopwaar—als +mijn bagage maar niet gestolen werd....</p> + +<p>—Davus! riep ik mijn knecht.</p> + +<p>Hij stond op, naderde.</p> + +<p>—Davus, waarschuwde ik; ga met den voerman zitten op +treê of bok van den wagen om de kunstenmakers te zien en pas op, +dat het volk niets steelt....</p> + +<p>Davus en voerman deden als ik beval....</p> + +<p>....Dit, dit was alles Delfi! En Fotis, die mij een kruik wijn +bracht en vier kroezen en de zieke Aristomenes tegen <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e263" href="#xd0e263">18</a>]</span>den plataan en +Crito en Chremes, mijn beide collega’s in wol en kaas, die +behekst waren geweest en niet meer wisten wie van de een eigenlijk kort +en dik en wie lang en mager was... Dit, dit was alles Delfi?</p> + +<p>Toen voelde ik het misschien voor het eerst.... Trots mijn +lichtzinnigheid, trots mijn altijd verliefde jeugd.... Den eerbied voor +de Goden en het Onuitsprekelijke.... Toen voelde ik bijna een weemoed +om Apollo, wiens heilige stad zoo was vervallen, wiens Orakel niet meer +werd geraadpleegd.... Toen voelde ik dat vreemde gevoel, terwijl mijne +oogen toch Fotis, op wie ik verliefd was, bewonderden, als zij in +gezonde, wat boersche maar mij aantrekkelijke, jonge-vrouwelijkheid ons +bediende.... Dat vreemde gevoel, dat er àndere Dingen waren dan +te reizen in kaas en wol, zelfs in purper, parels en geurwerk!</p> + +<p>—Vertelt ge mij niet uw avontuur, beste vrienden? vroeg ik +Crito en <span class="corr" id="xd0e269" title="Bron: Cchremes"> +Chremes</span>; terwijl ginds de kunstenmakers ons hunne toeren zullen +vertoonen?</p> + +<p>Zij wilden mij hun avontuur wel vertellen.... Intusschen deden reeds +de twee paar jeugdige knapen de wonderlijkste akrobatische toeren: zij +wrongen zich twee aan twee in elkaâr, tot zij geleken op twee +staven van Hermes-Mercurius, den god van ons, +handelsreizigers!—op twee caduceeën, op twee paar om +elkaâr gekronkelde slangen: zoó liepen zij, zich telkens +geheel om buigend, op de handen: als de een op de handen liep, hief wie +zich om hem gekronkeld had, de zijne omhoog, tot zij zich, +hoepelsgewijze, bogen en de ander op zijn beurt op de handen liep. En +de eene man at vuur en de andere slikte een gladiatorezwaard in....</p> + +<p>—Gij moet dan weten, Charmides, zeide Crito; dat ik <span +class="pagenum">[<a id="xd0e276" href="#xd0e276">19</a>]</span>samen +met Chremes reisde, hij in wol, ik in kaas, en dat wij reeds sedert +lang goede vrienden zijn, niet waar, Chremes?</p> + +<p>—Voorzeker, Crito, antwoordde Chremes. En ge moet weten, +Charmides, dat wij kwamen op een driesprong van wegen, dicht bij +Hypata....</p> + +<p>—Larissa is een moóie stad, niet waar? viel ik in de +rede; voor ons dansten de drie meisjes een <span class="letterspaced"> +kordax</span>-dans: een wulpsch schuifelend beweeg tusschen de twee +groepen der vier om elkaâr gekronkelde jongens; een beer zat, +gemuilband, te wachten.... En er zijn tal van mooie vrouwen, niet waar? +Ook die drie danseresjes zijn heél mooi....</p> + +<p>—... En het was vallende avond, ging Crito voort, zonder zich +veel te storen aan mijne vragen en opmerkingen. En op eens....</p> + +<p>—... Zagen wij vóor ons...</p> + +<p>—Een driehoofdig beeld van Hekate, de in Thessalië +ge-eerediende godin!!</p> + +<p>—Nu, zeide ik; is dat zoo vreemd. Op vier- of driesprong der +wegen staat wel meer het beeld der toovergodin.</p> + +<p>—Ja, maar Charmides....!</p> + +<p>—... maar Charmides...! riepen zij beiden, links en rechts en +toen te zamen:</p> + +<p>—Toen wij nader kwamen.... Lieten de drie hoofden af van den +romp.... En omvlogen ons drie verschrikkelijke heksen!</p> + +<p>—Hoed u, hoed u, o Charmides, voor Thessalië! riep de +zieke Aristomenes.</p> + +<p>—En deden zij ons geweld aan! riepen door elkander Crito en +Chremes.</p> + +<p>—En maakten zij mij, riep Crito; die lang was en mager, kort +en dik! <span class="pagenum">[<a id="xd0e305" href= +"#xd0e305">20</a>]</span></p> + +<p>—En mij, riep Chremes; die kort was en dik, lang en mager!</p> + +<p>Ik lachte.</p> + +<p>—Kom, kom! zeide ik. Ge zult gedroómd hebben. Ik geloof +die verhalen niet. Even als Aristomenes heeft gedroomd, dat hij in een +zwijn werd veranderd. Zie liever eens naar die drie bevallige +danseresjes. Bij mijn godin, die nooit Hekate worden zal, maar altijd +Afrodite blijft, ik geloof, dat ik verliefd word op àlle +drie!</p> + +<p>Fotis hoorde mij, lachte schamper en riep:</p> + +<p>—Op drie dansmeiden van de straat!</p> + +<p>Maar eene van de danseressen kwam nader. Zij spreidde een tapijtje +en legde er zich glimlachende voor-over op, de armen sierlijk gekruist. +De fakkelvlam weêrspiegelde in de koperen munten, die bedekten +haar voorhoofd en borst.</p> + +<p>—Zij is de mooiste! riep ik. O wat is zij mooi en bevallig! En +lenig!</p> + +<p>En ik werd zeer verliefd op het meisje, dat op het tapijtje lag. En +wilde opstaan.</p> + +<p>Maar, liggende, boog zij rond als een hoepel. De man, die vuur had +geslikt, bood haar een boog, dien zij nam tusschen de teenen van haar +eenen opgehoudenen voet en met de teenen van den anderen voet richtte +zij een pijl op de koorde. Zij boog het hoofd gracelijk, een weinig, om +te zien. Zij glimlachte steeds. De man, die het zwaard had ingeslikt, +hield een appel omhoog. En het meisje schoot met de teenen, armen +steeds gekruist en liggende, hoepelrond op den buik, den pijl af, in +den appel.</p> + +<p>Er was bewonderend gejuich en applaus en ik, Charmides, zoon van +Lyzias van Epidaurus, en die reisde in purper en parels, wierp enkele +geldstukken op het tapijtje. <span class="pagenum">[<a id="xd0e326" +href="#xd0e326">21</a>]</span></p> + +<p>—Ach, Charmides! riep de zieke Aristomenes. Verwerp toch niet +onze waarschuwing! Denk toch, ik, dichter en toerist, ik werd ook +verliefd, als gij vaak wordt; ik werd verliefd op Meroë, de +beroemde hetære van Hypata, maar zij is een dienares van Hekate +en zij zweeft ’s nachts rond door de lucht, met de schimmen van +Medea en Circe, die twee tooverprinsessen, dochters van de Zon, en zij +bezweert met haar beiden de Maan en de Sterren en den Storm! En zij +behekste mij in een zwijn, tot ik den rooden amaryllis at en weêr +mensch werd maar verlamd voor heel mijn leven! Hoed u voor +Thessalië, Charmides!!</p> + +<p>Ik lachte. Geloofde ik? Ik wist het niet. Lichtzinnig, wàs ik +heel jong, heel verliefd nu op het lieve boogschutstertje, zoó +verliefd, dat ik niet dacht aan goddelijke of óngoddelijke +dingen.... Ik stond op en naderde de kleine kunstenmaakster....</p> + +<p>Honden blaften, tusschen de menigte, zeker tegen den beer.</p> + +<p>—De honden blaffen! riep Aristomenes. Zij voelen, dat Hekate +zweeft in de lucht! Zij blaffen, omdat de maan rijst! Crito en Chremes, +voert mij naar binnen! Ik ben moê, ik ben ziek; helaas, ik ben +lam: ik wil rusten, ik wil rusten gaan!</p> + +<p>Crito en Chremes hielpen den zieke op, steunden hem, voerden hem +binnen in àl zijn doeken en dekens.</p> + +<p>—Hoe heet je? vroeg ik.</p> + +<p>—Demea, heer! zeide het meisje.</p> + +<p>—Je pijl, zeide ik; is geschoten in den appel, maar dieper nog +elders.</p> + +<p>—Waar dan, heer?</p> + +<p>—In mijn hart. <span class="pagenum">[<a id="xd0e347" href= +"#xd0e347">22</a>]</span></p> + +<p>—Heer, ge schertst: ik ben maar een kind van de straat, gij +een prins.</p> + +<p>—Neen, geén prins; ik rèis, in purper en parels. +Wil je mij niet, Demea, bezoeken, deez’ nacht, in mijn wagen, die +wacht voor de deur hier, ter zij van het huis....?</p> + +<p>—Heer, thàns moet ik dansen....</p> + +<p>En zij danste met de beide andere meisjes. De vier jongens +kronkelden steeds als Hermes-caduceeën, en buitelden als wielen, +om en om. En de twee mannen met den beer speelden, als in het theater, +een klein <span class="letterspaced">mimus</span>-spel van drie +personen. Toen bevrijdden zij den beer van den muilkorf en er was +ontroering van schrik tusschen de menigte. Maar de mannen klommen den +muur op voor ons en heschen den beer op den muur. En op den muur danste +de beer met een stok in zijn pooten en de mannen dansten met hem.</p> + +<p>Een luik in de herberg werd open gestooten en Aristomenes riep mij +toe:</p> + +<p>—Hoed u, Charmides, voor Thessalië!</p> + +<p>—Kennen jullie Thessalië? vroeg ik de drie meisjes nu; ik +wist bijna niet op wie van drieën ik het meeste verliefd was: zij +waren alle drie allerliefst; donker van tint en haren, jong krachtig +van leden, verrieden zij, dwaalsters over de wereld, haar Egyptische +afkomst.</p> + +<p>—Ja, heer, antwoordden zij alle drie en voegden er om beurten +aan toe:</p> + +<p>—Maar ons, arme kunstenmaaksters....</p> + +<p>—Doen de heksen....</p> + +<p>—Neen, de heksen geén kwaad....</p> + +<p>—Charmides! riep uit zijn raam de zieke; hoed u! De Egyptische +kunstenmaaksters zijn zelve heksen!</p> + +<p>Maar de meisjes tolden lachende om elkaâr rond. <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e377" href="#xd0e377">23</a>]</span></p> + +<p>—Zijn jullie heksen? vroeg ik.</p> + +<p>—Wij weten alleen liefdedrank te bereiden, maar meer heks zijn +wij niet, heer....</p> + +<p>En zij lachten en wij spraken over de liefde. Intusschen werden de +flambouwen gedoofd; de menigte vervloeide in de nacht, de kunstenmakers +met den beer verdwenen, de herberg werd gesloten. Ik bevond mij alleen +op het plein. De verbrokkelde muur, waar de beer niet meer danste, +teekende zich af tegen den afschijn der rijzende maan. Maar de wind +blies luguber en de wolken dreven en de platanebladeren ruizelden +neêr en ik hoorde als kleine kindertjes klagen of er zieltjes +zweefden door de nacht.</p> + +<p>Ik naderde mijn wagen. Davus en de voerman rezen op van de +treê.</p> + +<p>—Heer, zeide Davus; de voerman wil niet naar +Thessalië....</p> + +<p>—Is hij bang? vroeg ik.</p> + +<p>—Ja, heer, zei de voerman, bleek. Wij hebben te veel gehoord, +van Thessalië, alleen reeds dezen enkelen avond. Ik keer morgen +terug naar Argolis.</p> + +<p>—Je bent de slaaf van mijn vader, zeide ik. Je bent mijn +slaaf. Geeselen zal ik je laten, wanneer je weigert den wagen te +mennen.</p> + +<p>—Zoo laat mij dood geeselen, zeide de voerman. Maar ik men den +wagen niet naar Thessalië....</p> + +<p>Ik haalde mijn schouders op.</p> + +<p>—Ga nu slapen, zeide ik. Gaat slapen, allebei. Morgen brengt +de Dageraad nieuwen raad.</p> + +<p>Zij zouden voor in den wagen slapen. Zij sliepen dadelijk. Ik, in +den ruimen wagen, strekte mij op kussens ter ruste. Maar sliep niet. +Mijn slapen bonsden. Ik zag den driesprong <span class="pagenum">[<a +id="xd0e402" href="#xd0e402">24</a>]</span>der wegen en het beeld van +Hekate, wier drie hoofden af lieten van den romp en toen drie heksen +werden.</p> + +<p>Langs den wagen sloop in den flauwen maneschijn een schim. Ik keek +uit.</p> + +<p>—Heer! fluisterde Fotis. Uw beide slaven slapen.... Daarom kom +ik u waarschuwen, dat, zoo gij naar Thessalië gaat, gij goed doet +een talisman om uw hals te dragen....</p> + +<p>—Kom binnen, noodde ik Fotis. Kom in den wagen en waarschuw +mij beter....</p> + +<p>Om den wagen ruischte geheimzinnig de wind en vielen de +platane-bladeren en Davus en de voerman snurkten.... Voor het herbergje +rammelde telkens het uithangbord:</p> + +<div class="q"> +<p class="aligncenter">IN DE PYTHIA.</p> +</div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="xd0e416" href= +"#xd0e416">25</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">III.</h2> + +<p>Toen Fotis mij op zeer bevredigende wijze gewaarschuwd had en mij +een weldadige amulet om den hals had gehangen, slipte zij weg door het +eene portier van mijn reiswagen en verdween als een schim in de nacht +„In de Pythia”.... Maar op dit zelfde oogenblik hoorde ik +murmelen aan het andere portier:</p> + +<p>—Heer! Heer Charmides! Gij, die in purper en parels +reist....</p> + +<p>Ik lichtte den voorhang op en herkende Demea.</p> + +<p>—Wat is er, Demea....?</p> + +<p>—Heer, zeide Demea; als ik niet gezien had, dat Fotis, die +minne herbergmeid, in uw reiswagen was binnen geslopen....</p> + +<p>—Om mij te waarschuwen, zeide ik; voor de heksen van +Thessalië....</p> + +<p>—Dan zou ik, zeide Demea, een weinig verbolgen; en +béter dan zij, u hebben willen waarschuwen voor die zelfde +heksen en u een filter hebben willen geven, die onthekst, wie ook +behekst is geworden....</p> + +<p>—Kom dan binnen, lieve Demea, noodde ik; want het terrein is +nu vrij.... en door jou laat ik mij gaarne beheksen en ontheksen +beiden.</p> + +<p>—Heer, zeide Demea; ik ben een kind van de vrije luchten, en +dochter van de zanden en het stof van de <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e438" href="#xd0e438">26</a>]</span>wegen en achter den voorhang +van een reiswagen, met twee ronkende slaven in elkanders rug, +voór op den bok, geef ik mijn filter u niet. De woestijn was de +kamer, waar mijn moeder mij baarde, de Sfinx waakte over mijn +kinderspel, de maan is mijn nachtlamp en het starbezaaide firmament is +het koepeldak van mijn eindeloos pavillioen.</p> + +<p>—Demea, zeide ik; je hebt dat alles heel mooi en rhetoriesch +gezegd; het laat mij denken aan een tirade uit Seneca, den +treurspeldichter en ik ben bereid je te volgen waar je mij voeren wilt, +in welke ook van je ruime slaapsaletten onder de gouden sterren....</p> + +<p>—Kom dan meê! lonkte Demea.</p> + +<p>Ik richtte mij op uit de kussens, wipte uit den wagen en vroeg:</p> + +<p>—Waarheen....</p> + +<p>—Volg mij, lokte Demea, vol onweêrstaanbare verleiding, +en oogen als gloeiende offerkolen.</p> + +<p>Ik volgde haar. Ik voelde even of ik mijn Syrischen dolk bij mij +had, in mijn gordel, en Demea zweefde mij voor, steeds om ziende, +lachende, of ik wel volgde. Wat was zij luchtig en vlug, de kleine +boogschutster, die met de teenen richtte en af trok haar pijl. Zij was +zoo vluchtig als een vizioen voor mij. Zij voerde mij, ter zijde van de +herberg, oogenblikkelijk in een verwilderd woud. De wind ruischte +klagelijk door de takken en boven ons zeilde de maan de drijvende witte +wolken in en uit over den hemel der nacht. De schaduwen lagen, slechts +even doorschemerd, ter zijde van het pad als groote, zwarte +monsterbeesten gestapeld....</p> + +<p>—Heks!! riep ik. Demea! Ben je al een heks, al ben ik nog niet +in Thessalië??</p> + +<p>—Mijn moeder was een heks! riep Demea. En een heks <span +class="pagenum">[<a id="xd0e456" href="#xd0e456">27</a>]</span>zal ik +worden als zij, wanneer de groote Bok mij roept! Kom, kom!</p> + +<p>Ik kon niet weêrstaan. Ik volgde haar, terwijl zij voort +zweefde en lokte en lonkte.... Ik zag niets dan, door de schaduw, den +schemer, schitteren hare kole-oogen en soms leek het mij, zag ik +schitteren haar glimlach als om een bloemmond van roode sulfer. +Plotseling stond zij stil op een opene vlakte. Er rezen enkele +verbrokkelde muren, de geknotte zuilen van een portiek.</p> + +<p>—Waar zijn wij? riep ik verwilderd.</p> + +<p>Demea naderde mij en riep tragiesch:</p> + +<p>—Wij zijn in de ruïne van den grooten Tempel! zeide zij. +Eenmaal rees hier het Heiligdom gewijd aan den goddelijken +Boogschutter, dien ik dien maar met mijn voeten. Eenmaal zat +hièr—zij wees mij in het midden een ronde, steenen +plek—de Pythia op haar drievoet, dronken van lauriersap en geuren +en zij zeide de heilige Orakels. En waar dit alles eenmaal was, zal ik +dansen mijn dans van beheksing, ontheksing!</p> + +<p>Zij danste. Tusschen de geknotte zuilen danste zij in den +maneschijn, die heller en heller den hemel uit gleed. Zij danste. Zij +danste in blauwe en grauwe en blanke sluiers en zij was als een spiraal +van geurwalm uit een geurvat. Zij wirrelde als een ijle, dunne wolk, +die verijlde in de nacht. Zij veronwezenlijkte als een tooverdamp. Zij +deed de vervoerende heiligschennis op de heilige plek van Delfi. Ik was +mijzelve niet meer:</p> + +<p>—Demea! riep ik en opende de armen.</p> + +<p>Demea’s armen sloten zich om mij rond. Zij nam mij als op in +de dronkenschap van haar dans. De sterren schenen te regenen in een +vloed van vuur over de ruïne van den <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e472" href="#xd0e472">28</a>]</span>Tempel en uit de maan vloot een +zilveren zee en overgolfde hemel en aarde. Toen ik bij kwam, bood Demea +mij een albasten fiool, zoo lang en smal als een vinger....</p> + +<p>—De filter.... zeide zij; die onthekst....</p> + +<p>—Geef ik je geld? vroeg ik en nam de fiool.</p> + +<p>—Purper en parels! lachte zij. Geef mij purper voor een keurs +en een parel gelijk aan een peer!</p> + +<p>Zij geleidde mij lachende terug door het woud naar den wagen. Ik +voelde als wraakgodinnen achter in mijn rug, om de heiligschennis +gepleegd. Op het plein weifelde reeds de nacht... Davus vond ik +ontwaakt.</p> + +<p>—Heer, zeide hij; de voerman is ontvlucht....</p> + +<p>—Wij zullen wel zien, zeide ik, bijna onbewust.</p> + +<p>Ik zocht in mijn wagen, in twee, drie valiezen....</p> + +<p>—Hier, zeide ik tot Demea; is een staal van purper van +Thiatyra, allereerste kwaliteit. Maar het is niet zoo purper als je kus +was, Demea....</p> + +<p>—Het is purper genoeg voor een keurs, zeide Demea.</p> + +<p>—En hier, toonde ik; is een parel, heel groot, gevormd als een +peer, maar....</p> + +<p>—Maar wat, heer?</p> + +<p>—....niet echt, zeide ik. Ik reis niet met èchte +parels. Deze parels zijn de monsters slechts van de echte parels, die +mijn vader verkoopt. Zij zijn nagemaakt.</p> + +<p>—Een valsche parel, zeide Demea; heeft meer kracht in zich, +want is demonischer en bedriegelijker dan een echte. Ik wil deze +valsche parel!....</p> + +<p>Zij nam purper en parel en plotseling was zij verdwenen.</p> + +<p>—Heer! zeide Davus en knielde in angst voor mij neêr. +Waarheen zondt u uw vader Lyzias in toorn? Waarheen gaan wij! +Thessalië is een land vervloekt, zeggen allen! <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e504" href="#xd0e504">29</a>]</span>Heer, ik ben +bang. Spaar mij! Dat ik niet vluchtte, was, omdat ik u hoedde van klein +jongske af! Ik was iets ouder dan gij! Ik speelde met u en paste op u! +Heer, wees genadig en keeren wij, keeren wij, heer!</p> + +<p>—Ik kan niet, Davus. Ik moèt naar +Thessalië....</p> + +<p>—Het zij dan! zei Davus. Maar de goden behoeden ons! En +behoeden mij, die u mennen zal, als wij geen anderen menner +krijgen....</p> + +<hr class="tb"> +<p>Ik legde mij in den wagen te ruste, en ik sliep op mijn kussens en +tusschen mijn stalen van purper en <span class="letterspaced"> +bombyx</span> en monsters van wierook en valsche parelen als de +onschuld zelve. Want de Onbewustheid was in mij en om mij en ik leefde +het leven als een groot kind hoewel er somtijds, plotseling, in mij als +een vermoeden zich wekte, dat ik niet goèd leefde.... Dit +vermoeden was dan heel vaag, als een doortrekkende lijn van weemoed, +door mijn brein heen, waarna mijn ziel in mij zwaar woog van een matte +ontevredenheid en dàn verlangde ik ingewijd te worden in de +mysteriën van Eleuzis.... Maar nu sliep ik en ik dàcht niet +meer aan Fotis en Demea, aan de vrouwen van <span class="corr" id= +"xd0e517" title="Bron: Boeotië">Bœotië</span> en +Korinthe, aan de verlaten matronen van Epidaurus.... Maar ik +droomde.... Voor mij verscheen, streng, een glanzende godin, en zij +schudde afkeurend het hoofd.... Ik werd wakker, verschrikt en zag om +mij rond. De morgen gloorde zacht over het modderig pleintje; de dikke +herbergierster stond op den drempel.</p> + +<p>Ik betaalde en Davus spande de vier frissche postbuffels voor. Hij +zoû mijn menner zijn want er was er geen te huren, die naar +Thessalië wilde. <span class="pagenum">[<a id="xd0e522" href= +"#xd0e522">30</a>]</span></p> + +<p>—Het is overdreven, heer, meende de herbergierster; er +gebeuren misschien wel eens vreemde dingen in Thessalië, maar niet +iedereen wordt er behekst! Hoeveel reizigers komen hier niet, die uit +Thessalië komen en wie nièt is gebeurd, wat Crito, Chremes +en Aristomenes meenen, dat hun gebeurd is! Maar bij wassende maan +huilen de honden, die zijn Hekate gewijd en dan zijn de menschen banger +dan later in de maand....</p> + +<p>Wij gingen. Het was nu een lieflijke morgen, bepareld van dauw. De +wagen rolde op zijn vier groote, goed gesmeerde wielen gelijkmatig over +den gladden weg en de glanzende postbuffels, vier, trokken statig en +stevig. Wij overschreden den grens van Locris. Wij reden vier dagen en +rustten in veilige gehuchten des nachts. Voor roovers was geen reden te +vreezen. Angst had ik voor roovers noch heksen. Het waren echter de +eerste herfstdagen, vol huiveren wind. Na het heerlijke morgenuur werd +de middag somberder en de regenvlagen, schuin, striemden wel eens de +altijd straf trekkende buffels. Ontmoetingen hadden wij niet dan de +gewone, langs den heirweg.... Een <span class="letterspaced"> +centuria</span> lichte cavalerie, die zich naar Amfissa begaf, haalde +ons in. Uit mijn wagen wisselde ik eenige woorden van begroeting met +den <span class="letterspaced">centurio</span>. Maar wij spraken niet +van heksen. Bedelpriesters van de Groote Godin, Rheia Kubele, geleidden +hun ezel, op wiens rug gesnoerd, in een kastje, het heilige beeldje. Ik +wierp den priesters wat penningen toe. Des nachts sliepen wij in de +herbergen: niet altijd waren de dienstmeisjes er hare eigene +grootmoeders, neen.... Frissche postbuffels waren steeds te verkrijgen: +de postdienst naar Thessalië was er goed geregeld. Het was toch +ook een rijke landstreek, Thessalië: na Hypata waren er <span +class="pagenum">[<a id="xd0e533" href= +"#xd0e533">31</a>]</span>Farsalus, Fecæ, Larissa, de prachtig +welvarende steden. Hypata.... de eerste stad.... die scheen wel het +heksennest te zijn, naar wat ik gehoord had....</p> + +<p>Den vierden dag was het herfstweêr somberder dan te voren. De +anders dauw-gedrenkte, zonnige morgen was regen-gedrenkt en met mist +overwaasd. Ik huiverde toen ik den wagen besteeg. Maar te blijven in +dit kleine gehucht.... Het was ondoenlijk. De verveling grijnsde er mij +tegen. Wij gingen. Davus, zwijgend, mende. Wij aten, onderweg, in den +wagen. Telkens regende het, striemden de regenstralen. De weg was een +lang, lang moeras van modder....</p> + +<p>—Davus, zeide ik; de avond valt: wij moeten spoedig onze halte +naderen....</p> + +<p>—Heer, zeide hij; ik zie niets dan den weg zich strekken, +eindeloos....</p> + +<p>—Heb je niet vergeten rechts in te slaan, bij den vijftienden +mijlpaal?</p> + +<p>—Neen, heer, bij den vijftienden mijlpaal ben ik rechts +ingeslagen: ge sluimerdet toen even, geloof ik....</p> + +<p>—Rijd dan maar door....</p> + +<p>Hij reed door. Geen eind kwam er aan den weg. Het was er, in den +weeklagenden wind, zoo eenzaam, dat roovers geloof ik, mij welkom waren +geweest, als reisgenooten en kameraden. De nacht grauwde met groot +wolkgevaarte, zwaar van regen, boven de velden, de vlakte, den +vervalenden horizon met verre dalen en heuvelende hellingen. In de +veerte streepten zwart de regenstralen schuinende tegen de duistere +kim. De wind loeide uit het Westen aan met een huilende woede over den +weg, waarin telkens de wagen bleef steken, in de diepe moddervoren, +waaruit nauwlijks de buffels het <span class="pagenum">[<a id="xd0e549" +href="#xd0e549">32</a>]</span>voertuig naar voren weêr trokken, +vooruit.... Vooruit.... Noodweêr omwoelde het land. Nat werd ik +in den wagen, trots wollen mantel en deken: de voorhangen flapperden op +als natte lappen en klapperden om mijn ooren. Plotseling zeide +Davus:</p> + +<p>—Heer, ik geloof toch, dat ik mij heb vergist. Wij moesten +geen driesprong van wegen meer ontmoeten en ik zie.... ginds, +vóor mij, is een driesprong.... Welken weg nu te nemen, +heer?!</p> + +<p>Ik keek uit langs zijn schouder. En ik zag, als een bleeke star, +liggen op den grond voor mij den driesprong. De weg, dien wij gingen, +mondde er heen. Twee andere wegen schoten er uit, als witte stralen, en +vervaagden weg, links en rechts, in regen en veerte. De lucht er boven +was zwart en zwaar van dreiging en onheil.... Dikke wolken dreven en +woelden dooreen als met draaikolken en de wind scheen er dreigend door +heen te joelen en er boven in het rond te wirrelen. En midden op den +driesprong rees, op een korte zuil, een beeld. Ik herkende het als de +driehoofdige Hekate, de drie hoofden gedekt met de Frygische muts, +slangen, fakkels en messen in de zes handen geheven. Om het beeld, op +het altaar, smeulde, nog in den regen, de offerande: de half verkoolde, +drie zwarte honden, klaarblijkelijk dien morgen geofferd....</p> + +<p>Davus riep:</p> + +<p>—Heer! Heer! Zie! De driesprong, dien wij vermijden wilden! +Het beeld, het verschrikkelijke beeld! De godin, heer, der Toovermaan +en der heksen! Help mij, heer, sta mij bij!! Heilige goden, gij allen, +staat ons bij, staat ons bij!!</p> + +<p>Hij riep het, door den huilenden storm. Zijn zwakke kreet verwoei. +Ik was opgerezen. Een geweldige windvlaag <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e561" href="#xd0e561">33</a>]</span>woei den wagen schuin ter zij +van den weg. De rampzalige buffels, mede getrokken, loeiden, aan den +storm gelijk. Uit gesprongen, stond ik in de modder. Ik zag op. Boven +mijn hoofd, in de zwarte draaikolk der wirrelende wolken, warrelden +allerlei wilde gedrochten. Het waren vleêrmuizen met +vrouwegezichten om een reusachtigen vampyr, die met vale fosforoogen +loenschte. Het waren vleugels, vlerken, klauwen als van harpijen, door +elkaâr verward en Davus, krankzinnig van angst, was aan mijn +voeten neêr gevallen, en school in de slip van mijn mantel, +terwijl om mijn hoofd, in een cirkel, de afschuwelijke gedrochten te +zamen drongen... <span class="pagenum">[<a id="xd0e563" href= +"#xd0e563">34</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">IV.</h2> + +<p>Ik ontrukte op dat oogenblik aan den bezwijmden knecht de zweep, die +hij nog in de hand hield geklemd en cirkelde met den langen geesel in +de lucht, om mijn hoofd. Het was vreemd, maar ik geloofde nog niet aan +heksen. Ik geloofde aan storm en aan vreeslijke stormvogels en aan +reuzevleêrmuizen, zoo als ik er nimmer nog had aanschouwd, maar +ik geloofde niet aan heksen. En ik poogde met mijn lange zweep de +gedrochten mij van het lijf te houden. Ik voelde echter, dat ik dit +niet lang zoû kunnen. Daarom wierp ik de zweep in den wagen en de +afschuwelijke vleugels en vlerken sloegen mij om het hoofd, geeselden +mij op hun beurt. Wat vermag echter een jonge, sterke man veél +in de uiterste oogenblikken van bijna niet te begrijpen gevaar: wat een +kracht hebben de goden den mensch in gegeven, kracht, die +vertienvoudigd hem schijnt als een uiterste poging gedaan moet worden! +Want ik, ik had de kracht mijn bezwijmden Davus op te tillen en hem in +mijn mantel binnen in den wagen te werpen. De buffels, ook geslagen +door de vlerken en vleugels, brulden van smart en wanhoop maar ik greep +den voorste de leidsels en leidde hen in het rond om den driesprong +heen. Ik voelde, dat ik óver den driesprong—ter zij van +het beeld, dat mij scheen te bewegen, te grijnzen, bezield te worden, +in drie wezens zich te verdeelen!—onmogelijk buffels en wagen +zoû kunnen <span class="pagenum">[<a id="xd0e569" href= +"#xd0e569">35</a>]</span>geleiden. Maar om den driesprong rond, even +buiten den toovercirkel, die daar beschreven scheen, rukte ik de +buffels voorwaarts, terwijl ik voelde, dat ik vooruit moest en niet +achteruit—den weg terug—zoû kunnen gaan! O, hoe ik +het betreurde niet ingewijd te zijn in de mysteriën van Eleuzis! +Dàn had ik één woord van bezwering kunnen roepen, +eéne beweging kunnen maken, die... Hèksen? Neen, toch +geen heksen! Maar wel afschuwelijke gedrochten...!</p> + +<p>Plotseling daalde uit den schreeuwenden, huilenden troep, voor mij, +een harpij. Zij was een verschrikkelijk wezen: een vogelvrouw was zij; +haar gelaat was dat eener van hartstocht verteerde vrouw; ros roode, +ruige veêren stonden gloeiend in fosforschijn uit op haar kale +kruin, hare gele oogen schroeiden als vuur de nacht; hare wijde, zwarte +mond lachte monsterlijk; zij had vleugels en vogelpooten; rood, zwart, +geel scheen haar geveêrte en uit zoo veel geveêrt stond +naakt van vleesch uit hare vrouweborst met het vel van een geplukte +kip. Zij had, behalve vleugels, ook armen, lang en mager, met +vogelklauwen, scherpe. En zij stond voor mij en lachte.</p> + +<p>—Ga weg!! riep ik, en trok de buffels, die brulden, met de +eene hand om de leidsels en cirkelde de zweep met de ander.</p> + +<p>Zij huilde een kreet en riep:</p> + +<p>—Kom meê! Kom meê!! Kom meê!!!</p> + +<p>En zij strekte de klauwen uit: er bleef steeds fosforglans om haar +heen... Ik sloeg haar met de zweep, die cirkelde om haar harpijelijf. +Zij danste razende in mijn zweepkronkeling op en te gelijker tijd riep +zij tot de andere gedrochten, die drongen, te gaan, te gaàn, te +gààn! Zij wilde mij alleen! Maar ik zwiepte en trok de +buffels, in het rond, om den <span class="pagenum">[<a id="xd0e581" +href="#xd0e581">36</a>]</span>driesprong. De rampzalige beesten +begrepen: zij trokken uit alle macht... Ik voelde de klauwen der harpij +streelen aan mijn wang en strikte snel het touw van de zweep om haar +hals, om haar te worgen. Zij krijschte van woede en pijn en ik +gevoelde, dat zij niet almachtig was, vermoedelijk omdat zij beheerscht +werd door haar hartstocht voor mij en hare gedachte zich inspande mij +op te voeren in de luchten, in de stormwolk. De buffels hadden nu het +derde gedeelte van den tooverban om getrokken en wij waren den tweeden +weg van den driesprong genaderd... Ik rukte het gespan op den weg, die +vaag slechts blankte in de stormnacht. Maar in mijn zweepstrik hield ik +nog steeds de harpij omworgd bij den hals...</p> + +<p>Zij poogde zich te bevrijden en zij kon niet en lachte... En zij +riep als een behaagzieke vroouw:</p> + +<p>—Omdat ik niet wil! Omdat ik niet wil! Je hebt mij gevangen +omdat ik mij vangen wil laten! Ik kan wel, ik kan wel, maar ik wil +niet, ik wil niet! Mooie jongen, ik heb je zoo lief! Ik wil je, ik wil +je: kom meê, kom meê!</p> + +<p>Ik trok echter de buffels, liet ze toen los, en lokte ze voort en ze +draafden bijna, de brave beesten, terwijl ik in den zweepstrik steeds +de harpij mede trok. Ginds, achter ons, scheen nu de vreeslijke +driesprong niet meer dan een samenvloeiing van wegen in duistere +onweêrsnacht van draaikolkende wolken vol huilende vogels... Maar +niet meer. „Eleuzis! Eleuzis!” bad ik. „Ceres en +Hermes! Behoedt mij!” En het scheen of die gedachte aan de goden +macht mij gaf en meerdere kracht. Het stortregende en de harpij +krijschte steeds, in mijn zweep geworgd, behaagziek:</p> + +<p>—Ik kan wel, maar ik wil niet vrij! Mooie jongen, kom +meê! Kom meê! <span class="pagenum">[<a id="xd0e591" href= +"#xd0e591">37</a>]</span></p> + +<p>Toen trad ik op haar toe, greep haar bij den klauwpols, ontwirrelde +vlug mijn zweepstrik en hief den geesel dreigend op... Liet haar +los...</p> + +<p>—Wèg! riep ik. Wèg!!</p> + +<p>Zij wilde zich op mij werpen, maar ik zwiepte haar. Hare klauw brak +mij het lange zweeptouw. En zij lachte afgrijselijk... Maar ik zwiepte +haar steeds en sloeg haar met den stok van de zweep. Haar klauwen +voelde ik al in mijn rug. Ik greep haar bij den strot... Ja, nu worgde +ik haar: ik voelde het.</p> + +<p>—Goden van Eleuzis! riep ik. Staat mij bij...!!</p> + +<p>Wij vochten nu samen, gevallen in de modder des wegs. Ik had haar +bij een vleugel gegrepen en wrikte den vleugel om. Zij slaakte een +razenden kreet en rukte zich op. Ik greep haar bij den vogelpoot en +bràk dien... Zij gilde den storm te boven, en viel +neêr.... Maar ik haastte mij naar den wagen, sprong op den +bok...</p> + +<p>—Hoè! Hoè! riep ik tot de buffels: hoe de brave +beesten begrepen!</p> + +<p>Maar achter mij, door het slik, sleepte de harpij zich voort.</p> + +<p>—Ah! Ah! Ah! krijschte zij in woede. Mijn vleugel, mijn +vleugel heb je ontwricht! En mijn poot, en mijn poot heb je gebroken! +Ik vloek je, ik vloek je, ellendige knaap! Ezel, die je bent, om mijn +min te versmaden! Jij, die niet weet wat mijn liefde is! Jij, die mint +iedere herbergmeid! Ezel, die je bent en weêr worden zal, iederen +keer, dat je ooit weêr verliefd zal worden!</p> + +<p>Ik keek om, uit. De harpij was opgerezen en hinkte mij achterna met +haren lammen poot en eén vleugel op, de andere neêr +hangend, gebroken, slap. De regen stroomde... <span class="pagenum">[<a +id="xd0e610" href="#xd0e610">38</a>]</span></p> + +<p>—Ezel, die je was en weêr worden zal, iederen keer, dat +je ooit weêr verliefd zal worden op een ander dan mij, op een +ander dan mij! riep de harpij.</p> + +<p>Toen zonk zij in een, op den weg, en huilde naar den hemel op.</p> + +<p>De regen stroomde. De buffels hijgden.</p> + +<p>—Hoè! Hoè! riep ik...</p> + +<p>Waar ging ik heen, in de nacht. In de donkere onheilsnacht?</p> + +<p>—Goden van Eleuzis! riep ik. Geleidt mij!</p> + +<hr class="tb"> +<p>Ik mende. Ik mende, geloof ik, die geheele nacht, werktuigelijk. In +den wagen lag Davus, bezwijmd... Maar ik liet hem, zorgde alleen, +verder en verder te komen. Ik voelde mij tot stervens moede, mijn wang +bloedde en ook over mijn rug voelde ik het bloed tappelen: zoó +had de harpij mij hare verliefde klauwen in het vleesch geslagen. Maar +wat het vreemdste was, was, dat mijn rechterhand, die haar bij den +strot had gegrepen, om de leidsels in de nacht steeds lichtte als van +een valen fosforglans! Hoe ik ook wreef en veegde, de fosforglans bleef +er om lichten. Onderwijl mende ik. De storm scheen gedaan, maar de +nacht bleef zwart en de weg was niet meer dan vage, eindelooze bleekte, +die zich verloor naar den horizon toe... Eindelijk, tegen den eersten +schijn van den nieuwen morgen, zag ik, ginds, als een pleisterplaats. +Ja, gelukkig: het was de posthalte, bij den vijf-en-twintigsten +mijlpaal. Er was een herberg; ik zag het gedoe der stalling voor de +postbuffels. Ik klakte met mijn kapotte zweep. Slaven keken uit; de +postmeester-waard verscheen op den drempel. Ik naderde <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e627" href="#xd0e627">39</a>]</span>eindelijk, +eindelijk, ten doode vermoeid. Er was begroeting. Ik toonde mijne +papieren: „Charmides, zoon van Lyzias van Epidaurus, +handelsreiziger, op weg naar Thessalië, gehuurd hebbende vier +postbuffels, wordt gemachtigd bij de halte van den vijf-en-twintigsten +mijlpaal deze buffels te verwisselen voor wederom vier +postbuffels...”</p> + +<p>—Ze zien er afgetakeld uit, heer Charmides! zei de +postmeester, naar de uitgeputte dieren kijkende.</p> + +<p>—Ik ben zelve ook afgetakeld, postmeester! zeide ik. En mijn +knecht niet minder: die ligt in den wagen voor dood. Wij hebben zoo +veel van den storm te lijden gehad, dat ik dacht nooit te zullen aan +komen.</p> + +<p>—Storm? vroeg de postmeester verbaasd. Nu ja, het heeft wat +gewaaid...</p> + +<p>—O niet meer? vroeg ik en ik weet niet waarom, maar zeide hem +niets van de harpij en de heksen: de heksen, waaraan ik nu wel +geloofde. Nu, op den laatsten driesprong, was het toch wel heel bar +weêr!</p> + +<p>—Op den driesprong, heer Charmides? vroeg de postmeester en +verbleekte. Was het daar toch... wel bàr weêr??</p> + +<p>Hij keek mij met bedoeling aan, maar ik zeide alleen:</p> + +<p>—Ja, het woei er nog al en het regende. Davus! riep ik. Davus! +Ben je wakker??</p> + +<p>—Waar ben ik? vroeg Davus met zwakke stem.</p> + +<p>—Bij de posthalte, antwoordde ik. Kom Davus, kom bij en sta +op...</p> + +<p>—Wat is er gebeurd? vroeg Davus, wankelend uit den wagen +komend.</p> + +<p>—Je bent van schrik bevangen, zeide ik; door dien plotselingen +storm. Je bent bezwijmd en ik heb maar zelf gemend... <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e651" href="#xd0e651">40</a>]</span></p> + +<p>—Heer! zeide Davus, een schim gelijk. Was het alleen storm of +waren het...??</p> + +<p>—Kom, Davus! zeide ik ruw. Word helder. Eet eerst wat en ga +dan naar bed. Wat heb ik aan een knecht, die bezwijmt om donder en +weêrlicht, zoo dat ik zelf moet mennen...</p> + +<p>De postmeester liet de buffels uitspannen, stalde mijn wagen, borg +mijn bagage. Hij had eén kamer, voor mij en Davus. In mijn +kleinen, metalen reisspiegel zag ik, dat ik er uit zag, als Davus, een +schim gelijk!</p> + +<p>—Postmeester, zeide ik. Wij zijn moê. Ik zoû niet +gaarne morgen weêr voort willen trekken. Ik moet naar Hypata en +de weg is lang. Ik wensch een paar dagen hier te toeven. Kan dat?</p> + +<p>—Voorzeker, heer Charmides, zeide de postmeester. Uw kamer is +de uwe, voor u en uw knecht. Ik heb nog enkele andere kamers en slechts +twee gasten, die de mooiste kamers bewonen: dat is Demifo met zijne +vrouw Nausistrata; zij zijn hier met groot gevolg van slavinnen en +slaven en op weg naar Lamia, waar een aanzienlijke erfenis hun ten deel +is gevallen. De reizigers, die dezer dagen zullen komen en gaan, kan ik +altijd wel onder dak brengen, ook al blijft ge langer toeven dan +meestal een reiziger toeft.</p> + +<p>Ik bedankte den postmeester, ik at, Davus verzorgde mijne wonden; ik +sliep, ik ging daarna in gepeinzen den weg op. Het was een namiddag van +zilveren licht, gezeefd door zacht grauwe najaarswolk en er beefde een +oneindig weemoedige teederheid door de luchten, die zich weefden boven +den weg en over de velden en weiden. Ik liep den weg af; dankbaar dacht +ik aan de goden, die mij hadden <span class="pagenum">[<a id="xd0e664" +href="#xd0e664">41</a>]</span>behoed. Er was als een klare kalmte in +mij, een lief, teeder gevoel vol schoonheid, zoo als somtijds mij, +trots al mijne lichtzinnigheid, doorvaren kon. Niemand liep over den +weg: het was er de eenzaamheid, de weemoed, de schoonheid. Ik weet niet +welke vreemde rust mij omgolfde. Toen zag ik als een zilveren +zee...</p> + +<p>Het was, ter zij van den wit stoffigen postweg, een wijd veld, vol +gebloeid van zacht stralende zilverasters. De duizenden bloemen, met +bloembladeren als lichtende straaltjes, verdrongen zich dicht tegen +elkaâr en onafzienbaar in weligsten bloei. Het was of de geheele +hemel al zijne sterren dien middag had neêr gezaaid over de +aarde: het veld scheen als met sterren bezaaid, die zacht, zacht zilver +straalden. De sterren stonden op de hooge stelen uit en er was meer +gebloemt dan gebladert. Het woekerde er van zilveren sterren. O, wat +waren het mooie, zacht glanzende bloemen en zóó velen, +dat het een sprookje van sterren en bloemen scheen! Een oude tuinman, +met spâ in de hand, zag mij komen en groette.</p> + +<p>—Wat heerlijke bloemen! bewonderde ik. Wie kweekt ze hier?</p> + +<p>—De Isispriester Clitifo, zeide hij; die woont ginds, +vèr, in dat eenzame huis, waar hij vaak in overpeinzingen +maanden blijft....</p> + +<p>—Waarom kweekt hij ze? vroeg ik.</p> + +<p>—Het zijn weldadige bloemen, zei de oude tuinman. De +zilverasters zijn weldadige bloemen. Zoo heilig als de Lotos zijn zij +niet, maar zij bezitten toch de wondere kracht...</p> + +<p>—Welke dan? vroeg ik.</p> + +<p>—Die der ontheksing, zeide de tuinman. Dit is het gezegende +veld... <span class="pagenum">[<a id="xd0e680" href= +"#xd0e680">42</a>]</span></p> + +<p>Ik herinnerde mij Fotis’ talisman, voelde aan mijn hals, maar +de talisman was verdwenen, vermoedelijk mij door de harpij ontrukt. En +ik herinnerde mij Demea’s filter, die ook onthekste...</p> + +<p>—Zijn hier dan werkelijk heksen?</p> + +<p>—Heer, zeide de tuinman. Gij zijt in Thessalië. Gij +nadert Hypata: een mooie, rijke stad, maar vol slechtheid. Hoewel +Hekate, in zich, geen slechte godin is, zijn velen die haar aanbidden, +slecht. Heer, daarom kweekt mijn meester de zilverasters...</p> + +<p>Ik zag rond over het stralende veld. De bloemenweide strekte zich +uit, tot aan den horizon, bloem tegen bloem, zilveren aster tegen +zilveren aster, glanzende ster tegen glanzende ster.</p> + +<p>—O, zaligheid! dacht ik. Zalig als de Elyzeïsche velden! +Zoû ik u altijd langs mijn weg ontmoeten?</p> + +<p>De oude tuinman glimlachte mij toe: het scheen mij, dat hij mijne +gedachte raadde.</p> + +<p>Een zachte wind stak op en voer door de zilveren bloemen als met een +grauwende golf, die weêr op schuimde en blanker verstraalde... Ik +had nimmer schooner en zaliger tuin aanschouwd. <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e695" href="#xd0e695">43</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">V.</h2> + +<p>Toen keerde ik op mijn passen terug... En er was als een zilverreine +effenheid in mijn gemoed.</p> + +<p>Plotseling schokte ik op uit die weldadige stemming. Voor de +posthalte stond een groote vrouw: zij was in een rijk plooiende, +donkergroene palla gehuld, die, over haar hoofd heen getrokken, haar +den rug, dien zij mij toegekeerd hield, omgoot in een nauwte van +gebeeldhouwde lijnen, weg golvend over haar eveneens rijk plooiende +stola en een puntige, ronde reishoed van riet beschaduwde het reeds in +palla-slip omlijste gelaat, drie-kwart gekeerd naar mij toe. Zij zag +mij niet... Toen ik naderde, bespiedde ik, hoe hare zeer donkere lokken +langs haar roomblank gelaat neêrvielen als met twee donkere +druiventrossen. Met een grooten reiswaaier van palmblad beschutte zij, +opgeheven de eene arm, uitkijkende, zich den blik... De ondergaande zon +wierp een halo van wemelend stofgoud om haar heen, waar zij stond op +den wit stoffigen weg. Mijn hart klopte naar mijn keel, ik had nooit +nog zoo een heerlijk schoone vrouw gezien!! Haar boezem deinde lichtjes +in den, met den anderen arm er overheen getrokken, mantel, die, groen, +glanzende gouden vegen pakte... Wat waren er toch mooie vrouwen ter +wereld!!! Wat was deze betooverend schoon...!</p> + +<p>En ik naderde haar... Mijn gemoed was zóo fel bewogen, dat +mijn oogen knipten verblind, dat mijn lippen <span class="pagenum">[<a +id="xd0e705" href="#xd0e705">44</a>]</span>en keel droog voelden... Ik +naderde haar... Schielijk zag ik even rond, of iemand mij gade sloeg... +Er was niemand, noch op weg, noch voor herberg, dan zij en ik, dien zij +niet zag... En de gedachte schoot snel door mij heen haar te zeggen: +Vrouwe, gij zijt schoon en ik heb u lief: wilt ge de mijne zijn...?</p> + +<p>Ik naderde, ik was genaderd, haar geur bedwelmde mij heviger. En +reeds wilde ik de lippen openen om te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon +en... toen ik plotseling mij bewust werd door een vreemde kracht buiten +mij? in mij? voor-over te worden geduwd, gedrongen, gedrukt, zoodat ik +den rug moest buigen en met de handen viel over den grond voor over. En +te gelijker tijd opende ik de lippen, fluisterend, maar in plaats dat +ik fluisterde:</p> + +<p>—Vrouwe, gij zijt schoon... kwam er een heesch, schor, vreemd, +mijzelf onbekend en onaangenaam aandoend geluid uit mijn keel en balkte +ik, een ezel gelijk:</p> + +<p>—Hi-ha: rouwe, rij rijt roo...oon!</p> + +<p>Met zulk een verschrikkelijk, toch fluisterend gekrijsch als alleen +een verliefde ezel zoû kunnen slaken, die een ezelin voor zich op +weg of weide zag...</p> + +<p>De schoone vrouw verschrikte hevig, slaakte een doordringenden gil +en vluchtte, omziende, de herberg in, roepende:</p> + +<p>—Help mij! Help mij! Een verliefde ezel!</p> + +<p>Ook ik schrikte hevig... En steeds stond ik, gebogen, op handen en +voeten en toen...?</p> + +<p>Toen voelde ik, als een niet zegbare na-pijn, dat mijn rug was uit +gerekt, mijn hoofd tot een bek zich verlengd had, mijn handen hoeven +werden, mijn sterke armen sterke <span class="pagenum">[<a id="xd0e723" +href="#xd0e723">45</a>]</span>ezelspooten, mijn beenen ook, dat mijn +ooren groeiden en mijn tanden zich vierkantten tot mozaïeksteenen +zoo groot, dat mijn ruggegraat zich strekte tot een staart, dat mijn +geheele lichaam zich bedekte met een effen grauwe vacht, dat een lange +tong mij de lippen lekte, terwijl geheel dit nieuwe wezen mij vreemd +aan deed en onbehagelijk als niet het mijne, hoewel toch mijn ziel de +mijne gebleven was...!</p> + +<p>Ik was een ezel! Ik was in een ezel veranderd! Ik herinnerde mij, in +een flits door mijn menschelijk brein in ezelekop, de vervloeking van +de harpij, die ik niet meer geteld had dan ijdele woorden, ijdele +bedreiging! Ja, ik was in een ezel veranderd! En van overal, achter om +de herberg, uit de herberg, kwamen de knechten en slaven, kwam Davus +ook, met knuppels gewapend om mij te ranselen: den wilden, vreemden, +verliefden ezel, die Nausistrata, de vrouw van Demifo, had willen +bijten, misschien... misschien wel op eten!!</p> + +<p>Ik hief mijne ezelshoeven van den grond en zette het op een rennen. +Ik rende den postweg af: ik voelde mij groot, sterk, vlug, maar... een +ezel! Ik was een ezel! Maar een ezel met menschegedachte, want ik deed +wat nooit een achtervolgde ezel zoû hebben gedaan: ik verborg +mij, ter zij van den weg, in de hoog strengelende zilverasters van +Clitifo’s tuin en hurkte neêr, onzichtbaar, grauw ik +tusschen de zilveren bloemen...</p> + +<p>Tuin van ontheksing, herinnerde ik mij des tuinmans woord. Tuin van +ontheksing!! Zoû ik werkelijk... Zoû ik werkelijk door +zilverasters kunnen worden onthekst? Was Aristomenes, die door +Meroë van Hypata was behekst in een zwijn, niet onthekst door +roode amaryllis??</p> + +<p>Gulzig sloeg ik mijn ezelebek in de zilverasters, maar <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e733" href="#xd0e733">46</a>]</span>met een gevoel +of ik heiligschennis bedreef. En at ik de zilverasters, brak ik ze af +met mijn ezeletanden, verslond ik de heilige bloemen... Het was +allervreemdst maar, te gelijker tijd, dat op den weg, in een van +laatste zonnegoud doorpoeierde stofwemel, de slaven en Davus met +knuppels aan liepen, rukte een magische kracht mij omhoog op de +achterhoeven, voelde ik mij krimpen, rilde een koorts mij over de +leden, voelde ik mijn staart verkrinkelen, mijn ooren verkleinen en +stond ik tusschen de asters, terwijl mijn harige vel weêr mijn +gladde huid en grijze reiskleed verwerd...</p> + +<p>Ik rees uit de bloemen op en Davus en de knechten zagen mij. Een +inwendige stem ried mij te zwijgen over wat er mij was geschied.</p> + +<p>—Wat is er? vroeg ik allen.</p> + +<p>—Heer, zeide Davus; wij zoeken een wilden ezel, die de edele +Nausistrata bijna verslonden heeft!</p> + +<p>—Ik heb, zeide ik; juist een ezel over den weg zien rennen, +maar—loog ik—het was geen gewone ezel. Het was een ezel met +vlerken en hij vloog weg, daar ginds tusschen de olijveboomen en de +heuvels, de lucht in...</p> + +<p>—De lucht in, heer?? riepen ontsteld Davus en de knechten.</p> + +<p>Ik verzekerde het en zwoer bij de goden, godlastering mijn woord +tusschen de goddelijke bloemen, die mij hadden gered. En ging tusschen +de mannen terug.</p> + +<p>Voor de herberg lag de schoone Nausistrata, half bezwijmd nog, in +een leunstoel en haar man, Demifo, en de postmeester en hare vele +slavinnen beijverden zich om haar rond. En Davus riep reeds van +verre:</p> + +<p>—De ezel sloeg vlèrken uit: wij hebben het àllen +gezien <span class="pagenum">[<a id="xd0e751" href= +"#xd0e751">47</a>]</span>en hij verdween in de lucht, daar ginds +tusschen de olijveboomen en de heuvels!!</p> + +<p>—Die ezel wàs geen ezel! riep ik.</p> + +<p>—Neen! riepen alle de knechten en slaven. Die ezel was een +booze geest!</p> + +<p>—O! riep Nausistrata en stond wankelend op. Ik wil weg van +deze euvele plaats! Een ezel, die geen ezel was! Een gevleugelde ezel, +die mij te lijf wilde, vermoedelijk mij wilde ontvoeren door de +luchten! Er gebeuren toch verschrikkelijke dingen in Thessalië! +Als te Lamia ons niet die erfenis wachtte... Demifo! Demifo! Geen uur +blijf ik langer hier!!</p> + +<p>Bevelen werden gegeven. Een uur later vertrokken in drie reiswagens +Demifo en Nausistrata met groot gevolg. Hoewel de nacht viel... Maar +Nausistrata had liever willen vertrekken in de nacht, dan blijven ter +plaatse, waar een gevleugelde ezel misschien nog zweefde door de +betooverde luchten! En hare slaven en slavinnen, die opgepakt in twee +der reiswagens zaten, hadden schelle koperen bekkens en ratels en +rammelaars in de hand en zij maakten er een ontzettend lawaai mede, een +schel klinkend geklinkklank, een getingelingeling van klokjes en een +geboeng-boeng-boeng van cymbalen, om verre de slechte geesten te +houden. Zoo verdween de reisstoet de nacht in tusschen oorverdoovend +gedruisch.</p> + +<p>En viel de stilte van duisternis over de eenzame posthalte aan den +verlatenen heirweg. Alleen, staande voor de deur, keek ik uit. Ginds +blankte een zilveren vaagte, de astertuin... Mijn hart klopte van +beduchtheid... Ik was onttooverd... maar... zoû ik werkelijk +iederen keer, dat ik verliefd werd, in een ezel worden herschapen? +Zoû de vervloeking <span class="pagenum">[<a id="xd0e763" href= +"#xd0e763">48</a>]</span>van de harpij haar invloed doen gelden, +iederen keer, dat ik... Troosteloos verschiet! Ik was zoo jong, zoo +verliefd van aard en...</p> + +<p>Een groote somberheid overviel mij. Drie nachten sliep ik bijna +niet, meende telkens, bij iedere vrouweschim, die rees in mijn droom of +wakende herinnering, dat ik in een ezel veranderde... En voelde ik +mijzelve angstig aan in mijn bed. Den vierden morgen vertrokken wij: +zwijgend mende Davus. Wij gingen door Thrachis, vol heugenis aan den +grooten Held, Herakles, die hier had vertoefd met Deianeira. De Mythe +zweefde als een onsterfelijke godin in de luchten. Links rees de Oita +omhoog, op welks top Herakles in den vuurgloed zijn ziel had geslaakt, +die ten hemel gestegen was. De herfst purperde om mij heen met de +pracht van Dionyzos’ druiven, wier wingerden de festoenen +slingerden langs de bergflanken, terwijl het verschiet weg dreef in +wazen van morgenmist, waarin de vochtige parelen hingen. Toch bleef ik +vol argwaan en somber. Wij naderden Hypata... Ginds, in de Noordelijke +verte, blankten reeds de tinnen van hare poorten. Onderweg, aan een +posthalte, wisselden wij van buffels. Tegen den middag naderden wij de +stad...</p> + +<p>Juist toen wij haar binnen trokken, kwam uit de stad een stoet ons +te gemoet en er was verwarring. En om den stoet te doen trekken +voorbij, dreef Davus ons vierspan ter zijde. Het waren Nubische +voorloopers, met zweepen en keelgeluid klakkend; het waren gewapende +wachten; het waren slaven te dravende voet; het waren aanzienlijke +jongelieden te paard; het waren vier, vijf draagstoelen, getorst door +stevige dragers... Het was, hoorde ik, een schatrijke landeigenaar, die +voor de wijnfeesten naar zijn <span class="pagenum">[<a id="xd0e769" +href="#xd0e769">49</a>]</span>landgoed trok. Uit den wagen gesprongen +zàg ik hem: een voorname, prinselijke man: hij zat te paard en +reed tusschen zijne bloedverwanten en het volk om mij, dat toe keek, +noemde zijn naam: Menedemus... Ook Davus, op zijn bok gebleven, keek +toe. Plotseling werd mijn oog echter getroffen door een rijken +draagstoel, waarin, met twee dienaressen, een jonkvrouw, half liggende, +gezeten was. Een schok doorvoer mijn ziel en lichaam; nimmer nog had ik +zoo lieflijke schoonheid aanschouwd... De maagd, die daar voor mij +henen gedragen werd, scheen mij Psyche zelve toe, de geliefde van der +Liefde god!! Hoewel haar gelaat voor de reize was omspeld in dunne +sluiers, waarboven een puntige hoed van zilverachtig rijs, zag ik er +het fijne ovaal van haar allerlieflijkst gelaat door heen, zuiver +getrokken in zoo ontroerend teedere lijn, dat ik voor haar had willen +knielen. Enkele gouden lokjes kruifden den sluier uit. Hare oogen zagen +mijn kant uit zonder mij te zien en die oogen waren groot en blauw en +zoo lieflijk onschuldig en rein als blauwe lotus. Zij glimlachte juist +en het was of haar glimlach een glans uit straalde en op straalde over +haar geheele gelaat. De blauwe mantel liet de teedere lijn van hals en +borst slechts raden, maar de hand, die uit de plooien te voorschijn +bewoog en den rieten waaier hield, was een aandoenlijke belofte van +alles wat verborgen bleef: zoo klein en edel, zoo fijn en rank met +iets, dat aan een lelie denken liet. Aan lotus en lelie, aan zonnegoud +en mereblauw deed dit lieflijke wezen mij denken, in dien flits, dat ik +haar zag. Ik liep meê. Er was gedrang voor de poort, die de stoet +uit trok... Ik liep meê, naast den draagstoel, bijna naàst +haar: ik had haar aanbiddelijke hand kunnen beroeren. <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e771" href="#xd0e771">50</a>]</span>En een zalige +warmte doorvloeide mijn hart, zoó, dat ik had kunnen +stamelen:</p> + +<p>—Toef even, o gij, die langs mij heen gaat als een hemelsch +vizioen, opdat ik voor u kniele en u aanbidde...</p> + +<p>Op het zelfde oogenblik, dat ik dit in de poort dacht, tusschen het +dichte gedrang, voelde ik een geweldigen ruk, die mij voor-over drong, +drukte, dwong en stond ik op handen en voeten. En ik stamelde niet, +maar balkte verschrikkelijk:</p> + +<p>—Hi-ha...</p> + +<p>De maagd verschrikte, hield de hand aan het oor, lachte even +zoó zacht en lieflijk, dat ik van zaligheid weg smolt... Maar ik +was een ezel! Ik stond even buiten de poort op den heirweg als een +ezel! Ik was in een ezel veranderd. Ik werd mij bewust van mijn kop, +bek, staart, hoeven en grauwe vacht... En de stoet draafde en liep mij +voorbij.</p> + +<p>Mijne herschepping scheen in het gedrang van ruiters, karren, +wagens, draagstoelen, voetgangers niet bespeurd te zijn. Wie, die het +had kunnen bespeuren, zoû zijne oogen hebben willen gelooven! Wie +kon bespeurd hebben in zulk gedrang, dat een mensen was verdwenen en +een ezel verschenen in dat ondeelbare oogenblik van herschepping. Zij +duwden mij, schopten mij, grepen mij zelfs, omdat ik, een onbeheerde +ezel, zeker ontvlucht, daar balkte en liep over den heirweg...</p> + +<p>Even uit den draagstoel keek de zoete maagd uit, keek zij naar mij. +Zij glimlachte en hare lotus-oogen ontmoetten mijne ezelsoogen. En ik +weet niet waarom, maar op dat zoo noodlottige oogenblik mijner wederom +onverhinderbare metamorfoze, zegende ik het toeval, dat haar maagdeblik +<span class="pagenum">[<a id="xd0e785" href= +"#xd0e785">51</a>]</span>ontmoette mijn ezeleblik en scheen het mij +toe, dat hare gedachte één oogenblik van +zaligheid-voor-mij tot mij toe ging, onverklaarbaar... Misschien, dat +zij niets anders dacht dan:</p> + +<p>—Arme ezel, die daar wordt geduwd en geschopt, in dat dichte +gedrang... <span class="pagenum">[<a id="xd0e789" href= +"#xd0e789">52</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">VI.</h2> + +<p>Op dit oogenblik, dat ik gegrepen, geduwd, getrapt, geschopt werd te +midden van het dichte gedrang, kwam Davus de poort om kijken en vroeg +den poortwachters, die toe zagen:</p> + +<p>—Hebben jullie mijn meester ook niet gezien?</p> + +<p>—Welken meester? vroegen de poortwachters, en ik hoorde alles +heel goed met mijn lange ezelsooren, die spitsten.</p> + +<p>—Mijn heer, met wien ik reis! riep Davus, in verbijstering om +zich heen ziende. Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus! Hij is +den wagen uit gesprongen, toen de stoet van Menedemus de poort uit +trok; hij is, geloof ik, even meê geloopen en nu zie ik hem niet +meer en weet niet wat er met hem gebeurd is!! Een mensch kan toch maar +niet zoo op eenmaal verdwijnen!</p> + +<p>De drukke menigte, nu de stoet zich op den heirweg verloor, vloeide +geleidelijk de stad in en uit, maar éen van de poortwachters en +een paar stedewachten hielden mij vast aan mijn opstaande manen, +terwijl ik onwillig wilde ezelbewegingen maakte, mij schudde, +ongeduldig, wanhopig zwiepte met mijn langen ezelstaart... +„Davus!” had ik willen roepen; „ik, deze ezel, ben je +meester!” Maar ik slaakte niet anders dan een afschuwelijk +gebalk:</p> + +<p>—Hi-ha!!</p> + +<p>—Je heer is er heusch niet! zeiden de mannen rondom. <span +class="pagenum">[<a id="xd0e807" href="#xd0e807">53</a>]</span></p> + +<p>—Zeker is hij meê geloopen met den stoet! weeklaagde +Davus. Als hij een schoone vrouw of jonkvrouw ziet, is hij buiten +zichzelf en... die maagd in den draagstoel was wel bizonder +lieflijk...</p> + +<p>—Zij was Charis, Menedemus’ dochter, zeiden de mannen; +ja, zij is wel betooverend mooi!</p> + +<p>—Zeker is hij meê geloopen? weeklaagde wanhopiger Davus. +Wachters, mag ik jullie onzen reiswagen toe vertrouwen, en vertrouwen +jullie mij dien weg geloopen ezel toe? Dan bestijg ik zijn ongezadelden +rug en ren naar den stoet, om mijn meester te zoeken en hem te zeggen +hoe onverantwoordelijk hij handelt!</p> + +<p>En werkelijk, de poortwachters en stedewachten stemden toe! Zij +zouden den reiswagen achter de stadspoort ter zijde geleiden uit de +drukte van het verkeer en zij stonden toe, dat Davus mijn rug +besteeg!!</p> + +<p>—Het is toch maar een vreemde ezel! zeiden de wachters en de +wachten zeiden:</p> + +<p>—En niemand weet aan wie hij behoort!</p> + +<p>En Davus slingerde zich op mijn rug. Daar zat hij, mijn knecht op +zijns meesters rug en ik voelde in mijn grauwe flank zijn hiel! De +vreemdste gewaarwordingen bedrongen mijn menscheziel in mijn ezelelijf. +Als mensch-in-ezel was ik zeer verontwaardigd, dat mijn knecht Davus +mij bestegen had, mij spoorde met zijne hielen en met mij den stoffigen +heirweg afstormde. Ik draafde hevig, met de hoeven tegen mijn +onderlijf. Maar trots die verontwaardiging, was ik zalig blij den stoet +na te rennen en kans te hebben, al ware het met ezelsoogen, de +lieflijke Charis weêr te zien. Tevens smachtte ik met hevig +verlangen terug naar den tuin der zilveren asters... Wat al +gemoedsbeweging <span class="pagenum">[<a id="xd0e822" href= +"#xd0e822">54</a>]</span>voor dubbel betooverd mensch in grauw +fluweelige ezelepens! Wij draafden, wij draafden, wij naderden... Davus +riep naar de achterhoede van den stoet: daar waren slaven en +wachten:</p> + +<p>—Is onder u ook mijn meester: Charmides, de zoon van Lyzias? +Is hij niet meê geloopen met uw stoet?</p> + +<p>Maar de slaven en wachten riepen, dat zij niet wisten van +Lyzias’ zoon, Charmides...</p> + +<p>Plotseling keek de lieflijke Charis achter om, achter uit... Maar +helaas, mij zag zij niet aan; zij zag nu slechts Davus en ik hoorde +haar stem, zacht lachende:</p> + +<p>—Wat wenscht die ruiter op zijn ezel?</p> + +<p>—Edele jonkvrouw, o Charis! riepen de wachten en slaven; hij +vraagt naar Charmides, Lyzias’ zoon...</p> + +<p>—Uit Epidaurus!!</p> + +<p>O, vreemde zaligheid, die mij door voer, terwijl Davus, op hun aller +betuigingen van onwetendheid met Charmides, Lyzias’ zoon, zijn +vaart op mijn rug bedwong! Vreemde zaligheid, dat Charis hoorde van +Charmides, zoo als Charmides van Charis hoorde! Zaligheid, ons beider +namen hadden samen geklonken in die zelfde ure, als in een zelfde +harmonie van bekoring! Nooit zoû ik, ezel of man, vergeten +lieflijke Charis’ naam en misschien, dat Charis niet vergeten +zoû, hoe buiten de poort van Hypata tot haar oor was door +gedrongen de naam van Charmides, Charmides, die haar aanbad! O, zoo de +goden, de zalige, van Eleuzis, eens weêr samen zouden doen +klinken, in eene zelfde ure, die beide namen van Charis en van +Charmides, van Charmides en van Charis!</p> + +<p>Intusschen wenschte ik niet terug naar de stad! Ik wilde naar den +astertuin en terwijl de stoet van Menedemus den <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e840" href="#xd0e840">55</a>]</span>zijweg insloeg, die +zeker naar zijne landgoederen geleidde, stond ik schrap op de hoeven, +koppig mijn ooren spits, mijn staart ingetrokken tusschen de +achterpooten, terwijl Davus alle moeite deed om mij op mijne passen te +doen keeren. Ik sloeg met de achterpooten uit, als een echte ezel en +Davus tuimelde mij over den kop! O, hoe ik wenschte hem te doen +begrijpen. Maar ik kon niet spreken. Ik poogde met mijn +rechter-voorhoef op het stof van den weg te schrijven: ik ben +Charmides, maar Davus begreep niet mijn vreemde arabesken en het stof +was zoo wit en mul! En toen Davus, vloekende opgestoven, mij weêr +wilde bestijgen, steigerde ik, wierp hem weder af en zette het op een +loopen. Als of ik een ezel-op-hol was!</p> + +<p>Naar de zilverasters! Naar de zilverasters! suisde het in mijn arme +ezelehoofd. Naar de zilverasters terug! Den geheelen langen weg terug! +Meer dan dertig mijlen terug! Ik rende, ik holde. In den avond, die +viel, holde ik terug. De weg was eenzaam en een violette damp hulde de +weiden en velden ter zijde in eene somberheid, waarin vale wezens +schenen te waren. Een onwezenlijke wind, die, ik wist niet uit welken +windstreek woei, hulde om mij. Het was of een vlerk mij sloeg. En +plotseling, waar de weg helde naar een ravijn, dat ik af holde, was ik +weêr omdrongen door de gedrochten. En hoorde ik een grijnslach en +zag ik een grimlach.</p> + +<p>De harpij! De harpij!! Zij vlerkte om mij rond en vloog mij toen op +den rug. En zij riep:</p> + +<p>—Mijn vlerk, mijn vlerk is al weêr genezen! En mijn +poot, en mijn poot is weêr heelemaal heel! Hu! Hu! Naar den +astertuin! Naar den astertuin! Dat wij hem vernielen! Dat wij hem +vernielen! <span class="pagenum">[<a id="xd0e848" href= +"#xd0e848">56</a>]</span></p> + +<p>Langs den weg terug, holde ik, de harpij, van wie ik mij niet +bevrijden kon, schrijlings op mij gezeten, met hare mij schurende +vogelpooten, hare pooteklauwen mij verscheurende aan mijn buik, hare +magere armen om mijn hals en hare hande-klauwen aan mijn keel. Boven +ons, als een stormwind, drong de woeste horde meê. O, ik geloofde +aan heksen! Al die gedrochten waren heksen en zij wilden +Clitifo’s zaligen tuin met zilverasters vernielen!</p> + +<p>Hoe vele uren duurde de onheilige rit? Ik weet het niet, ik holde, +ik holde maar voort. Dat wat anders geschiedt alleen in den droom, +geschiedde mij door den heksendrang en ik holde, ik holde maar voort. +Het was pikzwarte nacht. Soms scheen het mij toe, dat ik zweefde boven +den grond, als of de harpij hare wijde vlerken hield uitgespreid, en ik +niet meer met eigen hoeven tikte tegen den weg, maar voort werd bewogen +zonder eigenen wil. Een troost was, dat zij niet anders wilde, dan ik +gewild had: naar den astertuin, naar den astertuin, al ware het dan ook +om met hare horde dien te vernielen. Eensklaps klaarde in de verte een +zachte schijn. Het waren in de heksennacht de velden der zilver-asters +en aan het einde dier velden bleekte Clitifo’s blanke huis.</p> + +<p>Met stormgeweld, gekrijsch en kreten wilde de horde, wilde ook de +harpij met mij zich neêr storten op de gaarde, en over den grond, +toen, o, wonder, uit een groote lamp, een gondel gelijk, die stralend +boven het huis verzichtbaarde, als een zee van zilveren schijn +verklaarde door de onheilsnacht en ik staarde verblind in een vloed van +blanken glans, die uit vlood. En te gelijker tijd weêrklonk een +welluidend geklater van <span class="letterspaced"> +sistrum</span>-snaren, aangetikt door zilveren staven, zoo heilig, zoo +rein de muziek, dat razende de heksen opstormden en ik, een ezel, +eenzaam stond <span class="pagenum">[<a id="xd0e858" href= +"#xd0e858">57</a>]</span>tusschen de zilveren bloemen, in het zilveren +licht, om mij de zilveren melodie. En het was zoo zalig, dat ik de +bloemen met mijn dierebek niet dorst benaderen.</p> + +<p>Maar mij naderde een witte man tusschen tal van witte maagden en zij +tikten de <span class="letterspaced">sistrum</span>-snaren. En de man, +die Clitifo was, bood mij de zilveren asters.</p> + +<p>Ik boog mij, ik at. Ik was mijzelve, mensch vóor Clitifo.</p> + +<p>—De weg terug, zeide hij, of hij alles wist; is de weg, die +nutteloos schijnt, maar nuttig der boete is.</p> + +<p>—Heer, zeide ik; wat is mijn zonde, waarvoor ik moet +boeten?</p> + +<p>Hij antwoordde niet, maar langs mij schreden de maagden, wier <span +class="letterspaced">sistra</span>-klanken verklonken.....</p> + +<p>—Zie ze aan, zeide Clitifo.</p> + +<p>Ik zag ze schrijden langs mij heen.</p> + +<p>—Vindt gij ze schoon? vroeg Clitifo.</p> + +<p>Het waren schoone maagden, maar zij schenen mij schimmen, +verschijnende en verdwijnende...</p> + +<p>—Zij zijn schoon, heer, zeide ik, onverschillig.</p> + +<p>—Gevoelt ge liefde voor éene harer, om haar de uwe te +noemen? vroeg Clitifo.</p> + +<p>—Neen, heer, zeide ik; want ik zag Charis...</p> + +<p>—Zoo blijf trouw, zeide Clitifo.</p> + +<p>—Trouw is niet mijn wezen, weerde ik af; zoo ik schoonere +vrouw zag dan Charis, zou ik niet trouw zijn, heer.</p> + +<p>De heksen waren heen; de <span class="letterspaced">sistra</span> +waren verklonken; de heilige schijn taande en alleen de zilverasters +schemerden. Clitifo glimlachte mij toe, met een meêlijden, dat ik +niet begreep.</p> + +<p>—Laat mij u geleiden naar huis, en rust uit, en morgen <span +class="pagenum">[<a id="xd0e901" href="#xd0e901">58</a>]</span>zult ge +den weg terug gaan der boete, toe naar verdere beproeving.</p> + +<p>Ik liet mij leiden, een kind gelijk.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Dien volgenden morgen vroeg reisde ik, te paard, met een dienaar van +Clitifo, ook te paard achter mij, naar Hypata. Het was een stralende +herfstmorgen, met een zon van zaligen goudschijn, die verspreidde zich +over de zacht azuren flanken der bergen, waar de morgenschaduwen, de +eene na de andere, ontwaakten en weg schemerden in het alomme licht. +Wat was het wijd en hoe welig wingerden de wingerds en slingerden in +festoenen van olm naar eik! Een droom, een nachtmerrie geleek mij de +vorige nacht, een niet te gelooven begoocheling... Zoû ik +werkelijk hier, langs dezen zelfden weg, gehold zijn, met een harpij +voorover geheld op mijn rug? Ik geloofde mijn eigen herinnering niet... +Het voelde zoo rustig en goed aan in mijn gemoed en tusschen de +heugenis van naklank der <span class="letterspaced">sistra</span>-tonen +klonk het door mijn effene ziel:</p> + +<p>—Charis! Charis!...</p> + +<p>Ik naderde Hypata’s poort en dadelijk zag ik Davus. Hij zat, +uitgeput, bij de poortwachters op hun steenen bank en toen hij mij zag, +gaf hij een gil van geluk.</p> + +<p>—Heer Charmides! riep mijn arme Davus. Zijt ge dan daar! Ik +heb u gisteren den geheelen dag gezocht, op den heirweg en in de stad! +Waar zijt ge geweest??</p> + +<p>—Ben ik je rekenschap schuldig? zeide ik koel en hard. Ik +ontmoette in het gedrang Clitifo, den Isispriester, ik vergezelde hem. +Thans ben ik hier weêr terug en zullen wij een herberg zoeken... +<span class="pagenum">[<a id="xd0e920" href= +"#xd0e920">59</a>]</span></p> + +<p>Mijn stem had onzeker geklonken en ik voelde, dat Davus, de +poortwachters, de wachten mij vreemd, ongeloovig, bijna angstig +aanzagen. Ik steeg af, beloonde Clitifo’s dienaar, die met de +twee paarden vertrok. Davus, uit de schuur bij de stadspoort, voerde de +postbuffels en spande ze voor den wagen. Wij reden de stad +door,—zoekende naar de herberg, die de poortwachters hadden +genoemd.</p> + +<p>Een bont krioelende menigte vulde de groote stad, wier breede +straten met prachtige portieken en van vergulde Nikè’s +pralende paleizen voerden naar het <span class="letterspaced"> +forum.</span> Plotseling uit een dier paleizen, de treden der trappen +af, ontrolde zich een stoet en het volk drong samen om te zien. Op een +draagbedde droegen zwarte slaven een glimlachende <span class= +"letterspaced">hetære</span> aan. Ik sprong uit den wagen...</p> + +<p>—Heer! riep Davus. In aller goden heiligen naam! Verdwijn +weêr niet voor mijn oogen, omdat ge een schoone vrouw ziet!</p> + +<p>Ik zag toe.... Om mij hoorde ik fluisteren:</p> + +<p>—Meroë! Meroë!</p> + +<p>Ik herinnerde mij! Dat was Meroë, die Aristomenes, den armen +dichter-toerist, in een zwijn had behekst, tot hij de roode amaryllis +gevonden had! En werkelijk, Meroë, die daar in praal werd +aangedragen, op een bedde van Babyloniesch tapijtwerk, onder vijf +schermwaaiers van pauwgeveêrte, tusschen een stoet van wirrelende +danseressen, dansende fluitspelers, hield, met een hand, glimlachende, +aan vergulde kettingen twee zwijnen vast, die, zacht grommende, links +en rechts van haar draagbedde, krulgestaart, mede waggelden... +Onderwijl speelde hare andere hand, juweel-overflonkerd, met roode +amaryllissen op lange stelen en tartende hield zij de bloemen dicht bij +de <span class="pagenum">[<a id="xd0e939" href= +"#xd0e939">60</a>]</span>snoeten der zwijnen! En al dat volk, o goden, +al dat volk wist niet of geloofde niet, dat daar in stralenden +zonschijn door Hypata’s straten een heks ging, die twee in +zwijnen betooverde minnaars mede voerde in haar stoet! Goden van +Eleuzis, waar was ik verdwaald! In welke onzaligheid!</p> + +<p>Meroë’s oogen ontmoetten mijn oogen.</p> + +<p>—Heer! riep Davus, als of hij geraden had. Pas op!!</p> + +<p>Maar mijne oogen tartten Meroë’s oogen. Hare oogen waren +als stralende, zwarte karbonkelen, die zochten te betooveren met +beloften van wellusten, der menschheid onbekend... Maar ik, ik voelde +nog de bekoring van lotosblauwe maagde-oogen.</p> + +<p>Ik werd niet verliefd....</p> + +<p>Ik veranderde niet in een ezel...</p> + +<p>—Kom! zeide ik tot Davus, instijgende—de stoet vloeide +voorbij. Laat ons de herberg zoeken... <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e953" href="#xd0e953">61</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">VII.</h2> + +<p>Welnu, ik was in Hypata. De herberg was er groot, meer een +aanzienlijk <span class="letterspaced">diversorium</span><a class= +"noteref" id="xd0e961src" href="#xd0e961">1</a> en ik stelde er mij, +gedachtig, dat ik een handelsreiziger was, in betrekking met +verschillende handelaren: zij kwamen bij mij om te zien mijne stalen +van purper, mijne monsters van parelen, het grein van mijn wierook en +geurwerk. Ik deed werkelijk geen slechte zaken. Verder leefde ik er als +een vermogend jongmensch, die twee, drie eerste dagen, bezocht de +Thermen des middags en de portieken des avonds en was er dadelijk, door +mijne betrekkingen, omringd door een kring van vrienden en kennissen. +En de stad scheen mij zelfs levenslustiger en schooner toe dan +Corinthe, dat toch eigenlijk reeds verviel en insliep... Wat dreef er +toch voor opwekkends in de lucht van Hypata?? Als een geheime +dronkenschap, die deed grijpen naar bekers, naar àlle genot om +te leven...!</p> + +<p>Het was vreemd, maar in die levenslustige stemming... werd ik niet +verliefd. Des avonds, die eerste drie dagen, lag ik met de nieuwe +vrienden aan feestgelagen en mooie vrouwen waren om ons heen, zongen, +fluitspeelden, dansten... Ik glimlachte haar onverschillig toe. Een +soort van ongekende kuischheid verfrischte mijn ziel en gaf rust aan +geheel mijn wezen en zelfs zoo mij omhelsden die verleideressen, <span +class="pagenum">[<a id="xd0e966" href="#xd0e966">62</a>]</span>terwijl +een rozenkrans mij den kruin omgaf en de schaal overvloot tusschen mijn +vingers, gevoelde ik niet anders dan eene gelatene onbewogenheid te +midden harer liefdekunstige verleidingen... Tevens, telkens, die +navrees of ik werkelijk, weêr, zoó ik verliefd weêr +werd...? Aan Charis dacht ik vaak, maar meer als aan een onbereikbaar, +verzweefd vizioen: ik hoorde nu, dat Menedemus de rijkste landeigenaar +was van Thessalië, waar hij her en der uitgestrekte goederen bezat +en dat zijne vrouw, gestorven, van vorstelijke afkomst geweest was en +zich gesteld had onder de nakomelingen van den grooten Alexander van +Macedonië, zoodat de lieflijke Charis ook vaak het +„prinsesje” of het „vorstinnetje” werd +bijgenaamd. Ik hoorde ook, dat haar vader reeds verschillende +aanzienlijke dingers naar hare hand had afgewezen en dat hij eigenlijk +een Aziatischen koningszoon wenschte voor zijne dochter. Ook hoorde ik, +dat wie het meeste kans nog zoû hebben zoo rijke, schoone en +bijna vorstelijke bruid te huwen, Chersonezus zoû zijn, eveneens +een schatrijk landeigenaar van prinselijken bloede. Maar van wien men +fluisterde, dat hij van euvele dingen wist en omgang had met Hekate en +hare heksen... Dat gerucht was echter slechts als een murmeling door de +feestvreugde, want eigenlijk werd van heksen en betoovering niet +gesproken en ik ook, uit schaamte en kieschheid, sprak niet over wat +mij gebeurd was...</p> + +<p>Nu was het de vierde dag, toen in de Thermen des namiddags een dwerg +mij zocht.</p> + +<p>—Charmides, Lyzias’ zoon, uit Epidaurus? vroeg de dwerg, +bont gedost, terwijl ik, tusschen mijne vrienden, neêr zat onder +het rozenpriëel, nog in wijden badmantel omplooid. <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e972" href="#xd0e972">63</a>]</span></p> + +<p>—Die ben ik, zeide ik. Wat wil je, dwerg?</p> + +<p>—Uitnoodiging over brengen, van mijne meesteres, Meroë, +voor dezen avond, en tevens aan allen, die gij in uw gevolg wilt mede +nemen, zeide de dwerg.</p> + +<p>Ik nam aan en zond Davus met een geschenk naar Meroë: een +gouden schaaltje vol kostbare nardusballetjes uit Taprobane; twee +druiventrossen van amethyst: iedere druif besloot enkele droppelen geur +en een zwijntje, uit chalcedoon gesneden. Het was sierlijk geschenk en +toen ik, met mijne vrienden, dien avond bij Meroë kwam, was zij +wel tevreden en ontving ons, stralende schoon als Circe, hare +patronesse, die zij aanbad.</p> + +<p>—Pas op, heer! fluisterde Davus mij toe, steeds in angst; had +hij dan geraden?</p> + +<p>—Davus! vroeg ik hem, terwijl der dubbelfluiten muziek om ons +heen klonk. Waarom waarschuw je mij toch zoo vaak? Zag ik niet +meér mooie vrouwen, matronen, <span class="letterspaced"> +hetæren</span> of maagden? Ben ik een kind geworden?</p> + +<p>—Neen, heer, zeide Davus; een kind zijt ge niet geworden en +wat ge geworden zijt, toen ge op eenmaal bij de stadspoort verdweent en +den volgenden dag weêr verscheent als of niets vreemds u geschied +was, durf ik niet zeggen, hoewel de vreemdste veronderstellingen mijn +arm hoofd soms bedringen; zoo ik u waarschuw, is dat alleen om u, zoo +mogelijk, te bewaren voor mijne oogen te verdwijnen, als ge een mooie +vrouw ziet.</p> + +<p>Ik lachte en het feest was om ons. Meroë lokte en lonkte mij +toe; zij lag, in het gewaad van Circe, op een bed van zonnebloemen, +terwijl de twee zwijnen, in walgelijke aanbidding, gromden aan hare +voeten. Ook zonnebloemen, van juweel—chryzoliet met harten van +anthraciet—schitterden <span class="pagenum">[<a id="xd0e990" +href="#xd0e990">64</a>]</span>om hare slapen, op hare borsten; een +juweelen zonnebloem straalde aan haar <span class="corr" id="xd0e992" +title="Bron: Cice-schepter">Circe-schepter</span>. En om haar heen, +tusschen de zuilen en de gordijnen en verder in een onwezenlijk +tooverlandschap, waarover een zongroote maan rees, straalden de +zonnebloemen, weken zij terug in stralenden bloei naar een horizon, +waar zij vergloeiden... En ik vroeg mij al of zij heilige of onheilige +bloemen waren...</p> + +<p>—Charmides! lonkte mij Meroë nader; zondt je mij een +zwijn van chalcedoon omdat je bevreesd waart hier te veranderen in een +zwijn van vleesch en bloed?</p> + +<p>—Ik ben niet bevreesd en was het nooit! antwoordde ik.</p> + +<p>—Ik bèn geen toovenares! lachte Meroë; al leende +ik van nacht Circe’s gewaad en al bemin ik de zonnebloemen, zoo +als Circe deed, Helios’ kind...</p> + +<p>—En al grommen er twee zwijnen aan je voet, lachte ik +spottend; zoo als aan Circe’s voet, in de tuinen van onzalig +Aiaia...</p> + +<p>—Charmides! lokte Meroë weêr; wat ik wensch is +enkel je kus, en weêr je kus en altijd je kus!</p> + +<p>Zij strekte de armen uit. Zij gloeide van liefde en alle de +zonnebloemen gloeiden, als een vuur van duizenden vlammen. Ik naderde +bezwijmeld; ik...</p> + +<p>Maar plotseling zag ik tusschen Meroë en mij als een vizioen op +rijzen—Charis, zoo blank en lieflijk zuiver—en ik deinsde +terug...</p> + +<p>Meroë richtte woedend zich op.</p> + +<p>—Weiger je, riep zij; mij te geven wat ik wensch en wat je +gunt aan wie ook op je weg?</p> + +<p>—Ja! riep ik.</p> + +<p>Zij richtte zich met een schreeuw omhoog en strekte haar onmachtigen +schepter uit. Ik had haar liefde geweigerd <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1017" href="#xd0e1017">65</a>]</span>en veranderde niet in een +zwijn. Maar terwijl zij verdween in een glans van gouden sulfer, zag ik +alle de zonnebloemen verlept. En woei over het tooverlandschap als een +vale nevel...</p> + +<p>De twee zwijnen knorden wanhopig en wentelden in een cirkel +rond.</p> + +<p>—Zoek de roode amaryllis-tuinen! riep ik hen toe in een +ingeving, dat die bloemen zouden worden gekweekt zoo als de +zilverasters werden gekweekt.</p> + +<p>En ik vluchtte weg, door het feest, dat zoo vreemd scheen geworden, +zoo vaal van tint, alles spokebleek in onwezenlijkheid.</p> + +<p>In het <span class="letterspaced">diversorium</span> vond ik +Davus.</p> + +<p>—Waarom ben je hier? vroeg ik en mijn stem klonk bleek ook als +van een spook.</p> + +<p>—Ach heer, ach heer! weeklaagde Davus en juichte tegelijker +tijd. Zie ik u weêr! Zie ik u weêr! Ge waart op het feest +plotseling zoo ver en ik zag u toch tusschen allerlei zonnebloemen, die +op bloeiden en toen ben ik gevlucht, heer, hoewel de andere +feestgenooten en hun slaven mij verzekerden, dat gij nièt ver +waart en dat deze zonnebloemen er altijd waren geweest! Maar zij waren +dronken, heer, en ik niet en ik kon u niet zien in een zwijn +veranderen, zoo als ik u reeds in een ezel veranderd wist!</p> + +<p>—Hoe weet je!? riep ik uit en greep hem wild om den pols.</p> + +<p>—Ach heer! Ach, heer! riep Davus. Ben ik dan zoo een +stommeling? Hoorden wij dan niet reeds van Delfi af wat er gebeurt in +Thessalië? Heb ik dan geen hersens om na te denken hoe het zijn +kon, dat gij buiten de poort van Hypata verdweent, toen er een mooie +maagd werd voorbij <span class="pagenum">[<a id="xd0e1038" href= +"#xd0e1038">66</a>]</span>gedragen en hoe een ezel verscheen precies +als er een ezel verscheen en weêr verdween, toen Nausistrata zoo +verschrikte op den heirweg...? En heer, ach heer, zoo een ezel heb ik +bereden en heb ik misschien wel geslagen en met den hiel gespoord; ik, +heer, ik, Davus, uw trouwe slaaf, die u diende van klein jongsken +af!</p> + +<p>—Het is niets, Davus, fluisterde ik hem in. Het is niets! +Zwijg alleen, zeg nooit iemand iets. Je ziet, ik ben noch ezel, noch +zwijn en ik heb goede zaken gedaan in Hypata. Morgen reizen wij af naar +Farsalus...</p> + +<p>—Verder Thessalië in!? klaagde Davus. Ach heer, ik word +liever zelf maar dadelijk een ezel, of een zwijn als het moet, dan +verder Thessalië in te gaan!</p> + +<p>—Davus! fluisterde ik verder. De toover is nu verbroken! Wat +gebeurde, is gebeurd en zal niet meer gebeuren. Want ik kan mij niet +begrijpen, dat ik niet even verliefd, ja verliefd op Meroë ben +geworden... Zij was zoo heerlijk schoon, zoo verleidelijk schoon, zoo +beloftevol schoon...</p> + +<p>—Heer! Heer! Pas op!! riep Davus. Het schijnt mij toe, dat uw +ooren reeds gaan groeien!</p> + +<p>Ik schrikte, voelde aan mijn ooren, duwde hem ongeduldig van mij, +zonk op mijn bed en sliep, verpletterd van ontroering en +moêheid.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Zeker, dien volgenden dag verliet ik Hypata. Zoû ik niet +verder Thessalië in reizen? En dan... waren er heksen? Bestonden +er heksen?</p> + +<p>Ik moest mij, in mijne nog moede hersenen, herinneren, dat de harpij +op den driesprong mij had betooverd, dat ik twee malen reeds in een +ezel veranderd was... Dat was <span class="pagenum">[<a id="xd0e1056" +href="#xd0e1056">67</a>]</span>toch gebeurd? Wàs het gebeurd? +Het geleek mij zoo onwaarschijnlijk, dat ik er nauwlijks aan gelooven +kon. Want het was een kristalklare herfstmorgen en om mij heen dreef +een gelijkmatig gouden schijn van zon over het wijde landschap. De +reiswagen wiegelde voort, getrokken door de geduldige buffels. +Davus’ zweep klakte zacht rhythmiesch door de lucht en wij +vervolgden onze reis als of er niets gebeurd was. Ik sluimerde half en +onderwijl dacht ik aan allerlei mooie, lieve dingen... Aan Eleuzis, aan +de heilige Mysteriën, waar in ik mij zoû laten wijden, zoo +ik terug kwam; aan Charis... Ik dacht aan haar met een teederen +weemoed, omdat ik haar vermoedelijk nooit weêr zoû zien en +een wee van spijt werd ik mij in mijn ziel bewust. Die nacht sliepen +wij in een dorp. De volgende nacht in een posthalte... O, de lange, +eentonige reis! Wat gaf het mij purper te verkoopen en parels... Er +waren àndere dingen, al waren er dan misschien ook heksen...</p> + +<p>De derde dag, sedert wij Hypata hadden verlaten, was eveneens in +rustige reize verstreken. Wij hadden de halte voor die nacht bereikt. +Het was te Xyniæ, aan het meer van dien naam...</p> + +<p>Ik weet niet waarom, maar ik kon die nacht niet slapen. En ik stond +op en verliet de herberg nog voor de dageraad rozigde... Een vreemd, +zacht verlangen omving mij, waarnaar, had ik niet kunnen zeggen. En ik +liep den weg op, den eenzamen, nog nachtbleeken heirweg... Straks +zoû ik keeren op mijn passen, als Davus zoû voorspannen de +buffels... Ik liep voort. De zon rees uitstralende achter de rozigende +golving der bergen omhoog. Een honigkleurige schijn overstroomde den +hemel. Ter andere zij van den weg week in den windloozen dageraad het +nog in dauw overfloerste <span class="pagenum">[<a id="xd0e1062" href= +"#xd0e1062">68</a>]</span>water van het in de verte weg flauwende +meer...</p> + +<p>Het meer, langs den weg, vervloeide met een lange kreek, waaruit aan +den oever rees het gekrookte riet. Peinzende bleef ik staan, en mijne +mijmering ging als meê met de tintwisselingen over het water, dat +wijder en blauwer werd, naar mate de zon rees en de misten verijlden... +En ik zag, dat de kreek daar vol blanke lotus gebloeid was... Als +blanke bekers, die het morgenlicht opvingen in hare juist ontslotene, +smettelooze ontlokenheden, lagen de bloemeschalen op het water, dat +zacht opgloeide en verspiegelde... Wind stak omhoog en bewoog in het +riet, dat ritselde. Een vlucht reigers steeg er uit op en schaduwde +even, teêr grijs van vlucht in de honigblonde lucht. Het meer, +verder-op, verzichtbaarde duidelijker en ik zag, dat het, tot den +horizon, vol gebloeid was met blanke lotus en iedere bloem ving een +straal op, een atoom op van licht...</p> + +<p>Toen, eensklaps, werd mijn blik getroffen door een witte wemeling op +de landouw, die aan den overkant van die riet-omkreukelde kreek zich +verloor in een zacht gedoezel van rozig-grauw sycomoren-geloover. Het +waren maagden, die dansten, rondom een maagd. Zij hielden witte +bloemekransen in de handen en zij zongen zacht, als wilden zij de maagd +in haar midden verstrooien... Ik zag ademloos uit en herkende... +Charis! Charis!! Daar was zij, aan den overkant van het lotus-overladen +water en ik zag, door het riet heen, haar bewegen, als met een moeden +weemoed, toch even glimlachende tegen hare genooten. Zij danste niet, +maar scheen de maagden te willen weêrhouden te dansen. Haar +gebaar was een teedere muziek van lijn, hare ijle gestalte +zwéefde in het morgenlicht en hare handen bewogen als smeekend +de maagden niet meer zich te reien rondom haar <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e1068" href="#xd0e1068">69</a>]</span>heen. En in weemoed +zagen hare blauwe oogen op, twee lotussen blauw hare oogen boven de +duizenden blanke lotussen, die op het water lagen.</p> + +<p>En ik, ik staarde haar toe. Zij zag mij niet, half verborgen als ik +mij hield in het riet. Mijn hart klopte op naar mijn keel, ik bedwong +met de handen het razende kloppen, ik voelde mij duizelig van geluk en +bezwijmden van zaligheid en ik opende mijne lippen en wilde roepen:</p> + +<p>—Charis...</p> + +<p>Maar rauw riep ik slechts:</p> + +<p>—Ha...hi!... Hi...ha....</p> + +<p>Mijn roep verloor zich over het water, in lucht en licht. Daar ginds +dansten de maagden voort rondom de zacht zich verwerende Charis en zij +bespeurde niet, hoe, aan den overkant, door het riet heen, een ezel te +gluren stond met verlangende oogen, door de krokende halmen... <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1080" href="#xd0e1080">70</a>]</span></p> + +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href= +"#xd0e961src" id="xd0e961">1</a></span> Hôtel.</p> +</div> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">VIII.</h2> + +<p>Toen ik mij geheel bewust mijn herschepping werd, waren met Charis +de dansende maagden in de rozige schaduwen verdwenen... En trad ik, als +ezel, uit het riet weêr op den weg... En dacht ik aan den verren +astertuin, honderden mijlen nu van mij verwijderd... En stond ik, in +sombere vertwijfeling...</p> + +<p>Op dit oogenblik klonken grove stemmen en zag ik drie mannen +aankomen, vergezeld van twee jongens. Het waren houthakkers, zij hadden +bijlen in de hand en koorden om de middels gesnoerd. En zij praatten +luid en ontevreden, terwijl zij naar hun werk gingen: ik begreep +dadelijk, dat zij slaven van Menedemus waren en dat zij vloekten tegen +hunne opzichters, om den zoo zwaren arbeid. En terwijl ik nog stond, +vertwijfeld en somber, riep een der mannen:</p> + +<p>—Maar kijk, daar staat een ezel!</p> + +<p>—Een onbeheerde ezel! riep een andere.</p> + +<p>En de derde stemde in:</p> + +<p>—Dien de erbarmende goden zeker stelden op onzen weg, om ons +ons werk te verlichten!</p> + +<p>Ik begreep, dat gevaar mij dreigde... Ik poogde te vluchten op +ezeledraf, maar het is vreemd, een dier, dat niet wild is, vermag niet +veel tegen vijf menschen. Op den weg verspreidden zich snel de drie +mannen en de twee knapen en zij ontsnoerden zich van hun koorden... En +slingerden die met lissen uit....</p> + +<p>Een der lissen viel over mijn kop. De man, die mij <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1100" href="#xd0e1100">71</a>]</span>gevangen +had, trok mij naar zich toe. Ik zette mij schrap op de achterhoeven, +koppig weêrstreefde ik.... maar plotseling voelde ik een hevigen +knuppelslag over mijn ruggegraat. Zoodat ik, ingetrokken mijn +achterdeel van pijn, verontwaardigd voorwaarts stoof....</p> + +<p>Twee, drie, vier andere knuppelslagen regenden over mijn rug en er +was niet meer aan zilverasters te denken. Ik was niet meer Charmides, +Lyzias’ zoon, uit Epidaurus: ik was een ezel, onbeheerd en door +lage slaven, ontevreden houthakkers, gevangen genomen!</p> + +<hr class="tb"> +<p>O, de gruwelijkheid van dien winter! Strenge winter was het, die +heerschte over de boschbedekte bergflanken van Thessalië, over de +met sneeuw overdekte hellingen van de Othrysketen, waar in +mythologische eeuwen de Lapithen en de Centauren met elkander de +epische strijden hadden gestreden. Als met dier vreeslijke fabelwezens +eigene kreten en somber gehuil, voeren de koude waaiingen van Boreas +door de kale, gestriemde takken, langs de zwiepend geschudde stammen en +des stormenden nachts scheen het, of dichte horden van helsche wezens, +demonen en heksen, onder de lage wolken voort joegen over bosschen en +bergen, zich plots verspreidend in alle richtingen, als of uit euvele +starren onheil voerende stralen schoten. En bitter zware nood was het +niet alleen voor de houthakkers in hun armoedige hut, boven op den +bergflank, maar ook voor hun ezel, in zijn bouwvalligen stal. Des +nachts stond ik slapeloos en de sneeuwvlokken joegen binnen de reten en +vielen als ijskoud vuur over de wonden van mijn ontvelden rug, dien de +houthakkers met hunne slagen mij vilden iederen dag. De vreeslijke +winden loeiden tochtende om mijne ooren en <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1108" href="#xd0e1108">72</a>]</span>duldig leed ik den +durenden straf. Des morgens trokken de mannen mij uit den stal en als +zij het hout hadden gehakt, belaadden zij er mij mijn rug meê. +Zoo zwaar was de vracht van tronken en takken, die zij mij torsen +deden, dat eerder een olifant dan een ezel geschikt kon worden geacht +om zoo bovenmatig gewicht te dragen. En zij dwongen mij dan te dalen, +en als ik struikelde langs de wortelen der boomen of over het scherpe +rotsgesteent en neêrstortte op mijn ontvleesde knieën, +staken zij mij met puntige stokken in de bloederige wond, altijd de +zelfde, van mijn linkerflank. Moesten wij, lager, een zijtak van den +Sperchius oversteken, dan zetten dikwijls de beide knapen, die mij +brachten naar stad of dorp, zich nog voor en achter den stapel hout en +als op den heirweg ik niet snel genoeg draafde met mijn onduldbaren +last, bonden zij brandnetel en doorngewas mij tusschen de achterpooten, +zoodat ik gemarteld maar draafde, draafde, in de hoop om mijn ijver +verlost te worden van het marteltuig.</p> + +<p>In mijn smartelijk leven dacht ik dikwijls aan Davus. Wat was er van +hem geworden en zocht hij mij en had hij naar mijn ouders boodschap +gezonden, dat ik verdwenen was en wellicht betooverd?? Ook dacht ik +dikwijls aan Charis... Ik vergat haar nooit... In de vreeslijke +nachten, in mijn doorsneeuwden stal, verrees dikwijls haar lieflijk +beeld mij voor den geest: zoo als ik haar had gezien de laatste maal +aan de andere zij van de kreek, waar de lotussen bloeiden... En vroeg +ik mij, met menschegedachte in ezelekop, af waarom zoo grooten weemoed +toch over hare schoonheid als een sluier geweest was, toen ik haar +gezien had, zich tegen blijdschap verwerende tusschen de dansende +maagden...? <span class="pagenum">[<a id="xd0e1112" href= +"#xd0e1112">73</a>]</span></p> + +<p>Van de hoogte, waar de houthakkers woonden en ik mijn stal had, kon +ik bij heldere dagen in het rond zien over de lager liggende valleien; +zij golfden weg, doorsneden van vele zijstroomen van den Sperchius; zij +zouden zeker na den winter weelderig weiland en bouwland zijn; zij +behoorden alle Menedemus toe en zijne hoeven lagen er in verspreid +tusschen de nu ontbladerde wingerds. Wijd spreidde het landschap zich +dan rondom en de zon, tusschen de wolken, wierp groote plakkaten van +licht en wisselende schaduw over de wijd uitgestrekte domeinen. Maar +meestal loeide de wind en woei-aan de regen of warrelden de grauw-witte +vlekken sneeuw... Hadden de hakkers hun hout gehakt langs de flanken +van het gebergte, dan zaten zij neêr en aten hun schamel maal en +kreeg ik mijn handvol schaars toegemeten rantsoen van hooi. Honger leed +ik en armoê, de stille ellende van een afgebeuld beest, dat nooit +met een andere klacht dan met belachelijk gebalk zijn smart kan uiten +en daarbij gevoelde ik in mijn menschehersenen dien vreemden angst +eenmaal héelemaal ezel te worden en alles te verliezen wat in +mij nog school van mijn menscheziel; want meer en meer voelde ik mij +ezel worden: ik had de koppighedan van den ezel, zelfs al regende het +stokslagen over mijn rug; ik had het geduld ook soms van den ezel, +zijne filozofische gelatenheid als ik mij schikte en maar, +hout-beladen, voorzichtig afdaalde tusschen rotsblok en boomwortel om, +beneden ontladen, weêr op te stijgen, een oogenblik herademend, +naar nieuwen last, die mij wachtte. Als ik mij, gebukt mijn kop, zag +weêrspiegeld in de rivier tusschen de weg spelende +verspiegelingen van de witte wolken in blauwe lucht, zag ik mij niet +anders dan een koppig-geduldigen ezel, grof met grauw, ruig haar, <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1115" href="#xd0e1115">74</a>]</span>waar +het nog groeide over mijn geranselde, ontvelde en ontvleesde lijf: zag +ik mijn treurigen kop van werkezel, met van ziekte tranende oog vol +weemoed, zag ik mijn van moêheid kwijlenden bek... Zag ik geheel +mijn mager, geslonken dierelijf, op de moê knakkende pooten, op +de reeds breed uitbreidende hoeven—om het steeds moeten dalen, +zwaar beladen—zag ik mijn onthaarden staart naargeestig +ingetrokken tusschen mijn met doorn en stekel steeds gemartelde +achterpooten. En vergat ik soms wie ik geweest was en werd het mij dof +en stomp in mijne verstomming of langzaam in mij verstierf mijn +menscheziel in mijn vorm van dier...</p> + +<p>Eenmaal—een huiveringwekkende stormnacht—waren de +houthakkers beneden in de hoeve gebleven, van waar het gehakte hout +verder vervoerd werd, en was ik alleen gelaten boven in mijn stal op +den bergtop. De wind en de regen raasden rondom de rotte planken, die +mij ter nauwer nood beschutten... Nauwlijks dacht ik aan vlucht, al had +ik wellicht ook met trap op trap de gebarsten deur van mijn stal kunnen +doen wijken. Rillende stond ik, den staart tusschen de pooten, in mijn +bezoedelde stroo en voor mijn leêge krib. Menschegeestkracht +scheen niet meer in mij, zoo misschien nog wel logiesch denken. Want +wel dacht ik: waar moet ik heen, zelfs zoo ik vermag te vluchten. Waar +moest een afgebeulde ezel heen, zelfs al wist hij zich te bevrijden uit +de slavernij van hartelooze houthakkers. En steeds stond ik, de binnen +gierende wind tusschen mijn pooten waaiende en spelende met de vuile +vlokken van mijn staart. Buiten schenen de schimmen der Centauren en +woeste Lapithen in woedenden strijd door <span class="corr" id= +"xd0e1119" title="Bron: elkaar">elkaâr</span> te woelen... <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1122" href="#xd0e1122">75</a>]</span></p> + +<p>Plotseling hoorde ik stemmen. Stemmen van menschen, grovere stemmen +nog dan die van de houthakkers. Ik begreep, dat het roovers waren. +Ellendige roovers, wezens, die bewonen de bergspelonken, nauwlijks +menschen meer, maar verbeestelijkt van ellende en die in de nachten van +stormgeweld naar buiten sluipen en in hoeven en hutten langs de +bergflanken trachten te stelen wat vergeten gereedschap, een paar +hoenderen, een stuk vee... Ik hoorde hen reeds de hut open breken maar +zij braakten verwenschingen uit, want zij vonden niet anders dan een +kapotte kruik en een gebroken schotel, een gescheurden mantel en een +versleten mat... En toen beukten zij op mijn staldeur. In een oogwenk +bezweken de planken en maakten zij juichende zich van mij meester. Veel +waarde had ik niet, maar ik was toch een ezel en meer waard dan een +versleten mat, gescheurden mantel, gebroken schotel of kapotte kruik. +In die onheilsnacht, waarin zeker Hekate tusschen al hare heksen zege +vierde over de rampzalige wereld, sleurden mij de drie boeven mijn stal +uit en slingerden zich alle drie op mijn rug. Meer dan ik hen zag in +stormgeweld en regengestriem, voelde ik hen, de havelooze schavuiten en +schurken, zoo als er zich naamloos en wetloos verbergen in het +gebergte, de haren en baarden en nagels nimmer geknipt, nauwlijks +bedekt met lompen en schurftige schapenhuid, wilde-mannen meer dan +menschelijke wezens, voor wie zelfs de saters der wouden vreezen en de +verdwaalde nymfen zich verschuilen in de spleten der doorbliksemde +boomstammen. En op mijn rug joegen zij mij voort in het stormgeweld, +berg-af, berg-af... Ik strompelde, ik struikelde over de rotsblokken en +boomewortelen, een zware tak viel juist over mijn kop en verblindde +mij... Eindelijk in den <span class="pagenum">[<a id="xd0e1125" href= +"#xd0e1125">76</a>]</span>morgen, uitgeput, was ik met mijn drietal +berijders den berg af- en omgedaald. De wind raasde niet meer zoo +hevig; de rivier schuimde, hoog gezwollen, over de rotsen; ik stak haar +over, getrapt in mijn flanken door drie paar boevehielen... Maar nu +dorsten zij niet verder... Ginds was een uitgebreid molenbedrijf: de +gebouwen er van teekenden zich af tegen de grauwe morgenlucht: de +verwinterde velden lagen er verlaten, verwilderd rondom. Molenslaven +waren reeds bezig voor een schuur, zakken met meel te laden op een +wagen, toen zij de drie boeven zagen, die, op mijn rug, stil hielden op +eenigen afstand.</p> + +<p>En de opzichter van de slaven riep de boeven toe, dat zij heen +zouden gaan en dat er niets te schooieren viel en dat zij geen meel +zouden krijgen. Maar de vreeslijke boeven riepen, dat zij hun ezel +geven wilden voor meel, want dat zij honger leden, dat zij voor een +kleinen zak meel hun ezel geven wilden... De opzichter naderde met zijn +slaven en klaarblijkelijk gevoelde dat molenaarsvolk walging van de +drie mizerabele verworpelingen zoo als zij, de wilde-mannen, bijna +schuw waren dichter te naderen waar werkelijke menschwezens woonden. +Maar toen scheen de opziener zijn afkeer wel te bedwingen, naderde hij; +de wilde-mannen stegen af, de slaven wierpen hun een zak meel toe en +maakten zich van mij meester. De wilde-mannen verdwenen dadelijk en de +opziener zeide:</p> + +<p>—Het is een afgebeulde ezel, maar altijd nog goed genoeg om +een molensteen te draaien: hij kan dan draaien tot hij er bij +neêr valt.</p> + +<p>En met een schop in mijn achterdeel joegen zij mij voorwaarts, naar +de molensteenen, die ginds onder afdakken werden rond gedraaid door +ezels en misdadigers beiden... <span class="pagenum">[<a id="xd0e1133" +href="#xd0e1133">77</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">IX.</h2> + +<p>Sedert draaide ik den molensteen.... In het lamoen gespannen, +draaide ik, geblinddoekt, aan een houten boom den zwaren molensteen +steeds rond en rond, onder de zweepstriemen en knuppelslagen van de +erbarminglooze opzichters. Eindeloos, eindeloos trok ik en liep ik in +de cirkelvormige gleuf om en om, altijd in het rond, trekkende het +centenaarzware gewicht, waaronder het graan knarste boven den ondersten +steen. Mijlen, mijlen liep ik af in het nauwe rond, trots blinddoek +versuft en duizelig in mijne hersenen, die meer en meer die van een +ezel werden en alle besef van menschelijkheid schenen te verliezen... +Liep ik en liep ik, steeds den zelfden engen cirkelgang, terwijl de +bovenste steen meê met mij draaide, knarsende, boven den +onbewegelijken ondersten, over het gepletterde graan. Soms mocht ik +stand houden, werd mij de blinddoek afgerukt, als de opzichter +moê was geworden. En zag ik, in die korte pooze van rust om mij +rond, kauwende een schrale handvol hooi... En zag ik de andere +molensteenen, onder de rieten afdaken, regelmatig draaien in het rond, +getrokken door andere, als ik, afgebeulde lastdieren, ezels en muilen +of ook sjouwerig voort geduwd door misdadigers en gestrafte slaven. Zij +waren meestal half geschoren het hoofdhaar, om hen herkenbaar te houden +zoo zij poogden te vluchten, gemuilband opdat zij geen meel of graan +zouden <span class="pagenum">[<a id="xd0e1139" href= +"#xd0e1139">78</a>]</span>eten, gebrandmerkt bovendien op het voorhoofd +met getallen en letters: de sporen van herhaalde geeseling waren rauw +en violet zichtbaar over hunne ruggen onder de lompen, die bedekten +nauwlijks hunne ellendige naaktheden; zware ijzeren ringen bezwaarden +hen om beide enkels en geheel grauw-wit waren zij bestoven met meel, +als waren zij mizerabele, afgeleefde worstelaars, die zich met zand +zouden hebben ingewreven om hun laatsten strijd uit te strijden. +Nauwlijks konden zij zien: de laaiende vuren der ovens hadden hun de +knippende oogleden geschroeid en de wimpers verbrand, gebogen waren +hunne schouders, misvormd hunne armen en handen en voeten en het zware +werk scheen hen als langzaam op te vreten, als om hen langer te doen +lijden in het leven, dat geen dadelijke, weldadige dood deed eindigen. +En ik was, als mijn menschelijke en ook dierlijke lotgenooten, +afgebeuld, nauwlijks, des morgens reeds, in staat den duldloozen arbeid +te beginnen, die eerst eindigde als de zwarte vleêrmuizen tegen +oranje zonsondergang begonnen rond te flapperen; schoon niet geschoren, +groeide nauwlijks haar meer op mijn schurftige huid; diepe wonden +bloedigden en etterden overal over mijn lijf en mijn reeds zieke oog +traande steeds van het meelgestuif en van den gloed der groote ovens, +waarheen ik de zware zakken torsen moest.</p> + +<p>Hoe lang deze marteling mij duurde, weet ik niet. De eene winterdag +was aan de andere gelijk, met altijd den zelfden wind en regen, met +sneeuwvlokken soms, met altijd den zelfden arbeid. En de eenige troost, +die ik mij denken kon, was, dat ik mij dood zwoegde op de bezittingen +van Menedemus, Charis’ vader, want dit was ik te weten gekomen +uit enkele woorden der opzieners. Mijn eenige troost <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1143" href="#xd0e1143">79</a>]</span>was te +weten, dat ik den molensteen rond draaide, éen der molensteenen, +waaronder, misschien, het graan tot meel werd, dat dienen zoû om +het witte brood te bakken, dat Charis nuttigen zoû. Zoo schrale +troost was mijn eenige. En de zon rees op en daalde neêr en +altijd was het het zelfde. En de regen stroomde en stroomde niet meer +en altijd was het het zelfde. En de dagen volgden elkander op en altijd +waren zij de zelfde. En de nachten waren de zelfde, dat ik, te +moê om te slapen, stond en bleef staan in den stal naast de +andere uitgeputte dieren, ezels en muilen...</p> + +<p>Het is vreemd hoe soms de allerongelukkigsten in deze wereld +elkander helpen, zonder het te willen misschien, zonder misschien het +te weten. Een der misdadigers was onder een hevigen knuppelslag van een +der opzieners neêr gezonken in het meelwitte stof van den weg en +kon, om zijn zware, ijzeren boeien om de enkels, niet dadelijk op +staan. Hij lag en kreunde... Juist ging ik voorbij, terug geleid naar +mijn stal: de zon zonk rood en de vleêrmuizen flapperden in +kringen tegen den bloedschijn... En bloed ook scheen mij toe te +tappelen van den rug van den half bezwijmden slaaf: het ron rood over +den wit <span class="corr" id="xd0e1147" title="Bron: +bepoeïerden">bepoeierden</span> grond.</p> + +<p>Toen, als met een menschelijke ingeving van erbarming, likte ik met +mijn moede tong de wonde van den slaaf. Als verwonderd zag hij op, dat +een ezel, in het voorbij gaan, hem likte en misschien begreep hij, dat +ik medelijden met hem gehad had....</p> + +<p>Die nacht, terwijl alles in rust lag en allen sliepen, werd mijn +stal voorzichtig geopend. Maneschijn vloot witblauw binnen door zwarte +schaduw en ik herkende den slaaf, dien ik gelikt had. Klaarblijkelijk +was hij er in geslaagd, uit het <span class="pagenum">[<a id="xd0e1154" +href="#xd0e1154">80</a>]</span>gevang te ontsnappen. Hij zocht mij, hij +koos mij uit onder de lastdieren, die daar stonden, duttende in al het +zwart van de schaduw, die nauwlijks de rijzende maan door vloeide met +haar blauwe wit. Hij bond mij los en leidde mij uit den stal. Hij +geleidde mij uit het molengedoe naar den rand van het woud; daar +besteeg hij mij... Hij keek om en ik keek om... De schuren en gedoofde +ovens lagen als lage, donkere dakenmassa’s tegen de manelucht. +Over den bepoeierden grond schitterde de maneschijn. Niemand bewoog, +niemand zag ons, in de schaduwen, in het licht. Ook het bosch was +schaduw en licht, maar schaduw bovenal. Ik steeg den weg op, dien de +boeven in der tijd met mij neêr waren gedaald. En weldra waren +wij verloren in het bergwoud...</p> + +<p>De ontvluchte slaaf bereed mij, maar hij lag uitgeput en bijna +krachteloos over mij heen, zijne armen rondom mijn nek. Hij dreef mij, +hij wist zelve niet waarheen, links, rechts.... Doel scheen hij niet te +hebben, niet te weten, mijn nieuwe meester. Stap voor stap klom ik en +daalde ik. Plotseling, door de luchten, klonken mij toe bekende kreten, +bekend gekreun. Waar had ik reeds gehoord dat gekreun, en die kreten?? +En als met een flits wist ik in eens: de kreten, zij waren van heksen; +het gekreun.... o het gekreun had ik gehoord die nacht te Delfi, in de +bladeren der windbewogen platanen op het herbergplein, en het had mij +toegeschenen het gekreun van dwalende zieltjes, van klagende, vermoorde +kindertjes! Een vlakte lag eensklaps voor ons. Een wijde hoogvlakte, +wit van maanlicht in de wijde nacht. En een rij van heksen danste +krijschend rondom. En boven haar, in de lucht, zwierde een tweede rij +in het rond. Een derde rij zweefde daarboven. Ik begreep: <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1158" href="#xd0e1158">81</a>]</span>het waren +heksenbezweringen, om de maan uit haar loopbaan te rukken, uit haar +zilveren kring van noodwendigheid en het gelukte der heksen somtijds en +zoo het haar gelukte, hadden zij die maand macht over de elementen, die +dan gunstig waren aan haar verderfelijke werken. En o afschuw, toen zij +dansten rondom, hand aan hand, zag ik, dat zij dansten rondom drie tot +aan het hoofd begraven kindertjes, die kreten en die sterven zouden die +nacht.... Midden in de vlakte stond de immense koperen ketel op een +smeulend vuur van takken en de dansende heksen wierpen er, in het +rondomme zwieren, allerlei in: ik herkende een slang, een pad, een +bebloeden sluier, stukken wrakhout van een verongelukt schip, het koord +van een gehangene en bezworene ledematen, ik weet niet welke.... En +intusschen schenen zij als de maan naar beneden te trekken, tusschen de +wilde wolken uit, waarin allerlei wezens schenen te schuilen en te +verzichtbaren en riepen zij:</p> + +<p>—Hekate! Hekate!!