summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/28469-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '28469-8.txt')
-rw-r--r--28469-8.txt9439
1 files changed, 9439 insertions, 0 deletions
diff --git a/28469-8.txt b/28469-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..ad6b1be
--- /dev/null
+++ b/28469-8.txt
@@ -0,0 +1,9439 @@
+The Project Gutenberg EBook of Don Quichot van La Mancha, by
+Miguel Cervantes de Saavedra
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Don Quichot van La Mancha
+
+Author: Miguel Cervantes de Saavedra
+
+Editor: J. J. A. Goeverneur
+
+Release Date: April 1, 2009 [EBook #28469]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DON QUICHOT VAN LA MANCHA ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Don Quichot van La Mancha
+
+ Naar
+
+ Miguel Cervantes de Saavedra
+
+ Op nieuw bewerkt
+
+ Door
+
+ J. J. A. Goeverneur
+
+
+ Met 8 gekleurde platen
+
+
+
+ Tweede druk
+
+ Amsterdam
+
+ Tj. van Holkema
+
+
+
+
+
+
+ Boekdrukkerij van P. W. M. Trap, Leiden.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+JONKER DON QUICHOT.
+
+
+Nog zoo heel, heel lang niet geleden woonde in een dorp van La Mancha,
+een edelman, gelijk men die heden ten dage in Spanje nog bij de
+vleet vinden kan. Zijne inkomsten waren slechts matig, en hij had
+daarvan althans drie vierden tot zijn dagelijksch schraal onderhoud
+noodig. Voor het laatste vierde schafte onze edelman zich zijne
+kleeding aan, die elk jaar in een nieuwen lakenschen rok, een fluweelen
+broek en leeren pantoffels bestond. Zijne verdere huisgenooten waren
+zijne nicht, een jong knap meisje van achttien jaren, eene oude
+huishoudster en eindelijk een jonge knaap, die het paard voeren,
+water halen, hout klooven en verder huiselijk werk verrichten moest.
+
+Op den tijd, dat onze geschiedenis begint, had onze edelman, wiens
+naam Don (Don is in Spanje ons: Heer) Quichot was, zijn vijftigste
+jaar bijna bereikt. Evenwel was hij nog kloek, krachtig en lang,
+ofschoon ontzettend schraal en mager van gestalte, met een smal,
+ingevallen gezicht, en een bijzonder groot vriend van de jacht. Zijne
+allergrootste liefhebberij was echter, zich in het lezen van
+riddergeschiedenissen te verdiepen, waardoor hij niet alleen vaak
+eten, drinken en slapen vergat, maar ook het beheer van zijn vermogen
+verwaarloosde en zich gedwongen zag, het eene stuk goed land na het
+ander te verkoopen, alleen om tot aanschaffen van zulke avontuurlijke
+en zeldzame boeken het benoodigde geld in handen te krijgen. Op deze
+wijze bracht hij daar mettertijd dan ook een groot aantal van bijeen,
+in 't lezen waarvan hij zich van den vroegen morgen tot den laten
+avond zoozeer verdiepte, dat zijn hoofd er van op hol raakte en hij
+er zoetjes aan stapelgek door werd. Zijne arme hersens waren vol van
+tornooien en gevechten, van lansen en zwaarden, van betooveringen
+en minneliederen, van uitdagingen en wonden, van reuzen en draken;
+en 't ongeluk daarbij was, dat hij al dien onzin voor wezenlijke
+en waarachtige waarheid hield en er niet minder geloof aan schonk,
+dan aan de beste wereldgeschiedenis, die hem toevallig in handen kwam.
+
+De vreemde verwarring zijner begrippen bracht hem tot het nog vreemder
+voornemen, om tot vermeerdering van zijn roem en tot heil der wereld
+een dolend ridder te worden, in ridderlijke wapenrusting het land door
+te trekken en even zoo groote heldendaden te verrichten, als waarvan
+hij in de oude romans gelezen had. Zijne verbeelding spiegelde hem met
+levendige kleuren de ongehoorde avonturen en gevaren voor de oogen,
+door welker heldhaftig bestaan hij zich een onvergankelijken roem
+verzekeren moest. Door de kracht van zijn arm zag hij zich zelf reeds
+tot machtig keizer gekroond, en hij meende, dat het hem althans zeker
+gelukken moest een koningskroon te veroveren, gelijk al verschillende
+dolende helden dat in den ouden tijd hadden gedaan. Hij gaf zich meer
+en meer aan deze streelende gedachten over en achtte nu eindelijk
+den tijd gekomen, om zijn dolzinnig besluit ten uitvoer te brengen.
+
+Zijn eerste werk was, dat hij aan het opknappen en schoonmaken van eene
+overoude, door een zijner voorzaten gedragen wapenrusting ging, welke
+hij uit een donkeren hoek van de rommelkamer had opgeschommeld. In 't
+zweet zijns aanschijns wreef hij er met een wollen lap en puimsteen de
+roestvlekken af, en hij was innig voldaan, als hij na uren poetsen weer
+een deel van het harnas goed glad en blank had gekregen. Eerst toen
+hij hiermee eindelijk klaar was, bemerkte hij tot zijn niet geringe
+schrik, dat nog een zeer belangrijk stuk aan zijne uitrusting ontbrak:
+de helm namelijk.
+
+Deze ongelukkige omstandigheid bracht hem in de grootste verlegenheid
+en gaf hem veel kommer en zorg. In de hoop van den ontbrekenden helm
+op te sporen, haalde hij in de rommelkamer alles onderstboven, doch
+vond niets dan een oude stormkap, die bij de overige wapenstukken
+volstrekt niet paste en vroeger denkelijk aan den een of anderen
+geringen voetknecht had toebehoord. Desniettemin was hij met die vondst
+niet weinig ingenomen en wist zijne scherpzinnigheid zeer spoedig
+middelen te vinden, om de stormkap in een behoorlijken, schoon al niet
+prachtigen helm te herscheppen. Hij nam bordpapier, waarvan hij met
+veel moeite en getob de benedenhelft van den helm knutselde, hechtte
+die aan de stormkap, verfde alles staalkleurig en kreeg zoo een ding,
+dat wel nagenoeg het fatsoen van een ridderlijk hoofddeksel had.
+
+Nu diende nog de proef te worden genomen, of zijn meesterstuk ook
+sterk genoeg was, om den houw van een vijand te kunnen weerstaan. Om
+daar zeker van te zijn, zette hij den helm op tafel, trok zijn zwaard
+en deed dat met al de kracht van zijn arm daarop neervallen. Terstond
+lag het heele ding in stukken, en onze held moest met schrik zien,
+hoe de arbeid van verscheidene dagen, die hem zoo menigen zweetdroppel
+gekost had, in een ommezien tijds was te niet gegaan.
+
+Diep bedroefd zag hij de verwoesting aan. Hij had moeite, om zijne
+tranen in te houden en zette zich stil in een hoek neer, om door diep
+nadenken een middel uit te vinden om de schade te herstellen en in
+weerwil van alle hindernissen toch in het bezit van een behoorlijken
+helm te komen.
+
+Na lang hoofdbreken kwam hij tot het besluit, om het bordpapier
+van binnen van ijzeren staafjes te voorzien, ging terstond aan
+het werk en kwam ook eindelijk tot zijn genoegen klaar. "Nu is hij
+sterk genoeg!" dacht hij, maar had toch den moed niet, zijn maaksel
+nogmaals aan zulk eene gevaarlijke proef te onderwerpen, zoodat hij
+zich vergenoegde met zonder omstandigheden zijn helm voor den besten
+en volmaaksten helm te verklaren, die ooit het hoofd eens dapperen
+ridders had gedekt.
+
+Toen dit nu beredderd was, besteedde hij drie of vier dagen, om een
+gepasten en welluidenden naam voor zijn strijdros te bedenken. Het
+arme beest had wel meer gebreken, dan een gulden centen en een pond
+wichtjes heeft, aan zijn lijf, maar Don Quichot was toch van oordeel,
+dat de hengst, daar die voortaan een edelen en beroemden ridder zou
+dragen, ook volstrekt een naam moest hebben, die met zijne nieuwe
+roeping en waardigheid strookte. Hij koos en koos weer, snuffelde al
+zijne ridder- en heldengeschiedenissen door en kwam na veel wikken en
+wegen tot het besluit, om aan zijn knol den liefelijken en welluidenden
+naam van Rocinante te geven.
+
+Na het afdoen van deze hoogst gelukkige aangelegenheid viel hem in, dat
+ook hij zelf aan zijn ouden eerlijken naam een deftigen staart moest
+hechten, en besloot hij dus, in 't vervolg als manhaftig en dapper
+ridder onder den naam van Don Quichot van La Mancha op te treden.
+
+Nu eindelijk zoo de hoofdzwarigheden overwonnen waren, nu zijne
+wapenrusting blank gepoetst, Rocinante gedoopt en hij zelf van een
+deftigen naam voorzien was, nu haperde er alleen nog maar aan, dat hij,
+gelijk alle dolende ridders vóór hem, naar eene schoone dame rondzag,
+tot wier eer en verheerlijking de te verrichten groote daden moesten
+bedreven worden.
+
+"Een dolend ridder," sprak hij bij zich zelf, "is een onding zonder
+ridderlijke liefde. Hij is een boom zonder blad en bloesem, een lichaam
+zonder ziel en geest. Hoe toch, als ik nu op mijne tochten een reus
+ontmoet en hem door de kracht van mijn arm en van mijne dapperheid in
+het stof neerwerp of hem van den kop tot de teenen in tweeën hak, moet
+ik hem dan niet naar iemand heen zenden, om den roem mijner dapperheid
+te verkonden en door heel de wereld te verbreiden? En tot wien kan ik
+hem beter zenden, dan tot de uitverkorene dame van mijn hart, gelijk
+in alle tijden ieder avontuurlijk ridder er eene bezeten heeft? Ik moet
+en wil eene aangebedene van mijn hart en van mijne gedachten vinden!"
+
+Eens tot dit besluit gekomen, vond hij de uitvoering er van zoo heel
+moeielijk niet.
