diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:47:16 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:47:16 -0700 |
| commit | 18dbd61f5e679a2a754f83510efeb8902be12829 (patch) | |
| tree | 02b5d128735525b9534a356bd7d77b11a166c29b /29320-8.txt | |
Diffstat (limited to '29320-8.txt')
| -rw-r--r-- | 29320-8.txt | 19801 |
1 files changed, 19801 insertions, 0 deletions
diff --git a/29320-8.txt b/29320-8.txt new file mode 100644 index 0000000..5f34cf7 --- /dev/null +++ b/29320-8.txt @@ -0,0 +1,19801 @@ +The Project Gutenberg EBook of Niels Holgersson's Wonderbare Reis, by +Selma Lagerlöf and Margaretha Meijboom + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Niels Holgersson's Wonderbare Reis + +Author: Selma Lagerlöf + Margaretha Meijboom + +Release Date: July 5, 2009 [EBook #29320] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Niels Holgersson's wonderbare reis + + Naar het Zweedsch + + VAN + + Selma Lagerlöf + + Door + + Margaretha Meijboom + + (Geautoriseerde uitgaaf) + + + Tweede druk + + Amsterdam + + H. J. W. Becht + + + + + + + Boek-, courant- en steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen. + + + + + + +I. + +DE JONGEN. + + +DE KABOUTER. + + +Er was eens een jongen, die zoo ongeveer veertien jaar oud was, lang +en mager en met vlashaar. Hij was eigenlijk een deugniet: hij had 't +meeste pleizier in slapen en eten, en verder hield hij van kattekwaad. + +Nu was het een Zondagmorgen, en de ouders van den jongen waren bezig +zich klaar te maken om naar de kerk te gaan. De jongen zelf zat in zijn +hemdsmouwen op den rand van de tafel, en dacht er aan hoe heerlijk +'t was, dat Vader en Moeder allebei weggingen, zoodat hij een paar +uur lang zijn eigen baas zou zijn. + +"Nu kan ik Vaders geweer nemen en een beetje schieten, zonder dat +iemand zich er meê hoeft te bemoeien," zei hij in zichzelf. + +Maar 't scheen wel, dat Vader de gedachten van den jongen geraden +had, want juist toen hij op den drempel stond, klaar om heen te gaan, +bleef hij staan en keerde zich om. + +"Nu je niet met Moeder en mij meê naar de kerk wilt gaan," zei hij, +"vind ik, dat je de preek ten minste wel hier thuis lezen kunt. Wil +je me beloven, dat je dat doen zult?" + +"Ja," zei de jongen, "dat kan ik wel doen." En hij dacht natuurlijk, +dat hij niet meer lezen zou, dan waar hij lust in had. + +De jongen vond, dat hij Moeder nooit zoo voortvarend had gezien. In +een wip was zij bij den boekenhanger, kreeg het preekenboek, en legde +het klaar op de tafel bij het venster, opengeslagen bij de preek van +den dag. Ze zocht in den bijbel den tekst van de preek op, en legde +'t boek open naast het preekenboek. Toen trok zij den grooten leunstoel +bij de tafel, waarin anders niemand dan Vader zitten mocht, en die 't +vorige jaar op de verkooping in de pastorie van Vemmenhög was gekocht. + +De jongen zat er op den tafelrand over te denken, dat Moeder zich al +te veel moeite gaf om de tafel in orde te maken, want dat hij niet +van plan was meer dan één of twee bladzijden te lezen. Maar nu was +het alweer, alsof Vader dwars door hem heen kon kijken. Hij ging op +den jongen toe en zei streng: + +"Denk er nu om, dat je behoorlijk leest; want als we thuis komen, +zal ik je elke bladzij overhooren, en als je wat overgeslagen hebt, +kom je er niet gemakkelijk af." + +"De preek is veertien en een halve bladzij lang," zei Moeder, alsof +ze de maat vol wou maken; "je mag wel gauw gaan zitten lezen, als je +hem uit wilt krijgen." + +Toen gingen zij eindelijk heen, en toen de jongen hen in de deur stond +na te kijken vond hij, dat hij in den val geloopen was. "Nu loopen ze +er zich in te verheugen, dat zij 't zoo mooi in orde gemaakt hebben, +dat ik den heelen tijd met mijn neus in die preek zitten moet, +zoolang ze weg zijn." + +Maar Vader en Moeder verheugden zich in 't geheel niet; integendeel, +ze waren heel bedroefd. Hij was een arme keuterboer, en hun hoeve +was niet veel grooter dan een tuintje. Toen ze er in 't begin kwamen +wonen, konden zij daar niet meer dan een varken en een paar kippen +houden; maar ze waren bizonder vlijtige en knappe menschen, en nu +hadden ze èn koeien, èn ganzen. Het was hun buitengewoon goed gegaan, +en ze zouden tevreden en blij naar de kerk zijn gewandeld, als ze +niet over hun zoon hadden hoeven denken. De vader klaagde er over, +dat hij traag en lui was. In school had hij niets willen leeren, +en hij was zoo onbruikbaar, dat men hem ternauwernood de ganzen kon +laten hoeden. En Moeder kon niet ontkennen, dat dit waar was, maar +zij was het meest bedroefd, omdat hij zoo wild en akelig was,--hard +tegen de dieren en boosaardig tegenover de menschen. + +"God moge zijn boozen wil breken, en hem een ander hart geven," +zei ze. "Anders wordt hij een ongeluk voor zichzelf en de onzen." + +De jongen stond er lang over na te denken of hij de preek zou lezen of +niet. Toen was hij met zichzelf overeengekomen, dat het 't beste was +dezen keer gehoorzaam te zijn. Hij ging in den grooten leuningstoel +zitten, en begon te lezen. Maar toen hij een poosje lang de woorden +halfluid opgerabbeld had, was het alsof hij slaap kreeg van dat +gerabbel, en hij merkte, dat hij knikkebolde. + +Buiten was het allerheerlijkst lenteweer. 't Was nog niet later in +'t jaar dan de 20ste Maart, maar de jongen woonde in de gemeente +West Vemmenhög, heel in 't zuiden van Skaane, en daar was de lente +al in vollen gang. De boomen waren nog niet groen, maar alles stond +frisch en vol knoppen. Er was water in alle greppels, en het hoefblad +stond in bloei aan den kant van den greppel. Al 't kreupelhout, dat +op het steenen walletje om den akker groeide, was bruin en glanzend +geworden. Het beukenbosch in de verte stond als 't ware te zwellen, +en werd ieder oogenblik dichter. De hemel was hoog en helder blauw. De +huisdeur stond op een kier, zoodat men in de kamer de leeuweriken +hoorde zingen. De kippen en ganzen liepen in den tuin, en de koeien, +die zelfs in den stal de lentelucht voelden, begonnen nu en dan te +loeien. De jongen las en knikkebolde, en streed tegen den slaap. + +"Neen, ik wil niet slapen," dacht hij, "want dan kom ik er den heelen +morgen niet door." + +Maar hoe dat nu kwam--hij sliep in. + +Hij wist niet, of hij lang of kort geslapen had, maar hij werd wakker +door een licht gedruisch achter hem. Op de vensterbank recht voor +den jongen stond een spiegeltje, en daarin kon hij bijna de heele +kamer zien. Juist toen nu de jongen het hoofd oplichtte, keek hij +toevallig in den spiegel, en toen zag hij, dat de deksel van Moeders +kist openstond. + +Nu had Moeder een groote, zware, met ijzer beslagen eikenhouten kist, +die nooit iemand anders dan zijzelf mocht opendoen. Daar bewaarde +Moeder alles, wat zij van haar moeder geërfd had, en waar zij bizonder +goed op paste. Daar lagen een paar ouderwetsche boerinnenpakjes +van rood laken met korte lijfjes en geplooide rokken, en met kralen +versierd borststuk. Daar waren gesteven witte hoofddoeken en zware +zilveren broches en kettingen. De menschen wilden nu zooiets niet +meer dragen, en Moeder had er al vaak aan gedacht, die oude dingen +weg te doen, maar zij had het niet over haar hart kunnen verkrijgen. + +Nu zag de jongen in den spiegel heel duidelijk, dat de deksel van +die kist open stond. Hij kon niet begrijpen hoe dat gekomen was, +want Moeder had de kist afgesloten, eer ze heenging. 't Zou Moeder +niet overkomen, dat zij de kist open liet, als hij alleen thuis was. + +Hij vond het griezelig. Hij was bang, dat een dief de kamer was +binnengeslopen. Hij durfde zich niet verroeren, maar zat stil in den +spiegel te staren. + +Terwijl hij zoo zat te wachten, tot de dief zich vertoonen zou, begon +hij er zich over te verwonderen, wat dat toch voor een schaduw was, +die over den rand van de kist viel. Hij keek en keek, en kon zijn +oogen bijna niet gelooven. Maar wat in 't begin maar een schaduw was, +werd al duidelijker, en hij merkte al gauw, dat het iets werkelijks +was. 't Was niet meer of minder dan een kabouter, die als een ruiter +te paard op den rand van de kist zat. + +De jongen had wel over kabouters hooren spreken, maar hij had nooit +gedacht, dat zij zóó klein konden zijn. Hij, die daar op den rand +van de kist zat, was niet grooter dan een handbreed. Hij had een oud, +rimpelig gezicht, zonder baard, en droeg een zwarten rok, korte broek +en een zwarten hoed met breeden rand. Hij was heel netjes en keurig +met witte kant om hals en mouwen, gespen op de schoenen, en kousebanden +met rozetten dichtgeknoopt. Hij had uit de kist een geborduurd mutsje +genomen, en zat zóó aandachtig naar het ouderwetsche werk te kijken, +dat hij niet gemerkt had, dat de jongen wakker geworden was. + +De jongen was heel verbaasd, toen hij den kabouter zag, maar zoo erg +bang werd hij niet. 't Was onmogelijk om bang voor iemand te worden, +die zoo klein was. En omdat de kabouter daar zoo in gedachten verdiept +zat, dat hij niets zag of hoorde, dacht de jongen, dat het grappig +zou zijn hem een poets te spelen: hem in de kist te duwen, en den +deksel dicht te klappen, of zoo iets. + +Maar de jongen was toch niet zoo moedig, dat hij den kabouter durfde +aan te raken met zijn handen; hij keek in de kamer rond naar iets, +waar hij hem een stootje meê geven kon. Hij liet zijn oogen van de +klaptafel naar de kachel gaan, en van de kachel naar de klaptafel. Hij +keek naar de pannen en de koffiekan, die op een plank naast de kachel +stonden, naar den wateremmer bij de deur, en naar lepels, en messen, +en vorken, en schalen, en borden, die door de halfopen kastdeur te +zien waren. Hij keek op naar Vaders geweer, dat aan den wand naast de +portretten van de Deensche koningsfamilie hing, en naar de geraniums +en fuchsia's, die in 't venster bloeiden. Eindelijk viel zijn oog op +een oud kapellennet, dat aan het kozijn hing. + +Nauwelijks had hij het net in het oog gekregen, of hij trok het naar +zich toe, sprong op, en zwaaide het over den kant van de kist. En hij +was zelf verbaasd, dat het hem zoo meeliep. Hij begreep bijna niet, +hoe hij dat klaar gespeeld had, maar hij had werkelijk den kabouter +gevangen. De stumper lag onder in het lange net, met het hoofd naar +beneden, en kon niet naar boven komen. + +In 't eerst wist de jongen heelemaal niet, wat hij met zijn vangst +beginnen zou. Hij vond het alleen vermakelijk het net heen en weer +te zwaaien, zoodat de kabouter geen gelegenheid zou hebben naar boven +te kruipen. + +De kabouter begon te praten, en smeekte zoo innig om vrij te komen. Hij +had hun zooveel jaren lang goed gedaan, en was een beter behandeling +waard. Als de jongen hem nu losliet, zou hij hem een ouden rijksdaalder +geven en een zilveren lepel en een gouden munt, zoo groot als de kast +van zijn vaders horloge. + +De jongen vond niet, dat dit bod groot genoeg was, maar het was hem +zoo gegaan--nu hij den kabouter in zijn macht had--was hij bang voor +hem geworden. Hij merkte, dat hij met iets vreemds en griezeligs in +aanraking gekomen was, en hij was maar blij, dat hij van dat duivelsche +gedoe weer afkomen kon. + +Hij ging daarom dadelijk op den koop in, en hield het net stil, zoodat +de kabouter er uit kruipen kon. Maar toen die er bijna uitgekropen +was, viel het den jongen in, dat hij grooter schatten had moeten +bedingen, en alle mogelijke heerlijkheden. Ten minste had hij dit +moeten bedingen, dat de kabouter hem de preek in 't hoofd zou tooveren. + +"Wat was ik dom, dat ik hem vrij liet," dacht hij, en hij begon het +net te schudden, opdat de kabouter weer naar beneden zou vallen. + +Maar op hetzelfde oogenblik, dat de jongen dat deed, kreeg hij zoo'n +vreeselijke oorvijg, dat hij meende, dat zijn hoofd in stukken zou +springen. Hij vloog eerst tegen den eenen wand, en toen tegen den +anderen, en eindelijk viel hij op den grond, en bleef daar bewusteloos +liggen. + +Toen hij weer bijkwam, was hij alleen in de kamer. Hij zag geen +spoor meer van den kabouter. De deksel van de kist was gesloten, +en het net hing weer op zijn gewone plaats in het venster. Als hij +niet gevoeld had, hoe zijn rechterwang gloeide van de oorvijg, zou +hij in de verzoeking gekomen zijn te gelooven, dat alles maar een +droom geweest was. + +"Vader en Moeder zullen in alle geval wel beweren, dat het niet +anders geweest is," dacht hij. "Zìj zullen wel niets van de preek +willen aftrekken om den kabouter. Het is het beste, dat ik maar gauw +ga zitten lezen." + +Maar toen hij nu naar de tafel ging, merkte hij wat wonderlijks +op. De kamer kon toch niet gegroeid zijn! Maar hoe kwam het dan, dat +hij zooveel meer stappen moest doen dan gewoonlijk om bij de tafel te +komen? En wat bezielde den stoel? Die zag er niet grooter uit dan zoo +pas. Maar hij moest eerst op de sporten tusschen de pooten klimmen en +dan verder klauteren om op de zitting te komen. En 't ging al net zoo +met de tafel. Hij kon niet over het blad van de tafel heen kijken, +zonder op de leuning van den stoel te klimmen. + +"Wat in de wereld is dat toch!" zei de jongen. "Ik geloof, dat de +kabouter den leuningstoel en de tafel en de heele kamer betooverd +heeft." + +'t Preekenboek lag op de tafel, en schijnbaar was het precies als +anders, maar daar moest toch ook iets aan mankeeren, want hij kon er +geen woord in lezen, zonder gewoon weg op het boek te gaan staan. + +Hij las een paar regels, maar toen keek hij toevallig op. Daardoor +viel zijn oog op den spiegel, en toen riep hij hardop: "Kijk, daar +is er nog een!" + +Want in den spiegel zag hij duidelijk een klein, klein kaboutertje, +gekleed met een slaapmutsje en een leeren broek aan. "Die is +precies gekleed als ik," zei de jongen, en sloeg de handen in elkaar +van verbazing. Maar toen zag hij, dat de kabouter in den spiegel +hetzelfde deed. + +Toen begon hij zich aan zijn haren te trekken en zich in de armen te +knijpen en rond te draaien, en oogenblikkelijk deed hij daar in den +spiegel het hem na. + +De jongen sprong een paar keer rond, om te zien of er een of ander +klein kereltje achter hem stond. Maar hij vond niemand--en toen begon +hij van schrik te beven. Want nu begreep hij, dat de kabouter hem +betooverd had, en dat de kabouter, dien hij daar in den spiegel zag, +niemand anders was dan hijzelf. + + + + +DE WILDE GANZEN. + + +De jongen kon maar niet gelooven, dat hij in een kabouter veranderd +was. + +"'t Is zeker maar een droom--of verbeelding," dacht hij. "Als ik even +wacht, word ik wel weer een mensch." + +Hij ging voor den spiegel staan, en sloot de oogen. Hij opende ze +eerst na een paar minuten, en verwachtte toen, dat het weer over zou +zijn. Maar dat was niet zoo: hij was en bleef even klein. Overigens +was hij precies, zooals hij geweest was. Het lichte vlashaar en de +zomersproeten op neus en lippen, de lappen op zijn leeren broek en +de stoppen in zijn kousen, alles was precies eender; alleen was alles +kleiner geworden. + +Neen, stil te staan en te wachten tot het overging, dat diende nergens +voor; dat merkte hij wel. Hij moest wat anders probeeren. En het +verstandigste wat hij doen kon, was, meende hij, den kabouter op te +zoeken en zich met hem te verzoenen. + +Hij sprong op den grond, en begon te zoeken. Hij keek achter stoelen +en kasten, en onder de slaapsofa, en in den oven. Hij kroop zelfs in +een paar rattegaten, maar hij kon den kabouter niet vinden. + +Onder het zoeken schreide hij en smeekte, en beloofde alle mogelijke +dingen. Hij zou nooit weer zijn woord breken tegenover iemand, nooit +zou hij weer ondeugend zijn, nooit weer slapen onder de preek. Als +hij maar weer een mensch mocht worden, zou hij zoo'n beste, lieve, +gehoorzame jongen zijn. Maar wat hij ook beloofde, het hielp hem +geen zier. + +Op eens kwam het hem in de gedachte, dat hij Moeder had hooren zeggen, +dat 't kleine volkje gewoonlijk in den koestal woonde, en hij besloot +dadelijk daarheen te gaan, om te zien of hij daar den kabouter niet +kon vinden. 't Was een geluk, dat de huisdeur op een kier stond, +want hij zou niet bij het slot hebben kunnen komen om die open te +doen. Maar nu kwam hij er zonder bezwaar door. + +Toen hij in de gang kwam, keek hij rond naar zijn klompen, want +in de kamer had hij natuurlijk op kousen geloopen. Hij dacht er +met verwondering over, hoe hij zich redden zou met die groote, +lompe klompen, maar op 't zelfde oogenblik zag hij een paar kleine +klompjes op den drempel staan. Toen hij merkte, dat de kabouter zoo +zorgvuldig geweest was, dat hij zelfs zijn klompen veranderd had, +werd hij nog angstiger. 't Scheen wel de bedoeling te zijn, dat al +dit akelige lang zou duren. + +Op de oude eikenhouten plank, die voor de gangdeur lag, sprong een +musch rond. Nauwelijks kreeg hij den jongen in 't oog, of hij riep: +"Tiliet! tiliet! Kijk eens naar Niels den ganzenjongen! Kijk eens +naar klein Duimpje! Kijk eens naar Niels Holgersson, klein Duimpje!" + +Dadelijk keken de ganzen en de kippen naar den jongen, en daar begon +een geweldig gekakel: "Kukeleku!" kraaide de haan, "dat is zijn +verdiende loon. Kukeleku! hij heeft mij aan mijn kam getrokken!" + +"Ka, ka, ka! Dat is zijn verdiende loon!" riepen de kippen, en dat +riepen ze maar al door. + +De ganzen liepen naar elkaar toe, staken de koppen bij elkaar en +vroegen: "Wie kan dat gedaan hebben? Wie kan dat gedaan hebben?" + +Maar het vreemdste van alles was, dat de jongen verstond wat ze +zeiden. Hij was zoo verbaasd, dat hij op het stoepje bleef staan +luisteren. + +"Dat komt zeker, omdat ik in een kabouter ben veranderd," zei +hij. "Daarom zeker versta ik nu de taal van de vogels." Hij vond het +onuitstaanbaar, dat de kippen maar niet ophielden te roepen, dat het +zijn verdiende loon was. Hij gooide ze met een steen en riep. "Houdt +je stil, schooiers!" + +Maar hij had er niet aan gedacht, dat hij niet meer zoo was, dat de +kippen bang voor hem hoefden te wezen. De heele troep kippen rende +op hem toe, ging om hem heen staan en riep: "Ka, ka, ka! dat is je +verdiende loon! ka, ka, ka! dat is je verdiende loon." + +De jongen probeerde weg te komen, maar de kippen vlogen hem na, en +schreeuwden, zoodat hij er bijna doof van werd. Hij was zeker nooit +van hen afgekomen, als de huiskat er niet aan was gekomen. Zoodra +de kippen de kat zagen, werden ze stil en deden, alsof ze nergens +aan dachten dan aan krabben in den grond om eten te zoeken. De +jongen sprong dadelijk op de kat toe. "Lieve, beste poes," zei hij, +"je kent zeker wel alle hoekjes en gaatjes hier op de plaats. Wees +nu eens lief en vertel me, waar ik den kabouter kan vinden." + +De kat antwoordde niet dadelijk. Zij zette zich neer, legde den +staart sierlijk om haar pootjes, en staarde den jongen aan. 't Was +een groote, zwarte kat met een witte vlek op de borst. Heur haar lag +glad en glansde in den zonneschijn. Zij had de klauwen ingetrokken, +en haar oogen waren egaal grijs, met enkel een klein smal spleetje +in het midden. De kat zag er innig bescheiden uit. + +"Ik weet wel, waar de kabouter woont," zei ze met een zachte stem; +"maar 't is niet zeker, dat ik je dat vertellen wil." + +"Lieve poes, je mag me wel helpen," zei de jongen. "Zie je niet, +hoe hij me betooverd heeft?" + +De kat deed de oogen wat wijder open, zoodat het groene en leelijke +er in begon uit te komen. Ze spon en snorde van genoegen, vóór ze +antwoordde. "Moet ik je misschien helpen, omdat je mij zoo dikwijls +aan mijn staart getrokken hebt?" vroeg ze eindelijk. + +Toen werd de jongen boos, en vergat heelemaal hoe klein en machteloos +hij nu was. "Ik kan je nog wel eens aan je staart trekken!" zei hij +en sprong op de kat toe. + +Maar opeens was de kat zoo veranderd, dat de jongen nauwelijks kon +gelooven, dat het 't zelfde dier was. Ieder haar op haar lichaam +stond overeind. Ze zette een hoogen rug, de pooten werden langer, de +klauwen sloeg ze in den grond, haar staart was kort en dik geworden, +haar ooren lagen achteruit, de mond blies, de oogen stonden wijd open, +en ze gloeiden als rood vuur. + +De jongen wou zich niet laten bang maken door een kat, en deed een +stap vooruit. Maar toen nam de kat een sprong, kwam boven op den +jongen neer, gooide hem onderste boven, en ging over hem heen staan +met de voorpooten op zijn borst, en den bek open boven zijn keel. + +De jongen voelde hoe de klauwen door zijn vest en hemd in zijn +huid drongen, en hoe de scherpe hoektanden zijn keel kietelden. Hij +schreeuwde om hulp, zoo hard hij kon. + +Maar niemand kwam, en hij geloofde vast, dat zijn laatste uur geslagen +was. Toen voelde hij, dat de kat haar klauwen introk en zijn keel +losliet. + +"Zie zoo," zei ze, "nu is 't genoeg! Ik zal je dezen keer nog loslaten +ter wille van de vrouw. Ik wilde alleen maar, dat je weten zou, +wie van ons beiden nu de baas is." + +Met die woorden liep de kat weg, en zag er weer even glad en +zachtzinnig uit, als toen ze kwam. De jongen was zoo beschaamd, +dat hij geen woord zei, maar zich haastte naar den koestal om den +kabouter te zoeken. Daar waren niet meer dan drie koeien. Maar toen +de jongen binnenkwam, begon er een gebrul en een spektakel, zoodat +men best kon denken, dat er minstens dertig waren. + +"Boe, boe, boe," loeide Meiroos. "Het is maar goed, dat er +rechtvaardigheid in de wereld is." + +"Boe, boe, boe!" hieven ze alle drie aan. Hij kon niet hooren wat ze +zeiden, zoo overschreeuwden ze elkaar. + +De jongen wilde naar den kabouter vragen, maar hij kon zich niet +verstaanbaar maken, omdat de koeien in volslagen oproer waren. Zij +gedroegen zich, zooals ze gewoonlijk deden, als hij een vreemden hond +bij hen binnen liet. Ze sloegen met de achterpooten, schudden hun +halskettingen, keerden de koppen naar buiten en dreigden met de horens. + +"Kom jij maar eens hier," zei Meiroos, "dan kun je een trap krijgen, +die je vooreerst niet vergeten zult." + +"Kom hier," zei Goudlelie, "dan mag je dansen op mijn horens." + +"Kom hier! dan zul je eens voelen hoe dat was, toen je mij met je +klompen gooide verleden zomer!" loeide Sterre. + +"Kom hier, dan zal ik je de wesp betaald zetten, die je me in 't oor +gestopt hebt," schreeuwde Goudlelie. + +Meiroos was de oudste en wijste van allen, maar zij was 't allermeeste +boos. + +"Kom eens hier," zei ze, "dan zal ik je al de keeren betaald zetten, +dat je den melkstoel onder je moeder hebt weggerukt, en al de keeren, +dat je haar over je beenen hebt laten vallen, als zij met den melkemmer +aankwam, en al die tranen, die ze hier om jou heeft geschreid." + +De jongen wilde hem zeggen, dat hij er berouw van had, dat hij zoo +leelijk tegen hen had gedaan, en dat hij nooit anders dan goed voor hen +wezen zou, als ze hem maar zeggen wilden, waar de kabouter was. Maar +de koeien luisterden niet naar hem. Ze maakten zulk een spektakel, +dat hij bang was, dat een van hen zich los zou rukken, en hij meende, +dat het maar het beste was uit den koestal weg te sluipen. + +Toen hij weer buiten kwam, was hij recht moedeloos. Hij kon wel +begrijpen, dat niemand op de hoeve hem wou helpen om den kabouter te +vinden. En het zou ook wel niet veel helpen, al vond hij hem. + +Hij kroop op den breeden steenwal, die rond om hun hoeve lag en +begroeid was met dorens en braamstruiken. Daar ging hij zitten om +er over te denken, hoe het gaan zou, als hij niet weer een mensch +werd. Als nu Vader en Moeder uit de kerk thuis kwamen, zouden ze +wel héél verbaasd zijn. Ja, de verbazing zou over het geheele land +gaan, en de menschen zouden komen van Oost Vemmenhög en van Torp en +van Skurup, van 't heele ambt Vemmenhög zouden ze komen om hem te +bekijken. En misschien zouden Vader en Moeder hem meênemen, om hem +op de markt te Vivik te vertoonen. + +Neen dat was àl te vreeselijk om aan te denken. Hij wou het liefste, +dat maar nooit meer iemand hem zien zou. + +Het was toch verschrikkelijk, zoo ongelukkig als hij was. Niemand in +de wereld was zóó ongelukkig als hij. Hij was geen mensch meer, maar +een wonder. Hij begon zoo langzamerhand te begrijpen, wat het zeggen +wou: geen mensch meer te zijn. Hij was nu van alles gescheiden: hij +kon niet meer met andere jongens spelen; hij kon later de hoeve niet +van zijn ouders overnemen; en hij kon zeker geen enkel meisje vinden, +dat met hem trouwen wou. + +Hij zat naar zijn huis te kijken. 't Was een klein, wit gepleisterd +boerenhuisje in kruisvorm gebouwd, en het lag als neêrgedrukt in het +veld onder het hooge schuine stroodak. De bijgebouwtjes waren ook +klein, en de akkers waren zoo klein, dat een paard er zich nauwelijks +kon omkeeren. + +Maar hoe klein en armoedig het plaatsje ook was, nu was het nog veel +te goed voor hem. Hij kon geen beter woning begeeren dan een gat +onder den vloer in den stal. + +'t Was wonderlijk mooi weer: de knoppen begonnen te zwellen, en om +hem heen was geruisch en gekwinkeleer. Maar hij zat in bitter verdriet +verzonken. Hij zou nooit meer ergens blij om zijn. + +Hij had nog nooit den hemel zóó blauw gezien als dien dag. En de +trekvogels kwamen aanvliegen. Ze kwamen uit het buitenland en waren +over de Oostzee gereisd, recht op Smygehuk aan, en nu waren ze op weg +naar het noorden. Er waren zeker vogels van allerlei soort; maar hij +kende geen andere dan de wilde ganzen, die aankwamen in twee lange +rijen, die in een hoek samenvielen. + +Verscheidene troepen wilde ganzen waren al voorbij gekomen. Ze +vlogen hoog in de lucht; maar hij kon toch hooren hoe ze riepen: +"Nu gaan we naar de rotsen! We gaan naar de rotsen!" + +Toen de wilde ganzen de tamme ganzen zagen, die op de plaats liepen, +riepen ze: "Kom mee! Kom mee! Nu gaan we naar de rotsen!" + +De tamme ganzen konden niet laten de koppen op te steken en te +luisteren. Maar ze antwoordden heel verstandig: "Wij hebben het goed +hier; wij hebben het goed hier!" + +'t Was, zooals we zeiden, een heerlijk mooie dag, met een lucht, zóó +frisch en licht, dat het een waar genot moest zijn te vliegen. En +bij iederen troep wilde ganzen, die voorbij vloog, werden de tamme +ganzen onrustiger. Een paar keer klapwiekten zij, alsof ze lust kregen +om meê te gaan. Maar dan zei altijd een van de oude ganzenmoeders: +"Wees nu niet dwaas. Die daar zullen nog honger en kou lijden." + +Er was één onder de jonge ganzeriken, die door 't roepen van de +wilde ganzen een grooten lust tot reizen had gekregen: "Als er nog +één troep komt, ga ik meê," zei hij. + +En toen kwam er een nieuwe troep, en riep als de andere: "Kom meê, +kom meê!" + +Toen antwoordde de jonge ganzerik: "Wacht even, wacht even, ik kom!" + +Hij sloeg de vleugels uit, en hief zich op in de lucht; maar hij was +zoo weinig gewend te vliegen, dat hij weer op het veld viel. + +De wilde ganzen hadden zijn roepen zeker gehoord. Zij keerden om en +vlogen langzaam terug, om te zien, of hij kwam. + +"Wacht even! Wacht even!" riep hij en probeerde het weer. Dat alles +hoorde de jongen, waar hij zat. + +"'t Zou toch geducht jammer zijn, als die groote ganzerik wegvloog. Wat +zouden Vader en Moeder bedroefd zijn, als ze uit de kerk kwamen, +en merkten, dat hij weg was." + +Toen hij daaraan dacht, vergat hij weer heelemaal, dat hij klein en +onmachtig was. Hij stond met een sprong midden tusschen de ganzen, +en sloeg de armen om den hals van den ganzerik. + +"Je zult het wel laten om weg te vliegen," riep hij. Maar juist op +dat oogenblik was de ganzerik er achter gekomen, hoe hij doen moest +om van den grond op te vliegen. Hij kon niet ophouden om den jongen +af te schudden, zoodat die mee de lucht in moest. + +'t Ging zóó snel in de hoogte, dat de jongen rilde. Eer hij er aan +dacht, dat hij de gans los moest laten, was hij zóó hoog gekomen, +dat hij doodgevallen zou zijn, als hij op den grond was neergekomen. + +Het eenige, wat hij doen kon om het wat beter te hebben, was probeeren +om op den rug van den gans te komen. En daar kroop hij ook op, maar +niet zonder groote moeite. En ook was het geen kleinigheid zich +in balans te houden op dien gladden ganzerug, tusschen de twee op +en neer slaande vleugels. Hij moest diep in de veeren en het dons +grijpen met beide handen, om niet naar beneden te tuimelen. + + + + +DE GERUITE DOEK. + + +De jongen werd zoo bedwelmd, dat hij lang niet wist wat er met hem +gebeurde. De lucht huilde en suisde hem te gemoet, de vleugels sloegen +op en neer, en door de veeren bruiste het alsof er een heele storm +was. Dertien ganzen vlogen om hem heen. Alle fladderden en kakelden, +alles draaide voor zijn oogen, en 't suisde in zijn ooren. Hij wist +niet, of ze hoog of laag vlogen, of waar ze heen gingen. Eindelijk +kwam hij zoover bij, dat hij begreep, dat hij op moest letten, waar +de ganzen hem heen brachten. Maar dat was niet zoo gemakkelijk, want +hij wist niet, hoe hij ooit naar beneden zou durven kijken. Hij wist +zeker, dat hij duizelig zou worden, als hij dat probeerde. + +De wilde ganzen vlogen niet heel hoog, omdat hun nieuwe reiskameraad +in de allerfijnste lucht geen adem kon halen. Om hem vlogen zij ook +wat langzamer dan gewoonlijk. + +Eindelijk dwong de jongen zich even naar de aarde beneden te +kijken. Toen was 't hem, alsof er een groote doek onder hem lag +uitgespreid, verdeeld in een ongeloofelijke massa kleine en groote +ruiten. + +"Waar in de wereld ben ik nu gekomen?" vroeg hij zich verbaasd af. + +Hij zag niets dan ruit aan ruit. Sommige waren schuin en sommige +langwerpig, maar overal waren er hoeken en rechte lijnen. Niets was +rond, en niets was er puntig. + +"Wat is dat voor een groote geruite doek, dien ik daar beneden +zie?" zei de jongen in zichzelf, zonder van iemand antwoord te +verwachten. + +"Akkers en weiden, akkers en weiden!" riepen dadelijk de wilde ganzen, +die om hem heen vlogen. + +Toen begreep hij, dat de groote geruite doek de platte grond van Skaane +was, waar hij nu over heen vloog. En hij begon te begrijpen waarom +die er zoo geruit uitzag, en zoo veel kleuren had. De lichtgroene +ruiten herkende hij het eerst; dat waren de roggeakkers, die in +het vorige najaar bezaaid waren, en onder de sneeuw groen waren +gebleven. De geelgrijze waren de stoppelvelden, waar den vorigen +zomer koren gestaan had; de bruinachtige waren oude klavervelden, en +de zwarte waren leege weilanden of opgehoogde tuinbedden. De ruiten, +die bruin waren met gele randen, waren zeker beukenbosschen, want +daartusschen staan de groote boomen, die midden in 't bosch groeien, +kaal in den winter; maar de kleine beukjes aan den kant van het bosch, +behouden hun dorre gele blaadjes tot aan 't voorjaar. Daar waren ook +donkere ruiten met grijs in het midden: dat waren de groote hoeven in +het vierkant gebouwd, met de zwartgeworden stroodaken en de steenen +plaatsen in 't midden. En dan waren er ruiten, groen in 't midden en +met bruin omzoomd: dat waren de tuinen, waar 't gras al begon groen +te worden, terwijl de struiken en boomen er om heen nog naakt in hun +bruinen bast stonden. + +De jongen kon niet laten te lachen, toen hij zag, hoe alles geruit was. + +Maar toen de wilde ganzen hem hoorden lachen, riepen ze als +bestraffend: "Vruchtbaar en goed land! Vruchtbaar en goed land!" + +De jongen was al weer ernstig geworden: "Hoe kan jij nu lachen! Jij, +wien 't allerergste is overkomen, wat een mensch gebeuren kan!" dacht +hij. + +Hij bleef een poos ernstig, maar gauw begon hij weer te +lachen. Naarmate hij aan het vliegen en de sterke vaart was gewoon +geraakt, zoodat hij aan iets anders kon denken, dan aan het zich in +evenwicht houden op den ganzerug, begon hij op te merken, hoe vol de +lucht was van vluchten vogels, die naar het noorden vlogen. Er was +een roepen en schreeuwen van de eene vlucht naar de andere: "Zoo, +zoo! zijn jelui vandaag gekomen?" riepen sommigen. "Ja, dat zijn we," +antwoordden de ganzen. + +"Wat denk jelui van den winter?" + +"Geen blad aan de boomen en koud water in de meren," klonk het +antwoord. + +Toen de ganzen over een hoeve vlogen, waar tam gevogelte buiten liep, +riepen ze: "Hoe heet de hoeve? Hoe heet de hoeve?" + +Toen stak de haan den kop op, en antwoordde: "De hoeve heet Lillgärde, +van 't jaar als verleden jaar, van 't jaar als verleden jaar." + +De meeste hoeven heetten naar de eigenaars, zooals gewoonlijk in +Skaane, maar in plaats van te antwoorden, dat het de hoeve van Per +Mattson of Ola Persson was, bedachten de hanen namen, die zij gepast +vonden. Zij, die op armoedige hoevetjes of keuterboerderijtjes woonden, +riepen: "Deze hoeve heet "Grutteloos"." En zij, die op de allerarmste +woonden, riepen: "Deze heet "Deugt niet veel, Deugt niet veel! Deugt +niet veel!"" + +De groote, welgestelde boerenhoeven kregen mooie namen van de hanen, +als b.v.: "Geluksveld, Eierberg en Geldstad." + +Maar de hanen van de groote buitens waren te deftig om wat grappigs te +verzinnen. Een van hun kraaide en riep zóó hard, alsof hij zich tot +geheel op de zon wou laten hooren: "Dit is 't landgoed Dybeck! Van +'t jaar als verleden jaar, van 't jaar als verleden jaar!" + +En wat verder op stond er een te roepen: "Dit is Zwanenholm. Dat moet +de heele wereld weten!" + +De jonge merkte, dat de ganzen niet rechtuit voortvlogen. Zij zweefden +heen en weer over de heele provincie Söderslätt, alsof ze blij waren, +dat ze weer in Skaane waren, en iedere hoeve wilden begroeten. + +Ze kwamen bij een plaats, waar een stuk of wat groote, zware gebouwen +stonden met hooge schoorsteenen, en daaromheen veel kleine huisjes: +"Dit is de suikerfabriek Jordberga," riepen de hanen. "Dit is de +suikerfabriek Jordberga!" + +De jongen richtte zich met een ruk op. Die plaats had hij toch moeten +kennen. Die lag niet ver van zijn huis, en 't vorige jaar was hij daar +herdersjongen geweest. Maar alles zag er toch zoo heel anders uit, +als je het van boven af zag. + +En stel je voor! Asa 't ganzenmeisje, en de kleine Mads, zijn kameraden +van verleden jaar! De jongen zou graag willen weten, of ze er nog +waren. Wat zouden ze wel zeggen, als ze wisten, dat hij zoo hoog over +hun hoofden heen vloog? + +Toen verloren ze Jordberga uit het oog, en vlogen over dalen en meren +en kloosters en bergen. De jongen zag meer van Skaane op dien eenen +dag, dan hij ooit in zijn heele leven gezien had. + +Als de wilde ganzen tamme ganzen zagen, hadden ze 't allermeest +pleizier. Dan vlogen ze heel langzaam en riepen naar beneden: +"Nu gaan we naar de rotsen. Gaan jelui meê, gaan jelui meê?" + +Maar de tamme ganzen antwoordden: "De winter is nog in 't land. Jelui +zijn te vroeg! Ga terug, ga terug!" + +De wilde ganzen vlogen nog lager om beter gehoord te worden, en riepen: +"Ga meê, dan zullen we jelui leeren vliegen en zwemmen!" + +Dan werden de tamme ganzen boos, en antwoordden niet, zelfs niet +met gekakel. + +Maar de wilde ganzen kwamen nog lager, zoodat ze het veld bijna +raakten, en dan vlogen ze omhoog als pijlen uit een boog, alsof ze +vreeselijk schrikten: "O! O! O!" riepen ze. "'t Waren geen ganzen! 't +Waren maar schapen, 't waren maar schapen!" + +De ganzen beneden op 't veld werden heelemaal woest, en schreeuwden: +"'k Wou, dat jelui geschoten werden, allemaal! Allemaal!" + +Toen de jongen al die plagerij hoorde, lachte hij. En dan dacht hij +er aan, hoe 't nu met hem was--en dan schreide hij weer. Maar na een +poosje lachte hij weer. Nooit te voren had hij zoo snel gereisd. En +hard en wild rijden, dat had hij altijd heerlijk gevonden. En hij +had zich natuurlijk nooit kunnen voorstellen, dat het boven in de +lucht zoo frisch was, en dat er van den grond zoo'n heerlijke geur +van mulle aarde en hars opsteeg. En hij had er ook nooit aan gedacht, +hoe 't zijn zou, daar zoo hoog over de wereld te vliegen. Dat was, +alsof hij wegvloog van alle bekommering en verdriet en ergernis, +die je maar bedenken kon. + + + + + + +II. + +AKKA VAN KEBNEKAISE. + + +DE AVOND. + + +De groote, tamme ganzerik, die meê gevlogen was, was er heel trotsch +op, dat hij heen en weer vloog over Söderslätt met de wilde ganzen, +en de tamme vogels kon plagen. Maar hoe heerlijk hij 't ook vond--hij +kon er toch niets aan doen, dat hij tegen den middag moe begon te +worden. Hij probeerde dieper adem te halen en de vleugels sneller op en +neer te slaan, maar hij bleef toch een heel stuk bij de anderen achter. + +Toen de wilde ganzen, die achteraan vlogen, merkten, dat de tamme niet +meê kon komen, begonnen ze de gans, die aan de punt van den driehoek +vloog, en den tocht leidde, toe te roepen: "Akka van Kebnekaise! Akka +van Kebnekaise!" + +"Wat wil jelui van me?" vroeg de leidster-gans. + +"De witte blijft achter! de witte blijft achter!" + +"Zeg hem, dat het gemakkelijker is gauw te vliegen dan langzaam!" riep +de leidster, en vloog voort als gewoonlijk. + +De ganzerik probeerde wel dien raad te volgen en meer vaart te zetten; +maar daardoor werd hij zóó uitgeput, dat hij zelfs tot de geschoren +wilgen neerzonk, die langs de akkers en weiden stonden. + +"Akka, Akka, Akka van Kebnekaise!" riepen toen zij, die achteraan +vlogen, en zagen hoe moeilijk hij 't had. + +"Wat wil jelui nu weer?" vroeg de aanvoerster, en scheen geweldig +knorrig. + +"De witte zinkt naar den grond, de witte zinkt naar den grond!" + +"Zeg hem, dat het gemakkelijker is hoog te vliegen dan laag!" riep +de leidster. En ze vloog geen ziertje langzamer, maar even snel als +te voren. + +De ganzerik probeerde ook dien raad te volgen, maar als hij omhoog +vliegen wou, werd hij zóó kortademig, dat het was, alsof zijn borst +zou springen. + +"Akka, Akka!" riepen zij, die achteraan vlogen. + +"Kun jelui me niet met rust laten?" vroeg de leidster, en scheen nog +ongeduldiger dan de vorige keer. + +"De witte is op 't punt van te vallen! De witte is op 't punt van +te vallen!" + +"Zeg hem, dat wie niet meêkomen kan, maar naar huis moet gaan!" riep +de leidster-gans. En ze dacht er niet aan om langzamer te vliegen, +maar ging door met dezelfde vaart. + +"O zoo! staat het zoo?" dacht de ganzerik. En nu begreep hij op eens, +dat de wilde ganzen nooit van plan waren geweest hem meê te nemen +naar Lapland. Zij hadden hem maar voor de grap van huis weggelokt. + +Het ergerde hem geducht, dat zijn krachten hem nu gingen begeven, +zoodat hij die schooiers daar niet kon toonen, dat een tamme gans +ook wel wat waard was. En 't allerakeligste was, dat hij juist Akka +van Kebnekaise ontmoet had. Want, al was hij maar een tamme gans, +hij had toch wel van een leidstergans gehoord, die Akka heette, en +die meer dan honderd jaar oud was. Zij was zeer gezien, en de beste +wilde ganzen, die er waren, sloten zich gewoonlijk bij haar aan. Maar +niemand had zoo'n verachting voor tamme ganzen als Akka en haar troep, +en hij had hun gaarne willen toonen, dat hij voor hen niet onderdeed. + +Hij vloog langzaam achter de anderen aan, terwijl hij in zich zelf +overlegde, of hij zou omkeeren of doorgaan. Toen zei op eens 't ventje, +dat op zijn rug zat: "Lieve Maarten Ganzerik, je begrijpt toch wel, +dat het voor jou, die nog nooit gevlogen hebt, onmogelijk is met de +wilde ganzen heel meê naar Lapland te vliegen. Zou je niet liever +weer naar huis gaan, vóór je je heelemaal ziek maakt?" + +Maar die boerenjongen was het akeligste wezen, dat de gans kende, +en zoodra hij begreep, dat die stumper meende, dat hij den tocht niet +meê kon maken, besloot hij vol te houden. + +"Als je daar nog één woord over spreekt, gooi ik je in de eerste +mergelgroeve, waar we over heen komen," zei hij, en kreeg op 't zelfde +oogenblik uit ergernis zoo veel kracht, dat hij bijna even goed begon +te vliegen, als een van de anderen. + +Lang had hij het toch zoo niet kunnen uithouden; maar dat hoefde ook +niet; want nu daalde de zon snel, en juist bij zonsondergang vlogen de +ganzen recht naar beneden. En eer de jongen en de ganzerik het wisten, +stonden ze aan den kant van het Vombmeer. + +"Hier zullen we wel den nacht overblijven," dacht de jongen, en sprong +van den rug van den ganzerik op den grond. + +Hij stond op een smalle strook zand aan den oever, en vóór hem lag +een tamelijk groot meer. Dat was akelig om te zien, want het was +bijna heelemaal bedekt met een ijskorst, die zwart en oneffen was, +en vol spleten en gaten, zooals voorjaarsijs gewoonlijk is. Maar 't +ijs zou zeker niet lang meer blijven. 't Was al losgeraakt, en er om +heen lag een breede gordel zwart, blinkend water. Maar toch lag nog +hier en daar de kou en de barschheid van den winter over het landschap. + +Aan den anderen kant van het meer scheen open en licht bebouwd land +te liggen, maar waar de ganzen neergekomen waren, lag een groot +dennenplantsoen. En 't was, alsof de naaldboomen de macht hadden den +winter vast te houden. Overal verder was 't veld leeg, maar onder de +reusachtige takken lag sneeuw, die gesmolten en weer bevroren was, +keer op keer, zoodat ze zoo hard was als ijs. + +De jongen meende, dat hij in een woest en eenzaam winterland was +gekomen, en hij was zoo angstig, dat hij wel hardop had willen huilen. + +Hij had honger. Hij had den heelen dag niets gegeten. Maar waar zou +hij eten vandaan halen? Er groeit niets eetbaars op velden of aan +boomen in Maart. + +Ja, waar zou hij eten vandaan halen, en wie zou hem huisvesten, +en wie zou zijn bed opmaken, en wie zou hem warmen bij zijn vuur, +en wie zou hem beschermen tegen de wilde dieren? + +Want nu was de zon weg, en nu kwam er kou van over 't meer, en de +duisternis viel, en de angst kwam in 't spoor van de schemering, +en in 't bosch begon het te kraken en te ritselen. + +Nu was het uit met den vroolijken moed, dien de jongen had gevoeld, +terwijl hij boven in de lucht was, en in zijn angst keek hij om naar +zijn reiskameraad: hij had immers niemand anders om zich bij aan +te sluiten. + +Toen zag hij, dat de ganzerik het nog erger had dan hij. Het dier +lag nog op dezelfde plaats, waar hij was neergekomen, en het scheen, +alsof hij stervende was. Zijn hals lag rechtuit op 't veld, zijn oogen +waren gesloten, en zijn ademhaling was nog maar een flauw zuchten. + +"Lieve Maarten Ganzerik," zei de jongen, "probeer een slok water te +nemen. Van hier naar het meer is 't maar twee stapjes." + +Maar de ganzerik bewoog zich niet. + +De jongen was vroeger wel hard tegen alle dieren geweest, en ook tegen +den ganzerik; maar nu meende hij, dat de ganzerik de eenige steun +was, dien hij had, en hij werd vreeselijk bang dien te verliezen. Hij +begon hem dadelijk te schuiven en te stooten, om hem bij het water +te krijgen. De ganzerik was groot en zwaar, zoodat het een heel werk +voor den jongen was, maar eindelijk lukte het hem. De ganzerik kwam +in 't meer terecht met den kop vooruit. Een oogenblik lag hij stil +in de modder, maar al gauw stak hij den kop op, schudde het water +uit de oogen en proestte. Daarop zwom hij trotsch tusschen riet en +waterplanten door. + +De wilde ganzen lagen vóór hem in 't meer. Zij hadden noch naar den +ganzerik, noch naar zijn ruiter omgezien, maar waren dadelijk het +water ingeloopen. Zij hadden zich gebaad en gepoetst, en nu lagen +zij te plassen tusschen half vergaan riet en waterkolven. + +De witte ganzerik had het geluk een klein baarsje te zien. Dat greep +hij gauw, zwom er mee naar den kant, en legde het voor den jongen neer. + +"Dat mag jij hebben, omdat je mij naar het water geholpen hebt," +zei hij. + +'t Was voor 't eerst, dien heelen dag, dat de jongen een vriendelijk +woord hoorde. Hij was zoo blij, dat hij zijn armen wel om den hals +van den ganzerik had willen slaan, maar daar kwam hij niet toe. En +met het geschenk was hij ook blij. Eerst dacht hij wel, dat het hem +onmogelijk zou zijn rauwe visch te eten, maar toen kreeg hij toch +lust het te probeeren. + +Hij voelde, of hij zijn mes wel bij zich had, en jawel! het hing +in de schede achter aan een knoop van zijn broek, maar het was zoo +klein geworden, dat het niet eens zoo lang als een lucifer was. Nu, +'t was in ieder geval goed om den visch mee te schrappen en schoon +te maken, en het duurde niet lang, of de baars was opgegeten. + +Toen de jongen goed verzadigd was, schaamde hij er zich wel over, +dat hij rauwe visch had kunnen eten. + +"'t Lijkt wel of ik geen mensch meer ben, maar een echte kabouter," +dacht hij. + +Al dien tijd, dat de jongen at, stond de ganzerik zwijgend naast hem, +maar toen hij zijn laatste hapje op had, zei hij zacht: "'t Is maar +zoo, dat we bij onvriendelijke, trotsche ganzen gekomen zijn, die +alle tamme vogels verachten." + +"Ja, dat heb ik wel gemerkt," zei de jongen. + +"'t Zou wel een heele eer voor mij zijn, als ik toch met hen meê kon +komen naar Lapland, en hun toonen, dat een tamme gans ook wel tot +iets deugt." + +"Ja--a," zei de jongen wat langzaam, want hij geloofde niet, dat de +ganzerik dat zou kunnen doen, maar hij wilde hem niet tegenspreken. + +"Maar ik geloof niet, dat ik me alleen op zulk een reis zal kunnen +redden," zei de ganzerik, "en nu wou ik je vragen, of je meê zou +kunnen gaan en me helpen." + +De jongen had natuurlijk geen ander plan, dan zoo gauw mogelijk +naar huis terug te gaan, en hij was zóó verbaasd, dat hij niet wist, +wat hij antwoorden zou. + +"Ik dacht, dat we geen goede vrienden waren, jij en ik," zei hij. Maar +dat scheen de ganzerik heelemaal vergeten te hebben. Hij dacht er +alleen aan, dat de jongen hem zoo pas het leven had gered. + +"Ik moest eigenlijk naar huis, naar Vader en Moeder," zei de jongen. + +"Ja, ik zal je tegen den herfst wel terugbrengen," zei de ganzerik. "Ik +zal niet van je weggaan, voor ik je bij je thuis op den drempel +kan neerzetten." + +De jongen dacht, dat het eigenlijk wel prettig zou zijn, als hij zich +niet dadelijk aan zijn ouders hoefde te vertoonen. Hij had niets tegen +dat voorstel, en hij wou juist zeggen, dat hij het aannam, toen zij +een sterk gedruisch achter zich hoorden. Dat waren de wilde ganzen, +die allen te gelijk uit het meer waren gekomen, en 't water van zich +af stonden te schudden. Toen schikten zij zich in een lange rij, +met de leidster-gans vooraan, en kwamen op hen af. + +Toen nu de witte ganzerik de wilde ganzen bekeek, voelde hij zich niet +recht op zijn gemak. Hij had verwacht, dat ze meer op tamme ganzen +zouden lijken, en dat hij zich aan hen verwant zou voelen. Ze waren +veel kleiner dan hij, en geen van hen was wit, maar allen waren grijs +en bruin gemarmerd. En voor hun oogen werd hij bijna bang. Ze waren +geel en schitterden, alsof er vuur achter brandde. De ganzerik had +altijd geleerd, dat het netjes stond langzaam en waggelend te loopen; +maar zij liepen niet, ze sprongen voort. En 't meeste griezelde +hij, als hij naar hun pooten keek. Ze waren groot, met versleten en +gescheurde zolen. Men kon wel merken, dat wilde ganzen nooit vroegen, +waar ze op trapten. Ze namen geen omwegen. Ze waren heel netjes en +verder goed gepoetst, maar aan hun voeten kon men zien, dat ze uit +de wildernis kwamen. + +De ganzerik kon nog juist den jongen toefluisteren: "Antwoord nu flink, +maar zeg niet, wie je bent," en toen waren ze bij hen. + +Toen de wilde ganzen voor hen stonden, bogen ze dikwijls met de +halzen, en dat deed de ganzerik ook,--nog vaker. Toen ze genoeg +gegroet hadden, zei de leidster-gans: "Nu moeten we eens hooren, +wie jij eigenlijk bent." + +"Er is niet veel van mij te vertellen," zei de ganzerik. "Ik ben +verleden voorjaar in Skaane geboren. Dezen herfst werd ik aan Holger +Nielsson in West Vemmenhög verkocht, en daar ben ik aldoor geweest." + +"'t Schijnt dat je geen familie hebt, waar je je op beroemen kunt," +zei de leidster-gans. "Hoe kom je dan zoo overmoedig, dat je met +wilde ganzen meêdoen wilt?" + +"Dat kan immers wel zijn, omdat ik jelui, wilde ganzen, toonen wil, +dat ook een tamme gans ergens goed voor is," zei de ganzerik. + +"Ja, dan was het goed... als je dat ons toonen kunt," zei de +leidster-gans. "We hebben nu gezien, hoeveel je van 't vliegen +kon. Maar misschien ben je ergens anders knapper in. 't Kan wel zijn, +dat je sterk in 't snelzwemmen bent." + +"Neen, daar kan ik me niet op beroemen," zei de ganzerik. Hij meende +te merken, dat de leidster-gans al besloten was hem terug te zenden, +en nu lette hij niet meer op zijn antwoorden: "Ik heb nooit verder +gezwommen dan dwars over een mergelgroeve," ging hij voort. + +"Dan denk ik, dat je een baas bent in 't springen," zei de gans. + +"Ik heb nog nooit een tamme gans zien springen, en ik zelf heb het +ook nooit gedaan," zei de ganzerik, en maakte de zaak erger dan ze was. + +De groote witte was er nu zeker van, dat de leidster-gans zeggen zou, +dat ze hem heelemaal niet meê wou hebben. Hij was dus heel verbaasd, +toen ze zei: "Je antwoordt moedig op mijn vragen, en hij, die moed +heeft, kan een goede reiskameraad worden, al is hij ook in het begin +onwetend. Wat zou je er van zeggen een paar dagen bij ons te blijven, +tot we zien wat je waard bent." + +"Dat wil ik heel graag," zei de ganzerik, en was blij. + +Toen wees de leidster-gans met den snavel naar den jongen en zei: +"Maar wien heb je daar bij je? Zoo een heb ik nog nooit gezien." + +"Dat is mijn kameraad," zei de ganzerik. "Hij is zijn heele leven +ganzenhoeder geweest. Hij kan ons op reis wel te pas komen." + +"Ja, dat kan wel goed zijn voor een tamme gans," antwoordde de +wilde. "Hoe noem je hem?" + +"Hij heeft verscheiden namen," zei de ganzerik aarzelend; hij wist +niet, wat hij zoo gauw zou bedenken, want hij wou niet verraden, +dat de jongen een menschennaam had. + +"Ja, hij heet Duimelot," zei hij eindelijk. + +"Is hij van het kaboutergeslacht?" vroeg de leidster-gans. + +"Wanneer gaan jelui, wilde ganzen, gewoonlijk slapen?" vroeg de +ganzerik gauw, om niet op die laatste vraag te hoeven antwoorden. "Mijn +oogen vallen van zelf toe om dezen tijd." + +'t Was gemakkelijk te zien, dat de gans, die met den ganzerik praatte, +héél oud was. Haar heele veeren kleed was grijs, zonder donkere +strepen. Haar hoofd was grooter, haar beenen waren grover en haar +voeten meer versleten, dan bij een van de anderen. De veeren waren +stijf, de schouders beenig, en haar hals was dun. Dat alles was het +werk van den ouderdom. + +Alleen over de oogen had de tijd geen macht gehad. Zij schitterden +helderder, en schenen jonger dan die van de anderen. + +Ze keerde zich nu heel trotsch naar den ganzerik: "Weet nu wel, dat +ik Akka van Kebnekaise ben, en dat de gans, die rechts 't dichtst +achter me vliegt, Yksi van Vassijaure is, en die links vliegt, +Kaksi van Nuolja. En de tweede rechter- is Kolme van Sarjekljakko, +en de tweede linkergans Nelja van Svappavaara, en achter hen vliegen +Viisi van de Oviksrots en Kuusi van Sjangeli. En allen, ook de zes +jonge ganzen, die achteraan vliegen--drie links en drie rechts--zijn +hooge rotsganzen van de meest voorname families. Je moet ons niet voor +landloopers houden, die maar met iedereen meegaan, en denk maar niet, +dat wij iemand op onze slaapplaats toelaten, die niet wil zeggen van +welke familie hij is." + +Toen Akka, de leidster-gans zoo sprak, deed de jongen snel een stap +naar voren. Hij had het heel naar gevonden, dat de ganzerik, die zoo +flink voor zichzelf sprak, zulke ontwijkende antwoorden had gegeven, +toen het hem betrof. + +"Ik wil niet geheim houden, wie ik ben," zei hij. "Ik heet Niels +Holgersson, en ben de zoon van een keuterboer. Tot vandaag toe ben +ik een mensch geweest, maar vanmorgen..." + +Verder kwam de jongen niet. Zoodra hij zei, dat hij een mensch was, +stoof de leidster-gans drie stappen achteruit en de anderen nog +verder. En allen strekten de halzen uit, en bliezen boos tegen hem. + +"Daar heb ik je al van verdacht, van af 't oogenblik, dat ik je voor +'t eerst hier aan den oever zag," zei Akka. "En nu moet je gauw maken, +dat je wegkomt. Wij dulden geen menschen bij ons." + +"'t Is toch onmogelijk," zei de ganzerik bemiddelend, "dat jelui, +wilde ganzen, bang kunt zijn voor iemand, die zóó klein is. Morgen +zal hij stellig naar huis gaan, maar van nacht moet jelui hem toch +hier bij ons laten blijven. Dat kunnen wij toch geen van allen op +onze verantwoording nemen, zoo'n stakker aan zichzelf over te laten, +met wezels en vossen in den nacht." + +De wilde gans kwam nu wat dichter bij, maar het was toch duidelijk, +dat ze moeite had haar angst te bedwingen. + +"Ik heb geleerd bang te wezen voor al wat "mensch" heet, onverschillig +of ze groot of klein zijn," zei ze. "Maar als jij, ganzerik, voor deze +hier wilt instaan, dat hij ons geen kwaad doet, dan mag hij van nacht +bij ons blijven. Maar ik denk niet, dat ons nachtkwartier geschikt +is voor jou of voor hem, want wij zijn van plan op het losgeraakte +ijs daar vóór je te gaan slapen." + +Ze dacht wel, dat de ganzerik een bedenkelijk gezicht zou zetten, +als hij dat hoorde, maar hij hield zich goed, en trok zich er niets +van aan. + +"Jelui zijn heel verstandig, dat je zoo'n veilige slaapplaats weet +te kiezen," zei hij. + +"Maar jij staat er voor in, dat hij morgen weggaat, naar huis." + +"Dan moet ik ook heengaan, want ik heb beloofd hem niet alleen te +laten," zei de ganzerik. + +"Je bent vrij om te vliegen, waarheen je wilt," zei de leidster-gans. + +En ze sloeg haar vleugels uit, en vloog naar het ijs; de eene wilde +gans na de andere volgde haar. + +De jongen was er bedroefd om, dat er niets van zijn reis naar Lapland +komen zou, en bovendien was hij bang voor het koude nachtkwartier. "'t +Wordt al erger en erger, ganzerik," zei hij. "Ten eerste vriezen we +dood, daar op dat ijs." + +Maar de ganzerik had goeden moed. "Dat heeft geen nood," zei hij. "Ik +wou je alleen vragen, zoo gauw mogelijk, zooveel stroo en gras bij +elkaar te halen, als je maar dragen kunt." + +Toen de jongen de armen vol droog gras had, nam de ganzerik hem bij +zijn hemd en vloog met hem naar het ijs, waar de wilde ganzen al +stonden te slapen, met den snavel onder de vleugels. + +"Leg nu 't gras op het ijs, zoodat ik ergens op staan kan en niet +vast vries! Als jij mij helpt, zal ik jou helpen," zei de ganzerik. + +De jongen deed het, en toen hij klaar was, pakte de ganzerik hem +weer bij zijn hemd, en stopte hem onder zijn vleugel. "Ik denk, dat +je daar lekker warm liggen zult," zei hij en drukte den vleugel aan. + +De jongen zat zóó in dons gepakt, dat hij niet antwoorden kon, maar +heerlijk zacht en warm lag hij daar; moe was hij, en in een oogenblik +sliep hij. + + + + +DE NACHT. + + +'t Is waar, dat ijs altijd verraderlijk is, en dat je er niet op +vertrouwen kunt. Midden in den nacht dreef het losse stuk ijs op het +Vombmeer weg, zoodat het ergens tegen het land stootte. En nu gebeurde +het, dat Smirre, de vos, die toen aan den oostkant van het meer in +'t Övedkloosterpark woonde, die plaats ontdekte, toen hij op zijn +nachtjacht uit was. Smirre had de wilde ganzen al 's avonds gezien, +maar hij had niet durven hopen er een van te kunnen pakken. Hij ging +nu dadelijk op het ijs. + +Toen Smirre heel dicht bij de wilde ganzen was, gleed hij uit, +zoodat zijn klauwen over 't ijs schraapten. De ganzen werden wakker, +en klapten met de vleugels om op te vliegen. Maar Smirre was hun te +vlug af. Hij stoof vooruit, als een bal, die gegooid wordt, pakte +een gans bij de vlerk, en holde naar land terug. + +Maar dien nacht waren de wilde ganzen niet alleen op 't ijs; ze hadden +een mensch bij zich, hoe klein die ook was. De jongen was wakker +geworden, doordat de ganzerik met de vleugels geslagen had. Hij was op +'t ijs gevallen, en was klaar wakker blijven zitten. Hij begreep niets +van al die onrust, vóór hij een kleinen hond met korte pooten over +'t ijs had zien wegspringen met een gans in den bek. + +De jongen liep hem dadelijk achterna, om dien hond daar de gans af +te nemen. Hij hoorde wel, dat de ganzerik riep: "Pas op, Duimelot, +pas toch op!" + +Maar de jongen dacht, dat hij voor zoo'n hondje toch niet bang hoefde +te wezen, en hij stormde voort. + +De wilde gans, die Smirre, de vos, meesleepte, hoorde het geklapper +van de klompen van den jongen over 't ijs, en ze kon haar ooren +nauwelijks gelooven. + +"Stel je voor, dat dat ventje mij van den vos zal afnemen," dacht +ze. En hoe ellendig ze 't ook had, diep uit haar hals kwam een vroolijk +gekakel, bijna alsof ze lachte. + +"'t Eerste wat er gebeurt is natuurlijk, dat hij in een spleet in +het ijs valt," dacht ze. + +Maar hoe donker de nacht ook was--de jongen zag duidelijk alle spleten +en gaten, die er in het ijs waren, en sprong er flink over heen. Dat +kwam, doordat hij nu de goede nachtoogen van de kabouters had, en +in 't donker zien kon. Hij zag 't land en het meer even duidelijk, +alsof het dag was geweest. + +Smirre, de vos, ging van 't ijs af, daar, waar het tegen 't land aan +lag en juist, toen hij zich tegen den kant opwerkte, riep de jongen +hem toe: "Wil je die gans wel eens neerleggen, jou lummel!" Smirre +wist niet, wie het was, die dat riep, hij nam den tijd niet om om te +kijken, maar liep nog harder. + +Hij liep nu een bosch in met groote, prachtige beuken, en de jongen +volgde hem zonder er aan te denken, dat hij gevaar kon loopen. Hij +dacht er aldoor aan, hoe verachtelijk de wilde ganzen hem den vorigen +avond hadden ontvangen, en hij wilde hun heel graag toonen, dat een +mensch toch wat meer is dan eenig ander schepsel. + +Hij riep den hond telkens toe, dat hij zijn buit zou neerleggen. + +"Wat ben jij toch voor een hond, dat je je niet schaamt een heele +gans te stelen?" zei hij. "Leg haar nu dadelijk neer, of je zult +eens zien, wat je voor een pak slaag krijgt! Leg haar dadelijk neer, +of ik zal aan je baas vertellen, wat jij hebt uitgevoerd!" + +Toen Smirre, de vos, merkte, dat hij voor een hond werd aangezien, +die bang voor slaag was, vond hij dat zoo grappig, dat hij bijna de +gans had laten vallen van 't lachen. Smirre was een echte roover, +die niet tevreden was met op ratten en waterratten buiten op 't veld +te jagen; hij waagde zich ook in de hoeven, om kippen en ganzen te +stelen. Hij wist, dat hij in de heele streek gevreesd was. Zooiets +mals als dit had hij niet gehoord, sinds hij jong was. + +Maar de jongen liep zoo hard, dat het hem toeleek, of de dikke boomen +hem achteruit voorbij gleden, en hij haalde Smirre langzamerhand +in. Eindelijk was hij zóó dicht bij hem, dat hij zijn staart te +pakken kreeg. + +"Nu pak ik je toch de gans af!" riep hij, en hield hem met alle macht +tegen. Maar hij had geen kracht genoeg om Smirre in zijn vaart te +stuiten. De vos sleepte hem meê, zoodat het dorre beukenloof om hem +heen opstoof. + +Maar nu scheen Smirre er achter te komen, hoe weinig gevaarlijk +hij was, die hem achterna zat. Hij bleef staan, legde de gans op +den grond, en ging met zijn voorpooten op haar staan, om te maken, +dat ze niet wegvliegen kon. Hij wilde haar den hals afbijten, maar +eerst kon hij niet laten, dat ventje wat te plagen. + +"Ga 't nu gauw aan den baas vertellen, want nu bijt ik de gans dood," +zei hij. + +Maar wie er verbaasd was, toen hij zag, wat een spitsen snoet die +hond had, dien hij achterna gezeten had, en wat een nijdige heesche +stem hij opzette--dat was de jongen! Maar hij werd zoo boos, omdat +de vos hem voor den gek hield, dat hij er niet aan dacht om bang te +worden. Hij pakte den staart nog steviger vast, steunde tegen den +wortel van een beukeboom, en rukte met alle macht. Smirre werd er zoo +door verrast, dat hij zich een paar stappen achteruit liet trekken, +en de wilde gans kwam vrij. Ze fladderde met moeite omhoog. Haar +eene vleugel was gewond, zoodat ze dien nauwelijks kon gebruiken, +en daar kwam bij, dat ze niets kon zien in den donkeren nacht in 't +bosch, maar zoo hulpeloos was als een blinde. Ze kon dus den jongen +heelemaal niet helpen; ze zocht een gat in het groene bladerdak, +en vloog weer terug naar het meer. + +Maar Smirre vloog op den jongen af. "Als ik de eene niet krijg, dan +wil ik den ander hebben," zei hij, en aan zijn stem kon je hooren, +hoe woedend hij was. + +"Neen, dat moet je niet denken, dat je dien krijgt," zei de jongen, +die erg in zijn schik was, omdat hij de gans had gered. Hij hield +maar aldoor den vossestaart stijf vast, en zwaaide daarmeê naar den +anderen kant, als de vos hem probeerde te vangen. + +Dat werd een dans in 't bosch, dat het beukenloof opdwarrelde. Smirre +draaide al maar rond, maar de staart draaide ook rond, en de jongen +hield zich daaraan vast, zoodat de vos hem niet pakken kon. + +De jongen was zoo vroolijk na den goeden afloop van zijn werk, dat hij +in 't begin niets deed dan lachen, en den vos voor den gek houden, +maar Smirre hield vol, zooals oude jagers gewoon zijn, en de jongen +begon bang te worden, dat hij toch nog zou vastraken. Toen kreeg hij +een jongen beuk in 't oog, die omhoog geschoten was als een stok, +om gauw boven in de vrije lucht te zijn, boven het dak van takken, +dat de oude beuken over hem uitbreidden. Hij liet heel gauw den +vossestaart los, en klauterde in den boom. Smirre, de vos, was zóó +in vuur, dat hij nog lang om zijn staart bleef ronddraaien. + +"Schei nu maar uit met dansen," zei de jongen. Maar Smirre kon de +schande niet verdragen, dat hij zoo'n klein ventje niet aankon. En +hij ging aan den voet van den boom liggen om hem te bewaken. De +jongen had het niet zoo heel best, zooals hij daar boven te paard +zat op dien dunnen tak. De jonge beuk was nog niet boven bij het +hooge takkengewelf gekomen. Hij kon niet in een anderen boom komen, +en hij durfde niet naar beneden op 't veld te springen. + +Hij had het zoo koud, dat hij bijna verstijfd was, en bang was den tak +niet te kunnen vasthouden, en hij had zoo'n vreeselijken slaap, maar +hij durfde niet te gaan slapen, uit vrees van naar beneden te rollen. + +'t Was niet te gelooven, hoe griezelig het was daar 's nachts in +'t bosch te zitten. Hij had vroeger nooit geweten, wat het eigenlijk +beteekende, dat het nacht was. 't Was, alsof de heele wereld versteend +was en nooit meer levend zou worden. + +Toen begon het licht te worden, en de jongen was blij, omdat alles +er weer als gewoonlijk uit ging zien, hoewel hij de kou nog scherper +voelde, dan in den nacht. + +Toen de zon eindelijk opkwam, was ze niet geel, maar rood. De jongen +vond, dat ze er uitzag, alsof ze boos was, en hij vroeg zich verwonderd +af, waarom ze boos zou zijn. Misschien wel omdat de nacht het zoo +koud en donker op de aarde had gemaakt, terwijl ze weg was. + +De zonnestralen joegen voort in groote bundels, om te zien wat de +nacht had uitgevoerd, en het scheen, dat alle dingen rood werden, +omdat ze een slecht geweten hadden. De wolken aan den hemel, de gladde +zij-achtige beukenstammen, de zamengevlochten takjes in het boschdak, +de rijp, die 't beukenloof op den grond bedekte, alles vlamde op en +werd rood. + +Maar steeds meer bundels stralen joegen door de ruimte, en al gauw +was al het akelige van den nacht weg. De versteening was weg, en er +kwam zoo wonderlijk veel levends voor den dag. De zwarte specht met +den rooden nek begon met den snavel tegen een stam te hameren. De +eekhoorn sprong uit zijn nest met een noot, ging op een tak zitten, +en begon de noot te pellen. De spreeuw kwam met een wortelvezeltje, +en de bergvink zong in de boomtoppen. + +Toen begreep de jongen, dat de zon tegen al dat kleine goed gezegd +had: "Word nu wakker, en kom uit je huisjes! Nu ben ik er. Nu hoef +je nergens bang voor te wezen." Van het meer hoorde hij de wilde +ganzen roepen, terwijl ze zich voor de vlucht rangschikten. Kort +daarop kwamen alle veertien ganzen over het bosch vliegen. De jongen +probeerde hen te roepen, maar ze vlogen zoo hoog, dat zijn stem hen +niet kon bereiken. Ze namen niet eens de moeite naar hem te zoeken. + +De jongen was op het punt van te schreien van angst, maar de zon +stond nu goudgeel en blij aan den hemel, en gaf de heele wereld moed. + +"Je hoeft nergens bang voor of ongerust over te zijn, zoolang ik er +ben, Niels Holgersson," zei de zon. + + + + +'T GANZENSPEL. + + +Alles bleef, zooals het was in 't bosch, ongeveer zoo lang als +een gans noodig heeft om te ontbijten, maar juist toen de morgen +voormiddag zou worden, kwam een eenzame gans aanvliegen onder het +dichte takkendak. Ze zocht aarzelend haar weg tusschen de stammen +en takken, en vloog heel zacht. Zoodra Smirre, de vos, haar zag, +liep hij weg van zijn plaats onder den jongen beuk, en sloop haar +tegemoet. De wilde gans ontweek den vos niet, maar vloog tot heel dicht +bij hem. Smirre deed een hoogen sprong naar haar, maar hij sprong mis, +en de gans vloog verder, naar het meer toe. + +Het duurde niet lang, of er kwam weer een nieuwe wilde gans +aanvliegen. Ze nam denzelfden weg als de eerste, en vloog nog lager +en langzamer. Ook zij vloog dicht voorbij Smirre, en hij deed zoo'n +hoogen sprong, dat zijn ooren haar pooten raakten, maar ze ontkwam +ongedeerd, en zette stil als een schaduw haar weg naar het meer voort. + +Een poosje ging voorbij, en weer kwam er een wilde gans. Nog lager en +langzamer vloog zij, en nog moeilijker scheen zij haar weg tusschen +de beukenstammen te vinden. Smirre nam een geweldigen sprong, en het +scheelde maar een haar, of hij had haar gegrepen, maar ook deze gans +redde zich. + +Onmiddellijk nadat zij verdwenen was, kwam een vierde wilde +gans. Hoewel zij bijna zoo langzaam en slecht vloog, dat Smirre +meende haar zonder veel moeite te kunnen vangen, was hij nu bang, +dat het hem mislukken zou, en hij was van plan haar ongedeerd voorbij +te laten gaan. Maar zij nam denzelfden weg als de andere, en juist +toen ze boven Smirre kwam, daalde ze zoo ver, dat hij verleid werd +naar haar op te springen. Hij kwam zoo hoog, dat hij haar met zijn +pooten aanraakte, maar ze wierp zich vlug op zij, en redde haar leven. + +Vóór Smirre weer op adem gekomen was, kwamen drie ganzen op een rij +in 't gezicht. Ze vlogen op dezelfde manier voort als de andere, +en Smirre nam hooge sprongen naar alle drie, maar het lukte hem niet +één van hen te vangen. + +Daarop kwamen vijf ganzen; maar die vlogen beter dan de vorige, en +hoewel zij Smirre schenen te willen lokken tot een sprong, weerstond +hij de verzoeking. + +Na een lange poos kwam een eenzame gans. Dat was de dertiende. 't Was +een, die zóó oud was, dat ze heelemaal grijs was, en geen donkere +plek meer op het lichaam had. Zij scheen den eenen vleugel niet +recht te kunnen gebruiken, en vloog jammerlijk slecht en scheef, +zoodat zij den grond bijna raakte. Smirre deed niet alleen een hoogen +sprong naar haar, maar hij vervolgde haar springend tot aan het meer, +maar ook dezen keer werd zijn moeite niet beloond. + +Toen de veertiende kwam, stond dat heel mooi, omdat zij wit was, +en het glansde als een lichtschijn door het donkere bosch, als zij +met de groote vleugels sloeg. Toen Smirre haar zag, verzamelde hij +al zijn kracht en sprong tot halverwege het takkendak, maar de witte +vloog volkomen ongedeerd voorbij als alle andere. + +Nu werd het een poosje stil onder de beuken; het scheen wel of de +heele troep wilde ganzen voorbij gekomen was. + +Op eens dacht Smirre aan zijn gevangene, en keek naar boven +in den jongen beuk. Zooals te verwachten was--de jongen was +weg--verdwenen. Maar Smirre had niet lang tijd om aan hem te denken, +want nu kwam de eerste gans terug van het meer, en vloog als vroeger +langzaam onder het takkendak voort. Niettegenstaande al zijn tegenspoed +was Smirre blij, dat zij terugkwam, en hij vloog haar na met een +hoogen sprong. Maar hij was te haastig geweest, en had zich geen tijd +gegeven zijn sprong te berekenen, en hij kwam naast haar terecht. + +Na deze gans kwam er nog een, en toen een derde, een vierde, een +vijfde, tot het geheel werd afgesloten met de oude grijze en de groote +witte. Ze vlogen allen langzaam en laag. Juist als ze boven Smirre, +den vos zweefden, daalden ze, precies alsof ze hem wilden uitnoodigen +hen te vangen. En Smirre liep ze na en sprong een paar voet hoog, +zonder dat hij in staat was één van hen te pakken. + +Dat was de vreeselijkste dag, dien Smirre nog ooit beleefd had. De +wilde ganzen vlogen onophoudelijk over hem heen, kwamen en gingen, +kwamen en gingen. Groote, heerlijke ganzen, die vet geworden waren op +de Duitsche akkers, en heiden, zweefden den heelen dag door het bosch, +zóó dicht bij hem, dat hij ze dikwijls aanraakte, en hij kon met geen +enkele zijn honger stillen. + +De winter was nog nauwlijks voorbij, en Smirre herinnerde zich dagen +en nachten, waarin hij werkeloos rond had moeten loopen, zonder een +stuk wild om op te jagen, als de trekvogels weg waren, als de ratten +zich onder de bevroren aardkost verborgen, en de kippen opgesloten +waren. Maar alle honger in den winter was niet zóó moeilijk te +verdragen geweest, als de teleurstellingen van dezen dag. + +Smirre was geen jonge vos. Hij had menigmaal de honden achter zich +aan gehad en de kogels om zijn ooren hooren fluiten. Hij had diep in +zijn hol gezeten, terwijl de taxhonden in de gangen kropen en hem +bijna gevonden hadden. Maar alle angst, die Smirre had uitgestaan +onder de scherpste jacht, was niet te vergelijken met den angst, +dien hij nu voelde, telkens als het hem mislukte een van de wilde +ganzen te grijpen. + +In den morgen, toen 't spel begon, was Smirre zoo sierlijk geweest, +dat de ganzen verbaasd waren, toen ze hem zagen. Smirre hield van +pracht en zijn pels was schitterend rood, zijn borst wit, zijn neus +zwart en de staart donzig als een pluim, maar toen de avond dien dag +kwam, hing Smirre's pels in pruiken neer, hij baadde in 't zweet, +zijn oogen waren glansloos, de tong hing lang uit zijn hijgenden bek, +en er liep schuim uit zijn mond. + +Tegen den namiddag was Smirre zóó moe, dat hij aan 't ijlen ging. Hij +zag niets dan vliegende ganzen voor zijn oogen. Hij sprong naar +zonneplekken, die hij op het veld zag en naar een armen vlinder, +die te vroeg uit zijn pop gekomen was. + +De wilde ganzen gingen onvermoeid door met vliegen, vliegen! Ze bleven +Smirre den heelen dag kwellen. Het wekte hun medelijden niet op, dat +Smirre, in den war, verhit, waanzinnig was. Ze gingen onbewogen door, +hoewel ze begrepen, dat hij hen nauwelijks meer zag, en dat hij naar +hun schaduwen sprong. + +Eerst toen Smirre op een hoop dorre bladen neerzonk, volkomen +krachteloos en mat, bijna op 't punt den laatsten adem uit te blazen, +hielden ze op hem te foppen. + +"Nu weet je, vos, hoe 't hem gaat, die het waagt Akka van Kebnekaise +aan te raken," riepen ze in zijn ooren, en toen lieten ze hem met rust. + + + + + + +III. + +'T LEVEN VAN DE WILDE VOGELS. + + +OP DE BOERDERIJ. + + +Juist in die dagen gebeurde er in Skaane iets, waar veel over gesproken +werd, en dat zelfs in de courant kwam, maar dat velen voor een praatje +hielden, omdat zij niet in staat waren het te verklaren. + +'t Was namenlijk zoo: een eekhoorn was in een hazelstruik, die aan +den kant van het Vombmeer groeide, gevangen en naar een boerderij +in de buurt gebracht. Alle menschen in de boerderij, oude en +jonge, hadden pleizier in het mooie, kleine dier, met zijn grooten +staart, zijn verstandige, nieuwsgierige oogen en zijn kleine, nette +pootjes. Zij wilden den heelen zomer het genoegen hebben naar zijn +vlugge bewegingen, zijn handige maniertjes om noten te pellen, en zijn +vroolijke spelen te kijken. Ze maakten gauw een oude eekhoorn-kooi +in orde, die bestond uit een klein groengeschilderd huisje en een +wiel van ijzerdraad. 't Kleine huisje, dat een deur en vensters had, +moest de eekhoorn gebruiken als eet- en slaapkamer; daarom legden ze +daar een bed van bladen in, en zetten er wat melk en noten neer. Het +ijzerdraadwiel moest zijn speelkamer zijn, waar hij kon springen en +klauteren en ronddraaien. + +De menschen meenden, dat zij heel goed voor den eekhoorn hadden +gezorgd, en ze waren er verwonderd over, dat hij niet scheen te +tieren. Hij zat bedroefd en knorrig in een hoek van zijn kamer, en +nu en dan liet hij een scherpen, klagenden kreet hooren. Hij roerde +het eten niet aan, en draaide het wiel geen enkele keer rond. + +"Hij is zeker bang," zeiden de menschen op de boerderij. "Morgen, +als hij zich thuis voelt, zal hij wel eten en spelen." + +Intusschen waren de vrouwen op de boerderij bezig met toebereidselen +voor een feest, en juist dien dag, toen de eekhoorn gevangen werd, +waren ze allen aan 't bakken. En òf ze hadden tegenspoed gehad met +het deeg, dat niet rijzen wou, òf ze waren langzaam geweest, want ze +moesten werken, lang nadat het donker geworden was. + +Natuurlijk waren ze druk aan 't werk in de keuken, en er was zeker +niemand, die tijd had om te zien hoe de eekhoorn het had. Maar er +was een oud moedertje in huis, die te oud was om meê te bakken. Dat +begreep ze zelf wel, maar ze vond het in ieder geval niet prettig zoo +overal buiten te staan. Ze was bedroefd, en daarom ging ze niet naar +bed, maar bleef bij het venster zitten in de huiskamer, en keek naar +buiten. In de keuken hadden ze voor de warmte de deur open gezet, +en een heldere lichtschijn viel naar buiten op de plaats. 't Was +een ingebouwde plaats, en die werd nu zóó goed verlicht, dat de oude +vrouw de spleten en gaten in de verf op den muur aan den overkant kon +zien. Zij zag ook de kooi van den eekhoorn, die juist hing, waar 't +licht het sterkste viel, en ze merkte, dat de eekhoorn den heelen nacht +van zijn kamer in het wiel sprong en van 't wiel in zijn kamer, zonder +een oogenblik te rusten. Ze vond, dat het dier wonderlijk onrustig was, +maar ze dacht natuurlijk, dat het door het scherpe licht wakker bleef. + +Tusschen den koestal en den paardenstal was er in de plaats een breede, +overdekte inrijpoort, en die lag zoo, dat zij ook werd verlicht. En +toen het wat later in den nacht was geworden, zag 't oude moedertje, +dat uit het poortgewelf zacht en voorzichtig een klein ventje kwam +sluipen, die niet meer dan een handbreed lang was; hij droeg klompen +en een leeren broek, zooals een gewoon arbeider. 't Oude moedertje +begreep dadelijk, dat het de kabouter was, en ze werd heelemaal niet +bang. Ze had altijd gehoord, dat hij op de plaats woonde, maar ze +had hem nog nooit gezien. En een kabouter bracht immers geluk, als +hij zich vertoonde. + +Zoodra de kabouter over den steenen kant om de plaats heen gekomen +was, sprong hij regelrecht op de kooi van den eekhoorn toe, en omdat +die zoo hoog hing, dat hij er niet bij kon, ging hij naar de schuur, +waar het gereedschap stond, en haalde een lat, zette die tegen de +kooi en klauterde daarlangs naar boven op dezelfde manier, waarop de +zeeman tegen een touw opklautert. Toen hij bij de kooi gekomen was, +rukte hij aan de deur van het kleine groene huisje, alsof hij die +open wou maken; maar 't oude moedertje bleef heel kalm, want ze wist, +dat de kinderen een hangslot voor de deur hadden gehangen, uit angst, +dat de buurjongens zouden probeeren den eekhoorn te stelen. De oude +zag, dat, toen de kabouter de deur niet kon openkrijgen, de eekhoorn +naar buiten kwam in het wiel. Daar overlegden hij en de kabouter lang +met elkaar. En toen de kabouter alles gehoord had, wat het gevangen +dier hem te zeggen had, gleed hij langs de lat naar den grond, en +liep hard weg door de poort. + +De oude vrouw dacht niet, dat zij dien nacht meer van den kabouter zou +te zien krijgen; maar zij bleef toch voor 't venster zitten. Na een +poos kwam hij terug. Hij had zóó'n haast, dat ze vond, dat zijn voeten +den grond bijna niet raakten, en hij liep gauw naar de kooi van den +eekhoorn. De oude vrouw zag hem duidelijk met haar vèrziende oogen, +en ze zag ook, dat hij iets in de handen hield, maar wat dat was, +kon ze maar niet begrijpen. Wat hij in de linkerhand had, legde hij +op de steenen neer, maar wat hij in de rechterhand had, nam hij meê +naar de kooi. Hier schopte hij met de klomp tegen 't kleine venster, +zoodat de ruit sprong en stak dat wat hij in de hand hield aan den +eekhoorn daarbinnen toe. Daarop gleed hij weer naar beneden, pakte +weer op, wat hij op den grond had gelegd, en klauterde ook daarmee +weer naar de kooi. En dadelijk daarna draafde hij weer weg met zulk +een haast, dat de oude vrouw hem nauwelijks met de oogen kon volgen. + +Maar nu bleef ook 't oude moedertje niet langer stil in de kamer +zitten; ze liep heel stil naar buiten op de plaats, en ging in de +schaduw van de pomp staan, om den kabouter af te wachten. En er was +nog iemand, die hem opgemerkt had, en nieuwsgierig was geworden. Dat +was de huiskat. Zij kwam zacht aansluipen en bleef bij den muur staan, +een paar stappen van den heldersten lichtschijn af. + +Zij stonden buiten lang te wachten in den kouden Maartnacht, en de +oude vrouw begon er over te denken om weer naar binnen te gaan, toen +ze geklepper op de steenen hoorde, en zag, dat de kleine kabouter er +weer aan kwam stappen. Net als de vorige keer, droeg hij iets in beide +handen, en dat, wat hij droeg, piepte en spartelde. En nu ging er een +licht voor 't oude moedertje op. Zij begreep, dat de kabouter naar +de notenhaag was geloopen, om de jongen van den eekhoorn te halen, +en dat hij ze bij haar bracht, opdat ze niet dood zouden hongeren. + +De oude moeder bleef stil staan om hem niet te storen, en het scheen +ook niet, dat de kabouter haar opgemerkt had. Hij zou juist het eene +jong op den grond leggen om met het andere naar boven naar de kooi +te kunnen klimmen, toen hij de groene oogen van de huiskat dicht bij +hem fonkelen zag. Hij bleef radeloos staan met een jong in iedere hand. + +Hij keerde zich om, keek naar alle kanten uit, en werd nu het oude +moedertje gewaar. Toen bedacht hij zich niet lang, maar ging naar +haar toe, en reikte haar het eene jonge eekhoorntje toe. + +En 't oude moedertje wilde zich zijn vertrouwen waard toonen, boog +zich neer, en nam het jonge eekhoorntje aan. Zij bleef staan en hield +het vast, tot de kabouter met het eene naar boven, naar de kooi was +geklommen, en het andere kwam halen, wat hij haar had toevertrouwd. Den +volgenden morgen, toen de menschen op de boerderij bijeen kwamen om +koffie te drinken, kon 't oude vrouwtje niet laten te vertellen, +wat ze den vorigen nacht gezien had. En allemaal lachten ze haar +natuurlijk uit, en zeiden, dat ze het gedroomd had. Er waren geen +jonge eekhoorns zoo vroeg in het jaar. + +Maar zij was zeker van haar zaak, en vroeg, of ze eens in de kooi van +den eekhoorn wilden kijken. En dat deden ze. En daar lagen op het bed +van dorre bladen in de kamer vier kleine, halfnaakte en halfblinde +jongen, die ten minste een paar dagen oud waren. + +Toen de vader op de boerderij zelf de jongen zag, zei hij: "'t Mag +nu wezen, zooals 't wil, maar zeker is het, dat we ons voor dieren +en menschen moeten schamen." En hij nam den eekhoorn met alle jongen +uit de kooi, en legde ze in den schoot van het oude moedertje. "Ga +maar naar de notenhaag," zei hij, "en laat ze vrij." + +Die gebeurtenis was het, die zooveel besproken werd en zelfs in de +courant kwam, maar die de meesten niet wilden gelooven, omdat ze niet +verklaren konden, hoe zooiets had kunnen gebeuren. + + + + +VITTSKÖVLE. + + +Een paar dagen later gebeurde er nog zoo iets wonderlijks. Een +troep wilde ganzen kwam op een morgen neerstrijken op een akker in +Oost-Skaane; niet ver van het groote landgoed Vittskövle. In den troep +waren dertien ganzen van de gewone grijze kleur en één witte ganzerik, +die op zijn rug een klein ventje droeg, gekleed in gele leeren broek, +groen vest, en een wit slaapmutsje. Ze waren nu heel dicht bij de +Oostzee, en op den akker, waar de ganzen waren neergestreken, was de +aarde met zand vermengd, zooals gewoonlijk aan de zeekust. Het scheen, +dat daar in die streek vroeger bewegelijk stuifzand was geweest, +dat vast gelegd had moeten worden, want op verscheiden plaatsen, +zag men groote dennenplantages. + +Toen de wilde ganzen een poos geweid hadden, kwamen er een paar +kinderen aan in den greppel. De ganzen, die op wacht stonden, vlogen +dadelijk luid klapwiekend in de hoogte, opdat de heele troep zou +hooren, dat er gevaar was. Alle wilde ganzen vlogen op, maar de witte +bleef kalm op het veld loopen. Toen hij zag, dat de andere vluchtten, +richtte hij het hoofd op, en riep hen na: "Jelui hoeft niet weg te +vliegen voor die daar. Dat zijn immers maar een paar kinderen!" + +'t Kleine ventje, dat op zijn rug had gezeten, zat nu op een hoogtetje, +aan den kant van 't bosch, en plukte een dennenappel uit elkaar om +bij de zaadjes te kunnen komen. De kinderen waren zóó dicht bij hem, +dat hij niet over het veld naar de witte gans durfde te loopen. Hij +verstopte zich gauw onder een groot dor distelblad, en liet meteen +een waarschuwend roepen hooren. + +Maar de witte scheen bepaald van plan zich niet bang te laten +maken. Hij bleef op het veld loopen, en keek niet eens, waar de +kinderen heengingen. + +Zij weken intusschen van hun weg af, liepen over het veld en kwamen +op den ganzerik toe. Toen hij eindelijk opkeek, waren ze vlak bij +hem, en nu was hij zoo verbluft en verward, dat hij vergat, dat hij +vliegen kon, en haastig wegliep. De kinderen liepen hem achterna, +joegen hem in een sloot, en vingen hem daar. De grootste van hen nam +hem onder den arm, en droeg hem weg. + +Toen het ventje, dat onder het distelblad lag, dat zag, sprong hij op, +alsof hij den ganzerik van de kinderen wilde afnemen. Maar toen dacht +hij er aan, hoe klein en machteloos hij was, en gooide zich neer op +het aardhoogtetje, en bonsde wanhopend met zijn vuistjes op den grond. + +De ganzerik riep om hulp, zoo hard hij maar kon. "Duimelot, help me +toch, Duimelot, help me toch!" + +Maar toen begon de jongen te lachen, midden in zijn angst. "Ja, +ik ben wel de rechte, om iemand te helpen," zei hij. + +Toch stond hij op, en liep den ganzerik na. "Ik kan hem niet helpen," +zei hij, "maar ik wil tenminste zien wat ze met hem uitvoeren." + +De kinderen waren hem een heel eind vooruit, maar de jongen had +toch geen moeite hen in het oog te houden, tot hij aan een diepte in +'t veld kwam, waar een lentebeek voortbruiste. Die was niet breed, +en stroomde niet hard, maar hij moest toch ver langs den kant loopen, +eer hij een plaats vond, waar hij over springen kon. + +Toen hij tegen den kant was opgeklommen, waren de kinderen +verdwenen. Hij kon nog hun spoor zien op een smal pad, dat het bosch +inliep, en hij bleef het volgen. + +Spoedig kwam hij aan een kruisweg, en hier moesten de kinderen van +elkaar zijn gegaan, want van daar gingen de sporen in verschillende +richting. Nu keek het ventje heelemaal verslagen. + +Maar op hetzelfde oogenblik zag hij op een klein hoogtetje op de hei +een wit veertje. Hij begreep, dat de ganzerik het aan den kant van +den weg geworpen had om hem te wijzen, waar hij heen gedragen was, en +daarom zette hij zijn tocht voort. Hij volgde zoo de kinderen het heele +bosch door. Van den ganzerik zag hij niets, maar overal waar hij zich +in de richting vergissen kon, lag een wit veertje, en wees hem den weg. + +De jongen volgde trouw de veertjes. Zij leidden hem uit het bosch, +over een paar akkers, een weg op en eindelijk door de laan van een +groot landgoed. Aan 't eind van de laan kon hij flauw gevels en torens, +met roode tegels bedekt, onderscheiden. Ze waren versierd met lichte +randen en ornamenten. Toen de jongen zag, dat daar een groot buiten +lag, meende hij wel te kunnen begrijpen, wat er van den ganzerik +geworden was. "De kinderen hebben stellig den ganzerik naar dit buiten +gebracht en hem hier verkocht, en dan is hij zeker al geslacht," zei +hij in zichzelf. Maar hij wou niet rusten, voor hij precies wist, +wat er gebeurd was, en liep voort met nog grooter haast. Hij kwam +niemand tegen in de laan, en dat was maar goed ook! Want zulken, +als hij, zijn gewoonlijk bang om door menschen gezien te worden. + +Op het buiten, waar hij gekomen was, stond een prachtig oud gebouw, +in 't vierkant gebouwd om een slotplaats heen. Aan de oostzij was +een diepe gewelfde poort, die naar de slotplaats leidde. Tot zoover +liep het ventje door zonder te aarzelen, maar toen hij daar kwam, +stond hij stil. Verder waagde hij zich niet, maar hij bleef er over +staan denken, wat hij nu doen zou. + +Het ventje stond nog met den vinger langs den neus te peinzen, toen +hij achter zich voetstappen hoorde, en toen hij zich omkeerde, zag +hij een heele schare menschen de laan opkomen. Hij sloop gauw achter +een waterton, die toevallig bij de poort stond, en verstopte zich daar. + +Zij, die daar aankwamen, waren een twintig jonge mannen van een +volkshoogeschool, die een voetreisje deden. Er was een leeraar bij, +en toen zij aan de poort gekomen waren, vroeg deze hun daar even te +wachten, terwijl hij naar binnen ging om te vragen, of zij het oude +kasteel Vittskövle mochten bekijken. + +De nieuw aangekomenen waren warm en moe, alsof ze een lange wandeling +gemaakt hadden. Een van hen had zoo'n dorst, dat hij naar de waterton +ging en zich voorover boog om te drinken. Hij had een botaniseertrommel +om den hals hangen, en hij vond zeker, dat die hem hinderde, want hij +gooide ze op den grond. Daardoor ging de deksel open, zoodat men zien +kon, dat er een paar lentebloemen in lagen. + +De botaniseertrommel viel vlak bij het ventje neer, en nu vond hij, +dat er zich een uitstekende gelegenheid voordeed om in den burcht +te komen, en te hooren, wat er van den ganzerik geworden was. Hij +kroop vlug in de trommel, en verstopte zich, zoo goed hij kon, onder +anemonen en hoefblad. + +Nauwelijks was hem dat gelukt, of de jongeman nam de botaniseertrommel +op, hing ze om, en sloeg den deksel dicht. + +De leeraar kwam nu terug en zei, dat hij toegang tot het slot +had gekregen. Om te beginnen bracht hij hen niet verder dan de +slotplaats. Daar bleef hij staan, en begon over het oude gebouw +te spreken. + +Hij herinnerde er hen aan, dat de eerste menschen, die in 't land +kwamen, in krotten en holen in den grond, in tenten van dierenhuiden en +rieten hutten hadden gewoond, en dat er veel tijd was voorbij gegaan, +eer ze bedacht hadden een huis te timmeren van boomstammen. En daarna: +hoe lang hadden ze niet moeten werken en zwoegen om zoover te komen, +dat ze een slot konden bouwen met honderd kamers, zooals Vittskövle! + +Ongeveer driehonderdvijftig jaar geleden bouwden de rijken en +machtigen zich zulke kasteelen als dit, zeide hij. Men kon wel zien, +dat Vittskövle gebouwd was in een tijd, dat oorlog en roovers het +onveilig maakten in Skaane. Rond om het kasteel liep een gracht, +en daarover lag vroeger een brug, die kon worden opgehaald. + +Boven het poortgewelf was nu nog een wachttoren; buiten langs de +muren van het kasteel liepen wachtgangen, en in de hoeken stonden +vaste torens met muren, die wel een meter dik waren. + +De leeraar sprak lang en uitvoerig, en het ventje, dat in de +botaniseertrommel zat opgesloten, werd braaf ongeduldig; maar hij +moet toch heel stil gelegen hebben, want de eigenaar van de trommel +merkte in het geheel niet, dat hij hem bij zich had. + +Eindelijk ging dan het geheele gezelschap het kasteel binnen, maar als +het ventje gehoopt had, gelegenheid te hebben uit de botaniseertrommel +te ontsnappen, dan had hij het mis. Want de leerling hield hem bij +zich, en hij moest meê door alle kamers. + +'t Werd een langdurige wandeling. De leeraar bleef elk oogenblik +staan om iets te verklaren, of de jongelui wat te leeren. + +In een kamer was een oude haard, en daar bleef hij voor staan om te +vertellen van de verschillende stookplaatsen, die de menschen in den +loop der tijden hadden gebruikt. De eerste stookplaats binnenshuis +was een steenen plaat midden in de kamer geweest, met een opening voor +den rook midden in het dak, die regen en wind binnen liet, de tweede +was een groote gemetselde oven zonder schoorsteen geweest, en die +had wel de kamer verwarmd maar die ook met rook en damp gevuld. Toen +Vittskövle gebouwd werd, waren de menschen juist zoover gekomen, +dat ze open haarden hadden, met een wijden schoorsteen voor den rook, +maar die ook de meeste warmte meê de lucht in zonden. + +Als dat kleine ventje ooit heftig en ongeduldig was geweest, kreeg +hij dien dag een goede gelegenheid om zijn geduld te oefenen. Nu had +hij al bijna een uur onbewegelijk gelegen. + +In de volgende kamer, waar de leeraar kwam, bleef hij staan voor +een oud bed met een hoogen hemel en prachtige gordijnen, en dadelijk +begon hij te vertellen van bedden en slaapplaatsen in den ouden tijd. + +Hij haastte zich niet. Maar hij wist ook niet, dat er een klein +stumpertje in de botaniseertrommel lag opgesloten, en er maar op +wachtte, dat hij zou ophouden. Toen hij bij een kamer kwam, met +goudleeren behang, begon hij te vertellen, hoe de menschen al van +de eerste tijden af hun wanden hadden bekleed; als hij bij een oud +familieportret kwam, vertelde hij van de vele vormen van kleederdracht, +en in de feestzalen beschreef hij de wijze, waarop men in vroeger +tijden bruiloften en begrafenissen hield. + +Onder dit alles lag het ventje doodstil. Als hij ooit ondeugend was +geweest, en de kelderdeur achter Vader of Moeder had dichtgegooid, +dan kon hij nu voelen, hoe dat voor hen was geweest, want het duurde +uren vóór de spreker ophield. + +Eindelijk ging de leeraar weer naar buiten op de plaats. En daar +vertelde hij er van, hoe lang de menschen hadden moeten werken om +zich werktuigen en wapens, kleeren en huizen, meubels en versiersels +te verschaffen. Hij zei, dat zoo'n oude burcht als Vittskövle als een +mijlpaal op den weg was. Daar kon men zien, hoe ver de menschen waren +gekomen voor driehonderd vijftig jaar geleden, en zelf beoordeelen, +of ze sinds dien tijd vooruit of achteruit waren gegaan. + +Maar naar deze toespraak hoefde het ventje niet te luisteren, want +de leerling, die hem in zijn botaniseertrommel meê droeg, kreeg weer +dorst, en sloop naar de keuken om een beetje water te vragen. Toen nu +'t ventje in de keuken werd gedragen, wou hij zeker probeeren eens +naar den ganzerik uit te zien. Hij was begonnen zich te bewegen, +en hierdoor drukte hij bij ongeluk zóó hard tegen den deksel, +dat die opensprong. Botaniseertrommels springen altijd open, en de +leerling dacht daar niet verder over na, maar drukte die eenvoudig +weer dicht. Maar toen vroeg het keukenmeisje, of hij een slang in de +trommel had. + +"Neen, er zijn alleen wat planten in," antwoordde de leerling. + +"Maar er was iets, dat zich bewoog," hield de kookster vol. + +De leerling deed toen den deksel open om haar te laten zien, dat zij +zich vergiste: "Zie nu maar zelf of...." + +Maar verder kwam hij niet, want nu durfde het dwergje niet langer +in de botaniseertrommel blijven. Hij sprong op den grond, en liep +weg. De meisjes konden nauwelijks zien wat het was, dat daar weg +sprong, maar ze liepen er alle hard achteraan. + +De leeraar stond nog te praten, maar hij werd gestoord door luid +roepen. "Pak hem! Pak hem!" riepen zij, die uit de keuken kwamen, en +al de jonge mannen liepen het dwergje achterna, dat nog harder wegliep +dan een rat. Zij probeerden het den weg af te snijden in de poort, +maar het was niet makkelijk zoo'n kleintje te pakken te krijgen, +en hij kwam gelukkig naar buiten. + +Hij durfde niet door de open laan te loopen, maar ging een anderen +kant uit. Hij vloog door den tuin, de plaats achter het huis op. En +steeds jaagden de menschen achter hem aan met geschreeuw en gelach. De +kleine stumper vloog voort zoo hard hij kon, maar 't scheen toch, +dat de menschen hem zouden inhalen. + +Toen hij voorbij een arbeidershuisje liep, hoorde hij een gans kakelen, +en hij zag een wit veertje op de stoep liggen. Daar had hij eindelijk +den ganzerik. Hij was dus op den verkeerden weg geweest. Hij dacht +niet meer aan de meisjes en jongens, die hem achternazaten, maar klom +gauw de trappen in het gangetje op. Verder kon hij niet komen, want de +kamerdeur was dicht. Hij hoorde den ganzerik schreeuwen en jammeren +daarbinnen, maar hij kon de deur niet open krijgen. De groote jacht +achter hem aan, kwam al nader en nader, en in de kamer schreeuwde de +ganzerik steeds jammerlijker! In den uitersten nood nam het dwergje +al zijn moed bij elkaar, en bonsde met alle kracht op de deur. + +Een kind kwam opendoen, en het dwergje keek de kamer binnen. Midden op +den vloer zat een vrouw, die den ganzerik vasthield om zijn vleugels +te knippen. Haar kind had hem gevonden, en zij wilde hem geen kwaad +doen. Ze wilde hem bij haar eigen ganzen laten, als ze alleen maar +zijn vleugels geknipt had, zoodat hij niet weg kon vliegen. Maar +een grooter ongeluk kon den ganzerik bijna niet overkomen, en hij +schreeuwde en jammerde, zoo hard hij maar kon. En 't was een geluk, +dat de vrouw niet eerder was begonnen met knippen. Nu waren nog +maar twee pennen door haar schaar gevallen, toen de deur openging, +en het dwergje op den drempel stond. Maar zooiets had de vrouw nog +nooit gezien. Zij kon niet anders denken, dan dat het de Goa-kabouter +zelf was, en ze liet van schrik de schaar vallen, sloeg de handen in +elkaar, en vergat den ganzerik vast te houden. + +Zoodra die zich vrij voelde, sprong hij naar de deur. Hij had geen tijd +om stil te staan, maar in het voorbijgaan greep hij het dwergje bij +den kraag, en nam hem meê. En op de stoep sloeg hij de vleugels uit, +en vloog op in de lucht. Meteen maakte hij een sierlijke beweging met +den hals, en zette het dwergje op zijn gladden donzigen rug. En zoo +zweefden ze weg, hoog door de lucht, en heel Vittskövle stond ze na +te kijken. + + + + +IN HET KLOOSTER VAN ÖVED. + + +Heel den langen dag, toen de ganzen met den vos speelden, lag de +jongen in een verlaten eekhoornsnest te slapen. Toen hij tegen den +avond wakker werd, was hij heel bezorgd. + +"Nu word ik gauw naar huis gestuurd," dacht hij, "en dan moet ik me wel +aan Vader en Moeder vertoonen." Maar toen hij de wilde ganzen opzocht, +die zich baadden in 't Vombmeer, zei geen van hen er een woord over, +dat hij moest heengaan. + +"Ze vinden zeker, dat de witte te moe is om vanavond met mij naar +huis te gaan," dacht de jongen. + +Den volgenden morgen waren de ganzen al wakker bij 't aanbreken van +den dag, lang vóór zonsopgang. Nu was de jongen er van overtuigd, dat +hij naar huis moest, maar vreemd genoeg mochten de witte ganzerik en +hij meê op hun vroegen tocht. De jongen begreep niet wat de oorzaak +van dit uitstel was, maar toen maakte hij voor zichzelf uit, dat de +ganzen den ganzerik niet wilden wegsturen op zoo'n lange reis, voor +hij eerst flink zijn genoegen gegeten had. Maar hoe het ook was, hij +vond dat ieder uur, dat voorbij ging, vóór hij zich aan zijn ouders +vertoonen moest, winst was. + +De wilde ganzen vlogen over het buiten van Övedklooster, dat in een +heerlijk park lag, ten oosten van het meer, en er prachtig uitzag +met zijn groot kasteel, zijn mooie steenen slotplaats, door lage +muren en paviljoens omgeven, en zijn mooien, ouderwetschen tuin met +geschoren hagen, dichte berceaux, vijvers, fonteinen en watervallen, +verrukkelijke boomen en kort geschoren grasvelden, omlijst door bonte +randen lentebloemen. + +Toen de ganzen over dat groote buiten vlogen in den vroegen morgen, +was er nog geen mensch op. Toen ze daar zeker van waren, daalden +ze tot dicht bij het hondenhok en riepen. "Wat is dat hier voor een +klein hutje? Wat is dat hier voor een klein hutje?" + +Dadelijk kwam de hond uit het hok, woedend, razend, en schold ze uit. + +"Noem jelui dat een hutje? Jelui schooiers! Zie je niet, dat het een +groot kasteel van steen is? Zie je niet wat mooie muren het heeft? Zie +je al die vensters en de hooge poorten niet en dat prachtige terras, +wou, wou, wou! Noem je dát een hutje? Zie je dan den tuin niet, +en den boomgaard? Zie je dan de oranjerie niet? Zie je de marmeren +beelden niet? Noem jelui dit een hutje? Hebben hutjes dan een park, +waar beukenbosschen en kreupelhout van hazelaars zijn? En waar je +velden met loofboomen en eikenhagen en rijen dennen vindt, en een +hertenkamp vol herten, wou, wou, wou! Noem je dit een hutje? Heb +je ooit een hutje gezien met zooveel bijgebouwen, dat het wel +een heele stad leek? Jelui kent zeker veel hutjes, die hun eigen +kerk en pastorie hebben, en die macht hebben over landgoederen en +boerenhuizen en pachterijen en boerderijen, wou, wou, wou! Noem je +dát een hutje? Bij dat hutje hoort het grootste landgoed van Skaane, +jelui bedelaars! Waar jelui in de lucht hangt, kun je geen handbreed +grond zien, dat niet bij dit hutje hoort, wou, wou wou!" + +Het lukte den hond dit alles in één adem uit te blaffen, en de ganzen +vlogen heen en weer over het landgoed, en luisterden naar hem, tot +hij even moest ophouden om op adem te komen. Maar toen riepen ze: + +"Waarom ben je zoo boos? We vroegen niet naar het kasteel, we vroegen +enkel naar je hondenhokje." + +Toen de jongen die grap hoorde, lachte hij eerst, maar toen kwam een +gedachte bij hem op, die hem op eens weer ernstig maakte: "Stel je eens +voor, hoeveel grappen je hooren zou, als je met de ganzen meê mocht +'t heele land door, heel tot Lapland toe," zei hij in zichzelf. "Nu +ik er toch zoo akelig aan toe ben, was zoo'n reis 't beste, wat ik +bedenken kon." + +De wilde ganzen daalden neer op een van de groote velden ten oosten +van het landgoed, om graswortels te eten, en dat deden ze uren lang. In +dien tijd ging de jongen in het groote park, dat aan de velden grensde, +zocht naar een notenhaag, en begon naar boven in de struiken te kijken, +of er niet hier en daar een noot was blijven hangen van den vorigen +herfst. Maar telkens kwam de gedachte aan de reis terug, terwijl hij +daar door het park liep. Hij stelde zich voor hoe prettig het wezen +zou met de wilde ganzen mee te gaan. Honger en kou lijden zou hij +zeker vaak genoeg, maar daarentegen zou hij ook vrij zijn van werken +en leeren. + +Terwijl hij daar liep, kwam de oude leidstergans naar hem toe en vroeg, +of hij iets te eten had gevonden. Neen, dat had hij niet, zei hij, +en toen probeerde ze hem te helpen. Noten kon zij ook niet vinden, +maar ze ontdekte een paar rozebottels, die aan een wilde rozestruik +hingen. De jongen at ze met graagte op, maar hij dacht ondertusschen +wat Moeder er wel van zeggen zou, als ze wist, dat hij nu van rauwe +visch en overwinterde rozebottels leefde. + +Toen de wilde ganzen eindelijk genoeg gegeten hadden, trokken ze weer +naar het meer, en daar vermaakten ze zich en speelden tot tegen den +middag. De ganzen daagden den witten ganzerik uit tot een wedstrijd in +alle mogelijke lichaamsoefeningen en spelen. Ze zwommen, sprongen en +vlogen om het hardst met hem, de groote tamme gans deed zijn best, +maar hij werd aldoor overwonnen door de vlugge, wilde ganzen. De +jongen zat aldoor op den rug van den ganzerik en moedigde hem aan, +en had evenveel pret als de anderen. 't Was een geschreeuw en een +gelach en gekakel, dat het een wonder was, dat de bewoners van het +kasteel hen niet hoorden. + +Toen de wilde ganzen het spelen moe waren, vlogen ze naar het ijs en +rustten een paar uur. Den namiddag brachten ze bijna op dezelfde manier +door. Eerst een paar uur eten, dan baden en spelen in 't water aan den +kant van het ijs tot zonsondergang. Toen moesten ze gauw gaan slapen. + +"Dat zou nu juist een leventje voor mij zijn," dacht de jongen, +toen hij onder den vleugel van den ganzerik kroop. "Maar morgen zal +ik wel naar huis gestuurd worden." + +Eer hij insliep, lag hij er aan te denken, dat hij, als hij met +de wilde ganzen meê mocht, van alle standjes over zijn luiheid af +was. Dan mocht bij den heelen dag luieren, en zijn eenige zorg zou +zijn, dat hij moest zien iets te eten te krijgen. Maar hij had nu +zoo weinig noodig, dat dit wel terecht zou komen. + +En dan dacht hij aan alles, wat hij te zien zou krijgen, en aan alle +avonturen, die hij meemaken zou. Ja, dat werd heel wat anders dan al +dat zwoegen en sjouwen thuis. + +"Als ik maar met de wilde ganzen meê op reis mocht, dan zou ik er +niet bedroefd om wezen, dat ik betooverd ben," dacht hij. + +Hij was alleen maar bang, dat hij naar huis zou worden gestuurd; +maar ook 's Woensdags zeiden de ganzen er niets van, dat hij weg +moest. Die dag ging op dezelfde manier voorbij als de Dinsdag, en +de jongen vond het leven in de wildernis steeds prettiger. Het was, +alsof hij het eenzame park bij Övedklooster, dat zoo groot was als +een bosch, voor zich alleen had, en hij verlangde niet terug naar +het enge kamertje en de akkertjes thuis. + +Dien Woensdag dacht hij, dat de wilde ganzen van plan waren hem bij +zich te houden, maar Donderdag daarop gaf hij die hoop weer op. + +De Donderdag begon op dezelfde manier als de andere dagen. De ganzen +weidden op de groote velden, en de jongen zocht naar voedsel in het +park. Na een poosje kwam Akka bij hem en vroeg, of hij al iets te +eten had gevonden. Neen, dat had hij niet, en toen zocht ze een droog +komijnenplantje voor hem, dat al zijn vruchtjes nog had. + +Toen de jongen gegeten had, zei Akka, dat ze vond, dat hij al te +onvoorzichtig in het park rondliep. Ze zou wel eens willen weten, +of hij wist hoeveel vijanden hij had, waar hij voor oppassen moest, +hij, die zoo klein was. Neen, dat wist hij heelemaal niet, en nu +begon Akka ze voor hem op te noemen. + +Als hij in het park liep, zei ze, moest hij oppassen voor den vos en +den marter; als hij aan 't strand kwam, moest hij om de otters denken; +als hij op het steenen plaatsje zat, moest hij den wezel niet vergeten, +die door het kleinste gaatje kruipen kon; als hij zou willen slapen +in een hoopje dorre bladen, moest hij eerst onderzoeken, of niet een +adder ook daar zijn winterslaap deed. Zoodra hij op 't open veld kwam, +moest hij den havik en den kievit, den arend en den valk in 't oog +houden, die hoog boven in de lucht zweefden. In de notenhaag kon hem +de sperwer vangen. Eksters en kraaien waren overal, en die moest hij +niet te veel vertrouwen, en zoodra de schemering inviel, moest hij +de ooren spitsen om te luisteren naar de groote uilen, die zoo stil +voortvlogen, dat ze vlak bij hem konden komen, eer hij het merkte. + +Toen de jongen hoorde, dat er zóóvelen waren, die hem naar het leven +stonden, begreep hij wel, dat het volkomen onmogelijk was, dat hij +het kon behouden. Hij was niet zoo heel bang om dood te gaan, maar +hij vond het niet prettig om opgegeten te worden, en daarom vroeg +hij Akka wat hij doen moest om zich tegen de roofdieren te beschermen. + +Akka antwoordde dadelijk, dat de jongen moest probeeren goede vrienden +te worden met de kleine dieren in 't bosch en op 't veld; met de +eekhoorns en de hazen, met vinken en meezen en leeuweriken. Als hij hun +goede vriend was geworden, konden zij hem voor gevaren waarschuwen, hem +schuilplaatsen bezorgen, en in hoogen nood konden ze zich vereenigen +en hem verdedigen. + +Maar toen de jongen later op den dag dien raad wilde volgen, en zich +tot Sirle, den eekhoorn, wendde om hem om hulp te vragen, bleek het, +dat deze hem niet wilde helpen. + +"Van mij of van de andere kleine dieren moet je niets goeds +verwachten," zei Sirle. "Meen je, dat wij niet weten, dat jij Niels, +de ganzenjongen, bent, die verleden jaar zwaluwnestjes vernielde, +spreeuweneieren kapot gooide, jonge kraaien in de mergelgroeve smeet, +lijsters in strikken ving en eekhoorns in de kooi zette? Jij moet +jezelf maar helpen, zoo goed je kunt, en wees maar blij, dat wij ons +niet tegen jou vereenigen en je terug jagen naar je familie." + +Dat was nu juist een antwoord, dat de jongen vroeger niet ongestraft +zou gelaten hebben, als hij nog Niels, de ganzenjongen, was geweest, +maar nu was hij alleen bang, dat ook de wilde ganzen zouden hooren, +hoe ondeugend hij kon wezen. Hij was zóó bang geweest, dat hij niet +bij de wilde ganzen zou mogen blijven, dat hij zich ook niet aan het +kleinste kattekwaad had durven wagen, sinds hij met hen in gezelschap +was gekomen. 't Was wel waar, dat hij niet zóóveel kwaad had kunnen +doen, nu hij zóó klein was, maar hij kon toch nog veel vogelnestjes +hebben uitgehaald, en veel eieren stukgegooid, als hij daar lust in +had gehad. Nu had hij zich voortdurend goed gedragen, hij had geen +enkel veertje uit een ganzevleugel getrokken, nooit een onbeleefd +antwoord gegeven, en iederen morgen, als hij Akka had goedenmorgen +gezegd, had hij de muts afgenomen en een buiging gemaakt. + +Den heelen Donderdag liep hij er over te denken, dat de wilde ganzen +hem zeker niet meê naar Lapland wilden nemen om zijn ondeugendheid. En +toen hij tegen den avond hoorde, dat de vrouw van Sirle, den eekhoorn, +was geroofd en haar kinderen op het punt waren dood te hongeren, +besloot hij hen te helpen, en wij hebben al gehoord hoe goed hem +dat gelukte. + +Toen de jongen Vrijdags in het park kwam, zongen de bergvinken in +iedere struik, hoe de vrouw van Sirle, den eekhoorn, door wreede +roovers van haar teere jongen was weggevoerd, en hoe Niels, de +ganzenjongen, zich onder de menschen had gewaagd, en haar de kleine +eekhoorntjes gebracht had. + +"Wie is nu zoo gevierd in 't park van Övedklooster als +Duimelot?" zongen de vinken, "hij, dien allen vreesden, toen hij nog +Niels, de ganzenjongen, was. Sirle, de eekhoorn, zal hem noten geven, +de arme hazen zullen met hem spelen, de reeën zullen hem op den rug +nemen en met hem vluchten, als Smirre, de vos, er aankomt, de meezen +zullen hem beschermen voor den sperwer, en vinken en leeuweriken +zullen van zijn heldendaad zingen." + +De jongen was er vast van overtuigd, dat Akka en de wilde ganzen dit +alles hoorden, maar toch ging de heele Vrijdag voorbij, zonder dat +ze er iets van zeiden, dat hij bij hen blijven mocht. + +Heel tot Zaterdag toe mochten de ganzen op de weiden om Öved grazen, +zonder door Smirre, den vos, te worden gestoord. Maar toen zij +Zaterdagmorgen op het veld kwamen, lag hij daar op den loer, en +vervolgde hen van de eene weide naar de andere, zoodat zij niets te +eten kregen. Toen Akka begreep, dat hij niet van plan was hen met rust +te laten, nam zij vlug een besluit, verhief zich hoog in de lucht, +en vloog met den heelen troep verscheiden mijlen ver over de vlakke +velden van Färs en de met jeneverbessen begroeide heuvels van den +bergrug van Linderöd. En ze daalden niet neer, voor ze in de buurt +van Vittskövle kwamen. + +Maar daar werd de ganzerik gestolen, zooals we al verteld hebben. En +als de jongen niet alle kracht had ingespannen om hem te helpen, +was hij nooit weer terecht gekomen. + +Toen de jongen met den ganzerik dien Zaterdagavond bij het Vombmeer +terug kwam, vond hij, dat hij een goed dagwerk had gedaan, en hij was +er nieuwsgierig naar, wat Akka en de wilde ganzen zouden zeggen. En +zij waren in 't geheel niet spaarzaam met hun lof, maar ze zeiden niet, +wat hij zoo verlangde te hooren. + +Zoo werd het weer Zondag. Een heele week was nu voorbij gegaan, +sinds hij betooverd was, en nog steeds was hij even klein. + +Maar het scheen, dat hij er niet hard om treurde. Dien Zondagmiddag +zat hij in een grooten, weelderig groeienden wilgestruik bij den kant +van het meer, en blies op een rietfluitje. Om hem heen zaten zooveel +meezen en vinken en spreeuwen, als de struik maar houden kon. En +ze kwinkeleerden liedjes, die hij probeerde na te spelen. Maar de +jongen was niet heel bedreven in de kunst. Hij blies zóó valsch, +dat de veeren bij al zijn kleine leermeesters te berge rezen, en +dat ze van wanhoop schreeuwden en fladderden. De jongen lachte zoo +hartelijk om hun opgewondenheid, dat hij zijn fluit liet vallen. + +Hij begon weer van voren af aan, en 't ging even slecht, en alle +vogeltjes jammerden: "Vandaag speel je slechter dan gewoonlijk, +Duimelot. Je fluit niet één zuiveren toon. Waar zijn toch je gedachten, +Duimelot?" + +"Ze zijn ergens anders," zei de jongen, en dat was waar. Hij zat er +aan te denken, hoe lang hij nog bij de wilde ganzen zou mogen blijven, +en of hij misschien al dezen dag naar huis zou worden gestuurd. + +Op eens gooide de jongen de fluit weg, en sprong uit de struik op +den grond. Hij zag Akka en alle ganzen op zich toe komen in een +lange rij. Zij liepen zóó geweldig langzaam en plechtig, dat de +jongen dadelijk meende te begrijpen, dat hij nu zou te weten komen, +wat ze met hem voor hadden. + +Toen ze eindelijk stilstonden, zei Akka: "Je hebt alle reden gehad je +over mij te verbazen, Duimelot, omdat ik je er niet eens voor bedankt +heb, dat je me uit de klauwen van Smirre, den vos, redde. Maar ik +dank liever met daden dan met woorden. En nu geloof ik, Duimelot, +dat het me gelukt is je een grooten dienst te bewijzen. Ik heb een +boodschap gestuurd aan den kabouter, die je heeft betooverd. In 't +begin wou hij er niet van hooren om je weer beter te maken, maar ik +heb hem de eene boodschap na de andere gestuurd, en hem laten zeggen, +hoe goed je je bij ons gedragen hebt. Hij laat je nu groeten en zeggen, +dat je, zoodra je weer thuiskomt, weer een mensch mag worden." + +Maar stel je nu voor! Even blij als de jongen geweest was, toen +de wilde gans begon te spreken, even bedroefd was hij, toen ze +uitgesproken had. Hij zei geen woord, maar keerde zich om, en begon +te schreien. + +"Wat in de wereld is dat nu?" zei Akka. "Het lijkt wel of je meer +van me hebt verwacht, dan ik je nu aanbied." + +Maar de jongen dacht aan zorgelooze dagen en vroolijke grapjes, +aan avonturen en vrijheid, en tochten hoog boven de aarde, die hij +misloopen zou, en hij huilde hardop van droefheid. + +"Ik geef er niet om, of ik een mensch word!" zei hij. "Ik wil met u +meê naar Lapland." + +"Ik moet je wat zeggen," zei Akka. "Die kabouter is heel +lichtgeraakt. En ik ben bang, dat als je nu zijn aanbod niet aanneemt, +het je moeilijk vallen zal er hem later weer toe te bewegen een mensch +van je te maken." + +Dat was nu vreemd van dien jongen: zoolang hij had geleefd, had +hij van niemand gehouden. Hij hield niet van zijn vader of moeder, +niet van den meester, niet van zijn kameraden, niet van de jongens in +de buurt. Alles wat die wilden, dat hij doen zou, spelen of werken, +had hij altijd vervelend gevonden. Daarom was er nu niemand, die hij +miste of naar wien hij verlangde. De eenige, met wie hij het wel +had kunnen vinden was Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads, +een paar kinderen, die net als hij, ganzen hoedden. Maar echt van +hen houden deed hij ook niet. Neen, heelemaal niet. + +"Ik wil geen mensch worden," snikte de jongen. "Ik wil met u meê naar +Lapland. Daarom ben ik een heele week zoet geweest!" + +"Ik wil je niet beletten met ons meê te gaan," zei Akka, "zoover je +maar wilt. Maar denk er nu nog eens over, of je niet liever naar huis +wilt. Je kunt er later zoo'n spijt van hebben." + +"Neen," zei de jongen, "er is niets om spijt van te hebben. Ik heb +het nooit zoo prettig gehad, als hier bij u." + +"Nu, dan zullen we doen, wat je wilt," zei Akka. + +"Dank u," zei de jongen, en voelde zich zóó gelukkig, dat hij schreide +en weende van blijdschap, zooals hij eerst van verdriet had geschreid. + + + + + + +IV. + +'T HUIS GLIMMINGEN. + + +ZWARTE EN GRIJZE RATTEN. + + +In 't zuidoosten van Skaane, niet ver van de zee, ligt een oud kasteel, +dat "'t Huis Glimmingen" heet. Dat bestaat uit één enkel hoog, groot +en sterk steenen gebouw, dat mijlen ver over het vlakke veld te zien +is. 't Is maar drie verdiepingen hoog, maar 't is zoo geweldig groot, +dat een gewoon huis, dat op hetzelfde landgoed staat, er uitziet als +een stukje kinderspeelgoed. + +Het groote steenen huis heeft zulke zware buiten- en binnenmuren en +dakgewelven, dat er van binnen niet veel plaats is voor iets anders +dan die dikke muren. De trappen zijn smal, de portalen klein, en er +zijn maar weinig kamers. Opdat de muren goed sterk zouden blijven, +zijn er maar enkele vensters in de bovenste verdiepingen en in de +benedenste heelemaal geen. Daar zijn maar smalle lichtgaatjes. In +de oude oorlogstijden waren de menschen even blij, als ze zich +in zoo'n sterk en geweldig huis konden opsluiten, als we nu zijn, +wanneer we in den bar kouden winter in een pels kunnen kruipen; maar +toen de goede vredestijd kwam, wilden ze niet meer in de donkere, +koude steenen kamers van het oude kasteel wonen. Ze hebben al lang +het groote huis Glimmingen verlaten en zijn naar woningen verhuisd, +die zoo zijn ingericht, dat licht en lucht er binnen kunnen komen. + +In den tijd, dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondzwierf, +waren er dus geen menschen in 't huis Glimmingen, maar daarom waren +er toch inwoners genoeg. Op het dak woonden iederen zomer een paar +ooievaars in een groot nest; op den zolder leefden een paar katuilen; +in de verborgen gangen hingen vleermuizen, in den haard in de keuken +woonde een oude kat, en beneden in den kelder, waren eenige honderden +van het oude geslacht zwarte ratten. + +Ratten waren juist niet gezien bij de andere dieren; maar de zwarte +ratten op 't huis Glimmingen maakten daar een uitzondering op. Er werd +altijd met achting over hen gesproken, omdat zij zoo dapper waren +geweest in den strijd met hun vijanden, en omdat ze zoo flink waren +geweest onder de groote ongelukken, die over hun volk waren gekomen. + +Zij behoorden namelijk tot een rattenvolk, dat eens talrijk en machtig +was geweest, maar nu langzamerhand uitstierf. Jaren lang hadden de +zwarte ratten Skaane en 't geheele land in bezit gehad. Zij waren in +iederen kelder, op iederen zolder, in schuren en op dorschvloeren, in +provisiekamers en bakkerijen, in koe- en paardenstallen, in kerken en +kasteelen, in branderijen en molens, in alle gebouwen door menschen +opgetrokken; maar nu waren ze bijna overal uit verdreven en bijna +uitgeroeid. Alleen nog op een of andere ouderwetsche, eenzame hoeve +kon men er enkele ontmoeten, en nergens vond men ze in zoo grooten +getale als op 't huis Glimmingen. + +Als een dierenvolk uitsterft, hebben meestal de menschen daar schuld +aan; maar dat was nu niet het geval. Wel hadden de menschen met +de zwarte ratten gestreden, maar zij hadden hun geen noemenswaarde +schade kunnen doen. Zij, die ze overwonnen hadden, behoorden tot een +volk van hun eigen stam: de grijze ratten genaamd. + +Die grijze ratten hadden niet, zooals de zwarte ratten, sinds +oeroude tijden het land bewoond. Zij stamden af van een paar +arme landverhuizers, die zoowat een honderd jaar geleden in +Malmö aan land kwamen met een boot uit Lubeck. 't Waren daklooze, +uitgehongerde stumpers, die in de haven zelf hun verblijf hielden, +tusschen de steigers rondzwommen, en het afval aten, dat in het water +werd geworpen. Zij waagden zich nooit in de stad, die aan de zwarte +ratten toebehoorde. + +Maar zoo langzamerhand, toen de grijze ratten in aantal toenamen, +werden ze moediger. Om te beginnen betrokken ze een paar verlaten +en onbewoonbaar verklaarde oude huizen, die de zwarte ratten hadden +verlaten. Zij zochten hun voedsel in de gootsteenen en op mesthoopen, +en namen voor lief allen rommel, die de zwarte ratten niet meer wilden +hebben. Ze waren standvastig, met weinig tevreden en onvervaard, +en in weinig jaren waren ze zoo machtig, dat ze zich voornamen de +zwarte ratten uit Malmö te verjagen. Ze namen hun zolders, kelders +en magazijnen af; hongerden ze uit of beten ze dood, want ze waren in +'t geheel niet bang voor den strijd. + +En toen Malmö was ingenomen, trokken ze voort in kleine en groote +troepen om het geheele land te veroveren. 't Is bijna onbegrijpelijk, +waarom de zwarte ratten zich niet bij elkaar voegden, en een +grooten gezamenlijken veldtocht op touw zetten om de grijze ratten +te vernietigen, toen er nog maar weinig waren. Maar de zwarte waren +zeker zóó overtuigd van hun macht, dat ze niet konden gelooven, dat het +mogelijk was die te verliezen. Ze leefden stil op hun bezittingen, en +intusschen namen de grijze ratten hun het eene landgoed na 't andere, +het eene dorp na het andere, de eene stad na de andere af. Ze werden +uitgehongerd, verdrongen, uitgeroeid. In Skaane hadden ze zich nergens +kunnen staande houden dan op het huis Glimmingen. + +Het oude steenen huis had zulke vaste muren, en er waren zoo weinig +rattengangen daar door heen, dat het den zwarten ratten gelukt +was het te behouden en den grijzen ratten te beletten er binnen te +dringen. Jaar in jaar uit, nacht na nacht was er oorlog gevoerd met +aanvallen en verdediging, maar de zwarte ratten hielden trouw de wacht, +en vochten met de grootste doodsverachting, en dank zij dat heerlijke +oude huis, hadden ze nog altijd overwonnen. + +'t Moet gezegd worden, dat zoolang de zwarte ratten de macht in handen +hadden, ze door alle andere levende wezens even erg verafschuwd werden +als de grijze ratten nu, en met recht. Ze hadden arme gevederde +gevangenen overvallen, en hen gepijnigd, ze hadden zich aan lijken +te goed gedaan, zij hadden de laatste rapen uit de kelders der armen +gestolen, de pooten van slapende ganzen afgebeten, eieren en kleine, +donzige kuikentjes van de kippen weggeroofd, en duizenden misdaden +begaan, maar sinds ze in het ongeluk waren geraakt, scheen dit alles +vergeten te zijn, en ieder moest wel de laatsten van hun geslacht +bewonderen, zóó lang als zij het uitgehouden hadden in den strijd +tegen hun vijanden. + +De grijze ratten, die op de plaats Glimmingen en in de omgeving +woonden, zetten steeds den strijd voort, en trachtten elke +toevallige gelegenheid te gebruiken om zich van het kasteel meester +te maken. Men zou meenen, dat ze dat kleine troepje zwarte ratten het +kasteel Glimmingen in vrede hadden kunnen laten houden, nu ze zelf +het heele verdere land gewonnen hadden, maar daar dachten ze niet +aan. Ze zeiden gewoonlijk, dat het een zaak van eer voor hen was, +eens de zwarte ratten te overwinnen, maar zij, die de grijze ratten +kenden, wisten wel, dat het alleen was, omdat de menschen het huis +Glimmingen als korenmagazijn gebruikten, dat zij geen rust hadden, +vóór zij het hadden ingenomen. + + + + +DE OOIEVAAR. + + +Op een morgen werden de wilde ganzen, die op het ijs in 't Vombmeer +stonden te slapen, vroeg gewekt door luid geroep boven in de lucht: +"Trirop! Trirop!" klonk het. + +"Trianut, de kraanvogel, laat Akka, de wilde gans en haar troep +groeten. Morgen zal de groote kraanvogeldans op den berg Kulla +plaats hebben!" + +Akka strekte dadelijk den kop omhoog, en antwoordde: "Dank je wel! Veel +groeten! Dank je wel! Veel groeten." + +Daarop vlogen de kraanvogels verder, maar de wilde ganzen hoorden ze +nog lang, terwijl ze voortvlogen, roepen over ieder veld en iederen +boschrijken heuvel: "Trianut laat u groeten. Morgen heeft de groote +kraanvogeldans op den berg Kulla plaats!" + +De wilde ganzen waren heel blij met die boodschap. + +"Je treft het!" zeiden ze tegen den witten ganzerik, "dat je meê +moogt naar den grooten kraanvogeldans." + +"Is 't dan zooiets bizonders de kraanvogels te zien dansen?" vroeg +de ganzerik. + +"Dat is iets, waarvan je zelfs nooit hebt kunnen droomen," antwoordden +de wilde ganzen. + +"Nu moeten we er over denken, wat we morgen met Duimelot zullen +doen, zoodat hij geen ongeluk krijgt, terwijl wij op de Kulla zijn," +zei Akka. + +"Duimelot zal hier niet alleen achterblijven," zei de ganzerik. "Als +de kraanvogels niet willen hebben, dat hij hen ziet dansen, blijf ik +hier bij hem." + +"Nog nooit is een mensch bij de groote dierenvergadering op de Kulla +geweest," zei Akka, "en ik durf Duimelot niet meê te nemen! Maar daar +kunnen wij vandaag nog wel eens over praten. Nu moeten we allereerst +iets te eten zien te krijgen." + +Akka gaf toen het teeken tot vertrekken. Ook toen zocht ze haar weide +ver weg, om den vos, en daalde niet neer, voor ze op de moerassige +velden, ten zuiden van het huis Glimmingen kwam. + +Dien heelen dag zat de jongen aan den kant van een plasje, en blies +op zijn rieten fluitje. Hij was uit zijn humeur, omdat hij den +kraanvogeldans niet zien mocht, en kon het niet over zich verkrijgen +een woord tegen den ganzerik of een van de anderen te spreken. + +'t Was toch wel hard, dat Akka hem nog niet vertrouwde. Als een jongen +had afgeslagen een mensch te worden, om met een paar arme wilde ganzen +rond te trekken, dan kon men toch wel begrijpen, dat hij geen lust +had hen te verraden. En ze moesten toch ook begrijpen, dat, als hij +zooveel had opgeofferd om met hen meê te mogen, het toch ook hun plicht +was hem al het merkwaardige te laten zien, wat ze maar konden vinden. + +"Ik zal hun wel eens zeggen, hoe ik er over denk," dacht hij. Maar +het eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat hij er toe kwam +dat te doen. 