</p> + +<p>Op mijn rug had mijn berijder zich opgericht, zeker om beter te +kijken. Maar zoodra hij de verschrikking gezien had, slaakte hij een +verschrikkelijken kreet van afschuw, wierp zich achterover en stortte +over den grond in het struikgewas. Ik balkte, boog mij naar hem toe en +bespeurde, dat hij bezwijmd lag, zoo hij niet gestorven ware, in dat +zelfde oogenblik, van ontzetting. Maar zijn kreet en mijn balk waren +voldoende geweest om de heksen, gestoord in hare bezweringen, van woede +te doen razen met wilde kreten en zich allen, als éene horde, te +doen storten in onze richting. De damp van den ketel woei naar den +grond; de drie kinderkopjes zag ik, begraven tot de halsjes, +bezwijmen.... De maan scheen te rijzen. De betoovering scheen <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1164" href= +"#xd0e1164">82</a>]</span>gebroken. En de heksen, in helsche woede, +stortten op ons toe. Ik vluchtte, maar zij vielen in wellust neêr +op den slaaf en ik hoorde hare kreten, terwijl zij zijn lijf uit +elkander rukten:</p> + +<p>—Aan mij zijn nog lillende wonde! Aan mij zijn brandmerk! Aan +mij zijn geeselstriemen....!</p> + +<p>Ik, ik vluchtte. Door het heksenwoud vluchtte ik. De maan, boven, +scheen mèt mij te vluchten. De heksen achtervolgden mij niet; om +kijkende zag ik de Thessalische duivelinnen wederom zwieren boven haar +tooverketel en wierpen zij er de ledematen in van den slaaf, en +hervatten zij hare bezweringen met woestere kreten, terwijl ik het +geschreeuw der gemartelde kindertjes weêr de nacht hoorde door +schrillen.</p> + +<p>Ik vluchtte. Langs zwarte boomstammen, over slangachtige +boomwortels, vluchtte ik strompelend, struikelend: ik tuimelde op +wrakke pooten het rotsgesteent af. De sinistere wind woei boven mij; +het geheele woud scheen te leven van reusachtige houthakkers en +takkebossen, van reusachtige molensteenen, die duizelingwekkend snel +draaiden, van uilen en vampyrs, en zoowel takken, zwiepende, als +wolken, zwierende, schenen vol krijtende kinderkopjes. En ik vluchtte, +ik vluchtte voort....</p> + +<p>Ik vluchtte, verwilderd, die geheele nacht. De morgen klaarde met +bleeken schijn, schijn zoo bleek en lijkachtig als slechts in +Thessalië morgenschemert na heksennacht. Schijn, schimmebleek, of +de dag huiverde te ontwaken en of Eos, de rozige, verbleekt was, door +wat zij ried en aarzelde aan te zien.... Ik was het bergwoud afgedaald. +Plotseling zag ik een wijde vlakte. Een streep van zonnegoud liep dwars +door de grauwe morgenlucht. Weilanden, waarover <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e1174" href="#xd0e1174">83</a>]</span>de mist nog verwijlde, +weken hun verren einder uit. Een zoele belofte van lente wemelde in de +wijde lucht....</p> + +<p>Een verwondering woog op mijn brein. Waar was ik? Wie was ik? Wat +had ik door gemaakt? Was die winter voorbij? Ja, ik voelde mij tot +bezwijkens moê, uitgeput... Ja, ik was afgebeuld geworden.... +Stekels hadden mijn wonden verder open gereten.... Het bloed leekte +langs mijn pooten en passen.... Maar vogels zongen in de twijgen, +waaraan de bladknoppen zwollen, bleek goud. Een geur van kruid steeg +op. Iets vreemd lieflijks trilde zoo teeder als een Aeoliesch geluid +door de luchten.</p> + +<p>Ik liep door, moê, ziek, met een hinkenden poot, mager en +bebloed..... Een zijstroom van den Sperchius stroomde dwars door de +vlakte; de irissen schoten er uit op; de eerste irisbloemen ontloken, +wit en zacht geel. Toen was het een meer en het lag overladen met lotus +en het herinnerde mij aan dat andere meer, aan die kreek, waar ik ter +overzijde Charis gezien had, maanden, ja maanden geleden... Door het +hooge riet en de lotusbloemen stak ik het lage water over. Ik weet niet +waarom ik zoo ging, doelloos, maar er was iets, dat mij lokte....</p> + +<p>Ik stapte uit het water, druipende, en er waren weêr de +weilanden en zij waren bespikkeld met madelieven. Werkelijk, dit was de +lente, de vroege lente... Er ruischte als een etherische lenteharp door +de lucht. Ik voelde nauwlijks mijne moêheid en afbeuling van +lastdier. En, met een verrassing, tusschen het verschiet der +uitbladerende olmen en abeelen zag ik, in de verte, als een vorstelijk +landhuis schemeren in den verwijderden morgenmist, die daar optrok in +de jonge zon. Het huis maakte een witten halfcirkel van zuilen en het +lag geheel omgeven van vijvers en op de rozig <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1182" href="#xd0e1182">84</a>]</span>grauwende plassen lagen +altijd en altijd de lotussen en ik zàg ze openen, een voor een. +En uit het landhuis, over het wijde grasveld traden tal van maagden en +mannen....</p> + +<p>Ik was blijven staan bij een heining, die afsloot het domein; de +witte windekelken wonden zich door de kruislingsche houten stijlen. Ik +zag toe, bekoord door een nieuwsgierigheid, die ik nauwlijks begreep. +Maar eensklaps herkende ik de maagd tusschen de maagden, die om haar +heen, de witte bloemenkransen beurende, dansten.</p> + +<p>Zij was Charis! Ik zag haar heel duidelijk, maar zij scheen +moê en mat van verdriet en zij verweerde zich niet anders dan zij +zich verweerd had toen ik haar gezien had, maanden geleden, van den +heirweg af, waar ik tusschen het riet herschapen was in een ezel. +Ademloos, vreemd gelukkig bleef ik steeds staren....</p> + +<p>Plotseling schenen de aanzienlijke mannen, die achter de maagden +kwamen, mij te zien. En ik zag hen zeer schrikken en bevelen geven. En +slaven liepen in mijn richting toe met knuppels en reeds van verre +trachtten hunne kreten mij te verschrikken en weg te jagen... Ik bewoog +echter niet; ik staarde. Om het geweld der slaven zagen de maagden om +Charis om, zagen zij mij allen.... zag mij ook Charis....</p> + +<p>Zij slaakte een juichenden kreet, klaar als een gouden galm van +geluk, die zich verloor in de lichte lucht. En toen ijlde zij, licht +als een nymf, vooruit, ijlde zij, ijlde vooruit, weêrhield de +slaven met haar bevelend gebaar en riep, terwijl zij de armen hoog +wierp en hare sluiers wemelden om haar rond:</p> + +<p>—Eindelijk! Eindelijk! Mijn bruidegom! Mijn lang verwachte +bruidegom, die terug uit den strijd tot mij komt! <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1194" href="#xd0e1194">85</a>]</span>Kom! Kom!! +Slaven, opent de hekken! Speelgenooten, danst nu in reien! Hij is +gekomen! Mijn Charmides is gekomen!!</p> + +<p>En terwijl ik wel de hevige ontsteltenis zag der mannen en der +maagden om dien walging en weêrzin wekkenden, afgebeulden, +wonde-bloedenden ezel, die daar bij de heining tusschen de windekelken +te staren stond, naderde Charis mij en voelde ik, bezwijmelende van +geluk en verrassing, de heining tusschen ons, hare armen en sluiers in +een omhelzing rondom mijn ezelenek.... <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1198" href="#xd0e1198">86</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">X.</h2> + +<p>En werkelijk, trots de ontsteltenis, die ik zag op de gelaatstrekken +van die aanzienlijke mannen—Charis’ vader, hare broeders en +neven—werden bevelen gegeven de hekken te openen en leidde +Charis, die haar sluier om mijn zieke oog had gewikkeld en tusschen +mijn ooren door, mij de bloembespikkelde weide binnen! Mijn geluk was +even groot als mijn verwondering en ik liet met mij doen als Charis +wenschte en bevolen had; het was of een sprookje zich om mij weefde, of +ik dubbel betooverd was, of ik droomde; ik kon niet gelooven aan wat +mij geschiedde. Maar toen Charis, juichend, terwijl hare maagden rondom +ons dansten, voorbij haar vader, broeders en neven trad, die, steeds in +ontsteld gefluister, elkander raadpleegden, hoorde ik Menedemus +roepen:</p> + +<p>—Bij alle barmhartige goden!! Wat moèten wij nu met +dien schurftigen ezel! Terwijl wij bevolen hadden, dat geen drie mijlen +in den omtrek van dit lustverblijf een ezel mocht worden gehouden, +zendt ons Toeval of Noodlot een schurftigen ezel toe, juist op het +oogenblik, dat wij Charis op hare morgenwandeling begeleiden en +verlieft mijn dochter op dien schurftigen ezel!! Ondoorgrondelijk zijn +der goden raadsbesluiten! Zegt mij, gij zonen van Hermes en +Aesculapius, wondermeesters, geneesheeren, zegt mij, wat nu te +doen!!</p> + +<p>En in wanhoop wenkte Menedemus drie Frygiesch gemutste <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1208" href="#xd0e1208">87</a>]</span>heeren nader +en stond, in radeloosheid voor hen, de armen wijd.</p> + +<p>—Heer, zeide een van hen, een grijze, waardige in langen +tabbaard. Wij kunnen niet anders dan Charis laten in den waan, dat zij +haar bruidegom heeft gevonden.</p> + +<p>—Zoo wij haar overreden wilden, zoû zij ons nooit +gelooven! viel de tweede geleerde in.</p> + +<p>—Zij is betooverd door Chersonezus! riep de derde. Pas op, o +Menedemus, dat gij uw dochter niet doodt, door haar te willen +overreden, dat deze ezel haar bruidegom niet is!</p> + +<p>En de neven om Menedemus klaagden tot Charis’ broeders:</p> + +<p>—Ach, onze Charis! Ach, onze liève Charis! Had zij +slechts een onzer gekozen, in plaats van na Chersonezus’ +vervloeking, op een schurftigen ezel te verlieven, dien zij dadelijk +Charmides noemt!</p> + +<p>Ik hoorde dit alles, terwijl mij Charis langs de mannen geleidde. En +ik hoorde ook Menedemus, die verder vroeg aan de geleerden:</p> + +<p>—Dus, wondermeesters, wat raadt ge mij?</p> + +<p>De eerste zoon Aesculapius’ antwoordde:</p> + +<p>—Het beste lijkt mij dien ezel te verzorgen....</p> + +<p>De tweede viel in:</p> + +<p>—En Charis te zeggen, dat haar bruidegom, die verwond uit den +strijd is gekomen, met toewijding door ons verpleegd zal worden....</p> + +<p>En de derde zeide:</p> + +<p>—Om, als hij genezen is, de plechtige verloving te +vieren....</p> + +<p>Menedemus sloeg de handen in wanhoop op en de broeders en neven, in +wanhoop, wrongen de hunne.... <span class="pagenum">[<a id="xd0e1238" +href="#xd0e1238">88</a>]</span></p> + +<p>—En al dit ongeluk, riep Menedemus; omdat Chersonezus, wien ik +mijn eenige dochter had toegedacht, een slechte man is, een vervloekte +toovenaar, die Charis betooverde, toen ik eindelijk de waarheid omtrent +hem wist en weigerde mijn kind op te offeren!</p> + +<p>Meer hoorde ik niet; tusschen reidans en bloemenkrans geleidde +Charis mij—en gewillig volgde ik—naar het zuilenrijke +buitenverblijf....</p> + +<p>Maar de geneesheeren kwamen ons achterop en zij zeiden:</p> + +<p>—Edele Charis, uw bruidegom, die zoo juist uit den strijd is +gekeerd....</p> + +<p>—Is gewond en ziek, edele Charis!</p> + +<p>—Uw edele Charmides, o Charis....!</p> + +<p>—Is ziek en gewond en verpleegd moet hij worden...!</p> + +<p>—In der daad! zeide Charis, de betooverde maagd, en hare stem +klonk als de klank van een Lydische fluit, als Ionische melodie. Hij is +gewond, mijn Charmides, na den vijand verslagen te hebben, o mijn +liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!</p> + +<p>En eerst zoet meewarig, juichte haar stem op en hare armen omhelsden +mij en zij kuste mij op mijn ezeleneus, terwijl ik mij verwonderde, dat +zij mijn naam wist.</p> + +<p>De drie geneesheeren maakten gebaren van weêrzin en +afkeer.</p> + +<p>—Charis! riepen zij alle drie. Staat ons toe, dat wij uw +bruidegom verplegen!</p> + +<p>—Is hij genezen, zoo wordt uwe verloving gevierd!</p> + +<p>—Duld, o Charis, dat wij Charmides voeren waar hij de +liefdevolste zorgen zal ondervinden!</p> + +<p>—Ja, riep Charis. Ja, wondermeesters! Geneest mij +Charmides’ wonden! Huwen zal ik hem, zoodra hij weer <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1267" href="#xd0e1267">89</a>]</span>krachtig is, +o mijn liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!</p> + +<p>En wederom wilde zij mij omhelzen, maar de wondermeesters hadden +zich reeds meester van mij gemaakt en Charis, juichende van geluk, al +scheidde zij van mij, dànste te midden van hare maagden.</p> + +<p>De drie mannen geleidden mij verder. Hunne slaven liepen toe.</p> + +<p>—Vuile ezel!! scholden mij de wijze mannen nu. Moeten wij onze +kunst nu werkelijk verspillen aan een dergelijken vuilen ezel!</p> + +<p>Maar zij verboden de slaven mij te slaan.</p> + +<p>—Wij moeten hem verplegen!</p> + +<p>—Ons leven staat op het spel....</p> + +<p>—Als wij Charis niet genezen...</p> + +<p>—Zal Menedemus ons doen vermoorden!</p> + +<p>—Als wij Charis genezen....!</p> + +<p>—Overstelpt hij ons met goud!</p> + +<p>—Zij is betooverd: wij kunnen voor het oogenblik haar niet +anders laten dan in den waan...</p> + +<p>—En dàn haar onttooveren....</p> + +<p>—Langzamerhand... Langzamerhand....</p> + +<p>Zij waren het met elkander eens. Zij zouden mij verplegen, niet uit +liefde voor mij, schurftigen ezel, maar uit hoop rijk beloond te +worden, eenmaal, als zij Charis onttooverd hadden....!</p> + +<p>En zij voerden mij naar een ruimen stal. Ik was daar zonder andere +beesten. De slaven brachten versch stroo, dat zij spreidden tot +legerstede; zij vulden de ruif vol hooi, vol haver en doorgeurden mijn +maal met de eerste klaverblaadjes. Ik at en de geneesheeren +onderzochten mijn wonden en zagen mijn tanden malen. <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1299" href="#xd0e1299">90</a>]</span></p> + +<p>—Hij is jong! zeide de een.</p> + +<p>—Maar hij is afgebeuld, zeide de ander.</p> + +<p>—Hij heeft hout getorst, zei de derde en wees. Kijk, zijn +hoeven breed zijn.</p> + +<p>—Hij heeft een molensteen rond gedraaid, zei de eerste +weêr. Kijk, de sporen van het lamoen....</p> + +<p>—En van den draaiboom....</p> + +<p>En zij onderzochten mij met aandacht. Ik vond hen drie knappe +wondermeesters, die dadelijk veel hadden geraden, al rieden zij niet, +dat ik een mensch was, betooverd door een harpij. Gewillig gaf ik mij +aan hun zorgen en wetenschap over.</p> + +<p>—Het is wel een gewillige ezel, dien onze jonkvrouw heeft +uitverkoren! moesten zij alle drie erkennen.</p> + +<p>En, met behulp van hunne slaven wieschen zij mij en verbonden zij +mij mijne wonden, na die gebalsemd te hebben. Ik stribbelde geen +oogenblik tegen en zij lachten er om, de drie wijze mannen, omdat ik +zoo geduldig mij behandelen liet. Zwijgend en deftig zat ik nu, +genietende van mijn nieuw welbehagen, op mijn achterdeel in het stroo, +gesteund op de twee voorpooten en omwikkeld oog en pooten en rug in +windsels, terwijl de oudste wondermeester bezig was mijn voorpoot, +waarop ik hinkte, bij de knie te masseeren met zorgzaam drukkende en +strijkende vingers. En met scharen knipten zij mij de vieze klitten en +vlokken weg aan mijn pooten en aan mijn staart.</p> + +<p>Juist op dit oogenblik kwam Charis voorbij tusschen hare +meisjes.</p> + +<p>—Ik zocht mijn bruidegom! riep zij. Ik zocht Charmides! O, +daar zie ik mijn held! Wat!! Meesters, wordt mijn edele geliefde in een +stal gehuisvest? Wat moet dit beduiden! <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1320" href="#xd0e1320">91</a>]</span>Waarom verleent mijn vader +hem geen gastvrijheid in het vreemdelingenpavillioen??</p> + +<p>—Charis, o Charis! riepen de wondermeesters. Trek u terug met +uw maagden! Wij verplegen uw bruidegom en het is niet voegzaam, dat gij +daarbij tegenwoordig zijt!</p> + +<p>Zij waren opgestaan en weêrhielden mijn liefde binnen te te +treden en pruilende moest zij wijken.</p> + +<p>—Tot spoedig dan, Charmides, mijn held, mijn prins!</p> + +<p>Ik werd hevig ontroerd in mijn hart. Iets sterkers dan mijn verstand +dwong mij mijn ezelebek te openen; ik wilde „Charis!” +roepen en riep:</p> + +<p>—Ha....hi!!</p> + +<p>De drie wondermeesters barstten uit in onbedaarlijk gelach.</p> + +<p>—Hij roept mij! Hij roept mij! riep Charis opgetogen. O, +wreede wondermeesters, die mij verhinderen mijn held en bruidegom te +omhelzen! O wreede scheiding! Tot ziens, tot spoedigen ziens, tot +spoedige beterschap, o mijn Liefde!</p> + +<p>Zoo riep Charis en de maagden voerden haar weg en de wondermeesters +schudden steeds van het lachen terwijl hunne ronde mutsen als schelpen +en hoornen tegen elkander bonsden en bogen. En ik, die mij belachelijk +wist in hun oogen, ook al had Charis mijn gebalk aan gehoord voor haar +naam, beloofde mijzelven nooit meer te balken.</p> + +<p>Deftig en stil, verbonden met tal van banden, zat ik in het stroo en +de nog lachende drie hadden pleizier in hun ezel, dien zij +verpleegden.</p> + +<p>—Hij zit er net als een mensch! zei de oudste.</p> + +<p>Een gedachte flitste in mij op.... Zoo ik nu knikte met mijn +kop....! Zoo ik nu schreef met mijn poot in het zand....! En om +zilverasters vroeg....!! Maar een na-gedachte <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1344" href="#xd0e1344">92</a>]</span>weêrhield mij.... +Wat zoo zij mij vroegen wie ik was en ik verried, dat ik een +koopmanszoon was? Onttooverd zoû mij Menedemus misschien purper +en parels koopen maar mij dan weg zenden, verder Thessalië in! Ik +knikte niet met mijn kop! Ik schreef nièt met mijn poot in het +zand! Ik vroeg niet om zilverasters!</p> + +<p>—Ja, hij zit er net als een mensch! beaâmden de twee +andere wondermeesters. Wat zoo wij poogden....!</p> + +<p>—Ik dacht dat juist ook! ried de tweede.</p> + +<p>—Dat is een uitnemend denkbeeld! riep de derde.</p> + +<p>Wat hadden zij met mij voor? Maar spoedig begreep ik. Zij zonden hun +slaven naar de keukens om een schaal pastei en een wijden beker vol +Chios-wijn en zij zetten mij beiden voor. En zij wilden mij leeren, zij +wilden mij een geleerden ezel maken, een ezel met goede manieren, een +ezel, die pastei at uit een schotel en Chios-wijn dronk uit een +drinkschaal! Ik had nu evenveel schik in hen als zij hadden in mij en +opzettelijk deed ik eerst of ik niet hun noodiging begreep.</p> + +<p>—Kom Charmides, schertsten de drie wondermeesters. Eet de +pastei! Drink den wijn!</p> + +<p>En, met hun slaven, schudden zij steeds van het lachen, om mij, ezel +Charmides!</p> + +<p>Ik speelde mijn rol van ezel, die geleerd, die gedresseerd werd. Ik +rook eerst, bescheidenlijk onderzoekende, aan de pastei, toen aan den +wijn. Beide geurden naar lang niet gekend geneucht; ik moest in mij +houden om beiden niet gulzig naar binnen te slokken. Maar ik hield mij +in, speelde mijn rol. Eindelijk tastte ik met mijn tong naar den wijn +en slurpte even....</p> + +<p>—Hij drinkt! Hij drinkt! riepen de wondermeesters en <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1362" href= +"#xd0e1362">93</a>]</span>hielden de buiken zich vast en de slaven +krompen van het schaterlachen.</p> + +<p>Toen tastte ik met mijn groote ezeltanden voorzichtig naar de +pastei, knabbelde er een stukje van, kwam weêr terug naar mijn +beker....</p> + +<p>—Hij eet! Hij drinkt! Hij eet en drinkt als een mensch! riepen +de wondermeesters en slaven.</p> + +<p>—Als hij maar niet.... fluisterde plotseling de oudste.</p> + +<p>—Wàt?? vroegen geheimzinnig de twee anderen.</p> + +<p>—.... Een betooverde ezel is.... Een mensch....</p> + +<p>—.... In een ezel betooverd?</p> + +<p>—.... Het zoû kunnen.... hier in Thessalië!</p> + +<p>Zij fluisterden samen, de drie.</p> + +<p>—Neen, besloten zij alle drie. Als hij een betooverde ezel +was....</p> + +<p>—Een betooverde mensch....</p> + +<p>—Dan zoû hij zich ànders gedragen hebben....</p> + +<p>—Bij voorbeeld, met zijn poot in het zand geschreven...</p> + +<p>—En gevraagd om....</p> + +<p>Ik hoorde niet meer wat zij fluisterden.... Om zilverasters, +fluisterden denkelijk de drie. Deftig, verbonden, zittende, twee +voorpooten gestrekt, at ik de pastei en dronk den wijn.</p> + +<p>—Dàt hebben wij hem al heel vlug geleerd! riepen zij +door elkaâr, schaterlachend.</p> + +<p>De nacht was gevallen. Lachende lieten zij mij en sloten den +stal.</p> + +<p>Ik zag om mij rond. Het was een ruime stal en breed was mij het +versche stroo gespreid. Voor een ezel, die hout had getorst en een +molensteen rond gedraaid, was deze stal, <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1398" href="#xd0e1398">94</a>]</span>na mijn menschemaal van +pastei en wijn, vorstelijke weelde. De balsem werkte weldadig op mijn +wonden. Ik strekte mij uit als een mensch had gedaan op zijn bed. En +doodmoede maar zalig sliep ik in mijn verbindselen en windselen in, +denkende meer dan balkend ditmaal:</p> + +<p>—Charis! O mijn Liefde, o Charis!! <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1402" href="#xd0e1402">95</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XI.</h2> + +<p>Een tijd van ongekende zaligheid brak voor mij aan, al was ik een +ezel. Drie weken lang werd ik verpleegd, gewasschen, gebalsemd, +gemasseerd, overvoed en toen mijn wonden genazen, geroskamd, geborsteld +en had ik niets te doen dan te grazen in madelief-bespikkelde +voorjaarsweide. En bij deze stoffelijke welvaart was ik zoo zalig mij +Charis’ kus te heugen en hare omhelzing en zag ik haar vaak van +verre, tusschen hare maagden en gaf ik mij in stilte over aan het +gelukzalige gevoel mijner liefde. Echter niet zonder de bezorgdheid om +Charis zelve, nu ik begrepen had, dat zij betooverd was door +Chersonezus, die, terug gestooten door Menedemus, een tooverban om haar +had opgeroepen, zoo dat zij had moeten verlieven op den eersten, besten +ezel, die haar te moet was getreden. Dit te bedenken weêrhield +mij, nog meer dan de angst, dat Menedemus nooit een handelsreiziger +zoû willen als echtgenoot voor zijn dochter, door welk teeken ook +mij bekend te maken. Zoo ik in mensch weêr herschapen werd, +zoû Charis vermoedelijk zoo geschokt worden, zoo getroffen in +hare liefde voor haar ezel, dat zij er om sterven kon. Ik begreep uit +der wondermeesters woorden, dat door de betoovering haar geest verzwakt +was, dat ook haar teedere lijf geleden had in de winterlange afwachting +van den bruidegom, die eindelijk, onverwachts, gekomen was in mijn vorm +van schurftigen ezel. Nu zeide <span class="pagenum">[<a id="xd0e1408" +href="#xd0e1408">96</a>]</span>men haar, dat zij wachten moest, tot +haar held, uit den oorlog terug gekeerd, genezen was van zijne wonden +en als ik haar zag van verre, meende ik werkelijk, dat reeds een nieuwe +blos bloeide op hare wangen, dat hare oogen tintelden van blijderen +gloed en voelde ik mij, hoe verwijderd ook van haar gehouden, gelukkig +als ik mij nimmer gevoeld had. En nauwlijks dacht ik meer aan +zilverasters.</p> + +<p>Er waren er ook geene; zij werden hier niet gekweekt, zoo als de +Isispriesters de heilige bloemen wisten te doen weligen, in welk +seizoen ook. Er waren hier de wijde madelieve-weiden en om het +vorstelijke lusthuis lagen verspreid de stille vijvers, die de witte en +blauwe wolken spiegelden in hunne gladde plassen, overladen met de +ontlokene lotusschalen, die zich openden naar mate de zon rees en zich +sloten zoo zij daalde. Eens, in een rozigen morgen, dat ik dwaalde de +weide over en tusschen de vijvers door, naderde ik een der plassen en +tusschen de spiegelingen der wolken en de witte bloemekelken, zag ik +mijn eigen beeld. En ik herkende mijzelven niet, mij herinnerend welk +een armzalige ezel mij steeds had aan gestaard in de wateren der +bergstroomen! Ik zag mij terug als een prachtige ezel, een jonge, +gezonde, sterke ezel; mijn effene vacht glom als zilvergrijze zijde zoo +glanzend en glimmend; mijn oogen hadden den zelfden blauwen glans, dien +mijn mensche-oogen hadden gehad; mijne pooten waren genezen, stonden +recht en sierlijk en van louter ledig dwalen door bloemeweiden, waren +mijne hoeven weêr tot smalleren vorm verfijnd, terwijl mijn +manenkam en mijn staartkwast met zorg waren geknipt en geborsteld en +mij gaven het uiterlijk van een weelde-ezel, die niets heeft te doen +dan zich te vermeien tusschen madelieven en boterbloemen en die zelfs +<span class="pagenum">[<a id="xd0e1412" href= +"#xd0e1412">97</a>]</span>behalve met haver en klaver gevoed wordt met +pastei uit schotels en met Chios-wijn uit drinkschalen! Een vreemde +ijdelheid welde op in mijn menschehart: een ijdelheid om mijn +ezelevorm, die zoo volmaakt was en zoo verfijnd. Ja werkelijk, nooit +had ik een dergelijken prachtigen ezel gezien als ik zelve was en zoo +heel ongelukkig om mijn dierevorm kon ik mij niet meer voelen, vooral +nu ik wist, dat Charis mij lief had. Een menschelijke ijdelheid was de +mijne zeer zeker, een mannelijke ijdelheid, zoo als echter dieren er +wel eens hebben; paarden hebben vooral die ijdelheid, een paard is ook +een edel dier en heeft bijna menschelijke hoedanigheden en ik voelde +mij wel een edele ezel.</p> + +<p>Zoo gingen de dagen voorbij, toen op een morgen de wondermeesters +mij op zochten en tot elkaâr zeiden:</p> + +<p>—Hij ziet er nu prachtig uit!</p> + +<p>—Hij heeft een vacht, als zilver zoo licht grauw!</p> + +<p>—En als zij zoo zacht: voel toch eens!</p> + +<p>Zij streelden mij alle drie de vacht: ik trilde van voldane +ijdelheid en de slaven zeiden:</p> + +<p>—Wij hebben hem dan ook geborsteld!</p> + +<p>—En het heeft hem aan niets ontbroken....</p> + +<p>—Wij kunnen Menedemus zeggen, zeide de oudste +wondermeester,</p> + +<p>—Dat de verloving gevierd kan worden, viel de tweede in.</p> + +<p>—Maar een huwelijk zal het wel nooit worden! lachte de derde +wondermeester.</p> + +<p>En zij schaterden alle drie....</p> + +<p>Maar zeide toen de eerste:</p> + +<p>—Arme Charis! Wij moèten haar onttooveren....</p> + +<p>En de twee anderen vielen in: <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1442" href="#xd0e1442">98</a>]</span></p> + +<p>—Is zij onttooverd, dan wordt de verloving verbroken....!!</p> + +<p>—En kiest zij een harer neven....</p> + +<p>—Izidorus....</p> + +<p>—Pamfilius....</p> + +<p>—Of Lyzippos misschien....</p> + +<p>Ik begreep, dat zij ièder een anderen neef hadden op het oog, +die ieder van hen wederom bevoordeelde, met het geld van Menedemus +natuurlijk.... En ik dacht:</p> + +<p>—Als ik maar een ezel blijf.... Een pràchtezel, als ik +nu ben.... Een weelde-ezel, met zilvergrauwe, zijdige vacht....</p> + +<p>En ik geloof, zoo mij te dier stonde zilverasters waren geboden, ik +zoû ze geweigerd hebben, uit angst voor Menedemus, die mij weg +jagen zoû, uit bezorgdheid om Charis’ geest en gezondheid, +uit ijverzucht op hare neven....</p> + +<p>Ik bleef een ezel. En mijne verloving zoû, werkelijk, worden +gevierd.</p> + +<p>—Bericht Menedemus, zei de eerste wondermeester tot de twee +anderen. Laat hem bevelen alles in gereedheid te brengen. De jonkvrouw +heeft tot nu toe geduld geoefend maar het zoû haar kwaad doen +haar langer nog te laten wachten....</p> + +<p>De twee jongere wondermeesters gingen.</p> + +<p>—Borstel hem nog eens, beval de oudste.</p> + +<p>En de slaven borstelden mij. Ik stond geduldig, zoo als een man +geduldig zit voor den spiegel bij den barbier. De slaven borstelden mij +en ik glom, zelve een spiegel gelijk. Zij schoren mij boven de hoeven +mijn pooten met gladde, breede banden. Zij knipten mij hier en daar de +wilde haren weg.... <span class="pagenum">[<a id="xd0e1469" href= +"#xd0e1469">99</a>]</span></p> + +<p>—Besla hem nu de hoeven en schilder ze....</p> + +<p>En ze besloegen mij de hoeven, met gouden ijzers en zij +beschilderden mij de hoeven met menie-rood. Ik bewoog niet.... liet hen +poot na poot behandelen.</p> + +<p>De wondermeester lachte luid....</p> + +<p>—De geduldigste ezel, dien ik ooit zag! prees mij de +wondermeester.</p> + +<p>—En de prachtigste, die wij ooit zagen! prezen de slaven.</p> + +<p>—Zet hem zijn pluim nu op! beval de wondermeester.</p> + +<p>De slaven omvatten mijn kruin in een gouden band, waarin een roode +pluim stak; het voelde wat zwaar maar ik was verzekerd, dat de pluim +mij wel stond,.... tusschen mijn lange ooren.</p> + +<p>—En doe hem zijn mantel om....</p> + +<p>De slaven, lachende, kwamen met den mantel, die was als een schabrak +van reepen rood en met gouden bloemen doorweven, met gouden franjes, en +met een gouden band om het middel bevestigd en mijn staart trokken zij +tusschen de reepen door; mijn hals en borst en voorrug bleven vrij.</p> + +<p>—Hij ziet er als een echte bruidegom uit! riepen de slaven en +de wondermeester knikte wel te vreden.</p> + +<p>Intusschen scheen, op der beide andere wondermeesters aandrang, +Menedemus zijne bevelen te hebben gegeven, bevelen, dat de verloving +zijner dochter gevierd zoû worden<span class="corr" id="xd0e1492" +title="Bron: .">,</span> dien zelfden dag. En voerden mij de drie +wondermeesters, met al hunne slaven, naar buiten.... met een handklap +op mijn schoft....</p> + +<p>—Zoû hij kunnen loopen, zonder dat wij hem aan een +teugel hielden? raadpleegde de oudste wondermeester de twee anderen. +<span class="pagenum">[<a id="xd0e1497" href= +"#xd0e1497">100</a>]</span></p> + +<p>—Laten wij het eens probeeren....</p> + +<p>—Hij is zachtmoedig; hij heeft nooit nog tegen gestribbeld, +meenden de anderen.</p> + +<p>—Charmides! lokten zij mij. Charmides, kom dan....</p> + +<p>En zij poogden mij te dresseeren, zoodat ik los zoû loopen +tusschen de slaven en er niet op het onverwachts van door zoû +gaan, met kluchtige ezelbuitelingen. De dressuur gelukte hun in minder +tijd dan zij zeker hadden gedacht, want ik had mij voorgenomen zoo tam +en beschaafd een ezel te zijn als geen ezel in Thessalië. Ik trad +dus tusschen de slaven naar voren. Ik liep afgemeten en sierlijk op +mijn menie-roode hoeven met gouden ijzers beslagen. Ter zijde bezag ik +mij in een der vijverplassen en ik was wel te vreden. Tusschen de +lotusbloemen, die al het zonnelicht op vingen als in schalen albast, +zag ik mij weêrkaatst en herkende ik bijna mijzelven aan mijn +oogen. Herkende ik mij bijna aan zekere trekken en uitdrukking van mijn +ezelgezicht. En bewonderde ik mij, zoo als ik vroeger wel eens mij in +een metalen spiegel bewonderd had: toen als een knappe jongen, die op +iedere mooie vrouw verliefd werd; nu als een sierlijk getuigde +weelde-ezel, wiens verloving gevierd zou worden met de lieflijkste +maagd ter wereld! Wèl in mij de weemoed, dat ik geen man was, +maar die weemoed getemperd door het geluk, dat Charis mij liefde al was +ik een ezel, juist omdàt ik een ezel was.</p> + +<p>Ik naderde, tusschen wie om mij waren, tusschen de lotusvijvers, het +groote, wijde grasveld, dat zich uitstrekte voor de zuilenrijke, +half-cirkelige portiek van het landhuis. En omdat de slaven koperen +cymbels hadden ter hand genomen, die zij sloegen tegen elkaâr, +naderde ik te mid van mijn stoet met schetterblijde muziek. Andere +muzikanten, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1508" href= +"#xd0e1508">101</a>]</span>met fluiten, voegden zich bij ons en de +lieflijke hymenæische melodieën liepen op en af als blijde +beekjes van water. Om mij straalde de morgen. Als een paleis der goden +straalde de witte woning en de schaduwen langs de zuilen waren bijna +azuur, zoo onwerkelijk tooverde het morgenlicht de tinten òp der +dingen van natuur en van menschen Er beefde een goudene rilling over de +plassen, er weefde een trilling van lenteglans over alles: over het +bevend turkoois van het water, over het warme marmer gloeide die glans +van vuur....</p> + +<p>Maar uit het landhuis, op muziek ook van fluiten en cymbels, kwam +mij Charis te moet. Zij was omringd door haar vader en broeders en +neven en hare maagden dansten om haar en jubelend liep zij mij +tegen.</p> + +<p>—O mijn Charmides! riep zij.</p> + +<p>.... Hoe wist zij mijn naam toch....?</p> + +<p>—O, mijn Charmides, mijn held en mijn heerlijkheid, ben je +daar eindelijk, genezen en zoo krachtig en schoon! O mijn vader, zie: o +mijn broeders en neven, ziet: wie is er met mijn held te +vergelijken?!</p> + +<p>En zij slingerde om mijn nu zacht zijdigen, zilvergrauwen nek hare +armen en stond toen, zegevierend.</p> + +<p>Ik zag Menedemus glimlachen. Ik zag zelfs lachen de jaloersche +neven, de bezorgde broeders. Nu ik werkelijk een zoo goed verzorgde, +wèl doorvoede, glanzig geborstelde ezel was, schenen zij Charis +te gunnen hare verdwazing en lieten zij haar begaan. Zij kuste mij op +den snoet en van zaligheid rilde ik. Tevens nam ik mij voor, niet te +balken, nóoit te balken en mij te gedragen geheel en al als een +kunstig gedresseerde ezel zich zoû gedragen. Hoe gelaten die rol +ook was, zij was de eenige, die mij geschikt scheen, wilde ik <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1522" href="#xd0e1522">102</a>]</span>mijn +geluk laten duren. Bruidegom, kon ik niet anders zijn dan geduldig en +lijdzaam. Charis kuste mij, maar ik kon Charis niet kussen. Ter nauwer +nood dorst ik mijn ezelesnuit even, speelsch, tegen haar handje reiken. +Charis omhelsde mij, maar ik kon niet Charis omhelzen: ik stond slechts +en onderging wat ik zoo gaarne zelve volbracht had en mijn geheele +manneziel in vorm van weelde-ezel was er op gespitst mij voegzaam te +gedragen, zoodat allen vertrouwen in mij stellen zouden.</p> + +<p>Maar Charis, tusschen de maagden, geleidde mij naar het terras in +het midden der zuilen van de portiek. Er waren daar tapijten gespreid; +er waren groote kussens gestapeld. En Charis, met de wondermeesters, +deed er mij zitten, zoo als dezen meenden, dat zij het mij hadden +geleerd; op mijn achterdeel en met de twee voorpooten gestrekt. Ik deed +het deftig, als een geleerde ezel het zoû hebben gedaan en +Menedemus en de broeders en de neven lachten. Zij zetten zich om ons +rond. En Charis vlijde zich aan mijn zij....</p> + +<p>—Bijt hij niet? hoorde ik Menedemus fluisteren tot den oudsten +wonderdokter.</p> + +<p>—Hij doet geen vlieg kwaad, heer, antwoordde de wonderdokter; +maar wij hebben dan ook werk aan hem gehad, al die weken, dat wij hem +hebben verzorgd en geleerd!</p> + +<p>En Charis leunde zich liefdevol tegen mij. Hoe gaarne had ik ook +haar niet aan mijn hart gedrukt. Maar ik had een ezelehart en ik had +geen armen, maar vier pooten. Gelaten bleef ik dus zitten, sidderend +van geluk en ontroering en alleen boog ik, bijna teeder, mijn kop over +haar heen, zijlings met mijn blik van bijna menschelijkheid. Ik hoorde +de broeders en neven lachen: die menschelijkheid <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e1532" href="#xd0e1532">103</a>]</span>trof hen zeker en zij +dachten natuurlijk, dat zij was aangeleerd en zij vonden haar komiesch +en vermakelijk.</p> + +<p>Maar Charis zeide mij teeder, terwijl zij opzag in mijn menschelijke +oogen:</p> + +<p>—Mijn lief, ik herken je blik... Van den eersten keer, dat ik +je zag... Het was bij de poort van Hypata... Het was buiten de stad, op +den heirweg... Je liep naast mijn draagstoel voort... Je blik, je lieve +blik staarde mij toe... Ik had je lief, ik had je lief om dien blik... +Toen... toen verdween je.... O je verdweent!! En een slaaf riep luide +ons van zijn rijdier toe, dat wie verdwenen was, Charmides heette en de +zoon was van Lyzias uit Epidaurus! Nooit heb ik je naam vergeten! +Charmides, Charmides, weêr heb ik je gevonden, ik, Charis, de +dochter van Menedemus uit Hypata!! En wij zijn gelukkig en wij zijn +verloofd, o Charmides, o mijn Charmides: Charis en Charmides zijn +verloofd!</p> + +<p>In den licht-trillenden morgen klonken onze namen te zamen op, +terwijl de fluiten trillerden en de cymbels goud schetterend te zamen +sloegen.</p> + +<p>En het blijde feest rondom ons, zalige verloofden, begon! <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1542" href="#xd0e1542">104</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XII.</h2> + +<p>Ik zat naast mijn liefde op een soort van troon vol kussens, +tusschen de zuilen van het terras en ik geloof, iedereen was wel +verbaasd, dat een ezel, die gekomen was de Goden wisten van waar, zoo +wel-opgevoed ter neêr zat, op zijn achterdeel, de voorpooten +gestrekt en zonder onwelluidend gebalk en het minste onvoegzaam gebaar, +geheel en al als een goed gedresseerde ezel, terwijl mijn bruid hare +armen vaak om mijn hals sloeg en zoete woorden tot mij zeide. Om ons +zaten en lagen op lage bedden Menedemus en zijne zonen en de neven aan +en terwijl de muziek der fluiten weêrklonk, met gouden cymbelslag +onderbroken, diende een zwerm van slaven ons een maal op, dat zij in +vaatwerk van goud en vazen van opaalblank kristal voor ons neder zetten +op lage tafelen. En het gebeurde alles zoo plechtig als bij een +werkelijke bruiloft. Mijn schotel en drinkschaal waren grooter dan van +de anderen en de wondermeesters hadden het mij zeer gemakkelijk gemaakt +pastei te eten en Chios-wijn te drinken en ik at en ik dronk zoo +mensch-beschaafd, dat—ik lette het zijlings wel op!—allen +er schik in hadden en zich vermaakten en den wondermeesters hunne +bewondering betuigden, zulk een wonderezel van mij te hebben +gemaakt.</p> + +<p>Voor ons, in den stralenden morgen, glinsterden, zilveren spiegels, +de vijverplassen hier en daar, bloeiden wijd open de <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1550" href="#xd0e1550">105</a>]</span>witte +lotusbloemen, weken de bloemevijvers weg naar het wijde verschiet en +tusschen al die schitterende waters waren de weiden, bespikkeld met +duizenden madelieven. De olmen en sycomoren vervioletten met vage, in +licht uitgeveegde kruinemassa’s van heel verre boomen en over +alles zwom de wijde weelde van blauwe, diepste lucht. En over de weiden +en tusschen de plassen traden de maagden aan en zij dansten er over de +bloemen en tusschen de bloemen, zoo licht, zoo lucht als nymfen, zoo +ijl ook en onwezenlijk, als waren zij droomen en de muziek klonk zoo +ijl en onwezenlijk, als waren de cymbelslagen hoorbare zonneschijn... +Maar toen ik zoo gelukkig zat, roerloos bijna, met Charis’ armen +als een lelieboei om mijn nek en naar de dansende maagden zag, die onze +verloving vierden, trof mij een onverwacht schouwspel, vreemd als een +wedergekeerde werkelijkheid. Want tusschen de vijvers liepen op eens, +in het gloeiende dagelicht, vier bruine jongens aan, naakt en brons, en +zij slingerden zich twee aan twee om elkaâr als +Hermes-caduceeën en liepen toen, de twee ondersten op hunne +handen, de twee bovensten zegevierend de handen omhoog, tot zij, in een +gestrengeld, ombuitelden en de bovensten op de handen liepen en die +eerst zoo geloopen hadden zegevierden op hunne beurt. Ik herkende hen +als de reizende kunstenmakers, die op het herbergplein te Delfi hunne +kunsten hadden vertoond en van verbazing zat ik te staren, toen +plotseling ik Demea herkende, met hare beide dansgenooten. Ik had bijna +wel kunnen balken van verwondering, dat ik Demea hier plotseling +verschijnen zag, maar vreemd was het toch niet, dat Menedemus de +reizende kunstenmakers gehuurd had om met hunne spelen de bruiloft op +te luisteren. Tusschen vader en broeders en neven van Charis, Charis +<span class="pagenum">[<a id="xd0e1552" href= +"#xd0e1552">106</a>]</span>zelve aan mijn zijde, zat ik en verwonderde +mij over de vreemde dingen van het leven en de zonderlinge +lotsverwisselingen, die den menschen overkomen. Zoo Demea geweten +hadde, dat zij nu hare acrobatische toeren ten beste gaf voor +Charmides, die een ezel geworden was en die tóch zijne verloving +vierde met de edelste maagd in Thessalië! Zij liep over een +koorde, die de twee mannen gespannen hielden over de vijverplassen, de +bloemoverladen wateren over; zij liep met gazen vleugels aan en in +gouden looveren omgoten en hare genooten liepen als zij, en omdat de +koorde vertrilde in het felle licht, scheen het of zij drie libellen +waren, die zweefden, zweefden want zij liepen heel snel en het was of +er de koorde niet was. En het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel +had willen balken, maar ik balkte niet. Toen, plotseling, geleidden de +twee mannen negen jeugdige ezels naar voren op de weide vlak voor ons +terras en het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen +balken, maar ik balkte niet.... Voor mij zag ik de negen jeugdige +ezels; zij waren getuigd en getooid en zij waren zekerlijk gedresseerd, +want zij dansten recht-op met Charis’ maagden en de +wondermeesters hielden de buiken vast van het lachen en allen lachten, +maar ik lachte niet en balkte niet en zat slechts verwonderd te +staren....</p> + +<p>Toen zette Charis mij een bloemenkrans van lotuskelken, die zij +gewonden had, de lange stengelen door elkaâr, op den kop en zij +leunde tegen mij aan. En zij zeide:</p> + +<p>—Mijn lief! Zie, ginds zijn je schildknapen en zij dansen met +mijn maagden om onze oogen te verheugen! Zie je, mijn lief, het zijn +négen schildknapen en zij dansen met negen mijner maagden. Het +zijn schoone jongelingen, mijn lief, maar zoo schoon als jij is er niet +een! Niet een is er, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1558" href= +"#xd0e1558">107</a>]</span>die heeft zoo een lieven kop, rood gepluimd, +goud-omband en lotus-omkranst; niet een is er, die heeft zulke diep +blikkende, blauwe oogen; niet een is er, die heeft zulk een zacht +vochten snoet en zoo een roze, lange tong, of zulke lieve, lange ooren, +die zoo aardig bewegen heen en weêr, heen en weêr! En +niemand heeft er zoo een zilvergrauwe, zijdige vacht en zulke fijne, +sterke pooten met goud-beslagen, menie-roode hoeven! Te vergelijken, +mijn lief, ben je met nièmand, niet met je schildknapen, niet +met mijn broeders, niet met mijn neven, die zijn zoo gewoon-menschelijk +maar, maar jij bent een prins, een vorst, een god, mijn lief; jij bent +een fabelwezen, een mythe-schepsel, en ik min je, ik min je, mijn lief! +Wat ik alleen betreur, o mijn heerlijke lief, is, dat je niet spreekt +tot Charis! Eenmaal slechts heb je mijn naam genoemd en je stem klonk +me zoo zalig toe in mijn ooren en mijn naam sprak je zoo lieflijk uit +als niemand hem uitspreekt, mijn Charmides; allen harden klank aan mijn +naam liet je weg en mijn naam uit je lieven, open bek, doorklonk mij +met zaligheid! O zeg nog eens mijn naam, zeg nog eens mijn naam, +Charmides, o mijn lief!</p> + +<p>Ik kon het waarlijk niet nalaten. Om Charis genoegen te doen, zette +ik mij schrap op mijn voorpooten, rekte mijn nek, opende mijn bek en +riep:</p> + +<p>—Ha.... hi!</p> + +<p>Ik hoorde alle de gasten in onuitbluschbaren schaterlach uit barsten +en zelfs de maagden en slaven en zelfs de kunstenmakers lachten om het +gebalk van den bruidegom, maar Charis jubelde:</p> + +<p>—Charmides!</p> + +<p>En zij omhelsde mij in liefdegeluk en strooide de lotusbloemen om +mij rond... <span class="pagenum">[<a id="xd0e1570" href= +"#xd0e1570">108</a>]</span></p> + +<p>Zoodra ik echter gebalkt had, schrikte Demea, op het koord.</p> + +<p>En afgesprongen, in hare gouden looveren omgoten en met hare gazen +libellevleugelen, liep zij in grootste verwondering naar ons toe, bleef +voor onzen troon en tafel staan en blikte mij diép in de oogen. +En nu zag ik, dat zij werkelijk ontstelde en zij riep, als Charis +geroepen had:</p> + +<p>—Charmides!</p> + +<p>Maar Charis schrikte op. En zij riep, hare armen om mijn hals:</p> + +<p>—Wat wil die koorddanseres! Wil zij mij mijns bruidegoms +liefde ontstelen! Ik ben ijverzuchtig! Ik wil niet, dat zij ons +nadert!</p> + +<p>Maar Demea, die zich herstelde, riep:</p> + +<p>—O, lieflijke bruid, vergeef uw dienares en uw slavin! Ik +wenschte alleen in het glanzende aanschijn te staren van uw +onverwinlijken held Charmides, van den roemrijken veldheer, wiens faam +tot de hoogste luchten weêrklonken heeft en tot de verste +horizonnen! En ik breng hem enkel mijn hulde en roep hem toe: heil +Charmides!</p> + +<p>Zij riep het en allen stemden in:</p> + +<p>—Heil Charmides! Heil den bruidegom!</p> + +<p>Bijna had ik gebogen naar links en rechts, maar ik bedacht mij bij +tijds. En balkte daarom slechts:</p> + +<p>—Hi—ha!</p> + +<p>En allen schaterden het uit en Demea schaterde het uit in mijn +oogen.</p> + +<p>Maar Charis riep:</p> + +<p>—Hij dankt, mijn held, voor uw hulde, o blijde +feestgenooten!</p> + +<p>En zij wierp zich aan mijn hals en nieuwe spijzen en <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1601" href="#xd0e1601">109</a>]</span>wijnen +werden voor gediend en er was dans van ezels en maagden en fluitmuziek +en Demea zweefde met de beide andere meisjes over de, in het licht als +wèg vertrilde, koorde en de kunstenmakers buitelden....</p> + +<p>Toen het feest ten einde was, daalde de zon, immense bloedroode +schijf aan den einder. De massa’s van boomen, de looverkruinen +vervloeiden te zamen in roodgoudig violet, minder doorschijnend; in +dichtere schaduw slopen reeds schimmen van nacht.... Over de +vijverplassen rimpelde in meerderen bries de roode afschijn en brak in +kabbeling bij kabbeling tusschen de platte lotusbladeren en de blanke +schalen, die zich, groener in schutsbladen, sloten. Al de veldbloemen +sloten. Het lusthuis stond overvloeid van rood. En de hemel vervaalde +in violette schemering.</p> + +<p>Flambouwen werden ontstoken. En met zang en muziek werd ik in een +feeststoet terug geleid. Maar Charis, droevig, fluisterde, hare armen +om mijn hals:</p> + +<p>—Mijn lief, zij gaan ons scheiden....! Zij huwen ons nog niet, +zij huwen ons nog niet: vele offers schijnen eerst den goden te moeten +worden gebracht, opdat geen schaduw over ons geluk kunne vallen! Mijn +lief, zij gaan ons scheiden!</p> + +<p>Ik antwoordde niet, zelfs niet balkende, zelve droevig te +moê... Wat zoo ik mij bekend maakte! Ik aarzelde. Ik zoû, +ach, onttooverd, niet meer zijn dan een handelsreiziger en Menedemus +zoû mij, onttooverd, verjagen! En nu, dat ik ezel was, bleef ik +Charis’ bruidegom. Zonder verdere hoop en verwachting, maar toch, +toch welke zaligheid nog, in vergelijking met wat onttoovering brengen +zoû. Een ezel, een ezel wilde ik blijven!</p> + +<p>En de stoet geleidde mij verder. Niet meer naar een <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1613" href="#xd0e1613">110</a>]</span>stal, maar +naar een marmerzuilig pavillioen. Tusschen bloemenkransen en +maagdendans en ezelgetrip en flambouwengeflakker en muziekgeschal +geleidden zij mij waar vreemdelingen van aanzien, Menedemus’ +gasten, gewoon waren te overnachten. Geleidden zij mij binnen een zaal, +purper behangen.... En weende Charis, scheidende van mij met laatste +omhelzing en mede gevoerd door vader en broeders, die troostten.</p> + +<p>De wondermeesters sloten de zaal. Ik zag om mij rond. Een bed van +purper, groot genoeg voor mijn ezelleden. Een bad van porfier. +Bloemenkransen om zuilen. Slaven naderden mij; zij onttuigden mij, +vroolijk om den bruidegom, die een ezel was en verlieten mij met +kluchtige huldebuigingen. Ik bleef alleen....</p> + +<p>De nacht viel: door de hoog aangebrachte ramen starrelde de +zomerlucht....</p> + +<p>Plots hoorde ik:</p> + +<p>—Charmides!</p> + +<p>Een stem riep. Ik zag op. Aan een der hooge ramen had Demea zich +buiten opgeheschen en keek zij naar binnen in mijn nachtschemerig +verblijf. En zij riep, fluister-zacht toch:</p> + +<p>—Charmides! Ik heb je herkend! Je bent betooverd! Je bent geen +ezel maar je bent mijn Charmides, die betooverd werd! Herinner je, +Charmides, Delfi en den vervallen tempel der Pythia en onze liefde, +onze brandende liefde! Zie, mijn looverenkeurs is het purper, dat je +mij gaaft en om mijn hals hangt de valsche maar wonderkrachtige +peerparel! Charmides, waar is de filter, dien ik je gaf?! O, Charmides, +Charmides, hoor mij! Ik zal je deur open breken—sterk ben +ik—en ik zal je rug beklimmen en wij <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1627" href="#xd0e1627">111</a>]</span>zullen vluchten van hier +en ik zal je onttooveren met een heel sterken filter en wij zullen +gelukkig zijn, ver van de menschen, op de rotsen, in de wouden, op de +bergen! Ik weet de wondere plaatsen! Charmides, zeg mij, wil je?</p> + +<p>Maar ik schudde met mijn kop van neen....</p> + +<p>—Charmides!? Wat? Wil je een ezel blijven, wil je een ezel +blijven om Charis! O, dwaze Charmides, die eenmaal een man was, +verliefd op alle vrouwen en nu een kuische ezel is, wien zelfs geen +simpele ezelin bekoort! O, dwaze Charmides, o domme ezel, die +zelfvoldaan vertoeft in een marmeren pavillioen bij een bad van porfier +en een bed van weelderige kussens.... Kom tot inkeer! Knik van ja! Dat +ik je deur open zal breken!? Dat wij, ik op je rug, vluchten zullen van +hier! Dat ik je onttooveren zal! Dat je mij lief hebt, Charmides, als +een man, die je weêr worden zult, en dat je niet Charis lief +hebt, voor wie je nooit anders dan een ezel zal blijven, dwazelijk +getuigd als een bruidegom, die nooit gemaal, nooit gemaal zal worden! +Charmides, Charmides, knik!</p> + +<p>Ik knikte niet, ik schudde mijn kop van neen.</p> + +<p>—Vervloekte Charmides! riep woedend Demea. Blijf dan een ezel, +jij ezel, die je bent, ezelachtige ezel!!</p> + +<p>En met een hoongelach glipte zij weg.... <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1639" href="#xd0e1639">112</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XIII.</h2> + +<p>—Vader, waarom huwen wij niet?</p> + +<p>Zoo klonk Charis’ stem, een avond vol van zomerweemoed. Hare +arm lag, blank, rond en meisjesjong over mijn nek, waar ik stond in de +weide en speelsch met mijn bek de halmen en lang opgeschoten +veldbloemen trok. Charis speelde vaak met mij en hare verwanten prezen +mij, dat ik een zeer tamme ezel was. Want dikwijls liep Charis voor mij +weg en moest ik haar achtervolgen en zij lachte als een kind en ik +achtervolgde haar dan, hield mijn draf in, om haar langer van het spel +te doen genieten en dan, eindelijk, haalde ik haar in en greep zacht +tusschen mijn tanden den slip van haar sluier. En zij gaf zich dan +gewonnen en leunde, lachende, tegen mij aan en kuste en bekranste mij, +omwond mij met bloemen. Hare maagden dansten om ons rond en wel eens +zette zij zich op mijn rug en ik liep in een cirkel over de weide, +terwijl Charis jubelde van pleizier. Of ik lag in het lange gras, +sierlijk en voegzaam en zij zette zich naast mij, zei lieve woordjes en +vertelde mij fabels. En hare handjes streelden mijn kop, gleden mijn +ooren langs, die zij wenschte heen en weêr te zien bewegen, het +eene hoog-op, het andere hangende en dan weêr beurtelings het +eene hangende, hoog-op het andere en zij lachte, hare lieve oogen diep +in mijn oogen....</p> + +<p>—Zeg dan, vader, herhaalde Charis; waarom huwen wij niet? +<span class="pagenum">[<a id="xd0e1649" href= +"#xd0e1649">113</a>]</span></p> + +<p>Om Menedemus stonden de wondermeesters, de broeders, de neven. En +zij fluisterden meêwaardig onder elkaâr en ik hoorde +Menedemus tot de wondermeesters zeggen:</p> + +<p>—Wanneer onttoovert ge mijn dochter dan eindelijk, dat zij +ziet, dat zij verliefde op een ezel, verloofd is met een ezel?</p> + +<p>En de wondermeesters schudden bedenkelijk met de hoofden en de +Frygische mutsen. Maar Charis weende en op een teeken van de +wondermeesters, die meenden, dat zij het mij hadden geleerd, liep ik, +dansende, in het rond, sierlijk met goud-beslagen, rood geschilderde +hoeven, zettende den een voor den ander. Toen lachte Charis weêr +en de maagden dansten om mij en zij zelve danste mede.</p> + +<p>En zij vonden mij allen een bewonderenswaardige, goed gedresseerde +prachtezel, zoo tam en die geen vlieg kwaad zoû doen en vooral +niet zijn lieve bruid Charis, maar aan huwelijk was niet te denken! En +daarom was ik zelve ook vaak wanhopig, wanneer ik dacht aan mijn +betoovering, aan mijn herschepping en tevens overpeinsde, dat, zoodra +ik herschapen in een man en onttooverd zoû zijn, ik niet meer dan +een handelsreiziger zijn zoû, Charis niet evenboortig, als hare +neven waren, zoo dat mijn zalig geluk gedaan zoû zijn! O, hoe +lang zoû het nog duren! Nog nooit had ik zoo lief gehad, zoo +innig, zoo teeder en zoo geduldig. Ezel, voelde ik mij bijna gelukkig, +als ik nog nimmer geweest was.</p> + +<p>Dien middag, dat Charis sliep, door de maagden in slaap gezongen +onder een dicht rozen-begroeid traliewerk—de witte rozen hingen, +de traliën langs, langs haar heen—zag ik haar, van uit de +weide, met liefde, geluk en weemoed aan. Zomerzonneschijn golfde +omlaag. En toen dwaalde ik verder tusschen de vijverplassen, die +blonken en blikkerden goud en blauw, overbloeid met de ontlokene +bloemen. En <span class="pagenum">[<a id="xd0e1660" href= +"#xd0e1660">114</a>]</span>naderde het altaar van Venus-Afrodite +tusschen het roode-rozenbosch. De godin rees marmer en wonderschoon +achter haar altaar in de purperen schaduw. Het boschje zoemde vol van +verliefde vliegjes, die dansten. De duiven, die er nestelden, +klapwiekten er uit op en zilverden over de stralende lucht. En ik boog +de voorpooten; ik knielde neêr. En ik bad:</p> + +<p>—Heilige godin, bad ik. Wees mijn toeverlaat, wees onze +toeverlaat! Help ons! Charis, betooverd, heeft in mijn ezelvorm lief +Charmides, dien zij zàg, een, twee seconden naast haar +draagstoel, op den heirweg, bij de poort van Hypata. Groote godin, help +ons! Niet alleen zilverasters kunnen mij helpen! Misschien helpen uw +roode rozen mij beter!</p> + +<p>En, ezel, lag ik geknield voor de godin. En wat ik Charis nooit had +durven doen, deed ik de godin: ik kuste met mijn ezelsnoet haar den +marmeren voet. Ik brak teeder met mijn tanden enkele harer rozen af en +legde de bloemen op haar altaar, opdat zij in meerderen geur van +vereering zouden uit bloeien aan haar voet....</p> + +<p>En ik dwaalde terug. Er was het blijde feest, als er iederen middag +was met mijn bruid; er was het uitgezochte maal en de dans en de +muziek....</p> + +<p>—Vader, waarom huwen wij niet...? hoorde ik wederom Charis +vragen.</p> + +<p>Maar mijne dienslaven geleidden mij terug tot het pavillioen. Uit +vertrouwen en zorgeloosheid lieten zij den laatsten tijd de deur open. +Zij waren zoo gewend in mij te zien een wonderlijk tammen, goed +gedresseerden ezel, een ezel, die menschelijk at en aan lag, een ezel, +die speelde met hunne jonge meesteres, een ezel, die zich nooit +onvoegzaam <span class="pagenum">[<a id="xd0e1672" href= +"#xd0e1672">115</a>]</span>gedroeg, die als een mensch zijn pavillioen +bewoonde. Zij lieten mij doen als ik wilde....</p> + +<p>De nacht was zwoel, of onweêr dreigde. Ik kon niet slapen, op +mijn weelderige kussens. Ik legde mij op het koele vloermozaïek, +mijn ezelebruin vol mensche- en mannegedacht. Ik stond weêr op en +trad uit het pavillioen. Ik dwaalde over de weide. Ik zag naar den +hemel. In der daad, zware wolken dreven aan uit het Noord-Westen.... +Zij ontrolden, naderende, als een dikke rook.... Zij bedekten geheel +den hemel.... Plotseling...! Plotseling zag ik in de rollende wolken +menschengezichten....</p> + +<p>Heksen? Gedrochten? Helsche wezens? Ik verborg mij in het dichtste +struikgewas onder zwarte steeneikenbladeren. Ik zag toe, ik luisterde +toe....</p> + +<p>Drukkend, maar anders dan van naderend onweêr, rolden de +wolken nader.... Overdekten nu geheel de lucht boven het landhuis.... +Waren als éen wolkende nacht over de weiden.... Van nachtkim tot +nachtkim.... En omsloten met de bergen weiden en woning als in een +knellenden, vijandigen cirkel....</p> + +<p>Ik hoorde stemmen.... De stemmen, zij sisten en suizelden als met +slangegeschuifel, daar boven, in de dichter broeiende wolken.... En het +was als een onweêr, hoewel het geen onweêr was. Zeker +zouden de bewoners van het landhuis denken aan onweêr. Maar ik, +ik wist reeds genoeg van de onheilige dingen van Thessalië om te +weten, dat dit geen onweêr was.... Ik spiedde uit, uit mijn +schuilhoek. En plotseling verduidelijkten zich hel in felle +sulfergloren, die als weêrlicht schenen, de tronies der +aangezweefde, demonische schepselen, bleek, grijnzend, dreigend. En +door het schuifelen en suizen en sissen heen, verstond ik de <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1682" href= +"#xd0e1682">116</a>]</span>woorden, die weêrklonken van uit de +rollende wolk, die woelde boven de wereld....</p> + +<p>—Zeg ons, heer, uw wil! Zeg ons, machtige Chersonezus, uw +machtigen wil...! Gehoorzaam zullen wij uw wil volvoeren, wij geesten +van de lucht....</p> + +<p>—Wij geesten van het water...!</p> + +<p>—Wij, van het vuur...!</p> + +<p>—Wij, van de aarde...!</p> + +<p>—Wij, àllen, elementen, waar over gij heerscht, o +machtige Chersonezus! Zeg ons uw wil!!</p> + +<p>En het donderde en het weêrlichtte, of was het enkel het +rollen der wolken en dringen der dreigende geesten en de sulfergloor +van hun atmosfeer, die telkens hel op vlamde tusschen de dichter en +dichter aankrullende dampen? Maar een vreeslijke stem, machtig, +weêrklonk....</p> + +<p>—Heilige goden van Eleuzis! bad ik. Bewaar wie mij dierbaar +is!!</p> + +<p>....—Heft gehéel dat verdoemde huis in de lucht, als +ware het niet meer dan een pluim, die op waait in den wind. En stort +het dan neêr op de aarde! Vernietigt het, verdelgt het met +aardbeving en stormgeweld en met vlammen! En doet tusschen die +verdelgingen Charis alleen behouden blijven, zoo dat zij tusschen de +puinhoopen aan mij is en ik haar ontvoer door de luchten!</p> + +<p>Een vreeslijk warrelen en woelen begon. Bijna had ik luide gebalkt +van ontzetting. Ik balkte echter niet en onder de zwarte schaduwen en +tusschen struikgewas en struweel, sloop ik terug. Ik glipte over de +padden, die angstiglijk brulden. Ik struikelde over de slangen. Ik wist +niet of zij dieren waren, gunstig aan Chersonesus of ongunstig. Over de +weide sloop ik onder het razender en razender rumoer in <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1702" href="#xd0e1702">117</a>]</span>de luchten, +sloop ik, staart tusschen de pooten, glipte ik tusschen de waaiende +halmen....</p> + +<p>—Goden van Eleuzis! Doet mij onzichtbaar zijn!</p> + +<p>.... Sloop ik terug en bereikte het landhuis.... Boven mij scheen de +storm al zijn geweld in éen woesten draaikolk samen te mengen +als een heks haar brouwsel hadde gemengd in een immensen, zwarten +ketel. Lichtende vlerken waren niet meer dan schichtende +bliksemflitsen.... Ik naderde de zuilenrijke portieken, die angstig +opblankten, telkens, dat de bleeke gloren op gloeiden.... Ik rende nu +de portieken door, ik rende tot voor het raam van Charis’ eigene +kamer.</p> + +<p>Niemand bewoog in huis? Sliepen zij allen, trots het vreeslijk +geweld, rond kolkende om in de nacht boven het huis, of waren zij +reeds, vóor hunne verdelging, betooverd? Niemand bewoog. Maar +voor het raam van Charis hield ik stand....</p> + +<p>—Hi-ha! balkte ik.</p> + +<p>Niemand antwoordde en mijn gebalk verloor zich in den rond +donderenden storm.</p> + +<p>—Ha-hi! balkte ik, als ik het kon, Charis’ aangebeden +naam. Ha-hi!</p> + +<p>Ik stiet met mijn snoet tegen de luiken.</p> + +<p>—Ha-hi!! balkte ik steeds en van overspanning, eindelijk, +balkte ik:</p> + +<p>—Cha-i! Cha-is! Chà-ris!!!</p> + +<p>De luiken werden ge-opend. Charis, het blonde haar los om de +schouders, verscheen, zóo blond, zoo blank in haar blanke +gewaad....</p> + +<p>—Charmides! kreet zij. Mijn lieveling! Wat is er!? De storm +barst los! En ik ben bang, ik ben bàng! Hoor dien ronden donder +draaien en rommelen blijven boven het huis! Zie de felle lichten! +Charmides, o bescherm mij! Iedereen <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1726" href="#xd0e1726">118</a>]</span>slaapt in diepsten slaap! +Mijn vader, mijn broeders, mijn neven, de maagden, de slaven! +Charmides, het aardbeeft! Vader! Broeders! Neven! Is dood dan iedereen +al!?</p> + +<p>—Charis! balkte ik....</p> + +<p>....En in mijn overspanning spràk ik en riep, wijd mijn bek +open naar Charis:</p> + +<p>—Be...stij...g... mijn... rr...ug!!</p> + +<p>Charis begreep; zij slaakte een gil, bijna van vreugde: zij klom op +de raampost; vlàk tegen den muur hield ik mij gedrukt; zij wierp +zich op mij....</p> + +<p>—Sla... om... mijn... nek... je armen!</p> + +<p>Zij sloeg hare armen om mijn nek. En ik holde voort, de portieken +door.... Het aardbeefde, het aardbeefde vreeslijk.... En ik holde voort +ter zij van het huis, maar het scheen te trillen, en te bewegen.... Ik +holde voort, op het gevoel af, want het was inkt-donker om ons, een +duisternis, die alleen de sulfergloren bleek op lichtten, telkens.</p> + +<p>Dan vergewiste ik mij, dat ik goed draafde, over de weilanden, +tusschen de vijvers, naar de heiningen. Mijn draf scheen niet te worden +bespeurd, door de helsche geesten, die al hunne machten samen stuwden +boven het huis. Eens dat hunne bliksems flitsten, zag ik om.... En ik +zag, o verschrikking, het geheele huis met zijne portieken, die +wankelden, in de lucht zich verheffen, als in een vreemd vizioen, maar +dat waarheid was: ik zag het prachtige landhuis sidderen op zijne +grondvesten tusschen de wolken, waarin het gelicht werd en die het als +een zwart stormende zee omdrongen; ik zag het toen storten in +éen, met brokkelende zuilen, die even nog op glansden in de +gloren der helsche flitsen, ik zag het toen vernietigd, een wrak +gelijk, uit-een drijven op den steeds kronkelenden damp... <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1742" href="#xd0e1742">119</a>]</span></p> + +<p>Bij het einde der weilanden, op de zelfde plek, waar Charis mij had +binnen geleid, sprong ik over de heining, draafde ik langs de rivier, +even slechts te raden met huiverig bleeken afglans, draafde ik, draafde +ik voort, Charis steeds liggende over mijn rug, hare armen vast om mijn +nek. Hoe lang ik draafde? Ik weet het niet! Waarheen ik draafde? Ik +wist het niet. Ik draafde slechts, draafde slechts: ik draafde +denkelijk de geheele nacht. Somber bleef de nacht maar de storm, de +duivelsche storm, had alleen zijn kring getrokken rondom het domein van +Menedemus, en wij waren dien tooverban uit.</p> + +<p>—Goden van Eleuzis! bad ik telkens. Goden van Eleuzis! Behoedt +ons allen!</p> + +<p>En in de donkere nacht draafde een onzichtbaar grauwe ezel met de +witte vlak van een blonde maagd op zijn rug voort, langs de bleeke +rivier, onder de wind-doorzwiepte boomen. Tot ik, uitgeput, omzag, stil +hield.... Achter ons verdiepte de nacht, voor ons schemerde door de +vale sluiers het allereerste dagebegin. Een wand van rotsen piekte voor +ons op.... Maar ik had Charis gered!</p> + +<p>Zij gleed van mijn rug op het mos, half bezwijmd.... Zij strekte de +armen nog naar mij uit.... Ik viel voor haar neêr, ik wilde haar +omhelzen, haar drukken aan mijn hart.</p> + +<p>Maar ik herinnerde mij dadelijk na, dat ik een ezel was... En ik +bleef op mijn voorpooten geknield, aanbad mijn geliefde en wilde haar +roepen bij haar zoeten naam....</p> + +<p>Maar verloren had ik mijn menschestem, die mij uit wanhoop +éen oogenblik scheen terug geschonken en ik balkte slechts rauw +mijn ruigen ezelskreet....</p> + +<p>Die tegen de rotsen, weêrechoënd, brak.... <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1757" href="#xd0e1757">120</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XIV.</h2> + +<p>De morgen straalde. Ik zag om mij rond. De rivier aan den rand van +het woud en den weg, overschaduwd door takken en blâren.... Maar +dan, ter zijde, het rotsgebergte. Het was piek bij piek, die uit stak; +hoogere en lagere rotsen stonden verwonderlijk recht de lucht in, als +met een leger van bijna regelmatige pieken; zij schenen als +menschelijke monumenten te rijzen, als een stad van steen, als een +massa van vreemde torens, maar zij waren enkel het werk der natuur; zij +staken hunne hemelhooge monoliethen, hun steile, gladde gevaarten met +ontzaglijke kegels op in de blauwste lucht; sommigen schenen wel +naalden zoo scherp in de verte en verschemerden in het rozige +lichtwaas. Twee arenden vlogen er over heen....</p> + +<p>Toen boog ik mijn kop naar Charis. Zij sloeg juist de oogen op en +zij riep, angstig:</p> + +<p>—Mijn lief, waar zijn wij?</p> + +<p>Ik wist niet hoe haar te antwoorden, bang haar met mijn rauw gebalk +te verschrikken. Maar zich richtende op de knieën, herhaalde +zij:</p> + +<p>—Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?</p> + +<p>En zij sloeg de armen om mijn nek.</p> + +<p>—Zoo lang heb je gedraafd, zoo ver heb je mij gevoerd, weg van +mijn vader en van mijn verwanten en mijn maagden zijn niet om mij heen! +Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?</p> + +<p>Ik kuste haar met mijn snoet de hand, ik likte haar de <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1777" href="#xd0e1777">121</a>]</span>palm, maar +ik wist niet haar te antwoorden. En zij rees plotseling op. Zij zag +zich in haar witte kleed, met hare lange, blonde haren los, zonder +mantel of gordel of sluier en zij begon luide te schreien en riep, dat +zij wilde naar huis. Bedenkende hoe ik haar troosten kon, plukte ik +gele en blanke veldbloemen met mijn tanden af en wierp ze op om haar +heen. Zij lachte als een kind, zette zich neuriënde en begon de +bloemen te vlechten en ons met de bladeren te versieren. Ik draafde om +en om, om haar te vermaken en den krans, dien zij gevlochten had, zette +zij mij om de lange ooren heen, die zij zoo gaarne heen en weêr +zag bewegen. Dan scheurde de krans en viel af en zij hervatte haar +werk, terwijl ik de grashalmen graasde....</p> + +<p>—Ik heb honger! riep zij op eens, als een kind.</p> + +<p>Wanhopig zag ik rond. Waar heen zoû ik Charis voeren? Dit +eenzame woud, dat wij waren uitgedwaald in de nacht; deze stroom, dien +ik niet wist of hij de Sperchius was en waar langs ik niet wist +wàar te geraken en dan die vreemde rotsenmassa, die zonderlinge +natuurspeling van dat oppiekende, -piekende rotsgebergte, dat, nu +klaarder het licht werd, scheen te rijzen, eindeloos te rijzen, dat +scheen te pieken, op te pieken tot den verren horizon toe.... En zoo ik +ook iets nog geweten hadde van woud en stroom en rots, wat zou ik ook +hebben kunnen aanvangen met een teêre, onnoozele en betooverde +jonkvrouw, gewoon aan de liefdevolste en te gelijker tijd weelderigste +zorgen, gewoon aan rijke kleederen, aan kostbaar huisraad, aan +uitgezocht voedsel en steeds omringd door een schaar dienaressen, die +haar omzongen, omdansten, elk van haar wedijverend met Charis in +schoonheid? Hier ving ik den nieuwen dag en het nieuwe leven aan, +bemind en minnende en samen, alleen <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1786" href="#xd0e1786">122</a>]</span>met mijn bruid, zonder iets +voor haar te kunnen doen, dan haar te dragen op mijn rug! O, hoe +wanhopig zwol op eenmaal in mij het late berouw, dat ik, onbezonnen, +omdat ik beminde, mij niet als eveneens betooverd had bekend willen +maken, door met mijn poot een paar letters in het zand te schrijven, +zoo dat de wondermeesters mij zilverasters hadden kunnen zoeken en ik +op nieuw weêr mensch en man ware geworden. Dàn ware ik weg +gejaagd, ik koopmanszoon, wien Menedemus nooit zijn dochter van +vorstelijke geboorte als vrouw zoû willen afstaan, maar dan hadde +ik beschikking gehad over onmisbare, menschelijke hoedanigheden; dan +hadde ik misschien, wie weet, zoo niet op mijn rug, Charis geschaakt in +mijn armen, dan ware ik met haar gevlucht en hadden wij ons geluk +ergens in stille zaligheid kunnen verbergen, terwijl nu...! Wat ving ik +met mijn geliefde aan!? Zij was wederom in schreien en snikken +uitgebarsten; zij liep handen wringende om; zij wilde niet meer met de +bloemen spelen.... Ik deed haar de vlinders op letten, die fladderden +om ons rond, maar zij lette de vlinders niet op, de goudvisschen, die +snel schoten den stroom af als zonneflikkeringen, maar zij lette de +visschen niet op en zij klaagde, de armen om mijn hals en smeekte mij +haar terug te voeren naar huis. Zoo dat ik, met mijn goud-beslagen hoef +schreef in het zand:</p> + +<p>—Zet je dan weêr op mijn rug...</p> + +<p>Zij lachte door hare tranen en klapte in de handen, om dadelijk +meêwarig te klagen, dat ik mijn stem in den oorlog verloren had! +Maar zij juichte, dat ik nu schreef en zij wierp zich op mijn rug en +zat tevreden, half liggende, hare armen om mijn nek. Bekranst en +versierd wij beiden met bloemen en blârenfestoen, liep ik met +Charis den rotsberg om, langzaam.... <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1792" href="#xd0e1792">123</a>]</span>Honger had ik niet, daar ik +grazen kon en geen wijn en pastei behoefde, maar Charis klaagde op eens +weêr:</p> + +<p>—Charmides.... Ik heb honger!</p> + +<p>Ik wist wel, zij léed nog geen honger, maar toch zwol de +wanhoop weêr in mij op.... Waar vond ik voedsel voor mijn +bruid...? Tot ik plotseling, opener het woud en de zon gestegen, een +vruchten dragenden appeleboomgaard bespeurde en ik blijde het zette op +een draf. Charis, van pleizier, juichte op en in den stralenden +zomermorgen liep daar een ezel, met een schoone maagd op zijn rug, +beiden vertuit met bloemen en blâren als voor een herdersfeest, +den rood doorappelden bongerd te moet.... En tusschen de boomen doolde +ik met Charis langzaam voort en zij plukte de appelen, die laag hingen +en ik at de appelen, die, overrijp, waren gevallen over den grond in +gras en madelieven en mos. En een oogenblik gevoelde ik, dat wij beiden +zalig gelukkig waren. De morgen, de zon, het gras, de appelen, onze +kransen, wij beiden te zamen alleen, terwijl alleen de vogelen om ons +twetterden, de vlinders in liefde fladderden, de mugjes als genstertjes +schitterden: meér was er niet, maar dit oogenblik was dat alles +genoeg van geluk voor de beide betooverden, voor Charis, die verliefd +op haar ezel was, voor Charmides, den verliefden ezel, op wien Charis +verliefd was geworden. En ik dwaalde met Charis den bongerd door, ik +steigerde speelsch of sloeg met de achterpooten uit, ik balkte zelfs +Charis’ naam, zoo als ik het kon en de roode appelen lokten, +honderden, om ons heen....</p> + +<p>Zoo gingen de uren voorbij en vergaten wij beiden, dat wij geen +toekomst voor ons zagen, en had Charis haar honger gestild, en haar +dorst gelescht aan een beek en toen, van ons spel moede, zich +neér gelegd in het vliegjes-doorzoemde <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1800" href="#xd0e1800">124</a>]</span>lommer, waar ik, in het +mos gelegerd, had gewaakt over haar sluimering. Maar nu, in de +middagstilte, begon de zorg, op nieuw in mij gewekt, om te zien naar +een uitkomst. Ik spiedde uit links en rechts en speurde geen +menschelijk wezen. Als een witte oven gloeide het piekende rotsgebergte +door de appelboomen heen en vertrilde tegen de stralende zomerlucht... +Wat zoû die verdere dag, wat zoû die nacht ons brengen? Hoe +geheimvol onbekend was ons de naaste seconde! Hoe zoû ik verder +Charis kunnen behoeden, ik, een ezel op mijn gouden hoefijzers, voor +wilde beesten en saters, voor heksen, voor alles wat de geheimnisvolle +nacht met zich meê voert en hoè voor honger, ellende, +armoede! Alleen met mijn bruid in het woud, had ik éen oogenblik +kunnen vergeten, tusschen bloem en spel en ooft, dat wij beiden +betooverd waren en aan zware levensbeproeving bloot gegeven, nu de +middagstilte suisde om Charis’ slaap en ik waakte, wekte de +wanhoop op nieuw zich in mij.</p> + +<p>Tot ik meende tusschen de bladeren geritsel te hooren. Ik spiedde +uit en werkelijk zag ik mannen sluipen.... Zoû ik balken, +zoû ik mij bekend maken als Charmides, de betooverde zoon van +Lyzias van Epidaurus, die met Charis, Menedemus’ dochter, +gevlucht was, van het instortende landhuis weg? Bijna meende ik, dat +dit het verstandigst zijn zoû, toen ik begreep aan der mannen +uitzicht, dat zij roovers waren! Ja, zij waren roovers; geen armoedige, +barre, weêrzin en afgrijzen wekkende wilde-mannen des wouds, als +mij hadden gestolen uit de houthakkershut, maar wel twintig, dertig +groote, sterke, gewapende roovers in korte mantels gehuld en met groote +hoeden op.... Zij slopen wel tusschen het lagere +hout—vermoedelijk om niet langs den heirweg <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1804" href="#xd0e1804">125</a>]</span>te +gaan—maar zij praatten toch en lachten zelfs onder elkaâr, +als of zij hier thuis en bekend waren. Zekerlijk was deze afgelegen, +prachtig gekweekte appelebongerd, die wij geplunderd hadden, hun +eigendom! Toch, roovers, zoo ik bekend mij maakte, zouden misschien mij +zilverasters kunnen zoeken en ik zoû voor losprijs mijzelven +weêr worden.... Roovers zouden voor losprijs Charis vrij zeker +laten.... Bliksemsnel bedacht ik dit alles, tevens beducht of zij ruw +geweld mijn aangebeden bruid zouden kunnen doen.... Tot ik hunne +woorden hoorde:</p> + +<p>—Deze nacht dus?</p> + +<p>—Ja, <span class="corr" id="xd0e1810" title="Bron: +beâamde">beaâmde</span> wie hun hoofdman scheen. Het +landhuis van Menedemus....</p> + +<p>—Het omsingelen...?</p> + +<p>—Ja en zijn dochter schaken....</p> + +<p>In ontzetting was ik opgerezen. Ik begreep, dat zij niet wisten, dat +Menedemus’ landhuis was behekst geworden, in de lucht geheven, +vernietigd! Ik begreep, dat zoo zij het op Charis voorzien hadden, een +hun gunstig noodlot Menedemus’ dochter op hun weg had gevoerd! Ik +begreep, dat geen tijd te verliezen was....</p> + +<p>—Cha-i! stiet ik mijn bruid aan met mijn trillenden snoet.</p> + +<p>Zij ontwaakte, wilde mij omhelzen, maar dadelijk beduidde ik haar, +door te knielen, dat zij op zoû stijgen. En zij steeg op. En +juist toen de roovers in den bongerd verschenen, draafde ik weg, naar +de rivier terug.</p> + +<p>De mannen bleven bevangen staan. Het moest ook dien ruwe klanten als +een tooverbeeld, niet eigen der werkelijkheid, gelijken, hoe daar een +prachtige, zilver gevachte ezel, op glinsterend beslagen, roode hoeven +weg draafde met een <span class="pagenum">[<a id="xd0e1825" href= +"#xd0e1825">126</a>]</span>blanke, blonde maagd over zijn rug, hare +armen om zijn nek en beiden versierd met bloemen en bladerfestoenen, +die nu af van hen vielen. Zij moesten wel denken aan een nymf uit het +woud, aan een goddelijk wezen, een onwaarschijnlijken ezel berijdend, +in het stralendste zonnelicht, tusschen de gelooverde en be-appelde +schaduwvallen, dravende naar de rivier, waar zij zeker in een mist aan +hun oog zouden worden onttrokken! En ik draafde door.... Maar de +mannen, wat ook hunne verbijstering hun had voor gegoocheld, waren ons +reeds met wijde passen achtervolgd.... Ons inhalen zouden zij zeker +niet, was ik mij overtuigd, terwijl ik hupte over steenen en boomtakken +en Charis juichte om den rit, niet wetende welk gevaar dreigde. Tot +plotseling, tusschen de rivier en ons, andere mannen op doken, komende +van den tegenovergestelden kant. Zij riepen elkander toe: de eersten +riepen den anderen toe, dat zij zich zouden verspreiden en ons tegen +houden. En in der daad, zij verspreidden zich in een wijden cirkel, te +zamen zeker een veertigtal roovers. Te vergeefs trachtte ik hier +tusschen hen weg te komen, trachtte ik daàr tusschen hen te +ontvluchten: zij sloten dichter hun cirkel en ik zag geen uitgang meer +en zij grepen mij aan snoet, aan staart, aan manen. Ik steigerde, ik +sloeg met de achterpooten uit, ik poogde hen, woedend, te bijten: wat +kan éen ezel tegen veertig Thessalische roovers! Luide hoorde ik +Charis van ontzetting jammeren, maar er was niets aan te doen: de +mannen omringden ons en de hoofdman Charis, die van mijn rug af +gegleden was, op beurende, riep:</p> + +<p>—Schoone jonkvrouw, die op uw ezel vluchtte, gij zijt aan ons +en de kostbaarste buit, dien Hermes-Mercurius, onze god, ons ooit +gunde! <span class="pagenum">[<a id="xd0e1829" href= +"#xd0e1829">127</a>]</span></p> + +<p>Ik had geen tijd mij te verbazen, dat roovers den zelfden god +vereeren als eerlijke kooplieden in parels en purper: trillende stond +ik op mijn hoeven.</p> + +<p>—Een sterke, mooie ezel! prezen de roovers, mij slaande vol +hartelijkheid op de schoft. Een dappere ezel! Een flinke ezel! En een +edele, wonderschoone maagd, die hem berijdt!</p> + +<p>—Wie zoû zij zijn? vroeg de hoofdman.</p> + +<p>De roovers wisten het niet.</p> + +<p>—In alle gevallen een aanzienlijke maagd, die ons zal +troosten, mochten wij Menedemus’ dochter heden avond niet kunnen +ontvoeren, zei de hoofdman. Jonkvrouw, berijd weêr uw ezel. +Schrei niet en jammer niet meer: wij wenschen geen kwaad u te doen.</p> + +<p>En hij dwong Charis mijn rug wederom te bestijgen en zij zette zich, +maar luid snikkende:</p> + +<p>—Mijn bruidegom! Mijn Charmides, red mij!!</p> + +<p>—Ver is uw bruidegom, meende de hoofdman; en zijn vrouw zult +ge zoo gauw niet worden!</p> + +<p>En zij voerden ons terug, door den appelebongerd: er was niets te +doen dan voort, met mijn bedroefden last, tusschen hen mede te +stappen...</p> + +<p>Toen, omdat ik Charis noch redden, noch zelfs te troosten wist, +balkte ik wanhopiglijk luid uit naar den stralenden zomerhemel. <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1850" href="#xd0e1850">128</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XV.</h2> + +<p>Tusschen de roovers stapte ik nu voort, schreiende Charis op mijn +rug, den bongerd door, dan een eikenwoud door, tot wij naderden den wit +gestoofden wand van het rotsgebergte, dat als een vreemd kasteel, +immens en duizend malen getorend, op rees. En verwonderde ik mij, waar +zij ons henen leidden.... Tot de rooverhoofdman zeide:</p> + +<p>—Jonkvrouw, schrei nu niet langer. En duld, dat ik mijn mantel +u over het gezicht sla, want ge moogt niet zien, waar wij u brengen. +Vrees echter niets, geen kwaad zal u geschieden en ik wensch alleen +losgeld van uw ouders of verwanten te ontvangen; zoo dra ge ons de +noodige inlichtingen hebt gegeven, zullen wij ons in verbinding met hen +stellen en wil ik hopen, dat ge spoedig, met uw ezel, weêr vrij +zijt.</p> + +<p>Zijn toon was zoo hoffelijk, dat werkelijk Charis haar jammeren +staakte en duldde, dat hij zijn mantel haar over het gezicht wierp. +Onderwijl lette ik alles goed op en had ik ook eén oogenblik +gedacht mij aan de roovers bekend te maken, ik zoû nu wel +oppassen dat te doen; een ezel blinddoekten zij niet, als zij een man +hadden gedaan, een ezel lieten zij vrij rond blikken en op letten.... +En ik lette op, terwijl wij langs den heeten wand van het gebergte +trokken,—het stond soms als met kalkwitte, brokkelige tafelen +op—dat deze roovers, die ons hadden overmeesterd, <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1860" href="#xd0e1860">129</a>]</span>geen ruwe +wilde-mannen waren, maar sommigen eer mannen van zeker aanzien: er +schenen meesters en dienaren onder te zijn; de hoofdman zelve, dien +zijne makkers Dionyzius noemden, was een kloek gebouwde, jonge man, +trotsch en gebiedend, maar beleefd tegen over zijne gevangene en geen +onvertogen woord voegde eén van hen Charis tegen; reeds +gelatener lachte zij in de mantelplooien, die Dionyzius, bijna +schertsende, om haar heen trok. Maar ik lette op, ik lette op... Ik +bespeurde, dat zij ons plotseling leidden binnen zoo nauwe spleet van +het gebergte, dat ik nauwlijks mijn goed doorvoede flanken er tusschen +door kon wringen, terwijl zij Charis verzochten hare voetjes te zetten +op mijn nek. Eén van hen geleidde mij aan de vlok tusschen mijn +ooren den nauwen bergspleet in; Dionyzius volgde, al de andere mannen +volgden een voor een. Als ik poogde om te gluren, zag ik, in het +schemerlicht, dat viel van den dag, boven, tusschen de hooge muren, die +zij wel tevreden waren en schertsten met elkaâr, zag ik hunne +knappe avonturiersgezichten beter onder de randen der zorgeloos achter +op gezette hoeden, zag ik hunne kostbare wapenen flikkeren tusschen +hunne losser omgehangene mantels: hunne zwaarden en dolken waren bezet +met gesteente... Eén achter hen trof mij door zijn donker, +somber uiterlijk; hij was zoo groot als Dionyzius, zware brauwen +overschaduwden zijn geknepen, koolzwarte oogen; zijne makkers noemden +hem Manes. Hoe lang wij de kronkelende gang van den spleet volgden, kon +ik echter niet beseffen, toen ik mij plots bewust werd, liever raadde +door iets van mijn diere-instinct, dat zich naast mijn menscheverstand +had ontwikkeld, hoe de roovers telkens op hunne passen terug kwamen +langs dien linte-achtig door eén geslingerden <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1862" href="#xd0e1862">130</a>]</span>meanderweg +en misschien de ingang van den bergflank wel vlak bij de zaal moest +zijn, die zij ons binnen voerden.. Die zaal ontving door lange, smalle, +onregelmatige spleten bundels van zonnestralen aan de +Zuidzijde—een dier voelt dadelijk windstreek en richting—; +door andere van die spleten blauwde de zomerlucht en het licht poeierde +zoo helder binnen, dat ik dadelijk alles onderscheidde, terwijl +klaarblijkelijk van buiten die ramen zich zouden verliezen met de +tallooze groeven van het gebergte en tevens onbereikbaar zouden zijn +voor den stoutmoedigsten beklimmer. En Dionyzius ontdeed Charis van den +mantel, die haar geblinddoekt hield.</p> + +<p>—Waar ben ik? vroeg zij angstig, terwijl hij haar hielp af +stijgen.</p> + +<p>—Bij mij, glimlachte Dionyzius. En zeg mij nu, jonkvrouw, wie +zijt gij?</p> + +<p>—Ik ben, zeide argeloos Charis; Charis, de dochter van +Menedemus uit Hypata...</p> + +<p>—De dochter van Menedemus!! riep hoogst verwonderd Dionyzius +uit.</p> + +<p>—De dochter van Menedemus! riepen de andere roovers.</p> + +<p>—Die ik schaken wilde! fluisterde Dionyzius tot zijn +makkers.</p> + +<p>—Die wij schaken wilden, om hooge losprijs te winnen! riepen +de anderen.</p> + +<p>—En, wees Charis, naast mij staande en met haar arm leunende +over mijn nek: dit is Charmides, de zoon van Lyzias, uit Epidaurus en +hij is mijn verloofde....</p> + +<p>En glimlachende wees zij naar mij en de roovers ontzetten van wat +zij zeide.</p> + +<p>—Die ezel? vroeg Dionyzius. Die ezel heet Charmides <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1884" href="#xd0e1884">131</a>]</span>en is +de zoon van een anderen ezel, die Lyzias heet en in Epidaurus +woont?</p> + +<p>De roovers, door hunne verbazing, barstten in bulderenden lach +uit.</p> + +<p>—Charmides, o edele heeren, zei Charis argeloos en tevens zoo +als spreekt een maagd van aanzien; is geen ezel. Hij is een held, die +uit den oorlog terug kwam, gewond en die zijn spraak bijna geheel +verloor, hoewel hij mijn naam uitspreekt zoo teeder als zelfs mijn +vader het niet vermag! Hij is mijn verloofde, wij vierden onze +verloving met blijde pracht en prachtig is hij ook zelve nu hij genezen +is en alleen nog niet geheel en al zijn spraak terug won; hij is +prachtig in zijn nieuwe gedaante, die gij ten onrechte aan zaagt voor +die van een ezel; waar zaagt ge ooit, o heeren, wie ook met zulk een +glanzende, zilverachtige vacht, met zulke fijne, sterke beenen, met zoo +een aanbiddelijken, lieven, vochten snoet, met zulke mij dierbare, +beweeglijke ooren en met zulke blauwe oogen, met zulke blauwe +oogen?</p> + +<p>En zij wees mij steeds en de roovers rondom stonden ontzet. Toen +zeide Dionyzius:</p> + +<p>—Haar geest doolt....</p> + +<p>—Zij is waanzinnig, zei Manes.</p> + +<p>—Zij is waanzinnig, herhaalden alle de anderen.</p> + +<p>—Zeg mij, o Charis, vroeg Dionyzius; waarom dwaaldet ge ver +van uw vaders huis door deze streken, die iedereen vreest en at ge in +onzen boomgaard de appels?</p> + +<p>—Het huis van mijn vader stortte in, er was hevige aardbeving +en Charmides redde mij. O, mijn vader, o mijn broeders en neven, waar +zijt gij, waar zijt gij? Dood of gered!?</p> + +<p>En zij begon hevig te snikken. <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1904" href="#xd0e1904">132</a>]</span></p> + +<p>Ik balkte zacht.</p> + +<p>—Cha-i....!</p> + +<p>—Ja, Charmides! riep Charis, hartstochtelijk hare armen +slaande om mijn nek. Alleen jij, mijn bruidegom, bleef mij over!</p> + +<p>De roovers raadpleegden elkaâr.</p> + +<p>—Charis, Menedemus’ dochter....?</p> + +<p>—Een aardbeving....?</p> + +<p>—Ik heb er niets van gemerkt in deze streken!</p> + +<p>—Wij geen van allen....</p> + +<p>—Charis, zeide Dionyzius met zekeren eerbied. Vergeef ons, dat +wij uw bruidegom aanzagen voor een ezel. Ik zie, dat ik mij nu vergis. +Uw bruidegom is een held, al is zijn vorm ook niet gewoon menschelijk. +Wilt ge, dat wij hem bij u laten en hij uw gevangenschap deelt of wilt +ge alleén blijven, Charis?</p> + +<p>—Neen, neen, neen! riep Charis angstig. Neem hem mij niet af! +Neem hem mij niet af!!</p> + +<p>En zij klampte zich angstig om mijn ezelnek.</p> + +<p>—Wij zullen u uw bruidegom laten, verzekerde Dionyzius. Tot +wij van Menedemus losgeld hebben ontvangen. In afwachting daarvan zal +het u aan niets ontbreken. Kom meê, kom meê, met +Charmides.</p> + +<p>Ik liet het mij geen tweemaal zeggen. Ik vergezelde dadelijk mijn +bruid en ik verwonderde mij al gaande over dit wonderlijke +rooversverblijf. De zaal uit, een lange, vreemd kronkelende gang door, +doolhof, gelijk aan het Labyrinth, waar Thezeus door Ariadne geleid +werd om den Minotaurus te verslaan, gingen wij links, rechts, Charis +wederom geblinddoekt en ik verloren in te-vergeefsche bespieding welke +richtingen wij namen, links en rechts en <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1931" href="#xd0e1931">133</a>]</span>wederom rechts en links.... +Tot ik niet meer wist en mijn ezelkop mismoedig schudde.</p> + +<p>Eindelijk voerden de roovers ons een ronde zaal binnen, die, even +als de vorige, in den berg gehouwen scheen, gewelfd, met de lange +raamspleten in de hoogte onbereikbaar en ondoordringbaar, zoo wel van +binnen als van buiten en Dionyzius zeide, Charis onthullend:</p> + +<p>—Zie, Charis, dit is het verblijf voor hooge, gevangen gasten +en hier zult ge met Charmides blijven tot wij gunstig bericht hebben +van uw vader....</p> + +<p>In het midden der zaal was een breede rustbank van beren- en +lynxevellen: er waren tafels en schabellen; in een kast stond +tafelgerei, nuttig en sierlijk; in staande bronzen lampen zouden des +avonds pitten kunnen worden ontstoken; er hingen muziekinstrumenten aan +den blanken rotswand, er stonden boekrollen in bronzen kokers; rijke +stoffen plooiden met een weelderigheid van kleur hier en daar....</p> + +<p>—Hier, ging onze gastheer voort en wees door een open deurboog +van rotssteen; kan uw edele bruidegom huisvesten. Wij zullen een +stroobed bereiden, hem wellicht welgevallig aan zijne zilvergrauw +gevachte leden.</p> + +<p>En hij wees een soort van bergruimte, werkelijk allergeschiktst om +in ezelstal te worden herschapen.</p> + +<p>Charis zag wederom glimlachend in het rond. Maar de beminnelijke +rooverhoofdman klopte met een bronzen klopper op een bronzen +schaal.</p> + +<p>Uit een andere boogdeur, van achter de kleurrijke stoffen, kwamen +drie oude, zwarte vrouwen te voorschijn.</p> + +<p>—En hier, Charis, ging Dionyzius voort; zijn drie dienaressen +te uwer beschikking. Zij spreken niet en zij hooren <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1949" href="#xd0e1949">134</a>]</span>niet want +zijn doofstom, maar zij zullen u kleederen brengen en voedsel en twee +doofstomme eunuchen zullen de dienaars zijn van uw bruidegom en hem +verzorgen, borstelen en voeder brengen.</p> + +<p>De twee eunuchen verschenen en kregen dadelijk bevel mijn stal in +orde te brengen en de oude vrouwen brachten op haars meesters +aanwijzing Charis in een aangrenzend badvertrek. En terwijl zij haar +baadden, verzorgden de eunuchen mij in mijn stal. Ik had echter geen +honger en toen zij mij verlaten hadden, keek ik verwonderd in het rond, +alles oplettende in het vreemdste rooververblijf, dat een +fantazie-rijke dichter maar zich zoû kunnen droomen. En Charis, +met de drie oude vrouwen kwam te voorschijn: zij was gedost in zacht +gele zijden peplos; hare blonde haren waren gevlochten en opgestoken. +Zij liep op mij toe en omhelsde mij en zij deed mij zitten op de +rustbank van beestevellen. De vrouwen boden haar een lier en zij +speelde en neuriede met hare kinderstem, te vreden en klaarblijkelijk +wederom alles vergeten van de heksennacht, die ons had doen vluchten, +van den vermoedelijken ondergang haars vaders en hare verwanten. De +eunuchen en vrouwen dienden spijs en drank op en Charis deed mij mede +eten. Noch de vrouwen noch de eunuchen verwonderden zich over iets, +vermoedelijk gewend aan vorige vreemde dingen in dit vreemde +rooververblijf, in deze zaal der aanzienlijke gevangen gasten. Toen +stond Charis op en zij zag naar boven, naar de hooge raamspleten, +waardoor poeierden goud enkele zonnestralen en pruilende riep zij:</p> + +<p>—Ik wil naar buiten! Ik wil naar de tuinen!</p> + +<p>Ik vreesde, dat zij hare gevangenschap zoû gaan begrijpen en +dat er zeker in deze bergspelonken geen tuinen <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e1957" href="#xd0e1957">135</a>]</span>zouden zijn +aangelegd. Maar de twee eunuchen wezen juist op dit oogenblik hen te +volgen. En zij geleidden de jonkvrouw en haar ezel een derde boogdeur +door, een witte rotsgang door en onverwachts traden wij in een opene +ruimte en Charis gaf een juichkreet en ik keek verwonderd om. Het was +werkelijk een groote tuin, tusschen de pieken en naalden van het +gebergte, die stonden schitterende wit in de diep blauwe lucht van den +nanoen als de torens van een immens, krijtblank tooverkasteel. De hooge +rotswanden, die den tuin omgaven, dropen ter Noordzijde van neêr +druppelende watervalletjes, sijpelend tusschen de groeven over groene +en gele mossen, dicht overwoekerend het gesteent. Er bloeide een schat +van bloemen overal op aan de dichte heesters, waar de roode en witte +rozen gloeiden en geurden over geheel de Zuidzijde van den ingeslotenen +wondertuin. En een klein meertje, een vijver, die weêrspiegelde +de diep blauwe lucht, lag in het midden; enkele waterplanten spreidden +er hunne platte bladeren over heen....</p> + +<p>De avond viel: in het Westen gloeide de lucht van oranje, na het +zinken der zon achter den rotswand. Een honigblonde teederheid weifelde +aldaar over de lucht, terwijl de lila nacht hare ijle sluiers reeds +spreidde. Toen rees de maan, terwijl wij lagen aan den rand van het +meertje; Charis, geleund tegen mij aan, sluimerde, haar hoofd tegen +mijn roerloos ezellijf.</p> + +<p>Heel hel rees de maan en zij liet haar zilveren, ronde schijf +neêr zinken in het rimpelloos water. En ik zag, dat tusschen de +glimmende, platte bladeren der waterplanten een stengel zich als beurde +en een knop ontlook. Het was een enkele lotusknop en terwijl ik +staarde, opende wijd de <span class="pagenum">[<a id="xd0e1963" href= +"#xd0e1963">136</a>]</span>bloem en straalde blank in het maanlicht en +ik was bekoord door die schoonheid....</p> + +<p>Maar de drie doofstomme, zwarte vrouwen en de drie eunuchen +verschenen aan de deur en het scheen ons toe, dat zij ons noodden ter +ruste te gaan.</p> + +<p>Van de roovers zagen wij die nacht niets meer.... <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1969" href="#xd0e1969">137</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XVI.</h2> + +<p>Ook den volgenden dag niet. Wij doorleefden hem samen in +sprookjes-achtige rust van de dageraad tot de nacht, in de zaal en in +den tuin, terwijl de eunuchen en de zwarte vrouwen het ons aan niets +lieten ontbreken. De morgen daarop verscheen Dionyzius.</p> + +<p>—Charis, zeide hij. Wij zonden boodschappers naar het +buitenverblijf van uw vader. Ingestort is het niet, zoo als zij met +eigen oogen zagen, een aardbeving is er in het Zuiden van +Thessalië sedert jaren niet voor gekomen, maar het huis was +gesloten en onbewoond en de omwonende boeren verzekerden, dat Menedemus +en alle de zijnen vertrokken waren, met misbaar en wanhoop, omdat zijn +dochter verdwenen was en dat zij niet wisten waar heen. Edele +jonkvrouw, waar vinden wij thans Menedemus? In welke van zijn tallooze +buitenverblijven? In Hypata wellicht?</p> + +<p>Maar Charis wist niets te antwoorden en ik evenmin. Dionyzius zeide +toen, dat hij geheel Thessalië zoû laten doorzoeken, tot hij +Menedemus gevonden had. Intusschen begreep ik niet, dat wat ik gezien +had met eigen oogen, wat ik ontvlucht was met eigen dravende beenen een +begoocheling zoû geweest zijn, dat het landhuis tusschen de +lotusvijvers nog altijd bestond en slechts onbewoond en gesloten +zoû zijn! Maar hoewel ik steeds dacht aan het raadsel, ging de +dag toch voorbij als de vorige. Tot tegen den avond <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1979" href="#xd0e1979">138</a>]</span>Dionyzius +ons noodiging zond het feest bij te wonen, waartoe hij en zijne makkers +hadden besloten. De doofstomme, zwarte vrouwen dosten Charis in +rijkeren dos en de eunuchen geleidden ons samen door vele +kronkelgangen, het inwendige van den berg door, tot wij in een zaal +kwamen, zoo schitterend, dat ik verblindde. Werkelijk, ik had veel +reeds in mijn jonge leven aanschouwd: het tooververblijf van +Meroë, het landhuis van Menedemus, maar wat ik nu zag, was zoo +fabelachtig, dat ik verblind om mij heen zag. In het rotssteen, dat als +gebeeldhouwd was met Corinthische pilasters en architraven, waren +groote vakken van glanzend goud als reusachtige spiegels in gevat en +overal stonden tegen dien wand gouden lampen, zich vertakkende en +vertwijgende en iedere twijg beurende een brandende pit, zoo dat het +van vlammen wemelde en alle die vlammen weêrspiegelden zich +duizenden malen in de glanzende, gouden spiegelwanden. Toen wij binnen +kwamen, weêrklonk muziek van fluiten en kleine harpen en in het +midden der zaal dansten Georgische danseressen.... De danseressen en de +muzikanten waren allen slavinnen en slaven der roovers, begreep ik +later en ik verwonderde mij wel zeer over die vreemde roovers, die in +het binnenste van een wonderlijk piekgebergte leefden als prinsen, +tusschen groote schatten en vorstelijke weelde en geen oogenblik +schenen bevreesd te zijn, dat hun wonderkasteel ontdekt zoû +worden. Zij lagen, in rijke kleedij, hunne gesteente-schitterende +dolken in hun breede, zijden gordels, op bedden van tapijtwerk en aten +en dronken uit het kostbaarste vaatwerk, dat ik ooit had gezien, +terwijl de flakkerende vlammen der honderden lampepitten overal aan +hunne juweelen op tulband en aan wapenen, aan schotels en kannen en +bekers blauwe, gele en <span class="pagenum">[<a id="xd0e1981" href= +"#xd0e1981">139</a>]</span>groene vonken ontlokten, die zich weder +terug kaatsten in de glanzende spiegels, zoodat het tooverachtige +schouwspel mij onvergelijkelijk scheen met wàt ik ook in mijn +leven had mogen aanschouwen.</p> + +<p>Zoodra wij binnen kwamen, rezen Dionyzius en de sombere Manes op; +zij traden Charis te gemoet, die met mij, haar arm om mijn nek, nader +trad en ook verrast en bekoord om zich heen blikte, aan hoeveel de +dochter van den schatrijken Menedemus ook gewoon was. En de beide +rooverhoofdmannen noodigden hoffelijk Charis uit tusschen hen beiden +aan te zitten op een verhevenheid en duldden, dat ik mij vlijde aan +hare voetjes. Mijn lieve bruid bevroedde niet in welk vreemd gezelschap +zij zich bevond; angst koesterde zij niet, nu zij zoo hoffelijk reeds +twee dagen lang bejegend werd door hare gastheeren; nadenken vermocht +niet haar betooverde geest en het scheen wel of die betoovering eene +bescherming om haar heen spon, die zij zich ook niet bewust werd; +gevlucht in een heksennacht uit haars vaders betooverd huis op den rug +van een ezel, was haar geen haar gekrenkt, was zij gevoed, gekleed, was +er een feest om haar heen en ik verwonderde mij over den geleidelijken +loop van dingen, die toch niet gewoon schenen en bedacht of het de +goden van Eleuzis waren, die dergelijke harmonische +onwaarschijnlijkheden om de lieflijke onschuld van Charis sponnen en +weefden.</p> + +<p>Intusschen zweefde de dans der Georgische vrouwen door de gouden +spiegelzaal—overal verdubbelde zich hare bevallige beeltenissen, +over en weêr, en telkens werden de diepe drinkschalen +ingeschonken,—toen ik, plotseling, verrast, den kop richtte. Want +Dionyzius was dichter bij Charis geschoven en ik hoorde hem, verhit +door den wijn zeggen: <span class="pagenum">[<a id="xd0e1987" href= +"#xd0e1987">140</a>]</span></p> + +<p>—Charis, ik heb je lief! Ik heb je willen schaken om losprijs +van je vader te krijgen, maar nu een gunstig noodlot je gevoerd heeft +tot bijna in mijn armen, wil ik je omhelzen en zal je de mijne zijn en +zullen alle deze schatten je toe behooren, o schoone maagd!</p> + +<p>Ik verschrikte hevig, toen ik plotseling Manes ter andere zijde, +somber de brauwen fronsende, hoorde zeggen:</p> + +<p>—Dionyzius, neem je in acht! Aan mij zal het zijn, dat Charis +toe zal behooren, zoo als ook deze schatten aan mij toebehooren en niet +aan jou, en niet aan jou, die met een vervloekten glimlach meent alles +te winnen, schatten en vrouwen en heerschappij over onze mannen en ons +bezit!</p> + +<p>Woedend rezen plots de twee dronken rooverhoofdmannen op. En ik +begreep, dat een lang gekoesterde ijverzucht plots tusschen hen los +barstte. Ook ik was opgerezen en Charis wierp zich met een kreet om +mijn nek. Wat! Beschermden de Eleuzische godheden ons dan niet meer?! +De beide roovers hadden elkaâr naar de keel gegrepen, terwijl +gillende de danseressen en muzikanten vluchtten tusschen de wanorde der +omver gestootene tafels. En tusschen al de andere roovers +weêrklonk boos, ruw geroep en zij stonden plots in twee kampen +tegen over elkaâr.</p> + +<p>—Charis behoort aan Manes! riepen de eenen.</p> + +<p>—Aan Dionyzius! schreeuwden de anderen.</p> + +<p>Plotseling, in de van lichten flakkerende en spiegelende feestzaal, +barstte los een verwoede strijd. Een twintigtal mannen stortte zich op +een twintigtal mannen en er vloeide bloed en een verschrikkelijk +schouwspel van helsche woede spiegelde zich daar over en weêr +tusschen de van bloed druipende, stralende wanden. Intusschen had ik in +een plotse ingeving Charis met een gebaar bewogen te springen op <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2002" href="#xd0e2002">141</a>]</span>mijn +rug en baande ik mij een weg, stootende met mijn kop, trappende met +mijn hoeven. Plots voelde ik een hevige pijn en een dolkstoot in mijn +flank. Mijn bloed vloeide maar diep was de wonde niet en, een verwoede +ezel ik, tusschen die verwoede roovers, ging ik voort mij een weg te +banen. Zij waren plots zoo op elkander verbitterd, dat zij eigenlijk +niet op mij letten. Charis, op mijn rug, sloeg de armen op en jammerde +van verschrikking. En de verwarring woelde door een. Maar ik wist te +bereiken den uitgang. De roovers hielden mij niet tegen, vermoedelijk +zeker, dat ik toch geen uitweg zou vinden. Door een labyrinth van nauwe +gangen zocht ik mijn weg.</p> + +<p>—Cha-i! Cha-i! balkte ik, om mijn bruid gerust te stellen.</p> + +<p>Zij omhelsde mij vast en lag trillende over mij heen. Ik voelde haar +zachte maagdelijf in hare goud-doorweven sluiers kloppen tegen mijn +ezelelijf. Een zaal stond open: het was vermoedelijk Dionyzius’ +slaapverblijf, vol weelde: uit een kist van ivoor hingen parelsnoeren, +maar ik holde voort. Waar zoû ik een uitgang vinden? Nergens +vermoedelijk. Aan den wand hingen purperen mantels, krokosgele mantels, +mantels van vossebont. Ik holde voort... De open gelaten wijnkelders +holde ik door: de amforen stonden er, puntig en dubbel geöord; de +dikbuikige vaten stonden er: het rook er naar een roode bezwijmeling. +Ik holde voort! Waar was ik? Ik werd mij bewust in het rond te draven. +Daar was onze tuin, daar was ons eigen verblijf. Maar daar hoorde ik +plots ook weêr het gewoel van den strijd der verbitterde roovers +en ik holde weêr terug...</p> + +<p>Een nachtmerrie werd die inwendige berg, het verwonderlijke +rooverhol; een booze droom werd het van <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e2010" href="#xd0e2010">142</a>]</span>onbestaanbaarheid. Ik holde +om en om; ik scheen mij door een nauwe cirkelgang te wringen en +wanhoopte ooit te kunnen ontkomen. Gesloten zouden vermoedelijk alle +uitgangen zijn. De roovers achtervolgden ons niet, zeker vreesloos, dat +ik zoû kunnen vluchten. Daar was weêr onze tuin, daar klonk +weêr het verschrikkelijk rumoer van den strijd....</p> + +<p>Te gelijker tijd struikelde ik. Het was midden op een ronden +binnenhof, tusschen de hooge, witte wanden van de op stekende pieken, +als een put, die scheen geboord in het gebergte. En ik zag, dat ik +gestruikeld was over een even op stekenden, vierkanten steen, waaraan +een ijzeren ring. Ik weet niet welke ingeving mij bezielde, maar ik +greep den ring met mijn sterke ezeltanden. Ik lichtte aan den ring den +steen met al mijn kracht op.</p> + +<p>—Charmides! riep Charis. Vlucht! Ik ben bang, ik ben bang voor +de mannen, die vechten!</p> + +<p>Ik bukte mijn kop. Ik zag een opening, wijd en een trap, die daalde +steil naar beneden. Ik weet niet waarom, maar ik daalde de trap af, +alleen vreezende, dat Charis zich het hoofd stooten zoû. Maar de +trap was wijd in het rotssteen uit gehouwen en ik daalde voorzichtig +maar gemakkelijk haar af. Mijn ezelhoeven tastten uit. Ik daalde lager +en lager. Vage lichtschijn viel nog van boven. Nu en dan tastte en +daalde ik in den donker....</p> + +<p>Plotseling werd het lichter voor mijn blik. Ik zag op. Ik zag de +lucht. Die was hoog, hoog, een blauwe, verre hoogte boven den zwarten +trechter, waarin ik mij bevond. Maar in dien trechter was een steile +trap gehouwen!</p> + +<p>Ik aarzelde niet en ik steeg de steile trap op. Bijna recht-op steeg +ik, hoef voor hoef zettende op de smalle treden en Charis steeds +krampachtig zich klemmende om <span class="pagenum">[<a id="xd0e2022" +href="#xd0e2022">143</a>]</span>mijn nek. Hoe lang die moeilijke +stijging duurde! Het was of ik uit het diepste der aarde op steeg naar +het hoogste van den hemel. Maar ik steeg en ik steeg... Charis zeide +geen woord en alleen mijn gehijg doorkreunde de nauwte van de steile +trechtertrap. Eindelijk, eindelijk bereikte ik den rand. Nóg een +poging en nog een poging!</p> + +<p>Daar ademde mijn hijgende snoet aan de trechteropening de wijdere +lucht. Daar heesch ik mij als aan mijn hoeven op en stond op den +trechterrand. O zalige vreugde! Om mij piekte het wondere gebergte met +zijn witte torens in rozigen dageraad. De arenden vlogen in wijde +kringen rond. De lucht was als een oceaan van parelvochten ether. De +landouwen lagen in de diepte uitgesmolten in licht groene wazigheid met +de donkere plekken der bosschen tot aan verijlende horizonnen. De +nieuwe zon straalde uit.</p> + +<p>Ik zag rond, of de roovers ons misschien langs een anderen weg...? +Ik zag niets. De wereld was immens wijd, verlaten en goddelijk schoon. +En een ezel ik, met een jonkvrouw op mijn rug, stond daar hoog, op het +witte gekartel van een hoogen bergkam.... Waarheen? Het was alles +onbekend. De naaste minuut zoû de onbedenkbare verrassing +zijn.</p> + +<p>Waar de bergkam daalde, zette ik mijn hoef. En daalde met den +bergkam mede. Hoe voorzichtig daalt toch een ezel langs de steilste +bergflanken omlaag! Weg was er niet: ik koos slechts de geschiktste +plekken om mijn hoeven te zetten. In den rozigen morgen, nog wazig +blauw van dauw, daalde daar een ezel het krijtwitte gebergte af, op +zijn rug een betooverde maagd in zacht gazen feestgewaad van kostbare +sluiers gehuld en de witte pieken rezen op en de zwarte arenden +cirkelden rond. En het was alles zoo gewoon en zoo gelukkig, dat ik +mijn wonde niet achtte. De zilverbrem <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e2030" href="#xd0e2030">144</a>]</span>bloeide om ons heen en hier +en daar ruischelde het schuimende water de blanke groeven omlaag. En ik +daalde, ik daalde altijd.</p> + +<p>Ik daalde af, werd ik mij bewust, aan den anderen kant van het +gebergte. Maar de appelebongerds omringden geheel den berg en toen ik +was afgedaald, dwaalden wij verder de bongerds door en aten de appels +en dronken samen aan de beek. En rustten uit in de doorappelde +schaduwen. En gingen weêr verder. En niemand kwamen wij tegen. +Het was de noen en nauwlijks dacht ik aan wat het einde van dezen dag +brengen zoû.</p> + +<p>Den warmen middag liep ik een schaduwrijk bosch door van dicht +bladerige kastanjes. Er volgden weilanden, bouwlanden; er graasde het +vee, er golfde het graan, er doken de boerenhoeven op tusschen de +olmeboomen. Landbouwers zag ik met hunne knechten bezig: zij sloegen de +blinkende sikkels de neêr zijgende aren door en zongen hun +juichend oogstlied. Maar ik vreesde hen te naderen, omdat wij beiden +betooverd waren.