+
+In de nabijheid zijner woning, in een klein gehucht, Toboso genaamd,
+woonde eene flinke, stevige, gezonde boerenmeid. Don Quichot had haar
+in vroeger tijd wel menigmaal gezien, en zij scheen hem recht geschikt
+toe, om tot de koningin van zijn hart te worden uitverkoren. Zij
+heette eigenlijk Aldonza Lorenzo, maar daar die naam hem niet mooi
+en deftig genoeg klonk, zoo noemde hij haar Dulcinea van Toboso, daar
+hij dit voor een recht hoogdravenden, welluidenden en geheimzinnigen
+naam hield, die eerder aan eene prinses en hooge dame, dan aan eene
+gewone boerendeerne deed denken. En dat immers was de hoofdzaak voor
+onzen held.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+HOE DON QUICHOT ZIJN EERSTEN TOCHT ONDERNEEMT.
+
+
+Alle toebereidselen waren gemaakt en Don Quichot wilde dus de
+volvoering van zijn koen en grootsch opzet niet langer uitstellen.
+
+Op een warmen Julimorgen legde hij dus, zonder een sterveling iets
+van zijn voornemen mede te deelen, zijne wapenrusting aan, zette den
+kunstig gefatsoeneerden helm op het hoofd, stak het schild aan zijn
+arm, greep zijne lans, besteeg Rocinante en reed door het achterdeurtje
+van zijn hoenderhof de wijde wereld in. Zielsvergenoegd, dat de eerste
+stap op zijne loopbaan als held hem zoo uitstekend gelukt was, zat hij
+op zijn strijdros, aan welks uitstekende heupschonken hij gevoeglijk
+al de stukken zijner rusting als aan een paar stevige kapstokken had
+kunnen ophangen. Zijne voldoening was evenwel niet van langen duur;
+want op eens schoot hem tot zijn geweldigen schrik te binnen, dat hij
+nog niet werkelijk tot ridder geslagen was en zich dus ook niet met
+een ridder, die hem in den weg kwam, in een kamp mocht inlaten. Deze
+gedachte viel hem zoo drukkend zwaar op het hart, dat hij bijna zijn
+plan opgegeven en weer naar huis teruggekeerd was. Reeds wilde hij
+Rocinante den kop doen omwenden, toen hem nog tijdig inviel, dat
+hij zich immers door den eersten den besten, die hem bejegende, den
+ridderslag kon laten geven. Deze gedachte vervulde hem met nieuwen moed
+en bewoog hem, zijn gelukkig begonnen tocht getroost voort te zetten.
+
+Toen de avond begon te vallen en Don Quichot zoowel als zijn knol
+van vermoeidheid en honger uitgeput waren, keek onze held naar alle
+kanten rond, of hij niet ergens een trots opstekenden ridderburcht
+of een gastvrij slot kon ontdekken, waar hij gelegenheid vond, om
+zijne behoeften te bevredigen en nachtrust te houden. Tot zijne
+blijdschap zag hij niet ver van zijn weg eene herberg staan,
+waarop hij aanreed en die hij, voordat het nog ten volle donker
+was, bereikte. Toevallig stonden voor de deur twee ganzenmeiden,
+die vroolijk met elkaar praatten en wier heldere stemmen hem reeds
+van verre in de ooren klonken.
+
+Daar nu echter vriend Don Quichot alles, wat hem voorkwam, met de oogen
+van zijn verwarden geest zag en zich zoodoende de wonderlijkste dingen
+inbeeldde, zoo hield hij ook de herberg hier niet maar voor een gewone
+kroeg, maar meende in haar een echten en wezenlijken ridderburcht
+met torens en grachten, met wallen en ophaalbruggen voor zich te
+hebben. Toen hij er nog weinig passen van verwijderd was, bracht hij
+zijn paard tot staan en geloofde niets anders, of daar zou nu een
+dwerg op den torentrans verschijnen en door schetterend hoorngeschal
+verkondigen, dat een ridder door de burchtpoort verlangde toegelaten
+te worden. Tevergeefs wachtte hij eene poos, en Rocinante, die niet
+weinig naar den stal, naar voeder en rust verlangde, nam eindelijk de
+teugels tusschen de tanden en stapte bedaard op de deur van de herberg
+toe, zonder dat Don Quichot in staat was, het koppig dier tegen te
+houden. Voor de huisdeur bleef hij staan, en Don Quichot kreeg nu de
+beide morsige ganzenmeiden in het oog, welke zijne dolle verbeelding
+echter dadelijk in edele en hoogst bevallige jonkvrouwen herschiep, die
+zich voor de burchtpoort een weinig in de koele avondlucht vermeidden.
+
+Terwijl hij haar nog vol eerbied aanzag, wilde het toeval, dat de
+varkenshoeder met zijne kudde van een stoppelland naar huis kwam en
+bij het bereiken van het dorp uit zijn horen eenige luide, krachtige
+tonen lokte. Nu geloofde Don Quichot wat zijne verbeelding hem had
+voorgespiegeld ten volle bewaarheid te zien; want hij hield den
+zwijnenhoeder voor den ontbrekenden dwerg en sprong vroolijk van het
+paard, om de beide schoone adellijke jonkvrouwen, dat wil zeggen de
+ganzenhoedsters, met eerbiedige buiging te begroeten. De meiden echter,
+toen zij zoo onverwachts een geharnasten ridder voor zich zagen,
+gilden en gierden het uit en vluchtten vol schrik de herberg in. Don
+Quichot, die zich dit vreemd gedrag niet verklaren kon, snelde haar na,
+riep haar terug, lichtte het vizier van zijn helm op, ontdekte zijn
+mager, bestoven gezicht en zeide met lispelende stem en onder eene
+diepe buiging: "Mijne edele en hooggeboren jonkvrouwen, vlucht toch
+niet zoo voor een ridder, van wien gij nooit in der eeuwigheid eenige
+oneerbiedige behandeling te duchten hebt, maar die veeleer bereid is,
+u ten allen tijde naar zijn beste vermogen te dienen en bij te staan."
+
+Op eene haar zoo vreemde en ongehoorde wijze aangesproken, barstten
+de beide deernen in een luid, schaterend lachen uit en maakten zulk
+een leven en misbaar, dat Don Quichot in 't eind ernstig boos begon
+te worden. Evenwel bedwong hij zijne drift en sprak:
+
+"Mijne geëerde dames, zonder reden zoo te lachen verraadt
+onverstand. Gelieft dit echter niet als eene beleediging te beschouwen;
+want ik herhaal u met den diepsten eerbied, dat ik bloed en leven
+aan uw dienst wensch toe te wijden."
+
+De dolle taal van den gekken ridder deed de meiden, in plaats van
+haar tot bedaren te brengen, nog maar harder te lachen, en Don
+Quichots ergernis klom reeds tot een bedenkelijken graad, toen nog
+juist van pas de dikke herbergier voor de deur verscheen en als een
+vreedzaam man vrede zocht te stichten. Niettegenstaande zijne goede
+bedoeling was hij echter bijna zelf in den lach geschoten, toen hij
+de wonderbaarlijk kluchtige figuur van onzen ridder wat nader had
+opgenomen; alleen het gezicht van de dreigende lans in Don Quichots
+vuist maakte, dat hij zich met geweld goedhield. Hij trad met eene
+beleefde buiging op den held toe en zeide uitermate vriendelijk:
+
+"Heer ridder, ingeval gij misschien nachtkwartier zoekt, zult gij in
+mijn huis op de kostelijkste manier bediend worden."
+
+Don Quichot nam den dikken waard van het hoofd tot de voeten op en
+meende uit zijne woorden te mogen opmaken, dat deze de bewaarder van
+den ingebeelden burcht was. Zoo antwoordde hij dan, dat hij zelf met
+alles zou tevreden zijn, mits men maar zorg wilde dragen voor zijn
+ros, welks weerga in kracht en schoonheid men in de geheele wereld
+tevergeefs zou zoeken.
+
+De waard keek den mageren Rocinante aan en schudde glimlachend zijn dik
+hoofd. Evenwel greep hij het dier gewillig bij den teugel, leidde het
+in den stal en keerde vervolgens tot zijn gast terug, om te vernemen,
+wat die verder zou te gelasten hebben.
+
+In de gelagkamer tredend, vond hij daar Don Quichot onder de handen
+der beide ganzenmeiden, die na eene roerende verzoening thans druk
+bezig waren, den dolenden ridder van zijne zware wapenstukken te
+ontlasten. Borst- en rugharnas hadden zij hem reeds losgegespt;
+maar met den helm konden zij onmogelijk klaarkomen, daar die met
+eenige groene koorden stijf aan het pantser vastzat. Die koorden waren
+dusdanig in de war geraakt, dat men ze zou moeten doorknippen, om den
+held van den zwaren last van den helm te bevrijden. Dit echter wilde
+Don Quichot volstrekt niet toelaten, en daarom hield hij den helm
+liever den ganschen nacht op het hoofd; wat wel zeer krijgshaftig
+stond, maar ook zeker een weinig lastig en vermoeiend moest wezen.
+
+Onderwijl vroeg de waard, die telkens moeite had, het niet uit te
+proesten, wat de edele ridder wel tot avondmaaltijd verlangde, en deed
+daarbij een hoog woord van zijn visch, die wat smakelijkheid betreft,
+in geheel Spanje haar weerga niet moest hebben. Don Quichot dacht nu
+natuurlijk aan versche visch, aan baars en forellen; maar de waard had
+stokvisch bedoeld en kwam met een groot stuk daarvan aansleepen. Dit
+was slecht gekookt en ellendig toebereid; maar nog ellendiger was het
+zwarte en beschimmelde brood, dat daarbij den armen dolenden ridder
+werd voorgezet.
+
+Daar hij een honger als een paard had, stoorde onze held zich daar
+nochtans weinig aan. Hij viel terstond gretig op de spijzen aan; doch
+toen hij den eersten hap aan zijn mond wilde brengen, kwam hij tot zijn
+schrik tot de ontdekking, dat hij om zijn helm geen beet over de lippen
+zou kunnen krijgen. De ondeugende meiden stonden eerst te schudden van
+lachen over zijne verlegenheid, maar waren toen toch goedhartig genoeg
+om hem tot het gewichtig werk der spijziging haar gullen bijstand te
+verleenen. De eene hield daartoe het vizier van zijn helm in de hoogte,
+terwijl de andere hem visch en brood brok voor brok in den mond stopte.
