summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/29320-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '29320-8.txt')
-rw-r--r--29320-8.txt19801
1 files changed, 19801 insertions, 0 deletions
diff --git a/29320-8.txt b/29320-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..5f34cf7
--- /dev/null
+++ b/29320-8.txt
@@ -0,0 +1,19801 @@
+The Project Gutenberg EBook of Niels Holgersson's Wonderbare Reis, by
+Selma Lagerlöf and Margaretha Meijboom
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Niels Holgersson's Wonderbare Reis
+
+Author: Selma Lagerlöf
+ Margaretha Meijboom
+
+Release Date: July 5, 2009 [EBook #29320]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Niels Holgersson's wonderbare reis
+
+ Naar het Zweedsch
+
+ VAN
+
+ Selma Lagerlöf
+
+ Door
+
+ Margaretha Meijboom
+
+ (Geautoriseerde uitgaaf)
+
+
+ Tweede druk
+
+ Amsterdam
+
+ H. J. W. Becht
+
+
+
+
+
+
+ Boek-, courant- en steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+DE JONGEN.
+
+
+DE KABOUTER.
+
+
+Er was eens een jongen, die zoo ongeveer veertien jaar oud was, lang
+en mager en met vlashaar. Hij was eigenlijk een deugniet: hij had 't
+meeste pleizier in slapen en eten, en verder hield hij van kattekwaad.
+
+Nu was het een Zondagmorgen, en de ouders van den jongen waren bezig
+zich klaar te maken om naar de kerk te gaan. De jongen zelf zat in zijn
+hemdsmouwen op den rand van de tafel, en dacht er aan hoe heerlijk
+'t was, dat Vader en Moeder allebei weggingen, zoodat hij een paar
+uur lang zijn eigen baas zou zijn.
+
+"Nu kan ik Vaders geweer nemen en een beetje schieten, zonder dat
+iemand zich er meê hoeft te bemoeien," zei hij in zichzelf.
+
+Maar 't scheen wel, dat Vader de gedachten van den jongen geraden
+had, want juist toen hij op den drempel stond, klaar om heen te gaan,
+bleef hij staan en keerde zich om.
+
+"Nu je niet met Moeder en mij meê naar de kerk wilt gaan," zei hij,
+"vind ik, dat je de preek ten minste wel hier thuis lezen kunt. Wil
+je me beloven, dat je dat doen zult?"
+
+"Ja," zei de jongen, "dat kan ik wel doen." En hij dacht natuurlijk,
+dat hij niet meer lezen zou, dan waar hij lust in had.
+
+De jongen vond, dat hij Moeder nooit zoo voortvarend had gezien. In
+een wip was zij bij den boekenhanger, kreeg het preekenboek, en legde
+het klaar op de tafel bij het venster, opengeslagen bij de preek van
+den dag. Ze zocht in den bijbel den tekst van de preek op, en legde
+'t boek open naast het preekenboek. Toen trok zij den grooten leunstoel
+bij de tafel, waarin anders niemand dan Vader zitten mocht, en die 't
+vorige jaar op de verkooping in de pastorie van Vemmenhög was gekocht.
+
+De jongen zat er op den tafelrand over te denken, dat Moeder zich al
+te veel moeite gaf om de tafel in orde te maken, want dat hij niet
+van plan was meer dan één of twee bladzijden te lezen. Maar nu was
+het alweer, alsof Vader dwars door hem heen kon kijken. Hij ging op
+den jongen toe en zei streng:
+
+"Denk er nu om, dat je behoorlijk leest; want als we thuis komen,
+zal ik je elke bladzij overhooren, en als je wat overgeslagen hebt,
+kom je er niet gemakkelijk af."
+
+"De preek is veertien en een halve bladzij lang," zei Moeder, alsof
+ze de maat vol wou maken; "je mag wel gauw gaan zitten lezen, als je
+hem uit wilt krijgen."
+
+Toen gingen zij eindelijk heen, en toen de jongen hen in de deur stond
+na te kijken vond hij, dat hij in den val geloopen was. "Nu loopen ze
+er zich in te verheugen, dat zij 't zoo mooi in orde gemaakt hebben,
+dat ik den heelen tijd met mijn neus in die preek zitten moet,
+zoolang ze weg zijn."
+
+Maar Vader en Moeder verheugden zich in 't geheel niet; integendeel,
+ze waren heel bedroefd. Hij was een arme keuterboer, en hun hoeve
+was niet veel grooter dan een tuintje. Toen ze er in 't begin kwamen
+wonen, konden zij daar niet meer dan een varken en een paar kippen
+houden; maar ze waren bizonder vlijtige en knappe menschen, en nu
+hadden ze èn koeien, èn ganzen. Het was hun buitengewoon goed gegaan,
+en ze zouden tevreden en blij naar de kerk zijn gewandeld, als ze
+niet over hun zoon hadden hoeven denken. De vader klaagde er over,
+dat hij traag en lui was. In school had hij niets willen leeren,
+en hij was zoo onbruikbaar, dat men hem ternauwernood de ganzen kon
+laten hoeden. En Moeder kon niet ontkennen, dat dit waar was, maar
+zij was het meest bedroefd, omdat hij zoo wild en akelig was,--hard
+tegen de dieren en boosaardig tegenover de menschen.
+
+"God moge zijn boozen wil breken, en hem een ander hart geven,"
+zei ze. "Anders wordt hij een ongeluk voor zichzelf en de onzen."
+
+De jongen stond er lang over na te denken of hij de preek zou lezen of
+niet. Toen was hij met zichzelf overeengekomen, dat het 't beste was
+dezen keer gehoorzaam te zijn. Hij ging in den grooten leuningstoel
+zitten, en begon te lezen. Maar toen hij een poosje lang de woorden
+halfluid opgerabbeld had, was het alsof hij slaap kreeg van dat
+gerabbel, en hij merkte, dat hij knikkebolde.
+
+Buiten was het allerheerlijkst lenteweer. 't Was nog niet later in
+'t jaar dan de 20ste Maart, maar de jongen woonde in de gemeente
+West Vemmenhög, heel in 't zuiden van Skaane, en daar was de lente
+al in vollen gang. De boomen waren nog niet groen, maar alles stond
+frisch en vol knoppen. Er was water in alle greppels, en het hoefblad
+stond in bloei aan den kant van den greppel. Al 't kreupelhout, dat
+op het steenen walletje om den akker groeide, was bruin en glanzend
+geworden. Het beukenbosch in de verte stond als 't ware te zwellen,
+en werd ieder oogenblik dichter. De hemel was hoog en helder blauw. De
+huisdeur stond op een kier, zoodat men in de kamer de leeuweriken
+hoorde zingen. De kippen en ganzen liepen in den tuin, en de koeien,
+die zelfs in den stal de lentelucht voelden, begonnen nu en dan te
+loeien. De jongen las en knikkebolde, en streed tegen den slaap.
+
+"Neen, ik wil niet slapen," dacht hij, "want dan kom ik er den heelen
+morgen niet door."
+
+Maar hoe dat nu kwam--hij sliep in.
+
+Hij wist niet, of hij lang of kort geslapen had, maar hij werd wakker
+door een licht gedruisch achter hem. Op de vensterbank recht voor
+den jongen stond een spiegeltje, en daarin kon hij bijna de heele
+kamer zien. Juist toen nu de jongen het hoofd oplichtte, keek hij
+toevallig in den spiegel, en toen zag hij, dat de deksel van Moeders
+kist openstond.
+
+Nu had Moeder een groote, zware, met ijzer beslagen eikenhouten kist,
+die nooit iemand anders dan zijzelf mocht opendoen. Daar bewaarde
+Moeder alles, wat zij van haar moeder geërfd had, en waar zij bizonder
+goed op paste. Daar lagen een paar ouderwetsche boerinnenpakjes
+van rood laken met korte lijfjes en geplooide rokken, en met kralen
+versierd borststuk. Daar waren gesteven witte hoofddoeken en zware
+zilveren broches en kettingen. De menschen wilden nu zooiets niet
+meer dragen, en Moeder had er al vaak aan gedacht, die oude dingen
+weg te doen, maar zij had het niet over haar hart kunnen verkrijgen.
+
+Nu zag de jongen in den spiegel heel duidelijk, dat de deksel van
+die kist open stond. Hij kon niet begrijpen hoe dat gekomen was,
+want Moeder had de kist afgesloten, eer ze heenging. 't Zou Moeder
+niet overkomen, dat zij de kist open liet, als hij alleen thuis was.
+
+Hij vond het griezelig. Hij was bang, dat een dief de kamer was
+binnengeslopen. Hij durfde zich niet verroeren, maar zat stil in den
+spiegel te staren.
+
+Terwijl hij zoo zat te wachten, tot de dief zich vertoonen zou, begon
+hij er zich over te verwonderen, wat dat toch voor een schaduw was,
+die over den rand van de kist viel. Hij keek en keek, en kon zijn
+oogen bijna niet gelooven. Maar wat in 't begin maar een schaduw was,
+werd al duidelijker, en hij merkte al gauw, dat het iets werkelijks
+was. 't Was niet meer of minder dan een kabouter, die als een ruiter
+te paard op den rand van de kist zat.
+
+De jongen had wel over kabouters hooren spreken, maar hij had nooit
+gedacht, dat zij zóó klein konden zijn. Hij, die daar op den rand
+van de kist zat, was niet grooter dan een handbreed. Hij had een oud,
+rimpelig gezicht, zonder baard, en droeg een zwarten rok, korte broek
+en een zwarten hoed met breeden rand. Hij was heel netjes en keurig
+met witte kant om hals en mouwen, gespen op de schoenen, en kousebanden
+met rozetten dichtgeknoopt. Hij had uit de kist een geborduurd mutsje
+genomen, en zat zóó aandachtig naar het ouderwetsche werk te kijken,
+dat hij niet gemerkt had, dat de jongen wakker geworden was.
+
+De jongen was heel verbaasd, toen hij den kabouter zag, maar zoo erg
+bang werd hij niet. 't Was onmogelijk om bang voor iemand te worden,
+die zoo klein was. En omdat de kabouter daar zoo in gedachten verdiept
+zat, dat hij niets zag of hoorde, dacht de jongen, dat het grappig
+zou zijn hem een poets te spelen: hem in de kist te duwen, en den
+deksel dicht te klappen, of zoo iets.
+
+Maar de jongen was toch niet zoo moedig, dat hij den kabouter durfde
+aan te raken met zijn handen; hij keek in de kamer rond naar iets,
+waar hij hem een stootje meê geven kon. Hij liet zijn oogen van de
+klaptafel naar de kachel gaan, en van de kachel naar de klaptafel. Hij
+keek naar de pannen en de koffiekan, die op een plank naast de kachel
+stonden, naar den wateremmer bij de deur, en naar lepels, en messen,
+en vorken, en schalen, en borden, die door de halfopen kastdeur te
+zien waren. Hij keek op naar Vaders geweer, dat aan den wand naast de
+portretten van de Deensche koningsfamilie hing, en naar de geraniums
+en fuchsia's, die in 't venster bloeiden. Eindelijk viel zijn oog op
+een oud kapellennet, dat aan het kozijn hing.
+
+Nauwelijks had hij het net in het oog gekregen, of hij trok het naar
+zich toe, sprong op, en zwaaide het over den kant van de kist. En hij
+was zelf verbaasd, dat het hem zoo meeliep. Hij begreep bijna niet,
+hoe hij dat klaar gespeeld had, maar hij had werkelijk den kabouter
+gevangen. De stumper lag onder in het lange net, met het hoofd naar
+beneden, en kon niet naar boven komen.
+
+In 't eerst wist de jongen heelemaal niet, wat hij met zijn vangst
+beginnen zou. Hij vond het alleen vermakelijk het net heen en weer
+te zwaaien, zoodat de kabouter geen gelegenheid zou hebben naar boven
+te kruipen.
+
+De kabouter begon te praten, en smeekte zoo innig om vrij te komen. Hij
+had hun zooveel jaren lang goed gedaan, en was een beter behandeling
+waard. Als de jongen hem nu losliet, zou hij hem een ouden rijksdaalder
+geven en een zilveren lepel en een gouden munt, zoo groot als de kast
+van zijn vaders horloge.
+
+De jongen vond niet, dat dit bod groot genoeg was, maar het was hem
+zoo gegaan--nu hij den kabouter in zijn macht had--was hij bang voor
+hem geworden. Hij merkte, dat hij met iets vreemds en griezeligs in
+aanraking gekomen was, en hij was maar blij, dat hij van dat duivelsche
+gedoe weer afkomen kon.
+
+Hij ging daarom dadelijk op den koop in, en hield het net stil, zoodat
+de kabouter er uit kruipen kon. Maar toen die er bijna uitgekropen
+was, viel het den jongen in, dat hij grooter schatten had moeten
+bedingen, en alle mogelijke heerlijkheden. Ten minste had hij dit
+moeten bedingen, dat de kabouter hem de preek in 't hoofd zou tooveren.
+
+"Wat was ik dom, dat ik hem vrij liet," dacht hij, en hij begon het
+net te schudden, opdat de kabouter weer naar beneden zou vallen.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik, dat de jongen dat deed, kreeg hij zoo'n
+vreeselijke oorvijg, dat hij meende, dat zijn hoofd in stukken zou
+springen. Hij vloog eerst tegen den eenen wand, en toen tegen den
+anderen, en eindelijk viel hij op den grond, en bleef daar bewusteloos
+liggen.
+
+Toen hij weer bijkwam, was hij alleen in de kamer. Hij zag geen
+spoor meer van den kabouter. De deksel van de kist was gesloten,
+en het net hing weer op zijn gewone plaats in het venster. Als hij
+niet gevoeld had, hoe zijn rechterwang gloeide van de oorvijg, zou
+hij in de verzoeking gekomen zijn te gelooven, dat alles maar een
+droom geweest was.
+
+"Vader en Moeder zullen in alle geval wel beweren, dat het niet
+anders geweest is," dacht hij. "Zìj zullen wel niets van de preek
+willen aftrekken om den kabouter. Het is het beste, dat ik maar gauw
+ga zitten lezen."
+
+Maar toen hij nu naar de tafel ging, merkte hij wat wonderlijks
+op. De kamer kon toch niet gegroeid zijn! Maar hoe kwam het dan, dat
+hij zooveel meer stappen moest doen dan gewoonlijk om bij de tafel te
+komen? En wat bezielde den stoel? Die zag er niet grooter uit dan zoo
+pas. Maar hij moest eerst op de sporten tusschen de pooten klimmen en
+dan verder klauteren om op de zitting te komen. En 't ging al net zoo
+met de tafel. Hij kon niet over het blad van de tafel heen kijken,
+zonder op de leuning van den stoel te klimmen.
+
+"Wat in de wereld is dat toch!" zei de jongen. "Ik geloof, dat de
+kabouter den leuningstoel en de tafel en de heele kamer betooverd
+heeft."
+
+'t Preekenboek lag op de tafel, en schijnbaar was het precies als
+anders, maar daar moest toch ook iets aan mankeeren, want hij kon er
+geen woord in lezen, zonder gewoon weg op het boek te gaan staan.
+
+Hij las een paar regels, maar toen keek hij toevallig op. Daardoor
+viel zijn oog op den spiegel, en toen riep hij hardop: "Kijk, daar
+is er nog een!"
+
+Want in den spiegel zag hij duidelijk een klein, klein kaboutertje,
+gekleed met een slaapmutsje en een leeren broek aan. "Die is
+precies gekleed als ik," zei de jongen, en sloeg de handen in elkaar
+van verbazing. Maar toen zag hij, dat de kabouter in den spiegel
+hetzelfde deed.
+
+Toen begon hij zich aan zijn haren te trekken en zich in de armen te
+knijpen en rond te draaien, en oogenblikkelijk deed hij daar in den
+spiegel het hem na.
+
+De jongen sprong een paar keer rond, om te zien of er een of ander
+klein kereltje achter hem stond. Maar hij vond niemand--en toen begon
+hij van schrik te beven. Want nu begreep hij, dat de kabouter hem
+betooverd had, en dat de kabouter, dien hij daar in den spiegel zag,
+niemand anders was dan hijzelf.
+
+
+
+
+DE WILDE GANZEN.
+
+
+De jongen kon maar niet gelooven, dat hij in een kabouter veranderd
+was.
+
+"'t Is zeker maar een droom--of verbeelding," dacht hij. "Als ik even
+wacht, word ik wel weer een mensch."
+
+Hij ging voor den spiegel staan, en sloot de oogen. Hij opende ze
+eerst na een paar minuten, en verwachtte toen, dat het weer over zou
+zijn. Maar dat was niet zoo: hij was en bleef even klein. Overigens
+was hij precies, zooals hij geweest was. Het lichte vlashaar en de
+zomersproeten op neus en lippen, de lappen op zijn leeren broek en
+de stoppen in zijn kousen, alles was precies eender; alleen was alles
+kleiner geworden.
+
+Neen, stil te staan en te wachten tot het overging, dat diende nergens
+voor; dat merkte hij wel. Hij moest wat anders probeeren. En het
+verstandigste wat hij doen kon, was, meende hij, den kabouter op te
+zoeken en zich met hem te verzoenen.
+
+Hij sprong op den grond, en begon te zoeken. Hij keek achter stoelen
+en kasten, en onder de slaapsofa, en in den oven. Hij kroop zelfs in
+een paar rattegaten, maar hij kon den kabouter niet vinden.
+
+Onder het zoeken schreide hij en smeekte, en beloofde alle mogelijke
+dingen. Hij zou nooit weer zijn woord breken tegenover iemand, nooit
+zou hij weer ondeugend zijn, nooit weer slapen onder de preek. Als
+hij maar weer een mensch mocht worden, zou hij zoo'n beste, lieve,
+gehoorzame jongen zijn. Maar wat hij ook beloofde, het hielp hem
+geen zier.
+
+Op eens kwam het hem in de gedachte, dat hij Moeder had hooren zeggen,
+dat 't kleine volkje gewoonlijk in den koestal woonde, en hij besloot
+dadelijk daarheen te gaan, om te zien of hij daar den kabouter niet
+kon vinden. 't Was een geluk, dat de huisdeur op een kier stond,
+want hij zou niet bij het slot hebben kunnen komen om die open te
+doen. Maar nu kwam hij er zonder bezwaar door.
+
+Toen hij in de gang kwam, keek hij rond naar zijn klompen, want
+in de kamer had hij natuurlijk op kousen geloopen. Hij dacht er
+met verwondering over, hoe hij zich redden zou met die groote,
+lompe klompen, maar op 't zelfde oogenblik zag hij een paar kleine
+klompjes op den drempel staan. Toen hij merkte, dat de kabouter zoo
+zorgvuldig geweest was, dat hij zelfs zijn klompen veranderd had,
+werd hij nog angstiger. 't Scheen wel de bedoeling te zijn, dat al
+dit akelige lang zou duren.
+
+Op de oude eikenhouten plank, die voor de gangdeur lag, sprong een
+musch rond. Nauwelijks kreeg hij den jongen in 't oog, of hij riep:
+"Tiliet! tiliet! Kijk eens naar Niels den ganzenjongen! Kijk eens
+naar klein Duimpje! Kijk eens naar Niels Holgersson, klein Duimpje!"
+
+Dadelijk keken de ganzen en de kippen naar den jongen, en daar begon
+een geweldig gekakel: "Kukeleku!" kraaide de haan, "dat is zijn
+verdiende loon. Kukeleku! hij heeft mij aan mijn kam getrokken!"
+
+"Ka, ka, ka! Dat is zijn verdiende loon!" riepen de kippen, en dat
+riepen ze maar al door.
+
+De ganzen liepen naar elkaar toe, staken de koppen bij elkaar en
+vroegen: "Wie kan dat gedaan hebben? Wie kan dat gedaan hebben?"
+
+Maar het vreemdste van alles was, dat de jongen verstond wat ze
+zeiden. Hij was zoo verbaasd, dat hij op het stoepje bleef staan
+luisteren.
+
+"Dat komt zeker, omdat ik in een kabouter ben veranderd," zei
+hij. "Daarom zeker versta ik nu de taal van de vogels." Hij vond het
+onuitstaanbaar, dat de kippen maar niet ophielden te roepen, dat het
+zijn verdiende loon was. Hij gooide ze met een steen en riep. "Houdt
+je stil, schooiers!"
+
+Maar hij had er niet aan gedacht, dat hij niet meer zoo was, dat de
+kippen bang voor hem hoefden te wezen. De heele troep kippen rende
+op hem toe, ging om hem heen staan en riep: "Ka, ka, ka! dat is je
+verdiende loon! ka, ka, ka! dat is je verdiende loon."
+
+De jongen probeerde weg te komen, maar de kippen vlogen hem na, en
+schreeuwden, zoodat hij er bijna doof van werd. Hij was zeker nooit
+van hen afgekomen, als de huiskat er niet aan was gekomen. Zoodra
+de kippen de kat zagen, werden ze stil en deden, alsof ze nergens
+aan dachten dan aan krabben in den grond om eten te zoeken. De
+jongen sprong dadelijk op de kat toe. "Lieve, beste poes," zei hij,
+"je kent zeker wel alle hoekjes en gaatjes hier op de plaats. Wees
+nu eens lief en vertel me, waar ik den kabouter kan vinden."
+
+De kat antwoordde niet dadelijk. Zij zette zich neer, legde den
+staart sierlijk om haar pootjes, en staarde den jongen aan. 't Was
+een groote, zwarte kat met een witte vlek op de borst. Heur haar lag
+glad en glansde in den zonneschijn. Zij had de klauwen ingetrokken,
+en haar oogen waren egaal grijs, met enkel een klein smal spleetje
+in het midden. De kat zag er innig bescheiden uit.
+
+"Ik weet wel, waar de kabouter woont," zei ze met een zachte stem;
+"maar 't is niet zeker, dat ik je dat vertellen wil."
+
+"Lieve poes, je mag me wel helpen," zei de jongen. "Zie je niet,
+hoe hij me betooverd heeft?"
+
+De kat deed de oogen wat wijder open, zoodat het groene en leelijke
+er in begon uit te komen. Ze spon en snorde van genoegen, vóór ze
+antwoordde. "Moet ik je misschien helpen, omdat je mij zoo dikwijls
+aan mijn staart getrokken hebt?" vroeg ze eindelijk.
+
+Toen werd de jongen boos, en vergat heelemaal hoe klein en machteloos
+hij nu was. "Ik kan je nog wel eens aan je staart trekken!" zei hij
+en sprong op de kat toe.
+
+Maar opeens was de kat zoo veranderd, dat de jongen nauwelijks kon
+gelooven, dat het 't zelfde dier was. Ieder haar op haar lichaam
+stond overeind. Ze zette een hoogen rug, de pooten werden langer, de
+klauwen sloeg ze in den grond, haar staart was kort en dik geworden,
+haar ooren lagen achteruit, de mond blies, de oogen stonden wijd open,
+en ze gloeiden als rood vuur.
+
+De jongen wou zich niet laten bang maken door een kat, en deed een
+stap vooruit. Maar toen nam de kat een sprong, kwam boven op den
+jongen neer, gooide hem onderste boven, en ging over hem heen staan
+met de voorpooten op zijn borst, en den bek open boven zijn keel.
+
+De jongen voelde hoe de klauwen door zijn vest en hemd in zijn
+huid drongen, en hoe de scherpe hoektanden zijn keel kietelden. Hij
+schreeuwde om hulp, zoo hard hij kon.
+
+Maar niemand kwam, en hij geloofde vast, dat zijn laatste uur geslagen
+was. Toen voelde hij, dat de kat haar klauwen introk en zijn keel
+losliet.
+
+"Zie zoo," zei ze, "nu is 't genoeg! Ik zal je dezen keer nog loslaten
+ter wille van de vrouw. Ik wilde alleen maar, dat je weten zou,
+wie van ons beiden nu de baas is."
+
+Met die woorden liep de kat weg, en zag er weer even glad en
+zachtzinnig uit, als toen ze kwam. De jongen was zoo beschaamd,
+dat hij geen woord zei, maar zich haastte naar den koestal om den
+kabouter te zoeken. Daar waren niet meer dan drie koeien. Maar toen
+de jongen binnenkwam, begon er een gebrul en een spektakel, zoodat
+men best kon denken, dat er minstens dertig waren.
+
+"Boe, boe, boe," loeide Meiroos. "Het is maar goed, dat er
+rechtvaardigheid in de wereld is."
+
+"Boe, boe, boe!" hieven ze alle drie aan. Hij kon niet hooren wat ze
+zeiden, zoo overschreeuwden ze elkaar.
+
+De jongen wilde naar den kabouter vragen, maar hij kon zich niet
+verstaanbaar maken, omdat de koeien in volslagen oproer waren. Zij
+gedroegen zich, zooals ze gewoonlijk deden, als hij een vreemden hond
+bij hen binnen liet. Ze sloegen met de achterpooten, schudden hun
+halskettingen, keerden de koppen naar buiten en dreigden met de horens.
+
+"Kom jij maar eens hier," zei Meiroos, "dan kun je een trap krijgen,
+die je vooreerst niet vergeten zult."
+
+"Kom hier," zei Goudlelie, "dan mag je dansen op mijn horens."
+
+"Kom hier! dan zul je eens voelen hoe dat was, toen je mij met je
+klompen gooide verleden zomer!" loeide Sterre.
+
+"Kom hier, dan zal ik je de wesp betaald zetten, die je me in 't oor
+gestopt hebt," schreeuwde Goudlelie.
+
+Meiroos was de oudste en wijste van allen, maar zij was 't allermeeste
+boos.
+
+"Kom eens hier," zei ze, "dan zal ik je al de keeren betaald zetten,
+dat je den melkstoel onder je moeder hebt weggerukt, en al de keeren,
+dat je haar over je beenen hebt laten vallen, als zij met den melkemmer
+aankwam, en al die tranen, die ze hier om jou heeft geschreid."
+
+De jongen wilde hem zeggen, dat hij er berouw van had, dat hij zoo
+leelijk tegen hen had gedaan, en dat hij nooit anders dan goed voor hen
+wezen zou, als ze hem maar zeggen wilden, waar de kabouter was. Maar
+de koeien luisterden niet naar hem. Ze maakten zulk een spektakel,
+dat hij bang was, dat een van hen zich los zou rukken, en hij meende,
+dat het maar het beste was uit den koestal weg te sluipen.
+
+Toen hij weer buiten kwam, was hij recht moedeloos. Hij kon wel
+begrijpen, dat niemand op de hoeve hem wou helpen om den kabouter te
+vinden. En het zou ook wel niet veel helpen, al vond hij hem.
+
+Hij kroop op den breeden steenwal, die rond om hun hoeve lag en
+begroeid was met dorens en braamstruiken. Daar ging hij zitten om
+er over te denken, hoe het gaan zou, als hij niet weer een mensch
+werd. Als nu Vader en Moeder uit de kerk thuis kwamen, zouden ze
+wel héél verbaasd zijn. Ja, de verbazing zou over het geheele land
+gaan, en de menschen zouden komen van Oost Vemmenhög en van Torp en
+van Skurup, van 't heele ambt Vemmenhög zouden ze komen om hem te
+bekijken. En misschien zouden Vader en Moeder hem meênemen, om hem
+op de markt te Vivik te vertoonen.
+
+Neen dat was àl te vreeselijk om aan te denken. Hij wou het liefste,
+dat maar nooit meer iemand hem zien zou.
+
+Het was toch verschrikkelijk, zoo ongelukkig als hij was. Niemand in
+de wereld was zóó ongelukkig als hij. Hij was geen mensch meer, maar
+een wonder. Hij begon zoo langzamerhand te begrijpen, wat het zeggen
+wou: geen mensch meer te zijn. Hij was nu van alles gescheiden: hij
+kon niet meer met andere jongens spelen; hij kon later de hoeve niet
+van zijn ouders overnemen; en hij kon zeker geen enkel meisje vinden,
+dat met hem trouwen wou.
+
+Hij zat naar zijn huis te kijken. 't Was een klein, wit gepleisterd
+boerenhuisje in kruisvorm gebouwd, en het lag als neêrgedrukt in het
+veld onder het hooge schuine stroodak. De bijgebouwtjes waren ook
+klein, en de akkers waren zoo klein, dat een paard er zich nauwelijks
+kon omkeeren.
+
+Maar hoe klein en armoedig het plaatsje ook was, nu was het nog veel
+te goed voor hem. Hij kon geen beter woning begeeren dan een gat
+onder den vloer in den stal.
+
+'t Was wonderlijk mooi weer: de knoppen begonnen te zwellen, en om
+hem heen was geruisch en gekwinkeleer. Maar hij zat in bitter verdriet
+verzonken. Hij zou nooit meer ergens blij om zijn.
+
+Hij had nog nooit den hemel zóó blauw gezien als dien dag. En de
+trekvogels kwamen aanvliegen. Ze kwamen uit het buitenland en waren
+over de Oostzee gereisd, recht op Smygehuk aan, en nu waren ze op weg
+naar het noorden. Er waren zeker vogels van allerlei soort; maar hij
+kende geen andere dan de wilde ganzen, die aankwamen in twee lange
+rijen, die in een hoek samenvielen.
+
+Verscheidene troepen wilde ganzen waren al voorbij gekomen. Ze
+vlogen hoog in de lucht; maar hij kon toch hooren hoe ze riepen:
+"Nu gaan we naar de rotsen! We gaan naar de rotsen!"
+
+Toen de wilde ganzen de tamme ganzen zagen, die op de plaats liepen,
+riepen ze: "Kom mee! Kom mee! Nu gaan we naar de rotsen!"
+
+De tamme ganzen konden niet laten de koppen op te steken en te
+luisteren. Maar ze antwoordden heel verstandig: "Wij hebben het goed
+hier; wij hebben het goed hier!"
+
+'t Was, zooals we zeiden, een heerlijk mooie dag, met een lucht, zóó
+frisch en licht, dat het een waar genot moest zijn te vliegen. En
+bij iederen troep wilde ganzen, die voorbij vloog, werden de tamme
+ganzen onrustiger. Een paar keer klapwiekten zij, alsof ze lust kregen
+om meê te gaan. Maar dan zei altijd een van de oude ganzenmoeders:
+"Wees nu niet dwaas. Die daar zullen nog honger en kou lijden."
+
+Er was één onder de jonge ganzeriken, die door 't roepen van de
+wilde ganzen een grooten lust tot reizen had gekregen: "Als er nog
+één troep komt, ga ik meê," zei hij.
+
+En toen kwam er een nieuwe troep, en riep als de andere: "Kom meê,
+kom meê!"
+
+Toen antwoordde de jonge ganzerik: "Wacht even, wacht even, ik kom!"
+
+Hij sloeg de vleugels uit, en hief zich op in de lucht; maar hij was
+zoo weinig gewend te vliegen, dat hij weer op het veld viel.
+
+De wilde ganzen hadden zijn roepen zeker gehoord. Zij keerden om en
+vlogen langzaam terug, om te zien, of hij kwam.
+
+"Wacht even! Wacht even!" riep hij en probeerde het weer. Dat alles
+hoorde de jongen, waar hij zat.
+
+"'t Zou toch geducht jammer zijn, als die groote ganzerik wegvloog. Wat
+zouden Vader en Moeder bedroefd zijn, als ze uit de kerk kwamen,
+en merkten, dat hij weg was."
+
+Toen hij daaraan dacht, vergat hij weer heelemaal, dat hij klein en
+onmachtig was. Hij stond met een sprong midden tusschen de ganzen,
+en sloeg de armen om den hals van den ganzerik.
+
+"Je zult het wel laten om weg te vliegen," riep hij. Maar juist op
+dat oogenblik was de ganzerik er achter gekomen, hoe hij doen moest
+om van den grond op te vliegen. Hij kon niet ophouden om den jongen
+af te schudden, zoodat die mee de lucht in moest.
+
+'t Ging zóó snel in de hoogte, dat de jongen rilde. Eer hij er aan
+dacht, dat hij de gans los moest laten, was hij zóó hoog gekomen,
+dat hij doodgevallen zou zijn, als hij op den grond was neergekomen.
+
+Het eenige, wat hij doen kon om het wat beter te hebben, was probeeren
+om op den rug van den gans te komen. En daar kroop hij ook op, maar
+niet zonder groote moeite. En ook was het geen kleinigheid zich
+in balans te houden op dien gladden ganzerug, tusschen de twee op
+en neer slaande vleugels. Hij moest diep in de veeren en het dons
+grijpen met beide handen, om niet naar beneden te tuimelen.
+
+
+
+
+DE GERUITE DOEK.
+
+
+De jongen werd zoo bedwelmd, dat hij lang niet wist wat er met hem
+gebeurde. De lucht huilde en suisde hem te gemoet, de vleugels sloegen
+op en neer, en door de veeren bruiste het alsof er een heele storm
+was. Dertien ganzen vlogen om hem heen. Alle fladderden en kakelden,
+alles draaide voor zijn oogen, en 't suisde in zijn ooren. Hij wist
+niet, of ze hoog of laag vlogen, of waar ze heen gingen. Eindelijk
+kwam hij zoover bij, dat hij begreep, dat hij op moest letten, waar
+de ganzen hem heen brachten. Maar dat was niet zoo gemakkelijk, want
+hij wist niet, hoe hij ooit naar beneden zou durven kijken. Hij wist
+zeker, dat hij duizelig zou worden, als hij dat probeerde.
+
+De wilde ganzen vlogen niet heel hoog, omdat hun nieuwe reiskameraad
+in de allerfijnste lucht geen adem kon halen. Om hem vlogen zij ook
+wat langzamer dan gewoonlijk.
+
+Eindelijk dwong de jongen zich even naar de aarde beneden te
+kijken. Toen was 't hem, alsof er een groote doek onder hem lag
+uitgespreid, verdeeld in een ongeloofelijke massa kleine en groote
+ruiten.
+
+"Waar in de wereld ben ik nu gekomen?" vroeg hij zich verbaasd af.
+
+Hij zag niets dan ruit aan ruit. Sommige waren schuin en sommige
+langwerpig, maar overal waren er hoeken en rechte lijnen. Niets was
+rond, en niets was er puntig.
+
+"Wat is dat voor een groote geruite doek, dien ik daar beneden
+zie?" zei de jongen in zichzelf, zonder van iemand antwoord te
+verwachten.
+
+"Akkers en weiden, akkers en weiden!" riepen dadelijk de wilde ganzen,
+die om hem heen vlogen.
+
+Toen begreep hij, dat de groote geruite doek de platte grond van Skaane
+was, waar hij nu over heen vloog. En hij begon te begrijpen waarom
+die er zoo geruit uitzag, en zoo veel kleuren had. De lichtgroene
+ruiten herkende hij het eerst; dat waren de roggeakkers, die in
+het vorige najaar bezaaid waren, en onder de sneeuw groen waren
+gebleven. De geelgrijze waren de stoppelvelden, waar den vorigen
+zomer koren gestaan had; de bruinachtige waren oude klavervelden, en
+de zwarte waren leege weilanden of opgehoogde tuinbedden. De ruiten,
+die bruin waren met gele randen, waren zeker beukenbosschen, want
+daartusschen staan de groote boomen, die midden in 't bosch groeien,
+kaal in den winter; maar de kleine beukjes aan den kant van het bosch,
+behouden hun dorre gele blaadjes tot aan 't voorjaar. Daar waren ook
+donkere ruiten met grijs in het midden: dat waren de groote hoeven in
+het vierkant gebouwd, met de zwartgeworden stroodaken en de steenen
+plaatsen in 't midden. En dan waren er ruiten, groen in 't midden en
+met bruin omzoomd: dat waren de tuinen, waar 't gras al begon groen
+te worden, terwijl de struiken en boomen er om heen nog naakt in hun
+bruinen bast stonden.
+
+De jongen kon niet laten te lachen, toen hij zag, hoe alles geruit was.
+
+Maar toen de wilde ganzen hem hoorden lachen, riepen ze als
+bestraffend: "Vruchtbaar en goed land! Vruchtbaar en goed land!"
+
+De jongen was al weer ernstig geworden: "Hoe kan jij nu lachen! Jij,
+wien 't allerergste is overkomen, wat een mensch gebeuren kan!" dacht
+hij.
+
+Hij bleef een poos ernstig, maar gauw begon hij weer te
+lachen. Naarmate hij aan het vliegen en de sterke vaart was gewoon
+geraakt, zoodat hij aan iets anders kon denken, dan aan het zich in
+evenwicht houden op den ganzerug, begon hij op te merken, hoe vol de
+lucht was van vluchten vogels, die naar het noorden vlogen. Er was
+een roepen en schreeuwen van de eene vlucht naar de andere: "Zoo,
+zoo! zijn jelui vandaag gekomen?" riepen sommigen. "Ja, dat zijn we,"
+antwoordden de ganzen.
+
+"Wat denk jelui van den winter?"
+
+"Geen blad aan de boomen en koud water in de meren," klonk het
+antwoord.
+
+Toen de ganzen over een hoeve vlogen, waar tam gevogelte buiten liep,
+riepen ze: "Hoe heet de hoeve? Hoe heet de hoeve?"
+
+Toen stak de haan den kop op, en antwoordde: "De hoeve heet Lillgärde,
+van 't jaar als verleden jaar, van 't jaar als verleden jaar."
+
+De meeste hoeven heetten naar de eigenaars, zooals gewoonlijk in
+Skaane, maar in plaats van te antwoorden, dat het de hoeve van Per
+Mattson of Ola Persson was, bedachten de hanen namen, die zij gepast
+vonden. Zij, die op armoedige hoevetjes of keuterboerderijtjes woonden,
+riepen: "Deze hoeve heet "Grutteloos"." En zij, die op de allerarmste
+woonden, riepen: "Deze heet "Deugt niet veel, Deugt niet veel! Deugt
+niet veel!""
+
+De groote, welgestelde boerenhoeven kregen mooie namen van de hanen,
+als b.v.: "Geluksveld, Eierberg en Geldstad."
+
+Maar de hanen van de groote buitens waren te deftig om wat grappigs te
+verzinnen. Een van hun kraaide en riep zóó hard, alsof hij zich tot
+geheel op de zon wou laten hooren: "Dit is 't landgoed Dybeck! Van
+'t jaar als verleden jaar, van 't jaar als verleden jaar!"
+
+En wat verder op stond er een te roepen: "Dit is Zwanenholm. Dat moet
+de heele wereld weten!"
+
+De jonge merkte, dat de ganzen niet rechtuit voortvlogen. Zij zweefden
+heen en weer over de heele provincie Söderslätt, alsof ze blij waren,
+dat ze weer in Skaane waren, en iedere hoeve wilden begroeten.
+
+Ze kwamen bij een plaats, waar een stuk of wat groote, zware gebouwen
+stonden met hooge schoorsteenen, en daaromheen veel kleine huisjes:
+"Dit is de suikerfabriek Jordberga," riepen de hanen. "Dit is de
+suikerfabriek Jordberga!"
+
+De jongen richtte zich met een ruk op. Die plaats had hij toch moeten
+kennen. Die lag niet ver van zijn huis, en 't vorige jaar was hij daar
+herdersjongen geweest. Maar alles zag er toch zoo heel anders uit,
+als je het van boven af zag.
+
+En stel je voor! Asa 't ganzenmeisje, en de kleine Mads, zijn kameraden
+van verleden jaar! De jongen zou graag willen weten, of ze er nog
+waren. Wat zouden ze wel zeggen, als ze wisten, dat hij zoo hoog over
+hun hoofden heen vloog?
+
+Toen verloren ze Jordberga uit het oog, en vlogen over dalen en meren
+en kloosters en bergen. De jongen zag meer van Skaane op dien eenen
+dag, dan hij ooit in zijn heele leven gezien had.
+
+Als de wilde ganzen tamme ganzen zagen, hadden ze 't allermeest
+pleizier. Dan vlogen ze heel langzaam en riepen naar beneden:
+"Nu gaan we naar de rotsen. Gaan jelui meê, gaan jelui meê?"
+
+Maar de tamme ganzen antwoordden: "De winter is nog in 't land. Jelui
+zijn te vroeg! Ga terug, ga terug!"
+
+De wilde ganzen vlogen nog lager om beter gehoord te worden, en riepen:
+"Ga meê, dan zullen we jelui leeren vliegen en zwemmen!"
+
+Dan werden de tamme ganzen boos, en antwoordden niet, zelfs niet
+met gekakel.
+
+Maar de wilde ganzen kwamen nog lager, zoodat ze het veld bijna
+raakten, en dan vlogen ze omhoog als pijlen uit een boog, alsof ze
+vreeselijk schrikten: "O! O! O!" riepen ze. "'t Waren geen ganzen! 't
+Waren maar schapen, 't waren maar schapen!"
+
+De ganzen beneden op 't veld werden heelemaal woest, en schreeuwden:
+"'k Wou, dat jelui geschoten werden, allemaal! Allemaal!"
+
+Toen de jongen al die plagerij hoorde, lachte hij. En dan dacht hij
+er aan, hoe 't nu met hem was--en dan schreide hij weer. Maar na een
+poosje lachte hij weer. Nooit te voren had hij zoo snel gereisd. En
+hard en wild rijden, dat had hij altijd heerlijk gevonden. En hij
+had zich natuurlijk nooit kunnen voorstellen, dat het boven in de
+lucht zoo frisch was, en dat er van den grond zoo'n heerlijke geur
+van mulle aarde en hars opsteeg. En hij had er ook nooit aan gedacht,
+hoe 't zijn zou, daar zoo hoog over de wereld te vliegen. Dat was,
+alsof hij wegvloog van alle bekommering en verdriet en ergernis,
+die je maar bedenken kon.
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+AKKA VAN KEBNEKAISE.
+
+
+DE AVOND.
+
+
+De groote, tamme ganzerik, die meê gevlogen was, was er heel trotsch
+op, dat hij heen en weer vloog over Söderslätt met de wilde ganzen,
+en de tamme vogels kon plagen. Maar hoe heerlijk hij 't ook vond--hij
+kon er toch niets aan doen, dat hij tegen den middag moe begon te
+worden. Hij probeerde dieper adem te halen en de vleugels sneller op en
+neer te slaan, maar hij bleef toch een heel stuk bij de anderen achter.
+
+Toen de wilde ganzen, die achteraan vlogen, merkten, dat de tamme niet
+meê kon komen, begonnen ze de gans, die aan de punt van den driehoek
+vloog, en den tocht leidde, toe te roepen: "Akka van Kebnekaise! Akka
+van Kebnekaise!"
+
+"Wat wil jelui van me?" vroeg de leidster-gans.
+
+"De witte blijft achter! de witte blijft achter!"
+
+"Zeg hem, dat het gemakkelijker is gauw te vliegen dan langzaam!" riep
+de leidster, en vloog voort als gewoonlijk.
+
+De ganzerik probeerde wel dien raad te volgen en meer vaart te zetten;
+maar daardoor werd hij zóó uitgeput, dat hij zelfs tot de geschoren
+wilgen neerzonk, die langs de akkers en weiden stonden.
+
+"Akka, Akka, Akka van Kebnekaise!" riepen toen zij, die achteraan
+vlogen, en zagen hoe moeilijk hij 't had.
+
+"Wat wil jelui nu weer?" vroeg de aanvoerster, en scheen geweldig
+knorrig.
+
+"De witte zinkt naar den grond, de witte zinkt naar den grond!"
+
+"Zeg hem, dat het gemakkelijker is hoog te vliegen dan laag!" riep
+de leidster. En ze vloog geen ziertje langzamer, maar even snel als
+te voren.
+
+De ganzerik probeerde ook dien raad te volgen, maar als hij omhoog
+vliegen wou, werd hij zóó kortademig, dat het was, alsof zijn borst
+zou springen.
+
+"Akka, Akka!" riepen zij, die achteraan vlogen.
+
+"Kun jelui me niet met rust laten?" vroeg de leidster, en scheen nog
+ongeduldiger dan de vorige keer.
+
+"De witte is op 't punt van te vallen! De witte is op 't punt van
+te vallen!"
+
+"Zeg hem, dat wie niet meêkomen kan, maar naar huis moet gaan!" riep
+de leidster-gans. En ze dacht er niet aan om langzamer te vliegen,
+maar ging door met dezelfde vaart.
+
+"O zoo! staat het zoo?" dacht de ganzerik. En nu begreep hij op eens,
+dat de wilde ganzen nooit van plan waren geweest hem meê te nemen
+naar Lapland. Zij hadden hem maar voor de grap van huis weggelokt.
+
+Het ergerde hem geducht, dat zijn krachten hem nu gingen begeven,
+zoodat hij die schooiers daar niet kon toonen, dat een tamme gans
+ook wel wat waard was. En 't allerakeligste was, dat hij juist Akka
+van Kebnekaise ontmoet had. Want, al was hij maar een tamme gans,
+hij had toch wel van een leidstergans gehoord, die Akka heette, en
+die meer dan honderd jaar oud was. Zij was zeer gezien, en de beste
+wilde ganzen, die er waren, sloten zich gewoonlijk bij haar aan. Maar
+niemand had zoo'n verachting voor tamme ganzen als Akka en haar troep,
+en hij had hun gaarne willen toonen, dat hij voor hen niet onderdeed.
+
+Hij vloog langzaam achter de anderen aan, terwijl hij in zich zelf
+overlegde, of hij zou omkeeren of doorgaan. Toen zei op eens 't ventje,
+dat op zijn rug zat: "Lieve Maarten Ganzerik, je begrijpt toch wel,
+dat het voor jou, die nog nooit gevlogen hebt, onmogelijk is met de
+wilde ganzen heel meê naar Lapland te vliegen. Zou je niet liever
+weer naar huis gaan, vóór je je heelemaal ziek maakt?"
+
+Maar die boerenjongen was het akeligste wezen, dat de gans kende,
+en zoodra hij begreep, dat die stumper meende, dat hij den tocht niet
+meê kon maken, besloot hij vol te houden.
+
+"Als je daar nog één woord over spreekt, gooi ik je in de eerste
+mergelgroeve, waar we over heen komen," zei hij, en kreeg op 't zelfde
+oogenblik uit ergernis zoo veel kracht, dat hij bijna even goed begon
+te vliegen, als een van de anderen.
+
+Lang had hij het toch zoo niet kunnen uithouden; maar dat hoefde ook
+niet; want nu daalde de zon snel, en juist bij zonsondergang vlogen de
+ganzen recht naar beneden. En eer de jongen en de ganzerik het wisten,
+stonden ze aan den kant van het Vombmeer.
+
+"Hier zullen we wel den nacht overblijven," dacht de jongen, en sprong
+van den rug van den ganzerik op den grond.
+
+Hij stond op een smalle strook zand aan den oever, en vóór hem lag
+een tamelijk groot meer. Dat was akelig om te zien, want het was
+bijna heelemaal bedekt met een ijskorst, die zwart en oneffen was,
+en vol spleten en gaten, zooals voorjaarsijs gewoonlijk is. Maar 't
+ijs zou zeker niet lang meer blijven. 't Was al losgeraakt, en er om
+heen lag een breede gordel zwart, blinkend water. Maar toch lag nog
+hier en daar de kou en de barschheid van den winter over het landschap.
+
+Aan den anderen kant van het meer scheen open en licht bebouwd land
+te liggen, maar waar de ganzen neergekomen waren, lag een groot
+dennenplantsoen. En 't was, alsof de naaldboomen de macht hadden den
+winter vast te houden. Overal verder was 't veld leeg, maar onder de
+reusachtige takken lag sneeuw, die gesmolten en weer bevroren was,
+keer op keer, zoodat ze zoo hard was als ijs.
+
+De jongen meende, dat hij in een woest en eenzaam winterland was
+gekomen, en hij was zoo angstig, dat hij wel hardop had willen huilen.
+
+Hij had honger. Hij had den heelen dag niets gegeten. Maar waar zou
+hij eten vandaan halen? Er groeit niets eetbaars op velden of aan
+boomen in Maart.
+
+Ja, waar zou hij eten vandaan halen, en wie zou hem huisvesten,
+en wie zou zijn bed opmaken, en wie zou hem warmen bij zijn vuur,
+en wie zou hem beschermen tegen de wilde dieren?
+
+Want nu was de zon weg, en nu kwam er kou van over 't meer, en de
+duisternis viel, en de angst kwam in 't spoor van de schemering,
+en in 't bosch begon het te kraken en te ritselen.
+
+Nu was het uit met den vroolijken moed, dien de jongen had gevoeld,
+terwijl hij boven in de lucht was, en in zijn angst keek hij om naar
+zijn reiskameraad: hij had immers niemand anders om zich bij aan
+te sluiten.
+
+Toen zag hij, dat de ganzerik het nog erger had dan hij. Het dier
+lag nog op dezelfde plaats, waar hij was neergekomen, en het scheen,
+alsof hij stervende was. Zijn hals lag rechtuit op 't veld, zijn oogen
+waren gesloten, en zijn ademhaling was nog maar een flauw zuchten.
+
+"Lieve Maarten Ganzerik," zei de jongen, "probeer een slok water te
+nemen. Van hier naar het meer is 't maar twee stapjes."
+
+Maar de ganzerik bewoog zich niet.
+
+De jongen was vroeger wel hard tegen alle dieren geweest, en ook tegen
+den ganzerik; maar nu meende hij, dat de ganzerik de eenige steun
+was, dien hij had, en hij werd vreeselijk bang dien te verliezen. Hij
+begon hem dadelijk te schuiven en te stooten, om hem bij het water
+te krijgen. De ganzerik was groot en zwaar, zoodat het een heel werk
+voor den jongen was, maar eindelijk lukte het hem. De ganzerik kwam
+in 't meer terecht met den kop vooruit. Een oogenblik lag hij stil
+in de modder, maar al gauw stak hij den kop op, schudde het water
+uit de oogen en proestte. Daarop zwom hij trotsch tusschen riet en
+waterplanten door.
+
+De wilde ganzen lagen vóór hem in 't meer. Zij hadden noch naar den
+ganzerik, noch naar zijn ruiter omgezien, maar waren dadelijk het
+water ingeloopen. Zij hadden zich gebaad en gepoetst, en nu lagen
+zij te plassen tusschen half vergaan riet en waterkolven.
+
+De witte ganzerik had het geluk een klein baarsje te zien. Dat greep
+hij gauw, zwom er mee naar den kant, en legde het voor den jongen neer.
+
+"Dat mag jij hebben, omdat je mij naar het water geholpen hebt,"
+zei hij.
+
+'t Was voor 't eerst, dien heelen dag, dat de jongen een vriendelijk
+woord hoorde. Hij was zoo blij, dat hij zijn armen wel om den hals
+van den ganzerik had willen slaan, maar daar kwam hij niet toe. En
+met het geschenk was hij ook blij. Eerst dacht hij wel, dat het hem
+onmogelijk zou zijn rauwe visch te eten, maar toen kreeg hij toch
+lust het te probeeren.
+
+Hij voelde, of hij zijn mes wel bij zich had, en jawel! het hing
+in de schede achter aan een knoop van zijn broek, maar het was zoo
+klein geworden, dat het niet eens zoo lang als een lucifer was. Nu,
+'t was in ieder geval goed om den visch mee te schrappen en schoon
+te maken, en het duurde niet lang, of de baars was opgegeten.
+
+Toen de jongen goed verzadigd was, schaamde hij er zich wel over,
+dat hij rauwe visch had kunnen eten.
+
+"'t Lijkt wel of ik geen mensch meer ben, maar een echte kabouter,"
+dacht hij.
+
+Al dien tijd, dat de jongen at, stond de ganzerik zwijgend naast hem,
+maar toen hij zijn laatste hapje op had, zei hij zacht: "'t Is maar
+zoo, dat we bij onvriendelijke, trotsche ganzen gekomen zijn, die
+alle tamme vogels verachten."
+
+"Ja, dat heb ik wel gemerkt," zei de jongen.
+
+"'t Zou wel een heele eer voor mij zijn, als ik toch met hen meê kon
+komen naar Lapland, en hun toonen, dat een tamme gans ook wel tot
+iets deugt."
+
+"Ja--a," zei de jongen wat langzaam, want hij geloofde niet, dat de
+ganzerik dat zou kunnen doen, maar hij wilde hem niet tegenspreken.
+
+"Maar ik geloof niet, dat ik me alleen op zulk een reis zal kunnen
+redden," zei de ganzerik, "en nu wou ik je vragen, of je meê zou
+kunnen gaan en me helpen."
+
+De jongen had natuurlijk geen ander plan, dan zoo gauw mogelijk
+naar huis terug te gaan, en hij was zóó verbaasd, dat hij niet wist,
+wat hij antwoorden zou.
+
+"Ik dacht, dat we geen goede vrienden waren, jij en ik," zei hij. Maar
+dat scheen de ganzerik heelemaal vergeten te hebben. Hij dacht er
+alleen aan, dat de jongen hem zoo pas het leven had gered.
+
+"Ik moest eigenlijk naar huis, naar Vader en Moeder," zei de jongen.
+
+"Ja, ik zal je tegen den herfst wel terugbrengen," zei de ganzerik. "Ik
+zal niet van je weggaan, voor ik je bij je thuis op den drempel
+kan neerzetten."
+
+De jongen dacht, dat het eigenlijk wel prettig zou zijn, als hij zich
+niet dadelijk aan zijn ouders hoefde te vertoonen. Hij had niets tegen
+dat voorstel, en hij wou juist zeggen, dat hij het aannam, toen zij
+een sterk gedruisch achter zich hoorden. Dat waren de wilde ganzen,
+die allen te gelijk uit het meer waren gekomen, en 't water van zich
+af stonden te schudden. Toen schikten zij zich in een lange rij,
+met de leidster-gans vooraan, en kwamen op hen af.
+
+Toen nu de witte ganzerik de wilde ganzen bekeek, voelde hij zich niet
+recht op zijn gemak. Hij had verwacht, dat ze meer op tamme ganzen
+zouden lijken, en dat hij zich aan hen verwant zou voelen. Ze waren
+veel kleiner dan hij, en geen van hen was wit, maar allen waren grijs
+en bruin gemarmerd. En voor hun oogen werd hij bijna bang. Ze waren
+geel en schitterden, alsof er vuur achter brandde. De ganzerik had
+altijd geleerd, dat het netjes stond langzaam en waggelend te loopen;
+maar zij liepen niet, ze sprongen voort. En 't meeste griezelde
+hij, als hij naar hun pooten keek. Ze waren groot, met versleten en
+gescheurde zolen. Men kon wel merken, dat wilde ganzen nooit vroegen,
+waar ze op trapten. Ze namen geen omwegen. Ze waren heel netjes en
+verder goed gepoetst, maar aan hun voeten kon men zien, dat ze uit
+de wildernis kwamen.
+
+De ganzerik kon nog juist den jongen toefluisteren: "Antwoord nu flink,
+maar zeg niet, wie je bent," en toen waren ze bij hen.
+
+Toen de wilde ganzen voor hen stonden, bogen ze dikwijls met de
+halzen, en dat deed de ganzerik ook,--nog vaker. Toen ze genoeg
+gegroet hadden, zei de leidster-gans: "Nu moeten we eens hooren,
+wie jij eigenlijk bent."
+
+"Er is niet veel van mij te vertellen," zei de ganzerik. "Ik ben
+verleden voorjaar in Skaane geboren. Dezen herfst werd ik aan Holger
+Nielsson in West Vemmenhög verkocht, en daar ben ik aldoor geweest."
+
+"'t Schijnt dat je geen familie hebt, waar je je op beroemen kunt,"
+zei de leidster-gans. "Hoe kom je dan zoo overmoedig, dat je met
+wilde ganzen meêdoen wilt?"
+
+"Dat kan immers wel zijn, omdat ik jelui, wilde ganzen, toonen wil,
+dat ook een tamme gans ergens goed voor is," zei de ganzerik.
+
+"Ja, dan was het goed... als je dat ons toonen kunt," zei de
+leidster-gans. "We hebben nu gezien, hoeveel je van 't vliegen
+kon. Maar misschien ben je ergens anders knapper in. 't Kan wel zijn,
+dat je sterk in 't snelzwemmen bent."
+
+"Neen, daar kan ik me niet op beroemen," zei de ganzerik. Hij meende
+te merken, dat de leidster-gans al besloten was hem terug te zenden,
+en nu lette hij niet meer op zijn antwoorden: "Ik heb nooit verder
+gezwommen dan dwars over een mergelgroeve," ging hij voort.
+
+"Dan denk ik, dat je een baas bent in 't springen," zei de gans.
+
+"Ik heb nog nooit een tamme gans zien springen, en ik zelf heb het
+ook nooit gedaan," zei de ganzerik, en maakte de zaak erger dan ze was.
+
+De groote witte was er nu zeker van, dat de leidster-gans zeggen zou,
+dat ze hem heelemaal niet meê wou hebben. Hij was dus heel verbaasd,
+toen ze zei: "Je antwoordt moedig op mijn vragen, en hij, die moed
+heeft, kan een goede reiskameraad worden, al is hij ook in het begin
+onwetend. Wat zou je er van zeggen een paar dagen bij ons te blijven,
+tot we zien wat je waard bent."
+
+"Dat wil ik heel graag," zei de ganzerik, en was blij.
+
+Toen wees de leidster-gans met den snavel naar den jongen en zei:
+"Maar wien heb je daar bij je? Zoo een heb ik nog nooit gezien."
+
+"Dat is mijn kameraad," zei de ganzerik. "Hij is zijn heele leven
+ganzenhoeder geweest. Hij kan ons op reis wel te pas komen."
+
+"Ja, dat kan wel goed zijn voor een tamme gans," antwoordde de
+wilde. "Hoe noem je hem?"
+
+"Hij heeft verscheiden namen," zei de ganzerik aarzelend; hij wist
+niet, wat hij zoo gauw zou bedenken, want hij wou niet verraden,
+dat de jongen een menschennaam had.
+
+"Ja, hij heet Duimelot," zei hij eindelijk.
+
+"Is hij van het kaboutergeslacht?" vroeg de leidster-gans.
+
+"Wanneer gaan jelui, wilde ganzen, gewoonlijk slapen?" vroeg de
+ganzerik gauw, om niet op die laatste vraag te hoeven antwoorden. "Mijn
+oogen vallen van zelf toe om dezen tijd."
+
+'t Was gemakkelijk te zien, dat de gans, die met den ganzerik praatte,
+héél oud was. Haar heele veeren kleed was grijs, zonder donkere
+strepen. Haar hoofd was grooter, haar beenen waren grover en haar
+voeten meer versleten, dan bij een van de anderen. De veeren waren
+stijf, de schouders beenig, en haar hals was dun. Dat alles was het
+werk van den ouderdom.
+
+Alleen over de oogen had de tijd geen macht gehad. Zij schitterden
+helderder, en schenen jonger dan die van de anderen.
+
+Ze keerde zich nu heel trotsch naar den ganzerik: "Weet nu wel, dat
+ik Akka van Kebnekaise ben, en dat de gans, die rechts 't dichtst
+achter me vliegt, Yksi van Vassijaure is, en die links vliegt,
+Kaksi van Nuolja. En de tweede rechter- is Kolme van Sarjekljakko,
+en de tweede linkergans Nelja van Svappavaara, en achter hen vliegen
+Viisi van de Oviksrots en Kuusi van Sjangeli. En allen, ook de zes
+jonge ganzen, die achteraan vliegen--drie links en drie rechts--zijn
+hooge rotsganzen van de meest voorname families. Je moet ons niet voor
+landloopers houden, die maar met iedereen meegaan, en denk maar niet,
+dat wij iemand op onze slaapplaats toelaten, die niet wil zeggen van
+welke familie hij is."
+
+Toen Akka, de leidster-gans zoo sprak, deed de jongen snel een stap
+naar voren. Hij had het heel naar gevonden, dat de ganzerik, die zoo
+flink voor zichzelf sprak, zulke ontwijkende antwoorden had gegeven,
+toen het hem betrof.
+
+"Ik wil niet geheim houden, wie ik ben," zei hij. "Ik heet Niels
+Holgersson, en ben de zoon van een keuterboer. Tot vandaag toe ben
+ik een mensch geweest, maar vanmorgen..."
+
+Verder kwam de jongen niet. Zoodra hij zei, dat hij een mensch was,
+stoof de leidster-gans drie stappen achteruit en de anderen nog
+verder. En allen strekten de halzen uit, en bliezen boos tegen hem.
+
+"Daar heb ik je al van verdacht, van af 't oogenblik, dat ik je voor
+'t eerst hier aan den oever zag," zei Akka. "En nu moet je gauw maken,
+dat je wegkomt. Wij dulden geen menschen bij ons."
+
+"'t Is toch onmogelijk," zei de ganzerik bemiddelend, "dat jelui,
+wilde ganzen, bang kunt zijn voor iemand, die zóó klein is. Morgen
+zal hij stellig naar huis gaan, maar van nacht moet jelui hem toch
+hier bij ons laten blijven. Dat kunnen wij toch geen van allen op
+onze verantwoording nemen, zoo'n stakker aan zichzelf over te laten,
+met wezels en vossen in den nacht."
+
+De wilde gans kwam nu wat dichter bij, maar het was toch duidelijk,
+dat ze moeite had haar angst te bedwingen.
+
+"Ik heb geleerd bang te wezen voor al wat "mensch" heet, onverschillig
+of ze groot of klein zijn," zei ze. "Maar als jij, ganzerik, voor deze
+hier wilt instaan, dat hij ons geen kwaad doet, dan mag hij van nacht
+bij ons blijven. Maar ik denk niet, dat ons nachtkwartier geschikt
+is voor jou of voor hem, want wij zijn van plan op het losgeraakte
+ijs daar vóór je te gaan slapen."
+
+Ze dacht wel, dat de ganzerik een bedenkelijk gezicht zou zetten,
+als hij dat hoorde, maar hij hield zich goed, en trok zich er niets
+van aan.
+
+"Jelui zijn heel verstandig, dat je zoo'n veilige slaapplaats weet
+te kiezen," zei hij.
+
+"Maar jij staat er voor in, dat hij morgen weggaat, naar huis."
+
+"Dan moet ik ook heengaan, want ik heb beloofd hem niet alleen te
+laten," zei de ganzerik.
+
+"Je bent vrij om te vliegen, waarheen je wilt," zei de leidster-gans.
+
+En ze sloeg haar vleugels uit, en vloog naar het ijs; de eene wilde
+gans na de andere volgde haar.
+
+De jongen was er bedroefd om, dat er niets van zijn reis naar Lapland
+komen zou, en bovendien was hij bang voor het koude nachtkwartier. "'t
+Wordt al erger en erger, ganzerik," zei hij. "Ten eerste vriezen we
+dood, daar op dat ijs."
+
+Maar de ganzerik had goeden moed. "Dat heeft geen nood," zei hij. "Ik
+wou je alleen vragen, zoo gauw mogelijk, zooveel stroo en gras bij
+elkaar te halen, als je maar dragen kunt."
+
+Toen de jongen de armen vol droog gras had, nam de ganzerik hem bij
+zijn hemd en vloog met hem naar het ijs, waar de wilde ganzen al
+stonden te slapen, met den snavel onder de vleugels.
+
+"Leg nu 't gras op het ijs, zoodat ik ergens op staan kan en niet
+vast vries! Als jij mij helpt, zal ik jou helpen," zei de ganzerik.
+
+De jongen deed het, en toen hij klaar was, pakte de ganzerik hem
+weer bij zijn hemd, en stopte hem onder zijn vleugel. "Ik denk, dat
+je daar lekker warm liggen zult," zei hij en drukte den vleugel aan.
+
+De jongen zat zóó in dons gepakt, dat hij niet antwoorden kon, maar
+heerlijk zacht en warm lag hij daar; moe was hij, en in een oogenblik
+sliep hij.
+
+
+
+
+DE NACHT.
+
+
+'t Is waar, dat ijs altijd verraderlijk is, en dat je er niet op
+vertrouwen kunt. Midden in den nacht dreef het losse stuk ijs op het
+Vombmeer weg, zoodat het ergens tegen het land stootte. En nu gebeurde
+het, dat Smirre, de vos, die toen aan den oostkant van het meer in
+'t Övedkloosterpark woonde, die plaats ontdekte, toen hij op zijn
+nachtjacht uit was. Smirre had de wilde ganzen al 's avonds gezien,
+maar hij had niet durven hopen er een van te kunnen pakken. Hij ging
+nu dadelijk op het ijs.
+
+Toen Smirre heel dicht bij de wilde ganzen was, gleed hij uit,
+zoodat zijn klauwen over 't ijs schraapten. De ganzen werden wakker,
+en klapten met de vleugels om op te vliegen. Maar Smirre was hun te
+vlug af. Hij stoof vooruit, als een bal, die gegooid wordt, pakte
+een gans bij de vlerk, en holde naar land terug.
+
+Maar dien nacht waren de wilde ganzen niet alleen op 't ijs; ze hadden
+een mensch bij zich, hoe klein die ook was. De jongen was wakker
+geworden, doordat de ganzerik met de vleugels geslagen had. Hij was op
+'t ijs gevallen, en was klaar wakker blijven zitten. Hij begreep niets
+van al die onrust, vóór hij een kleinen hond met korte pooten over
+'t ijs had zien wegspringen met een gans in den bek.
+
+De jongen liep hem dadelijk achterna, om dien hond daar de gans af
+te nemen. Hij hoorde wel, dat de ganzerik riep: "Pas op, Duimelot,
+pas toch op!"
+
+Maar de jongen dacht, dat hij voor zoo'n hondje toch niet bang hoefde
+te wezen, en hij stormde voort.
+
+De wilde gans, die Smirre, de vos, meesleepte, hoorde het geklapper
+van de klompen van den jongen over 't ijs, en ze kon haar ooren
+nauwelijks gelooven.
+
+"Stel je voor, dat dat ventje mij van den vos zal afnemen," dacht
+ze. En hoe ellendig ze 't ook had, diep uit haar hals kwam een vroolijk
+gekakel, bijna alsof ze lachte.
+
+"'t Eerste wat er gebeurt is natuurlijk, dat hij in een spleet in
+het ijs valt," dacht ze.
+
+Maar hoe donker de nacht ook was--de jongen zag duidelijk alle spleten
+en gaten, die er in het ijs waren, en sprong er flink over heen. Dat
+kwam, doordat hij nu de goede nachtoogen van de kabouters had, en
+in 't donker zien kon. Hij zag 't land en het meer even duidelijk,
+alsof het dag was geweest.
+
+Smirre, de vos, ging van 't ijs af, daar, waar het tegen 't land aan
+lag en juist, toen hij zich tegen den kant opwerkte, riep de jongen
+hem toe: "Wil je die gans wel eens neerleggen, jou lummel!" Smirre
+wist niet, wie het was, die dat riep, hij nam den tijd niet om om te
+kijken, maar liep nog harder.
+
+Hij liep nu een bosch in met groote, prachtige beuken, en de jongen
+volgde hem zonder er aan te denken, dat hij gevaar kon loopen. Hij
+dacht er aldoor aan, hoe verachtelijk de wilde ganzen hem den vorigen
+avond hadden ontvangen, en hij wilde hun heel graag toonen, dat een
+mensch toch wat meer is dan eenig ander schepsel.
+
+Hij riep den hond telkens toe, dat hij zijn buit zou neerleggen.
+
+"Wat ben jij toch voor een hond, dat je je niet schaamt een heele
+gans te stelen?" zei hij. "Leg haar nu dadelijk neer, of je zult
+eens zien, wat je voor een pak slaag krijgt! Leg haar dadelijk neer,
+of ik zal aan je baas vertellen, wat jij hebt uitgevoerd!"
+
+Toen Smirre, de vos, merkte, dat hij voor een hond werd aangezien,
+die bang voor slaag was, vond hij dat zoo grappig, dat hij bijna de
+gans had laten vallen van 't lachen. Smirre was een echte roover,
+die niet tevreden was met op ratten en waterratten buiten op 't veld
+te jagen; hij waagde zich ook in de hoeven, om kippen en ganzen te
+stelen. Hij wist, dat hij in de heele streek gevreesd was. Zooiets
+mals als dit had hij niet gehoord, sinds hij jong was.
+
+Maar de jongen liep zoo hard, dat het hem toeleek, of de dikke boomen
+hem achteruit voorbij gleden, en hij haalde Smirre langzamerhand
+in. Eindelijk was hij zóó dicht bij hem, dat hij zijn staart te
+pakken kreeg.
+
+"Nu pak ik je toch de gans af!" riep hij, en hield hem met alle macht
+tegen. Maar hij had geen kracht genoeg om Smirre in zijn vaart te
+stuiten. De vos sleepte hem meê, zoodat het dorre beukenloof om hem
+heen opstoof.
+
+Maar nu scheen Smirre er achter te komen, hoe weinig gevaarlijk
+hij was, die hem achterna zat. Hij bleef staan, legde de gans op
+den grond, en ging met zijn voorpooten op haar staan, om te maken,
+dat ze niet wegvliegen kon. Hij wilde haar den hals afbijten, maar
+eerst kon hij niet laten, dat ventje wat te plagen.
+
+"Ga 't nu gauw aan den baas vertellen, want nu bijt ik de gans dood,"
+zei hij.
+
+Maar wie er verbaasd was, toen hij zag, wat een spitsen snoet die
+hond had, dien hij achterna gezeten had, en wat een nijdige heesche
+stem hij opzette--dat was de jongen! Maar hij werd zoo boos, omdat
+de vos hem voor den gek hield, dat hij er niet aan dacht om bang te
+worden. Hij pakte den staart nog steviger vast, steunde tegen den
+wortel van een beukeboom, en rukte met alle macht. Smirre werd er zoo
+door verrast, dat hij zich een paar stappen achteruit liet trekken,
+en de wilde gans kwam vrij. Ze fladderde met moeite omhoog. Haar
+eene vleugel was gewond, zoodat ze dien nauwelijks kon gebruiken,
+en daar kwam bij, dat ze niets kon zien in den donkeren nacht in 't
+bosch, maar zoo hulpeloos was als een blinde. Ze kon dus den jongen
+heelemaal niet helpen; ze zocht een gat in het groene bladerdak,
+en vloog weer terug naar het meer.
+
+Maar Smirre vloog op den jongen af. "Als ik de eene niet krijg, dan
+wil ik den ander hebben," zei hij, en aan zijn stem kon je hooren,
+hoe woedend hij was.
+
+"Neen, dat moet je niet denken, dat je dien krijgt," zei de jongen,
+die erg in zijn schik was, omdat hij de gans had gered. Hij hield
+maar aldoor den vossestaart stijf vast, en zwaaide daarmeê naar den
+anderen kant, als de vos hem probeerde te vangen.
+
+Dat werd een dans in 't bosch, dat het beukenloof opdwarrelde. Smirre
+draaide al maar rond, maar de staart draaide ook rond, en de jongen
+hield zich daaraan vast, zoodat de vos hem niet pakken kon.
+
+De jongen was zoo vroolijk na den goeden afloop van zijn werk, dat hij
+in 't begin niets deed dan lachen, en den vos voor den gek houden,
+maar Smirre hield vol, zooals oude jagers gewoon zijn, en de jongen
+begon bang te worden, dat hij toch nog zou vastraken. Toen kreeg hij
+een jongen beuk in 't oog, die omhoog geschoten was als een stok,
+om gauw boven in de vrije lucht te zijn, boven het dak van takken,
+dat de oude beuken over hem uitbreidden. Hij liet heel gauw den
+vossestaart los, en klauterde in den boom. Smirre, de vos, was zóó
+in vuur, dat hij nog lang om zijn staart bleef ronddraaien.
+
+"Schei nu maar uit met dansen," zei de jongen. Maar Smirre kon de
+schande niet verdragen, dat hij zoo'n klein ventje niet aankon. En
+hij ging aan den voet van den boom liggen om hem te bewaken. De
+jongen had het niet zoo heel best, zooals hij daar boven te paard
+zat op dien dunnen tak. De jonge beuk was nog niet boven bij het
+hooge takkengewelf gekomen. Hij kon niet in een anderen boom komen,
+en hij durfde niet naar beneden op 't veld te springen.
+
+Hij had het zoo koud, dat hij bijna verstijfd was, en bang was den tak
+niet te kunnen vasthouden, en hij had zoo'n vreeselijken slaap, maar
+hij durfde niet te gaan slapen, uit vrees van naar beneden te rollen.
+
+'t Was niet te gelooven, hoe griezelig het was daar 's nachts in
+'t bosch te zitten. Hij had vroeger nooit geweten, wat het eigenlijk
+beteekende, dat het nacht was. 't Was, alsof de heele wereld versteend
+was en nooit meer levend zou worden.
+
+Toen begon het licht te worden, en de jongen was blij, omdat alles
+er weer als gewoonlijk uit ging zien, hoewel hij de kou nog scherper
+voelde, dan in den nacht.
+
+Toen de zon eindelijk opkwam, was ze niet geel, maar rood. De jongen
+vond, dat ze er uitzag, alsof ze boos was, en hij vroeg zich verwonderd
+af, waarom ze boos zou zijn. Misschien wel omdat de nacht het zoo
+koud en donker op de aarde had gemaakt, terwijl ze weg was.
+
+De zonnestralen joegen voort in groote bundels, om te zien wat de
+nacht had uitgevoerd, en het scheen, dat alle dingen rood werden,
+omdat ze een slecht geweten hadden. De wolken aan den hemel, de gladde
+zij-achtige beukenstammen, de zamengevlochten takjes in het boschdak,
+de rijp, die 't beukenloof op den grond bedekte, alles vlamde op en
+werd rood.
+
+Maar steeds meer bundels stralen joegen door de ruimte, en al gauw
+was al het akelige van den nacht weg. De versteening was weg, en er
+kwam zoo wonderlijk veel levends voor den dag. De zwarte specht met
+den rooden nek begon met den snavel tegen een stam te hameren. De
+eekhoorn sprong uit zijn nest met een noot, ging op een tak zitten,
+en begon de noot te pellen. De spreeuw kwam met een wortelvezeltje,
+en de bergvink zong in de boomtoppen.
+
+Toen begreep de jongen, dat de zon tegen al dat kleine goed gezegd
+had: "Word nu wakker, en kom uit je huisjes! Nu ben ik er. Nu hoef
+je nergens bang voor te wezen." Van het meer hoorde hij de wilde
+ganzen roepen, terwijl ze zich voor de vlucht rangschikten. Kort
+daarop kwamen alle veertien ganzen over het bosch vliegen. De jongen
+probeerde hen te roepen, maar ze vlogen zoo hoog, dat zijn stem hen
+niet kon bereiken. Ze namen niet eens de moeite naar hem te zoeken.
+
+De jongen was op het punt van te schreien van angst, maar de zon
+stond nu goudgeel en blij aan den hemel, en gaf de heele wereld moed.
+
+"Je hoeft nergens bang voor of ongerust over te zijn, zoolang ik er
+ben, Niels Holgersson," zei de zon.
+
+
+
+
+'T GANZENSPEL.
+
+
+Alles bleef, zooals het was in 't bosch, ongeveer zoo lang als
+een gans noodig heeft om te ontbijten, maar juist toen de morgen
+voormiddag zou worden, kwam een eenzame gans aanvliegen onder het
+dichte takkendak. Ze zocht aarzelend haar weg tusschen de stammen
+en takken, en vloog heel zacht. Zoodra Smirre, de vos, haar zag,
+liep hij weg van zijn plaats onder den jongen beuk, en sloop haar
+tegemoet. De wilde gans ontweek den vos niet, maar vloog tot heel dicht
+bij hem. Smirre deed een hoogen sprong naar haar, maar hij sprong mis,
+en de gans vloog verder, naar het meer toe.
+
+Het duurde niet lang, of er kwam weer een nieuwe wilde gans
+aanvliegen. Ze nam denzelfden weg als de eerste, en vloog nog lager
+en langzamer. Ook zij vloog dicht voorbij Smirre, en hij deed zoo'n
+hoogen sprong, dat zijn ooren haar pooten raakten, maar ze ontkwam
+ongedeerd, en zette stil als een schaduw haar weg naar het meer voort.
+
+Een poosje ging voorbij, en weer kwam er een wilde gans. Nog lager en
+langzamer vloog zij, en nog moeilijker scheen zij haar weg tusschen
+de beukenstammen te vinden. Smirre nam een geweldigen sprong, en het
+scheelde maar een haar, of hij had haar gegrepen, maar ook deze gans
+redde zich.
+
+Onmiddellijk nadat zij verdwenen was, kwam een vierde wilde
+gans. Hoewel zij bijna zoo langzaam en slecht vloog, dat Smirre
+meende haar zonder veel moeite te kunnen vangen, was hij nu bang,
+dat het hem mislukken zou, en hij was van plan haar ongedeerd voorbij
+te laten gaan. Maar zij nam denzelfden weg als de andere, en juist
+toen ze boven Smirre kwam, daalde ze zoo ver, dat hij verleid werd
+naar haar op te springen. Hij kwam zoo hoog, dat hij haar met zijn
+pooten aanraakte, maar ze wierp zich vlug op zij, en redde haar leven.
+
+Vóór Smirre weer op adem gekomen was, kwamen drie ganzen op een rij
+in 't gezicht. Ze vlogen op dezelfde manier voort als de andere,
+en Smirre nam hooge sprongen naar alle drie, maar het lukte hem niet
+één van hen te vangen.
+
+Daarop kwamen vijf ganzen; maar die vlogen beter dan de vorige, en
+hoewel zij Smirre schenen te willen lokken tot een sprong, weerstond
+hij de verzoeking.
+
+Na een lange poos kwam een eenzame gans. Dat was de dertiende. 't Was
+een, die zóó oud was, dat ze heelemaal grijs was, en geen donkere
+plek meer op het lichaam had. Zij scheen den eenen vleugel niet
+recht te kunnen gebruiken, en vloog jammerlijk slecht en scheef,
+zoodat zij den grond bijna raakte. Smirre deed niet alleen een hoogen
+sprong naar haar, maar hij vervolgde haar springend tot aan het meer,
+maar ook dezen keer werd zijn moeite niet beloond.
+
+Toen de veertiende kwam, stond dat heel mooi, omdat zij wit was,
+en het glansde als een lichtschijn door het donkere bosch, als zij
+met de groote vleugels sloeg. Toen Smirre haar zag, verzamelde hij
+al zijn kracht en sprong tot halverwege het takkendak, maar de witte
+vloog volkomen ongedeerd voorbij als alle andere.
+
+Nu werd het een poosje stil onder de beuken; het scheen wel of de
+heele troep wilde ganzen voorbij gekomen was.
+
+Op eens dacht Smirre aan zijn gevangene, en keek naar boven
+in den jongen beuk. Zooals te verwachten was--de jongen was
+weg--verdwenen. Maar Smirre had niet lang tijd om aan hem te denken,
+want nu kwam de eerste gans terug van het meer, en vloog als vroeger
+langzaam onder het takkendak voort. Niettegenstaande al zijn tegenspoed
+was Smirre blij, dat zij terugkwam, en hij vloog haar na met een
+hoogen sprong. Maar hij was te haastig geweest, en had zich geen tijd
+gegeven zijn sprong te berekenen, en hij kwam naast haar terecht.
+
+Na deze gans kwam er nog een, en toen een derde, een vierde, een
+vijfde, tot het geheel werd afgesloten met de oude grijze en de groote
+witte. Ze vlogen allen langzaam en laag. Juist als ze boven Smirre,
+den vos zweefden, daalden ze, precies alsof ze hem wilden uitnoodigen
+hen te vangen. En Smirre liep ze na en sprong een paar voet hoog,
+zonder dat hij in staat was één van hen te pakken.
+
+Dat was de vreeselijkste dag, dien Smirre nog ooit beleefd had. De
+wilde ganzen vlogen onophoudelijk over hem heen, kwamen en gingen,
+kwamen en gingen. Groote, heerlijke ganzen, die vet geworden waren op
+de Duitsche akkers, en heiden, zweefden den heelen dag door het bosch,
+zóó dicht bij hem, dat hij ze dikwijls aanraakte, en hij kon met geen
+enkele zijn honger stillen.
+
+De winter was nog nauwlijks voorbij, en Smirre herinnerde zich dagen
+en nachten, waarin hij werkeloos rond had moeten loopen, zonder een
+stuk wild om op te jagen, als de trekvogels weg waren, als de ratten
+zich onder de bevroren aardkost verborgen, en de kippen opgesloten
+waren. Maar alle honger in den winter was niet zóó moeilijk te
+verdragen geweest, als de teleurstellingen van dezen dag.
+
+Smirre was geen jonge vos. Hij had menigmaal de honden achter zich
+aan gehad en de kogels om zijn ooren hooren fluiten. Hij had diep in
+zijn hol gezeten, terwijl de taxhonden in de gangen kropen en hem
+bijna gevonden hadden. Maar alle angst, die Smirre had uitgestaan
+onder de scherpste jacht, was niet te vergelijken met den angst,
+dien hij nu voelde, telkens als het hem mislukte een van de wilde
+ganzen te grijpen.
+
+In den morgen, toen 't spel begon, was Smirre zoo sierlijk geweest,
+dat de ganzen verbaasd waren, toen ze hem zagen. Smirre hield van
+pracht en zijn pels was schitterend rood, zijn borst wit, zijn neus
+zwart en de staart donzig als een pluim, maar toen de avond dien dag
+kwam, hing Smirre's pels in pruiken neer, hij baadde in 't zweet,
+zijn oogen waren glansloos, de tong hing lang uit zijn hijgenden bek,
+en er liep schuim uit zijn mond.
+
+Tegen den namiddag was Smirre zóó moe, dat hij aan 't ijlen ging. Hij
+zag niets dan vliegende ganzen voor zijn oogen. Hij sprong naar
+zonneplekken, die hij op het veld zag en naar een armen vlinder,
+die te vroeg uit zijn pop gekomen was.
+
+De wilde ganzen gingen onvermoeid door met vliegen, vliegen! Ze bleven
+Smirre den heelen dag kwellen. Het wekte hun medelijden niet op, dat
+Smirre, in den war, verhit, waanzinnig was. Ze gingen onbewogen door,
+hoewel ze begrepen, dat hij hen nauwelijks meer zag, en dat hij naar
+hun schaduwen sprong.
+
+Eerst toen Smirre op een hoop dorre bladen neerzonk, volkomen
+krachteloos en mat, bijna op 't punt den laatsten adem uit te blazen,
+hielden ze op hem te foppen.
+
+"Nu weet je, vos, hoe 't hem gaat, die het waagt Akka van Kebnekaise
+aan te raken," riepen ze in zijn ooren, en toen lieten ze hem met rust.
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+'T LEVEN VAN DE WILDE VOGELS.
+
+
+OP DE BOERDERIJ.
+
+
+Juist in die dagen gebeurde er in Skaane iets, waar veel over gesproken
+werd, en dat zelfs in de courant kwam, maar dat velen voor een praatje
+hielden, omdat zij niet in staat waren het te verklaren.
+
+'t Was namenlijk zoo: een eekhoorn was in een hazelstruik, die aan
+den kant van het Vombmeer groeide, gevangen en naar een boerderij
+in de buurt gebracht. Alle menschen in de boerderij, oude en
+jonge, hadden pleizier in het mooie, kleine dier, met zijn grooten
+staart, zijn verstandige, nieuwsgierige oogen en zijn kleine, nette
+pootjes. Zij wilden den heelen zomer het genoegen hebben naar zijn
+vlugge bewegingen, zijn handige maniertjes om noten te pellen, en zijn
+vroolijke spelen te kijken. Ze maakten gauw een oude eekhoorn-kooi
+in orde, die bestond uit een klein groengeschilderd huisje en een
+wiel van ijzerdraad. 't Kleine huisje, dat een deur en vensters had,
+moest de eekhoorn gebruiken als eet- en slaapkamer; daarom legden ze
+daar een bed van bladen in, en zetten er wat melk en noten neer. Het
+ijzerdraadwiel moest zijn speelkamer zijn, waar hij kon springen en
+klauteren en ronddraaien.
+
+De menschen meenden, dat zij heel goed voor den eekhoorn hadden
+gezorgd, en ze waren er verwonderd over, dat hij niet scheen te
+tieren. Hij zat bedroefd en knorrig in een hoek van zijn kamer, en
+nu en dan liet hij een scherpen, klagenden kreet hooren. Hij roerde
+het eten niet aan, en draaide het wiel geen enkele keer rond.
+
+"Hij is zeker bang," zeiden de menschen op de boerderij. "Morgen,
+als hij zich thuis voelt, zal hij wel eten en spelen."
+
+Intusschen waren de vrouwen op de boerderij bezig met toebereidselen
+voor een feest, en juist dien dag, toen de eekhoorn gevangen werd,
+waren ze allen aan 't bakken. En òf ze hadden tegenspoed gehad met
+het deeg, dat niet rijzen wou, òf ze waren langzaam geweest, want ze
+moesten werken, lang nadat het donker geworden was.
+
+Natuurlijk waren ze druk aan 't werk in de keuken, en er was zeker
+niemand, die tijd had om te zien hoe de eekhoorn het had. Maar er
+was een oud moedertje in huis, die te oud was om meê te bakken. Dat
+begreep ze zelf wel, maar ze vond het in ieder geval niet prettig zoo
+overal buiten te staan. Ze was bedroefd, en daarom ging ze niet naar
+bed, maar bleef bij het venster zitten in de huiskamer, en keek naar
+buiten. In de keuken hadden ze voor de warmte de deur open gezet,
+en een heldere lichtschijn viel naar buiten op de plaats. 't Was
+een ingebouwde plaats, en die werd nu zóó goed verlicht, dat de oude
+vrouw de spleten en gaten in de verf op den muur aan den overkant kon
+zien. Zij zag ook de kooi van den eekhoorn, die juist hing, waar 't
+licht het sterkste viel, en ze merkte, dat de eekhoorn den heelen nacht
+van zijn kamer in het wiel sprong en van 't wiel in zijn kamer, zonder
+een oogenblik te rusten. Ze vond, dat het dier wonderlijk onrustig was,
+maar ze dacht natuurlijk, dat het door het scherpe licht wakker bleef.
+
+Tusschen den koestal en den paardenstal was er in de plaats een breede,
+overdekte inrijpoort, en die lag zoo, dat zij ook werd verlicht. En
+toen het wat later in den nacht was geworden, zag 't oude moedertje,
+dat uit het poortgewelf zacht en voorzichtig een klein ventje kwam
+sluipen, die niet meer dan een handbreed lang was; hij droeg klompen
+en een leeren broek, zooals een gewoon arbeider. 't Oude moedertje
+begreep dadelijk, dat het de kabouter was, en ze werd heelemaal niet
+bang. Ze had altijd gehoord, dat hij op de plaats woonde, maar ze
+had hem nog nooit gezien. En een kabouter bracht immers geluk, als
+hij zich vertoonde.
+
+Zoodra de kabouter over den steenen kant om de plaats heen gekomen
+was, sprong hij regelrecht op de kooi van den eekhoorn toe, en omdat
+die zoo hoog hing, dat hij er niet bij kon, ging hij naar de schuur,
+waar het gereedschap stond, en haalde een lat, zette die tegen de
+kooi en klauterde daarlangs naar boven op dezelfde manier, waarop de
+zeeman tegen een touw opklautert. Toen hij bij de kooi gekomen was,
+rukte hij aan de deur van het kleine groene huisje, alsof hij die
+open wou maken; maar 't oude moedertje bleef heel kalm, want ze wist,
+dat de kinderen een hangslot voor de deur hadden gehangen, uit angst,
+dat de buurjongens zouden probeeren den eekhoorn te stelen. De oude
+zag, dat, toen de kabouter de deur niet kon openkrijgen, de eekhoorn
+naar buiten kwam in het wiel. Daar overlegden hij en de kabouter lang
+met elkaar. En toen de kabouter alles gehoord had, wat het gevangen
+dier hem te zeggen had, gleed hij langs de lat naar den grond, en
+liep hard weg door de poort.
+
+De oude vrouw dacht niet, dat zij dien nacht meer van den kabouter zou
+te zien krijgen; maar zij bleef toch voor 't venster zitten. Na een
+poos kwam hij terug. Hij had zóó'n haast, dat ze vond, dat zijn voeten
+den grond bijna niet raakten, en hij liep gauw naar de kooi van den
+eekhoorn. De oude vrouw zag hem duidelijk met haar vèrziende oogen,
+en ze zag ook, dat hij iets in de handen hield, maar wat dat was,
+kon ze maar niet begrijpen. Wat hij in de linkerhand had, legde hij
+op de steenen neer, maar wat hij in de rechterhand had, nam hij meê
+naar de kooi. Hier schopte hij met de klomp tegen 't kleine venster,
+zoodat de ruit sprong en stak dat wat hij in de hand hield aan den
+eekhoorn daarbinnen toe. Daarop gleed hij weer naar beneden, pakte
+weer op, wat hij op den grond had gelegd, en klauterde ook daarmee
+weer naar de kooi. En dadelijk daarna draafde hij weer weg met zulk
+een haast, dat de oude vrouw hem nauwelijks met de oogen kon volgen.
+
+Maar nu bleef ook 't oude moedertje niet langer stil in de kamer
+zitten; ze liep heel stil naar buiten op de plaats, en ging in de
+schaduw van de pomp staan, om den kabouter af te wachten. En er was
+nog iemand, die hem opgemerkt had, en nieuwsgierig was geworden. Dat
+was de huiskat. Zij kwam zacht aansluipen en bleef bij den muur staan,
+een paar stappen van den heldersten lichtschijn af.
+
+Zij stonden buiten lang te wachten in den kouden Maartnacht, en de
+oude vrouw begon er over te denken om weer naar binnen te gaan, toen
+ze geklepper op de steenen hoorde, en zag, dat de kleine kabouter er
+weer aan kwam stappen. Net als de vorige keer, droeg hij iets in beide
+handen, en dat, wat hij droeg, piepte en spartelde. En nu ging er een
+licht voor 't oude moedertje op. Zij begreep, dat de kabouter naar
+de notenhaag was geloopen, om de jongen van den eekhoorn te halen,
+en dat hij ze bij haar bracht, opdat ze niet dood zouden hongeren.
+
+De oude moeder bleef stil staan om hem niet te storen, en het scheen
+ook niet, dat de kabouter haar opgemerkt had. Hij zou juist het eene
+jong op den grond leggen om met het andere naar boven naar de kooi
+te kunnen klimmen, toen hij de groene oogen van de huiskat dicht bij
+hem fonkelen zag. Hij bleef radeloos staan met een jong in iedere hand.
+
+Hij keerde zich om, keek naar alle kanten uit, en werd nu het oude
+moedertje gewaar. Toen bedacht hij zich niet lang, maar ging naar
+haar toe, en reikte haar het eene jonge eekhoorntje toe.
+
+En 't oude moedertje wilde zich zijn vertrouwen waard toonen, boog
+zich neer, en nam het jonge eekhoorntje aan. Zij bleef staan en hield
+het vast, tot de kabouter met het eene naar boven, naar de kooi was
+geklommen, en het andere kwam halen, wat hij haar had toevertrouwd. Den
+volgenden morgen, toen de menschen op de boerderij bijeen kwamen om
+koffie te drinken, kon 't oude vrouwtje niet laten te vertellen,
+wat ze den vorigen nacht gezien had. En allemaal lachten ze haar
+natuurlijk uit, en zeiden, dat ze het gedroomd had. Er waren geen
+jonge eekhoorns zoo vroeg in het jaar.
+
+Maar zij was zeker van haar zaak, en vroeg, of ze eens in de kooi van
+den eekhoorn wilden kijken. En dat deden ze. En daar lagen op het bed
+van dorre bladen in de kamer vier kleine, halfnaakte en halfblinde
+jongen, die ten minste een paar dagen oud waren.
+
+Toen de vader op de boerderij zelf de jongen zag, zei hij: "'t Mag
+nu wezen, zooals 't wil, maar zeker is het, dat we ons voor dieren
+en menschen moeten schamen." En hij nam den eekhoorn met alle jongen
+uit de kooi, en legde ze in den schoot van het oude moedertje. "Ga
+maar naar de notenhaag," zei hij, "en laat ze vrij."
+
+Die gebeurtenis was het, die zooveel besproken werd en zelfs in de
+courant kwam, maar die de meesten niet wilden gelooven, omdat ze niet
+verklaren konden, hoe zooiets had kunnen gebeuren.
+
+
+
+
+VITTSKÖVLE.
+
+
+Een paar dagen later gebeurde er nog zoo iets wonderlijks. Een
+troep wilde ganzen kwam op een morgen neerstrijken op een akker in
+Oost-Skaane; niet ver van het groote landgoed Vittskövle. In den troep
+waren dertien ganzen van de gewone grijze kleur en één witte ganzerik,
+die op zijn rug een klein ventje droeg, gekleed in gele leeren broek,
+groen vest, en een wit slaapmutsje. Ze waren nu heel dicht bij de
+Oostzee, en op den akker, waar de ganzen waren neergestreken, was de
+aarde met zand vermengd, zooals gewoonlijk aan de zeekust. Het scheen,
+dat daar in die streek vroeger bewegelijk stuifzand was geweest,
+dat vast gelegd had moeten worden, want op verscheiden plaatsen,
+zag men groote dennenplantages.
+
+Toen de wilde ganzen een poos geweid hadden, kwamen er een paar
+kinderen aan in den greppel. De ganzen, die op wacht stonden, vlogen
+dadelijk luid klapwiekend in de hoogte, opdat de heele troep zou
+hooren, dat er gevaar was. Alle wilde ganzen vlogen op, maar de witte
+bleef kalm op het veld loopen. Toen hij zag, dat de andere vluchtten,
+richtte hij het hoofd op, en riep hen na: "Jelui hoeft niet weg te
+vliegen voor die daar. Dat zijn immers maar een paar kinderen!"
+
+'t Kleine ventje, dat op zijn rug had gezeten, zat nu op een hoogtetje,
+aan den kant van 't bosch, en plukte een dennenappel uit elkaar om
+bij de zaadjes te kunnen komen. De kinderen waren zóó dicht bij hem,
+dat hij niet over het veld naar de witte gans durfde te loopen. Hij
+verstopte zich gauw onder een groot dor distelblad, en liet meteen
+een waarschuwend roepen hooren.
+
+Maar de witte scheen bepaald van plan zich niet bang te laten
+maken. Hij bleef op het veld loopen, en keek niet eens, waar de
+kinderen heengingen.
+
+Zij weken intusschen van hun weg af, liepen over het veld en kwamen
+op den ganzerik toe. Toen hij eindelijk opkeek, waren ze vlak bij
+hem, en nu was hij zoo verbluft en verward, dat hij vergat, dat hij
+vliegen kon, en haastig wegliep. De kinderen liepen hem achterna,
+joegen hem in een sloot, en vingen hem daar. De grootste van hen nam
+hem onder den arm, en droeg hem weg.
+
+Toen het ventje, dat onder het distelblad lag, dat zag, sprong hij op,
+alsof hij den ganzerik van de kinderen wilde afnemen. Maar toen dacht
+hij er aan, hoe klein en machteloos hij was, en gooide zich neer op
+het aardhoogtetje, en bonsde wanhopend met zijn vuistjes op den grond.
+
+De ganzerik riep om hulp, zoo hard hij maar kon. "Duimelot, help me
+toch, Duimelot, help me toch!"
+
+Maar toen begon de jongen te lachen, midden in zijn angst. "Ja,
+ik ben wel de rechte, om iemand te helpen," zei hij.
+
+Toch stond hij op, en liep den ganzerik na. "Ik kan hem niet helpen,"
+zei hij, "maar ik wil tenminste zien wat ze met hem uitvoeren."
+
+De kinderen waren hem een heel eind vooruit, maar de jongen had
+toch geen moeite hen in het oog te houden, tot hij aan een diepte in
+'t veld kwam, waar een lentebeek voortbruiste. Die was niet breed,
+en stroomde niet hard, maar hij moest toch ver langs den kant loopen,
+eer hij een plaats vond, waar hij over springen kon.
+
+Toen hij tegen den kant was opgeklommen, waren de kinderen
+verdwenen. Hij kon nog hun spoor zien op een smal pad, dat het bosch
+inliep, en hij bleef het volgen.
+
+Spoedig kwam hij aan een kruisweg, en hier moesten de kinderen van
+elkaar zijn gegaan, want van daar gingen de sporen in verschillende
+richting. Nu keek het ventje heelemaal verslagen.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik zag hij op een klein hoogtetje op de hei
+een wit veertje. Hij begreep, dat de ganzerik het aan den kant van
+den weg geworpen had om hem te wijzen, waar hij heen gedragen was, en
+daarom zette hij zijn tocht voort. Hij volgde zoo de kinderen het heele
+bosch door. Van den ganzerik zag hij niets, maar overal waar hij zich
+in de richting vergissen kon, lag een wit veertje, en wees hem den weg.
+
+De jongen volgde trouw de veertjes. Zij leidden hem uit het bosch,
+over een paar akkers, een weg op en eindelijk door de laan van een
+groot landgoed. Aan 't eind van de laan kon hij flauw gevels en torens,
+met roode tegels bedekt, onderscheiden. Ze waren versierd met lichte
+randen en ornamenten. Toen de jongen zag, dat daar een groot buiten
+lag, meende hij wel te kunnen begrijpen, wat er van den ganzerik
+geworden was. "De kinderen hebben stellig den ganzerik naar dit buiten
+gebracht en hem hier verkocht, en dan is hij zeker al geslacht," zei
+hij in zichzelf. Maar hij wou niet rusten, voor hij precies wist,
+wat er gebeurd was, en liep voort met nog grooter haast. Hij kwam
+niemand tegen in de laan, en dat was maar goed ook! Want zulken,
+als hij, zijn gewoonlijk bang om door menschen gezien te worden.
+
+Op het buiten, waar hij gekomen was, stond een prachtig oud gebouw,
+in 't vierkant gebouwd om een slotplaats heen. Aan de oostzij was
+een diepe gewelfde poort, die naar de slotplaats leidde. Tot zoover
+liep het ventje door zonder te aarzelen, maar toen hij daar kwam,
+stond hij stil. Verder waagde hij zich niet, maar hij bleef er over
+staan denken, wat hij nu doen zou.
+
+Het ventje stond nog met den vinger langs den neus te peinzen, toen
+hij achter zich voetstappen hoorde, en toen hij zich omkeerde, zag
+hij een heele schare menschen de laan opkomen. Hij sloop gauw achter
+een waterton, die toevallig bij de poort stond, en verstopte zich daar.
+
+Zij, die daar aankwamen, waren een twintig jonge mannen van een
+volkshoogeschool, die een voetreisje deden. Er was een leeraar bij,
+en toen zij aan de poort gekomen waren, vroeg deze hun daar even te
+wachten, terwijl hij naar binnen ging om te vragen, of zij het oude
+kasteel Vittskövle mochten bekijken.
+
+De nieuw aangekomenen waren warm en moe, alsof ze een lange wandeling
+gemaakt hadden. Een van hen had zoo'n dorst, dat hij naar de waterton
+ging en zich voorover boog om te drinken. Hij had een botaniseertrommel
+om den hals hangen, en hij vond zeker, dat die hem hinderde, want hij
+gooide ze op den grond. Daardoor ging de deksel open, zoodat men zien
+kon, dat er een paar lentebloemen in lagen.
+
+De botaniseertrommel viel vlak bij het ventje neer, en nu vond hij,
+dat er zich een uitstekende gelegenheid voordeed om in den burcht
+te komen, en te hooren, wat er van den ganzerik geworden was. Hij
+kroop vlug in de trommel, en verstopte zich, zoo goed hij kon, onder
+anemonen en hoefblad.
+
+Nauwelijks was hem dat gelukt, of de jongeman nam de botaniseertrommel
+op, hing ze om, en sloeg den deksel dicht.
+
+De leeraar kwam nu terug en zei, dat hij toegang tot het slot
+had gekregen. Om te beginnen bracht hij hen niet verder dan de
+slotplaats. Daar bleef hij staan, en begon over het oude gebouw
+te spreken.
+
+Hij herinnerde er hen aan, dat de eerste menschen, die in 't land
+kwamen, in krotten en holen in den grond, in tenten van dierenhuiden en
+rieten hutten hadden gewoond, en dat er veel tijd was voorbij gegaan,
+eer ze bedacht hadden een huis te timmeren van boomstammen. En daarna:
+hoe lang hadden ze niet moeten werken en zwoegen om zoover te komen,
+dat ze een slot konden bouwen met honderd kamers, zooals Vittskövle!
+
+Ongeveer driehonderdvijftig jaar geleden bouwden de rijken en
+machtigen zich zulke kasteelen als dit, zeide hij. Men kon wel zien,
+dat Vittskövle gebouwd was in een tijd, dat oorlog en roovers het
+onveilig maakten in Skaane. Rond om het kasteel liep een gracht,
+en daarover lag vroeger een brug, die kon worden opgehaald.
+
+Boven het poortgewelf was nu nog een wachttoren; buiten langs de
+muren van het kasteel liepen wachtgangen, en in de hoeken stonden
+vaste torens met muren, die wel een meter dik waren.
+
+De leeraar sprak lang en uitvoerig, en het ventje, dat in de
+botaniseertrommel zat opgesloten, werd braaf ongeduldig; maar hij
+moet toch heel stil gelegen hebben, want de eigenaar van de trommel
+merkte in het geheel niet, dat hij hem bij zich had.
+
+Eindelijk ging dan het geheele gezelschap het kasteel binnen, maar als
+het ventje gehoopt had, gelegenheid te hebben uit de botaniseertrommel
+te ontsnappen, dan had hij het mis. Want de leerling hield hem bij
+zich, en hij moest meê door alle kamers.
+
+'t Werd een langdurige wandeling. De leeraar bleef elk oogenblik
+staan om iets te verklaren, of de jongelui wat te leeren.
+
+In een kamer was een oude haard, en daar bleef hij voor staan om te
+vertellen van de verschillende stookplaatsen, die de menschen in den
+loop der tijden hadden gebruikt. De eerste stookplaats binnenshuis
+was een steenen plaat midden in de kamer geweest, met een opening voor
+den rook midden in het dak, die regen en wind binnen liet, de tweede
+was een groote gemetselde oven zonder schoorsteen geweest, en die
+had wel de kamer verwarmd maar die ook met rook en damp gevuld. Toen
+Vittskövle gebouwd werd, waren de menschen juist zoover gekomen,
+dat ze open haarden hadden, met een wijden schoorsteen voor den rook,
+maar die ook de meeste warmte meê de lucht in zonden.
+
+Als dat kleine ventje ooit heftig en ongeduldig was geweest, kreeg
+hij dien dag een goede gelegenheid om zijn geduld te oefenen. Nu had
+hij al bijna een uur onbewegelijk gelegen.
+
+In de volgende kamer, waar de leeraar kwam, bleef hij staan voor
+een oud bed met een hoogen hemel en prachtige gordijnen, en dadelijk
+begon hij te vertellen van bedden en slaapplaatsen in den ouden tijd.
+
+Hij haastte zich niet. Maar hij wist ook niet, dat er een klein
+stumpertje in de botaniseertrommel lag opgesloten, en er maar op
+wachtte, dat hij zou ophouden. Toen hij bij een kamer kwam, met
+goudleeren behang, begon hij te vertellen, hoe de menschen al van
+de eerste tijden af hun wanden hadden bekleed; als hij bij een oud
+familieportret kwam, vertelde hij van de vele vormen van kleederdracht,
+en in de feestzalen beschreef hij de wijze, waarop men in vroeger
+tijden bruiloften en begrafenissen hield.
+
+Onder dit alles lag het ventje doodstil. Als hij ooit ondeugend was
+geweest, en de kelderdeur achter Vader of Moeder had dichtgegooid,
+dan kon hij nu voelen, hoe dat voor hen was geweest, want het duurde
+uren vóór de spreker ophield.
+
+Eindelijk ging de leeraar weer naar buiten op de plaats. En daar
+vertelde hij er van, hoe lang de menschen hadden moeten werken om
+zich werktuigen en wapens, kleeren en huizen, meubels en versiersels
+te verschaffen. Hij zei, dat zoo'n oude burcht als Vittskövle als een
+mijlpaal op den weg was. Daar kon men zien, hoe ver de menschen waren
+gekomen voor driehonderd vijftig jaar geleden, en zelf beoordeelen,
+of ze sinds dien tijd vooruit of achteruit waren gegaan.
+
+Maar naar deze toespraak hoefde het ventje niet te luisteren, want
+de leerling, die hem in zijn botaniseertrommel meê droeg, kreeg weer
+dorst, en sloop naar de keuken om een beetje water te vragen. Toen nu
+'t ventje in de keuken werd gedragen, wou hij zeker probeeren eens
+naar den ganzerik uit te zien. Hij was begonnen zich te bewegen,
+en hierdoor drukte hij bij ongeluk zóó hard tegen den deksel,
+dat die opensprong. Botaniseertrommels springen altijd open, en de
+leerling dacht daar niet verder over na, maar drukte die eenvoudig
+weer dicht. Maar toen vroeg het keukenmeisje, of hij een slang in de
+trommel had.
+
+"Neen, er zijn alleen wat planten in," antwoordde de leerling.
+
+"Maar er was iets, dat zich bewoog," hield de kookster vol.
+
+De leerling deed toen den deksel open om haar te laten zien, dat zij
+zich vergiste: "Zie nu maar zelf of...."
+
+Maar verder kwam hij niet, want nu durfde het dwergje niet langer
+in de botaniseertrommel blijven. Hij sprong op den grond, en liep
+weg. De meisjes konden nauwelijks zien wat het was, dat daar weg
+sprong, maar ze liepen er alle hard achteraan.
+
+De leeraar stond nog te praten, maar hij werd gestoord door luid
+roepen. "Pak hem! Pak hem!" riepen zij, die uit de keuken kwamen, en
+al de jonge mannen liepen het dwergje achterna, dat nog harder wegliep
+dan een rat. Zij probeerden het den weg af te snijden in de poort,
+maar het was niet makkelijk zoo'n kleintje te pakken te krijgen,
+en hij kwam gelukkig naar buiten.
+
+Hij durfde niet door de open laan te loopen, maar ging een anderen
+kant uit. Hij vloog door den tuin, de plaats achter het huis op. En
+steeds jaagden de menschen achter hem aan met geschreeuw en gelach. De
+kleine stumper vloog voort zoo hard hij kon, maar 't scheen toch,
+dat de menschen hem zouden inhalen.
+
+Toen hij voorbij een arbeidershuisje liep, hoorde hij een gans kakelen,
+en hij zag een wit veertje op de stoep liggen. Daar had hij eindelijk
+den ganzerik. Hij was dus op den verkeerden weg geweest. Hij dacht
+niet meer aan de meisjes en jongens, die hem achternazaten, maar klom
+gauw de trappen in het gangetje op. Verder kon hij niet komen, want de
+kamerdeur was dicht. Hij hoorde den ganzerik schreeuwen en jammeren
+daarbinnen, maar hij kon de deur niet open krijgen. De groote jacht
+achter hem aan, kwam al nader en nader, en in de kamer schreeuwde de
+ganzerik steeds jammerlijker! In den uitersten nood nam het dwergje
+al zijn moed bij elkaar, en bonsde met alle kracht op de deur.
+
+Een kind kwam opendoen, en het dwergje keek de kamer binnen. Midden op
+den vloer zat een vrouw, die den ganzerik vasthield om zijn vleugels
+te knippen. Haar kind had hem gevonden, en zij wilde hem geen kwaad
+doen. Ze wilde hem bij haar eigen ganzen laten, als ze alleen maar
+zijn vleugels geknipt had, zoodat hij niet weg kon vliegen. Maar
+een grooter ongeluk kon den ganzerik bijna niet overkomen, en hij
+schreeuwde en jammerde, zoo hard hij maar kon. En 't was een geluk,
+dat de vrouw niet eerder was begonnen met knippen. Nu waren nog
+maar twee pennen door haar schaar gevallen, toen de deur openging,
+en het dwergje op den drempel stond. Maar zooiets had de vrouw nog
+nooit gezien. Zij kon niet anders denken, dan dat het de Goa-kabouter
+zelf was, en ze liet van schrik de schaar vallen, sloeg de handen in
+elkaar, en vergat den ganzerik vast te houden.
+
+Zoodra die zich vrij voelde, sprong hij naar de deur. Hij had geen tijd
+om stil te staan, maar in het voorbijgaan greep hij het dwergje bij
+den kraag, en nam hem meê. En op de stoep sloeg hij de vleugels uit,
+en vloog op in de lucht. Meteen maakte hij een sierlijke beweging met
+den hals, en zette het dwergje op zijn gladden donzigen rug. En zoo
+zweefden ze weg, hoog door de lucht, en heel Vittskövle stond ze na
+te kijken.
+
+
+
+
+IN HET KLOOSTER VAN ÖVED.
+
+
+Heel den langen dag, toen de ganzen met den vos speelden, lag de
+jongen in een verlaten eekhoornsnest te slapen. Toen hij tegen den
+avond wakker werd, was hij heel bezorgd.
+
+"Nu word ik gauw naar huis gestuurd," dacht hij, "en dan moet ik me wel
+aan Vader en Moeder vertoonen." Maar toen hij de wilde ganzen opzocht,
+die zich baadden in 't Vombmeer, zei geen van hen er een woord over,
+dat hij moest heengaan.
+
+"Ze vinden zeker, dat de witte te moe is om vanavond met mij naar
+huis te gaan," dacht de jongen.
+
+Den volgenden morgen waren de ganzen al wakker bij 't aanbreken van
+den dag, lang vóór zonsopgang. Nu was de jongen er van overtuigd, dat
+hij naar huis moest, maar vreemd genoeg mochten de witte ganzerik en
+hij meê op hun vroegen tocht. De jongen begreep niet wat de oorzaak
+van dit uitstel was, maar toen maakte hij voor zichzelf uit, dat de
+ganzen den ganzerik niet wilden wegsturen op zoo'n lange reis, voor
+hij eerst flink zijn genoegen gegeten had. Maar hoe het ook was, hij
+vond dat ieder uur, dat voorbij ging, vóór hij zich aan zijn ouders
+vertoonen moest, winst was.
+
+De wilde ganzen vlogen over het buiten van Övedklooster, dat in een
+heerlijk park lag, ten oosten van het meer, en er prachtig uitzag
+met zijn groot kasteel, zijn mooie steenen slotplaats, door lage
+muren en paviljoens omgeven, en zijn mooien, ouderwetschen tuin met
+geschoren hagen, dichte berceaux, vijvers, fonteinen en watervallen,
+verrukkelijke boomen en kort geschoren grasvelden, omlijst door bonte
+randen lentebloemen.
+
+Toen de ganzen over dat groote buiten vlogen in den vroegen morgen,
+was er nog geen mensch op. Toen ze daar zeker van waren, daalden
+ze tot dicht bij het hondenhok en riepen. "Wat is dat hier voor een
+klein hutje? Wat is dat hier voor een klein hutje?"
+
+Dadelijk kwam de hond uit het hok, woedend, razend, en schold ze uit.
+
+"Noem jelui dat een hutje? Jelui schooiers! Zie je niet, dat het een
+groot kasteel van steen is? Zie je niet wat mooie muren het heeft? Zie
+je al die vensters en de hooge poorten niet en dat prachtige terras,
+wou, wou, wou! Noem je dát een hutje? Zie je dan den tuin niet,
+en den boomgaard? Zie je dan de oranjerie niet? Zie je de marmeren
+beelden niet? Noem jelui dit een hutje? Hebben hutjes dan een park,
+waar beukenbosschen en kreupelhout van hazelaars zijn? En waar je
+velden met loofboomen en eikenhagen en rijen dennen vindt, en een
+hertenkamp vol herten, wou, wou, wou! Noem je dit een hutje? Heb
+je ooit een hutje gezien met zooveel bijgebouwen, dat het wel
+een heele stad leek? Jelui kent zeker veel hutjes, die hun eigen
+kerk en pastorie hebben, en die macht hebben over landgoederen en
+boerenhuizen en pachterijen en boerderijen, wou, wou, wou! Noem je
+dát een hutje? Bij dat hutje hoort het grootste landgoed van Skaane,
+jelui bedelaars! Waar jelui in de lucht hangt, kun je geen handbreed
+grond zien, dat niet bij dit hutje hoort, wou, wou wou!"
+
+Het lukte den hond dit alles in één adem uit te blaffen, en de ganzen
+vlogen heen en weer over het landgoed, en luisterden naar hem, tot
+hij even moest ophouden om op adem te komen. Maar toen riepen ze:
+
+"Waarom ben je zoo boos? We vroegen niet naar het kasteel, we vroegen
+enkel naar je hondenhokje."
+
+Toen de jongen die grap hoorde, lachte hij eerst, maar toen kwam een
+gedachte bij hem op, die hem op eens weer ernstig maakte: "Stel je eens
+voor, hoeveel grappen je hooren zou, als je met de ganzen meê mocht
+'t heele land door, heel tot Lapland toe," zei hij in zichzelf. "Nu
+ik er toch zoo akelig aan toe ben, was zoo'n reis 't beste, wat ik
+bedenken kon."
+
+De wilde ganzen daalden neer op een van de groote velden ten oosten
+van het landgoed, om graswortels te eten, en dat deden ze uren lang. In
+dien tijd ging de jongen in het groote park, dat aan de velden grensde,
+zocht naar een notenhaag, en begon naar boven in de struiken te kijken,
+of er niet hier en daar een noot was blijven hangen van den vorigen
+herfst. Maar telkens kwam de gedachte aan de reis terug, terwijl hij
+daar door het park liep. Hij stelde zich voor hoe prettig het wezen
+zou met de wilde ganzen mee te gaan. Honger en kou lijden zou hij
+zeker vaak genoeg, maar daarentegen zou hij ook vrij zijn van werken
+en leeren.
+
+Terwijl hij daar liep, kwam de oude leidstergans naar hem toe en vroeg,
+of hij iets te eten had gevonden. Neen, dat had hij niet, zei hij,
+en toen probeerde ze hem te helpen. Noten kon zij ook niet vinden,
+maar ze ontdekte een paar rozebottels, die aan een wilde rozestruik
+hingen. De jongen at ze met graagte op, maar hij dacht ondertusschen
+wat Moeder er wel van zeggen zou, als ze wist, dat hij nu van rauwe
+visch en overwinterde rozebottels leefde.
+
+Toen de wilde ganzen eindelijk genoeg gegeten hadden, trokken ze weer
+naar het meer, en daar vermaakten ze zich en speelden tot tegen den
+middag. De ganzen daagden den witten ganzerik uit tot een wedstrijd in
+alle mogelijke lichaamsoefeningen en spelen. Ze zwommen, sprongen en
+vlogen om het hardst met hem, de groote tamme gans deed zijn best,
+maar hij werd aldoor overwonnen door de vlugge, wilde ganzen. De
+jongen zat aldoor op den rug van den ganzerik en moedigde hem aan,
+en had evenveel pret als de anderen. 't Was een geschreeuw en een
+gelach en gekakel, dat het een wonder was, dat de bewoners van het
+kasteel hen niet hoorden.
+
+Toen de wilde ganzen het spelen moe waren, vlogen ze naar het ijs en
+rustten een paar uur. Den namiddag brachten ze bijna op dezelfde manier
+door. Eerst een paar uur eten, dan baden en spelen in 't water aan den
+kant van het ijs tot zonsondergang. Toen moesten ze gauw gaan slapen.
+
+"Dat zou nu juist een leventje voor mij zijn," dacht de jongen,
+toen hij onder den vleugel van den ganzerik kroop. "Maar morgen zal
+ik wel naar huis gestuurd worden."
+
+Eer hij insliep, lag hij er aan te denken, dat hij, als hij met
+de wilde ganzen meê mocht, van alle standjes over zijn luiheid af
+was. Dan mocht bij den heelen dag luieren, en zijn eenige zorg zou
+zijn, dat hij moest zien iets te eten te krijgen. Maar hij had nu
+zoo weinig noodig, dat dit wel terecht zou komen.
+
+En dan dacht hij aan alles, wat hij te zien zou krijgen, en aan alle
+avonturen, die hij meemaken zou. Ja, dat werd heel wat anders dan al
+dat zwoegen en sjouwen thuis.
+
+"Als ik maar met de wilde ganzen meê op reis mocht, dan zou ik er
+niet bedroefd om wezen, dat ik betooverd ben," dacht hij.
+
+Hij was alleen maar bang, dat hij naar huis zou worden gestuurd;
+maar ook 's Woensdags zeiden de ganzen er niets van, dat hij weg
+moest. Die dag ging op dezelfde manier voorbij als de Dinsdag, en
+de jongen vond het leven in de wildernis steeds prettiger. Het was,
+alsof hij het eenzame park bij Övedklooster, dat zoo groot was als
+een bosch, voor zich alleen had, en hij verlangde niet terug naar
+het enge kamertje en de akkertjes thuis.
+
+Dien Woensdag dacht hij, dat de wilde ganzen van plan waren hem bij
+zich te houden, maar Donderdag daarop gaf hij die hoop weer op.
+
+De Donderdag begon op dezelfde manier als de andere dagen. De ganzen
+weidden op de groote velden, en de jongen zocht naar voedsel in het
+park. Na een poosje kwam Akka bij hem en vroeg, of hij al iets te
+eten had gevonden. Neen, dat had hij niet, en toen zocht ze een droog
+komijnenplantje voor hem, dat al zijn vruchtjes nog had.
+
+Toen de jongen gegeten had, zei Akka, dat ze vond, dat hij al te
+onvoorzichtig in het park rondliep. Ze zou wel eens willen weten,
+of hij wist hoeveel vijanden hij had, waar hij voor oppassen moest,
+hij, die zoo klein was. Neen, dat wist hij heelemaal niet, en nu
+begon Akka ze voor hem op te noemen.
+
+Als hij in het park liep, zei ze, moest hij oppassen voor den vos en
+den marter; als hij aan 't strand kwam, moest hij om de otters denken;
+als hij op het steenen plaatsje zat, moest hij den wezel niet vergeten,
+die door het kleinste gaatje kruipen kon; als hij zou willen slapen
+in een hoopje dorre bladen, moest hij eerst onderzoeken, of niet een
+adder ook daar zijn winterslaap deed. Zoodra hij op 't open veld kwam,
+moest hij den havik en den kievit, den arend en den valk in 't oog
+houden, die hoog boven in de lucht zweefden. In de notenhaag kon hem
+de sperwer vangen. Eksters en kraaien waren overal, en die moest hij
+niet te veel vertrouwen, en zoodra de schemering inviel, moest hij
+de ooren spitsen om te luisteren naar de groote uilen, die zoo stil
+voortvlogen, dat ze vlak bij hem konden komen, eer hij het merkte.
+
+Toen de jongen hoorde, dat er zóóvelen waren, die hem naar het leven
+stonden, begreep hij wel, dat het volkomen onmogelijk was, dat hij
+het kon behouden. Hij was niet zoo heel bang om dood te gaan, maar
+hij vond het niet prettig om opgegeten te worden, en daarom vroeg
+hij Akka wat hij doen moest om zich tegen de roofdieren te beschermen.
+
+Akka antwoordde dadelijk, dat de jongen moest probeeren goede vrienden
+te worden met de kleine dieren in 't bosch en op 't veld; met de
+eekhoorns en de hazen, met vinken en meezen en leeuweriken. Als hij hun
+goede vriend was geworden, konden zij hem voor gevaren waarschuwen, hem
+schuilplaatsen bezorgen, en in hoogen nood konden ze zich vereenigen
+en hem verdedigen.
+
+Maar toen de jongen later op den dag dien raad wilde volgen, en zich
+tot Sirle, den eekhoorn, wendde om hem om hulp te vragen, bleek het,
+dat deze hem niet wilde helpen.
+
+"Van mij of van de andere kleine dieren moet je niets goeds
+verwachten," zei Sirle. "Meen je, dat wij niet weten, dat jij Niels,
+de ganzenjongen, bent, die verleden jaar zwaluwnestjes vernielde,
+spreeuweneieren kapot gooide, jonge kraaien in de mergelgroeve smeet,
+lijsters in strikken ving en eekhoorns in de kooi zette? Jij moet
+jezelf maar helpen, zoo goed je kunt, en wees maar blij, dat wij ons
+niet tegen jou vereenigen en je terug jagen naar je familie."
+
+Dat was nu juist een antwoord, dat de jongen vroeger niet ongestraft
+zou gelaten hebben, als hij nog Niels, de ganzenjongen, was geweest,
+maar nu was hij alleen bang, dat ook de wilde ganzen zouden hooren,
+hoe ondeugend hij kon wezen. Hij was zóó bang geweest, dat hij niet
+bij de wilde ganzen zou mogen blijven, dat hij zich ook niet aan het
+kleinste kattekwaad had durven wagen, sinds hij met hen in gezelschap
+was gekomen. 't Was wel waar, dat hij niet zóóveel kwaad had kunnen
+doen, nu hij zóó klein was, maar hij kon toch nog veel vogelnestjes
+hebben uitgehaald, en veel eieren stukgegooid, als hij daar lust in
+had gehad. Nu had hij zich voortdurend goed gedragen, hij had geen
+enkel veertje uit een ganzevleugel getrokken, nooit een onbeleefd
+antwoord gegeven, en iederen morgen, als hij Akka had goedenmorgen
+gezegd, had hij de muts afgenomen en een buiging gemaakt.
+
+Den heelen Donderdag liep hij er over te denken, dat de wilde ganzen
+hem zeker niet meê naar Lapland wilden nemen om zijn ondeugendheid. En
+toen hij tegen den avond hoorde, dat de vrouw van Sirle, den eekhoorn,
+was geroofd en haar kinderen op het punt waren dood te hongeren,
+besloot hij hen te helpen, en wij hebben al gehoord hoe goed hem
+dat gelukte.
+
+Toen de jongen Vrijdags in het park kwam, zongen de bergvinken in
+iedere struik, hoe de vrouw van Sirle, den eekhoorn, door wreede
+roovers van haar teere jongen was weggevoerd, en hoe Niels, de
+ganzenjongen, zich onder de menschen had gewaagd, en haar de kleine
+eekhoorntjes gebracht had.
+
+"Wie is nu zoo gevierd in 't park van Övedklooster als
+Duimelot?" zongen de vinken, "hij, dien allen vreesden, toen hij nog
+Niels, de ganzenjongen, was. Sirle, de eekhoorn, zal hem noten geven,
+de arme hazen zullen met hem spelen, de reeën zullen hem op den rug
+nemen en met hem vluchten, als Smirre, de vos, er aankomt, de meezen
+zullen hem beschermen voor den sperwer, en vinken en leeuweriken
+zullen van zijn heldendaad zingen."
+
+De jongen was er vast van overtuigd, dat Akka en de wilde ganzen dit
+alles hoorden, maar toch ging de heele Vrijdag voorbij, zonder dat
+ze er iets van zeiden, dat hij bij hen blijven mocht.
+
+Heel tot Zaterdag toe mochten de ganzen op de weiden om Öved grazen,
+zonder door Smirre, den vos, te worden gestoord. Maar toen zij
+Zaterdagmorgen op het veld kwamen, lag hij daar op den loer, en
+vervolgde hen van de eene weide naar de andere, zoodat zij niets te
+eten kregen. Toen Akka begreep, dat hij niet van plan was hen met rust
+te laten, nam zij vlug een besluit, verhief zich hoog in de lucht,
+en vloog met den heelen troep verscheiden mijlen ver over de vlakke
+velden van Färs en de met jeneverbessen begroeide heuvels van den
+bergrug van Linderöd. En ze daalden niet neer, voor ze in de buurt
+van Vittskövle kwamen.
+
+Maar daar werd de ganzerik gestolen, zooals we al verteld hebben. En
+als de jongen niet alle kracht had ingespannen om hem te helpen,
+was hij nooit weer terecht gekomen.
+
+Toen de jongen met den ganzerik dien Zaterdagavond bij het Vombmeer
+terug kwam, vond hij, dat hij een goed dagwerk had gedaan, en hij was
+er nieuwsgierig naar, wat Akka en de wilde ganzen zouden zeggen. En
+zij waren in 't geheel niet spaarzaam met hun lof, maar ze zeiden niet,
+wat hij zoo verlangde te hooren.
+
+Zoo werd het weer Zondag. Een heele week was nu voorbij gegaan,
+sinds hij betooverd was, en nog steeds was hij even klein.
+
+Maar het scheen, dat hij er niet hard om treurde. Dien Zondagmiddag
+zat hij in een grooten, weelderig groeienden wilgestruik bij den kant
+van het meer, en blies op een rietfluitje. Om hem heen zaten zooveel
+meezen en vinken en spreeuwen, als de struik maar houden kon. En
+ze kwinkeleerden liedjes, die hij probeerde na te spelen. Maar de
+jongen was niet heel bedreven in de kunst. Hij blies zóó valsch,
+dat de veeren bij al zijn kleine leermeesters te berge rezen, en
+dat ze van wanhoop schreeuwden en fladderden. De jongen lachte zoo
+hartelijk om hun opgewondenheid, dat hij zijn fluit liet vallen.
+
+Hij begon weer van voren af aan, en 't ging even slecht, en alle
+vogeltjes jammerden: "Vandaag speel je slechter dan gewoonlijk,
+Duimelot. Je fluit niet één zuiveren toon. Waar zijn toch je gedachten,
+Duimelot?"
+
+"Ze zijn ergens anders," zei de jongen, en dat was waar. Hij zat er
+aan te denken, hoe lang hij nog bij de wilde ganzen zou mogen blijven,
+en of hij misschien al dezen dag naar huis zou worden gestuurd.
+
+Op eens gooide de jongen de fluit weg, en sprong uit de struik op
+den grond. Hij zag Akka en alle ganzen op zich toe komen in een
+lange rij. Zij liepen zóó geweldig langzaam en plechtig, dat de
+jongen dadelijk meende te begrijpen, dat hij nu zou te weten komen,
+wat ze met hem voor hadden.
+
+Toen ze eindelijk stilstonden, zei Akka: "Je hebt alle reden gehad je
+over mij te verbazen, Duimelot, omdat ik je er niet eens voor bedankt
+heb, dat je me uit de klauwen van Smirre, den vos, redde. Maar ik
+dank liever met daden dan met woorden. En nu geloof ik, Duimelot,
+dat het me gelukt is je een grooten dienst te bewijzen. Ik heb een
+boodschap gestuurd aan den kabouter, die je heeft betooverd. In 't
+begin wou hij er niet van hooren om je weer beter te maken, maar ik
+heb hem de eene boodschap na de andere gestuurd, en hem laten zeggen,
+hoe goed je je bij ons gedragen hebt. Hij laat je nu groeten en zeggen,
+dat je, zoodra je weer thuiskomt, weer een mensch mag worden."
+
+Maar stel je nu voor! Even blij als de jongen geweest was, toen
+de wilde gans begon te spreken, even bedroefd was hij, toen ze
+uitgesproken had. Hij zei geen woord, maar keerde zich om, en begon
+te schreien.
+
+"Wat in de wereld is dat nu?" zei Akka. "Het lijkt wel of je meer
+van me hebt verwacht, dan ik je nu aanbied."
+
+Maar de jongen dacht aan zorgelooze dagen en vroolijke grapjes,
+aan avonturen en vrijheid, en tochten hoog boven de aarde, die hij
+misloopen zou, en hij huilde hardop van droefheid.
+
+"Ik geef er niet om, of ik een mensch word!" zei hij. "Ik wil met u
+meê naar Lapland."
+
+"Ik moet je wat zeggen," zei Akka. "Die kabouter is heel
+lichtgeraakt. En ik ben bang, dat als je nu zijn aanbod niet aanneemt,
+het je moeilijk vallen zal er hem later weer toe te bewegen een mensch
+van je te maken."
+
+Dat was nu vreemd van dien jongen: zoolang hij had geleefd, had
+hij van niemand gehouden. Hij hield niet van zijn vader of moeder,
+niet van den meester, niet van zijn kameraden, niet van de jongens in
+de buurt. Alles wat die wilden, dat hij doen zou, spelen of werken,
+had hij altijd vervelend gevonden. Daarom was er nu niemand, die hij
+miste of naar wien hij verlangde. De eenige, met wie hij het wel
+had kunnen vinden was Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads,
+een paar kinderen, die net als hij, ganzen hoedden. Maar echt van
+hen houden deed hij ook niet. Neen, heelemaal niet.
+
+"Ik wil geen mensch worden," snikte de jongen. "Ik wil met u meê naar
+Lapland. Daarom ben ik een heele week zoet geweest!"
+
+"Ik wil je niet beletten met ons meê te gaan," zei Akka, "zoover je
+maar wilt. Maar denk er nu nog eens over, of je niet liever naar huis
+wilt. Je kunt er later zoo'n spijt van hebben."
+
+"Neen," zei de jongen, "er is niets om spijt van te hebben. Ik heb
+het nooit zoo prettig gehad, als hier bij u."
+
+"Nu, dan zullen we doen, wat je wilt," zei Akka.
+
+"Dank u," zei de jongen, en voelde zich zóó gelukkig, dat hij schreide
+en weende van blijdschap, zooals hij eerst van verdriet had geschreid.
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+'T HUIS GLIMMINGEN.
+
+
+ZWARTE EN GRIJZE RATTEN.
+
+
+In 't zuidoosten van Skaane, niet ver van de zee, ligt een oud kasteel,
+dat "'t Huis Glimmingen" heet. Dat bestaat uit één enkel hoog, groot
+en sterk steenen gebouw, dat mijlen ver over het vlakke veld te zien
+is. 't Is maar drie verdiepingen hoog, maar 't is zoo geweldig groot,
+dat een gewoon huis, dat op hetzelfde landgoed staat, er uitziet als
+een stukje kinderspeelgoed.
+
+Het groote steenen huis heeft zulke zware buiten- en binnenmuren en
+dakgewelven, dat er van binnen niet veel plaats is voor iets anders
+dan die dikke muren. De trappen zijn smal, de portalen klein, en er
+zijn maar weinig kamers. Opdat de muren goed sterk zouden blijven,
+zijn er maar enkele vensters in de bovenste verdiepingen en in de
+benedenste heelemaal geen. Daar zijn maar smalle lichtgaatjes. In
+de oude oorlogstijden waren de menschen even blij, als ze zich
+in zoo'n sterk en geweldig huis konden opsluiten, als we nu zijn,
+wanneer we in den bar kouden winter in een pels kunnen kruipen; maar
+toen de goede vredestijd kwam, wilden ze niet meer in de donkere,
+koude steenen kamers van het oude kasteel wonen. Ze hebben al lang
+het groote huis Glimmingen verlaten en zijn naar woningen verhuisd,
+die zoo zijn ingericht, dat licht en lucht er binnen kunnen komen.
+
+In den tijd, dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondzwierf,
+waren er dus geen menschen in 't huis Glimmingen, maar daarom waren
+er toch inwoners genoeg. Op het dak woonden iederen zomer een paar
+ooievaars in een groot nest; op den zolder leefden een paar katuilen;
+in de verborgen gangen hingen vleermuizen, in den haard in de keuken
+woonde een oude kat, en beneden in den kelder, waren eenige honderden
+van het oude geslacht zwarte ratten.
+
+Ratten waren juist niet gezien bij de andere dieren; maar de zwarte
+ratten op 't huis Glimmingen maakten daar een uitzondering op. Er werd
+altijd met achting over hen gesproken, omdat zij zoo dapper waren
+geweest in den strijd met hun vijanden, en omdat ze zoo flink waren
+geweest onder de groote ongelukken, die over hun volk waren gekomen.
+
+Zij behoorden namelijk tot een rattenvolk, dat eens talrijk en machtig
+was geweest, maar nu langzamerhand uitstierf. Jaren lang hadden de
+zwarte ratten Skaane en 't geheele land in bezit gehad. Zij waren in
+iederen kelder, op iederen zolder, in schuren en op dorschvloeren, in
+provisiekamers en bakkerijen, in koe- en paardenstallen, in kerken en
+kasteelen, in branderijen en molens, in alle gebouwen door menschen
+opgetrokken; maar nu waren ze bijna overal uit verdreven en bijna
+uitgeroeid. Alleen nog op een of andere ouderwetsche, eenzame hoeve
+kon men er enkele ontmoeten, en nergens vond men ze in zoo grooten
+getale als op 't huis Glimmingen.
+
+Als een dierenvolk uitsterft, hebben meestal de menschen daar schuld
+aan; maar dat was nu niet het geval. Wel hadden de menschen met
+de zwarte ratten gestreden, maar zij hadden hun geen noemenswaarde
+schade kunnen doen. Zij, die ze overwonnen hadden, behoorden tot een
+volk van hun eigen stam: de grijze ratten genaamd.
+
+Die grijze ratten hadden niet, zooals de zwarte ratten, sinds
+oeroude tijden het land bewoond. Zij stamden af van een paar
+arme landverhuizers, die zoowat een honderd jaar geleden in
+Malmö aan land kwamen met een boot uit Lubeck. 't Waren daklooze,
+uitgehongerde stumpers, die in de haven zelf hun verblijf hielden,
+tusschen de steigers rondzwommen, en het afval aten, dat in het water
+werd geworpen. Zij waagden zich nooit in de stad, die aan de zwarte
+ratten toebehoorde.
+
+Maar zoo langzamerhand, toen de grijze ratten in aantal toenamen,
+werden ze moediger. Om te beginnen betrokken ze een paar verlaten
+en onbewoonbaar verklaarde oude huizen, die de zwarte ratten hadden
+verlaten. Zij zochten hun voedsel in de gootsteenen en op mesthoopen,
+en namen voor lief allen rommel, die de zwarte ratten niet meer wilden
+hebben. Ze waren standvastig, met weinig tevreden en onvervaard,
+en in weinig jaren waren ze zoo machtig, dat ze zich voornamen de
+zwarte ratten uit Malmö te verjagen. Ze namen hun zolders, kelders
+en magazijnen af; hongerden ze uit of beten ze dood, want ze waren in
+'t geheel niet bang voor den strijd.
+
+En toen Malmö was ingenomen, trokken ze voort in kleine en groote
+troepen om het geheele land te veroveren. 't Is bijna onbegrijpelijk,
+waarom de zwarte ratten zich niet bij elkaar voegden, en een
+grooten gezamenlijken veldtocht op touw zetten om de grijze ratten
+te vernietigen, toen er nog maar weinig waren. Maar de zwarte waren
+zeker zóó overtuigd van hun macht, dat ze niet konden gelooven, dat het
+mogelijk was die te verliezen. Ze leefden stil op hun bezittingen, en
+intusschen namen de grijze ratten hun het eene landgoed na 't andere,
+het eene dorp na het andere, de eene stad na de andere af. Ze werden
+uitgehongerd, verdrongen, uitgeroeid. In Skaane hadden ze zich nergens
+kunnen staande houden dan op het huis Glimmingen.
+
+Het oude steenen huis had zulke vaste muren, en er waren zoo weinig
+rattengangen daar door heen, dat het den zwarten ratten gelukt
+was het te behouden en den grijzen ratten te beletten er binnen te
+dringen. Jaar in jaar uit, nacht na nacht was er oorlog gevoerd met
+aanvallen en verdediging, maar de zwarte ratten hielden trouw de wacht,
+en vochten met de grootste doodsverachting, en dank zij dat heerlijke
+oude huis, hadden ze nog altijd overwonnen.
+
+'t Moet gezegd worden, dat zoolang de zwarte ratten de macht in handen
+hadden, ze door alle andere levende wezens even erg verafschuwd werden
+als de grijze ratten nu, en met recht. Ze hadden arme gevederde
+gevangenen overvallen, en hen gepijnigd, ze hadden zich aan lijken
+te goed gedaan, zij hadden de laatste rapen uit de kelders der armen
+gestolen, de pooten van slapende ganzen afgebeten, eieren en kleine,
+donzige kuikentjes van de kippen weggeroofd, en duizenden misdaden
+begaan, maar sinds ze in het ongeluk waren geraakt, scheen dit alles
+vergeten te zijn, en ieder moest wel de laatsten van hun geslacht
+bewonderen, zóó lang als zij het uitgehouden hadden in den strijd
+tegen hun vijanden.
+
+De grijze ratten, die op de plaats Glimmingen en in de omgeving
+woonden, zetten steeds den strijd voort, en trachtten elke
+toevallige gelegenheid te gebruiken om zich van het kasteel meester
+te maken. Men zou meenen, dat ze dat kleine troepje zwarte ratten het
+kasteel Glimmingen in vrede hadden kunnen laten houden, nu ze zelf
+het heele verdere land gewonnen hadden, maar daar dachten ze niet
+aan. Ze zeiden gewoonlijk, dat het een zaak van eer voor hen was,
+eens de zwarte ratten te overwinnen, maar zij, die de grijze ratten
+kenden, wisten wel, dat het alleen was, omdat de menschen het huis
+Glimmingen als korenmagazijn gebruikten, dat zij geen rust hadden,
+vóór zij het hadden ingenomen.
+
+
+
+
+DE OOIEVAAR.
+
+
+Op een morgen werden de wilde ganzen, die op het ijs in 't Vombmeer
+stonden te slapen, vroeg gewekt door luid geroep boven in de lucht:
+"Trirop! Trirop!" klonk het.
+
+"Trianut, de kraanvogel, laat Akka, de wilde gans en haar troep
+groeten. Morgen zal de groote kraanvogeldans op den berg Kulla
+plaats hebben!"
+
+Akka strekte dadelijk den kop omhoog, en antwoordde: "Dank je wel! Veel
+groeten! Dank je wel! Veel groeten."
+
+Daarop vlogen de kraanvogels verder, maar de wilde ganzen hoorden ze
+nog lang, terwijl ze voortvlogen, roepen over ieder veld en iederen
+boschrijken heuvel: "Trianut laat u groeten. Morgen heeft de groote
+kraanvogeldans op den berg Kulla plaats!"
+
+De wilde ganzen waren heel blij met die boodschap.
+
+"Je treft het!" zeiden ze tegen den witten ganzerik, "dat je meê
+moogt naar den grooten kraanvogeldans."
+
+"Is 't dan zooiets bizonders de kraanvogels te zien dansen?" vroeg
+de ganzerik.
+
+"Dat is iets, waarvan je zelfs nooit hebt kunnen droomen," antwoordden
+de wilde ganzen.
+
+"Nu moeten we er over denken, wat we morgen met Duimelot zullen
+doen, zoodat hij geen ongeluk krijgt, terwijl wij op de Kulla zijn,"
+zei Akka.
+
+"Duimelot zal hier niet alleen achterblijven," zei de ganzerik. "Als
+de kraanvogels niet willen hebben, dat hij hen ziet dansen, blijf ik
+hier bij hem."
+
+"Nog nooit is een mensch bij de groote dierenvergadering op de Kulla
+geweest," zei Akka, "en ik durf Duimelot niet meê te nemen! Maar daar
+kunnen wij vandaag nog wel eens over praten. Nu moeten we allereerst
+iets te eten zien te krijgen."
+
+Akka gaf toen het teeken tot vertrekken. Ook toen zocht ze haar weide
+ver weg, om den vos, en daalde niet neer, voor ze op de moerassige
+velden, ten zuiden van het huis Glimmingen kwam.
+
+Dien heelen dag zat de jongen aan den kant van een plasje, en blies
+op zijn rieten fluitje. Hij was uit zijn humeur, omdat hij den
+kraanvogeldans niet zien mocht, en kon het niet over zich verkrijgen
+een woord tegen den ganzerik of een van de anderen te spreken.
+
+'t Was toch wel hard, dat Akka hem nog niet vertrouwde. Als een jongen
+had afgeslagen een mensch te worden, om met een paar arme wilde ganzen
+rond te trekken, dan kon men toch wel begrijpen, dat hij geen lust
+had hen te verraden. En ze moesten toch ook begrijpen, dat, als hij
+zooveel had opgeofferd om met hen meê te mogen, het toch ook hun plicht
+was hem al het merkwaardige te laten zien, wat ze maar konden vinden.
+
+"Ik zal hun wel eens zeggen, hoe ik er over denk," dacht hij. Maar
+het eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat hij er toe kwam
+dat te doen. 't Lijkt misschien vreemd, maar de jongen had wezenlijk
+een soort ontzag voor de oude leidstergans. Hij voelde, dat het niet
+gemakkelijk was zich tegen haar wil te verzetten.