</p> + +<p>En toch naderde ik. De mannen keken verwonderd op naar den ezel, die +daar naderde op roode hoeven, goudbeslagen en een in feestgewaad +gehulde, blonde jonkvrouw op zijn rug. En een der mannen naderde op +zijn beurt. En toen ik hem aanzag, herkende ik Davus, van wien ik +sedert maanden gescheiden was.</p> + +<p>Toen balkte ik van verbazing, heel luid en schreef met mijn hoef +duidelijk in de mulle aarde:</p> + +<p>—Ik ben Charmides, Davus, je meester, en deze jonkvrouw is +Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata, die wij ontmoetten bij de +poort van de stad en om wier liefde ik betooverd werd.... <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2042" href="#xd0e2042">145</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XVII.</h2> + +<p>Davus, zoodra hij op den grond gespied had wat mijn hoef had +geschreven, slaakte een juichkreet en wierp beide armen hartstochtelijk +om mijn ezelnek.</p> + +<p>—Heer! riep hij. O mijn heer Charmides! Zie ik u eindelijk +terug!?</p> + +<p>En ik balkte luid van blijdschap en duwde hem met mijn snoet in zijn +maag uit speelschheid.</p> + +<p>—En zijt gij de ezel van deze jonkvrouw geworden? vroeg Davus, +in blijde verbazing. De ezel van Charis, Menedemus’ dochter uit +Hypata?</p> + +<p>Maar Charis, gelukkig, bespaarde mij veelvuldig, moeizaam +hoefschrift en riep zelve uit, na ook gelezen te hebben:</p> + +<p>—De ezel van Menedemus’ dochter? Neen, domme slaaf, maar +haar bruidegom, die in dezen aanbiddelijken vorm uit den oorlog is +gekomen, en toen hij gewond werd, zijn spraak verloor! Hoewel hij mijn +naam als muziek zegt!</p> + +<p>Davus keek verwonderd op, maar ik beduidde hem met een zijlinkschen +blik en vele schuine oorbewegingen, dat Charis, als ik, was betooverd +en verliefd op een ezel geworden.</p> + +<p>—Ik begrijp het, ik begrijp het, heer! riep Davus. Werkelijk, +ik begrijp er alles van! Ben ik ook niet betooverd geworden, toen ik u +zocht bij Xeniæ, terug in Hypata, helaas, overal in den omtrek, +heel ver, tot in Larissa toe, <span class="pagenum">[<a id="xd0e2062" +href="#xd0e2062">146</a>]</span>waar ik slechts u vermoeden kon? Maar +ik vond u niet, hoewel ik toch niet alleen naar u maar ook naar een +ezel zocht! En ik vond wel ezels maar ik vond u niet en zelfs niet den +ezel, die ge waart, zoo als ik u nu heb gevonden! O heer, er spon +allerlei betoovering om mij rond; er was een web van verhindering om +mij heen: ik dorst zeker niet terug naar uw ouders, toen ik u had +verloren en ik zelve werd spoedig, toen ik u te Larissa in een ezelstal +zocht—want ik vermoedde wel, dat ge van vorm veranderd +waart!—als veedief gepakt en gegeeseld en toen in het gevang +geworpen en toen verkocht op de slavenmarkt en ik wisselde van meester +drie malen: ik was eerst slaaf van den stadsreiniger, maar verheugd er +om, want ik liep steeds op de straat met mijn korf en bezem àlle +ezels na; mijn meester verkocht mij toèn met voordeel aan een +purperfabrikant en ik zegende mijn noodlot, omdat ik berekende, dat, +zoo ge niet in een ezel herschapen waart, ik u misschien daar kon +ontmoeten zoo ge handelsbetrekking aanknooptet met mijn baas en ook +deze verkocht mij met voordeel aan den opziener van een groot +landeigenaar, in wiens gronden ik nu werk—hij toonde zijn +sikkel—maar dien ik zelve nog niet heb gezien en wiens naam ik +wederom vergeten ben: hij heet, geloof ik....</p> + +<p>Terwijl Davus zich den naam van zijn nieuwen meester wilde +herinneren, kwamen langzamerhand de andere slaven en arbeiders en +landbouwers aanloopen en verzamelden om ons heen en Davus was zoo +vervoerd van geest, omdat hij mij terug had gevonden, dat hij geen +oogenblik bedacht hoe stilzwijgen en geheimenis de beste atmosfeer zijn +rondom betoovering en luide zichzelf in de rede viel:</p> + +<p>—Vrienden, medeslaven en gij heeren opzieners, komt <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2068" href="#xd0e2068">147</a>]</span>toch +nader en loopt toch toe: kijk, dat is mijn meester; dit is Charmides, +Lyzias’ zoon, uit Epidaurus, die in een ezel veranderde.... o +neen, die niet in een ezel veranderde maar in een held, die uit den +oorlog kwam, hoewel hij toch wel op een ezel gelijkt.... En deze +jonkvrouw is.... hoe heet zij ook weêr, heer Charmides; ge weet, +uw trouwe Davus vergeet altoos namen!</p> + +<p>En de opzieners en de slaven verzamelden in dichten drom.... Nu was +er niet veel te herstellen meer aan Davus’ onbescheidenheid; de +opzieners vroegen Davus, zij vroegen toen Charis, die, steeds op mijn +rug gezeten, argeloos en waardig antwoordde, dat zij Charis was en ik +haar bruidegom Charmides; zij vroegen zelfs mij en er bleef mij niets +over, dan ja te knikken en zelfs mijne toestemming schriftelijk in het +stof van den weg te onderteekenen.</p> + +<p>Er was hevige verwondering om ons rond. Nu was langzamerhand al het +landvolk om ons heen gedrongen:</p> + +<p>En het klonk, door elkaâr:</p> + +<p>—Een betooverde koopmanszoon en een betooverde maagd! Nu, wat +is er voor vreemds aan betoovering? Zegt men niet, dat onze heer +zelve....? En onze meesteres....?</p> + +<p>Ik verstond niet wat zij meer fluisterden, want het was als een +ruischende, dringende zee om ons rond en eindelijk zei de hoofdopziener +tot Davus:</p> + +<p>—Het lijkt mij het beste, dat wij Charis en Charmides geleiden +voor onze meester en meesteres en dat jij, Davus, ons vergezelt om +getuigenis af te leggen, dat je je eersten heer terug vondt in dezen +onwaarschijnlijken vorm.</p> + +<p>Veel was er niet tegen dit voorstel in te brengen. De opzieners +gelastten den slaven en arbeiders terug tot hun arbeid te gaan en +omringden ons, vier van hen met den hoofdopziener, <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2084" href="#xd0e2084">148</a>]</span>om ons naar +hunne meesters te brengen. Het was echter een lange weg, dien wij +volgden, terwijl de avond viel. Het waren uitgestrekte bezittingen. +Toen de landerijen waren gedaan, waar men nauwlijks wist hoe de +schatrijke bezitter heette en wie hij was en met wie hij gehuwd was en +waar nog een landelijk geluk scheen te zijn tusschen landbouw en +veeteelt, kwamen wij aan het uitgestrekt molenbedrijf en daar zag ik +ter weêrszijde van den weg de zelfde ellende, die ik zelve had +door gemaakt. Een rilling ging door mij heen. Maar de opzieners +begrepen, dat wij beiden, hoewel betooverd, een jonkman en een maagd +van aanzien waren en zij geleidden ons steeds met zorg; zij deden ons +telkens rusten; zij boden Charis honigkoek, melk, brood, ooft; zij +gaven mij klaver en haver: zij zagen nu wel, overtuigd, dat ik geen +gewone ezel was, maar een betooverde koopmanszoon, want ik beantwoordde +enkele hunner vragen schriftelijk en bekende hun, met mijn hoef +schrijvende in het zand, dat ik aan roovers was ontsnapt. En zich wel +verwonderende, maar niet zóo zeer als ik wel begrijpelijk had +gevonden, geleidden zij ons steeds voorwaarts, nu langs in de nacht +somberder rifgebergte, waar zij zeiden, dat de goudmijnen van hun heer +zich bevonden. Ik vermoedde, dat hij minstens wel even zoo vermogend +zou zijn als Menedemus en mij herinnerende, dat Davus nog niet mij zijn +naam had genoemd, vroeg ik, schrijvende, toen wij een oogenblik halt +hielden:</p> + +<p>—Hoe heet, opzieners, uw heer....</p> + +<p>En de hoofdopziener antwoordde, en het was mij, of ik een donderslag +hoorde:</p> + +<p>—Chersonezus, die zich noemt de zoon van Hermes en Hekate.... +<span class="pagenum">[<a id="xd0e2092" href= +"#xd0e2092">149</a>]</span></p> + +<p>Chersonezus! De zoon van Hekate! En die zich ook nog verhoovaardigde +te zijn de zoon van Hermes, van den edelen god aller kooplieden in +parels en purper?! Neen, dat nooit! Maar van Hekate! Wellicht +Chersonezus, dien ik had gezièn, had gehóord, zwevende in +de nacht boven het landhuis van Menedemus, om alles te vernietigen en +Charis te schaken! Het was Chersonezus, waarheen zij ons leidden! Een +ontzétting rilde door mij heen, maar ik begreep dadelijk niets +te moeten laten blijken. Charis zelve begreep niets, wist niets van +dien machtigen toovenaar; voor Davus was Chersonezus’ naam niet +meer dan welke andere klank! Alleen voor mij was hij de ontzetting! Wat +kon ik doen? Vluchten met Charis? Een ezel met een jonkvrouw tusschen +vele menschen is zelfs niet gelijk aan éen man met zijn geliefde +tusschen vele mannen. Duizend gedachten en voornemens woelden in mij +duizelsnel rond, maar ik begreep, dat er geen enkele was uit te werken +of te volvoeren. Schijnbaar rustig stapte ik voort. Charis, gerust +gesteld, omdat zij gezeten bleef op mijn rug, keek links en rechts en +vroeg de zoete vragen van een kind. Maar Davus riep:</p> + +<p>—Heeren opzieners, zegt men niet, dat Chersonezus bekend is +met de geheime krachten en zoû hij mijn heer niet onttooveren +kunnen?</p> + +<p>Wat de opzieners antwoordden, verstond ik niet in mijne verwarring. +Maar wel deed Davus’ vraag mij begrijpen, dat het beste zoû +zijn werkelijk mij te gedragen bij Chersonezus of ik onttooverd door +hem wilde worden. Intusschen waren wij het goudmijnbedrijf voorbij +gegaan en plotseling zag ik, hoewel in de verte, een wonder vizioen van +architectuur opzuilen in de nacht. Het schenen zacht gouden zuilen, die +rezen tusschen wijde, maanblauwe tuinen. Nooit nog had <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2099" href="#xd0e2099">150</a>]</span>ik zulke +vreemde, onwaarschijnlijk blauwe tuinen gezien: het was donker blauw +van boomgroepen en heestermassa’s tegen lichter, star-doorzaaid +blauw van lucht; het was nachtachtig azuur van vijvers tusschen +lazuursteenblauw van bladeren en bloemen en tusschen al deze +betoovering van blauw rezen de zacht gouden zuilen, in Corinthische +kapiteel- en gleufverschieten met hare tallooze schachten op, terwijl +de daken ook met zacht gouden vakken verschoten. En toen wij naderden, +kondigde de hoofdopziener ons aan, door te blazen op een fluit en van +daar ginds antwoordde een cymbelslag en er was even een korte muziek +over en weêr. En toen wij naderden—een jonkvrouw op een +ezel met een slaaf en verschillende opzieners—door de tuinen en +langs de vijvers, liepen van alle kanten slaven toe om te weten en hun +meester kond te doen. Er was op de vele gouden trappen van het breede +huis een beweging op en neêr van slaven en slavinnen en zij +zouden kond doen van een betooverde jonkvrouw, met een betooverden +jonkman, die Chersonezus’ hulp kwamen in roepen. Toen, na een +pooze, dat wij toefden voor de trappen, begon het inwendige van het +huis te stralen van starachtige lampen, die uitschitterden aan +duizenden Hekate-fakkels, in ver verschiet geplant en tusschen de +fakkels naderde wie wel Chersonezus scheen. Hij droeg een tiara, die +schitterde, een langen tabbaard en zwarten baard. Hij was omringd van +tal van trawanten en hij zelve was zoo groot, dat hij boven allen +uitstak. Hij scheen wel een Aziatiesch keizer en de mannen rondom hem +schenen satrapen. En ik begreep, dat hij een allermachtigst toovenaar +zijn moest en toovenaars ook wie hem omringden.</p> + +<p>Aan de hoogste trap bleef hij staan in zijn glorie en van <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2103" href="#xd0e2103">151</a>]</span>de +opzieners langs de trawanten, ging het inlichtend woord hem te gemoet. +En ik hoorde:</p> + +<p>—.... Beiden betooverd.... Charmides.... Charis....</p> + +<p>Toen zag ik hem van blijde verbazing opschrikken en hij daalde de +trappen af en naderde Charis, die steeds op mijn rug was gezeten.</p> + +<p>—Jonkvrouw, zeide hij met zijn diepe, verleidelijke stem. +Edele Charis, wees welkom in mijn huis, dat uw eigendom is.</p> + +<p>Charis ontsluierde zich half uit hare gele feestsluiers, die zij +droeg en zij zeide, zoet lachende, want gewoon aan vereering en +hulde:</p> + +<p>—Dit is mijn bruidegom, dit is Charmides, de held....</p> + +<p>—Ik heet hem welkom als u, zei Chersonezus, terwijl hij Charis +deed af stijgen en dadelijk een zwerm van slavinnen haar als gevolg +omringde.</p> + +<p>En hij scheen haar niet dadelijk te willen overtuigen, dat zij +betooverd was en op een ezel verliefd, dat ik betooverd was en een +ezel: hij voerde haar aan de hand de treden op en ik volgde met Davus, +de trawanten, de slaven, tusschen de gouden zuilen door, tusschen de +starrelende fakkels door, de lange, lange galerijen door. Intusschen +bonsde mijn hart in mijn ezellijf, al liep ik ook deftig op goud-rooden +hoeven achter mijn bruid en den toovenaar. Tot wij kwamen in een +feesthal, opene marmeren kolonnade, elke kolom bekroond met een zwart +marmeren hond, den hond van Hekate, die tegen den starrenhemel somber +indrukwekkend zijn blafkop ophief, terwijl in het midden een +waterbekken den zwart marmeren, wijden bak diepte, waar, op het donkere +water een zwarte lotus te bloeien lag. En Chersonezus’ deed +Charis zitten op een marmeren troon, zette zich aan haar zijde en +vroeg: <span class="pagenum">[<a id="xd0e2119" href= +"#xd0e2119">152</a>]</span></p> + +<p>—Zeg mij nu, edele Charis, hoe kan ik u of uw bruidegom +helpen?</p> + +<p>—Door hem zijn spraak terug te geven, o Chersonezus! zei +Charis.</p> + +<p>—En met zijn spraak ook een menschelijken vorm?</p> + +<p>—Dat niet, o Chersonezus, want zijn vorm is mij dierbaarder +dan welke vorm ook zoû zijn....</p> + +<p>Chersonezus zag haar aan: klaarblijkelijk had hij, hoe machtig +toovenaar hij was, een ander antwoord verwacht; klaarblijkelijk had hij +nooit berekend, dat Charis’ betoovering door zijn eigen +tooverwoord toch nog geluk haar geworden zoû zijn om hare liefde, +die de goden van Eleuzis wel hadden toe laten gaan naar een ezel, maar +naar een eveneens betooverden, in een ezel betooverden jonkman, zoo dat +zich toch liefde, hoe wonderbaar, tusschen beider zielen had kunnen +weven, zoo dat toch geluk hen had kunnen door glanzen en hij aarzelde +te antwoorden, terwijl de maagd, die hij, de goden wisten welke schande +had toebedacht, rein en argeloos en goddelijk onnoozel en zoo +onvergelijkelijk schoon zat aan zijn zijde....</p> + +<p>Maar plotseling weêrklonk van uit de diepte der tuinen, +waaruit het van flambouwen ook te starrelen begon, een vreemd geluid, +als van aansnorkende zwijnen; ik zag op en kon mijne ezelsoogen niet +gelooven, toen ik aanschouwde wie daar in praal werd aangedragen, op +een bedde van zonnebloemen....! <span class="pagenum">[<a id="xd0e2132" +href="#xd0e2132">153</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XVIII.</h2> + +<p>Een klaterende lach weêrklonk. En ik zag Meroë +aangedragen en zij riep:</p> + +<p>—Ik herken je, ik herken je, o Charmides, o koopmanszoon uit +Epidaurus, o reiziger in purper en parels, al herschiep mijn dienende +geest je in een ezel, elken keer, dat je verliefd werdt!</p> + +<p>Zij steeg af van haar bloemenbedde, dat men neder zette en naderde +Chersonezus en zeide:</p> + +<p>—Mijn groote en machtige vriend, gij, die met mij heerscht in +de luchten boven Thessalië, ik vraag u een gunst, niet meer dan de +gunst, die een versmade vrouw zoû vragen. Geef mij den ezel, dien +ik hier voor mij zie, opdat ik met hem doe naar mijn believen. Want ik +wil op dien ezel mij wreken.</p> + +<p>—Zal ik niet aan mijn gast, de edele Charis, mishagen, +antwoordde Chersonezus met een valschen lach van hoffelijkheid; zoo ik +u, o Meroë, den ezel af sta, die geen ezel is maar een held, +Charmides, uit den oorlog terug gekeerd en Charis’ +verloofde??</p> + +<p>—Charis zal zeker, spotte op haar beurt tusschen den drom der +toovenaars en hunne trawanten, die ons omringden, Meroë; zich +troosten voor Charmides, zoo zij zich met Chersonezus verlooft. Sta, +Chersonezus, mij dien Charmides af. <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e2148" href="#xd0e2148">154</a>]</span></p> + +<p>—Ik sta, Meroë, u hem af, zoo Charis aan Chersonezus zal +zijn.</p> + +<p>Zoo spraken zij over en weêr, vol helsche ironie en plotseling +weêrdaverde hun klaterende lach. En weêrdaverde om ons heen +aller klaterende lach, zoo vreeslijk en duizendvoudig, schel +schaterend, dat het geheele paleis scheen te schudden met zijne zuilen, +dat àlles lachte, dat de zuilen lachten, dat de booze nacht van +het lachen bewoog en dat in den omtrek wel honderden honden lachende +blaften, met de zwart marmeren Hekate-honden op de lachende zuilen +mede. En het was een vreeslijke ontzetting in mij: rillende stond ik op +mijn pooten, om Charis bevreesd, die ik niet wist hoe te redden uit +deze helsche omtoovering, maar zijzelve, zekerlijk zich om hare +onnoozelheid niet bewust wat haar omringde en bedreigde, scheen alleen +te doorvoelen, dat Meroë haar wilde ontrooven haar bruidegom en +als een furie wierp zij zich voor mij, breidde de armen uit, +roepende:</p> + +<p>—Nooit zal Charis aan Chersonezus zijn en Charmides nooit aan +deze slechte vrouw, die mij mijn bruidegom wil ontrooven! Wij hebben +elkander lief en nooit zal wie ook van ons lief hebben een ander, wat +hare wraak ook bedenkt!</p> + +<p>Het helsche gelach was verzwegen en in een doodstilte +weêrklonken de woorden der maagd. Geen hond blafte meer, maar een +dreiging, bijna vreeslijker dan het lachen, huiverde door deze booze +sfeer, waarin wij ons bevonden. De blanke schijn van de nacht was +lijkvaal geworden, de gouden glanzen der lampen versulferden en bleeke +schimmespooksels doemden larve-achtig om ons rond kronkelend op. En in +het gewarrel dier vreemde lijnen en lintelijven bloeide in het +waterbekken de zwarte lotusbloem op een zich zichtbaar rekkenden +slangestengel omhoog uit het zacht <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e2157" href="#xd0e2157">155</a>]</span>ziedende water. De stengel +slingerde, groeiende, van rechts naar links, kronkelde steeds langer +over het bekken en bereikte eindelijk met haar bovenmatig groote, zwart +gloeiende bloem mijn bek.... En Meroë zeide, huichellachende:</p> + +<p>—Lieflijke Charis, laat mij u zeggen, dat Charmides een +duivelsche slechtaard is, die om straf in dezen ezelsvorm veranderd +werd. Gij waant hem een held, uit den oorlog gekeerd, maar hij is een +monster, een vreeslijk gedrocht en zoo gij hem dwingt deze lotus te +eten, zult gij hem in zijn ware gedaante voor u zien.</p> + +<p>Verstrikt zag Charis van Meroë naar Chersonezus en mij. Rondom +ons stonden de toovenaars en alle hunne oogen staarden op ons. En +Meroë spotlachte steeds, gestrekt haar staf, en in Circe’s +gewaad, met de juweelen zonnebloemen van +chryzoliet-en-harten-van-anthraciet aan hare slapen en op hare borsten. +En het was of alles dwong Charis de bloem te plukken. Zij strekte de +hand naar den langen stengel, die toe naar haar kronkelde. Zij plukte +de bloem. Het was of de bloem zwart straalde in haar witte kinderhand. +En zij reikte mij de bloem, onmachtig te weêrstaan de verleiding +der nieuwsgierigheid....</p> + +<p>Zij zag mij met hare dierbare oogen, die als blauwe lotussen waren, +aan, terwijl zij mij den zwarten lotus reikte. Het was mij bijna +onmogelijk te weêrstaan, waar de vreeslijke verzoeking mij kwam +van hare hand. O Goden van Eleuzis, wat zoû gebeuren, zoo ik at?! +En dadelijk, dat ik in mijne vertwijfeling dacht aan de heilige goden, +voelde ik mij doordrongen als met een pijl met deze ingeving:</p> + +<p>—Vat de bloem aan maar eet haar niet....</p> + +<p>En strekte ik den bek. Ik voelde om mij de hevige trilling van de +boosheid, die wachtte.... Ik vatte met mijn tanden <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2169" href="#xd0e2169">156</a>]</span>den stengel +aan en de bloem bengelde tusschen mijn tanden. Maar dadelijk spuwde ik +den verleidelijk zoet smakenden stengel uit en vertrapte met mijn +hoeven de bloem.</p> + +<p>Plotseling doofden alle lichten en een helsche storm van gekrijsch +warrelde razende op in de duisternis. Maar ik voelde om mijn nek +Charis’ armen en tusschen hare kreten hoorde ik het woedende +brullen der toovenaars en Chersonezus’ en Meroë’s +stemmen tegen elkander in:</p> + +<p>—Hoe is het mogelijk, onmachtige Chersonezus....!</p> + +<p>—Hoe is het mogelijk, machtelooze Meroë....!</p> + +<p>—Dat een ezel....!</p> + +<p>—Een handelsreiziger....!</p> + +<p>—Telkens en telkens weêr....!</p> + +<p>—Je toovermacht breekt....!</p> + +<p>—Je toovermacht breekt....</p> + +<p>Zij scholden woedende op elkaâr in de stikdonkere nacht.</p> + +<p>—Goden van Eleuzis, bad ik; ik weèt het, waarom hun +toovermacht brak! Het is om uw bescherming, goden! Goden van Eleuzis, +beschermt ons steeds!</p> + +<p>En steeds stond ik, een rillende ezel, terwijl ik, Charis, bezwijmd, +om mijn nek voelde. De nacht klaarde op. Het was als een vale morgen en +ik zag het tooverpaleis er bleek in op zuilen als de grauwe schaduw van +wat het die nacht was geweest. Er hing als een nevel in. Het scheen +onbewoond, op dat oogenblik: het scheen er leêg van menschen en +dingen, van boosheid en van betoovering. Die nacht, misschien zoû +het weêr hergloeien door helsche machten: nu stond het slechts +verlaten om ons op, immens, leêg en grijs....</p> + +<p>—Waar ben ik! stamelde Charis, die ontwaakte. O, wat een +droom! Charmides, Charmides, vluchten wij? <span class="pagenum">[<a +id="xd0e2195" href="#xd0e2195">157</a>]</span></p> + +<p>Zij wierp zich op mijn rug.</p> + +<p>Maar plotseling hoorde ik een stem:</p> + +<p>—Mijn heer! Mijn heer Charmides! Vergeet ge dan uw knecht! +Vergeet ge dan uw trouwen Davus! Zie toch eens naar hem om al zijt ge +maar een ezel! Want drie dikke zwijnen achtervolgen hem en laten hem +niet los!!</p> + +<p>En werkelijk, mijn rechtervoorpoot reeds geheven om op de vlucht met +Charis te gaan, zag ik om en bespeurde ik Davus, die om het waterbekken +rond liep, achtervolgd door drie snorkende zwijnen.</p> + +<p>Hij rende op mij af en verschool zich tusschen mijn pooten en +riep:</p> + +<p>—Bescherm mij, heer! Bescherm mij, heer!!</p> + +<p>Maar de zwijnen schenen hem geen kwaad te willen doen. Zij snorkten +slechts heviger, smartelijker, en o wonder, ik verstond plotseling +wàt zij snorkten. Want ik had geleerd, dat der dieren taal er +eene is van telkens bij ieder dier wisselenden klank voor het zelfde +begrip en dat elk dier, bij ontwikkeld instinct, een ander dier +begrijpt. Het was dus tusschen de drie zwijnen en mij een hevig gebalk +en gesnork over en weêr en zij smeekten mij:</p> + +<p>—Hàrr-mides! Hàrr-mides!</p> + +<p>Wat is er?</p> + +<p>—Erbàrm, erbàrm u onzer!</p> + +<p>—Wie zijt ge?</p> + +<p>—Wij zijn drie senatoren, die op reis waren in +Thessalië....</p> + +<p>—Wat overviel u? vroeg ik.</p> + +<p>—Wij werden alle drie, riepen zij; in Hypata door Meroë +betooverd! En als zij haar minnaars betooverd heeft, werpt zij hen, +geslacht, in de tooverketels der heksen, op de bergvlakten, <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2224" href="#xd0e2224">158</a>]</span>onder +de maan, die zij uit haar loopbaan rukken....</p> + +<p>—Een zwijnetand hier....</p> + +<p>—Een zwijnepoot daar....</p> + +<p>—Een zwijnestaart hier....</p> + +<p>—En zwijnborstels daar... riepen zij door elkaâr.</p> + +<p>—Ge moet amaryllis eten! riep ik.</p> + +<p>—Waar vinden wij amaryllis te eten? riepen de zwijnen. En het +was alles balken en snorken, verscheurend en grommend, zoo dat Charis +riep:</p> + +<p>—Charmides! Charmides! Vlucht!!</p> + +<p>En Davus:</p> + +<p>—Heer Charmides! Heer Charmides! Bescherm mij!</p> + +<p>Ik zette het op een loopen, balkende. En het scheen, dat zoowel de +drie zwijnen als Davus zelve mijn gebalk begrepen, want terwijl Charis +mij om mijn hals omklampt hield en de drie zwijnen mij ter zijde en +achter mij aan stommelden, had Davus mijn staart gegrepen en liet zich +zoo, hollende hij, dravende ik, mede sleepen door zijn heer, die een +ezel was. Het was juist wat ik zoowel mijn knecht als de zwijnen had +toe gebalkt; het geschiedde alles zoo als ik het wilde en door den +valen morgen draafde onze stoet tuinen door, wegen op, velden over, +stroomen door. Waarheen ik hen allen leidde, was ik mij onbewust: ik +begreep alleen, dat ik vooruit moest, wèg moest, +Chersonezus’ zoo uitgebreide bezittingen, landerijen en tooverban +uit, om Charis te redden, om mij en Davus te redden en te redden de +drie betooverde senatoren.... Ons allen te redden vóor +Chersonezus, zich bezinnende na die woede over zijn tijdelijke +machteloosheid, ons met éen gebaar van zijn staf zoû +weêrhouden verder te vluchten in heilige zekerheid. En daarom +draafde ik door. Het scheen of de zon niet op <span class="pagenum">[<a +id="xd0e2246" href="#xd0e2246">159</a>]</span>straalde, dien dag. Het +scheen of ik liep met een geheime kracht, of ik zweefde, mijn hoefslag +nauwlijks tikkend den grond. Over mij heen, hare armen rondom mijn +hals, lag Charis en ik vermoedde, bezwijmd. Aan mijn staart, +allerpijnlijkst, marteling, die mij deed denken aan vroegere +martelingen, toen ik takkenbossen getorst had en molensteenen gedraaid, +hing, als ware het, Davus, liet mij niet los en ik sleepte hem +meê, terwijl zijne voeten ondanks zichzelven mede liepen. En +snorkende, grommende, knorrende, renden achter, ter zij, de drie +zwijnen mede, zich liever hunne senatorenzielen uit hunne dikke leden +loopende dan hun redder, mij, te verlaten. Neen, het werd geen dag, +durende dien vreeslijken rit. Het regende en ik rende den regen door, +tot een diep ravijn zich boorde voor mijne blikken. En een hevige +bliksemschicht uit schoot en de donder dadelijk rolde....</p> + +<p>Ik stond stil, steil op mijn rechte pooten, mijn ooren steil en +steil mijn pijnlijken staart, dien Davus niet los had gelaten. De drie +zwijnen tolden wanhopiglijk om hun dikke zelve rond als wisten zij niet +meer wat nu te doen. En nu ik eenmaal stil stond, wist ik, dat ik niet +verder kon, uit vermoeidheid ten doode toe, niet vèrder kon, dat +diepe ravijn neêr en ginder weêr op, in den slagregen, die +stortte neêr.</p> + +<p>—O mijn heer! O mijn heer Charmides! klaagde Davus, die reeds +gewend aan de zwijnen scheen en tusschen hun drieër rondgetol de +armen wanhopiglijk rekte en de handen wrong.</p> + +<p>Ik balkte, heel wijd. Ik balkte, in ezeletaal, dat Davus de +jonkvrouw, bezwijmend op mijn rug, af zoû tillen en haar +zoû dragen in rotskloof, veilig voor stormgeweld. De drie <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2254" href= +"#xd0e2254">160</a>]</span>zwijnen begrepen mij dadelijk en ook zij +beduidden het Davus met geknor en gegrom en gesnork. En o wonder, het +was of Davus het wèl begreep, uit mensch-intuïtie, omdat +een mensch toch wel eens een dier begrijpt. Terwijl ik, mijn kop naar +hem toe, balkte, balkte als geen ezel ooit balkte, terwijl de zwijnen +snorkten, snorkten als geen zwijn ooit snorkte, ontwrong hij +voorzichtig Charis’ greep om mijn hals, tilde haar op, droeg haar +binnen de diepe kloof, legde haar hoofd op het mos, dekte haar toe met +breede varenbladeren en hurkte toen aan hare voeten neêr om er +zelve in zwijm te vallen.</p> + +<p>Toen, vóor de kloof, viel ik in een. Ik voelde mij of mijn +menscheziel ontsnappen zoû aan mijn dierelijf in mijn zwoegend +ezelgehijg. Mijn oogen puilden mij uit den kop; mijn staart voelde aan +als uitgetrokken aan mijn ruggegraat. Rondom mij lagen de drie dikke +zwijnen, zwoegende ook, vlak op de flanken ter neêr. En zoo +bleven wij die nacht van stormgeweld: een maagd, drie senatoren, een +handelsreiziger en een slaaf, aan den rand van het ravijn, dat zich uit +strekt langs den heirweg, die voert naar de stad van Larissa. <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2258" href="#xd0e2258">161</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XIX.</h2> + +<p>In diepen slaap lagen wij, geloof ik, allen die nacht ter +neêr. Plotseling schrikte ik op en mijn eerste gedachte was aan +mijn bruid. Hoe had ik kunnen slapen, terwijl zij daar lag in de +spelonk, onder de varenbladeren. Davus aan hare voeten en de drie +zwijnen, rondom mij, als de enkele lijfwacht, die haar behoedde! Zoo +verweet ik mij hevig en met éen sprong stond ik op mijn vier +pooten. En schudde den dauw van mijn vacht. Werkelijk, de zwijnen +sliepen nog. Davus sliep. En Charis, de zoete, sliep. Hoewel zij, een +Egyptische mummie gelijk, omplakt in hare natte wade en sluiers, sliep +in de spelonk op het mos, schenen de vele varens, waarmeê Davus +haar had overdekt, haar warm te hebben gehouden, want zij sluimerde als +een kind zoo rustig, haar blank gezichtje in het blonde haar enkel +zichtbaar, verder de lijn van haar lichaam slechts even te raden onder +het breed geblaârte. O, zoo zij ziek ware geworden van den +vreeslijken rit door den slagregen! Maar het scheen wel, dat de goden +waakten over haar, want zij lag zoo rustig als hadde zij gelegen in +haar kuische bedde te huis!</p> + +<p>Herademend keek ik om. Het ravijn glooide diep naar omlaag, met ruig +struweel begroeid; de gezwollen stroom schuimde er bruischend met val +op val de rotsblokken af en in die diepten doken de nachtelijke +schaduwen weg. Maar ginds, in het Oosten, rilde een rozige schijn op, +een kier <span class="pagenum">[<a id="xd0e2266" href= +"#xd0e2266">162</a>]</span>van goud scheurde lang in den nog +schemergrauwen hemel laag over de oorden, die wij verlaten hadden en de +jonge dag, zelfs aanbiddelijk boven dit ruwe landschap, rees als een +jonge god op. En plotseling vernam mijn lang, steil gespitste oor een +zacht geluid, dat naderde uit dat zelfde Oosten aan over den met +steenblokken bezaaiden baaierd, die het ravijn omgaf en waardoor +nauwlijks van weg meer spoor was.... Het was een zacht zilveren +getinkel en aangetokkel, zoo als ik meende wel meer in vroegere dagen +te hebben vernomen en het klonk zoo zalig zuiver ginds uit de rozigende +verte aan, dat ik luisterde, luisterde, zonder nog mij van die bekoring +rekenschap te kunnen geven. Tot ik zag een witten stoet, nauwlijks nog +omlijnd in den rozigen dauw, die optrok: meer nog een stoet van +schimmen, vage mannen, vage vrouwen, aan bewegende over het +rotsgesteent en met den eersten dageschijn om de zich tegen de lucht +uitheffende hoofden, zingende en musiceerende.... Nu, duidelijker, +klonken de stemmen, trillerden, aangetinkeld, de sistra-snaren en ik +herkende de zoete muziek en ik balkte luide op, om mijn lotgenooten te +doen ontwaken.</p> + +<p>Davus ontwaakte het eerst en ook Charis sloeg hare oogleden op en +zij riep:</p> + +<p>—Charmides! Charmides! Waar ben ik?</p> + +<p>Ik was wèl gewoon op velerlei manier met mijne bruid gesprek +te voeren, maar dit maal was het Davus, die antwoordde:</p> + +<p>—In veiligheid, edele jonkvrouw: vrees niets! Wij hebben over +uw slaap gewaakt al sliepen wij ook zelve, ten minste ik, uw slaaf! +Maar mijn meester, heer Charmides, uw onvergelijkelijke bruidegom, +heeft mij wakker gebalkt... Hoewel onze drie metgezellen, van wie ik +werkelijk niet weet <span class="pagenum">[<a id="xd0e2276" href= +"#xd0e2276">163</a>]</span>of zij zwijnen of senatoren zijn, nog in +diepste rust zijn gedompeld!</p> + +<p>En opgestaan riep hij:</p> + +<p>—Heeren zwijnen of senatoren, ontwaakt! Het is dag, het is dag +en de zon rijst over de vlakte!</p> + +<p>De zwijnen, grommende, richtten zich op en ik balkte, terwijl hoog +in de lucht de leeuweriken jubelden. En Charis en Davus zagen nu ook +den stoet, die uit de rozige verte aan kwam....</p> + +<p>—Het zijn Isis-priesters! riep Davus. Het is een goed +voorteeken, dat hun stoet ons nadert en misschien kunnen zij ons +bijstaan met raad zoowel als met daad!</p> + +<p>In der daad kwamen zij nader, de heilige mannen met de zingende +maagden en in hun midden liep de opperpriester, herkenbaar aan de +zilveren banden, die zijn kruin omgaven en langs zijn slapen hingen. En +toen zij vlak bij ons genaderd waren, deed ik een paar stappen +voorwaarts en knielde neêr op mijn twee voorpooten.</p> + +<p>Het was zeker een vreemd gezicht, een dergelijke knielende ezel. +Maar de Isis-priesters, die wisten alle de vreemde dingen, die in +Thessalië gebeuren konden, verwonderden zich niet al te zeer en +hielden zwijgende stand.</p> + +<p>—Heilige heeren! riep Davus. Erbarmt u over ons allen! +Erbarmen zich de goden over ons allen: alle menschen, die door veel +avontuur gegaan zijn, maar de jonkvrouw en de slaaf mensch nog alleen +en de anderen zwijnen en ezel! Erbarmt u vooral over den ezel, heilige +heeren, den ezel, die is mijn heer!</p> + +<p>De opperpriester was naar voren getreden en hij las, wat ik, +opgerezen uit mijne knieling, in het stof van den weg met mijn hoef had +geschreven: <span class="pagenum">[<a id="xd0e2294" href= +"#xd0e2294">164</a>]</span></p> + +<p>—„Ik ben Charmides, zoon van Lyzias.... En de maagd, die +ik redde uit veel gevaar, is Charis, de dochter van +Menedemus....”</p> + +<p>—Ik ben Davus, heilige heeren! riep Davus. Aan mijn slavennaam +begrijpt ge, dat ik eens ezels slaaf ben!</p> + +<p>—En de zwijnen? wees de opperpriester naar de drie, die zich +grommende en tollende, verlegen, hielden ter zijde.</p> + +<p>Ik schreef het met mijn hoef en Davus beaâmde het.</p> + +<p>—Gij zijt dus allen betooverd geworden? vroeg de opperpriester +ernstig.</p> + +<p>—Ik wel het minste, heilige heer, zei Davus; maar anders, ja, +heeft iedereen wel een tikje beet!</p> + +<p>—Vergezelt ons in onzen stoet, zei de opperpriester. Wij gaan +terug naar het heiligdom van de godin.</p> + +<p>En wij voegden ons in den stoet. Nu, op het trilleren der +sistra-snaren, aangetokkeld door de staven, liep ik tusschen de +priesters, plechtig, en bereed Charis mij met een kinderlijken lach van +zoete blijdschap. En achter mij en ter zijde, liepen de drie zwijnen +mede, zoo deftig, of zij reeds weêr senatoren waren. En achter +ons kwam Davus. Dan schreed, tusschen weêr priesters, de +zilvergebande opperpriester en de zingende maagden gingen vóor +het gedragen en gesluierde beeld van de godin, dat, zoo als ik begreep, +voor een mysterie naar Larissa vervoerd was geworden en nu wederom naar +haar tempel terug werd gebracht. En het was een zacht en rythmiesch +treden op de maat der teêr neêr tinkelende en als met helle +droppelen afdroppelende muziek, die hoog op in de lucht en den morgen +steeg, met het twetteren der leeuweriken mede. Rond om ons baaierde de +woeste wereld, breidde zich het woeste landschap, strekten zich de +ruige rotsvelden of groeven zich de rotsafgronden <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2311" href= +"#xd0e2311">165</a>]</span>afgrijslijk, maar boven ons blauwde de wijde +hemel op door de laatste, rozige ochtendmisten en slingerde zich onze +witte stoet langs wat hier weg was en daàr zich verloor onder de +neêr getuimelde blokken....</p> + +<p>—Charmides! fluisterde mij bekoord aan het oor mijn bruid. +Waar gaan wij heen? Huwen zij ons nu spoedig, na zoo vele +lotsverwisselingen? Want ik herinner mij, o ik herinner mij de vlucht +uit mijn vaders bezittingen, toen ik het landhuis zich zag verheffen en +weêr neêr storten in vernietiging... Ik herinner mij den +appelebongerd en de gouden feestzaal, waar de booze mannen gingen +vechten; ik herinner mij den diepen put en de steile trap, die geleidde +bóven op het blanke gebergte en ik herinner mij de vreeslijke +nacht der blaffende honden en het helsche gelach van de slechte vrouw, +die je aan mij wilde ontrooven en toèn onze urenlange vlucht +door storm en regengeweld! En nu Charmides, is alles zóo zoet +geworden: de lieflijke muziek, de witte mannen, de witte vrouwen, die +ons omringen en volgen: o Charmides, zelfs de drie zwijnen, die niet af +van ons lieten, schijnt het mij toe, dat ik lief heb, zoo als ik alles, +alles lief heb, dezen morgen, dezen zaligen morgen!</p> + +<p>Zoo juichte zacht aan mijn oor mijn bruid toen wij uit het +rotsgesteente af sloegen op den grooten heirweg. Wij ontmoetten er de +warmoeziers, die gingen ter stad, reizigers in draagstoelen of wagens, +een <span class="letterspaced">cohors legionariï</span> en allen +hielden stil, knielden neêr, aanbaden de godin en verwonderden +zich over de drie zwijnen en den ezel, dien een blonde jonkvrouw +bereed. En ik hoorde hen wel vragen of veronderstellen:</p> + +<p>—Betooverd....? Betooverd....? En worden zij nu onttooverd? +<span class="pagenum">[<a id="xd0e2322" href= +"#xd0e2322">166</a>]</span></p> + +<p>Dat meende ik ook wel, terwijl ik deftig voort schreed, op het +zachte getinkel der eentonige sistra-melodieën, klanken als uit +bloemeklokjes, die vielen over den weg, over het knielend gebaar en de +vroomheid van wie zij ontmoetten. Maar toen sloeg onze stoet een zijweg +in en een dicht bosch van laurier, myrt en sycomoren, schaduwde heilig +en geheimzinnig aan weêrszijden des breeden wegs. En voor ons, in +de verte, zuilde de witte tempel....</p> + +<p>Het waren eerst de twee pylonen, immens en Egyptiesch, toegang +gevend als een immense poort tot de laan der sfinxen, die geleidden +naar het heilige huis, waar de eeredienst der vreemde godin werd +gevierd, ter gelukzaligheid van wie in Thessalië betooverd waren +geworden. O, ik wist het wel, dat de goden van Eleuzis, die ik zoo +dikwijls had ingeroepen, mijne bruid en mij hadden behoed, maar ik +herinnerde mij ook Clitifo’s lieflijken tuin van zilverasters en +hoe reeds aan den grens van Thessalië een Isis-priester de +weldadige bloemen kweekte, die mij hadden kunnen onttooveren, toen ik +op Nausistrata verliefde! Zoû ik ooit weêr als toen gulzig +storten in de starrige bloemen, ze verslinden en terug winnen mijn vorm +van mensch en van man? Ik smachtte er naar; ik zag er naar uit, toen +wij het voorplein van den tempel naderden... Want ik meende, dat mijn +ezelvorm lang genoeg mij had omhuld, tot boete voor vele +euveldaden-van-liefde; ik meende, dat het heilige tijdstip nu +weêr naderen zoû, sinds ik trouw was gebleven aan mijn +stralendste liefde, aan mijn heilige liefde voor Charis. Was ik ooit, +sedert ik ezel was, verliefd geworden op een andere vrouw of maagd? Was +ik ooit op een ezelin verliefd geworden? En in de zekerheid van mijn +aanstaande belooning voor trouw en zuivere liefde, ging ik mede met den +stoet <span class="pagenum">[<a id="xd0e2327" href= +"#xd0e2327">167</a>]</span>tusschen de pylonen en langs de sfinxen, tot +wij stil hielden op het groote plein voor den tempel. En de +opperpriester ons beval te wachten, tot de priesters het beeld van de +godin op haar altaar zouden herplaatst hebben. Intusschen wachtten wij, +Charis van mij afgegleden en den arm om mijn nek, Davus en de drie +zwijnen rondom ons. En vroom zagen wij uit in het even geschemerde +tempelverschiet, van waar de zang en de zilveren muziek nu, steeds zoo +zoet trillerend, weêrklonk. Zelfs de drie zwijnen, scheen het mij +toe, hurkten vroom, als knielende neêr, wachtten vol vrome vreeze +af en gromden slechts behaaglijk in ondertoon, of zij voorgevoelden het +einde hunner vernedering en metamorfoze....</p> + +<p>Toen, tusschen zijne priesters, kwam de opperpriester terug. Hij was +zoo groot en zacht, zoo huiverwekkend bleek van wijsheid en geheel +geschoren zijn ouden schedel tusschen zijne zilveren priesterbanden. In +zijn aderige handen, die staken uit de wijde mouwen van zijn weeke, +witte gewaad, was een gebaar van menschenliefde, zoo groot, dat het mij +ontroerde, ezel, die ik nog was. En hij zeide, terwijl zijn stem vol +erbarming klonk en weten van wijze dingen:</p> + +<p>—Charmides, hoor mij thans aan. Betooverd als gij zijt +geworden, nadert het oogenblik van uwe onttoovering. Maar weet eerst, +dat tusschen Clitifo, die de zilverasters kweekt dicht bij +Thessalië’s grenzen en mij ziele-aanvoeling geweven heeft +door middel der heilige machten van Isis. Ik wist van u af en ik +wachtte u af, zoo ge niet reeds vroeger zoudt onttooveren, door de +bloem, die ik vele malen ontluiken deed op uw weg. Maar de heilige +goden van Eleuzis, wien gij vroom steeds waart in uw hart, gunden <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2333" href="#xd0e2333">168</a>]</span>mij +niet te vroeg erbarmen en hebben gewild, dat gij den heiligen, witten +lotus niet weten zoudt... O, Charmides, niet de zilveraster zal u voor +altijd onttooveren, hoe schoon en zalig de bloem ook zij! Het einde van +uw onttoovering zal u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit de +blanke u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit den blanken +lotus. Herinnert gij u niet? Aan blauwe lotus lieten nog de azuren +oogen van Charis u denken; maar met blanke lotus lag het meer bij +Xeniæ overladen, toen gij, op Charis verliefde ten tweede male en +ten derde male herschapen werd. Om Charis’ woning bloeiden de +vijvers van blanke lotus. In den tuin van Dionyzius deed ik nog eenmaal +een enkele lotus ontbloeien in het water tusschen de hooge, blankende +rotsen en pieken. Maar, zoon, de Eleuzische goden gaven u niet +wetenschap en voorgevoel omdat gij de boete volbrengen moest en de +trouw in de liefde deelachtig moest worden....</p> + +<p>Op dit oogenblik traden de maagden den tempel uit en éene +harer, in heur midden, droeg in een zilveren vaas twee prachtige, zeer +groote, zilverstralende lotuskelken aan, die stralend ontloken op lange +stelen.</p> + +<p>De opperpriester wees.</p> + +<p>—Zoon, zeide hij; zie hier. Zie hier de heilige bloemen, +gekweekt in onze heilige vijvers. Twee heb ik er voor u geplukt. Het +oogenblik is gekomen. Eet thans de heilige bloem: de goden van Eleuzis +gunnen het u...</p> + +<p>Ik knielde in huiverende vroomheid neêr. Ook voelde ik, dat +Davus knielde en dat de drie zwijnen zich vernietigden op den grond, +voor zoo ver een zwijn zich op den grond in vroomheid vernietigen kan, +want zij gromden altijd, hoe zachtjes ook. Maar Charis, bekoord door de +bloemen en in <span class="pagenum">[<a id="xd0e2343" href= +"#xd0e2343">169</a>]</span>hare onnoozelheid de heiligheid van dit +oogenblik wellicht niet bevroedende, knielde niet en riep alleen +juichende uit:</p> + +<p>—O wat prachtige bloemen! Wat prachtige bloemen! Prachtiger +dan zij ooit bloeiden op onze vijvers!</p> + +<p>En zij naderde; hare handjes gingen begeerig uit naar de vaas, die +de maagd reikte aan den opperpriester.</p> + +<p>Maar de maagden hielden haar tegen en niet begrijpende, dat zij de +bloemen niet hebben mocht, deinsde zij even terug. Toen nam de +opperpriester een der bloemen uit de vaas en bood mij die.</p> + +<p>Mijn menschehart klopte hevig in mijn ezellijf; ik strekte den bek, +opende voorzichtig mijn lippen en vatte de bloem.</p> + +<p>En at haar zoo vroom of ik bad.</p> + +<p>Nauwlijks had ik de lotus gegeten of ik voelde mij duizelen, maar in +mijne vreemde duizeling richtte, rekte ik mij op.</p> + +<p>En was een mensch. En was een man. Charmides, Lyzias’ zoon uit +Epidaurus, in zijn reisgewaad....!</p> + +<p>Kringen van licht en zaligheid breidden zich wijd om mij uit!</p> + +<p>—Heilige vader! riep ik met mijn eigen stem.</p> + +<p>—Mijn heer Charmides! hoorde ik Davus juichen.</p> + +<p>Maar een schelle kreet klonk naast mij.</p> + +<p>—Charmides! riep omzoekende Charis, als gek. Waar is hij +gebleven? Waar is mijn bruidegom? Waar is mijn held, mijn prins, die +uit den oorlog kwam in zoo aanbiddelijken vorm, grauw gevacht, +langgeöord en zoo lieflijk altijd vocht van snoet, waarmede hij +als muziek zeide mijn naam?! Wie is nu deze jonge man?! Ik ken hem niet +en ik wil hem niet kennen! Waar is mijn Charmides in eens henen?! +Waarom is hij verdwenen! Vader, broeders, neven, o <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2369" href= +"#xd0e2369">170</a>]</span>wondermeesters, die hem mij pleegden, +wàar zijt gij allen! En waar ben ik en waar is mijn +Charmides!?</p> + +<p>En ontsteld zag zij mij aan, slaakte haar wanhoopskreten en weerde +mij angstig af, toen ik haar liefdevol naderde, uitroepende:</p> + +<p>—Wèg, wèg van mij! Jou ken ik niet! Ik ken +alleen mijn Charmides en al was hij maar een ezel, hèm heb ik +lief, en hem wil ik alleen!</p> + +<p>En terwijl zij in snikken uitbarstte, viel zij in de armen der +maagden-van-Isis, en verscheurde zij hare sluiers, trok zich de haren +los, terwijl hare kreten snerpten:</p> + +<p>—Mijn ezel! Charis wil haar ezel! Charis wil niemand dan haar +ezel Charmides! <span class="pagenum">[<a id="xd0e2379" href= +"#xd0e2379">171</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XX.</h2> + +<p>Een hevige wanhoop maakte zich van mij meester. Wat, wilde Charis +dan wel den ezel blijven beminnen, maar niet den jongen man, wiens ziel +huisde in dat betooverde dierelijf?! En reeds wilde ik mijne handen +vouwen en Charis bezweren mij lief te hebben, die de zelfde toch was +als haar ezel geweest was, maar nu in vroegeren man- en menschvorm +herschapen, toen de opperpriester, groot, mild en wijs, mij met +éen gebaar tegen hield. En hij nam uit de zilveren vaas de +tweede, wijd ontlokene lotusbloem en Charis naderend, sprak hij:</p> + +<p>—Charis, gij die zoo trouw uw bruidegom bemint, wien geen ezel +gij ooit wildet zien maar een held uit den oorlog terug gekeerd, +ontvang deze heilzame en heilige bloem uit mijn hand en eet haar om tot +bezinning te komen....</p> + +<p>Aarzelend nam Charis de bloem aan, bezag haar, kuste haar zacht +omdat zij zoo schoon was en vroeg:</p> + +<p>—Moet ik zoo schoone bloem eten, o vader? Zie, hoe zij straalt +of er licht in schuilt, zie hoe zilverig de bloembladeren zich plooien +het een naast het andere: moet ik werkelijk zoo schoone bloem +eten....?</p> + +<p>De opperpriester sprak niet meer: hij glimlachte slechts met zijn +zachten, wijzen glimlach van grijsaard, die vele dingen van hemel en +aarde doorpeild heeft. Maar om haar heen namen de maagden de sistra en +zij tokkelden met de <span class="pagenum">[<a id="xd0e2393" href= +"#xd0e2393">172</a>]</span>staven de snaren en zij zongen en zij +bewogen in rhythmiesch beweeg rondom Charis, die steeds aarzelend, de +bloem in hare hand, om zich heen en naar de zingende en dansende +maagden zag en het scheen, die zuivere maat en die zilveren muziek +bewoog iets in hare half onnoozele ziel, dwong haar met zoeten dwang +iets te doen tegen haar eigenen wil in, want steeds omziende, +glimlachende, o zoo zoet haar kinderlach, hief zij hooger en hooger de +bloem aan hare lippen, zette als een roode vlinder hare lippen op den +kelk...</p> + +<p>En at de lotus....</p> + +<p>Mij was de bloem als versmolten, dadelijk, op mijn tong, die toen +nog die van een ezel was; ook Charis scheen de bloem op de tong te +smelten: de lange stengel viel haar uit de hand en als ontwakend uit +een slaap, die weken, maanden geduurd had, zag zij om zich heen, +vreemd, verbleekte als tot een schim en bezwijmde, zoo geleidelijk +zacht als smolt haar geheele lichaam en teêre ziel weg in het +niets van den dood. Ik sloeg een kreet van angst en ook Davus en de +zwijnen gromden heviger en tolden wanhopig om zichzelve rond als waren +ook zij bevreesd, voor de jonkvrouw, die, op eens ezels rug, hen +vóor was geijld op de wanhopige vlucht, in de regennacht, uit +Chersonezus’ verschrikkelijk paleis.</p> + +<p>Maar de Isis-maagden hadden Charis in hare zorgzame armen op +gevangen en op een wenk van den opperpriester droegen zij haar van +daar. En de heilige man zeide zacht:</p> + +<p>—Charmides, laat Charis eerst ontwaken uit hare bezwijming... +Heb geduld...</p> + +<p>Ik boog voor hem neêr, knielde, kuste den zoom van zijn +gewaad. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2405" href= +"#xd0e2405">173</a>]</span></p> + +<p>En hij naderde de drie zwijnen, terwijl Davus en ik ter zijde +weken.</p> + +<p>Zij tolden om hem rond en gromden; hij zeide:</p> + +<p>—Claudius Veturius....</p> + +<p>Een der zwijnen sprong op, de voorpooten hoog.</p> + +<p>—Gaudentius Rufus... zei de opperpriester.</p> + +<p>Een tweede zwijn knikte als wanhopiglijk met zijn kop en snorkte +hevig.</p> + +<p>—Euzebius Silvanus... noemde de opperpriester het derde +zwijn.</p> + +<p>En het bewoog hevig met den korten krulstaart, schudde zijn +borstelig lijf en gromde, maar eerbiediglijk, aan ’s priesters +voet...</p> + +<p>—Gij zijt alle drie genoeg gestraft voor uwe euveldaden, zeide +de priester. Gij hebt gestolen uit den Schat des Rijks; gij hebt +beschuldigd zonder reden wier ongeluk uw voordeel zoû zijn; +weduwen en weezen hebt gij doen lijden, maar, wat kwaads gij deedt, is +hersteld tijdens den tijd, dien gij zelve leedt. Gij kwaamt, door +Noodlot geleid, in Thessalië; Meroë is u verleideresse +geweest, en zoodra ge meendet in hare armen zalig te zijn, werd gij in +zwijnen vertooverd. Maar ik weet, dat gij tijdens uw dierlijken staat, +berouw hebt gevoeld over al uwe misdadigheid en dus....</p> + +<p>De opperpriester gaf een wenk: uit den tempel trad een priester, +houdende een vaas met drie amaryllisbloemen, maar zoo wit als de +lotussen waren geweest.</p> + +<p>—... Heeft uw lijden een einde, voltooide des opperpriesters +zachte, welluidende grijsaardsstem.</p> + +<p>En hij nam de drie bloemen en zeide:</p> + +<p>—Eet ze, Euzebius, Gaudentius en Claudius, want niet <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2432" href="#xd0e2432">174</a>]</span>de +roode, de witte amaryllis alleen, geneest voor altijd van booze +betoovering.</p> + +<p>En de opperpriester bood den zwijnen, een voor een, de witte +amaryllis. Zij verslonden, een voor een, de bloemen tusschen hunne +nederig gestrekte zwijnssnuiten en o wonder, een voor een hieven zij, +ietwat moeizaam, zich recht en wij zagen voor ons drie senatoren, +Romeinen: Euzebius geheel kaal, kort, met een dikken buik; Gaudentius, +lang en mager met een treurigen mond, die hing in twee plooien +neêr; Claudius scheel en met een dikken neus, waarop een wrat. En +zij droegen, o wonder, hunne toga’s en voor den opperpriester +hadden zij dadelijk verkregen een zekere waardigheid van aanzienlijke +Romeinen, van senatoren, toch nederig en berouwvol om het bewustzijn, +zeker, dat wij allen hen als zwijnen hadden gekend. En zij knielden, en +ik met hen mede, en wij kusten allen den heiligen man zijn mantelzoom +en wij begaven ons met de priesters in het heiligdom, om de godin te +danken....</p> + +<hr class="tb"> +<p>Dien avond was het zoo zacht in de lucht als zweefde een godenadem +den tempel om. En ik zag de drie senatoren: zij zaten op een marmeren +bank in den tempeltuin, rustig en ik denk wel blijde en +bespraken—ik overluisterde hen even—hoe zij naar Rome terug +zouden keeren, waar Keizer Hadrianus en de Senaat zeker niets zouden +begrepen hebben van hunne lange afwezigheid. De een krabde aan zijn +kaal voorhoofd, de tweede loenschte scheler in moeizaam bedenken, de +derde wreef zich over zijn maag, na het menschelijk maal, dat zij juist +hadden genoten en ik hoorde Gaudentius zeggen: <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e2440" href="#xd0e2440">175</a>]</span></p> + +<p>—Nooit iets in Rome zeggen van wat ons is overkomen.</p> + +<p>—Niemand zoû het gelooven, zeide Claudius.</p> + +<p>—Ik geloof het zelf niet, zei Euzebius overmoedig.</p> + +<p>Ik liet de drie senatoren. Ik zelve geloofde wèl, vroom aan +Isis, vroom aan de Eleuzische goden en tevens, vol van liefde, liefde +als ik beter voelde als man nu dan als ezel destijds, voor Charis, mijn +zoete bruid. En terwijl ik, Davus, ginds, in een der kleine vertrekken, +die ons ter zijde van de tempelgebouwen waren toegewezen, zag slapen, +doodmoê nog, mijn arme knecht van den tocht, dien hij aan mijn +verdwenen ezelstaart had moeten volbrengen, dwaalde ik zelve vol +verlangen naar Charis om in de tuinen, terwijl het scheen, dat de +godenadem mij zoo zacht en weldadig omzweefde.... En voelde ik mij, in +dat verlangen naar mijn bruid, gelouterd, vroom afwachtende de dingen, +die komen zouden en wèl anders dan ik mij gevoeld had als de +dartele handelsreiziger, die ik eenmaal geweest was...</p> + +<p>Toen zag ik twee priesters: klaarblijkelijk zochten zij mij, want nu +zij mij zagen, kwamen zij op mij toe. De maan, heel zuiver, rees aan de +kim, over de verre, rotsige vlakte, die van uit de Isis-tuinen was te +zien, als een blankende, eindelooze woestijn....</p> + +<p>—Charmides... zeide mij een der priesters.</p> + +<p>—Wij zoeken u, zeide de andere; om u op bevel van onzen +heiligen vader tot Charis te voeren. Zij wacht u...</p> + +<p>Mijn hart sprong op naar mijn keel en ik bezwijmelde bijna van +geluk. De priesters, ik tusschen hen beiden, geleidden mij; door de +tuinen, achter den tempel om, langs de lange rij tempelgebouwen, +waarvoor de myrtehagen als tot groene schermen waren recht gesnoeid, +voerden de priesters mij tot ik eensklaps mij bevond in een prieel zoo +<span class="pagenum">[<a id="xd0e2457" href= +"#xd0e2457">176</a>]</span>tooverschoon, dat ik aan werkelijkheid niet +dadelijk gelooven kon. Een vijver, in het midden, bloeide in de blankte +van de rijzende maan, van de heilige lotus, die voor altijd onttooverde +wiens boete door de goden was aangenomen, maar de bloemen lagen niet +steeds op het water; de grootste, de allerzilverste rezen op langere +stengelen omhoog en schitterden tegen de nacht als sterren der aarde. +En rondom verhieven zich hoog de witte amaryllis-kelken als blanke +bekers van albast en alle de bloemen schenen de beginnende maneklaarte +in hare diepe ontvankelijkheden op te vangen en stráalden, +heilige tempelvaten gelijk.... En in dit gewijde prieel, achter, uit +een witzuilige gang, trad Charis mij te moet. Twee maagden geleidden +haar. Ik zag haar in de zacht blanke nachteklaarte naderen als een +teedere schim: zij was bleek en ernstig maar zoo lieflijk als ik nog +nimmer haar meende te hebben gezien: iets minder kind en meer vrouw, +schreed zij mij langzaam te moet: haar blonde haar omgaf zoo lieflijk +kuisch hare broze slapen en teêr, bleek gelaat; een witte peplos +plooide bijna als met lotusblankte van hare smalle schouders en langs +haar slanke heupen en als blauwe lotus bloeiden hare oogen op in den +blik, waarmeê zij mij zocht. En de twee maagden en de twee +priesters verdwenen ter zijde....</p> + +<p>—Charis! riep ik haar zacht.</p> + +<p>—Charmides! riep zij zacht mij toe.</p> + +<p>Ik naderde haar en onze armen hieven zich en wij omhelsden +elkaâr, innig en dicht.</p> + +<p>—Charis! zeide ik. Uit liefde voor je werd ik betooverd in den +vorm, dien je, zelve betooverd, lief kreegt.</p> + +<p>—Ik weet het, zeide zij. Ik weet alles. En het is alles goed +geweest. Charmides, ik heb je éen oogenblik, o een <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2469" href="#xd0e2469">177</a>]</span>enkele +seconde, geloof ik nu, gezien zoo als ik je nu herken. Het was buiten +de poort van Hypata. Ik, in mijn draagstoel, volgde mijns vaders stoet. +Jij verscheent éen oogenblik mij ter zijde; je zaagt mij aan, ik +zag je aan... Meer was er niet... Toèn... liep er een ezel naast +mij, een oogenblik slechts... Toen... toen, herinner ik mij, draafde +Davus—ik heb hem herkend—op een ezel...</p> + +<p>—Op mij....</p> + +<p>—.... onzen stoet te gemoet... En weêrklonk je naam, o +Charmides!</p> + +<p>—En weêrklonk Charis’ naam....</p> + +<p>—Sedert had ik je, Charmides, lief. Chersonezus betooverde +mij, omdat ik hem niet wilde minnen en ik smachtte naar je.... En toen +je verscheent in een ezelvorm....</p> + +<p>—Aan hek en heining der grasweiden.. vol madelieven..</p> + +<p>—Herkende ik je aan je oogen en wist ik, dat je Charmides +was... En beminde ik je, als een ezel...</p> + +<p>—En verloofde Menedemus Charmides aan zijn dochter +Charis....</p> + +<p>Wij omhelsden elkaâr innig en dicht.</p> + +<p>—Vader leeft, zeide zij. Zij leven allen.... Wat wij zagen, +was vizioen....</p> + +<p>—Vizioen... herhaalde ik.</p> + +<p>—O, Charmides, zeide Charis. Wanneer gaan wij terug tot +hèn?</p> + +<p>—Morgen, beloofde mij de opperpriester, o Charis. Maar zal +Menedemus aan een koopmanszoon geven zijn prinsesje, zijn dochter +Charis....?</p> + +<p>—Hij zal Charis geven aan Charmides, die haar beminde en redde +uit veel gevaar, o Charmides.... <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e2497" href="#xd0e2497">178</a>]</span></p> + +<p>—O Charis....</p> + +<p>Onze namen, uit onze monden, klonken in een roep van liefde op. Onze +roepende monden vonden elkaâr in den eersten kus, dien wij, maagd +en man, elkander gaven. De maan rees hooger, straalde, heilige Isis +zelve, hooger in de hemelsche tuinen, waar de sterren als lotus +ontloken over de azuren hemelmeren en om ons heen, zilver en zuiver, +tinkelend en aangetokkeld met de dunne staven, weêrtrilden, +weêrtrillerden, de sistra melodie-vol in de vele handen der +onzichtbare maagden van den tempel en weêrklinkelden, +weêrklonken de even hellere schelletjes, en tikten hare tonen +neêr als met dauwdroppelen van teêrste muziek, terwijl de +aanzwellende stemmen op zongen ter eere van de goede godin....</p> + +<p>—O goden van Eleuzis! baden wij beiden, in ons beider +omhelzing. Gij behoeddet Charis en Charmides en wij zullen ons in +Eleuzis, o goden, doen wijden in uw heilig mysterie!</p> + +<hr class="tb"> +<p>Lezer, zoo is het gebeurd. Ik was een ezel en ben het niet meer. Wij +werden beiden, na ons huwelijk, ingewijd in Eleuzis’ +mysteriën. Ik ben opgenomen in de Broederschap van Isis en, in +mijn zoet geluk naast Charis, behoef ik, omdat ik de trouw heb geleerd +in zoo vele lotsverwisselingen, niet meer bevreesd te zijn ooit +weêr in een ezel veranderd te worden....</p> +</div> +</div> + +<div class="back"> +<div class="div1"> +<div class="figure"><img border="0" src="images/spine.jpg" alt= +"Oorspronkelijke rug." width="85" height="720"></div> + +<p> </p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/back.jpg" alt= +"Oorspronkelijke achterkant." width="536" height="720"></div> + +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> + +<h3>Beschikbaarheid</h3> + +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met +vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de +Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a class= +"exlink" title="Externe link" href="http://www.gutenberg.org/"> +www.gutenberg.org</a>.</p> + +<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie +team op <a class="exlink" title="Externe link" href= +"http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> + +<h3>Codering</h3> + +<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan +de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel +zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn +gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het +corr-element.</p> + +<h3>Documentgeschiedenis</h3> + +<ol class="lsoff"> +<li>2009-08-27 Begonnen.</li> +</ol> + +<h3>Externe Referenties</h3> + +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn +dat deze links voor u niet werken.</p> + +<h3>Verbeteringen</h3> + +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> + +<table width="75%" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in +de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e196">13</a></td> +<td width="40%">Hecate</td> +<td width="40%">Hekate</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e269">18</a></td> +<td width="40%">Cchremes</td> +<td width="40%">Chremes</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e517">29</a></td> +<td width="40%">Boeotië</td> +<td width="40%">Bœotië</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e992">64</a></td> +<td width="40%">Cice-schepter</td> +<td width="40%">Circe-schepter</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1119">74</a></td> +<td width="40%">elkaar</td> +<td width="40%">elkaâr</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1147">79</a></td> +<td width="40%">bepoeïerden</td> +<td width="40%">bepoeierden</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1492">99</a></td> +<td width="40%">.</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1810">125</a></td> +<td width="40%">beâamde</td> +<td width="40%">beaâmde</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +</div> + +<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERLIEFDE EZEL ***</div> +<div style='text-align:left'> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Updated editions will replace the previous one—the old editions will +be renamed. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United +States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. +</div> + +<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div> +<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div> +<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase “Project +Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg™ License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person +or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ +electronic works. See paragraph 1.E below. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the +Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg™ License when +you share it without charge with others. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work +on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the +phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: +</div> + +<blockquote> + <div style='display:block; margin:1em 0'> + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most + other parts of the world at no cost and with almost no restrictions + whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms + of the Project Gutenberg License included with this eBook or online + at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you + are not located in the United States, you will have to check the laws + of the country where you are located before using this eBook. + </div> +</blockquote> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase “Project +Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg™. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg™ License. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format +other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg™ website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain +Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works +provided that: +</div> + +<div style='margin-left:0.7em;'> + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation.” + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ + works. + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg™ works. + </div> +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right +of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any +Defect you cause. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s +goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg™ and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state’s laws. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation’s website +and official page at www.gutenberg.org/contact +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread +public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state +visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of +volunteer support. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Most people start at our website which has the main PG search +facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +This website includes information about Project Gutenberg™, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. +</div> +</div> + +</body> +</html> diff --git a/29837-h/images/back.jpg b/29837-h/images/back.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..526dd9e --- /dev/null +++ b/29837-h/images/back.jpg diff --git a/29837-h/images/external.png b/29837-h/images/external.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ba4f205 --- /dev/null +++ b/29837-h/images/external.png diff --git a/29837-h/images/front.jpg b/29837-h/images/front.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..79b0c4f --- /dev/null +++ b/29837-h/images/front.jpg diff --git a/29837-h/images/logo.gif b/29837-h/images/logo.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e9f8b34 --- /dev/null +++ b/29837-h/images/logo.gif diff --git a/29837-h/images/logo.png b/29837-h/images/logo.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e9f8b34 --- /dev/null +++ b/29837-h/images/logo.png diff --git a/29837-h/images/spine.jpg b/29837-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2a2fe0a --- /dev/null +++ b/29837-h/images/spine.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..88c89f9 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #29837 (https://www.gutenberg.org/ebooks/29837) diff --git a/old/29837-8.txt b/old/29837-8.txt new file mode 100644 index 0000000..1fedb14 --- /dev/null +++ b/old/29837-8.txt @@ -0,0 +1,5790 @@ +Project Gutenberg's De verliefde ezel, by Louis Marie Anne Couperus + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De verliefde ezel + +Author: Louis Marie Anne Couperus + +Release Date: August 28, 2009 [EBook #29837] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERLIEFDE EZEL *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + De verliefde ezel + + Door + + Louis Couperus + + + Rotterdam + + Nijgh & Van Ditmar's Uitgevers-Maatschappij + + MCMXVIII. + + + + + + + +AAN DEN LEZER. + + +Sedert wij door middel van den Wereldoorlog tot de Middeneeuwen +zullen terug keeren (denk maar allereerst aan de kaarsen, bij welke +gij heden ten dage dineert; denk dan aan de helmen der soldaten; +denk dan.... ik laat aan u over waarover ge nog meer wilt denken), +keer ik persoonlijk maar in eens tot de Oudheid terug en schrijf u een +echt ouderwetschen, ja antieken avonturenroman,--zónder psychologie, +zónder symboliek, realistiesch noch naturalistiesch,--onvervalscht +antiek ouderwetsch. Want het motief steel ik er voor uit Apuleius' +Gouden Ezel en die roman was, geloof ik, de tweede, die er ooit +geschreven werd, als ge ten minste Petronius' Satyricon de eerste +noemen wilt! (Ik kan mij met dit alles best vergissen; informeer dus, +als gij het naadje van de kous wilt zien, waar gij meent onfeilbaar +te zullen worden ingelicht.) + +Ik hoop, dat ge mijne poging u iets anders voor te zetten dan +novellistiesch opgevatte moderne oorlogsberichten zult waardeeren en +tevens goedkeuren, dat wij alle, eenmaal onvermijdelijk geachte, dingen +als naturalisme, realisme, symboliek, psychologie over boord gooien en +samen zwelgen zullen in de meest antieke onwaarschijnlijkheid, die een +moderne romanschrijver--om maar in eens tot de Oudheid terug te keeren +zonder te blijven bij de Middeneeuwen, tot welke ons de Wereldoorlog +brengt--kan verzinnen. En wilt ge zoo niet met mij zwelgen, keer u dan, +o Waarde Lezer, onmiddellijk van mij af en blijf in uw Middeneeuw van +heden-ten-dage, die werkelijk minder stemmingsvol is dan de werkelijke +Middeneeuw was: wat mij betreft, ik bestijg mijn Verliefden Ezel, sla +mijn hielen in zijn grauwe flanken en spring met hem van den barren, +onbeminden rots van mijn eigen tijd in het Antieke Verleden, om samen +te zwelgen, om in niets anders te zwelgen dan in de Onwaarschijnlijkste +Onwaarschijnlijkheid, psychologie-loos, symboliek-loos (denk vooral +niet, dat mijn Verliefde Ezel een symbool is!!) maar toch, willen wij +samen hopen, mijn Ezel en ik, niet kunstloos, niet schoonheidsloos, +o neen, vooral niet dat! + + + + + + + +I. + + +Indien gij, o vrienden, deze bladen zult lezen, zult gij zeer +zeker versteld staan over de vreemde avonturen, die zij bevatten en +niet gelooven willen, wat ik hier, te mijner herinnering en te uwer +genoegen en ontroering beiden, te boek heb gesteld. Welnu, ik verzeker +u gaarne en zweer u bij alle goden en vooral bij de heilige Isis, wier +priester ik heden ten dage geworden ben, dat de zonderlinge dingen, +die gij vernemen zult, niet anders zijn dan de loutere waarheid, +die ik heb doorleefd, dikwijls zonder zelve aan haar te kunnen +gelooven en dikwijls bepeinzende of ik niet in een voortdurenden +droom zoo onwaarschijnlijke levenservaringen door maakte. Tot ik +mij moest bedenken, dat het geheele leven zelve een droom is, éen +onbegrepen toeven, vol huiver en aarzeling, op de breede drempels van +de Poorten dier goudene Werkelijkheid en ik, vroom, niet anders kón +dan gelooven aan een door de goden bestierde aan een geschakelde keten +van onwaarschijnlijkheden, waarmede ik geleid werd tot het einddoel +mijner levensdagen. + +Ik ben een koopmanszoon en heet Charmides en mijne ouders, hoewel uit +Athene afkomstig, woonden te Epidaurus in Argolis en mijn vader had er +een bloeienden groothandel. Uit Indië, over Klein-Azië, uit Arabië en +Egypte brachten zijne schepen hem velerlei kostbare koopwaar, die hij +wederom verzond naar Athene en Rome niet alleen, maar naar allerlei +streken van het Romeinsche Rijk, dat in die tijden mijner jeugd +beheerscht werd door onzen genadigen Keizer Hadrianus. Zeer vermogend, +was mijn vader tevens een krachtig en energiek koopman gebleven en zag +het met leede oogen aan, dat ik, zijne eenige zoon en het bedorven +kind mijner moeder, die een Romeinsche was, niet naar hem aardde en +weinig belang stelde in de uitgebreide zaken van het handelshuis, dat +zijn eigen was. Integendeel, niets boezemde mij minder belang in dan +handel, dan geld maken en wat mij alleen belang inboezemde, dat was +de liefde. Ik was geboren voor de liefde en ik heb bemind, geloof ik, +van klein knaapske af: misschien is mijn voedster mijn eerste liefde +geweest, ook al herinner ik mij die niet meer. Maar zekerlijk herinner +ik mij, dat, zoo dra ik loopen kon, zoo dra ik stamelen kon, ik lief +heb gehad, de kleine dochtertjes van onze buurlui, de slavinnen van +mijne moeder, de vriendinnen zelfs mijner moeder, en dat, hoewel de +kleine meisjes voor mij weg liepen, onze slavinnen mij uit lachten +omdat ik zoo nietig nog was en mijner moeder vriendinnen, hoewel +zij mij op den schoot namen, mij plaagden om mijn verliefden aard op +zoo prillen leeftijd, ik mij niet kon verdedigen te beminnen en dat +ik door bijna ieder vrouwelijk wezen van jeugd en schoonheid werd +aangetrokken op een wijze, die bijna aan een tooverban deed denken. + +Nu was ik een mooie, knappe jongen--ik geleek op mijn vader en +moeder beiden--en door tal van vluchtige verliefdheden heen had ik +den leeftijd van twintig jaren bereikt, toen mijn vader, meer en meer +toornig om mijne lichtzinnigheid, mij plotseling, trots mijner moeder +tranen, beval, alleen, met mijn knecht Davus, een handelsreis aan +te vangen, over Corinthe heen naar de binnenlanden van Thessalië en +Epirus, om aldaar in de steden als zijn vertegenwoordiger op te treden +en de fijnere koopwaren van het Oosten er van de hand te doen. Het +was een zeer wreede beproeving voor mij, vooral omdat mijn vader er +bij voegde, dat ik hem niet meer onder de oogen behoefde te komen, +zoo ik niet slaagde in het doel mijner reis. En de reis zelve was +waarlijk geen pleizierreis, want hoewel Corinthe een beminnelijke stad +was vol levensvreugde en schoone vrouwen, was over Boeotië en Focis, +naar Thessalië en Epirus te trekken niet anders dan een straftocht, +ook al kon ik bij verschillende wisselaars onder weg beschikken over +vrij aanzienlijke sommen, die mijn vader er te mijnen gerieve had +doen neder leggen. + +Er was niets aan te doen. Ik nam teeder afscheid van mijne moeder, +van hare vriendinnen, die, matronen geworden, niet meer lachten maar +mij weenende omhelsden; ik nam afscheid van onze slavinnen en van de +kleine buurmeisjes, die tot lieflijke maagden waren opgebloeid. En +omgeven door geheel een gevolg van vrouwen en meisjes, die weenden +en weeklaagden, besteeg ik mijn gerieflijken reiswagen, die door vier +krachtige buffels getrokken mij over Mycenæ naar Corinthe zoû voeren, +terwijl Davus zich naast den voerman zette. + +De eerste dagen mijner reis verliepen zonder avontuur. Wat zal +ik u vertellen van de dienstmeisjes der herbergen, van enkele +aanzienlijkere vrouwen, die met eenige vreugde mijn anders zoo sombere +dagen doorweefden? Het waren bloemenkransen, die dadelijk braken. Het +waren geen banden des levens en ook de beroemd schoone vrouwen van +Boeotië, die er in Tanagra door de beeldhouwers worden vereeuwigd in +schoone lijn en gracelijken vorm, gingen door die week mijner reize +heen niet anders dan als weêr verzwijmende fantomen van bevalligheid, +die ik mij nauwlijks meer herinner dan de blanke, ijle wolken, die +dreven aan de blauwe hemelen der verre oorden, die ik door trok. + +Van Thebe ging de reis over Thespiæ naar Delfi. Wat al beroemde +namen en wat al vervallene steden! Voor een handelsreiziger als ik, +die de kostbaarste waar van de hand moest doen--geurwerk en parels, +zijden stoffen en tapijtwerk--was hier niets te doen, dan uit te +rusten van het wiegelen in mijn reiswagen: in Thebe zag ik het huis +van Pindaros, den grooten dichter en zanger, dat Alexander de Groote, +toen hij de stad fnuiken wilde en haar tot den grond toe deed slechten, +uit eerbied spaarde, maar... of het mij getoonde huisje wel dat van +Pindaros was, betwijfelde ik zeer; het dienstmeisje in de herberg, +was hare eigene grootmoeder, geloof ik.... Te Thespiæ wist niemand +mij meer te vertellen waar de Eros van Praxiteles gebleven was, die +Fryne haar geboortestad had geschonken en toen ik te Delfi aan kwam, +overviel mij, hoezeer ik er mij die eerste week tegen had vermand, +een eindelooze melancholie. Mijn reiswagen hield stil voor een kleine +herberg; er hing in den kouden najaarswind een blikken uithangbord +boven de poort te rammelen; op dat rammelende bord was geschilderd +iets als een witte figuur en er onder stond geschreven: + + + IN DE PYTHIA. + + +Ik begreep. "In de Pythia", dat was de herberg, de allereerste in +Delfi, de stad eenmaal van het beroemde Orakel Apollo's, waar zijne +door geuren vervoerde priesteres, de geheiligde Pythia, de wondervolle +spreuken op den gouden drievoet gestameld had. "In de Pythia". Ik steeg +uit, door Davus geholpen, en de herbergierster, een dikke waardin, +kwam mij begroeten. + +--Hebt gij een kamer? vroeg ik. + +--Helaas! riep de herbergierster. Edele prins, gij komt te laat. Ik +heb slechts éen kamer met drie bedden voor gasten, maar alle de drie +bedden zijn ingenomen! + +--Ik kan dan in mijn wagen slapen, zeide ik; als je mij slechts wat +voedsel kunt geven, en ook mijn dienaar en voerman voeden en zorgen +voor frissche postbuffels.... Maar een prins ben ik niet; ik ben +slechts een handelsreiziger en als zoodanig slechts kan ik je betalen. + +Voor de deur, op een bank, zaten twee mannen te praten en een derde, +die er ziek en ellendig uit zag, lag op den grond, tegen een boomstam, +zorgzaam gewikkeld in dekens en doeken. Zoodra zij mijne woorden +hoorden, stonden de twee mannen op en naderden mij. Zij zeiden: + +--Zijt gij een handelsreiziger, heer? Zoo zijn wij collega's, want +ook wij zijn handelsreizigers, ja, zeker. + +De eene was dik en kort en de andere lang en mager. Zij bogen en ik +stak hun de hand toe. + +--Ik, zeide de dikke korte; reis in allerlei voedingsmiddelen, graan, +rijst, wijn en kom uit Thessalië, waar ik goede zaken gedaan heb. Mijn +naam is Crito. + +--Ik, zeide de lange magere; reis in allerlei kleedingmateriaal: wol, +katoen, lijnwaad, en kom ook uit Thessalië; ook ik deed vrij goede +zaken, mijn naam is Chremes. + +--Ik, zeide ik op mijn beurt, heet Charmides en ik reis in +weelde-artikelen. + +--Toch niet naar Thessalië?? vroegen zij beiden te gelijker tijd. + +--En waarom niet? Zoû ik er geen goede zaken doen? Het handelshuis +van mijn vader is beroemd om zijn fijne Oostersche koopwaar.... + +Crito en Chremes schudden bedenkelijk met de hoofden en handen en de +zieke, die op den grond lag, riep schril: + +--Heer, hoed u te gaan naar Thessalië! Daar ben ik ziek geworden! Daar +ben ik eerst behekst geworden! En toen ik onthekst was, ziek, ziek, +ziek! + +--Wie zijt ge? vroeg ik den zieke. + +--Ik ben Aristomenes en reisde slechts voor mijn genoegen, heer; +ik wenschte het beroemde Thebe te zien, het beroemde Thespiæ en den +tempel, waar het goddelijke beeld van Praxiteles' Eros gestaan heeft; +ik wenschte Delfi, het heilige Delfi te zien; ik wenschte Thrachis +te zien, waar Herakles heeft gewoond: ach, heer, ik was slechts een +simpel toerist, ik was een dichter, ik beminde de letteren en de +schoonheid, ik beminde het reizen en het trekken en Thessalië heeft +schoone steden, schooner en weelderiger dan dit vervallene Delfi en dan +Thespiæ en Thebe, maar, heer, ik werd er behekst en anderen werden er +behekst als ik, in Larissa, in Hypata.... O, heer, o Charmides, gij, +die reist in weelde-artikelen, neem u in acht: hoèd u voor Thessalië! + +Zoo klaagde de zieke op den grond. Mijn reiswagen was uitgespannen en +ter zijde geleid; mijne bagage bleef in den wagen: Davus en de voerman +aten reeds ieder een bord linzensoep op de andere bank ter zijde der +herbergpoort en ik zat tusschen Crito en Chremes op de bank bij den +boom, waartegen de zieke lag. Een dienstmeisje bracht mij mijn maal: +lamsbraad en brood en honig en ooft.... + +--Hoe heet je? vroeg ik beminnelijk. + +--Fotis, heer, en ik ben tot uw dienst, zeide het beminnelijke meisje. + +Ik knikte haar welgevallig toe en at met smaak. Ik was iets +minder melancholiek nu ik Fotis gezien had; waarlijk, zij zag er +uit om verliefd op te worden en ik werd dan ook dadelijk op Fotis +verliefd. Het geen niet weg nam, dat ik met jeugdigen honger mijn +tanden sloeg in het droge lamsbraad, het harde brood en den azijnzuren +wijn uit dronk. + +--Ik heb, zeide ik tot den zieke; wel eens meer gehoord, dat Thessalië +het land van beheksing is, maar weet niet of ik hieraan gelooven kan. + +--Toch is het zoo, heer! + +--Toch is het zoo, heer! riepen Crito en Chremes om beurten. + +--Noem mij Charmides! zeide ik genadig; ik reis wel in weelde-artikelen +maar ben handelsreiziger als gij beiden, die reist in kaas en in +wol en wij zijn toch collega's, niet waar. Noem mij Charmides, als +Aristomenes mij reeds noemde. + +--Toch is het zoo, Charmides! riep de zieke. Thessalië is het land +der beheksing. De heksen zweven er rond in de lucht en spinnen uit de +maan de tooverdraden! En weven de tooverwebben! En dansen er op den +viersprong der wegen rondom Hekate, de driehoofdige! En de schimmen +der vermoorde kindertjes zweven er als vleêrmuizen en nachtuilen rond +door de nachten om wraak op de heksen te nemen, maar zij zijn sterker, +o Charmides: de heksen zijn àltijd stèrker, dan wie ook, dan de goden; +de heksen beheksen de goden zelfs en éen heks heeft mij behekst: in +een zwijn heeft zij mij veranderd als Circe Ulyssus' makkers deed +en hokkende en hikkende heb ik haar gevolgd, terwijl zij lachte, +de tooverkol! Hoed u voor Thessalië, Charmides! + +De nacht viel, sinister, over het plein voor de herberg: In de +Pythia. De najaarswind woei klagelijk. Davus en de voerman, op de +andere bank, zaten met angstige gezichten toe te luisteren. Ruischend +als van vreemden zang, vielen de platanebladeren om ons rond. Ginds +stond mijn reiswagen, waar ik zoû moeten rusten.... geriefelijker +eigenlijk, dacht ik, dan in de éene kamer "In de Pythia", met de drie +bedden, die Aristomenes, Crito en Chremes reeds zouden innemen. De +arme dichter-toerist, ziek was hij wel, al verbeeldde hij zich +misschien in een zwijn te zijn veranderd geweest! Crito, een goede +kaasboer; Chremes, een brave lappeman: ik zag toch wèl een beetje +op hen neêr. Ik, ik was Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus: +ik reisde in purper en parels, in myrrhe en cinnamoom, in Sidonische +tapijten en bombyx-zijde: ik was jong, rijk, mooi, krachtig, door +de vrouwen bemind; ik beminde zelve altijd, ik was altijd heerlijk +verliefd; ik was nu verliefd op Fotis, die ik toelachte toen zij +de borden weg nam.... Mijne melancholieën om mijn strafreis en de +sombere oorden, die ik door trok, gingen als lichte wolkjes.... + +En toch.... Sinister die nacht over het plein.... Klagelijk de +najaarswind.... Zoo bleek de gezichten van dienaar en voerman.... Hoor, +wat zong er toch vagelijk door de vallende platanebladeren? Waren +het de vermoorde kindertjes?? Ik werd mij even bewust niet gehéel +lichtzinnig te zijn: ik werd mij even bewust te willen worden ingewijd +in de mysteriën van Eleuzis: een vreemde vroomheid huiverde vaak +door mijn gloeiend kloppende aderen: ik wist, dat er dingen van +goddelijkheid en ongoddelijkheid zijn, die een verliefde, jonge man +niet altijd begrijpt! + +--Ik zal mij hoeden voor Thessalië! riep ik Aristomenes toe: maar ik +zal Thessalië niet ontwijken! Ik reis morgen Thessalië in! Er zijn +de steden als Hypata en Larissa, die bloeien, die zijn weelderige +steden, niet vervallen als Delfi, Thespiæ en Thebe en daar zal ik +bombyx verkoopen en Sidoniesch tapijt, cinnamoom en myrrhe en parels +en purper en ik zal er zaken maken als Crito en Chremes hebben gedaan! + +Crito en Chremes schudden handen en hoofden. + +--Wij, heer Charmides, zeiden zij beiden; gaan er nooit meer heen, +trots de goede zaken.... + +--Ik, heer Charmides, zeide Crito; ben er dik en kort geworden en ik +was, toen ik er heen ging, lang en mager. + +--Ik, heer Charmides, zeide Chremes; ben er mager en lang geworden +en ik was, toen ik er heen ging, kort en dik. + +Ik keek van den een naar den ander. + +--Wie is dan de een en wie is de ander? vroeg ik. + +Ze schudden hoofden en handen. + +--We weten het zelve soms niet! bekenden zij. + +Ik lachte, toch in mijn binnenborst geschokt in mijn vertrouwen. + +--Ik moet tóch gaan, zeide ik. Ik zàl ook gaan, zeide ik +moediger. Avontuur, zelfs van heksen, stoot mij niet af. Bang was +ik nooit. Fotis, riep ik het meisje toe; wat bereiden ze voor op +het plein? + +Want fakkels werden hier en daar op het donkere plein in gestampt. + +--Heer, antwoordde Fotis en lachte als een roos; het zijn de rond +trekkende kunstenmakers, die gehoord hebben, dat gij in purper en +parels reist en die een voorstelling geven komen. + +Ik lachte helderder. + +--Laat ze komen! riep ik. Laat ze komen! Zij zullen ons verstrooien +voor wij slapen gaan en wij zullen niet van heksen droomen. + +En met ketelmuziek kwamen zij op: twee mannen, drie meisjes, vier +jongens, een beer.... + + + + + + + +II. + + +Aan de drie zijden van het pleintje voor de herberg waren nu de +vlammende, walmende toortsen geplant en de harstriekende gloor weifelde +fantastiesch door de nacht, die geheel gevallen was. Links en rechts +duisterden een paar straatjes en sloppen, waar nu wat volk uit kwam, +dat zich met donkere silhouet verzamelde op het pleintje. Voór de +herberg, ter vierde zijde dus, rees een stuk oude muur, vermoedelijk +nog over van de ommuring van een antiek heiligdom.... Delfi! Dit was +Delfi! moest ik mijzelven herinneren. Ik was te Delfi, de heilige stad +van Apollo's Orakel en dit was Delfi: dit herbergje: "In de Pythia", +dit modderige plein, die verbrokkelde muur over ons, die fakkels, +in den grond geplant; die kunstenmakers en die beer, die aan kwamen, +tusschen dat groezelige volk. En mijn reiswagen ginds, waarin ik +slapen zoû, met mijn stalen van kostbare koopwaar--als mijn bagage +maar niet gestolen werd.... + +--Davus! riep ik mijn knecht. + +Hij stond op, naderde. + +--Davus, waarschuwde ik; ga met den voerman zitten op treê of bok +van den wagen om de kunstenmakers te zien en pas op, dat het volk +niets steelt.... + +Davus en voerman deden als ik beval.... + +....Dit, dit was alles Delfi! En Fotis, die mij een kruik wijn bracht +en vier kroezen en de zieke Aristomenes tegen den plataan en Crito +en Chremes, mijn beide collega's in wol en kaas, die behekst waren +geweest en niet meer wisten wie van de een eigenlijk kort en dik en +wie lang en mager was... Dit, dit was alles Delfi? + +Toen voelde ik het misschien voor het eerst.... Trots mijn +lichtzinnigheid, trots mijn altijd verliefde jeugd.... Den eerbied voor +de Goden en het Onuitsprekelijke.... Toen voelde ik bijna een weemoed +om Apollo, wiens heilige stad zoo was vervallen, wiens Orakel niet +meer werd geraadpleegd.... Toen voelde ik dat vreemde gevoel, terwijl +mijne oogen toch Fotis, op wie ik verliefd was, bewonderden, als zij +in gezonde, wat boersche maar mij aantrekkelijke, jonge-vrouwelijkheid +ons bediende.... Dat vreemde gevoel, dat er àndere Dingen waren dan +te reizen in kaas en wol, zelfs in purper, parels en geurwerk! + +--Vertelt ge mij niet uw avontuur, beste vrienden? vroeg ik Crito +en Chremes; terwijl ginds de kunstenmakers ons hunne toeren zullen +vertoonen? + +Zij wilden mij hun avontuur wel vertellen.... Intusschen deden reeds +de twee paar jeugdige knapen de wonderlijkste akrobatische toeren: +zij wrongen zich twee aan twee in elkaâr, tot zij geleken op twee +staven van Hermes-Mercurius, den god van ons, handelsreizigers!--op +twee caduceeën, op twee paar om elkaâr gekronkelde slangen: zoó liepen +zij, zich telkens geheel om buigend, op de handen: als de een op de +handen liep, hief wie zich om hem gekronkeld had, de zijne omhoog, +tot zij zich, hoepelsgewijze, bogen en de ander op zijn beurt op +de handen liep. En de eene man at vuur en de andere slikte een +gladiatorezwaard in.... + +--Gij moet dan weten, Charmides, zeide Crito; dat ik samen met Chremes +reisde, hij in wol, ik in kaas, en dat wij reeds sedert lang goede +vrienden zijn, niet waar, Chremes? + +--Voorzeker, Crito, antwoordde Chremes. En ge moet weten, Charmides, +dat wij kwamen op een driesprong van wegen, dicht bij Hypata.... + +--Larissa is een moóie stad, niet waar? viel ik in de rede; voor ons +dansten de drie meisjes een kordax-dans: een wulpsch schuifelend beweeg +tusschen de twee groepen der vier om elkaâr gekronkelde jongens; een +beer zat, gemuilband, te wachten.... En er zijn tal van mooie vrouwen, +niet waar? Ook die drie danseresjes zijn heél mooi.... + +--... En het was vallende avond, ging Crito voort, zonder zich veel +te storen aan mijne vragen en opmerkingen. En op eens.... + +--... Zagen wij vóor ons... + +--Een driehoofdig beeld van Hekate, de in Thessalië ge-eerediende +godin!! + +--Nu, zeide ik; is dat zoo vreemd. Op vier- of driesprong der wegen +staat wel meer het beeld der toovergodin. + +--Ja, maar Charmides....! + +--... maar Charmides...! riepen zij beiden, links en rechts en toen +te zamen: + +--Toen wij nader kwamen.... Lieten de drie hoofden af van den +romp.... En omvlogen ons drie verschrikkelijke heksen! + +--Hoed u, hoed u, o Charmides, voor Thessalië! riep de zieke +Aristomenes. + +--En deden zij ons geweld aan! riepen door elkander Crito en Chremes. + +--En maakten zij mij, riep Crito; die lang was en mager, kort en dik! + +--En mij, riep Chremes; die kort was en dik, lang en mager! + +Ik lachte. + +--Kom, kom! zeide ik. Ge zult gedroómd hebben. Ik geloof die verhalen +niet. Even als Aristomenes heeft gedroomd, dat hij in een zwijn werd +veranderd. Zie liever eens naar die drie bevallige danseresjes. Bij +mijn godin, die nooit Hekate worden zal, maar altijd Afrodite blijft, +ik geloof, dat ik verliefd word op àlle drie! + +Fotis hoorde mij, lachte schamper en riep: + +--Op drie dansmeiden van de straat! + +Maar eene van de danseressen kwam nader. Zij spreidde een tapijtje en +legde er zich glimlachende voor-over op, de armen sierlijk gekruist. De +fakkelvlam weêrspiegelde in de koperen munten, die bedekten haar +voorhoofd en borst. + +--Zij is de mooiste! riep ik. O wat is zij mooi en bevallig! En lenig! + +En ik werd zeer verliefd op het meisje, dat op het tapijtje lag. En +wilde opstaan. + +Maar, liggende, boog zij rond als een hoepel. De man, die vuur had +geslikt, bood haar een boog, dien zij nam tusschen de teenen van +haar eenen opgehoudenen voet en met de teenen van den anderen voet +richtte zij een pijl op de koorde. Zij boog het hoofd gracelijk, een +weinig, om te zien. Zij glimlachte steeds. De man, die het zwaard +had ingeslikt, hield een appel omhoog. En het meisje schoot met de +teenen, armen steeds gekruist en liggende, hoepelrond op den buik, +den pijl af, in den appel. + +Er was bewonderend gejuich en applaus en ik, Charmides, zoon van +Lyzias van Epidaurus, en die reisde in purper en parels, wierp enkele +geldstukken op het tapijtje. + +--Ach, Charmides! riep de zieke Aristomenes. Verwerp toch niet +onze waarschuwing! Denk toch, ik, dichter en toerist, ik werd ook +verliefd, als gij vaak wordt; ik werd verliefd op Meroë, de beroemde +hetære van Hypata, maar zij is een dienares van Hekate en zij zweeft +'s nachts rond door de lucht, met de schimmen van Medea en Circe, +die twee tooverprinsessen, dochters van de Zon, en zij bezweert met +haar beiden de Maan en de Sterren en den Storm! En zij behekste mij +in een zwijn, tot ik den rooden amaryllis at en weêr mensch werd maar +verlamd voor heel mijn leven! Hoed u voor Thessalië, Charmides!! + +Ik lachte. Geloofde ik? Ik wist het niet. Lichtzinnig, wàs ik heel +jong, heel verliefd nu op het lieve boogschutstertje, zoó verliefd, +dat ik niet dacht aan goddelijke of óngoddelijke dingen.... Ik stond +op en naderde de kleine kunstenmaakster.... + +Honden blaften, tusschen de menigte, zeker tegen den beer. + +--De honden blaffen! riep Aristomenes. Zij voelen, dat Hekate zweeft +in de lucht! Zij blaffen, omdat de maan rijst! Crito en Chremes, +voert mij naar binnen! Ik ben moê, ik ben ziek; helaas, ik ben lam: +ik wil rusten, ik wil rusten gaan! + +Crito en Chremes hielpen den zieke op, steunden hem, voerden hem +binnen in àl zijn doeken en dekens. + +--Hoe heet je? vroeg ik. + +--Demea, heer! zeide het meisje. + +--Je pijl, zeide ik; is geschoten in den appel, maar dieper nog elders. + +--Waar dan, heer? + +--In mijn hart. + +--Heer, ge schertst: ik ben maar een kind van de straat, gij een prins. + +--Neen, geén prins; ik rèis, in purper en parels. Wil je mij niet, +Demea, bezoeken, deez' nacht, in mijn wagen, die wacht voor de deur +hier, ter zij van het huis....? + +--Heer, thàns moet ik dansen.... + +En zij danste met de beide andere meisjes. De vier jongens kronkelden +steeds als Hermes-caduceeën, en buitelden als wielen, om en om. En +de twee mannen met den beer speelden, als in het theater, een klein +mimus-spel van drie personen. Toen bevrijdden zij den beer van den +muilkorf en er was ontroering van schrik tusschen de menigte. Maar +de mannen klommen den muur op voor ons en heschen den beer op den +muur. En op den muur danste de beer met een stok in zijn pooten en +de mannen dansten met hem. + +Een luik in de herberg werd open gestooten en Aristomenes riep mij toe: + +--Hoed u, Charmides, voor Thessalië! + +--Kennen jullie Thessalië? vroeg ik de drie meisjes nu; ik wist bijna +niet op wie van drieën ik het meeste verliefd was: zij waren alle +drie allerliefst; donker van tint en haren, jong krachtig van leden, +verrieden zij, dwaalsters over de wereld, haar Egyptische afkomst. + +--Ja, heer, antwoordden zij alle drie en voegden er om beurten aan toe: + +--Maar ons, arme kunstenmaaksters.... + +--Doen de heksen.... + +--Neen, de heksen geén kwaad.... + +--Charmides! riep uit zijn raam de zieke; hoed u! De Egyptische +kunstenmaaksters zijn zelve heksen! + +Maar de meisjes tolden lachende om elkaâr rond. + +--Zijn jullie heksen? vroeg ik. + +--Wij weten alleen liefdedrank te bereiden, maar meer heks zijn wij +niet, heer.... + +En zij lachten en wij spraken over de liefde. Intusschen werden de +flambouwen gedoofd; de menigte vervloeide in de nacht, de kunstenmakers +met den beer verdwenen, de herberg werd gesloten. Ik bevond mij alleen +op het plein. De verbrokkelde muur, waar de beer niet meer danste, +teekende zich af tegen den afschijn der rijzende maan. Maar de wind +blies luguber en de wolken dreven en de platanebladeren ruizelden +neêr en ik hoorde als kleine kindertjes klagen of er zieltjes zweefden +door de nacht. + +Ik naderde mijn wagen. Davus en de voerman rezen op van de treê. + +--Heer, zeide Davus; de voerman wil niet naar Thessalië.... + +--Is hij bang? vroeg ik. + +--Ja, heer, zei de voerman, bleek. Wij hebben te veel gehoord, van +Thessalië, alleen reeds dezen enkelen avond. Ik keer morgen terug +naar Argolis. + +--Je bent de slaaf van mijn vader, zeide ik. Je bent mijn +slaaf. Geeselen zal ik je laten, wanneer je weigert den wagen te +mennen. + +--Zoo laat mij dood geeselen, zeide de voerman. Maar ik men den wagen +niet naar Thessalië.... + +Ik haalde mijn schouders op. + +--Ga nu slapen, zeide ik. Gaat slapen, allebei. Morgen brengt de +Dageraad nieuwen raad. + +Zij zouden voor in den wagen slapen. Zij sliepen dadelijk. Ik, +in den ruimen wagen, strekte mij op kussens ter ruste. Maar sliep +niet. Mijn slapen bonsden. Ik zag den driesprong der wegen en het +beeld van Hekate, wier drie hoofden af lieten van den romp en toen +drie heksen werden. + +Langs den wagen sloop in den flauwen maneschijn een schim. Ik keek uit. + +--Heer! fluisterde Fotis. Uw beide slaven slapen.... Daarom kom ik +u waarschuwen, dat, zoo gij naar Thessalië gaat, gij goed doet een +talisman om uw hals te dragen.... + +--Kom binnen, noodde ik Fotis. Kom in den wagen en waarschuw mij +beter.... + +Om den wagen ruischte geheimzinnig de wind en vielen de +platane-bladeren en Davus en de voerman snurkten.... Voor het herbergje +rammelde telkens het uithangbord: + + + IN DE PYTHIA. + + + + + + + +III. + + +Toen Fotis mij op zeer bevredigende wijze gewaarschuwd had en mij een +weldadige amulet om den hals had gehangen, slipte zij weg door het +eene portier van mijn reiswagen en verdween als een schim in de nacht +"In de Pythia".... Maar op dit zelfde oogenblik hoorde ik murmelen +aan het andere portier: + +--Heer! Heer Charmides! Gij, die in purper en parels reist.... + +Ik lichtte den voorhang op en herkende Demea. + +--Wat is er, Demea....? + +--Heer, zeide Demea; als ik niet gezien had, dat Fotis, die minne +herbergmeid, in uw reiswagen was binnen geslopen.... + +--Om mij te waarschuwen, zeide ik; voor de heksen van Thessalië.... + +--Dan zou ik, zeide Demea, een weinig verbolgen; en béter dan zij, +u hebben willen waarschuwen voor die zelfde heksen en u een filter +hebben willen geven, die onthekst, wie ook behekst is geworden.... + +--Kom dan binnen, lieve Demea, noodde ik; want het terrein is nu +vrij.... en door jou laat ik mij gaarne beheksen en ontheksen beiden. + +--Heer, zeide Demea; ik ben een kind van de vrije luchten, en dochter +van de zanden en het stof van de wegen en achter den voorhang van +een reiswagen, met twee ronkende slaven in elkanders rug, voór op den +bok, geef ik mijn filter u niet. De woestijn was de kamer, waar mijn +moeder mij baarde, de Sfinx waakte over mijn kinderspel, de maan is +mijn nachtlamp en het starbezaaide firmament is het koepeldak van +mijn eindeloos pavillioen. + +--Demea, zeide ik; je hebt dat alles heel mooi en rhetoriesch gezegd; +het laat mij denken aan een tirade uit Seneca, den treurspeldichter +en ik ben bereid je te volgen waar je mij voeren wilt, in welke ook +van je ruime slaapsaletten onder de gouden sterren.... + +--Kom dan meê! lonkte Demea. + +Ik richtte mij op uit de kussens, wipte uit den wagen en vroeg: + +--Waarheen.... + +--Volg mij, lokte Demea, vol onweêrstaanbare verleiding, en oogen +als gloeiende offerkolen. + +Ik volgde haar. Ik voelde even of ik mijn Syrischen dolk bij mij had, +in mijn gordel, en Demea zweefde mij voor, steeds om ziende, lachende, +of ik wel volgde. Wat was zij luchtig en vlug, de kleine boogschutster, +die met de teenen richtte en af trok haar pijl. Zij was zoo vluchtig +als een vizioen voor mij. Zij voerde mij, ter zijde van de herberg, +oogenblikkelijk in een verwilderd woud. De wind ruischte klagelijk +door de takken en boven ons zeilde de maan de drijvende witte wolken +in en uit over den hemel der nacht. De schaduwen lagen, slechts even +doorschemerd, ter zijde van het pad als groote, zwarte monsterbeesten +gestapeld.... + +--Heks!! riep ik. Demea! Ben je al een heks, al ben ik nog niet +in Thessalië?? + +--Mijn moeder was een heks! riep Demea. En een heks zal ik worden +als zij, wanneer de groote Bok mij roept! Kom, kom! + +Ik kon niet weêrstaan. Ik volgde haar, terwijl zij voort zweefde en +lokte en lonkte.... Ik zag niets dan, door de schaduw, den schemer, +schitteren hare kole-oogen en soms leek het mij, zag ik schitteren +haar glimlach als om een bloemmond van roode sulfer. Plotseling stond +zij stil op een opene vlakte. Er rezen enkele verbrokkelde muren, +de geknotte zuilen van een portiek. + +--Waar zijn wij? riep ik verwilderd. + +Demea naderde mij en riep tragiesch: + +--Wij zijn in de ruïne van den grooten Tempel! zeide zij. Eenmaal +rees hier het Heiligdom gewijd aan den goddelijken Boogschutter, dien +ik dien maar met mijn voeten. Eenmaal zat hièr--zij wees mij in het +midden een ronde, steenen plek--de Pythia op haar drievoet, dronken +van lauriersap en geuren en zij zeide de heilige Orakels. En waar dit +alles eenmaal was, zal ik dansen mijn dans van beheksing, ontheksing! + +Zij danste. Tusschen de geknotte zuilen danste zij in den maneschijn, +die heller en heller den hemel uit gleed. Zij danste. Zij danste in +blauwe en grauwe en blanke sluiers en zij was als een spiraal van +geurwalm uit een geurvat. Zij wirrelde als een ijle, dunne wolk, die +verijlde in de nacht. Zij veronwezenlijkte als een tooverdamp. Zij +deed de vervoerende heiligschennis op de heilige plek van Delfi. Ik +was mijzelve niet meer: + +--Demea! riep ik en opende de armen. + +Demea's armen sloten zich om mij rond. Zij nam mij als op in de +dronkenschap van haar dans. De sterren schenen te regenen in een +vloed van vuur over de ruïne van den Tempel en uit de maan vloot +een zilveren zee en overgolfde hemel en aarde. Toen ik bij kwam, +bood Demea mij een albasten fiool, zoo lang en smal als een vinger.... + +--De filter.... zeide zij; die onthekst.... + +--Geef ik je geld? vroeg ik en nam de fiool. + +--Purper en parels! lachte zij. Geef mij purper voor een keurs en +een parel gelijk aan een peer! + +Zij geleidde mij lachende terug door het woud naar den wagen. Ik voelde +als wraakgodinnen achter in mijn rug, om de heiligschennis gepleegd. Op +het plein weifelde reeds de nacht... Davus vond ik ontwaakt. + +--Heer, zeide hij; de voerman is ontvlucht.... + +--Wij zullen wel zien, zeide ik, bijna onbewust. + +Ik zocht in mijn wagen, in twee, drie valiezen.... + +--Hier, zeide ik tot Demea; is een staal van purper van Thiatyra, +allereerste kwaliteit. Maar het is niet zoo purper als je kus was, +Demea.... + +--Het is purper genoeg voor een keurs, zeide Demea. + +--En hier, toonde ik; is een parel, heel groot, gevormd als een peer, +maar.... + +--Maar wat, heer? + +--....niet echt, zeide ik. Ik reis niet met èchte parels. Deze +parels zijn de monsters slechts van de echte parels, die mijn vader +verkoopt. Zij zijn nagemaakt. + +--Een valsche parel, zeide Demea; heeft meer kracht in zich, want +is demonischer en bedriegelijker dan een echte. Ik wil deze valsche +parel!.... + +Zij nam purper en parel en plotseling was zij verdwenen. + +--Heer! zeide Davus en knielde in angst voor mij neêr. Waarheen zondt +u uw vader Lyzias in toorn? Waarheen gaan wij! Thessalië is een land +vervloekt, zeggen allen! Heer, ik ben bang. Spaar mij! Dat ik niet +vluchtte, was, omdat ik u hoedde van klein jongske af! Ik was iets +ouder dan gij! Ik speelde met u en paste op u! Heer, wees genadig en +keeren wij, keeren wij, heer! + +--Ik kan niet, Davus. Ik moèt naar Thessalië.... + +--Het zij dan! zei Davus. Maar de goden behoeden ons! En behoeden mij, +die u mennen zal, als wij geen anderen menner krijgen.... + + + +Ik legde mij in den wagen te ruste, en ik sliep op mijn kussens en +tusschen mijn stalen van purper en bombyx en monsters van wierook +en valsche parelen als de onschuld zelve. Want de Onbewustheid was +in mij en om mij en ik leefde het leven als een groot kind hoewel er +somtijds, plotseling, in mij als een vermoeden zich wekte, dat ik niet +goèd leefde.... Dit vermoeden was dan heel vaag, als een doortrekkende +lijn van weemoed, door mijn brein heen, waarna mijn ziel in mij zwaar +woog van een matte ontevredenheid en dàn verlangde ik ingewijd te +worden in de mysteriën van Eleuzis.... Maar nu sliep ik en ik dàcht +niet meer aan Fotis en Demea, aan de vrouwen van Boeotië en Korinthe, +aan de verlaten matronen van Epidaurus.... Maar ik droomde.... Voor +mij verscheen, streng, een glanzende godin, en zij schudde afkeurend +het hoofd.... Ik werd wakker, verschrikt en zag om mij rond. De morgen +gloorde zacht over het modderig pleintje; de dikke herbergierster +stond op den drempel. + +Ik betaalde en Davus spande de vier frissche postbuffels voor. Hij +zoû mijn menner zijn want er was er geen te huren, die naar Thessalië +wilde. + +--Het is overdreven, heer, meende de herbergierster; er gebeuren +misschien wel eens vreemde dingen in Thessalië, maar niet iedereen +wordt er behekst! Hoeveel reizigers komen hier niet, die uit Thessalië +komen en wie nièt is gebeurd, wat Crito, Chremes en Aristomenes meenen, +dat hun gebeurd is! Maar bij wassende maan huilen de honden, die zijn +Hekate gewijd en dan zijn de menschen banger dan later in de maand.... + +Wij gingen. Het was nu een lieflijke morgen, bepareld van dauw. De +wagen rolde op zijn vier groote, goed gesmeerde wielen gelijkmatig over +den gladden weg en de glanzende postbuffels, vier, trokken statig en +stevig. Wij overschreden den grens van Locris. Wij reden vier dagen en +rustten in veilige gehuchten des nachts. Voor roovers was geen reden +te vreezen. Angst had ik voor roovers noch heksen. Het waren echter +de eerste herfstdagen, vol huiveren wind. Na het heerlijke morgenuur +werd de middag somberder en de regenvlagen, schuin, striemden wel +eens de altijd straf trekkende buffels. Ontmoetingen hadden wij niet +dan de gewone, langs den heirweg.... Een centuria lichte cavalerie, +die zich naar Amfissa begaf, haalde ons in. Uit mijn wagen wisselde +ik eenige woorden van begroeting met den centurio. Maar wij spraken +niet van heksen. Bedelpriesters van de Groote Godin, Rheia Kubele, +geleidden hun ezel, op wiens rug gesnoerd, in een kastje, het heilige +beeldje. Ik wierp den priesters wat penningen toe. Des nachts sliepen +wij in de herbergen: niet altijd waren de dienstmeisjes er hare +eigene grootmoeders, neen.... Frissche postbuffels waren steeds te +verkrijgen: de postdienst naar Thessalië was er goed geregeld. Het +was toch ook een rijke landstreek, Thessalië: na Hypata waren er +Farsalus, Fecæ, Larissa, de prachtig welvarende steden. Hypata.... de +eerste stad.... die scheen wel het heksennest te zijn, naar wat ik +gehoord had.... + +Den vierden dag was het herfstweêr somberder dan te voren. De +anders dauw-gedrenkte, zonnige morgen was regen-gedrenkt en met mist +overwaasd. Ik huiverde toen ik den wagen besteeg. Maar te blijven in +dit kleine gehucht.... Het was ondoenlijk. De verveling grijnsde er +mij tegen. Wij gingen. Davus, zwijgend, mende. Wij aten, onderweg, +in den wagen. Telkens regende het, striemden de regenstralen. De weg +was een lang, lang moeras van modder.... + +--Davus, zeide ik; de avond valt: wij moeten spoedig onze halte +naderen.... + +--Heer, zeide hij; ik zie niets dan den weg zich strekken, +eindeloos.... + +--Heb je niet vergeten rechts in te slaan, bij den vijftienden +mijlpaal? + +--Neen, heer, bij den vijftienden mijlpaal ben ik rechts ingeslagen: +ge sluimerdet toen even, geloof ik.... + +--Rijd dan maar door.... + +Hij reed door. Geen eind kwam er aan den weg. Het was er, in den +weeklagenden wind, zoo eenzaam, dat roovers geloof ik, mij welkom +waren geweest, als reisgenooten en kameraden. De nacht grauwde met +groot wolkgevaarte, zwaar van regen, boven de velden, de vlakte, den +vervalenden horizon met verre dalen en heuvelende hellingen. In de +veerte streepten zwart de regenstralen schuinende tegen de duistere +kim. De wind loeide uit het Westen aan met een huilende woede over den +weg, waarin telkens de wagen bleef steken, in de diepe moddervoren, +waaruit nauwlijks de buffels het voertuig naar voren weêr trokken, +vooruit.... Vooruit.... Noodweêr omwoelde het land. Nat werd ik in +den wagen, trots wollen mantel en deken: de voorhangen flapperden op +als natte lappen en klapperden om mijn ooren. Plotseling zeide Davus: + +--Heer, ik geloof toch, dat ik mij heb vergist. Wij moesten geen +driesprong van wegen meer ontmoeten en ik zie.... ginds, vóor mij, +is een driesprong.... Welken weg nu te nemen, heer?! + +Ik keek uit langs zijn schouder. En ik zag, als een bleeke star, +liggen op den grond voor mij den driesprong. De weg, dien wij gingen, +mondde er heen. Twee andere wegen schoten er uit, als witte stralen, +en vervaagden weg, links en rechts, in regen en veerte. De lucht er +boven was zwart en zwaar van dreiging en onheil.... Dikke wolken dreven +en woelden dooreen als met draaikolken en de wind scheen er dreigend +door heen te joelen en er boven in het rond te wirrelen. En midden op +den driesprong rees, op een korte zuil, een beeld. Ik herkende het als +de driehoofdige Hekate, de drie hoofden gedekt met de Frygische muts, +slangen, fakkels en messen in de zes handen geheven. Om het beeld, +op het altaar, smeulde, nog in den regen, de offerande: de half +verkoolde, drie zwarte honden, klaarblijkelijk dien morgen geofferd.... + +Davus riep: + +--Heer! Heer! Zie! De driesprong, dien wij vermijden wilden! Het +beeld, het verschrikkelijke beeld! De godin, heer, der Toovermaan en +der heksen! Help mij, heer, sta mij bij!! Heilige goden, gij allen, +staat ons bij, staat ons bij!! + +Hij riep het, door den huilenden storm. Zijn zwakke kreet verwoei. Ik +was opgerezen. Een geweldige windvlaag woei den wagen schuin ter zij +van den weg. De rampzalige buffels, mede getrokken, loeiden, aan den +storm gelijk. Uit gesprongen, stond ik in de modder. Ik zag op. Boven +mijn hoofd, in de zwarte draaikolk der wirrelende wolken, warrelden +allerlei wilde gedrochten. Het waren vleêrmuizen met vrouwegezichten +om een reusachtigen vampyr, die met vale fosforoogen loenschte. Het +waren vleugels, vlerken, klauwen als van harpijen, door elkaâr verward +en Davus, krankzinnig van angst, was aan mijn voeten neêr gevallen, +en school in de slip van mijn mantel, terwijl om mijn hoofd, in een +cirkel, de afschuwelijke gedrochten te zamen drongen... + + + + + + + +IV. + + +Ik ontrukte op dat oogenblik aan den bezwijmden knecht de zweep, die +hij nog in de hand hield geklemd en cirkelde met den langen geesel +in de lucht, om mijn hoofd. Het was vreemd, maar ik geloofde nog +niet aan heksen. Ik geloofde aan storm en aan vreeslijke stormvogels +en aan reuzevleêrmuizen, zoo als ik er nimmer nog had aanschouwd, +maar ik geloofde niet aan heksen. En ik poogde met mijn lange zweep +de gedrochten mij van het lijf te houden. Ik voelde echter, dat +ik dit niet lang zoû kunnen. Daarom wierp ik de zweep in den wagen +en de afschuwelijke vleugels en vlerken sloegen mij om het hoofd, +geeselden mij op hun beurt. Wat vermag echter een jonge, sterke +man veél in de uiterste oogenblikken van bijna niet te begrijpen +gevaar: wat een kracht hebben de goden den mensch in gegeven, kracht, +die vertienvoudigd hem schijnt als een uiterste poging gedaan moet +worden! Want ik, ik had de kracht mijn bezwijmden Davus op te tillen +en hem in mijn mantel binnen in den wagen te werpen. De buffels, ook +geslagen door de vlerken en vleugels, brulden van smart en wanhoop +maar ik greep den voorste de leidsels en leidde hen in het rond om den +driesprong heen. Ik voelde, dat ik óver den driesprong--ter zij van het +beeld, dat mij scheen te bewegen, te grijnzen, bezield te worden, in +drie wezens zich te verdeelen!