+
+De honger van den edelen held werd op die wijze dan ook gestild. Maar
+hoe zou hij nu den dorst lesschen, die door den sterk gezouten
+visch in niet geringe mate was toegenomen?--De dikke waard wist raad
+daarvoor. Hij stak hem de dunne pijp van een trechter in den mond en
+goot daar van boven den wijn in, die op die manier heel verkwikkelijk
+in des armen lijders droge keel neerstroomde. Dat de helft van den
+wijn den mond voorbij en hem de broekspijpen weer uitliep, oordeelde
+de held van zoo groot belang niet tegenover de zoete voldoening,
+dat hij daardoor de groene koorden van zijn helm had gered.
+
+Terwijl hij nog aan de pijp zoog, kwam toevallig een ezeldrijver
+de herberg voorbij en begon onder de vensters een deuntje op zijne
+dwarsfluit te blazen. Deze toevallige omstandigheid versterkte Don
+Quichot ten volle in zijne inbeelding, dat hij zich in een beroemd
+ridderlijk kasteel ophield, dat hij door edele dames werd bediend,
+dat de stokvisch forellen en 't beschimmelde brood pasteitjes waren,
+en dat eindelijk de dikke waard de slotvoogd was. Door die zekerheid en
+misschien zoo wat half door den hem ingepompten wijn geraakte hij dan
+ook zoetjes aan in eene vrij jolige stemming en bleef de gedachte, dat
+hij nog niet tot ridder was geslagen, bijna 't eenige, dat hem kwelde.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+DE RIDDERSLAG.
+
+
+Toen de wonderbaarlijke maaltijd op die wijze was afgeloopen, wenkte
+Don Quichot den waard ter zijde, bracht hem in den stal, sloot zich
+daar met hem op, viel voor hem op de knieën neder en hief smeekend
+de handen tot hem op.
+
+"O, gij dapperste van alle ridders en slotvoogden," sprak hij tot hem,
+"hier wil ik knielen en ik zal niet weer opstaan, voordat gij mij
+met bovenmenschelijke goedheid en genade één wensch vervuld hebt,
+waarvan de verhooring u tot eeuwigen roem en de gansche wereld tot
+heil en zegen zal strekken."
+
+De dikke herbergier zag den knielenden held met verbaasde oogen
+aan en was niet weinig verlegen. Hij wist niet, hoe hij zich in dit
+geval gedragen moest, en verzocht Don Quichot met alle beleefdheid,
+dat hij toch maar opstaan en zijne wenschen op verstandige manier
+aan den dag leggen mocht. Don Quichot verroerde zich echter niet
+van de stee en rustte niet, voordat de waard beloofd had te doen,
+wat hij van hem begeeren zou.
+
+"Ik dank u voor uwe grootmoedigheid," sprak hij hierop "en zal u
+nu mijn verlangen openbaren. Dat bestaat hierin, dat gij mij morgen
+vroeg tot ridder slaan en mij vergunnen wilt, dezen nacht in de kapel
+van uw kasteel mijne wapenwake te houden. Hebt gij dat gedaan, dan
+wil ik de wijde wereld intrekken en wil vechten en strijden, totdat
+de roem mijner daden de aarde met verbazing en bewondering vervult;
+want dit is de plicht der dolende ridderschap, tot welke ik van den
+dag van morgen af hoop te behooren."
+
+De dikke herbergier was een guit van een kerel, en nu hij den edelen
+ridder daar zoo hoorde doordraven, begreep hij terstond, dat het
+bij dezen in de bovenverdieping niet recht pluis moest wezen. Dus
+nam hij zich dan ook voor eens terdege pret met hem te hebben, en
+antwoordde met een deftig, uitgestreken gezicht, dat hij zeer gaarne
+bereid was, den wensch van een zoo dapper, volmaakt en roemruchtig
+ridder te vervullen. Hij versterkte hem in het geloof, dat hij zich
+werkelijk in een groot en prachtig slot bevond, en betreurde alleen
+voor 't oogenblik geen kapel tot zijne beschikking te hebben, daar
+de oude kort geleden was afgebroken, om weer nieuw te worden opgebouwd.
+
+"Maar toch, waardige held," voegde hij er bij, "kunt gij hier getroost
+uwe wapenwake houden, daar in tijd van nood iedere plaats tot dat doel
+goed en passend is. Doe het dezen nacht in een binnenhof van het slot,
+en morgen wil ik alsdan de noodige toebereidselen maken en alles
+zoo inrichten, dat gij tot een zoo volmaakt ridder wordt geslagen,
+als er maar een op twee beenen loopt."
+
+Na deze troostrijke toezegging vroeg hij Don Quichot, of hij ook geld
+bij zich had. Tot zijne verwondering antwoordde de ridder ontkennend en
+voegde er bij, nog nooit gelezen te hebben, dat een braaf dolend ridder
+met ander nietig metaal, dan zijn goed harnas, was bezwaard geweest.
+
+"Ei, dan moeten de schrijvers van uwe heldengeschiedenissen 't
+niet recht goed geweten hebben," antwoordde de guitige herbergier
+met gemaakte deftigheid. "Ik voor mij heb altijd gehoord, dat alle
+avontuurzoekende ridders op hunne tochten wel wezenlijk goed gespekte
+beurzen, schoone hemden en buitendien een doosje met wonderbalsem
+meenamen, om de in 't gevecht bekomen wonden en kwetsuren te heelen,
+en dat zij die dingen, als ze geen schildknaap bij zich hadden,
+in een daartoe aan den zadel aangebrachten knapzak bewaarden. Neem
+dus goeden raad van mij aan, hoogedele Don Quichot: rijd, als ge
+van mij den ridderslag hebt ontvangen, naar huis, zorg voor geld en
+andere noodwendige behoeften, neem, zooals dat een held betaamt,
+een schildknaap in dienst en rijd dan in vredesnaam opnieuw op
+ontmoetingen en avonturen uit."
+
+Don Quichot beloofde dezen welgemeenden raad stiptelijk te zullen
+opvolgen, en verklaarde zich bereid, zijne wapenwake op een binnenhof
+van den burcht te houden.
+
+Zonder dralen sleepte hij daarop de stukken zijner wapenrusting naar
+buiten, legde die op den trog voor den waterput en begon toen, met
+het schild aan den arm, de lans in de vuist, met de grootst mogelijke
+deftigheid en waardigheid daarvoor op en neer te stappen.
+
+Het was onderwijl vrij laat geworden en de dikke waard haastte zich
+al de wonderlijke dingen van ridderslag en wapenwake, die hij van
+Don Quichot vernomen had, aan zijne gasten in de gelagkamer zoo heet
+van den rooster over te vertellen. De menschen liepen nu lachend
+naar het venster en, daar de maan helder scheen, zagen zij daar den
+goeden Don Quichot parmantig en in volle glorie voor zijne wapens
+heen en weer kuieren. Nu en dan bleef hij, op zijne lans leunend,
+eenige oogenblikken nadenkend staan, keek zuchtend tot de maan op en
+begon dan opnieuw zijne eentonige wandeling.
+
+Nu schoot een muilezeldrijver onder de gasten op eens te binnen, dat
+hij zijne beesten nog te drinken moest geven. Hij trad dus buiten in
+den hof en naderde den put, om de wapenstukken van den trog te nemen,
+daar hij anders niet bij het water kon komen. Zoodra nu echter Don
+Quichot hem in het oog kreeg, stelde deze zich dreigend in postuur
+en keek den komende grimmig aan.
+
+"Terug, vermetel ridder!" riep hij. "Wie gij ook zijn moogt, die u zoo
+roekeloos verstout de hand naar mijne wapens uit te steken, hoed u,
+dat gij niet het leven laat tot straffe voor uw dolzinning bestaan!"
+
+De ezeldrijver stoorde zich zoo weinig aan die hoogdravende taal,
+dat hij de hem in den weg liggende wapens zonder omstandigheden bij
+de riemen oppakte en ze, 't eene stuk rechts, 't ander links, op den
+grond smeet.
+
+Toen Don Quichot dit zag, ontstak hij in hevigen toorn, verdraaide
+de oogen, liet zijn schild los, greep met beide handen zijne lans en
+liet die met zooveel geweld op het hoofd van den armen ezeldrijver
+neervallen, dat dezen hooren en zien verging en hij dadelijk
+bewusteloos neerstortte.
+
+Zonder verder naar den overwonneling om te zien, raapte Don Quichot
+bedaard zijne wapens weer op, legde ze andermaal op den trog neer en
+zette zijne wandeling met alle deftigheid voort.
+
+Het duurde echter niet lang, of daar kwam een tweede ezeldrijver
+die volstrekt niet wist van hetgeen met zijn kameraad gebeurd was,
+en ontving van Don Quichot dezelfde waarschuwing, om zich op een
+afstand te houden. Daar de man dit nu niet dadelijk deed, hief de
+bedreigde ridder andermaal zijne lans op en bracht den armen drommel,
+die heel niet wist, wat hem overkwam, een paar zoo geweldige slagen
+op het hoofd toe, dat het bloed er bij neerstroomde en de onnoozele
+sukkel jammerlijk begon te schreeuwen en te huilen. Dit gerucht
+deed den herbergier en zijne gasten verschrikt toeschieten en
+met verbaasdheid zien, wat gebeurd was. En toen hij bemerkte, welk
+machtig leger tegen hem in aantocht was, greep de wakkere ridder nu
+zijn zwaard en riep uit:
+
+"Nu, o Dulcinea, koninginne van mijn hart, nu is het tijd, dat gij uwe
+oogen op mij richt en ziet, welk vreeselijk en schrikbarend avontuur
+ik hier te bestaan heb."
+
+De dreigende gebaren, waarmede Don Quichot zijne wapens zwaaide,
+zijne vlammende blikken en onmiskenbare vastberadenheid boezemden den
+menschen zooveel ontzag in, dat zij terstond staan bleven en zich niet
+nader waagden. Om toch iets te doen, raapten zij echter steenen van
+den grond op en begonnen daarmee op veiligen afstand zulk een hevig
+bombardement, dat Don Quichot zich daar met zijn schild onmogelijk
+tegen kon dekken. Hij ontving dus menig harden bons, maar week geen
+voet van de plaats, daar hij liever zijn leven dan ook maar één enkel
+stuk van zijne wapenrusting wilde verliezen.