't Lijkt misschien vreemd, maar de jongen had wezenlijk +een soort ontzag voor de oude leidstergans. Hij voelde, dat het niet +gemakkelijk was zich tegen haar wil te verzetten. + +Aan de eene zijde van het moerassige veld, waar de wilde ganzen +graasden, lag een breede steenen plaats. En nu gebeurde het, dat +de jongen tegen den avond het hoofd ophief om eindelijk met Akka te +spreken, en dat zijn oog op de plaats viel. Hij deed een uitroep van +verbazing, en alle ganzen keken dadelijk op, en begonnen denzelfden +kant uit te zien als hij. Op het eerste oogenblik dachten zij--en +de jongen ook--dat alle grijze baksteenen, waaruit de vloer van de +plaats bestond, pootjes hadden gekregen, en begonnen te springen, +maar al gauw zagen ze, dat het een troep ratten was, die er over heen +liepen. Ze bewogen zich heel snel, en sprongen voort, dicht op elkaar +gepakt, rij aan rij, en er waren zoovele, dat ze een langen tijd de +heele plaats bedekten. + +De jongen was altijd bang voor ratten geweest, ook toen hij nog een +groot en sterk mensch was. En hoe zou hij het dan nu niet zijn, nu +hij zoo klein was, dat twee of drie van hen hem al de baas waren? De +eene rilling na de andere ging over zijn rug, terwijl hij daar naar +hen stond te kijken. + +Maar 't was vreemd, dat de ganzen denzelfden afschuw van ratten schenen +te hebben als hij. Ze spraken niet tegen hen, en toen ze voorbij waren, +schudden ze zich, alsof ze modder op de veeren hadden gekregen. + +"Zooveel grijze ratten aan 't wandelen! Dat is geen goed teeken," +zei Yksi van Vassijaure. + +Nu wou de jongen de gelegenheid waarnemen om Akka te zeggen, dat hij +vond, dat ze hem meê moest laten gaan naar de Kulla; maar hij werd +daar weer in verhinderd, doordat een groote vogel haastig neerdaalde +tusschen de ganzen. + +Als men dien vogel zag, zou men kunnen meenen, dat hij het lichaam, +den hals en den kop van een kleine witte gans had geleend. Maar daarbij +had hij zich groote, zwarte vleugels aangeschaft, hooge roode pooten +en een langen, dikken snavel, die te groot was voor den kleinen kop, +en dien neertrok, zoodat het dier er bekommerd en bedroefd uitzag. + +Akka legde gauw zijn vleugeldekveeren terecht, en boog verscheiden +malen den hals, terwijl zij den ooievaar tegemoet ging. Ze was niet +heel verbaasd hem zóó vroeg in het voorjaar in Skaane te zien, omdat +zij wist, dat de mannetjes-ooievaars gewoonlijk vroeg daarheen komen, +om na te zien of hun nest geen schade geleden had in den winter, +vóór de vrouwtjes-ooievaars zich de moeite geven over de Oostzee +te vliegen. Maar ze vroeg zich heel verwonderd af, wat dit kon +beteekenen, dat hij haar opzocht, omdat ooievaars het liefst met hun +eigen stamgenooten omgaan. + +"Ik hoop niet, dat er iets niet in orde is met uw huis, Mijnheer +Ermerik," zei Akka. + +Toen bleek het, dat 't waar is, wat men zegt, dat een ooievaar zelden +zijn snavel opent, als het niet is om te klagen. Wat nu maakte, dat, +wat de ooievaar zei, nog treuriger klonk, was dat hij zoo moeielijk +sprak. Hij stond een heele poos niets te doen dan te klepperen, +en sprak toen met een heesche en zachte stem. Hij beklaagde zich +toen over alles en nog wat: het nest, dat boven op het dak van het +huis Glimmingen lag, was heelemaal bedorven door de winterstormen, +en hij kon nu geen eten meer vinden in Skaane. De Skaaners hadden +hem nu bijna al zijn bezittingen afgenomen. Ze legden dijken om zijn +natte velden, en bebouwden zijn moerassen. Hij was van plan uit dit +land weg te gaan en nooit meer weerom te komen. + +Terwijl de ooievaar zoo klaagde, kon Akka, de wilde gans, die nergens +vriendelijkheid of bescherming vond, niet laten te denken: "Als ik +het zoo goed had als u, Mijnheer Ermerik, zou ik me wel schamen te +klagen. U is een vrije, wilde vogel gebleven, en toch staat u op +zoo'n goeden voet met de menschen, dat niemand op u zal schieten, +of een ei uit uw nest nemen." + +Maar dat hield ze voor zich. Tegen den ooievaar zei ze alleen, dat ze +niet gelooven kon, dat hij van een huis zou weggaan, waar ooievaars +hun verblijf hadden gehouden van den tijd af, dat het gebouwd was. + +Toen vroeg de ooievaar snel, of Akka de grijze ratten had gezien, +die op weg waren naar het Glimmingehuis, en toen Akka antwoordde, +dat zij dat ongedierte gezien had, begon hij te vertellen van de +dappere zwarte ratten, die jarenlang het kasteel verdedigd hadden. + +"Maar van nacht zal het huis Glimmingen in handen van de grijze ratten +vallen," zei de ooievaar zuchtend. + +"Waarom juist van nacht, Mijnheer Ermerik?" vroeg Akka. + +"Ja, omdat bijna alle zwarte ratten van nacht naar de Kulla zijn +getrokken," zei de ooievaar. "Ze vertrouwden er op, dat alle andere +dieren daar ook naar toe zouden gaan. Maar u ziet wel, dat de grijze +ratten thuis gebleven zijn, en nu verzamelen zij zich om 't kasteel +binnen te dringen, nu 't maar wordt verdedigd door een paar oude +stumpers, die niet meer meê naar de Kulla konden komen. Zij zullen +hun doel wel bereiken, maar ik heb nu zoolang in de buurt van de +zwarte ratten gewoond, dat ik er geen pleizier in heb op dezelfde +plaats met hun vijanden te wonen." + +Nu begreep Akka, dat de ooievaar zich zoo geërgerd had over de +handelwijze der grijze ratten, dat hij haar had opgezocht om er zich +over te beklagen. Maar op de gewone ooievaarsmanier had hij stellig +niets gedaan om het ongeluk te voorkomen. + +"Hebt u een boodschap naar de zwarte ratten gestuurd, Mijnheer +Ermerik," vroeg zij. + +"Neen," zei de ooievaar. "Dat zou niets geven. Voor ze hier terug zijn, +is het kasteel al ingenomen. + +"Daar moet u niet zoo vast op rekenen, Mijnheer Ermerik," zei Akka. "Ik +ken een oude wilde gans, die zoo'n schurkestreek graag zou beletten." + +Toen Akka dit zei, hief de ooievaar het hoofd op en zag haar met +groote oogen aan. En dat was immers geen wonder, want de oude Akka had +geen klauwen en geen scherpen snavel, die in den strijd dienst konden +doen. En bovendien was zij een dagvogel, en zoodra het donker werd, +viel ze altijd in slaap. En de ratten vochten juist altijd 's nachts. + +Maar Akka was blijkbaar van plan de zwarte ratten bij te staan. Ze +riep Yksi van Vassijaure, en beval haar de ganzen naar het Vombmeer +te voeren, en toen de gans bezwaren maakte, zei ze kortaf en op een +toon van gezag: + +"Ik geloof, dat het voor ons allen het beste is, dat je doet, wat ik +zeg. Ik moet naar het groote steenen huis, en als jelui meêgaan, dan +zien natuurlijk de menschen daar ons, en schieten ons dood. De eenige, +dien ik op deze reis meenemen wil, is Duimelot. Hij kan me van groot +nut zijn, want hij heeft goede oogen, en kan 's nachts wakker blijven." + +De jongen was dien dag in een koppige bui, en toen hij hoorde, wat Akka +zei, rekte hij zich uit om zoo groot te zijn, als hij maar kon, en deed +een stap vooruit met de handen op den rug en den neus in de lucht, +om te zeggen, dat hij niet van plan was meê te doen in het gevecht +tegen de grijze ratten. Ze moest maar zien andere hulp te krijgen. + +Maar op hetzelfde oogenblik, dat de jongen voor den dag kwam, +begon er leven in den ooievaar te komen. Tot nu toe had hij op +ooievaarsmanier met gebogen hoofd gestaan, en den snavel tegen den +hals gedrukt gehouden; maar nu hoorde men een geluid diep in zijn keel, +alsof hij lachte. Bliksemsnel stak hij den snavel naar beneden, pakte +den jongen, en gooide hem een paar meter de lucht in. Dat kunststuk +herhaalde hij zevenmaal, terwijl de jongen schreeuwde en Akka riep: +"Wat doet u toch, Mijnheer Ermerik? Dat is geen kikker! Dat is een +mensch, Mijnheer Ermerik!" + +Eindelijk zette de ooievaar toch den jongen volkomen ongedeerd +neer. Toen zei hij tot Akka: "Ik vlieg nu naar 't huis Glimmingen +terug, Moeder Akka. Allen, die daar wonen, waren heel angstig, toen ik +heenging. U kunt er zeker van zijn, dat ze heel blij zullen zijn, als +ik hun vertel, dat Akka, de wilde gans, en Duimelot, de menschendwerg, +komen om hen te redden." + +Met die woorden strekte de ooievaar den hals uit, sloeg met de +vleugels, en vloog weg als een pijl uit een sterk gespannen boog. Akka +begreep, dat hij haar voor den gek hield, maar dat trok ze zich +heelemaal niet aan. Ze wachtte tot de jongen zijn klompjes gevonden +had, die de ooievaar van hem had afgeschud. En toen zette ze hem op +haar rug, en volgde den ooievaar. En de jongen verzette er zich niet +tegen, en sprak er geen woord over, dat hij niet meê wilde. Hij was zoo +boos op den ooievaar, dat hij bijna zat te brieschen. Die leelijke, +lange roodpoot dacht, dat hij nergens voor deugde, omdat hij klein +was, maar hij zou hem wel toonen, wat Niels Holgersson van Wester +Vemmenhög voor een flinke baas was. + +Een oogenblik later stond Akka in het ooievaarsnest, op het huis +Glimmingen. 't Was een prachtige, groote woning. Als onderlaag had het +een wiel, en daarover lagen verscheidene lagen takken en zoden. De +woning was zoo oud, dat allerlei struiken en planten wortel hadden +geschoten, en als de ooievaarsmoeder zat te broeden, had zij niet +alleen een heerlijk uitzicht op en over een groot gedeelte van Skaane +om van te genieten, maar ze had ook wilde rozen en huislook om naar +te kijken. + +De jongen en Akka konden al gauw merken, dat hier iets gaande was, +dat alles in de war bracht. Op den rand van het ooievaarsnest zaten +twee katuilen, een oude grijsgestreepte kat en een dozijn stokoude +ratten, met scheefgegroeide tanden en loopende oogen. Dat waren nu +juist geen dieren, die men gewend was vredig bijeen te zien. + +Geen van hen bewoog zich om Akka aan te zien, of om haar welkom te +heeten. Ze dachten aan niets anders dan aan een paar lange, grijze +lijnen, die hier en daar flauw te onderscheiden waren op de rotsen, +die kaal en naakt waren door den winter; ze zaten er onafgebroken op +te staren. + +Alle zwarte ratten zwegen. Men kon hen aanzien, dat ze diep wanhopig +waren, en 't wel wisten, dat ze noch hun eigen leven, noch het kasteel +konden verdedigen. De beide uilen rolden hun groote oogen heen en weer, +trokken met de oogleden, en spraken met booze, scherpe stemmen over de +groote wreedheid van de grijze ratten, en dat ze om hen uit hun nest +weg moesten, want dat ze gehoord hadden, dat ze eieren, noch donzige +jongen spaarden. De oude gestreepte kat was er van overtuigd, dat de +grijze ratten haar zouden dood bijten, als er zóóvele in het kasteel +kwamen, en zij bromde onophoudelijk op de zwarte ratten. "Hoe kon +jelui zoo dom zijn, en je beste soldaten weg laten gaan?" zei zij. "Hoe +kon jelui op de grijze ratten vertrouwen? 't Is onbegrijpelijk." + +De twaalf zwarte ratten antwoordden niet, maar de ooievaar kon +niettegenstaande zijn droefheid niet laten gekscherend tegen de kat te +praten: "Wees maar niet bang, Mono, huiskat!" zei hij: "Zie je niet, +dat Moeder Akka en Duimelot hier zijn gekomen om het slot te redden. Ge +kunt er zeker van zijn, dat hun dat gelukt. Nu moet ik gaan slapen, +en ik doe dat met een gerust hart. Morgen, als ik wakker word, is er +stellig geen enkele grijze rat meer in 't Glimmingehuis." + +De jongen knipoogde tegen Akka, en beduidde haar, dat hij den ooievaar +op den grond wilde gooien, terwijl die zich gereed maakte om te +gaan slapen op den buitensten kant van het nest, met het eene been +opgetrokken; maar Akka belette hem dat. Zij zag er in 't geheel niet +gekwetst uit. Ze zei alleen heel vergenoegd: "'t Zou wel erg zijn als +iemand, die zoo oud is als ik, zich niet uit grooter moeilijkheid +zou kunnen redden, dan deze. Als maar de uileman en de uilevrouw, +die den heelen nacht wakker kunnen blijven, een paar boodschappen voor +mijn rekening willen doen, dan denk ik wel, dat alles goed zal gaan." + +Dat wilden de beide katuilen wel, en Akka vroeg toen den uileman, of +hij de zwarte ratten, die vertrokken waren, weer opzoeken wou, en hun +aanraden zoo spoedig mogelijk weer thuis te komen. De uilevrouw zond +ze naar Flammea, de torenuil, die in de domkerk te Lund woonde, met +een zoo geheimzinnige boodschap, dat Akka haar die alleen fluisterend +durfde toevertrouwen. + + + + +DE RATTENVANGER. + + +Het liep tegen middernacht, toen de grijze ratten na lang zoeken een +kelderluik vonden, dat open stond. Dat zat vrij hoog in een muur; +maar de ratten gingen op elkaars schouders staan, en het duurde niet +lang, voor de moedigste onder hen in het luik zat, klaar om in 't +huis Glimmingen binnen te dringen; buiten de muren van dat kasteel, +waarvoor zóóveel van zijn voorvaderen gevallen waren. + +De grijze rat zat een poosje heel stil in het luik te wachten, of +hij ook aangevallen werd. De hoofdtroepen van de verdedigers waren nu +wel weg, maar hij nam aan, dat de zwarte ratten, die in het kasteel +waren achtergebleven, zich niet zonder strijd zouden overgeven. Met +een kloppend hart luisterde hij naar het minste gedruisch, maar alles +bleef doodstil. Toen vatte de aanvoerder der grijze ratten moed, +en sprong naar beneden in den kouden, donkeren kelder. + +De eene grijze rat na de andere volgde den aanvoerder. Allen waren +heel stil, en allen verwachtten, dat de zwarte ratten zich verweren +zouden. Niet vóór er zóóvele in den kelder waren binnengedrongen, dat +er niet meer op den vloer konden staan, waagden zij het verder te gaan. + +Hoewel ze nooit te voren in het gebouw waren geweest, viel het +hun toch niet moeilijk den weg te vinden. Zij ontdekten al gauw +de loopgraven in den muur, die de zwarte ratten gebruikt hadden om +in de bovenste verdiepingen te komen. Maar vóór dat ze die smalle, +steile trappen opklauterden, luisterden ze weer heel oplettend. Ze +waren veel onrustiger, doordat de zwarte ratten zich op deze manier +schuil hielden, dan ze zouden geweest zijn, als ze hun in open oorlog +tegemoet waren gekomen. Ze konden nauwelijks aan hun geluk gelooven, +toen ze zonder ongelukken in de eerste verdieping waren gekomen. + +Zoodra ze daar binnenslopen, kwam hun de geur van 't koren tegemoet, +dat in groote hoopen op den vloer werd bewaard. Maar het was nog de +tijd niet om van hun overwinning te genieten. Ze doorzochten eerst met +de grootste nauwkeurigheid de donkere, kale vertrekken. Ze sprongen +op den haard, die midden op den vloer stond, in de oude keuken +van het kasteel, en ze waren bijna in den put van de binnenkeuken +gevallen. Ze sloegen geen enkele van de smalle lichtopeningen over +bij hun onderzoek, maar ze vonden nog steeds geen zwarte ratten. Toen +die verdieping dus geheel en al in hun macht was, begonnen ze even +voorzichtig de volgende te onderzoeken. Weer moesten ze een moeielijke +en gevaarlijke klauterpartij door de muren ondernemen, terwijl ze in +ademloozen angst verwachtten, dat de vijand op hen aan zou vliegen. En +hoewel de heerlijkste geuren uit de korenhoopen verlokkend tot hen +kwamen, dwongen ze er zich toe met de grootste orde de door zuilen +gesteunde bediendenkamer van de vroegere knechts te onderzoeken--hun +steenen tafel en haard, de diepe vensternissen en het gat in den vloer, +dat men er in vroeger dagen had gemaakt, om daardoor kokende pik over +een binnendringenden vijand te kunnen gieten. + +Nog steeds bleven de zwarte ratten onzichtbaar. De grijze zochten +hun weg naar de derde verdieping, waar de groote feestzaal van den +burchtheer was, die even naakt en kaal stond als alle andere; ze kwamen +heel tot in de bovenste verdieping, die uit een enkele groote, leege +ruimte bestond. De eenige plaats, waar ze niet aan dachten om die te +doorzoeken, was het groote ooievaarsnest op het dak, waar juist op +dat oogenblik de uilevrouw Akka wakker maakte, en haar mededeelde, +dat Flammea, de torenuil, haar wensch had vervuld, en haar zond waar +zij om vroeg. + +Toen nu de grijze ratten zoo nauwkeurig het geheele kasteel hadden +onderzocht, voelden zij zich veilig. Ze begrepen, dat de zwarte +ratten gevlucht waren, en er niet aan dachten weerstand te bieden; +en ze sprongen met een vroolijk hart naar de korenhoopen. + +Maar nauwelijks hadden de grijze ratten de eerste korenkorrels +opgegeten, of beneden van de plaats klonk het scherpe geluid van +een schel fluitje. Ze hieven den kop op, luisterden onrustig, deden +een paar sprongen, alsof ze van plan waren van de korenhoopen weg te +loopen, maar keerden toen terug, en begonnen weer te eten. + +Weer klonk de fluit sterk en snijdend, en nu gebeurde er iets +wonderlijks. Eén rat, twee ratten,--ja, een heele troep liep weg van +het koren. Ze sprongen uit den korenhoop, en haastten zich langs den +kortsten weg naar den kelder om uit het huis weg te komen. Toch waren +er nog heel wat grijze ratten over. Zij dachten aan al de moeite, die +'t hun had gekost om in het huis Glimmingen te komen, en ze wilden +'t niet verlaten. Maar de tonen van de fluit bereikten hen nog eens, +en toen moesten ze gehoorzamen. Ze stortten in wilde vaart neer uit +den korenhoop, vlogen door de nauwe gaten in de muren, en rolden over +elkaar, in hun haast om naar buiten te komen. + +Midden op de plaats stond een dwergje, dat op een fluit blies. Om zich +heen had hij al een heelen kring ratten, die verbaasd en bekoord naar +hem luisterden; en ieder oogenblik kwamen er meer bij. Eens nam hij +de fluit uit den mond om een langen neus tegen de ratten te kunnen +trekken, en toen scheen het, alsof zij lust hadden op hem aan te +vliegen en hem dood te bijten, maar zoodra hij blies had hij ze in +de macht. + +Toen het dwergje alle grijze ratten uit het Huis Glimmingen had +gespeeld, begon hij langzaam van de slotplaats weg en den straatweg +op te loopen, en al de grijze ratten liepen hem na, omdat de tonen +van die fluit hun zóó liefelijk in de ooren klonken, dat ze die niet +konden weerstaan. + +Het dwergje liep voor hen uit, en lokte hen met zich meê naar +Valby. Hij leidde ze in alle mogelijke kringen en bochten en scherpe +hoeken door hagen en langs dijken naar beneden, en waar heen hij ging +moesten ze meê. Hij blies onophoudelijk op zijn fluit, die van hoorn +scheen gemaakt te zijn, hoewel de horen zóó klein was, dat er in onze +dagen geen dier bestaat, waar die van zou kunnen zijn. Niemand wist ook +wie dat fluitje gemaakt had. Flammea, de torenuil, had het gevonden in +een nis in den toren van de domkerk in Lund. Zij had het aan Bataki, +den kraai, laten zien, en ze hadden samen uitgevonden, dat het zoo'n +horen was, als men vroeger placht te maken, wanneer men macht over +ratten en muizen wilde krijgen. De kraai was een vriend van Akka, +en door hem was zij te weten gekomen, dat Flammea zulk een schat bezat. + +En het was waar, dat de ratten die fluit niet konden weerstaan. De +jongen liep vooruit, en speelde zoolang er sterren aan den hemel waren, +en ze liepen hem al dien tijd na. Hij speelde tot de morgen aanbrak, +hij speelde tot de zon opging, en aldoor volgde de heele schaar grijze +ratten hem en werden al verder en verder van den grooten korenzolder +op het Huis Glimmingen weggelokt. + + + + + + +V. + +DE GROOTE KRAANVOGELDANS OP DEN KULLABERG. + + +'t Moet gezegd worden, dat, hoewel er veel prachtige gebouwen in +Skaane zijn te vinden, er geen onder is, dat zulke mooie muren heeft +als de oude Kullaberg. + +De Kullaberg is laag en langwerpig. 't Is heelemaal geen hooge +of indrukwekkende berg. Op den breeden bergrug liggen bosschen en +akkers, en hier en daar een heideveld. Daartusschen verheffen zich +ronde heideheuveltjes en naakte bergtopjes. Daarboven is het niet zoo +bizonder mooi. Daar ziet het er uit als op alle anderen hoogvlakten +in Skaane. + +Wie daar op dien landweg, midden over den berg wandelt, kan niet +laten een beetje teleurgesteld te zijn. + +Maar dan gebeurt het misschien, dat hij van den weg afgaat naar den +kant van den berg, en langs de steile hellingen kijkt, en dan vindt hij +op eens zóóveel, dat de moeite van het bekijken waard is, dat hij niet +weet, hoe hij tijd zal vinden het allemaal te zien. Want het is zoo +gesteld, dat de Kullaberg niet op het land staat met vlakten en dalen +om zich heen, zooals andere bergen, maar hij is zoover in zee geloopen, +als hij maar komen kan. Geen enkel strookje land ligt er voor den berg, +om hem tegen de golven van de zee te beschermen. Die komen tot vlak bij +den bergwand, en kunnen die afronden en vervormen naar hun welbehagen. + +Daarom staan de bergwanden daar zoo rijk versierd, als de zee en haar +bondgenoot, de wind, het hebben kunnen doen. Daar zijn steile kloven, +diep ingesneden in de zijden van den berg, en zwarte rotspunten, +die gladgeslepen zijn door de aanhoudende zweepslagen van den +wind. Daar zijn eenzame rotspilaren, die rechtop uit het water steken +en donkere grotten met nauwe ingangen. Daar zijn loodrechte, naakte +hellingen en zachtglooiende, met groen bekleede terrasjes. Daar zijn +kleine, uitstekende rotsblokken en kleine baaien, en strandkeitjes, +die ritselend op en neer worden gespoeld met elken golfslag. Daar +zijn statige rotspoorten, die zich over 't water welven; daar zijn +steenen, die voortdurend worden overspoten met wit schuim, en andere, +die zich in zwartgroen, onbewegelijk stil water spiegelen. Daar +zijn reuzenpannen, in de rots uitgehouwen, en geweldige spleten, +den wandelaar uitlokkend, zich in de diepten van den berg te wagen, +tot in het hol van den Kullaberggeest. + +En boven en buiten al die kloven en klippen kruipen en kronkelen zich +ranken en takken. Boomen groeien er ook, maar de kracht van den wind +is zoo groot, dat de boomtakken zich ook in ranken moeten veranderen +om op de hellingen te kunnen blijven. Eiken liggen en kruipen over +'t veld, terwijl hun bladen boven hen staan als een dicht gewelf, +en laagstammige beuken staan in de spleten als groote looftenten. + +Deze wonderlijke bergwanden met de wijde blauwe zee vóór, en de +schitterende, scherpe lucht boven zich, zijn het, die den Kullaberg +zoo bekoorlijk voor menschen maken, dat iederen dag groote scharen +daarheen trekken, zoolang de zomer duurt. Moeilijker is het te zeggen, +wat hem zoo aantrekkelijk voor dieren maakt, dat ze er ieder jaar +samenkomen voor een groote speelbijeenkomst. Maar dat is een gebruik +uit de alleroudste tijden, en men moest er bij geweest zijn, al toen +de eerste zeegolf sloeg tegen den Kullaberg, om te kunnen verklaren, +waarom juist die uitgekozen werd tot vergaderplaats boven ieder +ander oord. + +Als de bijeenkomst zal gehouden worden, maken de kroonherten, de +reeën, de hazen, de vossen en de overige wilde viervoetige dieren, +den tocht naar den Kullaberg al in den nacht, om door de menschen niet +te worden opgemerkt. Kort voor de zon opgaat trekken ze alle op naar +de speelplaats, een rotsvlakte ten westen van den weg, niet heel ver +van de uiterste punt van den berg. + +De speelplaats is aan alle kanten met ronde rotskoppen omringd, die +haar verbergen voor ieder, die er niet juist vlak bij komt. En in +de maand Maart is het niet waarschijnlijk, dat wandelaars daarheen +zullen verdwalen. Alle vreemdelingen, die anders gewoonlijk op de +heuvels rondzwerven, en de zijden van den berg beklimmen, hebben +de herfststormen al maanden geleden verjaagd. En de wachter op +den vuurtoren, buiten op het voorgebergte, de oude Mevrouw op het +Kulla-landgoed en de Kulla-boer met zijn volk, loopen op hun gebaande +wegen, en zwerven niet rond op de eenzame rotsvlakte. + +Als de viervoeters op de speelplaats zijn aangekomen, zetten ze zich +neer op de ronde bergtoppen. Iedere diersoort houdt zich apart, hoewel +'t een uitgemaakte zaak is, dat op een dag als deze, algemeene vrede +heerscht, en niemand bang hoeft te zijn om overvallen te worden. Op +dien dag zou een klein jong haasje vlak langs de vossen kunnen +loopen, zonder ook maar een van zijn lange ooren te verliezen. Maar +toch gaan de dieren in afgescheiden troepen bijeen staan. Dat is de +oude gewoonte. + +Als allen hun plaatsen hebben ingenomen, beginnen ze naar de vogels +uit te zien. 't Is gewoonlijk mooi weer op dien dag. De kraanvogels +zijn goede weerprofeten, en ze zouden de dieren niet bijeenroepen, +als ze regen verwachtten. Maar al is de lucht helder, en al belet ook +niets het uitzicht, de viervoeters zien geen vogels. Dat is vreemd. De +zon staat hoog aan den hemel, en de vogels moesten al onderweg zijn. + +Wat de dieren op den Kullaberg daarentegen opmerken, is hier en daar +een klein, donker wolkje, dat langzaam voorttrekt over de vlakte. En +zie! Een van die wolkjes stuurt nu plotseling van de kust van de Sund +naar den Kullaberg. Als de wolk midden boven de speelplaats is gekomen, +blijft ze staan, en op eens begint de heele wolk te klinken en te +kwinkeleeren, alsof ze uit louter tonen bestond. Ze stijgt en daalt, +stijgt en daalt, maar aldoor klinkt en kwinkeleert ze. Eindelijk +valt de heele wolk neer op een bergtopje, de heele wolk te gelijk, +en oogenblikkelijk daarna is de bergtop heelemaal verborgen onder +grijze leeuweriken, mooie roode en grijs-witte vinken, bonte spreeuwen +en groengele meezen. + +Onmiddellijk daarna trekt er weer een wolkje over de vlakte. Dat +blijft staan boven iedere hoeve, boven prachtige huizen en +kasteelen, boven marktplaatsen en steden, boven boerenhoeven en +spoorwegstations, boven plaatsen, waar de visch bijeenschoolt, en +boven suikerfabrieken. Telkens als het stilstaat, zuigt het van uit +de hoeven, beneden op het veld, een kleine, omhoog wemelende zuil +van grijze stofkorreltjes op. En zoo groeit het steeds aan, en als +het eindelijk klaar is en op den Kullaberg aanhoudt, is het niet +enkel een wolkje meer, maar een heel groote donkere wolk, zóó groot, +dat ze schaduw geeft op het veld, heel van Höganäs tot Mölle. Als ze +boven de speelplaats blijft staan, verduistert ze de zon, en het moet +een heele poos musschen regenen op een van de bergtoppen, eer zij, +die midden in de wolk vlogen, weer een glimp van het daglicht zien. + +Maar de allergrootste vogelwolk komt toch pas aan. Die is gevormd +door troepen, die van alle kanten toestroomden, en zich bij elkaar +aansloten. Ze is donker blauwgrijs, en geen zonnestraal dringt er +door heen. Ze komt aanrollen, somber en schrikaanjagend als een +donderwolk. Ze is vol van het akeligste spektakel, het gruwelijkst +geschreeuw, het meest hoonend geschater en een alleronheilspellendst +gekras. Allen, die op de speelplaats zijn, herademen, als die wolk zich +eindelijk oplost in een regen van fladderende en krassende kraaien, +en roeken, en raven en zaadkraaien. + +Daarna verschijnen er aan den hemel niet alleen wolken, maar een +menigte ongelijke strepen en teekens. Dan vertoonen zich rechte, +gestippelde lijnen in 't oosten en 't noordoosten. Dat zijn de +boschvogels uit Göinge: korhanen en woudhoenders, die in lange reien op +een paar meter afstand van elkaar komen aanvliegen. En de zwemvogels, +van Måkläppen buiten Falsterbo, komen nu over het Sund aanzweven +in veel zonderlinge volgorden: in driehoeken, en lange hoeken, in +scheeve hoeken en halve cirkels. + +Op die groote bijeenkomst, die plaats had in dat jaar, toen Niels +Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, kwamen Akka en haar troep +later dan alle anderen, en dat was geen wonder, want Akka had over heel +Skaane moeten vliegen om op den Kullaberg te komen. Bovendien had ze, +zoodra ze wakker werd, moeten uitvliegen om Duimelot te zoeken, die +urenlang voor de grijze ratten had loopen spelen, en ze ver van 't huis +Glimmingen had weggelokt. De uileman was teruggekomen met de boodschap, +dat de zwarte ratten onmiddellijk na zonsondergang thuis zouden zijn, +en dus kon men zonder gevaar de fluit van de torenuil laten zwijgen, +en de grijze ratten de vrijheid geven te gaan, waarheen ze wilden. + +Maar 't was niet Akka, die den jongen ontdekte, terwijl hij met +zijn groot gevolg voortliep; 't was niet Akka, die neerdaalde, +hem met den snavel pakte, en met hem naar boven zweefde hoog in de +lucht. Dat was Mijnheer Ermerik, de ooievaar. Want die was ook naar +hem gaan zoeken. En toen had hij hem naar het ooievaarsnest gebracht, +en hem om vergiffenis gevraagd, omdat hij hem den vorigen avond zoo +oneerbiedig had behandeld. + +Dat vond de jongen bizonder aardig, en hij en de ooievaar werden +goede vrienden. Akka was ook heel vriendelijk tegen hem, streek haar +oud hoofd meermalen langs zijn arm, en prees hem, omdat hij hen, +die in verdrukking waren, geholpen had. Maar dit moet tot eer van den +jongen gezegd worden, dat hij geen lof wilde aannemen, dien hij niet +had verdiend. + +"Neen, Moeder Akka," zei hij. "U moet niet denken, dat ik de grijze +ratten weglokte om de zwarte te helpen. Ik wou alleen aan Mijnheer +Ermerik toonen, dat ik ook ergens voor deugde." + +Nauwelijks had hij dat gezegd, of Akka wendde zich tot den ooievaar, +en vroeg of hij vond, dat het aan te raden was Duimelot meê naar den +Kullaberg te nemen. "Ik geloof, dat wij op hem kunnen vertrouwen als +op ons zelf," zei ze. + +De ooievaar raadde haar dadelijk sterk aan Duimelot meê te laten gaan. + +"Ja, zeker moet u Duimelot meênemen naar den Kullaberg, Moeder Akka," +zei hij, "'t is een geluk, dat we hem kunnen beloonen voor alles, +wat hij van nacht om onzentwil heeft uitgestaan. En omdat het me nog +spijt, dat ik me gisteren avond zoo ongepast jegens hem heb gedragen, +zal ik hem zelf op mijn rug heel tot op de vergaderplaats brengen." + +Er is niet veel, dat zóó prettig is, als geprezen te worden door hen, +die zelf verstandig en knap zijn, en de jongen was zeker nog nooit +zoo blij geweest, als toen de wilde gans en de ooievaar zoo over +hem spraken. + +Zoo deed dan de jongen den tocht naar den Kullaberg op den rug +van den ooievaar. Hoewel hij wist, dat dit een groote eer was, +bezorgde het hem toch heel wat angst, omdat Mijnheer Ermerik een +meester in de vliegkunst was, en met een heel andere vaart van +wal stak als de wilde ganzen. Terwijl Akka rechtuit voort vloog, +met gelijkmatige vleugelslagen, vermaakte de ooievaar zich met een +massa vliegkunsten. Nu eens lag hij stil op een onmetelijke hoogte +in de lucht, en dreef daar zonder de vleugels te bewegen, dan weer +wierp hij zich naar beneden met zóó'n vaart, dat het scheen, dat hij +hulpeloos als een steen op den grond zou vallen, en dan weer vermaakte +hij zich met in groote en kleine kringen als een wervelwind om Akka +heen te vliegen. De jongen had nog nooit zooiets beleefd, en hij was +in één voortdurenden angst; maar hij moest bekennen, dat hij vroeger +niet had geweten wat goed vliegen eigenlijk zeggen wou. + +Maar een oponthoud hadden ze onderweg. Dat was toen Akka bij het +Vombmeer zich bij haar reiskameraden aansloot, en hun toeriep, dat de +grijze ratten overwonnen waren. Daarna vlogen de reizigers regelrecht +naar den Kullaberg. + +Daar streken ze neer op den bergtop, die voor de wilde ganzen bestemd +was, en toen nu de jongen de oogen liet gaan van den eenen bergtop +naar den anderen, zag hij, dat boven één daarvan de veelgetakte horens +van de kroonherten zich verhieven, en over een andere de halspluimen +van de reigers. Een top was rood van vossen, een andere zwart en wit +van zeevogels, weer een grijs van ratten. Een was bedekt met zwarte +kraaien, die onophoudelijk schreeuwden, een met leeuweriken, die zich +niet stil konden houden, maar onophoudelijk opvlogen in de lucht, +en zongen van blijdschap. + +Zooals gewoonlijk op den Kullaberg waren het de kraaien, die de spelen +en vermakelijkheden van den dag begonnen met hun vliegdans. Zij +verdeelden zich in twee partijen, die elkaar te gemoet vlogen, bij +elkaar kwamen, zich omkeerden en weer van voren af aan begonnen. Deze +dans bestond uit verschillende figuren, en kwam de toeschouwers, +die de regels van den dans niet kenden, te eentonig voor. De kraaien +zelf waren heel trotsch op hun dans, maar alle anderen waren blij, +toen die voorbij was. De dieren vonden dien even somber en onzinnig +als het spel, dat de winterstorm met de sneeuwvlokken drijft. Ze +werden gedrukt door er naar te kijken, en verlangden hard naar iets, +wat hen een beetje blij kon maken. + +Ze hoefden ook niet tevergeefs te wachten, want zoodra de kraaien +klaar waren, kwamen de hazen aanspringen. Ze stroomden toe in een +lange rij zonder bepaalde orde. Hier sprong er een alleen, daar drie of +vier op een rij. Allen gingen overeind staan, en ze vlogen voort met +zulk een vaart, dat hun lange ooren alle kanten uit zwierden. Onder +'t springen draaiden ze in 't rond, namen hooge sprongen, en sloegen +met de voorpooten tegen de ribben, dat het klapte. Sommige duikelden +ettelijke malen over den kop, anderen drongen zich op elkaar, en +rolden weg, als een wiel; een stond op één poot en draaide rond, +een ander liep op de voorpooten. Er was niet de minste orde, maar er +was veel vroolijkheid in het spel van de hazen, en al die dieren, +die er naar stonden te kijken, begonnen sneller adem te halen. Nu +waren vreugde en blijdschap in aantocht. De winter was voorbij. De +zomer naderde. Spoedig zou het leven een en al lust zijn! + +Toen de hazen uitgeraasd hadden, was de beurt aan de groote +boschvogels. Honderden woudhanen, in glanzende zwartbruine gewaden en +met helderroode wenkbrauwen, vlogen op in een grooten eik midden op +de speelplaats. Hij, die op den hoogsten tak zat, zette de veeren op, +sloeg de vleugels neer en den staart op, zoodat de witte dekveeren +voor den dag kwamen. Daarop stak hij den hals vooruit, en stootte +een paar diepe tonen uit de samengesnoerde keel. "Tjek, tjek tjek," +klonk het. Meer kon hij niet uitbrengen; het klokte alleen nog een +paar keer diep in zijn keel. Toen sloot hij de oogen en fluisterde: +"Sis, sis, sis! Hoor eens hoe mooi, sis sis sis!" En meteen werd hij +zóó verrukt, dat hij niet meer wist, wat er om hem heen gebeurde. + +Terwijl de eerste korhoen nog doorging met sissen, begonnen de drie, +die het dichtst bij hem zaten, te zingen en eer zij hun liedje uit +hadden, begonnen de tien, die wat verder naar beneden zaten, en zoo +ging het voort, van tak tot tak, tot alle honderden korhoenen zongen +en klokten en sisten. Ze werden allemaal even verrukt onder het zingen, +en juist dàt werkte op de andere dieren als een aanstekelijke roes. Hun +bloed, dat zoo juist nog licht en vroolijk door hun aderen vloeide, +begon zwaar en heet te worden. + +"Ja zeker! Nu is het lente!" dachten alle diervolken. "De winterkoude +is weg. Het vuur van de lente brandt over de aarde." + +Toen de korhoenders merkten, dat de woudhoenders zóóveel succes +hadden, konden zij zich niet stil houden. Omdat er geen boom was, +waarin ze plaats konden vinden, streken ze neer op de speelplaats, +waar het heidekruid zóó hoog stond, dat alleen hun mooi gevormde +staartveeren en hun dikke snavels te zien kwamen, en begonnen te +zingen: "Orr, orr, orr!" + +Juist toen de berkhanen den wedstrijd met de korhoenders begonnen, +gebeurde er iets ongehoords. Een vos sloop nu, terwijl alle dieren +aan niets anders dachten dan aan 't spel van de korhoenders, heel +zachtjes naar den heuveltop, waar de wilde ganzen waren. Hij liep +heel voorzichtig, en kwam een heel eind den heuvel op, eer iemand hem +opmerkte. Op eens kreeg toch een gans hem in 't oog, en omdat ze niet +gelooven kon, dat een vos met een goede bedoeling tusschen de ganzen +doorsluipen zou, begon ze te roepen: "Pas op! Wilde ganzen, pas op!" + +De vos sloeg haar over de keel, misschien wel 't meest, opdat ze +zwijgen zou, maar de wilde ganzen hadden haar roepen al gehoord, +en vlogen allen op. En toen zagen de dieren Smirre, den vos, op den +heuvel van de wilde ganzen zitten, met een doode gans in den bek. + +Maar omdat hij zoodoende den vrede van den speeldag verbroken had, +kreeg Smirre zoo'n harde straf, dat hij er levenslang berouw van had, +dat hij zijn wraakzucht niet had kunnen bedwingen, maar beproefd +had op deze manier Akka en haar troep te bereiken. Hij werd dadelijk +omringd door een troep vossen, en veroordeeld volgens een oud gebruik, +dat voorschrijft, dat ieder, die den vrede op den grooten speeldag +verbreekt, verbannen moet worden. Geen enkele vos wilde het vonnis +verzachten, omdat ze alle wisten, dat zoodra ze zooiets zouden willen +probeeren, ze dadelijk van de speelplaats zouden worden weggejaagd, +om er nooit meer terug te komen. Dus werd de verbanning uit het +land, zonder iemands protest, over Smirre uitgesproken. Het werd hem +verboden zich in Skaane op te houden. Hij werd verbannen van zijn +vrouw en familie, van zijn jachtveld, zijn woning, van zijn rust- +en schuilplaatsen, die hij tot nu toe had gehad, en moest zijn geluk +beproeven in een vreemd land. En opdat alle vossen in Skaane weten +zouden, dat Smirre daar vogelvrij was, beet de oudste vos hem de punt +van zijn rechteroor af. Zoodra dat gebeurd was, begonnen alle jonge +vossen te huilen van bloeddorst en wierpen zich op Smirre. Voor hem +bleef niets anders over dan te vluchten, en met alle jonge vossen +achter zich aan holde hij weg van den Kullaberg. + +Dit alles gebeurde, terwijl de berkhanen en de korhoenders met hun +wedstrijd bezig waren; maar die vogels zijn zóó verdiept in hun +eigen gezang, dat ze hooren noch zien. Ze hadden zich dan ook niet +laten storen. + +Nauwelijks was de wedstrijd tusschen de boschvogels afgeloopen, of de +kroonherten van den Häckeberg traden vooruit, om hun oorlogsspel te +laten zien. 't Waren verscheiden kroonherten, die tegelijk vochten. Ze +stoven op elkaar aan met groote kracht, sloegen donderend de horens +tegen elkaar, zoodat de takken in elkaar bleven zitten, en probeerden +elkaar achteruit te dringen. Pruiken heikruid werden onder hun hoeven +losgescheurd, hun adem stond om hen heen als rook; uit hun keel drong +zich een akelig gebrul, en het schuim vloeide hun over de borst. + +Op de heuvels in 't rond was het ademloos stil, terwijl de in +'t strijden geoefende herten vochten. En bij alle dieren werd een +nieuw gevoel wakker. Allen voelden zij zich moedig en sterk, opgewekt +door vernieuwde kracht, herboren door de lente, vlug en bereid voor +allerlei avonturen. Ze waren niet boos op elkaar, en toch werden overal +vleugels omhoog geheven, nekveeren opgezet en klauwen gescherpt. Als +de herten van den Häckeberg nog een oogenblik waren voortgegaan, +zou er een woest gevecht op den Kullaberg zijn ontstaan, omdat alle +door een brandend verlangen werden aangegrepen om te toonen, dat +ook zij vol leven waren, dat de onmacht van den winter voorbij was, +en ze kracht in hun eigen lichaam voelden. + +Maar de kroonherten hielden juist op het rechte oogenblik op, en +dadelijk ging er een gefluister van den eenen heuveltop naar den +anderen: "Nu komen de kraanvogels." En toen kwamen de grijze, als in +schemering gekleede vogels, met pluimen aan de vleugels en met roode +veeren versierde nekken, de groote vogels met hun lange beenen, +hun slanke halzen, hun kleine koppen. Ze kwamen aanglijden over +den berg in een geheimzinnige bedwelming. Terwijl ze voortgleden, +zwaaiden ze rond, half vliegend, half dansend. Met de vleugels +gracieus opgeheven, bewogen ze zich onbegrijpelijk snel. Er was +iets vreemds, iets wonderlijks in hun dans. Het was, alsof grijze +schaduwen een spel speelden, dat het oog nauwelijks volgen kon. Het +was, alsof zij dat hadden geleerd van de nevels, die over de eenzame +moerassen zweefden. Er was betoovering in. Allen, die voor 't eerst +op den Kullaberg waren, begrepen waarom de geheele bijeenkomst naar +den dans van de kraanvogels heette. + +Er was woestheid in, maar 't gevoel, dat het wekte, was toch een zoet +verlangen. Niemand dacht nu meer aan strijd. Integendeel, allen, de +gevleugelden èn zij, die geen vleugels hadden, wilden zich oneindig +hoog verheffen, boven de wolken zweven, zoeken wat daar achter ligt, +het zware lichaam afschudden, dat hen naar de aarde trok, en wegzweven +naar het bovenaardsche. + +Zulk een verlangen naar het onbereikbare, naar dat wat achter het +leven verborgen is, voelden de dieren maar ééns in het jaar, en dàt +was op den dag, dat zij den grooten kraanvogeldans zagen. + + + + + + +VI. + +IN DEN REGEN. + + +Dit was de eerste regendag op deze reis. Zoo lang de wilde ganzen in +den omtrek van het Vombmeer gebleven waren, hadden ze mooi weer gehad, +maar op denzelfden dag, dat ze den tocht naar het noorden ondernamen, +begon het te regenen, en uren lang moest de jongen op den rug van +den ganzerik zitten, doornat en bibberend van de kou. + +Dien morgen, toen ze uittrokken, was het helder en stil geweest. De +wilde ganzen hadden hoog in de lucht gevlogen, gelijkmatig en zonder +haast, in strenge volgorde, met Akka aan het hoofd, en de overige +in twee schuine lijnen achter haar aan. Zij hadden zich geen tijd +gegund om ondeugende dingen te roepen tegen de dieren op het veld, +maar omdat ze zich toch niet heelemaal stil konden houden, zongen +ze onophoudelijk op de maat van hun wiekslagen hun gewoon lokgeroep: +"Waar ben je? Hier ben ik. Waar ben je? Hier ben ik." + +Allen namen deel aan dit aanhoudend geroep, en ze hadden het alleen +afgebroken om den witten ganzerik de wegmerken te wijzen, waarnaar +ze hun koers richtten. Op deze reis bestonden die merken uit de +schrale heuvels van Linderodsaas, het buiten Ovesholm, de kerktoren +van Christianstad en 't koningspaleis van Bäckaskog op de smalle +landtong tusschen 't meer van Oppmanna en 't Ivömeer, en de steile +helling van den Ryesberg. + +'t Was een eentonige reis geweest, en toen de regenwolken zich begonnen +te vertoonen, vond de jongen dat een heel pretje. Vroeger, toen hij de +regenwolken alleen van beneden af had gezien, had hij altijd gevonden, +dat zij grijs en vervelend waren, maar 't was heel wat anders, nu +hij er midden in was. Nu zag hij duidelijk, dat de wolken reusachtige +vrachtwagens waren, die door de lucht reden met hemelhooge ladingen: +sommige waren met geweldige groote, grauwe zakken geladen, andere met +tonnen, die zoo groot waren, dat ze een heel meer konden bevatten, en +andere met groote schalen en flesschen, die tot een duizelingwekkende +hoogte waren opgestapeld. En toen er zooveel waren voorgereden, dat ze +een heele ruimte vulden, was het, alsof iemand een sein gegeven had, +en toen begon opeens uit al die schalen, tonnen, flesschen en zakken +het water over de aarde neer te stroomen. + +Op hetzelfde oogenblik, dat de eerste lentebuien op 't veld +neerkletterden, werden er zulke vreugdekreten aangeheven door alle +vogeltjes in boschjes en hagen, dat de heele lucht er van weerklonk, +en de jongen hoog van zijn plaats opsprong. + +"Nu krijgen we regen! De regen brengt ons de lente, en de lente +geeft ons bloemen en groene bladen. Groene bladen geven ons rupsen +en insecten; rupsen en insecten geven ons eten. Veel en goed eten is +het beste, wat er is," zongen de vogeltjes. + +Ook de wilde ganzen waren blij met den regen, die de planten uit hun +slaap wekte, en gaten maakten in het ijsdak op de meren. Zij konden +zich niet meer zoo ernstig houden, als tot nu toe, en begonnen een +vroolijk geroep in den omtrek uit te zenden. + +Toen ze over de groote aardappellanden vlogen, die er zooveel zijn in +de buurt van Christianstad, en die nog kaal en zwart waren, riepen ze: +"Word wakker en voer wat uit! Hier komt iets, wat je roept! Nu zijn +jelui lang genoeg lui geweest." + +Als ze menschen zagen, die hard liepen om uit den regen te komen, +zeiden ze vermanend: "Waarom hebben jelui zoo'n haast? Zien jelui niet, +dat het stoeten en pannekoeken regent!" + +Er was een groote, dikke wolk, die zich snel naar het noorden +voortbewoog, en vlak achter de ganzen aankwam. Zij schenen zich te +verbeelden, dat zij de wolk voorttrokken, en toen ze beneden zich +groote tuinen zagen, riepen ze heel trotsch: "Hier komen we met +anemonen, hier komen we met appel- en kersebloesems, hier komen we +met erwten en boonen en rapen en kool. Wie wat hebben wil, moet maar +aanpakken, wie wat hebben wil, moet maar aanpakken!" + +Zoo had het geklonken, terwijl de eerste buien vielen, en allen nog +blij waren met den regen. Maar toen die den heelen middag doorging, +werden de ganzen ongeduldig, en riepen tegen de dorstige bosschen +om het meer van Ivö: "Hebben jelui nu nog niet haast genoeg? Hebben +jelui nu nog niet haast genoeg?" + +De hemel werd steeds grijzer, en de zon verborg zich zoo goed, +dat niemand begrijpen kon, waar ze toch zat. De regen viel dichter, +sloeg zwaar tegen de vleugels, en vond zijn weg tusschen de vette +buitenveeren tot op het lichaam. De aarde lag in een nevel van +regendamp; meren, bergen en bosschen liepen in elkaar in eindelooze +verwarring, en de wegmerken waren bijna niet te zien. De tocht ging +al langzamer, het blijde roepen verstomde, en de jongen voelde de kou +steeds scherper. Maar nog had hij moed gehouden, zoolang hij door de +lucht gereden had. En 's middags, toen ze neergestreken waren onder +een klein dwergachtig dennetje, midden in een groot moeras, waar +alles nat en alles koud was, waar sommige hoogtetjes met sneeuw waren +bedekt, en andere kaal uit een plas half gesmolten ijs opstaken, had +hij zich ook niet moedeloos gevoeld, maar had vroolijk rondgeloopen +en naar bevroren boschbessen gezocht. Maar toen kwam de avond, en +'t werd zoo donker, dat niet eens zulke oogen, als hij had, er door +konden kijken. En het woeste veld werd griezelig en akelig. De jongen +lag ingestopt onder de vleugels van den ganzerik; maar hij kon niet +slapen, omdat hij zoo koud en zoo nat was. En hij hoorde zooveel +geritsel en geruisch, en sluipende stappen en dreigende stemmen; +hij werd zóó bang, dat hij niet wist, waar hij heen moest. Hij moest +ergens wezen, waar hij vuur en licht vond, als hij niet sterven +zou van angst. "Als ik 't nu eens waagde naar de menschen te gaan, +voor dezen éénen nacht?" dacht de jongen. "Alleen maar zoo, dat ik +even bij een vuur kon zitten en een hapje eten. Ik kon immers naar +de wilde ganzen teruggaan vóór zonsopgang." + +Hij kroop onder den ganzenvleugel uit, en liet zich op den grond +glijden. Hij maakte den ganzerik niet wakker en ook de andere ganzen +niet, maar sloop zachtjes en ongemerkt voort over 't moeras. + +Hij wist niet recht, waar in de wereld hij toch was, of het in Skaane, +in Smaland was. Maar vlak voor hij in het moeras gekomen was, had hij +een groot dorp gezien, en daar ging hij nu op af. Het duurde ook niet +lang, eer hij den weg vond, en al gauw was hij in de dorpsstraat, die +lang en met boomen beplant was, en waar aan beide zijden hoeven lagen. + +De jongen was in een van de groote kerkbuurten gekomen, zooals er +zooveel zijn hooger op het land, maar die men in 't geheel niet vindt +op de vlakten. + +De woonhuizen waren van hout en heel sierlijk gebouwd. De meeste hadden +gevels en voorgevels, met uitgesneden lijsten versierd, en serres met +hier en daar gekleurde ruiten. De muren waren beschilderd met lichte +olieverf; deuren en vensterkozijnen waren schel blauw en groen, of +nu en dan zelfs rood. Terwijl de jongen de huizen liep te bekijken, +hoorde hij heel op den weg de menschen in de warme kamers praten +en lachen. De woorden kon hij niet onderscheiden, maar hij vond het +prettig weer menschenstemmen te hooren. "Ik zou wel eens willen weten, +wat ze zouden zeggen, als ik aanklopte, en vroeg om binnengelaten te +worden," dacht hij. + +Dat was juist, wat hij van plan geweest was te doen; maar nu was +zijn angst over, nu hij de verlichte vensters zag. In plaats daarvan +voelde hij opnieuw de schuwheid, die altijd over hem kwam, als hij +in de nabijheid van menschen was. + +"Ik zal nog eerst het dorp eens bekijken," dacht hij, "voor ik iemand +vraag, of ik binnen mag komen." + +Aan een van de huizen was een balkon. En juist toen de jongen +voorbijkwam, werden de balkondeuren opengezet, en een geelachtig +licht viel naar buiten door fijne, dunne gordijnen. Toen kwam een +mooie jonge vrouw naar buiten, en leunde over het hek. + +"Het regent, nu komt de lente gauw," zei ze. Toen de jongen haar zag, +werd hij wonderlijk beklemd. Hij had wel willen schreien. Voor het +eerst maakte het hem een beetje onrustig, dat hij zich buiten de +menschenwereld gezet had. + +Kort daarna kwam hij voorbij een winkel. Buiten den winkel stond een +roode zaaimachine. Hij bleef staan en bekeek die, en kroop eindelijk +op den bok en ging daar zitten. Toen hij daar zat, klapte hij met +de tong, en deed alsof hij reed. Hij dacht er aan, hoe prettig 't +wezen moest, met zoo'n mooie machine over een akker te rijden. Een +oogenblik had hij vergeten, hoe het met hem was gesteld, maar toen +dacht hij er aan, en sprong van de machine op den grond. Hij werd +steeds onrustiger. Hij, die altijd onder de dieren leven moest, zou +toch wel veel missen. Menschen waren toch heel bizonder en heel knap. + +Hij ging voorbij het postkantoor, en dacht toen aan al die couranten, +die daar dien dag waren aangekomen met berichten uit alle oorden van +de wereld. Hij zag de apotheek en de dokterswoning, en dacht er over, +hoe de macht van de menschen zóó groot was, dat ze konden strijden +tegen ziekte en dood. Hij kwam bij de kerk, en hij dacht er aan, +dat de menschen die gebouwd hadden, omdat ze daar wilden hooren +spreken van een wereld,--boven die, waarin ze leefden,--van God, +en opstanding en eeuwig leven. + +En hoe langer hij daar liep, hoe meer hij van de menschen ging houden. + +Zoo zijn kinderen. Ze denken niet verder dan hun neus lang is. Dat +wat het dichtste bij is, willen ze dadelijk hebben, zonder er om te +geven, wat het hun kosten kan. Niels Holgersson had niet geweten, +wat hij verloor, toen hij verkozen had een kabouter te blijven, maar +nu werd hij er vreeselijk bang voor, dat hij nooit meer zou worden, +zooals hij wezen moest. + +Wat in de wereld moest hij toch beginnen om weer een mensch te +worden? Dat zou hij heel graag willen weten. Hij kroop op een stoep, +ging daar zitten midden in den stortregen, en peinsde. Hij zat daar +een uur, twee uren, en dacht na, zoo dat zijn hoofd er pijn van +deed. Maar hij was en bleef even wijs. Het was, alsof de gedachten +al maar ronddraaiden in zijn hoofd. Hoe langer hij daar zat, hoe +onmogelijker het hem voorkwam een oplossing te vinden. + +"Dit is zeker veel te moeilijk voor iemand, die zoo weinig heeft +geleerd als ik," dacht hij eindelijk. "'t Zal wel zoo loopen, dat ik +toch bij de menschen terugkomen moet. Ik zal het aan den dominé, en +den dokter, en den meester en aan anderen moeten vragen, die geleerd +zijn, en raad kunnen weten voor een geval als dit." + +Ja, dat nam hij zich voor gauw te doen, en hij stond op en schudde +zich, want hij was zoo nat als een poedelhond, die aan 't zwemmen +was geweest. + +Juist op dat oogenblik zag hij een grooten uil, die kwam aanvliegen, +en neerstreek op een van de boomen aan den kant van de dorpsstraat. En +dadelijk daarop begon een katuil, die onder de lijst van het dak +zat, zich te bewegen en riep: "Kiviet, kiviet! Ben je weer thuis, +moerasuil? Hoe heb je het in 't buitenland gehad?" + +"Heel goed, dank je wel, katuil!" zei de moerasuil. "Is er hier wat +bizonders gebeurd, terwijl ik weg was?" + +"Niet hier in Bleking, moerasuil, maar in Skaane is 't gebeurd, dat +een jongen door een kabouter is betooverd en zoo klein gemaakt als +een eekhoorn, en later is hij naar Lapland gereisd met een tamme gans." + +"Dat is een merkwaardig bericht! een merkwaardig bericht! Kan hij nooit +weer een mensch worden, katuil? Kan hij nooit weer een mensch worden?" + +"Dat is een geheim, moerasuil, maar jij mag het toch wel weten. De +kabouter heeft gezegd, dat als de jongen op dien tammen ganzerik past, +zoodat hij ongedeerd weer thuis komt en..." + +"En verder, katuil? Verder? Verder?" + +"Vlieg met me meê naar den kerktoren, moerasuil, dan zal ik je +alles vertellen. Ik ben bang, dat er hier iemand in de straat is, +die ons beluistert." + +En toen vlogen de uilen weg. Maar de jongen gooide zijn muts hoog op +in de lucht. "Als ik maar op den ganzerik pas, zoodat hij heelhuids +thuiskomt, dan mag ik weer een mensch worden. Hoera! Hoera! Dan mag +ik weer een mensch worden!" + +Hij riep hoera! zóó hard, dat het een wonder was, dat niemand in +de huizen hem hoorde. Maar dat deed niemand, en hij liep, zoo hard +zijn beenen hem dragen konden, terug naar de wilde ganzen in het +natte moeras. + + + + + + +VII. + +BIJ DE BEEK VAN RONNEBY. + + +Noch de wilde ganzen, noch Smirre had gedacht, dat ze elkaar ooit +weer zouden ontmoeten, nadat ze uit Skaane waren heengegaan. Maar +nu liep het zoo, dat de wilde ganzen hun weg over Bleking namen, +en daar was Smirre, de vos, ook heengegaan. Hij had zich tot nu toe +in het noorden van die streek opgehouden, en daar had hij nog geen +parken van buitens, of hertenkampen vol herten en lekkere jonge reeën +gevonden. Hij was meer uit zijn humeur, dan hij zeggen kon. + +Op een middag, dat Smirre in een eenzaam boschland in Mellambygd, +niet ver van de beek van Ronneby rondzwierf, zag hij een vlucht wilde +ganzen door de lucht vliegen. Hij merkte dadelijk op, dat een van de +ganzen wit was, en toen wist hij, met wie hij te doen had. + +Smirre begon onmiddellijk op de ganzen te jagen, evenzeer uit lust +in een goed maal, als om zich op hen te wreken voor al het verdriet, +dat ze hem hadden bezorgd. Hij zag, dat ze naar het oosten gingen, tot +ze aan de beek van Ronneby kwamen. Toen veranderden ze van richting, +en vlogen naar het zuiden. Hij begreep, dat ze van plan waren een +slaapplaats aan den kant van de beek uit te zoeken, en hij dacht, dat +hij wel een paar van hen zonder bizonder veel moeite zou kunnen pakken. + +Maar toen Smirre eindelijk de plaats zag, waar de ganzen neergestreken +waren, merkte hij, dat ze die zóó goed gekozen hadden, dat hij niet +bij hen kon komen. + +De beek van Ronneby is immers geen groote indrukwekkende stroom, maar +toch wordt ze veel besproken om haar mooie oevers. Op verscheidene +plaatsen dringt ze door tusschen steile bergwanden, die loodrecht +uit het water opkomen, en heelemaal begroeid zijn met kamperfoelie +en wilde rozen, met hagedoorn en els, met vogelkers en wilgen, en er +is niet veel, dat prettiger is op een mooien zomerdag, dan op dat +kleine, donkere beekje te roeien en naar boven te zien naar al dat +zachte groen, dat zich vasthaakt aan de ruwe bergwanden. + +Maar toen de wilde ganzen en Smirre bij de beek kwamen, was het koud, +buiïg lenteweer; alle boomen stonden kaal, en er was zeker niemand, +die er ook maar een oogenblik over dacht, of de oevers mooi of leelijk +waren. De wilde ganzen waren blij, dat ze onder aan zoo'n steilen +bergwand een smal reepje zand hadden ontdekt, juist zoo groot, dat ze +er een plaatsje op konden vinden. Vóór zich hadden zij de bruisende +beek, die woest en sterk was, nu de sneeuw begon te smelten, achter +zich een onbeklimbare rotswand, terwijl neerhangende takken hen +verborgen. Ze konden het niet beter hebben. + +De ganzen sliepen spoedig in, maar de jongen deed geen oog +dicht. Zoodra de zon onder was, werd hij bang voor het donker en +'t woeste veld, en verlangde hij naar menschen. Zooals hij nu onder +den vleugel van de gans lag ingestopt, kon hij niets zien en maar +slecht hooren, en als den ganzerik iets kwaads overkwam, was hij +niet in staat hem te redden. Geruisch en gekletter hoorde hij van +alle kanten, en er kwam zoo'n groote onrust over hem, dat hij onder +den vleugel uit kwam, en op het veld ging zitten naast de ganzen. + +Smirre stond op den bergtop, ver weg uit 't gezicht. + +"Deze vervolging hier kun je even goed laten!" zei hij in zich +zelf. "Je kunt zoo'n steilen berg niet opklauteren, je kunt in zoo'n +woesten stroom niet zwemmen, en onder aan den berg is geen streepje +land, dat je naar die slaapplaats brengen kan. Die ganzen daar zijn +je te slim af. Probeer maar nooit meer op ze te jagen." + +Maar Smirre, als alle vossen, had moeite een voornemen op te geven, en +hij ging daarom aan den uitersten kant van den berg liggen, en wendde +de oogen niet van de wilde ganzen af. Terwijl hij ze daar zoo lag te +bekijken, dacht hij aan al het kwaad, dat ze hem gedaan hadden. Ja, +'t was om hen, dat hij uit Skaane verbannen was, en naar 't armoedige +Bleking had moeten vluchten. Hij wond zich zoo op, terwijl hij daar +lag, dat hij die wilde ganzen den dood toewenschte, al zou hij ze +dan ook zelf niet op mogen eten. + +Toen Smirre's boosheid zóó geweldig erg geworden was, hoorde hij +geritsel, in een grooten spar, die dichtbij hem stond, en hij zag een +eekhoorn uit den boom komen, hevig achtervolgd door een marter. Geen +van hen merkte Smirre, en hij zat stil naar de jacht te kijken, die +voortging van boom tot boom. Hij keek naar den eekhoorn, die zich +tusschen de takken zoo vlug voortbewoog, alsof hij vliegen kon. Hij +keek naar den marter, die wel niet een even knappe klauteraar was +als de eekhoorn, maar toch even zeker op en neer langs de boomstammen +sprong, alsof hij op rechte boschpaden liep. + +"Kon ik maar half zoo goed klimmen als hij daar," dacht de vos, +"dan zouden die daar beneden niet lang zoo rustig slapen." + +Zoodra de eekhoorn gevangen en de jacht ten einde was, ging Smirre naar +den marter toe, maar bleef op twee stappen afstand staan, om te toonen, +dat hij niet van plan was hem zijn buit te ontrooven. Hij groette den +marter heel vriendelijk, en feliciteerde hem met zijn vangst. Smirre +wist zijn woorden goed te kiezen, zooals alle vossen. De marter +daarentegen, die er met zijn lang, slank lichaam, zijn fijnen kop, +zijn zacht vel en de lichtbruine vlek aan zijn hals, als een klein +prachtdiertje uitziet, is toch eigenlijk maar een ruwe boschbewoner, +en hij antwoordde bijna niet. + +"Het verbaast me," zei Smirre, "dat zoo'n jager, als jij zich met +de jacht op eekhoorns vergenoegt, als er zooveel edeler wild in je +bereik is." + +Hier hield hij op, en wachtte op antwoord, maar toen de marter heel +onbeschaamde gezichten tegen hem trok, ging hij voort: "'t Is toch +niet mogelijk, dat je de wilde ganzen niet hebt gezien, die hier onder +tegen den bergwand staan. Of ben je niet zoo flink in 't klimmen, +dat je beneden bij hen kunt komen?" + +Deze keer hoefde hij niet op antwoord te wachten. + +"Heb je wilde ganzen gezien?" riep hij blazend. "Waar staan die? Zeg +het dadelijk, of ik bijt je den strot af!" + +"Nou, nou! Denk er om, dat ik eens zoo groot ben als jij, en wees +een beetje beleefd. Ik wil niets liever dan je de wilde ganzen wijzen." + +In 't volgend oogenblik was de marter op weg, de helling op, en terwijl +Smirre er naar zat te kijken, hoe hij zijn slangachtig lichaam van +tak tot tak voortbewoog, dacht hij: + +"Die mooie boomjager heeft het wreedste hart in 't heele bosch. Ik +denk, dat de wilde ganzen 't aan mij te danken hebben, als ze in +een bloedbad wakker worden." Maar juist toen Smirre verwachtte +den doodskreet van de ganzen te hooren, zag hij den marter van +een tak vallen en in de beek neerploffen, zoodat het water hoog +opspatte. Dadelijk daarop hoorde hij harde vleugels luid kleppen, +en alle ganzen vlogen snel op. + +Smirre wilde eerst de ganzen navliegen, maar hij was zóó verlangend +te hooren, hoe ze gered werden, dat hij bleef zitten, tot de marter +weer naar boven kwam klauteren. De stumper was druipnat, en bleef nu +en dan staan om den kop met de voorpooten te wrijven. + +"Dacht ik het niet, dat je een stoffel was, en in de beek zou +rollen!" zei Smirre verachtelijk. + +"Ik heb niets stoffeligs gedaan. Je hoeft niet zoo te brommen," zei +de marter. "Ik zat al op een van de onderste takken, en dacht er over, +hoe ik een heele massa ganzen zou verscheuren, toen een klein dwergje, +niet grooter dan een eekhoorn, opvloog en me met zóó'n kracht een +steen naar het hoofd gooide, dat ik in 't water viel, en eer ik er +weer uit kon kruipen..." + +De marter hoefde niet verder te vertellen. Er was niemand, die naar +hem luisterde; Smirre was al lang weg, de ganzen achterna. + +Intusschen was Akka naar 't zuiden gevlogen, om een nieuwe slaapplaats +te zoeken. Er was nog een klein beetje daglicht, en bovendien +stond de halve maan hoog aan den hemel, zoodat ze eenigszins zien +kon. Gelukkig was ze goed thuis in die streek, omdat het al meer +dan eens gebeurd was, dat ze door den wind Bleking in gedreven was, +als ze in 't voorjaar over de Oostzee reisde. + +Ze volgde de beek, zooals ze die als een zwarte, glanzende slang +kon zien slingeren door het in 't maanlicht badende landschap. Zoo +kwam ze heel tot Djupafors, waar de beek zich eerst verbergt in een +onderaardsche bedding, en dan helder en doorschijnend, alsof ze van +glas was, zich neerstort in een nauwe kloof, en zich op den bodem +daarvan stukslaat in glinsterende droppels en rondwielend schuim. Onder +aan dien witten waterval lagen enkele steenen, waardoor het water +als een woeste stroom heenbruiste, en hier streek Akka neer. Dit was +ook weer een goede slaapplaats, vooral zoo laat op den avond, als +de menschen niet meer in beweging waren. Terwijl de zon onderging, +hadden de ganzen daar niet kunnen neerstrijken, want Djupafors ligt +niet in een woestenij. Aan den eenen kant van den waterval ligt een +papierfabriek, en aan den anderen kant, die steil is en met boomen +begroeid, ligt het park van Djupadal, waar steeds menschen rondzwerven +op de gladde en steile paden, om te genieten van den wilden stroom, +die bruisend in de kloof valt. + +'t Ging hier precies als op de vorige plaats: geen van de reizigers +dacht er ook maar een oogenblik aan, dat ze op een mooie en zeer +beroemde plek waren. Ze dachten er zeker meer aan, dat het griezelig +en gevaarlijk was op gladde, natte steenen, midden in een donderenden +waterval te staan slapen. Maar ze moesten immers blij zijn, als ze +veilig voor roofdieren waren. + +De ganzen vielen gauw in slaap, maar de jongen had geen rust. Hij +zat naast hen om op den ganzerik te passen. + +Na een poos kwam Smirre naar den oever van de beek gesprongen. Hij +kreeg dadelijk de ganzen in 't oog, die daar in den bruisenden +maalstroom stonden, en begreep, dat hij ook nu niet bij hen kon +komen. Maar hij wilde ze toch niet verlaten. Hij bleef aan den oever +naar hen zitten kijken. Hij voelde zich erg vernederd, en vond, +dat zijn eer als jager op 't spel stond. + +Op eens zag hij een otter uit het schuimende water komen met een visch +in den bek. Smirre ging hem te gemoet, maar bleef op twee stappen +afstand van hem staan, om te toonen, dat hij hem zijn jachtbuit niet +wou afnemen. + +"Je bent toch een rare snaak, dat je je vergenoegt met visch te vangen, +als er volop wilde ganzen op de steenen staan," zei Smirre. Hij was +zóó in vuur, dat hij den tijd niet nam om zijn woorden zoo goed te +kiezen, als hij gewoonlijk deed. + +De otter keerde niet eens zijn kop naar 't water. Hij was een +landlooper, als alle otters, hij had dikwijls in het Vombmeer gevischt, +en kende Smirre, den vos, wel. + +"Ik weet wel, hoe jij 't aanlegt om een forel machtig te worden, +Smirre," zei hij. + +"O, ben jij 't, Gripe," zei Smirre en was blij, omdat hij wist, +dat deze otter een kloek en knap zwemmer was. "Ik wil wel gelooven, +dat je niet naar de wilde ganzen wilt kijken, als je niet in staat +bent ze te bereiken." Maar de otter, die zwemvliezen tusschen de +teenen had, een stijven staart, die zoo goed als een roeiriem was, +en een pels, voor vocht ondoordringbaar, wilde 't niet op zich laten +zitten, dat er een stroom was, dien hij niet aandurfde. Hij keerde +zich naar het water, en zoodra hij de wilde ganzen in het oog kreeg, +wierp hij den visch weg, en sprong van de steile helling in de rivier. + +Als het wat verder in de lente was geweest, zoodat de nachtegalen +in het park van Djupadal geweest waren, zouden ze later vele nachten +hebben gezongen van den strijd van Gripe met den stroom. Want de otter +werd dikwijls door de golven meêgerukt, de rivier af, maar hij werkte +zich telkens weer naar boven. Hij zwom voort in de deining; hij kroop +over steenen, en kwam langzamerhand dichter bij de wilde ganzen. 't +Was een gevaarlijke tocht, wel waard om door de nachtegalen bezongen +te worden. + +Smirre volgde zijn weg met de oogen, zoo goed hij kon. Eindelijk zag +hij, dat de otter bezig was naar de wilde ganzen te klimmen. Maar +juist toen klonk er een woeste, schelle schreeuw. De otter stortte +achterover in het water, en werd weggerukt, alsof hij een blind, +jong katje was geweest. Onmiddellijk daarna klapten de ganzen hard +met de vleugels. Ze vlogen op en weg om een andere slaapplaats te +zoeken. De otter kwam gauw weer aan land. Hij zei niets, en begon zijn +eenen voorpoot te likken. Toen Smirre hem bespotte, omdat zijn tocht +mislukt was, barstte hij uit: "'t Komt niet, doordat ik niet goed +zwemmen kan, Smirre. Ik was tot vlak bij de ganzen gekomen, en zou +juist bij hen aan land klimmen, toen een dwergje kwam aanspringen, +en me op mijn poot sloeg met een scherp ijzer. Dat deed zóó'n pijn, +dat ik mijn houvast verloor, en toen pakte de stroom me." + +Hij hoefde niet verder te vertellen. Smirre was al lang weg, de +ganzen achterna. + +Opnieuw moesten Akka en haar troep dus uit op een nachtelijken +tocht. Gelukkig was de maan nog niet onder, en met behulp van haar +licht, gelukte het de leidstergans een van de andere slaapplaatsen te +vinden, die zij daar in de buurt kende. Ze volgde de glanzende rivier +weer naar 't zuiden. Over het buiten van Djupadal en over de donkere +daken en witte watervallen van Ronneby zweefde ze voort, zonder neer +te strijken. Maar een eindwegs ten zuiden van de stad, niet ver van de +zee, ligt het sanatorium van Ronneby, met zijn badhuis en bronhuis, +met een groot hotel en zomerwoningen voor badgasten. Dit alles +staat den heelen winter leeg en verlaten, wat alle vogels wel weten, +en talrijk zijn de vogelvluchten, die bij harden storm beschutting +zoeken op de balkons en in de waranda's van de verlaten gebouwen. + +Hier streken de wilde ganzen neer op een balkon, en als gewoonlijk +sliepen ze gauw in. De jongen daarentegen kon niet slapen, omdat hij +niet onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen. + +'t Balkon lag op het zuiden, zoodat de jongen 't gezicht op de zee +had. En omdat hij niet kon slapen, zat hij er naar te kijken, hoe +mooi het was, als in Bleking zee en land elkaar ontmoeten. + +Want zie eens, zee en land kunnen elkaar ontmoeten op zooveel +verschillende manieren. Op veel plaatsen komt het land naar beneden bij +de zee, met vlakke, hier en daar knobbelige velden, en de zee komt bij +'t land met stuifzand, dat het opdrijft in hoopen en wallen. 't Is +alsof ze zoo'n hekel aan elkaar hebben, dat ze alleen het leelijkste +willen laten zien, wat ze hebben. Maar het kan ook gebeuren, dat het +land, als het beneden bij de zee komt, een muur van bergen opwerpt, +alsof de zee iets gevaarlijks was; en als het land zoo doet, gaat +de zee daar tegen op in booze branding, en zweept en brult en slaat +tegen de klippen, en ziet er uit, alsof ze de bergen van 't land kort +en klein wil scheuren. + +Maar in Bleking gaat het heel anders toe, als land en zee elkaar +ontmoeten. Daar splijt het land zich in kapen en eilanden en eilandjes, +en de zee verdeelt zich in fjords en baaien en inhammen, en misschien +komt het wel hierdoor, dat alles er uitziet, alsof hier land en zee +elkaar in vreugde en eendracht te gemoet komen. + +Denk nu allereerst aan de zee! Heel in de verte ligt ze doodsch en +leeg en groot, en doet niets dan haar grauwe golven voortrollen. Als +ze in de buurt van het land komt, ontmoet ze de eerste klip. Die +neemt ze gauw in bezit, trekt er al het groen af, en maakt haar even +kaal en grauw, als ze zelf is. Dan ontmoet ze weer een klip. Daar +gaat het ook zoo meê. En nog een. Ja, daar gaat het ook zoo meê. Die +wordt uitgekleed en uitgeplunderd, alsof ze in roovershanden gevallen +was. Maar dan komen de klippen in al dichter rijen, en dan begrijpt de +zee zeker, dat het land haar zijn kleinste kinderen tegemoet zendt, +om haar tot zachtheid te bewegen. Ze wordt ook vriendelijker, hoe +verder ze naar binnen komt, stuwt haar golven minder hoog op, dempt +haar stormen, laat groen zitten in barsten en spleten, en verdeelt zich +in kleine baaien en inhammen, en wordt eindelijk dicht bij 't land zóó +weinig gevaarlijk, dat kleine bootjes zich op haar water wagen. Ze kan +zeker zichzelf niet herkennen, zoo licht en vriendelijk is ze geworden. + +En denk dan aan 't land. Dat ligt daar eentonig, en is bijna +overal hetzelfde. Het bestaat uit vlakke akkers met hier en daar een +beukenhaag er tusschen, of ook uit ver uitgestrekte bergterrassen met +bosch begroeid. 't Ziet er uit, alsof 't enkel denkt aan haver, en +rapen, en aardappelen, en sparren, en dennen. Dan komt een baai, die +ver in 't land insnijdt. Daar geeft het niets om, maar 't zet die af +met berk en els, precies alsof 't een gewoon zoetwatermeertje was. Dan +komt er nog een baai aan. Ook daar maakt het land geen complimenten +mee: die wordt ook bekleed als de eerste. Maar dan komen de fjords en +breken in, en maken zich breeder. Ze splijten 't veld en de bosschen, +en zoodoende moet het land ze wel opmerken. + +"Ik geloof, dat de zee zelf daar aankomt," zegt het land, en dan +begint het zich op te sieren. Het bekranst zich met bloemen, rijst +en daalt in heuvels en dalen, en gooit eilanden uit in de zee. 't +Wil niet meer weten van sparren en dennen, maar gooit ze weg als +oude, daagsche kleeren, en pronkt met groote eikeboomen, en linden, +en kastanjes, en met bloeiende velden vol groen kruid, en wordt zoo +mooi als een park op een landgoed. En als het de zee ontmoet, is het +zóó veranderd, dat het zichzelf niet meer herkent. + +Dit alles kan men nu niet goed zien, voor het zomer wordt, maar de +jongen merkte toch, hoe zacht en vriendelijk de natuur was, en hij +begon zich rustiger te voelen dan in 't begin van den nacht. Toen +hoorde hij op eens een sterk en akelig gehuil van uit het park, bij het +badhuis. En toen hij opstond, zag hij een vos in den bleeken maneschijn +op den grond, onder het balkon staan. Want Smirre was de ganzen weer +nageloopen. Maar toen hij de plaats had gevonden, waar ze nu waren, had +hij begrepen, dat het nu onmogelijk was ze ook maar eenigszins nabij +te komen, en toen had hij niet kunnen laten te huilen van ergernis. + +Toen de vos zoo huilde, werd de oude Akka, de leidstergans, wakker, en +hoewel ze bijna niets zien kon, meende ze toch die stem te herkennen. + +"Ben jij daar buiten in den nacht, Smirre?" vroeg ze. + +"Ja," zei Smirre, "ik ben het. En nu wil ik eens vragen, wat jelui +ganzen van den nacht zegt, dien ik jelui bezorgd heb." + +"Meen je daarmee, dat jij ons den marter en den otter achterna gezonden +hebt?" vroeg Akka weer. + +"Een goede daad moet men niet ontkennen," zei Smirre. "Jelui hebt +eens met mij het ganzenspelletje gespeeld. Nu heb ik met jelui het +vossenspelletje gedaan, en ik ben niet van plan daarmeê op te houden, +zoolang er nog maar een van jelui in 't leven is, al zou ik jelui +ook door 't heele land heen vervolgen." + +"Je moest er eens over nadenken, Smirre, of dat goed is van jou, die +gewapend is met tanden en klauwen, om ons op die manier te vervolgen; +wij--die weerloos zijn," zei Akka. + +Smirre vond, dat Akka bang scheen te zijn, en hij zei snel: "Als jij, +Akka, dien Duimelot daar, die me nu zoo dikwijls heeft tegengewerkt, +pakken wilt, en naar beneden gooien, dan beloof ik vrede met je te +sluiten. Ik zal je dan nooit meer vervolgen, en ook niet wie bij +je hooren." + +"Duimelot kan ik je niet geven," zei Akka. "Van de jongste tot de +oudste hebben we graag ons leven voor hem over." + +"Als jelui zóóveel van hem houden," zei Smirre, "dan beloof ik je, +dat hij de eerste van jelui zijn zal, op wien ik wraak nemen zal." + +Akka antwoordde niet meer, en nadat Smirre nog een paar keer gehuild +had, werd alles stil. De jongen bleef wakker liggen. Nu kwam het door +wat Akka tegen den vos had gezegd, dat hij niet slapen kon. Nooit +had hij gedacht, dat hij zooiets groots zou hooren, dat iemand zijn +leven voor hem wilde wagen! + +Van dat oogenblik af kon men niet meer van Niels Holgersson zeggen, +dat hij van niemand hield. + + + + + + +VIII. + +KARLSKRONA. + + +'t Was een avond in Karlskrona, en de maan scheen. 't Was mooi en +stil weer, maar vroeger op den dag had het gestormd en geregend, +en de menschen meenden zeker, dat het onweer nog voortduurde, want +bijna niemand waagde zich nog op straat. + +Terwijl de stad daar zoo verlaten lag, kwamen Akka en haar troep over +Vämmön en Pontarholm op haar aanvliegen. Zij waren er in den laten +avond op uit, om zich een veilige slaapplaats tusschen de klippen +te zoeken. Ze konden niet aan land blijven, omdat ze--waar ze ook +neerstreken--door Smirre, den vos, gestoord werden. + +Toen nu de jongen hoog in de lucht voortreed, en naar de zee en de +klippen keek, die zich voor hem uitstrekten, vond hij, dat alles er +zoo wonderlijk en spookachtig uitzag. De hemel was niet langer blauw, +maar welfde zich boven hem als een koepel van groen glas. De zee was +melkwit. Zoover hij zien kon, rolde zij haar witte golfjes met zilveren +glans op de toppen. Midden in al dat witte lagen koolzwart de vele +klippeneilanden. Of ze groot of klein waren, vlak als weilanden of +vol klippen, ze waren even zwart. Ja, zelfs de woonhuizen, de kerken +en windmolens, die gewoonlijk wit of rood waren, teekenden zich zwart +af op den groenen hemel. De jongen vond, dat het was, alsof de aarde +onder hem verwisseld geworden, en hij in een andere wereld gekomen was. + +Hij nam zich voor zich dezen nacht eens dapper te houden en niet +bang te worden, maar toen kreeg hij iets te zien, dat hem hevig +verschrikte. 't Was een hoog, rotsachtig eiland, met groote, kantige +blokken bedekt, en tusschen de zwarte blokken glinsterden plekken +helder, schitterend goud. Hij kon niet laten aan den Magle-Steen, +bij Heksen-Ljungby te denken, die de heksen soms op hooge, gouden +zuilen omhoog heffen, en hij vroeg zich verwonderd af, of hier iets +dergelijks was. + +Maar die steenen en dat goud waren nog zoo erg niet, als er +maar niet zooveel ondieren in het water rondom het eiland gelegen +hadden. 't Leken wel haaien en walvisschen en andere dieren, maar de +jongen begreep, dat het de zeespoken waren, die zich om het eiland +hadden verzameld, en van plan waren aan land te klauteren, om met de +landspoken, die daar woonden, te vechten. En die op het land woonden, +waren zeker bang, want hij zag hoe een groote reus, die op het hoogste +punt van het eiland stond, de armen omhoog hief, als in wanhoop over +al het ongeluk, dat over hem en zijn eiland zou komen. + +De jongen was niet weinig verschrikt, toen hij merkte, dat Akka juist +boven dat eiland ging neerdalen. + +"Neen, goeie hemel! Daar moeten we toch niet neerstrijken," zei hij. + +Maar de ganzen bleven dalen. En al gauw was de jongen er verbaasd over, +dat hij zóó verkeerd had kunnen zien. De groote steenblokken waren +ten eerste niets anders dan huizen. 't Heele eiland was een stad, +en de schitterende gouden plekken waren lantarens en rijen verlichte +vensters. De reus, die op 't hoogste punt van het eiland stond en de +armen opstak, was een kerk met twee schuine torens, en alle zeespoken +en ondieren, die hij had meenen te zien, waren allerlei booten en +vaartuigen, die om het eiland voor anker lagen. Aan de zijde van +het vaste land waren de meeste roeibooten en zeilsloepen en kleine +kuststoombootjes, maar aan den kant van de zee lagen gepantserde +vaartuigen, sommige breed met reusachtig dikke, naar achteren hellende +schoorsteenen, andere lang en smal, en zóó gevormd, dat ze door +'t water moesten kunnen glijden als visschen. + +Wat zou dat wel voor een stad zijn? Ja, daar zou de jongen wel achter +komen, want hij zag veel oorlogsschepen. Hij had zijn heele leven +pleizier in schepen gehad, hoewel hij nooit met andere had te maken +gehad, dan met de galeien, die hij in de sloot langs den weg had laten +varen. Hij wist toch wel, dat die stad, waar zooveel oorlogsschepen +lagen, geen andere dan Karlskrona kon wezen. + +De grootvader van den jongen was een oude marinematroos geweest, en +zoolang hij leefde, had hij elken dag van Karlskrona verteld, van de +groote oorlogswerf en van alles, wat daar in de stad te zien was. Hier +voelde de jongen zich heelemaal thuis, en hij was er blij om, dat +hij nu dat alles, waarvan hij zooveel had gehoord, te zien zou krijgen. + +Maar hij zag maar flauw de omtrekken van den toren en de vestingen, +die den ingang van den haven afsloten, en van de vele gebouwen op de +werf, eer Akka op een van de platte daken neerstreek. + +Dat was wel een veilige plaats voor wie tegen een vos beschermd +wou zijn, en de jongen dacht er over, of hij niet voor dien eenen +nacht onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen. Ja, dat kon +hij zeker wel. Het zou goed voor hem zijn een beetje te slapen. Hij +zou dan probeeren wat meer van de werf en de schepen te zien, als +het licht werd. + + + +De jongen vond zelf, dat het vreemd was, dat hij zich niet stilhouden +kon en tot den volgenden morgen wachten, voor hij de schepen ging +zien. Hij had zeker nog geen vijf minuten geslapen, voor hij onder +den vleugel uitgleed, en langs den bliksemafleider en de gootpijpen +naar beneden op den grond klauterde. Hij stond al gauw op een groote +markt, die voor de kerk lag. Die was met ronde steenen bestraat, en +voor hem even moeilijk te begaan, als voor volwassenen een ongelijk +weiland. Zij, die in 't woeste veld wonen, of ver weg op het land, +voelen zich altijd angstig, als ze in een stad komen, waar de huizen +recht en stijf staan, en de straten open liggen, zoodat ieder kan +zien, wie daar loopt. Zoo ging het ook met den jongen. Toen hij op +de groote markt in Karlskrona stond, en naar de Duitsche kerk en het +raadhuis en de groote kerk zag, vanwaar hij zoo pas naar beneden was +geklommen, wenschte hij zich weer boven bij de ganzen. + +Gelukkig was de markt heelemaal leeg. Er was geen mensch, als men +ten minste het standbeeld niet meê rekende, dat op een hoog voetstuk +stond. De jongen keek lang naar het standbeeld, dat een grooten, +groven man voorstelde, met een driekanten hoed op, een langen rok, +korte broek en zware schoenen aan, en hij dacht er over, wie het +wel wezen zou. Hij hield een langen stok in de hand, en zag er uit, +alsof hij dien ook wel wist te gebruiken, want hij had een geweldig +streng gezicht, met een grooten, krommen neus en een leelijken mond. + +"Wat heeft die hanglip daar te maken?" zei de jongen eindelijk. Hij +had zichzelf nooit zoo klein en akelig gevoeld als dien avond. Hij +probeerde zich moed in te spreken met een parmantig woord. Later dacht +hij niet meer aan het standbeeld, maar liep een breede straat in, +die naar zee leidde. + +Maar hij had nog niet lang geloopen, toen hij iets achter zich +hoorde. Achter hem liep iemand, die met zware voeten op de steenen +stampte, en op den grond stootte met een met ijzer beslagen stok. Dat +klonk, alsof de groote bronzen man van de markt aan 't wandelen +was gegaan. + +De jongen luisterde naar die stappen, terwijl hij de straat uitholde, +en hij werd er al meer van overtuigd, dat het de bronzen man was. De +grond dreunde, en de huizen schudden. 't Kon niemand anders wezen dan +hij, die zóó zwaar liep, en de jongen werd bang, toen hij dacht aan +wat hij zoo pas tegen hem had gezegd. Hij durfde niet om te kijken +om te zien, of hij het werkelijk was. + +"Hij gaat misschien maar wandelen voor zijn pleizier," dacht de +jongen. "Hij kan toch niet boos op me zijn, om wat ik gezegd heb. Dat +was heelemaal zoo niet bedoeld." + +In plaats van recht door te gaan en te probeeren op de werf te komen, +sloeg de jongen een straat in, die naar het oosten liep. Hij wilde +allereerst wegkomen, van wie daar achter hem liep. + +Maar al dadelijk hoorde hij, dat de bronzen man dezelfde straat +insloeg, en de jongen werd zóó bang, dat hij heelemaal niet wist wat +hij beginnen moest. En wat was het moeilijk schuilplaatsen te vinden +in een stad, waar alle poorten gesloten waren! Toen zag hij aan +zijn rechterhand een oude houten kerk, die een eind van de straat, +midden in een groot plantsoen lag. Hij bedacht zich geen oogenblik, +maar liep zoo hard hij kon naar de kerk. + +"Als ik daar maar komen kan, dan ben ik zeker tegen alle kwaad +beschut," meende hij. + +Terwijl hij voortholde, zag hij in eens een man, die op een pad stond, +en hem wenkte. + +"Dat is zeker iemand, die mij helpen wil," dacht de jongen. Hij werd +innig blij, en liep gauw naar dien kant. Hij was werkelijk zoo bang, +dat het hart hem in de borst bonsde. Maar toen hij bij den man kwam, +die aan den kant van het pad op een paaltje stond, was hij heelemaal +verbluft. + +"Hij kan het toch niet geweest zijn, die me wenkte," dacht hij, +want hij zag, dat de heele man van hout was. + +Hij bleef hem aan staan kijken. 't Was een grove man met korte beenen +en een breed, blozend gezicht, glanzend zwart haar en een vollen +zwarten baard. Op 't hoofd had hij een zwarten houten hoed, om het +lichaam een bruinen houten rok, om het midden een zwarte houten +sjerp, om de beenen een wijde, grijze houten korte broek en houten +kousen, en aan de voeten zwarte, houten korte rijglaarzen. Hij was pas +geschilderd en gevernist, zoodat hij glom en blonk in den maneschijn, +en dat droeg er zeker wel toe bij om hem zoo'n goedig uiterlijk te +geven, dat de jongen hem dadelijk vertrouwde. + +In de linkerhand hield hij een houten bord, en daarop las de jongen: + + + Ik vraag u nederig, + Al is mijn stem ook zwak, + Kom, leg een penning neer, + Maar neem mijn hoed dan af. + + +O, zoo! De man was dus een armenbus. De jongen voelde zich in de war +gebracht. Hij had verwacht, dat het iets heel bizonders zou zijn. En nu +herinnerde hij zich, dat zijn grootvader ook over dien houten man daar +had gesproken, en gezegd had, dat alle kinderen in Karlskrona zoo veel +van hem hielden. En dat was zeker wel waar, want hij had ook moeite om +van dien houten man weg te gaan. Hij had zooiets ouderwetsch over zich, +dat men kon denken, dat hij wel honderd jaar oud was, en tegelijkertijd +zag hij er zoo sterk en barsch en levenslustig uit,--precies zooals +men zich kon voorstellen, dat de menschen vroeger deden. + +De jongen vond het zoo aardig naar den houten man te kijken, dat hij +den ander, waarvoor hij was weggeloopen, heelemaal vergat. Maar nu +hoorde hij hem weer. Hij kwam de straat uit en het kerkplein op. Hij +kwam hierheen! Waar moest de jongen toch blijven? + +Op datzelfde oogenblik zag hij, hoe de houten man zich naar hem +neerboog en zijn groote breede hand uitstak. Het was onmogelijk +iets anders dan goed van hem te denken, en de jongen stond met één +sprong op de hand. En de houten man lichtte hem op naar zijn hoed, +en stopte hem daaronder. + +Juist was de jongen verstopt, en juist had de houten man zijn arm +weer op de rechte plaats gebracht, of de bronzen man stond voor hem, +en stootte zijn stok op den grond, zoodat de houten man op zijn +voetstuk schudde. Toen zei de bronzen man met sterke, klankvolle stem: + +"Wat ben jij voor een snuiter?" + +De arm van den houten man ging snel naar boven, zoodat het oude hout +kraakte, en hij tikte aan zijn hoed, terwijl hij antwoordde: + +"Rosenbom, met permissie, uwe Majesteit. Eens opperbootsman op +'t linieschip Driestheid; na mijn diensttijd kerkwachter aan de +Admiraliteitskerk, eindelijk in hout gesneden en op het kerkplein +neergezet als armenbus." + +Een schok ging den jongen door de leden, toen hij hoorde, dat de +houten man zei: "Uwe Majesteit." Want nu hij er over nadacht, wist +hij, dat het standbeeld op de markt den man voorstelde, die de stad +gesticht had. 't Was dus niemand minder dan Karel de Elfde, waar hij +tegen zijn zin mee te doen gekregen had. + +"Je antwoordt flink," zei de bronzen man. "Kun je me nu ook zeggen, +of je een dwergje gezien hebt, dat hier van nacht rondloopt in de +stad? Dat is een brutale rekel, en als ik hem maar te pakken krijg, +zal ik hem wel mores leeren." En bij die woorden stootte hij zijn +stok weer op den grond, en zag er vreeselijk boos uit. + +"Met uw verlof, Uwe Majesteit, ik heb hem gezien," zei de houten +man. En de jongen werd zóó bang, dat hij begon te beven onder den hoed, +en hij keek naar den bronzen man door een spleetje in 't hout. Maar +hij werd weer kalm, toen de houten man voortging: "Maar uwe Majesteit +is op 't verkeerde spoor. Dat dwergje was zeker van plan naar de werf +te loopen en zich daar te verstoppen." + +"Denk je dat, Rosenbom? Ja, blijf dan niet langer daar zoo stil op +je paal staan, maar kom met me mee, en help me hem zoeken. Vier oogen +zien meer dan twee, Rosenbom." + +Maar de houten man antwoordde met jammerende stem: + +"Ik smeek U alleronderdanigst te mogen blijven staan, waar ik sta. Ik +zie er frisch en glimmend uit door de verf, maar ik ben oud en +vermolmd, en kan 't niet verdragen me te bewegen." + +De bronzen man hoorde zeker niet tot de menschen, die graag +tegengesproken worden. + +"Wat zijn dat voor manieren? Wil je wel eens meegaan, Rosenbom?" + +En hij hief zijn langen stok op, en gaf den ander een klinkenden +klap op zijn schouder. "Zie je wel, dat je nog wat verdragen kunt, +Rosenbom." + +Toen braken ze op, en gingen groot en geweldig door de straten van +Karlskrona, tot ze aan een houten poort kwamen, aan den ingang van +de werf. Daarbuiten liep een van de marinematrozen op wacht, maar +de bronzen man liep hem voorbij, en trapte de poort open, zonder dat +de matroos er iets om gaf. Zoodra ze op de werf gekomen waren, zagen +zij een uitgestrekte haven voor zich, door steigers in verschillende +afdeelingen verdeeld. In de havenbasins lagen oorlogsschepen, en +zagen er van dichtbij grooter en verschrikkelijker uit, dan toen +de jongen ze van boven af zag. "'t Was toch nog niet zoo verkeerd, +dat ik ze voor zeespoken hield," dacht hij. + +"Waar vindt je 't het beste om met zoeken te beginnen, Rosenbom?" zei +de bronzen man. + +"Zoo'n klein ding, als hij, zou zich wel 't beste in de modelzaal +kunnen verstoppen," antwoordde de houten man. + +Op een smalle strook land, die zich links van de poort langs de heele +haven tot aan zee toe uitstrekte, lagen ouderwetsche gebouwen. De +bronzen man ging naar een huis met lage muren, kleine vensters en +een groot dak. Hij stootte met zijn stok tegen de deur, zoodat die +open sprong, en liep met harde stappen een trap met uitgesleten +treden op. Toen kwamen zij in een groote zaal, die vol getakelde en +getuigde schepen was. De jongen begreep, ook zonder dat men het hem +zei, dat het de modellen waren van de vaartuigen, die voor rekening +van de Zweedsche marine gebouwd waren. + +Daar waren verschillende soorten van vaartuigen. Er waren oude +linieschepen met kanonnen aan weerskanten, met hooge getouwen +voor en achter, de masten met een warwinkel van zeilen en touwen +bezwaard. Er waren kleine bootjes voor de vaart tusschen de klippen, +met roeibanken langs de kanten, er waren kanonneersloepen zonder dek, +en rijk vergulde fregatten, de modellen van de schepen, die koningen +voor hun reizen hadden gebruikt. Eindelijk waren er ook de zware, +breede pantserschepen met een toren en kanonnen op het dek, die +tegenwoordig in gebruik zijn, en smalle glimmende torpedobootjes, +die op lange, slanke visschen leken. + +Toen de jongen door dat alles heengedragen werd, was hij steeds +meer verbaasd. + +"Dat zulke groote en mooie schepen hier in Zweden gebouwd zijn!" sprak +hij. + +Hij had tijd genoeg alles daar binnen te bekijken, want toen de bronzen +man de modellen zag, vergat hij het andere. Hij bekeek ze allemaal, +van de eerste tot de laatste, en vroeg naar alles, wat hij opmerkte. En +Rosenbom, de opperbootsman van de "Driestheid" vertelde wat hij wist +van de bouwmeesters van de schepen, en van wie ze gecommandeerd hadden, +en hoe 't met hen gegaan was. Hij vertelde van alle beroemde zeehelden +tot 1809, want verder was hij er niet bij geweest. + +Hij en de bronzen man vonden allebei de oude, mooie houten schepen +de beste. Van de nieuwe pantserschepen schenen ze niet zoo heel veel +verstand te hebben. + +"Ik merk wel, dat je niets weet van dat nieuwe hier," zei de bronzen +man. "Laten we daarom liever naar wat anders gaan kijken, want hier +heb ik pleizier in, Rosenbom." + +Nu scheen hij opgehouden te hebben naar den jongen te zoeken, en +Niels voelde zich kalm en veilig daar onder den houten hoed. + +Toen wandelden de beide mannen door de groote gebouwen: de zeilmakerij, +de ankersmederij, de machine en timmerwerkplaatsen. Ze zagen de kranen +en dokken, de groote magazijnen, de artillerie-afdeeling, het tuighuis, +de lange touwslagerij en het groote verlaten dok, dat in de rots was +uitgehouwen. Ze liepen de steigers op, waar de oorlogsschepen voor +anker lagen, gingen aan boord, en bekeken ze als twee oude zeerobben, +bewonderden en keurden af, prezen en ergerden zich. + +De jongen zat veilig onder den houten hoed, en hoorde er van spreken, +hoe er gewerkt en gezwoegd was om al die vloten uit te rusten, die +van hier waren uitgezonden. Hij hoorde hoe leven en bezittingen waren +gewaagd, de laatste penning geofferd om oorlogsschepen te bouwen, hoe +bekwame mannen al hun krachten hadden ingespannen om die vaartuigen +zoo goed mogelijk te maken en te verbeteren, die ter verdediging +van het vaderland moesten dienen. 't Kan niet ontkend worden, dat de +jongen een paar maal de tranen in de oogen kreeg, toen hij over dat +alles hoorde praten. + +'t Allerlaatst gingen zij naar een open plaats, waar de gallioenfiguren +van oude linieschepen stonden uitgestald. En iets wonderlijkers had +de jongen nog nooit gezien, want die beelden hadden ongelooflijk +indrukwekkende, schrikaanjagende gezichten. Ze waren groot, zagen +er dapper en woest uit, vol van denzelfden fieren geest, die de +groote schepen hadden uitgerust. Ze waren van een anderen tijd dan +de zijne. Hij had een gevoel, dat hij in elkaar kromp, toen ze daar +voor hem stonden. + +Maar toen ze daar kwamen, zei de bronzen man tegen den houten: "Neem +je hoed af, Rosenbom, voor hen, die hier staan. Zij zijn allemaal in +den strijd voor het vaderland geweest." + +En Rosenbom had vergeten, waarom ze die wandeling begonnen waren, +evengoed als de bronzen man. Zonder zich te bedenken nam hij zijn +houten hoed af en riep: + +"Ik neem de hoed af voor hem, die de haven groef en de werf stichtte, +en de vloot vernieuwde, voor den koning, die dit alles schiep!" + +"Dank je Rosenbom. Dat is mooi gezegd. Je bent een beste kerel! Maar +wat is dat nu, Rosenbom?" + +Want daar stond Niels Holgersson midden op den kalen schedel van +Rosenbom. Maar nu was hij niet bang meer. Hij nam zijn witte muts af, +en zwaaide die hoog in de lucht en riep: "Hoera voor jou, Langlip!" + +De bronzen man stootte met zijn stok hard op den grond. Maar de jongen +kwam nooit te weten, wat hij van plan was te doen, want nu ging de +zon op, en meteen verdwenen ze allebei, de bronzen en de houten man, +alsof ze uit damp bestonden. Terwijl hij nog naar hen stond te kijken, +vlogen de wilde ganzen op van den kerktoren, en zweefden heen en +weer over de stad. Op eens kregen ze Niels Holgersson in 't oog, +en toen schoot de groote witte uit de wolken neer om hem te halen. + + + + + + +IX. + +DE REIS NAAR ÖLAND. + + +Den volgenden morgen vlogen de wilde ganzen naar een rotseiland om +te grazen. Daar ontmoetten ze een troepje grijze ganzen, die heel +verwonderd waren ze te zien, omdat ze heel goed wisten, dat hun +verwanten, de wilde ganzen, liefst over het binnenland vliegen. Ze +waren nieuwsgierig en vraagziek, en waren niet eer tevreden, voor +de wilde ganzen van de vervolging van Smirre, den vos, hadden +verteld. Toen ze hun verhaal hadden gedaan, zei een grijze gans, +die even oud en wijs scheen als Akka zelf: + +"Dat was een groot ongeluk voor u, dat de vos in zijn eigen land +vogelvrij verklaard werd. Hij zal zeker zijn woord houden, en u +tot in Lapland vervolgen. Als ik in uw plaats was, zou ik niet naar +'t noorden, over Smaland gaan, maar den buitenweg nemen over Öland, +zoodat hij heelemaal uw spoor bijster wordt. Om hem goed in de war +te brengen, moest u een paar dagen op de zuidelijke spits van Öland +blijven. Daar zult u goed eten en goed gezelschap vinden. Ik geloof +niet, dat u er spijt van hebben zult, als u dien weg neemt." + +Dat was werkelijk een wijze raad, en de wilde ganzen besloten dien +te volgen. Zoodra zij verzadigd waren, begonnen zij den tocht naar +Öland. Geen van hen was daar vroeger geweest, maar de grijze gans +had hun goede kenteekenen voor den weg aangegeven. + +Ze hadden maar recht naar het zuiden te vliegen, tot ze den grooten +vogelstoet ontmoetten, die buiten langs de kust van Bleking ging. Alle +vogels, die hun winterverblijf bij de Noordzee hadden, en nu op weg +waren naar Finland en Rusland, vlogen daar langs, en ze waren allen +gewoon op Öland neer te strijken om daar te rusten. De wilde ganzen +zouden aan gidsen geen gebrek hebben. + +Dien dag was het volkomen stil en warm als op een zomerdag, het beste +weer, dat men zich voor een zeereis denken kan. Het eenige, wat een +beetje onrust gaf, was, dat het niet heelemaal helder was; de hemel +was grijs en gedekt. Hier en daar dreven geweldige wolkenmassa's, +die tot aan den horizon neerhingen, en 't uitzicht verhinderden. + +Toen de reizigers buiten de klippen waren gekomen, strekte de zee zich +zoo effen en spiegelglad uit, dat de jongen, toen hij naar beneden +keek, meende, dat het water verdwenen was. Er was geen aarde meer onder +hem, hij had niets dan lucht en wolken om zich heen. Hij werd heelemaal +duizelig, en klemde zich nog angstiger aan den ganzenrug vast, dan +hij den eersten keer had gedaan. 't Was, alsof hij zich onmogelijk +vast zou kunnen houden, maar den een of anderen kant uit vallen moest. + +'t Werd nog erger, toen ze aan den grooten vogelstoet kwamen, +waarvan de grijze gans had gesproken. Werkelijk kwam de eene vlucht +na de andere aanvliegen, allen in dezelfde richting. 't Was, als +volgden ze een gebaanden weg. 't Waren eenden en grijze ganzen, +zwarte waterhoenders en duikerhoenders, duikeleenden en pijlstaarten, +duikelganzen en zilverhoenders, strandeksters en waterhoenders. Maar +toen nu de jongen zich vooroverboog, en dien kant uitkeek, zag hij +den heelen vogelstoet spiegelen in het water. Hij was zoo soezig, +dat hij niet begreep hoe dat kwam; hij meende, dat alle vogels met +den buik naar boven vlogen. Hij was daar toch niet erg verbaasd over, +want hij wist zelf niet wat boven en wat beneden was. + +De vogels waren heel moe, en verlangden verder te komen. Niemand van +hen schreeuwde, of zei een grappig woordje, en dat maakte, dat alles +er zoo wonderlijk onwerkelijk uitzag. + +"Stel je voor, dat we van de aarde weggevlogen zijn!" zei hij in +zichzelf. "Stel je voor, dat we bezig zijn naar den hemel te gaan!" + +Hij zag niets dan wolken en vogels om zich heen, en hij begon het +waarschijnlijk te vinden, dat ze naar den hemel vlogen. Hij werd +blij, en vroeg zich af, wat hij daar wel te zien zou krijgen. De +duizeligheid ging op eens over. Hij vond het zoo heerlijk te denken, +dat hij naar den hemel ging, en de aarde verliet. + +Maar op eens hoorde hij een paar knallende schoten, en zag eenige +witte rookzuiltjes opstijgen. + +Onder de vogels ontstond onrust en rumoer. + +"Schutters! Schutters! Schutters in booten!" riepen ze. "Vlieg +hoog! Vlieg weg!" + +Toen zag de jongen eindelijk, dat ze nog steeds over de zee vlogen, +en dat ze in 't geheel niet in den hemel waren. Kleine booten lagen in +een lange rij, en ze waren vol schutters, die schot op schot losten. De +eerste groepen vogels hadden hen niet bijtijds gemerkt. Ze hadden +te laag gevlogen. Verscheidene donkere lichamen zonken neer in zee, +en bij elk, die viel, hieven de levende lange jammerkreten aan. + +'t Was vreemd voor hem, die zich zoo pas ver in den hemel droomde, +met zulk een schrik en ellende weer tot zichzelf te komen. Akka schoot +omhoog zoo snel ze kon, en daarna vloog de troep weg met de grootst +mogelijke snelheid. De wilde ganzen kwamen dan ook ongedeerd weg, +maar de jongen kon maar niet van zijn verbazing bekomen. Stel je voor, +dat iemand kon schieten op Akka, en Yksi en Kaksi! Op den ganzerik +en de anderen. De menschen hadden toch geen begrip van wat ze deden! + +Zoo ging de tocht weer voort door de stille lucht, en alles was +doodstil als te voren; alleen enkele afgematte vogels riepen nu en dan: +"Zijn we er gauw? Weet jelui wel zeker, dat we op den goeden weg zijn?" + +En dan antwoordden zij, die vooraan vlogen: "We vliegen recht op +Öland aan, recht op Öland!" + +De wilde eenden waren moe, en de duikeleenden draaiden om hen heen. + +"Haast je zoo niet!" riepen de eenden toen. "Jelui eet alles op, +voor wij er aan toe zijn!" + +"Er is genoeg voor jelui en voor ons," antwoordden de duikeleenden. + +Eer ze nog zoover gekomen waren, dat ze Öland zagen, kwam een flauw +windje hun tegemoet. Dat bracht iets meê, dat op geweldige massa's +witte rook leek, alsof er ergens een groote brand was. + +Toen de vogels de eerste witte warrelwolken zagen aanrollen, werden ze +bang, en vlogen sneller. Maar dat witte, dat op rook leek, stroomde al +dichter voort, en eindelijk omringde het hen heelemaal. Het had geen +scherpe lucht, het was niet donker en droog, maar wit en vochtig. De +jongen begreep al gauw, dat het niet anders dan mist was. + +Toen de mist zoo dicht was, dat men geen stap voor zich uit kon zien, +begonnen de vogels zich aan te stellen als echte dwazen. Allen, die +tot nu toe zoo ordelijk hadden meêgevlogen, begonnen in den mist te +spelen. Zij vlogen heen en weer om elkaar in de war te brengen. "Pas +op!" riepen zij. "Jelui vliegen maar aldoor in de rondte! Keer toch in +'s hemels naam om! Zoo komen jelui nooit op Öland." + +Allen wisten heel goed, waar het lag, maar ze deden hun best elkaar +het spoor bijster te maken. "Kijk nu die pijlstaarten eens!" klonk +het in den nevel. "Jullie gaan naar de Noordzee terug!" + +"Past op, grijze ganzen!" riep iemand van een anderen kant, "als +jelui zoo voortgaat, kom je nog in Rügen!" + +Er was, zooals we al zeiden, geen gevaar, dat de vogels, die gewoon +waren dezen weg te nemen, zich den verkeerden kant uit zouden +laten lokken. Maar zij, die 't moeilijk hadden--dàt waren de wilde +ganzen. De boosdoeners merkten, dat ze niet zeker van den weg waren, +en deden àl wat zij konden om hen in de war te brengen. + +"Waar moet jelui heen, vrienden?" riep een zwaan. Hij kwam recht op +Akka af, en zag er medelijdend en ernstig uit. + +"Wij moeten naar Öland, maar we zijn er nog nooit geweest," zei +Akka. Ze meende, dat dit een vogel was om op te vertrouwen. + +"Dat is toch te erg," zei de zwaan. "Dan hebben ze jelui in de war +gebracht. Je bent op weg naar Bleking. Kom nu meê, ik zal je weer in +de goede richting brengen." + +En toen vloog hij met hen weg. En toen hij hen zoo ver van den grooten +trekweg gebracht had, dat zij geen roepen meer hoorden, verdween hij +in den mist. + +Nu vlogen ze een poos op goed geluk rond. Nauwlijks was het hun gelukt +de vogels terug te vinden, of een eend kwam op hen aan. + +"'t Is het beste, dat jelui op het water gaat liggen, tot de mist +is opgetrokken," zei de eend. "Men kan wel zien, dat jelui niet aan +'t reizen gewend zijn." + +'t Scheelde niet veel, of de rekels hadden Akka suf gemaakt. Voor +zoover de jongen 't begreep, vlogen de wilde ganzen lang in een +kring rond. + +"Pas toch op! Zie jelui niet, dat jelui op en neer vliegt," riep +een duikeleend, terwijl hij hen vlug voorbij vloog. De jongen greep +onwillekeurig den ganzerik om den hals. Daar was hij nu aldoor bang +voor geweest. Niemand kan zeggen, hoe ze vooruit zouden zijn gekomen, +als ze niet een dof rollend schot hadden gehoord, heel in de verte. + +Toen strekte Akka den hals uit, klapwiekte luid, en vloog voort +in een vliegende vaart. De grijze eenden hadden haar juist gezegd, +dat zij niet moesten neerstrijken op de zuidelijke spits van Öland, +omdat daar een groot kanon stond, waarmeê de menschen gewoon waren +op den nevel te schieten. + +Nu kende zij de richting, en nu zou niemand in de wereld er haar meer +van afbrengen. + + + + +DE ZUIDPUNT VAN ÖLAND. + + +Op het zuidelijk gedeelte van Öland ligt een oude koningshoeve, +die Ottenby heet. Dat is een groot landgoed, dat zich dwars over het +eiland uitstrekt, van het eene strand naar het andere, en het is al +daarom beroemd, omdat groote kudden herten er altijd een toevlucht +gezocht hebben. Omstreeks 1600, toen de koningen gewoon waren naar +Öland te gaan om te jagen, was het heele landgoed niet anders dan een +groot hertenpark. Omstreeks 1700 vond men daar een paardenfokkerij, +waar edele raspaarden werden gefokt, en een schapenfokkerij, waar vele +honderden schapen gehouden werden. In onze dagen vindt men bij Ottenby +geen volbloedspaarden of schapen meer. In plaats daarvan leven er +groote troepen jonge paarden, die bij de Zweedsche kavallerie moeten +worden gebruikt. + +In het geheele land is zeker geen hoeve, die beter voor herten geschikt +is. Langs de oostkust ligt de oude schapenwei, die een kwart mijl lang +is, de grootste weide op heel Öland, waar de dieren kunnen grazen en +spelen, en zich even vrij bewegen als op de woeste velden. En daar is +het beroemde bosch van Ottenby met de honderdjarige eiken, die schaduw +voor de zon geven en beschutting voor den scherpen Ölandswind. En +dan moet men den langen muur van Ottenby niet vergeten, die van 't +eene strand naar het andere loopt, en Ottenby van het overige eiland +afscheidt, zoodat de herten kunnen weten, hoe ver de oude Koningshoeve +loopt, en er op passen kunnen, dat ze niet op een ander veld komen, +waar ze niet zoo veilig zijn. + +Maar niet alleen tamme dieren zijn er veel op Öland. Men zou bijna +denken, dat wilde èn tamme dieren op een oud kroondomein er op konden +rekenen daar goed verzorgd en beschermd te zijn, en dat ze er daarom in +zulke groote troepen komen. Behalve dat daar nog herten van den ouden +stam zijn overgebleven, en dat hazen en bergeenden en patrijzen er +graag wonen, is daar in de lente en in den nazomer een rustplaats voor +vele duizenden trekvogels. Vooral aan de moerassige oostkust, onder +de schapenwei, strijken de trekvogels neer om te grazen en te rusten. + +Toen de wilde ganzen en Niels Holgersson eindelijk op Öland waren +aangeland, streken zij, als alle andere neer, op het strand bij de +schapenwei. Dicht lag de mist over het eiland, zooals vroeger over +de zee. Maar de jongen was toch verbaasd over al de vogels, die hij +onderscheiden kon, alleen maar op het kleine stukje van het strand, +dat hij kon overzien. + +'t Was een laag, zandig strand met steenen en waterplasjes en een +massa aangespoeld zeewier. Als de jongen had mogen kiezen, zou hij er +nooit aan gedacht hebben daar neer te strijken, maar de vogels vonden +het daar zeker een echt paradijs. Eenden en grijze ganzen liepen +te grazen op de wei; dichter bij het water sprongen houtsnippen en +andere strandvogels rond. De duikeleenden lagen op zee te visschen, +maar 't meeste leven en beweging was er op de lange zeewierbanken +aan de kust. Daar stonden de vogels dicht op elkaar, en vergastten +zich aan larven, die daar in eindelooze massa's wezen moesten, want +nooit hoorde men klachten over gebrek aan voedsel. + +Verreweg de meesten moesten verder, en waren alleen neergestreken +om te rusten, en zoo gauw de leider van een troep meende, dat zijn +kameraden zich voldoende versterkt hadden, zei hij: "Zijn jelui nu +klaar? dan gaan we verder." + +"Neen, wacht nog even, wacht wat! We hebben nog lang niet genoeg," +zei zijn reisgezelschap. + +"Je denkt toch niet, dat ik van plan ben jelui te laten eten, tot je +zóóveel gegeten hebt, dat je je niet meer kunt bewegen?" zei de leider, +klapte met de vleugels en vloog op. Maar het gebeurde meer dan eens, +dat hij moest terugkomen, omdat hij de anderen niet bewegen kon om +meê te gaan. + +Buiten de verste zeewierbanken lag een troep zwanen. Zij hadden geen +zin om aan land te gaan, maar rustten door te liggen wiegelen op +'t water. Nu en dan staken zij de halzen onder den waterspiegel, en +haalden voedsel op van den bodem der zee. Als zij iets heel lekkers +gepakt hadden, gaven ze luide kreten, die als stooten op de trompet +klonken. + +Toen de jongen hoorde, dat er zwanen op het ondiepe water lagen, +ging hij gauw naar de zeewierbanken, want hij had nog nooit wilde +zwanen van dichtbij gezien. + +Het liep hem meê, zoodat hij vlak bij hen kwam. + +De jongen was de eenige niet, die de wilde zwanen had gehoord. Wilde +en grijze ganzen, eenden en duikeleenden zwommen naar de banken, +vormden een kring om de zwanen heen en staarden ze aan. De zwanen +zetten hun veeren op, hieven hun vleugels als zeilen omhoog, en staken +de halzen recht naar boven. Nu en dan zwom een van hen naar een gans +of een duikeleend, en zei een paar woorden. En dan was het, alsof de +aangesprokene nauwlijks den snavel durfde opheffen om te antwoorden. + +Maar daar was ook een klein duikeleendje, een kleine zwarte deugniet, +die al die plechtige manieren niet uit kon staan. Hij dook heel snel +weg, en verdween onder den waterspiegel. Onmiddellijk daarna schreeuwde +een van de zwanen, en zwom zóó gauw weg, dat het water schuimde. Toen +hield hij stil, en begon er weer majestueus uit te zien. Maar kort +daarop schreeuwde een andere, en toen schreeuwde een derde. + +Nu kon het duikeleendje het niet langer onder water uithouden, maar +verscheen aan de oppervlakte, klein, en zwart en ondeugend als hij +was. De zwanen vlogen op hem af, maar toen ze zagen wat het voor een +peuter was, keerden ze knorrig om, alsof ze het beneden hun waardigheid +achtten met hem te kibbelen. Maar het duikeleendje dook opnieuw onder, +en beet ze in de pooten. Dat deed zeker pijn, maar het ergste was, +dat ze hun waardigheid niet op konden houden. + +Op eens maakten ze er een eind aan. Ze begonnen met hun vleugels +in de lucht te slaan, dat het dreunde, kwamen een heel eind, als +'t ware springende, vooruit over het water, kregen eindelijk lucht +genoeg onder de vleugels, en vlogen op. + +Toen ze weg waren, lieten ze een groote leegte achter. En zij, die +eerst pleizier hadden gehad in de aanvallen van het duikeleendje, +berispten hem nu om zijn onbeschaamdheid. + +De jongen ging weer naar 't land. Daar bleef hij toezien hoe de +snippen speelden. Zij leken op heele kleine kraanvogels, hadden ook dat +kleine lichaampje, die hooge pooten, lange halzen en lichte zwevende +bewegingen, alleen waren ze niet grijs, maar bruin. Ze stonden in +een lange rij op strand, waar de golven het bespoelden. Zoodra een +golf aankwam, sprong de heele rij achteruit. Zoodra die teruggleed, +volgden ze haar na. En zoo gingen ze uren lang door. + +De mooiste van alle vogels waren de bergeenden. Ze waren zeker +verwant aan de gewone eenden, want ze hadden evenals deze een zwaar, +gezet lichaam, een breeden snavel en zwempooten, maar ze waren véél +sierlijker. Hun veeren waren wit, maar om den hals hadden zij een +breeden, gelen band, de vleugels speelden in groen, rood en zwart; +de vleugelpunten waren zwart; de kop was zwartgroen, en had een +weerschijn als zijde. + +Zoodra een paar van hen zich aan 't strand vertoonden, zeiden de andere +vogels: "Kijk die eens! Die hebben slag zich op te tooien!" "Als ze +niet zoo mooi waren, zouden ze hun nesten niet in den grond hoeven te +maken, maar konden boven in 't daglicht wonen, zooals alle anderen," +zeide een bruine wijfjesgraseend. + +"Ze kunnen zich uitsloven, zooveel ze willen, maar ze kunnen er toch +nooit behoorlijk uitzien met zoo'n neus als zij hebben," zei een +grijze gans. En dat was werkelijk waar. De bergeenden hadden een +groote knoest op den wortel van hun snavel, die hen erg leelijk maakte. + +Binnen het strand vlogen meeuwen en zeezwaluwen heen en weer over +het water, en vischten. + +"Wat is dat voor visch, die je ophaalt?" vroeg een wilde gans. + +"Dat zijn stekelbaarzen, Ölandsche stekelbaarzen, dat is de beste +visch in de wereld," zei een meeuw. "Wil je niet eens proeven?" En +hij vloog naar de gans toe met een mond vol van de kleine vischjes, +en wilde er haar van geven. + +"O foei! Meen je, dat ik zulke vuiligheid eten wil!" zei de wilde gans. + +Den volgenden morgen was het nog altijd even mistig. De wilde ganzen +gingen naar de weide om te grazen, maar de jongen ging naar het strand +om mosselen te zoeken. Er waren er genoeg, en toen hij er aan dacht, +dat hij den volgenden dag misschien op een plaats zou wezen, waar +hij in 't geheel geen eten kon krijgen, besloot hij te probeeren een +zakje te maken, dat hij vol mosselen kon doen. Hij vond op de wei oud +rietgras, dat sterk en taai was, en daarvan begon hij een ransel te +vlechten. Daar had hij verscheidene uren werk aan, maar hij was er +ook heel blij mee, toen die af was. + +Tegen den middag kwamen alle wilde ganzen aanvliegen, en vroegen hem +of hij den witten ganzerik ook gezien had. "Neen, hij is niet bij +mij geweest," zei de jongen. + +"Hij was een oogenblik geleden nog bij ons," zei Akka, "maar nu weten +we niet, waar hij is." + +De jongen vloog op, en werd vreeselijk bang. Hij vroeg, of er zich +ook een vos of arend vertoond had, of dat er een mensch in de buurt +gezien was. Maar niemand had iets gevaarlijks gemerkt. De ganzerik +was zeker alleen maar in den mist verdwaald. + +Maar het was voor den jongen al even ongelukkig, op welke manier +de ganzerik ook weggeraakt was, en hij ging dadelijk op weg om +hem te zoeken. De mist beschermde hem, zoodat hij ongezien overal +rond kon loopen, maar die belette hem ook te zien. Hij liep hard +naar het zuiden, langs de kust, heel tot aan den vuurtoren en het +mistkanon aan de uiterste spits van het eiland. Overal was hetzelfde +vogelgewemel--maar geen ganzerik. Hij waagde zich tot bij de hoeve van +Ottenby, en hij doorzocht al de oude uitgeholde eiken een voor een, +maar hij vond geen spoor van den ganzerik. + +Hij zocht tot het donker begon te worden. Toen moest hij terug naar het +strand aan de oostzijde van het eiland. Hij liep met zware stappen, +en was heel somber. Hij wist niet, wat er van hem worden moest, als +hij den ganzerik niet vinden kon. Er was niemand, dien hij minder +kon missen. + +Maar toen hij over de schapenwei liep... wat was dat voor een groot +wit ding, dat hem te gemoet kwam, als dat de ganzerik niet was? Hij +was volkomen ongedeerd en heel blij, dat hij eindelijk zijn weg naar de +anderen terug had kunnen vinden. De mist had hem zoo soezig in 't hoofd +gemaakt, dat hij op de groote Wei den heelen dag had rondgeloopen. De +jongen sloeg in zijn blijdschap de armen om zijn hals, en smeekte hem +voorzichtig te zijn en niet van de anderen weg te gaan. En dat beloofde +hij stellig, nooit meer te doen. Neen, nooit meer! Maar den volgenden +morgen, toen de jongen langs het strand liep, en mosselen zocht, kwamen +de ganzen weer aan, en vroegen hem, of hij den ganzerik ook had gezien. + +Neen, dat had hij zeker niet. Zoo, was de ganzerik nu weer weg? Hij +was zeker weer in den mist verdwaald, zooals den vorigen dag. + +De jongen liep dood verschrikt weg, en begon te zoeken. Hij vond +een plaats, waar de muur van Ottenby zoo afgebrokkeld was, dat hij +er over kon klauteren. Later liep hij rond beneden aan 't strand, +dat langzamerhand breeder werd, en eindelijk zoo groot was, dat er +plaats was voor akkers en velden en boerenplaatsen; hij zocht boven op +het platte hoogland, dat midden op het eiland lag, waar geen andere +gebouwen dan windmolens waren, en waar de plantengroei op den bodem +zóó dun was, dat de witte kalkgrond er door scheen. + +Maar den ganzerik kon hij niet vinden, en toen het tegen den avond +liep, en hij weer naar het strand terug ging, kon hij niet anders +denken, dan dat zijn reiskameraad weg was. Hij was zoo moedeloos, +dat hij niet wist wat te beginnen. + +Hij was al weer over den muur gekomen, toen hij een steen hoorde +vallen, vlak bij hem. Toen hij zich omkeerde om te zien wat dat was, +meende hij iets te onderscheiden, dat zich bewoog op een steenhoop, die +vlak tegen de muur lag. Hij sloop dichterbij, en zag toen den witten +ganzerik aankomen, tegen den steenhoop op, met moeite verscheidene +lange wortelvezels in den bek meêsleepend. De ganzerik zag den jongen +niet, en deze riep hem ook niet, maar meende, dat het zaak was eerst +te onderzoeken, waarom de ganzerik keer op keer verdween. + +Hij kwam de reden daarvan ook te weten. Boven op den steenhoop lag +een jonge, grijze gans, die een uitroep van vreugd liet hooren, toen +de ganzerik kwam. De jongen sloop naderbij, zoodat hij kon hooren, +wat ze zeiden, en wist toen al gauw, dat de grijze gans den eenen +vleugel had beschadigd, zoodat ze niet vliegen kon, en dat haar +troep was weggevlogen, en haar alleen had achtergelaten. Ze was op +het punt van honger te sterven, toen de witte ganzerik den vorigen +dag haar had hooren roepen, en gezocht had, tot hij haar vond. Sinds +dien tijd had hij haar eten gebracht. Ze hadden allebei gehoopt, +dat ze beter zou worden, voor hij van 't eiland weg zou gaan, maar +ze kon nog niet vliegen of loopen. Ze was daar heel bedroefd om, +maar hij troostte haar, en zei, dat hij nog lang niet op reis zou gaan. + +Eindelijk zei hij haar goedennacht, en beloofde, dat hij den volgenden +dag zou terugkomen. + +De jongen liet den ganzerik heengaan, en zoodra hij weg was, sloop +hij op zijn beurt den steenhoop op. Hij was boos, omdat hij bedrogen +was, en nu wou hij die gans daar vertellen, dat de ganzerik van hem +was. Hij moest den jongen naar Lapland brengen, en er was geen sprake +van, dat hij hier kon blijven om haar!--Maar toen hij het jonge gansje +van dichtbij zag, begreep hij waarom de ganzerik haar twee dagen lang +eten had gebracht, en waarom hij er niet over had willen spreken, +dat hij haar hielp. Ze had een beelderig kopje, haar veeren waren +zóó zacht als zijde, en haar oogen zacht en smeekend. + +Toen ze den jongen zag, wilde ze wegloopen. Maar haar linkervleugel +was uit het lid, en sleepte over den grond, zoodat die haar hinderde +bij al haar bewegingen. + +"Je hoeft niet bang voor me te wezen," zei de jongen, en keek lang +zoo boos niet, als hij van plan was te doen. "Ik ben Duimelot, de +reiskameraad van Maarten, den ganzerik," ging hij voort, en hij wist +niet, wat hij zeggen zou. + +Er kan soms iets aan dieren zijn, dat ons verwonderd doet vragen, +wat het toch voor soort wezens zijn. Men is bijna bang, dat het +betooverde menschen zijn. Zooiets had die jonge, grijze gans. Zoodra +Duimelot zei, wie hij was, boog zij den hals heel gracieus voor hem, +en zei met een stem, zóó mooi, dat de jongen niet kon gelooven, dat +het een gans was, die sprak: "Ik ben heel blij, dat je hier gekomen +bent om me te helpen. De witte ganzerik heeft me gezegd, dat niemand +zoo goed en zoo verstandig is als jij." + +Ze zei dat met zooveel waardigheid, dat de jongen heel verlegen +werd. "Dat kan geen gans wezen," dacht hij. "Dat is zeker een +betooverde prinses." + +Hij kreeg grooten lust haar te helpen, en stak zijn kleine handjes +onder de veeren om aan het vleugelbeen te voelen. 't Been was niet +gebroken, maar het gelid was niet in orde. Hij voelde een leege holte +in 't gelid. + +"Pas nu op," zei hij, nam het been vast tusschen de vingers, en +zette het weer in, waar het moest wezen. Hij deed het heel vlug +en goed, in aanmerking genomen, dat het voor 't eerst was, dat hij +zooiets probeerde, maar het moest wel heel veel pijn gedaan hebben, +want de arme jonge gans gaf één enkelen harden gil, en toen zonk ze +neer tusschen de steenen, zonder een teeken van leven te geven. De +jongen schrikte ontzettend. Hij had haar willen helpen, en nu was +ze dood. Hij was met één sprong van den steenhoop af, en liep hard +weg. Hij had een gevoel, alsof hij een mensch had vermoord. + +Den volgenden morgen was het helder, de mist was opgetrokken, en Akka +zei, dat ze nu de reis moesten voortzetten. Allen waren bereid om op +weg te gaan, maar de witte ganzerik maakte bezwaren. De jongen begreep, +dat hij niet van de grijze gans weg wilde gaan. Maar Akka hoorde niet +naar hem, en vertrok. De jongen sprong op den rug van den ganzerik, +en de witte volgde den troep, hoewel langzaam en met tegenzin. De +jongen was heel blij, dat ze van het eiland weg zouden komen. Hij had +berouw over de grijze gans, en had den ganzerik niet willen zeggen, +hoe het was gegaan, toen hij haar had willen genezen. 't Was maar +'t beste, als Maarten, de ganzerik, dat nooit te weten kwam, dacht +hij. Hij was er toch verwonderd over, dat de witte het hart had van +de grijze gans weg te gaan. + +Maar plotseling keerde de ganzerik om. De gedachte aan de jonge gans +werd hem te machtig. 't Moest met de reis naar Lapland maar gaan, +zooals 't kon. Hij kon niet met de anderen meê gaan, als hij wist, +dat zij daar ziek en alleen achter bleef, en moest doodhongeren. + +Met een paar vleugelslagen was hij bij den steenhoop. Maar daar lag +geen jonge gans tusschen de steenen. + +"Donsje, Donsje, waar ben je?" riep de ganzerik. + +"De vos is zeker hier geweest, en heeft haar meêgenomen," dacht +de jongen. Maar op 't zelfde oogenblik hoorde hij een mooie stem +antwoorden: "Hier ben ik, ganzerik, hier ben ik! Ik heb maar even +een bad genomen." En uit het water dook de kleine grijze gans op, +frisch en gezond, en vertelde, dat Duimelot haar vleugel weer in +'t lid getrokken had, en dat ze heelemaal beter was en klaar om meê +te gaan. De waterdroppels rolden als paarlen over haar zijachtige +veeren, waarover een mooie weerschijn lag, en Duimelot dacht weêr, +dat ze een echt prinsesje was. + + + + + + +X. + +DE GROOTE VLINDER. + + +De ganzen vlogen voort in de lengte van het lange eiland, dat beneden +hen duidelijk te zien was. De jongen voelde zich opgeruimd en blij +op dien tocht. Hij was nu even tevreden en vergenoegd, als hij den +vorigen dag somber en gedrukt was geweest, toen hij daar beneden op +het eiland had rondgezworven, en naar den ganzerik gezocht. + +Hij zag nu, dat het binnenste gedeelte van het eiland uit een kale +hoogvlakte bestond, met een breeden kring goed en vruchtbaar land +langs de kusten, en hij begon te begrijpen, wat hij den vorigen avond +had gehoord. + +Hij had juist zitten rusten bij een van de vele windmolens, die op de +hoogvlakte stonden, toen er een paar schaapherders aankwamen met hun +honden en een groote kudde schapen. De jongen was niet bang geworden, +want hij zat goed verstopt onder de trap naar den molen. Maar nu was +'t zoo gegaan, dat de herders juist op diezelfde trap waren komen +zitten, en de jongen kon dus niet anders dan daar stil blijven. + +De eene herder was jong, en zag er heel gewoon uit, maar de andere +was een wonderlijke oude man. Zijn lichaam was groot en beenig, +maar zijn hoofd was klein, en hij had iets fijns en zachts in zijn +gezicht. 't Was alsof dat lichaam en dat gezicht in 't geheel niet +bij elkaar pasten. + +Hij zat een poos stil in den nevel te staren met een paar +onbeschrijfelijk moede oogen. Toen begon hij te spreken met zijn +kameraad, die brood en kaas uit een zakje haalde, en zijn avondmaal +hield. Hij antwoordde bijna niet, maar luisterde heel geduldig, +alsof hij dacht: "Ik zal je het genoegen wel doen, je een beetje te +laten praten." + +"Nu zal ik je eens wat vertellen, Erik," zei de oude herder. "Ik heb +bedacht, dat vroeger, toen menschen en dieren zooveel grooter waren, +dan ze nu zijn, de vlinders zeker ook ontzettend groot werden. En eens +was er een vlinder, die mijlen lang was, en vleugels had, zoo breed +als meren. De vleugels waren blauw en glinsterend zilverkleurig, en zóó +mooi, dat als die vlinder rondvloog, alle dieren hem nakeken. Hij had +natuurlijk dat gebrek, dat hij te groot was. Zijn vleugels konden hem +bijna niet dragen. Maar het zou wel goed zijn gegaan, als hij maar +zoo wijs geweest was zich boven het land te houden, maar dat was hij +niet. Hij vloog heel tot boven de Oostzee. En hij was nog niet ver +gekomen, voor de storm hem tegemoet kwam, en aan zijn vleugels begon +te trekken. + +Ja, je kunt wel begrijpen, Erik, hoe het gaan moest, toen de +Oostzeestorm teere vlindervleugels ging hanteeren. 