--onmogelijk buffels en wagen zoû kunnen +geleiden. Maar om den driesprong rond, even buiten den toovercirkel, +die daar beschreven scheen, rukte ik de buffels voorwaarts, terwijl +ik voelde, dat ik vooruit moest en niet achteruit--den weg terug--zoû +kunnen gaan! O, hoe ik het betreurde niet ingewijd te zijn in de +mysteriën van Eleuzis! Dàn had ik één woord van bezwering kunnen +roepen, eéne beweging kunnen maken, die... Hèksen? Neen, toch geen +heksen! Maar wel afschuwelijke gedrochten...! + +Plotseling daalde uit den schreeuwenden, huilenden troep, voor mij, +een harpij. Zij was een verschrikkelijk wezen: een vogelvrouw was zij; +haar gelaat was dat eener van hartstocht verteerde vrouw; ros roode, +ruige veêren stonden gloeiend in fosforschijn uit op haar kale kruin, +hare gele oogen schroeiden als vuur de nacht; hare wijde, zwarte mond +lachte monsterlijk; zij had vleugels en vogelpooten; rood, zwart, +geel scheen haar geveêrte en uit zoo veel geveêrt stond naakt van +vleesch uit hare vrouweborst met het vel van een geplukte kip. Zij +had, behalve vleugels, ook armen, lang en mager, met vogelklauwen, +scherpe. En zij stond voor mij en lachte. + +--Ga weg!! riep ik, en trok de buffels, die brulden, met de eene hand +om de leidsels en cirkelde de zweep met de ander. + +Zij huilde een kreet en riep: + +--Kom meê! Kom meê!! Kom meê!!! + +En zij strekte de klauwen uit: er bleef steeds fosforglans om +haar heen... Ik sloeg haar met de zweep, die cirkelde om haar +harpijelijf. Zij danste razende in mijn zweepkronkeling op en te +gelijker tijd riep zij tot de andere gedrochten, die drongen, te +gaan, te gaàn, te gààn! Zij wilde mij alleen! Maar ik zwiepte en trok +de buffels, in het rond, om den driesprong. De rampzalige beesten +begrepen: zij trokken uit alle macht... Ik voelde de klauwen der +harpij streelen aan mijn wang en strikte snel het touw van de zweep +om haar hals, om haar te worgen. Zij krijschte van woede en pijn +en ik gevoelde, dat zij niet almachtig was, vermoedelijk omdat zij +beheerscht werd door haar hartstocht voor mij en hare gedachte zich +inspande mij op te voeren in de luchten, in de stormwolk. De buffels +hadden nu het derde gedeelte van den tooverban om getrokken en wij +waren den tweeden weg van den driesprong genaderd... Ik rukte het +gespan op den weg, die vaag slechts blankte in de stormnacht. Maar in +mijn zweepstrik hield ik nog steeds de harpij omworgd bij den hals... + +Zij poogde zich te bevrijden en zij kon niet en lachte... En zij riep +als een behaagzieke vroouw: + +--Omdat ik niet wil! Omdat ik niet wil! Je hebt mij gevangen omdat +ik mij vangen wil laten! Ik kan wel, ik kan wel, maar ik wil niet, +ik wil niet! Mooie jongen, ik heb je zoo lief! Ik wil je, ik wil je: +kom meê, kom meê! + +Ik trok echter de buffels, liet ze toen los, en lokte ze voort en ze +draafden bijna, de brave beesten, terwijl ik in den zweepstrik steeds +de harpij mede trok. Ginds, achter ons, scheen nu de vreeslijke +driesprong niet meer dan een samenvloeiing van wegen in duistere +onweêrsnacht van draaikolkende wolken vol huilende vogels... Maar +niet meer. "Eleuzis! Eleuzis!" bad ik. "Ceres en Hermes! Behoedt +mij!" En het scheen of die gedachte aan de goden macht mij gaf en +meerdere kracht. Het stortregende en de harpij krijschte steeds, +in mijn zweep geworgd, behaagziek: + +--Ik kan wel, maar ik wil niet vrij! Mooie jongen, kom meê! Kom meê! + +Toen trad ik op haar toe, greep haar bij den klauwpols, ontwirrelde +vlug mijn zweepstrik en hief den geesel dreigend op... Liet haar los... + +--Wèg! riep ik. Wèg!! + +Zij wilde zich op mij werpen, maar ik zwiepte haar. Hare klauw brak mij +het lange zweeptouw. En zij lachte afgrijselijk... Maar ik zwiepte haar +steeds en sloeg haar met den stok van de zweep. Haar klauwen voelde ik +al in mijn rug. Ik greep haar bij den strot... Ja, nu worgde ik haar: +ik voelde het. + +--Goden van Eleuzis! riep ik. Staat mij bij...!! + +Wij vochten nu samen, gevallen in de modder des wegs. Ik had haar +bij een vleugel gegrepen en wrikte den vleugel om. Zij slaakte een +razenden kreet en rukte zich op. Ik greep haar bij den vogelpoot en +bràk dien... Zij gilde den storm te boven, en viel neêr.... Maar ik +haastte mij naar den wagen, sprong op den bok... + +--Hoè! Hoè! riep ik tot de buffels: hoe de brave beesten begrepen! + +Maar achter mij, door het slik, sleepte de harpij zich voort. + +--Ah! Ah! Ah! krijschte zij in woede. Mijn vleugel, mijn vleugel heb +je ontwricht! En mijn poot, en mijn poot heb je gebroken! Ik vloek +je, ik vloek je, ellendige knaap! Ezel, die je bent, om mijn min +te versmaden! Jij, die niet weet wat mijn liefde is! Jij, die mint +iedere herbergmeid! Ezel, die je bent en weêr worden zal, iederen keer, +dat je ooit weêr verliefd zal worden! + +Ik keek om, uit. De harpij was opgerezen en hinkte mij achterna met +haren lammen poot en eén vleugel op, de andere neêr hangend, gebroken, +slap. De regen stroomde... + +--Ezel, die je was en weêr worden zal, iederen keer, dat je ooit weêr +verliefd zal worden op een ander dan mij, op een ander dan mij! riep +de harpij. + +Toen zonk zij in een, op den weg, en huilde naar den hemel op. + +De regen stroomde. De buffels hijgden. + +--Hoè! Hoè! riep ik... + +Waar ging ik heen, in de nacht. In de donkere onheilsnacht? + +--Goden van Eleuzis! riep ik. Geleidt mij! + + + +Ik mende. Ik mende, geloof ik, die geheele nacht, werktuigelijk. In +den wagen lag Davus, bezwijmd... Maar ik liet hem, zorgde alleen, +verder en verder te komen. Ik voelde mij tot stervens moede, mijn wang +bloedde en ook over mijn rug voelde ik het bloed tappelen: zoó had +de harpij mij hare verliefde klauwen in het vleesch geslagen. Maar +wat het vreemdste was, was, dat mijn rechterhand, die haar bij den +strot had gegrepen, om de leidsels in de nacht steeds lichtte als +van een valen fosforglans! Hoe ik ook wreef en veegde, de fosforglans +bleef er om lichten. Onderwijl mende ik. De storm scheen gedaan, maar +de nacht bleef zwart en de weg was niet meer dan vage, eindelooze +bleekte, die zich verloor naar den horizon toe... Eindelijk, +tegen den eersten schijn van den nieuwen morgen, zag ik, ginds, +als een pleisterplaats. Ja, gelukkig: het was de posthalte, bij den +vijf-en-twintigsten mijlpaal. Er was een herberg; ik zag het gedoe der +stalling voor de postbuffels. Ik klakte met mijn kapotte zweep. Slaven +keken uit; de postmeester-waard verscheen op den drempel. Ik naderde +eindelijk, eindelijk, ten doode vermoeid. Er was begroeting. Ik +toonde mijne papieren: "Charmides, zoon van Lyzias van Epidaurus, +handelsreiziger, op weg naar Thessalië, gehuurd hebbende vier +postbuffels, wordt gemachtigd bij de halte van den vijf-en-twintigsten +mijlpaal deze buffels te verwisselen voor wederom vier postbuffels..." + +--Ze zien er afgetakeld uit, heer Charmides! zei de postmeester, +naar de uitgeputte dieren kijkende. + +--Ik ben zelve ook afgetakeld, postmeester! zeide ik. En mijn knecht +niet minder: die ligt in den wagen voor dood. Wij hebben zoo veel +van den storm te lijden gehad, dat ik dacht nooit te zullen aan komen. + +--Storm? vroeg de postmeester verbaasd. Nu ja, het heeft wat gewaaid... + +--O niet meer? vroeg ik en ik weet niet waarom, maar zeide hem niets +van de harpij en de heksen: de heksen, waaraan ik nu wel geloofde. Nu, +op den laatsten driesprong, was het toch wel heel bar weêr! + +--Op den driesprong, heer Charmides? vroeg de postmeester en +verbleekte. Was het daar toch... wel bàr weêr?? + +Hij keek mij met bedoeling aan, maar ik zeide alleen: + +--Ja, het woei er nog al en het regende. Davus! riep ik. Davus! Ben +je wakker?? + +--Waar ben ik? vroeg Davus met zwakke stem. + +--Bij de posthalte, antwoordde ik. Kom Davus, kom bij en sta op... + +--Wat is er gebeurd? vroeg Davus, wankelend uit den wagen komend. + +--Je bent van schrik bevangen, zeide ik; door dien plotselingen +storm. Je bent bezwijmd en ik heb maar zelf gemend... + +--Heer! zeide Davus, een schim gelijk. Was het alleen storm of waren +het...?? + +--Kom, Davus! zeide ik ruw. Word helder. Eet eerst wat en ga dan naar +bed. Wat heb ik aan een knecht, die bezwijmt om donder en weêrlicht, +zoo dat ik zelf moet mennen... + +De postmeester liet de buffels uitspannen, stalde mijn wagen, borg mijn +bagage. Hij had eén kamer, voor mij en Davus. In mijn kleinen, metalen +reisspiegel zag ik, dat ik er uit zag, als Davus, een schim gelijk! + +--Postmeester, zeide ik. Wij zijn moê. Ik zoû niet gaarne morgen weêr +voort willen trekken. Ik moet naar Hypata en de weg is lang. Ik wensch +een paar dagen hier te toeven. Kan dat? + +--Voorzeker, heer Charmides, zeide de postmeester. Uw kamer is de +uwe, voor u en uw knecht. Ik heb nog enkele andere kamers en slechts +twee gasten, die de mooiste kamers bewonen: dat is Demifo met zijne +vrouw Nausistrata; zij zijn hier met groot gevolg van slavinnen en +slaven en op weg naar Lamia, waar een aanzienlijke erfenis hun ten +deel is gevallen. De reizigers, die dezer dagen zullen komen en gaan, +kan ik altijd wel onder dak brengen, ook al blijft ge langer toeven +dan meestal een reiziger toeft. + +Ik bedankte den postmeester, ik at, Davus verzorgde mijne wonden; ik +sliep, ik ging daarna in gepeinzen den weg op. Het was een namiddag van +zilveren licht, gezeefd door zacht grauwe najaarswolk en er beefde een +oneindig weemoedige teederheid door de luchten, die zich weefden boven +den weg en over de velden en weiden. Ik liep den weg af; dankbaar dacht +ik aan de goden, die mij hadden behoed. Er was als een klare kalmte +in mij, een lief, teeder gevoel vol schoonheid, zoo als somtijds mij, +trots al mijne lichtzinnigheid, doorvaren kon. Niemand liep over den +weg: het was er de eenzaamheid, de weemoed, de schoonheid. Ik weet niet +welke vreemde rust mij omgolfde. Toen zag ik als een zilveren zee... + +Het was, ter zij van den wit stoffigen postweg, een wijd veld, vol +gebloeid van zacht stralende zilverasters. De duizenden bloemen, met +bloembladeren als lichtende straaltjes, verdrongen zich dicht tegen +elkaâr en onafzienbaar in weligsten bloei. Het was of de geheele +hemel al zijne sterren dien middag had neêr gezaaid over de aarde: +het veld scheen als met sterren bezaaid, die zacht, zacht zilver +straalden. De sterren stonden op de hooge stelen uit en er was meer +gebloemt dan gebladert. Het woekerde er van zilveren sterren. O, +wat waren het mooie, zacht glanzende bloemen en zóó velen, dat het +een sprookje van sterren en bloemen scheen! Een oude tuinman, met +spâ in de hand, zag mij komen en groette. + +--Wat heerlijke bloemen! bewonderde ik. Wie kweekt ze hier? + +--De Isispriester Clitifo, zeide hij; die woont ginds, vèr, in dat +eenzame huis, waar hij vaak in overpeinzingen maanden blijft.... + +--Waarom kweekt hij ze? vroeg ik. + +--Het zijn weldadige bloemen, zei de oude tuinman. De zilverasters +zijn weldadige bloemen. Zoo heilig als de Lotos zijn zij niet, maar +zij bezitten toch de wondere kracht... + +--Welke dan? vroeg ik. + +--Die der ontheksing, zeide de tuinman. Dit is het gezegende veld... + +Ik herinnerde mij Fotis' talisman, voelde aan mijn hals, maar de +talisman was verdwenen, vermoedelijk mij door de harpij ontrukt. En +ik herinnerde mij Demea's filter, die ook onthekste... + +--Zijn hier dan werkelijk heksen? + +--Heer, zeide de tuinman. Gij zijt in Thessalië. Gij nadert Hypata: +een mooie, rijke stad, maar vol slechtheid. Hoewel Hekate, in zich, +geen slechte godin is, zijn velen die haar aanbidden, slecht. Heer, +daarom kweekt mijn meester de zilverasters... + +Ik zag rond over het stralende veld. De bloemenweide strekte zich uit, +tot aan den horizon, bloem tegen bloem, zilveren aster tegen zilveren +aster, glanzende ster tegen glanzende ster. + +--O, zaligheid! dacht ik. Zalig als de Elyzeïsche velden! Zoû ik u +altijd langs mijn weg ontmoeten? + +De oude tuinman glimlachte mij toe: het scheen mij, dat hij mijne +gedachte raadde. + +Een zachte wind stak op en voer door de zilveren bloemen als met een +grauwende golf, die weêr op schuimde en blanker verstraalde... Ik +had nimmer schooner en zaliger tuin aanschouwd. + + + + + + + +V. + + +Toen keerde ik op mijn passen terug... En er was als een zilverreine +effenheid in mijn gemoed. + +Plotseling schokte ik op uit die weldadige stemming. Voor de +posthalte stond een groote vrouw: zij was in een rijk plooiende, +donkergroene palla gehuld, die, over haar hoofd heen getrokken, haar +den rug, dien zij mij toegekeerd hield, omgoot in een nauwte van +gebeeldhouwde lijnen, weg golvend over haar eveneens rijk plooiende +stola en een puntige, ronde reishoed van riet beschaduwde het reeds +in palla-slip omlijste gelaat, drie-kwart gekeerd naar mij toe. Zij +zag mij niet... Toen ik naderde, bespiedde ik, hoe hare zeer donkere +lokken langs haar roomblank gelaat neêrvielen als met twee donkere +druiventrossen. Met een grooten reiswaaier van palmblad beschutte zij, +opgeheven de eene arm, uitkijkende, zich den blik... De ondergaande +zon wierp een halo van wemelend stofgoud om haar heen, waar zij stond +op den wit stoffigen weg. Mijn hart klopte naar mijn keel, ik had +nooit nog zoo een heerlijk schoone vrouw gezien!! Haar boezem deinde +lichtjes in den, met den anderen arm er overheen getrokken, mantel, +die, groen, glanzende gouden vegen pakte... Wat waren er toch mooie +vrouwen ter wereld!!! Wat was deze betooverend schoon...! + +En ik naderde haar... Mijn gemoed was zóo fel bewogen, dat mijn oogen +knipten verblind, dat mijn lippen en keel droog voelden... Ik naderde +haar... Schielijk zag ik even rond, of iemand mij gade sloeg... Er +was niemand, noch op weg, noch voor herberg, dan zij en ik, dien zij +niet zag... En de gedachte schoot snel door mij heen haar te zeggen: +Vrouwe, gij zijt schoon en ik heb u lief: wilt ge de mijne zijn...? + +Ik naderde, ik was genaderd, haar geur bedwelmde mij heviger. En +reeds wilde ik de lippen openen om te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon +en... toen ik plotseling mij bewust werd door een vreemde kracht +buiten mij? in mij? voor-over te worden geduwd, gedrongen, gedrukt, +zoodat ik den rug moest buigen en met de handen viel over den grond +voor over. En te gelijker tijd opende ik de lippen, fluisterend, +maar in plaats dat ik fluisterde: + +--Vrouwe, gij zijt schoon... kwam er een heesch, schor, vreemd, mijzelf +onbekend en onaangenaam aandoend geluid uit mijn keel en balkte ik, +een ezel gelijk: + +--Hi-ha: rouwe, rij rijt roo...oon! + +Met zulk een verschrikkelijk, toch fluisterend gekrijsch als alleen +een verliefde ezel zoû kunnen slaken, die een ezelin voor zich op +weg of weide zag... + +De schoone vrouw verschrikte hevig, slaakte een doordringenden gil +en vluchtte, omziende, de herberg in, roepende: + +--Help mij! Help mij! Een verliefde ezel! + +Ook ik schrikte hevig... En steeds stond ik, gebogen, op handen en +voeten en toen...? + +Toen voelde ik, als een niet zegbare na-pijn, dat mijn rug was +uit gerekt, mijn hoofd tot een bek zich verlengd had, mijn handen +hoeven werden, mijn sterke armen sterke ezelspooten, mijn beenen +ook, dat mijn ooren groeiden en mijn tanden zich vierkantten tot +mozaïeksteenen zoo groot, dat mijn ruggegraat zich strekte tot een +staart, dat mijn geheele lichaam zich bedekte met een effen grauwe +vacht, dat een lange tong mij de lippen lekte, terwijl geheel dit +nieuwe wezen mij vreemd aan deed en onbehagelijk als niet het mijne, +hoewel toch mijn ziel de mijne gebleven was...! + +Ik was een ezel! Ik was in een ezel veranderd! Ik herinnerde mij, +in een flits door mijn menschelijk brein in ezelekop, de vervloeking +van de harpij, die ik niet meer geteld had dan ijdele woorden, +ijdele bedreiging! Ja, ik was in een ezel veranderd! En van overal, +achter om de herberg, uit de herberg, kwamen de knechten en slaven, +kwam Davus ook, met knuppels gewapend om mij te ranselen: den wilden, +vreemden, verliefden ezel, die Nausistrata, de vrouw van Demifo, +had willen bijten, misschien... misschien wel op eten!! + +Ik hief mijne ezelshoeven van den grond en zette het op een rennen. Ik +rende den postweg af: ik voelde mij groot, sterk, vlug, maar... een +ezel! Ik was een ezel! Maar een ezel met menschegedachte, want ik +deed wat nooit een achtervolgde ezel zoû hebben gedaan: ik verborg +mij, ter zij van den weg, in de hoog strengelende zilverasters van +Clitifo's tuin en hurkte neêr, onzichtbaar, grauw ik tusschen de +zilveren bloemen... + +Tuin van ontheksing, herinnerde ik mij des tuinmans woord. Tuin van +ontheksing!! Zoû ik werkelijk... Zoû ik werkelijk door zilverasters +kunnen worden onthekst? Was Aristomenes, die door Meroë van Hypata +was behekst in een zwijn, niet onthekst door roode amaryllis?? + +Gulzig sloeg ik mijn ezelebek in de zilverasters, maar met een gevoel +of ik heiligschennis bedreef. En at ik de zilverasters, brak ik ze +af met mijn ezeletanden, verslond ik de heilige bloemen... Het was +allervreemdst maar, te gelijker tijd, dat op den weg, in een van +laatste zonnegoud doorpoeierde stofwemel, de slaven en Davus met +knuppels aan liepen, rukte een magische kracht mij omhoog op de +achterhoeven, voelde ik mij krimpen, rilde een koorts mij over de +leden, voelde ik mijn staart verkrinkelen, mijn ooren verkleinen en +stond ik tusschen de asters, terwijl mijn harige vel weêr mijn gladde +huid en grijze reiskleed verwerd... + +Ik rees uit de bloemen op en Davus en de knechten zagen mij. Een +inwendige stem ried mij te zwijgen over wat er mij was geschied. + +--Wat is er? vroeg ik allen. + +--Heer, zeide Davus; wij zoeken een wilden ezel, die de edele +Nausistrata bijna verslonden heeft! + +--Ik heb, zeide ik; juist een ezel over den weg zien rennen, maar--loog +ik--het was geen gewone ezel. Het was een ezel met vlerken en hij vloog +weg, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels, de lucht in... + +--De lucht in, heer?? riepen ontsteld Davus en de knechten. + +Ik verzekerde het en zwoer bij de goden, godlastering mijn woord +tusschen de goddelijke bloemen, die mij hadden gered. En ging tusschen +de mannen terug. + +Voor de herberg lag de schoone Nausistrata, half bezwijmd nog, in +een leunstoel en haar man, Demifo, en de postmeester en hare vele +slavinnen beijverden zich om haar rond. En Davus riep reeds van verre: + +--De ezel sloeg vlèrken uit: wij hebben het àllen gezien en hij +verdween in de lucht, daar ginds tusschen de olijveboomen en de +heuvels!! + +--Die ezel wàs geen ezel! riep ik. + +--Neen! riepen alle de knechten en slaven. Die ezel was een booze +geest! + +--O! riep Nausistrata en stond wankelend op. Ik wil weg van deze +euvele plaats! Een ezel, die geen ezel was! Een gevleugelde ezel, +die mij te lijf wilde, vermoedelijk mij wilde ontvoeren door de +luchten! Er gebeuren toch verschrikkelijke dingen in Thessalië! Als +te Lamia ons niet die erfenis wachtte... Demifo! Demifo! Geen uur +blijf ik langer hier!! + +Bevelen werden gegeven. Een uur later vertrokken in drie reiswagens +Demifo en Nausistrata met groot gevolg. Hoewel de nacht viel... Maar +Nausistrata had liever willen vertrekken in de nacht, dan blijven +ter plaatse, waar een gevleugelde ezel misschien nog zweefde door de +betooverde luchten! En hare slaven en slavinnen, die opgepakt in twee +der reiswagens zaten, hadden schelle koperen bekkens en ratels en +rammelaars in de hand en zij maakten er een ontzettend lawaai mede, +een schel klinkend geklinkklank, een getingelingeling van klokjes en +een geboeng-boeng-boeng van cymbalen, om verre de slechte geesten te +houden. Zoo verdween de reisstoet de nacht in tusschen oorverdoovend +gedruisch. + +En viel de stilte van duisternis over de eenzame posthalte aan den +verlatenen heirweg. Alleen, staande voor de deur, keek ik uit. Ginds +blankte een zilveren vaagte, de astertuin... Mijn hart klopte van +beduchtheid... Ik was onttooverd... maar... zoû ik werkelijk iederen +keer, dat ik verliefd werd, in een ezel worden herschapen? Zoû de +vervloeking van de harpij haar invloed doen gelden, iederen keer, +dat ik... Troosteloos verschiet! Ik was zoo jong, zoo verliefd van +aard en... + +Een groote somberheid overviel mij. Drie nachten sliep ik bijna niet, +meende telkens, bij iedere vrouweschim, die rees in mijn droom of +wakende herinnering, dat ik in een ezel veranderde... En voelde ik +mijzelve angstig aan in mijn bed. Den vierden morgen vertrokken wij: +zwijgend mende Davus. Wij gingen door Thrachis, vol heugenis aan den +grooten Held, Herakles, die hier had vertoefd met Deianeira. De Mythe +zweefde als een onsterfelijke godin in de luchten. Links rees de Oita +omhoog, op welks top Herakles in den vuurgloed zijn ziel had geslaakt, +die ten hemel gestegen was. De herfst purperde om mij heen met de +pracht van Dionyzos' druiven, wier wingerden de festoenen slingerden +langs de bergflanken, terwijl het verschiet weg dreef in wazen van +morgenmist, waarin de vochtige parelen hingen. Toch bleef ik vol +argwaan en somber. Wij naderden Hypata... Ginds, in de Noordelijke +verte, blankten reeds de tinnen van hare poorten. Onderweg, aan een +posthalte, wisselden wij van buffels. Tegen den middag naderden wij +de stad... + +Juist toen wij haar binnen trokken, kwam uit de stad een stoet ons te +gemoet en er was verwarring. En om den stoet te doen trekken voorbij, +dreef Davus ons vierspan ter zijde. Het waren Nubische voorloopers, +met zweepen en keelgeluid klakkend; het waren gewapende wachten; het +waren slaven te dravende voet; het waren aanzienlijke jongelieden +te paard; het waren vier, vijf draagstoelen, getorst door stevige +dragers... Het was, hoorde ik, een schatrijke landeigenaar, die voor +de wijnfeesten naar zijn landgoed trok. Uit den wagen gesprongen +zàg ik hem: een voorname, prinselijke man: hij zat te paard en reed +tusschen zijne bloedverwanten en het volk om mij, dat toe keek, +noemde zijn naam: Menedemus... Ook Davus, op zijn bok gebleven, +keek toe. Plotseling werd mijn oog echter getroffen door een rijken +draagstoel, waarin, met twee dienaressen, een jonkvrouw, half liggende, +gezeten was. Een schok doorvoer mijn ziel en lichaam; nimmer nog had +ik zoo lieflijke schoonheid aanschouwd... De maagd, die daar voor +mij henen gedragen werd, scheen mij Psyche zelve toe, de geliefde +van der Liefde god!! Hoewel haar gelaat voor de reize was omspeld +in dunne sluiers, waarboven een puntige hoed van zilverachtig rijs, +zag ik er het fijne ovaal van haar allerlieflijkst gelaat door heen, +zuiver getrokken in zoo ontroerend teedere lijn, dat ik voor haar had +willen knielen. Enkele gouden lokjes kruifden den sluier uit. Hare +oogen zagen mijn kant uit zonder mij te zien en die oogen waren groot +en blauw en zoo lieflijk onschuldig en rein als blauwe lotus. Zij +glimlachte juist en het was of haar glimlach een glans uit straalde en +op straalde over haar geheele gelaat. De blauwe mantel liet de teedere +lijn van hals en borst slechts raden, maar de hand, die uit de plooien +te voorschijn bewoog en den rieten waaier hield, was een aandoenlijke +belofte van alles wat verborgen bleef: zoo klein en edel, zoo fijn en +rank met iets, dat aan een lelie denken liet. Aan lotus en lelie, aan +zonnegoud en mereblauw deed dit lieflijke wezen mij denken, in dien +flits, dat ik haar zag. Ik liep meê. Er was gedrang voor de poort, +die de stoet uit trok... Ik liep meê, naast den draagstoel, bijna +naàst haar: ik had haar aanbiddelijke hand kunnen beroeren. En een +zalige warmte doorvloeide mijn hart, zoó, dat ik had kunnen stamelen: + +--Toef even, o gij, die langs mij heen gaat als een hemelsch vizioen, +opdat ik voor u kniele en u aanbidde... + +Op het zelfde oogenblik, dat ik dit in de poort dacht, tusschen het +dichte gedrang, voelde ik een geweldigen ruk, die mij voor-over drong, +drukte, dwong en stond ik op handen en voeten. En ik stamelde niet, +maar balkte verschrikkelijk: + +--Hi-ha... + +De maagd verschrikte, hield de hand aan het oor, lachte even zoó +zacht en lieflijk, dat ik van zaligheid weg smolt... Maar ik was een +ezel! Ik stond even buiten de poort op den heirweg als een ezel! Ik was +in een ezel veranderd. Ik werd mij bewust van mijn kop, bek, staart, +hoeven en grauwe vacht... En de stoet draafde en liep mij voorbij. + +Mijne herschepping scheen in het gedrang van ruiters, karren, wagens, +draagstoelen, voetgangers niet bespeurd te zijn. Wie, die het had +kunnen bespeuren, zoû zijne oogen hebben willen gelooven! Wie kon +bespeurd hebben in zulk gedrang, dat een mensen was verdwenen en een +ezel verschenen in dat ondeelbare oogenblik van herschepping. Zij +duwden mij, schopten mij, grepen mij zelfs, omdat ik, een onbeheerde +ezel, zeker ontvlucht, daar balkte en liep over den heirweg... + +Even uit den draagstoel keek de zoete maagd uit, keek zij naar mij. Zij +glimlachte en hare lotus-oogen ontmoetten mijne ezelsoogen. En ik +weet niet waarom, maar op dat zoo noodlottige oogenblik mijner +wederom onverhinderbare metamorfoze, zegende ik het toeval, dat +haar maagdeblik ontmoette mijn ezeleblik en scheen het mij toe, dat +hare gedachte één oogenblik van zaligheid-voor-mij tot mij toe ging, +onverklaarbaar... Misschien, dat zij niets anders dacht dan: + +--Arme ezel, die daar wordt geduwd en geschopt, in dat dichte +gedrang... + + + + + + + +VI. + + +Op dit oogenblik, dat ik gegrepen, geduwd, getrapt, geschopt werd +te midden van het dichte gedrang, kwam Davus de poort om kijken en +vroeg den poortwachters, die toe zagen: + +--Hebben jullie mijn meester ook niet gezien? + +--Welken meester? vroegen de poortwachters, en ik hoorde alles heel +goed met mijn lange ezelsooren, die spitsten. + +--Mijn heer, met wien ik reis! riep Davus, in verbijstering om zich +heen ziende. Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus! Hij is den +wagen uit gesprongen, toen de stoet van Menedemus de poort uit trok; +hij is, geloof ik, even meê geloopen en nu zie ik hem niet meer en +weet niet wat er met hem gebeurd is!! Een mensch kan toch maar niet +zoo op eenmaal verdwijnen! + +De drukke menigte, nu de stoet zich op den heirweg verloor, vloeide +geleidelijk de stad in en uit, maar éen van de poortwachters en een +paar stedewachten hielden mij vast aan mijn opstaande manen, terwijl ik +onwillig wilde ezelbewegingen maakte, mij schudde, ongeduldig, wanhopig +zwiepte met mijn langen ezelstaart... "Davus!" had ik willen roepen; +"ik, deze ezel, ben je meester!" Maar ik slaakte niet anders dan een +afschuwelijk gebalk: + +--Hi-ha!! + +--Je heer is er heusch niet! zeiden de mannen rondom. + +--Zeker is hij meê geloopen met den stoet! weeklaagde Davus. Als hij +een schoone vrouw of jonkvrouw ziet, is hij buiten zichzelf en... die +maagd in den draagstoel was wel bizonder lieflijk... + +--Zij was Charis, Menedemus' dochter, zeiden de mannen; ja, zij is +wel betooverend mooi! + +--Zeker is hij meê geloopen? weeklaagde wanhopiger Davus. Wachters, +mag ik jullie onzen reiswagen toe vertrouwen, en vertrouwen jullie +mij dien weg geloopen ezel toe? Dan bestijg ik zijn ongezadelden rug +en ren naar den stoet, om mijn meester te zoeken en hem te zeggen +hoe onverantwoordelijk hij handelt! + +En werkelijk, de poortwachters en stedewachten stemden toe! Zij zouden +den reiswagen achter de stadspoort ter zijde geleiden uit de drukte +van het verkeer en zij stonden toe, dat Davus mijn rug besteeg!! + +--Het is toch maar een vreemde ezel! zeiden de wachters en de wachten +zeiden: + +--En niemand weet aan wie hij behoort! + +En Davus slingerde zich op mijn rug. Daar zat hij, mijn knecht +op zijns meesters rug en ik voelde in mijn grauwe flank zijn +hiel! De vreemdste gewaarwordingen bedrongen mijn menscheziel in +mijn ezelelijf. Als mensch-in-ezel was ik zeer verontwaardigd, dat +mijn knecht Davus mij bestegen had, mij spoorde met zijne hielen en +met mij den stoffigen heirweg afstormde. Ik draafde hevig, met de +hoeven tegen mijn onderlijf. Maar trots die verontwaardiging, was +ik zalig blij den stoet na te rennen en kans te hebben, al ware het +met ezelsoogen, de lieflijke Charis weêr te zien. Tevens smachtte ik +met hevig verlangen terug naar den tuin der zilveren asters... Wat +al gemoedsbeweging voor dubbel betooverd mensch in grauw fluweelige +ezelepens! Wij draafden, wij draafden, wij naderden... Davus riep +naar de achterhoede van den stoet: daar waren slaven en wachten: + +--Is onder u ook mijn meester: Charmides, de zoon van Lyzias? Is hij +niet meê geloopen met uw stoet? + +Maar de slaven en wachten riepen, dat zij niet wisten van Lyzias' +zoon, Charmides... + +Plotseling keek de lieflijke Charis achter om, achter uit... Maar +helaas, mij zag zij niet aan; zij zag nu slechts Davus en ik hoorde +haar stem, zacht lachende: + +--Wat wenscht die ruiter op zijn ezel? + +--Edele jonkvrouw, o Charis! riepen de wachten en slaven; hij vraagt +naar Charmides, Lyzias' zoon... + +--Uit Epidaurus!! + +O, vreemde zaligheid, die mij door voer, terwijl Davus, op hun aller +betuigingen van onwetendheid met Charmides, Lyzias' zoon, zijn vaart op +mijn rug bedwong! Vreemde zaligheid, dat Charis hoorde van Charmides, +zoo als Charmides van Charis hoorde! Zaligheid, ons beider namen +hadden samen geklonken in die zelfde ure, als in een zelfde harmonie +van bekoring! Nooit zoû ik, ezel of man, vergeten lieflijke Charis' +naam en misschien, dat Charis niet vergeten zoû, hoe buiten de poort +van Hypata tot haar oor was door gedrongen de naam van Charmides, +Charmides, die haar aanbad! O, zoo de goden, de zalige, van Eleuzis, +eens weêr samen zouden doen klinken, in eene zelfde ure, die beide +namen van Charis en van Charmides, van Charmides en van Charis! + +Intusschen wenschte ik niet terug naar de stad! Ik wilde naar den +astertuin en terwijl de stoet van Menedemus den zijweg insloeg, +die zeker naar zijne landgoederen geleidde, stond ik schrap op de +hoeven, koppig mijn ooren spits, mijn staart ingetrokken tusschen +de achterpooten, terwijl Davus alle moeite deed om mij op mijne +passen te doen keeren. Ik sloeg met de achterpooten uit, als een +echte ezel en Davus tuimelde mij over den kop! O, hoe ik wenschte +hem te doen begrijpen. Maar ik kon niet spreken. Ik poogde met +mijn rechter-voorhoef op het stof van den weg te schrijven: ik ben +Charmides, maar Davus begreep niet mijn vreemde arabesken en het +stof was zoo wit en mul! En toen Davus, vloekende opgestoven, mij +weêr wilde bestijgen, steigerde ik, wierp hem weder af en zette het +op een loopen. Als of ik een ezel-op-hol was! + +Naar de zilverasters! Naar de zilverasters! suisde het in mijn +arme ezelehoofd. Naar de zilverasters terug! Den geheelen langen +weg terug! Meer dan dertig mijlen terug! Ik rende, ik holde. In den +avond, die viel, holde ik terug. De weg was eenzaam en een violette +damp hulde de weiden en velden ter zijde in eene somberheid, waarin +vale wezens schenen te waren. Een onwezenlijke wind, die, ik wist +niet uit welken windstreek woei, hulde om mij. Het was of een vlerk +mij sloeg. En plotseling, waar de weg helde naar een ravijn, dat ik +af holde, was ik weêr omdrongen door de gedrochten. En hoorde ik een +grijnslach en zag ik een grimlach. + +De harpij! De harpij!! Zij vlerkte om mij rond en vloog mij toen op +den rug. En zij riep: + +--Mijn vlerk, mijn vlerk is al weêr genezen! En mijn poot, en mijn +poot is weêr heelemaal heel! Hu! Hu! Naar den astertuin! Naar den +astertuin! Dat wij hem vernielen! Dat wij hem vernielen! + +Langs den weg terug, holde ik, de harpij, van wie ik mij niet bevrijden +kon, schrijlings op mij gezeten, met hare mij schurende vogelpooten, +hare pooteklauwen mij verscheurende aan mijn buik, hare magere armen +om mijn hals en hare hande-klauwen aan mijn keel. Boven ons, als een +stormwind, drong de woeste horde meê. O, ik geloofde aan heksen! Al +die gedrochten waren heksen en zij wilden Clitifo's zaligen tuin met +zilverasters vernielen! + +Hoe vele uren duurde de onheilige rit? Ik weet het niet, ik holde, +ik holde maar voort. Dat wat anders geschiedt alleen in den +droom, geschiedde mij door den heksendrang en ik holde, ik holde +maar voort. Het was pikzwarte nacht. Soms scheen het mij toe, dat +ik zweefde boven den grond, als of de harpij hare wijde vlerken +hield uitgespreid, en ik niet meer met eigen hoeven tikte tegen den +weg, maar voort werd bewogen zonder eigenen wil. Een troost was, +dat zij niet anders wilde, dan ik gewild had: naar den astertuin, +naar den astertuin, al ware het dan ook om met hare horde dien te +vernielen. Eensklaps klaarde in de verte een zachte schijn. Het waren +in de heksennacht de velden der zilver-asters en aan het einde dier +velden bleekte Clitifo's blanke huis. + +Met stormgeweld, gekrijsch en kreten wilde de horde, wilde ook de +harpij met mij zich neêr storten op de gaarde, en over den grond, toen, +o, wonder, uit een groote lamp, een gondel gelijk, die stralend boven +het huis verzichtbaarde, als een zee van zilveren schijn verklaarde +door de onheilsnacht en ik staarde verblind in een vloed van blanken +glans, die uit vlood. En te gelijker tijd weêrklonk een welluidend +geklater van sistrum-snaren, aangetikt door zilveren staven, zoo +heilig, zoo rein de muziek, dat razende de heksen opstormden en ik, +een ezel, eenzaam stond tusschen de zilveren bloemen, in het zilveren +licht, om mij de zilveren melodie. En het was zoo zalig, dat ik de +bloemen met mijn dierebek niet dorst benaderen. + +Maar mij naderde een witte man tusschen tal van witte maagden en zij +tikten de sistrum-snaren. En de man, die Clitifo was, bood mij de +zilveren asters. + +Ik boog mij, ik at. Ik was mijzelve, mensch vóor Clitifo. + +--De weg terug, zeide hij, of hij alles wist; is de weg, die nutteloos +schijnt, maar nuttig der boete is. + +--Heer, zeide ik; wat is mijn zonde, waarvoor ik moet boeten? + +Hij antwoordde niet, maar langs mij schreden de maagden, wier +sistra-klanken verklonken..... + +--Zie ze aan, zeide Clitifo. + +Ik zag ze schrijden langs mij heen. + +--Vindt gij ze schoon? vroeg Clitifo. + +Het waren schoone maagden, maar zij schenen mij schimmen, verschijnende +en verdwijnende... + +--Zij zijn schoon, heer, zeide ik, onverschillig. + +--Gevoelt ge liefde voor éene harer, om haar de uwe te noemen? vroeg +Clitifo. + +--Neen, heer, zeide ik; want ik zag Charis... + +--Zoo blijf trouw, zeide Clitifo. + +--Trouw is niet mijn wezen, weerde ik af; zoo ik schoonere vrouw zag +dan Charis, zou ik niet trouw zijn, heer. + +De heksen waren heen; de sistra waren verklonken; de heilige schijn +taande en alleen de zilverasters schemerden. Clitifo glimlachte mij +toe, met een meêlijden, dat ik niet begreep. + +--Laat mij u geleiden naar huis, en rust uit, en morgen zult ge den +weg terug gaan der boete, toe naar verdere beproeving. + +Ik liet mij leiden, een kind gelijk. + + + +Dien volgenden morgen vroeg reisde ik, te paard, met een dienaar van +Clitifo, ook te paard achter mij, naar Hypata. Het was een stralende +herfstmorgen, met een zon van zaligen goudschijn, die verspreidde zich +over de zacht azuren flanken der bergen, waar de morgenschaduwen, +de eene na de andere, ontwaakten en weg schemerden in het alomme +licht. Wat was het wijd en hoe welig wingerden de wingerds en +slingerden in festoenen van olm naar eik! Een droom, een nachtmerrie +geleek mij de vorige nacht, een niet te gelooven begoocheling... Zoû +ik werkelijk hier, langs dezen zelfden weg, gehold zijn, met een +harpij voorover geheld op mijn rug? Ik geloofde mijn eigen herinnering +niet... Het voelde zoo rustig en goed aan in mijn gemoed en tusschen de +heugenis van naklank der sistra-tonen klonk het door mijn effene ziel: + +--Charis! Charis!... + +Ik naderde Hypata's poort en dadelijk zag ik Davus. Hij zat, uitgeput, +bij de poortwachters op hun steenen bank en toen hij mij zag, gaf +hij een gil van geluk. + +--Heer Charmides! riep mijn arme Davus. Zijt ge dan daar! Ik heb u +gisteren den geheelen dag gezocht, op den heirweg en in de stad! Waar +zijt ge geweest?? + +--Ben ik je rekenschap schuldig? zeide ik koel en hard. Ik ontmoette +in het gedrang Clitifo, den Isispriester, ik vergezelde hem. Thans +ben ik hier weêr terug en zullen wij een herberg zoeken... + +Mijn stem had onzeker geklonken en ik voelde, dat Davus, de +poortwachters, de wachten mij vreemd, ongeloovig, bijna angstig +aanzagen. Ik steeg af, beloonde Clitifo's dienaar, die met de twee +paarden vertrok. Davus, uit de schuur bij de stadspoort, voerde +de postbuffels en spande ze voor den wagen. Wij reden de stad +door,--zoekende naar de herberg, die de poortwachters hadden genoemd. + +Een bont krioelende menigte vulde de groote stad, wier breede straten +met prachtige portieken en van vergulde Nikè's pralende paleizen +voerden naar het forum. Plotseling uit een dier paleizen, de treden +der trappen af, ontrolde zich een stoet en het volk drong samen om +te zien. Op een draagbedde droegen zwarte slaven een glimlachende +hetære aan. Ik sprong uit den wagen... + +--Heer! riep Davus. In aller goden heiligen naam! Verdwijn weêr niet +voor mijn oogen, omdat ge een schoone vrouw ziet! + +Ik zag toe.... Om mij hoorde ik fluisteren: + +--Meroë! Meroë! + +Ik herinnerde mij! Dat was Meroë, die Aristomenes, den armen +dichter-toerist, in een zwijn had behekst, tot hij de roode amaryllis +gevonden had! En werkelijk, Meroë, die daar in praal werd aangedragen, +op een bedde van Babyloniesch tapijtwerk, onder vijf schermwaaiers van +pauwgeveêrte, tusschen een stoet van wirrelende danseressen, dansende +fluitspelers, hield, met een hand, glimlachende, aan vergulde kettingen +twee zwijnen vast, die, zacht grommende, links en rechts van haar +draagbedde, krulgestaart, mede waggelden... Onderwijl speelde hare +andere hand, juweel-overflonkerd, met roode amaryllissen op lange +stelen en tartende hield zij de bloemen dicht bij de snoeten der +zwijnen! En al dat volk, o goden, al dat volk wist niet of geloofde +niet, dat daar in stralenden zonschijn door Hypata's straten een heks +ging, die twee in zwijnen betooverde minnaars mede voerde in haar +stoet! Goden van Eleuzis, waar was ik verdwaald! In welke onzaligheid! + +Meroë's oogen ontmoetten mijn oogen. + +--Heer! riep Davus, als of hij geraden had. Pas op!! + +Maar mijne oogen tartten Meroë's oogen. Hare oogen waren als stralende, +zwarte karbonkelen, die zochten te betooveren met beloften van +wellusten, der menschheid onbekend... Maar ik, ik voelde nog de +bekoring van lotosblauwe maagde-oogen. + +Ik werd niet verliefd.... + +Ik veranderde niet in een ezel... + +--Kom! zeide ik tot Davus, instijgende--de stoet vloeide voorbij. Laat +ons de herberg zoeken... + + + + + + + +VII. + + +Welnu, ik was in Hypata. De herberg was er groot, meer een +aanzienlijk diversorium [1] en ik stelde er mij, gedachtig, dat ik +een handelsreiziger was, in betrekking met verschillende handelaren: +zij kwamen bij mij om te zien mijne stalen van purper, mijne monsters +van parelen, het grein van mijn wierook en geurwerk. Ik deed werkelijk +geen slechte zaken. Verder leefde ik er als een vermogend jongmensch, +die twee, drie eerste dagen, bezocht de Thermen des middags en de +portieken des avonds en was er dadelijk, door mijne betrekkingen, +omringd door een kring van vrienden en kennissen. En de stad scheen mij +zelfs levenslustiger en schooner toe dan Corinthe, dat toch eigenlijk +reeds verviel en insliep... Wat dreef er toch voor opwekkends in de +lucht van Hypata?? Als een geheime dronkenschap, die deed grijpen +naar bekers, naar àlle genot om te leven...! + +Het was vreemd, maar in die levenslustige stemming... werd ik niet +verliefd. Des avonds, die eerste drie dagen, lag ik met de nieuwe +vrienden aan feestgelagen en mooie vrouwen waren om ons heen, zongen, +fluitspeelden, dansten... Ik glimlachte haar onverschillig toe. Een +soort van ongekende kuischheid verfrischte mijn ziel en gaf rust aan +geheel mijn wezen en zelfs zoo mij omhelsden die verleideressen, +terwijl een rozenkrans mij den kruin omgaf en de schaal overvloot +tusschen mijn vingers, gevoelde ik niet anders dan eene gelatene +onbewogenheid te midden harer liefdekunstige verleidingen... Tevens, +telkens, die navrees of ik werkelijk, weêr, zoó ik verliefd weêr +werd...? Aan Charis dacht ik vaak, maar meer als aan een onbereikbaar, +verzweefd vizioen: ik hoorde nu, dat Menedemus de rijkste landeigenaar +was van Thessalië, waar hij her en der uitgestrekte goederen bezat +en dat zijne vrouw, gestorven, van vorstelijke afkomst geweest was +en zich gesteld had onder de nakomelingen van den grooten Alexander +van Macedonië, zoodat de lieflijke Charis ook vaak het "prinsesje" +of het "vorstinnetje" werd bijgenaamd. Ik hoorde ook, dat haar vader +reeds verschillende aanzienlijke dingers naar hare hand had afgewezen +en dat hij eigenlijk een Aziatischen koningszoon wenschte voor zijne +dochter. Ook hoorde ik, dat wie het meeste kans nog zoû hebben zoo +rijke, schoone en bijna vorstelijke bruid te huwen, Chersonezus zoû +zijn, eveneens een schatrijk landeigenaar van prinselijken bloede. Maar +van wien men fluisterde, dat hij van euvele dingen wist en omgang +had met Hekate en hare heksen... Dat gerucht was echter slechts als +een murmeling door de feestvreugde, want eigenlijk werd van heksen +en betoovering niet gesproken en ik ook, uit schaamte en kieschheid, +sprak niet over wat mij gebeurd was... + +Nu was het de vierde dag, toen in de Thermen des namiddags een dwerg +mij zocht. + +--Charmides, Lyzias' zoon, uit Epidaurus? vroeg de dwerg, bont gedost, +terwijl ik, tusschen mijne vrienden, neêr zat onder het rozenpriëel, +nog in wijden badmantel omplooid. + +--Die ben ik, zeide ik. Wat wil je, dwerg? + +--Uitnoodiging over brengen, van mijne meesteres, Meroë, voor dezen +avond, en tevens aan allen, die gij in uw gevolg wilt mede nemen, +zeide de dwerg. + +Ik nam aan en zond Davus met een geschenk naar Meroë: een +gouden schaaltje vol kostbare nardusballetjes uit Taprobane; twee +druiventrossen van amethyst: iedere druif besloot enkele droppelen +geur en een zwijntje, uit chalcedoon gesneden. Het was sierlijk +geschenk en toen ik, met mijne vrienden, dien avond bij Meroë kwam, +was zij wel tevreden en ontving ons, stralende schoon als Circe, +hare patronesse, die zij aanbad. + +--Pas op, heer! fluisterde Davus mij toe, steeds in angst; had hij +dan geraden? + +--Davus! vroeg ik hem, terwijl der dubbelfluiten muziek om ons heen +klonk. Waarom waarschuw je mij toch zoo vaak? Zag ik niet meér mooie +vrouwen, matronen, hetæren of maagden? Ben ik een kind geworden? + +--Neen, heer, zeide Davus; een kind zijt ge niet geworden en wat ge +geworden zijt, toen ge op eenmaal bij de stadspoort verdweent en den +volgenden dag weêr verscheent als of niets vreemds u geschied was, durf +ik niet zeggen, hoewel de vreemdste veronderstellingen mijn arm hoofd +soms bedringen; zoo ik u waarschuw, is dat alleen om u, zoo mogelijk, +te bewaren voor mijne oogen te verdwijnen, als ge een mooie vrouw ziet. + +Ik lachte en het feest was om ons. Meroë lokte en lonkte mij toe; +zij lag, in het gewaad van Circe, op een bed van zonnebloemen, +terwijl de twee zwijnen, in walgelijke aanbidding, gromden aan hare +voeten. Ook zonnebloemen, van juweel--chryzoliet met harten van +anthraciet--schitterden om hare slapen, op hare borsten; een juweelen +zonnebloem straalde aan haar Circe-schepter. En om haar heen, tusschen +de zuilen en de gordijnen en verder in een onwezenlijk tooverlandschap, +waarover een zongroote maan rees, straalden de zonnebloemen, weken zij +terug in stralenden bloei naar een horizon, waar zij vergloeiden... En +ik vroeg mij al of zij heilige of onheilige bloemen waren... + +--Charmides! lonkte mij Meroë nader; zondt je mij een zwijn van +chalcedoon omdat je bevreesd waart hier te veranderen in een zwijn +van vleesch en bloed? + +--Ik ben niet bevreesd en was het nooit! antwoordde ik. + +--Ik bèn geen toovenares! lachte Meroë; al leende ik van nacht +Circe's gewaad en al bemin ik de zonnebloemen, zoo als Circe deed, +Helios' kind... + +--En al grommen er twee zwijnen aan je voet, lachte ik spottend; +zoo als aan Circe's voet, in de tuinen van onzalig Aiaia... + +--Charmides! lokte Meroë weêr; wat ik wensch is enkel je kus, en weêr +je kus en altijd je kus! + +Zij strekte de armen uit. Zij gloeide van liefde en alle de +zonnebloemen gloeiden, als een vuur van duizenden vlammen. Ik naderde +bezwijmeld; ik... + +Maar plotseling zag ik tusschen Meroë en mij als een vizioen op +rijzen--Charis, zoo blank en lieflijk zuiver--en ik deinsde terug... + +Meroë richtte woedend zich op. + +--Weiger je, riep zij; mij te geven wat ik wensch en wat je gunt aan +wie ook op je weg? + +--Ja! riep ik. + +Zij richtte zich met een schreeuw omhoog en strekte haar onmachtigen +schepter uit. Ik had haar liefde geweigerd en veranderde niet in +een zwijn. Maar terwijl zij verdween in een glans van gouden sulfer, +zag ik alle de zonnebloemen verlept. En woei over het tooverlandschap +als een vale nevel... + +De twee zwijnen knorden wanhopig en wentelden in een cirkel rond. + +--Zoek de roode amaryllis-tuinen! riep ik hen toe in een ingeving, +dat die bloemen zouden worden gekweekt zoo als de zilverasters werden +gekweekt. + +En ik vluchtte weg, door het feest, dat zoo vreemd scheen geworden, +zoo vaal van tint, alles spokebleek in onwezenlijkheid. + +In het diversorium vond ik Davus. + +--Waarom ben je hier? vroeg ik en mijn stem klonk bleek ook als van +een spook. + +--Ach heer, ach heer! weeklaagde Davus en juichte tegelijker tijd. Zie +ik u weêr! Zie ik u weêr! Ge waart op het feest plotseling zoo ver en +ik zag u toch tusschen allerlei zonnebloemen, die op bloeiden en toen +ben ik gevlucht, heer, hoewel de andere feestgenooten en hun slaven +mij verzekerden, dat gij nièt ver waart en dat deze zonnebloemen er +altijd waren geweest! Maar zij waren dronken, heer, en ik niet en ik +kon u niet zien in een zwijn veranderen, zoo als ik u reeds in een +ezel veranderd wist! + +--Hoe weet je!? riep ik uit en greep hem wild om den pols. + +--Ach heer! Ach, heer! riep Davus. Ben ik dan zoo een +stommeling? Hoorden wij dan niet reeds van Delfi af wat er gebeurt in +Thessalië? Heb ik dan geen hersens om na te denken hoe het zijn kon, +dat gij buiten de poort van Hypata verdweent, toen er een mooie maagd +werd voorbij gedragen en hoe een ezel verscheen precies als er een +ezel verscheen en weêr verdween, toen Nausistrata zoo verschrikte +op den heirweg...? En heer, ach heer, zoo een ezel heb ik bereden +en heb ik misschien wel geslagen en met den hiel gespoord; ik, heer, +ik, Davus, uw trouwe slaaf, die u diende van klein jongsken af! + +--Het is niets, Davus, fluisterde ik hem in. Het is niets! Zwijg +alleen, zeg nooit iemand iets. Je ziet, ik ben noch ezel, noch zwijn +en ik heb goede zaken gedaan in Hypata. Morgen reizen wij af naar +Farsalus... + +--Verder Thessalië in!? klaagde Davus. Ach heer, ik word liever +zelf maar dadelijk een ezel, of een zwijn als het moet, dan verder +Thessalië in te gaan! + +--Davus! fluisterde ik verder. De toover is nu verbroken! Wat gebeurde, +is gebeurd en zal niet meer gebeuren. Want ik kan mij niet begrijpen, +dat ik niet even verliefd, ja verliefd op Meroë ben geworden... Zij was +zoo heerlijk schoon, zoo verleidelijk schoon, zoo beloftevol schoon... + +--Heer! Heer! Pas op!! riep Davus. Het schijnt mij toe, dat uw ooren +reeds gaan groeien! + +Ik schrikte, voelde aan mijn ooren, duwde hem ongeduldig van mij, +zonk op mijn bed en sliep, verpletterd van ontroering en moêheid. + + + +Zeker, dien volgenden dag verliet ik Hypata. Zoû ik niet verder +Thessalië in reizen? En dan... waren er heksen? Bestonden er heksen? + +Ik moest mij, in mijne nog moede hersenen, herinneren, dat de harpij +op den driesprong mij had betooverd, dat ik twee malen reeds in een +ezel veranderd was... Dat was toch gebeurd? Wàs het gebeurd? Het +geleek mij zoo onwaarschijnlijk, dat ik er nauwlijks aan gelooven +kon. Want het was een kristalklare herfstmorgen en om mij heen dreef +een gelijkmatig gouden schijn van zon over het wijde landschap. De +reiswagen wiegelde voort, getrokken door de geduldige buffels. Davus' +zweep klakte zacht rhythmiesch door de lucht en wij vervolgden onze +reis als of er niets gebeurd was. Ik sluimerde half en onderwijl dacht +ik aan allerlei mooie, lieve dingen... Aan Eleuzis, aan de heilige +Mysteriën, waar in ik mij zoû laten wijden, zoo ik terug kwam; aan +Charis... Ik dacht aan haar met een teederen weemoed, omdat ik haar +vermoedelijk nooit weêr zoû zien en een wee van spijt werd ik mij +in mijn ziel bewust. Die nacht sliepen wij in een dorp. De volgende +nacht in een posthalte... O, de lange, eentonige reis! Wat gaf het +mij purper te verkoopen en parels... Er waren àndere dingen, al waren +er dan misschien ook heksen... + +De derde dag, sedert wij Hypata hadden verlaten, was eveneens +in rustige reize verstreken. Wij hadden de halte voor die nacht +bereikt. Het was te Xyniæ, aan het meer van dien naam... + +Ik weet niet waarom, maar ik kon die nacht niet slapen. En ik stond +op en verliet de herberg nog voor de dageraad rozigde... Een vreemd, +zacht verlangen omving mij, waarnaar, had ik niet kunnen zeggen. En ik +liep den weg op, den eenzamen, nog nachtbleeken heirweg... Straks zoû +ik keeren op mijn passen, als Davus zoû voorspannen de buffels... Ik +liep voort. De zon rees uitstralende achter de rozigende golving der +bergen omhoog. Een honigkleurige schijn overstroomde den hemel. Ter +andere zij van den weg week in den windloozen dageraad het nog in +dauw overfloerste water van het in de verte weg flauwende meer... + +Het meer, langs den weg, vervloeide met een lange kreek, waaruit +aan den oever rees het gekrookte riet. Peinzende bleef ik staan, +en mijne mijmering ging als meê met de tintwisselingen over het +water, dat wijder en blauwer werd, naar mate de zon rees en de misten +verijlden... En ik zag, dat de kreek daar vol blanke lotus gebloeid +was... Als blanke bekers, die het morgenlicht opvingen in hare juist +ontslotene, smettelooze ontlokenheden, lagen de bloemeschalen op het +water, dat zacht opgloeide en verspiegelde... Wind stak omhoog en +bewoog in het riet, dat ritselde. Een vlucht reigers steeg er uit op +en schaduwde even, teêr grijs van vlucht in de honigblonde lucht. Het +meer, verder-op, verzichtbaarde duidelijker en ik zag, dat het, tot +den horizon, vol gebloeid was met blanke lotus en iedere bloem ving +een straal op, een atoom op van licht... + +Toen, eensklaps, werd mijn blik getroffen door een witte wemeling op +de landouw, die aan den overkant van die riet-omkreukelde kreek zich +verloor in een zacht gedoezel van rozig-grauw sycomoren-geloover. Het +waren maagden, die dansten, rondom een maagd. Zij hielden witte +bloemekransen in de handen en zij zongen zacht, als wilden zij +de maagd in haar midden verstrooien... Ik zag ademloos uit en +herkende... Charis! Charis!! Daar was zij, aan den overkant van +het lotus-overladen water en ik zag, door het riet heen, haar +bewegen, als met een moeden weemoed, toch even glimlachende tegen +hare genooten. Zij danste niet, maar scheen de maagden te willen +weêrhouden te dansen. Haar gebaar was een teedere muziek van lijn, +hare ijle gestalte zwéefde in het morgenlicht en hare handen bewogen +als smeekend de maagden niet meer zich te reien rondom haar heen. En +in weemoed zagen hare blauwe oogen op, twee lotussen blauw hare oogen +boven de duizenden blanke lotussen, die op het water lagen. + +En ik, ik staarde haar toe. Zij zag mij niet, half verborgen als ik +mij hield in het riet. Mijn hart klopte op naar mijn keel, ik bedwong +met de handen het razende kloppen, ik voelde mij duizelig van geluk +en bezwijmden van zaligheid en ik opende mijne lippen en wilde roepen: + +--Charis... + +Maar rauw riep ik slechts: + +--Ha...hi!... Hi...ha.... + +Mijn roep verloor zich over het water, in lucht en licht. Daar ginds +dansten de maagden voort rondom de zacht zich verwerende Charis en +zij bespeurde niet, hoe, aan den overkant, door het riet heen, een +ezel te gluren stond met verlangende oogen, door de krokende halmen... + + + + + + + +VIII. + + +Toen ik mij geheel bewust mijn herschepping werd, waren met Charis +de dansende maagden in de rozige schaduwen verdwenen... En trad ik, +als ezel, uit het riet weêr op den weg... En dacht ik aan den verren +astertuin, honderden mijlen nu van mij verwijderd... En stond ik, +in sombere vertwijfeling... + +Op dit oogenblik klonken grove stemmen en zag ik drie mannen aankomen, +vergezeld van twee jongens. Het waren houthakkers, zij hadden bijlen +in de hand en koorden om de middels gesnoerd. En zij praatten luid en +ontevreden, terwijl zij naar hun werk gingen: ik begreep dadelijk, +dat zij slaven van Menedemus waren en dat zij vloekten tegen hunne +opzichters, om den zoo zwaren arbeid. En terwijl ik nog stond, +vertwijfeld en somber, riep een der mannen: + +--Maar kijk, daar staat een ezel! + +--Een onbeheerde ezel! riep een andere. + +En de derde stemde in: + +--Dien de erbarmende goden zeker stelden op onzen weg, om ons ons +werk te verlichten! + +Ik begreep, dat gevaar mij dreigde... Ik poogde te vluchten op +ezeledraf, maar het is vreemd, een dier, dat niet wild is, vermag +niet veel tegen vijf menschen. Op den weg verspreidden zich snel +de drie mannen en de twee knapen en zij ontsnoerden zich van hun +koorden... En slingerden die met lissen uit.... + +Een der lissen viel over mijn kop. De man, die mij gevangen had, +trok mij naar zich toe. Ik zette mij schrap op de achterhoeven, koppig +weêrstreefde ik.... maar plotseling voelde ik een hevigen knuppelslag +over mijn ruggegraat. Zoodat ik, ingetrokken mijn achterdeel van pijn, +verontwaardigd voorwaarts stoof.... + +Twee, drie, vier andere knuppelslagen regenden over mijn rug en er +was niet meer aan zilverasters te denken. Ik was niet meer Charmides, +Lyzias' zoon, uit Epidaurus: ik was een ezel, onbeheerd en door lage +slaven, ontevreden houthakkers, gevangen genomen! + + + +O, de gruwelijkheid van dien winter! Strenge winter was het, die +heerschte over de boschbedekte bergflanken van Thessalië, over de met +sneeuw overdekte hellingen van de Othrysketen, waar in mythologische +eeuwen de Lapithen en de Centauren met elkander de epische strijden +hadden gestreden. Als met dier vreeslijke fabelwezens eigene kreten +en somber gehuil, voeren de koude waaiingen van Boreas door de +kale, gestriemde takken, langs de zwiepend geschudde stammen en des +stormenden nachts scheen het, of dichte horden van helsche wezens, +demonen en heksen, onder de lage wolken voort joegen over bosschen +en bergen, zich plots verspreidend in alle richtingen, als of uit +euvele starren onheil voerende stralen schoten. En bitter zware +nood was het niet alleen voor de houthakkers in hun armoedige hut, +boven op den bergflank, maar ook voor hun ezel, in zijn bouwvalligen +stal. Des nachts stond ik slapeloos en de sneeuwvlokken joegen binnen +de reten en vielen als ijskoud vuur over de wonden van mijn ontvelden +rug, dien de houthakkers met hunne slagen mij vilden iederen dag. De +vreeslijke winden loeiden tochtende om mijne ooren en duldig leed ik +den durenden straf. Des morgens trokken de mannen mij uit den stal en +als zij het hout hadden gehakt, belaadden zij er mij mijn rug meê. Zoo +zwaar was de vracht van tronken en takken, die zij mij torsen deden, +dat eerder een olifant dan een ezel geschikt kon worden geacht om +zoo bovenmatig gewicht te dragen. En zij dwongen mij dan te dalen, +en als ik struikelde langs de wortelen der boomen of over het scherpe +rotsgesteent en neêrstortte op mijn ontvleesde knieën, staken zij +mij met puntige stokken in de bloederige wond, altijd de zelfde, van +mijn linkerflank. Moesten wij, lager, een zijtak van den Sperchius +oversteken, dan zetten dikwijls de beide knapen, die mij brachten +naar stad of dorp, zich nog voor en achter den stapel hout en als op +den heirweg ik niet snel genoeg draafde met mijn onduldbaren last, +bonden zij brandnetel en doorngewas mij tusschen de achterpooten, +zoodat ik gemarteld maar draafde, draafde, in de hoop om mijn ijver +verlost te worden van het marteltuig. + +In mijn smartelijk leven dacht ik dikwijls aan Davus. Wat was er van +hem geworden en zocht hij mij en had hij naar mijn ouders boodschap +gezonden, dat ik verdwenen was en wellicht betooverd?? Ook dacht +ik dikwijls aan Charis... Ik vergat haar nooit... In de vreeslijke +nachten, in mijn doorsneeuwden stal, verrees dikwijls haar lieflijk +beeld mij voor den geest: zoo als ik haar had gezien de laatste +maal aan de andere zij van de kreek, waar de lotussen bloeiden... En +vroeg ik mij, met menschegedachte in ezelekop, af waarom zoo grooten +weemoed toch over hare schoonheid als een sluier geweest was, toen +ik haar gezien had, zich tegen blijdschap verwerende tusschen de +dansende maagden...? + +Van de hoogte, waar de houthakkers woonden en ik mijn stal had, kon ik +bij heldere dagen in het rond zien over de lager liggende valleien; +zij golfden weg, doorsneden van vele zijstroomen van den Sperchius; +zij zouden zeker na den winter weelderig weiland en bouwland zijn; +zij behoorden alle Menedemus toe en zijne hoeven lagen er in verspreid +tusschen de nu ontbladerde wingerds. Wijd spreidde het landschap zich +dan rondom en de zon, tusschen de wolken, wierp groote plakkaten van +licht en wisselende schaduw over de wijd uitgestrekte domeinen. Maar +meestal loeide de wind en woei-aan de regen of warrelden de grauw-witte +vlekken sneeuw... Hadden de hakkers hun hout gehakt langs de flanken +van het gebergte, dan zaten zij neêr en aten hun schamel maal en kreeg +ik mijn handvol schaars toegemeten rantsoen van hooi. Honger leed ik +en armoê, de stille ellende van een afgebeuld beest, dat nooit met +een andere klacht dan met belachelijk gebalk zijn smart kan uiten +en daarbij gevoelde ik in mijn menschehersenen dien vreemden angst +eenmaal héelemaal ezel te worden en alles te verliezen wat in mij +nog school van mijn menscheziel; want meer en meer voelde ik mij +ezel worden: ik had de koppighedan van den ezel, zelfs al regende +het stokslagen over mijn rug; ik had het geduld ook soms van den +ezel, zijne filozofische gelatenheid als ik mij schikte en maar, +hout-beladen, voorzichtig afdaalde tusschen rotsblok en boomwortel +om, beneden ontladen, weêr op te stijgen, een oogenblik herademend, +naar nieuwen last, die mij wachtte. Als ik mij, gebukt mijn kop, zag +weêrspiegeld in de rivier tusschen de weg spelende verspiegelingen +van de witte wolken in blauwe lucht, zag ik mij niet anders dan +een koppig-geduldigen ezel, grof met grauw, ruig haar, waar het nog +groeide over mijn geranselde, ontvelde en ontvleesde lijf: zag ik mijn +treurigen kop van werkezel, met van ziekte tranende oog vol weemoed, +zag ik mijn van moêheid kwijlenden bek... Zag ik geheel mijn mager, +geslonken dierelijf, op de moê knakkende pooten, op de reeds breed +uitbreidende hoeven--om het steeds moeten dalen, zwaar beladen--zag +ik mijn onthaarden staart naargeestig ingetrokken tusschen mijn met +doorn en stekel steeds gemartelde achterpooten. En vergat ik soms wie +ik geweest was en werd het mij dof en stomp in mijne verstomming of +langzaam in mij verstierf mijn menscheziel in mijn vorm van dier... + +Eenmaal--een huiveringwekkende stormnacht--waren de houthakkers beneden +in de hoeve gebleven, van waar het gehakte hout verder vervoerd werd, +en was ik alleen gelaten boven in mijn stal op den bergtop. De wind +en de regen raasden rondom de rotte planken, die mij ter nauwer nood +beschutten... Nauwlijks dacht ik aan vlucht, al had ik wellicht +ook met trap op trap de gebarsten deur van mijn stal kunnen doen +wijken. Rillende stond ik, den staart tusschen de pooten, in mijn +bezoedelde stroo en voor mijn leêge krib. Menschegeestkracht scheen +niet meer in mij, zoo misschien nog wel logiesch denken. Want wel +dacht ik: waar moet ik heen, zelfs zoo ik vermag te vluchten. Waar +moest een afgebeulde ezel heen, zelfs al wist hij zich te bevrijden +uit de slavernij van hartelooze houthakkers. En steeds stond ik, de +binnen gierende wind tusschen mijn pooten waaiende en spelende met de +vuile vlokken van mijn staart. Buiten schenen de schimmen der Centauren +en woeste Lapithen in woedenden strijd door elkaâr te woelen... + +Plotseling hoorde ik stemmen. Stemmen van menschen, grovere +stemmen nog dan die van de houthakkers. Ik begreep, dat het roovers +waren. Ellendige roovers, wezens, die bewonen de bergspelonken, +nauwlijks menschen meer, maar verbeestelijkt van ellende en die in de +nachten van stormgeweld naar buiten sluipen en in hoeven en hutten +langs de bergflanken trachten te stelen wat vergeten gereedschap, +een paar hoenderen, een stuk vee... Ik hoorde hen reeds de hut open +breken maar zij braakten verwenschingen uit, want zij vonden niet +anders dan een kapotte kruik en een gebroken schotel, een gescheurden +mantel en een versleten mat... En toen beukten zij op mijn staldeur. In +een oogwenk bezweken de planken en maakten zij juichende zich van mij +meester. Veel waarde had ik niet, maar ik was toch een ezel en meer +waard dan een versleten mat, gescheurden mantel, gebroken schotel +of kapotte kruik. In die onheilsnacht, waarin zeker Hekate tusschen +al hare heksen zege vierde over de rampzalige wereld, sleurden mij +de drie boeven mijn stal uit en slingerden zich alle drie op mijn +rug. Meer dan ik hen zag in stormgeweld en regengestriem, voelde ik +hen, de havelooze schavuiten en schurken, zoo als er zich naamloos +en wetloos verbergen in het gebergte, de haren en baarden en nagels +nimmer geknipt, nauwlijks bedekt met lompen en schurftige schapenhuid, +wilde-mannen meer dan menschelijke wezens, voor wie zelfs de saters der +wouden vreezen en de verdwaalde nymfen zich verschuilen in de spleten +der doorbliksemde boomstammen. En op mijn rug joegen zij mij voort +in het stormgeweld, berg-af, berg-af... Ik strompelde, ik struikelde +over de rotsblokken en boomewortelen, een zware tak viel juist over +mijn kop en verblindde mij... Eindelijk in den morgen, uitgeput, +was ik met mijn drietal berijders den berg af- en omgedaald. De +wind raasde niet meer zoo hevig; de rivier schuimde, hoog gezwollen, +over de rotsen; ik stak haar over, getrapt in mijn flanken door drie +paar boevehielen... Maar nu dorsten zij niet verder... Ginds was een +uitgebreid molenbedrijf: de gebouwen er van teekenden zich af tegen +de grauwe morgenlucht: de verwinterde velden lagen er verlaten, +verwilderd rondom. Molenslaven waren reeds bezig voor een schuur, +zakken met meel te laden op een wagen, toen zij de drie boeven zagen, +die, op mijn rug, stil hielden op eenigen afstand. + +En de opzichter van de slaven riep de boeven toe, dat zij heen +zouden gaan en dat er niets te schooieren viel en dat zij geen meel +zouden krijgen. Maar de vreeslijke boeven riepen, dat zij hun ezel +geven wilden voor meel, want dat zij honger leden, dat zij voor een +kleinen zak meel hun ezel geven wilden... De opzichter naderde met +zijn slaven en klaarblijkelijk gevoelde dat molenaarsvolk walging +van de drie mizerabele verworpelingen zoo als zij, de wilde-mannen, +bijna schuw waren dichter te naderen waar werkelijke menschwezens +woonden. Maar toen scheen de opziener zijn afkeer wel te bedwingen, +naderde hij; de wilde-mannen stegen af, de slaven wierpen hun een zak +meel toe en maakten zich van mij meester. De wilde-mannen verdwenen +dadelijk en de opziener zeide: + +--Het is een afgebeulde ezel, maar altijd nog goed genoeg om een +molensteen te draaien: hij kan dan draaien tot hij er bij neêr valt. + +En met een schop in mijn achterdeel joegen zij mij voorwaarts, naar +de molensteenen, die ginds onder afdakken werden rond gedraaid door +ezels en misdadigers beiden... + + + + + + + +IX. + + +Sedert draaide ik den molensteen.... In het lamoen gespannen, +draaide ik, geblinddoekt, aan een houten boom den zwaren molensteen +steeds rond en rond, onder de zweepstriemen en knuppelslagen van de +erbarminglooze opzichters. Eindeloos, eindeloos trok ik en liep ik +in de cirkelvormige gleuf om en om, altijd in het rond, trekkende +het centenaarzware gewicht, waaronder het graan knarste boven den +ondersten steen. Mijlen, mijlen liep ik af in het nauwe rond, trots +blinddoek versuft en duizelig in mijne hersenen, die meer en meer +die van een ezel werden en alle besef van menschelijkheid schenen te +verliezen... Liep ik en liep ik, steeds den zelfden engen cirkelgang, +terwijl de bovenste steen meê met mij draaide, knarsende, boven den +onbewegelijken ondersten, over het gepletterde graan. Soms mocht ik +stand houden, werd mij de blinddoek afgerukt, als de opzichter moê was +geworden. En zag ik, in die korte pooze van rust om mij rond, kauwende +een schrale handvol hooi... En zag ik de andere molensteenen, onder de +rieten afdaken, regelmatig draaien in het rond, getrokken door andere, +als ik, afgebeulde lastdieren, ezels en muilen of ook sjouwerig voort +geduwd door misdadigers en gestrafte slaven. Zij waren meestal half +geschoren het hoofdhaar, om hen herkenbaar te houden zoo zij poogden +te vluchten, gemuilband opdat zij geen meel of graan zouden eten, +gebrandmerkt bovendien op het voorhoofd met getallen en letters: +de sporen van herhaalde geeseling waren rauw en violet zichtbaar +over hunne ruggen onder de lompen, die bedekten nauwlijks hunne +ellendige naaktheden; zware ijzeren ringen bezwaarden hen om beide +enkels en geheel grauw-wit waren zij bestoven met meel, als waren zij +mizerabele, afgeleefde worstelaars, die zich met zand zouden hebben +ingewreven om hun laatsten strijd uit te strijden. Nauwlijks konden +zij zien: de laaiende vuren der ovens hadden hun de knippende oogleden +geschroeid en de wimpers verbrand, gebogen waren hunne schouders, +misvormd hunne armen en handen en voeten en het zware werk scheen +hen als langzaam op te vreten, als om hen langer te doen lijden in +het leven, dat geen dadelijke, weldadige dood deed eindigen. En ik +was, als mijn menschelijke en ook dierlijke lotgenooten, afgebeuld, +nauwlijks, des morgens reeds, in staat den duldloozen arbeid te +beginnen, die eerst eindigde als de zwarte vleêrmuizen tegen oranje +zonsondergang begonnen rond te flapperen; schoon niet geschoren, +groeide nauwlijks haar meer op mijn schurftige huid; diepe wonden +bloedigden en etterden overal over mijn lijf en mijn reeds zieke oog +traande steeds van het meelgestuif en van den gloed der groote ovens, +waarheen ik de zware zakken torsen moest. + +Hoe lang deze marteling mij duurde, weet ik niet. De eene winterdag +was aan de andere gelijk, met altijd den zelfden wind en regen, +met sneeuwvlokken soms, met altijd den zelfden arbeid. En de eenige +troost, die ik mij denken kon, was, dat ik mij dood zwoegde op de +bezittingen van Menedemus, Charis' vader, want dit was ik te weten +gekomen uit enkele woorden der opzieners. Mijn eenige troost was +te weten, dat ik den molensteen rond draaide, éen der molensteenen, +waaronder, misschien, het graan tot meel werd, dat dienen zoû om het +witte brood te bakken, dat Charis nuttigen zoû. Zoo schrale troost +was mijn eenige. En de zon rees op en daalde neêr en altijd was het +het zelfde. En de regen stroomde en stroomde niet meer en altijd was +het het zelfde. En de dagen volgden elkander op en altijd waren zij de +zelfde. En de nachten waren de zelfde, dat ik, te moê om te slapen, +stond en bleef staan in den stal naast de andere uitgeputte dieren, +ezels en muilen... + +Het is vreemd hoe soms de allerongelukkigsten in deze wereld elkander +helpen, zonder het te willen misschien, zonder misschien het te +weten. Een der misdadigers was onder een hevigen knuppelslag van een +der opzieners neêr gezonken in het meelwitte stof van den weg en kon, +om zijn zware, ijzeren boeien om de enkels, niet dadelijk op staan. Hij +lag en kreunde... Juist ging ik voorbij, terug geleid naar mijn stal: +de zon zonk rood en de vleêrmuizen flapperden in kringen tegen den +bloedschijn... En bloed ook scheen mij toe te tappelen van den rug van +den half bezwijmden slaaf: het ron rood over den wit bepoeierden grond. + +Toen, als met een menschelijke ingeving van erbarming, likte ik met +mijn moede tong de wonde van den slaaf. Als verwonderd zag hij op, +dat een ezel, in het voorbij gaan, hem likte en misschien begreep hij, +dat ik medelijden met hem gehad had.... + +Die nacht, terwijl alles in rust lag en allen sliepen, werd mijn stal +voorzichtig geopend. Maneschijn vloot witblauw binnen door zwarte +schaduw en ik herkende den slaaf, dien ik gelikt had. Klaarblijkelijk +was hij er in geslaagd, uit het gevang te ontsnappen. Hij zocht mij, +hij koos mij uit onder de lastdieren, die daar stonden, duttende in al +het zwart van de schaduw, die nauwlijks de rijzende maan door vloeide +met haar blauwe wit. Hij bond mij los en leidde mij uit den stal. Hij +geleidde mij uit het molengedoe naar den rand van het woud; daar +besteeg hij mij... Hij keek om en ik keek om... De schuren en gedoofde +ovens lagen als lage, donkere dakenmassa's tegen de manelucht. Over +den bepoeierden grond schitterde de maneschijn. Niemand bewoog, +niemand zag ons, in de schaduwen, in het licht. Ook het bosch was +schaduw en licht, maar schaduw bovenal. Ik steeg den weg op, dien de +boeven in der tijd met mij neêr waren gedaald. En weldra waren wij +verloren in het bergwoud... + +De ontvluchte slaaf bereed mij, maar hij lag uitgeput en bijna +krachteloos over mij heen, zijne armen rondom mijn nek. Hij dreef mij, +hij wist zelve niet waarheen, links, rechts.... Doel scheen hij niet +te hebben, niet te weten, mijn nieuwe meester. Stap voor stap klom +ik en daalde ik. Plotseling, door de luchten, klonken mij toe bekende +kreten, bekend gekreun. Waar had ik reeds gehoord dat gekreun, en die +kreten?? En als met een flits wist ik in eens: de kreten, zij waren +van heksen; het gekreun.... o het gekreun had ik gehoord die nacht te +Delfi, in de bladeren der windbewogen platanen op het herbergplein, +en het had mij toegeschenen het gekreun van dwalende zieltjes, van +klagende, vermoorde kindertjes! Een vlakte lag eensklaps voor ons. Een +wijde hoogvlakte, wit van maanlicht in de wijde nacht. En een rij van +heksen danste krijschend rondom. En boven haar, in de lucht, zwierde +een tweede rij in het rond. Een derde rij zweefde daarboven. Ik +begreep: het waren heksenbezweringen, om de maan uit haar loopbaan +te rukken, uit haar zilveren kring van noodwendigheid en het gelukte +der heksen somtijds en zoo het haar gelukte, hadden zij die maand +macht over de elementen, die dan gunstig waren aan haar verderfelijke +werken. En o afschuw, toen zij dansten rondom, hand aan hand, zag ik, +dat zij dansten rondom drie tot aan het hoofd begraven kindertjes, +die kreten en die sterven zouden die nacht.... Midden in de vlakte +stond de immense koperen ketel op een smeulend vuur van takken en de +dansende heksen wierpen er, in het rondomme zwieren, allerlei in: ik +herkende een slang, een pad, een bebloeden sluier, stukken wrakhout +van een verongelukt schip, het koord van een gehangene en bezworene +ledematen, ik weet niet welke.... En intusschen schenen zij als de +maan naar beneden te trekken, tusschen de wilde wolken uit, waarin +allerlei wezens schenen te schuilen en te verzichtbaren en riepen zij: + +--Hekate! Hekate!! + +Op mijn rug had mijn berijder zich opgericht, zeker om beter te +kijken. Maar zoodra hij de verschrikking gezien had, slaakte hij een +verschrikkelijken kreet van afschuw, wierp zich achterover en stortte +over den grond in het struikgewas. Ik balkte, boog mij naar hem toe en +bespeurde, dat hij bezwijmd lag, zoo hij niet gestorven ware, in dat +zelfde oogenblik, van ontzetting. Maar zijn kreet en mijn balk waren +voldoende geweest om de heksen, gestoord in hare bezweringen, van woede +te doen razen met wilde kreten en zich allen, als éene horde, te doen +storten in onze richting. De damp van den ketel woei naar den grond; +de drie kinderkopjes zag ik, begraven tot de halsjes, bezwijmen.... De +maan scheen te rijzen. De betoovering scheen gebroken. En de heksen, +in helsche woede, stortten op ons toe. Ik vluchtte, maar zij vielen +in wellust neêr op den slaaf en ik hoorde hare kreten, terwijl zij +zijn lijf uit elkander rukten: + +--Aan mij zijn nog lillende wonde! Aan mij zijn brandmerk! Aan mij +zijn geeselstriemen....! + +Ik, ik vluchtte. Door het heksenwoud vluchtte ik. De maan, boven, +scheen mèt mij te vluchten. De heksen achtervolgden mij niet; om +kijkende zag ik de Thessalische duivelinnen wederom zwieren boven +haar tooverketel en wierpen zij er de ledematen in van den slaaf, +en hervatten zij hare bezweringen met woestere kreten, terwijl ik +het geschreeuw der gemartelde kindertjes weêr de nacht hoorde door +schrillen. + +Ik vluchtte. Langs zwarte boomstammen, over slangachtige boomwortels, +vluchtte ik strompelend, struikelend: ik tuimelde op wrakke pooten +het rotsgesteent af. De sinistere wind woei boven mij; het geheele +woud scheen te leven van reusachtige houthakkers en takkebossen, van +reusachtige molensteenen, die duizelingwekkend snel draaiden, van uilen +en vampyrs, en zoowel takken, zwiepende, als wolken, zwierende, schenen +vol krijtende kinderkopjes. En ik vluchtte, ik vluchtte voort.... + +Ik vluchtte, verwilderd, die geheele nacht. De morgen klaarde met +bleeken schijn, schijn zoo bleek en lijkachtig als slechts in Thessalië +morgenschemert na heksennacht. Schijn, schimmebleek, of de dag huiverde +te ontwaken en of Eos, de rozige, verbleekt was, door wat zij ried en +aarzelde aan te zien.... Ik was het bergwoud afgedaald. Plotseling +zag ik een wijde vlakte. Een streep van zonnegoud liep dwars door +de grauwe morgenlucht. Weilanden, waarover de mist nog verwijlde, +weken hun verren einder uit. Een zoele belofte van lente wemelde in +de wijde lucht.... + +Een verwondering woog op mijn brein. Waar was ik? Wie was ik? Wat +had ik door gemaakt? Was die winter voorbij? Ja, ik voelde mij tot +bezwijkens moê, uitgeput... Ja, ik was afgebeuld geworden.... Stekels +hadden mijn wonden verder open gereten.... Het bloed leekte langs +mijn pooten en passen.... Maar vogels zongen in de twijgen, waaraan +de bladknoppen zwollen, bleek goud. Een geur van kruid steeg op. Iets +vreemd lieflijks trilde zoo teeder als een Aeoliesch geluid door +de luchten. + +Ik liep door, moê, ziek, met een hinkenden poot, mager en +bebloed..... Een zijstroom van den Sperchius stroomde dwars door de +vlakte; de irissen schoten er uit op; de eerste irisbloemen ontloken, +wit en zacht geel. Toen was het een meer en het lag overladen met lotus +en het herinnerde mij aan dat andere meer, aan die kreek, waar ik ter +overzijde Charis gezien had, maanden, ja maanden geleden... Door het +hooge riet en de lotusbloemen stak ik het lage water over. Ik weet +niet waarom ik zoo ging, doelloos, maar er was iets, dat mij lokte.... + +Ik stapte uit het water, druipende, en er waren weêr de weilanden +en zij waren bespikkeld met madelieven. Werkelijk, dit was de lente, +de vroege lente... Er ruischte als een etherische lenteharp door de +lucht. Ik voelde nauwlijks mijne moêheid en afbeuling van lastdier. En, +met een verrassing, tusschen het verschiet der uitbladerende olmen +en abeelen zag ik, in de verte, als een vorstelijk landhuis schemeren +in den verwijderden morgenmist, die daar optrok in de jonge zon. Het +huis maakte een witten halfcirkel van zuilen en het lag geheel omgeven +van vijvers en op de rozig grauwende plassen lagen altijd en altijd +de lotussen en ik zàg ze openen, een voor een. En uit het landhuis, +over het wijde grasveld traden tal van maagden en mannen.... + +Ik was blijven staan bij een heining, die afsloot het domein; de witte +windekelken wonden zich door de kruislingsche houten stijlen. Ik zag +toe, bekoord door een nieuwsgierigheid, die ik nauwlijks begreep. Maar +eensklaps herkende ik de maagd tusschen de maagden, die om haar heen, +de witte bloemenkransen beurende, dansten. + +Zij was Charis! Ik zag haar heel duidelijk, maar zij scheen moê en mat +van verdriet en zij verweerde zich niet anders dan zij zich verweerd +had toen ik haar gezien had, maanden geleden, van den heirweg af, +waar ik tusschen het riet herschapen was in een ezel. Ademloos, +vreemd gelukkig bleef ik steeds staren.... + +Plotseling schenen de aanzienlijke mannen, die achter de maagden +kwamen, mij te zien. En ik zag hen zeer schrikken en bevelen geven. En +slaven liepen in mijn richting toe met knuppels en reeds van verre +trachtten hunne kreten mij te verschrikken en weg te jagen... Ik +bewoog echter niet; ik staarde. Om het geweld der slaven zagen de +maagden om Charis om, zagen zij mij allen.... zag mij ook Charis.... + +Zij slaakte een juichenden kreet, klaar als een gouden galm van geluk, +die zich verloor in de lichte lucht. En toen ijlde zij, licht als +een nymf, vooruit, ijlde zij, ijlde vooruit, weêrhield de slaven met +haar bevelend gebaar en riep, terwijl zij de armen hoog wierp en hare +sluiers wemelden om haar rond: + +--Eindelijk! Eindelijk! Mijn bruidegom! Mijn lang verwachte bruidegom, +die terug uit den strijd tot mij komt! Kom! Kom!! Slaven, opent +de hekken! Speelgenooten, danst nu in reien! Hij is gekomen! Mijn +Charmides is gekomen!! + +En terwijl ik wel de hevige ontsteltenis zag der mannen en der maagden +om dien walging en weêrzin wekkenden, afgebeulden, wonde-bloedenden +ezel, die daar bij de heining tusschen de windekelken te staren stond, +naderde Charis mij en voelde ik, bezwijmelende van geluk en verrassing, +de heining tusschen ons, hare armen en sluiers in een omhelzing rondom +mijn ezelenek.... + + + + + + + +X. + + +En werkelijk, trots de ontsteltenis, die ik zag op de gelaatstrekken +van die aanzienlijke mannen--Charis' vader, hare broeders en +neven--werden bevelen gegeven de hekken te openen en leidde Charis, +die haar sluier om mijn zieke oog had gewikkeld en tusschen mijn +ooren door, mij de bloembespikkelde weide binnen! Mijn geluk was +even groot als mijn verwondering en ik liet met mij doen als Charis +wenschte en bevolen had; het was of een sprookje zich om mij weefde, +of ik dubbel betooverd was, of ik droomde; ik kon niet gelooven aan wat +mij geschiedde. Maar toen Charis, juichend, terwijl hare maagden rondom +ons dansten, voorbij haar vader, broeders en neven trad, die, steeds in +ontsteld gefluister, elkander raadpleegden, hoorde ik Menedemus roepen: + +--Bij alle barmhartige goden!! Wat moèten wij nu met dien schurftigen +ezel! Terwijl wij bevolen hadden, dat geen drie mijlen in den omtrek +van dit lustverblijf een ezel mocht worden gehouden, zendt ons +Toeval of Noodlot een schurftigen ezel toe, juist op het oogenblik, +dat wij Charis op hare morgenwandeling begeleiden en verlieft mijn +dochter op dien schurftigen ezel!! Ondoorgrondelijk zijn der goden +raadsbesluiten! Zegt mij, gij zonen van Hermes en Aesculapius, +wondermeesters, geneesheeren, zegt mij, wat nu te doen!! + +En in wanhoop wenkte Menedemus drie Frygiesch gemutste heeren nader +en stond, in radeloosheid voor hen, de armen wijd. + +--Heer, zeide een van hen, een grijze, waardige in langen tabbaard. Wij +kunnen niet anders dan Charis laten in den waan, dat zij haar bruidegom +heeft gevonden. + +--Zoo wij haar overreden wilden, zoû zij ons nooit gelooven! viel de +tweede geleerde in. + +--Zij is betooverd door Chersonezus! riep de derde. Pas op, +o Menedemus, dat gij uw dochter niet doodt, door haar te willen +overreden, dat deze ezel haar bruidegom niet is! + +En de neven om Menedemus klaagden tot Charis' broeders: + +--Ach, onze Charis! Ach, onze liève Charis! Had zij slechts een onzer +gekozen, in plaats van na Chersonezus' vervloeking, op een schurftigen +ezel te verlieven, dien zij dadelijk Charmides noemt! + +Ik hoorde dit alles, terwijl mij Charis langs de mannen geleidde. En +ik hoorde ook Menedemus, die verder vroeg aan de geleerden: + +--Dus, wondermeesters, wat raadt ge mij? + +De eerste zoon Aesculapius' antwoordde: + +--Het beste lijkt mij dien ezel te verzorgen.... + +De tweede viel in: + +--En Charis te zeggen, dat haar bruidegom, die verwond uit den strijd +is gekomen, met toewijding door ons verpleegd zal worden.... + +En de derde zeide: + +--Om, als hij genezen is, de plechtige verloving te vieren.... + +Menedemus sloeg de handen in wanhoop op en de broeders en neven, +in wanhoop, wrongen de hunne.... + +--En al dit ongeluk, riep Menedemus; omdat Chersonezus, wien ik mijn +eenige dochter had toegedacht, een slechte man is, een vervloekte +toovenaar, die Charis betooverde, toen ik eindelijk de waarheid +omtrent hem wist en weigerde mijn kind op te offeren! + +Meer hoorde ik niet; tusschen reidans en bloemenkrans geleidde Charis +mij--en gewillig volgde ik--naar het zuilenrijke buitenverblijf.... + +Maar de geneesheeren kwamen ons achterop en zij zeiden: + +--Edele Charis, uw bruidegom, die zoo juist uit den strijd is +gekeerd.... + +--Is gewond en ziek, edele Charis! + +--Uw edele Charmides, o Charis....! + +--Is ziek en gewond en verpleegd moet hij worden...! + +--In der daad! zeide Charis, de betooverde maagd, en hare stem klonk +als de klank van een Lydische fluit, als Ionische melodie. Hij is +gewond, mijn Charmides, na den vijand verslagen te hebben, o mijn +liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!! + +En eerst zoet meewarig, juichte haar stem op en hare armen omhelsden +mij en zij kuste mij op mijn ezeleneus, terwijl ik mij verwonderde, +dat zij mijn naam wist. + +De drie geneesheeren maakten gebaren van weêrzin en afkeer. + +--Charis! riepen zij alle drie. Staat ons toe, dat wij uw bruidegom +verplegen! + +--Is hij genezen, zoo wordt uwe verloving gevierd! + +--Duld, o Charis, dat wij Charmides voeren waar hij de liefdevolste +zorgen zal ondervinden! + +--Ja, riep Charis. Ja, wondermeesters! Geneest mij Charmides' +wonden! Huwen zal ik hem, zoodra hij weer krachtig is, o mijn liefde, +o mijn held, o mijn heerlijkheid!! + +En wederom wilde zij mij omhelzen, maar de wondermeesters hadden +zich reeds meester van mij gemaakt en Charis, juichende van geluk, +al scheidde zij van mij, dànste te midden van hare maagden. + +De drie mannen geleidden mij verder. Hunne slaven liepen toe. + +--Vuile ezel!! scholden mij de wijze mannen nu. Moeten wij onze kunst +nu werkelijk verspillen aan een dergelijken vuilen ezel! + +Maar zij verboden de slaven mij te slaan. + +--Wij moeten hem verplegen! + +--Ons leven staat op het spel.... + +--Als wij Charis niet genezen... + +--Zal Menedemus ons doen vermoorden! + +--Als wij Charis genezen....! + +--Overstelpt hij ons met goud! + +--Zij is betooverd: wij kunnen voor het oogenblik haar niet anders +laten dan in den waan... + +--En dàn haar onttooveren.... + +--Langzamerhand... Langzamerhand.... + +Zij waren het met elkander eens. Zij zouden mij verplegen, niet uit +liefde voor mij, schurftigen ezel, maar uit hoop rijk beloond te +worden, eenmaal, als zij Charis onttooverd hadden....! + +En zij voerden mij naar een ruimen stal. Ik was daar zonder andere +beesten. De slaven brachten versch stroo, dat zij spreidden tot +legerstede; zij vulden de ruif vol hooi, vol haver en doorgeurden +mijn maal met de eerste klaverblaadjes. Ik at en de geneesheeren +onderzochten mijn wonden en zagen mijn tanden malen. + +--Hij is jong! zeide de een. + +--Maar hij is afgebeuld, zeide de ander. + +--Hij heeft hout getorst, zei de derde en wees. Kijk, zijn hoeven +breed zijn. + +--Hij heeft een molensteen rond gedraaid, zei de eerste weêr. Kijk, +de sporen van het lamoen.... + +--En van den draaiboom.... + +En zij onderzochten mij met aandacht. Ik vond hen drie knappe +wondermeesters, die dadelijk veel hadden geraden, al rieden zij niet, +dat ik een mensch was, betooverd door een harpij. Gewillig gaf ik +mij aan hun zorgen en wetenschap over. + +--Het is wel een gewillige ezel, dien onze jonkvrouw heeft +uitverkoren! moesten zij alle drie erkennen. + +En, met behulp van hunne slaven wieschen zij mij en verbonden zij +mij mijne wonden, na die gebalsemd te hebben. Ik stribbelde geen +oogenblik tegen en zij lachten er om, de drie wijze mannen, omdat +ik zoo geduldig mij behandelen liet. Zwijgend en deftig zat ik nu, +genietende van mijn nieuw welbehagen, op mijn achterdeel in het stroo, +gesteund op de twee voorpooten en omwikkeld oog en pooten en rug in +windsels, terwijl de oudste wondermeester bezig was mijn voorpoot, +waarop ik hinkte, bij de knie te masseeren met zorgzaam drukkende en +strijkende vingers. En met scharen knipten zij mij de vieze klitten +en vlokken weg aan mijn pooten en aan mijn staart. + +Juist op dit oogenblik kwam Charis voorbij tusschen hare meisjes. + +--Ik zocht mijn bruidegom! riep zij. Ik zocht Charmides! O, daar zie +ik mijn held! Wat!! Meesters, wordt mijn edele geliefde in een stal +gehuisvest? Wat moet dit beduiden! Waarom verleent mijn vader hem +geen gastvrijheid in het vreemdelingenpavillioen?? + +--Charis, o Charis! riepen de wondermeesters. Trek u terug met uw +maagden! Wij verplegen uw bruidegom en het is niet voegzaam, dat gij +daarbij tegenwoordig zijt! + +Zij waren opgestaan en weêrhielden mijn liefde binnen te te treden +en pruilende moest zij wijken. + +--Tot spoedig dan, Charmides, mijn held, mijn prins! + +Ik werd hevig ontroerd in mijn hart. Iets sterkers dan mijn verstand +dwong mij mijn ezelebek te openen; ik wilde "Charis!" roepen en riep: + +--Ha....hi!! + +De drie wondermeesters barstten uit in onbedaarlijk gelach. + +--Hij roept mij! Hij roept mij! riep Charis opgetogen. O, wreede +wondermeesters, die mij verhinderen mijn held en bruidegom te +omhelzen! O wreede scheiding! Tot ziens, tot spoedigen ziens, tot +spoedige beterschap, o mijn Liefde! + +Zoo riep Charis en de maagden voerden haar weg en de wondermeesters +schudden steeds van het lachen terwijl hunne ronde mutsen als schelpen +en hoornen tegen elkander bonsden en bogen. En ik, die mij belachelijk +wist in hun oogen, ook al had Charis mijn gebalk aan gehoord voor +haar naam, beloofde mijzelven nooit meer te balken. + +Deftig en stil, verbonden met tal van banden, zat ik in het stroo en +de nog lachende drie hadden pleizier in hun ezel, dien zij verpleegden. + +--Hij zit er net als een mensch! zei de oudste. + +Een gedachte flitste in mij op.... Zoo ik nu knikte met mijn +kop....! Zoo ik nu schreef met mijn poot in het zand....! En om +zilverasters vroeg....!! Maar een na-gedachte weêrhield mij.... Wat +zoo zij mij vroegen wie ik was en ik verried, dat ik een koopmanszoon +was? Onttooverd zoû mij Menedemus misschien purper en parels koopen +maar mij dan weg zenden, verder Thessalië in! Ik knikte niet met +mijn kop! Ik schreef nièt met mijn poot in het zand! Ik vroeg niet +om zilverasters! + +--Ja, hij zit er net als een mensch! beaâmden de twee andere +wondermeesters. Wat zoo wij poogden....! + +--Ik dacht dat juist ook! ried de tweede. + +--Dat is een uitnemend denkbeeld! riep de derde. + +Wat hadden zij met mij voor? Maar spoedig begreep ik. Zij zonden hun +slaven naar de keukens om een schaal pastei en een wijden beker vol +Chios-wijn en zij zetten mij beiden voor. En zij wilden mij leeren, +zij wilden mij een geleerden ezel maken, een ezel met goede manieren, +een ezel, die pastei at uit een schotel en Chios-wijn dronk uit een +drinkschaal! Ik had nu evenveel schik in hen als zij hadden in mij +en opzettelijk deed ik eerst of ik niet hun noodiging begreep. + +--Kom Charmides, schertsten de drie wondermeesters. Eet de +pastei! Drink den wijn! + +En, met hun slaven, schudden zij steeds van het lachen, om mij, +ezel Charmides! + +Ik speelde mijn rol van ezel, die geleerd, die gedresseerd werd. Ik +rook eerst, bescheidenlijk onderzoekende, aan de pastei, toen aan den +wijn. Beide geurden naar lang niet gekend geneucht; ik moest in mij +houden om beiden niet gulzig naar binnen te slokken. Maar ik hield +mij in, speelde mijn rol. Eindelijk tastte ik met mijn tong naar den +wijn en slurpte even.... + +--Hij drinkt! Hij drinkt! riepen de wondermeesters en hielden de +buiken zich vast en de slaven krompen van het schaterlachen. + +Toen tastte ik met mijn groote ezeltanden voorzichtig naar de pastei, +knabbelde er een stukje van, kwam weêr terug naar mijn beker.... + +--Hij eet! Hij drinkt! Hij eet en drinkt als een mensch! riepen de +wondermeesters en slaven. + +--Als hij maar niet.... fluisterde plotseling de oudste. + +--Wàt?? vroegen geheimzinnig de twee anderen. + +--.... Een betooverde ezel is.... Een mensch.... + +--.... In een ezel betooverd? + +--.... Het zoû kunnen.... hier in Thessalië! + +Zij fluisterden samen, de drie. + +--Neen, besloten zij alle drie. Als hij een betooverde ezel was.... + +--Een betooverde mensch.... + +--Dan zoû hij zich ànders gedragen hebben.... + +--Bij voorbeeld, met zijn poot in het zand geschreven... + +--En gevraagd om.... + +Ik hoorde niet meer wat zij fluisterden.... Om zilverasters, +fluisterden denkelijk de drie. Deftig, verbonden, zittende, twee +voorpooten gestrekt, at ik de pastei en dronk den wijn. + +--Dàt hebben wij hem al heel vlug geleerd! riepen zij door elkaâr, +schaterlachend. + +De nacht was gevallen. Lachende lieten zij mij en sloten den stal. + +Ik zag om mij rond. Het was een ruime stal en breed was mij het +versche stroo gespreid. Voor een ezel, die hout had getorst en een +molensteen rond gedraaid, was deze stal, na mijn menschemaal van +pastei en wijn, vorstelijke weelde. De balsem werkte weldadig op mijn +wonden. Ik strekte mij uit als een mensch had gedaan op zijn bed. En +doodmoede maar zalig sliep ik in mijn verbindselen en windselen in, +denkende meer dan balkend ditmaal: + +--Charis! O mijn Liefde, o Charis!! + + + + + + + +XI. + + +Een tijd van ongekende zaligheid brak voor mij aan, al was ik een +ezel. Drie weken lang werd ik verpleegd, gewasschen, gebalsemd, +gemasseerd, overvoed en toen mijn wonden genazen, geroskamd, geborsteld +en had ik niets te doen dan te grazen in madelief-bespikkelde +voorjaarsweide. En bij deze stoffelijke welvaart was ik zoo zalig mij +Charis' kus te heugen en hare omhelzing en zag ik haar vaak van verre, +tusschen hare maagden en gaf ik mij in stilte over aan het gelukzalige +gevoel mijner liefde. Echter niet zonder de bezorgdheid om Charis +zelve, nu ik begrepen had, dat zij betooverd was door Chersonezus, die, +terug gestooten door Menedemus, een tooverban om haar had opgeroepen, +zoo dat zij had moeten verlieven op den eersten, besten ezel, die +haar te moet was getreden. Dit te bedenken weêrhield mij, nog meer +dan de angst, dat Menedemus nooit een handelsreiziger zoû willen +als echtgenoot voor zijn dochter, door welk teeken ook mij bekend te +maken. Zoo ik in mensch weêr herschapen werd, zoû Charis vermoedelijk +zoo geschokt worden, zoo getroffen in hare liefde voor haar ezel, +dat zij er om sterven kon. Ik begreep uit der wondermeesters woorden, +dat door de betoovering haar geest verzwakt was, dat ook haar teedere +lijf geleden had in de winterlange afwachting van den bruidegom, +die eindelijk, onverwachts, gekomen was in mijn vorm van schurftigen +ezel. Nu zeide men haar, dat zij wachten moest, tot haar held, uit +den oorlog terug gekeerd, genezen was van zijne wonden en als ik +haar zag van verre, meende ik werkelijk, dat reeds een nieuwe blos +bloeide op hare wangen, dat hare oogen tintelden van blijderen gloed +en voelde ik mij, hoe verwijderd ook van haar gehouden, gelukkig als +ik mij nimmer gevoeld had. En nauwlijks dacht ik meer aan zilverasters. + +Er waren er ook geene; zij werden hier niet gekweekt, zoo als de +Isispriesters de heilige bloemen wisten te doen weligen, in welk +seizoen ook. Er waren hier de wijde madelieve-weiden en om het +vorstelijke lusthuis lagen verspreid de stille vijvers, die de witte +en blauwe wolken spiegelden in hunne gladde plassen, overladen met +de ontlokene lotusschalen, die zich openden naar mate de zon rees +en zich sloten zoo zij daalde. Eens, in een rozigen morgen, dat +ik dwaalde de weide over en tusschen de vijvers door, naderde ik +een der plassen en tusschen de spiegelingen der wolken en de witte +bloemekelken, zag ik mijn eigen beeld. En ik herkende mijzelven niet, +mij herinnerend welk een armzalige ezel mij steeds had aan gestaard +in de wateren der bergstroomen! Ik zag mij terug als een prachtige +ezel, een jonge, gezonde, sterke ezel; mijn effene vacht glom als +zilvergrijze zijde zoo glanzend en glimmend; mijn oogen hadden den +zelfden blauwen glans, dien mijn mensche-oogen hadden gehad; mijne +pooten waren genezen, stonden recht en sierlijk en van louter ledig +dwalen door bloemeweiden, waren mijne hoeven weêr tot smalleren vorm +verfijnd, terwijl mijn manenkam en mijn staartkwast met zorg waren +geknipt en geborsteld en mij gaven het uiterlijk van een weelde-ezel, +die niets heeft te doen dan zich te vermeien tusschen madelieven en +boterbloemen en die zelfs behalve met haver en klaver gevoed wordt +met pastei uit schotels en met Chios-wijn uit drinkschalen! Een +vreemde ijdelheid welde op in mijn menschehart: een ijdelheid om +mijn ezelevorm, die zoo volmaakt was en zoo verfijnd. Ja werkelijk, +nooit had ik een dergelijken prachtigen ezel gezien als ik zelve was +en zoo heel ongelukkig om mijn dierevorm kon ik mij niet meer voelen, +vooral nu ik wist, dat Charis mij lief had. Een menschelijke ijdelheid +was de mijne zeer zeker, een mannelijke ijdelheid, zoo als echter +dieren er wel eens hebben; paarden hebben vooral die ijdelheid, een +paard is ook een edel dier en heeft bijna menschelijke hoedanigheden +en ik voelde mij wel een edele ezel. + +Zoo gingen de dagen voorbij, toen op een morgen de wondermeesters +mij op zochten en tot elkaâr zeiden: + +--Hij ziet er nu prachtig uit! + +--Hij heeft een vacht, als zilver zoo licht grauw! + +--En als zij zoo zacht: voel toch eens! + +Zij streelden mij alle drie de vacht: ik trilde van voldane ijdelheid +en de slaven zeiden: + +--Wij hebben hem dan ook geborsteld! + +--En het heeft hem aan niets ontbroken.... + +--Wij kunnen Menedemus zeggen, zeide de oudste wondermeester, + +--Dat de verloving gevierd kan worden, viel de tweede in. + +--Maar een huwelijk zal het wel nooit worden! lachte de derde +wondermeester. + +En zij schaterden alle drie.... + +Maar zeide toen de eerste: + +--Arme Charis! Wij moèten haar onttooveren.... + +En de twee anderen vielen in: + +--Is zij onttooverd, dan wordt de verloving verbroken....!! + +--En kiest zij een harer neven.... + +--Izidorus.... + +--Pamfilius.... + +--Of Lyzippos misschien.... + +Ik begreep, dat zij ièder een anderen neef hadden op het oog, +die ieder van hen wederom bevoordeelde, met het geld van Menedemus +natuurlijk.... En ik dacht: + +--Als ik maar een ezel blijf.... Een pràchtezel, als ik nu ben.... Een +weelde-ezel, met zilvergrauwe, zijdige vacht.... + +En ik geloof, zoo mij te dier stonde zilverasters waren geboden, ik +zoû ze geweigerd hebben, uit angst voor Menedemus, die mij weg jagen +zoû, uit bezorgdheid om Charis' geest en gezondheid, uit ijverzucht +op hare neven.... + +Ik bleef een ezel. En mijne verloving zoû, werkelijk, worden gevierd. + +--Bericht Menedemus, zei de eerste wondermeester tot de twee +anderen. Laat hem bevelen alles in gereedheid te brengen. De jonkvrouw +heeft tot nu toe geduld geoefend maar het zoû haar kwaad doen haar +langer nog te laten wachten.... + +De twee jongere wondermeesters gingen. + +--Borstel hem nog eens, beval de oudste. + +En de slaven borstelden mij. Ik stond geduldig, zoo als een man +geduldig zit voor den spiegel bij den barbier. De slaven borstelden +mij en ik glom, zelve een spiegel gelijk. Zij schoren mij boven de +hoeven mijn pooten met gladde, breede banden. Zij knipten mij hier +en daar de wilde haren weg.... + +--Besla hem nu de hoeven en schilder ze.... + +En ze besloegen mij de hoeven, met gouden ijzers en zij beschilderden +mij de hoeven met menie-rood. Ik bewoog niet.... liet hen poot na +poot behandelen. + +De wondermeester lachte luid.... + +--De geduldigste ezel, dien ik ooit zag! prees mij de wondermeester. + +--En de prachtigste, die wij ooit zagen! prezen de slaven. + +--Zet hem zijn pluim nu op! beval de wondermeester. + +De slaven omvatten mijn kruin in een gouden band, waarin een roode +pluim stak; het voelde wat zwaar maar ik was verzekerd, dat de pluim +mij wel stond,.... tusschen mijn lange ooren. + +--En doe hem zijn mantel om.... + +De slaven, lachende, kwamen met den mantel, die was als een schabrak +van reepen rood en met gouden bloemen doorweven, met gouden franjes, +en met een gouden band om het middel bevestigd en mijn staart trokken +zij tusschen de reepen door; mijn hals en borst en voorrug bleven vrij. + +--Hij ziet er als een echte bruidegom uit! riepen de slaven en de +wondermeester knikte wel te vreden. + +Intusschen scheen, op der beide andere wondermeesters aandrang, +Menedemus zijne bevelen te hebben gegeven, bevelen, dat de verloving +zijner dochter gevierd zoû worden, dien zelfden dag. En voerden mij +de drie wondermeesters, met al hunne slaven, naar buiten.... met een +handklap op mijn schoft.... + +--Zoû hij kunnen loopen, zonder dat wij hem aan een teugel +hielden? raadpleegde de oudste wondermeester de twee anderen. + +--Laten wij het eens probeeren.... + +--Hij is zachtmoedig; hij heeft nooit nog tegen gestribbeld, meenden +de anderen. + +--Charmides! lokten zij mij. Charmides, kom dan.... + +En zij poogden mij te dresseeren, zoodat ik los zoû loopen tusschen de +slaven en er niet op het onverwachts van door zoû gaan, met kluchtige +ezelbuitelingen. De dressuur gelukte hun in minder tijd dan zij zeker +hadden gedacht, want ik had mij voorgenomen zoo tam en beschaafd +een ezel te zijn als geen ezel in Thessalië. Ik trad dus tusschen de +slaven naar voren. Ik liep afgemeten en sierlijk op mijn menie-roode +hoeven met gouden ijzers beslagen. Ter zijde bezag ik mij in een der +vijverplassen en ik was wel te vreden. Tusschen de lotusbloemen, +die al het zonnelicht op vingen als in schalen albast, zag ik mij +weêrkaatst en herkende ik bijna mijzelven aan mijn oogen. Herkende ik +mij bijna aan zekere trekken en uitdrukking van mijn ezelgezicht. En +bewonderde ik mij, zoo als ik vroeger wel eens mij in een metalen +spiegel bewonderd had: toen als een knappe jongen, die op iedere +mooie vrouw verliefd werd; nu als een sierlijk getuigde weelde-ezel, +wiens verloving gevierd zou worden met de lieflijkste maagd ter +wereld! Wèl in mij de weemoed, dat ik geen man was, maar die weemoed +getemperd door het geluk, dat Charis mij liefde al was ik een ezel, +juist omdàt ik een ezel was. + +Ik naderde, tusschen wie om mij waren, tusschen de lotusvijvers, +het groote, wijde grasveld, dat zich uitstrekte voor de zuilenrijke, +half-cirkelige portiek van het landhuis. En omdat de slaven koperen +cymbels hadden ter hand genomen, die zij sloegen tegen elkaâr, naderde +ik te mid van mijn stoet met schetterblijde muziek. Andere muzikanten, +met fluiten, voegden zich bij ons en de lieflijke hymenæische melodieën +liepen op en af als blijde beekjes van water. Om mij straalde de +morgen. Als een paleis der goden straalde de witte woning en de +schaduwen langs de zuilen waren bijna azuur, zoo onwerkelijk tooverde +het morgenlicht de tinten òp der dingen van natuur en van menschen Er +beefde een goudene rilling over de plassen, er weefde een trilling +van lenteglans over alles: over het bevend turkoois van het water, +over het warme marmer gloeide die glans van vuur.... + +Maar uit het landhuis, op muziek ook van fluiten en cymbels, kwam +mij Charis te moet. Zij was omringd door haar vader en broeders en +neven en hare maagden dansten om haar en jubelend liep zij mij tegen. + +--O mijn Charmides! riep zij. + +.... Hoe wist zij mijn naam toch....? + +--O, mijn Charmides, mijn held en mijn heerlijkheid, ben je daar +eindelijk, genezen en zoo krachtig en schoon! O mijn vader, zie: o +mijn broeders en neven, ziet: wie is er met mijn held te vergelijken?! + +En zij slingerde om mijn nu zacht zijdigen, zilvergrauwen nek hare +armen en stond toen, zegevierend. + +Ik zag Menedemus glimlachen. Ik zag zelfs lachen de jaloersche +neven, de bezorgde broeders. Nu ik werkelijk een zoo goed verzorgde, +wèl doorvoede, glanzig geborstelde ezel was, schenen zij Charis te +gunnen hare verdwazing en lieten zij haar begaan. Zij kuste mij op +den snoet en van zaligheid rilde ik. Tevens nam ik mij voor, niet +te balken, nóoit te balken en mij te gedragen geheel en al als een +kunstig gedresseerde ezel zich zoû gedragen. Hoe gelaten die rol +ook was, zij was de eenige, die mij geschikt scheen, wilde ik mijn +geluk laten duren. Bruidegom, kon ik niet anders zijn dan geduldig +en lijdzaam. Charis kuste mij, maar ik kon Charis niet kussen. Ter +nauwer nood dorst ik mijn ezelesnuit even, speelsch, tegen haar handje +reiken. Charis omhelsde mij, maar ik kon niet Charis omhelzen: ik +stond slechts en onderging wat ik zoo gaarne zelve volbracht had en +mijn geheele manneziel in vorm van weelde-ezel was er op gespitst mij +voegzaam te gedragen, zoodat allen vertrouwen in mij stellen zouden. + +Maar Charis, tusschen de maagden, geleidde mij naar het terras in het +midden der zuilen van de portiek. Er waren daar tapijten gespreid; +er waren groote kussens gestapeld. En Charis, met de wondermeesters, +deed er mij zitten, zoo als dezen meenden, dat zij het mij hadden +geleerd; op mijn achterdeel en met de twee voorpooten gestrekt. Ik deed +het deftig, als een geleerde ezel het zoû hebben gedaan en Menedemus +en de broeders en de neven lachten. Zij zetten zich om ons rond. En +Charis vlijde zich aan mijn zij.... + +--Bijt hij niet? hoorde ik Menedemus fluisteren tot den oudsten +wonderdokter. + +--Hij doet geen vlieg kwaad, heer, antwoordde de wonderdokter; maar +wij hebben dan ook werk aan hem gehad, al die weken, dat wij hem +hebben verzorgd en geleerd! + +En Charis leunde zich liefdevol tegen mij. Hoe gaarne had ik ook haar +niet aan mijn hart gedrukt. Maar ik had een ezelehart en ik had geen +armen, maar vier pooten. Gelaten bleef ik dus zitten, sidderend van +geluk en ontroering en alleen boog ik, bijna teeder, mijn kop over +haar heen, zijlings met mijn blik van bijna menschelijkheid. Ik hoorde +de broeders en neven lachen: die menschelijkheid trof hen zeker en +zij dachten natuurlijk, dat zij was aangeleerd en zij vonden haar +komiesch en vermakelijk. + +Maar Charis zeide mij teeder, terwijl zij opzag in mijn menschelijke +oogen: + +--Mijn lief, ik herken je blik... Van den eersten keer, dat ik je +zag... Het was bij de poort van Hypata... Het was buiten de stad, +op den heirweg... Je liep naast mijn draagstoel voort... Je blik, +je lieve blik staarde mij toe... Ik had je lief, ik had je lief om +dien blik... Toen... toen verdween je.... O je verdweent!! En een +slaaf riep luide ons van zijn rijdier toe, dat wie verdwenen was, +Charmides heette en de zoon was van Lyzias uit Epidaurus! Nooit heb ik +je naam vergeten! Charmides, Charmides, weêr heb ik je gevonden, ik, +Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata!! En wij zijn gelukkig en +wij zijn verloofd, o Charmides, o mijn Charmides: Charis en Charmides +zijn verloofd! + +In den licht-trillenden morgen klonken onze namen te zamen op, terwijl +de fluiten trillerden en de cymbels goud schetterend te zamen sloegen. + +En het blijde feest rondom ons, zalige verloofden, begon! + + + + + + + +XII. + + +Ik zat naast mijn liefde op een soort van troon vol kussens, tusschen +de zuilen van het terras en ik geloof, iedereen was wel verbaasd, dat +een ezel, die gekomen was de Goden wisten van waar, zoo wel-opgevoed +ter neêr zat, op zijn achterdeel, de voorpooten gestrekt en zonder +onwelluidend gebalk en het minste onvoegzaam gebaar, geheel en al +als een goed gedresseerde ezel, terwijl mijn bruid hare armen vaak om +mijn hals sloeg en zoete woorden tot mij zeide. Om ons zaten en lagen +op lage bedden Menedemus en zijne zonen en de neven aan en terwijl +de muziek der fluiten weêrklonk, met gouden cymbelslag onderbroken, +diende een zwerm van slaven ons een maal op, dat zij in vaatwerk van +goud en vazen van opaalblank kristal voor ons neder zetten op lage +tafelen. En het gebeurde alles zoo plechtig als bij een werkelijke +bruiloft. Mijn schotel en drinkschaal waren grooter dan van de +anderen en de wondermeesters hadden het mij zeer gemakkelijk gemaakt +pastei te eten en Chios-wijn te drinken en ik at en ik dronk zoo +mensch-beschaafd, dat--ik lette het zijlings wel op!