+
+De herbergier, die medelijden met den armen held begon te krijgen,
+trad eindelijk als bemiddelaar op en zocht de aanvallers tot bedaren te
+brengen door hun te herinneren, dat Don Quichot niet recht wijs was,
+wat hij hun vroeger ook al had gezegd. Zijne dringende toespraak en
+des ridders ernstige bedreiging, dat hij den een na den ander den
+schedel zou klooven, hadden eindelijk ten gevolge, dat men den bont
+en blauw gesteenigden held verder met rust liet. Deze gaf nu den
+deerlijk gekwetsten ezeldrijver vrijheid, om zijns weegs te gaan,
+vatte de lans weer op en zette zijne wandeling voort, alsof er
+hoegenaamd niets was voorgevallen.
+
+Onderwijl begreep de waard, dat het nu tijd werd, aan de grap voorgoed
+een einde te maken, en besloot dus onzen heldhaftigen vriend maar
+terstond zonder verder uitstel tot ridder te slaan.
+
+"Hoogedele heer," sprak hij op eerbiedigen toon, "gij hebt thans
+ten volle uw plicht vervuld en door de heldhaftige verdediging uwer
+wapens uwe bovenmenschelijke dapperheid doen blijken. Ik acht het dus
+niet noodig, dat gij hier tot den morgen staan blijft, maar reken mij
+verplicht, u nu dadelijk hier onder den blooten hemel den ridderslag
+te geven."
+
+Door deze nederige toespraak, waarin een zoo hooge lof voor hem
+lag opgesloten, niet weinig gestreeld, toonde Don Quichot zich
+dan ook terstond bereid den slag te ontvangen; en om aan de zaak de
+behoorlijke plechtigheid bij te zetten, haastte de herbergier zich de
+beide ganzenmeiden en een keukenjongen te halen, om er als getuigen
+bij te dienen. Hierop beval hij den gekken ridder, neer te knielen,
+vroeg hem zijn zwaard en bracht hem daarmee twee zoo duchtige slagen
+op de schouders toe, dat ieder ander dan onze standvastige held het
+daarbij van pijn zou uitgeschreeuwd hebben. De dikke waard hield hierop
+eene korte toespraak, beval toen aan de meiden, welke Don Quichot
+nog altijd voor voorname, schoone jonkvrouwen hield, hem zwaard en
+sporen aan te gespen, en verklaarde, dat de ceremonie hiermee naar
+eisch was afgeloopen.
+
+De nieuwbakken ridder dankte alle drie, den slotvoogd en de dames, voor
+hunne liefdediensten, hunne gunst en genade, en ging vervolgens in den
+stal, om Rocinante te zadelen en buiten te brengen. Hij kon namelijk
+niet besluiten den ganschen nacht in de herberg door te brengen. De
+dorst naar avonturen en ridderlijke daden dreef hem voort; en de waard,
+maar blij, dat hij hem kwijtraakte, liet hem trekken, zonder zelfs voor
+de huisvesting en de ellendige stokvisch betaling van hem te vergen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+WAARIN BRAAF GEROST EN GERANSELD WORDT.
+
+
+De morgen begon juist te schemeren, toen Don Quichot de herberg verliet
+en welgemoed zijn tocht vervolgde. Zijne opgewonden verbeelding
+spiegelde hem reeds allerlei grootsche en ongehoorde wapenfeiten
+voor, toen hem op eens de goede raad inviel, dien de waard hem had
+meegegeven, te weten, om zich vooral van geld, schoon linnen en
+een schildknaap te voorzien. Dit deed hem dus besluiten naar zijne
+woonplaats terug te keeren en Rocinante den weg te doen inslaan naar
+het dorp, waar hij het levenslicht aanschouwd had. Het paard scheen
+zijn voornemen te begrijpen en nog meer dan hij naar den bekenden
+stal te verlangen. Het draafde lustig voort en scheen met zijne hoeven
+nauwelijks de aarde te raken.
+
+Op eens trok Don Quichot de teugels aan en luisterde. Een klagend
+gekerm drong hem uit een dicht kreupelbosch in de ooren, en terstond
+stuurde hij zijn paard op de plaats, van waar dat geluid kwam, aan. Hij
+was nauwelijks vijftig passen ver, toen hij eene vastgebonden merrie
+en daar dicht bij een ongeveer veertienjarigen knaap ontdekte, welke
+die klagende tonen uitstiet. De jongen was aan een boom vastgebonden
+en zijn bovenlichaam tot aan de heupen ontbloot. Een stevige boer
+stond achter hem, ranselde den schreeuwenden knaap met een dik touw
+ongenadig af en deed op iederen slag de vermaning volgen: "Mond open,
+oogen toe, mijn jongen!"
+
+Don Quichots hart zwol van toorn en verontwaardiging, terwijl hij
+den boer met donderende stem toevoegde: "Gij zijt een schandelijk
+en eerloos ridder, daar gij u zoo aan een weerlooze vergrijpen
+durft! Laat hem los, bestijg uw strijdros en grijp uwe lans, opdat
+wij elkaars krachten beproeven; want ik zweer u en wil u bewijzen,
+dat uwe handelwijze de ergste lafhartigheid verraadt."
+
+Bij het hooren van de dreigende stem en 't zien van den geharnasten
+ridder, die met gevelde lans op hem toe kwam, hield de boer zich
+reeds voor een man des doods en antwoordde met schrik: "Edele heer,
+deze knaap hier heeft zijne tuchtiging dubbel en dwars verdiend. Hij
+is een van mijne knechts en hoedt mijne schapen, maar past zoo slecht
+op zijn plicht, dat ik om den anderen dag een stuk kwijtraak, om 't
+nooit weer te zien te krijgen. Als ik hem dan een pak ransel geef, dan
+zegt hij, ofschoon 't een schandelijke leugen is, dat ik dat uit booze
+vrekkigheid doe en omdat ik hem zijn verdiende loon niet wil betalen."
+
+"Dat liegt gij, goddelooze schobbejak!" riep Don Quichot, die uit
+pure ridderlijkheid voor den zwakkere partij koos. "Gij liegt! Bind
+terstond den jongen los en betaal hem, wat hem toekomt, als gij niet
+op staanden voet met mijne lans doorboord wilt worden."
+
+In zijn angst bond de boer den jongen rekel los, en Don Quichot vroeg
+dezen laatsten, hoe veel geld zijn heer hem schuldig was.
+
+"Negen en zestig realen," antwoordde snikkend de gauwdief.
+
+Zijn meester stond bij dit antwoord geheel verbijsterd en hief van
+verbaasdheid beide handen omhoog; doch de ridder beval hem, die som
+terstond zonder tegenspraak te betalen.
+
+"En al moest ik hier nu zoo dadelijk op de plaats dood blijven,
+dat geld geven kan ik niet," riep de boer. "Ik sleep de realen maar
+zoo niet in mijn zak mee. Als de jongen echter met mij naar huis
+wil komen, dan zweer ik u, heer ridder, dat hij hebben zal, wat hem
+eerlijk toekomt."
+
+"Neen, meegaan wil ik niet," huilde de knaap. "Geloof mij, edele
+ridder, als hij mij weer onder zijn klauwen krijgt, dan haalt hij
+mij bij levenden lijve 't arme vel over de ooren."
+
+"Neen, dat zal hij niet, maar hij zal doen, wat ik hem gelast. Hij
+moet mij op zijn woord beloven, dat hij u betalen zal, en de hemel
+moge hem genadig zijn, wanneer hij als een slecht en valsch ridder
+zijn woord brak. Ga gerust met hem."
+
+"Maar hij is heelemaal geen ridder, heer!" huilebalkte de jongen. "Hij
+is maar de rijke boer Juan Haldudo uit Quintanar en anders niets."
+
+"Dat doet er niet toe," verklaarde Don Quichot; "ook onder de Haldudo's
+kunnen ridders zijn, en ik zeg u, als uw heer u niet betaalt, dan zal
+ik weeromkomen, om hem te tuchtigen. Weet, dat ik de beroemde dolende
+ridder Don Quichot van La Mancha ben, de verdelger aller boozen, de
+beschermer der onschuld en de toevlucht der onderdrukten. Ga daarom
+met uw meester, mijn zoon! Hij zal niet wagen u kwaad te doen, daar
+ik u onder mijne bescherming heb genomen."
+
+De boer zwoer bij hoog en bij laag, dat hij den knaap behoorlijk
+behandelen zou, en Don Quichot gaf zijn ros de sporen en stoof heen in
+galop. Niet zoodra was hij echter uit het gezicht, of de boer keerde
+zich tot zijn knecht en zeide: "Kom nu hier, m'n kereltje: ik wil
+je betalen, wat je toekomt, en dat met rente en interest. Kom hier,
+zeg ik!"
+
+En met die woorden pakte hij hem, bond hem opnieuw aan den eik vast,
+waar hij den bengel zoo jammerlijk afranselde, dat zijn huilend
+brullen wijd en zijd door het bosch klonk en hij den wakkeren ridder,
+aan wien hij dat pak te danken had, naar den diepsten afgrond wenschte.
+
+"Roep nu je bevrijder, mijn zoon!" spotte de boer, terwijl hij zijne
+slagen als hagel neer liet vallen. "Toe, roep hem nu en zie, of hij
+je hooren en helpen zal! Wacht, ik wil je leeren, tegen je meester
+rebellig te wezen. Klets, klets, klets!"
+
+En hij beukte op den jongen los, tot zijn arm er lam van werd. Toen
+eerst bond hij hem los en joeg hem weg met een duchtigen schop tot
+reispenning.