+
+Aan de eene zijde van het moerassige veld, waar de wilde ganzen
+graasden, lag een breede steenen plaats. En nu gebeurde het, dat
+de jongen tegen den avond het hoofd ophief om eindelijk met Akka te
+spreken, en dat zijn oog op de plaats viel. Hij deed een uitroep van
+verbazing, en alle ganzen keken dadelijk op, en begonnen denzelfden
+kant uit te zien als hij. Op het eerste oogenblik dachten zij--en
+de jongen ook--dat alle grijze baksteenen, waaruit de vloer van de
+plaats bestond, pootjes hadden gekregen, en begonnen te springen,
+maar al gauw zagen ze, dat het een troep ratten was, die er over heen
+liepen. Ze bewogen zich heel snel, en sprongen voort, dicht op elkaar
+gepakt, rij aan rij, en er waren zoovele, dat ze een langen tijd de
+heele plaats bedekten.
+
+De jongen was altijd bang voor ratten geweest, ook toen hij nog een
+groot en sterk mensch was. En hoe zou hij het dan nu niet zijn, nu
+hij zoo klein was, dat twee of drie van hen hem al de baas waren? De
+eene rilling na de andere ging over zijn rug, terwijl hij daar naar
+hen stond te kijken.
+
+Maar 't was vreemd, dat de ganzen denzelfden afschuw van ratten schenen
+te hebben als hij. Ze spraken niet tegen hen, en toen ze voorbij waren,
+schudden ze zich, alsof ze modder op de veeren hadden gekregen.
+
+"Zooveel grijze ratten aan 't wandelen! Dat is geen goed teeken,"
+zei Yksi van Vassijaure.
+
+Nu wou de jongen de gelegenheid waarnemen om Akka te zeggen, dat hij
+vond, dat ze hem meê moest laten gaan naar de Kulla; maar hij werd
+daar weer in verhinderd, doordat een groote vogel haastig neerdaalde
+tusschen de ganzen.
+
+Als men dien vogel zag, zou men kunnen meenen, dat hij het lichaam,
+den hals en den kop van een kleine witte gans had geleend. Maar daarbij
+had hij zich groote, zwarte vleugels aangeschaft, hooge roode pooten
+en een langen, dikken snavel, die te groot was voor den kleinen kop,
+en dien neertrok, zoodat het dier er bekommerd en bedroefd uitzag.
+
+Akka legde gauw zijn vleugeldekveeren terecht, en boog verscheiden
+malen den hals, terwijl zij den ooievaar tegemoet ging. Ze was niet
+heel verbaasd hem zóó vroeg in het voorjaar in Skaane te zien, omdat
+zij wist, dat de mannetjes-ooievaars gewoonlijk vroeg daarheen komen,
+om na te zien of hun nest geen schade geleden had in den winter,
+vóór de vrouwtjes-ooievaars zich de moeite geven over de Oostzee
+te vliegen. Maar ze vroeg zich heel verwonderd af, wat dit kon
+beteekenen, dat hij haar opzocht, omdat ooievaars het liefst met hun
+eigen stamgenooten omgaan.
+
+"Ik hoop niet, dat er iets niet in orde is met uw huis, Mijnheer
+Ermerik," zei Akka.
+
+Toen bleek het, dat 't waar is, wat men zegt, dat een ooievaar zelden
+zijn snavel opent, als het niet is om te klagen. Wat nu maakte, dat,
+wat de ooievaar zei, nog treuriger klonk, was dat hij zoo moeielijk
+sprak. Hij stond een heele poos niets te doen dan te klepperen,
+en sprak toen met een heesche en zachte stem. Hij beklaagde zich
+toen over alles en nog wat: het nest, dat boven op het dak van het
+huis Glimmingen lag, was heelemaal bedorven door de winterstormen,
+en hij kon nu geen eten meer vinden in Skaane. De Skaaners hadden
+hem nu bijna al zijn bezittingen afgenomen. Ze legden dijken om zijn
+natte velden, en bebouwden zijn moerassen. Hij was van plan uit dit
+land weg te gaan en nooit meer weerom te komen.
+
+Terwijl de ooievaar zoo klaagde, kon Akka, de wilde gans, die nergens
+vriendelijkheid of bescherming vond, niet laten te denken: "Als ik
+het zoo goed had als u, Mijnheer Ermerik, zou ik me wel schamen te
+klagen. U is een vrije, wilde vogel gebleven, en toch staat u op
+zoo'n goeden voet met de menschen, dat niemand op u zal schieten,
+of een ei uit uw nest nemen."
+
+Maar dat hield ze voor zich. Tegen den ooievaar zei ze alleen, dat ze
+niet gelooven kon, dat hij van een huis zou weggaan, waar ooievaars
+hun verblijf hadden gehouden van den tijd af, dat het gebouwd was.
+
+Toen vroeg de ooievaar snel, of Akka de grijze ratten had gezien,
+die op weg waren naar het Glimmingehuis, en toen Akka antwoordde,
+dat zij dat ongedierte gezien had, begon hij te vertellen van de
+dappere zwarte ratten, die jarenlang het kasteel verdedigd hadden.
+
+"Maar van nacht zal het huis Glimmingen in handen van de grijze ratten
+vallen," zei de ooievaar zuchtend.
+
+"Waarom juist van nacht, Mijnheer Ermerik?" vroeg Akka.
+
+"Ja, omdat bijna alle zwarte ratten van nacht naar de Kulla zijn
+getrokken," zei de ooievaar. "Ze vertrouwden er op, dat alle andere
+dieren daar ook naar toe zouden gaan. Maar u ziet wel, dat de grijze
+ratten thuis gebleven zijn, en nu verzamelen zij zich om 't kasteel
+binnen te dringen, nu 't maar wordt verdedigd door een paar oude
+stumpers, die niet meer meê naar de Kulla konden komen. Zij zullen
+hun doel wel bereiken, maar ik heb nu zoolang in de buurt van de
+zwarte ratten gewoond, dat ik er geen pleizier in heb op dezelfde
+plaats met hun vijanden te wonen."
+
+Nu begreep Akka, dat de ooievaar zich zoo geërgerd had over de
+handelwijze der grijze ratten, dat hij haar had opgezocht om er zich
+over te beklagen. Maar op de gewone ooievaarsmanier had hij stellig
+niets gedaan om het ongeluk te voorkomen.
+
+"Hebt u een boodschap naar de zwarte ratten gestuurd, Mijnheer
+Ermerik," vroeg zij.
+
+"Neen," zei de ooievaar. "Dat zou niets geven. Voor ze hier terug zijn,
+is het kasteel al ingenomen.
+
+"Daar moet u niet zoo vast op rekenen, Mijnheer Ermerik," zei Akka. "Ik
+ken een oude wilde gans, die zoo'n schurkestreek graag zou beletten."
+
+Toen Akka dit zei, hief de ooievaar het hoofd op en zag haar met
+groote oogen aan. En dat was immers geen wonder, want de oude Akka had
+geen klauwen en geen scherpen snavel, die in den strijd dienst konden
+doen. En bovendien was zij een dagvogel, en zoodra het donker werd,
+viel ze altijd in slaap. En de ratten vochten juist altijd 's nachts.
+
+Maar Akka was blijkbaar van plan de zwarte ratten bij te staan. Ze
+riep Yksi van Vassijaure, en beval haar de ganzen naar het Vombmeer
+te voeren, en toen de gans bezwaren maakte, zei ze kortaf en op een
+toon van gezag:
+
+"Ik geloof, dat het voor ons allen het beste is, dat je doet, wat ik
+zeg. Ik moet naar het groote steenen huis, en als jelui meêgaan, dan
+zien natuurlijk de menschen daar ons, en schieten ons dood. De eenige,
+dien ik op deze reis meenemen wil, is Duimelot. Hij kan me van groot
+nut zijn, want hij heeft goede oogen, en kan 's nachts wakker blijven."
+
+De jongen was dien dag in een koppige bui, en toen hij hoorde, wat Akka
+zei, rekte hij zich uit om zoo groot te zijn, als hij maar kon, en deed
+een stap vooruit met de handen op den rug en den neus in de lucht,
+om te zeggen, dat hij niet van plan was meê te doen in het gevecht
+tegen de grijze ratten. Ze moest maar zien andere hulp te krijgen.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik, dat de jongen voor den dag kwam,
+begon er leven in den ooievaar te komen. Tot nu toe had hij op
+ooievaarsmanier met gebogen hoofd gestaan, en den snavel tegen den
+hals gedrukt gehouden; maar nu hoorde men een geluid diep in zijn keel,
+alsof hij lachte. Bliksemsnel stak hij den snavel naar beneden, pakte
+den jongen, en gooide hem een paar meter de lucht in. Dat kunststuk
+herhaalde hij zevenmaal, terwijl de jongen schreeuwde en Akka riep:
+"Wat doet u toch, Mijnheer Ermerik? Dat is geen kikker! Dat is een
+mensch, Mijnheer Ermerik!"
+
+Eindelijk zette de ooievaar toch den jongen volkomen ongedeerd
+neer. Toen zei hij tot Akka: "Ik vlieg nu naar 't huis Glimmingen
+terug, Moeder Akka. Allen, die daar wonen, waren heel angstig, toen ik
+heenging. U kunt er zeker van zijn, dat ze heel blij zullen zijn, als
+ik hun vertel, dat Akka, de wilde gans, en Duimelot, de menschendwerg,
+komen om hen te redden."
+
+Met die woorden strekte de ooievaar den hals uit, sloeg met de
+vleugels, en vloog weg als een pijl uit een sterk gespannen boog. Akka
+begreep, dat hij haar voor den gek hield, maar dat trok ze zich
+heelemaal niet aan. Ze wachtte tot de jongen zijn klompjes gevonden
+had, die de ooievaar van hem had afgeschud. En toen zette ze hem op
+haar rug, en volgde den ooievaar. En de jongen verzette er zich niet
+tegen, en sprak er geen woord over, dat hij niet meê wilde. Hij was zoo
+boos op den ooievaar, dat hij bijna zat te brieschen. Die leelijke,
+lange roodpoot dacht, dat hij nergens voor deugde, omdat hij klein
+was, maar hij zou hem wel toonen, wat Niels Holgersson van Wester
+Vemmenhög voor een flinke baas was.
+
+Een oogenblik later stond Akka in het ooievaarsnest, op het huis
+Glimmingen. 't Was een prachtige, groote woning. Als onderlaag had het
+een wiel, en daarover lagen verscheidene lagen takken en zoden. De
+woning was zoo oud, dat allerlei struiken en planten wortel hadden
+geschoten, en als de ooievaarsmoeder zat te broeden, had zij niet
+alleen een heerlijk uitzicht op en over een groot gedeelte van Skaane
+om van te genieten, maar ze had ook wilde rozen en huislook om naar
+te kijken.
+
+De jongen en Akka konden al gauw merken, dat hier iets gaande was,
+dat alles in de war bracht. Op den rand van het ooievaarsnest zaten
+twee katuilen, een oude grijsgestreepte kat en een dozijn stokoude
+ratten, met scheefgegroeide tanden en loopende oogen. Dat waren nu
+juist geen dieren, die men gewend was vredig bijeen te zien.
+
+Geen van hen bewoog zich om Akka aan te zien, of om haar welkom te
+heeten. Ze dachten aan niets anders dan aan een paar lange, grijze
+lijnen, die hier en daar flauw te onderscheiden waren op de rotsen,
+die kaal en naakt waren door den winter; ze zaten er onafgebroken op
+te staren.
+
+Alle zwarte ratten zwegen. Men kon hen aanzien, dat ze diep wanhopig
+waren, en 't wel wisten, dat ze noch hun eigen leven, noch het kasteel
+konden verdedigen. De beide uilen rolden hun groote oogen heen en weer,
+trokken met de oogleden, en spraken met booze, scherpe stemmen over de
+groote wreedheid van de grijze ratten, en dat ze om hen uit hun nest
+weg moesten, want dat ze gehoord hadden, dat ze eieren, noch donzige
+jongen spaarden. De oude gestreepte kat was er van overtuigd, dat de
+grijze ratten haar zouden dood bijten, als er zóóvele in het kasteel
+kwamen, en zij bromde onophoudelijk op de zwarte ratten. "Hoe kon
+jelui zoo dom zijn, en je beste soldaten weg laten gaan?" zei zij. "Hoe
+kon jelui op de grijze ratten vertrouwen? 't Is onbegrijpelijk."
+
+De twaalf zwarte ratten antwoordden niet, maar de ooievaar kon
+niettegenstaande zijn droefheid niet laten gekscherend tegen de kat te
+praten: "Wees maar niet bang, Mono, huiskat!" zei hij: "Zie je niet,
+dat Moeder Akka en Duimelot hier zijn gekomen om het slot te redden. Ge
+kunt er zeker van zijn, dat hun dat gelukt. Nu moet ik gaan slapen,
+en ik doe dat met een gerust hart. Morgen, als ik wakker word, is er
+stellig geen enkele grijze rat meer in 't Glimmingehuis."
+
+De jongen knipoogde tegen Akka, en beduidde haar, dat hij den ooievaar
+op den grond wilde gooien, terwijl die zich gereed maakte om te
+gaan slapen op den buitensten kant van het nest, met het eene been
+opgetrokken; maar Akka belette hem dat. Zij zag er in 't geheel niet
+gekwetst uit. Ze zei alleen heel vergenoegd: "'t Zou wel erg zijn als
+iemand, die zoo oud is als ik, zich niet uit grooter moeilijkheid
+zou kunnen redden, dan deze. Als maar de uileman en de uilevrouw,
+die den heelen nacht wakker kunnen blijven, een paar boodschappen voor
+mijn rekening willen doen, dan denk ik wel, dat alles goed zal gaan."
+
+Dat wilden de beide katuilen wel, en Akka vroeg toen den uileman, of
+hij de zwarte ratten, die vertrokken waren, weer opzoeken wou, en hun
+aanraden zoo spoedig mogelijk weer thuis te komen. De uilevrouw zond
+ze naar Flammea, de torenuil, die in de domkerk te Lund woonde, met
+een zoo geheimzinnige boodschap, dat Akka haar die alleen fluisterend
+durfde toevertrouwen.
+
+
+
+
+DE RATTENVANGER.
+
+
+Het liep tegen middernacht, toen de grijze ratten na lang zoeken een
+kelderluik vonden, dat open stond. Dat zat vrij hoog in een muur;
+maar de ratten gingen op elkaars schouders staan, en het duurde niet
+lang, voor de moedigste onder hen in het luik zat, klaar om in 't
+huis Glimmingen binnen te dringen; buiten de muren van dat kasteel,
+waarvoor zóóveel van zijn voorvaderen gevallen waren.
+
+De grijze rat zat een poosje heel stil in het luik te wachten, of
+hij ook aangevallen werd. De hoofdtroepen van de verdedigers waren nu
+wel weg, maar hij nam aan, dat de zwarte ratten, die in het kasteel
+waren achtergebleven, zich niet zonder strijd zouden overgeven. Met
+een kloppend hart luisterde hij naar het minste gedruisch, maar alles
+bleef doodstil. Toen vatte de aanvoerder der grijze ratten moed,
+en sprong naar beneden in den kouden, donkeren kelder.
+
+De eene grijze rat na de andere volgde den aanvoerder. Allen waren
+heel stil, en allen verwachtten, dat de zwarte ratten zich verweren
+zouden. Niet vóór er zóóvele in den kelder waren binnengedrongen, dat
+er niet meer op den vloer konden staan, waagden zij het verder te gaan.
+
+Hoewel ze nooit te voren in het gebouw waren geweest, viel het
+hun toch niet moeilijk den weg te vinden. Zij ontdekten al gauw
+de loopgraven in den muur, die de zwarte ratten gebruikt hadden om
+in de bovenste verdiepingen te komen. Maar vóór dat ze die smalle,
+steile trappen opklauterden, luisterden ze weer heel oplettend. Ze
+waren veel onrustiger, doordat de zwarte ratten zich op deze manier
+schuil hielden, dan ze zouden geweest zijn, als ze hun in open oorlog
+tegemoet waren gekomen. Ze konden nauwelijks aan hun geluk gelooven,
+toen ze zonder ongelukken in de eerste verdieping waren gekomen.
+
+Zoodra ze daar binnenslopen, kwam hun de geur van 't koren tegemoet,
+dat in groote hoopen op den vloer werd bewaard. Maar het was nog de
+tijd niet om van hun overwinning te genieten. Ze doorzochten eerst met
+de grootste nauwkeurigheid de donkere, kale vertrekken. Ze sprongen
+op den haard, die midden op den vloer stond, in de oude keuken
+van het kasteel, en ze waren bijna in den put van de binnenkeuken
+gevallen. Ze sloegen geen enkele van de smalle lichtopeningen over
+bij hun onderzoek, maar ze vonden nog steeds geen zwarte ratten. Toen
+die verdieping dus geheel en al in hun macht was, begonnen ze even
+voorzichtig de volgende te onderzoeken. Weer moesten ze een moeielijke
+en gevaarlijke klauterpartij door de muren ondernemen, terwijl ze in
+ademloozen angst verwachtten, dat de vijand op hen aan zou vliegen. En
+hoewel de heerlijkste geuren uit de korenhoopen verlokkend tot hen
+kwamen, dwongen ze er zich toe met de grootste orde de door zuilen
+gesteunde bediendenkamer van de vroegere knechts te onderzoeken--hun
+steenen tafel en haard, de diepe vensternissen en het gat in den vloer,
+dat men er in vroeger dagen had gemaakt, om daardoor kokende pik over
+een binnendringenden vijand te kunnen gieten.
+
+Nog steeds bleven de zwarte ratten onzichtbaar. De grijze zochten
+hun weg naar de derde verdieping, waar de groote feestzaal van den
+burchtheer was, die even naakt en kaal stond als alle andere; ze kwamen
+heel tot in de bovenste verdieping, die uit een enkele groote, leege
+ruimte bestond. De eenige plaats, waar ze niet aan dachten om die te
+doorzoeken, was het groote ooievaarsnest op het dak, waar juist op
+dat oogenblik de uilevrouw Akka wakker maakte, en haar mededeelde,
+dat Flammea, de torenuil, haar wensch had vervuld, en haar zond waar
+zij om vroeg.
+
+Toen nu de grijze ratten zoo nauwkeurig het geheele kasteel hadden
+onderzocht, voelden zij zich veilig. Ze begrepen, dat de zwarte
+ratten gevlucht waren, en er niet aan dachten weerstand te bieden;
+en ze sprongen met een vroolijk hart naar de korenhoopen.
+
+Maar nauwelijks hadden de grijze ratten de eerste korenkorrels
+opgegeten, of beneden van de plaats klonk het scherpe geluid van
+een schel fluitje. Ze hieven den kop op, luisterden onrustig, deden
+een paar sprongen, alsof ze van plan waren van de korenhoopen weg te
+loopen, maar keerden toen terug, en begonnen weer te eten.
+
+Weer klonk de fluit sterk en snijdend, en nu gebeurde er iets
+wonderlijks. Eén rat, twee ratten,--ja, een heele troep liep weg van
+het koren. Ze sprongen uit den korenhoop, en haastten zich langs den
+kortsten weg naar den kelder om uit het huis weg te komen. Toch waren
+er nog heel wat grijze ratten over. Zij dachten aan al de moeite, die
+'t hun had gekost om in het huis Glimmingen te komen, en ze wilden
+'t niet verlaten. Maar de tonen van de fluit bereikten hen nog eens,
+en toen moesten ze gehoorzamen. Ze stortten in wilde vaart neer uit
+den korenhoop, vlogen door de nauwe gaten in de muren, en rolden over
+elkaar, in hun haast om naar buiten te komen.
+
+Midden op de plaats stond een dwergje, dat op een fluit blies. Om zich
+heen had hij al een heelen kring ratten, die verbaasd en bekoord naar
+hem luisterden; en ieder oogenblik kwamen er meer bij. Eens nam hij
+de fluit uit den mond om een langen neus tegen de ratten te kunnen
+trekken, en toen scheen het, alsof zij lust hadden op hem aan te
+vliegen en hem dood te bijten, maar zoodra hij blies had hij ze in
+de macht.
+
+Toen het dwergje alle grijze ratten uit het Huis Glimmingen had
+gespeeld, begon hij langzaam van de slotplaats weg en den straatweg
+op te loopen, en al de grijze ratten liepen hem na, omdat de tonen
+van die fluit hun zóó liefelijk in de ooren klonken, dat ze die niet
+konden weerstaan.
+
+Het dwergje liep voor hen uit, en lokte hen met zich meê naar
+Valby. Hij leidde ze in alle mogelijke kringen en bochten en scherpe
+hoeken door hagen en langs dijken naar beneden, en waar heen hij ging
+moesten ze meê. Hij blies onophoudelijk op zijn fluit, die van hoorn
+scheen gemaakt te zijn, hoewel de horen zóó klein was, dat er in onze
+dagen geen dier bestaat, waar die van zou kunnen zijn. Niemand wist ook
+wie dat fluitje gemaakt had. Flammea, de torenuil, had het gevonden in
+een nis in den toren van de domkerk in Lund. Zij had het aan Bataki,
+den kraai, laten zien, en ze hadden samen uitgevonden, dat het zoo'n
+horen was, als men vroeger placht te maken, wanneer men macht over
+ratten en muizen wilde krijgen. De kraai was een vriend van Akka,
+en door hem was zij te weten gekomen, dat Flammea zulk een schat bezat.
+
+En het was waar, dat de ratten die fluit niet konden weerstaan. De
+jongen liep vooruit, en speelde zoolang er sterren aan den hemel waren,
+en ze liepen hem al dien tijd na. Hij speelde tot de morgen aanbrak,
+hij speelde tot de zon opging, en aldoor volgde de heele schaar grijze
+ratten hem en werden al verder en verder van den grooten korenzolder
+op het Huis Glimmingen weggelokt.
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+DE GROOTE KRAANVOGELDANS OP DEN KULLABERG.
+
+
+'t Moet gezegd worden, dat, hoewel er veel prachtige gebouwen in
+Skaane zijn te vinden, er geen onder is, dat zulke mooie muren heeft
+als de oude Kullaberg.
+
+De Kullaberg is laag en langwerpig. 't Is heelemaal geen hooge
+of indrukwekkende berg. Op den breeden bergrug liggen bosschen en
+akkers, en hier en daar een heideveld. Daartusschen verheffen zich
+ronde heideheuveltjes en naakte bergtopjes. Daarboven is het niet zoo
+bizonder mooi. Daar ziet het er uit als op alle anderen hoogvlakten
+in Skaane.
+
+Wie daar op dien landweg, midden over den berg wandelt, kan niet
+laten een beetje teleurgesteld te zijn.
+
+Maar dan gebeurt het misschien, dat hij van den weg afgaat naar den
+kant van den berg, en langs de steile hellingen kijkt, en dan vindt hij
+op eens zóóveel, dat de moeite van het bekijken waard is, dat hij niet
+weet, hoe hij tijd zal vinden het allemaal te zien. Want het is zoo
+gesteld, dat de Kullaberg niet op het land staat met vlakten en dalen
+om zich heen, zooals andere bergen, maar hij is zoover in zee geloopen,
+als hij maar komen kan. Geen enkel strookje land ligt er voor den berg,
+om hem tegen de golven van de zee te beschermen. Die komen tot vlak bij
+den bergwand, en kunnen die afronden en vervormen naar hun welbehagen.
+
+Daarom staan de bergwanden daar zoo rijk versierd, als de zee en haar
+bondgenoot, de wind, het hebben kunnen doen. Daar zijn steile kloven,
+diep ingesneden in de zijden van den berg, en zwarte rotspunten,
+die gladgeslepen zijn door de aanhoudende zweepslagen van den
+wind. Daar zijn eenzame rotspilaren, die rechtop uit het water steken
+en donkere grotten met nauwe ingangen. Daar zijn loodrechte, naakte
+hellingen en zachtglooiende, met groen bekleede terrasjes. Daar zijn
+kleine, uitstekende rotsblokken en kleine baaien, en strandkeitjes,
+die ritselend op en neer worden gespoeld met elken golfslag. Daar
+zijn statige rotspoorten, die zich over 't water welven; daar zijn
+steenen, die voortdurend worden overspoten met wit schuim, en andere,
+die zich in zwartgroen, onbewegelijk stil water spiegelen. Daar
+zijn reuzenpannen, in de rots uitgehouwen, en geweldige spleten,
+den wandelaar uitlokkend, zich in de diepten van den berg te wagen,
+tot in het hol van den Kullaberggeest.
+
+En boven en buiten al die kloven en klippen kruipen en kronkelen zich
+ranken en takken. Boomen groeien er ook, maar de kracht van den wind
+is zoo groot, dat de boomtakken zich ook in ranken moeten veranderen
+om op de hellingen te kunnen blijven. Eiken liggen en kruipen over
+'t veld, terwijl hun bladen boven hen staan als een dicht gewelf,
+en laagstammige beuken staan in de spleten als groote looftenten.
+
+Deze wonderlijke bergwanden met de wijde blauwe zee vóór, en de
+schitterende, scherpe lucht boven zich, zijn het, die den Kullaberg
+zoo bekoorlijk voor menschen maken, dat iederen dag groote scharen
+daarheen trekken, zoolang de zomer duurt. Moeilijker is het te zeggen,
+wat hem zoo aantrekkelijk voor dieren maakt, dat ze er ieder jaar
+samenkomen voor een groote speelbijeenkomst. Maar dat is een gebruik
+uit de alleroudste tijden, en men moest er bij geweest zijn, al toen
+de eerste zeegolf sloeg tegen den Kullaberg, om te kunnen verklaren,
+waarom juist die uitgekozen werd tot vergaderplaats boven ieder
+ander oord.
+
+Als de bijeenkomst zal gehouden worden, maken de kroonherten, de
+reeën, de hazen, de vossen en de overige wilde viervoetige dieren,
+den tocht naar den Kullaberg al in den nacht, om door de menschen niet
+te worden opgemerkt. Kort voor de zon opgaat trekken ze alle op naar
+de speelplaats, een rotsvlakte ten westen van den weg, niet heel ver
+van de uiterste punt van den berg.
+
+De speelplaats is aan alle kanten met ronde rotskoppen omringd, die
+haar verbergen voor ieder, die er niet juist vlak bij komt. En in
+de maand Maart is het niet waarschijnlijk, dat wandelaars daarheen
+zullen verdwalen. Alle vreemdelingen, die anders gewoonlijk op de
+heuvels rondzwerven, en de zijden van den berg beklimmen, hebben
+de herfststormen al maanden geleden verjaagd. En de wachter op
+den vuurtoren, buiten op het voorgebergte, de oude Mevrouw op het
+Kulla-landgoed en de Kulla-boer met zijn volk, loopen op hun gebaande
+wegen, en zwerven niet rond op de eenzame rotsvlakte.
+
+Als de viervoeters op de speelplaats zijn aangekomen, zetten ze zich
+neer op de ronde bergtoppen. Iedere diersoort houdt zich apart, hoewel
+'t een uitgemaakte zaak is, dat op een dag als deze, algemeene vrede
+heerscht, en niemand bang hoeft te zijn om overvallen te worden. Op
+dien dag zou een klein jong haasje vlak langs de vossen kunnen
+loopen, zonder ook maar een van zijn lange ooren te verliezen. Maar
+toch gaan de dieren in afgescheiden troepen bijeen staan. Dat is de
+oude gewoonte.
+
+Als allen hun plaatsen hebben ingenomen, beginnen ze naar de vogels
+uit te zien. 't Is gewoonlijk mooi weer op dien dag. De kraanvogels
+zijn goede weerprofeten, en ze zouden de dieren niet bijeenroepen,
+als ze regen verwachtten. Maar al is de lucht helder, en al belet ook
+niets het uitzicht, de viervoeters zien geen vogels. Dat is vreemd. De
+zon staat hoog aan den hemel, en de vogels moesten al onderweg zijn.
+
+Wat de dieren op den Kullaberg daarentegen opmerken, is hier en daar
+een klein, donker wolkje, dat langzaam voorttrekt over de vlakte. En
+zie! Een van die wolkjes stuurt nu plotseling van de kust van de Sund
+naar den Kullaberg. Als de wolk midden boven de speelplaats is gekomen,
+blijft ze staan, en op eens begint de heele wolk te klinken en te
+kwinkeleeren, alsof ze uit louter tonen bestond. Ze stijgt en daalt,
+stijgt en daalt, maar aldoor klinkt en kwinkeleert ze. Eindelijk
+valt de heele wolk neer op een bergtopje, de heele wolk te gelijk,
+en oogenblikkelijk daarna is de bergtop heelemaal verborgen onder
+grijze leeuweriken, mooie roode en grijs-witte vinken, bonte spreeuwen
+en groengele meezen.
+
+Onmiddellijk daarna trekt er weer een wolkje over de vlakte. Dat
+blijft staan boven iedere hoeve, boven prachtige huizen en
+kasteelen, boven marktplaatsen en steden, boven boerenhoeven en
+spoorwegstations, boven plaatsen, waar de visch bijeenschoolt, en
+boven suikerfabrieken. Telkens als het stilstaat, zuigt het van uit
+de hoeven, beneden op het veld, een kleine, omhoog wemelende zuil
+van grijze stofkorreltjes op. En zoo groeit het steeds aan, en als
+het eindelijk klaar is en op den Kullaberg aanhoudt, is het niet
+enkel een wolkje meer, maar een heel groote donkere wolk, zóó groot,
+dat ze schaduw geeft op het veld, heel van Höganäs tot Mölle. Als ze
+boven de speelplaats blijft staan, verduistert ze de zon, en het moet
+een heele poos musschen regenen op een van de bergtoppen, eer zij,
+die midden in de wolk vlogen, weer een glimp van het daglicht zien.
+
+Maar de allergrootste vogelwolk komt toch pas aan. Die is gevormd
+door troepen, die van alle kanten toestroomden, en zich bij elkaar
+aansloten. Ze is donker blauwgrijs, en geen zonnestraal dringt er
+door heen. Ze komt aanrollen, somber en schrikaanjagend als een
+donderwolk. Ze is vol van het akeligste spektakel, het gruwelijkst
+geschreeuw, het meest hoonend geschater en een alleronheilspellendst
+gekras. Allen, die op de speelplaats zijn, herademen, als die wolk zich
+eindelijk oplost in een regen van fladderende en krassende kraaien,
+en roeken, en raven en zaadkraaien.
+
+Daarna verschijnen er aan den hemel niet alleen wolken, maar een
+menigte ongelijke strepen en teekens. Dan vertoonen zich rechte,
+gestippelde lijnen in 't oosten en 't noordoosten. Dat zijn de
+boschvogels uit Göinge: korhanen en woudhoenders, die in lange reien op
+een paar meter afstand van elkaar komen aanvliegen. En de zwemvogels,
+van Måkläppen buiten Falsterbo, komen nu over het Sund aanzweven
+in veel zonderlinge volgorden: in driehoeken, en lange hoeken, in
+scheeve hoeken en halve cirkels.
+
+Op die groote bijeenkomst, die plaats had in dat jaar, toen Niels
+Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, kwamen Akka en haar troep
+later dan alle anderen, en dat was geen wonder, want Akka had over heel
+Skaane moeten vliegen om op den Kullaberg te komen. Bovendien had ze,
+zoodra ze wakker werd, moeten uitvliegen om Duimelot te zoeken, die
+urenlang voor de grijze ratten had loopen spelen, en ze ver van 't huis
+Glimmingen had weggelokt. De uileman was teruggekomen met de boodschap,
+dat de zwarte ratten onmiddellijk na zonsondergang thuis zouden zijn,
+en dus kon men zonder gevaar de fluit van de torenuil laten zwijgen,
+en de grijze ratten de vrijheid geven te gaan, waarheen ze wilden.
+
+Maar 't was niet Akka, die den jongen ontdekte, terwijl hij met
+zijn groot gevolg voortliep; 't was niet Akka, die neerdaalde,
+hem met den snavel pakte, en met hem naar boven zweefde hoog in de
+lucht. Dat was Mijnheer Ermerik, de ooievaar. Want die was ook naar
+hem gaan zoeken. En toen had hij hem naar het ooievaarsnest gebracht,
+en hem om vergiffenis gevraagd, omdat hij hem den vorigen avond zoo
+oneerbiedig had behandeld.
+
+Dat vond de jongen bizonder aardig, en hij en de ooievaar werden
+goede vrienden. Akka was ook heel vriendelijk tegen hem, streek haar
+oud hoofd meermalen langs zijn arm, en prees hem, omdat hij hen,
+die in verdrukking waren, geholpen had. Maar dit moet tot eer van den
+jongen gezegd worden, dat hij geen lof wilde aannemen, dien hij niet
+had verdiend.
+
+"Neen, Moeder Akka," zei hij. "U moet niet denken, dat ik de grijze
+ratten weglokte om de zwarte te helpen. Ik wou alleen aan Mijnheer
+Ermerik toonen, dat ik ook ergens voor deugde."
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd, of Akka wendde zich tot den ooievaar,
+en vroeg of hij vond, dat het aan te raden was Duimelot meê naar den
+Kullaberg te nemen. "Ik geloof, dat wij op hem kunnen vertrouwen als
+op ons zelf," zei ze.
+
+De ooievaar raadde haar dadelijk sterk aan Duimelot meê te laten gaan.
+
+"Ja, zeker moet u Duimelot meênemen naar den Kullaberg, Moeder Akka,"
+zei hij, "'t is een geluk, dat we hem kunnen beloonen voor alles,
+wat hij van nacht om onzentwil heeft uitgestaan. En omdat het me nog
+spijt, dat ik me gisteren avond zoo ongepast jegens hem heb gedragen,
+zal ik hem zelf op mijn rug heel tot op de vergaderplaats brengen."
+
+Er is niet veel, dat zóó prettig is, als geprezen te worden door hen,
+die zelf verstandig en knap zijn, en de jongen was zeker nog nooit
+zoo blij geweest, als toen de wilde gans en de ooievaar zoo over
+hem spraken.
+
+Zoo deed dan de jongen den tocht naar den Kullaberg op den rug
+van den ooievaar. Hoewel hij wist, dat dit een groote eer was,
+bezorgde het hem toch heel wat angst, omdat Mijnheer Ermerik een
+meester in de vliegkunst was, en met een heel andere vaart van
+wal stak als de wilde ganzen. Terwijl Akka rechtuit voort vloog,
+met gelijkmatige vleugelslagen, vermaakte de ooievaar zich met een
+massa vliegkunsten. Nu eens lag hij stil op een onmetelijke hoogte
+in de lucht, en dreef daar zonder de vleugels te bewegen, dan weer
+wierp hij zich naar beneden met zóó'n vaart, dat het scheen, dat hij
+hulpeloos als een steen op den grond zou vallen, en dan weer vermaakte
+hij zich met in groote en kleine kringen als een wervelwind om Akka
+heen te vliegen. De jongen had nog nooit zooiets beleefd, en hij was
+in één voortdurenden angst; maar hij moest bekennen, dat hij vroeger
+niet had geweten wat goed vliegen eigenlijk zeggen wou.
+
+Maar een oponthoud hadden ze onderweg. Dat was toen Akka bij het
+Vombmeer zich bij haar reiskameraden aansloot, en hun toeriep, dat de
+grijze ratten overwonnen waren. Daarna vlogen de reizigers regelrecht
+naar den Kullaberg.
+
+Daar streken ze neer op den bergtop, die voor de wilde ganzen bestemd
+was, en toen nu de jongen de oogen liet gaan van den eenen bergtop
+naar den anderen, zag hij, dat boven één daarvan de veelgetakte horens
+van de kroonherten zich verhieven, en over een andere de halspluimen
+van de reigers. Een top was rood van vossen, een andere zwart en wit
+van zeevogels, weer een grijs van ratten. Een was bedekt met zwarte
+kraaien, die onophoudelijk schreeuwden, een met leeuweriken, die zich
+niet stil konden houden, maar onophoudelijk opvlogen in de lucht,
+en zongen van blijdschap.
+
+Zooals gewoonlijk op den Kullaberg waren het de kraaien, die de spelen
+en vermakelijkheden van den dag begonnen met hun vliegdans. Zij
+verdeelden zich in twee partijen, die elkaar te gemoet vlogen, bij
+elkaar kwamen, zich omkeerden en weer van voren af aan begonnen. Deze
+dans bestond uit verschillende figuren, en kwam de toeschouwers,
+die de regels van den dans niet kenden, te eentonig voor. De kraaien
+zelf waren heel trotsch op hun dans, maar alle anderen waren blij,
+toen die voorbij was. De dieren vonden dien even somber en onzinnig
+als het spel, dat de winterstorm met de sneeuwvlokken drijft. Ze
+werden gedrukt door er naar te kijken, en verlangden hard naar iets,
+wat hen een beetje blij kon maken.
+
+Ze hoefden ook niet tevergeefs te wachten, want zoodra de kraaien
+klaar waren, kwamen de hazen aanspringen. Ze stroomden toe in een
+lange rij zonder bepaalde orde. Hier sprong er een alleen, daar drie of
+vier op een rij. Allen gingen overeind staan, en ze vlogen voort met
+zulk een vaart, dat hun lange ooren alle kanten uit zwierden. Onder
+'t springen draaiden ze in 't rond, namen hooge sprongen, en sloegen
+met de voorpooten tegen de ribben, dat het klapte. Sommige duikelden
+ettelijke malen over den kop, anderen drongen zich op elkaar, en
+rolden weg, als een wiel; een stond op één poot en draaide rond,
+een ander liep op de voorpooten. Er was niet de minste orde, maar er
+was veel vroolijkheid in het spel van de hazen, en al die dieren,
+die er naar stonden te kijken, begonnen sneller adem te halen. Nu
+waren vreugde en blijdschap in aantocht. De winter was voorbij. De
+zomer naderde. Spoedig zou het leven een en al lust zijn!
+
+Toen de hazen uitgeraasd hadden, was de beurt aan de groote
+boschvogels. Honderden woudhanen, in glanzende zwartbruine gewaden en
+met helderroode wenkbrauwen, vlogen op in een grooten eik midden op
+de speelplaats. Hij, die op den hoogsten tak zat, zette de veeren op,
+sloeg de vleugels neer en den staart op, zoodat de witte dekveeren
+voor den dag kwamen. Daarop stak hij den hals vooruit, en stootte
+een paar diepe tonen uit de samengesnoerde keel. "Tjek, tjek tjek,"
+klonk het. Meer kon hij niet uitbrengen; het klokte alleen nog een
+paar keer diep in zijn keel. Toen sloot hij de oogen en fluisterde:
+"Sis, sis, sis! Hoor eens hoe mooi, sis sis sis!" En meteen werd hij
+zóó verrukt, dat hij niet meer wist, wat er om hem heen gebeurde.
+
+Terwijl de eerste korhoen nog doorging met sissen, begonnen de drie,
+die het dichtst bij hem zaten, te zingen en eer zij hun liedje uit
+hadden, begonnen de tien, die wat verder naar beneden zaten, en zoo
+ging het voort, van tak tot tak, tot alle honderden korhoenen zongen
+en klokten en sisten. Ze werden allemaal even verrukt onder het zingen,
+en juist dàt werkte op de andere dieren als een aanstekelijke roes. Hun
+bloed, dat zoo juist nog licht en vroolijk door hun aderen vloeide,
+begon zwaar en heet te worden.
+
+"Ja zeker! Nu is het lente!" dachten alle diervolken. "De winterkoude
+is weg. Het vuur van de lente brandt over de aarde."
+
+Toen de korhoenders merkten, dat de woudhoenders zóóveel succes
+hadden, konden zij zich niet stil houden. Omdat er geen boom was,
+waarin ze plaats konden vinden, streken ze neer op de speelplaats,
+waar het heidekruid zóó hoog stond, dat alleen hun mooi gevormde
+staartveeren en hun dikke snavels te zien kwamen, en begonnen te
+zingen: "Orr, orr, orr!"
+
+Juist toen de berkhanen den wedstrijd met de korhoenders begonnen,
+gebeurde er iets ongehoords. Een vos sloop nu, terwijl alle dieren
+aan niets anders dachten dan aan 't spel van de korhoenders, heel
+zachtjes naar den heuveltop, waar de wilde ganzen waren. Hij liep
+heel voorzichtig, en kwam een heel eind den heuvel op, eer iemand hem
+opmerkte. Op eens kreeg toch een gans hem in 't oog, en omdat ze niet
+gelooven kon, dat een vos met een goede bedoeling tusschen de ganzen
+doorsluipen zou, begon ze te roepen: "Pas op! Wilde ganzen, pas op!"
+
+De vos sloeg haar over de keel, misschien wel 't meest, opdat ze
+zwijgen zou, maar de wilde ganzen hadden haar roepen al gehoord,
+en vlogen allen op. En toen zagen de dieren Smirre, den vos, op den
+heuvel van de wilde ganzen zitten, met een doode gans in den bek.
+
+Maar omdat hij zoodoende den vrede van den speeldag verbroken had,
+kreeg Smirre zoo'n harde straf, dat hij er levenslang berouw van had,
+dat hij zijn wraakzucht niet had kunnen bedwingen, maar beproefd
+had op deze manier Akka en haar troep te bereiken. Hij werd dadelijk
+omringd door een troep vossen, en veroordeeld volgens een oud gebruik,
+dat voorschrijft, dat ieder, die den vrede op den grooten speeldag
+verbreekt, verbannen moet worden. Geen enkele vos wilde het vonnis
+verzachten, omdat ze alle wisten, dat zoodra ze zooiets zouden willen
+probeeren, ze dadelijk van de speelplaats zouden worden weggejaagd,
+om er nooit meer terug te komen. Dus werd de verbanning uit het
+land, zonder iemands protest, over Smirre uitgesproken. Het werd hem
+verboden zich in Skaane op te houden. Hij werd verbannen van zijn
+vrouw en familie, van zijn jachtveld, zijn woning, van zijn rust-
+en schuilplaatsen, die hij tot nu toe had gehad, en moest zijn geluk
+beproeven in een vreemd land. En opdat alle vossen in Skaane weten
+zouden, dat Smirre daar vogelvrij was, beet de oudste vos hem de punt
+van zijn rechteroor af. Zoodra dat gebeurd was, begonnen alle jonge
+vossen te huilen van bloeddorst en wierpen zich op Smirre. Voor hem
+bleef niets anders over dan te vluchten, en met alle jonge vossen
+achter zich aan holde hij weg van den Kullaberg.
+
+Dit alles gebeurde, terwijl de berkhanen en de korhoenders met hun
+wedstrijd bezig waren; maar die vogels zijn zóó verdiept in hun
+eigen gezang, dat ze hooren noch zien. Ze hadden zich dan ook niet
+laten storen.
+
+Nauwelijks was de wedstrijd tusschen de boschvogels afgeloopen, of de
+kroonherten van den Häckeberg traden vooruit, om hun oorlogsspel te
+laten zien. 't Waren verscheiden kroonherten, die tegelijk vochten. Ze
+stoven op elkaar aan met groote kracht, sloegen donderend de horens
+tegen elkaar, zoodat de takken in elkaar bleven zitten, en probeerden
+elkaar achteruit te dringen. Pruiken heikruid werden onder hun hoeven
+losgescheurd, hun adem stond om hen heen als rook; uit hun keel drong
+zich een akelig gebrul, en het schuim vloeide hun over de borst.
+
+Op de heuvels in 't rond was het ademloos stil, terwijl de in
+'t strijden geoefende herten vochten. En bij alle dieren werd een
+nieuw gevoel wakker. Allen voelden zij zich moedig en sterk, opgewekt
+door vernieuwde kracht, herboren door de lente, vlug en bereid voor
+allerlei avonturen. Ze waren niet boos op elkaar, en toch werden overal
+vleugels omhoog geheven, nekveeren opgezet en klauwen gescherpt. Als
+de herten van den Häckeberg nog een oogenblik waren voortgegaan,
+zou er een woest gevecht op den Kullaberg zijn ontstaan, omdat alle
+door een brandend verlangen werden aangegrepen om te toonen, dat
+ook zij vol leven waren, dat de onmacht van den winter voorbij was,
+en ze kracht in hun eigen lichaam voelden.
+
+Maar de kroonherten hielden juist op het rechte oogenblik op, en
+dadelijk ging er een gefluister van den eenen heuveltop naar den
+anderen: "Nu komen de kraanvogels." En toen kwamen de grijze, als in
+schemering gekleede vogels, met pluimen aan de vleugels en met roode
+veeren versierde nekken, de groote vogels met hun lange beenen,
+hun slanke halzen, hun kleine koppen. Ze kwamen aanglijden over
+den berg in een geheimzinnige bedwelming. Terwijl ze voortgleden,
+zwaaiden ze rond, half vliegend, half dansend. Met de vleugels
+gracieus opgeheven, bewogen ze zich onbegrijpelijk snel. Er was
+iets vreemds, iets wonderlijks in hun dans. Het was, alsof grijze
+schaduwen een spel speelden, dat het oog nauwelijks volgen kon. Het
+was, alsof zij dat hadden geleerd van de nevels, die over de eenzame
+moerassen zweefden. Er was betoovering in. Allen, die voor 't eerst
+op den Kullaberg waren, begrepen waarom de geheele bijeenkomst naar
+den dans van de kraanvogels heette.
+
+Er was woestheid in, maar 't gevoel, dat het wekte, was toch een zoet
+verlangen. Niemand dacht nu meer aan strijd. Integendeel, allen, de
+gevleugelden èn zij, die geen vleugels hadden, wilden zich oneindig
+hoog verheffen, boven de wolken zweven, zoeken wat daar achter ligt,
+het zware lichaam afschudden, dat hen naar de aarde trok, en wegzweven
+naar het bovenaardsche.
+
+Zulk een verlangen naar het onbereikbare, naar dat wat achter het
+leven verborgen is, voelden de dieren maar ééns in het jaar, en dàt
+was op den dag, dat zij den grooten kraanvogeldans zagen.
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+IN DEN REGEN.
+
+
+Dit was de eerste regendag op deze reis. Zoo lang de wilde ganzen in
+den omtrek van het Vombmeer gebleven waren, hadden ze mooi weer gehad,
+maar op denzelfden dag, dat ze den tocht naar het noorden ondernamen,
+begon het te regenen, en uren lang moest de jongen op den rug van
+den ganzerik zitten, doornat en bibberend van de kou.
+
+Dien morgen, toen ze uittrokken, was het helder en stil geweest. De
+wilde ganzen hadden hoog in de lucht gevlogen, gelijkmatig en zonder
+haast, in strenge volgorde, met Akka aan het hoofd, en de overige
+in twee schuine lijnen achter haar aan. Zij hadden zich geen tijd
+gegund om ondeugende dingen te roepen tegen de dieren op het veld,
+maar omdat ze zich toch niet heelemaal stil konden houden, zongen
+ze onophoudelijk op de maat van hun wiekslagen hun gewoon lokgeroep:
+"Waar ben je? Hier ben ik. Waar ben je? Hier ben ik."
+
+Allen namen deel aan dit aanhoudend geroep, en ze hadden het alleen
+afgebroken om den witten ganzerik de wegmerken te wijzen, waarnaar
+ze hun koers richtten. Op deze reis bestonden die merken uit de
+schrale heuvels van Linderodsaas, het buiten Ovesholm, de kerktoren
+van Christianstad en 't koningspaleis van Bäckaskog op de smalle
+landtong tusschen 't meer van Oppmanna en 't Ivömeer, en de steile
+helling van den Ryesberg.
+
+'t Was een eentonige reis geweest, en toen de regenwolken zich begonnen
+te vertoonen, vond de jongen dat een heel pretje. Vroeger, toen hij de
+regenwolken alleen van beneden af had gezien, had hij altijd gevonden,
+dat zij grijs en vervelend waren, maar 't was heel wat anders, nu
+hij er midden in was. Nu zag hij duidelijk, dat de wolken reusachtige
+vrachtwagens waren, die door de lucht reden met hemelhooge ladingen:
+sommige waren met geweldige groote, grauwe zakken geladen, andere met
+tonnen, die zoo groot waren, dat ze een heel meer konden bevatten, en
+andere met groote schalen en flesschen, die tot een duizelingwekkende
+hoogte waren opgestapeld. En toen er zooveel waren voorgereden, dat ze
+een heele ruimte vulden, was het, alsof iemand een sein gegeven had,
+en toen begon opeens uit al die schalen, tonnen, flesschen en zakken
+het water over de aarde neer te stroomen.
+
+Op hetzelfde oogenblik, dat de eerste lentebuien op 't veld
+neerkletterden, werden er zulke vreugdekreten aangeheven door alle
+vogeltjes in boschjes en hagen, dat de heele lucht er van weerklonk,
+en de jongen hoog van zijn plaats opsprong.
+
+"Nu krijgen we regen! De regen brengt ons de lente, en de lente
+geeft ons bloemen en groene bladen. Groene bladen geven ons rupsen
+en insecten; rupsen en insecten geven ons eten. Veel en goed eten is
+het beste, wat er is," zongen de vogeltjes.
+
+Ook de wilde ganzen waren blij met den regen, die de planten uit hun
+slaap wekte, en gaten maakten in het ijsdak op de meren. Zij konden
+zich niet meer zoo ernstig houden, als tot nu toe, en begonnen een
+vroolijk geroep in den omtrek uit te zenden.
+
+Toen ze over de groote aardappellanden vlogen, die er zooveel zijn in
+de buurt van Christianstad, en die nog kaal en zwart waren, riepen ze:
+"Word wakker en voer wat uit! Hier komt iets, wat je roept! Nu zijn
+jelui lang genoeg lui geweest."
+
+Als ze menschen zagen, die hard liepen om uit den regen te komen,
+zeiden ze vermanend: "Waarom hebben jelui zoo'n haast? Zien jelui niet,
+dat het stoeten en pannekoeken regent!"
+
+Er was een groote, dikke wolk, die zich snel naar het noorden
+voortbewoog, en vlak achter de ganzen aankwam. Zij schenen zich te
+verbeelden, dat zij de wolk voorttrokken, en toen ze beneden zich
+groote tuinen zagen, riepen ze heel trotsch: "Hier komen we met
+anemonen, hier komen we met appel- en kersebloesems, hier komen we
+met erwten en boonen en rapen en kool. Wie wat hebben wil, moet maar
+aanpakken, wie wat hebben wil, moet maar aanpakken!"
+
+Zoo had het geklonken, terwijl de eerste buien vielen, en allen nog
+blij waren met den regen. Maar toen die den heelen middag doorging,
+werden de ganzen ongeduldig, en riepen tegen de dorstige bosschen
+om het meer van Ivö: "Hebben jelui nu nog niet haast genoeg? Hebben
+jelui nu nog niet haast genoeg?"
+
+De hemel werd steeds grijzer, en de zon verborg zich zoo goed,
+dat niemand begrijpen kon, waar ze toch zat. De regen viel dichter,
+sloeg zwaar tegen de vleugels, en vond zijn weg tusschen de vette
+buitenveeren tot op het lichaam. De aarde lag in een nevel van
+regendamp; meren, bergen en bosschen liepen in elkaar in eindelooze
+verwarring, en de wegmerken waren bijna niet te zien. De tocht ging
+al langzamer, het blijde roepen verstomde, en de jongen voelde de kou
+steeds scherper. Maar nog had hij moed gehouden, zoolang hij door de
+lucht gereden had. En 's middags, toen ze neergestreken waren onder
+een klein dwergachtig dennetje, midden in een groot moeras, waar
+alles nat en alles koud was, waar sommige hoogtetjes met sneeuw waren
+bedekt, en andere kaal uit een plas half gesmolten ijs opstaken, had
+hij zich ook niet moedeloos gevoeld, maar had vroolijk rondgeloopen
+en naar bevroren boschbessen gezocht. Maar toen kwam de avond, en
+'t werd zoo donker, dat niet eens zulke oogen, als hij had, er door
+konden kijken. En het woeste veld werd griezelig en akelig. De jongen
+lag ingestopt onder de vleugels van den ganzerik; maar hij kon niet
+slapen, omdat hij zoo koud en zoo nat was. En hij hoorde zooveel
+geritsel en geruisch, en sluipende stappen en dreigende stemmen;
+hij werd zóó bang, dat hij niet wist, waar hij heen moest. Hij moest
+ergens wezen, waar hij vuur en licht vond, als hij niet sterven
+zou van angst. "Als ik 't nu eens waagde naar de menschen te gaan,
+voor dezen éénen nacht?" dacht de jongen. "Alleen maar zoo, dat ik
+even bij een vuur kon zitten en een hapje eten. Ik kon immers naar
+de wilde ganzen teruggaan vóór zonsopgang."
+
+Hij kroop onder den ganzenvleugel uit, en liet zich op den grond
+glijden. Hij maakte den ganzerik niet wakker en ook de andere ganzen
+niet, maar sloop zachtjes en ongemerkt voort over 't moeras.
+
+Hij wist niet recht, waar in de wereld hij toch was, of het in Skaane,
+in Smaland was. Maar vlak voor hij in het moeras gekomen was, had hij
+een groot dorp gezien, en daar ging hij nu op af. Het duurde ook niet
+lang, eer hij den weg vond, en al gauw was hij in de dorpsstraat, die
+lang en met boomen beplant was, en waar aan beide zijden hoeven lagen.
+
+De jongen was in een van de groote kerkbuurten gekomen, zooals er
+zooveel zijn hooger op het land, maar die men in 't geheel niet vindt
+op de vlakten.
+
+De woonhuizen waren van hout en heel sierlijk gebouwd. De meeste hadden
+gevels en voorgevels, met uitgesneden lijsten versierd, en serres met
+hier en daar gekleurde ruiten. De muren waren beschilderd met lichte
+olieverf; deuren en vensterkozijnen waren schel blauw en groen, of
+nu en dan zelfs rood. Terwijl de jongen de huizen liep te bekijken,
+hoorde hij heel op den weg de menschen in de warme kamers praten
+en lachen. De woorden kon hij niet onderscheiden, maar hij vond het
+prettig weer menschenstemmen te hooren. "Ik zou wel eens willen weten,
+wat ze zouden zeggen, als ik aanklopte, en vroeg om binnengelaten te
+worden," dacht hij.
+
+Dat was juist, wat hij van plan geweest was te doen; maar nu was
+zijn angst over, nu hij de verlichte vensters zag. In plaats daarvan
+voelde hij opnieuw de schuwheid, die altijd over hem kwam, als hij
+in de nabijheid van menschen was.
+
+"Ik zal nog eerst het dorp eens bekijken," dacht hij, "voor ik iemand
+vraag, of ik binnen mag komen."
+
+Aan een van de huizen was een balkon. En juist toen de jongen
+voorbijkwam, werden de balkondeuren opengezet, en een geelachtig
+licht viel naar buiten door fijne, dunne gordijnen. Toen kwam een
+mooie jonge vrouw naar buiten, en leunde over het hek.
+
+"Het regent, nu komt de lente gauw," zei ze. Toen de jongen haar zag,
+werd hij wonderlijk beklemd. Hij had wel willen schreien. Voor het
+eerst maakte het hem een beetje onrustig, dat hij zich buiten de
+menschenwereld gezet had.
+
+Kort daarna kwam hij voorbij een winkel. Buiten den winkel stond een
+roode zaaimachine. Hij bleef staan en bekeek die, en kroop eindelijk
+op den bok en ging daar zitten. Toen hij daar zat, klapte hij met
+de tong, en deed alsof hij reed. Hij dacht er aan, hoe prettig 't
+wezen moest, met zoo'n mooie machine over een akker te rijden. Een
+oogenblik had hij vergeten, hoe het met hem was gesteld, maar toen
+dacht hij er aan, en sprong van de machine op den grond. Hij werd
+steeds onrustiger. Hij, die altijd onder de dieren leven moest, zou
+toch wel veel missen. Menschen waren toch heel bizonder en heel knap.
+
+Hij ging voorbij het postkantoor, en dacht toen aan al die couranten,
+die daar dien dag waren aangekomen met berichten uit alle oorden van
+de wereld. Hij zag de apotheek en de dokterswoning, en dacht er over,
+hoe de macht van de menschen zóó groot was, dat ze konden strijden
+tegen ziekte en dood. Hij kwam bij de kerk, en hij dacht er aan,
+dat de menschen die gebouwd hadden, omdat ze daar wilden hooren
+spreken van een wereld,--boven die, waarin ze leefden,--van God,
+en opstanding en eeuwig leven.
+
+En hoe langer hij daar liep, hoe meer hij van de menschen ging houden.
+
+Zoo zijn kinderen. Ze denken niet verder dan hun neus lang is. Dat
+wat het dichtste bij is, willen ze dadelijk hebben, zonder er om te
+geven, wat het hun kosten kan. Niels Holgersson had niet geweten,
+wat hij verloor, toen hij verkozen had een kabouter te blijven, maar
+nu werd hij er vreeselijk bang voor, dat hij nooit meer zou worden,
+zooals hij wezen moest.
+
+Wat in de wereld moest hij toch beginnen om weer een mensch te
+worden? Dat zou hij heel graag willen weten. Hij kroop op een stoep,
+ging daar zitten midden in den stortregen, en peinsde. Hij zat daar
+een uur, twee uren, en dacht na, zoo dat zijn hoofd er pijn van
+deed. Maar hij was en bleef even wijs. Het was, alsof de gedachten
+al maar ronddraaiden in zijn hoofd. Hoe langer hij daar zat, hoe
+onmogelijker het hem voorkwam een oplossing te vinden.
+
+"Dit is zeker veel te moeilijk voor iemand, die zoo weinig heeft
+geleerd als ik," dacht hij eindelijk. "'t Zal wel zoo loopen, dat ik
+toch bij de menschen terugkomen moet. Ik zal het aan den dominé, en
+den dokter, en den meester en aan anderen moeten vragen, die geleerd
+zijn, en raad kunnen weten voor een geval als dit."
+
+Ja, dat nam hij zich voor gauw te doen, en hij stond op en schudde
+zich, want hij was zoo nat als een poedelhond, die aan 't zwemmen
+was geweest.
+
+Juist op dat oogenblik zag hij een grooten uil, die kwam aanvliegen,
+en neerstreek op een van de boomen aan den kant van de dorpsstraat. En
+dadelijk daarop begon een katuil, die onder de lijst van het dak
+zat, zich te bewegen en riep: "Kiviet, kiviet! Ben je weer thuis,
+moerasuil? Hoe heb je het in 't buitenland gehad?"
+
+"Heel goed, dank je wel, katuil!" zei de moerasuil. "Is er hier wat
+bizonders gebeurd, terwijl ik weg was?"
+
+"Niet hier in Bleking, moerasuil, maar in Skaane is 't gebeurd, dat
+een jongen door een kabouter is betooverd en zoo klein gemaakt als
+een eekhoorn, en later is hij naar Lapland gereisd met een tamme gans."
+
+"Dat is een merkwaardig bericht! een merkwaardig bericht! Kan hij nooit
+weer een mensch worden, katuil? Kan hij nooit weer een mensch worden?"
+
+"Dat is een geheim, moerasuil, maar jij mag het toch wel weten. De
+kabouter heeft gezegd, dat als de jongen op dien tammen ganzerik past,
+zoodat hij ongedeerd weer thuis komt en..."
+
+"En verder, katuil? Verder? Verder?"
+
+"Vlieg met me meê naar den kerktoren, moerasuil, dan zal ik je
+alles vertellen. Ik ben bang, dat er hier iemand in de straat is,
+die ons beluistert."
+
+En toen vlogen de uilen weg. Maar de jongen gooide zijn muts hoog op
+in de lucht. "Als ik maar op den ganzerik pas, zoodat hij heelhuids
+thuiskomt, dan mag ik weer een mensch worden. Hoera! Hoera! Dan mag
+ik weer een mensch worden!"
+
+Hij riep hoera! zóó hard, dat het een wonder was, dat niemand in
+de huizen hem hoorde. Maar dat deed niemand, en hij liep, zoo hard
+zijn beenen hem dragen konden, terug naar de wilde ganzen in het
+natte moeras.
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+BIJ DE BEEK VAN RONNEBY.
+
+
+Noch de wilde ganzen, noch Smirre had gedacht, dat ze elkaar ooit
+weer zouden ontmoeten, nadat ze uit Skaane waren heengegaan. Maar
+nu liep het zoo, dat de wilde ganzen hun weg over Bleking namen,
+en daar was Smirre, de vos, ook heengegaan. Hij had zich tot nu toe
+in het noorden van die streek opgehouden, en daar had hij nog geen
+parken van buitens, of hertenkampen vol herten en lekkere jonge reeën
+gevonden. Hij was meer uit zijn humeur, dan hij zeggen kon.
+
+Op een middag, dat Smirre in een eenzaam boschland in Mellambygd,
+niet ver van de beek van Ronneby rondzwierf, zag hij een vlucht wilde
+ganzen door de lucht vliegen. Hij merkte dadelijk op, dat een van de
+ganzen wit was, en toen wist hij, met wie hij te doen had.
+
+Smirre begon onmiddellijk op de ganzen te jagen, evenzeer uit lust
+in een goed maal, als om zich op hen te wreken voor al het verdriet,
+dat ze hem hadden bezorgd. Hij zag, dat ze naar het oosten gingen, tot
+ze aan de beek van Ronneby kwamen. Toen veranderden ze van richting,
+en vlogen naar het zuiden. Hij begreep, dat ze van plan waren een
+slaapplaats aan den kant van de beek uit te zoeken, en hij dacht, dat
+hij wel een paar van hen zonder bizonder veel moeite zou kunnen pakken.
+
+Maar toen Smirre eindelijk de plaats zag, waar de ganzen neergestreken
+waren, merkte hij, dat ze die zóó goed gekozen hadden, dat hij niet
+bij hen kon komen.
+
+De beek van Ronneby is immers geen groote indrukwekkende stroom, maar
+toch wordt ze veel besproken om haar mooie oevers. Op verscheidene
+plaatsen dringt ze door tusschen steile bergwanden, die loodrecht
+uit het water opkomen, en heelemaal begroeid zijn met kamperfoelie
+en wilde rozen, met hagedoorn en els, met vogelkers en wilgen, en er
+is niet veel, dat prettiger is op een mooien zomerdag, dan op dat
+kleine, donkere beekje te roeien en naar boven te zien naar al dat
+zachte groen, dat zich vasthaakt aan de ruwe bergwanden.
+
+Maar toen de wilde ganzen en Smirre bij de beek kwamen, was het koud,
+buiïg lenteweer; alle boomen stonden kaal, en er was zeker niemand,
+die er ook maar een oogenblik over dacht, of de oevers mooi of leelijk
+waren. De wilde ganzen waren blij, dat ze onder aan zoo'n steilen
+bergwand een smal reepje zand hadden ontdekt, juist zoo groot, dat ze
+er een plaatsje op konden vinden. Vóór zich hadden zij de bruisende
+beek, die woest en sterk was, nu de sneeuw begon te smelten, achter
+zich een onbeklimbare rotswand, terwijl neerhangende takken hen
+verborgen. Ze konden het niet beter hebben.
+
+De ganzen sliepen spoedig in, maar de jongen deed geen oog
+dicht. Zoodra de zon onder was, werd hij bang voor het donker en
+'t woeste veld, en verlangde hij naar menschen. Zooals hij nu onder
+den vleugel van de gans lag ingestopt, kon hij niets zien en maar
+slecht hooren, en als den ganzerik iets kwaads overkwam, was hij
+niet in staat hem te redden. Geruisch en gekletter hoorde hij van
+alle kanten, en er kwam zoo'n groote onrust over hem, dat hij onder
+den vleugel uit kwam, en op het veld ging zitten naast de ganzen.
+
+Smirre stond op den bergtop, ver weg uit 't gezicht.
+
+"Deze vervolging hier kun je even goed laten!" zei hij in zich
+zelf. "Je kunt zoo'n steilen berg niet opklauteren, je kunt in zoo'n
+woesten stroom niet zwemmen, en onder aan den berg is geen streepje
+land, dat je naar die slaapplaats brengen kan. Die ganzen daar zijn
+je te slim af. Probeer maar nooit meer op ze te jagen."
+
+Maar Smirre, als alle vossen, had moeite een voornemen op te geven, en
+hij ging daarom aan den uitersten kant van den berg liggen, en wendde
+de oogen niet van de wilde ganzen af. Terwijl hij ze daar zoo lag te
+bekijken, dacht hij aan al het kwaad, dat ze hem gedaan hadden. Ja,
+'t was om hen, dat hij uit Skaane verbannen was, en naar 't armoedige
+Bleking had moeten vluchten. Hij wond zich zoo op, terwijl hij daar
+lag, dat hij die wilde ganzen den dood toewenschte, al zou hij ze
+dan ook zelf niet op mogen eten.
+
+Toen Smirre's boosheid zóó geweldig erg geworden was, hoorde hij
+geritsel, in een grooten spar, die dichtbij hem stond, en hij zag een
+eekhoorn uit den boom komen, hevig achtervolgd door een marter. Geen
+van hen merkte Smirre, en hij zat stil naar de jacht te kijken, die
+voortging van boom tot boom. Hij keek naar den eekhoorn, die zich
+tusschen de takken zoo vlug voortbewoog, alsof hij vliegen kon. Hij
+keek naar den marter, die wel niet een even knappe klauteraar was
+als de eekhoorn, maar toch even zeker op en neer langs de boomstammen
+sprong, alsof hij op rechte boschpaden liep.
+
+"Kon ik maar half zoo goed klimmen als hij daar," dacht de vos,
+"dan zouden die daar beneden niet lang zoo rustig slapen."
+
+Zoodra de eekhoorn gevangen en de jacht ten einde was, ging Smirre naar
+den marter toe, maar bleef op twee stappen afstand staan, om te toonen,
+dat hij niet van plan was hem zijn buit te ontrooven. Hij groette den
+marter heel vriendelijk, en feliciteerde hem met zijn vangst. Smirre
+wist zijn woorden goed te kiezen, zooals alle vossen. De marter
+daarentegen, die er met zijn lang, slank lichaam, zijn fijnen kop,
+zijn zacht vel en de lichtbruine vlek aan zijn hals, als een klein
+prachtdiertje uitziet, is toch eigenlijk maar een ruwe boschbewoner,
+en hij antwoordde bijna niet.
+
+"Het verbaast me," zei Smirre, "dat zoo'n jager, als jij zich met
+de jacht op eekhoorns vergenoegt, als er zooveel edeler wild in je
+bereik is."
+
+Hier hield hij op, en wachtte op antwoord, maar toen de marter heel
+onbeschaamde gezichten tegen hem trok, ging hij voort: "'t Is toch
+niet mogelijk, dat je de wilde ganzen niet hebt gezien, die hier onder
+tegen den bergwand staan. Of ben je niet zoo flink in 't klimmen,
+dat je beneden bij hen kunt komen?"
+
+Deze keer hoefde hij niet op antwoord te wachten.
+
+"Heb je wilde ganzen gezien?" riep hij blazend. "Waar staan die? Zeg
+het dadelijk, of ik bijt je den strot af!"
+
+"Nou, nou! Denk er om, dat ik eens zoo groot ben als jij, en wees
+een beetje beleefd. Ik wil niets liever dan je de wilde ganzen wijzen."
+
+In 't volgend oogenblik was de marter op weg, de helling op, en terwijl
+Smirre er naar zat te kijken, hoe hij zijn slangachtig lichaam van
+tak tot tak voortbewoog, dacht hij:
+
+"Die mooie boomjager heeft het wreedste hart in 't heele bosch. Ik
+denk, dat de wilde ganzen 't aan mij te danken hebben, als ze in
+een bloedbad wakker worden." Maar juist toen Smirre verwachtte
+den doodskreet van de ganzen te hooren, zag hij den marter van
+een tak vallen en in de beek neerploffen, zoodat het water hoog
+opspatte. Dadelijk daarop hoorde hij harde vleugels luid kleppen,
+en alle ganzen vlogen snel op.
+
+Smirre wilde eerst de ganzen navliegen, maar hij was zóó verlangend
+te hooren, hoe ze gered werden, dat hij bleef zitten, tot de marter
+weer naar boven kwam klauteren. De stumper was druipnat, en bleef nu
+en dan staan om den kop met de voorpooten te wrijven.
+
+"Dacht ik het niet, dat je een stoffel was, en in de beek zou
+rollen!" zei Smirre verachtelijk.
+
+"Ik heb niets stoffeligs gedaan. Je hoeft niet zoo te brommen," zei
+de marter. "Ik zat al op een van de onderste takken, en dacht er over,
+hoe ik een heele massa ganzen zou verscheuren, toen een klein dwergje,
+niet grooter dan een eekhoorn, opvloog en me met zóó'n kracht een
+steen naar het hoofd gooide, dat ik in 't water viel, en eer ik er
+weer uit kon kruipen..."
+
+De marter hoefde niet verder te vertellen. Er was niemand, die naar
+hem luisterde; Smirre was al lang weg, de ganzen achterna.
+
+Intusschen was Akka naar 't zuiden gevlogen, om een nieuwe slaapplaats
+te zoeken. Er was nog een klein beetje daglicht, en bovendien
+stond de halve maan hoog aan den hemel, zoodat ze eenigszins zien
+kon. Gelukkig was ze goed thuis in die streek, omdat het al meer
+dan eens gebeurd was, dat ze door den wind Bleking in gedreven was,
+als ze in 't voorjaar over de Oostzee reisde.
+
+Ze volgde de beek, zooals ze die als een zwarte, glanzende slang
+kon zien slingeren door het in 't maanlicht badende landschap. Zoo
+kwam ze heel tot Djupafors, waar de beek zich eerst verbergt in een
+onderaardsche bedding, en dan helder en doorschijnend, alsof ze van
+glas was, zich neerstort in een nauwe kloof, en zich op den bodem
+daarvan stukslaat in glinsterende droppels en rondwielend schuim. Onder
+aan dien witten waterval lagen enkele steenen, waardoor het water
+als een woeste stroom heenbruiste, en hier streek Akka neer. Dit was
+ook weer een goede slaapplaats, vooral zoo laat op den avond, als
+de menschen niet meer in beweging waren. Terwijl de zon onderging,
+hadden de ganzen daar niet kunnen neerstrijken, want Djupafors ligt
+niet in een woestenij. Aan den eenen kant van den waterval ligt een
+papierfabriek, en aan den anderen kant, die steil is en met boomen
+begroeid, ligt het park van Djupadal, waar steeds menschen rondzwerven
+op de gladde en steile paden, om te genieten van den wilden stroom,
+die bruisend in de kloof valt.
+
+'t Ging hier precies als op de vorige plaats: geen van de reizigers
+dacht er ook maar een oogenblik aan, dat ze op een mooie en zeer
+beroemde plek waren. Ze dachten er zeker meer aan, dat het griezelig
+en gevaarlijk was op gladde, natte steenen, midden in een donderenden
+waterval te staan slapen. Maar ze moesten immers blij zijn, als ze
+veilig voor roofdieren waren.
+
+De ganzen vielen gauw in slaap, maar de jongen had geen rust. Hij
+zat naast hen om op den ganzerik te passen.
+
+Na een poos kwam Smirre naar den oever van de beek gesprongen. Hij
+kreeg dadelijk de ganzen in 't oog, die daar in den bruisenden
+maalstroom stonden, en begreep, dat hij ook nu niet bij hen kon
+komen. Maar hij wilde ze toch niet verlaten. Hij bleef aan den oever
+naar hen zitten kijken. Hij voelde zich erg vernederd, en vond,
+dat zijn eer als jager op 't spel stond.
+
+Op eens zag hij een otter uit het schuimende water komen met een visch
+in den bek. Smirre ging hem te gemoet, maar bleef op twee stappen
+afstand van hem staan, om te toonen, dat hij hem zijn jachtbuit niet
+wou afnemen.
+
+"Je bent toch een rare snaak, dat je je vergenoegt met visch te vangen,
+als er volop wilde ganzen op de steenen staan," zei Smirre. Hij was
+zóó in vuur, dat hij den tijd niet nam om zijn woorden zoo goed te
+kiezen, als hij gewoonlijk deed.
+
+De otter keerde niet eens zijn kop naar 't water. Hij was een
+landlooper, als alle otters, hij had dikwijls in het Vombmeer gevischt,
+en kende Smirre, den vos, wel.
+
+"Ik weet wel, hoe jij 't aanlegt om een forel machtig te worden,
+Smirre," zei hij.
+
+"O, ben jij 't, Gripe," zei Smirre en was blij, omdat hij wist,
+dat deze otter een kloek en knap zwemmer was. "Ik wil wel gelooven,
+dat je niet naar de wilde ganzen wilt kijken, als je niet in staat
+bent ze te bereiken." Maar de otter, die zwemvliezen tusschen de
+teenen had, een stijven staart, die zoo goed als een roeiriem was,
+en een pels, voor vocht ondoordringbaar, wilde 't niet op zich laten
+zitten, dat er een stroom was, dien hij niet aandurfde. Hij keerde
+zich naar het water, en zoodra hij de wilde ganzen in het oog kreeg,
+wierp hij den visch weg, en sprong van de steile helling in de rivier.
+
+Als het wat verder in de lente was geweest, zoodat de nachtegalen
+in het park van Djupadal geweest waren, zouden ze later vele nachten
+hebben gezongen van den strijd van Gripe met den stroom. Want de otter
+werd dikwijls door de golven meêgerukt, de rivier af, maar hij werkte
+zich telkens weer naar boven. Hij zwom voort in de deining; hij kroop
+over steenen, en kwam langzamerhand dichter bij de wilde ganzen. 't
+Was een gevaarlijke tocht, wel waard om door de nachtegalen bezongen
+te worden.
+
+Smirre volgde zijn weg met de oogen, zoo goed hij kon. Eindelijk zag
+hij, dat de otter bezig was naar de wilde ganzen te klimmen. Maar
+juist toen klonk er een woeste, schelle schreeuw. De otter stortte
+achterover in het water, en werd weggerukt, alsof hij een blind,
+jong katje was geweest. Onmiddellijk daarna klapten de ganzen hard
+met de vleugels. Ze vlogen op en weg om een andere slaapplaats te
+zoeken. De otter kwam gauw weer aan land. Hij zei niets, en begon zijn
+eenen voorpoot te likken. Toen Smirre hem bespotte, omdat zijn tocht
+mislukt was, barstte hij uit: "'t Komt niet, doordat ik niet goed
+zwemmen kan, Smirre. Ik was tot vlak bij de ganzen gekomen, en zou
+juist bij hen aan land klimmen, toen een dwergje kwam aanspringen,
+en me op mijn poot sloeg met een scherp ijzer. Dat deed zóó'n pijn,
+dat ik mijn houvast verloor, en toen pakte de stroom me."
+
+Hij hoefde niet verder te vertellen. Smirre was al lang weg, de
+ganzen achterna.
+
+Opnieuw moesten Akka en haar troep dus uit op een nachtelijken
+tocht. Gelukkig was de maan nog niet onder, en met behulp van haar
+licht, gelukte het de leidstergans een van de andere slaapplaatsen te
+vinden, die zij daar in de buurt kende. Ze volgde de glanzende rivier
+weer naar 't zuiden. Over het buiten van Djupadal en over de donkere
+daken en witte watervallen van Ronneby zweefde ze voort, zonder neer
+te strijken. Maar een eindwegs ten zuiden van de stad, niet ver van de
+zee, ligt het sanatorium van Ronneby, met zijn badhuis en bronhuis,
+met een groot hotel en zomerwoningen voor badgasten. Dit alles
+staat den heelen winter leeg en verlaten, wat alle vogels wel weten,
+en talrijk zijn de vogelvluchten, die bij harden storm beschutting
+zoeken op de balkons en in de waranda's van de verlaten gebouwen.
+
+Hier streken de wilde ganzen neer op een balkon, en als gewoonlijk
+sliepen ze gauw in. De jongen daarentegen kon niet slapen, omdat hij
+niet onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen.
+
+'t Balkon lag op het zuiden, zoodat de jongen 't gezicht op de zee
+had. En omdat hij niet kon slapen, zat hij er naar te kijken, hoe
+mooi het was, als in Bleking zee en land elkaar ontmoeten.
+
+Want zie eens, zee en land kunnen elkaar ontmoeten op zooveel
+verschillende manieren. Op veel plaatsen komt het land naar beneden bij
+de zee, met vlakke, hier en daar knobbelige velden, en de zee komt bij
+'t land met stuifzand, dat het opdrijft in hoopen en wallen. 't Is
+alsof ze zoo'n hekel aan elkaar hebben, dat ze alleen het leelijkste
+willen laten zien, wat ze hebben. Maar het kan ook gebeuren, dat het
+land, als het beneden bij de zee komt, een muur van bergen opwerpt,
+alsof de zee iets gevaarlijks was; en als het land zoo doet, gaat
+de zee daar tegen op in booze branding, en zweept en brult en slaat
+tegen de klippen, en ziet er uit, alsof ze de bergen van 't land kort
+en klein wil scheuren.
+
+Maar in Bleking gaat het heel anders toe, als land en zee elkaar
+ontmoeten. Daar splijt het land zich in kapen en eilanden en eilandjes,
+en de zee verdeelt zich in fjords en baaien en inhammen, en misschien
+komt het wel hierdoor, dat alles er uitziet, alsof hier land en zee
+elkaar in vreugde en eendracht te gemoet komen.
+
+Denk nu allereerst aan de zee! Heel in de verte ligt ze doodsch en
+leeg en groot, en doet niets dan haar grauwe golven voortrollen. Als
+ze in de buurt van het land komt, ontmoet ze de eerste klip. Die
+neemt ze gauw in bezit, trekt er al het groen af, en maakt haar even
+kaal en grauw, als ze zelf is. Dan ontmoet ze weer een klip. Daar
+gaat het ook zoo meê. En nog een. Ja, daar gaat het ook zoo meê. Die
+wordt uitgekleed en uitgeplunderd, alsof ze in roovershanden gevallen
+was. Maar dan komen de klippen in al dichter rijen, en dan begrijpt de
+zee zeker, dat het land haar zijn kleinste kinderen tegemoet zendt,
+om haar tot zachtheid te bewegen. Ze wordt ook vriendelijker, hoe
+verder ze naar binnen komt, stuwt haar golven minder hoog op, dempt
+haar stormen, laat groen zitten in barsten en spleten, en verdeelt zich
+in kleine baaien en inhammen, en wordt eindelijk dicht bij 't land zóó
+weinig gevaarlijk, dat kleine bootjes zich op haar water wagen. Ze kan
+zeker zichzelf niet herkennen, zoo licht en vriendelijk is ze geworden.
+
+En denk dan aan 't land. Dat ligt daar eentonig, en is bijna
+overal hetzelfde. Het bestaat uit vlakke akkers met hier en daar een
+beukenhaag er tusschen, of ook uit ver uitgestrekte bergterrassen met
+bosch begroeid. 't Ziet er uit, alsof 't enkel denkt aan haver, en
+rapen, en aardappelen, en sparren, en dennen. Dan komt een baai, die
+ver in 't land insnijdt. Daar geeft het niets om, maar 't zet die af
+met berk en els, precies alsof 't een gewoon zoetwatermeertje was. Dan
+komt er nog een baai aan. Ook daar maakt het land geen complimenten
+mee: die wordt ook bekleed als de eerste. Maar dan komen de fjords en
+breken in, en maken zich breeder. Ze splijten 't veld en de bosschen,
+en zoodoende moet het land ze wel opmerken.
+
+"Ik geloof, dat de zee zelf daar aankomt," zegt het land, en dan
+begint het zich op te sieren. Het bekranst zich met bloemen, rijst
+en daalt in heuvels en dalen, en gooit eilanden uit in de zee. 't
+Wil niet meer weten van sparren en dennen, maar gooit ze weg als
+oude, daagsche kleeren, en pronkt met groote eikeboomen, en linden,
+en kastanjes, en met bloeiende velden vol groen kruid, en wordt zoo
+mooi als een park op een landgoed. En als het de zee ontmoet, is het
+zóó veranderd, dat het zichzelf niet meer herkent.
+
+Dit alles kan men nu niet goed zien, voor het zomer wordt, maar de
+jongen merkte toch, hoe zacht en vriendelijk de natuur was, en hij
+begon zich rustiger te voelen dan in 't begin van den nacht. Toen
+hoorde hij op eens een sterk en akelig gehuil van uit het park, bij het
+badhuis. En toen hij opstond, zag hij een vos in den bleeken maneschijn
+op den grond, onder het balkon staan. Want Smirre was de ganzen weer
+nageloopen. Maar toen hij de plaats had gevonden, waar ze nu waren, had
+hij begrepen, dat het nu onmogelijk was ze ook maar eenigszins nabij
+te komen, en toen had hij niet kunnen laten te huilen van ergernis.
+
+Toen de vos zoo huilde, werd de oude Akka, de leidstergans, wakker, en
+hoewel ze bijna niets zien kon, meende ze toch die stem te herkennen.
+
+"Ben jij daar buiten in den nacht, Smirre?" vroeg ze.
+
+"Ja," zei Smirre, "ik ben het. En nu wil ik eens vragen, wat jelui
+ganzen van den nacht zegt, dien ik jelui bezorgd heb."
+
+"Meen je daarmee, dat jij ons den marter en den otter achterna gezonden
+hebt?" vroeg Akka weer.
+
+"Een goede daad moet men niet ontkennen," zei Smirre. "Jelui hebt
+eens met mij het ganzenspelletje gespeeld. Nu heb ik met jelui het
+vossenspelletje gedaan, en ik ben niet van plan daarmeê op te houden,
+zoolang er nog maar een van jelui in 't leven is, al zou ik jelui
+ook door 't heele land heen vervolgen."
+
+"Je moest er eens over nadenken, Smirre, of dat goed is van jou, die
+gewapend is met tanden en klauwen, om ons op die manier te vervolgen;
+wij--die weerloos zijn," zei Akka.
+
+Smirre vond, dat Akka bang scheen te zijn, en hij zei snel: "Als jij,
+Akka, dien Duimelot daar, die me nu zoo dikwijls heeft tegengewerkt,
+pakken wilt, en naar beneden gooien, dan beloof ik vrede met je te
+sluiten. Ik zal je dan nooit meer vervolgen, en ook niet wie bij
+je hooren."
+
+"Duimelot kan ik je niet geven," zei Akka. "Van de jongste tot de
+oudste hebben we graag ons leven voor hem over."
+
+"Als jelui zóóveel van hem houden," zei Smirre, "dan beloof ik je,
+dat hij de eerste van jelui zijn zal, op wien ik wraak nemen zal."
+
+Akka antwoordde niet meer, en nadat Smirre nog een paar keer gehuild
+had, werd alles stil. De jongen bleef wakker liggen. Nu kwam het door
+wat Akka tegen den vos had gezegd, dat hij niet slapen kon. Nooit
+had hij gedacht, dat hij zooiets groots zou hooren, dat iemand zijn
+leven voor hem wilde wagen!
+
+Van dat oogenblik af kon men niet meer van Niels Holgersson zeggen,
+dat hij van niemand hield.
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+KARLSKRONA.
+
+
+'t Was een avond in Karlskrona, en de maan scheen. 't Was mooi en
+stil weer, maar vroeger op den dag had het gestormd en geregend,
+en de menschen meenden zeker, dat het onweer nog voortduurde, want
+bijna niemand waagde zich nog op straat.
+
+Terwijl de stad daar zoo verlaten lag, kwamen Akka en haar troep over
+Vämmön en Pontarholm op haar aanvliegen. Zij waren er in den laten
+avond op uit, om zich een veilige slaapplaats tusschen de klippen
+te zoeken. Ze konden niet aan land blijven, omdat ze--waar ze ook
+neerstreken--door Smirre, den vos, gestoord werden.
+
+Toen nu de jongen hoog in de lucht voortreed, en naar de zee en de
+klippen keek, die zich voor hem uitstrekten, vond hij, dat alles er
+zoo wonderlijk en spookachtig uitzag. De hemel was niet langer blauw,
+maar welfde zich boven hem als een koepel van groen glas. De zee was
+melkwit. Zoover hij zien kon, rolde zij haar witte golfjes met zilveren
+glans op de toppen. Midden in al dat witte lagen koolzwart de vele
+klippeneilanden. Of ze groot of klein waren, vlak als weilanden of
+vol klippen, ze waren even zwart. Ja, zelfs de woonhuizen, de kerken
+en windmolens, die gewoonlijk wit of rood waren, teekenden zich zwart
+af op den groenen hemel. De jongen vond, dat het was, alsof de aarde
+onder hem verwisseld geworden, en hij in een andere wereld gekomen was.
+
+Hij nam zich voor zich dezen nacht eens dapper te houden en niet
+bang te worden, maar toen kreeg hij iets te zien, dat hem hevig
+verschrikte. 't Was een hoog, rotsachtig eiland, met groote, kantige
+blokken bedekt, en tusschen de zwarte blokken glinsterden plekken
+helder, schitterend goud. Hij kon niet laten aan den Magle-Steen,
+bij Heksen-Ljungby te denken, die de heksen soms op hooge, gouden
+zuilen omhoog heffen, en hij vroeg zich verwonderd af, of hier iets
+dergelijks was.
+
+Maar die steenen en dat goud waren nog zoo erg niet, als er
+maar niet zooveel ondieren in het water rondom het eiland gelegen
+hadden. 't Leken wel haaien en walvisschen en andere dieren, maar de
+jongen begreep, dat het de zeespoken waren, die zich om het eiland
+hadden verzameld, en van plan waren aan land te klauteren, om met de
+landspoken, die daar woonden, te vechten. En die op het land woonden,
+waren zeker bang, want hij zag hoe een groote reus, die op het hoogste
+punt van het eiland stond, de armen omhoog hief, als in wanhoop over
+al het ongeluk, dat over hem en zijn eiland zou komen.
+
+De jongen was niet weinig verschrikt, toen hij merkte, dat Akka juist
+boven dat eiland ging neerdalen.
+
+"Neen, goeie hemel! Daar moeten we toch niet neerstrijken," zei hij.
+
+Maar de ganzen bleven dalen. En al gauw was de jongen er verbaasd over,
+dat hij zóó verkeerd had kunnen zien. De groote steenblokken waren
+ten eerste niets anders dan huizen. 't Heele eiland was een stad,
+en de schitterende gouden plekken waren lantarens en rijen verlichte
+vensters. De reus, die op 't hoogste punt van het eiland stond en de
+armen opstak, was een kerk met twee schuine torens, en alle zeespoken
+en ondieren, die hij had meenen te zien, waren allerlei booten en
+vaartuigen, die om het eiland voor anker lagen. Aan de zijde van
+het vaste land waren de meeste roeibooten en zeilsloepen en kleine
+kuststoombootjes, maar aan den kant van de zee lagen gepantserde
+vaartuigen, sommige breed met reusachtig dikke, naar achteren hellende
+schoorsteenen, andere lang en smal, en zóó gevormd, dat ze door
+'t water moesten kunnen glijden als visschen.
+
+Wat zou dat wel voor een stad zijn? Ja, daar zou de jongen wel achter
+komen, want hij zag veel oorlogsschepen. Hij had zijn heele leven
+pleizier in schepen gehad, hoewel hij nooit met andere had te maken
+gehad, dan met de galeien, die hij in de sloot langs den weg had laten
+varen. Hij wist toch wel, dat die stad, waar zooveel oorlogsschepen
+lagen, geen andere dan Karlskrona kon wezen.
+
+De grootvader van den jongen was een oude marinematroos geweest, en
+zoolang hij leefde, had hij elken dag van Karlskrona verteld, van de
+groote oorlogswerf en van alles, wat daar in de stad te zien was. Hier
+voelde de jongen zich heelemaal thuis, en hij was er blij om, dat
+hij nu dat alles, waarvan hij zooveel had gehoord, te zien zou krijgen.
+
+Maar hij zag maar flauw de omtrekken van den toren en de vestingen,
+die den ingang van den haven afsloten, en van de vele gebouwen op de
+werf, eer Akka op een van de platte daken neerstreek.
+
+Dat was wel een veilige plaats voor wie tegen een vos beschermd
+wou zijn, en de jongen dacht er over, of hij niet voor dien eenen
+nacht onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen. Ja, dat kon
+hij zeker wel. Het zou goed voor hem zijn een beetje te slapen. Hij
+zou dan probeeren wat meer van de werf en de schepen te zien, als
+het licht werd.
+
+
+
+De jongen vond zelf, dat het vreemd was, dat hij zich niet stilhouden
+kon en tot den volgenden morgen wachten, voor hij de schepen ging
+zien. Hij had zeker nog geen vijf minuten geslapen, voor hij onder
+den vleugel uitgleed, en langs den bliksemafleider en de gootpijpen
+naar beneden op den grond klauterde. Hij stond al gauw op een groote
+markt, die voor de kerk lag. Die was met ronde steenen bestraat, en
+voor hem even moeilijk te begaan, als voor volwassenen een ongelijk
+weiland. Zij, die in 't woeste veld wonen, of ver weg op het land,
+voelen zich altijd angstig, als ze in een stad komen, waar de huizen
+recht en stijf staan, en de straten open liggen, zoodat ieder kan
+zien, wie daar loopt. Zoo ging het ook met den jongen. Toen hij op
+de groote markt in Karlskrona stond, en naar de Duitsche kerk en het
+raadhuis en de groote kerk zag, vanwaar hij zoo pas naar beneden was
+geklommen, wenschte hij zich weer boven bij de ganzen.
+
+Gelukkig was de markt heelemaal leeg. Er was geen mensch, als men
+ten minste het standbeeld niet meê rekende, dat op een hoog voetstuk
+stond. De jongen keek lang naar het standbeeld, dat een grooten,
+groven man voorstelde, met een driekanten hoed op, een langen rok,
+korte broek en zware schoenen aan, en hij dacht er over, wie het
+wel wezen zou. Hij hield een langen stok in de hand, en zag er uit,
+alsof hij dien ook wel wist te gebruiken, want hij had een geweldig
+streng gezicht, met een grooten, krommen neus en een leelijken mond.
+
+"Wat heeft die hanglip daar te maken?" zei de jongen eindelijk. Hij
+had zichzelf nooit zoo klein en akelig gevoeld als dien avond. Hij
+probeerde zich moed in te spreken met een parmantig woord. Later dacht
+hij niet meer aan het standbeeld, maar liep een breede straat in,
+die naar zee leidde.
+
+Maar hij had nog niet lang geloopen, toen hij iets achter zich
+hoorde. Achter hem liep iemand, die met zware voeten op de steenen
+stampte, en op den grond stootte met een met ijzer beslagen stok. Dat
+klonk, alsof de groote bronzen man van de markt aan 't wandelen
+was gegaan.
+
+De jongen luisterde naar die stappen, terwijl hij de straat uitholde,
+en hij werd er al meer van overtuigd, dat het de bronzen man was. De
+grond dreunde, en de huizen schudden. 't Kon niemand anders wezen dan
+hij, die zóó zwaar liep, en de jongen werd bang, toen hij dacht aan
+wat hij zoo pas tegen hem had gezegd. Hij durfde niet om te kijken
+om te zien, of hij het werkelijk was.
+
+"Hij gaat misschien maar wandelen voor zijn pleizier," dacht de
+jongen. "Hij kan toch niet boos op me zijn, om wat ik gezegd heb. Dat
+was heelemaal zoo niet bedoeld."
+
+In plaats van recht door te gaan en te probeeren op de werf te komen,
+sloeg de jongen een straat in, die naar het oosten liep. Hij wilde
+allereerst wegkomen, van wie daar achter hem liep.
+
+Maar al dadelijk hoorde hij, dat de bronzen man dezelfde straat
+insloeg, en de jongen werd zóó bang, dat hij heelemaal niet wist wat
+hij beginnen moest. En wat was het moeilijk schuilplaatsen te vinden
+in een stad, waar alle poorten gesloten waren! Toen zag hij aan
+zijn rechterhand een oude houten kerk, die een eind van de straat,
+midden in een groot plantsoen lag. Hij bedacht zich geen oogenblik,
+maar liep zoo hard hij kon naar de kerk.
+
+"Als ik daar maar komen kan, dan ben ik zeker tegen alle kwaad
+beschut," meende hij.
+
+Terwijl hij voortholde, zag hij in eens een man, die op een pad stond,
+en hem wenkte.
+
+"Dat is zeker iemand, die mij helpen wil," dacht de jongen. Hij werd
+innig blij, en liep gauw naar dien kant. Hij was werkelijk zoo bang,
+dat het hart hem in de borst bonsde. Maar toen hij bij den man kwam,
+die aan den kant van het pad op een paaltje stond, was hij heelemaal
+verbluft.
+
+"Hij kan het toch niet geweest zijn, die me wenkte," dacht hij,
+want hij zag, dat de heele man van hout was.
+
+Hij bleef hem aan staan kijken. 't Was een grove man met korte beenen
+en een breed, blozend gezicht, glanzend zwart haar en een vollen
+zwarten baard. Op 't hoofd had hij een zwarten houten hoed, om het
+lichaam een bruinen houten rok, om het midden een zwarte houten
+sjerp, om de beenen een wijde, grijze houten korte broek en houten
+kousen, en aan de voeten zwarte, houten korte rijglaarzen. Hij was pas
+geschilderd en gevernist, zoodat hij glom en blonk in den maneschijn,
+en dat droeg er zeker wel toe bij om hem zoo'n goedig uiterlijk te
+geven, dat de jongen hem dadelijk vertrouwde.
+
+In de linkerhand hield hij een houten bord, en daarop las de jongen:
+
+
+ Ik vraag u nederig,
+ Al is mijn stem ook zwak,
+ Kom, leg een penning neer,
+ Maar neem mijn hoed dan af.
+
+
+O, zoo! De man was dus een armenbus. De jongen voelde zich in de war
+gebracht. Hij had verwacht, dat het iets heel bizonders zou zijn. En nu
+herinnerde hij zich, dat zijn grootvader ook over dien houten man daar
+had gesproken, en gezegd had, dat alle kinderen in Karlskrona zoo veel
+van hem hielden. En dat was zeker wel waar, want hij had ook moeite om
+van dien houten man weg te gaan. Hij had zooiets ouderwetsch over zich,
+dat men kon denken, dat hij wel honderd jaar oud was, en tegelijkertijd
+zag hij er zoo sterk en barsch en levenslustig uit,--precies zooals
+men zich kon voorstellen, dat de menschen vroeger deden.
+
+De jongen vond het zoo aardig naar den houten man te kijken, dat hij
+den ander, waarvoor hij was weggeloopen, heelemaal vergat. Maar nu
+hoorde hij hem weer. Hij kwam de straat uit en het kerkplein op. Hij
+kwam hierheen! Waar moest de jongen toch blijven?
+
+Op datzelfde oogenblik zag hij, hoe de houten man zich naar hem
+neerboog en zijn groote breede hand uitstak. Het was onmogelijk
+iets anders dan goed van hem te denken, en de jongen stond met één
+sprong op de hand. En de houten man lichtte hem op naar zijn hoed,
+en stopte hem daaronder.
+
+Juist was de jongen verstopt, en juist had de houten man zijn arm
+weer op de rechte plaats gebracht, of de bronzen man stond voor hem,
+en stootte zijn stok op den grond, zoodat de houten man op zijn
+voetstuk schudde. Toen zei de bronzen man met sterke, klankvolle stem:
+
+"Wat ben jij voor een snuiter?"
+
+De arm van den houten man ging snel naar boven, zoodat het oude hout
+kraakte, en hij tikte aan zijn hoed, terwijl hij antwoordde:
+
+"Rosenbom, met permissie, uwe Majesteit. Eens opperbootsman op
+'t linieschip Driestheid; na mijn diensttijd kerkwachter aan de
+Admiraliteitskerk, eindelijk in hout gesneden en op het kerkplein
+neergezet als armenbus."
+
+Een schok ging den jongen door de leden, toen hij hoorde, dat de
+houten man zei: "Uwe Majesteit." Want nu hij er over nadacht, wist
+hij, dat het standbeeld op de markt den man voorstelde, die de stad
+gesticht had. 't Was dus niemand minder dan Karel de Elfde, waar hij
+tegen zijn zin mee te doen gekregen had.
+
+"Je antwoordt flink," zei de bronzen man. "Kun je me nu ook zeggen,
+of je een dwergje gezien hebt, dat hier van nacht rondloopt in de
+stad? Dat is een brutale rekel, en als ik hem maar te pakken krijg,
+zal ik hem wel mores leeren." En bij die woorden stootte hij zijn
+stok weer op den grond, en zag er vreeselijk boos uit.
+
+"Met uw verlof, Uwe Majesteit, ik heb hem gezien," zei de houten
+man. En de jongen werd zóó bang, dat hij begon te beven onder den hoed,
+en hij keek naar den bronzen man door een spleetje in 't hout. Maar
+hij werd weer kalm, toen de houten man voortging: "Maar uwe Majesteit
+is op 't verkeerde spoor. Dat dwergje was zeker van plan naar de werf
+te loopen en zich daar te verstoppen."
+
+"Denk je dat, Rosenbom? Ja, blijf dan niet langer daar zoo stil op
+je paal staan, maar kom met me mee, en help me hem zoeken. Vier oogen
+zien meer dan twee, Rosenbom."
+
+Maar de houten man antwoordde met jammerende stem:
+
+"Ik smeek U alleronderdanigst te mogen blijven staan, waar ik sta. Ik
+zie er frisch en glimmend uit door de verf, maar ik ben oud en
+vermolmd, en kan 't niet verdragen me te bewegen."
+
+De bronzen man hoorde zeker niet tot de menschen, die graag
+tegengesproken worden.
+
+"Wat zijn dat voor manieren? Wil je wel eens meegaan, Rosenbom?"
+
+En hij hief zijn langen stok op, en gaf den ander een klinkenden
+klap op zijn schouder. "Zie je wel, dat je nog wat verdragen kunt,
+Rosenbom."
+
+Toen braken ze op, en gingen groot en geweldig door de straten van
+Karlskrona, tot ze aan een houten poort kwamen, aan den ingang van
+de werf. Daarbuiten liep een van de marinematrozen op wacht, maar
+de bronzen man liep hem voorbij, en trapte de poort open, zonder dat
+de matroos er iets om gaf. Zoodra ze op de werf gekomen waren, zagen
+zij een uitgestrekte haven voor zich, door steigers in verschillende
+afdeelingen verdeeld. In de havenbasins lagen oorlogsschepen, en
+zagen er van dichtbij grooter en verschrikkelijker uit, dan toen
+de jongen ze van boven af zag. "'t Was toch nog niet zoo verkeerd,
+dat ik ze voor zeespoken hield," dacht hij.
+
+"Waar vindt je 't het beste om met zoeken te beginnen, Rosenbom?" zei
+de bronzen man.
+
+"Zoo'n klein ding, als hij, zou zich wel 't beste in de modelzaal
+kunnen verstoppen," antwoordde de houten man.
+
+Op een smalle strook land, die zich links van de poort langs de heele
+haven tot aan zee toe uitstrekte, lagen ouderwetsche gebouwen. De
+bronzen man ging naar een huis met lage muren, kleine vensters en
+een groot dak. Hij stootte met zijn stok tegen de deur, zoodat die
+open sprong, en liep met harde stappen een trap met uitgesleten
+treden op. Toen kwamen zij in een groote zaal, die vol getakelde en
+getuigde schepen was. De jongen begreep, ook zonder dat men het hem
+zei, dat het de modellen waren van de vaartuigen, die voor rekening
+van de Zweedsche marine gebouwd waren.
+
+Daar waren verschillende soorten van vaartuigen. Er waren oude
+linieschepen met kanonnen aan weerskanten, met hooge getouwen
+voor en achter, de masten met een warwinkel van zeilen en touwen
+bezwaard. Er waren kleine bootjes voor de vaart tusschen de klippen,
+met roeibanken langs de kanten, er waren kanonneersloepen zonder dek,
+en rijk vergulde fregatten, de modellen van de schepen, die koningen
+voor hun reizen hadden gebruikt. Eindelijk waren er ook de zware,
+breede pantserschepen met een toren en kanonnen op het dek, die
+tegenwoordig in gebruik zijn, en smalle glimmende torpedobootjes,
+die op lange, slanke visschen leken.
+
+Toen de jongen door dat alles heengedragen werd, was hij steeds
+meer verbaasd.
+
+"Dat zulke groote en mooie schepen hier in Zweden gebouwd zijn!" sprak
+hij.
+
+Hij had tijd genoeg alles daar binnen te bekijken, want toen de bronzen
+man de modellen zag, vergat hij het andere. Hij bekeek ze allemaal,
+van de eerste tot de laatste, en vroeg naar alles, wat hij opmerkte. En
+Rosenbom, de opperbootsman van de "Driestheid" vertelde wat hij wist
+van de bouwmeesters van de schepen, en van wie ze gecommandeerd hadden,
+en hoe 't met hen gegaan was. Hij vertelde van alle beroemde zeehelden
+tot 1809, want verder was hij er niet bij geweest.
+
+Hij en de bronzen man vonden allebei de oude, mooie houten schepen
+de beste. Van de nieuwe pantserschepen schenen ze niet zoo heel veel
+verstand te hebben.
+
+"Ik merk wel, dat je niets weet van dat nieuwe hier," zei de bronzen
+man. "Laten we daarom liever naar wat anders gaan kijken, want hier
+heb ik pleizier in, Rosenbom."
+
+Nu scheen hij opgehouden te hebben naar den jongen te zoeken, en
+Niels voelde zich kalm en veilig daar onder den houten hoed.
+
+Toen wandelden de beide mannen door de groote gebouwen: de zeilmakerij,
+de ankersmederij, de machine en timmerwerkplaatsen. Ze zagen de kranen
+en dokken, de groote magazijnen, de artillerie-afdeeling, het tuighuis,
+de lange touwslagerij en het groote verlaten dok, dat in de rots was
+uitgehouwen. Ze liepen de steigers op, waar de oorlogsschepen voor
+anker lagen, gingen aan boord, en bekeken ze als twee oude zeerobben,
+bewonderden en keurden af, prezen en ergerden zich.
+
+De jongen zat veilig onder den houten hoed, en hoorde er van spreken,
+hoe er gewerkt en gezwoegd was om al die vloten uit te rusten, die
+van hier waren uitgezonden. Hij hoorde hoe leven en bezittingen waren
+gewaagd, de laatste penning geofferd om oorlogsschepen te bouwen, hoe
+bekwame mannen al hun krachten hadden ingespannen om die vaartuigen
+zoo goed mogelijk te maken en te verbeteren, die ter verdediging
+van het vaderland moesten dienen. 't Kan niet ontkend worden, dat de
+jongen een paar maal de tranen in de oogen kreeg, toen hij over dat
+alles hoorde praten.
+
+'t Allerlaatst gingen zij naar een open plaats, waar de gallioenfiguren
+van oude linieschepen stonden uitgestald. En iets wonderlijkers had
+de jongen nog nooit gezien, want die beelden hadden ongelooflijk
+indrukwekkende, schrikaanjagende gezichten. Ze waren groot, zagen
+er dapper en woest uit, vol van denzelfden fieren geest, die de
+groote schepen hadden uitgerust. Ze waren van een anderen tijd dan
+de zijne. Hij had een gevoel, dat hij in elkaar kromp, toen ze daar
+voor hem stonden.
+
+Maar toen ze daar kwamen, zei de bronzen man tegen den houten: "Neem
+je hoed af, Rosenbom, voor hen, die hier staan. Zij zijn allemaal in
+den strijd voor het vaderland geweest."
+
+En Rosenbom had vergeten, waarom ze die wandeling begonnen waren,
+evengoed als de bronzen man. Zonder zich te bedenken nam hij zijn
+houten hoed af en riep:
+
+"Ik neem de hoed af voor hem, die de haven groef en de werf stichtte,
+en de vloot vernieuwde, voor den koning, die dit alles schiep!"
+
+"Dank je Rosenbom. Dat is mooi gezegd. Je bent een beste kerel! Maar
+wat is dat nu, Rosenbom?"
+
+Want daar stond Niels Holgersson midden op den kalen schedel van
+Rosenbom. Maar nu was hij niet bang meer. Hij nam zijn witte muts af,
+en zwaaide die hoog in de lucht en riep: "Hoera voor jou, Langlip!"
+
+De bronzen man stootte met zijn stok hard op den grond. Maar de jongen
+kwam nooit te weten, wat hij van plan was te doen, want nu ging de
+zon op, en meteen verdwenen ze allebei, de bronzen en de houten man,
+alsof ze uit damp bestonden. Terwijl hij nog naar hen stond te kijken,
+vlogen de wilde ganzen op van den kerktoren, en zweefden heen en
+weer over de stad. Op eens kregen ze Niels Holgersson in 't oog,
+en toen schoot de groote witte uit de wolken neer om hem te halen.
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+DE REIS NAAR ÖLAND.
+
+
+Den volgenden morgen vlogen de wilde ganzen naar een rotseiland om
+te grazen. Daar ontmoetten ze een troepje grijze ganzen, die heel
+verwonderd waren ze te zien, omdat ze heel goed wisten, dat hun
+verwanten, de wilde ganzen, liefst over het binnenland vliegen. Ze
+waren nieuwsgierig en vraagziek, en waren niet eer tevreden, voor
+de wilde ganzen van de vervolging van Smirre, den vos, hadden
+verteld. Toen ze hun verhaal hadden gedaan, zei een grijze gans,
+die even oud en wijs scheen als Akka zelf:
+
+"Dat was een groot ongeluk voor u, dat de vos in zijn eigen land
+vogelvrij verklaard werd. Hij zal zeker zijn woord houden, en u
+tot in Lapland vervolgen. Als ik in uw plaats was, zou ik niet naar
+'t noorden, over Smaland gaan, maar den buitenweg nemen over Öland,
+zoodat hij heelemaal uw spoor bijster wordt. Om hem goed in de war
+te brengen, moest u een paar dagen op de zuidelijke spits van Öland
+blijven. Daar zult u goed eten en goed gezelschap vinden. Ik geloof
+niet, dat u er spijt van hebben zult, als u dien weg neemt."
+
+Dat was werkelijk een wijze raad, en de wilde ganzen besloten dien
+te volgen. Zoodra zij verzadigd waren, begonnen zij den tocht naar
+Öland. Geen van hen was daar vroeger geweest, maar de grijze gans
+had hun goede kenteekenen voor den weg aangegeven.
+
+Ze hadden maar recht naar het zuiden te vliegen, tot ze den grooten
+vogelstoet ontmoetten, die buiten langs de kust van Bleking ging. Alle
+vogels, die hun winterverblijf bij de Noordzee hadden, en nu op weg
+waren naar Finland en Rusland, vlogen daar langs, en ze waren allen
+gewoon op Öland neer te strijken om daar te rusten. De wilde ganzen
+zouden aan gidsen geen gebrek hebben.
+
+Dien dag was het volkomen stil en warm als op een zomerdag, het beste
+weer, dat men zich voor een zeereis denken kan. Het eenige, wat een
+beetje onrust gaf, was, dat het niet heelemaal helder was; de hemel
+was grijs en gedekt. Hier en daar dreven geweldige wolkenmassa's,
+die tot aan den horizon neerhingen, en 't uitzicht verhinderden.
+
+Toen de reizigers buiten de klippen waren gekomen, strekte de zee zich
+zoo effen en spiegelglad uit, dat de jongen, toen hij naar beneden
+keek, meende, dat het water verdwenen was. Er was geen aarde meer onder
+hem, hij had niets dan lucht en wolken om zich heen. Hij werd heelemaal
+duizelig, en klemde zich nog angstiger aan den ganzenrug vast, dan
+hij den eersten keer had gedaan. 't Was, alsof hij zich onmogelijk
+vast zou kunnen houden, maar den een of anderen kant uit vallen moest.
+
+'t Werd nog erger, toen ze aan den grooten vogelstoet kwamen,
+waarvan de grijze gans had gesproken. Werkelijk kwam de eene vlucht
+na de andere aanvliegen, allen in dezelfde richting. 't Was, als
+volgden ze een gebaanden weg. 't Waren eenden en grijze ganzen,
+zwarte waterhoenders en duikerhoenders, duikeleenden en pijlstaarten,
+duikelganzen en zilverhoenders, strandeksters en waterhoenders. Maar
+toen nu de jongen zich vooroverboog, en dien kant uitkeek, zag hij
+den heelen vogelstoet spiegelen in het water. Hij was zoo soezig,
+dat hij niet begreep hoe dat kwam; hij meende, dat alle vogels met
+den buik naar boven vlogen. Hij was daar toch niet erg verbaasd over,
+want hij wist zelf niet wat boven en wat beneden was.
+
+De vogels waren heel moe, en verlangden verder te komen. Niemand van
+hen schreeuwde, of zei een grappig woordje, en dat maakte, dat alles
+er zoo wonderlijk onwerkelijk uitzag.
+
+"Stel je voor, dat we van de aarde weggevlogen zijn!" zei hij in
+zichzelf. "Stel je voor, dat we bezig zijn naar den hemel te gaan!"
+
+Hij zag niets dan wolken en vogels om zich heen, en hij begon het
+waarschijnlijk te vinden, dat ze naar den hemel vlogen. Hij werd
+blij, en vroeg zich af, wat hij daar wel te zien zou krijgen. De
+duizeligheid ging op eens over. Hij vond het zoo heerlijk te denken,
+dat hij naar den hemel ging, en de aarde verliet.
+
+Maar op eens hoorde hij een paar knallende schoten, en zag eenige
+witte rookzuiltjes opstijgen.
+
+Onder de vogels ontstond onrust en rumoer.
+
+"Schutters! Schutters! Schutters in booten!" riepen ze. "Vlieg
+hoog! Vlieg weg!"
+
+Toen zag de jongen eindelijk, dat ze nog steeds over de zee vlogen,
+en dat ze in 't geheel niet in den hemel waren. Kleine booten lagen in
+een lange rij, en ze waren vol schutters, die schot op schot losten. De
+eerste groepen vogels hadden hen niet bijtijds gemerkt. Ze hadden
+te laag gevlogen. Verscheidene donkere lichamen zonken neer in zee,
+en bij elk, die viel, hieven de levende lange jammerkreten aan.
+
+'t Was vreemd voor hem, die zich zoo pas ver in den hemel droomde,
+met zulk een schrik en ellende weer tot zichzelf te komen. Akka schoot
+omhoog zoo snel ze kon, en daarna vloog de troep weg met de grootst
+mogelijke snelheid. De wilde ganzen kwamen dan ook ongedeerd weg,
+maar de jongen kon maar niet van zijn verbazing bekomen. Stel je voor,
+dat iemand kon schieten op Akka, en Yksi en Kaksi! Op den ganzerik
+en de anderen. De menschen hadden toch geen begrip van wat ze deden!
+
+Zoo ging de tocht weer voort door de stille lucht, en alles was
+doodstil als te voren; alleen enkele afgematte vogels riepen nu en dan:
+"Zijn we er gauw? Weet jelui wel zeker, dat we op den goeden weg zijn?"
+
+En dan antwoordden zij, die vooraan vlogen: "We vliegen recht op
+Öland aan, recht op Öland!"
+
+De wilde eenden waren moe, en de duikeleenden draaiden om hen heen.
+
+"Haast je zoo niet!" riepen de eenden toen. "Jelui eet alles op,
+voor wij er aan toe zijn!"
+
+"Er is genoeg voor jelui en voor ons," antwoordden de duikeleenden.
+
+Eer ze nog zoover gekomen waren, dat ze Öland zagen, kwam een flauw
+windje hun tegemoet. Dat bracht iets meê, dat op geweldige massa's
+witte rook leek, alsof er ergens een groote brand was.
+
+Toen de vogels de eerste witte warrelwolken zagen aanrollen, werden ze
+bang, en vlogen sneller. Maar dat witte, dat op rook leek, stroomde al
+dichter voort, en eindelijk omringde het hen heelemaal. Het had geen
+scherpe lucht, het was niet donker en droog, maar wit en vochtig. De
+jongen begreep al gauw, dat het niet anders dan mist was.
+
+Toen de mist zoo dicht was, dat men geen stap voor zich uit kon zien,
+begonnen de vogels zich aan te stellen als echte dwazen. Allen, die
+tot nu toe zoo ordelijk hadden meêgevlogen, begonnen in den mist te
+spelen. Zij vlogen heen en weer om elkaar in de war te brengen. "Pas
+op!" riepen zij. "Jelui vliegen maar aldoor in de rondte! Keer toch in
+'s hemels naam om! Zoo komen jelui nooit op Öland."
+
+Allen wisten heel goed, waar het lag, maar ze deden hun best elkaar
+het spoor bijster te maken. "Kijk nu die pijlstaarten eens!" klonk
+het in den nevel. "Jullie gaan naar de Noordzee terug!"
+
+"Past op, grijze ganzen!" riep iemand van een anderen kant, "als
+jelui zoo voortgaat, kom je nog in Rügen!"
+
+Er was, zooals we al zeiden, geen gevaar, dat de vogels, die gewoon
+waren dezen weg te nemen, zich den verkeerden kant uit zouden
+laten lokken. Maar zij, die 't moeilijk hadden--dàt waren de wilde
+ganzen. De boosdoeners merkten, dat ze niet zeker van den weg waren,
+en deden àl wat zij konden om hen in de war te brengen.
+
+"Waar moet jelui heen, vrienden?" riep een zwaan. Hij kwam recht op
+Akka af, en zag er medelijdend en ernstig uit.
+
+"Wij moeten naar Öland, maar we zijn er nog nooit geweest," zei
+Akka. Ze meende, dat dit een vogel was om op te vertrouwen.
+
+"Dat is toch te erg," zei de zwaan. "Dan hebben ze jelui in de war
+gebracht. Je bent op weg naar Bleking. Kom nu meê, ik zal je weer in
+de goede richting brengen."
+
+En toen vloog hij met hen weg. En toen hij hen zoo ver van den grooten
+trekweg gebracht had, dat zij geen roepen meer hoorden, verdween hij
+in den mist.
+
+Nu vlogen ze een poos op goed geluk rond. Nauwlijks was het hun gelukt
+de vogels terug te vinden, of een eend kwam op hen aan.
+
+"'t Is het beste, dat jelui op het water gaat liggen, tot de mist
+is opgetrokken," zei de eend. "Men kan wel zien, dat jelui niet aan
+'t reizen gewend zijn."
+
+'t Scheelde niet veel, of de rekels hadden Akka suf gemaakt. Voor
+zoover de jongen 't begreep, vlogen de wilde ganzen lang in een
+kring rond.
+
+"Pas toch op! Zie jelui niet, dat jelui op en neer vliegt," riep
+een duikeleend, terwijl hij hen vlug voorbij vloog. De jongen greep
+onwillekeurig den ganzerik om den hals. Daar was hij nu aldoor bang
+voor geweest. Niemand kan zeggen, hoe ze vooruit zouden zijn gekomen,
+als ze niet een dof rollend schot hadden gehoord, heel in de verte.
+
+Toen strekte Akka den hals uit, klapwiekte luid, en vloog voort
+in een vliegende vaart. De grijze eenden hadden haar juist gezegd,
+dat zij niet moesten neerstrijken op de zuidelijke spits van Öland,
+omdat daar een groot kanon stond, waarmeê de menschen gewoon waren
+op den nevel te schieten.
+
+Nu kende zij de richting, en nu zou niemand in de wereld er haar meer
+van afbrengen.
+
+
+
+
+DE ZUIDPUNT VAN ÖLAND.
+
+
+Op het zuidelijk gedeelte van Öland ligt een oude koningshoeve,
+die Ottenby heet. Dat is een groot landgoed, dat zich dwars over het
+eiland uitstrekt, van het eene strand naar het andere, en het is al
+daarom beroemd, omdat groote kudden herten er altijd een toevlucht
+gezocht hebben. Omstreeks 1600, toen de koningen gewoon waren naar
+Öland te gaan om te jagen, was het heele landgoed niet anders dan een
+groot hertenpark. Omstreeks 1700 vond men daar een paardenfokkerij,
+waar edele raspaarden werden gefokt, en een schapenfokkerij, waar vele
+honderden schapen gehouden werden. In onze dagen vindt men bij Ottenby
+geen volbloedspaarden of schapen meer. In plaats daarvan leven er
+groote troepen jonge paarden, die bij de Zweedsche kavallerie moeten
+worden gebruikt.
+
+In het geheele land is zeker geen hoeve, die beter voor herten geschikt
+is. Langs de oostkust ligt de oude schapenwei, die een kwart mijl lang
+is, de grootste weide op heel Öland, waar de dieren kunnen grazen en
+spelen, en zich even vrij bewegen als op de woeste velden. En daar is
+het beroemde bosch van Ottenby met de honderdjarige eiken, die schaduw
+voor de zon geven en beschutting voor den scherpen Ölandswind. En
+dan moet men den langen muur van Ottenby niet vergeten, die van 't
+eene strand naar het andere loopt, en Ottenby van het overige eiland
+afscheidt, zoodat de herten kunnen weten, hoe ver de oude Koningshoeve
+loopt, en er op passen kunnen, dat ze niet op een ander veld komen,
+waar ze niet zoo veilig zijn.
+
+Maar niet alleen tamme dieren zijn er veel op Öland. Men zou bijna
+denken, dat wilde èn tamme dieren op een oud kroondomein er op konden
+rekenen daar goed verzorgd en beschermd te zijn, en dat ze er daarom in
+zulke groote troepen komen. Behalve dat daar nog herten van den ouden
+stam zijn overgebleven, en dat hazen en bergeenden en patrijzen er
+graag wonen, is daar in de lente en in den nazomer een rustplaats voor
+vele duizenden trekvogels. Vooral aan de moerassige oostkust, onder
+de schapenwei, strijken de trekvogels neer om te grazen en te rusten.
+
+Toen de wilde ganzen en Niels Holgersson eindelijk op Öland waren
+aangeland, streken zij, als alle andere neer, op het strand bij de
+schapenwei. Dicht lag de mist over het eiland, zooals vroeger over
+de zee. Maar de jongen was toch verbaasd over al de vogels, die hij
+onderscheiden kon, alleen maar op het kleine stukje van het strand,
+dat hij kon overzien.
+
+'t Was een laag, zandig strand met steenen en waterplasjes en een
+massa aangespoeld zeewier. Als de jongen had mogen kiezen, zou hij er
+nooit aan gedacht hebben daar neer te strijken, maar de vogels vonden
+het daar zeker een echt paradijs. Eenden en grijze ganzen liepen
+te grazen op de wei; dichter bij het water sprongen houtsnippen en
+andere strandvogels rond. De duikeleenden lagen op zee te visschen,
+maar 't meeste leven en beweging was er op de lange zeewierbanken
+aan de kust. Daar stonden de vogels dicht op elkaar, en vergastten
+zich aan larven, die daar in eindelooze massa's wezen moesten, want
+nooit hoorde men klachten over gebrek aan voedsel.
+
+Verreweg de meesten moesten verder, en waren alleen neergestreken
+om te rusten, en zoo gauw de leider van een troep meende, dat zijn
+kameraden zich voldoende versterkt hadden, zei hij: "Zijn jelui nu
+klaar? dan gaan we verder."
+
+"Neen, wacht nog even, wacht wat! We hebben nog lang niet genoeg,"
+zei zijn reisgezelschap.
+
+"Je denkt toch niet, dat ik van plan ben jelui te laten eten, tot je
+zóóveel gegeten hebt, dat je je niet meer kunt bewegen?" zei de leider,
+klapte met de vleugels en vloog op. Maar het gebeurde meer dan eens,
+dat hij moest terugkomen, omdat hij de anderen niet bewegen kon om
+meê te gaan.
+
+Buiten de verste zeewierbanken lag een troep zwanen. Zij hadden geen
+zin om aan land te gaan, maar rustten door te liggen wiegelen op
+'t water. Nu en dan staken zij de halzen onder den waterspiegel, en
+haalden voedsel op van den bodem der zee. Als zij iets heel lekkers
+gepakt hadden, gaven ze luide kreten, die als stooten op de trompet
+klonken.
+
+Toen de jongen hoorde, dat er zwanen op het ondiepe water lagen,
+ging hij gauw naar de zeewierbanken, want hij had nog nooit wilde
+zwanen van dichtbij gezien.
+
+Het liep hem meê, zoodat hij vlak bij hen kwam.
+
+De jongen was de eenige niet, die de wilde zwanen had gehoord. Wilde
+en grijze ganzen, eenden en duikeleenden zwommen naar de banken,
+vormden een kring om de zwanen heen en staarden ze aan. De zwanen
+zetten hun veeren op, hieven hun vleugels als zeilen omhoog, en staken
+de halzen recht naar boven. Nu en dan zwom een van hen naar een gans
+of een duikeleend, en zei een paar woorden. En dan was het, alsof de
+aangesprokene nauwlijks den snavel durfde opheffen om te antwoorden.
+
+Maar daar was ook een klein duikeleendje, een kleine zwarte deugniet,
+die al die plechtige manieren niet uit kon staan. Hij dook heel snel
+weg, en verdween onder den waterspiegel. Onmiddellijk daarna schreeuwde
+een van de zwanen, en zwom zóó gauw weg, dat het water schuimde. Toen
+hield hij stil, en begon er weer majestueus uit te zien. Maar kort
+daarop schreeuwde een andere, en toen schreeuwde een derde.
+
+Nu kon het duikeleendje het niet langer onder water uithouden, maar
+verscheen aan de oppervlakte, klein, en zwart en ondeugend als hij
+was. De zwanen vlogen op hem af, maar toen ze zagen wat het voor een
+peuter was, keerden ze knorrig om, alsof ze het beneden hun waardigheid
+achtten met hem te kibbelen. Maar het duikeleendje dook opnieuw onder,
+en beet ze in de pooten. Dat deed zeker pijn, maar het ergste was,
+dat ze hun waardigheid niet op konden houden.
+
+Op eens maakten ze er een eind aan. Ze begonnen met hun vleugels
+in de lucht te slaan, dat het dreunde, kwamen een heel eind, als
+'t ware springende, vooruit over het water, kregen eindelijk lucht
+genoeg onder de vleugels, en vlogen op.
+
+Toen ze weg waren, lieten ze een groote leegte achter. En zij, die
+eerst pleizier hadden gehad in de aanvallen van het duikeleendje,
+berispten hem nu om zijn onbeschaamdheid.
+
+De jongen ging weer naar 't land. Daar bleef hij toezien hoe de
+snippen speelden. Zij leken op heele kleine kraanvogels, hadden ook dat
+kleine lichaampje, die hooge pooten, lange halzen en lichte zwevende
+bewegingen, alleen waren ze niet grijs, maar bruin. Ze stonden in
+een lange rij op strand, waar de golven het bespoelden. Zoodra een
+golf aankwam, sprong de heele rij achteruit. Zoodra die teruggleed,
+volgden ze haar na. En zoo gingen ze uren lang door.
+
+De mooiste van alle vogels waren de bergeenden. Ze waren zeker
+verwant aan de gewone eenden, want ze hadden evenals deze een zwaar,
+gezet lichaam, een breeden snavel en zwempooten, maar ze waren véél
+sierlijker. Hun veeren waren wit, maar om den hals hadden zij een
+breeden, gelen band, de vleugels speelden in groen, rood en zwart;
+de vleugelpunten waren zwart; de kop was zwartgroen, en had een
+weerschijn als zijde.
+
+Zoodra een paar van hen zich aan 't strand vertoonden, zeiden de andere
+vogels: "Kijk die eens! Die hebben slag zich op te tooien!" "Als ze
+niet zoo mooi waren, zouden ze hun nesten niet in den grond hoeven te
+maken, maar konden boven in 't daglicht wonen, zooals alle anderen,"
+zeide een bruine wijfjesgraseend.
+
+"Ze kunnen zich uitsloven, zooveel ze willen, maar ze kunnen er toch
+nooit behoorlijk uitzien met zoo'n neus als zij hebben," zei een
+grijze gans. En dat was werkelijk waar. De bergeenden hadden een
+groote knoest op den wortel van hun snavel, die hen erg leelijk maakte.
+
+Binnen het strand vlogen meeuwen en zeezwaluwen heen en weer over
+het water, en vischten.
+
+"Wat is dat voor visch, die je ophaalt?" vroeg een wilde gans.
+
+"Dat zijn stekelbaarzen, Ölandsche stekelbaarzen, dat is de beste
+visch in de wereld," zei een meeuw. "Wil je niet eens proeven?" En
+hij vloog naar de gans toe met een mond vol van de kleine vischjes,
+en wilde er haar van geven.
+
+"O foei! Meen je, dat ik zulke vuiligheid eten wil!" zei de wilde gans.
+
+Den volgenden morgen was het nog altijd even mistig. De wilde ganzen
+gingen naar de weide om te grazen, maar de jongen ging naar het strand
+om mosselen te zoeken. Er waren er genoeg, en toen hij er aan dacht,
+dat hij den volgenden dag misschien op een plaats zou wezen, waar
+hij in 't geheel geen eten kon krijgen, besloot hij te probeeren een
+zakje te maken, dat hij vol mosselen kon doen. Hij vond op de wei oud
+rietgras, dat sterk en taai was, en daarvan begon hij een ransel te
+vlechten. Daar had hij verscheidene uren werk aan, maar hij was er
+ook heel blij mee, toen die af was.
+
+Tegen den middag kwamen alle wilde ganzen aanvliegen, en vroegen hem
+of hij den witten ganzerik ook gezien had. "Neen, hij is niet bij
+mij geweest," zei de jongen.
+
+"Hij was een oogenblik geleden nog bij ons," zei Akka, "maar nu weten
+we niet, waar hij is."
+
+De jongen vloog op, en werd vreeselijk bang. Hij vroeg, of er zich
+ook een vos of arend vertoond had, of dat er een mensch in de buurt
+gezien was. Maar niemand had iets gevaarlijks gemerkt. De ganzerik
+was zeker alleen maar in den mist verdwaald.
+
+Maar het was voor den jongen al even ongelukkig, op welke manier
+de ganzerik ook weggeraakt was, en hij ging dadelijk op weg om
+hem te zoeken. De mist beschermde hem, zoodat hij ongezien overal
+rond kon loopen, maar die belette hem ook te zien. Hij liep hard
+naar het zuiden, langs de kust, heel tot aan den vuurtoren en het
+mistkanon aan de uiterste spits van het eiland. Overal was hetzelfde
+vogelgewemel--maar geen ganzerik. Hij waagde zich tot bij de hoeve van
+Ottenby, en hij doorzocht al de oude uitgeholde eiken een voor een,
+maar hij vond geen spoor van den ganzerik.
+
+Hij zocht tot het donker begon te worden. Toen moest hij terug naar het
+strand aan de oostzijde van het eiland. Hij liep met zware stappen,
+en was heel somber. Hij wist niet, wat er van hem worden moest, als
+hij den ganzerik niet vinden kon. Er was niemand, dien hij minder
+kon missen.
+
+Maar toen hij over de schapenwei liep... wat was dat voor een groot
+wit ding, dat hem te gemoet kwam, als dat de ganzerik niet was? Hij
+was volkomen ongedeerd en heel blij, dat hij eindelijk zijn weg naar de
+anderen terug had kunnen vinden. De mist had hem zoo soezig in 't hoofd
+gemaakt, dat hij op de groote Wei den heelen dag had rondgeloopen. De
+jongen sloeg in zijn blijdschap de armen om zijn hals, en smeekte hem
+voorzichtig te zijn en niet van de anderen weg te gaan. En dat beloofde
+hij stellig, nooit meer te doen. Neen, nooit meer! Maar den volgenden
+morgen, toen de jongen langs het strand liep, en mosselen zocht, kwamen
+de ganzen weer aan, en vroegen hem, of hij den ganzerik ook had gezien.
+
+Neen, dat had hij zeker niet. Zoo, was de ganzerik nu weer weg? Hij
+was zeker weer in den mist verdwaald, zooals den vorigen dag.
+
+De jongen liep dood verschrikt weg, en begon te zoeken. Hij vond
+een plaats, waar de muur van Ottenby zoo afgebrokkeld was, dat hij
+er over kon klauteren. Later liep hij rond beneden aan 't strand,
+dat langzamerhand breeder werd, en eindelijk zoo groot was, dat er
+plaats was voor akkers en velden en boerenplaatsen; hij zocht boven op
+het platte hoogland, dat midden op het eiland lag, waar geen andere
+gebouwen dan windmolens waren, en waar de plantengroei op den bodem
+zóó dun was, dat de witte kalkgrond er door scheen.
+
+Maar den ganzerik kon hij niet vinden, en toen het tegen den avond
+liep, en hij weer naar het strand terug ging, kon hij niet anders
+denken, dan dat zijn reiskameraad weg was. Hij was zoo moedeloos,
+dat hij niet wist wat te beginnen.
+
+Hij was al weer over den muur gekomen, toen hij een steen hoorde
+vallen, vlak bij hem. Toen hij zich omkeerde om te zien wat dat was,
+meende hij iets te onderscheiden, dat zich bewoog op een steenhoop, die
+vlak tegen de muur lag. Hij sloop dichterbij, en zag toen den witten
+ganzerik aankomen, tegen den steenhoop op, met moeite verscheidene
+lange wortelvezels in den bek meêsleepend. De ganzerik zag den jongen
+niet, en deze riep hem ook niet, maar meende, dat het zaak was eerst
+te onderzoeken, waarom de ganzerik keer op keer verdween.
+
+Hij kwam de reden daarvan ook te weten. Boven op den steenhoop lag
+een jonge, grijze gans, die een uitroep van vreugd liet hooren, toen
+de ganzerik kwam. De jongen sloop naderbij, zoodat hij kon hooren,
+wat ze zeiden, en wist toen al gauw, dat de grijze gans den eenen
+vleugel had beschadigd, zoodat ze niet vliegen kon, en dat haar
+troep was weggevlogen, en haar alleen had achtergelaten. Ze was op
+het punt van honger te sterven, toen de witte ganzerik den vorigen
+dag haar had hooren roepen, en gezocht had, tot hij haar vond. Sinds
+dien tijd had hij haar eten gebracht. Ze hadden allebei gehoopt,
+dat ze beter zou worden, voor hij van 't eiland weg zou gaan, maar
+ze kon nog niet vliegen of loopen. Ze was daar heel bedroefd om,
+maar hij troostte haar, en zei, dat hij nog lang niet op reis zou gaan.
+
+Eindelijk zei hij haar goedennacht, en beloofde, dat hij den volgenden
+dag zou terugkomen.
+
+De jongen liet den ganzerik heengaan, en zoodra hij weg was, sloop
+hij op zijn beurt den steenhoop op. Hij was boos, omdat hij bedrogen
+was, en nu wou hij die gans daar vertellen, dat de ganzerik van hem
+was. Hij moest den jongen naar Lapland brengen, en er was geen sprake
+van, dat hij hier kon blijven om haar!--Maar toen hij het jonge gansje
+van dichtbij zag, begreep hij waarom de ganzerik haar twee dagen lang
+eten had gebracht, en waarom hij er niet over had willen spreken,
+dat hij haar hielp. Ze had een beelderig kopje, haar veeren waren
+zóó zacht als zijde, en haar oogen zacht en smeekend.
+
+Toen ze den jongen zag, wilde ze wegloopen. Maar haar linkervleugel
+was uit het lid, en sleepte over den grond, zoodat die haar hinderde
+bij al haar bewegingen.
+
+"Je hoeft niet bang voor me te wezen," zei de jongen, en keek lang
+zoo boos niet, als hij van plan was te doen. "Ik ben Duimelot, de
+reiskameraad van Maarten, den ganzerik," ging hij voort, en hij wist
+niet, wat hij zeggen zou.
+
+Er kan soms iets aan dieren zijn, dat ons verwonderd doet vragen,
+wat het toch voor soort wezens zijn. Men is bijna bang, dat het
+betooverde menschen zijn. Zooiets had die jonge, grijze gans. Zoodra
+Duimelot zei, wie hij was, boog zij den hals heel gracieus voor hem,
+en zei met een stem, zóó mooi, dat de jongen niet kon gelooven, dat
+het een gans was, die sprak: "Ik ben heel blij, dat je hier gekomen
+bent om me te helpen. De witte ganzerik heeft me gezegd, dat niemand
+zoo goed en zoo verstandig is als jij."
+
+Ze zei dat met zooveel waardigheid, dat de jongen heel verlegen
+werd. "Dat kan geen gans wezen," dacht hij. "Dat is zeker een
+betooverde prinses."
+
+Hij kreeg grooten lust haar te helpen, en stak zijn kleine handjes
+onder de veeren om aan het vleugelbeen te voelen. 't Been was niet
+gebroken, maar het gelid was niet in orde. Hij voelde een leege holte
+in 't gelid.
+
+"Pas nu op," zei hij, nam het been vast tusschen de vingers, en
+zette het weer in, waar het moest wezen. Hij deed het heel vlug
+en goed, in aanmerking genomen, dat het voor 't eerst was, dat hij
+zooiets probeerde, maar het moest wel heel veel pijn gedaan hebben,
+want de arme jonge gans gaf één enkelen harden gil, en toen zonk ze
+neer tusschen de steenen, zonder een teeken van leven te geven. De
+jongen schrikte ontzettend. Hij had haar willen helpen, en nu was
+ze dood. Hij was met één sprong van den steenhoop af, en liep hard
+weg. Hij had een gevoel, alsof hij een mensch had vermoord.
+
+Den volgenden morgen was het helder, de mist was opgetrokken, en Akka
+zei, dat ze nu de reis moesten voortzetten. Allen waren bereid om op
+weg te gaan, maar de witte ganzerik maakte bezwaren. De jongen begreep,
+dat hij niet van de grijze gans weg wilde gaan. Maar Akka hoorde niet
+naar hem, en vertrok. De jongen sprong op den rug van den ganzerik,
+en de witte volgde den troep, hoewel langzaam en met tegenzin. De
+jongen was heel blij, dat ze van het eiland weg zouden komen. Hij had
+berouw over de grijze gans, en had den ganzerik niet willen zeggen,
+hoe het was gegaan, toen hij haar had willen genezen. 't Was maar
+'t beste, als Maarten, de ganzerik, dat nooit te weten kwam, dacht
+hij. Hij was er toch verwonderd over, dat de witte het hart had van
+de grijze gans weg te gaan.
+
+Maar plotseling keerde de ganzerik om. De gedachte aan de jonge gans
+werd hem te machtig. 't Moest met de reis naar Lapland maar gaan,
+zooals 't kon. Hij kon niet met de anderen meê gaan, als hij wist,
+dat zij daar ziek en alleen achter bleef, en moest doodhongeren.
+
+Met een paar vleugelslagen was hij bij den steenhoop. Maar daar lag
+geen jonge gans tusschen de steenen.
+
+"Donsje, Donsje, waar ben je?" riep de ganzerik.
+
+"De vos is zeker hier geweest, en heeft haar meêgenomen," dacht
+de jongen. Maar op 't zelfde oogenblik hoorde hij een mooie stem
+antwoorden: "Hier ben ik, ganzerik, hier ben ik! Ik heb maar even
+een bad genomen." En uit het water dook de kleine grijze gans op,
+frisch en gezond, en vertelde, dat Duimelot haar vleugel weer in
+'t lid getrokken had, en dat ze heelemaal beter was en klaar om meê
+te gaan. De waterdroppels rolden als paarlen over haar zijachtige
+veeren, waarover een mooie weerschijn lag, en Duimelot dacht weêr,
+dat ze een echt prinsesje was.
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+DE GROOTE VLINDER.
+
+
+De ganzen vlogen voort in de lengte van het lange eiland, dat beneden
+hen duidelijk te zien was. De jongen voelde zich opgeruimd en blij
+op dien tocht. Hij was nu even tevreden en vergenoegd, als hij den
+vorigen dag somber en gedrukt was geweest, toen hij daar beneden op
+het eiland had rondgezworven, en naar den ganzerik gezocht.
+
+Hij zag nu, dat het binnenste gedeelte van het eiland uit een kale
+hoogvlakte bestond, met een breeden kring goed en vruchtbaar land
+langs de kusten, en hij begon te begrijpen, wat hij den vorigen avond
+had gehoord.
+
+Hij had juist zitten rusten bij een van de vele windmolens, die op de
+hoogvlakte stonden, toen er een paar schaapherders aankwamen met hun
+honden en een groote kudde schapen. De jongen was niet bang geworden,
+want hij zat goed verstopt onder de trap naar den molen. Maar nu was
+'t zoo gegaan, dat de herders juist op diezelfde trap waren komen
+zitten, en de jongen kon dus niet anders dan daar stil blijven.
+
+De eene herder was jong, en zag er heel gewoon uit, maar de andere
+was een wonderlijke oude man. Zijn lichaam was groot en beenig,
+maar zijn hoofd was klein, en hij had iets fijns en zachts in zijn
+gezicht. 't Was alsof dat lichaam en dat gezicht in 't geheel niet
+bij elkaar pasten.
+
+Hij zat een poos stil in den nevel te staren met een paar
+onbeschrijfelijk moede oogen. Toen begon hij te spreken met zijn
+kameraad, die brood en kaas uit een zakje haalde, en zijn avondmaal
+hield. Hij antwoordde bijna niet, maar luisterde heel geduldig,
+alsof hij dacht: "Ik zal je het genoegen wel doen, je een beetje te
+laten praten."
+
+"Nu zal ik je eens wat vertellen, Erik," zei de oude herder. "Ik heb
+bedacht, dat vroeger, toen menschen en dieren zooveel grooter waren,
+dan ze nu zijn, de vlinders zeker ook ontzettend groot werden. En eens
+was er een vlinder, die mijlen lang was, en vleugels had, zoo breed
+als meren. De vleugels waren blauw en glinsterend zilverkleurig, en zóó
+mooi, dat als die vlinder rondvloog, alle dieren hem nakeken. Hij had
+natuurlijk dat gebrek, dat hij te groot was. Zijn vleugels konden hem
+bijna niet dragen. Maar het zou wel goed zijn gegaan, als hij maar
+zoo wijs geweest was zich boven het land te houden, maar dat was hij
+niet. Hij vloog heel tot boven de Oostzee. En hij was nog niet ver
+gekomen, voor de storm hem tegemoet kwam, en aan zijn vleugels begon
+te trekken.
+
+Ja, je kunt wel begrijpen, Erik, hoe het gaan moest, toen de
+Oostzeestorm teere vlindervleugels ging hanteeren. 't Duurde niet lang,
+of ze waren uitgerukt en weggeblazen, en toen viel natuurlijk de arme
+vlinder in zee. Eerst werd hij op de golven heen en weer gegooid en
+toen strandde hij op een paar klippen aan de kust van Smaland. En
+daar bleef hij liggen, zoo groot en lang als hij was.
+
+Nu verbeeld ik me, Erik, dat als de vlinder op het land was blijven
+liggen, hij gauw vergaan en uit elkaar gevallen zou zijn. Maar
+omdat hij in zee viel, werd hij met kalk doortrokken en zoo hard als
+steen. Je weet wel, dat we steenen aan 't strand gevonden hebben,
+die niet anders dan verharde larven waren. En nu geloof ik, dat het
+met het groote vlinderlichaam op dezelfde manier ging. Ik geloof,
+dat het een lange, smalle klip werd, toen het daar in de Oostzee
+lag. Geloof je dat ook niet?"
+
+Hij hield op, en wachtte op antwoord. De andere knikte hem toe, en zei:
+"Ga nu maar door, zoodat ik hooren kan waar je heen wilt."
+
+"Let nu goed op, Erik. Dit eiland hier, waar jij en ik op wonen,
+is niet anders dan het oude vlinderlichaam. Als je even nadenkt,
+merk je, dat dit eiland een vlinder is. Naar het noorden kun je het
+smalle borststuk zien en den ronden kop, en naar 't zuiden zie je
+'t achterlijf, dat eerst breed uitloopt, dan smaller wordt, en in
+een scherpe punt eindigt."
+
+Hier hield hij nog eens op, en keek zijn kameraad aan,--wat gespannen,
+om er achter te komen, hoe die zijn bewering op zou nemen. Maar de
+jonge man at kalm door, en knikte weer, alsof hij hem aanmoedigde
+door te gaan.
+
+"Zoodra de vlinder in een kalksteenklip was veranderd, kwamen allerlei
+zaden van planten en boomen aanzweven met den wind, en wilden er wortel
+op schieten, maar 't was moeilijk voor hen zich vast te hechten op den
+kalen, gladden berg. Het duurde lang, eer daar iets anders dan wier kon
+groeien. Toen kwamen het hondskruid, het zonnekruid en de wilde rozen.
+
+Maar nog tot nu toe is er niet zooveel plantengroei op Alvaret
+[1], dat de berg geheel verborgen is. Hier en daar schijnt hij er
+door. En niemand kan er aan denken hier te ploegen of te zaaien,
+omdat de aardlaag zoo dun is.