--allen er schik +in hadden en zich vermaakten en den wondermeesters hunne bewondering +betuigden, zulk een wonderezel van mij te hebben gemaakt. + +Voor ons, in den stralenden morgen, glinsterden, zilveren spiegels, de +vijverplassen hier en daar, bloeiden wijd open de witte lotusbloemen, +weken de bloemevijvers weg naar het wijde verschiet en tusschen al +die schitterende waters waren de weiden, bespikkeld met duizenden +madelieven. De olmen en sycomoren vervioletten met vage, in licht +uitgeveegde kruinemassa's van heel verre boomen en over alles zwom +de wijde weelde van blauwe, diepste lucht. En over de weiden en +tusschen de plassen traden de maagden aan en zij dansten er over de +bloemen en tusschen de bloemen, zoo licht, zoo lucht als nymfen, +zoo ijl ook en onwezenlijk, als waren zij droomen en de muziek +klonk zoo ijl en onwezenlijk, als waren de cymbelslagen hoorbare +zonneschijn... Maar toen ik zoo gelukkig zat, roerloos bijna, met +Charis' armen als een lelieboei om mijn nek en naar de dansende maagden +zag, die onze verloving vierden, trof mij een onverwacht schouwspel, +vreemd als een wedergekeerde werkelijkheid. Want tusschen de vijvers +liepen op eens, in het gloeiende dagelicht, vier bruine jongens aan, +naakt en brons, en zij slingerden zich twee aan twee om elkaâr als +Hermes-caduceeën en liepen toen, de twee ondersten op hunne handen, +de twee bovensten zegevierend de handen omhoog, tot zij, in een +gestrengeld, ombuitelden en de bovensten op de handen liepen en die +eerst zoo geloopen hadden zegevierden op hunne beurt. Ik herkende +hen als de reizende kunstenmakers, die op het herbergplein te Delfi +hunne kunsten hadden vertoond en van verbazing zat ik te staren, +toen plotseling ik Demea herkende, met hare beide dansgenooten. Ik +had bijna wel kunnen balken van verwondering, dat ik Demea hier +plotseling verschijnen zag, maar vreemd was het toch niet, dat +Menedemus de reizende kunstenmakers gehuurd had om met hunne spelen +de bruiloft op te luisteren. Tusschen vader en broeders en neven van +Charis, Charis zelve aan mijn zijde, zat ik en verwonderde mij over de +vreemde dingen van het leven en de zonderlinge lotsverwisselingen, +die den menschen overkomen. Zoo Demea geweten hadde, dat zij nu +hare acrobatische toeren ten beste gaf voor Charmides, die een ezel +geworden was en die tóch zijne verloving vierde met de edelste maagd +in Thessalië! Zij liep over een koorde, die de twee mannen gespannen +hielden over de vijverplassen, de bloemoverladen wateren over; zij +liep met gazen vleugels aan en in gouden looveren omgoten en hare +genooten liepen als zij, en omdat de koorde vertrilde in het felle +licht, scheen het of zij drie libellen waren, die zweefden, zweefden +want zij liepen heel snel en het was of er de koorde niet was. En +het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken, +maar ik balkte niet. Toen, plotseling, geleidden de twee mannen +negen jeugdige ezels naar voren op de weide vlak voor ons terras +en het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken, +maar ik balkte niet.... Voor mij zag ik de negen jeugdige ezels; zij +waren getuigd en getooid en zij waren zekerlijk gedresseerd, want zij +dansten recht-op met Charis' maagden en de wondermeesters hielden de +buiken vast van het lachen en allen lachten, maar ik lachte niet en +balkte niet en zat slechts verwonderd te staren.... + +Toen zette Charis mij een bloemenkrans van lotuskelken, die zij +gewonden had, de lange stengelen door elkaâr, op den kop en zij leunde +tegen mij aan. En zij zeide: + +--Mijn lief! Zie, ginds zijn je schildknapen en zij dansen met mijn +maagden om onze oogen te verheugen! Zie je, mijn lief, het zijn +négen schildknapen en zij dansen met negen mijner maagden. Het zijn +schoone jongelingen, mijn lief, maar zoo schoon als jij is er niet +een! Niet een is er, die heeft zoo een lieven kop, rood gepluimd, +goud-omband en lotus-omkranst; niet een is er, die heeft zulke +diep blikkende, blauwe oogen; niet een is er, die heeft zulk een +zacht vochten snoet en zoo een roze, lange tong, of zulke lieve, +lange ooren, die zoo aardig bewegen heen en weêr, heen en weêr! En +niemand heeft er zoo een zilvergrauwe, zijdige vacht en zulke fijne, +sterke pooten met goud-beslagen, menie-roode hoeven! Te vergelijken, +mijn lief, ben je met nièmand, niet met je schildknapen, niet met +mijn broeders, niet met mijn neven, die zijn zoo gewoon-menschelijk +maar, maar jij bent een prins, een vorst, een god, mijn lief; jij +bent een fabelwezen, een mythe-schepsel, en ik min je, ik min je, +mijn lief! Wat ik alleen betreur, o mijn heerlijke lief, is, dat je +niet spreekt tot Charis! Eenmaal slechts heb je mijn naam genoemd en +je stem klonk me zoo zalig toe in mijn ooren en mijn naam sprak je +zoo lieflijk uit als niemand hem uitspreekt, mijn Charmides; allen +harden klank aan mijn naam liet je weg en mijn naam uit je lieven, +open bek, doorklonk mij met zaligheid! O zeg nog eens mijn naam, +zeg nog eens mijn naam, Charmides, o mijn lief! + +Ik kon het waarlijk niet nalaten. Om Charis genoegen te doen, zette ik +mij schrap op mijn voorpooten, rekte mijn nek, opende mijn bek en riep: + +--Ha.... hi! + +Ik hoorde alle de gasten in onuitbluschbaren schaterlach uit barsten +en zelfs de maagden en slaven en zelfs de kunstenmakers lachten om +het gebalk van den bruidegom, maar Charis jubelde: + +--Charmides! + +En zij omhelsde mij in liefdegeluk en strooide de lotusbloemen om +mij rond... + +Zoodra ik echter gebalkt had, schrikte Demea, op het koord. + +En afgesprongen, in hare gouden looveren omgoten en met hare gazen +libellevleugelen, liep zij in grootste verwondering naar ons toe, +bleef voor onzen troon en tafel staan en blikte mij diép in de +oogen. En nu zag ik, dat zij werkelijk ontstelde en zij riep, als +Charis geroepen had: + +--Charmides! + +Maar Charis schrikte op. En zij riep, hare armen om mijn hals: + +--Wat wil die koorddanseres! Wil zij mij mijns bruidegoms liefde +ontstelen! Ik ben ijverzuchtig! Ik wil niet, dat zij ons nadert! + +Maar Demea, die zich herstelde, riep: + +--O, lieflijke bruid, vergeef uw dienares en uw slavin! Ik wenschte +alleen in het glanzende aanschijn te staren van uw onverwinlijken held +Charmides, van den roemrijken veldheer, wiens faam tot de hoogste +luchten weêrklonken heeft en tot de verste horizonnen! En ik breng +hem enkel mijn hulde en roep hem toe: heil Charmides! + +Zij riep het en allen stemden in: + +--Heil Charmides! Heil den bruidegom! + +Bijna had ik gebogen naar links en rechts, maar ik bedacht mij bij +tijds. En balkte daarom slechts: + +--Hi--ha! + +En allen schaterden het uit en Demea schaterde het uit in mijn oogen. + +Maar Charis riep: + +--Hij dankt, mijn held, voor uw hulde, o blijde feestgenooten! + +En zij wierp zich aan mijn hals en nieuwe spijzen en wijnen werden +voor gediend en er was dans van ezels en maagden en fluitmuziek en +Demea zweefde met de beide andere meisjes over de, in het licht als +wèg vertrilde, koorde en de kunstenmakers buitelden.... + +Toen het feest ten einde was, daalde de zon, immense bloedroode schijf +aan den einder. De massa's van boomen, de looverkruinen vervloeiden +te zamen in roodgoudig violet, minder doorschijnend; in dichtere +schaduw slopen reeds schimmen van nacht.... Over de vijverplassen +rimpelde in meerderen bries de roode afschijn en brak in kabbeling bij +kabbeling tusschen de platte lotusbladeren en de blanke schalen, die +zich, groener in schutsbladen, sloten. Al de veldbloemen sloten. Het +lusthuis stond overvloeid van rood. En de hemel vervaalde in violette +schemering. + +Flambouwen werden ontstoken. En met zang en muziek werd ik in een +feeststoet terug geleid. Maar Charis, droevig, fluisterde, hare armen +om mijn hals: + +--Mijn lief, zij gaan ons scheiden....! Zij huwen ons nog niet, zij +huwen ons nog niet: vele offers schijnen eerst den goden te moeten +worden gebracht, opdat geen schaduw over ons geluk kunne vallen! Mijn +lief, zij gaan ons scheiden! + +Ik antwoordde niet, zelfs niet balkende, zelve droevig te moê... Wat +zoo ik mij bekend maakte! Ik aarzelde. Ik zoû, ach, onttooverd, niet +meer zijn dan een handelsreiziger en Menedemus zoû mij, onttooverd, +verjagen! En nu, dat ik ezel was, bleef ik Charis' bruidegom. Zonder +verdere hoop en verwachting, maar toch, toch welke zaligheid nog, +in vergelijking met wat onttoovering brengen zoû. Een ezel, een ezel +wilde ik blijven! + +En de stoet geleidde mij verder. Niet meer naar een stal, maar naar +een marmerzuilig pavillioen. Tusschen bloemenkransen en maagdendans +en ezelgetrip en flambouwengeflakker en muziekgeschal geleidden zij +mij waar vreemdelingen van aanzien, Menedemus' gasten, gewoon waren te +overnachten. Geleidden zij mij binnen een zaal, purper behangen.... En +weende Charis, scheidende van mij met laatste omhelzing en mede +gevoerd door vader en broeders, die troostten. + +De wondermeesters sloten de zaal. Ik zag om mij rond. Een +bed van purper, groot genoeg voor mijn ezelleden. Een bad van +porfier. Bloemenkransen om zuilen. Slaven naderden mij; zij onttuigden +mij, vroolijk om den bruidegom, die een ezel was en verlieten mij +met kluchtige huldebuigingen. Ik bleef alleen.... + +De nacht viel: door de hoog aangebrachte ramen starrelde de +zomerlucht.... + +Plots hoorde ik: + +--Charmides! + +Een stem riep. Ik zag op. Aan een der hooge ramen had Demea zich +buiten opgeheschen en keek zij naar binnen in mijn nachtschemerig +verblijf. En zij riep, fluister-zacht toch: + +--Charmides! Ik heb je herkend! Je bent betooverd! Je bent geen +ezel maar je bent mijn Charmides, die betooverd werd! Herinner je, +Charmides, Delfi en den vervallen tempel der Pythia en onze liefde, +onze brandende liefde! Zie, mijn looverenkeurs is het purper, dat +je mij gaaft en om mijn hals hangt de valsche maar wonderkrachtige +peerparel! Charmides, waar is de filter, dien ik je gaf?! O, Charmides, +Charmides, hoor mij! Ik zal je deur open breken--sterk ben ik--en +ik zal je rug beklimmen en wij zullen vluchten van hier en ik zal je +onttooveren met een heel sterken filter en wij zullen gelukkig zijn, +ver van de menschen, op de rotsen, in de wouden, op de bergen! Ik +weet de wondere plaatsen! Charmides, zeg mij, wil je? + +Maar ik schudde met mijn kop van neen.... + +--Charmides!? Wat? Wil je een ezel blijven, wil je een ezel blijven +om Charis! O, dwaze Charmides, die eenmaal een man was, verliefd op +alle vrouwen en nu een kuische ezel is, wien zelfs geen simpele ezelin +bekoort! O, dwaze Charmides, o domme ezel, die zelfvoldaan vertoeft +in een marmeren pavillioen bij een bad van porfier en een bed van +weelderige kussens.... Kom tot inkeer! Knik van ja! Dat ik je deur open +zal breken!? Dat wij, ik op je rug, vluchten zullen van hier! Dat ik je +onttooveren zal! Dat je mij lief hebt, Charmides, als een man, die je +weêr worden zult, en dat je niet Charis lief hebt, voor wie je nooit +anders dan een ezel zal blijven, dwazelijk getuigd als een bruidegom, +die nooit gemaal, nooit gemaal zal worden! Charmides, Charmides, knik! + +Ik knikte niet, ik schudde mijn kop van neen. + +--Vervloekte Charmides! riep woedend Demea. Blijf dan een ezel, +jij ezel, die je bent, ezelachtige ezel!! + +En met een hoongelach glipte zij weg.... + + + + + + + +XIII. + + +--Vader, waarom huwen wij niet? + +Zoo klonk Charis' stem, een avond vol van zomerweemoed. Hare arm lag, +blank, rond en meisjesjong over mijn nek, waar ik stond in de weide +en speelsch met mijn bek de halmen en lang opgeschoten veldbloemen +trok. Charis speelde vaak met mij en hare verwanten prezen mij, +dat ik een zeer tamme ezel was. Want dikwijls liep Charis voor mij +weg en moest ik haar achtervolgen en zij lachte als een kind en ik +achtervolgde haar dan, hield mijn draf in, om haar langer van het spel +te doen genieten en dan, eindelijk, haalde ik haar in en greep zacht +tusschen mijn tanden den slip van haar sluier. En zij gaf zich dan +gewonnen en leunde, lachende, tegen mij aan en kuste en bekranste mij, +omwond mij met bloemen. Hare maagden dansten om ons rond en wel eens +zette zij zich op mijn rug en ik liep in een cirkel over de weide, +terwijl Charis jubelde van pleizier. Of ik lag in het lange gras, +sierlijk en voegzaam en zij zette zich naast mij, zei lieve woordjes +en vertelde mij fabels. En hare handjes streelden mijn kop, gleden +mijn ooren langs, die zij wenschte heen en weêr te zien bewegen, +het eene hoog-op, het andere hangende en dan weêr beurtelings het +eene hangende, hoog-op het andere en zij lachte, hare lieve oogen +diep in mijn oogen.... + +--Zeg dan, vader, herhaalde Charis; waarom huwen wij niet? + +Om Menedemus stonden de wondermeesters, de broeders, de neven. En +zij fluisterden meêwaardig onder elkaâr en ik hoorde Menedemus tot +de wondermeesters zeggen: + +--Wanneer onttoovert ge mijn dochter dan eindelijk, dat zij ziet, +dat zij verliefde op een ezel, verloofd is met een ezel? + +En de wondermeesters schudden bedenkelijk met de hoofden en +de Frygische mutsen. Maar Charis weende en op een teeken van de +wondermeesters, die meenden, dat zij het mij hadden geleerd, liep ik, +dansende, in het rond, sierlijk met goud-beslagen, rood geschilderde +hoeven, zettende den een voor den ander. Toen lachte Charis weêr en +de maagden dansten om mij en zij zelve danste mede. + +En zij vonden mij allen een bewonderenswaardige, goed gedresseerde +prachtezel, zoo tam en die geen vlieg kwaad zoû doen en vooral niet +zijn lieve bruid Charis, maar aan huwelijk was niet te denken! En +daarom was ik zelve ook vaak wanhopig, wanneer ik dacht aan mijn +betoovering, aan mijn herschepping en tevens overpeinsde, dat, zoodra +ik herschapen in een man en onttooverd zoû zijn, ik niet meer dan +een handelsreiziger zijn zoû, Charis niet evenboortig, als hare neven +waren, zoo dat mijn zalig geluk gedaan zoû zijn! O, hoe lang zoû het +nog duren! Nog nooit had ik zoo lief gehad, zoo innig, zoo teeder en +zoo geduldig. Ezel, voelde ik mij bijna gelukkig, als ik nog nimmer +geweest was. + +Dien middag, dat Charis sliep, door de maagden in slaap gezongen +onder een dicht rozen-begroeid traliewerk--de witte rozen hingen, +de traliën langs, langs haar heen--zag ik haar, van uit de weide, met +liefde, geluk en weemoed aan. Zomerzonneschijn golfde omlaag. En toen +dwaalde ik verder tusschen de vijverplassen, die blonken en blikkerden +goud en blauw, overbloeid met de ontlokene bloemen. En naderde het +altaar van Venus-Afrodite tusschen het roode-rozenbosch. De godin rees +marmer en wonderschoon achter haar altaar in de purperen schaduw. Het +boschje zoemde vol van verliefde vliegjes, die dansten. De duiven, +die er nestelden, klapwiekten er uit op en zilverden over de stralende +lucht. En ik boog de voorpooten; ik knielde neêr. En ik bad: + +--Heilige godin, bad ik. Wees mijn toeverlaat, wees onze +toeverlaat! Help ons! Charis, betooverd, heeft in mijn ezelvorm lief +Charmides, dien zij zàg, een, twee seconden naast haar draagstoel, +op den heirweg, bij de poort van Hypata. Groote godin, help ons! Niet +alleen zilverasters kunnen mij helpen! Misschien helpen uw roode +rozen mij beter! + +En, ezel, lag ik geknield voor de godin. En wat ik Charis nooit had +durven doen, deed ik de godin: ik kuste met mijn ezelsnoet haar den +marmeren voet. Ik brak teeder met mijn tanden enkele harer rozen af +en legde de bloemen op haar altaar, opdat zij in meerderen geur van +vereering zouden uit bloeien aan haar voet.... + +En ik dwaalde terug. Er was het blijde feest, als er iederen middag was +met mijn bruid; er was het uitgezochte maal en de dans en de muziek.... + +--Vader, waarom huwen wij niet...? hoorde ik wederom Charis vragen. + +Maar mijne dienslaven geleidden mij terug tot het pavillioen. Uit +vertrouwen en zorgeloosheid lieten zij den laatsten tijd de deur +open. Zij waren zoo gewend in mij te zien een wonderlijk tammen, +goed gedresseerden ezel, een ezel, die menschelijk at en aan lag, een +ezel, die speelde met hunne jonge meesteres, een ezel, die zich nooit +onvoegzaam gedroeg, die als een mensch zijn pavillioen bewoonde. Zij +lieten mij doen als ik wilde.... + +De nacht was zwoel, of onweêr dreigde. Ik kon niet slapen, op mijn +weelderige kussens. Ik legde mij op het koele vloermozaïek, mijn +ezelebruin vol mensche- en mannegedacht. Ik stond weêr op en trad uit +het pavillioen. Ik dwaalde over de weide. Ik zag naar den hemel. In +der daad, zware wolken dreven aan uit het Noord-Westen.... Zij +ontrolden, naderende, als een dikke rook.... Zij bedekten geheel +den hemel.... Plotseling...! Plotseling zag ik in de rollende wolken +menschengezichten.... + +Heksen? Gedrochten? Helsche wezens? Ik verborg mij in het dichtste +struikgewas onder zwarte steeneikenbladeren. Ik zag toe, ik luisterde +toe.... + +Drukkend, maar anders dan van naderend onweêr, rolden de wolken +nader.... Overdekten nu geheel de lucht boven het landhuis.... Waren +als éen wolkende nacht over de weiden.... Van nachtkim tot +nachtkim.... En omsloten met de bergen weiden en woning als in een +knellenden, vijandigen cirkel.... + +Ik hoorde stemmen.... De stemmen, zij sisten en suizelden als met +slangegeschuifel, daar boven, in de dichter broeiende wolken.... En +het was als een onweêr, hoewel het geen onweêr was. Zeker zouden de +bewoners van het landhuis denken aan onweêr. Maar ik, ik wist reeds +genoeg van de onheilige dingen van Thessalië om te weten, dat dit geen +onweêr was.... Ik spiedde uit, uit mijn schuilhoek. En plotseling +verduidelijkten zich hel in felle sulfergloren, die als weêrlicht +schenen, de tronies der aangezweefde, demonische schepselen, bleek, +grijnzend, dreigend. En door het schuifelen en suizen en sissen heen, +verstond ik de woorden, die weêrklonken van uit de rollende wolk, +die woelde boven de wereld.... + +--Zeg ons, heer, uw wil! Zeg ons, machtige Chersonezus, uw machtigen +wil...! Gehoorzaam zullen wij uw wil volvoeren, wij geesten van +de lucht.... + +--Wij geesten van het water...! + +--Wij, van het vuur...! + +--Wij, van de aarde...! + +--Wij, àllen, elementen, waar over gij heerscht, o machtige +Chersonezus! Zeg ons uw wil!! + +En het donderde en het weêrlichtte, of was het enkel het rollen der +wolken en dringen der dreigende geesten en de sulfergloor van hun +atmosfeer, die telkens hel op vlamde tusschen de dichter en dichter +aankrullende dampen? Maar een vreeslijke stem, machtig, weêrklonk.... + +--Heilige goden van Eleuzis! bad ik. Bewaar wie mij dierbaar is!! + +....--Heft gehéel dat verdoemde huis in de lucht, als ware het niet +meer dan een pluim, die op waait in den wind. En stort het dan neêr op +de aarde! Vernietigt het, verdelgt het met aardbeving en stormgeweld en +met vlammen! En doet tusschen die verdelgingen Charis alleen behouden +blijven, zoo dat zij tusschen de puinhoopen aan mij is en ik haar +ontvoer door de luchten! + +Een vreeslijk warrelen en woelen begon. Bijna had ik luide gebalkt +van ontzetting. Ik balkte echter niet en onder de zwarte schaduwen en +tusschen struikgewas en struweel, sloop ik terug. Ik glipte over de +padden, die angstiglijk brulden. Ik struikelde over de slangen. Ik wist +niet of zij dieren waren, gunstig aan Chersonesus of ongunstig. Over +de weide sloop ik onder het razender en razender rumoer in de luchten, +sloop ik, staart tusschen de pooten, glipte ik tusschen de waaiende +halmen.... + +--Goden van Eleuzis! Doet mij onzichtbaar zijn! + +.... Sloop ik terug en bereikte het landhuis.... Boven mij +scheen de storm al zijn geweld in éen woesten draaikolk samen te +mengen als een heks haar brouwsel hadde gemengd in een immensen, +zwarten ketel. Lichtende vlerken waren niet meer dan schichtende +bliksemflitsen.... Ik naderde de zuilenrijke portieken, die angstig +opblankten, telkens, dat de bleeke gloren op gloeiden.... Ik rende nu +de portieken door, ik rende tot voor het raam van Charis' eigene kamer. + +Niemand bewoog in huis? Sliepen zij allen, trots het vreeslijk geweld, +rond kolkende om in de nacht boven het huis, of waren zij reeds, +vóor hunne verdelging, betooverd? Niemand bewoog. Maar voor het raam +van Charis hield ik stand.... + +--Hi-ha! balkte ik. + +Niemand antwoordde en mijn gebalk verloor zich in den rond donderenden +storm. + +--Ha-hi! balkte ik, als ik het kon, Charis' aangebeden naam. Ha-hi! + +Ik stiet met mijn snoet tegen de luiken. + +--Ha-hi!! balkte ik steeds en van overspanning, eindelijk, balkte ik: + +--Cha-i! Cha-is! Chà-ris!!! + +De luiken werden ge-opend. Charis, het blonde haar los om de schouders, +verscheen, zóo blond, zoo blank in haar blanke gewaad.... + +--Charmides! kreet zij. Mijn lieveling! Wat is er!? De storm barst +los! En ik ben bang, ik ben bàng! Hoor dien ronden donder draaien en +rommelen blijven boven het huis! Zie de felle lichten! Charmides, +o bescherm mij! Iedereen slaapt in diepsten slaap! Mijn vader, +mijn broeders, mijn neven, de maagden, de slaven! Charmides, het +aardbeeft! Vader! Broeders! Neven! Is dood dan iedereen al!? + +--Charis! balkte ik.... + +....En in mijn overspanning spràk ik en riep, wijd mijn bek open +naar Charis: + +--Be...stij...g... mijn... rr...ug!! + +Charis begreep; zij slaakte een gil, bijna van vreugde: zij klom op +de raampost; vlàk tegen den muur hield ik mij gedrukt; zij wierp zich +op mij.... + +--Sla... om... mijn... nek... je armen! + +Zij sloeg hare armen om mijn nek. En ik holde voort, de portieken +door.... Het aardbeefde, het aardbeefde vreeslijk.... En ik holde voort +ter zij van het huis, maar het scheen te trillen, en te bewegen.... Ik +holde voort, op het gevoel af, want het was inkt-donker om ons, +een duisternis, die alleen de sulfergloren bleek op lichtten, telkens. + +Dan vergewiste ik mij, dat ik goed draafde, over de weilanden, +tusschen de vijvers, naar de heiningen. Mijn draf scheen niet te worden +bespeurd, door de helsche geesten, die al hunne machten samen stuwden +boven het huis. Eens dat hunne bliksems flitsten, zag ik om.... En +ik zag, o verschrikking, het geheele huis met zijne portieken, die +wankelden, in de lucht zich verheffen, als in een vreemd vizioen, +maar dat waarheid was: ik zag het prachtige landhuis sidderen op zijne +grondvesten tusschen de wolken, waarin het gelicht werd en die het +als een zwart stormende zee omdrongen; ik zag het toen storten in +éen, met brokkelende zuilen, die even nog op glansden in de gloren +der helsche flitsen, ik zag het toen vernietigd, een wrak gelijk, +uit-een drijven op den steeds kronkelenden damp... + +Bij het einde der weilanden, op de zelfde plek, waar Charis mij had +binnen geleid, sprong ik over de heining, draafde ik langs de rivier, +even slechts te raden met huiverig bleeken afglans, draafde ik, +draafde ik voort, Charis steeds liggende over mijn rug, hare armen +vast om mijn nek. Hoe lang ik draafde? Ik weet het niet! Waarheen +ik draafde? Ik wist het niet. Ik draafde slechts, draafde slechts: +ik draafde denkelijk de geheele nacht. Somber bleef de nacht maar de +storm, de duivelsche storm, had alleen zijn kring getrokken rondom +het domein van Menedemus, en wij waren dien tooverban uit. + +--Goden van Eleuzis! bad ik telkens. Goden van Eleuzis! Behoedt +ons allen! + +En in de donkere nacht draafde een onzichtbaar grauwe ezel met de +witte vlak van een blonde maagd op zijn rug voort, langs de bleeke +rivier, onder de wind-doorzwiepte boomen. Tot ik, uitgeput, omzag, +stil hield.... Achter ons verdiepte de nacht, voor ons schemerde door +de vale sluiers het allereerste dagebegin. Een wand van rotsen piekte +voor ons op.... Maar ik had Charis gered! + +Zij gleed van mijn rug op het mos, half bezwijmd.... Zij strekte +de armen nog naar mij uit.... Ik viel voor haar neêr, ik wilde haar +omhelzen, haar drukken aan mijn hart. + +Maar ik herinnerde mij dadelijk na, dat ik een ezel was... En ik bleef +op mijn voorpooten geknield, aanbad mijn geliefde en wilde haar roepen +bij haar zoeten naam.... + +Maar verloren had ik mijn menschestem, die mij uit wanhoop éen +oogenblik scheen terug geschonken en ik balkte slechts rauw mijn +ruigen ezelskreet.... + +Die tegen de rotsen, weêrechoënd, brak.... + + + + + + + +XIV. + + +De morgen straalde. Ik zag om mij rond. De rivier aan den rand van +het woud en den weg, overschaduwd door takken en blâren.... Maar dan, +ter zijde, het rotsgebergte. Het was piek bij piek, die uit stak; +hoogere en lagere rotsen stonden verwonderlijk recht de lucht in, +als met een leger van bijna regelmatige pieken; zij schenen als +menschelijke monumenten te rijzen, als een stad van steen, als een +massa van vreemde torens, maar zij waren enkel het werk der natuur; +zij staken hunne hemelhooge monoliethen, hun steile, gladde gevaarten +met ontzaglijke kegels op in de blauwste lucht; sommigen schenen +wel naalden zoo scherp in de verte en verschemerden in het rozige +lichtwaas. Twee arenden vlogen er over heen.... + +Toen boog ik mijn kop naar Charis. Zij sloeg juist de oogen op en +zij riep, angstig: + +--Mijn lief, waar zijn wij? + +Ik wist niet hoe haar te antwoorden, bang haar met mijn rauw gebalk +te verschrikken. Maar zich richtende op de knieën, herhaalde zij: + +--Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij? + +En zij sloeg de armen om mijn nek. + +--Zoo lang heb je gedraafd, zoo ver heb je mij gevoerd, weg van mijn +vader en van mijn verwanten en mijn maagden zijn niet om mij heen! Mijn +lief, mijn lief, waar zijn wij? + +Ik kuste haar met mijn snoet de hand, ik likte haar de palm, maar +ik wist niet haar te antwoorden. En zij rees plotseling op. Zij zag +zich in haar witte kleed, met hare lange, blonde haren los, zonder +mantel of gordel of sluier en zij begon luide te schreien en riep, +dat zij wilde naar huis. Bedenkende hoe ik haar troosten kon, plukte +ik gele en blanke veldbloemen met mijn tanden af en wierp ze op om +haar heen. Zij lachte als een kind, zette zich neuriënde en begon de +bloemen te vlechten en ons met de bladeren te versieren. Ik draafde +om en om, om haar te vermaken en den krans, dien zij gevlochten had, +zette zij mij om de lange ooren heen, die zij zoo gaarne heen en weêr +zag bewegen. Dan scheurde de krans en viel af en zij hervatte haar +werk, terwijl ik de grashalmen graasde.... + +--Ik heb honger! riep zij op eens, als een kind. + +Wanhopig zag ik rond. Waar heen zoû ik Charis voeren? Dit eenzame woud, +dat wij waren uitgedwaald in de nacht; deze stroom, dien ik niet wist +of hij de Sperchius was en waar langs ik niet wist wàar te geraken +en dan die vreemde rotsenmassa, die zonderlinge natuurspeling van +dat oppiekende, -piekende rotsgebergte, dat, nu klaarder het licht +werd, scheen te rijzen, eindeloos te rijzen, dat scheen te pieken, +op te pieken tot den verren horizon toe.... En zoo ik ook iets nog +geweten hadde van woud en stroom en rots, wat zou ik ook hebben kunnen +aanvangen met een teêre, onnoozele en betooverde jonkvrouw, gewoon +aan de liefdevolste en te gelijker tijd weelderigste zorgen, gewoon +aan rijke kleederen, aan kostbaar huisraad, aan uitgezocht voedsel +en steeds omringd door een schaar dienaressen, die haar omzongen, +omdansten, elk van haar wedijverend met Charis in schoonheid? Hier +ving ik den nieuwen dag en het nieuwe leven aan, bemind en minnende en +samen, alleen met mijn bruid, zonder iets voor haar te kunnen doen, +dan haar te dragen op mijn rug! O, hoe wanhopig zwol op eenmaal in +mij het late berouw, dat ik, onbezonnen, omdat ik beminde, mij niet +als eveneens betooverd had bekend willen maken, door met mijn poot +een paar letters in het zand te schrijven, zoo dat de wondermeesters +mij zilverasters hadden kunnen zoeken en ik op nieuw weêr mensch en +man ware geworden. Dàn ware ik weg gejaagd, ik koopmanszoon, wien +Menedemus nooit zijn dochter van vorstelijke geboorte als vrouw zoû +willen afstaan, maar dan hadde ik beschikking gehad over onmisbare, +menschelijke hoedanigheden; dan hadde ik misschien, wie weet, zoo niet +op mijn rug, Charis geschaakt in mijn armen, dan ware ik met haar +gevlucht en hadden wij ons geluk ergens in stille zaligheid kunnen +verbergen, terwijl nu...! Wat ving ik met mijn geliefde aan!? Zij was +wederom in schreien en snikken uitgebarsten; zij liep handen wringende +om; zij wilde niet meer met de bloemen spelen.... Ik deed haar de +vlinders op letten, die fladderden om ons rond, maar zij lette de +vlinders niet op, de goudvisschen, die snel schoten den stroom af +als zonneflikkeringen, maar zij lette de visschen niet op en zij +klaagde, de armen om mijn hals en smeekte mij haar terug te voeren +naar huis. Zoo dat ik, met mijn goud-beslagen hoef schreef in het zand: + +--Zet je dan weêr op mijn rug... + +Zij lachte door hare tranen en klapte in de handen, om dadelijk +meêwarig te klagen, dat ik mijn stem in den oorlog verloren had! Maar +zij juichte, dat ik nu schreef en zij wierp zich op mijn rug en +zat tevreden, half liggende, hare armen om mijn nek. Bekranst en +versierd wij beiden met bloemen en blârenfestoen, liep ik met Charis +den rotsberg om, langzaam.... Honger had ik niet, daar ik grazen kon +en geen wijn en pastei behoefde, maar Charis klaagde op eens weêr: + +--Charmides.... Ik heb honger! + +Ik wist wel, zij léed nog geen honger, maar toch zwol de wanhoop +weêr in mij op.... Waar vond ik voedsel voor mijn bruid...? Tot +ik plotseling, opener het woud en de zon gestegen, een vruchten +dragenden appeleboomgaard bespeurde en ik blijde het zette op +een draf. Charis, van pleizier, juichte op en in den stralenden +zomermorgen liep daar een ezel, met een schoone maagd op zijn rug, +beiden vertuit met bloemen en blâren als voor een herdersfeest, den +rood doorappelden bongerd te moet.... En tusschen de boomen doolde ik +met Charis langzaam voort en zij plukte de appelen, die laag hingen +en ik at de appelen, die, overrijp, waren gevallen over den grond +in gras en madelieven en mos. En een oogenblik gevoelde ik, dat wij +beiden zalig gelukkig waren. De morgen, de zon, het gras, de appelen, +onze kransen, wij beiden te zamen alleen, terwijl alleen de vogelen +om ons twetterden, de vlinders in liefde fladderden, de mugjes als +genstertjes schitterden: meér was er niet, maar dit oogenblik was +dat alles genoeg van geluk voor de beide betooverden, voor Charis, +die verliefd op haar ezel was, voor Charmides, den verliefden ezel, +op wien Charis verliefd was geworden. En ik dwaalde met Charis den +bongerd door, ik steigerde speelsch of sloeg met de achterpooten uit, +ik balkte zelfs Charis' naam, zoo als ik het kon en de roode appelen +lokten, honderden, om ons heen.... + +Zoo gingen de uren voorbij en vergaten wij beiden, dat wij geen +toekomst voor ons zagen, en had Charis haar honger gestild, en haar +dorst gelescht aan een beek en toen, van ons spel moede, zich neér +gelegd in het vliegjes-doorzoemde lommer, waar ik, in het mos gelegerd, +had gewaakt over haar sluimering. Maar nu, in de middagstilte, begon de +zorg, op nieuw in mij gewekt, om te zien naar een uitkomst. Ik spiedde +uit links en rechts en speurde geen menschelijk wezen. Als een witte +oven gloeide het piekende rotsgebergte door de appelboomen heen en +vertrilde tegen de stralende zomerlucht... Wat zoû die verdere dag, +wat zoû die nacht ons brengen? Hoe geheimvol onbekend was ons de +naaste seconde! Hoe zoû ik verder Charis kunnen behoeden, ik, een +ezel op mijn gouden hoefijzers, voor wilde beesten en saters, voor +heksen, voor alles wat de geheimnisvolle nacht met zich meê voert en +hoè voor honger, ellende, armoede! Alleen met mijn bruid in het woud, +had ik éen oogenblik kunnen vergeten, tusschen bloem en spel en ooft, +dat wij beiden betooverd waren en aan zware levensbeproeving bloot +gegeven, nu de middagstilte suisde om Charis' slaap en ik waakte, +wekte de wanhoop op nieuw zich in mij. + +Tot ik meende tusschen de bladeren geritsel te hooren. Ik spiedde uit +en werkelijk zag ik mannen sluipen.... Zoû ik balken, zoû ik mij bekend +maken als Charmides, de betooverde zoon van Lyzias van Epidaurus, +die met Charis, Menedemus' dochter, gevlucht was, van het instortende +landhuis weg? Bijna meende ik, dat dit het verstandigst zijn zoû, +toen ik begreep aan der mannen uitzicht, dat zij roovers waren! Ja, +zij waren roovers; geen armoedige, barre, weêrzin en afgrijzen wekkende +wilde-mannen des wouds, als mij hadden gestolen uit de houthakkershut, +maar wel twintig, dertig groote, sterke, gewapende roovers in korte +mantels gehuld en met groote hoeden op.... Zij slopen wel tusschen het +lagere hout--vermoedelijk om niet langs den heirweg te gaan--maar zij +praatten toch en lachten zelfs onder elkaâr, als of zij hier thuis +en bekend waren. Zekerlijk was deze afgelegen, prachtig gekweekte +appelebongerd, die wij geplunderd hadden, hun eigendom! Toch, roovers, +zoo ik bekend mij maakte, zouden misschien mij zilverasters kunnen +zoeken en ik zoû voor losprijs mijzelven weêr worden.... Roovers +zouden voor losprijs Charis vrij zeker laten.... Bliksemsnel bedacht +ik dit alles, tevens beducht of zij ruw geweld mijn aangebeden bruid +zouden kunnen doen.... Tot ik hunne woorden hoorde: + +--Deze nacht dus? + +--Ja, beaâmde wie hun hoofdman scheen. Het landhuis van Menedemus.... + +--Het omsingelen...? + +--Ja en zijn dochter schaken.... + +In ontzetting was ik opgerezen. Ik begreep, dat zij niet wisten, +dat Menedemus' landhuis was behekst geworden, in de lucht geheven, +vernietigd! Ik begreep, dat zoo zij het op Charis voorzien hadden, +een hun gunstig noodlot Menedemus' dochter op hun weg had gevoerd! Ik +begreep, dat geen tijd te verliezen was.... + +--Cha-i! stiet ik mijn bruid aan met mijn trillenden snoet. + +Zij ontwaakte, wilde mij omhelzen, maar dadelijk beduidde ik haar, +door te knielen, dat zij op zoû stijgen. En zij steeg op. En juist +toen de roovers in den bongerd verschenen, draafde ik weg, naar de +rivier terug. + +De mannen bleven bevangen staan. Het moest ook dien ruwe klanten als +een tooverbeeld, niet eigen der werkelijkheid, gelijken, hoe daar +een prachtige, zilver gevachte ezel, op glinsterend beslagen, roode +hoeven weg draafde met een blanke, blonde maagd over zijn rug, hare +armen om zijn nek en beiden versierd met bloemen en bladerfestoenen, +die nu af van hen vielen. Zij moesten wel denken aan een nymf uit het +woud, aan een goddelijk wezen, een onwaarschijnlijken ezel berijdend, +in het stralendste zonnelicht, tusschen de gelooverde en be-appelde +schaduwvallen, dravende naar de rivier, waar zij zeker in een mist +aan hun oog zouden worden onttrokken! En ik draafde door.... Maar de +mannen, wat ook hunne verbijstering hun had voor gegoocheld, waren ons +reeds met wijde passen achtervolgd.... Ons inhalen zouden zij zeker +niet, was ik mij overtuigd, terwijl ik hupte over steenen en boomtakken +en Charis juichte om den rit, niet wetende welk gevaar dreigde. Tot +plotseling, tusschen de rivier en ons, andere mannen op doken, +komende van den tegenovergestelden kant. Zij riepen elkander toe: +de eersten riepen den anderen toe, dat zij zich zouden verspreiden en +ons tegen houden. En in der daad, zij verspreidden zich in een wijden +cirkel, te zamen zeker een veertigtal roovers. Te vergeefs trachtte +ik hier tusschen hen weg te komen, trachtte ik daàr tusschen hen te +ontvluchten: zij sloten dichter hun cirkel en ik zag geen uitgang +meer en zij grepen mij aan snoet, aan staart, aan manen. Ik steigerde, +ik sloeg met de achterpooten uit, ik poogde hen, woedend, te bijten: +wat kan éen ezel tegen veertig Thessalische roovers! Luide hoorde +ik Charis van ontzetting jammeren, maar er was niets aan te doen: +de mannen omringden ons en de hoofdman Charis, die van mijn rug af +gegleden was, op beurende, riep: + +--Schoone jonkvrouw, die op uw ezel vluchtte, gij zijt aan ons en de +kostbaarste buit, dien Hermes-Mercurius, onze god, ons ooit gunde! + +Ik had geen tijd mij te verbazen, dat roovers den zelfden god vereeren +als eerlijke kooplieden in parels en purper: trillende stond ik op +mijn hoeven. + +--Een sterke, mooie ezel! prezen de roovers, mij slaande vol +hartelijkheid op de schoft. Een dappere ezel! Een flinke ezel! En +een edele, wonderschoone maagd, die hem berijdt! + +--Wie zoû zij zijn? vroeg de hoofdman. + +De roovers wisten het niet. + +--In alle gevallen een aanzienlijke maagd, die ons zal troosten, +mochten wij Menedemus' dochter heden avond niet kunnen ontvoeren, +zei de hoofdman. Jonkvrouw, berijd weêr uw ezel. Schrei niet en jammer +niet meer: wij wenschen geen kwaad u te doen. + +En hij dwong Charis mijn rug wederom te bestijgen en zij zette zich, +maar luid snikkende: + +--Mijn bruidegom! Mijn Charmides, red mij!! + +--Ver is uw bruidegom, meende de hoofdman; en zijn vrouw zult ge zoo +gauw niet worden! + +En zij voerden ons terug, door den appelebongerd: er was niets te doen +dan voort, met mijn bedroefden last, tusschen hen mede te stappen... + +Toen, omdat ik Charis noch redden, noch zelfs te troosten wist, +balkte ik wanhopiglijk luid uit naar den stralenden zomerhemel. + + + + + + + +XV. + + +Tusschen de roovers stapte ik nu voort, schreiende Charis op mijn rug, +den bongerd door, dan een eikenwoud door, tot wij naderden den wit +gestoofden wand van het rotsgebergte, dat als een vreemd kasteel, +immens en duizend malen getorend, op rees. En verwonderde ik mij, +waar zij ons henen leidden.... Tot de rooverhoofdman zeide: + +--Jonkvrouw, schrei nu niet langer. En duld, dat ik mijn mantel u over +het gezicht sla, want ge moogt niet zien, waar wij u brengen. Vrees +echter niets, geen kwaad zal u geschieden en ik wensch alleen losgeld +van uw ouders of verwanten te ontvangen; zoo dra ge ons de noodige +inlichtingen hebt gegeven, zullen wij ons in verbinding met hen +stellen en wil ik hopen, dat ge spoedig, met uw ezel, weêr vrij zijt. + +Zijn toon was zoo hoffelijk, dat werkelijk Charis haar jammeren staakte +en duldde, dat hij zijn mantel haar over het gezicht wierp. Onderwijl +lette ik alles goed op en had ik ook eén oogenblik gedacht mij aan +de roovers bekend te maken, ik zoû nu wel oppassen dat te doen; +een ezel blinddoekten zij niet, als zij een man hadden gedaan, een +ezel lieten zij vrij rond blikken en op letten.... En ik lette op, +terwijl wij langs den heeten wand van het gebergte trokken,--het stond +soms als met kalkwitte, brokkelige tafelen op--dat deze roovers, die +ons hadden overmeesterd, geen ruwe wilde-mannen waren, maar sommigen +eer mannen van zeker aanzien: er schenen meesters en dienaren onder +te zijn; de hoofdman zelve, dien zijne makkers Dionyzius noemden, +was een kloek gebouwde, jonge man, trotsch en gebiedend, maar beleefd +tegen over zijne gevangene en geen onvertogen woord voegde eén van +hen Charis tegen; reeds gelatener lachte zij in de mantelplooien, +die Dionyzius, bijna schertsende, om haar heen trok. Maar ik lette op, +ik lette op... Ik bespeurde, dat zij ons plotseling leidden binnen zoo +nauwe spleet van het gebergte, dat ik nauwlijks mijn goed doorvoede +flanken er tusschen door kon wringen, terwijl zij Charis verzochten +hare voetjes te zetten op mijn nek. Eén van hen geleidde mij aan de +vlok tusschen mijn ooren den nauwen bergspleet in; Dionyzius volgde, +al de andere mannen volgden een voor een. Als ik poogde om te gluren, +zag ik, in het schemerlicht, dat viel van den dag, boven, tusschen +de hooge muren, die zij wel tevreden waren en schertsten met elkaâr, +zag ik hunne knappe avonturiersgezichten beter onder de randen der +zorgeloos achter op gezette hoeden, zag ik hunne kostbare wapenen +flikkeren tusschen hunne losser omgehangene mantels: hunne zwaarden +en dolken waren bezet met gesteente... Eén achter hen trof mij door +zijn donker, somber uiterlijk; hij was zoo groot als Dionyzius, +zware brauwen overschaduwden zijn geknepen, koolzwarte oogen; zijne +makkers noemden hem Manes. Hoe lang wij de kronkelende gang van den +spleet volgden, kon ik echter niet beseffen, toen ik mij plots bewust +werd, liever raadde door iets van mijn diere-instinct, dat zich naast +mijn menscheverstand had ontwikkeld, hoe de roovers telkens op hunne +passen terug kwamen langs dien linte-achtig door eén geslingerden +meanderweg en misschien de ingang van den bergflank wel vlak bij de +zaal moest zijn, die zij ons binnen voerden.. Die zaal ontving door +lange, smalle, onregelmatige spleten bundels van zonnestralen aan de +Zuidzijde--een dier voelt dadelijk windstreek en richting--; door +andere van die spleten blauwde de zomerlucht en het licht poeierde +zoo helder binnen, dat ik dadelijk alles onderscheidde, terwijl +klaarblijkelijk van buiten die ramen zich zouden verliezen met de +tallooze groeven van het gebergte en tevens onbereikbaar zouden zijn +voor den stoutmoedigsten beklimmer. En Dionyzius ontdeed Charis van +den mantel, die haar geblinddoekt hield. + +--Waar ben ik? vroeg zij angstig, terwijl hij haar hielp af stijgen. + +--Bij mij, glimlachte Dionyzius. En zeg mij nu, jonkvrouw, wie +zijt gij? + +--Ik ben, zeide argeloos Charis; Charis, de dochter van Menedemus +uit Hypata... + +--De dochter van Menedemus!! riep hoogst verwonderd Dionyzius uit. + +--De dochter van Menedemus! riepen de andere roovers. + +--Die ik schaken wilde! fluisterde Dionyzius tot zijn makkers. + +--Die wij schaken wilden, om hooge losprijs te winnen! riepen de +anderen. + +--En, wees Charis, naast mij staande en met haar arm leunende over +mijn nek: dit is Charmides, de zoon van Lyzias, uit Epidaurus en hij +is mijn verloofde.... + +En glimlachende wees zij naar mij en de roovers ontzetten van wat +zij zeide. + +--Die ezel? vroeg Dionyzius. Die ezel heet Charmides en is de zoon +van een anderen ezel, die Lyzias heet en in Epidaurus woont? + +De roovers, door hunne verbazing, barstten in bulderenden lach uit. + +--Charmides, o edele heeren, zei Charis argeloos en tevens zoo als +spreekt een maagd van aanzien; is geen ezel. Hij is een held, die uit +den oorlog terug kwam, gewond en die zijn spraak bijna geheel verloor, +hoewel hij mijn naam uitspreekt zoo teeder als zelfs mijn vader +het niet vermag! Hij is mijn verloofde, wij vierden onze verloving +met blijde pracht en prachtig is hij ook zelve nu hij genezen is en +alleen nog niet geheel en al zijn spraak terug won; hij is prachtig in +zijn nieuwe gedaante, die gij ten onrechte aan zaagt voor die van een +ezel; waar zaagt ge ooit, o heeren, wie ook met zulk een glanzende, +zilverachtige vacht, met zulke fijne, sterke beenen, met zoo een +aanbiddelijken, lieven, vochten snoet, met zulke mij dierbare, +beweeglijke ooren en met zulke blauwe oogen, met zulke blauwe oogen? + +En zij wees mij steeds en de roovers rondom stonden ontzet. Toen +zeide Dionyzius: + +--Haar geest doolt.... + +--Zij is waanzinnig, zei Manes. + +--Zij is waanzinnig, herhaalden alle de anderen. + +--Zeg mij, o Charis, vroeg Dionyzius; waarom dwaaldet ge ver van uw +vaders huis door deze streken, die iedereen vreest en at ge in onzen +boomgaard de appels? + +--Het huis van mijn vader stortte in, er was hevige aardbeving en +Charmides redde mij. O, mijn vader, o mijn broeders en neven, waar +zijt gij, waar zijt gij? Dood of gered!? + +En zij begon hevig te snikken. + +Ik balkte zacht. + +--Cha-i....! + +--Ja, Charmides! riep Charis, hartstochtelijk hare armen slaande om +mijn nek. Alleen jij, mijn bruidegom, bleef mij over! + +De roovers raadpleegden elkaâr. + +--Charis, Menedemus' dochter....? + +--Een aardbeving....? + +--Ik heb er niets van gemerkt in deze streken! + +--Wij geen van allen.... + +--Charis, zeide Dionyzius met zekeren eerbied. Vergeef ons, dat +wij uw bruidegom aanzagen voor een ezel. Ik zie, dat ik mij nu +vergis. Uw bruidegom is een held, al is zijn vorm ook niet gewoon +menschelijk. Wilt ge, dat wij hem bij u laten en hij uw gevangenschap +deelt of wilt ge alleén blijven, Charis? + +--Neen, neen, neen! riep Charis angstig. Neem hem mij niet af! Neem +hem mij niet af!! + +En zij klampte zich angstig om mijn ezelnek. + +--Wij zullen u uw bruidegom laten, verzekerde Dionyzius. Tot wij van +Menedemus losgeld hebben ontvangen. In afwachting daarvan zal het u +aan niets ontbreken. Kom meê, kom meê, met Charmides. + +Ik liet het mij geen tweemaal zeggen. Ik vergezelde dadelijk +mijn bruid en ik verwonderde mij al gaande over dit wonderlijke +rooversverblijf. De zaal uit, een lange, vreemd kronkelende gang door, +doolhof, gelijk aan het Labyrinth, waar Thezeus door Ariadne geleid +werd om den Minotaurus te verslaan, gingen wij links, rechts, Charis +wederom geblinddoekt en ik verloren in te-vergeefsche bespieding +welke richtingen wij namen, links en rechts en wederom rechts en +links.... Tot ik niet meer wist en mijn ezelkop mismoedig schudde. + +Eindelijk voerden de roovers ons een ronde zaal binnen, die, even +als de vorige, in den berg gehouwen scheen, gewelfd, met de lange +raamspleten in de hoogte onbereikbaar en ondoordringbaar, zoo wel +van binnen als van buiten en Dionyzius zeide, Charis onthullend: + +--Zie, Charis, dit is het verblijf voor hooge, gevangen gasten en +hier zult ge met Charmides blijven tot wij gunstig bericht hebben +van uw vader.... + +In het midden der zaal was een breede rustbank van beren- en +lynxevellen: er waren tafels en schabellen; in een kast stond +tafelgerei, nuttig en sierlijk; in staande bronzen lampen zouden des +avonds pitten kunnen worden ontstoken; er hingen muziekinstrumenten +aan den blanken rotswand, er stonden boekrollen in bronzen kokers; +rijke stoffen plooiden met een weelderigheid van kleur hier en daar.... + +--Hier, ging onze gastheer voort en wees door een open deurboog +van rotssteen; kan uw edele bruidegom huisvesten. Wij zullen een +stroobed bereiden, hem wellicht welgevallig aan zijne zilvergrauw +gevachte leden. + +En hij wees een soort van bergruimte, werkelijk allergeschiktst om +in ezelstal te worden herschapen. + +Charis zag wederom glimlachend in het rond. Maar de beminnelijke +rooverhoofdman klopte met een bronzen klopper op een bronzen schaal. + +Uit een andere boogdeur, van achter de kleurrijke stoffen, kwamen +drie oude, zwarte vrouwen te voorschijn. + +--En hier, Charis, ging Dionyzius voort; zijn drie dienaressen te uwer +beschikking. Zij spreken niet en zij hooren niet want zijn doofstom, +maar zij zullen u kleederen brengen en voedsel en twee doofstomme +eunuchen zullen de dienaars zijn van uw bruidegom en hem verzorgen, +borstelen en voeder brengen. + +De twee eunuchen verschenen en kregen dadelijk bevel mijn stal in orde +te brengen en de oude vrouwen brachten op haars meesters aanwijzing +Charis in een aangrenzend badvertrek. En terwijl zij haar baadden, +verzorgden de eunuchen mij in mijn stal. Ik had echter geen honger en +toen zij mij verlaten hadden, keek ik verwonderd in het rond, alles +oplettende in het vreemdste rooververblijf, dat een fantazie-rijke +dichter maar zich zoû kunnen droomen. En Charis, met de drie oude +vrouwen kwam te voorschijn: zij was gedost in zacht gele zijden +peplos; hare blonde haren waren gevlochten en opgestoken. Zij liep +op mij toe en omhelsde mij en zij deed mij zitten op de rustbank +van beestevellen. De vrouwen boden haar een lier en zij speelde en +neuriede met hare kinderstem, te vreden en klaarblijkelijk wederom +alles vergeten van de heksennacht, die ons had doen vluchten, van +den vermoedelijken ondergang haars vaders en hare verwanten. De +eunuchen en vrouwen dienden spijs en drank op en Charis deed mij +mede eten. Noch de vrouwen noch de eunuchen verwonderden zich over +iets, vermoedelijk gewend aan vorige vreemde dingen in dit vreemde +rooververblijf, in deze zaal der aanzienlijke gevangen gasten. Toen +stond Charis op en zij zag naar boven, naar de hooge raamspleten, +waardoor poeierden goud enkele zonnestralen en pruilende riep zij: + +--Ik wil naar buiten! Ik wil naar de tuinen! + +Ik vreesde, dat zij hare gevangenschap zoû gaan begrijpen en dat er +zeker in deze bergspelonken geen tuinen zouden zijn aangelegd. Maar +de twee eunuchen wezen juist op dit oogenblik hen te volgen. En zij +geleidden de jonkvrouw en haar ezel een derde boogdeur door, een +witte rotsgang door en onverwachts traden wij in een opene ruimte en +Charis gaf een juichkreet en ik keek verwonderd om. Het was werkelijk +een groote tuin, tusschen de pieken en naalden van het gebergte, die +stonden schitterende wit in de diep blauwe lucht van den nanoen als de +torens van een immens, krijtblank tooverkasteel. De hooge rotswanden, +die den tuin omgaven, dropen ter Noordzijde van neêr druppelende +watervalletjes, sijpelend tusschen de groeven over groene en gele +mossen, dicht overwoekerend het gesteent. Er bloeide een schat van +bloemen overal op aan de dichte heesters, waar de roode en witte rozen +gloeiden en geurden over geheel de Zuidzijde van den ingeslotenen +wondertuin. En een klein meertje, een vijver, die weêrspiegelde de +diep blauwe lucht, lag in het midden; enkele waterplanten spreidden +er hunne platte bladeren over heen.... + +De avond viel: in het Westen gloeide de lucht van oranje, na het zinken +der zon achter den rotswand. Een honigblonde teederheid weifelde +aldaar over de lucht, terwijl de lila nacht hare ijle sluiers reeds +spreidde. Toen rees de maan, terwijl wij lagen aan den rand van het +meertje; Charis, geleund tegen mij aan, sluimerde, haar hoofd tegen +mijn roerloos ezellijf. + +Heel hel rees de maan en zij liet haar zilveren, ronde schijf neêr +zinken in het rimpelloos water. En ik zag, dat tusschen de glimmende, +platte bladeren der waterplanten een stengel zich als beurde en een +knop ontlook. Het was een enkele lotusknop en terwijl ik staarde, +opende wijd de bloem en straalde blank in het maanlicht en ik was +bekoord door die schoonheid.... + +Maar de drie doofstomme, zwarte vrouwen en de drie eunuchen verschenen +aan de deur en het scheen ons toe, dat zij ons noodden ter ruste +te gaan. + +Van de roovers zagen wij die nacht niets meer.... + + + + + + + +XVI. + + +Ook den volgenden dag niet. Wij doorleefden hem samen in +sprookjes-achtige rust van de dageraad tot de nacht, in de zaal en +in den tuin, terwijl de eunuchen en de zwarte vrouwen het ons aan +niets lieten ontbreken. De morgen daarop verscheen Dionyzius. + +--Charis, zeide hij. Wij zonden boodschappers naar het buitenverblijf +van uw vader. Ingestort is het niet, zoo als zij met eigen oogen zagen, +een aardbeving is er in het Zuiden van Thessalië sedert jaren niet voor +gekomen, maar het huis was gesloten en onbewoond en de omwonende boeren +verzekerden, dat Menedemus en alle de zijnen vertrokken waren, met +misbaar en wanhoop, omdat zijn dochter verdwenen was en dat zij niet +wisten waar heen. Edele jonkvrouw, waar vinden wij thans Menedemus? In +welke van zijn tallooze buitenverblijven? In Hypata wellicht? + +Maar Charis wist niets te antwoorden en ik evenmin. Dionyzius +zeide toen, dat hij geheel Thessalië zoû laten doorzoeken, tot hij +Menedemus gevonden had. Intusschen begreep ik niet, dat wat ik gezien +had met eigen oogen, wat ik ontvlucht was met eigen dravende beenen +een begoocheling zoû geweest zijn, dat het landhuis tusschen de +lotusvijvers nog altijd bestond en slechts onbewoond en gesloten zoû +zijn! Maar hoewel ik steeds dacht aan het raadsel, ging de dag toch +voorbij als de vorige. Tot tegen den avond Dionyzius ons noodiging +zond het feest bij te wonen, waartoe hij en zijne makkers hadden +besloten. De doofstomme, zwarte vrouwen dosten Charis in rijkeren +dos en de eunuchen geleidden ons samen door vele kronkelgangen, +het inwendige van den berg door, tot wij in een zaal kwamen, +zoo schitterend, dat ik verblindde. Werkelijk, ik had veel reeds +in mijn jonge leven aanschouwd: het tooververblijf van Meroë, het +landhuis van Menedemus, maar wat ik nu zag, was zoo fabelachtig, dat +ik verblind om mij heen zag. In het rotssteen, dat als gebeeldhouwd +was met Corinthische pilasters en architraven, waren groote vakken +van glanzend goud als reusachtige spiegels in gevat en overal stonden +tegen dien wand gouden lampen, zich vertakkende en vertwijgende en +iedere twijg beurende een brandende pit, zoo dat het van vlammen +wemelde en alle die vlammen weêrspiegelden zich duizenden malen in +de glanzende, gouden spiegelwanden. Toen wij binnen kwamen, weêrklonk +muziek van fluiten en kleine harpen en in het midden der zaal dansten +Georgische danseressen.... De danseressen en de muzikanten waren allen +slavinnen en slaven der roovers, begreep ik later en ik verwonderde +mij wel zeer over die vreemde roovers, die in het binnenste van een +wonderlijk piekgebergte leefden als prinsen, tusschen groote schatten +en vorstelijke weelde en geen oogenblik schenen bevreesd te zijn, +dat hun wonderkasteel ontdekt zoû worden. Zij lagen, in rijke kleedij, +hunne gesteente-schitterende dolken in hun breede, zijden gordels, op +bedden van tapijtwerk en aten en dronken uit het kostbaarste vaatwerk, +dat ik ooit had gezien, terwijl de flakkerende vlammen der honderden +lampepitten overal aan hunne juweelen op tulband en aan wapenen, aan +schotels en kannen en bekers blauwe, gele en groene vonken ontlokten, +die zich weder terug kaatsten in de glanzende spiegels, zoodat het +tooverachtige schouwspel mij onvergelijkelijk scheen met wàt ik ook +in mijn leven had mogen aanschouwen. + +Zoodra wij binnen kwamen, rezen Dionyzius en de sombere Manes op; +zij traden Charis te gemoet, die met mij, haar arm om mijn nek, nader +trad en ook verrast en bekoord om zich heen blikte, aan hoeveel de +dochter van den schatrijken Menedemus ook gewoon was. En de beide +rooverhoofdmannen noodigden hoffelijk Charis uit tusschen hen beiden +aan te zitten op een verhevenheid en duldden, dat ik mij vlijde +aan hare voetjes. Mijn lieve bruid bevroedde niet in welk vreemd +gezelschap zij zich bevond; angst koesterde zij niet, nu zij zoo +hoffelijk reeds twee dagen lang bejegend werd door hare gastheeren; +nadenken vermocht niet haar betooverde geest en het scheen wel of die +betoovering eene bescherming om haar heen spon, die zij zich ook niet +bewust werd; gevlucht in een heksennacht uit haars vaders betooverd +huis op den rug van een ezel, was haar geen haar gekrenkt, was zij +gevoed, gekleed, was er een feest om haar heen en ik verwonderde +mij over den geleidelijken loop van dingen, die toch niet gewoon +schenen en bedacht of het de goden van Eleuzis waren, die dergelijke +harmonische onwaarschijnlijkheden om de lieflijke onschuld van Charis +sponnen en weefden. + +Intusschen zweefde de dans der Georgische vrouwen door de gouden +spiegelzaal--overal verdubbelde zich hare bevallige beeltenissen, over +en weêr, en telkens werden de diepe drinkschalen ingeschonken,--toen +ik, plotseling, verrast, den kop richtte. Want Dionyzius was dichter +bij Charis geschoven en ik hoorde hem, verhit door den wijn zeggen: + +--Charis, ik heb je lief! Ik heb je willen schaken om losprijs van +je vader te krijgen, maar nu een gunstig noodlot je gevoerd heeft +tot bijna in mijn armen, wil ik je omhelzen en zal je de mijne zijn +en zullen alle deze schatten je toe behooren, o schoone maagd! + +Ik verschrikte hevig, toen ik plotseling Manes ter andere zijde, +somber de brauwen fronsende, hoorde zeggen: + +--Dionyzius, neem je in acht! Aan mij zal het zijn, dat Charis toe zal +behooren, zoo als ook deze schatten aan mij toebehooren en niet aan +jou, en niet aan jou, die met een vervloekten glimlach meent alles +te winnen, schatten en vrouwen en heerschappij over onze mannen en +ons bezit! + +Woedend rezen plots de twee dronken rooverhoofdmannen op. En ik +begreep, dat een lang gekoesterde ijverzucht plots tusschen hen los +barstte. Ook ik was opgerezen en Charis wierp zich met een kreet +om mijn nek. Wat! Beschermden de Eleuzische godheden ons dan niet +meer?! De beide roovers hadden elkaâr naar de keel gegrepen, terwijl +gillende de danseressen en muzikanten vluchtten tusschen de wanorde +der omver gestootene tafels. En tusschen al de andere roovers weêrklonk +boos, ruw geroep en zij stonden plots in twee kampen tegen over elkaâr. + +--Charis behoort aan Manes! riepen de eenen. + +--Aan Dionyzius! schreeuwden de anderen. + +Plotseling, in de van lichten flakkerende en spiegelende feestzaal, +barstte los een verwoede strijd. Een twintigtal mannen stortte zich +op een twintigtal mannen en er vloeide bloed en een verschrikkelijk +schouwspel van helsche woede spiegelde zich daar over en weêr tusschen +de van bloed druipende, stralende wanden. Intusschen had ik in een +plotse ingeving Charis met een gebaar bewogen te springen op mijn +rug en baande ik mij een weg, stootende met mijn kop, trappende +met mijn hoeven. Plots voelde ik een hevige pijn en een dolkstoot +in mijn flank. Mijn bloed vloeide maar diep was de wonde niet en, +een verwoede ezel ik, tusschen die verwoede roovers, ging ik voort +mij een weg te banen. Zij waren plots zoo op elkander verbitterd, +dat zij eigenlijk niet op mij letten. Charis, op mijn rug, sloeg de +armen op en jammerde van verschrikking. En de verwarring woelde door +een. Maar ik wist te bereiken den uitgang. De roovers hielden mij niet +tegen, vermoedelijk zeker, dat ik toch geen uitweg zou vinden. Door +een labyrinth van nauwe gangen zocht ik mijn weg. + +--Cha-i! Cha-i! balkte ik, om mijn bruid gerust te stellen. + +Zij omhelsde mij vast en lag trillende over mij heen. Ik voelde +haar zachte maagdelijf in hare goud-doorweven sluiers kloppen tegen +mijn ezelelijf. Een zaal stond open: het was vermoedelijk Dionyzius' +slaapverblijf, vol weelde: uit een kist van ivoor hingen parelsnoeren, +maar ik holde voort. Waar zoû ik een uitgang vinden? Nergens +vermoedelijk. Aan den wand hingen purperen mantels, krokosgele +mantels, mantels van vossebont. Ik holde voort... De open gelaten +wijnkelders holde ik door: de amforen stonden er, puntig en dubbel +geöord; de dikbuikige vaten stonden er: het rook er naar een roode +bezwijmeling. Ik holde voort! Waar was ik? Ik werd mij bewust in het +rond te draven. Daar was onze tuin, daar was ons eigen verblijf. Maar +daar hoorde ik plots ook weêr het gewoel van den strijd der verbitterde +roovers en ik holde weêr terug... + +Een nachtmerrie werd die inwendige berg, het verwonderlijke rooverhol; +een booze droom werd het van onbestaanbaarheid. Ik holde om en om; +ik scheen mij door een nauwe cirkelgang te wringen en wanhoopte ooit +te kunnen ontkomen. Gesloten zouden vermoedelijk alle uitgangen +zijn. De roovers achtervolgden ons niet, zeker vreesloos, dat ik +zoû kunnen vluchten. Daar was weêr onze tuin, daar klonk weêr het +verschrikkelijk rumoer van den strijd.... + +Te gelijker tijd struikelde ik. Het was midden op een ronden binnenhof, +tusschen de hooge, witte wanden van de op stekende pieken, als een put, +die scheen geboord in het gebergte. En ik zag, dat ik gestruikeld was +over een even op stekenden, vierkanten steen, waaraan een ijzeren +ring. Ik weet niet welke ingeving mij bezielde, maar ik greep den +ring met mijn sterke ezeltanden. Ik lichtte aan den ring den steen +met al mijn kracht op. + +--Charmides! riep Charis. Vlucht! Ik ben bang, ik ben bang voor de +mannen, die vechten! + +Ik bukte mijn kop. Ik zag een opening, wijd en een trap, die daalde +steil naar beneden. Ik weet niet waarom, maar ik daalde de trap af, +alleen vreezende, dat Charis zich het hoofd stooten zoû. Maar de trap +was wijd in het rotssteen uit gehouwen en ik daalde voorzichtig maar +gemakkelijk haar af. Mijn ezelhoeven tastten uit. Ik daalde lager +en lager. Vage lichtschijn viel nog van boven. Nu en dan tastte en +daalde ik in den donker.... + +Plotseling werd het lichter voor mijn blik. Ik zag op. Ik zag de +lucht. Die was hoog, hoog, een blauwe, verre hoogte boven den zwarten +trechter, waarin ik mij bevond. Maar in dien trechter was een steile +trap gehouwen! + +Ik aarzelde niet en ik steeg de steile trap op. Bijna recht-op steeg +ik, hoef voor hoef zettende op de smalle treden en Charis steeds +krampachtig zich klemmende om mijn nek. Hoe lang die moeilijke +stijging duurde! Het was of ik uit het diepste der aarde op steeg +naar het hoogste van den hemel. Maar ik steeg en ik steeg... Charis +zeide geen woord en alleen mijn gehijg doorkreunde de nauwte van de +steile trechtertrap. Eindelijk, eindelijk bereikte ik den rand. Nóg +een poging en nog een poging! + +Daar ademde mijn hijgende snoet aan de trechteropening de wijdere +lucht. Daar heesch ik mij als aan mijn hoeven op en stond op den +trechterrand. O zalige vreugde! Om mij piekte het wondere gebergte +met zijn witte torens in rozigen dageraad. De arenden vlogen in wijde +kringen rond. De lucht was als een oceaan van parelvochten ether. De +landouwen lagen in de diepte uitgesmolten in licht groene wazigheid +met de donkere plekken der bosschen tot aan verijlende horizonnen. De +nieuwe zon straalde uit. + +Ik zag rond, of de roovers ons misschien langs een anderen weg...? Ik +zag niets. De wereld was immens wijd, verlaten en goddelijk schoon. En +een ezel ik, met een jonkvrouw op mijn rug, stond daar hoog, op het +witte gekartel van een hoogen bergkam.... Waarheen? Het was alles +onbekend. De naaste minuut zoû de onbedenkbare verrassing zijn. + +Waar de bergkam daalde, zette ik mijn hoef. En daalde met den +bergkam mede. Hoe voorzichtig daalt toch een ezel langs de steilste +bergflanken omlaag! Weg was er niet: ik koos slechts de geschiktste +plekken om mijn hoeven te zetten. In den rozigen morgen, nog wazig +blauw van dauw, daalde daar een ezel het krijtwitte gebergte af, +op zijn rug een betooverde maagd in zacht gazen feestgewaad van +kostbare sluiers gehuld en de witte pieken rezen op en de zwarte +arenden cirkelden rond. En het was alles zoo gewoon en zoo gelukkig, +dat ik mijn wonde niet achtte. De zilverbrem bloeide om ons heen +en hier en daar ruischelde het schuimende water de blanke groeven +omlaag. En ik daalde, ik daalde altijd. + +Ik daalde af, werd ik mij bewust, aan den anderen kant van het +gebergte. Maar de appelebongerds omringden geheel den berg en toen +ik was afgedaald, dwaalden wij verder de bongerds door en aten de +appels en dronken samen aan de beek. En rustten uit in de doorappelde +schaduwen. En gingen weêr verder. En niemand kwamen wij tegen. Het +was de noen en nauwlijks dacht ik aan wat het einde van dezen dag +brengen zoû. + +Den warmen middag liep ik een schaduwrijk bosch door van dicht +bladerige kastanjes. Er volgden weilanden, bouwlanden; er graasde +het vee, er golfde het graan, er doken de boerenhoeven op tusschen +de olmeboomen. Landbouwers zag ik met hunne knechten bezig: zij +sloegen de blinkende sikkels de neêr zijgende aren door en zongen hun +juichend oogstlied. Maar ik vreesde hen te naderen, omdat wij beiden +betooverd waren. + +En toch naderde ik. De mannen keken verwonderd op naar den ezel, +die daar naderde op roode hoeven, goudbeslagen en een in feestgewaad +gehulde, blonde jonkvrouw op zijn rug. En een der mannen naderde op +zijn beurt. En toen ik hem aanzag, herkende ik Davus, van wien ik +sedert maanden gescheiden was. + +Toen balkte ik van verbazing, heel luid en schreef met mijn hoef +duidelijk in de mulle aarde: + +--Ik ben Charmides, Davus, je meester, en deze jonkvrouw is Charis, +de dochter van Menedemus uit Hypata, die wij ontmoetten bij de poort +van de stad en om wier liefde ik betooverd werd.... + + + + + + + +XVII. + + +Davus, zoodra hij op den grond gespied had wat mijn hoef had +geschreven, slaakte een juichkreet en wierp beide armen hartstochtelijk +om mijn ezelnek. + +--Heer! riep hij. O mijn heer Charmides! Zie ik u eindelijk terug!? + +En ik balkte luid van blijdschap en duwde hem met mijn snoet in zijn +maag uit speelschheid. + +--En zijt gij de ezel van deze jonkvrouw geworden? vroeg Davus, +in blijde verbazing. De ezel van Charis, Menedemus' dochter uit Hypata? + +Maar Charis, gelukkig, bespaarde mij veelvuldig, moeizaam hoefschrift +en riep zelve uit, na ook gelezen te hebben: + +--De ezel van Menedemus' dochter? Neen, domme slaaf, maar haar +bruidegom, die in dezen aanbiddelijken vorm uit den oorlog is gekomen, +en toen hij gewond werd, zijn spraak verloor! Hoewel hij mijn naam +als muziek zegt! + +Davus keek verwonderd op, maar ik beduidde hem met een zijlinkschen +blik en vele schuine oorbewegingen, dat Charis, als ik, was betooverd +en verliefd op een ezel geworden. + +--Ik begrijp het, ik begrijp het, heer! riep Davus. Werkelijk, ik +begrijp er alles van! Ben ik ook niet betooverd geworden, toen ik +u zocht bij Xeniæ, terug in Hypata, helaas, overal in den omtrek, +heel ver, tot in Larissa toe, waar ik slechts u vermoeden kon? Maar ik +vond u niet, hoewel ik toch niet alleen naar u maar ook naar een ezel +zocht! En ik vond wel ezels maar ik vond u niet en zelfs niet den ezel, +die ge waart, zoo als ik u nu heb gevonden! O heer, er spon allerlei +betoovering om mij rond; er was een web van verhindering om mij heen: +ik dorst zeker niet terug naar uw ouders, toen ik u had verloren en ik +zelve werd spoedig, toen ik u te Larissa in een ezelstal zocht--want +ik vermoedde wel, dat ge van vorm veranderd waart!--als veedief gepakt +en gegeeseld en toen in het gevang geworpen en toen verkocht op de +slavenmarkt en ik wisselde van meester drie malen: ik was eerst slaaf +van den stadsreiniger, maar verheugd er om, want ik liep steeds op de +straat met mijn korf en bezem àlle ezels na; mijn meester verkocht mij +toèn met voordeel aan een purperfabrikant en ik zegende mijn noodlot, +omdat ik berekende, dat, zoo ge niet in een ezel herschapen waart, +ik u misschien daar kon ontmoeten zoo ge handelsbetrekking aanknooptet +met mijn baas en ook deze verkocht mij met voordeel aan den opziener +van een groot landeigenaar, in wiens gronden ik nu werk--hij toonde +zijn sikkel--maar dien ik zelve nog niet heb gezien en wiens naam ik +wederom vergeten ben: hij heet, geloof ik.... + +Terwijl Davus zich den naam van zijn nieuwen meester wilde herinneren, +kwamen langzamerhand de andere slaven en arbeiders en landbouwers +aanloopen en verzamelden om ons heen en Davus was zoo vervoerd van +geest, omdat hij mij terug had gevonden, dat hij geen oogenblik +bedacht hoe stilzwijgen en geheimenis de beste atmosfeer zijn rondom +betoovering en luide zichzelf in de rede viel: + +--Vrienden, medeslaven en gij heeren opzieners, komt toch nader +en loopt toch toe: kijk, dat is mijn meester; dit is Charmides, +Lyzias' zoon, uit Epidaurus, die in een ezel veranderde.... o neen, +die niet in een ezel veranderde maar in een held, die uit den oorlog +kwam, hoewel hij toch wel op een ezel gelijkt.... En deze jonkvrouw +is.... hoe heet zij ook weêr, heer Charmides; ge weet, uw trouwe +Davus vergeet altoos namen! + +En de opzieners en de slaven verzamelden in dichten drom.... Nu +was er niet veel te herstellen meer aan Davus' onbescheidenheid; +de opzieners vroegen Davus, zij vroegen toen Charis, die, steeds op +mijn rug gezeten, argeloos en waardig antwoordde, dat zij Charis was +en ik haar bruidegom Charmides; zij vroegen zelfs mij en er bleef mij +niets over, dan ja te knikken en zelfs mijne toestemming schriftelijk +in het stof van den weg te onderteekenen. + +Er was hevige verwondering om ons rond. Nu was langzamerhand al het +landvolk om ons heen gedrongen: + +En het klonk, door elkaâr: + +--Een betooverde koopmanszoon en een betooverde maagd! Nu, wat +is er voor vreemds aan betoovering? Zegt men niet, dat onze heer +zelve....? En onze meesteres....? + +Ik verstond niet wat zij meer fluisterden, want het was als een +ruischende, dringende zee om ons rond en eindelijk zei de hoofdopziener +tot Davus: + +--Het lijkt mij het beste, dat wij Charis en Charmides geleiden +voor onze meester en meesteres en dat jij, Davus, ons vergezelt om +getuigenis af te leggen, dat je je eersten heer terug vondt in dezen +onwaarschijnlijken vorm. + +Veel was er niet tegen dit voorstel in te brengen. De opzieners +gelastten den slaven en arbeiders terug tot hun arbeid te gaan en +omringden ons, vier van hen met den hoofdopziener, om ons naar hunne +meesters te brengen. Het was echter een lange weg, dien wij volgden, +terwijl de avond viel. Het waren uitgestrekte bezittingen. Toen de +landerijen waren gedaan, waar men nauwlijks wist hoe de schatrijke +bezitter heette en wie hij was en met wie hij gehuwd was en waar nog +een landelijk geluk scheen te zijn tusschen landbouw en veeteelt, +kwamen wij aan het uitgestrekt molenbedrijf en daar zag ik ter +weêrszijde van den weg de zelfde ellende, die ik zelve had door +gemaakt. Een rilling ging door mij heen. Maar de opzieners begrepen, +dat wij beiden, hoewel betooverd, een jonkman en een maagd van aanzien +waren en zij geleidden ons steeds met zorg; zij deden ons telkens +rusten; zij boden Charis honigkoek, melk, brood, ooft; zij gaven mij +klaver en haver: zij zagen nu wel, overtuigd, dat ik geen gewone ezel +was, maar een betooverde koopmanszoon, want ik beantwoordde enkele +hunner vragen schriftelijk en bekende hun, met mijn hoef schrijvende in +het zand, dat ik aan roovers was ontsnapt. En zich wel verwonderende, +maar niet zóo zeer als ik wel begrijpelijk had gevonden, geleidden zij +ons steeds voorwaarts, nu langs in de nacht somberder rifgebergte, waar +zij zeiden, dat de goudmijnen van hun heer zich bevonden. Ik vermoedde, +dat hij minstens wel even zoo vermogend zou zijn als Menedemus en mij +herinnerende, dat Davus nog niet mij zijn naam had genoemd, vroeg ik, +schrijvende, toen wij een oogenblik halt hielden: + +--Hoe heet, opzieners, uw heer.... + +En de hoofdopziener antwoordde, en het was mij, of ik een donderslag +hoorde: + +--Chersonezus, die zich noemt de zoon van Hermes en Hekate.... + +Chersonezus! De zoon van Hekate! En die zich ook nog verhoovaardigde +te zijn de zoon van Hermes, van den edelen god aller kooplieden +in parels en purper?! Neen, dat nooit! Maar van Hekate! Wellicht +Chersonezus, dien ik had gezièn, had gehóord, zwevende in de nacht +boven het landhuis van Menedemus, om alles te vernietigen en Charis +te schaken! Het was Chersonezus, waarheen zij ons leidden! Een +ontzétting rilde door mij heen, maar ik begreep dadelijk niets te +moeten laten blijken. Charis zelve begreep niets, wist niets van dien +machtigen toovenaar; voor Davus was Chersonezus' naam niet meer dan +welke andere klank! Alleen voor mij was hij de ontzetting! Wat kon +ik doen? Vluchten met Charis? Een ezel met een jonkvrouw tusschen +vele menschen is zelfs niet gelijk aan éen man met zijn geliefde +tusschen vele mannen. Duizend gedachten en voornemens woelden in +mij duizelsnel rond, maar ik begreep, dat er geen enkele was uit te +werken of te volvoeren. Schijnbaar rustig stapte ik voort. Charis, +gerust gesteld, omdat zij gezeten bleef op mijn rug, keek links en +rechts en vroeg de zoete vragen van een kind. Maar Davus riep: + +--Heeren opzieners, zegt men niet, dat Chersonezus bekend is met de +geheime krachten en zoû hij mijn heer niet onttooveren kunnen? + +Wat de opzieners antwoordden, verstond ik niet in mijne +verwarring. Maar wel deed Davus' vraag mij begrijpen, dat het beste +zoû zijn werkelijk mij te gedragen bij Chersonezus of ik onttooverd +door hem wilde worden. Intusschen waren wij het goudmijnbedrijf +voorbij gegaan en plotseling zag ik, hoewel in de verte, een wonder +vizioen van architectuur opzuilen in de nacht. Het schenen zacht +gouden zuilen, die rezen tusschen wijde, maanblauwe tuinen. Nooit +nog had ik zulke vreemde, onwaarschijnlijk blauwe tuinen gezien: +het was donker blauw van boomgroepen en heestermassa's tegen lichter, +star-doorzaaid blauw van lucht; het was nachtachtig azuur van vijvers +tusschen lazuursteenblauw van bladeren en bloemen en tusschen al deze +betoovering van blauw rezen de zacht gouden zuilen, in Corinthische +kapiteel- en gleufverschieten met hare tallooze schachten op, terwijl +de daken ook met zacht gouden vakken verschoten. En toen wij naderden, +kondigde de hoofdopziener ons aan, door te blazen op een fluit en van +daar ginds antwoordde een cymbelslag en er was even een korte muziek +over en weêr. En toen wij naderden--een jonkvrouw op een ezel met een +slaaf en verschillende opzieners--door de tuinen en langs de vijvers, +liepen van alle kanten slaven toe om te weten en hun meester kond te +doen. Er was op de vele gouden trappen van het breede huis een beweging +op en neêr van slaven en slavinnen en zij zouden kond doen van een +betooverde jonkvrouw, met een betooverden jonkman, die Chersonezus' +hulp kwamen in roepen. Toen, na een pooze, dat wij toefden voor de +trappen, begon het inwendige van het huis te stralen van starachtige +lampen, die uitschitterden aan duizenden Hekate-fakkels, in ver +verschiet geplant en tusschen de fakkels naderde wie wel Chersonezus +scheen. Hij droeg een tiara, die schitterde, een langen tabbaard en +zwarten baard. Hij was omringd van tal van trawanten en hij zelve was +zoo groot, dat hij boven allen uitstak. Hij scheen wel een Aziatiesch +keizer en de mannen rondom hem schenen satrapen. En ik begreep, +dat hij een allermachtigst toovenaar zijn moest en toovenaars ook +wie hem omringden. + +Aan de hoogste trap bleef hij staan in zijn glorie en van de opzieners +langs de trawanten, ging het inlichtend woord hem te gemoet. En +ik hoorde: + +--.... Beiden betooverd.... Charmides.... Charis.... + +Toen zag ik hem van blijde verbazing opschrikken en hij daalde de +trappen af en naderde Charis, die steeds op mijn rug was gezeten. + +--Jonkvrouw, zeide hij met zijn diepe, verleidelijke stem. Edele +Charis, wees welkom in mijn huis, dat uw eigendom is. + +Charis ontsluierde zich half uit hare gele feestsluiers, die zij +droeg en zij zeide, zoet lachende, want gewoon aan vereering en hulde: + +--Dit is mijn bruidegom, dit is Charmides, de held.... + +--Ik heet hem welkom als u, zei Chersonezus, terwijl hij Charis deed af +stijgen en dadelijk een zwerm van slavinnen haar als gevolg omringde. + +En hij scheen haar niet dadelijk te willen overtuigen, dat zij +betooverd was en op een ezel verliefd, dat ik betooverd was en een +ezel: hij voerde haar aan de hand de treden op en ik volgde met +Davus, de trawanten, de slaven, tusschen de gouden zuilen door, +tusschen de starrelende fakkels door, de lange, lange galerijen +door. Intusschen bonsde mijn hart in mijn ezellijf, al liep ik ook +deftig op goud-rooden hoeven achter mijn bruid en den toovenaar. Tot +wij kwamen in een feesthal, opene marmeren kolonnade, elke kolom +bekroond met een zwart marmeren hond, den hond van Hekate, die tegen +den starrenhemel somber indrukwekkend zijn blafkop ophief, terwijl in +het midden een waterbekken den zwart marmeren, wijden bak diepte, waar, +op het donkere water een zwarte lotus te bloeien lag. En Chersonezus' +deed Charis zitten op een marmeren troon, zette zich aan haar zijde +en vroeg: + +--Zeg mij nu, edele Charis, hoe kan ik u of uw bruidegom helpen? + +--Door hem zijn spraak terug te geven, o Chersonezus! zei Charis. + +--En met zijn spraak ook een menschelijken vorm? + +--Dat niet, o Chersonezus, want zijn vorm is mij dierbaarder dan +welke vorm ook zoû zijn.... + +Chersonezus zag haar aan: klaarblijkelijk had hij, hoe machtig +toovenaar hij was, een ander antwoord verwacht; klaarblijkelijk +had hij nooit berekend, dat Charis' betoovering door zijn eigen +tooverwoord toch nog geluk haar geworden zoû zijn om hare liefde, +die de goden van Eleuzis wel hadden toe laten gaan naar een ezel, +maar naar een eveneens betooverden, in een ezel betooverden jonkman, +zoo dat zich toch liefde, hoe wonderbaar, tusschen beider zielen had +kunnen weven, zoo dat toch geluk hen had kunnen door glanzen en hij +aarzelde te antwoorden, terwijl de maagd, die hij, de goden wisten +welke schande had toebedacht, rein en argeloos en goddelijk onnoozel +en zoo onvergelijkelijk schoon zat aan zijn zijde.... + +Maar plotseling weêrklonk van uit de diepte der tuinen, waaruit het +van flambouwen ook te starrelen begon, een vreemd geluid, als van +aansnorkende zwijnen; ik zag op en kon mijne ezelsoogen niet gelooven, +toen ik aanschouwde wie daar in praal werd aangedragen, op een bedde +van zonnebloemen....! + + + + + + + +XVIII. + + +Een klaterende lach weêrklonk. En ik zag Meroë aangedragen en zij riep: + +--Ik herken je, ik herken je, o Charmides, o koopmanszoon uit +Epidaurus, o reiziger in purper en parels, al herschiep mijn dienende +geest je in een ezel, elken keer, dat je verliefd werdt! + +Zij steeg af van haar bloemenbedde, dat men neder zette en naderde +Chersonezus en zeide: + +--Mijn groote en machtige vriend, gij, die met mij heerscht in de +luchten boven Thessalië, ik vraag u een gunst, niet meer dan de gunst, +die een versmade vrouw zoû vragen. Geef mij den ezel, dien ik hier +voor mij zie, opdat ik met hem doe naar mijn believen. Want ik wil +op dien ezel mij wreken. + +--Zal ik niet aan mijn gast, de edele Charis, mishagen, antwoordde +Chersonezus met een valschen lach van hoffelijkheid; zoo ik u, o +Meroë, den ezel af sta, die geen ezel is maar een held, Charmides, +uit den oorlog terug gekeerd en Charis' verloofde?? + +--Charis zal zeker, spotte op haar beurt tusschen den drom der +toovenaars en hunne trawanten, die ons omringden, Meroë; zich +troosten voor Charmides, zoo zij zich met Chersonezus verlooft. Sta, +Chersonezus, mij dien Charmides af. + +--Ik sta, Meroë, u hem af, zoo Charis aan Chersonezus zal zijn. + +Zoo spraken zij over en weêr, vol helsche ironie en plotseling +weêrdaverde hun klaterende lach. En weêrdaverde om ons heen aller +klaterende lach, zoo vreeslijk en duizendvoudig, schel schaterend, +dat het geheele paleis scheen te schudden met zijne zuilen, dat àlles +lachte, dat de zuilen lachten, dat de booze nacht van het lachen bewoog +en dat in den omtrek wel honderden honden lachende blaften, met de +zwart marmeren Hekate-honden op de lachende zuilen mede. En het was +een vreeslijke ontzetting in mij: rillende stond ik op mijn pooten, +om Charis bevreesd, die ik niet wist hoe te redden uit deze helsche +omtoovering, maar zijzelve, zekerlijk zich om hare onnoozelheid niet +bewust wat haar omringde en bedreigde, scheen alleen te doorvoelen, +dat Meroë haar wilde ontrooven haar bruidegom en als een furie wierp +zij zich voor mij, breidde de armen uit, roepende: + +--Nooit zal Charis aan Chersonezus zijn en Charmides nooit aan deze +slechte vrouw, die mij mijn bruidegom wil ontrooven! Wij hebben +elkander lief en nooit zal wie ook van ons lief hebben een ander, +wat hare wraak ook bedenkt! + +Het helsche gelach was verzwegen en in een doodstilte weêrklonken de +woorden der maagd. Geen hond blafte meer, maar een dreiging, bijna +vreeslijker dan het lachen, huiverde door deze booze sfeer, waarin +wij ons bevonden. De blanke schijn van de nacht was lijkvaal geworden, +de gouden glanzen der lampen versulferden en bleeke schimmespooksels +doemden larve-achtig om ons rond kronkelend op. En in het gewarrel +dier vreemde lijnen en lintelijven bloeide in het waterbekken de +zwarte lotusbloem op een zich zichtbaar rekkenden slangestengel +omhoog uit het zacht ziedende water. De stengel slingerde, groeiende, +van rechts naar links, kronkelde steeds langer over het bekken en +bereikte eindelijk met haar bovenmatig groote, zwart gloeiende bloem +mijn bek.... En Meroë zeide, huichellachende: + +--Lieflijke Charis, laat mij u zeggen, dat Charmides een duivelsche +slechtaard is, die om straf in dezen ezelsvorm veranderd werd. Gij +waant hem een held, uit den oorlog gekeerd, maar hij is een monster, +een vreeslijk gedrocht en zoo gij hem dwingt deze lotus te eten, +zult gij hem in zijn ware gedaante voor u zien. + +Verstrikt zag Charis van Meroë naar Chersonezus en mij. Rondom ons +stonden de toovenaars en alle hunne oogen staarden op ons. En Meroë +spotlachte steeds, gestrekt haar staf, en in Circe's gewaad, met de +juweelen zonnebloemen van chryzoliet-en-harten-van-anthraciet aan +hare slapen en op hare borsten. En het was of alles dwong Charis +de bloem te plukken. Zij strekte de hand naar den langen stengel, +die toe naar haar kronkelde. Zij plukte de bloem. Het was of de bloem +zwart straalde in haar witte kinderhand. En zij reikte mij de bloem, +onmachtig te weêrstaan de verleiding der nieuwsgierigheid.... + +Zij zag mij met hare dierbare oogen, die als blauwe lotussen waren, +aan, terwijl zij mij den zwarten lotus reikte. Het was mij bijna +onmogelijk te weêrstaan, waar de vreeslijke verzoeking mij kwam van +hare hand. O Goden van Eleuzis, wat zoû gebeuren, zoo ik at?! En +dadelijk, dat ik in mijne vertwijfeling dacht aan de heilige goden, +voelde ik mij doordrongen als met een pijl met deze ingeving: + +--Vat de bloem aan maar eet haar niet.... + +En strekte ik den bek. Ik voelde om mij de hevige trilling van de +boosheid, die wachtte.... Ik vatte met mijn tanden den stengel aan +en de bloem bengelde tusschen mijn tanden. Maar dadelijk spuwde ik +den verleidelijk zoet smakenden stengel uit en vertrapte met mijn +hoeven de bloem. + +Plotseling doofden alle lichten en een helsche storm van gekrijsch +warrelde razende op in de duisternis. Maar ik voelde om mijn nek +Charis' armen en tusschen hare kreten hoorde ik het woedende brullen +der toovenaars en Chersonezus' en Meroë's stemmen tegen elkander in: + +--Hoe is het mogelijk, onmachtige Chersonezus....! + +--Hoe is het mogelijk, machtelooze Meroë....! + +--Dat een ezel....! + +--Een handelsreiziger....! + +--Telkens en telkens weêr....! + +--Je toovermacht breekt....! + +--Je toovermacht breekt.... + +Zij scholden woedende op elkaâr in de stikdonkere nacht. + +--Goden van Eleuzis, bad ik; ik weèt het, waarom hun toovermacht +brak! Het is om uw bescherming, goden! Goden van Eleuzis, beschermt +ons steeds! + +En steeds stond ik, een rillende ezel, terwijl ik, Charis, bezwijmd, +om mijn nek voelde. De nacht klaarde op. Het was als een vale morgen +en ik zag het tooverpaleis er bleek in op zuilen als de grauwe schaduw +van wat het die nacht was geweest. Er hing als een nevel in. Het scheen +onbewoond, op dat oogenblik: het scheen er leêg van menschen en dingen, +van boosheid en van betoovering. Die nacht, misschien zoû het weêr +hergloeien door helsche machten: nu stond het slechts verlaten om +ons op, immens, leêg en grijs.... + +--Waar ben ik! stamelde Charis, die ontwaakte. O, wat een +droom! Charmides, Charmides, vluchten wij? + +Zij wierp zich op mijn rug. + +Maar plotseling hoorde ik een stem: + +--Mijn heer! Mijn heer Charmides! Vergeet ge dan uw knecht! Vergeet +ge dan uw trouwen Davus! Zie toch eens naar hem om al zijt ge maar een +ezel! Want drie dikke zwijnen achtervolgen hem en laten hem niet los!! + +En werkelijk, mijn rechtervoorpoot reeds geheven om op de vlucht met +Charis te gaan, zag ik om en bespeurde ik Davus, die om het waterbekken +rond liep, achtervolgd door drie snorkende zwijnen. + +Hij rende op mij af en verschool zich tusschen mijn pooten en riep: + +--Bescherm mij, heer! Bescherm mij, heer!! + +Maar de zwijnen schenen hem geen kwaad te willen doen. Zij snorkten +slechts heviger, smartelijker, en o wonder, ik verstond plotseling wàt +zij snorkten. Want ik had geleerd, dat der dieren taal er eene is van +telkens bij ieder dier wisselenden klank voor het zelfde begrip en +dat elk dier, bij ontwikkeld instinct, een ander dier begrijpt. Het +was dus tusschen de drie zwijnen en mij een hevig gebalk en gesnork +over en weêr en zij smeekten mij: + +--Hàrr-mides! Hàrr-mides! + +Wat is er? + +--Erbàrm, erbàrm u onzer! + +--Wie zijt ge? + +--Wij zijn drie senatoren, die op reis waren in Thessalië.... + +--Wat overviel u? vroeg ik. + +--Wij werden alle drie, riepen zij; in Hypata door Meroë betooverd! En +als zij haar minnaars betooverd heeft, werpt zij hen, geslacht, +in de tooverketels der heksen, op de bergvlakten, onder de maan, +die zij uit haar loopbaan rukken.... + +--Een zwijnetand hier.... + +--Een zwijnepoot daar.... + +--Een zwijnestaart hier.... + +--En zwijnborstels daar... riepen zij door elkaâr. + +--Ge moet amaryllis eten! riep ik. + +--Waar vinden wij amaryllis te eten? riepen de zwijnen. En het was +alles balken en snorken, verscheurend en grommend, zoo dat Charis riep: + +--Charmides! Charmides! Vlucht!! + +En Davus: + +--Heer Charmides! Heer Charmides! Bescherm mij! + +Ik zette het op een loopen, balkende. En het scheen, dat zoowel de +drie zwijnen als Davus zelve mijn gebalk begrepen, want terwijl Charis +mij om mijn hals omklampt hield en de drie zwijnen mij ter zijde en +achter mij aan stommelden, had Davus mijn staart gegrepen en liet +zich zoo, hollende hij, dravende ik, mede sleepen door zijn heer, +die een ezel was. Het was juist wat ik zoowel mijn knecht als de +zwijnen had toe gebalkt; het geschiedde alles zoo als ik het wilde +en door den valen morgen draafde onze stoet tuinen door, wegen op, +velden over, stroomen door. Waarheen ik hen allen leidde, was ik +mij onbewust: ik begreep alleen, dat ik vooruit moest, wèg moest, +Chersonezus' zoo uitgebreide bezittingen, landerijen en tooverban +uit, om Charis te redden, om mij en Davus te redden en te redden de +drie betooverde senatoren.... Ons allen te redden vóor Chersonezus, +zich bezinnende na die woede over zijn tijdelijke machteloosheid, +ons met éen gebaar van zijn staf zoû weêrhouden verder te vluchten +in heilige zekerheid. En daarom draafde ik door. Het scheen of de +zon niet op straalde, dien dag. Het scheen of ik liep met een geheime +kracht, of ik zweefde, mijn hoefslag nauwlijks tikkend den grond. Over +mij heen, hare armen rondom mijn hals, lag Charis en ik vermoedde, +bezwijmd. Aan mijn staart, allerpijnlijkst, marteling, die mij deed +denken aan vroegere martelingen, toen ik takkenbossen getorst had en +molensteenen gedraaid, hing, als ware het, Davus, liet mij niet los +en ik sleepte hem meê, terwijl zijne voeten ondanks zichzelven mede +liepen. En snorkende, grommende, knorrende, renden achter, ter zij, +de drie zwijnen mede, zich liever hunne senatorenzielen uit hunne +dikke leden loopende dan hun redder, mij, te verlaten. Neen, het werd +geen dag, durende dien vreeslijken rit. Het regende en ik rende den +regen door, tot een diep ravijn zich boorde voor mijne blikken. En +een hevige bliksemschicht uit schoot en de donder dadelijk rolde.... + +Ik stond stil, steil op mijn rechte pooten, mijn ooren steil en +steil mijn pijnlijken staart, dien Davus niet los had gelaten. De drie +zwijnen tolden wanhopiglijk om hun dikke zelve rond als wisten zij niet +meer wat nu te doen. En nu ik eenmaal stil stond, wist ik, dat ik niet +verder kon, uit vermoeidheid ten doode toe, niet vèrder kon, dat diepe +ravijn neêr en ginder weêr op, in den slagregen, die stortte neêr. + +--O mijn heer! O mijn heer Charmides! klaagde Davus, die reeds +gewend aan de zwijnen scheen en tusschen hun drieër rondgetol de +armen wanhopiglijk rekte en de handen wrong. + +Ik balkte, heel wijd. Ik balkte, in ezeletaal, dat Davus de jonkvrouw, +bezwijmend op mijn rug, af zoû tillen en haar zoû dragen in rotskloof, +veilig voor stormgeweld. De drie zwijnen begrepen mij dadelijk en ook +zij beduidden het Davus met geknor en gegrom en gesnork. En o wonder, +het was of Davus het wèl begreep, uit mensch-intuïtie, omdat een mensch +toch wel eens een dier begrijpt. Terwijl ik, mijn kop naar hem toe, +balkte, balkte als geen ezel ooit balkte, terwijl de zwijnen snorkten, +snorkten als geen zwijn ooit snorkte, ontwrong hij voorzichtig Charis' +greep om mijn hals, tilde haar op, droeg haar binnen de diepe kloof, +legde haar hoofd op het mos, dekte haar toe met breede varenbladeren +en hurkte toen aan hare voeten neêr om er zelve in zwijm te vallen. + +Toen, vóor de kloof, viel ik in een. Ik voelde mij of mijn menscheziel +ontsnappen zoû aan mijn dierelijf in mijn zwoegend ezelgehijg. Mijn +oogen puilden mij uit den kop; mijn staart voelde aan als uitgetrokken +aan mijn ruggegraat. Rondom mij lagen de drie dikke zwijnen, zwoegende +ook, vlak op de flanken ter neêr. En zoo bleven wij die nacht van +stormgeweld: een maagd, drie senatoren, een handelsreiziger en een +slaaf, aan den rand van het ravijn, dat zich uit strekt langs den +heirweg, die voert naar de stad van Larissa. + + + + + + + +XIX. + + +In diepen slaap lagen wij, geloof ik, allen die nacht ter +neêr. Plotseling schrikte ik op en mijn eerste gedachte was aan mijn +bruid. Hoe had ik kunnen slapen, terwijl zij daar lag in de spelonk, +onder de varenbladeren. Davus aan hare voeten en de drie zwijnen, +rondom mij, als de enkele lijfwacht, die haar behoedde! Zoo verweet ik +mij hevig en met éen sprong stond ik op mijn vier pooten. En schudde +den dauw van mijn vacht. Werkelijk, de zwijnen sliepen nog. Davus +sliep. En Charis, de zoete, sliep. Hoewel zij, een Egyptische mummie +gelijk, omplakt in hare natte wade en sluiers, sliep in de spelonk +op het mos, schenen de vele varens, waarmeê Davus haar had overdekt, +haar warm te hebben gehouden, want zij sluimerde als een kind zoo +rustig, haar blank gezichtje in het blonde haar enkel zichtbaar, +verder de lijn van haar lichaam slechts even te raden onder het breed +geblaârte. O, zoo zij ziek ware geworden van den vreeslijken rit door +den slagregen! Maar het scheen wel, dat de goden waakten over haar, +want zij lag zoo rustig als hadde zij gelegen in haar kuische bedde +te huis! + +Herademend keek ik om. Het ravijn glooide diep naar omlaag, met ruig +struweel begroeid; de gezwollen stroom schuimde er bruischend met +val op val de rotsblokken af en in die diepten doken de nachtelijke +schaduwen weg. Maar ginds, in het Oosten, rilde een rozige schijn +op, een kier van goud scheurde lang in den nog schemergrauwen hemel +laag over de oorden, die wij verlaten hadden en de jonge dag, zelfs +aanbiddelijk boven dit ruwe landschap, rees als een jonge god op. En +plotseling vernam mijn lang, steil gespitste oor een zacht geluid, dat +naderde uit dat zelfde Oosten aan over den met steenblokken bezaaiden +baaierd, die het ravijn omgaf en waardoor nauwlijks van weg meer +spoor was.... Het was een zacht zilveren getinkel en aangetokkel, +zoo als ik meende wel meer in vroegere dagen te hebben vernomen en +het klonk zoo zalig zuiver ginds uit de rozigende verte aan, dat ik +luisterde, luisterde, zonder nog mij van die bekoring rekenschap te +kunnen geven. Tot ik zag een witten stoet, nauwlijks nog omlijnd in +den rozigen dauw, die optrok: meer nog een stoet van schimmen, vage +mannen, vage vrouwen, aan bewegende over het rotsgesteent en met den +eersten dageschijn om de zich tegen de lucht uitheffende hoofden, +zingende en musiceerende.... Nu, duidelijker, klonken de stemmen, +trillerden, aangetinkeld, de sistra-snaren en ik herkende de zoete +muziek en ik balkte luide op, om mijn lotgenooten te doen ontwaken. + +Davus ontwaakte het eerst en ook Charis sloeg hare oogleden op en +zij riep: + +--Charmides! Charmides! Waar ben ik? + +Ik was wèl gewoon op velerlei manier met mijne bruid gesprek te voeren, +maar dit maal was het Davus, die antwoordde: + +--In veiligheid, edele jonkvrouw: vrees niets! Wij hebben over uw slaap +gewaakt al sliepen wij ook zelve, ten minste ik, uw slaaf! Maar mijn +meester, heer Charmides, uw onvergelijkelijke bruidegom, heeft mij +wakker gebalkt... Hoewel onze drie metgezellen, van wie ik werkelijk +niet weet of zij zwijnen of senatoren zijn, nog in diepste rust +zijn gedompeld! + +En opgestaan riep hij: + +--Heeren zwijnen of senatoren, ontwaakt! Het is dag, het is dag en +de zon rijst over de vlakte! + +De zwijnen, grommende, richtten zich op en ik balkte, terwijl hoog +in de lucht de leeuweriken jubelden. En Charis en Davus zagen nu ook +den stoet, die uit de rozige verte aan kwam.... + +--Het zijn Isis-priesters! riep Davus. Het is een goed voorteeken, +dat hun stoet ons nadert en misschien kunnen zij ons bijstaan met +raad zoowel als met daad! + +In der daad kwamen zij nader, de heilige mannen met de zingende maagden +en in hun midden liep de opperpriester, herkenbaar aan de zilveren +banden, die zijn kruin omgaven en langs zijn slapen hingen. En toen +zij vlak bij ons genaderd waren, deed ik een paar stappen voorwaarts +en knielde neêr op mijn twee voorpooten. + +Het was zeker een vreemd gezicht, een dergelijke knielende +ezel. Maar de Isis-priesters, die wisten alle de vreemde dingen, +die in Thessalië gebeuren konden, verwonderden zich niet al te zeer +en hielden zwijgende stand. + +--Heilige heeren! riep Davus. Erbarmt u over ons allen! Erbarmen zich +de goden over ons allen: alle menschen, die door veel avontuur gegaan +zijn, maar de jonkvrouw en de slaaf mensch nog alleen en de anderen +zwijnen en ezel! Erbarmt u vooral over den ezel, heilige heeren, +den ezel, die is mijn heer! + +De opperpriester was naar voren getreden en hij las, wat ik, +opgerezen uit mijne knieling, in het stof van den weg met mijn hoef +had geschreven: + +--"Ik ben Charmides, zoon van Lyzias.... En de maagd, die ik redde +uit veel gevaar, is Charis, de dochter van Menedemus...." + +--Ik ben Davus, heilige heeren! riep Davus. Aan mijn slavennaam +begrijpt ge, dat ik eens ezels slaaf ben! + +--En de zwijnen? wees de opperpriester naar de drie, die zich grommende +en tollende, verlegen, hielden ter zijde. + +Ik schreef het met mijn hoef en Davus beaâmde het. + +--Gij zijt dus allen betooverd geworden? vroeg de opperpriester +ernstig. + +--Ik wel het minste, heilige heer, zei Davus; maar anders, ja, heeft +iedereen wel een tikje beet! + +--Vergezelt ons in onzen stoet, zei de opperpriester. Wij gaan terug +naar het heiligdom van de godin. + +En wij voegden ons in den stoet. Nu, op het trilleren der +sistra-snaren, aangetokkeld door de staven, liep ik tusschen de +priesters, plechtig, en bereed Charis mij met een kinderlijken lach +van zoete blijdschap. En achter mij en ter zijde, liepen de drie +zwijnen mede, zoo deftig, of zij reeds weêr senatoren waren. En +achter ons kwam Davus. Dan schreed, tusschen weêr priesters, de +zilvergebande opperpriester en de zingende maagden gingen vóor het +gedragen en gesluierde beeld van de godin, dat, zoo als ik begreep, +voor een mysterie naar Larissa vervoerd was geworden en nu wederom naar +haar tempel terug werd gebracht. En het was een zacht en rythmiesch +treden op de maat der teêr neêr tinkelende en als met helle droppelen +afdroppelende muziek, die hoog op in de lucht en den morgen steeg, +met het twetteren der leeuweriken mede. Rond om ons baaierde de woeste +wereld, breidde zich het woeste landschap, strekten zich de ruige +rotsvelden of groeven zich de rotsafgronden afgrijslijk, maar boven +ons blauwde de wijde hemel op door de laatste, rozige ochtendmisten +en slingerde zich onze witte stoet langs wat hier weg was en daàr +zich verloor onder de neêr getuimelde blokken.... + +--Charmides! fluisterde mij bekoord aan het oor mijn +bruid. Waar gaan wij heen? Huwen zij ons nu spoedig, na zoo vele +lotsverwisselingen? Want ik herinner mij, o ik herinner mij de +vlucht uit mijn vaders bezittingen, toen ik het landhuis zich zag +verheffen en weêr neêr storten in vernietiging... Ik herinner mij +den appelebongerd en de gouden feestzaal, waar de booze mannen +gingen vechten; ik herinner mij den diepen put en de steile trap, +die geleidde bóven op het blanke gebergte en ik herinner mij de +vreeslijke nacht der blaffende honden en het helsche gelach van de +slechte vrouw, die je aan mij wilde ontrooven en toèn onze urenlange +vlucht door storm en regengeweld! En nu Charmides, is alles zóo zoet +geworden: de lieflijke muziek, de witte mannen, de witte vrouwen, +die ons omringen en volgen: o Charmides, zelfs de drie zwijnen, +die niet af van ons lieten, schijnt het mij toe, dat ik lief heb, +zoo als ik alles, alles lief heb, dezen morgen, dezen zaligen morgen! + +Zoo juichte zacht aan mijn oor mijn bruid toen wij uit het +rotsgesteente af sloegen op den grooten heirweg. Wij ontmoetten er +de warmoeziers, die gingen ter stad, reizigers in draagstoelen of +wagens, een cohors legionariï en allen hielden stil, knielden neêr, +aanbaden de godin en verwonderden zich over de drie zwijnen en den +ezel, dien een blonde jonkvrouw bereed. En ik hoorde hen wel vragen +of veronderstellen: + +--Betooverd....? Betooverd....? En worden zij nu onttooverd? + +Dat meende ik ook wel, terwijl ik deftig voort schreed, op het zachte +getinkel der eentonige sistra-melodieën, klanken als uit bloemeklokjes, +die vielen over den weg, over het knielend gebaar en de vroomheid +van wie zij ontmoetten. Maar toen sloeg onze stoet een zijweg in en +een dicht bosch van laurier, myrt en sycomoren, schaduwde heilig en +geheimzinnig aan weêrszijden des breeden wegs. En voor ons, in de +verte, zuilde de witte tempel.... + +Het waren eerst de twee pylonen, immens en Egyptiesch, toegang gevend +als een immense poort tot de laan der sfinxen, die geleidden naar +het heilige huis, waar de eeredienst der vreemde godin werd gevierd, +ter gelukzaligheid van wie in Thessalië betooverd waren geworden. O, +ik wist het wel, dat de goden van Eleuzis, die ik zoo dikwijls had +ingeroepen, mijne bruid en mij hadden behoed, maar ik herinnerde +mij ook Clitifo's lieflijken tuin van zilverasters en hoe reeds +aan den grens van Thessalië een Isis-priester de weldadige bloemen +kweekte, die mij hadden kunnen onttooveren, toen ik op Nausistrata +verliefde! Zoû ik ooit weêr als toen gulzig storten in de starrige +bloemen, ze verslinden en terug winnen mijn vorm van mensch en van +man? Ik smachtte er naar; ik zag er naar uit, toen wij het voorplein +van den tempel naderden... Want ik meende, dat mijn ezelvorm lang +genoeg mij had omhuld, tot boete voor vele euveldaden-van-liefde; ik +meende, dat het heilige tijdstip nu weêr naderen zoû, sinds ik trouw +was gebleven aan mijn stralendste liefde, aan mijn heilige liefde +voor Charis. Was ik ooit, sedert ik ezel was, verliefd geworden op een +andere vrouw of maagd? Was ik ooit op een ezelin verliefd geworden? En +in de zekerheid van mijn aanstaande belooning voor trouw en zuivere +liefde, ging ik mede met den stoet tusschen de pylonen en langs de +sfinxen, tot wij stil hielden op het groote plein voor den tempel. En +de opperpriester ons beval te wachten, tot de priesters het beeld +van de godin op haar altaar zouden herplaatst hebben. Intusschen +wachtten wij, Charis van mij afgegleden en den arm om mijn nek, Davus +en de drie zwijnen rondom ons. En vroom zagen wij uit in het even +geschemerde tempelverschiet, van waar de zang en de zilveren muziek +nu, steeds zoo zoet trillerend, weêrklonk. Zelfs de drie zwijnen, +scheen het mij toe, hurkten vroom, als knielende neêr, wachtten vol +vrome vreeze af en gromden slechts behaaglijk in ondertoon, of zij +voorgevoelden het einde hunner vernedering en metamorfoze.... + +Toen, tusschen zijne priesters, kwam de opperpriester terug. Hij was +zoo groot en zacht, zoo huiverwekkend bleek van wijsheid en geheel +geschoren zijn ouden schedel tusschen zijne zilveren priesterbanden. In +zijn aderige handen, die staken uit de wijde mouwen van zijn weeke, +witte gewaad, was een gebaar van menschenliefde, zoo groot, dat het +mij ontroerde, ezel, die ik nog was. En hij zeide, terwijl zijn stem +vol erbarming klonk en weten van wijze dingen: + +--Charmides, hoor mij thans aan. Betooverd als gij zijt geworden, +nadert het oogenblik van uwe onttoovering. Maar weet eerst, dat +tusschen Clitifo, die de zilverasters kweekt dicht bij Thessalië's +grenzen en mij ziele-aanvoeling geweven heeft door middel der +heilige machten van Isis. Ik wist van u af en ik wachtte u af, zoo +ge niet reeds vroeger zoudt onttooveren, door de bloem, die ik vele +malen ontluiken deed op uw weg. Maar de heilige goden van Eleuzis, +wien gij vroom steeds waart in uw hart, gunden mij niet te vroeg +erbarmen en hebben gewild, dat gij den heiligen, witten lotus niet +weten zoudt... O, Charmides, niet de zilveraster zal u voor altijd +onttooveren, hoe schoon en zalig de bloem ook zij! Het einde van +uw onttoovering zal u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen +uit de blanke u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit den +blanken lotus. Herinnert gij u niet? Aan blauwe lotus lieten nog +de azuren oogen van Charis u denken; maar met blanke lotus lag het +meer bij Xeniæ overladen, toen gij, op Charis verliefde ten tweede +male en ten derde male herschapen werd. Om Charis' woning bloeiden +de vijvers van blanke lotus. In den tuin van Dionyzius deed ik nog +eenmaal een enkele lotus ontbloeien in het water tusschen de hooge, +blankende rotsen en pieken. Maar, zoon, de Eleuzische goden gaven u +niet wetenschap en voorgevoel omdat gij de boete volbrengen moest en +de trouw in de liefde deelachtig moest worden.... + +Op dit oogenblik traden de maagden den tempel uit en éene harer, in +heur midden, droeg in een zilveren vaas twee prachtige, zeer groote, +zilverstralende lotuskelken aan, die stralend ontloken op lange stelen. + +De opperpriester wees. + +--Zoon, zeide hij; zie hier. Zie hier de heilige bloemen, gekweekt in +onze heilige vijvers. Twee heb ik er voor u geplukt. Het oogenblik +is gekomen. Eet thans de heilige bloem: de goden van Eleuzis gunnen +het u... + +Ik knielde in huiverende vroomheid neêr. Ook voelde ik, dat Davus +knielde en dat de drie zwijnen zich vernietigden op den grond, voor +zoo ver een zwijn zich op den grond in vroomheid vernietigen kan, +want zij gromden altijd, hoe zachtjes ook. Maar Charis, bekoord door +de bloemen en in hare onnoozelheid de heiligheid van dit oogenblik +wellicht niet bevroedende, knielde niet en riep alleen juichende uit: + +--O wat prachtige bloemen! Wat prachtige bloemen! Prachtiger dan zij +ooit bloeiden op onze vijvers! + +En zij naderde; hare handjes gingen