+
+Onderwijl sjokte Don Quichot in sukkeldraf zijns weegs en verheugde
+zich over zijn werk, daar hij weinig vermoedde, hoe zijn pas bevrijde
+beschermeling thans opnieuw onder de slagen zijns kastijders stond
+te kreunen en te krimpen. Maar daar op eens zag hij in de verte eene
+stofwolk opstijgen, welke hij terstond voor een troep stroopende
+roofridders hield, niettegenstaande 't eenvoudig zes vreedzame
+kooplieden met hunne dienaren waren, die van Toledo naar Murcia
+trokken, om daar hunne handelszaken af te doen. Don Quichot herinnerde
+zich intusschen wat hij vroeger in zijne oude riddergeschiedenissen
+gelezen had, en besloot op dezelfde wijze te werk te gaan als die
+onvergelijkelijke helden, welke hij zich eens voor al tot schitterend
+voorbeeld had gesteld. Hij zette zich dus met kalme bedaardheid vaster
+in den zadel, dekte zijne borst met het schild, legde de lans aan en
+bleef in deze houding de langzaam naderende kleine karavaan roerloos
+afwachten. Toen nu de vreemde ridders, want voor dezulken hield hij
+hen, binnen het bereik zijner klinkende stem waren gekomen, deed hij
+zijn mond open en schreeuwde hun uitdagend toe:
+
+"Wie gij ook zijn moogt, ik zal u geen doortocht gunnen, voordat gij
+verklaard en betuigd hebt, dat Dulcinea van Toboso, mijne uitverkorene
+dame, de nobelste en schoonste jonkvrouw op den grooten, wijden
+aardbodem is!"
+
+De kooplieden konden uit Don Quichots gansche toetakeling en uit
+de dolle taal, die hij uitsloeg, wel dadelijk opmaken, dat het met
+hem daar boven niet recht pluis moest wezen, en een van hen, een
+jolige snaak, antwoordde dus dadelijk met even groote deftigheid:
+"Koen, dapper en roemwaardig ridder! wij hebben den naam van de
+eerbare jonkvrouwe, dien gij daar uit- galmt, nog nooit gehoord en
+hebben dus ook geen sikkepitje tegen haar in te brengen. Laat ons dan
+zien, hoe zij is, en is zij werkelijk het toonbeeld van schoonheid,
+waarvoor gij haar uitgeeft, dan zullen wij haar eer en lof volgaarne
+overal uitbazuinen."
+
+"Dat is maar dwaze praat!" voegde Don Quichot hun toe. "Als ik haar
+toonde, zou 't geen verdienste wezen, dat ge voor haar op de knieën
+neervielt. Neen, ook zonder haar liefelijk aangezicht te aanschouwen
+zult gij gelooven, bekennen en bezweren, dat zij de schoonste op
+aarde is, of allen door de kracht mijner lans in het stof worden
+neergeworpen. Komt nader dan, komt nader, een voor een of allen te
+gelijk, en ik wil u toonen, wat straf hen wacht, die wagen, aan de
+edele en hooge dame Dulcinea van Toboso de verschuldigde achting
+te ontzeggen."
+
+"Ei, heer ridder, hoe kunt gij u ook zoo schrikbarend driftig
+maken?" antwoordde de spotzieke koopman, met moeite zijn lachlust
+bedwingende. "Toont ons maar eene beeltenis van uwe aangebedene,
+en al is die ook maar zoo groot als een gerstekorrel, we zullen
+tevreden zijn en uwe heerlijkheid alle eer bewijzen, zelfs als uit
+dat konterfeitsel blijkt, dat de edele Dulcinea erg scheel ziet en
+voor en achter een bochel heeft."
+
+"Ellendige, laaghartige schavuit!" riep Don Quichot, ten uiterste
+verontwaardigd. "Doña [1] Dulcinea van Toboso kijkt niet scheel, en
+nog veel minder wordt haar edele gestalte door een bult ontsierd. Maar
+gij zult voor uwe snoode lastering het met den dood boeten."
+
+En nog terwijl hij dit uitschreeuwde, gaf hij Rocinante de sporen
+en stormde met zulk een geweld op den spotachtigen koopman in, dat
+hij hem met zijne lans doorboord zou hebben, zoo niet een gelukkig
+toeval dat dreigend gevaar had afgewend, De arme Rocinante namelijk,
+op dat harde rennen nog niet afgericht, stiet tegen een steen aan,
+struikelde, stortte neer en slingerde zijn ridderlijken berijder
+met zooveel kracht uit den zadel, dat hij wel tien passen ver door
+de lucht vloog. Hij deed wel al zijn best, om zich van zijn val
+weer op te richten; doch de zware last zijner rusting belette hem
+dat. Desniettegenstaande ging hij voort met schimpen en razen en
+overstelpte de kooplieden met een vloed van scheldwoorden, terwijl
+dezen daarbij zaten te schudden van lachen.
+
+Maar het spektakel, dat hij maakte, begon eindelijk een der
+muilezeldrijvers van het gezelschap te vervelen en deed hem besluiten,
+den gevallen ridder op krachtdadige wijze tot zwijgen te dwingen. Hij
+steeg van zijn lastdier, ging op Don Quichot toe, rukte hem de lans uit
+de hand, brak die door midden, nam het dikste eind en beukte daarmee
+zoo lang op den nog voortdurend schimpenden en scheldenden ridder los,
+tot hij zijn knuppel in duizend splinters had geslagen. Vervolgens nam
+hij het andere stuk van de lans en bediende zich daarvan op dezelfde
+wijze tegen den armen gevallene, die daarom toch den mond niet hield,
+maar hemel en aarde tot getuigen van de schandelijke behandeling
+aanriep, die hij van zulke ellendige gauwdieven en straatroovers
+ondergaan moest.
+
+Toen eindelijk de kerel moe werd en Don Quichot eene ongenadige dracht
+slagen had ontvangen, zetten de kooplieden hunne reis voort, zonder
+zich verder om den jammerlijk toegetakelden held te bekommeren. Deze
+hernieuwde nu nog eens zijne pogingen om overeind te komen; doch dat
+gelukte hem niet, daar zijn gansche lichaam deerlijk gekneusd was en
+hij zijne armen en beenen bijna heel niet kon bewegen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+HOE DON QUICHOT NAAR HUIS KWAM EN EEN SCHILDKNAAP VOND.
+
+
+Verscheiden uren lag Don Quichot niet ver van zijn paard stijf en
+roerloos op den grond en had tijd om over zijn treurig lot na te
+denken, totdat toevallig een boer uit zijne nabuurschap dien weg langs
+kwam en den ongelukkigen ridder daar zoo vond liggen. Die kwam hem te
+hulp, maakte hem den helm van het hoofd los en vroeg deelnemend, hoe
+het met hem was. De arme mishandelde gaf eerst volstrekt geen antwoord,
+maar bracht toen op eens zulk een onzin en wartaal voor den dag, dat
+de goede, eenvoudige boer er heel niet wijs uit kon worden. Het duurde
+lang, voordat hij de waarheid eenigermate op het spoor kwam. Eindelijk
+trok hij den gekneusde zonder omstandigheden de wapenrusting en de
+kleederen van het lijf, onderzocht zijn geheele lichaam en vond
+eene ontelbare menigte bruine, blauwe en groene plekken, die aan
+de krachtige slagen van den verbolgen muilezeldrijver waren toe te
+schrijven. Nu begreep hij zoo nagenoeg, wat hij te doen had, tilde
+den armen ridder op Rocinante, bond hem op den zadel vast, pakte de
+stukken der wapenrusting op zijn eigen paard, nam beide rossen bij
+den teugel en geleidde den dolenden ridder op die wijze naar huis.
+
+Onder weg kraamde Don Quichot zoo veel dwaze dingen uit, dat den
+eenvoudigen boer hooren en zien verging en hij hartelijk blij was,
+toen hij eindelijk zonder verdere ongelukken behouden Don Quichots
+huis bereikt en daar terdege op de gesloten deur gebonsd had.
+
+Zijne nicht en de oude huishoudster waren intusschen niet weinig
+verbaasd geweest, toen zij op eens de afwezigheid van haren heer
+bemerkten, die met ros en rusting spoorloos verdwenen scheen. In haar
+angst en bezorgdheid zonden zij, toen eenige dagen verloopen waren,
+naar den pastoor en den barbier van het stadje, verzochten dezen,
+bij haar te komen, en deelden hun het vreemde geval in al zijne
+kleuren en fleuren mee.
+
+"Die verwenschte ridderboeken hebben hem het hoofd op hol gebracht,"
+zeide de huishoudster tot den pastoor, "en het knapste verstand in
+heel Spanje totaal te gronde gericht."
+
+"Ja, ja, meester Nicolaas," klaagde het nichtje, zich tot den barbier
+richtende, "mijn arme oom zat dagen en nachten lang in die domme boeken
+te studeeren en las zoo lang, tot het hem groen en geel voor de oogen
+werd. Soms smeet hij het boek weg, greep naar een ouden verroesten
+degen, die aan den wand hing, haalde hem uit de schede en begon er als
+een dolleman mee in de lucht te schermen. Als hij dan moe werd en 't
+zweet hem bij 't gezicht neerliep, zeide hij, dat hij met vier machtige
+reuzen had gekampt en alle vier doodgeslagen. Vervolgens dronk hij een
+groot glas water en verklaarde, dat het een kostelijke wonderdrank
+was, dien hij van zijn goeden vriend, den toovenaar Esquife, had
+gekregen. En dan eindelijk nam hij zijne malle ridderhistories weer
+op en las daarin, tot hij weer zoo'n nieuwe vlaag van razende dolheid
+kreeg. Zoolang die ellendige boeken niet tot asch verbrand zijn,
+krijgt mijn arme oom zeker zijn verstand niet weerom."
+
+"Nu, dan willen wij er het vonnis over uitspreken en ze morgen aan
+den dag zonder genade op het vuur te gooien."
+
+Op dit oogenblik bonsde de boer buiten op de huisdeur, en de
+verzamelden sprongen op en haastten zich naar buiten, om te zien,
+wat er gaande was. Toen zij den verloren ridder Don Quichot herkende,
+gaf de huishoudster een kreet van blijdschap en vroeg hem, waar
+hij zoo lang geweest was. De arme man was echter niet in staat een
+verstandig antwoord te geven. Hij kwam met allerlei onzin voor den dag,
+en de boer, die hem gebracht had, moest het woord nemen en vertellen,
+in welken toestand hij den dolenden held gevonden had. Deze werd nu
+met alle zorg van het paard getild en te bed gebracht, waarop hij
+terstond in een diepen slaap verzonk. De overigen bleven echter nog
+tot laat opzitten, om te overleggen, wat zij doen moesten om de dwaze
+inbeeldingen van den armen man zooveel mogelijk te keer te gaan of
+althans voor het vervolg onschadelijk te maken.