+
+Maar als je nu aanneemt, dat Alvaret en de oude kasteelen, die
+daaromheen liggen, door het vlinderlichaam zijn gevormd, dan zou je
+kunnen vragen, waar het land, dat beneden langs de kasteelen ligt,
+vandaan gekomen is."
+
+"Ja dat is het juist," zei de andere, die rustig door bleef eten,
+"dat zou ik wel willen weten."
+
+"Je moet niet vergeten, dat Öland al heel wat jaren in zee heeft
+gelegen, en in dien tijd heeft alles, wat op de golven ronddrijft:
+wier, en zand, en slakken, er zich omheen verzameld, en is blijven
+liggen. En toen zijn steenen en gruis neergekomen van het oude kasteel
+in het oosten, en van dat in het westen. Zoo heeft het eiland breede
+stranden gekregen, waar rozen en bloemen en boomen kunnen groeien.
+
+Hier boven op den harden rug van den vlinder loopen alleen schapen en
+koeien en kleine paarden; hier wonen enkel kieviten en pluvieren,
+en hier zijn geen andere gebouwen dan windmolens en een paar
+armoedige schuren, waar wij--herders--inkruipen. Maar daar beneden
+op het strand liggen groote boerendorpen en kerken, en pastorieën,
+en groepen visschershutten en een heele stad."
+
+Hij zag den ander vragend aan. Die was nu klaar met eten, en knoopte
+zijn broodzakje dicht.
+
+"Ik zou wel eens willen weten wat je bedoelt met dit alles," zei hij.
+
+"Ja, dàt is 't maar, wat ik weten wou," zei de herder, en hij sprak
+zóó zacht, dat het bijna fluisteren werd, en staarde in den nevel
+met zijn kleine oogen, die moe schenen te zijn van het uitkijken
+naar alles, wat er niet is. "Ik zou alleen dit willen weten: of de
+boeren, die in de rondgebouwde hoeven daar onder de kasteelen wonen,
+of de visschers, die de visschen uit de zee halen, of de kooplieden
+in Borgholm, of de badgasten, die hier elken zomer komen, of de
+reizigers, die rond wandelen in de ruïne van 't kasteel op Borgholm,
+of de jagers, die in den herfst hier komen om patrijzen te schieten,
+of de schilders, die hier op Alvaret de schapen en de windmolens
+zitten schilderen,--ik zou willen weten, of een van hen het begrijpt,
+dat dit eiland hier een vlinder is geweest, die heeft rondgevlogen
+met groote, glanzende vleugels."
+
+"O ja," zei de jonge herder plotseling, "dat moet wel iemand van hen
+begrepen hebben, die op een avond aan den kant van het kasteel heeft
+gezeten, en de nachtegalen heeft hooren slaan in de boschrijke velden,
+en die heeft uitgezien over 't Kalmar Sond. Hij heeft wel gemerkt,
+dat dit eiland niet kan zijn ontstaan als alle andere."
+
+"Ik zou hun willen vragen," ging de oude voort, "of niet een van hen
+heeft verlangd vleugels aan die windmolens te geven, zóó groot, dat
+ze het heele eiland konden opheffen uit de zee en het laten vliegen,
+als een vlinder, onder de vlinders."
+
+"'t Is best mogelijk, dat er wat van aan is, wat je zegt," zei de
+jonge man, "want in de zomernachten, als de hemel zich hoog en open
+welft boven het eiland, heb ik soms gevonden, dat het was, alsof het
+uit de zee wou opkomen en wegvliegen."
+
+Maar nu de oude man den jongen herder eindelijk tot spreken had
+gebracht, luisterde hij niet lang naar hem.
+
+"Ik zou willen weten," zei hij nog zachter, "of iemand kan verklaren,
+waarom er zoo'n sterk verlangen hier boven op Alvaret woont. Ik heb
+het levenslang elken dag gevoeld, en ik geloof, dat het over iedereen
+moet komen, die hier rondzwerft. Ik zou willen weten of niemand
+anders heeft begrepen, dat ál dat smachtend verlangen daarvan komt,
+dat het heele eiland een vlinder is, die naar zijn vleugels verlangt."
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+HET KLEINE KARELSEILAND.
+
+
+DE STORM.
+
+
+De wilde ganzen hadden op de noordelijke punt van Öland overnacht,
+en waren nu op weg naar het vaste land. Er woei een vrij sterke
+zuidenwind over 't Kalmar Sond, zoodat zij naar het noorden gedreven
+waren. Toch werkten zij zich met een flinke vaart voort in de richting
+van het land. Maar toen zij de eerste klippen bereikten, hoorden zij
+een geweldig geluid, alsof een menigte vogels met sterke vleugels
+aan kwam vliegen, en het water onder hen werd op eens pikzwart. Akka
+hield zóó snel de vleugels in, dat ze bijna stil bleef staan in de
+lucht. Daarop daalde zij om neer te strijken op den zeespiegel. Maar
+eer de ganzen het water bereikt hadden, kwam de westerstorm over
+hen. Reeds joeg die mistwolken, zout schuim en kleine vogels voor zich
+uit. Nu rukte hij ook de wilde ganzen meê, en wierp ze onderste boven,
+en slingerde ze voort naar den kant van de zee.
+
+'t Werd een akelige storm. De wilde ganzen probeerden telkens om
+te keeren, maar ze konden het niet; ze werden naar den kant van de
+Oostzee gedreven. De storm had ze al voorbij Öland gejaagd, en vóór
+hen lag de eenzame, woeste zee. Zij konden niet anders doen dan met
+den wind meê draaien.
+
+Toen Akka merkte, dat ze niet in staat waren om te keeren, vond ze,
+dat het onnoodig was zich door den storm over de geheele Oostzee te
+laten drijven. Ze streek daarom op het water neer. De branding was
+al hevig, en werd steeds woester. De golven rolden aan, zeegroen met
+sterk schuimende koppen; de een steeg al hooger dan de ander. Het was,
+alsof ze wedijverden, wie 't hoogste kon komen en het woedendste
+schuimen. Maar de wilde ganzen waren niet bang voor dat bruisende
+water. Het scheen hun integendeel een groot genot te bereiden. Ze
+spanden zich niet in met zwemmen, maar lieten zich drijven--hoog
+op de koppen der golven en naar beneden in het golfdal--en hadden
+evenveel pleizier als een kind in een wieg. Hun eenige zorg was,
+dat hun troep uit elkaar gedreven zou worden. De arme landvogels,
+die door den storm voorbij werden gejaagd, hoog in de lucht, riepen
+afgunstig: "Jelui hebt geen nood, jelui kunt zwemmen."
+
+Maar de wilde ganzen waren toch ook niet buiten alle gevaar. Ten
+eerste maakte dat wiegen hen onuitsprekelijk slaperig. Onophoudelijk
+wilden ze den kop omkeeren, den snavel onder de vleugels steken en
+inslapen. Niets is gevaarlijker dan zoo in slaap te vallen; en Akka
+riep telkens: "Niet slapen, wilde ganzen! Wie slaapt, raakt weg van
+den troep. Wie van den troep wegraakt, is verloren!"
+
+Niettegenstaande alle pogingen om er zich tegen te verzetten, sliep
+de een na de ander in, en zelfs Akka was op 't punt in te slapen,
+toen ze plotseling iets ronds, hoogs zich zag verheffen op den kop
+van een golf.
+
+"Zeehonden! Zeehonden! Zeehonden!" riep Akka met luide, schelle stem,
+en hief zich met klappende vleugels op in de lucht. 't Was op het
+laatste oogenblik. Eer de laatste wilde gans uit het water opgekomen
+was, waren de zeehonden zóó dichtbij, dat ze naar haar pooten hapten.
+
+Zoo waren de wilde ganzen weer midden in den storm, die hen voor zich
+uit naar zee dreef. Hij gunde noch hen, noch zichzelf rust. En ze
+zagen geen land--enkel woeste zee. Ze sloegen weer neer op het water,
+zoodra ze dat durfden. Maar toen ze een poos op de golven gewiegd
+waren, werden ze opnieuw slaperig. En zoodra ze sliepen, kwamen de
+zeehonden weer aanzwemmen. Als niet de oude Akka zoo waakzaam geweest
+was, zou niet één van hen er goed zijn afgekomen.
+
+Den heelen dag duurde de storm voort, en die richtte de vreeselijkste
+verwoestingen aan onder de massa's vogels, die in dien tijd van het
+jaar aan het trekken waren. Sommige werden uit hun koers gedreven naar
+een vreemd land, waar ze van honger stierven, andere werden zóó moe,
+dat ze in zee zonken en verdronken.
+
+Vele werden tegen de klippen verpletterd, en vele werden een prooi
+van de zeehonden.
+
+Dien heelen dag duurde de storm, en Akka begon zich eindelijk af te
+vragen, of zij met haar troep zou verongelukken. Ze waren nu doodmoe,
+en nergens zag zij een plaats, waar ze konden rusten. Tegen den
+avond durfde zij niet meer op zee neer te strijken, omdat die heel
+plotseling met groote ijsschotsen werd gevuld, die tegen elkaar aan
+bonsden, en ze vreesde daartusschen verpletterd te worden. Een paar
+maal probeerden de wilde ganzen zich op het ijs op te stellen, maar
+nu eens schoof de woeste storm ze weer in zee, een ander keer kwamen
+de onbarmhartige zeehonden op het ijs kruipen.
+
+Tegen zonsondergang vlogen de ganzen nog eenmaal door de lucht. Ze
+waren bang voor den nacht onder het vliegen. De duisternis scheen al
+gauw te komen, op dien avond zóó vol gevaren.
+
+'t Was verschrikkelijk, dat ze nog geen land zagen, hoe zou 't toch
+gaan, als ze den heelen nacht op zee moesten blijven! Ze zouden
+òf tusschen de ijsschotsen verpletterd worden, òf door zeehonden
+opgegeten, òf door den storm uit elkaar gejaagd.
+
+De hemel was in wolken gehuld, de maan hield zich schuil, en de
+duisternis daalde snel. En al meer en meer werd de heele natuur
+zóó vol ontzetting, dat de dapperste angstig werden. 't Roepen van
+trekvogels in nood had den heelen dag over zee geklonken, maar nu
+men niet meer kon zien wie 't waren, die zoo riepen, klonk het akelig
+en griezelig. Onder hen op zee bonsden de stukken drijfijs dreunend
+tegen elkaar. De zeehonden hieven hun woeste jachtliederen aan. 't
+Was alsof hemel en aarde zouden ineenstorten.
+
+
+
+
+HET GEVAAR.
+
+
+De jongen had een poos naar beneden in zee zitten kijken. Op eens
+meende hij, dat die sterker begon te bruisen dan vroeger. Hij keek
+op. Vlak voor hem uit, op maar een paar meters afstand, verhief zich
+een steile, kale bergwand. Aan zijn voeten sloegen de golven op in
+hoog opspattend schuim. De wilde ganzen vlogen recht op de rots aan,
+en de jongen kon niet anders denken, dan dat zij er tegen verpletterd
+moesten worden.
+
+Maar nauwelijks had hij er zich over verwonderd, dat Akka dit gevaar
+niet op tijd ontdekt had, of ze waren bij den berg. Toen merkte hij
+ook, dat vóór hen de half ronde opening lag van een grot. Daar vlogen
+de ganzen in, en 't volgend oogenblik waren zij in veiligheid.
+
+Het eerste, waar de reizigers aan dachten, vóór ze zich den tijd gunden
+zich over hun redding te verheugen, was te zien of alle kameraden ook
+gered waren. Daar waren Akka, Yksi, Kolme, Neljä, Viisi en Kuusi,
+alle zes jonge ganzen, de ganzerik, Donsje en Duimelot, maar Kaksi
+van Nuolja, de eerste gans links, was verdwenen, en niemand wist,
+wat er van haar was geworden.
+
+Toen de wilde ganzen merkten, dat niemand anders dan Kaksi van den
+troep was weggeraakt, namen zij de zaak kalm op. Kaksi was een oude,
+wijze vogel. Zij kende al hun wegen en gewoonten, en zij zou wel
+zorgen, dat ze weer bij hen terugkwam.
+
+Toen begonnen zij rond te kijken in de grot. Er kwam nog zooveel
+daglicht door de opening, dat ze konden zien, dat de grot diep en
+breed was. Zij verheugden zich, dat ze zoo'n prachtig nachtverblijf
+hadden gevonden, toen een van hen een paar schitterende groene punten
+in 't oog kreeg, die in een donkeren hoek glinsterden.
+
+"Dat zijn oogen!" riep Akka. "Er zijn groote dieren hier binnen!"
+
+Ze stormden naar den uitgang, maar Duimelot, die beter in 't donker
+kon zien dan de wilde ganzen, riep hen toe: "Daar hoef jelui niet
+voor weg te loopen! Dat zijn maar een paar schapen, die tegen den
+wand van de grot liggen!"
+
+Toen de wilde ganzen aan het schemerlicht in de grot gewend waren,
+zagen zij de schapen heel goed. Er waren zoowat even veel volwassen
+dieren, als ze zelf waren, maar er lagen ook nog enkele lammetjes. Een
+groote hamel met lange gebogen horens scheen de voornaamste van
+de kudde te zijn. De wilde ganzen gingen hem diep buigende te
+gemoet. "Wees welkom in deze wildernis!" zeiden ze.
+
+Maar de groote hamel bleef stil liggen zonder een welkomstgroet.
+
+Toen meenden de wilde ganzen, dat de schapen boos waren, omdat zij
+in hun grot waren gekomen.
+
+"'t Kwam misschien niet gelegen, dat we in uw huis binnendrongen,"
+zei Akka. "Maar we kunnen het niet helpen. De wind was ons te
+sterk en dreef ons hierheen. We hebben den heelen dag in den storm
+rondgezworven, en wij zouden al blij zijn, als we hier van nacht
+mochten blijven."
+
+Hierna duurde het een heele poos, eer een van de schapen met woorden
+antwoordde, maar daarentegen was het duidelijk te hooren, dat een paar
+van hen diep zuchtten. Akka wist wel, dat schapen altijd verlegen
+en wonderlijk waren, maar deze schenen er in 't geheel geen begrip
+van te hebben, hoe ze zich moesten houden. Eindelijk zeide een oude
+schapemoeder, die een lang en bedroefd gezicht had en een klagende
+stem:
+
+"Er is niemand onder ons, die u zal verbieden te blijven, maar dit
+is een huis van rouw, en we kunnen onze gasten niet meer ontvangen
+zooals vroeger."
+
+"U behoeft u daarover niet te bekommeren," zei Akka. "Als u wist,
+wat wij vandaag hadden doorgemaakt, zoudt u wel begrijpen, dat we
+blij zijn, als we maar een veilig plekje hebben om te slapen."
+
+Toen Akka dat gezegd had, stond de oude schapemoeder op. "Ik geloof,
+dat het beter voor u zou zijn in den ergsten storm rond te vliegen,
+dan hier te blijven. Maar nu moet u toch niet van hier gaan, voor we u,
+zoo goed als ons huis dat toelaat, onthaald hebben."
+
+Zij wees naar een holte in den grond, die vol water stond. Daarnaast
+lag een hoop kaf en stroo en zij verzocht de ganzen zich daaraan te
+goed te doen. "Wij hebben van 't jaar veel sneeuw gehad hier op het
+eiland," zeide ze. "De boeren, aan wie we toebehooren, komen bij ons
+met hooi en haverstroo, opdat we niet zullen doodhongeren. En dit
+stroo is alles, wat er van onze welvaart is overgebleven."
+
+De ganzen wierpen zich dadelijk op dat voedsel. En zij vonden, dat
+zij goed terecht waren gekomen, en waren in hun beste humeur. Zij
+merkten wel, dat de schapen angstig waren, maar ze wisten, hoe
+gauw schapen bang worden, en dachten niet, dat er eenig werkelijk
+gevaar dreigde. Zoodra ze gegeten hadden, waren zij van plan, zooals
+gewoonlijk te gaan slapen. Maar toen stond de groote hamel op, en
+kwam op hen toe. De ganzen vonden, dat ze nog nooit een schaap met
+zulke lange grove horens hadden gezien. Ook in andere opzichten was
+hij opvallend. Hij had een groot bultig voorhoofd, verstandige oogen
+en een goede houding, alsof hij een trotsch, moedig dier was.
+
+"Ik ben niet verantwoord, als ik u hier laat slapen, zonder u te
+zeggen, dat het hier onveilig is," zei hij. "Wij kunnen hier in dezen
+tijd geen gasten voor den nacht ontvangen."
+
+Nu eerst begon Akka te begrijpen, dat het ernst was. "Wij zullen
+heengaan, wanneer u dat verlangt," zeide zij. "Maar wilt u ons niet
+eerst zeggen, wat u kwelt? Wij weten nergens van. Wij weten niet eens,
+waar wij zijn."
+
+"Dit is het kleine Karelseiland," zei de hamel. "Dat ligt voorbij
+Gothland, en hier wonen alleen schapen en zeevogels."
+
+"Hoort u misschien tot de wilde schapen?" vroeg Akka.
+
+"Dat scheelt niet veel," antwoordde de hamel. "We hebben niets met
+menschen te maken. Er bestaat een oude overeenkomst tusschen ons en
+de boeren op een hoeve in Gothland, dat ze ons van voer voorzien,
+als het 's winters sneeuwt, en daarentegen mogen ze van ons zooveel
+wegvoeren, als er boven een bepaald getal zijn. Het eiland is klein,
+zoodat het niet al te velen van ons kan voeden. Maar overigens redden
+wij ons zelf het heele jaar, en we wonen niet in huizen met deuren
+en sloten, maar houden ons in grotten als deze op."
+
+"Blijft u hier ook 's winters?" vroeg Akka verwonderd.
+
+"Ja, dat doen we," antwoordde de hamel. "We hebben genoeg te grazen
+hier op den berg het heele jaar."
+
+"Mij dunkt, het schijnt, dat u 't beter hebben moest dan andere
+schapen," zeide Akka. "Maar wat is er u dan voor een ongeluk
+overkomen?"
+
+"'t Was héél koud verleden winter. De zee bevroor, en toen kwamen
+drie vossen hierheen over het ijs, en sinds dien tijd zijn ze hier
+gebleven. Anders is hier geen enkel gevaarlijk dier op het eiland."
+
+"O zoo! durven de vossen dan ook u aan?"
+
+"O neen, niet overdag; dan kan ik mijzelf en de mijnen wel verdedigen,"
+zei de hamel, en schudde zijn horens. "Maar ze sluipen op ons toe
+in den nacht, als we binnen in de grot slapen. We probeeren wakker
+te blijven, maar nu en dan moet je wel slapen, en dan komen ze. Ze
+hebben alle schapen in de andere grotten al vermoord, en er waren
+kudden, even groot als de mijne."
+
+"'t Is niet prettig te vertellen, dat we zoo hulpeloos zijn," zei nu
+de oude schapemoeder. "We kunnen ons niet beter redden, dan wanneer
+we tamme schapen waren."
+
+"Denkt u, dat ze hier van nacht komen," vroeg Akka.
+
+"We kunnen niet anders verwachten," antwoordde de oude. "Ze waren
+hier gisteren nacht, en stalen ons een lam af. Ze komen wel weerom,
+zoolang nog een van ons in leven is. Zoo hebben ze ook in andere
+plaatsen gedaan."
+
+"Maar als ze zoo doorgaan, wordt u immers heelemaal uitgeroeid,"
+zei Akka.
+
+"Ja het zal niet lang duren, voor het gedaan is met alle schapen op
+'t kleine Karelseiland," zei de schapemoeder.
+
+Akka stond daar heel besluiteloos. 't Was niet prettig er nu weer
+op uit te gaan in den storm. En 't was ook niet goed in een huis
+te blijven, waar zulke gasten verwacht werden. Toen ze een poos had
+nagedacht, wendde ze zich tot Duimelot.
+
+"Ik zou wel willen weten, of je ons helpen wilt, zooals je al zoo
+dikwijls hebt gedaan," zei ze.
+
+"Ja," zei de jongen; dat wilde hij wel.
+
+"'t Is wel akelig voor je, niet te kunnen slapen," zei de wilde gans,
+"maar... zou je wakker kunnen blijven, tot de vossen komen, en ons
+dan wekken, zoodat we weg kunnen vliegen?"
+
+De jongen had daar niet heel veel lust in; maar alles was beter dan
+er in den storm weer op uit te moeten, zoodat hij beloofde wakker te
+zullen blijven.
+
+Hij ging naar den ingang van de grot, kroop achter een grooten steen,
+om voor den storm beschut te zijn, en ging op wacht zitten.
+
+Toen de jongen daar een poos gezeten had, scheen de storm te
+bedaren. De hemel werd helder, en de maneschijn begon op de golven
+te spelen. De jongen ging naar den ingang om uit te kijken. De grot
+lag heel hoog op den berg. Een smal, steil pad leidde naar boven. Van
+dien kant had hij zeker de vossen te verwachten.
+
+Hij zag nog geen vos, maar daarentegen iets, waar hij in 't eerst
+heel bang voor werd. Op het smalle strand beneden stonden een paar
+groote reuzen, of andere steenen monsters,--of misschien waren het
+wel menschen. Eerst dacht hij, dat hij droomde, maar nu was hij er
+heel zeker van, dat hij niet in slaap was gevallen. Hij zag de groote
+mannen zoo duidelijk, dat het geen zinsbedrog kon wezen. Sommige
+stonden op het strand en andere vlak bij den berg, alsof ze van plan
+waren er tegen op te klauteren. Sommige hadden groote, dikke koppen,
+en andere in 't geheel geen kop. Sommige hadden één arm en sommige
+hadden een bochel van voren en van achteren. Hij had nooit zooiets
+wonderlijks gezien.
+
+De jongen stond zich daar bang te maken voor die reuzen, zoodat hij
+bijna vergat naar de vossen uit te kijken. Maar nu hoorde hij een
+klauw langs een steen schrapen. Hij zag drie vossen de helling opkomen,
+en zoodra hij wist, dat hij met iets werkelijks te doen had, werd hij
+weer kalm, en was in 't geheel niet bang meer. Toen viel 't hem in,
+dat het toch akelig was alleen de ganzen te roepen, en de schapen aan
+hun lot over te laten. Hij dacht, dat hij dat liever anders in orde
+zou willen maken. Hij liep gauw de grot binnen, schudde den hamel
+aan zijn horens, zoodat hij wakker werd, en sprong meteen op zijn rug.
+
+"Sta op, vadertje! we zullen probeeren de vossen een beetje bang te
+maken!" zei de jongen.
+
+Hij was zoo stil mogelijk geweest, maar de vossen moesten toch iets
+gehoord hebben. Toen ze boven kwamen, aan den ingang van de grot,
+bleven ze staan, om te overleggen wat zij doen moesten.
+
+"Daar binnen hoorde ik duidelijk iemand zich bewegen," zei de een.
+
+"Ik zou wel eens willen weten, of ze wakker waren."
+
+"Ga jij er maar gerust op af," zei de ander. "Ons kunnen ze ten minste
+niets doen."
+
+Toen ze verder in de grot kwamen, bleven ze staan, en snoven in
+'t rond.
+
+"Wien zullen we vanavond nemen?" fluisterde de vos, die vooraan liep.
+
+"Vanavond zullen we den grooten hamel nemen," zei de laatste. "Dan
+gaat het later gemakkelijk met de andere."
+
+De jongen zat op den rug van den ouden hamel, en zag, hoe ze
+voortslopen.
+
+"Stoot nu recht vooruit," fluisterde hij. De hamel stootte toe, en
+de eerste vos werd halsoverkop teruggeslingerd naar de opening van
+de grot.
+
+"Stoot nu links," zei de jongen, en wendde den grooten kop van den
+hamel in de juiste richting. De hamel gaf een geweldigen slag, die
+den tweeden vos in de zij trof. Hij rolde verscheiden malen rond,
+eer hij weer op de been was, en wegloopen kon. De jongen had wel
+graag gewild, dat ook de derde een stoot had gekregen, maar die had
+al gemaakt, dat hij wegkwam.
+
+"Nu denk ik, dat ze wel genoeg hebben voor van nacht," zei de jongen.
+
+"Ja, dat denk ik ook," zei de groote hamel. "Ga nu op mijn rug liggen,
+en kruip onder de wol. Je verdient wel, dat je 't goed en warm krijgt
+na al dien wind, waarin je geloopen hebt."
+
+
+
+
+HET HELSCHE HOL.
+
+
+Den volgenden dag liep de hamel rond met den jongen op den rug,
+en liet hem het eiland zien. Dat bestond uit één enkele geweldige
+rots. 't Was als een groot huis met loodrechte wanden en een plat
+dak. De hamel liep eerst naar het dak van den berg, en liet den
+jongen de goede weiden daar zien, en hij moest erkennen, dat het
+eiland vooral voor schapen scheen gemaakt te zijn. Er groeide op den
+berg niet veel anders dan windhaver en zulke dorre, kruidig geurende
+gewassen, waar schapen veel van houden.
+
+Maar er was zoowaar nog wat anders te zien dan schapenweiden, als
+men eenmaal de helling op gekomen was. Daar zag men ten eerste de
+heele zee, die nu blauwend in 't zonlicht haar glanzende golven
+voortrolde. Alleen hier en daar tegen een landtong stoof ze op in
+schuim. Vlak in 't oosten lag Gothland met effen, lang gestrekte kust,
+en in 't zuidwesten het groote Karelseiland, van dezelfde constructie
+als 't kleine eiland. Toen de hamel heel dicht naar den kant van
+het bergdak ging, zoodat de jongen langs de bergwanden kon neerzien,
+merkte hij, dat ze heelemaal vol vogelnesten waren, en in de blauwe zee
+beneden lagen zwarte waterhoenders, eiderganzen, en andere watervogels,
+zoo mooi en vredig, bezig met visschen in de strooming.
+
+"'t Lijkt hier wel het beloofde land," zei de jongen. "Jelui schapen
+woont hier maar mooi."
+
+"Ja, wel is 't hier mooi," zei de groote hamel. Het was, alsof hij
+er iets bij had willen voegen, maar hij zei niets, en zuchtte alleen.
+
+"Maar als je hier alleen loopt, moet je wel oppassen voor al die
+spleten hier in den berg," ging hij een poos later voort. En die
+waarschuwing was wel noodig, want op verscheiden plaatsen waren
+er diepe en breede spleten. De grootste daarvan heette "'t helsche
+hol". Die spleet was vele vamen diep en bijna een vaam breed.
+
+"Als iemand hier in viel, was het met hem gedaan," zei de groote
+hamel. De jongen vond, dat dit klonk, alsof hij een bizondere bedoeling
+had, met wat hij zei.
+
+Daarna bracht hij den jongen naar het strand. Nu kon hij van dichtbij
+die reuzen zien, die hem den vorigen nacht zoo bang gemaakt hadden. Dat
+waren niet anders dan groote rotspilaren. De jongen kon niet genoeg
+naar hen kijken. Hij meende, dat als er ooit heksen geweest waren,
+die in steen waren veranderd, dan moesten zij er zóó uitzien.
+
+Hoewel 't heel mooi was aan 't strand, wou de jongen toch liever boven
+op den berg wezen. 't Was akelig daar beneden, omdat er overal doode
+schapen lagen. Hier hadden de vossen hun maaltijden gehouden. Hij
+zag geheel afgeknaagde skeletten, maar ook lichamen, die maar half
+opgegeten waren, en andere, waar ze maar even van hadden geproefd, en
+die ze verder onaangeroerd hadden laten liggen. 't Was hartverscheurend
+te zien, dat de wilde dieren de schapen hadden aangevallen, alleen
+uit vermaak, alleen om te jagen en te moorden.
+
+De groote hamel bleef niet bij de dooden staan; hij liep ze kalm
+voorbij; maar de jongen kon niet laten naar al die griezeligheid
+te kijken.
+
+Nu liep de groote hamel weer naar den top van den berg, en toen hij
+daar gekomen was, bleef hij staan.
+
+"Als iemand, die flink en verstandig was, al de ellende hier zag,"
+zei hij, "dan zou hij zeker niet rusten, voor die vossen hun verdiende
+straf hadden gekregen."
+
+"De vossen moeten toch ook leven," zei de jongen.
+
+"Ja," zei de groote hamel, "zij, die niet meer dieren verscheuren,
+dan ze noodig hebben voor hun onderhoud, moeten ook leven. Maar die
+vossen hier zijn misdadigers."
+
+"De boeren, aan wie dit eiland toebehoort, moeten u komen helpen,"
+meende de jongen.
+
+"Zij zijn hier al dikwijls geweest," antwoordde de hamel, "maar dan
+verborgen de vossen zich in grotten en spleten, zoodat ze hen niet
+konden schieten."
+
+"Je meent toch niet, Vadertje, dat een stumper als ik ze aan zou
+kunnen, als jij zelf en de boeren ze niet onder den duim hebben kunnen
+krijgen," zei de jongen.
+
+"Wie klein en slim is, kan al heel wat in orde maken," antwoordde de
+groote hamel.
+
+Zij spraken hier niet meer over; de jongen ging boven bij de wilde
+ganzen zitten, die op de hoogvlakte graasden. Hoewel hij het den hamel
+niet had willen toonen, was hij heel bedroefd ter wille van de schapen,
+en had ze zoo graag willen helpen.
+
+"Ik zal ten minste met Akka en Maarten, den ganzerik, praten over
+die zaak," dacht hij. "Misschien kunnen ze mij bijstaan met een
+goeden raad."
+
+Een poos later nam de witte ganzerik den jongen op den rug, en liep
+over de bergvlakte naar het helsche hol.
+
+Hij liep zorgeloos voort op het open bergdak, en scheen er niet aan te
+denken, hoe wit en groot hij was. Hij zocht geen schuilplaats achter
+bosjes gras of andere verhooginkjes, maar liep recht door. Het was
+vreemd, dat hij niet voorzichtiger was, want hij scheen het slecht
+gehad te hebben in den morgen van den vorigen dag. Hij was kreupel
+aan den rechterpoot, en de linkervleugel sleepte, en hing neer,
+alsof hij gebroken was.
+
+Hij liep, alsof er geen gevaar in de wereld was, snapte hier en daar
+grassprietjes, en keek heelemaal niet om zich heen. De jongen lag
+languit op den rug van de gans, en keek op naar den blauwen hemel. Hij
+was nu zoo aan het rijden gewend, dat hij daar kon liggen en staan.
+
+Doordat nu de ganzerik en de jongen zoo zorgeloos waren, merkten ze
+natuurlijk niet, dat de drie vossen op de bergvlakte waren gekomen. En
+de vossen, die wisten, dat het bijna onmogelijk is een gans te
+naderen op het open veld, dachten er eerst in het geheel niet aan op
+den ganzerik jacht te maken. Maar omdat zij niets te doen hadden,
+gingen zij eindelijk in een van de lange kloven, en probeerden hem
+te besluipen. Zij gingen zóó voorzichtig te werk, dat de ganzerik
+niets van hen merkte.
+
+Ze waren niet ver weg, toen de ganzerik een poging deed om op te
+vliegen. Toen de vossen hieruit meenden op te kunnen maken, dat
+hij niet vliegen kon, haastten zij zich nog meer dan te voren. Ze
+hielden zich niet langer in de kloven verscholen, maar liepen boven
+over de vlakte. Ze verborgen zich, zoo goed ze maar konden, achter
+bosjes gras en steenen, en kwamen den ganzerik al nader, zonder dat
+hij scheen te merken, dat hij gejaagd werd. Eindelijk waren de vossen
+zóó dicht bij, dat zij den slag konden wagen. Alle drie wierpen zich
+tegelijk met een grooten sprong op den ganzerik.
+
+Op het laatste oogenblik moest deze toch wat gemerkt hebben, want hij
+sprong op zij, zoodat de vossen hem misten. Dat beteekende nu wel
+niet zoo veel, want de ganzerik had maar een paar voet voorsprong,
+en bovendien was hij kreupel. De stumper liep voort, zoo hard hij maar
+kon. En ganzen kunnen immers zoo geweldig hard loopen, dat zelfs een
+vos moeite heeft ze in te halen.
+
+De jongen zat achterstevoor op den rug van de gans, en riep en
+schreeuwde tegen de vossen: "Jelui hebt je te dik gegeten aan
+schapenvleesch, jelui vossen! Je kunt niet eens een gans inhalen!"
+
+Hij plaagde hen, tot ze woest van boosheid werden, en er alleen aan
+dachten zoo hard mogelijk voort te stormen.
+
+De witte ganzerik sprong regelrecht op de groote kloof af. Toen hij
+er vlak bij was, deed hij een slag met de vleugels, zoodat hij er
+over kwam. De vossen waren hem toen vlak op de hielen.
+
+De ganzerik rende voort met dezelfde haast als te voren, ook toen
+hij al over het helsche hol gekomen was. Maar nauwlijks had hij een
+paar meter geloopen, of de jongen klopte hem op den hals, en zei:
+"Nu kun je wel stilstaan, ganzerik."
+
+Op 't zelfde oogenblik hoorden ze achter zich een wild gehuil, een
+schrapen met klauwen, en iets zwaars vallen. Maar van de vossen was
+niets meer te zien.
+
+Den volgenden morgen vond de wachter op den vuurtoren van 't groote
+Karelseiland een reepje boombast onder zijn deur doorgestoken, waarop
+met scheeve, hoekige letters stond ingekrast: "De vossen op het kleine
+Karelseiland zijn in het helsche hol gevallen. Ga maar naar ze zien."
+
+En dat deed de wachter ook.
+
+
+
+
+
+
+XII.
+
+TWEE STEDEN.
+
+
+DE STAD OP DEN BODEM DER ZEE.
+
+
+Het werd een heldere, rustige nacht. De wilde ganzen hadden geen lust
+beschutting in een of andere grot te zoeken, maar stonden boven op
+den berg te slapen, en de jongen was in het korte, droge gras bij de
+ganzen gaan liggen.
+
+'t Was dien nacht heldere maneschijn, zóó sterk, dat de jongen haast
+niet slapen kon. Hij lag er over te denken, hoe lang hij al van huis
+was geweest, en hij rekende uit, dat het drie weken geleden was, sinds
+hij de reis was begonnen. En tegelijk kwam het hem in de gedachten,
+dat het de avond vóór Paschen was.
+
+"Van nacht komen alle heksen thuis van de blauwe rots," dacht hij,
+en lachte in zichzelf. Want hij was een beetje bang voor dwergen en
+kabouters, maar aan heksen geloofde hij heelemaal niet.
+
+Als er dien avond een of ander hekserij gaande was, zou hij het toch
+wel gezien hebben. 't Was zóó helder licht tot hoog aan den hemel,
+dat ook maar 't kleinste zwarte puntje zich niet in de lucht zou
+hebben kunnen bewegen, zonder dat hij het merkte.
+
+Terwijl hij zoo lag met den neus in de lucht, en daarover dacht, kreeg
+hij iets moois in het oog. De maanschijf stond vol en rond, vrij hoog
+aan de lucht, en daar voor kwam een groote vogel aanvliegen. Hij vloog
+niet voorbij de maan, maar 't scheen, alsof hij er uit vloog. De vogel
+scheen zwart tegen den lichten achtergrond, en zijn vleugels reikten
+van den eenen kant van de maanschijf naar den anderen. Hij vloog zoo
+gelijkmatig in dezelfde richting, dat de jongen meende, dat hij op de
+maanschijf geteekend was. 't Lichaam was klein, de hals lang en smal,
+de pooten hingen naar beneden, lang en dun. De jongen zag al gauw,
+dat het een ooievaar moest wezen.
+
+Een oogenblik later daalde Mijnheer Ermerik, de ooievaar, naast hem
+neer. Hij boog zich over den jongen, en stootte hem aan met den snavel
+om hem wakker te maken. De jongen ging dadelijk overeind zitten.
+
+"Ik sliep niet, Mijnheer Ermerik," zei hij. "Hoe komt het, dat u midden
+in den nacht uitgaat? En hoe gaat het op het huis Glimmingen? Wilt
+u Moeder Akka spreken?"
+
+"Het is van nacht te licht om te slapen," antwoordde Mijnheer
+Ermerik. "Daarom maakte ik het plan om hier heen te reizen, naar
+'t Karelseiland, en je eens op te zoeken, vriend Duimelot. Ik hoorde
+van een zeemeeuw, dat je van nacht hier waart. Ik ben nog niet naar
+'t huis Glimmingen verhuisd, maar woon nog in Pommeren."
+
+De jongen vond het heerlijk, dat Mijnheer Ermerik hem had
+opgezocht. Zij spraken over allerlei als oude vrienden. Eindelijk
+vroeg de ooievaar, of de jongen geen lust had eens uit te gaan,
+en wat rond te rijden in den mooien nacht.
+
+Ja, dat wilde de jongen heel graag, als de ooievaar het maar zoo wou
+inrichten, dat hij vóór zonsopgang weer bij de wilde ganzen terug
+was. Dat beloofde hij, en zoo gingen zij op weg.
+
+Mijnheer Ermerik vloog weer recht op de maan af. Zij stegen al hooger
+en hooger; de zee zonk diep neer, maar de vlucht ging zoo wonderlijk
+gemakkelijk, dat het bijna scheen, alsof ze stil in de lucht lagen.
+
+De jongen vond, dat het maar verbazend kort duurde, voor Mijnheer
+Ermerik weer begon te dalen. Ze landden op een eenzaam zeestrand,
+bedekt met effen, fijn zand. Langs de kust liep een lange rij duinen
+met helm op de toppen. Ze waren niet heel hoog, maar ze beletten den
+jongen toch iets van het binnenland te zien.
+
+Mijnheer Ermerik ging op een zandhoop staan, trok zijn eene been op, en
+boog den hals achterover, om den snavel onder zijn vleugel te steken.
+
+"Je kunt hier wel wat op het strand rondloopen," zei hij tegen
+Duimelot, "terwijl ik hier uitrust. Maar ga niet zoo ver weg, dat je
+me niet weer terug kunt vinden."
+
+De jongen was van plan allereerst een duin op te klauteren, om te zien
+hoe het land binnen de duinenrij er uitzag. Maar toen hij een paar
+stappen had gedaan, stootte hij met zijn klomp tegen iets hards. Hij
+boog zich neer, en zag, dat het een klein koper muntje was, zoo door
+roest verteerd, dat het bijna doorschijnend was. Het was zoo oud,
+dat hij 't niet de moeite waard vond het bij zich te steken, maar
+het wegschopte.
+
+Maar toen hij weer overeind kwam, was hij stom van verbazing, want
+op twee stappen afstands verhief zich een hooge donkere muur met een
+groote poort, waar een hooge toren op stond.
+
+Een oogenblik geleden, toen de jongen zich boog om de munt te bekijken,
+lag de zee daar nog glinsterend en glanzend, en nu was zij verdwenen
+achter een langen muur met tinnen en torens. En vlak voor hem, waar
+vroeger niets dan een paar wierbanken gelegen hadden, ging nu de
+groote poort in den muur open.
+
+De jongen begreep wel, dat dit een of ander toovergedoe was. Maar hier
+hoefde je toch niet bang voor te worden, meende hij. Dit was niet
+zulke gevaarlijke hekserij of ander kwaad, waar hij vroeger altijd
+bang voor was in den nacht. De muur én de poort waren zóó prachtig
+gebouwd, dat hij niets voelde, dan een groot verlangen om te zien,
+wat daar achter lag.
+
+"Ik moet toch zien, wat dat wezen kan," dacht hij, en ging de poort
+door.
+
+Onder het hooge poortgewelf zaten wachters, gekleed in bonte, ruime
+kleeren; ze hadden speren met lange schachten bij zich, en speelden
+een soort damspel. Ze dachten alleen aan hun spel, en letten niet op
+den jongen, die hen snel voorbij liep.
+
+Binnen de poort vond hij een open plaats, met groote effen steenen
+geplaveid. Daaromheen stonden hooge, prachtige huizen, en daartusschen
+liepen lange smalle straten.
+
+Op de plaats voor de poort wemelde het van menschen.
+
+De mannen droegen lange, met pelswerk omzoomde mantels over zijden
+onderkleeden, baretten, met veeren versierd, zaten schuin op hun
+hoofden; op hun borst hingen prachtige ketens. Zij waren allen zoo
+sierlijk uitgedost, alsof ze koningen waren.
+
+De vrouwen droegen puntige mutsen, lange kleederen met nauwe mouwen. Ze
+waren ook prachtig gekleed, maar lang zoo sierlijk niet als de mannen.
+
+Dit alles hier was immers precies als in de boeken met oude sagen,
+die Moeder een enkelen keer uit de kist haalde, om hem te laten
+zien. De jongen kon zijn oogen niet gelooven.
+
+Maar wat nog wonderlijker was om te zien dan al die mannen en vrouwen,
+dat was de stad zelf. Ieder huis was zóó gebouwd, dat het den gevel
+naar de straat had gekeerd. En de gevels waren zoo versierd, dat
+men zou denken, dat ze wedijverden, wie de mooiste versiersels zou
+kunnen vertoonen.
+
+Als iemand heel snel achter elkaar veel nieuws ziet, kan hij niet
+alles onthouden. Maar de jongen kon zich later nog herinneren, dat hij
+trapgevels had gezien, die beelden van Christus en Zijn apostelen op
+de verschillende treden droegen; waar beelden in nis aan nis stonden
+langs den heelen wand, gevels, ingelegd met veelkleurige stukjes glas,
+en gevels, die gerand en geruit waren in wit en zwart marmer.
+
+Terwijl de jongen dit alles bewonderde, kreeg hij opeens een gevoel
+van vreeselijke haast.
+
+"Zooiets heb ik nog nooit vroeger gezien. Zooiets zal ik nooit meer
+zien!" zei hij in zichzelf. En hij begon de stad in te loopen, zoo
+gauw hij kon, straat in, straat uit.
+
+De straten waren nauw en smal, maar niet leeg en somber, zooals in de
+steden, die hij gezien had. Overal waren menschen. Oude vrouwen zaten
+voor haar deuren te spinnen, zonder spinnewiel, alleen met behulp van
+een rokken. De winkels van de kooplieden waren als marktkraampjes,
+open aan den kant van de straat. Alle handwerkers zaten buiten met
+hun werk. Hier werd traan gekookt, daar looide men huiden, elders
+was een lange touwbaan.
+
+Als de jongen maar tijd had gehad, zou hij van alles hebben kunnen
+leeren. Hier zag bij hoe wapensmeden dunne borstharnassen hamerden,
+hoe goudsmeden edelgesteenten in ringen en armbanden zetten, hoe
+de draaiers hun ijzers gebruikten, hoe schoenmakers roode, zachte
+schoenen verzoolden, hoe de goudwerker gouddraad draaide, en hoe de
+wevers goud en zijde in hun weefsels werkten.
+
+Maar de jongen had geen tijd om stil te staan. Hij draafde maar voort
+om zooveel mogelijk te zien, vóór alles weer zou verdwijnen.
+
+De hooge muur liep om de geheele stad, en omsloot die, zooals een
+hek een akker omringt. Aan het eind van iedere straat zag hij hem,
+met torens versierd en met tinnen gekroond. Boven op den muur liepen
+krijgsknechten in glanzende harnassen en met helmen op.
+
+Toen hij dwars door de heele stad had geloopen, kwam hij weer aan een
+poort in den muur. Daarbuiten lag de zee met de haven. De jongen zag
+ouderwetsche schepen, met roeibanken in het midden, hoogopgebouwd
+voor en achter. Sommige werden geladen, andere wierpen juist het
+anker uit. Dragers en kooplieden liepen haastig door elkaar. Overal
+heerschte drukte en leven.
+
+Maar ook hier vond hij, dat hij geen tijd had om te blijven staan. Hij
+haastte zich weer de stad in, en nu kwam hij aan de Groote Markt. Daar
+lag de domkerk, met drie hooge torens en diepe, met beelden versierde
+gewelven. De muren waren zóó versierd door beeldhouwers, dat er
+geen steen was, die niet zijn versiering had. En zulk een pracht,
+als er door de open deur scheen, van gouden kruisen en altaren met
+goudsmeedwerk versierd, en priesters in gewaden van goudbrokaat! Vlak
+over de kerk lag een huis, dat tinnen op het dak had, en één enkelen,
+hemelhoogen toren. Dat was zeker het raadhuis. En tusschen de kerk
+en het raadhuis, rond om de geheele markt, verhieven zich de fraaie
+gevels met de meest verschillende versieringen.
+
+De jongen was warm en moe geworden. Hij meende nu het voornaamste
+gezien te hebben, en begon daarom langzamer te loopen. De straat, die
+hij nu had ingeslagen, was zeker die, waar de stedelingen hun prachtige
+kleeren kochten. Hij zag véél menschen voor de kleine winkels staan,
+waar de koopman stijve, gebloemde zijde, zware goudstof, fluweel
+met weerschijn, lichte sluiers en ragfijne kanten over de toonbank
+uitspreidde.
+
+Tot nu toe, terwijl de jongen zoo hard liep, had niemand op hem
+gelet. De menschen hadden zeker gemeend, dat het maar een kleine,
+grauwe rat was, die hun voorbij stoof. Maar nu, terwijl hij langzaam
+langs de straat liep, kreeg een van de kooplieden hem in het oog,
+en begon hem te wenken.
+
+De jongen werd eerst bang, en wilde gauw wegloopen, maar de koopman
+wenkte maar, en lachte, en spreidde op de toonbank een heerlijk stuk
+zijden damast uit, als om hem te lokken.
+
+De jongen schudde het hoofd.
+
+"Ik word nooit zoo rijk, dat ik ook maar één meter van dat goed kan
+koopen," dacht hij.
+
+Maar nu hadden ze hem in 't oog gekregen in alle winkels in de heele
+straat. Waar hij ook heen keek, stond een winkelier, en wenkte hem. Zij
+lieten hun rijke klanten staan, en dachten alleen aan hem. Hij zag,
+hoe zij zich haastten naar de meest verborgen hoeken van hun winkels
+om het beste te halen, wat zij te verkoopen hadden; en hoe hun handen
+trilden van haast en ijver, terwijl zij het op de toonbank legden.
+
+Toen de jongen voortliep, sprong een van de kooplieden over de
+toonbank, haalde hem in, en legde zilverstof en geweven tapijten
+met schitterende kleuren voor hem neer. De jongen kon niet laten te
+lachen. De winkelier kon wel begrijpen, dat een arme stakker, als hij,
+zulke dingen niet kon koopen. Hij bleef staan, en hield zijn beide
+leege handen uit, om hen te doen begrijpen, dat hij niets bezat,
+en dat ze hem met rust moesten laten.
+
+Maar de koopman stak een vinger op, en knikte, en schoof den heelen
+stapel prachtige waren naar hem toe.
+
+"Kan hij bedoelen, dat hij dat alles voor één enkele gouden munt wil
+verkoopen?" dacht de jongen verwonderd.
+
+De koopman haalde een kleinen versleten, ouden penning te voorschijn,
+den kleinsten, dien men zich kan voorstellen, en liet hem dien zien. En
+hij verlangde zóó iets te verkoopen, dat hij den stapel vermeerderde
+met een paar groote, zware zilveren bekers.
+
+Toen begon de jongen in zijn zakken te zoeken. Hij wist wel, dat hij
+geen cent bezat, maar hij kon niet laten nog eens te voelen.
+
+Alle andere kooplieden stonden om hen heen, en probeerden te zien,
+hoe die handel zou afloopen, en toen ze merkten, dat de jongen in
+zijn zakken begon te voelen, sprongen ze over de toonbanken, namen
+de handen vol gouden en zilveren sieraden, en boden hem die aan. En
+allen wezen ze hem, dat al, wat ze als betaling begeerden, maar één
+enkele kleine penning was.
+
+Maar de jongen keerde zijn vest- en broekzakken om, opdat ze zouden
+zien, dat hij niets bezat. Toen kregen zij de tranen in de oogen,
+al die deftige kooplieden, die zooveel rijker waren dan hij. Hij
+werd er eindelijk door bewogen, dat ze er zóó angstig uitzagen,
+en hij dacht na, of hij hen niet op een of andere manier zou kunnen
+helpen. En toen kwam hem dat oude geroeste muntje in de gedachten,
+dat hij zoo pas aan het strand had gezien.
+
+Hij begon hard door de straten voort te draven, en het liep hem mee,
+zoodat hij bij dezelfde poort kwam, waardoor hij was binnengekomen. Hij
+vloog er door, en begon naar het kleine geroeste muntje te zoeken,
+dat hij zoo juist aan het strand had gezien. Hij vond het ook, maar
+toen hij het had opgeraapt, en er meê de stad in wilde loopen, zag hij
+alleen de zee voor zich. Geen stadsmuur, geen poort, geen wachters,
+geen straten, geen huis was te zien. Alleen de zee!
+
+De jongen kon niet helpen, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hij had in
+'t begin geloofd, dat wat hij zag, niets anders was dan een visioen,
+maar dat had hij vergeten. Hij had er alleen aan gedacht, hoe mooi
+alles was. Hij voelde een groot verdriet, omdat de stad verdwenen was.
+
+Op hetzelfde oogenblik werd Mijnheer Ermerik wakker, en kwam naar hem
+toe. Maar hij hoorde het niet. De ooievaar moest hem met den snavel
+aanstooten om zich te doen opmerken.
+
+"Ik geloof, dat je hier staat te slapen, zooals ik," zei Mijnheer
+Ermerik.
+
+"Ach, Mijnheer Ermerik!" zei de jongen. "Wat was dat voor een stad,
+die hier zoo pas stond?"
+
+"Heb je een stad gezien?" zei de ooievaar. "Je hebt geslapen en
+gedroomd, zooals ik zei."
+
+"Neen, ik heb niet gedroomd," zei Duimelot, en hij vertelde den
+ooievaar alles, wat hij beleefd had. Toen zei Mijnheer Ermerik: "Ik
+voor mij, Duimelot, geloof, dat je hier op 't strand in slaap gevallen
+bent, en dat alles gedroomd hebt. Maar ik wil je wel vertellen,
+dat Bataki, de kraai, die de geleerdste van alle vogels is, me eens
+heeft verteld, dat hier aan dit strand vroeger een stad heeft gelegen,
+die Vineta heette. Die was zoo rijk en gelukkig, dat nooit een stad
+heerlijker is geweest; maar de inwoners gaven zich helaas! over aan
+trots en pronkerij. Tot straf daarvoor, zegt Bataki, werd de stad
+Vineta door een stormvloed overstroomd en in de zee verzonken. Maar
+de inwoners kunnen niet sterven, en ook hun stad kan niet verwoest
+worden. En eens in de honderd jaar stijgt de stad in den nacht op
+uit de zee, in al haar pracht, en ligt op de oppervlakte der aarde
+één uur lang."
+
+"Ja, dat moet het wezen," zei Duimelot, "want dat heb ik gezien."
+
+"Maar als dat uur voorbij is, zinkt ze weer neer in de zee, als niet
+een koopman in Vineta in dien tijd iets aan een levend wezen heeft
+verkocht. Als jij, Duimelot, maar een penning hadt gehad, al was
+die ook nog zoo klein, om den koopman meê te betalen, was Vineta op
+het strand blijven liggen, en de menschen daar hadden mogen leven en
+sterven als alle andere menschen."
+
+"Och, mijnheer Ermerik," zei de jongen, "nu begrijp ik, waarom u mij
+is komen halen van nacht. Dat was omdat u meende, dat ik de oude
+stad zou kunnen redden. Het spijt me zoo, dat het niet is gegaan,
+zooals u wilde, Mijnheer Ermerik!"
+
+Hij hield de handen voor de oogen, en schreide. Het was moeilijk te
+zeggen, wie er 't meest bedroefd uitzag, de jongen of Mijnheer Ermerik.
+
+
+
+
+DE LEVENDE STAD.
+
+
+Den tweeden Paaschdag, tegen den namiddag, waren de wilde ganzen en
+Duimelot weer op reis. Ze vlogen voort over Gothland.
+
+Het groote eiland lag vlak en effen onder hen. 't Veld was geruit,
+precies als in Skaane, en er waren veel kerken en hoeven. Maar
+er was dit verschil, dat hier meer weiden met boomen tusschen de
+velden lagen, en dan waren de hoeven niet in een kring gebouwd. En
+groote landgoederen met oude kasteelen, met torens voorzien en met
+uitgestrekte parken, waren er in het geheel niet.
+
+De wilde ganzen hadden den weg over Gothland genomen ter wille van
+Duimelot. Hij was nu al twee dagen lang zichzelf niet geweest, en had
+geen vroolijk woordje gezegd. Dat kwam, omdat hij alleen aan die stad
+dacht, die zich op zoo'n wonderbare manier aan hem had vertoond. Hij
+had nog nooit iets zóó moois en prachtigs gezien, en hij kon er maar
+geen vrede meê hebben, dat hij haar niet had kunnen redden. Hij was
+anders zoo zachtmoedig niet, maar nu treurde hij echt over de mooie
+gebouwen en statige menschen.
+
+Akka en de ganzerik hadden geprobeerd Duimelot te overtuigen, dat hij
+een droom of een visioen had gehad, maar de jongen wilde daar niet
+van hooren. Hij was er zoo zeker van, dat hij werkelijk gezien had,
+wat hij had gezien, dat niemand hem die overtuiging kon ontnemen. Hij
+liep zóó bedroefd rond, dat zijn reisgenooten ongerust over hem werden.
+
+Juist toen de jongen 't ergste gedrukt scheen, was de oude Kaksi bij
+den troep teruggekeerd. Ze was van den kant van Gothland teruggekomen,
+en had over het geheele eiland moeten reizen, eer ze van een paar
+kraaien had gehoord, dat haar reiskameraden op Klein Karelseiland
+waren. Toen Kaksi hoorde, wat Duimelot scheelde, zei ze op eens:
+
+"Als Duimelot treurt over een stad, zullen we hem wel gauw
+troosten. Kom maar meê, dan zal ik jelui naar een plaats brengen,
+die ik gisteren zag. Hij hoeft niet lang bedroefd te wezen."
+
+Toen hadden de ganzen afscheid van de schapen genomen, en nu waren ze
+op weg naar de plaats, die Kaksi Duimelot wou laten zien. Hoe bedroefd
+hij ook was, hij kon niet laten als gewoonlijk naar 't land beneden
+zich te kijken, waar hij heen vloog.
+
+Hij vond, dat het er uitzag, alsof het heele eiland van den beginne
+af aan zulk een hooge steile klip geweest was als Karelseiland, maar
+veel grooter natuurlijk. Maar later was het op een of andere manier
+afgeplat. Iemand had een groote rol genomen, en die er over gerold,
+alsof het een stuk deeg was. Niet dat het heelemaal vlak en gelijk
+geworden was als brooddeeg--dat was het niet. Toen ze langs de kust
+vlogen, had hij op verscheiden plaatsen hooge, witte kalkmuren gezien,
+vol grotten en met groen begroeid, maar op de meeste plaatsen waren
+zij met den weg gelijk gemaakt, en het strand liep vlak en eentonig
+uit in zee.
+
+Op Gothland hadden ze een mooien, vredigen, feestelijken middag. 't Was
+zacht lenteweer, de boomen stonden vol in knop, de lentebloemen tooiden
+den grond onder de loofboomen, de lange, dunne hangers der populieren
+wiegden in den wind, en in de kleine tuintjes, die bij ieder huis
+lagen, stonden de kruisbessenstruiken heelemaal groen. De warmte en de
+lente hadden de menschen naar buiten gelokt op wegen en langs hagen,
+en waar ook maar een paar van hen bijeen waren, begonnen zij te spelen.
+
+'t Waren niet alleen de kinderen, die speelden, maar ook de
+volwassenen. Ze wierpen naar een doel met steenen, en gouden ballen
+vlogen in de lucht met zulk een vaart, dat zij de wilde ganzen bijna
+bereikten. 't Was vroolijk en aardig groote menschen te zien spelen, en
+de jongen zou er wel pleizier in gehad hebben, als hij zijn wrevel maar
+had kunnen overwinnen, omdat hij de oude stad niet had kunnen redden.
+
+Hij moest toch erkennen, dat dit een mooie tocht was. Er was zooveel
+gezang en geluid in de lucht. Kleine kinderen speelden een spelletje,
+waarbij ze in een kring stonden, en zongen er bij. En het Leger
+des Heils ging er ook op uit. Hij zag een heele schaar menschen,
+in zwart en rood gekleed, op een heuvel zitten, en op guitaren en
+andere koperen instrumenten spelen. Langs een weg kwamen een groote
+menigte menschen. Dat waren Good Templars, die ook op reis gingen. Hij
+herkende ze aan de groote vanen met goud opschrift, die over hen heen
+wapperden. En ze zongen het eene lied na het andere, zoo lang hij ze
+kon hooren.
+
+De jongen kon later nooit meer Gothland hooren noemen, zonder te
+denken aan spel en zang.
+
+Lang had hij naar beneden zitten kijken, maar nu hief hij toevallig de
+oogen op. Niemand kan zijn verbazing beschrijven. Zonder dat hij het
+gemerkt had, waren de ganzen aan de westkust gekomen. Nu lag de wijde
+blauwe zee voor hem. Toch was het niet de zee, die zoo merkwaardig was,
+maar een stad, die aan 't strand lag.
+
+De jongen kwam van het oosten, en de zon was aan het dalen in het
+westen. Toen hij de stad naderde, stonden haar muren en torens en hooge
+gevelhuizen en kerken heel zwart tegen den lichten avondhemel. Hij
+kon daarom niet zien, hoe ze er werkelijk uitzagen. En een oogenblik
+geloofde hij, dat hier een even prachtige stad lag, als die hij in
+den Paaschnacht had gezien.
+
+Toen hij dicht bij de stad kwam, zag hij, dat zij leek op die andere
+uit de zee, en er toch ook niet op leek. 't Was 't zelfde verschil,
+alsof men den eenen dag een man zag gekleed in purper en met rijke
+versierselen, en den anderen dag ontkleed en in lompen.
+
+Ja, deze stad was zeker eens juist geweest als die andere, waar hij
+aan zat te denken. Deze was ook omgeven door een stadsmuur met torens
+en poorten. Maar de torens in de stad, die aan land gebleven was,
+waren zonder spits, vervallen en leeg. De poorten waren zonder deuren,
+de wachters en krijgsknechten waren verdwenen. Al de schitterende
+pracht was weg. Alleen de naakte, grauwe steenen waren nog over.
+
+Toen de jongen verder boven de stad kwam, zag hij, dat zij voor
+'t grootste gedeelte met kleine, lage huizen bebouwd was, maar hier
+en daar waren nog een paar hooge gevelhuizen en een paar kerken uit
+den ouden tijd over. De wanden van de gevelhuizen waren niet gekalkt,
+en geheel zonder versierselen, maar omdat de jongen zoo kort geleden
+de verzonken stad had gezien, meende hij wel te begrijpen, hoe ze
+versierd geweest waren: sommige met beelden en andere met wit en zwart
+marmer. En zoo was het ook met de oude kerken. De meesten waren zonder
+spits en naakt van binnen. De vensteropeningen stonden leeg, de vloeren
+waren met gras begroeid, en langs de wanden groeide de klimop naar
+boven. Maar nu wist hij, hoe zij er eens hadden uitgezien, dat ze
+met beeldhouwwerk en schilderijen waren bedekt geweest, dat op het
+koor versierde altaren en gouden kruizen hadden gestaan, en dat daar
+priesters hadden dienst gedaan, in goudbrokaat gekleed.
+
+De jongen zag ook de smalle straten, die leeg waren op dezen
+feestdag. Hij wist nu welk een stroom statige menschen er zich eens
+hadden bewogen. Hij wist, dat ze als groote werkplaatsen waren geweest,
+vol van allerlei werk.
+
+Maar wat Niels Holgersson niet zag, was, dat de stad nog op dat
+oogenblik mooi èn merkwaardig was. Hij zag de gezellige hutjes niet in
+de achterstraten, met de zwarte wanden, noch het witte vogelkruid en
+de roode geraniums achter de heldere vensterruitjes, of de vele mooie
+tuinen en lanen, of de schoonheid der ruïnen vol groene ranken. Zijn
+oogen waren zóó vol van de heerlijkheid van het verleden, dat hij
+niets goeds in het tegenwoordige kon zien.
+
+De wilde ganzen vlogen een paar keer heen en weer, opdat Duimelot
+alles goed zou kunnen zien. Eindelijk sloegen ze neer op den met gras
+begroeiden vloer, in de ruïne van een kerk, om daar den nacht door
+te brengen.
+
+Toen ze zich al hadden klaar gemaakt om te slapen, was Duimelot nog
+wakker, en keek door de gebarsten gewelven op naar den bleekrooden
+avondhemel. Toen hij zoo een poos gezeten had, dacht hij, dat hij
+er niet meer over wilde treuren, dat hij de verzonken stad niet had
+kunnen redden.
+
+Neen, dat wilde hij niet meer, nu hij deze gezien had. Als die stad
+uit de zee daar niet weer was neergezonken, zou ze misschien over
+eenigen tijd even vervallen zijn, als deze hier. Dan was 't maar beter,
+dat ze daar in al haar heerlijkheid in het verborgen bleef bestaan.
+
+"'t Was 't beste, dat 't ging zooals het ging," dacht hij. "Al had
+ik de macht de stad te redden,--ik geloof niet, dat ik het doen zou."
+
+Daarna treurde hij niet meer over het gebeurde.
+
+En er zijn wel velen onder de jongeren, die zoo denken. Maar als de
+menschen oud worden, en zich hebben gewend om met weinig tevreden te
+zijn--dan genieten ze meer van het Visby, dat bestaat, dan van een
+prachtig Vineta op den bodem der zee.
+
+
+
+
+
+
+XIII.
+
+HOE SMALAND GESCHAPEN WERD.
+
+
+De wilde ganzen hadden een goede reis over de zee gehad, en waren
+in het district Tjust in Noord Smaland neergestreken. Dat district
+scheen niet te kunnen besluiten, of het land of zee wilde zijn. Overal
+gingen de zeeboezems diep het land in, en sneden het in eilanden
+en schiereilanden, in landtongen en landengten. De zee was zóó
+indringerig, dat rotsen en heuvels het eenige was, wat zich kon
+staande houden. Al het lage land was onder den waterspiegel verborgen.
+
+Het was avond, toen de wilde ganzen aankwamen van over zee, en het
+heuvelachtige land lag mooi tusschen de glanzende inhammen. Hier en
+daar op de eilanden zag de jongen hokjes en hutjes, en hoe verder hij
+'t land inkwam, hoe grooter en beter de woningen werden. Eindelijk
+werden het groote, witte heerenhuizen. Aan den kant van het strand
+stond gewoonlijk een kring van boomen, daar binnen lagen de akkers,
+en op de toppen van de heuvels verschenen de boomen weer. Hij kon niet
+laten aan Blekinge te denken. Dit was ook een plaats, waar land en
+zee elkaar op zoo'n mooie, stille manier ontmoetten, en als 't ware
+elkaar 't mooiste en beste trachtten te vertoonen, wat zij bezaten.
+
+De wilde ganzen streken neer op een kaal eilandje, diep in de
+ganzenbaai. Bij den eersten oogopslag naar 't strand, merkten zij,
+dat de lente groote vorderingen had gemaakt, in den tijd, dat zij
+op de eilanden waren geweest. De groote, prachtige boomen waren nog
+niet in blad, maar 't veld beneden was bont gekleurd door witte en
+blauwe anemonen.
+
+Toen de ganzen 't bloemenveld zagen werden ze bang, dat ze te lang
+in het Zuiden waren gebleven. Akka zei dadelijk, dat er geen tijd was
+om een van de rustplaatsen in Smaland op te zoeken. Al den volgenden
+morgen moesten ze doortrekken naar het Noorden, over Oostgothland.
+
+De jongen zou dus niets van Smaland te zien krijgen, en dat speet hem
+toch wel wat. Hij had over geen ander landschap zooveel hooren spreken,
+als over Smaland, en hij had verlangd het met eigen oogen te zien.
+
+Den vorigen zomer, toen hij als ganzenjongen bij een boer in de
+nabijheid van Jordberga diende, had hij bijna elken dag een paar arme
+kinderen uit Smaland ontmoet, die ook ganzen hoedden. Die kinderen
+hadden hem vreeselijk met hun Smaland geplaagd.
+
+Maar eigenlijk was het niet mooi om te zeggen, dat Asa, het
+ganzenhoedstertje, hem had geplaagd. Zij was daar veel te verstandig
+voor. Maar wie hem plagerige antwoorden kon geven, dat was Mads,
+haar broertje.
+
+"Heb je gehoord, Niels, hoe het toeging toen Smaland en Skaane
+geschapen werden," vroeg hij, en toen Niels Holgersson: "Neen," zei,
+begon hij dadelijk het oude, grappige verhaal te doen: "'t Was in den
+tijd, dat onze lieve Heer bezig was de wereld te scheppen. Terwijl
+Hij daar druk meê bezig was, kwam de heilige Petrus voorbij. Hij
+bleef staan, en keek er naar, en toen vroeg hij, of het een moeilijk
+werk was.
+
+"Och ja, dat is zoo gemakkelijk niet," antwoordde onze lieve Heer.
+
+Petrus bleef nog een oogenblik staan, en toen hij merkte, hoe
+gemakkelijk het ging, het eene land na het andere uit te spreiden,
+kreeg hij lust het ook eens te probeeren.
+
+"Misschien hebt U wat rust noodig," zei Petrus, "zoodat ik intusschen
+het werk kan overnemen." Maar dat wilde onze lieve Heer niet hebben.
+
+"Ik weet niet, of je de kunst zoo goed verstaat, dat ik 't je kan
+toevertrouwen voort te gaan, waar ik ophoud," antwoordde Hij.
+
+Toen werd Petrus boos, en zei, dat hij meende even mooie landen te
+kunnen scheppen als onze lieve Heer zelf.
+
+'t Was nu zoo, dat onze lieve Heer juist op dat oogenblik bezig was
+Smaland te scheppen. 't Was nog niet half klaar, maar 't zag er uit,
+alsof het een onbeschrijfelijk mooi en vruchtbaar land worden zou. Onze
+lieve Heer kon Petrus niet best iets weigeren, en behalve dat, dacht
+Hij zeker, dat wat zoo mooi begonnen was, niet door een ander bedorven
+zou kunnen worden. Daarom zei Hij:
+
+"Als je 't met me eens bent, zullen we eens probeeren wie van ons
+beiden dit soort werk het best verstaat. Jij, die nog maar een beginner
+bent, moet dit werk voortzetten, wat ik begonnen ben, en ik zal een
+nieuw land scheppen."
+
+Daar ging Petrus dadelijk op in, en toen begonnen zij te werken,
+ieder aan een kant.
+
+Onze lieve Heer trok een eind naar het Zuiden, en daar begon Hij Skaane
+te scheppen. 't Duurde niet lang, tot Hij klaar was, en dadelijk
+vroeg Hij, of Petrus zijn werk al af had, en of hij niet wou komen
+kijken naar 't werk van onzen lieven Heer.
+
+"Ik heb 't mijne al lang in orde," zei Petrus, en men kon aan zijn
+stem hooren, hoe blij hij was met wat hij had klaar gekregen.
+
+Toen de Heilige Petrus Skaane zag, moest hij bekennen, dat er van
+dat land niets dan goeds was te zeggen. 't Was een vruchtbaar en
+gemakkelijk te bewerken land, met groote vlakten, waar hij ook heen
+zag, en nauwelijks een zweem van bergen. 't Scheen, dat onze lieve
+Heer er het er echt op had toegelegd te maken, dat de menschen het
+er goed zouden hebben.
+
+"Ja, dit is een mooi land," zei de Heilige Petrus, "maar ik geloof
+toch, dat het mijne beter is."
+
+"Laat ons er eens naar gaan kijken," zei onze lieve Heer.
+
+'t Land was al klaar geweest in 't noorden en in 't oosten, toen Petrus
+was begonnen te werken, maar het zuidelijk en westelijk gedeelte en
+'t geheele binnenland had hij alleen moeten scheppen. Toen nu onze
+lieve Heer daar kwam, waar Petrus had gewerkt, schrikte Hij zóó,
+dat Hij bleef staan, en zei: "Wat ter wereld heb je toch met dit land
+uitgevoerd, Heilige Petrus?"
+
+Petrus stond ook heel verbaasd rond te kijken. Hij had gemeend,
+dat niets voor een land zoo best was, als veel warmte. Daarom had
+hij een ontzettende massa steenen en bergen bij elkaar gehaald en
+een hoog land gemaakt; en dat had hij gedaan, omdat het dicht bij de
+zon zou komen, en veel zonnewarmte krijgen. Boven op de steenen had
+hij een dun laagje vruchtbare aarde gelegd, en toen had hij gedacht,
+dat alles goed in orde was.
+
+Maar nu waren er een paar hevige regenbuien gekomen, terwijl hij in
+Skaane was, en meer was er niet noodig, om aan te toonen, hoe weinig
+zijn werk deugde. Toen onze lieve Heer het land kwam bekijken, was
+alle aarde weggespoeld, en de kale rotsgrond stak overal door. Op
+de beste plaatsen waren de steenen met klei en zwaar grint bedekt,
+maar dat zag er zoo mager uit, dat het gemakkelijk te begrijpen
+was, dat er nauwelijks iets anders dan dennen, mos en heikruid kon
+groeien. Wat er in overvloed was--dat was water. Dat had alle kloven
+in den berg gevuld, en meren, stroomen en beken zag men overal, om niet
+te spreken van moerassen en plassen, die zich over groote stukken land
+uitstrekten. En het ergerlijkste was, dat terwijl sommige streken meer
+dan genoeg water hadden, er op andere plaatsen zoo'n gebrek aan was,
+dat er groote velden droge hei waren, waar zand en aarde in wolken
+opstoven bij den minsten wind.
+
+"Wat kan toch je bedoeling zijn geweest met zoo'n land te
+scheppen!" zei onze lieve Heer; en de Heilige Petrus verontschuldigde
+zich, en zei, dat hij het land zoo hoog had willen maken, dat het
+veel van de zonnewarmte zou krijgen.
+
+"Maar dan krijgt het immers ook veel van de nachtkou," zei onze lieve
+Heer, "want die komt ook van den hemel, evengoed. Ik ben bang, dat
+het beetje, wat hier groeien kan, nog bevriest."
+
+Daar had de heilige Petrus natuurlijk niet aan gedacht.
+
+"Ja hier wordt het mager en koud land," zei onze lieve Heer, "daar
+is niets aan te doen."
+
+Toen kleine Mads zoover gekomen was met zijn verhaal, viel Asa,
+het ganzenhoedstertje hem in de rede.
+
+"Ik kan 't niet best aanhooren, Mads, dat je zegt, dat het hier in
+Smaland zoo akelig is," zei ze. "Je vergeet heelemaal hoeveel goede
+grond er toch is. Denk maar aan Möre daar bij 't Halmar Sund. Ik zou
+wel eens willen weten, waar je rijker korenvelden vinden kunt. Daar
+ligt akker aan akker, precies als hier in Skaane. Dat is zulke goede
+grond, dat ik niet weet, wat hier niet zou kunnen groeien."
+
+"Dat kan ik niet helpen," zei kleine Mads. "Ik vertel maar na, wat
+anderen eerst hebben gezegd."
+
+"En ik heb veel menschen hooren zeggen, dat er geen mooier kustland
+is dan Tjust. Denk aan de baaien en de eilanden, aan de heerenhoeven
+en de bosschen," zei Asa.
+
+"Ja, dat is wel waar," gaf kleine Mads toe.
+
+"En herinner je je niet," ging Asa voort, "dat de schooljuffrouw
+zei, dat zoo'n levendige en mooie streek, als 't stukje van Smaland,
+dat ten zuiden van 't Wettermeer ligt, in heel Zweden niet te vinden
+is? Denk eens aan 't mooie meer, en de gele heuvel aan het strand,
+en aan Grenna en Jönköping met de lucifersfabriek en 't Munkmeer,
+en denk aan Huskvarna en alle groote inrichtingen daar."
+
+"Ja, dat is wel waar," zei kleine Mads weer.
+
+"En denk aan Visingö, Mads, met de ruïnen, en 't eikenbosch, en alle
+sagen. Denk aan het dal, waar de Em-beek uitkomt, met alle steden en
+molens en houtfabrieken, de zagerijen en meubelfabrieken."
+
+"Ja, dat is alles waar," zei kleine Mads en zag er heel bekommerd uit.
+
+Maar toen keek hij snel op.
+
+"Nu zijn we toch al heel dom," zei hij. "Dat allemaal ligt immers
+in 't Smaland van onzen lieven Heer, in dat gedeelte van 't land,
+dat al klaar was, toen de Heilige Petrus begon te werken. Dat is
+immers juist in orde, dat het daar mooi en heerlijk is. Maar in 't
+Smaland van den Heiligen Petrus ziet het er alles zoo uit, als 't in
+'t verhaal staat. En het is geen wonder, dat onze lieve Heer bedroefd
+werd, toen hij dat zag," ging de kleine Mads voort, en nam den draad
+van 't verhaal weer op. "De Heilige Petrus verloor den moed niet,
+maar probeerde onze lieve Heer te troosten."
+
+"Trek u dit maar niet zoo erg aan," zei hij. "Wacht maar, tot ik
+menschen geschapen heb, die de moerassen kunnen bebouwen en akkers
+kunnen ontginnen op de rotsen."
+
+Maar toen was het geduld van onzen lieven Heer eindelijk uit, en
+Hij zei: "Neen, jij moogt naar Skaane gaan, dat ik tot een goed en
+gemakkelijk te bewerken land heb gemaakt en den Skaaning scheppen,
+maar den Smalander wil ik zelf scheppen."
+
+En toen schiep onze lieve Heer den Smalander, en maakte hem vlug en met
+weinig tevreden, opgewekt en vlijtig, ondernemend en flink, opdat hij
+zou kunnen leven in zijn armoedig land." Toen zweeg de kleine Mads,
+en als nu Niels ook maar had gezwegen, was alles goed gegaan, maar
+hij kon niet laten te vragen, hoe het den Heiligen Petrus was gegaan,
+toen hij den Skaaning scheppen ging.
+
+"Ja, wat vindt je zelf?" zei kleine Mads en keek zóó verachtelijk,
+dat Niels Holgersson op hem aanvloog om hem te slaan. Maar Mads was
+nog een klein ventje, en Asa, 't ganzenhoedstertje, die een jaar
+ouder was, sprong dadelijk toe om hem te helpen. Hoe goedig ze ook
+was, ze werd als een leeuw, als iemand haar broertje aanraakte. En
+Niels Holgersson wou niet met een meisje vechten. Dus keerde hij hun
+den rug toe, en liep weg, en keek dien heelen dag niet meer naar die
+Smalandskinderen om.
+
+
+
+
+
+
+XIV.
+
+DE AARDEN KRUIK.
+
+
+In het zuidwesten van Smaland ligt een groote heide, waar enkel
+heikruid groeit, behalve op één plekje, waar een lage steenige
+bergrug midden over de hei heenloopt. Daar groeien jeneverbessen,
+lijsterbessen en enkele groote, mooie berken. In den tijd, toen Niels
+Holgersson rondreisde met de wilde ganzen, stond daar ook een hutje,
+met een klein stukje ontgonnen grond er om heen, maar de menschen,
+die daar eens gewoond hadden, waren om een of andere reden er vandaan
+gegaan. 't Hutje stond leeg, en de akker lag daar ongebruikt.
+
+Toen de menschen dat hutje verlieten, hadden zij den sleutel van
+den haard dichtgedraaid, de haken op de vensters gezet, en de deur
+gesloten. Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat een ruit in het
+venster kapot was, en enkel met een lap dichtgestopt. Na de regenbuien
+van een paar zomers was die lap verrot, en eindelijk was het een
+kraai gelukt dien weg te pikken.
+
+Die bergvlakte op de heide was namelijk niet zoo eenzaam, als men wel
+zou meenen, maar werd door een groot kraaienvolk bewoond. Het heele
+jaar rond woonden de kraaien daar natuurlijk niet. Ze verhuisden
+in den winter naar het buitenland; in den herfst gingen ze van den
+eenen akker naar den anderen, heel Gothland door, en aten koren;
+'s zomers verspreidden ze zich over de hoeven in Sunnerbo, en leefden
+van eieren, bessen en jonge vogels; maar iedere lente, als ze nesten
+moesten bouwen en eieren leggen, kwamen zij naar de heide terug.
+
+De kraai, die den lap uit het venster gepikt had, heette Garm
+Witteveer, maar hij werd nooit anders dan Haspel genoemd, omdat
+hij altijd dom en onhandig deed, en nergens goed voor was, dan om
+uitgelachen te worden. Haspel was grooter en sterker dan een van de
+andere kraaien; maar het hielp hem niets, hij was en bleef een mikpunt
+van spotternij. Het baatte ook niet, dat hij van goede familie was. Als
+alles was gegaan, zooals het behoorde, had hij zelfs aanvoerder van
+den heelen troep moeten zijn, omdat die waardigheid sinds onheuglijke
+tijden aan den oudste van de Witteveeren was opgedragen; maar lang
+vóór Haspel werd geboren, was de heerschappij uit zijn geslacht aan
+een ander overgegaan en nu in handen van een wreede en wilde kraai,
+die Windsnel heette.
+
+Die verplaatsing van de macht was gekomen, doordat de kraaien op de
+kraaienvlakte een ander leven wilden gaan leiden. 't Kan wel zijn,
+dat menigeen gelooft, dat alles, wat kraai heet, op dezelfde manier
+leeft, maar dat is heelemaal onjuist. Er zijn heele kraaienvolken,
+die een rechtschapen leven leiden, d.w.z., die zich voeden met zaad,
+wormen, larven en doode dieren, en er zijn andere, die een echt
+rooverleven leiden, op jonge hazen en kleine vogeltjes aanvliegen,
+en elk vogelnest, dat zij in het oog krijgen, uitplunderen.
+
+De oude Witteveeren waren streng en matig geweest, en zoo lang zij
+den troep hadden aangevoerd, hadden zij de kraaien gedwongen zich
+zoo te gedragen, dat andere vogels geen kwaad van hen zeggen konden;
+maar de kraaien waren talrijk, en er heerschte veel armoede onder
+hen. Ze konden het op den duur niet uithouden zoo'n sober leven te
+leiden, zij maakten oproer tegen de Witteveeren, en gaven de macht
+aan Windsnel, die de ergste nestenplunderaar en roover zou zijn,
+die men bedenken kon, als zijn vrouw, Windkara niet nog erger was
+geweest. Onder hun bestuur waren de kraaien begonnen zoo te leven,
+dat zij nu nog meer dan valken en berguilen werden gevreesd.
+
+Haspel had natuurlijk niets in te brengen in de groep. Allen waren
+het er over eens, dat hij in 't geheel niet op zijn voorouders leek,
+en dat hij niet deugde om leider te zijn.
+
+Niemand zou over hem gesproken hebben, als hij niet altijddoor nieuwe
+domheden had begaan. Enkelen, die heel wijs waren, zeiden nu en dan,
+dat het misschien een geluk voor Haspel was, dat hij zoo'n onbeholpen
+stakker was, anders zouden Windsnel en Kara hem niet bij den troep
+hebben laten blijven, omdat hij tot het oude hoofdmansgeslacht
+behoorde.
+
+Nu waren ze heel vriendelijk voor hem, en namen hem graag meê op hun
+jachtpartijen. Dan konden allen merken, hoe veel moediger en flinker
+zij waren dan hij.
+
+Geen van de kraaien wist, dat het Haspel was, die den lap uit
+het venster had geplukt, en als ze het gehoord hadden, zouden ze
+zeker ongeloofelijk verbaasd zijn geweest. Zulk een driestheid: een
+menschenhuis te naderen, hadden zij niet van hem verwacht. Zelfs
+verzweeg hij de zaak zorgvuldig en had daar zijn goede redenen
+voor. Windsnel en Kara behandelden hem altijd goed overdag, en
+als de anderen er bij waren, maar in een heel donkeren nacht, toen
+de kameraden al op hun nachtverblijf in de boomen waren, was hij
+door een paar kraaien aangevallen en bijna vermoord. Na dien tijd,
+ging hij iederen avond, als het donker geworden was, van zijn gewone
+slaapplaats naar de leege kamer.
+
+Het gebeurde nu op een middag, toen de kraaien al hun nesten in orde
+hadden gebracht op het kraaienveld, dat zij een merkwaardige vondst
+deden. Windsnel, Haspel en een paar anderen waren in een grooten
+kuil neergeslagen in den éénen hoek van de heide. Die kuil was niet
+anders dan een verzakt dak van grint; maar de kraaien konden zich niet
+met zulk een eenvoudige verklaring tevreden stellen, maar vlogen er
+telkens weer in, en keerden elk zandkorreltje om, om er achter te
+komen, waarom de menschen den kuil gegraven hadden. Juist toen de
+kraaien daar liepen, stortte een massa grint van een kant naar beneden.
+
+Ze vlogen er snel op af, en hadden het geluk onder neergevallen
+steenen en grastoefjes een vrij grooten aarden pot te vinden, die
+met een houten deksel afgesloten was. Ze wilden natuurlijk weten,
+of er asch in was, en probeerden een gat in den pot te pikken en het
+deksel los te maken, maar geen van beide gelukte hun.
+
+Ze stonden radeloos bij elkaar, en bekeken den pot, toen ze iemand
+hoorden zeggen: "Zal ik jelui helpen, kraaien?" Ze keken haastig
+op. Aan den kant van den kuil zat een vos, en keek op hen neer. Hij was
+een van de mooiste vossen, zoowel wat zijn kleur als figuur betreft,
+dien ze ooit gezien hadden. Zijn eenigste fout was, dat hij maar één
+oor had.
+
+"Als je lust hebt ons een dienst te bewijzen," zei Windsnel, "zullen we
+geen "neen" zeggen." Op 't zelfde oogenblik vlogen hij en de anderen
+op uit den kuil. De vos sprong er in, op hun plaats, beet in den pot,
+en trok aan het deksel, maar hij kon het ook niet open krijgen.
+
+"Kun jij er achter komen, wat daarin zit?" vroeg Windsnel.
+
+De vos rolde den pot heen en weer, en luisterde opmerkzaam. "Dat kan
+niet anders dan zilvergeld zijn," zei hij.
+
+Dat was meer, dan de kraaien verwacht hadden. "Denk je, dat het zilver
+kan zijn?" zeiden ze, en de oogen rolden hun bijna uit het hoofd van
+begeerigheid, want, hoe vreemd het ook klinken moge--er is niets in
+de wereld, waar de kraaien zóó veel van houden, als van zilvergeld.
+
+"Hoor ze eens rammelen!" zei de vos, en rolde den pot nog eens
+rond. "Ik kan alleen niet begrijpen, hoe we er bij kunnen komen."
+
+"Neen, dat zal wel onmogelijk zijn," zeiden de kraaien.
+
+De vos stond met zijn kop tegen zijn linkerpoot te wrijven, en dacht
+na. Misschien zou hij nu met behulp van de kraaien dien dwerg te
+pakken kunnen krijgen, die hem altijd ontsnapte.
+
+"Ik weet wel iemand, die den pot voor jelui zou kunnen openmaken,"
+zei de vos.
+
+"Wie dan? Wie dan?" riepen de kraaien, en kwamen zóó in vuur, dat ze
+in den kuil vlogen.
+
+"Dat zal ik jelui zeggen, maar je moet eerst beloven mijn voorwaarden
+aan te nemen," zei hij.
+
+Toen vertelde de vos van Duimelot, en zei aan de kraaien dat, als
+ze hem naar de hei konden brengen, hij den pot wel voor hen zou
+openmaken. Maar als loon voor dien raad vroeg hij, dat zij Duimelot
+aan hem zouden uitleveren, zoodra hij hun het zilvergeld had bezorgd.
+
+De kraaien hadden geen reden Duimelot te sparen; zij gingen dadelijk
+op dit voorstel in.
+
+Dit alles was nu gemakkelijk afgesproken, maar 't was moeilijker uit
+te vinden, waar Duimelot en de wilde ganzen waren.
+
+Windsnel vloog zelf weg met vijftig kraaien, en zei, dat hij gauw
+terug wezen zou. Maar de eene dag na den anderen ging voorbij, zonder
+dat de kraaien op 't kraaienveld een glimp van hen te zien kregen.
+
+
+
+
+DE ROOF.
+
+
+De wilde ganzen waren wakker bij 't eerste krieken van den dag, om
+te probeeren wat eten te krijgen, eer zij de reis naar Oostgothland
+begonnen. Het eilandje in den ganzenplas, waar zij geslapen hadden,
+was klein en kaal, maar in het water, overal in het rond, waren
+planten, waaraan zij hun genoegen konden eten. Voor den jongen was
+het erger. Hij kon niets eetbaars vinden.
+
+Toen hij, hongerig en huiverig door de morgenlucht, naar alle kanten
+stond rond te kijken, vielen zijn oogen op een paar eekhoorns, die op
+een met boomen begroeide landtong vlak voor het eiland speelden. Hij
+wilde weten, of de eekhoorntjes nog iets van hun wintervoorraad over
+hadden, en hij vroeg den witten ganzerik hem even naar de landtong
+over te brengen, zoodat hij hun om een paar hazelnoten kon vragen.
+
+De groote witte gans zwom vlug met hem over 't water, maar het
+ongeluk wilde, dat de eekhoorns zóó'n pleizier hadden met elkaar van
+boom tot boom te jagen, dat zij geen lust hadden naar den jongen
+te luisteren. Ze trokken zich verder in 't bosch terug. Hij liep
+hen hard achterna, en de ganzerik, die aan 't strand bleef liggen,
+verloor hem al gauw uit het oog.
+
+De jongen liep met moeite voort door een hoog bosje anemonen, dat hem
+bijna tot de kin reikte, toen hij voelde, dat iemand hem van achteren
+aangreep, en probeerde hem op te lichten. Hij keek om, en zag, dat
+een kraai hem bij zijn hemdkraag vast had. Hij probeerde zich los
+te rukken, maar vóór dit hem gelukt was, kwam gauw nog een kraai,
+pakte hem bij zijn eene kous, en gooide hem op den grond.
+
+Als Niels Holgersson maar gauw om hulp geroepen had, zou de witte
+ganzerik hem stellig hebben kunnen bevrijden, maar de jongen
+meende zeker, dat hij zich alleen wel tegenover een paar kraaien
+kon redden. Hij schopte en sloeg, maar de kraaien lieten niet los,
+en het gelukte hun met hem op te vliegen. Daarbij gingen ze zoo
+onvoorzichtig te werk, dat zijn hoofd tegen een tak sloeg. Hij kreeg
+een harden slag op de hersens, het werd donker voor zijn oogen,
+en hij werd bewusteloos.
+
+Toen hij weer bijkwam, was hij hoog boven in de lucht. Langzaam
+werd hij weer helder. In het begin wist hij niet, waar hij was,
+en wat hij zag. Als hij naar beneden keek, was 't hem, alsof onder
+hem een reuzengroote, wollige mat lag, doorweven met groen en bruin
+in groote onregelmatige figuren. Die mat was heel dik en prachtig,
+maar hij vond, dat het zonde was, dat ze zoo verwaarloosd was. Zij
+was heelemaal kapot; er liepen groote scheuren door, en hier en daar
+waren er heele stukken uitgescheurd. En 't wonderlijkste was, dat ze
+scheen te liggen op een spiegelvloer, want door de gaten en scheuren
+heen scheen helder glimmend glas.
+
+Wat de jongen daarna zag, was, dat de zon opkwam aan den
+hemel. Dadelijk begon het spiegelglas onder de gaten en spleten in
+de mat te glanzen in rood en goud. Dat stond prachtig, en de jongen
+genoot van de mooie kleurschakeeringen, hoewel hij niet recht wist,
+wat hij zag. Maar nu daalden de kraaien neer, en op eens merkte
+hij, dat de groote mat onder hem de aarde was, bekleed met groene
+dennenbosschen en bruin, kaal loofhout, en dat de scheuren en gaten
+de blanke plassen en meertjes waren.
+
+Hij herinnerde zich hoe hij, toen hij voor 't eerst hoog in de lucht
+geweest was, had gevonden, dat de aarde in Skaane er uit zag als
+een geruit stuk goed. Maar dit land, dat op een gescheurde mat leek,
+wat zou dat zijn?
+
+Allerlei vragen kwamen in hem op. Waarom zat hij niet op den rug
+van den witten ganzerik? Waarom vloog er een zwerm kraaien om hem
+heen? En waarom werd hij heen en weer gerukt en geslingerd, zoodat
+hij bijna kapot ging.
+
+Op eens werd hem dit alles duidelijk. Hij was weggeroofd door een paar
+kraaien. De witte ganzerik lag aan het strand op hem te wachten, en
+de wilde ganzen zouden vandaag naar Oost-Gothland op reis gaan. Zelfs
+werd hij naar het zuidwesten meêgenomen; dat begreep hij, doordat
+hij de zon achter zich had.
+
+"Hoe zal het nu met den witten ganzerik gaan, als ik niet op hem
+passen kan?" dacht de jongen, en hij begon de kraaien toe te roepen,
+dat ze hem dadelijk naar de ganzen terug moesten brengen. Hij was
+heelemaal niet bezorgd over zichzelf. Hij meende, dat ze hem bij
+vergissing meênamen.
+
+De kraaien stoorden zich geen zier aan zijn geroep, maar vlogen voort,
+zoo hard ze konden. Een poos later sloeg een van hen met de vleugels
+op een manier, die beteekent: "Pas op, er is gevaar!" Dadelijk daarna
+doken ze neer in een dennenbosch, drongen door de reusachtige takken
+heel tot op den grond in het woud, en zetten den jongen neer onder
+een grooten tak, waar hij zoo goed verborgen was, dat zelfs geen valk
+hem in het oog had kunnen krijgen.
+
+Vijftig kraaien gingen om den jongen heen staan, met de snavels naar
+elkaar toe gekeerd, om hem te bewaken.
+
+"Nu kan ik zeker wel gewaarworden, kraaien, waarom jelui me hebt
+meêgenomen?" Maar hij had nauwelijks uitgesproken, voor een groote
+kraai hem toesnauwde: "Houd je stil! Anders pik ik je de oogen uit!"
+
+'t Was duidelijk, dat de kraai meende wat hij zei, en de jongen kon
+alleen gehoorzamen. Toen zat hij daar en keek de kraaien aan, en de
+kraaien keken hem aan.
+
+Hoe langer hij ze aankeek, hoe minder hij met ze ingenomen werd.
+
+'t Was vreeselijk, zoo stoffig en slecht onderhouden hun vleugels
+waren, precies alsof ze van geen baden of invetten wisten. Hun
+teenen en pooten waren vuil van aangedroogde aarde, en ze hadden
+overblijfselen van eten in de mondhoeken. 't Waren andere vogels
+dan wilde ganzen, dàt kon hij wel merken. Hij vond, dat ze er wreed,
+valsch, uitgeslapen en brutaal uitzagen, als boeven en landloopers.
+
+"'t Is zeker een echte rooverstroep, waar ik tusschen geraakt ben,"
+dacht hij.
+
+Op 't zelfde oogenblik hoorde hij den lokroep van de wilde ganzen boven
+in de lucht: "Waar ben je? Hier ben ik! Waar ben je? Hier ben ik!"
+
+Hij begreep, dat Akka en de anderen waren uitgegaan om hem te zoeken,
+maar eer hij antwoorden kon, snauwde de groote kraai, die de aanvoerder
+van de bende scheen, hem in 't oor: "Denk aan je oogen!" En hij kon
+niet anders dan zwijgen.
+
+De wilde ganzen wisten zeker niet, dat hij zóó dicht bij hen was,
+maar vlogen stellig toevallig over dit bosch. Hij hoorde hun roepen
+nog een paar keer; toen stierf het weg.
+
+"Ja, nu moet je jezelf redden, Niels Holgersson," zei hij tot
+zichzelf. "Nu moet je toonen, dat je wat geleerd hebt in die weken,
+dat je in de wildernis hebt gewoond."
+
+Een poos later maakten de kraaien aanstalten om op te breken, en toen
+ze ook nu van plan schenen hem op dezelfde manier meê te nemen, dat de
+een hem bij den hemdkraag vasthield en de andere bij een kous, zei de
+jongen: "Is er nu niemand onder jelui kraaien, die zoo sterk is, dat
+hij mij op den rug kan dragen? Jelui hebt me al zoo slecht behandeld,
+dat ik een gevoel heb, alsof ik in stukken gebroken ben. Laat me maar
+rijden. Ik zal niet van den kraaienrug springen, dat beloof ik jelui."
+
+"Verbeeld je maar niet, dat we er iets om geven hoe je het hebt,"
+zei de aanvoerder; maar nu kwam de grootste kraai, een slordige,
+grove, die een witte veer in den vleugel had, naar voren en zei:
+"'t Zou toch voor ons allemaal beter zijn, Windsnel, als Duimelot
+in zijn geheel overkwam, dan dat hij stuk ging, en daarom wil ik
+probeeren hem op mijn rug te dragen."
+
+"Als je dat kunt, Haspel, heb ik er niets tegen," zei Windsnel;
+"maar laat hem niet vallen."
+
+Hiermeê was al veel gewonnen, en de jongen voelde zich weer recht in
+zijn schik.
+
+"'t Is niet noodig, dat ik den moed verlies, omdat ik door de kraaien
+ben meêgenomen," dacht hij. "Met die stakkers zal ik 't wel vinden."
+
+De kraaien vlogen steeds naar het zuidwesten over Smaland. 't Was
+een prachtige morgen, zonnig en kalm, en de vogels beneden op de
+aarde waren ijverig bezig hun liefdesliederen te zingen. In een hoog,
+donker bosch zat de lijster zelf met hangende vleugels en een dikke
+keel boven in een dennetop, en sloeg wat hij kon.
+
+"Wat ben je mooi, wat ben je mooi!" zong hij. "Niemand is zoo mooi,
+niemand is zoo mooi!" En zoodra hij dat liedje uitgezongen had,
+begon hij opnieuw.
+
+Maar toen werd de jongen juist over 't bosch gedragen, en toen hij dat
+liedje een paar keer gehoord had, en begreep, dat de lijster geen ander
+kende, zette hij de beide handen voor den mond, en riep naar beneden:
+"Dat hebben we meer gehoord! Dat hebben we meer gehoord!"
+
+"Wie is dat? wie is dat? wie houdt me voor den gek?" vroeg de lijster,
+en probeerde te zien, wie geroepen had.
+
+"Dat is Kraaienroof, die met je liedje spot," antwoordde de jongen. De
+kraaienaanvoerder keerde toen den kop om, en zei: "Pas op je oogen,
+Duimelot." Maar de jongen dacht: "Neen, daar geef ik niet om. Ik wil
+je juist toonen, dat ik niet bang voor je ben."
+
+Steeds verder vlogen ze het land in, en bosschen en meren waren
+overal. In een berkenhaag zat een houtduif op een kalen tak, en
+voor haar stond de doffer. Hij zette zijn veeren op, boog den hals,
+liet zijn lichaam op en neer gaan, zoodat zijn borstveeren langs
+den tak ruischten. Soms kirde hij. "Jij, jij, jij bent de mooiste in
+'t bosch. Niemand is zoo mooi als jij, jij, jij!"
+
+Maar boven in de lucht vloog de jongen voorbij, en toen hij den
+doffer hoorde, kon hij zich niet stilhouden. "Geloof hem niet,
+geloof hem niet," riep hij. "Wie... wie... wie is dat, die zegt,
+dat ik jok?" kirde de doffer, en probeerde te zien, wie daar tegen
+hem schreeuwde.
+
+"Dat is de kraaienvangst! die zegt, dat je jokt!" antwoordde de
+jongen. Weer keerde Windsnel den kop naar den jongen, en beval hem
+te zwijgen. Maar Haspel, die hem droeg, zei: "Laat hem toch praten,
+dan denken de vogeltjes, dat wij, kraaien, aardige, grappige vogels
+geworden zijn."
+
+"Zij zijn toch zoo dom niet," zei Windsnel, maar hij vond dat idee
+toch wel goed, want van toen af liet hij den jongen roepen, zooveel
+hij wilde.
+
+Zij vlogen meest over bosschen en boschrijke streken, maar er
+waren natuurlijk ook kerken en dorpen en hutjes aan den zoom van
+'t bosch. Zij zagen een oude, welvarende hoeve. Die lag met het
+bosch achter zich en 't meer voor zich, had roode muren en een dak
+met gebroken lijnen, geweldige ahornboomen om de plaats, en groote
+kruisbesplanten vol lange takken in den tuin. Boven op den windhaan
+zat de spreeuw, en zong zoo hard, dat het wijfje, dat in 't nestje
+in den pereboom zat te broeden, elken toon kon hooren. "We hebben
+vier mooie eitjes," zong de spreeuw. "We hebben vier mooie ronde
+eitjes. We hebben 't heele nest vol met prachtige eieren."
+
+Toen de spreeuw dit liedje voor den duizendsten keer zong, vloog de
+jongen over de hoeve. Hij zette de handen voor den mond als een pijp,
+en riep: "De ekster zal ze opeten, de ekster zal ze opeten!"
+
+"Wie is dat, die me bang wil maken?" vroeg de spreeuw, en sloeg
+onrustig met de vleugels.
+
+"Dat is de kraaienvangst, die je bang maakt," zei de jongen. En
+dien keer probeerde de kraaienaanvoerder niet den jongen stil te
+houden. Integendeel vonden hij en de heele troep het zoo aardig,
+dat ze krasten van pleizier.
+
+Hoe verder ze het land invlogen, hoe grooter de meren werden, en hoe
+rijker de streek aan eilanden en landtongen werd. En aan het strand
+stond de woerd te buigen voor zijn bruidje. "Ik zal je mijn heele leven
+trouw blijven, ik zal je mijn heele leven trouw blijven," zei hij.
+
+"Dat duurt maar, tot de zomer voorbij is," riep de jongen in 't
+voorbijgaan.
+
+"Wie ben jij?" riep de woerd.
+
+"Ik heet, "door de kraaien gestolen"," schreeuwde de jongen.
+
+Tegen den middag sloegen de kraaien neer op een openbare weide. Ze
+liepen rond om eten te zoeken, maar niemand van hen dacht er aan den
+jongen wat te geven.
+
+Toen kwam Haspel op den hoofdman toe met een tak van een doornstruik,
+waar een paar rozebottels aan zaten.
+
+"Dat is voor jou, Windsnel," zei hij. "Dat is lekker eten, dat goed
+voor je is."
+
+Windsnel blies verachtelijk. "Meen je, dat ik dorre, oude rozebottels
+eten wil?" zei hij.
+
+"Ik dacht, dat je er blij meê wezen zou," zei Haspel mismoedig,
+en gooide den tak met rozebottels weg. Maar die viel vlak voor den
+jongen neer, en hij pakte hem gauw, en at ervan, tot hij genoeg had.
+
+Toen de kraaien gegeten hadden, begonnen zij te praten.
+
+"Waar denk je aan, Windsnel? Je bent zoo stil vandaag," zei een van
+hen tot den aanvoerder.
+
+"Ik denk er aan, hoe hier in deze streek eens een kip leefde, die
+zooveel van haar meesteres hield, en om haar eens echt pleizier te
+doen, legde zij een massa eieren, die ze onder den vloer in de schuur
+verstopte. En al dien tijd, dat ze zat te broeien, dacht zij er aan,
+hoe blij de vrouw met die kuikentjes zou zijn. Haar meesteres was
+natuurlijk nieuwsgierig, waar zij al dien tijd bleef. Ze zocht haar,
+maar vond ze niet. Kun je raden, Langsnavel, wie haar en de eieren
+vond?"
+
+"Ik geloof wel, dat ik het raden kan, Windsnel, maar nu je daarover
+spreekt, zal ik iets dergelijks vertellen. Herinner je je die groote
+zwarte kat wel, uit de pastorie van Hinneryd? Zij was ontevreden met
+haar volk, omdat die haar al haar pasgeboren jongen afnamen en die
+verdronken. Maar ééns gelukte het haar ze te verbergen, en dat was,
+toen zij ze in een stroobos buiten op het veld had gebracht. Ze was
+zoo blij met de jongen, maar ik geloof, dat ik meer pleizier van hen
+had, dan zij."
+
+Nu werden ze allemaal zoo opgewonden, dat ze elkaar voortdurend in
+de rede vielen:
+
+"Wat is daar nu aan, om eieren en jongen te stelen," zei de een. "Ik
+heb eens op een jongen haas gejaagd, die bijna volwassen was. Ik
+moest hem van den eenen struik naar den anderen jagen...."
+
+Verder kwam ze niet, want een ander nam het woord: "'t Kan nu wel
+prettig zijn om kippen en katten te plagen, maar ik vind het nog
+merkwaardiger, dat een kraai een mensch ergeren kan. Ik heb eens een
+zilveren lepel gestolen...."
+
+Maar nu achtte de jongen zich toch te goed om naar zulke praatjes
+te luisteren.
+
+"Neen, hoor eens, jelui kraaien," zei hij, "ik vind, dat jelui je
+schamen moest, om over al jelui leelijke streken te praten. Ik heb drie
+weken lang onder de wilde ganzen geleefd, maar ik heb niets anders dan
+goeds gehoord en gezien. Jelui moet wel een slechten aanvoerder hebben,
+die je laat rooven en moorden op die manier. Jelui moesten een ander
+leven beginnen, want ik kan jelui dit wel zeggen, dat de menschen zóó
+genoeg van jelui boosheid hebben, dat ze met alle macht probeeren je
+uit te roeien. En dan zal het wel gauw met jelui gedaan zijn."
+
+Toen Windsnel en de kraaien dat hoorden, werden ze zóó boos, dat ze
+van plan waren op den jongen aan te vliegen om hem te verscheuren. Maar
+Haspel kraste en schreeuwde, en ging voor hem staan.
+
+"Neen, neen, neen!" riep hij, en zag er doodverschrikt uit. "Wat
+meen je wel, dat Windkara zeggen zal, als jelui Duimelot verscheurt,
+vóór hij ons het zilvergeld bezorgd heeft?"
+
+"Wat ben jij bang voor vrouwvolk, Haspel!" zei Windsnel, maar hij
+liet hem toch met rust, en ook de anderen deden Duimelot niets.
+
+Kort daarop trokken de kraaien verder. Tot nu toe had de jongen
+gedacht, dat Smaland niet zoo'n arm land was, als hij wel gedacht
+had. Wel was het met bosch begroeid en vol bergtoppen, maar langs
+de beken en meren lagen bebouwde velden, en werkelijk woesten grond
+had hij niet gezien. Maar hoe verder zij het land in kwamen, hoe
+zeldzamer de steden en hutjes werden. Eindelijk vond hij, dat hij
+over een echte woestenij heen vloog, waar hij niet anders zag dan
+moerassen, heiden en heuvels, met jeneverbessen begroeid.
+
+De zon was ondergegaan, maar het was nog helder dag, toen de kraaien
+de groote heide bereikten. Windsnel zond een kraai vooruit, om te
+vertellen, dat het hem goed gegaan was, en toen dat bekend werd, vloog
+Windkara met honderd kraaien op van het kraaienveld, om de aankomenden
+te gemoet te gaan. Onder het oorverdoovend gekras, dat de kraaien
+aanhieven, toen ze elkaar ontmoetten, zei Haspel tegen den jongen:
+"Je bent zoo vroolijk en grappig geweest op reis, dat ik veel van je
+ben gaan houden. Daarom wil ik je een goeden raad geven. Zoodra we
+beneden komen, zullen ze je vragen een werkje te doen, dat je heel
+gemakkelijk zal voorkomen. Maar pas op, dat je het niet doet!"
+
+Onmiddellijk daarna zette Haspel Niels Holgersson neer in een
+zandkuil. De jongen liet zich op den grond vallen, en bleef liggen,
+alsof hij doodaf van vermoeidheid was. Er vlogen zóóveel kraaien om hem
+heen, dat de lucht bruiste als door een storm, maar hij keek niet op.
+
+"Duimelot," zei Windsnel, "sta nu op! Je moet ons helpen met iets,
+wat je heel gemakkelijk doen kunt."
+
+Maar de jongen bewoog zich niet. Hij deed, alsof hij sliep. Toen nam
+Windsnel hem bij den arm, en sleepte hem voort over het zand, tot bij
+een aarden pot van een ouderwetsch model, die midden in den kuil stond.
+
+"Sta op, Duimelot," zei hij, "en doe dien pot open."
+
+"Waarom laat je me toch niet slapen?" zei de jongen. "Ik ben te moe
+om vanavond nog iets te doen. Wacht tot morgen."
+
+"Doe dien pot open!" zei Windsnel, en schudde hem heen en weer. De
+jongen ging toen recht overeind zitten, en bekeek den pot nauwkeurig:
+"Hoe kan ik, arm kind! zoo'n pot openkrijgen. Die is immers even
+groot als ik zelf."
+
+"Doe hem open!" beval Windsnel nog eens, "anders zal 't je niet
+best gaan!"
+
+De jongen stond op, ging wankelend naar den aarden pot, voelde aan
+het deksel, en liet de armen weer zinken.
+
+"Ik ben toch anders zoo zwak niet," zei hij. "Als jelui me maar tot
+morgen wilt laten slapen, denk ik wel, dat ik het met dat deksel
+klaar zal spelen."
+
+Maar Windsnel was ongeduldig; hij vloog vooruit, en pikte den jongen
+in het been. Maar zóó wou de jongen zich niet door een kraai laten
+behandelen. Hij rukte zich snel los, sprong een paar pas achteruit,
+trok zijn mes uit den gordel, en hield dat voor zich uit. "Pas op,
+jij!" riep hij Windsnel toe.
+
+Maar die was zoo verbitterd, dat hij het gevaar niet telde. Alsof hij
+blind was, stoof hij op den jongen af, en kwam recht op het mes toe,
+zoodat het door zijn oog in zijn hersens drong. De jongen trok wel
+het mes terug, maar Windsnel sloeg nog even met de vleugels, en zonk
+toen dood neer.
+
+"Windsnel is dood! De vreemdeling heeft Windsnel, onzen hoofdman,
+vermoord!" riepen de kraaien, die het dichtste bij stonden, en daarop
+ontstond een vervaarlijk rumoer.
+
+Sommigen jammerden, anderen riepen om wraak! allen sprongen of
+fladderden op Duimelot af, met Haspel aan 't hoofd. Maar die gedroeg
+zich, als naar gewoonte, averechts verkeerd. Hij fladderde maar met
+uitgespreide vleugels boven den jongen, en verhinderde de anderen
+hem met hun snavel te doorboren.
+
+Nu vond de jongen toch, dat hij 't erg voor zich had bedorven. Hij
+kon van de kraaien niet weg komen, en er was geen plaats, waar hij
+zich zou verbergen. Maar toen dacht hij op eens aan den pot.
+
+Hij rukte hard aan het deksel, en kreeg dat er af. Toen sprong bij
+in den pot om zich daarin te verbergen. Maar dat was een slechte
+schuilhoek; want die was bijna tot den rand gevuld met zilveren
+penningen. De jongen kon er niet diep genoeg inkomen. Daarom boog
+hij zich neer, en begon de geldstukken er uit te gooien.
+
+Tot nu toe hadden de kraaien in een dichten zwerm om hem heen gevlogen,
+en naar hem gepikt. Maar toen hij de geldstukken uit den pot gooide,
+vergaten ze op eens hun wraakzucht, en begonnen 't zilver op te
+rapen. De jongen gooide het geld met handenvol weg, en alle kraaien,
+zelfs Windkara, vingen het op. En elk, die een muntje te pakken kreeg,
+vloog naar zijn nest om dat op te bergen.
+
+Toen de jongen al het geld uit den pot had gegooid, keek hij op. Nog
+maar één kraai was er over in den zandkuil. Dat was Haspel met de
+witte veer in den vleugel, die hem op den rug had gedragen.
+
+"Je hebt mij een grooter dienst bewezen, dan jezelf kunt begrijpen,
+Duimelot," zei de kraai op een heel anderen toon dan vroeger, "en ik
+wil je leven redden. Ga op mijn rug zitten, dan zal ik je naar een
+schuilplaats brengen, waar je van nacht veilig zult zijn. Morgen zal
+ik er voor zorgen, dat je bij de wilde ganzen terugkomt."
+
+
+
+
+HET HUTJE.
+
+
+Den volgenden morgen, toen de jongen wakker werd, lag hij in een
+bed. Toen hij zag, dat hij in een huis was, met vier muren om hem
+heen en een zolder boven zijn hoofd, meende hij, dat hij thuis was.
+
+"Zou Moeder niet gauw komen met de koffie?" mompelde hij, nog half
+dommelend. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij in een verlaten
+hutje op het kraaienveld lag, en dat Haspel met de witte veer hem
+daar den vorigen avond had heengebracht.
+
+De jongen had pijn in al zijn ledematen na den tocht van den vorigen
+dag, en hij vond het heerlijk stil te blijven liggen, terwijl hij op
+Haspel wachtte, die beloofd had hem te komen halen.
+
+Er hingen gordijntjes van geruit katoen om het bed, en hij schoof ze
+op zij, om de kamer in te kijken.
+
+Hij merkte al gauw, dat hij nooit een gebouwtje als dit had gezien. De
+wanden bestonden enkel uit een rij boomstammen; daarboven begon
+het dak, dat van binnen niet beschoten was: men zag dadelijk de
+nok van het dak. De heele kamer was zoo klein, dat ze eerder voor
+zulke kleintjes als hij, dan wel voor echte menschen scheen gebouwd,
+maar toch waren de haard en de muur voor den haard zóó ruim genomen,
+dat hij zich niet herinnerde die ooit zoo groot te hebben gezien. De
+deur was in den gevelmuur naast den haard gemaakt, en was zoo klein,
+dat ze wel een luikje leek. In den anderen gevelmuur zag hij een laag
+en breed venster met veel kleine ruitjes. In de kamer waren bijna
+geen losse meubels. De bank langs den eenen muur en de tafel onder
+het venster waren aan den wand vastgebouwd, en ook het groote bed,
+waarin hij lag, en de bonte kast aan den muur.
+
+De jongen kon niet laten zich verwonderd af te vragen, van wien dit
+hutje wel wezen zou, en waarom het leeg stond. 't Zag er wel uit,
+alsof de menschen, die daar hadden gewoond, van plan geweest waren
+weer terug te komen. De koffiekan en de breipan stonden nog op den
+haard, en er lag wat brandhout in een hoek. De pook en de kolenschop
+stonden ook in den hoek; het spinnewiel was op een bank gezet, op de
+plank boven het venster lagen werk en vlas, een paar strengen garen,
+een vetkaars en een bos zwavelstokken.
+
+Ja, 't zag er hier zeker uit, alsof zij, die de kamer bewoond hadden,
+van plan waren geweest terug te komen. Er lagen dekens en lakens in
+'t bed, en aan den wand zaten nog repen doek, waarop drie mannen
+te paard: Kasper, Melchior en Balthasar waren geschilderd. Dezelfde
+paarden en ruiters waren er dikwijls afgebeeld. Zij reden om de heele
+kamer heen, en zetten hun tocht zelfs langs de dakbalken voort.
+
+Maar aan het dak zag de jongen iets, wat hem in eens op de been
+bracht. Dat waren een paar oude sneedjes brood, die daar aan een spil
+hingen. Ze zagen er wel oud en duf uit, maar 't was toch brood. Hij
+gaf ze een slag met de kolenschop, zoodat er een stuk op den grond
+viel. Hij at ervan, en stopte zijn zakken vol. 't Was ongelooflijk
+hoe lekker dat brood toch altijd smaakte.
+
+Hij keek nog eens rond in de kamer om te zien, of er niet nog wat
+bij was, dat hij gebruiken en meênemen kon.
+
+"Ik mag zeker wel nemen, wat ik noodig heb, als niemand anders erom
+geeft," dacht hij. Maar het meeste van al, wat hij daar zag, was te
+groot en te zwaar. Het eenige, wat hij meê kon nemen, zou hoogstens
+een paar stukjes lucifer kunnen zijn.
+
+Hij klauterde op de tafel, en sprong later, met behulp van de
+gordijnen, met een zwaai in de vensterbank. Terwijl hij daar stond
+en de lucifers in zijn zak stopte, kwam de kraai met de witte veer
+door het venster binnen.
+
+"Ziezoo, hier ben ik nu," zei Haspel, en streek op de tafel neer. "Ik
+kon niet eerder komen, omdat wij kraaien een nieuwen aanvoerder hebben
+gekozen, als opvolger van Windsnel."
+
+"Wie hebben jelui gekozen?" vroeg de jongen.
+
+"Wij hebben Garm Witteveer gekozen, die vroeger Haspel heette,"
+antwoordde hij, en rekte zich uit, zoodat hij er heel majestueus
+uitzag.
+
+"Dat was een goede keus," zei de jongen, en feliciteerde hem.
+
+"Ja, je mag me wel feliciteeren," zei Garm, en begon den jongen te
+vertellen, hoe akelig hij het vroeger met Windsnel en Kara had gehad.
+
+Midden onder dit verhaal hoorde de jongen buiten een stem, die hij
+meende te herkennen.
+
+"Is hij hier?" vroeg Smirre, de vos.
+
+"Ja, hier is hij verstopt," antwoordde een kraaienstem.
+
+"Pas op, Duimelot!" riep Garm. "Windkara staat buiten met dien vos,
+die je wil opeten!"
+
+Meer kon hij niet zeggen, want Smirre deed een sprong naar het
+venster. Het oude, vermolmde vensterkozijn gaf mêe, en Smirre stond
+een oogenblik later op de vensterbank. Garm Witteveer, die geen tijd
+had om weg te vliegen, beet hij meteen dood. Toen sprong hij op den
+vloer, en keek rond naar den jongen.
+
+Die probeerde zich achter den grooten hoop werk te verstoppen, maar
+Smirre had hem al gezien, en kroop in elkaar om een sprong te doen. En
+het hutje was zoo klein, dat de vos hem zonder eenige moeite zou kunnen
+pakken. Maar op dit oogenblik was hij niet ongewapend. Haastig streek
+hij een lucifer aan, stak die in het werk en toen dat in brand vloog,
+gooide hij het op den vos. En toen 't vuur hem raakte, werd de vos
+door een waanzinnigen schrik aangegrepen. Hij dacht niet meer aan
+den jongen, maar vloog half zinneloos van angst de kamer uit.
+
+Maar het scheen, dat de jongen aan 't eene gevaar ontsnapt was, door
+een nog grooter over zich te brengen. Van den prop werk, waarmeê hij
+Smirre had gegooid, had de vlam de bedgordijnen bereikt. Hij sprong
+op den grond, en trachtte het te dooven, maar het brandde al veel
+te fel. De heele hut was al gauw vol rook, en Smirre, die buiten het
+venster stond, begon te begrijpen, hoe het daar binnen gesteld was.
+
+"Nu, Duimelot," riep hij, "wat kies je nu? Gebraden te worden, of bij
+mij te komen? Ik zou je wel het allerliefst opeten, maar hoe de dood
+je ook te pakken krijgt, is 't mij goed!"
+
+De jongen dacht niet anders, of de vos had gelijk, want de brand nam
+met vliegende vaart toe. 't Heele bed brandde al, uit den vloer kwam
+de rook op, en op de geschilderde houten latten kroop de vlam van den
+eenen ruiter naar den anderen. De jongen was op den haard gesprongen,
+en probeerde de deur van den oven open te krijgen, toen hij op eens een
+sleutel in het slot hoorde steken en zachtjes omdraaien. Dat moesten
+menschen zijn, die aankwamen, en in den nood, waarin hij nu verkeerde,
+werd hij niet bang, maar alleen blij. Hij stond al op den drempel, toen
+de deur eindelijk open ging. Hij zag een paar kinderen vóór zich, maar
+wat ze voor gezichten zetten, toen zij het hutje in brand vonden, hij
+had geen tijd, om er naar te kijken; hij vloog ze voorbij, naar buiten!
+
+Hij durfde niet ver weg te loopen. Hij wist wel, dat Smirre, de vos,
+op hem loerde, en hij begreep, dat hij in de buurt van de kinderen
+moest blijven. Hij keek om, om te zien wat het voor kinderen waren,
+maar hij had ze nog geen seconde aangezien, voor hij ze tegemoet vloog,
+en riep: "Kijk eens hier! Dag Asa, dag Mads!"
+
+Want toen de jongen die kinderen zag, vergat hij heelemaal, waar
+hij was. De kraaien, de brandende hut, de sprekende dieren verdwenen
+uit zijn herinnering. Hij liep op een stoppelveld in 't westen van
+Vemmenhög, en hoedde de ganzen, en op het veld naast hem liepen die
+kinders uit Smaland met hùn ganzen. En zoodra hij ze zag, sprong hij
+op het steenen walletje, en riep. "Dag Asa, dag Mads!"
+
+Maar toen de kinderen zoo'n klein dwergje op zich af zagen komen met
+uitgestrekte hand, hielden ze elkaar vast, deden een paar stappen
+achteruit, en zagen er doodverschrikt uit.
+
+Toen de jongen hun schrik zag, kwam hij tot zichzelf, en herinnerde
+zich, wie hij was. En toen vond hij, dat hem niets ergers
+kon overkomen, dan dat juist die kinderen zouden zien, dat hij
+betooverd was. Schaamte en verdriet, omdat hij geen mensch meer was,
+overweldigden hem. Hij keerde zich om, en liep weg--hij wist zelf
+niet waarheen.
+
+Maar een blijde ontmoeting wachtte den jongen, toen hij op de heide
+kwam. Want daar in het heikruid, kwam hem de witte ganzerik met Donsje
+tegemoet. Toen de witte den jongen zóó hard zag loopen, meende hij,
+dat gevaarlijke vijanden hem vervolgden. Hij gooide hem haastig op
+zijn rug, en vloog met hem weg.
+
+
+
+
+
+
+XV.
+
+DE OUDE BOERIN.
+
+
+Drie vermoeide reizigers zochten een nachtverblijf op den laten
+avond. Zij liepen wel door een armoedig woest gedeelte van
+Noord-Smaland, maar een rustplaats, zooals zij die verlangden,
+moesten zij toch kunnen vinden, want ze waren geen verwijfde wezens,
+die zachte bedden en mooi gemeubileerde kamers verlangden. "Als een
+van de lange bergruggen hier een top hadden, zóó sterk en hoog, dat
+een vos er op geen enkele manier kon opklauteren, hadden we een goede
+slaapplaats," zei de een.
+
+"Als maar een van de groote moerassen hier niet bevroren was, en zoo
+zacht en nat, dat een vos er niet over durfde, dan zou dat ook een
+best nachtverblijf zijn," zei de andere.
+
+"Als het ijs op een van de meren, waar we voorbij komen, maar los van
+'t land was, zoodat een vos daar niet kon komen, dan hadden we juist
+gevonden, wat wij zoeken," zei de derde.
+
+'t Ergste was, dat toen de zon was ondergegaan, twee van de reizigers
+zóó slaperig werden, dat ze elk oogenblik op het punt waren op den
+grond te vallen. De derde, die wakker kon blijven, werd onrustiger,
+al naarmate de nacht naderde.
+
+"'t Is toch ongelukkig," dacht hij, "dat wij in een land zijn gekomen,
+waar de moerassen en meren bevroren zijn, zoodat de vos overal heen
+kan komen. Het ijs is immers op andere plaatsen al weggedooid, maar
+nu zijn we zeker in het allerkoudste gedeelte van Smaland, waar de
+lente nog niet gekomen is. Ik begrijp niet, wat ik beginnen moet om
+een goede slaapplaats te vinden. Als ik geen goed beschutte plaats
+vind, hebben we Smirre, den vos, op onze hielen, eer de morgen komt."
+
+Hij keek uit naar alle kanten, maar hij zag geen herberg, waar
+hij kon binnengaan. En 't was een donkere, koude avond met wind en
+stofregen. 't Werd steeds akeliger en griezeliger om hem heen.
+
+'t Kan wel vreemd lijken, dat de reizigers er geen lust in schenen
+te hebben, op de een of andere hoeve om nachtverblijf te vragen. Ze
+waren al verscheiden dorpen doorgetrokken, zonder ergens aan te
+kloppen. Naar kleine hutjes aan den zoom van het woud, die alle arme
+reizigers zoo graag aantreffen, keken zij ook niet om. Men zou in de
+verzoeking komen te zeggen, dat ze verdienden het akelig te hebben,
+omdat ze de hulp, die hun ten dienste stond, niet wilden aannemen.
+
+Maar later, toen het zóó donker was geworden, dat er nauwlijks een
+streepje daglicht onder den hemel achterbleef, en de twee, die aan
+slaap behoefte hadden, half in den slaap voortliepen, kwamen ze bij
+een boerderij, die eenzaam lag, ver van al haar buren. En niet alleen,
+dat ze er eenzaam uitzag, ze scheen in 't geheel niet bewoond te
+zijn. Geen rook steeg uit den schoorsteen op, geen licht scheen uit de
+vensters, geen mensch bewoog zich op de plaats. Toen een van de drie,
+hij, die beloofd had wakker te blijven, die boerderij zag, dacht hij:
+"'t Mag gaan zooals het wil, maar in deze hoeve moeten we zien binnen
+te komen. Iets beters zullen we zeker niet vinden."
+
+Kort daarop stonden ze alle drie op de binnenplaats van de hoeve. Twee
+van hen sliepen dadelijk in, zoodra ze moesten blijven staan, maar
+de derde zag haastig rond, om te ontdekken, hoe hij onder dak komen
+kon. 't Was geen kleine hoeve. Behalve 't woonhuis, den stal en de
+schuur waren er lange bijgebouwen, met schuren en dorschvloeren,
+voorraadshuizen en bergplaatsen voor de werktuigen.
+
+Maar alles zag er akelig arm en vervallen uit. De huizen hadden grauwe,
+met mos begroeide, scheeve muren, die op het punt schenen van om te
+vallen. In het dak waren groote gaten, en de deuren hingen schuin aan
+kapotte scharnieren. 't Was duidelijk, dat al lang niemand de moeite
+had genomen een spijker in den wand te slaan op deze boerderij.
+
+Intusschen had hij, die wakker was, uitgerekend welk gebouw de
+koestal was. Hij schudde zijn reisgezellen wakker, en bracht ze
+bij de schuurdeur. Die was gelukkig alleen gesloten met een haak,
+dien hij gemakkelijk kon oplichten met een stokje. Hij zuchtte
+van verlichting bij de gedachte, dat ze gauw in veiligheid zouden
+zijn. Maar toen de schuurdeur luid knarsend openging, hoorde hij,
+dat een koe begon te loeien.
+
+"Kom je daar eindelijk, Vrouw," zei de koe. "Ik dacht, dat ik vanavond
+niets te eten zou krijgen."
+
+De reiziger bleef heel verschrikt in de deur staan, toen hij merkte,
+dat de schuur niet leeg was. Maar hij zag al gauw, dat er niets meer
+dan één koe stond, en drie of vier kippen, en toen vatte hij weer moed.
+
+"Wij zijn drie arme reizigers, die graag ergens wilden wezen, waar
+geen vos ons kan overvallen, en geen menschen ons kunnen vangen,"
+zei hij. "We zouden graag weten of er hier een geschikte plaats voor
+ons was."
+
+"Dat zou ik wel denken," antwoordde de koe. "Wel zijn de muren slecht,
+maar een vos kan er nog niet door, en hier woont niemand dan een oude
+vrouw, die zeker niet in staat is iemand gevangen te nemen. Maar wie
+zijn jelui eigenlijk?" ging ze voort, terwijl ze zich in haar stal
+omkeerde, om de nieuwaangekomenen te zien.
+
+"Ik ben Niels Holgersson van Wester Vemmenhög, die in een kabouter
+is veranderd," antwoordde de eerste van hen, die binnenkwamen,
+"en ik heb een tamme gans bij me, waar ik op rijd, en een grijze gans."
+
+"Zulke rare gasten zijn nog nooit in mijn huis geweest," zei de koe,
+"en jelui bent welkom. Maar ik wou toch liever, dat de vrouw gekomen
+was, om mij mijn avondvoer te brengen."
+
+De jongen bracht nu de ganzen in de schuur, die heel groot was, en
+zette ze in een leeg hok, waar ze oogenblikkelijk insliepen. Voor
+zichzelf maakte hij een bedje van stroo, en verwachtte, dat hij ook
+gauw in slaap zou vallen. Maar hier kwam niets van, want de arme
+koe, die nog geen avondvoer had gehad, hield zich geen oogenblik
+stil. Ze trok aan haar halster, schoof heen en weer in haar stal,
+en klaagde over den honger. De jongen kon geen oog dicht doen, maar
+lag wakker, en liet alles aan zich voorbijgaan, wat hem de laatste
+dagen was overkomen.
+
+Hij dacht aan Asa, 't kleine ganzenhoedstertje, en kleine Mads,
+die hij zoo onverwacht had ontmoet, en hij dacht er over, dat het
+hutje, dat hij in brand gestoken had, hun oud huis in Smaland moest
+zijn. Hij herinnerde zich immers wel, dat ze juist over zoo'n hutje
+hadden gesproken, en over de groote hei, die er omheen lag. Nu waren
+zij gekomen om hun huisje weer te zien, en toen ze er bij kwamen,
+sloegen de vlammen er uit. Dat was wel een groot verdriet, dat hij
+hun gedaan had, en dat speet hem heel erg. Als hij ooit weer een
+mensch werd, zou hij de schade en de teleurstelling kunnen vergoeden.
+
+Toen dacht hij weer aan de kraaien, en als hij aan Haspel dacht,
+die hem had gered, en den dood had gevonden, zoo kort nadat hij als
+aanvoerder was gekozen, werd hij zóó bedroefd, dat hij de tranen in
+de oogen kreeg.
+
+Hij had het wel heel moeilijk gehad de laatste dagen. Maar toch was 't
+een groot geluk geweest, dat de ganzerik en Donsje hem gevonden hadden.
+
+De ganzerik had hem verteld, dat de wilde ganzen, zoodra ze gemerkt
+hadden, dat Duimelot verdwenen was, bij de kleine dieren in 't bosch
+naar hem hadden gevraagd. Ze hadden al gauw gehoord, dat een troep
+kraaien uit Smaland hem hadden meêgenomen. Om den jongen zoo gauw
+mogelijk te vinden, had Akka bevolen, dat de ganzen twee aan twee
+verschillende kanten uit zouden vliegen, om hem te zoeken. Maar nadat
+ze drie dagen hadden gezocht, moesten zij--of ze hem hadden gevonden of
+niet,--bij elkaar komen in Noord-west Smaland op een hoogen bergtop,
+die op een afgehouwen toren leek, en Taberg heette. En toen Akka hun
+de beste aanwijzingen had gegeven om den weg te vinden, en nauwkeurig
+beschreven, hoe zij Taberg zouden herkennen, gingen zij uiteen.
+
+De witte ganzerik had Donsje uitgekozen als reisgezel, en ze hadden
+hier en daar rondgevlogen in de grootste onrust over Duimelot. Onder
+dat rondzwerven hadden ze een lijster gehoord, die, in een boomtop
+gezeten, riep en bromde over iemand, die zich "kraaienroof" had genoemd
+en hem voor den gek gehouden. Ze hadden met de lijster een gesprek
+aangeknoopt, en hij had hun gezegd, welken kant die kraaienroof was
+uitgegaan. Later hadden ze een doffer, een spreeuw en een eend ontmoet,
+alle klagend over een booswicht, die hen in hun gezang had gestoord,
+en "door de kraai gestolen," "kraaienvangst" en "kraaienroof" geheeten
+had. Op die manier hadden zij Duimelot's spoor gevonden, tot bij de
+heide van Sunnerbo.
+
+Zoodra de ganzerik en Donsje Duimelot hadden gevonden, vlogen zij naar
+het noorden om naar Taberg te komen. Maar ze waren daar ver vandaan,
+en het donker was hen overvallen, eer ze den bergtop in het gezicht
+kregen.
+
+"Als wij er morgen maar komen, zijn al onze zorgen voorbij," dacht
+de jongen, en kroop diep onder het stroo om wat warmer te worden.
+
+De koe had al dien tijd leven gemaakt in den stal. Nu begon zij op
+eens tegen den jongen te praten.
+
+"Ik meende, dat een van hen, die hier binnenkwamen, vertelde, dat
+hij een kabouter was. Als dat zoo is, dan weet hij zeker wel, hoe
+hij een koe moet behandelen."
+
+"Wat scheelt je dan?" vroeg de jongen.
+
+"Mij scheelt van alles," zei de koe. "Ik ben niet gemolken en niet
+verzorgd. Ik heb geen nachtvoer in mijn krib gekregen en geen versch
+stroo onder me. De vrouw kwam hier om me te helpen, zooals gewoonlijk,
+maar ze was zoo ziek, dat ze dadelijk weer naar binnen moest gaan,
+en ze is niet meer terug gekomen."
+
+"'t Is toch akelig, dat ik zoo klein en zwak ben," zei de jongen. "Ik
+geloof niet, dat ik je helpen kan."
+
+"Je moet me niet wijsmaken, dat je zwak ben, omdat je klein bent,"
+zei de koe. "Alle kabouters, waar ik van heb hooren spreken, waren
+zoo sterk, dat ze een voer hooi konden trekken en een koe met één
+vuistslag doodslaan."
+
+De jongen kon niet laten te lachen. "Dat waren zeker andere kabouters
+dan ik," zei hij. "Maar ik zal je halster losmaken en de deur voor
+je opendoen, dan kun je naar buiten gaan en uit een van de plassen
+op de hoeve drinken, en dan zal ik probeeren op den hooizolder te
+klimmen en hooi in je krib te gooien."
+
+"Ja, dat zou altijd wel wat helpen," zei de koe.
+
+De jongen deed, zooals hij gezegd had, en toen de koe met een gevulde
+krib voor zich stond, meende hij eindelijk te kunnen slapen. Maar
+pas was hij in zijn bed gekropen, of de koe begon weer te praten:
+
+"Je zult me wel heel vervelend vinden, als ik je nu weer wat vraag,"
+zei de koe.
+
+"Neen, dat zal ik niet, als 't maar iets is, wat ik doen kan," zei
+de jongen.
+
+"Dan zou ik je willen vragen in de kamer te gaan, en te zien, hoe het
+met de vrouw is. Ik ben zoo bang, dat haar een ongeluk overkomen is."
+
+"Neen, dat kan ik niet doen," zei de jongen. "Ik durf me niet aan
+menschen te vertoonen."
+
+"Je kunt toch niet bang zijn voor een zieke, oude vrouw," zei de
+koe. "Maar je hoeft ook niet in de kamer te gaan. Ga maar buiten de
+deur staan, en kijk door een kier."
+
+"Ja, als je niets anders van me verlangt, dan kan ik dat wel doen,"
+zei de jongen.
+
+Toen deed hij de schuurdeur open, en ging de plaats op. 't Was een
+vreeselijke nacht. Maan of sterren waren niet te zien, de wind huilde,
+en de regen stroomde neer. Maar het ergste was, dat zeven groote
+uilen op een rij op het dak van het woonhuis zaten. 't Was akelig ze
+te hooren, zooals ze daar zaten te klagen over 't weer. En nog erger
+was het te denken, dat--als maar één van hen hem in 't oog kreeg,
+het met hem gedaan zou zijn.
+
+"Die arme kleintjes," zei de jongen, toen hij op de plaats kwam. En dat
+mocht hij wel zeggen. Hij woei twee keer om, eer hij bij het woonhuis
+was, en eens gooide de wind hem in een plas, die zoo diep was, dat
+hij bijna verdronk. Maar hij kwam er toch.
+
+Hij klauterde een paar treden van de stoep op, kroop over een drempel,
+en kwam in de gang. De kamerdeur was dicht, maar in den eenen hoek was
+een gat voor de kat om er uit en in te gaan. 't Was dus voor den jongen
+niet moeilijk te zien, hoe het in de kamer gesteld was. Nauwelijks
+had hij er even in gekeken, of hij trok verschrikt het hoofd weer
+terug. Een oude vrouw met grijs haar lag daar binnen op den vloer
+uitgestrekt. Ze bewoog zich niet, en klaagde niet, en haar gezicht
+was zoo wonderlijk wit. Het was, alsof een onzichtbare maan er een
+bleek licht over liet vallen.
+
+De jongen herinnerde zich, dat toen zijn grootvader stierf, zijn
+gezicht ook zoo wonderlijk wit geworden was. En hij begreep dat
+het oude mensch, dat daar op den vloer in de kamer lag, dood wezen
+moest. De dood was zeker zoo haastig over haar gekomen, dat zij niet
+eens meer naar bed had kunnen gaan.
+
+Hij werd vreeselijk bang, toen hij er aan dacht, dat hij in den
+donkeren nacht alleen met een doode was. Hij sprong halsoverkop de
+stoep af, en holde naar de schuur terug. Toen hij de koe vertelde,
+wat hij in de kamer gezien had, hield zij met eten op.
+
+"O zoo! is de vrouw dood?" zei ze, "Dan is het ook gauw met mij
+gedaan?"
+
+"Er zal wel iemand voor je zorgen," zei de jongen troostend.
+
+"Je weet niet," zei de koe, "dat ik al ééns zoo oud ben, als een koe
+gewoonlijk wordt, eer ze op de slachtbank wordt gelegd. Maar ik geef er
+ook niet meer om, of ik leef, nu zij me niet meer kan komen verzorgen."
+
+Ze zei een poos lang niets meer, maar de jongen merkte wel, dat ze niet
+sliep en niet at. Het duurde niet lang, of ze begon weer te praten.
+
+"Ligt ze op den grond?" vroeg ze.
+
+"Ja, dat doet ze," zei de jongen.
+
+"Ze had de gewoonte in de schuur te komen," ging de koe voort,
+"en over al haar zorgen te praten. Ik begreep, wat ze zei, al kon ik
+haar niet antwoorden. Deze laatste dagen sprak ze er telkens over,
+dat ze bang was, dat er niemand bij haar zou zijn, als ze stierf. Ze
+was er bang voor, dat niemand haar de oogen zou toedrukken, of de
+armen gekruist over de borst leggen, als ze dood was. Misschien wil
+jij dat wel gaan doen?"
+
+De jongen aarzelde. Hij herinnerde zich, dat toen Grootvader
+gestorven was, Moeder hem zorgvuldig neer had gelegd. Hij wist, dat
+dit gebeuren moest. Maar aan den anderen kant voelde hij, dat hij in
+dezen griezeligen nacht niet naar de doode durfde gaan. Hij zei niet:
+"neen"; maar hij deed ook geen stap naar de schuurdeur.
+
+Een oogenblik bleef de oude koe zwijgend staan, alsof ze op antwoord
+wachtte. Maar toen de jongen niets zei, herhaalde ze haar verzoek
+niet. Ze zweeg een poos, en toen begon ze over de vrouw te spreken.
+
+Er was veel van haar te vertellen. Allereerst van al de kinderen,
+die ze had grootgebracht. Ze waren immers elken dag in de schuur
+geweest, en 's zomers gingen ze met het vee naar 't moeras en langs
+de met boomen begroeide velden, zoodat de oude koe ze allen kende. Ze
+waren allen flink geweest en vroolijk en vlijtig. Een koe wist wel,
+of haar hoeders flinke menschen waren.
+
+En ook was er veel van de boerderij te vertellen. Die was niet altijd
+zoo armoedig geweest, als ze nu was. Die was heel uitgestrekt, maar
+het grootste deel bestond uit moerassen en steenachtige velden. Er
+was niet veel plaats voor akkers, maar er waren overal uitmuntende
+weiden. Er was een tijd geweest, dat de stallen vol koeien stonden,
+en de ossenstal, die nu leeg stond, vol ossen. En in 't huis en in de
+stallen woonden lust en vreugd. Als de vrouw de schuurdeur open deed,
+had ze geneuried en gezongen, en alle koeien hadden van genoegen
+geloeid, als zij haar hoorden komen.
+
+Maar de boer was gestorven, toen de kinderen zoo klein waren, dat
+ze nog niet konden werken, en de vrouw had de hoeve, en al 't werk,
+en de zorg moeten overnemen. Ze was sterk als een man geweest, en
+ze had geploegd en geoogst. 's Avonds, als ze in den stal kwam om
+te melken, was ze nu en dan zóó moe, dat ze schreide. Maar als ze
+aan haar kinderen dacht, werd ze weer blij. Dan veegde zij de tranen
+uit de oogen, en zei: "Dat is niets. Ik zal 't ook wel goed krijgen,
+als mijn kinderen groot worden. Ja, als ze maar eerst groot zijn!"
+
+Maar zoodra de kinderen groot waren, kwam er een wonderlijk verlangen
+over hen. Zij wilden niet thuis blijven, maar ze trokken weg naar
+vreemde landen. Hun moeder kreeg nooit hulp van hen. Een paar van de
+kinderen waren getrouwd, eer ze op reis gingen, en zij hadden hun
+kindertjes thuis achtergelaten. En die kleintjes liepen nu met de
+vrouw meê door de schuur, zooals hun eigen ouders gedaan hadden. Zij
+hoedden de koeien, en ze werden beste, flinke menschen. En 's avonds,
+als de vrouw zoo moe was, dat ze onder 't melken bijna insliep,
+werd ze weer welgemoed, als ze aan hen dacht. "Ik zal 't wel weer
+goed krijgen," zei ze, en wreef zich den slaap uit de oogen, "als ze
+maar eerst groot zijn."
+
+Maar toen die kinderen groot waren, vertrokken ze naar hun ouders in
+'t vreemde land. Geen van hen kwam terug, geen van hen bleef thuis. De
+oude vrouw bleef alleen op de hoeve achter. Zij vroeg hun ook nooit
+om bij haar te blijven.
+
+"Vind je, Rödlina, dat ik hun moet vragen bij mij te blijven, als ze
+de wereld in kunnen gaan en het goed hebben?" placht zij te zeggen,
+als zij in de schuur bij de oude koe stond. "Hier in Smaland kunnen
+ze niet anders dan armoe verwachten."
+
+Maar toen haar laatste kleinkind vertrokken was, had de vrouw geen
+kracht meer. Ze werd op eens gebogen en grijs, en ze wankelde onder
+'t loopen, alsof ze zich bijna niet meer verroeren kon. En ze werkte
+niet meer. Ze wilde de hoeve niet meer verzorgen, maar liet alles
+vervallen. Ze onderhield het huis niet meer, en ze verkocht de ossen
+en koeien. Het eenige, wat ze behield, was de oude koe, die nu met
+Duimelot stond te praten. Haar liet ze leven, omdat alle kinderen
+haar gekend hadden.
+
+Zij had wel meisjes en jongens in haar dienst kunnen nemen, die
+haar met het werk hadden geholpen, maar ze kon geen vreemden om zich
+heen verdragen, nu haar eigen familieleden haar hadden verlaten. En
+misschien had ze maar 't liefste, dat de hoeve achteruit ging, nu
+geen van de kinderen die overnemen zou. Zij gaf er niet om, of zij
+arm werd, doordat ze haar eigendom niet verzorgde. Maar ze was bang,
+dat haar kinderen zouden te weten komen, hoe moeilijk zij het had.
+
+"Als de kinderen 't maar niet hooren! Als de kinderen 't maar nooit
+hooren!" zuchtte ze, als ze door de schuur strompelde.
+
+De kinderen schreven dikwijls, en vroegen of ze bij hen wilde komen,
+maar dat wilde ze niet. Zij wilde het land niet zien, dat ze haar
+had afgenomen. Ze haatte het.
+
+"'t Is wel dom van me, dat ik niet van dat land kan houden, dat zoo
+goed voor hen was," zei ze. "Maar ik wil het niet zien."
+
+Ze dacht nooit aan iets anders, dan aan de kinderen, en dat ze
+waren weggegaan. Als het zomer was, bracht ze de koe naar buiten,
+om haar op het groote moeras te laten grazen. Zelf zat zij den
+heelen dag aan den kant van 't moeras, met de handen in den schoot;
+en als ze naar huis ging, zei ze: "Zie je Rödlina, als hier groote,
+vette akkers waren in plaats van dit onvruchtbaar moeras, dan hadden
+ze niet hoeven weg te gaan."
+
+Ze kon boos op dat moeras zijn, dat zich zoo ver uitbreidde, en geen
+nut deed. Ze kon zitten praten, alsof dat moeras er schuld aan had,
+dat haar kinderen van haar waren weggegaan.