begeerig uit naar de vaas, die +de maagd reikte aan den opperpriester. + +Maar de maagden hielden haar tegen en niet begrijpende, dat zij +de bloemen niet hebben mocht, deinsde zij even terug. Toen nam de +opperpriester een der bloemen uit de vaas en bood mij die. + +Mijn menschehart klopte hevig in mijn ezellijf; ik strekte den bek, +opende voorzichtig mijn lippen en vatte de bloem. + +En at haar zoo vroom of ik bad. + +Nauwlijks had ik de lotus gegeten of ik voelde mij duizelen, maar in +mijne vreemde duizeling richtte, rekte ik mij op. + +En was een mensch. En was een man. Charmides, Lyzias' zoon uit +Epidaurus, in zijn reisgewaad....! + +Kringen van licht en zaligheid breidden zich wijd om mij uit! + +--Heilige vader! riep ik met mijn eigen stem. + +--Mijn heer Charmides! hoorde ik Davus juichen. + +Maar een schelle kreet klonk naast mij. + +--Charmides! riep omzoekende Charis, als gek. Waar is hij +gebleven? Waar is mijn bruidegom? Waar is mijn held, mijn prins, +die uit den oorlog kwam in zoo aanbiddelijken vorm, grauw gevacht, +langgeöord en zoo lieflijk altijd vocht van snoet, waarmede hij als +muziek zeide mijn naam?! Wie is nu deze jonge man?! Ik ken hem niet en +ik wil hem niet kennen! Waar is mijn Charmides in eens henen?! Waarom +is hij verdwenen! Vader, broeders, neven, o wondermeesters, die hem +mij pleegden, wàar zijt gij allen! En waar ben ik en waar is mijn +Charmides!? + +En ontsteld zag zij mij aan, slaakte haar wanhoopskreten en weerde +mij angstig af, toen ik haar liefdevol naderde, uitroepende: + +--Wèg, wèg van mij! Jou ken ik niet! Ik ken alleen mijn Charmides en +al was hij maar een ezel, hèm heb ik lief, en hem wil ik alleen! + +En terwijl zij in snikken uitbarstte, viel zij in de armen der +maagden-van-Isis, en verscheurde zij hare sluiers, trok zich de haren +los, terwijl hare kreten snerpten: + +--Mijn ezel! Charis wil haar ezel! Charis wil niemand dan haar ezel +Charmides! + + + + + + + +XX. + + +Een hevige wanhoop maakte zich van mij meester. Wat, wilde Charis +dan wel den ezel blijven beminnen, maar niet den jongen man, wiens +ziel huisde in dat betooverde dierelijf?! En reeds wilde ik mijne +handen vouwen en Charis bezweren mij lief te hebben, die de zelfde +toch was als haar ezel geweest was, maar nu in vroegeren man- en +menschvorm herschapen, toen de opperpriester, groot, mild en wijs, +mij met éen gebaar tegen hield. En hij nam uit de zilveren vaas de +tweede, wijd ontlokene lotusbloem en Charis naderend, sprak hij: + +--Charis, gij die zoo trouw uw bruidegom bemint, wien geen ezel +gij ooit wildet zien maar een held uit den oorlog terug gekeerd, +ontvang deze heilzame en heilige bloem uit mijn hand en eet haar om +tot bezinning te komen.... + +Aarzelend nam Charis de bloem aan, bezag haar, kuste haar zacht omdat +zij zoo schoon was en vroeg: + +--Moet ik zoo schoone bloem eten, o vader? Zie, hoe zij straalt of +er licht in schuilt, zie hoe zilverig de bloembladeren zich plooien +het een naast het andere: moet ik werkelijk zoo schoone bloem eten....? + +De opperpriester sprak niet meer: hij glimlachte slechts met zijn +zachten, wijzen glimlach van grijsaard, die vele dingen van hemel en +aarde doorpeild heeft. Maar om haar heen namen de maagden de sistra +en zij tokkelden met de staven de snaren en zij zongen en zij bewogen +in rhythmiesch beweeg rondom Charis, die steeds aarzelend, de bloem +in hare hand, om zich heen en naar de zingende en dansende maagden +zag en het scheen, die zuivere maat en die zilveren muziek bewoog +iets in hare half onnoozele ziel, dwong haar met zoeten dwang iets te +doen tegen haar eigenen wil in, want steeds omziende, glimlachende, +o zoo zoet haar kinderlach, hief zij hooger en hooger de bloem aan +hare lippen, zette als een roode vlinder hare lippen op den kelk... + +En at de lotus.... + +Mij was de bloem als versmolten, dadelijk, op mijn tong, die toen +nog die van een ezel was; ook Charis scheen de bloem op de tong te +smelten: de lange stengel viel haar uit de hand en als ontwakend +uit een slaap, die weken, maanden geduurd had, zag zij om zich heen, +vreemd, verbleekte als tot een schim en bezwijmde, zoo geleidelijk +zacht als smolt haar geheele lichaam en teêre ziel weg in het niets +van den dood. Ik sloeg een kreet van angst en ook Davus en de zwijnen +gromden heviger en tolden wanhopig om zichzelve rond als waren ook +zij bevreesd, voor de jonkvrouw, die, op eens ezels rug, hen vóor +was geijld op de wanhopige vlucht, in de regennacht, uit Chersonezus' +verschrikkelijk paleis. + +Maar de Isis-maagden hadden Charis in hare zorgzame armen op gevangen +en op een wenk van den opperpriester droegen zij haar van daar. En +de heilige man zeide zacht: + +--Charmides, laat Charis eerst ontwaken uit hare bezwijming... Heb +geduld... + +Ik boog voor hem neêr, knielde, kuste den zoom van zijn gewaad. + +En hij naderde de drie zwijnen, terwijl Davus en ik ter zijde weken. + +Zij tolden om hem rond en gromden; hij zeide: + +--Claudius Veturius.... + +Een der zwijnen sprong op, de voorpooten hoog. + +--Gaudentius Rufus... zei de opperpriester. + +Een tweede zwijn knikte als wanhopiglijk met zijn kop en snorkte hevig. + +--Euzebius Silvanus... noemde de opperpriester het derde zwijn. + +En het bewoog hevig met den korten krulstaart, schudde zijn borstelig +lijf en gromde, maar eerbiediglijk, aan 's priesters voet... + +--Gij zijt alle drie genoeg gestraft voor uwe euveldaden, zeide +de priester. Gij hebt gestolen uit den Schat des Rijks; gij hebt +beschuldigd zonder reden wier ongeluk uw voordeel zoû zijn; weduwen +en weezen hebt gij doen lijden, maar, wat kwaads gij deedt, is +hersteld tijdens den tijd, dien gij zelve leedt. Gij kwaamt, door +Noodlot geleid, in Thessalië; Meroë is u verleideresse geweest, en +zoodra ge meendet in hare armen zalig te zijn, werd gij in zwijnen +vertooverd. Maar ik weet, dat gij tijdens uw dierlijken staat, berouw +hebt gevoeld over al uwe misdadigheid en dus.... + +De opperpriester gaf een wenk: uit den tempel trad een priester, +houdende een vaas met drie amaryllisbloemen, maar zoo wit als de +lotussen waren geweest. + +--... Heeft uw lijden een einde, voltooide des opperpriesters zachte, +welluidende grijsaardsstem. + +En hij nam de drie bloemen en zeide: + +--Eet ze, Euzebius, Gaudentius en Claudius, want niet de roode, +de witte amaryllis alleen, geneest voor altijd van booze betoovering. + +En de opperpriester bood den zwijnen, een voor een, de witte +amaryllis. Zij verslonden, een voor een, de bloemen tusschen hunne +nederig gestrekte zwijnssnuiten en o wonder, een voor een hieven zij, +ietwat moeizaam, zich recht en wij zagen voor ons drie senatoren, +Romeinen: Euzebius geheel kaal, kort, met een dikken buik; Gaudentius, +lang en mager met een treurigen mond, die hing in twee plooien neêr; +Claudius scheel en met een dikken neus, waarop een wrat. En zij +droegen, o wonder, hunne toga's en voor den opperpriester hadden zij +dadelijk verkregen een zekere waardigheid van aanzienlijke Romeinen, +van senatoren, toch nederig en berouwvol om het bewustzijn, zeker, +dat wij allen hen als zwijnen hadden gekend. En zij knielden, en ik +met hen mede, en wij kusten allen den heiligen man zijn mantelzoom +en wij begaven ons met de priesters in het heiligdom, om de godin +te danken.... + + + +Dien avond was het zoo zacht in de lucht als zweefde een godenadem +den tempel om. En ik zag de drie senatoren: zij zaten op een marmeren +bank in den tempeltuin, rustig en ik denk wel blijde en bespraken--ik +overluisterde hen even--hoe zij naar Rome terug zouden keeren, waar +Keizer Hadrianus en de Senaat zeker niets zouden begrepen hebben +van hunne lange afwezigheid. De een krabde aan zijn kaal voorhoofd, +de tweede loenschte scheler in moeizaam bedenken, de derde wreef zich +over zijn maag, na het menschelijk maal, dat zij juist hadden genoten +en ik hoorde Gaudentius zeggen: + +--Nooit iets in Rome zeggen van wat ons is overkomen. + +--Niemand zoû het gelooven, zeide Claudius. + +--Ik geloof het zelf niet, zei Euzebius overmoedig. + +Ik liet de drie senatoren. Ik zelve geloofde wèl, vroom aan Isis, +vroom aan de Eleuzische goden en tevens, vol van liefde, liefde +als ik beter voelde als man nu dan als ezel destijds, voor Charis, +mijn zoete bruid. En terwijl ik, Davus, ginds, in een der kleine +vertrekken, die ons ter zijde van de tempelgebouwen waren toegewezen, +zag slapen, doodmoê nog, mijn arme knecht van den tocht, dien hij +aan mijn verdwenen ezelstaart had moeten volbrengen, dwaalde ik zelve +vol verlangen naar Charis om in de tuinen, terwijl het scheen, dat de +godenadem mij zoo zacht en weldadig omzweefde.... En voelde ik mij, +in dat verlangen naar mijn bruid, gelouterd, vroom afwachtende de +dingen, die komen zouden en wèl anders dan ik mij gevoeld had als de +dartele handelsreiziger, die ik eenmaal geweest was... + +Toen zag ik twee priesters: klaarblijkelijk zochten zij mij, want nu +zij mij zagen, kwamen zij op mij toe. De maan, heel zuiver, rees aan +de kim, over de verre, rotsige vlakte, die van uit de Isis-tuinen +was te zien, als een blankende, eindelooze woestijn.... + +--Charmides... zeide mij een der priesters. + +--Wij zoeken u, zeide de andere; om u op bevel van onzen heiligen +vader tot Charis te voeren. Zij wacht u... + +Mijn hart sprong op naar mijn keel en ik bezwijmelde bijna van +geluk. De priesters, ik tusschen hen beiden, geleidden mij; door +de tuinen, achter den tempel om, langs de lange rij tempelgebouwen, +waarvoor de myrtehagen als tot groene schermen waren recht gesnoeid, +voerden de priesters mij tot ik eensklaps mij bevond in een prieel +zoo tooverschoon, dat ik aan werkelijkheid niet dadelijk gelooven +kon. Een vijver, in het midden, bloeide in de blankte van de rijzende +maan, van de heilige lotus, die voor altijd onttooverde wiens boete +door de goden was aangenomen, maar de bloemen lagen niet steeds op +het water; de grootste, de allerzilverste rezen op langere stengelen +omhoog en schitterden tegen de nacht als sterren der aarde. En rondom +verhieven zich hoog de witte amaryllis-kelken als blanke bekers van +albast en alle de bloemen schenen de beginnende maneklaarte in hare +diepe ontvankelijkheden op te vangen en stráalden, heilige tempelvaten +gelijk.... En in dit gewijde prieel, achter, uit een witzuilige gang, +trad Charis mij te moet. Twee maagden geleidden haar. Ik zag haar +in de zacht blanke nachteklaarte naderen als een teedere schim: +zij was bleek en ernstig maar zoo lieflijk als ik nog nimmer haar +meende te hebben gezien: iets minder kind en meer vrouw, schreed zij +mij langzaam te moet: haar blonde haar omgaf zoo lieflijk kuisch hare +broze slapen en teêr, bleek gelaat; een witte peplos plooide bijna als +met lotusblankte van hare smalle schouders en langs haar slanke heupen +en als blauwe lotus bloeiden hare oogen op in den blik, waarmeê zij mij +zocht. En de twee maagden en de twee priesters verdwenen ter zijde.... + +--Charis! riep ik haar zacht. + +--Charmides! riep zij zacht mij toe. + +Ik naderde haar en onze armen hieven zich en wij omhelsden elkaâr, +innig en dicht. + +--Charis! zeide ik. Uit liefde voor je werd ik betooverd in den vorm, +dien je, zelve betooverd, lief kreegt. + +--Ik weet het, zeide zij. Ik weet alles. En het is alles goed +geweest. Charmides, ik heb je éen oogenblik, o een enkele seconde, +geloof ik nu, gezien zoo als ik je nu herken. Het was buiten de poort +van Hypata. Ik, in mijn draagstoel, volgde mijns vaders stoet. Jij +verscheent éen oogenblik mij ter zijde; je zaagt mij aan, ik zag je +aan... Meer was er niet... Toèn... liep er een ezel naast mij, een +oogenblik slechts... Toen... toen, herinner ik mij, draafde Davus--ik +heb hem herkend--op een ezel... + +--Op mij.... + +--.... onzen stoet te gemoet... En weêrklonk je naam, o Charmides! + +--En weêrklonk Charis' naam.... + +--Sedert had ik je, Charmides, lief. Chersonezus betooverde mij, +omdat ik hem niet wilde minnen en ik smachtte naar je.... En toen je +verscheent in een ezelvorm.... + +--Aan hek en heining der grasweiden.. vol madelieven.. + +--Herkende ik je aan je oogen en wist ik, dat je Charmides was... En +beminde ik je, als een ezel... + +--En verloofde Menedemus Charmides aan zijn dochter Charis.... + +Wij omhelsden elkaâr innig en dicht. + +--Vader leeft, zeide zij. Zij leven allen.... Wat wij zagen, was +vizioen.... + +--Vizioen... herhaalde ik. + +--O, Charmides, zeide Charis. Wanneer gaan wij terug tot hèn? + +--Morgen, beloofde mij de opperpriester, o Charis. Maar zal Menedemus +aan een koopmanszoon geven zijn prinsesje, zijn dochter Charis....? + +--Hij zal Charis geven aan Charmides, die haar beminde en redde uit +veel gevaar, o Charmides.... + +--O Charis.... + +Onze namen, uit onze monden, klonken in een roep van liefde op. Onze +roepende monden vonden elkaâr in den eersten kus, dien wij, maagd en +man, elkander gaven. De maan rees hooger, straalde, heilige Isis zelve, +hooger in de hemelsche tuinen, waar de sterren als lotus ontloken +over de azuren hemelmeren en om ons heen, zilver en zuiver, tinkelend +en aangetokkeld met de dunne staven, weêrtrilden, weêrtrillerden, de +sistra melodie-vol in de vele handen der onzichtbare maagden van den +tempel en weêrklinkelden, weêrklonken de even hellere schelletjes, +en tikten hare tonen neêr als met dauwdroppelen van teêrste muziek, +terwijl de aanzwellende stemmen op zongen ter eere van de goede +godin.... + +--O goden van Eleuzis! baden wij beiden, in ons beider omhelzing. Gij +behoeddet Charis en Charmides en wij zullen ons in Eleuzis, o goden, +doen wijden in uw heilig mysterie! + + + +Lezer, zoo is het gebeurd. Ik was een ezel en ben het niet meer. Wij +werden beiden, na ons huwelijk, ingewijd in Eleuzis' mysteriën. Ik +ben opgenomen in de Broederschap van Isis en, in mijn zoet geluk +naast Charis, behoef ik, omdat ik de trouw heb geleerd in zoo vele +lotsverwisselingen, niet meer bevreesd te zijn ooit weêr in een ezel +veranderd te worden.... + + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Hôtel. + + + + + + +End of Project Gutenberg's De verliefde ezel, by Louis Marie Anne Couperus + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERLIEFDE EZEL *** + +***** This file should be named 29837-8.txt or 29837-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/9/8/3/29837/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/29837-8.zip b/old/29837-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..faa68ba --- /dev/null +++ b/old/29837-8.zip diff --git a/old/29837-h.zip b/old/29837-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..cb4bc29 --- /dev/null +++ b/old/29837-h.zip diff --git a/old/29837-h/29837-h.htm b/old/29837-h/29837-h.htm new file mode 100644 index 0000000..9545710 --- /dev/null +++ b/old/29837-h/29837-h.htm @@ -0,0 +1,6781 @@ +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta name="generator" content="HTML Tidy, see www.w3.org"> +<meta http-equiv="Content-Type" content= +"text/html; charset=ISO-8859-1"> +<title>De verliefde ezel</title> +<link rel="schema.DC" href= +"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Louis Couperus"> +<meta name="DC.Creator" content="Louis Couperus"> +<meta name="DC.Title" content="De verliefde ezel"> +<meta name="DC.Date" content="#####"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<style type="text/css"> + /* Standard CSS stylesheet */ +body +{ + font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; + margin: 1.58em 16%; + text-align: left; +} +.titlePage +{ + border: #DDDDDD 2px solid; + margin: 3em 0% 7em 0%; + padding: 5em 10% 6em 10%; +} +h1.docTitle +{ + font-size:1.6em; + line-height:2em; +} +h2.byline +{ + font-size:1.1em; + font-weight:normal; + line-height:1.44em; +} +span.docAuthor +{ + font-size:1.2em; + font-weight:bold; +} +h2.docImprint +{ + font-size:1.2em; + font-weight:normal; +} +.transcribernote +{ + background-color:#DDE; + border:black 1px dotted; + color:#000; + font-family:sans-serif; + font-size:80%; + margin:2em 5%; + padding:1em; +} +.advertisment +{ + background-color:#FFFEE0; + border:black 1px dotted; + color:#000; + margin:2em 5%; + padding:1em; +} +.div0 +{ + padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ + padding-top: 4.8em; +} +.index +{ + font-size: 80%; +} +.div2 +{ + padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ + padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ + padding: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4 +{ + clear: both; + font-style: normal; + text-transform: none; +} +h3, .pseudoh3 +{ + font-size:1.2em; + line-height:1.2em; +} +h3.label +{ + font-size:1em; + line-height:1.2em; + margin-bottom:0; +} +h4, pseudoh4 +{ + font-size:1em; + line-height:1.2em; +} +h4.lghead +{ + margin-left:10%; + margin-right:10%; +} +.alignleft +{ + text-align:left; +} +.alignright +{ + text-align:right; +} +.alignblock +{ + text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ + margin-top: 1.6em; + margin-bottom: 1.6em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + text-align: center; +} +p.poetry +{ + margin:0 10% 1.58em; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ + color: white; +} +p.line +{ + margin:0 10%; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ + font-size:0.9em; + line-height:1.2em; + text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ + margin:1.58em 10%; +} +p.tocChapter +{ + margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ + margin:0.7em 5%; +} +div.epigraph +{ + font-size:0.9em; + line-height:1.2em; + width: 60%; + margin-left: auto; +} +div.epigraph span.bibl +{ + display: block; + text-align: right; +} +.epigraph .poem +{ + margin-left: 0; +} +.epigraph .line +{ + margin-left: 0; + text-indent: 0; +} +.trailer +{ + clear: both; + padding-top: 2.4em; + padding-bottom: 1.6em; +} +.floatLeft +{ + float:left; + margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ + float:right; + margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ + font-size:100%; + text-align:center; +} +.figure p +{ + font-size:80%; + margin-top:0; + text-align:center; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ + color:#666666; + font-size:80%; +} +span.parnum +{ + font-weight: bold; +} +.leftnote +{ + font-size:0.8em; + height:0; + left:1%; + line-height:1.2em; + position:absolute; + text-indent:0; + width:14%; +} +.pagenum +{ + display:inline; + font-size:70%; + font-style:normal; + margin:0; + padding:0; + position:absolute; + right:1%; + text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ + font-size: 80%; + text-decoration: none; + vertical-align: 0.25em; +} +.red +{ + color: red; +} +.displayfootnote +{ + display: none; +} +div.footnotes +{ + margin-top: 1em; + padding: 0; +} +hr.fnsep +{ + margin-left: 0; + margin-right: 0; + text-align: left; + width: 25%; +} +p.footnote +{ + font-size: 80%; + margin-bottom: 0.5em; + margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ + float: left; + text-align:left; + width:2em; +} +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ + font-size: 80%; +} +.centertable +{ + /* center the table */ + margin: 0px auto; +} +.poem +{ + margin-left:5%; + position:relative; + text-align:left; + width:90%; +} +.poem h4 +{ + font-weight:normal; + margin-left:5em; +} +.poem .linenum +{ + color:#777; + font-size:90%; + left:-2.5em; + margin:0; + position:absolute; + text-align:center; + text-indent:0; + top:auto; + width:1.75em; +} +.versenum +{ + font-weight:bold; +} +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ + position: absolute; + right: 16%; + top: auto; +} +.footnotes .line +{ + font-size:80%; + margin:0 5%; +} +.poem .i0 +{ + display:block; + margin-left:2em; +} +.poem .i1 +{ + display:block; + margin-left:3em; +} +.poem .i2 +{ + display:block; + margin-left:4em; +} +.poem .i3 +{ + display:block; + margin-left:5em; +} +.poem .i4 +{ + display:block; + margin-left:6em; +} +.poem .i5 +{ + display:block; + margin-left:7em; +} +.poem .i6 +{ + display:block; + margin-left:8em; +} +.poem .i7 +{ + display:block; + margin-left:9em; +} +.poem .i8 +{ + display:block; + margin-left:10em; +} +.poem .i9 +{ + display:block; + margin-left:11em; +} +span.corr +{ + border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ + border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ + border-bottom:1px dotted green; +} +.letterspaced +{ + letter-spacing:0.2em; +} +.smallcaps +{ + font-variant:small-caps; +} +.caps +{ + text-transform:uppercase; +} +.fraktur +{ + font-family: 'Walbaum-Fraktur'; +} +.rm +{ + font-style: normal; +} +hr +{ + clear:both; + height:1px; + margin-left:auto; + margin-right:auto; + margin-top:1em; + text-align:center; + width:45%; +} +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ + text-align:center; +} +h1,h2 +{ + font-size:1.44em; + line-height:1.5em; +} +h1.label,h2.label +{ + font-size:1.2em; + line-height:1.2em; + margin-bottom:0; +} +h5,h6 +{ + font-size:1em; + font-style:italic; + line-height:1em; +} +p,p.initial +{ + text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ + text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ + float: left; + clear: left; + margin: 0em 0.05em 0 0; + padding: 0px; + line-height: 0.8em; + font-size: 420%; + vertical-align:super; +} +.poem +{ + padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ + font-size:0.9em; + line-height:1.2em; + margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ + text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: disc; } +ol { list-style-type: decimal; } +ol.AL { list-style-type: lower-alpha; } +ol.AU { list-style-type: upper-alpha; } +ol.RU { list-style-type: upper-roman; } +ol.RL { list-style-type: lower-roman; } +.lsdisc { list-style-type: disc; } +.lsoff { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } +.pglink +{ + background: url(images/book.png) center right no-repeat; + padding-right: 18px; +} +.catlink +{ + background: url(images/card.png) center right no-repeat; + padding-right: 17px; +} +.exlink +{ + background: url(images/external.png) center right no-repeat; + padding-right: 13px; +} +.pglink:hover +{ + background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover +{ + background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover +{ + background-color: #FFDCDC; +} + /* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml + " */ +body +{ + background: #FFFFFF; + font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ + color: black; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4 +{ + color: #001FA4; + font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +p.byline +{ + font-style: italic; + margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage +{ + color: #001FA4; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ + color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ + color: red; +} +p.dropcap:first-letter +{ + color: #001FA4; + font-weight: bold; +} +sub, sup +{ + line-height: 0; +} + /* Standard Aural CSS stylesheet */ +.pagenum, .linenum +{ + speak: none; +} +</style> +</head> +<body> + + +<pre> + +Project Gutenberg's De verliefde ezel, by Louis Marie Anne Couperus + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De verliefde ezel + +Author: Louis Marie Anne Couperus + +Release Date: August 28, 2009 [EBook #29837] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERLIEFDE EZEL *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + +<div class="front"> +<div class="div1"> +<div class="figure"><img border="0" src="images/front.jpg" alt= +"Oorspronkelijke voorkant." width="540" height="720"></div> +</div> + +<div class="div1"> +<p class="aligncenter">De verliefde ezel</p> +</div> + +<div class="titlePage"> +<h1 class="docTitle">De verliefde ezel</h1> + +<h2 class="byline">Door <span class="docAuthor">Louis +Couperus</span></h2> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/logo.gif" alt= +"Uitgeverslogo met tekst: „Nimmer-Dralend”" width="122" +height="90"></div> + +<h2 class="docImprint">Rotterdam<br> + Nijgh & Van Ditmar’s Uitgevers-Maatschappij<br> + MCMXVIII.</h2> +</div> + +<span class="pagenum">[<a id="xd0e96" href="#xd0e96">5</a>]</span> +<div class="div1"> +<p><i>Aan den Lezer.</i></p> + +<p>Sedert wij door middel van den Wereldoorlog tot de Middeneeuwen +zullen terug keeren (denk maar allereerst aan de kaarsen, bij welke gij +heden ten dage dineert; denk dan aan de helmen der soldaten; denk +dan.... ik laat aan u over waarover ge nog meer wilt denken), keer ik +persoonlijk maar in eens tot de Oudheid terug en schrijf u een echt +ouderwetschen, ja antieken avonturenroman,—zónder +psychologie, zónder symboliek, realistiesch noch +naturalistiesch,—onvervalscht antiek ouderwetsch. Want het motief +steel ik er voor uit Apuleius’ Gouden Ezel en die roman was, +geloof ik, de tweede, die er ooit geschreven werd, als ge ten minste +Petronius’ Satyricon de eerste noemen wilt! (Ik kan mij met dit +alles best vergissen; informeer dus, als gij het naadje van de kous +wilt zien, waar gij meent onfeilbaar te zullen worden ingelicht.)</p> + +<p>Ik hoop, dat ge mijne poging u iets anders voor te zetten dan +novellistiesch opgevatte moderne oorlogsberichten zult waardeeren en +tevens goedkeuren, dat wij alle, eenmaal onvermijdelijk geachte, dingen +als naturalisme, realisme, symboliek, psychologie over boord gooien en +samen zwelgen zullen in de meest antieke onwaarschijnlijkheid, die een +moderne romanschrijver—om maar in eens tot de Oudheid terug te +keeren zonder te blijven bij de Middeneeuwen, tot welke ons de +Wereldoorlog brengt—kan verzinnen. En <span class="pagenum">[<a +id="xd0e106" href="#xd0e106">6</a>]</span>wilt ge zoo niet met mij +zwelgen, keer u dan, o Waarde Lezer, onmiddellijk van mij af en blijf +in uw Middeneeuw van heden-ten-dage, die werkelijk minder stemmingsvol +is dan de werkelijke Middeneeuw was: wat mij betreft, <span class= +"letterspaced">ik</span> bestijg mijn Verliefden Ezel, sla mijn hielen +in zijn grauwe flanken en spring met hem van den barren, onbeminden +rots van mijn eigen tijd in het Antieke Verleden, om samen te zwelgen, +om in niets anders te zwelgen dan in de Onwaarschijnlijkste +Onwaarschijnlijkheid, psychologie-loos, symboliek-loos (denk vooral +niet, dat mijn Verliefde Ezel een symbool is!!) maar toch, willen wij +samen hopen, mijn Ezel en ik, niet kunstloos, niet schoonheidsloos, o +neen, vooral niet dat!</p> +</div> +</div> + +<div class="body"><span class="pagenum">[<a id="xd0e112" href= +"#xd0e112">7</a>]</span> +<div class="div1"> +<h2 class="normal">I.</h2> + +<p>Indien gij, o vrienden, deze bladen zult lezen, zult gij zeer zeker +versteld staan over de vreemde avonturen, die zij bevatten en niet +gelooven willen, wat ik hier, te mijner herinnering en te uwer genoegen +en ontroering beiden, te boek heb gesteld. Welnu, ik verzeker u gaarne +en zweer u bij alle goden en vooral bij de heilige Isis, wier priester +ik heden ten dage geworden ben, dat de zonderlinge dingen, die gij +vernemen zult, niet anders zijn dan de loutere waarheid, die ik heb +doorleefd, dikwijls zonder zelve aan haar te kunnen gelooven en +dikwijls bepeinzende of ik niet in een voortdurenden droom zoo +onwaarschijnlijke levenservaringen door maakte. Tot ik mij moest +bedenken, dat het geheele leven zelve een droom is, éen +onbegrepen toeven, vol huiver en aarzeling, op de breede drempels van +de Poorten dier goudene Werkelijkheid en ik, vroom, niet anders +kón dan gelooven aan een door de goden bestierde aan een +geschakelde keten van onwaarschijnlijkheden, waarmede ik geleid werd +tot het einddoel mijner levensdagen.</p> + +<p>Ik ben een koopmanszoon en heet Charmides en mijne ouders, hoewel +uit Athene afkomstig, woonden te Epidaurus in Argolis en mijn vader had +er een bloeienden groothandel. Uit Indië, over Klein-Azië, +uit Arabië en Egypte brachten zijne schepen hem velerlei kostbare +koopwaar, die hij wederom verzond naar Athene en Rome niet alleen, maar +<span class="pagenum">[<a id="xd0e120" href= +"#xd0e120">8</a>]</span>naar allerlei streken van het Romeinsche Rijk, +dat in die tijden mijner jeugd beheerscht werd door onzen genadigen +Keizer Hadrianus. Zeer vermogend, was mijn vader tevens een krachtig en +energiek koopman gebleven en zag het met leede oogen aan, dat ik, zijne +eenige zoon en het bedorven kind mijner moeder, die een Romeinsche was, +niet naar hem aardde en weinig belang stelde in de uitgebreide zaken +van het handelshuis, dat zijn eigen was. Integendeel, niets boezemde +mij minder belang in dan handel, dan geld maken en wat mij alleen +belang inboezemde, dat was de liefde. Ik was geboren voor de liefde en +ik heb bemind, geloof ik, van klein knaapske af: misschien is mijn +voedster mijn eerste liefde geweest, ook al herinner ik mij die niet +meer. Maar zekerlijk herinner ik mij, dat, zoo dra ik loopen kon, zoo +dra ik stamelen kon, ik lief heb gehad, de kleine dochtertjes van onze +buurlui, de slavinnen van mijne moeder, de vriendinnen zelfs mijner +moeder, en dat, hoewel de kleine meisjes voor mij weg liepen, onze +slavinnen mij uit lachten omdat ik zoo nietig nog was en mijner moeder +vriendinnen, hoewel zij mij op den schoot namen, mij plaagden om mijn +verliefden aard op zoo prillen leeftijd, ik mij niet kon verdedigen te +beminnen en dat ik door bijna ieder vrouwelijk wezen van jeugd en +schoonheid werd aangetrokken op een wijze, die bijna aan een tooverban +deed denken.</p> + +<p>Nu was ik een mooie, knappe jongen—ik geleek op mijn vader en +moeder beiden—en door tal van vluchtige verliefdheden heen had ik +den leeftijd van twintig jaren bereikt, toen mijn vader, meer en meer +toornig om mijne lichtzinnigheid, mij plotseling, trots mijner moeder +tranen, beval, alleen, met mijn knecht Davus, een handelsreis aan te +vangen, over Corinthe heen naar de binnenlanden van Thessalië en +<span class="pagenum">[<a id="xd0e124" href= +"#xd0e124">9</a>]</span>Epirus, om aldaar in de steden als zijn +vertegenwoordiger op te treden en de fijnere koopwaren van het Oosten +er van de hand te doen. Het was een zeer wreede beproeving voor mij, +vooral omdat mijn vader er bij voegde, dat ik hem niet meer onder de +oogen behoefde te komen, zoo ik niet slaagde in het doel mijner reis. +En de reis zelve was waarlijk geen pleizierreis, want hoewel Corinthe +een beminnelijke stad was vol levensvreugde en schoone vrouwen, was +over Bœotië en Focis, naar Thessalië en Epirus te +trekken niet anders dan een straftocht, ook al kon ik bij verschillende +wisselaars onder weg beschikken over vrij aanzienlijke sommen, die mijn +vader er te mijnen gerieve had doen neder leggen.</p> + +<p>Er was niets aan te doen. Ik nam teeder afscheid van mijne moeder, +van hare vriendinnen, die, matronen geworden, niet meer lachten maar +mij weenende omhelsden; ik nam afscheid van onze slavinnen en van de +kleine buurmeisjes, die tot lieflijke maagden waren opgebloeid. En +omgeven door geheel een gevolg van vrouwen en meisjes, die weenden en +weeklaagden, besteeg ik mijn gerieflijken reiswagen, die door vier +krachtige buffels getrokken mij over Mycenæ naar Corinthe +zoû voeren, terwijl Davus zich naast den voerman zette.</p> + +<p>De eerste dagen mijner reis verliepen zonder avontuur. Wat zal ik u +vertellen van de dienstmeisjes der herbergen, van enkele aanzienlijkere +vrouwen, die met eenige vreugde mijn anders zoo sombere dagen +doorweefden? Het waren bloemenkransen, die dadelijk braken. Het waren +geen banden des levens en ook de beroemd schoone vrouwen van +Bœotië, die er in Tanagra door de beeldhouwers worden +vereeuwigd in schoone lijn en gracelijken vorm, gingen door die week +mijner reize heen niet anders dan als weêr verzwijmende <span +class="pagenum">[<a id="xd0e130" href="#xd0e130">10</a>]</span>fantomen +van bevalligheid, die ik mij nauwlijks meer herinner dan de blanke, +ijle wolken, die dreven aan de blauwe hemelen der verre oorden, die ik +door trok.</p> + +<p>Van Thebe ging de reis over Thespiæ naar Delfi. Wat al +beroemde namen en wat al vervallene steden! Voor een handelsreiziger +als ik, die de kostbaarste waar van de hand moest doen—geurwerk +en parels, zijden stoffen en tapijtwerk—was hier niets te doen, +dan uit te rusten van het wiegelen in mijn reiswagen: in Thebe zag ik +het huis van Pindaros, den grooten dichter en zanger, dat Alexander de +Groote, toen hij de stad fnuiken wilde en haar tot den grond toe deed +slechten, uit eerbied spaarde, maar... of het mij getoonde huisje wel +dat van Pindaros was, betwijfelde ik zeer; het dienstmeisje in de +herberg, was hare eigene grootmoeder, geloof ik.... Te Thespiæ +wist niemand mij meer te vertellen waar de Eros van Praxiteles gebleven +was, die Fryne haar geboortestad had geschonken en toen ik te Delfi aan +kwam, overviel mij, hoezeer ik er mij die eerste week tegen had +vermand, een eindelooze melancholie. Mijn reiswagen hield stil voor een +kleine herberg; er hing in den kouden najaarswind een blikken +uithangbord boven de poort te rammelen; op dat rammelende bord was +geschilderd iets als een witte figuur en er onder stond geschreven:</p> + +<div class="q"> +<p class="aligncenter">IN DE PYTHIA.</p> +</div> + +<p>Ik begreep. „In de Pythia”, dat was de herberg, de +allereerste in Delfi, de stad eenmaal van het beroemde Orakel +Apollo’s, waar zijne door geuren vervoerde priesteres, de +geheiligde Pythia, de wondervolle spreuken op den gouden drievoet +gestameld had. „In de Pythia”. Ik steeg uit, door <span +class="pagenum">[<a id="xd0e140" href="#xd0e140">11</a>]</span>Davus +geholpen, en de herbergierster, een dikke waardin, kwam mij +begroeten.</p> + +<p>—Hebt gij een kamer? vroeg ik.</p> + +<p>—Helaas! riep de herbergierster. Edele prins, gij komt te +laat. Ik heb slechts éen kamer met drie bedden voor gasten, maar +alle de drie bedden zijn ingenomen!</p> + +<p>—Ik kan dan in mijn wagen slapen, zeide ik; als je mij slechts +wat voedsel kunt geven, en ook mijn dienaar en voerman voeden en zorgen +voor frissche postbuffels.... Maar een prins ben ik niet; ik ben +slechts een handelsreiziger en als zoodanig slechts kan ik je +betalen.</p> + +<p>Voor de deur, op een bank, zaten twee mannen te praten en een derde, +die er ziek en ellendig uit zag, lag op den grond, tegen een boomstam, +zorgzaam gewikkeld in dekens en doeken. Zoodra zij mijne woorden +hoorden, stonden de twee mannen op en naderden mij. Zij zeiden:</p> + +<p>—Zijt gij een handelsreiziger, heer? Zoo zijn wij +collega’s, want ook wij zijn handelsreizigers, ja, zeker.</p> + +<p>De eene was dik en kort en de andere lang en mager. Zij bogen en ik +stak hun de hand toe.</p> + +<p>—Ik, zeide de dikke korte; reis in allerlei voedingsmiddelen, +graan, rijst, wijn en kom uit Thessalië, waar ik goede zaken +gedaan heb. Mijn naam is Crito.</p> + +<p>—Ik, zeide de lange magere; reis in allerlei +kleedingmateriaal: wol, katoen, lijnwaad, en kom ook uit +Thessalië; ook ik deed vrij goede zaken, mijn naam is Chremes.</p> + +<p>—Ik, zeide ik op mijn beurt, heet Charmides en ik reis in +weelde-artikelen.</p> + +<p>—Toch niet naar Thessalië?? vroegen zij beiden te +gelijker tijd.</p> + +<p>—En waarom niet? Zoû <span class="letterspaced"> +ik</span> er geen goede zaken doen? <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e167" href="#xd0e167">12</a>]</span>Het handelshuis van mijn vader +is beroemd om zijn fijne Oostersche koopwaar....</p> + +<p>Crito en Chremes schudden bedenkelijk met de hoofden en handen en de +zieke, die op den grond lag, riep schril:</p> + +<p>—Heer, hoed u te gaan naar Thessalië! Daar ben ik ziek +geworden! Daar ben ik eerst behekst geworden! En toen ik onthekst was, +ziek, ziek, ziek!</p> + +<p>—Wie zijt ge? vroeg ik den zieke.</p> + +<p>—Ik ben Aristomenes en reisde slechts voor mijn genoegen, +heer; ik wenschte het beroemde Thebe te zien, het beroemde +Thespiæ en den tempel, waar het goddelijke beeld van +Praxiteles’ Eros gestaan heeft; ik wenschte Delfi, het heilige +Delfi te zien; ik wenschte Thrachis te zien, waar Herakles heeft +gewoond: ach, heer, ik was slechts een simpel toerist, ik was een +dichter, ik beminde de letteren en de schoonheid, ik beminde het reizen +en het trekken en Thessalië heeft schoone steden, schooner en +weelderiger dan dit vervallene Delfi en dan Thespiæ en Thebe, +maar, heer, ik werd er behekst en anderen werden er behekst als ik, in +Larissa, in Hypata.... O, heer, o Charmides, gij, die reist in +weelde-artikelen, neem u in acht: hoèd u voor +Thessalië!</p> + +<p>Zoo klaagde de zieke op den grond. Mijn reiswagen was uitgespannen +en ter zijde geleid; mijne bagage bleef in den wagen: Davus en de +voerman aten reeds ieder een bord linzensoep op de andere bank ter +zijde der herbergpoort en ik zat tusschen Crito en Chremes op de bank +bij den boom, waartegen de zieke lag. Een dienstmeisje bracht mij mijn +maal: lamsbraad en brood en honig en ooft....</p> + +<p>—Hoe heet je? vroeg ik beminnelijk.</p> + +<p>—Fotis, heer, en ik ben tot uw dienst, zeide het beminnelijke +meisje. <span class="pagenum">[<a id="xd0e183" href= +"#xd0e183">13</a>]</span></p> + +<p>Ik knikte haar welgevallig toe en at met smaak. Ik was iets minder +melancholiek nu ik Fotis gezien had; waarlijk, zij zag er uit om +verliefd op te worden en ik werd dan ook dadelijk op Fotis verliefd. +Het geen niet weg nam, dat ik met jeugdigen honger mijn tanden sloeg in +het droge lamsbraad, het harde brood en den azijnzuren wijn uit +dronk.</p> + +<p>—Ik heb, zeide ik tot den zieke; wel eens meer gehoord, dat +Thessalië het land van beheksing is, maar weet niet of ik hieraan +gelooven kan.</p> + +<p>—Toch is het zoo, heer!</p> + +<p>—Toch is het zoo, heer! riepen Crito en Chremes om +beurten.</p> + +<p>—Noem mij Charmides! zeide ik genadig; ik reis wel in +weelde-artikelen maar ben handelsreiziger als gij beiden, die reist in +kaas en in wol en wij zijn toch collega’s, niet waar. Noem mij +Charmides, als Aristomenes mij reeds noemde.</p> + +<p>—Toch is het zoo, Charmides! riep de zieke. Thessalië is +het land der beheksing. De heksen zweven er rond in de lucht en spinnen +uit de maan de tooverdraden! En weven de tooverwebben! En dansen er op +den viersprong der wegen rondom <span class="corr" id="xd0e196" title= +"Bron: Hecate">Hekate</span>, de driehoofdige! En de schimmen der +vermoorde kindertjes zweven er als vleêrmuizen en nachtuilen rond +door de nachten om wraak op de heksen te nemen, maar zij zijn sterker, +o Charmides: de heksen zijn àltijd stèrker, dan wie ook, +dan de goden; de heksen beheksen de goden zelfs en éen heks +heeft mij behekst: in een zwijn heeft zij mij veranderd als Circe +Ulyssus’ makkers deed en hokkende en hikkende heb ik haar +gevolgd, terwijl zij lachte, de tooverkol! Hoed u voor Thessalië, +Charmides!</p> + +<p>De nacht viel, sinister, over het plein voor de herberg: <span +class="pagenum">[<a id="xd0e201" href="#xd0e201">14</a>]</span>In de +Pythia. De najaarswind woei klagelijk. Davus en de voerman, op de +andere bank, zaten met angstige gezichten toe te luisteren. Ruischend +als van vreemden zang, vielen de platanebladeren om ons rond. Ginds +stond mijn reiswagen, waar ik zoû moeten rusten.... geriefelijker +eigenlijk, dacht ik, dan in de éene kamer „In de +Pythia”, met de drie bedden, die Aristomenes, Crito en Chremes +reeds zouden innemen. De arme dichter-toerist, ziek was hij wel, al +verbeeldde hij zich misschien in een zwijn te zijn veranderd geweest! +Crito, een goede kaasboer; Chremes, een brave lappeman: ik zag toch +wèl een beetje op hen neêr. Ik, ik was Charmides, de zoon +van Lyzias van Epidaurus: ik reisde in purper en parels, in myrrhe en +cinnamoom, in Sidonische tapijten en <span class="letterspaced"> +bombyx</span>-zijde: ik was jong, rijk, mooi, krachtig, door de vrouwen +bemind; ik beminde zelve altijd, ik was altijd heerlijk verliefd; ik +was nu verliefd op Fotis, die ik toelachte toen zij de borden weg +nam.... Mijne melancholieën om mijn strafreis en de sombere +oorden, die ik door trok, gingen als lichte wolkjes....</p> + +<p>En toch.... Sinister die nacht over het plein.... Klagelijk de +najaarswind.... Zoo bleek de gezichten van dienaar en voerman.... Hoor, +wat zong er toch vagelijk door de vallende platanebladeren? Waren het +de vermoorde kindertjes?? Ik werd mij even bewust niet gehéel +lichtzinnig te zijn: ik werd mij even bewust te willen worden ingewijd +in de mysteriën van Eleuzis: een vreemde vroomheid huiverde vaak +door mijn gloeiend kloppende aderen: ik wist, dat er dingen van +goddelijkheid en ongoddelijkheid zijn, die een verliefde, jonge man +niet altijd begrijpt!</p> + +<p>—Ik zal mij hoeden voor Thessalië! riep ik Aristomenes +toe: maar ik zal Thessalië niet ontwijken! Ik reis morgen <span +class="pagenum">[<a id="xd0e210" href= +"#xd0e210">15</a>]</span>Thessalië in! Er zijn de steden als +Hypata en Larissa, die bloeien, die zijn weelderige steden, niet +vervallen als Delfi, Thespiæ en Thebe en daar zal ik <span class= +"letterspaced">bombyx</span> verkoopen en Sidoniesch tapijt, cinnamoom +en myrrhe en parels en purper en ik zal er zaken maken als Crito en +Chremes hebben gedaan!</p> + +<p>Crito en Chremes schudden handen en hoofden.</p> + +<p>—Wij, heer Charmides, zeiden zij beiden; gaan er nooit meer +heen, trots de goede zaken....</p> + +<p>—Ik, heer Charmides, zeide Crito; ben er dik en kort geworden +en ik was, toen ik er heen ging, lang en mager.</p> + +<p>—Ik, heer Charmides, zeide Chremes; ben er mager en lang +geworden en ik was, toen ik er heen ging, kort en dik.</p> + +<p>Ik keek van den een naar den ander.</p> + +<p>—Wie is dan de een en wie is de ander? vroeg ik.</p> + +<p>Ze schudden hoofden en handen.</p> + +<p>—We weten het zelve soms niet! bekenden zij.</p> + +<p>Ik lachte, toch in mijn binnenborst geschokt in mijn vertrouwen.</p> + +<p>—Ik moet tóch gaan, zeide ik. Ik zàl ook gaan, +zeide ik moediger. Avontuur, zelfs van heksen, stoot mij niet af. Bang +was ik nooit. Fotis, riep ik het meisje toe; wat bereiden ze voor op +het plein?</p> + +<p>Want fakkels werden hier en daar op het donkere plein in +gestampt.</p> + +<p>—Heer, antwoordde Fotis en lachte als een roos; het zijn de +rond trekkende kunstenmakers, die gehoord hebben, dat gij in purper en +parels reist en die een voorstelling geven komen.</p> + +<p>Ik lachte helderder.</p> + +<p>—Laat ze komen! riep ik. Laat ze komen! Zij zullen <span +class="pagenum">[<a id="xd0e243" href="#xd0e243">16</a>]</span>ons +verstrooien voor wij slapen gaan en wij zullen niet van heksen +droomen.</p> + +<p>En met ketelmuziek kwamen zij op: twee mannen, drie meisjes, vier +jongens, een beer.... <span class="pagenum">[<a id="xd0e247" href= +"#xd0e247">17</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">II.</h2> + +<p>Aan de drie zijden van het pleintje voor de herberg waren nu de +vlammende, walmende toortsen geplant en de harstriekende gloor weifelde +fantastiesch door de nacht, die geheel gevallen was. Links en rechts +duisterden een paar straatjes en sloppen, waar nu wat volk uit kwam, +dat zich met donkere silhouet verzamelde op het pleintje. Voór +de herberg, ter vierde zijde dus, rees een stuk oude muur, vermoedelijk +nog over van de ommuring van een antiek heiligdom.... Delfi! Dit was +Delfi! moest ik mijzelven herinneren. Ik was te Delfi, de heilige stad +van Apollo’s Orakel en dit was Delfi: dit herbergje: „In de +Pythia”, dit modderige plein, die verbrokkelde muur over ons, die +fakkels, in den grond geplant; die kunstenmakers en die beer, die aan +kwamen, tusschen dat groezelige volk. En mijn reiswagen ginds, waarin +ik slapen zoû, met mijn stalen van kostbare koopwaar—als +mijn bagage maar niet gestolen werd....</p> + +<p>—Davus! riep ik mijn knecht.</p> + +<p>Hij stond op, naderde.</p> + +<p>—Davus, waarschuwde ik; ga met den voerman zitten op +treê of bok van den wagen om de kunstenmakers te zien en pas op, +dat het volk niets steelt....</p> + +<p>Davus en voerman deden als ik beval....</p> + +<p>....Dit, dit was alles Delfi! En Fotis, die mij een kruik wijn +bracht en vier kroezen en de zieke Aristomenes tegen <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e263" href="#xd0e263">18</a>]</span>den plataan en +Crito en Chremes, mijn beide collega’s in wol en kaas, die +behekst waren geweest en niet meer wisten wie van de een eigenlijk kort +en dik en wie lang en mager was... Dit, dit was alles Delfi?</p> + +<p>Toen voelde ik het misschien voor het eerst.... Trots mijn +lichtzinnigheid, trots mijn altijd verliefde jeugd.... Den eerbied voor +de Goden en het Onuitsprekelijke.... Toen voelde ik bijna een weemoed +om Apollo, wiens heilige stad zoo was vervallen, wiens Orakel niet meer +werd geraadpleegd.... Toen voelde ik dat vreemde gevoel, terwijl mijne +oogen toch Fotis, op wie ik verliefd was, bewonderden, als zij in +gezonde, wat boersche maar mij aantrekkelijke, jonge-vrouwelijkheid ons +bediende.... Dat vreemde gevoel, dat er àndere Dingen waren dan +te reizen in kaas en wol, zelfs in purper, parels en geurwerk!</p> + +<p>—Vertelt ge mij niet uw avontuur, beste vrienden? vroeg ik +Crito en <span class="corr" id="xd0e269" title="Bron: Cchremes"> +Chremes</span>; terwijl ginds de kunstenmakers ons hunne toeren zullen +vertoonen?</p> + +<p>Zij wilden mij hun avontuur wel vertellen.... Intusschen deden reeds +de twee paar jeugdige knapen de wonderlijkste akrobatische toeren: zij +wrongen zich twee aan twee in elkaâr, tot zij geleken op twee +staven van Hermes-Mercurius, den god van ons, +handelsreizigers!—op twee caduceeën, op twee paar om +elkaâr gekronkelde slangen: zoó liepen zij, zich telkens +geheel om buigend, op de handen: als de een op de handen liep, hief wie +zich om hem gekronkeld had, de zijne omhoog, tot zij zich, +hoepelsgewijze, bogen en de ander op zijn beurt op de handen liep. En +de eene man at vuur en de andere slikte een gladiatorezwaard in....</p> + +<p>—Gij moet dan weten, Charmides, zeide Crito; dat ik <span +class="pagenum">[<a id="xd0e276" href="#xd0e276">19</a>]</span>samen +met Chremes reisde, hij in wol, ik in kaas, en dat wij reeds sedert +lang goede vrienden zijn, niet waar, Chremes?</p> + +<p>—Voorzeker, Crito, antwoordde Chremes. En ge moet weten, +Charmides, dat wij kwamen op een driesprong van wegen, dicht bij +Hypata....</p> + +<p>—Larissa is een moóie stad, niet waar? viel ik in de +rede; voor ons dansten de drie meisjes een <span class="letterspaced"> +kordax</span>-dans: een wulpsch schuifelend beweeg tusschen de twee +groepen der vier om elkaâr gekronkelde jongens; een beer zat, +gemuilband, te wachten.... En er zijn tal van mooie vrouwen, niet waar? +Ook die drie danseresjes zijn heél mooi....</p> + +<p>—... En het was vallende avond, ging Crito voort, zonder zich +veel te storen aan mijne vragen en opmerkingen. En op eens....</p> + +<p>—... Zagen wij vóor ons...</p> + +<p>—Een driehoofdig beeld van Hekate, de in Thessalië +ge-eerediende godin!!</p> + +<p>—Nu, zeide ik; is dat zoo vreemd. Op vier- of driesprong der +wegen staat wel meer het beeld der toovergodin.</p> + +<p>—Ja, maar Charmides....!</p> + +<p>—... maar Charmides...! riepen zij beiden, links en rechts en +toen te zamen:</p> + +<p>—Toen wij nader kwamen.... Lieten de drie hoofden af van den +romp.... En omvlogen ons drie verschrikkelijke heksen!</p> + +<p>—Hoed u, hoed u, o Charmides, voor Thessalië! riep de +zieke Aristomenes.</p> + +<p>—En deden zij ons geweld aan! riepen door elkander Crito en +Chremes.</p> + +<p>—En maakten zij mij, riep Crito; die lang was en mager, kort +en dik! <span class="pagenum">[<a id="xd0e305" href= +"#xd0e305">20</a>]</span></p> + +<p>—En mij, riep Chremes; die kort was en dik, lang en mager!</p> + +<p>Ik lachte.</p> + +<p>—Kom, kom! zeide ik. Ge zult gedroómd hebben. Ik geloof +die verhalen niet. Even als Aristomenes heeft gedroomd, dat hij in een +zwijn werd veranderd. Zie liever eens naar die drie bevallige +danseresjes. Bij mijn godin, die nooit Hekate worden zal, maar altijd +Afrodite blijft, ik geloof, dat ik verliefd word op àlle +drie!</p> + +<p>Fotis hoorde mij, lachte schamper en riep:</p> + +<p>—Op drie dansmeiden van de straat!</p> + +<p>Maar eene van de danseressen kwam nader. Zij spreidde een tapijtje +en legde er zich glimlachende voor-over op, de armen sierlijk gekruist. +De fakkelvlam weêrspiegelde in de koperen munten, die bedekten +haar voorhoofd en borst.</p> + +<p>—Zij is de mooiste! riep ik. O wat is zij mooi en bevallig! En +lenig!</p> + +<p>En ik werd zeer verliefd op het meisje, dat op het tapijtje lag. En +wilde opstaan.</p> + +<p>Maar, liggende, boog zij rond als een hoepel. De man, die vuur had +geslikt, bood haar een boog, dien zij nam tusschen de teenen van haar +eenen opgehoudenen voet en met de teenen van den anderen voet richtte +zij een pijl op de koorde. Zij boog het hoofd gracelijk, een weinig, om +te zien. Zij glimlachte steeds. De man, die het zwaard had ingeslikt, +hield een appel omhoog. En het meisje schoot met de teenen, armen +steeds gekruist en liggende, hoepelrond op den buik, den pijl af, in +den appel.</p> + +<p>Er was bewonderend gejuich en applaus en ik, Charmides, zoon van +Lyzias van Epidaurus, en die reisde in purper en parels, wierp enkele +geldstukken op het tapijtje. <span class="pagenum">[<a id="xd0e326" +href="#xd0e326">21</a>]</span></p> + +<p>—Ach, Charmides! riep de zieke Aristomenes. Verwerp toch niet +onze waarschuwing! Denk toch, ik, dichter en toerist, ik werd ook +verliefd, als gij vaak wordt; ik werd verliefd op Meroë, de +beroemde hetære van Hypata, maar zij is een dienares van Hekate +en zij zweeft ’s nachts rond door de lucht, met de schimmen van +Medea en Circe, die twee tooverprinsessen, dochters van de Zon, en zij +bezweert met haar beiden de Maan en de Sterren en den Storm! En zij +behekste mij in een zwijn, tot ik den rooden amaryllis at en weêr +mensch werd maar verlamd voor heel mijn leven! Hoed u voor +Thessalië, Charmides!!</p> + +<p>Ik lachte. Geloofde ik? Ik wist het niet. Lichtzinnig, wàs ik +heel jong, heel verliefd nu op het lieve boogschutstertje, zoó +verliefd, dat ik niet dacht aan goddelijke of óngoddelijke +dingen.... Ik stond op en naderde de kleine kunstenmaakster....</p> + +<p>Honden blaften, tusschen de menigte, zeker tegen den beer.</p> + +<p>—De honden blaffen! riep Aristomenes. Zij voelen, dat Hekate +zweeft in de lucht! Zij blaffen, omdat de maan rijst! Crito en Chremes, +voert mij naar binnen! Ik ben moê, ik ben ziek; helaas, ik ben +lam: ik wil rusten, ik wil rusten gaan!</p> + +<p>Crito en Chremes hielpen den zieke op, steunden hem, voerden hem +binnen in àl zijn doeken en dekens.</p> + +<p>—Hoe heet je? vroeg ik.</p> + +<p>—Demea, heer! zeide het meisje.</p> + +<p>—Je pijl, zeide ik; is geschoten in den appel, maar dieper nog +elders.</p> + +<p>—Waar dan, heer?</p> + +<p>—In mijn hart. <span class="pagenum">[<a id="xd0e347" href= +"#xd0e347">22</a>]</span></p> + +<p>—Heer, ge schertst: ik ben maar een kind van de straat, gij +een prins.</p> + +<p>—Neen, geén prins; ik rèis, in purper en parels. +Wil je mij niet, Demea, bezoeken, deez’ nacht, in mijn wagen, die +wacht voor de deur hier, ter zij van het huis....?</p> + +<p>—Heer, thàns moet ik dansen....</p> + +<p>En zij danste met de beide andere meisjes. De vier jongens +kronkelden steeds als Hermes-caduceeën, en buitelden als wielen, +om en om. En de twee mannen met den beer speelden, als in het theater, +een klein <span class="letterspaced">mimus</span>-spel van drie +personen. Toen bevrijdden zij den beer van den muilkorf en er was +ontroering van schrik tusschen de menigte. Maar de mannen klommen den +muur op voor ons en heschen den beer op den muur. En op den muur danste +de beer met een stok in zijn pooten en de mannen dansten met hem.</p> + +<p>Een luik in de herberg werd open gestooten en Aristomenes riep mij +toe:</p> + +<p>—Hoed u, Charmides, voor Thessalië!</p> + +<p>—Kennen jullie Thessalië? vroeg ik de drie meisjes nu; ik +wist bijna niet op wie van drieën ik het meeste verliefd was: zij +waren alle drie allerliefst; donker van tint en haren, jong krachtig +van leden, verrieden zij, dwaalsters over de wereld, haar Egyptische +afkomst.</p> + +<p>—Ja, heer, antwoordden zij alle drie en voegden er om beurten +aan toe:</p> + +<p>—Maar ons, arme kunstenmaaksters....</p> + +<p>—Doen de heksen....</p> + +<p>—Neen, de heksen geén kwaad....</p> + +<p>—Charmides! riep uit zijn raam de zieke; hoed u! De Egyptische +kunstenmaaksters zijn zelve heksen!</p> + +<p>Maar de meisjes tolden lachende om elkaâr rond. <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e377" href="#xd0e377">23</a>]</span></p> + +<p>—Zijn jullie heksen? vroeg ik.</p> + +<p>—Wij weten alleen liefdedrank te bereiden, maar meer heks zijn +wij niet, heer....</p> + +<p>En zij lachten en wij spraken over de liefde. Intusschen werden de +flambouwen gedoofd; de menigte vervloeide in de nacht, de kunstenmakers +met den beer verdwenen, de herberg werd gesloten. Ik bevond mij alleen +op het plein. De verbrokkelde muur, waar de beer niet meer danste, +teekende zich af tegen den afschijn der rijzende maan. Maar de wind +blies luguber en de wolken dreven en de platanebladeren ruizelden +neêr en ik hoorde als kleine kindertjes klagen of er zieltjes +zweefden door de nacht.</p> + +<p>Ik naderde mijn wagen. Davus en de voerman rezen op van de +treê.</p> + +<p>—Heer, zeide Davus; de voerman wil niet naar +Thessalië....</p> + +<p>—Is hij bang? vroeg ik.</p> + +<p>—Ja, heer, zei de voerman, bleek. Wij hebben te veel gehoord, +van Thessalië, alleen reeds dezen enkelen avond. Ik keer morgen +terug naar Argolis.</p> + +<p>—Je bent de slaaf van mijn vader, zeide ik. Je bent mijn +slaaf. Geeselen zal ik je laten, wanneer je weigert den wagen te +mennen.</p> + +<p>—Zoo laat mij dood geeselen, zeide de voerman. Maar ik men den +wagen niet naar Thessalië....</p> + +<p>Ik haalde mijn schouders op.</p> + +<p>—Ga nu slapen, zeide ik. Gaat slapen, allebei. Morgen brengt +de Dageraad nieuwen raad.</p> + +<p>Zij zouden voor in den wagen slapen. Zij sliepen dadelijk. Ik, in +den ruimen wagen, strekte mij op kussens ter ruste. Maar sliep niet. +Mijn slapen bonsden. Ik zag den driesprong <span class="pagenum">[<a +id="xd0e402" href="#xd0e402">24</a>]</span>der wegen en het beeld van +Hekate, wier drie hoofden af lieten van den romp en toen drie heksen +werden.</p> + +<p>Langs den wagen sloop in den flauwen maneschijn een schim. Ik keek +uit.</p> + +<p>—Heer! fluisterde Fotis. Uw beide slaven slapen.... Daarom kom +ik u waarschuwen, dat, zoo gij naar Thessalië gaat, gij goed doet +een talisman om uw hals te dragen....</p> + +<p>—Kom binnen, noodde ik Fotis. Kom in den wagen en waarschuw +mij beter....</p> + +<p>Om den wagen ruischte geheimzinnig de wind en vielen de +platane-bladeren en Davus en de voerman snurkten.... Voor het herbergje +rammelde telkens het uithangbord:</p> + +<div class="q"> +<p class="aligncenter">IN DE PYTHIA.</p> +</div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="xd0e416" href= +"#xd0e416">25</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">III.</h2> + +<p>Toen Fotis mij op zeer bevredigende wijze gewaarschuwd had en mij +een weldadige amulet om den hals had gehangen, slipte zij weg door het +eene portier van mijn reiswagen en verdween als een schim in de nacht +„In de Pythia”.... Maar op dit zelfde oogenblik hoorde ik +murmelen aan het andere portier:</p> + +<p>—Heer! Heer Charmides! Gij, die in purper en parels +reist....</p> + +<p>Ik lichtte den voorhang op en herkende Demea.</p> + +<p>—Wat is er, Demea....?</p> + +<p>—Heer, zeide Demea; als ik niet gezien had, dat Fotis, die +minne herbergmeid, in uw reiswagen was binnen geslopen....</p> + +<p>—Om mij te waarschuwen, zeide ik; voor de heksen van +Thessalië....</p> + +<p>—Dan zou ik, zeide Demea, een weinig verbolgen; en +béter dan zij, u hebben willen waarschuwen voor die zelfde +heksen en u een filter hebben willen geven, die onthekst, wie ook +behekst is geworden....</p> + +<p>—Kom dan binnen, lieve Demea, noodde ik; want het terrein is +nu vrij.... en door jou laat ik mij gaarne beheksen en ontheksen +beiden.</p> + +<p>—Heer, zeide Demea; ik ben een kind van de vrije luchten, en +dochter van de zanden en het stof van de <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e438" href="#xd0e438">26</a>]</span>wegen en achter den voorhang +van een reiswagen, met twee ronkende slaven in elkanders rug, +voór op den bok, geef ik mijn filter u niet. De woestijn was de +kamer, waar mijn moeder mij baarde, de Sfinx waakte over mijn +kinderspel, de maan is mijn nachtlamp en het starbezaaide firmament is +het koepeldak van mijn eindeloos pavillioen.</p> + +<p>—Demea, zeide ik; je hebt dat alles heel mooi en rhetoriesch +gezegd; het laat mij denken aan een tirade uit Seneca, den +treurspeldichter en ik ben bereid je te volgen waar je mij voeren wilt, +in welke ook van je ruime slaapsaletten onder de gouden sterren....</p> + +<p>—Kom dan meê! lonkte Demea.</p> + +<p>Ik richtte mij op uit de kussens, wipte uit den wagen en vroeg:</p> + +<p>—Waarheen....</p> + +<p>—Volg mij, lokte Demea, vol onweêrstaanbare verleiding, +en oogen als gloeiende offerkolen.</p> + +<p>Ik volgde haar. Ik voelde even of ik mijn Syrischen dolk bij mij +had, in mijn gordel, en Demea zweefde mij voor, steeds om ziende, +lachende, of ik wel volgde. Wat was zij luchtig en vlug, de kleine +boogschutster, die met de teenen richtte en af trok haar pijl. Zij was +zoo vluchtig als een vizioen voor mij. Zij voerde mij, ter zijde van de +herberg, oogenblikkelijk in een verwilderd woud. De wind ruischte +klagelijk door de takken en boven ons zeilde de maan de drijvende witte +wolken in en uit over den hemel der nacht. De schaduwen lagen, slechts +even doorschemerd, ter zijde van het pad als groote, zwarte +monsterbeesten gestapeld....</p> + +<p>—Heks!! riep ik. Demea! Ben je al een heks, al ben ik nog niet +in Thessalië??</p> + +<p>—Mijn moeder was een heks! riep Demea. En een heks <span +class="pagenum">[<a id="xd0e456" href="#xd0e456">27</a>]</span>zal ik +worden als zij, wanneer de groote Bok mij roept! Kom, kom!</p> + +<p>Ik kon niet weêrstaan. Ik volgde haar, terwijl zij voort +zweefde en lokte en lonkte.... Ik zag niets dan, door de schaduw, den +schemer, schitteren hare kole-oogen en soms leek het mij, zag ik +schitteren haar glimlach als om een bloemmond van roode sulfer. +Plotseling stond zij stil op een opene vlakte. Er rezen enkele +verbrokkelde muren, de geknotte zuilen van een portiek.</p> + +<p>—Waar zijn wij? riep ik verwilderd.</p> + +<p>Demea naderde mij en riep tragiesch:</p> + +<p>—Wij zijn in de ruïne van den grooten Tempel! zeide zij. +Eenmaal rees hier het Heiligdom gewijd aan den goddelijken +Boogschutter, dien ik dien maar met mijn voeten. Eenmaal zat +hièr—zij wees mij in het midden een ronde, steenen +plek—de Pythia op haar drievoet, dronken van lauriersap en geuren +en zij zeide de heilige Orakels. En waar dit alles eenmaal was, zal ik +dansen mijn dans van beheksing, ontheksing!</p> + +<p>Zij danste. Tusschen de geknotte zuilen danste zij in den +maneschijn, die heller en heller den hemel uit gleed. Zij danste. Zij +danste in blauwe en grauwe en blanke sluiers en zij was als een spiraal +van geurwalm uit een geurvat. Zij wirrelde als een ijle, dunne wolk, +die verijlde in de nacht. Zij veronwezenlijkte als een tooverdamp. Zij +deed de vervoerende heiligschennis op de heilige plek van Delfi. Ik was +mijzelve niet meer:</p> + +<p>—Demea! riep ik en opende de armen.</p> + +<p>Demea’s armen sloten zich om mij rond. Zij nam mij als op in +de dronkenschap van haar dans. De sterren schenen te regenen in een +vloed van vuur over de ruïne van den <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e472" href="#xd0e472">28</a>]</span>Tempel en uit de maan vloot een +zilveren zee en overgolfde hemel en aarde. Toen ik bij kwam, bood Demea +mij een albasten fiool, zoo lang en smal als een vinger....</p> + +<p>—De filter.... zeide zij; die onthekst....</p> + +<p>—Geef ik je geld? vroeg ik en nam de fiool.</p> + +<p>—Purper en parels! lachte zij. Geef mij purper voor een keurs +en een parel gelijk aan een peer!</p> + +<p>Zij geleidde mij lachende terug door het woud naar den wagen. Ik +voelde als wraakgodinnen achter in mijn rug, om de heiligschennis +gepleegd. Op het plein weifelde reeds de nacht... Davus vond ik +ontwaakt.</p> + +<p>—Heer, zeide hij; de voerman is ontvlucht....</p> + +<p>—Wij zullen wel zien, zeide ik, bijna onbewust.</p> + +<p>Ik zocht in mijn wagen, in twee, drie valiezen....</p> + +<p>—Hier, zeide ik tot Demea; is een staal van purper van +Thiatyra, allereerste kwaliteit. Maar het is niet zoo purper als je kus +was, Demea....</p> + +<p>—Het is purper genoeg voor een keurs, zeide Demea.</p> + +<p>—En hier, toonde ik; is een parel, heel groot, gevormd als een +peer, maar....</p> + +<p>—Maar wat, heer?</p> + +<p>—....niet echt, zeide ik. Ik reis niet met èchte +parels. Deze parels zijn de monsters slechts van de echte parels, die +mijn vader verkoopt. Zij zijn nagemaakt.</p> + +<p>—Een valsche parel, zeide Demea; heeft meer kracht in zich, +want is demonischer en bedriegelijker dan een echte. Ik wil deze +valsche parel!....</p> + +<p>Zij nam purper en parel en plotseling was zij verdwenen.</p> + +<p>—Heer! zeide Davus en knielde in angst voor mij neêr. +Waarheen zondt u uw vader Lyzias in toorn? Waarheen gaan wij! +Thessalië is een land vervloekt, zeggen allen! <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e504" href="#xd0e504">29</a>]</span>Heer, ik ben +bang. Spaar mij! Dat ik niet vluchtte, was, omdat ik u hoedde van klein +jongske af! Ik was iets ouder dan gij! Ik speelde met u en paste op u! +Heer, wees genadig en keeren wij, keeren wij, heer!</p> + +<p>—Ik kan niet, Davus. Ik moèt naar +Thessalië....</p> + +<p>—Het zij dan! zei Davus. Maar de goden behoeden ons! En +behoeden mij, die u mennen zal, als wij geen anderen menner +krijgen....</p> + +<hr class="tb"> +<p>Ik legde mij in den wagen te ruste, en ik sliep op mijn kussens en +tusschen mijn stalen van purper en <span class="letterspaced"> +bombyx</span> en monsters van wierook en valsche parelen als de +onschuld zelve. Want de Onbewustheid was in mij en om mij en ik leefde +het leven als een groot kind hoewel er somtijds, plotseling, in mij als +een vermoeden zich wekte, dat ik niet goèd leefde.... Dit +vermoeden was dan heel vaag, als een doortrekkende lijn van weemoed, +door mijn brein heen, waarna mijn ziel in mij zwaar woog van een matte +ontevredenheid en dàn verlangde ik ingewijd te worden in de +mysteriën van Eleuzis.... Maar nu sliep ik en ik dàcht niet +meer aan Fotis en Demea, aan de vrouwen van <span class="corr" id= +"xd0e517" title="Bron: Boeotië">Bœotië</span> en +Korinthe, aan de verlaten matronen van Epidaurus.... Maar ik +droomde.... Voor mij verscheen, streng, een glanzende godin, en zij +schudde afkeurend het hoofd.... Ik werd wakker, verschrikt en zag om +mij rond. De morgen gloorde zacht over het modderig pleintje; de dikke +herbergierster stond op den drempel.</p> + +<p>Ik betaalde en Davus spande de vier frissche postbuffels voor. Hij +zoû mijn menner zijn want er was er geen te huren, die naar +Thessalië wilde. <span class="pagenum">[<a id="xd0e522" href= +"#xd0e522">30</a>]</span></p> + +<p>—Het is overdreven, heer, meende de herbergierster; er +gebeuren misschien wel eens vreemde dingen in Thessalië, maar niet +iedereen wordt er behekst! Hoeveel reizigers komen hier niet, die uit +Thessalië komen en wie nièt is gebeurd, wat Crito, Chremes +en Aristomenes meenen, dat hun gebeurd is! Maar bij wassende maan +huilen de honden, die zijn Hekate gewijd en dan zijn de menschen banger +dan later in de maand....</p> + +<p>Wij gingen. Het was nu een lieflijke morgen, bepareld van dauw. De +wagen rolde op zijn vier groote, goed gesmeerde wielen gelijkmatig over +den gladden weg en de glanzende postbuffels, vier, trokken statig en +stevig. Wij overschreden den grens van Locris. Wij reden vier dagen en +rustten in veilige gehuchten des nachts. Voor roovers was geen reden te +vreezen. Angst had ik voor roovers noch heksen. Het waren echter de +eerste herfstdagen, vol huiveren wind. Na het heerlijke morgenuur werd +de middag somberder en de regenvlagen, schuin, striemden wel eens de +altijd straf trekkende buffels. Ontmoetingen hadden wij niet dan de +gewone, langs den heirweg.... Een <span class="letterspaced"> +centuria</span> lichte cavalerie, die zich naar Amfissa begaf, haalde +ons in. Uit mijn wagen wisselde ik eenige woorden van begroeting met +den <span class="letterspaced">centurio</span>. Maar wij spraken niet +van heksen. Bedelpriesters van de Groote Godin, Rheia Kubele, geleidden +hun ezel, op wiens rug gesnoerd, in een kastje, het heilige beeldje. Ik +wierp den priesters wat penningen toe. Des nachts sliepen wij in de +herbergen: niet altijd waren de dienstmeisjes er hare eigene +grootmoeders, neen.... Frissche postbuffels waren steeds te verkrijgen: +de postdienst naar Thessalië was er goed geregeld. Het was toch +ook een rijke landstreek, Thessalië: na Hypata waren er <span +class="pagenum">[<a id="xd0e533" href= +"#xd0e533">31</a>]</span>Farsalus, Fecæ, Larissa, de prachtig +welvarende steden. Hypata.... de eerste stad.... die scheen wel het +heksennest te zijn, naar wat ik gehoord had....</p> + +<p>Den vierden dag was het herfstweêr somberder dan te voren. De +anders dauw-gedrenkte, zonnige morgen was regen-gedrenkt en met mist +overwaasd. Ik huiverde toen ik den wagen besteeg. Maar te blijven in +dit kleine gehucht.... Het was ondoenlijk. De verveling grijnsde er mij +tegen. Wij gingen. Davus, zwijgend, mende. Wij aten, onderweg, in den +wagen. Telkens regende het, striemden de regenstralen. De weg was een +lang, lang moeras van modder....</p> + +<p>—Davus, zeide ik; de avond valt: wij moeten spoedig onze halte +naderen....</p> + +<p>—Heer, zeide hij; ik zie niets dan den weg zich strekken, +eindeloos....</p> + +<p>—Heb je niet vergeten rechts in te slaan, bij den vijftienden +mijlpaal?</p> + +<p>—Neen, heer, bij den vijftienden mijlpaal ben ik rechts +ingeslagen: ge sluimerdet toen even, geloof ik....</p> + +<p>—Rijd dan maar door....</p> + +<p>Hij reed door. Geen eind kwam er aan den weg. Het was er, in den +weeklagenden wind, zoo eenzaam, dat roovers geloof ik, mij welkom waren +geweest, als reisgenooten en kameraden. De nacht grauwde met groot +wolkgevaarte, zwaar van regen, boven de velden, de vlakte, den +vervalenden horizon met verre dalen en heuvelende hellingen. In de +veerte streepten zwart de regenstralen schuinende tegen de duistere +kim. De wind loeide uit het Westen aan met een huilende woede over den +weg, waarin telkens de wagen bleef steken, in de diepe moddervoren, +waaruit nauwlijks de buffels het <span class="pagenum">[<a id="xd0e549" +href="#xd0e549">32</a>]</span>voertuig naar voren weêr trokken, +vooruit.... Vooruit.... Noodweêr omwoelde het land. Nat werd ik +in den wagen, trots wollen mantel en deken: de voorhangen flapperden op +als natte lappen en klapperden om mijn ooren. Plotseling zeide +Davus:</p> + +<p>—Heer, ik geloof toch, dat ik mij heb vergist. Wij moesten +geen driesprong van wegen meer ontmoeten en ik zie.... ginds, +vóor mij, is een driesprong.... Welken weg nu te nemen, +heer?!</p> + +<p>Ik keek uit langs zijn schouder. En ik zag, als een bleeke star, +liggen op den grond voor mij den driesprong. De weg, dien wij gingen, +mondde er heen. Twee andere wegen schoten er uit, als witte stralen, en +vervaagden weg, links en rechts, in regen en veerte. De lucht er boven +was zwart en zwaar van dreiging en onheil.... Dikke wolken dreven en +woelden dooreen als met draaikolken en de wind scheen er dreigend door +heen te joelen en er boven in het rond te wirrelen. En midden op den +driesprong rees, op een korte zuil, een beeld. Ik herkende het als de +driehoofdige Hekate, de drie hoofden gedekt met de Frygische muts, +slangen, fakkels en messen in de zes handen geheven. Om het beeld, op +het altaar, smeulde, nog in den regen, de offerande: de half verkoolde, +drie zwarte honden, klaarblijkelijk dien morgen geofferd....</p> + +<p>Davus riep:</p> + +<p>—Heer! Heer! Zie! De driesprong, dien wij vermijden wilden! +Het beeld, het verschrikkelijke beeld! De godin, heer, der Toovermaan +en der heksen! Help mij, heer, sta mij bij!! Heilige goden, gij allen, +staat ons bij, staat ons bij!!</p> + +<p>Hij riep het, door den huilenden storm. Zijn zwakke kreet verwoei. +Ik was opgerezen. Een geweldige windvlaag <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e561" href="#xd0e561">33</a>]</span>woei den wagen schuin ter zij +van den weg. De rampzalige buffels, mede getrokken, loeiden, aan den +storm gelijk. Uit gesprongen, stond ik in de modder. Ik zag op. Boven +mijn hoofd, in de zwarte draaikolk der wirrelende wolken, warrelden +allerlei wilde gedrochten. Het waren vleêrmuizen met +vrouwegezichten om een reusachtigen vampyr, die met vale fosforoogen +loenschte. Het waren vleugels, vlerken, klauwen als van harpijen, door +elkaâr verward en Davus, krankzinnig van angst, was aan mijn +voeten neêr gevallen, en school in de slip van mijn mantel, +terwijl om mijn hoofd, in een cirkel, de afschuwelijke gedrochten te +zamen drongen... <span class="pagenum">[<a id="xd0e563" href= +"#xd0e563">34</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">IV.</h2> + +<p>Ik ontrukte op dat oogenblik aan den bezwijmden knecht de zweep, die +hij nog in de hand hield geklemd en cirkelde met den langen geesel in +de lucht, om mijn hoofd. Het was vreemd, maar ik geloofde nog niet aan +heksen. Ik geloofde aan storm en aan vreeslijke stormvogels en aan +reuzevleêrmuizen, zoo als ik er nimmer nog had aanschouwd, maar +ik geloofde niet aan heksen. En ik poogde met mijn lange zweep de +gedrochten mij van het lijf te houden. Ik voelde echter, dat ik dit +niet lang zoû kunnen. Daarom wierp ik de zweep in den wagen en de +afschuwelijke vleugels en vlerken sloegen mij om het hoofd, geeselden +mij op hun beurt. Wat vermag echter een jonge, sterke man veél +in de uiterste oogenblikken van bijna niet te begrijpen gevaar: wat een +kracht hebben de goden den mensch in gegeven, kracht, die +vertienvoudigd hem schijnt als een uiterste poging gedaan moet worden! +Want ik, ik had de kracht mijn bezwijmden Davus op te tillen en hem in +mijn mantel binnen in den wagen te werpen. De buffels, ook geslagen +door de vlerken en vleugels, brulden van smart en wanhoop maar ik greep +den voorste de leidsels en leidde hen in het rond om den driesprong +heen. Ik voelde, dat ik óver den driesprong—ter zij van +het beeld, dat mij scheen te bewegen, te grijnzen, bezield te worden, +in drie wezens zich te verdeelen!—onmogelijk buffels en wagen +zoû kunnen <span class="pagenum">[<a id="xd0e569" href= +"#xd0e569">35</a>]</span>geleiden. Maar om den driesprong rond, even +buiten den toovercirkel, die daar beschreven scheen, rukte ik de +buffels voorwaarts, terwijl ik voelde, dat ik vooruit moest en niet +achteruit—den weg terug—zoû kunnen gaan! O, hoe ik +het betreurde niet ingewijd te zijn in de mysteriën van Eleuzis! +Dàn had ik één woord van bezwering kunnen roepen, +eéne beweging kunnen maken, die... Hèksen? Neen, toch +geen heksen! Maar wel afschuwelijke gedrochten...!</p> + +<p>Plotseling daalde uit den schreeuwenden, huilenden troep, voor mij, +een harpij. Zij was een verschrikkelijk wezen: een vogelvrouw was zij; +haar gelaat was dat eener van hartstocht verteerde vrouw; ros roode, +ruige veêren stonden gloeiend in fosforschijn uit op haar kale +kruin, hare gele oogen schroeiden als vuur de nacht; hare wijde, zwarte +mond lachte monsterlijk; zij had vleugels en vogelpooten; rood, zwart, +geel scheen haar geveêrte en uit zoo veel geveêrt stond +naakt van vleesch uit hare vrouweborst met het vel van een geplukte +kip. Zij had, behalve vleugels, ook armen, lang en mager, met +vogelklauwen, scherpe. En zij stond voor mij en lachte.</p> + +<p>—Ga weg!! riep ik, en trok de buffels, die brulden, met de +eene hand om de leidsels en cirkelde de zweep met de ander.</p> + +<p>Zij huilde een kreet en riep:</p> + +<p>—Kom meê! Kom meê!! Kom meê!!!</p> + +<p>En zij strekte de klauwen uit: er bleef steeds fosforglans om haar +heen... Ik sloeg haar met de zweep, die cirkelde om haar harpijelijf. +Zij danste razende in mijn zweepkronkeling op en te gelijker tijd riep +zij tot de andere gedrochten, die drongen, te gaan, te gaàn, te +gààn! Zij wilde mij alleen! Maar ik zwiepte en trok de +buffels, in het rond, om den <span class="pagenum">[<a id="xd0e581" +href="#xd0e581">36</a>]</span>driesprong. De rampzalige beesten +begrepen: zij trokken uit alle macht... Ik voelde de klauwen der harpij +streelen aan mijn wang en strikte snel het touw van de zweep om haar +hals, om haar te worgen. Zij krijschte van woede en pijn en ik +gevoelde, dat zij niet almachtig was, vermoedelijk omdat zij beheerscht +werd door haar hartstocht voor mij en hare gedachte zich inspande mij +op te voeren in de luchten, in de stormwolk. De buffels hadden nu het +derde gedeelte van den tooverban om getrokken en wij waren den tweeden +weg van den driesprong genaderd... Ik rukte het gespan op den weg, die +vaag slechts blankte in de stormnacht. Maar in mijn zweepstrik hield ik +nog steeds de harpij omworgd bij den hals...</p> + +<p>Zij poogde zich te bevrijden en zij kon niet en lachte... En zij +riep als een behaagzieke vroouw:</p> + +<p>—Omdat ik niet wil! Omdat ik niet wil! Je hebt mij gevangen +omdat ik mij vangen wil laten! Ik kan wel, ik kan wel, maar ik wil +niet, ik wil niet! Mooie jongen, ik heb je zoo lief! Ik wil je, ik wil +je: kom meê, kom meê!</p> + +<p>Ik trok echter de buffels, liet ze toen los, en lokte ze voort en ze +draafden bijna, de brave beesten, terwijl ik in den zweepstrik steeds +de harpij mede trok. Ginds, achter ons, scheen nu de vreeslijke +driesprong niet meer dan een samenvloeiing van wegen in duistere +onweêrsnacht van draaikolkende wolken vol huilende vogels... Maar +niet meer. „Eleuzis! Eleuzis!” bad ik. „Ceres en +Hermes! Behoedt mij!” En het scheen of die gedachte aan de goden +macht mij gaf en meerdere kracht. Het stortregende en de harpij +krijschte steeds, in mijn zweep geworgd, behaagziek:</p> + +<p>—Ik kan wel, maar ik wil niet vrij! Mooie jongen, kom +meê! Kom meê! <span class="pagenum">[<a id="xd0e591" href= +"#xd0e591">37</a>]</span></p> + +<p>Toen trad ik op haar toe, greep haar bij den klauwpols, ontwirrelde +vlug mijn zweepstrik en hief den geesel dreigend op... Liet haar +los...</p> + +<p>—Wèg! riep ik. Wèg!!</p> + +<p>Zij wilde zich op mij werpen, maar ik zwiepte haar. Hare klauw brak +mij het lange zweeptouw. En zij lachte afgrijselijk... Maar ik zwiepte +haar steeds en sloeg haar met den stok van de zweep. Haar klauwen +voelde ik al in mijn rug. Ik greep haar bij den strot... Ja, nu worgde +ik haar: ik voelde het.</p> + +<p>—Goden van Eleuzis! riep ik. Staat mij bij...!!</p> + +<p>Wij vochten nu samen, gevallen in de modder des wegs. Ik had haar +bij een vleugel gegrepen en wrikte den vleugel om. Zij slaakte een +razenden kreet en rukte zich op. Ik greep haar bij den vogelpoot en +bràk dien... Zij gilde den storm te boven, en viel +neêr.... Maar ik haastte mij naar den wagen, sprong op den +bok...</p> + +<p>—Hoè! Hoè! riep ik tot de buffels: hoe de brave +beesten begrepen!</p> + +<p>Maar achter mij, door het slik, sleepte de harpij zich voort.</p> + +<p>—Ah! Ah! Ah! krijschte zij in woede. Mijn vleugel, mijn +vleugel heb je ontwricht! En mijn poot, en mijn poot heb je gebroken! +Ik vloek je, ik vloek je, ellendige knaap! Ezel, die je bent, om mijn +min te versmaden! Jij, die niet weet wat mijn liefde is! Jij, die mint +iedere herbergmeid! Ezel, die je bent en weêr worden zal, iederen +keer, dat je ooit weêr verliefd zal worden!</p> + +<p>Ik keek om, uit. De harpij was opgerezen en hinkte mij achterna met +haren lammen poot en eén vleugel op, de andere neêr +hangend, gebroken, slap. De regen stroomde... <span class="pagenum">[<a +id="xd0e610" href="#xd0e610">38</a>]</span></p> + +<p>—Ezel, die je was en weêr worden zal, iederen keer, dat +je ooit weêr verliefd zal worden op een ander dan mij, op een +ander dan mij! riep de harpij.</p> + +<p>Toen zonk zij in een, op den weg, en huilde naar den hemel op.</p> + +<p>De regen stroomde. De buffels hijgden.</p> + +<p>—Hoè! Hoè! riep ik...</p> + +<p>Waar ging ik heen, in de nacht. In de donkere onheilsnacht?</p> + +<p>—Goden van Eleuzis! riep ik. Geleidt mij!</p> + +<hr class="tb"> +<p>Ik mende. Ik mende, geloof ik, die geheele nacht, werktuigelijk. In +den wagen lag Davus, bezwijmd... Maar ik liet hem, zorgde alleen, +verder en verder te komen. Ik voelde mij tot stervens moede, mijn wang +bloedde en ook over mijn rug voelde ik het bloed tappelen: zoó +had de harpij mij hare verliefde klauwen in het vleesch geslagen. Maar +wat het vreemdste was, was, dat mijn rechterhand, die haar bij den +strot had gegrepen, om de leidsels in de nacht steeds lichtte als van +een valen fosforglans! Hoe ik ook wreef en veegde, de fosforglans bleef +er om lichten. Onderwijl mende ik. De storm scheen gedaan, maar de +nacht bleef zwart en de weg was niet meer dan vage, eindelooze bleekte, +die zich verloor naar den horizon toe... Eindelijk, tegen den eersten +schijn van den nieuwen morgen, zag ik, ginds, als een pleisterplaats. +Ja, gelukkig: het was de posthalte, bij den vijf-en-twintigsten +mijlpaal. Er was een herberg; ik zag het gedoe der stalling voor de +postbuffels. Ik klakte met mijn kapotte zweep. Slaven keken uit; de +postmeester-waard verscheen op den drempel. Ik naderde <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e627" href="#xd0e627">39</a>]</span>eindelijk, +eindelijk, ten doode vermoeid. Er was begroeting. Ik toonde mijne +papieren: „Charmides, zoon van Lyzias van Epidaurus, +handelsreiziger, op weg naar Thessalië, gehuurd hebbende vier +postbuffels, wordt gemachtigd bij de halte van den vijf-en-twintigsten +mijlpaal deze buffels te verwisselen voor wederom vier +postbuffels...”</p> + +<p>—Ze zien er afgetakeld uit, heer Charmides! zei de +postmeester, naar de uitgeputte dieren kijkende.</p> + +<p>—Ik ben zelve ook afgetakeld, postmeester! zeide ik. En mijn +knecht niet minder: die ligt in den wagen voor dood. Wij hebben zoo +veel van den storm te lijden gehad, dat ik dacht nooit te zullen aan +komen.</p> + +<p>—Storm? vroeg de postmeester verbaasd. Nu ja, het heeft wat +gewaaid...</p> + +<p>—O niet meer? vroeg ik en ik weet niet waarom, maar zeide hem +niets van de harpij en de heksen: de heksen, waaraan ik nu wel +geloofde. Nu, op den laatsten driesprong, was het toch wel heel bar +weêr!</p> + +<p>—Op den driesprong, heer Charmides? vroeg de postmeester en +verbleekte. Was het daar toch... wel bàr weêr??</p> + +<p>Hij keek mij met bedoeling aan, maar ik zeide alleen:</p> + +<p>—Ja, het woei er nog al en het regende. Davus! riep ik. Davus! +Ben je wakker??</p> + +<p>—Waar ben ik? vroeg Davus met zwakke stem.</p> + +<p>—Bij de posthalte, antwoordde ik. Kom Davus, kom bij en sta +op...</p> + +<p>—Wat is er gebeurd? vroeg Davus, wankelend uit den wagen +komend.</p> + +<p>—Je bent van schrik bevangen, zeide ik; door dien plotselingen +storm. Je bent bezwijmd en ik heb maar zelf gemend... <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e651" href="#xd0e651">40</a>]</span></p> + +<p>—Heer! zeide Davus, een schim gelijk. Was het alleen storm of +waren het...??</p> + +<p>—Kom, Davus! zeide ik ruw. Word helder. Eet eerst wat en ga +dan naar bed. Wat heb ik aan een knecht, die bezwijmt om donder en +weêrlicht, zoo dat ik zelf moet mennen...</p> + +<p>De postmeester liet de buffels uitspannen, stalde mijn wagen, borg +mijn bagage. Hij had eén kamer, voor mij en Davus. In mijn +kleinen, metalen reisspiegel zag ik, dat ik er uit zag, als Davus, een +schim gelijk!</p> + +<p>—Postmeester, zeide ik. Wij zijn moê. Ik zoû niet +gaarne morgen weêr voort willen trekken. Ik moet naar Hypata en +de weg is lang. Ik wensch een paar dagen hier te toeven. Kan dat?</p> + +<p>—Voorzeker, heer Charmides, zeide de postmeester. Uw kamer is +de uwe, voor u en uw knecht. Ik heb nog enkele andere kamers en slechts +twee gasten, die de mooiste kamers bewonen: dat is Demifo met zijne +vrouw Nausistrata; zij zijn hier met groot gevolg van slavinnen en +slaven en op weg naar Lamia, waar een aanzienlijke erfenis hun ten deel +is gevallen. De reizigers, die dezer dagen zullen komen en gaan, kan ik +altijd wel onder dak brengen, ook al blijft ge langer toeven dan +meestal een reiziger toeft.</p> + +<p>Ik bedankte den postmeester, ik at, Davus verzorgde mijne wonden; ik +sliep, ik ging daarna in gepeinzen den weg op. Het was een namiddag van +zilveren licht, gezeefd door zacht grauwe najaarswolk en er beefde een +oneindig weemoedige teederheid door de luchten, die zich weefden boven +den weg en over de velden en weiden. Ik liep den weg af; dankbaar dacht +ik aan de goden, die mij hadden <span class="pagenum">[<a id="xd0e664" +href="#xd0e664">41</a>]</span>behoed. Er was als een klare kalmte in +mij, een lief, teeder gevoel vol schoonheid, zoo als somtijds mij, +trots al mijne lichtzinnigheid, doorvaren kon. Niemand liep over den +weg: het was er de eenzaamheid, de weemoed, de schoonheid. Ik weet niet +welke vreemde rust mij omgolfde. Toen zag ik als een zilveren +zee...</p> + +<p>Het was, ter zij van den wit stoffigen postweg, een wijd veld, vol +gebloeid van zacht stralende zilverasters. De duizenden bloemen, met +bloembladeren als lichtende straaltjes, verdrongen zich dicht tegen +elkaâr en onafzienbaar in weligsten bloei. Het was of de geheele +hemel al zijne sterren dien middag had neêr gezaaid over de +aarde: het veld scheen als met sterren bezaaid, die zacht, zacht zilver +straalden. De sterren stonden op de hooge stelen uit en er was meer +gebloemt dan gebladert. Het woekerde er van zilveren sterren. O, wat +waren het mooie, zacht glanzende bloemen en zóó velen, +dat het een sprookje van sterren en bloemen scheen! Een oude tuinman, +met spâ in de hand, zag mij komen en groette.</p> + +<p>—Wat heerlijke bloemen! bewonderde ik. Wie kweekt ze hier?</p> + +<p>—De Isispriester Clitifo, zeide hij; die woont ginds, +vèr, in dat eenzame huis, waar hij vaak in overpeinzingen +maanden blijft....</p> + +<p>—Waarom kweekt hij ze? vroeg ik.</p> + +<p>—Het zijn weldadige bloemen, zei de oude tuinman. De +zilverasters zijn weldadige bloemen. Zoo heilig als de Lotos zijn zij +niet, maar zij bezitten toch de wondere kracht...</p> + +<p>—Welke dan? vroeg ik.</p> + +<p>—Die der ontheksing, zeide de tuinman. Dit is het gezegende +veld... <span class="pagenum">[<a id="xd0e680" href= +"#xd0e680">42</a>]</span></p> + +<p>Ik herinnerde mij Fotis’ talisman, voelde aan mijn hals, maar +de talisman was verdwenen, vermoedelijk mij door de harpij ontrukt. En +ik herinnerde mij Demea’s filter, die ook onthekste...</p> + +<p>—Zijn hier dan werkelijk heksen?</p> + +<p>—Heer, zeide de tuinman. Gij zijt in Thessalië. Gij +nadert Hypata: een mooie, rijke stad, maar vol slechtheid. Hoewel +Hekate, in zich, geen slechte godin is, zijn velen die haar aanbidden, +slecht. Heer, daarom kweekt mijn meester de zilverasters...</p> + +<p>Ik zag rond over het stralende veld. De bloemenweide strekte zich +uit, tot aan den horizon, bloem tegen bloem, zilveren aster tegen +zilveren aster, glanzende ster tegen glanzende ster.</p> + +<p>—O, zaligheid! dacht ik. Zalig als de Elyzeïsche velden! +Zoû ik u altijd langs mijn weg ontmoeten?</p> + +<p>De oude tuinman glimlachte mij toe: het scheen mij, dat hij mijne +gedachte raadde.</p> + +<p>Een zachte wind stak op en voer door de zilveren bloemen als met een +grauwende golf, die weêr op schuimde en blanker verstraalde... Ik +had nimmer schooner en zaliger tuin aanschouwd. <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e695" href="#xd0e695">43</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">V.</h2> + +<p>Toen keerde ik op mijn passen terug... En er was als een zilverreine +effenheid in mijn gemoed.</p> + +<p>Plotseling schokte ik op uit die weldadige stemming. Voor de +posthalte stond een groote vrouw: zij was in een rijk plooiende, +donkergroene palla gehuld, die, over haar hoofd heen getrokken, haar +den rug, dien zij mij toegekeerd hield, omgoot in een nauwte van +gebeeldhouwde lijnen, weg golvend over haar eveneens rijk plooiende +stola en een puntige, ronde reishoed van riet beschaduwde het reeds in +palla-slip omlijste gelaat, drie-kwart gekeerd naar mij toe. Zij zag +mij niet... Toen ik naderde, bespiedde ik, hoe hare zeer donkere lokken +langs haar roomblank gelaat neêrvielen als met twee donkere +druiventrossen. Met een grooten reiswaaier van palmblad beschutte zij, +opgeheven de eene arm, uitkijkende, zich den blik... De ondergaande zon +wierp een halo van wemelend stofgoud om haar heen, waar zij stond op +den wit stoffigen weg. Mijn hart klopte naar mijn keel, ik had nooit +nog zoo een heerlijk schoone vrouw gezien!! Haar boezem deinde lichtjes +in den, met den anderen arm er overheen getrokken, mantel, die, groen, +glanzende gouden vegen pakte... Wat waren er toch mooie vrouwen ter +wereld!!! Wat was deze betooverend schoon...!</p> + +<p>En ik naderde haar... Mijn gemoed was zóo fel bewogen, dat +mijn oogen knipten verblind, dat mijn lippen <span class="pagenum">[<a +id="xd0e705" href="#xd0e705">44</a>]</span>en keel droog voelden... Ik +naderde haar... Schielijk zag ik even rond, of iemand mij gade sloeg... +Er was niemand, noch op weg, noch voor herberg, dan zij en ik, dien zij +niet zag... En de gedachte schoot snel door mij heen haar te zeggen: +Vrouwe, gij zijt schoon en ik heb u lief: wilt ge de mijne zijn...?</p> + +<p>Ik naderde, ik was genaderd, haar geur bedwelmde mij heviger. En +reeds wilde ik de lippen openen om te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon +en... toen ik plotseling mij bewust werd door een vreemde kracht buiten +mij? in mij? voor-over te worden geduwd, gedrongen, gedrukt, zoodat ik +den rug moest buigen en met de handen viel over den grond voor over. En +te gelijker tijd opende ik de lippen, fluisterend, maar in plaats dat +ik fluisterde:</p> + +<p>—Vrouwe, gij zijt schoon... kwam er een heesch, schor, vreemd, +mijzelf onbekend en onaangenaam aandoend geluid uit mijn keel en balkte +ik, een ezel gelijk:</p> + +<p>—Hi-ha: rouwe, rij rijt roo...oon!</p> + +<p>Met zulk een verschrikkelijk, toch fluisterend gekrijsch als alleen +een verliefde ezel zoû kunnen slaken, die een ezelin voor zich op +weg of weide zag...</p> + +<p>De schoone vrouw verschrikte hevig, slaakte een doordringenden gil +en vluchtte, omziende, de herberg in, roepende:</p> + +<p>—Help mij! Help mij! Een verliefde ezel!</p> + +<p>Ook ik schrikte hevig... En steeds stond ik, gebogen, op handen en +voeten en toen...?</p> + +<p>Toen voelde ik, als een niet zegbare na-pijn, dat mijn rug was uit +gerekt, mijn hoofd tot een bek zich verlengd had, mijn handen hoeven +werden, mijn sterke armen sterke <span class="pagenum">[<a id="xd0e723" +href="#xd0e723">45</a>]</span>ezelspooten, mijn beenen ook, dat mijn +ooren groeiden en mijn tanden zich vierkantten tot mozaïeksteenen +zoo groot, dat mijn ruggegraat zich strekte tot een staart, dat mijn +geheele lichaam zich bedekte met een effen grauwe vacht, dat een lange +tong mij de lippen lekte, terwijl geheel dit nieuwe wezen mij vreemd +aan deed en onbehagelijk als niet het mijne, hoewel toch mijn ziel de +mijne gebleven was...!</p> + +<p>Ik was een ezel! Ik was in een ezel veranderd! Ik herinnerde mij, in +een flits door mijn menschelijk brein in ezelekop, de vervloeking van +de harpij, die ik niet meer geteld had dan ijdele woorden, ijdele +bedreiging! Ja, ik was in een ezel veranderd! En van overal, achter om +de herberg, uit de herberg, kwamen de knechten en slaven, kwam Davus +ook, met knuppels gewapend om mij te ranselen: den wilden, vreemden, +verliefden ezel, die Nausistrata, de vrouw van Demifo, had willen +bijten, misschien... misschien wel op eten!!</p> + +<p>Ik hief mijne ezelshoeven van den grond en zette het op een rennen. +Ik rende den postweg af: ik voelde mij groot, sterk, vlug, maar... een +ezel! Ik was een ezel! Maar een ezel met menschegedachte, want ik deed +wat nooit een achtervolgde ezel zoû hebben gedaan: ik verborg +mij, ter zij van den weg, in de hoog strengelende zilverasters van +Clitifo’s tuin en hurkte neêr, onzichtbaar, grauw ik +tusschen de zilveren bloemen...</p> + +<p>Tuin van ontheksing, herinnerde ik mij des tuinmans woord. Tuin van +ontheksing!! Zoû ik werkelijk... Zoû ik werkelijk door +zilverasters kunnen worden onthekst? Was Aristomenes, die door +Meroë van Hypata was behekst in een zwijn, niet onthekst door +roode amaryllis??</p> + +<p>Gulzig sloeg ik mijn ezelebek in de zilverasters, maar <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e733" href="#xd0e733">46</a>]</span>met een gevoel +of ik heiligschennis bedreef. En at ik de zilverasters, brak ik ze af +met mijn ezeletanden, verslond ik de heilige bloemen... Het was +allervreemdst maar, te gelijker tijd, dat op den weg, in een van +laatste zonnegoud doorpoeierde stofwemel, de slaven en Davus met +knuppels aan liepen, rukte een magische kracht mij omhoog op de +achterhoeven, voelde ik mij krimpen, rilde een koorts mij over de +leden, voelde ik mijn staart verkrinkelen, mijn ooren verkleinen en +stond ik tusschen de asters, terwijl mijn harige vel weêr mijn +gladde huid en grijze reiskleed verwerd...</p> + +<p>Ik rees uit de bloemen op en Davus en de knechten zagen mij. Een +inwendige stem ried mij te zwijgen over wat er mij was geschied.</p> + +<p>—Wat is er? vroeg ik allen.</p> + +<p>—Heer, zeide Davus; wij zoeken een wilden ezel, die de edele +Nausistrata bijna verslonden heeft!</p> + +<p>—Ik heb, zeide ik; juist een ezel over den weg zien rennen, +maar—loog ik—het was geen gewone ezel. Het was een ezel met +vlerken en hij vloog weg, daar ginds tusschen de olijveboomen en de +heuvels, de lucht in...</p> + +<p>—De lucht in, heer?? riepen ontsteld Davus en de knechten.</p> + +<p>Ik verzekerde het en zwoer bij de goden, godlastering mijn woord +tusschen de goddelijke bloemen, die mij hadden gered. En ging tusschen +de mannen terug.</p> + +<p>Voor de herberg lag de schoone Nausistrata, half bezwijmd nog, in +een leunstoel en haar man, Demifo, en de postmeester en hare vele +slavinnen beijverden zich om haar rond. En Davus riep reeds van +verre:</p> + +<p>—De ezel sloeg vlèrken uit: wij hebben het àllen +gezien <span class="pagenum">[<a id="xd0e751" href= +"#xd0e751">47</a>]</span>en hij verdween in de lucht, daar ginds +tusschen de olijveboomen en de heuvels!!</p> + +<p>—Die ezel wàs geen ezel! riep ik.</p> + +<p>—Neen! riepen alle de knechten en slaven. Die ezel was een +booze geest!</p> + +<p>—O! riep Nausistrata en stond wankelend op. Ik wil weg van +deze euvele plaats! Een ezel, die geen ezel was! Een gevleugelde ezel, +die mij te lijf wilde, vermoedelijk mij wilde ontvoeren door de +luchten! Er gebeuren toch verschrikkelijke dingen in Thessalië! +Als te Lamia ons niet die erfenis wachtte... Demifo! Demifo! Geen uur +blijf ik langer hier!!</p> + +<p>Bevelen werden gegeven. Een uur later vertrokken in drie reiswagens +Demifo en Nausistrata met groot gevolg. Hoewel de nacht viel... Maar +Nausistrata had liever willen vertrekken in de nacht, dan blijven ter +plaatse, waar een gevleugelde ezel misschien nog zweefde door de +betooverde luchten! En hare slaven en slavinnen, die opgepakt in twee +der reiswagens zaten, hadden schelle koperen bekkens en ratels en +rammelaars in de hand en zij maakten er een ontzettend lawaai mede, een +schel klinkend geklinkklank, een getingelingeling van klokjes en een +geboeng-boeng-boeng van cymbalen, om verre de slechte geesten te +houden. Zoo verdween de reisstoet de nacht in tusschen oorverdoovend +gedruisch.</p> + +<p>En viel de stilte van duisternis over de eenzame posthalte aan den +verlatenen heirweg. Alleen, staande voor de deur, keek ik uit. Ginds +blankte een zilveren vaagte, de astertuin... Mijn hart klopte van +beduchtheid... Ik was onttooverd... maar... zoû ik werkelijk +iederen keer, dat ik verliefd werd, in een ezel worden herschapen? +Zoû de vervloeking <span class="pagenum">[<a id="xd0e763" href= +"#xd0e763">48</a>]</span>van de harpij haar invloed doen gelden, +iederen keer, dat ik... Troosteloos verschiet! Ik was zoo jong, zoo +verliefd van aard en...</p> + +<p>Een groote somberheid overviel mij. Drie nachten sliep ik bijna +niet, meende telkens, bij iedere vrouweschim, die rees in mijn droom of +wakende herinnering, dat ik in een ezel veranderde... En voelde ik +mijzelve angstig aan in mijn bed. Den vierden morgen vertrokken wij: +zwijgend mende Davus. Wij gingen door Thrachis, vol heugenis aan den +grooten Held, Herakles, die hier had vertoefd met Deianeira. De Mythe +zweefde als een onsterfelijke godin in de luchten. Links rees de Oita +omhoog, op welks top Herakles in den vuurgloed zijn ziel had geslaakt, +die ten hemel gestegen was. De herfst purperde om mij heen met de +pracht van Dionyzos’ druiven, wier wingerden de festoenen +slingerden langs de bergflanken, terwijl het verschiet weg dreef in +wazen van morgenmist, waarin de vochtige parelen hingen. Toch bleef ik +vol argwaan en somber. Wij naderden Hypata... Ginds, in de Noordelijke +verte, blankten reeds de tinnen van hare poorten. Onderweg, aan een +posthalte, wisselden wij van buffels. Tegen den middag naderden wij de +stad...</p> + +<p>Juist toen wij haar binnen trokken, kwam uit de stad een stoet ons +te gemoet en er was verwarring. En om den stoet te doen trekken +voorbij, dreef Davus ons vierspan ter zijde. Het waren Nubische +voorloopers, met zweepen en keelgeluid klakkend; het waren gewapende +wachten; het waren slaven te dravende voet; het waren aanzienlijke +jongelieden te paard; het waren vier, vijf draagstoelen, getorst door +stevige dragers... Het was, hoorde ik, een schatrijke landeigenaar, die +voor de wijnfeesten naar zijn <span class="pagenum">[<a id="xd0e769" +href="#xd0e769">49</a>]</span>landgoed trok. Uit den wagen gesprongen +zàg ik hem: een voorname, prinselijke man: hij zat te paard en +reed tusschen zijne bloedverwanten en het volk om mij, dat toe keek, +noemde zijn naam: Menedemus... Ook Davus, op zijn bok gebleven, keek +toe. Plotseling werd mijn oog echter getroffen door een rijken +draagstoel, waarin, met twee dienaressen, een jonkvrouw, half liggende, +gezeten was. Een schok doorvoer mijn ziel en lichaam; nimmer nog had ik +zoo lieflijke schoonheid aanschouwd... De maagd, die daar voor mij +henen gedragen werd, scheen mij Psyche zelve toe, de geliefde van der +Liefde god!! Hoewel haar gelaat voor de reize was omspeld in dunne +sluiers, waarboven een puntige hoed van zilverachtig rijs, zag ik er +het fijne ovaal van haar allerlieflijkst gelaat door heen, zuiver +getrokken in zoo ontroerend teedere lijn, dat ik voor haar had willen +knielen. Enkele gouden lokjes kruifden den sluier uit. Hare oogen zagen +mijn kant uit zonder mij te zien en die oogen waren groot en blauw en +zoo lieflijk onschuldig en rein als blauwe lotus. Zij glimlachte juist +en het was of haar glimlach een glans uit straalde en op straalde over +haar geheele gelaat. De blauwe mantel liet de teedere lijn van hals en +borst slechts raden, maar de hand, die uit de plooien te voorschijn +bewoog en den rieten waaier hield, was een aandoenlijke belofte van +alles wat verborgen bleef: zoo klein en edel, zoo fijn en rank met +iets, dat aan een lelie denken liet. Aan lotus en lelie, aan zonnegoud +en mereblauw deed dit lieflijke wezen mij denken, in dien flits, dat ik +haar zag. Ik liep meê. Er was gedrang voor de poort, die de stoet +uit trok... Ik liep meê, naast den draagstoel, bijna naàst +haar: ik had haar aanbiddelijke hand kunnen beroeren. <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e771" href="#xd0e771">50</a>]</span>En een zalige +warmte doorvloeide mijn hart, zoó, dat ik had kunnen +stamelen:</p> + +<p>—Toef even, o gij, die langs mij heen gaat als een hemelsch +vizioen, opdat ik voor u kniele en u aanbidde...</p> + +<p>Op het zelfde oogenblik, dat ik dit in de poort dacht, tusschen het +dichte gedrang, voelde ik een geweldigen ruk, die mij voor-over drong, +drukte, dwong en stond ik op handen en voeten. En ik stamelde niet, +maar balkte verschrikkelijk:</p> + +<p>—Hi-ha...</p> + +<p>De maagd verschrikte, hield de hand aan het oor, lachte even +zoó zacht en lieflijk, dat ik van zaligheid weg smolt... Maar ik +was een ezel! Ik stond even buiten de poort op den heirweg als een +ezel! Ik was in een ezel veranderd. Ik werd mij bewust van mijn kop, +bek, staart, hoeven en grauwe vacht... En de stoet draafde en liep mij +voorbij.</p> + +<p>Mijne herschepping scheen in het gedrang van ruiters, karren, +wagens, draagstoelen, voetgangers niet bespeurd te zijn. Wie, die het +had kunnen bespeuren, zoû zijne oogen hebben willen gelooven! Wie +kon bespeurd hebben in zulk gedrang, dat een mensen was verdwenen en +een ezel verschenen in dat ondeelbare oogenblik van herschepping. Zij +duwden mij, schopten mij, grepen mij zelfs, omdat ik, een onbeheerde +ezel, zeker ontvlucht, daar balkte en liep over den heirweg...</p> + +<p>Even uit den draagstoel keek de zoete maagd uit, keek zij naar mij. +Zij glimlachte en hare lotus-oogen ontmoetten mijne ezelsoogen. En ik +weet niet waarom, maar op dat zoo noodlottige oogenblik mijner wederom +onverhinderbare metamorfoze, zegende ik het toeval, dat haar maagdeblik +<span class="pagenum">[<a id="xd0e785" href= +"#xd0e785">51</a>]</span>ontmoette mijn ezeleblik en scheen het mij +toe, dat hare gedachte één oogenblik van +zaligheid-voor-mij tot mij toe ging, onverklaarbaar... Misschien, dat +zij niets anders dacht dan:</p> + +<p>—Arme ezel, die daar wordt geduwd en geschopt, in dat dichte +gedrang... <span class="pagenum">[<a id="xd0e789" href= +"#xd0e789">52</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">VI.</h2> + +<p>Op dit oogenblik, dat ik gegrepen, geduwd, getrapt, geschopt werd te +midden van het dichte gedrang, kwam Davus de poort om kijken en vroeg +den poortwachters, die toe zagen:</p> + +<p>—Hebben jullie mijn meester ook niet gezien?</p> + +<p>—Welken meester? vroegen de poortwachters, en ik hoorde alles +heel goed met mijn lange ezelsooren, die spitsten.</p> + +<p>—Mijn heer, met wien ik reis! riep Davus, in verbijstering om +zich heen ziende. Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus! Hij is +den wagen uit gesprongen, toen de stoet van Menedemus de poort uit +trok; hij is, geloof ik, even meê geloopen en nu zie ik hem niet +meer en weet niet wat er met hem gebeurd is!! Een mensch kan toch maar +niet zoo op eenmaal verdwijnen!</p> + +<p>De drukke menigte, nu de stoet zich op den heirweg verloor, vloeide +geleidelijk de stad in en uit, maar éen van de poortwachters en +een paar stedewachten hielden mij vast aan mijn opstaande manen, +terwijl ik onwillig wilde ezelbewegingen maakte, mij schudde, +ongeduldig, wanhopig zwiepte met mijn langen ezelstaart... +„Davus!” had ik willen roepen; „ik, deze ezel, ben je +meester!” Maar ik slaakte niet anders dan een afschuwelijk +gebalk:</p> + +<p>—Hi-ha!!</p> + +<p>—Je heer is er heusch niet! zeiden de mannen rondom. <span +class="pagenum">[<a id="xd0e807" href="#xd0e807">53</a>]</span></p> + +<p>—Zeker is hij meê geloopen met den stoet! weeklaagde +Davus. Als hij een schoone vrouw of jonkvrouw ziet, is hij buiten +zichzelf en... die maagd in den draagstoel was wel bizonder +lieflijk...</p> + +<p>—Zij was Charis, Menedemus’ dochter, zeiden de mannen; +ja, zij is wel betooverend mooi!</p> + +<p>—Zeker is hij meê geloopen? weeklaagde wanhopiger Davus. +Wachters, mag ik jullie onzen reiswagen toe vertrouwen, en vertrouwen +jullie mij dien weg geloopen ezel toe? Dan bestijg ik zijn ongezadelden +rug en ren naar den stoet, om mijn meester te zoeken en hem te zeggen +hoe onverantwoordelijk hij handelt!</p> + +<p>En werkelijk, de poortwachters en stedewachten stemden toe! Zij +zouden den reiswagen achter de stadspoort ter zijde geleiden uit de +drukte van het verkeer en zij stonden toe, dat Davus mijn rug +besteeg!!</p> + +<p>—Het is toch maar een vreemde ezel! zeiden de wachters en de +wachten zeiden:</p> + +<p>—En niemand weet aan wie hij behoort!</p> + +<p>En Davus slingerde zich op mijn rug. Daar zat hij, mijn knecht op +zijns meesters rug en ik voelde in mijn grauwe flank zijn hiel! De +vreemdste gewaarwordingen bedrongen mijn menscheziel in mijn ezelelijf. +Als mensch-in-ezel was ik zeer verontwaardigd, dat mijn knecht Davus +mij bestegen had, mij spoorde met zijne hielen en met mij den stoffigen +heirweg afstormde. Ik draafde hevig, met de hoeven tegen mijn +onderlijf. Maar trots die verontwaardiging, was ik zalig blij den stoet +na te rennen en kans te hebben, al ware het met ezelsoogen, de +lieflijke Charis weêr te zien. Tevens smachtte ik met hevig +verlangen terug naar den tuin der zilveren asters... Wat al +gemoedsbeweging <span class="pagenum">[<a id="xd0e822" href= +"#xd0e822">54</a>]</span>voor dubbel betooverd mensch in grauw +fluweelige ezelepens! Wij draafden, wij draafden, wij naderden... Davus +riep naar de achterhoede van den stoet: daar waren slaven en +wachten:</p> + +<p>—Is onder u ook mijn meester: Charmides, de zoon van Lyzias? +Is hij niet meê geloopen met uw stoet?</p> + +<p>Maar de slaven en wachten riepen, dat zij niet wisten van +Lyzias’ zoon, Charmides...</p> + +<p>Plotseling keek de lieflijke Charis achter om, achter uit... Maar +helaas, mij zag zij niet aan; zij zag nu slechts Davus en ik hoorde +haar stem, zacht lachende:</p> + +<p>—Wat wenscht die ruiter op zijn ezel?</p> + +<p>—Edele jonkvrouw, o Charis! riepen de wachten en slaven; hij +vraagt naar Charmides, Lyzias’ zoon...</p> + +<p>—Uit Epidaurus!!</p> + +<p>O, vreemde zaligheid, die mij door voer, terwijl Davus, op hun aller +betuigingen van onwetendheid met Charmides, Lyzias’ zoon, zijn +vaart op mijn rug bedwong! Vreemde zaligheid, dat Charis hoorde van +Charmides, zoo als Charmides van Charis hoorde! Zaligheid, ons beider +namen hadden samen geklonken in die zelfde ure, als in een zelfde +harmonie van bekoring! Nooit zoû ik, ezel of man, vergeten +lieflijke Charis’ naam en misschien, dat Charis niet vergeten +zoû, hoe buiten de poort van Hypata tot haar oor was door +gedrongen de naam van Charmides, Charmides, die haar aanbad! O, zoo de +goden, de zalige, van Eleuzis, eens weêr samen zouden doen +klinken, in eene zelfde ure, die beide namen van Charis en van +Charmides, van Charmides en van Charis!</p> + +<p>Intusschen wenschte ik niet terug naar de stad! Ik wilde naar den +astertuin en terwijl de stoet van Menedemus den <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e840" href="#xd0e840">55</a>]</span>zijweg insloeg, die +zeker naar zijne landgoederen geleidde, stond ik schrap op de hoeven, +koppig mijn ooren spits, mijn staart ingetrokken tusschen de +achterpooten, terwijl Davus alle moeite deed om mij op mijne passen te +doen keeren. Ik sloeg met de achterpooten uit, als een echte ezel en +Davus tuimelde mij over den kop! O, hoe ik wenschte hem te doen +begrijpen. Maar ik kon niet spreken. Ik poogde met mijn +rechter-voorhoef op het stof van den weg te schrijven: ik ben +Charmides, maar Davus begreep niet mijn vreemde arabesken en het stof +was zoo wit en mul! En toen Davus, vloekende opgestoven, mij weêr +wilde bestijgen, steigerde ik, wierp hem weder af en zette het op een +loopen. Als of ik een ezel-op-hol was!</p> + +<p>Naar de zilverasters! Naar de zilverasters! suisde het in mijn arme +ezelehoofd. Naar de zilverasters terug! Den geheelen langen weg terug! +Meer dan dertig mijlen terug! Ik rende, ik holde. In den avond, die +viel, holde ik terug. De weg was eenzaam en een violette damp hulde de +weiden en velden ter zijde in eene somberheid, waarin vale wezens +schenen te waren. Een onwezenlijke wind, die, ik wist niet uit welken +windstreek woei, hulde om mij. Het was of een vlerk mij sloeg. En +plotseling, waar de weg helde naar een ravijn, dat ik af holde, was ik +weêr omdrongen door de gedrochten. En hoorde ik een grijnslach en +zag ik een grimlach.