+
+Den volgenden morgen was de dag nauwelijks aan den hemel, of de
+ongelukkige riddergeschiedenissen ondergingen het vonnis, dat den
+vorigen avond onherroepelijk over haar was uitgesproken. De pastoor,
+de barbier, de huishoudster en de nicht trokken daartoe gezamenlijk
+naar de bibliotheek, sleepten de gansche vracht boeken naar buiten,
+stapelden ze als een houtmijt op elkander en legden er een duchtig vuur
+onder aan. De oude stroosnijders brandden als zwavelstokken, en het
+duurde geen half uur, of van heel den rommel was niets meer over dan
+een hoopje grauwe asch, die de wind naar alle richtingen verstrooide.
+
+Om nu het goede werk te voltooien, deed de huishoudster toen
+een metselaar komen, die nog dienzelfden dag de deur naar de
+bibliotheek dichtmetselen moest, zoodat men er geen spoor meer van
+kon ontdekken. Toen dit gedaan was, stelde zij zich gerust en meende
+haren meester nu alle dolle kuren uit het hoofd te hebben gedreven of
+toch te kunnen drijven, daar de onzinnige ridderromans, waaruit hij
+al dat vergift had gezogen, nu voor altijd onschadelijk waren gemaakt.
+
+Onderwijl werd Don Quichot wakker, sliep weer in, werd weer wakker,
+at en dronk en vertelde allerlei dwaze dingen, totdat hij zich
+eindelijk weer tamelijk wel gevoelde. Hij trok zijne kleeren aan,
+sukkelde naar zijne bibliotheek, om daar wat in zijne geliefde boeken
+te studeeren, en vond--geen vertrek en zelfs geen deur meer. Op zijne
+verwonderde vraag vertelde zijne nicht hem, dat een booze toovenaar
+de geheele bibliotheek weggehaald had; en daar dit verzinsel met de
+denkbeelden van den ridder vrij goed overeenkwam, nam deze dat dan
+ook geloovig aan.
+
+De eenige gedachte, die Don Quichot thans nacht en dag bezighield,
+was hoe hij best weer een nieuwen tocht zou ondernemen en aan een
+schildknaap komen, die hem daarop vergezellen kon. Zijn buurman, een
+eerlijke boer zonder bijzonder veel verstand, scheen hem voor zulk eene
+betrekking de meest geschikte persoon toe, en hij gaf zich dus alle
+moeite om den man over te halen. In den beginne wilde Sancho Panza,
+zoo heette de boer, van al die dolende ridderschap hoegenaamd niets
+hooren; doch Don Quichot deed hem zulke fraaie beloften en stelde hem
+zoo duidelijk voor, dat hij wat vroeger of later een koninkrijk of een
+eiland veroveren moest, waarop hij dan Sancho Panza als stadhouder
+zou aanstellen, dat de goede man eindelijk toegaf en, in spijt van
+vrouw en kinderen, tot het besluit kwam, den edelen Don te vergezellen.
+
+Nadat op deze wijze eene voorname zwarigheid uit den weg geruimd
+was, moest de ridder van La Mancha nog geld en schoon linnen zien
+te bekomen. Hij verkocht en verpandde derhalve een goed deel van
+zijn eigendommen en bracht zoodoende eene vrij aanzienlijke som
+bijeen. Hierop lapte hij zijne wapenrusting weder op, bracht zijn
+helm in behoorlijken staat, kondigde Sancho Panza het uur aan, waarop
+zij opbreken zouden, en drukte hem op het hart, zich toch vooral van
+een duchtigen knapzak te voorzien. Sancho Panza beloofde niet alleen
+voor den knapzak, maar ook voor een rijdier te zullen zorgen, daar hij
+zijn ezel op de reis meenemen wou. Nu wist Don Quichot zich wel niet
+te herinneren, dat ooit een schildknaap op een grauwtje op avonturen
+was uitgegaan, maar toch had hij er vrede mee, daar hij zich voornam,
+den eersten den besten onheuschen ridder, met wien hij te doen kreeg,
+zijn strijdros af te nemen en op die wijze beter voor Sancho Panza
+dan voor zichzelf te zorgen.
+
+Nadat zoo alles bezorgd en in orde gebracht was, verlieten Don Quichot
+en zijn schildknaap in het holst van den nacht stil en heimelijk
+hun vredig dorp, zonder dat een van beiden van zijne betrekkingen
+afscheid had genomen. Zij haastten zich zoo veel mogelijk, om
+niet achterhaald te worden, zelfs als men hen misschien nazetten
+mocht. Sancho Panza bungelde op zijn ezel, rookte uit zijn kort
+pijpje, blies ontzettende rookwolken in de lucht en droomde van het
+hem toegezegde stadhouderschap zoo levendig, alsof hij het reeds goed
+en wel in den zak had. Zij volgden denzelfden weg, dien Don Quichot
+reeds vroeger had genomen, en raakten al spoedig in een zeer wijs
+en te gelijk onderhoudend gesprek verdiept, waarin de ridder zijn
+schildknaap opnieuw ongehoorde dingen voorspiegelde en hem beloofde,
+dat hij al heel gauw koning en zijne vrouw en kinderen koningin en
+prinsen of prinsessen zouden zijn. De eerlijke knaap nam al, wat zijn
+meester hem voorpraatte, geloovig aan, terwijl het uitzicht op eene
+zoo hooge waardigheid zijne eerzucht niet weinig streelde en zijne
+oogen blind maakte voor alle onwaarschijnlijkheden.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+DON QUICHOT EN DE WINDMOLENS.
+
+
+Onze twee hadden reeds een goed eind weegs afgelegd, toen zij op
+eens dertig tot veertig windmolens op de vlakte voor zich zagen. Op
+dat gezicht keerde de ridder zich tot zijn schildknaap om en zeide:
+"Vriend, het geluk lacht ons toe, vroeger dan wij hopen of verwachten
+konden. Daar voor ons staan dertig en nog meer schrikbarende reuzen. Ik
+wil er op losgaan, op leven en dood met hen kampen en hun allen het
+levenslicht uitblazen. Als ik hen geveld heb, zullen wij rijken buit
+en ik zelf onsterfelijken roem behalen, daar het een edel ridderlijk
+en den hemel welgevallig werk is, dat men zulke snoode reuzen van
+den aardbodem verdelgt."
+
+"Wat voor reuzen dan?" vroeg Sancho Panza, verwonderd rondkijkend en
+niets dan die onschuldige windmolens ontdekkend.
+
+"Daar staan zij," antwoordde Don Quichot en wees op de windmolens,
+"daar staan ze en zwaaien hunne geweldige armen, die wel twee mijlen
+en meer lang zijn."
+
+"Die dingen daar, doorluchtige heer?" vroeg Sancho, ten uiterste
+verbaasd. "Wel, lieve hemeltje, dat zijn immers windmolens, maar geen
+reuzen. Wat gij de armen noemt, dat zijn de wieken, die door den wind
+rondgedraaid worden en de molensteenen aan den gang brengen."
+
+"Ik merk, dat gij nog heel weinig van avonturen weet," riep Don
+Quichot. "Dat zijn de reuzen; en als u de angst om het hart slaat,
+blijf dan op een afstand en zie toe, hoe ik den geduchten en ongelijken
+strijd met hen wagen zal."
+
+Met deze woorden drukte hij den mageren Rocinante de sporen in de
+ribben en stoorde zich niet meer aan het roepen van zijn verwonderden
+schildknaap, die hem nog altijd met al de kracht zijner longen
+naschreeuwde, dat hij gewone windmolens en geen reuzen of ridders
+voor zich had. Don Quichot had zich nu eens die reuzen in het hoofd
+gezet en zag zelfs zijne dwaling nog niet in, toen hij reeds dicht
+bij de molens gekomen was. Met donderende stem riep hij hun toe:
+
+"Staat, gij ellendige en lafhartige schepsels! Staat en vlucht
+niet! Een eenig ridder nadert, die u het hoofd biedt en u in het stof
+zal nederwerpen!"
+
+Op dit oogenblik stak een lichte wind op; die de wieken der molens
+langzaam in beweging bracht. Don Quichot hield dit voor een antwoord
+en eene uitdaging en schreeuwde vol strijdlust:
+
+"En al had gij ook zooveel armen, als de honderdarmige reus Briareus,
+toch zult gij overwonnen worden en mij aan mijne voeten om genade
+smeeken."
+
+Met deze woorden maakte hij zich tot den kamp gereed, dacht aan zijn
+hooge gebiedster Dulcinea van Toboso, riep hare machtige bescherming
+tegen het dreigende gevaar in, dekte zijn borst met het schild,
+velde de lans, stoof in wilden galop vooruit en richtte onversaagd
+zijn aanval op den naastbij staanden windmolen. De scherpe lans ging
+door een der wieken heen, welke de wind juist op dat oogenblik met
+vermeerderde snelheid ronddraaide; zij brak dadelijk in stukken,
+terwijl ruiter en ros overhoop geworpen en, leelijk bezeerd en
+gekneusd, een eind ver weggeslingerd werden. Nu schoot Sancho Panza
+toe, zoo vlug als zijn grauwtje maar draven kon, en ontdekte met
+schrik, dat zijn dappere meester zulk een geweldigen smak had gekregen,
+dat hij geen lid meer verroeren kon.
+
+"Och lieve hemeltje!" riep Sancho, toen hij zijn edelen heer daar
+zoo jammerlijk vond toegetakeld. "Heb ik u niet gezeid, dat ge u in
+acht moest nemen? Ieder verstandig mensch moest toch zien, dat hij
+windmolens en geen reuzen voor zich had."
+
+"Stil, stil, vriend Sancho!" kreunde Don Quichot met matte stem. "Ik
+zie wel, dat alle krijgsgeluk wisselvallig en onbestendig is. De een
+of ander boosaardige toovenaar, waarschijnlijk dezelfde, die mij
+mijne kamer en mijne boeken ontstal, moet de reuzen in windmolens
+hebben veranderd, om mij de eer en den roem der overwinning uit de
+handen te rukken. Zijne vijandigheid is groot, maar zal eindelijk
+toch door de voortreffelijkheid van mijn goed zwaard en door mijne
+dapperheid overwonnen worden."
+
+"Dat hoop ik!" zeide Sancho Panza, terwijl hij zijn ridder overeind
+en weer op Rocinante hielp, die bijna de ruggegraat had gebroken.