+
+Den laatsten avond was ze zwakker geweest, en had meer gebeefd dan
+ooit te voren. Ze had het melken niet eens kunnen volhouden. Ze had
+tegen den muur geleund gestaan, en verteld, dat er twee boeren bij
+haar waren geweest om het moeras te koopen. Zij wilden het indijken,
+en dan bebouwen. Daar was ze bang en toch blij door geworden.
+
+"Hoor je wel, Rödlina?" had ze gezegd, "hoor je, dat ze zeiden, dat
+er rogge op 't moeras groeien kan? Nu zal ik de kinderen schrijven,
+dat ze thuis moeten komen. Nu hoeven ze niet langer weg te blijven. Nu
+kunnen ze hun brood hier thuis verdienen."
+
+Het was om dien brief te schrijven, dat ze naar huis was gegaan.
+
+De jongen hoorde niet meer, wat de oude koe vertelde. Hij had de
+schuurdeur open gedaan, en was de plaats over geloopen naar de kamer
+met de doode, waar hij zoo pas zoo bang voor was geweest.
+
+Eerst stond hij een poos stil rond te kijken.
+
+De kamer zag er niet zoo armoedig uit, als hij verwacht had. Die was
+rijkelijk voorzien van allerlei, wat men gewoonlijk vindt bij menschen,
+die familie in Amerika hebben. In een hoek stond een Amerikaansche
+schommelstoel, op de tafel voor het venster lag een bont pluche kleed,
+een mooie sprei lag over het bed, aan de wanden hingen de portretten
+van de kinderen en kleinkinderen, in mooie uitgesneden lijsten,
+op de commode stonden hooge vazen en een paar kandelaars met dikke,
+gedraaide kaarsen.
+
+De jongen zocht een lucifersdoos, en stak die kaarsen aan, niet omdat
+hij beter wilde zien, maar omdat hij dit een manier vond om de doode
+eer te bewijzen.
+
+Toen ging hij naar haar toe, drukte haar oogen toe, legde haar handen
+gekruist over de borst, en streek het dunne grijze haar uit haar
+gezicht. Het kwam niet meer in hem op om bang voor haar te wezen. Hij
+was er zoo innig bedroefd om, dat ze haar ouderdom in eenzaamheid en
+verlangen had moeten doorbrengen. Nu zou hij ten minste dien nacht
+bij haar lijk waken.
+
+Hij zocht in het gezangboek, en las een paar psalmen halfluid
+voor. Maar middenin hield hij op, hij dacht aan Vader en Moeder.
+
+Dat wist hij niet, dat ouders zóó naar hun kinderen kunnen
+verlangen! Dat had hij nooit geweten. Stel je voor, dat het leven
+voor hen voorbij is, als de kinderen weg zijn. Stel je voor, dat ze
+thuis op dezelfde manier naar hem verlangden, als deze oude vrouw
+naar haar kinderen!
+
+Hij werd blij bij die gedachte, maar hij durfde het niet gelooven. Hij
+was niet zoo geweest, dat iemand naar hem kon verlangen, maar wat
+hij niet geweest was, kon hij misschien worden.
+
+Om zich heen zag hij de portretten van hen, die waren heengegaan. 't
+Waren groote, sterke mannen en vrouwen met ernstige gezichten. 't Waren
+bruiden in lange sluiers, en heeren in fijne kleeren, en kinderen met
+krulhaar en mooie witte kleertjes aan. En hij vond, dat ze allen als
+blinden voor zich uit keken, en niet wilden zien.
+
+"Arme menschen!" zei de jongen tegen de portretten. "Jelui moeder is
+dood. Je kunt het niet meer goed maken, dat je van haar wegging. Maar
+mijn moeder leeft."
+
+Hier hield hij even op, en glimlachte.
+
+"Mijn moeder leeft," zei hij. "Vader en Moeder leven allebei!"
+
+
+
+
+
+
+XVI.
+
+VAN TABERG NAAR HUSKVARNA.
+
+
+De jongen zat bijna den heelen nacht klaar wakker, maar tegen den
+morgen sliep hij in, en droomde van Vader en Moeder. Hij kon ze
+bijna niet herkennen. Beiden hadden ze grijs haar en oude, gerimpelde
+gezichten gekregen. Hij vroeg waar dat van kwam, en zij antwoordden,
+dat ze zooveel ouder waren geworden, omdat ze zoo naar hem hadden
+verlangd. Hij was hierdoor bewogen en er over verbaasd, want hij had
+nooit anders gedacht, dan dat ze blij waren van hem af te zijn. Toen
+de jongen wakker werd, was de morgen aangebroken, met mooi helder
+weer. Hij at zelf eerst een stuk brood, dat hij in de kamer vond, gaf
+toen morgenvoer aan de ganzen en de koe, en deed de schuurdeur open,
+opdat de koe naar de naastbijliggende hoeve zou kunnen gaan. Als ze
+daar alleen aankwam, zouden de buren wel begrijpen, dat het slecht
+stond met haar eigenares. Ze zouden naar de verlaten hoeve gaan,
+om te zien, hoe het de oude ging, en dan zouden ze haar lijk vinden
+en haar begraven.
+
+Nauwlijks hadden de jongen en de ganzen zich in de lucht verheven,
+of ze kregen een hoogen berg in 't oog, met bijna loodrechte wanden
+en een recht afgebroken top, en ze begrepen, dat dit de Taberg moest
+wezen. En op den top van den Taberg stond Akka met IJksi en Kaksi,
+Kolme en Nelja, Viisi en Kuusi en alle zes de kleine gansjes hen
+op te wachten. Dat was me een blijdschap, en een gekakel, en een
+fladderen en roepen, dat niet te beschrijven was, toen zij zagen,
+dat het den ganzerik en Donsje gelukt was Duimelot te vinden.
+
+Langs de zijden van den Taberg groeide tamelijk hoog hout, maar boven
+op was de top kaal, en van daar kon men naar alle kanten uitzien. Keek
+men naar het oosten, het zuiden en het westen, dan was er bijna niets
+anders te zien, dan een armoedig hoogland, met donkere dennenbosschen,
+bruine moerassen, met ijs bedekte meren, en blauwe bergtoppen. De
+jongen kon niet laten te denken, dat het waar was, dat hij, die dat
+geschapen had, zich niet veel moeite had gegeven bij zijn werk, maar
+het in haast had uitgehouwen. Keek men daarentegen naar het noorden,
+dan was het iets heel anders. Hier zag het toen eruit, alsof het met
+de grootste liefde en zorg was gevormd. Naar dien kant kwamen louter
+mooie bergen te voorschijn, zacht glooiende dalen, en kronkelende
+stroomen, heel tot aan het groote Wettermeer toe, dat vrij van ijs
+en stralend helder daar lag te glanzen, alsof 't niet met water,
+maar met blauw licht was gevuld.
+
+'t Was juist dat Wettermeer, dat het uitzicht naar het Noorden zoo
+mooi maakte, omdat het scheen, alsof een blauwe schijn uit het meer
+was opgestegen, en zich ook over het land had uitgespreid. Bosschen
+en heuvels, daken en torenspitsen in Jönköping, die flauw te zien
+waren aan de oevers van het Wettermeer, lagen in een lichtblauwen
+gloed gehuld, dat het oog streelde. Als er landen in den hemel waren,
+zouden ze ook wel zoo blauw zijn, dacht de jongen, en hij meende,
+dat hij er nu een indruk van had, hoe het er in 't Paradijs uitzag.
+
+Toen de ganzen verder op den dag hun reis voortzetten, vlogen ze
+naar dat blauwe dal. Ze waren in 't allerbeste humeur, schreeuwden en
+waren rumoerig, zoodat ieder, die niet doof was, ze wel moest opmerken.
+
+Nu was het toevallig de eerste echt mooie lentedag, dien men in die
+streek gehad had. Tot nu toe had de lente haar werk verricht onder
+regen en wind, en toen 't nu op eens mooi weer werd, kwam er onder
+de menschen zulk een verlangen naar zomerwarmte en groene bosschen,
+dat ze moeite hadden aan hun werk te blijven. En als de wilde ganzen
+vrij en vroolijk hoog in de lucht voorbijvlogen, was er niet één,
+die niet ophield met wat hij deed, en ze nazag.
+
+De eerste, die de wilde ganzen dien dag zagen, waren de mijnwerkers op
+Taberg, die erts braken uit den bergwand. Toen ze hen hoorden kakelen,
+hielden ze op met het boren van hun loopgraven, en een van hen riep
+de vogels toe:
+
+"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?"
+
+De ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen boog zich over
+den ganzerug, en antwoordde in hun plaats:
+
+"Daarheen, waar geen houweel of hamer is!"
+
+Toen de mijnwerkers die woorden hoorden, meenden ze, dat het hun eigen
+verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.
+
+"Neem ons meê, neem ons meê!" riepen ze.
+
+"Van 't jaar niet, van 't jaar niet!" riep de jongen.
+
+De wilde ganzen vlogen langs de Tabergbeek naar het Munkmeer, en
+altijd door maakten ze hetzelfde spektakel. Hier op de smalle strook
+land tusschen het Munkmeer en het Wettermeer lag Jönköping met zijn
+groote fabrieken. De wilde ganzen vlogen eerst over de papierfabriek
+van 't Munkmeer. 't Was juist na den middagschafttijd, en de groote
+scharen arbeiders stroomden naar de fabriekspoort. Toen zij de wilde
+ganzen hoorden, bleven ze een oogenblik staan om te luisteren.
+
+"Waar ga jelui heen? waar ga jelui heen?" riep een arbeider. De wilde
+ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen antwoordde voor hen:
+
+"Daarheen, waar noch machines, noch stoomketels zijn!"
+
+Toen de arbeiders dat antwoord hoorden, meenden zij, dat het hun eigen
+verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.
+
+"Neem ons mee! Neem ons mee!" riepen ze.
+
+"Van 't jaar niet, van 't jaar niet!" riep de jongen.
+
+Daarna vlogen de ganzen over de wijdberoemde lucifersfabriek, die
+aan den oever van het Wettermeer ligt, groot als een vesting, en haar
+hooge schoorsteenen naar den hemel opsteekt. Geen mensch bewoog zich
+op de binnenplaatsen, maar in de groote zaal zaten jonge arbeidsters
+de lucifersdoosjes te vullen. Zij hadden een venster open, omdat het
+zulk mooi weer was, en daardoor hoorden zij het gekakel van de wilde
+ganzen. Zij, die het dichtst bij 't venster zat, keek eruit met een
+lucifersdoosje in de hand, en riep:
+
+"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?"
+
+"Naar dat land, waar geen kaarsen of lucifers noodig zijn," riep
+de jongen.
+
+'t Meisje meende wel, dat wat ze gehoord had, enkel ganzengekakel was,
+maar ze antwoordde: "Neem me meê! Neem me meê!"
+
+"Van 't jaar niet! Van 't jaar niet!" antwoordde de jongen.
+
+Ten oosten van de fabrieken verheft Jönköping zich op de heerlijkste
+plek, waar een stad maar kan liggen. Het smalle Wettermeer heeft
+hooge, steile, zandige oevers ten oosten en ten westen, maar vlak
+in 't zuiden zijn de zandmuren uitgebroken, als om plaats te maken
+voor een groote poort, waardoor men aan 't meer komt. En midden in
+die poort, met bergen links en rechts, met het Munkmeer achter en
+'t Wettermeer voor zich, ligt Jönköping.
+
+De ganzen vlogen over de lange smalle stad, en maakten 't zelfde
+spektakel daar als buiten op 't land. Maar in de stad antwoordde hun
+niemand. 't Was niet te verwachten, dat de stadsbewoners naar buiten
+zouden komen om de wilde ganzen na te roepen.
+
+De tocht ging verder langs 't Wettermeer en na een poosje kwamen de
+ganzen bij 't Sanatorium van Sanna. Eenige van de zieken waren op een
+veranda gegaan, om van de lentelucht te genieten, en zoo hoorden zij
+het ganzengekakel.
+
+"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?" vroeg een van hen met zulk
+een zwakke stem, dat het nauwlijks hoorbaar was.
+
+"Naar het land, waar geen verdriet of ziekte is!" antwoordde de jongen.
+
+"Neem ons mee!" zei de zieke.
+
+"Van 't jaar niet!" antwoordde de jongen. "Van 't jaar niet!"
+
+Toen ze nog een eind verder gevlogen waren, kwamen zij aan
+Huskvarna. Dat lag in een dal. De bergen stonden steil en fraai gevormd
+daarom heen. Een beek kwam van een hoogte naar beneden in lange smalle
+watervallen. Groote werkplaatsen en fabrieken lagen beneden aan de
+bergwanden; over den bodem van het dal lagen de arbeiderswoningen
+verspreid, door tuinen als bonte tapijten omgeven, en midden in het
+dal lag de school.
+
+Juist toen de wilde ganzen aan kwamen vliegen, luidde een klok, en
+een menigte kinderen marcheerden naar buiten, rij aan rij. Er waren
+er zooveel, dat het heele schoolplein vol werd.
+
+"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?" schreeuwden de kinderen.
+
+"Daarheen, waar geen boeken of lessen zijn!" antwoordde de jongen.
+
+"Neem ons meê!" schreeuwden de kinderen. "Neem ons meê!"
+
+"Van 't jaar niet! Van 't jaar niet!" riep de jongen, "maar later!"
+
+
+
+
+
+
+XVII.
+
+EEN GESCHIEDENIS UIT HALLAND.
+
+
+Tegen zonsondergang werden de ganzen moe en stil. Geen schertsend
+roepen werd meer gehoord. En de jongen zat, in herinneringen verdiept,
+op den rug van den ganzerik. Hij dacht aan een avond in Zuid-Halland.
+
+De wilde ganzen waren neergedaald op akkers, die daar even uitgestrekt
+en goed bewerkt waren als in Skaane, en toen hoorde hij hoe een
+Hallander aan een man uit Skaane de volgende geschiedenis vertelde,
+waaruit hij zou kunnen zien met hoeveel moeilijkheden de Hallanders
+te strijden hadden, eer zij hun land tot een welgesteld land hadden
+kunnen maken.
+
+Voor ongeveer honderd jaar lag in Zuid-Halland een oud landgoed,
+op een eenzame plaats, dicht bij de kust. Dat was met kleine, lage
+en ouderwetsche huizen bebouwd, met donkergrauwe rieten daken, en de
+groote kamer was zoo stokoud, dat ze dakvensters had.
+
+Het landgoed heette Brendane. Er hoorden groote landerijen onder,
+maar alleen de naaste omgeving van de huizen kon bebouwd worden. Het
+andere gedeelte bestond uit onvruchtbaar stuifzand. Ouden van dagen
+wisten te vertellen, dat om dat eenzame landgoed vroeger een heele
+stad moest hebben gelegen. Dat was in den tijd geweest, toen er
+nog veel bosschen in Halland waren, toen er zich geweldig groote
+wouden van eiken en beuken van de kust af tot heel aan de grens van
+Smaland uitstrekten. In die dagen had de stad met haar landerijen op
+een opengehakte plaats in 't bosch gelegen, en de boomen hadden er
+om heen gestaan en haar beschut. Maar toen was het bosch omgehakt,
+en niet alleen dat, wat het dichtste bij stond, maar de bosschen in
+de heele streek, ja in heel Halland waren vernield.
+
+Men zei, dat de boeren in Brendane er eerst blij om waren, dat ze van
+dat bosch af waren. Nu konden zij hun akkers steeds verder uitbreiden
+en hun vee laten weiden op open velden, waar het gemakkelijk kon
+worden gehoed. Dezen en genen klaagden er wel over, dat het nooit
+meer stil weer was, nu de boomen niet langer den wind tegenhielden,
+en anderen jammerden er over, dat ze heel naar Smaland om brandhout
+moesten. Maar toch was er niemand, die in ernst ontevreden was. Niemand
+dacht, dat het gevaarlijk kon zijn, dat het bosch weg was.
+
+Maar de stad Brendane lag, zooals hierboven gezegd is, vlak bij de zee,
+en de groote akkers strekten zich tot heel bij het water uit. En nu
+wordt er verteld, dat eenige jaren, nadat het bosch was omgehakt,
+de storm op een herfstdag een paar verdorde grasbosjes losrukte,
+beneden aan het strand. Onder 't gras lag fijn, licht zeezand. Dat
+bestond bijna uit niets anders dan mosselschelpen en slakkenhuisjes,
+die tot 't allerfijnste stof waren gemalen in den grooten molen
+van de zee. En ze werden door den wind opgenomen en begonnen rond te
+stuiven. Van dat oogenblik was het, alsof de wind het strand niet meer
+met rust kon laten. De grasbosjes droogden uit, nu het bosch de vocht
+niet meer vasthield, en ze werden, het eene na het andere door den
+wind weggerukt. Op die manier kwam er steeds meer zand voor den dag,
+dat meê ging met den storm. Het stoof op in de lucht, danste een poos
+rond, en viel neer in harde, witte wolken, ongeveer als fijne sneeuw.
+
+Toen de boeren in Brendane dat spelletje voor 't eerst zagen, vonden
+ze daar geen kwaad in. Maar het volgend voorjaar merkten ze, dat de
+akkers, die het dichtst bij de zee lagen, met zand waren bedekt.
+
+'t Was maar een dun laagje zand, en het scheen aan de vruchtbaarheid
+niet erg te hinderen. Maar die heele zomer werd buitengewoon droog en
+winderig. 't Koren kon niet groeien; 't verdorde en verschrompelde. De
+aarde lag onder de planten, droog als zwam, en iederen dag dreef de
+wind heele wolken omhoog, en voerde ze weg. Maar onder die dunne
+aardlaag lag weer dat lichte zeezand, fijn als meel, klaar om met
+den wind rond te dansen. En toen de zomer voorbij was, had de storm
+heele groote velden om meê te spelen. In de stad Brendane zaten de
+boeren en zagen, hoe hij de zandmassa's oplichtte, ze naar den hemel
+deed stuiven, ze rondwervelde en neergooide in hoopen en bergjes,
+die hij den anderen dag weer verplaatste en vervormde.
+
+Elk jaar verzandde de wind meer velden, en de boeren kregen telkens
+minder grond te bebouwen. Ze streden wel met het zand; ze zetten
+schuttingen, en maakten dijken, maar niets scheen te helpen. Als ze
+ploegden en egden, was het alsof ze den wind hielpen het zand op te
+zweepen, en als zij den grond met rust lieten, verzandde die zóó,
+dat er geen grassprietje groeien kon.
+
+En 't was niet genoeg, dat het stuifzand de akkers bedierf; er kwam
+geen eind aan den last, dien het gaf. 't Lag in hoopen op den drempel
+in den morgen, als men de huisdeur open deed; 't striemde de menschen
+in 't gezicht, als ze uitgingen, 't stoof door den schoorsteen en
+viel in het eten, en 't lag in zulke dikke lagen op wegen en paden,
+dat het rijden en loopen vreeselijk vermoeiend werd.
+
+Spoedig konden de stadsbewoners het niet meer uithouden. Na een paar
+jaar braken een paar van hen hun huizen af, en bouwden ze verder
+op het land weer op. Ieder voorjaar verhuisden er zoo eenigen, en
+eindelijk bleef er maar één hoeve over van de heele stad. Nu verwachtte
+men natuurlijk, dat ook die hoeve niet lang midden in de velden met
+stuifzand zou blijven staan. Maar dat deed ze toch. De boer, die de
+hoeve bezat, was een van die menschen, die zich niet laten wegjagen. 't
+Was niet, omdat hij de streek zoo liefhad, dat hij nergens anders zou
+kunnen aarden, dat hij niet van woonplaats wilde veranderen. Maar
+hij kon niet verdragen, dat hij gedwongen zou worden te verhuizen;
+hij wilde liever blijven, waar hij was, en het zand bestrijden.
+
+Later ging het zoo, dat zijn zoon en allen, die na hem in het bezit van
+den tuin kwamen, denzelfden aard hadden. Ze wilden er niet van hooren,
+dat het zand hen zou dwingen de hoeve te verplaatsen, zoolang zij nog
+een spa konden opheffen om het weg te graven. En 't was geen lichte
+strijd, dien zij te voeren hadden, vooral omdat niemand hun leerde,
+hoe zij dien voeren moesten. Niemand zei hun, hoe zij het zand moesten
+vastmaken, zoodat het stil bleef liggen. Zij vergenoegden zich met
+het zetten van omheiningen om de akkers heen, die het dichtst bij
+het woonhuis lagen, om ten minste die te kunnen bewaren.
+
+De menschen daar bekommerden er zich niet om, dat zij ter wille van
+hun hardnekkigheid in armoede moesten leven. Zij stelden boven alles
+hun onwil om zich te laten verdrijven. In plaats van de groote kudden,
+die ze vroeger bezaten, hadden ze nog maar een paar koeien en een
+enkel paard. Maar zoolang ze die onderhouden konden, waren ze nog
+bij machte, stand te houden.
+
+Wat hen steunde was het gevoel, dat zij in aanzien stegen door den
+strijd, dien ze voerden. De menschen vonden het flink, dat ze zich
+niet lieten verdrijven, en als de boer van Brendane zich op een
+volksbijeenkomst vertoonde, waren er altijd, die omkeken om den man
+te zien, die de kracht had het in het stuifzand vol te houden.
+
+Maar honderd jaar geleden, toen de strijd tusschen het zand en de
+menschen op zijn hoogst was, scheen het op eens, alsof het zand het
+zou winnen. De boer van Brendane stierf plotseling in de kracht van
+zijn leven, en de zoon, dien hij naliet, was niet ouder dan vijftien
+jaar, en kwam onder voogdij van zijn moeder. Dus nu was zij het,
+die den strijd tegen het zand moest voortzetten, en hoewel zij zich
+tot dien tijd toe goed had gehouden, was er niemand, die geloofde,
+dat ze volharding genoeg zou hebben, om tegen zulk een vijand te
+strijden. De zoon heette Sigurd. Hij leek op zijn moeder, die blond en
+mooi was. Hij scheen opgeruimd te zijn van aard, evenals zij, maar zoo
+lang zijn vader leefde, had deze al zijn bekommeringen met hem gedeeld,
+zoodat hij wel wat heel gedrukt was geworden en te ernstig voor zijn
+leeftijd. Hij kon het goed met zijn moeder vinden. Zij waren het er
+over eens, dat zij zouden probeeren het op Brendane uit te houden,
+en zich niet minder te toonen dan de vorige eigenaars.
+
+Toen de boer van Brendane een jaar dood was, kwam er een nieuwe
+knecht op de hoeve. Sigurd had hem niet gezien, voor hij in den
+herfst kwam. De huismoeder had hem op een bruiloft ontmoet, in den
+afgeloopen zomer, en zij had hem dadelijk gehuurd, zonder er met haar
+zoon over te spreken. De knecht heette Jan, hij was lang en tenger,
+zag bleek, en had sterk rood haar, en zwarte oogen. De moeder ontving
+hem bizonder vriendelijk. Toen hij kwam, was er groot feest aangericht:
+griesmeelkoek, versch brood, verschgekarnde boter, kaas, worst en
+brandewijn. Er lag een wit tafellaken op tafel, als op feestdagen. De
+jongen at akelig veel, en Sigurd vond het vreemd, dat hij toonen wou,
+dat hij hongerig op de hoeve kwam. Onder den maaltijd en daarna sprak
+hij onophoudelijk; zijn mond stond geen oogenblik stil. Hij was heel
+grappig, en de moeder en de dienstboden hadden allen zoo'n pleizier,
+dat ze soms slap van lachen waren.
+
+Sigurd keek hem aanhoudend aan, dien heelen avond, maar hij lachte
+niet.
+
+De knecht ging een oogenblik in den stal om het paard te verzorgen,
+en dat nam de moeder waar, om Sigurd te vragen, hoe hij den
+nieuwaangekomene vond. Sigurd wist, dat zijn moeder heel blij zou
+zijn, als hij antwoordde, dat hij met hem was ingenomen, maar dat
+kon hij niet over zich verkrijgen.
+
+"Is hij niet een Tater?" vroeg hij.
+
+"Hij!" antwoordde de moeder. "Waarom zou hij een Tater zijn? Weet je
+niet, dat de Taters donker zijn? En deze heeft immers rood haar."
+
+"Ja, maar hij heeft zilveren knoopen aan zijn vest."
+
+"Dat kan hij toch wel hebben, zonder een Tater te wezen," zei de
+moeder, en scheen verdrietig te zijn.
+
+De volgende dagen was Sigurd veel met den nieuwen knecht samen,
+en wat hij ook van zijn afkomst dacht, hij kon niet ontkennen, dat
+hij goed werkte. Hij was zoo flink, dat hij in één dag meer deed,
+dan de vorige knecht in vier. En hij was zoo gewillig, dat hij meer
+werk verrichtte, dan men van hem verwachtte. Niet alleen hakte hij
+brandhout klein in de schuur, maar hij bracht het ook in huis. Er
+was een luik in de schuur, dat jaren lang scheef aan een scharnier
+had gehangen, zonder dat iemand er op gelet had, maar nu werd het
+in orde gemaakt. Hij smeerde oude roestige sloten, zette ringen om
+het brouwvat, en stopte zorgvuldig de gaten in de schuttingen. En al
+'t werk ging onder scherts en gebabbel. 't Was niet te ontkennen,
+dat het veel gezelliger in huis was geworden, sinds hij gekomen was.
+
+Er stond een oude koffieketel op een plank in de groote kamer in
+Brendane, die al jaren lang niet gebruikt had kunnen worden. Op een
+dag vroeg Sigurd aan Jan, of hij dien niet in orde kon maken.
+
+"Ja, dat denk ik wel; laat hem mij maar eens zien," zei Jan.
+
+De huismoeder nam den ketel van de plank, en reikte dien Jan over,
+maar gaf hem meteen een wenk.
+
+Jan nam den deksel van den ketel, keek er in, en zette hem haastig
+weer neer.
+
+"Dien moeten we laten maken, als er eens Taters voorbij komen,"
+zei hij. "Er mankeert niets aan, dan dat hij vertind moet worden."
+
+Sigurd voelde een groote verlichting bij die woorden van Jan. Hij
+wist, dat alle Taters ketels en pannen konden vertinnen, en als Jan
+die kunst niet verstond, was hij zeker geen Tater. De jongen had
+niet kunnen laten zich aan den knecht te hechten, en hij was blij,
+dat Jan geen Tater was, zoodat hij op de hoeve kon blijven.
+
+Maar een paar dagen later werd Sigurd weer ongerust, want toen begon
+Jan viool te spelen. De huismoeder had er over gesproken, hoe vaak
+en hoe mooi zij in haar jeugd viool had hooren spelen. En toen had
+Jan zijn viool gehaald, en was begonnen te spelen. Eerst had hij
+langzaam en onzeker gespeeld, alsof hij die kunst niet goed verstond,
+maar op eens had hij 't hoofd achterover gebogen, zijn oogen waren
+begonnen te schitteren, en de strijkstok ging met kracht en vaart over
+de snaren. 't Bleek, dat hij een meesterlijk speler was. Toen hij
+goed aan den gang was, konden de vrouwen niet stil blijven zitten,
+maar begonnen te dansen. Sigurd daarentegen zat onbewegelijk, en
+luisterde maar. Hij had nooit te voren goed hooren spelen, en hij
+genoot zóó van de muziek, dat hij niet wilde dansen, maar alleen
+de muziek in zich opnemen. Maar terwijl hij daar zat te luisteren,
+overkwam hem iets vreemds. Een duistere herinnering dook in hem op,
+en verstoorde zijn genot. Hij zag voor zich een Tatertroep, zooals
+die gewoonlijk door het land trok. Ze kwamen hun hoeve binnen rijden:
+een paar groote wagens, die alleen met een paar hoopen vodden schenen
+geladen te zijn, en door ellendige, uitgehongerde paarden werden
+getrokken; en met de wagens kwamen lange, magere mannen, met gezichten
+vol schrammen en litteekens, leelijke vrouwen met geel vel, en een
+eindeloos aantal kinderen met zwarte oogen, die overal rondsprongen,
+en om alles bedelden, wat ze zagen. Vader was niet thuis geweest,
+en ze hadden Moeder bang gemaakt, en haar gedwongen hun alles te
+geven, wat ze begeerden. Ze had hun eten, brandewijn, hooi, wol en
+kleeren moeten geven, zoodat--toen ze eindelijk weg waren,--het huis
+als uitgeplunderd was. En dat alles kwam hem nu weer voor den geest,
+nu Jan speelde. Hij zocht zich aan die herinnering te ontworstelen,
+maar er was iets in die muziek, wat hem aan de schelle schreeuwende
+vagebondenstemmen herinnerde.
+
+Een paar dagen later kwam Sigurd haastig in de groote kamer, waar
+zijn moeder zat te spinnen.
+
+"Nu moet ik u zeggen, dat Jan toch een Tater is," zei hij.
+
+De moeder boog zich wat meer voorover, maar hield niet op met spinnen.
+
+"Neen, wat zeg je!" antwoordde zij. "Dat is een wonderlijk nieuwtje!"
+
+Er was iets in haar toon, alsof ze hem voor den gek hield.
+
+"Daar kwam zoo pas een wagen vol Taters voorbij, toen Jan en ik op
+de plaats stonden. Ze riepen Jan iets toe, en hij antwoordde hun."
+
+"'t Is toch zeker niet verboden met Taters te spreken," zei de moeder,
+en scheen niet het minste belang in dat bericht te stellen.
+
+"Neen, maar ze riepen hem iets toe in hun eigen taal, en hij
+antwoordde. Ik kon er geen woord van verstaan."
+
+"En nu denk je zeker, dat Jan, omdat hij de Tatertaal verstaat, nu
+ook zelf een Tater moet zijn," zei de moeder op den meest onbezorgden
+toon van de wereld, en zonder met haar werk op te houden.
+
+"Gelooft u het dan ook niet?" vroeg de jongen.
+
+Hij was er verbaasd over, dat de moeder dit zoo kalm opnam.
+
+"Moet u hem nu niet wegsturen?" vroeg hij weer, want hij had altijd
+gehoord, dat het onmogelijk was een Tater in dienst te hebben. Hij
+herinnerde zich de wanhoop van zijn vader, toen de Taters er geweest
+waren, en hij het huis uitgeplunderd had gevonden bij zijn thuiskomst.
+
+"Ik dacht, dat deze hoeve al genoeg te lijden had," zei hij. "Ik
+dacht, dat het zand al erg genoeg was. Moeten nu de Taters ook nog
+over ons komen."
+
+Later in den avond had de vader Sigurd bij zich geroepen.
+
+Hij had hem tusschen zijn knieën gezet, en was begonnen met hem over
+de Taters te spreken.
+
+"Onthoud nu wat ik je zeg," zei hij, "en vergeet dat nooit! Je moet
+er voor oppassen, dat je nooit iets met Taters te maken hebt. Want
+ze zijn niet als wij, en dat worden ze ook nooit. Ze hebben iets van
+wilden in zich, zoodat ze 't niet kunnen uithouden onder een dak te
+wonen, maar vaak langs den weg moeten zwerven. Ze kunnen nooit zoo tam
+worden, dat ze behoorlijk werk kunnen doen, maar ze willen leven van
+paarden ruilen en kaartspelen, als ze niet bedelen of kleinigheden
+stelen. En als een Tater ooit zoo ver komt, dat hij werkt, dan zul
+je zien, dat hij nooit wat nieuws maakt; hij zal alleen maar oude
+dingen oplappen en opknappen."
+
+Sigurd zag zijn vader duidelijk voor zich, zooals hij was, toen hij
+dat zei. Hij was heel ernstig geweest, en zijn woorden hadden zwaar
+en dreigend geklonken.
+
+"Onthoud nu, dat je nooit op een Tater vertrouwen moet, want ze
+hooren niet tot onzen stam, en ze zullen ons altijd in den steek
+laten! Ze zijn meer verwant met heksen en stroomgeesten dan met
+ons. Daarom kunnen ze beter voorspellen en vioolspelen dan wij,
+maar daarom kunnen ze ook nooit eerlijke christenmenschen worden. Ze
+lijken ook daarin op 't heksenvolk, dat ze graag de dorpen insluipen,
+en vleien en zich indringen, zoodat ze in dienst komen bij ons,
+boeren, en met onze dochters trouwen, en zoo landeigenaars worden;
+maar wee de familie, die er een in huis krijgt, want vroeg of laat
+krijgt de hekserij macht over hen! Ze kunnen nog zoo hun best doen,
+maar eindelijk verknoeien en bederven ze alles, en brengen ellende
+over allen, die op hen vertrouwd hebben."
+
+Sigurd stond zwijgend naast zijn moeder, en dacht aan dit alles. Zij
+zweeg ook, en aarzelde met haar antwoord.
+
+"'t Is het beste, dat u Jan zoo gauw mogelijk wegzendt," drong hij
+nog eens aan.
+
+Nu liet de moeder haar werk rusten; ze hief het hoofd op en zag Sigurd
+diep in de oogen:
+
+"Het kan mij niet schelen, van wat voor stam Jan is," zei ze. "Ik
+ga met hem trouwen. Aanstaanden Vrijdag gaan we naar den dominé en
+zullen aanteekenen."
+
+Sigurd werd ijskoud. Maar wat hem nu 't meest pijn deed, was, dat hij
+buiten alles was gehouden, en dat zijn moeder alles al bepaald had,
+zonder te vragen, wat hij er van dacht.
+
+"Als u alles al samen in orde hebt gemaakt, hoef ik ook niets meer
+te zeggen," barstte hij uit, keerde zich om, en wilde de kamer uitgaan.
+
+Maar toen hij de deur opendeed, stond hij tegenover den knecht. Jan
+kwam de kamer in met iets vreeselijk droevigs en sombers over zich. De
+meest hopelooze smart stond op zijn gezicht te lezen.
+
+"Ik hoor, dat Sigurd mij weg wil hebben, omdat ik een Tater ben,"
+zei hij, en ging op de huismoeder toe met uitgestrekte hand, als om
+afscheid te nemen. "Voor mij blijft niet anders over dan weer langs
+den weg te zwerven."
+
+"Je hoeft je aan Sigurd niet te storen," zei de huismoeder. "Ik
+heb hem gezegd, dat we van plan zijn naar den dominé te gaan om aan
+te teekenen."
+
+"Daar kunnen we niet aan denken," zei de knecht. Hij zonk op een bank
+neer, alsof hij geen kracht had zich op de been te houden, keek strak
+naar den vloer, en sloeg met de muts tegen de hand. "Het helpt niet,
+of je al probeert er uit te komen," zei hij. "Je kunt je uiterste
+best doen, je kunt het bloed uit je vingers werken, je wordt toch
+teruggestooten. Hij, die van boeren afstamt, kan nooit begrijpen, wat
+het zeggen wil, niets dan een vagebondenwagen te hebben geërfd. Voor
+mij is geen redding. Ik moet weer leven van paarden ruilen en ketels
+vertinnen."
+
+Nu kwam de huismoeder op den knecht toe.
+
+"Ik heb gezien, hoe je je best hebt gedaan," zei ze. "Ik geloof, dat
+Sigurd het ook heeft gezien. Ik denk, dat hij grootmoedig genoeg is
+om op je te vertrouwen."
+
+"Neen, dat kun je niet verlangen," zei de knecht.
+
+"Maar in ieder geval heb ik voorloopig te bevelen," ging de huismoeder
+voort.
+
+"Maar ik kan hier geen dag blijven tegen Sigurds wil," antwoordde
+Jan. "De hoeve is toch van hem, en 't zou maar verwijdering geven
+tusschen hem en u, als ik bleef."
+
+Er volgde een lange poos stilte, nadat Jan dit gezegd had. Sigurd
+begreep, dat zijn moeder nu verwachtte, dat hij Jan zou vragen te
+blijven, en zelf was hij zóó bewogen door zijn woorden, dat hij zéér
+geneigd was dat te doen. Maar toen dacht hij aan wat zijn vader van
+de Taters had gezegd, en hij voelde zulk een strijd en onrust in zijn
+hart, dat hij niets kon zeggen. Hij zou willen weten, of er ook onder
+de Taters niet een eerlijke, flinke man kon wezen, en of Jan niet
+een heel ander mensch was dan al de andere.
+
+Jan zat daar heel stil. Hij sloeg niet meer met de muts tegen de
+hand. Hij zat somber voor zich uit te staren, alsof hij een eindelooze
+ruimte vol ongeluk overzag.
+
+Toen verbrak de moeder de stilte.
+
+"Ik weet, wat je voor een man zou geworden zijn, als je hier bij ons
+had kunnen blijven," zei ze. "En ik wil niet, dat je weer in ellende
+zult verzinken. Daarom wil ik je volgen, waar je ook heengaat."
+
+"Dat moogt u nooit doen," riep de knecht dadelijk. "Zoudt u als de
+vrouw van een vagebond rondzwerven, u, die de vrouw van een boer
+is geweest!"
+
+"Daar moet ik maar aan wennen, als je vindt, dat je niet hier kunt
+blijven."
+
+"Neen, dat doe ik nooit," barstte de knecht uit. "Ik dank u, omdat
+u dat doen wilt! Maar ik wil u niet meesleepen in het ongeluk!"
+
+Sigurd zweeg nog altijd. Maar nu begon hij zich bijna over zichzelf te
+schamen. De beide anderen waren bereid tot al, wat goed en edel was,
+en hij was hard en wantrouwend.
+
+Eindelijk stond de Tater op, ging op Sigurd toe, en reikte hem de hand.
+
+"Goeden dag dan, Sigurd!" zei hij. "Je moet niet denken, dat ik boos op
+je ben. Je hebt zeker zóó veel kwaad van ons, Taters, gehoord, dat ik
+wel begrijpen kan, dat je geen goeds verwachten kunt van een van ons."
+
+Sigurd nam zijn hand niet aan, en zei ook niets. Hij was nu zóó
+overweldigd door hun edelmoedigheid, en zóó beschaamd over zijn eigen
+hardheid, dat hij voelde, dat hij op het punt stond in tranen uit
+te barsten.
+
+Maar hij wilde niet, dat iemand hem zou zien schreien, en hij vloog
+naar de deur. Maar al in de gang verloor hij zijn zelfbeheersching,
+en hij schreide luid.
+
+Den volgenden dag was Sigurd heel stil, en sprak niet. Hij zat op den
+eiken drempel van het voorhuis, zonder iets te doen. Jan was bezig
+op de hoeve, en de jongen volgde hem met de oogen, maar hij ging niet
+naar hem toe. Jan riep hem bij zich, en sprak vriendelijk en opgewekt
+tegen hem, zooals gewoonlijk. Sigurd was daar blij om, en van toen af
+was hij den heelen dag bij hem. Zijn moeder was ook vriendelijk voor
+hem, maar daar scheen hij niet zooveel om te geven. 't Was alsof hij
+iemand was, die niet meer dan één te gelijk kon liefhebben, en alle
+liefde, die hij vroeger voor zijn moeder had, scheen hij nu op Jan
+overgedragen te hebben.
+
+'t Was duidelijk, dat Sigurd zich niet meer tegen het huwelijk
+verzette. Het werd afgekondigd, en de bruiloft werd gevierd, zooals
+het plan was. 't Was een stille bruiloft. Alleen de naaste buren waren
+genoodigd, en niemand van Jans familie. Jan zelf was heel ernstig,
+hij voegde zich niet bij de jongelui, maar zat rustig te praten met
+oudere mannen. De menschen begonnen goed over hem te denken, en op
+weg naar huis, na de bruiloft, zeiden enkelen, dat het misschien toch
+mogelijk was, dat een Tater een behoorlijk, arbeidzaam man kon worden.
+
+Toen Jan een paar weken getrouwd geweest was, begonnen hij en Sigurd
+op een dag een nieuwen put te graven. Toen zij dieper in den grond
+groeven, vonden ze verscheidene verschillende aardlagen. Bovenop
+lag een dunne korst vruchtbare aarde daaronder een laag zeezand, en
+daaronder grof grint en klei. Nu en dan stootten ze op oude messen en
+sleutels, die jaren geleden in den grond begraven waren; hoe verder
+'t werk kwam, hoe meer plezier zij er in kregen. Ze spitten zoo hard
+ze konden, om te zien wat ze nog meer zouden vinden, en schertsten
+er samen over, dat ze nog wel goud en zilver zouden opgraven. Toen
+ze nog een paar el dieper waren gekomen vonden ze weer zeezand,
+en daaronder een nieuw soort klei. Zoodra Jan die zag, gaf hij een
+schreeuw, boog zich neer, en nam er wat van op, dat hij tusschen de
+vingers kneep. Eindelijk proefde hij het ook.
+
+"Zei ik het niet, dat we goud zouden vinden!" barstte hij uit.
+
+"Wat heb je dan gevonden?" vroeg Sigurd.
+
+"Ik zeg niets, voor ik zeker van mijn zaak ben," antwoordde de Tater.
+
+Op datzelfde oogenblik kwam de huismoeder en riep Jan.
+
+"Je moet boven komen, en mij helpen, Jan," zei ze.
+
+Jan en Sigurd keken tegelijk over den rand van de put, en zagen,
+dat een paar gewone vagebondwagens de hoeve waren opgereden. De
+bronskleurige mannen met schrammen en litteekens in 't gezicht,
+de leelijke vrouwen en de schreeuwende, woeste kinderen waren er
+ook. Sigurd werd bang, toen hij ze zag, en hij meende, dat ook Jans
+gezicht somber werd.
+
+"Kun je ze niet wegjagen, Jan?" vroeg de huismoeder bekommerd.
+
+"Dat gaat niet best," zei Jan lachend. "'t Zijn Vader en Moeder,
+en mijn broers en zusters, die komen zien, hoe 't me gaat."
+
+Hij sprong uit de groeve, en ging de aangekomenen te gemoet. Er was
+nog iets aarzelends over zijn houding, maar hoe dichter hij bij zijn
+familie kwam, hoe harder hij liep, en toen hij midden tusschen hen
+in stond, sloeg hij de armen uit, en deed een uitroep, als iemand,
+die uit een gevangenis gekomen is. Hij werd zoo uitgelaten blij,
+dat hij allerlei dwaasheden beging.
+
+Met een sprong stond hij op den rug van een van de paarden, balanceerde
+daar een poosje, en vloog weer naar beneden. Hij begon te worstelen
+met zijn oudsten broeder, en een oogenblik daarna was hij midden in
+den kindertroep, wierp zich op den grond, en stoeide met al dat wilde
+jonge goed.
+
+'t Was den heelen dag feest. Jan deed bijna niet anders dan
+vioolspelen. 't Werd een groot drinkgelag, maar Jan dronk zelf niet
+veel; hij speelde alleen maar. Tegen den avond begon het dansen,
+en Jan danste meê, maar hij speelde ondertusschen door.
+
+Sigurd zat in de kamer. Hij vond de andere Taters even akelig als
+vroeger, maar hij kon den lust niet weerstaan naar Jan te kijken,
+en hem te hooren spelen. En hoe langer hij luisterde, hoe lichter en
+zorgeloozer hij zich voelde. 't Was, alsof hij nu voor 't allereerst
+begon te begrijpen, dat het leven prettig kon zijn. 't Had hem altijd
+gedrukt en bezwaard, dat hij met het zand moest strijden,--hij,
+evenals zijn voorvaderen,--dat hij de hoeve moest zien in stand te
+houden,--hij, evenals zij--maar omdat je eens een enkelen keer blij
+was, hoefde je de hoeve toch niet te vergeten.
+
+Later liep het zoo vreemd, dat Jan, de Tater, er nooit weer aan
+toe kwam den put verder te graven. Den volgenden dag, toen zijn
+familie vertrokken was, ging hij slapen, en toen hij laat op den
+middag wakker werd, stond daar een man met een boodschap van den
+rijksten boer in de gemeente. 't Was een verzoek, of Jan hem wou
+komen helpen. Hij zou de bruiloft van zijn dochter vieren, maar
+de speelman, dien hij aangenomen had, was ziek geworden, en nu had
+hij het huis vol menschen, die er naar verlangden te kunnen dansen,
+maar er was geen speelman. Jan ging meê en Sigurd ook. Zij bleven
+drie dagen weg. Toen ze terugkwamen, waren ze moe en lusteloos,
+en konden niet aan het werk komen. Sigurd had gedanst en gedronken,
+meêgedaan aan allerlei spelen en geschertst. Hij liep rond als in een
+roes, en kon maar niet bekomen van zijn verbazing over de ontdekking,
+dat het leven zóó heerlijk kon zijn.
+
+'t Scheen wel voorbeschikt, dat telkens, als zij er over spraken,
+weer aan den put te beginnen, er gasten moesten komen. Meestal
+waren het familieleden van Jan. Hij scheen verwant te zijn aan alle
+Taters, die in Halland woonden, en allen ontving hij zoo goed, als
+hij maar kon. Dat verminderde den voorraad in de provisiekamer en
+op den korenzolder niet weinig, en als Jan met zijn vrouw en Sigurd
+alleen was, klaagde hij er over, dat zijn eigen familie hem aan den
+bedelstaf bracht. Maar als ze kwamen, aarzelde hij nooit ze met de
+meeste gastvrijheid te ontvangen. Nu en dan verleidden ze hem tot
+kaartspelen, en eens gelukte het een Tater met spelen een koe van
+hem te winnen. Aan zijn vrouw en Sigurd zei hij, dat hij de koe had
+verkocht, maar door anderen kwamen zij te weten, hoe het eigenlijk
+gegaan was.
+
+De koe was zoowat alles, wat Sigurd bezat, en toen hij hoorde, dat
+Jan haar verspeeld had, werd hij heel boos. 't Was alsof dit opeens
+zijn oogen opende, zoodat hij zag, hoe het met de hoeve stond.
+
+Brendane was immers al zoo arm, dat de grootste spaarzaamheid noodig
+was om daar te kunnen leven. Maar nog armer was het geworden onder het
+beheer van Jan, den Tater. 't Kwam Sigurd voor, dat het heele laatste
+jaar als in een droom was voorbijgegaan. Nu zag hij, hoe de akkers
+verzand waren. Er was er nauwelijks meer een, die bruikbaar was. In
+'t voorjaar had Jan in 't kale zand gezaaid, en maar een paar halmpjes
+waren opgekomen. Heel Sigurds vaderlijk erfdeel was bijna verspild.
+
+Sigurd ging de kamer binnen, om met Jan te spreken, maar Jan stond te
+spelen; en Sigurd kwam er niet toe zijn spel af te breken, maar zat met
+een bezwaard hart te luisteren. Zooals altijd werd hij langzamerhand
+kalmer, toen hij Jan hoorde spelen. Hij dacht aan het strenge, zware
+leven, dat zij hadden geleid, vóór de Tater in huis was gekomen,
+en hij vroeg zich af, of hij zelf dat opnieuw zou willen beginnen.
+
+Plotseling hield Jan met spelen op.
+
+"Zeg me nu één ding, Sigurd," zei hij met ongewoon vriendelijke
+stem. "Wil je, dat ik wegga, en jou en wat je bezit, met rust laat?"
+
+Sigurd was heelemaal verbluft, want hij had er juist over zitten
+denken, hoe hij hem wegkrijgen zou. Hij kon niet antwoorden.
+
+"Zeg maar één enkel woord, als je me kwijt wilt wezen," zei Jan.
+
+Toen voelde Sigurd, dat zijn hart ineenkromp bij de gedachte, dat
+Jan en hij zouden scheiden.
+
+"Neen, ik wil liever, dat je hier blijft," zei hij.
+
+"Stel mij er dan niet verantwoordelijk voor, hoe het met je erfdeel
+gaat," zei Jan, "want wat ik je nu aanbood, was eerlijk gemeend."
+
+Het duurde ook niet heel lang, voor de tijd kwam, dat Sigurd er met
+den vagabondwagen op uit moest trekken. Er was geen eten meer in de
+provisiekamer, geen volk meer in de dienstbodenkamer, geen koe in
+de schuur.
+
+Er was niets meer dan een boerenwagen en een paard, want dat had Jan
+niet weg willen doen. Toen ze op een dag niets meer hadden om van te
+leven, spande Jan het paard voor den wagen, laadde dien vol potten en
+pannen, oude dekens en kussens, en legde er ook zijn werktuigen voor
+'t vertinnen in. Eindelijk riep hij zijn vrouw. Ze kwam naar buiten
+met een kindje op den arm, en ging op de lading zitten.
+
+Sigurd had geen deelgenomen aan al die toebereidselen. Hij zat er
+onbewegelijk naar te kijken, hoe de anderen zich klaar maakten voor
+de reis.
+
+"Hoe het ook gaat, ik zal de hoeve niet verlaten," dacht hij. "Al
+zou ik hier doodhongeren, ik zal hier blijven tot het laatste toe."
+
+Zijn moeder en Jan schenen het ook als een uitgemaakte zaak te
+beschouwen, dat hij zou achterblijven. Geen van hen sprak er ook
+meer een enkel woord over, dat hij meê zou gaan. Maar al naarmate het
+oogenblik van hun vertrek naderde, voelde Sigurd zich meer ellendig en
+beklemd. Hij liet hen toch afscheid nemen en van de hoeve wegrijden,
+zonder zich te bewegen. Toen de wagen het hek uit reed, kwam de
+angst voor de eenzaamheid met alle kracht over Sigurd, en hij greep
+met beide handen de bank vast, waar hij op zat, om zich te bedwingen
+en hen niet achterna te vliegen. Op dat zelfde oogenblik keerde Jan
+zich nog eens om, en zag Sigurd aan. Sigurd stond op, en toen Jan dat
+merkte, begon bij hem te wenken. En met een paar groote sprongen was
+Sigurd bij den wagen en er boven op.
+
+Daarna ging Sigurd een paar jaar meê met Jan op zijn reizen door
+het land. Ze trokken meestal op deze manier voort, dat Jan en Sigurd
+naast den wagen liepen, maar de vrouw en het kind reden. Als ze in de
+nabijheid van een hoeve kwamen, hielden zij stil aan den kant van den
+weg. Sigurds moeder ging dan naar 't huis, en bedelde om eten en koren,
+en vroeg of er ook koperen ketels waren, die vertind moesten worden,
+maar de mannen bleven bij den wagen. Het moeilijkst was des nachts
+onder dak te komen. Vaak waren ze gedwongen onder den blooten hemel
+te overnachten, maar daar wenden zij ook spoedig aan. Waar er maar
+markt gehouden werd, of het diep in Smaland was, of ver in 't Zuiden
+in Skaane, zij zorgden, dat ze er bij waren. Dan ontmoetten ze heele
+troepen van de andere zwervers, en in hun gezelschap leefden ze dan
+een lustig leventje, dagen lang: Jan dronk veel op zulke marktdagen,
+en Sigurd wende zich ook aan het drinken. Om en bij Kerstmis, als het
+al te koud werd, hielden ze gewoonlijk met zwerven op, en keerden
+naar Brendane terug. Daar bleven zij zoolang er nog iets over was
+van de levensmiddelen, die ze op reis hadden bijeengebedeld. Daarna
+trokken zij er weer op uit.
+
+Dit leven hadden de Taters geleid van den tijd af, dat ze in
+Zweden waren gekomen, en Jan begeerde niets beters dan dat voort te
+zetten. Hij zei nu telkens, dat het een dwaasheid van hem was geweest,
+te probeeren zich ergens te vestigen. Hij moest vrij zijn; hij moest
+ten allen tijde kunnen gaan, waar hij wilde.
+
+Het scheen ook, alsof zelfs Sigurd tevreden was, en of de vriendschap
+tusschen hem en Jan steeds even groot bleef. Toch was er een en
+ander, dat er op wees, dat Sigurd door een innerlijke onrust werd
+verteerd. Hij dronk veel; niet als iemand, die van drinken houdt, maar
+alsof hij alleen dronk om een groot verdriet te dempen. Hij was ook
+prikkelbaar geworden, en de minste aanleiding kon hem hevig boos maken.
+
+Terwijl ze heen en weer trokken door Halland, zagen ze vaak groote
+velden stuifzand, en dan werd Sigurd altijd zwaarmoedig. Op een dag,
+toen ze over zulk een eindeloos zandveld trokken, zei Jan:
+
+"Hier was vroeger bosch. Dat heb ik mijn vader hooren vertellen. 't
+Is toch vreemd, dat alles zoo verwoest kon worden."
+
+"De menschen, die tegen het zand hadden moeten strijden, zijn zeker
+weggegaan, en hebben 't land aan zijn lot overgelaten," antwoordde
+Sigurd bitter.
+
+"Denk je dat?" zei Jan heftig. "Dan wil ik je wel zeggen, dat je naar
+huis kunt gaan en 't zand van je akkers halen. Niemand houdt je hier."
+
+"Je weet wel, dat ik niet meer naar huis kan gaan om te werken,"
+zei Sigurd weer. "Ik ben nu bijna een even goede Tater als jij. Ik
+houd van brandewijn en kaartspelen, en ik wil niets uitvoeren. Ik
+ben nu heelemaal, zooals je me hebben wilt."
+
+Op een anderen dag waren zij op een weg gekomen, die langs den kant
+van een groot zandvlek liep. Hier had men geprobeerd het zand vast
+te leggen en er waren een massa denneboompjes gezaaid. Een daarvan
+groeide vlak aan den kant van den weg, en toen Jan er voorbij kwam,
+schopte hij het om met zijn voet.
+
+"Wat doe je daar?" vroeg Sigurd scherp. Hij fronste het voorhoofd,
+en zag er uit, alsof hij lust had den Tater aan te vallen.
+
+"Ik schop dat plantje om, en ik zou grooten lust hebben al die andere
+ook om te schoppen."
+
+"Wat zou je daar nu aan hebben?" vroeg Sigurd.
+
+"Ik weet niet hoe het komt," zei Jan, "maar in de landen, waar groote,
+kale velden zijn en wijde open heiden, daar zijn de Taters graag. Maar
+waar de boeren vooruit komen, en zaaien, en zich vestigen, daar kunnen
+wij het op den duur niet uithouden."
+
+"Dat kan wel wezen," zei Sigurd "maar je zult toch dat denneboompje
+weer in den grond zetten."
+
+Jan scheen bijna niet te begrijpen, wat hij bedoelde. Hij stond maar
+voor zich uit te kijken.
+
+"Zet dat weer in den grond, anders zul je eens zien, wat er gebeurt,
+als ik meerderjarig word!" schreeuwde Sigurd.
+
+Jan bukte zich, en zette het boompje weer in den grond. Toen hij
+opstond zag hij Sigurd aan met een valsche uitdrukking op zijn gezicht,
+maar hij zei niets.
+
+Sigurds buren verwonderden er zich sterk over, dat hij, die van
+zulk een goede familie was, het bij de Taters kon uithouden, en
+velen verwachtten, dat hij van hen zou weggaan, als hij meerderjarig
+werd. Maar als dat zijn bedoeling geweest was, kon hij die toch niet
+ten uitvoer brengen, want op denzelfden dag, dat hij meerderjarig werd,
+nam men hem gevangen voor diefstal. Hij was met zijn moeder en Jan
+op een gewonen zwerftocht uit, en des morgens had Jan Sigurd gewekt,
+en hem gevraagd dien dag den wagen voor hem te rijden, omdat Jan op
+een feest moest spelen bij den dans.
+
+"Als je niet al te hard rijdt, zal ik je morgen wel bijtijds inhalen."
+
+Sigurd liep over allerlei te denken dien dag, terwijl hij zoo langs
+den weg stond. Vroeger had hij zichzelf probeeren wijs te maken, dat
+hij het werk van zijn vader weer zou opnemen, als hij meerderjarig
+werd, maar nu voelde hij, dat hij er geen kracht toe had. De heele
+hoeve lag nu onder het zand, geen voetbreed grond was meer vrij,
+en om het woonhuis lagen de zandhoopen hoog tegen den muur op. Hij
+begreep niet wat hij thuis nog zou uitvoeren. Wat hielp het, werk te
+verspillen aan een hopelooze zaak?
+
+Nauwelijks had Sigurd besloten de hoeve aan haar lot over te laten,
+of hij werd door een paar vreemde mannen aangeroepen. Hij hield stil,
+en ze kwamen naar hem toe, en bekeken zijn paard. 't Was een nieuw
+paard. Jan was er den vorigen avond meê aangekomen, en had Sigurd
+gezegd, dat hij het van een boer in Frilles-aas had gekocht. Nu
+bleek het, dat het paard gestolen was, en Sigurd, die er meê reed,
+werd gevangen genomen als paardendief.
+
+Sigurd werd niet erg ongerust over die aanklacht. Hij kon een heele
+massa menschen als getuigen aanroepen, dat hij den vorigen dag niet
+in Frilles-aas was geweest. Hij ging zonder tegenstand in arrest,
+en was er zeker van, dat hij zou worden vrijgesproken, zoodra zijn
+zaak behandeld werd.
+
+'t Eerste wat Sigurd zag, toen hij de rechtszaal binnen kwam, was Jan,
+die daar midden tusschen een heele bende Taters zat.
+
+"Jan is hier gekomen om mij te helpen," dacht hij, want hij wist,
+dat al die mannen gezien hadden, waar hij was geweest op den dag,
+dat de diefstal had plaats gehad. Maar toen later de getuigen werden
+opgeroepen en getuigenis aflegden, bleek het, dat de een na den
+ander hem had gezien op den weg naar Frilles-aas, ja zelfs vlak bij
+de stad. Velen waren hem midden in den nacht tegengekomen, toen hij
+met het gestolen paard was komen aanrijden.
+
+Jan zelf hoefde niet te getuigen, maar Sigurd verwachtte aldoor,
+dat hij op een of andere manier zou ingrijpen, en een eind aan al
+die onwaarheid maken. Maar Jan deed niets om hem te hulp te komen; en
+naarmate de zaak bedenkelijker voor Sigurd werd, kreeg Jans gezicht
+meer en meer een uitdrukking van diepe smart. Eens ontmoetten hun
+oogen elkaar, en toen zag Jan Sigurd aan, zooals een goede vader een
+ontaarden zoon aanziet, die op den verkeerden weg gekomen is.
+
+Toen Sigurd dien blik ontmoette, was hij eerst als versteend, maar
+kort daarna speelde er een glimlach om zijn lippen. Hij had gezien,
+dat alles wat er op Jans gezicht te lezen stond, leugen was. Hij had
+gezien, dat Jan blij was; dat het Jan was, die hem had doen gevangen
+nemen, en dat Jan bewerkte, dat hij veroordeeld werd.
+
+Maar het vreemde was, dat toen Sigurd dit alles helder inzag, er een
+gevoel van blijdschap door zijn heele ziel ging. Hij was verbaasd
+over zichzelf, omdat hij het zoo voelde. Hij begreep, dat hij tot
+verscheidene jaren dwangarbeid zou worden veroordeeld, maar hij voelde
+zich als iemand, die de vrijheid terugkrijgt.
+
+Toen Sigurd naar de gevangenis teruggebracht en daar alleen gelaten
+was, voelde hij, dat hij plotseling een ander mensch was geworden. Van
+het oogenblik af, dat hij Jan, den Tater, doorzien had, en 't hem
+duidelijk geworden was, dat hij in 't diepst van zijn ziel valsch en
+hard was, werd hij uit een jarenlange betoovering verlost. Hij was
+in de macht van een ander geweest, en er was vreugde in zijn ziel,
+omdat hij nu weer vrij zou zijn. Maar op 't zelfde oogenblik, dat
+hij op die manier wakker werd, zag hij ook zichzelf, zooals hij was
+geweest, en hij schrikte daar hevig van.
+
+Toen Sigurd de volgende keer voor het gerecht werd gebracht,
+trachtte hij zich nauwelijks te verdedigen. Wat kwam het er op aan,
+of hij schuldig was aan den paardendiefstal. Hij voelde zich toch als
+een groot misdadiger. Hij was in een stemming, dat hij graag lijden
+wilde. En hij was er blij om, dat hij op deze manier werd gescheiden
+van al het oude, van alles, wat hem had verlokt en verleid. Toen
+het vonnis werd uitgesproken, dacht hij er nauwelijks aan, wat het
+eigenlijk inhield. Op hetzelfde oogenblik stond hij daar zichzelf te
+veroordeelen tot levenslangen dwangarbeid. Hij wilde den strijd van
+zijn voorvaderen weer opnemen, hoe hopeloos die ook scheen.
+
+En werkelijk kwam eenmaal de dag, dat Sigurd naar huis terugkeerde,
+en 't werk begon. Hij richtte het zoo in, dat hij 's winters naar
+Skaane trok, als dorscher, en in 't voorjaar kwam hij weer thuis
+met zooveel levensmiddelen, dat hij op Brendane kon blijven tot den
+herfst. Hij probeerde helm en dennen te planten om het zand vast te
+leggen; hij vorderde niet veel, maar werkte onverdroten, zooals hij
+zichzelf had opgelegd te doen.
+
+Op een dag kwam hij op de gedachte, dat het goed zou zijn een put in
+de buurt te hebben, en hij begon die te graven, ongeveer op dezelfde
+plaats, waar Jan en hij eens hadden gewerkt. Toen hij een paar el diep
+gekomen was, vond hij een mergellaag. Hij had in Skaane geleerd waar
+mergel goed voor is, en hoewel hij nu een heel stil man was geworden,
+raakte hij opgewonden van vreugd. Nu wist hij, dat hij niet alleen het
+zand zou overwinnen, maar dat hij het ook vruchtbaar maken zou. Nu
+was het gedaan met den dwangarbeid; nu kwam er een werken met hoop
+en vreugd. Hij zag zich al in gedachten als eigenaar van een groote,
+rijke hoeve.
+
+Op eens herinnerde hij zich toen, hoe Jan en hij hadden gespit om
+een put te maken, en dat Jan een stuk klei had opgenomen en gezegd,
+dat hij goud had gevonden.
+
+"Hij wist dat van den mergel," dacht Sigurd. "Hij heeft het aldoor
+geweten. En hij wilde liever als bedelaar rondzwerven, dan thuis
+blijven en ons allen rijk maken."
+
+Maar die gedachte wekte bij hem haat noch bitterheid, maar alleen
+diep medelijden. Nu begreep hij, dat de Tater niet had kunnen denken
+en handelen, zooals hij had behooren te doen.
+
+
+
+
+
+
+XVIII.
+
+HET GROOTE VOGELMEER.
+
+
+JARRO, DE WILDE EEND.
+
+
+Ten oosten van het meer Wettern ligt het Takermeer. Daaromheen strekt
+zich het groote, vlakke land van Oost-Gothland uit.
+
+'t Takermeer is vrij groot, en nog grooter schijnt het vroeger geweest
+te zijn. Maar toen vonden de menschen, dat het een al te groot gedeelte
+van de vruchtbare vlakte bedekte, en zij probeerden het water uit te
+malen, om op den bodem van het meer te kunnen zaaien en oogsten. Het
+gelukte hun niet het geheele meer te verleggen, zooals ze eerst wel
+gewild hadden: nog altijd bedekt het een groot stuk land. Maar na dit
+uitmalen is het meer zoo ondiep geworden, dat bijna nergens meer dan
+een meter water staat. De kusten zijn moerassig en modderig geworden,
+en overal steken kleine slik-eilandjes boven den waterspiegel uit.
+
+Nu is er iemand, die graag met de voeten in 't water staat, als hij 't
+hoofd en 't lichaam maar boven water houden mag en dat is het riet. Dat
+kan geen beter groeiplaats vinden, dan de groote, slikkige Takerkust
+en de slikeilandjes daarom heen. Dat tiert daar zóó goed, dat het meer
+dan manshoog wordt, en zóó dicht, dat het bijna onmogelijk is er met
+een boot door te komen. Het vormt een breede ondoordringbare, groene,
+omheinde strook om het geheele meer, zoodat het alleen op enkele
+plaatsen toegankelijk is, waar menschen het riet hebben weggenomen.
+
+Maar al sluit het riet den weg voor de menschen af, het geeft
+daarentegen een schuilplaats aan allerlei andere wezens. Tusschen het
+riet zijn veel plasjes en kanalen, met groen, stilstaand water, waar
+kroos en de waterkolf tiert, en waar muggenlarven, jonge visschen
+en klompen wormen in eindelooze massa's geteeld worden. En aan de
+kanten van die plasjes en kanalen zijn er een menigte goed verborgen
+plaatsjes, waar de vogels hun eieren kunnen uitbroeden en hun jongen
+opvoeden, zonder door vijanden gestoord, of door zorgen voor hun
+voedsel gekweld te worden.
+
+Er wonen ook een verbazend aantal vogels in het riet van 't Takermeer,
+en nog vele komen er jaarlijks bij, naar mate 't meer bekend wordt,
+wat een heerlijk verblijf het is. De eerste, die er zich vestigden,
+waren de wilde eenden, en die wonen er nog bij duizenden. Maar ze
+bezitten niet meer het heele meer. Ze hebben het moeten deelen met
+zwanen, kleine duikers, zwarte waterhoenders, lepeleenden en nog een
+heele massa anderen.
+
+Het Takermeer is zeker het grootste en mooiste vogelmeer, dat er in
+het heele land te vinden is, en vogels moeten zich gelukkig voelen,
+zoolang ze zulk een toevluchtsoord hebben. Maar het is niet zeker,
+hoelang ze de heerschappij over de rietvelden en de slikplekken
+zullen behouden, want de menschen kunnen niet vergeten, dat het meer
+zich uitstrekt over een groot stuk goed en vruchtbaar land, en keer
+op keer doen ze elkaar voorstellen om het droog te maken. En als
+die voorstellen werden uitgevoerd, zouden al die duizenden vogels
+gedwongen zijn uit de buurt te vertrekken.
+
+In den tijd, toen Niels Holgersson rond reisde met de wilde ganzen,
+was er bij het Takermeer een wilde gans, die Jarro heette. Hij was
+een jonge vogel, en had nog maar één zomer, één herfst en één winter
+geleefd. Nu was het zijn eerste lente. Hij was pas uit Noord-Afrika
+thuis gekomen, en had het Takermeer zoo tijdig bereikt, dat het ijs
+nog op het meer lag.
+
+Op een avond, toen hij en de andere jonge eenden zich vermaakten
+met heen en weer te vliegen over het meer, loste een jager een paar
+schoten op hen, en Jarro werd in de borst getroffen. Hij meende,
+dat hij sterven moest, maar opdat hij, die hem had getroffen, hem
+niet in zijn macht zou krijgen, vloog het dier door, zoolang het
+kon. Jarro dacht er niet aan een bepaalde richting te nemen, maar
+deed enkel zijn best om zoover mogelijk te komen. Toen zijn krachten
+hem begaven, zoodat hij niet verder vliegen kon, was hij niet langer
+boven het meer. Hij was het land ingevlogen en zonk nu neer aan den
+ingang van een van de groote boerderijen, die aan den oever van het
+Takermeer liggen.
+
+Kort daarna kwam een jongen over de hoeve. Hij kreeg Jarro in het
+oog en raapte hem op. Maar Jarro, die niet anders verlangde dan in
+vrede te mogen sterven, verzamelde zijn laatste krachten, en beet
+den jongen hard in den vinger, om hem te dwingen hem los te laten.
+
+Het lukte Jarro niet zich te bevrijden, maar die aanval had de goede
+uitwerking, dat de jongen merkte, dat de vogel niet dood was. Hij
+droeg hem voorzichtig naar de kamer, en liet hem de huismoeder zien,
+een jonge vrouw, met een vriendelijk gezicht. Zij nam den jongen
+dadelijk Jarro af, streelde hem over den rug, en veegde het bloed af,
+dat uit de veeren aan zijn hals sijpelde. Zij bekeek hem nauwkeurig,
+en toen zij zag, hoe mooi hij was, met zijn donkergroenen glanzenden
+kop, zijn witte ring om den hals, zijn bruinrooden rug, en de blauwe
+vlekken op de vleugels, vond ze zeker, dat het jammer zou wezen,
+als hij sterven moest. Ze maakte gauw een mandje in orde, waar zij
+den vogel in neerlei als in een bedje.
+
+Jarro had al dien tijd gefladderd en geworsteld om los te komen;
+maar toen hij begreep, dat de menschen niet van plan waren hem
+dood te maken, ging hij met een gevoel van welbehagen in de mand
+liggen. Nu eerst merkte hij, hoe uitgeput hij was van akeligheid en
+bloedverlies. De huismoeder droeg de mand door de kamer om ze in een
+hoekje bij den haard te brengen, maar al eer ze die had neergezet,
+had Jarro de oogen dichtgedaan, en was ingeslapen.
+
+Na een poos werd Jarro wakker, door dat iemand hem zacht
+aanstootte. Toen hij de oogen opendeed, werd hij zóó verschrikt,
+dat hij bijna flauw viel. Nu was hij toch verloren, want daar stond
+hij, die gevaarlijker was dan menschen en roofvogels. Dat was niemand
+anders dan Caesar zelf, de langharige jachthond, die hem nieuwsgierig
+besnuffelde.
+
+Hoe akelig bang was Jarro den vorigen zomer niet geweest, toen hij nog
+een klein, geel, donzig jong eendje was, telkens als het geroep door
+het rietveld had geklonken, "daar komt Caesar aan! Daar komt Caesar
+aan!" Als hij den bruin en wit gevlekten hond had zien aankomen door
+het water, met den bek vol tanden, had hij gemeend den dood zelf te
+zien. Hij had altijd gehoopt, dat hij nooit het oogenblik zou beleven,
+dat hij Caesar van aangezicht tot aangezicht zou zien.
+
+Maar hij moest het ongeluk gehad hebben juist in de boerderij neer
+te vallen, waar Caesar woonde, want nu stond hij daar voor hem.
+
+"Wie ben jij?" bromde hij. "Hoe ben je hier in de kamer gekomen? Hoor
+jij niet thuis op het rietveld?"
+
+Nauwelijks kon Jarro moed vinden te antwoorden.
+
+"Wees niet boos op mij, Caesar, omdat ik in de kamer ben gekomen,"
+zei hij. "Ik kan het niet helpen. Ik ben aangeschoten. De menschen
+zelf hebben mij hier in deze mand gelegd."
+
+"O zoo! hebben de menschen zelf je hier neergelegd," zei Caesar. "Dan
+is 't zeker hun bedoeling je weer beter te maken. Ik zou denken,
+dat ze wijzer deden je op te eten, nu ze je eenmaal hebben. Maar in
+elk geval ben je veilig in deze kamer. Je hoeft niet zoo angstig te
+kijken. We zijn hier niet op het Takermeer."
+
+Met die woorden ging Caesar liggen slapen voor den vlammenden
+haard. Zoodra Jarro begreep, dat dit vreeselijk gevaar voorbij was,
+kwam weer die groote vermoeidheid over hem, en hij viel in slaap.
+
+Toen Jarro weer wakker werd, zag hij een schotel met gruttewater voor
+zich staan. Hij was nog heel ziek, maar hij had honger en begon te
+eten. Toen de huismoeder zag, dat hij zich bewoog, streelde zij hem,
+en keek, alsof ze blij was. Daarna sliep Jarro weer in. Verscheidene
+dagen deed hij niet anders dan eten en slapen.
+
+Op een morgen voelde Jarro zich zoo wel, dat hij uit de mand kwam,
+en door de kamer ging loopen.
+
+Maar hij was nog niet ver gekomen, toen hij omviel, en bleef
+liggen. Toen kwam Caesar, deed zijn grooten bek open, en pakte hem
+op. Jarro meende natuurlijk, dat de hond hem doodbijten wou, maar
+Caesar droeg hem naar de mand terug, zonder hem kwaad te doen. Daardoor
+kreeg Jarro zoo'n vertrouwen in Caesar, dat hij op zijn volgenden tocht
+door de kamer naar den hond toeging, en naast hem kwam liggen. Na
+dien tijd werden Caesar en hij goede vrienden, en Jarro lag elken
+dag verscheidene uren te slapen tusschen Caesars pooten.
+
+Nog meer dan van Caesar, hield Jarro van de huismoeder. Voor haar was
+hij heelemaal niet bang, maar hij streek met den kop langs haar hand,
+als zij hem eten kwam brengen. Als zij uit de kamer ging, zuchtte
+hij van verdriet, en als ze weer binnenkwam riep hij haar "welkom"
+toe in zijn eigen taal.
+
+Jarro vergat heelemaal, hoe bang hij vroeger was geweest voor menschen
+en honden. Hij vond, dat ze vriendelijk en goed waren, en hij had ze
+lief. Hij wou, dat hij gezond was, zoodat hij naar het Takermeer had
+kunnen vliegen, om aan de wilde eenden te vertellen, dat hun oude
+vijanden niet gevaarlijk waren, en dat ze heelemaal niet bang voor
+hen hoefden te wezen.
+
+Hij had opgemerkt, dat zoowel de menschen als Caesar kalme oogen
+hadden, en het deed hem goed ze aan te zien. De eenige in de kamer,
+die hij liever niet in de oogen zag, was Klorina, de kamerkat. Zij
+deed hem ook geen kwaad; toch kon hij haar maar niet vertrouwen. Ook
+kibbelde ze altijd met hem, omdat hij van de menschen hield.
+
+"Je meent, dat ze je verzorgen, omdat ze van je houden," zei
+Klorina. "Wacht maar, tot je vet bent. Dan draaien ze je den nek
+om. Ik ken ze wel, die menschen!"
+
+Jarro had een teer, vergevensgezind hart, als alle vogels, en hij werd
+bitter bedroefd, toen hij dat hoorde. Hij kon zich niet voorstellen,
+dat de huismoeder hem den hals zou willen omdraaien, en hij kon zooiets
+ook niet gelooven van haar zoontje, dat uren lang naast zijn mand kon
+zitten zingen en babbelen. Hij meende te begrijpen, dat zij hem even
+liefhadden als hij hen.
+
+Op een dag, toen Jarro en Caesar op hun gewone plaatsje voor den haard
+lagen, begon Klorina, die boven op den haard zat, met de wilde eend
+te kibbelen.
+
+"Ik zou wel eens willen weten, Jarro, wat jelui, wilde eenden, 't
+volgend jaar zult beginnen, als het Takermeer wordt drooggemaakt,
+en in een akker veranderd," zei Klorina.
+
+"Wat zeg je daar, Klorina?" riep Jarro, en sprong op van schrik.
+
+"Ik vergeet altijd, dat jij niet, zooals Caesar en ik, de menschentaal
+verstaat," zei de kat. "Anders zou je wel hebben gehoord, dat de
+knechts, die gisteren in de kamer waren, er over spraken, dat al het
+water uit het Takermeer zou worden gemalen, en dat de bodem bijna
+even droog zou worden als de vloer van de kamer. En nu zou ik wel
+eens willen weten, waar jelui, wilde eenden, dan heen moeten."
+
+Toen Jarro dat hoorde, werd hij zóó boos, dat hij siste als een slang.
+
+"Je bent even akelig als een zwart waterhoen," zei hij tegen
+Klorina. "Je wil me tegen de menschen opstoken. Ik geloof niet, dat
+ze zooiets zullen doen. Zij moeten toch wel weten, dat het Takermeer
+van de wilde eenden is. Waarom zouden ze zooveel vogels dakloos en
+ongelukkig maken? Je hebt dit alles vast maar bedacht om me aan 't
+schrikken te maken. Ik wou, dat Gorgo, de arend, je verscheurde! Ik
+wou, dat onze huismoeder je snor afknipte!"
+
+Maar Jarro kon Klorina met dien uitval niet tot zwijgen brengen.
+
+"Zoo! Geloof je, dat ik lieg?" zei ze. "Vraag het Caesar dan, hij
+was gisteren avond ook in de kamer. Caesar liegt nooit!"
+
+"Caesar!" zei Jarro. "Jij verstaat de menschentaal veel beter dan
+Klorina. Zeg nu eens, dat zij 't niet goed gehoord heeft. Stel je nu
+eens voor, hoe dat gaan moest, als de menschen het Takermeer gingen
+droogmaken en van den bodem van 't meer een akker maken. Dan zou
+daar geen watermuur en geen kroos meer zijn voor de groote eenden,
+en geen jonge visschen en kikkers en muggelarven voor de jonge. Dan
+zouden al die bosjes riet verdwijnen, waar de jonge eenden zich nu
+kunnen verstoppen, tot ze kunnen vliegen. Alle eenden zouden moeten
+verhuizen en een andere woonplaats zoeken. Maar waar vinden ze ooit
+zoo'n schuilplaats als het Takermeer? Caesar, zeg nu eens, of Klorina
+het niet mis heeft!"
+
+'t Was vreemd om te zien, hoe Caesar zich gedroeg onder dat
+gesprek. Hij was al dien tijd klaar wakker geweest, maar toen Jarro
+hem aansprak, gaapte hij, lei zijn lange snuit op de voorpooten,
+en sliep vast in een oogenblik.
+
+De kat zag op Caesar neer met een sluwen lach.
+
+"Ik geloof, dat Caesar je liever niet antwoorden wil," zei ze tegen
+Jarro. "'t Gaat met hem als met alle honden. Ze willen nooit erkennen,
+dat de menschen iets verkeerds kunnen doen. Maar je kunt mij op mijn
+woord gelooven. Ik zal je zeggen, waarom de menschen juist nu het
+Takermeer willen droogmaken. Zoolang jelui, wilde eenden, nog de baas
+waren op 't meer, wilden ze dat niet, want van jelui hadden ze nog
+wat nut. Maar nu hebben immers ook duikers en zwarte waterhoenders en
+andere oneetbare vogels bijna alle plasjes en rietbosjes ingenomen,
+en voor hun genoegen, meenen de menschen, hoeven ze het meer niet
+te behouden."
+
+Jarro dacht er niet aan Klorina te waarschuwen, maar hij hief den
+kop op, en riep Caesar in 't oor:
+
+"Caesar! Jij weet, dat op het Takermeer nog zooveel eenden zijn,
+dat ze de lucht vullen als wolken. Zeg nu, dat het niet waar is,
+dat de menschen van plan zijn al die eenden dakloos te maken."
+
+Toen stoof Caesar op, en deed een zoo heftigen uitval tegen Klorina,
+dat ze op een plankje boven aan den muur sprong.
+
+"Ik zal je leeren je mond te houden, als ik slapen wil," schreeuwde
+Caesar. "Ik weet wel, dat er sprake van is, dat het meer nog van
+'t jaar zal worden drooggemaakt, maar daar is al zoo dikwijls over
+gesproken, en er kwam nooit wat van. En die droogmakerij vind ik
+heelemaal niet goed. Want hoe zal het dan met de jacht gaan, als
+het Takermeer wordt droog gemaakt? En jij bent een stoffel, als je
+je daarop verheugt. Waar zullen jij en ik meê spelen, als er geen
+vogels meer op het Takermeer zijn?"
+
+
+
+
+DE LOKVOGEL.
+
+
+Een paar dagen later was Jarro zooveel beter, dat hij door de kamer kon
+vliegen. Hij werd toen door de huismoeder vaak gestreeld, en de kleine
+jongen sprong naar buiten, en plukte voor hem de eerste grashalmpjes,
+die waren opgekomen. Als de huismoeder hem streelde, dacht Jarro, dat
+al was hij nu zoo sterk, dat hij weer naar het Takermeer zou kunnen
+vliegen, hij toch liever niet van de menschen zou scheiden. Hij had
+er niets tegen zijn heele leven bij hen te blijven.
+
+Maar op een morgen vroeg legde de huismoeder over Jarro een soort
+teugel of strik, die hem belette zijn vleugels te gebruiken, en gaf
+hem toen aan den jongen, die hem op de hoeve had gevonden. De jongen
+nam hem onder den arm, en ging met hem naar het Takermeer.
+
+Het ijs was gesmolten, terwijl Jarro ziek was. Het oude, dorre riet
+van 't vorige jaar stond nog aan de kanten en langs de eilandjes,
+maar alle waterplanten waren opgekomen in de diepte, en de groene
+toppen kwamen al boven aan den waterspiegel. En nu waren bijna alle
+trekvogels thuis gekomen. De kromme snavels van de pluvieren kwamen
+uit het water. De duikers zwommen rond met nieuwe veeren kragen om
+den hals, en de snippen begonnen strootjes te zoeken voor hun nesten.
+
+De jongen ging in een platte boot, legde Jarro op den bodem ervan,
+en begon zich te boomen naar het midden van het meer. Jarro, die nu
+gewend was niets dan goeds van de menschen te verwachten, zei tegen
+Caesar, die ook was meêgegaan, dat hij den jongen heel dankbaar was,
+omdat hij hem meêgenomen had naar het meer. Maar de jongen had hem
+niet behoeven te boeien. Hij was niet van plan weg te vliegen. Hierop
+antwoordde Caesar niets. Hij was niet spraakzaam dien morgen.
+
+Het eenige, wat Jarro een beetje vreemd vond, was, dat de jongen
+zijn geweer had meegenomen. Hij kon niet gelooven, dat een van
+die goede menschen daar op de boerderij, van plan was op vogels te
+schieten. Caesar had hem ook bovendien nog gezegd, dat de menschen
+op dezen tijd van het jaar niet op de jacht gingen.
+
+"Het is verboden in dezen tijd," zei hij, "maar dat geldt natuurlijk
+niet voor mij."
+
+De jongen voer intusschen naar een van de slik-eilandjes met riet
+omringd. Daar ging hij uit de boot, hoopte een stapel oud droog riet
+opeen, en ging daarachter liggen. Jarro mocht, met den strik over
+de vleugels en met een lang touw aan de boot vastgemaakt, buiten
+rond loopen.
+
+Op eens kreeg Jarro een paar van de jonge eenden in het oog, waarmeê
+hij vroeger heen en weer had gevlogen over het meer. Ze waren ver weg,
+maar Jarro riep ze met een paar luide kreten. Ze beantwoordden die,
+en een mooie troep kwam naderbij. Al vóór ze dichtbij hen kwamen,
+begon Jarro te vertellen van zijn wonderbare redding en van de goedheid
+van de menschen. Op hetzelfde oogenblik vielen twee schoten achter
+hem. Drie eenden zonken dood neer in de zee, en Caesar sprong in
+'t water en haalde ze op.
+
+Toen begreep Jarro alles. De menschen hadden hem gered, om hem als
+lokvogel te gebruiken. En dat was ook gelukt. Drie eenden waren
+door zijn toedoen geschoten. Hij dacht, dat hij zou sterven van
+schaamte. Hij meende, dat zelfs zijn vriend Caesar hem verachtelijk
+aanzag, en toen ze thuis kwamen in de kamer, durfde hij niet bij den
+hond gaan liggen slapen.
+
+Den volgenden morgen werd Jarro weer naar buiten gebracht op het
+meer. Ook nu weer kreeg hij een paar eenden in het oog. Maar toen hij
+merkte, dat ze naar hem toe kwamen, riep hij: "Weg! weg! Pas op. Ga
+een anderen kant uit. Daar ligt een jager achter dien hoop riet. Ik
+ben maar een lokvogel!"
+
+En werkelijk gelukte het hem, hen te beletten onder schot te komen.
+
+Jarro had nauwelijks den tijd een grasje te proeven, zoo druk had hij
+het met wacht houden. Hij riep om te waarschuwen, zoodra een vogel in
+de buurt kwam. Hij waarschuwde zelfs de duikereenden, hoewel hij een
+hekel aan hen had, omdat zij de wilde eenden uit hun beste schuilhoeken
+verdrijven. Maar hij wilde niet, dat ook maar één enkele vogel door
+hem ongelukkig zou worden. En door zijn waakzaamheid moest de jongen
+naar huis gaan, zonder een schot te hebben gelost.
+
+Toch zag Caesar er minder ontevreden uit dan den vorigen dag, en toen
+de avond kwam, nam hij Jarro in zijn bek, droeg hem naar den haard,
+en liet hem slapen tusschen zijn voorpooten.
+
+Maar Jarro tierde niet meer in de kamer. Hij was diep ongelukkig. Hij
+leed onder de gedachte, dat de menschen hem nooit hadden liefgehad. Als
+de vrouw of haar kleine jongen bij hem kwam om hem te streelen,
+stak hij den snavel onder de vleugels, en deed, alsof hij sliep.
+
+Verscheidene dagen had Jarro zijn treurigen wachtdienst voortgezet,
+en hij was al over 't heele Takermeer bekend. Daar gebeurde het op
+een morgen, terwijl hij als gewoonlijk riep: "Pas op, vogels! Kom niet
+in mijn buurt! Ik ben maar een lokvogel," dat er een duikernest kwam
+aandrijven naar 't eilandje, waar hij stond vastgebonden. Dat was nu
+niet zooveel bizonders. 't Was een nest van het vorige jaar, en de
+duikernesten zijn zoo gebouwd, dat ze op het water kunnen drijven;
+dus gebeurt het vaak, dat ze wegdrijven op het meer. Maar Jarro bleef
+toch staan, en keek naar het nest. Want het kwam zoo regelrecht op
+het eilandje aan, dat het scheen of iemand zijn vaart bestuurde.
+
+Toen het nest dichterbij kwam, zag Jarro, dat een klein menschje,
+het kleinste, dat hij nog ooit had gezien, in het nest zat, en het
+met een paar stokjes voortroeide. En dat menschje riep hem toe:
+"Kom zoo dicht bij 't water, als je kunt, Jarro, en houd je klaar om
+weg te vliegen. Je zult spoedig bevrijd worden!"
+
+Een oogenblik later lag het duikernest bij 't land, maar de kleine
+roeier kwam er niet uit; hij bleef stil zitten, tusschen takjes en
+strootjes verborgen. Jarro zat ook bijna onbewegelijk. Hij was als
+verlamd van angst, dat zijn bevrijder ontdekt zou worden.
+
+Kort daarop kwam een vlucht wilde ganzen aanvliegen. Jarro kwam
+weer tot zichzelf, en waarschuwde ze, zoo luid roepende, als hij
+maar kon. Toch vlogen ze verscheiden malen heen en weer boven zijn
+hoofd. Ze bleven zoo hoog in de lucht, dat ze buiten schot waren, maar
+de jongen liet zich toch verleiden om op hen te schieten. Nauwelijks
+waren die schoten gelost, of het dwergje sprong aan land, trok een
+mesje uit de scheede aan zijn zij, en sneed het net, dat Jarro's
+vleugels vasthield, met een paar vlugge sneden door. "Vlieg nu weg,
+Jarro! eer de knecht op nieuw heeft kunnen laden," riep hij, terwijl
+hij weer in 't nest sprong, en van land afzette.
+
+De jager had naar de ganzen gekeken, en niet gemerkt, dat Jarro bevrijd
+was, maar Caesar had beter opgelet, en gezien wat er gebeurde. En
+juist toen Jarro de vleugels uitsloeg, sprong hij op hem toe, en
+greep hem bij den nek.
+
+Jarro schreeuwde erbarmelijk. Maar de dwerg, die hem bevrijd had,
+zei met de grootste kalmte tegen Caesar:
+
+"Als jij zoo eerlijk bent, als je er uitziet, kun je toch niet een
+goeden vogel willen dwingen, om hier te zitten, en andere in hun
+ongeluk te lokken."
+
+Toen Caesar dat hoorde, grijnsde hij akelig met de bovenlip. Maar
+een oogenblik later liet hij Jarro los. "Vlieg maar weg, Jarro," zei
+hij. "Je bent zeker te goed om een lokvogel te zijn. Daarvoor wou ik je
+ook niet houden, maar alleen, omdat ik je zoo zal missen in de kamer."
+
+
+
+
+HET DROOGMAKEN VAN HET MEER.
+
+
+'t Was wezenlijk heel stil in de kamer, toen Jarro weg was. De hond
+en de kat vonden den dag lang, nu ze hem niet meer hadden om over
+te kibbelen, en de vrouw miste zijn vroolijk gesnater, telkens als
+zij de kamer binnen kwam. Maar wie het meest naar Jarro verlangde,
+was het kleine jongetje, Peer Ola. Peer Ola was pas drie jaar oud,
+en had in zijn heele leven nog niet zoo'n speelkameraad gehad als
+Jarro. Toen hij hoorde, dat Jarro weer naar het Takermeer en de
+andere eenden was teruggegaan, kon hij daarmeê niet tevreden wezen,
+maar dacht er telkens aan, hoe hij hem terugkrijgen zou.
+
+Peer Ola had veel met Jarro gepraat, terwijl die stil in zijn mandje
+lag, en hij was er van overtuigd, dat de eend hem begreep. Hij vroeg
+Moeder, of zij hem bij het meer wou brengen, dan zou hij Jarro wel
+zien en hem overhalen weer terug te komen. Maar Moeder wilde dat
+niet. Toch gaf Peer Ola daarom zijn plan niet op.
+
+Den dag nadat Jarro verdwenen was, liep Peer Ola buiten op
+de plaats. Hij speelde als gewoonlijk alleen, maar Caesar lag op
+de stoep, en toen Moeder den jongen buiten liet, had ze gezegd:
+"Let op Peer Ola, Caesar."
+
+Als nu alles was geweest als gewoonlijk, had Caesar ook het bevel
+opgevolgd, en de jongen was zoo goed bewaakt geworden, dat hij
+niet het minste gevaar had geloopen. Maar Caesar was in die dagen
+zichzelf niet. Hij wist, dat de boeren, die om het Takermeer woonden,
+weer dachten over het droogmaken van het meer, en dat ze er bijna
+toe besloten waren. De eenden moesten weg, en Caesar zou nooit meer
+op jacht kunnen gaan. Hij was zóó vervuld met de gedachten aan dit
+ongeluk, dat hij er niet aan dacht, dat hij op Peer Ola passen moest.
+
+En de kleine was nauwelijks alleen op de plaats, of hij begreep, dat
+nu het rechte oogenblik gekomen was om naar het Takermeer te gaan en
+met Jarro te spreken. Hij deed een hek open, en stapte naar het meer,
+op het smalle pad, dat over de lage weiden liep. Zoolang men hem van
+huis uit kon zien, liep hij langzaam, maar later zoo hard als hij
+kon. Hij was zoo bang, dat Moeder of iemand anders hem roepen zou,
+zoodat hij er niet heen kon gaan. Hij wou immers geen kwaad doen. Hij
+wou alleen Jarro overhalen om terug te komen. Toch voelde hij wel,
+dat ze dat thuis niet goed zouden vinden.
+
+Toen Peer Ola aan den oever van 't meer was gekomen, riep hij meer
+dan eens om Jarro. Toen stond hij een heele poos te wachten, maar
+Jarro verscheen niet, hij zag wel veel vogels, die op hem leken,
+maar ze vlogen voorbij zonder naar hem te kijken, en hij begreep dus,
+dat zij de rechte niet waren.
+
+Toen Jarro niet bij hem kwam, dacht de kleine jongen, dat hij hem zeker
+gemakkelijk zou vinden, als hij maar op 't meer kon komen. Er lagen
+veel goede vaartuigen aan den kant, maar zij waren vastgebonden. De
+eenige, die daar los en leeg lag, was een oude droge schuit, maar
+zoo slecht was ze, dat niemand er aan dacht ze te gebruiken. Maar
+Peer Ola kroop er in, zonder er om te geven, dat de heele bodem
+onder water lag. Hij kon de riemen niet gebruiken, maar hij begon
+met de boot te wiegen en te schommelen. Zeker zou het een volwassen
+mensch niet gelukt zijn op die manier een boot vlot te krijgen op
+het Takermeer, maar als 't water hoog is, en 't ongeluk het wil,
+hebben kleine kinderen er een wonderlijken slag van op 't water te
+komen. Al gauw dreef Peer Ola rond op het Takermeer, en riep om Jarro.
+
+Toen de oude boot daar op het meer schommelde, gingen zijn spleten hoe
+langer hoe verder open, en het water stroomde naar binnen. Maar Peer
+Ola gaf daar niet om. Hij zat op het kleine bankje in den voorsteven,
+riep elken vogel, dien hij zag, en was er verbaasd over, dat Jarro
+niet kwam.
+
+Eindelijk kreeg Jarro werkelijk Peer Ola in het oog. Hij hoorde,
+dat iemand hem bij den naam riep, dien hij onder de menschen had
+gehad. En hij begreep, dat de jongen op het Takermeer was gekomen
+om hem op te zoeken. Jarro werd in eens onuitsprekelijk blij, omdat
+een van de menschen hem werkelijk liefhad. Hij schoot neer bij Peer
+Ola als een pijl uit de lucht, ging naast hem zitten, en liet zich
+door hem streelen. Zij waren allebei even gelukkig, omdat ze elkander
+weer zagen.
+
+Maar op eens merkte Jarro, hoe het met de boot gesteld was. Die was
+halfvol water geloopen en op het punt te zinken. Jarro probeerde Peer
+Ola te vertellen, dat hij, die niet vliegen of zwemmen kon, moest
+zien aan land te komen, maar Peer Ola begreep hem niet. Toen wachtte
+Jarro geen oogenblik meer, maar vloog gauw weg om hulp te halen. Hij
+kwam een oogenblik later terug met een dwergje op zijn rug, dat veel
+kleiner was dan Peer Ola. Als hij niet had kunnen spreken en zich
+bewegen, zou de jongen gedacht hebben, dat hij een pop was. En dat
+dwergje zei Peer Ola, dat hij dadelijk een lange, dunne stang moest
+opnemen, die op den bodem van de boot lag, en probeeren zich daarmee
+voort te duwen naar een van de rieteilandjes. Peer Ola gehoorzaamde
+onmiddellijk, en het dwergje hielp hem de boot voort te duwen. Al
+gauw waren ze bij een van de eilandjes tusschen 't riet, en nu kreeg
+Peer Ola 't bevel aan land te stappen. Op 't zelfde oogenblik, dat
+hij den voet aan wal zette, liep de boot vol water, en zonk.
+
+Toen de jongen dat zag, voelde hij, dat Vader en Moeder heel boos op
+hem zouden wezen. Hij zou zijn begonnen te schreien, als hij niet
+dadelijk wat anders had gehad om over te denken. Daar kwam op eens
+een troep groote grijze vogels aan; zij streken neer op het eiland,
+en het dwergje nam hem meê, en vertelde hem hoe ze heetten, en wat
+ze zeiden. En dat was zóó prettig, dat Peer Ola al het andere vergat.
+
+Intusschen hadden de menschen op de boerderij gemerkt, dat Peer
+Ola weg was, en zochten hem. Ze zochten in de bijgebouwen, keken in
+den put en in den kelder. Toen liepen zij verder op paden en wegen,
+naar de boerderijen in de buurt, om te hooren, of hij ook daarheen
+verdwaald was, en vonden zijn spoor ook tot bij het Takermeer. Maar
+hoe ze ook zochten, ze konden hem niet vinden.
+
+Caesar, de hond, begreep heel goed, dat zijn volk naar Peer Ola zocht,
+maar hij deed niets om hen te helpen. Integendeel, hij bleef stil
+liggen, alsof hem dat alles niet aanging.
+
+Verder op den dag vond men Peer Ola's voetstappen bij de booten. En
+toen merkte men, dat de oude droge boot niet meer op den kant lag,
+en men begon te begrijpen, hoe alles was gegaan.
+
+De boer en zijn knechts maakten dadelijk de booten los om den jongen
+te zoeken. Ze roeiden over 't meer heen en weer tot den avond, zonder
+een glimp van hem te zien. Ze konden niet anders denken, dan dat de
+oude boot gezonken was, en dat de kleine jongen dood op den bodem
+van het meer lag.
+
+Dien avond zwierf Peer Ola's moeder aan den oever. Alle anderen
+waren er van overtuigd, dat het kind verdronken was, maar ze kon het
+niet gelooven, en bleef zoeken. Ze zocht tusschen riet en biezen,
+en liep heen en weer op den natten grond, zonder er aan te denken,
+hoe haar voeten er in wegzonken, en hoe nat ze werd.
+
+Ze was diep wanhopend. Het hart deed haar pijn in de borst. Ze
+schreide niet, maar wrong de handen, en riep haar kind met luide,
+klagende stem. Om zich heen hoorde zij het roepen van zwanen, eenden
+en pluvieren. Ze meende, dat die met haar meê gingen, en ook klaagden
+en jammerden.
+
+"Ze hebben zeker verdriet, dat ze zoo jammeren," dacht ze. Maar dan
+bedacht ze zich. 't Waren immers maar vogels, die ze hoorde. Die
+hadden toch zeker geen zorgen. 't Was vreemd, dat ze niet stil werden
+na zonsondergang. Ze hoorde al de ontelbare troepen vogels om het
+Takermeer telkens schreeuwen. Verscheidene van hen volgden haar,
+waar ze ook heen ging. Andere kwamen snel voorbij vliegen. De heele
+lucht was vol klachten en gejammer.
+
+Maar de angst, dien ze zelf voelde, opende haar hart. Ze vond,
+dat ze niet zoo ver van alle andere levende wezens af stond, als de
+menschen gewoonlijk doen. Ze begreep veel beter dan ooit te voren,
+hoe de vogels het hadden. Ze hadden hun dagelijksche zorg voor huis
+en kinderen, evenals zij. Er was zeker niet zoo'n groot verschil
+tusschen hen en haar, als ze tot nu toe had gemeend.
+
+Zoo kwam zij er toe er aan te denken, dat het zoo goed als uitgemaakt
+was, dat al die duizenden zwanen en eenden en zeeduikers hun tehuis
+hier bij het Takermeer zouden moeten missen. "Dat wordt toch moeielijk
+voor hen," dacht ze. "Waar zullen ze dan hun jongen opvoeden?"
+
+Ze bleef staan, en dacht daarover na. Het leek wel een goed en prettig
+werk--een meer in akkers en weiden te veranderen, maar er was toch wel
+een ander meer dan het Takermeer, een ander meer, waar niet zooveel
+duizenden dieren woonden.
+
+Ze dacht er aan, dat den volgenden dag het besluit van het droogmaken
+van het meer genomen moest worden, en ze vroeg zich af, of misschien
+daarom haar kleine jongen juist vandaag was heengegaan. Of het
+misschien Gods bedoeling was, dat de smart haar hart zou komen openen
+voor barmhartigheid, vandaag, eer het te laat was om die wreede daad
+weer goed te maken.
+
+Ze ging snel naar de hoeve terug, en begon met haar man over dit
+alles te spreken. Ze sprak over het meer en over de vogels, en zei
+hem, dat zij geloofde, dat Peer Ola's dood een straf voor hen beiden
+was. En ze merkte gauw, dat hij hetzelfde dacht.
+
+Ze bezaten al een groote hoeve, maar als het meer werd drooggemaakt,
+zou een groot deel van den bodem van het meer aan hen komen, zoodat
+hun bezittingen bijna verdubbeld zouden worden. Daarom waren zij meer
+ingenomen met het plan, en hadden er ijveriger voor gewerkt dan een van
+de anderen, die grond bij het meer bezaten. Die laatsten waren bezorgd
+voor de onkosten geweest, en bang, dat het droogmaken nu niet beter zou
+gelukken dan de vorige maal. De vader van Peer Ola wist wel, dat hij
+hen had overgehaald om meê te doen. Hij had al zijn overredingsvermogen
+gebruikt, om zijn zoon een hoeve na te kunnen laten, die tweemaal
+zoo groot was, als die hij van zijn vader had geërfd.
+
+En nu stond hij daar, en vroeg zich af, of hier een bizondere bedoeling
+van God in lag, dat het Takermeer hem zijn zoon had afgenomen op
+den dag, vóór dien, waarop hij het contract over het droogmaken
+zou onderteekenen. Zijn vrouw behoefde niet veel te zeggen, voor
+hij antwoordde:
+
+"Het kan zijn, dat God niet wil, dat we Zijn beschikkingen
+veranderen. Ik zal morgen met de anderen spreken, en ik denk wel,
+dat we zullen besluiten, dat alles zal blijven zooals het is."
+
+Terwijl de man en vrouw samen spraken, lag Caesar voor den haard. Hij
+hief het hoofd op, en luisterde heel oplettend. Toen hij meende zeker
+van zijn zaak te zijn, ging hij naar de vrouw, pakte haar rok beet,
+en trok haar naar de deur.
+
+"Maar Caesar toch!" riep ze, en wilde zich losrukken. Maar toen
+barstte ze uit: "Weet je, waar Peer Ola is?"
+
+Caesar blafte vroolijk, en sprong tegen de deur op. Ze deed die open,
+en Caesar holde weg naar het Takermeer. De vrouw was er zoo zeker van,
+dat hij wist waar Peer Ola was, dat ze hem dadelijk achterna liep. En
+nauwelijks waren zij aan den kant van 't meer gekomen, of ze hoorden
+het schreien van een kind over 't meer.
+
+Peer Ola had den heerlijksten dag in zijn leven gehad met Duimelot
+en de vogels; maar nu begon hij te schreien, omdat hij honger had,
+en bang in het donker werd. En hij was blij, dat Vader en Moeder en
+Caesar hem kwamen halen.
+
+
+
+
+
+
+XIX.
+
+DE VOORSPELLING.
+
+
+Op een nacht lag de jongen te slapen op een eilandje in 't Takermeer,
+maar hij werd wakker van riemslagen. Nauwelijks had hij de oogen
+geopend, of er viel hem zoo'n schelle lichtgloed in 't gezicht,
+dat hij ze weer dichtkneep.
+
+Eerst kon hij niet begrijpen, wat het was, dat zoo helder scheen op
+'t meer daarbuiten, maar al gauw zag hij, dat er tusschen 't riet aan
+den kant een platte boot lag, met een groote brandende teerfakkel op
+een ijzeren stang op den achtersteven. De roode vlammen van de fakkel
+spiegelden zich helder in het, door nachtelijk duister, pikdonkere
+meer, en de prachtige gloed moest de visschen hebben aangelokt, want
+rondom de vlammen in de diepte waren een massa donkere plekken te zien,
+die zich aanhoudend bewogen, en van plaats verwisselden.
+
+In de boot waren twee mannen. De eene zat bij de riemen, de andere
+stond bij de achterste roeibank, en hield een korte piek, met grove
+weerhaken voorzien, in de hand. Hij, die roeide, scheen een arme
+visscher te zijn. Hij was een klein, droog, verweerd mannetje,
+en had een dunne, versleten jas aan. Men kon zien, dat hij gewoon
+was in alle weer en wind buiten te zijn, en dat hij niet om de kou
+gaf. De andere was goed doorvoed en goed gekleed, en zag er uit als
+een flinke, van zijn waardigheid bewuste boer.
+
+"Houd nu hier stil," zei de boer, toen ze vlak voor het eilandje waren
+gekomen, waar de jongen lag. En meteen stootte hij met die piek in
+het water. Toen hij die terugtrok, kwam er een lange prachtige paling
+meê uit de diepte.
+
+"Ziezoo!" zei hij, terwijl hij het dier van den palingsteker
+losmaakte. "Dat is er een, die er wezen mag. Nu geloof ik, dat we
+zooveel hebben, dat we wel naar huis kunnen gaan."
+
+Maar zijn metgezel hief de riemen niet op. Hij zat rond te kijken.
+
+"'t Is zoo mooi hier op 't meer vanavond," zei hij. En dat was het
+ook. 't Was heel stil, zoodat de heele waterspiegel in ongestoorde
+rust lag, behalve de streep, waardoor de boot was gekomen; die lag te
+glinsteren in den vuurgloed als een gulden weg. De heldere hemel was
+diep blauw, en dicht met sterren bezaaid. 't Strand lag verscholen
+achter de rietbossen in 't Westen. Daar verhief zich de Omberg, hoog
+en donker, veel kolossaler dan hij gewoonlijk was, en sneed een groot,
+driehoekig stuk uit het hemelgewelf.
+
+De andere zag om, zoodat hij den vuurgloed uit de oogen kon houden,
+en keek rond.
+
+"Ja, 't is hier mooi in Östergyllen," zei hij. "Maar het beste van
+het landschap is niet, dat het zoo mooi is."
+
+"Wat is het dan?" vroeg de roeier.
+
+"Ja,--dat het een land is, dat in eer en aanzien staat."
+
+"Ja, dat kan wel zijn."
+
+"En dan, dat men weet, dat het altijd zoo blijven zal."
+
+"Hoe ter wereld kan men dat weten?" vroeg hij, die bij de riemen zat.
+
+De boer richtte zich op, waar hij stond, en leunde op de piek.
+
+"Er is een oud verhaal, dat in onze familie van vader op zoon is
+overgegaan, en daardoor kun je weten, hoe het met Oostgothland zal
+gaan," zei hij.
+
+"Dat kon je me wel eens vertellen," zei de roeier.
+
+"We zijn nu juist niet gewoon het aan iedereen te vertellen, maar
+voor een ouden kameraad wil ik het niet geheim houden."
+
+"Op Ulvasa, hier in Oostgothland," ging hij voort, en nu was het aan
+zijn toon te hooren, dat hij over iets sprak, dat hij van anderen
+had gehoord, en dat hij van buiten kende, "woonde jaren geleden een
+vrouw, die de gave had in de toekomst te kunnen zien, en de menschen
+te kunnen zeggen, wat hun zou overkomen. En dat kon ze zóó zeker en
+nauwkeurig doen, alsof het al gebeurd was. Daardoor werd ze ver in
+'t rond beroemd, en 't is te begrijpen, dat de menschen van heinde
+en ver kwamen toestroomen, om haar te bezoeken, en te hooren, wat ze
+zouden moeten doormaken aan lief en leed.
+
+Op een dag, dat de vrouw van Ulvasa in haar zaal zat te spinnen,
+zooals de vrouwen vroeger plachten te doen, kwam er een arme boer de
+kamer in, en ging op de bank heel dicht bij de deur zitten.
+
+"Ik zou graag willen weten, waar u aan zit te denken, lieve Vrouwe,"
+zei de boer na een poosje.
+
+"Ik zit aan verheven en heilige dingen te denken," antwoordde zij.
+
+"Dan gaat het zeker niet aan, dat ik u naar iets vraag, wat mij na aan
+'t hart gaat," zei de boer.
+
+"Dat zal wel niet anders zijn, dan of je veel koren zult oogsten op
+je akker. Maar ik ben gewend vragen te krijgen van den keizer, hoe
+'t met zijn kroon zal gaan, en van den paus, wat er van zijn sleutels
+worden zal."
+
+"Ja, zooiets is zeker niet gemakkelijk te beantwoorden," zei de
+boer. "Ik heb ook gehoord, dat niemand van hier gaat, zonder ontevreden
+te zijn met wat hij moest hooren."
+
+Toen de boer dat zei, zag hij, dat de vrouw van Ulvasa zich op de
+lippen beet, en wat hooger op de bank ging zitten.
+
+"Zoo," zei ze, "heb je dat van me gehoord? Dan kun je nu eens probeeren
+mij te vragen naar wat je wilt weten, en dan kun je zien, of ik niet
+zoo kan antwoorden, dat je tevreden bent."
+
+Hierna aarzelde de boer niet met zijn vraag voor den dag te komen. Hij
+zei, dat hij gekomen was, om te vragen, hoe het in de toekomst met
+Oostgothland zou gaan. Er was niets, wat hij zóó liefhad als zijn
+geboortegrond, en hij meende, dat hij zelfs in zijn laatste ure nog
+gelukkig zou zijn, als hij op die vraag een goed antwoord kreeg.
+
+"Is er niet anders, dat je weten wilt," zei de wijze vrouw, "dan denk
+ik wel, dat je tevreden zult zijn. Want, zoowaar ik hier zit, kan ik
+je verzekeren, dat het met Oostgothland zoo zal gaan, dat het altijd
+iets zal hebben om zich op te beroemen boven alle andere landen."
+
+"Ja, dat is een goed antwoord, lieve Vrouwe," zei de boer, "en ik
+zou nu volkomen tevreden zijn, als ik maar kon begrijpen hoe zooiets
+mogelijk wezen kon."
+
+"Waarom zou dat niet mogelijk zijn?" zei de vrouw van Ulvasa. "Weet
+je niet, dat Oostgothland nu al wijd beroemd is? Of meen je, dat er
+een landschap in Zweden is, dat zich beroemen kan op het bezit van
+twee kloosters tegelijk, als Alvastra en Vetra, en dat zoo'n mooie
+domkerk heeft als die in Linköping?"
+
+"Dat kan wel zoo zijn," zei de boer, "maar ik ben een oud man, en
+ik weet, dat er een tijd zal komen, dat ze ons niet zullen eeren,
+noch om Alvastra of Vetra, noch om de domkerk."
+
+"Daar kun je gelijk aan hebben," zei de vrouw van Ulvasa, "maar daarom
+hoef je toch niet aan mijn voorspelling te twijfelen. Ik zal nu een
+nieuw klooster laten bouwen op Vadstena, en dat zou wel eens het
+meest beroemde in het Noorden kunnen worden. Daarheen zullen armen
+en rijken als pelgrims stroomen, en allen zullen dit land prijzen,
+dat zulk een heilige plaats binnen zijn grenzen heeft."
+
+De boer antwoordde, dat hij blij was dat te hooren, maar hij wist
+immers, dat alles vergankelijk was, en hij zou graag hooren wat het
+land in aanzien zou kunnen houden, als het klooster van Vadstena eens
+in discrediet kwam.
+
+"'t Is niet gemakkelijk het je naar den zin te maken," zei de vrouw
+van Ulvasa. "Maar zóó ver kan ik nog wel vooruit zien, dat ik je
+kan zeggen: eer het klooster van Vadstena zijn glans verliest, zal
+daarnaast een kasteel verrijzen, dat het prachtigste in zijn tijd
+zal wezen. Koningen en vorsten zullen het bezoeken, en het zal deze
+streek tot eer worden gerekend, zulk een sieraad te bezitten."
+
+"Daar ben ik ook heel blij om, dat ik dat hoor," zei de boer. "Maar
+ik ben een oud man, en ik weet, hoe het gewoonlijk gaat met alle
+heerlijkheid van deze wereld. En als het slot vervallen is, wat zal
+dan de oogen van de menschen op dit land vestigen?"
+
+"Het is geen kleinigheid, wat je wil weten," zei de vrouw van Ulvasa,
+"maar ik kan wel zoover in de toekomst zien, dat ik merken kan, hoe
+er leven en beweging komt in de bosschen om Finspang heen. Ik zie,
+dat er hutten en smederijen verrijzen, en ik geloof, dat het heele
+land geëerd zal worden, omdat er nu ijzer bewerkt wordt."
+
+De boer kon niet ontkennen, dat hij verbazend blij was dat te
+hooren. Maar als het nu eens zoo ongelukkig ging, dat ook Finspangs
+fabriek in aanzien afnam, dan zou het toch niet mogelijk zijn, dat
+er iets níeuws kwam, waar Oostgothland zich op beroemen kon.
+
+"Je bent niet gemakkelijk te voldoen," zei de vrouw van Ulvasa, "maar
+ik kan nog wel zoover vooruit zien, dat ik merk, hoe er aan de oevers
+van het meer buitenhuizen als kasteelen worden opgebouwd, alsof ze van
+heeren waren, die oorlog hebben gevoerd in vreemde landen. Ik geloof,
+dat de heerenhoeven het land evenveel in aanzien zullen doen toenemen,
+als al het andere, waarover ik heb gesproken."
+
+"Maar als er nu een tijd komt, dat niemand die heerenhoeven meer
+prijst?" hield de boer aan.
+
+"Je hoeft niet zoo bang te wezen," zei de vrouw van Ulvasa. "Ik zie,
+hoe er geneeskrachtige bronnen opborrelen op de velden van Medevi,
+bij het Wettermeer. Ik geloof, dat de bronnen op Medevi het land zoo
+beroemd zullen maken, als je maar wenschen kunt."
+
+"Dat is een gewichtig ding om te hooren," zei de boer. "Maar als er nu
+een tijd komt, dat de menschen hun genezing bij andere bronnen zoeken?"
+
+"Daar moet je niet bezorgd over wezen," antwoordde de vrouw van
+Ulvasa. "Ik zie, hoe de menschen door elkaar wemelen en werken,
+van Motala tot Mem. Zij graven een verkeersweg dwars door het land,
+en dan komt Oostgothlands roem weer op aller lippen."
+
+Maar de boer bleef er ongerust uitzien.
+
+"Ik zie, dat de watervallen in de rivier van Motala wielen in beweging
+gaan zetten," zei de vrouw van Ulvasa, en nu kwamen er een paar roode
+plekken op haar wangen, want ze begon ongeduldig te worden. "Ik hoor
+hamers dreunen in Motala, en weefstoelen slaan in Norrköping."
+
+"Ja, het is goed, dat ik dat weet," zei de boer, "maar alles is
+veranderlijk. En ik ben bang, dat ook dat vergeten kan worden."
+
+Toen nu de boer nog niet tevreden was, liep het geduld van de vrouw
+van Ulvasa ten eind.
+
+"Je zegt, dat alles vergankelijk is," zei ze, "maar nu zal ik je
+toch iets noemen, dat altijd hetzelfde blijft. En dat is, dat zulke
+trotsche en hardnekkige boeren, als jij er een bent, hier in 't land
+zullen zijn tot aan 't eind van de wereld."
+
+Nauwelijks had de vrouw van Ulvasa dat gezegd, of de boer stond op,
+tevreden en blij, en dankte haar voor haar goed antwoord. Nu eindelijk
+was hij voldaan, zei hij.
+
+"Nu begrijp ik volstrekt niet, wat je meent," zei de vrouw van Ulvasa.
+
+"Ja, ik meen dit, lieve Vrouwe," zei de boer, "dat alles wat
+koningen en kloosterlingen, heeren en koopstadburgers oprichten of
+bouwen,--dat alles bestaat maar enkele jaren. Maar als u me zegt, dat
+er in Oostgothland altijd boeren zullen zijn, die hun eer liefhebben,
+en standvastig zijn, dan weet ik, dat het land zijn ouden roem zal
+behouden. Want alleen zij, die gebukt gaan onder den eeuwigen arbeid
+in de aarde, kunnen dit land in welstand en aanzien houden door alle
+tijden heen."
+
+
+
+
+
+
+XX.
+
+HET BAAIEN KLEED.
+
+
+De jongen was weer op weg hoog in de lucht. Hij had de groote vlakte
+van Oostgothland beneden zich, en telde de vele witte kerken, die
+boven kleine boschjes uitstaken.
+
+Op de meeste hoeven stonden groote, witgeschilderde huizen met twee
+verdiepingen, die er zoo deftig uitzagen, dat de jongen er zich
+over verbaasde.
+
+"Er moeten in dit land geen boeren wonen," zei hij in zichzelf,
+"want ik zie nergens boerderijen."
+
+Toen riepen dadelijk alle wilde ganzen; "Hier wonen de boeren als
+heeren! Hier wonen de boeren als heeren!"
+
+Op de vlakte waren ijs en sneeuw verdwenen, en het lentewerk was
+begonnen.
+
+"Wat zijn dat voor lange kreeften, die daar over de akkers
+kruipen?" vroeg de jongen na een poos.
+
+"Ossen en ploegen! ossen en ploegen!" antwoordden alle wilde ganzen.
+
+De ossen bewogen zich zoo langzaam voort over de akkers, dat het
+haast niet merkbaar was, dat ze vooruit kwamen, en de ganzen riepen
+hun toe. "Jelui komt van 't jaar niet klaar! Jelui komt van 't jaar
+niet klaar!"
+
+Maar de ossen bleven hun geen antwoord schuldig. Zij staken den bek
+hoog in lucht en loeiden: "Wij doen meer nut in één uur, dan jelui in
+'t heele jaar!"
+
+Op enkele plaatsen werden de ploegen door paarden getrokken. Die
+liepen veel vlijtiger en sneller dan de ossen, maar de ganzen konden
+niet laten ook hen te plagen.
+
+"Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?" riepen zij de paarden
+toe. "Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?"
+
+"Schaam jelui je niet zoo te luieren?" hinnikten de paarden terug.
+
+Terwijl de paarden en ossen buiten aan 't werk waren, liep de hamel
+op de boerenplaats rond. Hij was pas geschoren en prikkelbaar; hij
+stootte de kleine jongens ondersteboven, joeg den kettinghond in zijn
+hok, en liep dan fier rond, alsof hij alleen baas op de hoeve was.
+
+"Hamel, hamel, wat heb je met je wol gedaan?" riepen de wilde ganzen,
+die boven in de lucht voorbij vlogen.
+
+"Die heb ik naar de fabrieken van Drag in Norrköping gestuurd,"
+antwoordde de hamel met een lang geblaat.
+
+"Hamel, hamel, wat heb je met je horens gedaan?" vroegen de ganzen.
+
+Maar horens had de hamel tot zijn groote spijt nooit gehad, en men
+kon hem niet meer ergeren, dan door daarnaar te vragen. Hij sprong
+een heele poos rond, en stootte om zich heen in de lucht, zóó boos
+werd hij.
+
+Op den grooten weg kwam een man aan, en dreef een troep Skaansche
+biggetjes voor zich uit, die nog maar een paar weken oud waren, en
+op het land verkocht moesten worden. Ze stapten er dapper op los,
+zoo klein als ze waren, en drukten zich dicht tegen elkaar aan om
+elkaar te beschermen.
+
+"Knor, knor!" riepen de biggetjes. "Wij zijn te vroeg van Vader en
+Moeder weggenomen! Hoe zal het met ons, arme kinderen, gaan!"
+
+Maar zelfs de wilde ganzen hadden het hart niet met zulke stakkers
+den gek te steken.
+
+"'t Zal je beter gaan, dan je denkt," riepen zij in 't voorbijgaan.
+
+De wilde ganzen waren nooit zoo opgeruimd, als wanneer ze over een
+vlakte kwamen. Dan haastten zij zich niet, maar vlogen van de eene
+hoeve naar de andere, en maakten gekheid met de tamme dieren.
+
+Terwijl de jongen over de vlakte reed, viel hem een verhaal in,
+dat hij eens lang geleden had gehoord. Hij kon het zich niet
+goed meer herinneren, maar het was iets van een kleedingstuk, dat
+half van brokaat en half van baai gemaakt was. Maar zij, die dat
+kleedingstuk bezat, versierde het baaien gedeelte met zooveel paarlen
+en edelsteenen, dat het mooier en kostbaarder scheen dan het brokaat.
+
+Hij dacht daaraan, toen hij Oostgothland zag, omdat het uit een
+groote vlakte bestond, tusschen twee bergachtige, boschachtige
+streken ingesloten, een in 't noorden en een in 't zuiden. De beide
+boschachtige strooken lagen in blauwachtig licht, en schitterden
+in het morgenrood, alsof ze met gulden sluiers waren bedekt, en de
+vlakte, waarop de eene kale winterakker naast den anderen lag, was
+op zichzelf niet mooier om te zien dan grijs baai.
+
+Maar de menschen woonden zeker graag op die vlakte, omdat ze goed
+en mild was, en ze hadden geprobeerd haar zoo goed mogelijk te
+versieren. Toen de jongen daar zoo hoog door de lucht reed, vond hij,
+dat steden en hoeven, kerken en fabrieken, paleizen en stationsgebouwen
+als kleine en groote sieraden er over verspreid lagen. De pannedaken
+schitterden, en de vensterruiten blonken als juweelen. Gele landwegen,
+glanzende spoorrails en blauwe kanalen liepen door de verschillende
+plaatsjes als in zijde geborduurde guirlandes. Linköping lag om
+zijn domkerk heen, als een groep parels om een kostbaren steen, en
+de hoeven op het land waren als kleine borstspelden en knoopen. Er
+was niet veel orde en regel in 't patroon, maar het was een pracht,
+waar je nooit genoeg naar kijken kon.
+
+De ganzen hadden de streek bij Omberg verlaten, en vlogen naar het
+oosten langs het Götakanaal. Dat was ook bezig zich in orde te maken
+voor den zomer. De arbeiders maakten de kanten van het kanaal gelijk,
+en teerden de groote sluispoorten.
+
+Ja, er werd overal gewerkt om de lente goed te ontvangen, ook in de
+steden. Daar stonden de schilders en de metselaars op de steigers
+voor de huizen, en maakten ze mooi, en de dienstmeisjes stonden in het
+open venster, en lapten de glazen. Beneden aan de haven werden zeil-
+en stoombooten in orde gemaakt.
+
+Bij Norrköping verlieten de wilde ganzen de vlakte, en vlogen naar den
+kant van Kolmard. Ze hadden een poos langs een ouden heuvelachtigen
+landweg gevlogen, die langs diepe kloven en woeste rotswanden
+slingerde, toen de jongen plotseling een gil gaf. Hij had met de voeten
+heen en weer zitten zwaaien, en een van zijn klompen was gevallen.
+
+"Ganzerik! ganzerik! ik heb mijn klomp laten vallen."
+
+De ganzerik keerde om, en wilde neerdalen op het veld. Maar toen
+zag de jongen, dat twee kinderen, die er juist aankwamen, zijn klomp
+hadden opgeraapt.
+
+"Ganzerik, ganzerik! Vlieg weer naar boven! Het is te laat. Ik kan
+mijn klomp niet terug krijgen!"
+
+Beneden op den weg stond Asa, het ganzenhoedstertje en haar broer, de
+kleine Mads, en bekeken een klompje, dat uit de lucht was komen vallen.
+
+"De wilde ganzen lieten het vallen," zei kleine Mads.
+
+Asa, het ganzenhoedstertje stond lang over die vondst te
+peinzen. Eindelijk zei ze langzaam en peinzend: "Herinner jij je wel,
+Mads, dat we, toen we voorbij 't Övedklooster liepen, er over hebben
+hooren praten, dat er in een boerderij een dwergje gezien was met een
+leeren broek aan, en met klompen aan de voeten als een werkman? En
+herinner je je, dat we, toen we in Vittskövle kwamen, een meisje
+hoorden vertellen, dat ze een Goa-dwerg met klompen aan had gezien, die
+op den rug van een gans vloog? En toen we zelf in ons huisje kwamen,
+Mads, zagen we immers een kaboutertje, dat precies zoo gekleed was,
+en ook op een gans klom en wegvloog. Misschien was hij het wel,
+die hier door de lucht reed op zijn gans, en de klomp verloor."
+
+"Ja, dat moet zeker zoo wezen," antwoordde kleine Mads.
+
+Zij keerden de klomp om, en bekeken die nauwkeurig, want het overkomt
+niet iedereen dwergeklompjes op den weg te vinden.
+
+"Wacht! wacht eens, Mads," zei Asa. "Hier staat iets op den eenen
+kant."
+
+"Ja, dat is zoo. Het zijn kleine letters."
+
+"Laat eens zien. Ja, daar staat.... daar staat: Niels Holgersson,
+V. Vemmenhög."
+
+"Dat is wel 't wonderlijkste, wat ik ooit gehoord heb," zei Mads.
+
+
+
+
+
+
+XXI.
+
+DE GESCHIEDENIS VAN KARR EN GRAUWVEL.
+
+
+KARR.
+
+
+Ongeveer twaalf jaar vóór Niels Holgersson op reis was gegaan met
+de wilde ganzen, was er een ijzerfabrikant op Kolmarden, die van een
+van zijn jachthonden af wou zijn. Hij liet zijn boschwachter roepen,
+zei hem, dat het onmogelijk was dien hond langer te houden, omdat
+men hem niet kon afwennen achter alle schapen en kippen te jagen,
+die hij maar zag, en vroeg den boschwachter den hond meê te nemen
+naar het bosch, en hem dood te schieten.
+
+De boschwachter deed den hond aan den ketting om hem naar een plaats
+in het bosch te brengen, waar alle afgedankte honden van het landgoed
+gewoonlijk doodgeschoten en begraven werden. Hij was geen slechte man,
+maar hij was toch blij, dat hij dien hond dood mocht schieten, omdat
+hij wist, dat hij niet alleen schapen en honden najoeg. Hij liep maar
+al te dikwijls het bosch in, en snoepte een haasje of een jong korhoen.
+
+De hond was klein en zwart, met gele borst en voorpooten. Hij
+heette Karr en was zoo slim, dat hij alles begreep, wat de menschen
+zeiden. Terwijl de boschwachter hem door 't bosch bracht, wist hij
+heel goed, wat hem te wachten stond. Maar dat mocht niemand aan
+hem merken. Hij liet den kop en den staart niet hangen, maar zag
+er even zorgeloos uit als altijd. Het was, omdat zij door het bosch
+liepen, dat de hond zoo oppaste, niet te laten merken, dat hij bang
+was. Om het oude landgoed heen lag namelijk aan alle kanten een
+groot uitgestrekt bosch, berucht bij dieren en menschen, omdat de
+eigenaars er al sinds jaren zoo bezorgd voor waren geweest, dat ze
+'t bijna niet over hun hart konden verkrijgen een boom voor brandhout
+te vellen. Ze hadden er ook niet toe kunnen komen het te hakken en in
+toom te houden. Het bosch had mogen doen, waar het lust in had. Maar
+het was natuurlijk, dat een bosch, dat zoo met rust gelaten werd,
+een heerlijke schuilplaats voor boschdieren moest worden, en die waren
+er dan ook bij massa's. Ze noemden het onder elkaar het "Vrijbosch",
+en waardeerden het als de beste schuilplaats in het heele land. Toen
+nu de hond door het bosch gebracht werd, dacht hij er aan, hoe hij
+de schrik was geweest van alle kleine dieren, die daar woonden.
+
+"Wat zouden ze allemaal blij zijn, zij daar in het kreupelhout, als ze
+wisten wat me wachtte," dacht hij. En hij kwispelde met den staart,
+en blafte blij, opdat ze toch niet zouden denken, dat hij bang of
+gedrukt was.
+
+"Wat zou er aan 't leven geweest zijn, als ik niet nu en dan eens
+had mogen jagen?" dacht hij. "Wie berouw hebben wil, mag dat voor
+mijn part. Ik doe niet meê!"
+
+Maar juist toen de hond dat dacht, kwam er een zonderlinge verandering
+over hem. Hij stak den kop en den nek naar boven, alsof hij lust had
+te huilen. Hij sprong niet meer naast den boschwachter voort, maar
+liep stil achter hem. Het was duidelijk, dat hem iets onaangenaams
+in den zin gekomen was.
+
+Het was vroeg in den zomer. De jonge elanden waren juist geboren,
+en den vorigen avond was het den hond gelukt een jong elandje, niet
+meer dan vijf dagen oud, van de moeder weg te jagen, en het op een
+moeras te drijven. Daar had hij het heen en weer gejaagd, eigenlijk
+niet om het diertje te vangen, maar alleen om zich met zijn angst te
+vermaken. De moeder wist wel, dat het moeras bodemloos was, zoo kort
+na het ontdooien van den grond, en dat het zoo'n groot dier, als zij
+was, nog niet dragen kon, en ze bleef zoo lang mogelijk aan den kant
+staan. Maar toen Karr het kalfje al verder en verder wegdreef, liep
+zij plotseling het moeras op, joeg den hond weg, nam haar kalfje meê,
+en keerde weer terug.
+
+De elanden zijn veel meer dan andere dieren geschikt om op drassigen
+en gevaarlijken bodem te loopen, en het scheen, alsof ze behouden
+aan land komen zou. Maar toen ze heel dicht aan den kant was, zonk
+een kluitje, waar ze op stapte, opeens weg in de modder, en zij ging
+meê in de diepte. Ze probeerde weer vasten voet te krijgen, maar dat
+gelukte niet,--ze zonk al dieper weg. Karr stond er naar te kijken,
+en hield van angst den adem in, maar toen hij merkte, dat de eland
+zich niet zou kunnen redden, liep hij weg, zoo hard hij kon. Hij
+dacht aan al de slaag, die hij krijgen zou, als men merkte, dat hij
+een eland in 't ongeluk had gelokt, en hij durfde niet stil te staan,
+vóór hij thuis was.
+
+Dat was het, wat den hond in de gedachte gekomen was, en dat deed
+hem op een heel andere manier verdriet, dan al het kwaad, dat hij
+ooit bedreven had. Dat kwam misschien, doordat hij noch de eland,
+noch haar kalfje had willen dooden, maar ze heelemaal, zonder dat
+hij het wilde, om het leven had gebracht.
+
+"Maar ze leven misschien nog," dacht de hond op eens. "Ze waren
+immers niet dood, toen ik van hen wegliep. Misschien zijn ze er nog
+wel uitgeraakt."
+
+Hij kreeg een onweerstaanbaren lust om daar iets van te weten te
+komen. Hij zag, dat de boschwachter den koppel niet zoo heel stijf
+vasthield, deed een vluggen sprong opzij, en kwam werkelijk los. Toen
+rende hij met zulk een vaart het bosch in, naar het moeras toe,
+dat de boschwachter geen tijd had het geweer aan te leggen, voor hij
+verdwenen was.
+
+De boschwachter kon niet anders doen dan hem naloopen, en toen hij
+bij het moeras kwam, zag hij, dat de hond op een kluitje grond een
+paar meter van het land, uit alle macht stond te huilen. De man vond,
+dat hij onderzoeken moest, wat dit te beduiden kon hebben; hij zette
+het geweer weg, en kroop op handen en voeten het moeras op. Hij was
+nog niet ver gekomen, toen hij een wijfjeseland dood in de modder
+zag liggen. Dicht naast haar lag een kalfje. Het leefde nog, maar
+was zóó zwak, dat het zich niet verroeren kon. Karr stond naast het
+kalfje. Nu eens boog hij zich neer, en likte het, dan weer huilde
+hij luid, alsof hij om hulp riep.
+
+Toen nam de boschwachter het dier op, en begon het naar land te
+sleepen. Toen de hond begreep, dat het gered zou worden, was hij
+buiten zichzelf van blijdschap. Hij sprong om den boschwachter heen,
+likte hem de handen, en blafte van vreugd.
+
+De boschwachter droeg het kalfje naar huis, en sloot het in een hokje
+in de schuur. Toen moest hij hulp halen, om de doode eland uit het
+moeras te slepen, en eerst toen dit gedaan was, herinnerde hij zich,
+dat hij Karr moest doodschieten. Hij lokte den hond, die hem al dien
+tijd was nageloopen, en ging opnieuw met hem het bosch in.
+
+Eerst liep de boschwachter regelrecht naar het hondengraf; maar
+onderweg scheen hij op andere gedachten te komen, want op eens keerde
+hij om, en ging naar het landgoed terug.
+
+Karr had hem heel rustig gevolgd, maar toen hij merkte, dat de
+boschwachter naar zijn vroeger tehuis terugging, werd hij onrustig. De
+boschwachter had zeker begrepen, dat hij de eland om het leven had
+gebracht, en nu moest hij naar huis terug, om gestraft te worden,
+vóór hij zou sterven.
+
+Maar slaag te krijgen was het allerergste, en met dat vooruitzicht zag
+Karr geen kans moed te houden. Hij liet den kop hangen, en toen hij
+op het landgoed kwam, zag hij niet op, en deed alsof hij niemand kende.
+
+De fabrikant stond op de stoep, toen de boschwachter er aan kwam.
+
+"Wat in de wereld is dat voor een hond, waar de boschwachter meê
+aankomt?" zei hij. "Dat kan toch Karr niet zijn? Hij is toch al
+lang dood."
+
+Toen begon de boschwachter te vertellen van de elanden, en Karr maakte
+zich zoo klein, als hij maar kon, en kroop achter de beenen van den
+boschwachter weg om zich te verstoppen.
+
+Maar de boschwachter sprak over het gebeurde op een heel andere
+manier, dan de hond verwachtte. Hij prees Karr. Hij zei, dat het
+duidelijk was, dat de hond wist, dat de elanden in nood verkeerden,
+en hen had willen redden.
+
+"Meneer mag doen wat hij wil, maar dien hond kan ik niet doodschieten,"
+zei hij eindelijk.
+
+De hond richtte zich op, en spitste de ooren. Hij kon bijna niet
+gelooven, dat hij goed gehoord had. Hoewel hij niet graag toonen wou,
+hoe bang hij was geweest, kon hij niet laten een beetje te blaffen. Zou
+het mogelijk zijn, dat hij mocht blijven leven, omdat hij ongerust
+over de elanden was geweest?
+
+De fabrikant vond ook, dat Karr zich goed had gedragen, maar omdat
+hij in geen geval den hond terugnemen wou, wist hij eerst niet,
+wat hij doen moest.
+
+"Als u hem wilt nemen, en er voor instaan, dat hij zich beter gedraagt,
+dan tot nu toe, mag hij wel blijven leven," zei hij eindelijk.
+
+Ja, dat wilde de boschwachter wel. En zoo kwam Karr in de
+boschwachterswoning.
+
+
+
+
+DE VLUCHT VAN GRAUWVEL.
+
+
+Van den dag af, dat Karr bij den boschwachter kwam, hield hij
+geheel op met zijn ongeoorloofde jacht in het bosch. Dat was niet
+alleen, omdat hij bang geworden was, maar ook omdat hij niet wilde,
+dat de boschwachter boos op hem zou worden. Want sinds hij zijn
+leven had gered, hield Karr het allermeeste op de wereld van den
+boschwachter. Hij dacht er alleen aan hem te volgen, en over hem te
+waken. Als hij van huis ging, sprong Karr vooruit, en onderzocht den
+weg, en als hij thuis was, lag Karr buiten voor de deur, en hield
+toezicht over allen, die binnenkwamen en weggingen.
+
+Als het kalm was op de plaats van den boschwachter, als er geen
+voetstappen klonken op den weg, en de baas met zijn planten bezig
+was in den groentetuin, gebruikte Karr gewoonlijk zijn tijd om met
+het elandkalfje te spelen.
+
+Eerst had Karr heelemaal geen lust gehad zich met hem te bemoeien. Maar
+doordat hij overal met zijn baas meêliep, kwam hij ook met hem in
+de schuur, als hij het kalfje melk gaf, en bleef meestal buiten het
+hok naar hem zitten kijken. De boschwachter noemde het dier Grauwvel,
+omdat hij niet vond, dat het een mooieren naam verdiende, en Karr was
+dat met hem eens. Telkens als hij het zag, vond hij, dat hij nooit
+zooiets leelijks en wanstaltigs had gezien. Het had lange dunne
+beenen, die als losse stelten onder het lichaam zaten. De kop was
+groot, oudachtig en gerimpeld, en hing altijd op zij. Het vel zat
+in plooien, en hing slap, alsof het een pels aanhad, die niet voor
+hem was gemaakt. Het zag er altijd bedroefd en mismoedig uit, maar,
+vreemd genoeg, het stond altijd haastig op, zoodra het Karr buiten
+het hok zag, alsof het er blij om was, dat hij kwam.
+
+Het kalf werd iederen dag erger; het groeide niet, en kon op het
+laatst niet eens meer opstaan, als het Karr zag. Toen sprong de
+hond in zijn hok, en toen schitterden de oogen van den stumper even,
+alsof een groote wensch van hem was vervuld.
+
+Van dien tijd af kwam Karr iederen dag bij het elandkalf, en bracht
+uren bij hem door, likte zijn pels, en stoeide met hem, en onderwees
+hem zoo'n beetje in alles, wat een boschdier noodig heeft te weten.
+
+'t Was merkwaardig: van den dag af, dat Karr in het hok bij het
+elandkalf gesprongen was, begon het dier te tieren en te groeien. En
+toen het eenmaal aan het groeien was werd het in een paar weken zoo
+groot, dat het niet meer in het kleine hokje kon blijven, maar buiten
+in een omheining moest worden gezet. Toen het daar een paar maanden
+had geloopen, waren zijn beenen zoo lang geworden, dat het over de
+omheining kon stappen, als het dat wilde. Toen kreeg de boschwachter
+verlof van den fabrikant een hooge, groote omheining te zetten om het
+stuk land, waar het liep. Daar leefde de jonge eland verscheidene
+jaren, en werd een sterk en statig dier. Karr hield hem gezelschap
+zoo vaak hij kon; nu niet meer uit medelijden, maar omdat er tusschen
+hen een groote vriendschap was ontstaan. De eland was altijd treurig,
+en scheen traag en weinig ondernemend te zijn, maar Karr verstond de
+kunst hem blij te maken en aan het spelen te krijgen.
+
+Grauwvel had vijf zomers op de plaats van den boschwachter geleefd,
+toen de fabrikant een brief van een zoölogischen tuin in het buitenland
+kreeg, met de vraag, of hij den eland wilde verkoopen. Hij vond het
+voorstel goed. De boschwachter werd bedroefd, maar hij kon er niets
+aan doen, en er werd besloten, dat de eland zou worden verkocht. Karr
+hoorde al gauw, wat er gaande was, en liep naar den eland om hem te
+vertellen, dat de bedoeling was hem weg te zenden. De hond was in den
+grootsten angst, dat hij hem zou moeten missen. Maar de eland nam de
+zaak kalm op, en scheen er niet blij en niet bedroefd om te wezen.
+
+"Ben je van plan om je zonder verzet te laten wegbrengen?" vroeg Karr.
+
+"Wat zou het helpen, als ik me verzette?" zei Grauwvel. "Ik zou 't
+liefst blijven, waar ik ben, maar als ik verkocht ben, zal ik hier
+wel vandaan moeten."
+
+Karr stond hem aan te zien. 't Was merkbaar, dat de eland nog niet
+volwassen was. Hij had nog niet zulke breede horens, noch zulk een
+hoogen bult op den rug en zoo steile manen als de oudere stieren
+onder de elanden, maar hij had wel kracht genoeg om voor zijn vrijheid
+te strijden.
+
+"Je kunt wel merken, dat hij zijn leven lang gevangen is gehouden,"
+dacht Karr, maar hij zeide niets.
+
+Karr kwam niet bij den eland terug voor na den middag, toen hij wist,
+dat Grauwvel goed uitgeslapen was, en zijn eersten maaltijd hield.
+
+"Je hebt wel gelijk, Grauwvel, dat je je laat wegbrengen," zei Karr,
+en scheen nu rustig en vergenoegd te zijn. "Je zult in een grooten tuin
+gevangen gezet worden, en een zorgeloos leven hebben. Ik vind alleen,
+dat het jammer is, dat je van hier zult weggaan, vóór je het bosch
+gezien hebt. Je weet, dat je stamgenooten tot lijfspreuk hebben,
+dat de eland één is met het bosch, maar je bent nog nooit in een
+bosch geweest."
+
+Grauwvel zag op van de klaver, waar hij van stond te eten.
+
+"Ik zou het bosch wel willen zien, maar hoe zal ik over de heining
+komen?" zei hij met zijn gewone slapheid.
+
+"Neen, dat zal wel onmogelijk zijn voor iemand, die zulke korte beenen
+heeft," zei Karr.
+
+De eland keek van onder zijn haren neer op Karr, die zoo klein als
+hij was, verscheiden keer per dag over de heining sprong.
+
+Toen ging hij naar den slagboom, nam een sprong, en was buiten,
+bijna zonder dat hij wist, hoe het was toegegaan.
+
+Karr en Grauwvel begaven zich nu het bosch in. 't Was een mooie nacht
+met helderen maneschijn, tegen het eind van den zomer, maar onder de
+boomen was het donker, en de eland liep heel langzaam.
+
+"'t Is misschien 't beste, dat we teruggaan," zei Karr. "Jij, die nog
+nooit in een woest bosch geloopen hebt, kon je beenen wel eens breken."
+
+Toen begon Grauwvel sneller en moediger te loopen. Karr bracht
+den eland naar een gedeelte van het bosch, waar geweldige dennen
+groeiden, die zoo dicht op elkaar stonden, dat de wind er niet doorheen
+dringen kon.
+
+"Hier zoeken je stamgenooten gewoonlijk beschutting voor de kou
+en den storm," zei Karr. "Hier staan zij onder den blooten hemel,
+den heelen winter. Jij zult het beter krijgen, waar je nu komt. Je
+krijgt een dak boven je hoofd, en moogt in den stal staan, als een os."
+
+Grauwvel antwoordde niet, maar stond stil, en ademde den sterken
+dennengeur in.
+
+Toen ging Karr met hem naar een groot moeras, en wees hem de
+grasboschjes en het weeke moeras.
+
+"Over dit moeras vluchten de elanden gewoonlijk, als ze in gevaar
+zijn," zei Karr. "Ik weet niet hoe zij 't aanleggen, maar zoo groot en
+zwaar als ze zijn, kunnen zij hier loopen zonder er in te zakken. Jij
+zoudt zeker niet over zulk een gevaarlijk veld kunnen komen, maar
+dat hoef je ook niet, want nooit zal een jager je vervolgen."
+
+Grauwvel antwoordde niet, maar met één grooten sprong was hij op
+'t moeras. Hij was blij, toen hij voelde, hoe de grasboschjes onder
+hem op en neer gingen, hij draafde voort dwars over het moeras, en
+kwam bij Karr terug, zonder ergens in een modderpoel te zijn gezonken.