</p> + +<p>De harpij! De harpij!! Zij vlerkte om mij rond en vloog mij toen op +den rug. En zij riep:</p> + +<p>—Mijn vlerk, mijn vlerk is al weêr genezen! En mijn +poot, en mijn poot is weêr heelemaal heel! Hu! Hu! Naar den +astertuin! Naar den astertuin! Dat wij hem vernielen! Dat wij hem +vernielen! <span class="pagenum">[<a id="xd0e848" href= +"#xd0e848">56</a>]</span></p> + +<p>Langs den weg terug, holde ik, de harpij, van wie ik mij niet +bevrijden kon, schrijlings op mij gezeten, met hare mij schurende +vogelpooten, hare pooteklauwen mij verscheurende aan mijn buik, hare +magere armen om mijn hals en hare hande-klauwen aan mijn keel. Boven +ons, als een stormwind, drong de woeste horde meê. O, ik geloofde +aan heksen! Al die gedrochten waren heksen en zij wilden +Clitifo’s zaligen tuin met zilverasters vernielen!</p> + +<p>Hoe vele uren duurde de onheilige rit? Ik weet het niet, ik holde, +ik holde maar voort. Dat wat anders geschiedt alleen in den droom, +geschiedde mij door den heksendrang en ik holde, ik holde maar voort. +Het was pikzwarte nacht. Soms scheen het mij toe, dat ik zweefde boven +den grond, als of de harpij hare wijde vlerken hield uitgespreid, en ik +niet meer met eigen hoeven tikte tegen den weg, maar voort werd bewogen +zonder eigenen wil. Een troost was, dat zij niet anders wilde, dan ik +gewild had: naar den astertuin, naar den astertuin, al ware het dan ook +om met hare horde dien te vernielen. Eensklaps klaarde in de verte een +zachte schijn. Het waren in de heksennacht de velden der zilver-asters +en aan het einde dier velden bleekte Clitifo’s blanke huis.</p> + +<p>Met stormgeweld, gekrijsch en kreten wilde de horde, wilde ook de +harpij met mij zich neêr storten op de gaarde, en over den grond, +toen, o, wonder, uit een groote lamp, een gondel gelijk, die stralend +boven het huis verzichtbaarde, als een zee van zilveren schijn +verklaarde door de onheilsnacht en ik staarde verblind in een vloed van +blanken glans, die uit vlood. En te gelijker tijd weêrklonk een +welluidend geklater van <span class="letterspaced"> +sistrum</span>-snaren, aangetikt door zilveren staven, zoo heilig, zoo +rein de muziek, dat razende de heksen opstormden en ik, een ezel, +eenzaam stond <span class="pagenum">[<a id="xd0e858" href= +"#xd0e858">57</a>]</span>tusschen de zilveren bloemen, in het zilveren +licht, om mij de zilveren melodie. En het was zoo zalig, dat ik de +bloemen met mijn dierebek niet dorst benaderen.</p> + +<p>Maar mij naderde een witte man tusschen tal van witte maagden en zij +tikten de <span class="letterspaced">sistrum</span>-snaren. En de man, +die Clitifo was, bood mij de zilveren asters.</p> + +<p>Ik boog mij, ik at. Ik was mijzelve, mensch vóor Clitifo.</p> + +<p>—De weg terug, zeide hij, of hij alles wist; is de weg, die +nutteloos schijnt, maar nuttig der boete is.</p> + +<p>—Heer, zeide ik; wat is mijn zonde, waarvoor ik moet +boeten?</p> + +<p>Hij antwoordde niet, maar langs mij schreden de maagden, wier <span +class="letterspaced">sistra</span>-klanken verklonken.....</p> + +<p>—Zie ze aan, zeide Clitifo.</p> + +<p>Ik zag ze schrijden langs mij heen.</p> + +<p>—Vindt gij ze schoon? vroeg Clitifo.</p> + +<p>Het waren schoone maagden, maar zij schenen mij schimmen, +verschijnende en verdwijnende...</p> + +<p>—Zij zijn schoon, heer, zeide ik, onverschillig.</p> + +<p>—Gevoelt ge liefde voor éene harer, om haar de uwe te +noemen? vroeg Clitifo.</p> + +<p>—Neen, heer, zeide ik; want ik zag Charis...</p> + +<p>—Zoo blijf trouw, zeide Clitifo.</p> + +<p>—Trouw is niet mijn wezen, weerde ik af; zoo ik schoonere +vrouw zag dan Charis, zou ik niet trouw zijn, heer.</p> + +<p>De heksen waren heen; de <span class="letterspaced">sistra</span> +waren verklonken; de heilige schijn taande en alleen de zilverasters +schemerden. Clitifo glimlachte mij toe, met een meêlijden, dat ik +niet begreep.</p> + +<p>—Laat mij u geleiden naar huis, en rust uit, en morgen <span +class="pagenum">[<a id="xd0e901" href="#xd0e901">58</a>]</span>zult ge +den weg terug gaan der boete, toe naar verdere beproeving.</p> + +<p>Ik liet mij leiden, een kind gelijk.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Dien volgenden morgen vroeg reisde ik, te paard, met een dienaar van +Clitifo, ook te paard achter mij, naar Hypata. Het was een stralende +herfstmorgen, met een zon van zaligen goudschijn, die verspreidde zich +over de zacht azuren flanken der bergen, waar de morgenschaduwen, de +eene na de andere, ontwaakten en weg schemerden in het alomme licht. +Wat was het wijd en hoe welig wingerden de wingerds en slingerden in +festoenen van olm naar eik! Een droom, een nachtmerrie geleek mij de +vorige nacht, een niet te gelooven begoocheling... Zoû ik +werkelijk hier, langs dezen zelfden weg, gehold zijn, met een harpij +voorover geheld op mijn rug? Ik geloofde mijn eigen herinnering niet... +Het voelde zoo rustig en goed aan in mijn gemoed en tusschen de +heugenis van naklank der <span class="letterspaced">sistra</span>-tonen +klonk het door mijn effene ziel:</p> + +<p>—Charis! Charis!...</p> + +<p>Ik naderde Hypata’s poort en dadelijk zag ik Davus. Hij zat, +uitgeput, bij de poortwachters op hun steenen bank en toen hij mij zag, +gaf hij een gil van geluk.</p> + +<p>—Heer Charmides! riep mijn arme Davus. Zijt ge dan daar! Ik +heb u gisteren den geheelen dag gezocht, op den heirweg en in de stad! +Waar zijt ge geweest??</p> + +<p>—Ben ik je rekenschap schuldig? zeide ik koel en hard. Ik +ontmoette in het gedrang Clitifo, den Isispriester, ik vergezelde hem. +Thans ben ik hier weêr terug en zullen wij een herberg zoeken... +<span class="pagenum">[<a id="xd0e920" href= +"#xd0e920">59</a>]</span></p> + +<p>Mijn stem had onzeker geklonken en ik voelde, dat Davus, de +poortwachters, de wachten mij vreemd, ongeloovig, bijna angstig +aanzagen. Ik steeg af, beloonde Clitifo’s dienaar, die met de +twee paarden vertrok. Davus, uit de schuur bij de stadspoort, voerde de +postbuffels en spande ze voor den wagen. Wij reden de stad +door,—zoekende naar de herberg, die de poortwachters hadden +genoemd.</p> + +<p>Een bont krioelende menigte vulde de groote stad, wier breede +straten met prachtige portieken en van vergulde Nikè’s +pralende paleizen voerden naar het <span class="letterspaced"> +forum.</span> Plotseling uit een dier paleizen, de treden der trappen +af, ontrolde zich een stoet en het volk drong samen om te zien. Op een +draagbedde droegen zwarte slaven een glimlachende <span class= +"letterspaced">hetære</span> aan. Ik sprong uit den wagen...</p> + +<p>—Heer! riep Davus. In aller goden heiligen naam! Verdwijn +weêr niet voor mijn oogen, omdat ge een schoone vrouw ziet!</p> + +<p>Ik zag toe.... Om mij hoorde ik fluisteren:</p> + +<p>—Meroë! Meroë!</p> + +<p>Ik herinnerde mij! Dat was Meroë, die Aristomenes, den armen +dichter-toerist, in een zwijn had behekst, tot hij de roode amaryllis +gevonden had! En werkelijk, Meroë, die daar in praal werd +aangedragen, op een bedde van Babyloniesch tapijtwerk, onder vijf +schermwaaiers van pauwgeveêrte, tusschen een stoet van wirrelende +danseressen, dansende fluitspelers, hield, met een hand, glimlachende, +aan vergulde kettingen twee zwijnen vast, die, zacht grommende, links +en rechts van haar draagbedde, krulgestaart, mede waggelden... +Onderwijl speelde hare andere hand, juweel-overflonkerd, met roode +amaryllissen op lange stelen en tartende hield zij de bloemen dicht bij +de <span class="pagenum">[<a id="xd0e939" href= +"#xd0e939">60</a>]</span>snoeten der zwijnen! En al dat volk, o goden, +al dat volk wist niet of geloofde niet, dat daar in stralenden +zonschijn door Hypata’s straten een heks ging, die twee in +zwijnen betooverde minnaars mede voerde in haar stoet! Goden van +Eleuzis, waar was ik verdwaald! In welke onzaligheid!</p> + +<p>Meroë’s oogen ontmoetten mijn oogen.</p> + +<p>—Heer! riep Davus, als of hij geraden had. Pas op!!</p> + +<p>Maar mijne oogen tartten Meroë’s oogen. Hare oogen waren +als stralende, zwarte karbonkelen, die zochten te betooveren met +beloften van wellusten, der menschheid onbekend... Maar ik, ik voelde +nog de bekoring van lotosblauwe maagde-oogen.</p> + +<p>Ik werd niet verliefd....</p> + +<p>Ik veranderde niet in een ezel...</p> + +<p>—Kom! zeide ik tot Davus, instijgende—de stoet vloeide +voorbij. Laat ons de herberg zoeken... <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e953" href="#xd0e953">61</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">VII.</h2> + +<p>Welnu, ik was in Hypata. De herberg was er groot, meer een +aanzienlijk <span class="letterspaced">diversorium</span><a class= +"noteref" id="xd0e961src" href="#xd0e961">1</a> en ik stelde er mij, +gedachtig, dat ik een handelsreiziger was, in betrekking met +verschillende handelaren: zij kwamen bij mij om te zien mijne stalen +van purper, mijne monsters van parelen, het grein van mijn wierook en +geurwerk. Ik deed werkelijk geen slechte zaken. Verder leefde ik er als +een vermogend jongmensch, die twee, drie eerste dagen, bezocht de +Thermen des middags en de portieken des avonds en was er dadelijk, door +mijne betrekkingen, omringd door een kring van vrienden en kennissen. +En de stad scheen mij zelfs levenslustiger en schooner toe dan +Corinthe, dat toch eigenlijk reeds verviel en insliep... Wat dreef er +toch voor opwekkends in de lucht van Hypata?? Als een geheime +dronkenschap, die deed grijpen naar bekers, naar àlle genot om +te leven...!</p> + +<p>Het was vreemd, maar in die levenslustige stemming... werd ik niet +verliefd. Des avonds, die eerste drie dagen, lag ik met de nieuwe +vrienden aan feestgelagen en mooie vrouwen waren om ons heen, zongen, +fluitspeelden, dansten... Ik glimlachte haar onverschillig toe. Een +soort van ongekende kuischheid verfrischte mijn ziel en gaf rust aan +geheel mijn wezen en zelfs zoo mij omhelsden die verleideressen, <span +class="pagenum">[<a id="xd0e966" href="#xd0e966">62</a>]</span>terwijl +een rozenkrans mij den kruin omgaf en de schaal overvloot tusschen mijn +vingers, gevoelde ik niet anders dan eene gelatene onbewogenheid te +midden harer liefdekunstige verleidingen... Tevens, telkens, die +navrees of ik werkelijk, weêr, zoó ik verliefd weêr +werd...? Aan Charis dacht ik vaak, maar meer als aan een onbereikbaar, +verzweefd vizioen: ik hoorde nu, dat Menedemus de rijkste landeigenaar +was van Thessalië, waar hij her en der uitgestrekte goederen bezat +en dat zijne vrouw, gestorven, van vorstelijke afkomst geweest was en +zich gesteld had onder de nakomelingen van den grooten Alexander van +Macedonië, zoodat de lieflijke Charis ook vaak het +„prinsesje” of het „vorstinnetje” werd +bijgenaamd. Ik hoorde ook, dat haar vader reeds verschillende +aanzienlijke dingers naar hare hand had afgewezen en dat hij eigenlijk +een Aziatischen koningszoon wenschte voor zijne dochter. Ook hoorde ik, +dat wie het meeste kans nog zoû hebben zoo rijke, schoone en +bijna vorstelijke bruid te huwen, Chersonezus zoû zijn, eveneens +een schatrijk landeigenaar van prinselijken bloede. Maar van wien men +fluisterde, dat hij van euvele dingen wist en omgang had met Hekate en +hare heksen... Dat gerucht was echter slechts als een murmeling door de +feestvreugde, want eigenlijk werd van heksen en betoovering niet +gesproken en ik ook, uit schaamte en kieschheid, sprak niet over wat +mij gebeurd was...</p> + +<p>Nu was het de vierde dag, toen in de Thermen des namiddags een dwerg +mij zocht.</p> + +<p>—Charmides, Lyzias’ zoon, uit Epidaurus? vroeg de dwerg, +bont gedost, terwijl ik, tusschen mijne vrienden, neêr zat onder +het rozenpriëel, nog in wijden badmantel omplooid. <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e972" href="#xd0e972">63</a>]</span></p> + +<p>—Die ben ik, zeide ik. Wat wil je, dwerg?</p> + +<p>—Uitnoodiging over brengen, van mijne meesteres, Meroë, +voor dezen avond, en tevens aan allen, die gij in uw gevolg wilt mede +nemen, zeide de dwerg.</p> + +<p>Ik nam aan en zond Davus met een geschenk naar Meroë: een +gouden schaaltje vol kostbare nardusballetjes uit Taprobane; twee +druiventrossen van amethyst: iedere druif besloot enkele droppelen geur +en een zwijntje, uit chalcedoon gesneden. Het was sierlijk geschenk en +toen ik, met mijne vrienden, dien avond bij Meroë kwam, was zij +wel tevreden en ontving ons, stralende schoon als Circe, hare +patronesse, die zij aanbad.</p> + +<p>—Pas op, heer! fluisterde Davus mij toe, steeds in angst; had +hij dan geraden?</p> + +<p>—Davus! vroeg ik hem, terwijl der dubbelfluiten muziek om ons +heen klonk. Waarom waarschuw je mij toch zoo vaak? Zag ik niet +meér mooie vrouwen, matronen, <span class="letterspaced"> +hetæren</span> of maagden? Ben ik een kind geworden?</p> + +<p>—Neen, heer, zeide Davus; een kind zijt ge niet geworden en +wat ge geworden zijt, toen ge op eenmaal bij de stadspoort verdweent en +den volgenden dag weêr verscheent als of niets vreemds u geschied +was, durf ik niet zeggen, hoewel de vreemdste veronderstellingen mijn +arm hoofd soms bedringen; zoo ik u waarschuw, is dat alleen om u, zoo +mogelijk, te bewaren voor mijne oogen te verdwijnen, als ge een mooie +vrouw ziet.</p> + +<p>Ik lachte en het feest was om ons. Meroë lokte en lonkte mij +toe; zij lag, in het gewaad van Circe, op een bed van zonnebloemen, +terwijl de twee zwijnen, in walgelijke aanbidding, gromden aan hare +voeten. Ook zonnebloemen, van juweel—chryzoliet met harten van +anthraciet—schitterden <span class="pagenum">[<a id="xd0e990" +href="#xd0e990">64</a>]</span>om hare slapen, op hare borsten; een +juweelen zonnebloem straalde aan haar <span class="corr" id="xd0e992" +title="Bron: Cice-schepter">Circe-schepter</span>. En om haar heen, +tusschen de zuilen en de gordijnen en verder in een onwezenlijk +tooverlandschap, waarover een zongroote maan rees, straalden de +zonnebloemen, weken zij terug in stralenden bloei naar een horizon, +waar zij vergloeiden... En ik vroeg mij al of zij heilige of onheilige +bloemen waren...</p> + +<p>—Charmides! lonkte mij Meroë nader; zondt je mij een +zwijn van chalcedoon omdat je bevreesd waart hier te veranderen in een +zwijn van vleesch en bloed?</p> + +<p>—Ik ben niet bevreesd en was het nooit! antwoordde ik.</p> + +<p>—Ik bèn geen toovenares! lachte Meroë; al leende +ik van nacht Circe’s gewaad en al bemin ik de zonnebloemen, zoo +als Circe deed, Helios’ kind...</p> + +<p>—En al grommen er twee zwijnen aan je voet, lachte ik +spottend; zoo als aan Circe’s voet, in de tuinen van onzalig +Aiaia...</p> + +<p>—Charmides! lokte Meroë weêr; wat ik wensch is +enkel je kus, en weêr je kus en altijd je kus!</p> + +<p>Zij strekte de armen uit. Zij gloeide van liefde en alle de +zonnebloemen gloeiden, als een vuur van duizenden vlammen. Ik naderde +bezwijmeld; ik...</p> + +<p>Maar plotseling zag ik tusschen Meroë en mij als een vizioen op +rijzen—Charis, zoo blank en lieflijk zuiver—en ik deinsde +terug...</p> + +<p>Meroë richtte woedend zich op.</p> + +<p>—Weiger je, riep zij; mij te geven wat ik wensch en wat je +gunt aan wie ook op je weg?</p> + +<p>—Ja! riep ik.</p> + +<p>Zij richtte zich met een schreeuw omhoog en strekte haar onmachtigen +schepter uit. Ik had haar liefde geweigerd <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1017" href="#xd0e1017">65</a>]</span>en veranderde niet in een +zwijn. Maar terwijl zij verdween in een glans van gouden sulfer, zag ik +alle de zonnebloemen verlept. En woei over het tooverlandschap als een +vale nevel...</p> + +<p>De twee zwijnen knorden wanhopig en wentelden in een cirkel +rond.</p> + +<p>—Zoek de roode amaryllis-tuinen! riep ik hen toe in een +ingeving, dat die bloemen zouden worden gekweekt zoo als de +zilverasters werden gekweekt.</p> + +<p>En ik vluchtte weg, door het feest, dat zoo vreemd scheen geworden, +zoo vaal van tint, alles spokebleek in onwezenlijkheid.</p> + +<p>In het <span class="letterspaced">diversorium</span> vond ik +Davus.</p> + +<p>—Waarom ben je hier? vroeg ik en mijn stem klonk bleek ook als +van een spook.</p> + +<p>—Ach heer, ach heer! weeklaagde Davus en juichte tegelijker +tijd. Zie ik u weêr! Zie ik u weêr! Ge waart op het feest +plotseling zoo ver en ik zag u toch tusschen allerlei zonnebloemen, die +op bloeiden en toen ben ik gevlucht, heer, hoewel de andere +feestgenooten en hun slaven mij verzekerden, dat gij nièt ver +waart en dat deze zonnebloemen er altijd waren geweest! Maar zij waren +dronken, heer, en ik niet en ik kon u niet zien in een zwijn +veranderen, zoo als ik u reeds in een ezel veranderd wist!</p> + +<p>—Hoe weet je!? riep ik uit en greep hem wild om den pols.</p> + +<p>—Ach heer! Ach, heer! riep Davus. Ben ik dan zoo een +stommeling? Hoorden wij dan niet reeds van Delfi af wat er gebeurt in +Thessalië? Heb ik dan geen hersens om na te denken hoe het zijn +kon, dat gij buiten de poort van Hypata verdweent, toen er een mooie +maagd werd voorbij <span class="pagenum">[<a id="xd0e1038" href= +"#xd0e1038">66</a>]</span>gedragen en hoe een ezel verscheen precies +als er een ezel verscheen en weêr verdween, toen Nausistrata zoo +verschrikte op den heirweg...? En heer, ach heer, zoo een ezel heb ik +bereden en heb ik misschien wel geslagen en met den hiel gespoord; ik, +heer, ik, Davus, uw trouwe slaaf, die u diende van klein jongsken +af!</p> + +<p>—Het is niets, Davus, fluisterde ik hem in. Het is niets! +Zwijg alleen, zeg nooit iemand iets. Je ziet, ik ben noch ezel, noch +zwijn en ik heb goede zaken gedaan in Hypata. Morgen reizen wij af naar +Farsalus...</p> + +<p>—Verder Thessalië in!? klaagde Davus. Ach heer, ik word +liever zelf maar dadelijk een ezel, of een zwijn als het moet, dan +verder Thessalië in te gaan!</p> + +<p>—Davus! fluisterde ik verder. De toover is nu verbroken! Wat +gebeurde, is gebeurd en zal niet meer gebeuren. Want ik kan mij niet +begrijpen, dat ik niet even verliefd, ja verliefd op Meroë ben +geworden... Zij was zoo heerlijk schoon, zoo verleidelijk schoon, zoo +beloftevol schoon...</p> + +<p>—Heer! Heer! Pas op!! riep Davus. Het schijnt mij toe, dat uw +ooren reeds gaan groeien!</p> + +<p>Ik schrikte, voelde aan mijn ooren, duwde hem ongeduldig van mij, +zonk op mijn bed en sliep, verpletterd van ontroering en +moêheid.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Zeker, dien volgenden dag verliet ik Hypata. Zoû ik niet +verder Thessalië in reizen? En dan... waren er heksen? Bestonden +er heksen?</p> + +<p>Ik moest mij, in mijne nog moede hersenen, herinneren, dat de harpij +op den driesprong mij had betooverd, dat ik twee malen reeds in een +ezel veranderd was... Dat was <span class="pagenum">[<a id="xd0e1056" +href="#xd0e1056">67</a>]</span>toch gebeurd? Wàs het gebeurd? +Het geleek mij zoo onwaarschijnlijk, dat ik er nauwlijks aan gelooven +kon. Want het was een kristalklare herfstmorgen en om mij heen dreef +een gelijkmatig gouden schijn van zon over het wijde landschap. De +reiswagen wiegelde voort, getrokken door de geduldige buffels. +Davus’ zweep klakte zacht rhythmiesch door de lucht en wij +vervolgden onze reis als of er niets gebeurd was. Ik sluimerde half en +onderwijl dacht ik aan allerlei mooie, lieve dingen... Aan Eleuzis, aan +de heilige Mysteriën, waar in ik mij zoû laten wijden, zoo +ik terug kwam; aan Charis... Ik dacht aan haar met een teederen +weemoed, omdat ik haar vermoedelijk nooit weêr zoû zien en +een wee van spijt werd ik mij in mijn ziel bewust. Die nacht sliepen +wij in een dorp. De volgende nacht in een posthalte... O, de lange, +eentonige reis! Wat gaf het mij purper te verkoopen en parels... Er +waren àndere dingen, al waren er dan misschien ook heksen...</p> + +<p>De derde dag, sedert wij Hypata hadden verlaten, was eveneens in +rustige reize verstreken. Wij hadden de halte voor die nacht bereikt. +Het was te Xyniæ, aan het meer van dien naam...</p> + +<p>Ik weet niet waarom, maar ik kon die nacht niet slapen. En ik stond +op en verliet de herberg nog voor de dageraad rozigde... Een vreemd, +zacht verlangen omving mij, waarnaar, had ik niet kunnen zeggen. En ik +liep den weg op, den eenzamen, nog nachtbleeken heirweg... Straks +zoû ik keeren op mijn passen, als Davus zoû voorspannen de +buffels... Ik liep voort. De zon rees uitstralende achter de rozigende +golving der bergen omhoog. Een honigkleurige schijn overstroomde den +hemel. Ter andere zij van den weg week in den windloozen dageraad het +nog in dauw overfloerste <span class="pagenum">[<a id="xd0e1062" href= +"#xd0e1062">68</a>]</span>water van het in de verte weg flauwende +meer...</p> + +<p>Het meer, langs den weg, vervloeide met een lange kreek, waaruit aan +den oever rees het gekrookte riet. Peinzende bleef ik staan, en mijne +mijmering ging als meê met de tintwisselingen over het water, dat +wijder en blauwer werd, naar mate de zon rees en de misten verijlden... +En ik zag, dat de kreek daar vol blanke lotus gebloeid was... Als +blanke bekers, die het morgenlicht opvingen in hare juist ontslotene, +smettelooze ontlokenheden, lagen de bloemeschalen op het water, dat +zacht opgloeide en verspiegelde... Wind stak omhoog en bewoog in het +riet, dat ritselde. Een vlucht reigers steeg er uit op en schaduwde +even, teêr grijs van vlucht in de honigblonde lucht. Het meer, +verder-op, verzichtbaarde duidelijker en ik zag, dat het, tot den +horizon, vol gebloeid was met blanke lotus en iedere bloem ving een +straal op, een atoom op van licht...</p> + +<p>Toen, eensklaps, werd mijn blik getroffen door een witte wemeling op +de landouw, die aan den overkant van die riet-omkreukelde kreek zich +verloor in een zacht gedoezel van rozig-grauw sycomoren-geloover. Het +waren maagden, die dansten, rondom een maagd. Zij hielden witte +bloemekransen in de handen en zij zongen zacht, als wilden zij de maagd +in haar midden verstrooien... Ik zag ademloos uit en herkende... +Charis! Charis!! Daar was zij, aan den overkant van het lotus-overladen +water en ik zag, door het riet heen, haar bewegen, als met een moeden +weemoed, toch even glimlachende tegen hare genooten. Zij danste niet, +maar scheen de maagden te willen weêrhouden te dansen. Haar +gebaar was een teedere muziek van lijn, hare ijle gestalte +zwéefde in het morgenlicht en hare handen bewogen als smeekend +de maagden niet meer zich te reien rondom haar <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e1068" href="#xd0e1068">69</a>]</span>heen. En in weemoed +zagen hare blauwe oogen op, twee lotussen blauw hare oogen boven de +duizenden blanke lotussen, die op het water lagen.</p> + +<p>En ik, ik staarde haar toe. Zij zag mij niet, half verborgen als ik +mij hield in het riet. Mijn hart klopte op naar mijn keel, ik bedwong +met de handen het razende kloppen, ik voelde mij duizelig van geluk en +bezwijmden van zaligheid en ik opende mijne lippen en wilde roepen:</p> + +<p>—Charis...</p> + +<p>Maar rauw riep ik slechts:</p> + +<p>—Ha...hi!... Hi...ha....</p> + +<p>Mijn roep verloor zich over het water, in lucht en licht. Daar ginds +dansten de maagden voort rondom de zacht zich verwerende Charis en zij +bespeurde niet, hoe, aan den overkant, door het riet heen, een ezel te +gluren stond met verlangende oogen, door de krokende halmen... <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1080" href="#xd0e1080">70</a>]</span></p> + +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href= +"#xd0e961src" id="xd0e961">1</a></span> Hôtel.</p> +</div> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">VIII.</h2> + +<p>Toen ik mij geheel bewust mijn herschepping werd, waren met Charis +de dansende maagden in de rozige schaduwen verdwenen... En trad ik, als +ezel, uit het riet weêr op den weg... En dacht ik aan den verren +astertuin, honderden mijlen nu van mij verwijderd... En stond ik, in +sombere vertwijfeling...</p> + +<p>Op dit oogenblik klonken grove stemmen en zag ik drie mannen +aankomen, vergezeld van twee jongens. Het waren houthakkers, zij hadden +bijlen in de hand en koorden om de middels gesnoerd. En zij praatten +luid en ontevreden, terwijl zij naar hun werk gingen: ik begreep +dadelijk, dat zij slaven van Menedemus waren en dat zij vloekten tegen +hunne opzichters, om den zoo zwaren arbeid. En terwijl ik nog stond, +vertwijfeld en somber, riep een der mannen:</p> + +<p>—Maar kijk, daar staat een ezel!</p> + +<p>—Een onbeheerde ezel! riep een andere.</p> + +<p>En de derde stemde in:</p> + +<p>—Dien de erbarmende goden zeker stelden op onzen weg, om ons +ons werk te verlichten!</p> + +<p>Ik begreep, dat gevaar mij dreigde... Ik poogde te vluchten op +ezeledraf, maar het is vreemd, een dier, dat niet wild is, vermag niet +veel tegen vijf menschen. Op den weg verspreidden zich snel de drie +mannen en de twee knapen en zij ontsnoerden zich van hun koorden... En +slingerden die met lissen uit....</p> + +<p>Een der lissen viel over mijn kop. De man, die mij <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1100" href="#xd0e1100">71</a>]</span>gevangen +had, trok mij naar zich toe. Ik zette mij schrap op de achterhoeven, +koppig weêrstreefde ik.... maar plotseling voelde ik een hevigen +knuppelslag over mijn ruggegraat. Zoodat ik, ingetrokken mijn +achterdeel van pijn, verontwaardigd voorwaarts stoof....</p> + +<p>Twee, drie, vier andere knuppelslagen regenden over mijn rug en er +was niet meer aan zilverasters te denken. Ik was niet meer Charmides, +Lyzias’ zoon, uit Epidaurus: ik was een ezel, onbeheerd en door +lage slaven, ontevreden houthakkers, gevangen genomen!</p> + +<hr class="tb"> +<p>O, de gruwelijkheid van dien winter! Strenge winter was het, die +heerschte over de boschbedekte bergflanken van Thessalië, over de +met sneeuw overdekte hellingen van de Othrysketen, waar in +mythologische eeuwen de Lapithen en de Centauren met elkander de +epische strijden hadden gestreden. Als met dier vreeslijke fabelwezens +eigene kreten en somber gehuil, voeren de koude waaiingen van Boreas +door de kale, gestriemde takken, langs de zwiepend geschudde stammen en +des stormenden nachts scheen het, of dichte horden van helsche wezens, +demonen en heksen, onder de lage wolken voort joegen over bosschen en +bergen, zich plots verspreidend in alle richtingen, als of uit euvele +starren onheil voerende stralen schoten. En bitter zware nood was het +niet alleen voor de houthakkers in hun armoedige hut, boven op den +bergflank, maar ook voor hun ezel, in zijn bouwvalligen stal. Des +nachts stond ik slapeloos en de sneeuwvlokken joegen binnen de reten en +vielen als ijskoud vuur over de wonden van mijn ontvelden rug, dien de +houthakkers met hunne slagen mij vilden iederen dag. De vreeslijke +winden loeiden tochtende om mijne ooren en <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1108" href="#xd0e1108">72</a>]</span>duldig leed ik den +durenden straf. Des morgens trokken de mannen mij uit den stal en als +zij het hout hadden gehakt, belaadden zij er mij mijn rug meê. +Zoo zwaar was de vracht van tronken en takken, die zij mij torsen +deden, dat eerder een olifant dan een ezel geschikt kon worden geacht +om zoo bovenmatig gewicht te dragen. En zij dwongen mij dan te dalen, +en als ik struikelde langs de wortelen der boomen of over het scherpe +rotsgesteent en neêrstortte op mijn ontvleesde knieën, +staken zij mij met puntige stokken in de bloederige wond, altijd de +zelfde, van mijn linkerflank. Moesten wij, lager, een zijtak van den +Sperchius oversteken, dan zetten dikwijls de beide knapen, die mij +brachten naar stad of dorp, zich nog voor en achter den stapel hout en +als op den heirweg ik niet snel genoeg draafde met mijn onduldbaren +last, bonden zij brandnetel en doorngewas mij tusschen de achterpooten, +zoodat ik gemarteld maar draafde, draafde, in de hoop om mijn ijver +verlost te worden van het marteltuig.</p> + +<p>In mijn smartelijk leven dacht ik dikwijls aan Davus. Wat was er van +hem geworden en zocht hij mij en had hij naar mijn ouders boodschap +gezonden, dat ik verdwenen was en wellicht betooverd?? Ook dacht ik +dikwijls aan Charis... Ik vergat haar nooit... In de vreeslijke +nachten, in mijn doorsneeuwden stal, verrees dikwijls haar lieflijk +beeld mij voor den geest: zoo als ik haar had gezien de laatste maal +aan de andere zij van de kreek, waar de lotussen bloeiden... En vroeg +ik mij, met menschegedachte in ezelekop, af waarom zoo grooten weemoed +toch over hare schoonheid als een sluier geweest was, toen ik haar +gezien had, zich tegen blijdschap verwerende tusschen de dansende +maagden...? <span class="pagenum">[<a id="xd0e1112" href= +"#xd0e1112">73</a>]</span></p> + +<p>Van de hoogte, waar de houthakkers woonden en ik mijn stal had, kon +ik bij heldere dagen in het rond zien over de lager liggende valleien; +zij golfden weg, doorsneden van vele zijstroomen van den Sperchius; zij +zouden zeker na den winter weelderig weiland en bouwland zijn; zij +behoorden alle Menedemus toe en zijne hoeven lagen er in verspreid +tusschen de nu ontbladerde wingerds. Wijd spreidde het landschap zich +dan rondom en de zon, tusschen de wolken, wierp groote plakkaten van +licht en wisselende schaduw over de wijd uitgestrekte domeinen. Maar +meestal loeide de wind en woei-aan de regen of warrelden de grauw-witte +vlekken sneeuw... Hadden de hakkers hun hout gehakt langs de flanken +van het gebergte, dan zaten zij neêr en aten hun schamel maal en +kreeg ik mijn handvol schaars toegemeten rantsoen van hooi. Honger leed +ik en armoê, de stille ellende van een afgebeuld beest, dat nooit +met een andere klacht dan met belachelijk gebalk zijn smart kan uiten +en daarbij gevoelde ik in mijn menschehersenen dien vreemden angst +eenmaal héelemaal ezel te worden en alles te verliezen wat in +mij nog school van mijn menscheziel; want meer en meer voelde ik mij +ezel worden: ik had de koppighedan van den ezel, zelfs al regende het +stokslagen over mijn rug; ik had het geduld ook soms van den ezel, +zijne filozofische gelatenheid als ik mij schikte en maar, +hout-beladen, voorzichtig afdaalde tusschen rotsblok en boomwortel om, +beneden ontladen, weêr op te stijgen, een oogenblik herademend, +naar nieuwen last, die mij wachtte. Als ik mij, gebukt mijn kop, zag +weêrspiegeld in de rivier tusschen de weg spelende +verspiegelingen van de witte wolken in blauwe lucht, zag ik mij niet +anders dan een koppig-geduldigen ezel, grof met grauw, ruig haar, <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1115" href="#xd0e1115">74</a>]</span>waar +het nog groeide over mijn geranselde, ontvelde en ontvleesde lijf: zag +ik mijn treurigen kop van werkezel, met van ziekte tranende oog vol +weemoed, zag ik mijn van moêheid kwijlenden bek... Zag ik geheel +mijn mager, geslonken dierelijf, op de moê knakkende pooten, op +de reeds breed uitbreidende hoeven—om het steeds moeten dalen, +zwaar beladen—zag ik mijn onthaarden staart naargeestig +ingetrokken tusschen mijn met doorn en stekel steeds gemartelde +achterpooten. En vergat ik soms wie ik geweest was en werd het mij dof +en stomp in mijne verstomming of langzaam in mij verstierf mijn +menscheziel in mijn vorm van dier...</p> + +<p>Eenmaal—een huiveringwekkende stormnacht—waren de +houthakkers beneden in de hoeve gebleven, van waar het gehakte hout +verder vervoerd werd, en was ik alleen gelaten boven in mijn stal op +den bergtop. De wind en de regen raasden rondom de rotte planken, die +mij ter nauwer nood beschutten... Nauwlijks dacht ik aan vlucht, al had +ik wellicht ook met trap op trap de gebarsten deur van mijn stal kunnen +doen wijken. Rillende stond ik, den staart tusschen de pooten, in mijn +bezoedelde stroo en voor mijn leêge krib. Menschegeestkracht +scheen niet meer in mij, zoo misschien nog wel logiesch denken. Want +wel dacht ik: waar moet ik heen, zelfs zoo ik vermag te vluchten. Waar +moest een afgebeulde ezel heen, zelfs al wist hij zich te bevrijden uit +de slavernij van hartelooze houthakkers. En steeds stond ik, de binnen +gierende wind tusschen mijn pooten waaiende en spelende met de vuile +vlokken van mijn staart. Buiten schenen de schimmen der Centauren en +woeste Lapithen in woedenden strijd door <span class="corr" id= +"xd0e1119" title="Bron: elkaar">elkaâr</span> te woelen... <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1122" href="#xd0e1122">75</a>]</span></p> + +<p>Plotseling hoorde ik stemmen. Stemmen van menschen, grovere stemmen +nog dan die van de houthakkers. Ik begreep, dat het roovers waren. +Ellendige roovers, wezens, die bewonen de bergspelonken, nauwlijks +menschen meer, maar verbeestelijkt van ellende en die in de nachten van +stormgeweld naar buiten sluipen en in hoeven en hutten langs de +bergflanken trachten te stelen wat vergeten gereedschap, een paar +hoenderen, een stuk vee... Ik hoorde hen reeds de hut open breken maar +zij braakten verwenschingen uit, want zij vonden niet anders dan een +kapotte kruik en een gebroken schotel, een gescheurden mantel en een +versleten mat... En toen beukten zij op mijn staldeur. In een oogwenk +bezweken de planken en maakten zij juichende zich van mij meester. Veel +waarde had ik niet, maar ik was toch een ezel en meer waard dan een +versleten mat, gescheurden mantel, gebroken schotel of kapotte kruik. +In die onheilsnacht, waarin zeker Hekate tusschen al hare heksen zege +vierde over de rampzalige wereld, sleurden mij de drie boeven mijn stal +uit en slingerden zich alle drie op mijn rug. Meer dan ik hen zag in +stormgeweld en regengestriem, voelde ik hen, de havelooze schavuiten en +schurken, zoo als er zich naamloos en wetloos verbergen in het +gebergte, de haren en baarden en nagels nimmer geknipt, nauwlijks +bedekt met lompen en schurftige schapenhuid, wilde-mannen meer dan +menschelijke wezens, voor wie zelfs de saters der wouden vreezen en de +verdwaalde nymfen zich verschuilen in de spleten der doorbliksemde +boomstammen. En op mijn rug joegen zij mij voort in het stormgeweld, +berg-af, berg-af... Ik strompelde, ik struikelde over de rotsblokken en +boomewortelen, een zware tak viel juist over mijn kop en verblindde +mij... Eindelijk in den <span class="pagenum">[<a id="xd0e1125" href= +"#xd0e1125">76</a>]</span>morgen, uitgeput, was ik met mijn drietal +berijders den berg af- en omgedaald. De wind raasde niet meer zoo +hevig; de rivier schuimde, hoog gezwollen, over de rotsen; ik stak haar +over, getrapt in mijn flanken door drie paar boevehielen... Maar nu +dorsten zij niet verder... Ginds was een uitgebreid molenbedrijf: de +gebouwen er van teekenden zich af tegen de grauwe morgenlucht: de +verwinterde velden lagen er verlaten, verwilderd rondom. Molenslaven +waren reeds bezig voor een schuur, zakken met meel te laden op een +wagen, toen zij de drie boeven zagen, die, op mijn rug, stil hielden op +eenigen afstand.</p> + +<p>En de opzichter van de slaven riep de boeven toe, dat zij heen +zouden gaan en dat er niets te schooieren viel en dat zij geen meel +zouden krijgen. Maar de vreeslijke boeven riepen, dat zij hun ezel +geven wilden voor meel, want dat zij honger leden, dat zij voor een +kleinen zak meel hun ezel geven wilden... De opzichter naderde met zijn +slaven en klaarblijkelijk gevoelde dat molenaarsvolk walging van de +drie mizerabele verworpelingen zoo als zij, de wilde-mannen, bijna +schuw waren dichter te naderen waar werkelijke menschwezens woonden. +Maar toen scheen de opziener zijn afkeer wel te bedwingen, naderde hij; +de wilde-mannen stegen af, de slaven wierpen hun een zak meel toe en +maakten zich van mij meester. De wilde-mannen verdwenen dadelijk en de +opziener zeide:</p> + +<p>—Het is een afgebeulde ezel, maar altijd nog goed genoeg om +een molensteen te draaien: hij kan dan draaien tot hij er bij +neêr valt.</p> + +<p>En met een schop in mijn achterdeel joegen zij mij voorwaarts, naar +de molensteenen, die ginds onder afdakken werden rond gedraaid door +ezels en misdadigers beiden... <span class="pagenum">[<a id="xd0e1133" +href="#xd0e1133">77</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">IX.</h2> + +<p>Sedert draaide ik den molensteen.... In het lamoen gespannen, +draaide ik, geblinddoekt, aan een houten boom den zwaren molensteen +steeds rond en rond, onder de zweepstriemen en knuppelslagen van de +erbarminglooze opzichters. Eindeloos, eindeloos trok ik en liep ik in +de cirkelvormige gleuf om en om, altijd in het rond, trekkende het +centenaarzware gewicht, waaronder het graan knarste boven den ondersten +steen. Mijlen, mijlen liep ik af in het nauwe rond, trots blinddoek +versuft en duizelig in mijne hersenen, die meer en meer die van een +ezel werden en alle besef van menschelijkheid schenen te verliezen... +Liep ik en liep ik, steeds den zelfden engen cirkelgang, terwijl de +bovenste steen meê met mij draaide, knarsende, boven den +onbewegelijken ondersten, over het gepletterde graan. Soms mocht ik +stand houden, werd mij de blinddoek afgerukt, als de opzichter +moê was geworden. En zag ik, in die korte pooze van rust om mij +rond, kauwende een schrale handvol hooi... En zag ik de andere +molensteenen, onder de rieten afdaken, regelmatig draaien in het rond, +getrokken door andere, als ik, afgebeulde lastdieren, ezels en muilen +of ook sjouwerig voort geduwd door misdadigers en gestrafte slaven. Zij +waren meestal half geschoren het hoofdhaar, om hen herkenbaar te houden +zoo zij poogden te vluchten, gemuilband opdat zij geen meel of graan +zouden <span class="pagenum">[<a id="xd0e1139" href= +"#xd0e1139">78</a>]</span>eten, gebrandmerkt bovendien op het voorhoofd +met getallen en letters: de sporen van herhaalde geeseling waren rauw +en violet zichtbaar over hunne ruggen onder de lompen, die bedekten +nauwlijks hunne ellendige naaktheden; zware ijzeren ringen bezwaarden +hen om beide enkels en geheel grauw-wit waren zij bestoven met meel, +als waren zij mizerabele, afgeleefde worstelaars, die zich met zand +zouden hebben ingewreven om hun laatsten strijd uit te strijden. +Nauwlijks konden zij zien: de laaiende vuren der ovens hadden hun de +knippende oogleden geschroeid en de wimpers verbrand, gebogen waren +hunne schouders, misvormd hunne armen en handen en voeten en het zware +werk scheen hen als langzaam op te vreten, als om hen langer te doen +lijden in het leven, dat geen dadelijke, weldadige dood deed eindigen. +En ik was, als mijn menschelijke en ook dierlijke lotgenooten, +afgebeuld, nauwlijks, des morgens reeds, in staat den duldloozen arbeid +te beginnen, die eerst eindigde als de zwarte vleêrmuizen tegen +oranje zonsondergang begonnen rond te flapperen; schoon niet geschoren, +groeide nauwlijks haar meer op mijn schurftige huid; diepe wonden +bloedigden en etterden overal over mijn lijf en mijn reeds zieke oog +traande steeds van het meelgestuif en van den gloed der groote ovens, +waarheen ik de zware zakken torsen moest.</p> + +<p>Hoe lang deze marteling mij duurde, weet ik niet. De eene winterdag +was aan de andere gelijk, met altijd den zelfden wind en regen, met +sneeuwvlokken soms, met altijd den zelfden arbeid. En de eenige troost, +die ik mij denken kon, was, dat ik mij dood zwoegde op de bezittingen +van Menedemus, Charis’ vader, want dit was ik te weten gekomen +uit enkele woorden der opzieners. Mijn eenige troost <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1143" href="#xd0e1143">79</a>]</span>was te +weten, dat ik den molensteen rond draaide, éen der molensteenen, +waaronder, misschien, het graan tot meel werd, dat dienen zoû om +het witte brood te bakken, dat Charis nuttigen zoû. Zoo schrale +troost was mijn eenige. En de zon rees op en daalde neêr en +altijd was het het zelfde. En de regen stroomde en stroomde niet meer +en altijd was het het zelfde. En de dagen volgden elkander op en altijd +waren zij de zelfde. En de nachten waren de zelfde, dat ik, te +moê om te slapen, stond en bleef staan in den stal naast de +andere uitgeputte dieren, ezels en muilen...</p> + +<p>Het is vreemd hoe soms de allerongelukkigsten in deze wereld +elkander helpen, zonder het te willen misschien, zonder misschien het +te weten. Een der misdadigers was onder een hevigen knuppelslag van een +der opzieners neêr gezonken in het meelwitte stof van den weg en +kon, om zijn zware, ijzeren boeien om de enkels, niet dadelijk op +staan. Hij lag en kreunde... Juist ging ik voorbij, terug geleid naar +mijn stal: de zon zonk rood en de vleêrmuizen flapperden in +kringen tegen den bloedschijn... En bloed ook scheen mij toe te +tappelen van den rug van den half bezwijmden slaaf: het ron rood over +den wit <span class="corr" id="xd0e1147" title="Bron: +bepoeïerden">bepoeierden</span> grond.</p> + +<p>Toen, als met een menschelijke ingeving van erbarming, likte ik met +mijn moede tong de wonde van den slaaf. Als verwonderd zag hij op, dat +een ezel, in het voorbij gaan, hem likte en misschien begreep hij, dat +ik medelijden met hem gehad had....</p> + +<p>Die nacht, terwijl alles in rust lag en allen sliepen, werd mijn +stal voorzichtig geopend. Maneschijn vloot witblauw binnen door zwarte +schaduw en ik herkende den slaaf, dien ik gelikt had. Klaarblijkelijk +was hij er in geslaagd, uit het <span class="pagenum">[<a id="xd0e1154" +href="#xd0e1154">80</a>]</span>gevang te ontsnappen. Hij zocht mij, hij +koos mij uit onder de lastdieren, die daar stonden, duttende in al het +zwart van de schaduw, die nauwlijks de rijzende maan door vloeide met +haar blauwe wit. Hij bond mij los en leidde mij uit den stal. Hij +geleidde mij uit het molengedoe naar den rand van het woud; daar +besteeg hij mij... Hij keek om en ik keek om... De schuren en gedoofde +ovens lagen als lage, donkere dakenmassa’s tegen de manelucht. +Over den bepoeierden grond schitterde de maneschijn. Niemand bewoog, +niemand zag ons, in de schaduwen, in het licht. Ook het bosch was +schaduw en licht, maar schaduw bovenal. Ik steeg den weg op, dien de +boeven in der tijd met mij neêr waren gedaald. En weldra waren +wij verloren in het bergwoud...</p> + +<p>De ontvluchte slaaf bereed mij, maar hij lag uitgeput en bijna +krachteloos over mij heen, zijne armen rondom mijn nek. Hij dreef mij, +hij wist zelve niet waarheen, links, rechts.... Doel scheen hij niet te +hebben, niet te weten, mijn nieuwe meester. Stap voor stap klom ik en +daalde ik. Plotseling, door de luchten, klonken mij toe bekende kreten, +bekend gekreun. Waar had ik reeds gehoord dat gekreun, en die kreten?? +En als met een flits wist ik in eens: de kreten, zij waren van heksen; +het gekreun.... o het gekreun had ik gehoord die nacht te Delfi, in de +bladeren der windbewogen platanen op het herbergplein, en het had mij +toegeschenen het gekreun van dwalende zieltjes, van klagende, vermoorde +kindertjes! Een vlakte lag eensklaps voor ons. Een wijde hoogvlakte, +wit van maanlicht in de wijde nacht. En een rij van heksen danste +krijschend rondom. En boven haar, in de lucht, zwierde een tweede rij +in het rond. Een derde rij zweefde daarboven. Ik begreep: <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1158" href="#xd0e1158">81</a>]</span>het waren +heksenbezweringen, om de maan uit haar loopbaan te rukken, uit haar +zilveren kring van noodwendigheid en het gelukte der heksen somtijds en +zoo het haar gelukte, hadden zij die maand macht over de elementen, die +dan gunstig waren aan haar verderfelijke werken. En o afschuw, toen zij +dansten rondom, hand aan hand, zag ik, dat zij dansten rondom drie tot +aan het hoofd begraven kindertjes, die kreten en die sterven zouden die +nacht.... Midden in de vlakte stond de immense koperen ketel op een +smeulend vuur van takken en de dansende heksen wierpen er, in het +rondomme zwieren, allerlei in: ik herkende een slang, een pad, een +bebloeden sluier, stukken wrakhout van een verongelukt schip, het koord +van een gehangene en bezworene ledematen, ik weet niet welke.... En +intusschen schenen zij als de maan naar beneden te trekken, tusschen de +wilde wolken uit, waarin allerlei wezens schenen te schuilen en te +verzichtbaren en riepen zij:</p> + +<p>—Hekate! Hekate!!</p> + +<p>Op mijn rug had mijn berijder zich opgericht, zeker om beter te +kijken. Maar zoodra hij de verschrikking gezien had, slaakte hij een +verschrikkelijken kreet van afschuw, wierp zich achterover en stortte +over den grond in het struikgewas. Ik balkte, boog mij naar hem toe en +bespeurde, dat hij bezwijmd lag, zoo hij niet gestorven ware, in dat +zelfde oogenblik, van ontzetting. Maar zijn kreet en mijn balk waren +voldoende geweest om de heksen, gestoord in hare bezweringen, van woede +te doen razen met wilde kreten en zich allen, als éene horde, te +doen storten in onze richting. De damp van den ketel woei naar den +grond; de drie kinderkopjes zag ik, begraven tot de halsjes, +bezwijmen.... De maan scheen te rijzen. De betoovering scheen <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1164" href= +"#xd0e1164">82</a>]</span>gebroken. En de heksen, in helsche woede, +stortten op ons toe. Ik vluchtte, maar zij vielen in wellust neêr +op den slaaf en ik hoorde hare kreten, terwijl zij zijn lijf uit +elkander rukten:</p> + +<p>—Aan mij zijn nog lillende wonde! Aan mij zijn brandmerk! Aan +mij zijn geeselstriemen....!</p> + +<p>Ik, ik vluchtte. Door het heksenwoud vluchtte ik. De maan, boven, +scheen mèt mij te vluchten. De heksen achtervolgden mij niet; om +kijkende zag ik de Thessalische duivelinnen wederom zwieren boven haar +tooverketel en wierpen zij er de ledematen in van den slaaf, en +hervatten zij hare bezweringen met woestere kreten, terwijl ik het +geschreeuw der gemartelde kindertjes weêr de nacht hoorde door +schrillen.</p> + +<p>Ik vluchtte. Langs zwarte boomstammen, over slangachtige +boomwortels, vluchtte ik strompelend, struikelend: ik tuimelde op +wrakke pooten het rotsgesteent af. De sinistere wind woei boven mij; +het geheele woud scheen te leven van reusachtige houthakkers en +takkebossen, van reusachtige molensteenen, die duizelingwekkend snel +draaiden, van uilen en vampyrs, en zoowel takken, zwiepende, als +wolken, zwierende, schenen vol krijtende kinderkopjes. En ik vluchtte, +ik vluchtte voort....</p> + +<p>Ik vluchtte, verwilderd, die geheele nacht. De morgen klaarde met +bleeken schijn, schijn zoo bleek en lijkachtig als slechts in +Thessalië morgenschemert na heksennacht. Schijn, schimmebleek, of +de dag huiverde te ontwaken en of Eos, de rozige, verbleekt was, door +wat zij ried en aarzelde aan te zien.... Ik was het bergwoud afgedaald. +Plotseling zag ik een wijde vlakte. Een streep van zonnegoud liep dwars +door de grauwe morgenlucht. Weilanden, waarover <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e1174" href="#xd0e1174">83</a>]</span>de mist nog verwijlde, +weken hun verren einder uit. Een zoele belofte van lente wemelde in de +wijde lucht....</p> + +<p>Een verwondering woog op mijn brein. Waar was ik? Wie was ik? Wat +had ik door gemaakt? Was die winter voorbij? Ja, ik voelde mij tot +bezwijkens moê, uitgeput... Ja, ik was afgebeuld geworden.... +Stekels hadden mijn wonden verder open gereten.... Het bloed leekte +langs mijn pooten en passen.... Maar vogels zongen in de twijgen, +waaraan de bladknoppen zwollen, bleek goud. Een geur van kruid steeg +op. Iets vreemd lieflijks trilde zoo teeder als een Aeoliesch geluid +door de luchten.</p> + +<p>Ik liep door, moê, ziek, met een hinkenden poot, mager en +bebloed..... Een zijstroom van den Sperchius stroomde dwars door de +vlakte; de irissen schoten er uit op; de eerste irisbloemen ontloken, +wit en zacht geel. Toen was het een meer en het lag overladen met lotus +en het herinnerde mij aan dat andere meer, aan die kreek, waar ik ter +overzijde Charis gezien had, maanden, ja maanden geleden... Door het +hooge riet en de lotusbloemen stak ik het lage water over. Ik weet niet +waarom ik zoo ging, doelloos, maar er was iets, dat mij lokte....</p> + +<p>Ik stapte uit het water, druipende, en er waren weêr de +weilanden en zij waren bespikkeld met madelieven. Werkelijk, dit was de +lente, de vroege lente... Er ruischte als een etherische lenteharp door +de lucht. Ik voelde nauwlijks mijne moêheid en afbeuling van +lastdier. En, met een verrassing, tusschen het verschiet der +uitbladerende olmen en abeelen zag ik, in de verte, als een vorstelijk +landhuis schemeren in den verwijderden morgenmist, die daar optrok in +de jonge zon. Het huis maakte een witten halfcirkel van zuilen en het +lag geheel omgeven van vijvers en op de rozig <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1182" href="#xd0e1182">84</a>]</span>grauwende plassen lagen +altijd en altijd de lotussen en ik zàg ze openen, een voor een. +En uit het landhuis, over het wijde grasveld traden tal van maagden en +mannen....</p> + +<p>Ik was blijven staan bij een heining, die afsloot het domein; de +witte windekelken wonden zich door de kruislingsche houten stijlen. Ik +zag toe, bekoord door een nieuwsgierigheid, die ik nauwlijks begreep. +Maar eensklaps herkende ik de maagd tusschen de maagden, die om haar +heen, de witte bloemenkransen beurende, dansten.</p> + +<p>Zij was Charis! Ik zag haar heel duidelijk, maar zij scheen +moê en mat van verdriet en zij verweerde zich niet anders dan zij +zich verweerd had toen ik haar gezien had, maanden geleden, van den +heirweg af, waar ik tusschen het riet herschapen was in een ezel. +Ademloos, vreemd gelukkig bleef ik steeds staren....</p> + +<p>Plotseling schenen de aanzienlijke mannen, die achter de maagden +kwamen, mij te zien. En ik zag hen zeer schrikken en bevelen geven. En +slaven liepen in mijn richting toe met knuppels en reeds van verre +trachtten hunne kreten mij te verschrikken en weg te jagen... Ik bewoog +echter niet; ik staarde. Om het geweld der slaven zagen de maagden om +Charis om, zagen zij mij allen.... zag mij ook Charis....</p> + +<p>Zij slaakte een juichenden kreet, klaar als een gouden galm van +geluk, die zich verloor in de lichte lucht. En toen ijlde zij, licht +als een nymf, vooruit, ijlde zij, ijlde vooruit, weêrhield de +slaven met haar bevelend gebaar en riep, terwijl zij de armen hoog +wierp en hare sluiers wemelden om haar rond:</p> + +<p>—Eindelijk! Eindelijk! Mijn bruidegom! Mijn lang verwachte +bruidegom, die terug uit den strijd tot mij komt! <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1194" href="#xd0e1194">85</a>]</span>Kom! Kom!! +Slaven, opent de hekken! Speelgenooten, danst nu in reien! Hij is +gekomen! Mijn Charmides is gekomen!!</p> + +<p>En terwijl ik wel de hevige ontsteltenis zag der mannen en der +maagden om dien walging en weêrzin wekkenden, afgebeulden, +wonde-bloedenden ezel, die daar bij de heining tusschen de windekelken +te staren stond, naderde Charis mij en voelde ik, bezwijmelende van +geluk en verrassing, de heining tusschen ons, hare armen en sluiers in +een omhelzing rondom mijn ezelenek.... <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1198" href="#xd0e1198">86</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">X.</h2> + +<p>En werkelijk, trots de ontsteltenis, die ik zag op de gelaatstrekken +van die aanzienlijke mannen—Charis’ vader, hare broeders en +neven—werden bevelen gegeven de hekken te openen en leidde +Charis, die haar sluier om mijn zieke oog had gewikkeld en tusschen +mijn ooren door, mij de bloembespikkelde weide binnen! Mijn geluk was +even groot als mijn verwondering en ik liet met mij doen als Charis +wenschte en bevolen had; het was of een sprookje zich om mij weefde, of +ik dubbel betooverd was, of ik droomde; ik kon niet gelooven aan wat +mij geschiedde. Maar toen Charis, juichend, terwijl hare maagden rondom +ons dansten, voorbij haar vader, broeders en neven trad, die, steeds in +ontsteld gefluister, elkander raadpleegden, hoorde ik Menedemus +roepen:</p> + +<p>—Bij alle barmhartige goden!! Wat moèten wij nu met +dien schurftigen ezel! Terwijl wij bevolen hadden, dat geen drie mijlen +in den omtrek van dit lustverblijf een ezel mocht worden gehouden, +zendt ons Toeval of Noodlot een schurftigen ezel toe, juist op het +oogenblik, dat wij Charis op hare morgenwandeling begeleiden en +verlieft mijn dochter op dien schurftigen ezel!! Ondoorgrondelijk zijn +der goden raadsbesluiten! Zegt mij, gij zonen van Hermes en +Aesculapius, wondermeesters, geneesheeren, zegt mij, wat nu te +doen!!</p> + +<p>En in wanhoop wenkte Menedemus drie Frygiesch gemutste <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1208" href="#xd0e1208">87</a>]</span>heeren nader +en stond, in radeloosheid voor hen, de armen wijd.</p> + +<p>—Heer, zeide een van hen, een grijze, waardige in langen +tabbaard. Wij kunnen niet anders dan Charis laten in den waan, dat zij +haar bruidegom heeft gevonden.</p> + +<p>—Zoo wij haar overreden wilden, zoû zij ons nooit +gelooven! viel de tweede geleerde in.</p> + +<p>—Zij is betooverd door Chersonezus! riep de derde. Pas op, o +Menedemus, dat gij uw dochter niet doodt, door haar te willen +overreden, dat deze ezel haar bruidegom niet is!</p> + +<p>En de neven om Menedemus klaagden tot Charis’ broeders:</p> + +<p>—Ach, onze Charis! Ach, onze liève Charis! Had zij +slechts een onzer gekozen, in plaats van na Chersonezus’ +vervloeking, op een schurftigen ezel te verlieven, dien zij dadelijk +Charmides noemt!</p> + +<p>Ik hoorde dit alles, terwijl mij Charis langs de mannen geleidde. En +ik hoorde ook Menedemus, die verder vroeg aan de geleerden:</p> + +<p>—Dus, wondermeesters, wat raadt ge mij?</p> + +<p>De eerste zoon Aesculapius’ antwoordde:</p> + +<p>—Het beste lijkt mij dien ezel te verzorgen....</p> + +<p>De tweede viel in:</p> + +<p>—En Charis te zeggen, dat haar bruidegom, die verwond uit den +strijd is gekomen, met toewijding door ons verpleegd zal worden....</p> + +<p>En de derde zeide:</p> + +<p>—Om, als hij genezen is, de plechtige verloving te +vieren....</p> + +<p>Menedemus sloeg de handen in wanhoop op en de broeders en neven, in +wanhoop, wrongen de hunne.... <span class="pagenum">[<a id="xd0e1238" +href="#xd0e1238">88</a>]</span></p> + +<p>—En al dit ongeluk, riep Menedemus; omdat Chersonezus, wien ik +mijn eenige dochter had toegedacht, een slechte man is, een vervloekte +toovenaar, die Charis betooverde, toen ik eindelijk de waarheid omtrent +hem wist en weigerde mijn kind op te offeren!</p> + +<p>Meer hoorde ik niet; tusschen reidans en bloemenkrans geleidde +Charis mij—en gewillig volgde ik—naar het zuilenrijke +buitenverblijf....</p> + +<p>Maar de geneesheeren kwamen ons achterop en zij zeiden:</p> + +<p>—Edele Charis, uw bruidegom, die zoo juist uit den strijd is +gekeerd....</p> + +<p>—Is gewond en ziek, edele Charis!</p> + +<p>—Uw edele Charmides, o Charis....!</p> + +<p>—Is ziek en gewond en verpleegd moet hij worden...!</p> + +<p>—In der daad! zeide Charis, de betooverde maagd, en hare stem +klonk als de klank van een Lydische fluit, als Ionische melodie. Hij is +gewond, mijn Charmides, na den vijand verslagen te hebben, o mijn +liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!</p> + +<p>En eerst zoet meewarig, juichte haar stem op en hare armen omhelsden +mij en zij kuste mij op mijn ezeleneus, terwijl ik mij verwonderde, dat +zij mijn naam wist.</p> + +<p>De drie geneesheeren maakten gebaren van weêrzin en +afkeer.</p> + +<p>—Charis! riepen zij alle drie. Staat ons toe, dat wij uw +bruidegom verplegen!</p> + +<p>—Is hij genezen, zoo wordt uwe verloving gevierd!</p> + +<p>—Duld, o Charis, dat wij Charmides voeren waar hij de +liefdevolste zorgen zal ondervinden!</p> + +<p>—Ja, riep Charis. Ja, wondermeesters! Geneest mij +Charmides’ wonden! Huwen zal ik hem, zoodra hij weer <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1267" href="#xd0e1267">89</a>]</span>krachtig is, +o mijn liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!</p> + +<p>En wederom wilde zij mij omhelzen, maar de wondermeesters hadden +zich reeds meester van mij gemaakt en Charis, juichende van geluk, al +scheidde zij van mij, dànste te midden van hare maagden.</p> + +<p>De drie mannen geleidden mij verder. Hunne slaven liepen toe.</p> + +<p>—Vuile ezel!! scholden mij de wijze mannen nu. Moeten wij onze +kunst nu werkelijk verspillen aan een dergelijken vuilen ezel!</p> + +<p>Maar zij verboden de slaven mij te slaan.</p> + +<p>—Wij moeten hem verplegen!</p> + +<p>—Ons leven staat op het spel....</p> + +<p>—Als wij Charis niet genezen...</p> + +<p>—Zal Menedemus ons doen vermoorden!</p> + +<p>—Als wij Charis genezen....!</p> + +<p>—Overstelpt hij ons met goud!</p> + +<p>—Zij is betooverd: wij kunnen voor het oogenblik haar niet +anders laten dan in den waan...</p> + +<p>—En dàn haar onttooveren....</p> + +<p>—Langzamerhand... Langzamerhand....</p> + +<p>Zij waren het met elkander eens. Zij zouden mij verplegen, niet uit +liefde voor mij, schurftigen ezel, maar uit hoop rijk beloond te +worden, eenmaal, als zij Charis onttooverd hadden....!</p> + +<p>En zij voerden mij naar een ruimen stal. Ik was daar zonder andere +beesten. De slaven brachten versch stroo, dat zij spreidden tot +legerstede; zij vulden de ruif vol hooi, vol haver en doorgeurden mijn +maal met de eerste klaverblaadjes. Ik at en de geneesheeren +onderzochten mijn wonden en zagen mijn tanden malen. <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1299" href="#xd0e1299">90</a>]</span></p> + +<p>—Hij is jong! zeide de een.</p> + +<p>—Maar hij is afgebeuld, zeide de ander.</p> + +<p>—Hij heeft hout getorst, zei de derde en wees. Kijk, zijn +hoeven breed zijn.</p> + +<p>—Hij heeft een molensteen rond gedraaid, zei de eerste +weêr. Kijk, de sporen van het lamoen....</p> + +<p>—En van den draaiboom....</p> + +<p>En zij onderzochten mij met aandacht. Ik vond hen drie knappe +wondermeesters, die dadelijk veel hadden geraden, al rieden zij niet, +dat ik een mensch was, betooverd door een harpij. Gewillig gaf ik mij +aan hun zorgen en wetenschap over.</p> + +<p>—Het is wel een gewillige ezel, dien onze jonkvrouw heeft +uitverkoren! moesten zij alle drie erkennen.</p> + +<p>En, met behulp van hunne slaven wieschen zij mij en verbonden zij +mij mijne wonden, na die gebalsemd te hebben. Ik stribbelde geen +oogenblik tegen en zij lachten er om, de drie wijze mannen, omdat ik +zoo geduldig mij behandelen liet. Zwijgend en deftig zat ik nu, +genietende van mijn nieuw welbehagen, op mijn achterdeel in het stroo, +gesteund op de twee voorpooten en omwikkeld oog en pooten en rug in +windsels, terwijl de oudste wondermeester bezig was mijn voorpoot, +waarop ik hinkte, bij de knie te masseeren met zorgzaam drukkende en +strijkende vingers. En met scharen knipten zij mij de vieze klitten en +vlokken weg aan mijn pooten en aan mijn staart.</p> + +<p>Juist op dit oogenblik kwam Charis voorbij tusschen hare +meisjes.</p> + +<p>—Ik zocht mijn bruidegom! riep zij. Ik zocht Charmides! O, +daar zie ik mijn held! Wat!! Meesters, wordt mijn edele geliefde in een +stal gehuisvest? Wat moet dit beduiden! <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1320" href="#xd0e1320">91</a>]</span>Waarom verleent mijn vader +hem geen gastvrijheid in het vreemdelingenpavillioen??</p> + +<p>—Charis, o Charis! riepen de wondermeesters. Trek u terug met +uw maagden! Wij verplegen uw bruidegom en het is niet voegzaam, dat gij +daarbij tegenwoordig zijt!</p> + +<p>Zij waren opgestaan en weêrhielden mijn liefde binnen te te +treden en pruilende moest zij wijken.</p> + +<p>—Tot spoedig dan, Charmides, mijn held, mijn prins!</p> + +<p>Ik werd hevig ontroerd in mijn hart. Iets sterkers dan mijn verstand +dwong mij mijn ezelebek te openen; ik wilde „Charis!” +roepen en riep:</p> + +<p>—Ha....hi!!</p> + +<p>De drie wondermeesters barstten uit in onbedaarlijk gelach.</p> + +<p>—Hij roept mij! Hij roept mij! riep Charis opgetogen. O, +wreede wondermeesters, die mij verhinderen mijn held en bruidegom te +omhelzen! O wreede scheiding! Tot ziens, tot spoedigen ziens, tot +spoedige beterschap, o mijn Liefde!</p> + +<p>Zoo riep Charis en de maagden voerden haar weg en de wondermeesters +schudden steeds van het lachen terwijl hunne ronde mutsen als schelpen +en hoornen tegen elkander bonsden en bogen. En ik, die mij belachelijk +wist in hun oogen, ook al had Charis mijn gebalk aan gehoord voor haar +naam, beloofde mijzelven nooit meer te balken.</p> + +<p>Deftig en stil, verbonden met tal van banden, zat ik in het stroo en +de nog lachende drie hadden pleizier in hun ezel, dien zij +verpleegden.</p> + +<p>—Hij zit er net als een mensch! zei de oudste.</p> + +<p>Een gedachte flitste in mij op.... Zoo ik nu knikte met mijn +kop....! Zoo ik nu schreef met mijn poot in het zand....! En om +zilverasters vroeg....!! Maar een na-gedachte <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1344" href="#xd0e1344">92</a>]</span>weêrhield mij.... +Wat zoo zij mij vroegen wie ik was en ik verried, dat ik een +koopmanszoon was? Onttooverd zoû mij Menedemus misschien purper +en parels koopen maar mij dan weg zenden, verder Thessalië in! Ik +knikte niet met mijn kop! Ik schreef nièt met mijn poot in het +zand! Ik vroeg niet om zilverasters!</p> + +<p>—Ja, hij zit er net als een mensch! beaâmden de twee +andere wondermeesters. Wat zoo wij poogden....!</p> + +<p>—Ik dacht dat juist ook! ried de tweede.</p> + +<p>—Dat is een uitnemend denkbeeld! riep de derde.</p> + +<p>Wat hadden zij met mij voor? Maar spoedig begreep ik. Zij zonden hun +slaven naar de keukens om een schaal pastei en een wijden beker vol +Chios-wijn en zij zetten mij beiden voor. En zij wilden mij leeren, zij +wilden mij een geleerden ezel maken, een ezel met goede manieren, een +ezel, die pastei at uit een schotel en Chios-wijn dronk uit een +drinkschaal! Ik had nu evenveel schik in hen als zij hadden in mij en +opzettelijk deed ik eerst of ik niet hun noodiging begreep.</p> + +<p>—Kom Charmides, schertsten de drie wondermeesters. Eet de +pastei! Drink den wijn!</p> + +<p>En, met hun slaven, schudden zij steeds van het lachen, om mij, ezel +Charmides!</p> + +<p>Ik speelde mijn rol van ezel, die geleerd, die gedresseerd werd. Ik +rook eerst, bescheidenlijk onderzoekende, aan de pastei, toen aan den +wijn. Beide geurden naar lang niet gekend geneucht; ik moest in mij +houden om beiden niet gulzig naar binnen te slokken. Maar ik hield mij +in, speelde mijn rol. Eindelijk tastte ik met mijn tong naar den wijn +en slurpte even....</p> + +<p>—Hij drinkt! Hij drinkt! riepen de wondermeesters en <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1362" href= +"#xd0e1362">93</a>]</span>hielden de buiken zich vast en de slaven +krompen van het schaterlachen.</p> + +<p>Toen tastte ik met mijn groote ezeltanden voorzichtig naar de +pastei, knabbelde er een stukje van, kwam weêr terug naar mijn +beker....</p> + +<p>—Hij eet! Hij drinkt! Hij eet en drinkt als een mensch! riepen +de wondermeesters en slaven.</p> + +<p>—Als hij maar niet.... fluisterde plotseling de oudste.</p> + +<p>—Wàt?? vroegen geheimzinnig de twee anderen.</p> + +<p>—.... Een betooverde ezel is.... Een mensch....</p> + +<p>—.... In een ezel betooverd?</p> + +<p>—.... Het zoû kunnen.... hier in Thessalië!</p> + +<p>Zij fluisterden samen, de drie.</p> + +<p>—Neen, besloten zij alle drie. Als hij een betooverde ezel +was....</p> + +<p>—Een betooverde mensch....</p> + +<p>—Dan zoû hij zich ànders gedragen hebben....</p> + +<p>—Bij voorbeeld, met zijn poot in het zand geschreven...</p> + +<p>—En gevraagd om....</p> + +<p>Ik hoorde niet meer wat zij fluisterden.... Om zilverasters, +fluisterden denkelijk de drie. Deftig, verbonden, zittende, twee +voorpooten gestrekt, at ik de pastei en dronk den wijn.</p> + +<p>—Dàt hebben wij hem al heel vlug geleerd! riepen zij +door elkaâr, schaterlachend.</p> + +<p>De nacht was gevallen. Lachende lieten zij mij en sloten den +stal.</p> + +<p>Ik zag om mij rond. Het was een ruime stal en breed was mij het +versche stroo gespreid. Voor een ezel, die hout had getorst en een +molensteen rond gedraaid, was deze stal, <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1398" href="#xd0e1398">94</a>]</span>na mijn menschemaal van +pastei en wijn, vorstelijke weelde. De balsem werkte weldadig op mijn +wonden. Ik strekte mij uit als een mensch had gedaan op zijn bed. En +doodmoede maar zalig sliep ik in mijn verbindselen en windselen in, +denkende meer dan balkend ditmaal:</p> + +<p>—Charis! O mijn Liefde, o Charis!! <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1402" href="#xd0e1402">95</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XI.</h2> + +<p>Een tijd van ongekende zaligheid brak voor mij aan, al was ik een +ezel. Drie weken lang werd ik verpleegd, gewasschen, gebalsemd, +gemasseerd, overvoed en toen mijn wonden genazen, geroskamd, geborsteld +en had ik niets te doen dan te grazen in madelief-bespikkelde +voorjaarsweide. En bij deze stoffelijke welvaart was ik zoo zalig mij +Charis’ kus te heugen en hare omhelzing en zag ik haar vaak van +verre, tusschen hare maagden en gaf ik mij in stilte over aan het +gelukzalige gevoel mijner liefde. Echter niet zonder de bezorgdheid om +Charis zelve, nu ik begrepen had, dat zij betooverd was door +Chersonezus, die, terug gestooten door Menedemus, een tooverban om haar +had opgeroepen, zoo dat zij had moeten verlieven op den eersten, besten +ezel, die haar te moet was getreden. Dit te bedenken weêrhield +mij, nog meer dan de angst, dat Menedemus nooit een handelsreiziger +zoû willen als echtgenoot voor zijn dochter, door welk teeken ook +mij bekend te maken. Zoo ik in mensch weêr herschapen werd, +zoû Charis vermoedelijk zoo geschokt worden, zoo getroffen in +hare liefde voor haar ezel, dat zij er om sterven kon. Ik begreep uit +der wondermeesters woorden, dat door de betoovering haar geest verzwakt +was, dat ook haar teedere lijf geleden had in de winterlange afwachting +van den bruidegom, die eindelijk, onverwachts, gekomen was in mijn vorm +van schurftigen ezel. Nu zeide <span class="pagenum">[<a id="xd0e1408" +href="#xd0e1408">96</a>]</span>men haar, dat zij wachten moest, tot +haar held, uit den oorlog terug gekeerd, genezen was van zijne wonden +en als ik haar zag van verre, meende ik werkelijk, dat reeds een nieuwe +blos bloeide op hare wangen, dat hare oogen tintelden van blijderen +gloed en voelde ik mij, hoe verwijderd ook van haar gehouden, gelukkig +als ik mij nimmer gevoeld had. En nauwlijks dacht ik meer aan +zilverasters.</p> + +<p>Er waren er ook geene; zij werden hier niet gekweekt, zoo als de +Isispriesters de heilige bloemen wisten te doen weligen, in welk +seizoen ook. Er waren hier de wijde madelieve-weiden en om het +vorstelijke lusthuis lagen verspreid de stille vijvers, die de witte en +blauwe wolken spiegelden in hunne gladde plassen, overladen met de +ontlokene lotusschalen, die zich openden naar mate de zon rees en zich +sloten zoo zij daalde. Eens, in een rozigen morgen, dat ik dwaalde de +weide over en tusschen de vijvers door, naderde ik een der plassen en +tusschen de spiegelingen der wolken en de witte bloemekelken, zag ik +mijn eigen beeld. En ik herkende mijzelven niet, mij herinnerend welk +een armzalige ezel mij steeds had aan gestaard in de wateren der +bergstroomen! Ik zag mij terug als een prachtige ezel, een jonge, +gezonde, sterke ezel; mijn effene vacht glom als zilvergrijze zijde zoo +glanzend en glimmend; mijn oogen hadden den zelfden blauwen glans, dien +mijn mensche-oogen hadden gehad; mijne pooten waren genezen, stonden +recht en sierlijk en van louter ledig dwalen door bloemeweiden, waren +mijne hoeven weêr tot smalleren vorm verfijnd, terwijl mijn +manenkam en mijn staartkwast met zorg waren geknipt en geborsteld en +mij gaven het uiterlijk van een weelde-ezel, die niets heeft te doen +dan zich te vermeien tusschen madelieven en boterbloemen en die zelfs +<span class="pagenum">[<a id="xd0e1412" href= +"#xd0e1412">97</a>]</span>behalve met haver en klaver gevoed wordt met +pastei uit schotels en met Chios-wijn uit drinkschalen! Een vreemde +ijdelheid welde op in mijn menschehart: een ijdelheid om mijn +ezelevorm, die zoo volmaakt was en zoo verfijnd. Ja werkelijk, nooit +had ik een dergelijken prachtigen ezel gezien als ik zelve was en zoo +heel ongelukkig om mijn dierevorm kon ik mij niet meer voelen, vooral +nu ik wist, dat Charis mij lief had. Een menschelijke ijdelheid was de +mijne zeer zeker, een mannelijke ijdelheid, zoo als echter dieren er +wel eens hebben; paarden hebben vooral die ijdelheid, een paard is ook +een edel dier en heeft bijna menschelijke hoedanigheden en ik voelde +mij wel een edele ezel.</p> + +<p>Zoo gingen de dagen voorbij, toen op een morgen de wondermeesters +mij op zochten en tot elkaâr zeiden:</p> + +<p>—Hij ziet er nu prachtig uit!</p> + +<p>—Hij heeft een vacht, als zilver zoo licht grauw!</p> + +<p>—En als zij zoo zacht: voel toch eens!</p> + +<p>Zij streelden mij alle drie de vacht: ik trilde van voldane +ijdelheid en de slaven zeiden:</p> + +<p>—Wij hebben hem dan ook geborsteld!</p> + +<p>—En het heeft hem aan niets ontbroken....</p> + +<p>—Wij kunnen Menedemus zeggen, zeide de oudste +wondermeester,</p> + +<p>—Dat de verloving gevierd kan worden, viel de tweede in.</p> + +<p>—Maar een huwelijk zal het wel nooit worden! lachte de derde +wondermeester.</p> + +<p>En zij schaterden alle drie....</p> + +<p>Maar zeide toen de eerste:</p> + +<p>—Arme Charis! Wij moèten haar onttooveren....</p> + +<p>En de twee anderen vielen in: <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1442" href="#xd0e1442">98</a>]</span></p> + +<p>—Is zij onttooverd, dan wordt de verloving verbroken....!!</p> + +<p>—En kiest zij een harer neven....</p> + +<p>—Izidorus....</p> + +<p>—Pamfilius....</p> + +<p>—Of Lyzippos misschien....</p> + +<p>Ik begreep, dat zij ièder een anderen neef hadden op het oog, +die ieder van hen wederom bevoordeelde, met het geld van Menedemus +natuurlijk.... En ik dacht:</p> + +<p>—Als ik maar een ezel blijf.... Een pràchtezel, als ik +nu ben.... Een weelde-ezel, met zilvergrauwe, zijdige vacht....</p> + +<p>En ik geloof, zoo mij te dier stonde zilverasters waren geboden, ik +zoû ze geweigerd hebben, uit angst voor Menedemus, die mij weg +jagen zoû, uit bezorgdheid om Charis’ geest en gezondheid, +uit ijverzucht op hare neven....</p> + +<p>Ik bleef een ezel. En mijne verloving zoû, werkelijk, worden +gevierd.</p> + +<p>—Bericht Menedemus, zei de eerste wondermeester tot de twee +anderen. Laat hem bevelen alles in gereedheid te brengen. De jonkvrouw +heeft tot nu toe geduld geoefend maar het zoû haar kwaad doen +haar langer nog te laten wachten....</p> + +<p>De twee jongere wondermeesters gingen.</p> + +<p>—Borstel hem nog eens, beval de oudste.</p> + +<p>En de slaven borstelden mij. Ik stond geduldig, zoo als een man +geduldig zit voor den spiegel bij den barbier. De slaven borstelden mij +en ik glom, zelve een spiegel gelijk. Zij schoren mij boven de hoeven +mijn pooten met gladde, breede banden. Zij knipten mij hier en daar de +wilde haren weg.... <span class="pagenum">[<a id="xd0e1469" href= +"#xd0e1469">99</a>]</span></p> + +<p>—Besla hem nu de hoeven en schilder ze....</p> + +<p>En ze besloegen mij de hoeven, met gouden ijzers en zij +beschilderden mij de hoeven met menie-rood. Ik bewoog niet.... liet hen +poot na poot behandelen.</p> + +<p>De wondermeester lachte luid....</p> + +<p>—De geduldigste ezel, dien ik ooit zag! prees mij de +wondermeester.</p> + +<p>—En de prachtigste, die wij ooit zagen! prezen de slaven.</p> + +<p>—Zet hem zijn pluim nu op! beval de wondermeester.</p> + +<p>De slaven omvatten mijn kruin in een gouden band, waarin een roode +pluim stak; het voelde wat zwaar maar ik was verzekerd, dat de pluim +mij wel stond,.... tusschen mijn lange ooren.</p> + +<p>—En doe hem zijn mantel om....</p> + +<p>De slaven, lachende, kwamen met den mantel, die was als een schabrak +van reepen rood en met gouden bloemen doorweven, met gouden franjes, en +met een gouden band om het middel bevestigd en mijn staart trokken zij +tusschen de reepen door; mijn hals en borst en voorrug bleven vrij.</p> + +<p>—Hij ziet er als een echte bruidegom uit! riepen de slaven en +de wondermeester knikte wel te vreden.</p> + +<p>Intusschen scheen, op der beide andere wondermeesters aandrang, +Menedemus zijne bevelen te hebben gegeven, bevelen, dat de verloving +zijner dochter gevierd zoû worden<span class="corr" id="xd0e1492" +title="Bron: .">,</span> dien zelfden dag. En voerden mij de drie +wondermeesters, met al hunne slaven, naar buiten.... met een handklap +op mijn schoft....</p> + +<p>—Zoû hij kunnen loopen, zonder dat wij hem aan een +teugel hielden? raadpleegde de oudste wondermeester de twee anderen. +<span class="pagenum">[<a id="xd0e1497" href= +"#xd0e1497">100</a>]</span></p> + +<p>—Laten wij het eens probeeren....</p> + +<p>—Hij is zachtmoedig; hij heeft nooit nog tegen gestribbeld, +meenden de anderen.</p> + +<p>—Charmides! lokten zij mij. Charmides, kom dan....</p> + +<p>En zij poogden mij te dresseeren, zoodat ik los zoû loopen +tusschen de slaven en er niet op het onverwachts van door zoû +gaan, met kluchtige ezelbuitelingen. De dressuur gelukte hun in minder +tijd dan zij zeker hadden gedacht, want ik had mij voorgenomen zoo tam +en beschaafd een ezel te zijn als geen ezel in Thessalië. Ik trad +dus tusschen de slaven naar voren. Ik liep afgemeten en sierlijk op +mijn menie-roode hoeven met gouden ijzers beslagen. Ter zijde bezag ik +mij in een der vijverplassen en ik was wel te vreden. Tusschen de +lotusbloemen, die al het zonnelicht op vingen als in schalen albast, +zag ik mij weêrkaatst en herkende ik bijna mijzelven aan mijn +oogen. Herkende ik mij bijna aan zekere trekken en uitdrukking van mijn +ezelgezicht. En bewonderde ik mij, zoo als ik vroeger wel eens mij in +een metalen spiegel bewonderd had: toen als een knappe jongen, die op +iedere mooie vrouw verliefd werd; nu als een sierlijk getuigde +weelde-ezel, wiens verloving gevierd zou worden met de lieflijkste +maagd ter wereld! Wèl in mij de weemoed, dat ik geen man was, +maar die weemoed getemperd door het geluk, dat Charis mij liefde al was +ik een ezel, juist omdàt ik een ezel was.</p> + +<p>Ik naderde, tusschen wie om mij waren, tusschen de lotusvijvers, het +groote, wijde grasveld, dat zich uitstrekte voor de zuilenrijke, +half-cirkelige portiek van het landhuis. En omdat de slaven koperen +cymbels hadden ter hand genomen, die zij sloegen tegen elkaâr, +naderde ik te mid van mijn stoet met schetterblijde muziek. Andere +muzikanten, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1508" href= +"#xd0e1508">101</a>]</span>met fluiten, voegden zich bij ons en de +lieflijke hymenæische melodieën liepen op en af als blijde +beekjes van water. Om mij straalde de morgen. Als een paleis der goden +straalde de witte woning en de schaduwen langs de zuilen waren bijna +azuur, zoo onwerkelijk tooverde het morgenlicht de tinten òp der +dingen van natuur en van menschen Er beefde een goudene rilling over de +plassen, er weefde een trilling van lenteglans over alles: over het +bevend turkoois van het water, over het warme marmer gloeide die glans +van vuur....</p> + +<p>Maar uit het landhuis, op muziek ook van fluiten en cymbels, kwam +mij Charis te moet. Zij was omringd door haar vader en broeders en +neven en hare maagden dansten om haar en jubelend liep zij mij +tegen.</p> + +<p>—O mijn Charmides! riep zij.</p> + +<p>.... Hoe wist zij mijn naam toch....?</p> + +<p>—O, mijn Charmides, mijn held en mijn heerlijkheid, ben je +daar eindelijk, genezen en zoo krachtig en schoon! O mijn vader, zie: o +mijn broeders en neven, ziet: wie is er met mijn held te +vergelijken?!</p> + +<p>En zij slingerde om mijn nu zacht zijdigen, zilvergrauwen nek hare +armen en stond toen, zegevierend.</p> + +<p>Ik zag Menedemus glimlachen. Ik zag zelfs lachen de jaloersche +neven, de bezorgde broeders. Nu ik werkelijk een zoo goed verzorgde, +wèl doorvoede, glanzig geborstelde ezel was, schenen zij Charis +te gunnen hare verdwazing en lieten zij haar begaan. Zij kuste mij op +den snoet en van zaligheid rilde ik. Tevens nam ik mij voor, niet te +balken, nóoit te balken en mij te gedragen geheel en al als een +kunstig gedresseerde ezel zich zoû gedragen. Hoe gelaten die rol +ook was, zij was de eenige, die mij geschikt scheen, wilde ik <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1522" href="#xd0e1522">102</a>]</span>mijn +geluk laten duren. Bruidegom, kon ik niet anders zijn dan geduldig en +lijdzaam. Charis kuste mij, maar ik kon Charis niet kussen. Ter nauwer +nood dorst ik mijn ezelesnuit even, speelsch, tegen haar handje reiken. +Charis omhelsde mij, maar ik kon niet Charis omhelzen: ik stond slechts +en onderging wat ik zoo gaarne zelve volbracht had en mijn geheele +manneziel in vorm van weelde-ezel was er op gespitst mij voegzaam te +gedragen, zoodat allen vertrouwen in mij stellen zouden.</p> + +<p>Maar Charis, tusschen de maagden, geleidde mij naar het terras in +het midden der zuilen van de portiek. Er waren daar tapijten gespreid; +er waren groote kussens gestapeld. En Charis, met de wondermeesters, +deed er mij zitten, zoo als dezen meenden, dat zij het mij hadden +geleerd; op mijn achterdeel en met de twee voorpooten gestrekt. Ik deed +het deftig, als een geleerde ezel het zoû hebben gedaan en +Menedemus en de broeders en de neven lachten. Zij zetten zich om ons +rond. En Charis vlijde zich aan mijn zij....</p> + +<p>—Bijt hij niet? hoorde ik Menedemus fluisteren tot den oudsten +wonderdokter.</p> + +<p>—Hij doet geen vlieg kwaad, heer, antwoordde de wonderdokter; +maar wij hebben dan ook werk aan hem gehad, al die weken, dat wij hem +hebben verzorgd en geleerd!</p> + +<p>En Charis leunde zich liefdevol tegen mij. Hoe gaarne had ik ook +haar niet aan mijn hart gedrukt. Maar ik had een ezelehart en ik had +geen armen, maar vier pooten. Gelaten bleef ik dus zitten, sidderend +van geluk en ontroering en alleen boog ik, bijna teeder, mijn kop over +haar heen, zijlings met mijn blik van bijna menschelijkheid. Ik hoorde +de broeders en neven lachen: die menschelijkheid <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e1532" href="#xd0e1532">103</a>]</span>trof hen zeker en zij +dachten natuurlijk, dat zij was aangeleerd en zij vonden haar komiesch +en vermakelijk.</p> + +<p>Maar Charis zeide mij teeder, terwijl zij opzag in mijn menschelijke +oogen:</p> + +<p>—Mijn lief, ik herken je blik... Van den eersten keer, dat ik +je zag... Het was bij de poort van Hypata... Het was buiten de stad, op +den heirweg... Je liep naast mijn draagstoel voort... Je blik, je lieve +blik staarde mij toe... Ik had je lief, ik had je lief om dien blik... +Toen... toen verdween je.... O je verdweent!! En een slaaf riep luide +ons van zijn rijdier toe, dat wie verdwenen was, Charmides heette en de +zoon was van Lyzias uit Epidaurus! Nooit heb ik je naam vergeten! +Charmides, Charmides, weêr heb ik je gevonden, ik, Charis, de +dochter van Menedemus uit Hypata!! En wij zijn gelukkig en wij zijn +verloofd, o Charmides, o mijn Charmides: Charis en Charmides zijn +verloofd!</p> + +<p>In den licht-trillenden morgen klonken onze namen te zamen op, +terwijl de fluiten trillerden en de cymbels goud schetterend te zamen +sloegen.</p> + +<p>En het blijde feest rondom ons, zalige verloofden, begon! <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1542" href="#xd0e1542">104</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XII.</h2> + +<p>Ik zat naast mijn liefde op een soort van troon vol kussens, +tusschen de zuilen van het terras en ik geloof, iedereen was wel +verbaasd, dat een ezel, die gekomen was de Goden wisten van waar, zoo +wel-opgevoed ter neêr zat, op zijn achterdeel, de voorpooten +gestrekt en zonder onwelluidend gebalk en het minste onvoegzaam gebaar, +geheel en al als een goed gedresseerde ezel, terwijl mijn bruid hare +armen vaak om mijn hals sloeg en zoete woorden tot mij zeide. Om ons +zaten en lagen op lage bedden Menedemus en zijne zonen en de neven aan +en terwijl de muziek der fluiten weêrklonk, met gouden cymbelslag +onderbroken, diende een zwerm van slaven ons een maal op, dat zij in +vaatwerk van goud en vazen van opaalblank kristal voor ons neder zetten +op lage tafelen. En het gebeurde alles zoo plechtig als bij een +werkelijke bruiloft. Mijn schotel en drinkschaal waren grooter dan van +de anderen en de wondermeesters hadden het mij zeer gemakkelijk gemaakt +pastei te eten en Chios-wijn te drinken en ik at en ik dronk zoo +mensch-beschaafd, dat—ik lette het zijlings wel op!—allen +er schik in hadden en zich vermaakten en den wondermeesters hunne +bewondering betuigden, zulk een wonderezel van mij te hebben +gemaakt.</p> + +<p>Voor ons, in den stralenden morgen, glinsterden, zilveren spiegels, +de vijverplassen hier en daar, bloeiden wijd open de <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1550" href="#xd0e1550">105</a>]</span>witte +lotusbloemen, weken de bloemevijvers weg naar het wijde verschiet en +tusschen al die schitterende waters waren de weiden, bespikkeld met +duizenden madelieven. De olmen en sycomoren vervioletten met vage, in +licht uitgeveegde kruinemassa’s van heel verre boomen en over +alles zwom de wijde weelde van blauwe, diepste lucht. En over de weiden +en tusschen de plassen traden de maagden aan en zij dansten er over de +bloemen en tusschen de bloemen, zoo licht, zoo lucht als nymfen, zoo +ijl ook en onwezenlijk, als waren zij droomen en de muziek klonk zoo +ijl en onwezenlijk, als waren de cymbelslagen hoorbare zonneschijn... +Maar toen ik zoo gelukkig zat, roerloos bijna, met Charis’ armen +als een lelieboei om mijn nek en naar de dansende maagden zag, die onze +verloving vierden, trof mij een onverwacht schouwspel, vreemd als een +wedergekeerde werkelijkheid. Want tusschen de vijvers liepen op eens, +in het gloeiende dagelicht, vier bruine jongens aan, naakt en brons, en +zij slingerden zich twee aan twee om elkaâr als +Hermes-caduceeën en liepen toen, de twee ondersten op hunne +handen, de twee bovensten zegevierend de handen omhoog, tot zij, in een +gestrengeld, ombuitelden en de bovensten op de handen liepen en die +eerst zoo geloopen hadden zegevierden op hunne beurt. Ik herkende hen +als de reizende kunstenmakers, die op het herbergplein te Delfi hunne +kunsten hadden vertoond en van verbazing zat ik te staren, toen +plotseling ik Demea herkende, met hare beide dansgenooten. Ik had bijna +wel kunnen balken van verwondering, dat ik Demea hier plotseling +verschijnen zag, maar vreemd was het toch niet, dat Menedemus de +reizende kunstenmakers gehuurd had om met hunne spelen de bruiloft op +te luisteren. Tusschen vader en broeders en neven van Charis, Charis +<span class="pagenum">[<a id="xd0e1552" href= +"#xd0e1552">106</a>]</span>zelve aan mijn zijde, zat ik en verwonderde +mij over de vreemde dingen van het leven en de zonderlinge +lotsverwisselingen, die den menschen overkomen. Zoo Demea geweten +hadde, dat zij nu hare acrobatische toeren ten beste gaf voor +Charmides, die een ezel geworden was en die tóch zijne verloving +vierde met de edelste maagd in Thessalië! Zij liep over een +koorde, die de twee mannen gespannen hielden over de vijverplassen, de +bloemoverladen wateren over; zij liep met gazen vleugels aan en in +gouden looveren omgoten en hare genooten liepen als zij, en omdat de +koorde vertrilde in het felle licht, scheen het of zij drie libellen +waren, die zweefden, zweefden want zij liepen heel snel en het was of +er de koorde niet was. En het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel +had willen balken, maar ik balkte niet. Toen, plotseling, geleidden de +twee mannen negen jeugdige ezels naar voren op de weide vlak voor ons +terras en het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen +balken, maar ik balkte niet.... Voor mij zag ik de negen jeugdige +ezels; zij waren getuigd en getooid en zij waren zekerlijk gedresseerd, +want zij dansten recht-op met Charis’ maagden en de +wondermeesters hielden de buiken vast van het lachen en allen lachten, +maar ik lachte niet en balkte niet en zat slechts verwonderd te +staren....</p> + +<p>Toen zette Charis mij een bloemenkrans van lotuskelken, die zij +gewonden had, de lange stengelen door elkaâr, op den kop en zij +leunde tegen mij aan. En zij zeide:</p> + +<p>—Mijn lief! Zie, ginds zijn je schildknapen en zij dansen met +mijn maagden om onze oogen te verheugen! Zie je, mijn lief, het zijn +négen schildknapen en zij dansen met negen mijner maagden. Het +zijn schoone jongelingen, mijn lief, maar zoo schoon als jij is er niet +een! Niet een is er, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1558" href= +"#xd0e1558">107</a>]</span>die heeft zoo een lieven kop, rood gepluimd, +goud-omband en lotus-omkranst; niet een is er, die heeft zulke diep +blikkende, blauwe oogen; niet een is er, die heeft zulk een zacht +vochten snoet en zoo een roze, lange tong, of zulke lieve, lange ooren, +die zoo aardig bewegen heen en weêr, heen en weêr! En +niemand heeft er zoo een zilvergrauwe, zijdige vacht en zulke fijne, +sterke pooten met goud-beslagen, menie-roode hoeven! Te vergelijken, +mijn lief, ben je met nièmand, niet met je schildknapen, niet +met mijn broeders, niet met mijn neven, die zijn zoo gewoon-menschelijk +maar, maar jij bent een prins, een vorst, een god, mijn lief; jij bent +een fabelwezen, een mythe-schepsel, en ik min je, ik min je, mijn lief! +Wat ik alleen betreur, o mijn heerlijke lief, is, dat je niet spreekt +tot Charis! Eenmaal slechts heb je mijn naam genoemd en je stem klonk +me zoo zalig toe in mijn ooren en mijn naam sprak je zoo lieflijk uit +als niemand hem uitspreekt, mijn Charmides; allen harden klank aan mijn +naam liet je weg en mijn naam uit je lieven, open bek, doorklonk mij +met zaligheid! O zeg nog eens mijn naam, zeg nog eens mijn naam, +Charmides, o mijn lief!</p> + +<p>Ik kon het waarlijk niet nalaten. Om Charis genoegen te doen, zette +ik mij schrap op mijn voorpooten, rekte mijn nek, opende mijn bek en +riep:</p> + +<p>—Ha.... hi!</p> + +<p>Ik hoorde alle de gasten in onuitbluschbaren schaterlach uit barsten +en zelfs de maagden en slaven en zelfs de kunstenmakers lachten om het +gebalk van den bruidegom, maar Charis jubelde:</p> + +<p>—Charmides!</p> + +<p>En zij omhelsde mij in liefdegeluk en strooide de lotusbloemen om +mij rond... <span class="pagenum">[<a id="xd0e1570" href= +"#xd0e1570">108</a>]</span></p> + +<p>Zoodra ik echter gebalkt had, schrikte Demea, op het koord.</p> + +<p>En afgesprongen, in hare gouden looveren omgoten en met hare gazen +libellevleugelen, liep zij in grootste verwondering naar ons toe, bleef +voor onzen troon en tafel staan en blikte mij diép in de oogen. +En nu zag ik, dat zij werkelijk ontstelde en zij riep, als Charis +geroepen had:</p> + +<p>—Charmides!</p> + +<p>Maar Charis schrikte op. En zij riep, hare armen om mijn hals:</p> + +<p>—Wat wil die koorddanseres! Wil zij mij mijns bruidegoms +liefde ontstelen! Ik ben ijverzuchtig! Ik wil niet, dat zij ons +nadert!</p> + +<p>Maar Demea, die zich herstelde, riep:</p> + +<p>—O, lieflijke bruid, vergeef uw dienares en uw slavin! Ik +wenschte alleen in het glanzende aanschijn te staren van uw +onverwinlijken held Charmides, van den roemrijken veldheer, wiens faam +tot de hoogste luchten weêrklonken heeft en tot de verste +horizonnen! En ik breng hem enkel mijn hulde en roep hem toe: heil +Charmides!</p> + +<p>Zij riep het en allen stemden in:</p> + +<p>—Heil Charmides! Heil den bruidegom!</p> + +<p>Bijna had ik gebogen naar links en rechts, maar ik bedacht mij bij +tijds. En balkte daarom slechts:</p> + +<p>—Hi—ha!</p> + +<p>En allen schaterden het uit en Demea schaterde het uit in mijn +oogen.</p> + +<p>Maar Charis riep:</p> + +<p>—Hij dankt, mijn held, voor uw hulde, o blijde +feestgenooten!</p> + +<p>En zij wierp zich aan mijn hals en nieuwe spijzen en <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1601" href="#xd0e1601">109</a>]</span>wijnen +werden voor gediend en er was dans van ezels en maagden en fluitmuziek +en Demea zweefde met de beide andere meisjes over de, in het licht als +wèg vertrilde, koorde en de kunstenmakers buitelden....</p> + +<p>Toen het feest ten einde was, daalde de zon, immense bloedroode +schijf aan den einder. De massa’s van boomen, de looverkruinen +vervloeiden te zamen in roodgoudig violet, minder doorschijnend; in +dichtere schaduw slopen reeds schimmen van nacht.... Over de +vijverplassen rimpelde in meerderen bries de roode afschijn en brak in +kabbeling bij kabbeling tusschen de platte lotusbladeren en de blanke +schalen, die zich, groener in schutsbladen, sloten. Al de veldbloemen +sloten. Het lusthuis stond overvloeid van rood. En de hemel vervaalde +in violette schemering.</p> + +<p>Flambouwen werden ontstoken. En met zang en muziek werd ik in een +feeststoet terug geleid. Maar Charis, droevig, fluisterde, hare armen +om mijn hals:</p> + +<p>—Mijn lief, zij gaan ons scheiden....! Zij huwen ons nog niet, +zij huwen ons nog niet: vele offers schijnen eerst den goden te moeten +worden gebracht, opdat geen schaduw over ons geluk kunne vallen! Mijn +lief, zij gaan ons scheiden!</p> + +<p>Ik antwoordde niet, zelfs niet balkende, zelve droevig te +moê... Wat zoo ik mij bekend maakte! Ik aarzelde. Ik zoû, +ach, onttooverd, niet meer zijn dan een handelsreiziger en Menedemus +zoû mij, onttooverd, verjagen! En nu, dat ik ezel was, bleef ik +Charis’ bruidegom. Zonder verdere hoop en verwachting, maar toch, +toch welke zaligheid nog, in vergelijking met wat onttoovering brengen +zoû. Een ezel, een ezel wilde ik blijven!</p> + +<p>En de stoet geleidde mij verder. Niet meer naar een <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1613" href="#xd0e1613">110</a>]</span>stal, maar +naar een marmerzuilig pavillioen. Tusschen bloemenkransen en +maagdendans en ezelgetrip en flambouwengeflakker en muziekgeschal +geleidden zij mij waar vreemdelingen van aanzien, Menedemus’ +gasten, gewoon waren te overnachten. Geleidden zij mij binnen een zaal, +purper behangen.... En weende Charis, scheidende van mij met laatste +omhelzing en mede gevoerd door vader en broeders, die troostten.</p> + +<p>De wondermeesters sloten de zaal. Ik zag om mij rond. Een bed van +purper, groot genoeg voor mijn ezelleden. Een bad van porfier. +Bloemenkransen om zuilen. Slaven naderden mij; zij onttuigden mij, +vroolijk om den bruidegom, die een ezel was en verlieten mij met +kluchtige huldebuigingen. Ik bleef alleen....</p> + +<p>De nacht viel: door de hoog aangebrachte ramen starrelde de +zomerlucht....</p> + +<p>Plots hoorde ik:</p> + +<p>—Charmides!</p> + +<p>Een stem riep. Ik zag op. Aan een der hooge ramen had Demea zich +buiten opgeheschen en keek zij naar binnen in mijn nachtschemerig +verblijf. En zij riep, fluister-zacht toch:</p> + +<p>—Charmides! Ik heb je herkend! Je bent betooverd! Je bent geen +ezel maar je bent mijn Charmides, die betooverd werd! Herinner je, +Charmides, Delfi en den vervallen tempel der Pythia en onze liefde, +onze brandende liefde! Zie, mijn looverenkeurs is het purper, dat je +mij gaaft en om mijn hals hangt de valsche maar wonderkrachtige +peerparel! Charmides, waar is de filter, dien ik je gaf?! O, Charmides, +Charmides, hoor mij! Ik zal je deur open breken—sterk ben +ik—en ik zal je rug beklimmen en wij <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1627" href="#xd0e1627">111</a>]</span>zullen vluchten van hier +en ik zal je onttooveren met een heel sterken filter en wij zullen +gelukkig zijn, ver van de menschen, op de rotsen, in de wouden, op de +bergen! Ik weet de wondere plaatsen! Charmides, zeg mij, wil je?</p> + +<p>Maar ik schudde met mijn kop van neen....</p> + +<p>—Charmides!? Wat? Wil je een ezel blijven, wil je een ezel +blijven om Charis! O, dwaze Charmides, die eenmaal een man was, +verliefd op alle vrouwen en nu een kuische ezel is, wien zelfs geen +simpele ezelin bekoort! O, dwaze Charmides, o domme ezel, die +zelfvoldaan vertoeft in een marmeren pavillioen bij een bad van porfier +en een bed van weelderige kussens.... Kom tot inkeer! Knik van ja! Dat +ik je deur open zal breken!? Dat wij, ik op je rug, vluchten zullen van +hier! Dat ik je onttooveren zal! Dat je mij lief hebt, Charmides, als +een man, die je weêr worden zult, en dat je niet Charis lief +hebt, voor wie je nooit anders dan een ezel zal blijven, dwazelijk +getuigd als een bruidegom, die nooit gemaal, nooit gemaal zal worden! +Charmides, Charmides, knik!</p> + +<p>Ik knikte niet, ik schudde mijn kop van neen.</p> + +<p>—Vervloekte Charmides! riep woedend Demea. Blijf dan een ezel, +jij ezel, die je bent, ezelachtige ezel!!</p> + +<p>En met een hoongelach glipte zij weg.... <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1639" href="#xd0e1639">112</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XIII.</h2> + +<p>—Vader, waarom huwen wij niet?</p> + +<p>Zoo klonk Charis’ stem, een avond vol van zomerweemoed. Hare +arm lag, blank, rond en meisjesjong over mijn nek, waar ik stond in de +weide en speelsch met mijn bek de halmen en lang opgeschoten +veldbloemen trok. Charis speelde vaak met mij en hare verwanten prezen +mij, dat ik een zeer tamme ezel was. Want dikwijls liep Charis voor mij +weg en moest ik haar achtervolgen en zij lachte als een kind en ik +achtervolgde haar dan, hield mijn draf in, om haar langer van het spel +te doen genieten en dan, eindelijk, haalde ik haar in en greep zacht +tusschen mijn tanden den slip van haar sluier. En zij gaf zich dan +gewonnen en leunde, lachende, tegen mij aan en kuste en bekranste mij, +omwond mij met bloemen. Hare maagden dansten om ons rond en wel eens +zette zij zich op mijn rug en ik liep in een cirkel over de weide, +terwijl Charis jubelde van pleizier. Of ik lag in het lange gras, +sierlijk en voegzaam en zij zette zich naast mij, zei lieve woordjes en +vertelde mij fabels. En hare handjes streelden mijn kop, gleden mijn +ooren langs, die zij wenschte heen en weêr te zien bewegen, het +eene hoog-op, het andere hangende en dan weêr beurtelings het +eene hangende, hoog-op het andere en zij lachte, hare lieve oogen diep +in mijn oogen....</p> + +<p>—Zeg dan, vader, herhaalde Charis; waarom huwen wij niet? +<span class="pagenum">[<a id="xd0e1649" href= +"#xd0e1649">113</a>]</span></p> + +<p>Om Menedemus stonden de wondermeesters, de broeders, de neven. En +zij fluisterden meêwaardig onder elkaâr en ik hoorde +Menedemus tot de wondermeesters zeggen:</p> + +<p>—Wanneer onttoovert ge mijn dochter dan eindelijk, dat zij +ziet, dat zij verliefde op een ezel, verloofd is met een ezel?</p> + +<p>En de wondermeesters schudden bedenkelijk met de hoofden en de +Frygische mutsen. Maar Charis weende en op een teeken van de +wondermeesters, die meenden, dat zij het mij hadden geleerd, liep ik, +dansende, in het rond, sierlijk met goud-beslagen, rood geschilderde +hoeven, zettende den een voor den ander. Toen lachte Charis weêr +en de maagden dansten om mij en zij zelve danste mede.</p> + +<p>En zij vonden mij allen een bewonderenswaardige, goed gedresseerde +prachtezel, zoo tam en die geen vlieg kwaad zoû doen en vooral +niet zijn lieve bruid Charis, maar aan huwelijk was niet te denken! En +daarom was ik zelve ook vaak wanhopig, wanneer ik dacht aan mijn +betoovering, aan mijn herschepping en tevens overpeinsde, dat, zoodra +ik herschapen in een man en onttooverd zoû zijn, ik niet meer dan +een handelsreiziger zijn zoû, Charis niet evenboortig, als hare +neven waren, zoo dat mijn zalig geluk gedaan zoû zijn! O, hoe +lang zoû het nog duren! Nog nooit had ik zoo lief gehad, zoo +innig, zoo teeder en zoo geduldig. Ezel, voelde ik mij bijna gelukkig, +als ik nog nimmer geweest was.</p> + +<p>Dien middag, dat Charis sliep, door de maagden in slaap gezongen +onder een dicht rozen-begroeid traliewerk—de witte rozen hingen, +de traliën langs, langs haar heen—zag ik haar, van uit de +weide, met liefde, geluk en weemoed aan. Zomerzonneschijn golfde +omlaag. En toen dwaalde ik verder tusschen de vijverplassen, die +blonken en blikkerden goud en blauw, overbloeid met de ontlokene +bloemen. En <span class="pagenum">[<a id="xd0e1660" href= +"#xd0e1660">114</a>]</span>naderde het altaar van Venus-Afrodite +tusschen het roode-rozenbosch. De godin rees marmer en wonderschoon +achter haar altaar in de purperen schaduw. Het boschje zoemde vol van +verliefde vliegjes, die dansten. De duiven, die er nestelden, +klapwiekten er uit op en zilverden over de stralende lucht. En ik boog +de voorpooten; ik knielde neêr. En ik bad:</p> + +<p>—Heilige godin, bad ik. Wees mijn toeverlaat, wees onze +toeverlaat! Help ons! Charis, betooverd, heeft in mijn ezelvorm lief +Charmides, dien zij zàg, een, twee seconden naast haar +draagstoel, op den heirweg, bij de poort van Hypata. Groote godin, help +ons! Niet alleen zilverasters kunnen mij helpen! Misschien helpen uw +roode rozen mij beter!</p> + +<p>En, ezel, lag ik geknield voor de godin. En wat ik Charis nooit had +durven doen, deed ik de godin: ik kuste met mijn ezelsnoet haar den +marmeren voet. Ik brak teeder met mijn tanden enkele harer rozen af en +legde de bloemen op haar altaar, opdat zij in meerderen geur van +vereering zouden uit bloeien aan haar voet....</p> + +<p>En ik dwaalde terug. Er was het blijde feest, als er iederen middag +was met mijn bruid; er was het uitgezochte maal en de dans en de +muziek....</p> + +<p>—Vader, waarom huwen wij niet...? hoorde ik wederom Charis +vragen.</p> + +<p>Maar mijne dienslaven geleidden mij terug tot het pavillioen. Uit +vertrouwen en zorgeloosheid lieten zij den laatsten tijd de deur open. +Zij waren zoo gewend in mij te zien een wonderlijk tammen, goed +gedresseerden ezel, een ezel, die menschelijk at en aan lag, een ezel, +die speelde met hunne jonge meesteres, een ezel, die zich nooit +onvoegzaam <span class="pagenum">[<a id="xd0e1672" href= +"#xd0e1672">115</a>]</span>gedroeg, die als een mensch zijn pavillioen +bewoonde. Zij lieten mij doen als ik wilde....</p> + +<p>De nacht was zwoel, of onweêr dreigde. Ik kon niet slapen, op +mijn weelderige kussens. Ik legde mij op het koele vloermozaïek, +mijn ezelebruin vol mensche- en mannegedacht. Ik stond weêr op en +trad uit het pavillioen. Ik dwaalde over de weide. Ik zag naar den +hemel. In der daad, zware wolken dreven aan uit het Noord-Westen.... +Zij ontrolden, naderende, als een dikke rook.... Zij bedekten geheel +den hemel.... Plotseling...! Plotseling zag ik in de rollende wolken +menschengezichten....</p> + +<p>Heksen? Gedrochten? Helsche wezens? Ik verborg mij in het dichtste +struikgewas onder zwarte steeneikenbladeren. Ik zag toe, ik luisterde +toe....</p> + +<p>Drukkend, maar anders dan van naderend onweêr, rolden de +wolken nader.... Overdekten nu geheel de lucht boven het landhuis.... +Waren als éen wolkende nacht over de weiden.... Van nachtkim tot +nachtkim.... En omsloten met de bergen weiden en woning als in een +knellenden, vijandigen cirkel....</p> + +<p>Ik hoorde stemmen.... De stemmen, zij sisten en suizelden als met +slangegeschuifel, daar boven, in de dichter broeiende wolken.... En het +was als een onweêr, hoewel het geen onweêr was. Zeker +zouden de bewoners van het landhuis denken aan onweêr. Maar ik, +ik wist reeds genoeg van de onheilige dingen van Thessalië om te +weten, dat dit geen onweêr was.... Ik spiedde uit, uit mijn +schuilhoek. En plotseling verduidelijkten zich hel in felle +sulfergloren, die als weêrlicht schenen, de tronies der +aangezweefde, demonische schepselen, bleek, grijnzend, dreigend. En +door het schuifelen en suizen en sissen heen, verstond ik de <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1682" href= +"#xd0e1682">116</a>]</span>woorden, die weêrklonken van uit de +rollende wolk, die woelde boven de wereld....</p> + +<p>—Zeg ons, heer, uw wil! Zeg ons, machtige Chersonezus, uw +machtigen wil...! Gehoorzaam zullen wij uw wil volvoeren, wij geesten +van de lucht....</p> + +<p>—Wij geesten van het water...!</p> + +<p>—Wij, van het vuur...!</p> + +<p>—Wij, van de aarde...!</p> + +<p>—Wij, àllen, elementen, waar over gij heerscht, o +machtige Chersonezus! Zeg ons uw wil!!</p> + +<p>En het donderde en het weêrlichtte, of was het enkel het +rollen der wolken en dringen der dreigende geesten en de sulfergloor +van hun atmosfeer, die telkens hel op vlamde tusschen de dichter en +dichter aankrullende dampen? Maar een vreeslijke stem, machtig, +weêrklonk....</p> + +<p>—Heilige goden van Eleuzis! bad ik. Bewaar wie mij dierbaar +is!!</p> + +<p>....—Heft gehéel dat verdoemde huis in de lucht, als +ware het niet meer dan een pluim, die op waait in den wind. En stort +het dan neêr op de aarde! Vernietigt het, verdelgt het met +aardbeving en stormgeweld en met vlammen! En doet tusschen die +verdelgingen Charis alleen behouden blijven, zoo dat zij tusschen de +puinhoopen aan mij is en ik haar ontvoer door de luchten!</p> + +<p>Een vreeslijk warrelen en woelen begon. Bijna had ik luide gebalkt +van ontzetting. Ik balkte echter niet en onder de zwarte schaduwen en +tusschen struikgewas en struweel, sloop ik terug. Ik glipte over de +padden, die angstiglijk brulden. Ik struikelde over de slangen. Ik wist +niet of zij dieren waren, gunstig aan Chersonesus of ongunstig. Over de +weide sloop ik onder het razender en razender rumoer in <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1702" href="#xd0e1702">117</a>]</span>de luchten, +sloop ik, staart tusschen de pooten, glipte ik tusschen de waaiende +halmen....</p> + +<p>—Goden van Eleuzis! Doet mij onzichtbaar zijn!</p> + +<p>.... Sloop ik terug en bereikte het landhuis.... Boven mij scheen de +storm al zijn geweld in éen woesten draaikolk samen te mengen +als een heks haar brouwsel hadde gemengd in een immensen, zwarten +ketel. Lichtende vlerken waren niet meer dan schichtende +bliksemflitsen.... Ik naderde de zuilenrijke portieken, die angstig +opblankten, telkens, dat de bleeke gloren op gloeiden.... Ik rende nu +de portieken door, ik rende tot voor het raam van Charis’ eigene +kamer.</p> + +<p>Niemand bewoog in huis? Sliepen zij allen, trots het vreeslijk +geweld, rond kolkende om in de nacht boven het huis, of waren zij +reeds, vóor hunne verdelging, betooverd? Niemand bewoog. Maar +voor het raam van Charis hield ik stand....</p> + +<p>—Hi-ha! balkte ik.</p> + +<p>Niemand antwoordde en mijn gebalk verloor zich in den rond +donderenden storm.</p> + +<p>—Ha-hi! balkte ik, als ik het kon, Charis’ aangebeden +naam. Ha-hi!</p> + +<p>Ik stiet met mijn snoet tegen de luiken.</p> + +<p>—Ha-hi!! balkte ik steeds en van overspanning, eindelijk, +balkte ik:</p> + +<p>—Cha-i! Cha-is! Chà-ris!!!</p> + +<p>De luiken werden ge-opend. Charis, het blonde haar los om de +schouders, verscheen, zóo blond, zoo blank in haar blanke +gewaad....</p> + +<p>—Charmides! kreet zij. Mijn lieveling! Wat is er!? De storm +barst los! En ik ben bang, ik ben bàng! Hoor dien ronden donder +draaien en rommelen blijven boven het huis! Zie de felle lichten! +Charmides, o bescherm mij! Iedereen <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1726" href="#xd0e1726">118</a>]</span>slaapt in diepsten slaap! +Mijn vader, mijn broeders, mijn neven, de maagden, de slaven! +Charmides, het aardbeeft! Vader! Broeders! Neven! Is dood dan iedereen +al!?</p> + +<p>—Charis! balkte ik....</p> + +<p>....En in mijn overspanning spràk ik en riep, wijd mijn bek +open naar Charis:</p> + +<p>—Be...stij...g... mijn... rr...ug!!</p> + +<p>Charis begreep; zij slaakte een gil, bijna van vreugde: zij klom op +de raampost; vlàk tegen den muur hield ik mij gedrukt; zij wierp +zich op mij....</p> + +<p>—Sla... om... mijn... nek... je armen!</p> + +<p>Zij sloeg hare armen om mijn nek. En ik holde voort, de portieken +door.... Het aardbeefde, het aardbeefde vreeslijk.... En ik holde voort +ter zij van het huis, maar het scheen te trillen, en te bewegen.... Ik +holde voort, op het gevoel af, want het was inkt-donker om ons, een +duisternis, die alleen de sulfergloren bleek op lichtten, telkens.