't Duurde niet lang, +of ze waren uitgerukt en weggeblazen, en toen viel natuurlijk de arme +vlinder in zee. Eerst werd hij op de golven heen en weer gegooid en +toen strandde hij op een paar klippen aan de kust van Smaland. En +daar bleef hij liggen, zoo groot en lang als hij was. + +Nu verbeeld ik me, Erik, dat als de vlinder op het land was blijven +liggen, hij gauw vergaan en uit elkaar gevallen zou zijn. Maar +omdat hij in zee viel, werd hij met kalk doortrokken en zoo hard als +steen. Je weet wel, dat we steenen aan 't strand gevonden hebben, +die niet anders dan verharde larven waren. En nu geloof ik, dat het +met het groote vlinderlichaam op dezelfde manier ging. Ik geloof, +dat het een lange, smalle klip werd, toen het daar in de Oostzee +lag. Geloof je dat ook niet?" + +Hij hield op, en wachtte op antwoord. De andere knikte hem toe, en zei: +"Ga nu maar door, zoodat ik hooren kan waar je heen wilt." + +"Let nu goed op, Erik. Dit eiland hier, waar jij en ik op wonen, +is niet anders dan het oude vlinderlichaam. Als je even nadenkt, +merk je, dat dit eiland een vlinder is. Naar het noorden kun je het +smalle borststuk zien en den ronden kop, en naar 't zuiden zie je +'t achterlijf, dat eerst breed uitloopt, dan smaller wordt, en in +een scherpe punt eindigt." + +Hier hield hij nog eens op, en keek zijn kameraad aan,--wat gespannen, +om er achter te komen, hoe die zijn bewering op zou nemen. Maar de +jonge man at kalm door, en knikte weer, alsof hij hem aanmoedigde +door te gaan. + +"Zoodra de vlinder in een kalksteenklip was veranderd, kwamen allerlei +zaden van planten en boomen aanzweven met den wind, en wilden er wortel +op schieten, maar 't was moeilijk voor hen zich vast te hechten op den +kalen, gladden berg. Het duurde lang, eer daar iets anders dan wier kon +groeien. Toen kwamen het hondskruid, het zonnekruid en de wilde rozen. + +Maar nog tot nu toe is er niet zooveel plantengroei op Alvaret +[1], dat de berg geheel verborgen is. Hier en daar schijnt hij er +door. En niemand kan er aan denken hier te ploegen of te zaaien, +omdat de aardlaag zoo dun is. + +Maar als je nu aanneemt, dat Alvaret en de oude kasteelen, die +daaromheen liggen, door het vlinderlichaam zijn gevormd, dan zou je +kunnen vragen, waar het land, dat beneden langs de kasteelen ligt, +vandaan gekomen is." + +"Ja dat is het juist," zei de andere, die rustig door bleef eten, +"dat zou ik wel willen weten." + +"Je moet niet vergeten, dat Öland al heel wat jaren in zee heeft +gelegen, en in dien tijd heeft alles, wat op de golven ronddrijft: +wier, en zand, en slakken, er zich omheen verzameld, en is blijven +liggen. En toen zijn steenen en gruis neergekomen van het oude kasteel +in het oosten, en van dat in het westen. Zoo heeft het eiland breede +stranden gekregen, waar rozen en bloemen en boomen kunnen groeien. + +Hier boven op den harden rug van den vlinder loopen alleen schapen en +koeien en kleine paarden; hier wonen enkel kieviten en pluvieren, +en hier zijn geen andere gebouwen dan windmolens en een paar +armoedige schuren, waar wij--herders--inkruipen. Maar daar beneden +op het strand liggen groote boerendorpen en kerken, en pastorieën, +en groepen visschershutten en een heele stad." + +Hij zag den ander vragend aan. Die was nu klaar met eten, en knoopte +zijn broodzakje dicht. + +"Ik zou wel eens willen weten wat je bedoelt met dit alles," zei hij. + +"Ja, dàt is 't maar, wat ik weten wou," zei de herder, en hij sprak +zóó zacht, dat het bijna fluisteren werd, en staarde in den nevel +met zijn kleine oogen, die moe schenen te zijn van het uitkijken +naar alles, wat er niet is. "Ik zou alleen dit willen weten: of de +boeren, die in de rondgebouwde hoeven daar onder de kasteelen wonen, +of de visschers, die de visschen uit de zee halen, of de kooplieden +in Borgholm, of de badgasten, die hier elken zomer komen, of de +reizigers, die rond wandelen in de ruïne van 't kasteel op Borgholm, +of de jagers, die in den herfst hier komen om patrijzen te schieten, +of de schilders, die hier op Alvaret de schapen en de windmolens +zitten schilderen,--ik zou willen weten, of een van hen het begrijpt, +dat dit eiland hier een vlinder is geweest, die heeft rondgevlogen +met groote, glanzende vleugels." + +"O ja," zei de jonge herder plotseling, "dat moet wel iemand van hen +begrepen hebben, die op een avond aan den kant van het kasteel heeft +gezeten, en de nachtegalen heeft hooren slaan in de boschrijke velden, +en die heeft uitgezien over 't Kalmar Sond. Hij heeft wel gemerkt, +dat dit eiland niet kan zijn ontstaan als alle andere." + +"Ik zou hun willen vragen," ging de oude voort, "of niet een van hen +heeft verlangd vleugels aan die windmolens te geven, zóó groot, dat +ze het heele eiland konden opheffen uit de zee en het laten vliegen, +als een vlinder, onder de vlinders." + +"'t Is best mogelijk, dat er wat van aan is, wat je zegt," zei de +jonge man, "want in de zomernachten, als de hemel zich hoog en open +welft boven het eiland, heb ik soms gevonden, dat het was, alsof het +uit de zee wou opkomen en wegvliegen." + +Maar nu de oude man den jongen herder eindelijk tot spreken had +gebracht, luisterde hij niet lang naar hem. + +"Ik zou willen weten," zei hij nog zachter, "of iemand kan verklaren, +waarom er zoo'n sterk verlangen hier boven op Alvaret woont. Ik heb +het levenslang elken dag gevoeld, en ik geloof, dat het over iedereen +moet komen, die hier rondzwerft. Ik zou willen weten of niemand +anders heeft begrepen, dat ál dat smachtend verlangen daarvan komt, +dat het heele eiland een vlinder is, die naar zijn vleugels verlangt." + + + + + + +XI. + +HET KLEINE KARELSEILAND. + + +DE STORM. + + +De wilde ganzen hadden op de noordelijke punt van Öland overnacht, +en waren nu op weg naar het vaste land. Er woei een vrij sterke +zuidenwind over 't Kalmar Sond, zoodat zij naar het noorden gedreven +waren. Toch werkten zij zich met een flinke vaart voort in de richting +van het land. Maar toen zij de eerste klippen bereikten, hoorden zij +een geweldig geluid, alsof een menigte vogels met sterke vleugels +aan kwam vliegen, en het water onder hen werd op eens pikzwart. Akka +hield zóó snel de vleugels in, dat ze bijna stil bleef staan in de +lucht. Daarop daalde zij om neer te strijken op den zeespiegel. Maar +eer de ganzen het water bereikt hadden, kwam de westerstorm over +hen. Reeds joeg die mistwolken, zout schuim en kleine vogels voor zich +uit. Nu rukte hij ook de wilde ganzen meê, en wierp ze onderste boven, +en slingerde ze voort naar den kant van de zee. + +'t Werd een akelige storm. De wilde ganzen probeerden telkens om +te keeren, maar ze konden het niet; ze werden naar den kant van de +Oostzee gedreven. De storm had ze al voorbij Öland gejaagd, en vóór +hen lag de eenzame, woeste zee. Zij konden niet anders doen dan met +den wind meê draaien. + +Toen Akka merkte, dat ze niet in staat waren om te keeren, vond ze, +dat het onnoodig was zich door den storm over de geheele Oostzee te +laten drijven. Ze streek daarom op het water neer. De branding was +al hevig, en werd steeds woester. De golven rolden aan, zeegroen met +sterk schuimende koppen; de een steeg al hooger dan de ander. Het was, +alsof ze wedijverden, wie 't hoogste kon komen en het woedendste +schuimen. Maar de wilde ganzen waren niet bang voor dat bruisende +water. Het scheen hun integendeel een groot genot te bereiden. Ze +spanden zich niet in met zwemmen, maar lieten zich drijven--hoog +op de koppen der golven en naar beneden in het golfdal--en hadden +evenveel pleizier als een kind in een wieg. Hun eenige zorg was, +dat hun troep uit elkaar gedreven zou worden. De arme landvogels, +die door den storm voorbij werden gejaagd, hoog in de lucht, riepen +afgunstig: "Jelui hebt geen nood, jelui kunt zwemmen." + +Maar de wilde ganzen waren toch ook niet buiten alle gevaar. Ten +eerste maakte dat wiegen hen onuitsprekelijk slaperig. Onophoudelijk +wilden ze den kop omkeeren, den snavel onder de vleugels steken en +inslapen. Niets is gevaarlijker dan zoo in slaap te vallen; en Akka +riep telkens: "Niet slapen, wilde ganzen! Wie slaapt, raakt weg van +den troep. Wie van den troep wegraakt, is verloren!" + +Niettegenstaande alle pogingen om er zich tegen te verzetten, sliep +de een na de ander in, en zelfs Akka was op 't punt in te slapen, +toen ze plotseling iets ronds, hoogs zich zag verheffen op den kop +van een golf. + +"Zeehonden! Zeehonden! Zeehonden!" riep Akka met luide, schelle stem, +en hief zich met klappende vleugels op in de lucht. 't Was op het +laatste oogenblik. Eer de laatste wilde gans uit het water opgekomen +was, waren de zeehonden zóó dichtbij, dat ze naar haar pooten hapten. + +Zoo waren de wilde ganzen weer midden in den storm, die hen voor zich +uit naar zee dreef. Hij gunde noch hen, noch zichzelf rust. En ze +zagen geen land--enkel woeste zee. Ze sloegen weer neer op het water, +zoodra ze dat durfden. Maar toen ze een poos op de golven gewiegd +waren, werden ze opnieuw slaperig. En zoodra ze sliepen, kwamen de +zeehonden weer aanzwemmen. Als niet de oude Akka zoo waakzaam geweest +was, zou niet één van hen er goed zijn afgekomen. + +Den heelen dag duurde de storm voort, en die richtte de vreeselijkste +verwoestingen aan onder de massa's vogels, die in dien tijd van het +jaar aan het trekken waren. Sommige werden uit hun koers gedreven naar +een vreemd land, waar ze van honger stierven, andere werden zóó moe, +dat ze in zee zonken en verdronken. + +Vele werden tegen de klippen verpletterd, en vele werden een prooi +van de zeehonden. + +Dien heelen dag duurde de storm, en Akka begon zich eindelijk af te +vragen, of zij met haar troep zou verongelukken. Ze waren nu doodmoe, +en nergens zag zij een plaats, waar ze konden rusten. Tegen den +avond durfde zij niet meer op zee neer te strijken, omdat die heel +plotseling met groote ijsschotsen werd gevuld, die tegen elkaar aan +bonsden, en ze vreesde daartusschen verpletterd te worden. Een paar +maal probeerden de wilde ganzen zich op het ijs op te stellen, maar +nu eens schoof de woeste storm ze weer in zee, een ander keer kwamen +de onbarmhartige zeehonden op het ijs kruipen. + +Tegen zonsondergang vlogen de ganzen nog eenmaal door de lucht. Ze +waren bang voor den nacht onder het vliegen. De duisternis scheen al +gauw te komen, op dien avond zóó vol gevaren. + +'t Was verschrikkelijk, dat ze nog geen land zagen, hoe zou 't toch +gaan, als ze den heelen nacht op zee moesten blijven! Ze zouden +òf tusschen de ijsschotsen verpletterd worden, òf door zeehonden +opgegeten, òf door den storm uit elkaar gejaagd. + +De hemel was in wolken gehuld, de maan hield zich schuil, en de +duisternis daalde snel. En al meer en meer werd de heele natuur +zóó vol ontzetting, dat de dapperste angstig werden. 't Roepen van +trekvogels in nood had den heelen dag over zee geklonken, maar nu +men niet meer kon zien wie 't waren, die zoo riepen, klonk het akelig +en griezelig. Onder hen op zee bonsden de stukken drijfijs dreunend +tegen elkaar. De zeehonden hieven hun woeste jachtliederen aan. 't +Was alsof hemel en aarde zouden ineenstorten. + + + + +HET GEVAAR. + + +De jongen had een poos naar beneden in zee zitten kijken. Op eens +meende hij, dat die sterker begon te bruisen dan vroeger. Hij keek +op. Vlak voor hem uit, op maar een paar meters afstand, verhief zich +een steile, kale bergwand. Aan zijn voeten sloegen de golven op in +hoog opspattend schuim. De wilde ganzen vlogen recht op de rots aan, +en de jongen kon niet anders denken, dan dat zij er tegen verpletterd +moesten worden. + +Maar nauwelijks had hij er zich over verwonderd, dat Akka dit gevaar +niet op tijd ontdekt had, of ze waren bij den berg. Toen merkte hij +ook, dat vóór hen de half ronde opening lag van een grot. Daar vlogen +de ganzen in, en 't volgend oogenblik waren zij in veiligheid. + +Het eerste, waar de reizigers aan dachten, vóór ze zich den tijd gunden +zich over hun redding te verheugen, was te zien of alle kameraden ook +gered waren. Daar waren Akka, Yksi, Kolme, Neljä, Viisi en Kuusi, +alle zes jonge ganzen, de ganzerik, Donsje en Duimelot, maar Kaksi +van Nuolja, de eerste gans links, was verdwenen, en niemand wist, +wat er van haar was geworden. + +Toen de wilde ganzen merkten, dat niemand anders dan Kaksi van den +troep was weggeraakt, namen zij de zaak kalm op. Kaksi was een oude, +wijze vogel. Zij kende al hun wegen en gewoonten, en zij zou wel +zorgen, dat ze weer bij hen terugkwam. + +Toen begonnen zij rond te kijken in de grot. Er kwam nog zooveel +daglicht door de opening, dat ze konden zien, dat de grot diep en +breed was. Zij verheugden zich, dat ze zoo'n prachtig nachtverblijf +hadden gevonden, toen een van hen een paar schitterende groene punten +in 't oog kreeg, die in een donkeren hoek glinsterden. + +"Dat zijn oogen!" riep Akka. "Er zijn groote dieren hier binnen!" + +Ze stormden naar den uitgang, maar Duimelot, die beter in 't donker +kon zien dan de wilde ganzen, riep hen toe: "Daar hoef jelui niet +voor weg te loopen! Dat zijn maar een paar schapen, die tegen den +wand van de grot liggen!" + +Toen de wilde ganzen aan het schemerlicht in de grot gewend waren, +zagen zij de schapen heel goed. Er waren zoowat even veel volwassen +dieren, als ze zelf waren, maar er lagen ook nog enkele lammetjes. Een +groote hamel met lange gebogen horens scheen de voornaamste van +de kudde te zijn. De wilde ganzen gingen hem diep buigende te +gemoet. "Wees welkom in deze wildernis!" zeiden ze. + +Maar de groote hamel bleef stil liggen zonder een welkomstgroet. + +Toen meenden de wilde ganzen, dat de schapen boos waren, omdat zij +in hun grot waren gekomen. + +"'t Kwam misschien niet gelegen, dat we in uw huis binnendrongen," +zei Akka. "Maar we kunnen het niet helpen. De wind was ons te +sterk en dreef ons hierheen. We hebben den heelen dag in den storm +rondgezworven, en wij zouden al blij zijn, als we hier van nacht +mochten blijven." + +Hierna duurde het een heele poos, eer een van de schapen met woorden +antwoordde, maar daarentegen was het duidelijk te hooren, dat een paar +van hen diep zuchtten. Akka wist wel, dat schapen altijd verlegen +en wonderlijk waren, maar deze schenen er in 't geheel geen begrip +van te hebben, hoe ze zich moesten houden. Eindelijk zeide een oude +schapemoeder, die een lang en bedroefd gezicht had en een klagende +stem: + +"Er is niemand onder ons, die u zal verbieden te blijven, maar dit +is een huis van rouw, en we kunnen onze gasten niet meer ontvangen +zooals vroeger." + +"U behoeft u daarover niet te bekommeren," zei Akka. "Als u wist, +wat wij vandaag hadden doorgemaakt, zoudt u wel begrijpen, dat we +blij zijn, als we maar een veilig plekje hebben om te slapen." + +Toen Akka dat gezegd had, stond de oude schapemoeder op. "Ik geloof, +dat het beter voor u zou zijn in den ergsten storm rond te vliegen, +dan hier te blijven. Maar nu moet u toch niet van hier gaan, voor we u, +zoo goed als ons huis dat toelaat, onthaald hebben." + +Zij wees naar een holte in den grond, die vol water stond. Daarnaast +lag een hoop kaf en stroo en zij verzocht de ganzen zich daaraan te +goed te doen. "Wij hebben van 't jaar veel sneeuw gehad hier op het +eiland," zeide ze. "De boeren, aan wie we toebehooren, komen bij ons +met hooi en haverstroo, opdat we niet zullen doodhongeren. En dit +stroo is alles, wat er van onze welvaart is overgebleven." + +De ganzen wierpen zich dadelijk op dat voedsel. En zij vonden, dat +zij goed terecht waren gekomen, en waren in hun beste humeur. Zij +merkten wel, dat de schapen angstig waren, maar ze wisten, hoe +gauw schapen bang worden, en dachten niet, dat er eenig werkelijk +gevaar dreigde. Zoodra ze gegeten hadden, waren zij van plan, zooals +gewoonlijk te gaan slapen. Maar toen stond de groote hamel op, en +kwam op hen toe. De ganzen vonden, dat ze nog nooit een schaap met +zulke lange grove horens hadden gezien. Ook in andere opzichten was +hij opvallend. Hij had een groot bultig voorhoofd, verstandige oogen +en een goede houding, alsof hij een trotsch, moedig dier was. + +"Ik ben niet verantwoord, als ik u hier laat slapen, zonder u te +zeggen, dat het hier onveilig is," zei hij. "Wij kunnen hier in dezen +tijd geen gasten voor den nacht ontvangen." + +Nu eerst begon Akka te begrijpen, dat het ernst was. "Wij zullen +heengaan, wanneer u dat verlangt," zeide zij. "Maar wilt u ons niet +eerst zeggen, wat u kwelt? Wij weten nergens van. Wij weten niet eens, +waar wij zijn." + +"Dit is het kleine Karelseiland," zei de hamel. "Dat ligt voorbij +Gothland, en hier wonen alleen schapen en zeevogels." + +"Hoort u misschien tot de wilde schapen?" vroeg Akka. + +"Dat scheelt niet veel," antwoordde de hamel. "We hebben niets met +menschen te maken. Er bestaat een oude overeenkomst tusschen ons en +de boeren op een hoeve in Gothland, dat ze ons van voer voorzien, +als het 's winters sneeuwt, en daarentegen mogen ze van ons zooveel +wegvoeren, als er boven een bepaald getal zijn. Het eiland is klein, +zoodat het niet al te velen van ons kan voeden. Maar overigens redden +wij ons zelf het heele jaar, en we wonen niet in huizen met deuren +en sloten, maar houden ons in grotten als deze op." + +"Blijft u hier ook 's winters?" vroeg Akka verwonderd. + +"Ja, dat doen we," antwoordde de hamel. "We hebben genoeg te grazen +hier op den berg het heele jaar." + +"Mij dunkt, het schijnt, dat u 't beter hebben moest dan andere +schapen," zeide Akka. "Maar wat is er u dan voor een ongeluk +overkomen?" + +"'t Was héél koud verleden winter. De zee bevroor, en toen kwamen +drie vossen hierheen over het ijs, en sinds dien tijd zijn ze hier +gebleven. Anders is hier geen enkel gevaarlijk dier op het eiland." + +"O zoo! durven de vossen dan ook u aan?" + +"O neen, niet overdag; dan kan ik mijzelf en de mijnen wel verdedigen," +zei de hamel, en schudde zijn horens. "Maar ze sluipen op ons toe +in den nacht, als we binnen in de grot slapen. We probeeren wakker +te blijven, maar nu en dan moet je wel slapen, en dan komen ze. Ze +hebben alle schapen in de andere grotten al vermoord, en er waren +kudden, even groot als de mijne." + +"'t Is niet prettig te vertellen, dat we zoo hulpeloos zijn," zei nu +de oude schapemoeder. "We kunnen ons niet beter redden, dan wanneer +we tamme schapen waren." + +"Denkt u, dat ze hier van nacht komen," vroeg Akka. + +"We kunnen niet anders verwachten," antwoordde de oude. "Ze waren +hier gisteren nacht, en stalen ons een lam af. Ze komen wel weerom, +zoolang nog een van ons in leven is. Zoo hebben ze ook in andere +plaatsen gedaan." + +"Maar als ze zoo doorgaan, wordt u immers heelemaal uitgeroeid," +zei Akka. + +"Ja het zal niet lang duren, voor het gedaan is met alle schapen op +'t kleine Karelseiland," zei de schapemoeder. + +Akka stond daar heel besluiteloos. 't Was niet prettig er nu weer +op uit te gaan in den storm. En 't was ook niet goed in een huis +te blijven, waar zulke gasten verwacht werden. Toen ze een poos had +nagedacht, wendde ze zich tot Duimelot. + +"Ik zou wel willen weten, of je ons helpen wilt, zooals je al zoo +dikwijls hebt gedaan," zei ze. + +"Ja," zei de jongen; dat wilde hij wel. + +"'t Is wel akelig voor je, niet te kunnen slapen," zei de wilde gans, +"maar... zou je wakker kunnen blijven, tot de vossen komen, en ons +dan wekken, zoodat we weg kunnen vliegen?" + +De jongen had daar niet heel veel lust in; maar alles was beter dan +er in den storm weer op uit te moeten, zoodat hij beloofde wakker te +zullen blijven. + +Hij ging naar den ingang van de grot, kroop achter een grooten steen, +om voor den storm beschut te zijn, en ging op wacht zitten. + +Toen de jongen daar een poos gezeten had, scheen de storm te +bedaren. De hemel werd helder, en de maneschijn begon op de golven +te spelen. De jongen ging naar den ingang om uit te kijken. De grot +lag heel hoog op den berg. Een smal, steil pad leidde naar boven. Van +dien kant had hij zeker de vossen te verwachten. + +Hij zag nog geen vos, maar daarentegen iets, waar hij in 't eerst +heel bang voor werd. Op het smalle strand beneden stonden een paar +groote reuzen, of andere steenen monsters,--of misschien waren het +wel menschen. Eerst dacht hij, dat hij droomde, maar nu was hij er +heel zeker van, dat hij niet in slaap was gevallen. Hij zag de groote +mannen zoo duidelijk, dat het geen zinsbedrog kon wezen. Sommige +stonden op het strand en andere vlak bij den berg, alsof ze van plan +waren er tegen op te klauteren. Sommige hadden groote, dikke koppen, +en andere in 't geheel geen kop. Sommige hadden één arm en sommige +hadden een bochel van voren en van achteren. Hij had nooit zooiets +wonderlijks gezien. + +De jongen stond zich daar bang te maken voor die reuzen, zoodat hij +bijna vergat naar de vossen uit te kijken. Maar nu hoorde hij een +klauw langs een steen schrapen. Hij zag drie vossen de helling opkomen, +en zoodra hij wist, dat hij met iets werkelijks te doen had, werd hij +weer kalm, en was in 't geheel niet bang meer. Toen viel 't hem in, +dat het toch akelig was alleen de ganzen te roepen, en de schapen aan +hun lot over te laten. Hij dacht, dat hij dat liever anders in orde +zou willen maken. Hij liep gauw de grot binnen, schudde den hamel +aan zijn horens, zoodat hij wakker werd, en sprong meteen op zijn rug. + +"Sta op, vadertje! we zullen probeeren de vossen een beetje bang te +maken!" zei de jongen. + +Hij was zoo stil mogelijk geweest, maar de vossen moesten toch iets +gehoord hebben. Toen ze boven kwamen, aan den ingang van de grot, +bleven ze staan, om te overleggen wat zij doen moesten. + +"Daar binnen hoorde ik duidelijk iemand zich bewegen," zei de een. + +"Ik zou wel eens willen weten, of ze wakker waren." + +"Ga jij er maar gerust op af," zei de ander. "Ons kunnen ze ten minste +niets doen." + +Toen ze verder in de grot kwamen, bleven ze staan, en snoven in +'t rond. + +"Wien zullen we vanavond nemen?" fluisterde de vos, die vooraan liep. + +"Vanavond zullen we den grooten hamel nemen," zei de laatste. "Dan +gaat het later gemakkelijk met de andere." + +De jongen zat op den rug van den ouden hamel, en zag, hoe ze +voortslopen. + +"Stoot nu recht vooruit," fluisterde hij. De hamel stootte toe, en +de eerste vos werd halsoverkop teruggeslingerd naar de opening van +de grot. + +"Stoot nu links," zei de jongen, en wendde den grooten kop van den +hamel in de juiste richting. De hamel gaf een geweldigen slag, die +den tweeden vos in de zij trof. Hij rolde verscheiden malen rond, +eer hij weer op de been was, en wegloopen kon. De jongen had wel +graag gewild, dat ook de derde een stoot had gekregen, maar die had +al gemaakt, dat hij wegkwam. + +"Nu denk ik, dat ze wel genoeg hebben voor van nacht," zei de jongen. + +"Ja, dat denk ik ook," zei de groote hamel. "Ga nu op mijn rug liggen, +en kruip onder de wol. Je verdient wel, dat je 't goed en warm krijgt +na al dien wind, waarin je geloopen hebt." + + + + +HET HELSCHE HOL. + + +Den volgenden dag liep de hamel rond met den jongen op den rug, +en liet hem het eiland zien. Dat bestond uit één enkele geweldige +rots. 't Was als een groot huis met loodrechte wanden en een plat +dak. De hamel liep eerst naar het dak van den berg, en liet den +jongen de goede weiden daar zien, en hij moest erkennen, dat het +eiland vooral voor schapen scheen gemaakt te zijn. Er groeide op den +berg niet veel anders dan windhaver en zulke dorre, kruidig geurende +gewassen, waar schapen veel van houden. + +Maar er was zoowaar nog wat anders te zien dan schapenweiden, als +men eenmaal de helling op gekomen was. Daar zag men ten eerste de +heele zee, die nu blauwend in 't zonlicht haar glanzende golven +voortrolde. Alleen hier en daar tegen een landtong stoof ze op in +schuim. Vlak in 't oosten lag Gothland met effen, lang gestrekte kust, +en in 't zuidwesten het groote Karelseiland, van dezelfde constructie +als 't kleine eiland. Toen de hamel heel dicht naar den kant van +het bergdak ging, zoodat de jongen langs de bergwanden kon neerzien, +merkte hij, dat ze heelemaal vol vogelnesten waren, en in de blauwe zee +beneden lagen zwarte waterhoenders, eiderganzen, en andere watervogels, +zoo mooi en vredig, bezig met visschen in de strooming. + +"'t Lijkt hier wel het beloofde land," zei de jongen. "Jelui schapen +woont hier maar mooi." + +"Ja, wel is 't hier mooi," zei de groote hamel. Het was, alsof hij +er iets bij had willen voegen, maar hij zei niets, en zuchtte alleen. + +"Maar als je hier alleen loopt, moet je wel oppassen voor al die +spleten hier in den berg," ging hij een poos later voort. En die +waarschuwing was wel noodig, want op verscheiden plaatsen waren +er diepe en breede spleten. De grootste daarvan heette "'t helsche +hol". Die spleet was vele vamen diep en bijna een vaam breed. + +"Als iemand hier in viel, was het met hem gedaan," zei de groote +hamel. De jongen vond, dat dit klonk, alsof hij een bizondere bedoeling +had, met wat hij zei. + +Daarna bracht hij den jongen naar het strand. Nu kon hij van dichtbij +die reuzen zien, die hem den vorigen nacht zoo bang gemaakt hadden. Dat +waren niet anders dan groote rotspilaren. De jongen kon niet genoeg +naar hen kijken. Hij meende, dat als er ooit heksen geweest waren, +die in steen waren veranderd, dan moesten zij er zóó uitzien. + +Hoewel 't heel mooi was aan 't strand, wou de jongen toch liever boven +op den berg wezen. 't Was akelig daar beneden, omdat er overal doode +schapen lagen. Hier hadden de vossen hun maaltijden gehouden. Hij +zag geheel afgeknaagde skeletten, maar ook lichamen, die maar half +opgegeten waren, en andere, waar ze maar even van hadden geproefd, en +die ze verder onaangeroerd hadden laten liggen. 't Was hartverscheurend +te zien, dat de wilde dieren de schapen hadden aangevallen, alleen +uit vermaak, alleen om te jagen en te moorden. + +De groote hamel bleef niet bij de dooden staan; hij liep ze kalm +voorbij; maar de jongen kon niet laten naar al die griezeligheid +te kijken. + +Nu liep de groote hamel weer naar den top van den berg, en toen hij +daar gekomen was, bleef hij staan. + +"Als iemand, die flink en verstandig was, al de ellende hier zag," +zei hij, "dan zou hij zeker niet rusten, voor die vossen hun verdiende +straf hadden gekregen." + +"De vossen moeten toch ook leven," zei de jongen. + +"Ja," zei de groote hamel, "zij, die niet meer dieren verscheuren, +dan ze noodig hebben voor hun onderhoud, moeten ook leven. Maar die +vossen hier zijn misdadigers." + +"De boeren, aan wie dit eiland toebehoort, moeten u komen helpen," +meende de jongen. + +"Zij zijn hier al dikwijls geweest," antwoordde de hamel, "maar dan +verborgen de vossen zich in grotten en spleten, zoodat ze hen niet +konden schieten." + +"Je meent toch niet, Vadertje, dat een stumper als ik ze aan zou +kunnen, als jij zelf en de boeren ze niet onder den duim hebben kunnen +krijgen," zei de jongen. + +"Wie klein en slim is, kan al heel wat in orde maken," antwoordde de +groote hamel. + +Zij spraken hier niet meer over; de jongen ging boven bij de wilde +ganzen zitten, die op de hoogvlakte graasden. Hoewel hij het den hamel +niet had willen toonen, was hij heel bedroefd ter wille van de schapen, +en had ze zoo graag willen helpen. + +"Ik zal ten minste met Akka en Maarten, den ganzerik, praten over +die zaak," dacht hij. "Misschien kunnen ze mij bijstaan met een +goeden raad." + +Een poos later nam de witte ganzerik den jongen op den rug, en liep +over de bergvlakte naar het helsche hol. + +Hij liep zorgeloos voort op het open bergdak, en scheen er niet aan te +denken, hoe wit en groot hij was. Hij zocht geen schuilplaats achter +bosjes gras of andere verhooginkjes, maar liep recht door. Het was +vreemd, dat hij niet voorzichtiger was, want hij scheen het slecht +gehad te hebben in den morgen van den vorigen dag. Hij was kreupel +aan den rechterpoot, en de linkervleugel sleepte, en hing neer, +alsof hij gebroken was. + +Hij liep, alsof er geen gevaar in de wereld was, snapte hier en daar +grassprietjes, en keek heelemaal niet om zich heen. De jongen lag +languit op den rug van de gans, en keek op naar den blauwen hemel. Hij +was nu zoo aan het rijden gewend, dat hij daar kon liggen en staan. + +Doordat nu de ganzerik en de jongen zoo zorgeloos waren, merkten ze +natuurlijk niet, dat de drie vossen op de bergvlakte waren gekomen. En +de vossen, die wisten, dat het bijna onmogelijk is een gans te +naderen op het open veld, dachten er eerst in het geheel niet aan op +den ganzerik jacht te maken. Maar omdat zij niets te doen hadden, +gingen zij eindelijk in een van de lange kloven, en probeerden hem +te besluipen. Zij gingen zóó voorzichtig te werk, dat de ganzerik +niets van hen merkte. + +Ze waren niet ver weg, toen de ganzerik een poging deed om op te +vliegen. Toen de vossen hieruit meenden op te kunnen maken, dat +hij niet vliegen kon, haastten zij zich nog meer dan te voren. Ze +hielden zich niet langer in de kloven verscholen, maar liepen boven +over de vlakte. Ze verborgen zich, zoo goed ze maar konden, achter +bosjes gras en steenen, en kwamen den ganzerik al nader, zonder dat +hij scheen te merken, dat hij gejaagd werd. Eindelijk waren de vossen +zóó dicht bij, dat zij den slag konden wagen. Alle drie wierpen zich +tegelijk met een grooten sprong op den ganzerik. + +Op het laatste oogenblik moest deze toch wat gemerkt hebben, want hij +sprong op zij, zoodat de vossen hem misten. Dat beteekende nu wel +niet zoo veel, want de ganzerik had maar een paar voet voorsprong, +en bovendien was hij kreupel. De stumper liep voort, zoo hard hij maar +kon. En ganzen kunnen immers zoo geweldig hard loopen, dat zelfs een +vos moeite heeft ze in te halen. + +De jongen zat achterstevoor op den rug van de gans, en riep en +schreeuwde tegen de vossen: "Jelui hebt je te dik gegeten aan +schapenvleesch, jelui vossen! Je kunt niet eens een gans inhalen!" + +Hij plaagde hen, tot ze woest van boosheid werden, en er alleen aan +dachten zoo hard mogelijk voort te stormen. + +De witte ganzerik sprong regelrecht op de groote kloof af. Toen hij +er vlak bij was, deed hij een slag met de vleugels, zoodat hij er +over kwam. De vossen waren hem toen vlak op de hielen. + +De ganzerik rende voort met dezelfde haast als te voren, ook toen +hij al over het helsche hol gekomen was. Maar nauwlijks had hij een +paar meter geloopen, of de jongen klopte hem op den hals, en zei: +"Nu kun je wel stilstaan, ganzerik." + +Op 't zelfde oogenblik hoorden ze achter zich een wild gehuil, een +schrapen met klauwen, en iets zwaars vallen. Maar van de vossen was +niets meer te zien. + +Den volgenden morgen vond de wachter op den vuurtoren van 't groote +Karelseiland een reepje boombast onder zijn deur doorgestoken, waarop +met scheeve, hoekige letters stond ingekrast: "De vossen op het kleine +Karelseiland zijn in het helsche hol gevallen. Ga maar naar ze zien." + +En dat deed de wachter ook. + + + + + + +XII. + +TWEE STEDEN. + + +DE STAD OP DEN BODEM DER ZEE. + + +Het werd een heldere, rustige nacht. De wilde ganzen hadden geen lust +beschutting in een of andere grot te zoeken, maar stonden boven op +den berg te slapen, en de jongen was in het korte, droge gras bij de +ganzen gaan liggen. + +'t Was dien nacht heldere maneschijn, zóó sterk, dat de jongen haast +niet slapen kon. Hij lag er over te denken, hoe lang hij al van huis +was geweest, en hij rekende uit, dat het drie weken geleden was, sinds +hij de reis was begonnen. En tegelijk kwam het hem in de gedachten, +dat het de avond vóór Paschen was. + +"Van nacht komen alle heksen thuis van de blauwe rots," dacht hij, +en lachte in zichzelf. Want hij was een beetje bang voor dwergen en +kabouters, maar aan heksen geloofde hij heelemaal niet. + +Als er dien avond een of ander hekserij gaande was, zou hij het toch +wel gezien hebben. 't Was zóó helder licht tot hoog aan den hemel, +dat ook maar 't kleinste zwarte puntje zich niet in de lucht zou +hebben kunnen bewegen, zonder dat hij het merkte. + +Terwijl hij zoo lag met den neus in de lucht, en daarover dacht, kreeg +hij iets moois in het oog. De maanschijf stond vol en rond, vrij hoog +aan de lucht, en daar voor kwam een groote vogel aanvliegen. Hij vloog +niet voorbij de maan, maar 't scheen, alsof hij er uit vloog. De vogel +scheen zwart tegen den lichten achtergrond, en zijn vleugels reikten +van den eenen kant van de maanschijf naar den anderen. Hij vloog zoo +gelijkmatig in dezelfde richting, dat de jongen meende, dat hij op de +maanschijf geteekend was. 't Lichaam was klein, de hals lang en smal, +de pooten hingen naar beneden, lang en dun. De jongen zag al gauw, +dat het een ooievaar moest wezen. + +Een oogenblik later daalde Mijnheer Ermerik, de ooievaar, naast hem +neer. Hij boog zich over den jongen, en stootte hem aan met den snavel +om hem wakker te maken. De jongen ging dadelijk overeind zitten. + +"Ik sliep niet, Mijnheer Ermerik," zei hij. "Hoe komt het, dat u midden +in den nacht uitgaat? En hoe gaat het op het huis Glimmingen? Wilt +u Moeder Akka spreken?" + +"Het is van nacht te licht om te slapen," antwoordde Mijnheer +Ermerik. "Daarom maakte ik het plan om hier heen te reizen, naar +'t Karelseiland, en je eens op te zoeken, vriend Duimelot. Ik hoorde +van een zeemeeuw, dat je van nacht hier waart. Ik ben nog niet naar +'t huis Glimmingen verhuisd, maar woon nog in Pommeren." + +De jongen vond het heerlijk, dat Mijnheer Ermerik hem had +opgezocht. Zij spraken over allerlei als oude vrienden. Eindelijk +vroeg de ooievaar, of de jongen geen lust had eens uit te gaan, +en wat rond te rijden in den mooien nacht. + +Ja, dat wilde de jongen heel graag, als de ooievaar het maar zoo wou +inrichten, dat hij vóór zonsopgang weer bij de wilde ganzen terug +was. Dat beloofde hij, en zoo gingen zij op weg. + +Mijnheer Ermerik vloog weer recht op de maan af. Zij stegen al hooger +en hooger; de zee zonk diep neer, maar de vlucht ging zoo wonderlijk +gemakkelijk, dat het bijna scheen, alsof ze stil in de lucht lagen. + +De jongen vond, dat het maar verbazend kort duurde, voor Mijnheer +Ermerik weer begon te dalen. Ze landden op een eenzaam zeestrand, +bedekt met effen, fijn zand. Langs de kust liep een lange rij duinen +met helm op de toppen. Ze waren niet heel hoog, maar ze beletten den +jongen toch iets van het binnenland te zien. + +Mijnheer Ermerik ging op een zandhoop staan, trok zijn eene been op, en +boog den hals achterover, om den snavel onder zijn vleugel te steken. + +"Je kunt hier wel wat op het strand rondloopen," zei hij tegen +Duimelot, "terwijl ik hier uitrust. Maar ga niet zoo ver weg, dat je +me niet weer terug kunt vinden." + +De jongen was van plan allereerst een duin op te klauteren, om te zien +hoe het land binnen de duinenrij er uitzag. Maar toen hij een paar +stappen had gedaan, stootte hij met zijn klomp tegen iets hards. Hij +boog zich neer, en zag, dat het een klein koper muntje was, zoo door +roest verteerd, dat het bijna doorschijnend was. Het was zoo oud, +dat hij 't niet de moeite waard vond het bij zich te steken, maar +het wegschopte. + +Maar toen hij weer overeind kwam, was hij stom van verbazing, want +op twee stappen afstands verhief zich een hooge donkere muur met een +groote poort, waar een hooge toren op stond. + +Een oogenblik geleden, toen de jongen zich boog om de munt te bekijken, +lag de zee daar nog glinsterend en glanzend, en nu was zij verdwenen +achter een langen muur met tinnen en torens. En vlak voor hem, waar +vroeger niets dan een paar wierbanken gelegen hadden, ging nu de +groote poort in den muur open. + +De jongen begreep wel, dat dit een of ander toovergedoe was. Maar hier +hoefde je toch niet bang voor te worden, meende hij. Dit was niet +zulke gevaarlijke hekserij of ander kwaad, waar hij vroeger altijd +bang voor was in den nacht. De muur én de poort waren zóó prachtig +gebouwd, dat hij niets voelde, dan een groot verlangen om te zien, +wat daar achter lag. + +"Ik moet toch zien, wat dat wezen kan," dacht hij, en ging de poort +door. + +Onder het hooge poortgewelf zaten wachters, gekleed in bonte, ruime +kleeren; ze hadden speren met lange schachten bij zich, en speelden +een soort damspel. Ze dachten alleen aan hun spel, en letten niet op +den jongen, die hen snel voorbij liep. + +Binnen de poort vond hij een open plaats, met groote effen steenen +geplaveid. Daaromheen stonden hooge, prachtige huizen, en daartusschen +liepen lange smalle straten. + +Op de plaats voor de poort wemelde het van menschen. + +De mannen droegen lange, met pelswerk omzoomde mantels over zijden +onderkleeden, baretten, met veeren versierd, zaten schuin op hun +hoofden; op hun borst hingen prachtige ketens. Zij waren allen zoo +sierlijk uitgedost, alsof ze koningen waren. + +De vrouwen droegen puntige mutsen, lange kleederen met nauwe mouwen. Ze +waren ook prachtig gekleed, maar lang zoo sierlijk niet als de mannen. + +Dit alles hier was immers precies als in de boeken met oude sagen, +die Moeder een enkelen keer uit de kist haalde, om hem te laten +zien. De jongen kon zijn oogen niet gelooven. + +Maar wat nog wonderlijker was om te zien dan al die mannen en vrouwen, +dat was de stad zelf. Ieder huis was zóó gebouwd, dat het den gevel +naar de straat had gekeerd. En de gevels waren zoo versierd, dat +men zou denken, dat ze wedijverden, wie de mooiste versiersels zou +kunnen vertoonen. + +Als iemand heel snel achter elkaar veel nieuws ziet, kan hij niet +alles onthouden. Maar de jongen kon zich later nog herinneren, dat hij +trapgevels had gezien, die beelden van Christus en Zijn apostelen op +de verschillende treden droegen; waar beelden in nis aan nis stonden +langs den heelen wand, gevels, ingelegd met veelkleurige stukjes glas, +en gevels, die gerand en geruit waren in wit en zwart marmer. + +Terwijl de jongen dit alles bewonderde, kreeg hij opeens een gevoel +van vreeselijke haast. + +"Zooiets heb ik nog nooit vroeger gezien. Zooiets zal ik nooit meer +zien!" zei hij in zichzelf. En hij begon de stad in te loopen, zoo +gauw hij kon, straat in, straat uit. + +De straten waren nauw en smal, maar niet leeg en somber, zooals in de +steden, die hij gezien had. Overal waren menschen. Oude vrouwen zaten +voor haar deuren te spinnen, zonder spinnewiel, alleen met behulp van +een rokken. De winkels van de kooplieden waren als marktkraampjes, +open aan den kant van de straat. Alle handwerkers zaten buiten met +hun werk. Hier werd traan gekookt, daar looide men huiden, elders +was een lange touwbaan. + +Als de jongen maar tijd had gehad, zou hij van alles hebben kunnen +leeren. Hier zag bij hoe wapensmeden dunne borstharnassen hamerden, +hoe goudsmeden edelgesteenten in ringen en armbanden zetten, hoe +de draaiers hun ijzers gebruikten, hoe schoenmakers roode, zachte +schoenen verzoolden, hoe de goudwerker gouddraad draaide, en hoe de +wevers goud en zijde in hun weefsels werkten. + +Maar de jongen had geen tijd om stil te staan. Hij draafde maar voort +om zooveel mogelijk te zien, vóór alles weer zou verdwijnen. + +De hooge muur liep om de geheele stad, en omsloot die, zooals een +hek een akker omringt. Aan het eind van iedere straat zag hij hem, +met torens versierd en met tinnen gekroond. Boven op den muur liepen +krijgsknechten in glanzende harnassen en met helmen op. + +Toen hij dwars door de heele stad had geloopen, kwam hij weer aan een +poort in den muur. Daarbuiten lag de zee met de haven. De jongen zag +ouderwetsche schepen, met roeibanken in het midden, hoogopgebouwd +voor en achter. Sommige werden geladen, andere wierpen juist het +anker uit. Dragers en kooplieden liepen haastig door elkaar. Overal +heerschte drukte en leven. + +Maar ook hier vond hij, dat hij geen tijd had om te blijven staan. Hij +haastte zich weer de stad in, en nu kwam hij aan de Groote Markt. Daar +lag de domkerk, met drie hooge torens en diepe, met beelden versierde +gewelven. De muren waren zóó versierd door beeldhouwers, dat er +geen steen was, die niet zijn versiering had. En zulk een pracht, +als er door de open deur scheen, van gouden kruisen en altaren met +goudsmeedwerk versierd, en priesters in gewaden van goudbrokaat! Vlak +over de kerk lag een huis, dat tinnen op het dak had, en één enkelen, +hemelhoogen toren. Dat was zeker het raadhuis. En tusschen de kerk +en het raadhuis, rond om de geheele markt, verhieven zich de fraaie +gevels met de meest verschillende versieringen. + +De jongen was warm en moe geworden. Hij meende nu het voornaamste +gezien te hebben, en begon daarom langzamer te loopen. De straat, die +hij nu had ingeslagen, was zeker die, waar de stedelingen hun prachtige +kleeren kochten. Hij zag véél menschen voor de kleine winkels staan, +waar de koopman stijve, gebloemde zijde, zware goudstof, fluweel +met weerschijn, lichte sluiers en ragfijne kanten over de toonbank +uitspreidde. + +Tot nu toe, terwijl de jongen zoo hard liep, had niemand op hem +gelet. De menschen hadden zeker gemeend, dat het maar een kleine, +grauwe rat was, die hun voorbij stoof. Maar nu, terwijl hij langzaam +langs de straat liep, kreeg een van de kooplieden hem in het oog, +en begon hem te wenken. + +De jongen werd eerst bang, en wilde gauw wegloopen, maar de koopman +wenkte maar, en lachte, en spreidde op de toonbank een heerlijk stuk +zijden damast uit, als om hem te lokken. + +De jongen schudde het hoofd. + +"Ik word nooit zoo rijk, dat ik ook maar één meter van dat goed kan +koopen," dacht hij. + +Maar nu hadden ze hem in 't oog gekregen in alle winkels in de heele +straat. Waar hij ook heen keek, stond een winkelier, en wenkte hem. Zij +lieten hun rijke klanten staan, en dachten alleen aan hem. Hij zag, +hoe zij zich haastten naar de meest verborgen hoeken van hun winkels +om het beste te halen, wat zij te verkoopen hadden; en hoe hun handen +trilden van haast en ijver, terwijl zij het op de toonbank legden. + +Toen de jongen voortliep, sprong een van de kooplieden over de +toonbank, haalde hem in, en legde zilverstof en geweven tapijten +met schitterende kleuren voor hem neer. De jongen kon niet laten te +lachen. De winkelier kon wel begrijpen, dat een arme stakker, als hij, +zulke dingen niet kon koopen. Hij bleef staan, en hield zijn beide +leege handen uit, om hen te doen begrijpen, dat hij niets bezat, +en dat ze hem met rust moesten laten. + +Maar de koopman stak een vinger op, en knikte, en schoof den heelen +stapel prachtige waren naar hem toe. + +"Kan hij bedoelen, dat hij dat alles voor één enkele gouden munt wil +verkoopen?" dacht de jongen verwonderd. + +De koopman haalde een kleinen versleten, ouden penning te voorschijn, +den kleinsten, dien men zich kan voorstellen, en liet hem dien zien. En +hij verlangde zóó iets te verkoopen, dat hij den stapel vermeerderde +met een paar groote, zware zilveren bekers. + +Toen begon de jongen in zijn zakken te zoeken. Hij wist wel, dat hij +geen cent bezat, maar hij kon niet laten nog eens te voelen. + +Alle andere kooplieden stonden om hen heen, en probeerden te zien, +hoe die handel zou afloopen, en toen ze merkten, dat de jongen in +zijn zakken begon te voelen, sprongen ze over de toonbanken, namen +de handen vol gouden en zilveren sieraden, en boden hem die aan. En +allen wezen ze hem, dat al, wat ze als betaling begeerden, maar één +enkele kleine penning was. + +Maar de jongen keerde zijn vest- en broekzakken om, opdat ze zouden +zien, dat hij niets bezat. Toen kregen zij de tranen in de oogen, +al die deftige kooplieden, die zooveel rijker waren dan hij. Hij +werd er eindelijk door bewogen, dat ze er zóó angstig uitzagen, +en hij dacht na, of hij hen niet op een of andere manier zou kunnen +helpen. En toen kwam hem dat oude geroeste muntje in de gedachten, +dat hij zoo pas aan het strand had gezien. + +Hij begon hard door de straten voort te draven, en het liep hem mee, +zoodat hij bij dezelfde poort kwam, waardoor hij was binnengekomen. Hij +vloog er door, en begon naar het kleine geroeste muntje te zoeken, +dat hij zoo juist aan het strand had gezien. Hij vond het ook, maar +toen hij het had opgeraapt, en er meê de stad in wilde loopen, zag hij +alleen de zee voor zich. Geen stadsmuur, geen poort, geen wachters, +geen straten, geen huis was te zien. Alleen de zee! + +De jongen kon niet helpen, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hij had in +'t begin geloofd, dat wat hij zag, niets anders was dan een visioen, +maar dat had hij vergeten. Hij had er alleen aan gedacht, hoe mooi +alles was. Hij voelde een groot verdriet, omdat de stad verdwenen was. + +Op hetzelfde oogenblik werd Mijnheer Ermerik wakker, en kwam naar hem +toe. Maar hij hoorde het niet. De ooievaar moest hem met den snavel +aanstooten om zich te doen opmerken. + +"Ik geloof, dat je hier staat te slapen, zooals ik," zei Mijnheer +Ermerik. + +"Ach, Mijnheer Ermerik!" zei de jongen. "Wat was dat voor een stad, +die hier zoo pas stond?" + +"Heb je een stad gezien?" zei de ooievaar. "Je hebt geslapen en +gedroomd, zooals ik zei." + +"Neen, ik heb niet gedroomd," zei Duimelot, en hij vertelde den +ooievaar alles, wat hij beleefd had. Toen zei Mijnheer Ermerik: "Ik +voor mij, Duimelot, geloof, dat je hier op 't strand in slaap gevallen +bent, en dat alles gedroomd hebt. Maar ik wil je wel vertellen, +dat Bataki, de kraai, die de geleerdste van alle vogels is, me eens +heeft verteld, dat hier aan dit strand vroeger een stad heeft gelegen, +die Vineta heette. Die was zoo rijk en gelukkig, dat nooit een stad +heerlijker is geweest; maar de inwoners gaven zich helaas! over aan +trots en pronkerij. Tot straf daarvoor, zegt Bataki, werd de stad +Vineta door een stormvloed overstroomd en in de zee verzonken. Maar +de inwoners kunnen niet sterven, en ook hun stad kan niet verwoest +worden. En eens in de honderd jaar stijgt de stad in den nacht op +uit de zee, in al haar pracht, en ligt op de oppervlakte der aarde +één uur lang." + +"Ja, dat moet het wezen," zei Duimelot, "want dat heb ik gezien." + +"Maar als dat uur voorbij is, zinkt ze weer neer in de zee, als niet +een koopman in Vineta in dien tijd iets aan een levend wezen heeft +verkocht. Als jij, Duimelot, maar een penning hadt gehad, al was +die ook nog zoo klein, om den koopman meê te betalen, was Vineta op +het strand blijven liggen, en de menschen daar hadden mogen leven en +sterven als alle andere menschen." + +"Och, mijnheer Ermerik," zei de jongen, "nu begrijp ik, waarom u mij +is komen halen van nacht. Dat was omdat u meende, dat ik de oude +stad zou kunnen redden. Het spijt me zoo, dat het niet is gegaan, +zooals u wilde, Mijnheer Ermerik!" + +Hij hield de handen voor de oogen, en schreide. Het was moeilijk te +zeggen, wie er 't meest bedroefd uitzag, de jongen of Mijnheer Ermerik. + + + + +DE LEVENDE STAD. + + +Den tweeden Paaschdag, tegen den namiddag, waren de wilde ganzen en +Duimelot weer op reis. Ze vlogen voort over Gothland. + +Het groote eiland lag vlak en effen onder hen. 't Veld was geruit, +precies als in Skaane, en er waren veel kerken en hoeven. Maar +er was dit verschil, dat hier meer weiden met boomen tusschen de +velden lagen, en dan waren de hoeven niet in een kring gebouwd. En +groote landgoederen met oude kasteelen, met torens voorzien en met +uitgestrekte parken, waren er in het geheel niet. + +De wilde ganzen hadden den weg over Gothland genomen ter wille van +Duimelot. Hij was nu al twee dagen lang zichzelf niet geweest, en had +geen vroolijk woordje gezegd. Dat kwam, omdat hij alleen aan die stad +dacht, die zich op zoo'n wonderbare manier aan hem had vertoond. Hij +had nog nooit iets zóó moois en prachtigs gezien, en hij kon er maar +geen vrede meê hebben, dat hij haar niet had kunnen redden. Hij was +anders zoo zachtmoedig niet, maar nu treurde hij echt over de mooie +gebouwen en statige menschen. + +Akka en de ganzerik hadden geprobeerd Duimelot te overtuigen, dat hij +een droom of een visioen had gehad, maar de jongen wilde daar niet +van hooren. Hij was er zoo zeker van, dat hij werkelijk gezien had, +wat hij had gezien, dat niemand hem die overtuiging kon ontnemen. Hij +liep zóó bedroefd rond, dat zijn reisgenooten ongerust over hem werden. + +Juist toen de jongen 't ergste gedrukt scheen, was de oude Kaksi bij +den troep teruggekeerd. Ze was van den kant van Gothland teruggekomen, +en had over het geheele eiland moeten reizen, eer ze van een paar +kraaien had gehoord, dat haar reiskameraden op Klein Karelseiland +waren. Toen Kaksi hoorde, wat Duimelot scheelde, zei ze op eens: + +"Als Duimelot treurt over een stad, zullen we hem wel gauw +troosten. Kom maar meê, dan zal ik jelui naar een plaats brengen, +die ik gisteren zag. Hij hoeft niet lang bedroefd te wezen." + +Toen hadden de ganzen afscheid van de schapen genomen, en nu waren ze +op weg naar de plaats, die Kaksi Duimelot wou laten zien. Hoe bedroefd +hij ook was, hij kon niet laten als gewoonlijk naar 't land beneden +zich te kijken, waar hij heen vloog. + +Hij vond, dat het er uitzag, alsof het heele eiland van den beginne +af aan zulk een hooge steile klip geweest was als Karelseiland, maar +veel grooter natuurlijk. Maar later was het op een of andere manier +afgeplat. Iemand had een groote rol genomen, en die er over gerold, +alsof het een stuk deeg was. Niet dat het heelemaal vlak en gelijk +geworden was als brooddeeg--dat was het niet. Toen ze langs de kust +vlogen, had hij op verscheiden plaatsen hooge, witte kalkmuren gezien, +vol grotten en met groen begroeid, maar op de meeste plaatsen waren +zij met den weg gelijk gemaakt, en het strand liep vlak en eentonig +uit in zee. + +Op Gothland hadden ze een mooien, vredigen, feestelijken middag. 't Was +zacht lenteweer, de boomen stonden vol in knop, de lentebloemen tooiden +den grond onder de loofboomen, de lange, dunne hangers der populieren +wiegden in den wind, en in de kleine tuintjes, die bij ieder huis +lagen, stonden de kruisbessenstruiken heelemaal groen. De warmte en de +lente hadden de menschen naar buiten gelokt op wegen en langs hagen, +en waar ook maar een paar van hen bijeen waren, begonnen zij te spelen. + +'t Waren niet alleen de kinderen, die speelden, maar ook de +volwassenen. Ze wierpen naar een doel met steenen, en gouden ballen +vlogen in de lucht met zulk een vaart, dat zij de wilde ganzen bijna +bereikten. 't Was vroolijk en aardig groote menschen te zien spelen, en +de jongen zou er wel pleizier in gehad hebben, als hij zijn wrevel maar +had kunnen overwinnen, omdat hij de oude stad niet had kunnen redden. + +Hij moest toch erkennen, dat dit een mooie tocht was. Er was zooveel +gezang en geluid in de lucht. Kleine kinderen speelden een spelletje, +waarbij ze in een kring stonden, en zongen er bij. En het Leger +des Heils ging er ook op uit. Hij zag een heele schaar menschen, +in zwart en rood gekleed, op een heuvel zitten, en op guitaren en +andere koperen instrumenten spelen. Langs een weg kwamen een groote +menigte menschen. Dat waren Good Templars, die ook op reis gingen. Hij +herkende ze aan de groote vanen met goud opschrift, die over hen heen +wapperden. En ze zongen het eene lied na het andere, zoo lang hij ze +kon hooren. + +De jongen kon later nooit meer Gothland hooren noemen, zonder te +denken aan spel en zang. + +Lang had hij naar beneden zitten kijken, maar nu hief hij toevallig de +oogen op. Niemand kan zijn verbazing beschrijven. Zonder dat hij het +gemerkt had, waren de ganzen aan de westkust gekomen. Nu lag de wijde +blauwe zee voor hem. Toch was het niet de zee, die zoo merkwaardig was, +maar een stad, die aan 't strand lag. + +De jongen kwam van het oosten, en de zon was aan het dalen in het +westen. Toen hij de stad naderde, stonden haar muren en torens en hooge +gevelhuizen en kerken heel zwart tegen den lichten avondhemel. Hij +kon daarom niet zien, hoe ze er werkelijk uitzagen. En een oogenblik +geloofde hij, dat hier een even prachtige stad lag, als die hij in +den Paaschnacht had gezien. + +Toen hij dicht bij de stad kwam, zag hij, dat zij leek op die andere +uit de zee, en er toch ook niet op leek. 't Was 't zelfde verschil, +alsof men den eenen dag een man zag gekleed in purper en met rijke +versierselen, en den anderen dag ontkleed en in lompen. + +Ja, deze stad was zeker eens juist geweest als die andere, waar hij +aan zat te denken. Deze was ook omgeven door een stadsmuur met torens +en poorten. Maar de torens in de stad, die aan land gebleven was, +waren zonder spits, vervallen en leeg. De poorten waren zonder deuren, +de wachters en krijgsknechten waren verdwenen. Al de schitterende +pracht was weg. Alleen de naakte, grauwe steenen waren nog over. + +Toen de jongen verder boven de stad kwam, zag hij, dat zij voor +'t grootste gedeelte met kleine, lage huizen bebouwd was, maar hier +en daar waren nog een paar hooge gevelhuizen en een paar kerken uit +den ouden tijd over. De wanden van de gevelhuizen waren niet gekalkt, +en geheel zonder versierselen, maar omdat de jongen zoo kort geleden +de verzonken stad had gezien, meende hij wel te begrijpen, hoe ze +versierd geweest waren: sommige met beelden en andere met wit en zwart +marmer. En zoo was het ook met de oude kerken. De meesten waren zonder +spits en naakt van binnen. De vensteropeningen stonden leeg, de vloeren +waren met gras begroeid, en langs de wanden groeide de klimop naar +boven. Maar nu wist hij, hoe zij er eens hadden uitgezien, dat ze +met beeldhouwwerk en schilderijen waren bedekt geweest, dat op het +koor versierde altaren en gouden kruizen hadden gestaan, en dat daar +priesters hadden dienst gedaan, in goudbrokaat gekleed. + +De jongen zag ook de smalle straten, die leeg waren op dezen +feestdag. Hij wist nu welk een stroom statige menschen er zich eens +hadden bewogen. Hij wist, dat ze als groote werkplaatsen waren geweest, +vol van allerlei werk. + +Maar wat Niels Holgersson niet zag, was, dat de stad nog op dat +oogenblik mooi èn merkwaardig was. Hij zag de gezellige hutjes niet in +de achterstraten, met de zwarte wanden, noch het witte vogelkruid en +de roode geraniums achter de heldere vensterruitjes, of de vele mooie +tuinen en lanen, of de schoonheid der ruïnen vol groene ranken. Zijn +oogen waren zóó vol van de heerlijkheid van het verleden, dat hij +niets goeds in het tegenwoordige kon zien. + +De wilde ganzen vlogen een paar keer heen en weer, opdat Duimelot +alles goed zou kunnen zien. Eindelijk sloegen ze neer op den met gras +begroeiden vloer, in de ruïne van een kerk, om daar den nacht door +te brengen. + +Toen ze zich al hadden klaar gemaakt om te slapen, was Duimelot nog +wakker, en keek door de gebarsten gewelven op naar den bleekrooden +avondhemel. Toen hij zoo een poos gezeten had, dacht hij, dat hij +er niet meer over wilde treuren, dat hij de verzonken stad niet had +kunnen redden. + +Neen, dat wilde hij niet meer, nu hij deze gezien had. Als die stad +uit de zee daar niet weer was neergezonken, zou ze misschien over +eenigen tijd even vervallen zijn, als deze hier. Dan was 't maar beter, +dat ze daar in al haar heerlijkheid in het verborgen bleef bestaan. + +"'t Was 't beste, dat 't ging zooals het ging," dacht hij. "Al had +ik de macht de stad te redden,--ik geloof niet, dat ik het doen zou." + +Daarna treurde hij niet meer over het gebeurde. + +En er zijn wel velen onder de jongeren, die zoo denken. Maar als de +menschen oud worden, en zich hebben gewend om met weinig tevreden te +zijn--dan genieten ze meer van het Visby, dat bestaat, dan van een +prachtig Vineta op den bodem der zee. + + + + + + +XIII. + +HOE SMALAND GESCHAPEN WERD. + + +De wilde ganzen hadden een goede reis over de zee gehad, en waren +in het district Tjust in Noord Smaland neergestreken. Dat district +scheen niet te kunnen besluiten, of het land of zee wilde zijn. Overal +gingen de zeeboezems diep het land in, en sneden het in eilanden +en schiereilanden, in landtongen en landengten. De zee was zóó +indringerig, dat rotsen en heuvels het eenige was, wat zich kon +staande houden. Al het lage land was onder den waterspiegel verborgen. + +Het was avond, toen de wilde ganzen aankwamen van over zee, en het +heuvelachtige land lag mooi tusschen de glanzende inhammen. Hier en +daar op de eilanden zag de jongen hokjes en hutjes, en hoe verder hij +'t land inkwam, hoe grooter en beter de woningen werden. Eindelijk +werden het groote, witte heerenhuizen. Aan den kant van het strand +stond gewoonlijk een kring van boomen, daar binnen lagen de akkers, +en op de toppen van de heuvels verschenen de boomen weer. Hij kon niet +laten aan Blekinge te denken. Dit was ook een plaats, waar land en +zee elkaar op zoo'n mooie, stille manier ontmoetten, en als 't ware +elkaar 't mooiste en beste trachtten te vertoonen, wat zij bezaten. + +De wilde ganzen streken neer op een kaal eilandje, diep in de +ganzenbaai. Bij den eersten oogopslag naar 't strand, merkten zij, +dat de lente groote vorderingen had gemaakt, in den tijd, dat zij +op de eilanden waren geweest. De groote, prachtige boomen waren nog +niet in blad, maar 't veld beneden was bont gekleurd door witte en +blauwe anemonen. + +Toen de ganzen 't bloemenveld zagen werden ze bang, dat ze te lang +in het Zuiden waren gebleven. Akka zei dadelijk, dat er geen tijd was +om een van de rustplaatsen in Smaland op te zoeken. Al den volgenden +morgen moesten ze doortrekken naar het Noorden, over Oostgothland. + +De jongen zou dus niets van Smaland te zien krijgen, en dat speet hem +toch wel wat. Hij had over geen ander landschap zooveel hooren spreken, +als over Smaland, en hij had verlangd het met eigen oogen te zien. + +Den vorigen zomer, toen hij als ganzenjongen bij een boer in de +nabijheid van Jordberga diende, had hij bijna elken dag een paar arme +kinderen uit Smaland ontmoet, die ook ganzen hoedden. Die kinderen +hadden hem vreeselijk met hun Smaland geplaagd. + +Maar eigenlijk was het niet mooi om te zeggen, dat Asa, het +ganzenhoedstertje, hem had geplaagd. Zij was daar veel te verstandig +voor. Maar wie hem plagerige antwoorden kon geven, dat was Mads, +haar broertje. + +"Heb je gehoord, Niels, hoe het toeging toen Smaland en Skaane +geschapen werden," vroeg hij, en toen Niels Holgersson: "Neen," zei, +begon hij dadelijk het oude, grappige verhaal te doen: "'t Was in den +tijd, dat onze lieve Heer bezig was de wereld te scheppen. Terwijl +Hij daar druk meê bezig was, kwam de heilige Petrus voorbij. Hij +bleef staan, en keek er naar, en toen vroeg hij, of het een moeilijk +werk was. + +"Och ja, dat is zoo gemakkelijk niet," antwoordde onze lieve Heer. + +Petrus bleef nog een oogenblik staan, en toen hij merkte, hoe +gemakkelijk het ging, het eene land na het andere uit te spreiden, +kreeg hij lust het ook eens te probeeren. + +"Misschien hebt U wat rust noodig," zei Petrus, "zoodat ik intusschen +het werk kan overnemen." Maar dat wilde onze lieve Heer niet hebben. + +"Ik weet niet, of je de kunst zoo goed verstaat, dat ik 't je kan +toevertrouwen voort te gaan, waar ik ophoud," antwoordde Hij. + +Toen werd Petrus boos, en zei, dat hij meende even mooie landen te +kunnen scheppen als onze lieve Heer zelf. + +'t Was nu zoo, dat onze lieve Heer juist op dat oogenblik bezig was +Smaland te scheppen. 't Was nog niet half klaar, maar 't zag er uit, +alsof het een onbeschrijfelijk mooi en vruchtbaar land worden zou. Onze +lieve Heer kon Petrus niet best iets weigeren, en behalve dat, dacht +Hij zeker, dat wat zoo mooi begonnen was, niet door een ander bedorven +zou kunnen worden. Daarom zei Hij: + +"Als je 't met me eens bent, zullen we eens probeeren wie van ons +beiden dit soort werk het best verstaat. Jij, die nog maar een beginner +bent, moet dit werk voortzetten, wat ik begonnen ben, en ik zal een +nieuw land scheppen." + +Daar ging Petrus dadelijk op in, en toen begonnen zij te werken, +ieder aan een kant. + +Onze lieve Heer trok een eind naar het Zuiden, en daar begon Hij Skaane +te scheppen. 't Duurde niet lang, tot Hij klaar was, en dadelijk +vroeg Hij, of Petrus zijn werk al af had, en of hij niet wou komen +kijken naar 't werk van onzen lieven Heer. + +"Ik heb 't mijne al lang in orde," zei Petrus, en men kon aan zijn +stem hooren, hoe blij hij was met wat hij had klaar gekregen. + +Toen de Heilige Petrus Skaane zag, moest hij bekennen, dat er van +dat land niets dan goeds was te zeggen. 't Was een vruchtbaar en +gemakkelijk te bewerken land, met groote vlakten, waar hij ook heen +zag, en nauwelijks een zweem van bergen. 't Scheen, dat onze lieve +Heer er het er echt op had toegelegd te maken, dat de menschen het +er goed zouden hebben. + +"Ja, dit is een mooi land," zei de Heilige Petrus, "maar ik geloof +toch, dat het mijne beter is." + +"Laat ons er eens naar gaan kijken," zei onze lieve Heer. + +'t Land was al klaar geweest in 't noorden en in 't oosten, toen Petrus +was begonnen te werken, maar het zuidelijk en westelijk gedeelte en +'t geheele binnenland had hij alleen moeten scheppen. Toen nu onze +lieve Heer daar kwam, waar Petrus had gewerkt, schrikte Hij zóó, +dat Hij bleef staan, en zei: "Wat ter wereld heb je toch met dit land +uitgevoerd, Heilige Petrus?" + +Petrus stond ook heel verbaasd rond te kijken. Hij had gemeend, +dat niets voor een land zoo best was, als veel warmte. Daarom had +hij een ontzettende massa steenen en bergen bij elkaar gehaald en +een hoog land gemaakt; en dat had hij gedaan, omdat het dicht bij de +zon zou komen, en veel zonnewarmte krijgen. Boven op de steenen had +hij een dun laagje vruchtbare aarde gelegd, en toen had hij gedacht, +dat alles goed in orde was. + +Maar nu waren er een paar hevige regenbuien gekomen, terwijl hij in +Skaane was, en meer was er niet noodig, om aan te toonen, hoe weinig +zijn werk deugde. Toen onze lieve Heer het land kwam bekijken, was +alle aarde weggespoeld, en de kale rotsgrond stak overal door. Op +de beste plaatsen waren de steenen met klei en zwaar grint bedekt, +maar dat zag er zoo mager uit, dat het gemakkelijk te begrijpen +was, dat er nauwelijks iets anders dan dennen, mos en heikruid kon +groeien. Wat er in overvloed was--dat was water. Dat had alle kloven +in den berg gevuld, en meren, stroomen en beken zag men overal, om niet +te spreken van moerassen en plassen, die zich over groote stukken land +uitstrekten. En het ergerlijkste was, dat terwijl sommige streken meer +dan genoeg water hadden, er op andere plaatsen zoo'n gebrek aan was, +dat er groote velden droge hei waren, waar zand en aarde in wolken +opstoven bij den minsten wind. + +"Wat kan toch je bedoeling zijn geweest met zoo'n land te +scheppen!" zei onze lieve Heer; en de Heilige Petrus verontschuldigde +zich, en zei, dat hij het land zoo hoog had willen maken, dat het +veel van de zonnewarmte zou krijgen. + +"Maar dan krijgt het immers ook veel van de nachtkou," zei onze lieve +Heer, "want die komt ook van den hemel, evengoed. Ik ben bang, dat +het beetje, wat hier groeien kan, nog bevriest." + +Daar had de heilige Petrus natuurlijk niet aan gedacht. + +"Ja hier wordt het mager en koud land," zei onze lieve Heer, "daar +is niets aan te doen." + +Toen kleine Mads zoover gekomen was met zijn verhaal, viel Asa, +het ganzenhoedstertje hem in de rede. + +"Ik kan 't niet best aanhooren, Mads, dat je zegt, dat het hier in +Smaland zoo akelig is," zei ze. "Je vergeet heelemaal hoeveel goede +grond er toch is. Denk maar aan Möre daar bij 't Halmar Sund. Ik zou +wel eens willen weten, waar je rijker korenvelden vinden kunt. Daar +ligt akker aan akker, precies als hier in Skaane. Dat is zulke goede +grond, dat ik niet weet, wat hier niet zou kunnen groeien." + +"Dat kan ik niet helpen," zei kleine Mads. "Ik vertel maar na, wat +anderen eerst hebben gezegd." + +"En ik heb veel menschen hooren zeggen, dat er geen mooier kustland +is dan Tjust. Denk aan de baaien en de eilanden, aan de heerenhoeven +en de bosschen," zei Asa. + +"Ja, dat is wel waar," gaf kleine Mads toe. + +"En herinner je je niet," ging Asa voort, "dat de schooljuffrouw +zei, dat zoo'n levendige en mooie streek, als 't stukje van Smaland, +dat ten zuiden van 't Wettermeer ligt, in heel Zweden niet te vinden +is? Denk eens aan 't mooie meer, en de gele heuvel aan het strand, +en aan Grenna en Jönköping met de lucifersfabriek en 't Munkmeer, +en denk aan Huskvarna en alle groote inrichtingen daar." + +"Ja, dat is wel waar," zei kleine Mads weer. + +"En denk aan Visingö, Mads, met de ruïnen, en 't eikenbosch, en alle +sagen. Denk aan het dal, waar de Em-beek uitkomt, met alle steden en +molens en houtfabrieken, de zagerijen en meubelfabrieken." + +"Ja, dat is alles waar," zei kleine Mads en zag er heel bekommerd uit. + +Maar toen keek hij snel op. + +"Nu zijn we toch al heel dom," zei hij. "Dat allemaal ligt immers +in 't Smaland van onzen lieven Heer, in dat gedeelte van 't land, +dat al klaar was, toen de Heilige Petrus begon te werken. Dat is +immers juist in orde, dat het daar mooi en heerlijk is. Maar in 't +Smaland van den Heiligen Petrus ziet het er alles zoo uit, als 't in +'t verhaal staat. En het is geen wonder, dat onze lieve Heer bedroefd +werd, toen hij dat zag," ging de kleine Mads voort, en nam den draad +van 't verhaal weer op. "De Heilige Petrus verloor den moed niet, +maar probeerde onze lieve Heer te troosten." + +"Trek u dit maar niet zoo erg aan," zei hij. "Wacht maar, tot ik +menschen geschapen heb, die de moerassen kunnen bebouwen en akkers +kunnen ontginnen op de rotsen." + +Maar toen was het geduld van onzen lieven Heer eindelijk uit, en +Hij zei: "Neen, jij moogt naar Skaane gaan, dat ik tot een goed en +gemakkelijk te bewerken land heb gemaakt en den Skaaning scheppen, +maar den Smalander wil ik zelf scheppen." + +En toen schiep onze lieve Heer den Smalander, en maakte hem vlug en met +weinig tevreden, opgewekt en vlijtig, ondernemend en flink, opdat hij +zou kunnen leven in zijn armoedig land." Toen zweeg de kleine Mads, +en als nu Niels ook maar had gezwegen, was alles goed gegaan, maar +hij kon niet laten te vragen, hoe het den Heiligen Petrus was gegaan, +toen hij den Skaaning scheppen ging. + +"Ja, wat vindt je zelf?" zei kleine Mads en keek zóó verachtelijk, +dat Niels Holgersson op hem aanvloog om hem te slaan. Maar Mads was +nog een klein ventje, en Asa, 't ganzenhoedstertje, die een jaar +ouder was, sprong dadelijk toe om hem te helpen. Hoe goedig ze ook +was, ze werd als een leeuw, als iemand haar broertje aanraakte. En +Niels Holgersson wou niet met een meisje vechten. Dus keerde hij hun +den rug toe, en liep weg, en keek dien heelen dag niet meer naar die +Smalandskinderen om. + + + + + + +XIV. + +DE AARDEN KRUIK. + + +In het zuidwesten van Smaland ligt een groote heide, waar enkel +heikruid groeit, behalve op één plekje, waar een lage steenige +bergrug midden over de hei heenloopt. Daar groeien jeneverbessen, +lijsterbessen en enkele groote, mooie berken. In den tijd, toen Niels +Holgersson rondreisde met de wilde ganzen, stond daar ook een hutje, +met een klein stukje ontgonnen grond er om heen, maar de menschen, +die daar eens gewoond hadden, waren om een of andere reden er vandaan +gegaan. 't Hutje stond leeg, en de akker lag daar ongebruikt. + +Toen de menschen dat hutje verlieten, hadden zij den sleutel van +den haard dichtgedraaid, de haken op de vensters gezet, en de deur +gesloten. Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat een ruit in het +venster kapot was, en enkel met een lap dichtgestopt. Na de regenbuien +van een paar zomers was die lap verrot, en eindelijk was het een +kraai gelukt dien weg te pikken. + +Die bergvlakte op de heide was namelijk niet zoo eenzaam, als men wel +zou meenen, maar werd door een groot kraaienvolk bewoond. Het heele +jaar rond woonden de kraaien daar natuurlijk niet. Ze verhuisden +in den winter naar het buitenland; in den herfst gingen ze van den +eenen akker naar den anderen, heel Gothland door, en aten koren; +'s zomers verspreidden ze zich over de hoeven in Sunnerbo, en leefden +van eieren, bessen en jonge vogels; maar iedere lente, als ze nesten +moesten bouwen en eieren leggen, kwamen zij naar de heide terug. + +De kraai, die den lap uit het venster gepikt had, heette Garm +Witteveer, maar hij werd nooit anders dan Haspel genoemd, omdat +hij altijd dom en onhandig deed, en nergens goed voor was, dan om +uitgelachen te worden. Haspel was grooter en sterker dan een van de +andere kraaien; maar het hielp hem niets, hij was en bleef een mikpunt +van spotternij. Het baatte ook niet, dat hij van goede familie was. Als +alles was gegaan, zooals het behoorde, had hij zelfs aanvoerder van +den heelen troep moeten zijn, omdat die waardigheid sinds onheuglijke +tijden aan den oudste van de Witteveeren was opgedragen; maar lang +vóór Haspel werd geboren, was de heerschappij uit zijn geslacht aan +een ander overgegaan en nu in handen van een wreede en wilde kraai, +die Windsnel heette. + +Die verplaatsing van de macht was gekomen, doordat de kraaien op de +kraaienvlakte een ander leven wilden gaan leiden. 't Kan wel zijn, +dat menigeen gelooft, dat alles, wat kraai heet, op dezelfde manier +leeft, maar dat is heelemaal onjuist. Er zijn heele kraaienvolken, +die een rechtschapen leven leiden, d.w.z., die zich voeden met zaad, +wormen, larven en doode dieren, en er zijn andere, die een echt +rooverleven leiden, op jonge hazen en kleine vogeltjes aanvliegen, +en elk vogelnest, dat zij in het oog krijgen, uitplunderen. + +De oude Witteveeren waren streng en matig geweest, en zoo lang zij +den troep hadden aangevoerd, hadden zij de kraaien gedwongen zich +zoo te gedragen, dat andere vogels geen kwaad van hen zeggen konden; +maar de kraaien waren talrijk, en er heerschte veel armoede onder +hen. Ze konden het op den duur niet uithouden zoo'n sober leven te +leiden, zij maakten oproer tegen de Witteveeren, en gaven de macht +aan Windsnel, die de ergste nestenplunderaar en roover zou zijn, +die men bedenken kon, als zijn vrouw, Windkara niet nog erger was +geweest. Onder hun bestuur waren de kraaien begonnen zoo te leven, +dat zij nu nog meer dan valken en berguilen werden gevreesd. + +Haspel had natuurlijk niets in te brengen in de groep. Allen waren +het er over eens, dat hij in 't geheel niet op zijn voorouders leek, +en dat hij niet deugde om leider te zijn. + +Niemand zou over hem gesproken hebben, als hij niet altijddoor nieuwe +domheden had begaan. Enkelen, die heel wijs waren, zeiden nu en dan, +dat het misschien een geluk voor Haspel was, dat hij zoo'n onbeholpen +stakker was, anders zouden Windsnel en Kara hem niet bij den troep +hebben laten blijven, omdat hij tot het oude hoofdmansgeslacht +behoorde. + +Nu waren ze heel vriendelijk voor hem, en namen hem graag meê op hun +jachtpartijen. Dan konden allen merken, hoe veel moediger en flinker +zij waren dan hij. + +Geen van de kraaien wist, dat het Haspel was, die den lap uit +het venster had geplukt, en als ze het gehoord hadden, zouden ze +zeker ongeloofelijk verbaasd zijn geweest. Zulk een driestheid: een +menschenhuis te naderen, hadden zij niet van hem verwacht. Zelfs +verzweeg hij de zaak zorgvuldig en had daar zijn goede redenen +voor. Windsnel en Kara behandelden hem altijd goed overdag, en +als de anderen er bij waren, maar in een heel donkeren nacht, toen +de kameraden al op hun nachtverblijf in de boomen waren, was hij +door een paar kraaien aangevallen en bijna vermoord. Na dien tijd, +ging hij iederen avond, als het donker geworden was, van zijn gewone +slaapplaats naar de leege kamer. + +Het gebeurde nu op een middag, toen de kraaien al hun nesten in orde +hadden gebracht op het kraaienveld, dat zij een merkwaardige vondst +deden. Windsnel, Haspel en een paar anderen waren in een grooten +kuil neergeslagen in den éénen hoek van de heide. Die kuil was niet +anders dan een verzakt dak van grint; maar de kraaien konden zich niet +met zulk een eenvoudige verklaring tevreden stellen, maar vlogen er +telkens weer in, en keerden elk zandkorreltje om, om er achter te +komen, waarom de menschen den kuil gegraven hadden. Juist toen de +kraaien daar liepen, stortte een massa grint van een kant naar beneden. + +Ze vlogen er snel op af, en hadden het geluk onder neergevallen +steenen en grastoefjes een vrij grooten aarden pot te vinden, die +met een houten deksel afgesloten was. Ze wilden natuurlijk weten, +of er asch in was, en probeerden een gat in den pot te pikken en het +deksel los te maken, maar geen van beide gelukte hun. + +Ze stonden radeloos bij elkaar, en bekeken den pot, toen ze iemand +hoorden zeggen: "Zal ik jelui helpen, kraaien?" Ze keken haastig +op. Aan den kant van den kuil zat een vos, en keek op hen neer. Hij was +een van de mooiste vossen, zoowel wat zijn kleur als figuur betreft, +dien ze ooit gezien hadden. Zijn eenigste fout was, dat hij maar één +oor had. + +"Als je lust hebt ons een dienst te bewijzen," zei Windsnel, "zullen we +geen "neen" zeggen." Op 't zelfde oogenblik vlogen hij en de anderen +op uit den kuil. De vos sprong er in, op hun plaats, beet in den pot, +en trok aan het deksel, maar hij kon het ook niet open krijgen. + +"Kun jij er achter komen, wat daarin zit?" vroeg Windsnel. + +De vos rolde den pot heen en weer, en luisterde opmerkzaam. "Dat kan +niet anders dan zilvergeld zijn," zei hij. + +Dat was meer, dan de kraaien verwacht hadden. "Denk je, dat het zilver +kan zijn?" zeiden ze, en de oogen rolden hun bijna uit het hoofd van +begeerigheid, want, hoe vreemd het ook klinken moge--er is niets in +de wereld, waar de kraaien zóó veel van houden, als van zilvergeld. + +"Hoor ze eens rammelen!" zei de vos, en rolde den pot nog eens +rond. "Ik kan alleen niet begrijpen, hoe we er bij kunnen komen." + +"Neen, dat zal wel onmogelijk zijn," zeiden de kraaien. + +De vos stond met zijn kop tegen zijn linkerpoot te wrijven, en dacht +na. Misschien zou hij nu met behulp van de kraaien dien dwerg te +pakken kunnen krijgen, die hem altijd ontsnapte. + +"Ik weet wel iemand, die den pot voor jelui zou kunnen openmaken," +zei de vos. + +"Wie dan? Wie dan?" riepen de kraaien, en kwamen zóó in vuur, dat ze +in den kuil vlogen. + +"Dat zal ik jelui zeggen, maar je moet eerst beloven mijn voorwaarden +aan te nemen," zei hij. + +Toen vertelde de vos van Duimelot, en zei aan de kraaien dat, als +ze hem naar de hei konden brengen, hij den pot wel voor hen zou +openmaken. Maar als loon voor dien raad vroeg hij, dat zij Duimelot +aan hem zouden uitleveren, zoodra hij hun het zilvergeld had bezorgd. + +De kraaien hadden geen reden Duimelot te sparen; zij gingen dadelijk +op dit voorstel in. + +Dit alles was nu gemakkelijk afgesproken, maar 't was moeilijker uit +te vinden, waar Duimelot en de wilde ganzen waren. + +Windsnel vloog zelf weg met vijftig kraaien, en zei, dat hij gauw +terug wezen zou. Maar de eene dag na den anderen ging voorbij, zonder +dat de kraaien op 't kraaienveld een glimp van hen te zien kregen. + + + + +DE ROOF. + + +De wilde ganzen waren wakker bij 't eerste krieken van den dag, om +te probeeren wat eten te krijgen, eer zij de reis naar Oostgothland +begonnen. Het eilandje in den ganzenplas, waar zij geslapen hadden, +was klein en kaal, maar in het water, overal in het rond, waren +planten, waaraan zij hun genoegen konden eten. Voor den jongen was +het erger. Hij kon niets eetbaars vinden. + +Toen hij, hongerig en huiverig door de morgenlucht, naar alle kanten +stond rond te kijken, vielen zijn oogen op een paar eekhoorns, die op +een met boomen begroeide landtong vlak voor het eiland speelden. Hij +wilde weten, of de eekhoorntjes nog iets van hun wintervoorraad over +hadden, en hij vroeg den witten ganzerik hem even naar de landtong +over te brengen, zoodat hij hun om een paar hazelnoten kon vragen. + +De groote witte gans zwom vlug met hem over 't water, maar het +ongeluk wilde, dat de eekhoorns zóó'n pleizier hadden met elkaar van +boom tot boom te jagen, dat zij geen lust hadden naar den jongen +te luisteren. Ze trokken zich verder in 't bosch terug. Hij liep +hen hard achterna, en de ganzerik, die aan 't strand bleef liggen, +verloor hem al gauw uit het oog. + +De jongen liep met moeite voort door een hoog bosje anemonen, dat hem +bijna tot de kin reikte, toen hij voelde, dat iemand hem van achteren +aangreep, en probeerde hem op te lichten. Hij keek om, en zag, dat +een kraai hem bij zijn hemdkraag vast had. Hij probeerde zich los +te rukken, maar vóór dit hem gelukt was, kwam gauw nog een kraai, +pakte hem bij zijn eene kous, en gooide hem op den grond. + +Als Niels Holgersson maar gauw om hulp geroepen had, zou de witte +ganzerik hem stellig hebben kunnen bevrijden, maar de jongen +meende zeker, dat hij zich alleen wel tegenover een paar kraaien +kon redden. Hij schopte en sloeg, maar de kraaien lieten niet los, +en het gelukte hun met hem op te vliegen. Daarbij gingen ze zoo +onvoorzichtig te werk, dat zijn hoofd tegen een tak sloeg. Hij kreeg +een harden slag op de hersens, het werd donker voor zijn oogen, +en hij werd bewusteloos. + +Toen hij weer bijkwam, was hij hoog boven in de lucht. Langzaam +werd hij weer helder. In het begin wist hij niet, waar hij was, +en wat hij zag. Als hij naar beneden keek, was 't hem, alsof onder +hem een reuzengroote, wollige mat lag, doorweven met groen en bruin +in groote onregelmatige figuren. Die mat was heel dik en prachtig, +maar hij vond, dat het zonde was, dat ze zoo verwaarloosd was. Zij +was heelemaal kapot; er liepen groote scheuren door, en hier en daar +waren er heele stukken uitgescheurd. En 't wonderlijkste was, dat ze +scheen te liggen op een spiegelvloer, want door de gaten en scheuren +heen scheen helder glimmend glas. + +Wat de jongen daarna zag, was, dat de zon opkwam aan den +hemel. Dadelijk begon het spiegelglas onder de gaten en spleten in +de mat te glanzen in rood en goud. Dat stond prachtig, en de jongen +genoot van de mooie kleurschakeeringen, hoewel hij niet recht wist, +wat hij zag. Maar nu daalden de kraaien neer, en op eens merkte +hij, dat de groote mat onder hem de aarde was, bekleed met groene +dennenbosschen en bruin, kaal loofhout, en dat de scheuren en gaten +de blanke plassen en meertjes waren. + +Hij herinnerde zich hoe hij, toen hij voor 't eerst hoog in de lucht +geweest was, had gevonden, dat de aarde in Skaane er uit zag als +een geruit stuk goed. Maar dit land, dat op een gescheurde mat leek, +wat zou dat zijn? + +Allerlei vragen kwamen in hem op. Waarom zat hij niet op den rug +van den witten ganzerik? Waarom vloog er een zwerm kraaien om hem +heen? En waarom werd hij heen en weer gerukt en geslingerd, zoodat +hij bijna kapot ging. + +Op eens werd hem dit alles duidelijk. Hij was weggeroofd door een paar +kraaien. De witte ganzerik lag aan het strand op hem te wachten, en +de wilde ganzen zouden vandaag naar Oost-Gothland op reis gaan. Zelfs +werd hij naar het zuidwesten meêgenomen; dat begreep hij, doordat +hij de zon achter zich had. + +"Hoe zal het nu met den witten ganzerik gaan, als ik niet op hem +passen kan?" dacht de jongen, en hij begon de kraaien toe te roepen, +dat ze hem dadelijk naar de ganzen terug moesten brengen. Hij was +heelemaal niet bezorgd over zichzelf. Hij meende, dat ze hem bij +vergissing meênamen. + +De kraaien stoorden zich geen zier aan zijn geroep, maar vlogen voort, +zoo hard ze konden. Een poos later sloeg een van hen met de vleugels +op een manier, die beteekent: "Pas op, er is gevaar!" Dadelijk daarna +doken ze neer in een dennenbosch, drongen door de reusachtige takken +heel tot op den grond in het woud, en zetten den jongen neer onder +een grooten tak, waar hij zoo goed verborgen was, dat zelfs geen valk +hem in het oog had kunnen krijgen. + +Vijftig kraaien gingen om den jongen heen staan, met de snavels naar +elkaar toe gekeerd, om hem te bewaken. + +"Nu kan ik zeker wel gewaarworden, kraaien, waarom jelui me hebt +meêgenomen?" Maar hij had nauwelijks uitgesproken, voor een groote +kraai hem toesnauwde: "Houd je stil! Anders pik ik je de oogen uit!" + +'t Was duidelijk, dat de kraai meende wat hij zei, en de jongen kon +alleen gehoorzamen. Toen zat hij daar en keek de kraaien aan, en de +kraaien keken hem aan. + +Hoe langer hij ze aankeek, hoe minder hij met ze ingenomen werd. + +'t Was vreeselijk, zoo stoffig en slecht onderhouden hun vleugels +waren, precies alsof ze van geen baden of invetten wisten. Hun +teenen en pooten waren vuil van aangedroogde aarde, en ze hadden +overblijfselen van eten in de mondhoeken. 't Waren andere vogels +dan wilde ganzen, dàt kon hij wel merken. Hij vond, dat ze er wreed, +valsch, uitgeslapen en brutaal uitzagen, als boeven en landloopers. + +"'t Is zeker een echte rooverstroep, waar ik tusschen geraakt ben," +dacht hij. + +Op 't zelfde oogenblik hoorde hij den lokroep van de wilde ganzen boven +in de lucht: "Waar ben je? Hier ben ik! Waar ben je? Hier ben ik!" + +Hij begreep, dat Akka en de anderen waren uitgegaan om hem te zoeken, +maar eer hij antwoorden kon, snauwde de groote kraai, die de aanvoerder +van de bende scheen, hem in 't oor: "Denk aan je oogen!" En hij kon +niet anders dan zwijgen. + +De wilde ganzen wisten zeker niet, dat hij zóó dicht bij hen was, +maar vlogen stellig toevallig over dit bosch. Hij hoorde hun roepen +nog een paar keer; toen stierf het weg. + +"Ja, nu moet je jezelf redden, Niels Holgersson," zei hij tot +zichzelf. "Nu moet je toonen, dat je wat geleerd hebt in die weken, +dat je in de wildernis hebt gewoond." + +Een poos later maakten de kraaien aanstalten om op te breken, en toen +ze ook nu van plan schenen hem op dezelfde manier meê te nemen, dat de +een hem bij den hemdkraag vasthield en de andere bij een kous, zei de +jongen: "Is er nu niemand onder jelui kraaien, die zoo sterk is, dat +hij mij op den rug kan dragen? Jelui hebt me al zoo slecht behandeld, +dat ik een gevoel heb, alsof ik in stukken gebroken ben. Laat me maar +rijden. Ik zal niet van den kraaienrug springen, dat beloof ik jelui." + +"Verbeeld je maar niet, dat we er iets om geven hoe je het hebt," +zei de aanvoerder; maar nu kwam de grootste kraai, een slordige, +grove, die een witte veer in den vleugel had, naar voren en zei: +"'t Zou toch voor ons allemaal beter zijn, Windsnel, als Duimelot +in zijn geheel overkwam, dan dat hij stuk ging, en daarom wil ik +probeeren hem op mijn rug te dragen." + +"Als je dat kunt, Haspel, heb ik er niets tegen," zei Windsnel; +"maar laat hem niet vallen." + +Hiermeê was al veel gewonnen, en de jongen voelde zich weer recht in +zijn schik. + +"'t Is niet noodig, dat ik den moed verlies, omdat ik door de kraaien +ben meêgenomen," dacht hij. "Met die stakkers zal ik 't wel vinden." + +De kraaien vlogen steeds naar het zuidwesten over Smaland. 't Was +een prachtige morgen, zonnig en kalm, en de vogels beneden op de +aarde waren ijverig bezig hun liefdesliederen te zingen. In een hoog, +donker bosch zat de lijster zelf met hangende vleugels en een dikke +keel boven in een dennetop, en sloeg wat hij kon. + +"Wat ben je mooi, wat ben je mooi!" zong hij. "Niemand is zoo mooi, +niemand is zoo mooi!" En zoodra hij dat liedje uitgezongen had, +begon hij opnieuw. + +Maar toen werd de jongen juist over 't bosch gedragen, en toen hij dat +liedje een paar keer gehoord had, en begreep, dat de lijster geen ander +kende, zette hij de beide handen voor den mond, en riep naar beneden: +"Dat hebben we meer gehoord! Dat hebben we meer gehoord!" + +"Wie is dat? wie is dat? wie houdt me voor den gek?" vroeg de lijster, +en probeerde te zien, wie geroepen had. + +"Dat is Kraaienroof, die met je liedje spot," antwoordde de jongen. De +kraaienaanvoerder keerde toen den kop om, en zei: "Pas op je oogen, +Duimelot." Maar de jongen dacht: "Neen, daar geef ik niet om. Ik wil +je juist toonen, dat ik niet bang voor je ben." + +Steeds verder vlogen ze het land in, en bosschen en meren waren +overal. In een berkenhaag zat een houtduif op een kalen tak, en +voor haar stond de doffer. Hij zette zijn veeren op, boog den hals, +liet zijn lichaam op en neer gaan, zoodat zijn borstveeren langs +den tak ruischten. Soms kirde hij. "Jij, jij, jij bent de mooiste in +'t bosch. Niemand is zoo mooi als jij, jij, jij!" + +Maar boven in de lucht vloog de jongen voorbij, en toen hij den +doffer hoorde, kon hij zich niet stilhouden. "Geloof hem niet, +geloof hem niet," riep hij. "Wie... wie... wie is dat, die zegt, +dat ik jok?" kirde de doffer, en probeerde te zien, wie daar tegen +hem schreeuwde. + +"Dat is de kraaienvangst! die zegt, dat je jokt!" antwoordde de +jongen. Weer keerde Windsnel den kop naar den jongen, en beval hem +te zwijgen. Maar Haspel, die hem droeg, zei: "Laat hem toch praten, +dan denken de vogeltjes, dat wij, kraaien, aardige, grappige vogels +geworden zijn." + +"Zij zijn toch zoo dom niet," zei Windsnel, maar hij vond dat idee +toch wel goed, want van toen af liet hij den jongen roepen, zooveel +hij wilde. + +Zij vlogen meest over bosschen en boschrijke streken, maar er +waren natuurlijk ook kerken en dorpen en hutjes aan den zoom van +'t bosch. Zij zagen een oude, welvarende hoeve. Die lag met het +bosch achter zich en 't meer voor zich, had roode muren en een dak +met gebroken lijnen, geweldige ahornboomen om de plaats, en groote +kruisbesplanten vol lange takken in den tuin. Boven op den windhaan +zat de spreeuw, en zong zoo hard, dat het wijfje, dat in 't nestje +in den pereboom zat te broeden, elken toon kon hooren. "We hebben +vier mooie eitjes," zong de spreeuw. "We hebben vier mooie ronde +eitjes. We hebben 't heele nest vol met prachtige eieren." + +Toen de spreeuw dit liedje voor den duizendsten keer zong, vloog de +jongen over de hoeve. Hij zette de handen voor den mond als een pijp, +en riep: "De ekster zal ze opeten, de ekster zal ze opeten!" + +"Wie is dat, die me bang wil maken?" vroeg de spreeuw, en sloeg +onrustig met de vleugels. + +"Dat is de kraaienvangst, die je bang maakt," zei de jongen. En +dien keer probeerde de kraaienaanvoerder niet den jongen stil te +houden. Integendeel vonden hij en de heele troep het zoo aardig, +dat ze krasten van pleizier. + +Hoe verder ze het land invlogen, hoe grooter de meren werden, en hoe +rijker de streek aan eilanden en landtongen werd. En aan het strand +stond de woerd te buigen voor zijn bruidje. "Ik zal je mijn heele leven +trouw blijven, ik zal je mijn heele leven trouw blijven," zei hij. + +"Dat duurt maar, tot de zomer voorbij is," riep de jongen in 't +voorbijgaan. + +"Wie ben jij?" riep de woerd. + +"Ik heet, "door de kraaien gestolen"," schreeuwde de jongen. + +Tegen den middag sloegen de kraaien neer op een openbare weide. Ze +liepen rond om eten te zoeken, maar niemand van hen dacht er aan den +jongen wat te geven. + +Toen kwam Haspel op den hoofdman toe met een tak van een doornstruik, +waar een paar rozebottels aan zaten. + +"Dat is voor jou, Windsnel," zei hij. "Dat is lekker eten, dat goed +voor je is." + +Windsnel blies verachtelijk. "Meen je, dat ik dorre, oude rozebottels +eten wil?" zei hij. + +"Ik dacht, dat je er blij meê wezen zou," zei Haspel mismoedig, +en gooide den tak met rozebottels weg. Maar die viel vlak voor den +jongen neer, en hij pakte hem gauw, en at ervan, tot hij genoeg had. + +Toen de kraaien gegeten hadden, begonnen zij te praten. + +"Waar denk je aan, Windsnel? Je bent zoo stil vandaag," zei een van +hen tot den aanvoerder. + +"Ik denk er aan, hoe hier in deze streek eens een kip leefde, die +zooveel van haar meesteres hield, en om haar eens echt pleizier te +doen, legde zij een massa eieren, die ze onder den vloer in de schuur +verstopte. En al dien tijd, dat ze zat te broeien, dacht zij er aan, +hoe blij de vrouw met die kuikentjes zou zijn. Haar meesteres was +natuurlijk nieuwsgierig, waar zij al dien tijd bleef. Ze zocht haar, +maar vond ze niet. Kun je raden, Langsnavel, wie haar en de eieren +vond?" + +"Ik geloof wel, dat ik het raden kan, Windsnel, maar nu je daarover +spreekt, zal ik iets dergelijks vertellen. Herinner je je die groote +zwarte kat wel, uit de pastorie van Hinneryd? Zij was ontevreden met +haar volk, omdat die haar al haar pasgeboren jongen afnamen en die +verdronken. Maar ééns gelukte het haar ze te verbergen, en dat was, +toen zij ze in een stroobos buiten op het veld had gebracht. Ze was +zoo blij met de jongen, maar ik geloof, dat ik meer pleizier van hen +had, dan zij." + +Nu werden ze allemaal zoo opgewonden, dat ze elkaar voortdurend in +de rede vielen: + +"Wat is daar nu aan, om eieren en jongen te stelen," zei de een. "Ik +heb eens op een jongen haas gejaagd, die bijna volwassen was. Ik +moest hem van den eenen struik naar den anderen jagen...." + +Verder kwam ze niet, want een ander nam het woord: "'t Kan nu wel +prettig zijn om kippen en katten te plagen, maar ik vind het nog +merkwaardiger, dat een kraai een mensch ergeren kan. Ik heb eens een +zilveren lepel gestolen...." + +Maar nu achtte de jongen zich toch te goed om naar zulke praatjes +te luisteren. + +"Neen, hoor eens, jelui kraaien," zei hij, "ik vind, dat jelui je +schamen moest, om over al jelui leelijke streken te praten. Ik heb drie +weken lang onder de wilde ganzen geleefd, maar ik heb niets anders dan +goeds gehoord en gezien. Jelui moet wel een slechten aanvoerder hebben, +die je laat rooven en moorden op die manier. Jelui moesten een ander +leven beginnen, want ik kan jelui dit wel zeggen, dat de menschen zóó +genoeg van jelui boosheid hebben, dat ze met alle macht probeeren je +uit te roeien. En dan zal het wel gauw met jelui gedaan zijn." + +Toen Windsnel en de kraaien dat hoorden, werden ze zóó boos, dat ze +van plan waren op den jongen aan te vliegen om hem te verscheuren. Maar +Haspel kraste en schreeuwde, en ging voor hem staan. + +"Neen, neen, neen!" riep hij, en zag er doodverschrikt uit. "Wat +meen je wel, dat Windkara zeggen zal, als jelui Duimelot verscheurt, +vóór hij ons het zilvergeld bezorgd heeft?" + +"Wat ben jij bang voor vrouwvolk, Haspel!" zei Windsnel, maar hij +liet hem toch met rust, en ook de anderen deden Duimelot niets. + +Kort daarop trokken de kraaien verder. Tot nu toe had de jongen +gedacht, dat Smaland niet zoo'n arm land was, als hij wel gedacht +had. Wel was het met bosch begroeid en vol bergtoppen, maar langs +de beken en meren lagen bebouwde velden, en werkelijk woesten grond +had hij niet gezien. Maar hoe verder zij het land in kwamen, hoe +zeldzamer de steden en hutjes werden. Eindelijk vond hij, dat hij +over een echte woestenij heen vloog, waar hij niet anders zag dan +moerassen, heiden en heuvels, met jeneverbessen begroeid. + +De zon was ondergegaan, maar het was nog helder dag, toen de kraaien +de groote heide bereikten. Windsnel zond een kraai vooruit, om te +vertellen, dat het hem goed gegaan was, en toen dat bekend werd, vloog +Windkara met honderd kraaien op van het kraaienveld, om de aankomenden +te gemoet te gaan. Onder het oorverdoovend gekras, dat de kraaien +aanhieven, toen ze elkaar ontmoetten, zei Haspel tegen den jongen: +"Je bent zoo vroolijk en grappig geweest op reis, dat ik veel van je +ben gaan houden. Daarom wil ik je een goeden raad geven. Zoodra we +beneden komen, zullen ze je vragen een werkje te doen, dat je heel +gemakkelijk zal voorkomen. Maar pas op, dat je het niet doet!" + +Onmiddellijk daarna zette Haspel Niels Holgersson neer in een +zandkuil. De jongen liet zich op den grond vallen, en bleef liggen, +alsof hij doodaf van vermoeidheid was. Er vlogen zóóveel kraaien om hem +heen, dat de lucht bruiste als door een storm, maar hij keek niet op. + +"Duimelot," zei Windsnel, "sta nu op! Je moet ons helpen met iets, +wat je heel gemakkelijk doen kunt." + +Maar de jongen bewoog zich niet. Hij deed, alsof hij sliep. Toen nam +Windsnel hem bij den arm, en sleepte hem voort over het zand, tot bij +een aarden pot van een ouderwetsch model, die midden in den kuil stond. + +"Sta op, Duimelot," zei hij, "en doe dien pot open." + +"Waarom laat je me toch niet slapen?" zei de jongen. "Ik ben te moe +om vanavond nog iets te doen. Wacht tot morgen." + +"Doe dien pot open!" zei Windsnel, en schudde hem heen en weer. De +jongen ging toen recht overeind zitten, en bekeek den pot nauwkeurig: +"Hoe kan ik, arm kind! zoo'n pot openkrijgen. Die is immers even +groot als ik zelf." + +"Doe hem open!" beval Windsnel nog eens, "anders zal 't je niet +best gaan!" + +De jongen stond op, ging wankelend naar den aarden pot, voelde aan +het deksel, en liet de armen weer zinken. + +"Ik ben toch anders zoo zwak niet," zei hij. "Als jelui me maar tot +morgen wilt laten slapen, denk ik wel, dat ik het met dat deksel +klaar zal spelen." + +Maar Windsnel was ongeduldig; hij vloog vooruit, en pikte den jongen +in het been. Maar zóó wou de jongen zich niet door een kraai laten +behandelen. Hij rukte zich snel los, sprong een paar pas achteruit, +trok zijn mes uit den gordel, en hield dat voor zich uit. "Pas op, +jij!" riep hij Windsnel toe. + +Maar die was zoo verbitterd, dat hij het gevaar niet telde. Alsof hij +blind was, stoof hij op den jongen af, en kwam recht op het mes toe, +zoodat het door zijn oog in zijn hersens drong. De jongen trok wel +het mes terug, maar Windsnel sloeg nog even met de vleugels, en zonk +toen dood neer. + +"Windsnel is dood! De vreemdeling heeft Windsnel, onzen hoofdman, +vermoord!" riepen de kraaien, die het dichtste bij stonden, en daarop +ontstond een vervaarlijk rumoer. + +Sommigen jammerden, anderen riepen om wraak! allen sprongen of +fladderden op Duimelot af, met Haspel aan 't hoofd. Maar die gedroeg +zich, als naar gewoonte, averechts verkeerd. Hij fladderde maar met +uitgespreide vleugels boven den jongen, en verhinderde de anderen +hem met hun snavel te doorboren. + +Nu vond de jongen toch, dat hij 't erg voor zich had bedorven. Hij +kon van de kraaien niet weg komen, en er was geen plaats, waar hij +zich zou verbergen. Maar toen dacht hij op eens aan den pot. + +Hij rukte hard aan het deksel, en kreeg dat er af. Toen sprong bij +in den pot om zich daarin te verbergen. Maar dat was een slechte +schuilhoek; want die was bijna tot den rand gevuld met zilveren +penningen. De jongen kon er niet diep genoeg inkomen. Daarom boog +hij zich neer, en begon de geldstukken er uit te gooien. + +Tot nu toe hadden de kraaien in een dichten zwerm om hem heen gevlogen, +en naar hem gepikt. Maar toen hij de geldstukken uit den pot gooide, +vergaten ze op eens hun wraakzucht, en begonnen 't zilver op te +rapen. De jongen gooide het geld met handenvol weg, en alle kraaien, +zelfs Windkara, vingen het op. En elk, die een muntje te pakken kreeg, +vloog naar zijn nest om dat op te bergen. + +Toen de jongen al het geld uit den pot had gegooid, keek hij op. Nog +maar één kraai was er over in den zandkuil. Dat was Haspel met de +witte veer in den vleugel, die hem op den rug had gedragen. + +"Je hebt mij een grooter dienst bewezen, dan jezelf kunt begrijpen, +Duimelot," zei de kraai op een heel anderen toon dan vroeger, "en ik +wil je leven redden. Ga op mijn rug zitten, dan zal ik je naar een +schuilplaats brengen, waar je van nacht veilig zult zijn. Morgen zal +ik er voor zorgen, dat je bij de wilde ganzen terugkomt." + + + + +HET HUTJE. + + +Den volgenden morgen, toen de jongen wakker werd, lag hij in een +bed. Toen hij zag, dat hij in een huis was, met vier muren om hem +heen en een zolder boven zijn hoofd, meende hij, dat hij thuis was. + +"Zou Moeder niet gauw komen met de koffie?" mompelde hij, nog half +dommelend. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij in een verlaten +hutje op het kraaienveld lag, en dat Haspel met de witte veer hem +daar den vorigen avond had heengebracht. + +De jongen had pijn in al zijn ledematen na den tocht van den vorigen +dag, en hij vond het heerlijk stil te blijven liggen, terwijl hij op +Haspel wachtte, die beloofd had hem te komen halen. + +Er hingen gordijntjes van geruit katoen om het bed, en hij schoof ze +op zij, om de kamer in te kijken. + +Hij merkte al gauw, dat hij nooit een gebouwtje als dit had gezien. De +wanden bestonden enkel uit een rij boomstammen; daarboven begon +het dak, dat van binnen niet beschoten was: men zag dadelijk de +nok van het dak. De heele kamer was zoo klein, dat ze eerder voor +zulke kleintjes als hij, dan wel voor echte menschen scheen gebouwd, +maar toch waren de haard en de muur voor den haard zóó ruim genomen, +dat hij zich niet herinnerde die ooit zoo groot te hebben gezien. De +deur was in den gevelmuur naast den haard gemaakt, en was zoo klein, +dat ze wel een luikje leek. In den anderen gevelmuur zag hij een laag +en breed venster met veel kleine ruitjes. In de kamer waren bijna +geen losse meubels. De bank langs den eenen muur en de tafel onder +het venster waren aan den wand vastgebouwd, en ook het groote bed, +waarin hij lag, en de bonte kast aan den muur. + +De jongen kon niet laten zich verwonderd af te vragen, van wien dit +hutje wel wezen zou, en waarom het leeg stond. 't Zag er wel uit, +alsof de menschen, die daar hadden gewoond, van plan geweest waren +weer terug te komen. De koffiekan en de breipan stonden nog op den +haard, en er lag wat brandhout in een hoek. De pook en de kolenschop +stonden ook in den hoek; het spinnewiel was op een bank gezet, op de +plank boven het venster lagen werk en vlas, een paar strengen garen, +een vetkaars en een bos zwavelstokken. + +Ja, 't zag er hier zeker uit, alsof zij, die de kamer bewoond hadden, +van plan waren geweest terug te komen. Er lagen dekens en lakens in +'t bed, en aan den wand zaten nog repen doek, waarop drie mannen +te paard: Kasper, Melchior en Balthasar waren geschilderd. Dezelfde +paarden en ruiters waren er dikwijls afgebeeld. Zij reden om de heele +kamer heen, en zetten hun tocht zelfs langs de dakbalken voort. + +Maar aan het dak zag de jongen iets, wat hem in eens op de been +bracht. Dat waren een paar oude sneedjes brood, die daar aan een spil +hingen. Ze zagen er wel oud en duf uit, maar 't was toch brood. Hij +gaf ze een slag met de kolenschop, zoodat er een stuk op den grond +viel. Hij at ervan, en stopte zijn zakken vol. 't Was ongelooflijk +hoe lekker dat brood toch altijd smaakte. + +Hij keek nog eens rond in de kamer om te zien, of er niet nog wat +bij was, dat hij gebruiken en meênemen kon. + +"Ik mag zeker wel nemen, wat ik noodig heb, als niemand anders erom +geeft," dacht hij. Maar het meeste van al, wat hij daar zag, was te +groot en te zwaar. Het eenige, wat hij meê kon nemen, zou hoogstens +een paar stukjes lucifer kunnen zijn. + +Hij klauterde op de tafel, en sprong later, met behulp van de +gordijnen, met een zwaai in de vensterbank. Terwijl hij daar stond +en de lucifers in zijn zak stopte, kwam de kraai met de witte veer +door het venster binnen. + +"Ziezoo, hier ben ik nu," zei Haspel, en streek op de tafel neer. "Ik +kon niet eerder komen, omdat wij kraaien een nieuwen aanvoerder hebben +gekozen, als opvolger van Windsnel." + +"Wie hebben jelui gekozen?" vroeg de jongen. + +"Wij hebben Garm Witteveer gekozen, die vroeger Haspel heette," +antwoordde hij, en rekte zich uit, zoodat hij er heel majestueus +uitzag. + +"Dat was een goede keus," zei de jongen, en feliciteerde hem. + +"Ja, je mag me wel feliciteeren," zei Garm, en begon den jongen te +vertellen, hoe akelig hij het vroeger met Windsnel en Kara had gehad. + +Midden onder dit verhaal hoorde de jongen buiten een stem, die hij +meende te herkennen. + +"Is hij hier?" vroeg Smirre, de vos. + +"Ja, hier is hij verstopt," antwoordde een kraaienstem. + +"Pas op, Duimelot!" riep Garm. "Windkara staat buiten met dien vos, +die je wil opeten!" + +Meer kon hij niet zeggen, want Smirre deed een sprong naar het +venster. Het oude, vermolmde vensterkozijn gaf mêe, en Smirre stond +een oogenblik later op de vensterbank. Garm Witteveer, die geen tijd +had om weg te vliegen, beet hij meteen dood. Toen sprong hij op den +vloer, en keek rond naar den jongen. + +Die probeerde zich achter den grooten hoop werk te verstoppen, maar +Smirre had hem al gezien, en kroop in elkaar om een sprong te doen. En +het hutje was zoo klein, dat de vos hem zonder eenige moeite zou kunnen +pakken. Maar op dit oogenblik was hij niet ongewapend. Haastig streek +hij een lucifer aan, stak die in het werk en toen dat in brand vloog, +gooide hij het op den vos. En toen 't vuur hem raakte, werd de vos +door een waanzinnigen schrik aangegrepen. Hij dacht niet meer aan +den jongen, maar vloog half zinneloos van angst de kamer uit. + +Maar het scheen, dat de jongen aan 't eene gevaar ontsnapt was, door +een nog grooter over zich te brengen. Van den prop werk, waarmeê hij +Smirre had gegooid, had de vlam de bedgordijnen bereikt. Hij sprong +op den grond, en trachtte het te dooven, maar het brandde al veel +te fel. De heele hut was al gauw vol rook, en Smirre, die buiten het +venster stond, begon te begrijpen, hoe het daar binnen gesteld was. + +"Nu, Duimelot," riep hij, "wat kies je nu? Gebraden te worden, of bij +mij te komen? Ik zou je wel het allerliefst opeten, maar hoe de dood +je ook te pakken krijgt, is 't mij goed!" + +De jongen dacht niet anders, of de vos had gelijk, want de brand nam +met vliegende vaart toe. 't Heele bed brandde al, uit den vloer kwam +de rook op, en op de geschilderde houten latten kroop de vlam van den +eenen ruiter naar den anderen. De jongen was op den haard gesprongen, +en probeerde de deur van den oven open te krijgen, toen hij op eens een +sleutel in het slot hoorde steken en zachtjes omdraaien. Dat moesten +menschen zijn, die aankwamen, en in den nood, waarin hij nu verkeerde, +werd hij niet bang, maar alleen blij. Hij stond al op den drempel, toen +de deur eindelijk open ging. Hij zag een paar kinderen vóór zich, maar +wat ze voor gezichten zetten, toen zij het hutje in brand vonden, hij +had geen tijd, om er naar te kijken; hij vloog ze voorbij, naar buiten! + +Hij durfde niet ver weg te loopen. Hij wist wel, dat Smirre, de vos, +op hem loerde, en hij begreep, dat hij in de buurt van de kinderen +moest blijven. Hij keek om, om te zien wat het voor kinderen waren, +maar hij had ze nog geen seconde aangezien, voor hij ze tegemoet vloog, +en riep: "Kijk eens hier! Dag Asa, dag Mads!" + +Want toen de jongen die kinderen zag, vergat hij heelemaal, waar +hij was. De kraaien, de brandende hut, de sprekende dieren verdwenen +uit zijn herinnering. Hij liep op een stoppelveld in 't westen van +Vemmenhög, en hoedde de ganzen, en op het veld naast hem liepen die +kinders uit Smaland met hùn ganzen. En zoodra hij ze zag, sprong hij +op het steenen walletje, en riep. "Dag Asa, dag Mads!" + +Maar toen de kinderen zoo'n klein dwergje op zich af zagen komen met +uitgestrekte hand, hielden ze elkaar vast, deden een paar stappen +achteruit, en zagen er doodverschrikt uit. + +Toen de jongen hun schrik zag, kwam hij tot zichzelf, en herinnerde +zich, wie hij was. En toen vond hij, dat hem niets ergers +kon overkomen, dan dat juist die kinderen zouden zien, dat hij +betooverd was. Schaamte en verdriet, omdat hij geen mensch meer was, +overweldigden hem. Hij keerde zich om, en liep weg--hij wist zelf +niet waarheen. + +Maar een blijde ontmoeting wachtte den jongen, toen hij op de heide +kwam. Want daar in het heikruid, kwam hem de witte ganzerik met Donsje +tegemoet. Toen de witte den jongen zóó hard zag loopen, meende hij, +dat gevaarlijke vijanden hem vervolgden. Hij gooide hem haastig op +zijn rug, en vloog met hem weg. + + + + + + +XV. + +DE OUDE BOERIN. + + +Drie vermoeide reizigers zochten een nachtverblijf op den laten +avond. Zij liepen wel door een armoedig woest gedeelte van +Noord-Smaland, maar een rustplaats, zooals zij die verlangden, +moesten zij toch kunnen vinden, want ze waren geen verwijfde wezens, +die zachte bedden en mooi gemeubileerde kamers verlangden. "Als een +van de lange bergruggen hier een top hadden, zóó sterk en hoog, dat +een vos er op geen enkele manier kon opklauteren, hadden we een goede +slaapplaats," zei de een. + +"Als maar een van de groote moerassen hier niet bevroren was, en zoo +zacht en nat, dat een vos er niet over durfde, dan zou dat ook een +best nachtverblijf zijn," zei de andere. + +"Als het ijs op een van de meren, waar we voorbij komen, maar los van +'t land was, zoodat een vos daar niet kon komen, dan hadden we juist +gevonden, wat wij zoeken," zei de derde. + +'t Ergste was, dat toen de zon was ondergegaan, twee van de reizigers +zóó slaperig werden, dat ze elk oogenblik op het punt waren op den +grond te vallen. De derde, die wakker kon blijven, werd onrustiger, +al naarmate de nacht naderde. + +"'t Is toch ongelukkig," dacht hij, "dat wij in een land zijn gekomen, +waar de moerassen en meren bevroren zijn, zoodat de vos overal heen +kan komen. Het ijs is immers op andere plaatsen al weggedooid, maar +nu zijn we zeker in het allerkoudste gedeelte van Smaland, waar de +lente nog niet gekomen is. Ik begrijp niet, wat ik beginnen moet om +een goede slaapplaats te vinden. Als ik geen goed beschutte plaats +vind, hebben we Smirre, den vos, op onze hielen, eer de morgen komt." + +Hij keek uit naar alle kanten, maar hij zag geen herberg, waar +hij kon binnengaan. En 't was een donkere, koude avond met wind en +stofregen. 't Werd steeds akeliger en griezeliger om hem heen. + +'t Kan wel vreemd lijken, dat de reizigers er geen lust in schenen +te hebben, op de een of andere hoeve om nachtverblijf te vragen. Ze +waren al verscheiden dorpen doorgetrokken, zonder ergens aan te +kloppen. Naar kleine hutjes aan den zoom van het woud, die alle arme +reizigers zoo graag aantreffen, keken zij ook niet om. Men zou in de +verzoeking komen te zeggen, dat ze verdienden het akelig te hebben, +omdat ze de hulp, die hun ten dienste stond, niet wilden aannemen. + +Maar later, toen het zóó donker was geworden, dat er nauwlijks een +streepje daglicht onder den hemel achterbleef, en de twee, die aan +slaap behoefte hadden, half in den slaap voortliepen, kwamen ze bij +een boerderij, die eenzaam lag, ver van al haar buren. En niet alleen, +dat ze er eenzaam uitzag, ze scheen in 't geheel niet bewoond te +zijn. Geen rook steeg uit den schoorsteen op, geen licht scheen uit de +vensters, geen mensch bewoog zich op de plaats. Toen een van de drie, +hij, die beloofd had wakker te blijven, die boerderij zag, dacht hij: +"'t Mag gaan zooals het wil, maar in deze hoeve moeten we zien binnen +te komen. Iets beters zullen we zeker niet vinden." + +Kort daarop stonden ze alle drie op de binnenplaats van de hoeve. Twee +van hen sliepen dadelijk in, zoodra ze moesten blijven staan, maar +de derde zag haastig rond, om te ontdekken, hoe hij onder dak komen +kon. 't Was geen kleine hoeve. Behalve 't woonhuis, den stal en de +schuur waren er lange bijgebouwen, met schuren en dorschvloeren, +voorraadshuizen en bergplaatsen voor de werktuigen. + +Maar alles zag er akelig arm en vervallen uit. De huizen hadden grauwe, +met mos begroeide, scheeve muren, die op het punt schenen van om te +vallen. In het dak waren groote gaten, en de deuren hingen schuin aan +kapotte scharnieren. 't Was duidelijk, dat al lang niemand de moeite +had genomen een spijker in den wand te slaan op deze boerderij. + +Intusschen had hij, die wakker was, uitgerekend welk gebouw de +koestal was. Hij schudde zijn reisgezellen wakker, en bracht ze +bij de schuurdeur. Die was gelukkig alleen gesloten met een haak, +dien hij gemakkelijk kon oplichten met een stokje. Hij zuchtte +van verlichting bij de gedachte, dat ze gauw in veiligheid zouden +zijn. Maar toen de schuurdeur luid knarsend openging, hoorde hij, +dat een koe begon te loeien. + +"Kom je daar eindelijk, Vrouw," zei de koe. "Ik dacht, dat ik vanavond +niets te eten zou krijgen." + +De reiziger bleef heel verschrikt in de deur staan, toen hij merkte, +dat de schuur niet leeg was. Maar hij zag al gauw, dat er niets meer +dan één koe stond, en drie of vier kippen, en toen vatte hij weer moed. + +"Wij zijn drie arme reizigers, die graag ergens wilden wezen, waar +geen vos ons kan overvallen, en geen menschen ons kunnen vangen," +zei hij. "We zouden graag weten of er hier een geschikte plaats voor +ons was." + +"Dat zou ik wel denken," antwoordde de koe. "Wel zijn de muren slecht, +maar een vos kan er nog niet door, en hier woont niemand dan een oude +vrouw, die zeker niet in staat is iemand gevangen te nemen. Maar wie +zijn jelui eigenlijk?" ging ze voort, terwijl ze zich in haar stal +omkeerde, om de nieuwaangekomenen te zien. + +"Ik ben Niels Holgersson van Wester Vemmenhög, die in een kabouter +is veranderd," antwoordde de eerste van hen, die binnenkwamen, +"en ik heb een tamme gans bij me, waar ik op rijd, en een grijze gans." + +"Zulke rare gasten zijn nog nooit in mijn huis geweest," zei de koe, +"en jelui bent welkom. Maar ik wou toch liever, dat de vrouw gekomen +was, om mij mijn avondvoer te brengen." + +De jongen bracht nu de ganzen in de schuur, die heel groot was, en +zette ze in een leeg hok, waar ze oogenblikkelijk insliepen. Voor +zichzelf maakte hij een bedje van stroo, en verwachtte, dat hij ook +gauw in slaap zou vallen. Maar hier kwam niets van, want de arme +koe, die nog geen avondvoer had gehad, hield zich geen oogenblik +stil. Ze trok aan haar halster, schoof heen en weer in haar stal, +en klaagde over den honger. De jongen kon geen oog dicht doen, maar +lag wakker, en liet alles aan zich voorbijgaan, wat hem de laatste +dagen was overkomen. + +Hij dacht aan Asa, 't kleine ganzenhoedstertje, en kleine Mads, +die hij zoo onverwacht had ontmoet, en hij dacht er over, dat het +hutje, dat hij in brand gestoken had, hun oud huis in Smaland moest +zijn. Hij herinnerde zich immers wel, dat ze juist over zoo'n hutje +hadden gesproken, en over de groote hei, die er omheen lag. Nu waren +zij gekomen om hun huisje weer te zien, en toen ze er bij kwamen, +sloegen de vlammen er uit. Dat was wel een groot verdriet, dat hij +hun gedaan had, en dat speet hem heel erg. Als hij ooit weer een +mensch werd, zou hij de schade en de teleurstelling kunnen vergoeden. + +Toen dacht hij weer aan de kraaien, en als hij aan Haspel dacht, +die hem had gered, en den dood had gevonden, zoo kort nadat hij als +aanvoerder was gekozen, werd hij zóó bedroefd, dat hij de tranen in +de oogen kreeg. + +Hij had het wel heel moeilijk gehad de laatste dagen. Maar toch was 't +een groot geluk geweest, dat de ganzerik en Donsje hem gevonden hadden. + +De ganzerik had hem verteld, dat de wilde ganzen, zoodra ze gemerkt +hadden, dat Duimelot verdwenen was, bij de kleine dieren in 't bosch +naar hem hadden gevraagd. Ze hadden al gauw gehoord, dat een troep +kraaien uit Smaland hem hadden meêgenomen. Om den jongen zoo gauw +mogelijk te vinden, had Akka bevolen, dat de ganzen twee aan twee +verschillende kanten uit zouden vliegen, om hem te zoeken. Maar nadat +ze drie dagen hadden gezocht, moesten zij--of ze hem hadden gevonden of +niet,--bij elkaar komen in Noord-west Smaland op een hoogen bergtop, +die op een afgehouwen toren leek, en Taberg heette. En toen Akka hun +de beste aanwijzingen had gegeven om den weg te vinden, en nauwkeurig +beschreven, hoe zij Taberg zouden herkennen, gingen zij uiteen. + +De witte ganzerik had Donsje uitgekozen als reisgezel, en ze hadden +hier en daar rondgevlogen in de grootste onrust over Duimelot. Onder +dat rondzwerven hadden ze een lijster gehoord, die, in een boomtop +gezeten, riep en bromde over iemand, die zich "kraaienroof" had genoemd +en hem voor den gek gehouden. Ze hadden met de lijster een gesprek +aangeknoopt, en hij had hun gezegd, welken kant die kraaienroof was +uitgegaan. Later hadden ze een doffer, een spreeuw en een eend ontmoet, +alle klagend over een booswicht, die hen in hun gezang had gestoord, +en "door de kraai gestolen," "kraaienvangst" en "kraaienroof" geheeten +had. Op die manier hadden zij Duimelot's spoor gevonden, tot bij de +heide van Sunnerbo. + +Zoodra de ganzerik en Donsje Duimelot hadden gevonden, vlogen zij naar +het noorden om naar Taberg te komen. Maar ze waren daar ver vandaan, +en het donker was hen overvallen, eer ze den bergtop in het gezicht +kregen. + +"Als wij er morgen maar komen, zijn al onze zorgen voorbij," dacht +de jongen, en kroop diep onder het stroo om wat warmer te worden. + +De koe had al dien tijd leven gemaakt in den stal. Nu begon zij op +eens tegen den jongen te praten. + +"Ik meende, dat een van hen, die hier binnenkwamen, vertelde, dat +hij een kabouter was. Als dat zoo is, dan weet hij zeker wel, hoe +hij een koe moet behandelen." + +"Wat scheelt je dan?" vroeg de jongen. + +"Mij scheelt van alles," zei de koe. "Ik ben niet gemolken en niet +verzorgd. Ik heb geen nachtvoer in mijn krib gekregen en geen versch +stroo onder me. De vrouw kwam hier om me te helpen, zooals gewoonlijk, +maar ze was zoo ziek, dat ze dadelijk weer naar binnen moest gaan, +en ze is niet meer terug gekomen." + +"'t Is toch akelig, dat ik zoo klein en zwak ben," zei de jongen. "Ik +geloof niet, dat ik je helpen kan." + +"Je moet me niet wijsmaken, dat je zwak ben, omdat je klein bent," +zei de koe. "Alle kabouters, waar ik van heb hooren spreken, waren +zoo sterk, dat ze een voer hooi konden trekken en een koe met één +vuistslag doodslaan." + +De jongen kon niet laten te lachen. "Dat waren zeker andere kabouters +dan ik," zei hij. "Maar ik zal je halster losmaken en de deur voor +je opendoen, dan kun je naar buiten gaan en uit een van de plassen +op de hoeve drinken, en dan zal ik probeeren op den hooizolder te +klimmen en hooi in je krib te gooien." + +"Ja, dat zou altijd wel wat helpen," zei de koe. + +De jongen deed, zooals hij gezegd had, en toen de koe met een gevulde +krib voor zich stond, meende hij eindelijk te kunnen slapen. Maar +pas was hij in zijn bed gekropen, of de koe begon weer te praten: + +"Je zult me wel heel vervelend vinden, als ik je nu weer wat vraag," +zei de koe. + +"Neen, dat zal ik niet, als 't maar iets is, wat ik doen kan," zei +de jongen. + +"Dan zou ik je willen vragen in de kamer te gaan, en te zien, hoe het +met de vrouw is. Ik ben zoo bang, dat haar een ongeluk overkomen is." + +"Neen, dat kan ik niet doen," zei de jongen. "Ik durf me niet aan +menschen te vertoonen." + +"Je kunt toch niet bang zijn voor een zieke, oude vrouw," zei de +koe. "Maar je hoeft ook niet in de kamer te gaan. Ga maar buiten de +deur staan, en kijk door een kier." + +"Ja, als je niets anders van me verlangt, dan kan ik dat wel doen," +zei de jongen. + +Toen deed hij de schuurdeur open, en ging de plaats op. 't Was een +vreeselijke nacht. Maan of sterren waren niet te zien, de wind huilde, +en de regen stroomde neer. Maar het ergste was, dat zeven groote +uilen op een rij op het dak van het woonhuis zaten. 't Was akelig ze +te hooren, zooals ze daar zaten te klagen over 't weer. En nog erger +was het te denken, dat--als maar één van hen hem in 't oog kreeg, +het met hem gedaan zou zijn. + +"Die arme kleintjes," zei de jongen, toen hij op de plaats kwam. En dat +mocht hij wel zeggen. Hij woei twee keer om, eer hij bij het woonhuis +was, en eens gooide de wind hem in een plas, die zoo diep was, dat +hij bijna verdronk. Maar hij kwam er toch. + +Hij klauterde een paar treden van de stoep op, kroop over een drempel, +en kwam in de gang. De kamerdeur was dicht, maar in den eenen hoek was +een gat voor de kat om er uit en in te gaan. 't Was dus voor den jongen +niet moeilijk te zien, hoe het in de kamer gesteld was. Nauwelijks +had hij er even in gekeken, of hij trok verschrikt het hoofd weer +terug. Een oude vrouw met grijs haar lag daar binnen op den vloer +uitgestrekt. Ze bewoog zich niet, en klaagde niet, en haar gezicht +was zoo wonderlijk wit. Het was, alsof een onzichtbare maan er een +bleek licht over liet vallen. + +De jongen herinnerde zich, dat toen zijn grootvader stierf, zijn +gezicht ook zoo wonderlijk wit geworden was. En hij begreep dat +het oude mensch, dat daar op den vloer in de kamer lag, dood wezen +moest. De dood was zeker zoo haastig over haar gekomen, dat zij niet +eens meer naar bed had kunnen gaan. + +Hij werd vreeselijk bang, toen hij er aan dacht, dat hij in den +donkeren nacht alleen met een doode was. Hij sprong halsoverkop de +stoep af, en holde naar de schuur terug. Toen hij de koe vertelde, +wat hij in de kamer gezien had, hield zij met eten op. + +"O zoo! is de vrouw dood?" zei ze, "Dan is het ook gauw met mij +gedaan?" + +"Er zal wel iemand voor je zorgen," zei de jongen troostend. + +"Je weet niet," zei de koe, "dat ik al ééns zoo oud ben, als een koe +gewoonlijk wordt, eer ze op de slachtbank wordt gelegd. Maar ik geef er +ook niet meer om, of ik leef, nu zij me niet meer kan komen verzorgen." + +Ze zei een poos lang niets meer, maar de jongen merkte wel, dat ze niet +sliep en niet at. Het duurde niet lang, of ze begon weer te praten. + +"Ligt ze op den grond?" vroeg ze. + +"Ja, dat doet ze," zei de jongen. + +"Ze had de gewoonte in de schuur te komen," ging de koe voort, +"en over al haar zorgen te praten. Ik begreep, wat ze zei, al kon ik +haar niet antwoorden. Deze laatste dagen sprak ze er telkens over, +dat ze bang was, dat er niemand bij haar zou zijn, als ze stierf. Ze +was er bang voor, dat niemand haar de oogen zou toedrukken, of de +armen gekruist over de borst leggen, als ze dood was. Misschien wil +jij dat wel gaan doen?" + +De jongen aarzelde. Hij herinnerde zich, dat toen Grootvader +gestorven was, Moeder hem zorgvuldig neer had gelegd. Hij wist, dat +dit gebeuren moest. Maar aan den anderen kant voelde hij, dat hij in +dezen griezeligen nacht niet naar de doode durfde gaan. Hij zei niet: +"neen"; maar hij deed ook geen stap naar de schuurdeur. + +Een oogenblik bleef de oude koe zwijgend staan, alsof ze op antwoord +wachtte. Maar toen de jongen niets zei, herhaalde ze haar verzoek +niet. Ze zweeg een poos, en toen begon ze over de vrouw te spreken. + +Er was veel van haar te vertellen. Allereerst van al de kinderen, +die ze had grootgebracht. Ze waren immers elken dag in de schuur +geweest, en 's zomers gingen ze met het vee naar 't moeras en langs +de met boomen begroeide velden, zoodat de oude koe ze allen kende. Ze +waren allen flink geweest en vroolijk en vlijtig. Een koe wist wel, +of haar hoeders flinke menschen waren. + +En ook was er veel van de boerderij te vertellen. Die was niet altijd +zoo armoedig geweest, als ze nu was. Die was heel uitgestrekt, maar +het grootste deel bestond uit moerassen en steenachtige velden. Er +was niet veel plaats voor akkers, maar er waren overal uitmuntende +weiden. Er was een tijd geweest, dat de stallen vol koeien stonden, +en de ossenstal, die nu leeg stond, vol ossen. En in 't huis en in de +stallen woonden lust en vreugd. Als de vrouw de schuurdeur open deed, +had ze geneuried en gezongen, en alle koeien hadden van genoegen +geloeid, als zij haar hoorden komen. + +Maar de boer was gestorven, toen de kinderen zoo klein waren, dat +ze nog niet konden werken, en de vrouw had de hoeve, en al 't werk, +en de zorg moeten overnemen. Ze was sterk als een man geweest, en +ze had geploegd en geoogst. 