+
+"Hebben wij nu het heele bosch gezien?" vroeg hij.
+
+"Neen, nog niet," antwoordde Karr.
+
+Hij bracht nu den eland naar den zoom van het bosch, waar statige
+loofboomen groeiden: eiken, en abeelen, en linden.
+
+"Hier eten je stamgenooten gewoonlijk loof en bast," zei Karr. "Zij
+houden dat voor het beste voedsel, maar je zult wel beter voedsel
+krijgen in het buitenland."
+
+Grauwvel was verbaasd over de geweldige loofboomen, die hun groene
+koepels boven zijn hoofd welfden. Hij proefde van het eikenloof en
+de abeelenbast.
+
+"Dat smaakt sterk en goed," zei hij. "Dat is beter dan klaver."
+
+"'t Was goed, dat je dat nog eens te eten kreeg," zei de hond.
+
+Toen nam hij den eland meê naar een klein boschmeertje. Dat lag daar
+heel stil en blank, en weerspiegelde het strand, dat in dunne, lichte
+nevels gehuld lag. Toen Grauwvel dat zag, bleef hij onbewegelijk staan.
+
+"Wat is dat, Karr?" vroeg hij. 't Was voor 't eerst, dat hij een
+meer zag.
+
+"Dat is een groot water, dat is een meer," zei Karr. "Je familie zwemt
+gewoonlijk van het eene strand naar het andere. Niemand kan verlangen,
+dat jij dat kunnen zult, maar je moest ten minste naar beneden gaan
+om een bad te nemen."
+
+Karr ging zelf in het water, en begon te zwemmen. Grauwvel bleef een
+heele poos op het land. Eindelijk kwam hij ook. Zijn adem stokte van
+welbehagen, toen het water zich zacht en koel om zijn leden sloot. Hij
+wilde het ook over den rug hebben, hij ging verder vooruit, voelde,
+dat het water hem droeg, en begon te zwemmen. Hij zwom om Karr heen,
+en was geheel thuis in het water. Toen ze weer op het strand stonden,
+vroeg de hond, of ze nu naar huis zouden gaan?
+
+"'t Duurt nog lang eer het morgen is. We kunnen nog wel wat in het
+bosch rond blijven loopen," zei Grauwvel.
+
+Zij gingen weer terug in het naaldbosch. Al gauw kwamen ze aan een
+open plaats, die in den vollen maneschijn lag, met gras en bloemen,
+glinsterend van den dauw. Midden op die boschweide liepen eenige groote
+dieren te grazen. 't Waren elanden, een stier, met verscheidene koeien
+en kalveren. Toen Grauwvel hen zag, bleef hij eensklaps staan. Hij
+zag nauwlijks naar de koeien en de jonge dieren. Hij staarde naar
+den ouden stier, die breede horens had met veel takken, een hooge
+bult boven de dijen, en een langharig stuk vel hangende onder den hals.
+
+"Wat is dat voor een dier?" vroeg Grauwvel met een stem, die beefde
+van verwondering.
+
+"Hij wordt Kroonhoorn genoemd, en hij is je stamgenoot. Je krijgt
+zeker ook eens zulke breede horens en zulke manen, en als je in
+'t bosch bleef, zou je ook wel een kudde krijgen om te leiden."
+
+"Als hij daar mijn stamgenoot is, wil ik dichter bij hem komen en hem
+bekijken," zei Grauwvel. "Ik wist niet, dat een dier zóó prachtig kon
+zijn." Grauwvel ging op de elanden toe, maar kwam bijna dadelijk bij
+Karr terug, die aan den zoom van het bosch achtergebleven was.
+
+"Je bent zeker niet vriendelijk ontvangen," zei Karr.
+
+"Ik zei hem, dat het voor 't eerst was, dat ik stamgenooten ontmoette,
+en ik vroeg, of ik bij hen op de wei mocht loopen, maar hij wees me
+af, en dreigde me met zijn horens."
+
+"'t Was goed, dat je wegging," zei Karr. "Een jonge stier, die nog
+maar takken aan zijn horens heeft, moet zich wachten voor een gevecht
+met oude elanden. Een ander zou een slechten naam in 't heele bosch
+gekregen hebben, als hij was weggeloopen, zonder zich te verzetten,
+maar daar hoef jij je niet over te bekommeren, die toch naar het
+buitenland zult gaan."
+
+Karr had nauwlijks uitgesproken, of Grauwvel keerde om, en liep over
+het veld. De oude eland kwam hem tegemoet, en ze raakten dadelijk aan
+het vechten. Ze zetten de horens tegen elkaar, en stootten toe, en
+Grauwvel werd over 't heele veld achteruit gedreven. Hij scheen zijn
+kracht niet te kunnen gebruiken. Maar toen hij aan den kant van het
+bosch kwam, zette hij de voeten vaster op den grond, stootte krachtig
+met de horens, en begon Kroonhoorn achteruit te drijven. Grauwvel
+vocht zwijgend, maar Kroonhoorn brieschte en snoof. De oude eland
+werd nu op zijn beurt over het heele veld teruggedrongen. Op eens
+hoorde Karr een sterk gekraak. Een tak van de horens van den ouden
+eland was gebarsten. Toen rukte hij zich heftig los van Grauwvel,
+en sprong het bosch in.
+
+Karr stond nog aan den zoom van 't bosch, toen Grauwvel terugkwam.
+
+"Nu heb je gezien, wat er in het bosch was," zei hij. "Wil je nu meê
+naar huis gaan?"
+
+"Ja, nu zal het wel tijd zijn," zei de eland.
+
+Beiden waren stil op den terugweg. Karr zuchtte meermalen, alsof
+hem iets tegengevallen was, maar Grauwvel liep met opgeheven hoofd,
+en scheen van zijn avontuur genoten te hebben. Hij liep voort zonder
+de minste aarzeling, tot ze bij de ingeheinde plaats kwamen, waar hij
+tot nu toe geweest was. Maar toen bleef hij staan. Hij keek rond over
+de kleine ruimte, waar hij altijd geleefd had, zag den vastgetrapten
+grond, het verwelkte voer, het kleine bakje, waaruit hij water had
+gedronken, en de donkere schuur, waar hij had geslapen.
+
+"De elanden zijn één met het bosch!" riep hij, wierp den kop achteruit,
+zoodat de nek op zijn rug lag, en stormde in wilde vaart het bosch in.
+
+
+
+
+HELPMIJ.
+
+
+Diep in 't groote Friedsbosch vertoonden zich elk jaar in Augustus in
+'t lage dennenbosch een paar grijswitte nachtvlinders van dat soort,
+dat men "Nonvlinders" noemt. Ze waren klein, en er waren maar weinige,
+en er was bijna niemand, die op hen lette. Als ze diep in 't bosch een
+paar nachten hadden rondgefladderd, legden ze een paar duizend eieren
+op de boomstammen, en kort daarna zonken ze levenloos op den grond.
+
+Als de lente kwam, kropen kleine, gespikkelde larven uit de eieren,
+en begonnen denneschors te eten. Zij hadden goeden eetlust, maar deden
+nooit de boomen ernstige schade, omdat ze zoo sterk door de vogels
+werden vervolgd. Zelden ontkwamen er meer dan een paar honderd larven.
+
+Die arme larven, die volwassen werden, kropen naar boven langs de
+takken, sponnen zich in witte draden in, en zaten zoo een paar weken
+als onbewegelijke poppen. In dien tijd werd gewoonlijk meer dan de
+helft van hen weggepikt. Als er een honderdtal vleugels kreeg, en
+klaar kwam in Augustus kon men rekenen, dat ze een goed jaar hadden.
+
+Zulk een onzeker en onopgemerkt leven leidden de nonnen jaren lang in
+het Friedsbosch. Er was geen insectenvolk in de gansche streek, die zoo
+weinig in aantal was. En zoo machteloos en weinig gevaarlijk zouden ze
+gebleven zijn, als ze niet heel onverwacht een helper hadden gekregen.
+
+Maar dat de nonnen een helper kregen, kwam door dat de eland uit de
+boschwachterswoning was gevlucht. Grauwvel had namelijk den heelen
+dag, na zijn vlucht, in 't bosch rondgeloopen om te maken, dat hij
+er zich thuis zou gaan voelen.
+
+In den middag drong hij door een dicht kreupelhout, en vond daarachter
+een open plaats, waar de grond modderig, los en moerassig was. Midden
+in lag een zwarte waterpoel, en daaromheen stonden allemaal hooge
+dennen, die bijna zonder naalden waren, omdat ze oud waren, en doordat
+ze niet tieren konden. Grauwvel vond die plaats akelig, en zou die
+gauw hebben verlaten, als hij niet een paar heldergroene callabladen in
+'t oog had gekregen, die bij den poel groeiden.
+
+Toen hij nu den kop over de callaplant boog, maakte hij een groote,
+zwarte slang wakker, die er onder lag te slapen. De eland had Karr
+hooren spreken over de vergiftige adders in het bosch, en toen de
+slang den kop ophief, zijn gespleten tong uitstak, en tegen hem siste,
+meende hij, dat hij een vreeselijk gevaarlijk dier had ontmoet. Hij
+schrikte, hief den voet op, sloeg met zijn hoef en verbrijzelde den
+kop van de slang. Daarop draafde hij haastig weg.
+
+Zoodra Grauwvel weg was, dook een andere slang, even lang en zwart
+als de eerste, op uit den poel. Hij kroop naar de doode, en liet zijn
+tong over den verbrijzelden kop gaan.
+
+"Is dat werkelijk mogelijk, dat je dood bent, oude Karnlösa?" siste
+de slang. "Wij hebben zooveel jaren samen geleefd! Wij hebben het
+zoo goed samen gehad, en we tierden zoo goed in dezen plas, dat we
+ouder zijn geworden dan alle andere slangen in het bosch. Dat was
+het ergste verdriet, dat me treffen kon."
+
+De slang was zoo bedroefd, dat zijn lang lichaam kronkelde, alsof het
+gewond was. Zelfs de kikvorschen, die in een voortdurenden angst voor
+hen leefden, hadden medelijden met hem.
+
+"Wat moet hij toch slecht zijn, die een arme slang doodslaat, die
+zich niet kan verweren!" siste de slang, "hij verdient zeker een heel
+harde straf." Hij lag nog een tijd lang te kronkelen van verdriet,
+maar op eens hief hij den kop op. "Ik zal me wreken, zoowaar ik
+Helpmij heet, en de oudste slang in 't bosch ben! Ik zal niet rusten,
+voor die eland dood op 't veld ligt, zooals mijn arme oude gezellin!"
+
+Toen de slang die gelofte had gedaan, rolde hij zich op, en ging liggen
+nadenken. Maar er kan wel niets moeielijker zijn voor een arme slang,
+dan wraak te bedenken op een grooten, krachtigen eland, en de oude
+Helpmij peinsde dagen en nachten, zonder een uitweg te vinden.
+
+Maar op een nacht, toen de slang in zijn wraakgedachten verdiept
+lag, en niet kon slapen, hoorde hij een licht geritsel boven zijn
+hoofd. Hij keek op, en onderscheidde een paar lichte nonvlindertjes,
+die tusschen de boomen speelden. Hij volgde ze lang met de oogen,
+toen begon hij luid in zichzelf te sissen, maar eindelijk sliep hij
+in, en scheen tevreden te zijn met wat hij had bedacht.
+
+Den volgenden morgen ging de slang naar Krule, de adder, die in een
+steenachtige en hooggelegen streek van 't Friedsbosch woonde. Aan hem
+vertelde hij nu van den dood van zijn oude gezellin, en vroeg hem,
+die zoo gevaarlijk bijten kon, de wraak op zich te nemen. Maar Krule
+was niet erg geneigd zich aan een strijd met de elanden te wagen.
+
+"Als ik een eland aanviel," zei hij, "zou hij me dadelijk doodslaan. Je
+oude vrouwtje is dood, en haar kunnen we niet meer levend maken. Waarom
+zou ik me voor haar een ongeluk op den hals halen?"
+
+Toen de slang dit antwoord kreeg, hief hij den kop wel een voet hoog
+van het veld op, en siste allerverschrikkelijkst.
+
+"Wisch, wasch! wisch, wasch!" zei hij. "'t Is jammer, dat jij zulke
+wapens hebt, jij, die zoo laf is, dat je ze niet gebruiken durft."
+
+Toen de adder dat hoorde, werd hij ook boos.
+
+"Maak, dat je weg komt, ouwe Helpmij!" siste hij. "'t Vergif loopt
+me langs de tanden, maar ik wil iemand, die mijn stamgenoot heet,
+liefst sparen."
+
+De slang verroerde zich niet, en lang lagen ze daar allebei elkander
+hatelijkheden te zeggen. Maar toen Krule zóó boos werd, dat hij niet
+meer sissen kon, en alleen nog maar zijn tong inhaalde en uitstak,
+begon de slang gauw op een heel anderen toon te praten.
+
+"Ik had eigenlijk nog een boodschap," zei hij, en begon zacht te
+fluisteren; "maar nu heb ik je zeker zoo boos gemaakt, dat je me niet
+helpen wilt."
+
+"Als je me maar niet iets onzinnigs vraagt, wil ik je wel van dienst
+zijn."
+
+"In de dennen dicht bij mijn poel," zei de slang, "woont een
+vlindervolk, dat in den nazomer 's nachts rondvliegt."
+
+"Ik weet wel wie je meent," zei Krule "wat wou je met hen?"
+
+"'t Is het kleinste insectenvolk in het bosch," zei Helpmij, "en
+de onschadelijkste van allen, omdat de larven zich met het eten van
+dennebast tevreden stellen."
+
+"Ja, dat weet ik," zei Krule.
+
+"Ik ben zoo bang, dat dit vlindervolk gauw heelemaal zal zijn
+uitgeroeid," zei de slang. "Er zijn zooveel dieren, die de larven in
+de lente opeten."
+
+Nu meende Krule te begrijpen, dat de slang die larven voor eigen
+gebruik wilde houden, en hij antwoordde vriendelijk: "Wil je, dat ik
+aan de uilen zeg, dat ze die denneneters met rust zullen laten?"
+
+"Ja, als jij, die wat invloed hebt hier in 't bosch, daarvoor zorgen
+kon, zou het wel goed zijn."
+
+"Misschien zal ik ook een goed woord voor hen doen bij de lijsters,"
+zei de adder. "Ik wil je graag helpen, als je maar niet iets
+onmogelijks begeert."
+
+"Dat is een goede belofte, Krule," zei Helpmij, "en ik ben blij,
+dat ik bij je gekomen ben."
+
+
+
+
+
+
+XXII.
+
+DE NONNEN.
+
+
+Verscheidene jaren later lag Karr op een morgen te slapen op de
+stoep. 't Was in den voorzomer, in den tijd van de korte nachten,
+en 't was helder dag, hoewel de zon nog niet op was. Toen werd Karr
+wakker, doordat iemand hem bij zijn naam riep.
+
+"Ben jij het, Grauwvel?" vroeg Karr, want hij was gewoon, dat de eland
+hem bijna iederen nacht even kwam bezoeken. Hij kreeg geen antwoord,
+maar hij hoorde weer, dat iemand hem bij zijn naam riep. Hij meende
+de stem van Grauwvel te herkennen, en liep, zoo gauw hij kon, op het
+geluid af.
+
+Karr hoorde, dat de eland voor hem uit sprong, maar hij kon hem niet
+inhalen. Hij rende het dennenbosch in, waar het 't dichtste was,
+zonder zich aan pad of weg te storen. Karr had alle moeite om het
+spoor niet te verliezen.
+
+"Karr, Karr," hoorde hij roepen, en 't was de stem van Grauwvel,
+maar met een klank, dien de hond er nooit in had gehoord.
+
+"Ik kom, ik kom! Waar ben je?" antwoordde de hond.
+
+"Karr, Karr, zie je niet, hoe alles valt, alles valt?" vroeg Grauwvel.
+
+Karr zag toen, dat er onophoudelijk dennenaalden vielen, als een
+lichte regen.
+
+"Ja, dat zie ik!" riep hij, maar liep tegelijk het bosch in om den
+eland te zoeken.
+
+Grauwvel liep snel voor hem uit, dwars door het kreupelhout, en Karr
+was opnieuw bijna het spoor bijster.
+
+"Karr, Karr!" schreeuwde Grauwvel, met angstig geloei, "merk je niet,
+hoe het ruikt in 't bosch?" Karr bleef staan en snoof. Hij had er eerst
+niet opgelet, maar nu merkte hij, dat de dennen een veel sterker geur
+verspreidden, dan ze anders deden.
+
+"Ja, ik merk, hoe het ruikt," zei hij, maar gaf zich niet den tijd
+om na te gaan, hoe het kwam; hij liep door, Grauwvel achterna.
+
+De eland sprong weer voort met zulk een vaart, dat de hond hem niet
+kon inhalen. "Karr, Karr!" riep hij een poos later, "hoor je niet
+hoe het knapt in de takken." Nu klonk de stem zóó droevig, dat die
+steenen zou kunnen vermurwen. Karr bleef staan om te luisteren,
+en hoorde een zwak, maar duidelijk knappen boven in de boomen. Het
+klonk als het tikken van een horloge.
+
+"Ja, ik hoor het knappen," riep Karr, en ging nu niet verder. Hij
+begreep, dat de eland niet wilde, dat hij hem zou volgen, maar dat
+hij zou letten op iets, dat in het bosch gebeurde.
+
+Karr stond onder een den met zware, slepende takken en grove,
+donkergroene naalden. Hij bekeek den boom nauwkeurig, en vond, dat het
+was, alsof de naalden zich bewogen. Toen hij nog dichter bij kwam,
+ontdekte hij een menigte grauwwitte larven, die zich voortwerkten
+langs de boomtakken, en van de naalden aten. Er waren een massa op
+elken tak, zij knaagden en aten. Het knapte voortdurend in den boom;
+dat waren al die werkende kaken. Afgebeten naalden vielen aanhoudend
+op den grond, en uit de arme takken stroomde een geur, zóó sterk,
+dat de hond er last van had.
+
+"Die den daar zal niet veel naalden behouden," dacht hij, en keerde
+zich naar den volgenden boom. Dat was ook een groote, statige den,
+maar die zag er ook zoo uit. "Wat kan dat wezen?" dacht Karr. "Dat
+is toch zonde van die mooie boomen. Die zullen gauw al hun schoonheid
+hebben verloren."
+
+Hij ging van den eenen boom naar den anderen, en probeerde er achter
+te komen, hoe 't met hen was. "Dat daar is een spar, die hebben ze
+misschien niet aangedurfd," dacht hij. Maar ze hadden ook de spar
+aangetast. "En daar een berk. Ja, daar ook, daar ook. Dat zal den
+boschwachter wel niet aanstaan," dacht Karr.
+
+Hij sprong het kreupelhout verder in, om te weten te komen, hoe ver de
+verwoesting al gegaan was. Waar hij kwam, hoorde hij hetzelfde tikken,
+rook dezelfde lucht, en overal viel dezelfde naaldenregen. Hij hoefde
+niet meer stil te staan, om te zien. De kleine larven waren overal. 't
+Heele bosch zou al gauw door hen zijn kaalgegeten.
+
+Plotseling kwam hij op een plek, waar geen geur te merken, en alles
+doodstil was.
+
+"Hier is hun rijk uit," dacht de hond, bleef staan, en keek rond.
+
+Maar hier was het nog erger; hier hadden de larven hun werk al
+voltooid, en de boomen stonden zonder naalden. Ze waren als dood, en
+het eenige, wat er nog aan hen te zien was, was een massa verwarde
+draden, die de larven hadden gesponnen, om als bruggen en wegen
+te gebruiken.
+
+Hier, tusschen de stervende boomen, stond Grauwvel op Karr te
+wachten. Hij was niet alleen; bij hem stonden vier oude elanden,
+de aanzienlijkste in 't bosch. Karr kende hen. 't Waren Kromrug, een
+kleine eland, maar die grooter bult had dan eenig ander, Kroonhoorn,
+de statigste van het elandenvolk, Ruigmaan, met zijn dikken pels, en
+een oude eland met hooge pooten, die Grootsterk heette, en vreeselijk
+driftig en strijdlustig geweest was, tot hij bij de laatste jacht in
+den herfst een kogel in de dij gekregen had.
+
+"Wat in de wereld gebeurt er toch met het bosch?" vroeg Karr, toen hij
+bij de elanden kwam, die met hangende koppen en ver vooruitstekende
+bovenlip stonden te wachten, en er nadenkend uitzagen.
+
+"Dat kan niemand zeggen," antwoordde Grauwvel. "Dit insectenvolk
+hier is het meest machtelooze in 't heele bosch geweest, en heeft
+vroeger nooit eenige schade gedaan, maar in de laatste jaren is het
+snel aangegroeid in aantal, en nu lijkt het wel, alsof ze het heele
+bosch zullen vernielen."
+
+"Ja, het ziet er leelijk uit," zei Karr, "maar ik merk, dat de wijzen
+uit het bosch hier bijeen zijn, om te beraadslagen, en zij hebben er
+misschien iets op gevonden."
+
+Toen de hond dat zei, hief Kromrug plechtig zijn zwaren kop op,
+klapte met de lange ooren, en zei: "We hebben je hier geroepen, Karr,
+om te hooren, of de menschen iets weten van deze verwoesting."
+
+"Neen," zei Karr, "zoover in 't bosch komt immers geen mensch,
+wanneer de jacht niet geopend is. Zij weten niets van dit ongeluk."
+
+"Wij, die in 't bosch oud geworden zijn," zei toen Kroonhoorn,
+"gelooven niet, dat wij, dieren, ons alleen tegen dit insectenvolk
+kunnen verweren."
+
+"Wij vinden het eene bijna een even groot ongeluk als het andere,"
+zei Ruigmaan. "Met de rust in het bosch is het in ieder geval uit."
+
+"Maar we kunnen het heele bosch niet laten bederven," zei
+Grootsterk. "We hebben geen keus."
+
+Karr begreep, dat het de elanden zwaar viel, voor den dag te komen
+met wat ze wilden zeggen, en hij probeerde hen te helpen.
+
+"Is 't misschien de bedoeling, dat ik de menschen zal laten weten,
+hoe het hier gaat?"
+
+Toen begonnen alle vier de ouden met den kop te knikken.
+
+"'t Is een groot ongeluk, hulp van de menschen te moeten vragen,
+maar we weten geen anderen raad."
+
+Kort daarna was Karr op weg naar huis. Terwijl hij haastig voortliep,
+diep bekommerd over alles, wat hij gezien en gehoord had, kwam hem
+een groote, zwarte slang te gemoet.
+
+"Welkom in 't bosch," siste de slang.
+
+"Goedendag," blafte Karr, en liep voorbij zonder stil te staan. Maar
+de slang keerde om, en probeerde hem in te halen.
+
+"Misschien is hij ook ongerust over 't bosch," dacht Karr, en bleef
+staan. De slang begon dadelijk over de groote verwoesting te spreken.
+
+"Als de menschen hier komen, is 't uit met onze rust en vrede,"
+zei hij.
+
+"Daar ben ik ook bang voor," zei Karr, "maar de oude elanden in
+'t bosch weten wel, wat ze doen."
+
+"Ik geloof wel, dat ik een beter raad weet," zei de slang, "als ik
+maar het loon kreeg, dat ik verlang."
+
+"Ben jij 't soms, die ze Helpmij noemen?" vroeg de hond verachtelijk.
+
+"Ik ben al een oude boschbewoner," zei de slang. "Ik weet, hoe je
+dat ongedierte wegkrijgen kunt."
+
+"Als je 't maar wegkrijgen kunt," zei Karr, "denk ik wel, dat niemand
+je weigeren zal, wat je ook begeert."
+
+Toen Karr dat zei, glipte de slang onder een boomwortel, en zette
+het gesprek niet voort, voor hij veilig in een nauw gat lag.
+
+"Groet dan Grauwvel van mij," zei hij, "en zeg hem, dat, als hij van
+het Friedsbosch weg wil trekken, en niet ophouden, voor hij zoo ver
+naar het noorden gekomen is, dat er geen eik meer in 't bosch groeit,
+en hier niet terugkomen, vóór de slang Helpmij dood is, ik ziekte en
+dood zal zenden over al die larven, die langs de takken kruipen en
+er van eten."
+
+"Wat zeg je daar?" vroeg Karr, en de haren op zijn rug begonnen op
+te staan. "Wat heeft Grauwvel je voor kwaad gedaan?"
+
+"Hij heeft haar doodgeslagen, die me het liefste was," zei de
+slang. "En ik wil me op hem wreken."
+
+Eer de slang nog had uitgesproken, deed Karr een aanval op hem,
+maar hij lag veilig onder den boomwortel.
+
+"Lig daar zoolang je wilt," zei Karr eindelijk. "Wij zullen die
+denneneters zonder jou wel wegkrijgen."
+
+Den volgenden dag gingen de ijzerfabrikant en de boschwachter langs
+het boschpad. Karr liep eerst naast hen, maar na een poosje verdween
+hij, en kort daarna klonk een luid blaffen uit het bosch.
+
+"Dat is Karr, die weer aan 't jagen is," zei de ijzerfabrikant. De
+boschwachter wilde het niet gelooven.
+
+"Karr heeft al jaren lang geen ongeoorloofde jacht gehouden," zei
+hij. Hij liep het bosch in om te zien, wat voor een hond daar blafte,
+en de ijzerfabrikant volgde hem.
+
+Zij volgden het blaffen, tot waar het bosch het dichtste was. Maar
+toen ze daar gekomen waren, hield het op. Zij bleven staan om te
+luisteren, en daar, in de stilte, hoorden zij de kaken van de larven
+werken, zagen ze, hoe de naalden naar beneden vielen als regen, en
+roken ze den sterken geur. Daar merkten ze ook, hoe alle boomen waren
+aangetast door de larven van de nonvlinders, de kleine boomvijanden,
+die mijlen in het rond de boomen kunnen vernielen.
+
+
+
+
+DE GROOTE NONNENOORLOG.
+
+
+Het volgend voorjaar kwam Karr op een morgen door het bosch. "Karr,
+Karr!" riep iemand hem na. Karr keerde zich om. Hij had goed
+gehoord. 't Was een oude vos, die buiten zijn hol stond, en hem riep.
+
+"Zeg me even, of de menschen wat voor het bosch doen!" zei de vos.
+
+"Ja, wees daar maar zeker van," zei Karr. "Zij werken er voor, zoo
+hard zij kunnen."
+
+"Ze hebben mijn heele familie vermoord," zei de vos. "En zij zullen mij
+ook nog wel eens vermoorden. Maar dat alles zal hun vergeven worden,
+als zij het bosch maar helpen."
+
+Karr kon nooit door het kreupelhout loopen dat jaar, zonder dat iemand
+hem vroeg, of de menschen het bosch konden helpen. 't Was niet zoo
+gemakkelijk voor hem hierop te antwoorden, want de menschen wisten
+zelf niet, of het hun zou gelukken de nonnen te overwinnen.
+
+Als men er aan denkt hoe gevreesd en gehaat het oude Kolmarden [2]
+was geweest, was het wonderlijk te zien hoe meer dan honderd man
+dagelijks het bosch introkken, en er werkten, om het van den ondergang
+te redden. Zij velden de boomen, die 't meest beschadigd waren, kapten
+het onderhout weg, en sneden de laagste takken af, opdat de larven niet
+zoo gemakkelijk van boom tot boom zouden kruipen. Ze hieuwen breede
+paden om het aangetaste bosch heen, en legden met lijm bestreken
+stangen uit, opdat de larven daar ingesloten zouden worden, en geen
+nieuw grondgebied meer veroveren. Toen dat gedaan was, begonnen ze
+lijmringen aan te leggen om de boomen. 't Was de bedoeling, dat men
+op die manier de larven zou verhinderen uit de boomen te komen, die
+ze al kaal gegeten hadden, en hen dwingen te blijven, waar ze waren,
+en daar dood te hongeren.
+
+De menschen gingen met dit werk door, tot laat in de lente, ze waren
+vol hoop, en wachtten bijna met ongeduld den tijd af, dat de larven
+uit de eieren zouden komen. Ze waren er zeker van, dat ze hen zoo
+goed hadden ingesloten, dat de allermeeste van honger moesten sterven.
+
+Toen kwamen de larven uit in het begin van den zomer, en er waren
+oneindig meer dan het vorige jaar. Maar dat deed er immers niet
+toe, als ze maar ingesloten waren, en geen voedsel genoeg konden
+vinden. Maar dat ging toch niet juist, zooals men had gehoopt. Wel
+waren er larven, die aan de lijmstaven vast raakten, en er waren
+massa's, die door de lijmringen verhinderd waren uit de boomen naar
+beneden te komen, maar men kon niet zeggen, dat de larven ingesloten
+waren. Ze waren binnen en buiten de opsluitende ringen. Ze waren
+overal. Ze kropen over den weg, op de tuinheggen, langs de muren. Ze
+zwierven over de grenzen van het Friedsbosch naar andere gedeelten
+van Kolmarden.
+
+"Ze houden niet op, voor al onze bosschen vernield zijn," zeiden
+de menschen. Ze waren in den grootsten angst, en konden niet in het
+bosch komen, zonder tranen in de oogen te krijgen.
+
+Karr walgde zoo van al dat kruipend en knagend gedierte, dat hij het
+bijna niet over zich verkrijgen kon de deur uit te gaan. Maar op een
+dag vond hij, dat hij eens moest gaan hooren, hoe Grauwvel het had. Hij
+sloeg den naasten weg in naar zijn velden, en liep haastig voort, met
+den neus langs den grond. Toen hij bij den boomwortel kwam, waar hij
+het vorige jaar Helpmij had ontmoet, lag die daar weer, en riep hem.
+
+"Heb je met Grauwvel gesproken over wat ik je laatst gezegd heb?" vroeg
+de slang.
+
+Karr blafte alleen maar, en probeerde bij hem te komen.
+
+"Doe dat in ieder geval," zei de slang. "Je ziet immers wel, dat de
+menschen geen raad weten voor deze verwoesting."
+
+"Ja, jij ook niet," antwoordde Karr, en liep verder.
+
+Karr vond Grauwvel; maar de eland was zóó somber gestemd, dat hij
+nauwlijks groette. Hij begon dadelijk over het bosch te praten. "Ik
+weet niet, wat ik er niet voor geven zou, als die ellende ophield,"
+zei hij.
+
+"Dan zal ik je toch vertellen, dat je het bosch redden kunt," zei Karr,
+en bracht nu de boodschap van de slang over.
+
+"Als 't iemand anders dan Helpmij was, die dat beloofde, zou ik
+dadelijk in ballingschap gaan," zei de eland. "Maar hoe zou nu een
+arme slang zoo'n macht hebben?"
+
+"'t Is natuurlijk maar pocherij," zei Karr. "Slangen doen altijd,
+alsof ze meer weten dan andere dieren."
+
+Toen Karr naar huis zou gaan, bracht Grauwvel hem een eind weg. Karr
+hoorde toen hoe een lijster, die in een dennetop zat, begon te roepen:
+"Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield."
+
+Karr meende, dat hij het niet goed gehoord had, maar een oogenblik
+later kwam een haas aanrennen over het pad. Toen de haas hen zag,
+bleef hij stil staan, klapte met de ooren, en riep:
+
+"Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield!" Toen rende
+hij weg, zoo hard hij kon.
+
+"Wat bedoelen ze daarmeê?" vroeg Karr.
+
+"Dat weet ik niet precies," zei Grauwvel. "Ik denk, dat het kleine
+volkje in 't bosch ontevreden over me is, omdat ik den raad gaf de
+hulp van de menschen in te roepen. Al hun schuilplaatsen en woningen
+zijn verwoest, toen het onderhout werd weggekapt."
+
+Ze liepen nog een poos samen voort, en Karr hoorde dat van alle kanten
+werd geroepen: "Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield."
+
+Grauwvel deed, alsof hij het niet hoorde, maar Karr, meende nu te
+begrijpen, waarom hij zoo gedrukt was.
+
+"Zeg, Grauwvel," vroeg Karr snel, "wat meent de slang daarmeê, dat
+je iemand zoudt hebben doodgeslagen, van wie hij zooveel hield?"
+
+"Hoe kan ik dat weten?" zei Grauwvel. "Je weet, dat ik nooit iemand
+doodsla."
+
+Kort daarna ontmoetten zij de vier oude elanden: Kromrug, Kroonhoorn,
+Ruigmaan en Grootsterk. Zij kwamen langzaam en bedachtzaam aanstappen,
+achter elkaar.
+
+"Welkom in 't bosch," riep Grauwvel ze tegen.
+
+"Goeden dag," antwoordden de elanden. "We zochten je juist, Grauwvel,
+om met je over het bosch te spreken."
+
+"We hebben gehoord," zei Kromrug, "dat er hier een misdaad in 't
+bosch is gebeurd, en dat het heele bosch wordt verwoest, omdat die
+daad niet gestraft is."
+
+"Wat is dat voor een misdaad?"
+
+"Er is iemand, die een onschadelijk dier heeft gedood, dat hij niet
+eten kon. Zooiets wordt hier in 't Friedsbosch voor een misdaad
+gehouden."
+
+"Wie is dat, die zooiets schandelijks heeft gedaan?" vroeg Grauwvel.
+
+"Het schijnt, dat het een eland is, en nu wilden we je vragen, of je
+weet, wie dat wezen kan."
+
+"Neen," zei Grauwvel, "ik heb nooit over een eland hooren spreken,
+die een onschadelijk dier heeft gedood."
+
+Grauwvel nam afscheid van de oude elanden, en ging met Karr verder. Hij
+werd al stiller, en liep met gebogen kop. Zij kwamen voorbij Krule,
+de adder, die daar in zijn hol lag.
+
+"Daar loopt Grauwvel, die het bosch heeft vernield," siste Krule,
+zooals al de anderen. Nu verloor Grauwvel zijn geduld. Hij ging op
+de adder toe, en lichtte den voorpoot op.
+
+"Ben je van plan mij dood te slaan, zooals je de oude slang hebt
+doodgeslagen?"
+
+"Heb ik een slang doodgeslagen?" vroeg Grauwvel.
+
+"De eerste dag, toen je in 't bosch kwam, sloeg je de vrouw van de
+slang, Helpmij, dood," zei Krule.
+
+Grauwvel ging snel van Krule weg, en bleef met Karr doorloopen. Opeens
+stond hij stil:
+
+"Karr, ik heb de misdaad begaan. Ik heb een onschadelijk dier
+doodgeslagen. Om mij wordt het bosch verwoest."
+
+"Wat zeg je toch?" viel Karr hem in de rede.
+
+"Zeg jij maar aan de slang Helpmij, dat Grauwvel van nacht in
+ballingschap gaat."
+
+"Dat zeg ik nooit," zei Karr. "'t Is een gevaarlijk land voor elanden,
+daar in 't noorden."
+
+"Meen je, dat ik hier blijven wil, nu ik zoo'n ongeluk heb
+aangericht?" vroeg Grauwvel.
+
+"Ga nu niet overhaast te werk; wacht nu tot morgen, vóór je iets doet."
+
+"Jij hebt me geleerd, dat de elanden één zijn met het bosch," zei
+Grauwvel, en met die woorden ging hij van Karr weg.
+
+Karr ging naar huis, maar dit gesprek had hem onrustig gemaakt, en
+al den volgenden dag ging hij opnieuw het bosch in, om den eland te
+ontmoeten. Toen was Grauwvel nergens te vinden, en de hond zocht ook
+niet lang naar hem. Hij begreep, dat Grauwvel de slang aan zijn woord
+had gehouden, en in ballingschap was gegaan.
+
+Op den terugweg was Karr onbeschrijfelijk somber. Hij kon niet
+begrijpen, dat Grauwvel zich door dien stumper van een slang liet
+wegpraten. Hij had nooit van zoo'n dwaasheid gehoord. Wat kon die
+Helpmij nu voor macht hebben?
+
+Toen Karr, in die gedachten verdiept, voortging, zag hij den
+boschwachter, die naar boven stond te wijzen bij een boom.
+
+"Waar kijk je naar?" vroeg een man, die naast hem stond.
+
+"Er is een ziekte onder de larven uitgebroken," zei de boschwachter.
+
+Karr was ongelooflijk verbaasd, maar hij ergerde zich er bijna nog
+meer over, dat de slang de macht had gehad zijn woord te houden. Nu
+zou Grauwvel wel een oneindig langen tijd moeten wegblijven, want
+die slang zou wel nooit sterven.
+
+Maar juist toen Karr het bedroefdste was, viel hem een gedachte in,
+die hem een beetje troostte.
+
+"De slang hoeft waarschijnlijk zoo oud niet te worden," dacht hij. "Hij
+zal wel niet altijd veilig onder een boomwortel liggen. Als hij maar
+eerst de larven heeft weggemaakt, weet ik wel, wie hem doodbijten zal."
+
+Werkelijk was er een ziekte onder de larven uitgebroken, maar den
+eersten zomer was die niet erg verbreid. Nauwlijks was die uitgebroken,
+of de larven hadden zich verpopt. Uit de poppen kwamen millioenen
+vlinders. Zij vlogen 's nachts rond als een sneeuwstorm tusschen de
+boomen, en legden een ontelbaar aantal eieren. Het volgend jaar kon
+men nog grooter verwoesting verwachten.
+
+De verwoesting kwam, maar niet alleen over het bosch, maar ook over de
+larven zelf. De ziekte verspreidde zich snel van 't eene bosch naar
+het andere. De zieke larven aten niet meer, kropen naar den top van
+den boom, en stierven daar. De vreugde onder de menschen was groot,
+toen zij hen zagen sterven, maar nog grooter onder de boschdieren.
+
+Karr, de hond, liep dagelijks rond met een boosaardige vreugde in
+zijn hart, en dacht aan het oogenblik, dat hij Helpmij zou doodbijten.
+
+Maar de larven hadden zich mijlenver over de dennenbosschen verspreid,
+en ook dezen zomer bereikte de ziekte hen allen nog niet. Velen bleven
+leven, tot ze poppen en vlinders werden.
+
+Met de vogels kreeg Karr groeten van Grauwvel, en de boodschap,
+dat hij leefde, en het goed had. Maar de vogels vertelden Karr in
+vertrouwen, dat Grauwvel al verscheiden malen door wilddieven vervolgd
+was geworden, en dat hij maar met de grootste moeite was ontkomen.
+
+Karr leefde in zorgen, verlangen en verdriet. En nog moest hij twee
+zomers wachten. Toen eerst waren alle larven weg.
+
+Nauwlijks hoorde Karr den boschwachter zeggen, dat het bosch buiten
+gevaar was, of hij ging op jacht om Helpmij te zoeken. Maar toen hij
+in het kreupelhout kwam, ontdekte hij iets verschrikkelijks. Hij kon
+niet meer jagen, niet springen, zijn vijand niet meer opsporen, hij
+kon zelfs niet meer zien. Onder het lange wachten was de ouderdom
+over Karr gekomen. Hij was oud geworden, zonder dat hij het had
+gemerkt. Hij kon niet eens meer een slang doodbijten. Hij was niet
+in staat zijn vriend Grauwvel van zijn vijand te bevrijden.
+
+
+
+
+DE WRAAK.
+
+
+Op een middag streek Akka van Kebnekaise en haar troep neer aan den
+oever van een boschmeer. Ze waren nog in Kolmarden, maar ze hadden
+Oost-Göthland verlaten, en bevonden zich nu in Jonakker in Sörmland. De
+lente was uitgebleven, zooals vaak gebeurt in bergstreken, en het ijs
+dekte 't geheele meer, op een strook open water langs de kust na. De
+ganzen vlogen dadelijk in het water, om te baden en naar voedsel
+te zoeken, maar Niels Holgersson had dien morgen zijn eene klomp
+verloren, en hij liep tusschen de elzen en berken door, die aan den
+oever groeiden, naar iets te zoeken, dat hij om den voet kon binden.
+
+De jongen moest tamelijk ver loopen, eer hij iets bruikbaars vond,
+en hij keek onrustig rond, want hij hield niet van 't bosch. "Neen,
+dan heb ik de vlakte en de zee liever," dacht hij. "Daar kun je zien,
+waar je op afgaat. Als 't nog een beukenbosch was, kon 't er nog door,
+want daar is de grond bijna kaal, maar die berken- en dennenbosschen,
+die zoo woest en ongebaand zijn--ik begrijp niet, hoe de menschen
+het er in uithouden. Als ik hier de baas was, liet ik alles weghakken."
+
+Eindelijk kreeg hij een stuk berkebast in 't oog, en stond dat juist
+om zijn voet te passen, toen hij een geritsel achter zich hoorde. Hij
+keerde zich om, en zag, dat een slang door de takken recht op hem
+aan kwam schieten. Hij was buitengewoon lang en dik, maar de jongen
+zag dadelijk, dat hij een witte vlek op iedere wang had, en bleef
+rustig staan. "Dat is maar een slang," dacht hij. "Die kan mij toch
+niets doen."
+
+Maar 't volgend oogenblik kreeg hij van de slang zoo'n sterken stoot
+voor de borst, dat hij omviel. De jongen kwam gauw weer op de been,
+en sprong weg, maar de slang vervolgde hem. De grond was vol takken
+en steenen; de jongen kwam niet heel gauw voort, en de slang was hem
+dicht op de hielen.
+
+Op eens zag de jongen voor zich uit een grooten steen met steile
+kanten, en hij klauterde er op.
+
+"Hier zal de slang toch wel niet bij me kunnen komen," dacht hij,
+maar toen hij goed en wel boven gekomen was, en omkeek, zag hij,
+dat de slang probeerde achter hem aan te komen.
+
+Dicht bij den jongen, op den top van het blok, lag een andere steen,
+bijna zoo rond en groot als het hoofd van een man. Die lag heelemaal
+los op een smallen kant. 't Was onbegrijpelijk, hoe die daar zoo kon
+blijven liggen. Toen de slang dichterbij kwam, sprong de jongen achter
+dien ronden steen, en gaf hem een stoot. Hij rolde naar beneden,
+vlak op de slang, trok hem meê naar den grond, en bleef op den
+slangenkop liggen.
+
+"Die heeft zijn werk netjes gedaan," dacht de jongen, en haalde
+diep adem, toen hij zag, hoe de slang na een paar heftige rukken,
+stil bleef liggen.
+
+"Ik geloof niet, dat ik op deze heele reis ooit in grooter gevaar
+ben geweest."
+
+Hij had nog maar pas tijd gehad, om tot zichzelf te komen, toen hij
+een geruisch boven zich hoorde, en een vogel op den grond, vlak naast
+de slang, zag neerstijken. Die was gebouwd als een kraai, en ook zoo
+groot, maar hij had een mooi gewaad van zwarte veeren aan, met een
+metaalachtigen glans er over. De jongen kroop voorzichtig weg in een
+spleet in den steen. Hij herinnerde zich nog levendig dat avontuur,
+toen de kraaien hem hadden weggeroofd, en wilde zich niet zonder
+noodzaak vertoonen.
+
+De zwarte vogel liep met groote stappen heen en weer langs het lichaam
+van de slang, en keerde dat met den snavel om. Eindelijk klapte hij
+met de vleugels, en riep met een stem zóó schel, dat ze pijn deed
+in de ooren: "Dat is vast en zeker Helpmij, de slang, die hier dood
+ligt!" Hij liep nog eens langs hem, en toen bleef hij staan in diepe
+gedachten verzonken, en krabde zich met den voet in den nek.
+
+"'t Is onmogelijk, dat er twee zulke groote slangen hier in 't bosch
+kunnen zijn," zei hij. "Hij is het zeker!"
+
+Hij was juist van plan den snavel in de slang te steken, maar op eens
+hield hij zich in. "Je moet geen ezel zijn, Bataki," zei hij. "Je
+kunt er toch niet aan denken de slang op te eten, voor je Karr hier
+geroepen hebt. Hij zou niet durven gelooven, dat Helpmij dood is,
+als hij hem niet zelf ziet."
+
+De jongen probeerde zich stil te houden, maar de vogel was zoo
+vermakelijk plechtig, zooals hij daar in zichzelf liep te praten,
+dat hij het lachen niet laten kon.
+
+De vogel hoorde hem, en met één vleugelslag was hij boven op den
+steen. De jongen stond gauw op, en kwam hem tegemoet. "Ben jij niet
+Bataki, de raaf, een goede vriend van Akka van Kebnekaise?" vroeg
+de jongen.
+
+De vogel keek hem aandachtig aan, en knikte toen drie keer met den kop.
+
+"Jij bent toch niet de jongen, die met de wilde ganzen rondvliegt,
+en dien ze Duimelot noemen?"
+
+"Ja, dat heb je niet zoo heelemaal mis," zei de jongen.
+
+"Dat is heerlijk, dat ik jou ontmoette. Kun je misschien zeggen,
+wie die slang heeft dood geslagen?"
+
+"Dat deed de steen, die ik naar beneden op zijn kop liet rollen,"
+antwoordde de jongen, en vertelde, hoe alles was gegaan.
+
+"Dat was flink voor zoo'n kleintje als jij," zei de raaf.
+
+"Ik heb hier een vriend in de buurt, die blij zal zijn, dat de slang
+dood is, en ik wou, dat ik ook eens wat voor jou kon doen."
+
+"Vertel me dan, waarom je zoo blij bent, dat die slang dood is,"
+zei de jongen.
+
+"Och," antwoordde de raaf, "dat is een lang verhaal. Je hebt toch
+geen geduld daarnaar te luisteren."
+
+Maar de jongen beweerde, dat hij dat wel had, en nu vertelde de raaf
+de heele geschiedenis van Karr en Grauwvel en de slang Helpmij. Toen
+hij klaar was, zat de jongen een poos stil voor zich uit te kijken.
+
+"Ik dank je wel," zei hij. "'t Is alsof ik het bosch beter begrijp,
+nu ik dat gehoord heb. Ik zou wel eens willen weten, of er nu nog
+iets van het groote Friedsbosch over is."
+
+"'t Meeste is al verwoest," zei Bataki. "De boomen zien er uit,
+alsof ze in brand hebben gestaan. Ze moeten geveld worden, en het
+duurt veel jaren, eer het bosch wordt, wat het geweest is."
+
+"Die slang daar heeft zijn dood verdiend," zei de jongen. "Maar hoe
+wist hij zoo zeker, dat hij de larven ziek kon maken?"
+
+"Misschien wist hij, dat ze op die manier gewoonlijk ziek worden,"
+zei Bataki.
+
+"Ja, dat kan wel wezen, maar ik moet zeggen, dat hij toch in ieder
+geval een heel verstandig dier was."
+
+De jongen zweeg. De raaf hoorde niet naar hem, maar zat met den kop
+afgewend te luisteren naar iets anders.
+
+"Hoor," zei hij. "Karr is hier in de buurt. Nu zal hij blij zijn,
+als hij hoort, dat Helpmij dood is."
+
+De jongen keek naar den kant, waarvan het geluid kwam.
+
+"Hij spreekt met de wilde ganzen," zei hij. "Ja, hij heeft zich
+zeker voortgesleept naar den oever van het meer, om wat van Grauwvel
+te hooren."
+
+De raaf en de jongen sprongen beiden van den steen, en liepen snel
+naar het meer. Al de ganzen waren uit het water gekomen, en stonden
+te praten met een ouden hond, die zoo gebrekkig en zwak was, dat men
+den indruk kreeg, dat hij ieder oogenblik dood neer kon vallen.
+
+"Daar heb je Karr," zei Bataki tegen den jongen.
+
+"Laat hem nu maar eerst hooren, wat de wilde ganzen hem hebben te
+vertellen! Daarna zullen wij hem zeggen, dat de slang dood is."
+
+Ze hoorden Akka tegen Karr spreken:
+
+"'t Gebeurde verleden jaar, toen we onze voorjaarsreis deden," zei
+de gans. "We waren uitgevlogen: Yksi, Kaksi en ik, in den morgen, van
+Siljan in Dalecarlië, en we kwamen over de groote grenswouden tusschen
+Dalecarlië en Helsingland. We zagen niet anders onder ons, dan het
+zwart-groene naaldbosch. De sneeuw lag nog hoog tusschen de boomen,
+de rivieren waren bevroren; hier en daar zagen we een zwart wak,
+en aan de oevers van de rivieren was de sneeuw gedeeltelijk weg. We
+zagen bijna geen steden of hoeven, enkel grauwe herdershutten, die
+'s winters leeg stonden. Hier en daar liepen smalle, kronkelende
+boschpaden, waar de menschen in den afgeloopen winter hout langs
+hadden gereden. Beneden bij de rivieren lag het hout opgestapeld.
+
+Terwijl we daar vlogen, zagen we drie jagers, die beneden in het bosch
+wandelden. Ze liepen op sneeuwschoenen, ze hadden honden aan touwen,
+messen in den gordel, maar geen geweren. Er was een hard bevroren
+korst op de sneeuw, en zij keken niet naar de kronkelende boschpaden,
+maar liepen rechtuit.
+
+Het scheen, dat ze wel wisten, waar ze heen moesten, om te vinden,
+wat ze zochten.
+
+Wij, wilde ganzen, vlogen daar boven in de hoogte, en konden 't heele
+bosch overzien. Toen we de jagers gezien hadden, wilden we ook graag
+het wild zien. We begonnen heen en weer te vliegen, en tusschen de
+takken te kijken. We zagen toen in een dicht kreupelhout iets, dat
+op groote, met mos begroeide steenen leek. Maar steenen konden het
+toch niet zijn, want er lag geen sneeuw op.
+
+We daalden snel naar beneden, en streken midden in 't kreupelhout
+neer. Toen bewogen de drie steenblokken zich. 't Waren drie elanden,
+die daar in het donkere bosch lagen: een stier en twee koeien.
+
+De elandstier stond op, toen we neerstreken, en kwam op ons af. 't
+Was het grootste en mooiste dier, dat we ooit gezien hadden. Maar
+toen hij zag, dat het maar een paar armzalige wilde ganzen waren,
+die hem hadden wakker gemaakt, ging hij weer liggen.
+
+"Neen, vadertje, ga niet liggen slapen," zei ik toen tegen
+hem. "Vlucht, zoo gauw je kunt! Daar zijn jagers in 't bosch, en ze
+komen recht op dit elandleger aan."
+
+"Dank je wel, ganzenmoedertje," zei de eland, en het was, alsof hij
+weer insliep onder 't praten, "maar je weet wel, dat wij, elanden,
+hier veilig zijn in dezen tijd. Ze mogen niet op ons jagen. Die jagers
+zijn zeker op de vossenjacht."
+
+"Er waren veel vossensporen in het bosch, maar die volgden de jagers
+niet. Geloof me nu, vadertje. Ze weten, dat jelui hier liggen. Ze komen
+hier om jelui neer te vellen. Ze hebben geen geweer bij zich, omdat
+ze geen schot in 't bosch durven te lossen in dezen tijd van 't jaar."
+
+De elandstier bleef even kalm liggen, maar de koeien werden onrustig,
+"'t Is misschien waar, wat de ganzen zeggen," zeiden ze, en begonnen
+op te staan.
+
+"Blijven jelui maar stil liggen," zei de stier. "Er komen hier geen
+jagers in 't kreupelbosch. Daar kun je zeker van zijn."
+
+Daar was niets aan te doen, en wij vlogen weer op, maar we bleven
+heen en weer vliegen over de zelfde plaats, om te zien, hoe het met
+de elanden zou gaan.
+
+Nauwlijks waren wij op onze gewone hoogte gekomen, of we zagen,
+dat de elandstier uit het kreupelhout kwam. Hij snoof rond in alle
+richtingen, en ging toen regelrecht de jagers tegemoet. Terwijl hij
+voortliep, trapte hij op dorre takken, zoodat ze knapten met luid
+gekraak. Een groot kaal moeras lag in zijn weg. Daar liep hij heen,
+en ging midden op het open moeras staan, waar niets hem verborg.
+
+Daar stond de eland tot de jagers te voorschijn kwamen, aan den zoom
+van 't bosch. Toen zwenkte hij, en vluchtte naar een anderen kant,
+dan van waar hij gekomen was. De jagers lieten de honden los, en
+liepen zelf op hun sneeuwschoenen, zoo hard zij konden, achter hem aan.
+
+De eland had den kop achteruit op den rug gelegd, en sprong in de
+snelst mogelijke vaart voort. Hij sloeg zooveel sneeuw op, dat die
+in een wolk om hem heen stond. Honden en jagers bleven ver achter
+hem. Nu en dan bleef hij staan, als om hen op te wachten, en als ze
+weer in 't gezicht kwamen, stormde hij opnieuw voort. We begrepen,
+dat het zijn bedoeling was, de jagers weg te lokken van de plaats,
+waar de koeien lagen. We vonden, dat hij dapper was, omdat hij zelf in
+'t gevaar ging, om de zijnen rust te geven. Geen van ons zou willen
+heengaan, voor we hadden gezien, hoe dit afliep.
+
+De jacht duurde op die manier een paar uur. We verwonderden er ons
+over, dat de jagers de moeite namen, den eland te volgen, nu ze niet
+met geweren gewapend waren. Ze konden toch niet meenen, dat ze het
+tegen zulk een draver als hij konden volhouden.
+
+Maar toen zagen we, dat de eland niet meer zoo hard liep als in 't
+begin. Hij zette de pooten voorzichtiger in de sneeuw. En als hij ze
+optrok, zagen we bloed in het spoor.
+
+Toen begrepen we, waarom de jagers zoo volhielden. Ze rekenden op de
+hulp van de sneeuw. De eland was zwaar, en bij elken stap, dien hij
+deed, zonk hij tot op den bodem van de sneeuwlaag. Maar de harde korst
+daar boven op schaafde zijn pooten stuk. Die schrapte het haar af,
+en maakte gaten in de huid, zoodat hij pijn had, telkens als hij de
+pooten neerzette.
+
+De jagers en de honden, die zoo licht waren, dat ze over de ijskorst
+konden loopen, vervolgden hem voortdurend. Hij vluchtte en vluchtte
+telkens opnieuw, maar meer en meer werd zijn loop onzeker en
+struikelend. Hij blies heftig. 't Was niet genoeg, dat hij zooveel
+pijn leed. Hij werd ook moe van het waden door de diepe sneeuw.
+
+Eindelijk verloor hij zijn geduld. Hij bleef staan, om de jagers en
+honden bij zich te laten komen, en met hen te vechten. Terwijl hij
+daar stond te wachten, keek hij op, en toen hij ons zag, terwijl
+we boven hem zweefden, riep hij: "Blijf nu hier, wilde ganzen! tot
+alles voorbij is! En als je over Kolmarden vliegt, zoek dan Karr,
+den hond op, en zeg hem, dat zijn vriend, Grauwvel, een goeden dood
+gestorven is!""
+
+Toen Akka zoover gekomen was, stond de oude hond op, en ging twee
+stappen naar haar toe. "Grauwvel heeft een goed leven geleid," zei
+hij. "Hij kent mij. Hij weet, dat ik een dappere hond ben, en dat ik
+blij zou zijn, als ik hoorde, dat hij een goeden dood stierf. Vertel
+me nu hoe...."
+
+Hij hief den staart en den kop op, als om een fiere, flinke houding
+aan te nemen, maar hij zonk weer neer.
+
+"Karr, Karr!" riep nu een menschenstem uit het bosch. De oude
+hond stond haastig op. "Dat is de baas, die me roept," zei hij,
+"en ik wil hem niet laten wachten. Ik zag hem zijn geweer laden, en
+nu zullen wij beiden voor het laatst het bosch ingaan. Ik dank je,
+wilde gans. Nu weet ik alles, wat ik noodig heb te weten, om tevreden
+den dood te gemoet te gaan."
+
+
+
+
+
+
+XXIII.
+
+IN NÄRKE.
+
+
+In Närke was er vroeger iets, zooals ze nergens anders hadden, en
+dat was een heks, die Ysätters-Kajsa heette.
+
+Den naam Kajsa had ze gekregen, omdat ze veel met storm en wind
+te maken had, en omdat zulke windheksen altijd zoo genoemd worden,
+en den bijnaam, omdat ze van de Ysätterpoel in Asker gekomen was.
+
+Men meent wel, dat ze eigenlijk haar thuis in Asker had, maar ze
+vertoonde zich gewoonlijk ook op andere plaatsen. Nergens in heel
+Närke kon men zeker wezen haar niet tegen te komen.
+
+Ze was geen akelige, sombere heks, maar vroolijk en uitgelaten, en
+waar ze 't allermeest van hield, was een flinke storm. Zoodra het
+maar hard genoeg waaide, trok ze uit om te dansen op de Närke-vlakte.
+
+Närke bestaat eigenlijk alleen uit een vlakte, door met bosch begroeide
+bergen omgeven. Alleen in den noordoostelijken hoek, waar de Hjälmar
+uit het landschap komt, is er een gat in de lange bergenheining.
+
+Als nu op een morgen de wind kracht heeft opgedaan op de Oostzee, en 't
+land invliegt, gaat hij zonder tegenstand tusschen de stormlandsheuvels
+door, en komt zonder veel moeite in Närke door de Hjälmaropening. Dan
+rent hij voort over de vlakte, maar vlak in 't westen bonst hij tegen
+den hoogen wand van den Kilsberg aan, en wordt teruggeworpen. Dan
+kronkelt de wind als een slang om, en schuift naar het zuiden. Maar
+daar staat weer een andere berg, en geeft hem een stoot, zoodat
+hij naar 't oosten vliegt. En daar is er weer een, die hem naar
+'t noorden stuurt. En zoo gaat het voort. De wind vliegt rond in al
+kleiner en kleiner kringen, en blijft eindelijk midden op de vlakte
+staan ronddraaien als een tol. Maar op zulke dagen, als de wervelwinden
+over de vlakte vlogen, had Ysätters-Kajsa pleizier. Dan stond ze midden
+in den wervelwind rond te tollen. Haar lange haren vlogen in 't rond
+op de wolken van den hemel, haar sleep zwierde over den grond als een
+stofwolk, en de heele vlakte lag onder haar als één groote dansvloer.
+
+'s Morgens zat Ysätters-Kajsa gewoonlijk boven in een of anderen hoogen
+spar, op den top van een rotsige berghelling, uit te kijken over de
+vlakte. Als het dan winter was, en de wegen begaanbaar waren, en ze
+zag veel wagens rijden, dan ging ze gauw een sneeuwstorm aanblazen, en
+torende de sneeuwhoopen zóó hoog op, dat de menschen maar met moeite
+'s avonds konden thuiskomen. Als het zomer was en goed oogstweer,
+zat Ysätters-Kajsa stil, tot de eerste hooiwagens opgeladen waren,
+en dan kwam ze aanvliegen met een paar stortbuien, die voor dien dag
+een eind aan het werk maakten.
+
+'t Was vast en zeker, dat ze maar zelden aan iets anders dacht,
+dan aan kattekwaad doen. De kolenbranders boven op de Kilsbergen
+durfden nauwlijks een dutje te doen, want, zoodra ze een onbewaakte
+kolenmijn zag, sloop ze er heen, en blies die aan, zoodat ze met hooge
+vlammen ging branden. En als de ertsrijders van de Laxå en de Svartå
+'s avonds laat uit waren, hulde Ysätters-Kajsa de wegen en sporen in
+zulk een dichten mist, dat de menschen en paarden in de war kwamen,
+en de zware sleden in poelen en moerassen reden.
+
+Als de vrouw van den proost in Glanshammar op een zomerschen zondag de
+koffietafel in den tuin had gedekt, en er kwam een windvlaag, die het
+tafelkleed optilde, en koppen en schalen omgooide, dan wist men wel,
+wie er weer aan 't grappen maken was. Als de hoed den burgemeester in
+Örebro van 't hoofd geblazen werd, zoodat hij hem over de heele markt
+moest naloopen, als de menschen van Vinön met hun groenteschuiten
+in den Hjälmar op den grond liepen, als het te drogen gehangen
+waschgoed wegvloog, of onder de stof kwam, als de rook 's avonds de
+kamer insloeg, en de schoorsteen maar niet uit kon komen, dan was
+'t niet moeilijk te raden, wie daar buiten aan 't pret maken was.
+
+Maar hoewel Ysätters-Kajsa veel hield van allerlei ergerlijke
+plagerijen, was er toch eigenlijk niets slechts in haar. Men kon wel
+merken, dat ze 't meeste kwaad deed bij menschen, die kibbelachtig en
+gierig en boosaardig waren; maar betrouwbare menschen en kleine, arme
+kinderen nam ze dikwijls in bescherming. En oude menschen vertellen,
+dat eens, toen de kerk van Asker in brand stond, Ysätters-Kajsa kwam
+aanvliegen, door rook en vuur heen op het dak van de kerk neerstreek,
+en 't gevaar afweerde.
+
+In ieder geval waren de bewoners van Närke Ysätters-Kajsa dikwijls
+hartelijk moe. Maar zij werd nooit moe, hen met allerlei lawaai te
+plagen. Als ze op den kant van een wolk zat, en op Närke neerkeek, dat
+vriendelijk en welvarend tevreden daar lag, met prachtige boerenhoeven
+op de vlakte, en rijke mijnen en fabrieken tegen de bergen op, met de
+langzaam stroomende Svartå en de ondiepe vischrijke meren in de vlakte,
+met de goede stad Örebro, die zich uitstrekte om het ernstige, oude
+kasteel met den statigen hoektoren, dan moet ze zeker gedacht hebben:
+"Hier zouden de menschen het veel te goed hebben, als ik er niet
+was. Ze zouden maar slaperig en vervelend worden. Hier moet iemand
+zijn als ik, die ze wakker schudt, en ze in hun humeur houdt."
+
+En dan lachte ze luid en spottend, als een ekster, en stormde weg,
+dansend en rondzwaaiend van den eenen hoek van de vlakte naar den
+anderen. En als de bewoners van Närke zagen, hoe ze haar stofsleep
+over de vlakte liet gaan, konden ze niet laten te lachen. Want
+lastig en vervelend was ze, maar ze had een goed humeur. 't Was even
+verfrisschend voor de boeren met Ysätters-Kajsa te doen te hebben,
+als voor 't veld door den stormwind te worden gezweept.
+
+Tegenwoordig beweert men, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, zij, even
+goed als alle andere heksen. Maar dat is bijna niet te gelooven. Dat
+klinkt, alsof iemand ons kwam vertellen, dat de lucht van nu af aan
+stil zal staan boven de vlakte, en de wind er nooit meer over heen
+zal dansen met ruischen en bruisen, en frissche lucht en stortregens.
+
+Zij, die meenen, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, moeten toch maar
+hooren, hoe het in Närke ging in het jaar, toen Niels Holgersson over
+het landschap vloog, dan kunnen zij zelf zien, wat zij gelooven moeten.
+
+
+
+
+DE AVOND VOOR DEN MARKTDAG.
+
+
+'t Was de dag voor de groote veemarkt in Örebro, en het regende,
+dat het goot.
+
+'t Was een regen, die niet uit te houden was. Er vielen heele stroomen
+uit de wolken, en menigeen dacht: "'t Is precies, als in den tijd
+van Ysätters-Kajsa. Nooit maakte ze zooveel spektakel, als tegen de
+marktdagen. 't Zou juist iets voor haar zijn, zoo'n stortregen te
+brengen op den avond vóór de groote markt."
+
+Hoe langer hoe erger werd de regen. Tegen den avond kwamen echte
+wolkbreuken, de wegen werden als rivieren, en de menschen, die met
+hun vee op weg waren, om vroeg in den morgen in Örebro te zijn, hadden
+het kwaad. Koeien en ossen werden zoo uitgeput, dat ze geen stap meer
+wilden doen, en veel van die arme dieren gingen midden op den weg
+liggen om te toonen, dat ze niet verder konden loopen. Allen, die aan
+den weg woonden, moesten de deuren openzetten voor de marktgangers,
+en ze zoo goed en kwaad, als ze konden, huisvesting geven.
+
+'t Werd overvol, niet alleen in de woonkamers, maar ook in stallen
+en schuren.
+
+Zij, die dat konden, probeerden intusschen voort te komen naar de
+herberg, maar toen ze daar kwamen, hadden ze bijna spijt, dat ze niet
+in een of andere kamer aan den weg gebleven waren. Alle hokken in de
+schuur, en alle vakken in den paardenstal waren al bezet. Er bleef
+niets anders over dan de paarden en koeien buiten in den regen te
+laten staan. 't Was nog maar juist mogelijk, dat de eigenaars onder
+dak konden komen.
+
+'t Was op de plaats een natte, vuile boel, en een gedrang, dat het
+verschrikkelijk was. Sommige dieren stonden in heele plassen, en konden
+niet gaan liggen. Er waren wel boeren, die hun dieren stroo gaven om
+op te liggen, en ze met dekken toedekten, maar er waren er ook, die
+in de herberg zaten te drinken en te spelen, en heelemaal vergaten,
+waar ze voor zorgen moesten.
+
+De jongen en de wilde ganzen waren dien avond op een eilandje in den
+Hjälmar aangekomen. Dat was maar door een smal, ondiep watertje van
+het land gescheiden, en men kon wel begrijpen, dat men daar met droge
+voeten over kon komen, als het laag water was.
+
+Op het eilandje regende het even erg als overal elders. De
+jongen kon niet slapen door de droppels, die aanhoudend op hem
+neervielen. Eindelijk begon hij op het eilandje rond te loopen. Hij
+vond, dat hij den regen minder voelde, als hij zich bewoog.
+
+Nauwlijks was hij een keer rond geweest, of hij hoorde een geplas in
+het water, dat het eiland van het land scheidde, en dadelijk daarop
+zag hij een eenzaam paard tusschen de struiken aankomen. 't Was een
+oude knol, zóó mager en ellendig, als de jongen nog nooit gezien
+had. Hij was als gebroken, had stijve pooten, en was zoo mager, dat
+alle botten onder het vel te zien waren. Hij was zonder toom of zadel,
+droeg een oud halster, waarvan een half verrot stuk touw afhing. 't
+Was duidelijk, dat 't hem niet moeilijk was gevallen om los te komen.
+
+'t Paard liep regelrecht naar de plaats, waar de wilde ganzen stonden
+te slapen; en de jongen werd bang, dat hij op hen zou trappen.
+
+"Waar moet je heen? Kijk toch uit!" riep hij.
+
+"Zoo, ben jij daar," zei het paard, en kwam op den jongen af. "Ik
+heb bijna een uur geloopen om je te vinden."
+
+"Heb je over mij hooren spreken?" vroeg de jongen verbaasd.
+
+"Ik heb mijn ooren wel, al ben ik oud. Er wordt tegenwoordig veel
+over je gesproken."
+
+Hij had den kop onder het spreken neergebogen, om beter te kunnen zien,
+en de jongen merkte op, dat hij een kleinen kop met mooie oogen en
+een zachten fijnen neus had.
+
+"Dat is zeker van huis uit een goed paard geweest, al is hij er nu,
+op zijn ouden dag, akelig aan toe," dacht hij.
+
+"Ik wou, dat je met me meê wou gaan en me helpen," zei het paard. De
+jongen vond het moeilijk met iemand meê te gaan, die er zoo ellendig
+uitzag, en verontschuldigde zich om het slechte weer.
+
+"Je hebt het hier niet beter, dan wanneer je op mijn rug zit," zei
+het paard. "Maar je durft misschien niet met zoo'n schooier van een
+knol meê, als ik ben."
+
+"O ja, dat durf ik wel," zei de jongen.
+
+"Maak dan de ganzen wakker, zoodat we kunnen afspreken, waar ze je
+morgen zullen komen halen," zei het paard.
+
+Kort daarop zat de jongen op zijn rug. Het oude dier draafde weg,
+beter, dan de jongen van hem verwacht had. Toch werd het een lange
+tocht door den nacht en den storm, vóór ze stilhielden bij een groote
+herberg. Daar zag het er vreeselijk ongezellig uit. In den weg waren
+zulke diepe sporen ingereden, dat de jongen dacht, dat hij verdrinken
+zou, als hij daarin viel. Aan het hek, dat rond om de plaats liep,
+waren een dertig, veertig stuks paarden en rundvee gebonden,
+zonder eenige beschutting voor den regen, en in 't midden van de
+plaats stonden karren, met hooge hokken, waarin schapen en kalveren,
+varkens en hoenders opgesloten zaten. 't Paard ging naar het hek, en
+bleef daar staan. De jongen zat op zijn rug en met de scherpe oogen,
+die hij had, zag hij duidelijk, hoe zwaar de dieren het hadden.
+
+"Hoe komt het, dat jelui hier buiten in den regen staan?" vroeg hij.
+
+"Wij zijn op weg naar de markt te Örebro, maar we moesten hier
+binnengaan om den regen. Dit is een herberg, maar er zijn zooveel
+reizigers gekomen, dat wij geen plaats in het huis kunnen krijgen."
+
+De jongen antwoordde niet, maar zat stil rond te kijken. Er waren niet
+veel dieren, die sliepen. Van alle kanten kwamen klachten en teekenen
+van misnoegen. Ze hadden alle reden om te jammeren, want het weer was
+nog erger geworden, dan op den dag. Er was een ijskoude wind op komen
+zetten, en de regen, die nu scherp en door den wind voortgezweept
+neerviel, was met sneeuw vermengd. 't Was niet moeilijk te begrijpen,
+wat het paard wilde, dat de jongen voor hem doen zou.
+
+"Zie je die prachtige hoeve wel, vlak over de herberg?" vroeg het
+paard.
+
+"Ja," zei de jongen, "die zie ik wel, en ik begrijp niet, dat ze niet
+gevraagd hebben, jelui daar binnen te mogen brengen. Of is het daar
+misschien ook al vol?"
+
+"Neen, daar zijn geen gasten," zei het paard. "Zij, die daar wonen,
+zijn zoo gierig en weinig behulpzaam, dat het niemand iets helpt,
+als ze daar om huisvesting vragen."
+
+"O! is het daar zoo gesteld? Dan moet jelui wel blijven, waar je bent."
+
+"Maar ik ben juist daar geboren en opgevoed," zei het paard. "Ik weet,
+dat daar een groote paardenstal is, en een groote veestal met veel
+leege hokken en vakken, en ik dacht, dat je misschien zou kunnen maken,
+dat we daar binnen kwamen."
+
+"Ik geloof niet, dat ik dat durf," zei de jongen. Maar toen had hij
+toch zoo'n medelijden met de dieren, dat hij het ten minste wilde
+probeeren.
+
+Hij liep de vreemde boerderij op, en zag dadelijk, dat alle
+bijgebouwen gesloten waren, en alle sleutels er uit genomen. Hij
+stond daar radeloos en hulpeloos, maar hij kreeg hulp van een kant,
+van waar hij die niet verwacht had. 't Was een windvlaag, die kwam
+aanzetten in woedende vaart, en de deur van een groote schuur vlak
+voor hem opengooide.
+
+De jongen liep natuurlijk gauw naar het paard terug.
+
+"'t Is niet mogelijk in de stallen te komen," zei hij, "maar er is
+een groote, leege hooischuur, die ze vergeten hebben te sluiten,
+en daar kan ik jelui in brengen."
+
+"Ja, graag," zei het paard. "'t Zal prettig zijn nog eens op de oude
+plaats te mogen slapen. Dat is het eenige genoegen, dat ik nog van
+'t leven verwachten kan."
+
+In die rijke boerenhoeve, die over de herberg lag, waren ze intusschen
+dien avond veel langer opgebleven dan gewoonlijk.
+
+De huisvader daar was een man van vijf en dertig jaar. Hij was lang,
+en zag er waardig uit, met een mooi, maar heel somber gezicht. Hij
+was dien dag in den regen uit geweest, en was nat geworden, als alle
+andere menschen, en bij het avondeten had hij zijn oude moeder, die
+nog huismoeder op de hoeve was, verzocht of zij vuur op den haard
+wilde aanmaken, zoodat hij zijn kleeren kon drogen. De moeder had
+daarop een klein, flauw vuurtje aangemaakt, want daar in huis waren
+ze niet gewend royaal met brandhout om te gaan, en de boer had zijn
+jas over een stoel voor het vuur gehangen. Toen had hij zijn voet op
+den haardsteen gezet, en den arm op de knie geleund, en zoo was hij in
+'t vuur blijven staan kijken. Hij had zoo een paar uur gestaan, zonder
+een beweging te maken, dan alleen om nu en dan een stuk brandhout op
+den haard te gooien. De moeder had het avondeten afgenomen, en zijn
+bed opgemaakt, en toen was zij in de kleine kamer gaan zitten. Nu en
+dan kwam zij aan de deur staan, en keek verwonderd naar haar zoon,
+die daar bij 't vuur stond, en niet naar bed ging.
+
+"'t Is niets, Moeder. Ik denk maar aan vroeger," zei hij.
+
+De zaak was, dat, toen hij daar juist voorbij de herberg kwam, een
+paardenkooper naar hem toe gekomen was, en hem had gevraagd, of hij
+een paard wilde koopen. Hij had hem toen een oud beest laten zien,
+dat er zoo ongelukkig uitzag, dat hij den man vroeg, of hij dwaas was,
+dat hij hem zulk uitschot wilde verkoopen.
+
+"Och neen, maar ik dacht, dat je, omdat je het paard vroeger gehad
+hebt, het misschien een rustigen, ouden dag zoudt willen bezorgen,
+want dien heeft het wel noodig," had de paardenkooper geantwoord.
+
+Toen had hij 't paard bekeken en het herkend. 't Was een dier,
+dat hij zelf opgefokt en gedresseerd had. Maar het kwam hem niet
+in den zin zoo'n oud en onbruikbaar beest daarom te koopen. Neen,
+zeker niet! Hij was niet zoo dwaas zijn geld weg te gooien. Maar in
+ieder geval had het zien van dat paard allerlei herinneringen bij
+hem wakker geroepen, en die herinneringen hielden hem zóó wakker,
+dat hij niet naar bed kon gaan.
+
+Ja, dat paard was een flink, mooi dier geweest. Vader had het hem
+heelemaal laten oppassen. Hij had hem 't eerst gereden, en hij hield
+meer van dat paard, dan van eenig ander. Vader had er over geklaagd,
+dat hij het te veel voer gaf, en dikwijls had hij het in stilte
+haver gegeven.
+
+Hij had nooit te voet naar de kerk willen gaan, toen hij dat paard
+had; hij had altijd gereden. 't Was alleen om met dat jonge paard te
+pronken. Zelf kwam hij in kleeren, die thuis geweven en genaaid waren,
+en de wagen was eenvoudig en ongeschilderd, maar het paard was het
+mooiste, dat op 't kerkplein kwam.
+
+Eens had hij het gewaagd er met Vader over te spreken, of hij geen
+lakensche kleeren koopen zou en den wagen schilderen. Vader had
+verstomd gestaan. De zoon had gedacht, dat de oude man een beroerte
+zou krijgen. Hij had toen geprobeerd Vader aan 't verstand te brengen,
+dat hij, als hij zoo'n mooi paard voor den wagen had, er zelf toch
+ook een beetje knap uit moest zien.
+
+Vader had niets geantwoord. Maar een paar dagen later was hij met
+het paard naar Örebro gegaan, en had het verkocht.
+
+Dat was hard! Maar 't was duidelijk, dat Vader bang was geweest,
+dat dit paard hem tot overdaad en verkwisting zou verleiden, en nu,
+zoolang daarna, moest hij erkennen, dat Vader gelijk had gehad. Zoo'n
+paard zou hem tot een verzoeking hebben kunnen worden. Maar in 't
+begin was hij vreeselijk bedroefd geweest. Hij was nu en dan naar
+Örebro gegaan, alleen om op den hoek van een straat te kunnen staan,
+en 't paard voorbij te zien rijden, of om bij hem in den stal te
+sluipen met een klontje suiker.
+
+"Als Vader sterft, en ik de hoeve krijg," had hij gedacht, "koop ik
+allereerst mijn paard weer terug."
+
+Nu was Vader dood, en hij zelf had nu de hoeve al een paar jaar, maar
+hij had nog geen poging gedaan om het paard terug te koopen. Hij had
+in lang niet aan het dier gedacht, voor nu, vanavond.
+
+'t Was vreemd, dat hij het zoo heelemaal had kunnen vergeten. Maar
+Vader was een man, die gebiedend optrad, met een heel sterken wil,
+en toen de zoon volwassen was, en die twee veel samen werkten, had
+Vader grooten invloed op hem gekregen. En het had hem toegeschenen,
+dat Vader gelijk had in alles, wat hij deed. En sinds hij zelf de
+hoeve had gekregen, had hij maar geprobeerd in alles zóó te handelen,
+als Vader zou gedaan hebben.
+
+Hij wist wel, dat de menschen zeiden, dat Vader gierig was, maar
+het was toch wel goed zijn beurs wat toe te houden, en geen geld
+onnoodig weg te gooien. Het goed, wat men gekregen had, moest men
+niet door nalatigheid verwaarloozen. 't Was beter gierig te heeten,
+en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder groote leeningen
+gebukt te gaan, zooals de andere grondeigenaars.
+
+Zóóver was hij in zijn gedachten gekomen, toen hij opschrikte, omdat
+hij iets vreemds hoorde. 't Was alsof een schelle, spottende stem
+precies herhaalde wat hij dacht:
+
+"'t Is 't beste je beurs stijf toe te houden. 't Is beter gierig te
+heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder leeningen
+gebukt te gaan, als de andere grondeigenaars."
+
+'t Klonk, alsof iemand den draak stak met zijn wijsheid, en hij was
+op 't punt boos te worden, tot hij merkte, dat alles een vergissing
+was. 't Was begonnen te waaien, en hij had hier gestaan, tot hij zoo
+slaperig was, dat hij het huilen van den wind in den schoorsteen voor
+werkelijk spreken gehouden had.
+
+Hij keek naar de klok aan den muur. Die sloeg juist elf zware
+slagen. 't Was vreeselijk, zoo laat als het was geworden.
+
+"'t Wordt tijd, dat je naar bed gaat," dacht hij. Maar toen herinnerde
+hij zich, dat hij nog niet de hoeve was rondgegaan, zooals hij iederen
+avond placht te doen, om na te zien, of alle deuren en luiken dicht
+waren, en alle lichten uit.
+
+Dat had hij nog nooit verzuimd, sinds hij de heer des huizes daar
+was geworden. Hij sloeg zijn jas om zich heen, en ging naar buiten
+in den storm.
+
+Hij vond alles in orde, behalve dat de deur van de leege schuur door
+den wind was opengevlogen. Hij ging naar binnen om den sleutel te
+halen, sloot de schuur, en stopte den sleutel in den zak van zijn
+jas. Toen ging hij terug naar de groote kamer, deed de jas uit,
+en hing die voor het vuur. Maar hij ging ook nu niet naar bed, maar
+begon in de kamer heen en weer te loopen. 't Was vreeslijk weer buiten,
+met dien snerpend kouden wind en den met sneeuw vermengden regen. En
+zijn oud paard stond daar in den storm, zonder ook maar een dekje
+als beschutting over zich heen. Hij had toch zijn ouden vriend wel
+een dak boven zijn hoofd kunnen geven, nu hij eenmaal weer daar in
+de buurt gekomen was.
+
+Midden op de plaats van de herberg hoorde de jongen een oude rammelende
+klok aan den wand elf uur slaan. Juist toen was hij bezig het vee
+los te maken, om het naar de schuur op de boerderij te brengen.
+
+Het nam heel wat tijd om hen wakker en gerangschikt te krijgen;
+maar eindelijk waren zij klaar, en trokken op naar de boerderij met
+de gierige bewoners, in een lange rij, met den jongen vooraan als gids.
+
+Maar terwijl de jongen dat alles in orde bracht, was de boer de plaats
+rondgegaan, en had de hooischuur gesloten, zoodat de deur dicht was,
+toen de dieren er aankwamen. De jongen bleef verbluft staan. Neen,
+hij kon het vee daar niet laten staan. Hij moest het huis in, en den
+sleutel zien te bemachtigen.
+
+"Houd je nu rustig hier, terwijl ik naar binnen ga, om den sleutel
+te halen," zei hij tegen het oude paard, en meteen liep hij weg.
+
+Midden op de plaats bleef hij staan, om te overleggen, hoe hij in huis
+zou komen. Terwijl hij daar stond, zag hij een paar kleine zwervers
+over den weg loopen, en stilhouden voor de herberg.
+
+De jongen zag dadelijk, dat het een paar kleine meisjes waren, en hij
+liep gauw naar hen toe, omdat hij meende, dat hij misschien van haar
+hulp zou kunnen krijgen.
+
+"Zie zoo Brita Maja," zei de eene, "nu moet je niet meer schreien! Nu
+zijn we bij de herberg. Hier mogen we wel binnenkomen."
+
+Nauwlijks had het meisje dit gezegd, of de jongen riep haar toe:
+"Neen, jelui moet niet probeeren in de herberg te komen. Dat is
+heelemaal onmogelijk. Maar in die boerderij daar hebben ze geen
+gasten. Daar moet jelui heengaan."
+
+De meisjes hoorden de woorden duidelijk, maar ze konden niet zien,
+wie ze zeide. Maar daar waren ze niet verbaasd over, want het was
+immers stikdonkere nacht. De oudste van hen antwoordde dadelijk:
+
+"We willen niet naar die hoeve gaan, want de menschen die daar wonen,
+zijn boos en gierig. Het is hun schuld, dat wij beiden hier op den
+weg moeten loopen bedelen."
+
+"Dat kan wel wezen," zei de jongen, "maar jelui moet daar in ieder
+geval heengaan. Jelui zult zien, dat het goed gaat."
+
+"Ja, we kunnen het wel probeeren, maar we worden niet eens
+binnengelaten," zeiden de twee kleine meisjes, liepen op het huis toe,
+en klopten aan.
+
+Weer stond de boer voor het vuur, en dacht aan het paard, toen hij
+hoorde, dat iemand aanklopte. Hij ging naar buiten om te zien, wat het
+was, en hij dacht er juist over, dat hij zich niet zou laten overhalen
+om een of ander zwerver op te nemen. Maar op het oogenblik, dat hij het
+slot open deed, was er een windvlaag bij de hand, die hem een poets
+speelde. Die rukte hem de deur uit de hand, en sloeg die tegen den
+muur. Hij moest er uit op de stoep, om de deur weer dicht te trekken,
+en toen hij in de kamer terug kwam, stonden de meisjes al daarbinnen.
+
+'t Waren een paar arme bedelaarstertjes, havelooze, hongerige,
+vuile kinders, een paar meisjes, die onder zakken gebukt liepen,
+even groot als zijzelf.
+
+"Wat zijn jelui voor kinders, die zóó laat in den nacht nog buiten
+rondzwerft?" vroeg de boer onvriendelijk.
+
+De kinderen antwoordden niet, maar zetten eerst haar zakken
+neer. Toen kwamen ze op hem toe, en staken de handjes uit om hem te
+begroeten. "Wij zijn Anna en Brita Maja van Engärde!" zei de oudste,
+"en we wilden om nachtverblijf vragen."
+
+Hij nam de uitgestoken handjes niet aan, en was juist van plan die
+bedelkinderen weg te sturen, toen een nieuwe herinnering in hem
+opkwam. Engärde,--was dat niet het hutje, waar een arme weduwe met
+haar vijf kinderen gewoond had? Maar de weduwe was zijn vader een
+paar honderd kronen schuldig geweest, en om zijn geld te krijgen,
+had hij haar hutje laten verkoopen. Toen was de weduwe naar Norrland
+gegaan met de oudste kinderen, om werk te zoeken, en de twee jongste
+waren ten laste van de gemeente gekomen.
+
+Hij werd bitter gestemd, toen hij daaraan dacht. Hij wist, dat men
+het sterk had afgekeurd, dat zijn vader dat geld had opgeëischt,
+dat toch zijn rechtmatig eigendom was.
+
+"Wat voeren jelui tegenwoordig uit?" vroeg hij de kinderen op strengen
+toon. "Heeft de diaconie niets voor jelui gedaan? Waarom loop jelui
+nu te bedelen?"
+
+"Dat kunnen wij niet helpen," zei het oudste meisje. "De menschen,
+waar wij bij inwonen, sturen ons uit om te bedelen."
+
+"Nu, jelui hebt de zakken vol," zei de boer, "je hebt dus niet te
+klagen. Nu is 't maar 't beste, dat je er uit neemt, wat je bij je
+hebt, en je genoegen eet, want hier kun je geen eten krijgen. De
+vrouwen zijn al naar bed. Dan kun je in den hoek bij den haard gaan
+liggen, dan hebben jelui 't ten minste niet koud."
+
+Hij maakte een beweging met de hand, alsof hij ze afwijzen wilde,
+en in zijn oogen kwam een uitdrukking, die bijna hard was. Hij moest
+immers blij zijn, dat hij een vader had gehad, die op zijn zaken
+paste. Anders had hij zelf misschien als kind moeten rondloopen met
+den bedelzak op den nek, zooals nu deze twee.
+
+Nauwelijks had hij dat gedacht, of die schelle, spokende stem, die hij
+dien avond nog eens gehoord had, herhaalde het woord voor woord. Hij
+luisterde en begreep dadelijk, dat het niets was, enkel de wind in
+den schoorsteen.
+
+Maar dat was het wonderlijke:--als de wind zoo zijn gedachten
+herhaalde, kwamen ze hem zoo dom en hard en valsch voor.
+
+De kinderen waren intusschen naast elkander op den harden vloer gaan
+liggen. Ze waren niet stil, maar lagen te mompelen.
+
+"Wil jelui wel eens stil wezen!" zei hij. Hij was zoo prikkelbaar,
+dat hij ze wel had willen slaan.
+
+Maar dat gemompel bleef toch voortduren, en hij riep nog eens, dat
+ze moesten zwijgen.
+
+"Toen Moeder van ons wegging," antwoordde daarop een helder stemmetje,
+"heeft ze me laten beloven, dat ik elken avond mijn avondgebed zou
+opzeggen. En dat moet ik doen en Brita Maja ook. Zoodra we hebben
+opgezegd van: "Onzen lieve Heer, die de kinderen liefhebt" zullen we
+stil zijn."
+
+De boer zat stil te luisteren, hoe de kleintjes hun gebedje
+opzeiden. Toen begon hij met groote stappen heen en weer te
+loopen,--heen en weer,--en hij wrong de handen, alsof hij in grooten
+angst was.
+
+Het paard weggejaagd en bedorven, en hier die twee kinders tot
+zwervende bedelaars gemaakt! En dat allebei was 't werk van zijn
+vader! Misschien had zijn vader toch niet altijd gelijk bij alles,
+wat hij deed.
+
+Hij ging op een stoel zitten, en steunde het hoofd in de handen. Op
+eens begon zijn gezicht te trillen en te beven, en hij kreeg tranen
+in de oogen, die hij haastig wegveegde. Er kwamen nieuwe tranen, die
+hij even snel wegveegde, maar het hielp niet. Er kwamen telkens meer.
+
+Nu deed zijn moeder de deur van de kleine kamer open, en hij draaide
+gauw zijn stoel zóó, dat hij haar den rug toekeerde. Maar zij moest
+toch iets ongewoons hebben gemerkt, want ze stond een heele poos achter
+hem, alsof ze verwachtte, dat hij iets tegen haar zou zeggen. Toen
+dacht ze er aan, hoe moeielijk het altijd een man valt, om te spreken
+van wat hem het diepst ter harte gaat. Ze zou hem wel moeten helpen.
+
+Ze had van uit de kleine kamer alles gezien, wat er in de groote
+gebeurde, zoodat ze niets behoefde te vragen. Ze liep maar heel stil
+naar de twee slapende kinderen, nam ze op, en droeg ze naar haar
+eigen bed in de kleine kamer. Toen ging ze weer naar haar zoon. "Zeg
+eens, Lars," zei ze, en deed, alsof ze niet zag, dat hij schreide,
+"je moet mij die twee kinderen laten."
+
+"Wat, Moeder?" zei hij, en probeerde zijn tranen meester te worden.
+
+"Ik heb al jaren lang medelijden met hen gehad, al van den tijd af,
+dat Vader hun het hutje afgenomen heeft. En dat heb jij ook."
+
+"Ja, maar..."
+
+"Ik wil ze hier houden en flinke menschen van hen maken. Ze zijn te
+goed om te loopen bedelen."
+
+Hij kon niet antwoorden, want de tranen kwamen met onweerstaanbare
+kracht. Maar hij nam de gerimpelde hand van zijn moeder, en streelde
+die.
+
+Maar toen richtte hij zich snel op, alsof hij schrikte.
+
+"Wat zou Vader hiervan zeggen?"
+
+"Vader heeft zijn tijd gehad, waarin hij bestuurde. Nu is jouw
+tijd gekomen," zei de moeder. "Zoolang Vader leefde, moesten we hem
+gehoorzamen. Nu moet jij je toonen, zooals je bent."
+
+De zoon was zóó verwonderd over die woorden, dat hij ophield met
+schreien.
+
+"Ik toon me toch, zooals ik ben," zei hij.
+
+"Neen," antwoordde zijn moeder. "Dat doe je niet. Je probeert aldoor
+op Vader te lijken. Vader heeft slechte tijden beleefd, en dat heeft
+hem bang gemaakt om arm te worden. Hij meende, dat hij wel gedwongen
+was allereerst om zichzelf te denken. Maar jij hebt nooit iets zwaars
+doorgemaakt, dat je hard heeft kunnen maken. Je hebt meer dan je noodig
+hebt, en 't zou heel onnatuurlijk zijn, als je niet aan anderen dacht."
+
+Toen de kleine meisjes in huis gekomen waren, was de jongen ze
+nageslopen, en al dien tijd had hij zich in een donker hoekje
+verborgen. Het had niet lang geduurd, voor hij den schuursleutel in
+'t oog kreeg, die uit den jaszak stak. "Als nu de boer de kinderen
+de deur uit zet, pak ik den sleutel, en loop er meê weg," dacht hij.
+
+Maar toen werden de kinderen niet weggejaagd, en de jongen zat nog
+in den hoek, en begreep niet, wat hij beginnen moest.
+
+De moeder sprak lang met haar zoon, en terwijl zij sprak, hield hij
+op met schreien, en eindelijk zat hij met zoo'n goede uitdrukking op
+zijn gezicht, en zag er uit als een ander mensch. En aldoor streelde
+hij die oude gerimpelde hand.
+
+"Ja, nu moeten we toch naar bed," zei de oude vrouw, toen ze zag,
+dat hij weer kalm was.
+
+"Neen," zei hij, en stond snel op. "Ik kan nog niet naar bed gaan. Er
+is nog een gast, dien ik nu van nacht ontvangen mag."
+
+Hij zei niets meer, maar hij trok haastig zijn jas aan, stak een
+lantaarn aan, en ging naar buiten. Buiten woei dezelfde felle wind,
+en 't was er even koud, maar toen hij op de stoep kwam, begon hij te
+neuriën. Hij vroeg zich af, of het paard hem nog kennen zou, en of
+het blij wezen zou, als het weer in zijn ouden stal terugkwam.
+
+Toen hij over de plaats liep, hoorde hij een deur slaan in den wind.
+
+"Dat is de schuurdeur, die weer is opengewaaid," dacht hij, en ging
+er heen om die te sluiten.
+
+Een oogenblik later stond hij bij de schuur, en wilde juist de deur
+sluiten, toen hij daarbinnen iets hoorde ritselen.
+
+Dat kwam, omdat de jongen gezorgd had gelijk met hem naar buiten
+te komen, en hij was dadelijk naar de schuur geloopen, waar hij het
+vee had verlaten. Maar ze stonden niet meer buiten in den regen. Een
+sterke windvlaag had al lang geleden de schuurdeur opengestooten, en
+hen onder dak gebracht, maar 't was het geluid, dat de jongen maakte,
+toen hij in de schuur sprong, wat de boer hoorde. Nu lichtte hij met de
+lantaarn in de schuur, en zag toen, dat over den heelen vloer slapend
+vee lag. Geen mensch was te zien. De dieren waren niet vastgebonden,
+maar lagen hier en daar in het stroo. Hij werd boos op die indringers,
+en begon te roepen en te schreeuwen om de slapende dieren te wekken,
+en ze naar buiten te jagen. Maar zij bleven stil liggen, alsof ze
+niet van plan waren zich te laten storen. De eenige, die opstond,
+was een oud paard, dat heel langzaam op hem toekwam.
+
+Op eens werd de boer stil. Hij herkende het paard al aan zijn manier
+van loopen. Hij hief de lantaarn op, om het te kunnen zien, en het
+dier kwam dicht bij hem, en legde den kop op zijn schouder.
+
+En de boer begon hem te streelen. "Mijn best paard," zei
+hij. "Mijn best paard! Wat hebben ze je gedaan? Ja, beste, ik zal
+je terugkoopen. Je hoeft nooit meer van de plaats weg. Je zult het
+goed hebben, jongen. Die anderen, die je hebt meêgebracht, mogen
+hier blijven, maar jij moet met me meê naar den stal. Nu kan ik je
+zooveel haver geven, als je eten kunt, zonder dat ik dat in stilte
+hoef te doen. Je bent ook nog niet heelemaal op. Je zult nog eens het
+mooiste paard op het Kerkplein worden, dat zul je! Mijn best beest."
+
+
+
+
+HET KRUIEN VAN HET IJS.
+
+
+Den volgenden dag was het mooi helder weer. Wel woei er nog een sterke
+wind uit het westen, maar daar waren de menschen blij om. Want nu
+droogden de wegen, die heelemaal geweekt waren door de hevige regens
+van den vorigen dag.
+
+Vroeg in den morgen kwamen de twee kinderen uit Smaland: Asa, het
+ganzenhoedstertje en de kleine Mads langs den grintweg, die van
+Sörmland naar Närke leidde. De weg liep langs den zuidelijken oever
+van den Hjälmar, en de kinderen liepen naar het ijs te kijken, dat
+het grootste gedeelte van het meer nog bedekte.
+
+De morgenzon goot haar helder schijnsel over het ijs, dat er niet
+donker en ongeredderd uitzag, zooals lente-ijs gewoonlijk doet; maar
+het lag daar blank en uitlokkend. Zoover ze het konden zien, was het
+vast en droog; het regenwater was al weer weggeloopen in gaten en
+spleten, of ook was het opgezogen door het ijs zelf. Ze zagen niet
+anders dan het prachtige ijs.
+
+Asa, het ganzenmeisje en kleine Mads waren op weg naar het noorden,
+en ze konden niet laten er over te denken, hoeveel stappen zij zich
+konden besparen, als ze dwars over dat groote meer gingen, in plaats
+van er omheen te loopen. Ze wisten wel, dat voorjaarsijs gevaarlijk
+is, maar dit scheen nog zoo veilig. Ze konden zien, dat het aan den
+kant verscheiden duim dik was. Ze zagen ook, dat er een weg over heen
+liep, dien ze konden volgen, en de andere oever leek zoo dichtbij,
+dat ze dien in een uur moesten kunnen bereiken.
+
+"Kom, laten we het probeeren," zei kleine Mads. "Als we maar goed
+voor ons uit kijken, dat we niet in een wak loopen, dan gaat het wel."
+
+En zoo gingen ze op weg over het meer. 't IJs was niet heel glad,
+maar prettig om op te loopen. Er stond wel meer water op, dan ze
+dachten, en hier en daar was het ijs poreus, zoodat het water er
+door op en neer borrelde. Voor zulke plaatsen moest je oppassen,
+maar dat was gemakkelijk te doen midden op den dag, in den helderen
+zonneschijn. De kinderen kwamen snel en gemakkelijk vooruit, en ze
+spraken er over, hoe verstandig ze hadden gedaan, door over het ijs
+te gaan, in plaats van de wandeling over den verregenden weg voort
+te zetten. Toen ze een tijd lang geloopen hadden, kwamen zij in de
+buurt van Vinön. Daar kreeg een oud vrouwtje hen in het oog van uit
+haar venster. Ze liep gauw haar hutje uit, zwaaide met de armen,
+en riep hun iets toe, wat ze niet konden verstaan. Zij begrepen wel,
+dat zij hen waarschuwde, de wandeling niet voort te zetten. Maar zij,
+die op het ijs waren, zagen immers wel, dat er geen gevaar was. 't
+Zou al heel dom zijn van het ijs te gaan, nu alles zoo mooi ging.
+
+Ze liepen dus Vinön voorbij, en hadden nu nog zoowat een uur gaans
+over het ijs voor den boeg. Daar waren zulke groote waterplassen,
+dat de kinderen groote omwegen moesten maken. Maar dat vonden ze wel
+prettig. Ze deden om 't hardst hun best om uit te vinden, waar het
+ijs het mooiste was. Ze waren niet moe, en hadden geen honger. Ze
+hadden den heelen dag voor zich, en ze lachten maar, als er nieuwe
+moeilijkheden kwamen.
+
+Nu en dan keken zij naar den overkant. Die scheen nog heel ver te
+wezen, hoewel ze al een uur geloopen hadden. Ze waren er wat verbaasd
+over, dat het meer zoo breed was.
+
+"'t Lijkt wel, of die overkant achteruit loopt," zei de kleine Mads.
+
+Hier waren ze niet beschut voor den westenwind. Die werd elke minuut
+heviger, en drukte hun de kleeren zóó vast tegen het lijf, dat ze
+zich met moeite konden bewegen. Die koude wind was het eerste echt
+onaangename, wat hun op die heele reis overkwam. Wat hun verwonderde,
+was, dat die wind zoo'n leven maakte. 't Was alsof die 't lawaai van
+een grooten molen, of een of andere werkplaats meêbracht. Maar zulke
+dingen konden er toch niet zijn op de ijsvlakte. Ze waren aan de
+westkust langs het groote eiland Valen gegaan, en nu meenden ze toch
+te kunnen merken, dat de noordelijke oever dichter bij kwam. Maar
+de wind werd al sterker, en het lawaai nam zóó toe, dat ze ongerust
+begonnen te worden.
+
+Op eens meenden ze te begrijpen, dat het sterke geluid, dat ze hoorden,
+van golven kwam, die schuimend en bruisend tegen een strand sloegen,
+maar dat was toch onmogelijk, want het meer was nog met ijs bedekt.
+
+Toch stonden ze stil, en keken rond. Toen zagen ze ver in het westen,
+bij Björnön en Göksholmland een witten muur, die dwars over 't ijs
+liep. Ze meenden eerst, dat het de besneeuwde kant van een weg was,
+maar toen begrepen ze, dat het schuim van golven was, die tegen het
+ijs sloegen.
+
+Toen ze dat zagen, namen ze elkaar bij de hand, en begonnen hard te
+loopen, zonder een woord te zeggen. Het water daar in 't westen was
+open, en ze meenden gezien te hebben, dat de schuimrand zich haastig
+naar 't oosten verplaatste. Ze wisten niet, of het ijs overal breken
+zou, of wat er zou gebeuren, maar ze voelden, dat ze in gevaar waren.
+
+Op eens kwam het hun voor, alsof het ijs opgeheven werd, juist op de
+plaats, waar ze liepen: opgelicht werd en weer neerzonk, alsof iemand
+er van onderen tegen had gestooten. Daarop hoorden ze een dof knallen,
+en toen kwamen er barsten aan alle kanten. De kinderen konden ze door
+het ijs zien schieten.
+
+Het bleef een poosje stil, maar toen voelden ze weer dat op en neer
+gaan van het ijs. En daarna werden de barsten spleten, waardoor ze
+het water zagen opborrelen. En onmiddellijk werden toen de spleten
+kloven, en het ijs begon zich in groote schotsen te verdeelen.
+
+"Asa," zei kleine Mads, "dit is zeker het kruien van 't ijs."
+
+"Ja Mads, dat is het," antwoordde Asa, "maar we kunnen nog aan land
+komen. Loop maar flink door."
+
+De wind en de golven hadden nog heel wat te doen, om het ijs uit het
+meer te krijgen. Het moeilijkste was wel achter den rug, toen het
+ijsdek in stukken gebroken was. Maar al die stukken moesten op nieuw
+verdeeld worden, en tegen elkaar gegooid om gebroken, verbrijzeld
+en gesmolten te worden. Er was nog veel hard en vast ijs, dat groote
+gave velden vormde.
+
+Maar het grootste gevaar voor de kinderen was, dat ze het ijs niet
+konden overzien. Ze konden niet zien, waar de spleten zoo breed waren,
+dat ze er onmogelijk overheen konden komen. Ze wisten niet, waar de
+groote ijsstukken waren, die hen konden dragen. Daarom zwierven ze
+heen en weer. Ze kwamen verder op het meer, in plaats van dichter
+bij het land. Ze waren zóó bang en radeloos op dat barstende ijs,
+dat ze eindelijk stil bleven staan schreien.
+
+Daar kwam een troep wilde ganzen in snelle vlucht over hen heen
+strijken. Ze riepen hard en luid, en het wonderlijkste was, dat de
+kinderen onder al 't gekakel door de woorden hoorden: "Jelui moet
+rechts loopen, rechts, rechts, rechts!"
+
+Ze kwamen dadelijk in beweging, en volgden den raad, maar het duurde
+niet lang, of ze stonden op nieuw voor een spleet, en wisten niet
+wat ze doen moesten.
+
+Weer hoorden ze de ganzen roepen boven hun hoofd, en in 't gekakel
+onderscheidden ze de woorden: "Blijf stil staan, waar je bent, blijf
+stil staan, waar je bent!"
+
+De kinderen spraken geen woord over wat ze hoorden, maar ze
+gehoorzaamden, en bleven staan. Kort daarop gleden de ijsstukken weer
+naar elkaar toe, zoodat zij over de spleet konden komen. Toen namen ze
+elkaar weer bij de hand, en sprongen verder. Ze waren niet alleen bang
+voor het gevaar, dat hen dreigde, maar ook voor de hulp, die ze kregen.
+
+Al gauw stonden ze opnieuw twijfelend stil, maar toen hoorden ze weer
+een stem, die tot hen doordrong: "Recht door! Recht door!" zei de stem.
+
+Zoo ging het wel een half uur achtereen; maar toen waren ze ook bij
+de lange Lungerlandtong, en konden van het ijs komen en naar land
+waden. Toen bleek het, hoe bang ze geweest waren, want toen ze op den
+vasten grond kwamen, bleven ze niet eens staan, om naar het meer terug
+te zien, waar nu de golven de ijsblokken al heftiger omhoog stootten,
+maar ze liepen hard door.
+
+Toen ze een eindje op de landtong waren gekomen, bleef Asa op eens
+staan.
+
+"Wacht hier even, Mads," zei ze. "Ik heb wat vergeten." En Asa, het
+ganzenhoedstertje, ging weer naar den oever van 't meer terug. Daar
+ging ze zoeken in haar zak, en haalde er eindelijk een klein klompje
+uit, dat ze op een steen zette, waar het goed in 't oog viel. Daarna
+ging ze naar den kleinen Mads terug, zonder ook maar één keer om
+te kijken.
+
+Maar nauwelijks had zij den steen den rug toe gekeerd, of een groote,
+witte gans schoot neer als een bliksemstraal uit de lucht, rukte de
+klomp naar zich toe, en vloog met dezelfde snelheid weer naar boven.
+
+
+
+
+
+
+XXIV.
+
+DE IJZERFABRIEK.
+
+
+Een felle westenwind blies bijna den heelen volgenden dag, toen de
+wilde ganzen over de mijndistricten kwamen, en zoodra ze probeerden
+naar het noorden te vliegen, werden zij naar het oosten gedreven, maar
+Akka meende, dat Smirre de vos, in 't oosten van 't land rondzwierf. Ze
+wilde daarom niet dien kant uitvliegen, maar keerde telkens opnieuw,
+en werkte zich met moeite vooruit in de richting naar het westen. Op
+die manier kwamen de wilde ganzen maar langzaam vooruit, en waren
+dien middag nog in de mijndistricten van Westmanland. Tegen den avond
+ging de wind op eens liggen, en de vermoeide reizigers begonnen te
+hopen, dat ze een poos gemakkelijk zouden kunnen doorvliegen vóór
+zonsondergang. Maar daar kwam een geweldige windvlaag. Die wierp de
+ganzen als ballen voor zich uit, en de jongen, die zorgeloos neerzat,
+en niet op gevaar bedacht was, werd van den rug van den ganzerik
+gelicht, en in de lucht geslingerd.
+
+Zoo klein en licht als de jongen was, kon hij in zoo'n hevigen wind
+niet recht op den grond vallen, maar eerst ging hij een tijdlang met
+den wind mee, en toen zonk hij zacht en bij stootjes neer, zoo als
+een blad van een boom valt.
+
+"Nu, dat loopt wel goed af," dacht de jongen nog onder het
+vallen. "Ik rol zoo langzaam op den grond, alsof ik een velletje
+papier was. Maarten, de ganzerik, zal wel gauw komen en me oprapen."
+
+Het eerste, wat hij deed, toen hij op den grond stond, was zijn muts
+afnemen en er meê wuiven, zoodat de groote witte ganzerik zou zien,
+waar hij was.
+
+"Hier ben ik! Waar ben jij? Hier ben ik, waar ben jij?" riep hij. En
+hij verbaasde er zich over, dat Maarten, de ganzerik, al niet naast
+hem stond.
+
+Maar de groote witte was niet te zien, en ook de figuren van de wilde
+ganzen zag hij niet tegen den hemel afsteken. Ze waren spoorloos
+verdwenen.
+
+Hij vond dat wel een beetje vreemd, maar hij werd niet verschrikt of
+onrustig. Het kwam geen oogenblik bij hem op, dat Akka of Maarten
+hem in den steek zouden laten. Die hevige windvlaag had hen zeker
+meêgesleurd. Zoodra ze maar konden omkeeren, zouden ze wel terugkomen,
+om hem te halen.
+
+Maar wat was dat nu? Waar in de wereld was hij toch? Tot nu toe had hij
+alleen maar in de lucht gekeken naar de ganzen, maar nu begon hij om
+zich heen te zien. Hij was niet op het vlakke veld neergevallen, maar
+in een breede bergspleet, of iets dergelijks. 't Was een ruimte, zoo
+groot als een kerk, met bijna loodrechte rotswanden aan alle zijden, en
+heelemaal zonder dak. Op den grond lagen een paar groote steenblokken,
+en daartusschen groeiden mos en roode boschbessestruiken en kleine lage
+berkjes. Hier en daar waren terrasjes in de wanden, en vandaar hingen
+oude verwaarloosde houten ladders naar beneden. Aan de eene zijde was
+de opening van een zwart gewelf, dat diep in den berg scheen te loopen.
+
+De jongen had niet voor niet een heelen dag over de mijndistricten
+gereisd. Hij begreep dadelijk, dat die groote kloof was ontstaan,
+doordat de menschen vroeger erts daar uit den berg hadden gehaald.
+
+"Maar ik moet toch zien weer naar boven te klauteren," dacht hij,
+"want anders ben ik bang, dat mijn reiskameraden me niet vinden."
+
+Hij zou juist naar een van de wanden loopen, toen iemand hem van
+achteren aanpakte, en hij een zware stem vlak bij zijn oor hoorde
+brommen:
+
+"Wat ben jij er voor een?"
+
+De jongen keerde zich snel om, en in zijn eerste verbazing meende
+hij, dat hij een groot steenblok voor zich had, met lang bruin mos
+begroeid, maar toen merkte hij, dat het steenblok breede voeten had
+om op te loopen, een kop, oogen en een grooten, brommenden mond.
+
+Hij kwam er niet toe te antwoorden, en het groote dier scheen dat ook
+niet te verwachten. Het gooide hem om, rolde hem met de poot heen en
+weer, en besnuffelde hem. Het deed juist, alsof het van plan was hem
+in te slikken, maar scheen tot andere gedachten te komen, en riep:
+"Morre en Bromme! Kindertjes, kom eens hier. Ik heb een lekker hapje
+voor jelui."
+
+Dadelijk kwamen er een paar slordige jongen aanrennen, die los op de
+pooten stonden, en een zacht velletje hadden als jonge honden.
+
+"Wat hebt u gevonden, Moeder? Laat eens kijken?" riepen ze.
+
+"O zoo! ben ik bij de beren gekomen," dacht de jongen. "Dan ben
+ik bang, dat Smirre niet veel moeite meer hoeft te doen om op mij
+te jagen."
+
+De berin schoof met den poot den jongen naar haar kleintjes toe, en
+een van hen pakte hem, en sprong met hem weg. Maar hij beet niet door,
+want hij was speelsch, en wou zich een poosje met Duimelot vermaken,
+vóór hij hem doodbeet. De andere liep hem na, om hem den jongen af te
+nemen, en terwijl hij voortstrompelde, viel hij precies op den kop
+van hem, die den jongen droeg. Toen rolden ze over elkaar, beten en
+sloegen elkaar, en bromden.
+
+Intusschen kwam de jongen los, sprong naar den bergwand, en begon
+naar boven te klauteren. Toen vlogen de beide jonge beren hem na,
+klommen vlug den berg op, haalden hem in, en gooiden hem neer op het
+mos als een bal.
+
+"Nu weet ik, hoe een arm ratje zich voelt, als hij in de klauwen van
+een kat is gevallen," dacht de jongen. Hij probeerde telkens weg te
+komen. Hij sprong diep in de oude ertsgangen, verstopte zich achter
+de steenen, en klom in de berken, maar de jonge beren vonden hem,
+waar hij ook heenkroop. Zoodra ze hem gevangen hadden, lieten ze hem
+los, opdat hij weer weg zou loopen, en zij de pret zouden hebben hem
+weer te vangen.
+
+Eindelijk werd de jongen zóó moe en akelig, dat hij op den grond
+bleef liggen.
+
+"Loop nu weg, anders eten we je op," bromden de beertjes.
+
+"Ja, doe dat maar," zei de jongen. "Ik kan niet meer wegloopen."
+
+Dadelijk strompelden de beertjes naar de berin.
+
+"Moeder, Moeder, hij wil niet meer spelen!" klaagden ze.
+
+"Dan moet jelui hem samen deelen," zei de berin. Maar toen de jongen
+dat hoorde, werd hij zoo bang, dat hij dadelijk weer begon te spelen.
+
+Toen het tijd van slapen werd, en de berin haar jongen riep, om bij
+haar te komen, en te gaan slapen, hadden ze zoo'n pleizier gehad,
+dat ze den volgenden dag verder wilden spelen. Ze namen den jongen
+tusschen zich in, en legden de pooten over hem heen, zoodat hij zich
+niet verroeren kon, zonder dat zij wakker werden. Ze sliepen dadelijk
+in, en de jongen dacht, dat hij over een poosje zou probeeren van hen
+weg te sluipen. Maar nooit in zijn heele leven was hij zoo heen en
+weer gerold, en gejaagd en rondgeslingerd, en hij was zoo doodmoe,
+dat hij ook insliep.
+
+Na een poosje kwam de berenvader aanklauteren langs den rotswand. De
+jongen werd wakker, doordat hij steenen en gruis losscheurde, terwijl
+hij neerkwam langs de oude groeve. Hij durfde zich niet veel te
+bewegen, maar draaide zich toch voorzichtig zoover om, dat hij den
+beer kon zien. 't Was een vreeselijk grof en sterk gebouwde oude
+beer met geweldige klauwen, groote glimmende hoektanden en leelijke
+kleine oogjes. De jongen rilde onwillekeurig, toen hij den ouden
+boschkoning zag.
+
+"'t Ruikt hier naar menschen," zei de beer, zoodra hij bij de berin
+kwam; en zijn gebrom klonk als een onweer.
+
+"Hoe kun je je nu zooiets verbeelden?" zei de berin, en bleef rustig
+liggen. "We hebben immers afgesproken, dat we den menschen geen kwaad
+meer zullen doen. Maar als er zich hier een vertoonde, waar ik met
+de jongen ben, dan zou er niet eens zoo veel van hem overschieten,
+dat jij hem kon ruiken."
+
+De beer ging naast de berin liggen, maar scheen met haar antwoord niet
+recht tevreden te zijn, want hij kon niet laten in 't rond te snuffen.
+
+"Schei nu uit met dat gesnuffel!" zei de berin. "Je kent me toch
+genoeg om te weten, dat ik niets gevaarlijks bij de jongen zal laten
+komen. Vertel me liever, wat je hebt uitgevoerd. Ik heb je de heele
+week niet gezien."
+
+"Ik heb naar een nieuwe woning omgezien," zei de beer. "Eerst ben ik
+naar Wermeland geweest, om te hooren hoe de familie in Ekshärad het
+daar heeft. Maar dat was vergeefsche moeite. Er was geen berenhol
+meer in 't heele bosch."
+
+"Ik geloof, dat de menschen alleen op de wereld willen zijn," zei
+de berin. "Al laat je hun vee en hun volk met rust, al leef je van
+boschbessen en mieren en groen, dan mag je nog niet in 't bosch
+blijven wonen. Ik zou wel eens willen weten, waarheen we moesten
+verhuizen om rust te hebben."
+
+"Hier in de groeve hebben we 't immers jaren lang best gehad," zei de
+beer. "Maar ik kan 't hier niet uithouden, nu die groote lawaaiige
+fabriek hier vlak in onze buurt gebouwd is. Nu ben ik 't laatst ten
+oosten van de Dalrivier geweest, bij Garpenberg. Daar waren ook veel
+oude groeven en andere goede schuilplaatsen, en ik vond, dat het er
+daar ook uitzag, alsof de menschen er je wel met rust zouden laten..."
+
+Op 't zelfde oogenblik, dat de beer dat zei, stond hij op en snuffelde
+om zich heen.
+
+"'t Is vreemd,--maar als ik over menschen praat, ruik ik die lucht
+weer," zei hij.
+
+"Zie nu maar zelf alles na, als je me niet gelooft," zei de berin. "Ik
+zou wel eens willen weten, waar hier ergens een mensch verborgen zou
+kunnen zijn."
+
+De beer liep de heele ruimte door, en snuffelde overal rond. Eindelijk
+ging hij weer liggen, zonder een woord te zeggen.
+
+"Zei ik 't niet?" zei de berin. "Maar jij gelooft natuurlijk, dat
+niemand, behalve jij, neus en ooren heeft."
+
+"Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met zulke buren, als wij hier
+hebben," zei de beer kalm. Maar opeens stoof hij brullend op. Een van
+de jonge beertjes had bij ongeluk den poot op Niels Holgerssons gezicht
+gelegd, zoodat de stakker niet kon ademhalen, maar begon te snuiven. Nu
+kon de berin den beer niet langer houden, hij gooide zijn jongen
+rechts en links, en kreeg Duimelot in 't oog, vóór hij op kon staan.
+
+Hij zou hem onmiddellijk hebben ingeslikt, als de berin zich niet
+tusschen hen in geworpen had.
+
+"Blijf van hem af! Hij hoort van de jongen!" riep ze. "Ze hebben den
+heelen avond zoo'n pret met hem gehad, dat ze hem niet op wilden eten,
+maar hem voor morgen bewaren."
+
+Maar de beer duwde haar op zij.
+
+"Bemoei je nu niet met dingen, die je niet begrijpt," schreeuwde
+hij. "Merk je nu niet, dat hij een uur in den wind naar een mensch
+ruikt? Ik zal hem direct opeten, anders speelt hij ons nog eens een
+leelijke poets."
+
+Hij sperde weer den muil open, maar nu had de jongen tijd gehad, en
+hij had vliegens vlug zijn zwavelstokken uit zijn ransel gehaald. Dat
+was het eenige verdedigingsmiddel, dat hij had. Hij streek er een
+aan langs zijn leeren broek, en stak den brandenden zwavelstok in
+den bek van den beer.
+
+De beer snoof en proeste, toen hij de zwavellucht rook en--uit was de
+vlam. De jongen hield een tweede zwavelstok klaar, maar--wonderlijk
+genoeg--de beer deed geen aanval.
+
+"Kun je nog meer van die blauwe vlammetjes maken?" vroeg de beer.
+
+"Ik kan er zooveel aansteken, dat ze 't heele bosch kunnen vernielen,"
+antwoordde de jongen, want hij meende, dat hij op die manier den beer
+bang kon maken.
+
+"Zou je een huis en een hoeve ook wel in brand kunnen steken?" vroeg
+de beer.
+
+"Dat zou voor mij in 't minst geen kunst zijn," blufte de jongen,
+en hoopte, dat de beer respect voor hem zou krijgen.
+
+"Dat is best," zei de beer. "Dan kun je mij nog een dienst bewijzen. Nu
+ben ik blij, dat ik je niet opgegeten heb."
+
+Toen nam de beer heel zacht en voorzichtig den jongen tusschen de
+tanden, en begon uit het hol naar boven te klimmen. Dat ging hem
+onbegrijpelijk vlug en gemakkelijk af, in aanmerking genomen, dat
+hij zoo groot en zoo zwaar was; en zoodra hij boven kwam, liep hij
+hard het bosch in. Dat ging ook met een vaart. Men kon merken, dat
+hij als geschapen was om door dichte bosschen heen te dringen. Zijn
+zwaar lichaam schoot door het kreupelhout, als een boot door het water.
+
+De beer liep door, tot hij aan een heuvel aan den rand van 't bosch
+kwam, waar hij de groote ijzerfabriek kon zien. Daar ging hij liggen,
+zette den jongen voor zich neer, en hield hem met de beide voorpooten
+vast. "Kijk nu naar die groote lawaaifabriek," zei hij tegen den
+jongen.
+
+De groote ijzerfabriek verhief zich met veel hooge en groote gebouwen
+aan den rand van een waterval. Hooge schoorsteenen zonden zwarte
+rookwolken in de lucht, de vlammen van den hoogoven flikkerden,
+en uit alle vensters en luiken straalde licht. Daarbinnen waren
+hamers en walsen aan den gang, en ze werkten met zoo'n kracht, dat de
+lucht weerklonk van het dreunen en ratelen. Om de werkplaatsen heen
+lagen reusachtige kolenschuren, groote hoopen slakken, pakhuizen,
+stapels planken en bergplaatsen voor gereedschap. Een eind verder
+stonden lange rijen arbeiderswoningen, mooie villa's, scholen,
+vergaderlokalen en winkels. Maar al dat andere was stil, en scheen
+te slapen. De jongen keek daar niet naar. Hij dacht alleen aan de
+fabrieksgebouwen. Daaromheen was het veld zwart; de hemel welfde zich
+prachtig donkerblauw boven de hoogovensvlammen, waar de waterval wit
+schuimend voorbij vloog, en zelf stonden ze daar, en zonden licht
+en rook uit, en vuur en vonken. 't Was het meest overweldigende,
+wat hij ooit had gezien.
+
+"Je zult toch niet beweren, dat je zoo'n groote fabriek ook in brand
+kunt steken," zei de beer.
+
+De jongen stond daar tusschen de berenpooten geklemd, en hij meende,
+dat het eenige, wat hem redden kon, was, dat de beer een sterken
+indruk van zijn macht en kracht kreeg.
+
+"Dat is me 't zelfde, of het groot of klein is," zei hij. "Ik kan
+dat best laten afbranden."
+
+"Dan zal ik je wat zeggen," zei de beer. "Mijn voorouders hebben in
+deze streken gewoond, zoolang er bosschen hier in 't land groeiden,
+en ik heb het jachtgebied en 't veld om te grazen, het nest en
+alle schuilplaatsen van hen geërfd, en hier in rust mijn leven lang
+gewoond. In het begin werd ik niet vaak door de menschen gestoord. Ze
+liepen in den berg te hakken, en haalden er wat erts uit, en hier
+bij den waterval hadden ze een smederij en een smeltoven. Maar de
+hamer klonk enkel een paar uur per dag, en de oven brandde maar een
+paar maanden achter elkaar. Dat kon ik wel uithouden, maar nu in de
+laatste jaren, nu ze die lawaaifabriek hebben gebouwd, die met dezelfde
+vaart dag en nacht doorgaat, nu kan ik hier niet meer aarden. Vroeger
+woonde hier de eigenaar en een paar smeden, maar nu zit het hier zoo
+vol menschen, dat ik nooit veilig voor hen ben. Ik dacht, dat ik wel
+gedwongen zou zijn te verhuizen, maar nu heb ik wat anders bedacht."
+
+De jongen vroeg zich af, wat de beer wel bedacht zou hebben, maar hij
+kwam er niet aan toe het te vragen, want nu nam de beer hem opnieuw
+tusschen de tanden, en liep met hem den heuvel af. De jongen kon
+niets zien, maar hij begreep door het sterker wordend gedruisch,
+dat ze dichter bij de fabriek kwamen.
+
+De beer kende die heele fabriek goed. Hij had daar veel donkere
+nachten omheen geloopen, opgemerkt wat daar binnen gebeurde, en er
+over gedacht, of dat werk daar nooit eens zou ophouden. Hij had de
+muren met de voorpooten betast, en gewenscht, dat hij zóó sterk was,
+dat hij het heele gebouw naar den grond zou kunnen slaan met één slag.
+
+Hij was niet gemakkelijk te onderscheiden tegen den zwarten grond,
+en als hij bovendien in de schaduw van de muren bleef, liep hij
+geen gevaar ontdekt te worden. Nu liep hij onbevreesd tusschen de
+werkplaatsen door, en klauterde op een hoop slakken. Daar ging hij op
+de achterpooten staan, hield den jongen tusschen de voorpooten omhoog,
+en zei: "Probeer eens, of je in dat huis kunt zien."
+
+Binnen in de fabriek waren ze bezig met het smelten van Bessemer-ijzer.
+
+In een grooten, zwarten, ronden kogel, die aan den zolder hing, en met
+gesmolten ijzer gevuld was, persten zij een sterken luchtstroom. En
+als de lucht met een vreeselijk gedreun in de ijzermassa drong,
+sprongen daar groote zwermen vonken uit. De vonken kwamen in kwasten,
+in bundels, in lange trossen. Ze hadden allerlei kleuren, waren groot
+en klein, stoven tegen den muur en door de geheele groote ruimte. De
+beer liet den jongen naar dat prachtig tooneel kijken, tot het blazen
+voorbij was, en het roode, vloeibare, mooi lichtende staal uit den
+ronden kogel neerstroomde in een paar emmers. De jongen vond, wat
+hij daar zag, zóó overweldigend, dat hij er heelemaal van onder den
+indruk kwam, en bijna vergat, dat hij tusschen een paar berenklauwen
+gevangen zat.
+
+De beer liet den jongen ook in de cylinderwerkplaats zien. Daar nam
+een arbeider een kort, dik, wit gloeiend stuk ijzer uit een oven,
+en stopte het onder een cylinder. Als het stuk ijzer daaronder uit
+kwam, was het samengedrukt en uitgetrokken. Dadelijk nam een andere
+arbeider het over, en stopte het onder een nog zwaarder cylinder,
+die het nog langer en smaller maakte.
+
+Zoo ging het van de eene naar de andere, en werd steeds weer
+uitgetrokken en geperst, tot het eindelijk als een vele meters lange,
+roode glinsterende draad over den vloer kronkelde. Maar terwijl het
+eerste stuk ijzer geperst werd, was er al weer een nieuw uit den
+oven gehaald, en als dat een eind op weg was, kwam er een derde. En
+onophoudelijk slingerden zich nieuwe roode draden over den vloer,
+als sissende slangen. De jongen vond, dat het prachtig was het ijzer
+te zien, maar nog prachtiger vond hij de arbeiders, die vlug en handig
+de gloeiende slangen met hun tangen aanpakten, en ze onder de cylinders
+staken. 't Scheen voor hen een spel, met dat sissende ijzer om te gaan.
+
+"Ik moet zeggen, dat dit hier echt mannenwerk is," dacht de jongen.
+
+De beer liet hem ook in den smeltoven zien en in de ijzergieterij,
+en de jongen werd er steeds meer verbaasd over, toen hij zag, hoe de
+smeden met ijzer en vuur omgingen.
+
+"Die menschen zijn heelemaal niet bang voor warmte en vlammen," dacht
+hij. Zwart en vol roet waren zij. Hij vond, dat ze op vuurmenschen
+leken, en daarom konden ze zeker 't ijzer buigen en vervormen naar
+welgevallen. Hij kon niet gelooven, dat het maar gewone menschen waren,
+die zulk een macht hadden.
+
+"Kijk! Zoo gaan ze nu maar door--dag aan dag, nacht op nacht!" zei de
+beer, en ging op den grond liggen. "Je kunt wel begrijpen, dat zooiets
+je verveelt. 't Is heerlijk, dat ik er nu een eind aan maken kan."
+
+"Zoo, kun je dat?" vroeg de jongen. "Hoe wil je dat doen?"
+
+"Wel, ik stel me voor, dat jij die gebouwen hier in brand zult steken,"
+zei de beer. "Dan zou ik rust krijgen, en al dat gedoe niet meer
+hooren, en ik zou hier in deze streek kunnen blijven wonen."
+
+De jongen werd ijskoud van schrik. 't Was dus daarom, dat de beer
+hem hierheen had gebracht.
+
+"Als je die lawaaifabriek in brand steekt, beloof ik je, dat je mag
+blijven leven," zei de beer. "Maar als je niet doet, wat ik wil, is
+'t gauw met je gedaan."
+
+De groote werkplaatsen waren met tegels bekleed, en de jongen dacht,
+dat al zou de beer zooveel bevelen geven, als hij maar kon, hij die
+toch niet zou kunnen uitvoeren.
+
+Maar toch zag hij al gauw, dat het niet zoo onmogelijk was. Dicht
+bij hem lag een berg stroo en spanen, die hij gemakkelijk in brand
+kon steken, daarnaast lag een stapel planken en die lag vlak bij de
+kolenschuur. En de kolenschuur raakte de werkplaatsen, en als die
+in brand raakten zouden de vonken al gauw op het dak van de fabriek
+vallen. Alles wat brandbaar was, zou vuur vatten, de muren zouden
+barsten door de hitte, en de machines vernield worden.
+
+"Nu, wil je--of wil je niet?" zei de beer.
+
+De jongen wist wel, dat hij dadelijk behoorde te antwoorden, dat
+hij niet wilde, maar hij wist ook, dat de berenklauwen, die hem
+vasthielden, hem dan met één greep zouden doodknijpen. Daarom zei hij:
+
+"Ik mag me zeker nog wel even bedenken."
+
+"Nu ja, dat mag je wel," zei de beer, "maar ik moet je zeggen, dat het
+juist het ijzer is, wat de menschen zulk een macht over ons, beren,
+geeft, en dat ik daarom ook graag dat werk hier wil doen ophouden."
+
+De jongen dacht, hoe hij het uitstel gebruiken zou, om op een of
+andere manier te zien weg te komen; maar hij was zóó bang, dat hij
+zijn gedachten niet bij elkaar kon houden. Hij begon er over na te
+denken, wat het ijzer toch een goede hulp voor de menschen is. Ze
+hadden immers overal ijzer voor noodig. IJzer was er in den ploeg,
+die den akker open maakt, in de bijl, waarmee het huis gebouwd werd,
+in de zeis, die het koren maaide, in het mes, dat voor alles te
+gebruiken was. IJzer was er aan den teugel, die het paard leidde,
+aan het slot, dat de deur afsloot, in de spijkers, die de meubels bij
+elkaar hielden, in de platen, die het dak dekten: 't geweer, dat de
+wilde dieren uitroeide, was van ijzer, en het houweel, dat de groeve
+openbrak. IJzer bekleedde de oorlogsschepen, die hij in Karlskrona
+had gezien, op ijzeren rails rolde de locomotief door het land, van
+ijzer was de naald, waarmeê de kleeren werden genaaid, de schaar,
+waarmeê de schapen werden geschoren, de pan, waarin het eten werd
+gekookt. 't Groote en 't kleine, al het nuttige en onontbeerlijke,
+van ijzer was het alles! De beer had wel gelijk, toen hij zei, dat
+het ijzer de menschen macht over de beren had gegeven.
+
+"Nu, wil je, of wil je niet?" vroeg de beer.
+
+De jongen schrikte uit zijn gedachten op. Daar stond hij nu over
+allerlei onnoodige dingen te denken, en had nog geen manier gevonden
+om zich te redden.
+
+"Je moet niet zoo ongeduldig wezen," zei hij. "Dat is een zaak van
+gewicht, en ik moet tijd hebben om mij te bedenken."
+
+"Nu, bedenk je dan nog een poosje," zei de beer. "Maar ik wil je wel
+zeggen, dat het ijzer er schuld aan heeft, dat de menschen zooveel
+wijzer zijn dan wij, beren. En daarom zou ik zoo graag dat gedoe hier
+weg hebben."
+
+Toen de jongen opnieuw uitstel had gekregen, wilde hij dat gebruiken
+om een reddingsplan te bedenken. Maar zijn gedachten gingen, waar ze
+wilden, dien nacht, en ze hielden zich weer bezig met het ijzer. Hij
+meende zoo langzamerhand te begrijpen, wat de menschen al niet hadden
+moeten denken en peinzen, eer ze hadden uitgevonden, hoe ze het ijzer
+uit het erts konden smelten, en hij zag in zijn gedachten de zwarte
+smeden over het aambeeld gebogen staan, en met inspanning bedenken,
+hoe ze dat ijzer het best zouden hanteeren. 't Was misschien, omdat
+ze daar zooveel over hadden moeten denken, dat het verstand zoo was
+gaan groeien bij de menschen, tot ze eindelijk zoover waren gekomen,
+dat ze zulke groote fabrieken konden bouwen. Dit was zeker, dat de
+menschen meer aan het ijzer te danken hadden, dan ze zelf wisten.
+
+"Nu, hoe is het?" zei de beer. "Wil je, of wil je niet?"
+
+Weer kreeg de jongen een schok door de leden. Daar stond hij in
+onnoodige gedachten verdiept, en wist nog niet, wat hij doen moest
+om weg te komen.
+
+"'t Is niet zoo makkelijk om te kiezen, als je wel denkt," zei hij. "Je
+moet me bedenktijd geven."
+
+"Ik kan nog wel een poos wachten," zei de beer. "Maar dan krijg je
+geen uitstel meer. Je moet weten, dat het door het ijzer komt, dat de
+menschen hier in het berenland kunnen leven, en je kunt wel begrijpen,
+dat ik die fabriek hier weg wil hebben."
+
+De jongen was van plan dit laatste uitstel te gebruiken, om een
+redmiddel te verzinnen, maar hoe angstig en verward hij ook was,
+zijn gedachten gingen, waar ze wilden, en ze begonnen nu zich met
+alles bezig te houden, wat hij op zijn tocht over de mijndistricten
+had gezien. 't Was wel merkwaardig, dat er zooveel leven en beweging,
+zooveel werk in die woestenij was. Stel je voor, hoe arm en eenzaam
+het hier wezen zou, als het ijzer hier niet was! Hij dacht aan de
+werkplaatsen hier, die aan zóóveel menschen werk gaven, al van 't
+oogenblik af, dat ze gebouwd werden, en die nu zooveel huizen om zich
+heen hadden gekregen, vol menschen, die spoorwegen en telegraafdraden
+hadden meegebracht, die..."
+
+"Nu, hoe is het?" vroeg de beer. "Wil je--of wil je niet?"
+
+De jongen streek met de hand over het voorhoofd. Geen redmiddel had
+hij bedacht, maar zooveel wist hij--dat hij niets tegen het ijzer
+wou doen, dat zoo'n steun voor arm en rijk was, en dat aan zooveel
+menschen in dit land brood gaf.
+
+"Ik wil niet," zei hij.
+
+De beer kneep hem wat harder tusschen de pooten, zonder iets te zeggen.
+
+"Je zult er me niet toe brengen een ijzerfabriek te vernielen,"
+zei de jongen. "Want het ijzer is zoo'n groote zegen, dat het niet
+aangaat daar kwaad aan te doen."
+
+"Dan verwacht je ook zeker niet, dat je lang zult leven," zei de beer.
+
+"Neen, dat verwacht ik niet," zei de jongen, en keek den beer vlak
+in de oogen.
+
+De beer kneep nog harder. Dat deed zoo'n pijn, dat de jongen tranen
+in de oogen kreeg, maar hij zei niets.
+
+"Nu dan!" zei de beer, en hief langzaam den eenen poot op, want hij
+hoopte nog altijd, dat de jongen zou toegeven.
+
+Maar op dit oogenblik hoorde de jongen iets knappen, dicht bij hen, en
+hij zag een glimmenden geweerloop op een paar stappen afstand. Hij en
+de beer waren zóó in gedachten verdiept geweest, dat ze niet gemerkt
+hadden, dat een mensch vlak bij hen gekomen was.
+
+"Beer!" riep de jongen. "Hoor je die geweerhaan niet overgaan? Maak,
+dat je weg komt, of ze schieten op je!"
+
+De beer kreeg haast, maar nam toch den tijd den jongen mee te
+nemen. Een paar schoten knalden, toen hij wegrende, en de kogels
+floten hem om de ooren, maar hij kwam gelukkig in veiligheid.
+
+Toen de jongen daar in den bek van den beer hing, bedacht hij, dat
+hij zeker nooit zoo dom was geweest, als dien nacht. Als hij maar had
+gezwegen, was de beer geschoten, en hij zelf zou zijn losgekomen. Maar
+hij was er zoo aan gewend geraakt de dieren te helpen, dat hij het
+deed, zonder er over te denken.
+
+Toen de beer een eind het bosch in was gekomen, bleef hij staan,
+en zette den jongen op den grond.
+
+"Ik dank je wel, klein ventje," zei hij. "Die kogels zouden wel beter
+hebben getroffen, als jij er niet geweest was. En nu wil ik je ook
+een dienst bewijzen. Als je ooit weer een beer tegenkomt, dan moet
+je hem zeggen, wat ik je nu influister,--dan raakt hij je niet aan."
+
+Toen fluisterde de beer den jongen een paar woorden in het oor,
+en liep toen snel voort, want hij meende te hooren, dat honden en
+jagers hem vervolgden.
+
+En de jongen bleef staan in het bosch, vrij en ongedeerd. En hij kon
+zelf haast niet begrijpen, hoe dat mogelijk was.
+
+
+
+De wilde ganzen hadden dien heelen avond heen en weer gevlogen,
+gezocht en geroepen; maar ze konden Duimelot niet vinden. Ze gingen
+door met zoeken, lang nadat de zon was ondergegaan, en toen het
+eindelijk zoo donker werd, dat ze moesten gaan slapen, waren ze
+heelemaal moedeloos. Er was niet een van hen, die niet geloofde,
+dat de jongen dood gevallen was, en nu ergens in 't bosch lag, waar
+ze hem niet konden vinden.
+
+Maar den volgenden morgen, toen de zon opkwam boven de bergen, en
+de wilde ganzen wekte, lag de jongen als gewoonlijk tusschen hen in
+te slapen, en hij kon het lachen niet laten, toen hij wakker werd,
+en hen in hun verwondering hoorde kakelen.
+
+Ze waren zoo vol vuur om te weten, wat hem overkomen was, dat geen
+van hen op voedsel uit wou gaan, voor hij hun zijn heele geschiedenis
+had verteld. De jongen vertelde vlug en levendig zijn heele avontuur
+onder de beren, maar later scheen hij niets meer te willen zeggen.
+
+"Hoe ik hier terugkwam, weten jelui zeker wel," zei hij.
+
+"Neen, we weten niets; we dachten, dat je dood gevallen was!"
+
+"Dat is vreemd," zei de jongen. "Toen de beer weg was, klom ik in een
+den, en viel in slaap. Maar bij 't eerste aanbreken van den dag werd
+ik wakker, doordat een arend boven me aan kwam suisen, me beetpakte
+met zijn klauwen, en me meênam. Natuurlijk dacht ik, dat het nu met
+me gedaan was. Maar hij deed me niets; hij vloog regelrecht hierheen,
+en gooide me neer midden tusschen jelui in."
+
+"Zei hij niet, wie hij was?" vroeg de groote witte ganzerik.
+
+"Hij was weg, voor ik hem nog bedanken kon. Ik meende, dat Moeder
+Akka hem had gezonden om me te halen."
+
+"Dat was wonderlijk," zei de witte ganzerik. "Ben je er zeker van,
+dat het een arend was?"
+
+"Ik heb nog nooit een arend gezien," zei de jongen. "Maar hij was
+zóó groot, dat ik hem geen andere naam kan geven."
+
+Maarten, de ganzerik, keerde zich om naar de wilde ganzen, om te
+hooren, wat ze daarvan zeggen zouden. Maar ze stonden in de lucht te
+kijken, alsof ze aan heel andere dingen dachten.
+
+"We moeten toch niet heelemaal ons ontbijt vergeten," zei Akka,
+en vloog haastig op.
+
+
+
+
+
+
+XXV.
+
+HET BROEDERDEEL.
+
+
+DE OUDE GROEVESTAD.
+
+
+Er was geen plaats in Zweden, waar Bataki, de raaf, zóó veel van hield
+als van Falun. Zoodra de sneeuw een beetje van het veld wegsmolt in
+de lente, ging hij er heen, en bleef verscheidene weken dicht bij de
+oude groevestad.
+
+Falun ligt in een laag gedeelte van het dal, waardoor een kleine
+rivier stroomt. Aan het noordelijk deel van het dal ligt een helder,
+klein meertje met groene oevers, vol landtongen, dat Varpan genoemd
+wordt. Aan den zuidkant ligt een baai, die op een meer lijkt, en Tisken
+heet, met troebel, vuil water en leelijke moerassige oevers, vol met
+allerlei afval. Ten oosten loopt om het dal een mooie rij heuvels,
+die op hun toppen statige dennenbosschen dragen en sappige berken;
+de hellingen zijn met lommerrijke tuinen bekleed. Ten westen van
+de stad ligt ook een bergrug. De top is met armoedige naaldbosschen
+bedekt, en de heele helling is kaal, naakt, zonder gras of boomen,
+als een echte woestenij. Het eenige, wat het veld bedekt, zijn groote
+ronde steenblokken, die er over verspreid liggen.
+
+De stad Falun, die in het diepst van het dal, aan beide zijden van de
+rivier ligt, ziet er uit, alsof ze afgepast is naar den grond, waarop
+ze gebouwd is. Aan de groene zij van het dal liggen al de gebouwen,
+die er sierlijk of aanzienlijk uitzien. Daar liggen de beide kerken,
+het raadhuis, de woning van den gouverneur, het mijnkantoor, de
+bank, het hôtel, de vele schoolgebouwen, het ziekenhuis, alle mooie
+villa's en woningen. Aan den zwarten kant staan, straat aan straat,
+kleine roode huisjes voor één familie, lange kale schuttingen van
+planken, en groote, zware fabrieksgebouwen. En achter die straten,
+midden in de groote steenwoestenij, ligt de mijn van Falun, met
+hijschmachines en pompen, met ouderwetsche gebouwen, die scheef op
+den ondermijnden grond staan, met zwarte, steile hoopen slakken en
+lange rijen droogovens voor het erts.
+
+Wat Bataki betreft, hij keek nooit naar het oostelijk gedeelte van de
+stad en ook niet naar het mooie Varpan. Maar destemeer hield hij van
+'t kleine meertje Tisken.
+
+Bataki, de raaf, hield van alles, wat geheimzinnig was, alles wat
+aanleiding gaf tot peinzen en nadenken, en de gedachten in beweging
+bracht. En daarvan vond hij veel aan de zwarte zijde van de stad. Het
+was zoodoende een groot genoegen voor hem geweest, om uit te vorschen,
+waarom die oude roode houten stad niet was opgebrand, zooals alle
+andere roode steden in het land. Ook had hij zich afgevraagd hoe lang
+de scheeve huizen aan den kant van de mijn nog zouden kunnen blijven
+staan. Hij had gepeinsd over de groote "vijzel", de reusachtige
+opening in den grond midden in 't veld om de groeve, en was tot op
+den bodem erin gevlogen om te onderzoeken, hoe die geweldige leege
+ruimte was ontstaan. Hij had verbaasd gestaard op die steile hoopen
+slakken, die om de "vijzel" en het mijngebouw heen lagen, en ze
+als muren omringden. Hij had geprobeerd te begrijpen, wat dat kleine
+signaalbelletje, dat met korte sombere slagen 't heele jaar door slaat,
+met even groote tusschenpoozen, toch te vertellen had, en 't allermeest
+had hij zich afgevraagd, hoe het er wel onder den grond zou uitzien,
+waar het kopererts zoo veel honderd jaar lang was uitgebroken, en
+de aarde zoo vol gangen was als een mierenhoop. Toen het eindelijk
+Bataki gelukt was van dit alles eenigszins op de hoogte te komen,
+zweefde hij weg naar de griezelige steenwoestenij, om er over na te
+denken, waarom er geen gras tusschen de steenblokken groeide, of hij
+vloog naar het meer Tisken. Dat hield hij voor het wonderlijkste, wat
+hij nog ooit had aangetroffen. Hoe kon het toch komen, dat daar in 't
+geheel geen visch in was, en dat het water, als het door den storm in
+beweging kwam, soms heelemaal rood werd? Dat was nog te wonderlijker,
+omdat een groote beek, die uit de groeve kwam en in 't meer viel,
+blinkend heldergeel water had. Hij verwonderde zich over de ruïne
+van vervallen gebouwen aan den oever en over het plaatsje Tisksagen,
+dat daar, omgeven van groene tuinen, en door boomen beschaduwd,
+tusschen de steenwoestenij en het vreemde meertje lag.