+
+Hierop vervolgden beiden hunne reis en richtten zich naar den bergpas
+van Lápice, waar Don Quichot, daar het eene druk bezochte plaats was,
+eene menigte avonturen hoopte te beleven. Het verlies van zijne lans
+griefde hem uitermate zeer en hij dacht lang na, op wat wijze hij
+dat best kon herstellen. Eindelijk besloot hij, van den eersten den
+besten eik of beuk een stevigen tak af te kappen en dien dan voortaan
+als lans te gebruiken.
+
+"Gij zult zien, Sancho," zeide hij, "dat ik zelf met een zoo ellendig
+werktuig de stoutste en ongeloofelijkste daden volvoeren zal."
+
+"'k Mag een boontje wezen, als ik dat niet hoop, edele heer,"
+antwoordde de schildknaap, "Maar waarom zit gij toch zoo scheef in den
+zadel en hangt zoo op de eene zij van het paard? Hebt ge u misschien
+bij den val wat bezeerd?"
+
+"Zoo is het," erkende de ridder, "en dat ik het niet hardop van pijn
+uitschreeuw, is alleen maar, omdat ik wel vaak gehoord en gelezen
+heb, dat zulk kermen en jammeren aan kloeke dolende ridders niet
+betaamt. Zij klaagden nooit over eenige kwetsuur of verwonding, al was
+'t ook, dat hun de darmen uit het lijf hingen."
+
+"Nu, ieder zijn meug, zooals mijne grootmoeder placht te zeggen,"
+antwoordde de schildknaap. "Ik had evenwel liever, dat gij maar
+schreeuwdet, edele heer, als ge pijn voelt ergens; want ik voor mijn
+part zal terdege een keel opzetten, als mijn arm lichaam erg schade
+of letsel krijgt. Of is 't misschien ook aan de schildknapen der
+dolende ridders verboden, te klagen, als hun iets overkomt?"
+
+Don Quichot haalde over deze vraag van zijn dienaar de schouders op,
+maar gaf hem toch volle vrijheid, om bij voorkomende gelegenheid naar
+hartelust te kermen, te krijten en te huilebalken, daar hij nog nooit
+gehoord had, dat in de voorschriften voor de ridderschap iets voorkwam,
+dat zulks bepaald verbood. Sancho stelde zich hiermede tevreden,
+doch deed een poosje later opmerken, dat de etenstijd gekomen was.
+
+"Eet en drink, zoo gij wilt," antwoordde de ridder. "Ik voor mij voel
+nog geen honger."
+
+Sancho liet zich dit geen tweemaal zeggen, maar maakte 't zich zoo
+gemakkelijk, als dat bovenop een ezel maar eenigszins mogelijk is;
+hij haalde proviand uit den welgevulden knapzak en at zich dik en
+zat. Vervolgens bleef hij een weinig achter, opende den bokkevellen
+wijnzak, bracht dien aan den mond en dronk met zulke geduchte teugen,
+dat de grootste nathals in heel Spanje 't niet beter zou hebben
+kunnen doen.
+
+Zoo ging de reis voort. Don Quichot gaf zich aan zijn hoogvliegende
+gedachten over en Sancho Panza zocht zijn troost bij den wijnzak,
+totdat de avond hen midden in een groot bosch overviel. Zij maakten
+halt en sloegen onder een groep dicht gebladerde eikeboomen hun
+nachtleger op. Sancho, die braaf moe en wiens hoofd buitendien door
+de wijndampen een weinig beneveld was, lag dadelijk vast in slaap
+en snorkte zoo geweldig, dat de vogels en vleermuizen in den omtrek
+er verschrikt de vlucht voor namen. Don Quichot daarentegen deed
+geen enkel oog toe. Hij droomde van zijne zielekoninginne Dulcinea,
+tot de morgen weer aanbrak. Toen stond hij op, beroofde een der eiken
+van een langen, taaien tak, stak daar zijn lansijzer in en verschafte
+zich opnieuw een ridderlijk wapen. Vervolgens, toen de eerste gouden
+zonnestralen in het dichte groene bosch doordrongen en duizenden van
+vogels hun orgelend en schetterend morgenlied aanhieven, wekte hij
+zijn schildknaap, die anders een gat in den dag zou hebben geslapen,
+en vervolgde zijn tocht. Sancho had eerst al eens hoogte van den
+wijnzak genomen en tot zijn groot verdriet bevonden, dat die veel
+magerder dan den dag te voren was. Na eene poos noodigde hij zijn
+meester tot het ontbijt, maar verteerde dat alleen, daar Don Quichot,
+die van honger noch dorst scheen te weten, geen beet over de lippen
+wilde nemen. Drie uren later bereikten zij den pas van Lápice, die door
+den ridder met van moed en strijdlust flonkerende oogen werd begroet.
+
+"Sancho," sprak hij, "hier op deze plaats zal het ons niet aan
+avonturen ontbreken, en ik reken mij dus verplicht u een bevel
+te geven, waaraan gij u strikt houden moet. Nooit en in geen geval
+namelijk moogt gij wagen, mij te hulp te komen en uw degen te trekken,
+behalve wanneer misschien gemeen volk en laag gepeupel zich in den
+strijd mocht willen mengen. Tegen ridders te kampen is u, volgens de
+wetten der ridderschap, ten strengste verboden, zoolang gij niet zelf
+tot ridder geslagen zijt."
+
+"Ei," antwoordde Sancho Panza, "in dit punt wil ik u dol gaarne
+gehoorzamen, gestrenge heer, daar ik van nature zoo vreedzaam als een
+pasgeboren lam ben. Wanneer mij echter iemand te lijf wil, tegen dien
+verweer ik mijne huid, om 't even of 't een ridder, een schildknaap
+of maar een uit het gemeene volk is."
+
+Terwijl Sancho nog sprak, zag Don Quichot twee Benedictijner monniken
+aankomen. Zij reden op groote muildieren, droegen lange zwarte gewaden
+en dekten zich door groote schermen tegen de zonnestralen. Een weinig
+achter hen aan kwam eene koets, door eenige mannen te paard en een paar
+ezeldrijversjongens te voet begeleid. In die koets zat eene dame uit
+Biscaye, die naar haren gemaal te Sevilla reisde. De monniken, hoewel
+zij dienzelfden weg gingen, behoorden niet tot het reisgezelschap
+van de dame en schenen zich ook maar weinig om haar te bekommeren.
+
+Nauwelijks had Don Quichot de naderenden in het oog gekregen, of hij
+zeide tot zijn schildknaap:
+
+"Hoor, Sancho Panza, dat is een avontuur, als den besten ridder nog
+niet fraaier bejegend is. Die zwarte gedaanten daar zijn zonder twijfel
+twee toovenaars, die eene geschaakte prinses helpen voortsleepen,
+en ik reken het mijn plicht, mij tegen zulk een schandelijk bestaan
+met al de kracht van mijn arm te verzetten."
+
+"Allerdapperste heer ridder," riep Sancho Panza vol schrik, "gij
+bedriegt u. Die mannen in het zwart zijn eerwaardige monniken van
+de Benedictijner orde en hebben zeker zoomin eene prinses als eenige
+andere edele dame geroofd. Hoed u, dat gij door uwe inbeelding niet
+allerleelijkst in de klem komt."
+
+"Sancho Panza, zwijg stil!" gebood Don Quichot op hoogen toon. "Ik
+heb u al eens gezegd, dat gij van hooge en merkwaardige avonturen
+nog heel geen begrip hebt, en gij zult spoedig zien, dat al, wat ik
+van die zwarte toovenaars zei, de zuivere onvervalschte waarheid is."
+
+De schildknaap zweeg beschaamd stil, en zijn meester reed de reizigers
+nog een kort eind te gemoet. Midden op den weg hield hij toen zijn
+klepper staande, en toen de mannen dichtbij genoeg waren, om zijne
+woorden te kunnen verstaan, riep hij hun met luider stemme toe:
+
+"Gij verfoeilijke, heidensche snoodaards, houdt dadelijk stil en
+geelt terstond en zonder weigeren de doorluchtige prinses over,
+die gij daar in de koets in gevangenschap wilt sleepen. Draalt gij,
+mijn bevel te gehoorzamen, dan zult gij hier tot straffe voor uwe
+misdaad op staanden voet de zwarte ziel uitblazen."
+
+De monniken hielden hunne muildieren in en wisten niet, wat zij van
+de wonderbaarlijke figuur van den ridder en van zijn dreigende woorden
+denken moesten. Eindelijk antwoordde een van hen:
+
+"Heer ridder, ik bid u, laat ons in vrede trekken! Wij zijn noch
+verfoeilijke, noch heidensche snoodaards, maar twee doodonschuldige
+dienaren des Heeren, die rustig huns weegs gaan en niet weten, of in
+die koets daar prinsessen of prinsen zitten."
+
+"Gij liegt, duivelsche heksenmeesters!" riep Don Quichot woedend,
+velde de lans, gaf Rocinante de sporen en stoof in galop op den eersten
+monnik los. Hij was zoo grimmig en verwoed, dat hij den onschuldigen
+man doorboord zou hebben, indien deze zich niet met verwonderlijke
+vlugheid van zijn muildier had laten glijden. De andere monnik drukte
+zijn beest de hielen in de zijden en wist door overhaaste vlucht
+gelukkig zijn lijf te bergen.
+
+Thans viel Sancho Panza, wiens anders niet groote moed door het stoute
+heldenfeit van zijn meester verbazend gerezen was, op den eersten
+monnik aan, wierp hem ter aarde en begon hem de kleederen van het
+lijf te rukken. Terstond echter kwamen nu de ezeldrijversjongens toe,
+vroegen hem, wat kwaad de heer hem gedaan had, pakten hem in haar en
+baard en ranselden hem zoo ongenadig af, dat hij moord en brand begon
+te schreeuwen. Terwijl de jongens hem nog zoo onder hunne knuisten
+hadden en hem bont en blauw sloegen, wist de sidderende en bevende
+monnik weer in den zadel te komen, greep de teugels, bracht zijn
+muildier in snellen draf en haalde eerst weer adem, toen hij den
+onstuimigen ridder en zijn ruwen, pootigen schildknaap ver achter
+zich had gelaten.
+
+Intusschen was Don Quichot de koets genaderd, om de daarin zittende
+dame aan te spreken.