's Avonds, als ze in den stal kwam om +te melken, was ze nu en dan zóó moe, dat ze schreide. Maar als ze +aan haar kinderen dacht, werd ze weer blij. Dan veegde zij de tranen +uit de oogen, en zei: "Dat is niets. Ik zal 't ook wel goed krijgen, +als mijn kinderen groot worden. Ja, als ze maar eerst groot zijn!" + +Maar zoodra de kinderen groot waren, kwam er een wonderlijk verlangen +over hen. Zij wilden niet thuis blijven, maar ze trokken weg naar +vreemde landen. Hun moeder kreeg nooit hulp van hen. Een paar van de +kinderen waren getrouwd, eer ze op reis gingen, en zij hadden hun +kindertjes thuis achtergelaten. En die kleintjes liepen nu met de +vrouw meê door de schuur, zooals hun eigen ouders gedaan hadden. Zij +hoedden de koeien, en ze werden beste, flinke menschen. En 's avonds, +als de vrouw zoo moe was, dat ze onder 't melken bijna insliep, +werd ze weer welgemoed, als ze aan hen dacht. "Ik zal 't wel weer +goed krijgen," zei ze, en wreef zich den slaap uit de oogen, "als ze +maar eerst groot zijn." + +Maar toen die kinderen groot waren, vertrokken ze naar hun ouders in +'t vreemde land. Geen van hen kwam terug, geen van hen bleef thuis. De +oude vrouw bleef alleen op de hoeve achter. Zij vroeg hun ook nooit +om bij haar te blijven. + +"Vind je, Rödlina, dat ik hun moet vragen bij mij te blijven, als ze +de wereld in kunnen gaan en het goed hebben?" placht zij te zeggen, +als zij in de schuur bij de oude koe stond. "Hier in Smaland kunnen +ze niet anders dan armoe verwachten." + +Maar toen haar laatste kleinkind vertrokken was, had de vrouw geen +kracht meer. Ze werd op eens gebogen en grijs, en ze wankelde onder +'t loopen, alsof ze zich bijna niet meer verroeren kon. En ze werkte +niet meer. Ze wilde de hoeve niet meer verzorgen, maar liet alles +vervallen. Ze onderhield het huis niet meer, en ze verkocht de ossen +en koeien. Het eenige, wat ze behield, was de oude koe, die nu met +Duimelot stond te praten. Haar liet ze leven, omdat alle kinderen +haar gekend hadden. + +Zij had wel meisjes en jongens in haar dienst kunnen nemen, die +haar met het werk hadden geholpen, maar ze kon geen vreemden om zich +heen verdragen, nu haar eigen familieleden haar hadden verlaten. En +misschien had ze maar 't liefste, dat de hoeve achteruit ging, nu +geen van de kinderen die overnemen zou. Zij gaf er niet om, of zij +arm werd, doordat ze haar eigendom niet verzorgde. Maar ze was bang, +dat haar kinderen zouden te weten komen, hoe moeilijk zij het had. + +"Als de kinderen 't maar niet hooren! Als de kinderen 't maar nooit +hooren!" zuchtte ze, als ze door de schuur strompelde. + +De kinderen schreven dikwijls, en vroegen of ze bij hen wilde komen, +maar dat wilde ze niet. Zij wilde het land niet zien, dat ze haar +had afgenomen. Ze haatte het. + +"'t Is wel dom van me, dat ik niet van dat land kan houden, dat zoo +goed voor hen was," zei ze. "Maar ik wil het niet zien." + +Ze dacht nooit aan iets anders, dan aan de kinderen, en dat ze +waren weggegaan. Als het zomer was, bracht ze de koe naar buiten, +om haar op het groote moeras te laten grazen. Zelf zat zij den +heelen dag aan den kant van 't moeras, met de handen in den schoot; +en als ze naar huis ging, zei ze: "Zie je Rödlina, als hier groote, +vette akkers waren in plaats van dit onvruchtbaar moeras, dan hadden +ze niet hoeven weg te gaan." + +Ze kon boos op dat moeras zijn, dat zich zoo ver uitbreidde, en geen +nut deed. Ze kon zitten praten, alsof dat moeras er schuld aan had, +dat haar kinderen van haar waren weggegaan. + +Den laatsten avond was ze zwakker geweest, en had meer gebeefd dan +ooit te voren. Ze had het melken niet eens kunnen volhouden. Ze had +tegen den muur geleund gestaan, en verteld, dat er twee boeren bij +haar waren geweest om het moeras te koopen. Zij wilden het indijken, +en dan bebouwen. Daar was ze bang en toch blij door geworden. + +"Hoor je wel, Rödlina?" had ze gezegd, "hoor je, dat ze zeiden, dat +er rogge op 't moeras groeien kan? Nu zal ik de kinderen schrijven, +dat ze thuis moeten komen. Nu hoeven ze niet langer weg te blijven. Nu +kunnen ze hun brood hier thuis verdienen." + +Het was om dien brief te schrijven, dat ze naar huis was gegaan. + +De jongen hoorde niet meer, wat de oude koe vertelde. Hij had de +schuurdeur open gedaan, en was de plaats over geloopen naar de kamer +met de doode, waar hij zoo pas zoo bang voor was geweest. + +Eerst stond hij een poos stil rond te kijken. + +De kamer zag er niet zoo armoedig uit, als hij verwacht had. Die was +rijkelijk voorzien van allerlei, wat men gewoonlijk vindt bij menschen, +die familie in Amerika hebben. In een hoek stond een Amerikaansche +schommelstoel, op de tafel voor het venster lag een bont pluche kleed, +een mooie sprei lag over het bed, aan de wanden hingen de portretten +van de kinderen en kleinkinderen, in mooie uitgesneden lijsten, +op de commode stonden hooge vazen en een paar kandelaars met dikke, +gedraaide kaarsen. + +De jongen zocht een lucifersdoos, en stak die kaarsen aan, niet omdat +hij beter wilde zien, maar omdat hij dit een manier vond om de doode +eer te bewijzen. + +Toen ging hij naar haar toe, drukte haar oogen toe, legde haar handen +gekruist over de borst, en streek het dunne grijze haar uit haar +gezicht. Het kwam niet meer in hem op om bang voor haar te wezen. Hij +was er zoo innig bedroefd om, dat ze haar ouderdom in eenzaamheid en +verlangen had moeten doorbrengen. Nu zou hij ten minste dien nacht +bij haar lijk waken. + +Hij zocht in het gezangboek, en las een paar psalmen halfluid +voor. Maar middenin hield hij op, hij dacht aan Vader en Moeder. + +Dat wist hij niet, dat ouders zóó naar hun kinderen kunnen +verlangen! Dat had hij nooit geweten. Stel je voor, dat het leven +voor hen voorbij is, als de kinderen weg zijn. Stel je voor, dat ze +thuis op dezelfde manier naar hem verlangden, als deze oude vrouw +naar haar kinderen! + +Hij werd blij bij die gedachte, maar hij durfde het niet gelooven. Hij +was niet zoo geweest, dat iemand naar hem kon verlangen, maar wat +hij niet geweest was, kon hij misschien worden. + +Om zich heen zag hij de portretten van hen, die waren heengegaan. 't +Waren groote, sterke mannen en vrouwen met ernstige gezichten. 't Waren +bruiden in lange sluiers, en heeren in fijne kleeren, en kinderen met +krulhaar en mooie witte kleertjes aan. En hij vond, dat ze allen als +blinden voor zich uit keken, en niet wilden zien. + +"Arme menschen!" zei de jongen tegen de portretten. "Jelui moeder is +dood. Je kunt het niet meer goed maken, dat je van haar wegging. Maar +mijn moeder leeft." + +Hier hield hij even op, en glimlachte. + +"Mijn moeder leeft," zei hij. "Vader en Moeder leven allebei!" + + + + + + +XVI. + +VAN TABERG NAAR HUSKVARNA. + + +De jongen zat bijna den heelen nacht klaar wakker, maar tegen den +morgen sliep hij in, en droomde van Vader en Moeder. Hij kon ze +bijna niet herkennen. Beiden hadden ze grijs haar en oude, gerimpelde +gezichten gekregen. Hij vroeg waar dat van kwam, en zij antwoordden, +dat ze zooveel ouder waren geworden, omdat ze zoo naar hem hadden +verlangd. Hij was hierdoor bewogen en er over verbaasd, want hij had +nooit anders gedacht, dan dat ze blij waren van hem af te zijn. Toen +de jongen wakker werd, was de morgen aangebroken, met mooi helder +weer. Hij at zelf eerst een stuk brood, dat hij in de kamer vond, gaf +toen morgenvoer aan de ganzen en de koe, en deed de schuurdeur open, +opdat de koe naar de naastbijliggende hoeve zou kunnen gaan. Als ze +daar alleen aankwam, zouden de buren wel begrijpen, dat het slecht +stond met haar eigenares. Ze zouden naar de verlaten hoeve gaan, +om te zien, hoe het de oude ging, en dan zouden ze haar lijk vinden +en haar begraven. + +Nauwlijks hadden de jongen en de ganzen zich in de lucht verheven, +of ze kregen een hoogen berg in 't oog, met bijna loodrechte wanden +en een recht afgebroken top, en ze begrepen, dat dit de Taberg moest +wezen. En op den top van den Taberg stond Akka met IJksi en Kaksi, +Kolme en Nelja, Viisi en Kuusi en alle zes de kleine gansjes hen +op te wachten. Dat was me een blijdschap, en een gekakel, en een +fladderen en roepen, dat niet te beschrijven was, toen zij zagen, +dat het den ganzerik en Donsje gelukt was Duimelot te vinden. + +Langs de zijden van den Taberg groeide tamelijk hoog hout, maar boven +op was de top kaal, en van daar kon men naar alle kanten uitzien. Keek +men naar het oosten, het zuiden en het westen, dan was er bijna niets +anders te zien, dan een armoedig hoogland, met donkere dennenbosschen, +bruine moerassen, met ijs bedekte meren, en blauwe bergtoppen. De +jongen kon niet laten te denken, dat het waar was, dat hij, die dat +geschapen had, zich niet veel moeite had gegeven bij zijn werk, maar +het in haast had uitgehouwen. Keek men daarentegen naar het noorden, +dan was het iets heel anders. Hier zag het toen eruit, alsof het met +de grootste liefde en zorg was gevormd. Naar dien kant kwamen louter +mooie bergen te voorschijn, zacht glooiende dalen, en kronkelende +stroomen, heel tot aan het groote Wettermeer toe, dat vrij van ijs +en stralend helder daar lag te glanzen, alsof 't niet met water, +maar met blauw licht was gevuld. + +'t Was juist dat Wettermeer, dat het uitzicht naar het Noorden zoo +mooi maakte, omdat het scheen, alsof een blauwe schijn uit het meer +was opgestegen, en zich ook over het land had uitgespreid. Bosschen +en heuvels, daken en torenspitsen in Jönköping, die flauw te zien +waren aan de oevers van het Wettermeer, lagen in een lichtblauwen +gloed gehuld, dat het oog streelde. Als er landen in den hemel waren, +zouden ze ook wel zoo blauw zijn, dacht de jongen, en hij meende, +dat hij er nu een indruk van had, hoe het er in 't Paradijs uitzag. + +Toen de ganzen verder op den dag hun reis voortzetten, vlogen ze +naar dat blauwe dal. Ze waren in 't allerbeste humeur, schreeuwden en +waren rumoerig, zoodat ieder, die niet doof was, ze wel moest opmerken. + +Nu was het toevallig de eerste echt mooie lentedag, dien men in die +streek gehad had. Tot nu toe had de lente haar werk verricht onder +regen en wind, en toen 't nu op eens mooi weer werd, kwam er onder +de menschen zulk een verlangen naar zomerwarmte en groene bosschen, +dat ze moeite hadden aan hun werk te blijven. En als de wilde ganzen +vrij en vroolijk hoog in de lucht voorbijvlogen, was er niet één, +die niet ophield met wat hij deed, en ze nazag. + +De eerste, die de wilde ganzen dien dag zagen, waren de mijnwerkers op +Taberg, die erts braken uit den bergwand. Toen ze hen hoorden kakelen, +hielden ze op met het boren van hun loopgraven, en een van hen riep +de vogels toe: + +"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?" + +De ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen boog zich over +den ganzerug, en antwoordde in hun plaats: + +"Daarheen, waar geen houweel of hamer is!" + +Toen de mijnwerkers die woorden hoorden, meenden ze, dat het hun eigen +verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal. + +"Neem ons meê, neem ons meê!" riepen ze. + +"Van 't jaar niet, van 't jaar niet!" riep de jongen. + +De wilde ganzen vlogen langs de Tabergbeek naar het Munkmeer, en +altijd door maakten ze hetzelfde spektakel. Hier op de smalle strook +land tusschen het Munkmeer en het Wettermeer lag Jönköping met zijn +groote fabrieken. De wilde ganzen vlogen eerst over de papierfabriek +van 't Munkmeer. 't Was juist na den middagschafttijd, en de groote +scharen arbeiders stroomden naar de fabriekspoort. Toen zij de wilde +ganzen hoorden, bleven ze een oogenblik staan om te luisteren. + +"Waar ga jelui heen? waar ga jelui heen?" riep een arbeider. De wilde +ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen antwoordde voor hen: + +"Daarheen, waar noch machines, noch stoomketels zijn!" + +Toen de arbeiders dat antwoord hoorden, meenden zij, dat het hun eigen +verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal. + +"Neem ons mee! Neem ons mee!" riepen ze. + +"Van 't jaar niet, van 't jaar niet!" riep de jongen. + +Daarna vlogen de ganzen over de wijdberoemde lucifersfabriek, die +aan den oever van het Wettermeer ligt, groot als een vesting, en haar +hooge schoorsteenen naar den hemel opsteekt. Geen mensch bewoog zich +op de binnenplaatsen, maar in de groote zaal zaten jonge arbeidsters +de lucifersdoosjes te vullen. Zij hadden een venster open, omdat het +zulk mooi weer was, en daardoor hoorden zij het gekakel van de wilde +ganzen. Zij, die het dichtst bij 't venster zat, keek eruit met een +lucifersdoosje in de hand, en riep: + +"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?" + +"Naar dat land, waar geen kaarsen of lucifers noodig zijn," riep +de jongen. + +'t Meisje meende wel, dat wat ze gehoord had, enkel ganzengekakel was, +maar ze antwoordde: "Neem me meê! Neem me meê!" + +"Van 't jaar niet! Van 't jaar niet!" antwoordde de jongen. + +Ten oosten van de fabrieken verheft Jönköping zich op de heerlijkste +plek, waar een stad maar kan liggen. Het smalle Wettermeer heeft +hooge, steile, zandige oevers ten oosten en ten westen, maar vlak +in 't zuiden zijn de zandmuren uitgebroken, als om plaats te maken +voor een groote poort, waardoor men aan 't meer komt. En midden in +die poort, met bergen links en rechts, met het Munkmeer achter en +'t Wettermeer voor zich, ligt Jönköping. + +De ganzen vlogen over de lange smalle stad, en maakten 't zelfde +spektakel daar als buiten op 't land. Maar in de stad antwoordde hun +niemand. 't Was niet te verwachten, dat de stadsbewoners naar buiten +zouden komen om de wilde ganzen na te roepen. + +De tocht ging verder langs 't Wettermeer en na een poosje kwamen de +ganzen bij 't Sanatorium van Sanna. Eenige van de zieken waren op een +veranda gegaan, om van de lentelucht te genieten, en zoo hoorden zij +het ganzengekakel. + +"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?" vroeg een van hen met zulk +een zwakke stem, dat het nauwlijks hoorbaar was. + +"Naar het land, waar geen verdriet of ziekte is!" antwoordde de jongen. + +"Neem ons mee!" zei de zieke. + +"Van 't jaar niet!" antwoordde de jongen. "Van 't jaar niet!" + +Toen ze nog een eind verder gevlogen waren, kwamen zij aan +Huskvarna. Dat lag in een dal. De bergen stonden steil en fraai gevormd +daarom heen. Een beek kwam van een hoogte naar beneden in lange smalle +watervallen. Groote werkplaatsen en fabrieken lagen beneden aan de +bergwanden; over den bodem van het dal lagen de arbeiderswoningen +verspreid, door tuinen als bonte tapijten omgeven, en midden in het +dal lag de school. + +Juist toen de wilde ganzen aan kwamen vliegen, luidde een klok, en +een menigte kinderen marcheerden naar buiten, rij aan rij. Er waren +er zooveel, dat het heele schoolplein vol werd. + +"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?" schreeuwden de kinderen. + +"Daarheen, waar geen boeken of lessen zijn!" antwoordde de jongen. + +"Neem ons meê!" schreeuwden de kinderen. "Neem ons meê!" + +"Van 't jaar niet! Van 't jaar niet!" riep de jongen, "maar later!" + + + + + + +XVII. + +EEN GESCHIEDENIS UIT HALLAND. + + +Tegen zonsondergang werden de ganzen moe en stil. Geen schertsend +roepen werd meer gehoord. En de jongen zat, in herinneringen verdiept, +op den rug van den ganzerik. Hij dacht aan een avond in Zuid-Halland. + +De wilde ganzen waren neergedaald op akkers, die daar even uitgestrekt +en goed bewerkt waren als in Skaane, en toen hoorde hij hoe een +Hallander aan een man uit Skaane de volgende geschiedenis vertelde, +waaruit hij zou kunnen zien met hoeveel moeilijkheden de Hallanders +te strijden hadden, eer zij hun land tot een welgesteld land hadden +kunnen maken. + +Voor ongeveer honderd jaar lag in Zuid-Halland een oud landgoed, +op een eenzame plaats, dicht bij de kust. Dat was met kleine, lage +en ouderwetsche huizen bebouwd, met donkergrauwe rieten daken, en de +groote kamer was zoo stokoud, dat ze dakvensters had. + +Het landgoed heette Brendane. Er hoorden groote landerijen onder, +maar alleen de naaste omgeving van de huizen kon bebouwd worden. Het +andere gedeelte bestond uit onvruchtbaar stuifzand. Ouden van dagen +wisten te vertellen, dat om dat eenzame landgoed vroeger een heele +stad moest hebben gelegen. Dat was in den tijd geweest, toen er +nog veel bosschen in Halland waren, toen er zich geweldig groote +wouden van eiken en beuken van de kust af tot heel aan de grens van +Smaland uitstrekten. In die dagen had de stad met haar landerijen op +een opengehakte plaats in 't bosch gelegen, en de boomen hadden er +om heen gestaan en haar beschut. Maar toen was het bosch omgehakt, +en niet alleen dat, wat het dichtste bij stond, maar de bosschen in +de heele streek, ja in heel Halland waren vernield. + +Men zei, dat de boeren in Brendane er eerst blij om waren, dat ze van +dat bosch af waren. Nu konden zij hun akkers steeds verder uitbreiden +en hun vee laten weiden op open velden, waar het gemakkelijk kon +worden gehoed. Dezen en genen klaagden er wel over, dat het nooit +meer stil weer was, nu de boomen niet langer den wind tegenhielden, +en anderen jammerden er over, dat ze heel naar Smaland om brandhout +moesten. Maar toch was er niemand, die in ernst ontevreden was. Niemand +dacht, dat het gevaarlijk kon zijn, dat het bosch weg was. + +Maar de stad Brendane lag, zooals hierboven gezegd is, vlak bij de zee, +en de groote akkers strekten zich tot heel bij het water uit. En nu +wordt er verteld, dat eenige jaren, nadat het bosch was omgehakt, +de storm op een herfstdag een paar verdorde grasbosjes losrukte, +beneden aan het strand. Onder 't gras lag fijn, licht zeezand. Dat +bestond bijna uit niets anders dan mosselschelpen en slakkenhuisjes, +die tot 't allerfijnste stof waren gemalen in den grooten molen +van de zee. En ze werden door den wind opgenomen en begonnen rond te +stuiven. Van dat oogenblik was het, alsof de wind het strand niet meer +met rust kon laten. De grasbosjes droogden uit, nu het bosch de vocht +niet meer vasthield, en ze werden, het eene na het andere door den +wind weggerukt. Op die manier kwam er steeds meer zand voor den dag, +dat meê ging met den storm. Het stoof op in de lucht, danste een poos +rond, en viel neer in harde, witte wolken, ongeveer als fijne sneeuw. + +Toen de boeren in Brendane dat spelletje voor 't eerst zagen, vonden +ze daar geen kwaad in. Maar het volgend voorjaar merkten ze, dat de +akkers, die het dichtst bij de zee lagen, met zand waren bedekt. + +'t Was maar een dun laagje zand, en het scheen aan de vruchtbaarheid +niet erg te hinderen. Maar die heele zomer werd buitengewoon droog en +winderig. 't Koren kon niet groeien; 't verdorde en verschrompelde. De +aarde lag onder de planten, droog als zwam, en iederen dag dreef de +wind heele wolken omhoog, en voerde ze weg. Maar onder die dunne +aardlaag lag weer dat lichte zeezand, fijn als meel, klaar om met +den wind rond te dansen. En toen de zomer voorbij was, had de storm +heele groote velden om meê te spelen. In de stad Brendane zaten de +boeren en zagen, hoe hij de zandmassa's oplichtte, ze naar den hemel +deed stuiven, ze rondwervelde en neergooide in hoopen en bergjes, +die hij den anderen dag weer verplaatste en vervormde. + +Elk jaar verzandde de wind meer velden, en de boeren kregen telkens +minder grond te bebouwen. Ze streden wel met het zand; ze zetten +schuttingen, en maakten dijken, maar niets scheen te helpen. Als ze +ploegden en egden, was het alsof ze den wind hielpen het zand op te +zweepen, en als zij den grond met rust lieten, verzandde die zóó, +dat er geen grassprietje groeien kon. + +En 't was niet genoeg, dat het stuifzand de akkers bedierf; er kwam +geen eind aan den last, dien het gaf. 't Lag in hoopen op den drempel +in den morgen, als men de huisdeur open deed; 't striemde de menschen +in 't gezicht, als ze uitgingen, 't stoof door den schoorsteen en +viel in het eten, en 't lag in zulke dikke lagen op wegen en paden, +dat het rijden en loopen vreeselijk vermoeiend werd. + +Spoedig konden de stadsbewoners het niet meer uithouden. Na een paar +jaar braken een paar van hen hun huizen af, en bouwden ze verder +op het land weer op. Ieder voorjaar verhuisden er zoo eenigen, en +eindelijk bleef er maar één hoeve over van de heele stad. Nu verwachtte +men natuurlijk, dat ook die hoeve niet lang midden in de velden met +stuifzand zou blijven staan. Maar dat deed ze toch. De boer, die de +hoeve bezat, was een van die menschen, die zich niet laten wegjagen. 't +Was niet, omdat hij de streek zoo liefhad, dat hij nergens anders zou +kunnen aarden, dat hij niet van woonplaats wilde veranderen. Maar +hij kon niet verdragen, dat hij gedwongen zou worden te verhuizen; +hij wilde liever blijven, waar hij was, en het zand bestrijden. + +Later ging het zoo, dat zijn zoon en allen, die na hem in het bezit van +den tuin kwamen, denzelfden aard hadden. Ze wilden er niet van hooren, +dat het zand hen zou dwingen de hoeve te verplaatsen, zoolang zij nog +een spa konden opheffen om het weg te graven. En 't was geen lichte +strijd, dien zij te voeren hadden, vooral omdat niemand hun leerde, +hoe zij dien voeren moesten. Niemand zei hun, hoe zij het zand moesten +vastmaken, zoodat het stil bleef liggen. Zij vergenoegden zich met +het zetten van omheiningen om de akkers heen, die het dichtst bij +het woonhuis lagen, om ten minste die te kunnen bewaren. + +De menschen daar bekommerden er zich niet om, dat zij ter wille van +hun hardnekkigheid in armoede moesten leven. Zij stelden boven alles +hun onwil om zich te laten verdrijven. In plaats van de groote kudden, +die ze vroeger bezaten, hadden ze nog maar een paar koeien en een +enkel paard. Maar zoolang ze die onderhouden konden, waren ze nog +bij machte, stand te houden. + +Wat hen steunde was het gevoel, dat zij in aanzien stegen door den +strijd, dien ze voerden. De menschen vonden het flink, dat ze zich +niet lieten verdrijven, en als de boer van Brendane zich op een +volksbijeenkomst vertoonde, waren er altijd, die omkeken om den man +te zien, die de kracht had het in het stuifzand vol te houden. + +Maar honderd jaar geleden, toen de strijd tusschen het zand en de +menschen op zijn hoogst was, scheen het op eens, alsof het zand het +zou winnen. De boer van Brendane stierf plotseling in de kracht van +zijn leven, en de zoon, dien hij naliet, was niet ouder dan vijftien +jaar, en kwam onder voogdij van zijn moeder. Dus nu was zij het, +die den strijd tegen het zand moest voortzetten, en hoewel zij zich +tot dien tijd toe goed had gehouden, was er niemand, die geloofde, +dat ze volharding genoeg zou hebben, om tegen zulk een vijand te +strijden. De zoon heette Sigurd. Hij leek op zijn moeder, die blond en +mooi was. Hij scheen opgeruimd te zijn van aard, evenals zij, maar zoo +lang zijn vader leefde, had deze al zijn bekommeringen met hem gedeeld, +zoodat hij wel wat heel gedrukt was geworden en te ernstig voor zijn +leeftijd. Hij kon het goed met zijn moeder vinden. Zij waren het er +over eens, dat zij zouden probeeren het op Brendane uit te houden, +en zich niet minder te toonen dan de vorige eigenaars. + +Toen de boer van Brendane een jaar dood was, kwam er een nieuwe +knecht op de hoeve. Sigurd had hem niet gezien, voor hij in den +herfst kwam. De huismoeder had hem op een bruiloft ontmoet, in den +afgeloopen zomer, en zij had hem dadelijk gehuurd, zonder er met haar +zoon over te spreken. De knecht heette Jan, hij was lang en tenger, +zag bleek, en had sterk rood haar, en zwarte oogen. De moeder ontving +hem bizonder vriendelijk. Toen hij kwam, was er groot feest aangericht: +griesmeelkoek, versch brood, verschgekarnde boter, kaas, worst en +brandewijn. Er lag een wit tafellaken op tafel, als op feestdagen. De +jongen at akelig veel, en Sigurd vond het vreemd, dat hij toonen wou, +dat hij hongerig op de hoeve kwam. Onder den maaltijd en daarna sprak +hij onophoudelijk; zijn mond stond geen oogenblik stil. Hij was heel +grappig, en de moeder en de dienstboden hadden allen zoo'n pleizier, +dat ze soms slap van lachen waren. + +Sigurd keek hem aanhoudend aan, dien heelen avond, maar hij lachte +niet. + +De knecht ging een oogenblik in den stal om het paard te verzorgen, +en dat nam de moeder waar, om Sigurd te vragen, hoe hij den +nieuwaangekomene vond. Sigurd wist, dat zijn moeder heel blij zou +zijn, als hij antwoordde, dat hij met hem was ingenomen, maar dat +kon hij niet over zich verkrijgen. + +"Is hij niet een Tater?" vroeg hij. + +"Hij!" antwoordde de moeder. "Waarom zou hij een Tater zijn? Weet je +niet, dat de Taters donker zijn? En deze heeft immers rood haar." + +"Ja, maar hij heeft zilveren knoopen aan zijn vest." + +"Dat kan hij toch wel hebben, zonder een Tater te wezen," zei de +moeder, en scheen verdrietig te zijn. + +De volgende dagen was Sigurd veel met den nieuwen knecht samen, +en wat hij ook van zijn afkomst dacht, hij kon niet ontkennen, dat +hij goed werkte. Hij was zoo flink, dat hij in één dag meer deed, +dan de vorige knecht in vier. En hij was zoo gewillig, dat hij meer +werk verrichtte, dan men van hem verwachtte. Niet alleen hakte hij +brandhout klein in de schuur, maar hij bracht het ook in huis. Er +was een luik in de schuur, dat jaren lang scheef aan een scharnier +had gehangen, zonder dat iemand er op gelet had, maar nu werd het +in orde gemaakt. Hij smeerde oude roestige sloten, zette ringen om +het brouwvat, en stopte zorgvuldig de gaten in de schuttingen. En al +'t werk ging onder scherts en gebabbel. 't Was niet te ontkennen, +dat het veel gezelliger in huis was geworden, sinds hij gekomen was. + +Er stond een oude koffieketel op een plank in de groote kamer in +Brendane, die al jaren lang niet gebruikt had kunnen worden. Op een +dag vroeg Sigurd aan Jan, of hij dien niet in orde kon maken. + +"Ja, dat denk ik wel; laat hem mij maar eens zien," zei Jan. + +De huismoeder nam den ketel van de plank, en reikte dien Jan over, +maar gaf hem meteen een wenk. + +Jan nam den deksel van den ketel, keek er in, en zette hem haastig +weer neer. + +"Dien moeten we laten maken, als er eens Taters voorbij komen," +zei hij. "Er mankeert niets aan, dan dat hij vertind moet worden." + +Sigurd voelde een groote verlichting bij die woorden van Jan. Hij +wist, dat alle Taters ketels en pannen konden vertinnen, en als Jan +die kunst niet verstond, was hij zeker geen Tater. De jongen had +niet kunnen laten zich aan den knecht te hechten, en hij was blij, +dat Jan geen Tater was, zoodat hij op de hoeve kon blijven. + +Maar een paar dagen later werd Sigurd weer ongerust, want toen begon +Jan viool te spelen. De huismoeder had er over gesproken, hoe vaak +en hoe mooi zij in haar jeugd viool had hooren spelen. En toen had +Jan zijn viool gehaald, en was begonnen te spelen. Eerst had hij +langzaam en onzeker gespeeld, alsof hij die kunst niet goed verstond, +maar op eens had hij 't hoofd achterover gebogen, zijn oogen waren +begonnen te schitteren, en de strijkstok ging met kracht en vaart over +de snaren. 't Bleek, dat hij een meesterlijk speler was. Toen hij +goed aan den gang was, konden de vrouwen niet stil blijven zitten, +maar begonnen te dansen. Sigurd daarentegen zat onbewegelijk, en +luisterde maar. Hij had nooit te voren goed hooren spelen, en hij +genoot zóó van de muziek, dat hij niet wilde dansen, maar alleen +de muziek in zich opnemen. Maar terwijl hij daar zat te luisteren, +overkwam hem iets vreemds. Een duistere herinnering dook in hem op, +en verstoorde zijn genot. Hij zag voor zich een Tatertroep, zooals +die gewoonlijk door het land trok. Ze kwamen hun hoeve binnen rijden: +een paar groote wagens, die alleen met een paar hoopen vodden schenen +geladen te zijn, en door ellendige, uitgehongerde paarden werden +getrokken; en met de wagens kwamen lange, magere mannen, met gezichten +vol schrammen en litteekens, leelijke vrouwen met geel vel, en een +eindeloos aantal kinderen met zwarte oogen, die overal rondsprongen, +en om alles bedelden, wat ze zagen. Vader was niet thuis geweest, +en ze hadden Moeder bang gemaakt, en haar gedwongen hun alles te +geven, wat ze begeerden. Ze had hun eten, brandewijn, hooi, wol en +kleeren moeten geven, zoodat--toen ze eindelijk weg waren,--het huis +als uitgeplunderd was. En dat alles kwam hem nu weer voor den geest, +nu Jan speelde. Hij zocht zich aan die herinnering te ontworstelen, +maar er was iets in die muziek, wat hem aan de schelle schreeuwende +vagebondenstemmen herinnerde. + +Een paar dagen later kwam Sigurd haastig in de groote kamer, waar +zijn moeder zat te spinnen. + +"Nu moet ik u zeggen, dat Jan toch een Tater is," zei hij. + +De moeder boog zich wat meer voorover, maar hield niet op met spinnen. + +"Neen, wat zeg je!" antwoordde zij. "Dat is een wonderlijk nieuwtje!" + +Er was iets in haar toon, alsof ze hem voor den gek hield. + +"Daar kwam zoo pas een wagen vol Taters voorbij, toen Jan en ik op +de plaats stonden. Ze riepen Jan iets toe, en hij antwoordde hun." + +"'t Is toch zeker niet verboden met Taters te spreken," zei de moeder, +en scheen niet het minste belang in dat bericht te stellen. + +"Neen, maar ze riepen hem iets toe in hun eigen taal, en hij +antwoordde. Ik kon er geen woord van verstaan." + +"En nu denk je zeker, dat Jan, omdat hij de Tatertaal verstaat, nu +ook zelf een Tater moet zijn," zei de moeder op den meest onbezorgden +toon van de wereld, en zonder met haar werk op te houden. + +"Gelooft u het dan ook niet?" vroeg de jongen. + +Hij was er verbaasd over, dat de moeder dit zoo kalm opnam. + +"Moet u hem nu niet wegsturen?" vroeg hij weer, want hij had altijd +gehoord, dat het onmogelijk was een Tater in dienst te hebben. Hij +herinnerde zich de wanhoop van zijn vader, toen de Taters er geweest +waren, en hij het huis uitgeplunderd had gevonden bij zijn thuiskomst. + +"Ik dacht, dat deze hoeve al genoeg te lijden had," zei hij. "Ik +dacht, dat het zand al erg genoeg was. Moeten nu de Taters ook nog +over ons komen." + +Later in den avond had de vader Sigurd bij zich geroepen. + +Hij had hem tusschen zijn knieën gezet, en was begonnen met hem over +de Taters te spreken. + +"Onthoud nu wat ik je zeg," zei hij, "en vergeet dat nooit! Je moet +er voor oppassen, dat je nooit iets met Taters te maken hebt. Want +ze zijn niet als wij, en dat worden ze ook nooit. Ze hebben iets van +wilden in zich, zoodat ze 't niet kunnen uithouden onder een dak te +wonen, maar vaak langs den weg moeten zwerven. Ze kunnen nooit zoo tam +worden, dat ze behoorlijk werk kunnen doen, maar ze willen leven van +paarden ruilen en kaartspelen, als ze niet bedelen of kleinigheden +stelen. En als een Tater ooit zoo ver komt, dat hij werkt, dan zul +je zien, dat hij nooit wat nieuws maakt; hij zal alleen maar oude +dingen oplappen en opknappen." + +Sigurd zag zijn vader duidelijk voor zich, zooals hij was, toen hij +dat zei. Hij was heel ernstig geweest, en zijn woorden hadden zwaar +en dreigend geklonken. + +"Onthoud nu, dat je nooit op een Tater vertrouwen moet, want ze +hooren niet tot onzen stam, en ze zullen ons altijd in den steek +laten! Ze zijn meer verwant met heksen en stroomgeesten dan met +ons. Daarom kunnen ze beter voorspellen en vioolspelen dan wij, +maar daarom kunnen ze ook nooit eerlijke christenmenschen worden. Ze +lijken ook daarin op 't heksenvolk, dat ze graag de dorpen insluipen, +en vleien en zich indringen, zoodat ze in dienst komen bij ons, +boeren, en met onze dochters trouwen, en zoo landeigenaars worden; +maar wee de familie, die er een in huis krijgt, want vroeg of laat +krijgt de hekserij macht over hen! Ze kunnen nog zoo hun best doen, +maar eindelijk verknoeien en bederven ze alles, en brengen ellende +over allen, die op hen vertrouwd hebben." + +Sigurd stond zwijgend naast zijn moeder, en dacht aan dit alles. Zij +zweeg ook, en aarzelde met haar antwoord. + +"'t Is het beste, dat u Jan zoo gauw mogelijk wegzendt," drong hij +nog eens aan. + +Nu liet de moeder haar werk rusten; ze hief het hoofd op en zag Sigurd +diep in de oogen: + +"Het kan mij niet schelen, van wat voor stam Jan is," zei ze. "Ik +ga met hem trouwen. Aanstaanden Vrijdag gaan we naar den dominé en +zullen aanteekenen." + +Sigurd werd ijskoud. Maar wat hem nu 't meest pijn deed, was, dat hij +buiten alles was gehouden, en dat zijn moeder alles al bepaald had, +zonder te vragen, wat hij er van dacht. + +"Als u alles al samen in orde hebt gemaakt, hoef ik ook niets meer +te zeggen," barstte hij uit, keerde zich om, en wilde de kamer uitgaan. + +Maar toen hij de deur opendeed, stond hij tegenover den knecht. Jan +kwam de kamer in met iets vreeselijk droevigs en sombers over zich. De +meest hopelooze smart stond op zijn gezicht te lezen. + +"Ik hoor, dat Sigurd mij weg wil hebben, omdat ik een Tater ben," +zei hij, en ging op de huismoeder toe met uitgestrekte hand, als om +afscheid te nemen. "Voor mij blijft niet anders over dan weer langs +den weg te zwerven." + +"Je hoeft je aan Sigurd niet te storen," zei de huismoeder. "Ik +heb hem gezegd, dat we van plan zijn naar den dominé te gaan om aan +te teekenen." + +"Daar kunnen we niet aan denken," zei de knecht. Hij zonk op een bank +neer, alsof hij geen kracht had zich op de been te houden, keek strak +naar den vloer, en sloeg met de muts tegen de hand. "Het helpt niet, +of je al probeert er uit te komen," zei hij. "Je kunt je uiterste +best doen, je kunt het bloed uit je vingers werken, je wordt toch +teruggestooten. Hij, die van boeren afstamt, kan nooit begrijpen, wat +het zeggen wil, niets dan een vagebondenwagen te hebben geërfd. Voor +mij is geen redding. Ik moet weer leven van paarden ruilen en ketels +vertinnen." + +Nu kwam de huismoeder op den knecht toe. + +"Ik heb gezien, hoe je je best hebt gedaan," zei ze. "Ik geloof, dat +Sigurd het ook heeft gezien. Ik denk, dat hij grootmoedig genoeg is +om op je te vertrouwen." + +"Neen, dat kun je niet verlangen," zei de knecht. + +"Maar in ieder geval heb ik voorloopig te bevelen," ging de huismoeder +voort. + +"Maar ik kan hier geen dag blijven tegen Sigurds wil," antwoordde +Jan. "De hoeve is toch van hem, en 't zou maar verwijdering geven +tusschen hem en u, als ik bleef." + +Er volgde een lange poos stilte, nadat Jan dit gezegd had. Sigurd +begreep, dat zijn moeder nu verwachtte, dat hij Jan zou vragen te +blijven, en zelf was hij zóó bewogen door zijn woorden, dat hij zéér +geneigd was dat te doen. Maar toen dacht hij aan wat zijn vader van +de Taters had gezegd, en hij voelde zulk een strijd en onrust in zijn +hart, dat hij niets kon zeggen. Hij zou willen weten, of er ook onder +de Taters niet een eerlijke, flinke man kon wezen, en of Jan niet +een heel ander mensch was dan al de andere. + +Jan zat daar heel stil. Hij sloeg niet meer met de muts tegen de +hand. Hij zat somber voor zich uit te staren, alsof hij een eindelooze +ruimte vol ongeluk overzag. + +Toen verbrak de moeder de stilte. + +"Ik weet, wat je voor een man zou geworden zijn, als je hier bij ons +had kunnen blijven," zei ze. "En ik wil niet, dat je weer in ellende +zult verzinken. Daarom wil ik je volgen, waar je ook heengaat." + +"Dat moogt u nooit doen," riep de knecht dadelijk. "Zoudt u als de +vrouw van een vagebond rondzwerven, u, die de vrouw van een boer +is geweest!" + +"Daar moet ik maar aan wennen, als je vindt, dat je niet hier kunt +blijven." + +"Neen, dat doe ik nooit," barstte de knecht uit. "Ik dank u, omdat +u dat doen wilt! Maar ik wil u niet meesleepen in het ongeluk!" + +Sigurd zweeg nog altijd. Maar nu begon hij zich bijna over zichzelf te +schamen. De beide anderen waren bereid tot al, wat goed en edel was, +en hij was hard en wantrouwend. + +Eindelijk stond de Tater op, ging op Sigurd toe, en reikte hem de hand. + +"Goeden dag dan, Sigurd!" zei hij. "Je moet niet denken, dat ik boos op +je ben. Je hebt zeker zóó veel kwaad van ons, Taters, gehoord, dat ik +wel begrijpen kan, dat je geen goeds verwachten kunt van een van ons." + +Sigurd nam zijn hand niet aan, en zei ook niets. Hij was nu zóó +overweldigd door hun edelmoedigheid, en zóó beschaamd over zijn eigen +hardheid, dat hij voelde, dat hij op het punt stond in tranen uit +te barsten. + +Maar hij wilde niet, dat iemand hem zou zien schreien, en hij vloog +naar de deur. Maar al in de gang verloor hij zijn zelfbeheersching, +en hij schreide luid. + +Den volgenden dag was Sigurd heel stil, en sprak niet. Hij zat op den +eiken drempel van het voorhuis, zonder iets te doen. Jan was bezig +op de hoeve, en de jongen volgde hem met de oogen, maar hij ging niet +naar hem toe. Jan riep hem bij zich, en sprak vriendelijk en opgewekt +tegen hem, zooals gewoonlijk. Sigurd was daar blij om, en van toen af +was hij den heelen dag bij hem. Zijn moeder was ook vriendelijk voor +hem, maar daar scheen hij niet zooveel om te geven. 't Was alsof hij +iemand was, die niet meer dan één te gelijk kon liefhebben, en alle +liefde, die hij vroeger voor zijn moeder had, scheen hij nu op Jan +overgedragen te hebben. + +'t Was duidelijk, dat Sigurd zich niet meer tegen het huwelijk +verzette. Het werd afgekondigd, en de bruiloft werd gevierd, zooals +het plan was. 't Was een stille bruiloft. Alleen de naaste buren waren +genoodigd, en niemand van Jans familie. Jan zelf was heel ernstig, +hij voegde zich niet bij de jongelui, maar zat rustig te praten met +oudere mannen. De menschen begonnen goed over hem te denken, en op +weg naar huis, na de bruiloft, zeiden enkelen, dat het misschien toch +mogelijk was, dat een Tater een behoorlijk, arbeidzaam man kon worden. + +Toen Jan een paar weken getrouwd geweest was, begonnen hij en Sigurd +op een dag een nieuwen put te graven. Toen zij dieper in den grond +groeven, vonden ze verscheidene verschillende aardlagen. Bovenop +lag een dunne korst vruchtbare aarde daaronder een laag zeezand, en +daaronder grof grint en klei. Nu en dan stootten ze op oude messen en +sleutels, die jaren geleden in den grond begraven waren; hoe verder +'t werk kwam, hoe meer plezier zij er in kregen. Ze spitten zoo hard +ze konden, om te zien wat ze nog meer zouden vinden, en schertsten +er samen over, dat ze nog wel goud en zilver zouden opgraven. Toen +ze nog een paar el dieper waren gekomen vonden ze weer zeezand, +en daaronder een nieuw soort klei. Zoodra Jan die zag, gaf hij een +schreeuw, boog zich neer, en nam er wat van op, dat hij tusschen de +vingers kneep. Eindelijk proefde hij het ook. + +"Zei ik het niet, dat we goud zouden vinden!" barstte hij uit. + +"Wat heb je dan gevonden?" vroeg Sigurd. + +"Ik zeg niets, voor ik zeker van mijn zaak ben," antwoordde de Tater. + +Op datzelfde oogenblik kwam de huismoeder en riep Jan. + +"Je moet boven komen, en mij helpen, Jan," zei ze. + +Jan en Sigurd keken tegelijk over den rand van de put, en zagen, +dat een paar gewone vagebondwagens de hoeve waren opgereden. De +bronskleurige mannen met schrammen en litteekens in 't gezicht, +de leelijke vrouwen en de schreeuwende, woeste kinderen waren er +ook. Sigurd werd bang, toen hij ze zag, en hij meende, dat ook Jans +gezicht somber werd. + +"Kun je ze niet wegjagen, Jan?" vroeg de huismoeder bekommerd. + +"Dat gaat niet best," zei Jan lachend. "'t Zijn Vader en Moeder, +en mijn broers en zusters, die komen zien, hoe 't me gaat." + +Hij sprong uit de groeve, en ging de aangekomenen te gemoet. Er was +nog iets aarzelends over zijn houding, maar hoe dichter hij bij zijn +familie kwam, hoe harder hij liep, en toen hij midden tusschen hen +in stond, sloeg hij de armen uit, en deed een uitroep, als iemand, +die uit een gevangenis gekomen is. Hij werd zoo uitgelaten blij, +dat hij allerlei dwaasheden beging. + +Met een sprong stond hij op den rug van een van de paarden, balanceerde +daar een poosje, en vloog weer naar beneden. Hij begon te worstelen +met zijn oudsten broeder, en een oogenblik daarna was hij midden in +den kindertroep, wierp zich op den grond, en stoeide met al dat wilde +jonge goed. + +'t Was den heelen dag feest. Jan deed bijna niet anders dan +vioolspelen. 't Werd een groot drinkgelag, maar Jan dronk zelf niet +veel; hij speelde alleen maar. Tegen den avond begon het dansen, +en Jan danste meê, maar hij speelde ondertusschen door. + +Sigurd zat in de kamer. Hij vond de andere Taters even akelig als +vroeger, maar hij kon den lust niet weerstaan naar Jan te kijken, +en hem te hooren spelen. En hoe langer hij luisterde, hoe lichter en +zorgeloozer hij zich voelde. 't Was, alsof hij nu voor 't allereerst +begon te begrijpen, dat het leven prettig kon zijn. 't Had hem altijd +gedrukt en bezwaard, dat hij met het zand moest strijden,--hij, +evenals zijn voorvaderen,--dat hij de hoeve moest zien in stand te +houden,--hij, evenals zij--maar omdat je eens een enkelen keer blij +was, hoefde je de hoeve toch niet te vergeten. + +Later liep het zoo vreemd, dat Jan, de Tater, er nooit weer aan +toe kwam den put verder te graven. Den volgenden dag, toen zijn +familie vertrokken was, ging hij slapen, en toen hij laat op den +middag wakker werd, stond daar een man met een boodschap van den +rijksten boer in de gemeente. 't Was een verzoek, of Jan hem wou +komen helpen. Hij zou de bruiloft van zijn dochter vieren, maar +de speelman, dien hij aangenomen had, was ziek geworden, en nu had +hij het huis vol menschen, die er naar verlangden te kunnen dansen, +maar er was geen speelman. Jan ging meê en Sigurd ook. Zij bleven +drie dagen weg. Toen ze terugkwamen, waren ze moe en lusteloos, +en konden niet aan het werk komen. Sigurd had gedanst en gedronken, +meêgedaan aan allerlei spelen en geschertst. Hij liep rond als in een +roes, en kon maar niet bekomen van zijn verbazing over de ontdekking, +dat het leven zóó heerlijk kon zijn. + +'t Scheen wel voorbeschikt, dat telkens, als zij er over spraken, +weer aan den put te beginnen, er gasten moesten komen. Meestal +waren het familieleden van Jan. Hij scheen verwant te zijn aan alle +Taters, die in Halland woonden, en allen ontving hij zoo goed, als +hij maar kon. Dat verminderde den voorraad in de provisiekamer en +op den korenzolder niet weinig, en als Jan met zijn vrouw en Sigurd +alleen was, klaagde hij er over, dat zijn eigen familie hem aan den +bedelstaf bracht. Maar als ze kwamen, aarzelde hij nooit ze met de +meeste gastvrijheid te ontvangen. Nu en dan verleidden ze hem tot +kaartspelen, en eens gelukte het een Tater met spelen een koe van +hem te winnen. Aan zijn vrouw en Sigurd zei hij, dat hij de koe had +verkocht, maar door anderen kwamen zij te weten, hoe het eigenlijk +gegaan was. + +De koe was zoowat alles, wat Sigurd bezat, en toen hij hoorde, dat +Jan haar verspeeld had, werd hij heel boos. 't Was alsof dit opeens +zijn oogen opende, zoodat hij zag, hoe het met de hoeve stond. + +Brendane was immers al zoo arm, dat de grootste spaarzaamheid noodig +was om daar te kunnen leven. Maar nog armer was het geworden onder het +beheer van Jan, den Tater. 't Kwam Sigurd voor, dat het heele laatste +jaar als in een droom was voorbijgegaan. Nu zag hij, hoe de akkers +verzand waren. Er was er nauwelijks meer een, die bruikbaar was. In +'t voorjaar had Jan in 't kale zand gezaaid, en maar een paar halmpjes +waren opgekomen. Heel Sigurds vaderlijk erfdeel was bijna verspild. + +Sigurd ging de kamer binnen, om met Jan te spreken, maar Jan stond te +spelen; en Sigurd kwam er niet toe zijn spel af te breken, maar zat met +een bezwaard hart te luisteren. Zooals altijd werd hij langzamerhand +kalmer, toen hij Jan hoorde spelen. Hij dacht aan het strenge, zware +leven, dat zij hadden geleid, vóór de Tater in huis was gekomen, +en hij vroeg zich af, of hij zelf dat opnieuw zou willen beginnen. + +Plotseling hield Jan met spelen op. + +"Zeg me nu één ding, Sigurd," zei hij met ongewoon vriendelijke +stem. "Wil je, dat ik wegga, en jou en wat je bezit, met rust laat?" + +Sigurd was heelemaal verbluft, want hij had er juist over zitten +denken, hoe hij hem wegkrijgen zou. Hij kon niet antwoorden. + +"Zeg maar één enkel woord, als je me kwijt wilt wezen," zei Jan. + +Toen voelde Sigurd, dat zijn hart ineenkromp bij de gedachte, dat +Jan en hij zouden scheiden. + +"Neen, ik wil liever, dat je hier blijft," zei hij. + +"Stel mij er dan niet verantwoordelijk voor, hoe het met je erfdeel +gaat," zei Jan, "want wat ik je nu aanbood, was eerlijk gemeend." + +Het duurde ook niet heel lang, voor de tijd kwam, dat Sigurd er met +den vagabondwagen op uit moest trekken. Er was geen eten meer in de +provisiekamer, geen volk meer in de dienstbodenkamer, geen koe in +de schuur. + +Er was niets meer dan een boerenwagen en een paard, want dat had Jan +niet weg willen doen. Toen ze op een dag niets meer hadden om van te +leven, spande Jan het paard voor den wagen, laadde dien vol potten en +pannen, oude dekens en kussens, en legde er ook zijn werktuigen voor +'t vertinnen in. Eindelijk riep hij zijn vrouw. Ze kwam naar buiten +met een kindje op den arm, en ging op de lading zitten. + +Sigurd had geen deelgenomen aan al die toebereidselen. Hij zat er +onbewegelijk naar te kijken, hoe de anderen zich klaar maakten voor +de reis. + +"Hoe het ook gaat, ik zal de hoeve niet verlaten," dacht hij. "Al +zou ik hier doodhongeren, ik zal hier blijven tot het laatste toe." + +Zijn moeder en Jan schenen het ook als een uitgemaakte zaak te +beschouwen, dat hij zou achterblijven. Geen van hen sprak er ook +meer een enkel woord over, dat hij meê zou gaan. Maar al naarmate het +oogenblik van hun vertrek naderde, voelde Sigurd zich meer ellendig en +beklemd. Hij liet hen toch afscheid nemen en van de hoeve wegrijden, +zonder zich te bewegen. Toen de wagen het hek uit reed, kwam de +angst voor de eenzaamheid met alle kracht over Sigurd, en hij greep +met beide handen de bank vast, waar hij op zat, om zich te bedwingen +en hen niet achterna te vliegen. Op dat zelfde oogenblik keerde Jan +zich nog eens om, en zag Sigurd aan. Sigurd stond op, en toen Jan dat +merkte, begon bij hem te wenken. En met een paar groote sprongen was +Sigurd bij den wagen en er boven op. + +Daarna ging Sigurd een paar jaar meê met Jan op zijn reizen door +het land. Ze trokken meestal op deze manier voort, dat Jan en Sigurd +naast den wagen liepen, maar de vrouw en het kind reden. Als ze in de +nabijheid van een hoeve kwamen, hielden zij stil aan den kant van den +weg. Sigurds moeder ging dan naar 't huis, en bedelde om eten en koren, +en vroeg of er ook koperen ketels waren, die vertind moesten worden, +maar de mannen bleven bij den wagen. Het moeilijkst was des nachts +onder dak te komen. Vaak waren ze gedwongen onder den blooten hemel +te overnachten, maar daar wenden zij ook spoedig aan. Waar er maar +markt gehouden werd, of het diep in Smaland was, of ver in 't Zuiden +in Skaane, zij zorgden, dat ze er bij waren. Dan ontmoetten ze heele +troepen van de andere zwervers, en in hun gezelschap leefden ze dan +een lustig leventje, dagen lang: Jan dronk veel op zulke marktdagen, +en Sigurd wende zich ook aan het drinken. Om en bij Kerstmis, als het +al te koud werd, hielden ze gewoonlijk met zwerven op, en keerden +naar Brendane terug. Daar bleven zij zoolang er nog iets over was +van de levensmiddelen, die ze op reis hadden bijeengebedeld. Daarna +trokken zij er weer op uit. + +Dit leven hadden de Taters geleid van den tijd af, dat ze in +Zweden waren gekomen, en Jan begeerde niets beters dan dat voort te +zetten. Hij zei nu telkens, dat het een dwaasheid van hem was geweest, +te probeeren zich ergens te vestigen. Hij moest vrij zijn; hij moest +ten allen tijde kunnen gaan, waar hij wilde. + +Het scheen ook, alsof zelfs Sigurd tevreden was, en of de vriendschap +tusschen hem en Jan steeds even groot bleef. Toch was er een en +ander, dat er op wees, dat Sigurd door een innerlijke onrust werd +verteerd. Hij dronk veel; niet als iemand, die van drinken houdt, maar +alsof hij alleen dronk om een groot verdriet te dempen. Hij was ook +prikkelbaar geworden, en de minste aanleiding kon hem hevig boos maken. + +Terwijl ze heen en weer trokken door Halland, zagen ze vaak groote +velden stuifzand, en dan werd Sigurd altijd zwaarmoedig. Op een dag, +toen ze over zulk een eindeloos zandveld trokken, zei Jan: + +"Hier was vroeger bosch. Dat heb ik mijn vader hooren vertellen. 't +Is toch vreemd, dat alles zoo verwoest kon worden." + +"De menschen, die tegen het zand hadden moeten strijden, zijn zeker +weggegaan, en hebben 't land aan zijn lot overgelaten," antwoordde +Sigurd bitter. + +"Denk je dat?" zei Jan heftig. "Dan wil ik je wel zeggen, dat je naar +huis kunt gaan en 't zand van je akkers halen. Niemand houdt je hier." + +"Je weet wel, dat ik niet meer naar huis kan gaan om te werken," +zei Sigurd weer. "Ik ben nu bijna een even goede Tater als jij. Ik +houd van brandewijn en kaartspelen, en ik wil niets uitvoeren. Ik +ben nu heelemaal, zooals je me hebben wilt." + +Op een anderen dag waren zij op een weg gekomen, die langs den kant +van een groot zandvlek liep. Hier had men geprobeerd het zand vast +te leggen en er waren een massa denneboompjes gezaaid. Een daarvan +groeide vlak aan den kant van den weg, en toen Jan er voorbij kwam, +schopte hij het om met zijn voet. + +"Wat doe je daar?" vroeg Sigurd scherp. Hij fronste het voorhoofd, +en zag er uit, alsof hij lust had den Tater aan te vallen. + +"Ik schop dat plantje om, en ik zou grooten lust hebben al die andere +ook om te schoppen." + +"Wat zou je daar nu aan hebben?" vroeg Sigurd. + +"Ik weet niet hoe het komt," zei Jan, "maar in de landen, waar groote, +kale velden zijn en wijde open heiden, daar zijn de Taters graag. Maar +waar de boeren vooruit komen, en zaaien, en zich vestigen, daar kunnen +wij het op den duur niet uithouden." + +"Dat kan wel wezen," zei Sigurd "maar je zult toch dat denneboompje +weer in den grond zetten." + +Jan scheen bijna niet te begrijpen, wat hij bedoelde. Hij stond maar +voor zich uit te kijken. + +"Zet dat weer in den grond, anders zul je eens zien, wat er gebeurt, +als ik meerderjarig word!" schreeuwde Sigurd. + +Jan bukte zich, en zette het boompje weer in den grond. Toen hij +opstond zag hij Sigurd aan met een valsche uitdrukking op zijn gezicht, +maar hij zei niets. + +Sigurds buren verwonderden er zich sterk over, dat hij, die van +zulk een goede familie was, het bij de Taters kon uithouden, en +velen verwachtten, dat hij van hen zou weggaan, als hij meerderjarig +werd. Maar als dat zijn bedoeling geweest was, kon hij die toch niet +ten uitvoer brengen, want op denzelfden dag, dat hij meerderjarig werd, +nam men hem gevangen voor diefstal. Hij was met zijn moeder en Jan +op een gewonen zwerftocht uit, en des morgens had Jan Sigurd gewekt, +en hem gevraagd dien dag den wagen voor hem te rijden, omdat Jan op +een feest moest spelen bij den dans. + +"Als je niet al te hard rijdt, zal ik je morgen wel bijtijds inhalen." + +Sigurd liep over allerlei te denken dien dag, terwijl hij zoo langs +den weg stond. Vroeger had hij zichzelf probeeren wijs te maken, dat +hij het werk van zijn vader weer zou opnemen, als hij meerderjarig +werd, maar nu voelde hij, dat hij er geen kracht toe had. De heele +hoeve lag nu onder het zand, geen voetbreed grond was meer vrij, +en om het woonhuis lagen de zandhoopen hoog tegen den muur op. Hij +begreep niet wat hij thuis nog zou uitvoeren. Wat hielp het, werk te +verspillen aan een hopelooze zaak? + +Nauwelijks had Sigurd besloten de hoeve aan haar lot over te laten, +of hij werd door een paar vreemde mannen aangeroepen. Hij hield stil, +en ze kwamen naar hem toe, en bekeken zijn paard. 't Was een nieuw +paard. Jan was er den vorigen avond meê aangekomen, en had Sigurd +gezegd, dat hij het van een boer in Frilles-aas had gekocht. Nu +bleek het, dat het paard gestolen was, en Sigurd, die er meê reed, +werd gevangen genomen als paardendief. + +Sigurd werd niet erg ongerust over die aanklacht. Hij kon een heele +massa menschen als getuigen aanroepen, dat hij den vorigen dag niet +in Frilles-aas was geweest. Hij ging zonder tegenstand in arrest, +en was er zeker van, dat hij zou worden vrijgesproken, zoodra zijn +zaak behandeld werd. + +'t Eerste wat Sigurd zag, toen hij de rechtszaal binnen kwam, was Jan, +die daar midden tusschen een heele bende Taters zat. + +"Jan is hier gekomen om mij te helpen," dacht hij, want hij wist, +dat al die mannen gezien hadden, waar hij was geweest op den dag, +dat de diefstal had plaats gehad. Maar toen later de getuigen werden +opgeroepen en getuigenis aflegden, bleek het, dat de een na den +ander hem had gezien op den weg naar Frilles-aas, ja zelfs vlak bij +de stad. Velen waren hem midden in den nacht tegengekomen, toen hij +met het gestolen paard was komen aanrijden. + +Jan zelf hoefde niet te getuigen, maar Sigurd verwachtte aldoor, +dat hij op een of andere manier zou ingrijpen, en een eind aan al +die onwaarheid maken. Maar Jan deed niets om hem te hulp te komen; en +naarmate de zaak bedenkelijker voor Sigurd werd, kreeg Jans gezicht +meer en meer een uitdrukking van diepe smart. Eens ontmoetten hun +oogen elkaar, en toen zag Jan Sigurd aan, zooals een goede vader een +ontaarden zoon aanziet, die op den verkeerden weg gekomen is. + +Toen Sigurd dien blik ontmoette, was hij eerst als versteend, maar +kort daarna speelde er een glimlach om zijn lippen. Hij had gezien, +dat alles wat er op Jans gezicht te lezen stond, leugen was. Hij had +gezien, dat Jan blij was; dat het Jan was, die hem had doen gevangen +nemen, en dat Jan bewerkte, dat hij veroordeeld werd. + +Maar het vreemde was, dat toen Sigurd dit alles helder inzag, er een +gevoel van blijdschap door zijn heele ziel ging. Hij was verbaasd +over zichzelf, omdat hij het zoo voelde. Hij begreep, dat hij tot +verscheidene jaren dwangarbeid zou worden veroordeeld, maar hij voelde +zich als iemand, die de vrijheid terugkrijgt. + +Toen Sigurd naar de gevangenis teruggebracht en daar alleen gelaten +was, voelde hij, dat hij plotseling een ander mensch was geworden. Van +het oogenblik af, dat hij Jan, den Tater, doorzien had, en 't hem +duidelijk geworden was, dat hij in 't diepst van zijn ziel valsch en +hard was, werd hij uit een jarenlange betoovering verlost. Hij was +in de macht van een ander geweest, en er was vreugde in zijn ziel, +omdat hij nu weer vrij zou zijn. Maar op 't zelfde oogenblik, dat +hij op die manier wakker werd, zag hij ook zichzelf, zooals hij was +geweest, en hij schrikte daar hevig van. + +Toen Sigurd de volgende keer voor het gerecht werd gebracht, +trachtte hij zich nauwelijks te verdedigen. Wat kwam het er op aan, +of hij schuldig was aan den paardendiefstal. Hij voelde zich toch als +een groot misdadiger. Hij was in een stemming, dat hij graag lijden +wilde. En hij was er blij om, dat hij op deze manier werd gescheiden +van al het oude, van alles, wat hem had verlokt en verleid. Toen +het vonnis werd uitgesproken, dacht hij er nauwelijks aan, wat het +eigenlijk inhield. Op hetzelfde oogenblik stond hij daar zichzelf te +veroordeelen tot levenslangen dwangarbeid. Hij wilde den strijd van +zijn voorvaderen weer opnemen, hoe hopeloos die ook scheen. + +En werkelijk kwam eenmaal de dag, dat Sigurd naar huis terugkeerde, +en 't werk begon. Hij richtte het zoo in, dat hij 's winters naar +Skaane trok, als dorscher, en in 't voorjaar kwam hij weer thuis +met zooveel levensmiddelen, dat hij op Brendane kon blijven tot den +herfst. Hij probeerde helm en dennen te planten om het zand vast te +leggen; hij vorderde niet veel, maar werkte onverdroten, zooals hij +zichzelf had opgelegd te doen. + +Op een dag kwam hij op de gedachte, dat het goed zou zijn een put in +de buurt te hebben, en hij begon die te graven, ongeveer op dezelfde +plaats, waar Jan en hij eens hadden gewerkt. Toen hij een paar el diep +gekomen was, vond hij een mergellaag. Hij had in Skaane geleerd waar +mergel goed voor is, en hoewel hij nu een heel stil man was geworden, +raakte hij opgewonden van vreugd. Nu wist hij, dat hij niet alleen het +zand zou overwinnen, maar dat hij het ook vruchtbaar maken zou. Nu +was het gedaan met den dwangarbeid; nu kwam er een werken met hoop +en vreugd. Hij zag zich al in gedachten als eigenaar van een groote, +rijke hoeve. + +Op eens herinnerde hij zich toen, hoe Jan en hij hadden gespit om +een put te maken, en dat Jan een stuk klei had opgenomen en gezegd, +dat hij goud had gevonden. + +"Hij wist dat van den mergel," dacht Sigurd. "Hij heeft het aldoor +geweten. En hij wilde liever als bedelaar rondzwerven, dan thuis +blijven en ons allen rijk maken." + +Maar die gedachte wekte bij hem haat noch bitterheid, maar alleen +diep medelijden. Nu begreep hij, dat de Tater niet had kunnen denken +en handelen, zooals hij had behooren te doen. + + + + + + +XVIII. + +HET GROOTE VOGELMEER. + + +JARRO, DE WILDE EEND. + + +Ten oosten van het meer Wettern ligt het Takermeer. Daaromheen strekt +zich het groote, vlakke land van Oost-Gothland uit. + +'t Takermeer is vrij groot, en nog grooter schijnt het vroeger geweest +te zijn. Maar toen vonden de menschen, dat het een al te groot gedeelte +van de vruchtbare vlakte bedekte, en zij probeerden het water uit te +malen, om op den bodem van het meer te kunnen zaaien en oogsten. Het +gelukte hun niet het geheele meer te verleggen, zooals ze eerst wel +gewild hadden: nog altijd bedekt het een groot stuk land. Maar na dit +uitmalen is het meer zoo ondiep geworden, dat bijna nergens meer dan +een meter water staat. De kusten zijn moerassig en modderig geworden, +en overal steken kleine slik-eilandjes boven den waterspiegel uit. + +Nu is er iemand, die graag met de voeten in 't water staat, als hij 't +hoofd en 't lichaam maar boven water houden mag en dat is het riet. Dat +kan geen beter groeiplaats vinden, dan de groote, slikkige Takerkust +en de slikeilandjes daarom heen. Dat tiert daar zóó goed, dat het meer +dan manshoog wordt, en zóó dicht, dat het bijna onmogelijk is er met +een boot door te komen. Het vormt een breede ondoordringbare, groene, +omheinde strook om het geheele meer, zoodat het alleen op enkele +plaatsen toegankelijk is, waar menschen het riet hebben weggenomen. + +Maar al sluit het riet den weg voor de menschen af, het geeft +daarentegen een schuilplaats aan allerlei andere wezens. Tusschen het +riet zijn veel plasjes en kanalen, met groen, stilstaand water, waar +kroos en de waterkolf tiert, en waar muggenlarven, jonge visschen +en klompen wormen in eindelooze massa's geteeld worden. En aan de +kanten van die plasjes en kanalen zijn er een menigte goed verborgen +plaatsjes, waar de vogels hun eieren kunnen uitbroeden en hun jongen +opvoeden, zonder door vijanden gestoord, of door zorgen voor hun +voedsel gekweld te worden. + +Er wonen ook een verbazend aantal vogels in het riet van 't Takermeer, +en nog vele komen er jaarlijks bij, naar mate 't meer bekend wordt, +wat een heerlijk verblijf het is. De eerste, die er zich vestigden, +waren de wilde eenden, en die wonen er nog bij duizenden. Maar ze +bezitten niet meer het heele meer. Ze hebben het moeten deelen met +zwanen, kleine duikers, zwarte waterhoenders, lepeleenden en nog een +heele massa anderen. + +Het Takermeer is zeker het grootste en mooiste vogelmeer, dat er in +het heele land te vinden is, en vogels moeten zich gelukkig voelen, +zoolang ze zulk een toevluchtsoord hebben. Maar het is niet zeker, +hoelang ze de heerschappij over de rietvelden en de slikplekken +zullen behouden, want de menschen kunnen niet vergeten, dat het meer +zich uitstrekt over een groot stuk goed en vruchtbaar land, en keer +op keer doen ze elkaar voorstellen om het droog te maken. En als +die voorstellen werden uitgevoerd, zouden al die duizenden vogels +gedwongen zijn uit de buurt te vertrekken. + +In den tijd, toen Niels Holgersson rond reisde met de wilde ganzen, +was er bij het Takermeer een wilde gans, die Jarro heette. Hij was +een jonge vogel, en had nog maar één zomer, één herfst en één winter +geleefd. Nu was het zijn eerste lente. Hij was pas uit Noord-Afrika +thuis gekomen, en had het Takermeer zoo tijdig bereikt, dat het ijs +nog op het meer lag. + +Op een avond, toen hij en de andere jonge eenden zich vermaakten +met heen en weer te vliegen over het meer, loste een jager een paar +schoten op hen, en Jarro werd in de borst getroffen. Hij meende, +dat hij sterven moest, maar opdat hij, die hem had getroffen, hem +niet in zijn macht zou krijgen, vloog het dier door, zoolang het +kon. Jarro dacht er niet aan een bepaalde richting te nemen, maar +deed enkel zijn best om zoover mogelijk te komen. Toen zijn krachten +hem begaven, zoodat hij niet verder vliegen kon, was hij niet langer +boven het meer. Hij was het land ingevlogen en zonk nu neer aan den +ingang van een van de groote boerderijen, die aan den oever van het +Takermeer liggen. + +Kort daarna kwam een jongen over de hoeve. Hij kreeg Jarro in het +oog en raapte hem op. Maar Jarro, die niet anders verlangde dan in +vrede te mogen sterven, verzamelde zijn laatste krachten, en beet +den jongen hard in den vinger, om hem te dwingen hem los te laten. + +Het lukte Jarro niet zich te bevrijden, maar die aanval had de goede +uitwerking, dat de jongen merkte, dat de vogel niet dood was. Hij +droeg hem voorzichtig naar de kamer, en liet hem de huismoeder zien, +een jonge vrouw, met een vriendelijk gezicht. Zij nam den jongen +dadelijk Jarro af, streelde hem over den rug, en veegde het bloed af, +dat uit de veeren aan zijn hals sijpelde. Zij bekeek hem nauwkeurig, +en toen zij zag, hoe mooi hij was, met zijn donkergroenen glanzenden +kop, zijn witte ring om den hals, zijn bruinrooden rug, en de blauwe +vlekken op de vleugels, vond ze zeker, dat het jammer zou wezen, +als hij sterven moest. Ze maakte gauw een mandje in orde, waar zij +den vogel in neerlei als in een bedje. + +Jarro had al dien tijd gefladderd en geworsteld om los te komen; +maar toen hij begreep, dat de menschen niet van plan waren hem +dood te maken, ging hij met een gevoel van welbehagen in de mand +liggen. Nu eerst merkte hij, hoe uitgeput hij was van akeligheid en +bloedverlies. De huismoeder droeg de mand door de kamer om ze in een +hoekje bij den haard te brengen, maar al eer ze die had neergezet, +had Jarro de oogen dichtgedaan, en was ingeslapen. + +Na een poos werd Jarro wakker, door dat iemand hem zacht +aanstootte. Toen hij de oogen opendeed, werd hij zóó verschrikt, +dat hij bijna flauw viel. Nu was hij toch verloren, want daar stond +hij, die gevaarlijker was dan menschen en roofvogels. Dat was niemand +anders dan Caesar zelf, de langharige jachthond, die hem nieuwsgierig +besnuffelde. + +Hoe akelig bang was Jarro den vorigen zomer niet geweest, toen hij nog +een klein, geel, donzig jong eendje was, telkens als het geroep door +het rietveld had geklonken, "daar komt Caesar aan! Daar komt Caesar +aan!" Als hij den bruin en wit gevlekten hond had zien aankomen door +het water, met den bek vol tanden, had hij gemeend den dood zelf te +zien. Hij had altijd gehoopt, dat hij nooit het oogenblik zou beleven, +dat hij Caesar van aangezicht tot aangezicht zou zien. + +Maar hij moest het ongeluk gehad hebben juist in de boerderij neer +te vallen, waar Caesar woonde, want nu stond hij daar voor hem. + +"Wie ben jij?" bromde hij. "Hoe ben je hier in de kamer gekomen? Hoor +jij niet thuis op het rietveld?" + +Nauwelijks kon Jarro moed vinden te antwoorden. + +"Wees niet boos op mij, Caesar, omdat ik in de kamer ben gekomen," +zei hij. "Ik kan het niet helpen. Ik ben aangeschoten. De menschen +zelf hebben mij hier in deze mand gelegd." + +"O zoo! hebben de menschen zelf je hier neergelegd," zei Caesar. "Dan +is 't zeker hun bedoeling je weer beter te maken. Ik zou denken, +dat ze wijzer deden je op te eten, nu ze je eenmaal hebben. Maar in +elk geval ben je veilig in deze kamer. Je hoeft niet zoo angstig te +kijken. We zijn hier niet op het Takermeer." + +Met die woorden ging Caesar liggen slapen voor den vlammenden +haard. Zoodra Jarro begreep, dat dit vreeselijk gevaar voorbij was, +kwam weer die groote vermoeidheid over hem, en hij viel in slaap. + +Toen Jarro weer wakker werd, zag hij een schotel met gruttewater voor +zich staan. Hij was nog heel ziek, maar hij had honger en begon te +eten. Toen de huismoeder zag, dat hij zich bewoog, streelde zij hem, +en keek, alsof ze blij was. Daarna sliep Jarro weer in. Verscheidene +dagen deed hij niet anders dan eten en slapen. + +Op een morgen voelde Jarro zich zoo wel, dat hij uit de mand kwam, +en door de kamer ging loopen. + +Maar hij was nog niet ver gekomen, toen hij omviel, en bleef +liggen. Toen kwam Caesar, deed zijn grooten bek open, en pakte hem +op. Jarro meende natuurlijk, dat de hond hem doodbijten wou, maar +Caesar droeg hem naar de mand terug, zonder hem kwaad te doen. Daardoor +kreeg Jarro zoo'n vertrouwen in Caesar, dat hij op zijn volgenden tocht +door de kamer naar den hond toeging, en naast hem kwam liggen. Na +dien tijd werden Caesar en hij goede vrienden, en Jarro lag elken +dag verscheidene uren te slapen tusschen Caesars pooten. + +Nog meer dan van Caesar, hield Jarro van de huismoeder. Voor haar was +hij heelemaal niet bang, maar hij streek met den kop langs haar hand, +als zij hem eten kwam brengen. Als zij uit de kamer ging, zuchtte +hij van verdriet, en als ze weer binnenkwam riep hij haar "welkom" +toe in zijn eigen taal. + +Jarro vergat heelemaal, hoe bang hij vroeger was geweest voor menschen +en honden. Hij vond, dat ze vriendelijk en goed waren, en hij had ze +lief. Hij wou, dat hij gezond was, zoodat hij naar het Takermeer had +kunnen vliegen, om aan de wilde eenden te vertellen, dat hun oude +vijanden niet gevaarlijk waren, en dat ze heelemaal niet bang voor +hen hoefden te wezen. + +Hij had opgemerkt, dat zoowel de menschen als Caesar kalme oogen +hadden, en het deed hem goed ze aan te zien. De eenige in de kamer, +die hij liever niet in de oogen zag, was Klorina, de kamerkat. Zij +deed hem ook geen kwaad; toch kon hij haar maar niet vertrouwen. Ook +kibbelde ze altijd met hem, omdat hij van de menschen hield. + +"Je meent, dat ze je verzorgen, omdat ze van je houden," zei +Klorina. "Wacht maar, tot je vet bent. Dan draaien ze je den nek +om. Ik ken ze wel, die menschen!" + +Jarro had een teer, vergevensgezind hart, als alle vogels, en hij werd +bitter bedroefd, toen hij dat hoorde. Hij kon zich niet voorstellen, +dat de huismoeder hem den hals zou willen omdraaien, en hij kon zooiets +ook niet gelooven van haar zoontje, dat uren lang naast zijn mand kon +zitten zingen en babbelen. Hij meende te begrijpen, dat zij hem even +liefhadden als hij hen. + +Op een dag, toen Jarro en Caesar op hun gewone plaatsje voor den haard +lagen, begon Klorina, die boven op den haard zat, met de wilde eend +te kibbelen. + +"Ik zou wel eens willen weten, Jarro, wat jelui, wilde eenden, 't +volgend jaar zult beginnen, als het Takermeer wordt drooggemaakt, +en in een akker veranderd," zei Klorina. + +"Wat zeg je daar, Klorina?" riep Jarro, en sprong op van schrik. + +"Ik vergeet altijd, dat jij niet, zooals Caesar en ik, de menschentaal +verstaat," zei de kat. "Anders zou je wel hebben gehoord, dat de +knechts, die gisteren in de kamer waren, er over spraken, dat al het +water uit het Takermeer zou worden gemalen, en dat de bodem bijna +even droog zou worden als de vloer van de kamer. En nu zou ik wel +eens willen weten, waar jelui, wilde eenden, dan heen moeten." + +Toen Jarro dat hoorde, werd hij zóó boos, dat hij siste als een slang. + +"Je bent even akelig als een zwart waterhoen," zei hij tegen +Klorina. "Je wil me tegen de menschen opstoken. Ik geloof niet, dat +ze zooiets zullen doen. Zij moeten toch wel weten, dat het Takermeer +van de wilde eenden is. Waarom zouden ze zooveel vogels dakloos en +ongelukkig maken? Je hebt dit alles vast maar bedacht om me aan 't +schrikken te maken. Ik wou, dat Gorgo, de arend, je verscheurde! Ik +wou, dat onze huismoeder je snor afknipte!" + +Maar Jarro kon Klorina met dien uitval niet tot zwijgen brengen. + +"Zoo! Geloof je, dat ik lieg?" zei ze. "Vraag het Caesar dan, hij +was gisteren avond ook in de kamer. Caesar liegt nooit!" + +"Caesar!" zei Jarro. "Jij verstaat de menschentaal veel beter dan +Klorina. Zeg nu eens, dat zij 't niet goed gehoord heeft. Stel je nu +eens voor, hoe dat gaan moest, als de menschen het Takermeer gingen +droogmaken en van den bodem van 't meer een akker maken. Dan zou +daar geen watermuur en geen kroos meer zijn voor de groote eenden, +en geen jonge visschen en kikkers en muggelarven voor de jonge. Dan +zouden al die bosjes riet verdwijnen, waar de jonge eenden zich nu +kunnen verstoppen, tot ze kunnen vliegen. Alle eenden zouden moeten +verhuizen en een andere woonplaats zoeken. Maar waar vinden ze ooit +zoo'n schuilplaats als het Takermeer? Caesar, zeg nu eens, of Klorina +het niet mis heeft!" + +'t Was vreemd om te zien, hoe Caesar zich gedroeg onder dat +gesprek. Hij was al dien tijd klaar wakker geweest, maar toen Jarro +hem aansprak, gaapte hij, lei zijn lange snuit op de voorpooten, +en sliep vast in een oogenblik. + +De kat zag op Caesar neer met een sluwen lach. + +"Ik geloof, dat Caesar je liever niet antwoorden wil," zei ze tegen +Jarro. "'t Gaat met hem als met alle honden. Ze willen nooit erkennen, +dat de menschen iets verkeerds kunnen doen. Maar je kunt mij op mijn +woord gelooven. Ik zal je zeggen, waarom de menschen juist nu het +Takermeer willen droogmaken. Zoolang jelui, wilde eenden, nog de baas +waren op 't meer, wilden ze dat niet, want van jelui hadden ze nog +wat nut. Maar nu hebben immers ook duikers en zwarte waterhoenders en +andere oneetbare vogels bijna alle plasjes en rietbosjes ingenomen, +en voor hun genoegen, meenen de menschen, hoeven ze het meer niet +te behouden." + +Jarro dacht er niet aan Klorina te waarschuwen, maar hij hief den +kop op, en riep Caesar in 't oor: + +"Caesar! Jij weet, dat op het Takermeer nog zooveel eenden zijn, +dat ze de lucht vullen als wolken. Zeg nu, dat het niet waar is, +dat de menschen van plan zijn al die eenden dakloos te maken." + +Toen stoof Caesar op, en deed een zoo heftigen uitval tegen Klorina, +dat ze op een plankje boven aan den muur sprong. + +"Ik zal je leeren je mond te houden, als ik slapen wil," schreeuwde +Caesar. "Ik weet wel, dat er sprake van is, dat het meer nog van +'t jaar zal worden drooggemaakt, maar daar is al zoo dikwijls over +gesproken, en er kwam nooit wat van. En die droogmakerij vind ik +heelemaal niet goed. Want hoe zal het dan met de jacht gaan, als +het Takermeer wordt droog gemaakt? En jij bent een stoffel, als je +je daarop verheugt. Waar zullen jij en ik meê spelen, als er geen +vogels meer op het Takermeer zijn?" + + + + +DE LOKVOGEL. + + +Een paar dagen later was Jarro zooveel beter, dat hij door de kamer kon +vliegen. Hij werd toen door de huismoeder vaak gestreeld, en de kleine +jongen sprong naar buiten, en plukte voor hem de eerste grashalmpjes, +die waren opgekomen. Als de huismoeder hem streelde, dacht Jarro, dat +al was hij nu zoo sterk, dat hij weer naar het Takermeer zou kunnen +vliegen, hij toch liever niet van de menschen zou scheiden. Hij had +er niets tegen zijn heele leven bij hen te blijven. + +Maar op een morgen vroeg legde de huismoeder over Jarro een soort +teugel of strik, die hem belette zijn vleugels te gebruiken, en gaf +hem toen aan den jongen, die hem op de hoeve had gevonden. De jongen +nam hem onder den arm, en ging met hem naar het Takermeer. + +Het ijs was gesmolten, terwijl Jarro ziek was. Het oude, dorre riet +van 't vorige jaar stond nog aan de kanten en langs de eilandjes, +maar alle waterplanten waren opgekomen in de diepte, en de groene +toppen kwamen al boven aan den waterspiegel. En nu waren bijna alle +trekvogels thuis gekomen. De kromme snavels van de pluvieren kwamen +uit het water. De duikers zwommen rond met nieuwe veeren kragen om +den hals, en de snippen begonnen strootjes te zoeken voor hun nesten. + +De jongen ging in een platte boot, legde Jarro op den bodem ervan, +en begon zich te boomen naar het midden van het meer. Jarro, die nu +gewend was niets dan goeds van de menschen te verwachten, zei tegen +Caesar, die ook was meêgegaan, dat hij den jongen heel dankbaar was, +omdat hij hem meêgenomen had naar het meer. Maar de jongen had hem +niet behoeven te boeien. Hij was niet van plan weg te vliegen. Hierop +antwoordde Caesar niets. Hij was niet spraakzaam dien morgen. + +Het eenige, wat Jarro een beetje vreemd vond, was, dat de jongen +zijn geweer had meegenomen. Hij kon niet gelooven, dat een van +die goede menschen daar op de boerderij, van plan was op vogels te +schieten. Caesar had hem ook bovendien nog gezegd, dat de menschen +op dezen tijd van het jaar niet op de jacht gingen. + +"Het is verboden in dezen tijd," zei hij, "maar dat geldt natuurlijk +niet voor mij." + +De jongen voer intusschen naar een van de slik-eilandjes met riet +omringd. Daar ging hij uit de boot, hoopte een stapel oud droog riet +opeen, en ging daarachter liggen. Jarro mocht, met den strik over +de vleugels en met een lang touw aan de boot vastgemaakt, buiten +rond loopen. + +Op eens kreeg Jarro een paar van de jonge eenden in het oog, waarmeê +hij vroeger heen en weer had gevlogen over het meer. Ze waren ver weg, +maar Jarro riep ze met een paar luide kreten. Ze beantwoordden die, +en een mooie troep kwam naderbij. Al vóór ze dichtbij hen kwamen, +begon Jarro te vertellen van zijn wonderbare redding en van de goedheid +van de menschen. Op hetzelfde oogenblik vielen twee schoten achter +hem. Drie eenden zonken dood neer in de zee, en Caesar sprong in +'t water en haalde ze op. + +Toen begreep Jarro alles. De menschen hadden hem gered, om hem als +lokvogel te gebruiken. En dat was ook gelukt. Drie eenden waren +door zijn toedoen geschoten. Hij dacht, dat hij zou sterven van +schaamte. Hij meende, dat zelfs zijn vriend Caesar hem verachtelijk +aanzag, en toen ze thuis kwamen in de kamer, durfde hij niet bij den +hond gaan liggen slapen. + +Den volgenden morgen werd Jarro weer naar buiten gebracht op het +meer. Ook nu weer kreeg hij een paar eenden in het oog. Maar toen hij +merkte, dat ze naar hem toe kwamen, riep hij: "Weg! weg! Pas op. Ga +een anderen kant uit. Daar ligt een jager achter dien hoop riet. Ik +ben maar een lokvogel!" + +En werkelijk gelukte het hem, hen te beletten onder schot te komen. + +Jarro had nauwelijks den tijd een grasje te proeven, zoo druk had hij +het met wacht houden. Hij riep om te waarschuwen, zoodra een vogel in +de buurt kwam. Hij waarschuwde zelfs de duikereenden, hoewel hij een +hekel aan hen had, omdat zij de wilde eenden uit hun beste schuilhoeken +verdrijven. Maar hij wilde niet, dat ook maar één enkele vogel door +hem ongelukkig zou worden. En door zijn waakzaamheid moest de jongen +naar huis gaan, zonder een schot te hebben gelost. + +Toch zag Caesar er minder ontevreden uit dan den vorigen dag, en toen +de avond kwam, nam hij Jarro in zijn bek, droeg hem naar den haard, +en liet hem slapen tusschen zijn voorpooten. + +Maar Jarro tierde niet meer in de kamer. Hij was diep ongelukkig. Hij +leed onder de gedachte, dat de menschen hem nooit hadden liefgehad. Als +de vrouw of haar kleine jongen bij hem kwam om hem te streelen, +stak hij den snavel onder de vleugels, en deed, alsof hij sliep. + +Verscheidene dagen had Jarro zijn treurigen wachtdienst voortgezet, +en hij was al over 't heele Takermeer bekend. Daar gebeurde het op +een morgen, terwijl hij als gewoonlijk riep: "Pas op, vogels! Kom niet +in mijn buurt! Ik ben maar een lokvogel," dat er een duikernest kwam +aandrijven naar 't eilandje, waar hij stond vastgebonden. Dat was nu +niet zooveel bizonders. 't Was een nest van het vorige jaar, en de +duikernesten zijn zoo gebouwd, dat ze op het water kunnen drijven; +dus gebeurt het vaak, dat ze wegdrijven op het meer. Maar Jarro bleef +toch staan, en keek naar het nest. Want het kwam zoo regelrecht op +het eilandje aan, dat het scheen of iemand zijn vaart bestuurde. + +Toen het nest dichterbij kwam, zag Jarro, dat een klein menschje, +het kleinste, dat hij nog ooit had gezien, in het nest zat, en het +met een paar stokjes voortroeide. En dat menschje riep hem toe: +"Kom zoo dicht bij 't water, als je kunt, Jarro, en houd je klaar om +weg te vliegen. Je zult spoedig bevrijd worden!" + +Een oogenblik later lag het duikernest bij 't land, maar de kleine +roeier kwam er niet uit; hij bleef stil zitten, tusschen takjes en +strootjes verborgen. Jarro zat ook bijna onbewegelijk. Hij was als +verlamd van angst, dat zijn bevrijder ontdekt zou worden. + +Kort daarop kwam een vlucht wilde ganzen aanvliegen. Jarro kwam +weer tot zichzelf, en waarschuwde ze, zoo luid roepende, als hij +maar kon. Toch vlogen ze verscheiden malen heen en weer boven zijn +hoofd. Ze bleven zoo hoog in de lucht, dat ze buiten schot waren, maar +de jongen liet zich toch verleiden om op hen te schieten. Nauwelijks +waren die schoten gelost, of het dwergje sprong aan land, trok een +mesje uit de scheede aan zijn zij, en sneed het net, dat Jarro's +vleugels vasthield, met een paar vlugge sneden door. "Vlieg nu weg, +Jarro! eer de knecht op nieuw heeft kunnen laden," riep hij, terwijl +hij weer in 't nest sprong, en van land afzette. + +De jager had naar de ganzen gekeken, en niet gemerkt, dat Jarro bevrijd +was, maar Caesar had beter opgelet, en gezien wat er gebeurde. En +juist toen Jarro de vleugels uitsloeg, sprong hij op hem toe, en +greep hem bij den nek. + +Jarro schreeuwde erbarmelijk. Maar de dwerg, die hem bevrijd had, +zei met de grootste kalmte tegen Caesar: + +"Als jij zoo eerlijk bent, als je er uitziet, kun je toch niet een +goeden vogel willen dwingen, om hier te zitten, en andere in hun +ongeluk te lokken." + +Toen Caesar dat hoorde, grijnsde hij akelig met de bovenlip. Maar +een oogenblik later liet hij Jarro los. "Vlieg maar weg, Jarro," zei +hij. "Je bent zeker te goed om een lokvogel te zijn. Daarvoor wou ik je +ook niet houden, maar alleen, omdat ik je zoo zal missen in de kamer." + + + + +HET DROOGMAKEN VAN HET MEER. + + +'t Was wezenlijk heel stil in de kamer, toen Jarro weg was. De hond +en de kat vonden den dag lang, nu ze hem niet meer hadden om over +te kibbelen, en de vrouw miste zijn vroolijk gesnater, telkens als +zij de kamer binnen kwam. Maar wie het meest naar Jarro verlangde, +was het kleine jongetje, Peer Ola. Peer Ola was pas drie jaar oud, +en had in zijn heele leven nog niet zoo'n speelkameraad gehad als +Jarro. Toen hij hoorde, dat Jarro weer naar het Takermeer en de +andere eenden was teruggegaan, kon hij daarmeê niet tevreden wezen, +maar dacht er telkens aan, hoe hij hem terugkrijgen zou. + +Peer Ola had veel met Jarro gepraat, terwijl die stil in zijn mandje +lag, en hij was er van overtuigd, dat de eend hem begreep. Hij vroeg +Moeder, of zij hem bij het meer wou brengen, dan zou hij Jarro wel +zien en hem overhalen weer terug te komen. Maar Moeder wilde dat +niet. Toch gaf Peer Ola daarom zijn plan niet op. + +Den dag nadat Jarro verdwenen was, liep Peer Ola buiten op +de plaats. Hij speelde als gewoonlijk alleen, maar Caesar lag op +de stoep, en toen Moeder den jongen buiten liet, had ze gezegd: +"Let op Peer Ola, Caesar." + +Als nu alles was geweest als gewoonlijk, had Caesar ook het bevel +opgevolgd, en de jongen was zoo goed bewaakt geworden, dat hij +niet het minste gevaar had geloopen. Maar Caesar was in die dagen +zichzelf niet. Hij wist, dat de boeren, die om het Takermeer woonden, +weer dachten over het droogmaken van het meer, en dat ze er bijna +toe besloten waren. De eenden moesten weg, en Caesar zou nooit meer +op jacht kunnen gaan. Hij was zóó vervuld met de gedachten aan dit +ongeluk, dat hij er niet aan dacht, dat hij op Peer Ola passen moest. + +En de kleine was nauwelijks alleen op de plaats, of hij begreep, dat +nu het rechte oogenblik gekomen was om naar het Takermeer te gaan en +met Jarro te spreken. Hij deed een hek open, en stapte naar het meer, +op het smalle pad, dat over de lage weiden liep. Zoolang men hem van +huis uit kon zien, liep hij langzaam, maar later zoo hard als hij +kon. Hij was zoo bang, dat Moeder of iemand anders hem roepen zou, +zoodat hij er niet heen kon gaan. Hij wou immers geen kwaad doen. Hij +wou alleen Jarro overhalen om terug te komen. Toch voelde hij wel, +dat ze dat thuis niet goed zouden vinden. + +Toen Peer Ola aan den oever van 't meer was gekomen, riep hij meer +dan eens om Jarro. Toen stond hij een heele poos te wachten, maar +Jarro verscheen niet, hij zag wel veel vogels, die op hem leken, +maar ze vlogen voorbij zonder naar hem te kijken, en hij begreep dus, +dat zij de rechte niet waren. + +Toen Jarro niet bij hem kwam, dacht de kleine jongen, dat hij hem zeker +gemakkelijk zou vinden, als hij maar op 't meer kon komen. Er lagen +veel goede vaartuigen aan den kant, maar zij waren vastgebonden. De +eenige, die daar los en leeg lag, was een oude droge schuit, maar +zoo slecht was ze, dat niemand er aan dacht ze te gebruiken. Maar +Peer Ola kroop er in, zonder er om te geven, dat de heele bodem +onder water lag. Hij kon de riemen niet gebruiken, maar hij begon +met de boot te wiegen en te schommelen. Zeker zou het een volwassen +mensch niet gelukt zijn op die manier een boot vlot te krijgen op +het Takermeer, maar als 't water hoog is, en 't ongeluk het wil, +hebben kleine kinderen er een wonderlijken slag van op 't water te +komen. Al gauw dreef Peer Ola rond op het Takermeer, en riep om Jarro. + +Toen de oude boot daar op het meer schommelde, gingen zijn spleten hoe +langer hoe verder open, en het water stroomde naar binnen. Maar Peer +Ola gaf daar niet om. Hij zat op het kleine bankje in den voorsteven, +riep elken vogel, dien hij zag, en was er verbaasd over, dat Jarro +niet kwam. + +Eindelijk kreeg Jarro werkelijk Peer Ola in het oog. Hij hoorde, +dat iemand hem bij den naam riep, dien hij onder de menschen had +gehad. En hij begreep, dat de jongen op het Takermeer was gekomen +om hem op te zoeken. Jarro werd in eens onuitsprekelijk blij, omdat +een van de menschen hem werkelijk liefhad. Hij schoot neer bij Peer +Ola als een pijl uit de lucht, ging naast hem zitten, en liet zich +door hem streelen. Zij waren allebei even gelukkig, omdat ze elkander +weer zagen. + +Maar op eens merkte Jarro, hoe het met de boot gesteld was. Die was +halfvol water geloopen en op het punt te zinken. Jarro probeerde Peer +Ola te vertellen, dat hij, die niet vliegen of zwemmen kon, moest +zien aan land te komen, maar Peer Ola begreep hem niet. Toen wachtte +Jarro geen oogenblik meer, maar vloog gauw weg om hulp te halen. Hij +kwam een oogenblik later terug met een dwergje op zijn rug, dat veel +kleiner was dan Peer Ola. Als hij niet had kunnen spreken en zich +bewegen, zou de jongen gedacht hebben, dat hij een pop was. En dat +dwergje zei Peer Ola, dat hij dadelijk een lange, dunne stang moest +opnemen, die op den bodem van de boot lag, en probeeren zich daarmee +voort te duwen naar een van de rieteilandjes. Peer Ola gehoorzaamde +onmiddellijk, en het dwergje hielp hem de boot voort te duwen. Al +gauw waren ze bij een van de eilandjes tusschen 't riet, en nu kreeg +Peer Ola 't bevel aan land te stappen. Op 't zelfde oogenblik, dat +hij den voet aan wal zette, liep de boot vol water, en zonk. + +Toen de jongen dat zag, voelde hij, dat Vader en Moeder heel boos op +hem zouden wezen. Hij zou zijn begonnen te schreien, als hij niet +dadelijk wat anders had gehad om over te denken. Daar kwam op eens +een troep groote grijze vogels aan; zij streken neer op het eiland, +en het dwergje nam hem meê, en vertelde hem hoe ze heetten, en wat +ze zeiden. En dat was zóó prettig, dat Peer Ola al het andere vergat. + +Intusschen hadden de menschen op de boerderij gemerkt, dat Peer +Ola weg was, en zochten hem. Ze zochten in de bijgebouwen, keken in +den put en in den kelder. Toen liepen zij verder op paden en wegen, +naar de boerderijen in de buurt, om te hooren, of hij ook daarheen +verdwaald was, en vonden zijn spoor ook tot bij het Takermeer. Maar +hoe ze ook zochten, ze konden hem niet vinden. + +Caesar, de hond, begreep heel goed, dat zijn volk naar Peer Ola zocht, +maar hij deed niets om hen te helpen. Integendeel, hij bleef stil +liggen, alsof hem dat alles niet aanging. + +Verder op den dag vond men Peer Ola's voetstappen bij de booten. En +toen merkte men, dat de oude droge boot niet meer op den kant lag, +en men begon te begrijpen, hoe alles was gegaan. + +De boer en zijn knechts maakten dadelijk de booten los om den jongen +te zoeken. Ze roeiden over 't meer heen en weer tot den avond, zonder +een glimp van hem te zien. Ze konden niet anders denken, dan dat de +oude boot gezonken was, en dat de kleine jongen dood op den bodem +van het meer lag. + +Dien avond zwierf Peer Ola's moeder aan den oever. Alle anderen +waren er van overtuigd, dat het kind verdronken was, maar ze kon het +niet gelooven, en bleef zoeken. Ze zocht tusschen riet en biezen, +en liep heen en weer op den natten grond, zonder er aan te denken, +hoe haar voeten er in wegzonken, en hoe nat ze werd. + +Ze was diep wanhopend. Het hart deed haar pijn in de borst. Ze +schreide niet, maar wrong de handen, en riep haar kind met luide, +klagende stem. Om zich heen hoorde zij het roepen van zwanen, eenden +en pluvieren. Ze meende, dat die met haar meê gingen, en ook klaagden +en jammerden. + +"Ze hebben zeker verdriet, dat ze zoo jammeren," dacht ze. Maar dan +bedacht ze zich. 't Waren immers maar vogels, die ze hoorde. Die +hadden toch zeker geen zorgen. 't Was vreemd, dat ze niet stil werden +na zonsondergang. Ze hoorde al de ontelbare troepen vogels om het +Takermeer telkens schreeuwen. Verscheidene van hen volgden haar, +waar ze ook heen ging. Andere kwamen snel voorbij vliegen. De heele +lucht was vol klachten en gejammer. + +Maar de angst, dien ze zelf voelde, opende haar hart. Ze vond, +dat ze niet zoo ver van alle andere levende wezens af stond, als de +menschen gewoonlijk doen. Ze begreep veel beter dan ooit te voren, +hoe de vogels het hadden. Ze hadden hun dagelijksche zorg voor huis +en kinderen, evenals zij. Er was zeker niet zoo'n groot verschil +tusschen hen en haar, als ze tot nu toe had gemeend. + +Zoo kwam zij er toe er aan te denken, dat het zoo goed als uitgemaakt +was, dat al die duizenden zwanen en eenden en zeeduikers hun tehuis +hier bij het Takermeer zouden moeten missen. "Dat wordt toch moeielijk +voor hen," dacht ze. "Waar zullen ze dan hun jongen opvoeden?" + +Ze bleef staan, en dacht daarover na. Het leek wel een goed en prettig +werk--een meer in akkers en weiden te veranderen, maar er was toch wel +een ander meer dan het Takermeer, een ander meer, waar niet zooveel +duizenden dieren woonden. + +Ze dacht er aan, dat den volgenden dag het besluit van het droogmaken +van het meer genomen moest worden, en ze vroeg zich af, of misschien +daarom haar kleine jongen juist vandaag was heengegaan. Of het +misschien Gods bedoeling was, dat de smart haar hart zou komen openen +voor barmhartigheid, vandaag, eer het te laat was om die wreede daad +weer goed te maken. + +Ze ging snel naar de hoeve terug, en begon met haar man over dit +alles te spreken. Ze sprak over het meer en over de vogels, en zei +hem, dat zij geloofde, dat Peer Ola's dood een straf voor hen beiden +was. En ze merkte gauw, dat hij hetzelfde dacht. + +Ze bezaten al een groote hoeve, maar als het meer werd drooggemaakt, +zou een groot deel van den bodem van het meer aan hen komen, zoodat +hun bezittingen bijna verdubbeld zouden worden. Daarom waren zij meer +ingenomen met het plan, en hadden er ijveriger voor gewerkt dan een van +de anderen, die grond bij het meer bezaten. Die laatsten waren bezorgd +voor de onkosten geweest, en bang, dat het droogmaken nu niet beter zou +gelukken dan de vorige maal. De vader van Peer Ola wist wel, dat hij +hen had overgehaald om meê te doen. Hij had al zijn overredingsvermogen +gebruikt, om zijn zoon een hoeve na te kunnen laten, die tweemaal +zoo groot was, als die hij van zijn vader had geërfd. + +En nu stond hij daar, en vroeg zich af, of hier een bizondere bedoeling +van God in lag, dat het Takermeer hem zijn zoon had afgenomen op +den dag, vóór dien, waarop hij het contract over het droogmaken +zou onderteekenen. Zijn vrouw behoefde niet veel te zeggen, voor +hij antwoordde: + +"Het kan zijn, dat God niet wil, dat we Zijn beschikkingen +veranderen. Ik zal morgen met de anderen spreken, en ik denk wel, +dat we zullen besluiten, dat alles zal blijven zooals het is." + +Terwijl de man en vrouw samen spraken, lag Caesar voor den haard. Hij +hief het hoofd op, en luisterde heel oplettend. Toen hij meende zeker +van zijn zaak te zijn, ging hij naar de vrouw, pakte haar rok beet, +en trok haar naar de deur. + +"Maar Caesar toch!" riep ze, en wilde zich losrukken. Maar toen +barstte ze uit: "Weet je, waar Peer Ola is?" + +Caesar blafte vroolijk, en sprong tegen de deur op. Ze deed die open, +en Caesar holde weg naar het Takermeer. De vrouw was er zoo zeker van, +dat hij wist waar Peer Ola was, dat ze hem dadelijk achterna liep. En +nauwelijks waren zij aan den kant van 't meer gekomen, of ze hoorden +het schreien van een kind over 't meer. + +Peer Ola had den heerlijksten dag in zijn leven gehad met Duimelot +en de vogels; maar nu begon hij te schreien, omdat hij honger had, +en bang in het donker werd. En hij was blij, dat Vader en Moeder en +Caesar hem kwamen halen. + + + + + + +XIX. + +DE VOORSPELLING. + + +Op een nacht lag de jongen te slapen op een eilandje in 't Takermeer, +maar hij werd wakker van riemslagen. Nauwelijks had hij de oogen +geopend, of er viel hem zoo'n schelle lichtgloed in 't gezicht, +dat hij ze weer dichtkneep. + +Eerst kon hij niet begrijpen, wat het was, dat zoo helder scheen op +'t meer daarbuiten, maar al gauw zag hij, dat er tusschen 't riet aan +den kant een platte boot lag, met een groote brandende teerfakkel op +een ijzeren stang op den achtersteven. De roode vlammen van de fakkel +spiegelden zich helder in het, door nachtelijk duister, pikdonkere +meer, en de prachtige gloed moest de visschen hebben aangelokt, want +rondom de vlammen in de diepte waren een massa donkere plekken te zien, +die zich aanhoudend bewogen, en van plaats verwisselden. + +In de boot waren twee mannen. De eene zat bij de riemen, de andere +stond bij de achterste roeibank, en hield een korte piek, met grove +weerhaken voorzien, in de hand. Hij, die roeide, scheen een arme +visscher te zijn. Hij was een klein, droog, verweerd mannetje, +en had een dunne, versleten jas aan. Men kon zien, dat hij gewoon +was in alle weer en wind buiten te zijn, en dat hij niet om de kou +gaf. De andere was goed doorvoed en goed gekleed, en zag er uit als +een flinke, van zijn waardigheid bewuste boer. + +"Houd nu hier stil," zei de boer, toen ze vlak voor het eilandje waren +gekomen, waar de jongen lag. En meteen stootte hij met die piek in +het water. Toen hij die terugtrok, kwam er een lange prachtige paling +meê uit de diepte. + +"Ziezoo!" zei hij, terwijl hij het dier van den palingsteker +losmaakte. "Dat is er een, die er wezen mag. Nu geloof ik, dat we +zooveel hebben, dat we wel naar huis kunnen gaan." + +Maar zijn metgezel hief de riemen niet op. Hij zat rond te kijken. + +"'t Is zoo mooi hier op 't meer vanavond," zei hij. En dat was het +ook. 't Was heel stil, zoodat de heele waterspiegel in ongestoorde +rust lag, behalve de streep, waardoor de boot was gekomen; die lag te +glinsteren in den vuurgloed als een gulden weg. De heldere hemel was +diep blauw, en dicht met sterren bezaaid. 't Strand lag verscholen +achter de rietbossen in 't Westen. Daar verhief zich de Omberg, hoog +en donker, veel kolossaler dan hij gewoonlijk was, en sneed een groot, +driehoekig stuk uit het hemelgewelf. + +De andere zag om, zoodat hij den vuurgloed uit de oogen kon houden, +en keek rond. + +"Ja, 't is hier mooi in Östergyllen," zei hij. "Maar het beste van +het landschap is niet, dat het zoo mooi is." + +"Wat is het dan?" vroeg de roeier. + +"Ja,--dat het een land is, dat in eer en aanzien staat." + +"Ja, dat kan wel zijn." + +"En dan, dat men weet, dat het altijd zoo blijven zal." + +"Hoe ter wereld kan men dat weten?" vroeg hij, die bij de riemen zat. + +De boer richtte zich op, waar hij stond, en leunde op de piek. + +"Er is een oud verhaal, dat in onze familie van vader op zoon is +overgegaan, en daardoor kun je weten, hoe het met Oostgothland zal +gaan," zei hij. + +"Dat kon je me wel eens vertellen," zei de roeier. + +"We zijn nu juist niet gewoon het aan iedereen te vertellen, maar +voor een ouden kameraad wil ik het niet geheim houden." + +"Op Ulvasa, hier in Oostgothland," ging hij voort, en nu was het aan +zijn toon te hooren, dat hij over iets sprak, dat hij van anderen +had gehoord, en dat hij van buiten kende, "woonde jaren geleden een +vrouw, die de gave had in de toekomst te kunnen zien, en de menschen +te kunnen zeggen, wat hun zou overkomen. En dat kon ze zóó zeker en +nauwkeurig doen, alsof het al gebeurd was. Daardoor werd ze ver in +'t rond beroemd, en 't is te begrijpen, dat de menschen van heinde +en ver kwamen toestroomen, om haar te bezoeken, en te hooren, wat ze +zouden moeten doormaken aan lief en leed. + +Op een dag, dat de vrouw van Ulvasa in haar zaal zat te spinnen, +zooals de vrouwen vroeger plachten te doen, kwam er een arme boer de +kamer in, en ging op de bank heel dicht bij de deur zitten. + +"Ik zou graag willen weten, waar u aan zit te denken, lieve Vrouwe," +zei de boer na een poosje. + +"Ik zit aan verheven en heilige dingen te denken," antwoordde zij. + +"Dan gaat het zeker niet aan, dat ik u naar iets vraag, wat mij na aan +'t hart gaat," zei de boer. + +"Dat zal wel niet anders zijn, dan of je veel koren zult oogsten op +je akker. Maar ik ben gewend vragen te krijgen van den keizer, hoe +'t met zijn kroon zal gaan, en van den paus, wat er van zijn sleutels +worden zal." + +"Ja, zooiets is zeker niet gemakkelijk te beantwoorden," zei de +boer. "Ik heb ook gehoord, dat niemand van hier gaat, zonder ontevreden +te zijn met wat hij moest hooren." + +Toen de boer dat zei, zag hij, dat de vrouw van Ulvasa zich op de +lippen beet, en wat hooger op de bank ging zitten. + +"Zoo," zei ze, "heb je dat van me gehoord? Dan kun je nu eens probeeren +mij te vragen naar wat je wilt weten, en dan kun je zien, of ik niet +zoo kan antwoorden, dat je tevreden bent." + +Hierna aarzelde de boer niet met zijn vraag voor den dag te komen. Hij +zei, dat hij gekomen was, om te vragen, hoe het in de toekomst met +Oostgothland zou gaan. Er was niets, wat hij zóó liefhad als zijn +geboortegrond, en hij meende, dat hij zelfs in zijn laatste ure nog +gelukkig zou zijn, als hij op die vraag een goed antwoord kreeg. + +"Is er niet anders, dat je weten wilt," zei de wijze vrouw, "dan denk +ik wel, dat je tevreden zult zijn. Want, zoowaar ik hier zit, kan ik +je verzekeren, dat het met Oostgothland zoo zal gaan, dat het altijd +iets zal hebben om zich op te beroemen boven alle andere landen." + +"Ja, dat is een goed antwoord, lieve Vrouwe," zei de boer, "en ik +zou nu volkomen tevreden zijn, als ik maar kon begrijpen hoe zooiets +mogelijk wezen kon." + +"Waarom zou dat niet mogelijk zijn?" zei de vrouw van Ulvasa. "Weet +je niet, dat Oostgothland nu al wijd beroemd is? Of meen je, dat er +een landschap in Zweden is, dat zich beroemen kan op het bezit van +twee kloosters tegelijk, als Alvastra en Vetra, en dat zoo'n mooie +domkerk heeft als die in Linköping?" + +"Dat kan wel zoo zijn," zei de boer, "maar ik ben een oud man, en +ik weet, dat er een tijd zal komen, dat ze ons niet zullen eeren, +noch om Alvastra of Vetra, noch om de domkerk." + +"Daar kun je gelijk aan hebben," zei de vrouw van Ulvasa, "maar daarom +hoef je toch niet aan mijn voorspelling te twijfelen. Ik zal nu een +nieuw klooster laten bouwen op Vadstena, en dat zou wel eens het +meest beroemde in het Noorden kunnen worden. Daarheen zullen armen +en rijken als pelgrims stroomen, en allen zullen dit land prijzen, +dat zulk een heilige plaats binnen zijn grenzen heeft." + +De boer antwoordde, dat hij blij was dat te hooren, maar hij wist +immers, dat alles vergankelijk was, en hij zou graag hooren wat het +land in aanzien zou kunnen houden, als het klooster van Vadstena eens +in discrediet kwam. + +"'t Is niet gemakkelijk het je naar den zin te maken," zei de vrouw +van Ulvasa. "Maar zóó ver kan ik nog wel vooruit zien, dat ik je +kan zeggen: eer het klooster van Vadstena zijn glans verliest, zal +daarnaast een kasteel verrijzen, dat het prachtigste in zijn tijd +zal wezen. Koningen en vorsten zullen het bezoeken, en het zal deze +streek tot eer worden gerekend, zulk een sieraad te bezitten." + +"Daar ben ik ook heel blij om, dat ik dat hoor," zei de boer. "Maar +ik ben een oud man, en ik weet, hoe het gewoonlijk gaat met alle +heerlijkheid van deze wereld. En als het slot vervallen is, wat zal +dan de oogen van de menschen op dit land vestigen?" + +"Het is geen kleinigheid, wat je wil weten," zei de vrouw van Ulvasa, +"maar ik kan wel zoover in de toekomst zien, dat ik merken kan, hoe +er leven en beweging komt in de bosschen om Finspang heen. Ik zie, +dat er hutten en smederijen verrijzen, en ik geloof, dat het heele +land geëerd zal worden, omdat er nu ijzer bewerkt wordt." + +De boer kon niet ontkennen, dat hij verbazend blij was dat te +hooren. Maar als het nu eens zoo ongelukkig ging, dat ook Finspangs +fabriek in aanzien afnam, dan zou het toch niet mogelijk zijn, dat +er iets níeuws kwam, waar Oostgothland zich op beroemen kon. + +"Je bent niet gemakkelijk te voldoen," zei de vrouw van Ulvasa, "maar +ik kan nog wel zoover vooruit zien, dat ik merk, hoe er aan de oevers +van het meer buitenhuizen als kasteelen worden opgebouwd, alsof ze van +heeren waren, die oorlog hebben gevoerd in vreemde landen. Ik geloof, +dat de heerenhoeven het land evenveel in aanzien zullen doen toenemen, +als al het andere, waarover ik heb gesproken." + +"Maar als er nu een tijd komt, dat niemand die heerenhoeven meer +prijst?" hield de boer aan. + +"Je hoeft niet zoo bang te wezen," zei de vrouw van Ulvasa. "Ik zie, +hoe er geneeskrachtige bronnen opborrelen op de velden van Medevi, +bij het Wettermeer. Ik geloof, dat de bronnen op Medevi het land zoo +beroemd zullen maken, als je maar wenschen kunt." + +"Dat is een gewichtig ding om te hooren," zei de boer. "Maar als er nu +een tijd komt, dat de menschen hun genezing bij andere bronnen zoeken?" + +"Daar moet je niet bezorgd over wezen," antwoordde de vrouw van +Ulvasa. "Ik zie, hoe de menschen door elkaar wemelen en werken, +van Motala tot Mem. Zij graven een verkeersweg dwars door het land, +en dan komt Oostgothlands roem weer op aller lippen." + +Maar de boer bleef er ongerust uitzien. + +"Ik zie, dat de watervallen in de rivier van Motala wielen in beweging +gaan zetten," zei de vrouw van Ulvasa, en nu kwamen er een paar roode +plekken op haar wangen, want ze begon ongeduldig te worden. "Ik hoor +hamers dreunen in Motala, en weefstoelen slaan in Norrköping." + +"Ja, het is goed, dat ik dat weet," zei de boer, "maar alles is +veranderlijk. En ik ben bang, dat ook dat vergeten kan worden." + +Toen nu de boer nog niet tevreden was, liep het geduld van de vrouw +van Ulvasa ten eind. + +"Je zegt, dat alles vergankelijk is," zei ze, "maar nu zal ik je +toch iets noemen, dat altijd hetzelfde blijft. En dat is, dat zulke +trotsche en hardnekkige boeren, als jij er een bent, hier in 't land +zullen zijn tot aan 't eind van de wereld." + +Nauwelijks had de vrouw van Ulvasa dat gezegd, of de boer stond op, +tevreden en blij, en dankte haar voor haar goed antwoord. Nu eindelijk +was hij voldaan, zei hij. + +"Nu begrijp ik volstrekt niet, wat je meent," zei de vrouw van Ulvasa. + +"Ja, ik meen dit, lieve Vrouwe," zei de boer, "dat alles wat +koningen en kloosterlingen, heeren en koopstadburgers oprichten of +bouwen,--dat alles bestaat maar enkele jaren. Maar als u me zegt, dat +er in Oostgothland altijd boeren zullen zijn, die hun eer liefhebben, +en standvastig zijn, dan weet ik, dat het land zijn ouden roem zal +behouden. Want alleen zij, die gebukt gaan onder den eeuwigen arbeid +in de aarde, kunnen dit land in welstand en aanzien houden door alle +tijden heen." + + + + + + +XX. + +HET BAAIEN KLEED. + + +De jongen was weer op weg hoog in de lucht. Hij had de groote vlakte +van Oostgothland beneden zich, en telde de vele witte kerken, die +boven kleine boschjes uitstaken. + +Op de meeste hoeven stonden groote, witgeschilderde huizen met twee +verdiepingen, die er zoo deftig uitzagen, dat de jongen er zich +over verbaasde. + +"Er moeten in dit land geen boeren wonen," zei hij in zichzelf, +"want ik zie nergens boerderijen." + +Toen riepen dadelijk alle wilde ganzen; "Hier wonen de boeren als +heeren! Hier wonen de boeren als heeren!" + +Op de vlakte waren ijs en sneeuw verdwenen, en het lentewerk was +begonnen. + +"Wat zijn dat voor lange kreeften, die daar over de akkers +kruipen?" vroeg de jongen na een poos. + +"Ossen en ploegen! ossen en ploegen!" antwoordden alle wilde ganzen. + +De ossen bewogen zich zoo langzaam voort over de akkers, dat het +haast niet merkbaar was, dat ze vooruit kwamen, en de ganzen riepen +hun toe. "Jelui komt van 't jaar niet klaar! Jelui komt van 't jaar +niet klaar!" + +Maar de ossen bleven hun geen antwoord schuldig. Zij staken den bek +hoog in lucht en loeiden: "Wij doen meer nut in één uur, dan jelui in +'t heele jaar!" + +Op enkele plaatsen werden de ploegen door paarden getrokken. Die +liepen veel vlijtiger en sneller dan de ossen, maar de ganzen konden +niet laten ook hen te plagen. + +"Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?" riepen zij de paarden +toe. "Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?" + +"Schaam jelui je niet zoo te luieren?" hinnikten de paarden terug. + +Terwijl de paarden en ossen buiten aan 't werk waren, liep de hamel +op de boerenplaats rond. Hij was pas geschoren en prikkelbaar; hij +stootte de kleine jongens ondersteboven, joeg den kettinghond in zijn +hok, en liep dan fier rond, alsof hij alleen baas op de hoeve was. + +"Hamel, hamel, wat heb je met je wol gedaan?" riepen de wilde ganzen, +die boven in de lucht voorbij vlogen. + +"Die heb ik naar de fabrieken van Drag in Norrköping gestuurd," +antwoordde de hamel met een lang geblaat. + +"Hamel, hamel, wat heb je met je horens gedaan?" vroegen de ganzen. + +Maar horens had de hamel tot zijn groote spijt nooit gehad, en men +kon hem niet meer ergeren, dan door daarnaar te vragen. Hij sprong +een heele poos rond, en stootte om zich heen in de lucht, zóó boos +werd hij. + +Op den grooten weg kwam een man aan, en dreef een troep Skaansche +biggetjes voor zich uit, die nog maar een paar weken oud waren, en +op het land verkocht moesten worden. Ze stapten er dapper op los, +zoo klein als ze waren, en drukten zich dicht tegen elkaar aan om +elkaar te beschermen. + +"Knor, knor!" riepen de biggetjes. "Wij zijn te vroeg van Vader en +Moeder weggenomen! Hoe zal het met ons, arme kinderen, gaan!" + +Maar zelfs de wilde ganzen hadden het hart niet met zulke stakkers +den gek te steken. + +"'t Zal je beter gaan, dan je denkt," riepen zij in 't voorbijgaan. + +De wilde ganzen waren nooit zoo opgeruimd, als wanneer ze over een +vlakte kwamen. Dan haastten zij zich niet, maar vlogen van de eene +hoeve naar de andere, en maakten gekheid met de tamme dieren. + +Terwijl de jongen over de vlakte reed, viel hem een verhaal in, +dat hij eens lang geleden had gehoord. Hij kon het zich niet +goed meer herinneren, maar het was iets van een kleedingstuk, dat +half van brokaat en half van baai gemaakt was. Maar zij, die dat +kleedingstuk bezat, versierde het baaien gedeelte met zooveel paarlen +en edelsteenen, dat het mooier en kostbaarder scheen dan het brokaat. + +Hij dacht daaraan, toen hij Oostgothland zag, omdat het uit een +groote vlakte bestond, tusschen twee bergachtige, boschachtige +streken ingesloten, een in 't noorden en een in 't zuiden. De beide +boschachtige strooken lagen in blauwachtig licht, en schitterden +in het morgenrood, alsof ze met gulden sluiers waren bedekt, en de +vlakte, waarop de eene kale winterakker naast den anderen lag, was +op zichzelf niet mooier om te zien dan grijs baai. + +Maar de menschen woonden zeker graag op die vlakte, omdat ze goed +en mild was, en ze hadden geprobeerd haar zoo goed mogelijk te +versieren. Toen de jongen daar zoo hoog door de lucht reed, vond hij, +dat steden en hoeven, kerken en fabrieken, paleizen en stationsgebouwen +als kleine en groote sieraden er over verspreid lagen. De pannedaken +schitterden, en de vensterruiten blonken als juweelen. Gele landwegen, +glanzende spoorrails en blauwe kanalen liepen door de verschillende +plaatsjes als in zijde geborduurde guirlandes. Linköping lag om +zijn domkerk heen, als een groep parels om een kostbaren steen, en +de hoeven op het land waren als kleine borstspelden en knoopen. Er +was niet veel orde en regel in 't patroon, maar het was een pracht, +waar je nooit genoeg naar kijken kon. + +De ganzen hadden de streek bij Omberg verlaten, en vlogen naar het +oosten langs het Götakanaal. Dat was ook bezig zich in orde te maken +voor den zomer. De arbeiders maakten de kanten van het kanaal gelijk, +en teerden de groote sluispoorten. + +Ja, er werd overal gewerkt om de lente goed te ontvangen, ook in de +steden. Daar stonden de schilders en de metselaars op de steigers +voor de huizen, en maakten ze mooi, en de dienstmeisjes stonden in het +open venster, en lapten de glazen. Beneden aan de haven werden zeil- +en stoombooten in orde gemaakt. + +Bij Norrköping verlieten de wilde ganzen de vlakte, en vlogen naar den +kant van Kolmard. Ze hadden een poos langs een ouden heuvelachtigen +landweg gevlogen, die langs diepe kloven en woeste rotswanden +slingerde, toen de jongen plotseling een gil gaf. Hij had met de voeten +heen en weer zitten zwaaien, en een van zijn klompen was gevallen. + +"Ganzerik! ganzerik! ik heb mijn klomp laten vallen." + +De ganzerik keerde om, en wilde neerdalen op het veld. Maar toen +zag de jongen, dat twee kinderen, die er juist aankwamen, zijn klomp +hadden opgeraapt. + +"Ganzerik, ganzerik! Vlieg weer naar boven! Het is te laat. Ik kan +mijn klomp niet terug krijgen!" + +Beneden op den weg stond Asa, het ganzenhoedstertje en haar broer, de +kleine Mads, en bekeken een klompje, dat uit de lucht was komen vallen. + +"De wilde ganzen lieten het vallen," zei kleine Mads. + +Asa, het ganzenhoedstertje stond lang over die vondst te +peinzen. Eindelijk zei ze langzaam en peinzend: "Herinner jij je wel, +Mads, dat we, toen we voorbij 't Övedklooster liepen, er over hebben +hooren praten, dat er in een boerderij een dwergje gezien was met een +leeren broek aan, en met klompen aan de voeten als een werkman? En +herinner je je, dat we, toen we in Vittskövle kwamen, een meisje +hoorden vertellen, dat ze een Goa-dwerg met klompen aan had gezien, die +op den rug van een gans vloog? En toen we zelf in ons huisje kwamen, +Mads, zagen we immers een kaboutertje, dat precies zoo gekleed was, +en ook op een gans klom en wegvloog. Misschien was hij het wel, +die hier door de lucht reed op zijn gans, en de klomp verloor." + +"Ja, dat moet zeker zoo wezen," antwoordde kleine Mads. + +Zij keerden de klomp om, en bekeken die nauwkeurig, want het overkomt +niet iedereen dwergeklompjes op den weg te vinden. + +"Wacht! wacht eens, Mads," zei Asa. "Hier staat iets op den eenen +kant." + +"Ja, dat is zoo. Het zijn kleine letters." + +"Laat eens zien. Ja, daar staat.... daar staat: Niels Holgersson, +V. Vemmenhög." + +"Dat is wel 't wonderlijkste, wat ik ooit gehoord heb," zei Mads. + + + + + + +XXI. + +DE GESCHIEDENIS VAN KARR EN GRAUWVEL. + + +KARR. + + +Ongeveer twaalf jaar vóór Niels Holgersson op reis was gegaan met +de wilde ganzen, was er een ijzerfabrikant op Kolmarden, die van een +van zijn jachthonden af wou zijn. Hij liet zijn boschwachter roepen, +zei hem, dat het onmogelijk was dien hond langer te houden, omdat +men hem niet kon afwennen achter alle schapen en kippen te jagen, +die hij maar zag, en vroeg den boschwachter den hond meê te nemen +naar het bosch, en hem dood te schieten. + +De boschwachter deed den hond aan den ketting om hem naar een plaats +in het bosch te brengen, waar alle afgedankte honden van het landgoed +gewoonlijk doodgeschoten en begraven werden. Hij was geen slechte man, +maar hij was toch blij, dat hij dien hond dood mocht schieten, omdat +hij wist, dat hij niet alleen schapen en honden najoeg. Hij liep maar +al te dikwijls het bosch in, en snoepte een haasje of een jong korhoen. + +De hond was klein en zwart, met gele borst en voorpooten. Hij +heette Karr en was zoo slim, dat hij alles begreep, wat de menschen +zeiden. Terwijl de boschwachter hem door 't bosch bracht, wist hij +heel goed, wat hem te wachten stond. Maar dat mocht niemand aan +hem merken. Hij liet den kop en den staart niet hangen, maar zag +er even zorgeloos uit als altijd. Het was, omdat zij door het bosch +liepen, dat de hond zoo oppaste, niet te laten merken, dat hij bang +was. Om het oude landgoed heen lag namelijk aan alle kanten een +groot uitgestrekt bosch, berucht bij dieren en menschen, omdat de +eigenaars er al sinds jaren zoo bezorgd voor waren geweest, dat ze +'t bijna niet over hun hart konden verkrijgen een boom voor brandhout +te vellen. Ze hadden er ook niet toe kunnen komen het te hakken en in +toom te houden. Het bosch had mogen doen, waar het lust in had. Maar +het was natuurlijk, dat een bosch, dat zoo met rust gelaten werd, +een heerlijke schuilplaats voor boschdieren moest worden, en die waren +er dan ook bij massa's. Ze noemden het onder elkaar het "Vrijbosch", +en waardeerden het als de beste schuilplaats in het heele land. Toen +nu de hond door het bosch gebracht werd, dacht hij er aan, hoe hij +de schrik was geweest van alle kleine dieren, die daar woonden. + +"Wat zouden ze allemaal blij zijn, zij daar in het kreupelhout, als ze +wisten wat me wachtte," dacht hij. En hij kwispelde met den staart, +en blafte blij, opdat ze toch niet zouden denken, dat hij bang of +gedrukt was. + +"Wat zou er aan 't leven geweest zijn, als ik niet nu en dan eens +had mogen jagen?" dacht hij. "Wie berouw hebben wil, mag dat voor +mijn part. Ik doe niet meê!" + +Maar juist toen de hond dat dacht, kwam er een zonderlinge verandering +over hem. Hij stak den kop en den nek naar boven, alsof hij lust had +te huilen. Hij sprong niet meer naast den boschwachter voort, maar +liep stil achter hem. Het was duidelijk, dat hem iets onaangenaams +in den zin gekomen was. + +Het was vroeg in den zomer. De jonge elanden waren juist geboren, +en den vorigen avond was het den hond gelukt een jong elandje, niet +meer dan vijf dagen oud, van de moeder weg te jagen, en het op een +moeras te drijven. Daar had hij het heen en weer gejaagd, eigenlijk +niet om het diertje te vangen, maar alleen om zich met zijn angst te +vermaken. De moeder wist wel, dat het moeras bodemloos was, zoo kort +na het ontdooien van den grond, en dat het zoo'n groot dier, als zij +was, nog niet dragen kon, en ze bleef zoo lang mogelijk aan den kant +staan. Maar toen Karr het kalfje al verder en verder wegdreef, liep +zij plotseling het moeras op, joeg den hond weg, nam haar kalfje meê, +en keerde weer terug. + +De elanden zijn veel meer dan andere dieren geschikt om op drassigen +en gevaarlijken bodem te loopen, en het scheen, alsof ze behouden +aan land komen zou. Maar toen ze heel dicht aan den kant was, zonk +een kluitje, waar ze op stapte, opeens weg in de modder, en zij ging +meê in de diepte. Ze probeerde weer vasten voet te krijgen, maar dat +gelukte niet,--ze zonk al dieper weg. Karr stond er naar te kijken, +en hield van angst den adem in, maar toen hij merkte, dat de eland +zich niet zou kunnen redden, liep hij weg, zoo hard hij kon. Hij +dacht aan al de slaag, die hij krijgen zou, als men merkte, dat hij +een eland in 't ongeluk had gelokt, en hij durfde niet stil te staan, +vóór hij thuis was. + +Dat was het, wat den hond in de gedachte gekomen was, en dat deed +hem op een heel andere manier verdriet, dan al het kwaad, dat hij +ooit bedreven had. Dat kwam misschien, doordat hij noch de eland, +noch haar kalfje had willen dooden, maar ze heelemaal, zonder dat +hij het wilde, om het leven had gebracht. + +"Maar ze leven misschien nog," dacht de hond op eens. "Ze waren +immers niet dood, toen ik van hen wegliep. Misschien zijn ze er nog +wel uitgeraakt." + +Hij kreeg een onweerstaanbaren lust om daar iets van te weten te +komen. Hij zag, dat de boschwachter den koppel niet zoo heel stijf +vasthield, deed een vluggen sprong opzij, en kwam werkelijk los. Toen +rende hij met zulk een vaart het bosch in, naar het moeras toe, +dat de boschwachter geen tijd had het geweer aan te leggen, voor hij +verdwenen was. + +De boschwachter kon niet anders doen dan hem naloopen, en toen hij +bij het moeras kwam, zag hij, dat de hond op een kluitje grond een +paar meter van het land, uit alle macht stond te huilen. De man vond, +dat hij onderzoeken moest, wat dit te beduiden kon hebben; hij zette +het geweer weg, en kroop op handen en voeten het moeras op. Hij was +nog niet ver gekomen, toen hij een wijfjeseland dood in de modder +zag liggen. Dicht naast haar lag een kalfje. Het leefde nog, maar +was zóó zwak, dat het zich niet verroeren kon. Karr stond naast het +kalfje. Nu eens boog hij zich neer, en likte het, dan weer huilde +hij luid, alsof hij om hulp riep. + +Toen nam de boschwachter het dier op, en begon het naar land te +sleepen. Toen de hond begreep, dat het gered zou worden, was hij +buiten zichzelf van blijdschap. Hij sprong om den boschwachter heen, +likte hem de handen, en blafte van vreugd. + +De boschwachter droeg het kalfje naar huis, en sloot het in een hokje +in de schuur. Toen moest hij hulp halen, om de doode eland uit het +moeras te slepen, en eerst toen dit gedaan was, herinnerde hij zich, +dat hij Karr moest doodschieten. Hij lokte den hond, die hem al dien +tijd was nageloopen, en ging opnieuw met hem het bosch in. + +Eerst liep de boschwachter regelrecht naar het hondengraf; maar +onderweg scheen hij op andere gedachten te komen, want op eens keerde +hij om, en ging naar het landgoed terug. + +Karr had hem heel rustig gevolgd, maar toen hij merkte, dat de +boschwachter naar zijn vroeger tehuis terugging, werd hij onrustig. De +boschwachter had zeker begrepen, dat hij de eland om het leven had +gebracht, en nu moest hij naar huis terug, om gestraft te worden, +vóór hij zou sterven. + +Maar slaag te krijgen was het allerergste, en met dat vooruitzicht zag +Karr geen kans moed te houden. Hij liet den kop hangen, en toen hij +op het landgoed kwam, zag hij niet op, en deed alsof hij niemand kende. + +De fabrikant stond op de stoep, toen de boschwachter er aan kwam. + +"Wat in de wereld is dat voor een hond, waar de boschwachter meê +aankomt?" zei hij. "Dat kan toch Karr niet zijn? Hij is toch al +lang dood." + +Toen begon de boschwachter te vertellen van de elanden, en Karr maakte +zich zoo klein, als hij maar kon, en kroop achter de beenen van den +boschwachter weg om zich te verstoppen. + +Maar de boschwachter sprak over het gebeurde op een heel andere +manier, dan de hond verwachtte. Hij prees Karr. Hij zei, dat het +duidelijk was, dat de hond wist, dat de elanden in nood verkeerden, +en hen had willen redden. + +"Meneer mag doen wat hij wil, maar dien hond kan ik niet doodschieten," +zei hij eindelijk. + +De hond richtte zich op, en spitste de ooren. Hij kon bijna niet +gelooven, dat hij goed gehoord had. Hoewel hij niet graag toonen wou, +hoe bang hij was geweest, kon hij niet laten een beetje te blaffen. Zou +het mogelijk zijn, dat hij mocht blijven leven, omdat hij ongerust +over de elanden was geweest? + +De fabrikant vond ook, dat Karr zich goed had gedragen, maar omdat +hij in geen geval den hond terugnemen wou, wist hij eerst niet, +wat hij doen moest. + +"Als u hem wilt nemen, en er voor instaan, dat hij zich beter gedraagt, +dan tot nu toe, mag hij wel blijven leven," zei hij eindelijk. + +Ja, dat wilde de boschwachter wel. En zoo kwam Karr in de +boschwachterswoning. + + + + +DE VLUCHT VAN GRAUWVEL. + + +Van den dag af, dat Karr bij den boschwachter kwam, hield hij +geheel op met zijn ongeoorloofde jacht in het bosch. Dat was niet +alleen, omdat hij bang geworden was, maar ook omdat hij niet wilde, +dat de boschwachter boos op hem zou worden. Want sinds hij zijn +leven had gered, hield Karr het allermeeste op de wereld van den +boschwachter. Hij dacht er alleen aan hem te volgen, en over hem te +waken. Als hij van huis ging, sprong Karr vooruit, en onderzocht den +weg, en als hij thuis was, lag Karr buiten voor de deur, en hield +toezicht over allen, die binnenkwamen en weggingen. + +Als het kalm was op de plaats van den boschwachter, als er geen +voetstappen klonken op den weg, en de baas met zijn planten bezig +was in den groentetuin, gebruikte Karr gewoonlijk zijn tijd om met +het elandkalfje te spelen. + +Eerst had Karr heelemaal geen lust gehad zich met hem te bemoeien. Maar +doordat hij overal met zijn baas meêliep, kwam hij ook met hem in +de schuur, als hij het kalfje melk gaf, en bleef meestal buiten het +hok naar hem zitten kijken. De boschwachter noemde het dier Grauwvel, +omdat hij niet vond, dat het een mooieren naam verdiende, en Karr was +dat met hem eens. Telkens als hij het zag, vond hij, dat hij nooit +zooiets leelijks en wanstaltigs had gezien. Het had lange dunne +beenen, die als losse stelten onder het lichaam zaten. De kop was +groot, oudachtig en gerimpeld, en hing altijd op zij. Het vel zat +in plooien, en hing slap, alsof het een pels aanhad, die niet voor +hem was gemaakt. Het zag er altijd bedroefd en mismoedig uit, maar, +vreemd genoeg, het stond altijd haastig op, zoodra het Karr buiten +het hok zag, alsof het er blij om was, dat hij kwam. + +Het kalf werd iederen dag erger; het groeide niet, en kon op het +laatst niet eens meer opstaan, als het Karr zag. Toen sprong de +hond in zijn hok, en toen schitterden de oogen van den stumper even, +alsof een groote wensch van hem was vervuld. + +Van dien tijd af kwam Karr iederen dag bij het elandkalf, en bracht +uren bij hem door, likte zijn pels, en stoeide met hem, en onderwees +hem zoo'n beetje in alles, wat een boschdier noodig heeft te weten. + +'t Was merkwaardig: van den dag af, dat Karr in het hok bij het +elandkalf gesprongen was, begon het dier te tieren en te groeien. En +toen het eenmaal aan het groeien was werd het in een paar weken zoo +groot, dat het niet meer in het kleine hokje kon blijven, maar buiten +in een omheining moest worden gezet. Toen het daar een paar maanden +had geloopen, waren zijn beenen zoo lang geworden, dat het over de +omheining kon stappen, als het dat wilde. Toen kreeg de boschwachter +verlof van den fabrikant een hooge, groote omheining te zetten om het +stuk land, waar het liep. Daar leefde de jonge eland verscheidene +jaren, en werd een sterk en statig dier. Karr hield hem gezelschap +zoo vaak hij kon; nu niet meer uit medelijden, maar omdat er tusschen +hen een groote vriendschap was ontstaan. De eland was altijd treurig, +en scheen traag en weinig ondernemend te zijn, maar Karr verstond de +kunst hem blij te maken en aan het spelen te krijgen. + +Grauwvel had vijf zomers op de plaats van den boschwachter geleefd, +toen de fabrikant een brief van een zoölogischen tuin in het buitenland +kreeg, met de vraag, of hij den eland wilde verkoopen. Hij vond het +voorstel goed. De boschwachter werd bedroefd, maar hij kon er niets +aan doen, en er werd besloten, dat de eland zou worden verkocht. Karr +hoorde al gauw, wat er gaande was, en liep naar den eland om hem te +vertellen, dat de bedoeling was hem weg te zenden. De hond was in den +grootsten angst, dat hij hem zou moeten missen. Maar de eland nam de +zaak kalm op, en scheen er niet blij en niet bedroefd om te wezen. + +"Ben je van plan om je zonder verzet te laten wegbrengen?" vroeg Karr. + +"Wat zou het helpen, als ik me verzette?" zei Grauwvel. "Ik zou 't +liefst blijven, waar ik ben, maar als ik verkocht ben, zal ik hier +wel vandaan moeten." + +Karr stond hem aan te zien. 't Was merkbaar, dat de eland nog niet +volwassen was. Hij had nog niet zulke breede horens, noch zulk een +hoogen bult op den rug en zoo steile manen als de oudere stieren +onder de elanden, maar hij had wel kracht genoeg om voor zijn vrijheid +te strijden. + +"Je kunt wel merken, dat hij zijn leven lang gevangen is gehouden," +dacht Karr, maar hij zeide niets. + +Karr kwam niet bij den eland terug voor na den middag, toen hij wist, +dat Grauwvel goed uitgeslapen was, en zijn eersten maaltijd hield. + +"Je hebt wel gelijk, Grauwvel, dat je je laat wegbrengen," zei Karr, +en scheen nu rustig en vergenoegd te zijn. "Je zult in een grooten tuin +gevangen gezet worden, en een zorgeloos leven hebben. Ik vind alleen, +dat het jammer is, dat je van hier zult weggaan, vóór je het bosch +gezien hebt. Je weet, dat je stamgenooten tot lijfspreuk hebben, +dat de eland één is met het bosch, maar je bent nog nooit in een +bosch geweest." + +Grauwvel zag op van de klaver, waar hij van stond te eten. + +"Ik zou het bosch wel willen zien, maar hoe zal ik over de heining +komen?" zei hij met zijn gewone slapheid. + +"Neen, dat zal wel onmogelijk zijn voor iemand, die zulke korte beenen +heeft," zei Karr. + +De eland keek van onder zijn haren neer op Karr, die zoo klein als +hij was, verscheiden keer per dag over de heining sprong. + +Toen ging hij naar den slagboom, nam een sprong, en was buiten, +bijna zonder dat hij wist, hoe het was toegegaan. + +Karr en Grauwvel begaven zich nu het bosch in. 