+
+In het jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen door het
+land reisde, stond er nog op het strand van het Tiskenmeer, een
+eind buiten de stad, een oud huis, de zwavelkeuken genaamd, omdat
+daar ieder jaar eenige maanden lang zwavel gekookt werd. 't Was
+een oud vervallen gebouw, dat rood was geweest, maar langzamerhand
+bruingrijs was geworden. Het had geen venster, maar enkel een rij
+kijkgaten, met zwarte luiken afgesloten en bijna altijd goed met
+boomen dichtgemaakt. In dat huis had Bataki nooit kunnen kijken, en
+daarom wekte dat zijn verwondering meer dan iets anders. Hij sprong
+rond op het dak om een gaatje te vinden, en hij zat dikwijls op den
+hoogen schoorsteen, en keek door de nauwe opening.
+
+Op een dag ging het Bataki al heel slecht. 't Had sterk gestormd. Een
+kijkgat aan de oude zwavelkeuken was opengewaaid, en Bataki was er
+dadelijk door gevlogen, om in het gebouw te zien. Maar nauwlijks was
+hij erin, of het luik sloeg weer dicht, en Bataki was gevangen. Hij
+verwachtte, dat de wind het luik wel weer open zou gooien, maar die
+scheen daar in 't geheel geen plan op te hebben.
+
+Er viel vrij wat licht in 't gebouw door spleten in den muur,
+en Bataki had ten minste het genoegen te kunnen uitvinden, hoe 't
+er daar binnen uitzag. Er was niet anders te zien, dan een groote
+oven, met een paar ingemetselde pannen, en die had hij al gauw
+voldoende bekeken. Maar toen hij weer naar buiten wilde, bleek het,
+dat het nog altijd onmogelijk was. De wind wilde het luik niet meer
+opengooien. Geen enkele deur, geen kijkgat, dat niet gesloten was. De
+raaf was doodeenvoudig gevangen.
+
+Bataki begon om hulp te roepen, en hield dat den heelen dag vol. Er
+zijn zeker geen dieren, die zoo volhardend zijn in 't leven maken als
+raven, en al gauw werd het ver in 't rond bekend, dat hij gevangen
+zat. De grijs gestreepte kat van Tisksagen was de eerste, die het
+ongeluk begreep. Hij vertelde het aan de kippen, en die riepen het toe
+aan de voorbijvliegende vogels. Spoedig was het bekend bij de kraaien,
+duiven, roeken en musschen in de stad Falun. Zij vlogen dadelijk naar
+de oude zwavelkeuken om meer van de zaak te weten te komen. Ze hadden
+diep medelijden met de raaf, maar geen van hen kon iets bedenken om
+hem te helpen.
+
+Op eens riep Bataki hun toe, met zijn scherpe, knorrige stem:
+"Stil! jelui daar buiten! Luister nu naar mij! Als jelui me helpen
+wilt, ga dan heen, en zoek de oude wilde gans, Akka van Kebnekaise en
+haar troep. Ik denk, dat ze in dezen tijd van 't jaar in Dalecarlië
+zijn. Vertel Akka hoe 't met me gesteld is. Ik geloof, dat zij de
+eenige bij zich heeft, die me helpen kan."
+
+Agar, de postduif, de beste bode in 't heele land, vond den troep
+wilde ganzen bij de Dalelf, en toen de schemering viel, kwamen Akka
+en zij aanvliegen, en streken neer bij de zwavelkeuken. Duimelot zat
+op Akka's rug, maar de andere reisgenooten hadden ze op een eiland
+in Runn gelaten, omdat Akka meende, dat ze meer schade dan nut zouden
+hebben gedaan, als ze mee naar Falun gekomen waren.
+
+Toen Akka een poos met Bataki aan het overleggen was geweest, nam
+ze Duimelot op den rug, en vloog naar een boerderij, die vlak bij de
+zwavelkeuken lag. Ze zweefde langzaam over de tuinen en beukenhagen,
+die het plaatsje omgaven, terwijl zij en de jongen aldoor naar beneden
+keken. 't Was duidelijk te zien, dat hier kinderen waren, die gewoon
+waren om het huis te spelen, en het duurde ook niet lang, of ze
+vonden wat ze noodig hadden. In een vroolijk lentebeekje klapperde
+een rad van een klein smederijtje, en daar in de buurt vond de jongen
+een beitel. Op een paar schragen lag een half afgewerkte canoe en
+daarnaast een bosje touw.
+
+Daarmeê vlogen ze terug naar de zwavelkeuken. De jongen maakte het
+touw om den schoorsteen vast, liet het in de diepte neer, en gleed
+er langs naar beneden. Toen hij Bataki had begroet, die hem met veel
+mooie woorden bedankte, omdat hij gekomen was, begon hij een gat in
+den muur te hakken met den beitel.
+
+De zwavelkeuken had geen dikke muren, maar de jongen kreeg met
+iederen houw maar een splintertje los--zóó dun, dat een rat het met
+zijn voortanden wel had kunnen losknagen. 't Was duidelijk, dat hij
+den heelen nacht zou moeten werken en misschien nog langer, eer hij
+zoo'n groot gat gemaakt had, dat Bataki er door kon.
+
+De raaf verlangde zóó om los te komen, dat hij niet kon slapen, maar
+onder het werk naast den jongen bleef staan. In 't begin was Niels
+heel vlijtig, maar na een poosje merkte de raaf, dat de slagen steeds
+met grooter tusschenpoozen kwamen, en eindelijk heelemaal ophielden.
+
+"Je bent zeker moe," zei de raaf. "Je kunt misschien niet langer
+werken!"
+
+"Neen, ik ben niet moe," zei de jongen, en nam den beitel weer op,
+"maar ik heb al in lang geen enkelen nacht behoorlijk geslapen. Ik
+weet niet, hoe ik me wakker zal houden."
+
+Nu ging het werk een poosje vlug door, maar toen kwamen de slagen weer
+met al langer tusschenpoozen. De raaf maakte den jongen weer wakker,
+maar hij begreep, dat, als hij hem niet op een of andere manier
+wakker kon houden, hij wel zou moeten blijven, waar hij was--niet
+alleen dien nacht, maar zeker ook nog den heelen volgenden dag.
+
+"Zou misschien het werk beter gaan, als ik je een verhaal
+vertelde?" vroeg hij.
+
+"Ja, dat kon wel," zei de jongen, maar tegelijk gaapte hij, en was
+zóó slaperig, dat hij nauwlijks zijn werktuig kon vasthouden.
+
+
+
+
+DE SAGE VAN DE FALUNMIJN.
+
+
+"Ik zal je eens wat zeggen, Duimelot," zei Bataki. "Ik heb al een
+lang leven achter mij. Ik heb veel goeds en veel kwaads ontmoet, en
+verscheiden keeren ben ik door de menschen gevangen. Op die manier
+heb ik niet alleen hun taal leeren verstaan, maar ik heb ook veel van
+hen geleerd. En ik durf beweren, dat er geen vogel hier in 't land is,
+die zooveel weet van je stamgenooten als ik.
+
+Ik heb eens jaren achtereen in een kooi gezeten, bij een mijnopzichter
+hier in Falun, en in zijn huis hoorde ik wat ik je nu ga vertellen.
+
+Heel lang geleden woonde hier in Dalecarlië een reus, die twee dochters
+had. Toen de reus oud werd en voelde, dat hij sterven zou, riep hij
+zijn dochters bij zich, om zijn bezittingen tusschen hen te verdeelen.
+
+Zijn voornaamste rijkdom bestond uit een paar bergen, die vol koper
+waren, en die wilde hij aan zijn dochters geven. "Maar eer ik die
+erfenis afgeef," zei hij, "moet jelui me beloven, dat als ooit
+een vreemdeling jelui kopermijnen mocht ontdekken, jelui hem zult
+doodslaan, voor hij zijn vondst aan anderen kan laten zien."
+
+De oudste van de reuzendochters was wreed en woest, ze beloofde
+zonder aarzelen haar vader te gehoorzamen. De andere had een zachter
+karakter, en de vader zag, dat zij zich bedacht, vóór ze haar gelofte
+aflegde. Daarom gaf hij haar maar een derde van de erfenis, terwijl
+de oudste zoowat dubbel zooveel kreeg als zij.
+
+"Op jou kan ik vertrouwen, alsof je een man waart," zei de reus. "En
+daarom zul jij het broederdeel hebben."
+
+Onmiddellijk daarop stierf de oude reus, en langen tijd waren de beide
+dochters even getrouw aan hun woord. 't Gebeurde meer dan één armen
+houthakker of jager, dat hij het kopererts zag, dat aan verscheidene
+kanten tegen den buitenkant van den berg aanlag, maar nauwlijks was
+hij thuis gekomen, en had hij over zijn vondst gesproken, of hij werd
+door een ongeluk getroffen, òf er stortte een doode denneboom op hem
+neer, òf hij kwam onder een grondverschuiving. Hij had nooit tijd
+aan een ander den schat te wijzen, die op 't woeste veld te vinden was.
+
+In dien tijd was het de gewoonte, dat de boeren des zomers hun vee
+diep het bosch in zonden, om daar te grazen. De herder ging mee, om
+op de melk te passen, en om kaas en boter te maken. Om voor menschen
+en kudden schuilplaatsen in de wildernis te maken, kapten de boeren
+een plaats open midden in 't bosch, en bouwden daar een paar hutjes,
+die zij zomerweihutten noemden.
+
+Nu gebeurde het, dat een boer, die bij de Dalelf in de gemeente
+Torsang woonde, zijn zomerhutten had aan de oevers van 't meer Runn,
+waar de grond zoo steenig was, dat nog niemand had geprobeerd dien
+te ontginnen. Op een herfstdag ging een boer met een paar lastpaarden
+naar de zomerweide, om te helpen 't vee, de botervaten en kazen naar
+huis te brengen. Toen hij de kudde natelde, merkte hij op, dat een
+van de bokken heelemaal rood aan de horens was.
+
+"Wat heeft de Karebok voor horens?" vroeg de boer aan de herderin.
+
+"Dat weet ik niet," antwoordde zij. "Hij is van den zomer elken avond
+met roode horens thuis gekomen. Hij vindt het zeker mooi."
+
+"Zoo, geloof je dat," zei de boer.
+
+"Hij doet zijn eigen zin, die bok; en als ik dat rood van zijn horens
+afschuur, gaat hij dadelijk heen, en zorgt, dat hij het terug krijgt."
+
+"Schuur dan die roode verf nog eens af," zei de boer, "dan kan ik zien,
+hoe hij dat doet."
+
+Pas waren de horens van den bok afgeschuurd, of hij liep hard het
+bosch in. De boer liep hem na, en toen hij den bok inhaalde stond die
+zijn horens te wrijven tegen een paar roode steenen. De boer nam de
+steenen op, proefde er van, en rook er aan. Hij meende te begrijpen,
+dat hij een of ander soort erts had gevonden. Terwijl hij daar stond
+te peinzen, kwam een steenblok aanrollen langs een helling vlak bij
+hem. De boer sprong opzij, en redde zich nog juist bijtijds; maar
+de bok Kare kwam vlak onder het blok, en werd dood geslagen. Toen de
+boer tegen de helling opkeek, zag hij een groote, sterke reuzenvrouw,
+die bezig was nog een steenblok naar beneden te gooien, dat op hem
+gemunt was.
+
+"Wat doe je toch?" riep de boer. "Ik heb jou noch je familie ooit
+kwaad gedaan."
+
+"Neen, dat weet ik wel," zei de reuzenvrouw. "Maar ik moet je
+doodslaan, omdat je mijn koperberg hebt ontdekt."
+
+Dat zei ze met zóó'n bedroefde stem, alsof ze in 't geheel geen
+lust had hem te dooden, en daardoor kreeg de boer moed met haar te
+spreken. Toen vertelde zij hem van den ouden reus, van de belofte, die
+ze had gedaan, en van haar zuster, die het broederdeel gekregen had.
+
+"Ik vind het zoo akelig, al die onschuldige stakkers dood te maken,
+die mijn koperberg ontdekken," zei ze, "dat ik wou, dat ik die erfenis
+nooit had aangenomen. Maar wat ik beloofd heb, moet ik ook houden."
+
+Toen begon ze weer aan het steenblok te trekken.
+
+"Maak nu zoo'n haast niet!" riep de boer. "Om die belofte hoef je mij
+niet dood te maken. Ik heb het koper niet gevonden, maar de bok. En
+dien heb je al dood gemaakt."
+
+"Vind je, dat ik daarmeê genoeg gedaan heb?" vroeg de reuzendochter
+aarzelend.
+
+"Ja zeker vind ik dat," zei de boer. "Je hebt je belofte zoo goed
+gehouden, als je maar kunt."
+
+En hij sprak zoo verstandig met haar, dat hij mocht blijven leven.
+
+Nu bracht de boer eerst de koeien naar huis. Toen ging hij naar
+de mijndistricten, en huurde knechts, die verstand van mijnwerk
+hadden. Die hielpen hem een mijn aan te leggen, daar, waar de bok
+gestorven was. In 't begin was hij bang, dat hij ook gedood zou
+worden, maar 't was zeker zoo, dat de reuzendochter het bewaken van
+haar koperberg moe geworden was. Ze maakte het hem nooit lastig. De
+ertsader, die de boer had ontdekt, liep langs den buitenkant van
+den berg, zoodat het niet moeilijk of lastig was het erts uit te
+breken. Hij en de knechts sleepten brandhout uit het bosch, en legden
+groote vuren op den berg aan. Daarop lieten zij de ertsblokken door het
+eene vuur na het andere gaan, tot zij het zuivere koper te voorschijn
+hadden gekregen, en het van de slakken afgescheiden.
+
+Vroeger gebruikten de menschen meer koper voor dagelijksch gebruik dan
+nu. 't Was toen een gezochte en nuttige waar, en de boer, die de mijn
+bezat, werd gauw schatrijk. Hij bouwde een groote, prachtige hoeve
+in de buurt van de mijn, en noemde die Kare-hoeve, naar den bok. Als
+hij naar de kerk in Torsang reed, was zijn paard met zilver beslagen,
+en toen zijn dochter bruiloft zou vieren, liet hij bier brouwen van
+twintig ton mout, en tien groote ossen aan het spit braden.
+
+In dien tijd bleven de menschen meestal stil elk in hun woonplaats,
+en werden de nieuwtjes niet zou gauw verspreid als nu. Maar het
+gerucht, dat er een groote koperberg was gevonden, bereikte toch
+veel menschen, en zij, die niets beters te doen hadden, gingen op
+reis naar Dalecarlië. Op Kare-hoeve werden alle arme reizigers goed
+ontvangen. De boer nam ze in dienst, gaf hun een goed loon, en liet
+hen erts voor hem uitbreken. Er was overvloed van erts, en hoe meer
+knechts hij aan 't werk kon zetten, hoe rijker hij werd.
+
+Maar op een avond moet het gebeurd zijn, dat vier flinke mannen met
+houweelen op den schouder naar Kare-hoeve kwamen. Ze werden goed
+ontvangen, als alle andere, maar toen de boer vroeg, of ze bij hem
+wilden werken, zeiden ze kortaf: "Neen."
+
+"We willen voor eigen rekening werken," zeiden ze.
+
+"Ja, maar deze koperberg is van mij," zei de boer.
+
+"We zijn niet van plan in jouw mijn te graven," antwoordden de
+vreemden. "De berg is groot, en op wat vrij en onbeschut in de
+wildernis ligt, hebben wij evenveel recht als jij."
+
+Meer werd hierover niet gesproken, en de boer ging voort den vreemden
+gastvrijheid te geven. Vroeg in den morgen gingen ze uit om te werken,
+vonden kopererts een eind verder, en begonnen het uit te graven. Toen
+ze dat een paar dagen hadden gedaan, ging de boer naar hen toe.
+
+"Er is hier veel erts in den berg," zei hij.
+
+"Ja, daar moeten nog veel menschen aan werken, voor die schat gelicht
+is," zei een van de vreemden.
+
+"Dat begrijp ik wel," zei de boer. "Maar ik vind toch, dat jelui mij
+belasting betalen moet voor het erts, dat je uitgraaft, omdat het
+door mij komt, dat er hier mijnwerk kan worden gedaan."
+
+"Nu begrijpen we niet, wat je bedoelt," zeiden de mannen.
+
+"Ja, ik heb door mijn verstandige manier van doen dezen berg vrij
+gemaakt," zei de boer, en vertelde hun van de beide reuzendochters
+en het broederdeel.
+
+De mannen luisterden hier heel oplettend naar, maar ze schenen bij
+iets anders in het verhaal stil te staan, dan wat de boer verwachtte.
+
+"Ben je er zeker van, dat de andere reuzendochter gevaarlijker is
+dan zij, die jij ontmoette?" vroegen ze.
+
+"Ja, ik geloof niet, dat ze veel medelijden met jelui zou hebben,"
+antwoordde de boer.
+
+Met die woorden ging hij heen, maar hij hield hen in 't oog, en hij
+zag na een poosje, dat ze met werken ophielden, en het bosch ingingen.
+
+Toen de menschen op Kare-hoeve dien dag aan het avondeten zaten,
+hoorden ze een vervaarlijk wolvengehuil uit het bosch, en onder het
+huilen der wilde dieren door, hoorden ze menschen schreeuwen. De
+boer stond dadelijk op, maar de knechts schenen geen lust te hebben
+om meê te gaan.
+
+"'t Zou wel goed zijn, als dat dievenpak door de wolven verscheurd
+werd," zeiden de knechts.
+
+"We moeten toch helpen wie in nood zijn," zei de boer, en trok met
+alle vijftig knechts uit.
+
+Al spoedig kregen ze een vreeselijk grooten troep wolven in 't oog,
+die over elkaar heen rolden, en rukten, en vochten om een buit. De
+knechts joegen ze weg, en vonden op den grond vier menschenlichamen,
+die zoo mishandeld waren, dat niemand zou hebben begrepen, wie ze
+waren, als er niet vier houweelen bij hen hadden gelegen.
+
+Na dien tijd bleef de koperberg het eigendom van één man, tot na
+den dood van den boer. Toen namen zijn zonen die over. Die werkten
+gezamenlijk in de mijn, maar het erts, dat ze in één jaar opdolven,
+verdeelden ze in hoopen, verlootten die, en smolten het koper ieder in
+zijn eigen oven uit. Ze werden allen rijk, en machtige mijneigenaars,
+en bouwden zich groote, aanzienlijke hoeven. En na hen pakten hun
+erfgenamen het werk aan, openden nieuwe schachten, en breidden het
+ertsopdelven verder uit. Jaar op jaar nam de mijn in beteekenis toe,
+en steeds meer mijneigenaars sloten zich als deelnemers aan. Sommige
+woonden er vlak bij, andere hadden hun woningen en smeltovens in
+de buurt. Een groote groep gebouwen ontstond, en die plaats werd:
+het district van den grooten koperberg genoemd.
+
+Nu gebeurde het, dat het erts, dat zóó lag, dat het van boven op
+te delven was, zooals men steenen uit een steengroeve breekt, afnam
+en opraakte, zoodat de mijnwerkers genoodzaakt werden het erts diep
+onder den grond te zoeken. Zij moesten zich door nauwe schachten en
+lange, slingerende gangen voortwerken, om hun vuren aan te leggen en
+den berg te doen springen. 't Is altijd een zwaar, moeielijk werk
+erts te delven, maar nu kwam er de last van den rook bij, die niet
+kon worden weggevoerd in de lucht, en het bezwaar om het erts langs
+steile ladders naar boven te krijgen. En hoe dieper ze naar beneden
+doordrongen, hoe gevaarlijker het werk werd. Nu en dan kwamen sterke
+waterstroomen aanbruisen uit een hoek van de mijn, of stortte het dak
+van de mijngang in, boven het hoofd van de mijnwerkers. Dat maakte
+het werk in de groote mijn zóó gevreesd, dat niemand het vrijwillig
+wilde doen.
+
+Toen werd aan ter dood veroordeelde misdadigers, en menschen, die
+vogelvrij door de bosschen zwierven, meegedeeld, dat ze vergiffenis
+voor hun misdrijven zouden krijgen, als ze mijnwerker in Falun
+wilden worden.
+
+In lang had niemand er aan gedacht het broederdeel te zoeken. Maar
+onder al die bandelooze mannen, die naar den grooten koperberg kwamen,
+waren er verscheidene, die hun leven niet veel hooger achtten dan een
+avontuur, en die begonnen door de streek rond te zwerven, in de hoop
+het te vinden.
+
+Hoe dat afliep voor allen, die zochten, kan niemand zeggen, maar er
+is nog een verhaal van een paar mijnwerkers, die op een avond laat
+bij hun patroon terugkwamen, en vertelden, dat ze een groote, zware
+ertsader in het bosch gevonden hadden. Ze hadden den weg daarheen
+gezien, en wilden hem dien den volgenden dag wijzen. Maar den volgenden
+dag was het Zondag, en de patroon wilde dien dag niet naar het bosch
+gaan, om erts te zoeken. Hij ging met al zijn volk naar de kerk. Het
+was winter, en zij liepen over het ijs naar de kerk, over het meer
+Varpan. Op den heenweg ging alles goed, maar op den terugweg vielen
+die beide knechts in een wak, en verdronken. Toen herinnerde men zich
+de oude sage van het broederdeel, en men zei, dat het zeker dat was,
+wat de mannen hadden gevonden.
+
+Om al die fouten aan de mijn te herstellen, namen de mijneigenaars
+zich voor, buitenlanders te ontbieden, die bekwaam in mijnwerk waren,
+en die buitenlandsche meesters leerden hun mijnpompen bouwen, die
+het water wegpompten, en het erts omhoog haalden. De vreemdelingen
+geloofden niet veel van de sage van de reuzendochters, maar wel
+geloofden ze, dat het mogelijk was, dat er een groote ertsader
+ergens in de buurt was, en zij zochten er heel ijverig naar. En op
+een avond kwam een duitsche mijninspecteur bij de mijn, en vertelde,
+dat hij het broederdeel gevonden had. Maar de gedachte aan den grooten
+rijkdom, dien hij nu zou winnen, steeg hem naar het hoofd, en maakte
+hem woest. Hij richtte nog dienzelfden nacht een gastmaal aan, dronk,
+danste en dobbelde, en eindelijk raakte hij aan het twisten en vechten,
+en werd door een van de drinkebroers doodgestoken.
+
+Uit den grooten koperberg werd steeds zoo'n massa erts gehaald, dat
+de mijn voor de rijkste kopermijn in alle landen gehouden werd. Die
+verspreidde groote schatten, niet alleen in de naaste omgeving, en
+de sommen, die daaruit voortkwamen, werden Zweden tot groote hulp
+in benarde tijden. Terwille van de mijn werd de heele stad Falun
+gebouwd, en als zoo merkwaardig en nuttig werd de mijn beschouwd,
+dat de koningen gewoon waren naar Falun te reizen, om de mijn te
+bezoeken, en haar roemden, als het geluk en de schatkamer van het rijk.
+
+Wanneer nu de menschen er aan dachten, hoeveel rijkdom al uit die
+oude mijn te voorschijn was gekomen, is 't geen wonder, dat zij,
+die geloofden, dat een koperschat--dubbel zoo groot--in de buurt was,
+er zich over ergerden, dat die ongenaakbaar was. Menigeen waagde zijn
+leven om dien te zoeken, maar niemand won er iets bij.
+
+Een van de laatsten, die het broederdeel zag, was een jonge
+mijneigenaar uit Falun, van goede, vermogende familie, die een huis en
+een smeltoven in de stad bezat. Hij wilde met een mooie boerendochter
+uit Leksand trouwen, en ging daarheen om haar ten huwelijk te vragen:
+maar zij wilde niet met hem trouwen, omdat ze niet in Falun wilde
+wonen, waar de rook uit de smelt- en droogovens zoo zwaar en drukkend
+over de stad lag, dat zij bang werd, als zij er maar aan dacht.
+
+De jonge man had haar lief, en toen hij naar huis ging, was
+hij diep bedroefd. Hij had zijn leven lang in Falun gewoond, en
+hij had er nooit aan gedacht, dat het moeilijk wezen kon daar te
+leven. Maar toen hij nu de stad naderde, schrikte hij. Uit de groote
+mijnschacht, uit de honderden droogovens daaromheen, steeg de zware,
+verstikkende zwaveldamp op, en hulde de heele stad in mist. De rook
+belette de planten te tieren, zoodat het veld kaal en naakt er omheen
+lag. Smeltovens, waar het vuur uit opvlamde, en die omgeven waren van
+zwarte slakken, zag hij overal, niet alleen in de stad, maar in de
+heele buurt. Ze stonden in alle omringende dorpen. Hij begreep, dat
+wie gewoon was te leven in licht en groen lommer aan het schitterende
+Siljemeer, hier niet zou kunnen aarden.
+
+Het gezicht van de stad maakte hem nog somberder, dan hij al was. Hij
+wilde niet dadelijk naar huis gaan, maar week van den weg af, en liep
+door het bosch. Daar zwierf hij den heelen dag rond, zonder er over
+te denken, waar hij liep.
+
+Tegen den avond gebeurde het, dat hij een berghelling zag, die glansde
+als goud. Toen hij goed toezag, merkte hij, dat het een geweldige
+ader van kopererts was. Eerst was hij blij met die ontdekking, maar
+toen kwam het hem in de gedachte, dat dit broederdeel al zoovelen in
+het ongeluk had gestort, en hij werd bang.
+
+"Vandaag moet ik zeggen, dat het ongeluk mij vervolgt," dacht
+hij. "Misschien moet ik nu sterven, omdat ik dien schat hier gevonden
+heb."
+
+Hij keerde dadelijk om, en ging naar huis. Na een poos ontmoette
+hij een groote, statige vrouw. Ze zag er uit als een kloeke
+mijnwerkersvrouw, maar hij kon zich niet herinneren, dat hij haar
+vroeger had gezien.
+
+"Ik zou wel eens willen weten, wat je in 't bosch hebt uitgevoerd,"
+zei ze. "Ik heb je den heelen dag daar zien rondzwerven."
+
+"Ik heb rondgezien naar een plaats, waar ik wonen kan!" antwoordde
+de mijneigenaar, "want het meisje, waar ik van houd, wil niet in
+Falun wonen."
+
+"Denk je er niet over erts te delven uit den koperberg, dien je zoo
+pas gevonden hebt?" vroeg ze verder.
+
+"Neen, ik moet met het mijnwerk uitscheiden, anders kan ik haar,
+die ik liefheb, niet tot vrouw krijgen."
+
+"Ja, houd nu maar woord," zei de vrouw. "Dan zal je geen kwaad
+overkomen."
+
+Met die woorden ging zij heen. Maar hij haastte zich zijn woorden
+waar te maken, noodgedwongen. Hij hield op met zijn werk, en liet
+een hoeve bouwen ver van Falun. En toen had zij, die hij liefhad,
+er niets op tegen bij hem te komen wonen."
+
+Hiermee eindigde de raaf zijn verhaal. De jongen was werkelijk wakker
+gebleven al dien tijd, maar hij had zijn beitel nu juist niet met
+groote snelheid gebruikt.
+
+"Nu, en hoe ging het verder?" vroeg hij, toen de raaf zweeg.
+
+"Ja, het ging steeds achteruit met het koperdelven. De stad Falun is er
+nog. Maar al de oude smeltovens zijn weg. De heele streek is vol oude
+mijnwerkershuizen, maar zij, die er wonen, moesten zich aan landbouw
+of aan boschbouw wijden. In de mijn van Falun is het erts bijna op. 't
+Zou nu meer dan ooit tijd zijn om het broederdeel te vinden."
+
+"Ik zou wel eens willen weten, of die mijneigenaar de laatste was,
+die het zag," zeide de jongen.
+
+"Ik zal je zeggen, wie het 't laatste gezien heeft, als je een gat
+in den muur hebt gemaakt, en mij bevrijdt," zeide de raaf.
+
+De jongen sprong op, en begon wat vlugger te werken. Hij vond,
+dat Bataki dat op een vreemden, beteekenisvollen toon zei. 't Klonk
+bijna, alsof hij den jongen den indruk wou geven, dat hij, de raaf,
+de groote ertsader had gezien. Had hij hem misschien die geschiedenis
+met een bepaalde bedoeling verteld?
+
+"Je hebt hier zeker veel in de buurt rondgezworven," zei de jongen,
+om wat meer licht in de zaak te krijgen. "Je hebt zeker wel een en
+ander ontdekt, terwijl je boven de bergen en de bosschen zweefde."
+
+"Ik zou je nog heel wat merkwaardigs kunnen laten zien, als je maar
+klaar was met je werk," antwoordde de raaf.
+
+De jongen begon met zoo'n ijver te hakken, dat de splinters om hem
+heen vlogen. Nu was hij er zeker van, dat de raaf het broederdeel
+had gevonden.
+
+"'t Is toch heel jammer, dat jij, een raaf, heelemaal geen pleizier
+kunt hebben van den schat, dien je hebt gevonden," zei hij.
+
+"Ik wil hier niet meer over praten, vóór ik gezien heb, dat je een
+gat in den muur kunt maken, en mij bevrijden," zei de raaf.
+
+De jongen werkte zóó, dat het ijzer brandend heet werd. Hij meende,
+dat hij Bataki's bedoeling gemakkelijk kon begrijpen.
+
+De raaf kon toch geen erts voor eigen rekening delven, en daarom was 't
+zeker zijn plan, die ontdekking aan Niels Holgersson over te doen. Dat
+was 't waarschijnlijkste en ook het natuurlijkste. Maar als de jongen
+'t geheim eenmaal wist, zou hij hier terugkomen, zoodra hij weer een
+mensch was geworden, en dien schat nader onderzoeken. En als hij geld
+genoeg had, dan zou hij de heele gemeente Vemmenhög koopen, en daar
+een kasteel laten bouwen zoo groot als Vittskövle. En op een dag zou
+hij dan den boer Holger Nielsson en zijn vrouw bij zich vragen op 't
+kasteel. En als ze dan aankwamen, zou hij op de stoep staan en zeggen:
+"Kom binnen, alstublieft, en doe alsof u hier thuis is." En ze zouden
+hem natuurlijk niet herkennen, maar zich verwonderd afvragen, wie
+die deftige mijnheer was, die hen had uitgenoodigd.
+
+"Zoudt u niet graag op zoo'n mooie plaats wonen?" zou hij dan zeggen.
+
+"Ja, natuurlijk, maar dat is niets voor ons," zouden ze antwoorden.
+
+"Ja, dat is het juist. De bedoeling is, dat u dit krijgt, als betaling
+voor den grooten witten ganzerik, die jaren geleden is weggevlogen,"
+zou hij dan zeggen.
+
+De jongen werkte al flinker met den beitel. Het eerste, waar hij zijn
+geld voor gebruiken zou, was een nieuw huisje op de hei van Sunnerbo
+te bouwen voor Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads. Veel grooter
+en mooier dan het oude natuurlijk. En dan zou hij 't heele Takermeer
+koopen, en dat aan de eenden geven. En dan zou hij...
+
+"Nu moet ik zeggen, dat je flink hebt gewerkt," zei de raaf. "Ik
+geloof, dat het gat al groot genoeg is."
+
+Het lukte de raaf werkelijk er uit te komen. De jongen kroop hem na
+en zag toen Bataki op een steen zitten, een paar stappen verder.
+
+"Nu zal ik mijn belofte houden, Duimelot," zei Bataki heel plechtig,
+"en je zeggen, dat ik het broederdeel heb gezien. Maar ik zou je niet
+raden er naar te gaan zoeken, want het heeft me jaren werk gekost,
+eer ik het te weten kwam."
+
+"Ik dacht, dat je me zeggen zou, waar het was, als belooning, omdat
+ik je uit je gevangenschap heb bevrijd," zei de jongen.
+
+"Dan moet je toch wel heel slaperig zijn geweest, terwijl ik je van
+het broederdeel vertelde," zei Bataki. "Anders zou je zooiets zeker
+niet hebben verwacht. Hoorde je dan niet, dat allen, die wilden bekend
+maken waar het broederdeel was, ongelukkig werden? Neen, jongen! Bataki
+heeft lang genoeg geleefd, om te leeren zijn mond te houden."
+
+Met die woorden sloeg hij de vleugels uit, en vloog weg. Akka stond
+op het veld bij de zwavelstokerij te slapen. Maar het duurde lang,
+eer de jongen naar haar toeging, om haar te roepen. Hij was mismoedig
+en bedroefd, omdat hij een grooten schat had verloren, en vond,
+dat hij niets had om zich op te verheugen.
+
+"Ik geloof niet, dat die geschiedenis van de reuzendochters waar is,"
+zei hij in zichzelf. "En ik geloof niet aan de wolven en het zwakke
+ijs; maar ik geloof, dat toen arme mijnwerkers de groote ertsader
+midden in 't woeste bosch vonden, ze zóó opgewonden van vreugde
+werden, dat ze die later niet meer konden vinden. En ik geloof,
+dat die teleurstelling zoo zwaar werd, dat ze het leven niet konden
+uithouden. Want zoo voel ik het nu."
+
+
+
+
+
+
+XXVI.
+
+DE OVERSTROOMING.
+
+
+Dagen lang was het een vreeselijk weer ten noorden van 't Mälermeer. De
+hemel was effen grijs, de wind huilde, en de regen zwiepte tegen de
+ruiten. Menschen en dieren wisten, dat zonder dit de lente niet komen
+kon, maar ze vonden toch, dat het bijna niet uit te houden was.
+
+Toen het een dag geregend had, begonnen de sneeuwmassa's in de
+dennenbosschen eerst goed te smelten, en de lentebeken kwamen in
+beweging. Alle waterplassen op de hoeven, het modderige water binnen
+de dijken, het water, dat opborrelde tusschen de graszoodjes in,
+moerassen en plasjes, alles kwam in beweging, en probeerde den weg
+te vinden naar de beken, om meê te komen naar zee. De beken snelden
+zoo hard mogelijk naar de Mälerrivieren, en die deden hun best om
+de watermassa's naar 't Mälermeer te brengen. Maar toen wierpen alle
+kleine meertjes in Uppland en in de mijndistricten op één en denzelfden
+dag al hun ijsdeksels af, zoodat de rivieren met ijsstukken werden
+gevuld, en snel tot aan hun oevers stegen. Op die manier vergroot,
+wierpen de rivieren zich in 't Mälermeer, en het duurde niet lang,
+of dat had zooveel water als het bergen kon. In 't meer ontstond
+een heftige strooming naar den eenigen afloop, dien 't had, maar dat
+was een nauwe uitweg, en die kon het water niet zoo snel afvoeren,
+als noodig was. Bovendien blies er een sterke oostenwind, zoodat het
+zeewater naar land gestuwd werd, en de stroomen in den weg stond,
+toen ze hun zoet water in de Oostzee wilden storten. En toen nu de
+rivieren onophoudelijk met nieuw water aankwamen, tot de Mäler en de
+stroomen het niet meer konden afvoeren, stond er niet anders te doen
+voor het groote meer, dan buiten zijn oevers te treden.
+
+Het steeg heel langzaam en als met tegenzin, om zijn mooie oevers
+niet te schaden. Maar omdat die bijna overal laag en langzaam hellend
+zijn, duurde het niet lang, of het water was verscheidene meters het
+land in gekomen, en meer was niet noodig, om de grootste opschudding
+teweeg te brengen.
+
+'t Is eigenaardig met het Mälermeer. Het bestaat uit louter nauwe
+fjords, baaien en inhammen. Nergens heeft het breede watervlakten, door
+den storm gezweept. Het is, alsof 't voor niets dan pleiziertochten
+en zeiltochtjes gemaakt is, en voor vroolijke hengelpartijen. En
+het heeft zooveel vriendelijke, met boomen bekleede eilanden,
+schiereilanden en landtongen. Nergens vertoont het naakte, eenzame
+en verwaaide oevers. Het is, alsof het zich nooit had voorgesteld,
+dat het iets anders dan kasteelen, zomervilla's, landgoederen en
+ontspanningslokalen zou dragen. Maar misschien is het, omdat het meer
+er gewoonlijk zoo vriendelijk en zacht uitziet, dat er zoo'n spektakel
+ontstaat, als nu en dan in de lente zijn glimlach wegsterft, en het
+toont, dat het werkelijk gevaarlijk kan worden.
+
+Toen het nu inderdaad tot een overstrooming scheen te komen, werden
+alle schuiten en platte booten, die in den winter op het land waren
+getrokken, in haast dichtgemaakt en geteerd, om zoo gauw mogelijk in
+het water te kunnen worden neergelaten. De vlonders werden op 't land
+gezet, en de bruggen op den landweg werden versterkt. De baanwachters,
+die op gedeelten van de spoorlijn langs den oever moesten letten,
+durfden 's nachts niet slapen, maar liepen aldoor heen en weer langs
+de lijn.
+
+De boeren, die hooi of dorre bladen bewaarden in schuren op de lage
+eilandjes, haastten zich dat aan land te brengen. De visschers namen
+hun fuiken en netten weg, opdat ze niet door de overstrooming zouden
+worden weggespoeld. Bij de ponten wemelde het van reizigers. Allen,
+die naar huis moesten, of op reis wilden, moesten zich haasten,
+om er zeker van te zijn, dat hun overtocht niet zou worden verhinderd.
+
+In de buurt van Stockholm, waar het strand met rijen zomerhuizen bedekt
+is, heerschte nog de grootste drukte. De meeste villa's lagen wel
+zóó hoog op het strand, dat ze niet in gevaar waren, maar er waren
+steigers en badhuizen bij elk huis, en die moesten in veiligheid
+worden gebracht.
+
+Maar 't waren niet alleen de menschen, die in zorg kwamen, omdat
+het Mälermeer buiten zijn oevers trad. De eenden, die hun eieren
+tusschen de struiken aan het strand hadden gelegd, de veldmuizen en
+veldratten, die aan 't strand woonden, en kleine hulpelooze jongen in
+het nest hadden, werden door den grootsten angst aangegrepen. Zelfs
+de trotsche zwanen werden ongerust, dat hun nesten en eieren zouden
+worden verwoest.
+
+En al die angsten waren niet overbodig, want met ieder uur steeg
+het Mälermeer.
+
+De wilgen en elzen, die aan den kant groeiden, hadden het water al tot
+hoog om de stammen. In de tuinen was het water gedrongen, en hield
+in den groentetuin huis op zijn eigen manier, en in de roggeakkers,
+die zoo lagen, dat het water ze kon bereiken, richtte het de grootste
+schade aan.
+
+Het meer bleef stijgen, dagen achtereen. De lage weiden om het kasteel
+Gripsholm kwamen onder water, zoodat het groote huis niet alleen
+door een smalle gracht, maar door een breed water van het land was
+gescheiden. In Strängnäs werd de mooie wandelplaats aan het meer in
+een bruisenden stroom veranderd, en in Westerås bereidde men er zich
+op voor, in een boot door de straten te moeten varen.
+
+Van een paar elanden, die op een eilandje in 't Mälermeer hadden
+overnacht, werd de standplaats onder water gezet, zoodat ze naar land
+moesten zwemmen. Heele voorraden brandhout, massa's stokken en planken,
+een menigte brouwvaten en kuipen waren vlotgeraakt, en overal waren
+menschen in booten bezig ze uit het water te halen.
+
+In dien moeielijken tijd gebeurde het, dat Smirre, de vos, op een
+dag kwam aansluipen door een berkenboschje, dat ten noorden van
+het Mälermeer lag. Hij liep, als gewoonlijk aan de wilde ganzen te
+denken en aan Duimelot, en vroeg zich af, hoe hij 't moest aanleggen,
+om hen te vinden, vóór hij hun spoor heelemaal had verloren.
+
+Terwijl hij nu daar liep, en zich 't allermeest moedeloos voelde,
+kreeg hij Agar, de postduif, in 't oog, die was neergestreken op
+een berketak.
+
+"Dat is uitstekend, dat ik je hier ontmoet, Agar," zei Smirre. "Je
+kunt me misschien zeggen, waar Akka van Kebnekaise en haar troep zich
+nu ophoudt."
+
+"Ja, ik weet misschien wel, waar ze zijn," zei Agar, "maar ik wil
+het je niet zeggen."
+
+"Dat doet er ook niet toe," zei Smirre, "als je maar een boodschap
+wilt overbrengen, die ik voor hen heb. Je weet wel hoe leelijk het
+er nu aan het Mälermeer uitziet. Daar is een groote overstrooming,
+en de vele zwanen, die in de Hjälstabaai wonen, zijn bang, dat hun
+nesten en eieren vernield worden. Maar Dagaklar, de zwanenkoning,
+heeft over dien dwerg hooren spreken, die met de wilde ganzen reist,
+en die overal raad op weet, en hij heeft mij gestuurd om Akka te
+vragen, of zij met Duimelot naar de Hjälstabaai wil komen."
+
+"Ik kan die boodschap wel overbrengen," zei Agar. "Maar ik begrijp
+niet, hoe die kleine dwerg de zwanen zal kunnen helpen."
+
+"Dat begrijp ik ook niet," zei Smirre. "Maar hij kan immers van alles."
+
+"'t Verbaast me ook, dat Dagaklar zijn boodschap door een vos stuurt,"
+merkte Agar op.
+
+"Je hebt wel gelijk, dat we anders vijanden zijn," sprak Smirre met
+zachte stem, "maar als er zoo'n groote nood in 't land heerscht,
+moet men elkander helpen. Je hoeft in ieder geval niet aan Akka te
+vertellen, dat je die boodschap van een vos kreeg, want ze is wel
+wat wantrouwend."
+
+
+
+
+DE ZWANEN IN DE HJÄLSTABAAI.
+
+
+Het veiligste toevluchtsoord voor zwemvogels, dat in de buurt van het
+Mälermeer gevonden wordt, is de Hjälstabaai, die vlakke oevers heeft,
+ondiep water, en een massa biezen, juist als het Takermeer. Het is
+op verre na niet zoo groot, als dat beroemde vogelmeer, maar toch is
+'t een voortreffelijk tehuis voor vogels, omdat zij daar al jaren
+lang beschermd worden. 't Is namelijk een woonplaats voor een groot
+zwanenvolk, en de eigenaar van de oude koningshoeve, die daar in de
+nabijheid ligt, heeft alle jacht in de baai verboden, opdat de zwanen
+niet verontrust of gestoord zullen worden.
+
+Zoodra Akka de boodschap had gekregen, dat de zwanen haar hulp noodig
+hadden, was ze dadelijk naar de Hjälstabaai gegaan. Ze kwam daar met
+den troep tegen den avond, en zag dadelijk, dat er groote ongelukken
+waren gebeurd. De groote zwanennesten waren losgerukt, en dreven in
+den sterken wind over 't water. Enkele nesten waren al uit elkaar
+geslagen, een paar omgevallen, en de eieren, die er in geweest waren,
+lagen te glimmen op den bodem van de baai.
+
+Toen Akka in de baai neerstreek, waren alle zwanen, die daar woonden,
+bijeen op den oostelijken oever, waar ze 't best tegen den wind waren
+beschut. Hoewel ze veel door de overstrooming geleden hadden, waren
+ze veel te trotsch om eenig verdriet te toonen.
+
+"'t Geeft niet of men al treurt," zeiden ze. "Er zijn wortels en
+stengels genoeg. We kunnen gauw genoeg nieuwe nesten bouwen."
+
+Geen van hen had er aan gedacht de hulp van een vreemde in te roepen,
+en ze hadden er ook geen flauw vermoeden van, dat Smirre een boodschap
+naar de wilde ganzen had gezonden.
+
+Daar waren er eenige honderden, en ze lagen naar rang en stand: de
+jongen en onervarenen in de buitenste kringen, de ouden en verstandigen
+verder naar binnen. In het midden lag Dagaklar, de zwanenkoning,
+en Sneeuwrust, de zwanenkoningin, die ouder dan alle anderen, en de
+voorouders van de meeste zwanen waren.
+
+Dagaklar en Sneeuwrust konden nog van de dagen spreken, dat zwanen
+van hun stam nergens als wilden leefden in Zweden, maar alleen als
+tamme zwanen in sloten en vijvers voorkwamen. Maar toen was een paar
+zwanen losgebroken uit hun gevangenschap, en had zich neergezet in
+de Hjälstabaai, en van hen stamden alle zwanen af, die daar woonden.
+
+Nu in dezen tijd waren er wilde zwanenvolken in vele inhammen van
+'t Mälermeer, en ook in 't Takermeer en 't Hornborgameer. Al die
+nieuwelingen waren uit de Hjälstabaai gekomen, en de zwanen, die daar
+woonden, waren er zeer trotsch op, dat hun familie zich zóó uitbreidde,
+van het eene meer naar het andere.
+
+De wilde ganzen waren neergedaald aan den westeroever, maar toen
+Akka zag, waar de zwanen lagen, begon ze dadelijk op hen toe te
+zwemmen. Zelf was ze er heel verbaasd over, dat ze haar hadden laten
+roepen, maar ze vond dat een eer, en wilde geen oogenblik verzuimen,
+waarin ze hen konden helpen.
+
+Toen Akka in de nabijheid van de zwanen kwam, hield ze op om toe te
+zien, of de ganzen achter haar wel in een rechte lijn en met gelijke
+tusschenruimten zwommen.
+
+"Zwem nu flink en vlug," zei ze. "Kijk niet naar de zwanen, alsof
+je nog nooit zooiets moois had gezien, en stoor je niet aan wat ze
+tegen je zeggen."
+
+'t Was niet voor 't eerst, dat Akka dit oude, voorname zwanenpaar
+bezocht, en altijd hadden ze haar ontvangen op een wijze, waarop een
+aanzienlijke en bereisde vogel recht had. Maar ze vond het niet prettig
+tusschen al die zwanen door te zwemmen, die om hen heen lagen. Nooit
+voelde zij zich zoo klein en grauw, als wanneer ze tusschen zwanen
+in raakte, en de een of de ander zei ook gewoonlijk een paar woorden
+over grauwtje en arme luidjes. Maar het was het verstandigst, te doen,
+of je dat niet hoorde.
+
+Dezen keer scheen alles bijzonder goed te gaan. De zwanen gingen
+heel kalm op zij, en de wilde ganzen zwommen als door een straat,
+omzoomd met groote, glinsterend witte vogels. 't Was mooi te zien,
+hoe ze daar lagen, en de vleugels uitspanden als zeilen, om zich
+goed voor te doen aan de vreemde bezoekers. Ze maakten geen enkele
+aanmerking, en Akka was er heel verbaasd over.
+
+"Dagaklar heeft zeker hun ongemanierdheid opgemerkt, en hun gezegd,
+dat ze beleefd moeten zijn," dacht de leidster-gans.
+
+Maar juist terwijl de zwanen zoo hun best deden heel welgemanierd te
+zijn, kregen ze den witten ganzerik in 't oog, die achteraan kwam in
+de lange ganzenrij. Daar ging een verwonderd en verontwaardigd suizen
+door 't gezelschap, en op eens was het uit met de goede manieren.
+
+"Wat is dat?" riep een van hen. "Zijn de wilde ganzen van plan witte
+veeren te gaan dragen!"
+
+"Ze moeten niet denken, dat ze daardoor zwanen worden," riepen ze
+van alle kanten.
+
+Ze begonnen om het hardst te roepen, met hun sterke, klankvolle
+stemmen. 't Was niet mogelijk hun uit te leggen, dat het een tamme
+ganzerik was, die met de wilde ganzen meê kwam.
+
+"'t Is zeker de ganzenkoning zelf, die meêkomt," riepen ze honend.
+
+"'t Is toch àl te onbeschaamd!"
+
+"'t Is geen gans. 't Is maar een tamme eend."
+
+De groote, witte ganzerik dacht aan Akka's bevel: zich niet te storen
+aan wat hij ook hooren mocht. Hij zweeg, en zwom voort zoo snel hij
+kon, maar het hielp niet. De zwanen werden al brutaler.
+
+"Wat is dat voor een kikker, dien hij daar op zijn rug heeft?" vroeg
+een van hen. "Ze denken zeker, dat we niet kunnen zien, dat het een
+kikker is, omdat hij als een mensch is aangekleed."
+
+De zwanen, die zoo pas nog in goede orde gerangschikt lagen, zwommen
+nu rond om elkaar heen in de heftigste verwarring. Alle wilden
+vooruitdringen om de witte wilde gans te zien. "Die witte ganzerik
+daar, moest zich ten minste schamen, om zich hier bij ons zwanen te
+komen vertoonen."
+
+"Hij is stellig even grauw als de anderen. Hij is alleen even in een
+meelhoop gevlogen op een of andere boerderij."
+
+Akka was juist tot Dagaklar doorgedrongen, en wilde hem vragen, wat
+voor soort hulp hij van haar begeerde, toen de koning de opschudding
+onder het zwanenvolk opmerkte.
+
+"Wat gebeurt daar nu? Heb ik niet bevolen, dat ze beleefd tegen
+vreemden moeten zijn?" zei hij, en keek ontevreden.
+
+Sneeuwrust, de zwanenkoningin, zwom weg om haar volk te controleeren,
+en Dagaklar wendde zich weer tot Akka. Toen kwam Sneeuwrust terug,
+en zag er heel verontwaardigd uit.
+
+"Kun je niet maken, dat ze zwijgen?" riep de zwanenkoning haar toe.
+
+"Daar ginds is een witte, wilde gans," antwoordde Sneeuwrust. "Dat
+is immers een schande. 't Verbaast me niet, dat hun dit ergert."
+
+"Een witte, wilde gans!" zei Dagaklar. "Dat is al te erg! Zooiets
+kan toch niet bestaan! Je moet verkeerd hebben gezien."
+
+Om Maarten, den ganzerik heen, werd het gedrang al grooter. Akka en
+de andere wilde ganzen probeerden naar hem toe te zwemmen, maar ze
+werden heen en weer geduwd, en konden hem niet bereiken.
+
+De oude zwanenkoning, die de sterkste van allen was, zette zich
+toen in beweging, schoof alle anderen op zij, en baande zich een
+weg naar den witten ganzerik. Maar toen hij zag, dat er werkelijk
+een witte gans was, die daar op het water lag, werd hij even boos
+als alle anderen. Hij blies van woede, stoof regelrecht op Maarten,
+den ganzerik, af, en rukte hem een paar veeren uit.
+
+"Ik zal je leeren, wilde gans, om hier zoo toegetakeld bij de zwanen
+te komen!" riep hij.
+
+"Vlieg weg, Maarten, vlieg weg!" riep Akka, want zij begreep,
+dat de zwanen hem alle veeren zouden uitplukken. En "Vlieg weg,
+vlieg weg!" riep Duimelot meê. Maar de ganzerik lag zóó vastgeklemd
+tusschen de zwanen, dat hij geen ruimte had om de vleugels uit te
+slaan. En van alle kanten strekten de zwanen hun sterke snavels uit,
+om hem de veeren uit te trekken.
+
+Maarten, de ganzerik, verdedigde zich door van zich af te slaan en te
+bijten, zoo goed hij kon, en ook de andere wilde ganzen begonnen tegen
+de zwanen te vechten. Maar 't was duidelijk, hoe dit zou afgeloopen
+zijn, als ze niet heel onverwacht hulp hadden gekregen.
+
+'t Was een roodstaartje, dat gemerkt had, dat de wilde ganzen het te
+kwaad kregen bij de zwanen, en dadelijk liet hij het scherp geroep
+hooren, dat bij de kleine vogels gebruikelijk is, als het geldt een
+havik of een valk weg te jagen. Nauwelijks had hij driemaal geroepen,
+of alle kleine vogels uit de buurt stormden op pijlsnelle vleugels,
+in een groote luidruchtige zwerm, naar de Hjälstabaai. En die kleine
+zwakke stumpertjes vielen de zwanen aan. Zij schreeuwden hun in de
+ooren, zij verborgen hun het uitzicht met hun uitgespreide vleugels,
+ze maakten ze duizelig met hun gefladder, ze brachten hen in de war
+door te roepen: "Schaam je, zwanen! Schaam je toch!"
+
+De aanval van de kleine vogels duurde maar een paar oogenblikken,
+maar toen ze weg waren, en de zwanen weer tot zich zelf kwamen,
+zagen ze, dat de wilde ganzen waren opgevlogen, en neerdaalden aan
+de overzijde van de baai.
+
+
+
+
+DE NIEUWE KETTINGHOND.
+
+
+Dat was ten minste goed van de zwanen, dat ze, toen ze zagen, dat de
+wilde ganzen waren ontsnapt, te trotsch waren om ze na te jagen. De
+wilde ganzen konden dus rustig op een bos biezen gaan staan slapen.
+
+Wat Niels Holgersson betreft, hij had te veel honger om te kunnen
+slapen.
+
+"Ik moet toch probeeren in een of ander hutje te komen, om wat eten
+te krijgen," dacht hij.
+
+In die dagen, toen zooveel verschillende zaken op het meer ronddreven,
+was het niet moeielijk voor iemand als Niels Holgersson een vaartuig te
+vinden. Hij bedacht zich niet lang, sprong op een stuk van een plank,
+die tusschen de biezen in was geschommeld, vischte een stokje op,
+en begon zich door het ondiepe water naar den oever te boomen.
+
+Nauwelijks was hij aan land gekomen, of hij hoorde iets naast zich in
+'t water plassen. Hij hield zich heel stil, en zag eerst een zwaan,
+die in haar nest lag te slapen, niet verder dan een paar meter van
+hem af, en toen een vos, die een paar stappen in het water had gedaan,
+om naar het zwanennest te sluipen.
+
+"Hei! Ho! Sta op! sta op!" schreeuwde de jongen, en sloeg met zijn
+stok in 't water. De zwaan stond dadelijk op, maar niet zóó gauw, of
+de vos had haar kunnen pakken, als hij gewild had. Maar hij bedacht
+zich, en vloog in plaats daarvan, regelrecht op den jongen af.
+
+Duimelot zag den vos aankomen, en liep het land in. Voor hem lagen de
+open, vlakke weiden. Hij zag geen boom, waar hij in kon klimmen, geen
+gat om zich te verschuilen. Hij kon niet anders dan hard wegloopen. Hij
+kon goed loopen, maar 't was een uitgemaakte zaak, dat hij het van een
+vos niet kon winnen, als die vrij draven kon, en niets te dragen had.
+
+Op eenigen afstand van het meer lagen een paar kleine boerenhutten. Uit
+de vensters scheen licht. Natuurlijk holde de jongen dien kant uit,
+maar hij begreep wel, dat, eer hij bij de huizen kwam, de vos hem wel
+zesmaal kon hebben ingehaald. Eens was de vos zóó dicht bij hem, dat
+hij al zeker meende te zijn den jongen te kunnen pakken, maar Niels
+sprong vlug op zij, en begon weer naar het strand te loopen. Door
+het omkeeren verloor de vos een beetje tijd, en eer hij opnieuw den
+jongen had ingehaald, was deze op een paar mannen toegeloopen, die
+den heelen dag en ook den avond op het meer hadden doorgebracht, om
+ronddrijvend goed uit het water te halen, en nu op weg naar huis waren.
+
+De mannen waren moe en slaperig. Zij hadden noch den vos, noch den
+jongen gezien, hoewel die vlak voor hen heen waren gesprongen. De
+jongen wilde ook liever niet met hen spreken, of hun om hulp vragen,
+maar vergenoegde zich met dicht naast hen te loopen.
+
+"De vos durft niet zoo dicht bij de menschen te komen," dacht hij.
+
+Maar al gauw hoorde hij de vos aankomen. Die rekende er zeker op, dat
+de mannen hem voor een hond zouden aanzien, want hij kwam vlak bij hen.
+
+"Wat is dat toch voor een hond, die ons nasluipt!" zei toen een van
+de mannen. "Hij komt zoo dicht bij, alsof hij ons bijten wil." De
+andere bleef staan, en keek om. "Weg met jou! Wat wil je hier?" zei
+hij, en gaf den vos een schop, dat hij dwars over den weg stoof. Van
+dien tijd af hield de vos zich op een paar stappen afstand, maar liep
+toch steeds meê.
+
+De mannen waren gauw bij de kleine hoeven, en gingen samen naar een
+van de huizen. De jongen was van plan geweest meê naar binnen te gaan,
+maar toen hij aan de stoep kwam, had hij een grooten, prachtigen,
+langharigen kettinghond zien springen uit zijn hok, om zijn meester
+te begroeten. Toen veranderde de jongen snel zijn plan, en bleef
+buiten staan.
+
+"Luister eens, kettinghond!" zei de jongen zacht, zoodra de mannen
+de deuren hadden gesloten. "Zou je me willen helpen om vannacht een
+vos te vangen?"
+
+De hond had slechte oogen, en was driftig en nijdig geworden, door dat
+hij zoo lang gebonden had gestaan: "Zou ik een vos moeten vangen,"
+blafte hij boos. "Wat ben jij voor een snaak, dat je me hier voor
+den gek komt houden. Kom maar eens onder mijn bereik, dan zal ik je
+die gekheid wel afleeren!"
+
+"Denk maar niet, dat ik bang ben om bij je te komen," zei de jongen,
+en sprong naar den hond toe. Toen die hem zag, was hij zóó verbaasd,
+dat hij geen woord kon zeggen.
+
+"Ik ben het, die Duimelot wordt genoemd, en ik reis rond met de wilde
+ganzen," zei de jongen. "Heb je nooit van mij gehoord?"
+
+"Nu en dan hebben de musschen wel over je getjilpt," zei de hond. "Je
+schijnt groote dingen te hebben gedaan, zoo klein als je bent."
+
+"Tot nu toe gaat het tamelijk goed," zei de jongen. "Maar nu is het
+met mij gedaan, als je me niet wilt helpen. Een vos zit me op de
+hielen. Hij staat op me te loeren daar om den hoek."
+
+"Ja, zoowaar, ik ruik hem al!" zei de hond. "Dien zullen we wel
+gauw wegjagen."
+
+En de hond holde weg, zoover zijn ketting reikte, en blafte en huilde
+een heele poos.
+
+"Nu denk ik niet, dat hij van nacht weer terug zal komen," zei de hond.
+
+"Er is meer noodig dan een beetje geblaf, om dien vos bang te maken,"
+zei de jongen. "Hij komt gauw weer terug, en dat zou ook maar goed
+zijn, want ik heb nu al met mezelf uitgemaakt, dat jij hem gevangen
+nemen moet."
+
+"Begin je mij nu weer voor den gek te houden?" zei de hond.
+
+"Kom nu maar met mij in je hok, zoodat de vos ons niet hooren kan,"
+zei de jongen, "dan zal ik je zeggen wat je doen moet."
+
+De jongen en de hond kropen in het hok, en lagen daar een poos te
+fluisteren.
+
+Na eenigen tijd stak de vos zijn kop om den hoek, en toen alles stil
+was, kwam hij zacht de plaats binnen. Hij volgde al snuffelend het
+spoor van den jongen, tot bij het hondenhok, en ging op een afstand
+daarvan zitten nadenken, hoe hij hem uit het hok zou lokken. Op eens
+stak de hond den kop naar buiten, en bromde:
+
+"Ga weg. Anders pak ik je!"
+
+"Ik zal hier voor jou niet weggaan, eer ik wil!" zei de vos.
+
+"Ga weg!" zei de hond nog eens op dreigenden toon. "Anders ben je
+van nacht voor 't laatst op de jacht geweest."
+
+Maar de vos lachte hem uit, en bleef zitten.
+
+"Ik weet wel hoever je ketting reikt."
+
+"Nu heb ik je twee keer gewaarschuwd," zei de hond, en kwam uit het
+hok. "Nu moet je maar oppassen."
+
+Meteen wierp hij zich met een grooten sprong op den vos, en pakte
+hem heel gemakkelijk. Want hij was los: de jongen had zijn halsband
+losgemaakt.
+
+Een oogenblik vochten ze samen, maar de strijd was gauw beslist. De
+hond bleef overwinnaar, de vos lag op den grond, en durfde zich
+niet bewegen.
+
+"Houd je nu stil," zei de hond. "Anders bijt ik je dood."
+
+Hij nam den vos bij den nek, en sleepte hem naar zijn hok, en daar
+kwam de jongen met de hondenketting aan, en legde den halsband twee
+keer om den hals van den vos. Toen trok hij hem zoover aan, dat hij
+goed vast zat. En de vos moest stil blijven liggen, en durfde zich
+niet verroeren.
+
+"Nu hoop ik, Smirre, dat je eene goede kettinghond zult worden,"
+zei de jongen, toen hij klaar was.
+
+
+
+
+
+
+XXVII.
+
+IN UPPSALA.
+
+
+DE STUDENT.
+
+
+In den tijd toen Niels Holgersson door het land trok met de wilde
+ganzen, was er in Uppsala een buitengewoon flinke jonge student. Hij
+woonde op een klein dakkamertje, en was zoo zuinig, dat de menschen
+zeiden, dat hij van den wind leefde. Studeeren was zijn lust en zijn
+leven, en hij kwam vlugger vooruit dan al de anderen. Maar hij was
+daarom toch geen blokker of suffer, hij had er ook slag van met zijn
+kameraden plezier te maken. Hij was juist, zooals een student behoort
+te zijn. Hij had geen ander gebrek, dan dat het aan hem te merken was,
+dat alles hem meêliep. Maar dat kan den besten gebeuren. 't Is niet
+zoo gemakkelijk voorspoed te dragen.
+
+Op een morgen, toen de student juist wakker was geworden, lag hij er
+over te denken, hoe goed hij het toch had.
+
+"Alle menschen houden van mij, mijn kameraden en mijn leeraars,"
+zei hij in zichzelf. "En wat gaat het toch prachtig met mijn
+studie! Vandaag moet ik voor het laatst naar mijn tentamen, en
+dan ben ik gauw klaar. En als ik maar op tijd klaar ben, krijg ik
+dadelijk een betrekking met een groot tractement. 't Is merkwaardig,
+zooals alles me meeloopt. Maar ik doe ook zoo mijn best, dat het niet
+anders dan goed en gelukkig met me kan gaan."
+
+De studenten in Uppsala zitten niet in een schoolkamer om samen te
+leeren als schoolkinderen, maar ze studeeren ieder apart thuis op
+hun kamer. Als ze met een onderwerp klaar zijn, gaan ze naar hun
+professoren, en die nemen hun een examen af over het heele onderwerp
+tegelijk. Zulk een examen wordt "tentamen" genoemd, en 't was juist
+het laatste en 't moeilijkste, dat de student dien dag doen moest.
+
+Zoodra hij gekleed was, en ontbeten had, ging hij aan zijn schrijftafel
+zitten, om voor het laatst nog zijn boeken eens in te zien.
+
+"Ik geloof wel, dat het onnoodig is, want ik heb me zoo goed
+voorbereid," dacht de student, "maar ik moet maar zoo lang mogelijk
+werken; dan heb ik me niets te verwijten."
+
+Hij had nog niet lang zitten werken, of er werd aan de deur geklopt,
+en een student kwam binnen met een dik, oud boek onder den arm. Dat
+was een heel ander soort student dan hij, die daar aan de schrijftafel
+zat. Hij was verlegen en bedremmeld, en zag er armoedig uit. 't Was
+iemand, die verstand van boeken had, maar ook van niets anders. Men
+zei van hem, dat hij heel geleerd moest zijn, maar hij was zoo bang en
+verlegen, dat hij nog nooit gewaagd had een tentamen te doen. Allen
+dachten, dat hij een "overblijver" zou worden, dat is: een student,
+die jaar in jaar uit in Uppsala blijft studeeren, maar waar nooit
+wat van terecht komt.
+
+Nu kwam hij zijn kameraad vragen, of hij een boek wou lezen, dat
+hij geschreven had. 't Was niet gedrukt, maar alleen met de hand
+geschreven.
+
+"Je doet me een grooten dienst, als je dit eens wilt inkijken,"
+zei hij, "en eens zien of het goed is."
+
+De student, wien alles zoo meêliep, dacht: "Is 't nu niet waar,
+wat ik zeg, dat alle menschen van me houden? Daar komt nu ook die
+kluizenaar, die 't niet over zich heeft kunnen verkrijgen zijn werk
+aan iemand anders te laten zien, en wil, dat ik het beoordeelen zal!"
+
+Hij beloofde zoo gauw mogelijk het handschrift te lezen, en de andere
+legde het voor hem op de schrijftafel.
+
+"Wil je er heel voorzichtig meê zijn?" zei hij. "Ik heb hier vijf
+jaar lang aan gewerkt, en als het wegraakt, kan ik het niet overmaken."
+
+"Er zal hier bij mij niets aan komen," zei de student, en de ander
+ging heen.
+
+De student trok het dikke boek naar zich toe.
+
+"Ik ben benieuwd, wat hij daar heeft zitten krabbelen," zei hij. "O
+zoo, "De geschiedenis van de stad Uppsala." Dat klinkt nog zoo
+gek niet."
+
+Nu hield die student meer van Uppsala dan van alle andere plaatsen, en
+hij verlangde te lezen, wat de overblijver over de stad had geschreven.
+
+"Als ik er goed over denk," mompelde hij, "kan ik even goed zijn
+geschiedenis dadelijk lezen! 't Geeft toch niet, of ik tot het laatste
+oogenblik zit te blokken. Daar gaat het toch niet beter om, als ik
+eenmaal bij den professor zit."
+
+De student ging zitten lezen en keek niet op van de papieren, eer
+hij het laatste blad gelezen had. Toen hij het uit had, was hij
+heel tevreden.
+
+"Zie eens!" zei hij. "Dat is een drommelsch knappe vent. Als dit boek
+uitkomt, is zijn naam gemaakt. 't Zal heerlijk zijn, hem te vertellen,
+wat dat voor een mooi stuk werk is!"
+
+Hij nam alle losse bladen, waaruit het handschrift bestond, bij elkaar,
+en schikte ze weer in volgorde op de tafel. Terwijl hij daarmeê bezig
+was, hoorde hij een klok slaan.
+
+"Lieve hemel! 't Is al tijd om naar den professor te gaan," zei hij,
+en liep haastig de kamer uit om zijn zwart pak te halen, dat in een
+kamertje op den zolder hing. Zooals het dikwijls gaat, als men haast
+heeft: slot en sleutel waren onwillig, en het duurde een poosje,
+eer hij weer terugkwam.
+
+Toen hij op den drempel stond, gaf hij een schreeuw. In de haast had
+hij de deur open laten staan, toen hij heen ging, en het venster,
+waar de schrijftafel voor stond, was ook open. Er was een hevige tocht
+ontstaan, en nu zag de student de losse bladen van het handschrift
+door het venster naar buiten dwarrelen. Hij was met een sprong bij de
+tafel, en legde de hand op de papieren, maar er was niet veel meer
+van te redden. Nog maar een tien of twaalf lagen op de tafel. Al de
+andere dansten in den wind over huizen en daken.
+
+De student boog zich over de vensterbank, en zag de papieren na. Een
+zwarte vogel zat op het dak buiten 't dakvenster, en zag hem spottend
+plechtig aan.
+
+"Is dat niet een raaf?" dacht de student. "Men zegt immers, dat een
+raaf ongeluk voorspelt."
+
+Hij zag enkele papieren op het dak liggen, en zeker had hij ten
+minste een gedeelte van het verlorene nog kunnen redden, als hij
+zijn tentamen niet had gehad om aan te denken. Maar hij meende, dat
+hij allereerst voor zijn eigen zaken moest zorgen. "Het gaat hier om
+mijn heele toekomst," dacht hij.
+
+Hij trok gauw zijn andere kleeren aan, en liep zoo hard hij kon naar
+zijn professor. Onderweg dacht hij aan niets anders, dan aan het
+verloren handschrift.
+
+"'t Is een ellendige geschiedenis," dacht hij. "'t Was ook ongelukkig,
+dat ik het zoo druk had."
+
+De professor begon hem vragen te doen, maar hij moest maar aldoor
+aan dat verloren handschrift denken.
+
+"Wat zei de stumper ook weer?" dacht hij. "Had hij niet vijf jaar
+aan dat boek gewerkt, en had hij nu geen kracht meer om het over te
+schrijven? Ik weet niet, hoe ik hem zal durven zeggen, dat het weg is."
+
+Hij was zóó vol van wat er gebeurd was, dat hij zijn gedachten niet
+bij elkaar kon houden. Al zijn kennis was spoorloos verdwenen. Hij
+hoorde niet, wat de professor vroeg, en wist heelemaal niet wat hij
+zelf antwoordde. De professor was verstomd over zoo'n onwetendheid,
+en kon niet anders dan hem laten druipen.
+
+Toen de student weer buiten kwam, voelde hij zich diep ongelukkig.
+
+"Nu krijg ik mijn betrekking niet," dacht hij, "en dat is de schuld
+van dien overblijver. Waarom moest hij ook juist vandaag met het
+handschrift komen! Maar zoo gaat het, als men behulpzaam is."
+
+Op hetzelfde oogenblik zag de student, den jongen man, aan wien hij
+dacht, aankomen. Hij wilde er niet over spreken, dat het handschrift
+verloren was, eer hij een poging had gedaan om het terug te krijgen,
+en was van plan hem voorbij te loopen. Maar de ander liep daar
+bekommerd en ongerust, en wilde graag weten, wat de student van zijn
+boek zou zeggen. En toen hij hem voorbij zag loopen met een niet al
+te vriendelijk knikje, werd hij heel angstig. Hij klopte den student
+op den arm, en vroeg hem of hij iets had gelezen.
+
+"Ik heb tentamen gehad," zei de student, en wilde snel doorloopen. Maar
+de andere meende, dat hij hem ontwijken wilde, om niet te hoeven
+zeggen, dat hij niet met zijn boek was ingenomen. 't Was hem, alsof
+zijn hart zou breken, omdat het werk, waar hij vijf jaar lang meê
+bezig was geweest, niet deugde, en hij zei tegen den student in zijn
+groot verdriet:
+
+"Onthoud nu wat ik je zeg. Als mijn boek niet deugt, wil ik het
+niet meer zien. Lees het zoo gauw je kunt, en zeg me, wat je er van
+vindt. Maar als het niet deugt, moet je 't verbranden. Dan wil ik
+het niet meer zien."
+
+Hij liep haastig door. De student zag hem na, alsof hij hem had willen
+terugroepen, maar hij bedacht zich, en ging naar huis.
+
+Daar trok hij haastig zijn daagsche kleeren aan, en liep rond om naar
+het handschrift te zoeken. Hij zocht in de straten, op de markt en
+in het plantsoen. Hij ging de binnenplaatsen in, en liep zelfs tot
+buiten de stad.--Hij kon geen enkel blad vinden.
+
+Toen hij op die manier een poos was doorgegaan, kreeg hij zoo'n
+honger, dat hij moest gaan eten. Maar aan tafel ontmoette hij alweer
+den overblijver. Deze kwam dadelijk naar hem toe, om iets van zijn
+boek te hooren. "Ik kom vanavond bij je, om er over te praten,"
+zei de student knorrig en stug. Hij wilde niet bekennen, dat hij het
+verloren had, vóór hij er heelemaal zeker van was, dat het niet kon
+worden teruggevonden. De andere werd doodsbleek.
+
+"Denk er maar aan, dat je het moet vernietigen, als het niets waard
+is," zei hij en ging heen. Hij was er nu heel zeker van, dat de
+student niet over zijn werk tevreden was.
+
+De student liep weer haastig de stad in, en bleef zoeken, tot het
+heelemaal donker was, zonder iets te vinden. Toen hij op weg naar
+huis was, kwam hij een paar kameraden tegen.
+
+"Waar heb jij gezeten, dat je niet op ons lentefeest was?" vroegen ze.
+
+"Ach, is het lentefeest geweest?" zei de student, "dat heb ik heelemaal
+vergeten."
+
+Terwijl hij met zijn kameraden stond te praten, kwam een jong meisje,
+waar hij veel van hield, voorbij. Ze keek niet naar hem, maar liep met
+een anderen student te praten, en lachte bizonder vriendelijk tegen
+hem. Toen herinnerde de student zich op eens, dat hij haar had gevraagd
+op het lentefeest te komen, opdat hij haar daar zou ontmoeten. En nu
+was hij zelf niet gekomen! Wat moest ze wel van hem denken!
+
+Hij voelde een steek in 't hart, en wilde haar gauw naloopen. Maar
+toen zei een van zijn vrienden: "Het is niet goed met Steenberg,
+dien overblijver, je weet wel. Hij is vanavond ziek geworden."
+
+"'t Is toch niet ernstig?" vroeg de student snel.
+
+"'t Was iets aan 't hart. Hij had een leelijken aanval, en het kan
+ieder oogenblik terugkomen. De dokter dacht, dat hij een of ander
+verdriet had. Of hij beter worden kan, hangt er van af, of dat verdriet
+kan worden weggenomen."
+
+Een oogenblik later kwam de student bij den overblijver binnen. Hij
+lag in bed, heel bleek en zwak, en was nog niet heelemaal hersteld
+van dien ernstigen aanval.
+
+"Ik ben gekomen, om met je over je boek te spreken," zei de
+student. "Dat is een uitstekend werk, moet je weten. Ik heb zelden
+zooiets moois gelezen."
+
+De overblijver ging recht overeind zitten, en keek den student
+strak aan.
+
+"Waarom deed je zoo vreemd van middag?"
+
+"Ik had het land, omdat ik voor mijn tentamen gedropen was. Ik dacht
+niet, dat je er zooveel om gaf, hoe ik je boek vond. Ik vond het
+bizonder mooi."
+
+De zieke zag hem onderzoekend aan, en werd steeds meer overtuigd,
+dat de student iets voor hem wilde verbergen.
+
+"Dat zeg je nu maar, omdat je hebt gehoord, dat ik ziek was, en je
+wilt me troosten."
+
+"Neen zeker niet! 't is een uitstekend werk, daar kun je zeker
+van zijn."
+
+"Heb je 't wezenlijk niet verscheurd, zooals ik 't je vroeg?"
+
+"Maar ik ben toch zoo dwaas niet, dat ik dat zou doen."
+
+"Haal het dan hier! Laat me zien, dat je 't niet hebt verscheurd, dan
+zal ik je gelooven," zei de zieke, en zonk weer in 't kussen terug, zoo
+zwak en mat, dat de student bang was, dat hij een nieuwen aanval kreeg.
+
+'t Was vreeselijk! De student voelde zich zoo ellendig. Hij nam de
+handen van den zieke tusschen de zijne, en vertelde hem, dat zijn
+handschrift uit het raam was gewaaid; hij zei hem hoe ongelukkig hij
+dien heelen dag was geweest, omdat hij hem zooveel schade had gedaan.
+
+Toen hij dat alles gezegd had, streelde de zieke zijn hand.
+
+"Je bent goed, heel goed," zei hij. "Maar je hoeft geen verhaaltjes
+te verzinnen om me te sparen. Ik begrijp heel goed, dat je hebt
+gedaan, wat ik gezegd heb, dat je mijn handschrift hebt vernietigd,
+omdat het niets waard was. En dat wil je nu niet zeggen. Je meent,
+dat ik het niet kan verdragen."
+
+De student verzekerde en bezwoer hem, dat hij de waarheid had gezegd,
+maar de andere hield vol, en wilde hem niet gelooven.
+
+"Als je me 't handschrift terug kunt geven, zal ik je gelooven,"
+zei hij.
+
+Hij werd steeds zieker, en eindelijk moest de student wel heengaan,
+omdat hij zag, dat hij den andere maar erger maakte. Toen hij thuis
+kwam voelde hij zich plotseling zoo uitgeput van vermoeidheid, dat
+hij zich nauwelijks kon voortsleepen. Hij zette thee, en ging toen
+naar bed. Toen hij de dekens over zich heentrok, dacht hij er aan
+hoe gelukkig hij zich dien morgen had gevoeld. Nu had hij veel voor
+zichzelf bedorven, maar dat kon hij wel dragen.
+
+"Het ergste is, dat ik er mijn heele leven aan zal moeten denken,
+dat ik een mensch ongelukkig heb gemaakt," zei hij.
+
+Hij meende, dat hij dien nacht niet zou hebben kunnen slapen, maar
+vreemd genoeg, hij sliep in, zoodra hij het hoofd op het kussen
+had gelegd.
+
+Hij had niet eens de tijd om de lamp uit te doen, die op het
+nachttafeltje naast zijn bed stond.
+
+
+
+
+HET LENTEFEEST.
+
+
+Maar nu gebeurde het, terwijl de student insliep, dat een dwergje,
+met een geel leeren broek aan, een groen vest en een wit puntmutsje
+op het hoofd, op het dak voor het venster zat, en dacht, dat hij,
+als hij maar in de plaats van dien jongen student was, die daar in
+bed lag, al heel gelukkig zou zijn.
+
+Dat Niels Holgersson, die een paar uur geleden had liggen uitrusten
+op een toef dotterbloemen bij de Ekalsundbaai, nu in Uppsala was,
+kwam door dat Bataki, de raaf, hem mee had gelokt om op avonturen uit
+te gaan. De jongen zelf had er niet aan gedacht. Hij had tusschen
+de bloemen gelegen, en naar de lucht gekeken, toen hij Bataki zag
+aankomen tusschen de wegtrekkende wolken door. De jongen had liever
+voor hem willen wegkruipen, maar Bataki had hem al lang gezien, en
+een oogenblik later stond hij midden tusschen de dotterbloemen in,
+en begon een praatje, alsof Duimelot en hij, de beste vrienden van
+de wereld waren.
+
+Hoe somber en plechtig Bataki er ook uitzag, de jongen had wel gemerkt,
+dat zijn oogen ondeugend schitterden. Hij had een gevoel gehad, alsof
+de raaf gekomen was, om hem op een of andere wijze voor den gek te
+houden, en hij was besloten zich niet te storen aan wat hij zou zeggen.
+
+De raaf had gezegd, dat hij er wel over had gedacht, dat hij Duimelot
+een vergoeding schuldig was, omdat hij hem niet had kunnen vertellen,
+waar het broederdeel was, en daarom kwam hij nu om een ander geheim
+meê te deelen, Bataki wist namelijk hoe iemand, die betooverd was,
+zooals hij, weer een mensch kon worden.
+
+Dit is zeker, dat de raaf gedacht had, dat de jongen dadelijk op het
+lokaas zou toebijten, als hij met zóó'n lekker hapje hengelde. Maar
+de jongen had heel afwijzend geantwoord, dat hij wist, hoe hij weer
+mensch zou worden. Hij had alleen maar den witten ganzerik ongedeerd
+eerst naar Lapland en dan naar Skaane te brengen.
+
+"Je weet, dat het niet zoo gemakkelijk is, een ganzerik behouden en
+wel door het land te brengen," had Bataki toen gezegd. "Je kon nog
+wel eens een anderen uitweg noodig hebben, als je dat niet lukte. Maar
+als je het niet weten wilt, zal ik wel zwijgen."
+
+En toen had de jongen weer gezegd, dat hij er niets tegen had, als
+Bataki over dat geheim wilde spreken.
+
+"Dat zal ik ook doen," had Bataki verklaard, "maar niet voor het juiste
+oogenblik is gekomen. Kom op mijn rug zitten, en ga meê op mijn tocht,
+dan zullen we zien, of er zich niet een geschikt geval kan voordoen."
+
+Toen had de jongen weer geaarzeld, want hij wist niet recht, wat hij
+aan Bataki had.
+
+"Je durft je niet aan mij toe te vertrouwen," had toen de raaf gezegd.
+
+Maar de jongen kon er niet tegen, dat men hem verdacht ergens bang
+voor te zijn, en een oogenblik later zat hij op den rug van de raaf.
+
+Toen had Bataki hem naar Uppsala gebracht. Hij had hem op een dak
+neergezet, en hem verzocht rond te kijken, en hem gevraagd, wie hij
+wel meende, dat hier in deze stad woonde en regeerde.
+
+De jongen had de stad overzien. Die was tamelijk groot, en lag prachtig
+midden op een wijde, onbebouwde vlakte. Daar waren veel huizen, die
+er aanzienlijk en voornaam uitzagen, en op een bergtop lag een vast
+gemetseld slot met twee grove torens.
+
+"Misschien wonen de koning en zijn gevolg hier," had hij gezegd.
+
+"Dat is nog niet zoo misgeraden," had de raaf geantwoord. "Dit
+is vroeger een koningsstad geweest, maar nu is het uit met die
+deftigheid."
+
+De jongen had nog eens rondgekeken, en hij had vooral gelet op de
+groote domkerk, die in de avondschemering lag te schitteren met drie
+hooge torenspitsen, mooie portalen en versierde muren.
+
+"Misschien wonen daar de bisschop en zijn priesters."
+
+"Dat is nog niet zoo misgeraden," had de raaf geantwoord. "Hier hebben
+eens aartsbisschoppen gewoond, die even machtig waren als koningen,
+en hier woont nu nog een aartsbisschop, maar niet hij is 't, die
+hier regeert."
+
+"Dan weet ik niet, wat ik bedenken moet," had de jongen gezegd.
+
+"Het is de geleerdheid, die hier in de stad woont en regeert," had
+de raaf verklaard, en toen hadden ze heen en weer gevlogen en naar de
+groote huizen gekeken. Hier en daar hadden vensters open gestaan. De
+jongen kon dan naar binnen kijken, en hij zag, dat de raaf gelijk had.
+
+Bataki had hem de groote bibliotheek laten zien, die van den kelder
+tot den zolder vol boeken was. Hij had hem naar de statige hoogeschool
+gebracht, en hem de prachtige voordrachtzalen laten zien. Hij was
+voorbij een oud gebouw gevlogen, dat Gustavianum heette, en den
+jongen had er door de vensters allerlei opgezette dieren gezien. Ze
+waren gevlogen over de groote kassen, met de vele vreemde planten,
+en ze hadden op de sterrenwacht neergezien, waar veel sterrenkijkers
+naar den hemel gericht stonden.
+
+Ze waren ook voorbij veel vensters gevlogen, waar oude heeren met
+brillen op, zaten te lezen of te schrijven in kamers, waar de muren
+vol boeken stonden, en ze waren voorbij dakkamertjes gevlogen, waar
+de studenten op hun sofa's lagen te werken uit dikke boeken.
+
+Eindelijk was de raaf op een dak neergestreken.
+
+"Zie je nu wel, dat het waar is, wat ik zei: dat de geleerdheid
+hier in de stad regeert?" had hij gezegd, en de jongen had erkend,
+dat hij gelijk had.
+
+"Als ik geen raaf was," had Bataki verder gezegd, "maar een mensch
+als jij, dan zou ik hier gaan wonen. Ik zou dag in dag uit in een
+kamer vol boeken zitten, en alles leeren, wat er in stond. Zou je
+daar ook geen lust in hebben?"
+
+"Neen, ik geloof, dat ik liever met de wilde ganzen zou rondreizen,"
+had den jongen geantwoord.
+
+"Zou je geen lust hebben zoo'n mensch te worden, die ziekten kan
+genezen?"
+
+"Ja, misschien wel."
+
+"Zou je geen lust hebben zoo'n mensch te worden, die alles weet,
+wat er in de wereld gebeurd is, die alle talen spreekt, en zeggen
+kan welke wegen zon, maan en sterren langs den hemel nemen?"
+
+"Ja, dat kon ook wel prettig zijn."
+
+"Zou je niet graag het verschil tusschen goed en kwaad, tusschen
+recht en onrecht willen weten?"
+
+"Dat zou wel noodig zijn," had de jongen gezegd, "dat heb ik dikwijls
+gevoeld."
+
+"En zou je niet voor predikant willen leeren, en bij je thuis in de
+kerk preeken?"
+
+"Vader en Moeder zouden wel erg blij zijn, als ik zoover kwam,"
+had de jongen geantwoord.
+
+Op die manier had de raaf den jongen doen begrijpen, dat zij, die
+in Uppsala mochten wonen en studeeren, gelukkig waren, maar Duimelot
+had nog niet gewenscht een van die menschen te zijn.
+
+Maar toen was het gebeurd, dat het groote feest ter eere van de lente,
+dat ieder jaar in Uppsala gevierd wordt, juist dien avond plaats had.
+
+En zoo had Niels Holgersson de studenten gezien, die optrokken naar
+den Botanischen Tuin, waar het feest zou gevierd worden. Zij waren
+aangekomen in een breeden, langen optocht, met witte mutsen op het
+hoofd, en de heele straat had er uitgezien als een donkere stroom
+vol witte waterlelies. Witte zijden, met goud geborduurde vaandels
+hadden ze gedragen, en ze hadden lenteliederen gezongen onder het
+marcheeren. Maar Niels Holgersson had gevonden, dat het was, alsof ze
+niet zelf zongen, maar alsof het gezang boven hun hoofden zweefde. Hij
+vond, dat het was, alsof niet de studenten voor de lente zongen, maar
+alsof de lente ergens verborgen zat, en voor de studenten zong. Hij
+had niet gedacht, dat menschengezang zóó mooi kon klinken. Het was als
+het suizen in de naalden van de denneboomen, als de klank van staal,
+als het zingen van wilde zwanen aan den oever van de zee.
+
+Toen de studenten in den tuin waren gekomen, waar de grasvelden in
+licht, teer lentegroen stonden, en de blaren van de boomen op 't punt
+waren de knoppen te doen openspringen, waren ze blijven stilstaan
+voor een spreekgestoelte, en een jonge, deftig uitziende man was
+daarop geklommen, en had gesproken.
+
+Dat spreekgestoelte was opgericht op de stoep van de groote broeikas,
+en de raaf had den jongen op het dak van de kas neergezet. Daar had hij
+rustig gezeten, en de eene toespraak na de andere gehoord. Eindelijk
+was een oud man op 't spreekgestoelte geklommen. De oude had gezegd,
+dat het beste in 't leven was: jong te zijn en je jeugd in Uppsala te
+mogen doorbrengen. Hij had gesproken over het heerlijke, vredige werken
+in de boeken, en de rijke, zonnige, jeugdige vreugde, die nergens zoo
+goed genoten kon worden, als in den kring van de kameraden. En telkens
+was hij teruggekomen op het genot, te mogen leven met vroolijke,
+edelgezinde kameraden. Dat was het, wat de inspanning zoo prettig
+maakte, het verdriet zoo snel deed vergeten, en de hoop zoo deed
+schitteren.
+
+De jongen had naar de studenten zitten kijken, die in een halven cirkel
+onder het spreekgestoelte zaten, en hij begon te begrijpen, dat het
+heerlijkste in de wereld was tot dien kring te behooren. Dat was een
+hooge eer, een groot geluk. Ieder van hen werd iets meer, dan hij
+alleen zou zijn geworden, omdat hij bij zulk een groep menschen hoorde.
+
+Na de toespraak hadden de liederen weer geklonken, en na de liederen
+waren nieuwe toespraken gekomen. De jongen had nooit gedacht of
+begrepen, dat woorden zóó bij elkaar konden worden gevoegd, zoodat ze
+zulk een macht kregen om te ontroeren, op te wekken en blij te maken,
+als deze toespraken hadden.
+
+Niels Holgersson had het meest naar de studenten gekeken, maar hij
+merkte wel, dat ze niet alleen in den tuin waren. Er waren daar jonge
+meisjes in lichte japonnetjes, met mooie zomerhoeden op, en nog vele
+andere menschen ook. Maar het ging als met hemzelf: ze schenen daar
+alleen gekomen te zijn, om naar de studenten te zien.
+
+Nu en dan was er pauze tusschen de toespraken en de liederen, en toen
+had de menigte zich over den heelen tuin verspreid. Maar al gauw was
+er een nieuwe spreker opgetreden, en dadelijk hadden de hoorders zich
+weer om hem heen verzameld. En op die manier was het doorgegaan tot
+den avond.
+
+Toen alles voorbij was, had de jongen diep adem gehaald, en zich de
+oogen uitgewreven, zooals men doet bij het wakker worden. Hij was
+in een land geweest, dat hij nog nooit te voren had bezocht. Van al
+die jonge menschen, die blij waren met het leven, en in de toekomst
+zagen, met de zekerheid te zullen overwinnen, waren vroolijkheid en
+geluk uitgegaan over allen, en de jongen was met hen in het land der
+vreugde geweest. Maar toen het laatste lied was weggestorven, had de
+jongen gevoeld, hoe droevig zijn eigen leven was, en het had hem tegen
+de borst gestuit nu weer naar zijn arme reisgenooten terug te keeren.
+
+De raaf had naast den jongen gezeten, en was toen begonnen in zijn
+ooren te krassen.
+
+"Nu Duimelot, nu zal ik je zeggen hoe je een mensch kunt worden. Je
+moet wachten, tot je iemand ontmoet, die tegen je zegt, dat hij graag
+in jouw schoenen wou staan, en met de wilde ganzen rondreizen. Dan
+moet je goed oppassen, dat je dit tegen hem zegt:...."
+
+En toen had Bataki den jongen een paar woorden geleerd, die zóó
+sterk en gevaarlijk waren, dat ze niet hardop gezegd kunnen worden,
+maar moeten worden gefluisterd, als men ze niet in vollen ernst
+wil gebruiken.
+
+"Meer dan dat is niet noodig, als je een mensch wilt worden," had
+Bataki eindelijk gezegd.
+
+"Neen, dat geloof ik graag," antwoordde de jongen, "want iemand,
+die verlangt in mijn schoenen te staan, zal ik wel nooit ontmoeten!"
+
+"Dat is niet zoo onmogelijk," had de raaf gezegd, en toen had hij
+den jongen de stad ingebracht, en hem op het dak, voor een dakvenster
+gezet. Een lamp brandde in de kamer, het venster stond op een kier,
+en de jongen had daar nu al een heel poosje gestaan, en er over gedacht
+hoe gelukkig de student wezen moest, die daar binnen lag te slapen.
+
+
+
+
+OP DE PROEF GESTELD.
+
+
+De student schrikte wakker uit zijn slaap, en zag, dat de lamp nog
+op het nachttafeltje stond te branden.
+
+"Kijk eens, nu heb ik vergeten de lamp uit te doen," dacht hij, en
+richtte zich op zijn elleboog op, om de lamp neer te draaien. Maar eer
+hij dat kon doen, merkte hij, dat er iets bewoog op zijn schrijftafel.
+
+De kamer was heel klein. De tafel stond niet ver van zijn bed, en hij
+kon die duidelijk zien, met al de boeken en papieren, den inktkoker
+en de photografieën, die er op stonden. Zijn spiritustoestel en 't
+theeblaadje had hij daar laten staan, en die zag hij ook. Maar het
+wonderlijkste was, dat hij even duidelijk als dat alles, een dwergje
+zag, die bij het botervlootje stond, en bezig was zich een boterham
+te maken.
+
+De student had zooveel beleefd den vorigen dag, dat het hem bijna
+onverschillig was, wat hem nu verder overkwam. Hij was niet bang of
+verbaasd, maar vond, dat het heel natuurlijk was, dat de dwerg was
+binnengekomen om een hapje te eten.
+
+Hij ging weer liggen, zonder de lamp uit te doen, en bekeek het dwergje
+met halfgesloten oogen. Die was nu gaan zitten op een presse-papier,
+en zat daar zich heel genoegelijk te goed te doen aan de overblijfselen
+van het avondeten van den student. 't Was te zien, dat hij zich in
+het minst niet haastte. Hij zat met de oogen te knippen, en smakte
+met de tong. De oude broodkorstjes en de droge stukjes kaas waren
+zeker zeldzame lekkernijen voor hem.
+
+De student wilde hem niet storen, zoolang hij at, maar toen het
+dwergje eindelijk genoeg had, begon hij met hem te praten.
+
+"Hallo, jij daar!" zei hij. "Wat ben je voor een ventje?"
+
+Het dwergje schrikte op, en sprong naar het venster, maar toen hij
+merkte, dat de student stil in bed bleef liggen, en hem niet vervolgde,
+bleef hij staan.
+
+"Ik ben Niels Holgersson van West Vemmenhög," zei hij, "en ik ben
+een mensch, net als jij. Maar ik ben in een dwerg veranderd, en nu
+reis ik rond met de wilde ganzen."
+
+"Dat is een zonderling verhaal," zei de student, en begon den jongen
+te vragen en uit te hooren, tot hij ongeveer alles wist, wat die had
+beleefd, sinds hij van huis ging.
+
+"Jij hebt het maar goed," zei de student. "Menigeen zou wel in jouw
+schoenen willen staan, en wegvliegen van alle zorgen en bekommeringen."
+
+Bataki, de raaf, stond buiten op de vensterbank, en toen de student
+dat zei, pikte hij met den bek tegen het venster. De jongen begreep,
+dat hij zijn aandacht wilde trekken, zoodat hij niets zou verzuimen,
+als de student de rechte woorden zou zeggen.
+
+"Och, je zou niet met mij willen ruilen," zei hij. "Wie eenmaal
+student is, kan toch nooit iets anders willen wezen."
+
+"Dat dacht ik vanmorgen ook, toen ik wakker werd," zei de
+student. "Maar je moest maar eens weten, wat mij vandaag is
+overkomen. Met mij is 't nu uit! 't Was wezenlijk het beste voor me,
+als ik met de wilde ganzen kon wegvliegen."
+
+De jongen hoorde Bataki aan het venster pikken, en zelf werd hij
+duizelig en kreeg hartklopping, want nu leek het wel, of de student
+de juiste woorden zou zeggen.
+
+"Ik heb je nu verteld, hoe 't mij ging," zei hij tegen den
+student. "Vertel me nu ook, hoe jij het hebt."
+
+En de student was blij, dat hij een vertrouweling had, en vertelde
+eerlijk wat hem was gebeurd.
+
+"Dat alles zou nu wel weer overgaan," zei hij eindelijk. "Maar
+waar ik niet tegen kan--dat is, dat ik een kameraad ongelukkig heb
+gemaakt. 't Was veel beter voor mij, dat ik in jouw schoenen stond,
+en met de wilde ganzen mocht rondvliegen."
+
+Bataki pikte hard tegen de ruiten; maar de jongen zat lang zwijgend,
+recht voor zich uit te kijken.
+
+"Wacht even! Je zult gauw meer van me hooren," zei hij zacht tegen
+den student, en toen liep hij wat langzaam over de schrijftafel en
+het venster uit. Juist toen hij op het dak kwam, ging de zon op,
+en het roode morgenlicht stroomde over Uppsala. Alle daken en torens
+glansden en glinsterden, en weer moest de jongen erkennen, dat het
+een echte vreugdestad was.
+
+"Wat bezielt je toch?" vroeg de raaf. "Nu heb je de gelegenheid laten
+voorbijgaan om een mensch te worden."
+
+"Met dien student wil ik niet ruilen," zei de jongen. "Dan kreeg ik
+immers maar verdriet over die weggewaaide papieren."
+
+"Daar hoef je geen zorg over te hebben," zei Bataki. "Die kan ik je
+terug bezorgen."
+
+"Ik geloof wel, dat je dat kunt," zei de jongen, "maar ik ben er
+nog niet zoo zeker van, dat je het doen zult. Daar wil ik eerst van
+overtuigd zijn."
+
+Bataki antwoordde niet. Hij sloeg de vleugels uit, en vloog weg. Kort
+daarna kwam hij terug met een paar papieren. Hij vloog nu een heel uur
+lang heen en weer, zoo vlijtig als een zwaluw, die haar nest bouwt,
+en bracht den jongen het eene blad na het andere.
+
+"Zie zoo, nu geloof ik, dat je zoowat alles hebt," zei hij eindelijk,
+en ging hijgend op de vensterbank zitten.
+
+"Ik dank je hartelijk," zei de jongen. "Nu zal ik naar binnen gaan
+en met den student spreken."
+
+Toen keek Bataki in de kamer, en zag hoe de student de bladen
+rangschikte en glad streek.
+
+"Jij ben toch de grootste stoffel, dien ik ooit gezien heb," stoof
+Bataki op tegen den jongen. "Heb je nu dat handschrift aan den student
+gegeven? Dan hoef je niet meer bij hem binnen te gaan. Hij zal nooit
+meer zeggen, dat hij zoo wil worden als jij."
+
+De jongen stond ook naar den student te zien, die zoo blij was, dat hij
+in zijn kamertje ronddanste in zijn hemd. En toen keek hij naar Bataki.
+
+"Ik begrijp wel, dat je me op de proef hebt willen stellen," zei
+hij. "Je dacht zeker, dat ik Maarten, den ganzerik, aan zijn lot zou
+overlaten op die moeielijke reis, zoodra ik het zelf goed zou kunnen
+krijgen. Maar toen de student mij zijn geschiedenis vertelde, dacht
+ik er aan, hoe leelijk het toch is een kameraad ontrouw te worden. En
+dat wou ik niet doen."
+
+Bataki begon zich met den poot in den hals te krabben, en zag er
+bijna verlegen uit. Hij kwam er niet toe iets te zeggen, maar vloog
+met den jongen regelrecht naar de wilde ganzen terug.
+
+
+
+
+
+
+XXVIII.
+
+DONSJE.
+
+
+Niemand kan liever en zachter wezen dan de kleine grauwe gans,
+Donsje. Alle wilde ganzen hielden veel van haar, en de witte ganzerik
+zou voor haar door het vuur gaan. Als Donsje ergens om vroeg, kon
+zelfs Akka niet weigeren.
+
+Donsje had twee zusters: Mooivleugel en Goudoogje. Dat waren sterke en
+wijze vogels, maar ze hadden niet zoo'n zacht en glanzend veerenkleed
+als Donsje, en ook niet zoo'n lief en zacht karakter. Al sinds den
+tijd, dat ze kleine, gele jonge gansjes waren, hadden ook de ouders en
+familieleden, ja, nu en dan ook de oude visschers duidelijk getoond,
+dat ze meer van Donsje hielden, dan van hen, en daarom hadden de
+zusters haar altijd gehaat.
+
+Toen de wilde ganzen op de rots bij Stockholm aankwamen, waar Donsje's
+familie woonde, liepen Mooivleugel en Goudoogje te grazen op een klein
+groen plekje bij het strand, en kregen al gauw de vreemdelingen in
+het oog.
+
+"Kijk eens, zuster Goudoogje, wat komen daar prachtige, wilde ganzen
+op het eiland neer, zei Mooivleugel. "Ik heb zelden vogels gezien met
+zoo'n sierlijke houding. En zie je wel, dat ze een witten ganzerik
+bij zich hebben? Heb je ooit een mooier vogel gezien? Je zoudt hem
+bijna voor een zwaan houden."
+
+Goudoogje gaf haar zuster gelijk, en meende, dat het zeker zeer
+aanzienlijke vreemdelingen waren, die op het eiland waren gekomen. Maar
+plotseling viel zij zichzelf in de rede, en riep: "Zuster Mooivleugel,
+zuster Mooivleugel! Zie je niet, wie ze bij zich hebben?"
+
+Op datzelfde oogenblik kreeg ook Mooivleugel Donsje in het oog, en was
+zoo verbaasd, dat ze een heele poos met den snavel open bleef staan,
+en niets kon dan sissen.
+
+"'t Is toch niet mogelijk, dat zij het is," zei ze eindelijk. "Hoe
+is ze bij zulk soort volk gekomen. We meenden immers, dat ze zou
+doodhongeren op Öland."
+
+"Het ergste is, dat ze bij Vader en Moeder zal gaan babbelen en
+vertellen, dat wij zoo hard tegen haar aanvlogen, dat haar vleugel
+uit het lid ging," zei Goudoogje. "Je zult zien, dat wij van de rotsen
+hier worden weggejaagd."
+
+"We hebben niets dan ergernis te verwachten, nu dat mismaakte wicht
+terug gekomen is," zei Mooivleugel. "Maar ik denk toch, dat het
+om te beginnen 't verstandigst is, dat we ons zoo blij toonen over
+haar thuiskomst, als 't ons maar mogelijk is. Ze is zoo dom, dat ze
+misschien niet eens gemerkt heeft, dat we haar met opzet duwden."
+
+Terwijl Mooivleugel en Goudoogje zoo samen praatten, hadden de wilde
+ganzen op het strand gestaan, en hun veeren in orde gemaakt na den
+tocht. Nu trokken ze in een lange rij van het rotsige strand naar de
+kloof, waar Donsje wist, dat haar ouders zich gewoonlijk ophielden.
+
+Donsje's ouders hoorden tot de besten en aanzienlijksten onder de
+ganzen. Zij hadden langer op het eiland gewoond dan een van de anderen,
+en ze waren gewoon alle nieuwelingen te raden en te helpen. Ze hadden
+ook de wilde ganzen zien aankomen, maar ze hadden Donsje niet herkend
+in de menigte.
+
+"Hoe vreemd, dat de wilde ganzen hier op de klippen landen," had de
+oude ganzerik gezegd. "Wat een prachtige troep! Dat kun je al aan
+het vliegen zien. Maar 't zal niet gemakkelijk zijn weiden voor zoo
+velen te vinden."
+
+"'t Is hier nog niet zoo overvol, dat we hen, die hier komen, niet
+kunnen ontvangen," antwoordde zijn vrouw. Zij was even zacht en goed
+van karakter als Donsje.
+
+Toen Akka aankwam met haar optocht, gingen Donsje's ouders haar te
+gemoet, en wilden haar juist welkom heeten op het eiland, toen Donsje
+opvloog van haar plaats achter in de rij, en midden tusschen haar
+ouders neerstreek.
+
+"Vader, Moeder, hier ben ik! Kent u Donsje niet meer?" riep zij.
+
+Eerst konden de ouden niet goed begrijpen, wat zij zagen, maar toen
+herkenden zij hun dochter, en waren natuurlijk verbazend blij.
+
+Terwijl nu de wilde ganzen en Maarten, de ganzerik, en Donsje zelf
+zoo ijverig mogelijk kakelden om te vertellen, hoe Donsje gered was,
+kwamen Mooivleugel en Goudoogje aanvliegen. Zij riepen al van verre
+haar zuster welkom toe, en toonden zich zoo blij, dat Donsje thuis was,
+dat ze er van aangedaan werd.
+
+De wilde ganzen voelden zich goed thuis op de klippen, en er werd
+besloten, dat ze niet verder zouden trekken voor den volgenden
+morgen. Na een poosje vroegen de zusters Donsje, of ze met haar
+meê wilden gaan, om te zien, waar ze van plan waren haar nesten
+te bouwen. Zij ging dadelijk meê, en zag, dat ze goed verborgen en
+beschutte broeiplaatsen hadden gekozen.
+
+"En waar zul jij je nu vestigen, Donsje?" vroegen zij.
+
+"Ik?" zei Donsje. "Ik ben niet van plan hier op de klippen te
+blijven. Ik ga met de wilde ganzen meê naar Lapland."
+
+"Hoe jammer, dat je weer weg moet," zeiden de zusters.
+
+"Ik was graag bij jelui en onze ouders gebleven," zei Donsje. "Maar
+ik heb den witten ganzerik al beloofd..."
+
+"Wat!" riep Mooivleugel. "Krijg jij dien mooien, witten ganzerik? Dat
+is toch..."
+
+Maar Goudoogje stootte haar hard aan, en ze zweeg.
+
+De twee slechte zusters hadden veel om over te praten dien heelen
+morgen. Ze waren heelemaal buiten zichzelf, dat Donsje zoo'n verloofde
+had, als de witte ganzerik. Zelf waren ze ook verloofd, maar dat
+waren gewone grauwe ganzen, en sinds ze Maarten, den ganzerik, hadden
+gezien, vonden ze die zoo leelijk en onbeschaafd, dat ze niet naar
+hen wilden kijken.
+
+"Daar treur ik me nog dood om," zei Goudoogje. "Als jij het ten minste
+nog was, die hem kreeg, zuster Mooivleugel."
+
+"Ik zou liever zien, dat hij dood was, dan dat ik er den heelen zomer
+aan zal moeten denken, dat Donsje een witten ganzerik gekregen heeft,"
+zei Mooivleugel.
+
+De zusters bleven toch heel vriendelijk voor Donsje, en op den middag
+nam Goudoogje Donsje meê, opdat ze kennis zou maken met hem, met wien
+Goudoogje zou trouwen.
+
+"Hij is niet zoo mooi als dien jij krijgt," zei ze. "Maar daarentegen
+weet je ook zeker, wie hij is."
+
+"Wat meen je, Goudoogje?" vroeg Donsje.
+
+Eerst wilde Goudoogje niet uitleggen, wat ze bedoelde, maar toen
+kwam het uit, dat Mooivleugel en zij wel eens zouden willen weten,
+of alles wel in orde was met dien witten ganzerik. Wij hebben nog
+nooit een wilde gans met tamme ganzen zien vliegen, en wij zouden
+wel eens willen weten, of hij niet betooverd is."
+
+"Jelui zijn toch al heel dom," zei Donsje geërgerd. "Hij is immers
+een tamme gans."
+
+"Hij heeft iemand bij zich, die betooverd is," zei Goudoogje, "en dus
+kan het ook wel zijn, dat hij zelf betooverd is. Ben je niet bang,
+dat hij een zwarte zeeraaf is?"
+
+Ze wist haar woorden goed te kiezen, en maakte het arme Donsje bang.
+
+"Je meent niet, wat je zegt," zei het grauwe gansje. "Je wilt me
+alleen maar bang maken."
+
+"Ik zeg het om je eigen bestwil, Donsje," zei Goudoogje. "Ik kan me
+niets ergers voorstellen, dan je te zien wegvliegen met een zwarte
+zeeraaf. Maar ik zal je wat zeggen. Probeer hem over te halen, een
+paar van de wortels te eten, die ik hier heb uitgetrokken. Als hij
+betooverd is, dan blijkt dat gauw. Is hij het niet, dan blijft hij
+zooals hij is."
+
+De jongen zat tusschen de ganzen, en luisterde naar Akka, die met
+den ouden ganzenhoeder praatte, toen Donsje aan kwam vliegen.
+
+"Duimelot, Duimelot!" riep ze. "Maarten, de ganzerik, is op 't punt
+te sterven. Ik heb hem vermoord."
+
+"Neem me op je rug, Donsje, en breng me bij hem," riep de jongen.
+
+Ze vlogen weg, en Akka ging meê met de wilde ganzen.
+
+Toen ze bij den ganzerik kwamen, lag hij op het veld. Hij kon niets
+zeggen, maar snakte naar adem.
+
+"Kittel hem onder aan den hals, en klop hem op den rug!" zei Akka.
+
+Dat deed de jongen, en dadelijk hoestte de witte ganzerik een grooten
+wortel op, die in zijn keel was blijven zitten.
+
+"Heb je daarvan gegeten?" vroeg Akka, en wees op een paar wortels,
+die op den grond lagen.
+
+"Ja," zei de ganzerik.
+
+"Dan is 't maar goed, dat ze je in de keel zijn blijven steken,"
+zei Akka. "Ze zijn vergiftig. Als je ze had ingeslikt, zou je zeker
+gestorven zijn."
+
+"Donsje vroeg me, of ik er van eten wou," zei de ganzerik.
+
+"Ik heb ze van mijn zuster gekregen," zei Donsje.
+
+"Dan moet je oppassen voor je zusters, Donsje," zei Akka, "want ze
+meenen het zeker niet goed met je."
+
+Maar Donsje was zoo geschapen, dat ze van niemand iets kwaads denken
+kon, en toen Mooivleugel haar een poos later kwam vragen, of ze haar
+verloofde wilde zien, ging ze dadelijk meê.
+
+"Ja, hij is niet zoo mooi als de jouwe," zei de zuster. "Maar hij is
+des te dapperder en onversaagd."
+
+"Hoe kun je dat weten?" vroeg Donsje.
+
+"Ja, dat zal ik je zeggen. De meeuwen en eenden hebben hier op
+de klippen een tijd lang zooveel geleden, want elken morgen voor
+zonsopgang komt hier een vreemde roofvogel, en neemt een van hen weg."
+
+"Wat is dat voor een vogel?" vroeg Donsje.
+
+"Dat weten we niet," antwoordde haar zuster. "Er is nooit zoo'n vogel
+hier op de klippen gezien. En het vreemde is, dat hij nooit een van
+ons ganzen aanvalt. Maar nu heeft mijn verloofde zich voorgenomen
+morgen met hem te vechten, en hem weg te jagen."
+
+"Als dat maar goed gaat," zei Donsje.
+
+"Neen, dat geloof ik niet," zei de zuster. "Als nu mijn ganzerik
+maar even sterk en groot was als de jouwe, dan zou ik wel een beetje
+hoop hebben."
+
+"Zou je graag willen, dat ik Maarten vroeg, dien vreemden vogel aan
+te vallen?" vroeg Donsje.
+
+"Ja, dat zou ik zeker!" zei Mooivleugel. "Je kunt mij geen grooter
+dienst bewijzen."
+
+Den volgenden morgen was de witte ganzerik wakker, vóór de zon opkwam,
+en ging op de hoogste klip staan uitkijken naar alle kanten. Al
+gauw zag hij een grooten, donkeren vogel van het westen komen. Zijn
+vleugels waren reusachtig groot, en 't was gemakkelijk te zien,
+dat het een arend was. De ganzerik had geen gevaarlijker vijand
+verwacht dan een uil. En nu begreep hij, dat hij hier niet levend
+zou afkomen. Maar het kwam niet in hem op den strijd met een vogel,
+die zooveel sterker was dan hij, te ontwijken.
+
+De arend schoot neer op een meeuw, en sloeg zijn klauwen in het dier.
+
+Eer hij het nog had kunnen oplichten, stoof Maarten, de ganzerik,
+op hem toe.
+
+"Laat hem los!" riep hij. "En kom hier nooit meer terug! Anders krijg
+je met mij te doen."
+
+"Wat ben jij voor een dwaas?" zei de arend. "Je treft het, dat ik
+nooit met ganzen vecht. Anders zou 't gauw met je gedaan zijn."
+
+Maarten, de ganzerik, dacht, dat de arend het beneden zich achtte
+met hem te vechten, en vloog in drift op hem aan, beet hem in de
+keel, en sloeg hem met de vleugels. Dat kon de arend natuurlijk niet
+verdragen. Hij begon te vechten, maar niet met volle kracht.
+
+De jongen lag te slapen op dezelfde plaats als Akka en de wilde
+ganzen, toen hij Donsje hoorde roepen: "Duimelot! Duimelot! Maarten,
+de ganzerik, wordt door een arend verscheurd!"
+
+"Neem mij op je rug, Donsje! en breng me bij hem," zei de jongen.
+
+Toen hij bij hem kwam, was Maarten bebloed en erg gekwetst, maar hij
+vocht nog. De jongen kon niet met den arend vechten, en er was niet
+anders te doen, dan beter hulp halen.
+
+"Gauw, Donsje! Roep Akka en de wilde ganzen!" riep hij.
+
+Maar op eens hield de arend met vechten op.
+
+"Wie spreekt daar over Akka?" vroeg hij.
+
+En toen hij nu Duimelot zag, en het gekakel van de wilde ganzen hoorde,
+sloeg hij de vleugels uit.
+
+"Zeg aan Akka, dat ik niet verwachtte haar, of iemand van haar troep
+hier aan zee te ontmoeten," zei hij, en zweefde weg in snelle en
+fraaie vlucht.
+
+"Dat was dezelfde arend, die mij eens bij de wilde ganzen heeft
+teruggebracht," zei de jongen, en zag hem verwonderd na.
+
+De wilde ganzen waren van plan vroeg van de klippen te vertrekken,
+maar eerst wilden ze nog wat grazen. Terwijl ze liepen te eten,
+kwam een bergeend op Donsje af.
+
+"Ik moet je de groeten van je zusters doen," zei ze. "Ze durven zich
+niet aan de wilde ganzen te vertoonen, maar ze vragen me, je er aan
+te herinneren, dat je niet van de klippen weggaat, voor je bij den
+ouden visscher ben geweest."
+
+"Dat is waar ook," zei Donsje.
+
+Maar nu was ze toch zoo bang geworden, dat ze niet alleen wilde
+gaan. Ze vroeg den ganzerik en Duimelot met haar meê naar de hut
+te gaan.
+
+Daar stond de deur open. Donsje ging naar binnen, maar de twee anderen
+bleven buiten. Kort daarna hoorden ze Akka het sein van vertrek geven,
+en ze riepen Donsje. De grauwe gans kwam uit het hutje, en vloog met
+de wilde ganzen weg van de klippen.
+
+Ze waren al een vrij groot eind naar zee gevlogen, toen de jongen zich
+over de grauwe gans begon te verwonderen, die meê vloog. Donsje vloog
+gewoonlijk zacht en licht. Deze werkte zich voort met zware ruischende
+vleugelslagen. "Akka, keer om, Akka, keer om!" riep hij snel. "We
+zijn in verkeerd gezelschap geraakt. Mooivleugel vliegt met ons meê!"
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd of de grauwe gans gaf zoo'n akeligen,
+boosaardigen schreeuw, dat allen begrepen, wie ze was. Akka en de
+anderen keerden zich tegen haar, maar de grauwe gans vluchtte niet
+dadelijk. Zij stormde op den grooten witten ganzerik aan, pakte
+Duimelot, en vloog met hem in den bek verder voort.
+
+'t Werd een felle jacht over de klippenrijen. Mooivleugel vloog snel,
+maar de wilde ganzen waren vlak op de hielen, en er was geen hoop meer,
+dat zij zouden kunnen ontkomen.
+
+Op eens zagen zij een beetje witten rook uit de zee opstijgen en
+het knallen van een schot werd gehoord. In hun ijver hadden ze niet
+gemerkt, dat ze vlak boven een boot waren gekomen, waarin een eenzamen
+visscher zat.
+
+Niemand werd door het schot getroffen, maar juist daar, midden boven
+de boot, deed Mooivleugel den bek open, en liet Duimelot in zee vallen.
+
+
+
+
+
+
+XXIX.
+
+STOCKHOLM.
+
+
+Voor eenige jaren was er in de "Schans", den grooten tuin buiten
+Stockholm, waar men zooveel merkwaardigs heeft bijeengebracht,
+een klein oud mannetje, die Klement Larsson heette. Hij was van
+Hälsingland, en was naar de Schans gekomen om volksdansen en andere
+oude liedjes op zijn viool te spelen. Maar 't was 't meest 's middags,
+dat hij als speelman moest optreden; 's morgens zat hij gewoonlijk
+op wacht in een van de prachtige boerenhutten, die uit alle streken
+van het land naar de Schans waren overgebracht.
+
+Klement meende in 't begin, dat hij het op zijn ouden dag beter had
+gekregen dan hij ooit had durven droomen, maar langzamerhand begon hij
+zich verschrikkelijk te vervelen, vooral onder 't wacht houden. 't Ging
+nog, als er menschen in de hut kwamen, om die te bekijken, maar soms
+zat Klement uren heelemaal alleen. Dan verlangde hij zoo vreeselijk,
+dat hij bang was, dat hij zijn betrekking zou moeten opzeggen. Hij
+was heel arm en wist, dat hij in zijn dorp ten laste van de gemeente
+zou komen. Daarom probeerde hij het zoo lang mogelijk uit te houden,
+hoewel hij zich met den dag ongelukkiger voelde.
+
+Op een mooien namiddag in Mei had Klement een paar uur vrij, en
+was op weg naar den steilen heuvel, die van de Schans naar beneden
+loopt, toen hij een visscher ontmoette, die met een kistje op den
+rug aankwam. Het was een flinke jonge man, die vaak naar de Schans
+kwam, en zeevogels te koop aanbood, die hij levend had kunnen vangen,
+en Klement had hem vaak ontmoet.
+
+De visscher hield Klement staande, om hem te vragen, of de directeur
+van de Schans thuis was, en toen Klement hem geantwoord had, vroeg
+hij wat hij nu voor zeldzaams in zijn kistje had.
+
+"Je mag zien, wat ik heb, Klement," antwoordde de visscher toen, "als
+je mij uit dankbaarheid wilt vertellen, wat ik er voor vragen kan."
+
+Hij reikte het kistje aan Klement over. Hij keek er in, en toen nog
+eens, en ging toen snel een stap achteruit.
+
+"Wat ter wereld is dat, Asbjörn. Hoe heb je die daar te pakken
+gekregen?" vroeg hij.
+
+Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was, had hooren
+spreken van 't kleine volkje, dat onder de hut woonde. Hij mocht
+niet schreeuwen en niet stout zijn, om 't kleine volkje niet boos
+te maken. Sinds hij volwassen was, had hij gedacht, dat Moeder die
+verhaaltjes van de kleintjes maar had verzonnen, om hem onder den
+duim te houden. Maar het moesten toch niet enkel verzinsels van
+Moeder geweest zijn, want daar in Asbjörns kistje lag een van 't
+kleine volkje.
+
+Er zat nog iets van den kinderangst in Klement, want hij voelde een
+rilling over zijn rug gaan, toen hij in het kistje keek. Asbjörn
+merkte, dat hij bang was, en begon te lachen, maar Klement nam de
+zaak heel ernstig op.
+
+"Vertel me eens, Asbjörn, waar heb je hem gevonden?" vroeg hij.
+
+"Ik heb niet op hem geloerd, dat moet je niet denken," zei
+Asbjörn. "Hij is bij mij gekomen. Ik was vanmorgen vroeg uitgezeild, en
+had mijn geweer meê in de boot genomen. Ik was pas van land gestoken,
+toen ik een troep wilde ganzen in 't oog kreeg, die met vervaarlijk
+geschreeuw uit het oosten kwamen aanvliegen. Ik deed een schot, maar
+trof geen van hen. In plaats daarvan kwam deze hier naar beneden,
+en viel in 't water, zóó dicht bij de boot, dat ik maar de hand had
+uit te steken om hem te pakken."
+
+"Je hebt hem toch niet geschoten, Asbjörn?"
+
+"O neen, hij is gezond en wel. Maar toen hij naar beneden kwam, wist
+hij eerst niet, hoe hij het had, en toen nam ik de kans waar, en bond
+een paar eindjes touw om zijn handen en voeten, zoodat hij niet kon
+wegloopen. Zie je, ik dacht dadelijk, dat dit iets voor de Schans was."
+
+Klement werd wonderlijk bang, toen de visscher dat vertelde. Alles
+wat hij als kind had gehoord van 't kleine volkje, van hun wraakzucht
+tegenover vijanden en hun behulpzaamheid tegenover vrienden, kwam
+weer bij hem boven. 't Was nooit goed afgeloopen met iemand, die een
+van hen gevangen had willen houden.
+
+"Je hadt hem dadelijk los moeten laten, Asbjörn," zei hij.
+
+"Het had niet veel gescheeld, of ik was er wel toe gedwongen," zei de
+visscher. "Want je moet weten, dat de wilde ganzen me navlogen tot aan
+mijn huis toe, en later kruisten ze den heelen morgen over de klippen,
+en schreeuwden, alsof ze hem terug wilden hebben. En dat niet alleen,
+maar 't heele gezelschap daar buiten: meeuwen en allerlei zeevogels,
+die geen schot kruit waard zijn, kwamen neerstrijken op de klippen
+en bliezen; en als ik uitging, fladderden ze om me heen, zoodat ik
+weer terug moest keeren. Mijn vrouw smeekte me, hem vrij te laten,
+maar ik had me in mijn hoofd gezet, dat hij naar de Schans moest. En
+toen zette ik een van de poppen van de kinderen voor het venster,
+stopte het ventje onder in de kist, en ging heen. En de vogels dachten
+zeker, dat hij daar in 't venster stond, want ze lieten me heengaan
+zonder me te vervolgen."
+
+"Zegt hij niets?" vroeg Klement.
+
+"Ja, in 't begin probeerde hij de vogels te roepen, maar daar moest
+ik niets van hebben, en ik bond hem den mond dicht."
+
+"Maar Asbjörn," zei Klement. "Hoe kun je zoo met hem doen? Begrijp
+je niet, dat hij iets bovennatuurlijks is?"
+
+"Ik weet niet, wat hij is," zei Asbjörn kalm. "Dat moeten anderen
+maar uitmaken. Ik ben tevreden, als ik hem goed betaald krijg. Zeg
+me nu liever, wat je denkt, dat de dokter op de Schans me voor hem
+zou willen geven."
+
+Klement wachtte lang met zijn antwoord. Maar hij was zóó in angst
+geraakt ter wille van dat dwergje. 't Was hem precies, alsof zijn
+moeder bij hem stond, en hem zei, dat hij toch altijd goed voor
+'t kleine volkje wezen moest.
+
+"Ik weet niet, wat de dokter je betalen wil, Asbjörn," zei hij. "Maar
+als je hem mij laten wilt, zal ik je twintig gulden voor hem geven."
+
+Asbjörn zag den speelman met groote verbazing aan, toen hij die
+groote som noemde. Hij dacht, dat Klement meende, dat het dwergje
+een geheimzinnige macht bezat, en hem van dienst kon wezen. Hij was
+er niet zeker van, dat de dokter zulke groote verwachtingen van hem
+had, en zoo'n hoogen prijs zou betalen. En dus nam hij het aanbod
+van Klement aan.
+
+De speelman stopte zijn nieuwen aankoop in een van zijn groote zakken,
+liep naar de Schans terug, en ging een van de zomerweidehutten binnen,
+waar geen bezoekers en geen wachters waren. Hij trok de deur achter
+zich dicht, haalde het dwergje voor den dag, en legde het voorzichtig
+op een bank. Het had de handen en voeten nog gebonden en een prop in
+den mond.
+
+"Luister nu naar wat ik zeg," zei Klement. "Ik weet wel, dat volkje
+als jij 't niet prettig vindt, als menschen ze zien, en dat je liever
+op je eigen houtje rondloopt, en je eigen gang gaat. Daarom was ik
+van plan je vrij te laten, maar alleen, als je me belooft hier in den
+tuin te blijven, tot ik je permissie geef om heen te gaan. Wil je dat,
+knik dan drie keer met je hoofd."
+
+Klement keek vol verwachting naar den dwerg, maar die verroerde
+zich niet.
+
+"Je zult het goed hebben," zei Klement. "Ik zal elken dag eten
+voor je buiten zetten, en ik denk, dat je hier zooveel te doen
+zult krijgen, dat de tijd je niet lang vallen zal. Maar je moogt
+nergens anders heengaan, vóór ik je dat toesta. We zullen een teeken
+afspreken. Zoolang ik je eten buiten zet in een wit bakje, moet je
+blijven. Als ik het in een blauw bakje doe, mag je heengaan."
+
+Klement zweeg weer, en wachtte, dat de dwerg het teeken zou geven. Maar
+hij bewoog zich niet.
+
+"Ja, dan zit er niets anders op," zei Klement, "dan dat ik je aan mijn
+baas laat zien, die hier woont. En dan kom je in een glazen kastje,
+en alle menschen in Stockholm komen dan naar je kijken."
+
+Maar dat scheen den dwerg schrik aan te jagen, want nauwelijks had
+hij dat gehoord, of hij gaf het gevraagde teeken.
+
+"Zie zoo, nu is 't in orde," zei Klement, nam zijn mes, en sneed het
+touwtje, dat de handen van den dwerg gebonden hield, door. Toen ging
+hij haastig naar de deur.
+
+De jongen maakte het touw van zijn voeten los, en nam de prop uit
+den mond, eer hij aan iets anders dacht. Toen hij zich omkeerde om
+Klement Larsson te danken, was die al weg.
+
+
+
+Nauwelijks was Klement de deur uitgekomen, of een deftig, mooi oud
+heer kwam hem tegen. Hij scheen op weg te zijn naar het heerlijke
+uitzicht, dat men op een heuvel in de buurt had. Klement kon zich niet
+herinneren, dat hij dien deftigen ouden heer ooit had gezien. Maar
+die scheen hem opgemerkt te hebben, toen hij op de viool speelde,
+want hij bleef staan, en sprak hem aan.
+
+"Goeden dag Klement," zei hij. "Hoe gaat het? Je bent toch niet
+ziek? Ik vind, dat je den laatsten tijd afgevallen ben."
+
+Er was zooiets onbeschrijfelijk vriendelijks over den ouden heer,
+dat Klement moed vatte, en hem vertelde, hoeveel moeite hij had met
+zijn verlangen naar huis.
+
+"Wat?" zei de oude heer. "Verlang je naar huis, als je in Stockholm
+ben? Dat is toch niet mogelijk."
+
+En hij zag er bijna beleedigd uit, toen hij dat zei. Maar toen dacht
+hij er zeker aan, dat hij maar met een ouden, onwetenden speelman
+sprak, en hij hernam zijn vriendelijken toon.
+
+"Je weet zeker nog te weinig van Stockholm, Klement. Als je alles wist,
+zou je niet meer verlangen van hier weg te gaan. Ga nu eens met me meê,
+naar die bank daar, dan zal ik je van Stockholm vertellen."
+
+Toen nu de oude heer op de bank zat, keek hij eerst een poos op
+Stockholm neer, dat in al zijn pracht daar beneden lag.
+
+Toen wendde hij zich weer naar den speelman, en begon te vertellen,
+hoe een visscher in den ouden tijd, op de plaats, waar nu de stad op
+eilanden gebouwd lag, eens een meermin had geschoten, en dat haar bloed
+in 't water gekomen was. En hoe van dat oogenblik af alles, wat met
+dat water in aanraking kwam, onbeschrijfelijk mooi was geworden. En
+hoe daarom de stad Stockholm ook zóó mooi werd, dat ieder, die daar
+kwam, er graag wilde blijven.
+
+Terwijl hij nog sprak, kwam er een andere heer aan, en liep haastig
+op hen toe. Maar hij, die met Klement sprak, maakte een beweging met
+de hand, en de andere bleef op een afstand staan.
+
+De deftige oude heer zei nu tegen Klement:
+
+"Nu moet je me een genoegen doen, Klement. Ik heb geen tijd om langer
+met je te praten, maar ik zal je een boek sturen over Stockholm,
+en dat moet je heelemaal doorlezen, maar dan moet je op deze bank
+gaan zitten. Dan zul je zien hoe vroolijk de golven glinsteren, en
+hoe het strand van schoonheid straalt. En dan zul je ook onder de
+bekoring komen."
+
+Den volgenden dag kwam er een lakei van den koning met een groot,
+rood boek en een brief aan Klement.
+
+Daarna was de kleine oude man dagen lang als bedwelmd, en het was
+haast niet mogelijk een verstandig woord uit hem te krijgen. Toen een
+week voorbij was, ging hij naar den directeur en nam zijn ontslag. Hij
+moest absoluut naar huis, zei hij.
+
+"Waarom? Kun je hier niet wennen?" zei de directeur.
+
+"Ja, ik heb het hier best," zei Klement. "Ik heb nu geen heimwee
+meer. Maar ik moet toch naar huis!"
+
+Klement was in een vreeselijken tweestrijd geweest. Want de koning had
+gezegd, dat hij over Stockholm moest lezen, en leeren daar tevreden
+te zijn, maar Klement had nu geen rust, eer hij er thuis over had
+gesproken, dat de koning dat tegen hem had gezegd. Hij moest op het
+Kerkplein staan, en aan allen, arm en rijk, vertellen, dat de koning
+zoo vriendelijk voor hem was geweest, dat hij naast hem op dezelfde
+bank had gezeten, en hem een boek gestuurd, en dat hij met hem,
+een ouden, armen speelman, een heel uur had gepraat, om hem van zijn
+heimwee te genezen.
+
+'t Was heerlijk daarover hier op de Schans met de Laplanders en de
+Dalecarliërs te spreken, maar wat was dat, in vergelijking van het
+thuis te vertellen?
+
+Al zou Klement ook in het armhuis terecht komen, toch zou dat nu zoo
+akelig niet meer zijn. Hij was nu een heel ander man dan vroeger. Hij
+zou heel anders geacht en geëerd worden.
+
+En dat nieuwe verlangen werd Klement te machtig. Hij kon niet laten
+naar den directeur te gaan en te zeggen, dat hij naar huis moest.
+
+
+
+
+
+
+XXX.
+
+GORGO, DE AREND.
+
+
+IN HET ROTSDAL.
+
+
+Hoog op de rotsen in Lapland lag een oud arendsnest op een terras,
+dat uitstak uit een steilen bergwand. 't Was van dennetakken gemaakt,
+die in lagen over elkaar waren gelegd. Jarenlang was het versterkt
+en bijgebouwd geworden, en nu lag het op de rotsen, een paar meter
+breed en bijna even hoog als een Lappenhut.
+
+De rotswand, waar het arendsnest lag, verhief zich boven een vrij groot
+dal, dat 's zomers door een troep wilde ganzen werd bewoond. Dat dal
+was voor hen een voortreffelijk toevluchtsoord. 't Lag zoo tusschen de
+bergen verborgen, dat er niet velen waren, die 't kenden, niet eens
+onder de Laplanders. Midden in 't dal lag een klein rond meertje,
+waarop volop voedsel was voor de jonge gansjes, en op de met gras
+begroeide meeroevers, die met wilgenstruiken en kleine verschrompelde
+berkjes waren bedekt, lagen de beste broedplaatsen, die een gans maar
+begeeren kon.
+
+Ten allen tijde hadden er arenden boven op de rotsen, en wilde ganzen
+in het dal gewoond. Ieder jaar roofden de arenden eenige van hen,
+maar ze wachtten er zich wel voor zóóveel te rooven, dat de wilde
+ganzen niet meer in het dal zouden durven wonen.
+
+Op hun beurt hadden de wilde ganzen niet weinig dienst van de
+arenden. Roovers waren ze, maar ze hielden andere roovers op een
+afstand.
+
+Een paar jaar voor dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok,
+stond de oude leidstergans Akka van Kebnekaise op een morgen beneden in
+het rotsdal naar het arendsnest te kijken. De arenden gingen gewoonlijk
+even voor zonsopgang op jacht, en alle zomers, die Akka in 't dal had
+doorgebracht, had ze elken morgen zoo staan wachten op hun uittocht,
+om te zien of ze in 't dal zouden blijven om daar te jagen, of dat ze
+weg zouden vliegen naar een ander jachtgebied. Ze behoefde niet lang te
+wachten, voor de beide statige vogels het rotsterras verlieten. Schoon,
+maar vreeselijk, zweefden ze voort door de lucht. Ze namen de richting
+naar de vlakte, en Akka slaakte een zucht van verlichting.
+
+De oude leidstergans had opgehouden met eieren te leggen, en jongen
+groot te brengen, en placht in den zomer den tijd te verdrijven met
+van het eene ganzennest naar het andere te gaan, en raad te geven over
+'t broeden en over 't verzorgen van de jongen. Bovendien keek zij uit,
+niet alleen naar de arenden, maar ook naar rotsvossen, uilen en alle
+andere vijanden, die de wilde ganzen en hun jongen konden bedreigen.
+
+Tegen den middag begon Akka opnieuw naar de arenden uit te zien. Zoo
+had ze iederen dag gedaan, alle zomers, dat zij in het dal had
+gewoond. Ze zag dadelijk aan hun vlucht of ze een goede jacht hadden
+gehad, en ze voelde zich dan veilig voor haar troep. Maar dien dag
+zag zij de arenden niet terugkomen.
+
+"Ik word zeker oud en suf," dacht ze, toen ze een poos op hen had
+gewacht. "De arenden moeten nu toch al lang thuis zijn."
+
+Ze keek dien middag naar den bergwand op, en verwachtte de arenden te
+zien op de scherpen vooruitspringende punt, waar ze gewoonlijk zaten
+om hun middagslaapje te doen, en ze probeerde hen 's avonds in 't oog
+te krijgen, als ze in het rotsmeer baadden, maar ze miste ze weer. Ze
+was zoo gewoon, dat de arenden op dien berg daar boven woonden,
+dat ze zich niet kon voorstellen, dat ze niet teruggekomen zouden zijn.
+
+Den volgenden morgen was Akka vroeg wakker om naar de arenden
+te turen. Maar ook nu zag zij ze niet. Daarentegen hoorde ze in de
+stilte van den morgen een kreet, die boos en klagend tegelijk klonk,
+en die uit het arendsnest scheen te komen.
+
+"Zou er werkelijk iets in de war zijn, daar boven in het
+arendsnest?" dacht ze. Ze sloeg met de vleugels uit, en steeg zoo hoog,
+dat ze in het arendsnest kon zien.
+
+Daar zag ze geen van de beide oude arenden. In 't heele nest lag
+alleen een half naakt jong, dat om voedsel schreeuwde.
+
+Akka daalde langzaam en aarzelend neer naar het arendsnest. Dat was
+een griezelig oord om te komen. 't Was te zien wat voor roovervolk
+daar thuis hoorde. In 't nest en op het rotsterras lagen verbleekte
+beenderen, bloedige veeren, lappen vel, hazekoppen, vogelsnavels en
+gevederde hoenderpooten. Ook de jonge arend, die daar midden in lag,
+was terugstootend om te zien met zijn grooten gapenden bek, zijn lomp,
+donzig lichaam en zijn halfklare vleugels, waar de aangroeiende pennen
+als takken van uitstaken.
+
+Eindelijk overwon Akka haar tegenzin, en ging op den rand van het nest
+zitten; maar ze keek onderwijl onrustig naar alle kanten uit, want
+ze verwachtte ieder oogenblik, dat de oude arenden zouden thuiskomen.
+
+"Dat is goed, dat er ten minste eindelijk iemand komt," riep het
+arendsjong. "Breng me dadelijk eten!"
+
+"Nu, nu, maak niet zoo'n haast," zei Akka. "Vertel me eerst, waar je
+vader en moeder zijn."
+
+"Ja, als ik dat maar wist! Ze vlogen gisteren morgen weg, en lieten
+me een rotsmuis achter, om van te leven, terwijl ze weg waren. Je
+kunt wel begrijpen, dat die al lang op is. 't Is schande, dat moeder
+me zoo'n honger laat lijden."
+
+Akka begon nu te gelooven, dat de oude arenden wezenlijk waren
+geschoten, en ze dacht er aan, dat ze, als ze dezen jongen arend dood
+lieten hongeren, misschien voor goed 't heele roovervolk kwijt zou
+zijn. Maar toch ging het haar aan 't hart een verlaten jong niet te
+helpen, zoo goed 't haar mogelijk was.
+
+"Waar zit je zoo naar te turen?" zei de jonge arend. "Hoor je niet,
+dat ik eten wil hebben?"
+
+Akka sloeg de vleugels uit, en daalde neer op het meertje, beneden
+in 't dal. Een poos later kwam ze weer naar boven in 't arendsnest,
+met een jonge zalm in den bek.
+
+De jonge arend werd geweldig boos, toen zij den visch voor hem neerlei.
+
+"Meen je, dat ik zooiets eten kan!" zei hij, schoof den visch op zij,
+en probeerde Akka te pikken. "Breng me een hoen of een muis, hoor je!"
+
+Nu stak Akka den kop vooruit, en gaf den jongen arend een flinken
+pik in den nek.
+
+"Ik zal je eens wat zeggen," zei de oude gans. "Als ik je eten zal
+geven, moet jij tevreden zijn, met wat ik je geven kan. Je vader en
+moeder zijn dood, zoodat zij je niet meer helpen kunnen, maar wil
+je hier liggen doodhongeren, terwijl je op hoenders en muizen wacht,
+dan zal ik je dat niet beletten."
+
+Toen Akka dit gezegd had, vloog ze weg, en vertoonde zich pas een heele
+poos later weer bij het nest. De jonge arend had den visch opgegeten,
+en toen ze er weer een voor hem neerlegde, slokte hij dien dadelijk
+op, hoewel 't aan hem te zien was, dat hij 't allerakeligst vond.
+
+Akka had een zwaar werk op zich genomen. De oude arenden vertoonden
+zich nooit weer, en zij moest alleen het arendsjong al het eten
+bezorgen, wat hij noodig had. Ze gaf hem visch en kikvorschen en die
+kost scheen hem goed te bekomen, want hij werd groot en sterk. Hij
+vergat al gauw zijn ouders, en meende, dat Akka zijn echte moeder
+was. Akka had hem lief, alsof hij haar eigen kind was. Ze probeerde
+hem een goede opvoeding te geven, en hem zijn wildheid en overmoed
+af te leeren.
+
+Na een paar weken begon Akka te voelen, dat de tijd naderde, dat ze
+zou ruiën, en niet in staat zijn te vliegen. Een heele maand lang
+zou ze geen voedsel voor den jongen arend kunnen halen, en hij zou
+moeten verhongeren.
+
+"Gorgo," zei Akka op een dag tegen hem. "Nu kan ik niet meer bij
+je komen met visch. Nu moeten we zien, of je beneden in 't dal kunt
+komen, zoodat ik je eten kan blijven geven. Je moet kiezen tusschen
+hier boven te verhongeren, of naar beneden te springen in 't dal. Maar
+ook dàt kan je het leven kosten."
+
+Zonder zich een oogenblik te bedenken, klom de jonge arend op den rand
+van het nest, verwaardigde zich nauwelijks om den afstand van daar
+naar het dal te meten met zijn oogen, sloeg zijn vleugeltjes uit,
+en begaf zich op weg. Hij tuimelde een paar maal rond in de lucht,
+maar gebruikte zijn vleugels toch zooveel, dat hij tamelijk ongedeerd
+op den grond kwam.
+
+Daar beneden bracht Gorgo den zomer door met de jonge gansjes,
+en werd een goede kameraad voor hen. Daar hij zich als een jonge
+gans beschouwde, probeerde hij op dezelfde manier te leven als zij,
+en als ze in 't meer gingen zwemmen, ging hij mee, totdat hij bijna
+verdronken was. Hij voelde er zich erg door vernederd, dat hij geen
+zwemmen kon leeren, en ging er zich bij Akka over beklagen.
+
+"Waarom kan ik toch niet zwemmen, als de anderen?" vroeg hij.
+
+"Je hebt te kromme klauwen en te groote teenen gekregen, terwijl je
+daar boven op de rotsen lag," zei Akka. "Maar wees daar maar niet
+bedroefd om. Je zult nog best een flinke vogel worden."
+
+Al gauw waren de vleugels van den jongen arend zoo groot, dat ze
+hem konden dragen, maar niet vóór den herfst, toen de jonge gansjes
+leerden vliegen, kwam het in hem op, dat hij ze kon gebruiken om te
+vliegen. En nu kwam er een heerlijke tijd voor hem, want in dit spel
+was hij de eerste. Zijn kameraden bleven nooit langer in de lucht,
+dan ze moesten, maar hij was daar bijna den heelen dag, en oefende
+zich in de vliegkunst. Nog was hij er niet achter gekomen, dat hij
+tot een ander geslacht dan de ganzen hoorde, maar hij merkte toch
+allerlei op, dat hem verbaasde, en hij deed Akka voortdurend vragen.
+
+"Waarom loopen hoenders en muizen hard weg, als ze mijn schaduw op
+de rotsen zien?" vroeg hij. "Ze zijn niet zoo bang voor de andere
+jonge ganzen."
+
+"Je vleugels zijn vergroeid, terwijl je op de rotsen woonde," zei
+Akka. "Daar schrikken die kleine dieren van. Maar wees jij daar maar
+niet bedroefd om. Je zult toch wel een flinke vogel worden."
+
+Toen de arend goed kon vliegen, leerde hij zichzelf visschen en
+kikvorschen vangen, maar al gauw begon hij daar ook over na te denken.
+
+"Hoe komt het toch, dat ik van visschen en kikvorschen leef?" zei
+hij. "Dat doen de andere jonge ganzen niet."
+
+"Dat komt, omdat ik geen ander eten had om je te geven, terwijl je
+boven op de rotsen woonde," zei Akka. "Maar wees er maar niet bedroefd
+om, je zult toch wel een flinke vogel worden."
+
+Toen de wilde ganzen in den herfst gingen verhuizen, vloog Gorgo
+midden in den troep. Nog altijd beschouwde hij zich als een van
+hen. Maar de lucht was vol vogels, die naar het zuiden trokken,
+en die geraakten in groote opschudding, toen Akka zich vertoonde,
+met een arend in haar gevolg. De troep wilde ganzen was aanhoudend
+door zwermen nieuwsgierigen omringd, die luide hun verwondering te
+kennen gaven. Akka verzocht hun te zwijgen, maar het was niet mogelijk
+zóóveel rappe tongen te binden.