</p> + +<p>Dan vergewiste ik mij, dat ik goed draafde, over de weilanden, +tusschen de vijvers, naar de heiningen. Mijn draf scheen niet te worden +bespeurd, door de helsche geesten, die al hunne machten samen stuwden +boven het huis. Eens dat hunne bliksems flitsten, zag ik om.... En ik +zag, o verschrikking, het geheele huis met zijne portieken, die +wankelden, in de lucht zich verheffen, als in een vreemd vizioen, maar +dat waarheid was: ik zag het prachtige landhuis sidderen op zijne +grondvesten tusschen de wolken, waarin het gelicht werd en die het als +een zwart stormende zee omdrongen; ik zag het toen storten in +éen, met brokkelende zuilen, die even nog op glansden in de +gloren der helsche flitsen, ik zag het toen vernietigd, een wrak +gelijk, uit-een drijven op den steeds kronkelenden damp... <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1742" href="#xd0e1742">119</a>]</span></p> + +<p>Bij het einde der weilanden, op de zelfde plek, waar Charis mij had +binnen geleid, sprong ik over de heining, draafde ik langs de rivier, +even slechts te raden met huiverig bleeken afglans, draafde ik, draafde +ik voort, Charis steeds liggende over mijn rug, hare armen vast om mijn +nek. Hoe lang ik draafde? Ik weet het niet! Waarheen ik draafde? Ik +wist het niet. Ik draafde slechts, draafde slechts: ik draafde +denkelijk de geheele nacht. Somber bleef de nacht maar de storm, de +duivelsche storm, had alleen zijn kring getrokken rondom het domein van +Menedemus, en wij waren dien tooverban uit.</p> + +<p>—Goden van Eleuzis! bad ik telkens. Goden van Eleuzis! Behoedt +ons allen!</p> + +<p>En in de donkere nacht draafde een onzichtbaar grauwe ezel met de +witte vlak van een blonde maagd op zijn rug voort, langs de bleeke +rivier, onder de wind-doorzwiepte boomen. Tot ik, uitgeput, omzag, stil +hield.... Achter ons verdiepte de nacht, voor ons schemerde door de +vale sluiers het allereerste dagebegin. Een wand van rotsen piekte voor +ons op.... Maar ik had Charis gered!</p> + +<p>Zij gleed van mijn rug op het mos, half bezwijmd.... Zij strekte de +armen nog naar mij uit.... Ik viel voor haar neêr, ik wilde haar +omhelzen, haar drukken aan mijn hart.</p> + +<p>Maar ik herinnerde mij dadelijk na, dat ik een ezel was... En ik +bleef op mijn voorpooten geknield, aanbad mijn geliefde en wilde haar +roepen bij haar zoeten naam....</p> + +<p>Maar verloren had ik mijn menschestem, die mij uit wanhoop +éen oogenblik scheen terug geschonken en ik balkte slechts rauw +mijn ruigen ezelskreet....</p> + +<p>Die tegen de rotsen, weêrechoënd, brak.... <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1757" href="#xd0e1757">120</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XIV.</h2> + +<p>De morgen straalde. Ik zag om mij rond. De rivier aan den rand van +het woud en den weg, overschaduwd door takken en blâren.... Maar +dan, ter zijde, het rotsgebergte. Het was piek bij piek, die uit stak; +hoogere en lagere rotsen stonden verwonderlijk recht de lucht in, als +met een leger van bijna regelmatige pieken; zij schenen als +menschelijke monumenten te rijzen, als een stad van steen, als een +massa van vreemde torens, maar zij waren enkel het werk der natuur; zij +staken hunne hemelhooge monoliethen, hun steile, gladde gevaarten met +ontzaglijke kegels op in de blauwste lucht; sommigen schenen wel +naalden zoo scherp in de verte en verschemerden in het rozige +lichtwaas. Twee arenden vlogen er over heen....</p> + +<p>Toen boog ik mijn kop naar Charis. Zij sloeg juist de oogen op en +zij riep, angstig:</p> + +<p>—Mijn lief, waar zijn wij?</p> + +<p>Ik wist niet hoe haar te antwoorden, bang haar met mijn rauw gebalk +te verschrikken. Maar zich richtende op de knieën, herhaalde +zij:</p> + +<p>—Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?</p> + +<p>En zij sloeg de armen om mijn nek.</p> + +<p>—Zoo lang heb je gedraafd, zoo ver heb je mij gevoerd, weg van +mijn vader en van mijn verwanten en mijn maagden zijn niet om mij heen! +Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?</p> + +<p>Ik kuste haar met mijn snoet de hand, ik likte haar de <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1777" href="#xd0e1777">121</a>]</span>palm, maar +ik wist niet haar te antwoorden. En zij rees plotseling op. Zij zag +zich in haar witte kleed, met hare lange, blonde haren los, zonder +mantel of gordel of sluier en zij begon luide te schreien en riep, dat +zij wilde naar huis. Bedenkende hoe ik haar troosten kon, plukte ik +gele en blanke veldbloemen met mijn tanden af en wierp ze op om haar +heen. Zij lachte als een kind, zette zich neuriënde en begon de +bloemen te vlechten en ons met de bladeren te versieren. Ik draafde om +en om, om haar te vermaken en den krans, dien zij gevlochten had, zette +zij mij om de lange ooren heen, die zij zoo gaarne heen en weêr +zag bewegen. Dan scheurde de krans en viel af en zij hervatte haar +werk, terwijl ik de grashalmen graasde....</p> + +<p>—Ik heb honger! riep zij op eens, als een kind.</p> + +<p>Wanhopig zag ik rond. Waar heen zoû ik Charis voeren? Dit +eenzame woud, dat wij waren uitgedwaald in de nacht; deze stroom, dien +ik niet wist of hij de Sperchius was en waar langs ik niet wist +wàar te geraken en dan die vreemde rotsenmassa, die zonderlinge +natuurspeling van dat oppiekende, -piekende rotsgebergte, dat, nu +klaarder het licht werd, scheen te rijzen, eindeloos te rijzen, dat +scheen te pieken, op te pieken tot den verren horizon toe.... En zoo ik +ook iets nog geweten hadde van woud en stroom en rots, wat zou ik ook +hebben kunnen aanvangen met een teêre, onnoozele en betooverde +jonkvrouw, gewoon aan de liefdevolste en te gelijker tijd weelderigste +zorgen, gewoon aan rijke kleederen, aan kostbaar huisraad, aan +uitgezocht voedsel en steeds omringd door een schaar dienaressen, die +haar omzongen, omdansten, elk van haar wedijverend met Charis in +schoonheid? Hier ving ik den nieuwen dag en het nieuwe leven aan, +bemind en minnende en samen, alleen <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1786" href="#xd0e1786">122</a>]</span>met mijn bruid, zonder iets +voor haar te kunnen doen, dan haar te dragen op mijn rug! O, hoe +wanhopig zwol op eenmaal in mij het late berouw, dat ik, onbezonnen, +omdat ik beminde, mij niet als eveneens betooverd had bekend willen +maken, door met mijn poot een paar letters in het zand te schrijven, +zoo dat de wondermeesters mij zilverasters hadden kunnen zoeken en ik +op nieuw weêr mensch en man ware geworden. Dàn ware ik weg +gejaagd, ik koopmanszoon, wien Menedemus nooit zijn dochter van +vorstelijke geboorte als vrouw zoû willen afstaan, maar dan hadde +ik beschikking gehad over onmisbare, menschelijke hoedanigheden; dan +hadde ik misschien, wie weet, zoo niet op mijn rug, Charis geschaakt in +mijn armen, dan ware ik met haar gevlucht en hadden wij ons geluk +ergens in stille zaligheid kunnen verbergen, terwijl nu...! Wat ving ik +met mijn geliefde aan!? Zij was wederom in schreien en snikken +uitgebarsten; zij liep handen wringende om; zij wilde niet meer met de +bloemen spelen.... Ik deed haar de vlinders op letten, die fladderden +om ons rond, maar zij lette de vlinders niet op, de goudvisschen, die +snel schoten den stroom af als zonneflikkeringen, maar zij lette de +visschen niet op en zij klaagde, de armen om mijn hals en smeekte mij +haar terug te voeren naar huis. Zoo dat ik, met mijn goud-beslagen hoef +schreef in het zand:</p> + +<p>—Zet je dan weêr op mijn rug...</p> + +<p>Zij lachte door hare tranen en klapte in de handen, om dadelijk +meêwarig te klagen, dat ik mijn stem in den oorlog verloren had! +Maar zij juichte, dat ik nu schreef en zij wierp zich op mijn rug en +zat tevreden, half liggende, hare armen om mijn nek. Bekranst en +versierd wij beiden met bloemen en blârenfestoen, liep ik met +Charis den rotsberg om, langzaam.... <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1792" href="#xd0e1792">123</a>]</span>Honger had ik niet, daar ik +grazen kon en geen wijn en pastei behoefde, maar Charis klaagde op eens +weêr:</p> + +<p>—Charmides.... Ik heb honger!</p> + +<p>Ik wist wel, zij léed nog geen honger, maar toch zwol de +wanhoop weêr in mij op.... Waar vond ik voedsel voor mijn +bruid...? Tot ik plotseling, opener het woud en de zon gestegen, een +vruchten dragenden appeleboomgaard bespeurde en ik blijde het zette op +een draf. Charis, van pleizier, juichte op en in den stralenden +zomermorgen liep daar een ezel, met een schoone maagd op zijn rug, +beiden vertuit met bloemen en blâren als voor een herdersfeest, +den rood doorappelden bongerd te moet.... En tusschen de boomen doolde +ik met Charis langzaam voort en zij plukte de appelen, die laag hingen +en ik at de appelen, die, overrijp, waren gevallen over den grond in +gras en madelieven en mos. En een oogenblik gevoelde ik, dat wij beiden +zalig gelukkig waren. De morgen, de zon, het gras, de appelen, onze +kransen, wij beiden te zamen alleen, terwijl alleen de vogelen om ons +twetterden, de vlinders in liefde fladderden, de mugjes als genstertjes +schitterden: meér was er niet, maar dit oogenblik was dat alles +genoeg van geluk voor de beide betooverden, voor Charis, die verliefd +op haar ezel was, voor Charmides, den verliefden ezel, op wien Charis +verliefd was geworden. En ik dwaalde met Charis den bongerd door, ik +steigerde speelsch of sloeg met de achterpooten uit, ik balkte zelfs +Charis’ naam, zoo als ik het kon en de roode appelen lokten, +honderden, om ons heen....</p> + +<p>Zoo gingen de uren voorbij en vergaten wij beiden, dat wij geen +toekomst voor ons zagen, en had Charis haar honger gestild, en haar +dorst gelescht aan een beek en toen, van ons spel moede, zich +neér gelegd in het vliegjes-doorzoemde <span class="pagenum">[<a +id="xd0e1800" href="#xd0e1800">124</a>]</span>lommer, waar ik, in het +mos gelegerd, had gewaakt over haar sluimering. Maar nu, in de +middagstilte, begon de zorg, op nieuw in mij gewekt, om te zien naar +een uitkomst. Ik spiedde uit links en rechts en speurde geen +menschelijk wezen. Als een witte oven gloeide het piekende rotsgebergte +door de appelboomen heen en vertrilde tegen de stralende zomerlucht... +Wat zoû die verdere dag, wat zoû die nacht ons brengen? Hoe +geheimvol onbekend was ons de naaste seconde! Hoe zoû ik verder +Charis kunnen behoeden, ik, een ezel op mijn gouden hoefijzers, voor +wilde beesten en saters, voor heksen, voor alles wat de geheimnisvolle +nacht met zich meê voert en hoè voor honger, ellende, +armoede! Alleen met mijn bruid in het woud, had ik éen oogenblik +kunnen vergeten, tusschen bloem en spel en ooft, dat wij beiden +betooverd waren en aan zware levensbeproeving bloot gegeven, nu de +middagstilte suisde om Charis’ slaap en ik waakte, wekte de +wanhoop op nieuw zich in mij.</p> + +<p>Tot ik meende tusschen de bladeren geritsel te hooren. Ik spiedde +uit en werkelijk zag ik mannen sluipen.... Zoû ik balken, +zoû ik mij bekend maken als Charmides, de betooverde zoon van +Lyzias van Epidaurus, die met Charis, Menedemus’ dochter, +gevlucht was, van het instortende landhuis weg? Bijna meende ik, dat +dit het verstandigst zijn zoû, toen ik begreep aan der mannen +uitzicht, dat zij roovers waren! Ja, zij waren roovers; geen armoedige, +barre, weêrzin en afgrijzen wekkende wilde-mannen des wouds, als +mij hadden gestolen uit de houthakkershut, maar wel twintig, dertig +groote, sterke, gewapende roovers in korte mantels gehuld en met groote +hoeden op.... Zij slopen wel tusschen het lagere +hout—vermoedelijk om niet langs den heirweg <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1804" href="#xd0e1804">125</a>]</span>te +gaan—maar zij praatten toch en lachten zelfs onder elkaâr, +als of zij hier thuis en bekend waren. Zekerlijk was deze afgelegen, +prachtig gekweekte appelebongerd, die wij geplunderd hadden, hun +eigendom! Toch, roovers, zoo ik bekend mij maakte, zouden misschien mij +zilverasters kunnen zoeken en ik zoû voor losprijs mijzelven +weêr worden.... Roovers zouden voor losprijs Charis vrij zeker +laten.... Bliksemsnel bedacht ik dit alles, tevens beducht of zij ruw +geweld mijn aangebeden bruid zouden kunnen doen.... Tot ik hunne +woorden hoorde:</p> + +<p>—Deze nacht dus?</p> + +<p>—Ja, <span class="corr" id="xd0e1810" title="Bron: +beâamde">beaâmde</span> wie hun hoofdman scheen. Het +landhuis van Menedemus....</p> + +<p>—Het omsingelen...?</p> + +<p>—Ja en zijn dochter schaken....</p> + +<p>In ontzetting was ik opgerezen. Ik begreep, dat zij niet wisten, dat +Menedemus’ landhuis was behekst geworden, in de lucht geheven, +vernietigd! Ik begreep, dat zoo zij het op Charis voorzien hadden, een +hun gunstig noodlot Menedemus’ dochter op hun weg had gevoerd! Ik +begreep, dat geen tijd te verliezen was....</p> + +<p>—Cha-i! stiet ik mijn bruid aan met mijn trillenden snoet.</p> + +<p>Zij ontwaakte, wilde mij omhelzen, maar dadelijk beduidde ik haar, +door te knielen, dat zij op zoû stijgen. En zij steeg op. En +juist toen de roovers in den bongerd verschenen, draafde ik weg, naar +de rivier terug.</p> + +<p>De mannen bleven bevangen staan. Het moest ook dien ruwe klanten als +een tooverbeeld, niet eigen der werkelijkheid, gelijken, hoe daar een +prachtige, zilver gevachte ezel, op glinsterend beslagen, roode hoeven +weg draafde met een <span class="pagenum">[<a id="xd0e1825" href= +"#xd0e1825">126</a>]</span>blanke, blonde maagd over zijn rug, hare +armen om zijn nek en beiden versierd met bloemen en bladerfestoenen, +die nu af van hen vielen. Zij moesten wel denken aan een nymf uit het +woud, aan een goddelijk wezen, een onwaarschijnlijken ezel berijdend, +in het stralendste zonnelicht, tusschen de gelooverde en be-appelde +schaduwvallen, dravende naar de rivier, waar zij zeker in een mist aan +hun oog zouden worden onttrokken! En ik draafde door.... Maar de +mannen, wat ook hunne verbijstering hun had voor gegoocheld, waren ons +reeds met wijde passen achtervolgd.... Ons inhalen zouden zij zeker +niet, was ik mij overtuigd, terwijl ik hupte over steenen en boomtakken +en Charis juichte om den rit, niet wetende welk gevaar dreigde. Tot +plotseling, tusschen de rivier en ons, andere mannen op doken, komende +van den tegenovergestelden kant. Zij riepen elkander toe: de eersten +riepen den anderen toe, dat zij zich zouden verspreiden en ons tegen +houden. En in der daad, zij verspreidden zich in een wijden cirkel, te +zamen zeker een veertigtal roovers. Te vergeefs trachtte ik hier +tusschen hen weg te komen, trachtte ik daàr tusschen hen te +ontvluchten: zij sloten dichter hun cirkel en ik zag geen uitgang meer +en zij grepen mij aan snoet, aan staart, aan manen. Ik steigerde, ik +sloeg met de achterpooten uit, ik poogde hen, woedend, te bijten: wat +kan éen ezel tegen veertig Thessalische roovers! Luide hoorde ik +Charis van ontzetting jammeren, maar er was niets aan te doen: de +mannen omringden ons en de hoofdman Charis, die van mijn rug af +gegleden was, op beurende, riep:</p> + +<p>—Schoone jonkvrouw, die op uw ezel vluchtte, gij zijt aan ons +en de kostbaarste buit, dien Hermes-Mercurius, onze god, ons ooit +gunde! <span class="pagenum">[<a id="xd0e1829" href= +"#xd0e1829">127</a>]</span></p> + +<p>Ik had geen tijd mij te verbazen, dat roovers den zelfden god +vereeren als eerlijke kooplieden in parels en purper: trillende stond +ik op mijn hoeven.</p> + +<p>—Een sterke, mooie ezel! prezen de roovers, mij slaande vol +hartelijkheid op de schoft. Een dappere ezel! Een flinke ezel! En een +edele, wonderschoone maagd, die hem berijdt!</p> + +<p>—Wie zoû zij zijn? vroeg de hoofdman.</p> + +<p>De roovers wisten het niet.</p> + +<p>—In alle gevallen een aanzienlijke maagd, die ons zal +troosten, mochten wij Menedemus’ dochter heden avond niet kunnen +ontvoeren, zei de hoofdman. Jonkvrouw, berijd weêr uw ezel. +Schrei niet en jammer niet meer: wij wenschen geen kwaad u te doen.</p> + +<p>En hij dwong Charis mijn rug wederom te bestijgen en zij zette zich, +maar luid snikkende:</p> + +<p>—Mijn bruidegom! Mijn Charmides, red mij!!</p> + +<p>—Ver is uw bruidegom, meende de hoofdman; en zijn vrouw zult +ge zoo gauw niet worden!</p> + +<p>En zij voerden ons terug, door den appelebongerd: er was niets te +doen dan voort, met mijn bedroefden last, tusschen hen mede te +stappen...</p> + +<p>Toen, omdat ik Charis noch redden, noch zelfs te troosten wist, +balkte ik wanhopiglijk luid uit naar den stralenden zomerhemel. <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1850" href="#xd0e1850">128</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XV.</h2> + +<p>Tusschen de roovers stapte ik nu voort, schreiende Charis op mijn +rug, den bongerd door, dan een eikenwoud door, tot wij naderden den wit +gestoofden wand van het rotsgebergte, dat als een vreemd kasteel, +immens en duizend malen getorend, op rees. En verwonderde ik mij, waar +zij ons henen leidden.... Tot de rooverhoofdman zeide:</p> + +<p>—Jonkvrouw, schrei nu niet langer. En duld, dat ik mijn mantel +u over het gezicht sla, want ge moogt niet zien, waar wij u brengen. +Vrees echter niets, geen kwaad zal u geschieden en ik wensch alleen +losgeld van uw ouders of verwanten te ontvangen; zoo dra ge ons de +noodige inlichtingen hebt gegeven, zullen wij ons in verbinding met hen +stellen en wil ik hopen, dat ge spoedig, met uw ezel, weêr vrij +zijt.</p> + +<p>Zijn toon was zoo hoffelijk, dat werkelijk Charis haar jammeren +staakte en duldde, dat hij zijn mantel haar over het gezicht wierp. +Onderwijl lette ik alles goed op en had ik ook eén oogenblik +gedacht mij aan de roovers bekend te maken, ik zoû nu wel +oppassen dat te doen; een ezel blinddoekten zij niet, als zij een man +hadden gedaan, een ezel lieten zij vrij rond blikken en op letten.... +En ik lette op, terwijl wij langs den heeten wand van het gebergte +trokken,—het stond soms als met kalkwitte, brokkelige tafelen +op—dat deze roovers, die ons hadden overmeesterd, <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1860" href="#xd0e1860">129</a>]</span>geen ruwe +wilde-mannen waren, maar sommigen eer mannen van zeker aanzien: er +schenen meesters en dienaren onder te zijn; de hoofdman zelve, dien +zijne makkers Dionyzius noemden, was een kloek gebouwde, jonge man, +trotsch en gebiedend, maar beleefd tegen over zijne gevangene en geen +onvertogen woord voegde eén van hen Charis tegen; reeds +gelatener lachte zij in de mantelplooien, die Dionyzius, bijna +schertsende, om haar heen trok. Maar ik lette op, ik lette op... Ik +bespeurde, dat zij ons plotseling leidden binnen zoo nauwe spleet van +het gebergte, dat ik nauwlijks mijn goed doorvoede flanken er tusschen +door kon wringen, terwijl zij Charis verzochten hare voetjes te zetten +op mijn nek. Eén van hen geleidde mij aan de vlok tusschen mijn +ooren den nauwen bergspleet in; Dionyzius volgde, al de andere mannen +volgden een voor een. Als ik poogde om te gluren, zag ik, in het +schemerlicht, dat viel van den dag, boven, tusschen de hooge muren, die +zij wel tevreden waren en schertsten met elkaâr, zag ik hunne +knappe avonturiersgezichten beter onder de randen der zorgeloos achter +op gezette hoeden, zag ik hunne kostbare wapenen flikkeren tusschen +hunne losser omgehangene mantels: hunne zwaarden en dolken waren bezet +met gesteente... Eén achter hen trof mij door zijn donker, +somber uiterlijk; hij was zoo groot als Dionyzius, zware brauwen +overschaduwden zijn geknepen, koolzwarte oogen; zijne makkers noemden +hem Manes. Hoe lang wij de kronkelende gang van den spleet volgden, kon +ik echter niet beseffen, toen ik mij plots bewust werd, liever raadde +door iets van mijn diere-instinct, dat zich naast mijn menscheverstand +had ontwikkeld, hoe de roovers telkens op hunne passen terug kwamen +langs dien linte-achtig door eén geslingerden <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1862" href="#xd0e1862">130</a>]</span>meanderweg +en misschien de ingang van den bergflank wel vlak bij de zaal moest +zijn, die zij ons binnen voerden.. Die zaal ontving door lange, smalle, +onregelmatige spleten bundels van zonnestralen aan de +Zuidzijde—een dier voelt dadelijk windstreek en richting—; +door andere van die spleten blauwde de zomerlucht en het licht poeierde +zoo helder binnen, dat ik dadelijk alles onderscheidde, terwijl +klaarblijkelijk van buiten die ramen zich zouden verliezen met de +tallooze groeven van het gebergte en tevens onbereikbaar zouden zijn +voor den stoutmoedigsten beklimmer. En Dionyzius ontdeed Charis van den +mantel, die haar geblinddoekt hield.</p> + +<p>—Waar ben ik? vroeg zij angstig, terwijl hij haar hielp af +stijgen.</p> + +<p>—Bij mij, glimlachte Dionyzius. En zeg mij nu, jonkvrouw, wie +zijt gij?</p> + +<p>—Ik ben, zeide argeloos Charis; Charis, de dochter van +Menedemus uit Hypata...</p> + +<p>—De dochter van Menedemus!! riep hoogst verwonderd Dionyzius +uit.</p> + +<p>—De dochter van Menedemus! riepen de andere roovers.</p> + +<p>—Die ik schaken wilde! fluisterde Dionyzius tot zijn +makkers.</p> + +<p>—Die wij schaken wilden, om hooge losprijs te winnen! riepen +de anderen.</p> + +<p>—En, wees Charis, naast mij staande en met haar arm leunende +over mijn nek: dit is Charmides, de zoon van Lyzias, uit Epidaurus en +hij is mijn verloofde....</p> + +<p>En glimlachende wees zij naar mij en de roovers ontzetten van wat +zij zeide.</p> + +<p>—Die ezel? vroeg Dionyzius. Die ezel heet Charmides <span +class="pagenum">[<a id="xd0e1884" href="#xd0e1884">131</a>]</span>en is +de zoon van een anderen ezel, die Lyzias heet en in Epidaurus +woont?</p> + +<p>De roovers, door hunne verbazing, barstten in bulderenden lach +uit.</p> + +<p>—Charmides, o edele heeren, zei Charis argeloos en tevens zoo +als spreekt een maagd van aanzien; is geen ezel. Hij is een held, die +uit den oorlog terug kwam, gewond en die zijn spraak bijna geheel +verloor, hoewel hij mijn naam uitspreekt zoo teeder als zelfs mijn +vader het niet vermag! Hij is mijn verloofde, wij vierden onze +verloving met blijde pracht en prachtig is hij ook zelve nu hij genezen +is en alleen nog niet geheel en al zijn spraak terug won; hij is +prachtig in zijn nieuwe gedaante, die gij ten onrechte aan zaagt voor +die van een ezel; waar zaagt ge ooit, o heeren, wie ook met zulk een +glanzende, zilverachtige vacht, met zulke fijne, sterke beenen, met zoo +een aanbiddelijken, lieven, vochten snoet, met zulke mij dierbare, +beweeglijke ooren en met zulke blauwe oogen, met zulke blauwe +oogen?</p> + +<p>En zij wees mij steeds en de roovers rondom stonden ontzet. Toen +zeide Dionyzius:</p> + +<p>—Haar geest doolt....</p> + +<p>—Zij is waanzinnig, zei Manes.</p> + +<p>—Zij is waanzinnig, herhaalden alle de anderen.</p> + +<p>—Zeg mij, o Charis, vroeg Dionyzius; waarom dwaaldet ge ver +van uw vaders huis door deze streken, die iedereen vreest en at ge in +onzen boomgaard de appels?</p> + +<p>—Het huis van mijn vader stortte in, er was hevige aardbeving +en Charmides redde mij. O, mijn vader, o mijn broeders en neven, waar +zijt gij, waar zijt gij? Dood of gered!?</p> + +<p>En zij begon hevig te snikken. <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1904" href="#xd0e1904">132</a>]</span></p> + +<p>Ik balkte zacht.</p> + +<p>—Cha-i....!</p> + +<p>—Ja, Charmides! riep Charis, hartstochtelijk hare armen +slaande om mijn nek. Alleen jij, mijn bruidegom, bleef mij over!</p> + +<p>De roovers raadpleegden elkaâr.</p> + +<p>—Charis, Menedemus’ dochter....?</p> + +<p>—Een aardbeving....?</p> + +<p>—Ik heb er niets van gemerkt in deze streken!</p> + +<p>—Wij geen van allen....</p> + +<p>—Charis, zeide Dionyzius met zekeren eerbied. Vergeef ons, dat +wij uw bruidegom aanzagen voor een ezel. Ik zie, dat ik mij nu vergis. +Uw bruidegom is een held, al is zijn vorm ook niet gewoon menschelijk. +Wilt ge, dat wij hem bij u laten en hij uw gevangenschap deelt of wilt +ge alleén blijven, Charis?</p> + +<p>—Neen, neen, neen! riep Charis angstig. Neem hem mij niet af! +Neem hem mij niet af!!</p> + +<p>En zij klampte zich angstig om mijn ezelnek.</p> + +<p>—Wij zullen u uw bruidegom laten, verzekerde Dionyzius. Tot +wij van Menedemus losgeld hebben ontvangen. In afwachting daarvan zal +het u aan niets ontbreken. Kom meê, kom meê, met +Charmides.</p> + +<p>Ik liet het mij geen tweemaal zeggen. Ik vergezelde dadelijk mijn +bruid en ik verwonderde mij al gaande over dit wonderlijke +rooversverblijf. De zaal uit, een lange, vreemd kronkelende gang door, +doolhof, gelijk aan het Labyrinth, waar Thezeus door Ariadne geleid +werd om den Minotaurus te verslaan, gingen wij links, rechts, Charis +wederom geblinddoekt en ik verloren in te-vergeefsche bespieding welke +richtingen wij namen, links en rechts en <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e1931" href="#xd0e1931">133</a>]</span>wederom rechts en links.... +Tot ik niet meer wist en mijn ezelkop mismoedig schudde.</p> + +<p>Eindelijk voerden de roovers ons een ronde zaal binnen, die, even +als de vorige, in den berg gehouwen scheen, gewelfd, met de lange +raamspleten in de hoogte onbereikbaar en ondoordringbaar, zoo wel van +binnen als van buiten en Dionyzius zeide, Charis onthullend:</p> + +<p>—Zie, Charis, dit is het verblijf voor hooge, gevangen gasten +en hier zult ge met Charmides blijven tot wij gunstig bericht hebben +van uw vader....</p> + +<p>In het midden der zaal was een breede rustbank van beren- en +lynxevellen: er waren tafels en schabellen; in een kast stond +tafelgerei, nuttig en sierlijk; in staande bronzen lampen zouden des +avonds pitten kunnen worden ontstoken; er hingen muziekinstrumenten aan +den blanken rotswand, er stonden boekrollen in bronzen kokers; rijke +stoffen plooiden met een weelderigheid van kleur hier en daar....</p> + +<p>—Hier, ging onze gastheer voort en wees door een open deurboog +van rotssteen; kan uw edele bruidegom huisvesten. Wij zullen een +stroobed bereiden, hem wellicht welgevallig aan zijne zilvergrauw +gevachte leden.</p> + +<p>En hij wees een soort van bergruimte, werkelijk allergeschiktst om +in ezelstal te worden herschapen.</p> + +<p>Charis zag wederom glimlachend in het rond. Maar de beminnelijke +rooverhoofdman klopte met een bronzen klopper op een bronzen +schaal.</p> + +<p>Uit een andere boogdeur, van achter de kleurrijke stoffen, kwamen +drie oude, zwarte vrouwen te voorschijn.</p> + +<p>—En hier, Charis, ging Dionyzius voort; zijn drie dienaressen +te uwer beschikking. Zij spreken niet en zij hooren <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1949" href="#xd0e1949">134</a>]</span>niet want +zijn doofstom, maar zij zullen u kleederen brengen en voedsel en twee +doofstomme eunuchen zullen de dienaars zijn van uw bruidegom en hem +verzorgen, borstelen en voeder brengen.</p> + +<p>De twee eunuchen verschenen en kregen dadelijk bevel mijn stal in +orde te brengen en de oude vrouwen brachten op haars meesters +aanwijzing Charis in een aangrenzend badvertrek. En terwijl zij haar +baadden, verzorgden de eunuchen mij in mijn stal. Ik had echter geen +honger en toen zij mij verlaten hadden, keek ik verwonderd in het rond, +alles oplettende in het vreemdste rooververblijf, dat een +fantazie-rijke dichter maar zich zoû kunnen droomen. En Charis, +met de drie oude vrouwen kwam te voorschijn: zij was gedost in zacht +gele zijden peplos; hare blonde haren waren gevlochten en opgestoken. +Zij liep op mij toe en omhelsde mij en zij deed mij zitten op de +rustbank van beestevellen. De vrouwen boden haar een lier en zij +speelde en neuriede met hare kinderstem, te vreden en klaarblijkelijk +wederom alles vergeten van de heksennacht, die ons had doen vluchten, +van den vermoedelijken ondergang haars vaders en hare verwanten. De +eunuchen en vrouwen dienden spijs en drank op en Charis deed mij mede +eten. Noch de vrouwen noch de eunuchen verwonderden zich over iets, +vermoedelijk gewend aan vorige vreemde dingen in dit vreemde +rooververblijf, in deze zaal der aanzienlijke gevangen gasten. Toen +stond Charis op en zij zag naar boven, naar de hooge raamspleten, +waardoor poeierden goud enkele zonnestralen en pruilende riep zij:</p> + +<p>—Ik wil naar buiten! Ik wil naar de tuinen!</p> + +<p>Ik vreesde, dat zij hare gevangenschap zoû gaan begrijpen en +dat er zeker in deze bergspelonken geen tuinen <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e1957" href="#xd0e1957">135</a>]</span>zouden zijn +aangelegd. Maar de twee eunuchen wezen juist op dit oogenblik hen te +volgen. En zij geleidden de jonkvrouw en haar ezel een derde boogdeur +door, een witte rotsgang door en onverwachts traden wij in een opene +ruimte en Charis gaf een juichkreet en ik keek verwonderd om. Het was +werkelijk een groote tuin, tusschen de pieken en naalden van het +gebergte, die stonden schitterende wit in de diep blauwe lucht van den +nanoen als de torens van een immens, krijtblank tooverkasteel. De hooge +rotswanden, die den tuin omgaven, dropen ter Noordzijde van neêr +druppelende watervalletjes, sijpelend tusschen de groeven over groene +en gele mossen, dicht overwoekerend het gesteent. Er bloeide een schat +van bloemen overal op aan de dichte heesters, waar de roode en witte +rozen gloeiden en geurden over geheel de Zuidzijde van den ingeslotenen +wondertuin. En een klein meertje, een vijver, die weêrspiegelde +de diep blauwe lucht, lag in het midden; enkele waterplanten spreidden +er hunne platte bladeren over heen....</p> + +<p>De avond viel: in het Westen gloeide de lucht van oranje, na het +zinken der zon achter den rotswand. Een honigblonde teederheid weifelde +aldaar over de lucht, terwijl de lila nacht hare ijle sluiers reeds +spreidde. Toen rees de maan, terwijl wij lagen aan den rand van het +meertje; Charis, geleund tegen mij aan, sluimerde, haar hoofd tegen +mijn roerloos ezellijf.</p> + +<p>Heel hel rees de maan en zij liet haar zilveren, ronde schijf +neêr zinken in het rimpelloos water. En ik zag, dat tusschen de +glimmende, platte bladeren der waterplanten een stengel zich als beurde +en een knop ontlook. Het was een enkele lotusknop en terwijl ik +staarde, opende wijd de <span class="pagenum">[<a id="xd0e1963" href= +"#xd0e1963">136</a>]</span>bloem en straalde blank in het maanlicht en +ik was bekoord door die schoonheid....</p> + +<p>Maar de drie doofstomme, zwarte vrouwen en de drie eunuchen +verschenen aan de deur en het scheen ons toe, dat zij ons noodden ter +ruste te gaan.</p> + +<p>Van de roovers zagen wij die nacht niets meer.... <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1969" href="#xd0e1969">137</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XVI.</h2> + +<p>Ook den volgenden dag niet. Wij doorleefden hem samen in +sprookjes-achtige rust van de dageraad tot de nacht, in de zaal en in +den tuin, terwijl de eunuchen en de zwarte vrouwen het ons aan niets +lieten ontbreken. De morgen daarop verscheen Dionyzius.</p> + +<p>—Charis, zeide hij. Wij zonden boodschappers naar het +buitenverblijf van uw vader. Ingestort is het niet, zoo als zij met +eigen oogen zagen, een aardbeving is er in het Zuiden van +Thessalië sedert jaren niet voor gekomen, maar het huis was +gesloten en onbewoond en de omwonende boeren verzekerden, dat Menedemus +en alle de zijnen vertrokken waren, met misbaar en wanhoop, omdat zijn +dochter verdwenen was en dat zij niet wisten waar heen. Edele +jonkvrouw, waar vinden wij thans Menedemus? In welke van zijn tallooze +buitenverblijven? In Hypata wellicht?</p> + +<p>Maar Charis wist niets te antwoorden en ik evenmin. Dionyzius zeide +toen, dat hij geheel Thessalië zoû laten doorzoeken, tot hij +Menedemus gevonden had. Intusschen begreep ik niet, dat wat ik gezien +had met eigen oogen, wat ik ontvlucht was met eigen dravende beenen een +begoocheling zoû geweest zijn, dat het landhuis tusschen de +lotusvijvers nog altijd bestond en slechts onbewoond en gesloten +zoû zijn! Maar hoewel ik steeds dacht aan het raadsel, ging de +dag toch voorbij als de vorige. Tot tegen den avond <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e1979" href="#xd0e1979">138</a>]</span>Dionyzius +ons noodiging zond het feest bij te wonen, waartoe hij en zijne makkers +hadden besloten. De doofstomme, zwarte vrouwen dosten Charis in +rijkeren dos en de eunuchen geleidden ons samen door vele +kronkelgangen, het inwendige van den berg door, tot wij in een zaal +kwamen, zoo schitterend, dat ik verblindde. Werkelijk, ik had veel +reeds in mijn jonge leven aanschouwd: het tooververblijf van +Meroë, het landhuis van Menedemus, maar wat ik nu zag, was zoo +fabelachtig, dat ik verblind om mij heen zag. In het rotssteen, dat als +gebeeldhouwd was met Corinthische pilasters en architraven, waren +groote vakken van glanzend goud als reusachtige spiegels in gevat en +overal stonden tegen dien wand gouden lampen, zich vertakkende en +vertwijgende en iedere twijg beurende een brandende pit, zoo dat het +van vlammen wemelde en alle die vlammen weêrspiegelden zich +duizenden malen in de glanzende, gouden spiegelwanden. Toen wij binnen +kwamen, weêrklonk muziek van fluiten en kleine harpen en in het +midden der zaal dansten Georgische danseressen.... De danseressen en de +muzikanten waren allen slavinnen en slaven der roovers, begreep ik +later en ik verwonderde mij wel zeer over die vreemde roovers, die in +het binnenste van een wonderlijk piekgebergte leefden als prinsen, +tusschen groote schatten en vorstelijke weelde en geen oogenblik +schenen bevreesd te zijn, dat hun wonderkasteel ontdekt zoû +worden. Zij lagen, in rijke kleedij, hunne gesteente-schitterende +dolken in hun breede, zijden gordels, op bedden van tapijtwerk en aten +en dronken uit het kostbaarste vaatwerk, dat ik ooit had gezien, +terwijl de flakkerende vlammen der honderden lampepitten overal aan +hunne juweelen op tulband en aan wapenen, aan schotels en kannen en +bekers blauwe, gele en <span class="pagenum">[<a id="xd0e1981" href= +"#xd0e1981">139</a>]</span>groene vonken ontlokten, die zich weder +terug kaatsten in de glanzende spiegels, zoodat het tooverachtige +schouwspel mij onvergelijkelijk scheen met wàt ik ook in mijn +leven had mogen aanschouwen.</p> + +<p>Zoodra wij binnen kwamen, rezen Dionyzius en de sombere Manes op; +zij traden Charis te gemoet, die met mij, haar arm om mijn nek, nader +trad en ook verrast en bekoord om zich heen blikte, aan hoeveel de +dochter van den schatrijken Menedemus ook gewoon was. En de beide +rooverhoofdmannen noodigden hoffelijk Charis uit tusschen hen beiden +aan te zitten op een verhevenheid en duldden, dat ik mij vlijde aan +hare voetjes. Mijn lieve bruid bevroedde niet in welk vreemd gezelschap +zij zich bevond; angst koesterde zij niet, nu zij zoo hoffelijk reeds +twee dagen lang bejegend werd door hare gastheeren; nadenken vermocht +niet haar betooverde geest en het scheen wel of die betoovering eene +bescherming om haar heen spon, die zij zich ook niet bewust werd; +gevlucht in een heksennacht uit haars vaders betooverd huis op den rug +van een ezel, was haar geen haar gekrenkt, was zij gevoed, gekleed, was +er een feest om haar heen en ik verwonderde mij over den geleidelijken +loop van dingen, die toch niet gewoon schenen en bedacht of het de +goden van Eleuzis waren, die dergelijke harmonische +onwaarschijnlijkheden om de lieflijke onschuld van Charis sponnen en +weefden.</p> + +<p>Intusschen zweefde de dans der Georgische vrouwen door de gouden +spiegelzaal—overal verdubbelde zich hare bevallige beeltenissen, +over en weêr, en telkens werden de diepe drinkschalen +ingeschonken,—toen ik, plotseling, verrast, den kop richtte. Want +Dionyzius was dichter bij Charis geschoven en ik hoorde hem, verhit +door den wijn zeggen: <span class="pagenum">[<a id="xd0e1987" href= +"#xd0e1987">140</a>]</span></p> + +<p>—Charis, ik heb je lief! Ik heb je willen schaken om losprijs +van je vader te krijgen, maar nu een gunstig noodlot je gevoerd heeft +tot bijna in mijn armen, wil ik je omhelzen en zal je de mijne zijn en +zullen alle deze schatten je toe behooren, o schoone maagd!</p> + +<p>Ik verschrikte hevig, toen ik plotseling Manes ter andere zijde, +somber de brauwen fronsende, hoorde zeggen:</p> + +<p>—Dionyzius, neem je in acht! Aan mij zal het zijn, dat Charis +toe zal behooren, zoo als ook deze schatten aan mij toebehooren en niet +aan jou, en niet aan jou, die met een vervloekten glimlach meent alles +te winnen, schatten en vrouwen en heerschappij over onze mannen en ons +bezit!</p> + +<p>Woedend rezen plots de twee dronken rooverhoofdmannen op. En ik +begreep, dat een lang gekoesterde ijverzucht plots tusschen hen los +barstte. Ook ik was opgerezen en Charis wierp zich met een kreet om +mijn nek. Wat! Beschermden de Eleuzische godheden ons dan niet meer?! +De beide roovers hadden elkaâr naar de keel gegrepen, terwijl +gillende de danseressen en muzikanten vluchtten tusschen de wanorde der +omver gestootene tafels. En tusschen al de andere roovers +weêrklonk boos, ruw geroep en zij stonden plots in twee kampen +tegen over elkaâr.</p> + +<p>—Charis behoort aan Manes! riepen de eenen.</p> + +<p>—Aan Dionyzius! schreeuwden de anderen.</p> + +<p>Plotseling, in de van lichten flakkerende en spiegelende feestzaal, +barstte los een verwoede strijd. Een twintigtal mannen stortte zich op +een twintigtal mannen en er vloeide bloed en een verschrikkelijk +schouwspel van helsche woede spiegelde zich daar over en weêr +tusschen de van bloed druipende, stralende wanden. Intusschen had ik in +een plotse ingeving Charis met een gebaar bewogen te springen op <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2002" href="#xd0e2002">141</a>]</span>mijn +rug en baande ik mij een weg, stootende met mijn kop, trappende met +mijn hoeven. Plots voelde ik een hevige pijn en een dolkstoot in mijn +flank. Mijn bloed vloeide maar diep was de wonde niet en, een verwoede +ezel ik, tusschen die verwoede roovers, ging ik voort mij een weg te +banen. Zij waren plots zoo op elkander verbitterd, dat zij eigenlijk +niet op mij letten. Charis, op mijn rug, sloeg de armen op en jammerde +van verschrikking. En de verwarring woelde door een. Maar ik wist te +bereiken den uitgang. De roovers hielden mij niet tegen, vermoedelijk +zeker, dat ik toch geen uitweg zou vinden. Door een labyrinth van nauwe +gangen zocht ik mijn weg.</p> + +<p>—Cha-i! Cha-i! balkte ik, om mijn bruid gerust te stellen.</p> + +<p>Zij omhelsde mij vast en lag trillende over mij heen. Ik voelde haar +zachte maagdelijf in hare goud-doorweven sluiers kloppen tegen mijn +ezelelijf. Een zaal stond open: het was vermoedelijk Dionyzius’ +slaapverblijf, vol weelde: uit een kist van ivoor hingen parelsnoeren, +maar ik holde voort. Waar zoû ik een uitgang vinden? Nergens +vermoedelijk. Aan den wand hingen purperen mantels, krokosgele mantels, +mantels van vossebont. Ik holde voort... De open gelaten wijnkelders +holde ik door: de amforen stonden er, puntig en dubbel geöord; de +dikbuikige vaten stonden er: het rook er naar een roode bezwijmeling. +Ik holde voort! Waar was ik? Ik werd mij bewust in het rond te draven. +Daar was onze tuin, daar was ons eigen verblijf. Maar daar hoorde ik +plots ook weêr het gewoel van den strijd der verbitterde roovers +en ik holde weêr terug...</p> + +<p>Een nachtmerrie werd die inwendige berg, het verwonderlijke +rooverhol; een booze droom werd het van <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e2010" href="#xd0e2010">142</a>]</span>onbestaanbaarheid. Ik holde +om en om; ik scheen mij door een nauwe cirkelgang te wringen en +wanhoopte ooit te kunnen ontkomen. Gesloten zouden vermoedelijk alle +uitgangen zijn. De roovers achtervolgden ons niet, zeker vreesloos, dat +ik zoû kunnen vluchten. Daar was weêr onze tuin, daar klonk +weêr het verschrikkelijk rumoer van den strijd....</p> + +<p>Te gelijker tijd struikelde ik. Het was midden op een ronden +binnenhof, tusschen de hooge, witte wanden van de op stekende pieken, +als een put, die scheen geboord in het gebergte. En ik zag, dat ik +gestruikeld was over een even op stekenden, vierkanten steen, waaraan +een ijzeren ring. Ik weet niet welke ingeving mij bezielde, maar ik +greep den ring met mijn sterke ezeltanden. Ik lichtte aan den ring den +steen met al mijn kracht op.</p> + +<p>—Charmides! riep Charis. Vlucht! Ik ben bang, ik ben bang voor +de mannen, die vechten!</p> + +<p>Ik bukte mijn kop. Ik zag een opening, wijd en een trap, die daalde +steil naar beneden. Ik weet niet waarom, maar ik daalde de trap af, +alleen vreezende, dat Charis zich het hoofd stooten zoû. Maar de +trap was wijd in het rotssteen uit gehouwen en ik daalde voorzichtig +maar gemakkelijk haar af. Mijn ezelhoeven tastten uit. Ik daalde lager +en lager. Vage lichtschijn viel nog van boven. Nu en dan tastte en +daalde ik in den donker....</p> + +<p>Plotseling werd het lichter voor mijn blik. Ik zag op. Ik zag de +lucht. Die was hoog, hoog, een blauwe, verre hoogte boven den zwarten +trechter, waarin ik mij bevond. Maar in dien trechter was een steile +trap gehouwen!</p> + +<p>Ik aarzelde niet en ik steeg de steile trap op. Bijna recht-op steeg +ik, hoef voor hoef zettende op de smalle treden en Charis steeds +krampachtig zich klemmende om <span class="pagenum">[<a id="xd0e2022" +href="#xd0e2022">143</a>]</span>mijn nek. Hoe lang die moeilijke +stijging duurde! Het was of ik uit het diepste der aarde op steeg naar +het hoogste van den hemel. Maar ik steeg en ik steeg... Charis zeide +geen woord en alleen mijn gehijg doorkreunde de nauwte van de steile +trechtertrap. Eindelijk, eindelijk bereikte ik den rand. Nóg een +poging en nog een poging!</p> + +<p>Daar ademde mijn hijgende snoet aan de trechteropening de wijdere +lucht. Daar heesch ik mij als aan mijn hoeven op en stond op den +trechterrand. O zalige vreugde! Om mij piekte het wondere gebergte met +zijn witte torens in rozigen dageraad. De arenden vlogen in wijde +kringen rond. De lucht was als een oceaan van parelvochten ether. De +landouwen lagen in de diepte uitgesmolten in licht groene wazigheid met +de donkere plekken der bosschen tot aan verijlende horizonnen. De +nieuwe zon straalde uit.</p> + +<p>Ik zag rond, of de roovers ons misschien langs een anderen weg...? +Ik zag niets. De wereld was immens wijd, verlaten en goddelijk schoon. +En een ezel ik, met een jonkvrouw op mijn rug, stond daar hoog, op het +witte gekartel van een hoogen bergkam.... Waarheen? Het was alles +onbekend. De naaste minuut zoû de onbedenkbare verrassing +zijn.</p> + +<p>Waar de bergkam daalde, zette ik mijn hoef. En daalde met den +bergkam mede. Hoe voorzichtig daalt toch een ezel langs de steilste +bergflanken omlaag! Weg was er niet: ik koos slechts de geschiktste +plekken om mijn hoeven te zetten. In den rozigen morgen, nog wazig +blauw van dauw, daalde daar een ezel het krijtwitte gebergte af, op +zijn rug een betooverde maagd in zacht gazen feestgewaad van kostbare +sluiers gehuld en de witte pieken rezen op en de zwarte arenden +cirkelden rond. En het was alles zoo gewoon en zoo gelukkig, dat ik +mijn wonde niet achtte. De zilverbrem <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e2030" href="#xd0e2030">144</a>]</span>bloeide om ons heen en hier +en daar ruischelde het schuimende water de blanke groeven omlaag. En ik +daalde, ik daalde altijd.</p> + +<p>Ik daalde af, werd ik mij bewust, aan den anderen kant van het +gebergte. Maar de appelebongerds omringden geheel den berg en toen ik +was afgedaald, dwaalden wij verder de bongerds door en aten de appels +en dronken samen aan de beek. En rustten uit in de doorappelde +schaduwen. En gingen weêr verder. En niemand kwamen wij tegen. +Het was de noen en nauwlijks dacht ik aan wat het einde van dezen dag +brengen zoû.</p> + +<p>Den warmen middag liep ik een schaduwrijk bosch door van dicht +bladerige kastanjes. Er volgden weilanden, bouwlanden; er graasde het +vee, er golfde het graan, er doken de boerenhoeven op tusschen de +olmeboomen. Landbouwers zag ik met hunne knechten bezig: zij sloegen de +blinkende sikkels de neêr zijgende aren door en zongen hun +juichend oogstlied. Maar ik vreesde hen te naderen, omdat wij beiden +betooverd waren.</p> + +<p>En toch naderde ik. De mannen keken verwonderd op naar den ezel, die +daar naderde op roode hoeven, goudbeslagen en een in feestgewaad +gehulde, blonde jonkvrouw op zijn rug. En een der mannen naderde op +zijn beurt. En toen ik hem aanzag, herkende ik Davus, van wien ik +sedert maanden gescheiden was.</p> + +<p>Toen balkte ik van verbazing, heel luid en schreef met mijn hoef +duidelijk in de mulle aarde:</p> + +<p>—Ik ben Charmides, Davus, je meester, en deze jonkvrouw is +Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata, die wij ontmoetten bij de +poort van de stad en om wier liefde ik betooverd werd.... <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2042" href="#xd0e2042">145</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XVII.</h2> + +<p>Davus, zoodra hij op den grond gespied had wat mijn hoef had +geschreven, slaakte een juichkreet en wierp beide armen hartstochtelijk +om mijn ezelnek.</p> + +<p>—Heer! riep hij. O mijn heer Charmides! Zie ik u eindelijk +terug!?</p> + +<p>En ik balkte luid van blijdschap en duwde hem met mijn snoet in zijn +maag uit speelschheid.</p> + +<p>—En zijt gij de ezel van deze jonkvrouw geworden? vroeg Davus, +in blijde verbazing. De ezel van Charis, Menedemus’ dochter uit +Hypata?</p> + +<p>Maar Charis, gelukkig, bespaarde mij veelvuldig, moeizaam +hoefschrift en riep zelve uit, na ook gelezen te hebben:</p> + +<p>—De ezel van Menedemus’ dochter? Neen, domme slaaf, maar +haar bruidegom, die in dezen aanbiddelijken vorm uit den oorlog is +gekomen, en toen hij gewond werd, zijn spraak verloor! Hoewel hij mijn +naam als muziek zegt!</p> + +<p>Davus keek verwonderd op, maar ik beduidde hem met een zijlinkschen +blik en vele schuine oorbewegingen, dat Charis, als ik, was betooverd +en verliefd op een ezel geworden.</p> + +<p>—Ik begrijp het, ik begrijp het, heer! riep Davus. Werkelijk, +ik begrijp er alles van! Ben ik ook niet betooverd geworden, toen ik u +zocht bij Xeniæ, terug in Hypata, helaas, overal in den omtrek, +heel ver, tot in Larissa toe, <span class="pagenum">[<a id="xd0e2062" +href="#xd0e2062">146</a>]</span>waar ik slechts u vermoeden kon? Maar +ik vond u niet, hoewel ik toch niet alleen naar u maar ook naar een +ezel zocht! En ik vond wel ezels maar ik vond u niet en zelfs niet den +ezel, die ge waart, zoo als ik u nu heb gevonden! O heer, er spon +allerlei betoovering om mij rond; er was een web van verhindering om +mij heen: ik dorst zeker niet terug naar uw ouders, toen ik u had +verloren en ik zelve werd spoedig, toen ik u te Larissa in een ezelstal +zocht—want ik vermoedde wel, dat ge van vorm veranderd +waart!—als veedief gepakt en gegeeseld en toen in het gevang +geworpen en toen verkocht op de slavenmarkt en ik wisselde van meester +drie malen: ik was eerst slaaf van den stadsreiniger, maar verheugd er +om, want ik liep steeds op de straat met mijn korf en bezem àlle +ezels na; mijn meester verkocht mij toèn met voordeel aan een +purperfabrikant en ik zegende mijn noodlot, omdat ik berekende, dat, +zoo ge niet in een ezel herschapen waart, ik u misschien daar kon +ontmoeten zoo ge handelsbetrekking aanknooptet met mijn baas en ook +deze verkocht mij met voordeel aan den opziener van een groot +landeigenaar, in wiens gronden ik nu werk—hij toonde zijn +sikkel—maar dien ik zelve nog niet heb gezien en wiens naam ik +wederom vergeten ben: hij heet, geloof ik....</p> + +<p>Terwijl Davus zich den naam van zijn nieuwen meester wilde +herinneren, kwamen langzamerhand de andere slaven en arbeiders en +landbouwers aanloopen en verzamelden om ons heen en Davus was zoo +vervoerd van geest, omdat hij mij terug had gevonden, dat hij geen +oogenblik bedacht hoe stilzwijgen en geheimenis de beste atmosfeer zijn +rondom betoovering en luide zichzelf in de rede viel:</p> + +<p>—Vrienden, medeslaven en gij heeren opzieners, komt <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2068" href="#xd0e2068">147</a>]</span>toch +nader en loopt toch toe: kijk, dat is mijn meester; dit is Charmides, +Lyzias’ zoon, uit Epidaurus, die in een ezel veranderde.... o +neen, die niet in een ezel veranderde maar in een held, die uit den +oorlog kwam, hoewel hij toch wel op een ezel gelijkt.... En deze +jonkvrouw is.... hoe heet zij ook weêr, heer Charmides; ge weet, +uw trouwe Davus vergeet altoos namen!</p> + +<p>En de opzieners en de slaven verzamelden in dichten drom.... Nu was +er niet veel te herstellen meer aan Davus’ onbescheidenheid; de +opzieners vroegen Davus, zij vroegen toen Charis, die, steeds op mijn +rug gezeten, argeloos en waardig antwoordde, dat zij Charis was en ik +haar bruidegom Charmides; zij vroegen zelfs mij en er bleef mij niets +over, dan ja te knikken en zelfs mijne toestemming schriftelijk in het +stof van den weg te onderteekenen.</p> + +<p>Er was hevige verwondering om ons rond. Nu was langzamerhand al het +landvolk om ons heen gedrongen:</p> + +<p>En het klonk, door elkaâr:</p> + +<p>—Een betooverde koopmanszoon en een betooverde maagd! Nu, wat +is er voor vreemds aan betoovering? Zegt men niet, dat onze heer +zelve....? En onze meesteres....?</p> + +<p>Ik verstond niet wat zij meer fluisterden, want het was als een +ruischende, dringende zee om ons rond en eindelijk zei de hoofdopziener +tot Davus:</p> + +<p>—Het lijkt mij het beste, dat wij Charis en Charmides geleiden +voor onze meester en meesteres en dat jij, Davus, ons vergezelt om +getuigenis af te leggen, dat je je eersten heer terug vondt in dezen +onwaarschijnlijken vorm.</p> + +<p>Veel was er niet tegen dit voorstel in te brengen. De opzieners +gelastten den slaven en arbeiders terug tot hun arbeid te gaan en +omringden ons, vier van hen met den hoofdopziener, <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2084" href="#xd0e2084">148</a>]</span>om ons naar +hunne meesters te brengen. Het was echter een lange weg, dien wij +volgden, terwijl de avond viel. Het waren uitgestrekte bezittingen. +Toen de landerijen waren gedaan, waar men nauwlijks wist hoe de +schatrijke bezitter heette en wie hij was en met wie hij gehuwd was en +waar nog een landelijk geluk scheen te zijn tusschen landbouw en +veeteelt, kwamen wij aan het uitgestrekt molenbedrijf en daar zag ik +ter weêrszijde van den weg de zelfde ellende, die ik zelve had +door gemaakt. Een rilling ging door mij heen. Maar de opzieners +begrepen, dat wij beiden, hoewel betooverd, een jonkman en een maagd +van aanzien waren en zij geleidden ons steeds met zorg; zij deden ons +telkens rusten; zij boden Charis honigkoek, melk, brood, ooft; zij +gaven mij klaver en haver: zij zagen nu wel, overtuigd, dat ik geen +gewone ezel was, maar een betooverde koopmanszoon, want ik beantwoordde +enkele hunner vragen schriftelijk en bekende hun, met mijn hoef +schrijvende in het zand, dat ik aan roovers was ontsnapt. En zich wel +verwonderende, maar niet zóo zeer als ik wel begrijpelijk had +gevonden, geleidden zij ons steeds voorwaarts, nu langs in de nacht +somberder rifgebergte, waar zij zeiden, dat de goudmijnen van hun heer +zich bevonden. Ik vermoedde, dat hij minstens wel even zoo vermogend +zou zijn als Menedemus en mij herinnerende, dat Davus nog niet mij zijn +naam had genoemd, vroeg ik, schrijvende, toen wij een oogenblik halt +hielden:</p> + +<p>—Hoe heet, opzieners, uw heer....</p> + +<p>En de hoofdopziener antwoordde, en het was mij, of ik een donderslag +hoorde:</p> + +<p>—Chersonezus, die zich noemt de zoon van Hermes en Hekate.... +<span class="pagenum">[<a id="xd0e2092" href= +"#xd0e2092">149</a>]</span></p> + +<p>Chersonezus! De zoon van Hekate! En die zich ook nog verhoovaardigde +te zijn de zoon van Hermes, van den edelen god aller kooplieden in +parels en purper?! Neen, dat nooit! Maar van Hekate! Wellicht +Chersonezus, dien ik had gezièn, had gehóord, zwevende in +de nacht boven het landhuis van Menedemus, om alles te vernietigen en +Charis te schaken! Het was Chersonezus, waarheen zij ons leidden! Een +ontzétting rilde door mij heen, maar ik begreep dadelijk niets +te moeten laten blijken. Charis zelve begreep niets, wist niets van +dien machtigen toovenaar; voor Davus was Chersonezus’ naam niet +meer dan welke andere klank! Alleen voor mij was hij de ontzetting! Wat +kon ik doen? Vluchten met Charis? Een ezel met een jonkvrouw tusschen +vele menschen is zelfs niet gelijk aan éen man met zijn geliefde +tusschen vele mannen. Duizend gedachten en voornemens woelden in mij +duizelsnel rond, maar ik begreep, dat er geen enkele was uit te werken +of te volvoeren. Schijnbaar rustig stapte ik voort. Charis, gerust +gesteld, omdat zij gezeten bleef op mijn rug, keek links en rechts en +vroeg de zoete vragen van een kind. Maar Davus riep:</p> + +<p>—Heeren opzieners, zegt men niet, dat Chersonezus bekend is +met de geheime krachten en zoû hij mijn heer niet onttooveren +kunnen?</p> + +<p>Wat de opzieners antwoordden, verstond ik niet in mijne verwarring. +Maar wel deed Davus’ vraag mij begrijpen, dat het beste zoû +zijn werkelijk mij te gedragen bij Chersonezus of ik onttooverd door +hem wilde worden. Intusschen waren wij het goudmijnbedrijf voorbij +gegaan en plotseling zag ik, hoewel in de verte, een wonder vizioen van +architectuur opzuilen in de nacht. Het schenen zacht gouden zuilen, die +rezen tusschen wijde, maanblauwe tuinen. Nooit nog had <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2099" href="#xd0e2099">150</a>]</span>ik zulke +vreemde, onwaarschijnlijk blauwe tuinen gezien: het was donker blauw +van boomgroepen en heestermassa’s tegen lichter, star-doorzaaid +blauw van lucht; het was nachtachtig azuur van vijvers tusschen +lazuursteenblauw van bladeren en bloemen en tusschen al deze +betoovering van blauw rezen de zacht gouden zuilen, in Corinthische +kapiteel- en gleufverschieten met hare tallooze schachten op, terwijl +de daken ook met zacht gouden vakken verschoten. En toen wij naderden, +kondigde de hoofdopziener ons aan, door te blazen op een fluit en van +daar ginds antwoordde een cymbelslag en er was even een korte muziek +over en weêr. En toen wij naderden—een jonkvrouw op een +ezel met een slaaf en verschillende opzieners—door de tuinen en +langs de vijvers, liepen van alle kanten slaven toe om te weten en hun +meester kond te doen. Er was op de vele gouden trappen van het breede +huis een beweging op en neêr van slaven en slavinnen en zij +zouden kond doen van een betooverde jonkvrouw, met een betooverden +jonkman, die Chersonezus’ hulp kwamen in roepen. Toen, na een +pooze, dat wij toefden voor de trappen, begon het inwendige van het +huis te stralen van starachtige lampen, die uitschitterden aan +duizenden Hekate-fakkels, in ver verschiet geplant en tusschen de +fakkels naderde wie wel Chersonezus scheen. Hij droeg een tiara, die +schitterde, een langen tabbaard en zwarten baard. Hij was omringd van +tal van trawanten en hij zelve was zoo groot, dat hij boven allen +uitstak. Hij scheen wel een Aziatiesch keizer en de mannen rondom hem +schenen satrapen. En ik begreep, dat hij een allermachtigst toovenaar +zijn moest en toovenaars ook wie hem omringden.</p> + +<p>Aan de hoogste trap bleef hij staan in zijn glorie en van <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2103" href="#xd0e2103">151</a>]</span>de +opzieners langs de trawanten, ging het inlichtend woord hem te gemoet. +En ik hoorde:</p> + +<p>—.... Beiden betooverd.... Charmides.... Charis....</p> + +<p>Toen zag ik hem van blijde verbazing opschrikken en hij daalde de +trappen af en naderde Charis, die steeds op mijn rug was gezeten.</p> + +<p>—Jonkvrouw, zeide hij met zijn diepe, verleidelijke stem. +Edele Charis, wees welkom in mijn huis, dat uw eigendom is.</p> + +<p>Charis ontsluierde zich half uit hare gele feestsluiers, die zij +droeg en zij zeide, zoet lachende, want gewoon aan vereering en +hulde:</p> + +<p>—Dit is mijn bruidegom, dit is Charmides, de held....</p> + +<p>—Ik heet hem welkom als u, zei Chersonezus, terwijl hij Charis +deed af stijgen en dadelijk een zwerm van slavinnen haar als gevolg +omringde.</p> + +<p>En hij scheen haar niet dadelijk te willen overtuigen, dat zij +betooverd was en op een ezel verliefd, dat ik betooverd was en een +ezel: hij voerde haar aan de hand de treden op en ik volgde met Davus, +de trawanten, de slaven, tusschen de gouden zuilen door, tusschen de +starrelende fakkels door, de lange, lange galerijen door. Intusschen +bonsde mijn hart in mijn ezellijf, al liep ik ook deftig op goud-rooden +hoeven achter mijn bruid en den toovenaar. Tot wij kwamen in een +feesthal, opene marmeren kolonnade, elke kolom bekroond met een zwart +marmeren hond, den hond van Hekate, die tegen den starrenhemel somber +indrukwekkend zijn blafkop ophief, terwijl in het midden een +waterbekken den zwart marmeren, wijden bak diepte, waar, op het donkere +water een zwarte lotus te bloeien lag. En Chersonezus’ deed +Charis zitten op een marmeren troon, zette zich aan haar zijde en +vroeg: <span class="pagenum">[<a id="xd0e2119" href= +"#xd0e2119">152</a>]</span></p> + +<p>—Zeg mij nu, edele Charis, hoe kan ik u of uw bruidegom +helpen?</p> + +<p>—Door hem zijn spraak terug te geven, o Chersonezus! zei +Charis.</p> + +<p>—En met zijn spraak ook een menschelijken vorm?</p> + +<p>—Dat niet, o Chersonezus, want zijn vorm is mij dierbaarder +dan welke vorm ook zoû zijn....</p> + +<p>Chersonezus zag haar aan: klaarblijkelijk had hij, hoe machtig +toovenaar hij was, een ander antwoord verwacht; klaarblijkelijk had hij +nooit berekend, dat Charis’ betoovering door zijn eigen +tooverwoord toch nog geluk haar geworden zoû zijn om hare liefde, +die de goden van Eleuzis wel hadden toe laten gaan naar een ezel, maar +naar een eveneens betooverden, in een ezel betooverden jonkman, zoo dat +zich toch liefde, hoe wonderbaar, tusschen beider zielen had kunnen +weven, zoo dat toch geluk hen had kunnen door glanzen en hij aarzelde +te antwoorden, terwijl de maagd, die hij, de goden wisten welke schande +had toebedacht, rein en argeloos en goddelijk onnoozel en zoo +onvergelijkelijk schoon zat aan zijn zijde....</p> + +<p>Maar plotseling weêrklonk van uit de diepte der tuinen, +waaruit het van flambouwen ook te starrelen begon, een vreemd geluid, +als van aansnorkende zwijnen; ik zag op en kon mijne ezelsoogen niet +gelooven, toen ik aanschouwde wie daar in praal werd aangedragen, op +een bedde van zonnebloemen....! <span class="pagenum">[<a id="xd0e2132" +href="#xd0e2132">153</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XVIII.</h2> + +<p>Een klaterende lach weêrklonk. En ik zag Meroë +aangedragen en zij riep:</p> + +<p>—Ik herken je, ik herken je, o Charmides, o koopmanszoon uit +Epidaurus, o reiziger in purper en parels, al herschiep mijn dienende +geest je in een ezel, elken keer, dat je verliefd werdt!</p> + +<p>Zij steeg af van haar bloemenbedde, dat men neder zette en naderde +Chersonezus en zeide:</p> + +<p>—Mijn groote en machtige vriend, gij, die met mij heerscht in +de luchten boven Thessalië, ik vraag u een gunst, niet meer dan de +gunst, die een versmade vrouw zoû vragen. Geef mij den ezel, dien +ik hier voor mij zie, opdat ik met hem doe naar mijn believen. Want ik +wil op dien ezel mij wreken.</p> + +<p>—Zal ik niet aan mijn gast, de edele Charis, mishagen, +antwoordde Chersonezus met een valschen lach van hoffelijkheid; zoo ik +u, o Meroë, den ezel af sta, die geen ezel is maar een held, +Charmides, uit den oorlog terug gekeerd en Charis’ +verloofde??</p> + +<p>—Charis zal zeker, spotte op haar beurt tusschen den drom der +toovenaars en hunne trawanten, die ons omringden, Meroë; zich +troosten voor Charmides, zoo zij zich met Chersonezus verlooft. Sta, +Chersonezus, mij dien Charmides af. <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e2148" href="#xd0e2148">154</a>]</span></p> + +<p>—Ik sta, Meroë, u hem af, zoo Charis aan Chersonezus zal +zijn.</p> + +<p>Zoo spraken zij over en weêr, vol helsche ironie en plotseling +weêrdaverde hun klaterende lach. En weêrdaverde om ons heen +aller klaterende lach, zoo vreeslijk en duizendvoudig, schel +schaterend, dat het geheele paleis scheen te schudden met zijne zuilen, +dat àlles lachte, dat de zuilen lachten, dat de booze nacht van +het lachen bewoog en dat in den omtrek wel honderden honden lachende +blaften, met de zwart marmeren Hekate-honden op de lachende zuilen +mede. En het was een vreeslijke ontzetting in mij: rillende stond ik op +mijn pooten, om Charis bevreesd, die ik niet wist hoe te redden uit +deze helsche omtoovering, maar zijzelve, zekerlijk zich om hare +onnoozelheid niet bewust wat haar omringde en bedreigde, scheen alleen +te doorvoelen, dat Meroë haar wilde ontrooven haar bruidegom en +als een furie wierp zij zich voor mij, breidde de armen uit, +roepende:</p> + +<p>—Nooit zal Charis aan Chersonezus zijn en Charmides nooit aan +deze slechte vrouw, die mij mijn bruidegom wil ontrooven! Wij hebben +elkander lief en nooit zal wie ook van ons lief hebben een ander, wat +hare wraak ook bedenkt!</p> + +<p>Het helsche gelach was verzwegen en in een doodstilte +weêrklonken de woorden der maagd. Geen hond blafte meer, maar een +dreiging, bijna vreeslijker dan het lachen, huiverde door deze booze +sfeer, waarin wij ons bevonden. De blanke schijn van de nacht was +lijkvaal geworden, de gouden glanzen der lampen versulferden en bleeke +schimmespooksels doemden larve-achtig om ons rond kronkelend op. En in +het gewarrel dier vreemde lijnen en lintelijven bloeide in het +waterbekken de zwarte lotusbloem op een zich zichtbaar rekkenden +slangestengel omhoog uit het zacht <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e2157" href="#xd0e2157">155</a>]</span>ziedende water. De stengel +slingerde, groeiende, van rechts naar links, kronkelde steeds langer +over het bekken en bereikte eindelijk met haar bovenmatig groote, zwart +gloeiende bloem mijn bek.... En Meroë zeide, huichellachende:</p> + +<p>—Lieflijke Charis, laat mij u zeggen, dat Charmides een +duivelsche slechtaard is, die om straf in dezen ezelsvorm veranderd +werd. Gij waant hem een held, uit den oorlog gekeerd, maar hij is een +monster, een vreeslijk gedrocht en zoo gij hem dwingt deze lotus te +eten, zult gij hem in zijn ware gedaante voor u zien.</p> + +<p>Verstrikt zag Charis van Meroë naar Chersonezus en mij. Rondom +ons stonden de toovenaars en alle hunne oogen staarden op ons. En +Meroë spotlachte steeds, gestrekt haar staf, en in Circe’s +gewaad, met de juweelen zonnebloemen van +chryzoliet-en-harten-van-anthraciet aan hare slapen en op hare borsten. +En het was of alles dwong Charis de bloem te plukken. Zij strekte de +hand naar den langen stengel, die toe naar haar kronkelde. Zij plukte +de bloem. Het was of de bloem zwart straalde in haar witte kinderhand. +En zij reikte mij de bloem, onmachtig te weêrstaan de verleiding +der nieuwsgierigheid....</p> + +<p>Zij zag mij met hare dierbare oogen, die als blauwe lotussen waren, +aan, terwijl zij mij den zwarten lotus reikte. Het was mij bijna +onmogelijk te weêrstaan, waar de vreeslijke verzoeking mij kwam +van hare hand. O Goden van Eleuzis, wat zoû gebeuren, zoo ik at?! +En dadelijk, dat ik in mijne vertwijfeling dacht aan de heilige goden, +voelde ik mij doordrongen als met een pijl met deze ingeving:</p> + +<p>—Vat de bloem aan maar eet haar niet....</p> + +<p>En strekte ik den bek. Ik voelde om mij de hevige trilling van de +boosheid, die wachtte.... Ik vatte met mijn tanden <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2169" href="#xd0e2169">156</a>]</span>den stengel +aan en de bloem bengelde tusschen mijn tanden. Maar dadelijk spuwde ik +den verleidelijk zoet smakenden stengel uit en vertrapte met mijn +hoeven de bloem.</p> + +<p>Plotseling doofden alle lichten en een helsche storm van gekrijsch +warrelde razende op in de duisternis. Maar ik voelde om mijn nek +Charis’ armen en tusschen hare kreten hoorde ik het woedende +brullen der toovenaars en Chersonezus’ en Meroë’s +stemmen tegen elkander in:</p> + +<p>—Hoe is het mogelijk, onmachtige Chersonezus....!</p> + +<p>—Hoe is het mogelijk, machtelooze Meroë....!</p> + +<p>—Dat een ezel....!</p> + +<p>—Een handelsreiziger....!</p> + +<p>—Telkens en telkens weêr....!</p> + +<p>—Je toovermacht breekt....!</p> + +<p>—Je toovermacht breekt....</p> + +<p>Zij scholden woedende op elkaâr in de stikdonkere nacht.</p> + +<p>—Goden van Eleuzis, bad ik; ik weèt het, waarom hun +toovermacht brak! Het is om uw bescherming, goden! Goden van Eleuzis, +beschermt ons steeds!</p> + +<p>En steeds stond ik, een rillende ezel, terwijl ik, Charis, bezwijmd, +om mijn nek voelde. De nacht klaarde op. Het was als een vale morgen en +ik zag het tooverpaleis er bleek in op zuilen als de grauwe schaduw van +wat het die nacht was geweest. Er hing als een nevel in. Het scheen +onbewoond, op dat oogenblik: het scheen er leêg van menschen en +dingen, van boosheid en van betoovering. Die nacht, misschien zoû +het weêr hergloeien door helsche machten: nu stond het slechts +verlaten om ons op, immens, leêg en grijs....</p> + +<p>—Waar ben ik! stamelde Charis, die ontwaakte. O, wat een +droom! Charmides, Charmides, vluchten wij? <span class="pagenum">[<a +id="xd0e2195" href="#xd0e2195">157</a>]</span></p> + +<p>Zij wierp zich op mijn rug.</p> + +<p>Maar plotseling hoorde ik een stem:</p> + +<p>—Mijn heer! Mijn heer Charmides! Vergeet ge dan uw knecht! +Vergeet ge dan uw trouwen Davus! Zie toch eens naar hem om al zijt ge +maar een ezel! Want drie dikke zwijnen achtervolgen hem en laten hem +niet los!!</p> + +<p>En werkelijk, mijn rechtervoorpoot reeds geheven om op de vlucht met +Charis te gaan, zag ik om en bespeurde ik Davus, die om het waterbekken +rond liep, achtervolgd door drie snorkende zwijnen.</p> + +<p>Hij rende op mij af en verschool zich tusschen mijn pooten en +riep:</p> + +<p>—Bescherm mij, heer! Bescherm mij, heer!!</p> + +<p>Maar de zwijnen schenen hem geen kwaad te willen doen. Zij snorkten +slechts heviger, smartelijker, en o wonder, ik verstond plotseling +wàt zij snorkten. Want ik had geleerd, dat der dieren taal er +eene is van telkens bij ieder dier wisselenden klank voor het zelfde +begrip en dat elk dier, bij ontwikkeld instinct, een ander dier +begrijpt. Het was dus tusschen de drie zwijnen en mij een hevig gebalk +en gesnork over en weêr en zij smeekten mij:</p> + +<p>—Hàrr-mides! Hàrr-mides!</p> + +<p>Wat is er?</p> + +<p>—Erbàrm, erbàrm u onzer!</p> + +<p>—Wie zijt ge?</p> + +<p>—Wij zijn drie senatoren, die op reis waren in +Thessalië....</p> + +<p>—Wat overviel u? vroeg ik.</p> + +<p>—Wij werden alle drie, riepen zij; in Hypata door Meroë +betooverd! En als zij haar minnaars betooverd heeft, werpt zij hen, +geslacht, in de tooverketels der heksen, op de bergvlakten, <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2224" href="#xd0e2224">158</a>]</span>onder +de maan, die zij uit haar loopbaan rukken....</p> + +<p>—Een zwijnetand hier....</p> + +<p>—Een zwijnepoot daar....</p> + +<p>—Een zwijnestaart hier....</p> + +<p>—En zwijnborstels daar... riepen zij door elkaâr.</p> + +<p>—Ge moet amaryllis eten! riep ik.</p> + +<p>—Waar vinden wij amaryllis te eten? riepen de zwijnen. En het +was alles balken en snorken, verscheurend en grommend, zoo dat Charis +riep:</p> + +<p>—Charmides! Charmides! Vlucht!!</p> + +<p>En Davus:</p> + +<p>—Heer Charmides! Heer Charmides! Bescherm mij!</p> + +<p>Ik zette het op een loopen, balkende. En het scheen, dat zoowel de +drie zwijnen als Davus zelve mijn gebalk begrepen, want terwijl Charis +mij om mijn hals omklampt hield en de drie zwijnen mij ter zijde en +achter mij aan stommelden, had Davus mijn staart gegrepen en liet zich +zoo, hollende hij, dravende ik, mede sleepen door zijn heer, die een +ezel was. Het was juist wat ik zoowel mijn knecht als de zwijnen had +toe gebalkt; het geschiedde alles zoo als ik het wilde en door den +valen morgen draafde onze stoet tuinen door, wegen op, velden over, +stroomen door. Waarheen ik hen allen leidde, was ik mij onbewust: ik +begreep alleen, dat ik vooruit moest, wèg moest, +Chersonezus’ zoo uitgebreide bezittingen, landerijen en tooverban +uit, om Charis te redden, om mij en Davus te redden en te redden de +drie betooverde senatoren.... Ons allen te redden vóor +Chersonezus, zich bezinnende na die woede over zijn tijdelijke +machteloosheid, ons met éen gebaar van zijn staf zoû +weêrhouden verder te vluchten in heilige zekerheid. En daarom +draafde ik door. Het scheen of de zon niet op <span class="pagenum">[<a +id="xd0e2246" href="#xd0e2246">159</a>]</span>straalde, dien dag. Het +scheen of ik liep met een geheime kracht, of ik zweefde, mijn hoefslag +nauwlijks tikkend den grond. Over mij heen, hare armen rondom mijn +hals, lag Charis en ik vermoedde, bezwijmd. Aan mijn staart, +allerpijnlijkst, marteling, die mij deed denken aan vroegere +martelingen, toen ik takkenbossen getorst had en molensteenen gedraaid, +hing, als ware het, Davus, liet mij niet los en ik sleepte hem +meê, terwijl zijne voeten ondanks zichzelven mede liepen. En +snorkende, grommende, knorrende, renden achter, ter zij, de drie +zwijnen mede, zich liever hunne senatorenzielen uit hunne dikke leden +loopende dan hun redder, mij, te verlaten. Neen, het werd geen dag, +durende dien vreeslijken rit. Het regende en ik rende den regen door, +tot een diep ravijn zich boorde voor mijne blikken. En een hevige +bliksemschicht uit schoot en de donder dadelijk rolde....</p> + +<p>Ik stond stil, steil op mijn rechte pooten, mijn ooren steil en +steil mijn pijnlijken staart, dien Davus niet los had gelaten. De drie +zwijnen tolden wanhopiglijk om hun dikke zelve rond als wisten zij niet +meer wat nu te doen. En nu ik eenmaal stil stond, wist ik, dat ik niet +verder kon, uit vermoeidheid ten doode toe, niet vèrder kon, dat +diepe ravijn neêr en ginder weêr op, in den slagregen, die +stortte neêr.</p> + +<p>—O mijn heer! O mijn heer Charmides! klaagde Davus, die reeds +gewend aan de zwijnen scheen en tusschen hun drieër rondgetol de +armen wanhopiglijk rekte en de handen wrong.</p> + +<p>Ik balkte, heel wijd. Ik balkte, in ezeletaal, dat Davus de +jonkvrouw, bezwijmend op mijn rug, af zoû tillen en haar +zoû dragen in rotskloof, veilig voor stormgeweld. De drie <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2254" href= +"#xd0e2254">160</a>]</span>zwijnen begrepen mij dadelijk en ook zij +beduidden het Davus met geknor en gegrom en gesnork. En o wonder, het +was of Davus het wèl begreep, uit mensch-intuïtie, omdat +een mensch toch wel eens een dier begrijpt. Terwijl ik, mijn kop naar +hem toe, balkte, balkte als geen ezel ooit balkte, terwijl de zwijnen +snorkten, snorkten als geen zwijn ooit snorkte, ontwrong hij +voorzichtig Charis’ greep om mijn hals, tilde haar op, droeg haar +binnen de diepe kloof, legde haar hoofd op het mos, dekte haar toe met +breede varenbladeren en hurkte toen aan hare voeten neêr om er +zelve in zwijm te vallen.</p> + +<p>Toen, vóor de kloof, viel ik in een. Ik voelde mij of mijn +menscheziel ontsnappen zoû aan mijn dierelijf in mijn zwoegend +ezelgehijg. Mijn oogen puilden mij uit den kop; mijn staart voelde aan +als uitgetrokken aan mijn ruggegraat. Rondom mij lagen de drie dikke +zwijnen, zwoegende ook, vlak op de flanken ter neêr. En zoo +bleven wij die nacht van stormgeweld: een maagd, drie senatoren, een +handelsreiziger en een slaaf, aan den rand van het ravijn, dat zich uit +strekt langs den heirweg, die voert naar de stad van Larissa. <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2258" href="#xd0e2258">161</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XIX.</h2> + +<p>In diepen slaap lagen wij, geloof ik, allen die nacht ter +neêr. Plotseling schrikte ik op en mijn eerste gedachte was aan +mijn bruid. Hoe had ik kunnen slapen, terwijl zij daar lag in de +spelonk, onder de varenbladeren. Davus aan hare voeten en de drie +zwijnen, rondom mij, als de enkele lijfwacht, die haar behoedde! Zoo +verweet ik mij hevig en met éen sprong stond ik op mijn vier +pooten. En schudde den dauw van mijn vacht. Werkelijk, de zwijnen +sliepen nog. Davus sliep. En Charis, de zoete, sliep. Hoewel zij, een +Egyptische mummie gelijk, omplakt in hare natte wade en sluiers, sliep +in de spelonk op het mos, schenen de vele varens, waarmeê Davus +haar had overdekt, haar warm te hebben gehouden, want zij sluimerde als +een kind zoo rustig, haar blank gezichtje in het blonde haar enkel +zichtbaar, verder de lijn van haar lichaam slechts even te raden onder +het breed geblaârte. O, zoo zij ziek ware geworden van den +vreeslijken rit door den slagregen! Maar het scheen wel, dat de goden +waakten over haar, want zij lag zoo rustig als hadde zij gelegen in +haar kuische bedde te huis!</p> + +<p>Herademend keek ik om. Het ravijn glooide diep naar omlaag, met ruig +struweel begroeid; de gezwollen stroom schuimde er bruischend met val +op val de rotsblokken af en in die diepten doken de nachtelijke +schaduwen weg. Maar ginds, in het Oosten, rilde een rozige schijn op, +een kier <span class="pagenum">[<a id="xd0e2266" href= +"#xd0e2266">162</a>]</span>van goud scheurde lang in den nog +schemergrauwen hemel laag over de oorden, die wij verlaten hadden en de +jonge dag, zelfs aanbiddelijk boven dit ruwe landschap, rees als een +jonge god op. En plotseling vernam mijn lang, steil gespitste oor een +zacht geluid, dat naderde uit dat zelfde Oosten aan over den met +steenblokken bezaaiden baaierd, die het ravijn omgaf en waardoor +nauwlijks van weg meer spoor was.... Het was een zacht zilveren +getinkel en aangetokkel, zoo als ik meende wel meer in vroegere dagen +te hebben vernomen en het klonk zoo zalig zuiver ginds uit de rozigende +verte aan, dat ik luisterde, luisterde, zonder nog mij van die bekoring +rekenschap te kunnen geven. Tot ik zag een witten stoet, nauwlijks nog +omlijnd in den rozigen dauw, die optrok: meer nog een stoet van +schimmen, vage mannen, vage vrouwen, aan bewegende over het +rotsgesteent en met den eersten dageschijn om de zich tegen de lucht +uitheffende hoofden, zingende en musiceerende.... Nu, duidelijker, +klonken de stemmen, trillerden, aangetinkeld, de sistra-snaren en ik +herkende de zoete muziek en ik balkte luide op, om mijn lotgenooten te +doen ontwaken.</p> + +<p>Davus ontwaakte het eerst en ook Charis sloeg hare oogleden op en +zij riep:</p> + +<p>—Charmides! Charmides! Waar ben ik?</p> + +<p>Ik was wèl gewoon op velerlei manier met mijne bruid gesprek +te voeren, maar dit maal was het Davus, die antwoordde:</p> + +<p>—In veiligheid, edele jonkvrouw: vrees niets! Wij hebben over +uw slaap gewaakt al sliepen wij ook zelve, ten minste ik, uw slaaf! +Maar mijn meester, heer Charmides, uw onvergelijkelijke bruidegom, +heeft mij wakker gebalkt... Hoewel onze drie metgezellen, van wie ik +werkelijk niet weet <span class="pagenum">[<a id="xd0e2276" href= +"#xd0e2276">163</a>]</span>of zij zwijnen of senatoren zijn, nog in +diepste rust zijn gedompeld!</p> + +<p>En opgestaan riep hij:</p> + +<p>—Heeren zwijnen of senatoren, ontwaakt! Het is dag, het is dag +en de zon rijst over de vlakte!</p> + +<p>De zwijnen, grommende, richtten zich op en ik balkte, terwijl hoog +in de lucht de leeuweriken jubelden. En Charis en Davus zagen nu ook +den stoet, die uit de rozige verte aan kwam....</p> + +<p>—Het zijn Isis-priesters! riep Davus. Het is een goed +voorteeken, dat hun stoet ons nadert en misschien kunnen zij ons +bijstaan met raad zoowel als met daad!</p> + +<p>In der daad kwamen zij nader, de heilige mannen met de zingende +maagden en in hun midden liep de opperpriester, herkenbaar aan de +zilveren banden, die zijn kruin omgaven en langs zijn slapen hingen. En +toen zij vlak bij ons genaderd waren, deed ik een paar stappen +voorwaarts en knielde neêr op mijn twee voorpooten.</p> + +<p>Het was zeker een vreemd gezicht, een dergelijke knielende ezel. +Maar de Isis-priesters, die wisten alle de vreemde dingen, die in +Thessalië gebeuren konden, verwonderden zich niet al te zeer en +hielden zwijgende stand.</p> + +<p>—Heilige heeren! riep Davus. Erbarmt u over ons allen! +Erbarmen zich de goden over ons allen: alle menschen, die door veel +avontuur gegaan zijn, maar de jonkvrouw en de slaaf mensch nog alleen +en de anderen zwijnen en ezel! Erbarmt u vooral over den ezel, heilige +heeren, den ezel, die is mijn heer!</p> + +<p>De opperpriester was naar voren getreden en hij las, wat ik, +opgerezen uit mijne knieling, in het stof van den weg met mijn hoef had +geschreven: <span class="pagenum">[<a id="xd0e2294" href= +"#xd0e2294">164</a>]</span></p> + +<p>—„Ik ben Charmides, zoon van Lyzias.... En de maagd, die +ik redde uit veel gevaar, is Charis, de dochter van +Menedemus....”</p> + +<p>—Ik ben Davus, heilige heeren! riep Davus. Aan mijn slavennaam +begrijpt ge, dat ik eens ezels slaaf ben!</p> + +<p>—En de zwijnen? wees de opperpriester naar de drie, die zich +grommende en tollende, verlegen, hielden ter zijde.</p> + +<p>Ik schreef het met mijn hoef en Davus beaâmde het.</p> + +<p>—Gij zijt dus allen betooverd geworden? vroeg de opperpriester +ernstig.</p> + +<p>—Ik wel het minste, heilige heer, zei Davus; maar anders, ja, +heeft iedereen wel een tikje beet!</p> + +<p>—Vergezelt ons in onzen stoet, zei de opperpriester. Wij gaan +terug naar het heiligdom van de godin.</p> + +<p>En wij voegden ons in den stoet. Nu, op het trilleren der +sistra-snaren, aangetokkeld door de staven, liep ik tusschen de +priesters, plechtig, en bereed Charis mij met een kinderlijken lach van +zoete blijdschap. En achter mij en ter zijde, liepen de drie zwijnen +mede, zoo deftig, of zij reeds weêr senatoren waren. En achter +ons kwam Davus. Dan schreed, tusschen weêr priesters, de +zilvergebande opperpriester en de zingende maagden gingen vóor +het gedragen en gesluierde beeld van de godin, dat, zoo als ik begreep, +voor een mysterie naar Larissa vervoerd was geworden en nu wederom naar +haar tempel terug werd gebracht. En het was een zacht en rythmiesch +treden op de maat der teêr neêr tinkelende en als met helle +droppelen afdroppelende muziek, die hoog op in de lucht en den morgen +steeg, met het twetteren der leeuweriken mede. Rond om ons baaierde de +woeste wereld, breidde zich het woeste landschap, strekten zich de +ruige rotsvelden of groeven zich de rotsafgronden <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2311" href= +"#xd0e2311">165</a>]</span>afgrijslijk, maar boven ons blauwde de wijde +hemel op door de laatste, rozige ochtendmisten en slingerde zich onze +witte stoet langs wat hier weg was en daàr zich verloor onder de +neêr getuimelde blokken....</p> + +<p>—Charmides! fluisterde mij bekoord aan het oor mijn bruid. +Waar gaan wij heen? Huwen zij ons nu spoedig, na zoo vele +lotsverwisselingen? Want ik herinner mij, o ik herinner mij de vlucht +uit mijn vaders bezittingen, toen ik het landhuis zich zag verheffen en +weêr neêr storten in vernietiging... Ik herinner mij den +appelebongerd en de gouden feestzaal, waar de booze mannen gingen +vechten; ik herinner mij den diepen put en de steile trap, die geleidde +bóven op het blanke gebergte en ik herinner mij de vreeslijke +nacht der blaffende honden en het helsche gelach van de slechte vrouw, +die je aan mij wilde ontrooven en toèn onze urenlange vlucht +door storm en regengeweld! En nu Charmides, is alles zóo zoet +geworden: de lieflijke muziek, de witte mannen, de witte vrouwen, die +ons omringen en volgen: o Charmides, zelfs de drie zwijnen, die niet af +van ons lieten, schijnt het mij toe, dat ik lief heb, zoo als ik alles, +alles lief heb, dezen morgen, dezen zaligen morgen!</p> + +<p>Zoo juichte zacht aan mijn oor mijn bruid toen wij uit het +rotsgesteente af sloegen op den grooten heirweg. Wij ontmoetten er de +warmoeziers, die gingen ter stad, reizigers in draagstoelen of wagens, +een <span class="letterspaced">cohors legionariï</span> en allen +hielden stil, knielden neêr, aanbaden de godin en verwonderden +zich over de drie zwijnen en den ezel, dien een blonde jonkvrouw +bereed. En ik hoorde hen wel vragen of veronderstellen:</p> + +<p>—Betooverd....? Betooverd....? En worden zij nu onttooverd? +<span class="pagenum">[<a id="xd0e2322" href= +"#xd0e2322">166</a>]</span></p> + +<p>Dat meende ik ook wel, terwijl ik deftig voort schreed, op het +zachte getinkel der eentonige sistra-melodieën, klanken als uit +bloemeklokjes, die vielen over den weg, over het knielend gebaar en de +vroomheid van wie zij ontmoetten. Maar toen sloeg onze stoet een zijweg +in en een dicht bosch van laurier, myrt en sycomoren, schaduwde heilig +en geheimzinnig aan weêrszijden des breeden wegs. En voor ons, in +de verte, zuilde de witte tempel....</p> + +<p>Het waren eerst de twee pylonen, immens en Egyptiesch, toegang +gevend als een immense poort tot de laan der sfinxen, die geleidden +naar het heilige huis, waar de eeredienst der vreemde godin werd +gevierd, ter gelukzaligheid van wie in Thessalië betooverd waren +geworden. O, ik wist het wel, dat de goden van Eleuzis, die ik zoo +dikwijls had ingeroepen, mijne bruid en mij hadden behoed, maar ik +herinnerde mij ook Clitifo’s lieflijken tuin van zilverasters en +hoe reeds aan den grens van Thessalië een Isis-priester de +weldadige bloemen kweekte, die mij hadden kunnen onttooveren, toen ik +op Nausistrata verliefde! Zoû ik ooit weêr als toen gulzig +storten in de starrige bloemen, ze verslinden en terug winnen mijn vorm +van mensch en van man? Ik smachtte er naar; ik zag er naar uit, toen +wij het voorplein van den tempel naderden... Want ik meende, dat mijn +ezelvorm lang genoeg mij had omhuld, tot boete voor vele +euveldaden-van-liefde; ik meende, dat het heilige tijdstip nu +weêr naderen zoû, sinds ik trouw was gebleven aan mijn +stralendste liefde, aan mijn heilige liefde voor Charis. Was ik ooit, +sedert ik ezel was, verliefd geworden op een andere vrouw of maagd? Was +ik ooit op een ezelin verliefd geworden? En in de zekerheid van mijn +aanstaande belooning voor trouw en zuivere liefde, ging ik mede met den +stoet <span class="pagenum">[<a id="xd0e2327" href= +"#xd0e2327">167</a>]</span>tusschen de pylonen en langs de sfinxen, tot +wij stil hielden op het groote plein voor den tempel. En de +opperpriester ons beval te wachten, tot de priesters het beeld van de +godin op haar altaar zouden herplaatst hebben. Intusschen wachtten wij, +Charis van mij afgegleden en den arm om mijn nek, Davus en de drie +zwijnen rondom ons. En vroom zagen wij uit in het even geschemerde +tempelverschiet, van waar de zang en de zilveren muziek nu, steeds zoo +zoet trillerend, weêrklonk. Zelfs de drie zwijnen, scheen het mij +toe, hurkten vroom, als knielende neêr, wachtten vol vrome vreeze +af en gromden slechts behaaglijk in ondertoon, of zij voorgevoelden het +einde hunner vernedering en metamorfoze....</p> + +<p>Toen, tusschen zijne priesters, kwam de opperpriester terug. Hij was +zoo groot en zacht, zoo huiverwekkend bleek van wijsheid en geheel +geschoren zijn ouden schedel tusschen zijne zilveren priesterbanden. In +zijn aderige handen, die staken uit de wijde mouwen van zijn weeke, +witte gewaad, was een gebaar van menschenliefde, zoo groot, dat het mij +ontroerde, ezel, die ik nog was. En hij zeide, terwijl zijn stem vol +erbarming klonk en weten van wijze dingen:</p> + +<p>—Charmides, hoor mij thans aan. Betooverd als gij zijt +geworden, nadert het oogenblik van uwe onttoovering. Maar weet eerst, +dat tusschen Clitifo, die de zilverasters kweekt dicht bij +Thessalië’s grenzen en mij ziele-aanvoeling geweven heeft +door middel der heilige machten van Isis. Ik wist van u af en ik +wachtte u af, zoo ge niet reeds vroeger zoudt onttooveren, door de +bloem, die ik vele malen ontluiken deed op uw weg. Maar de heilige +goden van Eleuzis, wien gij vroom steeds waart in uw hart, gunden <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2333" href="#xd0e2333">168</a>]</span>mij +niet te vroeg erbarmen en hebben gewild, dat gij den heiligen, witten +lotus niet weten zoudt... O, Charmides, niet de zilveraster zal u voor +altijd onttooveren, hoe schoon en zalig de bloem ook zij! Het einde van +uw onttoovering zal u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit de +blanke u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit den blanken +lotus. Herinnert gij u niet? Aan blauwe lotus lieten nog de azuren +oogen van Charis u denken; maar met blanke lotus lag het meer bij +Xeniæ overladen, toen gij, op Charis verliefde ten tweede male en +ten derde male herschapen werd. Om Charis’ woning bloeiden de +vijvers van blanke lotus. In den tuin van Dionyzius deed ik nog eenmaal +een enkele lotus ontbloeien in het water tusschen de hooge, blankende +rotsen en pieken. Maar, zoon, de Eleuzische goden gaven u niet +wetenschap en voorgevoel omdat gij de boete volbrengen moest en de +trouw in de liefde deelachtig moest worden....</p> + +<p>Op dit oogenblik traden de maagden den tempel uit en éene +harer, in heur midden, droeg in een zilveren vaas twee prachtige, zeer +groote, zilverstralende lotuskelken aan, die stralend ontloken op lange +stelen.</p> + +<p>De opperpriester wees.</p> + +<p>—Zoon, zeide hij; zie hier. Zie hier de heilige bloemen, +gekweekt in onze heilige vijvers. Twee heb ik er voor u geplukt. Het +oogenblik is gekomen. Eet thans de heilige bloem: de goden van Eleuzis +gunnen het u...</p> + +<p>Ik knielde in huiverende vroomheid neêr. Ook voelde ik, dat +Davus knielde en dat de drie zwijnen zich vernietigden op den grond, +voor zoo ver een zwijn zich op den grond in vroomheid vernietigen kan, +want zij gromden altijd, hoe zachtjes ook. Maar Charis, bekoord door de +bloemen en in <span class="pagenum">[<a id="xd0e2343" href= +"#xd0e2343">169</a>]</span>hare onnoozelheid de heiligheid van dit +oogenblik wellicht niet bevroedende, knielde niet en riep alleen +juichende uit:</p> + +<p>—O wat prachtige bloemen! Wat prachtige bloemen! Prachtiger +dan zij ooit bloeiden op onze vijvers!</p> + +<p>En zij naderde; hare handjes gingen begeerig uit naar de vaas, die +de maagd reikte aan den opperpriester.</p> + +<p>Maar de maagden hielden haar tegen en niet begrijpende, dat zij de +bloemen niet hebben mocht, deinsde zij even terug. Toen nam de +opperpriester een der bloemen uit de vaas en bood mij die.</p> + +<p>Mijn menschehart klopte hevig in mijn ezellijf; ik strekte den bek, +opende voorzichtig mijn lippen en vatte de bloem.</p> + +<p>En at haar zoo vroom of ik bad.</p> + +<p>Nauwlijks had ik de lotus gegeten of ik voelde mij duizelen, maar in +mijne vreemde duizeling richtte, rekte ik mij op.</p> + +<p>En was een mensch. En was een man. Charmides, Lyzias’ zoon uit +Epidaurus, in zijn reisgewaad....!</p> + +<p>Kringen van licht en zaligheid breidden zich wijd om mij uit!</p> + +<p>—Heilige vader! riep ik met mijn eigen stem.</p> + +<p>—Mijn heer Charmides! hoorde ik Davus juichen.</p> + +<p>Maar een schelle kreet klonk naast mij.</p> + +<p>—Charmides! riep omzoekende Charis, als gek. Waar is hij +gebleven? Waar is mijn bruidegom? Waar is mijn held, mijn prins, die +uit den oorlog kwam in zoo aanbiddelijken vorm, grauw gevacht, +langgeöord en zoo lieflijk altijd vocht van snoet, waarmede hij +als muziek zeide mijn naam?! Wie is nu deze jonge man?! Ik ken hem niet +en ik wil hem niet kennen! Waar is mijn Charmides in eens henen?! +Waarom is hij verdwenen! Vader, broeders, neven, o <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2369" href= +"#xd0e2369">170</a>]</span>wondermeesters, die hem mij pleegden, +wàar zijt gij allen! En waar ben ik en waar is mijn +Charmides!?</p> + +<p>En ontsteld zag zij mij aan, slaakte haar wanhoopskreten en weerde +mij angstig af, toen ik haar liefdevol naderde, uitroepende:</p> + +<p>—Wèg, wèg van mij! Jou ken ik niet! Ik ken +alleen mijn Charmides en al was hij maar een ezel, hèm heb ik +lief, en hem wil ik alleen!</p> + +<p>En terwijl zij in snikken uitbarstte, viel zij in de armen der +maagden-van-Isis, en verscheurde zij hare sluiers, trok zich de haren +los, terwijl hare kreten snerpten:</p> + +<p>—Mijn ezel! Charis wil haar ezel! Charis wil niemand dan haar +ezel Charmides! <span class="pagenum">[<a id="xd0e2379" href= +"#xd0e2379">171</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"> +<h2 class="normal">XX.</h2> + +<p>Een hevige wanhoop maakte zich van mij meester. Wat, wilde Charis +dan wel den ezel blijven beminnen, maar niet den jongen man, wiens ziel +huisde in dat betooverde dierelijf?! En reeds wilde ik mijne handen +vouwen en Charis bezweren mij lief te hebben, die de zelfde toch was +als haar ezel geweest was, maar nu in vroegeren man- en menschvorm +herschapen, toen de opperpriester, groot, mild en wijs, mij met +éen gebaar tegen hield. En hij nam uit de zilveren vaas de +tweede, wijd ontlokene lotusbloem en Charis naderend, sprak hij:</p> + +<p>—Charis, gij die zoo trouw uw bruidegom bemint, wien geen ezel +gij ooit wildet zien maar een held uit den oorlog terug gekeerd, +ontvang deze heilzame en heilige bloem uit mijn hand en eet haar om tot +bezinning te komen....</p> + +<p>Aarzelend nam Charis de bloem aan, bezag haar, kuste haar zacht +omdat zij zoo schoon was en vroeg:</p> + +<p>—Moet ik zoo schoone bloem eten, o vader? Zie, hoe zij straalt +of er licht in schuilt, zie hoe zilverig de bloembladeren zich plooien +het een naast het andere: moet ik werkelijk zoo schoone bloem +eten....?</p> + +<p>De opperpriester sprak niet meer: hij glimlachte slechts met zijn +zachten, wijzen glimlach van grijsaard, die vele dingen van hemel en +aarde doorpeild heeft. Maar om haar heen namen de maagden de sistra en +zij tokkelden met de <span class="pagenum">[<a id="xd0e2393" href= +"#xd0e2393">172</a>]</span>staven de snaren en zij zongen en zij +bewogen in rhythmiesch beweeg rondom Charis, die steeds aarzelend, de +bloem in hare hand, om zich heen en naar de zingende en dansende +maagden zag en het scheen, die zuivere maat en die zilveren muziek +bewoog iets in hare half onnoozele ziel, dwong haar met zoeten dwang +iets te doen tegen haar eigenen wil in, want steeds omziende, +glimlachende, o zoo zoet haar kinderlach, hief zij hooger en hooger de +bloem aan hare lippen, zette als een roode vlinder hare lippen op den +kelk...</p> + +<p>En at de lotus....</p> + +<p>Mij was de bloem als versmolten, dadelijk, op mijn tong, die toen +nog die van een ezel was; ook Charis scheen de bloem op de tong te +smelten: de lange stengel viel haar uit de hand en als ontwakend uit +een slaap, die weken, maanden geduurd had, zag zij om zich heen, +vreemd, verbleekte als tot een schim en bezwijmde, zoo geleidelijk +zacht als smolt haar geheele lichaam en teêre ziel weg in het +niets van den dood. Ik sloeg een kreet van angst en ook Davus en de +zwijnen gromden heviger en tolden wanhopig om zichzelve rond als waren +ook zij bevreesd, voor de jonkvrouw, die, op eens ezels rug, hen +vóor was geijld op de wanhopige vlucht, in de regennacht, uit +Chersonezus’ verschrikkelijk paleis.</p> + +<p>Maar de Isis-maagden hadden Charis in hare zorgzame armen op +gevangen en op een wenk van den opperpriester droegen zij haar van +daar. En de heilige man zeide zacht:</p> + +<p>—Charmides, laat Charis eerst ontwaken uit hare bezwijming... +Heb geduld...</p> + +<p>Ik boog voor hem neêr, knielde, kuste den zoom van zijn +gewaad. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2405" href= +"#xd0e2405">173</a>]</span></p> + +<p>En hij naderde de drie zwijnen, terwijl Davus en ik ter zijde +weken.</p> + +<p>Zij tolden om hem rond en gromden; hij zeide:</p> + +<p>—Claudius Veturius....</p> + +<p>Een der zwijnen sprong op, de voorpooten hoog.</p> + +<p>—Gaudentius Rufus... zei de opperpriester.</p> + +<p>Een tweede zwijn knikte als wanhopiglijk met zijn kop en snorkte +hevig.</p> + +<p>—Euzebius Silvanus... noemde de opperpriester het derde +zwijn.</p> + +<p>En het bewoog hevig met den korten krulstaart, schudde zijn +borstelig lijf en gromde, maar eerbiediglijk, aan ’s priesters +voet...</p> + +<p>—Gij zijt alle drie genoeg gestraft voor uwe euveldaden, zeide +de priester. Gij hebt gestolen uit den Schat des Rijks; gij hebt +beschuldigd zonder reden wier ongeluk uw voordeel zoû zijn; +weduwen en weezen hebt gij doen lijden, maar, wat kwaads gij deedt, is +hersteld tijdens den tijd, dien gij zelve leedt. Gij kwaamt, door +Noodlot geleid, in Thessalië; Meroë is u verleideresse +geweest, en zoodra ge meendet in hare armen zalig te zijn, werd gij in +zwijnen vertooverd. Maar ik weet, dat gij tijdens uw dierlijken staat, +berouw hebt gevoeld over al uwe misdadigheid en dus....</p> + +<p>De opperpriester gaf een wenk: uit den tempel trad een priester, +houdende een vaas met drie amaryllisbloemen, maar zoo wit als de +lotussen waren geweest.</p> + +<p>—... Heeft uw lijden een einde, voltooide des opperpriesters +zachte, welluidende grijsaardsstem.</p> + +<p>En hij nam de drie bloemen en zeide:</p> + +<p>—Eet ze, Euzebius, Gaudentius en Claudius, want niet <span +class="pagenum">[<a id="xd0e2432" href="#xd0e2432">174</a>]</span>de +roode, de witte amaryllis alleen, geneest voor altijd van booze +betoovering.</p> + +<p>En de opperpriester bood den zwijnen, een voor een, de witte +amaryllis. Zij verslonden, een voor een, de bloemen tusschen hunne +nederig gestrekte zwijnssnuiten en o wonder, een voor een hieven zij, +ietwat moeizaam, zich recht en wij zagen voor ons drie senatoren, +Romeinen: Euzebius geheel kaal, kort, met een dikken buik; Gaudentius, +lang en mager met een treurigen mond, die hing in twee plooien +neêr; Claudius scheel en met een dikken neus, waarop een wrat. En +zij droegen, o wonder, hunne toga’s en voor den opperpriester +hadden zij dadelijk verkregen een zekere waardigheid van aanzienlijke +Romeinen, van senatoren, toch nederig en berouwvol om het bewustzijn, +zeker, dat wij allen hen als zwijnen hadden gekend. En zij knielden, en +ik met hen mede, en wij kusten allen den heiligen man zijn mantelzoom +en wij begaven ons met de priesters in het heiligdom, om de godin te +danken....</p> + +<hr class="tb"> +<p>Dien avond was het zoo zacht in de lucht als zweefde een godenadem +den tempel om. En ik zag de drie senatoren: zij zaten op een marmeren +bank in den tempeltuin, rustig en ik denk wel blijde en +bespraken—ik overluisterde hen even—hoe zij naar Rome terug +zouden keeren, waar Keizer Hadrianus en de Senaat zeker niets zouden +begrepen hebben van hunne lange afwezigheid. De een krabde aan zijn +kaal voorhoofd, de tweede loenschte scheler in moeizaam bedenken, de +derde wreef zich over zijn maag, na het menschelijk maal, dat zij juist +hadden genoten en ik hoorde Gaudentius zeggen: <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e2440" href="#xd0e2440">175</a>]</span></p> + +<p>—Nooit iets in Rome zeggen van wat ons is overkomen.</p> + +<p>—Niemand zoû het gelooven, zeide Claudius.</p> + +<p>—Ik geloof het zelf niet, zei Euzebius overmoedig.</p> + +<p>Ik liet de drie senatoren. Ik zelve geloofde wèl, vroom aan +Isis, vroom aan de Eleuzische goden en tevens, vol van liefde, liefde +als ik beter voelde als man nu dan als ezel destijds, voor Charis, mijn +zoete bruid. En terwijl ik, Davus, ginds, in een der kleine vertrekken, +die ons ter zijde van de tempelgebouwen waren toegewezen, zag slapen, +doodmoê nog, mijn arme knecht van den tocht, dien hij aan mijn +verdwenen ezelstaart had moeten volbrengen, dwaalde ik zelve vol +verlangen naar Charis om in de tuinen, terwijl het scheen, dat de +godenadem mij zoo zacht en weldadig omzweefde.... En voelde ik mij, in +dat verlangen naar mijn bruid, gelouterd, vroom afwachtende de dingen, +die komen zouden en wèl anders dan ik mij gevoeld had als de +dartele handelsreiziger, die ik eenmaal geweest was...</p> + +<p>Toen zag ik twee priesters: klaarblijkelijk zochten zij mij, want nu +zij mij zagen, kwamen zij op mij toe. De maan, heel zuiver, rees aan de +kim, over de verre, rotsige vlakte, die van uit de Isis-tuinen was te +zien, als een blankende, eindelooze woestijn....</p> + +<p>—Charmides... zeide mij een der priesters.</p> + +<p>—Wij zoeken u, zeide de andere; om u op bevel van onzen +heiligen vader tot Charis te voeren. Zij wacht u...</p> + +<p>Mijn hart sprong op naar mijn keel en ik bezwijmelde bijna van +geluk. De priesters, ik tusschen hen beiden, geleidden mij; door de +tuinen, achter den tempel om, langs de lange rij tempelgebouwen, +waarvoor de myrtehagen als tot groene schermen waren recht gesnoeid, +voerden de priesters mij tot ik eensklaps mij bevond in een prieel zoo +<span class="pagenum">[<a id="xd0e2457" href= +"#xd0e2457">176</a>]</span>tooverschoon, dat ik aan werkelijkheid niet +dadelijk gelooven kon. Een vijver, in het midden, bloeide in de blankte +van de rijzende maan, van de heilige lotus, die voor altijd onttooverde +wiens boete door de goden was aangenomen, maar de bloemen lagen niet +steeds op het water; de grootste, de allerzilverste rezen op langere +stengelen omhoog en schitterden tegen de nacht als sterren der aarde. +En rondom verhieven zich hoog de witte amaryllis-kelken als blanke +bekers van albast en alle de bloemen schenen de beginnende maneklaarte +in hare diepe ontvankelijkheden op te vangen en stráalden, +heilige tempelvaten gelijk.... En in dit gewijde prieel, achter, uit +een witzuilige gang, trad Charis mij te moet. Twee maagden geleidden +haar. Ik zag haar in de zacht blanke nachteklaarte naderen als een +teedere schim: zij was bleek en ernstig maar zoo lieflijk als ik nog +nimmer haar meende te hebben gezien: iets minder kind en meer vrouw, +schreed zij mij langzaam te moet: haar blonde haar omgaf zoo lieflijk +kuisch hare broze slapen en teêr, bleek gelaat; een witte peplos +plooide bijna als met lotusblankte van hare smalle schouders en langs +haar slanke heupen en als blauwe lotus bloeiden hare oogen op in den +blik, waarmeê zij mij zocht. En de twee maagden en de twee +priesters verdwenen ter zijde....</p> + +<p>—Charis! riep ik haar zacht.</p> + +<p>—Charmides! riep zij zacht mij toe.</p> + +<p>Ik naderde haar en onze armen hieven zich en wij omhelsden +elkaâr, innig en dicht.</p> + +<p>—Charis! zeide ik. Uit liefde voor je werd ik betooverd in den +vorm, dien je, zelve betooverd, lief kreegt.</p> + +<p>—Ik weet het, zeide zij. Ik weet alles. En het is alles goed +geweest. Charmides, ik heb je éen oogenblik, o een <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e2469" href="#xd0e2469">177</a>]</span>enkele +seconde, geloof ik nu, gezien zoo als ik je nu herken. Het was buiten +de poort van Hypata. Ik, in mijn draagstoel, volgde mijns vaders stoet. +Jij verscheent éen oogenblik mij ter zijde; je zaagt mij aan, ik +zag je aan... Meer was er niet... Toèn... liep er een ezel naast +mij, een oogenblik slechts... Toen... toen, herinner ik mij, draafde +Davus—ik heb hem herkend—op een ezel...</p> + +<p>—Op mij....</p> + +<p>—.... onzen stoet te gemoet... En weêrklonk je naam, o +Charmides!</p> + +<p>—En weêrklonk Charis’ naam....</p> + +<p>—Sedert had ik je, Charmides, lief. Chersonezus betooverde +mij, omdat ik hem niet wilde minnen en ik smachtte naar je.... En toen +je verscheent in een ezelvorm....</p> + +<p>—Aan hek en heining der grasweiden.. vol madelieven..</p> + +<p>—Herkende ik je aan je oogen en wist ik, dat je Charmides +was... En beminde ik je, als een ezel...</p> + +<p>—En verloofde Menedemus Charmides aan zijn dochter +Charis....</p> + +<p>Wij omhelsden elkaâr innig en dicht.</p> + +<p>—Vader leeft, zeide zij. Zij leven allen.... Wat wij zagen, +was vizioen....</p> + +<p>—Vizioen... herhaalde ik.</p> + +<p>—O, Charmides, zeide Charis. Wanneer gaan wij terug tot +hèn?</p> + +<p>—Morgen, beloofde mij de opperpriester, o Charis. Maar zal +Menedemus aan een koopmanszoon geven zijn prinsesje, zijn dochter +Charis....?</p> + +<p>—Hij zal Charis geven aan Charmides, die haar beminde en redde +uit veel gevaar, o Charmides.... <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e2497" href="#xd0e2497">178</a>]</span></p> + +<p>—O Charis....</p> + +<p>Onze namen, uit onze monden, klonken in een roep van liefde op. Onze +roepende monden vonden elkaâr in den eersten kus, dien wij, maagd +en man, elkander gaven. De maan rees hooger, straalde, heilige Isis +zelve, hooger in de hemelsche tuinen, waar de sterren als lotus +ontloken over de azuren hemelmeren en om ons heen, zilver en zuiver, +tinkelend en aangetokkeld met de dunne staven, weêrtrilden, +weêrtrillerden, de sistra melodie-vol in de vele handen der +onzichtbare maagden van den tempel en weêrklinkelden, +weêrklonken de even hellere schelletjes, en tikten hare tonen +neêr als met dauwdroppelen van teêrste muziek, terwijl de +aanzwellende stemmen op zongen ter eere van de goede godin....</p> + +<p>—O goden van Eleuzis! baden wij beiden, in ons beider +omhelzing. Gij behoeddet Charis en Charmides en wij zullen ons in +Eleuzis, o goden, doen wijden in uw heilig mysterie!</p> + +<hr class="tb"> +<p>Lezer, zoo is het gebeurd. Ik was een ezel en ben het niet meer. Wij +werden beiden, na ons huwelijk, ingewijd in Eleuzis’ +mysteriën. Ik ben opgenomen in de Broederschap van Isis en, in +mijn zoet geluk naast Charis, behoef ik, omdat ik de trouw heb geleerd +in zoo vele lotsverwisselingen, niet meer bevreesd te zijn ooit +weêr in een ezel veranderd te worden....</p> +</div> +</div> + +<div class="back"> +<div class="div1"> +<div class="figure"><img border="0" src="images/spine.jpg" alt= +"Oorspronkelijke rug." width="85" height="720"></div> + +<p> </p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/back.jpg" alt= +"Oorspronkelijke achterkant." width="536" height="720"></div> + +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> + +<h3>Beschikbaarheid</h3> + +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met +vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de +Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a class= +"exlink" title="Externe link" href="http://www.gutenberg.org/"> +www.gutenberg.org</a>.</p> + +<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie +team op <a class="exlink" title="Externe link" href= +"http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> + +<h3>Codering</h3> + +<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan +de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel +zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn +gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het +corr-element.</p> + +<h3>Documentgeschiedenis</h3> + +<ol class="lsoff"> +<li>2009-08-27 Begonnen.</li> +</ol> + +<h3>Externe Referenties</h3> + +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn +dat deze links voor u niet werken.</p> + +<h3>Verbeteringen</h3> + +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> + +<table width="75%" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in +de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e196">13</a></td> +<td width="40%">Hecate</td> +<td width="40%">Hekate</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e269">18</a></td> +<td width="40%">Cchremes</td> +<td width="40%">Chremes</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e517">29</a></td> +<td width="40%">Boeotië</td> +<td width="40%">Bœotië</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e992">64</a></td> +<td width="40%">Cice-schepter</td> +<td width="40%">Circe-schepter</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1119">74</a></td> +<td width="40%">elkaar</td> +<td width="40%">elkaâr</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1147">79</a></td> +<td width="40%">bepoeïerden</td> +<td width="40%">bepoeierden</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1492">99</a></td> +<td width="40%">.</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1810">125</a></td> +<td width="40%">beâamde</td> +<td width="40%">beaâmde</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's De verliefde ezel, by Louis Marie Anne Couperus + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VERLIEFDE EZEL *** + +***** This file should be named 29837-h.htm or 29837-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/9/8/3/29837/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> + diff --git a/old/29837-h/images/back.jpg b/old/29837-h/images/back.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..526dd9e --- /dev/null +++ b/old/29837-h/images/back.jpg diff --git a/old/29837-h/images/external.png b/old/29837-h/images/external.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ba4f205 --- /dev/null +++ b/old/29837-h/images/external.png diff --git a/old/29837-h/images/front.jpg b/old/29837-h/images/front.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..79b0c4f --- /dev/null +++ b/old/29837-h/images/front.jpg diff --git a/old/29837-h/images/logo.gif b/old/29837-h/images/logo.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e9f8b34 --- /dev/null +++ b/old/29837-h/images/logo.gif diff --git a/old/29837-h/images/spine.jpg b/old/29837-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2a2fe0a --- /dev/null +++ b/old/29837-h/images/spine.jpg |