't Was een mooie nacht +met helderen maneschijn, tegen het eind van den zomer, maar onder de +boomen was het donker, en de eland liep heel langzaam. + +"'t Is misschien 't beste, dat we teruggaan," zei Karr. "Jij, die nog +nooit in een woest bosch geloopen hebt, kon je beenen wel eens breken." + +Toen begon Grauwvel sneller en moediger te loopen. Karr bracht +den eland naar een gedeelte van het bosch, waar geweldige dennen +groeiden, die zoo dicht op elkaar stonden, dat de wind er niet doorheen +dringen kon. + +"Hier zoeken je stamgenooten gewoonlijk beschutting voor de kou +en den storm," zei Karr. "Hier staan zij onder den blooten hemel, +den heelen winter. Jij zult het beter krijgen, waar je nu komt. Je +krijgt een dak boven je hoofd, en moogt in den stal staan, als een os." + +Grauwvel antwoordde niet, maar stond stil, en ademde den sterken +dennengeur in. + +Toen ging Karr met hem naar een groot moeras, en wees hem de +grasboschjes en het weeke moeras. + +"Over dit moeras vluchten de elanden gewoonlijk, als ze in gevaar +zijn," zei Karr. "Ik weet niet hoe zij 't aanleggen, maar zoo groot en +zwaar als ze zijn, kunnen zij hier loopen zonder er in te zakken. Jij +zoudt zeker niet over zulk een gevaarlijk veld kunnen komen, maar +dat hoef je ook niet, want nooit zal een jager je vervolgen." + +Grauwvel antwoordde niet, maar met één grooten sprong was hij op +'t moeras. Hij was blij, toen hij voelde, hoe de grasboschjes onder +hem op en neer gingen, hij draafde voort dwars over het moeras, en +kwam bij Karr terug, zonder ergens in een modderpoel te zijn gezonken. + +"Hebben wij nu het heele bosch gezien?" vroeg hij. + +"Neen, nog niet," antwoordde Karr. + +Hij bracht nu den eland naar den zoom van het bosch, waar statige +loofboomen groeiden: eiken, en abeelen, en linden. + +"Hier eten je stamgenooten gewoonlijk loof en bast," zei Karr. "Zij +houden dat voor het beste voedsel, maar je zult wel beter voedsel +krijgen in het buitenland." + +Grauwvel was verbaasd over de geweldige loofboomen, die hun groene +koepels boven zijn hoofd welfden. Hij proefde van het eikenloof en +de abeelenbast. + +"Dat smaakt sterk en goed," zei hij. "Dat is beter dan klaver." + +"'t Was goed, dat je dat nog eens te eten kreeg," zei de hond. + +Toen nam hij den eland meê naar een klein boschmeertje. Dat lag daar +heel stil en blank, en weerspiegelde het strand, dat in dunne, lichte +nevels gehuld lag. Toen Grauwvel dat zag, bleef hij onbewegelijk staan. + +"Wat is dat, Karr?" vroeg hij. 't Was voor 't eerst, dat hij een +meer zag. + +"Dat is een groot water, dat is een meer," zei Karr. "Je familie zwemt +gewoonlijk van het eene strand naar het andere. Niemand kan verlangen, +dat jij dat kunnen zult, maar je moest ten minste naar beneden gaan +om een bad te nemen." + +Karr ging zelf in het water, en begon te zwemmen. Grauwvel bleef een +heele poos op het land. Eindelijk kwam hij ook. Zijn adem stokte van +welbehagen, toen het water zich zacht en koel om zijn leden sloot. Hij +wilde het ook over den rug hebben, hij ging verder vooruit, voelde, +dat het water hem droeg, en begon te zwemmen. Hij zwom om Karr heen, +en was geheel thuis in het water. Toen ze weer op het strand stonden, +vroeg de hond, of ze nu naar huis zouden gaan? + +"'t Duurt nog lang eer het morgen is. We kunnen nog wel wat in het +bosch rond blijven loopen," zei Grauwvel. + +Zij gingen weer terug in het naaldbosch. Al gauw kwamen ze aan een +open plaats, die in den vollen maneschijn lag, met gras en bloemen, +glinsterend van den dauw. Midden op die boschweide liepen eenige groote +dieren te grazen. 't Waren elanden, een stier, met verscheidene koeien +en kalveren. Toen Grauwvel hen zag, bleef hij eensklaps staan. Hij +zag nauwlijks naar de koeien en de jonge dieren. Hij staarde naar +den ouden stier, die breede horens had met veel takken, een hooge +bult boven de dijen, en een langharig stuk vel hangende onder den hals. + +"Wat is dat voor een dier?" vroeg Grauwvel met een stem, die beefde +van verwondering. + +"Hij wordt Kroonhoorn genoemd, en hij is je stamgenoot. Je krijgt +zeker ook eens zulke breede horens en zulke manen, en als je in +'t bosch bleef, zou je ook wel een kudde krijgen om te leiden." + +"Als hij daar mijn stamgenoot is, wil ik dichter bij hem komen en hem +bekijken," zei Grauwvel. "Ik wist niet, dat een dier zóó prachtig kon +zijn." Grauwvel ging op de elanden toe, maar kwam bijna dadelijk bij +Karr terug, die aan den zoom van het bosch achtergebleven was. + +"Je bent zeker niet vriendelijk ontvangen," zei Karr. + +"Ik zei hem, dat het voor 't eerst was, dat ik stamgenooten ontmoette, +en ik vroeg, of ik bij hen op de wei mocht loopen, maar hij wees me +af, en dreigde me met zijn horens." + +"'t Was goed, dat je wegging," zei Karr. "Een jonge stier, die nog +maar takken aan zijn horens heeft, moet zich wachten voor een gevecht +met oude elanden. Een ander zou een slechten naam in 't heele bosch +gekregen hebben, als hij was weggeloopen, zonder zich te verzetten, +maar daar hoef jij je niet over te bekommeren, die toch naar het +buitenland zult gaan." + +Karr had nauwlijks uitgesproken, of Grauwvel keerde om, en liep over +het veld. De oude eland kwam hem tegemoet, en ze raakten dadelijk aan +het vechten. Ze zetten de horens tegen elkaar, en stootten toe, en +Grauwvel werd over 't heele veld achteruit gedreven. Hij scheen zijn +kracht niet te kunnen gebruiken. Maar toen hij aan den kant van het +bosch kwam, zette hij de voeten vaster op den grond, stootte krachtig +met de horens, en begon Kroonhoorn achteruit te drijven. Grauwvel +vocht zwijgend, maar Kroonhoorn brieschte en snoof. De oude eland +werd nu op zijn beurt over het heele veld teruggedrongen. Op eens +hoorde Karr een sterk gekraak. Een tak van de horens van den ouden +eland was gebarsten. Toen rukte hij zich heftig los van Grauwvel, +en sprong het bosch in. + +Karr stond nog aan den zoom van 't bosch, toen Grauwvel terugkwam. + +"Nu heb je gezien, wat er in het bosch was," zei hij. "Wil je nu meê +naar huis gaan?" + +"Ja, nu zal het wel tijd zijn," zei de eland. + +Beiden waren stil op den terugweg. Karr zuchtte meermalen, alsof +hem iets tegengevallen was, maar Grauwvel liep met opgeheven hoofd, +en scheen van zijn avontuur genoten te hebben. Hij liep voort zonder +de minste aarzeling, tot ze bij de ingeheinde plaats kwamen, waar hij +tot nu toe geweest was. Maar toen bleef hij staan. Hij keek rond over +de kleine ruimte, waar hij altijd geleefd had, zag den vastgetrapten +grond, het verwelkte voer, het kleine bakje, waaruit hij water had +gedronken, en de donkere schuur, waar hij had geslapen. + +"De elanden zijn één met het bosch!" riep hij, wierp den kop achteruit, +zoodat de nek op zijn rug lag, en stormde in wilde vaart het bosch in. + + + + +HELPMIJ. + + +Diep in 't groote Friedsbosch vertoonden zich elk jaar in Augustus in +'t lage dennenbosch een paar grijswitte nachtvlinders van dat soort, +dat men "Nonvlinders" noemt. Ze waren klein, en er waren maar weinige, +en er was bijna niemand, die op hen lette. Als ze diep in 't bosch een +paar nachten hadden rondgefladderd, legden ze een paar duizend eieren +op de boomstammen, en kort daarna zonken ze levenloos op den grond. + +Als de lente kwam, kropen kleine, gespikkelde larven uit de eieren, +en begonnen denneschors te eten. Zij hadden goeden eetlust, maar deden +nooit de boomen ernstige schade, omdat ze zoo sterk door de vogels +werden vervolgd. Zelden ontkwamen er meer dan een paar honderd larven. + +Die arme larven, die volwassen werden, kropen naar boven langs de +takken, sponnen zich in witte draden in, en zaten zoo een paar weken +als onbewegelijke poppen. In dien tijd werd gewoonlijk meer dan de +helft van hen weggepikt. Als er een honderdtal vleugels kreeg, en +klaar kwam in Augustus kon men rekenen, dat ze een goed jaar hadden. + +Zulk een onzeker en onopgemerkt leven leidden de nonnen jaren lang in +het Friedsbosch. Er was geen insectenvolk in de gansche streek, die zoo +weinig in aantal was. En zoo machteloos en weinig gevaarlijk zouden ze +gebleven zijn, als ze niet heel onverwacht een helper hadden gekregen. + +Maar dat de nonnen een helper kregen, kwam door dat de eland uit de +boschwachterswoning was gevlucht. Grauwvel had namelijk den heelen +dag, na zijn vlucht, in 't bosch rondgeloopen om te maken, dat hij +er zich thuis zou gaan voelen. + +In den middag drong hij door een dicht kreupelhout, en vond daarachter +een open plaats, waar de grond modderig, los en moerassig was. Midden +in lag een zwarte waterpoel, en daaromheen stonden allemaal hooge +dennen, die bijna zonder naalden waren, omdat ze oud waren, en doordat +ze niet tieren konden. Grauwvel vond die plaats akelig, en zou die +gauw hebben verlaten, als hij niet een paar heldergroene callabladen in +'t oog had gekregen, die bij den poel groeiden. + +Toen hij nu den kop over de callaplant boog, maakte hij een groote, +zwarte slang wakker, die er onder lag te slapen. De eland had Karr +hooren spreken over de vergiftige adders in het bosch, en toen de +slang den kop ophief, zijn gespleten tong uitstak, en tegen hem siste, +meende hij, dat hij een vreeselijk gevaarlijk dier had ontmoet. Hij +schrikte, hief den voet op, sloeg met zijn hoef en verbrijzelde den +kop van de slang. Daarop draafde hij haastig weg. + +Zoodra Grauwvel weg was, dook een andere slang, even lang en zwart +als de eerste, op uit den poel. Hij kroop naar de doode, en liet zijn +tong over den verbrijzelden kop gaan. + +"Is dat werkelijk mogelijk, dat je dood bent, oude Karnlösa?" siste +de slang. "Wij hebben zooveel jaren samen geleefd! Wij hebben het +zoo goed samen gehad, en we tierden zoo goed in dezen plas, dat we +ouder zijn geworden dan alle andere slangen in het bosch. Dat was +het ergste verdriet, dat me treffen kon." + +De slang was zoo bedroefd, dat zijn lang lichaam kronkelde, alsof het +gewond was. Zelfs de kikvorschen, die in een voortdurenden angst voor +hen leefden, hadden medelijden met hem. + +"Wat moet hij toch slecht zijn, die een arme slang doodslaat, die +zich niet kan verweren!" siste de slang, "hij verdient zeker een heel +harde straf." Hij lag nog een tijd lang te kronkelen van verdriet, +maar op eens hief hij den kop op. "Ik zal me wreken, zoowaar ik +Helpmij heet, en de oudste slang in 't bosch ben! Ik zal niet rusten, +voor die eland dood op 't veld ligt, zooals mijn arme oude gezellin!" + +Toen de slang die gelofte had gedaan, rolde hij zich op, en ging liggen +nadenken. Maar er kan wel niets moeielijker zijn voor een arme slang, +dan wraak te bedenken op een grooten, krachtigen eland, en de oude +Helpmij peinsde dagen en nachten, zonder een uitweg te vinden. + +Maar op een nacht, toen de slang in zijn wraakgedachten verdiept +lag, en niet kon slapen, hoorde hij een licht geritsel boven zijn +hoofd. Hij keek op, en onderscheidde een paar lichte nonvlindertjes, +die tusschen de boomen speelden. Hij volgde ze lang met de oogen, +toen begon hij luid in zichzelf te sissen, maar eindelijk sliep hij +in, en scheen tevreden te zijn met wat hij had bedacht. + +Den volgenden morgen ging de slang naar Krule, de adder, die in een +steenachtige en hooggelegen streek van 't Friedsbosch woonde. Aan hem +vertelde hij nu van den dood van zijn oude gezellin, en vroeg hem, +die zoo gevaarlijk bijten kon, de wraak op zich te nemen. Maar Krule +was niet erg geneigd zich aan een strijd met de elanden te wagen. + +"Als ik een eland aanviel," zei hij, "zou hij me dadelijk doodslaan. Je +oude vrouwtje is dood, en haar kunnen we niet meer levend maken. Waarom +zou ik me voor haar een ongeluk op den hals halen?" + +Toen de slang dit antwoord kreeg, hief hij den kop wel een voet hoog +van het veld op, en siste allerverschrikkelijkst. + +"Wisch, wasch! wisch, wasch!" zei hij. "'t Is jammer, dat jij zulke +wapens hebt, jij, die zoo laf is, dat je ze niet gebruiken durft." + +Toen de adder dat hoorde, werd hij ook boos. + +"Maak, dat je weg komt, ouwe Helpmij!" siste hij. "'t Vergif loopt +me langs de tanden, maar ik wil iemand, die mijn stamgenoot heet, +liefst sparen." + +De slang verroerde zich niet, en lang lagen ze daar allebei elkander +hatelijkheden te zeggen. Maar toen Krule zóó boos werd, dat hij niet +meer sissen kon, en alleen nog maar zijn tong inhaalde en uitstak, +begon de slang gauw op een heel anderen toon te praten. + +"Ik had eigenlijk nog een boodschap," zei hij, en begon zacht te +fluisteren; "maar nu heb ik je zeker zoo boos gemaakt, dat je me niet +helpen wilt." + +"Als je me maar niet iets onzinnigs vraagt, wil ik je wel van dienst +zijn." + +"In de dennen dicht bij mijn poel," zei de slang, "woont een +vlindervolk, dat in den nazomer 's nachts rondvliegt." + +"Ik weet wel wie je meent," zei Krule "wat wou je met hen?" + +"'t Is het kleinste insectenvolk in het bosch," zei Helpmij, "en +de onschadelijkste van allen, omdat de larven zich met het eten van +dennebast tevreden stellen." + +"Ja, dat weet ik," zei Krule. + +"Ik ben zoo bang, dat dit vlindervolk gauw heelemaal zal zijn +uitgeroeid," zei de slang. "Er zijn zooveel dieren, die de larven in +de lente opeten." + +Nu meende Krule te begrijpen, dat de slang die larven voor eigen +gebruik wilde houden, en hij antwoordde vriendelijk: "Wil je, dat ik +aan de uilen zeg, dat ze die denneneters met rust zullen laten?" + +"Ja, als jij, die wat invloed hebt hier in 't bosch, daarvoor zorgen +kon, zou het wel goed zijn." + +"Misschien zal ik ook een goed woord voor hen doen bij de lijsters," +zei de adder. "Ik wil je graag helpen, als je maar niet iets +onmogelijks begeert." + +"Dat is een goede belofte, Krule," zei Helpmij, "en ik ben blij, +dat ik bij je gekomen ben." + + + + + + +XXII. + +DE NONNEN. + + +Verscheidene jaren later lag Karr op een morgen te slapen op de +stoep. 't Was in den voorzomer, in den tijd van de korte nachten, +en 't was helder dag, hoewel de zon nog niet op was. Toen werd Karr +wakker, doordat iemand hem bij zijn naam riep. + +"Ben jij het, Grauwvel?" vroeg Karr, want hij was gewoon, dat de eland +hem bijna iederen nacht even kwam bezoeken. Hij kreeg geen antwoord, +maar hij hoorde weer, dat iemand hem bij zijn naam riep. Hij meende +de stem van Grauwvel te herkennen, en liep, zoo gauw hij kon, op het +geluid af. + +Karr hoorde, dat de eland voor hem uit sprong, maar hij kon hem niet +inhalen. Hij rende het dennenbosch in, waar het 't dichtste was, +zonder zich aan pad of weg te storen. Karr had alle moeite om het +spoor niet te verliezen. + +"Karr, Karr," hoorde hij roepen, en 't was de stem van Grauwvel, +maar met een klank, dien de hond er nooit in had gehoord. + +"Ik kom, ik kom! Waar ben je?" antwoordde de hond. + +"Karr, Karr, zie je niet, hoe alles valt, alles valt?" vroeg Grauwvel. + +Karr zag toen, dat er onophoudelijk dennenaalden vielen, als een +lichte regen. + +"Ja, dat zie ik!" riep hij, maar liep tegelijk het bosch in om den +eland te zoeken. + +Grauwvel liep snel voor hem uit, dwars door het kreupelhout, en Karr +was opnieuw bijna het spoor bijster. + +"Karr, Karr!" schreeuwde Grauwvel, met angstig geloei, "merk je niet, +hoe het ruikt in 't bosch?" Karr bleef staan en snoof. Hij had er eerst +niet opgelet, maar nu merkte hij, dat de dennen een veel sterker geur +verspreidden, dan ze anders deden. + +"Ja, ik merk, hoe het ruikt," zei hij, maar gaf zich niet den tijd +om na te gaan, hoe het kwam; hij liep door, Grauwvel achterna. + +De eland sprong weer voort met zulk een vaart, dat de hond hem niet +kon inhalen. "Karr, Karr!" riep hij een poos later, "hoor je niet +hoe het knapt in de takken." Nu klonk de stem zóó droevig, dat die +steenen zou kunnen vermurwen. Karr bleef staan om te luisteren, +en hoorde een zwak, maar duidelijk knappen boven in de boomen. Het +klonk als het tikken van een horloge. + +"Ja, ik hoor het knappen," riep Karr, en ging nu niet verder. Hij +begreep, dat de eland niet wilde, dat hij hem zou volgen, maar dat +hij zou letten op iets, dat in het bosch gebeurde. + +Karr stond onder een den met zware, slepende takken en grove, +donkergroene naalden. Hij bekeek den boom nauwkeurig, en vond, dat het +was, alsof de naalden zich bewogen. Toen hij nog dichter bij kwam, +ontdekte hij een menigte grauwwitte larven, die zich voortwerkten +langs de boomtakken, en van de naalden aten. Er waren een massa op +elken tak, zij knaagden en aten. Het knapte voortdurend in den boom; +dat waren al die werkende kaken. Afgebeten naalden vielen aanhoudend +op den grond, en uit de arme takken stroomde een geur, zóó sterk, +dat de hond er last van had. + +"Die den daar zal niet veel naalden behouden," dacht hij, en keerde +zich naar den volgenden boom. Dat was ook een groote, statige den, +maar die zag er ook zoo uit. "Wat kan dat wezen?" dacht Karr. "Dat +is toch zonde van die mooie boomen. Die zullen gauw al hun schoonheid +hebben verloren." + +Hij ging van den eenen boom naar den anderen, en probeerde er achter +te komen, hoe 't met hen was. "Dat daar is een spar, die hebben ze +misschien niet aangedurfd," dacht hij. Maar ze hadden ook de spar +aangetast. "En daar een berk. Ja, daar ook, daar ook. Dat zal den +boschwachter wel niet aanstaan," dacht Karr. + +Hij sprong het kreupelhout verder in, om te weten te komen, hoe ver de +verwoesting al gegaan was. Waar hij kwam, hoorde hij hetzelfde tikken, +rook dezelfde lucht, en overal viel dezelfde naaldenregen. Hij hoefde +niet meer stil te staan, om te zien. De kleine larven waren overal. 't +Heele bosch zou al gauw door hen zijn kaalgegeten. + +Plotseling kwam hij op een plek, waar geen geur te merken, en alles +doodstil was. + +"Hier is hun rijk uit," dacht de hond, bleef staan, en keek rond. + +Maar hier was het nog erger; hier hadden de larven hun werk al +voltooid, en de boomen stonden zonder naalden. Ze waren als dood, en +het eenige, wat er nog aan hen te zien was, was een massa verwarde +draden, die de larven hadden gesponnen, om als bruggen en wegen +te gebruiken. + +Hier, tusschen de stervende boomen, stond Grauwvel op Karr te +wachten. Hij was niet alleen; bij hem stonden vier oude elanden, +de aanzienlijkste in 't bosch. Karr kende hen. 't Waren Kromrug, een +kleine eland, maar die grooter bult had dan eenig ander, Kroonhoorn, +de statigste van het elandenvolk, Ruigmaan, met zijn dikken pels, en +een oude eland met hooge pooten, die Grootsterk heette, en vreeselijk +driftig en strijdlustig geweest was, tot hij bij de laatste jacht in +den herfst een kogel in de dij gekregen had. + +"Wat in de wereld gebeurt er toch met het bosch?" vroeg Karr, toen hij +bij de elanden kwam, die met hangende koppen en ver vooruitstekende +bovenlip stonden te wachten, en er nadenkend uitzagen. + +"Dat kan niemand zeggen," antwoordde Grauwvel. "Dit insectenvolk +hier is het meest machtelooze in 't heele bosch geweest, en heeft +vroeger nooit eenige schade gedaan, maar in de laatste jaren is het +snel aangegroeid in aantal, en nu lijkt het wel, alsof ze het heele +bosch zullen vernielen." + +"Ja, het ziet er leelijk uit," zei Karr, "maar ik merk, dat de wijzen +uit het bosch hier bijeen zijn, om te beraadslagen, en zij hebben er +misschien iets op gevonden." + +Toen de hond dat zei, hief Kromrug plechtig zijn zwaren kop op, +klapte met de lange ooren, en zei: "We hebben je hier geroepen, Karr, +om te hooren, of de menschen iets weten van deze verwoesting." + +"Neen," zei Karr, "zoover in 't bosch komt immers geen mensch, +wanneer de jacht niet geopend is. Zij weten niets van dit ongeluk." + +"Wij, die in 't bosch oud geworden zijn," zei toen Kroonhoorn, +"gelooven niet, dat wij, dieren, ons alleen tegen dit insectenvolk +kunnen verweren." + +"Wij vinden het eene bijna een even groot ongeluk als het andere," +zei Ruigmaan. "Met de rust in het bosch is het in ieder geval uit." + +"Maar we kunnen het heele bosch niet laten bederven," zei +Grootsterk. "We hebben geen keus." + +Karr begreep, dat het de elanden zwaar viel, voor den dag te komen +met wat ze wilden zeggen, en hij probeerde hen te helpen. + +"Is 't misschien de bedoeling, dat ik de menschen zal laten weten, +hoe het hier gaat?" + +Toen begonnen alle vier de ouden met den kop te knikken. + +"'t Is een groot ongeluk, hulp van de menschen te moeten vragen, +maar we weten geen anderen raad." + +Kort daarna was Karr op weg naar huis. Terwijl hij haastig voortliep, +diep bekommerd over alles, wat hij gezien en gehoord had, kwam hem +een groote, zwarte slang te gemoet. + +"Welkom in 't bosch," siste de slang. + +"Goedendag," blafte Karr, en liep voorbij zonder stil te staan. Maar +de slang keerde om, en probeerde hem in te halen. + +"Misschien is hij ook ongerust over 't bosch," dacht Karr, en bleef +staan. De slang begon dadelijk over de groote verwoesting te spreken. + +"Als de menschen hier komen, is 't uit met onze rust en vrede," +zei hij. + +"Daar ben ik ook bang voor," zei Karr, "maar de oude elanden in +'t bosch weten wel, wat ze doen." + +"Ik geloof wel, dat ik een beter raad weet," zei de slang, "als ik +maar het loon kreeg, dat ik verlang." + +"Ben jij 't soms, die ze Helpmij noemen?" vroeg de hond verachtelijk. + +"Ik ben al een oude boschbewoner," zei de slang. "Ik weet, hoe je +dat ongedierte wegkrijgen kunt." + +"Als je 't maar wegkrijgen kunt," zei Karr, "denk ik wel, dat niemand +je weigeren zal, wat je ook begeert." + +Toen Karr dat zei, glipte de slang onder een boomwortel, en zette +het gesprek niet voort, voor hij veilig in een nauw gat lag. + +"Groet dan Grauwvel van mij," zei hij, "en zeg hem, dat, als hij van +het Friedsbosch weg wil trekken, en niet ophouden, voor hij zoo ver +naar het noorden gekomen is, dat er geen eik meer in 't bosch groeit, +en hier niet terugkomen, vóór de slang Helpmij dood is, ik ziekte en +dood zal zenden over al die larven, die langs de takken kruipen en +er van eten." + +"Wat zeg je daar?" vroeg Karr, en de haren op zijn rug begonnen op +te staan. "Wat heeft Grauwvel je voor kwaad gedaan?" + +"Hij heeft haar doodgeslagen, die me het liefste was," zei de +slang. "En ik wil me op hem wreken." + +Eer de slang nog had uitgesproken, deed Karr een aanval op hem, +maar hij lag veilig onder den boomwortel. + +"Lig daar zoolang je wilt," zei Karr eindelijk. "Wij zullen die +denneneters zonder jou wel wegkrijgen." + +Den volgenden dag gingen de ijzerfabrikant en de boschwachter langs +het boschpad. Karr liep eerst naast hen, maar na een poosje verdween +hij, en kort daarna klonk een luid blaffen uit het bosch. + +"Dat is Karr, die weer aan 't jagen is," zei de ijzerfabrikant. De +boschwachter wilde het niet gelooven. + +"Karr heeft al jaren lang geen ongeoorloofde jacht gehouden," zei +hij. Hij liep het bosch in om te zien, wat voor een hond daar blafte, +en de ijzerfabrikant volgde hem. + +Zij volgden het blaffen, tot waar het bosch het dichtste was. Maar +toen ze daar gekomen waren, hield het op. Zij bleven staan om te +luisteren, en daar, in de stilte, hoorden zij de kaken van de larven +werken, zagen ze, hoe de naalden naar beneden vielen als regen, en +roken ze den sterken geur. Daar merkten ze ook, hoe alle boomen waren +aangetast door de larven van de nonvlinders, de kleine boomvijanden, +die mijlen in het rond de boomen kunnen vernielen. + + + + +DE GROOTE NONNENOORLOG. + + +Het volgend voorjaar kwam Karr op een morgen door het bosch. "Karr, +Karr!" riep iemand hem na. Karr keerde zich om. Hij had goed +gehoord. 't Was een oude vos, die buiten zijn hol stond, en hem riep. + +"Zeg me even, of de menschen wat voor het bosch doen!" zei de vos. + +"Ja, wees daar maar zeker van," zei Karr. "Zij werken er voor, zoo +hard zij kunnen." + +"Ze hebben mijn heele familie vermoord," zei de vos. "En zij zullen mij +ook nog wel eens vermoorden. Maar dat alles zal hun vergeven worden, +als zij het bosch maar helpen." + +Karr kon nooit door het kreupelhout loopen dat jaar, zonder dat iemand +hem vroeg, of de menschen het bosch konden helpen. 't Was niet zoo +gemakkelijk voor hem hierop te antwoorden, want de menschen wisten +zelf niet, of het hun zou gelukken de nonnen te overwinnen. + +Als men er aan denkt hoe gevreesd en gehaat het oude Kolmarden [2] +was geweest, was het wonderlijk te zien hoe meer dan honderd man +dagelijks het bosch introkken, en er werkten, om het van den ondergang +te redden. Zij velden de boomen, die 't meest beschadigd waren, kapten +het onderhout weg, en sneden de laagste takken af, opdat de larven niet +zoo gemakkelijk van boom tot boom zouden kruipen. Ze hieuwen breede +paden om het aangetaste bosch heen, en legden met lijm bestreken +stangen uit, opdat de larven daar ingesloten zouden worden, en geen +nieuw grondgebied meer veroveren. Toen dat gedaan was, begonnen ze +lijmringen aan te leggen om de boomen. 't Was de bedoeling, dat men +op die manier de larven zou verhinderen uit de boomen te komen, die +ze al kaal gegeten hadden, en hen dwingen te blijven, waar ze waren, +en daar dood te hongeren. + +De menschen gingen met dit werk door, tot laat in de lente, ze waren +vol hoop, en wachtten bijna met ongeduld den tijd af, dat de larven +uit de eieren zouden komen. Ze waren er zeker van, dat ze hen zoo +goed hadden ingesloten, dat de allermeeste van honger moesten sterven. + +Toen kwamen de larven uit in het begin van den zomer, en er waren +oneindig meer dan het vorige jaar. Maar dat deed er immers niet +toe, als ze maar ingesloten waren, en geen voedsel genoeg konden +vinden. Maar dat ging toch niet juist, zooals men had gehoopt. Wel +waren er larven, die aan de lijmstaven vast raakten, en er waren +massa's, die door de lijmringen verhinderd waren uit de boomen naar +beneden te komen, maar men kon niet zeggen, dat de larven ingesloten +waren. Ze waren binnen en buiten de opsluitende ringen. Ze waren +overal. Ze kropen over den weg, op de tuinheggen, langs de muren. Ze +zwierven over de grenzen van het Friedsbosch naar andere gedeelten +van Kolmarden. + +"Ze houden niet op, voor al onze bosschen vernield zijn," zeiden +de menschen. Ze waren in den grootsten angst, en konden niet in het +bosch komen, zonder tranen in de oogen te krijgen. + +Karr walgde zoo van al dat kruipend en knagend gedierte, dat hij het +bijna niet over zich verkrijgen kon de deur uit te gaan. Maar op een +dag vond hij, dat hij eens moest gaan hooren, hoe Grauwvel het had. Hij +sloeg den naasten weg in naar zijn velden, en liep haastig voort, met +den neus langs den grond. Toen hij bij den boomwortel kwam, waar hij +het vorige jaar Helpmij had ontmoet, lag die daar weer, en riep hem. + +"Heb je met Grauwvel gesproken over wat ik je laatst gezegd heb?" vroeg +de slang. + +Karr blafte alleen maar, en probeerde bij hem te komen. + +"Doe dat in ieder geval," zei de slang. "Je ziet immers wel, dat de +menschen geen raad weten voor deze verwoesting." + +"Ja, jij ook niet," antwoordde Karr, en liep verder. + +Karr vond Grauwvel; maar de eland was zóó somber gestemd, dat hij +nauwlijks groette. Hij begon dadelijk over het bosch te praten. "Ik +weet niet, wat ik er niet voor geven zou, als die ellende ophield," +zei hij. + +"Dan zal ik je toch vertellen, dat je het bosch redden kunt," zei Karr, +en bracht nu de boodschap van de slang over. + +"Als 't iemand anders dan Helpmij was, die dat beloofde, zou ik +dadelijk in ballingschap gaan," zei de eland. "Maar hoe zou nu een +arme slang zoo'n macht hebben?" + +"'t Is natuurlijk maar pocherij," zei Karr. "Slangen doen altijd, +alsof ze meer weten dan andere dieren." + +Toen Karr naar huis zou gaan, bracht Grauwvel hem een eind weg. Karr +hoorde toen hoe een lijster, die in een dennetop zat, begon te roepen: +"Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield." + +Karr meende, dat hij het niet goed gehoord had, maar een oogenblik +later kwam een haas aanrennen over het pad. Toen de haas hen zag, +bleef hij stil staan, klapte met de ooren, en riep: + +"Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield!" Toen rende +hij weg, zoo hard hij kon. + +"Wat bedoelen ze daarmeê?" vroeg Karr. + +"Dat weet ik niet precies," zei Grauwvel. "Ik denk, dat het kleine +volkje in 't bosch ontevreden over me is, omdat ik den raad gaf de +hulp van de menschen in te roepen. Al hun schuilplaatsen en woningen +zijn verwoest, toen het onderhout werd weggekapt." + +Ze liepen nog een poos samen voort, en Karr hoorde dat van alle kanten +werd geroepen: "Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield." + +Grauwvel deed, alsof hij het niet hoorde, maar Karr, meende nu te +begrijpen, waarom hij zoo gedrukt was. + +"Zeg, Grauwvel," vroeg Karr snel, "wat meent de slang daarmeê, dat +je iemand zoudt hebben doodgeslagen, van wie hij zooveel hield?" + +"Hoe kan ik dat weten?" zei Grauwvel. "Je weet, dat ik nooit iemand +doodsla." + +Kort daarna ontmoetten zij de vier oude elanden: Kromrug, Kroonhoorn, +Ruigmaan en Grootsterk. Zij kwamen langzaam en bedachtzaam aanstappen, +achter elkaar. + +"Welkom in 't bosch," riep Grauwvel ze tegen. + +"Goeden dag," antwoordden de elanden. "We zochten je juist, Grauwvel, +om met je over het bosch te spreken." + +"We hebben gehoord," zei Kromrug, "dat er hier een misdaad in 't +bosch is gebeurd, en dat het heele bosch wordt verwoest, omdat die +daad niet gestraft is." + +"Wat is dat voor een misdaad?" + +"Er is iemand, die een onschadelijk dier heeft gedood, dat hij niet +eten kon. Zooiets wordt hier in 't Friedsbosch voor een misdaad +gehouden." + +"Wie is dat, die zooiets schandelijks heeft gedaan?" vroeg Grauwvel. + +"Het schijnt, dat het een eland is, en nu wilden we je vragen, of je +weet, wie dat wezen kan." + +"Neen," zei Grauwvel, "ik heb nooit over een eland hooren spreken, +die een onschadelijk dier heeft gedood." + +Grauwvel nam afscheid van de oude elanden, en ging met Karr verder. Hij +werd al stiller, en liep met gebogen kop. Zij kwamen voorbij Krule, +de adder, die daar in zijn hol lag. + +"Daar loopt Grauwvel, die het bosch heeft vernield," siste Krule, +zooals al de anderen. Nu verloor Grauwvel zijn geduld. Hij ging op +de adder toe, en lichtte den voorpoot op. + +"Ben je van plan mij dood te slaan, zooals je de oude slang hebt +doodgeslagen?" + +"Heb ik een slang doodgeslagen?" vroeg Grauwvel. + +"De eerste dag, toen je in 't bosch kwam, sloeg je de vrouw van de +slang, Helpmij, dood," zei Krule. + +Grauwvel ging snel van Krule weg, en bleef met Karr doorloopen. Opeens +stond hij stil: + +"Karr, ik heb de misdaad begaan. Ik heb een onschadelijk dier +doodgeslagen. Om mij wordt het bosch verwoest." + +"Wat zeg je toch?" viel Karr hem in de rede. + +"Zeg jij maar aan de slang Helpmij, dat Grauwvel van nacht in +ballingschap gaat." + +"Dat zeg ik nooit," zei Karr. "'t Is een gevaarlijk land voor elanden, +daar in 't noorden." + +"Meen je, dat ik hier blijven wil, nu ik zoo'n ongeluk heb +aangericht?" vroeg Grauwvel. + +"Ga nu niet overhaast te werk; wacht nu tot morgen, vóór je iets doet." + +"Jij hebt me geleerd, dat de elanden één zijn met het bosch," zei +Grauwvel, en met die woorden ging hij van Karr weg. + +Karr ging naar huis, maar dit gesprek had hem onrustig gemaakt, en +al den volgenden dag ging hij opnieuw het bosch in, om den eland te +ontmoeten. Toen was Grauwvel nergens te vinden, en de hond zocht ook +niet lang naar hem. Hij begreep, dat Grauwvel de slang aan zijn woord +had gehouden, en in ballingschap was gegaan. + +Op den terugweg was Karr onbeschrijfelijk somber. Hij kon niet +begrijpen, dat Grauwvel zich door dien stumper van een slang liet +wegpraten. Hij had nooit van zoo'n dwaasheid gehoord. Wat kon die +Helpmij nu voor macht hebben? + +Toen Karr, in die gedachten verdiept, voortging, zag hij den +boschwachter, die naar boven stond te wijzen bij een boom. + +"Waar kijk je naar?" vroeg een man, die naast hem stond. + +"Er is een ziekte onder de larven uitgebroken," zei de boschwachter. + +Karr was ongelooflijk verbaasd, maar hij ergerde zich er bijna nog +meer over, dat de slang de macht had gehad zijn woord te houden. Nu +zou Grauwvel wel een oneindig langen tijd moeten wegblijven, want +die slang zou wel nooit sterven. + +Maar juist toen Karr het bedroefdste was, viel hem een gedachte in, +die hem een beetje troostte. + +"De slang hoeft waarschijnlijk zoo oud niet te worden," dacht hij. "Hij +zal wel niet altijd veilig onder een boomwortel liggen. Als hij maar +eerst de larven heeft weggemaakt, weet ik wel, wie hem doodbijten zal." + +Werkelijk was er een ziekte onder de larven uitgebroken, maar den +eersten zomer was die niet erg verbreid. Nauwlijks was die uitgebroken, +of de larven hadden zich verpopt. Uit de poppen kwamen millioenen +vlinders. Zij vlogen 's nachts rond als een sneeuwstorm tusschen de +boomen, en legden een ontelbaar aantal eieren. Het volgend jaar kon +men nog grooter verwoesting verwachten. + +De verwoesting kwam, maar niet alleen over het bosch, maar ook over de +larven zelf. De ziekte verspreidde zich snel van 't eene bosch naar +het andere. De zieke larven aten niet meer, kropen naar den top van +den boom, en stierven daar. De vreugde onder de menschen was groot, +toen zij hen zagen sterven, maar nog grooter onder de boschdieren. + +Karr, de hond, liep dagelijks rond met een boosaardige vreugde in +zijn hart, en dacht aan het oogenblik, dat hij Helpmij zou doodbijten. + +Maar de larven hadden zich mijlenver over de dennenbosschen verspreid, +en ook dezen zomer bereikte de ziekte hen allen nog niet. Velen bleven +leven, tot ze poppen en vlinders werden. + +Met de vogels kreeg Karr groeten van Grauwvel, en de boodschap, +dat hij leefde, en het goed had. Maar de vogels vertelden Karr in +vertrouwen, dat Grauwvel al verscheiden malen door wilddieven vervolgd +was geworden, en dat hij maar met de grootste moeite was ontkomen. + +Karr leefde in zorgen, verlangen en verdriet. En nog moest hij twee +zomers wachten. Toen eerst waren alle larven weg. + +Nauwlijks hoorde Karr den boschwachter zeggen, dat het bosch buiten +gevaar was, of hij ging op jacht om Helpmij te zoeken. Maar toen hij +in het kreupelhout kwam, ontdekte hij iets verschrikkelijks. Hij kon +niet meer jagen, niet springen, zijn vijand niet meer opsporen, hij +kon zelfs niet meer zien. Onder het lange wachten was de ouderdom +over Karr gekomen. Hij was oud geworden, zonder dat hij het had +gemerkt. Hij kon niet eens meer een slang doodbijten. Hij was niet +in staat zijn vriend Grauwvel van zijn vijand te bevrijden. + + + + +DE WRAAK. + + +Op een middag streek Akka van Kebnekaise en haar troep neer aan den +oever van een boschmeer. Ze waren nog in Kolmarden, maar ze hadden +Oost-Göthland verlaten, en bevonden zich nu in Jonakker in Sörmland. De +lente was uitgebleven, zooals vaak gebeurt in bergstreken, en het ijs +dekte 't geheele meer, op een strook open water langs de kust na. De +ganzen vlogen dadelijk in het water, om te baden en naar voedsel +te zoeken, maar Niels Holgersson had dien morgen zijn eene klomp +verloren, en hij liep tusschen de elzen en berken door, die aan den +oever groeiden, naar iets te zoeken, dat hij om den voet kon binden. + +De jongen moest tamelijk ver loopen, eer hij iets bruikbaars vond, +en hij keek onrustig rond, want hij hield niet van 't bosch. "Neen, +dan heb ik de vlakte en de zee liever," dacht hij. "Daar kun je zien, +waar je op afgaat. Als 't nog een beukenbosch was, kon 't er nog door, +want daar is de grond bijna kaal, maar die berken- en dennenbosschen, +die zoo woest en ongebaand zijn--ik begrijp niet, hoe de menschen +het er in uithouden. Als ik hier de baas was, liet ik alles weghakken." + +Eindelijk kreeg hij een stuk berkebast in 't oog, en stond dat juist +om zijn voet te passen, toen hij een geritsel achter zich hoorde. Hij +keerde zich om, en zag, dat een slang door de takken recht op hem +aan kwam schieten. Hij was buitengewoon lang en dik, maar de jongen +zag dadelijk, dat hij een witte vlek op iedere wang had, en bleef +rustig staan. "Dat is maar een slang," dacht hij. "Die kan mij toch +niets doen." + +Maar 't volgend oogenblik kreeg hij van de slang zoo'n sterken stoot +voor de borst, dat hij omviel. De jongen kwam gauw weer op de been, +en sprong weg, maar de slang vervolgde hem. De grond was vol takken +en steenen; de jongen kwam niet heel gauw voort, en de slang was hem +dicht op de hielen. + +Op eens zag de jongen voor zich uit een grooten steen met steile +kanten, en hij klauterde er op. + +"Hier zal de slang toch wel niet bij me kunnen komen," dacht hij, +maar toen hij goed en wel boven gekomen was, en omkeek, zag hij, +dat de slang probeerde achter hem aan te komen. + +Dicht bij den jongen, op den top van het blok, lag een andere steen, +bijna zoo rond en groot als het hoofd van een man. Die lag heelemaal +los op een smallen kant. 't Was onbegrijpelijk, hoe die daar zoo kon +blijven liggen. Toen de slang dichterbij kwam, sprong de jongen achter +dien ronden steen, en gaf hem een stoot. Hij rolde naar beneden, +vlak op de slang, trok hem meê naar den grond, en bleef op den +slangenkop liggen. + +"Die heeft zijn werk netjes gedaan," dacht de jongen, en haalde +diep adem, toen hij zag, hoe de slang na een paar heftige rukken, +stil bleef liggen. + +"Ik geloof niet, dat ik op deze heele reis ooit in grooter gevaar +ben geweest." + +Hij had nog maar pas tijd gehad, om tot zichzelf te komen, toen hij +een geruisch boven zich hoorde, en een vogel op den grond, vlak naast +de slang, zag neerstijken. Die was gebouwd als een kraai, en ook zoo +groot, maar hij had een mooi gewaad van zwarte veeren aan, met een +metaalachtigen glans er over. De jongen kroop voorzichtig weg in een +spleet in den steen. Hij herinnerde zich nog levendig dat avontuur, +toen de kraaien hem hadden weggeroofd, en wilde zich niet zonder +noodzaak vertoonen. + +De zwarte vogel liep met groote stappen heen en weer langs het lichaam +van de slang, en keerde dat met den snavel om. Eindelijk klapte hij +met de vleugels, en riep met een stem zóó schel, dat ze pijn deed +in de ooren: "Dat is vast en zeker Helpmij, de slang, die hier dood +ligt!" Hij liep nog eens langs hem, en toen bleef hij staan in diepe +gedachten verzonken, en krabde zich met den voet in den nek. + +"'t Is onmogelijk, dat er twee zulke groote slangen hier in 't bosch +kunnen zijn," zei hij. "Hij is het zeker!" + +Hij was juist van plan den snavel in de slang te steken, maar op eens +hield hij zich in. "Je moet geen ezel zijn, Bataki," zei hij. "Je +kunt er toch niet aan denken de slang op te eten, voor je Karr hier +geroepen hebt. Hij zou niet durven gelooven, dat Helpmij dood is, +als hij hem niet zelf ziet." + +De jongen probeerde zich stil te houden, maar de vogel was zoo +vermakelijk plechtig, zooals hij daar in zichzelf liep te praten, +dat hij het lachen niet laten kon. + +De vogel hoorde hem, en met één vleugelslag was hij boven op den +steen. De jongen stond gauw op, en kwam hem tegemoet. "Ben jij niet +Bataki, de raaf, een goede vriend van Akka van Kebnekaise?" vroeg +de jongen. + +De vogel keek hem aandachtig aan, en knikte toen drie keer met den kop. + +"Jij bent toch niet de jongen, die met de wilde ganzen rondvliegt, +en dien ze Duimelot noemen?" + +"Ja, dat heb je niet zoo heelemaal mis," zei de jongen. + +"Dat is heerlijk, dat ik jou ontmoette. Kun je misschien zeggen, +wie die slang heeft dood geslagen?" + +"Dat deed de steen, die ik naar beneden op zijn kop liet rollen," +antwoordde de jongen, en vertelde, hoe alles was gegaan. + +"Dat was flink voor zoo'n kleintje als jij," zei de raaf. + +"Ik heb hier een vriend in de buurt, die blij zal zijn, dat de slang +dood is, en ik wou, dat ik ook eens wat voor jou kon doen." + +"Vertel me dan, waarom je zoo blij bent, dat die slang dood is," +zei de jongen. + +"Och," antwoordde de raaf, "dat is een lang verhaal. Je hebt toch +geen geduld daarnaar te luisteren." + +Maar de jongen beweerde, dat hij dat wel had, en nu vertelde de raaf +de heele geschiedenis van Karr en Grauwvel en de slang Helpmij. Toen +hij klaar was, zat de jongen een poos stil voor zich uit te kijken. + +"Ik dank je wel," zei hij. "'t Is alsof ik het bosch beter begrijp, +nu ik dat gehoord heb. Ik zou wel eens willen weten, of er nu nog +iets van het groote Friedsbosch over is." + +"'t Meeste is al verwoest," zei Bataki. "De boomen zien er uit, +alsof ze in brand hebben gestaan. Ze moeten geveld worden, en het +duurt veel jaren, eer het bosch wordt, wat het geweest is." + +"Die slang daar heeft zijn dood verdiend," zei de jongen. "Maar hoe +wist hij zoo zeker, dat hij de larven ziek kon maken?" + +"Misschien wist hij, dat ze op die manier gewoonlijk ziek worden," +zei Bataki. + +"Ja, dat kan wel wezen, maar ik moet zeggen, dat hij toch in ieder +geval een heel verstandig dier was." + +De jongen zweeg. De raaf hoorde niet naar hem, maar zat met den kop +afgewend te luisteren naar iets anders. + +"Hoor," zei hij. "Karr is hier in de buurt. Nu zal hij blij zijn, +als hij hoort, dat Helpmij dood is." + +De jongen keek naar den kant, waarvan het geluid kwam. + +"Hij spreekt met de wilde ganzen," zei hij. "Ja, hij heeft zich +zeker voortgesleept naar den oever van het meer, om wat van Grauwvel +te hooren." + +De raaf en de jongen sprongen beiden van den steen, en liepen snel +naar het meer. Al de ganzen waren uit het water gekomen, en stonden +te praten met een ouden hond, die zoo gebrekkig en zwak was, dat men +den indruk kreeg, dat hij ieder oogenblik dood neer kon vallen. + +"Daar heb je Karr," zei Bataki tegen den jongen. + +"Laat hem nu maar eerst hooren, wat de wilde ganzen hem hebben te +vertellen! Daarna zullen wij hem zeggen, dat de slang dood is." + +Ze hoorden Akka tegen Karr spreken: + +"'t Gebeurde verleden jaar, toen we onze voorjaarsreis deden," zei +de gans. "We waren uitgevlogen: Yksi, Kaksi en ik, in den morgen, van +Siljan in Dalecarlië, en we kwamen over de groote grenswouden tusschen +Dalecarlië en Helsingland. We zagen niet anders onder ons, dan het +zwart-groene naaldbosch. De sneeuw lag nog hoog tusschen de boomen, +de rivieren waren bevroren; hier en daar zagen we een zwart wak, +en aan de oevers van de rivieren was de sneeuw gedeeltelijk weg. We +zagen bijna geen steden of hoeven, enkel grauwe herdershutten, die +'s winters leeg stonden. Hier en daar liepen smalle, kronkelende +boschpaden, waar de menschen in den afgeloopen winter hout langs +hadden gereden. Beneden bij de rivieren lag het hout opgestapeld. + +Terwijl we daar vlogen, zagen we drie jagers, die beneden in het bosch +wandelden. Ze liepen op sneeuwschoenen, ze hadden honden aan touwen, +messen in den gordel, maar geen geweren. Er was een hard bevroren +korst op de sneeuw, en zij keken niet naar de kronkelende boschpaden, +maar liepen rechtuit. + +Het scheen, dat ze wel wisten, waar ze heen moesten, om te vinden, +wat ze zochten. + +Wij, wilde ganzen, vlogen daar boven in de hoogte, en konden 't heele +bosch overzien. Toen we de jagers gezien hadden, wilden we ook graag +het wild zien. We begonnen heen en weer te vliegen, en tusschen de +takken te kijken. We zagen toen in een dicht kreupelhout iets, dat +op groote, met mos begroeide steenen leek. Maar steenen konden het +toch niet zijn, want er lag geen sneeuw op. + +We daalden snel naar beneden, en streken midden in 't kreupelhout +neer. Toen bewogen de drie steenblokken zich. 't Waren drie elanden, +die daar in het donkere bosch lagen: een stier en twee koeien. + +De elandstier stond op, toen we neerstreken, en kwam op ons af. 't +Was het grootste en mooiste dier, dat we ooit gezien hadden. Maar +toen hij zag, dat het maar een paar armzalige wilde ganzen waren, +die hem hadden wakker gemaakt, ging hij weer liggen. + +"Neen, vadertje, ga niet liggen slapen," zei ik toen tegen +hem. "Vlucht, zoo gauw je kunt! Daar zijn jagers in 't bosch, en ze +komen recht op dit elandleger aan." + +"Dank je wel, ganzenmoedertje," zei de eland, en het was, alsof hij +weer insliep onder 't praten, "maar je weet wel, dat wij, elanden, +hier veilig zijn in dezen tijd. Ze mogen niet op ons jagen. Die jagers +zijn zeker op de vossenjacht." + +"Er waren veel vossensporen in het bosch, maar die volgden de jagers +niet. Geloof me nu, vadertje. Ze weten, dat jelui hier liggen. Ze komen +hier om jelui neer te vellen. Ze hebben geen geweer bij zich, omdat +ze geen schot in 't bosch durven te lossen in dezen tijd van 't jaar." + +De elandstier bleef even kalm liggen, maar de koeien werden onrustig, +"'t Is misschien waar, wat de ganzen zeggen," zeiden ze, en begonnen +op te staan. + +"Blijven jelui maar stil liggen," zei de stier. "Er komen hier geen +jagers in 't kreupelbosch. Daar kun je zeker van zijn." + +Daar was niets aan te doen, en wij vlogen weer op, maar we bleven +heen en weer vliegen over de zelfde plaats, om te zien, hoe het met +de elanden zou gaan. + +Nauwlijks waren wij op onze gewone hoogte gekomen, of we zagen, +dat de elandstier uit het kreupelhout kwam. Hij snoof rond in alle +richtingen, en ging toen regelrecht de jagers tegemoet. Terwijl hij +voortliep, trapte hij op dorre takken, zoodat ze knapten met luid +gekraak. Een groot kaal moeras lag in zijn weg. Daar liep hij heen, +en ging midden op het open moeras staan, waar niets hem verborg. + +Daar stond de eland tot de jagers te voorschijn kwamen, aan den zoom +van 't bosch. Toen zwenkte hij, en vluchtte naar een anderen kant, +dan van waar hij gekomen was. De jagers lieten de honden los, en +liepen zelf op hun sneeuwschoenen, zoo hard zij konden, achter hem aan. + +De eland had den kop achteruit op den rug gelegd, en sprong in de +snelst mogelijke vaart voort. Hij sloeg zooveel sneeuw op, dat die +in een wolk om hem heen stond. Honden en jagers bleven ver achter +hem. Nu en dan bleef hij staan, als om hen op te wachten, en als ze +weer in 't gezicht kwamen, stormde hij opnieuw voort. We begrepen, +dat het zijn bedoeling was, de jagers weg te lokken van de plaats, +waar de koeien lagen. We vonden, dat hij dapper was, omdat hij zelf in +'t gevaar ging, om de zijnen rust te geven. Geen van ons zou willen +heengaan, voor we hadden gezien, hoe dit afliep. + +De jacht duurde op die manier een paar uur. We verwonderden er ons +over, dat de jagers de moeite namen, den eland te volgen, nu ze niet +met geweren gewapend waren. Ze konden toch niet meenen, dat ze het +tegen zulk een draver als hij konden volhouden. + +Maar toen zagen we, dat de eland niet meer zoo hard liep als in 't +begin. Hij zette de pooten voorzichtiger in de sneeuw. En als hij ze +optrok, zagen we bloed in het spoor. + +Toen begrepen we, waarom de jagers zoo volhielden. Ze rekenden op de +hulp van de sneeuw. De eland was zwaar, en bij elken stap, dien hij +deed, zonk hij tot op den bodem van de sneeuwlaag. Maar de harde korst +daar boven op schaafde zijn pooten stuk. Die schrapte het haar af, +en maakte gaten in de huid, zoodat hij pijn had, telkens als hij de +pooten neerzette. + +De jagers en de honden, die zoo licht waren, dat ze over de ijskorst +konden loopen, vervolgden hem voortdurend. Hij vluchtte en vluchtte +telkens opnieuw, maar meer en meer werd zijn loop onzeker en +struikelend. Hij blies heftig. 't Was niet genoeg, dat hij zooveel +pijn leed. Hij werd ook moe van het waden door de diepe sneeuw. + +Eindelijk verloor hij zijn geduld. Hij bleef staan, om de jagers en +honden bij zich te laten komen, en met hen te vechten. Terwijl hij +daar stond te wachten, keek hij op, en toen hij ons zag, terwijl +we boven hem zweefden, riep hij: "Blijf nu hier, wilde ganzen! tot +alles voorbij is! En als je over Kolmarden vliegt, zoek dan Karr, +den hond op, en zeg hem, dat zijn vriend, Grauwvel, een goeden dood +gestorven is!"" + +Toen Akka zoover gekomen was, stond de oude hond op, en ging twee +stappen naar haar toe. "Grauwvel heeft een goed leven geleid," zei +hij. "Hij kent mij. Hij weet, dat ik een dappere hond ben, en dat ik +blij zou zijn, als ik hoorde, dat hij een goeden dood stierf. Vertel +me nu hoe...." + +Hij hief den staart en den kop op, als om een fiere, flinke houding +aan te nemen, maar hij zonk weer neer. + +"Karr, Karr!" riep nu een menschenstem uit het bosch. De oude +hond stond haastig op. "Dat is de baas, die me roept," zei hij, +"en ik wil hem niet laten wachten. Ik zag hem zijn geweer laden, en +nu zullen wij beiden voor het laatst het bosch ingaan. Ik dank je, +wilde gans. Nu weet ik alles, wat ik noodig heb te weten, om tevreden +den dood te gemoet te gaan." + + + + + + +XXIII. + +IN NÄRKE. + + +In Närke was er vroeger iets, zooals ze nergens anders hadden, en +dat was een heks, die Ysätters-Kajsa heette. + +Den naam Kajsa had ze gekregen, omdat ze veel met storm en wind +te maken had, en omdat zulke windheksen altijd zoo genoemd worden, +en den bijnaam, omdat ze van de Ysätterpoel in Asker gekomen was. + +Men meent wel, dat ze eigenlijk haar thuis in Asker had, maar ze +vertoonde zich gewoonlijk ook op andere plaatsen. Nergens in heel +Närke kon men zeker wezen haar niet tegen te komen. + +Ze was geen akelige, sombere heks, maar vroolijk en uitgelaten, en +waar ze 't allermeest van hield, was een flinke storm. Zoodra het +maar hard genoeg waaide, trok ze uit om te dansen op de Närke-vlakte. + +Närke bestaat eigenlijk alleen uit een vlakte, door met bosch begroeide +bergen omgeven. Alleen in den noordoostelijken hoek, waar de Hjälmar +uit het landschap komt, is er een gat in de lange bergenheining. + +Als nu op een morgen de wind kracht heeft opgedaan op de Oostzee, en 't +land invliegt, gaat hij zonder tegenstand tusschen de stormlandsheuvels +door, en komt zonder veel moeite in Närke door de Hjälmaropening. Dan +rent hij voort over de vlakte, maar vlak in 't westen bonst hij tegen +den hoogen wand van den Kilsberg aan, en wordt teruggeworpen. Dan +kronkelt de wind als een slang om, en schuift naar het zuiden. Maar +daar staat weer een andere berg, en geeft hem een stoot, zoodat +hij naar 't oosten vliegt. En daar is er weer een, die hem naar +'t noorden stuurt. En zoo gaat het voort. De wind vliegt rond in al +kleiner en kleiner kringen, en blijft eindelijk midden op de vlakte +staan ronddraaien als een tol. Maar op zulke dagen, als de wervelwinden +over de vlakte vlogen, had Ysätters-Kajsa pleizier. Dan stond ze midden +in den wervelwind rond te tollen. Haar lange haren vlogen in 't rond +op de wolken van den hemel, haar sleep zwierde over den grond als een +stofwolk, en de heele vlakte lag onder haar als één groote dansvloer. + +'s Morgens zat Ysätters-Kajsa gewoonlijk boven in een of anderen hoogen +spar, op den top van een rotsige berghelling, uit te kijken over de +vlakte. Als het dan winter was, en de wegen begaanbaar waren, en ze +zag veel wagens rijden, dan ging ze gauw een sneeuwstorm aanblazen, en +torende de sneeuwhoopen zóó hoog op, dat de menschen maar met moeite +'s avonds konden thuiskomen. Als het zomer was en goed oogstweer, +zat Ysätters-Kajsa stil, tot de eerste hooiwagens opgeladen waren, +en dan kwam ze aanvliegen met een paar stortbuien, die voor dien dag +een eind aan het werk maakten. + +'t Was vast en zeker, dat ze maar zelden aan iets anders dacht, +dan aan kattekwaad doen. De kolenbranders boven op de Kilsbergen +durfden nauwlijks een dutje te doen, want, zoodra ze een onbewaakte +kolenmijn zag, sloop ze er heen, en blies die aan, zoodat ze met hooge +vlammen ging branden. En als de ertsrijders van de Laxå en de Svartå +'s avonds laat uit waren, hulde Ysätters-Kajsa de wegen en sporen in +zulk een dichten mist, dat de menschen en paarden in de war kwamen, +en de zware sleden in poelen en moerassen reden. + +Als de vrouw van den proost in Glanshammar op een zomerschen zondag de +koffietafel in den tuin had gedekt, en er kwam een windvlaag, die het +tafelkleed optilde, en koppen en schalen omgooide, dan wist men wel, +wie er weer aan 't grappen maken was. Als de hoed den burgemeester in +Örebro van 't hoofd geblazen werd, zoodat hij hem over de heele markt +moest naloopen, als de menschen van Vinön met hun groenteschuiten +in den Hjälmar op den grond liepen, als het te drogen gehangen +waschgoed wegvloog, of onder de stof kwam, als de rook 's avonds de +kamer insloeg, en de schoorsteen maar niet uit kon komen, dan was +'t niet moeilijk te raden, wie daar buiten aan 't pret maken was. + +Maar hoewel Ysätters-Kajsa veel hield van allerlei ergerlijke +plagerijen, was er toch eigenlijk niets slechts in haar. Men kon wel +merken, dat ze 't meeste kwaad deed bij menschen, die kibbelachtig en +gierig en boosaardig waren; maar betrouwbare menschen en kleine, arme +kinderen nam ze dikwijls in bescherming. En oude menschen vertellen, +dat eens, toen de kerk van Asker in brand stond, Ysätters-Kajsa kwam +aanvliegen, door rook en vuur heen op het dak van de kerk neerstreek, +en 't gevaar afweerde. + +In ieder geval waren de bewoners van Närke Ysätters-Kajsa dikwijls +hartelijk moe. Maar zij werd nooit moe, hen met allerlei lawaai te +plagen. Als ze op den kant van een wolk zat, en op Närke neerkeek, dat +vriendelijk en welvarend tevreden daar lag, met prachtige boerenhoeven +op de vlakte, en rijke mijnen en fabrieken tegen de bergen op, met de +langzaam stroomende Svartå en de ondiepe vischrijke meren in de vlakte, +met de goede stad Örebro, die zich uitstrekte om het ernstige, oude +kasteel met den statigen hoektoren, dan moet ze zeker gedacht hebben: +"Hier zouden de menschen het veel te goed hebben, als ik er niet +was. Ze zouden maar slaperig en vervelend worden. Hier moet iemand +zijn als ik, die ze wakker schudt, en ze in hun humeur houdt." + +En dan lachte ze luid en spottend, als een ekster, en stormde weg, +dansend en rondzwaaiend van den eenen hoek van de vlakte naar den +anderen. En als de bewoners van Närke zagen, hoe ze haar stofsleep +over de vlakte liet gaan, konden ze niet laten te lachen. Want +lastig en vervelend was ze, maar ze had een goed humeur. 't Was even +verfrisschend voor de boeren met Ysätters-Kajsa te doen te hebben, +als voor 't veld door den stormwind te worden gezweept. + +Tegenwoordig beweert men, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, zij, even +goed als alle andere heksen. Maar dat is bijna niet te gelooven. Dat +klinkt, alsof iemand ons kwam vertellen, dat de lucht van nu af aan +stil zal staan boven de vlakte, en de wind er nooit meer over heen +zal dansen met ruischen en bruisen, en frissche lucht en stortregens. + +Zij, die meenen, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, moeten toch maar +hooren, hoe het in Närke ging in het jaar, toen Niels Holgersson over +het landschap vloog, dan kunnen zij zelf zien, wat zij gelooven moeten. + + + + +DE AVOND VOOR DEN MARKTDAG. + + +'t Was de dag voor de groote veemarkt in Örebro, en het regende, +dat het goot. + +'t Was een regen, die niet uit te houden was. Er vielen heele stroomen +uit de wolken, en menigeen dacht: "'t Is precies, als in den tijd +van Ysätters-Kajsa. Nooit maakte ze zooveel spektakel, als tegen de +marktdagen. 't Zou juist iets voor haar zijn, zoo'n stortregen te +brengen op den avond vóór de groote markt." + +Hoe langer hoe erger werd de regen. Tegen den avond kwamen echte +wolkbreuken, de wegen werden als rivieren, en de menschen, die met +hun vee op weg waren, om vroeg in den morgen in Örebro te zijn, hadden +het kwaad. Koeien en ossen werden zoo uitgeput, dat ze geen stap meer +wilden doen, en veel van die arme dieren gingen midden op den weg +liggen om te toonen, dat ze niet verder konden loopen. Allen, die aan +den weg woonden, moesten de deuren openzetten voor de marktgangers, +en ze zoo goed en kwaad, als ze konden, huisvesting geven. + +'t Werd overvol, niet alleen in de woonkamers, maar ook in stallen +en schuren. + +Zij, die dat konden, probeerden intusschen voort te komen naar de +herberg, maar toen ze daar kwamen, hadden ze bijna spijt, dat ze niet +in een of andere kamer aan den weg gebleven waren. Alle hokken in de +schuur, en alle vakken in den paardenstal waren al bezet. Er bleef +niets anders over dan de paarden en koeien buiten in den regen te +laten staan. 't Was nog maar juist mogelijk, dat de eigenaars onder +dak konden komen. + +'t Was op de plaats een natte, vuile boel, en een gedrang, dat het +verschrikkelijk was. Sommige dieren stonden in heele plassen, en konden +niet gaan liggen. Er waren wel boeren, die hun dieren stroo gaven om +op te liggen, en ze met dekken toedekten, maar er waren er ook, die +in de herberg zaten te drinken en te spelen, en heelemaal vergaten, +waar ze voor zorgen moesten. + +De jongen en de wilde ganzen waren dien avond op een eilandje in den +Hjälmar aangekomen. Dat was maar door een smal, ondiep watertje van +het land gescheiden, en men kon wel begrijpen, dat men daar met droge +voeten over kon komen, als het laag water was. + +Op het eilandje regende het even erg als overal elders. De +jongen kon niet slapen door de droppels, die aanhoudend op hem +neervielen. Eindelijk begon hij op het eilandje rond te loopen. Hij +vond, dat hij den regen minder voelde, als hij zich bewoog. + +Nauwlijks was hij een keer rond geweest, of hij hoorde een geplas in +het water, dat het eiland van het land scheidde, en dadelijk daarop +zag hij een eenzaam paard tusschen de struiken aankomen. 't Was een +oude knol, zóó mager en ellendig, als de jongen nog nooit gezien +had. Hij was als gebroken, had stijve pooten, en was zoo mager, dat +alle botten onder het vel te zien waren. Hij was zonder toom of zadel, +droeg een oud halster, waarvan een half verrot stuk touw afhing. 't +Was duidelijk, dat 't hem niet moeilijk was gevallen om los te komen. + +'t Paard liep regelrecht naar de plaats, waar de wilde ganzen stonden +te slapen; en de jongen werd bang, dat hij op hen zou trappen. + +"Waar moet je heen? Kijk toch uit!" riep hij. + +"Zoo, ben jij daar," zei het paard, en kwam op den jongen af. "Ik +heb bijna een uur geloopen om je te vinden." + +"Heb je over mij hooren spreken?" vroeg de jongen verbaasd. + +"Ik heb mijn ooren wel, al ben ik oud. Er wordt tegenwoordig veel +over je gesproken." + +Hij had den kop onder het spreken neergebogen, om beter te kunnen zien, +en de jongen merkte op, dat hij een kleinen kop met mooie oogen en +een zachten fijnen neus had. + +"Dat is zeker van huis uit een goed paard geweest, al is hij er nu, +op zijn ouden dag, akelig aan toe," dacht hij. + +"Ik wou, dat je met me meê wou gaan en me helpen," zei het paard. De +jongen vond het moeilijk met iemand meê te gaan, die er zoo ellendig +uitzag, en verontschuldigde zich om het slechte weer. + +"Je hebt het hier niet beter, dan wanneer je op mijn rug zit," zei +het paard. "Maar je durft misschien niet met zoo'n schooier van een +knol meê, als ik ben." + +"O ja, dat durf ik wel," zei de jongen. + +"Maak dan de ganzen wakker, zoodat we kunnen afspreken, waar ze je +morgen zullen komen halen," zei het paard. + +Kort daarop zat de jongen op zijn rug. Het oude dier draafde weg, +beter, dan de jongen van hem verwacht had. Toch werd het een lange +tocht door den nacht en den storm, vóór ze stilhielden bij een groote +herberg. Daar zag het er vreeselijk ongezellig uit. In den weg waren +zulke diepe sporen ingereden, dat de jongen dacht, dat hij verdrinken +zou, als hij daarin viel. Aan het hek, dat rond om de plaats liep, +waren een dertig, veertig stuks paarden en rundvee gebonden, +zonder eenige beschutting voor den regen, en in 't midden van de +plaats stonden karren, met hooge hokken, waarin schapen en kalveren, +varkens en hoenders opgesloten zaten. 't Paard ging naar het hek, en +bleef daar staan. De jongen zat op zijn rug en met de scherpe oogen, +die hij had, zag hij duidelijk, hoe zwaar de dieren het hadden. + +"Hoe komt het, dat jelui hier buiten in den regen staan?" vroeg hij. + +"Wij zijn op weg naar de markt te Örebro, maar we moesten hier +binnengaan om den regen. Dit is een herberg, maar er zijn zooveel +reizigers gekomen, dat wij geen plaats in het huis kunnen krijgen." + +De jongen antwoordde niet, maar zat stil rond te kijken. Er waren niet +veel dieren, die sliepen. Van alle kanten kwamen klachten en teekenen +van misnoegen. Ze hadden alle reden om te jammeren, want het weer was +nog erger geworden, dan op den dag. Er was een ijskoude wind op komen +zetten, en de regen, die nu scherp en door den wind voortgezweept +neerviel, was met sneeuw vermengd. 't Was niet moeilijk te begrijpen, +wat het paard wilde, dat de jongen voor hem doen zou. + +"Zie je die prachtige hoeve wel, vlak over de herberg?" vroeg het +paard. + +"Ja," zei de jongen, "die zie ik wel, en ik begrijp niet, dat ze niet +gevraagd hebben, jelui daar binnen te mogen brengen. Of is het daar +misschien ook al vol?" + +"Neen, daar zijn geen gasten," zei het paard. "Zij, die daar wonen, +zijn zoo gierig en weinig behulpzaam, dat het niemand iets helpt, +als ze daar om huisvesting vragen." + +"O! is het daar zoo gesteld? Dan moet jelui wel blijven, waar je bent." + +"Maar ik ben juist daar geboren en opgevoed," zei het paard. "Ik weet, +dat daar een groote paardenstal is, en een groote veestal met veel +leege hokken en vakken, en ik dacht, dat je misschien zou kunnen maken, +dat we daar binnen kwamen." + +"Ik geloof niet, dat ik dat durf," zei de jongen. Maar toen had hij +toch zoo'n medelijden met de dieren, dat hij het ten minste wilde +probeeren. + +Hij liep de vreemde boerderij op, en zag dadelijk, dat alle +bijgebouwen gesloten waren, en alle sleutels er uit genomen. Hij +stond daar radeloos en hulpeloos, maar hij kreeg hulp van een kant, +van waar hij die niet verwacht had. 't Was een windvlaag, die kwam +aanzetten in woedende vaart, en de deur van een groote schuur vlak +voor hem opengooide. + +De jongen liep natuurlijk gauw naar het paard terug. + +"'t Is niet mogelijk in de stallen te komen," zei hij, "maar er is +een groote, leege hooischuur, die ze vergeten hebben te sluiten, +en daar kan ik jelui in brengen." + +"Ja, graag," zei het paard. "'t Zal prettig zijn nog eens op de oude +plaats te mogen slapen. Dat is het eenige genoegen, dat ik nog van +'t leven verwachten kan." + +In die rijke boerenhoeve, die over de herberg lag, waren ze intusschen +dien avond veel langer opgebleven dan gewoonlijk. + +De huisvader daar was een man van vijf en dertig jaar. Hij was lang, +en zag er waardig uit, met een mooi, maar heel somber gezicht. Hij +was dien dag in den regen uit geweest, en was nat geworden, als alle +andere menschen, en bij het avondeten had hij zijn oude moeder, die +nog huismoeder op de hoeve was, verzocht of zij vuur op den haard +wilde aanmaken, zoodat hij zijn kleeren kon drogen. De moeder had +daarop een klein, flauw vuurtje aangemaakt, want daar in huis waren +ze niet gewend royaal met brandhout om te gaan, en de boer had zijn +jas over een stoel voor het vuur gehangen. Toen had hij zijn voet op +den haardsteen gezet, en den arm op de knie geleund, en zoo was hij in +'t vuur blijven staan kijken. Hij had zoo een paar uur gestaan, zonder +een beweging te maken, dan alleen om nu en dan een stuk brandhout op +den haard te gooien. De moeder had het avondeten afgenomen, en zijn +bed opgemaakt, en toen was zij in de kleine kamer gaan zitten. Nu en +dan kwam zij aan de deur staan, en keek verwonderd naar haar zoon, +die daar bij 't vuur stond, en niet naar bed ging. + +"'t Is niets, Moeder. Ik denk maar aan vroeger," zei hij. + +De zaak was, dat, toen hij daar juist voorbij de herberg kwam, een +paardenkooper naar hem toe gekomen was, en hem had gevraagd, of hij +een paard wilde koopen. Hij had hem toen een oud beest laten zien, +dat er zoo ongelukkig uitzag, dat hij den man vroeg, of hij dwaas was, +dat hij hem zulk uitschot wilde verkoopen. + +"Och neen, maar ik dacht, dat je, omdat je het paard vroeger gehad +hebt, het misschien een rustigen, ouden dag zoudt willen bezorgen, +want dien heeft het wel noodig," had de paardenkooper geantwoord. + +Toen had hij 't paard bekeken en het herkend. 't Was een dier, +dat hij zelf opgefokt en gedresseerd had. Maar het kwam hem niet +in den zin zoo'n oud en onbruikbaar beest daarom te koopen. Neen, +zeker niet! Hij was niet zoo dwaas zijn geld weg te gooien. Maar in +ieder geval had het zien van dat paard allerlei herinneringen bij +hem wakker geroepen, en die herinneringen hielden hem zóó wakker, +dat hij niet naar bed kon gaan. + +Ja, dat paard was een flink, mooi dier geweest. Vader had het hem +heelemaal laten oppassen. Hij had hem 't eerst gereden, en hij hield +meer van dat paard, dan van eenig ander. Vader had er over geklaagd, +dat hij het te veel voer gaf, en dikwijls had hij het in stilte +haver gegeven. + +Hij had nooit te voet naar de kerk willen gaan, toen hij dat paard +had; hij had altijd gereden. 't Was alleen om met dat jonge paard te +pronken. Zelf kwam hij in kleeren, die thuis geweven en genaaid waren, +en de wagen was eenvoudig en ongeschilderd, maar het paard was het +mooiste, dat op 't kerkplein kwam. + +Eens had hij het gewaagd er met Vader over te spreken, of hij geen +lakensche kleeren koopen zou en den wagen schilderen. Vader had +verstomd gestaan. De zoon had gedacht, dat de oude man een beroerte +zou krijgen. Hij had toen geprobeerd Vader aan 't verstand te brengen, +dat hij, als hij zoo'n mooi paard voor den wagen had, er zelf toch +ook een beetje knap uit moest zien. + +Vader had niets geantwoord. Maar een paar dagen later was hij met +het paard naar Örebro gegaan, en had het verkocht. + +Dat was hard! Maar 't was duidelijk, dat Vader bang was geweest, +dat dit paard hem tot overdaad en verkwisting zou verleiden, en nu, +zoolang daarna, moest hij erkennen, dat Vader gelijk had gehad. Zoo'n +paard zou hem tot een verzoeking hebben kunnen worden. Maar in 't +begin was hij vreeselijk bedroefd geweest. Hij was nu en dan naar +Örebro gegaan, alleen om op den hoek van een straat te kunnen staan, +en 't paard voorbij te zien rijden, of om bij hem in den stal te +sluipen met een klontje suiker. + +"Als Vader sterft, en ik de hoeve krijg," had hij gedacht, "koop ik +allereerst mijn paard weer terug." + +Nu was Vader dood, en hij zelf had nu de hoeve al een paar jaar, maar +hij had nog geen poging gedaan om het paard terug te koopen. Hij had +in lang niet aan het dier gedacht, voor nu, vanavond. + +'t Was vreemd, dat hij het zoo heelemaal had kunnen vergeten. Maar +Vader was een man, die gebiedend optrad, met een heel sterken wil, +en toen de zoon volwassen was, en die twee veel samen werkten, had +Vader grooten invloed op hem gekregen. En het had hem toegeschenen, +dat Vader gelijk had in alles, wat hij deed. En sinds hij zelf de +hoeve had gekregen, had hij maar geprobeerd in alles zóó te handelen, +als Vader zou gedaan hebben. + +Hij wist wel, dat de menschen zeiden, dat Vader gierig was, maar +het was toch wel goed zijn beurs wat toe te houden, en geen geld +onnoodig weg te gooien. Het goed, wat men gekregen had, moest men +niet door nalatigheid verwaarloozen. 't Was beter gierig te heeten, +en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder groote leeningen +gebukt te gaan, zooals de andere grondeigenaars. + +Zóóver was hij in zijn gedachten gekomen, toen hij opschrikte, omdat +hij iets vreemds hoorde. 't Was alsof een schelle, spottende stem +precies herhaalde wat hij dacht: + +"'t Is 't beste je beurs stijf toe te houden. 't Is beter gierig te +heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder leeningen +gebukt te gaan, als de andere grondeigenaars." + +'t Klonk, alsof iemand den draak stak met zijn wijsheid, en hij was +op 't punt boos te worden, tot hij merkte, dat alles een vergissing +was. 't Was begonnen te waaien, en hij had hier gestaan, tot hij zoo +slaperig was, dat hij het huilen van den wind in den schoorsteen voor +werkelijk spreken gehouden had. + +Hij keek naar de klok aan den muur. Die sloeg juist elf zware +slagen. 't Was vreeselijk, zoo laat als het was geworden. + +"'t Wordt tijd, dat je naar bed gaat," dacht hij. Maar toen herinnerde +hij zich, dat hij nog niet de hoeve was rondgegaan, zooals hij iederen +avond placht te doen, om na te zien, of alle deuren en luiken dicht +waren, en alle lichten uit. + +Dat had hij nog nooit verzuimd, sinds hij de heer des huizes daar +was geworden. Hij sloeg zijn jas om zich heen, en ging naar buiten +in den storm. + +Hij vond alles in orde, behalve dat de deur van de leege schuur door +den wind was opengevlogen. Hij ging naar binnen om den sleutel te +halen, sloot de schuur, en stopte den sleutel in den zak van zijn +jas. Toen ging hij terug naar de groote kamer, deed de jas uit, +en hing die voor het vuur. Maar hij ging ook nu niet naar bed, maar +begon in de kamer heen en weer te loopen. 't Was vreeslijk weer buiten, +met dien snerpend kouden wind en den met sneeuw vermengden regen. En +zijn oud paard stond daar in den storm, zonder ook maar een dekje +als beschutting over zich heen. Hij had toch zijn ouden vriend wel +een dak boven zijn hoofd kunnen geven, nu hij eenmaal weer daar in +de buurt gekomen was. + +Midden op de plaats van de herberg hoorde de jongen een oude rammelende +klok aan den wand elf uur slaan. Juist toen was hij bezig het vee +los te maken, om het naar de schuur op de boerderij te brengen. + +Het nam heel wat tijd om hen wakker en gerangschikt te krijgen; +maar eindelijk waren zij klaar, en trokken op naar de boerderij met +de gierige bewoners, in een lange rij, met den jongen vooraan als gids. + +Maar terwijl de jongen dat alles in orde bracht, was de boer de plaats +rondgegaan, en had de hooischuur gesloten, zoodat de deur dicht was, +toen de dieren er aankwamen. De jongen bleef verbluft staan. Neen, +hij kon het vee daar niet laten staan. Hij moest het huis in, en den +sleutel zien te bemachtigen. + +"Houd je nu rustig hier, terwijl ik naar binnen ga, om den sleutel +te halen," zei hij tegen het oude paard, en meteen liep hij weg. + +Midden op de plaats bleef hij staan, om te overleggen, hoe hij in huis +zou komen. Terwijl hij daar stond, zag hij een paar kleine zwervers +over den weg loopen, en stilhouden voor de herberg. + +De jongen zag dadelijk, dat het een paar kleine meisjes waren, en hij +liep gauw naar hen toe, omdat hij meende, dat hij misschien van haar +hulp zou kunnen krijgen. + +"Zie zoo Brita Maja," zei de eene, "nu moet je niet meer schreien! Nu +zijn we bij de herberg. Hier mogen we wel binnenkomen." + +Nauwlijks had het meisje dit gezegd, of de jongen riep haar toe: +"Neen, jelui moet niet probeeren in de herberg te komen. Dat is +heelemaal onmogelijk. Maar in die boerderij daar hebben ze geen +gasten. Daar moet jelui heengaan." + +De meisjes hoorden de woorden duidelijk, maar ze konden niet zien, +wie ze zeide. Maar daar waren ze niet verbaasd over, want het was +immers stikdonkere nacht. De oudste van hen antwoordde dadelijk: + +"We willen niet naar die hoeve gaan, want de menschen die daar wonen, +zijn boos en gierig. Het is hun schuld, dat wij beiden hier op den +weg moeten loopen bedelen." + +"Dat kan wel wezen," zei de jongen, "maar jelui moet daar in ieder +geval heengaan. Jelui zult zien, dat het goed gaat." + +"Ja, we kunnen het wel probeeren, maar we worden niet eens +binnengelaten," zeiden de twee kleine meisjes, liepen op het huis toe, +en klopten aan. + +Weer stond de boer voor het vuur, en dacht aan het paard, toen hij +hoorde, dat iemand aanklopte. Hij ging naar buiten om te zien, wat het +was, en hij dacht er juist over, dat hij zich niet zou laten overhalen +om een of ander zwerver op te nemen. Maar op het oogenblik, dat hij het +slot open deed, was er een windvlaag bij de hand, die hem een poets +speelde. Die rukte hem de deur uit de hand, en sloeg die tegen den +muur. Hij moest er uit op de stoep, om de deur weer dicht te trekken, +en toen hij in de kamer terug kwam, stonden de meisjes al daarbinnen. + +'t Waren een paar arme bedelaarstertjes, havelooze, hongerige, +vuile kinders, een paar meisjes, die onder zakken gebukt liepen, +even groot als zijzelf. + +"Wat zijn jelui voor kinders, die zóó laat in den nacht nog buiten +rondzwerft?" vroeg de boer onvriendelijk. + +De kinderen antwoordden niet, maar zetten eerst haar zakken +neer. Toen kwamen ze op hem toe, en staken de handjes uit om hem te +begroeten. "Wij zijn Anna en Brita Maja van Engärde!" zei de oudste, +"en we wilden om nachtverblijf vragen." + +Hij nam de uitgestoken handjes niet aan, en was juist van plan die +bedelkinderen weg te sturen, toen een nieuwe herinnering in hem +opkwam. Engärde,--was dat niet het hutje, waar een arme weduwe met +haar vijf kinderen gewoond had? Maar de weduwe was zijn vader een +paar honderd kronen schuldig geweest, en om zijn geld te krijgen, +had hij haar hutje laten verkoopen. Toen was de weduwe naar Norrland +gegaan met de oudste kinderen, om werk te zoeken, en de twee jongste +waren ten laste van de gemeente gekomen. + +Hij werd bitter gestemd, toen hij daaraan dacht. Hij wist, dat men +het sterk had afgekeurd, dat zijn vader dat geld had opgeëischt, +dat toch zijn rechtmatig eigendom was. + +"Wat voeren jelui tegenwoordig uit?" vroeg hij de kinderen op strengen +toon. "Heeft de diaconie niets voor jelui gedaan? Waarom loop jelui +nu te bedelen?" + +"Dat kunnen wij niet helpen," zei het oudste meisje. "De menschen, +waar wij bij inwonen, sturen ons uit om te bedelen." + +"Nu, jelui hebt de zakken vol," zei de boer, "je hebt dus niet te +klagen. Nu is 't maar 't beste, dat je er uit neemt, wat je bij je +hebt, en je genoegen eet, want hier kun je geen eten krijgen. De +vrouwen zijn al naar bed. Dan kun je in den hoek bij den haard gaan +liggen, dan hebben jelui 't ten minste niet koud." + +Hij maakte een beweging met de hand, alsof hij ze afwijzen wilde, +en in zijn oogen kwam een uitdrukking, die bijna hard was. Hij moest +immers blij zijn, dat hij een vader had gehad, die op zijn zaken +paste. Anders had hij zelf misschien als kind moeten rondloopen met +den bedelzak op den nek, zooals nu deze twee. + +Nauwelijks had hij dat gedacht, of die schelle, spokende stem, die hij +dien avond nog eens gehoord had, herhaalde het woord voor woord. Hij +luisterde en begreep dadelijk, dat het niets was, enkel de wind in +den schoorsteen. + +Maar dat was het wonderlijke:--als de wind zoo zijn gedachten +herhaalde, kwamen ze hem zoo dom en hard en valsch voor. + +De kinderen waren intusschen naast elkander op den harden vloer gaan +liggen. Ze waren niet stil, maar lagen te mompelen. + +"Wil jelui wel eens stil wezen!" zei hij. Hij was zoo prikkelbaar, +dat hij ze wel had willen slaan. + +Maar dat gemompel bleef toch voortduren, en hij riep nog eens, dat +ze moesten zwijgen. + +"Toen Moeder van ons wegging," antwoordde daarop een helder stemmetje, +"heeft ze me laten beloven, dat ik elken avond mijn avondgebed zou +opzeggen. En dat moet ik doen en Brita Maja ook. Zoodra we hebben +opgezegd van: "Onzen lieve Heer, die de kinderen liefhebt" zullen we +stil zijn." + +De boer zat stil te luisteren, hoe de kleintjes hun gebedje +opzeiden. Toen begon hij met groote stappen heen en weer te +loopen,--heen en weer,--en hij wrong de handen, alsof hij in grooten +angst was. + +Het paard weggejaagd en bedorven, en hier die twee kinders tot +zwervende bedelaars gemaakt! En dat allebei was 't werk van zijn +vader! Misschien had zijn vader toch niet altijd gelijk bij alles, +wat hij deed. + +Hij ging op een stoel zitten, en steunde het hoofd in de handen. Op +eens begon zijn gezicht te trillen en te beven, en hij kreeg tranen +in de oogen, die hij haastig wegveegde. Er kwamen nieuwe tranen, die +hij even snel wegveegde, maar het hielp niet. Er kwamen telkens meer. + +Nu deed zijn moeder de deur van de kleine kamer open, en hij draaide +gauw zijn stoel zóó, dat hij haar den rug toekeerde. Maar zij moest +toch iets ongewoons hebben gemerkt, want ze stond een heele poos achter +hem, alsof ze verwachtte, dat hij iets tegen haar zou zeggen. Toen +dacht ze er aan, hoe moeielijk het altijd een man valt, om te spreken +van wat hem het diepst ter harte gaat. Ze zou hem wel moeten helpen. + +Ze had van uit de kleine kamer alles gezien, wat er in de groote +gebeurde, zoodat ze niets behoefde te vragen. Ze liep maar heel stil +naar de twee slapende kinderen, nam ze op, en droeg ze naar haar +eigen bed in de kleine kamer. Toen ging ze weer naar haar zoon. "Zeg +eens, Lars," zei ze, en deed, alsof ze niet zag, dat hij schreide, +"je moet mij die twee kinderen laten." + +"Wat, Moeder?" zei hij, en probeerde zijn tranen meester te worden. + +"Ik heb al jaren lang medelijden met hen gehad, al van den tijd af, +dat Vader hun het hutje afgenomen heeft. En dat heb jij ook." + +"Ja, maar..." + +"Ik wil ze hier houden en flinke menschen van hen maken. Ze zijn te +goed om te loopen bedelen." + +Hij kon niet antwoorden, want de tranen kwamen met onweerstaanbare +kracht. Maar hij nam de gerimpelde hand van zijn moeder, en streelde +die. + +Maar toen richtte hij zich snel op, alsof hij schrikte. + +"Wat zou Vader hiervan zeggen?" + +"Vader heeft zijn tijd gehad, waarin hij bestuurde. Nu is jouw +tijd gekomen," zei de moeder. "Zoolang Vader leefde, moesten we hem +gehoorzamen. Nu moet jij je toonen, zooals je bent." + +De zoon was zóó verwonderd over die woorden, dat hij ophield met +schreien. + +"Ik toon me toch, zooals ik ben," zei hij. + +"Neen," antwoordde zijn moeder. "Dat doe je niet. Je probeert aldoor +op Vader te lijken. Vader heeft slechte tijden beleefd, en dat heeft +hem bang gemaakt om arm te worden. Hij meende, dat hij wel gedwongen +was allereerst om zichzelf te denken. Maar jij hebt nooit iets zwaars +doorgemaakt, dat je hard heeft kunnen maken. Je hebt meer dan je noodig +hebt, en 't zou heel onnatuurlijk zijn, als je niet aan anderen dacht." + +Toen de kleine meisjes in huis gekomen waren, was de jongen ze +nageslopen, en al dien tijd had hij zich in een donker hoekje +verborgen. Het had niet lang geduurd, voor hij den schuursleutel in +'t oog kreeg, die uit den jaszak stak. "Als nu de boer de kinderen +de deur uit zet, pak ik den sleutel, en loop er meê weg," dacht hij. + +Maar toen werden de kinderen niet weggejaagd, en de jongen zat nog +in den hoek, en begreep niet, wat hij beginnen moest. + +De moeder sprak lang met haar zoon, en terwijl zij sprak, hield hij +op met schreien, en eindelijk zat hij met zoo'n goede uitdrukking op +zijn gezicht, en zag er uit als een ander mensch. En aldoor streelde +hij die oude gerimpelde hand. + +"Ja, nu moeten we toch naar bed," zei de oude vrouw, toen ze zag, +dat hij weer kalm was. + +"Neen," zei hij, en stond snel op. "Ik kan nog niet naar bed gaan. Er +is nog een gast, dien ik nu van nacht ontvangen mag." + +Hij zei niets meer, maar hij trok haastig zijn jas aan, stak een +lantaarn aan, en ging naar buiten. Buiten woei dezelfde felle wind, +en 't was er even koud, maar toen hij op de stoep kwam, begon hij te +neuriën. Hij vroeg zich af, of het paard hem nog kennen zou, en of +het blij wezen zou, als het weer in zijn ouden stal terugkwam. + +Toen hij over de plaats liep, hoorde hij een deur slaan in den wind. + +"Dat is de schuurdeur, die weer is opengewaaid," dacht hij, en ging +er heen om die te sluiten. + +Een oogenblik later stond hij bij de schuur, en wilde juist de deur +sluiten, toen hij daarbinnen iets hoorde ritselen. + +Dat kwam, omdat de jongen gezorgd had gelijk met hem naar buiten +te komen, en hij was dadelijk naar de schuur geloopen, waar hij het +vee had verlaten. Maar ze stonden niet meer buiten in den regen. Een +sterke windvlaag had al lang geleden de schuurdeur opengestooten, en +hen onder dak gebracht, maar 't was het geluid, dat de jongen maakte, +toen hij in de schuur sprong, wat de boer hoorde. Nu lichtte hij met de +lantaarn in de schuur, en zag toen, dat over den heelen vloer slapend +vee lag. Geen mensch was te zien. De dieren waren niet vastgebonden, +maar lagen hier en daar in het stroo. Hij werd boos op die indringers, +en begon te roepen en te schreeuwen om de slapende dieren te wekken, +en ze naar buiten te jagen. Maar zij bleven stil liggen, alsof ze +niet van plan waren zich te laten storen. De eenige, die opstond, +was een oud paard, dat heel langzaam op hem toekwam. + +Op eens werd de boer stil. Hij herkende het paard al aan zijn manier +van loopen. Hij hief de lantaarn op, om het te kunnen zien, en het +dier kwam dicht bij hem, en legde den kop op zijn schouder. + +En de boer begon hem te streelen. "Mijn best paard," zei +hij. "Mijn best paard! Wat hebben ze je gedaan? Ja, beste, ik zal +je terugkoopen. Je hoeft nooit meer van de plaats weg. Je zult het +goed hebben, jongen. Die anderen, die je hebt meêgebracht, mogen +hier blijven, maar jij moet met me meê naar den stal. Nu kan ik je +zooveel haver geven, als je eten kunt, zonder dat ik dat in stilte +hoef te doen. Je bent ook nog niet heelemaal op. Je zult nog eens het +mooiste paard op het Kerkplein worden, dat zul je! Mijn best beest." + + + + +HET KRUIEN VAN HET IJS. + + +Den volgenden dag was het mooi helder weer. Wel woei er nog een sterke +wind uit het westen, maar daar waren de menschen blij om. Want nu +droogden de wegen, die heelemaal geweekt waren door de hevige regens +van den vorigen dag. + +Vroeg in den morgen kwamen de twee kinderen uit Smaland: Asa, het +ganzenhoedstertje en de kleine Mads langs den grintweg, die van +Sörmland naar Närke leidde. De weg liep langs den zuidelijken oever +van den Hjälmar, en de kinderen liepen naar het ijs te kijken, dat +het grootste gedeelte van het meer nog bedekte. + +De morgenzon goot haar helder schijnsel over het ijs, dat er niet +donker en ongeredderd uitzag, zooals lente-ijs gewoonlijk doet; maar +het lag daar blank en uitlokkend. Zoover ze het konden zien, was het +vast en droog; het regenwater was al weer weggeloopen in gaten en +spleten, of ook was het opgezogen door het ijs zelf. Ze zagen niet +anders dan het prachtige ijs. + +Asa, het ganzenmeisje en kleine Mads waren op weg naar het noorden, +en ze konden niet laten er over te denken, hoeveel stappen zij zich +konden besparen, als ze dwars over dat groote meer gingen, in plaats +van er omheen te loopen. Ze wisten wel, dat voorjaarsijs gevaarlijk +is, maar dit scheen nog zoo veilig. Ze konden zien, dat het aan den +kant verscheiden duim dik was. Ze zagen ook, dat er een weg over heen +liep, dien ze konden volgen, en de andere oever leek zoo dichtbij, +dat ze dien in een uur moesten kunnen bereiken. + +"Kom, laten we het probeeren," zei kleine Mads. "Als we maar goed +voor ons uit kijken, dat we niet in een wak loopen, dan gaat het wel." + +En zoo gingen ze op weg over het meer. 't IJs was niet heel glad, +maar prettig om op te loopen. Er stond wel meer water op, dan ze +dachten, en hier en daar was het ijs poreus, zoodat het water er +door op en neer borrelde. Voor zulke plaatsen moest je oppassen, +maar dat was gemakkelijk te doen midden op den dag, in den helderen +zonneschijn. De kinderen kwamen snel en gemakkelijk vooruit, en ze +spraken er over, hoe verstandig ze hadden gedaan, door over het ijs +te gaan, in plaats van de wandeling over den verregenden weg voort +te zetten. Toen ze een tijd lang geloopen hadden, kwamen zij in de +buurt van Vinön. Daar kreeg een oud vrouwtje hen in het oog van uit +haar venster. Ze liep gauw haar hutje uit, zwaaide met de armen, +en riep hun iets toe, wat ze niet konden verstaan. Zij begrepen wel, +dat zij hen waarschuwde, de wandeling niet voort te zetten. Maar zij, +die op het ijs waren, zagen immers wel, dat er geen gevaar was. 't +Zou al heel dom zijn van het ijs te gaan, nu alles zoo mooi ging. + +Ze liepen dus Vinön voorbij, en hadden nu nog zoowat een uur gaans +over het ijs voor den boeg. Daar waren zulke groote waterplassen, +dat de kinderen groote omwegen moesten maken. Maar dat vonden ze wel +prettig. Ze deden om 't hardst hun best om uit te vinden, waar het +ijs het mooiste was. Ze waren niet moe, en hadden geen honger. Ze +hadden den heelen dag voor zich, en ze lachten maar, als er nieuwe +moeilijkheden kwamen. + +Nu en dan keken zij naar den overkant. Die scheen nog heel ver te +wezen, hoewel ze al een uur geloopen hadden. Ze waren er wat verbaasd +over, dat het meer zoo breed was. + +"'t Lijkt wel, of die overkant achteruit loopt," zei de kleine Mads. + +Hier waren ze niet beschut voor den westenwind. Die werd elke minuut +heviger, en drukte hun de kleeren zóó vast tegen het lijf, dat ze +zich met moeite konden bewegen. Die koude wind was het eerste echt +onaangename, wat hun op die heele reis overkwam. Wat hun verwonderde, +was, dat die wind zoo'n leven maakte. 't Was alsof die 't lawaai van +een grooten molen, of een of andere werkplaats meêbracht. Maar zulke +dingen konden er toch niet zijn op de ijsvlakte. Ze waren aan de +westkust langs het groote eiland Valen gegaan, en nu meenden ze toch +te kunnen merken, dat de noordelijke oever dichter bij kwam. Maar +de wind werd al sterker, en het lawaai nam zóó toe, dat ze ongerust +begonnen te worden. + +Op eens meenden ze te begrijpen, dat het sterke geluid, dat ze hoorden, +van golven kwam, die schuimend en bruisend tegen een strand sloegen, +maar dat was toch onmogelijk, want het meer was nog met ijs bedekt. + +Toch stonden ze stil, en keken rond. Toen zagen ze ver in het westen, +bij Björnön en Göksholmland een witten muur, die dwars over 't ijs +liep. Ze meenden eerst, dat het de besneeuwde kant van een weg was, +maar toen begrepen ze, dat het schuim van golven was, die tegen het +ijs sloegen. + +Toen ze dat zagen, namen ze elkaar bij de hand, en begonnen hard te +loopen, zonder een woord te zeggen. Het water daar in 't westen was +open, en ze meenden gezien te hebben, dat de schuimrand zich haastig +naar 't oosten verplaatste. Ze wisten niet, of het ijs overal breken +zou, of wat er zou gebeuren, maar ze voelden, dat ze in gevaar waren. + +Op eens kwam het hun voor, alsof het ijs opgeheven werd, juist op de +plaats, waar ze liepen: opgelicht werd en weer neerzonk, alsof iemand +er van onderen tegen had gestooten. Daarop hoorden ze een dof knallen, +en toen kwamen er barsten aan alle kanten. De kinderen konden ze door +het ijs zien schieten. + +Het bleef een poosje stil, maar toen voelden ze weer dat op en neer +gaan van het ijs. En daarna werden de barsten spleten, waardoor ze +het water zagen opborrelen. En onmiddellijk werden toen de spleten +kloven, en het ijs begon zich in groote schotsen te verdeelen. + +"Asa," zei kleine Mads, "dit is zeker het kruien van 't ijs." + +"Ja Mads, dat is het," antwoordde Asa, "maar we kunnen nog aan land +komen. Loop maar flink door." + +De wind en de golven hadden nog heel wat te doen, om het ijs uit het +meer te krijgen. Het moeilijkste was wel achter den rug, toen het +ijsdek in stukken gebroken was. Maar al die stukken moesten op nieuw +verdeeld worden, en tegen elkaar gegooid om gebroken, verbrijzeld +en gesmolten te worden. Er was nog veel hard en vast ijs, dat groote +gave velden vormde. + +Maar het grootste gevaar voor de kinderen was, dat ze het ijs niet +konden overzien. Ze konden niet zien, waar de spleten zoo breed waren, +dat ze er onmogelijk overheen konden komen. Ze wisten niet, waar de +groote ijsstukken waren, die hen konden dragen. Daarom zwierven ze +heen en weer. Ze kwamen verder op het meer, in plaats van dichter +bij het land. Ze waren zóó bang en radeloos op dat barstende ijs, +dat ze eindelijk stil bleven staan schreien. + +Daar kwam een troep wilde ganzen in snelle vlucht over hen heen +strijken. Ze riepen hard en luid, en het wonderlijkste was, dat de +kinderen onder al 't gekakel door de woorden hoorden: "Jelui moet +rechts loopen, rechts, rechts, rechts!" + +Ze kwamen dadelijk in beweging, en volgden den raad, maar het duurde +niet lang, of ze stonden op nieuw voor een spleet, en wisten niet +wat ze doen moesten. + +Weer hoorden ze de ganzen roepen boven hun hoofd, en in 't gekakel +onderscheidden ze de woorden: "Blijf stil staan, waar je bent, blijf +stil staan, waar je bent!" + +De kinderen spraken geen woord over wat ze hoorden, maar ze +gehoorzaamden, en bleven staan. Kort daarop gleden de ijsstukken weer +naar elkaar toe, zoodat zij over de spleet konden komen. Toen namen ze +elkaar weer bij de hand, en sprongen verder. Ze waren niet alleen bang +voor het gevaar, dat hen dreigde, maar ook voor de hulp, die ze kregen. + +Al gauw stonden ze opnieuw twijfelend stil, maar toen hoorden ze weer +een stem, die tot hen doordrong: "Recht door! Recht door!" zei de stem. + +Zoo ging het wel een half uur achtereen; maar toen waren ze ook bij +de lange Lungerlandtong, en konden van het ijs komen en naar land +waden. Toen bleek het, hoe bang ze geweest waren, want toen ze op den +vasten grond kwamen, bleven ze niet eens staan, om naar het meer terug +te zien, waar nu de golven de ijsblokken al heftiger omhoog stootten, +maar ze liepen hard door. + +Toen ze een eindje op de landtong waren gekomen, bleef Asa op eens +staan. + +"Wacht hier even, Mads," zei ze. "Ik heb wat vergeten." En Asa, het +ganzenhoedstertje, ging weer naar den oever van 't meer terug. Daar +ging ze zoeken in haar zak, en haalde er eindelijk een klein klompje +uit, dat ze op een steen zette, waar het goed in 't oog viel. Daarna +ging ze naar den kleinen Mads terug, zonder ook maar één keer om +te kijken. + +Maar nauwelijks had zij den steen den rug toe gekeerd, of een groote, +witte gans schoot neer als een bliksemstraal uit de lucht, rukte de +klomp naar zich toe, en vloog met dezelfde snelheid weer naar boven. + + + + + + +XXIV. + +DE IJZERFABRIEK. + + +Een felle westenwind blies bijna den heelen volgenden dag, toen de +wilde ganzen over de mijndistricten kwamen, en zoodra ze probeerden +naar het noorden te vliegen, werden zij naar het oosten gedreven, maar +Akka meende, dat Smirre de vos, in 't oosten van 't land rondzwierf. Ze +wilde daarom niet dien kant uitvliegen, maar keerde telkens opnieuw, +en werkte zich met moeite vooruit in de richting naar het westen. Op +die manier kwamen de wilde ganzen maar langzaam vooruit, en waren +dien middag nog in de mijndistricten van Westmanland. Tegen den avond +ging de wind op eens liggen, en de vermoeide reizigers begonnen te +hopen, dat ze een poos gemakkelijk zouden kunnen doorvliegen vóór +zonsondergang. Maar daar kwam een geweldige windvlaag. Die wierp de +ganzen als ballen voor zich uit, en de jongen, die zorgeloos neerzat, +en niet op gevaar bedacht was, werd van den rug van den ganzerik +gelicht, en in de lucht geslingerd. + +Zoo klein en licht als de jongen was, kon hij in zoo'n hevigen wind +niet recht op den grond vallen, maar eerst ging hij een tijdlang met +den wind mee, en toen zonk hij zacht en bij stootjes neer, zoo als +een blad van een boom valt. + +"Nu, dat loopt wel goed af," dacht de jongen nog onder het +vallen. "Ik rol zoo langzaam op den grond, alsof ik een velletje +papier was. Maarten, de ganzerik, zal wel gauw komen en me oprapen." + +Het eerste, wat hij deed, toen hij op den grond stond, was zijn muts +afnemen en er meê wuiven, zoodat de groote witte ganzerik zou zien, +waar hij was. + +"Hier ben ik! Waar ben jij? Hier ben ik, waar ben jij?" riep hij. En +hij verbaasde er zich over, dat Maarten, de ganzerik, al niet naast +hem stond. + +Maar de groote witte was niet te zien, en ook de figuren van de wilde +ganzen zag hij niet tegen den hemel afsteken. Ze waren spoorloos +verdwenen. + +Hij vond dat wel een beetje vreemd, maar hij werd niet verschrikt of +onrustig. Het kwam geen oogenblik bij hem op, dat Akka of Maarten +hem in den steek zouden laten. Die hevige windvlaag had hen zeker +meêgesleurd. Zoodra ze maar konden omkeeren, zouden ze wel terugkomen, +om hem te halen. + +Maar wat was dat nu? Waar in de wereld was hij toch? Tot nu toe had hij +alleen maar in de lucht gekeken naar de ganzen, maar nu begon hij om +zich heen te zien. Hij was niet op het vlakke veld neergevallen, maar +in een breede bergspleet, of iets dergelijks. 't Was een ruimte, zoo +groot als een kerk, met bijna loodrechte rotswanden aan alle zijden, en +heelemaal zonder dak. Op den grond lagen een paar groote steenblokken, +en daartusschen groeiden mos en roode boschbessestruiken en kleine lage +berkjes. Hier en daar waren terrasjes in de wanden, en vandaar hingen +oude verwaarloosde houten ladders naar beneden. Aan de eene zijde was +de opening van een zwart gewelf, dat diep in den berg scheen te loopen. + +De jongen had niet voor niet een heelen dag over de mijndistricten +gereisd. Hij begreep dadelijk, dat die groote kloof was ontstaan, +doordat de menschen vroeger erts daar uit den berg hadden gehaald. + +"Maar ik moet toch zien weer naar boven te klauteren," dacht hij, +"want anders ben ik bang, dat mijn reiskameraden me niet vinden." + +Hij zou juist naar een van de wanden loopen, toen iemand hem van +achteren aanpakte, en hij een zware stem vlak bij zijn oor hoorde +brommen: + +"Wat ben jij er voor een?" + +De jongen keerde zich snel om, en in zijn eerste verbazing meende +hij, dat hij een groot steenblok voor zich had, met lang bruin mos +begroeid, maar toen merkte hij, dat het steenblok breede voeten had +om op te loopen, een kop, oogen en een grooten, brommenden mond. + +Hij kwam er niet toe te antwoorden, en het groote dier scheen dat ook +niet te verwachten. Het gooide hem om, rolde hem met de poot heen en +weer, en besnuffelde hem. Het deed juist, alsof het van plan was hem +in te slikken, maar scheen tot andere gedachten te komen, en riep: +"Morre en Bromme! Kindertjes, kom eens hier. Ik heb een lekker hapje +voor jelui." + +Dadelijk kwamen er een paar slordige jongen aanrennen, die los op de +pooten stonden, en een zacht velletje hadden als jonge honden. + +"Wat hebt u gevonden, Moeder? Laat eens kijken?" riepen ze. + +"O zoo! ben ik bij de beren gekomen," dacht de jongen. "Dan ben +ik bang, dat Smirre niet veel moeite meer hoeft te doen om op mij +te jagen." + +De berin schoof met den poot den jongen naar haar kleintjes toe, en +een van hen pakte hem, en sprong met hem weg. Maar hij beet niet door, +want hij was speelsch, en wou zich een poosje met Duimelot vermaken, +vóór hij hem doodbeet. De andere liep hem na, om hem den jongen af te +nemen, en terwijl hij voortstrompelde, viel hij precies op den kop +van hem, die den jongen droeg. Toen rolden ze over elkaar, beten en +sloegen elkaar, en bromden. + +Intusschen kwam de jongen los, sprong naar den bergwand, en begon +naar boven te klauteren. Toen vlogen de beide jonge beren hem na, +klommen vlug den berg op, haalden hem in, en gooiden hem neer op het +mos als een bal. + +"Nu weet ik, hoe een arm ratje zich voelt, als hij in de klauwen van +een kat is gevallen," dacht de jongen. Hij probeerde telkens weg te +komen. Hij sprong diep in de oude ertsgangen, verstopte zich achter +de steenen, en klom in de berken, maar de jonge beren vonden hem, +waar hij ook heenkroop. Zoodra ze hem gevangen hadden, lieten ze hem +los, opdat hij weer weg zou loopen, en zij de pret zouden hebben hem +weer te vangen. + +Eindelijk werd de jongen zóó moe en akelig, dat hij op den grond +bleef liggen. + +"Loop nu weg, anders eten we je op," bromden de beertjes. + +"Ja, doe dat maar," zei de jongen. "Ik kan niet meer wegloopen." + +Dadelijk strompelden de beertjes naar de berin. + +"Moeder, Moeder, hij wil niet meer spelen!" klaagden ze. + +"Dan moet jelui hem samen deelen," zei de berin. Maar toen de jongen +dat hoorde, werd hij zoo bang, dat hij dadelijk weer begon te spelen. + +Toen het tijd van slapen werd, en de berin haar jongen riep, om bij +haar te komen, en te gaan slapen, hadden ze zoo'n pleizier gehad, +dat ze den volgenden dag verder wilden spelen. Ze namen den jongen +tusschen zich in, en legden de pooten over hem heen, zoodat hij zich +niet verroeren kon, zonder dat zij wakker werden. Ze sliepen dadelijk +in, en de jongen dacht, dat hij over een poosje zou probeeren van hen +weg te sluipen. Maar nooit in zijn heele leven was hij zoo heen en +weer gerold, en gejaagd en rondgeslingerd, en hij was zoo doodmoe, +dat hij ook insliep. + +Na een poosje kwam de berenvader aanklauteren langs den rotswand. De +jongen werd wakker, doordat hij steenen en gruis losscheurde, terwijl +hij neerkwam langs de oude groeve. Hij durfde zich niet veel te +bewegen, maar draaide zich toch voorzichtig zoover om, dat hij den +beer kon zien. 't Was een vreeselijk grof en sterk gebouwde oude +beer met geweldige klauwen, groote glimmende hoektanden en leelijke +kleine oogjes. De jongen rilde onwillekeurig, toen hij den ouden +boschkoning zag. + +"'t Ruikt hier naar menschen," zei de beer, zoodra hij bij de berin +kwam; en zijn gebrom klonk als een onweer. + +"Hoe kun je je nu zooiets verbeelden?" zei de berin, en bleef rustig +liggen. "We hebben immers afgesproken, dat we den menschen geen kwaad +meer zullen doen. Maar als er zich hier een vertoonde, waar ik met +de jongen ben, dan zou er niet eens zoo veel van hem overschieten, +dat jij hem kon ruiken." + +De beer ging naast de berin liggen, maar scheen met haar antwoord niet +recht tevreden te zijn, want hij kon niet laten in 't rond te snuffen. + +"Schei nu uit met dat gesnuffel!" zei de berin. "Je kent me toch +genoeg om te weten, dat ik niets gevaarlijks bij de jongen zal laten +komen. Vertel me liever, wat je hebt uitgevoerd. Ik heb je de heele +week niet gezien." + +"Ik heb naar een nieuwe woning omgezien," zei de beer. "Eerst ben ik +naar Wermeland geweest, om te hooren hoe de familie in Ekshärad het +daar heeft. Maar dat was vergeefsche moeite. Er was geen berenhol +meer in 't heele bosch." + +"Ik geloof, dat de menschen alleen op de wereld willen zijn," zei +de berin. "Al laat je hun vee en hun volk met rust, al leef je van +boschbessen en mieren en groen, dan mag je nog niet in 't bosch +blijven wonen. Ik zou wel eens willen weten, waarheen we moesten +verhuizen om rust te hebben." + +"Hier in de groeve hebben we 't immers jaren lang best gehad," zei de +beer. "Maar ik kan 't hier niet uithouden, nu die groote lawaaiige +fabriek hier vlak in onze buurt gebouwd is. Nu ben ik 't laatst ten +oosten van de Dalrivier geweest, bij Garpenberg. Daar waren ook veel +oude groeven en andere goede schuilplaatsen, en ik vond, dat het er +daar ook uitzag, alsof de menschen er je wel met rust zouden laten..." + +Op 't zelfde oogenblik, dat de beer dat zei, stond hij op en snuffelde +om zich heen. + +"'t Is vreemd,--maar als ik over menschen praat, ruik ik die lucht +weer," zei hij. + +"Zie nu maar zelf alles na, als je me niet gelooft," zei de berin. "Ik +zou wel eens willen weten, waar hier ergens een mensch verborgen zou +kunnen zijn." + +De beer liep de heele ruimte door, en snuffelde overal rond. Eindelijk +ging hij weer liggen, zonder een woord te zeggen. + +"Zei ik 't niet?" zei de berin. "Maar jij gelooft natuurlijk, dat +niemand, behalve jij, neus en ooren heeft." + +"Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met zulke buren, als wij hier +hebben," zei de beer kalm. Maar opeens stoof hij brullend op. Een van +de jonge beertjes had bij ongeluk den poot op Niels Holgerssons gezicht +gelegd, zoodat de stakker niet kon ademhalen, maar begon te snuiven. Nu +kon de berin den beer niet langer houden, hij gooide zijn jongen +rechts en links, en kreeg Duimelot in 't oog, vóór hij op kon staan. + +Hij zou hem onmiddellijk hebben ingeslikt, als de berin zich niet +tusschen hen in geworpen had. + +"Blijf van hem af! Hij hoort van de jongen!" riep ze. "Ze hebben den +heelen avond zoo'n pret met hem gehad, dat ze hem niet op wilden eten, +maar hem voor morgen bewaren." + +Maar de beer duwde haar op zij. + +"Bemoei je nu niet met dingen, die je niet begrijpt," schreeuwde +hij. "Merk je nu niet, dat hij een uur in den wind naar een mensch +ruikt? Ik zal hem direct opeten, anders speelt hij ons nog eens een +leelijke poets." + +Hij sperde weer den muil open, maar nu had de jongen tijd gehad, en +hij had vliegens vlug zijn zwavelstokken uit zijn ransel gehaald. Dat +was het eenige verdedigingsmiddel, dat hij had. Hij streek er een +aan langs zijn leeren broek, en stak den brandenden zwavelstok in +den bek van den beer. + +De beer snoof en proeste, toen hij de zwavellucht rook en--uit was de +vlam. De jongen hield een tweede zwavelstok klaar, maar--wonderlijk +genoeg--de beer deed geen aanval. + +"Kun je nog meer van die blauwe vlammetjes maken?" vroeg de beer. + +"Ik kan er zooveel aansteken, dat ze 't heele bosch kunnen vernielen," +antwoordde de jongen, want hij meende, dat hij op die manier den beer +bang kon maken. + +"Zou je een huis en een hoeve ook wel in brand kunnen steken?" vroeg +de beer. + +"Dat zou voor mij in 't minst geen kunst zijn," blufte de jongen, +en hoopte, dat de beer respect voor hem zou krijgen. + +"Dat is best," zei de beer. "Dan kun je mij nog een dienst bewijzen. Nu +ben ik blij, dat ik je niet opgegeten heb." + +Toen nam de beer heel zacht en voorzichtig den jongen tusschen de +tanden, en begon uit het hol naar boven te klimmen. Dat ging hem +onbegrijpelijk vlug en gemakkelijk af, in aanmerking genomen, dat +hij zoo groot en zoo zwaar was; en zoodra hij boven kwam, liep hij +hard het bosch in. Dat ging ook met een vaart. Men kon merken, dat +hij als geschapen was om door dichte bosschen heen te dringen. Zijn +zwaar lichaam schoot door het kreupelhout, als een boot door het water. + +De beer liep door, tot hij aan een heuvel aan den rand van 't bosch +kwam, waar hij de groote ijzerfabriek kon zien. Daar ging hij liggen, +zette den jongen voor zich neer, en hield hem met de beide voorpooten +vast. "Kijk nu naar die groote lawaaifabriek," zei hij tegen den +jongen. + +De groote ijzerfabriek verhief zich met veel hooge en groote gebouwen +aan den rand van een waterval. Hooge schoorsteenen zonden zwarte +rookwolken in de lucht, de vlammen van den hoogoven flikkerden, +en uit alle vensters en luiken straalde licht. Daarbinnen waren +hamers en walsen aan den gang, en ze werkten met zoo'n kracht, dat de +lucht weerklonk van het dreunen en ratelen. Om de werkplaatsen heen +lagen reusachtige kolenschuren, groote hoopen slakken, pakhuizen, +stapels planken en bergplaatsen voor gereedschap. Een eind verder +stonden lange rijen arbeiderswoningen, mooie villa's, scholen, +vergaderlokalen en winkels. Maar al dat andere was stil, en scheen +te slapen. De jongen keek daar niet naar. Hij dacht alleen aan de +fabrieksgebouwen. Daaromheen was het veld zwart; de hemel welfde zich +prachtig donkerblauw boven de hoogovensvlammen, waar de waterval wit +schuimend voorbij vloog, en zelf stonden ze daar, en zonden licht +en rook uit, en vuur en vonken. 't Was het meest overweldigende, +wat hij ooit had gezien. + +"Je zult toch niet beweren, dat je zoo'n groote fabriek ook in brand +kunt steken," zei de beer. + +De jongen stond daar tusschen de berenpooten geklemd, en hij meende, +dat het eenige, wat hem redden kon, was, dat de beer een sterken +indruk van zijn macht en kracht kreeg. + +"Dat is me 't zelfde, of het groot of klein is," zei hij. "Ik kan +dat best laten afbranden." + +"Dan zal ik je wat zeggen," zei de beer. "Mijn voorouders hebben in +deze streken gewoond, zoolang er bosschen hier in 't land groeiden, +en ik heb het jachtgebied en 't veld om te grazen, het nest en +alle schuilplaatsen van hen geërfd, en hier in rust mijn leven lang +gewoond. In het begin werd ik niet vaak door de menschen gestoord. Ze +liepen in den berg te hakken, en haalden er wat erts uit, en hier +bij den waterval hadden ze een smederij en een smeltoven. Maar de +hamer klonk enkel een paar uur per dag, en de oven brandde maar een +paar maanden achter elkaar. Dat kon ik wel uithouden, maar nu in de +laatste jaren, nu ze die lawaaifabriek hebben gebouwd, die met dezelfde +vaart dag en nacht doorgaat, nu kan ik hier niet meer aarden. Vroeger +woonde hier de eigenaar en een paar smeden, maar nu zit het hier zoo +vol menschen, dat ik nooit veilig voor hen ben. Ik dacht, dat ik wel +gedwongen zou zijn te verhuizen, maar nu heb ik wat anders bedacht." + +De jongen vroeg zich af, wat de beer wel bedacht zou hebben, maar hij +kwam er niet aan toe het te vragen, want nu nam de beer hem opnieuw +tusschen de tanden, en liep met hem den heuvel af. De jongen kon +niets zien, maar hij begreep door het sterker wordend gedruisch, +dat ze dichter bij de fabriek kwamen. + +De beer kende die heele fabriek goed. Hij had daar veel donkere +nachten omheen geloopen, opgemerkt wat daar binnen gebeurde, en er +over gedacht, of dat werk daar nooit eens zou ophouden. Hij had de +muren met de voorpooten betast, en gewenscht, dat hij zóó sterk was, +dat hij het heele gebouw naar den grond zou kunnen slaan met één slag. + +Hij was niet gemakkelijk te onderscheiden tegen den zwarten grond, +en als hij bovendien in de schaduw van de muren bleef, liep hij +geen gevaar ontdekt te worden. Nu liep hij onbevreesd tusschen de +werkplaatsen door, en klauterde op een hoop slakken. Daar ging hij op +de achterpooten staan, hield den jongen tusschen de voorpooten omhoog, +en zei: "Probeer eens, of je in dat huis kunt zien." + +Binnen in de fabriek waren ze bezig met het smelten van Bessemer-ijzer. + +In een grooten, zwarten, ronden kogel, die aan den zolder hing, en met +gesmolten ijzer gevuld was, persten zij een sterken luchtstroom. En +als de lucht met een vreeselijk gedreun in de ijzermassa drong, +sprongen daar groote zwermen vonken uit. De vonken kwamen in kwasten, +in bundels, in lange trossen. Ze hadden allerlei kleuren, waren groot +en klein, stoven tegen den muur en door de geheele groote ruimte. De +beer liet den jongen naar dat prachtig tooneel kijken, tot het blazen +voorbij was, en het roode, vloeibare, mooi lichtende staal uit den +ronden kogel neerstroomde in een paar emmers. De jongen vond, wat +hij daar zag, zóó overweldigend, dat hij er heelemaal van onder den +indruk kwam, en bijna vergat, dat hij tusschen een paar berenklauwen +gevangen zat. + +De beer liet den jongen ook in de cylinderwerkplaats zien. Daar nam +een arbeider een kort, dik, wit gloeiend stuk ijzer uit een oven, +en stopte het onder een cylinder. Als het stuk ijzer daaronder uit +kwam, was het samengedrukt en uitgetrokken. Dadelijk nam een andere +arbeider het over, en stopte het onder een nog zwaarder cylinder, +die het nog langer en smaller maakte. + +Zoo ging het van de eene naar de andere, en werd steeds weer +uitgetrokken en geperst, tot het eindelijk als een vele meters lange, +roode glinsterende draad over den vloer kronkelde. Maar terwijl het +eerste stuk ijzer geperst werd, was er al weer een nieuw uit den +oven gehaald, en als dat een eind op weg was, kwam er een derde. En +onophoudelijk slingerden zich nieuwe roode draden over den vloer, +als sissende slangen. De jongen vond, dat het prachtig was het ijzer +te zien, maar nog prachtiger vond hij de arbeiders, die vlug en handig +de gloeiende slangen met hun tangen aanpakten, en ze onder de cylinders +staken. 't Scheen voor hen een spel, met dat sissende ijzer om te gaan. + +"Ik moet zeggen, dat dit hier echt mannenwerk is," dacht de jongen. + +De beer liet hem ook in den smeltoven zien en in de ijzergieterij, +en de jongen werd er steeds meer verbaasd over, toen hij zag, hoe de +smeden met ijzer en vuur omgingen. + +"Die menschen zijn heelemaal niet bang voor warmte en vlammen," dacht +hij. Zwart en vol roet waren zij. Hij vond, dat ze op vuurmenschen +leken, en daarom konden ze zeker 't ijzer buigen en vervormen naar +welgevallen. Hij kon niet gelooven, dat het maar gewone menschen waren, +die zulk een macht hadden. + +"Kijk! Zoo gaan ze nu maar door--dag aan dag, nacht op nacht!" zei de +beer, en ging op den grond liggen. "Je kunt wel begrijpen, dat zooiets +je verveelt. 't Is heerlijk, dat ik er nu een eind aan maken kan." + +"Zoo, kun je dat?" vroeg de jongen. "Hoe wil je dat doen?" + +"Wel, ik stel me voor, dat jij die gebouwen hier in brand zult steken," +zei de beer. "Dan zou ik rust krijgen, en al dat gedoe niet meer +hooren, en ik zou hier in deze streek kunnen blijven wonen." + +De jongen werd ijskoud van schrik. 't Was dus daarom, dat de beer +hem hierheen had gebracht. + +"Als je die lawaaifabriek in brand steekt, beloof ik je, dat je mag +blijven leven," zei de beer. "Maar als je niet doet, wat ik wil, is +'t gauw met je gedaan." + +De groote werkplaatsen waren met tegels bekleed, en de jongen dacht, +dat al zou de beer zooveel bevelen geven, als hij maar kon, hij die +toch niet zou kunnen uitvoeren. + +Maar toch zag hij al gauw, dat het niet zoo onmogelijk was. Dicht +bij hem lag een berg stroo en spanen, die hij gemakkelijk in brand +kon steken, daarnaast lag een stapel planken en die lag vlak bij de +kolenschuur. En de kolenschuur raakte de werkplaatsen, en als die +in brand raakten zouden de vonken al gauw op het dak van de fabriek +vallen. Alles wat brandbaar was, zou vuur vatten, de muren zouden +barsten door de hitte, en de machines vernield worden. + +"Nu, wil je--of wil je niet?" zei de beer. + +De jongen wist wel, dat hij dadelijk behoorde te antwoorden, dat +hij niet wilde, maar hij wist ook, dat de berenklauwen, die hem +vasthielden, hem dan met één greep zouden doodknijpen. Daarom zei hij: + +"Ik mag me zeker nog wel even bedenken." + +"Nu ja, dat mag je wel," zei de beer, "maar ik moet je zeggen, dat het +juist het ijzer is, wat de menschen zulk een macht over ons, beren, +geeft, en dat ik daarom ook graag dat werk hier wil doen ophouden." + +De jongen dacht, hoe hij het uitstel gebruiken zou, om op een of +andere manier te zien weg te komen; maar hij was zóó bang, dat hij +zijn gedachten niet bij elkaar kon houden. Hij begon er over na te +denken, wat het ijzer toch een goede hulp voor de menschen is. Ze +hadden immers overal ijzer voor noodig. IJzer was er in den ploeg, +die den akker open maakt, in de bijl, waarmee het huis gebouwd werd, +in de zeis, die het koren maaide, in het mes, dat voor alles te +gebruiken was. IJzer was er aan den teugel, die het paard leidde, +aan het slot, dat de deur afsloot, in de spijkers, die de meubels bij +elkaar hielden, in de platen, die het dak dekten: 't geweer, dat de +wilde dieren uitroeide, was van ijzer, en het houweel, dat de groeve +openbrak. IJzer bekleedde de oorlogsschepen, die hij in Karlskrona +had gezien, op ijzeren rails rolde de locomotief door het land, van +ijzer was de naald, waarmeê de kleeren werden genaaid, de schaar, +waarmeê de schapen werden geschoren, de pan, waarin het eten werd +gekookt. 't Groote en 't kleine, al het nuttige en onontbeerlijke, +van ijzer was het alles! De beer had wel gelijk, toen hij zei, dat +het ijzer de menschen macht over de beren had gegeven. + +"Nu, wil je, of wil je niet?" vroeg de beer. + +De jongen schrikte uit zijn gedachten op. Daar stond hij nu over +allerlei onnoodige dingen te denken, en had nog geen manier gevonden +om zich te redden. + +"Je moet niet zoo ongeduldig wezen," zei hij. "Dat is een zaak van +gewicht, en ik moet tijd hebben om mij te bedenken." + +"Nu, bedenk je dan nog een poosje," zei de beer. "Maar ik wil je wel +zeggen, dat het ijzer er schuld aan heeft, dat de menschen zooveel +wijzer zijn dan wij, beren. En daarom zou ik zoo graag dat gedoe hier +weg hebben." + +Toen de jongen opnieuw uitstel had gekregen, wilde hij dat gebruiken +om een reddingsplan te bedenken. Maar zijn gedachten gingen, waar ze +wilden, dien nacht, en ze hielden zich weer bezig met het ijzer. Hij +meende zoo langzamerhand te begrijpen, wat de menschen al niet hadden +moeten denken en peinzen, eer ze hadden uitgevonden, hoe ze het ijzer +uit het erts konden smelten, en hij zag in zijn gedachten de zwarte +smeden over het aambeeld gebogen staan, en met inspanning bedenken, +hoe ze dat ijzer het best zouden hanteeren. 't Was misschien, omdat +ze daar zooveel over hadden moeten denken, dat het verstand zoo was +gaan groeien bij de menschen, tot ze eindelijk zoover waren gekomen, +dat ze zulke groote fabrieken konden bouwen. Dit was zeker, dat de +menschen meer aan het ijzer te danken hadden, dan ze zelf wisten. + +"Nu, hoe is het?" zei de beer. "Wil je, of wil je niet?" + +Weer kreeg de jongen een schok door de leden. Daar stond hij in +onnoodige gedachten verdiept, en wist nog niet, wat hij doen moest +om weg te komen. + +"'t Is niet zoo makkelijk om te kiezen, als je wel denkt," zei hij. "Je +moet me bedenktijd geven." + +"Ik kan nog wel een poos wachten," zei de beer. "Maar dan krijg je +geen uitstel meer. Je moet weten, dat het door het ijzer komt, dat de +menschen hier in het berenland kunnen leven, en je kunt wel begrijpen, +dat ik die fabriek hier weg wil hebben." + +De jongen was van plan dit laatste uitstel te gebruiken, om een +redmiddel te verzinnen, maar hoe angstig en verward hij ook was, +zijn gedachten gingen, waar ze wilden, en ze begonnen nu zich met +alles bezig te houden, wat hij op zijn tocht over de mijndistricten +had gezien. 't Was wel merkwaardig, dat er zooveel leven en beweging, +zooveel werk in die woestenij was. Stel je voor, hoe arm en eenzaam +het hier wezen zou, als het ijzer hier niet was! Hij dacht aan de +werkplaatsen hier, die aan zóóveel menschen werk gaven, al van 't +oogenblik af, dat ze gebouwd werden, en die nu zooveel huizen om zich +heen hadden gekregen, vol menschen, die spoorwegen en telegraafdraden +hadden meegebracht, die..." + +"Nu, hoe is het?" vroeg de beer. "Wil je--of wil je niet?" + +De jongen streek met de hand over het voorhoofd. Geen redmiddel had +hij bedacht, maar zooveel wist hij--dat hij niets tegen het ijzer +wou doen, dat zoo'n steun voor arm en rijk was, en dat aan zooveel +menschen in dit land brood gaf. + +"Ik wil niet," zei hij. + +De beer kneep hem wat harder tusschen de pooten, zonder iets te zeggen. + +"Je zult er me niet toe brengen een ijzerfabriek te vernielen," +zei de jongen. "Want het ijzer is zoo'n groote zegen, dat het niet +aangaat daar kwaad aan te doen." + +"Dan verwacht je ook zeker niet, dat je lang zult leven," zei de beer. + +"Neen, dat verwacht ik niet," zei de jongen, en keek den beer vlak +in de oogen. + +De beer kneep nog harder. Dat deed zoo'n pijn, dat de jongen tranen +in de oogen kreeg, maar hij zei niets. + +"Nu dan!" zei de beer, en hief langzaam den eenen poot op, want hij +hoopte nog altijd, dat de jongen zou toegeven. + +Maar op dit oogenblik hoorde de jongen iets knappen, dicht bij hen, en +hij zag een glimmenden geweerloop op een paar stappen afstand. Hij en +de beer waren zóó in gedachten verdiept geweest, dat ze niet gemerkt +hadden, dat een mensch vlak bij hen gekomen was. + +"Beer!" riep de jongen. "Hoor je die geweerhaan niet overgaan? Maak, +dat je weg komt, of ze schieten op je!" + +De beer kreeg haast, maar nam toch den tijd den jongen mee te +nemen. Een paar schoten knalden, toen hij wegrende, en de kogels +floten hem om de ooren, maar hij kwam gelukkig in veiligheid. + +Toen de jongen daar in den bek van den beer hing, bedacht hij, dat +hij zeker nooit zoo dom was geweest, als dien nacht. Als hij maar had +gezwegen, was de beer geschoten, en hij zelf zou zijn losgekomen. Maar +hij was er zoo aan gewend geraakt de dieren te helpen, dat hij het +deed, zonder er over te denken. + +Toen de beer een eind het bosch in was gekomen, bleef hij staan, +en zette den jongen op den grond. + +"Ik dank je wel, klein ventje," zei hij. "Die kogels zouden wel beter +hebben getroffen, als jij er niet geweest was. En nu wil ik je ook +een dienst bewijzen. Als je ooit weer een beer tegenkomt, dan moet +je hem zeggen, wat ik je nu influister,--dan raakt hij je niet aan." + +Toen fluisterde de beer den jongen een paar woorden in het oor, +en liep toen snel voort, want hij meende te hooren, dat honden en +jagers hem vervolgden. + +En de jongen bleef staan in het bosch, vrij en ongedeerd. En hij kon +zelf haast niet begrijpen, hoe dat mogelijk was. + + + +De wilde ganzen hadden dien heelen avond heen en weer gevlogen, +gezocht en geroepen; maar ze konden Duimelot niet vinden. Ze gingen +door met zoeken, lang nadat de zon was ondergegaan, en toen het +eindelijk zoo donker werd, dat ze moesten gaan slapen, waren ze +heelemaal moedeloos. Er was niet een van hen, die niet geloofde, +dat de jongen dood gevallen was, en nu ergens in 't bosch lag, waar +ze hem niet konden vinden. + +Maar den volgenden morgen, toen de zon opkwam boven de bergen, en +de wilde ganzen wekte, lag de jongen als gewoonlijk tusschen hen in +te slapen, en hij kon het lachen niet laten, toen hij wakker werd, +en hen in hun verwondering hoorde kakelen. + +Ze waren zoo vol vuur om te weten, wat hem overkomen was, dat geen +van hen op voedsel uit wou gaan, voor hij hun zijn heele geschiedenis +had verteld. De jongen vertelde vlug en levendig zijn heele avontuur +onder de beren, maar later scheen hij niets meer te willen zeggen. + +"Hoe ik hier terugkwam, weten jelui zeker wel," zei hij. + +"Neen, we weten niets; we dachten, dat je dood gevallen was!" + +"Dat is vreemd," zei de jongen. "Toen de beer weg was, klom ik in een +den, en viel in slaap. Maar bij 't eerste aanbreken van den dag werd +ik wakker, doordat een arend boven me aan kwam suisen, me beetpakte +met zijn klauwen, en me meênam. Natuurlijk dacht ik, dat het nu met +me gedaan was. Maar hij deed me niets; hij vloog regelrecht hierheen, +en gooide me neer midden tusschen jelui in." + +"Zei hij niet, wie hij was?" vroeg de groote witte ganzerik. + +"Hij was weg, voor ik hem nog bedanken kon. Ik meende, dat Moeder +Akka hem had gezonden om me te halen." + +"Dat was wonderlijk," zei de witte ganzerik. "Ben je er zeker van, +dat het een arend was?" + +"Ik heb nog nooit een arend gezien," zei de jongen. "Maar hij was +zóó groot, dat ik hem geen andere naam kan geven." + +Maarten, de ganzerik, keerde zich om naar de wilde ganzen, om te +hooren, wat ze daarvan zeggen zouden. Maar ze stonden in de lucht te +kijken, alsof ze aan heel andere dingen dachten. + +"We moeten toch niet heelemaal ons ontbijt vergeten," zei Akka, +en vloog haastig op. + + + + + + +XXV. + +HET BROEDERDEEL. + + +DE OUDE GROEVESTAD. + + +Er was geen plaats in Zweden, waar Bataki, de raaf, zóó veel van hield +als van Falun. Zoodra de sneeuw een beetje van het veld wegsmolt in +de lente, ging hij er heen, en bleef verscheidene weken dicht bij de +oude groevestad. + +Falun ligt in een laag gedeelte van het dal, waardoor een kleine +rivier stroomt. Aan het noordelijk deel van het dal ligt een helder, +klein meertje met groene oevers, vol landtongen, dat Varpan genoemd +wordt. Aan den zuidkant ligt een baai, die op een meer lijkt, en Tisken +heet, met troebel, vuil water en leelijke moerassige oevers, vol met +allerlei afval. Ten oosten loopt om het dal een mooie rij heuvels, +die op hun toppen statige dennenbosschen dragen en sappige berken; +de hellingen zijn met lommerrijke tuinen bekleed. Ten westen van +de stad ligt ook een bergrug. De top is met armoedige naaldbosschen +bedekt, en de heele helling is kaal, naakt, zonder gras of boomen, +als een echte woestenij. Het eenige, wat het veld bedekt, zijn groote +ronde steenblokken, die er over verspreid liggen. + +De stad Falun, die in het diepst van het dal, aan beide zijden van de +rivier ligt, ziet er uit, alsof ze afgepast is naar den grond, waarop +ze gebouwd is. Aan de groene zij van het dal liggen al de gebouwen, +die er sierlijk of aanzienlijk uitzien. Daar liggen de beide kerken, +het raadhuis, de woning van den gouverneur, het mijnkantoor, de +bank, het hôtel, de vele schoolgebouwen, het ziekenhuis, alle mooie +villa's en woningen. Aan den zwarten kant staan, straat aan straat, +kleine roode huisjes voor één familie, lange kale schuttingen van +planken, en groote, zware fabrieksgebouwen. En achter die straten, +midden in de groote steenwoestenij, ligt de mijn van Falun, met +hijschmachines en pompen, met ouderwetsche gebouwen, die scheef op +den ondermijnden grond staan, met zwarte, steile hoopen slakken en +lange rijen droogovens voor het erts. + +Wat Bataki betreft, hij keek nooit naar het oostelijk gedeelte van de +stad en ook niet naar het mooie Varpan. Maar destemeer hield hij van +'t kleine meertje Tisken. + +Bataki, de raaf, hield van alles, wat geheimzinnig was, alles wat +aanleiding gaf tot peinzen en nadenken, en de gedachten in beweging +bracht. En daarvan vond hij veel aan de zwarte zijde van de stad. Het +was zoodoende een groot genoegen voor hem geweest, om uit te vorschen, +waarom die oude roode houten stad niet was opgebrand, zooals alle +andere roode steden in het land. Ook had hij zich afgevraagd hoe lang +de scheeve huizen aan den kant van de mijn nog zouden kunnen blijven +staan. Hij had gepeinsd over de groote "vijzel", de reusachtige +opening in den grond midden in 't veld om de groeve, en was tot op +den bodem erin gevlogen om te onderzoeken, hoe die geweldige leege +ruimte was ontstaan. Hij had verbaasd gestaard op die steile hoopen +slakken, die om de "vijzel" en het mijngebouw heen lagen, en ze +als muren omringden. Hij had geprobeerd te begrijpen, wat dat kleine +signaalbelletje, dat met korte sombere slagen 't heele jaar door slaat, +met even groote tusschenpoozen, toch te vertellen had, en 't allermeest +had hij zich afgevraagd, hoe het er wel onder den grond zou uitzien, +waar het kopererts zoo veel honderd jaar lang was uitgebroken, en +de aarde zoo vol gangen was als een mierenhoop. Toen het eindelijk +Bataki gelukt was van dit alles eenigszins op de hoogte te komen, +zweefde hij weg naar de griezelige steenwoestenij, om er over na te +denken, waarom er geen gras tusschen de steenblokken groeide, of hij +vloog naar het meer Tisken. Dat hield hij voor het wonderlijkste, wat +hij nog ooit had aangetroffen. Hoe kon het toch komen, dat daar in 't +geheel geen visch in was, en dat het water, als het door den storm in +beweging kwam, soms heelemaal rood werd? Dat was nog te wonderlijker, +omdat een groote beek, die uit de groeve kwam en in 't meer viel, +blinkend heldergeel water had. Hij verwonderde zich over de ruïne +van vervallen gebouwen aan den oever en over het plaatsje Tisksagen, +dat daar, omgeven van groene tuinen, en door boomen beschaduwd, +tusschen de steenwoestenij en het vreemde meertje lag. + +In het jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen door het +land reisde, stond er nog op het strand van het Tiskenmeer, een +eind buiten de stad, een oud huis, de zwavelkeuken genaamd, omdat +daar ieder jaar eenige maanden lang zwavel gekookt werd. 