+
+"Waarom noemen ze mij toch een arend?" vroeg Gorgo onophoudelijk,
+en werd meer en meer geprikkeld. "Zien ze dan niet, dat ik een wilde
+gans ben? Ik ben geen vogelverslinder, die zijnsgelijken opeet. Hoe
+durven ze mij zoo'n leelijken naam geven?"
+
+Op een dag vlogen ze over een boerderij, waar veel kippen op den
+mesthoop liepen te pikken.
+
+"Een arend, een arend!" riepen ze, en begonnen hard weg te loopen,
+om een schuilplaats te vinden. Maar Gorgo, die altijd arenden had
+hooren noemen als wilde boosdoeners, schoot neer op 't veld, en sloeg
+zijn klauwen in een van de kippen.
+
+"Ik zal je leeren, dat ik geen arend ben!" riep hij boos en pikte
+naar haar met den snavel.
+
+Op hetzelfde oogenblik hoorde hij, hoe Akka hem riep hoog in de lucht,
+en hij kwam gehoorzaam naar boven. De wilde gans vloog op hem toe,
+en begon hem te tuchtigen.
+
+"Wat doe je daar," riep ze, en pikte naar hem. "Was je misschien van
+plan die arme kip te verscheuren? Schaam je je niet?"
+
+Maar toen de arend zonder verweer de bestraffing van de wilde gans
+aannam, steeg er een storm van gelach en spottende woorden op uit de
+groote vogelscharen, die hen omringden. De arend hoorde dat, en keerde
+zich naar Akka met boozen blik, alsof hij haar wilde aanvallen. Maar
+hij veranderde snel van voornemen, steeg met sterken wiekslag hoog
+in de lucht, steeg zoo hoog, dat geen geroep hem meer kon bereiken,
+en dreef daar boven rond, zoolang de wilde ganzen hem konden zien.
+
+Drie dagen later vertoonde hij zich weer in den troep van de wilde
+ganzen.
+
+"Nu weet ik wie ik ben," zei hij tegen Akka. "Omdat ik een arend ben,
+moet ik leven, zooals het een arend betaamt, maar mij dunkt, dat we
+toch wel goede vrienden kunnen blijven. U of een van de uwen zal ik
+nooit aanvallen."
+
+Maar Akka had er haar eer in gesteld, dat het haar zou gelukken,
+een arend tot een zachten en ongevaarlijken vogel op te voeden,
+en ze kon niet verdragen, dat hij naar zijn eigen goedvinden zou leven.
+
+"Meen je, dat ik goede vrienden wil zijn met een
+vogelverslinder?" vroeg ze. "Leef, zooals ik het je heb geleerd. En
+dan mag je als vroeger in mijn gevolg meê gaan."
+
+Beiden waren ze trotsch en onbuigzaam, en geen van hen wilde
+toegeven. Dit eindigde hiermee, dat Akka den arend verbood zich in
+haar nabijheid te vertoonen, en ze was zóó boos op hem, dat niemand
+zijn naam in haar tegenwoordigheid durfde noemen.
+
+Sinds dien tijd trok Gorgo door het land, alleen en door iedereen
+verafschuwd, zooals alle groote roovers. Hij was vaak somber gestemd,
+en zeker verlangde hij vaak terug naar den tijd, toen hij meende,
+dat hij een wilde gans was, en met de vroolijke jonge gansjes
+speelde. Onder de dieren was hij heel beroemd om zijn dapperheid. Zij
+zeiden gewoonlijk, dat hij voor niets en niemand bang was, behalve
+voor zijn pleegmoeder Akka. Ze plachten ook van hem te zeggen, dat
+hij nooit een wilde gans had aangedurfd.
+
+
+
+
+IN GEVANGENSCHAP.
+
+
+Gorgo was nog maar drie jaar oud, en had er nog niet aan gedacht,
+een vrouw te zoeken en zich ergens te vestigen, toen hij op een dag
+werd gevangen door een jager en aan de Schans verkocht. Daar waren al
+een paar andere arenden. Die werden gevangen gehouden in een kooi, van
+ijzer en staaldraad gemaakt. De kooi stond buiten in de vrije lucht,
+en was zoo groot, dat men er een paar boomen had kunnen planten, en
+een vrij groot hunnenbed bouwen, opdat de arenden er zich thuis zouden
+voelen. Maar toch tierden de vogels niet. Ze zaten bijna den heelen
+dag op een en dezelfde plaats. Hun mooie, donkere veeren werden ruig en
+dof, en hun oogen staarden met hopeloos verlangen in de lucht omhoog.
+
+De eerste week, dat Gorgo gevangen zat, was hij nog wakker en levendig,
+maar toen begon een zware droomerigheid over hem te komen. Hij bleef
+stil op dezelfde plaats zitten, als de andere arenden, staarde recht
+voor zich uit zonder iets te zien, en had er geen besef meer van,
+hoe de dagen voorbijgingen.
+
+Op een morgen, toen Gorgo in zijn gewone dofheid verzonken zat, hoorde
+hij, hoe iemand hem riep beneden op den grond. Hij was zoo soezig,
+dat hij nauwelijks in staat was zijn oogen naar beneden te richten.
+
+"Wie roept me daar?" vroeg hij.
+
+"Maar Gorgo, herken je me niet? Ik ben Duimelot, die met de wilde
+ganzen rondvloog."
+
+"Is Akka ook gevangen?" vroeg Gorgo op een toon, alsof hij zijn
+gedachten trachtte te ordenen na een langen slaap.
+
+"Neen, Akka en de witte ganzerik en de heele troep zitten zeker
+behouden en wel in Lapland op het oogenblik," zei de jongen. "Ik
+alleen zit hier gevangen."
+
+Terwijl de jongen sprak, zag hij, dat Gorgo de oogen afwendde, en
+rechtuit in de lucht ging staren, zooals vroeger.
+
+"Koningsarend!" riep de jongen. "Ik ben nog niet vergeten, dat je
+me eens naar de wilde ganzen hebt teruggebracht, en dat je het leven
+van den witten ganzerik hebt gespaard. Zeg me, of ik je niet op een
+of andere manier kan helpen!"
+
+Gorgo hief nauwelijks het hoofd op.
+
+"Stoor me niet, Duimelot!" zei hij. "Ik zat te droomen, dat ik vrij
+rondzwierf, hoog in de lucht. Ik wil niet wakker wezen."
+
+"Je moet je wat bewegen, en opletten, wat er om je heen gebeurt,"
+vermaande de jongen. "Anders zul je er gauw even ellendig uitzien,
+als de andere arenden."
+
+"Ik wou, dat ik al was als zij. Zij zijn zoo ver weg in hun droomen,
+dat niets hen meer kan storen," zei de arend.
+
+Toen de nacht kwam, en alle arenden sliepen, klonk een zacht schrapen
+langs het net van staaldraad, dat hun kooi van boven bedekte. De twee
+oude en suffe gevangenen lieten zich door dat gedruisch niet storen,
+maar Gorgo werd wakker.
+
+"Wie daar? Wie beweegt zich daar op het dak?" vroeg hij.
+
+"'t Is Duimelot, Gorgo," antwoordde de jongen. "Ik zit hier het
+staaldraad door te vijlen, dan kun je wegvliegen."
+
+De arend hief den kop op, en zag in den lichten nacht, hoe de jongen
+aan het staaldraadnet zat te vijlen, dat over de kooi gespannen
+was. Hij voelde een oogenblik hoop, maar toen nam de moedeloosheid
+weer de overhand.
+
+"Ik ben een groote vogel, Duimelot," zei hij. "Hoe zou je zooveel
+draden kunnen losvijlen, dat ik er uit kon komen. 't Is beter, dat
+je met dat werk ophoudt, en me met rust laat."
+
+"Slaap jij maar, en stoor je niet aan mij," antwoordde de jongen. "Ik
+kom van nacht niet klaar en ook morgen niet; maar ik wil toch probeeren
+je vrij te maken, eer je heelemaal voor goed ongelukkig ben."
+
+Gorgo verzonk weer in diepen slaap, maar toen hij den volgenden
+morgen wakker werd, zag hij toch, dat er al een heeleboel draden
+waren doorgevijld. Dien dag voelde hij zich niet zoo dof als den
+vorigen. Hij sloeg met de vleugels, en sprong op de boomen heen en
+weer, om de stijfheid uit de leden te krijgen.
+
+Op een morgen, juist toen het eerste krieken van den dag aan den
+hemel was te zien, wekte Duimelot den arend.
+
+"Probeer het nu, Gorgo," zei hij.
+
+De arend zag op. De jongen had werkelijk zooveel draden doorgevijld,
+dat er nu een groot gat in het staaldraadnet was. Gorgo bewoog de
+vleugels, en zette af van den steen naar boven. Een paar maal mislukte
+het, en hij viel terug in de kooi. Maar eindelijk kwam hij gelukkig
+naar buiten in de vrije lucht.
+
+Hij steeg met fiere vlucht tot dicht bij de wolken. De kleine Duimelot
+zat hem met een weemoedig gezicht na te zien, en wenschte, dat er
+ook eens iemand zou komen, om hem de vrijheid te geven.
+
+De jongen was nu al thuis op de Schans. Hij had met alle dieren,
+die daar waren, kennis gemaakt, en met vele van hen vriendschap
+gesloten. En hij moest erkennen, dat er veel te zien en te leeren was,
+en dat 't hem niet moeilijk viel den tijd om te krijgen. Maar wel
+gingen zijn gedachten alle dagen met groot verlangen naar Maarten,
+den ganzerik, en de andere reisgenooten.
+
+"Was ik maar niet door mijn belofte gebonden," dacht hij, "dan zou
+ik wel een vogel vinden, die me bij hen brengen wou."
+
+'t Kan wel vreemd lijken, dat Klement Larsson den jongen de vrijheid
+niet had teruggegeven, maar men moet wel bedenken, hoe de kleine
+speelman in de war was, toen hij de Schans verliet. Den morgen toen
+hij heenging, had hij er wel aan gedacht het eten voor het dwergje in
+een blauwen schotel buiten te zetten, maar ongelukkig had hij er geen
+kunnen vinden. Toen waren alle menschen van Skaane, de Laplanders, de
+Dalecarliërs, de arbeiders van de gebouwen en de tuinbazen gekomen,
+om hem goeden dag te zeggen, en hij had geen tijd meer gehad om
+den blauwen schotel te halen. De tijd van vertrekken was gekomen,
+en eindelijk had hij geen anderen uitweg gezien, dan een jongen
+Laplander om hulp te vragen.
+
+"Een van 't kleine volkje woont hier op de Schans," had hij gezegd,
+"en ik geef hem elken morgen wat eten. Wil je mij het genoegen doen,
+die restjes hier te nemen, een blauwen schotel er voor te koopen,
+en die morgen met wat pap en melk onder de stoep van het hutje uit
+Bollnäs te zetten?"
+
+De jongen keek verbaasd, maar Klement had geen tijd de zaak nader te
+verklaren, want hij moest naar den trein.
+
+De Laplander was dan ook werkelijk naar de stad gegaan, om een schotel
+te koopen, maar toen hij geen geschikten blauwen vond, kocht hij een
+witten. En in dien witten zette hij trouw elken morgen eten buiten. Zoo
+was de jongen niet van zijn belofte ontheven geworden. Hij wist,
+dat Klement weg was, maar zelf mocht hij niet heengaan.
+
+Dien nacht verlangde de jongen meer dan anders naar zijn vrijheid, en
+dat kwam, doordat het nu echt lente en bijna zomer was geworden. Hij
+had het wel moeilijk gehad met kou en ruw weer op reis, en toen hij
+eerst op de Schans kwam, had hij gedacht, dat het misschien wel goed
+was, dat hij de reis moest afbreken, want hij was zeker doodgevroren,
+als hij in Mei in Lapland gekomen was. Maar nu was het warm geworden,
+het veld stond groen, berken en populieren waren met bladen als
+van zij, met weerschijn getooid, de kerseboomen--ja, alle mogelijke
+vruchtboomen stonden vol bloesems, de bessestruiken hadden al kleine
+vruchtjes aan de takken, de eiken wikkelden heel voorzichtig hun bladen
+los; erwten, kool en boonen groeiden op de tuinbedden op de Schans.
+
+"Nu zal het ook wel mooi en warm in Lapland zijn," dacht de jongen. "Ik
+zou graag op den rug van Maarten, den ganzerik, zitten op zoo'n mooien
+morgen. 't Zou heerlijk zijn in de warme, stille lucht rond te rijden,
+en neer te zien op de velden, zooals die daar nu liggen, versierd en
+getooid met groen gras en mooie bloemen."
+
+Daar zat hij aan te denken, toen de arend op eens schuin uit de lucht
+neerschoot, en naast hem kwam zitten op het dak van de kooi.
+
+"Ik wilde mijn vleugels probeeren, om te zien of ze nog goed waren,"
+zei Gorgo. "Je dacht toch niet, dat ik je hier in gevangenschap
+achter zou laten? Ga nu op mijn rug zitten, dan zal ik je bij je
+reisgenooten terugbrengen."
+
+"Neen, dat is onmogelijk!" zei de jongen. "Ik heb mijn woord gegeven,
+dat ik hier blijven zou, tot ik verlof kreeg om heen te gaan."
+
+"Wat vertel je toch voor onzin," zei Gorgo. "Eerst hebben ze je tegen
+je zin hierheen gebracht, en toen hebben ze je laten beloven hier te
+blijven! Je kunt toch wel begrijpen, dat je zoo'n belofte niet hoeft
+na te komen."
+
+"Ja, dat moet ik toch," zei de jongen. "Ik dank je wel, want je meent
+het goed, maar je kunt me niet helpen."
+
+"Zoo, kan ik dat niet?" zei Gorgo. "Dat zul je eens zien." En meteen
+pakte hij Niels Holgersson beet met zijn groote klauwen, vloog met
+hem hoog op naar de wolken des hemels, en verdween toen in de richting
+van het noorden.
+
+
+
+
+
+
+XXXI.
+
+OVER GÄSTRIKLAND.
+
+
+DE KOSTBARE GORDEL.
+
+
+De arend vloog door, tot hij een heel eind ten noorden van Stockholm
+gekomen was. Daar daalde hij neer op een heuvel in 't bosch, en liet
+den greep los, waarmeê hij den jongen vasthield.
+
+Maar nauwelijks voelde deze zich vrij, of hij begon zoo hard, als
+hij maar kon, naar de stad terug te loopen. De arend nam een grooten
+sprong, hij haalde den jongen in, en legde een poot over hem heen.
+
+"Ben je van plan naar je gevangenis terug te gaan?" vroeg hij.
+
+"Wat heb je met mij te maken? Ik mag toch gaan, waar ik wil. Je
+hebt niets over mij te zeggen," zei de jongen, en probeerde weg te
+komen. Toen pakte de arend hem weer met zijn sterke pooten, vloog op,
+en zette weer koers naar het noorden met den jongen over heel Uppland,
+en hield niet stil, vóór hij aan den grooten waterval van Elvkarleby
+kwam. Hij streek neer op een steen, die midden in de beek lag, vlak
+onder den bruisenden waterval, en liet opnieuw zijn gevangene los.
+
+De jongen zag dadelijk, dat 't hier niet mogelijk was, den arend te
+ontkomen. Boven hen kwam de witte schuimwand van het water neerstorten,
+en om hem heen bruiste wild 't water van den stroom. Hij was er
+verbitterd over, dat hij op die manier tot een woordbreker was
+gemaakt. Hij keerde den arend den rug toe, en wilde geen woord met
+hem spreken. Maar nu de vogel den jongen op een plaats had gezet,
+vanwaar hij niet weg kon loopen, vertelde hij hem, dat hij door Akka
+van Kebnekaise was opgevoed, en dat hij ongenoegen met zijn pleegmoeder
+had gehad.
+
+"En nu begrijp je misschien, Duimelot," zei hij eindelijk, "waarom ik
+je naar de wilde ganzen terug wou brengen. Ik heb gehoord, dat je bij
+Akka hoog staat aangeschreven, en nu was ik van plan je te vragen,
+of je niet zoudt kunnen maken, dat we weer goede vrienden werden."
+
+Zoodra de jongen begreep, dat de arend hem niet alleen uit koppigheid
+had meêgenomen, werd hij vriendelijk tegen hem. "Ik zou je heel
+graag helpen met wat je me vraagt," zei hij, "maar ik ben door mijn
+belofte gebonden."
+
+En nu vertelde hij op zijn beurt aan den arend, hoe hij gevangen was
+geweest, en dat Klement Larsson de Schans had verlaten, zonder hem
+zijn vrijheid te geven.
+
+Maar de arend wilde in geen geval zijn plannen opgeven. "Luister nu,
+Duimelot!" zei hij. "Mijn vleugels kunnen je brengen, waar je ook
+wezen wilt, en mijn oogen kunnen vinden, wat je ook zoekt. Vertel
+me hoe de man er uitziet, die je die belofte afnam, en ik zal hem
+zoeken, en je bij hem brengen! Dan moet jij maar zorgen, dat hij je
+de vrijheid teruggeeft."
+
+Dat vond de jongen een goed voorstel.
+
+"Ik kan wel merken, Gorgo, dat je zoo'n wijzen vogel als Akka tot
+pleegmoeder hebt gehad," zei hij. Hij beschreef toen Klement Larsson
+heel nauwkeurig, en voegde er bij, dat hij op de Schans had hooren
+zeggen, dat de kleine speelman in Hälsingland thuishoorde.
+
+"We zullen heel Hälsingland doorzoeken, van Lingbo tot Mellammeer,
+van den grooten berg tot Hornsland," zei de arend. "En morgen zal je
+met den man kunnen spreken."
+
+"Nu beloof je zeker meer, dan je kunt houden," zei de jongen.
+
+"Ik zou toch een prul van een arend zijn, als ik dat niet eens kon,"
+antwoordde Gorgo.
+
+Toen Gorgo en Duimelot van Elvkarleby weggingen, waren ze goede
+vrienden, en de jongen reed op den rug van den arend.
+
+Toen nu de reizigers over een boschrijke streek in Gästrikland hadden
+gereisd, sloeg Gorgo neer op den top van een kalen bergtop, en toen
+de jongen op 't veld was neergesprongen, zei de arend: "Hier is wild
+in 't bosch en ik denk, dat ik mijn gevangenschap niet kan vergeten,
+en me niet recht vrij voelen, eer ik op de jacht ben geweest. Je bent
+toch niet bang, als ik je alleen laat?"
+
+"O neen," zei de jongen.
+
+"Je kunt heengaan, waar je wilt, als je maar tegen zonsondergang
+terug ben," zei de arend, en vloog weg.
+
+De jongen voelde zich wel heel alleen en verlaten, toen hij op een
+steen zat uit te zien over de kale bergvlakte en de groote bosschen,
+die er om heen lagen. Maar hij had er nog niet lang gezeten, voor hij
+gezang hoorde, dat beneden uit het dal kwam, en toen hij daarheen
+keek, zag hij iets lichts, dat zich bewoog tusschen de boomen. Hij
+zag al gauw, dat het een blauw en gele vlag was, en hij begreep door
+het gezang en het blij gejuich, dat hij hoorde, dat de vlag voor een
+heelen optocht van menschen werd uit gedragen, maar het duurde lang,
+eer hij goed kon zien, wat het eigenlijk was. De vlag werd gedragen
+langs slingerende paden, en hij vroeg zich verwonderd af, waar zij
+en de menschen, die haar droegen, wel heen zouden gaan. Hij kon niet
+gelooven, dat zij naar de leelijke, woeste bergvlakte zouden komen,
+waar hij zat. Maar dat deden ze toch. Daar kwam de vlag te voorschijn
+uit het bosch, en achter haar aan kwamen ze allen, wien zij den weg
+had gewezen. Er kwam een leven en beweging over de heele vlakte,
+en dien dag kreeg de jongen zooveel te zien, dat hij zich geen
+oogenblik verveelde.
+
+
+
+
+DE DAG VAN 'T BOSCH.
+
+
+Op den breeden bergrug, waar Gorgo Duimelot had verlaten, was voor
+tien jaar een hevige boschbrand geweest. De verkoolde boomen waren
+geveld en weggebracht, en de groote brandplaats was aan de kanten
+weer met groen begroeid, dat grensde aan 't frissche bosch. Maar het
+grootste gedeelte van de hoogte lag daar naakt en akelig woest. De
+zwarte knoesten stonden er tusschen de steenen, en getuigden er van,
+dat hier een groot en prachtig bosch had gestaan, maar geen jong
+kreupelhout kwam er op.
+
+De menschen verbaasden er zich over, dat het zoo lang duurde, eer die
+berghoogte weer met bosch bedekt werd, maar men dacht er niet aan,
+dat toen de boschbrand daar uitbrak, het veld na een lange droogte,
+zonder eenig vocht had gelegen. Daardoor waren niet alleen de boomen
+verbrand, en alles wat er op het veld groeide; het heikruid en de
+boschbessen, het mos en de jeneverbes waren ook meê verbrand, en de
+aarde zelf, die den bergbodem bedekte, was na den brand droog en los
+asch geworden. Bij elke windvlaag dwarrelde het omhoog in de lucht,
+en daar de hoogte nog al in den wind lag, was de eene na de andere
+schoongewasschen. Het regenwater hielp natuurlijk meê om de aarde
+weg te spoelen, en toen nu de wind en het water tien jaar lang den
+berg hadden afgespoeld, lag die zoo kaal, dat men bijna zou denken,
+dat hij woest zou blijven in der eeuwigheid.
+
+Maar op een dag in 't begin van den zomer kwamen alle kinderen van
+de gemeente, waar de afgebrande berg lag, bijeen voor een van de
+scholen. Ieder van de kinderen had een schoffel en een spade en een
+zakje in de hand. Zoodra alle er waren, trokken ze in een langen
+stoet het bosch in. De vlag werd vooruit gedragen, onderwijzers en
+onderwijzeressen liepen naast den stoet, en achteraan kwamen een
+paar boschwachters en een paard, dat een lading denneplanten en
+sparrezaad trok.
+
+De optocht bleef niet staan bij een van de beukenhagen, die 't dichtst
+bij het dorp lagen, neen, ze gingen ver het bosch in. Die volgde oude
+weidenpaden, en de vossen staken verwonderd hun koppen uit hun holen,
+en vroegen wat dat voor zomerherders waren. Ze trokken voorbij oude
+kolenbrandersvelden, waar de houtmijnen in den herfst werden gebouwd,
+en de strandloopers draaiden hun hoekige snavels heen en weer, en
+vroegen elkaar, wat dat voor mijnwerkers waren, die nu het bosch
+binnendrongen.
+
+Zoo kwam de optocht dan eindelijk op de groote, afgebrande
+bergvlakte. Daar lagen de steenen naakt, zonder de fijne
+vlasplantenranken, die ze eens hadden bekleed; de steenen hadden hun
+mooie zilvermos en het witte prettige rendiermos verloren.
+
+Om het zwarte water, dat in spleten en gaten was bij elkaar geloopen,
+vond men geen wilde zuring en geen wilde Aaronskelk. De kleine brokjes
+grond, die nog in kloven en tusschen steenen waren overgebleven,
+lagen daar zonder wormen, zonder boschsterren, zonder witbloeiend
+wintergroen, zonder al dat groene, roode, en lichte, en zachte en
+sierlijke, dat gewoonlijk den bodem van 't bosch bekleedt.
+
+Het was, alsof er een lichtglans over den grauwen bergheuvel ging,
+toen alle kinderen uit de gemeente zich er over verspreidden. Dat was
+weer iets zachts en fijns, iets frisch en rooskleurigs. Dat was iets,
+wat jong was, en groeide. Misschien zouden zij den armen verlaten
+stumper weer aan een beetje leven helpen.
+
+Toen de kinderen uitgerust waren, en wat gegeten hadden, grepen ze naar
+hun schoffels en spaden, en begonnen te werken. De boschwachters wezen
+hun, hoe ze doen moesten, en ze zetten de eene plant na de andere op
+alle kleine plekjes aarde, die ze konden vinden.
+
+Terwijl de kinderen aan het planten waren, liepen ze er heel verstandig
+over te praten, hoe de kleine stekjes, die ze in den grond zetten,
+de aarde bijeen zouden houden, zoodat ze niet weg kon waaien. En hoe
+er behalve dat, nieuwe aarde onder de boomen zou worden gevormd. En
+hoe er zaadjes neer zouden vallen, en over een paar jaar zouden
+ze frambozen en blauwbessen hier kunnen plukken, waar nu enkel
+kale steenen waren. En de plantjes, die ze nu uitzetten, zouden
+langzamerhand hooge boomen worden. Misschien zouden van hun hout
+groote huizen en mooie schepen worden gebouwd.
+
+Maar als de kinderen hier niet waren komen planten, terwijl er nog wat
+aarde in de spleten was, dan zou alles zijn weggeveegd door den wind en
+'t water, en de berg zou nooit meer bosschen hebben kunnen dragen.
+
+"Ja, 't was maar goed, dat we kwamen," zeiden de kinderen. "'t Was
+hoog tijd!"
+
+En ze voelden zich verbazend gewichtig.
+
+Toen de kinderen boven op den berg werkten, waren Vader en Moeder
+thuis. En eindelijk werden ze benieuwd hoe de kinderen zich wel redden
+zouden. 't Was natuurlijk maar een grapje, dat zulke kleintjes een
+bosch zouden planten, maar 't zou toch wel aardig wezen te zien, hoe
+'t ging.
+
+En al gauw waren Vader en Moeder op weg naar 't bosch. Toen ze op
+den weg naar de zomerwei kwamen, ontmoetten ze verscheiden buren.
+
+"Gaan jelui naar de brandplaats?"
+
+"Ja."
+
+"Om naar de kinderen te kijken?"
+
+"Ja, om te zien hoe ze zich redden."
+
+"Dat wordt toch maar een spelletje."
+
+"Ja, veel echte boschboomen zullen er wel niet van komen."
+
+"We hebben de koffiekan meêgenomen, zoodat ze wat warms kunnen krijgen,
+want ze hebben eten voor den heelen dag meêgenomen."
+
+Zoo kwamen Vader en Moeder op den berg, en eerst dachten ze er alleen
+aan, hoe mooi dat stond, al die rose gezichtjes, die over de grauwe
+steenen verspreid waren. Maar toen zagen ze, hoe de kinderen werkten,
+hoe sommige planten uitzetten, en andere voren maakten en zaaiden,
+en weer andere heikruid uitrukten, opdat het de kleine boompjes niet
+zou verstikken. En ze zagen, dat de kinderen het werk ernstig opnamen,
+en zóó vlijtig waren, dat ze nauwelijks tijd hadden om op te kijken.
+
+Vader stond een poosje te kijken, en toen begon hij ook heikruid
+uit te trekken. Maar zoo'n beetje voor de grap. De kinderen waren
+de leermeesters, want zij waren al geoefend in de kunst. En ze wezen
+Vader en Moeder, hoe ze moesten doen.
+
+En nu ging 't zoo, dat alle volwassenen, die gekomen waren om naar
+de kinderen te kijken, aan 't werk gingen meêdoen. Toen werd het
+natuurlijk veel prettiger, dan 't eerst was geweest. En na een poosje
+kregen de kinderen nog meer hulp.
+
+Er waren meer werktuigen noodig. En een paar jongens met lange beenen
+werden naar het dorp gestuurd om schoffels en spaden. Toen zij voorbij
+de huizen liepen, kwamen zij, die thuis waren, naar buiten, en vroegen:
+"Wat is er? Is er een ongeluk gebeurd?"
+
+"O, neen! Maar de heele gemeente is boven op de brandplaats aan
+'t boomen planten!"
+
+Toen kwamen de meesten aanstroomen naar den afgebranden berg. Eerst
+stonden ze een poosje te kijken, maar toen konden zij niet laten
+meê te doen. Want het is wel prettig om zijn akker in 't voorjaar
+te bezaaien, en aan het koren te denken, dat er uit zal opkomen,
+maar dit was nog uitlokkender.
+
+'t Waren niet alleen dunne halmpjes, die uit dit zaad hier zouden
+opkomen, maar sterke boomen, met hooge stammen en geweldige takken. 't
+Was niet alleen te doen om 't gewas van een zomer, maar om den groei
+van vele jaren. 't Was de gonzende insecten wekken, en lijsterzang, en
+'t spelen van woudhoenders en allerlei soort van leven op de woeste
+bergvlakte. En dan ook 't was als een gedenkteeken, dat men voor
+'t komende geslacht oprichtte. Men had hun een kale, naakte hoogte
+als erfenis kunnen nalaten, en nu zouden ze in plaats daarvan een
+prachtig bosch krijgen.
+
+En als de nakomelingen daar aan dachten, zouden ze ook begrijpen,
+dat hun voorvaderen goede en verstandige menschen waren geweest,
+en ze zouden met eerbied en dankbaarheid aan hen denken.
+
+
+
+
+
+
+XXXII.
+
+EEN DAG IN HÄLSINGLAND.
+
+
+EEN GROOT GROEN BLAD.
+
+
+Den volgenden dag reed de jongen over Hälsingland. Het lag daar beneden
+hem met nieuwe, lichtgroene loten aan de denneboomen, nieuw berkeloof
+aan de hagen, nieuw graan op de velden en pas opgekomen koren op de
+akkers. 't Was een hoog en bergachtig land, maar er midden door ging
+een breed en licht dal, en van daar uit liepen naar alle zijden andere
+dalen, sommige nauw en kort, andere breed en lang.
+
+"Dit land lijkt wel een blad," dacht de jongen. "Want het is zoo
+groen, en de dalen loopen er over, ongeveer op dezelfde manier,
+als de nerven over een blad."
+
+'t Was een mooi land om te zien. De jongen zag er ook veel van, omdat
+de arend den ouden speelman Klement Larsson zocht, en in ieder dal
+naar hem uitkeek.
+
+Toen het tegen den morgen liep, kwam er leven en beweging op de
+boerenplaatsen. Een paar jonge meisjes, met ransels op den rug,
+liepen rond onder het vee. Een jongen met een langen stok in de hand,
+hield de schapen bij elkaar. Een kleine hond draafde rond tusschen de
+koeien door, en blafte tegen hen, die stooten wilden. De boer spande
+een paard voor een kar, en laadde die vol met botervaten, kaasvormen
+en allerlei levensmiddelen. De menschen lachten en neurieden. Zij en de
+dieren waren vroolijk, alsof zij een recht prettigen dag verwachtten.
+
+Een poos later waren ze alle op weg naar de bosschen. Een van de
+meisjes ging vooraan, en lokte het vee met mooi helder roepen. De
+dieren liepen in een lange rij achter haar aan. De herdersjongen en
+zijn hond liepen heen en weer, om toe te zien, dat geen enkel dier
+van den rechten weg afweek. 't Allerlaatste kwam de boer en zijn
+knecht. Ze liepen naast de kar, om te zorgen, dat die niet omviel,
+want de weg, dien ze volgden, was maar een smal, steenig boschpad.
+
+De boeren in Hälsingland moesten de gewoonte hebben al hun vee op
+denzelfden dag naar de bosschen te zenden, of het kwam toevallig dit
+jaar zoo uit. Want de jongen zag de vroolijke optochten van menschen
+en vee uit ieder dal en uit iedere hoeve komen, het stille bosch
+intrekken en dat met leven vullen. Van uit de donkere diepten in 't
+bosch hoorde hij den heelen dag de herderinnen zingen, en het gebel van
+de koeklokjes. De meesten moesten lange en moeielijke wegen afleggen,
+en de jongen zag, hoe ze met groote moeite voorttrokken over de weeke
+moerassen, hoe ze omwegen moesten maken, om de door den wind afgebroken
+takken heen, en hoe 't dikwijls gebeurde, dat de karren tegen steenen
+stootten, en omvielen met alles, wat er op lag. Maar de menschen
+namen al die moeielijkheden op met luid gelach en vroolijkheid.
+
+Tegen den middag bereikten de wandelaars open plekken in 't bosch,
+waar een lage veestal en een paar grijze huisjes waren gebouwd. Toen de
+koeien op de plaats tusschen de huisjes kwamen, loeiden ze vroolijk,
+alsof ze die herkenden, en begonnen dadelijk te grazen van 't groene,
+sappige gras. De menschen droegen onder schertsen en juichen water
+en brandhout, en alles, wat op de kar geladen was, in het grootste
+huis, en spoedig kwam er rook uit den schoorsteen. En toen zetten de
+veehoedsters, de herdersjongen en de volwassen knechts zich neer om
+een platten steen buiten, en begonnen te eten.
+
+Gorgo, de arend, geloofde vast, dat hij Klement Larsson zou vinden
+onder de menschen, die naar het bosch trokken. Zoodra hij een groep
+menschen zag, die naar de zomerweide trokken, daalde hij neer, en
+monsterde die met zijn scherpe oogen. Maar 't eene uur na het andere
+ging voorbij, zonder dat hij hem vond.
+
+Na veel rondzwerven kwam de arend tegen den avond aan een bergachtige
+en woeste streek, die ten oosten van het hoofddal lag. Weer zag
+hij een zomerweide beneden zich. De menschen en het vee waren al
+aangekomen. De knechts stonden brandhout te hakken, en de veehoedsters
+melkten de koeien.
+
+"Zie daar eens heen," zei Gorgo. "Nu geloof ik, dat we hem hebben."
+
+Hij daalde neer, en tot zijn groote verbazing zag de jongen, dat
+de arend gelijk had. Daar stond werkelijk de kleine Klement Larsson
+brandhout te hakken op de zomerweide.
+
+Gorgo daalde neer in het dichte bosch, niet ver van het huis.
+
+"Nu heb ik gedaan, wat ik op me genomen heb," zei hij, en boog fier
+den kop achteruit. "Nu moet je probeeren met den man te spreken. Ik
+zal daar in dien dichten dennetop gaan zitten, en op je wachten."
+
+
+
+
+DE NIEUWJAARSNACHT VAN DE DIEREN.
+
+
+'t Werk op de zomerwei was afgeloopen en 't avondeten gebruikt, maar
+de menschen zaten nog te praten. 't Was lang geleden, dat ze op een
+zomernacht in het bosch waren geweest, en 't scheen, dat ze er niet
+toe konden komen te gaan slapen. 't Was helder dag, en de veehoedsters
+waren vlijtig bezig met haar handwerkjes, maar nu en dan hieven ze
+'t hoofd op, zagen 't bosch in, en lachten in zichzelf.
+
+"Ja, nu zijn we hier weer," zeiden ze, en het dorp zonk weg uit haar
+gedachten, en 't bosch omringde haar met zijn stillen vrede. Als ze
+er thuis op de hoeve aan dachten, dat ze den heelen zomer alleen in
+het bosch moesten wezen, konden ze bijna niet begrijpen, hoe ze dat
+uit moesten houden, maar zoodra ze op de zomerweide waren, voelden ze,
+dat ze hier toch haar besten tijd hadden.
+
+Van een paar zomerweiden in de nabijheid waren jonge meisjes en mannen
+gekomen, om hen te bezoeken, zoodat er vrij veel menschen waren, die in
+het gras voor de kamers waren gaan zitten, maar het gesprek wilde niet
+recht vlotten. De knechts zouden den volgenden dag weer naar huis gaan,
+en de meisjes gaven hun boodschappen mee, en droegen hun groeten op
+voor bekenden in 't dorp. Dat was ongeveer alles, wat er gezegd werd.
+
+Toen keek de oudste van de meisjes van haar werk op, en zei opgewekt:
+
+"We hoeven niet zoo stil te zijn hier op de zomerwei, want we hebben
+hier twee, die graag wat vertellen. De eene is Klement Larsson hier
+naast me, en de andere Bernhard van 't Sunnanmeer, die naar den
+Blacksberg staat te kijken. Nu dacht ik, dat we hun moesten vragen
+ons een geschiedenis te vertellen, en ik beloof aan hem, die ons
+'t meeste boeit, den halsdoek, dien ik hier bezig ben te naaien."
+
+Dat voorstel werd zeer toegejuicht. De twee, die tot dien wedstrijd
+werden opgeroepen, maakten natuurlijk eerst wat bezwaren, maar ze gaven
+gauw toe. Klement stelde voor, dat Bernhard beginnen zou, en die had er
+niets tegen. Hij kende Klement Larsson niet goed, maar hij vermoedde,
+dat die met een of ander oud verhaal van spoken en heksen zou aankomen,
+en daar hij wist, dat de menschen graag naar zooiets luisteren,
+scheen het hem 't verstandigste om iets dergelijks te kiezen.
+
+"Honderden jaren geleden," begon hij, "gebeurde het, dat een proost
+hier in Delsbo op een oudejaarsavond midden door het dichte bosch
+reed. Hij was te paard met zijn pelsjas aan, en een bonten muts op,
+en op zijn zadelknop lag een zak, waarin hij den avondmaalsbeker,
+zijn boek en zijn toga had. Hij was bij een zieke gehaald, ver weg in
+een dorp in 't bosch, en had daar zitten praten, tot het laat op den
+avond was geworden. Nu was hij eindelijk op weg naar huis, maar hij
+dacht niet, dat hij voor lang na middernacht aan de pastorie zou komen.
+
+Toen hij nu op zijn paard moest rondzwerven, en niet rustig in bed
+mocht liggen, was hij blij, dat de nacht zoo goed was om buiten te
+zijn. 't Was zacht weer, de lucht was stil en de hemel betrokken. De
+volle maan gleed rond en groot achter de wolken voort, en gaf licht,
+al kon men haar zelf niet zien. Als dat beetje maneschijn er niet
+geweest was, zou hij moeite hebben gehad het pad te onderscheiden, want
+het was een strenge winter, en alles had dezelfde bruingrauwe tint.
+
+Dien nacht bereed de proost een paard, waar hij bizonder op gesteld
+was. 't Was sterk, volhardend, en bijna zoo verstandig als een
+mensch. Onder anderen verstond het de kunst naar huis te komen van
+alle mogelijke plaatsen in de gemeente. Dat had de proost dikwijls
+opgemerkt, en hij vertrouwde daar zoo zeker op, dat hij nooit aan den
+weg dacht, als hij dat paard bereed. Zoo kwam hij ook nu aanrijden, in
+den grauwen nacht in 't wilde bosch, met de teugels los neerhangende,
+en zijn gedachten ver weg.
+
+De proost zat aan de preek te denken, die hij den volgenden dag zou
+houden, en aan nog veel anders bovendien, en het duurde vrij lang,
+eer hij op de gedachte kwam er eens op te letten, hoe ver hij al op
+den weg naar huis was. Toen hij eindelijk opkeek, en zag, dat het
+bosch nog even dicht om hem heen stond als aan 't begin van de reis,
+was hij heel verwonderd. Hij had nu al zoo lang gereden, dat hij aan
+'t bebouwde gedeelte van de gemeente moest zijn gekomen.
+
+'t Was in Delsbo zooals nu. De kerk en de pastorie, en alle groote
+hoeven en dorpen lagen in 't noorden van de gemeente om de Dellen heen,
+en in het zuiden waren alleen bosschen en bergen. Toen de proost zag,
+dat hij zich nog in het onbebouwde gedeelte bevond, wist hij dus,
+dat hij nog in 't zuiden van de gemeente was, en dat hij naar 't
+noorden moest om thuis te komen. Maar dat was juist wat hij vond, dat
+hij niet deed. Hij zag geen maan of sterren om zich naar te richten,
+maar hij hoorde tot de menschen, die de windstreken in het hoofd
+hebben, en hij had een sterk gevoel, dat hij naar 't zuiden, en niet
+naar het noorden reed. 't Was zijn bedoeling zijn paard dadelijk te
+keeren, maar hij bedacht zich. 't Paard was vroeger nooit verdwaald,
+en dat was het ook nu zeker niet. 't Was waarschijnlijker, dat hij
+zelf zich vergiste. Hij was met zijn gedachten ver weg geweest,
+en had niet op den weg gelet. En dus liet hij het paard in dezelfde
+richting voortgaan, en verzonk opnieuw in gepeins.
+
+Maar onmiddellijk daarna sloeg een groote tak zoo heftig tegen hem
+aan, dat hij bijna van zijn paard was gevallen. Toen begreep hij,
+dat hij opletten moest, waar hij gekomen was.
+
+Hij zag naar den grond, en merkte, dat hij over zacht mos reed,
+waar nog geen vastgetrapt pad was. 't Paard liep toch door, en toonde
+geen onzekerheid. Maar weer juist als te voren voelde de proost zich
+overtuigd, dat hij den verkeerden kant uitging.
+
+Toen aarzelde hij niet in te grijpen. Hij nam de teugels, dwong het
+paard om te keeren, en het gelukte hem ook, het naar het pad terug
+te brengen. Maar nauwelijks was het daar, of het maakte een omweg,
+en liep opnieuw regelrecht het bosch in.
+
+De proost was er zoo zeker van, als 't maar kon, dat het paard verkeerd
+liep, maar nu het zoo hardnekkig was, dacht hij, dat het misschien
+een beter weg wilde zoeken, en dus liet hij het begaan.
+
+'t Paard redde zich best, al had het ook geen pad, dat het volgen
+kon. Als er een rotswand in den weg stond, klauterde hij naar boven,
+zoo lenig als een geit, en als hij er later weer af moest, zette hij
+de pooten bij elkaar, en sprong van de steile hellingen af.
+
+"Als hij maar thuiskomt voor kerktijd," dacht de proost.
+
+"Ik zou wel eens willen weten, wat mijn Delsbo-menschen wel zouden
+zeggen, als ik niet op tijd in de kerk kwam."
+
+Hij kreeg geen tijd om hier lang over te denken, want hij kwam al heel
+gauw op een plaats, die hij herkende. 't Was een klein boschmeertje,
+waar hij den vorigen zomer had liggen visschen. En nu zag hij, dat
+het was, zooals hij gevreesd had. Hij was diep in de boschstreek,
+en 't paard worstelde zich voort naar het zuidoosten. Het scheen
+zich werkelijk te hebben voorgenomen, hem zoo ver van de kerk en de
+pastorie te brengen, als 't maar mogelijk was.
+
+De proost sprong snel uit het zadel, hij kon zich toch niet op die
+manier door zijn paard de wildernis in laten brengen. Hij moest naar
+huis, en nu het paard hardnekkig den verkeerden kant uitliep, besloot
+hij te voet te gaan, en 't paard te leiden, tot ze weêr op bekende
+wegen waren. Hij wond den teugel om den arm, en begon zijn wandeling.
+
+Dat was geen kleinigheid, door 't bosch te loopen met een zwaren
+pels, maar de proost was een sterk en gehard man, en niet bang voor
+inspanning.
+
+'t Paard gaf hem intusschen nieuwe zorgen. Het wilde niet meer,
+het zette de hoeven vast op den grond, en spartelde tegen.
+
+Toen werd de proost eindelijk boos. Hij sloeg dat paard nooit, en
+hij wilde dat ook nu niet doen. Hij wierp de teugels neer, en liep
+van het dier weg.
+
+"We moeten hier wel van elkaar gaan, nu jij je eigen weg wilt gaan,"
+zei hij.
+
+Nauwlijks had hij een paar stappen gedaan, of het paard liep hem na,
+pakte hem voorzichtig bij de mouw van zijn jas, en trachtte hem tegen
+te houden. De proost keerde zich toen om, en zag het paard in de oogen,
+als om uit te vorschen, waarom het zich zoo wonderlijk gedroeg.
+
+Later kon de proost het niet best begrijpen, hoe het mogelijk
+geweest was, maar zeker is het, dat hij, hoe donker het ook was,
+het gezicht van het paard heel duidelijk zag, en er op kon lezen,
+alsof het dat van een mensch was. Hij begreep, dat het dier in
+vreeselijken angst en onrust was. Het sloeg een blik naar hem op,
+die smeekend en verwijtend was.
+
+"Ik heb je gediend, en dag aan dag gedaan, wat je wilde," scheen het
+te zeggen. "Zou je nu dezen éénen nacht niet met me meê kunnen gaan?"
+
+De proost werd aangedaan door dat smeeken in de oogen van het dier. 't
+Was duidelijk, dat het paard zijn hulp noodig had op een of andere
+manier, en daar hij een dapper man was, besloot hij dadelijk meê
+te gaan. Zonder verder aarzelen leidde hij het dier naar een steen,
+om weer op te kunnen stijgen.
+
+"Ga je gang maar," zei hij. "Ik zal je niet alleen laten, nu je me
+meê wilt hebben. Niemand zal van den proost in Delsbo kunnen zeggen,
+dat hij weigerde iemand te volgen, die in nood was."
+
+Van nu af liet hij het paard gaan, waarheen het wilde, en dacht er
+alleen aan, hoe hij in het zadel zou blijven zitten. 't Werd een
+gevaarlijke en moeilijke tocht, en 't ging bijna den heelen tijd
+naar boven. 't Bosch stond zoo dicht om hem heen, dat hij geen
+twee stappen voor zich uit kon zien, maar het kwam hem voor, dat
+ze een hoogen berg beklommen. Het paard werkte zich op langs steile
+hellingen. Als de predikant zelf de teugels had bestuurd, zou hij het
+nooit in de gedachten hebben gekregen, een paard over zoo'n terrein
+te laten loopen.
+
+"Je bent toch zeker niet van plan, naar de Blacksbergvlakte te
+gaan," zei de proost, en lachte daarbij zoowat, want hij wist, dat
+de Blacksbergvlakte een van de hoogste punten van Hälsingland was.
+
+Onder 't rijden begon de proost te merken, dat hij en 't paard niet
+de eenigen waren, die in den nacht op reis waren. Hij hoorde steenen
+rollen en takken kraken. Het klonk, alsof groote dieren zich een weg
+baanden door het bosch. Hij wist, dat er veel wolven waren daar in
+de buurt, en hij vroeg zich af, of het paard hem in een strijd met
+de wilde dieren zou brengen.
+
+Aldoor ging de tocht naar boven, en hoe hooger ze kwamen, hoe dunner
+het bosch werd.
+
+Eindelijk reden ze over een bijna kalen bergrug, waar de proost naar
+alle kanten kon uitzien. Hij keek uit over onmetelijke uitgestrektheden
+land, dat op en neer liep in bergen en dalen, en overal bedekt was
+met sombere bosschen. 't Was zóó donker, dat hij moeite had het te
+onderscheiden, maar al gauw werd het hem duidelijk, waar hij was.
+
+"Ja ja! 't Is dan toch de Blacksbergvlakte, die ik opgereden ben,"
+dacht hij. "Dit kan geen andere berg zijn. Daar in 't westen zie
+ik den heuvel van 't Järomeer, en in 't oosten glanst de zee om 't
+Ag-eiland heen. In 't noorden zie ik ook iets glinsteren. Dat zijn
+zeker de Dellen. En daar in de diepte beneden zie ik den damp van den
+Nian-waterval. Ja, dit is de Blacksbergvlakte, waar ik nu ben. Dat
+is toch een avontuur!"
+
+Toen ze op den hoogsten top van den berg waren gekomen, bleef het
+paard achter een dikken den staan, alsof het zich daar verborgen
+wilde houden. De proost boog zich voorover, en duwde de takken weg,
+zoodat hij vrij kon uitzien.
+
+De kale top van den berg lag voor hem, maar die was niet leeg en
+verlaten, zooals hij verwacht had. Midden op de open plaats lag een
+groot rotsblok, en daarom heen waren veel wilde dieren bijeen. Het
+leek wel, vond de proost, alsof ze daar gekomen waren, om een soort
+Ting te houden.
+
+'t Dichtst bij den grooten steen zag de proost de beren, zoo zwaar
+en vast gebouwd, alsof ze met pels bekleede rotsblokken waren. Ze
+waren gaan liggen, en knipten ongeduldig met hun kleine oogjes. Men
+kon merken, dat ze uit hun winterslaap waren opgestaan om naar het
+Ting te komen, en dat ze moeite hadden wakker te blijven. Achter
+hen zaten een paar honderd wolven in dichte rijen. Ze waren niet
+slaperig, maar opgewekter in het donker van den winter, dan ooit in
+den zomer. Ze zaten op de achterpooten als honden, zwiepten den grond
+met hun staarten, en hijgden heftig, met de tongen ver uit den bek
+hangende. Achter de wolven slopen de lossen rond, met stijve beenen,
+en lomp als groote, misvormde katten. Ze schenen schuw te zijn, en zich
+niet graag aan de andere dieren te vertoonen, en bliezen, als iemand
+hen naderde. De rij achter de lossen werd ingenomen door de veelvraten,
+die gezichten als honden, en pelzen als beren hadden. Zij tierden
+niet op het veld, maar stampten ongeduldig met hun breede pooten,
+en verlangden in de boomen te kunnen klimmen. En achter hen over
+de geheele plaats, heel tot den zoom van 't bosch speelden vossen,
+wezels en boschmarters, die allen klein en bijzonder sierlijk van
+gestalte waren, maar die er nog wilder en bloeddorstiger uitzagen
+dan de groote dieren.
+
+Dit alles zag de proost heel goed, omdat de heele plaats verlicht
+was. Op den hoogen steen in het midden stond namelijk de boschree,
+en hield een dennefakkel in de hand, die met een groote, roode vlam
+brandde. De ree was zoo groot als de hoogste boom in 't bosch, en had
+een mantel van sparretakken aan en sparrenappels in 't haar. Ze stond
+doodstil met het gezicht naar het bosch. Ze keek uit, en luisterde.
+
+Hoewel de proost alles heel duidelijk zag, was hij zoo verbaasd,
+dat hij er zich als 't ware tegen wilde verzetten, en zijn eigen
+oogen niet kon gelooven.
+
+"Dit is immers volkomen onmogelijk!" dacht hij. "Ik heb zeker te lang
+in 't donkere bosch gereden. 't Is mijn verbeelding, die me de baas
+is geworden."
+
+Maar toch lette hij met de grootste belangstelling op alles, en hij
+was benieuwd, wat hij te zien zou krijgen, en wat er gebeuren zou.
+
+Hij hoefde niet lang te wachten, voor er beneden uit het bosch
+een klein bengelend belletje klonk. En dadelijk daarop hoorde hij
+'t gedruisch van stappen en van brekende takken, alsof een menigte
+dieren door een woest veld baan braken.
+
+'t Was een groote schare huisdieren, die den berg opkwamen. Ze trokken
+voort uit het bosch in dezelfde volgorde, alsof ze op weg naar de
+zomerwei waren. Vooraan liep de koe met de klok om, dan de stier,
+daarachter de andere koeien en daarna 't jonge vee en de kalven. De
+schapen volgden dan in een dichte kudde; dan kwamen de geiten, en
+'t laatst een paar paarden en een veulen. De herdershond liep naast
+de kudde, maar noch de veehoedster, noch de herdersjongen waren
+er bij. De proost vond, dat het hartverscheurend was, al die tamme
+dieren regelrecht op de wilde beesten te zien aanloopen. Hij had wel
+voor hen willen gaan staan, en roepen, dat ze moesten stilstaan, maar
+hij begreep wel, dat het niet in de macht van eenig mensch stond, den
+optocht van het vee dien nacht tegen te houden. En hij hield zich stil.
+
+'t Was duidelijk te zien, dat de tamme dieren leden onder wat zij te
+gemoet gingen. Ze zagen er ellendig en angstig uit. Zelfs de koe,
+die de klok droeg, liep voort met aarzelende stappen en hangenden
+kop. De geiten hadden geen lust te stooten of te spelen. De paarden
+probeerden zich flink te houden, maar hun heele lichaam beefde van
+angst. 't Allerakeligst zag de herdershond er uit. Die hield den
+staart tusschen de pooten, en sleepte het lichaam bijna over den grond.
+
+De koe met de klok leidde den optocht tot heel bij de boschree,
+die op den steen op den bergtop stond. Ze ging om den steen heen en
+dan naar het bosch terug, zonder dat één van de wilde dieren haar
+aanraakte. En op dezelfde manier liep de heele kudde ongedeerd de
+wilde dieren voorbij.
+
+Terwijl het vee voorbij trok, zag de proost, dat de boschree haar
+dennefakkel boven eenige van hen liet neerdalen, en die dan omkeerde.
+
+Zoo vaak dat gebeurde, barstten de roofdieren in luid en blij gebrul
+uit, vooral als het boven een koe of een ander groot dier was,
+dat de fakkel neerdaalde, maar het dier, dat de fakkel over zich
+zag neerkomen, schreeuwde luid en schel, alsof het een messteek in
+'t vleesch voelde, en de heele kudde, waarbij het hoorde, barstte in
+klagen uit.
+
+Nu begon de proost te begrijpen wat hij zag. Hij had er vroeger al
+van hooren spreken, dat de dieren in Delsbo in den oudejaarsnacht
+bijeen komen op de Blacksbergvlakte, en dat de boschree dan de tamme
+dieren aanwijst, die in 't volgend jaar een prooi van de roofdieren
+zullen worden. Hij voelde een diep medelijden met die arme beesten,
+die in de macht van de wilde dieren waren, hoewel ze eigenlijk geen
+andere meesters boven zich mogen hebben dan de menschen.
+
+Nauwlijks was de eerste kudde verdwenen, of weer werd het luiden van
+de koeklok uit het bosch gehoord, en van een tweede hoeve kwam de kudde
+den bergtop op. Die ging in dezelfde orde, als de vorige, en liep naar
+de boschree, die daar streng en ernstig stond, en 't eene dier na het
+andere teekende ten doode. En na die kudde kwam de een na de andere,
+zonder ophouden. Sommige kudden waren zóó klein, dat er alleen één
+koe en een paar schapen waren. Andere bestonden enkel uit een paar
+geiten. 't Was duidelijk, dat die van kleine armoedige huisjes kwamen,
+maar ze moesten naar de boschree, en geen van hen werd gespaard.
+
+De proost dacht aan de boeren van Delsbo, die zooveel van hun
+huisdieren houden.
+
+"Ze moesten 't maar weten, dan lieten ze dit hier niet maar zoo
+gebeuren," dacht hij. "Ze zouden zeker liever hun eigen leven wagen,
+dan hun kudde hier laten loopen tusschen beren en wolven, en ze laten
+veroordeelen door de boschree."
+
+De laatste kudde, die aankwam, was die uit de pastorie. De proost
+herkende de koeklok al van verre, en dat deed zeker het paard ook. 't
+Begon over alle leden te beven, en baadde in 't zweet.
+
+"O zoo, nu is 't jouw beurt om voorbij de boschree te gaan en
+geoordeeld te worden," zei de proost tegen 't paard. "Maar wees jij
+maar niet bang! Ik begrijp wel, waarom je me hierheen hebt gebracht,
+en ik zal je niet in den steek laten."
+
+De prachtige kudde uit de pastorie kwam in een langen optocht uit het
+bosch en ging op de boschree en de wilde dieren toe. De laatste in
+de rij was het paard, dat zijn meester naar de Blacksbergvlakte had
+gebracht. De proost was niet afgestegen, maar bleef zitten, en liet
+zich door het dier naar de boschree dragen.
+
+Hij had geen geweer of mes om zich mee te verdedigen, maar hij had zijn
+misboek voor den dag gehaald, en hield dat tegen zijn borst gedrukt,
+nu hij in den strijd met dat booze ging.
+
+In 't begin was het, alsof niemand hem opmerkte. De kudde uit de
+pastorie liep voorbij de boschree op dezelfde manier als alle andere
+troepen. De boschree liet haar fakkel niet dalen over een van de
+dieren. Eerst toen het schrandere paard kwam, maakte ze een beweging,
+als om dat aan te wijzen voor den dood.
+
+Maar op dat zelfde oogenblik hield de proost het misboek vooruit. En
+de schijn van de fakkel viel op het kruis op den band. De boschree
+gaf een luiden, doordringenden gil, en de fakkel viel uit haar hand
+op den grond.
+
+De vlam ging dadelijk uit, en in den plotselingen overgang van licht
+naar donker kon de proost niets zien. Hij hoorde ook niets. Om hem
+heen heerschte dezelfde diepe stilte, die 's winters gewoonlijk op
+'t woeste veld rust.
+
+Toen gleden de zware wolken, die den hemel bedekten, plotseling van
+elkaar, en in de spleet trad de volle maan te voorschijn, en wierp haar
+licht over 't veld. En nu zag de proost, dat hij met zijn paard alleen
+op den top van de Blacksbergvlakte stond. Geen enkele van de wilde
+dieren was er meer. De grond was niet vastgetrapt door alle kudden,
+die erover geloopen hadden. Maar zelf zat hij met zijn misboek voor
+zich uit, en zijn paard stond te beven, en was met zweet bedekt.
+
+Toen de proost den berg was afgereden en thuis kwam in de pastorie,
+wist hij niet meer of 't een droom, een visioen of werkelijkheid was
+geweest, wat hij dien nacht had gezien. Maar dat het een vermaning
+voor hem was om aan de arme dieren te denken, die in de macht van
+de wilde beesten waren, dàt had hij begrepen. En hij preekte zoo
+krachtig voor de boeren in Delsbo, dat in zijn tijd alle beren en
+wolven in zijn gemeente werden uitgeroeid, hoewel ze toch schijnen
+te zijn teruggekomen, nadat hij weg was."
+
+Hier eindigde Bernhard zijn verhaal. Hij werd van alle kanten zeer
+geprezen, en het scheen al uitgemaakt, dat hij den prijs moest
+hebben. De meesten vonden 't bijna jammer voor Klement, dat hij met
+hem om den prijs dingen moest.
+
+Maar Klement begon onvervaard te vertellen. "Op een dag liep ik op
+de Schans, en verlangde naar huis," zei hij. En toen vertelde hij van
+het dwergje, dat hij had vrijgekocht, opdat het niet in een kooi zou
+komen, en door de menschen worden aangegaapt. En hij sprak er verder
+over, dat hij nauwlijks die goede daad had gedaan, of hij werd er
+voor beloond. Hij sprak door, en de verbazing van zijn toehoorders
+werd steeds grooter. En toen hij eindelijk kwam aan den koninklijken
+lakei en 't mooie boek, hadden alle veehoedsters haar handwerk op haar
+schoot laten glijden, en zaten onbewegelijk naar Klement te kijken,
+die zulke merkwaardige gebeurtenissen had beleefd.
+
+Zoodra Klement zijn verhaal had geëindigd, zei de oudste veehoedster,
+dat hij den halsdoek krijgen zou: "Bernhard heeft maar iets verteld,
+dat een ander is overkomen," zei ze. "Maar Klement heeft zelf een
+echt verhaal beleefd, en dat is nog meer waard, vind ik."
+
+Dat waren allen met haar eens. Zij zagen Klement met heel andere
+oogen aan dan vroeger, nu ze gehoord hadden, hoe hij met den koning
+had gesproken, en de kleine speelman durfde niet toonen, hoe trotsch
+hij daarop was. Maar midden in dit groote geluk vroeg een van hen,
+wat hij met het dwergje had gedaan.
+
+"Ik heb niet zelf een blauwen schotel voor hem kunnen neerzetten,"
+zei Klement. "Maar ik heb aan den Laplandschen jongen gevraagd het
+te doen. Waar hij gebleven is, weet ik niet."
+
+Nauwelijks had Klement dat gezegd, of een kleine dennenappel kwam
+aanvliegen, precies op zijn neus. Die kwam niet uit de boomen, en
+geen van de menschen had hem gegooid. 't Was onmogelijk te begrijpen,
+waar die vandaan kwam.
+
+"O wee! Klement!" zeide de veehoedster, "'t lijkt wel, of 't kleine
+volkje hooren kan, wat we hier zeggen. Je hadt toch niet aan een
+ander moeten overlaten den blauwen schotel buiten te zetten."
+
+
+
+
+
+
+XXXIII.
+
+EEN MORGEN IN ANGERMANLAND.
+
+
+HET BROOD.
+
+
+Toen de arend den volgenden dag over een gedeelte van Angermanland
+vloog, zei hij, dat hij honger had en wat te eten moest zien te
+krijgen. Hij zette den jongen neer in een geweldigen den, die op een
+hooge bergvlakte stond, en vloog toen weg.
+
+Toen de jongen genoeg naar het prachtige landschap om zich heen had
+gekeken, maakte hij den ransel van zijn rug los, nam er een stuk fijn
+wit brood uit, en begon te eten.
+
+"Ik geloof, dat ik nooit zulk goed brood heb geproefd," dacht hij. "'t
+Is zeker, omdat ik het op zoo'n mooie manier kreeg, dat ik er zooveel
+van houd."
+
+Hij herinnerde zich hoe de koningsarend den vorigen dag Angermanland
+was binnengevlogen, en nauwelijks was hij over de grens gekomen,
+of de jongen had een rivierdal in 't oog gekregen, zóó statig, dat
+het alles te boven ging, wat hij nog te voren had gezien.
+
+Toen de jongen dat prachtige dal in al zijn rijkdom zag, had hij er
+over geklaagd, dat hij zoo'n honger had. Hij had in twee dagen al
+niets te eten gehad, zeide hij, en nu was hij heelemaal uitgerammeld.
+
+Gorgo wilde niet, dat men zou zeggen, dat de jongen het bij hem minder
+goed had, dan toen hij met de wilde ganzen reisde, en hij had dadelijk
+zijn vaart vertraagd.
+
+"Waarom heb je dat niet eerder gezegd?" had hij gevraagd. "Je kunt
+zooveel eten krijgen, als je maar wilt. Honger hoef je niet te lijden,
+als je een arend tot reisgenoot hebt."
+
+Dadelijk daarop had de arend een boer in 't oog gekregen, die een akker
+liep te bezaaien, dicht aan den oever van de rivier. De man droeg
+koren in een mand, die hij voor de borst had hangen, en telkens als
+die leeg was, haalde hij nieuw zaad uit een zak, die bij de greppel
+stond. De arend had er op gerekend, dat die zak daar vol was met het
+beste voedsel, dat de jongen maar wenschen kon, en hij was boven de
+mand neergedaald.
+
+Maar eer nog de arend den grond had bereikt, was er een vreeselijk
+leven om hen heen ontstaan. 't Waren kraaien, musschen en zwaluwen,
+die onder heftig geschreeuw waren komen toeloopen, denkende, dat de
+arend van plan was op een vogel neer te schieten.
+
+"Weg, weg, roover! Weg, vogeldooder!" riepen ze.
+
+En ze hadden zoo'n spektakel gemaakt, dat de boer er opmerkzaam op
+werd, en kwam toeloopen. Toen had de arend moeten vluchten, en de
+jongen had geen korrel gekregen.
+
+'t Was wonderlijk geweest met die kleine vogels. Zij hadden niet
+alleen den arend gedwongen te vluchten, maar ze vervolgden hem nog
+een heel eind door het dal, en overal hadden de menschen hun geroep
+gehoord. De vrouwen waren naar buiten op de plaats gekomen, en hadden
+in de handen geklapt, zoodat het had geklonken als geweersalvo's. En
+de mannen waren naar buiten gerend met hun geweer in de hand.
+
+En zoo was het telkens gegaan, wanneer de arend op 't veld had willen
+neerdalen. De jongen had de hoop opgegeven, dat de arend hem iets te
+eten zou kunnen bezorgen. Hij had vroeger nooit vermoed, dat Gorgo zoo
+gehaat en verafschuwd was. Hij had bijna medelijden met hem gekregen.
+
+Een poos later waren ze over een groote boerderij gekomen, waar de
+huismoeder juist gebakken had. Ze had nu een plaat met pas gebakken
+broodjes op de plaats gezet om af te koelen, en stond er bij om op
+te passen, dat de hond of de kat er niet van stelen zou.
+
+De arend was neergedaald boven de boerderij, maar hij had niet voor
+de oogen van de boerin durven neerstrijken. Hij was heen en weer
+gevlogen, en wist niet hoe te doen. Een paar maal was hij zoo laag
+gekomen, dat hij bij de schoorsteenen was, maar toen was hij weer in
+de hoogte gevlogen.
+
+Maar nu had de huismoeder den arend opgemerkt. Ze had het hoofd
+opgeheven, en hem met de oogen gevolgd.
+
+"Wat deed die vreemd," had ze gezegd. "Ik geloof, dat hij een van
+mijn weitebroodjes wilde hebben."
+
+'t Was zoo'n mooie vrouw, lang en blond, met een vroolijk, open
+gezicht. Ze had heel hartelijk gelachen, had een broodje van de plaat
+genomen en 't boven haar hoofd gehouden.
+
+"Kom 't maar halen, als je 't hebben wilt," riep ze.
+
+De arend had haar woorden wel niet verstaan, maar hij had toch dadelijk
+begrepen, dat ze hem het broodje wilde geven. In vliegende vaart was
+hij op het broodje neergeschoten, had het gegrepen, en was er mee de
+lucht ingevlogen.
+
+Toen de jongen zag hoe de arend het broodje naar zich toe rukte,
+had hij de tranen in de oogen gekregen. Hij had niet geschreid van
+blijdschap, omdat hij nu een paar dagen geen gevaar liep honger te
+lijden, maar 't had hem ontroerd, dat de boerenvrouw haar brood aan
+den wilden roofvogel had gegeven.
+
+En toen hij nu in den dennetop zat, zag hij nog die groote, blonde
+vrouw voor zich, zooals ze daar op de plaats stond, en het brood
+omhoog hield. Zij had 't zeker wel geweten, dat de groote vogel een
+koningsarend was, een roofvogel, die de menschen gewoonlijk met scherpe
+schoten begroeten, en ze had zeker ook wel den wonderlijken dwerg
+gezien, dien hij op den rug had; maar ze had er niet over gedacht,
+wie ze waren. Zoodra ze had begrepen, dat ze hongerig waren, had ze
+haar goed brood met hen gedeeld.
+
+"Als ik ooit weer een mensch word," had de jongen gedacht, "zal ik
+die mooie vrouw bij de rivier gaan opzoeken, en haar bedanken, omdat
+ze zoo goed voor ons was."
+
+
+
+
+DE BOSCHBRAND.
+
+
+Terwijl de jongen nog met zijn ontbijt bezig was, merkte hij een
+flauwe rooklucht uit het noorden. Hij keerde zich dadelijk om
+naar dien kant, en zag een kleine rookzuil, wit als damp, uit een
+boschvlakte opstijgen; niet uit de naastbij liggende, maar uit de
+daarop volgende. Dat was zonderling, die rook midden in het woeste
+bosch, maar 't kon wel wezen, dat daar een zomerwei lag, en dat de
+meisjes bezig waren hun morgenkoffie te koken.
+
+'t Was vreemd, zooals die rook toenam en zich verspreidde. Dit kon toch
+niet van een zomerwei komen, maar misschien waren er kolenbranders in
+het bosch. Op de Schans had hij een kolenbrandershut en een kolenmijt
+gezien, en hij had gehoord, dat er ook zulke hutten hier in deze
+bosschen waren. Maar dat was toch zeker 't meest in den herfst en in
+den winter, dat de kolenbranders met de kolenhoop bezig waren.
+
+De rook werd steeds dichter. Nu golfde ze voort over den heelen
+bergrug. 't Was toch niet mogelijk, dat er zooveel rook uit een
+kolenhoop kon komen. Er moest iets van een brand zijn, want een massa
+vogels vlogen op, en verhuisden naar de volgende bergvlakte. Gieren
+en andere vogels, die zoo klein waren, dat men ze onmogelijk op zoo'n
+grooten afstand kon herkennen, vluchtten voor den brand.
+
+De kleine witte rookzuil was tot een dichte witte wolk aangegroeid,
+die over den kant van de bergvlakte golfde, en neerzonk in het dal. En
+er vlogen vonken en roetvlokken uit die wolk, en nu en dan kon men
+een roode vlam in den rook zien. 't Was wel een geweldige brand, die
+daar aangekomen was. Maar wat ter wereld zou er toch wel branden? Daar
+kon toch ook geen groote boerderij in 't bosch verborgen liggen!
+
+'t Zou ook meer dan een hoeve moeten zijn, om zoo'n brand te doen
+ontstaan. Nu kwam de rook niet alleen meer van de bergvlakte; maar ook
+uit het dal daar beneden, dat hij niet kon zien, omdat het achter de
+dichtstbij zijnde hoogte verborgen lag, stegen de rookmassa's op. Er
+was niets anders mogelijk, dan dat het bosch zelf brandde.
+
+Hij had moeite te begrijpen, dat het frissche, groene bosch kon
+branden, maar het was toch zeker zoo. En als het werkelijk het bosch
+was, dat brandde, kon dan het vuur ook hem niet bereiken? 't Was niet
+waarschijnlijk, maar hij wou toch, dat de arend maar terugkwam. 't
+Zou toch zeker 't beste zijn uit dit dal weg te komen. Alleen al de
+brandlucht, die hij bij iedere ademhaling binnenkreeg, was een plaag.
+
+'t Was vreeselijk zulk een geknap en geknetter, als hij nu op eens
+hoorde. Dat kwam van de bergvlakte, die 't dichtste bij hem lag. Daar
+stond op 't hoogste punt een groote den, even groot als die, waar hij
+zelf op zat. Die was zoo hoog opgegroeid, dat hij boven alle andere
+boomen uitstak. Nog pas had hij prachtig rood in 't morgenlicht
+gestaan. Nu glommen alle naalden op eens, en ze vatten vuur. Zóó
+mooi was hij nog nooit geweest, maar 't was ook voor 't laatst, dat
+hij zijn schoonheid kon vertoonen. De den was de eerste boom op de
+vlakte, die vuur vatte, en 't was onbegrijpelijk hoe de brand hem
+had bereikt. Was die er op roode vleugels heengevlogen? of had die
+langs den grond gekropen als een slang? Ja, dat kon niemand zeggen. De
+brand was er. De heele den vlamde als een stapel takken.
+
+Zie daar! Nu steeg de rook op uit verscheidene plaatsen op de
+bergvlakte. 't Vuur in 't bosch was zeker allebei: vogel en slang. 't
+Kon verre einden door de lucht vliegen en langs den grond sluipen. 't
+Zette de heele bergvlakte op eens in vlammen.
+
+De vogels sloegen in allerijl op de vlucht. Ze fladderden op uit den
+rook als groote roetvlokken, vlogen dwars over het dal, en kwamen op
+de bergvlakte, waar de jongen zat. Hij kreeg een berguil naast zich
+op den den, en vlak boven hem streek een havik neer op een tak. Dat
+zouden anders gevaarlijke buren zijn geweest, maar nu keken ze niet
+eens naar hem. Ze staarden maar naar het vuur, ze konden zeker niet
+begrijpen, wat er toch in het bosch gekomen was. Een marter vloog
+ook boven in den top van den den, ging op de punt van een tak zitten,
+en keek naar de brandende boschheuvels met zijn glanzende oogen. Vlak
+naast hem zat een eekhoorn, maar ze schenen elkaar niet te zien.
+
+Nu stroomde het vuur het dal in. Het siste en dreunde als een bruisende
+storm. Door den rook heen was het te zien, hoe de vlammen van den
+eenen boom op den anderen sloegen. Eer een de vlam vatte, werd hij
+eerst in een dunnen rooksluier gewikkeld, dan werden alle naalden
+tegelijk rood, en dan begon hij te knetteren en te branden.
+
+Beneden in het dal, dat onder hen lag, liep een kleine beek, met elzen
+en kleine berkjes omzoomd. Daar scheen het, dat de brand ophouden
+zou. De loofboomen vatten niet zoo snel vuur als de naaldboomen. De
+boschbrand stond voor een muur, en kon niet verder komen. Hij gloeide
+en spatte vonken, probeerde over te springen op het sparrenbosch aan
+de andere zijde van de beek, maar bereikte dat niet.
+
+Voor een poos was het vuur gestuit, maar toen wierp zich een
+lange vlam op een dorre spar, die wat hooger op de helling stond,
+en dadelijk stond die in lichte laaie. En toen was het vuur over de
+beek gekomen. De warmte was al zoo sterk geweest, dat iedere boom op
+de heele helling klaar was om vuur te vatten. Bruisend en dreunend
+als de sterkste storm en de meest woeste waterval vloog de boschbrand
+de bergvlakte op.
+
+Toen vluchtten de havik en de berguil, en de marter snelde naar
+beneden uit den boom. 't Zou zeker niet lang meer duren, voor 't vuur
+in de dennetop kwam. De jongen moest ook maken, dat hij wegkwam. 't
+Was niet gemakkelijk van den hoogen rechten stam van den denneboom
+weg te komen. Hij hield er zich aan vast, zoo goed hij kon, gleed
+heele einden neer tusschen de takken door, en rolde eindelijk op
+den grond. Maar hij had geen tijd om te voelen, of hij zich ook
+had bezeerd. Hij moest zich haasten om weg te komen. 't Vuur sloeg
+als een sissend onweer neer in den boom, de grond onder zijn voeten
+was warm en begon te rooken. Aan zijn eene zij liep een los; aan de
+andere schoof een lange adder voort, en vlak naast de slang kakelde
+een korhoen, dat voortliep met haar kleine donzige jongen.
+
+Toen de vluchtelingen van de helling af en beneden in het dal waren
+gekomen, ontmoetten ze menschen, die waren uitgegaan om den brand
+te blusschen. Zij waren daar zeker al een heele poos geweest, maar
+de jongen had zoo hardnekkig naar den anderen kant gekeken, van waar
+de brand kwam, dat hij ze niet had opgemerkt. Er was ook een beek en
+een breede rand loofboomen aan dezen kant, en daarachter werkten de
+menschen. Ze velden de naaldboomen, die het dichtst naast de elzen
+stonden, haalden water uit de beek, en goten het over den grond,
+en trokken het heikruid uit, opdat het vuur niet in de kleine takjes
+zou kunnen voortkruipen.
+
+Ook zij dachten alleen aan den boschbrand, die nu op hen aan kwam
+stormen. De vluchtende dieren sprongen tusschen hun voeten door,
+zonder dat zij ze zagen. Ze sloegen niet naar de adders, ze trachtten
+niet de korhoenders te vangen, terwijl ze heen en weer liepen langs
+de beek met haar piepende jongen, ze letten niet eens op Duimelot. Ze
+stonden met groote dennetakken, die ze in 't water hadden gedoopt,
+en daarmeê gewapend schenen ze op het vuur te willen afgaan. Er waren
+niet zoo heel veel menschen. 't Was merkwaardig hen daar te zien staan,
+klaar voor den strijd, terwijl alles vluchtte.
+
+Toen het vuur langs de helling kwam, met gedreun en gedruisch en
+ondragelijke hitte en verstikkende rook, klaar om over de beek en den
+muur van loofboomen te springen, om den anderen oever te bereiken,
+zonder een oogenblik stil te staan, weken de menschen eerst achteruit,
+alsof ze 't niet uit konden houden. Maar 't werd geen lange vlucht;
+ze keerden weer om.
+
+De boschbrand liep storm met vreeselijke kracht. De vonken stoven als
+een vuurregen over de loofboomen, de lange vlammen vlogen sissend uit
+den rook, alsof het bosch aan den anderen kant ze naar zich toe zoog.
+
+Maar de loofboomen hielden het vuur tegen, en daar achter werkten de
+menschen. Waar het veld begon te rooken, haalden ze water, en doofden
+het. Als een boom in rook werd gewikkeld, vielen ze hem aan met snelle
+bijlslagen, gooiden hem om en bluschten de vlammen. Waar het vuur
+door het heikruid sloop, sloegen ze het neer met natte dennetakken,
+en smoorden het. De rook werd zóó dicht, dat hij alles omhulde. Het was
+niet meer te zien, hoe de strijd ging, maar wel was het te begrijpen,
+dat die zwaar was, en dat het vaak bijna zoover kwam, dat de brand
+verder vooruit zou dringen.
+
+Maar zie, na een poos verminderde het sterke dreunen van 't vuur,
+en de rook werd dunner. Toen hadden de loofboomen al hun blaren
+verloren, de grond onder hen was zwart geschroeid, de menschen
+waren zwart van den rook, en dropen van zweet, maar de boschbrand
+was teruggeslagen. Hij vlamde niet meer. De rook kroop wit en zacht
+over den grond, en daaruit schoten een massa zwarte staken op. Dat
+was alles wat van het mooie bosch was overgebleven.
+
+De jongen was op een steen geklauterd, en had daar gezien hoe het
+vuur gebluscht werd. Maar nu 't bosch gered was, begon 't gevaar voor
+hem. De uil en de havik keerden op eens de oogen naar hem.
+
+Daar hoorde hij, hoe een welbekende stem hem riep. Gorgo, de
+koningsarend, suisde neer door 't bosch. En spoedig zweefde de jongen
+boven in de wolken, ver van alle gevaar.
+
+
+
+
+
+
+XXXIV.
+
+IN LAPLAND.
+
+
+Alleen al weer veilig op Gorgo's rug te zitten, na al den angst,
+dien hij had uitgestaan onder den boschbrand, was een geluk; maar ze
+maakten nu ook een heele mooie reis. Tegen den morgen was de wind
+uit het noorden gekomen, maar nu was hij omgeloopen, zoodat ze hem
+achter zich hadden, en geen zuchtje voelden. De tocht ging zoo kalm,
+dat het soms scheen, alsof ze stil stonden in de lucht.
+
+"Nu komen we in Lapland," had Gorgo gezegd, en de jongen had zich
+voorover gebogen om het landschap te zien, waar hij zoo veel van
+had gehoord.
+
+Maar hij was erg teleurgesteld, toen hij niet anders had gezien dan
+groote bosschen en moerassen. Bosschen en moerassen wisselden elkaar
+af. De groote eentonigheid had hem op 't laatst zóó slaperig gemaakt,
+dat hij bijna van den rug van den arend op den grond gerold was.
+
+Hij had tegen den arend gezegd, dat hij niet langer op zijn rug kon
+zitten, en dat hij een poos slapen moest.
+
+Gorgo was dadelijk neergedaald, en de jongen had zich in 't mos
+neergeworpen, maar toen had Gorgo de klauwen om hem heen geslagen,
+en was weer met hem de lucht ingevlogen.
+
+"Slaap jij maar, Duimelot," riep hij. "De zonneschijn houdt me wakker,
+en ik wil de reis voortzetten."
+
+En hoewel de jongen zoo ongemakkelijk had gehangen, was hij toch
+ingeslapen, en had een wonderlijken droom gehad. Hij droomde, dat hij
+op een breeden weg liep in Zuid-Zweden, zóó hard als zijn beentjes
+hem dragen konden. Hij was niet alleen. Een massa reizigers trokken
+met hem denzelfden kant uit. Vlak naast hem liepen rogge-aren met
+zware halmen aan den top, bloeiende korenbloemen en gele margrieten;
+appelboomen liepen hijgend voort, zwaar van vruchten, en achter hen
+kwamen vol uitgegroeide booneranken, groote witte margrieten, en
+een heel kreupelbosch van bessestruiken. Groote loofboomen, beuken,
+eiken en lindeboomen liepen kalm op hun gemak midden op den weg,
+fier ruischend met hun kronen, en weken voor niemand uit. Tusschen
+zijn voeten door, snelden kleine planten voort: wilde aardbeien,
+witte anemonen, klaver en vergeetmijnietjes.
+
+Eerst dacht hij, dat alleen planten op die manier langs den weg
+trokken, maar hij zag al gauw, dat ook dieren en menschen meêgingen. De
+insekten gonsden om de zich voortspoedende planten, in de sloten langs
+den weg gleden visschen voort, vogels zaten te zingen in de reizende
+boomen, tamme en wilde dieren liepen om 't hardst, en daartusschen
+door liepen menschen, sommige met spaden en zeisen, andere met bijlen,
+weer andere met jachtgeweren of met vischnetten.
+
+De tocht ging met vreugd en vroolijkheid, en dat verbaasde hem niet,
+nadat hij had gezien wie de leider was. Dat was niemand minder dan
+de zon zelf. Die rolde vooruit langs den weg als een groot stralend
+hoofd, met haar, van veelkleurige stralen en een gezicht, dat van
+vroolijkheid en goedheid glansde.
+
+"Vooruit," riep ze onophoudelijk. "Niemand hoeft bang te wezen,
+als ik er bij ben. Vooruit, vooruit!"
+
+"Ik ben benieuwd, waar de zon ons heen zal brengen," zei de jongen
+in zichzelf. Maar de rogge-aar, die naast hem liep, had die woorden
+gehoord, en antwoordde dadelijk: "Ze wil ons naar Lapland brengen,
+naar den grooten versteener."
+
+De jongen merkte al gauw, dat verscheidene van de reizigers aarzelden,
+langzamer liepen, en eindelijk bleven staan. Hij zag, dat de groote
+beuk staan bleef, de herten en het koren bleven aan den weg liggen,
+en ook de moerbeistruiken, de groote gele boterbloemen, de kastanjes
+en de patrijzen.
+
+Hij keek rond, om er achter te komen, waarom er zoo velen
+achterbleven. Toen merkte hij, dat hij niet meer in Zuid-Zweden was,
+maar dat de reis zoo gauw was gegaan, dat ze al in Smaland waren.
+
+Hier begon de eik al langzamer te loopen, en scheen bezwaren te
+hebben. Hij bleef een poos staan, deed aarzelend nog een paar stappen,
+en stond toen heelemaal stil.
+
+"Waarom gaat de eik niet verder meê?" vroeg de jongen.
+
+"Hij is bang voor den grooten versteener," zei een jonge lichte berk,
+die zoo vroolijk en flink meêliep, dat het een lust was om te zien.
+
+Maar hoewel er velen achterbleven, was er nog een groote schare, die
+met goeden moed den tocht voortzetten. En het zonnehoofd rolde steeds
+voor den stoet uit, lachte, en riep: "Vooruit, vooruit! niemand hoeft
+bang te wezen, zoolang ik er bij ben!"
+
+De schare haastte zich verder met dezelfde vaart. Spoedig waren zij
+in Norrland, en nu hielp het niet, hoe de zon ook riep en smeekte. De
+appelboom bleef staan, de kerseboom ook. De haver bleef staan.
+
+De jongen keerde zich naar de achterblijvers.
+
+"Waarom gaan jelui niet meê? Waarom laat jelui de zon in den
+steek?" vroeg hij.
+
+"We durven niet. We zijn bang voor den grooten versteener, die in
+Lapmarken woont," antwoordden ze.
+
+Al gauw meende de jongen te begrijpen, dat ze ver in Lapland gekomen
+waren, en hier dunde de schare, die voortging, meer en meer. De
+rogge, het koren, de wilde aardbei, de blauwbessen, de erwtenranken,
+de bessen waren heel tot hier meêgegaan. De eland en de koe hadden
+naast elkaar geloopen, maar toen bleven ze ook staan. De zon zou
+zeker heelemaal verlaten zijn, als er niet nieuwe reisgenooten bij
+waren gekomen. Wilgestruiken en een massa ander laag kreupelhout
+sloten zich bij den tocht aan. Laplanders en rendieren, rotsuilen,
+rotsvossen en sneeuwhoenders kwamen er bij.
+
+Nu hoorde de jongen iets, wat hem tegemoet kwam. 't Waren allerlei
+stroomen en beken, die aan kwamen storten in sterke vaart.
+
+"Waarom hebben ze zoo'n haast?" vroeg hij.
+
+"Ze vluchten voor den grooten versteener, die boven op de rotsen
+woont," antwoordde een sneeuwhoen.
+
+Op eens zag de jongen, dat zich voor hen een hooge, donkere muur
+verhief, met uitgetanden krans. Bij het zien van dien muur schenen
+allen achteruit te deinzen, maar de zon keerde dadelijk haar stralend
+gezicht naar den muur, en overstroomde dien met licht. Toen bleek
+het, dat het geen muur was, maar de prachtigste bergen, die zich
+achter elkaar verhieven. De toppen werden rood in den zonneschijn,
+en de hellende kanten waren lichtblauw met gouden weerschijn.
+
+"Vooruit, vooruit! Geen gevaar, zoolang ik er bij ben!" riep de zon,
+en rolde de steile wanden van de bergen op.
+
+Maar bij dien tocht tegen de bergen op, verliet haar de dappere berk,
+de sterke den en de koppige spar. Hier verlieten haar het rendier,
+de Laplander en de biezen. En eindelijk, toen ze boven op den bergtop
+was, volgde haar niemand anders, dan de kleine Niels Holgersson.
+
+De zon rolde in een kloof, waar de wanden met ijs waren bekleed,
+en Niels Holgersson wilde met haar meê naar binnen. Maar verder dan
+tot de opening van de kloof durfde hij niet. Want daar binnen zag hij
+iets verschrikkelijks. Heel in de diepte van die kloof zat een oude
+toovenaar, heelemaal van ijs, zijn haar was van ijspegels, en zijn
+mantel van sneeuw. Voor dien toovenaar lagen een paar zwarte wolven,
+die opstonden, en den bek opensperden, toen de zon zich vertoonde. En
+uit den eenen wolvenmuil kwam scherpe kou, uit den tweeden de huilende
+noordenwind en uit den derden zwarte duisternis.
+
+"Dat zal wel de groote versteener met zijn gevolg zijn," dacht de
+jongen. Hij begreep, dat hij nu het verstandigst deed met te vluchten,
+maar hij was zoo nieuwsgierig om te zien, hoe de ontmoeting tusschen
+de zon en den toovenaar zou afloopen, dat hij bleef staan.
+
+De toovenaar bewoog zich niet, maar staarde naar de zon met zijn
+griezelig ijsgezicht, en de zon stond ook stil, en deed niets dan
+lachen en stralen. Zoo duurde het een poos, en de jongen meende
+te merken, dat de toovenaar begon te zuchten en te jammeren. Zijn
+sneeuwmantel viel af, en de drie vreeselijke wolven huilden niet meer
+zoo erg. Maar op eens riep de zon: "Nu is mijn tijd uit!" en rolde
+achteruit uit de kloof. Toen liet de toovenaar zijn drie wolven los,
+en opeens vlogen de noorderstorm, de kou en de duisternis uit de kloof,
+en begonnen achter de zon aan te vliegen.
+
+"Jaag ze weg! Drijf ze voort," riep de toovenaar. "Jaag ze zoover weg,
+dat ze nooit meer terugkomt. Leer ze, dat Lapland van mij is!"
+
+Maar Niels Holgersson was zóó bang geworden, toen hij hoorde, dat
+de zon uit Lapland zou worden weggejaagd, dat hij met een gil wakker
+werd. En toen hij tot zichzelf gekomen was, had hij gemerkt, dat hij
+op den bodem van een groot bergdal lag. Maar waar was Gorgo? En hoe
+zou hij er achterkomen, waar hij was?
+
+Hij stond op, en keek rond. Toen vielen zijn oogen op een wonderlijk
+gebouw van dennetakken, dat boven op een rotsterras lag.
+
+"Dat is zeker zoo'n arendsnest, als Gorgo..."
+
+Hij dacht die gedachte niet uit. Maar hij rukte zich de muts van
+'t hoofd, zwaaide die in de lucht en riep: "Hoera!" Hij begreep,
+waar Gorgo hem had gebracht. Hier was het dal, waar de arenden op
+de rotsen, en de wilde ganzen in het dal woonden. Hij was, waar hij
+wezen moest! Hij zou zoo dadelijk Maarten, den ganzerik, en Akka en
+alle reisgenooten weerzien.
+
+
+
+
+DE AANKOMST.
+
+
+De jongen liep langzaam voort, en zocht naar zijn vrienden. 't Was
+heel stil in het dal. De zon was nog niet boven den rotswand opgekomen,
+en Niels Holgersson begreep, dat het zoo vroeg in den morgen was, dat
+de wilde ganzen nog niet wakker waren. Hij had nog niet lang geloopen,
+of hij bleef glimlachend staan, omdat hij zooiets moois zag. 't Was
+een wilde gans, die in een klein nestje op den grond sliep, en naast
+haar stond een ganzerik. Hij sliep ook, maar 't was duidelijk, dat
+hij zoo dicht bij haar was gaan staan, om bij de hand te wezen in
+geval van nood.
+
+De jongen liep door, zonder hen te storen, en keek tusschen de kleine
+wilgestruiken, die het veld bedekten. Al gauw kreeg hij een nieuw
+ganzenpaar in het oog. Ze hoorden niet tot zijn troep, 't waren
+vreemdelingen, maar hij werd zoo blij, dat hij begon te neuriën,
+alleen omdat hij wilde ganzen zag.
+
+Hij keek in een nieuw boschje kreupelhout, en daar zag hij eindelijk
+een paar, dat hij herkende. Dat moest stellig Neljä zijn, die daar
+lag te broeden, en de ganzerik, die naast haar stond, was Kolme. Ja
+zeker, dat was zoo. Hij kon zich niet vergissen.
+
+Hij had zoo'n lust ze wakker te maken, maar hij liet ze slapen,
+en liep verder.
+
+In 't volgende boschje zag hij Viisi en Kuusi, en niet ver van daar
+Yksi en Kaksi. Ze sliepen alle vier en de jongen liep hen voorbij,
+zonder ze wakker te maken.
+
+Toen hij bij 't volgend boschje kwam, meende hij iets wits te zien
+schijnen door de struiken, en zijn hart begon van vreugd te bonzen. Ja,
+het was, zooals hij had gedacht. Daar lag Donsje zoo mooi te broeden,
+en naast haar stond de witte ganzerik. De jongen vond, dat men hem
+kon aanzien, ook terwijl hij sliep, hoe trotsch hij er op was, dat
+hij hier zijn vrouw mocht beschermen in de rotsen van Lapland.
+
+Maar ook den witten ganzerik wilde de jongen niet wekken, en hij
+ging verder.
+
+Hij moest vrij lang zoeken, eer hij meer van de wilde ganzen vond. Maar
+toen merkte hij op een kleine hoogte, iets als een klein grauw boschje
+gras. En toen hij aan den voet van de hoogte was, zag hij, dat het
+grauwe boschje Akka van Kebnekaise was, die daar klaar wakker stond
+rond te kijken, alsof ze de wacht hield voor het heele dal.
+
+"Goeden morgen, Moeder Akka!" zei de jongen. "Dat is heerlijk, dat
+u wakker is. U moet zoo vriendelijk zijn de anderen niet wakker te
+maken, want ik wou u graag alleen spreken."
+
+De oude leidstergans vloog den heuvel af naar den jongen. Eerst nam ze
+hem beet, en schudde hem een beetje, toen streek ze met den snavel op
+en neer over zijn heele lichaam, en toen schudde ze hem weer. Maar ze
+zei niets, omdat hij haar had gevraagd de anderen niet wakker te maken.
+
+Duimelot kuste de oude moeder Akka op beide wangen, en toen begon
+hij haar te vertellen, hoe hij naar de Schans was gebracht en daar
+gevangen gehouden.
+
+"Nu zal ik u vertellen, dat Smirre, de vos met het afgebeten oor,
+gevangen zat in het vossenhol op de Schans," zei de jongen. "En
+hoewel hij erg leelijk tegen ons had gedaan, kon ik toch niet laten
+medelijden met hem te hebben. Er zaten nog veel andere vossen in dat
+groote vossenhuis, en die tierden best, maar Smirre zat altijd heel
+bedroefd te kijken, en verlangde naar zijn vrijheid. Ik had daar veel
+goede vrienden gemaakt, en op een dag hoorde ik van den Lappenhond,
+dat er een man naar de Schans was gekomen, om vossen te koopen. Hij
+kwam van een eiland ver in zee. Ze hadden daar alle vossen uitgeroeid,
+maar nu kregen de ratten de overhand, en ze wenschten, dat ze weer
+vossen hadden. Zoodra ik dat hoorde, ging ik naar de kooi van Smirre,
+en zei tegen hem: "Morgen komen hier menschen om een paar vossen te
+halen. Verstop je dan niet, maar vertoon je, en zorg, dat je gevangen
+wordt, dan krijg je je vrijheid terug." En hij volgde mijn raad,
+en loopt nu vrij op dat eiland rond. Wat zegt u daarvan, Moeder
+Akka? Heb ik in uw geest gehandeld?"
+
+"Dat was, wat ik zelf zou hebben gedaan," zei de leidstergans.
+
+"Dat is prettig, dat u daarmeê tevreden is," zei de jongen. "Nu is er
+nog iets, wat ik u vragen moet. Ik zag op een dag, dat Gorgo, de arend,
+dezelfde, die met Maarten den ganzerik heeft gevochten, gevangen naar
+de Schans werd gebracht, en in de arendskooi gezet. Hij zag er akelig
+en treurig uit, en ik dacht er over, of ik het staaldraadnet boven
+de kooi niet kon doorvijlen, en hem loslaten, maar toen dacht ik er
+ook aan, dat hij een gevaarlijk roover en vogelverslinder was. Ik wist
+niet, of ik goed deed met zoo'n misdadiger los te laten, en ik meende,
+dat het misschien 't beste was hem te laten, waar hij was. Wat vindt
+u Moeder Akka? Was dat goed gedacht?"
+
+"Neen, dat was niet goed," zei Akka. "Men mag zeggen wat men wil van
+de arenden, maar ze zijn fierder, en hebben hun vrijheid meer lief dan
+andere dieren, en het gaat niet aan hen gevangen te houden. Weet je,
+wat ik je nu voorstellen wou? Dat wij beiden, zoodra je bent uitgerust,
+een reis maken naar de groote vogelgevangenis, en Gorgo bevrijden."
+
+"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou, Moeder Akka," zei de jongen. "Er
+zijn er, die beweren, dat u geen liefde meer voelt voor hem, dien
+u met zooveel zorg hebt opgevoed, omdat hij leeft, zooals een arend
+leven moet. Maar nu hoor ik, dat het niet waar is. Ik zal nu zien
+of Maarten, de ganzerik, nog niet wakker is. En als u intusschen een
+paar woorden van dank wilt zeggen tegen hem, die mij hierheen heeft
+gebracht, dan geloof ik, dat u hem daarboven op het rotsterras vinden
+kunt, daar, waar u eens een hulpeloos arendsjong hebt gevonden."
+
+
+
+
+ASA, HET GANZENHOEDSTERTJE EN DE KLEINE MADS.
+
+
+In dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondreisde, werd
+er veel gesproken over een paar kinderen, een jongen en een meisje,
+die door het land zwierven. Ze waren uit Smaland, uit de gemeente
+Sunnerbo, en hadden eens met hun ouders en vier broertjes en zusjes in
+een hutje op een groote heide gewoond. Toen de beide kinderen nog klein
+waren, had laat op een avond een arme zwerfster op de deur geklopt,
+en om huisvesting gevraagd. Hoewel de hut nauwelijks de menschen,
+die er woonden, kon bevatten, was ze binnengelaten, en men had haar
+een bed op den grond gemaakt. 's Nachts had ze zoo liggen hoesten, dat
+de kinderen meenden, dat het heele huis er van dreunde, en 's morgens
+was ze zóó ziek geworden, dat ze haar reis niet had kunnen voortzetten.
+
+Vader en Moeder waren zoo goed voor haar geweest, als 't hun maar
+mogelijk was, ze hadden haar hun bed afgestaan, en waren zelf op
+den grond gaan slapen, en Vader was naar den dokter gegaan, om een
+drankje voor haar te halen. De eerste dagen was de zieke geheel
+in de war geweest. Ze had allerlei verlangd en geëischt, en had
+nooit een woord van dank gezegd; maar toen was ze zachter geworden,
+ootmoedig en dankbaar. Eindelijk had ze hun gebeden en gesmeekt,
+dat ze haar uit de hut naar de hei zouden brengen, en haar daar
+laten sterven. Toen het gastvrij echtpaar dat niet had willen doen,
+had ze hun verteld, dat ze de laatste jaren had rondgezworven met
+een Tatertroep. Zelf was ze niet van Taterfamilie, maar een dochter
+van een grondeigenaar. Ze was van huis weggeloopen, om met de Taters
+meê te gaan. Nu meende ze, dat een Tatervrouw, die boos op haar was
+geworden, haar de ziekte op den hals had gejaagd. Maar dat was nog
+niet genoeg geweest; de Tatervrouw had haar gedreigd en gezegd, dat
+'t zoo zou gaan met allen, die goed voor haar zouden wezen, en haar
+onder hun dak opnemen. Daar geloofde ze nu aan, en daarom smeekte
+zij hen, haar buiten de hut te zetten, en niet meer naar haar om
+te kijken. Ze wilde geen ongeluk brengen over zulke goede menschen,
+als zij waren. Maar Vader en Moeder hadden 't niet gedaan. Misschien
+waren ze wel een beetje bang geworden, maar ze waren toch niet zoo,
+dat ze een arm, doodziek mensch uit hun huis zouden jagen.
+
+Kort daarop was ze gestorven, en toen was het ongeluk begonnen. Vroeger
+was er nooit anders dan blijdschap in de hut geweest. Wel waren ze arm
+geweest, maar nog niet eens zoo heel erg. Vader maakte weefkammen, en
+Moeder en de kinderen hielpen hem bij het werk. Vader maakte zelf den
+kant van de kam, Moeder en de oudste zuster maakten de verbinding, de
+kleine kinderen schaafden de tanden, en sneden ze uit. Ze werkten van
+den morgen tot den avond, maar ze waren altijd vroolijk en blij, vooral
+wanneer Vader van de dagen vertelde, toen hij ver weg in vreemde landen
+geweest was om weefkammen te verkoopen. Vader was altijd zoo opgewekt,
+dat Moeder en alle kinderen zich nu en dan bijna ziek om hem lachten.
+
+De tijd na den dood van die arme zwerfster was voor de kinderen
+als een akelige droom. Ze wisten niet meer, of die kort of lang had
+geduurd, maar ze herinnerden zich, dat er telkens begrafenis geweest
+was bij hen aan huis. Eerst waren hun broertjes en zusjes gestorven
+en begraven, de een na de andere. Ze hadden immers niet meer dan vier
+gehad, dus meer dan vier begrafenissen kon 't toch niet geweest zijn,
+maar de kinderen meenden, dat er veel meer waren geweest. Eindelijk
+was het stil en treurig in de hut geworden. 't Was of daar elken dag
+een begrafenismaal gehouden werd. Moeder had wel zoowat moed gehouden,
+maar Vader was heelemaal veranderd. Hij kon geen gekheid meer maken,
+en ook niet werken, maar zat van den morgen tot den avond met het
+hoofd in de handen te peinzen. Op een keer--dat was na de derde
+begrafenis--was hij uitgebarsten in wilde woorden, waar de kinderen
+van schrikten, toen zij ze hoorden. Hij kon niet begrijpen, zei hij,
+waarom er zoo'n ongeluk over hen moest komen. Was het dan waar, dat
+het kwade machtiger was dan het goede in de wereld? Ze hadden immers
+een goede daad gedaan door de zieke te helpen!
+
+Moeder had geprobeerd verstandig met Vader te praten, maar ze had
+hem niet tot rust en onderwerping kunnen brengen, zooals ze zelf was.
+
+Een paar dagen later was het uit met Vader. Maar hij was niet
+gestorven, hij was weggegaan. Want nu was de oudste zuster ziek
+geworden, en van haar had Vader altijd 't meest gehouden. En toen hij
+zag, dat ook zij zou sterven, was hij al die ellende ontvlucht. Moeder
+had niet anders gezegd, dan dat het 't beste was voor Vader, dat hij
+weg was. Zij was bang geweest, dat hij krankzinnig zou worden. Hij
+tobde er over, zoodat hij op 't punt was zijn verstand te verliezen,
+hoe God kon toelaten, dat een slecht mensch zooveel ongeluk aanrichtte.
+
+Sinds Vader was heengegaan, waren ze heel arm geworden. In 't begin
+had hij hun geld gestuurd, maar daarna was 't hem zeker slecht
+gegaan en hij had opgehouden iets te zenden. En denzelfden dag, dat
+de oudste zuster begraven was, had Moeder het huis gesloten, en was
+weggegaan met de twee kinderen, die ze nog over had. Ze was naar Skaane
+gegaan, om op de bietvelden te werken, en ze had werk gekregen aan de
+suikerfabriek van Jordberga. Moeder was een goede werkster geweest,
+en was opgewekt en vrijmoedig. Allen hielden van haar. Velen hadden er
+zich over verwonderd, dat ze zoo kalm kon zijn, na alles wat ze had
+ondervonden. Maar Moeder was een heel sterk en geduldig mensch. Als
+iemand met haar sprak over die twee flinke kinderen, die ze bij zich
+had, zei ze alleen: "Zij zullen ook gauw sterven."
+
+Ze zei dat, zonder dat haar stem beefde, en zonder tranen in de oogen
+te krijgen. Ze had er zich aan gewend niet anders te verwachten.
+
+Maar het was niet gegaan, zooals Moeder dacht. De ziekte was in
+plaats daarvan over haarzelf gekomen. 't Was gauw gegaan met Moeder,
+nog gauwer dan met de broertjes en zusjes. Ze was in 't begin van
+den zomer naar Skaane gekomen, en vóór de herfst kwam, had zij de
+kinderen alleen gelaten.
+
+Terwijl Moeder ziek lag, had ze vaak tegen de kinderen gezegd, dat ze
+goed moesten onthouden, dat ze er nooit berouw van had gehad, dat ze
+de zieke in huis gehouden had. Want het was niet moeilijk te sterven,
+had Moeder gezegd, als je goed gehandeld hadt. Alle menschen moesten
+sterven, daar kon je niet aan ontkomen, maar zelf kon je 't er na
+maken, of je met een goed geweten wou sterven of met een slecht.
+
+Vóór Moeder was heengegaan, had ze geprobeerd nog wat voor haar
+kinderen te zorgen. Ze had gevraagd, of ze in de kamer mochten blijven
+wonen, waar ze alle drie dien zomer gewoond hadden. Als de kinderen
+maar een huis hadden, zouden ze niemand tot last zijn. Ze zouden voor
+zichzelf zorgen, dat wist ze.
+
+De kinderen mochten de kamer behouden, als zij wilden beloven de ganzen
+te hoeden, want het was altijd moeilijk kinderen te vinden, die dat
+werk op zich wilden nemen. En het ging werkelijk, zooals Moeder had
+gezegd: ze zorgden voor zichzelf. 't Meisje kon balletjes maken, en de
+jongen sneed kinderspeelgoed, dat ze aan de boerderijen verkochten. Ze
+hadden aanleg voor handel, en begonnen al gauw bij de boeren boter
+en eieren te koopen, die ze aan de arbeiders op de suikerfabriek
+verkochten. Ze waren zoo handig en ordelijk, dat men hun alles kon
+toevertrouwen. 't Meisje was de oudste, en toen ze dertien jaar was,
+kon men al op haar vertrouwen, als op een volwassen mensch. Ze was stil
+en ernstig, maar de jongen was spraakzaam en vroolijk, en zijn zuster
+zei van hem, dat hij om 't hardst kakelde met de ganzen op 't veld.
+
+Toen de kinderen een paar jaar bij Jordberga geweest waren, werd er
+op een avond een voordracht gehouden in de school. Die was eigenlijk
+voor volwassenen bedoeld, maar de twee kinderen uit Smaland zaten
+onder de toehoorders. Zij zelf rekenden zich niet onder de kinderen,
+en dat deden de andere eigenlijk ook niet. De spreker had verteld van
+die vreeslijke ziekte, die ieder jaar zooveel menschen in Zweden deed
+sterven, de tuberculose. Hij had heel helder en duidelijk gesproken,
+en de kinderen hadden ieder woord verstaan en begrepen.
+
+Na de voordracht waren ze buiten de school blijven wachten. Toen de
+spreker naar buiten kwam, namen ze elkaar bij de hand, gingen heel
+plechtig naar hem toe, en vroegen hem te spreken.
+
+De vreemde had eerst die twee, die daar met ronde, rose kindergezichten
+zoo ernstig stonden te praten, zoodat ze driemaal zoo oud schenen,
+als ze werkelijk waren, heel verbaasd aangekeken, maar hij had heel
+vriendelijk naar hen geluisterd.
+
+De kinderen vertelden, wat bij hen gebeurd was, en vroegen nu den
+spreker, of hij meende, dat Moeder en de broertjes en zusjes waren
+gestorven aan de ziekte, die hij had beschreven.
+
+Dat was wel waarschijnlijk, antwoordde hij. Dat kon niet best een
+andere ziekte wezen.
+
+Maar als Moeder en Vader dat geweten hadden, wat de kinderen dien avond
+hadden gehoord, zoodat ze hadden kunnen oppassen; als ze de kleeren
+van de zwerfster hadden verbrand, als ze de kamer goed schoon hadden
+gehouden, en de dekens niet gebruikt, zouden ze allen dan nog in leven
+zijn geweest, zij, die de kinderen nu betreurden? En de spreker had
+geantwoord, dat niemand dat heel zeker kon zeggen, maar hij geloofde
+wel, dat geen in hun omgeving ziek had hoeven te worden, als ze
+geweten hadden, hoe ze voor de besmetting hadden kunnen oppassen.
+
+Nu aarzelden de kinderen even met de volgende vraag, maar ze gingen
+niet heen. Want wat ze nu wilden vragen was het gewichtigste. Was
+het dan niet waar, dat de Tatervrouw hun de ziekte had gezonden,
+omdat ze iemand hadden geholpen, waar zij boos op was? Was dat niet
+iets bijzonders geweest, dat alleen hen had getroffen?
+
+Neen, dat kon de spreker hun gerust verzekeren, dat dàt niet waar
+was. Geen mensch had de macht een ander op die manier een ziekte te
+zenden. En ze wisten immers, dat die ziekte 't heele land over werd
+aangetroffen. Die kwam bijna in alle huizen, maar niet overal had ze
+zoovelen doen sterven, als bij hen. Toen bedankten de kinderen hem,
+en gingen naar huis. Zij spraken dien avond heel lang samen.
+
+Den volgenden dag gingen ze hun dienst opzeggen. Ze konden geen ganzen
+hoeden dat jaar, ze moesten ergens anders heen.
+
+Waar moesten ze dan naar toe?
+
+Ze moesten hun Vader opzoeken. Ze moesten hem zeggen, dat Moeder en
+de broers en zusjes aan een gewone ziekte waren gestorven, en dat het
+niet iets bijzonders was, dat een slecht mensch hun had gezonden. Ze
+waren zoo blij, dat ze dat hadden gehoord. En nu was het hun plicht
+dit aan Vader te vertellen, want hij zou daar zeker nog altijd over
+loopen tobben.
+
+De kinderen gingen eerst naar hun huisje in Sunnerbo, en tot hun groote
+verbazing vonden ze dat in lichte laaie vlam. Toen gingen ze naar
+de pastorie, en hoorden daar, dat een knecht, die spoorwegwerker was
+geweest, hun vader had gezien bij den Malmberg, ver in Lapland. Hij
+had in de mijn gewerkt, en deed dat misschien nog, maar daar kon je
+niet zeker van zijn. Toen de predikant hoorde, dat de kinderen hun
+vader wilden zoeken, nam hij een kaart, wees hun hoe ver het was naar
+den Malmberg, en raadde hun den tocht af. Maar de kinderen zeiden,
+dat ze niet anders konden. Ze moesten Vader opzoeken. Hij was van
+huis weggegaan, omdat hij iets geloofde, wat niet waar was. Ze moesten
+naar hem toe om hem te zeggen, dat hij zich vergist had.
+
+Ze hadden wat geld verdiend met hun handel, maar ze wilden dat niet
+gebruiken om een spoorkaartje te koopen. Ze besloten den heelen weg
+te voet te gaan. En daar hadden ze geen berouw van. Ze hadden een
+bijzonder mooien tocht.
+
+Eer ze nog uit Smaland gekomen waren, gingen ze op een dag een
+boerderij binnen, om wat eten te koopen. De huismoeder was opgewekt
+en spraakzaam. Ze had de kinderen gevraagd, wie ze waren, en van waar
+ze kwamen, en ze hadden hun heele geschiedenis verteld.
+
+"Neen maar! Neen maar!" zei de vrouw telkens, terwijl ze spraken. Toen
+werden de kinderen goed ontvangen; ze kregen veel en goed eten, en
+mochten er niets voor betalen. Toen ze opstonden om te bedanken en
+heen te gaan, had de vrouw gevraagd, of ze in de volgende gemeente
+niet naar haar broer zouden willen gaan. En ze zei hun hoe hij heette,
+en waar hij woonde. Ja, dat wilden de kinderen natuurlijk graag.
+
+"Jelui moet hem van mij groeten, en hem vertellen wat jelui overkomen
+is," zei de boerin.
+
+Dat deden de kinderen, en ze werden vriendelijk ontvangen ook bij
+den broeder. Hij liet hen met zich meê rijden naar een plaats in de
+volgende gemeente, en ook daar werden ze goed ontvangen. Telkens als
+ze van een boerderij weggingen, zei men: "Als jelui daar en daar komen,
+moet je naar binnen gaan en vertellen wat jelui is overkomen."
+
+In de boerderijen, waar de kinderen werden heengezonden, was altijd een
+borstlijder. En zonder dat ze 't zelf wisten, gingen die twee kinderen
+door het land, en leerden de menschen wat dat voor een gevaarlijke
+ziekte was, die in hun huis was binnengeslopen, en hoe ze die het
+beste bestrijden konden. Ze leerden de menschen, dat het niet genoeg
+was de plaats op te harken en de grond te dweilen. Ze moesten ook de
+spons en den borstel, de groene zeep en de witte gebruiken. Binnen
+en buiten de deur moest het schoon zijn, en schoon moesten ze zelf
+wezen. Zóó zouden ze eindelijk de ziekte meester worden.
+
+
+
+
+DE DOOD VAN KLEINE MADS.
+
+
+Kleine Mads was dood. 't Scheen ongeloofelijk voor allen, die hem
+voor een paar uur nog frisch en vroolijk hadden gezien, maar toch
+was het zoo. Kleine Mads was dood, en moest begraven worden.
+
+Kleine Mads was vroeg op een morgen gestorven, en niemand dan zijn
+zuster Asa was in de kamer geweest, toen hij stierf.
+
+"Ga niemand anders roepen," had hij gezegd, toen het einde naderde,
+en zijn zuster had gedaan, zooals hij graag wilde.
+
+"Ik ben blij, dat ik niet aan de ziekte sterf, Asa," had hij
+gezegd. "Jij ook niet?"
+
+En toen ze niet antwoordde, ging hij voort: "Ik vind het niet erg
+om dood te gaan, nu ik niet op dezelfde manier sterf als Moeder
+en de anderen. Als dat zoo was gegaan, zou je zeker Vader nooit
+hebben doen gelooven, dat het maar een gewone ziekte was, die ze had
+weggenomen. Maar nu zal dat wel gaan, dat zul je zien."
+
+Toen alles voorbij was, zat Asa lang te denken aan wat haar broer,
+kleine Mads te verdragen had gehad, zoolang hij leefde. Ze vond, dat
+hij alle tegenspoed met den moed van een groot mensch had gedragen. Ze
+dacht aan zijn laatste woorden. Zoo dapper was hij altijd geweest. En
+het werd haar duidelijk, dat als kleine Mads nu begraven moest worden,
+dan moest dat gebeuren met dezelfde eerbewijzen als voor een groot
+mensch.
+
+'t Zou wel moeilijk wezen het gedaan te krijgen. Maar ze wilde alles
+probeeren, ter wille van kleine Mads, en ze voelde, dat ze misschien
+hier gemakkelijker dan ergens anders iets kon gedaan krijgen, dat
+ongewoon was.
+
+Asa zat er aan te denken hoe 't hun was gegaan, toen ze naar den
+Malmberg waren geloopen, en naar een arbeider hadden gevraagd, die
+Jon Assarsson heette en in elkaar gegroeide wenkbrauwen had. Die
+wenkbrauwen waren 't merkwaardigst in Jon Assarssons gezicht, en
+maakten, dat de menschen hem gemakkelijk konden onthouden. De kinderen
+hoorden al gauw, dat Vader verscheidene jaren bij den Malmberg had
+gewerkt, maar dat hij nu op reis was. Hij ging gewoonlijk nu en dan
+een poos weg, als de onrust over hem kwam. Waar hij heen was, wist
+niemand, maar allen waren er zeker van, dat hij over een paar weken
+zou terugkomen. En daar zij de kinderen van Jon Assarsson waren,
+konden ze immers in de hut zijn, waar hij gewoond had, terwijl ze op
+hem wachtten. Een vrouw had den deursleutel van onder den drempel
+opgezocht, en de kinderen binnen gelaten. Niemand had er zich over
+verbaasd, dat ze daar gekomen waren, en niemand scheen het vreemd
+te vinden, dat Vader zoo nu en dan de wildernis introk. Hier was het
+zeker niets ongewoons, dat ieder deed, zooals hij goed vond.
+
+Asa had goed gezien. Het gelukte haar, na eenige moeilijkheden,
+den kleinen Mads, met alle eerbewijzen te laten begraven.
+
+
+
+
+
+
+XXXV.
+
+BIJ DE LAPLANDERS.
+
+
+De begrafenis was voorbij. Alle gasten waren vertrokken, en Asa was
+alleen in de kleine hut, die aan haar Vader toebehoorde. Ze had de
+deur gesloten, om ongestoord aan haar broer te kunnen denken. Ze
+herinnerde zich alles, wat kleine Mads had gezegd en gedaan, het
+eene na het andere, en dat was zóóveel, dat ze er niet toe kwam om
+naar bed te gaan, maar den heelen avond en nog een groot gedeelte
+van den nacht opbleef. Hoe meer ze aan haar broer dacht, hoe beter
+ze begreep, hoe moeilijk het voor haar zou zijn zonder hem te leven,
+en eindelijk legde zij het hoofd op de tafel, en schreide bitter.
+
+"Wat zal ik beginnen, nu ik kleinen Mads niet meer heb," snikte zij.
+
+'t Was al laat in den nacht, en Asa had een vermoeienden dag gehad,
+zoodat het geen wonder was, dat ze in slaap viel, zoodra ze haar
+hoofd neerlegde. En 't was ook geen wonder, dat ze droomde, van dat,
+waar ze juist over had zitten denken. Ze droomde, dat kleine Mads
+springlevend bij haar in de kamer kwam.
+
+"Nu, Asa, nu moet je Vader gaan zoeken," zei hij.
+
+"Hoe kan ik dat doen, als ik heelemaal niet weet waar hij is,"
+antwoordde ze.
+
+"Wees daar maar niet ongerust over!" zei kleine Mads vlug en vroolijk,
+zooals gewoonlijk. "Ik zal je iemand sturen, die je helpen zal."
+
+Juist op dat oogenblik, toen Asa droomde, dat kleine Mads dat tegen
+haar zei, werd er op de deur van haar kamer geklopt. Dat was echt
+kloppen, en geen droom. Maar ze was nog zóó vol van wat ze gedroomd
+had, dat ze niet uit elkaar kon houden, wat werkelijkheid en wat
+verbeelding was, en toen ze opstond om de deur open te doen, dacht ze:
+"Dat is zeker iemand, die Mads beloofd heeft me te sturen."
+
+Als het nu zuster Helma, de pleegzuster, die in de buurt woonde, was
+geweest, of een ander gewoon mensch, die op den drempel stond, toen ze
+opendeed, zou Asa wel begrepen hebben, dat haar droom nu uit was. Maar
+dat was zoo niet. Er had niemand anders geklopt, dan een dwergje, niet
+meer dan een handbreed groot. Hoewel het zoo laat in den nacht was,
+was het buiten even licht als overdag, en Asa zag dadelijk, dat het
+'t zelfde dwergje was, dat Mads en zij, een paar keer hadden ontmoet,
+terwijl ze door 't land zwierven. Toen was ze bang voor hem geweest, en
+dat zou ze ook nu geworden zijn, als ze goed wakker was geweest. Maar
+ze meende, dat ze nog altijd droomde, en daarom bleef ze kalm staan.
+
+"Ik dacht wel, dat hij het juist zou zijn, die kleine Mads me sturen
+zou, om me te helpen Vader te vinden," dacht ze.
+
+En ze had gelijk. Want het dwergje kwam juist, om met haar over haar
+vader te spreken. Toen hij zag, dat ze niet bang voor hem was, zei
+hij haar kort, waar haar vader te vinden was, en hoe ze moest doen
+om bij hem te komen.
+
+Terwijl hij sprak, kwam Asa zoo langzamerhand tot haar volle
+bewustheid, en toen hij zweeg, was ze volkomen wakker. En toen
+schrikte ze er zóó van, dat ze daar stond te praten met iemand,
+die in een heel andere wereld thuishoorde dan zij, dat ze hem niet
+kon danken of iets anders tegen hem zeggen, maar naar binnen vloog
+en de deur hard toesloeg. Ze meende te zien, dat de dwerg een heel
+bedroefde uitdrukking in zijn gezicht kreeg, toen ze dat deed, maar
+ze kon het niet laten. Ze was buiten zichzelf van schrik; ze kroop
+dadelijk in bed, en trok de dekens over de oogen.
+
+Maar hoewel ze zoo bang voor den dwerg was, begreep ze toch, dat hij
+het goed met haar meende, en den dag daarop deed ze gauw precies,
+wat hij had geraden.
+
+
+
+Aan den westelijken oever van Luossajaure, een meertje, dat veel mijlen
+ten noorden van den Malmberg lag, was een klein Lappenkamp. Ten zuiden
+van het meer verhief zich een geweldige berg, die Kirunavara heette
+en, zooals men zei, bijna uitsluitend uit ijzererts bestond. Ten
+noordoosten lag een andere berg, de Luossavara, die ook veel ijzererts
+bevatte. Tegen die bergen op begon men een spoorweg aan te leggen,
+van af Gellivare, en bij de Kirunavara werd een station gebouwd,
+een hôtel voor reizigers, en een massa woningen voor alle arbeiders
+en ingenieurs, die hier moesten wonen, als het ertsbreken goed aan
+den gang was. 't Was een heele stad met vroolijke, gezellige huisjes,
+die gebouwd werd in een streek, zóó ver naar 't noorden gelegen, dat
+de kleine verschrompelde berkjes, die 't veld bedekten, hun bladen
+niet uit de knoppen konden krijgen voor midden in den zomer.
+
+Ten westen van het meer lag 't veld vrij en open, en daar hadden een
+paar Laplandsche families zich gevestigd. Zij waren daar een paar
+maanden geleden gekomen, en hadden niet veel tijd noodig gehad, om
+hun woning in orde te maken. Ze hadden geen rotsen laten springen en
+niet gemetseld, om goeden en effen bouwgrond te krijgen. Ze hadden zich
+eerst maar een droge en prettige plaats bij 't meer uitgezocht, en toen
+hadden ze alleen een paar wilgestruiken weggehakt en een paar bosjes
+gras weggesneden, om hun bouwterrein in orde te maken. Ze hadden ook
+geen dagenlang getimmerd en hout gehakt, om flinke houten wanden op te
+trekken, ze hadden geen zorgen gehad, om 't dak te leggen en te dekken,
+of om balken en vensterkozijnen te maken, of om deuren en sloten in
+te zetten. Ze hadden alleen maar een paar tentstangen stevig in den
+grond te slaan en het tentzeil er over te hangen, om hun huis zoo
+goed als klaar te hebben. En ook hadden ze niet veel moeite genomen,
+om hun huis in te richten of te meubileeren. 't Voornaamste was,
+dat ze wat dennetakken en een paar huiden op den grond spreidden,
+en de groote pan, waarin ze hun rendiervleesch plachten te koken,
+aan een ketting ophingen, die boven aan den top van de tentstangen
+werd vastgemaakt.
+
+De kolonisten aan den oostkant van 't meer, die zoo ijverig werkten
+om hun huizen klaar te krijgen vóór de strenge winter zou invallen,
+verbaasden zich over de Laplanders, die nu hier in 't hooge noorden al
+veel honderden jaren hadden rondgezworven, zonder er aan te denken,
+dat er beter bescherming tegen de kou en den storm noodig was, dan
+dunne tentmuren. En de Laplanders verbaasden zich over de kolonisten,
+die zooveel zwaar werk deden, terwijl er toch niet meer noodig was
+dan een paar rendieren en een tent om te kunnen leven.
+
+Op een middag in Juli regende het ontzettend bij Luossajaure,
+en de Laplanders, die anders in den zomer niet veel binnen waren,
+kropen allemaal in een van de tenten, en gingen om het vuur zitten
+koffiedrinken.
+
+Terwijl de Laplanders druk aan 't praten waren onder de koffie,
+kwam er een roeiboot van den kant van Kiruna, en legde aan bij het
+Laplanderskamp. Uit de boot stapten een arbeider en een meisje tusschen
+de dertien en veertien jaar.
+
+De honden van de Laplanders vlogen hun te gemoet met luid en schel
+geblaf, en een van de Laplanders stak het hoofd buiten de tent om te
+zien, wat er gaande was. Hij was blij, toen hij den arbeider zag. 't
+Was een goede vriend van de Laplanders, een vriendelijk en spraakzaam
+man, die Lapsch kon spreken, en de Laplander riep hem toe, dat hij
+in de tent moest kruipen.
+
+"Je komt als geroepen, Söderberg!" zei hij. "De koffiepot staat op
+'t vuur. Niemand kan wat uitvoeren in den regen. Kom binnen, en vertel
+ons wat nieuws."
+
+De arbeider kroop naar binnen, en met veel moeite en onder veel gelach
+werd er plaats gemaakt voor hem en het meisje in de kleine tent, die
+al te voren vol menschen was. De man begon al gauw Lapsch met zijn
+gastheeren te praten. Het meisje, dat bij hem was, verstond niets
+van het gesprek. Ze zat stil en verwonderd naar alles om haar heen
+te zien; naar de pan en de koffietafel, naar 't vuur en den rook,
+naar de Laplandsche mannen en vrouwen, naar de kinderen en de honden,
+naar de wanden en den vloer, naar de koffiekoppen en de tabakspijpen,
+naar de bonte kleeren en uitgesneden werktuigen. 't Was alles nieuw
+voor haar. Niets was, zooals zij het gewend was.
+
+Op eens moest ze ophouden met rondkijken, en sloeg de oogen neer,
+want ze merkte, dat allen in de tent haar aankeken. Söderberg moest
+iets van haar verteld hebben, want nu namen de Laplandsche mannen
+en vrouwen de korte pijp uit den mond, en keken naar de plaats,
+waar zij zat. De Laplander, die naast haar zat, klopte haar op den
+schouder, knikte en zei in 't Zweedsch: "Goed, goed." Een Laplandsche
+vrouw schonk een grooten kop koffie in, die haar met veel moeite werd
+toegereikt, en een Laplandsche jongen, die ongeveer even oud was als
+zij, kroop tusschen de anderen door, tot hij bij haar kwam. En daar
+lag hij haar maar aan te kijken.
+
+'t Meisje begreep, dat Söderberg aan de Laplanders vertelde, hoe
+ze een groote begrafenis had gehouden voor haar broer, de kleine
+Mads; maar zij had liever gehad, dat hij niet zooveel over haar had
+gesproken, maar in plaats daarvan aan de Laplanders had gevraagd,
+of ze wisten waar haar vader was. De dwerg had gezegd, dat hij bij
+de Laplanders moest wezen, die ten westen van Luossajaure hun kamp
+hadden opgeslagen, en ze had gevraagd, of ze daarheen mocht rijden
+met een grinttrein (want gewone treinen liepen nog niet op die baan)
+om hem te zoeken. Allen, de arbeiders en de chef hadden haar zoo
+goed mogelijk geholpen, en een ingenieur van Kiruna had Söderberg,
+die Lapsch kon spreken, met haar over 't meer gestuurd, om naar
+haar vader te vragen. Ze had gehoopt hem te ontmoeten, zoodra ze in
+'t kamp kwam. Ze had van den een naar den ander gekeken in de tent,
+maar allen waren 't Laplanders. Haar vader was daar niet.
+
+Ze zag, dat de Laplanders en Söderberg al ernstiger werden, hoe langer
+zij samen praatten, en dat de Laplanders het hoofd schudden en zich op
+'t voorhoofd klopten, alsof ze over iemand spraken, die niet bij zijn
+volle verstand was. Toen werd ze zoo ongerust dat ze het niet langer
+kon uithouden, zoo stil te zitten wachten, maar Söderberg vroeg,
+wat de Laplanders van haar vader wisten.
+
+"Ze zeggen, dat hij uit visschen is gegaan," zei de arbeider. "Ze
+weten niet, of hij nog vanavond hier in 't kamp terug kan zijn,
+maar zoodra 't weer beter is, zal een van hen hem gaan zoeken."
+
+Daarop wendde hij zich weer tot de Laplanders, en bleef druk met hen
+praten. Hij wilde niet, dat Asa gelegenheid zou hebben hem nog meer
+over Jon Assarsson te vragen.
+
+
+
+'t Was morgen, en mooi weer. Ola Serka zelf, de voornaamste onder
+de Laplanders, had gezegd, dat hij Asa's vader zou gaan zoeken, maar
+hij maakte geen haast. Hij zat voor de tent op den grond gehurkt, en
+dacht aan Jon Assarsson, en vroeg zich af, hoe hij hem de boodschap
+zou brengen, dat zijn dochter was gekomen om hem te zoeken. 't Moest
+zóó gebeuren, dat Jon Assarsson niet bang werd, en wegliep, want
+hij was een zonderling man, en bang om kinderen te ontmoeten. Hij
+zei altijd, dat hij zulke sombere gedachten kreeg, als hij ze zag,
+dat hij 't niet verdragen kon.
+
+Terwijl Ola Serka zoo zat te peinzen, zaten Asa en Aslak, de
+Laplandsche jongen, die haar den vorigen avond zoo had zitten
+aankijken, op de plaats voor de tent samen te praten. Aslak was
+op school geweest en kon Zweedsch spreken. Hij vertelde Asa van 't
+leven in Sameland, en verzekerde haar, dat de menschen 't daar beter
+hadden dan ergens anders. Asa vond, dat ze het verschrikkelijk hadden,
+en dat zei ze ook.
+
+"Je weet niet, wat je zegt," zei Aslak. "Blijf maar een week bij ons,
+en dan zul je zien, dat wij het gelukkigste volk op de wereld zijn."
+
+"Als ik hier een week bleef, zou ik zeker gestikt zijn van den rook
+in de tent," zei Asa.
+
+"Zeg dat niet," zei de Laplandsche jongen. "Je weet niets van ons. Ik
+zal je wat vertellen, waaruit je misschien begrijpen kunt, dat hoe
+langer je hier bleef, hoe beter je je bij ons thuis zou voelen."
+
+Daarop begon Aslak Asa te vertellen, hoe 't hier was in den tijd
+toen een ziekte, die ze "de zwarte dood" noemden, door 't land was
+gegaan. Hij wist niet, of die ook in 't echte Sameland was geweest,
+waar ze nu waren, maar in Jämtland was 't zoo vreeselijk geweest,
+dat van de Samelanders, die daar in bosschen en op de rotsen woonden,
+allen waren gestorven, behalve een jongen van vijftien jaar, en van
+de Zweden, die in de rivierdalen woonden, niemand was overgebleven
+dan een meisje, dat ook vijftien jaar oud was.
+
+"De jongen en 't meisje hadden een heelen winter door 't eenzame
+land gezworven om menschen te zoeken, en tegen de lente hadden ze
+eindelijk elkaar ontmoet," vertelde Aslak verder. "Toen vroeg het
+Zweedsche meisje den Laplandsche jongen, of hij met haar meê naar
+'t zuiden wou trekken, zoodat ze bij menschen van haar eigen stam
+kon komen. Ze wilde niet langer in Jämtland blijven, waar niets dan
+verlaten hoeven te vinden waren.
+
+"Ik wil je brengen, waarheen je maar wilt," zei de jongen. "Maar
+niet vóór den winter. Nu is 't lente, mijn rendieren trekken naar
+'t westen over de rotsen, en je weet, dat wij, die in Sameland thuis
+hooren, moeten gaan, waar de rendieren ons leiden."
+
+'t Zweedsche meisje was een kind van rijke ouders. Ze was gewend
+onder een dak te wonen, en in een bed te slapen, en aan een tafel
+te eten. Ze had altijd arme menschen veracht, en vond, dat zij, die
+onder den blooten hemel moesten wonen, heel ongelukkig waren. Maar ze
+was er bang voor naar haar landgoed terug te gaan, waar niemand was,
+dan de dooden.
+
+"Laat me dan ten minste met je naar boven op de rotsen trekken," zei
+ze tegen den jongen, "zoodat ik hier niet alleen hoef rond te loopen,
+zonder ooit een menschenstem te hooren."
+
+Daar zei de jongen graag "ja" op, en zoo mocht het meisje met de
+rendieren meêgaan op hun tocht over de rotsen. De kudde verlangde naar
+de goede rotsweiden, en liep elken dag groote afstanden. Er was geen
+tijd om een hut op te slaan. Ze moesten maar in de sneeuw gaan liggen
+slapen in de uren, dat de rendieren stilstonden, om te grazen. De
+dieren voelden den zuidenwind door hun pels gaan, en wisten, dat
+die over een paar dagen de sneeuw van de rotshellingen zou vegen. De
+jongen en 't meisje moesten ze hard naloopen door de sneeuw, die aan
+'t smelten was, en over het barstend ijs.
+
+Toen ze zoo hoog op den berg gekomen waren, dat het naaldbosch ophield,
+en de verschrompelende berkjes zich vertoonden, rustten ze een paar
+weken uit, en wachtten, of de sneeuw op de andere bergvlakten zou
+smelten. Daarna trokken ze die op. 't Meisje klaagde en hijgde,
+en zei vaak, dat ze zóó moe was, dat ze naar de rivierdalen terug
+moest, maar ze ging toch meê; liever deed ze dat, dan alleen gelaten
+te worden, zonder een levend mensch in haar nabijheid.
+
+Toen ze op de rotsvlakten waren gekomen, sloeg de jongen een tent
+op voor 't meisje, op een mooie, groene plek, die bij een rotsbeek
+lag. Toen het avond was, ving hij de rendieren met de lijn, melkte
+ze, en gaf haar melk te drinken. Hij zocht droog rendiervleesch en
+rendierkaas, dat zijn volk boven op de hoogte had verborgen, toen ze
+daar den vorigen zomer waren. 't Meisje klaagde altijd, en was nooit
+tevreden. Ze wou geen gedroogd rendiervleesch eten en geen rendierkaas,
+en geen rendiermelk drinken. Ze kon er niet aan wennen neergebukt
+onder de tent te zitten, of op 't veld te liggen, met niets dan een
+rendierhuid en wat takjes als bed. Maar de zoon van de rotsbewoners
+lachte wat om haar verdriet, en bleef altijd even goed voor haar.
+
+Na een paar dagen kwam het meisje bij den jongen, terwijl hij bezig
+was rendieren te melken, en vroeg of ze hem helpen mocht. Ze begon
+ook 't vuur aan te maken onder de pan, waarin 't rendiervleesch zou
+gekookt worden, water te dragen, en kaas te maken. 't Was nu een goede
+tijd. 't Weer was warm, en 't was makkelijk om aan eten te komen. Ze
+gingen samen strikken zetten voor de vogels, hengelden forellen uit
+den waterval, en plukten wilde frambozen op 't moeras.
+
+Toen de zomer voorbij was, verhuisden ze zoover naar beneden op
+de rotsen, dat ze de grens tusschen 't naaldbosch en de loofboomen
+bereikten, en daar sloegen ze weer hun kamp op.
+
+'t Was nu slachttijd, en ze hadden hard werk alle dagen, maar 't
+was ook een goede tijd, met nog grooter overvloed van voedsel dan in
+den zomer. Toen de sneeuw kwam, en ijs op de meren lag, trokken ze
+verder naar het oosten in 't dichte dennenbosch. Zoodra ze de tent
+hadden opgeslagen, begonnen ze met het winterwerk. De jongen leerde
+het meisje draden van rendierpeezen maken, huiden bereiden, kleeren
+naaien en schoenen van rendiervel, op sneeuwschoenen loopen, en rijden
+in de slee met rendieren bespannen. Toen ze het donkere gedeelte van
+den winter door waren gekomen, en de zon bijna den heelen dag scheen,
+zei de jongen tegen 't meisje, dat hij haar nu naar het zuiden kon
+brengen, zoodat ze menschen van haar stam kon vinden. Maar toen zag
+het meisje hem verwonderd aan.
+
+"Waarom wil je me wegsturen?" zei ze. "Verlang je om alleen met je
+rendieren te wezen?"
+
+"Ik dacht, dat jij verlangde," zei de jongen.
+
+"Ik heb nu bijna een jaar het leven van de menschen in Sameland
+geleid," zei het meisje. "Nu kan ik niet meer naar mijn volk teruggaan,
+en in kleine huizen leven; nu ik zoolang vrij op de rotsen en in
+'t bosch heb rondgezworven. Jaag me niet weg, maar laat me hier
+blijven. Jelui manier van leven is beter dan de onze."
+
+"'t Meisje bleef haar heele leven bij den jongen, en verlangde nooit
+meer terug naar de rivierdalen. En als jij, Asa, hier maar een maand
+bleef, zou je nooit meer van ons weg kunnen gaan."
+
+Met die woorden eindigde Aslak, de Laplandsche jongen, zijn verhaal,
+en op datzelfde oogenblik nam zijn vader, Ola Serka, de pijp uit den
+mond, en stond op. De oude Ola verstond meer Zweedsch dan hij wel
+wilde laten merken, en hij had de woorden van zijn zoon begrepen. En
+terwijl hij luisterde, was het hem op eens duidelijk geworden, hoe
+hij doen moest, om aan Jon Assarsson te vertellen, dat zijn dochter
+was gekomen om hem op te zoeken.
+
+
+
+Ola Serka ging naar Luossajaure, en volgde den oever een poos, tot
+hij bij een man kwam, die op een steen zat te visschen. De visscher
+had grijs haar, en zijn rug was gebogen, de oogen zagen moe rond, en
+er was iets slaps en hulpeloos over hem. Hij zag er uit als iemand,
+die had geprobeerd iets te dragen, dat hem te zwaar was geworden,
+of iets uit te denken, dat hem te moeilijk was, en die gebroken en
+moedeloos was geworden, doordat het hem niet gelukte.
+
+"Je hebt zeker nog al wat gevangen, Jon, nu je zoo den heelen nacht
+hebt zitten visschen?" zei de rotsbewoner in 't Lapsch, toen hij bij
+hem kwam.
+
+De andere kreeg een schok, en zag op. 't Aas van zijn hengel was weg,
+en geen enkele visch lag naast hem. Hij stak gauw een nieuw aas aan
+den haak, en legde in. Intusschen ging de rotsbewoner naast hem in
+het gras liggen.
+
+"Ik wou je wat vertellen," zei Ola. "Je weet, dat ik een dochter had,
+die verleden jaar is gestorven, en haar hebben we altijd in onze
+tent gemist."
+
+"Ja, dat weet ik," zei de visscher kortaf, en er gleed een schaduw
+over zijn gezicht, alsof hij liever niet aan een dood kindje herinnerd
+had willen worden. Hij sprak goed Lapsch.
+
+"Maar 't geeft niets, of je je leven met treuren bederft," zei de
+Laplander.
+
+"Neen, dat doet het ook niet."
+
+"En nu heb ik er over gedacht om een ander kind aan te nemen. Zou je
+dat niet verstandig vinden?"
+
+"Dat hangt er van af, wat voor kind het is, Ola!"
+
+"Ik zal je vertellen, wat ik van het meisje weet, Jon," zei Ola en
+vertelde den visscher nu, dat midden in den zomer een paar kinderen,
+een jongen en een meisje, naar den Malmberg waren komen wandelen,
+om hun vader te zoeken, en dat ze, omdat hun vader weg was, daar
+waren gebleven om hem op te wachten. Maar terwijl ze daar waren, was
+de jongen gestorven, door dat hij bij 't springen van een rots door
+een steenblok was getroffen, en toen had het meisje hem een groote
+begrafenis willen geven. Daarop beschreef Ola heel mooi, hoe dat
+kleine meisje allen had overgehaald om haar te helpen, en dat ze zoo
+moedig was geweest, dat ze zelf naar den onderdirecteur was gegaan,
+om hem te spreken.
+
+"Is dat het meisje, dat je bij je in de tent wilt nemen?" vroeg
+de visscher.
+
+"Ja," zei de Laplander. "Toen we dit hoorden, konden geen van ons zijn
+tranen inhouden, en we zeiden tegen elkaar, dat zoo'n goede zuster ook
+een goede dochter worden zou, en we hopen, dat ze bij ons zal blijven."
+
+De andere bleef een poos zwijgend zitten. Men kon wel merken, dat
+hij het gesprek alleen voortzette, om zijn vriend, den Laplander,
+pleizier te doen.
+
+"Ze hoort zeker tot je stam, dat meisje."
+
+"Neen," zei Ola, "ze behoort niet tot de Samelanders."
+
+"Misschien is ze de dochter van een kolonist, zoodat ze gewoon is aan
+'t leven hier in 't noorden?"
+
+"Neen, ze komt ver uit het zuiden," zei Ola, en keek, alsof dit niets
+met de zaak te maken had. Maar nu begon de visscher belang in de zaak
+te stellen.
+
+"Dan denk ik niet, dat je haar kunt aannemen," zei de visscher. "Ze
+kan er zeker niet aan wennen in een tent te wonen, als ze er niet
+bij is opgevoed."
+
+"Ze krijgt goede ouders en goede broers en zusters," zei Ola Serka
+koppig. "'t Is erger om alleen te zijn, dan 't koud te hebben."
+
+Maar de visscher scheen steeds meer besloten te zijn die zaak te
+verhinderen. Het was alsof hij de gedachte niet kon verdragen, dat
+een kind van Zweedsche ouders bij de Laplanders zou worden opgevoed.
+
+"Je zei immers, dat ze een vader heeft, die bij den Malmberg woont."
+
+"Hij is dood," zei de Laplander knorrig.
+
+"Heb je daar wel goed naar onderzocht, Ola?"
+
+"Daar hoef je toch niet naar te vragen," zei de Laplander
+verachtelijk. "Dat kun je toch wel begrijpen. Zou dat meisje met
+haar broer alleen door 't heele land gezworven hebben, als ze een
+vader in leven hadden gehad? Zouden twee kinderen zichzelf hebben
+moeten verzorgen, als ze een vader hadden? Zou dat kleine meisje
+alleen naar den onderdirecteur hebben hoeven te gaan, als haar vader
+nog leefde? Zou ze nu nog maar een oogenblik alleen zijn, nu heel
+Sameland er over spreekt, wat ze voor een flink meisje is, als haar
+vader niet al dood was? 't Meisje zelf meent, dat haar vader nog leeft,
+maar ik zeg, dat hij dood moet wezen."
+
+De man met de vermoeide oogen keerde zich naar Ola.
+
+"Hoe heet het meisje, Ola," zei hij.
+
+De rotsbewoner dacht na.
+
+"Dat herinner ik me niet. Ik zal 't haar vragen."
+
+"Zal je 't haar vragen? Is ze er dan al?"
+
+"Ja, ze is bij ons in de tent."
+
+"Maar Ola! Heb je haar dan al bij je genomen, vóór je weet, of haar
+vader 't hebben wil?"
+
+"Ik hoef me toch aan haar vader niet te storen. Als hij niet dood is,
+hoort hij toch tot die menschen, die niets van hun kinderen willen
+weten. Hij mag blij zijn, dat een ander zich om haar bekommert."
+
+De visscher wierp zijn hengel neer, en stond op. Er kwam beweging in
+hem, alsof er een nieuw leven over hem was gekomen.
+
+"Ik denk, dat haar vader niet is als andere menschen," zei de
+rotsbewoner weer. "Misschien is hij iemand, die door sombere gedachten
+wordt vervolgd, zoodat hij 't niet bij zijn werk kan uithouden. Wat
+heeft ze nu aan zoo'n vader?"
+
+Terwijl Ola dat zei, was de visscher het strand verder opgegaan.
+
+"Waar wil je heen?" vroeg de Laplander.
+
+"Ik ga eens naar je pleegdochter kijken, Ola."
+
+"Dat is goed," zei de Laplander. "Kom jij maar eens naar haar
+kijken. Ik denk wel, dat je vinden zult, dat ik een goede dochter
+krijg."
+
+De Zweed liep zoo haastig voort, dat de Laplander hem nauwelijks kon
+volgen. Na een poos zei Ola:
+
+"Nu herinner ik me, dat het meisje, dat ik aannemen wil, Asa
+Jonsdochter heet."