't Was +een oud vervallen gebouw, dat rood was geweest, maar langzamerhand +bruingrijs was geworden. Het had geen venster, maar enkel een rij +kijkgaten, met zwarte luiken afgesloten en bijna altijd goed met +boomen dichtgemaakt. In dat huis had Bataki nooit kunnen kijken, en +daarom wekte dat zijn verwondering meer dan iets anders. Hij sprong +rond op het dak om een gaatje te vinden, en hij zat dikwijls op den +hoogen schoorsteen, en keek door de nauwe opening. + +Op een dag ging het Bataki al heel slecht. 't Had sterk gestormd. Een +kijkgat aan de oude zwavelkeuken was opengewaaid, en Bataki was er +dadelijk door gevlogen, om in het gebouw te zien. Maar nauwlijks was +hij erin, of het luik sloeg weer dicht, en Bataki was gevangen. Hij +verwachtte, dat de wind het luik wel weer open zou gooien, maar die +scheen daar in 't geheel geen plan op te hebben. + +Er viel vrij wat licht in 't gebouw door spleten in den muur, +en Bataki had ten minste het genoegen te kunnen uitvinden, hoe 't +er daar binnen uitzag. Er was niet anders te zien, dan een groote +oven, met een paar ingemetselde pannen, en die had hij al gauw +voldoende bekeken. Maar toen hij weer naar buiten wilde, bleek het, +dat het nog altijd onmogelijk was. De wind wilde het luik niet meer +opengooien. Geen enkele deur, geen kijkgat, dat niet gesloten was. De +raaf was doodeenvoudig gevangen. + +Bataki begon om hulp te roepen, en hield dat den heelen dag vol. Er +zijn zeker geen dieren, die zoo volhardend zijn in 't leven maken als +raven, en al gauw werd het ver in 't rond bekend, dat hij gevangen +zat. De grijs gestreepte kat van Tisksagen was de eerste, die het +ongeluk begreep. Hij vertelde het aan de kippen, en die riepen het toe +aan de voorbijvliegende vogels. Spoedig was het bekend bij de kraaien, +duiven, roeken en musschen in de stad Falun. Zij vlogen dadelijk naar +de oude zwavelkeuken om meer van de zaak te weten te komen. Ze hadden +diep medelijden met de raaf, maar geen van hen kon iets bedenken om +hem te helpen. + +Op eens riep Bataki hun toe, met zijn scherpe, knorrige stem: +"Stil! jelui daar buiten! Luister nu naar mij! Als jelui me helpen +wilt, ga dan heen, en zoek de oude wilde gans, Akka van Kebnekaise en +haar troep. Ik denk, dat ze in dezen tijd van 't jaar in Dalecarlië +zijn. Vertel Akka hoe 't met me gesteld is. Ik geloof, dat zij de +eenige bij zich heeft, die me helpen kan." + +Agar, de postduif, de beste bode in 't heele land, vond den troep +wilde ganzen bij de Dalelf, en toen de schemering viel, kwamen Akka +en zij aanvliegen, en streken neer bij de zwavelkeuken. Duimelot zat +op Akka's rug, maar de andere reisgenooten hadden ze op een eiland +in Runn gelaten, omdat Akka meende, dat ze meer schade dan nut zouden +hebben gedaan, als ze mee naar Falun gekomen waren. + +Toen Akka een poos met Bataki aan het overleggen was geweest, nam +ze Duimelot op den rug, en vloog naar een boerderij, die vlak bij de +zwavelkeuken lag. Ze zweefde langzaam over de tuinen en beukenhagen, +die het plaatsje omgaven, terwijl zij en de jongen aldoor naar beneden +keken. 't Was duidelijk te zien, dat hier kinderen waren, die gewoon +waren om het huis te spelen, en het duurde ook niet lang, of ze +vonden wat ze noodig hadden. In een vroolijk lentebeekje klapperde +een rad van een klein smederijtje, en daar in de buurt vond de jongen +een beitel. Op een paar schragen lag een half afgewerkte canoe en +daarnaast een bosje touw. + +Daarmeê vlogen ze terug naar de zwavelkeuken. De jongen maakte het +touw om den schoorsteen vast, liet het in de diepte neer, en gleed +er langs naar beneden. Toen hij Bataki had begroet, die hem met veel +mooie woorden bedankte, omdat hij gekomen was, begon hij een gat in +den muur te hakken met den beitel. + +De zwavelkeuken had geen dikke muren, maar de jongen kreeg met +iederen houw maar een splintertje los--zóó dun, dat een rat het met +zijn voortanden wel had kunnen losknagen. 't Was duidelijk, dat hij +den heelen nacht zou moeten werken en misschien nog langer, eer hij +zoo'n groot gat gemaakt had, dat Bataki er door kon. + +De raaf verlangde zóó om los te komen, dat hij niet kon slapen, maar +onder het werk naast den jongen bleef staan. In 't begin was Niels +heel vlijtig, maar na een poosje merkte de raaf, dat de slagen steeds +met grooter tusschenpoozen kwamen, en eindelijk heelemaal ophielden. + +"Je bent zeker moe," zei de raaf. "Je kunt misschien niet langer +werken!" + +"Neen, ik ben niet moe," zei de jongen, en nam den beitel weer op, +"maar ik heb al in lang geen enkelen nacht behoorlijk geslapen. Ik +weet niet, hoe ik me wakker zal houden." + +Nu ging het werk een poosje vlug door, maar toen kwamen de slagen weer +met al langer tusschenpoozen. De raaf maakte den jongen weer wakker, +maar hij begreep, dat, als hij hem niet op een of andere manier +wakker kon houden, hij wel zou moeten blijven, waar hij was--niet +alleen dien nacht, maar zeker ook nog den heelen volgenden dag. + +"Zou misschien het werk beter gaan, als ik je een verhaal +vertelde?" vroeg hij. + +"Ja, dat kon wel," zei de jongen, maar tegelijk gaapte hij, en was +zóó slaperig, dat hij nauwlijks zijn werktuig kon vasthouden. + + + + +DE SAGE VAN DE FALUNMIJN. + + +"Ik zal je eens wat zeggen, Duimelot," zei Bataki. "Ik heb al een +lang leven achter mij. Ik heb veel goeds en veel kwaads ontmoet, en +verscheiden keeren ben ik door de menschen gevangen. Op die manier +heb ik niet alleen hun taal leeren verstaan, maar ik heb ook veel van +hen geleerd. En ik durf beweren, dat er geen vogel hier in 't land is, +die zooveel weet van je stamgenooten als ik. + +Ik heb eens jaren achtereen in een kooi gezeten, bij een mijnopzichter +hier in Falun, en in zijn huis hoorde ik wat ik je nu ga vertellen. + +Heel lang geleden woonde hier in Dalecarlië een reus, die twee dochters +had. Toen de reus oud werd en voelde, dat hij sterven zou, riep hij +zijn dochters bij zich, om zijn bezittingen tusschen hen te verdeelen. + +Zijn voornaamste rijkdom bestond uit een paar bergen, die vol koper +waren, en die wilde hij aan zijn dochters geven. "Maar eer ik die +erfenis afgeef," zei hij, "moet jelui me beloven, dat als ooit +een vreemdeling jelui kopermijnen mocht ontdekken, jelui hem zult +doodslaan, voor hij zijn vondst aan anderen kan laten zien." + +De oudste van de reuzendochters was wreed en woest, ze beloofde +zonder aarzelen haar vader te gehoorzamen. De andere had een zachter +karakter, en de vader zag, dat zij zich bedacht, vóór ze haar gelofte +aflegde. Daarom gaf hij haar maar een derde van de erfenis, terwijl +de oudste zoowat dubbel zooveel kreeg als zij. + +"Op jou kan ik vertrouwen, alsof je een man waart," zei de reus. "En +daarom zul jij het broederdeel hebben." + +Onmiddellijk daarop stierf de oude reus, en langen tijd waren de beide +dochters even getrouw aan hun woord. 't Gebeurde meer dan één armen +houthakker of jager, dat hij het kopererts zag, dat aan verscheidene +kanten tegen den buitenkant van den berg aanlag, maar nauwlijks was +hij thuis gekomen, en had hij over zijn vondst gesproken, of hij werd +door een ongeluk getroffen, òf er stortte een doode denneboom op hem +neer, òf hij kwam onder een grondverschuiving. Hij had nooit tijd +aan een ander den schat te wijzen, die op 't woeste veld te vinden was. + +In dien tijd was het de gewoonte, dat de boeren des zomers hun vee +diep het bosch in zonden, om daar te grazen. De herder ging mee, om +op de melk te passen, en om kaas en boter te maken. Om voor menschen +en kudden schuilplaatsen in de wildernis te maken, kapten de boeren +een plaats open midden in 't bosch, en bouwden daar een paar hutjes, +die zij zomerweihutten noemden. + +Nu gebeurde het, dat een boer, die bij de Dalelf in de gemeente +Torsang woonde, zijn zomerhutten had aan de oevers van 't meer Runn, +waar de grond zoo steenig was, dat nog niemand had geprobeerd dien +te ontginnen. Op een herfstdag ging een boer met een paar lastpaarden +naar de zomerweide, om te helpen 't vee, de botervaten en kazen naar +huis te brengen. Toen hij de kudde natelde, merkte hij op, dat een +van de bokken heelemaal rood aan de horens was. + +"Wat heeft de Karebok voor horens?" vroeg de boer aan de herderin. + +"Dat weet ik niet," antwoordde zij. "Hij is van den zomer elken avond +met roode horens thuis gekomen. Hij vindt het zeker mooi." + +"Zoo, geloof je dat," zei de boer. + +"Hij doet zijn eigen zin, die bok; en als ik dat rood van zijn horens +afschuur, gaat hij dadelijk heen, en zorgt, dat hij het terug krijgt." + +"Schuur dan die roode verf nog eens af," zei de boer, "dan kan ik zien, +hoe hij dat doet." + +Pas waren de horens van den bok afgeschuurd, of hij liep hard het +bosch in. De boer liep hem na, en toen hij den bok inhaalde stond die +zijn horens te wrijven tegen een paar roode steenen. De boer nam de +steenen op, proefde er van, en rook er aan. Hij meende te begrijpen, +dat hij een of ander soort erts had gevonden. Terwijl hij daar stond +te peinzen, kwam een steenblok aanrollen langs een helling vlak bij +hem. De boer sprong opzij, en redde zich nog juist bijtijds; maar +de bok Kare kwam vlak onder het blok, en werd dood geslagen. Toen de +boer tegen de helling opkeek, zag hij een groote, sterke reuzenvrouw, +die bezig was nog een steenblok naar beneden te gooien, dat op hem +gemunt was. + +"Wat doe je toch?" riep de boer. "Ik heb jou noch je familie ooit +kwaad gedaan." + +"Neen, dat weet ik wel," zei de reuzenvrouw. "Maar ik moet je +doodslaan, omdat je mijn koperberg hebt ontdekt." + +Dat zei ze met zóó'n bedroefde stem, alsof ze in 't geheel geen +lust had hem te dooden, en daardoor kreeg de boer moed met haar te +spreken. Toen vertelde zij hem van den ouden reus, van de belofte, die +ze had gedaan, en van haar zuster, die het broederdeel gekregen had. + +"Ik vind het zoo akelig, al die onschuldige stakkers dood te maken, +die mijn koperberg ontdekken," zei ze, "dat ik wou, dat ik die erfenis +nooit had aangenomen. Maar wat ik beloofd heb, moet ik ook houden." + +Toen begon ze weer aan het steenblok te trekken. + +"Maak nu zoo'n haast niet!" riep de boer. "Om die belofte hoef je mij +niet dood te maken. Ik heb het koper niet gevonden, maar de bok. En +dien heb je al dood gemaakt." + +"Vind je, dat ik daarmeê genoeg gedaan heb?" vroeg de reuzendochter +aarzelend. + +"Ja zeker vind ik dat," zei de boer. "Je hebt je belofte zoo goed +gehouden, als je maar kunt." + +En hij sprak zoo verstandig met haar, dat hij mocht blijven leven. + +Nu bracht de boer eerst de koeien naar huis. Toen ging hij naar +de mijndistricten, en huurde knechts, die verstand van mijnwerk +hadden. Die hielpen hem een mijn aan te leggen, daar, waar de bok +gestorven was. In 't begin was hij bang, dat hij ook gedood zou +worden, maar 't was zeker zoo, dat de reuzendochter het bewaken van +haar koperberg moe geworden was. Ze maakte het hem nooit lastig. De +ertsader, die de boer had ontdekt, liep langs den buitenkant van +den berg, zoodat het niet moeilijk of lastig was het erts uit te +breken. Hij en de knechts sleepten brandhout uit het bosch, en legden +groote vuren op den berg aan. Daarop lieten zij de ertsblokken door het +eene vuur na het andere gaan, tot zij het zuivere koper te voorschijn +hadden gekregen, en het van de slakken afgescheiden. + +Vroeger gebruikten de menschen meer koper voor dagelijksch gebruik dan +nu. 't Was toen een gezochte en nuttige waar, en de boer, die de mijn +bezat, werd gauw schatrijk. Hij bouwde een groote, prachtige hoeve +in de buurt van de mijn, en noemde die Kare-hoeve, naar den bok. Als +hij naar de kerk in Torsang reed, was zijn paard met zilver beslagen, +en toen zijn dochter bruiloft zou vieren, liet hij bier brouwen van +twintig ton mout, en tien groote ossen aan het spit braden. + +In dien tijd bleven de menschen meestal stil elk in hun woonplaats, +en werden de nieuwtjes niet zou gauw verspreid als nu. Maar het +gerucht, dat er een groote koperberg was gevonden, bereikte toch +veel menschen, en zij, die niets beters te doen hadden, gingen op +reis naar Dalecarlië. Op Kare-hoeve werden alle arme reizigers goed +ontvangen. De boer nam ze in dienst, gaf hun een goed loon, en liet +hen erts voor hem uitbreken. Er was overvloed van erts, en hoe meer +knechts hij aan 't werk kon zetten, hoe rijker hij werd. + +Maar op een avond moet het gebeurd zijn, dat vier flinke mannen met +houweelen op den schouder naar Kare-hoeve kwamen. Ze werden goed +ontvangen, als alle andere, maar toen de boer vroeg, of ze bij hem +wilden werken, zeiden ze kortaf: "Neen." + +"We willen voor eigen rekening werken," zeiden ze. + +"Ja, maar deze koperberg is van mij," zei de boer. + +"We zijn niet van plan in jouw mijn te graven," antwoordden de +vreemden. "De berg is groot, en op wat vrij en onbeschut in de +wildernis ligt, hebben wij evenveel recht als jij." + +Meer werd hierover niet gesproken, en de boer ging voort den vreemden +gastvrijheid te geven. Vroeg in den morgen gingen ze uit om te werken, +vonden kopererts een eind verder, en begonnen het uit te graven. Toen +ze dat een paar dagen hadden gedaan, ging de boer naar hen toe. + +"Er is hier veel erts in den berg," zei hij. + +"Ja, daar moeten nog veel menschen aan werken, voor die schat gelicht +is," zei een van de vreemden. + +"Dat begrijp ik wel," zei de boer. "Maar ik vind toch, dat jelui mij +belasting betalen moet voor het erts, dat je uitgraaft, omdat het +door mij komt, dat er hier mijnwerk kan worden gedaan." + +"Nu begrijpen we niet, wat je bedoelt," zeiden de mannen. + +"Ja, ik heb door mijn verstandige manier van doen dezen berg vrij +gemaakt," zei de boer, en vertelde hun van de beide reuzendochters +en het broederdeel. + +De mannen luisterden hier heel oplettend naar, maar ze schenen bij +iets anders in het verhaal stil te staan, dan wat de boer verwachtte. + +"Ben je er zeker van, dat de andere reuzendochter gevaarlijker is +dan zij, die jij ontmoette?" vroegen ze. + +"Ja, ik geloof niet, dat ze veel medelijden met jelui zou hebben," +antwoordde de boer. + +Met die woorden ging hij heen, maar hij hield hen in 't oog, en hij +zag na een poosje, dat ze met werken ophielden, en het bosch ingingen. + +Toen de menschen op Kare-hoeve dien dag aan het avondeten zaten, +hoorden ze een vervaarlijk wolvengehuil uit het bosch, en onder het +huilen der wilde dieren door, hoorden ze menschen schreeuwen. De +boer stond dadelijk op, maar de knechts schenen geen lust te hebben +om meê te gaan. + +"'t Zou wel goed zijn, als dat dievenpak door de wolven verscheurd +werd," zeiden de knechts. + +"We moeten toch helpen wie in nood zijn," zei de boer, en trok met +alle vijftig knechts uit. + +Al spoedig kregen ze een vreeselijk grooten troep wolven in 't oog, +die over elkaar heen rolden, en rukten, en vochten om een buit. De +knechts joegen ze weg, en vonden op den grond vier menschenlichamen, +die zoo mishandeld waren, dat niemand zou hebben begrepen, wie ze +waren, als er niet vier houweelen bij hen hadden gelegen. + +Na dien tijd bleef de koperberg het eigendom van één man, tot na +den dood van den boer. Toen namen zijn zonen die over. Die werkten +gezamenlijk in de mijn, maar het erts, dat ze in één jaar opdolven, +verdeelden ze in hoopen, verlootten die, en smolten het koper ieder in +zijn eigen oven uit. Ze werden allen rijk, en machtige mijneigenaars, +en bouwden zich groote, aanzienlijke hoeven. En na hen pakten hun +erfgenamen het werk aan, openden nieuwe schachten, en breidden het +ertsopdelven verder uit. Jaar op jaar nam de mijn in beteekenis toe, +en steeds meer mijneigenaars sloten zich als deelnemers aan. Sommige +woonden er vlak bij, andere hadden hun woningen en smeltovens in +de buurt. Een groote groep gebouwen ontstond, en die plaats werd: +het district van den grooten koperberg genoemd. + +Nu gebeurde het, dat het erts, dat zóó lag, dat het van boven op +te delven was, zooals men steenen uit een steengroeve breekt, afnam +en opraakte, zoodat de mijnwerkers genoodzaakt werden het erts diep +onder den grond te zoeken. Zij moesten zich door nauwe schachten en +lange, slingerende gangen voortwerken, om hun vuren aan te leggen en +den berg te doen springen. 't Is altijd een zwaar, moeielijk werk +erts te delven, maar nu kwam er de last van den rook bij, die niet +kon worden weggevoerd in de lucht, en het bezwaar om het erts langs +steile ladders naar boven te krijgen. En hoe dieper ze naar beneden +doordrongen, hoe gevaarlijker het werk werd. Nu en dan kwamen sterke +waterstroomen aanbruisen uit een hoek van de mijn, of stortte het dak +van de mijngang in, boven het hoofd van de mijnwerkers. Dat maakte +het werk in de groote mijn zóó gevreesd, dat niemand het vrijwillig +wilde doen. + +Toen werd aan ter dood veroordeelde misdadigers, en menschen, die +vogelvrij door de bosschen zwierven, meegedeeld, dat ze vergiffenis +voor hun misdrijven zouden krijgen, als ze mijnwerker in Falun +wilden worden. + +In lang had niemand er aan gedacht het broederdeel te zoeken. Maar +onder al die bandelooze mannen, die naar den grooten koperberg kwamen, +waren er verscheidene, die hun leven niet veel hooger achtten dan een +avontuur, en die begonnen door de streek rond te zwerven, in de hoop +het te vinden. + +Hoe dat afliep voor allen, die zochten, kan niemand zeggen, maar er +is nog een verhaal van een paar mijnwerkers, die op een avond laat +bij hun patroon terugkwamen, en vertelden, dat ze een groote, zware +ertsader in het bosch gevonden hadden. Ze hadden den weg daarheen +gezien, en wilden hem dien den volgenden dag wijzen. Maar den volgenden +dag was het Zondag, en de patroon wilde dien dag niet naar het bosch +gaan, om erts te zoeken. Hij ging met al zijn volk naar de kerk. Het +was winter, en zij liepen over het ijs naar de kerk, over het meer +Varpan. Op den heenweg ging alles goed, maar op den terugweg vielen +die beide knechts in een wak, en verdronken. Toen herinnerde men zich +de oude sage van het broederdeel, en men zei, dat het zeker dat was, +wat de mannen hadden gevonden. + +Om al die fouten aan de mijn te herstellen, namen de mijneigenaars +zich voor, buitenlanders te ontbieden, die bekwaam in mijnwerk waren, +en die buitenlandsche meesters leerden hun mijnpompen bouwen, die +het water wegpompten, en het erts omhoog haalden. De vreemdelingen +geloofden niet veel van de sage van de reuzendochters, maar wel +geloofden ze, dat het mogelijk was, dat er een groote ertsader +ergens in de buurt was, en zij zochten er heel ijverig naar. En op +een avond kwam een duitsche mijninspecteur bij de mijn, en vertelde, +dat hij het broederdeel gevonden had. Maar de gedachte aan den grooten +rijkdom, dien hij nu zou winnen, steeg hem naar het hoofd, en maakte +hem woest. Hij richtte nog dienzelfden nacht een gastmaal aan, dronk, +danste en dobbelde, en eindelijk raakte hij aan het twisten en vechten, +en werd door een van de drinkebroers doodgestoken. + +Uit den grooten koperberg werd steeds zoo'n massa erts gehaald, dat +de mijn voor de rijkste kopermijn in alle landen gehouden werd. Die +verspreidde groote schatten, niet alleen in de naaste omgeving, en +de sommen, die daaruit voortkwamen, werden Zweden tot groote hulp +in benarde tijden. Terwille van de mijn werd de heele stad Falun +gebouwd, en als zoo merkwaardig en nuttig werd de mijn beschouwd, +dat de koningen gewoon waren naar Falun te reizen, om de mijn te +bezoeken, en haar roemden, als het geluk en de schatkamer van het rijk. + +Wanneer nu de menschen er aan dachten, hoeveel rijkdom al uit die +oude mijn te voorschijn was gekomen, is 't geen wonder, dat zij, +die geloofden, dat een koperschat--dubbel zoo groot--in de buurt was, +er zich over ergerden, dat die ongenaakbaar was. Menigeen waagde zijn +leven om dien te zoeken, maar niemand won er iets bij. + +Een van de laatsten, die het broederdeel zag, was een jonge +mijneigenaar uit Falun, van goede, vermogende familie, die een huis en +een smeltoven in de stad bezat. Hij wilde met een mooie boerendochter +uit Leksand trouwen, en ging daarheen om haar ten huwelijk te vragen: +maar zij wilde niet met hem trouwen, omdat ze niet in Falun wilde +wonen, waar de rook uit de smelt- en droogovens zoo zwaar en drukkend +over de stad lag, dat zij bang werd, als zij er maar aan dacht. + +De jonge man had haar lief, en toen hij naar huis ging, was +hij diep bedroefd. Hij had zijn leven lang in Falun gewoond, en +hij had er nooit aan gedacht, dat het moeilijk wezen kon daar te +leven. Maar toen hij nu de stad naderde, schrikte hij. Uit de groote +mijnschacht, uit de honderden droogovens daaromheen, steeg de zware, +verstikkende zwaveldamp op, en hulde de heele stad in mist. De rook +belette de planten te tieren, zoodat het veld kaal en naakt er omheen +lag. Smeltovens, waar het vuur uit opvlamde, en die omgeven waren van +zwarte slakken, zag hij overal, niet alleen in de stad, maar in de +heele buurt. Ze stonden in alle omringende dorpen. Hij begreep, dat +wie gewoon was te leven in licht en groen lommer aan het schitterende +Siljemeer, hier niet zou kunnen aarden. + +Het gezicht van de stad maakte hem nog somberder, dan hij al was. Hij +wilde niet dadelijk naar huis gaan, maar week van den weg af, en liep +door het bosch. Daar zwierf hij den heelen dag rond, zonder er over +te denken, waar hij liep. + +Tegen den avond gebeurde het, dat hij een berghelling zag, die glansde +als goud. Toen hij goed toezag, merkte hij, dat het een geweldige +ader van kopererts was. Eerst was hij blij met die ontdekking, maar +toen kwam het hem in de gedachte, dat dit broederdeel al zoovelen in +het ongeluk had gestort, en hij werd bang. + +"Vandaag moet ik zeggen, dat het ongeluk mij vervolgt," dacht +hij. "Misschien moet ik nu sterven, omdat ik dien schat hier gevonden +heb." + +Hij keerde dadelijk om, en ging naar huis. Na een poos ontmoette +hij een groote, statige vrouw. Ze zag er uit als een kloeke +mijnwerkersvrouw, maar hij kon zich niet herinneren, dat hij haar +vroeger had gezien. + +"Ik zou wel eens willen weten, wat je in 't bosch hebt uitgevoerd," +zei ze. "Ik heb je den heelen dag daar zien rondzwerven." + +"Ik heb rondgezien naar een plaats, waar ik wonen kan!" antwoordde +de mijneigenaar, "want het meisje, waar ik van houd, wil niet in +Falun wonen." + +"Denk je er niet over erts te delven uit den koperberg, dien je zoo +pas gevonden hebt?" vroeg ze verder. + +"Neen, ik moet met het mijnwerk uitscheiden, anders kan ik haar, +die ik liefheb, niet tot vrouw krijgen." + +"Ja, houd nu maar woord," zei de vrouw. "Dan zal je geen kwaad +overkomen." + +Met die woorden ging zij heen. Maar hij haastte zich zijn woorden +waar te maken, noodgedwongen. Hij hield op met zijn werk, en liet +een hoeve bouwen ver van Falun. En toen had zij, die hij liefhad, +er niets op tegen bij hem te komen wonen." + +Hiermee eindigde de raaf zijn verhaal. De jongen was werkelijk wakker +gebleven al dien tijd, maar hij had zijn beitel nu juist niet met +groote snelheid gebruikt. + +"Nu, en hoe ging het verder?" vroeg hij, toen de raaf zweeg. + +"Ja, het ging steeds achteruit met het koperdelven. De stad Falun is er +nog. Maar al de oude smeltovens zijn weg. De heele streek is vol oude +mijnwerkershuizen, maar zij, die er wonen, moesten zich aan landbouw +of aan boschbouw wijden. In de mijn van Falun is het erts bijna op. 't +Zou nu meer dan ooit tijd zijn om het broederdeel te vinden." + +"Ik zou wel eens willen weten, of die mijneigenaar de laatste was, +die het zag," zeide de jongen. + +"Ik zal je zeggen, wie het 't laatste gezien heeft, als je een gat +in den muur hebt gemaakt, en mij bevrijdt," zeide de raaf. + +De jongen sprong op, en begon wat vlugger te werken. Hij vond, +dat Bataki dat op een vreemden, beteekenisvollen toon zei. 't Klonk +bijna, alsof hij den jongen den indruk wou geven, dat hij, de raaf, +de groote ertsader had gezien. Had hij hem misschien die geschiedenis +met een bepaalde bedoeling verteld? + +"Je hebt hier zeker veel in de buurt rondgezworven," zei de jongen, +om wat meer licht in de zaak te krijgen. "Je hebt zeker wel een en +ander ontdekt, terwijl je boven de bergen en de bosschen zweefde." + +"Ik zou je nog heel wat merkwaardigs kunnen laten zien, als je maar +klaar was met je werk," antwoordde de raaf. + +De jongen begon met zoo'n ijver te hakken, dat de splinters om hem +heen vlogen. Nu was hij er zeker van, dat de raaf het broederdeel +had gevonden. + +"'t Is toch heel jammer, dat jij, een raaf, heelemaal geen pleizier +kunt hebben van den schat, dien je hebt gevonden," zei hij. + +"Ik wil hier niet meer over praten, vóór ik gezien heb, dat je een +gat in den muur kunt maken, en mij bevrijden," zei de raaf. + +De jongen werkte zóó, dat het ijzer brandend heet werd. Hij meende, +dat hij Bataki's bedoeling gemakkelijk kon begrijpen. + +De raaf kon toch geen erts voor eigen rekening delven, en daarom was 't +zeker zijn plan, die ontdekking aan Niels Holgersson over te doen. Dat +was 't waarschijnlijkste en ook het natuurlijkste. Maar als de jongen +'t geheim eenmaal wist, zou hij hier terugkomen, zoodra hij weer een +mensch was geworden, en dien schat nader onderzoeken. En als hij geld +genoeg had, dan zou hij de heele gemeente Vemmenhög koopen, en daar +een kasteel laten bouwen zoo groot als Vittskövle. En op een dag zou +hij dan den boer Holger Nielsson en zijn vrouw bij zich vragen op 't +kasteel. En als ze dan aankwamen, zou hij op de stoep staan en zeggen: +"Kom binnen, alstublieft, en doe alsof u hier thuis is." En ze zouden +hem natuurlijk niet herkennen, maar zich verwonderd afvragen, wie +die deftige mijnheer was, die hen had uitgenoodigd. + +"Zoudt u niet graag op zoo'n mooie plaats wonen?" zou hij dan zeggen. + +"Ja, natuurlijk, maar dat is niets voor ons," zouden ze antwoorden. + +"Ja, dat is het juist. De bedoeling is, dat u dit krijgt, als betaling +voor den grooten witten ganzerik, die jaren geleden is weggevlogen," +zou hij dan zeggen. + +De jongen werkte al flinker met den beitel. Het eerste, waar hij zijn +geld voor gebruiken zou, was een nieuw huisje op de hei van Sunnerbo +te bouwen voor Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads. Veel grooter +en mooier dan het oude natuurlijk. En dan zou hij 't heele Takermeer +koopen, en dat aan de eenden geven. En dan zou hij... + +"Nu moet ik zeggen, dat je flink hebt gewerkt," zei de raaf. "Ik +geloof, dat het gat al groot genoeg is." + +Het lukte de raaf werkelijk er uit te komen. De jongen kroop hem na +en zag toen Bataki op een steen zitten, een paar stappen verder. + +"Nu zal ik mijn belofte houden, Duimelot," zei Bataki heel plechtig, +"en je zeggen, dat ik het broederdeel heb gezien. Maar ik zou je niet +raden er naar te gaan zoeken, want het heeft me jaren werk gekost, +eer ik het te weten kwam." + +"Ik dacht, dat je me zeggen zou, waar het was, als belooning, omdat +ik je uit je gevangenschap heb bevrijd," zei de jongen. + +"Dan moet je toch wel heel slaperig zijn geweest, terwijl ik je van +het broederdeel vertelde," zei Bataki. "Anders zou je zooiets zeker +niet hebben verwacht. Hoorde je dan niet, dat allen, die wilden bekend +maken waar het broederdeel was, ongelukkig werden? Neen, jongen! Bataki +heeft lang genoeg geleefd, om te leeren zijn mond te houden." + +Met die woorden sloeg hij de vleugels uit, en vloog weg. Akka stond +op het veld bij de zwavelstokerij te slapen. Maar het duurde lang, +eer de jongen naar haar toeging, om haar te roepen. Hij was mismoedig +en bedroefd, omdat hij een grooten schat had verloren, en vond, +dat hij niets had om zich op te verheugen. + +"Ik geloof niet, dat die geschiedenis van de reuzendochters waar is," +zei hij in zichzelf. "En ik geloof niet aan de wolven en het zwakke +ijs; maar ik geloof, dat toen arme mijnwerkers de groote ertsader +midden in 't woeste bosch vonden, ze zóó opgewonden van vreugde +werden, dat ze die later niet meer konden vinden. En ik geloof, +dat die teleurstelling zoo zwaar werd, dat ze het leven niet konden +uithouden. Want zoo voel ik het nu." + + + + + + +XXVI. + +DE OVERSTROOMING. + + +Dagen lang was het een vreeselijk weer ten noorden van 't Mälermeer. De +hemel was effen grijs, de wind huilde, en de regen zwiepte tegen de +ruiten. Menschen en dieren wisten, dat zonder dit de lente niet komen +kon, maar ze vonden toch, dat het bijna niet uit te houden was. + +Toen het een dag geregend had, begonnen de sneeuwmassa's in de +dennenbosschen eerst goed te smelten, en de lentebeken kwamen in +beweging. Alle waterplassen op de hoeven, het modderige water binnen +de dijken, het water, dat opborrelde tusschen de graszoodjes in, +moerassen en plasjes, alles kwam in beweging, en probeerde den weg +te vinden naar de beken, om meê te komen naar zee. De beken snelden +zoo hard mogelijk naar de Mälerrivieren, en die deden hun best om +de watermassa's naar 't Mälermeer te brengen. Maar toen wierpen alle +kleine meertjes in Uppland en in de mijndistricten op één en denzelfden +dag al hun ijsdeksels af, zoodat de rivieren met ijsstukken werden +gevuld, en snel tot aan hun oevers stegen. Op die manier vergroot, +wierpen de rivieren zich in 't Mälermeer, en het duurde niet lang, +of dat had zooveel water als het bergen kon. In 't meer ontstond +een heftige strooming naar den eenigen afloop, dien 't had, maar dat +was een nauwe uitweg, en die kon het water niet zoo snel afvoeren, +als noodig was. Bovendien blies er een sterke oostenwind, zoodat het +zeewater naar land gestuwd werd, en de stroomen in den weg stond, +toen ze hun zoet water in de Oostzee wilden storten. En toen nu de +rivieren onophoudelijk met nieuw water aankwamen, tot de Mäler en de +stroomen het niet meer konden afvoeren, stond er niet anders te doen +voor het groote meer, dan buiten zijn oevers te treden. + +Het steeg heel langzaam en als met tegenzin, om zijn mooie oevers +niet te schaden. Maar omdat die bijna overal laag en langzaam hellend +zijn, duurde het niet lang, of het water was verscheidene meters het +land in gekomen, en meer was niet noodig, om de grootste opschudding +teweeg te brengen. + +'t Is eigenaardig met het Mälermeer. Het bestaat uit louter nauwe +fjords, baaien en inhammen. Nergens heeft het breede watervlakten, door +den storm gezweept. Het is, alsof 't voor niets dan pleiziertochten +en zeiltochtjes gemaakt is, en voor vroolijke hengelpartijen. En +het heeft zooveel vriendelijke, met boomen bekleede eilanden, +schiereilanden en landtongen. Nergens vertoont het naakte, eenzame +en verwaaide oevers. Het is, alsof het zich nooit had voorgesteld, +dat het iets anders dan kasteelen, zomervilla's, landgoederen en +ontspanningslokalen zou dragen. Maar misschien is het, omdat het meer +er gewoonlijk zoo vriendelijk en zacht uitziet, dat er zoo'n spektakel +ontstaat, als nu en dan in de lente zijn glimlach wegsterft, en het +toont, dat het werkelijk gevaarlijk kan worden. + +Toen het nu inderdaad tot een overstrooming scheen te komen, werden +alle schuiten en platte booten, die in den winter op het land waren +getrokken, in haast dichtgemaakt en geteerd, om zoo gauw mogelijk in +het water te kunnen worden neergelaten. De vlonders werden op 't land +gezet, en de bruggen op den landweg werden versterkt. De baanwachters, +die op gedeelten van de spoorlijn langs den oever moesten letten, +durfden 's nachts niet slapen, maar liepen aldoor heen en weer langs +de lijn. + +De boeren, die hooi of dorre bladen bewaarden in schuren op de lage +eilandjes, haastten zich dat aan land te brengen. De visschers namen +hun fuiken en netten weg, opdat ze niet door de overstrooming zouden +worden weggespoeld. Bij de ponten wemelde het van reizigers. Allen, +die naar huis moesten, of op reis wilden, moesten zich haasten, +om er zeker van te zijn, dat hun overtocht niet zou worden verhinderd. + +In de buurt van Stockholm, waar het strand met rijen zomerhuizen bedekt +is, heerschte nog de grootste drukte. De meeste villa's lagen wel +zóó hoog op het strand, dat ze niet in gevaar waren, maar er waren +steigers en badhuizen bij elk huis, en die moesten in veiligheid +worden gebracht. + +Maar 't waren niet alleen de menschen, die in zorg kwamen, omdat +het Mälermeer buiten zijn oevers trad. De eenden, die hun eieren +tusschen de struiken aan het strand hadden gelegd, de veldmuizen en +veldratten, die aan 't strand woonden, en kleine hulpelooze jongen in +het nest hadden, werden door den grootsten angst aangegrepen. Zelfs +de trotsche zwanen werden ongerust, dat hun nesten en eieren zouden +worden verwoest. + +En al die angsten waren niet overbodig, want met ieder uur steeg +het Mälermeer. + +De wilgen en elzen, die aan den kant groeiden, hadden het water al tot +hoog om de stammen. In de tuinen was het water gedrongen, en hield +in den groentetuin huis op zijn eigen manier, en in de roggeakkers, +die zoo lagen, dat het water ze kon bereiken, richtte het de grootste +schade aan. + +Het meer bleef stijgen, dagen achtereen. De lage weiden om het kasteel +Gripsholm kwamen onder water, zoodat het groote huis niet alleen +door een smalle gracht, maar door een breed water van het land was +gescheiden. In Strängnäs werd de mooie wandelplaats aan het meer in +een bruisenden stroom veranderd, en in Westerås bereidde men er zich +op voor, in een boot door de straten te moeten varen. + +Van een paar elanden, die op een eilandje in 't Mälermeer hadden +overnacht, werd de standplaats onder water gezet, zoodat ze naar land +moesten zwemmen. Heele voorraden brandhout, massa's stokken en planken, +een menigte brouwvaten en kuipen waren vlotgeraakt, en overal waren +menschen in booten bezig ze uit het water te halen. + +In dien moeielijken tijd gebeurde het, dat Smirre, de vos, op een +dag kwam aansluipen door een berkenboschje, dat ten noorden van +het Mälermeer lag. Hij liep, als gewoonlijk aan de wilde ganzen te +denken en aan Duimelot, en vroeg zich af, hoe hij 't moest aanleggen, +om hen te vinden, vóór hij hun spoor heelemaal had verloren. + +Terwijl hij nu daar liep, en zich 't allermeest moedeloos voelde, +kreeg hij Agar, de postduif, in 't oog, die was neergestreken op +een berketak. + +"Dat is uitstekend, dat ik je hier ontmoet, Agar," zei Smirre. "Je +kunt me misschien zeggen, waar Akka van Kebnekaise en haar troep zich +nu ophoudt." + +"Ja, ik weet misschien wel, waar ze zijn," zei Agar, "maar ik wil +het je niet zeggen." + +"Dat doet er ook niet toe," zei Smirre, "als je maar een boodschap +wilt overbrengen, die ik voor hen heb. Je weet wel hoe leelijk het +er nu aan het Mälermeer uitziet. Daar is een groote overstrooming, +en de vele zwanen, die in de Hjälstabaai wonen, zijn bang, dat hun +nesten en eieren vernield worden. Maar Dagaklar, de zwanenkoning, +heeft over dien dwerg hooren spreken, die met de wilde ganzen reist, +en die overal raad op weet, en hij heeft mij gestuurd om Akka te +vragen, of zij met Duimelot naar de Hjälstabaai wil komen." + +"Ik kan die boodschap wel overbrengen," zei Agar. "Maar ik begrijp +niet, hoe die kleine dwerg de zwanen zal kunnen helpen." + +"Dat begrijp ik ook niet," zei Smirre. "Maar hij kan immers van alles." + +"'t Verbaast me ook, dat Dagaklar zijn boodschap door een vos stuurt," +merkte Agar op. + +"Je hebt wel gelijk, dat we anders vijanden zijn," sprak Smirre met +zachte stem, "maar als er zoo'n groote nood in 't land heerscht, +moet men elkander helpen. Je hoeft in ieder geval niet aan Akka te +vertellen, dat je die boodschap van een vos kreeg, want ze is wel +wat wantrouwend." + + + + +DE ZWANEN IN DE HJÄLSTABAAI. + + +Het veiligste toevluchtsoord voor zwemvogels, dat in de buurt van het +Mälermeer gevonden wordt, is de Hjälstabaai, die vlakke oevers heeft, +ondiep water, en een massa biezen, juist als het Takermeer. Het is +op verre na niet zoo groot, als dat beroemde vogelmeer, maar toch is +'t een voortreffelijk tehuis voor vogels, omdat zij daar al jaren +lang beschermd worden. 't Is namelijk een woonplaats voor een groot +zwanenvolk, en de eigenaar van de oude koningshoeve, die daar in de +nabijheid ligt, heeft alle jacht in de baai verboden, opdat de zwanen +niet verontrust of gestoord zullen worden. + +Zoodra Akka de boodschap had gekregen, dat de zwanen haar hulp noodig +hadden, was ze dadelijk naar de Hjälstabaai gegaan. Ze kwam daar met +den troep tegen den avond, en zag dadelijk, dat er groote ongelukken +waren gebeurd. De groote zwanennesten waren losgerukt, en dreven in +den sterken wind over 't water. Enkele nesten waren al uit elkaar +geslagen, een paar omgevallen, en de eieren, die er in geweest waren, +lagen te glimmen op den bodem van de baai. + +Toen Akka in de baai neerstreek, waren alle zwanen, die daar woonden, +bijeen op den oostelijken oever, waar ze 't best tegen den wind waren +beschut. Hoewel ze veel door de overstrooming geleden hadden, waren +ze veel te trotsch om eenig verdriet te toonen. + +"'t Geeft niet of men al treurt," zeiden ze. "Er zijn wortels en +stengels genoeg. We kunnen gauw genoeg nieuwe nesten bouwen." + +Geen van hen had er aan gedacht de hulp van een vreemde in te roepen, +en ze hadden er ook geen flauw vermoeden van, dat Smirre een boodschap +naar de wilde ganzen had gezonden. + +Daar waren er eenige honderden, en ze lagen naar rang en stand: de +jongen en onervarenen in de buitenste kringen, de ouden en verstandigen +verder naar binnen. In het midden lag Dagaklar, de zwanenkoning, +en Sneeuwrust, de zwanenkoningin, die ouder dan alle anderen, en de +voorouders van de meeste zwanen waren. + +Dagaklar en Sneeuwrust konden nog van de dagen spreken, dat zwanen +van hun stam nergens als wilden leefden in Zweden, maar alleen als +tamme zwanen in sloten en vijvers voorkwamen. Maar toen was een paar +zwanen losgebroken uit hun gevangenschap, en had zich neergezet in +de Hjälstabaai, en van hen stamden alle zwanen af, die daar woonden. + +Nu in dezen tijd waren er wilde zwanenvolken in vele inhammen van +'t Mälermeer, en ook in 't Takermeer en 't Hornborgameer. Al die +nieuwelingen waren uit de Hjälstabaai gekomen, en de zwanen, die daar +woonden, waren er zeer trotsch op, dat hun familie zich zóó uitbreidde, +van het eene meer naar het andere. + +De wilde ganzen waren neergedaald aan den westeroever, maar toen +Akka zag, waar de zwanen lagen, begon ze dadelijk op hen toe te +zwemmen. Zelf was ze er heel verbaasd over, dat ze haar hadden laten +roepen, maar ze vond dat een eer, en wilde geen oogenblik verzuimen, +waarin ze hen konden helpen. + +Toen Akka in de nabijheid van de zwanen kwam, hield ze op om toe te +zien, of de ganzen achter haar wel in een rechte lijn en met gelijke +tusschenruimten zwommen. + +"Zwem nu flink en vlug," zei ze. "Kijk niet naar de zwanen, alsof +je nog nooit zooiets moois had gezien, en stoor je niet aan wat ze +tegen je zeggen." + +'t Was niet voor 't eerst, dat Akka dit oude, voorname zwanenpaar +bezocht, en altijd hadden ze haar ontvangen op een wijze, waarop een +aanzienlijke en bereisde vogel recht had. Maar ze vond het niet prettig +tusschen al die zwanen door te zwemmen, die om hen heen lagen. Nooit +voelde zij zich zoo klein en grauw, als wanneer ze tusschen zwanen +in raakte, en de een of de ander zei ook gewoonlijk een paar woorden +over grauwtje en arme luidjes. Maar het was het verstandigst, te doen, +of je dat niet hoorde. + +Dezen keer scheen alles bijzonder goed te gaan. De zwanen gingen +heel kalm op zij, en de wilde ganzen zwommen als door een straat, +omzoomd met groote, glinsterend witte vogels. 't Was mooi te zien, +hoe ze daar lagen, en de vleugels uitspanden als zeilen, om zich +goed voor te doen aan de vreemde bezoekers. Ze maakten geen enkele +aanmerking, en Akka was er heel verbaasd over. + +"Dagaklar heeft zeker hun ongemanierdheid opgemerkt, en hun gezegd, +dat ze beleefd moeten zijn," dacht de leidster-gans. + +Maar juist terwijl de zwanen zoo hun best deden heel welgemanierd te +zijn, kregen ze den witten ganzerik in 't oog, die achteraan kwam in +de lange ganzenrij. Daar ging een verwonderd en verontwaardigd suizen +door 't gezelschap, en op eens was het uit met de goede manieren. + +"Wat is dat?" riep een van hen. "Zijn de wilde ganzen van plan witte +veeren te gaan dragen!" + +"Ze moeten niet denken, dat ze daardoor zwanen worden," riepen ze +van alle kanten. + +Ze begonnen om het hardst te roepen, met hun sterke, klankvolle +stemmen. 't Was niet mogelijk hun uit te leggen, dat het een tamme +ganzerik was, die met de wilde ganzen meê kwam. + +"'t Is zeker de ganzenkoning zelf, die meêkomt," riepen ze honend. + +"'t Is toch àl te onbeschaamd!" + +"'t Is geen gans. 't Is maar een tamme eend." + +De groote, witte ganzerik dacht aan Akka's bevel: zich niet te storen +aan wat hij ook hooren mocht. Hij zweeg, en zwom voort zoo snel hij +kon, maar het hielp niet. De zwanen werden al brutaler. + +"Wat is dat voor een kikker, dien hij daar op zijn rug heeft?" vroeg +een van hen. "Ze denken zeker, dat we niet kunnen zien, dat het een +kikker is, omdat hij als een mensch is aangekleed." + +De zwanen, die zoo pas nog in goede orde gerangschikt lagen, zwommen +nu rond om elkaar heen in de heftigste verwarring. Alle wilden +vooruitdringen om de witte wilde gans te zien. "Die witte ganzerik +daar, moest zich ten minste schamen, om zich hier bij ons zwanen te +komen vertoonen." + +"Hij is stellig even grauw als de anderen. Hij is alleen even in een +meelhoop gevlogen op een of andere boerderij." + +Akka was juist tot Dagaklar doorgedrongen, en wilde hem vragen, wat +voor soort hulp hij van haar begeerde, toen de koning de opschudding +onder het zwanenvolk opmerkte. + +"Wat gebeurt daar nu? Heb ik niet bevolen, dat ze beleefd tegen +vreemden moeten zijn?" zei hij, en keek ontevreden. + +Sneeuwrust, de zwanenkoningin, zwom weg om haar volk te controleeren, +en Dagaklar wendde zich weer tot Akka. Toen kwam Sneeuwrust terug, +en zag er heel verontwaardigd uit. + +"Kun je niet maken, dat ze zwijgen?" riep de zwanenkoning haar toe. + +"Daar ginds is een witte, wilde gans," antwoordde Sneeuwrust. "Dat +is immers een schande. 't Verbaast me niet, dat hun dit ergert." + +"Een witte, wilde gans!" zei Dagaklar. "Dat is al te erg! Zooiets +kan toch niet bestaan! Je moet verkeerd hebben gezien." + +Om Maarten, den ganzerik heen, werd het gedrang al grooter. Akka en +de andere wilde ganzen probeerden naar hem toe te zwemmen, maar ze +werden heen en weer geduwd, en konden hem niet bereiken. + +De oude zwanenkoning, die de sterkste van allen was, zette zich +toen in beweging, schoof alle anderen op zij, en baande zich een +weg naar den witten ganzerik. Maar toen hij zag, dat er werkelijk +een witte gans was, die daar op het water lag, werd hij even boos +als alle anderen. Hij blies van woede, stoof regelrecht op Maarten, +den ganzerik, af, en rukte hem een paar veeren uit. + +"Ik zal je leeren, wilde gans, om hier zoo toegetakeld bij de zwanen +te komen!" riep hij. + +"Vlieg weg, Maarten, vlieg weg!" riep Akka, want zij begreep, +dat de zwanen hem alle veeren zouden uitplukken. En "Vlieg weg, +vlieg weg!" riep Duimelot meê. Maar de ganzerik lag zóó vastgeklemd +tusschen de zwanen, dat hij geen ruimte had om de vleugels uit te +slaan. En van alle kanten strekten de zwanen hun sterke snavels uit, +om hem de veeren uit te trekken. + +Maarten, de ganzerik, verdedigde zich door van zich af te slaan en te +bijten, zoo goed hij kon, en ook de andere wilde ganzen begonnen tegen +de zwanen te vechten. Maar 't was duidelijk, hoe dit zou afgeloopen +zijn, als ze niet heel onverwacht hulp hadden gekregen. + +'t Was een roodstaartje, dat gemerkt had, dat de wilde ganzen het te +kwaad kregen bij de zwanen, en dadelijk liet hij het scherp geroep +hooren, dat bij de kleine vogels gebruikelijk is, als het geldt een +havik of een valk weg te jagen. Nauwelijks had hij driemaal geroepen, +of alle kleine vogels uit de buurt stormden op pijlsnelle vleugels, +in een groote luidruchtige zwerm, naar de Hjälstabaai. En die kleine +zwakke stumpertjes vielen de zwanen aan. Zij schreeuwden hun in de +ooren, zij verborgen hun het uitzicht met hun uitgespreide vleugels, +ze maakten ze duizelig met hun gefladder, ze brachten hen in de war +door te roepen: "Schaam je, zwanen! Schaam je toch!" + +De aanval van de kleine vogels duurde maar een paar oogenblikken, +maar toen ze weg waren, en de zwanen weer tot zich zelf kwamen, +zagen ze, dat de wilde ganzen waren opgevlogen, en neerdaalden aan +de overzijde van de baai. + + + + +DE NIEUWE KETTINGHOND. + + +Dat was ten minste goed van de zwanen, dat ze, toen ze zagen, dat de +wilde ganzen waren ontsnapt, te trotsch waren om ze na te jagen. De +wilde ganzen konden dus rustig op een bos biezen gaan staan slapen. + +Wat Niels Holgersson betreft, hij had te veel honger om te kunnen +slapen. + +"Ik moet toch probeeren in een of ander hutje te komen, om wat eten +te krijgen," dacht hij. + +In die dagen, toen zooveel verschillende zaken op het meer ronddreven, +was het niet moeielijk voor iemand als Niels Holgersson een vaartuig te +vinden. Hij bedacht zich niet lang, sprong op een stuk van een plank, +die tusschen de biezen in was geschommeld, vischte een stokje op, +en begon zich door het ondiepe water naar den oever te boomen. + +Nauwelijks was hij aan land gekomen, of hij hoorde iets naast zich in +'t water plassen. Hij hield zich heel stil, en zag eerst een zwaan, +die in haar nest lag te slapen, niet verder dan een paar meter van +hem af, en toen een vos, die een paar stappen in het water had gedaan, +om naar het zwanennest te sluipen. + +"Hei! Ho! Sta op! sta op!" schreeuwde de jongen, en sloeg met zijn +stok in 't water. De zwaan stond dadelijk op, maar niet zóó gauw, of +de vos had haar kunnen pakken, als hij gewild had. Maar hij bedacht +zich, en vloog in plaats daarvan, regelrecht op den jongen af. + +Duimelot zag den vos aankomen, en liep het land in. Voor hem lagen de +open, vlakke weiden. Hij zag geen boom, waar hij in kon klimmen, geen +gat om zich te verschuilen. Hij kon niet anders dan hard wegloopen. Hij +kon goed loopen, maar 't was een uitgemaakte zaak, dat hij het van een +vos niet kon winnen, als die vrij draven kon, en niets te dragen had. + +Op eenigen afstand van het meer lagen een paar kleine boerenhutten. Uit +de vensters scheen licht. Natuurlijk holde de jongen dien kant uit, +maar hij begreep wel, dat, eer hij bij de huizen kwam, de vos hem wel +zesmaal kon hebben ingehaald. Eens was de vos zóó dicht bij hem, dat +hij al zeker meende te zijn den jongen te kunnen pakken, maar Niels +sprong vlug op zij, en begon weer naar het strand te loopen. Door +het omkeeren verloor de vos een beetje tijd, en eer hij opnieuw den +jongen had ingehaald, was deze op een paar mannen toegeloopen, die +den heelen dag en ook den avond op het meer hadden doorgebracht, om +ronddrijvend goed uit het water te halen, en nu op weg naar huis waren. + +De mannen waren moe en slaperig. Zij hadden noch den vos, noch den +jongen gezien, hoewel die vlak voor hen heen waren gesprongen. De +jongen wilde ook liever niet met hen spreken, of hun om hulp vragen, +maar vergenoegde zich met dicht naast hen te loopen. + +"De vos durft niet zoo dicht bij de menschen te komen," dacht hij. + +Maar al gauw hoorde hij de vos aankomen. Die rekende er zeker op, dat +de mannen hem voor een hond zouden aanzien, want hij kwam vlak bij hen. + +"Wat is dat toch voor een hond, die ons nasluipt!" zei toen een van +de mannen. "Hij komt zoo dicht bij, alsof hij ons bijten wil." De +andere bleef staan, en keek om. "Weg met jou! Wat wil je hier?" zei +hij, en gaf den vos een schop, dat hij dwars over den weg stoof. Van +dien tijd af hield de vos zich op een paar stappen afstand, maar liep +toch steeds meê. + +De mannen waren gauw bij de kleine hoeven, en gingen samen naar een +van de huizen. De jongen was van plan geweest meê naar binnen te gaan, +maar toen hij aan de stoep kwam, had hij een grooten, prachtigen, +langharigen kettinghond zien springen uit zijn hok, om zijn meester +te begroeten. Toen veranderde de jongen snel zijn plan, en bleef +buiten staan. + +"Luister eens, kettinghond!" zei de jongen zacht, zoodra de mannen +de deuren hadden gesloten. "Zou je me willen helpen om vannacht een +vos te vangen?" + +De hond had slechte oogen, en was driftig en nijdig geworden, door dat +hij zoo lang gebonden had gestaan: "Zou ik een vos moeten vangen," +blafte hij boos. "Wat ben jij voor een snaak, dat je me hier voor +den gek komt houden. Kom maar eens onder mijn bereik, dan zal ik je +die gekheid wel afleeren!" + +"Denk maar niet, dat ik bang ben om bij je te komen," zei de jongen, +en sprong naar den hond toe. Toen die hem zag, was hij zóó verbaasd, +dat hij geen woord kon zeggen. + +"Ik ben het, die Duimelot wordt genoemd, en ik reis rond met de wilde +ganzen," zei de jongen. "Heb je nooit van mij gehoord?" + +"Nu en dan hebben de musschen wel over je getjilpt," zei de hond. "Je +schijnt groote dingen te hebben gedaan, zoo klein als je bent." + +"Tot nu toe gaat het tamelijk goed," zei de jongen. "Maar nu is het +met mij gedaan, als je me niet wilt helpen. Een vos zit me op de +hielen. Hij staat op me te loeren daar om den hoek." + +"Ja, zoowaar, ik ruik hem al!" zei de hond. "Dien zullen we wel +gauw wegjagen." + +En de hond holde weg, zoover zijn ketting reikte, en blafte en huilde +een heele poos. + +"Nu denk ik niet, dat hij van nacht weer terug zal komen," zei de hond. + +"Er is meer noodig dan een beetje geblaf, om dien vos bang te maken," +zei de jongen. "Hij komt gauw weer terug, en dat zou ook maar goed +zijn, want ik heb nu al met mezelf uitgemaakt, dat jij hem gevangen +nemen moet." + +"Begin je mij nu weer voor den gek te houden?" zei de hond. + +"Kom nu maar met mij in je hok, zoodat de vos ons niet hooren kan," +zei de jongen, "dan zal ik je zeggen wat je doen moet." + +De jongen en de hond kropen in het hok, en lagen daar een poos te +fluisteren. + +Na eenigen tijd stak de vos zijn kop om den hoek, en toen alles stil +was, kwam hij zacht de plaats binnen. Hij volgde al snuffelend het +spoor van den jongen, tot bij het hondenhok, en ging op een afstand +daarvan zitten nadenken, hoe hij hem uit het hok zou lokken. Op eens +stak de hond den kop naar buiten, en bromde: + +"Ga weg. Anders pak ik je!" + +"Ik zal hier voor jou niet weggaan, eer ik wil!" zei de vos. + +"Ga weg!" zei de hond nog eens op dreigenden toon. "Anders ben je +van nacht voor 't laatst op de jacht geweest." + +Maar de vos lachte hem uit, en bleef zitten. + +"Ik weet wel hoever je ketting reikt." + +"Nu heb ik je twee keer gewaarschuwd," zei de hond, en kwam uit het +hok. "Nu moet je maar oppassen." + +Meteen wierp hij zich met een grooten sprong op den vos, en pakte +hem heel gemakkelijk. Want hij was los: de jongen had zijn halsband +losgemaakt. + +Een oogenblik vochten ze samen, maar de strijd was gauw beslist. De +hond bleef overwinnaar, de vos lag op den grond, en durfde zich +niet bewegen. + +"Houd je nu stil," zei de hond. "Anders bijt ik je dood." + +Hij nam den vos bij den nek, en sleepte hem naar zijn hok, en daar +kwam de jongen met de hondenketting aan, en legde den halsband twee +keer om den hals van den vos. Toen trok hij hem zoover aan, dat hij +goed vast zat. En de vos moest stil blijven liggen, en durfde zich +niet verroeren. + +"Nu hoop ik, Smirre, dat je eene goede kettinghond zult worden," +zei de jongen, toen hij klaar was. + + + + + + +XXVII. + +IN UPPSALA. + + +DE STUDENT. + + +In den tijd toen Niels Holgersson door het land trok met de wilde +ganzen, was er in Uppsala een buitengewoon flinke jonge student. Hij +woonde op een klein dakkamertje, en was zoo zuinig, dat de menschen +zeiden, dat hij van den wind leefde. Studeeren was zijn lust en zijn +leven, en hij kwam vlugger vooruit dan al de anderen. Maar hij was +daarom toch geen blokker of suffer, hij had er ook slag van met zijn +kameraden plezier te maken. Hij was juist, zooals een student behoort +te zijn. Hij had geen ander gebrek, dan dat het aan hem te merken was, +dat alles hem meêliep. Maar dat kan den besten gebeuren. 't Is niet +zoo gemakkelijk voorspoed te dragen. + +Op een morgen, toen de student juist wakker was geworden, lag hij er +over te denken, hoe goed hij het toch had. + +"Alle menschen houden van mij, mijn kameraden en mijn leeraars," +zei hij in zichzelf. "En wat gaat het toch prachtig met mijn +studie! Vandaag moet ik voor het laatst naar mijn tentamen, en +dan ben ik gauw klaar. En als ik maar op tijd klaar ben, krijg ik +dadelijk een betrekking met een groot tractement. 't Is merkwaardig, +zooals alles me meeloopt. Maar ik doe ook zoo mijn best, dat het niet +anders dan goed en gelukkig met me kan gaan." + +De studenten in Uppsala zitten niet in een schoolkamer om samen te +leeren als schoolkinderen, maar ze studeeren ieder apart thuis op +hun kamer. Als ze met een onderwerp klaar zijn, gaan ze naar hun +professoren, en die nemen hun een examen af over het heele onderwerp +tegelijk. Zulk een examen wordt "tentamen" genoemd, en 't was juist +het laatste en 't moeilijkste, dat de student dien dag doen moest. + +Zoodra hij gekleed was, en ontbeten had, ging hij aan zijn schrijftafel +zitten, om voor het laatst nog zijn boeken eens in te zien. + +"Ik geloof wel, dat het onnoodig is, want ik heb me zoo goed +voorbereid," dacht de student, "maar ik moet maar zoo lang mogelijk +werken; dan heb ik me niets te verwijten." + +Hij had nog niet lang zitten werken, of er werd aan de deur geklopt, +en een student kwam binnen met een dik, oud boek onder den arm. Dat +was een heel ander soort student dan hij, die daar aan de schrijftafel +zat. Hij was verlegen en bedremmeld, en zag er armoedig uit. 't Was +iemand, die verstand van boeken had, maar ook van niets anders. Men +zei van hem, dat hij heel geleerd moest zijn, maar hij was zoo bang en +verlegen, dat hij nog nooit gewaagd had een tentamen te doen. Allen +dachten, dat hij een "overblijver" zou worden, dat is: een student, +die jaar in jaar uit in Uppsala blijft studeeren, maar waar nooit +wat van terecht komt. + +Nu kwam hij zijn kameraad vragen, of hij een boek wou lezen, dat +hij geschreven had. 't Was niet gedrukt, maar alleen met de hand +geschreven. + +"Je doet me een grooten dienst, als je dit eens wilt inkijken," +zei hij, "en eens zien of het goed is." + +De student, wien alles zoo meêliep, dacht: "Is 't nu niet waar, +wat ik zeg, dat alle menschen van me houden? Daar komt nu ook die +kluizenaar, die 't niet over zich heeft kunnen verkrijgen zijn werk +aan iemand anders te laten zien, en wil, dat ik het beoordeelen zal!" + +Hij beloofde zoo gauw mogelijk het handschrift te lezen, en de andere +legde het voor hem op de schrijftafel. + +"Wil je er heel voorzichtig meê zijn?" zei hij. "Ik heb hier vijf +jaar lang aan gewerkt, en als het wegraakt, kan ik het niet overmaken." + +"Er zal hier bij mij niets aan komen," zei de student, en de ander +ging heen. + +De student trok het dikke boek naar zich toe. + +"Ik ben benieuwd, wat hij daar heeft zitten krabbelen," zei hij. "O +zoo, "De geschiedenis van de stad Uppsala." Dat klinkt nog zoo +gek niet." + +Nu hield die student meer van Uppsala dan van alle andere plaatsen, en +hij verlangde te lezen, wat de overblijver over de stad had geschreven. + +"Als ik er goed over denk," mompelde hij, "kan ik even goed zijn +geschiedenis dadelijk lezen! 't Geeft toch niet, of ik tot het laatste +oogenblik zit te blokken. Daar gaat het toch niet beter om, als ik +eenmaal bij den professor zit." + +De student ging zitten lezen en keek niet op van de papieren, eer +hij het laatste blad gelezen had. Toen hij het uit had, was hij +heel tevreden. + +"Zie eens!" zei hij. "Dat is een drommelsch knappe vent. Als dit boek +uitkomt, is zijn naam gemaakt. 't Zal heerlijk zijn, hem te vertellen, +wat dat voor een mooi stuk werk is!" + +Hij nam alle losse bladen, waaruit het handschrift bestond, bij elkaar, +en schikte ze weer in volgorde op de tafel. Terwijl hij daarmeê bezig +was, hoorde hij een klok slaan. + +"Lieve hemel! 't Is al tijd om naar den professor te gaan," zei hij, +en liep haastig de kamer uit om zijn zwart pak te halen, dat in een +kamertje op den zolder hing. Zooals het dikwijls gaat, als men haast +heeft: slot en sleutel waren onwillig, en het duurde een poosje, +eer hij weer terugkwam. + +Toen hij op den drempel stond, gaf hij een schreeuw. In de haast had +hij de deur open laten staan, toen hij heen ging, en het venster, +waar de schrijftafel voor stond, was ook open. Er was een hevige tocht +ontstaan, en nu zag de student de losse bladen van het handschrift +door het venster naar buiten dwarrelen. Hij was met een sprong bij de +tafel, en legde de hand op de papieren, maar er was niet veel meer +van te redden. Nog maar een tien of twaalf lagen op de tafel. Al de +andere dansten in den wind over huizen en daken. + +De student boog zich over de vensterbank, en zag de papieren na. Een +zwarte vogel zat op het dak buiten 't dakvenster, en zag hem spottend +plechtig aan. + +"Is dat niet een raaf?" dacht de student. "Men zegt immers, dat een +raaf ongeluk voorspelt." + +Hij zag enkele papieren op het dak liggen, en zeker had hij ten +minste een gedeelte van het verlorene nog kunnen redden, als hij +zijn tentamen niet had gehad om aan te denken. Maar hij meende, dat +hij allereerst voor zijn eigen zaken moest zorgen. "Het gaat hier om +mijn heele toekomst," dacht hij. + +Hij trok gauw zijn andere kleeren aan, en liep zoo hard hij kon naar +zijn professor. Onderweg dacht hij aan niets anders, dan aan het +verloren handschrift. + +"'t Is een ellendige geschiedenis," dacht hij. "'t Was ook ongelukkig, +dat ik het zoo druk had." + +De professor begon hem vragen te doen, maar hij moest maar aldoor +aan dat verloren handschrift denken. + +"Wat zei de stumper ook weer?" dacht hij. "Had hij niet vijf jaar +aan dat boek gewerkt, en had hij nu geen kracht meer om het over te +schrijven? Ik weet niet, hoe ik hem zal durven zeggen, dat het weg is." + +Hij was zóó vol van wat er gebeurd was, dat hij zijn gedachten niet +bij elkaar kon houden. Al zijn kennis was spoorloos verdwenen. Hij +hoorde niet, wat de professor vroeg, en wist heelemaal niet wat hij +zelf antwoordde. De professor was verstomd over zoo'n onwetendheid, +en kon niet anders dan hem laten druipen. + +Toen de student weer buiten kwam, voelde hij zich diep ongelukkig. + +"Nu krijg ik mijn betrekking niet," dacht hij, "en dat is de schuld +van dien overblijver. Waarom moest hij ook juist vandaag met het +handschrift komen! Maar zoo gaat het, als men behulpzaam is." + +Op hetzelfde oogenblik zag de student, den jongen man, aan wien hij +dacht, aankomen. Hij wilde er niet over spreken, dat het handschrift +verloren was, eer hij een poging had gedaan om het terug te krijgen, +en was van plan hem voorbij te loopen. Maar de ander liep daar +bekommerd en ongerust, en wilde graag weten, wat de student van zijn +boek zou zeggen. En toen hij hem voorbij zag loopen met een niet al +te vriendelijk knikje, werd hij heel angstig. Hij klopte den student +op den arm, en vroeg hem of hij iets had gelezen. + +"Ik heb tentamen gehad," zei de student, en wilde snel doorloopen. Maar +de andere meende, dat hij hem ontwijken wilde, om niet te hoeven +zeggen, dat hij niet met zijn boek was ingenomen. 't Was hem, alsof +zijn hart zou breken, omdat het werk, waar hij vijf jaar lang meê +bezig was geweest, niet deugde, en hij zei tegen den student in zijn +groot verdriet: + +"Onthoud nu wat ik je zeg. Als mijn boek niet deugt, wil ik het +niet meer zien. Lees het zoo gauw je kunt, en zeg me, wat je er van +vindt. Maar als het niet deugt, moet je 't verbranden. Dan wil ik +het niet meer zien." + +Hij liep haastig door. De student zag hem na, alsof hij hem had willen +terugroepen, maar hij bedacht zich, en ging naar huis. + +Daar trok hij haastig zijn daagsche kleeren aan, en liep rond om naar +het handschrift te zoeken. Hij zocht in de straten, op de markt en +in het plantsoen. Hij ging de binnenplaatsen in, en liep zelfs tot +buiten de stad.--Hij kon geen enkel blad vinden. + +Toen hij op die manier een poos was doorgegaan, kreeg hij zoo'n +honger, dat hij moest gaan eten. Maar aan tafel ontmoette hij alweer +den overblijver. Deze kwam dadelijk naar hem toe, om iets van zijn +boek te hooren. "Ik kom vanavond bij je, om er over te praten," +zei de student knorrig en stug. Hij wilde niet bekennen, dat hij het +verloren had, vóór hij er heelemaal zeker van was, dat het niet kon +worden teruggevonden. De andere werd doodsbleek. + +"Denk er maar aan, dat je het moet vernietigen, als het niets waard +is," zei hij en ging heen. Hij was er nu heel zeker van, dat de +student niet over zijn werk tevreden was. + +De student liep weer haastig de stad in, en bleef zoeken, tot het +heelemaal donker was, zonder iets te vinden. Toen hij op weg naar +huis was, kwam hij een paar kameraden tegen. + +"Waar heb jij gezeten, dat je niet op ons lentefeest was?" vroegen ze. + +"Ach, is het lentefeest geweest?" zei de student, "dat heb ik heelemaal +vergeten." + +Terwijl hij met zijn kameraden stond te praten, kwam een jong meisje, +waar hij veel van hield, voorbij. Ze keek niet naar hem, maar liep met +een anderen student te praten, en lachte bizonder vriendelijk tegen +hem. Toen herinnerde de student zich op eens, dat hij haar had gevraagd +op het lentefeest te komen, opdat hij haar daar zou ontmoeten. En nu +was hij zelf niet gekomen! Wat moest ze wel van hem denken! + +Hij voelde een steek in 't hart, en wilde haar gauw naloopen. Maar +toen zei een van zijn vrienden: "Het is niet goed met Steenberg, +dien overblijver, je weet wel. Hij is vanavond ziek geworden." + +"'t Is toch niet ernstig?" vroeg de student snel. + +"'t Was iets aan 't hart. Hij had een leelijken aanval, en het kan +ieder oogenblik terugkomen. De dokter dacht, dat hij een of ander +verdriet had. Of hij beter worden kan, hangt er van af, of dat verdriet +kan worden weggenomen." + +Een oogenblik later kwam de student bij den overblijver binnen. Hij +lag in bed, heel bleek en zwak, en was nog niet heelemaal hersteld +van dien ernstigen aanval. + +"Ik ben gekomen, om met je over je boek te spreken," zei de +student. "Dat is een uitstekend werk, moet je weten. Ik heb zelden +zooiets moois gelezen." + +De overblijver ging recht overeind zitten, en keek den student +strak aan. + +"Waarom deed je zoo vreemd van middag?" + +"Ik had het land, omdat ik voor mijn tentamen gedropen was. Ik dacht +niet, dat je er zooveel om gaf, hoe ik je boek vond. Ik vond het +bizonder mooi." + +De zieke zag hem onderzoekend aan, en werd steeds meer overtuigd, +dat de student iets voor hem wilde verbergen. + +"Dat zeg je nu maar, omdat je hebt gehoord, dat ik ziek was, en je +wilt me troosten." + +"Neen zeker niet! 't is een uitstekend werk, daar kun je zeker +van zijn." + +"Heb je 't wezenlijk niet verscheurd, zooals ik 't je vroeg?" + +"Maar ik ben toch zoo dwaas niet, dat ik dat zou doen." + +"Haal het dan hier! Laat me zien, dat je 't niet hebt verscheurd, dan +zal ik je gelooven," zei de zieke, en zonk weer in 't kussen terug, zoo +zwak en mat, dat de student bang was, dat hij een nieuwen aanval kreeg. + +'t Was vreeselijk! De student voelde zich zoo ellendig. Hij nam de +handen van den zieke tusschen de zijne, en vertelde hem, dat zijn +handschrift uit het raam was gewaaid; hij zei hem hoe ongelukkig hij +dien heelen dag was geweest, omdat hij hem zooveel schade had gedaan. + +Toen hij dat alles gezegd had, streelde de zieke zijn hand. + +"Je bent goed, heel goed," zei hij. "Maar je hoeft geen verhaaltjes +te verzinnen om me te sparen. Ik begrijp heel goed, dat je hebt +gedaan, wat ik gezegd heb, dat je mijn handschrift hebt vernietigd, +omdat het niets waard was. En dat wil je nu niet zeggen. Je meent, +dat ik het niet kan verdragen." + +De student verzekerde en bezwoer hem, dat hij de waarheid had gezegd, +maar de andere hield vol, en wilde hem niet gelooven. + +"Als je me 't handschrift terug kunt geven, zal ik je gelooven," +zei hij. + +Hij werd steeds zieker, en eindelijk moest de student wel heengaan, +omdat hij zag, dat hij den andere maar erger maakte. Toen hij thuis +kwam voelde hij zich plotseling zoo uitgeput van vermoeidheid, dat +hij zich nauwelijks kon voortsleepen. Hij zette thee, en ging toen +naar bed. Toen hij de dekens over zich heentrok, dacht hij er aan +hoe gelukkig hij zich dien morgen had gevoeld. Nu had hij veel voor +zichzelf bedorven, maar dat kon hij wel dragen. + +"Het ergste is, dat ik er mijn heele leven aan zal moeten denken, +dat ik een mensch ongelukkig heb gemaakt," zei hij. + +Hij meende, dat hij dien nacht niet zou hebben kunnen slapen, maar +vreemd genoeg, hij sliep in, zoodra hij het hoofd op het kussen +had gelegd. + +Hij had niet eens de tijd om de lamp uit te doen, die op het +nachttafeltje naast zijn bed stond. + + + + +HET LENTEFEEST. + + +Maar nu gebeurde het, terwijl de student insliep, dat een dwergje, +met een geel leeren broek aan, een groen vest en een wit puntmutsje +op het hoofd, op het dak voor het venster zat, en dacht, dat hij, +als hij maar in de plaats van dien jongen student was, die daar in +bed lag, al heel gelukkig zou zijn. + +Dat Niels Holgersson, die een paar uur geleden had liggen uitrusten +op een toef dotterbloemen bij de Ekalsundbaai, nu in Uppsala was, +kwam door dat Bataki, de raaf, hem mee had gelokt om op avonturen uit +te gaan. De jongen zelf had er niet aan gedacht. Hij had tusschen +de bloemen gelegen, en naar de lucht gekeken, toen hij Bataki zag +aankomen tusschen de wegtrekkende wolken door. De jongen had liever +voor hem willen wegkruipen, maar Bataki had hem al lang gezien, en +een oogenblik later stond hij midden tusschen de dotterbloemen in, +en begon een praatje, alsof Duimelot en hij, de beste vrienden van +de wereld waren. + +Hoe somber en plechtig Bataki er ook uitzag, de jongen had wel gemerkt, +dat zijn oogen ondeugend schitterden. Hij had een gevoel gehad, alsof +de raaf gekomen was, om hem op een of andere wijze voor den gek te +houden, en hij was besloten zich niet te storen aan wat hij zou zeggen. + +De raaf had gezegd, dat hij er wel over had gedacht, dat hij Duimelot +een vergoeding schuldig was, omdat hij hem niet had kunnen vertellen, +waar het broederdeel was, en daarom kwam hij nu om een ander geheim +meê te deelen, Bataki wist namelijk hoe iemand, die betooverd was, +zooals hij, weer een mensch kon worden. + +Dit is zeker, dat de raaf gedacht had, dat de jongen dadelijk op het +lokaas zou toebijten, als hij met zóó'n lekker hapje hengelde. Maar +de jongen had heel afwijzend geantwoord, dat hij wist, hoe hij weer +mensch zou worden. Hij had alleen maar den witten ganzerik ongedeerd +eerst naar Lapland en dan naar Skaane te brengen. + +"Je weet, dat het niet zoo gemakkelijk is, een ganzerik behouden en +wel door het land te brengen," had Bataki toen gezegd. "Je kon nog +wel eens een anderen uitweg noodig hebben, als je dat niet lukte. Maar +als je het niet weten wilt, zal ik wel zwijgen." + +En toen had de jongen weer gezegd, dat hij er niets tegen had, als +Bataki over dat geheim wilde spreken. + +"Dat zal ik ook doen," had Bataki verklaard, "maar niet voor het juiste +oogenblik is gekomen. Kom op mijn rug zitten, en ga meê op mijn tocht, +dan zullen we zien, of er zich niet een geschikt geval kan voordoen." + +Toen had de jongen weer geaarzeld, want hij wist niet recht, wat hij +aan Bataki had. + +"Je durft je niet aan mij toe te vertrouwen," had toen de raaf gezegd. + +Maar de jongen kon er niet tegen, dat men hem verdacht ergens bang +voor te zijn, en een oogenblik later zat hij op den rug van de raaf. + +Toen had Bataki hem naar Uppsala gebracht. Hij had hem op een dak +neergezet, en hem verzocht rond te kijken, en hem gevraagd, wie hij +wel meende, dat hier in deze stad woonde en regeerde. + +De jongen had de stad overzien. Die was tamelijk groot, en lag prachtig +midden op een wijde, onbebouwde vlakte. Daar waren veel huizen, die +er aanzienlijk en voornaam uitzagen, en op een bergtop lag een vast +gemetseld slot met twee grove torens. + +"Misschien wonen de koning en zijn gevolg hier," had hij gezegd. + +"Dat is nog niet zoo misgeraden," had de raaf geantwoord. "Dit +is vroeger een koningsstad geweest, maar nu is het uit met die +deftigheid." + +De jongen had nog eens rondgekeken, en hij had vooral gelet op de +groote domkerk, die in de avondschemering lag te schitteren met drie +hooge torenspitsen, mooie portalen en versierde muren. + +"Misschien wonen daar de bisschop en zijn priesters." + +"Dat is nog niet zoo misgeraden," had de raaf geantwoord. "Hier hebben +eens aartsbisschoppen gewoond, die even machtig waren als koningen, +en hier woont nu nog een aartsbisschop, maar niet hij is 't, die +hier regeert." + +"Dan weet ik niet, wat ik bedenken moet," had de jongen gezegd. + +"Het is de geleerdheid, die hier in de stad woont en regeert," had +de raaf verklaard, en toen hadden ze heen en weer gevlogen en naar de +groote huizen gekeken. Hier en daar hadden vensters open gestaan. De +jongen kon dan naar binnen kijken, en hij zag, dat de raaf gelijk had. + +Bataki had hem de groote bibliotheek laten zien, die van den kelder +tot den zolder vol boeken was. Hij had hem naar de statige hoogeschool +gebracht, en hem de prachtige voordrachtzalen laten zien. Hij was +voorbij een oud gebouw gevlogen, dat Gustavianum heette, en den +jongen had er door de vensters allerlei opgezette dieren gezien. Ze +waren gevlogen over de groote kassen, met de vele vreemde planten, +en ze hadden op de sterrenwacht neergezien, waar veel sterrenkijkers +naar den hemel gericht stonden. + +Ze waren ook voorbij veel vensters gevlogen, waar oude heeren met +brillen op, zaten te lezen of te schrijven in kamers, waar de muren +vol boeken stonden, en ze waren voorbij dakkamertjes gevlogen, waar +de studenten op hun sofa's lagen te werken uit dikke boeken. + +Eindelijk was de raaf op een dak neergestreken. + +"Zie je nu wel, dat het waar is, wat ik zei: dat de geleerdheid +hier in de stad regeert?" had hij gezegd, en de jongen had erkend, +dat hij gelijk had. + +"Als ik geen raaf was," had Bataki verder gezegd, "maar een mensch +als jij, dan zou ik hier gaan wonen. Ik zou dag in dag uit in een +kamer vol boeken zitten, en alles leeren, wat er in stond. Zou je +daar ook geen lust in hebben?" + +"Neen, ik geloof, dat ik liever met de wilde ganzen zou rondreizen," +had den jongen geantwoord. + +"Zou je geen lust hebben zoo'n mensch te worden, die ziekten kan +genezen?" + +"Ja, misschien wel." + +"Zou je geen lust hebben zoo'n mensch te worden, die alles weet, +wat er in de wereld gebeurd is, die alle talen spreekt, en zeggen +kan welke wegen zon, maan en sterren langs den hemel nemen?" + +"Ja, dat kon ook wel prettig zijn." + +"Zou je niet graag het verschil tusschen goed en kwaad, tusschen +recht en onrecht willen weten?" + +"Dat zou wel noodig zijn," had de jongen gezegd, "dat heb ik dikwijls +gevoeld." + +"En zou je niet voor predikant willen leeren, en bij je thuis in de +kerk preeken?" + +"Vader en Moeder zouden wel erg blij zijn, als ik zoover kwam," +had de jongen geantwoord. + +Op die manier had de raaf den jongen doen begrijpen, dat zij, die +in Uppsala mochten wonen en studeeren, gelukkig waren, maar Duimelot +had nog niet gewenscht een van die menschen te zijn. + +Maar toen was het gebeurd, dat het groote feest ter eere van de lente, +dat ieder jaar in Uppsala gevierd wordt, juist dien avond plaats had. + +En zoo had Niels Holgersson de studenten gezien, die optrokken naar +den Botanischen Tuin, waar het feest zou gevierd worden. Zij waren +aangekomen in een breeden, langen optocht, met witte mutsen op het +hoofd, en de heele straat had er uitgezien als een donkere stroom +vol witte waterlelies. Witte zijden, met goud geborduurde vaandels +hadden ze gedragen, en ze hadden lenteliederen gezongen onder het +marcheeren. Maar Niels Holgersson had gevonden, dat het was, alsof ze +niet zelf zongen, maar alsof het gezang boven hun hoofden zweefde. Hij +vond, dat het was, alsof niet de studenten voor de lente zongen, maar +alsof de lente ergens verborgen zat, en voor de studenten zong. Hij +had niet gedacht, dat menschengezang zóó mooi kon klinken. Het was als +het suizen in de naalden van de denneboomen, als de klank van staal, +als het zingen van wilde zwanen aan den oever van de zee. + +Toen de studenten in den tuin waren gekomen, waar de grasvelden in +licht, teer lentegroen stonden, en de blaren van de boomen op 't punt +waren de knoppen te doen openspringen, waren ze blijven stilstaan +voor een spreekgestoelte, en een jonge, deftig uitziende man was +daarop geklommen, en had gesproken. + +Dat spreekgestoelte was opgericht op de stoep van de groote broeikas, +en de raaf had den jongen op het dak van de kas neergezet. Daar had hij +rustig gezeten, en de eene toespraak na de andere gehoord. Eindelijk +was een oud man op 't spreekgestoelte geklommen. De oude had gezegd, +dat het beste in 't leven was: jong te zijn en je jeugd in Uppsala te +mogen doorbrengen. Hij had gesproken over het heerlijke, vredige werken +in de boeken, en de rijke, zonnige, jeugdige vreugde, die nergens zoo +goed genoten kon worden, als in den kring van de kameraden. En telkens +was hij teruggekomen op het genot, te mogen leven met vroolijke, +edelgezinde kameraden. Dat was het, wat de inspanning zoo prettig +maakte, het verdriet zoo snel deed vergeten, en de hoop zoo deed +schitteren. + +De jongen had naar de studenten zitten kijken, die in een halven cirkel +onder het spreekgestoelte zaten, en hij begon te begrijpen, dat het +heerlijkste in de wereld was tot dien kring te behooren. Dat was een +hooge eer, een groot geluk. Ieder van hen werd iets meer, dan hij +alleen zou zijn geworden, omdat hij bij zulk een groep menschen hoorde. + +Na de toespraak hadden de liederen weer geklonken, en na de liederen +waren nieuwe toespraken gekomen. De jongen had nooit gedacht of +begrepen, dat woorden zóó bij elkaar konden worden gevoegd, zoodat ze +zulk een macht kregen om te ontroeren, op te wekken en blij te maken, +als deze toespraken hadden. + +Niels Holgersson had het meest naar de studenten gekeken, maar hij +merkte wel, dat ze niet alleen in den tuin waren. Er waren daar jonge +meisjes in lichte japonnetjes, met mooie zomerhoeden op, en nog vele +andere menschen ook. Maar het ging als met hemzelf: ze schenen daar +alleen gekomen te zijn, om naar de studenten te zien. + +Nu en dan was er pauze tusschen de toespraken en de liederen, en toen +had de menigte zich over den heelen tuin verspreid. Maar al gauw was +er een nieuwe spreker opgetreden, en dadelijk hadden de hoorders zich +weer om hem heen verzameld. En op die manier was het doorgegaan tot +den avond. + +Toen alles voorbij was, had de jongen diep adem gehaald, en zich de +oogen uitgewreven, zooals men doet bij het wakker worden. Hij was +in een land geweest, dat hij nog nooit te voren had bezocht. Van al +die jonge menschen, die blij waren met het leven, en in de toekomst +zagen, met de zekerheid te zullen overwinnen, waren vroolijkheid en +geluk uitgegaan over allen, en de jongen was met hen in het land der +vreugde geweest. Maar toen het laatste lied was weggestorven, had de +jongen gevoeld, hoe droevig zijn eigen leven was, en het had hem tegen +de borst gestuit nu weer naar zijn arme reisgenooten terug te keeren. + +De raaf had naast den jongen gezeten, en was toen begonnen in zijn +ooren te krassen. + +"Nu Duimelot, nu zal ik je zeggen hoe je een mensch kunt worden. Je +moet wachten, tot je iemand ontmoet, die tegen je zegt, dat hij graag +in jouw schoenen wou staan, en met de wilde ganzen rondreizen. Dan +moet je goed oppassen, dat je dit tegen hem zegt:...." + +En toen had Bataki den jongen een paar woorden geleerd, die zóó +sterk en gevaarlijk waren, dat ze niet hardop gezegd kunnen worden, +maar moeten worden gefluisterd, als men ze niet in vollen ernst +wil gebruiken. + +"Meer dan dat is niet noodig, als je een mensch wilt worden," had +Bataki eindelijk gezegd. + +"Neen, dat geloof ik graag," antwoordde de jongen, "want iemand, +die verlangt in mijn schoenen te staan, zal ik wel nooit ontmoeten!" + +"Dat is niet zoo onmogelijk," had de raaf gezegd, en toen had hij +den jongen de stad ingebracht, en hem op het dak, voor een dakvenster +gezet. Een lamp brandde in de kamer, het venster stond op een kier, +en de jongen had daar nu al een heel poosje gestaan, en er over gedacht +hoe gelukkig de student wezen moest, die daar binnen lag te slapen. + + + + +OP DE PROEF GESTELD. + + +De student schrikte wakker uit zijn slaap, en zag, dat de lamp nog +op het nachttafeltje stond te branden. + +"Kijk eens, nu heb ik vergeten de lamp uit te doen," dacht hij, en +richtte zich op zijn elleboog op, om de lamp neer te draaien. Maar eer +hij dat kon doen, merkte hij, dat er iets bewoog op zijn schrijftafel. + +De kamer was heel klein. De tafel stond niet ver van zijn bed, en hij +kon die duidelijk zien, met al de boeken en papieren, den inktkoker +en de photografieën, die er op stonden. Zijn spiritustoestel en 't +theeblaadje had hij daar laten staan, en die zag hij ook. Maar het +wonderlijkste was, dat hij even duidelijk als dat alles, een dwergje +zag, die bij het botervlootje stond, en bezig was zich een boterham +te maken. + +De student had zooveel beleefd den vorigen dag, dat het hem bijna +onverschillig was, wat hem nu verder overkwam. Hij was niet bang of +verbaasd, maar vond, dat het heel natuurlijk was, dat de dwerg was +binnengekomen om een hapje te eten. + +Hij ging weer liggen, zonder de lamp uit te doen, en bekeek het dwergje +met halfgesloten oogen. Die was nu gaan zitten op een presse-papier, +en zat daar zich heel genoegelijk te goed te doen aan de overblijfselen +van het avondeten van den student. 't Was te zien, dat hij zich in +het minst niet haastte. Hij zat met de oogen te knippen, en smakte +met de tong. De oude broodkorstjes en de droge stukjes kaas waren +zeker zeldzame lekkernijen voor hem. + +De student wilde hem niet storen, zoolang hij at, maar toen het +dwergje eindelijk genoeg had, begon hij met hem te praten. + +"Hallo, jij daar!" zei hij. "Wat ben je voor een ventje?" + +Het dwergje schrikte op, en sprong naar het venster, maar toen hij +merkte, dat de student stil in bed bleef liggen, en hem niet vervolgde, +bleef hij staan. + +"Ik ben Niels Holgersson van West Vemmenhög," zei hij, "en ik ben +een mensch, net als jij. Maar ik ben in een dwerg veranderd, en nu +reis ik rond met de wilde ganzen." + +"Dat is een zonderling verhaal," zei de student, en begon den jongen +te vragen en uit te hooren, tot hij ongeveer alles wist, wat die had +beleefd, sinds hij van huis ging. + +"Jij hebt het maar goed," zei de student. "Menigeen zou wel in jouw +schoenen willen staan, en wegvliegen van alle zorgen en bekommeringen." + +Bataki, de raaf, stond buiten op de vensterbank, en toen de student +dat zei, pikte hij met den bek tegen het venster. De jongen begreep, +dat hij zijn aandacht wilde trekken, zoodat hij niets zou verzuimen, +als de student de rechte woorden zou zeggen. + +"Och, je zou niet met mij willen ruilen," zei hij. "Wie eenmaal +student is, kan toch nooit iets anders willen wezen." + +"Dat dacht ik vanmorgen ook, toen ik wakker werd," zei de +student. "Maar je moest maar eens weten, wat mij vandaag is +overkomen. Met mij is 't nu uit! 't Was wezenlijk het beste voor me, +als ik met de wilde ganzen kon wegvliegen." + +De jongen hoorde Bataki aan het venster pikken, en zelf werd hij +duizelig en kreeg hartklopping, want nu leek het wel, of de student +de juiste woorden zou zeggen. + +"Ik heb je nu verteld, hoe 't mij ging," zei hij tegen den +student. "Vertel me nu ook, hoe jij het hebt." + +En de student was blij, dat hij een vertrouweling had, en vertelde +eerlijk wat hem was gebeurd. + +"Dat alles zou nu wel weer overgaan," zei hij eindelijk. "Maar +waar ik niet tegen kan--dat is, dat ik een kameraad ongelukkig heb +gemaakt. 't Was veel beter voor mij, dat ik in jouw schoenen stond, +en met de wilde ganzen mocht rondvliegen." + +Bataki pikte hard tegen de ruiten; maar de jongen zat lang zwijgend, +recht voor zich uit te kijken. + +"Wacht even! Je zult gauw meer van me hooren," zei hij zacht tegen +den student, en toen liep hij wat langzaam over de schrijftafel en +het venster uit. Juist toen hij op het dak kwam, ging de zon op, +en het roode morgenlicht stroomde over Uppsala. Alle daken en torens +glansden en glinsterden, en weer moest de jongen erkennen, dat het +een echte vreugdestad was. + +"Wat bezielt je toch?" vroeg de raaf. "Nu heb je de gelegenheid laten +voorbijgaan om een mensch te worden." + +"Met dien student wil ik niet ruilen," zei de jongen. "Dan kreeg ik +immers maar verdriet over die weggewaaide papieren." + +"Daar hoef je geen zorg over te hebben," zei Bataki. "Die kan ik je +terug bezorgen." + +"Ik geloof wel, dat je dat kunt," zei de jongen, "maar ik ben er +nog niet zoo zeker van, dat je het doen zult. Daar wil ik eerst van +overtuigd zijn." + +Bataki antwoordde niet. Hij sloeg de vleugels uit, en vloog weg. Kort +daarna kwam hij terug met een paar papieren. Hij vloog nu een heel uur +lang heen en weer, zoo vlijtig als een zwaluw, die haar nest bouwt, +en bracht den jongen het eene blad na het andere. + +"Zie zoo, nu geloof ik, dat je zoowat alles hebt," zei hij eindelijk, +en ging hijgend op de vensterbank zitten. + +"Ik dank je hartelijk," zei de jongen. "Nu zal ik naar binnen gaan +en met den student spreken." + +Toen keek Bataki in de kamer, en zag hoe de student de bladen +rangschikte en glad streek. + +"Jij ben toch de grootste stoffel, dien ik ooit gezien heb," stoof +Bataki op tegen den jongen. "Heb je nu dat handschrift aan den student +gegeven? Dan hoef je niet meer bij hem binnen te gaan. Hij zal nooit +meer zeggen, dat hij zoo wil worden als jij." + +De jongen stond ook naar den student te zien, die zoo blij was, dat hij +in zijn kamertje ronddanste in zijn hemd. En toen keek hij naar Bataki. + +"Ik begrijp wel, dat je me op de proef hebt willen stellen," zei +hij. "Je dacht zeker, dat ik Maarten, den ganzerik, aan zijn lot zou +overlaten op die moeielijke reis, zoodra ik het zelf goed zou kunnen +krijgen. Maar toen de student mij zijn geschiedenis vertelde, dacht +ik er aan, hoe leelijk het toch is een kameraad ontrouw te worden. En +dat wou ik niet doen." + +Bataki begon zich met den poot in den hals te krabben, en zag er +bijna verlegen uit. Hij kwam er niet toe iets te zeggen, maar vloog +met den jongen regelrecht naar de wilde ganzen terug. + + + + + + +XXVIII. + +DONSJE. + + +Niemand kan liever en zachter wezen dan de kleine grauwe gans, +Donsje. Alle wilde ganzen hielden veel van haar, en de witte ganzerik +zou voor haar door het vuur gaan. Als Donsje ergens om vroeg, kon +zelfs Akka niet weigeren. + +Donsje had twee zusters: Mooivleugel en Goudoogje. Dat waren sterke en +wijze vogels, maar ze hadden niet zoo'n zacht en glanzend veerenkleed +als Donsje, en ook niet zoo'n lief en zacht karakter. Al sinds den +tijd, dat ze kleine, gele jonge gansjes waren, hadden ook de ouders en +familieleden, ja, nu en dan ook de oude visschers duidelijk getoond, +dat ze meer van Donsje hielden, dan van hen, en daarom hadden de +zusters haar altijd gehaat. + +Toen de wilde ganzen op de rots bij Stockholm aankwamen, waar Donsje's +familie woonde, liepen Mooivleugel en Goudoogje te grazen op een klein +groen plekje bij het strand, en kregen al gauw de vreemdelingen in +het oog. + +"Kijk eens, zuster Goudoogje, wat komen daar prachtige, wilde ganzen +op het eiland neer, zei Mooivleugel. "Ik heb zelden vogels gezien met +zoo'n sierlijke houding. En zie je wel, dat ze een witten ganzerik +bij zich hebben? Heb je ooit een mooier vogel gezien? Je zoudt hem +bijna voor een zwaan houden." + +Goudoogje gaf haar zuster gelijk, en meende, dat het zeker zeer +aanzienlijke vreemdelingen waren, die op het eiland waren gekomen. Maar +plotseling viel zij zichzelf in de rede, en riep: "Zuster Mooivleugel, +zuster Mooivleugel! Zie je niet, wie ze bij zich hebben?" + +Op datzelfde oogenblik kreeg ook Mooivleugel Donsje in het oog, en was +zoo verbaasd, dat ze een heele poos met den snavel open bleef staan, +en niets kon dan sissen. + +"'t Is toch niet mogelijk, dat zij het is," zei ze eindelijk. "Hoe +is ze bij zulk soort volk gekomen. We meenden immers, dat ze zou +doodhongeren op Öland." + +"Het ergste is, dat ze bij Vader en Moeder zal gaan babbelen en +vertellen, dat wij zoo hard tegen haar aanvlogen, dat haar vleugel +uit het lid ging," zei Goudoogje. "Je zult zien, dat wij van de rotsen +hier worden weggejaagd." + +"We hebben niets dan ergernis te verwachten, nu dat mismaakte wicht +terug gekomen is," zei Mooivleugel. "Maar ik denk toch, dat het +om te beginnen 't verstandigst is, dat we ons zoo blij toonen over +haar thuiskomst, als 't ons maar mogelijk is. Ze is zoo dom, dat ze +misschien niet eens gemerkt heeft, dat we haar met opzet duwden." + +Terwijl Mooivleugel en Goudoogje zoo samen praatten, hadden de wilde +ganzen op het strand gestaan, en hun veeren in orde gemaakt na den +tocht. Nu trokken ze in een lange rij van het rotsige strand naar de +kloof, waar Donsje wist, dat haar ouders zich gewoonlijk ophielden. + +Donsje's ouders hoorden tot de besten en aanzienlijksten onder de +ganzen. Zij hadden langer op het eiland gewoond dan een van de anderen, +en ze waren gewoon alle nieuwelingen te raden en te helpen. Ze hadden +ook de wilde ganzen zien aankomen, maar ze hadden Donsje niet herkend +in de menigte. + +"Hoe vreemd, dat de wilde ganzen hier op de klippen landen," had de +oude ganzerik gezegd. "Wat een prachtige troep! Dat kun je al aan +het vliegen zien. Maar 't zal niet gemakkelijk zijn weiden voor zoo +velen te vinden." + +"'t Is hier nog niet zoo overvol, dat we hen, die hier komen, niet +kunnen ontvangen," antwoordde zijn vrouw. Zij was even zacht en goed +van karakter als Donsje. + +Toen Akka aankwam met haar optocht, gingen Donsje's ouders haar te +gemoet, en wilden haar juist welkom heeten op het eiland, toen Donsje +opvloog van haar plaats achter in de rij, en midden tusschen haar +ouders neerstreek. + +"Vader, Moeder, hier ben ik! Kent u Donsje niet meer?" riep zij. + +Eerst konden de ouden niet goed begrijpen, wat zij zagen, maar toen +herkenden zij hun dochter, en waren natuurlijk verbazend blij. + +Terwijl nu de wilde ganzen en Maarten, de ganzerik, en Donsje zelf +zoo ijverig mogelijk kakelden om te vertellen, hoe Donsje gered was, +kwamen Mooivleugel en Goudoogje aanvliegen. Zij riepen al van verre +haar zuster welkom toe, en toonden zich zoo blij, dat Donsje thuis was, +dat ze er van aangedaan werd. + +De wilde ganzen voelden zich goed thuis op de klippen, en er werd +besloten, dat ze niet verder zouden trekken voor den volgenden +morgen. Na een poosje vroegen de zusters Donsje, of ze met haar +meê wilden gaan, om te zien, waar ze van plan waren haar nesten +te bouwen. Zij ging dadelijk meê, en zag, dat ze goed verborgen en +beschutte broeiplaatsen hadden gekozen. + +"En waar zul jij je nu vestigen, Donsje?" vroegen zij. + +"Ik?" zei Donsje. "Ik ben niet van plan hier op de klippen te +blijven. Ik ga met de wilde ganzen meê naar Lapland." + +"Hoe jammer, dat je weer weg moet," zeiden de zusters. + +"Ik was graag bij jelui en onze ouders gebleven," zei Donsje. "Maar +ik heb den witten ganzerik al beloofd..." + +"Wat!" riep Mooivleugel. "Krijg jij dien mooien, witten ganzerik? Dat +is toch..." + +Maar Goudoogje stootte haar hard aan, en ze zweeg. + +De twee slechte zusters hadden veel om over te praten dien heelen +morgen. Ze waren heelemaal buiten zichzelf, dat Donsje zoo'n verloofde +had, als de witte ganzerik. Zelf waren ze ook verloofd, maar dat +waren gewone grauwe ganzen, en sinds ze Maarten, den ganzerik, hadden +gezien, vonden ze die zoo leelijk en onbeschaafd, dat ze niet naar +hen wilden kijken. + +"Daar treur ik me nog dood om," zei Goudoogje. "Als jij het ten minste +nog was, die hem kreeg, zuster Mooivleugel." + +"Ik zou liever zien, dat hij dood was, dan dat ik er den heelen zomer +aan zal moeten denken, dat Donsje een witten ganzerik gekregen heeft," +zei Mooivleugel. + +De zusters bleven toch heel vriendelijk voor Donsje, en op den middag +nam Goudoogje Donsje meê, opdat ze kennis zou maken met hem, met wien +Goudoogje zou trouwen. + +"Hij is niet zoo mooi als dien jij krijgt," zei ze. "Maar daarentegen +weet je ook zeker, wie hij is." + +"Wat meen je, Goudoogje?" vroeg Donsje. + +Eerst wilde Goudoogje niet uitleggen, wat ze bedoelde, maar toen +kwam het uit, dat Mooivleugel en zij wel eens zouden willen weten, +of alles wel in orde was met dien witten ganzerik. Wij hebben nog +nooit een wilde gans met tamme ganzen zien vliegen, en wij zouden +wel eens willen weten, of hij niet betooverd is." + +"Jelui zijn toch al heel dom," zei Donsje geërgerd. "Hij is immers +een tamme gans." + +"Hij heeft iemand bij zich, die betooverd is," zei Goudoogje, "en dus +kan het ook wel zijn, dat hij zelf betooverd is. Ben je niet bang, +dat hij een zwarte zeeraaf is?" + +Ze wist haar woorden goed te kiezen, en maakte het arme Donsje bang. + +"Je meent niet, wat je zegt," zei het grauwe gansje. "Je wilt me +alleen maar bang maken." + +"Ik zeg het om je eigen bestwil, Donsje," zei Goudoogje. "Ik kan me +niets ergers voorstellen, dan je te zien wegvliegen met een zwarte +zeeraaf. Maar ik zal je wat zeggen. Probeer hem over te halen, een +paar van de wortels te eten, die ik hier heb uitgetrokken. Als hij +betooverd is, dan blijkt dat gauw. Is hij het niet, dan blijft hij +zooals hij is." + +De jongen zat tusschen de ganzen, en luisterde naar Akka, die met +den ouden ganzenhoeder praatte, toen Donsje aan kwam vliegen. + +"Duimelot, Duimelot!" riep ze. "Maarten, de ganzerik, is op 't punt +te sterven. Ik heb hem vermoord." + +"Neem me op je rug, Donsje, en breng me bij hem," riep de jongen. + +Ze vlogen weg, en Akka ging meê met de wilde ganzen. + +Toen ze bij den ganzerik kwamen, lag hij op het veld. Hij kon niets +zeggen, maar snakte naar adem. + +"Kittel hem onder aan den hals, en klop hem op den rug!" zei Akka. + +Dat deed de jongen, en dadelijk hoestte de witte ganzerik een grooten +wortel op, die in zijn keel was blijven zitten. + +"Heb je daarvan gegeten?" vroeg Akka, en wees op een paar wortels, +die op den grond lagen. + +"Ja," zei de ganzerik. + +"Dan is 't maar goed, dat ze je in de keel zijn blijven steken," +zei Akka. "Ze zijn vergiftig. Als je ze had ingeslikt, zou je zeker +gestorven zijn." + +"Donsje vroeg me, of ik er van eten wou," zei de ganzerik. + +"Ik heb ze van mijn zuster gekregen," zei Donsje. + +"Dan moet je oppassen voor je zusters, Donsje," zei Akka, "want ze +meenen het zeker niet goed met je." + +Maar Donsje was zoo geschapen, dat ze van niemand iets kwaads denken +kon, en toen Mooivleugel haar een poos later kwam vragen, of ze haar +verloofde wilde zien, ging ze dadelijk meê. + +"Ja, hij is niet zoo mooi als de jouwe," zei de zuster. "Maar hij is +des te dapperder en onversaagd." + +"Hoe kun je dat weten?" vroeg Donsje. + +"Ja, dat zal ik je zeggen. De meeuwen en eenden hebben hier op +de klippen een tijd lang zooveel geleden, want elken morgen voor +zonsopgang komt hier een vreemde roofvogel, en neemt een van hen weg." + +"Wat is dat voor een vogel?" vroeg Donsje. + +"Dat weten we niet," antwoordde haar zuster. "Er is nooit zoo'n vogel +hier op de klippen gezien. En het vreemde is, dat hij nooit een van +ons ganzen aanvalt. Maar nu heeft mijn verloofde zich voorgenomen +morgen met hem te vechten, en hem weg te jagen." + +"Als dat maar goed gaat," zei Donsje. + +"Neen, dat geloof ik niet," zei de zuster. "Als nu mijn ganzerik +maar even sterk en groot was als de jouwe, dan zou ik wel een beetje +hoop hebben." + +"Zou je graag willen, dat ik Maarten vroeg, dien vreemden vogel aan +te vallen?" vroeg Donsje. + +"Ja, dat zou ik zeker!" zei Mooivleugel. "Je kunt mij geen grooter +dienst bewijzen." + +Den volgenden morgen was de witte ganzerik wakker, vóór de zon opkwam, +en ging op de hoogste klip staan uitkijken naar alle kanten. Al +gauw zag hij een grooten, donkeren vogel van het westen komen. Zijn +vleugels waren reusachtig groot, en 't was gemakkelijk te zien, +dat het een arend was. De ganzerik had geen gevaarlijker vijand +verwacht dan een uil. En nu begreep hij, dat hij hier niet levend +zou afkomen. Maar het kwam niet in hem op den strijd met een vogel, +die zooveel sterker was dan hij, te ontwijken. + +De arend schoot neer op een meeuw, en sloeg zijn klauwen in het dier. + +Eer hij het nog had kunnen oplichten, stoof Maarten, de ganzerik, +op hem toe. + +"Laat hem los!" riep hij. "En kom hier nooit meer terug! Anders krijg +je met mij te doen." + +"Wat ben jij voor een dwaas?" zei de arend. "Je treft het, dat ik +nooit met ganzen vecht. Anders zou 't gauw met je gedaan zijn." + +Maarten, de ganzerik, dacht, dat de arend het beneden zich achtte +met hem te vechten, en vloog in drift op hem aan, beet hem in de +keel, en sloeg hem met de vleugels. Dat kon de arend natuurlijk niet +verdragen. Hij begon te vechten, maar niet met volle kracht. + +De jongen lag te slapen op dezelfde plaats als Akka en de wilde +ganzen, toen hij Donsje hoorde roepen: "Duimelot! Duimelot! Maarten, +de ganzerik, wordt door een arend verscheurd!" + +"Neem mij op je rug, Donsje! en breng me bij hem," zei de jongen. + +Toen hij bij hem kwam, was Maarten bebloed en erg gekwetst, maar hij +vocht nog. De jongen kon niet met den arend vechten, en er was niet +anders te doen, dan beter hulp halen. + +"Gauw, Donsje! Roep Akka en de wilde ganzen!" riep hij. + +Maar op eens hield de arend met vechten op. + +"Wie spreekt daar over Akka?" vroeg hij. + +En toen hij nu Duimelot zag, en het gekakel van de wilde ganzen hoorde, +sloeg hij de vleugels uit. + +"Zeg aan Akka, dat ik niet verwachtte haar, of iemand van haar troep +hier aan zee te ontmoeten," zei hij, en zweefde weg in snelle en +fraaie vlucht. + +"Dat was dezelfde arend, die mij eens bij de wilde ganzen heeft +teruggebracht," zei de jongen, en zag hem verwonderd na. + +De wilde ganzen waren van plan vroeg van de klippen te vertrekken, +maar eerst wilden ze nog wat grazen. Terwijl ze liepen te eten, +kwam een bergeend op Donsje af. + +"Ik moet je de groeten van je zusters doen," zei ze. "Ze durven zich +niet aan de wilde ganzen te vertoonen, maar ze vragen me, je er aan +te herinneren, dat je niet van de klippen weggaat, voor je bij den +ouden visscher ben geweest." + +"Dat is waar ook," zei Donsje. + +Maar nu was ze toch zoo bang geworden, dat ze niet alleen wilde +gaan. Ze vroeg den ganzerik en Duimelot met haar meê naar de hut +te gaan. + +Daar stond de deur open. Donsje ging naar binnen, maar de twee anderen +bleven buiten. Kort daarna hoorden ze Akka het sein van vertrek geven, +en ze riepen Donsje. De grauwe gans kwam uit het hutje, en vloog met +de wilde ganzen weg van de klippen. + +Ze waren al een vrij groot eind naar zee gevlogen, toen de jongen zich +over de grauwe gans begon te verwonderen, die meê vloog. Donsje vloog +gewoonlijk zacht en licht. Deze werkte zich voort met zware ruischende +vleugelslagen. "Akka, keer om, Akka, keer om!" riep hij snel. "We +zijn in verkeerd gezelschap geraakt. Mooivleugel vliegt met ons meê!" + +Nauwelijks had hij dat gezegd of de grauwe gans gaf zoo'n akeligen, +boosaardigen schreeuw, dat allen begrepen, wie ze was. Akka en de +anderen keerden zich tegen haar, maar de grauwe gans vluchtte niet +dadelijk. Zij stormde op den grooten witten ganzerik aan, pakte +Duimelot, en vloog met hem in den bek verder voort. + +'t Werd een felle jacht over de klippenrijen. Mooivleugel vloog snel, +maar de wilde ganzen waren vlak op de hielen, en er was geen hoop meer, +dat zij zouden kunnen ontkomen. + +Op eens zagen zij een beetje witten rook uit de zee opstijgen en +het knallen van een schot werd gehoord. In hun ijver hadden ze niet +gemerkt, dat ze vlak boven een boot waren gekomen, waarin een eenzamen +visscher zat. + +Niemand werd door het schot getroffen, maar juist daar, midden boven +de boot, deed Mooivleugel den bek open, en liet Duimelot in zee vallen. + + + + + + +XXIX. + +STOCKHOLM. + + +Voor eenige jaren was er in de "Schans", den grooten tuin buiten +Stockholm, waar men zooveel merkwaardigs heeft bijeengebracht, +een klein oud mannetje, die Klement Larsson heette. Hij was van +Hälsingland, en was naar de Schans gekomen om volksdansen en andere +oude liedjes op zijn viool te spelen. Maar 't was 't meest 's middags, +dat hij als speelman moest optreden; 's morgens zat hij gewoonlijk +op wacht in een van de prachtige boerenhutten, die uit alle streken +van het land naar de Schans waren overgebracht. + +Klement meende in 't begin, dat hij het op zijn ouden dag beter had +gekregen dan hij ooit had durven droomen, maar langzamerhand begon hij +zich verschrikkelijk te vervelen, vooral onder 't wacht houden. 't Ging +nog, als er menschen in de hut kwamen, om die te bekijken, maar soms +zat Klement uren heelemaal alleen. Dan verlangde hij zoo vreeselijk, +dat hij bang was, dat hij zijn betrekking zou moeten opzeggen. Hij +was heel arm en wist, dat hij in zijn dorp ten laste van de gemeente +zou komen. Daarom probeerde hij het zoo lang mogelijk uit te houden, +hoewel hij zich met den dag ongelukkiger voelde. + +Op een mooien namiddag in Mei had Klement een paar uur vrij, en +was op weg naar den steilen heuvel, die van de Schans naar beneden +loopt, toen hij een visscher ontmoette, die met een kistje op den +rug aankwam. Het was een flinke jonge man, die vaak naar de Schans +kwam, en zeevogels te koop aanbood, die hij levend had kunnen vangen, +en Klement had hem vaak ontmoet. + +De visscher hield Klement staande, om hem te vragen, of de directeur +van de Schans thuis was, en toen Klement hem geantwoord had, vroeg +hij wat hij nu voor zeldzaams in zijn kistje had. + +"Je mag zien, wat ik heb, Klement," antwoordde de visscher toen, "als +je mij uit dankbaarheid wilt vertellen, wat ik er voor vragen kan." + +Hij reikte het kistje aan Klement over. Hij keek er in, en toen nog +eens, en ging toen snel een stap achteruit. + +"Wat ter wereld is dat, Asbjörn. Hoe heb je die daar te pakken +gekregen?" vroeg hij. + +Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was, had hooren +spreken van 't kleine volkje, dat onder de hut woonde. Hij mocht +niet schreeuwen en niet stout zijn, om 't kleine volkje niet boos +te maken. Sinds hij volwassen was, had hij gedacht, dat Moeder die +verhaaltjes van de kleintjes maar had verzonnen, om hem onder den +duim te houden. Maar het moesten toch niet enkel verzinsels van +Moeder geweest zijn, want daar in Asbjörns kistje lag een van 't +kleine volkje. + +Er zat nog iets van den kinderangst in Klement, want hij voelde een +rilling over zijn rug gaan, toen hij in het kistje keek. Asbjörn +merkte, dat hij bang was, en begon te lachen, maar Klement nam de +zaak heel ernstig op. + +"Vertel me eens, Asbjörn, waar heb je hem gevonden?" vroeg hij. + +"Ik heb niet op hem geloerd, dat moet je niet denken," zei +Asbjörn. "Hij is bij mij gekomen. Ik was vanmorgen vroeg uitgezeild, en +had mijn geweer meê in de boot genomen. Ik was pas van land gestoken, +toen ik een troep wilde ganzen in 't oog kreeg, die met vervaarlijk +geschreeuw uit het oosten kwamen aanvliegen. Ik deed een schot, maar +trof geen van hen. In plaats daarvan kwam deze hier naar beneden, +en viel in 't water, zóó dicht bij de boot, dat ik maar de hand had +uit te steken om hem te pakken." + +"Je hebt hem toch niet geschoten, Asbjörn?" + +"O neen, hij is gezond en wel. Maar toen hij naar beneden kwam, wist +hij eerst niet, hoe hij het had, en toen nam ik de kans waar, en bond +een paar eindjes touw om zijn handen en voeten, zoodat hij niet kon +wegloopen. Zie je, ik dacht dadelijk, dat dit iets voor de Schans was." + +Klement werd wonderlijk bang, toen de visscher dat vertelde. Alles +wat hij als kind had gehoord van 't kleine volkje, van hun wraakzucht +tegenover vijanden en hun behulpzaamheid tegenover vrienden, kwam +weer bij hem boven. 't Was nooit goed afgeloopen met iemand, die een +van hen gevangen had willen houden. + +"Je hadt hem dadelijk los moeten laten, Asbjörn," zei hij. + +"Het had niet veel gescheeld, of ik was er wel toe gedwongen," zei de +visscher. "Want je moet weten, dat de wilde ganzen me navlogen tot aan +mijn huis toe, en later kruisten ze den heelen morgen over de klippen, +en schreeuwden, alsof ze hem terug wilden hebben. En dat niet alleen, +maar 't heele gezelschap daar buiten: meeuwen en allerlei zeevogels, +die geen schot kruit waard zijn, kwamen neerstrijken op de klippen +en bliezen; en als ik uitging, fladderden ze om me heen, zoodat ik +weer terug moest keeren. Mijn vrouw smeekte me, hem vrij te laten, +maar ik had me in mijn hoofd gezet, dat hij naar de Schans moest. En +toen zette ik een van de poppen van de kinderen voor het venster, +stopte het ventje onder in de kist, en ging heen. En de vogels dachten +zeker, dat hij daar in 't venster stond, want ze lieten me heengaan +zonder me te vervolgen." + +"Zegt hij niets?" vroeg Klement. + +"Ja, in 't begin probeerde hij de vogels te roepen, maar daar moest +ik niets van hebben, en ik bond hem den mond dicht." + +"Maar Asbjörn," zei Klement. "Hoe kun je zoo met hem doen? Begrijp +je niet, dat hij iets bovennatuurlijks is?" + +"Ik weet niet, wat hij is," zei Asbjörn kalm. "Dat moeten anderen +maar uitmaken. Ik ben tevreden, als ik hem goed betaald krijg. Zeg +me nu liever, wat je denkt, dat de dokter op de Schans me voor hem +zou willen geven." + +Klement wachtte lang met zijn antwoord. Maar hij was zóó in angst +geraakt ter wille van dat dwergje. 't Was hem precies, alsof zijn +moeder bij hem stond, en hem zei, dat hij toch altijd goed voor +'t kleine volkje wezen moest. + +"Ik weet niet, wat de dokter je betalen wil, Asbjörn," zei hij. "Maar +als je hem mij laten wilt, zal ik je twintig gulden voor hem geven." + +Asbjörn zag den speelman met groote verbazing aan, toen hij die +groote som noemde. Hij dacht, dat Klement meende, dat het dwergje +een geheimzinnige macht bezat, en hem van dienst kon wezen. Hij was +er niet zeker van, dat de dokter zulke groote verwachtingen van hem +had, en zoo'n hoogen prijs zou betalen. En dus nam hij het aanbod +van Klement aan. + +De speelman stopte zijn nieuwen aankoop in een van zijn groote zakken, +liep naar de Schans terug, en ging een van de zomerweidehutten binnen, +waar geen bezoekers en geen wachters waren. Hij trok de deur achter +zich dicht, haalde het dwergje voor den dag, en legde het voorzichtig +op een bank. Het had de handen en voeten nog gebonden en een prop in +den mond. + +"Luister nu naar wat ik zeg," zei Klement. "Ik weet wel, dat volkje +als jij 't niet prettig vindt, als menschen ze zien, en dat je liever +op je eigen houtje rondloopt, en je eigen gang gaat. Daarom was ik +van plan je vrij te laten, maar alleen, als je me belooft hier in den +tuin te blijven, tot ik je permissie geef om heen te gaan. Wil je dat, +knik dan drie keer met je hoofd." + +Klement keek vol verwachting naar den dwerg, maar die verroerde +zich niet. + +"Je zult het goed hebben," zei Klement. "Ik zal elken dag eten +voor je buiten zetten, en ik denk, dat je hier zooveel te doen +zult krijgen, dat de tijd je niet lang vallen zal. Maar je moogt +nergens anders heengaan, vóór ik je dat toesta. We zullen een teeken +afspreken. Zoolang ik je eten buiten zet in een wit bakje, moet je +blijven. Als ik het in een blauw bakje doe, mag je heengaan." + +Klement zweeg weer, en wachtte, dat de dwerg het teeken zou geven. Maar +hij bewoog zich niet. + +"Ja, dan zit er niets anders op," zei Klement, "dan dat ik je aan mijn +baas laat zien, die hier woont. En dan kom je in een glazen kastje, +en alle menschen in Stockholm komen dan naar je kijken." + +Maar dat scheen den dwerg schrik aan te jagen, want nauwelijks had +hij dat gehoord, of hij gaf het gevraagde teeken. + +"Zie zoo, nu is 't in orde," zei Klement, nam zijn mes, en sneed het +touwtje, dat de handen van den dwerg gebonden hield, door. Toen ging +hij haastig naar de deur. + +De jongen maakte het touw van zijn voeten los, en nam de prop uit +den mond, eer hij aan iets anders dacht. Toen hij zich omkeerde om +Klement Larsson te danken, was die al weg. + + + +Nauwelijks was Klement de deur uitgekomen, of een deftig, mooi oud +heer kwam hem tegen. Hij scheen op weg te zijn naar het heerlijke +uitzicht, dat men op een heuvel in de buurt had. Klement kon zich niet +herinneren, dat hij dien deftigen ouden heer ooit had gezien. Maar +die scheen hem opgemerkt te hebben, toen hij op de viool speelde, +want hij bleef staan, en sprak hem aan. + +"Goeden dag Klement," zei hij. "Hoe gaat het? Je bent toch niet +ziek? Ik vind, dat je den laatsten tijd afgevallen ben." + +Er was zooiets onbeschrijfelijk vriendelijks over den ouden heer, +dat Klement moed vatte, en hem vertelde, hoeveel moeite hij had met +zijn verlangen naar huis. + +"Wat?" zei de oude heer. "Verlang je naar huis, als je in Stockholm +ben? Dat is toch niet mogelijk." + +En hij zag er bijna beleedigd uit, toen hij dat zei. Maar toen dacht +hij er zeker aan, dat hij maar met een ouden, onwetenden speelman +sprak, en hij hernam zijn vriendelijken toon. + +"Je weet zeker nog te weinig van Stockholm, Klement. Als je alles wist, +zou je niet meer verlangen van hier weg te gaan. Ga nu eens met me meê, +naar die bank daar, dan zal ik je van Stockholm vertellen." + +Toen nu de oude heer op de bank zat, keek hij eerst een poos op +Stockholm neer, dat in al zijn pracht daar beneden lag. + +Toen wendde hij zich weer naar den speelman, en begon te vertellen, +hoe een visscher in den ouden tijd, op de plaats, waar nu de stad op +eilanden gebouwd lag, eens een meermin had geschoten, en dat haar bloed +in 't water gekomen was. En hoe van dat oogenblik af alles, wat met +dat water in aanraking kwam, onbeschrijfelijk mooi was geworden. En +hoe daarom de stad Stockholm ook zóó mooi werd, dat ieder, die daar +kwam, er graag wilde blijven. + +Terwijl hij nog sprak, kwam er een andere heer aan, en liep haastig +op hen toe. Maar hij, die met Klement sprak, maakte een beweging met +de hand, en de andere bleef op een afstand staan. + +De deftige oude heer zei nu tegen Klement: + +"Nu moet je me een genoegen doen, Klement. Ik heb geen tijd om langer +met je te praten, maar ik zal je een boek sturen over Stockholm, +en dat moet je heelemaal doorlezen, maar dan moet je op deze bank +gaan zitten. Dan zul je zien hoe vroolijk de golven glinsteren, en +hoe het strand van schoonheid straalt. En dan zul je ook onder de +bekoring komen." + +Den volgenden dag kwam er een lakei van den koning met een groot, +rood boek en een brief aan Klement. + +Daarna was de kleine oude man dagen lang als bedwelmd, en het was +haast niet mogelijk een verstandig woord uit hem te krijgen. Toen een +week voorbij was, ging hij naar den directeur en nam zijn ontslag. Hij +moest absoluut naar huis, zei hij. + +"Waarom? Kun je hier niet wennen?" zei de directeur. + +"Ja, ik heb het hier best," zei Klement. "Ik heb nu geen heimwee +meer. Maar ik moet toch naar huis!" + +Klement was in een vreeselijken tweestrijd geweest. Want de koning had +gezegd, dat hij over Stockholm moest lezen, en leeren daar tevreden +te zijn, maar Klement had nu geen rust, eer hij er thuis over had +gesproken, dat de koning dat tegen hem had gezegd. Hij moest op het +Kerkplein staan, en aan allen, arm en rijk, vertellen, dat de koning +zoo vriendelijk voor hem was geweest, dat hij naast hem op dezelfde +bank had gezeten, en hem een boek gestuurd, en dat hij met hem, +een ouden, armen speelman, een heel uur had gepraat, om hem van zijn +heimwee te genezen. + +'t Was heerlijk daarover hier op de Schans met de Laplanders en de +Dalecarliërs te spreken, maar wat was dat, in vergelijking van het +thuis te vertellen? + +Al zou Klement ook in het armhuis terecht komen, toch zou dat nu zoo +akelig niet meer zijn. Hij was nu een heel ander man dan vroeger. Hij +zou heel anders geacht en geëerd worden. + +En dat nieuwe verlangen werd Klement te machtig. Hij kon niet laten +naar den directeur te gaan en te zeggen, dat hij naar huis moest. + + + + + + +XXX. + +GORGO, DE AREND. + + +IN HET ROTSDAL. + + +Hoog op de rotsen in Lapland lag een oud arendsnest op een terras, +dat uitstak uit een steilen bergwand. 't Was van dennetakken gemaakt, +die in lagen over elkaar waren gelegd. Jarenlang was het versterkt +en bijgebouwd geworden, en nu lag het op de rotsen, een paar meter +breed en bijna even hoog als een Lappenhut. + +De rotswand, waar het arendsnest lag, verhief zich boven een vrij groot +dal, dat 's zomers door een troep wilde ganzen werd bewoond. Dat dal +was voor hen een voortreffelijk toevluchtsoord. 't Lag zoo tusschen de +bergen verborgen, dat er niet velen waren, die 't kenden, niet eens +onder de Laplanders. Midden in 't dal lag een klein rond meertje, +waarop volop voedsel was voor de jonge gansjes, en op de met gras +begroeide meeroevers, die met wilgenstruiken en kleine verschrompelde +berkjes waren bedekt, lagen de beste broedplaatsen, die een gans maar +begeeren kon. + +Ten allen tijde hadden er arenden boven op de rotsen, en wilde ganzen +in het dal gewoond. Ieder jaar roofden de arenden eenige van hen, +maar ze wachtten er zich wel voor zóóveel te rooven, dat de wilde +ganzen niet meer in het dal zouden durven wonen. + +Op hun beurt hadden de wilde ganzen niet weinig dienst van de +arenden. Roovers waren ze, maar ze hielden andere roovers op een +afstand. + +Een paar jaar voor dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, +stond de oude leidstergans Akka van Kebnekaise op een morgen beneden in +het rotsdal naar het arendsnest te kijken. De arenden gingen gewoonlijk +even voor zonsopgang op jacht, en alle zomers, die Akka in 't dal had +doorgebracht, had ze elken morgen zoo staan wachten op hun uittocht, +om te zien of ze in 't dal zouden blijven om daar te jagen, of dat ze +weg zouden vliegen naar een ander jachtgebied. Ze behoefde niet lang te +wachten, voor de beide statige vogels het rotsterras verlieten. Schoon, +maar vreeselijk, zweefden ze voort door de lucht. Ze namen de richting +naar de vlakte, en Akka slaakte een zucht van verlichting. + +De oude leidstergans had opgehouden met eieren te leggen, en jongen +groot te brengen, en placht in den zomer den tijd te verdrijven met +van het eene ganzennest naar het andere te gaan, en raad te geven over +'t broeden en over 't verzorgen van de jongen. Bovendien keek zij uit, +niet alleen naar de arenden, maar ook naar rotsvossen, uilen en alle +andere vijanden, die de wilde ganzen en hun jongen konden bedreigen. + +Tegen den middag begon Akka opnieuw naar de arenden uit te zien. Zoo +had ze iederen dag gedaan, alle zomers, dat zij in het dal had +gewoond. Ze zag dadelijk aan hun vlucht of ze een goede jacht hadden +gehad, en ze voelde zich dan veilig voor haar troep. Maar dien dag +zag zij de arenden niet terugkomen. + +"Ik word zeker oud en suf," dacht ze, toen ze een poos op hen had +gewacht. "De arenden moeten nu toch al lang thuis zijn." + +Ze keek dien middag naar den bergwand op, en verwachtte de arenden te +zien op de scherpen vooruitspringende punt, waar ze gewoonlijk zaten +om hun middagslaapje te doen, en ze probeerde hen 's avonds in 't oog +te krijgen, als ze in het rotsmeer baadden, maar ze miste ze weer. Ze +was zoo gewoon, dat de arenden op dien berg daar boven woonden, +dat ze zich niet kon voorstellen, dat ze niet teruggekomen zouden zijn. + +Den volgenden morgen was Akka vroeg wakker om naar de arenden +te turen. Maar ook nu zag zij ze niet. Daarentegen hoorde ze in de +stilte van den morgen een kreet, die boos en klagend tegelijk klonk, +en die uit het arendsnest scheen te komen. + +"Zou er werkelijk iets in de war zijn, daar boven in het +arendsnest?" dacht ze. Ze sloeg met de vleugels uit, en steeg zoo hoog, +dat ze in het arendsnest kon zien. + +Daar zag ze geen van de beide oude arenden. In 't heele nest lag +alleen een half naakt jong, dat om voedsel schreeuwde. + +Akka daalde langzaam en aarzelend neer naar het arendsnest. Dat was +een griezelig oord om te komen. 't Was te zien wat voor roovervolk +daar thuis hoorde. In 't nest en op het rotsterras lagen verbleekte +beenderen, bloedige veeren, lappen vel, hazekoppen, vogelsnavels en +gevederde hoenderpooten. Ook de jonge arend, die daar midden in lag, +was terugstootend om te zien met zijn grooten gapenden bek, zijn lomp, +donzig lichaam en zijn halfklare vleugels, waar de aangroeiende pennen +als takken van uitstaken. + +Eindelijk overwon Akka haar tegenzin, en ging op den rand van het nest +zitten; maar ze keek onderwijl onrustig naar alle kanten uit, want +ze verwachtte ieder oogenblik, dat de oude arenden zouden thuiskomen. + +"Dat is goed, dat er ten minste eindelijk iemand komt," riep het +arendsjong. "Breng me dadelijk eten!" + +"Nu, nu, maak niet zoo'n haast," zei Akka. "Vertel me eerst, waar je +vader en moeder zijn." + +"Ja, als ik dat maar wist! Ze vlogen gisteren morgen weg, en lieten +me een rotsmuis achter, om van te leven, terwijl ze weg waren. Je +kunt wel begrijpen, dat die al lang op is. 't Is schande, dat moeder +me zoo'n honger laat lijden." + +Akka begon nu te gelooven, dat de oude arenden wezenlijk waren +geschoten, en ze dacht er aan, dat ze, als ze dezen jongen arend dood +lieten hongeren, misschien voor goed 't heele roovervolk kwijt zou +zijn. Maar toch ging het haar aan 't hart een verlaten jong niet te +helpen, zoo goed 't haar mogelijk was. + +"Waar zit je zoo naar te turen?" zei de jonge arend. "Hoor je niet, +dat ik eten wil hebben?" + +Akka sloeg de vleugels uit, en daalde neer op het meertje, beneden +in 't dal. Een poos later kwam ze weer naar boven in 't arendsnest, +met een jonge zalm in den bek. + +De jonge arend werd geweldig boos, toen zij den visch voor hem neerlei. + +"Meen je, dat ik zooiets eten kan!" zei hij, schoof den visch op zij, +en probeerde Akka te pikken. "Breng me een hoen of een muis, hoor je!" + +Nu stak Akka den kop vooruit, en gaf den jongen arend een flinken +pik in den nek. + +"Ik zal je eens wat zeggen," zei de oude gans. "Als ik je eten zal +geven, moet jij tevreden zijn, met wat ik je geven kan. Je vader en +moeder zijn dood, zoodat zij je niet meer helpen kunnen, maar wil +je hier liggen doodhongeren, terwijl je op hoenders en muizen wacht, +dan zal ik je dat niet beletten." + +Toen Akka dit gezegd had, vloog ze weg, en vertoonde zich pas een heele +poos later weer bij het nest. De jonge arend had den visch opgegeten, +en toen ze er weer een voor hem neerlegde, slokte hij dien dadelijk +op, hoewel 't aan hem te zien was, dat hij 't allerakeligst vond. + +Akka had een zwaar werk op zich genomen. De oude arenden vertoonden +zich nooit weer, en zij moest alleen het arendsjong al het eten +bezorgen, wat hij noodig had. Ze gaf hem visch en kikvorschen en die +kost scheen hem goed te bekomen, want hij werd groot en sterk. Hij +vergat al gauw zijn ouders, en meende, dat Akka zijn echte moeder +was. Akka had hem lief, alsof hij haar eigen kind was. Ze probeerde +hem een goede opvoeding te geven, en hem zijn wildheid en overmoed +af te leeren. + +Na een paar weken begon Akka te voelen, dat de tijd naderde, dat ze +zou ruiën, en niet in staat zijn te vliegen. Een heele maand lang +zou ze geen voedsel voor den jongen arend kunnen halen, en hij zou +moeten verhongeren. + +"Gorgo," zei Akka op een dag tegen hem. "Nu kan ik niet meer bij +je komen met visch. Nu moeten we zien, of je beneden in 't dal kunt +komen, zoodat ik je eten kan blijven geven. Je moet kiezen tusschen +hier boven te verhongeren, of naar beneden te springen in 't dal. Maar +ook dàt kan je het leven kosten." + +Zonder zich een oogenblik te bedenken, klom de jonge arend op den rand +van het nest, verwaardigde zich nauwelijks om den afstand van daar +naar het dal te meten met zijn oogen, sloeg zijn vleugeltjes uit, +en begaf zich op weg. Hij tuimelde een paar maal rond in de lucht, +maar gebruikte zijn vleugels toch zooveel, dat hij tamelijk ongedeerd +op den grond kwam. + +Daar beneden bracht Gorgo den zomer door met de jonge gansjes, +en werd een goede kameraad voor hen. Daar hij zich als een jonge +gans beschouwde, probeerde hij op dezelfde manier te leven als zij, +en als ze in 't meer gingen zwemmen, ging hij mee, totdat hij bijna +verdronken was. Hij voelde er zich erg door vernederd, dat hij geen +zwemmen kon leeren, en ging er zich bij Akka over beklagen. + +"Waarom kan ik toch niet zwemmen, als de anderen?" vroeg hij. + +"Je hebt te kromme klauwen en te groote teenen gekregen, terwijl je +daar boven op de rotsen lag," zei Akka. "Maar wees daar maar niet +bedroefd om. Je zult nog best een flinke vogel worden." + +Al gauw waren de vleugels van den jongen arend zoo groot, dat ze +hem konden dragen, maar niet vóór den herfst, toen de jonge gansjes +leerden vliegen, kwam het in hem op, dat hij ze kon gebruiken om te +vliegen. En nu kwam er een heerlijke tijd voor hem, want in dit spel +was hij de eerste. Zijn kameraden bleven nooit langer in de lucht, +dan ze moesten, maar hij was daar bijna den heelen dag, en oefende +zich in de vliegkunst. Nog was hij er niet achter gekomen, dat hij +tot een ander geslacht dan de ganzen hoorde, maar hij merkte toch +allerlei op, dat hem verbaasde, en hij deed Akka voortdurend vragen. + +"Waarom loopen hoenders en muizen hard weg, als ze mijn schaduw op +de rotsen zien?" vroeg hij. "Ze zijn niet zoo bang voor de andere +jonge ganzen." + +"Je vleugels zijn vergroeid, terwijl je op de rotsen woonde," zei +Akka. "Daar schrikken die kleine dieren van. Maar wees jij daar maar +niet bedroefd om. Je zult toch wel een flinke vogel worden." + +Toen de arend goed kon vliegen, leerde hij zichzelf visschen en +kikvorschen vangen, maar al gauw begon hij daar ook over na te denken. + +"Hoe komt het toch, dat ik van visschen en kikvorschen leef?" zei +hij. "Dat doen de andere jonge ganzen niet." + +"Dat komt, omdat ik geen ander eten had om je te geven, terwijl je +boven op de rotsen woonde," zei Akka. "Maar wees er maar niet bedroefd +om, je zult toch wel een flinke vogel worden." + +Toen de wilde ganzen in den herfst gingen verhuizen, vloog Gorgo +midden in den troep. Nog altijd beschouwde hij zich als een van +hen. Maar de lucht was vol vogels, die naar het zuiden trokken, +en die geraakten in groote opschudding, toen Akka zich vertoonde, +met een arend in haar gevolg. De troep wilde ganzen was aanhoudend +door zwermen nieuwsgierigen omringd, die luide hun verwondering te +kennen gaven. Akka verzocht hun te zwijgen, maar het was niet mogelijk +zóóveel rappe tongen te binden. + +"Waarom noemen ze mij toch een arend?" vroeg Gorgo onophoudelijk, +en werd meer en meer geprikkeld. "Zien ze dan niet, dat ik een wilde +gans ben? Ik ben geen vogelverslinder, die zijnsgelijken opeet. Hoe +durven ze mij zoo'n leelijken naam geven?" + +Op een dag vlogen ze over een boerderij, waar veel kippen op den +mesthoop liepen te pikken. + +"Een arend, een arend!" riepen ze, en begonnen hard weg te loopen, +om een schuilplaats te vinden. Maar Gorgo, die altijd arenden had +hooren noemen als wilde boosdoeners, schoot neer op 't veld, en sloeg +zijn klauwen in een van de kippen. + +"Ik zal je leeren, dat ik geen arend ben!" riep hij boos en pikte +naar haar met den snavel. + +Op hetzelfde oogenblik hoorde hij, hoe Akka hem riep hoog in de lucht, +en hij kwam gehoorzaam naar boven. De wilde gans vloog op hem toe, +en begon hem te tuchtigen. + +"Wat doe je daar," riep ze, en pikte naar hem. "Was je misschien van +plan die arme kip te verscheuren? Schaam je je niet?" + +Maar toen de arend zonder verweer de bestraffing van de wilde gans +aannam, steeg er een storm van gelach en spottende woorden op uit de +groote vogelscharen, die hen omringden. De arend hoorde dat, en keerde +zich naar Akka met boozen blik, alsof hij haar wilde aanvallen. Maar +hij veranderde snel van voornemen, steeg met sterken wiekslag hoog +in de lucht, steeg zoo hoog, dat geen geroep hem meer kon bereiken, +en dreef daar boven rond, zoolang de wilde ganzen hem konden zien. + +Drie dagen later vertoonde hij zich weer in den troep van de wilde +ganzen. + +"Nu weet ik wie ik ben," zei hij tegen Akka. "Omdat ik een arend ben, +moet ik leven, zooals het een arend betaamt, maar mij dunkt, dat we +toch wel goede vrienden kunnen blijven. U of een van de uwen zal ik +nooit aanvallen." + +Maar Akka had er haar eer in gesteld, dat het haar zou gelukken, +een arend tot een zachten en ongevaarlijken vogel op te voeden, +en ze kon niet verdragen, dat hij naar zijn eigen goedvinden zou leven. + +"Meen je, dat ik goede vrienden wil zijn met een +vogelverslinder?" vroeg ze. "Leef, zooals ik het je heb geleerd. En +dan mag je als vroeger in mijn gevolg meê gaan." + +Beiden waren ze trotsch en onbuigzaam, en geen van hen wilde +toegeven. Dit eindigde hiermee, dat Akka den arend verbood zich in +haar nabijheid te vertoonen, en ze was zóó boos op hem, dat niemand +zijn naam in haar tegenwoordigheid durfde noemen. + +Sinds dien tijd trok Gorgo door het land, alleen en door iedereen +verafschuwd, zooals alle groote roovers. Hij was vaak somber gestemd, +en zeker verlangde hij vaak terug naar den tijd, toen hij meende, +dat hij een wilde gans was, en met de vroolijke jonge gansjes +speelde. Onder de dieren was hij heel beroemd om zijn dapperheid. Zij +zeiden gewoonlijk, dat hij voor niets en niemand bang was, behalve +voor zijn pleegmoeder Akka. Ze plachten ook van hem te zeggen, dat +hij nooit een wilde gans had aangedurfd. + + + + +IN GEVANGENSCHAP. + + +Gorgo was nog maar drie jaar oud, en had er nog niet aan gedacht, +een vrouw te zoeken en zich ergens te vestigen, toen hij op een dag +werd gevangen door een jager en aan de Schans verkocht. Daar waren al +een paar andere arenden. Die werden gevangen gehouden in een kooi, van +ijzer en staaldraad gemaakt. De kooi stond buiten in de vrije lucht, +en was zoo groot, dat men er een paar boomen had kunnen planten, en +een vrij groot hunnenbed bouwen, opdat de arenden er zich thuis zouden +voelen. Maar toch tierden de vogels niet. Ze zaten bijna den heelen +dag op een en dezelfde plaats. Hun mooie, donkere veeren werden ruig en +dof, en hun oogen staarden met hopeloos verlangen in de lucht omhoog. + +De eerste week, dat Gorgo gevangen zat, was hij nog wakker en levendig, +maar toen begon een zware droomerigheid over hem te komen. Hij bleef +stil op dezelfde plaats zitten, als de andere arenden, staarde recht +voor zich uit zonder iets te zien, en had er geen besef meer van, +hoe de dagen voorbijgingen. + +Op een morgen, toen Gorgo in zijn gewone dofheid verzonken zat, hoorde +hij, hoe iemand hem riep beneden op den grond. Hij was zoo soezig, +dat hij nauwelijks in staat was zijn oogen naar beneden te richten. + +"Wie roept me daar?" vroeg hij. + +"Maar Gorgo, herken je me niet? Ik ben Duimelot, die met de wilde +ganzen rondvloog." + +"Is Akka ook gevangen?" vroeg Gorgo op een toon, alsof hij zijn +gedachten trachtte te ordenen na een langen slaap. + +"Neen, Akka en de witte ganzerik en de heele troep zitten zeker +behouden en wel in Lapland op het oogenblik," zei de jongen. "Ik +alleen zit hier gevangen." + +Terwijl de jongen sprak, zag hij, dat Gorgo de oogen afwendde, en +rechtuit in de lucht ging staren, zooals vroeger. + +"Koningsarend!" riep de jongen. "Ik ben nog niet vergeten, dat je +me eens naar de wilde ganzen hebt teruggebracht, en dat je het leven +van den witten ganzerik hebt gespaard. Zeg me, of ik je niet op een +of andere manier kan helpen!" + +Gorgo hief nauwelijks het hoofd op. + +"Stoor me niet, Duimelot!" zei hij. "Ik zat te droomen, dat ik vrij +rondzwierf, hoog in de lucht. Ik wil niet wakker wezen." + +"Je moet je wat bewegen, en opletten, wat er om je heen gebeurt," +vermaande de jongen. "Anders zul je er gauw even ellendig uitzien, +als de andere arenden." + +"Ik wou, dat ik al was als zij. Zij zijn zoo ver weg in hun droomen, +dat niets hen meer kan storen," zei de arend. + +Toen de nacht kwam, en alle arenden sliepen, klonk een zacht schrapen +langs het net van staaldraad, dat hun kooi van boven bedekte. De twee +oude en suffe gevangenen lieten zich door dat gedruisch niet storen, +maar Gorgo werd wakker. + +"Wie daar? Wie beweegt zich daar op het dak?" vroeg hij. + +"'t Is Duimelot, Gorgo," antwoordde de jongen. "Ik zit hier het +staaldraad door te vijlen, dan kun je wegvliegen." + +De arend hief den kop op, en zag in den lichten nacht, hoe de jongen +aan het staaldraadnet zat te vijlen, dat over de kooi gespannen +was. Hij voelde een oogenblik hoop, maar toen nam de moedeloosheid +weer de overhand. + +"Ik ben een groote vogel, Duimelot," zei hij. "Hoe zou je zooveel +draden kunnen losvijlen, dat ik er uit kon komen. 't Is beter, dat +je met dat werk ophoudt, en me met rust laat." + +"Slaap jij maar, en stoor je niet aan mij," antwoordde de jongen. "Ik +kom van nacht niet klaar en ook morgen niet; maar ik wil toch probeeren +je vrij te maken, eer je heelemaal voor goed ongelukkig ben." + +Gorgo verzonk weer in diepen slaap, maar toen hij den volgenden +morgen wakker werd, zag hij toch, dat er al een heeleboel draden +waren doorgevijld. Dien dag voelde hij zich niet zoo dof als den +vorigen. Hij sloeg met de vleugels, en sprong op de boomen heen en +weer, om de stijfheid uit de leden te krijgen. + +Op een morgen, juist toen het eerste krieken van den dag aan den +hemel was te zien, wekte Duimelot den arend. + +"Probeer het nu, Gorgo," zei hij. + +De arend zag op. De jongen had werkelijk zooveel draden doorgevijld, +dat er nu een groot gat in het staaldraadnet was. Gorgo bewoog de +vleugels, en zette af van den steen naar boven. Een paar maal mislukte +het, en hij viel terug in de kooi. Maar eindelijk kwam hij gelukkig +naar buiten in de vrije lucht. + +Hij steeg met fiere vlucht tot dicht bij de wolken. De kleine Duimelot +zat hem met een weemoedig gezicht na te zien, en wenschte, dat er +ook eens iemand zou komen, om hem de vrijheid te geven. + +De jongen was nu al thuis op de Schans. Hij had met alle dieren, +die daar waren, kennis gemaakt, en met vele van hen vriendschap +gesloten. En hij moest erkennen, dat er veel te zien en te leeren was, +en dat 't hem niet moeilijk viel den tijd om te krijgen. Maar wel +gingen zijn gedachten alle dagen met groot verlangen naar Maarten, +den ganzerik, en de andere reisgenooten. + +"Was ik maar niet door mijn belofte gebonden," dacht hij, "dan zou +ik wel een vogel vinden, die me bij hen brengen wou." + +'t Kan wel vreemd lijken, dat Klement Larsson den jongen de vrijheid +niet had teruggegeven, maar men moet wel bedenken, hoe de kleine +speelman in de war was, toen hij de Schans verliet. Den morgen toen +hij heenging, had hij er wel aan gedacht het eten voor het dwergje in +een blauwen schotel buiten te zetten, maar ongelukkig had hij er geen +kunnen vinden. Toen waren alle menschen van Skaane, de Laplanders, de +Dalecarliërs, de arbeiders van de gebouwen en de tuinbazen gekomen, +om hem goeden dag te zeggen, en hij had geen tijd meer gehad om +den blauwen schotel te halen. De tijd van vertrekken was gekomen, +en eindelijk had hij geen anderen uitweg gezien, dan een jongen +Laplander om hulp te vragen. + +"Een van 't kleine volkje woont hier op de Schans," had hij gezegd, +"en ik geef hem elken morgen wat eten. Wil je mij het genoegen doen, +die restjes hier te nemen, een blauwen schotel er voor te koopen, +en die morgen met wat pap en melk onder de stoep van het hutje uit +Bollnäs te zetten?" + +De jongen keek verbaasd, maar Klement had geen tijd de zaak nader te +verklaren, want hij moest naar den trein. + +De Laplander was dan ook werkelijk naar de stad gegaan, om een schotel +te koopen, maar toen hij geen geschikten blauwen vond, kocht hij een +witten. En in dien witten zette hij trouw elken morgen eten buiten. Zoo +was de jongen niet van zijn belofte ontheven geworden. Hij wist, +dat Klement weg was, maar zelf mocht hij niet heengaan. + +Dien nacht verlangde de jongen meer dan anders naar zijn vrijheid, en +dat kwam, doordat het nu echt lente en bijna zomer was geworden. Hij +had het wel moeilijk gehad met kou en ruw weer op reis, en toen hij +eerst op de Schans kwam, had hij gedacht, dat het misschien wel goed +was, dat hij de reis moest afbreken, want hij was zeker doodgevroren, +als hij in Mei in Lapland gekomen was. Maar nu was het warm geworden, +het veld stond groen, berken en populieren waren met bladen als +van zij, met weerschijn getooid, de kerseboomen--ja, alle mogelijke +vruchtboomen stonden vol bloesems, de bessestruiken hadden al kleine +vruchtjes aan de takken, de eiken wikkelden heel voorzichtig hun bladen +los; erwten, kool en boonen groeiden op de tuinbedden op de Schans. + +"Nu zal het ook wel mooi en warm in Lapland zijn," dacht de jongen. "Ik +zou graag op den rug van Maarten, den ganzerik, zitten op zoo'n mooien +morgen. 't Zou heerlijk zijn in de warme, stille lucht rond te rijden, +en neer te zien op de velden, zooals die daar nu liggen, versierd en +getooid met groen gras en mooie bloemen." + +Daar zat hij aan te denken, toen de arend op eens schuin uit de lucht +neerschoot, en naast hem kwam zitten op het dak van de kooi. + +"Ik wilde mijn vleugels probeeren, om te zien of ze nog goed waren," +zei Gorgo. "Je dacht toch niet, dat ik je hier in gevangenschap +achter zou laten? Ga nu op mijn rug zitten, dan zal ik je bij je +reisgenooten terugbrengen." + +"Neen, dat is onmogelijk!" zei de jongen. "Ik heb mijn woord gegeven, +dat ik hier blijven zou, tot ik verlof kreeg om heen te gaan." + +"Wat vertel je toch voor onzin," zei Gorgo. "Eerst hebben ze je tegen +je zin hierheen gebracht, en toen hebben ze je laten beloven hier te +blijven! Je kunt toch wel begrijpen, dat je zoo'n belofte niet hoeft +na te komen." + +"Ja, dat moet ik toch," zei de jongen. "Ik dank je wel, want je meent +het goed, maar je kunt me niet helpen." + +"Zoo, kan ik dat niet?" zei Gorgo. "Dat zul je eens zien." En meteen +pakte hij Niels Holgersson beet met zijn groote klauwen, vloog met +hem hoog op naar de wolken des hemels, en verdween toen in de richting +van het noorden. + + + + + + +XXXI. + +OVER GÄSTRIKLAND. + + +DE KOSTBARE GORDEL. + + +De arend vloog door, tot hij een heel eind ten noorden van Stockholm +gekomen was. Daar daalde hij neer op een heuvel in 't bosch, en liet +den greep los, waarmeê hij den jongen vasthield. + +Maar nauwelijks voelde deze zich vrij, of hij begon zoo hard, als +hij maar kon, naar de stad terug te loopen. De arend nam een grooten +sprong, hij haalde den jongen in, en legde een poot over hem heen. + +"Ben je van plan naar je gevangenis terug te gaan?" vroeg hij. + +"Wat heb je met mij te maken? Ik mag toch gaan, waar ik wil. Je +hebt niets over mij te zeggen," zei de jongen, en probeerde weg te +komen. Toen pakte de arend hem weer met zijn sterke pooten, vloog op, +en zette weer koers naar het noorden met den jongen over heel Uppland, +en hield niet stil, vóór hij aan den grooten waterval van Elvkarleby +kwam. Hij streek neer op een steen, die midden in de beek lag, vlak +onder den bruisenden waterval, en liet opnieuw zijn gevangene los. + +De jongen zag dadelijk, dat 't hier niet mogelijk was, den arend te +ontkomen. Boven hen kwam de witte schuimwand van het water neerstorten, +en om hem heen bruiste wild 't water van den stroom. Hij was er +verbitterd over, dat hij op die manier tot een woordbreker was +gemaakt. Hij keerde den arend den rug toe, en wilde geen woord met +hem spreken. Maar nu de vogel den jongen op een plaats had gezet, +vanwaar hij niet weg kon loopen, vertelde hij hem, dat hij door Akka +van Kebnekaise was opgevoed, en dat hij ongenoegen met zijn pleegmoeder +had gehad. + +"En nu begrijp je misschien, Duimelot," zei hij eindelijk, "waarom ik +je naar de wilde ganzen terug wou brengen. Ik heb gehoord, dat je bij +Akka hoog staat aangeschreven, en nu was ik van plan je te vragen, +of je niet zoudt kunnen maken, dat we weer goede vrienden werden." + +Zoodra de jongen begreep, dat de arend hem niet alleen uit koppigheid +had meêgenomen, werd hij vriendelijk tegen hem. "Ik zou je heel +graag helpen met wat je me vraagt," zei hij, "maar ik ben door mijn +belofte gebonden." + +En nu vertelde hij op zijn beurt aan den arend, hoe hij gevangen was +geweest, en dat Klement Larsson de Schans had verlaten, zonder hem +zijn vrijheid te geven. + +Maar de arend wilde in geen geval zijn plannen opgeven. "Luister nu, +Duimelot!" zei hij. "Mijn vleugels kunnen je brengen, waar je ook +wezen wilt, en mijn oogen kunnen vinden, wat je ook zoekt. Vertel +me hoe de man er uitziet, die je die belofte afnam, en ik zal hem +zoeken, en je bij hem brengen! Dan moet jij maar zorgen, dat hij je +de vrijheid teruggeeft." + +Dat vond de jongen een goed voorstel. + +"Ik kan wel merken, Gorgo, dat je zoo'n wijzen vogel als Akka tot +pleegmoeder hebt gehad," zei hij. Hij beschreef toen Klement Larsson +heel nauwkeurig, en voegde er bij, dat hij op de Schans had hooren +zeggen, dat de kleine speelman in Hälsingland thuishoorde. + +"We zullen heel Hälsingland doorzoeken, van Lingbo tot Mellammeer, +van den grooten berg tot Hornsland," zei de arend. "En morgen zal je +met den man kunnen spreken." + +"Nu beloof je zeker meer, dan je kunt houden," zei de jongen. + +"Ik zou toch een prul van een arend zijn, als ik dat niet eens kon," +antwoordde Gorgo. + +Toen Gorgo en Duimelot van Elvkarleby weggingen, waren ze goede +vrienden, en de jongen reed op den rug van den arend. + +Toen nu de reizigers over een boschrijke streek in Gästrikland hadden +gereisd, sloeg Gorgo neer op den top van een kalen bergtop, en toen +de jongen op 't veld was neergesprongen, zei de arend: "Hier is wild +in 't bosch en ik denk, dat ik mijn gevangenschap niet kan vergeten, +en me niet recht vrij voelen, eer ik op de jacht ben geweest. Je bent +toch niet bang, als ik je alleen laat?" + +"O neen," zei de jongen. + +"Je kunt heengaan, waar je wilt, als je maar tegen zonsondergang +terug ben," zei de arend, en vloog weg. + +De jongen voelde zich wel heel alleen en verlaten, toen hij op een +steen zat uit te zien over de kale bergvlakte en de groote bosschen, +die er om heen lagen. Maar hij had er nog niet lang gezeten, voor hij +gezang hoorde, dat beneden uit het dal kwam, en toen hij daarheen +keek, zag hij iets lichts, dat zich bewoog tusschen de boomen. Hij +zag al gauw, dat het een blauw en gele vlag was, en hij begreep door +het gezang en het blij gejuich, dat hij hoorde, dat de vlag voor een +heelen optocht van menschen werd uit gedragen, maar het duurde lang, +eer hij goed kon zien, wat het eigenlijk was. De vlag werd gedragen +langs slingerende paden, en hij vroeg zich verwonderd af, waar zij +en de menschen, die haar droegen, wel heen zouden gaan. Hij kon niet +gelooven, dat zij naar de leelijke, woeste bergvlakte zouden komen, +waar hij zat. Maar dat deden ze toch. Daar kwam de vlag te voorschijn +uit het bosch, en achter haar aan kwamen ze allen, wien zij den weg +had gewezen. Er kwam een leven en beweging over de heele vlakte, +en dien dag kreeg de jongen zooveel te zien, dat hij zich geen +oogenblik verveelde. + + + + +DE DAG VAN 'T BOSCH. + + +Op den breeden bergrug, waar Gorgo Duimelot had verlaten, was voor +tien jaar een hevige boschbrand geweest. De verkoolde boomen waren +geveld en weggebracht, en de groote brandplaats was aan de kanten +weer met groen begroeid, dat grensde aan 't frissche bosch. Maar het +grootste gedeelte van de hoogte lag daar naakt en akelig woest. De +zwarte knoesten stonden er tusschen de steenen, en getuigden er van, +dat hier een groot en prachtig bosch had gestaan, maar geen jong +kreupelhout kwam er op. + +De menschen verbaasden er zich over, dat het zoo lang duurde, eer die +berghoogte weer met bosch bedekt werd, maar men dacht er niet aan, +dat toen de boschbrand daar uitbrak, het veld na een lange droogte, +zonder eenig vocht had gelegen. Daardoor waren niet alleen de boomen +verbrand, en alles wat er op het veld groeide; het heikruid en de +boschbessen, het mos en de jeneverbes waren ook meê verbrand, en de +aarde zelf, die den bergbodem bedekte, was na den brand droog en los +asch geworden. Bij elke windvlaag dwarrelde het omhoog in de lucht, +en daar de hoogte nog al in den wind lag, was de eene na de andere +schoongewasschen. Het regenwater hielp natuurlijk meê om de aarde +weg te spoelen, en toen nu de wind en het water tien jaar lang den +berg hadden afgespoeld, lag die zoo kaal, dat men bijna zou denken, +dat hij woest zou blijven in der eeuwigheid. + +Maar op een dag in 't begin van den zomer kwamen alle kinderen van +de gemeente, waar de afgebrande berg lag, bijeen voor een van de +scholen. Ieder van de kinderen had een schoffel en een spade en een +zakje in de hand. Zoodra alle er waren, trokken ze in een langen +stoet het bosch in. De vlag werd vooruit gedragen, onderwijzers en +onderwijzeressen liepen naast den stoet, en achteraan kwamen een +paar boschwachters en een paard, dat een lading denneplanten en +sparrezaad trok. + +De optocht bleef niet staan bij een van de beukenhagen, die 't dichtst +bij het dorp lagen, neen, ze gingen ver het bosch in. Die volgde oude +weidenpaden, en de vossen staken verwonderd hun koppen uit hun holen, +en vroegen wat dat voor zomerherders waren. Ze trokken voorbij oude +kolenbrandersvelden, waar de houtmijnen in den herfst werden gebouwd, +en de strandloopers draaiden hun hoekige snavels heen en weer, en +vroegen elkaar, wat dat voor mijnwerkers waren, die nu het bosch +binnendrongen. + +Zoo kwam de optocht dan eindelijk op de groote, afgebrande +bergvlakte. Daar lagen de steenen naakt, zonder de fijne +vlasplantenranken, die ze eens hadden bekleed; de steenen hadden hun +mooie zilvermos en het witte prettige rendiermos verloren. + +Om het zwarte water, dat in spleten en gaten was bij elkaar geloopen, +vond men geen wilde zuring en geen wilde Aaronskelk. De kleine brokjes +grond, die nog in kloven en tusschen steenen waren overgebleven, +lagen daar zonder wormen, zonder boschsterren, zonder witbloeiend +wintergroen, zonder al dat groene, roode, en lichte, en zachte en +sierlijke, dat gewoonlijk den bodem van 't bosch bekleedt. + +Het was, alsof er een lichtglans over den grauwen bergheuvel ging, +toen alle kinderen uit de gemeente zich er over verspreidden. Dat was +weer iets zachts en fijns, iets frisch en rooskleurigs. Dat was iets, +wat jong was, en groeide. Misschien zouden zij den armen verlaten +stumper weer aan een beetje leven helpen. + +Toen de kinderen uitgerust waren, en wat gegeten hadden, grepen ze naar +hun schoffels en spaden, en begonnen te werken. De boschwachters wezen +hun, hoe ze doen moesten, en ze zetten de eene plant na de andere op +alle kleine plekjes aarde, die ze konden vinden. + +Terwijl de kinderen aan het planten waren, liepen ze er heel verstandig +over te praten, hoe de kleine stekjes, die ze in den grond zetten, +de aarde bijeen zouden houden, zoodat ze niet weg kon waaien. En hoe +er behalve dat, nieuwe aarde onder de boomen zou worden gevormd. En +hoe er zaadjes neer zouden vallen, en over een paar jaar zouden +ze frambozen en blauwbessen hier kunnen plukken, waar nu enkel +kale steenen waren. En de plantjes, die ze nu uitzetten, zouden +langzamerhand hooge boomen worden. Misschien zouden van hun hout +groote huizen en mooie schepen worden gebouwd. + +Maar als de kinderen hier niet waren komen planten, terwijl er nog wat +aarde in de spleten was, dan zou alles zijn weggeveegd door den wind en +'t water, en de berg zou nooit meer bosschen hebben kunnen dragen. + +"Ja, 't was maar goed, dat we kwamen," zeiden de kinderen. "'t Was +hoog tijd!" + +En ze voelden zich verbazend gewichtig. + +Toen de kinderen boven op den berg werkten, waren Vader en Moeder +thuis. En eindelijk werden ze benieuwd hoe de kinderen zich wel redden +zouden. 't Was natuurlijk maar een grapje, dat zulke kleintjes een +bosch zouden planten, maar 't zou toch wel aardig wezen te zien, hoe +'t ging. + +En al gauw waren Vader en Moeder op weg naar 't bosch. Toen ze op +den weg naar de zomerwei kwamen, ontmoetten ze verscheiden buren. + +"Gaan jelui naar de brandplaats?" + +"Ja." + +"Om naar de kinderen te kijken?" + +"Ja, om te zien hoe ze zich redden." + +"Dat wordt toch maar een spelletje." + +"Ja, veel echte boschboomen zullen er wel niet van komen." + +"We hebben de koffiekan meêgenomen, zoodat ze wat warms kunnen krijgen, +want ze hebben eten voor den heelen dag meêgenomen." + +Zoo kwamen Vader en Moeder op den berg, en eerst dachten ze er alleen +aan, hoe mooi dat stond, al die rose gezichtjes, die over de grauwe +steenen verspreid waren. Maar toen zagen ze, hoe de kinderen werkten, +hoe sommige planten uitzetten, en andere voren maakten en zaaiden, +en weer andere heikruid uitrukten, opdat het de kleine boompjes niet +zou verstikken. En ze zagen, dat de kinderen het werk ernstig opnamen, +en zóó vlijtig waren, dat ze nauwelijks tijd hadden om op te kijken. + +Vader stond een poosje te kijken, en toen begon hij ook heikruid +uit te trekken. Maar zoo'n beetje voor de grap. De kinderen waren +de leermeesters, want zij waren al geoefend in de kunst. En ze wezen +Vader en Moeder, hoe ze moesten doen. + +En nu ging 't zoo, dat alle volwassenen, die gekomen waren om naar +de kinderen te kijken, aan 't werk gingen meêdoen. Toen werd het +natuurlijk veel prettiger, dan 't eerst was geweest. En na een poosje +kregen de kinderen nog meer hulp. + +Er waren meer werktuigen noodig. En een paar jongens met lange beenen +werden naar het dorp gestuurd om schoffels en spaden. Toen zij voorbij +de huizen liepen, kwamen zij, die thuis waren, naar buiten, en vroegen: +"Wat is er? Is er een ongeluk gebeurd?" + +"O, neen! Maar de heele gemeente is boven op de brandplaats aan +'t boomen planten!" + +Toen kwamen de meesten aanstroomen naar den afgebranden berg. Eerst +stonden ze een poosje te kijken, maar toen konden zij niet laten +meê te doen. Want het is wel prettig om zijn akker in 't voorjaar +te bezaaien, en aan het koren te denken, dat er uit zal opkomen, +maar dit was nog uitlokkender. + +'t Waren niet alleen dunne halmpjes, die uit dit zaad hier zouden +opkomen, maar sterke boomen, met hooge stammen en geweldige takken. 't +Was niet alleen te doen om 't gewas van een zomer, maar om den groei +van vele jaren. 't Was de gonzende insecten wekken, en lijsterzang, en +'t spelen van woudhoenders en allerlei soort van leven op de woeste +bergvlakte. En dan ook 't was als een gedenkteeken, dat men voor +'t komende geslacht oprichtte. Men had hun een kale, naakte hoogte +als erfenis kunnen nalaten, en nu zouden ze in plaats daarvan een +prachtig bosch krijgen. + +En als de nakomelingen daar aan dachten, zouden ze ook begrijpen, +dat hun voorvaderen goede en verstandige menschen waren geweest, +en ze zouden met eerbied en dankbaarheid aan hen denken. + + + + + + +XXXII. + +EEN DAG IN HÄLSINGLAND. + + +EEN GROOT GROEN BLAD. + + +Den volgenden dag reed de jongen over Hälsingland. Het lag daar beneden +hem met nieuwe, lichtgroene loten aan de denneboomen, nieuw berkeloof +aan de hagen, nieuw graan op de velden en pas opgekomen koren op de +akkers. 't Was een hoog en bergachtig land, maar er midden door ging +een breed en licht dal, en van daar uit liepen naar alle zijden andere +dalen, sommige nauw en kort, andere breed en lang. + +"Dit land lijkt wel een blad," dacht de jongen. "Want het is zoo +groen, en de dalen loopen er over, ongeveer op dezelfde manier, +als de nerven over een blad." + +'t Was een mooi land om te zien. De jongen zag er ook veel van, omdat +de arend den ouden speelman Klement Larsson zocht, en in ieder dal +naar hem uitkeek. + +Toen het tegen den morgen liep, kwam er leven en beweging op de +boerenplaatsen. Een paar jonge meisjes, met ransels op den rug, +liepen rond onder het vee. Een jongen met een langen stok in de hand, +hield de schapen bij elkaar. Een kleine hond draafde rond tusschen de +koeien door, en blafte tegen hen, die stooten wilden. De boer spande +een paard voor een kar, en laadde die vol met botervaten, kaasvormen +en allerlei levensmiddelen. De menschen lachten en neurieden. Zij en de +dieren waren vroolijk, alsof zij een recht prettigen dag verwachtten. + +Een poos later waren ze alle op weg naar de bosschen. Een van de +meisjes ging vooraan, en lokte het vee met mooi helder roepen. De +dieren liepen in een lange rij achter haar aan. De herdersjongen en +zijn hond liepen heen en weer, om toe te zien, dat geen enkel dier +van den rechten weg afweek. 't Allerlaatste kwam de boer en zijn +knecht. Ze liepen naast de kar, om te zorgen, dat die niet omviel, +want de weg, dien ze volgden, was maar een smal, steenig boschpad. + +De boeren in Hälsingland moesten de gewoonte hebben al hun vee op +denzelfden dag naar de bosschen te zenden, of het kwam toevallig dit +jaar zoo uit. Want de jongen zag de vroolijke optochten van menschen +en vee uit ieder dal en uit iedere hoeve komen, het stille bosch +intrekken en dat met leven vullen. Van uit de donkere diepten in 't +bosch hoorde hij den heelen dag de herderinnen zingen, en het gebel van +de koeklokjes. De meesten moesten lange en moeielijke wegen afleggen, +en de jongen zag, hoe ze met groote moeite voorttrokken over de weeke +moerassen, hoe ze omwegen moesten maken, om de door den wind afgebroken +takken heen, en hoe 't dikwijls gebeurde, dat de karren tegen steenen +stootten, en omvielen met alles, wat er op lag. Maar de menschen +namen al die moeielijkheden op met luid gelach en vroolijkheid. + +Tegen den middag bereikten de wandelaars open plekken in 't bosch, +waar een lage veestal en een paar grijze huisjes waren gebouwd. Toen de +koeien op de plaats tusschen de huisjes kwamen, loeiden ze vroolijk, +alsof ze die herkenden, en begonnen dadelijk te grazen van 't groene, +sappige gras. De menschen droegen onder schertsen en juichen water +en brandhout, en alles, wat op de kar geladen was, in het grootste +huis, en spoedig kwam er rook uit den schoorsteen. En toen zetten de +veehoedsters, de herdersjongen en de volwassen knechts zich neer om +een platten steen buiten, en begonnen te eten. + +Gorgo, de arend, geloofde vast, dat hij Klement Larsson zou vinden +onder de menschen, die naar het bosch trokken. Zoodra hij een groep +menschen zag, die naar de zomerweide trokken, daalde hij neer, en +monsterde die met zijn scherpe oogen. Maar 't eene uur na het andere +ging voorbij, zonder dat hij hem vond. + +Na veel rondzwerven kwam de arend tegen den avond aan een bergachtige +en woeste streek, die ten oosten van het hoofddal lag. Weer zag +hij een zomerweide beneden zich. De menschen en het vee waren al +aangekomen. De knechts stonden brandhout te hakken, en de veehoedsters +melkten de koeien. + +"Zie daar eens heen," zei Gorgo. "Nu geloof ik, dat we hem hebben." + +Hij daalde neer, en tot zijn groote verbazing zag de jongen, dat +de arend gelijk had. Daar stond werkelijk de kleine Klement Larsson +brandhout te hakken op de zomerweide. + +Gorgo daalde neer in het dichte bosch, niet ver van het huis. + +"Nu heb ik gedaan, wat ik op me genomen heb," zei hij, en boog fier +den kop achteruit. "Nu moet je probeeren met den man te spreken. Ik +zal daar in dien dichten dennetop gaan zitten, en op je wachten." + + + + +DE NIEUWJAARSNACHT VAN DE DIEREN. + + +'t Werk op de zomerwei was afgeloopen en 't avondeten gebruikt, maar +de menschen zaten nog te praten. 't Was lang geleden, dat ze op een +zomernacht in het bosch waren geweest, en 't scheen, dat ze er niet +toe konden komen te gaan slapen. 't Was helder dag, en de veehoedsters +waren vlijtig bezig met haar handwerkjes, maar nu en dan hieven ze +'t hoofd op, zagen 't bosch in, en lachten in zichzelf. + +"Ja, nu zijn we hier weer," zeiden ze, en het dorp zonk weg uit haar +gedachten, en 't bosch omringde haar met zijn stillen vrede. Als ze +er thuis op de hoeve aan dachten, dat ze den heelen zomer alleen in +het bosch moesten wezen, konden ze bijna niet begrijpen, hoe ze dat +uit moesten houden, maar zoodra ze op de zomerweide waren, voelden ze, +dat ze hier toch haar besten tijd hadden. + +Van een paar zomerweiden in de nabijheid waren jonge meisjes en mannen +gekomen, om hen te bezoeken, zoodat er vrij veel menschen waren, die in +het gras voor de kamers waren gaan zitten, maar het gesprek wilde niet +recht vlotten. De knechts zouden den volgenden dag weer naar huis gaan, +en de meisjes gaven hun boodschappen mee, en droegen hun groeten op +voor bekenden in 't dorp. Dat was ongeveer alles, wat er gezegd werd. + +Toen keek de oudste van de meisjes van haar werk op, en zei opgewekt: + +"We hoeven niet zoo stil te zijn hier op de zomerwei, want we hebben +hier twee, die graag wat vertellen. De eene is Klement Larsson hier +naast me, en de andere Bernhard van 't Sunnanmeer, die naar den +Blacksberg staat te kijken. Nu dacht ik, dat we hun moesten vragen +ons een geschiedenis te vertellen, en ik beloof aan hem, die ons +'t meeste boeit, den halsdoek, dien ik hier bezig ben te naaien." + +Dat voorstel werd zeer toegejuicht. De twee, die tot dien wedstrijd +werden opgeroepen, maakten natuurlijk eerst wat bezwaren, maar ze gaven +gauw toe. Klement stelde voor, dat Bernhard beginnen zou, en die had er +niets tegen. Hij kende Klement Larsson niet goed, maar hij vermoedde, +dat die met een of ander oud verhaal van spoken en heksen zou aankomen, +en daar hij wist, dat de menschen graag naar zooiets luisteren, +scheen het hem 't verstandigste om iets dergelijks te kiezen. + +"Honderden jaren geleden," begon hij, "gebeurde het, dat een proost +hier in Delsbo op een oudejaarsavond midden door het dichte bosch +reed. Hij was te paard met zijn pelsjas aan, en een bonten muts op, +en op zijn zadelknop lag een zak, waarin hij den avondmaalsbeker, +zijn boek en zijn toga had. Hij was bij een zieke gehaald, ver weg in +een dorp in 't bosch, en had daar zitten praten, tot het laat op den +avond was geworden. Nu was hij eindelijk op weg naar huis, maar hij +dacht niet, dat hij voor lang na middernacht aan de pastorie zou komen. + +Toen hij nu op zijn paard moest rondzwerven, en niet rustig in bed +mocht liggen, was hij blij, dat de nacht zoo goed was om buiten te +zijn. 't Was zacht weer, de lucht was stil en de hemel betrokken. De +volle maan gleed rond en groot achter de wolken voort, en gaf licht, +al kon men haar zelf niet zien. Als dat beetje maneschijn er niet +geweest was, zou hij moeite hebben gehad het pad te onderscheiden, want +het was een strenge winter, en alles had dezelfde bruingrauwe tint. + +Dien nacht bereed de proost een paard, waar hij bizonder op gesteld +was. 't Was sterk, volhardend, en bijna zoo verstandig als een +mensch. Onder anderen verstond het de kunst naar huis te komen van +alle mogelijke plaatsen in de gemeente. Dat had de proost dikwijls +opgemerkt, en hij vertrouwde daar zoo zeker op, dat hij nooit aan den +weg dacht, als hij dat paard bereed. Zoo kwam hij ook nu aanrijden, in +den grauwen nacht in 't wilde bosch, met de teugels los neerhangende, +en zijn gedachten ver weg. + +De proost zat aan de preek te denken, die hij den volgenden dag zou +houden, en aan nog veel anders bovendien, en het duurde vrij lang, +eer hij op de gedachte kwam er eens op te letten, hoe ver hij al op +den weg naar huis was. Toen hij eindelijk opkeek, en zag, dat het +bosch nog even dicht om hem heen stond als aan 't begin van de reis, +was hij heel verwonderd. Hij had nu al zoo lang gereden, dat hij aan +'t bebouwde gedeelte van de gemeente moest zijn gekomen. + +'t Was in Delsbo zooals nu. De kerk en de pastorie, en alle groote +hoeven en dorpen lagen in 't noorden van de gemeente om de Dellen heen, +en in het zuiden waren alleen bosschen en bergen. Toen de proost zag, +dat hij zich nog in het onbebouwde gedeelte bevond, wist hij dus, +dat hij nog in 't zuiden van de gemeente was, en dat hij naar 't +noorden moest om thuis te komen. Maar dat was juist wat hij vond, dat +hij niet deed. Hij zag geen maan of sterren om zich naar te richten, +maar hij hoorde tot de menschen, die de windstreken in het hoofd +hebben, en hij had een sterk gevoel, dat hij naar 't zuiden, en niet +naar het noorden reed. 't Was zijn bedoeling zijn paard dadelijk te +keeren, maar hij bedacht zich. 't Paard was vroeger nooit verdwaald, +en dat was het ook nu zeker niet. 't Was waarschijnlijker, dat hij +zelf zich vergiste. Hij was met zijn gedachten ver weg geweest, +en had niet op den weg gelet. En dus liet hij het paard in dezelfde +richting voortgaan, en verzonk opnieuw in gepeins. + +Maar onmiddellijk daarna sloeg een groote tak zoo heftig tegen hem +aan, dat hij bijna van zijn paard was gevallen. Toen begreep hij, +dat hij opletten moest, waar hij gekomen was. + +Hij zag naar den grond, en merkte, dat hij over zacht mos reed, +waar nog geen vastgetrapt pad was. 't Paard liep toch door, en toonde +geen onzekerheid. Maar weer juist als te voren voelde de proost zich +overtuigd, dat hij den verkeerden kant uitging. + +Toen aarzelde hij niet in te grijpen. Hij nam de teugels, dwong het +paard om te keeren, en het gelukte hem ook, het naar het pad terug +te brengen. Maar nauwelijks was het daar, of het maakte een omweg, +en liep opnieuw regelrecht het bosch in. + +De proost was er zoo zeker van, als 't maar kon, dat het paard verkeerd +liep, maar nu het zoo hardnekkig was, dacht hij, dat het misschien +een beter weg wilde zoeken, en dus liet hij het begaan. + +'t Paard redde zich best, al had het ook geen pad, dat het volgen +kon. Als er een rotswand in den weg stond, klauterde hij naar boven, +zoo lenig als een geit, en als hij er later weer af moest, zette hij +de pooten bij elkaar, en sprong van de steile hellingen af. + +"Als hij maar thuiskomt voor kerktijd," dacht de proost. + +"Ik zou wel eens willen weten, wat mijn Delsbo-menschen wel zouden +zeggen, als ik niet op tijd in de kerk kwam." + +Hij kreeg geen tijd om hier lang over te denken, want hij kwam al heel +gauw op een plaats, die hij herkende. 't Was een klein boschmeertje, +waar hij den vorigen zomer had liggen visschen. En nu zag hij, dat +het was, zooals hij gevreesd had. Hij was diep in de boschstreek, +en 't paard worstelde zich voort naar het zuidoosten. Het scheen +zich werkelijk te hebben voorgenomen, hem zoo ver van de kerk en de +pastorie te brengen, als 't maar mogelijk was. + +De proost sprong snel uit het zadel, hij kon zich toch niet op die +manier door zijn paard de wildernis in laten brengen. Hij moest naar +huis, en nu het paard hardnekkig den verkeerden kant uitliep, besloot +hij te voet te gaan, en 't paard te leiden, tot ze weêr op bekende +wegen waren. Hij wond den teugel om den arm, en begon zijn wandeling. + +Dat was geen kleinigheid, door 't bosch te loopen met een zwaren +pels, maar de proost was een sterk en gehard man, en niet bang voor +inspanning. + +'t Paard gaf hem intusschen nieuwe zorgen. Het wilde niet meer, +het zette de hoeven vast op den grond, en spartelde tegen. + +Toen werd de proost eindelijk boos. Hij sloeg dat paard nooit, en +hij wilde dat ook nu niet doen. Hij wierp de teugels neer, en liep +van het dier weg. + +"We moeten hier wel van elkaar gaan, nu jij je eigen weg wilt gaan," +zei hij. + +Nauwlijks had hij een paar stappen gedaan, of het paard liep hem na, +pakte hem voorzichtig bij de mouw van zijn jas, en trachtte hem tegen +te houden. De proost keerde zich toen om, en zag het paard in de oogen, +als om uit te vorschen, waarom het zich zoo wonderlijk gedroeg. + +Later kon de proost het niet best begrijpen, hoe het mogelijk +geweest was, maar zeker is het, dat hij, hoe donker het ook was, +het gezicht van het paard heel duidelijk zag, en er op kon lezen, +alsof het dat van een mensch was. Hij begreep, dat het dier in +vreeselijken angst en onrust was. Het sloeg een blik naar hem op, +die smeekend en verwijtend was. + +"Ik heb je gediend, en dag aan dag gedaan, wat je wilde," scheen het +te zeggen. "Zou je nu dezen éénen nacht niet met me meê kunnen gaan?" + +De proost werd aangedaan door dat smeeken in de oogen van het dier. 't +Was duidelijk, dat het paard zijn hulp noodig had op een of andere +manier, en daar hij een dapper man was, besloot hij dadelijk meê +te gaan. Zonder verder aarzelen leidde hij het dier naar een steen, +om weer op te kunnen stijgen. + +"Ga je gang maar," zei hij. "Ik zal je niet alleen laten, nu je me +meê wilt hebben. Niemand zal van den proost in Delsbo kunnen zeggen, +dat hij weigerde iemand te volgen, die in nood was." + +Van nu af liet hij het paard gaan, waarheen het wilde, en dacht er +alleen aan, hoe hij in het zadel zou blijven zitten. 't Werd een +gevaarlijke en moeilijke tocht, en 't ging bijna den heelen tijd +naar boven. 't Bosch stond zoo dicht om hem heen, dat hij geen +twee stappen voor zich uit kon zien, maar het kwam hem voor, dat +ze een hoogen berg beklommen. Het paard werkte zich op langs steile +hellingen. Als de predikant zelf de teugels had bestuurd, zou hij het +nooit in de gedachten hebben gekregen, een paard over zoo'n terrein +te laten loopen. + +"Je bent toch zeker niet van plan, naar de Blacksbergvlakte te +gaan," zei de proost, en lachte daarbij zoowat, want hij wist, dat +de Blacksbergvlakte een van de hoogste punten van Hälsingland was. + +Onder 't rijden begon de proost te merken, dat hij en 't paard niet +de eenigen waren, die in den nacht op reis waren. Hij hoorde steenen +rollen en takken kraken. Het klonk, alsof groote dieren zich een weg +baanden door het bosch. Hij wist, dat er veel wolven waren daar in +de buurt, en hij vroeg zich af, of het paard hem in een strijd met +de wilde dieren zou brengen. + +Aldoor ging de tocht naar boven, en hoe hooger ze kwamen, hoe dunner +het bosch werd. + +Eindelijk reden ze over een bijna kalen bergrug, waar de proost naar +alle kanten kon uitzien. Hij keek uit over onmetelijke uitgestrektheden +land, dat op en neer liep in bergen en dalen, en overal bedekt was +met sombere bosschen. 't Was zóó donker, dat hij moeite had het te +onderscheiden, maar al gauw werd het hem duidelijk, waar hij was. + +"Ja ja! 't Is dan toch de Blacksbergvlakte, die ik opgereden ben," +dacht hij. "Dit kan geen andere berg zijn. Daar in 't westen zie +ik den heuvel van 't Järomeer, en in 't oosten glanst de zee om 't +Ag-eiland heen. In 't noorden zie ik ook iets glinsteren. Dat zijn +zeker de Dellen. En daar in de diepte beneden zie ik den damp van den +Nian-waterval. Ja, dit is de Blacksbergvlakte, waar ik nu ben. Dat +is toch een avontuur!" + +Toen ze op den hoogsten top van den berg waren gekomen, bleef het +paard achter een dikken den staan, alsof het zich daar verborgen +wilde houden. De proost boog zich voorover, en duwde de takken weg, +zoodat hij vrij kon uitzien. + +De kale top van den berg lag voor hem, maar die was niet leeg en +verlaten, zooals hij verwacht had. Midden op de open plaats lag een +groot rotsblok, en daarom heen waren veel wilde dieren bijeen. Het +leek wel, vond de proost, alsof ze daar gekomen waren, om een soort +Ting te houden. + +'t Dichtst bij den grooten steen zag de proost de beren, zoo zwaar +en vast gebouwd, alsof ze met pels bekleede rotsblokken waren. Ze +waren gaan liggen, en knipten ongeduldig met hun kleine oogjes. Men +kon merken, dat ze uit hun winterslaap waren opgestaan om naar het +Ting te komen, en dat ze moeite hadden wakker te blijven. Achter +hen zaten een paar honderd wolven in dichte rijen. Ze waren niet +slaperig, maar opgewekter in het donker van den winter, dan ooit in +den zomer. Ze zaten op de achterpooten als honden, zwiepten den grond +met hun staarten, en hijgden heftig, met de tongen ver uit den bek +hangende. Achter de wolven slopen de lossen rond, met stijve beenen, +en lomp als groote, misvormde katten. Ze schenen schuw te zijn, en zich +niet graag aan de andere dieren te vertoonen, en bliezen, als iemand +hen naderde. De rij achter de lossen werd ingenomen door de veelvraten, +die gezichten als honden, en pelzen als beren hadden. Zij tierden +niet op het veld, maar stampten ongeduldig met hun breede pooten, +en verlangden in de boomen te kunnen klimmen. En achter hen over +de geheele plaats, heel tot den zoom van 't bosch speelden vossen, +wezels en boschmarters, die allen klein en bijzonder sierlijk van +gestalte waren, maar die er nog wilder en bloeddorstiger uitzagen +dan de groote dieren. + +Dit alles zag de proost heel goed, omdat de heele plaats verlicht +was. Op den hoogen steen in het midden stond namelijk de boschree, +en hield een dennefakkel in de hand, die met een groote, roode vlam +brandde. De ree was zoo groot als de hoogste boom in 't bosch, en had +een mantel van sparretakken aan en sparrenappels in 't haar. Ze stond +doodstil met het gezicht naar het bosch. Ze keek uit, en luisterde. + +Hoewel de proost alles heel duidelijk zag, was hij zoo verbaasd, +dat hij er zich als 't ware tegen wilde verzetten, en zijn eigen +oogen niet kon gelooven. + +"Dit is immers volkomen onmogelijk!" dacht hij. "Ik heb zeker te lang +in 't donkere bosch gereden. 't Is mijn verbeelding, die me de baas +is geworden." + +Maar toch lette hij met de grootste belangstelling op alles, en hij +was benieuwd, wat hij te zien zou krijgen, en wat er gebeuren zou. + +Hij hoefde niet lang te wachten, voor er beneden uit het bosch +een klein bengelend belletje klonk. En dadelijk daarop hoorde hij +'t gedruisch van stappen en van brekende takken, alsof een menigte +dieren door een woest veld baan braken. + +'t Was een groote schare huisdieren, die den berg opkwamen. Ze trokken +voort uit het bosch in dezelfde volgorde, alsof ze op weg naar de +zomerwei waren. Vooraan liep de koe met de klok om, dan de stier, +daarachter de andere koeien en daarna 't jonge vee en de kalven. De +schapen volgden dan in een dichte kudde; dan kwamen de geiten, en +'t laatst een paar paarden en een veulen. De herdershond liep naast +de kudde, maar noch de veehoedster, noch de herdersjongen waren +er bij. De proost vond, dat het hartverscheurend was, al die tamme +dieren regelrecht op de wilde beesten te zien aanloopen. Hij had wel +voor hen willen gaan staan, en roepen, dat ze moesten stilstaan, maar +hij begreep wel, dat het niet in de macht van eenig mensch stond, den +optocht van het vee dien nacht tegen te houden. En hij hield zich stil. + +'t Was duidelijk te zien, dat de tamme dieren leden onder wat zij te +gemoet gingen. Ze zagen er ellendig en angstig uit. Zelfs de koe, +die de klok droeg, liep voort met aarzelende stappen en hangenden +kop. De geiten hadden geen lust te stooten of te spelen. De paarden +probeerden zich flink te houden, maar hun heele lichaam beefde van +angst. 't Allerakeligst zag de herdershond er uit. Die hield den +staart tusschen de pooten, en sleepte het lichaam bijna over den grond. + +De koe met de klok leidde den optocht tot heel bij de boschree, +die op den steen op den bergtop stond. Ze ging om den steen heen en +dan naar het bosch terug, zonder dat één van de wilde dieren haar +aanraakte. En op dezelfde manier liep de heele kudde ongedeerd de +wilde dieren voorbij. + +Terwijl het vee voorbij trok, zag de proost, dat de boschree haar +dennefakkel boven eenige van hen liet neerdalen, en die dan omkeerde. + +Zoo vaak dat gebeurde, barstten de roofdieren in luid en blij gebrul +uit, vooral als het boven een koe of een ander groot dier was, +dat de fakkel neerdaalde, maar het dier, dat de fakkel over zich +zag neerkomen, schreeuwde luid en schel, alsof het een messteek in +'t vleesch voelde, en de heele kudde, waarbij het hoorde, barstte in +klagen uit. + +Nu begon de proost te begrijpen wat hij zag. Hij had er vroeger al +van hooren spreken, dat de dieren in Delsbo in den oudejaarsnacht +bijeen komen op de Blacksbergvlakte, en dat de boschree dan de tamme +dieren aanwijst, die in 't volgend jaar een prooi van de roofdieren +zullen worden. Hij voelde een diep medelijden met die arme beesten, +die in de macht van de wilde dieren waren, hoewel ze eigenlijk geen +andere meesters boven zich mogen hebben dan de menschen. + +Nauwlijks was de eerste kudde verdwenen, of weer werd het luiden van +de koeklok uit het bosch gehoord, en van een tweede hoeve kwam de kudde +den bergtop op. Die ging in dezelfde orde, als de vorige, en liep naar +de boschree, die daar streng en ernstig stond, en 't eene dier na het +andere teekende ten doode. En na die kudde kwam de een na de andere, +zonder ophouden. Sommige kudden waren zóó klein, dat er alleen één +koe en een paar schapen waren. Andere bestonden enkel uit een paar +geiten. 't Was duidelijk, dat die van kleine armoedige huisjes kwamen, +maar ze moesten naar de boschree, en geen van hen werd gespaard. + +De proost dacht aan de boeren van Delsbo, die zooveel van hun +huisdieren houden. + +"Ze moesten 't maar weten, dan lieten ze dit hier niet maar zoo +gebeuren," dacht hij. "Ze zouden zeker liever hun eigen leven wagen, +dan hun kudde hier laten loopen tusschen beren en wolven, en ze laten +veroordeelen door de boschree." + +De laatste kudde, die aankwam, was die uit de pastorie. De proost +herkende de koeklok al van verre, en dat deed zeker het paard ook. 't +Begon over alle leden te beven, en baadde in 't zweet. + +"O zoo, nu is 't jouw beurt om voorbij de boschree te gaan en +geoordeeld te worden," zei de proost tegen 't paard. "Maar wees jij +maar niet bang! Ik begrijp wel, waarom je me hierheen hebt gebracht, +en ik zal je niet in den steek laten." + +De prachtige kudde uit de pastorie kwam in een langen optocht uit het +bosch en ging op de boschree en de wilde dieren toe. De laatste in +de rij was het paard, dat zijn meester naar de Blacksbergvlakte had +gebracht. De proost was niet afgestegen, maar bleef zitten, en liet +zich door het dier naar de boschree dragen. + +Hij had geen geweer of mes om zich mee te verdedigen, maar hij had zijn +misboek voor den dag gehaald, en hield dat tegen zijn borst gedrukt, +nu hij in den strijd met dat booze ging. + +In 't begin was het, alsof niemand hem opmerkte. De kudde uit de +pastorie liep voorbij de boschree op dezelfde manier als alle andere +troepen. De boschree liet haar fakkel niet dalen over een van de +dieren. Eerst toen het schrandere paard kwam, maakte ze een beweging, +als om dat aan te wijzen voor den dood. + +Maar op dat zelfde oogenblik hield de proost het misboek vooruit. En +de schijn van de fakkel viel op het kruis op den band. De boschree +gaf een luiden, doordringenden gil, en de fakkel viel uit haar hand +op den grond. + +De vlam ging dadelijk uit, en in den plotselingen overgang van licht +naar donker kon de proost niets zien. Hij hoorde ook niets. Om hem +heen heerschte dezelfde diepe stilte, die 's winters gewoonlijk op +'t woeste veld rust. + +Toen gleden de zware wolken, die den hemel bedekten, plotseling van +elkaar, en in de spleet trad de volle maan te voorschijn, en wierp haar +licht over 't veld. En nu zag de proost, dat hij met zijn paard alleen +op den top van de Blacksbergvlakte stond. Geen enkele van de wilde +dieren was er meer. De grond was niet vastgetrapt door alle kudden, +die erover geloopen hadden. Maar zelf zat hij met zijn misboek voor +zich uit, en zijn paard stond te beven, en was met zweet bedekt. + +Toen de proost den berg was afgereden en thuis kwam in de pastorie, +wist hij niet meer of 't een droom, een visioen of werkelijkheid was +geweest, wat hij dien nacht had gezien. Maar dat het een vermaning +voor hem was om aan de arme dieren te denken, die in de macht van +de wilde beesten waren, dàt had hij begrepen. En hij preekte zoo +krachtig voor de boeren in Delsbo, dat in zijn tijd alle beren en +wolven in zijn gemeente werden uitgeroeid, hoewel ze toch schijnen +te zijn teruggekomen, nadat hij weg was." + +Hier eindigde Bernhard zijn verhaal. Hij werd van alle kanten zeer +geprezen, en het scheen al uitgemaakt, dat hij den prijs moest +hebben. De meesten vonden 't bijna jammer voor Klement, dat hij met +hem om den prijs dingen moest. + +Maar Klement begon onvervaard te vertellen. "Op een dag liep ik op +de Schans, en verlangde naar huis," zei hij. En toen vertelde hij van +het dwergje, dat hij had vrijgekocht, opdat het niet in een kooi zou +komen, en door de menschen worden aangegaapt. En hij sprak er verder +over, dat hij nauwlijks die goede daad had gedaan, of hij werd er +voor beloond. Hij sprak door, en de verbazing van zijn toehoorders +werd steeds grooter. En toen hij eindelijk kwam aan den koninklijken +lakei en 't mooie boek, hadden alle veehoedsters haar handwerk op haar +schoot laten glijden, en zaten onbewegelijk naar Klement te kijken, +die zulke merkwaardige gebeurtenissen had beleefd. + +Zoodra Klement zijn verhaal had geëindigd, zei de oudste veehoedster, +dat hij den halsdoek krijgen zou: "Bernhard heeft maar iets verteld, +dat een ander is overkomen," zei ze. "Maar Klement heeft zelf een +echt verhaal beleefd, en dat is nog meer waard, vind ik." + +Dat waren allen met haar eens. Zij zagen Klement met heel andere +oogen aan dan vroeger, nu ze gehoord hadden, hoe hij met den koning +had gesproken, en de kleine speelman durfde niet toonen, hoe trotsch +hij daarop was. Maar midden in dit groote geluk vroeg een van hen, +wat hij met het dwergje had gedaan. + +"Ik heb niet zelf een blauwen schotel voor hem kunnen neerzetten," +zei Klement. "Maar ik heb aan den Laplandschen jongen gevraagd het +te doen. Waar hij gebleven is, weet ik niet." + +Nauwelijks had Klement dat gezegd, of een kleine dennenappel kwam +aanvliegen, precies op zijn neus. Die kwam niet uit de boomen, en +geen van de menschen had hem gegooid. 't Was onmogelijk te begrijpen, +waar die vandaan kwam. + +"O wee! Klement!" zeide de veehoedster, "'t lijkt wel, of 't kleine +volkje hooren kan, wat we hier zeggen. Je hadt toch niet aan een +ander moeten overlaten den blauwen schotel buiten te zetten." + + + + + + +XXXIII. + +EEN MORGEN IN ANGERMANLAND. + + +HET BROOD. + + +Toen de arend den volgenden dag over een gedeelte van Angermanland +vloog, zei hij, dat hij honger had en wat te eten moest zien te +krijgen. Hij zette den jongen neer in een geweldigen den, die op een +hooge bergvlakte stond, en vloog toen weg. + +Toen de jongen genoeg naar het prachtige landschap om zich heen had +gekeken, maakte hij den ransel van zijn rug los, nam er een stuk fijn +wit brood uit, en begon te eten. + +"Ik geloof, dat ik nooit zulk goed brood heb geproefd," dacht hij. "'t +Is zeker, omdat ik het op zoo'n mooie manier kreeg, dat ik er zooveel +van houd." + +Hij herinnerde zich hoe de koningsarend den vorigen dag Angermanland +was binnengevlogen, en nauwelijks was hij over de grens gekomen, +of de jongen had een rivierdal in 't oog gekregen, zóó statig, dat +het alles te boven ging, wat hij nog te voren had gezien. + +Toen de jongen dat prachtige dal in al zijn rijkdom zag, had hij er +over geklaagd, dat hij zoo'n honger had. Hij had in twee dagen al +niets te eten gehad, zeide hij, en nu was hij heelemaal uitgerammeld. + +Gorgo wilde niet, dat men zou zeggen, dat de jongen het bij hem minder +goed had, dan toen hij met de wilde ganzen reisde, en hij had dadelijk +zijn vaart vertraagd. + +"Waarom heb je dat niet eerder gezegd?" had hij gevraagd. "Je kunt +zooveel eten krijgen, als je maar wilt. Honger hoef je niet te lijden, +als je een arend tot reisgenoot hebt." + +Dadelijk daarop had de arend een boer in 't oog gekregen, die een akker +liep te bezaaien, dicht aan den oever van de rivier. De man droeg +koren in een mand, die hij voor de borst had hangen, en telkens als +die leeg was, haalde hij nieuw zaad uit een zak, die bij de greppel +stond. De arend had er op gerekend, dat die zak daar vol was met het +beste voedsel, dat de jongen maar wenschen kon, en hij was boven de +mand neergedaald. + +Maar eer nog de arend den grond had bereikt, was er een vreeselijk +leven om hen heen ontstaan. 't Waren kraaien, musschen en zwaluwen, +die onder heftig geschreeuw waren komen toeloopen, denkende, dat de +arend van plan was op een vogel neer te schieten. + +"Weg, weg, roover! Weg, vogeldooder!" riepen ze. + +En ze hadden zoo'n spektakel gemaakt, dat de boer er opmerkzaam op +werd, en kwam toeloopen. Toen had de arend moeten vluchten, en de +jongen had geen korrel gekregen. + +'t Was wonderlijk geweest met die kleine vogels. Zij hadden niet +alleen den arend gedwongen te vluchten, maar ze vervolgden hem nog +een heel eind door het dal, en overal hadden de menschen hun geroep +gehoord. De vrouwen waren naar buiten op de plaats gekomen, en hadden +in de handen geklapt, zoodat het had geklonken als geweersalvo's. En +de mannen waren naar buiten gerend met hun geweer in de hand. + +En zoo was het telkens gegaan, wanneer de arend op 't veld had willen +neerdalen. De jongen had de hoop opgegeven, dat de arend hem iets te +eten zou kunnen bezorgen. Hij had vroeger nooit vermoed, dat Gorgo zoo +gehaat en verafschuwd was. Hij had bijna medelijden met hem gekregen. + +Een poos later waren ze over een groote boerderij gekomen, waar de +huismoeder juist gebakken had. Ze had nu een plaat met pas gebakken +broodjes op de plaats gezet om af te koelen, en stond er bij om op +te passen, dat de hond of de kat er niet van stelen zou. + +De arend was neergedaald boven de boerderij, maar hij had niet voor +de oogen van de boerin durven neerstrijken. Hij was heen en weer +gevlogen, en wist niet hoe te doen. Een paar maal was hij zoo laag +gekomen, dat hij bij de schoorsteenen was, maar toen was hij weer in +de hoogte gevlogen. + +Maar nu had de huismoeder den arend opgemerkt. Ze had het hoofd +opgeheven, en hem met de oogen gevolgd. + +"Wat deed die vreemd," had ze gezegd. "Ik geloof, dat hij een van +mijn weitebroodjes wilde hebben." + +'t Was zoo'n mooie vrouw, lang en blond, met een vroolijk, open +gezicht. Ze had heel hartelijk gelachen, had een broodje van de plaat +genomen en 't boven haar hoofd gehouden. + +"Kom 't maar halen, als je 't hebben wilt," riep ze. + +De arend had haar woorden wel niet verstaan, maar hij had toch dadelijk +begrepen, dat ze hem het broodje wilde geven. In vliegende vaart was +hij op het broodje neergeschoten, had het gegrepen, en was er mee de +lucht ingevlogen. + +Toen de jongen zag hoe de arend het broodje naar zich toe rukte, +had hij de tranen in de oogen gekregen. Hij had niet geschreid van +blijdschap, omdat hij nu een paar dagen geen gevaar liep honger te +lijden, maar 't had hem ontroerd, dat de boerenvrouw haar brood aan +den wilden roofvogel had gegeven. + +En toen hij nu in den dennetop zat, zag hij nog die groote, blonde +vrouw voor zich, zooals ze daar op de plaats stond, en het brood +omhoog hield. Zij had 't zeker wel geweten, dat de groote vogel een +koningsarend was, een roofvogel, die de menschen gewoonlijk met scherpe +schoten begroeten, en ze had zeker ook wel den wonderlijken dwerg +gezien, dien hij op den rug had; maar ze had er niet over gedacht, +wie ze waren. Zoodra ze had begrepen, dat ze hongerig waren, had ze +haar goed brood met hen gedeeld. + +"Als ik ooit weer een mensch word," had de jongen gedacht, "zal ik +die mooie vrouw bij de rivier gaan opzoeken, en haar bedanken, omdat +ze zoo goed voor ons was." + + + + +DE BOSCHBRAND. + + +Terwijl de jongen nog met zijn ontbijt bezig was, merkte hij een +flauwe rooklucht uit het noorden. Hij keerde zich dadelijk om +naar dien kant, en zag een kleine rookzuil, wit als damp, uit een +boschvlakte opstijgen; niet uit de naastbij liggende, maar uit de +daarop volgende. Dat was zonderling, die rook midden in het woeste +bosch, maar 't kon wel wezen, dat daar een zomerwei lag, en dat de +meisjes bezig waren hun morgenkoffie te koken. + +'t Was vreemd, zooals die rook toenam en zich verspreidde. Dit kon toch +niet van een zomerwei komen, maar misschien waren er kolenbranders in +het bosch. Op de Schans had hij een kolenbrandershut en een kolenmijt +gezien, en hij had gehoord, dat er ook zulke hutten hier in deze +bosschen waren. Maar dat was toch zeker 't meest in den herfst en in +den winter, dat de kolenbranders met de kolenhoop bezig waren. + +De rook werd steeds dichter. Nu golfde ze voort over den heelen +bergrug. 't Was toch niet mogelijk, dat er zooveel rook uit een +kolenhoop kon komen. Er moest iets van een brand zijn, want een massa +vogels vlogen op, en verhuisden naar de volgende bergvlakte. Gieren +en andere vogels, die zoo klein waren, dat men ze onmogelijk op zoo'n +grooten afstand kon herkennen, vluchtten voor den brand. + +De kleine witte rookzuil was tot een dichte witte wolk aangegroeid, +die over den kant van de bergvlakte golfde, en neerzonk in het dal. En +er vlogen vonken en roetvlokken uit die wolk, en nu en dan kon men +een roode vlam in den rook zien. 't Was wel een geweldige brand, die +daar aangekomen was. Maar wat ter wereld zou er toch wel branden? Daar +kon toch ook geen groote boerderij in 't bosch verborgen liggen! + +'t Zou ook meer dan een hoeve moeten zijn, om zoo'n brand te doen +ontstaan. Nu kwam de rook niet alleen meer van de bergvlakte; maar ook +uit het dal daar beneden, dat hij niet kon zien, omdat het achter de +dichtstbij zijnde hoogte verborgen lag, stegen de rookmassa's op. Er +was niets anders mogelijk, dan dat het bosch zelf brandde. + +Hij had moeite te begrijpen, dat het frissche, groene bosch kon +branden, maar het was toch zeker zoo. En als het werkelijk het bosch +was, dat brandde, kon dan het vuur ook hem niet bereiken? 't Was niet +waarschijnlijk, maar hij wou toch, dat de arend maar terugkwam. 't +Zou toch zeker 't beste zijn uit dit dal weg te komen. Alleen al de +brandlucht, die hij bij iedere ademhaling binnenkreeg, was een plaag. + +'t Was vreeselijk zulk een geknap en geknetter, als hij nu op eens +hoorde. Dat kwam van de bergvlakte, die 't dichtste bij hem lag. Daar +stond op 't hoogste punt een groote den, even groot als die, waar hij +zelf op zat. Die was zoo hoog opgegroeid, dat hij boven alle andere +boomen uitstak. Nog pas had hij prachtig rood in 't morgenlicht +gestaan. Nu glommen alle naalden op eens, en ze vatten vuur. Zóó +mooi was hij nog nooit geweest, maar 't was ook voor 't laatst, dat +hij zijn schoonheid kon vertoonen. De den was de eerste boom op de +vlakte, die vuur vatte, en 't was onbegrijpelijk hoe de brand hem +had bereikt. Was die er op roode vleugels heengevlogen? of had die +langs den grond gekropen als een slang? Ja, dat kon niemand zeggen. De +brand was er. De heele den vlamde als een stapel takken. + +Zie daar! Nu steeg de rook op uit verscheidene plaatsen op de +bergvlakte. 't Vuur in 't bosch was zeker allebei: vogel en slang. 't +Kon verre einden door de lucht vliegen en langs den grond sluipen. 't +Zette de heele bergvlakte op eens in vlammen. + +De vogels sloegen in allerijl op de vlucht. Ze fladderden op uit den +rook als groote roetvlokken, vlogen dwars over het dal, en kwamen op +de bergvlakte, waar de jongen zat. Hij kreeg een berguil naast zich +op den den, en vlak boven hem streek een havik neer op een tak. Dat +zouden anders gevaarlijke buren zijn geweest, maar nu keken ze niet +eens naar hem. Ze staarden maar naar het vuur, ze konden zeker niet +begrijpen, wat er toch in het bosch gekomen was. Een marter vloog +ook boven in den top van den den, ging op de punt van een tak zitten, +en keek naar de brandende boschheuvels met zijn glanzende oogen. Vlak +naast hem zat een eekhoorn, maar ze schenen elkaar niet te zien. + +Nu stroomde het vuur het dal in. Het siste en dreunde als een bruisende +storm. Door den rook heen was het te zien, hoe de vlammen van den +eenen boom op den anderen sloegen. Eer een de vlam vatte, werd hij +eerst in een dunnen rooksluier gewikkeld, dan werden alle naalden +tegelijk rood, en dan begon hij te knetteren en te branden. + +Beneden in het dal, dat onder hen lag, liep een kleine beek, met elzen +en kleine berkjes omzoomd. Daar scheen het, dat de brand ophouden +zou. De loofboomen vatten niet zoo snel vuur als de naaldboomen. De +boschbrand stond voor een muur, en kon niet verder komen. Hij gloeide +en spatte vonken, probeerde over te springen op het sparrenbosch aan +de andere zijde van de beek, maar bereikte dat niet. + +Voor een poos was het vuur gestuit, maar toen wierp zich een +lange vlam op een dorre spar, die wat hooger op de helling stond, +en dadelijk stond die in lichte laaie. En toen was het vuur over de +beek gekomen. De warmte was al zoo sterk geweest, dat iedere boom op +de heele helling klaar was om vuur te vatten. Bruisend en dreunend +als de sterkste storm en de meest woeste waterval vloog de boschbrand +de bergvlakte op. + +Toen vluchtten de havik en de berguil, en de marter snelde naar +beneden uit den boom. 't Zou zeker niet lang meer duren, voor 't vuur +in de dennetop kwam. De jongen moest ook maken, dat hij wegkwam. 't +Was niet gemakkelijk van den hoogen rechten stam van den denneboom +weg te komen. Hij hield er zich aan vast, zoo goed hij kon, gleed +heele einden neer tusschen de takken door, en rolde eindelijk op +den grond. Maar hij had geen tijd om te voelen, of hij zich ook +had bezeerd. Hij moest zich haasten om weg te komen. 't Vuur sloeg +als een sissend onweer neer in den boom, de grond onder zijn voeten +was warm en begon te rooken. Aan zijn eene zij liep een los; aan de +andere schoof een lange adder voort, en vlak naast de slang kakelde +een korhoen, dat voortliep met haar kleine donzige jongen. + +Toen de vluchtelingen van de helling af en beneden in het dal waren +gekomen, ontmoetten ze menschen, die waren uitgegaan om den brand +te blusschen. Zij waren daar zeker al een heele poos geweest, maar +de jongen had zoo hardnekkig naar den anderen kant gekeken, van waar +de brand kwam, dat hij ze niet had opgemerkt. Er was ook een beek en +een breede rand loofboomen aan dezen kant, en daarachter werkten de +menschen. Ze velden de naaldboomen, die het dichtst naast de elzen +stonden, haalden water uit de beek, en goten het over den grond, +en trokken het heikruid uit, opdat het vuur niet in de kleine takjes +zou kunnen voortkruipen. + +Ook zij dachten alleen aan den boschbrand, die nu op hen aan kwam +stormen. De vluchtende dieren sprongen tusschen hun voeten door, +zonder dat zij ze zagen. Ze sloegen niet naar de adders, ze trachtten +niet de korhoenders te vangen, terwijl ze heen en weer liepen langs +de beek met haar piepende jongen, ze letten niet eens op Duimelot. Ze +stonden met groote dennetakken, die ze in 't water hadden gedoopt, +en daarmeê gewapend schenen ze op het vuur te willen afgaan. Er waren +niet zoo heel veel menschen. 't Was merkwaardig hen daar te zien staan, +klaar voor den strijd, terwijl alles vluchtte. + +Toen het vuur langs de helling kwam, met gedreun en gedruisch en +ondragelijke hitte en verstikkende rook, klaar om over de beek en den +muur van loofboomen te springen, om den anderen oever te bereiken, +zonder een oogenblik stil te staan, weken de menschen eerst achteruit, +alsof ze 't niet uit konden houden. Maar 't werd geen lange vlucht; +ze keerden weer om. + +De boschbrand liep storm met vreeselijke kracht. De vonken stoven als +een vuurregen over de loofboomen, de lange vlammen vlogen sissend uit +den rook, alsof het bosch aan den anderen kant ze naar zich toe zoog. + +Maar de loofboomen hielden het vuur tegen, en daar achter werkten de +menschen. Waar het veld begon te rooken, haalden ze water, en doofden +het. Als een boom in rook werd gewikkeld, vielen ze hem aan met snelle +bijlslagen, gooiden hem om en bluschten de vlammen. Waar het vuur +door het heikruid sloop, sloegen ze het neer met natte dennetakken, +en smoorden het. De rook werd zóó dicht, dat hij alles omhulde. Het was +niet meer te zien, hoe de strijd ging, maar wel was het te begrijpen, +dat die zwaar was, en dat het vaak bijna zoover kwam, dat de brand +verder vooruit zou dringen. + +Maar zie, na een poos verminderde het sterke dreunen van 't vuur, +en de rook werd dunner. Toen hadden de loofboomen al hun blaren +verloren, de grond onder hen was zwart geschroeid, de menschen +waren zwart van den rook, en dropen van zweet, maar de boschbrand +was teruggeslagen. Hij vlamde niet meer. De rook kroop wit en zacht +over den grond, en daaruit schoten een massa zwarte staken op. Dat +was alles wat van het mooie bosch was overgebleven. + +De jongen was op een steen geklauterd, en had daar gezien hoe het +vuur gebluscht werd. Maar nu 't bosch gered was, begon 't gevaar voor +hem. De uil en de havik keerden op eens de oogen naar hem. + +Daar hoorde hij, hoe een welbekende stem hem riep. Gorgo, de +koningsarend, suisde neer door 't bosch. En spoedig zweefde de jongen +boven in de wolken, ver van alle gevaar. + + + + + + +XXXIV. + +IN LAPLAND. + + +Alleen al weer veilig op Gorgo's rug te zitten, na al den angst, +dien hij had uitgestaan onder den boschbrand, was een geluk; maar ze +maakten nu ook een heele mooie reis. Tegen den morgen was de wind +uit het noorden gekomen, maar nu was hij omgeloopen, zoodat ze hem +achter zich hadden, en geen zuchtje voelden. De tocht ging zoo kalm, +dat het soms scheen, alsof ze stil stonden in de lucht. + +"Nu komen we in Lapland," had Gorgo gezegd, en de jongen had zich +voorover gebogen om het landschap te zien, waar hij zoo veel van +had gehoord. + +Maar hij was erg teleurgesteld, toen hij niet anders had gezien dan +groote bosschen en moerassen. Bosschen en moerassen wisselden elkaar +af. De groote eentonigheid had hem op 't laatst zóó slaperig gemaakt, +dat hij bijna van den rug van den arend op den grond gerold was. + +Hij had tegen den arend gezegd, dat hij niet langer op zijn rug kon +zitten, en dat hij een poos slapen moest. + +Gorgo was dadelijk neergedaald, en de jongen had zich in 't mos +neergeworpen, maar toen had Gorgo de klauwen om hem heen geslagen, +en was weer met hem de lucht ingevlogen. + +"Slaap jij maar, Duimelot," riep hij. "De zonneschijn houdt me wakker, +en ik wil de reis voortzetten." + +En hoewel de jongen zoo ongemakkelijk had gehangen, was hij toch +ingeslapen, en had een wonderlijken droom gehad. Hij droomde, dat hij +op een breeden weg liep in Zuid-Zweden, zóó hard als zijn beentjes +hem dragen konden. Hij was niet alleen. Een massa reizigers trokken +met hem denzelfden kant uit. Vlak naast hem liepen rogge-aren met +zware halmen aan den top, bloeiende korenbloemen en gele margrieten; +appelboomen liepen hijgend voort, zwaar van vruchten, en achter hen +kwamen vol uitgegroeide booneranken, groote witte margrieten, en +een heel kreupelbosch van bessestruiken. Groote loofboomen, beuken, +eiken en lindeboomen liepen kalm op hun gemak midden op den weg, +fier ruischend met hun kronen, en weken voor niemand uit. Tusschen +zijn voeten door, snelden kleine planten voort: wilde aardbeien, +witte anemonen, klaver en vergeetmijnietjes. + +Eerst dacht hij, dat alleen planten op die manier langs den weg +trokken, maar hij zag al gauw, dat ook dieren en menschen meêgingen. De +insekten gonsden om de zich voortspoedende planten, in de sloten langs +den weg gleden visschen voort, vogels zaten te zingen in de reizende +boomen, tamme en wilde dieren liepen om 't hardst, en daartusschen +door liepen menschen, sommige met spaden en zeisen, andere met bijlen, +weer andere met jachtgeweren of met vischnetten. + +De tocht ging met vreugd en vroolijkheid, en dat verbaasde hem niet, +nadat hij had gezien wie de leider was. Dat was niemand minder dan +de zon zelf. Die rolde vooruit langs den weg als een groot stralend +hoofd, met haar, van veelkleurige stralen en een gezicht, dat van +vroolijkheid en goedheid glansde. + +"Vooruit," riep ze onophoudelijk. "Niemand hoeft bang te wezen, +als ik er bij ben. Vooruit, vooruit!" + +"Ik ben benieuwd, waar de zon ons heen zal brengen," zei de jongen +in zichzelf. Maar de rogge-aar, die naast hem liep, had die woorden +gehoord, en antwoordde dadelijk: "Ze wil ons naar Lapland brengen, +naar den grooten versteener." + +De jongen merkte al gauw, dat verscheidene van de reizigers aarzelden, +langzamer liepen, en eindelijk bleven staan. Hij zag, dat de groote +beuk staan bleef, de herten en het koren bleven aan den weg liggen, +en ook de moerbeistruiken, de groote gele boterbloemen, de kastanjes +en de patrijzen. + +Hij keek rond, om er achter te komen, waarom er zoo velen +achterbleven. Toen merkte hij, dat hij niet meer in Zuid-Zweden was, +maar dat de reis zoo gauw was gegaan, dat ze al in Smaland waren. + +Hier begon de eik al langzamer te loopen, en scheen bezwaren te +hebben. Hij bleef een poos staan, deed aarzelend nog een paar stappen, +en stond toen heelemaal stil. + +"Waarom gaat de eik niet verder meê?" vroeg de jongen. + +"Hij is bang voor den grooten versteener," zei een jonge lichte berk, +die zoo vroolijk en flink meêliep, dat het een lust was om te zien. + +Maar hoewel er velen achterbleven, was er nog een groote schare, die +met goeden moed den tocht voortzetten. En het zonnehoofd rolde steeds +voor den stoet uit, lachte, en riep: "Vooruit, vooruit! niemand hoeft +bang te wezen, zoolang ik er bij ben!" + +De schare haastte zich verder met dezelfde vaart. Spoedig waren zij +in Norrland, en nu hielp het niet, hoe de zon ook riep en smeekte. De +appelboom bleef staan, de kerseboom ook. De haver bleef staan. + +De jongen keerde zich naar de achterblijvers. + +"Waarom gaan jelui niet meê? Waarom laat jelui de zon in den +steek?" vroeg hij. + +"We durven niet. We zijn bang voor den grooten versteener, die in +Lapmarken woont," antwoordden ze. + +Al gauw meende de jongen te begrijpen, dat ze ver in Lapland gekomen +waren, en hier dunde de schare, die voortging, meer en meer. De +rogge, het koren, de wilde aardbei, de blauwbessen, de erwtenranken, +de bessen waren heel tot hier meêgegaan. De eland en de koe hadden +naast elkaar geloopen, maar toen bleven ze ook staan. De zon zou +zeker heelemaal verlaten zijn, als er niet nieuwe reisgenooten bij +waren gekomen. Wilgestruiken en een massa ander laag kreupelhout +sloten zich bij den tocht aan. Laplanders en rendieren, rotsuilen, +rotsvossen en sneeuwhoenders kwamen er bij. + +Nu hoorde de jongen iets, wat hem tegemoet kwam. 't Waren allerlei +stroomen en beken, die aan kwamen storten in sterke vaart. + +"Waarom hebben ze zoo'n haast?" vroeg hij. + +"Ze vluchten voor den grooten versteener, die boven op de rotsen +woont," antwoordde een sneeuwhoen. + +Op eens zag de jongen, dat zich voor hen een hooge, donkere muur +verhief, met uitgetanden krans. Bij het zien van dien muur schenen +allen achteruit te deinzen, maar de zon keerde dadelijk haar stralend +gezicht naar den muur, en overstroomde dien met licht. Toen bleek +het, dat het geen muur was, maar de prachtigste bergen, die zich +achter elkaar verhieven. De toppen werden rood in den zonneschijn, +en de hellende kanten waren lichtblauw met gouden weerschijn. + +"Vooruit, vooruit! Geen gevaar, zoolang ik er bij ben!" riep de zon, +en rolde de steile wanden van de bergen op. + +Maar bij dien tocht tegen de bergen op, verliet haar de dappere berk, +de sterke den en de koppige spar. Hier verlieten haar het rendier, +de Laplander en de biezen. En eindelijk, toen ze boven op den bergtop +was, volgde haar niemand anders, dan de kleine Niels Holgersson. + +De zon rolde in een kloof, waar de wanden met ijs waren bekleed, +en Niels Holgersson wilde met haar meê naar binnen. Maar verder dan +tot de opening van de kloof durfde hij niet. Want daar binnen zag hij +iets verschrikkelijks. Heel in de diepte van die kloof zat een oude +toovenaar, heelemaal van ijs, zijn haar was van ijspegels, en zijn +mantel van sneeuw. Voor dien toovenaar lagen een paar zwarte wolven, +die opstonden, en den bek opensperden, toen de zon zich vertoonde. En +uit den eenen wolvenmuil kwam scherpe kou, uit den tweeden de huilende +noordenwind en uit den derden zwarte duisternis. + +"Dat zal wel de groote versteener met zijn gevolg zijn," dacht de +jongen. Hij begreep, dat hij nu het verstandigst deed met te vluchten, +maar hij was zoo nieuwsgierig om te zien, hoe de ontmoeting tusschen +de zon en den toovenaar zou afloopen, dat hij bleef staan. + +De toovenaar bewoog zich niet, maar staarde naar de zon met zijn +griezelig ijsgezicht, en de zon stond ook stil, en deed niets dan +lachen en stralen. Zoo duurde het een poos, en de jongen meende +te merken, dat de toovenaar begon te zuchten en te jammeren. Zijn +sneeuwmantel viel af, en de drie vreeselijke wolven huilden niet meer +zoo erg. Maar op eens riep de zon: "Nu is mijn tijd uit!" en rolde +achteruit uit de kloof. Toen liet de toovenaar zijn drie wolven los, +en opeens vlogen de noorderstorm, de kou en de duisternis uit de kloof, +en begonnen achter de zon aan te vliegen. + +"Jaag ze weg! Drijf ze voort," riep de toovenaar. "Jaag ze zoover weg, +dat ze nooit meer terugkomt. Leer ze, dat Lapland van mij is!" + +Maar Niels Holgersson was zóó bang geworden, toen hij hoorde, dat +de zon uit Lapland zou worden weggejaagd, dat hij met een gil wakker +werd. En toen hij tot zichzelf gekomen was, had hij gemerkt, dat hij +op den bodem van een groot bergdal lag. Maar waar was Gorgo? En hoe +zou hij er achterkomen, waar hij was? + +Hij stond op, en keek rond. Toen vielen zijn oogen op een wonderlijk +gebouw van dennetakken, dat boven op een rotsterras lag. + +"Dat is zeker zoo'n arendsnest, als Gorgo..." + +Hij dacht die gedachte niet uit. Maar hij rukte zich de muts van +'t hoofd, zwaaide die in de lucht en riep: "Hoera!" Hij begreep, +waar Gorgo hem had gebracht. Hier was het dal, waar de arenden op +de rotsen, en de wilde ganzen in het dal woonden. Hij was, waar hij +wezen moest! Hij zou zoo dadelijk Maarten, den ganzerik, en Akka en +alle reisgenooten weerzien. + + + + +DE AANKOMST. + + +De jongen liep langzaam voort, en zocht naar zijn vrienden. 't Was +heel stil in het dal. De zon was nog niet boven den rotswand opgekomen, +en Niels Holgersson begreep, dat het zoo vroeg in den morgen was, dat +de wilde ganzen nog niet wakker waren. Hij had nog niet lang geloopen, +of hij bleef glimlachend staan, omdat hij zooiets moois zag. 't Was +een wilde gans, die in een klein nestje op den grond sliep, en naast +haar stond een ganzerik. Hij sliep ook, maar 't was duidelijk, dat +hij zoo dicht bij haar was gaan staan, om bij de hand te wezen in +geval van nood. + +De jongen liep door, zonder hen te storen, en keek tusschen de kleine +wilgestruiken, die het veld bedekten. Al gauw kreeg hij een nieuw +ganzenpaar in het oog. Ze hoorden niet tot zijn troep, 't waren +vreemdelingen, maar hij werd zoo blij, dat hij begon te neuriën, +alleen omdat hij wilde ganzen zag. + +Hij keek in een nieuw boschje kreupelhout, en daar zag hij eindelijk +een paar, dat hij herkende. Dat moest stellig Neljä zijn, die daar +lag te broeden, en de ganzerik, die naast haar stond, was Kolme. Ja +zeker, dat was zoo. Hij kon zich niet vergissen. + +Hij had zoo'n lust ze wakker te maken, maar hij liet ze slapen, +en liep verder. + +In 't volgende boschje zag hij Viisi en Kuusi, en niet ver van daar +Yksi en Kaksi. Ze sliepen alle vier en de jongen liep hen voorbij, +zonder ze wakker te maken. + +Toen hij bij 't volgend boschje kwam, meende hij iets wits te zien +schijnen door de struiken, en zijn hart begon van vreugd te bonzen. Ja, +het was, zooals hij had gedacht. Daar lag Donsje zoo mooi te broeden, +en naast haar stond de witte ganzerik. De jongen vond, dat men hem +kon aanzien, ook terwijl hij sliep, hoe trotsch hij er op was, dat +hij hier zijn vrouw mocht beschermen in de rotsen van Lapland. + +Maar ook den witten ganzerik wilde de jongen niet wekken, en hij +ging verder. + +Hij moest vrij lang zoeken, eer hij meer van de wilde ganzen vond. Maar +toen merkte hij op een kleine hoogte, iets als een klein grauw boschje +gras. En toen hij aan den voet van de hoogte was, zag hij, dat het +grauwe boschje Akka van Kebnekaise was, die daar klaar wakker stond +rond te kijken, alsof ze de wacht hield voor het heele dal. + +"Goeden morgen, Moeder Akka!" zei de jongen. "Dat is heerlijk, dat +u wakker is. U moet zoo vriendelijk zijn de anderen niet wakker te +maken, want ik wou u graag alleen spreken." + +De oude leidstergans vloog den heuvel af naar den jongen. Eerst nam ze +hem beet, en schudde hem een beetje, toen streek ze met den snavel op +en neer over zijn heele lichaam, en toen schudde ze hem weer. Maar ze +zei niets, omdat hij haar had gevraagd de anderen niet wakker te maken. + +Duimelot kuste de oude moeder Akka op beide wangen, en toen begon +hij haar te vertellen, hoe hij naar de Schans was gebracht en daar +gevangen gehouden. + +"Nu zal ik u vertellen, dat Smirre, de vos met het afgebeten oor, +gevangen zat in het vossenhol op de Schans," zei de jongen. "En +hoewel hij erg leelijk tegen ons had gedaan, kon ik toch niet laten +medelijden met hem te hebben. Er zaten nog veel andere vossen in dat +groote vossenhuis, en die tierden best, maar Smirre zat altijd heel +bedroefd te kijken, en verlangde naar zijn vrijheid. Ik had daar veel +goede vrienden gemaakt, en op een dag hoorde ik van den Lappenhond, +dat er een man naar de Schans was gekomen, om vossen te koopen. Hij +kwam van een eiland ver in zee. Ze hadden daar alle vossen uitgeroeid, +maar nu kregen de ratten de overhand, en ze wenschten, dat ze weer +vossen hadden. Zoodra ik dat hoorde, ging ik naar de kooi van Smirre, +en zei tegen hem: "Morgen komen hier menschen om een paar vossen te +halen. Verstop je dan niet, maar vertoon je, en zorg, dat je gevangen +wordt, dan krijg je je vrijheid terug." En hij volgde mijn raad, +en loopt nu vrij op dat eiland rond. Wat zegt u daarvan, Moeder +Akka? Heb ik in uw geest gehandeld?" + +"Dat was, wat ik zelf zou hebben gedaan," zei de leidstergans. + +"Dat is prettig, dat u daarmeê tevreden is," zei de jongen. "Nu is er +nog iets, wat ik u vragen moet. Ik zag op een dag, dat Gorgo, de arend, +dezelfde, die met Maarten den ganzerik heeft gevochten, gevangen naar +de Schans werd gebracht, en in de arendskooi gezet. Hij zag er akelig +en treurig uit, en ik dacht er over, of ik het staaldraadnet boven +de kooi niet kon doorvijlen, en hem loslaten, maar toen dacht ik er +ook aan, dat hij een gevaarlijk roover en vogelverslinder was. Ik wist +niet, of ik goed deed met zoo'n misdadiger los te laten, en ik meende, +dat het misschien 't beste was hem te laten, waar hij was. Wat vindt +u Moeder Akka? Was dat goed gedacht?" + +"Neen, dat was niet goed," zei Akka. "Men mag zeggen wat men wil van +de arenden, maar ze zijn fierder, en hebben hun vrijheid meer lief dan +andere dieren, en het gaat niet aan hen gevangen te houden. Weet je, +wat ik je nu voorstellen wou? Dat wij beiden, zoodra je bent uitgerust, +een reis maken naar de groote vogelgevangenis, en Gorgo bevrijden." + +"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou, Moeder Akka," zei de jongen. "Er +zijn er, die beweren, dat u geen liefde meer voelt voor hem, dien +u met zooveel zorg hebt opgevoed, omdat hij leeft, zooals een arend +leven moet. Maar nu hoor ik, dat het niet waar is. Ik zal nu zien +of Maarten, de ganzerik, nog niet wakker is. En als u intusschen een +paar woorden van dank wilt zeggen tegen hem, die mij hierheen heeft +gebracht, dan geloof ik, dat u hem daarboven op het rotsterras vinden +kunt, daar, waar u eens een hulpeloos arendsjong hebt gevonden." + + + + +ASA, HET GANZENHOEDSTERTJE EN DE KLEINE MADS. + + +In dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondreisde, werd +er veel gesproken over een paar kinderen, een jongen en een meisje, +die door het land zwierven. Ze waren uit Smaland, uit de gemeente +Sunnerbo, en hadden eens met hun ouders en vier broertjes en zusjes in +een hutje op een groote heide gewoond. Toen de beide kinderen nog klein +waren, had laat op een avond een arme zwerfster op de deur geklopt, +en om huisvesting gevraagd. Hoewel de hut nauwelijks de menschen, +die er woonden, kon bevatten, was ze binnengelaten, en men had haar +een bed op den grond gemaakt. 's Nachts had ze zoo liggen hoesten, dat +de kinderen meenden, dat het heele huis er van dreunde, en 's morgens +was ze zóó ziek geworden, dat ze haar reis niet had kunnen voortzetten. + +Vader en Moeder waren zoo goed voor haar geweest, als 't hun maar +mogelijk was, ze hadden haar hun bed afgestaan, en waren zelf op +den grond gaan slapen, en Vader was naar den dokter gegaan, om een +drankje voor haar te halen. De eerste dagen was de zieke geheel +in de war geweest. Ze had allerlei verlangd en geëischt, en had +nooit een woord van dank gezegd; maar toen was ze zachter geworden, +ootmoedig en dankbaar. Eindelijk had ze hun gebeden en gesmeekt, +dat ze haar uit de hut naar de hei zouden brengen, en haar daar +laten sterven. Toen het gastvrij echtpaar dat niet had willen doen, +had ze hun verteld, dat ze de laatste jaren had rondgezworven met +een Tatertroep. Zelf was ze niet van Taterfamilie, maar een dochter +van een grondeigenaar. Ze was van huis weggeloopen, om met de Taters +meê te gaan. Nu meende ze, dat een Tatervrouw, die boos op haar was +geworden, haar de ziekte op den hals had gejaagd. Maar dat was nog +niet genoeg geweest; de Tatervrouw had haar gedreigd en gezegd, dat +'t zoo zou gaan met allen, die goed voor haar zouden wezen, en haar +onder hun dak opnemen. Daar geloofde ze nu aan, en daarom smeekte +zij hen, haar buiten de hut te zetten, en niet meer naar haar om +te kijken. Ze wilde geen ongeluk brengen over zulke goede menschen, +als zij waren. Maar Vader en Moeder hadden 't niet gedaan. Misschien +waren ze wel een beetje bang geworden, maar ze waren toch niet zoo, +dat ze een arm, doodziek mensch uit hun huis zouden jagen. + +Kort daarop was ze gestorven, en toen was het ongeluk begonnen. Vroeger +was er nooit anders dan blijdschap in de hut geweest. Wel waren ze arm +geweest, maar nog niet eens zoo heel erg. Vader maakte weefkammen, en +Moeder en de kinderen hielpen hem bij het werk. Vader maakte zelf den +kant van de kam, Moeder en de oudste zuster maakten de verbinding, de +kleine kinderen schaafden de tanden, en sneden ze uit. Ze werkten van +den morgen tot den avond, maar ze waren altijd vroolijk en blij, vooral +wanneer Vader van de dagen vertelde, toen hij ver weg in vreemde landen +geweest was om weefkammen te verkoopen. Vader was altijd zoo opgewekt, +dat Moeder en alle kinderen zich nu en dan bijna ziek om hem lachten. + +De tijd na den dood van die arme zwerfster was voor de kinderen +als een akelige droom. Ze wisten niet meer, of die kort of lang had +geduurd, maar ze herinnerden zich, dat er telkens begrafenis geweest +was bij hen aan huis. Eerst waren hun broertjes en zusjes gestorven +en begraven, de een na de andere. Ze hadden immers niet meer dan vier +gehad, dus meer dan vier begrafenissen kon 't toch niet geweest zijn, +maar de kinderen meenden, dat er veel meer waren geweest. Eindelijk +was het stil en treurig in de hut geworden. 't Was of daar elken dag +een begrafenismaal gehouden werd. Moeder had wel zoowat moed gehouden, +maar Vader was heelemaal veranderd. Hij kon geen gekheid meer maken, +en ook niet werken, maar zat van den morgen tot den avond met het +hoofd in de handen te peinzen. Op een keer--dat was na de derde +begrafenis--was hij uitgebarsten in wilde woorden, waar de kinderen +van schrikten, toen zij ze hoorden. Hij kon niet begrijpen, zei hij, +waarom er zoo'n ongeluk over hen moest komen. Was het dan waar, dat +het kwade machtiger was dan het goede in de wereld? Ze hadden immers +een goede daad gedaan door de zieke te helpen! + +Moeder had geprobeerd verstandig met Vader te praten, maar ze had +hem niet tot rust en onderwerping kunnen brengen, zooals ze zelf was. + +Een paar dagen later was het uit met Vader. Maar hij was niet +gestorven, hij was weggegaan. Want nu was de oudste zuster ziek +geworden, en van haar had Vader altijd 't meest gehouden. En toen hij +zag, dat ook zij zou sterven, was hij al die ellende ontvlucht. Moeder +had niet anders gezegd, dan dat het 't beste was voor Vader, dat hij +weg was. Zij was bang geweest, dat hij krankzinnig zou worden. Hij +tobde er over, zoodat hij op 't punt was zijn verstand te verliezen, +hoe God kon toelaten, dat een slecht mensch zooveel ongeluk aanrichtte. + +Sinds Vader was heengegaan, waren ze heel arm geworden. In 't begin +had hij hun geld gestuurd, maar daarna was 't hem zeker slecht +gegaan en hij had opgehouden iets te zenden. En denzelfden dag, dat +de oudste zuster begraven was, had Moeder het huis gesloten, en was +weggegaan met de twee kinderen, die ze nog over had. Ze was naar Skaane +gegaan, om op de bietvelden te werken, en ze had werk gekregen aan de +suikerfabriek van Jordberga. Moeder was een goede werkster geweest, +en was opgewekt en vrijmoedig. Allen hielden van haar. Velen hadden er +zich over verwonderd, dat ze zoo kalm kon zijn, na alles wat ze had +ondervonden. Maar Moeder was een heel sterk en geduldig mensch. Als +iemand met haar sprak over die twee flinke kinderen, die ze bij zich +had, zei ze alleen: "Zij zullen ook gauw sterven." + +Ze zei dat, zonder dat haar stem beefde, en zonder tranen in de oogen +te krijgen. Ze had er zich aan gewend niet anders te verwachten. + +Maar het was niet gegaan, zooals Moeder dacht. De ziekte was in +plaats daarvan over haarzelf gekomen. 't Was gauw gegaan met Moeder, +nog gauwer dan met de broertjes en zusjes. Ze was in 't begin van +den zomer naar Skaane gekomen, en vóór de herfst kwam, had zij de +kinderen alleen gelaten. + +Terwijl Moeder ziek lag, had ze vaak tegen de kinderen gezegd, dat ze +goed moesten onthouden, dat ze er nooit berouw van had gehad, dat ze +de zieke in huis gehouden had. Want het was niet moeilijk te sterven, +had Moeder gezegd, als je goed gehandeld hadt. Alle menschen moesten +sterven, daar kon je niet aan ontkomen, maar zelf kon je 't er na +maken, of je met een goed geweten wou sterven of met een slecht. + +Vóór Moeder was heengegaan, had ze geprobeerd nog wat voor haar +kinderen te zorgen. Ze had gevraagd, of ze in de kamer mochten blijven +wonen, waar ze alle drie dien zomer gewoond hadden. Als de kinderen +maar een huis hadden, zouden ze niemand tot last zijn. Ze zouden voor +zichzelf zorgen, dat wist ze. + +De kinderen mochten de kamer behouden, als zij wilden beloven de ganzen +te hoeden, want het was altijd moeilijk kinderen te vinden, die dat +werk op zich wilden nemen. En het ging werkelijk, zooals Moeder had +gezegd: ze zorgden voor zichzelf. 't Meisje kon balletjes maken, en de +jongen sneed kinderspeelgoed, dat ze aan de boerderijen verkochten. Ze +hadden aanleg voor handel, en begonnen al gauw bij de boeren boter +en eieren te koopen, die ze aan de arbeiders op de suikerfabriek +verkochten. Ze waren zoo handig en ordelijk, dat men hun alles kon +toevertrouwen. 't Meisje was de oudste, en toen ze dertien jaar was, +kon men al op haar vertrouwen, als op een volwassen mensch. Ze was stil +en ernstig, maar de jongen was spraakzaam en vroolijk, en zijn zuster +zei van hem, dat hij om 't hardst kakelde met de ganzen op 't veld. + +Toen de kinderen een paar jaar bij Jordberga geweest waren, werd er +op een avond een voordracht gehouden in de school. Die was eigenlijk +voor volwassenen bedoeld, maar de twee kinderen uit Smaland zaten +onder de toehoorders. Zij zelf rekenden zich niet onder de kinderen, +en dat deden de andere eigenlijk ook niet. De spreker had verteld van +die vreeslijke ziekte, die ieder jaar zooveel menschen in Zweden deed +sterven, de tuberculose. Hij had heel helder en duidelijk gesproken, +en de kinderen hadden ieder woord verstaan en begrepen. + +Na de voordracht waren ze buiten de school blijven wachten. Toen de +spreker naar buiten kwam, namen ze elkaar bij de hand, gingen heel +plechtig naar hem toe, en vroegen hem te spreken. + +De vreemde had eerst die twee, die daar met ronde, rose kindergezichten +zoo ernstig stonden te praten, zoodat ze driemaal zoo oud schenen, +als ze werkelijk waren, heel verbaasd aangekeken, maar hij had heel +vriendelijk naar hen geluisterd. + +De kinderen vertelden, wat bij hen gebeurd was, en vroegen nu den +spreker, of hij meende, dat Moeder en de broertjes en zusjes waren +gestorven aan de ziekte, die hij had beschreven. + +Dat was wel waarschijnlijk, antwoordde hij. Dat kon niet best een +andere ziekte wezen. + +Maar als Moeder en Vader dat geweten hadden, wat de kinderen dien avond +hadden gehoord, zoodat ze hadden kunnen oppassen; als ze de kleeren +van de zwerfster hadden verbrand, als ze de kamer goed schoon hadden +gehouden, en de dekens niet gebruikt, zouden ze allen dan nog in leven +zijn geweest, zij, die de kinderen nu betreurden? En de spreker had +geantwoord, dat niemand dat heel zeker kon zeggen, maar hij geloofde +wel, dat geen in hun omgeving ziek had hoeven te worden, als ze +geweten hadden, hoe ze voor de besmetting hadden kunnen oppassen. + +Nu aarzelden de kinderen even met de volgende vraag, maar ze gingen +niet heen. Want wat ze nu wilden vragen was het gewichtigste. Was +het dan niet waar, dat de Tatervrouw hun de ziekte had gezonden, +omdat ze iemand hadden geholpen, waar zij boos op was? Was dat niet +iets bijzonders geweest, dat alleen hen had getroffen? + +Neen, dat kon de spreker hun gerust verzekeren, dat dàt niet waar +was. Geen mensch had de macht een ander op die manier een ziekte te +zenden. En ze wisten immers, dat die ziekte 't heele land over werd +aangetroffen. Die kwam bijna in alle huizen, maar niet overal had ze +zoovelen doen sterven, als bij hen. Toen bedankten de kinderen hem, +en gingen naar huis. Zij spraken dien avond heel lang samen. + +Den volgenden dag gingen ze hun dienst opzeggen. Ze konden geen ganzen +hoeden dat jaar, ze moesten ergens anders heen. + +Waar moesten ze dan naar toe? + +Ze moesten hun Vader opzoeken. Ze moesten hem zeggen, dat Moeder en +de broers en zusjes aan een gewone ziekte waren gestorven, en dat het +niet iets bijzonders was, dat een slecht mensch hun had gezonden. Ze +waren zoo blij, dat ze dat hadden gehoord. En nu was het hun plicht +dit aan Vader te vertellen, want hij zou daar zeker nog altijd over +loopen tobben. + +De kinderen gingen eerst naar hun huisje in Sunnerbo, en tot hun groote +verbazing vonden ze dat in lichte laaie vlam. Toen gingen ze naar +de pastorie, en hoorden daar, dat een knecht, die spoorwegwerker was +geweest, hun vader had gezien bij den Malmberg, ver in Lapland. Hij +had in de mijn gewerkt, en deed dat misschien nog, maar daar kon je +niet zeker van zijn. Toen de predikant hoorde, dat de kinderen hun +vader wilden zoeken, nam hij een kaart, wees hun hoe ver het was naar +den Malmberg, en raadde hun den tocht af. Maar de kinderen zeiden, +dat ze niet anders konden. Ze moesten Vader opzoeken. Hij was van +huis weggegaan, omdat hij iets geloofde, wat niet waar was. Ze moesten +naar hem toe om hem te zeggen, dat hij zich vergist had. + +Ze hadden wat geld verdiend met hun handel, maar ze wilden dat niet +gebruiken om een spoorkaartje te koopen. Ze besloten den heelen weg +te voet te gaan. En daar hadden ze geen berouw van. Ze hadden een +bijzonder mooien tocht. + +Eer ze nog uit Smaland gekomen waren, gingen ze op een dag een +boerderij binnen, om wat eten te koopen. De huismoeder was opgewekt +en spraakzaam. Ze had de kinderen gevraagd, wie ze waren, en van waar +ze kwamen, en ze hadden hun heele geschiedenis verteld. + +"Neen maar! Neen maar!" zei de vrouw telkens, terwijl ze spraken. Toen +werden de kinderen goed ontvangen; ze kregen veel en goed eten, en +mochten er niets voor betalen. Toen ze opstonden om te bedanken en +heen te gaan, had de vrouw gevraagd, of ze in de volgende gemeente +niet naar haar broer zouden willen gaan. En ze zei hun hoe hij heette, +en waar hij woonde. Ja, dat wilden de kinderen natuurlijk graag. + +"Jelui moet hem van mij groeten, en hem vertellen wat jelui overkomen +is," zei de boerin. + +Dat deden de kinderen, en ze werden vriendelijk ontvangen ook bij +den broeder. Hij liet hen met zich meê rijden naar een plaats in de +volgende gemeente, en ook daar werden ze goed ontvangen. Telkens als +ze van een boerderij weggingen, zei men: "Als jelui daar en daar komen, +moet je naar binnen gaan en vertellen wat jelui is overkomen." + +In de boerderijen, waar de kinderen werden heengezonden, was altijd een +borstlijder. En zonder dat ze 't zelf wisten, gingen die twee kinderen +door het land, en leerden de menschen wat dat voor een gevaarlijke +ziekte was, die in hun huis was binnengeslopen, en hoe ze die het +beste bestrijden konden. Ze leerden de menschen, dat het niet genoeg +was de plaats op te harken en de grond te dweilen. Ze moesten ook de +spons en den borstel, de groene zeep en de witte gebruiken. Binnen +en buiten de deur moest het schoon zijn, en schoon moesten ze zelf +wezen. Zóó zouden ze eindelijk de ziekte meester worden. + + + + +DE DOOD VAN KLEINE MADS. + + +Kleine Mads was dood. 't Scheen ongeloofelijk voor allen, die hem +voor een paar uur nog frisch en vroolijk hadden gezien, maar toch +was het zoo. Kleine Mads was dood, en moest begraven worden. + +Kleine Mads was vroeg op een morgen gestorven, en niemand dan zijn +zuster Asa was in de kamer geweest, toen hij stierf. + +"Ga niemand anders roepen," had hij gezegd, toen het einde naderde, +en zijn zuster had gedaan, zooals hij graag wilde. + +"Ik ben blij, dat ik niet aan de ziekte sterf, Asa," had hij +gezegd. "Jij ook niet?" + +En toen ze niet antwoordde, ging hij voort: "Ik vind het niet erg +om dood te gaan, nu ik niet op dezelfde manier sterf als Moeder +en de anderen. Als dat zoo was gegaan, zou je zeker Vader nooit +hebben doen gelooven, dat het maar een gewone ziekte was, die ze had +weggenomen. Maar nu zal dat wel gaan, dat zul je zien." + +Toen alles voorbij was, zat Asa lang te denken aan wat haar broer, +kleine Mads te verdragen had gehad, zoolang hij leefde. Ze vond, dat +hij alle tegenspoed met den moed van een groot mensch had gedragen. Ze +dacht aan zijn laatste woorden. Zoo dapper was hij altijd geweest. En +het werd haar duidelijk, dat als kleine Mads nu begraven moest worden, +dan moest dat gebeuren met dezelfde eerbewijzen als voor een groot +mensch. + +'t Zou wel moeilijk wezen het gedaan te krijgen. Maar ze wilde alles +probeeren, ter wille van kleine Mads, en ze voelde, dat ze misschien +hier gemakkelijker dan ergens anders iets kon gedaan krijgen, dat +ongewoon was. + +Asa zat er aan te denken hoe 't hun was gegaan, toen ze naar den +Malmberg waren geloopen, en naar een arbeider hadden gevraagd, die +Jon Assarsson heette en in elkaar gegroeide wenkbrauwen had. Die +wenkbrauwen waren 't merkwaardigst in Jon Assarssons gezicht, en +maakten, dat de menschen hem gemakkelijk konden onthouden. De kinderen +hoorden al gauw, dat Vader verscheidene jaren bij den Malmberg had +gewerkt, maar dat hij nu op reis was. Hij ging gewoonlijk nu en dan +een poos weg, als de onrust over hem kwam. Waar hij heen was, wist +niemand, maar allen waren er zeker van, dat hij over een paar weken +zou terugkomen. En daar zij de kinderen van Jon Assarsson waren, +konden ze immers in de hut zijn, waar hij gewoond had, terwijl ze op +hem wachtten. Een vrouw had den deursleutel van onder den drempel +opgezocht, en de kinderen binnen gelaten. Niemand had er zich over +verbaasd, dat ze daar gekomen waren, en niemand scheen het vreemd +te vinden, dat Vader zoo nu en dan de wildernis introk. Hier was het +zeker niets ongewoons, dat ieder deed, zooals hij goed vond. + +Asa had goed gezien. Het gelukte haar, na eenige moeilijkheden, +den kleinen Mads, met alle eerbewijzen te laten begraven. + + + + + + +XXXV. + +BIJ DE LAPLANDERS. + + +De begrafenis was voorbij. Alle gasten waren vertrokken, en Asa was +alleen in de kleine hut, die aan haar Vader toebehoorde. Ze had de +deur gesloten, om ongestoord aan haar broer te kunnen denken. Ze +herinnerde zich alles, wat kleine Mads had gezegd en gedaan, het +eene na het andere, en dat was zóóveel, dat ze er niet toe kwam om +naar bed te gaan, maar den heelen avond en nog een groot gedeelte +van den nacht opbleef. Hoe meer ze aan haar broer dacht, hoe beter +ze begreep, hoe moeilijk het voor haar zou zijn zonder hem te leven, +en eindelijk legde zij het hoofd op de tafel, en schreide bitter. + +"Wat zal ik beginnen, nu ik kleinen Mads niet meer heb," snikte zij. + +'t Was al laat in den nacht, en Asa had een vermoeienden dag gehad, +zoodat het geen wonder was, dat ze in slaap viel, zoodra ze haar +hoofd neerlegde. En 't was ook geen wonder, dat ze droomde, van dat, +waar ze juist over had zitten denken. Ze droomde, dat kleine Mads +springlevend bij haar in de kamer kwam. + +"Nu, Asa, nu moet je Vader gaan zoeken," zei hij. + +"Hoe kan ik dat doen, als ik heelemaal niet weet waar hij is," +antwoordde ze. + +"Wees daar maar niet ongerust over!" zei kleine Mads vlug en vroolijk, +zooals gewoonlijk. "Ik zal je iemand sturen, die je helpen zal." + +Juist op dat oogenblik, toen Asa droomde, dat kleine Mads dat tegen +haar zei, werd er op de deur van haar kamer geklopt. Dat was echt +kloppen, en geen droom. Maar ze was nog zóó vol van wat ze gedroomd +had, dat ze niet uit elkaar kon houden, wat werkelijkheid en wat +verbeelding was, en toen ze opstond om de deur open te doen, dacht ze: +"Dat is zeker iemand, die Mads beloofd heeft me te sturen." + +Als het nu zuster Helma, de pleegzuster, die in de buurt woonde, was +geweest, of een ander gewoon mensch, die op den drempel stond, toen ze +opendeed, zou Asa wel begrepen hebben, dat haar droom nu uit was. Maar +dat was zoo niet. Er had niemand anders geklopt, dan een dwergje, niet +meer dan een handbreed groot. Hoewel het zoo laat in den nacht was, +was het buiten even licht als overdag, en Asa zag dadelijk, dat het +'t zelfde dwergje was, dat Mads en zij, een paar keer hadden ontmoet, +terwijl ze door 't land zwierven. Toen was ze bang voor hem geweest, en +dat zou ze ook nu geworden zijn, als ze goed wakker was geweest. Maar +ze meende, dat ze nog altijd droomde, en daarom bleef ze kalm staan. + +"Ik dacht wel, dat hij het juist zou zijn, die kleine Mads me sturen +zou, om me te helpen Vader te vinden," dacht ze. + +En ze had gelijk. Want het dwergje kwam juist, om met haar over haar +vader te spreken. Toen hij zag, dat ze niet bang voor hem was, zei +hij haar kort, waar haar vader te vinden was, en hoe ze moest doen +om bij hem te komen. + +Terwijl hij sprak, kwam Asa zoo langzamerhand tot haar volle +bewustheid, en toen hij zweeg, was ze volkomen wakker. En toen +schrikte ze er zóó van, dat ze daar stond te praten met iemand, +die in een heel andere wereld thuishoorde dan zij, dat ze hem niet +kon danken of iets anders tegen hem zeggen, maar naar binnen vloog +en de deur hard toesloeg. Ze meende te zien, dat de dwerg een heel +bedroefde uitdrukking in zijn gezicht kreeg, toen ze dat deed, maar +ze kon het niet laten. Ze was buiten zichzelf van schrik; ze kroop +dadelijk in bed, en trok de dekens over de oogen. + +Maar hoewel ze zoo bang voor den dwerg was, begreep ze toch, dat hij +het goed met haar meende, en den dag daarop deed ze gauw precies, +wat hij had geraden. + + + +Aan den westelijken oever van Luossajaure, een meertje, dat veel mijlen +ten noorden van den Malmberg lag, was een klein Lappenkamp. Ten zuiden +van het meer verhief zich een geweldige berg, die Kirunavara heette +en, zooals men zei, bijna uitsluitend uit ijzererts bestond. Ten +noordoosten lag een andere berg, de Luossavara, die ook veel ijzererts +bevatte. Tegen die bergen op begon men een spoorweg aan te leggen, +van af Gellivare, en bij de Kirunavara werd een station gebouwd, +een hôtel voor reizigers, en een massa woningen voor alle arbeiders +en ingenieurs, die hier moesten wonen, als het ertsbreken goed aan +den gang was. 't Was een heele stad met vroolijke, gezellige huisjes, +die gebouwd werd in een streek, zóó ver naar 't noorden gelegen, dat +de kleine verschrompelde berkjes, die 't veld bedekten, hun bladen +niet uit de knoppen konden krijgen voor midden in den zomer. + +Ten westen van het meer lag 't veld vrij en open, en daar hadden een +paar Laplandsche families zich gevestigd. Zij waren daar een paar +maanden geleden gekomen, en hadden niet veel tijd noodig gehad, om +hun woning in orde te maken. Ze hadden geen rotsen laten springen en +niet gemetseld, om goeden en effen bouwgrond te krijgen. Ze hadden zich +eerst maar een droge en prettige plaats bij 't meer uitgezocht, en toen +hadden ze alleen een paar wilgestruiken weggehakt en een paar bosjes +gras weggesneden, om hun bouwterrein in orde te maken. Ze hadden ook +geen dagenlang getimmerd en hout gehakt, om flinke houten wanden op te +trekken, ze hadden geen zorgen gehad, om 't dak te leggen en te dekken, +of om balken en vensterkozijnen te maken, of om deuren en sloten in +te zetten. Ze hadden alleen maar een paar tentstangen stevig in den +grond te slaan en het tentzeil er over te hangen, om hun huis zoo +goed als klaar te hebben. En ook hadden ze niet veel moeite genomen, +om hun huis in te richten of te meubileeren. 't Voornaamste was, +dat ze wat dennetakken en een paar huiden op den grond spreidden, +en de groote pan, waarin ze hun rendiervleesch plachten te koken, +aan een ketting ophingen, die boven aan den top van de tentstangen +werd vastgemaakt. + +De kolonisten aan den oostkant van 't meer, die zoo ijverig werkten +om hun huizen klaar te krijgen vóór de strenge winter zou invallen, +verbaasden zich over de Laplanders, die nu hier in 't hooge noorden al +veel honderden jaren hadden rondgezworven, zonder er aan te denken, +dat er beter bescherming tegen de kou en den storm noodig was, dan +dunne tentmuren. En de Laplanders verbaasden zich over de kolonisten, +die zooveel zwaar werk deden, terwijl er toch niet meer noodig was +dan een paar rendieren en een tent om te kunnen leven. + +Op een middag in Juli regende het ontzettend bij Luossajaure, +en de Laplanders, die anders in den zomer niet veel binnen waren, +kropen allemaal in een van de tenten, en gingen om het vuur zitten +koffiedrinken. + +Terwijl de Laplanders druk aan 't praten waren onder de koffie, +kwam er een roeiboot van den kant van Kiruna, en legde aan bij het +Laplanderskamp. Uit de boot stapten een arbeider en een meisje tusschen +de dertien en veertien jaar. + +De honden van de Laplanders vlogen hun te gemoet met luid en schel +geblaf, en een van de Laplanders stak het hoofd buiten de tent om te +zien, wat er gaande was. Hij was blij, toen hij den arbeider zag. 't +Was een goede vriend van de Laplanders, een vriendelijk en spraakzaam +man, die Lapsch kon spreken, en de Laplander riep hem toe, dat hij +in de tent moest kruipen. + +"Je komt als geroepen, Söderberg!" zei hij. "De koffiepot staat op +'t vuur. Niemand kan wat uitvoeren in den regen. Kom binnen, en vertel +ons wat nieuws." + +De arbeider kroop naar binnen, en met veel moeite en onder veel gelach +werd er plaats gemaakt voor hem en het meisje in de kleine tent, die +al te voren vol menschen was. De man begon al gauw Lapsch met zijn +gastheeren te praten. Het meisje, dat bij hem was, verstond niets +van het gesprek. Ze zat stil en verwonderd naar alles om haar heen +te zien; naar de pan en de koffietafel, naar 't vuur en den rook, +naar de Laplandsche mannen en vrouwen, naar de kinderen en de honden, +naar de wanden en den vloer, naar de koffiekoppen en de tabakspijpen, +naar de bonte kleeren en uitgesneden werktuigen. 't Was alles nieuw +voor haar. Niets was, zooals zij het gewend was. + +Op eens moest ze ophouden met rondkijken, en sloeg de oogen neer, +want ze merkte, dat allen in de tent haar aankeken. Söderberg moest +iets van haar verteld hebben, want nu namen de Laplandsche mannen +en vrouwen de korte pijp uit den mond, en keken naar de plaats, +waar zij zat. De Laplander, die naast haar zat, klopte haar op den +schouder, knikte en zei in 't Zweedsch: "Goed, goed." Een Laplandsche +vrouw schonk een grooten kop koffie in, die haar met veel moeite werd +toegereikt, en een Laplandsche jongen, die ongeveer even oud was als +zij, kroop tusschen de anderen door, tot hij bij haar kwam. En daar +lag hij haar maar aan te kijken. + +'t Meisje begreep, dat Söderberg aan de Laplanders vertelde, hoe +ze een groote begrafenis had gehouden voor haar broer, de kleine +Mads; maar zij had liever gehad, dat hij niet zooveel over haar had +gesproken, maar in plaats daarvan aan de Laplanders had gevraagd, +of ze wisten waar haar vader was. De dwerg had gezegd, dat hij bij +de Laplanders moest wezen, die ten westen van Luossajaure hun kamp +hadden opgeslagen, en ze had gevraagd, of ze daarheen mocht rijden +met een grinttrein (want gewone treinen liepen nog niet op die baan) +om hem te zoeken. Allen, de arbeiders en de chef hadden haar zoo +goed mogelijk geholpen, en een ingenieur van Kiruna had Söderberg, +die Lapsch kon spreken, met haar over 't meer gestuurd, om naar +haar vader te vragen. Ze had gehoopt hem te ontmoeten, zoodra ze in +'t kamp kwam. Ze had van den een naar den ander gekeken in de tent, +maar allen waren 't Laplanders. Haar vader was daar niet. + +Ze zag, dat de Laplanders en Söderberg al ernstiger werden, hoe langer +zij samen praatten, en dat de Laplanders het hoofd schudden en zich op +'t voorhoofd klopten, alsof ze over iemand spraken, die niet bij zijn +volle verstand was. Toen werd ze zoo ongerust dat ze het niet langer +kon uithouden, zoo stil te zitten wachten, maar Söderberg vroeg, +wat de Laplanders van haar vader wisten. + +"Ze zeggen, dat hij uit visschen is gegaan," zei de arbeider. "Ze +weten niet, of hij nog vanavond hier in 't kamp terug kan zijn, +maar zoodra 't weer beter is, zal een van hen hem gaan zoeken." + +Daarop wendde hij zich weer tot de Laplanders, en bleef druk met hen +praten. Hij wilde niet, dat Asa gelegenheid zou hebben hem nog meer +over Jon Assarsson te vragen. + + + +'t Was morgen, en mooi weer. Ola Serka zelf, de voornaamste onder +de Laplanders, had gezegd, dat hij Asa's vader zou gaan zoeken, maar +hij maakte geen haast. Hij zat voor de tent op den grond gehurkt, en +dacht aan Jon Assarsson, en vroeg zich af, hoe hij hem de boodschap +zou brengen, dat zijn dochter was gekomen om hem te zoeken. 't Moest +zóó gebeuren, dat Jon Assarsson niet bang werd, en wegliep, want +hij was een zonderling man, en bang om kinderen te ontmoeten. Hij +zei altijd, dat hij zulke sombere gedachten kreeg, als hij ze zag, +dat hij 't niet verdragen kon. + +Terwijl Ola Serka zoo zat te peinzen, zaten Asa en Aslak, de +Laplandsche jongen, die haar den vorigen avond zoo had zitten +aankijken, op de plaats voor de tent samen te praten. Aslak was +op school geweest en kon Zweedsch spreken. Hij vertelde Asa van 't +leven in Sameland, en verzekerde haar, dat de menschen 't daar beter +hadden dan ergens anders. Asa vond, dat ze het verschrikkelijk hadden, +en dat zei ze ook. + +"Je weet niet, wat je zegt," zei Aslak. "Blijf maar een week bij ons, +en dan zul je zien, dat wij het gelukkigste volk op de wereld zijn." + +"Als ik hier een week bleef, zou ik zeker gestikt zijn van den rook +in de tent," zei Asa. + +"Zeg dat niet," zei de Laplandsche jongen. "Je weet niets van ons. Ik +zal je wat vertellen, waaruit je misschien begrijpen kunt, dat hoe +langer je hier bleef, hoe beter je je bij ons thuis zou voelen." + +Daarop begon Aslak Asa te vertellen, hoe 't hier was in den tijd +toen een ziekte, die ze "de zwarte dood" noemden, door 't land was +gegaan. Hij wist niet, of die ook in 't echte Sameland was geweest, +waar ze nu waren, maar in Jämtland was 't zoo vreeselijk geweest, +dat van de Samelanders, die daar in bosschen en op de rotsen woonden, +allen waren gestorven, behalve een jongen van vijftien jaar, en van +de Zweden, die in de rivierdalen woonden, niemand was overgebleven +dan een meisje, dat ook vijftien jaar oud was. + +"De jongen en 't meisje hadden een heelen winter door 't eenzame +land gezworven om menschen te zoeken, en tegen de lente hadden ze +eindelijk elkaar ontmoet," vertelde Aslak verder. "Toen vroeg het +Zweedsche meisje den Laplandsche jongen, of hij met haar meê naar +'t zuiden wou trekken, zoodat ze bij menschen van haar eigen stam +kon komen. Ze wilde niet langer in Jämtland blijven, waar niets dan +verlaten hoeven te vinden waren. + +"Ik wil je brengen, waarheen je maar wilt," zei de jongen. "Maar +niet vóór den winter. Nu is 't lente, mijn rendieren trekken naar +'t westen over de rotsen, en je weet, dat wij, die in Sameland thuis +hooren, moeten gaan, waar de rendieren ons leiden." + +'t Zweedsche meisje was een kind van rijke ouders. Ze was gewend +onder een dak te wonen, en in een bed te slapen, en aan een tafel +te eten. Ze had altijd arme menschen veracht, en vond, dat zij, die +onder den blooten hemel moesten wonen, heel ongelukkig waren. Maar ze +was er bang voor naar haar landgoed terug te gaan, waar niemand was, +dan de dooden. + +"Laat me dan ten minste met je naar boven op de rotsen trekken," zei +ze tegen den jongen, "zoodat ik hier niet alleen hoef rond te loopen, +zonder ooit een menschenstem te hooren." + +Daar zei de jongen graag "ja" op, en zoo mocht het meisje met de +rendieren meêgaan op hun tocht over de rotsen. De kudde verlangde naar +de goede rotsweiden, en liep elken dag groote afstanden. Er was geen +tijd om een hut op te slaan. Ze moesten maar in de sneeuw gaan liggen +slapen in de uren, dat de rendieren stilstonden, om te grazen. De +dieren voelden den zuidenwind door hun pels gaan, en wisten, dat +die over een paar dagen de sneeuw van de rotshellingen zou vegen. De +jongen en 't meisje moesten ze hard naloopen door de sneeuw, die aan +'t smelten was, en over het barstend ijs. + +Toen ze zoo hoog op den berg gekomen waren, dat het naaldbosch ophield, +en de verschrompelende berkjes zich vertoonden, rustten ze een paar +weken uit, en wachtten, of de sneeuw op de andere bergvlakten zou +smelten. Daarna trokken ze die op. 't Meisje klaagde en hijgde, +en zei vaak, dat ze zóó moe was, dat ze naar de rivierdalen terug +moest, maar ze ging toch meê; liever deed ze dat, dan alleen gelaten +te worden, zonder een levend mensch in haar nabijheid. + +Toen ze op de rotsvlakten waren gekomen, sloeg de jongen een tent +op voor 't meisje, op een mooie, groene plek, die bij een rotsbeek +lag. Toen het avond was, ving hij de rendieren met de lijn, melkte +ze, en gaf haar melk te drinken. Hij zocht droog rendiervleesch en +rendierkaas, dat zijn volk boven op de hoogte had verborgen, toen ze +daar den vorigen zomer waren. 't Meisje klaagde altijd, en was nooit +tevreden. Ze wou geen gedroogd rendiervleesch eten en geen rendierkaas, +en geen rendiermelk drinken. Ze kon er niet aan wennen neergebukt +onder de tent te zitten, of op 't veld te liggen, met niets dan een +rendierhuid en wat takjes als bed. Maar de zoon van de rotsbewoners +lachte wat om haar verdriet, en bleef altijd even goed voor haar. + +Na een paar dagen kwam het meisje bij den jongen, terwijl hij bezig +was rendieren te melken, en vroeg of ze hem helpen mocht. Ze begon +ook 't vuur aan te maken onder de pan, waarin 't rendiervleesch zou +gekookt worden, water te dragen, en kaas te maken. 't Was nu een goede +tijd. 't Weer was warm, en 't was makkelijk om aan eten te komen. Ze +gingen samen strikken zetten voor de vogels, hengelden forellen uit +den waterval, en plukten wilde frambozen op 't moeras. + +Toen de zomer voorbij was, verhuisden ze zoover naar beneden op +de rotsen, dat ze de grens tusschen 't naaldbosch en de loofboomen +bereikten, en daar sloegen ze weer hun kamp op. + +'t Was nu slachttijd, en ze hadden hard werk alle dagen, maar 't +was ook een goede tijd, met nog grooter overvloed van voedsel dan in +den zomer. Toen de sneeuw kwam, en ijs op de meren lag, trokken ze +verder naar het oosten in 't dichte dennenbosch. Zoodra ze de tent +hadden opgeslagen, begonnen ze met het winterwerk. De jongen leerde +het meisje draden van rendierpeezen maken, huiden bereiden, kleeren +naaien en schoenen van rendiervel, op sneeuwschoenen loopen, en rijden +in de slee met rendieren bespannen. Toen ze het donkere gedeelte van +den winter door waren gekomen, en de zon bijna den heelen dag scheen, +zei de jongen tegen 't meisje, dat hij haar nu naar het zuiden kon +brengen, zoodat ze menschen van haar stam kon vinden. Maar toen zag +het meisje hem verwonderd aan. + +"Waarom wil je me wegsturen?" zei ze. "Verlang je om alleen met je +rendieren te wezen?" + +"Ik dacht, dat jij verlangde," zei de jongen. + +"Ik heb nu bijna een jaar het leven van de menschen in Sameland +geleid," zei het meisje. "Nu kan ik niet meer naar mijn volk teruggaan, +en in kleine huizen leven; nu ik zoolang vrij op de rotsen en in +'t bosch heb rondgezworven. Jaag me niet weg, maar laat me hier +blijven. Jelui manier van leven is beter dan de onze." + +"'t Meisje bleef haar heele leven bij den jongen, en verlangde nooit +meer terug naar de rivierdalen. En als jij, Asa, hier maar een maand +bleef, zou je nooit meer van ons weg kunnen gaan." + +Met die woorden eindigde Aslak, de Laplandsche jongen, zijn verhaal, +en op datzelfde oogenblik nam zijn vader, Ola Serka, de pijp uit den +mond, en stond op. De oude Ola verstond meer Zweedsch dan hij wel +wilde laten merken, en hij had de woorden van zijn zoon begrepen. En +terwijl hij luisterde, was het hem op eens duidelijk geworden, hoe +hij doen moest, om aan Jon Assarsson te vertellen, dat zijn dochter +was gekomen om hem op te zoeken. + + + +Ola Serka ging naar Luossajaure, en volgde den oever een poos, tot +hij bij een man kwam, die op een steen zat te visschen. De visscher +had grijs haar, en zijn rug was gebogen, de oogen zagen moe rond, en +er was iets slaps en hulpeloos over hem. Hij zag er uit als iemand, +die had geprobeerd iets te dragen, dat hem te zwaar was geworden, +of iets uit te denken, dat hem te moeilijk was, en die gebroken en +moedeloos was geworden, doordat het hem niet gelukte. + +"Je hebt zeker nog al wat gevangen, Jon, nu je zoo den heelen nacht +hebt zitten visschen?" zei de rotsbewoner in 't Lapsch, toen hij bij +hem kwam. + +De andere kreeg een schok, en zag op. 't Aas van zijn hengel was weg, +en geen enkele visch lag naast hem. Hij stak gauw een nieuw aas aan +den haak, en legde in. Intusschen ging de rotsbewoner naast hem in +het gras liggen. + +"Ik wou je wat vertellen," zei Ola. "Je weet, dat ik een dochter had, +die verleden jaar is gestorven, en haar hebben we altijd in onze +tent gemist." + +"Ja, dat weet ik," zei de visscher kortaf, en er gleed een schaduw +over zijn gezicht, alsof hij liever niet aan een dood kindje herinnerd +had willen worden. Hij sprak goed Lapsch. + +"Maar 't geeft niets, of je je leven met treuren bederft," zei de +Laplander. + +"Neen, dat doet het ook niet." + +"En nu heb ik er over gedacht om een ander kind aan te nemen. Zou je +dat niet verstandig vinden?" + +"Dat hangt er van af, wat voor kind het is, Ola!" + +"Ik zal je vertellen, wat ik van het meisje weet, Jon," zei Ola en +vertelde den visscher nu, dat midden in den zomer een paar kinderen, +een jongen en een meisje, naar den Malmberg waren komen wandelen, +om hun vader te zoeken, en dat ze, omdat hun vader weg was, daar +waren gebleven om hem op te wachten. Maar terwijl ze daar waren, was +de jongen gestorven, door dat hij bij 't springen van een rots door +een steenblok was getroffen, en toen had het meisje hem een groote +begrafenis willen geven. Daarop beschreef Ola heel mooi, hoe dat +kleine meisje allen had overgehaald om haar te helpen, en dat ze zoo +moedig was geweest, dat ze zelf naar den onderdirecteur was gegaan, +om hem te spreken. + +"Is dat het meisje, dat je bij je in de tent wilt nemen?" vroeg +de visscher. + +"Ja," zei de Laplander. "Toen we dit hoorden, konden geen van ons zijn +tranen inhouden, en we zeiden tegen elkaar, dat zoo'n goede zuster ook +een goede dochter worden zou, en we hopen, dat ze bij ons zal blijven." + +De andere bleef een poos zwijgend zitten. Men kon wel merken, dat +hij het gesprek alleen voortzette, om zijn vriend, den Laplander, +pleizier te doen. + +"Ze hoort zeker tot je stam, dat meisje." + +"Neen," zei Ola, "ze behoort niet tot de Samelanders." + +"Misschien is ze de dochter van een kolonist, zoodat ze gewoon is aan +'t leven hier in 't noorden?" + +"Neen, ze komt ver uit het zuiden," zei Ola, en keek, alsof dit niets +met de zaak te maken had. Maar nu begon de visscher belang in de zaak +te stellen. + +"Dan denk ik niet, dat je haar kunt aannemen," zei de visscher. "Ze +kan er zeker niet aan wennen in een tent te wonen, als ze er niet +bij is opgevoed." + +"Ze krijgt goede ouders en goede broers en zusters," zei Ola Serka +koppig. "'t Is erger om alleen te zijn, dan 't koud te hebben." + +Maar de visscher scheen steeds meer besloten te zijn die zaak te +verhinderen. Het was alsof hij de gedachte niet kon verdragen, dat +een kind van Zweedsche ouders bij de Laplanders zou worden opgevoed. + +"Je zei immers, dat ze een vader heeft, die bij den Malmberg woont." + +"Hij is dood," zei de Laplander knorrig. + +"Heb je daar wel goed naar onderzocht, Ola?" + +"Daar hoef je toch niet naar te vragen," zei de Laplander +verachtelijk. "Dat kun je toch wel begrijpen. Zou dat meisje met +haar broer alleen door 't heele land gezworven hebben, als ze een +vader in leven hadden gehad? Zouden twee kinderen zichzelf hebben +moeten verzorgen, als ze een vader hadden? Zou dat kleine meisje +alleen naar den onderdirecteur hebben hoeven te gaan, als haar vader +nog leefde? Zou ze nu nog maar een oogenblik alleen zijn, nu heel +Sameland er over spreekt, wat ze voor een flink meisje is, als haar +vader niet al dood was? 