+
+De andere begon nog harder te loopen, en de oude Ola Serka was zoo
+blij, dat hij wel hardop had willen lachen. Toen ze zoover geloopen
+hadden, dat ze de tenten in 't zicht kregen, zei Ola nog:
+
+"Ze is hier in Sameland gekomen om haar vader te zoeken, en niet
+om mijn pleegdochter te worden, maar als ze haar vader niet vindt,
+wil ik haar graag bij mij in de tent houden."
+
+De andere liep nog harder.
+
+"Ik dacht wel, dat hij bang zou worden, als ik hem dreigde zijn
+dochter onder de Samelanders op te nemen," dacht Ola.
+
+Toen de man uit Kiruna, die Asa, 't ganzenhoedstertje naar 't
+Lappenkamp had gebracht in zijn roeiboot, in den loop van dien dag
+terugkwam, had hij twee menschen bij zich in de boot, die dicht naast
+elkaar zaten, en elkaar trouw bij de hand hielden, alsof ze nooit
+meer wilden scheiden. 't Waren Jon Assarsson en zijn dochter. Beiden
+waren heel anders dan een paar uur geleden. Jon Assarsson zag er
+minder gedrukt en moe uit, en zijn oogen zagen helder en zacht rond,
+alsof hij nu antwoord had gekregen op wat hem zoo lang angstig had
+gemaakt, en Asa keek niet meer zoo wijs en waakzaam rond, als ze
+vroeger deed. Ze had nu een groot mensch om op te steunen en op te
+vertrouwen, en 't was, alsof ze nu weer een kind werd.
+
+
+
+
+
+
+XXXVI.
+
+NAAR 'T ZUIDEN, NAAR 'T ZUIDEN.
+
+
+De jongen zat op den rug van den wilden ganzerik, en reed voort hoog
+in de wolken. Dertien wilde ganzen vlogen in een goed geordenden
+troep snel naar 't zuiden. Hun veeren bruisten, en de vele vleugels
+sloegen door de lucht met zoo'n sterk geluid, dat men nauwelijks zijn
+eigen stem kon hooren. Akka van Kebnekaise vloog vooruit, en achter
+haar kwamen IJksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi, Maarten
+de ganzerik en Donsje. De zes jonge ganzen, die den troep den vorigen
+herfst vergezelden, hadden dien nu verlaten, en redden zichzelf. In hun
+plaats nam de oude gans nu tweeëntwintig jonge ganzen meê, die dezen
+zomer in het rotsdal waren opgegroeid. Elf vlogen links en elf rechts,
+en ze deden hun best om op gelijken afstand van elkaar te blijven,
+zooals ook de groote deden.
+
+Die arme jonge dingen hadden nog nooit een lange reis gedaan, en in
+'t begin hadden ze moeite om meê te komen in die snelle vaart.
+
+"Akka van Kebnekaise! Akka van Kebnekaise!" riepen ze jammerend.
+
+"Wat is er?" vroeg de leidstergans.
+
+"Onze vleugels zijn te moe, onze vleugels zijn te moe!" schreeuwden
+de jongen.
+
+"Dat wordt beter, als je maar volhoudt!" antwoordde de leidstergans,
+en vloog heelemaal niet zachter, maar ging door als te voren. En
+'t was wezenlijk, alsof ze gelijk had, want toen de gansjes een paar
+uur gevlogen hadden, klaagden ze niet meer over vermoeidheid. Maar
+in het rotsdal waren ze gewend geweest den heelen dag door te eten,
+en het duurde niet lang, voor ze naar eten begonnen te verlangen.
+
+"Akka, Akka, Akka van Kebnekaise," riepen de jongen klagend.
+
+"Wat is er nu?" vroeg de leidstergans.
+
+"We hebben zoo'n honger, dat we niet langer vliegen kunnen,"
+schreeuwden de jonge ganzen.
+
+"Wilde ganzen moeten leeren lucht te eten en wind te drinken,"
+antwoordde de leidstergans, en hield niet op, maar vloog door als
+te voren.
+
+En 't scheen wel, alsof de jonge ganzen geleerd hadden van lucht en
+wind te leven. Want toen ze een poos gevlogen hadden, klaagden ze
+niet meer over honger.
+
+De troep wilde ganzen was nog boven de rotsen, en de oude ganzen
+riepen de namen op van alle bergtoppen, die ze voorbij kwamen,
+opdat de jongen zouden leeren, hoe ze heetten. Maar toen ze een
+poos geroepen hadden: "Dit is Porsotjokko, dat is Sarjektjokko, dat
+is Sulitelma....!" werden de jongen weer ongeduldig. "Akka, Akka,
+Akka!" riepen ze met hartverscheurende stem.
+
+"Wat is er?" vroeg de leidstergans.
+
+"We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd," schreeuwden de
+jongen. "We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd!"
+
+"Hoe meer er in een hoofd komt, hoe meer plaats er komt," antwoordde
+de leidstergans, en ging voort met de merkwaardigste namen op te
+roepen als te voren.
+
+De jongen dacht, dat het wel tijd was, dat de wilde ganzen op weg naar
+'t zuiden gingen, want nu lag er zooveel sneeuw, dat het veld wit was,
+zoover hij zien kon.
+
+'t Was ook niet te ontkennen, dat zij 't stormachtig hadden gehad
+den laatsten tijd in 't rotsdal. Regen en storm en mist hadden
+elkaar zonder ophouden opgevolgd, en als 't eens helderder werd,
+was het dadelijk koud geworden tegen 't vriespunt aan. Bessen
+en paddenstoelen, waar de jongen den zomer door van had geleefd,
+waren bevroren en gerot, zoodat hij eindelijk visch had moeten eten,
+en daar hield hij in 't geheel niet van. De dagen werden kort, en 't
+was saai en vervelend geweest met die lange avonden en late morgens,
+voor hen, die niet in staat waren precies even lang te slapen, als
+de zon beneden den horizont was.
+
+Nu waren eindelijk de vleugels van de jonge ganzen volwassen, zoodat de
+reis naar het zuiden had kunnen beginnen, en de jongen was zoo blij,
+dat hij lachte en zong, terwijl hij daar op den ganzenrug reed. Zie,
+'t was niet alleen om de kou en de duisternis en 't weinige eten,
+dat hij verlangde uit Lapland, maar ook nog ergens anders om.
+
+In de eerste weken, die hij daar had doorgebracht, had hij wezenlijk
+niet verlangd. Hij vond, dat hij nog nooit in zoo'n heerlijk mooi
+land was geweest, en hij had geen andere zorgen gehad, dan om te
+beletten, dat de muggen hem zouden opeten. De jongen had niet veel
+gezelligheid aan Maarten den ganzerik gehad, want de groote witte
+vogel dacht alleen aan het bewaken van Donsje, en week geen stap van
+haar weg. Maar daarentegen had hij zich aan de oude Akka en aan Gorgo
+den arend gehouden, en die drie hadden met elkaar veel prettige uren
+gehad. De vogels hadden hem meegenomen op groote tochten. De jongen
+had op den top van de besneeuwde Kebnekaise gestaan en op gletschers
+neergezien, die zich beneden den steilen witten kegel uitbreidde,
+en hij had veel andere hooge rotsen bezocht, die niet dikwijls
+door menschenvoeten betreden werden. Akka had hem verborgen dalen
+tusschen de bergen gewezen, en hem in rotskloven laten neerzien,
+waar de wolvinnen hun jongen grootbrengen. Natuurlijk had hij kennis
+gemaakt met de tamme rendieren, die in groote troepen grazen aan de
+oevers van het mooie Torne-moeras, en was hij beneden bij den grooten
+meerwaterval geweest en had den beren, die daar in de buurt wonen, de
+groeten van hun familie in de mijndistricten gebracht. Waar hij kwam,
+had hij een mooi, grootsch land gevonden. Hij was heel blij, dat hij
+'t had mogen zien, maar hij had er niet graag willen wonen. Hij moest
+toegeven, dat Akka gelijk had, toen ze zei, dat de Zweedsche kolonisten
+dit land maar met rust moesten laten, en 't overlaten aan de beren
+en wolven, en rendieren en wilde ganzen en rotsuilen en aardmuizen,
+en Laplanders, die geschapen waren om daar te leven.
+
+Op een dag had Akka hem bij een van de groote mijnsteden gebracht,
+en daar had hij kleinen Mads, door een rotsblok getroffen, vinden
+liggen voor een mijnschacht. En de volgende dagen had de jongen aan
+niets anders gedacht, dan om de arme Asa te helpen, maar toen zij
+haar vader had teruggevonden, zoodat hij niets meer voor haar hoefde
+te doen, was hij 't liefste thuisgebleven in het rotsdal. En van dien
+dag af had hij loopen verlangen naar den dag, dat hij met Maarten den
+ganzerik naar huis zou gaan, en een mensch zou worden. Hij wou graag
+weer zoo worden, dat Asa met hem zou durven praten, en niet de deur
+voor zijn neus dichtslaan.
+
+Ja, hij was heel gelukkig, nu hij op weg was naar 't zuiden. Hij
+zwaaide met zijn muts en riep hoera, toen hij 't eerste dennenbosch
+zag, en op dezelfde manier begroette hij de eerste grijze
+kolonistenhuizen, de eerste geit, de eerste kat, de eerste kip. Hij
+vloog over prachtige watervallen, en rechts zag hij mooie rotsen,
+maar aan zooiets was hij zoo gewend, dat hij haast niet de moeite
+nam er naar te kijken.
+
+Iets anders was het, toen hij ten oosten van de rots de kapel van
+Kvickjock zag, met de kleine pastorie, en het dorpje; dat vond hij
+zoo mooi, dat hij tranen in de oogen kreeg. Onophoudelijk kwamen
+ze trekvogels tegen, die nu in veel grooter troepen vlogen dan in
+de lente.
+
+"Waar ga jelui heen, wilde ganzen?" riepen de trekvogels. "Waar ga
+je heen?"
+
+"We gaan naar 't buitenland, net als jelui," antwoordden de wilde
+ganzen. "We gaan naar 't buitenland."
+
+"Jelui jongen kunnen nog niet vliegen," riepen de anderen. "Ze komen
+nooit over de zee met hun zwakke vleugels."
+
+Laplanders en rendieren waren ook bezig van de rotsen naar beneden
+te komen. Ze liepen in goede orde: een Laplander liep vooraan in den
+stoet, en dan kwam de kudde met de groote stieren in de eerste rijen,
+dan een rij lastrendieren, die de tent en de overige bagage droegen, en
+eindelijk een zeven, acht menschen. Toen de wilde ganzen de rendieren
+zagen, daalden ze neer en riepen: "We danken je voor dezen zomer!"
+
+"Goeie reis en tot weerziens!" antwoordden de rendieren. Toen de
+beren de wilde ganzen zagen, wezen ze die aan hun jongen en bromden:
+"Kijk zij eens! Ze zijn zoo bang voor een beetje kou, dat ze in den
+winter niet thuis durven blijven."
+
+En de oude wilde ganzen bleven hun geen antwoord schuldig, maar
+ze riepen tegen de jonge gansjes: "Kijk zij eens, ze liggen liever
+een half jaar te slapen, dan dat ze de moeite nemen naar 't zuiden
+te verhuizen."
+
+Beneden in de dennenbosschen zaten de jonge korhoenders ineengedoken,
+ruig en koud, en keken naar al die groote troepen vogels, die met
+vreugde en gejuich naar 't zuiden vlogen.
+
+"Wanneer mogen wij gaan?" vroegen de korhoendertjes. "Wanneer mogen
+wij gaan?"
+
+"Jelui mogen thuis blijven bij Vader en Moeder," antwoordde de
+korhen. "Jelui moogt thuisblijven bij Vader en Moeder."
+
+
+
+Ieder, die op de rotsen geweest is, weet wel hoe lastig de mist
+wezen kan, die nevels, die komen aanrollen, en het uitzicht wegnemen,
+zoodat je heelemaal niets ziet van al die mooie rotsen, die om je heen
+zijn. Je kunt mist hebben midden in den zomer, maar in den herfst
+kun je hem bijna niet vermijden. Wat Niels Holgersson betreft, hij
+had vrij mooi weer, zoolang hij in Lapland was, maar de wilde ganzen
+hadden nauwelijks geroepen, dat ze in Jämtland waren, of de nevels
+kwamen dicht om hem heen, zoodat hij niets van het land zag. Hij
+vloog er een heelen dag over, zonder te weten of 't een bergland of
+een vlakte was, waar ze over heen vlogen.
+
+Tegen den avond streken de wilde ganzen neer op een groene plaats,
+die naar alle zijden afhelde, zoodat hij begreep, dat hij op den
+top van een heuvel stond, maar of die groot of klein was, kon hij
+niet met zekerheid zeggen. Hij meende, dat ze in een bewoonde streek
+moesten wezen, maar hij was bang, dat hij in den mist zou verdwalen,
+en durfde niets anders doen dan bij de wilde ganzen blijven. Alles
+was vochtig en druipend nat. Er hingen droppeltjes aan elken grashalm
+en aan ieder klein plantje, zoodat hij een flink regenstortbad kreeg,
+als hij zich maar bewoog.
+
+"'t Is hier niet veel beter dan in het rotsdal," dacht hij.
+
+Maar een paar stappen waagde hij toch te doen, en nu onderscheidde
+hij flauw een gebouw dicht bij hem. 't Was niet heel groot, maar
+verscheiden verdiepingen hoog. Hij kon er den top niet van zien. De
+deur was gesloten en het huis scheen onbewoond. Hij begreep, dat dit
+niet anders dan een Belvédère was, en dat hij daar geen warmte of
+eten zou vinden. Maar hij liep toch, zoo hard hij kon, naar de wilde
+ganzen terug.
+
+"Lieve Maarten," zei hij tegen den ganzerik, "neem me op je rug,
+en draag me naar den top van dien toren daar. Hier is alles zoo nat,
+dat ik niet slapen kan, maar daar vind ik wel een droog plaatsje om
+te rusten."
+
+Maarten, de ganzerik, wilde hem heel graag helpen. Hij bracht hem naar
+'t balkon op den toren van de Belvédère, en daar ging de jongen rustig
+liggen slapen, tot de morgenzon hem wekte.
+
+Maar toen hij nu de oogen opsloeg, wist hij niet waar hij was. Hij
+was zoo gewend aan woeste velden, dat hij, wat hij nu zag: een
+sterk bebouwde streek, eerst bijna voor een schilderij hield. Maar
+daar was ook nog een andere reden voor. Niets van al, wat hij zag,
+had een gewone kleur. Het gebouw, waar hij was, stond op een berg,
+die op een eiland lag, en 't eiland lag bij den oostelijken oever van
+een meer. Maar dat meer was niet grijs, zooals meren meestal zijn,
+maar even helder als de morgenhemel, en in de diepe inhammen was het
+bijna glanzend zwart. De oevers om het meer heen waren niet groen,
+maar lichtgeel, door al de afgemaaide akkers en de herfstkleurige
+bosschen, die ze bedekten. Om dat gele heen liep een breede streep
+zwart naaldbosch. 't Kwam misschien, omdat de loofboomen zoo licht van
+kleur waren, maar de jongen dacht, dat hij nog nooit de naaldbosschen
+zóó zwart had gezien, als dien morgen. Achter dat zwarte zag hij in
+'t oosten lichtblauwe heuvels, maar langs den heelen wester horizont
+liep een lange schitterende boog van puntige rotsen van allerlei
+vormen, die zoo'n mooie kleur hadden, dat hij ze niet rood, of wit
+of blauw kon noemen. Hij kon er geen naam aan geven.
+
+Terwijl hij daar naar stond te kijken, schrikte hij op eens en
+keek om. Hij was zoo verdiept geweest in wat hij zag, dat hij niet
+gemerkt had, dat er menschen op 't balkon gekomen waren. Hij kon
+zich nog juist bijtijds verstoppen. 't Waren jonge menschen, die een
+voetreis deden. Ze bewonderden het prachtige uitzicht en bleven lang
+staan praten.
+
+De jongen werd onrustig, omdat die reizigers zoo lang bleven. Maarten,
+de ganzerik, kon hem niet komen halen, terwijl zij er waren, en hij
+wist, dat de wilde ganzen haast hadden. Hij meende ganzengekakel te
+hooren en sterke vleugelslagen, alsof de wilde ganzen wegvlogen. Maar
+hij durfde niet te voorschijn komen om te zien wat er gebeurde.
+
+Toen de voetreizigers eindelijk weg waren, en de jongen uit zijn
+schuilhoek durfde kruipen, zag hij geen wilde gans meer op het veld,
+en geen Maarten de ganzerik kwam hem halen.
+
+Hij riep: "Waar ben je? Hier ben ik!" zoo hard hij kon, maar zijn
+reisgenooten vertoonden zich niet. Hij dacht geen oogenblik, dat ze
+hem in den steek zouden laten, maar hij was bang, dat ze een ongeluk
+hadden gekregen, en zat er over te denken, hoe hij dat zou kunnen
+onderzoeken, toen Bataki, de raaf, naast hem neerstreek.
+
+De jongen had nooit gedacht, dat hij er toe zou komen Bataki zoo
+hartelijk welkom te heeten, als hij nu deed.
+
+"Lieve Bataki," zei hij, "dat is heerlijk, dat je hier komt. Je
+weet misschien, wat er van Maarten den ganzerik en de wilde ganzen
+geworden is."
+
+"Ik kom je juist hun groeten brengen," antwoordde de raaf. "Akka
+merkte, dat hier een jager op den berg rondzwierf, en daarom durfde
+ze niet hier blijven en op je wachten, maar is vast vooruitgegaan. Ga
+nu op mijn rug zitten, dan ben je in een uurtje bij je vrienden."
+
+De jongen sprong vliegensvlug op den rug van den raaf, en Bataki zou
+de wilde ganzen wel gauw hebben ingehaald, als de mist het hem niet
+had belet. Maar 't was, alsof de morgenzon de nevels opnieuw ten leven
+wekte. Kleine lichte dampsluiertjes kwamen opeens uit het meer, van
+de akkers en uit de bosschen. Ze werden dichter, en spreidden zich
+verwonderlijk snel uit, en al gauw was de aarde verscholen achter
+witte golvende nevelen.
+
+Bataki vloog boven den mist in heldere lucht en stralenden zonneschijn,
+maar de wilde ganzen vlogen zeker onder de nevelmassa's. 't Was
+onmogelijk hen in 't oog te krijgen. De jongen riep, en de raaf kraste,
+maar ze kregen geen antwoord.
+
+"Dat is toch een leelijke tegenval," zei Bataki eindelijk.
+
+"Maar we weten immers, dat ze naar 't zuiden trekken en zoodra het
+helder wordt, zal ik ze wel vinden!"
+
+De jongen was heel bedroefd, dat hij juist nu van Maarten den ganzerik
+weg was geraakt, terwijl zij op reis waren, en de groote witte vogel
+in allerlei gevaar kon komen. Maar toen hij daar een paar uur over
+in angst gezeten had, zei hij tot zichzelf, dat er immers nog geen
+ongeluk was gebeurd, en dat het niet hielp, of hij den moed al verloor.
+
+Juist toen hoorde hij een haan kraaien beneden op de aarde, en dadelijk
+boog hij zich over den rug van den raaf, en riep:
+
+"Hoe heet dit land?"
+
+"Dit land heet Härjedal, Härjedal, Härjedal!" kraaide de haan.
+
+"Hoe ziet het er daar bij jou uit?" vroeg de jongen.
+
+"Rotsen in 't westen, bosschen in 't oosten, en een breed rivierdal
+midden door 't heele land," antwoordde de haan.
+
+"Dank je wel! Je antwoordt flink!" riep de jongen.
+
+Toen hij een eind verder was, hoorde hij een kraai krassen, beneden
+in den mist.
+
+"Wat zijn 't voor menschen hier in 't land?" riep hij.
+
+"Flinke, brave boeren!" antwoordde de kraai. "Flinke en brave boeren!"
+
+"Wat doen ze?" vroeg de jongen. "Wat doen ze?"
+
+"Ze verzorgen hun vee en hakken hout!" kraste de kraai.
+
+"Dank je wel. Je antwoordt flink!" riep de jongen.
+
+Een eind verder hoorde hij een mensch zingen en neuriën beneden in
+den mist.
+
+"Is hier ook een stad in dit land?" vroeg de jongen.
+
+"Wat... Wat? Wie roept daar?" antwoordde de mensch.
+
+"Is hier ook een stad in dit land?" herhaalde de jongen.
+
+"Ik wil weten, wie me roept!" schreeuwde de mensch terug.
+
+"Ik dacht wel, dat ik geen goed antwoord zou krijgen, als ik een
+mensch wat vroeg," riep de jongen.
+
+Het duurde niet lang, of de mist verdween, even gauw als hij gekomen
+was, en de jongen zag nu, dat Bataki over een breed rivierdal vloog. 't
+Was een mooi landschap met hooge rotsen, maar er lag geen groote en
+vruchtbare, bebouwde streek onder aan den berg. De dorpen lagen ver
+van elkaar, en de akkers waren klein. Bataki volgde de rivier naar
+'t zuiden, tot ze in de buurt van een dorp kwamen. Daar streek hij
+neer op een stoppelveld, en liet den jongen afstappen.
+
+"Op dit veld groeide koren van den zomer," zei Bataki. "Kijk eens of
+je niet iets eetbaars kunt vinden."
+
+De jongen volgde zijn raad, en het duurde niet lang, voor hij een
+korenaar vond. Terwijl hij de korrels eruit haalde, en ze opat,
+begon Bataki met hem te praten.
+
+"Zie je die mooie rots daar, vlak in 't zuiden?" vroeg hij.
+
+"Ja, die zie ik altijd door," zei de jongen.
+
+"Die heet de Sonrots," ging de raaf voort. "Je kunt er van op aan,
+dat hier heel wat wolven waren vroeger."
+
+"Dat was een beste schuilplaats voor hen," zei de jongen.
+
+"De menschen, die hier beneden in 't rivierdal woonden, hadden 't
+vaak heel moeielijk door hun schuld," zei Bataki.
+
+"Kun je misschien een paar mooie wolvengeschiedenissen vertellen?" zei
+de jongen.
+
+"Ik heb gehoord, dat lang geleden de wolven van de Sonrots een man
+moeten hebben overvallen, die er op uit was gegaan om hout voor duigen
+te verkoopen," zei Bataki. "Hij kwam van Hede, een dorp, dat hier in
+'t rivierdal ligt, een paar mijlen hooger, dan we zijn. 't Was winter,
+en de wolven vervolgden hem, toen hij over 't ijs van Ljusnan reed. 't
+Waren wel een negen of tien stuks, en de man uit Hede had geen best
+paard, zoodat hij niet veel hoop had om weg te komen.
+
+Toen de man de wolven hoorde huilen, en zag, hoeveel er waren, die
+achter hem aankwamen, verloor hij heelemaal zijn kalmte, en dacht er
+niet aan, dat hij zijn vaten en tobben van de kar moest gooien om de
+lading lichter te maken. Hij sloeg zijn paard maar, en dat liep al zoo
+hard, als het kon, maar de man merkte toch, dat de wolven dichter bij
+kwamen. De oevers van 't meer waren eenzaam, en de dichtstbijzijnde
+hoeve lag nog een paar mijlen ver. Hij verwachtte niet anders,
+dan dat zijn laatste ure zou komen, en voelde, dat hij van angst
+verstijfde. Terwijl hij daar als verlamd neerzat, zag hij, dat zich
+iets bewoog tusschen de dennetakken, die op 't ijs waren neergezet
+om den weg aan te wijzen. En toen hij zag wie het was, die daar liep,
+werd hij nog véél angstiger, dan hij eerst was. 't Waren geen wolven,
+die hem te gemoet kwamen, maar een arme, oude vrouw. Ze heette Finn
+Malin, en placht vaak op paden en wegen rond te zwerven. Ze was wat
+mank en gebocheld, zoodat men haar al van verre kon herkennen.
+
+De oude vrouw liep regelrecht de wolven te gemoet, en de man uit
+Hede begreep dadelijk, dat als hij haar voorbij reed zonder haar
+te waarschuwen, ze vlak in den muil van de wilde dieren zou loopen,
+en terwijl ze haar verscheurden, zou hij kunnen ontkomen.
+
+Ze liep langzaam, over een stok gebogen. 't Was duidelijk, dat ze
+verloren was, als hij haar niet hielp. Maar ook al hield hij stil,
+en liet haar in de slee stappen, dan was 't nog niet gezegd, dat ze
+gered zou zijn. Nam hij haar op in de slee, dan was 't waarschijnlijk,
+dat de wolven hen zouden inhalen, en dat én zij én hij én het paard
+gedood zouden worden. En hij dacht er over, of 't niet het beste was
+één leven op te offeren om twee anderen te redden.
+
+Dat alles ging hem op 't oogenblik door 't hoofd, toen hij de oude
+vrouw zag. En bovendien dacht hij er ook aan, hoe hij het later hebben
+zou, of hij er berouw van zou krijgen, dat hij de oude vrouw niet had
+geholpen, of dat de menschen zouden weten, dat hij haar had ontmoet,
+en haar niet had bijgestaan.
+
+'t Was een vreeselijke verzoeking, waar hij in was!
+
+"Ik wou veel liever, dat ik haar niet had ontmoet," dacht hij.
+
+Op 't zelfde oogenblik hieven de wolven een wild gehuil aan, 't
+paard nam een sprong, en vloog voorbij de oude vrouw. Ook zij had
+het wolvengehuil gehoord, en toen de man uit Hede haar voorbij reed,
+zag hij, dat ze wist wat haar wachtte. Ze stond stil, den mond open
+als om te schreeuwen, de armen uitgestrekt, naar hulp grijpend, maar
+ze had niet geroepen, en ook niet geprobeerd op de slee te komen. Er
+moest iets geweest zijn, dat haar versteende.
+
+"Dat zal ik wel geweest zijn. Ik zal er wel hebben uitgezien als een
+spook, toen ik haar voorbij rende," dacht hij.
+
+Hij probeerde er blij om te zijn, dat hij nu zeker zou ontkomen. Maar
+tegelijk begon het te branden en te trekken in zijn borst. Hij had
+nog nooit iets onteerends gedaan, en nu meende hij, dat zijn heele
+leven was verwoest.
+
+"Neen, 't mag gaan, zooals het wil," zei hij, en hield de teugels in,
+"maar ik kan haar niet alleen laten met de wolven."
+
+Met de grootste moeite bracht hij zijn paard tot staan; maar eindelijk
+gelukte het hem toch, en hij reed in vliegende vaart naar de oude
+vrouw toe.
+
+"Kom gauw in de sleê!" zei hij hard, want hij was boos op zichzelf,
+omdat hij de vrouw aan haar lot had overgelaten! "Je kon toch een
+enkelen keer wel eens thuis blijven, ouwe heks," zei hij. "Nu moeten
+zwartje en ik er aan gelooven om jou."
+
+De oude vrouw antwoordde niets, maar de man uit Hede was niet in een
+bui om haar te sparen, "Zwartje heeft vandaag al vijf mijl geloopen,"
+zei hij, "zoodat je wel begrijpen kunt, dat hij gauw moe zal worden,
+en de lading is niet lichter, sinds jij er bij bent gekomen."
+
+De ijzers onder de slee knarsten over 't ijs, maar toch hoorde hij de
+wolven blazen, en hij begreep, dat de dieren hem nu hadden ingehaald.
+
+"Nu is 't uit met ons," zei hij. "'t Is noch voor mij, noch voor jou
+een geluk geweest, dat ik geprobeerd heb je te redden, Finn Malin."
+
+Tot nu toe had de oude vrouw gezwegen, als iemand, die aan onheuschheid
+was gewend. Nu zei ze een paar woorden: "Ik begrijp niet, dat je je
+duigenhout niet uit de sleê gooit, om de lading te verlichten. Je
+kunt immers morgen terugkomen en het ophalen."
+
+De man uit Hede begreep, dat het een goede raad was, en was er verbaasd
+over, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Hij liet de oude vrouw
+de teugels houden, maakte het touw los, dat het duigenhout bijeenhield,
+en gooide het van de sleê af. De wolven waren vlak achter hen. Maar
+nu hielden ze stil, om te onderzoeken wat daar over 't ijs gleed,
+en de reizigers kwamen ze opnieuw een eindje vooruit.
+
+"Als dit niet helpt, begrijp je wel, dat ik me zelf aan de wolven
+geef," zei de oude vrouw, "zoodat je kunt wegkomen."
+
+Toen ze dat zei, was de man bezig een groot zwaar biervat van de sleê
+te schuiven. Terwijl hij daarmeê aan 't werk was, hield hij op, alsof
+hij er niet toe kon besluiten 't vat weg te gooien. Maar eigenlijk
+waren zijn gedachten met heel wat anders bezig.
+
+"Een man en een paard, waar niets aan mankeert, hoeven toch om
+hunnentwil een oude vrouw niet door de wolven te laten opeten,"
+dacht hij. "Er moet toch een andere manier zijn om ons te redden. Ja,
+natuurlijk is er die. 't Is maar, dat ik er niet op kan komen."
+
+Hij begon weer aan dat biervat te schuiven, maar op eens hield hij
+weer op, en barstte in lachen uit.
+
+De oude vrouw keek hem verschrikt aan, en meende, dat hij krankzinnig
+geworden was, maar de man uit Hede lachte om zichzelf, omdat hij aldoor
+zoo dom was geweest. 't Was 't eenvoudigste wat je maar bedenken kon,
+om alle drie te redden, hij kon niet begrijpen, dat hij daar niet
+eerder aan had gedacht.
+
+"Luister nu goed, Malin," zei hij. "'t Was flink van je, dat je
+jezelf aan de wolven wou geven. Maar dat hoef je niet te doen, want
+ik weet nu hoe we alle drie gered zullen worden, zonder iemands leven
+in gevaar te brengen. Onthoud nu goed, dat--wat ik ook doe--jij stil
+op de sleê blijft zitten en naar 't dorp Linsäll rijdt. Daar maak je
+de menschen wakker, en zegt, dat ik hier alleen op het ijs lig met
+tien wolven om me heen, en vraagt hun, of ze me willen komen helpen."
+
+Nu wachtte de man, tot de wolven heel dicht bij de sleê waren. Toen
+gooide hij het groote vat op het ijs, sprong zelf van de sleê en
+kroop onder het vat.
+
+'t Was een geweldige ton. Die was zoo groot gemaakt, dat al het
+kerstbier er in kon. De wolven sprongen er tegen op, beten in de
+banden, en probeerden het vat om te gooien, maar het was te zwaar en
+stond te vast. Ze konden niet bij hem komen, die er onder lag.
+
+De man uit Hede wist, dat hij veilig lag, en hij lachte om de
+wolven. Maar na een poos werd hij ernstig.
+
+"Zoodra ik in 't vervolg in een of andere moeilijkheid kom," zei
+hij in zichzelf, "zal ik aan deze ton denken. Ik zal er aan denken,
+dat ik mezelf geen kwaad hoef te doen, noch een ander. Er is altijd
+een derde uitweg, als je dien maar vinden kunt."
+
+Daarmeê eindigde Bataki zijn verhaal. Maar de jongen had al lang
+gemerkt, dat de raaf nooit iets zei, zonder dat hij er een bepaalde
+bedoeling meê had, en hoe langer hij naar hem luisterde, hoe meer
+hij nadacht.
+
+"Ik zou wel eens willen weten, waarom je me dat verhaal vertelt,"
+zei de jongen.
+
+"Och, dat kwam me zoo maar weer voor den geest, terwijl ik hier naar
+de Sonrots stond te kijken," zei de raaf.
+
+Ze reden nu verder langs Ljusna, en een poos later kwamen ze aan
+'t dorp Kolsätt, dat vlak bij de grens van Helsingland ligt. Hier
+streek de raaf neer bij een klein hutje. 't Had geen venster, enkel
+maar een luik. Uit den schoorsteen steeg rook op, met vonken vermengd,
+en sterke hamerslagen klonken uit het huis.
+
+"Als ik die smidse daar zie," zei de raaf, "moet ik er aan denken,
+dat er vroeger zulke goede smeden in Härjedalen waren, en vooral in
+deze stad hier, dat ze hunsgelijken niet hadden in 't heele land."
+
+"Misschien weet je daar ook wel een verhaal over, dat je me wilt
+vertellen," zei de jongen.
+
+"Ja, ik weet er wel een van dien smid in Härjedalen," zei Bataki,
+"die twee andere meestersmeden, een van Dalecarlië en een van
+Wermeland, uitnoodigde tot een wedstrijd in 't spijkers maken. De
+uitnoodiging werd aangenomen, en de drie smeden kwamen hier in
+Kolsätt bij elkaar. De Dalecarliër begon. Hij smeedde een dozijn
+spijkers, zoo glad en scherp en gelijk, dat niemand ze beter maken
+kon. Na hem kwam de Wermelander. Ook hij maakte een dozijn spijkers,
+die voortreffelijk waren, en daar kwam bij, dat hij ze in de helft
+van den tijd maakte, dien de Dalecarliër noodig had. Toen zij, die
+'t werk moesten beoordeelen dat zagen, zeiden ze tegen den smid uit
+Härjedalen, dat het niet de moeite waard was voor hem om meê te dingen;
+want beter dan de Dalecarliër en vlugger dan de Wermelander kon hij
+toch niet smeden.
+
+"Ik geef het niet op. Er zal nog wel een andere manier zijn om zich
+te onderscheiden," zei de man.
+
+Hij legde het ijzer op het aanbeeld, zonder het eerst in 't vuur te
+houden, hamerde het warm, en smeedde den eenen spijker na den anderen,
+zonder kolen of blaasbalg noodig te hebben. Niemand had ooit een smid
+meesterlijker den hamer zien hanteeren, en de smid uit Härjedalen
+werd verklaard de eerste in 't land te zijn."
+
+Na deze woorden zweeg Bataki, maar de jongen werd nog nadenkender.
+
+"Ik zou wel willen weten, wat voor bedoeling je met dat verhaal hebt,"
+zei hij.
+
+"Die geschiedenis kwam me in den zin, toen ik de oude smidse zag,"
+zei Bataki heel onverschillig.
+
+De beide reizigers verhieven zich weer in de lucht, en de raaf
+bracht den jongen naar 't zuiden, naar de gemeente Lillhärdal, die
+aan Dalecarlië grenst. Daar streek hij neer op een heuvel, met boomen
+begroeid, die op den hoogsten top van een bergvlakte lag.
+
+"Weet je wel wat dat is voor een hoogte, waar je nu op staat?" zei
+Bataki.
+
+Neen, de jongen moest erkennen, dat hij dat niet wist.
+
+"Dat is een grafheuvel," zei Bataki. "Die is opgehoogd over een man,
+die Kärjulf heette, en de eerste was, die zich in Härjedalen vestigde
+en het land ging ontginnen."
+
+"Weet je misschien ook een verhaal van hem?" vroeg de jongen.
+
+"Ik heb niet veel van hem gehoord, maar ik geloof, dat hij een Noorman
+was. Eerst was hij in dienst bij een Noorschen koning, maar daar kreeg
+hij twist meê, en nu moest hij uit het land vluchten. Hij begaf zich
+naar den Zweedschen koning, die in Uppsala woonde, en ging in dienst
+bij hem. Maar na een poosje begeerde hij de zuster van den koning
+tot vrouw, en toen de koning hem zoo'n voorname bruid niet wou geven,
+vluchtte hij met haar.
+
+Hij had 't nu zoo gemaakt, dat hij niet in Noorwegen en niet in Zweden
+kon wonen, en naar het buitenland wilde hij niet gaan.
+
+"Maar er moet nog wel een uitweg zijn," dacht hij, en trok met zijn
+knechten en schatten naar 't noorden door Dalecarlië, tot hij de
+groote, woeste bosschen daar aan de grens bereikte. Daar zette hij
+zich neer, bouwde een huis, ontgon de streek, en werd zoodoende de
+eerste, die zich in deze streken vestigde.
+
+Toen de jongen dat laatste verhaal hoorde, werd hij nog nadenkender
+dan vroeger.
+
+"Ik zou wel eens willen weten, met welke bedoeling je me dat alles
+verteld hebt," zei hij nog eens. Bataki antwoordde een tijdlang niets,
+maar draaide den kop heen en weer, en kneep de oogen dicht.
+
+"Nu we hier toch alleen zijn," zei hij eindelijk, "moet ik toch
+de gelegenheid waarnemen, om je iets te vragen. Heb je ooit goed
+onderzocht, welke voorwaarden de kabouter, die je heeft betooverd,
+heeft gesteld, om je weer een mensch te laten worden?"
+
+"Ik heb niet van andere voorwaarden gehoord, dan dat ik den witten
+ganzerik ongedeerd naar Lapland en weer terug naar Skaane zou brengen."
+
+"Ik dacht het wel," zei Bataki, "want toen we elkaar het laatst
+ontmoetten, sprak je er zoo trotsch over, dat er niets zoo leelijk
+was, als een vriend ontrouw te worden, die op je vertrouwt. Je moest
+Akka eens naar de voorwaarden vragen. Je weet, dat ze bij je thuis
+geweest is, en den kabouter heeft gesproken."
+
+"Daar heeft Akka me niets van verteld," zei de jongen.
+
+"Ze heeft zeker gevonden, dat 't beter voor je was niet te weten,
+wat de kabouter precies gezegd had. Ze wou natuurlijk liever jou
+helpen dan den ganzerik."
+
+"'t Is vreemd, Bataki, dat je er altijd slag van hebt me uit mijn
+humeur en ongerust te maken," zei de jongen.
+
+"Dat kan wel zoo schijnen," zei de raaf, "maar dezen keer geloof ik,
+dat je er me dankbaar voor zult wezen, dat ik je zeg, dat de kabouter
+het zoo heeft bepaald: dat je een mensch zoudt worden, als je Maarten,
+den ganzerik, weer thuis bracht, zoodat je moeder hem op de slachtbank
+kon leggen."
+
+De jongen stoof op.
+
+"Dat is niets anders dan een ellendig bedenksel van jou!" riep hij.
+
+"Je kunt het Akka zelf vragen," zei de raaf, "ik zie haar aankomen met
+haar heelen troep. Vergeet nu niet, wat ik je vandaag heb verteld. Er
+is een uitweg uit alle moeilijkheden; de vraag is of je dien kunt
+vinden. Ik verheug er me op, te zien, hoe jou dat zal gelukken."
+
+
+
+
+
+
+XXXVII.
+
+WERMELAND.
+
+
+Den volgenden dag nam de jongen de gelegenheid waar in een rustuur,
+toen Akka op een kleinen afstand van de andere wilde ganzen liep
+te grazen, om haar te vragen, of het waar was, wat Bataki hem had
+verteld. En Akka had het niet kunnen ontkennen. Toen liet de jongen
+de leidstergans beloven, dat zij het geheim niet aan Maarten zou
+vertellen. Want de groote witte was zoo dapper en edelmoedig, dat de
+jongen bang was, dat hij een of ander ongeluk zou begaan, als hij de
+voorwaarden van den kabouter hoorde.
+
+En sinds dien dag zat de jongen stil en verdrietig op den ganzenrug,
+liet het hoofd hangen, en had geen lust om rond te kijken. Hij hoorde
+de ganzen de namen van allerlei plaatsen uitroepen, maar hij had geen
+lust dat alles te zien.
+
+"Ik zal mijn heele leven wel met de wilde ganzen moeten rondvliegen,
+en dan kan ik nog meer van dit land zien dan mij lief is," dacht hij.
+
+Hij werd niet minder moedeloos, toen hij de ganzen hoorde roepen,
+dat ze nu in Wermeland waren gekomen, en dat de rivier die ze nu naar
+'t Zuiden volgden, de Klarelf was.
+
+"Ik heb al zooveel rivieren gezien in mijn leven," dacht hij. "Ik
+behoef niet eens de moeite te nemen om naar deze te kijken."
+
+De wilde ganzen volgden de Klarelf tot de groote fabriek bij
+Munkfors. Toen sloegen ze af naar 't westen naar Fryksdalen. Eer ze
+nog aan het meer Fryken gekomen waren, begon het donker te worden,
+en ze streken neer in een ondiep moeras in een hoogliggend bosch.
+
+'t Moeras was wel een goed nachtkwartier voor wilde ganzen, maar de
+jongen vond, dat het er guur en akelig was, en hij wilde graag een
+betere slaapplaats hebben. Terwijl hij nog boven in de lucht was,
+had hij gezien, dat er eenige hoeven beneden bij de hoogte lagen,
+en hij ging gauw op weg om die te zoeken.
+
+'t Was verder dan hij dacht, en hij kwam meer dan eens in de verzoeking
+weer terug te keeren. Maar eindelijk werd het bosch dunner om hem heen,
+en hij kwam aan een weg, die op den zoom van het bosch aanliep. Van
+den weg af liep een mooie berkenlaan naar een hoeve, en hij ging daar
+dadelijk op af.
+
+De jongen kwam eerst op een achterplaats, groot als een stadsmarkt,
+en met lange roode gebouwen omringd. Toen hij die overgeloopen was,
+zag hij een andere plaats, waar het woonhuis lag met een zandpad en een
+groot plein er voor, een vleugel aan beide zijden uitgebouwd, en een
+lommerrijken tuin er achter. 't Hoofdgebouw was klein en onaanzienlijk,
+maar 't plein was omgeven met een rij hemelhooge sorbeboomen, die zóó
+dicht opeen stonden, dat ze een heelen muur vormden, en de jongen vond,
+dat het was, alsof hij in een prachtige hoog gewelfde kamer kwam. De
+hemel rustte mooi, bleekblauw op de boomtoppen, de sorbeboomen waren
+geel met groote roode trossen, de grasvelden waren nog wel groen,
+maar 't was dien avond lichte stralende maneschijn, en die viel met
+zooveel glans over 't gras, dat het wit scheen als zilver.
+
+Geen mensch was er te zien, zoodat de jongen vrij kon rondloopen,
+waar hij wou, en toen hij in den tuin kwam, merkte hij iets op, dat
+hem bijna in zijn humeur bracht. Hij was in een kleinen sorbeboom
+geklommen om van de bessen te eten, maar eer hij nog een tros had
+bereikt, zag hij een vogelkers, die ook vol bessen zat. Hij gleed
+vlug uit den stam van den sorbeboom en klauterde in de vogelkers,
+maar pas was hij daar, toen hij een aalbessestruik ontdekte, waaraan
+nog lange roode trossen hingen. En nu zag hij, dat de heele tuin vol
+kruisbessen, en frambozen, en rozebottels zat. Er waren kool, wortels
+en rapen op de groentebedden, bessen aan alle struiken, zaden aan de
+planten en 't gras zat vol kleine aren met korrels gevuld. En daar
+op het pad--hij had het zeker mis,--maar jawel! daar lag een mooie
+groote appel, en glom in den maneschijn.
+
+De jongen ging op het gras zitten met dien grooten appel voor zich
+en begon er kleine stukjes uit te snijden met zijn mes.
+
+"'t Zou toch niet zoo erg zijn je heele leven een dwergje te zijn, als
+er dikwijls zoo gemakkelijk eten te vinden was als hier," dacht hij.
+
+Hij zat te peinzen onder 't eten, en eindelijk dacht hij, of 't niet
+goed zou zijn, als hij bleef, waar hij nu was, en de wilde ganzen naar
+'t zuiden liet trekken zonder hem.
+
+"Ik weet niet, hoe ik Maarten den ganzerik aan 't verstand zal brengen,
+dat ik niet naar huis kan gaan," dacht hij. "'t Is beter, dat ik
+me heelemaal van hem losmaak. Ik zou me een wintervoorraad kunnen
+verzamelen, zooals de eekhoorns doen, en als ik in een donker hoekje in
+den stal of in de schuur woonde, zou ik niet dood hoeven te vriezen."
+
+Juist toen hij daaraan dacht, hoorde hij een licht suizen boven
+zijn hoofd, en een oogenblik later stond er iets, dat op een klein
+kort berkestompje leek, naast hem op den grond. 't Stompje wrong en
+draaide zich heen en weer, en twee lichte punten bovenin gloeiden als
+vuurkolen. 't Leek echte hekserij, maar de jongen merkte dadelijk, dat
+het stompje een krommen bek en groote veeren kransen om de gloeiende
+oogen had, en toen werd hij kalm.
+
+"Dat is heel prettig om een levend wezen te ontmoeten," zei
+hij. "Misschien wilt u me wel zeggen, hoe deze hoeve heet, Mevrouw
+Katuil, en wat hier voor menschen wonen."
+
+De katuil had dien heelen avond, zooals gewoonlijk in den herfst,
+op een treê van de groote ladder gezeten, die tegen het dak stond,
+en naar beneden gekeken op de paden en de grasvelden, om op ratten
+te loeren. Maar tot zijn verwondering vertoonde zich geen enkel
+grauwvelletje. In plaats daarvan zag hij iets, dat op een mensch leek,
+maar veel kleiner was, zich in den tuin bewegen.
+
+"Hier heb ik hem dan, die de ratten wegjaagt," dacht de katuil. "Wat
+ter wereld kan dat toch zijn."
+
+"'t Is geen eekhoorn, en geen jonge kat, en geen wezel," dacht zij
+verder. "Ik meende, dat een vogel als ik, die zoolang op een oude
+hoeve heeft gewoond, wel zoowat wist, wat er alzoo in de wereld
+was. Maar dit gaat mijn verstand te boven."
+
+Hij had zitten staren naar dat onbegrijpelijke, dat zich op 't pad
+bewoog, tot zijn oogen gloeiden. Eindelijk kreeg de nieuwsgierigheid
+de overhand, zoodat hij naar den grond gevlogen was om den vreemde
+van dichtbij te bekijken.
+
+Toen de jongen begon te spreken, boog de uil zich voorover om hem
+te bekijken.
+
+"Hij heeft geen klauwen en geen horens," dacht hij, "maar wie weet, of
+hij geen gifttand, of nog gevaarlijker wapen heeft? Ik moet probeeren
+er wat beter achter te komen, wat hij eigenlijk is, eer ik me aan
+hem waag."
+
+"Deze hoeve heet Mårbacka," [3] zei de uil, "en hier hebben vroeger
+deftige menschen gewoond. Maar wat ben jijzelf voor een schepsel?"
+
+"Ik denk er over om hierheen te verhuizen," zei de jongen, zonder op de
+vraag van den uil te antwoorden. "Zou je denken, dat het lukken zou?"
+
+"Och ja, nu is er niet zooveel meer aan deze hoeve, als vroeger. Maar
+je kunt het hier toch best uithouden. 't Komt er maar op aan, waarvan
+je denkt te kunnen leven. Ben je van plan op rattenjacht te gaan?"
+
+"Goeie hemel, neen!" zei de jongen. "Er is meer kans, dat de ratten
+mij opeten, dan dat ik ze kwaad zal doen."
+
+"Het is toch niet mogelijk, dat hij zoo onschuldig is, als hij zegt,"
+dacht de katuil. "Maar ik geloof toch, dat ik 't eens probeeren zal."
+
+Hij vloog op, en 't volgend oogenblik had hij zijn klauwen in Niels
+Holgerssons schouders geslagen, en pikte naar zijn oogen. De jongen
+hield zijn eene hand voor de oogen, en probeerde met de andere zich
+vrij te maken. Tegelijkertijd schreeuwde hij om hulp, zoo hard hij
+kon. Hij voelde, dat hij in ernstig levensgevaar verkeerde, en zei
+in zichzelf, dat het nu zeker met hem was gedaan.
+
+
+
+Maar nu moet ik vertellen hoe wonderlijk het trof, dat er juist in dat
+jaar, toen Niels Holgersson rondvloog met de wilde ganzen, een mensch
+was, die er over liep te denken een boek over Zweden te schrijven,
+dat geschikt zou wezen voor kinderen om op school te lezen. Ze had
+er al over gedacht van Kerstmis tot den herfst toe. Maar ze had nog
+geen regel geschreven, en eindelijk was ze van al dat denken zóó moe
+geworden, dat ze tegen zichzelf zei: "Dat kun je niet! Ga zitten,
+en schrijf sagen en verhalen, zooals je altijd doet, en laat een
+ander dat boek schrijven, dat zoo leerzaam en ernstig moet zijn,
+dat er geen onwaar woord in mag voorkomen."
+
+'t Was zoo goed als uitgemaakt, dat ze 't plan zou opgeven, maar
+ze vond toch, dat het prettig zou zijn iets moois over Zweden
+te schrijven, en ze had moeite dat werk aan anderen over te
+laten. Eindelijk kwam ze op de gedachte, dat het misschien kwam,
+doordat ze in een stad was en niets dan straten en huismuren om zich
+heen had, dat ze niet aan 't schrijven kon komen. Als ze naar buiten
+ging, waar ze bosschen en akkers kon zien, zou 't misschien beter gaan.
+
+Ze was uit Wermeland, en het was duidelijk, dat ze 't boek beginnen
+moest met die landstreek. En allereerst zou ze vertellen van de plaats,
+waar ze was opgegroeid. 't Was een klein landgoed, dat ver van de
+bewoonde wereld lag, en waar veel ouderwetsche zeden en gewoonten
+bewaard gebleven waren. Ze had gedacht, dat het aardig zou wezen voor
+de kinderen, om te hooren van de verschillende bezigheden, die 't heele
+jaar door elkaar opvolgden. Ze wilde vertellen hoe ze Kerstfeest en
+Nieuwjaar, en Paschen, en 't zomerfeest bij haar thuis hadden gevierd,
+wat ze voor meubels en huisraad hadden, hoe 't er in de keuken en
+provisiekamer, in schuren en stallen, in waschhuis en badkamer had
+uitgezien. Maar als ze daarover wou schrijven, kon ze haar pen niet
+voortkrijgen. Ze kon heelemaal niet begrijpen, hoe dat kwam, maar
+'t was zoo. Toch was 't wezenlijk waar, dat ze zich dat alles nog
+even duidelijk herinnerde, alsof ze er nog midden in leefde. Maar
+ze zei tegen zichzelf, dat nu ze toch naar buiten moest gaan, ze
+misschien naar dat oude landgoed kon reizen, en alles nog eens zien,
+eer ze erover schreef. Ze was er in jaren niet geweest, en ze vond
+het wel prettig een reden te hebben er nog eens te komen. Eigenlijk
+verlangde ze er altijd naar terug, waar ze ook was. Ze zag wel,
+dat andere plaatsen mooier en beter waren, maar ze vond nergens die
+veiligheid en gezelligheid, die ze in haar ouderlijk huis had genoten.
+
+Intusschen was het niet zoo gemakkelijk voor haar om thuis te komen,
+als je wel denken zou, want het landgoed was verkocht aan menschen,
+die ze niet kende. Ze dacht wel, dat ze haar vriendelijk zouden
+ontvangen, maar ze wilde niet in dat oude huis terugkomen om met
+vreemde menschen te praten, maar om zich goed te kunnen herinneren,
+hoe 't er vroeger was geweest. Daarom legde ze 't zoo aan, dat ze er
+'s avonds laat zou aankomen, als 't werk was afgeloopen, en de menschen
+in huis zouden zijn.
+
+Ze had nooit gedacht, dat het zoo wonderlijk zou zijn om thuis te
+komen. Terwijl ze in den wagen zat, en naar haar oude huis reed, was
+'t alsof ze bij de minuut jonger werd, en al gauw was ze niet meer
+een oud mensch met haar, dat al begon grijs te worden, maar een klein
+meisje met korte rokken en een lange, vlasblonde vlecht. Terwijl ze
+daar zat, en alle hoeven langs den weg herkende, kon ze zich niet
+begrijpen, dat alles thuis niet meer was als vroeger. Vader en Moeder
+en de broers en zusters zouden op de stoep staan om haar te ontvangen,
+de oude huishoudster zou gauw naar 't keukenvenster loopen om te zien,
+wie daar aan kwam rijden, en Nera, en Freja, met nog een paar honden,
+zouden komen aandraven en tegen haar opspringen.
+
+Hoe meer ze de hoeve naderde, hoe vroolijker ze werd. Nu was 't herfst,
+en er kwam een drukke tijd met allerlei werk, maar 't was juist al dat
+verschillende werk, dat maakte, dat het thuis nooit vervelend was of
+eentonig. Ze had onderweg gezien, dat de menschen aan 't aardappels
+rooien waren, en dat deden ze ook nu bij haar thuis, zoodat er nu
+allereerst aardappelen geraapt moesten worden om aardappelmeel te
+maken. 't Was een zachte herfst geweest. Ze dacht er juist over,
+of alles al was afgeloopen in den tuin. De kool zou nog wel buiten
+staan. En zou de hop al geplukt zijn en de appels geschud?
+
+Dat kon wel, als ze het thuis niet te druk hadden. Want het liep
+tegen de herfstmarkt. En tegen den markttijd moest het overal
+schoon en netjes zijn. Dat was een feest, vooral in de oogen van de
+dienstboden. 't Was ook op den avond voor den marktdag een lust om
+in de keuken te komen, en den blank geschuurden, met groene takjes
+bestrooiden vloer te zien, de frisch gewitte muren, en den glimmenden
+koperen ketel aan den zolder.
+
+En als de markt voorbij was, zou er niet lang rust zijn. Dan
+begonnen ze met vlasbraken. 't Vlas had lang op een wei gelegen om
+te rotten. Dan werd het in het oude badhuis gebracht, en de groote
+badkachel werd aangelegd, opdat het zou drogen. En als het droog
+genoeg was, werden op een dag alle vrouwen uit de buurt bij elkaar
+geroepen. Ze gingen voor het badhuis zitten, en begonnen het vlas te
+braken. Later sloegen ze het met dorschvlegels, om de fijne, witte
+vezels uit de dorre stelen te halen. Onder het werk werden de vrouwen
+grijs van 't stof. Haar kleeren en haren waren bedekt met afval van
+'t vlas, maar ze waren toch even vroolijk. Den heelen dag klapperden
+de dorschvlegels, en het praten ging zóó best, dat als men bij 't
+oude badhuis kwam, men een geluid hoorde, alsof een bruisende storm
+daar huis hield.
+
+Na 't werk met het vlas kwam het bakken van de knakbroodvoorraad,
+het scheren van de schapen en de aankomst van nieuwe dienstmeisjes. In
+November kwamen de drukke slachtdagen met het inzouten van vleesch en
+'t worst maken, het bakken van bloedbrood en 't maken van kaarsen. De
+naaister moest ook zoowat tegen dien tijd komen, en 't waren een paar
+gezellige weken, als alle menschen bij elkaar zaten om te naaien. De
+schoenmaker, die schoenen voor de heele familie maakte, zat dan ook
+in de knechtenkamer te werken, en 't was altijd even interessant om
+te zien, hoe hij 't leer sneed, en nieuwe zolen en achterlappen op
+de schoenen zette, en ringetjes in de vetergaten sloeg.
+
+Maar de grootste drukte kwam toch tegen de Kerstmis op den Luciadag,
+als de kamenier rondliep in het wit gekleed, met kaarsen in 't haar
+en alle menschen op de koffie noodigde, tegen den volgenden morgen
+vijf uur. Die kwam juist als een teeken, dat ze de eerste twee weken
+niet op veel slaap moesten rekenen. Nu moesten ze kerstbier brouwen,
+en visch in 't zuur zetten, en bezig zijn met het schoonmaken en
+bakken voor Kerstmis.
+
+Ze was druk aan 't bakken, met veel kerstkoeken en kleine broodjes
+om zich heen, toen de koetsier de paarden inhield aan 't begin van
+de laan, zooals ze hem had verzocht. Ze schrikte wakker als uit een
+droom. 't Was akelig, op den laten avond alleen te zitten voor haar,
+die zich zoo pas nog te midden van al de haren had gedroomd. Toen
+ze uit den wagen stapte, en de laan door ging loopen, om ongemerkt
+bij haar oude huis te komen, voelde zij 't verschil tusschen 't
+verleden en het tegenwoordige zóó sterk, dat ze 't liefst had willen
+omkeeren. "Wat geeft het, dat ik hier kom? Hier kan 't immers toch
+niet zijn als in den ouden tijd," dacht ze.
+
+Maar ze vond, dat nu ze zoover was gekomen, ze toch ook de plaats
+moest zien, en ze bleef voortloopen, hoewel ze bij iederen stap
+bedroefder werd.
+
+Ze had hooren zeggen, dat de hoeve heel vervallen en veranderd was, en
+dat was ze ook. Maar dat kon ze nu in den avond niet merken. Ze vond
+eerder, dat alles er nog wel 't zelfde uitzag. Daar was de vijver,
+die in haar jeugd vol visschen was, en waar niemand durfde hengelen,
+omdat Vader wilde, dat men de visschen met rust zou laten. Daar was
+de knechtenkamer en de schuur, en de stal met de etensbel boven den
+eenen gevel, en den weerhaan boven den anderen. En het plein voor
+het woonhuis was nog steeds als een ingesloten kamer zonder uitzicht,
+zooals het in den tijd van haar vader was geweest, want hij had het
+hart niet gehad ook maar een enkelen struik om te houwen.
+
+Ze was in de schaduw gebleven onder den grooten esch bij de inrijlaan
+naar 't huis, en ze stond rond te kijken. En terwijl ze daar nu stond
+gebeurde het, dat een vlucht duiven aankwam en naast haar neerstreek.
+
+Ze kon nauwlijks gelooven, dat het werkelijk vogels waren, want
+duiven zijn immers nooit in beweging na zonsondergang. Het moest de
+mooie maneschijn zijn, die ze had gewekt. Ze hadden gedacht, dat het
+dag was, en waren uit de duiventil gevlogen, maar later waren ze in
+de war gekomen, en hadden den weg niet kunnen vinden. Toen ze een
+mensch zagen, waren ze naar haar toegevlogen, alsof zij hun den weg
+moest wijzen.
+
+Er waren een massa duiven op de hoeve geweest in den tijd van haar
+ouders, want de duiven behoorden ook tot de dieren, die haar vader in
+zijn bizondere bescherming had genomen. Als hij maar hoorde praten van
+'t slachten van een duif, raakte hij uit zijn humeur.
+
+Ze vond het heel prettig, dat de mooie vogels haar in haar oud tehuis
+te gemoet kwamen. Wie kon weten, of de duiven niet in den nacht
+waren uitgevlogen, om haar te toonen, dat ze niet hadden vergeten,
+dat ze hier eens een goed tehuis hadden gehad.
+
+Of misschien was het Vader, die haar zijn vogels met een groet had
+gezonden, opdat ze zich niet angstig en alleen zou voelen, als ze in
+haar vroeger tehuis kwam.
+
+Toen ze dat dacht, kwam er zoo'n sterk verlangen naar den ouden tijd
+over haar, dat ze de tranen in de oogen kreeg. 't Was een goed leven,
+dat ze hier hadden geleid op dit landgoed. Ze hadden werkweken gehad,
+maar ook hun feesten; ze hadden overdag gezwoegd, maar tegen den avond
+hadden ze om de lamp gezeten en de boeken van Tegner, Runeberg, Mevrouw
+Lenngren en Bremer gelezen. Ze hadden koren verbouwd, maar ook rozen
+en jasmijn; ze hadden vlas gesponnen, en volksliederen gezongen onder
+'t spinnen. Ze hadden op geschiedenis en spraakkunst geblokt, maar
+ze hadden ook tooneelgespeeld en verzen geschreven, ze hadden voor
+'t fornuis gestaan en eten gekookt, maar ze hadden ook geleerd piano
+en fluit, guitaar en viool te spelen. Ze hadden in den tuin kool en
+rapen en erwten en boonen geplant, maar er was ook een andere tuin vol
+appels en peren en allerlei bessen. Ze hadden afgezonderd geleefd,
+maar juist daarom herinnerde zij zich zooveel sagen en verhalen. Ze
+hadden eigengemaakte kleeren gedragen, maar ze hadden onbekommerd en
+zorgeloos geleefd.
+
+"Nergens in de wereld weten de menschen zoo'n goed leven te leiden,
+als op zoo'n klein landgoed in mijn jeugd," dacht ze. "Daar was werk
+en plezier in overvloed, en er was vreugde alle dagen. Ik zou heel
+graag hier terugkomen. Nu ik de plaats heb weergezien, valt het me
+zwaar van hier weg te gaan."
+
+En toen wendde ze zich tot de duivenvlucht, en zei--terwijl ze om
+zichzelf lachte:
+
+"Wil jelui niet naar Vader gaan, en hem zeggen, dat ik zoo naar huis
+verlang. Ik heb lang genoeg in den vreemde rondgezworven. Vraag hem
+of hij 't niet zoo kan schikken, dat ik gauw weer in mijn ouderlijk
+huis terugkomen kan."
+
+Nauwelijks had ze dat gezegd, of de heele duivenvlucht vloog op
+en weg. Ze probeerde hen met de oogen te volgen, maar ze verdwenen
+dadelijk. 't Was alsof de heele lichte schare zich in de tintelende
+lucht oploste.
+
+De duiven waren nauwelijks weg, of ze hoorde een paar luide kreten
+uit den tuin, en toen ze daar haastig heen ging, zag ze iets heel
+vreemds. Daar stond een klein, klein dwergje, niet veel grooter, dan
+een handbreed, en vocht met een katuil. Eerst was ze zóó verbaasd,
+dat ze zich niet kon bewegen. Maar toen de dwerg steeds jammerlijker
+schreeuwde, greep ze snel in, en scheidde de vechtenden van elkaar.
+
+De uil vloog in een boom, maar de dwerg bleef staan op het zandpad,
+zonder zich te verbergen of weg te loopen.
+
+"Ik dank u wel voor uw hulp," zei hij. "Maar 't was heel dom, dat u
+de uil liet vliegen. Nu kan ik niet van hier wegkomen, want nu zit
+zij boven in den boom op me te loeren."
+
+"Ja, dat was onattent van me, dat ik ze losliet; maar kan ik je nu
+niet thuisbrengen?" vroeg ze.
+
+Ze had veel sagen gedicht, en was niet weinig verwonderd, dat ze nu
+onverwachts in gesprek met een van 't kleine volkje was geraakt. Maar
+in den grond was ze toch niet zoo heel verrast. 't Was, alsof ze
+aldoor had verwacht, dat ze iets bizonders zou beleven, terwijl ze
+daar in den maneschijn buiten haar oude huis liep.
+
+"Eigenlijk was ik van plan hier den heelen nacht op 't landgoed
+te blijven," zei de dwerg. "Als u me maar een veilige slaapplaats
+wilt wijzen, zou ik liever niet vóór 't aanbreken van den dag naar
+'t bosch terug willen."
+
+"Moet ik je een slaapplaats wijzen? Ben je dan hier niet thuis?"
+
+"Ik begrijp wel, dat u denkt, dat ik een van 't kleine volkje ben,"
+zei nu de dwerg, "maar ik ben een mensch, zoo goed als u, al ben ik
+in een kabouter veranderd."
+
+"Dat is het wonderlijkste, wat ik ooit heb gehoord. Zou je me niet
+willen vertellen, hoe 't je zoo slecht is gegaan?"
+
+De jongen had er niets tegen zijn avonturen te vertellen, en terwijl
+ze naar hem luisterde, werd ze steeds meer verbaasd,--verbaasd en
+blij--al naar 't verhaal was.
+
+"Neen, wat is dat een geluk, dat ik iemand ontmoette, die op den rug
+van een gans over heel Zweden reisde," dacht ze. "Juist, wat hij me
+vertelt, zal ik in mijn boek schrijven. Nu hoef ik daarover niet meer
+bezorgd te zijn. 't Was maar goed, dat ik naar huis ging. Wat vreemd
+toch, dat ik daar hulp voor kreeg, zoodra ik in mijn ouden tuin kwam."
+
+Maar tegelijk kwam een gedachte in haar op, die ze haast niet uit
+durfde denken. Ze had bericht gezonden aan haar Vader met de duiven,
+dat ze naar huis verlangde, en dadelijk daarna had ze hulp gekregen
+voor dat, waar ze al zoo lang over had gepeinsd...
+
+Zou dat haar vaders antwoord zijn op wat ze gevraagd had?
+
+
+
+
+
+
+XXXVIII.
+
+DE SCHAT OP DE KLIPPEN.
+
+
+OP WEG NAAR ZEE.
+
+
+Al van 't begin van de herfstreis af waren de wilde ganzen recht naar
+het zuiden gevlogen, maar toen ze 't Fryksdal verlieten, sloegen ze
+een andere richting in, en vlogen over west Wermeland en Dalsland
+naar Bohuslän.
+
+'t Werd een vroolijke reis. De gansjes waren nu in zoover aan 't
+vliegen gewend, dat ze niet meer over moeheid klaagden, en de jongen
+begon weer zijn oude opgewektheid terug te krijgen. Hij was blij,
+omdat hij met een mensch had gesproken, want dat had hem goed gedaan,
+en zij had gezegd, dat, als hij maar bleef doorgaan op dezelfde
+manier, als hij begonnen was, en allen goed deed, die hij ontmoette
+op zijn weg, het niet verkeerd met hem kon afloopen. Ze had hem niet
+kunnen zeggen, hoe hij zijn vorige gedaante kon terugkrijgen, maar
+ze had hem een beetje hoop en vertrouwen teruggegeven, en dat was
+het zeker, waardoor hij nu had kunnen bedenken, hoe hij den grooten
+witten ganzerik er van af zou brengen om naar huis te gaan.
+
+"Weet je wel, Maarten," zei hij, toen ze hoog door de lucht vlogen,
+"dat het misschien wel eentonig voor ons wordt, den heelen winter
+thuis te blijven, nu we zoo'n reis als deze hebben meegemaakt. Ik zit
+er over te denken, of we niet met de wilde ganzen naar 't buitenland
+zullen gaan."
+
+"Dat kun je toch niet meenen," zei de ganzerik, en keek heel
+verschrikt, want nu hij had getoond, dat hij in staat was, de wilde
+ganzen heel naar Lapland te volgen, had hij erg veel lust om terug
+te komen in het ganzenhok, in den koestal van Niels Holgersson.
+
+De jongen zat een poos stil te kijken naar Wermeland, waar alle
+berkenbosschen en boschvelden en tuinen in gele en roode herfstkleuren
+waren getooid, en waar de lange meren helderblauw lagen tusschen de
+gele oevers.
+
+"Ik geloof niet, dat ik ooit de aarde zoo mooi onder ons heb zien
+liggen als vandaag," zei hij. "De meren zijn als blauwe zijde, en de
+oevers als breede gouden banden. Vind je niet, dat het jammer zou
+zijn, als we ons vestigden op West Vemmenhög en niets meer van de
+wereld zagen?"
+
+"Ik dacht, dat je naar huis wilde, naar Vader en Moeder, en toonen
+wat je voor een flinke jongen bent geworden," zei de ganzerik.
+
+Hij had er den heelen zomer over loopen droomen, wat een heerlijk
+oogenblik het zou zijn, als hij neerdaalde voor 't huis van Holger
+Nielssons hut, en Donsje met de zes jonge gansjes kon vertoonen
+aan de ganzen en de kippen, aan de koeien en de kat en aan Moeder
+Holgersson zelf, zoodat hij niet heel ingenomen was met het voorstel
+van den jongen.
+
+De wilde ganzen hielden vaak en lang rust op den dag. Ze vonden overal
+zulke heerlijke stoppelvelden, dat ze er bijna niet vandaan konden
+komen, en ze kwamen niet in Dalsland voor tegen zonsondergang. Ze
+vlogen over het noordwestelijk gedeelte van 't landschap, en daar was
+het nog mooier dan in Wermeland. Daar waren zooveel meren, dat het
+land er tusschen lag als smalle strepen grond met hooge heuvels. 't
+Was geen goede grond voor akkers, maar de boomen tierden er des te
+beter, en de steile oevers lagen er als mooie parken. 't Was alsof
+er iets in de lucht of in 't water was, dat het zonlicht vasthield,
+ook nadat de zon achter de bergtoppen was neergedaald. Strepen goud
+speelden op de donker glanzende wateroppervlakte, en over 't veld
+trilde een licht, bleekrood schijnsel, waaruit geelwitte berken,
+helderroode esschen en roodgele sorbeboomen opstaken.
+
+"Vind je zelf niet, Maarten, dat het jammer is, nooit meer zooiets
+moois als dit te zien," zei de jongen.
+
+"Ik houd meer van de vette akkers op Söderslätt, dan van die magere
+bergakkers hier," antwoordde de ganzerik. "Maar je begrijpt wel, dat
+als je met alle geweld verder wilt reizen, ik niet van je kan weggaan."
+
+"Dat dacht ik wel, dat je dat zoudt zeggen," zei de jongen, en 't
+was te hooren aan zijn stem, dat hij van een groote zorg was ontheven.
+
+Toen ze later over Bohuslän reisden, zag de jongen, dat de bergvlakten
+dichter bij elkaar waren; de dalen lagen er tusschen als smalle kloven
+in den berggrond, en de lange meren op hun bodem waren zoo zwart,
+alsof ze uit de onderwereld kwamen. Ook dit was een indrukwekkend
+landschap, en toen de jongen het zag, nu eens met een smalle reep
+zonneschijn, dan weer in de schaduw, vond hij, dat er iets wilds,
+iets eigenaardigs over lag.
+
+Hij wist niet hoe het kwam, maar hij had een gevoel, alsof hier vroeger
+sterke en kloeke reuzen hadden gewoond, en dat ze veel gevaarlijke
+en gewaagde avonturen hadden moeten beleven in deze geheimzinnige
+streken. De oude lust om merkwaardige gebeurtenissen te beleven werd
+bij hem wakker.
+
+"'t Zou best mogelijk wezen, dat ik 't zou missen, als ik niet elken
+dag in levensgevaar was," dacht hij. "'t Is 't beste maar tevreden
+te zijn met mijn leven, zooals 't nu is."
+
+Hij zei hiervan niets aan den ganzerik, want ze vlogen over Bohuslän
+met de snelst mogelijke vaart, en de ganzerik hijgde zóó, dat hij
+geen antwoord had kunnen geven.
+
+De zon stond aan den horizont, en verdween soms achter een of anderen
+heuvel, maar de wilde ganzen joegen met zoo'n vaart, dat ze haar
+telkens weer te zien kregen.
+
+Eindelijk zagen ze in 't westen een glanzende streep, die steeds
+breeder werd bij elken vleugelslag. 't Was de zee, die melkwit en
+met overgangen van rozerood tot hemelsblauw daar neerlag, en toen ze
+voorbij de strandklippen zwaaiden, zagen ze de zon weer, die over 't
+water hing, groot en rood, en gereed om in de golven onder te duiken.
+
+Maar toen de jongen de vrije, oneindige zee zag, en de roode avondzon,
+die zoo zacht en vriendelijk scheen, dat hij er in kon zien, voelde
+hij vrede en rust in zijn ziel komen.
+
+"'t Is verkeerd om bedroefd te zijn, Niels Holgersson," zei de zon. "De
+wereld is heerlijk om in te leven voor groot en klein. 't Is ook iets
+heel moois, vrij en zonder zorgen te zijn, en de heele wereld voor
+je te hebben."
+
+
+
+
+HET GESCHENK VAN DE WILDE GANZEN.
+
+
+De wilde ganzen hadden zich neergezet op een kleine klip buiten de
+Rotsbeek. Maar toen het tegen middernacht liep, en de maan hoog aan
+den hemel stond, schudde Akka den slaap uit de oogen, en liep rond
+om Yksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi te wekken. 't Laatst
+stootte ze met den snavel Duimelot aan, zoodat hij wakker werd.
+
+"Wat is er, Moeder Akka?" vroeg hij, en sprong verschrikt op.
+
+"Er is niets gevaarlijks," antwoordde de leidstergans. "Wij, de
+zeven ouden in den troep, wilden van nacht een eind over zee vliegen,
+en zouden graag weten, of je lust hebt om meê te gaan."
+
+De jongen begreep wel, dat Akka zoo'n voorstel niet zou hebben gedaan,
+als er niet iets gewichtigs te doen was, en hij ging dadelijk op
+haar rug zitten. De vlucht ging recht naar het westen. De wilde
+ganzen vlogen eerst over een streep groote en kleine eilanden, die
+dicht bij de kust lagen, daarna over een breede streep open water
+en bereikten toen de groote eilandengroep Väderöar, die 't verste
+in zee ligt. Alle eilanden waren laag en rotsachtig, en in den
+maneschijn leek het, alsof ze aan den westkant door de golven waren
+gladgeslepen. Enkele waren heel groot, en daarop onderscheidde de
+jongen een paar woningen. Akka zocht de kleinste klip uit, en streek
+daar neer. Die bestond uit koolhoudenden grijzen steen, waarover in
+'t midden een vrij breede spleet liep, waarin de zee fijn wit zeezand
+en wat slakkenhuizen had geworpen.
+
+Toen de jongen van den rug van de gans gleed, zag hij dicht bij zich
+iets, dat op een hoogen spitsen steen leek. Maar bijna op hetzelfde
+oogenblik merkte hij, dat het een groote roofvogel was, die de klip
+als nachtverblijf had uitgekozen. En nauwlijks had hij den tijd gehad
+er zich over te verwonderen, dat de wilde ganzen zoo onvoorzichtig
+waren neergestreken naast een gevaarlijken vijand, of de vogel kwam
+met een langen sprong op hen toe, en hij herkende Gorgo, den arend.
+
+'t Bleek, dat Akka en Gorgo deze bijeenkomst hadden afgesproken. Geen
+van beide was er verbaasd over den ander te zien.
+
+"Dat was flink van je, Gorgo, dat je al voor ons hier bent," zei
+Akka. "Ben je hier al lang?"
+
+"Ik kwam hier vanavond," antwoordde Gorgo, "maar ik ben bang, dat
+ik geen ander prijsje verdien, dan dat ik hier op tijd ben. 't Ging
+verkeerd met de boodschap, die u me hebt opgedragen."
+
+"Ik geloof zeker, Gorgo, dat je meer hebt gedaan, dan je toonen
+wilt," zei Akka. "Maar eer je vertelt, wat je op reis is gebeurd,
+wou ik Duimelot verzoeken me te helpen om iets te onderzoeken, dat
+hier op de klip moet verborgen zijn."
+
+De jongen had een paar mooie slakkenhuizen staan bekijken, maar toen
+Akka zijn naam noemde, keek hij op.
+
+"Je was zeker wel verwonderd, Duimelot, omdat we van den rechten weg
+afweken, en hier naar 't westen vlogen," zei Akka.
+
+"Ik vond het wel vreemd," antwoordde de jongen. "Maar ik wist immers
+wel, dat u altijd een goede reden hebt voor wat u doet."
+
+"Je denkt goed over mij," zei Akka, "maar ik vrees, dat je dat nu
+wel eens zou kunnen tegenvallen, want 't is best mogelijk, dat we
+deze reis tevergeefs hebben gemaakt."
+
+"'t Gebeurde heel lang geleden," ging Akka voort, "dat ik met een
+paar van de ouden in onzen troep, op onze lentereis door een storm
+werd overvallen, en heel op deze klip geworpen. Toen we zagen, dat we
+niets anders dan zee zonder kust voor ons hadden, vreesden we, zoo
+ver weggedreven te worden, dat we nooit weer aan land zouden komen,
+en gingen daarom op de golven liggen. De storm dwong ons verscheidene
+dagen tusschen de kale klippen te blijven. We leden veel honger,
+en eens liepen we hier deze kloof binnen om naar eten te zoeken. We
+vonden geen enkel grassprietje, maar we zagen een paar zakken, die
+goed dichtgebonden waren, en half in 't zand begraven. We hoopten,
+dat er koren in de zakken zou zijn, en rukten en trokken er aan,
+tot we het goed kapot gemaakt hadden, maar toen rolden er geen
+zaadkorrels maar blinkende goudstukken uit. Zulke dingen konden wij,
+wilde ganzen, niet gebruiken, en we lieten ze, waar ze waren. We hebben
+in al die jaren niet aan die vondst gedacht, maar dezen herfst is er
+iets gebeurd, dat maakt, dat we naar goud verlangen. We weten wel,
+dat het niet waarschijnlijk is, dat de schat hier nog ligt; maar we
+zijn toch hierheen gekomen, om je te vragen eens te onderzoeken, hoe
+'t met de zaak gesteld is."
+
+De jongen sprong in de kloof, nam een mosselschelp in iedere hand,
+en begon het zand op zij te schrappen. Hij vond geen zakken, maar toen
+hij een vrij diep gat had gegraven, hoorde hij metaal klinken en zag,
+dat hij een gouden munt had geraakt. Hij tastte met de handen over
+den grond, voelde, dat daar veel ronde muntstukken lagen en haastte
+zich naar Akka terug. "De zakken zijn vergaan en in stukken gevallen,"
+zei hij, "zoodat het geld in 't zand gestrooid ligt, maar ik geloof,
+dat al het goud er nog is."
+
+"Dat is goed," zei Akka, "maak nu het gat weer dicht en strijk het
+zand zoo glad, dat niemand kan zien dat er in gegraven is."
+
+De jongen deed wat hem was opgedragen, maar toen hij daarna weer op
+de rots kwam, was hij niet weinig verwonderd, toen hij zag, dat Akka
+voor de zes wilde ganzen was gaan staan, en dat alle hem heel plechtig
+tegemoet kwamen. Toen ze voor hem bleven staan, bogen ze verscheidene
+malen de halzen, en zagen er zoo gewichtig uit, dat hij onwillekeurig
+de muts afnam, en voor hen boog.
+
+"De zaak is deze," zei Akka, "dat wij, die oud zijn, tegen elkaar
+hebben gezegd, dat, als jij, Duimelot, bij menschen in dienst waart
+geweest, en hun zooveel goed hadt gedaan als je ons deedt, dan zouden
+ze zeker niet van je weggaan, zonder je een goede belooning te geven."
+
+"Niet ik heb u geholpen, maar u hebt mij beschermd," zei de jongen.
+
+"Wij vonden ook," ging Akka voort, "dat als een mensch die heele reis
+met ons meêgemaakt had, zou die zeker niet even arm van ons weggaan,
+als hij gekomen was."
+
+"Ik weet wel, dat wat ik dit jaar bij u geleerd heb, meer waard is
+dan goed of goud," zei de jongen.
+
+"Nu die goudstukken na zooveel jaar nog in de kloof liggen, is het
+wel zeker dat er geen eigenaar van bestaat," zei de leidstergans,
+"en ik vind, dat jij ze wel nemen kunt."
+
+"Maar hadt u zelf den schat niet noodig?" vroeg de jongen.
+
+"Ja, wij hadden dien noodig, om je zoo'n belooning te kunnen geven,
+dat je Vader en Moeder konden zien, dat je als ganzenhoeder bij een
+ordentelijke familie hebt gediend."
+
+Nu keerde de jongen zich half om, wierp een blik over zee, en keek
+toen Akka vlak in de glanzende oogen. "Ik vind het wel vreemd, Moeder
+Akka, dat u me mijn ontslag geeft en mij mijn loon uitbetaalt, vóór
+ik mijn dienst heb opgezegd," zei hij.
+
+"Zoolang als wij, wilde ganzen, in Zweden blijven, wil ik wel gelooven,
+dat je bij ons blijft," zei Akka, en vervolgde: "Maar ik wilde je
+graag wijzen, waar de schat was, nu we er bij konden komen, zonder
+een al te grooten omweg te maken."
+
+"Het is toch, zooals ik zeg, dat u me weg wilt sturen, voor ik het zelf
+verlang," zei Duimelot. "Na zoo'n goeden tijd, als wij samen hadden,
+vind ik, dat het niet te veel was, als ik u vroeg om met u naar het
+buitenland te mogen gaan."
+
+Toen de jongen dat zei, staken Akka en de andere wilde ganzen hun
+lange halzen recht naar boven, en stonden een poos in de lucht te
+kijken met half open snavels.
+
+"Dat is iets, waar ik niet aan heb gedacht," zei Akka, toen ze weer
+tot bezinning was gekomen. "Maar vóór je besluit met ons meê te gaan,
+is het 't beste, dat we luisteren naar wat Gorgo te vertellen heeft. Je
+moet weten, dat hij naar je huis in Skaane zou gaan, om daar betere
+voorwaarden voor je te bewerken."
+
+"Ja, dat is waar," zei Gorgo. "Maar, zooals ik u al zei, het is
+me niet meegeloopen. Ik vond Niels Holgerssons hoeve gauw genoeg,
+en toen ik een paar uur heen en weer had gevlogen over de plaats,
+zag ik den kabouter, die tusschen de gebouwen kwam aansluipen. Ik
+sloeg dadelijk op hem neer, en vloog met hem weg naar een akker, om
+ongestoord met hem te kunnen praten. Ik zei, dat ik door Akka van
+Kebnekaise was gezonden om hem te vragen, of hij Niels Holgersson
+geen betere voorwaarden kon stellen.
+
+"Ik zou wel willen, dat ik het kon," antwoordde hij, "want ik heb
+gehoord, dat hij zich goed heeft gehouden op de reis. Maar dat staat
+niet in mijn macht."
+
+Toen werd ik boos, en zei, dat ik niet te goed was om zijn oogen uit
+te pikken, als hij niet toegaf.
+
+"Je kunt met mij doen, wat je wilt," zei hij. "Met Niels Holgersson
+blijft het toch, zooals het is. Maar je moet hem van mij groeten,
+en zeggen, dat hij goed zou doen, met zijn ganzen thuis te komen,
+want het gaat slecht hier op de hoeve. Holger Nielsson heeft een
+borgstelling voor zijn broer moeten betalen, op wien hij zoo vast
+vertrouwde. Een paard, dat hij heeft gekocht voor geleend geld, werd
+kreupel, de eerste keer, dat hij er meê reed, en na dien tijd heeft
+hij het niet meer kunnen gebruiken. Zeg Niels Holgersson, dat zijn
+ouders al twee koeien hebben moeten verkoopen, en dat ze zeker van
+de hoeve zullen moeten heengaan, als ze niet worden geholpen."
+
+Toen de jongen dat hoorde, fronste hij de wenkbrauwen, en balde de
+vuisten, zoodat de knokkels wit werden.
+
+"'t Is wreed van den kabouter," zei hij, "dat hij me zulke voorwaarden
+stelt, dat ik niet naar huis kan komen en mijn ouders helpen. Maar
+'t zal hem toch niet lukken me tot den verrader van mijn vriend te
+maken. Vader en Moeder zijn eerlijke menschen, en ik weet, dat ze
+liever mijn hulp missen, dan dat ik thuiskom met een slecht geweten."
+
+
+
+
+
+
+XXXIX.
+
+EEN GROOT LANDGOED.
+
+
+DE OUDE EN DE JONGE HEER.
+
+
+Voor een paar jaar geleden was er in een gemeente in Gothland een
+onbeschrijfelijke goede en lieve onderwijzeres. Ze was bekwaam in het
+onderwijzen, en kon goed orde houden; de kinderen hielden zóóveel van
+haar, dat ze altijd hun lessen leerden, vóór ze op school kwamen. De
+ouders waren ook zeer met haar ingenomen. Er was maar één, die niet
+begreep hoe goed ze was, en dat was ze zelf. Ze vond, dat alle anderen
+wijzer en knapper waren dan zij, en treurde er over, dat ze niet zoo
+kon worden.
+
+Toen de onderwijzeres een jaar of wat in dienst was geweest, stelde
+het hoofdbestuur voor, dat ze naar de slöjdschool te Nääs zou gaan,
+zoodat ze de kinderen voortaan niet met het hoofd, maar ook met de
+handen zou kunnen leeren werken. Niemand kan begrijpen hoe ze schrikte
+van die uitnoodiging.
+
+Nääs lag in 't geheel niet ver van de school. Ze was dikwijls voorbij
+dat mooie, statige gebouw geloopen, en ze had vaak den slöjdcursus
+hooren roemen, die op dat groote landgoed werd gegeven. Onderwijzers
+en onderwijzeressen uit het heele land kwamen daar bijeen, om te
+leeren hun handen te gebruiken, ja, er kwamen zelfs menschen uit het
+buitenland. Ze wist vooruit, hoe vreeselijk bang ze zich voelen zou
+tusschen zooveel uitstekende menschen. Ze vond, dat het meer was,
+dan ze zou kunnen uithouden.
+
+Maar ze wilde ook het aanbod van het schoolbestuur niet weigeren,
+en zond haar aanvrage om plaats in.
+
+Ze werd als leerling aangenomen, en op een mooien Juni-avond, den
+dag vóór het begin van de zomercursussen, pakte ze haar kleeren in
+een klein zakje, en wandelde naar Nääs. En hoe vaak ze ook stilstond
+onderweg--en zichzelf mijlen ver wenschte, eindelijk kwam ze daar
+toch aan.
+
+Op Nääs was er veel leven en beweging onder de deelnemers aan de
+cursussen. Ze kwamen van verschillende kanten, en nu zouden hun kamers
+worden aangewezen in villa's en hutjes, die bij het groote landgoed
+hoorden. Allen voelden zich wat vreemd in die ongewone omgeving,
+maar de onderwijzeres vond, zooals gewoonlijk, dat niemand zoo raar en
+onhandig deed als zij. Ze had zich zoo overstuur gemaakt, dat ze niets
+meer hoorde of zag. Ze moest ook al heel wat moeilijks doormaken. Haar
+werd een kamer in een mooie villa aangewezen, die ze moest deelen met
+een paar jonge meisjes, die ze in 't geheel niet kende, en ze moest
+het avondeten gebruiken met zeventien vreemde menschen. Aan haar eene
+zij zat een klein heertje met een geelachtige huid, die uit Japan kwam,
+en aan den anderen kant een onderwijzer uit Jockmock. En er was gepraat
+en gelach geweest om heel de lange tafel heen van 't eerste oogenblik
+af. Allen hadden samen gesproken en kennis gemaakt. Zij was de eenige,
+die niets had durven zeggen.
+
+Den volgenden morgen begon het werk. Hier, zoo als in een gewone
+school, was de dag begonnen met gebed en gezang; toen had de directeur
+van de school wat over slöjd gesproken en een paar korte orders
+gegeven, en toen, zonder dat ze goed wist, hoe het was toegegaan,
+stond ze op eens voor een schaafbank met een stuk hout in de eene,
+en een mes in de andere hand, en een oude slöjdleeraar probeerde haar
+te wijzen, hoe ze een bloemstokje moest snijden.
+
+Zulk werk had ze nog nooit geprobeerd. Ze was er niet handig meê. En
+zoo verlegen als ze was, kon ze er niets van begrijpen. Toen de leeraar
+was heengegaan, legde ze 't mes en 't hout neer op de schaafbank,
+en stond recht voor zich uit te staren.
+
+In de rondte in de kamer stonden schaafbanken, en bij allen zag ze
+menschen staan, die met frisschen moed aan 't werk begonnen. Een paar
+van hen, die al wat in de kunst waren ingewijd, kwamen bij haar, en
+wilden haar terecht helpen. Maar ze kon geen aanwijzing aannemen. Ze
+stond er aan te denken, dat allen om haar heen opmerkten, hoe verkeerd
+ze deed, en dat maakte haar zoo ongelukkig, dat ze als verlamd was.
+
+'t Koffieuurtje kwam, en na de koffie kwam er nieuw werk. De
+directeur hield een voordracht, toen volgde gymnastische oefeningen,
+en toen begon weer het slöjdonderwijs. Daarop kwam de middagrust,
+met middagmaal en koffie in de groote vroolijke vergaderzaal, en
+dan in den namiddag weer slöjd, zang en eindelijk spelen in de open
+lucht. De onderwijzeres was den heelen dag in beweging, ging met de
+anderen mee, maar voelde zich aldoor even wanhopend. Als ze later
+terugdacht aan de eerste dagen, die ze in Nääs had doorgebracht,
+was het haar, alsof ze in den mist had geloopen. Alles was donker en
+gesluierd geweest, en ze had in 't geheel niets gezien of begrepen,
+van wat er om haar heen gebeurde. Dit had twee dagen geduurd, maar den
+tweeden dag 's avonds, was het plotseling licht om haar heen geworden.
+
+Toen ze 't avondeten gebruikt hadden, had een oude volksonderwijzer,
+die al meermalen op Nääs was geweest aan een paar nieuwelingen
+verteld, hoe de slöjdschool was ontstaan, en doordat ze dicht bij
+hem had gezeten, had ze gehoord, wat hij zei.
+
+Hij had er over gesproken, dat Nääs een heel oud landgoed was, maar
+meer dan een groot, mooi buiten was het niet geweest, vóór de oude
+heer, die 't nu bewoonde, er was komen wonen. Hij was een rijk man,
+en de eerste jaren, nadat hij er zich gevestigd had, gebruikte hij,
+om het kasteel en 't park mooier te maken, en de woningen van de
+ondergeschikten daar te verbeteren. Maar toen was zijn vrouw gestorven,
+en doordat hij geen kinderen had, voelde hij zich vaak alleen op de
+groote hoeve. Hij haalde dus een jongen neef, waar hij heel veel van
+hield, over om bij hem te Nääs te komen wonen.
+
+Eerst was het de bedoeling, dat de jonge man zou helpen bij het
+besturen van 't landgoed, maar toen hij zich met dat doel bewoog
+tusschen de ondergeschikten, en zag hoe er geleefd werd in de hutten
+der armen, kwam hij op wonderlijke gedachten. Hij had opgemerkt,
+dat op de meeste plaatsen noch de knechts, noch de kinderen, en
+vaak ook de vrouwen niet met handenarbeid bezig waren op de lange
+winteravonden. Vroeger hadden de menschen hun handen vlijtig moeten
+gebruiken om hun kleeren en huisraad te maken, maar nu kon men dat
+alles koopen, en dus hadden ze met dat soort werk opgehouden. En nu
+meende de jonge man te begrijpen, dat uit de huizen, waar aan zulk
+soort huiswerk niet werd gedaan, ook de gezelligheid en de welvaart
+was verdwenen.
+
+Nu en dan vond hij een huis, waar Vader stoelen en tafels maakte, en
+Moeder weefde, en daar was het gemakkelijk te zien, dat de menschen
+er welvarender en ook gelukkiger waren dan op andere plaatsen.
+
+Hij had hier met zijn oom over gesproken, en de oude heer had ingezien,
+dat het een groot geluk zou wezen, als de menschen zich in hun leege
+uren aan handenwerk konden wijden. Maar voor het zoover kon komen, was
+het een eerste vereischte, dat ze al van hun kindsheid af hun handen
+hadden leeren gebruiken. De beide mannen vonden, dat ze die zaak niet
+beter konden bevorderen dan door een slöjdschool voor kinderen op te
+richten. Ze wilden hun leeren eenvoudige dingen van hout te maken,
+omdat ze meenden, dat zulk werk voor iedereen 't meest voor de hand
+lag. Ze waren er zeker van, dat iedereen, die zijn handen had geoefend
+om het mes te gebruiken, ook later gemakkelijker den smidshamer of
+het werktuig van den schoenmaker zou hanteeren. Maar hij, die zijn
+handen niet aan 't werk gewende, terwijl hij jong was, zou misschien
+nooit ontdekken, dat hij in zijn handen een werktuig bezat, dat alle
+anderen te boven ging.
+
+Ze waren dus begonnen de kinderen in handenwerk te oefenen op Nääs,
+en ze hadden al gauw gevonden, dat dit zoo goed en nuttig voor de
+kleintjes was, dat ze wenschten, dat alle kinderen in Zweden zulk
+onderwijs konden krijgen.
+
+Maar hoe zou dat mogelijk zijn? Er waren honderdduizenden kinderen
+in Zweden. Die kon men toch niet allemaal op Nääs bij elkaar halen
+om ze slöjdles te geven. Dat was immers onmogelijk!
+
+Toen was de jonge man met een nieuw voorstel gekomen. Stel je voor,
+dat ze in plaats van de kinderen te onderwijzen een slöjdschool voor
+onderwijzers oprichtten! Als nu eens onderwijzers en onderwijzeressen
+van 't heele land naar Nääs kwamen en slöjd leerden, en dan weer
+slöjdles gaven aan alle kinderen in hun school!
+
+Op die manier zouden misschien alle kinderen in Zweden hun handen
+evengoed kunnen ontwikkelen als hun hersens. Toen ze eenmaal door die
+gedachten sterk waren aangegrepen, konden ze die niet meer loslaten,
+maar trachtten ze uit te voeren.
+
+De beide mannen hielpen elkaar trouw. De oude heer bouwde slöjdzalen,
+een vergaderlokaal, een gymnastiekzaal, en zorgde, dat zij, die
+naar de school kwamen, kost en inwoning konden vinden. De jonge
+man werd directeur van de slöjdschool. Hij regelde het onderwijs,
+controleerde het werk, en hield voordrachten. En meer dan dat, hij
+leefde voortdurend met de leerlingen meê, onderzocht hoe ieder van
+hen het had, en werd hun warmste en trouwste vriend.
+
+En wat een toeloop van leerlingen kwam er al dadelijk bij het begin! Er
+werden ieder jaar vier cursussen gehouden, en voor alle meldden zich
+meer leerlingen aan, dan er geplaatst konden worden. De school was ook
+in het buitenland bekend geworden, en onderwijzers en onderwijzeressen
+uit alle landen der wereld kwamen naar Nääs om te leeren, hoe ze
+de ontwikkeling der handen konden bevorderen. Er was geen plaats in
+Zweden, zóó bekend over de heele wereld als Nääs, en geen Zweed had
+zooveel vrienden overal, als de directeur van de slöjdschool te Nääs.
+
+De jonge onderwijzeres zat hiernaar te luisteren, en hoe meer ze
+hoorde, hoe lichter 't om haar heen werd. Ze had eerst niet begrepen,
+waarom de slöjdschool op Nääs was. Ze had er niet over gedacht,
+dat die was opgericht door twee mannen, die hun volk goed wilden
+doen. Ze had heelemaal niet begrepen, dat ze dat deden zonder iets
+te verdienen, dat ze alles opofferden, wat ze maar konden om menschen
+beter en gelukkiger te maken.
+
+Toen ze nu aan de groote welwillendheid en menschenliefde dacht, die
+achter dit alles lag, maakte dat zoo'n sterken indruk op haar, dat
+ze wel had willen schreien. Aan zooiets had ze nog nooit meêgewerkt.
+
+Den volgenden dag begon ze aan 't werk met een heel ander gevoel. Nu
+haar alles uit welwillendheid werd aangeboden, moest ze het beter dan
+tot nu toe waardeeren. Ze hield op aan zichzelf te denken, ze dacht
+alleen aan 't slöjd, en aan het groote doel, wat daarmeê bereikt
+moest worden.
+
+En van dat oogenblik ging alles uitstekend, want ze kon uitstekend
+leeren, als ze maar niet aan zichzelf twijfelde. Nu haar oogen van
+de duisternis waren bevrijd, merkte ze overal die groote, wonderbare
+welwillendheid. Nu zag ze hoe liefderijk alles was ingericht voor hen,
+die de school bezochten. De deelnemers aan den cursus ontvingen veel
+meer dan onderwijs in handenarbeid. De directeur hield voordrachten
+over opvoeding; ze deden gymnastiek, vormden een zangvereeniging, en
+bijna elken avond waren er samenkomsten met muziek en voordrachten. En
+ook waren er boeken, booten, een piano en een badhuis te hunner
+beschikking. De bedoeling was, dat ze het goed zouden hebben en
+gelukkig zijn.
+
+Zij begon te begrijpen welk een onschatbaar voorrecht het was in de
+mooie zomerdagen op een groot Zweedsch landgoed te mogen zijn. Het
+kasteel, waar de oude heer woonde, lag hoog op een heuvel, bijna
+geheel omsloten door een lang, kronkelend meer, en was met het land
+verbonden door een mooie steenen brug. Ze had nog nooit zoo iets
+moois gezien als de bloemengroepen op de terrassen voor het kasteel,
+als de oude eiken in 't park, als de wegen langs de oevers van 't
+meer, waar de boomen over 't water hingen, of als 't paviljoen op de
+rots boven aan het meer. De schoolgebouwen lagen op het vaste land,
+vlak over het kasteel, op groene, beschaduwde velden, maar ze mocht
+vrij door 't park zwerven, als ze tijd en lust had. Ze vond, dat ze
+nog nooit geweten had, hoe heerlijk de zomer was, vóór ze dien had
+mogen genieten op zoo'n mooie plaats.
+
+'t Was niet zoo, dat er een groote verandering met haar
+gebeurde. Ze werd niet moedig of zelfbewust, maar ze voelde zich
+blij en gelukkig. Ze voelde zich door en door verwarmd door al
+die welwillendheid. Ze kon zich nu niet meer bang voelen op een
+plaats, waar allen haar 't beste gunden, en allen trachtten haar te
+helpen. Toen de cursus was afgeloopen en de leerlingen Nääs verlieten,
+was ze een beetje jaloersch op hen, die de beide heeren hartelijk
+konden bedanken, en hun met mooie woorden konden zeggen wat ze
+voelden. Zoo ver zou ze nooit komen!
+
+Ze keerde naar huis terug, begon met haar schoolwerk als vroeger, en
+was er even opgewekt onder als altijd. Ze woonde zoo dicht bij Nääs,
+dat ze er heen kon wandelen, als ze een middag vrij had, en dat deed
+ze ook heel vaak in 't begin. Maar er kwamen telkens nieuwe cursussen,
+nieuwe gezichten, en haar oude verlegenheid kwam terug. Ze werd meer
+en meer een zeldzame gast op de school. Maar de tijd, dien ze zelf
+op Nääs had doorgebracht, stond steeds voor haar geest, als de beste,
+dien ze ooit had beleefd.
+
+Op een lentedag hoorde ze, dat de oude heer op Nääs overleden was. Toen
+dacht ze aan dien heerlijken zomer, dien ze op zijn landgoed had
+genoten, en ze werd er bedroefd over, dat ze hem nooit voldoende had
+bedankt. Hij zou wel dankbaarheid genoeg hebben ontvangen van hoog en
+laag, maar ze zou zich gelukkiger hebben gevoeld, als zij ook met een
+paar woorden hem had kunnen zeggen, hoe veel hij voor haar had gedaan.
+
+Op Nääs ging het onderwijs op dezelfde manier voort na den dood van
+den ouden heer. Hij had namelijk zijn heele landgoed aan de school
+gegeven, en zijn neef bleef aan het hoofd, en bestuurde alles.
+
+Telkens, als de onderwijzeres er kwam, zag ze wat nieuws. Nu waren
+het niet alleen slöjdcursussen, die er gegeven werden, maar de
+directeur wilde ook de oude zeden en genoegens weer opwekken, en
+daarom richtte hij cursussen in zangspelen op en allerlei ander soort
+spelen. Maar dit was er toch 't zelfde gebleven, dat de menschen er
+zich verwarmd voelden door welwillendheid, en voelden hoe alles zóó
+in orde gemaakt en geleid werd, dat allen gelukkiger zouden zijn,
+en niet alleen kennis, maar ook vreugde in hun werk zouden meênemen,
+als ze terugkwamen bij de schoolkindertjes in 't heele land.
+
+Maar enkele jaren na den dood van den ouden heer hoorde de
+onderwijzeres op een Zondag bij de kerk, dat de directeur op Nääs
+ziek was. Ze wist, dat hij den laatsten tijd meermalen een aanval van
+hartziekte had gehad, maar ze had niet gedacht, dat er levensgevaar
+was. Maar nu meende men, dat dit het geval was.
+
+Van het oogenblik af, dat ze dat hoorde, dacht ze aan niets anders,
+dan dat de directeur misschien zou sterven--hij even als de oude
+heer, zonder dat ze er toe had kunnen komen hem te danken. En ze
+liep er steeds over te peinzen hoe ze doen moest, om hem nog met haar
+dankbaarheid te bereiken.
+
+Op dien Zondagmiddag ging de onderwijzeres rond bij de buren,
+en vroeg hun of hun kinderen met haar meê mochten naar Nääs. Ze
+had gehoord, dat de directeur ziek was, en ze dacht, dat het hem
+misschien plezier zou doen, als de kinderen een paar liedjes voor hem
+zongen. 't Was nu wel al wat laat op den dag, maar 't was zoo'n mooie,
+heldere maneschijn in dezen tijd, dat het niet moeilijk zou zijn te
+wandelen. De onderwijzeres had een gevoel, dat ze juist dezen avond
+naar Nääs moest. Ze was er bang voor, dat het den volgenden dag te
+laat zou kunnen zijn.
+
+
+
+De wilde ganzen hadden Bohuslän verlaten, en stonden te slapen in een
+moeras in 't westen van West-Gothland. De kleine Niels Holgersson was
+op den kant van een landweg gekropen, die dwars door het moeras liep,
+om uit de vochtigheid te zijn. Hij wilde zich juist een slaapplaats
+uitzoeken, toen hij een troepje menschen langs den weg zag aankomen. 't
+Was een jonge onderwijzeres met twaalf of dertien kinderen om zich
+heen. Ze kwamen in een dichte massa op elkaar gedrongen, met de
+onderwijzeres in 't midden. Ze praatten zoo vroolijk en vertrouwelijk,
+dat de jongen lust kreeg een eindje mee te gaan, en te hooren wat ze
+tegen elkaar zeiden.
+
+Dat kon hij gemakkelijk doen, want als hij in de schaduw aan den kant
+van den weg liep, was het bijna onmogelijk, dat iemand hem zag. En
+waar vijftien menschen liepen, was 't zoo'n geraas van voetstappen,
+dat niemand kon hooren hoe 't grint onder zijn klompjes knarste.
+
+Om de kinderen moedig te houden onder de lange wandeling, begon de
+onderwijzeres hun oude sagen te vertellen.
+
+Onder 't vertellen waren ze snel doorgeloopen, en toen 't laatste
+verhaal uit was, waren ze bijna bij 't oude landgoed. Ze zagen de
+groote bijgebouwen al in de schaduw van mooie boomen liggen. En eer
+ze die voorbij waren, schemerde het kasteel al door de boomtoppen
+hoog op het terras.
+
+Tot nu toe was ze met haar voornemen ingenomen geweest, en had niet
+geaarzeld, maar nu ze het huis zag, begaf haar plotseling de moed.
+
+Als 't nu eens heelemaal verkeerd was, wat ze doen wou! Er was zeker
+niemand, die zich om haar dankbaarheid bekommerde. Misschien zouden
+ze haar maar uitlachen, omdat ze daar in den laten avond met haar
+schoolkinderen aankwam. Ze zouden met elkaar toch niet zoo mooi kunnen
+zingen, dat iemand er wat om gaf.
+
+Ze begon langzamer te loopen. Ze vond, dat alles er zoo deftig en
+voornaam uitzag, dat zij daar eigenlijk niets te maken had. Toen
+herinnerde ze zich, dat het heele groote kasteel nu voor schoolgebouw
+was ingericht. En dat maakte haar moediger. Hier, waar zoo'n groot
+geschenk aan een school gegeven was, moesten ze toch school-onderwijs
+op prijs stellen. Juist hier moest ze zich niet verlegen voelen.
+
+Maar toen ze zoover gekomen was, dat ze de villa van den directeur zag,
+bleef ze staan.
+
+"Ja kinders, ik geloof, dat we niet verder moeten gaan," zei ze. "Ik
+heb daar nog niet aan gedacht, maar misschien is de directeur wel
+zóó gevaarlijk ziek, dat we hem hinderen met ons gezang. 't Zou toch
+vreeselijk zijn, als we hem erger maakten."
+
+Niels Holgersson was aldoor met de kinderen meêgeloopen, en had alles
+gehoord wat de onderwijzeres had gezegd. Hij wist dus, dat ze waren
+uitgegaan om voor iemand te zingen, die in die villa daar ziek lag,
+en hij begreep nu, dat er niets van dat gezang zou komen, omdat ze
+bang waren den zieke te verontrusten en te storen.
+
+"Wat jammer, dat ze heengaan zonder te zingen," dacht hij. "'t Zou
+immers een kleinigheid zijn even te gaan vragen, of hij daarbinnen
+het zou kunnen verdragen. Waarom gaat er niemand naar de villa om
+dat te vragen?"
+
+Maar daar scheen de onderwijzeres niet aan te denken. Ze keerde om,
+en liep langzaam terug. De schoolkinderen maakten tegenwerpingen,
+maar zij wilde niet toegeven.
+
+Toen dacht Niels Holgersson, dat hij wel mocht onderzoeken of de
+zieke te zwak was om naar 't zingen te luisteren, en hij liep op het
+huis toe.
+
+Er stond een rijtuig voor 't huis, en een oude koetsier stond bij de
+paarden te wachten. Pas was de jongen bij den ingang, of de deur ging
+open, en een meisje met een blaadje kwam uit het huis.
+
+"Je moet nog even op den dokter wachten, Larsson," zei ze. "Mevrouw
+stuurt je wat warms."
+
+"Hoe gaat het met Mijnheer?" vroeg de koetsier.
+
+"Hij lijdt nu niet meer, maar 't is of 't hart stil staat. Mijnheer
+ligt al een uur onbewegelijk. We weten nauwelijks of hij dood of
+levend is."
+
+"Zegt de dokter dat het afloopen zal?"
+
+"'t Gaat op en neer, Larsson, op en neer. 't Is alsof Mijnheer ligt
+te wachten, tot hij geroepen wordt. Als van boven 't bevel komt om
+heen te gaan, is hij bereid."
+
+Niels Holgersson liep zoo hard hij kon, om de onderwijzeres en
+de kinderen in te halen. Hij dacht er aan hoe 't was, toen zijn
+grootvader stierf. Die was zeeman geweest, en toen hij sterven zou,
+had hij gevraagd of ze 't venster wilde openzetten, opdat hij nog
+eens den wind zou hooren suizen.
+
+En als nu deze man, die zoo ziek was, eens verlangde de jeugd om zich
+heen te hebben, en hun zang en spel te hooren.
+
+Aarzelend ging de onderwijzeres door de groote laan. Nu ze heenging
+zou ze willen omkeeren, en toen ze kwam, had ze ook willen omkeeren.
+
+Ze was heel angstig, en wist niet wat ze moest doen. Ze sprak niet
+meer met de kinderen, maar liep zwijgend voort. Er was zoo'n donkere
+schaduw in de laan, dat ze niets kon zien. Maar 't was, alsof ze
+een massa stemmen om zich heen hoorde. 't Was een angstig roepen van
+verschillende kanten, dat tot hier doordrong:
+
+"Wij zijn zoo ver weg," zeiden de stemmen. "Maar jij ben dicht bij. Ga
+toch, en zing wat we allen voelen!"
+
+En ze herinnerde zich den een na den anderen, die de directeur had
+geholpen, en met zorg omringd. 't Was bovenmenschelijk, zooals hij
+zich had ingespannen om te helpen wie in nood waren.
+
+"Ga toch en zing voor hem," werd er om haar heen gefluisterd. "Laat
+hem niet sterven, zonder een groet van zijn school. Denk er niet aan of
+je klein en onbeduidend ben. Denk aan allen, die achter je staan. Laat
+hem voelen, eer hij van ons heengaat, hoe nog allen hem liefhebben."
+
+De onderwijzeres liep àl langzamer. Toen hoorde ze iets, dat niet
+alleen stemmen en klanken in haar eigen ziel was, maar wat van de
+wereld om haar heen kwam. 't Was als 't tjilpen van een vogel of
+'t geluid van een sprinkhaan. Maar ze hoorde heel duidelijk roepen,
+dat ze omkeeren moest.
+
+En meer was er niet noodig om haar moed te geven het te doen.
+
+De onderwijzeres en de kinderen hadden een paar liederen gezongen
+voor het venster van den zieke. Ze vond zelf, dat hun gezang zoo
+wonderlijk mooi had geklonken. 't Was alsof vreemde stemmen meê
+gezongen hadden. De ruimte was vol sluimerende klanken en geluiden
+geweest. Ze hadden maar den toon aan te geven, en allen waren wakker
+geworden en hadden meêgeklonken.
+
+Toen werd snel de voordeur opengedaan, en iemand liep hard naar buiten.
+
+"Nu komen ze me zeggen, dat ik moet uitscheiden met mijn gezang,"
+dacht de onderwijzeres. "Als ik er maar geen kwaad meê heb gedaan!"
+
+Maar 't was niet zoo. 't Was een boodschap, dat ze binnen moest komen
+om uit te rusten, en dan nog een paar liederen zingen.
+
+Op de stoep kwam de dokter haar tegemoet.
+
+"'t Gevaar is voorbij voor dezen keer," zei hij. "Hij lag bewusteloos
+en 't hart klopte steeds zwakker. Maar toen u begon te zingen, was het,
+alsof hij een roepen hoorde van allen, die hem noodig hebben. Hij
+voelde, dat het voor hem nog geen tijd was om te rusten. Zing meer
+voor hem. Zing! en wees blij, want ik geloof, dat uw zingen hem tot
+'t leven heeft terug geroepen. Nu mogen we hem misschien nog een paar
+jaar behouden."
+
+
+
+
+
+
+XL.
+
+DE REIS NAAR VEMMENHÖG.
+
+
+Op een dag, in 't begin van November, vlogen de wilde ganzen om
+Hallandsaas Skaane binnen. Ze hadden zich eenige weken opgehouden
+op de wijde vlakte om Falköping heen, en daar waren verscheidene
+andere groote troepen wilde ganzen gekomen. Zoodoende hadden ze er
+een prettigen tijd gehad, met veel gesprekken met de oude vogels,
+en allerlei wedstrijden en spelen van de jongen onderling.
+
+Wat Niels Holgersson betreft, hij was niet zoo ingenomen geweest met
+dat lange dralen in West-Gothland. Hij probeerde den moed erin te
+houden, maar hij had moeite zich met zijn lot te verzoenen.
+
+"Als ik nu Skaane maar achter me had, en in 't buitenland was,"
+dacht hij, "dan wist ik, dat ik niets meer te hopen had, en zou ik
+wel kalmer worden."
+
+Toen braken de wilde ganzen eindelijk op, en vlogen in de richting
+van Halland. En dien heelen dag vloog Akka met haar troepje heen en
+weer over Skaane. Tegen den avond streek ze neer in een moeras in de
+gemeente Vemmenhög.
+
+De jongen kon niet laten te gelooven, dat ze dien dag haar weg zoo
+genomen had, om hem te laten zien, dat zijn land zich wel meten kon
+met alle andere landen in de wereld. Maar dat had ze niet hoeven
+te doen. De jongen dacht er niet aan, of zijn land welvarend of arm
+was. Van het oogenblik af, dat hij de eerste wilgen om de weiden, en
+'t eerste lage houten huisje had gezien, deed er iets in zijn hart
+pijn van verlangen.
+
+
+
+'t Was een paar dagen later. 't Was stil en mistig weer. De wilde
+ganzen hadden op de groote akkers om de kerk van Skurup gegraasd, en
+hielden staande hun middagslaapje, toen Akka naar den jongen toekwam.
+
+"'t Schijnt wel, of we nu stil weer zullen krijgen," zei ze, "en ik
+denk, dat we morgen over de Oostzee zullen vliegen."
+
+"Zoo," zei de jongen kortaf, want de keel snoerde hem samen, zoodat
+hij niet spreken kon. Hij had toch nog gehoopt, dat hij uit zijn
+betoovering zou verlost worden, terwijl hij op Skaane was.
+
+"We zijn wel vrij dicht bij West Vemmenhög nu," zei Akka, "en ik dacht,
+dat je misschien een poosje naar huis zoudt willen gaan. Misschien
+duurt het lang, eer je je familie weerziet."
+
+"'t Is misschien beter, dat ik het niet doe," zei de jongen, maar
+aan zijn stem was het te hooren, dat hij er erg veel lust in had.
+
+"Als de ganzerik bij ons blijft, kan er immers geen ongeluk gebeuren,"
+zei Akka. "Me dunkt je moest eens gaan zien hoe je ouders het
+hebben. Misschien kun je hen toch op de een of andere manier helpen,
+al wordt je ook geen mensch."
+
+"Ja, daar hebt u gelijk aan, Moeder Akka. Daar had ik eerder aan
+moeten denken," zei de jongen levendig.
+
+Een oogenblik later waren hij en de leidstergans op weg naar Holger
+Nielssons huis, en 't duurde niet lang of Akka streek neer achter
+'t steenen walletje, dat om de kleine boerderij liep.
+
+"'t Is wonderlijk zooals alles 't zelfde is gebleven," zei de jongen,
+en klom gauw tegen 't walletje op om rond te kunnen zien. "'t Is
+net, alsof het geen dag geleden is, dat ik hier zat, en u zag komen
+aanvliegen boven in de lucht."
+
+"Ik zou wel eens willen weten of je vader een geweer heeft," zei
+Akka plotseling.
+
+"Ja, dat heeft hij," zei de jongen. "'t Was juist om dat geweer, dat
+ik thuis bleef, in plaats van dien Zondagochtend naar de kerk te gaan."
+
+"Dan durf ik niet hier op je blijven wachten," zei Akka. "'t Is 't
+beste, dat je ons morgen vroeg bij Smygehuk ontmoet, dan kun je den
+nacht over thuisblijven."
+
+"Neen, gaat u nu nog niet weg, Moeder Akka," zei de jongen, en sprong
+haastig van den wal naar beneden. Hij wist niet hoe het kwam, maar
+hij kreeg een gevoel, dat er òf de wilde ganzen, òf hemzelf iets zou
+overkomen, zoodat ze elkaar nooit meer zouden ontmoeten.
+
+"U ziet wel, dat ik bedroefd ben, omdat ik niet meer een mensch kan
+worden," ging hij voort. "Maar ik wil u dit toch zeggen, dat ik er
+geen berouw van heb, dat ik in 't voorjaar met u meêging. Neen, ik
+wil liever nooit meer een mensch worden, dan dat ik die reis niet
+zou hebben gemaakt."
+
+Akka haalde een paar keer diep adem, voor ze antwoordde.
+
+"Er is iets, waar ik vroeger met je over had willen spreken, maar
+omdat je niet naar je familie zoudt teruggaan, vond ik, dat het geen
+haast had. Maar 't kan toch geen kwaad het te zeggen."
+
+"U weet wel, dat ik graag wat voor u doen wil," zei de jongen.
+
+"Als je wat goeds bij ons hebt geleerd, Duimelot, vind je misschien
+niet, dat de menschen alleen recht hebben om op de wereld te zijn,"
+zei de leidstergans heel ernstig. "Denk er aan, dat jelui een groot
+land hebt, en dat je dus wel een paar kale klippen, een paar ondiepe
+meren, drassige moeraslanden, of een paar eenzame rotsen en afgelegen
+wouden te missen hebt voor ons, arme dieren, waar we met rust worden
+gelaten! Mijn leven lang ben ik gejaagd en vervolgd. 't Zou goed zijn
+te weten, dat er ergens een vrijplaats was, ook voor iemand als ik."
+
+"Ik zou blij geweest zijn, als ik u daarmeê had kunnen helpen," zei de
+jongen, "maar ik zal wel nooit veel macht onder de menschen krijgen."
+
+"Neen maar... we staan hier te praten, alsof we elkaar nooit meer
+zullen zien," zei Akka, "en we zullen toch morgen weer bij elkaar
+zijn. Nu moet ik naar de anderen terug."
+
+Ze sloeg de vleugels uit, maar ze kwam weer terug, streek met
+den snavel een paar keer op en neer langs Duimelot, en vloog toen
+eindelijk weg.
+
+'t Was helder dag, maar niemand was te zien op de hoeve, en de jongen
+kon gaan, waar hij wilde. Hij liep gauw naar den koestal, want hij
+wist, dat hij van de koeien 't beste de waarheid zou hooren. 't Zag
+er droevig uit in den stal. Dit voorjaar hadden er drie prachtige
+koeien gestaan; nu stond er nog maar één. 't Was Meiroos, en men kon
+merken, dat ze naar haar kameraden verlangde. Ze liet den kop hangen,
+en had nauwelijks het voer aangeroerd, dat voor haar lag.
+
+"Dag Meiroos!" riep de jongen, en sprong zonder angst bij haar in
+den stal. "Hoe gaat het met Vader en Moeder? Hoe maken het de kat,
+de ganzen en de kippen, en waar heb je Sterretje en Goudlelie gelaten?"
+
+Toen Meiroos de stem van den jongen hoorde, schrikte ze, en het
+was alsof ze van plan was hem te stooten; maar ze was nu niet meer
+zoo heftig als vroeger: ze nam den tijd Niels Holgersson eens goed
+aan te kijken, eer ze toestootte. Hij was even klein als toen hij
+heenging, en hij was precies zoo gekleed, maar hij was toch heelemaal
+veranderd. De Niels Holgersson, die was heengegaan in 't voorjaar,
+liep zwaar en langzaam, en zag er slaperig uit, maar hij, die daar
+stond, was vlug en behendig, sprak verstandig, en had oogen, die
+vlamden en straalden. Hij had zoo'n flinke houding, dat men respect
+voor hem hebben moest, zoo klein als hij was, en hoewel hij zelf er
+niet opgewekt uitzag, werd men blij alleen door hem te zien.
+
+"Boe!" loeide Meiroos. "Ze zeiden, dat hij veranderd was, maar ik kon
+het niet gelooven. Welkom thuis, Niels Holgersson, welkom thuis! Dit
+is een van de prettigste oogenblikken, die ik in lang heb gehad."
+
+"Dank je wel, Meiroos," zei de jongen, en was zoo blij, dat hij zoo
+goed ontvangen werd. "Vertel me nu hoe 't met Vader en Moeder gaat."
+
+"Ze hebben niet anders dan zorgen gehad, van 't oogenblik af, dat je
+wegging," zei Meiroos. "'t Allerergste is 't met dat dure paard, dat
+den heelen zomer heeft staan eten. Je Vader wil hem niet doodschieten,
+en hij kon hem niet verkoopen. 't Is om dat paard, dat Sterretje en
+Goudlelie hier allebei vandaan moesten."
+
+Dat was eigenlijk wat anders dan wat de jongen wilde weten, maar hij
+was te verlegen om 't ronduit te vragen. Daarom zei hij:
+
+"Moeder vond het zeker heel vervelend, toen ze zag, dat Maarten,
+de ganzerik was weggevlogen."
+
+"Ik geloof niet, dat ze zoo erg om den ganzerik zou hebben getreurd,
+als ze had geweten, hoe het was gegaan, toen hij wegvloog. Nu klaagt
+ze er 't meest over, dat het haar eigen zoon was, die met den ganzerik
+wegliep."
+
+"Zoo! Gelooft ze, dat ik hem gestolen heb?" zei de jongen.
+
+"Ja, wat moest ze anders denken?"
+
+"Vader en Moeder verbeelden zich zeker, dat ik dezen zomer als een
+landlooper heb rondgezworven."
+
+"Ze denken, dat het niet goed met je is," zei Meiroos, "en ze hebben
+over je getreurd, zooals men doet, als het liefste wat men heeft,
+verloren gaat."
+
+De jongen liep snel uit den koestal weg, toen hij dat hoorde en ging
+naar den paardenstal. Die was klein, maar gezellig en mooi. 't Was
+aan alles te zien, dat Holger Nielsson het zoo had willen maken,
+dat de nieuweling goed tieren zou. Daar stond een groot, mooi paard,
+glanzend van welvaren.
+
+"Goeiendag," zei de jongen. "Ik heb gehoord, dat hier een ziek paard
+moet zijn. Dat kun jij toch niet wezen. Je ziet er best en welvarend
+uit."
+
+'t Paard keerde den kop om, en zag den jongen oplettend aan.
+
+"Ben jij de zoon des huizes?" vroeg hij. "Ik heb veel kwaad van hem
+gehoord. Maar jij hebt zoo'n goed gezicht, dat ik niet zou gelooven,
+dat jij 't zijn kon, als ik niet had gehoord, dat hij in een dwerg
+was veranderd."
+
+"Ik weet wel, dat ik geen goeden naam heb hier op de hoeve," zei
+Niels Holgersson. "Mijn eigen moeder gelooft, dat ik wegliep als
+een dief. Maar dat doet er niet toe, want ik zal hier niet lang
+blijven. Voor ik weer heenga, zou ik toch graag weten, wat je scheelt."
+
+"Jammer, dat je niet hier blijft," zei het paard, "want ik voel, dat
+we goede vrienden zouden worden. Mij scheelt niet anders, dan dat ik
+iets in mijn poot heb gekregen, een mespunt, of zooiets. 't Zit zoo
+goed verstopt, dat de dokter het niet kan vinden, maar het steekt, en
+ik heb zoo'n pijn, dat ik niet loopen kan. Als je aan Holger Nielsson
+zoudt willen zeggen wat me scheelt, geloof ik, dat hij me gemakkelijk
+zou kunnen helpen. Ik zou me graag nuttig willen maken. Ik schaam me er
+genoeg over, dat ik hier maar sta te eten, zonder iets uit te voeren."
+
+"'t Is goed, dat je geen ziekte hebt," zei Niels Holgersson. "Ik zal
+probeeren te zorgen, dat je geholpen wordt. Ik mag zeker wel met mijn
+mes wat op je hoef krassen?"
+
+Niels Holgersson was juist klaar met het paard, toen hij stemmen op
+de hoeve hoorde. Hij zette de staldeur wat op een kier, en keek naar
+buiten. 't Waren Vader en Moeder, die van den weg kwamen, en naar
+het huis gingen.
+
+'t Was duidelijk, dat ze door zorgen waren gedrukt. Moeder had veel
+meer rimpels in 't gezicht dan vroeger, en Vaders haar was grijs
+geworden. Moeder liep er met Vader over te spreken, dat hij moest
+probeeren, of haar zwager hem niet wat geld kon leenen.
+
+"Neen, ik wil geen geld meer leenen," zei Vader, juist toen hij voorbij
+den stal ging. "Niets is zoo erg als schulden te hebben. 't Is beter
+ons huis te verkoopen."
+
+"Ik zou daar niet zooveel tegen hebben, dat we dat wegdeden," zei
+Moeder, "als 't niet om den jongen was. Maar waar moet hij heen,
+als hij op een goeden dag thuiskomt, arm en ellendig, zooals je wel
+kunt begrijpen, dat hij worden zal, en wij zijn hier niet meer."
+
+"Ja, daar heb je gelijk aan," zei Vader. "Maar we moeten hen, die
+hier dan komen, vragen hem vriendelijk te ontvangen, en hem te zeggen,
+dat hij ons welkom zal wezen. We zullen hem geen onvriendelijk woord
+zeggen, hoe hij ook terugkomt, wel Moeder?"
+
+"O neen! Als ik hem maar terughad, als ik maar wist, dat hij geen
+kou of honger leed ergens op den weg, dan zou ik niets meer begeeren."
+
+Toen Vader en Moeder dat gezegd hadden, gingen ze naar binnen, en
+de jongen kon hun gesprek niet verder hooren. Hij was heel blij en
+bewogen geweest, toen hij hoorde, dat ze hem zóó liefhadden, hoewel
+ze geloofden, dat hij op den verkeerden weg gekomen was, en hij had
+wel naar hen toe willen vliegen.
+
+"Maar misschien is 't een nog grooter verdriet voor hen, als ze me
+zien, zooals ik nu ben," dacht hij.
+
+Terwijl hij daar stond, en niet recht wist, wat hij doen moest,
+kwam er een rijtuig aan, en hield voor het hek stil. De jongen had
+bijna een schreeuw van verbazing gegeven, want zij, die uitstapten
+en de hoeve binnengingen, konden niemand anders zijn dan Asa,
+'t ganzenhoedstertje en haar vader. Ze hielden elkaar bij de hand,
+toen ze naar 't huis liepen. Ze liepen stil en ernstig, maar met een
+mooien glans van geluk in hun oogen. Toen ze ongeveer midden op de
+hoeve waren, hield Asa haar vader staande, en zei:
+
+"U denkt er wel aan, Vader, dat u niets moogt zeggen van die klomp,
+of van de ganzen en het dwergje, dat zoo op Niels leek, dat, als hij
+'t zelf niet was, toch zeker iets met hem te maken moest hebben."
+
+"Foei neen!" zei Jon Andersson. "Ik zal alleen zeggen, dat je meermalen
+zoo goed door hun zoon werd geholpen, terwijl je naar mij zocht, en
+dat we daarom hierheen zijn gekomen, om te vragen of we niet iets
+voor hen kunnen doen, nu ik weer een man ben, die er boven op is,
+en meer bezit dan hij noodig heeft, door de mijn, die ik gevonden heb."
+
+"Ja, ik weet wel, dat u 't goed zult zeggen," zei Asa. "Ik wou alleen
+maar, dat u dat eene niet zei."
+
+Ze gingen het huis binnen, en de jongen had graag willen hooren wat
+ze daar in de kamer bepraatten, maar hij durfde niet op de plaats te
+komen. 't Duurde niet zoo heel lang, voor ze weer buiten kwamen, en
+toen brachten Vader en Moeder hen naar het hek. 't Was opmerkelijk hoe
+blij ze nu waren. Ze zagen er uit, alsof ze opnieuw begonnen te leven.
+
+Toen de gasten weg waren, bleven Vader en Moeder nog aan het hek
+staan om hen na te zien.
+
+"Ja, nu ben ik niet bedroefd meer," zei Moeder, "nu ik zooveel goeds
+van Niels heb gehoord."
+
+"Maar ze vertelden toch niet zoo heel veel van hem," zei Vader
+nadenkend.
+
+"Was het niet genoeg, dat ze alleen hierheen kwamen om te zeggen,
+dat ze ons wilden helpen, omdat Niels hun zoo groote diensten had
+bewezen? Ik vind, dat je hun aanbod had moeten aannemen, Vader."
+
+"Neen, Moeder. Ik wil van niemand geld aannemen, niet als geschenk
+en niet te leen. Ik wil van mijn schulden af komen, dàt allereerst,
+en dan zullen wij ons wel weer opwerken. We zijn toch nog niet zoo
+stokoud, wel Moeder?" En Vader lachte hartelijk, terwijl hij dat zei.
+
+"Ik geloof, dat je 't nog prettig vindt deze hoeve te verkoopen,
+waar we zoo aan gewerkt hebben," zei Moeder.
+
+"Je begrijpt toch wel, waarom ik lach," zei Vader. "Dat ik dacht, dat
+onze jongen verloren was, drukte me zoo, dat ik heelemaal machteloos
+ben geweest, maar nu ik weet, dat hij leeft en zich goed gedraagt,--nu
+zul je zien, dat Holger Nielsson nog wel wat kan!"
+
+Moeder ging in huis, maar de jongen kroop zoo gauw hij maar kon,
+weg in een hoek; want Vader kwam den stal binnen. Hij ging naar het
+paard en nam, zooals gewoonlijk den zieken poot op, om te zien of
+hij niet kon ontdekken, wat er aan scheelde.
+
+"Wat is dat?" zei Vader, want hij zag, dat er letters op het hoefijzer
+waren ingekrast.
+
+"Neem het ijzer uit de hoef!" las hij, en keek verbaasd en vragend
+rond. Toch begon hij te kijken en te voelen onder aan de hoef.
+
+"Daar geloof ik zoowaar, dat iets scherps zit," mompelde hij na
+een poosje.
+
+Terwijl hij met het paard bezig was, en de jongen in een hoek van
+den stal weggedoken zat, kwamen er weer andere bezoekers op de hoeve.
+
+'t Was namelijk zoo gegaan, dat nu Maarten de ganzerik, zóó dicht bij
+zijn vroeger thuis was, hij de lust niet kon weerstaan, om zijn vrouw
+en kinderen te vertoonen aan de oude kameraden op de boerderij. Hij
+had eenvoudig Donsje en de kleine gansjes meêgenomen, en was er
+heen gewandeld.
+
+Er was geen mensch op de hoeve bij Holger Nielsson toen de ganzerik
+er aankwam. Hij streek dus heel kalm neer, en liep rustig rond,
+en liet Donsje zien hoe heerlijk hij 't had gehad, toen hij nog een
+tamme gans was. Toen ze de heele plaats hadden bekeken, merkte hij,
+dat de deur van den koestal open stond.
+
+"Kijk hier nu eens in!" zei hij, "dan zul je zien waar ik vroeger
+woonde, dat is heel wat anders, dan je in moerassen op te houden,
+zooals we nu doen."
+
+De ganzerik stond op den drempel en keek in den koestal. "Er is
+hier geen mensch," zei hij. "Kom mee, Donsje, dan zal ik je het
+ganzenhok laten zien. Wees maar niet bang. Het is hier heelemaal
+niet gevaarlijk."
+
+Toen gingen de ganzerik, Donsje en alle zes de jonge gansjes regelrecht
+het ganzenhok in, om te zien in welk een pracht en heerlijkheid de
+groote witte had geleefd, eer hij zich bij de wilde ganzen aansloot.
+
+"Kijk, zoo was het hier. Daar was mijn plaats, en daar stond de
+voederbak, die altijd vol haver en water was," zei de ganzerik. "Wacht
+eens, er zit nu ook nog wat in," en hij liep gauw naar den bak,
+en begon van den haver te smullen.
+
+Maar Donsje was onrustig.
+
+"Laat ons nu weer naar buiten gaan," zei ze.
+
+"Nog maar een paar korreltjes!" zei de ganzerik. Maar meteen gaf hij
+een schreeuw, en vloog op den uitgang aan. Maar het was te laat. De
+deur klapte dicht, de huismoeder stond buiten, en deed den haak er
+op. Ze waren opgesloten!
+
+
+
+Vader had een scherp stuk ijzer uit den poot van den zwarte gehaald,
+en stond heel vergenoegd zijn paard te streelen, toen Moeder haastig
+den stal binnenliep.
+
+"Vader! Kom eens kijken wat een goede vangst ik daar deed!" zei ze.
+
+"Neen, wacht even, Moeder. Kijk eens hier," zei Vader. "Nu ben ik
+erachter gekomen, wat ons paard scheelde."
+
+"Ik geloof, dat het ons nu weer eens meêloopt," zei Moeder. "Stel je
+voor, de groote ganzerik, die van 't voorjaar verdween, is teruggekomen
+met zeven wilde ganzen! Ze gingen het ganzenhok binnen, en daar heb
+ik ze allemaal opgesloten."
+
+"Dat is wonderlijk!" zei Holger Nielsson. "En weet je Moeder,
+'t allerbeste van dit alles is, dat we nu niet meer hoeven denken,
+dat de jongen den ganzerik meênam, toen hij van ons wegging."
+
+"Ja, daar heb je gelijk aan! Maar ik ben bang, dat we ze nu vanavond
+al slachten moeten. 't Is over een paar dagen al St. Maarten, en we
+moeten ons haasten, als we ze nog op tijd naar de stad willen krijgen."
+
+"'k Vind 't zonde den ganzerik te slachten, nu hij met zoo'n groot
+gevolg hier thuis komt," zei Holger Nielsson.
+
+"Als 't ons beter ging, zou hij wel mogen blijven leven, maar als we
+van hier weg moeten, kunnen we toch immers de ganzen niet houden."
+
+"Ja, dat is waar ook."
+
+"Help me nu maar ze in huis te brengen," zei Moeder.
+
+Ze gingen heen, en een oogenblik later zag de jongen Vader aankomen
+met Maarten onder den eenen, en Donsje onder den anderen arm, en
+met Moeder in huis gaan. De ganzerik riep, zooals altijd, als hij in
+gevaar was: "Duimelot, Duimelot, help me!" hoewel hij niet weten kon,
+dat de jongen in zijn buurt was.
+
+Niels Holgersson hoorde hem wel, maar hij bleef achter de staldeur
+staan. Hij deed dat niet, omdat hij wist, dat het goed voor hem zelf
+wezen zou, als de ganzerik op de slachtbank kwam te liggen,--daar
+dacht hij op dat oogenblik heelemaal niet aan--maar omdat hij--als
+hij den ganzerik redden wou, zich aan Vader en Moeder moest vertoonen,
+en dat vond hij vreeselijk.
+
+"Ze hebben het al moeielijk genoeg," dacht hij. "Moet ik hun nu ook
+dat verdriet doen?"
+
+Maar toen de deur achter den ganzerik dichtviel, kwam er leven in
+den jongen. Hij vloog over 't grasveld, sprong op het eikenhouten
+plankje voor de huisdeur en de gang in. Daar deed hij ouder gewoonte
+zijn klompen uit, en liep naar de kamerdeur. Maar hij vond het nog
+aldoor zóó akelig zich aan Vader en Moeder te vertoonen, dat hij niet
+de kracht had de hand op te heffen en te kloppen.
+
+"'t Is om Maarten, den ganzerik, te doen," dacht hij toen, "hij,
+die mijn beste vriend was, sinds ik hier voor 't laatst stond."
+
+En in dat oogenblik herinnerde hij zich alles, wat de ganzerik en
+hij hadden doorgemaakt, op bevroren meren en stormachtige zeeën en
+onder gevaarlijke roofdieren. Toen klopte zijn hart van dankbaarheid
+en liefde. En hij overwon zichzelf, en bonsde op de deur.
+
+"Is daar iemand?" zei Vader, en deed open.
+
+"Moeder, u moet den ganzerik niet aanraken!" riep de jongen, en op
+'t zelfde oogenblik gaven de ganzerik en Donsje, die op een bank
+gebonden lagen, een schreeuw van blijdschap, zoodat hij hoorde,
+dat ze nog in leven waren.
+
+Maar wie ook een uitroep van vreugde liet hooren--dat was Moeder.
+
+"Neen, wat ben je flink en groot geworden!" riep ze.
+
+De jongen was niet in de kamer gekomen, maar bleef op den drempel
+staan, als iemand, die er niet zeker van is, hoe hij ontvangen
+zal worden.
+
+"Goddank, Goddank, dat ik je terug heb," zei Moeder. "Kom toch binnen,
+kom binnen!"
+
+"Wees welkom," zei Vader. Hij kon geen woord meer uitbrengen.
+
+Maar de jongen bleef nog op den drempel staan. Hij kon niet begrijpen,
+dat ze zoo blij waren met hem, zooals hij nu was. Maar toen kwam
+Moeder, en sloeg de armen om zijn hals, en trok hem mee in de kamer. En
+toen eerst begreep hij wat er gebeurd was.
+
+"Moeder, Vader! Ik ben groot! Ik ben weer een mensch geworden!" riep
+hij.
+
+
+
+
+
+
+XLI.
+
+'T AFSCHEID VAN DE WILDE GANZEN.
+
+
+De jongen stond den volgenden morgen vóór zonsopgang op en ging naar
+het strand. Hij stond daar een eind ten oosten van 't visschersdorp
+Smyge, vóór 't nog goed licht was. Hij was alleen. Hij was in 't
+ganzenhok geweest om Maarten, den ganzerik, te roepen, maar die had
+niet van huis gewild. Hij had geen woord gezegd, maar alleen het
+hoofd onder den vleugel gestoken, en was weer ingeslapen.
+
+'t Scheen een heerlijke heldere dag te worden. 't Was bijna even mooi
+weer, als op dien lentemorgen, toen de wilde ganzen naar Skaane waren
+gekomen. De zee lag rustig en onbewegelijk. De lucht was doodstil,
+en de jongen dacht er aan wat een goeden overtocht de ganzen zouden
+hebben.
+
+Hij zelf leefde nog als in een soort bedwelming. Nu eens dacht hij
+als dwerg, dan weer als mensch. Als hij een steenen walletje langs
+den weg zag, was hij bang om verder te gaan, eer hij er zich van had
+overtuigd, dat daar achter geen roofdier op den loer lag. En dadelijk
+daarna lachte hij zichzelf uit, en verheugde er zich over, dat hij
+groot en breed en sterk was, en nergens bang voor hoefde te wezen.
+
+Toen hij bij de kust kwam, ging hij, zoo groot als hij was, vlak
+aan 't strand staan, opdat de wilde ganzen hem zouden zien. 't Was
+een groote trekdag. Onophoudelijk klonken er loktonen vanuit de
+lucht. Hij glimlachte, toen hij er aan dacht, dat niemand zoo goed
+als hij verstond, wat de vogels elkaar toeriepen.
+
+Nu kwamen ook de wilde ganzen aanvliegen. De eene groote troep volgde
+op den anderen.
+
+"Als 't nu maar niet mijn ganzen zijn, die weggaan zonder me goedendag
+te zeggen," dacht hij. Hij zou hun zoo graag vertellen, hoe alles
+gegaan was, en hun laten zien, dat hij weer een mensch was geworden.
+
+Daar kwam een troep, die sneller vloog en luider riep dan de andere,
+en er was iets, dat hem zei, dat het deze troep moest zijn. Maar hij
+kon ze niet zoo zeker herkennen als den vorigen dag.
+
+De troep vloog langzamer, en streek heen en weer langs het strand. Toen
+begreep de jongen, dat zij het wezen moesten. Hij kon alleen niet
+begrijpen, waarom de wilde ganzen niet bij hem neerkwamen. 't Was
+toch onmogelijk, dat ze hem niet zagen.
+
+Hij trachtte den loktoon te roepen, die hen bij hem zou brengen,
+maar zijn tong was onwillig. Hij kon het rechte geluid niet krijgen.
+
+Hij hoorde Akka hoog in de lucht roepen, maar hij begreep niet wat
+ze zei.
+
+"Wat is dat? hebben de wilde ganzen een andere taal gekregen?" vroeg
+hij zich verbaasd af.
+
+Hij wenkte hen met zijn muts, hij liep langs het strand en riep:
+"Hier ben ik! Waar ben jij?"
+
+'t Scheen, dat hij ze alleen maar bang maakte. Ze vlogen hooger op,
+en verder de zee in.
+
+Toen begreep hij het eindelijk!
+
+Ze wisten niet, dat hij een mensch was geworden. Ze herkenden hem niet!
+
+En hij kon ze niet roepen, omdat een mensch de taal van de vogels niet
+spreken kan. Hij kon die niet meer spreken, en ook niet meer verstaan.
+
+Hoewel de jongen zoo blij was, dat hij uit de betoovering verlost was,
+voelde hij 't als een bitter verdriet, dat hij op die manier van zijn
+goede kameraden moest scheiden. Hij ging in 't zand zitten en verborg
+zijn gezicht in zijn handen. Wat hielp het of hij ze al nakeek?
+
+Maar dadelijk daarna hoorde hij vleugels ruischen. Het was Moeder Akka
+zwaar gevallen van Duimelot weg te gaan, en ze kwam nog eens terug. En
+nu de jongen stil zat, waagde ze 't hem te naderen. Plotseling had
+zeker 't een of ander haar oogen geopend, zoodat ze zag, wie hij
+was. Ze streek neer op de landpunt vlak bij hem.
+
+De jongen deed een uitroep van blijdschap, en omhelsde de oude Akka. De
+andere wilde ganzen omringden hem, en streken met hun snavels langs
+hem heen. Ze kakelden en praatten allen door elkaar, en wenschten hem
+allen hartelijk geluk. En hij sprak ook, en dankte hen voor de heerlijk
+mooie reis, die hij met hen had gemaakt. Maar op eens werden de wilde
+ganzen wonderlijk stil, en trokken zich van hem terug. 't Was alsof
+ze wilden zeggen: "Och, hij is een mensch! Hij verstaat ons niet,
+en wij verstaan hem niet."
+
+Toen stond de jongen op, en ging naar Akka. Hij streelde en liefkoosde
+haar. Dat deed hij ook met Yksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en
+Kuusi, de ouden, die van 't begin af bij hem waren geweest.
+
+Toen ging hij van 't strand weg, het land in. Want hij wist wel,
+dat vogelverdriet nooit lang duurt, en hij wilde van hen weggaan,
+terwijl ze nog bedroefd waren, omdat ze hem missen moesten.
+
+Toen hij op den dijk gekomen was, keerde hij zich om, en keek naar
+de vele vogeltroepen, die over zee vlogen. Alle riepen hun loktonen,
+alleen één troep wilde ganzen vloog stil voort, zoolang als hij ze
+zien kon.
+
+Maar de troep was goed geordend, en vloog met flinke vaart, en hun
+vleugelslagen waren sterk en krachtig. En de jongen voelde zóó'n
+verlangen naar hen, die wegvlogen, dat hij bijna wenschte, dat hij
+weer Duimelot was, die over land en zee kon rijden met een troep
+wilde ganzen.
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Een groote zandvlakte op Öland.
+
+[2] Berg- en boschstreek in Oost-Göthland, Södermanland en Nerike.
+
+[3] Zoo heet het ouderlijk huis van Selma Lagerlöf.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Niels Holgersson's Wonderbare Reis, by
+Selma Lagerlöf and Margaretha Meijboom
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS ***
+
+***** This file should be named 29320-8.txt or 29320-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/9/3/2/29320/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.