't Meisje zelf meent, dat haar vader nog leeft, +maar ik zeg, dat hij dood moet wezen." + +De man met de vermoeide oogen keerde zich naar Ola. + +"Hoe heet het meisje, Ola," zei hij. + +De rotsbewoner dacht na. + +"Dat herinner ik me niet. Ik zal 't haar vragen." + +"Zal je 't haar vragen? Is ze er dan al?" + +"Ja, ze is bij ons in de tent." + +"Maar Ola! Heb je haar dan al bij je genomen, vóór je weet, of haar +vader 't hebben wil?" + +"Ik hoef me toch aan haar vader niet te storen. Als hij niet dood is, +hoort hij toch tot die menschen, die niets van hun kinderen willen +weten. Hij mag blij zijn, dat een ander zich om haar bekommert." + +De visscher wierp zijn hengel neer, en stond op. Er kwam beweging in +hem, alsof er een nieuw leven over hem was gekomen. + +"Ik denk, dat haar vader niet is als andere menschen," zei de +rotsbewoner weer. "Misschien is hij iemand, die door sombere gedachten +wordt vervolgd, zoodat hij 't niet bij zijn werk kan uithouden. Wat +heeft ze nu aan zoo'n vader?" + +Terwijl Ola dat zei, was de visscher het strand verder opgegaan. + +"Waar wil je heen?" vroeg de Laplander. + +"Ik ga eens naar je pleegdochter kijken, Ola." + +"Dat is goed," zei de Laplander. "Kom jij maar eens naar haar +kijken. Ik denk wel, dat je vinden zult, dat ik een goede dochter +krijg." + +De Zweed liep zoo haastig voort, dat de Laplander hem nauwelijks kon +volgen. Na een poos zei Ola: + +"Nu herinner ik me, dat het meisje, dat ik aannemen wil, Asa +Jonsdochter heet." + +De andere begon nog harder te loopen, en de oude Ola Serka was zoo +blij, dat hij wel hardop had willen lachen. Toen ze zoover geloopen +hadden, dat ze de tenten in 't zicht kregen, zei Ola nog: + +"Ze is hier in Sameland gekomen om haar vader te zoeken, en niet +om mijn pleegdochter te worden, maar als ze haar vader niet vindt, +wil ik haar graag bij mij in de tent houden." + +De andere liep nog harder. + +"Ik dacht wel, dat hij bang zou worden, als ik hem dreigde zijn +dochter onder de Samelanders op te nemen," dacht Ola. + +Toen de man uit Kiruna, die Asa, 't ganzenhoedstertje naar 't +Lappenkamp had gebracht in zijn roeiboot, in den loop van dien dag +terugkwam, had hij twee menschen bij zich in de boot, die dicht naast +elkaar zaten, en elkaar trouw bij de hand hielden, alsof ze nooit +meer wilden scheiden. 't Waren Jon Assarsson en zijn dochter. Beiden +waren heel anders dan een paar uur geleden. Jon Assarsson zag er +minder gedrukt en moe uit, en zijn oogen zagen helder en zacht rond, +alsof hij nu antwoord had gekregen op wat hem zoo lang angstig had +gemaakt, en Asa keek niet meer zoo wijs en waakzaam rond, als ze +vroeger deed. Ze had nu een groot mensch om op te steunen en op te +vertrouwen, en 't was, alsof ze nu weer een kind werd. + + + + + + +XXXVI. + +NAAR 'T ZUIDEN, NAAR 'T ZUIDEN. + + +De jongen zat op den rug van den wilden ganzerik, en reed voort hoog +in de wolken. Dertien wilde ganzen vlogen in een goed geordenden +troep snel naar 't zuiden. Hun veeren bruisten, en de vele vleugels +sloegen door de lucht met zoo'n sterk geluid, dat men nauwelijks zijn +eigen stem kon hooren. Akka van Kebnekaise vloog vooruit, en achter +haar kwamen IJksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi, Maarten +de ganzerik en Donsje. De zes jonge ganzen, die den troep den vorigen +herfst vergezelden, hadden dien nu verlaten, en redden zichzelf. In hun +plaats nam de oude gans nu tweeëntwintig jonge ganzen meê, die dezen +zomer in het rotsdal waren opgegroeid. Elf vlogen links en elf rechts, +en ze deden hun best om op gelijken afstand van elkaar te blijven, +zooals ook de groote deden. + +Die arme jonge dingen hadden nog nooit een lange reis gedaan, en in +'t begin hadden ze moeite om meê te komen in die snelle vaart. + +"Akka van Kebnekaise! Akka van Kebnekaise!" riepen ze jammerend. + +"Wat is er?" vroeg de leidstergans. + +"Onze vleugels zijn te moe, onze vleugels zijn te moe!" schreeuwden +de jongen. + +"Dat wordt beter, als je maar volhoudt!" antwoordde de leidstergans, +en vloog heelemaal niet zachter, maar ging door als te voren. En +'t was wezenlijk, alsof ze gelijk had, want toen de gansjes een paar +uur gevlogen hadden, klaagden ze niet meer over vermoeidheid. Maar +in het rotsdal waren ze gewend geweest den heelen dag door te eten, +en het duurde niet lang, voor ze naar eten begonnen te verlangen. + +"Akka, Akka, Akka van Kebnekaise," riepen de jongen klagend. + +"Wat is er nu?" vroeg de leidstergans. + +"We hebben zoo'n honger, dat we niet langer vliegen kunnen," +schreeuwden de jonge ganzen. + +"Wilde ganzen moeten leeren lucht te eten en wind te drinken," +antwoordde de leidstergans, en hield niet op, maar vloog door als +te voren. + +En 't scheen wel, alsof de jonge ganzen geleerd hadden van lucht en +wind te leven. Want toen ze een poos gevlogen hadden, klaagden ze +niet meer over honger. + +De troep wilde ganzen was nog boven de rotsen, en de oude ganzen +riepen de namen op van alle bergtoppen, die ze voorbij kwamen, +opdat de jongen zouden leeren, hoe ze heetten. Maar toen ze een +poos geroepen hadden: "Dit is Porsotjokko, dat is Sarjektjokko, dat +is Sulitelma....!" werden de jongen weer ongeduldig. "Akka, Akka, +Akka!" riepen ze met hartverscheurende stem. + +"Wat is er?" vroeg de leidstergans. + +"We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd," schreeuwden de +jongen. "We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd!" + +"Hoe meer er in een hoofd komt, hoe meer plaats er komt," antwoordde +de leidstergans, en ging voort met de merkwaardigste namen op te +roepen als te voren. + +De jongen dacht, dat het wel tijd was, dat de wilde ganzen op weg naar +'t zuiden gingen, want nu lag er zooveel sneeuw, dat het veld wit was, +zoover hij zien kon. + +'t Was ook niet te ontkennen, dat zij 't stormachtig hadden gehad +den laatsten tijd in 't rotsdal. Regen en storm en mist hadden +elkaar zonder ophouden opgevolgd, en als 't eens helderder werd, +was het dadelijk koud geworden tegen 't vriespunt aan. Bessen +en paddenstoelen, waar de jongen den zomer door van had geleefd, +waren bevroren en gerot, zoodat hij eindelijk visch had moeten eten, +en daar hield hij in 't geheel niet van. De dagen werden kort, en 't +was saai en vervelend geweest met die lange avonden en late morgens, +voor hen, die niet in staat waren precies even lang te slapen, als +de zon beneden den horizont was. + +Nu waren eindelijk de vleugels van de jonge ganzen volwassen, zoodat de +reis naar het zuiden had kunnen beginnen, en de jongen was zoo blij, +dat hij lachte en zong, terwijl hij daar op den ganzenrug reed. Zie, +'t was niet alleen om de kou en de duisternis en 't weinige eten, +dat hij verlangde uit Lapland, maar ook nog ergens anders om. + +In de eerste weken, die hij daar had doorgebracht, had hij wezenlijk +niet verlangd. Hij vond, dat hij nog nooit in zoo'n heerlijk mooi +land was geweest, en hij had geen andere zorgen gehad, dan om te +beletten, dat de muggen hem zouden opeten. De jongen had niet veel +gezelligheid aan Maarten den ganzerik gehad, want de groote witte +vogel dacht alleen aan het bewaken van Donsje, en week geen stap van +haar weg. Maar daarentegen had hij zich aan de oude Akka en aan Gorgo +den arend gehouden, en die drie hadden met elkaar veel prettige uren +gehad. De vogels hadden hem meegenomen op groote tochten. De jongen +had op den top van de besneeuwde Kebnekaise gestaan en op gletschers +neergezien, die zich beneden den steilen witten kegel uitbreidde, +en hij had veel andere hooge rotsen bezocht, die niet dikwijls +door menschenvoeten betreden werden. Akka had hem verborgen dalen +tusschen de bergen gewezen, en hem in rotskloven laten neerzien, +waar de wolvinnen hun jongen grootbrengen. Natuurlijk had hij kennis +gemaakt met de tamme rendieren, die in groote troepen grazen aan de +oevers van het mooie Torne-moeras, en was hij beneden bij den grooten +meerwaterval geweest en had den beren, die daar in de buurt wonen, de +groeten van hun familie in de mijndistricten gebracht. Waar hij kwam, +had hij een mooi, grootsch land gevonden. Hij was heel blij, dat hij +'t had mogen zien, maar hij had er niet graag willen wonen. Hij moest +toegeven, dat Akka gelijk had, toen ze zei, dat de Zweedsche kolonisten +dit land maar met rust moesten laten, en 't overlaten aan de beren +en wolven, en rendieren en wilde ganzen en rotsuilen en aardmuizen, +en Laplanders, die geschapen waren om daar te leven. + +Op een dag had Akka hem bij een van de groote mijnsteden gebracht, +en daar had hij kleinen Mads, door een rotsblok getroffen, vinden +liggen voor een mijnschacht. En de volgende dagen had de jongen aan +niets anders gedacht, dan om de arme Asa te helpen, maar toen zij +haar vader had teruggevonden, zoodat hij niets meer voor haar hoefde +te doen, was hij 't liefste thuisgebleven in het rotsdal. En van dien +dag af had hij loopen verlangen naar den dag, dat hij met Maarten den +ganzerik naar huis zou gaan, en een mensch zou worden. Hij wou graag +weer zoo worden, dat Asa met hem zou durven praten, en niet de deur +voor zijn neus dichtslaan. + +Ja, hij was heel gelukkig, nu hij op weg was naar 't zuiden. Hij +zwaaide met zijn muts en riep hoera, toen hij 't eerste dennenbosch +zag, en op dezelfde manier begroette hij de eerste grijze +kolonistenhuizen, de eerste geit, de eerste kat, de eerste kip. Hij +vloog over prachtige watervallen, en rechts zag hij mooie rotsen, +maar aan zooiets was hij zoo gewend, dat hij haast niet de moeite +nam er naar te kijken. + +Iets anders was het, toen hij ten oosten van de rots de kapel van +Kvickjock zag, met de kleine pastorie, en het dorpje; dat vond hij +zoo mooi, dat hij tranen in de oogen kreeg. Onophoudelijk kwamen +ze trekvogels tegen, die nu in veel grooter troepen vlogen dan in +de lente. + +"Waar ga jelui heen, wilde ganzen?" riepen de trekvogels. "Waar ga +je heen?" + +"We gaan naar 't buitenland, net als jelui," antwoordden de wilde +ganzen. "We gaan naar 't buitenland." + +"Jelui jongen kunnen nog niet vliegen," riepen de anderen. "Ze komen +nooit over de zee met hun zwakke vleugels." + +Laplanders en rendieren waren ook bezig van de rotsen naar beneden +te komen. Ze liepen in goede orde: een Laplander liep vooraan in den +stoet, en dan kwam de kudde met de groote stieren in de eerste rijen, +dan een rij lastrendieren, die de tent en de overige bagage droegen, en +eindelijk een zeven, acht menschen. Toen de wilde ganzen de rendieren +zagen, daalden ze neer en riepen: "We danken je voor dezen zomer!" + +"Goeie reis en tot weerziens!" antwoordden de rendieren. Toen de +beren de wilde ganzen zagen, wezen ze die aan hun jongen en bromden: +"Kijk zij eens! Ze zijn zoo bang voor een beetje kou, dat ze in den +winter niet thuis durven blijven." + +En de oude wilde ganzen bleven hun geen antwoord schuldig, maar +ze riepen tegen de jonge gansjes: "Kijk zij eens, ze liggen liever +een half jaar te slapen, dan dat ze de moeite nemen naar 't zuiden +te verhuizen." + +Beneden in de dennenbosschen zaten de jonge korhoenders ineengedoken, +ruig en koud, en keken naar al die groote troepen vogels, die met +vreugde en gejuich naar 't zuiden vlogen. + +"Wanneer mogen wij gaan?" vroegen de korhoendertjes. "Wanneer mogen +wij gaan?" + +"Jelui mogen thuis blijven bij Vader en Moeder," antwoordde de +korhen. "Jelui moogt thuisblijven bij Vader en Moeder." + + + +Ieder, die op de rotsen geweest is, weet wel hoe lastig de mist +wezen kan, die nevels, die komen aanrollen, en het uitzicht wegnemen, +zoodat je heelemaal niets ziet van al die mooie rotsen, die om je heen +zijn. Je kunt mist hebben midden in den zomer, maar in den herfst +kun je hem bijna niet vermijden. Wat Niels Holgersson betreft, hij +had vrij mooi weer, zoolang hij in Lapland was, maar de wilde ganzen +hadden nauwelijks geroepen, dat ze in Jämtland waren, of de nevels +kwamen dicht om hem heen, zoodat hij niets van het land zag. Hij +vloog er een heelen dag over, zonder te weten of 't een bergland of +een vlakte was, waar ze over heen vlogen. + +Tegen den avond streken de wilde ganzen neer op een groene plaats, +die naar alle zijden afhelde, zoodat hij begreep, dat hij op den +top van een heuvel stond, maar of die groot of klein was, kon hij +niet met zekerheid zeggen. Hij meende, dat ze in een bewoonde streek +moesten wezen, maar hij was bang, dat hij in den mist zou verdwalen, +en durfde niets anders doen dan bij de wilde ganzen blijven. Alles +was vochtig en druipend nat. Er hingen droppeltjes aan elken grashalm +en aan ieder klein plantje, zoodat hij een flink regenstortbad kreeg, +als hij zich maar bewoog. + +"'t Is hier niet veel beter dan in het rotsdal," dacht hij. + +Maar een paar stappen waagde hij toch te doen, en nu onderscheidde +hij flauw een gebouw dicht bij hem. 't Was niet heel groot, maar +verscheiden verdiepingen hoog. Hij kon er den top niet van zien. De +deur was gesloten en het huis scheen onbewoond. Hij begreep, dat dit +niet anders dan een Belvédère was, en dat hij daar geen warmte of +eten zou vinden. Maar hij liep toch, zoo hard hij kon, naar de wilde +ganzen terug. + +"Lieve Maarten," zei hij tegen den ganzerik, "neem me op je rug, +en draag me naar den top van dien toren daar. Hier is alles zoo nat, +dat ik niet slapen kan, maar daar vind ik wel een droog plaatsje om +te rusten." + +Maarten, de ganzerik, wilde hem heel graag helpen. Hij bracht hem naar +'t balkon op den toren van de Belvédère, en daar ging de jongen rustig +liggen slapen, tot de morgenzon hem wekte. + +Maar toen hij nu de oogen opsloeg, wist hij niet waar hij was. Hij +was zoo gewend aan woeste velden, dat hij, wat hij nu zag: een +sterk bebouwde streek, eerst bijna voor een schilderij hield. Maar +daar was ook nog een andere reden voor. Niets van al, wat hij zag, +had een gewone kleur. Het gebouw, waar hij was, stond op een berg, +die op een eiland lag, en 't eiland lag bij den oostelijken oever van +een meer. Maar dat meer was niet grijs, zooals meren meestal zijn, +maar even helder als de morgenhemel, en in de diepe inhammen was het +bijna glanzend zwart. De oevers om het meer heen waren niet groen, +maar lichtgeel, door al de afgemaaide akkers en de herfstkleurige +bosschen, die ze bedekten. Om dat gele heen liep een breede streep +zwart naaldbosch. 't Kwam misschien, omdat de loofboomen zoo licht van +kleur waren, maar de jongen dacht, dat hij nog nooit de naaldbosschen +zóó zwart had gezien, als dien morgen. Achter dat zwarte zag hij in +'t oosten lichtblauwe heuvels, maar langs den heelen wester horizont +liep een lange schitterende boog van puntige rotsen van allerlei +vormen, die zoo'n mooie kleur hadden, dat hij ze niet rood, of wit +of blauw kon noemen. Hij kon er geen naam aan geven. + +Terwijl hij daar naar stond te kijken, schrikte hij op eens en +keek om. Hij was zoo verdiept geweest in wat hij zag, dat hij niet +gemerkt had, dat er menschen op 't balkon gekomen waren. Hij kon +zich nog juist bijtijds verstoppen. 't Waren jonge menschen, die een +voetreis deden. Ze bewonderden het prachtige uitzicht en bleven lang +staan praten. + +De jongen werd onrustig, omdat die reizigers zoo lang bleven. Maarten, +de ganzerik, kon hem niet komen halen, terwijl zij er waren, en hij +wist, dat de wilde ganzen haast hadden. Hij meende ganzengekakel te +hooren en sterke vleugelslagen, alsof de wilde ganzen wegvlogen. Maar +hij durfde niet te voorschijn komen om te zien wat er gebeurde. + +Toen de voetreizigers eindelijk weg waren, en de jongen uit zijn +schuilhoek durfde kruipen, zag hij geen wilde gans meer op het veld, +en geen Maarten de ganzerik kwam hem halen. + +Hij riep: "Waar ben je? Hier ben ik!" zoo hard hij kon, maar zijn +reisgenooten vertoonden zich niet. Hij dacht geen oogenblik, dat ze +hem in den steek zouden laten, maar hij was bang, dat ze een ongeluk +hadden gekregen, en zat er over te denken, hoe hij dat zou kunnen +onderzoeken, toen Bataki, de raaf, naast hem neerstreek. + +De jongen had nooit gedacht, dat hij er toe zou komen Bataki zoo +hartelijk welkom te heeten, als hij nu deed. + +"Lieve Bataki," zei hij, "dat is heerlijk, dat je hier komt. Je +weet misschien, wat er van Maarten den ganzerik en de wilde ganzen +geworden is." + +"Ik kom je juist hun groeten brengen," antwoordde de raaf. "Akka +merkte, dat hier een jager op den berg rondzwierf, en daarom durfde +ze niet hier blijven en op je wachten, maar is vast vooruitgegaan. Ga +nu op mijn rug zitten, dan ben je in een uurtje bij je vrienden." + +De jongen sprong vliegensvlug op den rug van den raaf, en Bataki zou +de wilde ganzen wel gauw hebben ingehaald, als de mist het hem niet +had belet. Maar 't was, alsof de morgenzon de nevels opnieuw ten leven +wekte. Kleine lichte dampsluiertjes kwamen opeens uit het meer, van +de akkers en uit de bosschen. Ze werden dichter, en spreidden zich +verwonderlijk snel uit, en al gauw was de aarde verscholen achter +witte golvende nevelen. + +Bataki vloog boven den mist in heldere lucht en stralenden zonneschijn, +maar de wilde ganzen vlogen zeker onder de nevelmassa's. 't Was +onmogelijk hen in 't oog te krijgen. De jongen riep, en de raaf kraste, +maar ze kregen geen antwoord. + +"Dat is toch een leelijke tegenval," zei Bataki eindelijk. + +"Maar we weten immers, dat ze naar 't zuiden trekken en zoodra het +helder wordt, zal ik ze wel vinden!" + +De jongen was heel bedroefd, dat hij juist nu van Maarten den ganzerik +weg was geraakt, terwijl zij op reis waren, en de groote witte vogel +in allerlei gevaar kon komen. Maar toen hij daar een paar uur over +in angst gezeten had, zei hij tot zichzelf, dat er immers nog geen +ongeluk was gebeurd, en dat het niet hielp, of hij den moed al verloor. + +Juist toen hoorde hij een haan kraaien beneden op de aarde, en dadelijk +boog hij zich over den rug van den raaf, en riep: + +"Hoe heet dit land?" + +"Dit land heet Härjedal, Härjedal, Härjedal!" kraaide de haan. + +"Hoe ziet het er daar bij jou uit?" vroeg de jongen. + +"Rotsen in 't westen, bosschen in 't oosten, en een breed rivierdal +midden door 't heele land," antwoordde de haan. + +"Dank je wel! Je antwoordt flink!" riep de jongen. + +Toen hij een eind verder was, hoorde hij een kraai krassen, beneden +in den mist. + +"Wat zijn 't voor menschen hier in 't land?" riep hij. + +"Flinke, brave boeren!" antwoordde de kraai. "Flinke en brave boeren!" + +"Wat doen ze?" vroeg de jongen. "Wat doen ze?" + +"Ze verzorgen hun vee en hakken hout!" kraste de kraai. + +"Dank je wel. Je antwoordt flink!" riep de jongen. + +Een eind verder hoorde hij een mensch zingen en neuriën beneden in +den mist. + +"Is hier ook een stad in dit land?" vroeg de jongen. + +"Wat... Wat? Wie roept daar?" antwoordde de mensch. + +"Is hier ook een stad in dit land?" herhaalde de jongen. + +"Ik wil weten, wie me roept!" schreeuwde de mensch terug. + +"Ik dacht wel, dat ik geen goed antwoord zou krijgen, als ik een +mensch wat vroeg," riep de jongen. + +Het duurde niet lang, of de mist verdween, even gauw als hij gekomen +was, en de jongen zag nu, dat Bataki over een breed rivierdal vloog. 't +Was een mooi landschap met hooge rotsen, maar er lag geen groote en +vruchtbare, bebouwde streek onder aan den berg. De dorpen lagen ver +van elkaar, en de akkers waren klein. Bataki volgde de rivier naar +'t zuiden, tot ze in de buurt van een dorp kwamen. Daar streek hij +neer op een stoppelveld, en liet den jongen afstappen. + +"Op dit veld groeide koren van den zomer," zei Bataki. "Kijk eens of +je niet iets eetbaars kunt vinden." + +De jongen volgde zijn raad, en het duurde niet lang, voor hij een +korenaar vond. Terwijl hij de korrels eruit haalde, en ze opat, +begon Bataki met hem te praten. + +"Zie je die mooie rots daar, vlak in 't zuiden?" vroeg hij. + +"Ja, die zie ik altijd door," zei de jongen. + +"Die heet de Sonrots," ging de raaf voort. "Je kunt er van op aan, +dat hier heel wat wolven waren vroeger." + +"Dat was een beste schuilplaats voor hen," zei de jongen. + +"De menschen, die hier beneden in 't rivierdal woonden, hadden 't +vaak heel moeielijk door hun schuld," zei Bataki. + +"Kun je misschien een paar mooie wolvengeschiedenissen vertellen?" zei +de jongen. + +"Ik heb gehoord, dat lang geleden de wolven van de Sonrots een man +moeten hebben overvallen, die er op uit was gegaan om hout voor duigen +te verkoopen," zei Bataki. "Hij kwam van Hede, een dorp, dat hier in +'t rivierdal ligt, een paar mijlen hooger, dan we zijn. 't Was winter, +en de wolven vervolgden hem, toen hij over 't ijs van Ljusnan reed. 't +Waren wel een negen of tien stuks, en de man uit Hede had geen best +paard, zoodat hij niet veel hoop had om weg te komen. + +Toen de man de wolven hoorde huilen, en zag, hoeveel er waren, die +achter hem aankwamen, verloor hij heelemaal zijn kalmte, en dacht er +niet aan, dat hij zijn vaten en tobben van de kar moest gooien om de +lading lichter te maken. Hij sloeg zijn paard maar, en dat liep al zoo +hard, als het kon, maar de man merkte toch, dat de wolven dichter bij +kwamen. De oevers van 't meer waren eenzaam, en de dichtstbijzijnde +hoeve lag nog een paar mijlen ver. Hij verwachtte niet anders, +dan dat zijn laatste ure zou komen, en voelde, dat hij van angst +verstijfde. Terwijl hij daar als verlamd neerzat, zag hij, dat zich +iets bewoog tusschen de dennetakken, die op 't ijs waren neergezet +om den weg aan te wijzen. En toen hij zag wie het was, die daar liep, +werd hij nog véél angstiger, dan hij eerst was. 't Waren geen wolven, +die hem te gemoet kwamen, maar een arme, oude vrouw. Ze heette Finn +Malin, en placht vaak op paden en wegen rond te zwerven. Ze was wat +mank en gebocheld, zoodat men haar al van verre kon herkennen. + +De oude vrouw liep regelrecht de wolven te gemoet, en de man uit +Hede begreep dadelijk, dat als hij haar voorbij reed zonder haar +te waarschuwen, ze vlak in den muil van de wilde dieren zou loopen, +en terwijl ze haar verscheurden, zou hij kunnen ontkomen. + +Ze liep langzaam, over een stok gebogen. 't Was duidelijk, dat ze +verloren was, als hij haar niet hielp. Maar ook al hield hij stil, +en liet haar in de slee stappen, dan was 't nog niet gezegd, dat ze +gered zou zijn. Nam hij haar op in de slee, dan was 't waarschijnlijk, +dat de wolven hen zouden inhalen, en dat én zij én hij én het paard +gedood zouden worden. En hij dacht er over, of 't niet het beste was +één leven op te offeren om twee anderen te redden. + +Dat alles ging hem op 't oogenblik door 't hoofd, toen hij de oude +vrouw zag. En bovendien dacht hij er ook aan, hoe hij het later hebben +zou, of hij er berouw van zou krijgen, dat hij de oude vrouw niet had +geholpen, of dat de menschen zouden weten, dat hij haar had ontmoet, +en haar niet had bijgestaan. + +'t Was een vreeselijke verzoeking, waar hij in was! + +"Ik wou veel liever, dat ik haar niet had ontmoet," dacht hij. + +Op 't zelfde oogenblik hieven de wolven een wild gehuil aan, 't +paard nam een sprong, en vloog voorbij de oude vrouw. Ook zij had +het wolvengehuil gehoord, en toen de man uit Hede haar voorbij reed, +zag hij, dat ze wist wat haar wachtte. Ze stond stil, den mond open +als om te schreeuwen, de armen uitgestrekt, naar hulp grijpend, maar +ze had niet geroepen, en ook niet geprobeerd op de slee te komen. Er +moest iets geweest zijn, dat haar versteende. + +"Dat zal ik wel geweest zijn. Ik zal er wel hebben uitgezien als een +spook, toen ik haar voorbij rende," dacht hij. + +Hij probeerde er blij om te zijn, dat hij nu zeker zou ontkomen. Maar +tegelijk begon het te branden en te trekken in zijn borst. Hij had +nog nooit iets onteerends gedaan, en nu meende hij, dat zijn heele +leven was verwoest. + +"Neen, 't mag gaan, zooals het wil," zei hij, en hield de teugels in, +"maar ik kan haar niet alleen laten met de wolven." + +Met de grootste moeite bracht hij zijn paard tot staan; maar eindelijk +gelukte het hem toch, en hij reed in vliegende vaart naar de oude +vrouw toe. + +"Kom gauw in de sleê!" zei hij hard, want hij was boos op zichzelf, +omdat hij de vrouw aan haar lot had overgelaten! "Je kon toch een +enkelen keer wel eens thuis blijven, ouwe heks," zei hij. "Nu moeten +zwartje en ik er aan gelooven om jou." + +De oude vrouw antwoordde niets, maar de man uit Hede was niet in een +bui om haar te sparen, "Zwartje heeft vandaag al vijf mijl geloopen," +zei hij, "zoodat je wel begrijpen kunt, dat hij gauw moe zal worden, +en de lading is niet lichter, sinds jij er bij bent gekomen." + +De ijzers onder de slee knarsten over 't ijs, maar toch hoorde hij de +wolven blazen, en hij begreep, dat de dieren hem nu hadden ingehaald. + +"Nu is 't uit met ons," zei hij. "'t Is noch voor mij, noch voor jou +een geluk geweest, dat ik geprobeerd heb je te redden, Finn Malin." + +Tot nu toe had de oude vrouw gezwegen, als iemand, die aan onheuschheid +was gewend. Nu zei ze een paar woorden: "Ik begrijp niet, dat je je +duigenhout niet uit de sleê gooit, om de lading te verlichten. Je +kunt immers morgen terugkomen en het ophalen." + +De man uit Hede begreep, dat het een goede raad was, en was er verbaasd +over, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Hij liet de oude vrouw +de teugels houden, maakte het touw los, dat het duigenhout bijeenhield, +en gooide het van de sleê af. De wolven waren vlak achter hen. Maar +nu hielden ze stil, om te onderzoeken wat daar over 't ijs gleed, +en de reizigers kwamen ze opnieuw een eindje vooruit. + +"Als dit niet helpt, begrijp je wel, dat ik me zelf aan de wolven +geef," zei de oude vrouw, "zoodat je kunt wegkomen." + +Toen ze dat zei, was de man bezig een groot zwaar biervat van de sleê +te schuiven. Terwijl hij daarmeê aan 't werk was, hield hij op, alsof +hij er niet toe kon besluiten 't vat weg te gooien. Maar eigenlijk +waren zijn gedachten met heel wat anders bezig. + +"Een man en een paard, waar niets aan mankeert, hoeven toch om +hunnentwil een oude vrouw niet door de wolven te laten opeten," +dacht hij. "Er moet toch een andere manier zijn om ons te redden. Ja, +natuurlijk is er die. 't Is maar, dat ik er niet op kan komen." + +Hij begon weer aan dat biervat te schuiven, maar op eens hield hij +weer op, en barstte in lachen uit. + +De oude vrouw keek hem verschrikt aan, en meende, dat hij krankzinnig +geworden was, maar de man uit Hede lachte om zichzelf, omdat hij aldoor +zoo dom was geweest. 't Was 't eenvoudigste wat je maar bedenken kon, +om alle drie te redden, hij kon niet begrijpen, dat hij daar niet +eerder aan had gedacht. + +"Luister nu goed, Malin," zei hij. "'t Was flink van je, dat je +jezelf aan de wolven wou geven. Maar dat hoef je niet te doen, want +ik weet nu hoe we alle drie gered zullen worden, zonder iemands leven +in gevaar te brengen. Onthoud nu goed, dat--wat ik ook doe--jij stil +op de sleê blijft zitten en naar 't dorp Linsäll rijdt. Daar maak je +de menschen wakker, en zegt, dat ik hier alleen op het ijs lig met +tien wolven om me heen, en vraagt hun, of ze me willen komen helpen." + +Nu wachtte de man, tot de wolven heel dicht bij de sleê waren. Toen +gooide hij het groote vat op het ijs, sprong zelf van de sleê en +kroop onder het vat. + +'t Was een geweldige ton. Die was zoo groot gemaakt, dat al het +kerstbier er in kon. De wolven sprongen er tegen op, beten in de +banden, en probeerden het vat om te gooien, maar het was te zwaar en +stond te vast. Ze konden niet bij hem komen, die er onder lag. + +De man uit Hede wist, dat hij veilig lag, en hij lachte om de +wolven. Maar na een poos werd hij ernstig. + +"Zoodra ik in 't vervolg in een of andere moeilijkheid kom," zei +hij in zichzelf, "zal ik aan deze ton denken. Ik zal er aan denken, +dat ik mezelf geen kwaad hoef te doen, noch een ander. Er is altijd +een derde uitweg, als je dien maar vinden kunt." + +Daarmeê eindigde Bataki zijn verhaal. Maar de jongen had al lang +gemerkt, dat de raaf nooit iets zei, zonder dat hij er een bepaalde +bedoeling meê had, en hoe langer hij naar hem luisterde, hoe meer +hij nadacht. + +"Ik zou wel eens willen weten, waarom je me dat verhaal vertelt," +zei de jongen. + +"Och, dat kwam me zoo maar weer voor den geest, terwijl ik hier naar +de Sonrots stond te kijken," zei de raaf. + +Ze reden nu verder langs Ljusna, en een poos later kwamen ze aan +'t dorp Kolsätt, dat vlak bij de grens van Helsingland ligt. Hier +streek de raaf neer bij een klein hutje. 't Had geen venster, enkel +maar een luik. Uit den schoorsteen steeg rook op, met vonken vermengd, +en sterke hamerslagen klonken uit het huis. + +"Als ik die smidse daar zie," zei de raaf, "moet ik er aan denken, +dat er vroeger zulke goede smeden in Härjedalen waren, en vooral in +deze stad hier, dat ze hunsgelijken niet hadden in 't heele land." + +"Misschien weet je daar ook wel een verhaal over, dat je me wilt +vertellen," zei de jongen. + +"Ja, ik weet er wel een van dien smid in Härjedalen," zei Bataki, +"die twee andere meestersmeden, een van Dalecarlië en een van +Wermeland, uitnoodigde tot een wedstrijd in 't spijkers maken. De +uitnoodiging werd aangenomen, en de drie smeden kwamen hier in +Kolsätt bij elkaar. De Dalecarliër begon. Hij smeedde een dozijn +spijkers, zoo glad en scherp en gelijk, dat niemand ze beter maken +kon. Na hem kwam de Wermelander. Ook hij maakte een dozijn spijkers, +die voortreffelijk waren, en daar kwam bij, dat hij ze in de helft +van den tijd maakte, dien de Dalecarliër noodig had. Toen zij, die +'t werk moesten beoordeelen dat zagen, zeiden ze tegen den smid uit +Härjedalen, dat het niet de moeite waard was voor hem om meê te dingen; +want beter dan de Dalecarliër en vlugger dan de Wermelander kon hij +toch niet smeden. + +"Ik geef het niet op. Er zal nog wel een andere manier zijn om zich +te onderscheiden," zei de man. + +Hij legde het ijzer op het aanbeeld, zonder het eerst in 't vuur te +houden, hamerde het warm, en smeedde den eenen spijker na den anderen, +zonder kolen of blaasbalg noodig te hebben. Niemand had ooit een smid +meesterlijker den hamer zien hanteeren, en de smid uit Härjedalen +werd verklaard de eerste in 't land te zijn." + +Na deze woorden zweeg Bataki, maar de jongen werd nog nadenkender. + +"Ik zou wel willen weten, wat voor bedoeling je met dat verhaal hebt," +zei hij. + +"Die geschiedenis kwam me in den zin, toen ik de oude smidse zag," +zei Bataki heel onverschillig. + +De beide reizigers verhieven zich weer in de lucht, en de raaf +bracht den jongen naar 't zuiden, naar de gemeente Lillhärdal, die +aan Dalecarlië grenst. Daar streek hij neer op een heuvel, met boomen +begroeid, die op den hoogsten top van een bergvlakte lag. + +"Weet je wel wat dat is voor een hoogte, waar je nu op staat?" zei +Bataki. + +Neen, de jongen moest erkennen, dat hij dat niet wist. + +"Dat is een grafheuvel," zei Bataki. "Die is opgehoogd over een man, +die Kärjulf heette, en de eerste was, die zich in Härjedalen vestigde +en het land ging ontginnen." + +"Weet je misschien ook een verhaal van hem?" vroeg de jongen. + +"Ik heb niet veel van hem gehoord, maar ik geloof, dat hij een Noorman +was. Eerst was hij in dienst bij een Noorschen koning, maar daar kreeg +hij twist meê, en nu moest hij uit het land vluchten. Hij begaf zich +naar den Zweedschen koning, die in Uppsala woonde, en ging in dienst +bij hem. Maar na een poosje begeerde hij de zuster van den koning +tot vrouw, en toen de koning hem zoo'n voorname bruid niet wou geven, +vluchtte hij met haar. + +Hij had 't nu zoo gemaakt, dat hij niet in Noorwegen en niet in Zweden +kon wonen, en naar het buitenland wilde hij niet gaan. + +"Maar er moet nog wel een uitweg zijn," dacht hij, en trok met zijn +knechten en schatten naar 't noorden door Dalecarlië, tot hij de +groote, woeste bosschen daar aan de grens bereikte. Daar zette hij +zich neer, bouwde een huis, ontgon de streek, en werd zoodoende de +eerste, die zich in deze streken vestigde. + +Toen de jongen dat laatste verhaal hoorde, werd hij nog nadenkender +dan vroeger. + +"Ik zou wel eens willen weten, met welke bedoeling je me dat alles +verteld hebt," zei hij nog eens. Bataki antwoordde een tijdlang niets, +maar draaide den kop heen en weer, en kneep de oogen dicht. + +"Nu we hier toch alleen zijn," zei hij eindelijk, "moet ik toch +de gelegenheid waarnemen, om je iets te vragen. Heb je ooit goed +onderzocht, welke voorwaarden de kabouter, die je heeft betooverd, +heeft gesteld, om je weer een mensch te laten worden?" + +"Ik heb niet van andere voorwaarden gehoord, dan dat ik den witten +ganzerik ongedeerd naar Lapland en weer terug naar Skaane zou brengen." + +"Ik dacht het wel," zei Bataki, "want toen we elkaar het laatst +ontmoetten, sprak je er zoo trotsch over, dat er niets zoo leelijk +was, als een vriend ontrouw te worden, die op je vertrouwt. Je moest +Akka eens naar de voorwaarden vragen. Je weet, dat ze bij je thuis +geweest is, en den kabouter heeft gesproken." + +"Daar heeft Akka me niets van verteld," zei de jongen. + +"Ze heeft zeker gevonden, dat 't beter voor je was niet te weten, +wat de kabouter precies gezegd had. Ze wou natuurlijk liever jou +helpen dan den ganzerik." + +"'t Is vreemd, Bataki, dat je er altijd slag van hebt me uit mijn +humeur en ongerust te maken," zei de jongen. + +"Dat kan wel zoo schijnen," zei de raaf, "maar dezen keer geloof ik, +dat je er me dankbaar voor zult wezen, dat ik je zeg, dat de kabouter +het zoo heeft bepaald: dat je een mensch zoudt worden, als je Maarten, +den ganzerik, weer thuis bracht, zoodat je moeder hem op de slachtbank +kon leggen." + +De jongen stoof op. + +"Dat is niets anders dan een ellendig bedenksel van jou!" riep hij. + +"Je kunt het Akka zelf vragen," zei de raaf, "ik zie haar aankomen met +haar heelen troep. Vergeet nu niet, wat ik je vandaag heb verteld. Er +is een uitweg uit alle moeilijkheden; de vraag is of je dien kunt +vinden. Ik verheug er me op, te zien, hoe jou dat zal gelukken." + + + + + + +XXXVII. + +WERMELAND. + + +Den volgenden dag nam de jongen de gelegenheid waar in een rustuur, +toen Akka op een kleinen afstand van de andere wilde ganzen liep +te grazen, om haar te vragen, of het waar was, wat Bataki hem had +verteld. En Akka had het niet kunnen ontkennen. Toen liet de jongen +de leidstergans beloven, dat zij het geheim niet aan Maarten zou +vertellen. Want de groote witte was zoo dapper en edelmoedig, dat de +jongen bang was, dat hij een of ander ongeluk zou begaan, als hij de +voorwaarden van den kabouter hoorde. + +En sinds dien dag zat de jongen stil en verdrietig op den ganzenrug, +liet het hoofd hangen, en had geen lust om rond te kijken. Hij hoorde +de ganzen de namen van allerlei plaatsen uitroepen, maar hij had geen +lust dat alles te zien. + +"Ik zal mijn heele leven wel met de wilde ganzen moeten rondvliegen, +en dan kan ik nog meer van dit land zien dan mij lief is," dacht hij. + +Hij werd niet minder moedeloos, toen hij de ganzen hoorde roepen, +dat ze nu in Wermeland waren gekomen, en dat de rivier die ze nu naar +'t Zuiden volgden, de Klarelf was. + +"Ik heb al zooveel rivieren gezien in mijn leven," dacht hij. "Ik +behoef niet eens de moeite te nemen om naar deze te kijken." + +De wilde ganzen volgden de Klarelf tot de groote fabriek bij +Munkfors. Toen sloegen ze af naar 't westen naar Fryksdalen. Eer ze +nog aan het meer Fryken gekomen waren, begon het donker te worden, +en ze streken neer in een ondiep moeras in een hoogliggend bosch. + +'t Moeras was wel een goed nachtkwartier voor wilde ganzen, maar de +jongen vond, dat het er guur en akelig was, en hij wilde graag een +betere slaapplaats hebben. Terwijl hij nog boven in de lucht was, +had hij gezien, dat er eenige hoeven beneden bij de hoogte lagen, +en hij ging gauw op weg om die te zoeken. + +'t Was verder dan hij dacht, en hij kwam meer dan eens in de verzoeking +weer terug te keeren. Maar eindelijk werd het bosch dunner om hem heen, +en hij kwam aan een weg, die op den zoom van het bosch aanliep. Van +den weg af liep een mooie berkenlaan naar een hoeve, en hij ging daar +dadelijk op af. + +De jongen kwam eerst op een achterplaats, groot als een stadsmarkt, +en met lange roode gebouwen omringd. Toen hij die overgeloopen was, +zag hij een andere plaats, waar het woonhuis lag met een zandpad en een +groot plein er voor, een vleugel aan beide zijden uitgebouwd, en een +lommerrijken tuin er achter. 't Hoofdgebouw was klein en onaanzienlijk, +maar 't plein was omgeven met een rij hemelhooge sorbeboomen, die zóó +dicht opeen stonden, dat ze een heelen muur vormden, en de jongen vond, +dat het was, alsof hij in een prachtige hoog gewelfde kamer kwam. De +hemel rustte mooi, bleekblauw op de boomtoppen, de sorbeboomen waren +geel met groote roode trossen, de grasvelden waren nog wel groen, +maar 't was dien avond lichte stralende maneschijn, en die viel met +zooveel glans over 't gras, dat het wit scheen als zilver. + +Geen mensch was er te zien, zoodat de jongen vrij kon rondloopen, +waar hij wou, en toen hij in den tuin kwam, merkte hij iets op, dat +hem bijna in zijn humeur bracht. Hij was in een kleinen sorbeboom +geklommen om van de bessen te eten, maar eer hij nog een tros had +bereikt, zag hij een vogelkers, die ook vol bessen zat. Hij gleed +vlug uit den stam van den sorbeboom en klauterde in de vogelkers, +maar pas was hij daar, toen hij een aalbessestruik ontdekte, waaraan +nog lange roode trossen hingen. En nu zag hij, dat de heele tuin vol +kruisbessen, en frambozen, en rozebottels zat. Er waren kool, wortels +en rapen op de groentebedden, bessen aan alle struiken, zaden aan de +planten en 't gras zat vol kleine aren met korrels gevuld. En daar +op het pad--hij had het zeker mis,--maar jawel! daar lag een mooie +groote appel, en glom in den maneschijn. + +De jongen ging op het gras zitten met dien grooten appel voor zich +en begon er kleine stukjes uit te snijden met zijn mes. + +"'t Zou toch niet zoo erg zijn je heele leven een dwergje te zijn, als +er dikwijls zoo gemakkelijk eten te vinden was als hier," dacht hij. + +Hij zat te peinzen onder 't eten, en eindelijk dacht hij, of 't niet +goed zou zijn, als hij bleef, waar hij nu was, en de wilde ganzen naar +'t zuiden liet trekken zonder hem. + +"Ik weet niet, hoe ik Maarten den ganzerik aan 't verstand zal brengen, +dat ik niet naar huis kan gaan," dacht hij. "'t Is beter, dat ik +me heelemaal van hem losmaak. Ik zou me een wintervoorraad kunnen +verzamelen, zooals de eekhoorns doen, en als ik in een donker hoekje in +den stal of in de schuur woonde, zou ik niet dood hoeven te vriezen." + +Juist toen hij daaraan dacht, hoorde hij een licht suizen boven +zijn hoofd, en een oogenblik later stond er iets, dat op een klein +kort berkestompje leek, naast hem op den grond. 't Stompje wrong en +draaide zich heen en weer, en twee lichte punten bovenin gloeiden als +vuurkolen. 't Leek echte hekserij, maar de jongen merkte dadelijk, dat +het stompje een krommen bek en groote veeren kransen om de gloeiende +oogen had, en toen werd hij kalm. + +"Dat is heel prettig om een levend wezen te ontmoeten," zei +hij. "Misschien wilt u me wel zeggen, hoe deze hoeve heet, Mevrouw +Katuil, en wat hier voor menschen wonen." + +De katuil had dien heelen avond, zooals gewoonlijk in den herfst, +op een treê van de groote ladder gezeten, die tegen het dak stond, +en naar beneden gekeken op de paden en de grasvelden, om op ratten +te loeren. Maar tot zijn verwondering vertoonde zich geen enkel +grauwvelletje. In plaats daarvan zag hij iets, dat op een mensch leek, +maar veel kleiner was, zich in den tuin bewegen. + +"Hier heb ik hem dan, die de ratten wegjaagt," dacht de katuil. "Wat +ter wereld kan dat toch zijn." + +"'t Is geen eekhoorn, en geen jonge kat, en geen wezel," dacht zij +verder. "Ik meende, dat een vogel als ik, die zoolang op een oude +hoeve heeft gewoond, wel zoowat wist, wat er alzoo in de wereld +was. Maar dit gaat mijn verstand te boven." + +Hij had zitten staren naar dat onbegrijpelijke, dat zich op 't pad +bewoog, tot zijn oogen gloeiden. Eindelijk kreeg de nieuwsgierigheid +de overhand, zoodat hij naar den grond gevlogen was om den vreemde +van dichtbij te bekijken. + +Toen de jongen begon te spreken, boog de uil zich voorover om hem +te bekijken. + +"Hij heeft geen klauwen en geen horens," dacht hij, "maar wie weet, of +hij geen gifttand, of nog gevaarlijker wapen heeft? Ik moet probeeren +er wat beter achter te komen, wat hij eigenlijk is, eer ik me aan +hem waag." + +"Deze hoeve heet Mårbacka," [3] zei de uil, "en hier hebben vroeger +deftige menschen gewoond. Maar wat ben jijzelf voor een schepsel?" + +"Ik denk er over om hierheen te verhuizen," zei de jongen, zonder op de +vraag van den uil te antwoorden. "Zou je denken, dat het lukken zou?" + +"Och ja, nu is er niet zooveel meer aan deze hoeve, als vroeger. Maar +je kunt het hier toch best uithouden. 't Komt er maar op aan, waarvan +je denkt te kunnen leven. Ben je van plan op rattenjacht te gaan?" + +"Goeie hemel, neen!" zei de jongen. "Er is meer kans, dat de ratten +mij opeten, dan dat ik ze kwaad zal doen." + +"Het is toch niet mogelijk, dat hij zoo onschuldig is, als hij zegt," +dacht de katuil. "Maar ik geloof toch, dat ik 't eens probeeren zal." + +Hij vloog op, en 't volgend oogenblik had hij zijn klauwen in Niels +Holgerssons schouders geslagen, en pikte naar zijn oogen. De jongen +hield zijn eene hand voor de oogen, en probeerde met de andere zich +vrij te maken. Tegelijkertijd schreeuwde hij om hulp, zoo hard hij +kon. Hij voelde, dat hij in ernstig levensgevaar verkeerde, en zei +in zichzelf, dat het nu zeker met hem was gedaan. + + + +Maar nu moet ik vertellen hoe wonderlijk het trof, dat er juist in dat +jaar, toen Niels Holgersson rondvloog met de wilde ganzen, een mensch +was, die er over liep te denken een boek over Zweden te schrijven, +dat geschikt zou wezen voor kinderen om op school te lezen. Ze had +er al over gedacht van Kerstmis tot den herfst toe. Maar ze had nog +geen regel geschreven, en eindelijk was ze van al dat denken zóó moe +geworden, dat ze tegen zichzelf zei: "Dat kun je niet! Ga zitten, +en schrijf sagen en verhalen, zooals je altijd doet, en laat een +ander dat boek schrijven, dat zoo leerzaam en ernstig moet zijn, +dat er geen onwaar woord in mag voorkomen." + +'t Was zoo goed als uitgemaakt, dat ze 't plan zou opgeven, maar +ze vond toch, dat het prettig zou zijn iets moois over Zweden +te schrijven, en ze had moeite dat werk aan anderen over te +laten. Eindelijk kwam ze op de gedachte, dat het misschien kwam, +doordat ze in een stad was en niets dan straten en huismuren om zich +heen had, dat ze niet aan 't schrijven kon komen. Als ze naar buiten +ging, waar ze bosschen en akkers kon zien, zou 't misschien beter gaan. + +Ze was uit Wermeland, en het was duidelijk, dat ze 't boek beginnen +moest met die landstreek. En allereerst zou ze vertellen van de plaats, +waar ze was opgegroeid. 't Was een klein landgoed, dat ver van de +bewoonde wereld lag, en waar veel ouderwetsche zeden en gewoonten +bewaard gebleven waren. Ze had gedacht, dat het aardig zou wezen voor +de kinderen, om te hooren van de verschillende bezigheden, die 't heele +jaar door elkaar opvolgden. Ze wilde vertellen hoe ze Kerstfeest en +Nieuwjaar, en Paschen, en 't zomerfeest bij haar thuis hadden gevierd, +wat ze voor meubels en huisraad hadden, hoe 't er in de keuken en +provisiekamer, in schuren en stallen, in waschhuis en badkamer had +uitgezien. Maar als ze daarover wou schrijven, kon ze haar pen niet +voortkrijgen. Ze kon heelemaal niet begrijpen, hoe dat kwam, maar +'t was zoo. Toch was 't wezenlijk waar, dat ze zich dat alles nog +even duidelijk herinnerde, alsof ze er nog midden in leefde. Maar +ze zei tegen zichzelf, dat nu ze toch naar buiten moest gaan, ze +misschien naar dat oude landgoed kon reizen, en alles nog eens zien, +eer ze erover schreef. Ze was er in jaren niet geweest, en ze vond +het wel prettig een reden te hebben er nog eens te komen. Eigenlijk +verlangde ze er altijd naar terug, waar ze ook was. Ze zag wel, +dat andere plaatsen mooier en beter waren, maar ze vond nergens die +veiligheid en gezelligheid, die ze in haar ouderlijk huis had genoten. + +Intusschen was het niet zoo gemakkelijk voor haar om thuis te komen, +als je wel denken zou, want het landgoed was verkocht aan menschen, +die ze niet kende. Ze dacht wel, dat ze haar vriendelijk zouden +ontvangen, maar ze wilde niet in dat oude huis terugkomen om met +vreemde menschen te praten, maar om zich goed te kunnen herinneren, +hoe 't er vroeger was geweest. Daarom legde ze 't zoo aan, dat ze er +'s avonds laat zou aankomen, als 't werk was afgeloopen, en de menschen +in huis zouden zijn. + +Ze had nooit gedacht, dat het zoo wonderlijk zou zijn om thuis te +komen. Terwijl ze in den wagen zat, en naar haar oude huis reed, was +'t alsof ze bij de minuut jonger werd, en al gauw was ze niet meer +een oud mensch met haar, dat al begon grijs te worden, maar een klein +meisje met korte rokken en een lange, vlasblonde vlecht. Terwijl ze +daar zat, en alle hoeven langs den weg herkende, kon ze zich niet +begrijpen, dat alles thuis niet meer was als vroeger. Vader en Moeder +en de broers en zusters zouden op de stoep staan om haar te ontvangen, +de oude huishoudster zou gauw naar 't keukenvenster loopen om te zien, +wie daar aan kwam rijden, en Nera, en Freja, met nog een paar honden, +zouden komen aandraven en tegen haar opspringen. + +Hoe meer ze de hoeve naderde, hoe vroolijker ze werd. Nu was 't herfst, +en er kwam een drukke tijd met allerlei werk, maar 't was juist al dat +verschillende werk, dat maakte, dat het thuis nooit vervelend was of +eentonig. Ze had onderweg gezien, dat de menschen aan 't aardappels +rooien waren, en dat deden ze ook nu bij haar thuis, zoodat er nu +allereerst aardappelen geraapt moesten worden om aardappelmeel te +maken. 't Was een zachte herfst geweest. Ze dacht er juist over, +of alles al was afgeloopen in den tuin. De kool zou nog wel buiten +staan. En zou de hop al geplukt zijn en de appels geschud? + +Dat kon wel, als ze het thuis niet te druk hadden. Want het liep +tegen de herfstmarkt. En tegen den markttijd moest het overal +schoon en netjes zijn. Dat was een feest, vooral in de oogen van de +dienstboden. 't Was ook op den avond voor den marktdag een lust om +in de keuken te komen, en den blank geschuurden, met groene takjes +bestrooiden vloer te zien, de frisch gewitte muren, en den glimmenden +koperen ketel aan den zolder. + +En als de markt voorbij was, zou er niet lang rust zijn. Dan +begonnen ze met vlasbraken. 't Vlas had lang op een wei gelegen om +te rotten. Dan werd het in het oude badhuis gebracht, en de groote +badkachel werd aangelegd, opdat het zou drogen. En als het droog +genoeg was, werden op een dag alle vrouwen uit de buurt bij elkaar +geroepen. Ze gingen voor het badhuis zitten, en begonnen het vlas te +braken. Later sloegen ze het met dorschvlegels, om de fijne, witte +vezels uit de dorre stelen te halen. Onder het werk werden de vrouwen +grijs van 't stof. Haar kleeren en haren waren bedekt met afval van +'t vlas, maar ze waren toch even vroolijk. Den heelen dag klapperden +de dorschvlegels, en het praten ging zóó best, dat als men bij 't +oude badhuis kwam, men een geluid hoorde, alsof een bruisende storm +daar huis hield. + +Na 't werk met het vlas kwam het bakken van de knakbroodvoorraad, +het scheren van de schapen en de aankomst van nieuwe dienstmeisjes. In +November kwamen de drukke slachtdagen met het inzouten van vleesch en +'t worst maken, het bakken van bloedbrood en 't maken van kaarsen. De +naaister moest ook zoowat tegen dien tijd komen, en 't waren een paar +gezellige weken, als alle menschen bij elkaar zaten om te naaien. De +schoenmaker, die schoenen voor de heele familie maakte, zat dan ook +in de knechtenkamer te werken, en 't was altijd even interessant om +te zien, hoe hij 't leer sneed, en nieuwe zolen en achterlappen op +de schoenen zette, en ringetjes in de vetergaten sloeg. + +Maar de grootste drukte kwam toch tegen de Kerstmis op den Luciadag, +als de kamenier rondliep in het wit gekleed, met kaarsen in 't haar +en alle menschen op de koffie noodigde, tegen den volgenden morgen +vijf uur. Die kwam juist als een teeken, dat ze de eerste twee weken +niet op veel slaap moesten rekenen. Nu moesten ze kerstbier brouwen, +en visch in 't zuur zetten, en bezig zijn met het schoonmaken en +bakken voor Kerstmis. + +Ze was druk aan 't bakken, met veel kerstkoeken en kleine broodjes +om zich heen, toen de koetsier de paarden inhield aan 't begin van +de laan, zooals ze hem had verzocht. Ze schrikte wakker als uit een +droom. 't Was akelig, op den laten avond alleen te zitten voor haar, +die zich zoo pas nog te midden van al de haren had gedroomd. Toen +ze uit den wagen stapte, en de laan door ging loopen, om ongemerkt +bij haar oude huis te komen, voelde zij 't verschil tusschen 't +verleden en het tegenwoordige zóó sterk, dat ze 't liefst had willen +omkeeren. "Wat geeft het, dat ik hier kom? Hier kan 't immers toch +niet zijn als in den ouden tijd," dacht ze. + +Maar ze vond, dat nu ze zoover was gekomen, ze toch ook de plaats +moest zien, en ze bleef voortloopen, hoewel ze bij iederen stap +bedroefder werd. + +Ze had hooren zeggen, dat de hoeve heel vervallen en veranderd was, en +dat was ze ook. Maar dat kon ze nu in den avond niet merken. Ze vond +eerder, dat alles er nog wel 't zelfde uitzag. Daar was de vijver, +die in haar jeugd vol visschen was, en waar niemand durfde hengelen, +omdat Vader wilde, dat men de visschen met rust zou laten. Daar was +de knechtenkamer en de schuur, en de stal met de etensbel boven den +eenen gevel, en den weerhaan boven den anderen. En het plein voor +het woonhuis was nog steeds als een ingesloten kamer zonder uitzicht, +zooals het in den tijd van haar vader was geweest, want hij had het +hart niet gehad ook maar een enkelen struik om te houwen. + +Ze was in de schaduw gebleven onder den grooten esch bij de inrijlaan +naar 't huis, en ze stond rond te kijken. En terwijl ze daar nu stond +gebeurde het, dat een vlucht duiven aankwam en naast haar neerstreek. + +Ze kon nauwlijks gelooven, dat het werkelijk vogels waren, want +duiven zijn immers nooit in beweging na zonsondergang. Het moest de +mooie maneschijn zijn, die ze had gewekt. Ze hadden gedacht, dat het +dag was, en waren uit de duiventil gevlogen, maar later waren ze in +de war gekomen, en hadden den weg niet kunnen vinden. Toen ze een +mensch zagen, waren ze naar haar toegevlogen, alsof zij hun den weg +moest wijzen. + +Er waren een massa duiven op de hoeve geweest in den tijd van haar +ouders, want de duiven behoorden ook tot de dieren, die haar vader in +zijn bizondere bescherming had genomen. Als hij maar hoorde praten van +'t slachten van een duif, raakte hij uit zijn humeur. + +Ze vond het heel prettig, dat de mooie vogels haar in haar oud tehuis +te gemoet kwamen. Wie kon weten, of de duiven niet in den nacht +waren uitgevlogen, om haar te toonen, dat ze niet hadden vergeten, +dat ze hier eens een goed tehuis hadden gehad. + +Of misschien was het Vader, die haar zijn vogels met een groet had +gezonden, opdat ze zich niet angstig en alleen zou voelen, als ze in +haar vroeger tehuis kwam. + +Toen ze dat dacht, kwam er zoo'n sterk verlangen naar den ouden tijd +over haar, dat ze de tranen in de oogen kreeg. 't Was een goed leven, +dat ze hier hadden geleid op dit landgoed. Ze hadden werkweken gehad, +maar ook hun feesten; ze hadden overdag gezwoegd, maar tegen den avond +hadden ze om de lamp gezeten en de boeken van Tegner, Runeberg, Mevrouw +Lenngren en Bremer gelezen. Ze hadden koren verbouwd, maar ook rozen +en jasmijn; ze hadden vlas gesponnen, en volksliederen gezongen onder +'t spinnen. Ze hadden op geschiedenis en spraakkunst geblokt, maar +ze hadden ook tooneelgespeeld en verzen geschreven, ze hadden voor +'t fornuis gestaan en eten gekookt, maar ze hadden ook geleerd piano +en fluit, guitaar en viool te spelen. Ze hadden in den tuin kool en +rapen en erwten en boonen geplant, maar er was ook een andere tuin vol +appels en peren en allerlei bessen. Ze hadden afgezonderd geleefd, +maar juist daarom herinnerde zij zich zooveel sagen en verhalen. Ze +hadden eigengemaakte kleeren gedragen, maar ze hadden onbekommerd en +zorgeloos geleefd. + +"Nergens in de wereld weten de menschen zoo'n goed leven te leiden, +als op zoo'n klein landgoed in mijn jeugd," dacht ze. "Daar was werk +en plezier in overvloed, en er was vreugde alle dagen. Ik zou heel +graag hier terugkomen. Nu ik de plaats heb weergezien, valt het me +zwaar van hier weg te gaan." + +En toen wendde ze zich tot de duivenvlucht, en zei--terwijl ze om +zichzelf lachte: + +"Wil jelui niet naar Vader gaan, en hem zeggen, dat ik zoo naar huis +verlang. Ik heb lang genoeg in den vreemde rondgezworven. Vraag hem +of hij 't niet zoo kan schikken, dat ik gauw weer in mijn ouderlijk +huis terugkomen kan." + +Nauwelijks had ze dat gezegd, of de heele duivenvlucht vloog op +en weg. Ze probeerde hen met de oogen te volgen, maar ze verdwenen +dadelijk. 't Was alsof de heele lichte schare zich in de tintelende +lucht oploste. + +De duiven waren nauwelijks weg, of ze hoorde een paar luide kreten +uit den tuin, en toen ze daar haastig heen ging, zag ze iets heel +vreemds. Daar stond een klein, klein dwergje, niet veel grooter, dan +een handbreed, en vocht met een katuil. Eerst was ze zóó verbaasd, +dat ze zich niet kon bewegen. Maar toen de dwerg steeds jammerlijker +schreeuwde, greep ze snel in, en scheidde de vechtenden van elkaar. + +De uil vloog in een boom, maar de dwerg bleef staan op het zandpad, +zonder zich te verbergen of weg te loopen. + +"Ik dank u wel voor uw hulp," zei hij. "Maar 't was heel dom, dat u +de uil liet vliegen. Nu kan ik niet van hier wegkomen, want nu zit +zij boven in den boom op me te loeren." + +"Ja, dat was onattent van me, dat ik ze losliet; maar kan ik je nu +niet thuisbrengen?" vroeg ze. + +Ze had veel sagen gedicht, en was niet weinig verwonderd, dat ze nu +onverwachts in gesprek met een van 't kleine volkje was geraakt. Maar +in den grond was ze toch niet zoo heel verrast. 't Was, alsof ze +aldoor had verwacht, dat ze iets bizonders zou beleven, terwijl ze +daar in den maneschijn buiten haar oude huis liep. + +"Eigenlijk was ik van plan hier den heelen nacht op 't landgoed +te blijven," zei de dwerg. "Als u me maar een veilige slaapplaats +wilt wijzen, zou ik liever niet vóór 't aanbreken van den dag naar +'t bosch terug willen." + +"Moet ik je een slaapplaats wijzen? Ben je dan hier niet thuis?" + +"Ik begrijp wel, dat u denkt, dat ik een van 't kleine volkje ben," +zei nu de dwerg, "maar ik ben een mensch, zoo goed als u, al ben ik +in een kabouter veranderd." + +"Dat is het wonderlijkste, wat ik ooit heb gehoord. Zou je me niet +willen vertellen, hoe 't je zoo slecht is gegaan?" + +De jongen had er niets tegen zijn avonturen te vertellen, en terwijl +ze naar hem luisterde, werd ze steeds meer verbaasd,--verbaasd en +blij--al naar 't verhaal was. + +"Neen, wat is dat een geluk, dat ik iemand ontmoette, die op den rug +van een gans over heel Zweden reisde," dacht ze. "Juist, wat hij me +vertelt, zal ik in mijn boek schrijven. Nu hoef ik daarover niet meer +bezorgd te zijn. 't Was maar goed, dat ik naar huis ging. Wat vreemd +toch, dat ik daar hulp voor kreeg, zoodra ik in mijn ouden tuin kwam." + +Maar tegelijk kwam een gedachte in haar op, die ze haast niet uit +durfde denken. Ze had bericht gezonden aan haar Vader met de duiven, +dat ze naar huis verlangde, en dadelijk daarna had ze hulp gekregen +voor dat, waar ze al zoo lang over had gepeinsd... + +Zou dat haar vaders antwoord zijn op wat ze gevraagd had? + + + + + + +XXXVIII. + +DE SCHAT OP DE KLIPPEN. + + +OP WEG NAAR ZEE. + + +Al van 't begin van de herfstreis af waren de wilde ganzen recht naar +het zuiden gevlogen, maar toen ze 't Fryksdal verlieten, sloegen ze +een andere richting in, en vlogen over west Wermeland en Dalsland +naar Bohuslän. + +'t Werd een vroolijke reis. De gansjes waren nu in zoover aan 't +vliegen gewend, dat ze niet meer over moeheid klaagden, en de jongen +begon weer zijn oude opgewektheid terug te krijgen. Hij was blij, +omdat hij met een mensch had gesproken, want dat had hem goed gedaan, +en zij had gezegd, dat, als hij maar bleef doorgaan op dezelfde +manier, als hij begonnen was, en allen goed deed, die hij ontmoette +op zijn weg, het niet verkeerd met hem kon afloopen. Ze had hem niet +kunnen zeggen, hoe hij zijn vorige gedaante kon terugkrijgen, maar +ze had hem een beetje hoop en vertrouwen teruggegeven, en dat was +het zeker, waardoor hij nu had kunnen bedenken, hoe hij den grooten +witten ganzerik er van af zou brengen om naar huis te gaan. + +"Weet je wel, Maarten," zei hij, toen ze hoog door de lucht vlogen, +"dat het misschien wel eentonig voor ons wordt, den heelen winter +thuis te blijven, nu we zoo'n reis als deze hebben meegemaakt. Ik zit +er over te denken, of we niet met de wilde ganzen naar 't buitenland +zullen gaan." + +"Dat kun je toch niet meenen," zei de ganzerik, en keek heel +verschrikt, want nu hij had getoond, dat hij in staat was, de wilde +ganzen heel naar Lapland te volgen, had hij erg veel lust om terug +te komen in het ganzenhok, in den koestal van Niels Holgersson. + +De jongen zat een poos stil te kijken naar Wermeland, waar alle +berkenbosschen en boschvelden en tuinen in gele en roode herfstkleuren +waren getooid, en waar de lange meren helderblauw lagen tusschen de +gele oevers. + +"Ik geloof niet, dat ik ooit de aarde zoo mooi onder ons heb zien +liggen als vandaag," zei hij. "De meren zijn als blauwe zijde, en de +oevers als breede gouden banden. Vind je niet, dat het jammer zou +zijn, als we ons vestigden op West Vemmenhög en niets meer van de +wereld zagen?" + +"Ik dacht, dat je naar huis wilde, naar Vader en Moeder, en toonen +wat je voor een flinke jongen bent geworden," zei de ganzerik. + +Hij had er den heelen zomer over loopen droomen, wat een heerlijk +oogenblik het zou zijn, als hij neerdaalde voor 't huis van Holger +Nielssons hut, en Donsje met de zes jonge gansjes kon vertoonen +aan de ganzen en de kippen, aan de koeien en de kat en aan Moeder +Holgersson zelf, zoodat hij niet heel ingenomen was met het voorstel +van den jongen. + +De wilde ganzen hielden vaak en lang rust op den dag. Ze vonden overal +zulke heerlijke stoppelvelden, dat ze er bijna niet vandaan konden +komen, en ze kwamen niet in Dalsland voor tegen zonsondergang. Ze +vlogen over het noordwestelijk gedeelte van 't landschap, en daar was +het nog mooier dan in Wermeland. Daar waren zooveel meren, dat het +land er tusschen lag als smalle strepen grond met hooge heuvels. 't +Was geen goede grond voor akkers, maar de boomen tierden er des te +beter, en de steile oevers lagen er als mooie parken. 't Was alsof +er iets in de lucht of in 't water was, dat het zonlicht vasthield, +ook nadat de zon achter de bergtoppen was neergedaald. Strepen goud +speelden op de donker glanzende wateroppervlakte, en over 't veld +trilde een licht, bleekrood schijnsel, waaruit geelwitte berken, +helderroode esschen en roodgele sorbeboomen opstaken. + +"Vind je zelf niet, Maarten, dat het jammer is, nooit meer zooiets +moois als dit te zien," zei de jongen. + +"Ik houd meer van de vette akkers op Söderslätt, dan van die magere +bergakkers hier," antwoordde de ganzerik. "Maar je begrijpt wel, dat +als je met alle geweld verder wilt reizen, ik niet van je kan weggaan." + +"Dat dacht ik wel, dat je dat zoudt zeggen," zei de jongen, en 't +was te hooren aan zijn stem, dat hij van een groote zorg was ontheven. + +Toen ze later over Bohuslän reisden, zag de jongen, dat de bergvlakten +dichter bij elkaar waren; de dalen lagen er tusschen als smalle kloven +in den berggrond, en de lange meren op hun bodem waren zoo zwart, +alsof ze uit de onderwereld kwamen. Ook dit was een indrukwekkend +landschap, en toen de jongen het zag, nu eens met een smalle reep +zonneschijn, dan weer in de schaduw, vond hij, dat er iets wilds, +iets eigenaardigs over lag. + +Hij wist niet hoe het kwam, maar hij had een gevoel, alsof hier vroeger +sterke en kloeke reuzen hadden gewoond, en dat ze veel gevaarlijke +en gewaagde avonturen hadden moeten beleven in deze geheimzinnige +streken. De oude lust om merkwaardige gebeurtenissen te beleven werd +bij hem wakker. + +"'t Zou best mogelijk wezen, dat ik 't zou missen, als ik niet elken +dag in levensgevaar was," dacht hij. "'t Is 't beste maar tevreden +te zijn met mijn leven, zooals 't nu is." + +Hij zei hiervan niets aan den ganzerik, want ze vlogen over Bohuslän +met de snelst mogelijke vaart, en de ganzerik hijgde zóó, dat hij +geen antwoord had kunnen geven. + +De zon stond aan den horizont, en verdween soms achter een of anderen +heuvel, maar de wilde ganzen joegen met zoo'n vaart, dat ze haar +telkens weer te zien kregen. + +Eindelijk zagen ze in 't westen een glanzende streep, die steeds +breeder werd bij elken vleugelslag. 't Was de zee, die melkwit en +met overgangen van rozerood tot hemelsblauw daar neerlag, en toen ze +voorbij de strandklippen zwaaiden, zagen ze de zon weer, die over 't +water hing, groot en rood, en gereed om in de golven onder te duiken. + +Maar toen de jongen de vrije, oneindige zee zag, en de roode avondzon, +die zoo zacht en vriendelijk scheen, dat hij er in kon zien, voelde +hij vrede en rust in zijn ziel komen. + +"'t Is verkeerd om bedroefd te zijn, Niels Holgersson," zei de zon. "De +wereld is heerlijk om in te leven voor groot en klein. 't Is ook iets +heel moois, vrij en zonder zorgen te zijn, en de heele wereld voor +je te hebben." + + + + +HET GESCHENK VAN DE WILDE GANZEN. + + +De wilde ganzen hadden zich neergezet op een kleine klip buiten de +Rotsbeek. Maar toen het tegen middernacht liep, en de maan hoog aan +den hemel stond, schudde Akka den slaap uit de oogen, en liep rond +om Yksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi te wekken. 't Laatst +stootte ze met den snavel Duimelot aan, zoodat hij wakker werd. + +"Wat is er, Moeder Akka?" vroeg hij, en sprong verschrikt op. + +"Er is niets gevaarlijks," antwoordde de leidstergans. "Wij, de +zeven ouden in den troep, wilden van nacht een eind over zee vliegen, +en zouden graag weten, of je lust hebt om meê te gaan." + +De jongen begreep wel, dat Akka zoo'n voorstel niet zou hebben gedaan, +als er niet iets gewichtigs te doen was, en hij ging dadelijk op +haar rug zitten. De vlucht ging recht naar het westen. De wilde +ganzen vlogen eerst over een streep groote en kleine eilanden, die +dicht bij de kust lagen, daarna over een breede streep open water +en bereikten toen de groote eilandengroep Väderöar, die 't verste +in zee ligt. Alle eilanden waren laag en rotsachtig, en in den +maneschijn leek het, alsof ze aan den westkant door de golven waren +gladgeslepen. Enkele waren heel groot, en daarop onderscheidde de +jongen een paar woningen. Akka zocht de kleinste klip uit, en streek +daar neer. Die bestond uit koolhoudenden grijzen steen, waarover in +'t midden een vrij breede spleet liep, waarin de zee fijn wit zeezand +en wat slakkenhuizen had geworpen. + +Toen de jongen van den rug van de gans gleed, zag hij dicht bij zich +iets, dat op een hoogen spitsen steen leek. Maar bijna op hetzelfde +oogenblik merkte hij, dat het een groote roofvogel was, die de klip +als nachtverblijf had uitgekozen. En nauwlijks had hij den tijd gehad +er zich over te verwonderen, dat de wilde ganzen zoo onvoorzichtig +waren neergestreken naast een gevaarlijken vijand, of de vogel kwam +met een langen sprong op hen toe, en hij herkende Gorgo, den arend. + +'t Bleek, dat Akka en Gorgo deze bijeenkomst hadden afgesproken. Geen +van beide was er verbaasd over den ander te zien. + +"Dat was flink van je, Gorgo, dat je al voor ons hier bent," zei +Akka. "Ben je hier al lang?" + +"Ik kwam hier vanavond," antwoordde Gorgo, "maar ik ben bang, dat +ik geen ander prijsje verdien, dan dat ik hier op tijd ben. 't Ging +verkeerd met de boodschap, die u me hebt opgedragen." + +"Ik geloof zeker, Gorgo, dat je meer hebt gedaan, dan je toonen +wilt," zei Akka. "Maar eer je vertelt, wat je op reis is gebeurd, +wou ik Duimelot verzoeken me te helpen om iets te onderzoeken, dat +hier op de klip moet verborgen zijn." + +De jongen had een paar mooie slakkenhuizen staan bekijken, maar toen +Akka zijn naam noemde, keek hij op. + +"Je was zeker wel verwonderd, Duimelot, omdat we van den rechten weg +afweken, en hier naar 't westen vlogen," zei Akka. + +"Ik vond het wel vreemd," antwoordde de jongen. "Maar ik wist immers +wel, dat u altijd een goede reden hebt voor wat u doet." + +"Je denkt goed over mij," zei Akka, "maar ik vrees, dat je dat nu +wel eens zou kunnen tegenvallen, want 't is best mogelijk, dat we +deze reis tevergeefs hebben gemaakt." + +"'t Gebeurde heel lang geleden," ging Akka voort, "dat ik met een +paar van de ouden in onzen troep, op onze lentereis door een storm +werd overvallen, en heel op deze klip geworpen. Toen we zagen, dat we +niets anders dan zee zonder kust voor ons hadden, vreesden we, zoo +ver weggedreven te worden, dat we nooit weer aan land zouden komen, +en gingen daarom op de golven liggen. De storm dwong ons verscheidene +dagen tusschen de kale klippen te blijven. We leden veel honger, +en eens liepen we hier deze kloof binnen om naar eten te zoeken. We +vonden geen enkel grassprietje, maar we zagen een paar zakken, die +goed dichtgebonden waren, en half in 't zand begraven. We hoopten, +dat er koren in de zakken zou zijn, en rukten en trokken er aan, +tot we het goed kapot gemaakt hadden, maar toen rolden er geen +zaadkorrels maar blinkende goudstukken uit. Zulke dingen konden wij, +wilde ganzen, niet gebruiken, en we lieten ze, waar ze waren. We hebben +in al die jaren niet aan die vondst gedacht, maar dezen herfst is er +iets gebeurd, dat maakt, dat we naar goud verlangen. We weten wel, +dat het niet waarschijnlijk is, dat de schat hier nog ligt; maar we +zijn toch hierheen gekomen, om je te vragen eens te onderzoeken, hoe +'t met de zaak gesteld is." + +De jongen sprong in de kloof, nam een mosselschelp in iedere hand, +en begon het zand op zij te schrappen. Hij vond geen zakken, maar toen +hij een vrij diep gat had gegraven, hoorde hij metaal klinken en zag, +dat hij een gouden munt had geraakt. Hij tastte met de handen over +den grond, voelde, dat daar veel ronde muntstukken lagen en haastte +zich naar Akka terug. "De zakken zijn vergaan en in stukken gevallen," +zei hij, "zoodat het geld in 't zand gestrooid ligt, maar ik geloof, +dat al het goud er nog is." + +"Dat is goed," zei Akka, "maak nu het gat weer dicht en strijk het +zand zoo glad, dat niemand kan zien dat er in gegraven is." + +De jongen deed wat hem was opgedragen, maar toen hij daarna weer op +de rots kwam, was hij niet weinig verwonderd, toen hij zag, dat Akka +voor de zes wilde ganzen was gaan staan, en dat alle hem heel plechtig +tegemoet kwamen. Toen ze voor hem bleven staan, bogen ze verscheidene +malen de halzen, en zagen er zoo gewichtig uit, dat hij onwillekeurig +de muts afnam, en voor hen boog. + +"De zaak is deze," zei Akka, "dat wij, die oud zijn, tegen elkaar +hebben gezegd, dat, als jij, Duimelot, bij menschen in dienst waart +geweest, en hun zooveel goed hadt gedaan als je ons deedt, dan zouden +ze zeker niet van je weggaan, zonder je een goede belooning te geven." + +"Niet ik heb u geholpen, maar u hebt mij beschermd," zei de jongen. + +"Wij vonden ook," ging Akka voort, "dat als een mensch die heele reis +met ons meêgemaakt had, zou die zeker niet even arm van ons weggaan, +als hij gekomen was." + +"Ik weet wel, dat wat ik dit jaar bij u geleerd heb, meer waard is +dan goed of goud," zei de jongen. + +"Nu die goudstukken na zooveel jaar nog in de kloof liggen, is het +wel zeker dat er geen eigenaar van bestaat," zei de leidstergans, +"en ik vind, dat jij ze wel nemen kunt." + +"Maar hadt u zelf den schat niet noodig?" vroeg de jongen. + +"Ja, wij hadden dien noodig, om je zoo'n belooning te kunnen geven, +dat je Vader en Moeder konden zien, dat je als ganzenhoeder bij een +ordentelijke familie hebt gediend." + +Nu keerde de jongen zich half om, wierp een blik over zee, en keek +toen Akka vlak in de glanzende oogen. "Ik vind het wel vreemd, Moeder +Akka, dat u me mijn ontslag geeft en mij mijn loon uitbetaalt, vóór +ik mijn dienst heb opgezegd," zei hij. + +"Zoolang als wij, wilde ganzen, in Zweden blijven, wil ik wel gelooven, +dat je bij ons blijft," zei Akka, en vervolgde: "Maar ik wilde je +graag wijzen, waar de schat was, nu we er bij konden komen, zonder +een al te grooten omweg te maken." + +"Het is toch, zooals ik zeg, dat u me weg wilt sturen, voor ik het zelf +verlang," zei Duimelot. "Na zoo'n goeden tijd, als wij samen hadden, +vind ik, dat het niet te veel was, als ik u vroeg om met u naar het +buitenland te mogen gaan." + +Toen de jongen dat zei, staken Akka en de andere wilde ganzen hun +lange halzen recht naar boven, en stonden een poos in de lucht te +kijken met half open snavels. + +"Dat is iets, waar ik niet aan heb gedacht," zei Akka, toen ze weer +tot bezinning was gekomen. "Maar vóór je besluit met ons meê te gaan, +is het 't beste, dat we luisteren naar wat Gorgo te vertellen heeft. Je +moet weten, dat hij naar je huis in Skaane zou gaan, om daar betere +voorwaarden voor je te bewerken." + +"Ja, dat is waar," zei Gorgo. "Maar, zooals ik u al zei, het is +me niet meegeloopen. Ik vond Niels Holgerssons hoeve gauw genoeg, +en toen ik een paar uur heen en weer had gevlogen over de plaats, +zag ik den kabouter, die tusschen de gebouwen kwam aansluipen. Ik +sloeg dadelijk op hem neer, en vloog met hem weg naar een akker, om +ongestoord met hem te kunnen praten. Ik zei, dat ik door Akka van +Kebnekaise was gezonden om hem te vragen, of hij Niels Holgersson +geen betere voorwaarden kon stellen. + +"Ik zou wel willen, dat ik het kon," antwoordde hij, "want ik heb +gehoord, dat hij zich goed heeft gehouden op de reis. Maar dat staat +niet in mijn macht." + +Toen werd ik boos, en zei, dat ik niet te goed was om zijn oogen uit +te pikken, als hij niet toegaf. + +"Je kunt met mij doen, wat je wilt," zei hij. "Met Niels Holgersson +blijft het toch, zooals het is. Maar je moet hem van mij groeten, +en zeggen, dat hij goed zou doen, met zijn ganzen thuis te komen, +want het gaat slecht hier op de hoeve. Holger Nielsson heeft een +borgstelling voor zijn broer moeten betalen, op wien hij zoo vast +vertrouwde. Een paard, dat hij heeft gekocht voor geleend geld, werd +kreupel, de eerste keer, dat hij er meê reed, en na dien tijd heeft +hij het niet meer kunnen gebruiken. Zeg Niels Holgersson, dat zijn +ouders al twee koeien hebben moeten verkoopen, en dat ze zeker van +de hoeve zullen moeten heengaan, als ze niet worden geholpen." + +Toen de jongen dat hoorde, fronste hij de wenkbrauwen, en balde de +vuisten, zoodat de knokkels wit werden. + +"'t Is wreed van den kabouter," zei hij, "dat hij me zulke voorwaarden +stelt, dat ik niet naar huis kan komen en mijn ouders helpen. Maar +'t zal hem toch niet lukken me tot den verrader van mijn vriend te +maken. Vader en Moeder zijn eerlijke menschen, en ik weet, dat ze +liever mijn hulp missen, dan dat ik thuiskom met een slecht geweten." + + + + + + +XXXIX. + +EEN GROOT LANDGOED. + + +DE OUDE EN DE JONGE HEER. + + +Voor een paar jaar geleden was er in een gemeente in Gothland een +onbeschrijfelijke goede en lieve onderwijzeres. Ze was bekwaam in het +onderwijzen, en kon goed orde houden; de kinderen hielden zóóveel van +haar, dat ze altijd hun lessen leerden, vóór ze op school kwamen. De +ouders waren ook zeer met haar ingenomen. Er was maar één, die niet +begreep hoe goed ze was, en dat was ze zelf. Ze vond, dat alle anderen +wijzer en knapper waren dan zij, en treurde er over, dat ze niet zoo +kon worden. + +Toen de onderwijzeres een jaar of wat in dienst was geweest, stelde +het hoofdbestuur voor, dat ze naar de slöjdschool te Nääs zou gaan, +zoodat ze de kinderen voortaan niet met het hoofd, maar ook met de +handen zou kunnen leeren werken. Niemand kan begrijpen hoe ze schrikte +van die uitnoodiging. + +Nääs lag in 't geheel niet ver van de school. Ze was dikwijls voorbij +dat mooie, statige gebouw geloopen, en ze had vaak den slöjdcursus +hooren roemen, die op dat groote landgoed werd gegeven. Onderwijzers +en onderwijzeressen uit het heele land kwamen daar bijeen, om te +leeren hun handen te gebruiken, ja, er kwamen zelfs menschen uit het +buitenland. Ze wist vooruit, hoe vreeselijk bang ze zich voelen zou +tusschen zooveel uitstekende menschen. Ze vond, dat het meer was, +dan ze zou kunnen uithouden. + +Maar ze wilde ook het aanbod van het schoolbestuur niet weigeren, +en zond haar aanvrage om plaats in. + +Ze werd als leerling aangenomen, en op een mooien Juni-avond, den +dag vóór het begin van de zomercursussen, pakte ze haar kleeren in +een klein zakje, en wandelde naar Nääs. En hoe vaak ze ook stilstond +onderweg--en zichzelf mijlen ver wenschte, eindelijk kwam ze daar +toch aan. + +Op Nääs was er veel leven en beweging onder de deelnemers aan de +cursussen. Ze kwamen van verschillende kanten, en nu zouden hun kamers +worden aangewezen in villa's en hutjes, die bij het groote landgoed +hoorden. Allen voelden zich wat vreemd in die ongewone omgeving, +maar de onderwijzeres vond, zooals gewoonlijk, dat niemand zoo raar en +onhandig deed als zij. Ze had zich zoo overstuur gemaakt, dat ze niets +meer hoorde of zag. Ze moest ook al heel wat moeilijks doormaken. Haar +werd een kamer in een mooie villa aangewezen, die ze moest deelen met +een paar jonge meisjes, die ze in 't geheel niet kende, en ze moest +het avondeten gebruiken met zeventien vreemde menschen. Aan haar eene +zij zat een klein heertje met een geelachtige huid, die uit Japan kwam, +en aan den anderen kant een onderwijzer uit Jockmock. En er was gepraat +en gelach geweest om heel de lange tafel heen van 't eerste oogenblik +af. Allen hadden samen gesproken en kennis gemaakt. Zij was de eenige, +die niets had durven zeggen. + +Den volgenden morgen begon het werk. Hier, zoo als in een gewone +school, was de dag begonnen met gebed en gezang; toen had de directeur +van de school wat over slöjd gesproken en een paar korte orders +gegeven, en toen, zonder dat ze goed wist, hoe het was toegegaan, +stond ze op eens voor een schaafbank met een stuk hout in de eene, +en een mes in de andere hand, en een oude slöjdleeraar probeerde haar +te wijzen, hoe ze een bloemstokje moest snijden. + +Zulk werk had ze nog nooit geprobeerd. Ze was er niet handig meê. En +zoo verlegen als ze was, kon ze er niets van begrijpen. Toen de leeraar +was heengegaan, legde ze 't mes en 't hout neer op de schaafbank, +en stond recht voor zich uit te staren. + +In de rondte in de kamer stonden schaafbanken, en bij allen zag ze +menschen staan, die met frisschen moed aan 't werk begonnen. Een paar +van hen, die al wat in de kunst waren ingewijd, kwamen bij haar, en +wilden haar terecht helpen. Maar ze kon geen aanwijzing aannemen. Ze +stond er aan te denken, dat allen om haar heen opmerkten, hoe verkeerd +ze deed, en dat maakte haar zoo ongelukkig, dat ze als verlamd was. + +'t Koffieuurtje kwam, en na de koffie kwam er nieuw werk. De +directeur hield een voordracht, toen volgde gymnastische oefeningen, +en toen begon weer het slöjdonderwijs. Daarop kwam de middagrust, +met middagmaal en koffie in de groote vroolijke vergaderzaal, en +dan in den namiddag weer slöjd, zang en eindelijk spelen in de open +lucht. De onderwijzeres was den heelen dag in beweging, ging met de +anderen mee, maar voelde zich aldoor even wanhopend. Als ze later +terugdacht aan de eerste dagen, die ze in Nääs had doorgebracht, +was het haar, alsof ze in den mist had geloopen. Alles was donker en +gesluierd geweest, en ze had in 't geheel niets gezien of begrepen, +van wat er om haar heen gebeurde. Dit had twee dagen geduurd, maar den +tweeden dag 's avonds, was het plotseling licht om haar heen geworden. + +Toen ze 't avondeten gebruikt hadden, had een oude volksonderwijzer, +die al meermalen op Nääs was geweest aan een paar nieuwelingen +verteld, hoe de slöjdschool was ontstaan, en doordat ze dicht bij +hem had gezeten, had ze gehoord, wat hij zei. + +Hij had er over gesproken, dat Nääs een heel oud landgoed was, maar +meer dan een groot, mooi buiten was het niet geweest, vóór de oude +heer, die 't nu bewoonde, er was komen wonen. Hij was een rijk man, +en de eerste jaren, nadat hij er zich gevestigd had, gebruikte hij, +om het kasteel en 't park mooier te maken, en de woningen van de +ondergeschikten daar te verbeteren. Maar toen was zijn vrouw gestorven, +en doordat hij geen kinderen had, voelde hij zich vaak alleen op de +groote hoeve. Hij haalde dus een jongen neef, waar hij heel veel van +hield, over om bij hem te Nääs te komen wonen. + +Eerst was het de bedoeling, dat de jonge man zou helpen bij het +besturen van 't landgoed, maar toen hij zich met dat doel bewoog +tusschen de ondergeschikten, en zag hoe er geleefd werd in de hutten +der armen, kwam hij op wonderlijke gedachten. Hij had opgemerkt, +dat op de meeste plaatsen noch de knechts, noch de kinderen, en +vaak ook de vrouwen niet met handenarbeid bezig waren op de lange +winteravonden. Vroeger hadden de menschen hun handen vlijtig moeten +gebruiken om hun kleeren en huisraad te maken, maar nu kon men dat +alles koopen, en dus hadden ze met dat soort werk opgehouden. En nu +meende de jonge man te begrijpen, dat uit de huizen, waar aan zulk +soort huiswerk niet werd gedaan, ook de gezelligheid en de welvaart +was verdwenen. + +Nu en dan vond hij een huis, waar Vader stoelen en tafels maakte, en +Moeder weefde, en daar was het gemakkelijk te zien, dat de menschen +er welvarender en ook gelukkiger waren dan op andere plaatsen. + +Hij had hier met zijn oom over gesproken, en de oude heer had ingezien, +dat het een groot geluk zou wezen, als de menschen zich in hun leege +uren aan handenwerk konden wijden. Maar voor het zoover kon komen, was +het een eerste vereischte, dat ze al van hun kindsheid af hun handen +hadden leeren gebruiken. De beide mannen vonden, dat ze die zaak niet +beter konden bevorderen dan door een slöjdschool voor kinderen op te +richten. Ze wilden hun leeren eenvoudige dingen van hout te maken, +omdat ze meenden, dat zulk werk voor iedereen 't meest voor de hand +lag. Ze waren er zeker van, dat iedereen, die zijn handen had geoefend +om het mes te gebruiken, ook later gemakkelijker den smidshamer of +het werktuig van den schoenmaker zou hanteeren. Maar hij, die zijn +handen niet aan 't werk gewende, terwijl hij jong was, zou misschien +nooit ontdekken, dat hij in zijn handen een werktuig bezat, dat alle +anderen te boven ging. + +Ze waren dus begonnen de kinderen in handenwerk te oefenen op Nääs, +en ze hadden al gauw gevonden, dat dit zoo goed en nuttig voor de +kleintjes was, dat ze wenschten, dat alle kinderen in Zweden zulk +onderwijs konden krijgen. + +Maar hoe zou dat mogelijk zijn? Er waren honderdduizenden kinderen +in Zweden. Die kon men toch niet allemaal op Nääs bij elkaar halen +om ze slöjdles te geven. Dat was immers onmogelijk! + +Toen was de jonge man met een nieuw voorstel gekomen. Stel je voor, +dat ze in plaats van de kinderen te onderwijzen een slöjdschool voor +onderwijzers oprichtten! Als nu eens onderwijzers en onderwijzeressen +van 't heele land naar Nääs kwamen en slöjd leerden, en dan weer +slöjdles gaven aan alle kinderen in hun school! + +Op die manier zouden misschien alle kinderen in Zweden hun handen +evengoed kunnen ontwikkelen als hun hersens. Toen ze eenmaal door die +gedachten sterk waren aangegrepen, konden ze die niet meer loslaten, +maar trachtten ze uit te voeren. + +De beide mannen hielpen elkaar trouw. De oude heer bouwde slöjdzalen, +een vergaderlokaal, een gymnastiekzaal, en zorgde, dat zij, die +naar de school kwamen, kost en inwoning konden vinden. De jonge +man werd directeur van de slöjdschool. Hij regelde het onderwijs, +controleerde het werk, en hield voordrachten. En meer dan dat, hij +leefde voortdurend met de leerlingen meê, onderzocht hoe ieder van +hen het had, en werd hun warmste en trouwste vriend. + +En wat een toeloop van leerlingen kwam er al dadelijk bij het begin! Er +werden ieder jaar vier cursussen gehouden, en voor alle meldden zich +meer leerlingen aan, dan er geplaatst konden worden. De school was ook +in het buitenland bekend geworden, en onderwijzers en onderwijzeressen +uit alle landen der wereld kwamen naar Nääs om te leeren, hoe ze +de ontwikkeling der handen konden bevorderen. Er was geen plaats in +Zweden, zóó bekend over de heele wereld als Nääs, en geen Zweed had +zooveel vrienden overal, als de directeur van de slöjdschool te Nääs. + +De jonge onderwijzeres zat hiernaar te luisteren, en hoe meer ze +hoorde, hoe lichter 't om haar heen werd. Ze had eerst niet begrepen, +waarom de slöjdschool op Nääs was. Ze had er niet over gedacht, +dat die was opgericht door twee mannen, die hun volk goed wilden +doen. Ze had heelemaal niet begrepen, dat ze dat deden zonder iets +te verdienen, dat ze alles opofferden, wat ze maar konden om menschen +beter en gelukkiger te maken. + +Toen ze nu aan de groote welwillendheid en menschenliefde dacht, die +achter dit alles lag, maakte dat zoo'n sterken indruk op haar, dat +ze wel had willen schreien. Aan zooiets had ze nog nooit meêgewerkt. + +Den volgenden dag begon ze aan 't werk met een heel ander gevoel. Nu +haar alles uit welwillendheid werd aangeboden, moest ze het beter dan +tot nu toe waardeeren. Ze hield op aan zichzelf te denken, ze dacht +alleen aan 't slöjd, en aan het groote doel, wat daarmeê bereikt +moest worden. + +En van dat oogenblik ging alles uitstekend, want ze kon uitstekend +leeren, als ze maar niet aan zichzelf twijfelde. Nu haar oogen van +de duisternis waren bevrijd, merkte ze overal die groote, wonderbare +welwillendheid. Nu zag ze hoe liefderijk alles was ingericht voor hen, +die de school bezochten. De deelnemers aan den cursus ontvingen veel +meer dan onderwijs in handenarbeid. De directeur hield voordrachten +over opvoeding; ze deden gymnastiek, vormden een zangvereeniging, en +bijna elken avond waren er samenkomsten met muziek en voordrachten. En +ook waren er boeken, booten, een piano en een badhuis te hunner +beschikking. De bedoeling was, dat ze het goed zouden hebben en +gelukkig zijn. + +Zij begon te begrijpen welk een onschatbaar voorrecht het was in de +mooie zomerdagen op een groot Zweedsch landgoed te mogen zijn. Het +kasteel, waar de oude heer woonde, lag hoog op een heuvel, bijna +geheel omsloten door een lang, kronkelend meer, en was met het land +verbonden door een mooie steenen brug. Ze had nog nooit zoo iets +moois gezien als de bloemengroepen op de terrassen voor het kasteel, +als de oude eiken in 't park, als de wegen langs de oevers van 't +meer, waar de boomen over 't water hingen, of als 't paviljoen op de +rots boven aan het meer. De schoolgebouwen lagen op het vaste land, +vlak over het kasteel, op groene, beschaduwde velden, maar ze mocht +vrij door 't park zwerven, als ze tijd en lust had. Ze vond, dat ze +nog nooit geweten had, hoe heerlijk de zomer was, vóór ze dien had +mogen genieten op zoo'n mooie plaats. + +'t Was niet zoo, dat er een groote verandering met haar +gebeurde. Ze werd niet moedig of zelfbewust, maar ze voelde zich +blij en gelukkig. Ze voelde zich door en door verwarmd door al +die welwillendheid. Ze kon zich nu niet meer bang voelen op een +plaats, waar allen haar 't beste gunden, en allen trachtten haar te +helpen. Toen de cursus was afgeloopen en de leerlingen Nääs verlieten, +was ze een beetje jaloersch op hen, die de beide heeren hartelijk +konden bedanken, en hun met mooie woorden konden zeggen wat ze +voelden. Zoo ver zou ze nooit komen! + +Ze keerde naar huis terug, begon met haar schoolwerk als vroeger, en +was er even opgewekt onder als altijd. Ze woonde zoo dicht bij Nääs, +dat ze er heen kon wandelen, als ze een middag vrij had, en dat deed +ze ook heel vaak in 't begin. Maar er kwamen telkens nieuwe cursussen, +nieuwe gezichten, en haar oude verlegenheid kwam terug. Ze werd meer +en meer een zeldzame gast op de school. Maar de tijd, dien ze zelf +op Nääs had doorgebracht, stond steeds voor haar geest, als de beste, +dien ze ooit had beleefd. + +Op een lentedag hoorde ze, dat de oude heer op Nääs overleden was. Toen +dacht ze aan dien heerlijken zomer, dien ze op zijn landgoed had +genoten, en ze werd er bedroefd over, dat ze hem nooit voldoende had +bedankt. Hij zou wel dankbaarheid genoeg hebben ontvangen van hoog en +laag, maar ze zou zich gelukkiger hebben gevoeld, als zij ook met een +paar woorden hem had kunnen zeggen, hoe veel hij voor haar had gedaan. + +Op Nääs ging het onderwijs op dezelfde manier voort na den dood van +den ouden heer. Hij had namelijk zijn heele landgoed aan de school +gegeven, en zijn neef bleef aan het hoofd, en bestuurde alles. + +Telkens, als de onderwijzeres er kwam, zag ze wat nieuws. Nu waren +het niet alleen slöjdcursussen, die er gegeven werden, maar de +directeur wilde ook de oude zeden en genoegens weer opwekken, en +daarom richtte hij cursussen in zangspelen op en allerlei ander soort +spelen. Maar dit was er toch 't zelfde gebleven, dat de menschen er +zich verwarmd voelden door welwillendheid, en voelden hoe alles zóó +in orde gemaakt en geleid werd, dat allen gelukkiger zouden zijn, +en niet alleen kennis, maar ook vreugde in hun werk zouden meênemen, +als ze terugkwamen bij de schoolkindertjes in 't heele land. + +Maar enkele jaren na den dood van den ouden heer hoorde de +onderwijzeres op een Zondag bij de kerk, dat de directeur op Nääs +ziek was. Ze wist, dat hij den laatsten tijd meermalen een aanval van +hartziekte had gehad, maar ze had niet gedacht, dat er levensgevaar +was. Maar nu meende men, dat dit het geval was. + +Van het oogenblik af, dat ze dat hoorde, dacht ze aan niets anders, +dan dat de directeur misschien zou sterven--hij even als de oude +heer, zonder dat ze er toe had kunnen komen hem te danken. En ze +liep er steeds over te peinzen hoe ze doen moest, om hem nog met haar +dankbaarheid te bereiken. + +Op dien Zondagmiddag ging de onderwijzeres rond bij de buren, +en vroeg hun of hun kinderen met haar meê mochten naar Nääs. Ze +had gehoord, dat de directeur ziek was, en ze dacht, dat het hem +misschien plezier zou doen, als de kinderen een paar liedjes voor hem +zongen. 't Was nu wel al wat laat op den dag, maar 't was zoo'n mooie, +heldere maneschijn in dezen tijd, dat het niet moeilijk zou zijn te +wandelen. De onderwijzeres had een gevoel, dat ze juist dezen avond +naar Nääs moest. Ze was er bang voor, dat het den volgenden dag te +laat zou kunnen zijn. + + + +De wilde ganzen hadden Bohuslän verlaten, en stonden te slapen in een +moeras in 't westen van West-Gothland. De kleine Niels Holgersson was +op den kant van een landweg gekropen, die dwars door het moeras liep, +om uit de vochtigheid te zijn. Hij wilde zich juist een slaapplaats +uitzoeken, toen hij een troepje menschen langs den weg zag aankomen. 't +Was een jonge onderwijzeres met twaalf of dertien kinderen om zich +heen. Ze kwamen in een dichte massa op elkaar gedrongen, met de +onderwijzeres in 't midden. Ze praatten zoo vroolijk en vertrouwelijk, +dat de jongen lust kreeg een eindje mee te gaan, en te hooren wat ze +tegen elkaar zeiden. + +Dat kon hij gemakkelijk doen, want als hij in de schaduw aan den kant +van den weg liep, was het bijna onmogelijk, dat iemand hem zag. En +waar vijftien menschen liepen, was 't zoo'n geraas van voetstappen, +dat niemand kon hooren hoe 't grint onder zijn klompjes knarste. + +Om de kinderen moedig te houden onder de lange wandeling, begon de +onderwijzeres hun oude sagen te vertellen. + +Onder 't vertellen waren ze snel doorgeloopen, en toen 't laatste +verhaal uit was, waren ze bijna bij 't oude landgoed. Ze zagen de +groote bijgebouwen al in de schaduw van mooie boomen liggen. En eer +ze die voorbij waren, schemerde het kasteel al door de boomtoppen +hoog op het terras. + +Tot nu toe was ze met haar voornemen ingenomen geweest, en had niet +geaarzeld, maar nu ze het huis zag, begaf haar plotseling de moed. + +Als 't nu eens heelemaal verkeerd was, wat ze doen wou! Er was zeker +niemand, die zich om haar dankbaarheid bekommerde. Misschien zouden +ze haar maar uitlachen, omdat ze daar in den laten avond met haar +schoolkinderen aankwam. Ze zouden met elkaar toch niet zoo mooi kunnen +zingen, dat iemand er wat om gaf. + +Ze begon langzamer te loopen. Ze vond, dat alles er zoo deftig en +voornaam uitzag, dat zij daar eigenlijk niets te maken had. Toen +herinnerde ze zich, dat het heele groote kasteel nu voor schoolgebouw +was ingericht. En dat maakte haar moediger. Hier, waar zoo'n groot +geschenk aan een school gegeven was, moesten ze toch school-onderwijs +op prijs stellen. Juist hier moest ze zich niet verlegen voelen. + +Maar toen ze zoover gekomen was, dat ze de villa van den directeur zag, +bleef ze staan. + +"Ja kinders, ik geloof, dat we niet verder moeten gaan," zei ze. "Ik +heb daar nog niet aan gedacht, maar misschien is de directeur wel +zóó gevaarlijk ziek, dat we hem hinderen met ons gezang. 't Zou toch +vreeselijk zijn, als we hem erger maakten." + +Niels Holgersson was aldoor met de kinderen meêgeloopen, en had alles +gehoord wat de onderwijzeres had gezegd. Hij wist dus, dat ze waren +uitgegaan om voor iemand te zingen, die in die villa daar ziek lag, +en hij begreep nu, dat er niets van dat gezang zou komen, omdat ze +bang waren den zieke te verontrusten en te storen. + +"Wat jammer, dat ze heengaan zonder te zingen," dacht hij. "'t Zou +immers een kleinigheid zijn even te gaan vragen, of hij daarbinnen +het zou kunnen verdragen. Waarom gaat er niemand naar de villa om +dat te vragen?" + +Maar daar scheen de onderwijzeres niet aan te denken. Ze keerde om, +en liep langzaam terug. De schoolkinderen maakten tegenwerpingen, +maar zij wilde niet toegeven. + +Toen dacht Niels Holgersson, dat hij wel mocht onderzoeken of de +zieke te zwak was om naar 't zingen te luisteren, en hij liep op het +huis toe. + +Er stond een rijtuig voor 't huis, en een oude koetsier stond bij de +paarden te wachten. Pas was de jongen bij den ingang, of de deur ging +open, en een meisje met een blaadje kwam uit het huis. + +"Je moet nog even op den dokter wachten, Larsson," zei ze. "Mevrouw +stuurt je wat warms." + +"Hoe gaat het met Mijnheer?" vroeg de koetsier. + +"Hij lijdt nu niet meer, maar 't is of 't hart stil staat. Mijnheer +ligt al een uur onbewegelijk. We weten nauwelijks of hij dood of +levend is." + +"Zegt de dokter dat het afloopen zal?" + +"'t Gaat op en neer, Larsson, op en neer. 't Is alsof Mijnheer ligt +te wachten, tot hij geroepen wordt. Als van boven 't bevel komt om +heen te gaan, is hij bereid." + +Niels Holgersson liep zoo hard hij kon, om de onderwijzeres en +de kinderen in te halen. Hij dacht er aan hoe 't was, toen zijn +grootvader stierf. Die was zeeman geweest, en toen hij sterven zou, +had hij gevraagd of ze 't venster wilde openzetten, opdat hij nog +eens den wind zou hooren suizen. + +En als nu deze man, die zoo ziek was, eens verlangde de jeugd om zich +heen te hebben, en hun zang en spel te hooren. + +Aarzelend ging de onderwijzeres door de groote laan. Nu ze heenging +zou ze willen omkeeren, en toen ze kwam, had ze ook willen omkeeren. + +Ze was heel angstig, en wist niet wat ze moest doen. Ze sprak niet +meer met de kinderen, maar liep zwijgend voort. Er was zoo'n donkere +schaduw in de laan, dat ze niets kon zien. Maar 't was, alsof ze +een massa stemmen om zich heen hoorde. 't Was een angstig roepen van +verschillende kanten, dat tot hier doordrong: + +"Wij zijn zoo ver weg," zeiden de stemmen. "Maar jij ben dicht bij. Ga +toch, en zing wat we allen voelen!" + +En ze herinnerde zich den een na den anderen, die de directeur had +geholpen, en met zorg omringd. 't Was bovenmenschelijk, zooals hij +zich had ingespannen om te helpen wie in nood waren. + +"Ga toch en zing voor hem," werd er om haar heen gefluisterd. "Laat +hem niet sterven, zonder een groet van zijn school. Denk er niet aan of +je klein en onbeduidend ben. Denk aan allen, die achter je staan. Laat +hem voelen, eer hij van ons heengaat, hoe nog allen hem liefhebben." + +De onderwijzeres liep àl langzamer. Toen hoorde ze iets, dat niet +alleen stemmen en klanken in haar eigen ziel was, maar wat van de +wereld om haar heen kwam. 't Was als 't tjilpen van een vogel of +'t geluid van een sprinkhaan. Maar ze hoorde heel duidelijk roepen, +dat ze omkeeren moest. + +En meer was er niet noodig om haar moed te geven het te doen. + +De onderwijzeres en de kinderen hadden een paar liederen gezongen +voor het venster van den zieke. Ze vond zelf, dat hun gezang zoo +wonderlijk mooi had geklonken. 't Was alsof vreemde stemmen meê +gezongen hadden. De ruimte was vol sluimerende klanken en geluiden +geweest. Ze hadden maar den toon aan te geven, en allen waren wakker +geworden en hadden meêgeklonken. + +Toen werd snel de voordeur opengedaan, en iemand liep hard naar buiten. + +"Nu komen ze me zeggen, dat ik moet uitscheiden met mijn gezang," +dacht de onderwijzeres. "Als ik er maar geen kwaad meê heb gedaan!" + +Maar 't was niet zoo. 't Was een boodschap, dat ze binnen moest komen +om uit te rusten, en dan nog een paar liederen zingen. + +Op de stoep kwam de dokter haar tegemoet. + +"'t Gevaar is voorbij voor dezen keer," zei hij. "Hij lag bewusteloos +en 't hart klopte steeds zwakker. Maar toen u begon te zingen, was het, +alsof hij een roepen hoorde van allen, die hem noodig hebben. Hij +voelde, dat het voor hem nog geen tijd was om te rusten. Zing meer +voor hem. Zing! en wees blij, want ik geloof, dat uw zingen hem tot +'t leven heeft terug geroepen. Nu mogen we hem misschien nog een paar +jaar behouden." + + + + + + +XL. + +DE REIS NAAR VEMMENHÖG. + + +Op een dag, in 't begin van November, vlogen de wilde ganzen om +Hallandsaas Skaane binnen. Ze hadden zich eenige weken opgehouden +op de wijde vlakte om Falköping heen, en daar waren verscheidene +andere groote troepen wilde ganzen gekomen. Zoodoende hadden ze er +een prettigen tijd gehad, met veel gesprekken met de oude vogels, +en allerlei wedstrijden en spelen van de jongen onderling. + +Wat Niels Holgersson betreft, hij was niet zoo ingenomen geweest met +dat lange dralen in West-Gothland. Hij probeerde den moed erin te +houden, maar hij had moeite zich met zijn lot te verzoenen. + +"Als ik nu Skaane maar achter me had, en in 't buitenland was," +dacht hij, "dan wist ik, dat ik niets meer te hopen had, en zou ik +wel kalmer worden." + +Toen braken de wilde ganzen eindelijk op, en vlogen in de richting +van Halland. En dien heelen dag vloog Akka met haar troepje heen en +weer over Skaane. Tegen den avond streek ze neer in een moeras in de +gemeente Vemmenhög. + +De jongen kon niet laten te gelooven, dat ze dien dag haar weg zoo +genomen had, om hem te laten zien, dat zijn land zich wel meten kon +met alle andere landen in de wereld. Maar dat had ze niet hoeven +te doen. De jongen dacht er niet aan, of zijn land welvarend of arm +was. Van het oogenblik af, dat hij de eerste wilgen om de weiden, en +'t eerste lage houten huisje had gezien, deed er iets in zijn hart +pijn van verlangen. + + + +'t Was een paar dagen later. 't Was stil en mistig weer. De wilde +ganzen hadden op de groote akkers om de kerk van Skurup gegraasd, en +hielden staande hun middagslaapje, toen Akka naar den jongen toekwam. + +"'t Schijnt wel, of we nu stil weer zullen krijgen," zei ze, "en ik +denk, dat we morgen over de Oostzee zullen vliegen." + +"Zoo," zei de jongen kortaf, want de keel snoerde hem samen, zoodat +hij niet spreken kon. Hij had toch nog gehoopt, dat hij uit zijn +betoovering zou verlost worden, terwijl hij op Skaane was. + +"We zijn wel vrij dicht bij West Vemmenhög nu," zei Akka, "en ik dacht, +dat je misschien een poosje naar huis zoudt willen gaan. Misschien +duurt het lang, eer je je familie weerziet." + +"'t Is misschien beter, dat ik het niet doe," zei de jongen, maar +aan zijn stem was het te hooren, dat hij er erg veel lust in had. + +"Als de ganzerik bij ons blijft, kan er immers geen ongeluk gebeuren," +zei Akka. "Me dunkt je moest eens gaan zien hoe je ouders het +hebben. Misschien kun je hen toch op de een of andere manier helpen, +al wordt je ook geen mensch." + +"Ja, daar hebt u gelijk aan, Moeder Akka. Daar had ik eerder aan +moeten denken," zei de jongen levendig. + +Een oogenblik later waren hij en de leidstergans op weg naar Holger +Nielssons huis, en 't duurde niet lang of Akka streek neer achter +'t steenen walletje, dat om de kleine boerderij liep. + +"'t Is wonderlijk zooals alles 't zelfde is gebleven," zei de jongen, +en klom gauw tegen 't walletje op om rond te kunnen zien. "'t Is +net, alsof het geen dag geleden is, dat ik hier zat, en u zag komen +aanvliegen boven in de lucht." + +"Ik zou wel eens willen weten of je vader een geweer heeft," zei +Akka plotseling. + +"Ja, dat heeft hij," zei de jongen. "'t Was juist om dat geweer, dat +ik thuis bleef, in plaats van dien Zondagochtend naar de kerk te gaan." + +"Dan durf ik niet hier op je blijven wachten," zei Akka. "'t Is 't +beste, dat je ons morgen vroeg bij Smygehuk ontmoet, dan kun je den +nacht over thuisblijven." + +"Neen, gaat u nu nog niet weg, Moeder Akka," zei de jongen, en sprong +haastig van den wal naar beneden. Hij wist niet hoe het kwam, maar +hij kreeg een gevoel, dat er òf de wilde ganzen, òf hemzelf iets zou +overkomen, zoodat ze elkaar nooit meer zouden ontmoeten. + +"U ziet wel, dat ik bedroefd ben, omdat ik niet meer een mensch kan +worden," ging hij voort. "Maar ik wil u dit toch zeggen, dat ik er +geen berouw van heb, dat ik in 't voorjaar met u meêging. Neen, ik +wil liever nooit meer een mensch worden, dan dat ik die reis niet +zou hebben gemaakt." + +Akka haalde een paar keer diep adem, voor ze antwoordde. + +"Er is iets, waar ik vroeger met je over had willen spreken, maar +omdat je niet naar je familie zoudt teruggaan, vond ik, dat het geen +haast had. Maar 't kan toch geen kwaad het te zeggen." + +"U weet wel, dat ik graag wat voor u doen wil," zei de jongen. + +"Als je wat goeds bij ons hebt geleerd, Duimelot, vind je misschien +niet, dat de menschen alleen recht hebben om op de wereld te zijn," +zei de leidstergans heel ernstig. "Denk er aan, dat jelui een groot +land hebt, en dat je dus wel een paar kale klippen, een paar ondiepe +meren, drassige moeraslanden, of een paar eenzame rotsen en afgelegen +wouden te missen hebt voor ons, arme dieren, waar we met rust worden +gelaten! Mijn leven lang ben ik gejaagd en vervolgd. 't Zou goed zijn +te weten, dat er ergens een vrijplaats was, ook voor iemand als ik." + +"Ik zou blij geweest zijn, als ik u daarmeê had kunnen helpen," zei de +jongen, "maar ik zal wel nooit veel macht onder de menschen krijgen." + +"Neen maar... we staan hier te praten, alsof we elkaar nooit meer +zullen zien," zei Akka, "en we zullen toch morgen weer bij elkaar +zijn. Nu moet ik naar de anderen terug." + +Ze sloeg de vleugels uit, maar ze kwam weer terug, streek met +den snavel een paar keer op en neer langs Duimelot, en vloog toen +eindelijk weg. + +'t Was helder dag, maar niemand was te zien op de hoeve, en de jongen +kon gaan, waar hij wilde. Hij liep gauw naar den koestal, want hij +wist, dat hij van de koeien 't beste de waarheid zou hooren. 't Zag +er droevig uit in den stal. Dit voorjaar hadden er drie prachtige +koeien gestaan; nu stond er nog maar één. 't Was Meiroos, en men kon +merken, dat ze naar haar kameraden verlangde. Ze liet den kop hangen, +en had nauwelijks het voer aangeroerd, dat voor haar lag. + +"Dag Meiroos!" riep de jongen, en sprong zonder angst bij haar in +den stal. "Hoe gaat het met Vader en Moeder? Hoe maken het de kat, +de ganzen en de kippen, en waar heb je Sterretje en Goudlelie gelaten?" + +Toen Meiroos de stem van den jongen hoorde, schrikte ze, en het +was alsof ze van plan was hem te stooten; maar ze was nu niet meer +zoo heftig als vroeger: ze nam den tijd Niels Holgersson eens goed +aan te kijken, eer ze toestootte. Hij was even klein als toen hij +heenging, en hij was precies zoo gekleed, maar hij was toch heelemaal +veranderd. De Niels Holgersson, die was heengegaan in 't voorjaar, +liep zwaar en langzaam, en zag er slaperig uit, maar hij, die daar +stond, was vlug en behendig, sprak verstandig, en had oogen, die +vlamden en straalden. Hij had zoo'n flinke houding, dat men respect +voor hem hebben moest, zoo klein als hij was, en hoewel hij zelf er +niet opgewekt uitzag, werd men blij alleen door hem te zien. + +"Boe!" loeide Meiroos. "Ze zeiden, dat hij veranderd was, maar ik kon +het niet gelooven. Welkom thuis, Niels Holgersson, welkom thuis! Dit +is een van de prettigste oogenblikken, die ik in lang heb gehad." + +"Dank je wel, Meiroos," zei de jongen, en was zoo blij, dat hij zoo +goed ontvangen werd. "Vertel me nu hoe 't met Vader en Moeder gaat." + +"Ze hebben niet anders dan zorgen gehad, van 't oogenblik af, dat je +wegging," zei Meiroos. "'t Allerergste is 't met dat dure paard, dat +den heelen zomer heeft staan eten. Je Vader wil hem niet doodschieten, +en hij kon hem niet verkoopen. 't Is om dat paard, dat Sterretje en +Goudlelie hier allebei vandaan moesten." + +Dat was eigenlijk wat anders dan wat de jongen wilde weten, maar hij +was te verlegen om 't ronduit te vragen. Daarom zei hij: + +"Moeder vond het zeker heel vervelend, toen ze zag, dat Maarten, +de ganzerik was weggevlogen." + +"Ik geloof niet, dat ze zoo erg om den ganzerik zou hebben getreurd, +als ze had geweten, hoe het was gegaan, toen hij wegvloog. Nu klaagt +ze er 't meest over, dat het haar eigen zoon was, die met den ganzerik +wegliep." + +"Zoo! Gelooft ze, dat ik hem gestolen heb?" zei de jongen. + +"Ja, wat moest ze anders denken?" + +"Vader en Moeder verbeelden zich zeker, dat ik dezen zomer als een +landlooper heb rondgezworven." + +"Ze denken, dat het niet goed met je is," zei Meiroos, "en ze hebben +over je getreurd, zooals men doet, als het liefste wat men heeft, +verloren gaat." + +De jongen liep snel uit den koestal weg, toen hij dat hoorde en ging +naar den paardenstal. Die was klein, maar gezellig en mooi. 't Was +aan alles te zien, dat Holger Nielsson het zoo had willen maken, +dat de nieuweling goed tieren zou. Daar stond een groot, mooi paard, +glanzend van welvaren. + +"Goeiendag," zei de jongen. "Ik heb gehoord, dat hier een ziek paard +moet zijn. Dat kun jij toch niet wezen. Je ziet er best en welvarend +uit." + +'t Paard keerde den kop om, en zag den jongen oplettend aan. + +"Ben jij de zoon des huizes?" vroeg hij. "Ik heb veel kwaad van hem +gehoord. Maar jij hebt zoo'n goed gezicht, dat ik niet zou gelooven, +dat jij 't zijn kon, als ik niet had gehoord, dat hij in een dwerg +was veranderd." + +"Ik weet wel, dat ik geen goeden naam heb hier op de hoeve," zei +Niels Holgersson. "Mijn eigen moeder gelooft, dat ik wegliep als +een dief. Maar dat doet er niet toe, want ik zal hier niet lang +blijven. Voor ik weer heenga, zou ik toch graag weten, wat je scheelt." + +"Jammer, dat je niet hier blijft," zei het paard, "want ik voel, dat +we goede vrienden zouden worden. Mij scheelt niet anders, dan dat ik +iets in mijn poot heb gekregen, een mespunt, of zooiets. 't Zit zoo +goed verstopt, dat de dokter het niet kan vinden, maar het steekt, en +ik heb zoo'n pijn, dat ik niet loopen kan. Als je aan Holger Nielsson +zoudt willen zeggen wat me scheelt, geloof ik, dat hij me gemakkelijk +zou kunnen helpen. Ik zou me graag nuttig willen maken. Ik schaam me er +genoeg over, dat ik hier maar sta te eten, zonder iets uit te voeren." + +"'t Is goed, dat je geen ziekte hebt," zei Niels Holgersson. "Ik zal +probeeren te zorgen, dat je geholpen wordt. Ik mag zeker wel met mijn +mes wat op je hoef krassen?" + +Niels Holgersson was juist klaar met het paard, toen hij stemmen op +de hoeve hoorde. Hij zette de staldeur wat op een kier, en keek naar +buiten. 't Waren Vader en Moeder, die van den weg kwamen, en naar +het huis gingen. + +'t Was duidelijk, dat ze door zorgen waren gedrukt. Moeder had veel +meer rimpels in 't gezicht dan vroeger, en Vaders haar was grijs +geworden. Moeder liep er met Vader over te spreken, dat hij moest +probeeren, of haar zwager hem niet wat geld kon leenen. + +"Neen, ik wil geen geld meer leenen," zei Vader, juist toen hij voorbij +den stal ging. "Niets is zoo erg als schulden te hebben. 't Is beter +ons huis te verkoopen." + +"Ik zou daar niet zooveel tegen hebben, dat we dat wegdeden," zei +Moeder, "als 't niet om den jongen was. Maar waar moet hij heen, +als hij op een goeden dag thuiskomt, arm en ellendig, zooals je wel +kunt begrijpen, dat hij worden zal, en wij zijn hier niet meer." + +"Ja, daar heb je gelijk aan," zei Vader. "Maar we moeten hen, die +hier dan komen, vragen hem vriendelijk te ontvangen, en hem te zeggen, +dat hij ons welkom zal wezen. We zullen hem geen onvriendelijk woord +zeggen, hoe hij ook terugkomt, wel Moeder?" + +"O neen! Als ik hem maar terughad, als ik maar wist, dat hij geen +kou of honger leed ergens op den weg, dan zou ik niets meer begeeren." + +Toen Vader en Moeder dat gezegd hadden, gingen ze naar binnen, en +de jongen kon hun gesprek niet verder hooren. Hij was heel blij en +bewogen geweest, toen hij hoorde, dat ze hem zóó liefhadden, hoewel +ze geloofden, dat hij op den verkeerden weg gekomen was, en hij had +wel naar hen toe willen vliegen. + +"Maar misschien is 't een nog grooter verdriet voor hen, als ze me +zien, zooals ik nu ben," dacht hij. + +Terwijl hij daar stond, en niet recht wist, wat hij doen moest, +kwam er een rijtuig aan, en hield voor het hek stil. De jongen had +bijna een schreeuw van verbazing gegeven, want zij, die uitstapten +en de hoeve binnengingen, konden niemand anders zijn dan Asa, +'t ganzenhoedstertje en haar vader. Ze hielden elkaar bij de hand, +toen ze naar 't huis liepen. Ze liepen stil en ernstig, maar met een +mooien glans van geluk in hun oogen. Toen ze ongeveer midden op de +hoeve waren, hield Asa haar vader staande, en zei: + +"U denkt er wel aan, Vader, dat u niets moogt zeggen van die klomp, +of van de ganzen en het dwergje, dat zoo op Niels leek, dat, als hij +'t zelf niet was, toch zeker iets met hem te maken moest hebben." + +"Foei neen!" zei Jon Andersson. "Ik zal alleen zeggen, dat je meermalen +zoo goed door hun zoon werd geholpen, terwijl je naar mij zocht, en +dat we daarom hierheen zijn gekomen, om te vragen of we niet iets +voor hen kunnen doen, nu ik weer een man ben, die er boven op is, +en meer bezit dan hij noodig heeft, door de mijn, die ik gevonden heb." + +"Ja, ik weet wel, dat u 't goed zult zeggen," zei Asa. "Ik wou alleen +maar, dat u dat eene niet zei." + +Ze gingen het huis binnen, en de jongen had graag willen hooren wat +ze daar in de kamer bepraatten, maar hij durfde niet op de plaats te +komen. 't Duurde niet zoo heel lang, voor ze weer buiten kwamen, en +toen brachten Vader en Moeder hen naar het hek. 't Was opmerkelijk hoe +blij ze nu waren. Ze zagen er uit, alsof ze opnieuw begonnen te leven. + +Toen de gasten weg waren, bleven Vader en Moeder nog aan het hek +staan om hen na te zien. + +"Ja, nu ben ik niet bedroefd meer," zei Moeder, "nu ik zooveel goeds +van Niels heb gehoord." + +"Maar ze vertelden toch niet zoo heel veel van hem," zei Vader +nadenkend. + +"Was het niet genoeg, dat ze alleen hierheen kwamen om te zeggen, +dat ze ons wilden helpen, omdat Niels hun zoo groote diensten had +bewezen? Ik vind, dat je hun aanbod had moeten aannemen, Vader." + +"Neen, Moeder. Ik wil van niemand geld aannemen, niet als geschenk +en niet te leen. Ik wil van mijn schulden af komen, dàt allereerst, +en dan zullen wij ons wel weer opwerken. We zijn toch nog niet zoo +stokoud, wel Moeder?" En Vader lachte hartelijk, terwijl hij dat zei. + +"Ik geloof, dat je 't nog prettig vindt deze hoeve te verkoopen, +waar we zoo aan gewerkt hebben," zei Moeder. + +"Je begrijpt toch wel, waarom ik lach," zei Vader. "Dat ik dacht, dat +onze jongen verloren was, drukte me zoo, dat ik heelemaal machteloos +ben geweest, maar nu ik weet, dat hij leeft en zich goed gedraagt,--nu +zul je zien, dat Holger Nielsson nog wel wat kan!" + +Moeder ging in huis, maar de jongen kroop zoo gauw hij maar kon, +weg in een hoek; want Vader kwam den stal binnen. Hij ging naar het +paard en nam, zooals gewoonlijk den zieken poot op, om te zien of +hij niet kon ontdekken, wat er aan scheelde. + +"Wat is dat?" zei Vader, want hij zag, dat er letters op het hoefijzer +waren ingekrast. + +"Neem het ijzer uit de hoef!" las hij, en keek verbaasd en vragend +rond. Toch begon hij te kijken en te voelen onder aan de hoef. + +"Daar geloof ik zoowaar, dat iets scherps zit," mompelde hij na +een poosje. + +Terwijl hij met het paard bezig was, en de jongen in een hoek van +den stal weggedoken zat, kwamen er weer andere bezoekers op de hoeve. + +'t Was namelijk zoo gegaan, dat nu Maarten de ganzerik, zóó dicht bij +zijn vroeger thuis was, hij de lust niet kon weerstaan, om zijn vrouw +en kinderen te vertoonen aan de oude kameraden op de boerderij. Hij +had eenvoudig Donsje en de kleine gansjes meêgenomen, en was er +heen gewandeld. + +Er was geen mensch op de hoeve bij Holger Nielsson toen de ganzerik +er aankwam. Hij streek dus heel kalm neer, en liep rustig rond, +en liet Donsje zien hoe heerlijk hij 't had gehad, toen hij nog een +tamme gans was. Toen ze de heele plaats hadden bekeken, merkte hij, +dat de deur van den koestal open stond. + +"Kijk hier nu eens in!" zei hij, "dan zul je zien waar ik vroeger +woonde, dat is heel wat anders, dan je in moerassen op te houden, +zooals we nu doen." + +De ganzerik stond op den drempel en keek in den koestal. "Er is +hier geen mensch," zei hij. "Kom mee, Donsje, dan zal ik je het +ganzenhok laten zien. Wees maar niet bang. Het is hier heelemaal +niet gevaarlijk." + +Toen gingen de ganzerik, Donsje en alle zes de jonge gansjes regelrecht +het ganzenhok in, om te zien in welk een pracht en heerlijkheid de +groote witte had geleefd, eer hij zich bij de wilde ganzen aansloot. + +"Kijk, zoo was het hier. Daar was mijn plaats, en daar stond de +voederbak, die altijd vol haver en water was," zei de ganzerik. "Wacht +eens, er zit nu ook nog wat in," en hij liep gauw naar den bak, +en begon van den haver te smullen. + +Maar Donsje was onrustig. + +"Laat ons nu weer naar buiten gaan," zei ze. + +"Nog maar een paar korreltjes!" zei de ganzerik. Maar meteen gaf hij +een schreeuw, en vloog op den uitgang aan. Maar het was te laat. De +deur klapte dicht, de huismoeder stond buiten, en deed den haak er +op. Ze waren opgesloten! + + + +Vader had een scherp stuk ijzer uit den poot van den zwarte gehaald, +en stond heel vergenoegd zijn paard te streelen, toen Moeder haastig +den stal binnenliep. + +"Vader! Kom eens kijken wat een goede vangst ik daar deed!" zei ze. + +"Neen, wacht even, Moeder. Kijk eens hier," zei Vader. "Nu ben ik +erachter gekomen, wat ons paard scheelde." + +"Ik geloof, dat het ons nu weer eens meêloopt," zei Moeder. "Stel je +voor, de groote ganzerik, die van 't voorjaar verdween, is teruggekomen +met zeven wilde ganzen! Ze gingen het ganzenhok binnen, en daar heb +ik ze allemaal opgesloten." + +"Dat is wonderlijk!" zei Holger Nielsson. "En weet je Moeder, +'t allerbeste van dit alles is, dat we nu niet meer hoeven denken, +dat de jongen den ganzerik meênam, toen hij van ons wegging." + +"Ja, daar heb je gelijk aan! Maar ik ben bang, dat we ze nu vanavond +al slachten moeten. 't Is over een paar dagen al St. Maarten, en we +moeten ons haasten, als we ze nog op tijd naar de stad willen krijgen." + +"'k Vind 't zonde den ganzerik te slachten, nu hij met zoo'n groot +gevolg hier thuis komt," zei Holger Nielsson. + +"Als 't ons beter ging, zou hij wel mogen blijven leven, maar als we +van hier weg moeten, kunnen we toch immers de ganzen niet houden." + +"Ja, dat is waar ook." + +"Help me nu maar ze in huis te brengen," zei Moeder. + +Ze gingen heen, en een oogenblik later zag de jongen Vader aankomen +met Maarten onder den eenen, en Donsje onder den anderen arm, en +met Moeder in huis gaan. De ganzerik riep, zooals altijd, als hij in +gevaar was: "Duimelot, Duimelot, help me!" hoewel hij niet weten kon, +dat de jongen in zijn buurt was. + +Niels Holgersson hoorde hem wel, maar hij bleef achter de staldeur +staan. Hij deed dat niet, omdat hij wist, dat het goed voor hem zelf +wezen zou, als de ganzerik op de slachtbank kwam te liggen,--daar +dacht hij op dat oogenblik heelemaal niet aan--maar omdat hij--als +hij den ganzerik redden wou, zich aan Vader en Moeder moest vertoonen, +en dat vond hij vreeselijk. + +"Ze hebben het al moeielijk genoeg," dacht hij. "Moet ik hun nu ook +dat verdriet doen?" + +Maar toen de deur achter den ganzerik dichtviel, kwam er leven in +den jongen. Hij vloog over 't grasveld, sprong op het eikenhouten +plankje voor de huisdeur en de gang in. Daar deed hij ouder gewoonte +zijn klompen uit, en liep naar de kamerdeur. Maar hij vond het nog +aldoor zóó akelig zich aan Vader en Moeder te vertoonen, dat hij niet +de kracht had de hand op te heffen en te kloppen. + +"'t Is om Maarten, den ganzerik, te doen," dacht hij toen, "hij, +die mijn beste vriend was, sinds ik hier voor 't laatst stond." + +En in dat oogenblik herinnerde hij zich alles, wat de ganzerik en +hij hadden doorgemaakt, op bevroren meren en stormachtige zeeën en +onder gevaarlijke roofdieren. Toen klopte zijn hart van dankbaarheid +en liefde. En hij overwon zichzelf, en bonsde op de deur. + +"Is daar iemand?" zei Vader, en deed open. + +"Moeder, u moet den ganzerik niet aanraken!" riep de jongen, en op +'t zelfde oogenblik gaven de ganzerik en Donsje, die op een bank +gebonden lagen, een schreeuw van blijdschap, zoodat hij hoorde, +dat ze nog in leven waren. + +Maar wie ook een uitroep van vreugde liet hooren--dat was Moeder. + +"Neen, wat ben je flink en groot geworden!" riep ze. + +De jongen was niet in de kamer gekomen, maar bleef op den drempel +staan, als iemand, die er niet zeker van is, hoe hij ontvangen +zal worden. + +"Goddank, Goddank, dat ik je terug heb," zei Moeder. "Kom toch binnen, +kom binnen!" + +"Wees welkom," zei Vader. Hij kon geen woord meer uitbrengen. + +Maar de jongen bleef nog op den drempel staan. Hij kon niet begrijpen, +dat ze zoo blij waren met hem, zooals hij nu was. Maar toen kwam +Moeder, en sloeg de armen om zijn hals, en trok hem mee in de kamer. En +toen eerst begreep hij wat er gebeurd was. + +"Moeder, Vader! Ik ben groot! Ik ben weer een mensch geworden!" riep +hij. + + + + + + +XLI. + +'T AFSCHEID VAN DE WILDE GANZEN. + + +De jongen stond den volgenden morgen vóór zonsopgang op en ging naar +het strand. Hij stond daar een eind ten oosten van 't visschersdorp +Smyge, vóór 't nog goed licht was. Hij was alleen. Hij was in 't +ganzenhok geweest om Maarten, den ganzerik, te roepen, maar die had +niet van huis gewild. Hij had geen woord gezegd, maar alleen het +hoofd onder den vleugel gestoken, en was weer ingeslapen. + +'t Scheen een heerlijke heldere dag te worden. 't Was bijna even mooi +weer, als op dien lentemorgen, toen de wilde ganzen naar Skaane waren +gekomen. De zee lag rustig en onbewegelijk. De lucht was doodstil, +en de jongen dacht er aan wat een goeden overtocht de ganzen zouden +hebben. + +Hij zelf leefde nog als in een soort bedwelming. Nu eens dacht hij +als dwerg, dan weer als mensch. Als hij een steenen walletje langs +den weg zag, was hij bang om verder te gaan, eer hij er zich van had +overtuigd, dat daar achter geen roofdier op den loer lag. En dadelijk +daarna lachte hij zichzelf uit, en verheugde er zich over, dat hij +groot en breed en sterk was, en nergens bang voor hoefde te wezen. + +Toen hij bij de kust kwam, ging hij, zoo groot als hij was, vlak +aan 't strand staan, opdat de wilde ganzen hem zouden zien. 't Was +een groote trekdag. Onophoudelijk klonken er loktonen vanuit de +lucht. Hij glimlachte, toen hij er aan dacht, dat niemand zoo goed +als hij verstond, wat de vogels elkaar toeriepen. + +Nu kwamen ook de wilde ganzen aanvliegen. De eene groote troep volgde +op den anderen. + +"Als 't nu maar niet mijn ganzen zijn, die weggaan zonder me goedendag +te zeggen," dacht hij. Hij zou hun zoo graag vertellen, hoe alles +gegaan was, en hun laten zien, dat hij weer een mensch was geworden. + +Daar kwam een troep, die sneller vloog en luider riep dan de andere, +en er was iets, dat hem zei, dat het deze troep moest zijn. Maar hij +kon ze niet zoo zeker herkennen als den vorigen dag. + +De troep vloog langzamer, en streek heen en weer langs het strand. Toen +begreep de jongen, dat zij het wezen moesten. Hij kon alleen niet +begrijpen, waarom de wilde ganzen niet bij hem neerkwamen. 't Was +toch onmogelijk, dat ze hem niet zagen. + +Hij trachtte den loktoon te roepen, die hen bij hem zou brengen, +maar zijn tong was onwillig. Hij kon het rechte geluid niet krijgen. + +Hij hoorde Akka hoog in de lucht roepen, maar hij begreep niet wat +ze zei. + +"Wat is dat? hebben de wilde ganzen een andere taal gekregen?" vroeg +hij zich verbaasd af. + +Hij wenkte hen met zijn muts, hij liep langs het strand en riep: +"Hier ben ik! Waar ben jij?" + +'t Scheen, dat hij ze alleen maar bang maakte. Ze vlogen hooger op, +en verder de zee in. + +Toen begreep hij het eindelijk! + +Ze wisten niet, dat hij een mensch was geworden. Ze herkenden hem niet! + +En hij kon ze niet roepen, omdat een mensch de taal van de vogels niet +spreken kan. Hij kon die niet meer spreken, en ook niet meer verstaan. + +Hoewel de jongen zoo blij was, dat hij uit de betoovering verlost was, +voelde hij 't als een bitter verdriet, dat hij op die manier van zijn +goede kameraden moest scheiden. Hij ging in 't zand zitten en verborg +zijn gezicht in zijn handen. Wat hielp het of hij ze al nakeek? + +Maar dadelijk daarna hoorde hij vleugels ruischen. Het was Moeder Akka +zwaar gevallen van Duimelot weg te gaan, en ze kwam nog eens terug. En +nu de jongen stil zat, waagde ze 't hem te naderen. Plotseling had +zeker 't een of ander haar oogen geopend, zoodat ze zag, wie hij +was. Ze streek neer op de landpunt vlak bij hem. + +De jongen deed een uitroep van blijdschap, en omhelsde de oude Akka. De +andere wilde ganzen omringden hem, en streken met hun snavels langs +hem heen. Ze kakelden en praatten allen door elkaar, en wenschten hem +allen hartelijk geluk. En hij sprak ook, en dankte hen voor de heerlijk +mooie reis, die hij met hen had gemaakt. Maar op eens werden de wilde +ganzen wonderlijk stil, en trokken zich van hem terug. 't Was alsof +ze wilden zeggen: "Och, hij is een mensch! Hij verstaat ons niet, +en wij verstaan hem niet." + +Toen stond de jongen op, en ging naar Akka. Hij streelde en liefkoosde +haar. Dat deed hij ook met Yksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en +Kuusi, de ouden, die van 't begin af bij hem waren geweest. + +Toen ging hij van 't strand weg, het land in. Want hij wist wel, +dat vogelverdriet nooit lang duurt, en hij wilde van hen weggaan, +terwijl ze nog bedroefd waren, omdat ze hem missen moesten. + +Toen hij op den dijk gekomen was, keerde hij zich om, en keek naar +de vele vogeltroepen, die over zee vlogen. Alle riepen hun loktonen, +alleen één troep wilde ganzen vloog stil voort, zoolang als hij ze +zien kon. + +Maar de troep was goed geordend, en vloog met flinke vaart, en hun +vleugelslagen waren sterk en krachtig. En de jongen voelde zóó'n +verlangen naar hen, die wegvlogen, dat hij bijna wenschte, dat hij +weer Duimelot was, die over land en zee kon rijden met een troep +wilde ganzen. + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Een groote zandvlakte op Öland. + +[2] Berg- en boschstreek in Oost-Göthland, Södermanland en Nerike. + +[3] Zoo heet het ouderlijk huis van Selma Lagerlöf. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Niels Holgersson's Wonderbare Reis, by +Selma Lagerlöf and Margaretha Meijboom + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS *** + +***** This file should be named 29320-8.txt or 29320-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/9/3/2/29320/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