+
+"Hooge en edele prinses," begon hij, "gij moogt nu weder naar
+welgevallen over uw persoon beschikken, want daareven heb ik uw belager
+door de kracht van mijn sterken arm ter aarde geworpen. Indien gij
+mijne daad beloonen wilt, zend dan een heraut aan de meesteresse mijns
+harten, de verhevene dame Dulcinea van Toboso, en laat haar melden,
+wat ik volvoerd heb en hoe ik u door mijne dapperheid uit het geweld
+van twee schandelijke toovenaars bevrijdde."
+
+Deze woorden vernam een palfrenier der dame, een Biscayer van
+geboorte. Daar hij zag, dat Don Quichot zich niet verwijderde en dat
+zijne gebiedster zeer verschrikt scheen, ging hij op den dollen ridder
+toe, greep zijne lans en zeide:
+
+"Maak, dat je weg komt, ridder! Zoo waar als ik leef en een Biscayer
+ben, haal ik je van het paard, als je niet dadelijk de koets verlaat."
+
+Don Quichot staarde den palfrenier met groote oogen aan. Daar hij
+nochtans zag, dat hij slechts een dienaar en niet een ridder voor
+zich had, antwoordde hij met de grootste bedaardheid:
+
+"Laat mij met vrede, mensch! Zoo gij een ridder waart, zou ik u
+tuchtigen, maar nu pak u weg, onbeschaamde lijfeigen hond!"
+
+"Wacht!" riep de Biscayer, "ge zult zien, met wien ge te doen
+hebt. Gooi die lans weg en trek het zwaard! We willen gauw zien,
+wiens haan victorie zal kraaien. Trek van leer, zeg ik, en toon wat
+ge kunt, kale jakhals van een edelman!"
+
+Don Quichot geraakte nu in drift. Hij wierp de lans van zich, dekte de
+borst met het schild, trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los,
+met het stellig voornemen om hem zonder barmhartigheid den schedel
+te klooven. De palfrenier ontblootte insgelijks zijn wapen, greep
+tot zijne dekking een kussen uit den wagen, hield dat als een schild
+voor zich, en de tweekamp begon met vreeselijk geweld. Men riep den
+strijdenden toe, vrede te maken; doch zij luisterden daar niet naar. De
+dame in de koets beval nu haren koetsier, een weinig door te rijden,
+waar zij op veiligen afstand ooggetuige van het gevecht kon zijn.
+
+De koetsier gehoorzaamde en de zwaarden vervolgden hun werk. De
+Biscayer bracht zijn vijand een houw over den schouder toe, die
+dezen van den romp zou gescheiden hebben, ware hij niet door schild
+en harnas beschut geweest. Desniettemin voelde de ridder de zwaarte
+van den slag, die hem door alle ribben dreunde, en riep zijne hooge
+patronesse Dulcinea van Toboso smeekend aan. De gedachte aan haar
+bezielde hem met nieuwen moed, leende zijn arm nieuwe sterkte, en
+vol woede drong hij op den Biscayer in. Zijne zwaardslagen kletterden
+op hem neer, en de arme palfrenier zag vol schrik zijne nederlaag te
+gemoet. Had hij een goed paard gehad, zoo zou hij gevlucht zijn; doch
+hij bereed een ellendigen knol, dien hij bijna niet van de plaats kon
+krijgen. Derhalve verweerde hij zich met de grootste vertwijfeling,
+waardoor 't hem dan ook gelukte zich den razenden ridder nog een
+tijdlang van 't lijf te houden. Daar hij echter ongeharnast was,
+terwijl Don Quichot van kop tot teen in ijzer staal stak, moest
+hij natuurlijk eindelijk het onderspit delven. Onze ridder richtte
+zich op in zijn zadel, pakte zijn zwaard met beide handen, hieuw den
+Biscayer over den schedel en raakte hem zoo geducht, dat het bloed
+hem terstond uit mond en neusgaten spoot en hij met paard en al op
+den grond stortte.
+
+Thans steeg Don Quichot uit den zadel, hield den gevallene de punt
+van zijn zwaard voor het gezicht en beval hem, zich verwonnen te
+verklaren. De man was evenwel te erg verbijsterd, om antwoord te kunnen
+geven, en de verbolgen ridder zou hem ongetwijfeld zijn zwaard door
+den strot gejaagd hebben, indien de dame in de koets niet vol angst
+tusschenbeide was gekomen en in roerende bewoordingen om het leven
+van haar dienaar had gesmeekt. Don Quichot liet zich vermurwen en die
+deemoedige bede goot water op den vlammenden gloed zijner gramschap.
+
+"Het leven zij hem dan geschonken," riep hij; "doch slechts onder
+voorwaarde, dat deze ridder mij belooft, naar Toboso te trekken en
+mijner onvergelijkelijke meesteres, Dona Dulcinea, te verhalen, op
+wat heldhaftige, ridderlijke wijze ik hem met mijn zwaard heb geveld."
+
+De arme vrouw beloofde in haar angst alles, en Don Quichot bracht
+zijn overwonneling dan ook geen verder leed toe. Deze kwam met moeite
+weer op de been en was blij, dat hij de reis met zijne meesteres
+kon vervolgen.
+
+In dien tusschentijd had ook Sancho Panza zich uit de handen der jonge
+ezeldrijvers weten los te wringen en kwam nu op zijn meester toe,
+die al weer hoog te paard zat en de wegrollende koets triomfeerend
+naoogde. Toen deze in eene kromming van den weg verdween, keerde hij
+zich tot zijnen stom wachtenden schildknaap om en begon zijn nooit
+geëvenaard heldenfeit in klinkende woorden te verheffen.
+
+"Ja, dat alles is mooi en wel," viel Sancho Panza hem eindelijk in
+de rede; "maar waar, edele heer, is het stadhouderschap, dat gij mij
+na uw eerste schitterende avontuur vast beloofd hebt? 'k Wil mezelf
+niet roemen, maar 'k geloof, dat ik zoo'n knappe, fiksche stadhouder
+zou wezen, als maar één denken durft."
+
+"Sancho," antwoordde de ridder, "toen ik dat zei, meende ik een
+eilandsavontuur, en dit hier is enkel een vastelandsavontuur, dat niets
+dan eer en roem aanbrengt. Heb geduld, mijn zoon! Als de tijd gekomen
+is, zult gij ook stadhouder worden. Maar verbind nu mijn oor eens, dat
+die booze ridder vrij erg geraakt heeft, en waar 't bloed uitloopt."
+
+Sancho Panza haalde aanstonds pluksel en zalf uit zijn knapzak en
+nam zijn meester den helm af. Deze merkte nu eerst, hoe erg gedeukt
+en gehavend die was, en dat ongeluk deed zijne gramschap opnieuw
+ontbranden. Hij rukte zich de haren uit het hoofd, schermde met beide
+handen in de lucht en zwoer bij kris en bij kras, niet weer van een
+schoon tafellaken te zullen eten, voordat hij den snooden ridder,
+die hem zijn ridderlijk hoofddeksel zoo had bedorven, daarvoor op
+schrikkelijke manier had doen boeten. Sancho kreeg hem niet zonder veel
+moeite tot bedaren, verbond zijn bloedend oor, en beiden gingen weer
+op weg, nadat zij een stuk droog brood en geitenkaas genoten hadden.
+
+Tegen den avond bereikten zij eenige hutten van geitenherders, en
+ofschoon vooral Sancho wel een beter dak voor den nacht gewenscht had,
+besloten zij toch, daar de zon onderging, hier kwartier te nemen.
+
+Vriendelijk werden zij door de herders ontvangen en onthaald, en allen
+behandelden vooral den geharnasten ridder met groote beleefdheid. Na
+een rustig doorgebrachten nacht namen zij afscheid van de herders en
+gingen nieuwe gevaren en avonturen te gemoet.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII.
+
+HOE DON QUICHOT MET PAARDENHOEDERS TWIST KRIJGT EN WAT HEM IN DE
+HERBERG OVERKOMT.
+
+
+Op hun verderen weg kwamen Don Quichot en Sancho Panza in een bosch,
+waarin zij verscheiden uren lang voortreden. Eindelijk hielden zij stil
+op eene open plek, die met geurig gras begroeid was. Eene heldere,
+liefelijk murmelende beek stroomde voorbij en ettelijke boomen gaven
+verkoelende schaduw, zoodat onze beide helden weldra lust gevoelden
+eene korte middagrust te houden. Zij stegen van hunne dieren, lieten
+Rocinante en grauwtje vrij rondloopen en zich op het groene gras
+vergasten, vlijden zich onder een boom neer, openden hun knapzak en
+verteerden in vrede en eensgezindheid, wat daar in te vinden was.
+
+Sancho Panza had verzuimd beide dieren de voorpooten te koppelen,
+daar hij ook niet verwachtte, dat Rocinante uit lust en moedwil de
+vette weide verlaten zou. Het trof nu echter, dat toevallig eene kudde
+Galicische paarden door het dal werd gedreven. De hoeders kwamen aan
+de plaats, waar Don Quichot zich reeds gelegerd had, en daar die plek
+hun beviel, besloten zij, daar met hunne dieren insgelijks middagrust
+te houden.
+
+De paarden verstrooiden zich over de weide en het duurde niet lang,
+of eenige dartele veulens begonnen den ouden Rocinante het leven
+lastig te maken. De dieren werden wild en gingen hem met hunne tanden
+en hoeven zoo ongenadig te lijf, dat zij hem al spoedig den gordel
+losgemaakt en den zadel van den rug gehaald hadden. Op het gerucht,
+dat dit veroorzaakte, kwamen toen ook de hoeders met hunne knuppels
+en zweepen toe en ranselden den armen Rocinante zoo erg, dat hij
+eindelijk neerstortte en onder de hoeven der overige viervoeters den
+geest scheen te zullen uitblazen.
+
+De ridder en zijn schildknaap ontdekten spoedig, op wat wijze het
+arme dier mishandeld werd, en schoten hijgend toe. Onder weg zeide
+Don Quichot tot zijn dienaar:
+
+"Hoor, vriend Sancho: naar ik zie, zijn dat geen ridders en helden,
+maar ze behooren tot het gemeene volk, en dus kunt gij mij zonder
+bedenking bijstaan, als ik voor de beschimping, Rocinante hier voor
+mijne oogen aangedaan, bloedig wraak neem."
+
+"Maar hoe drommel wilt gij hier wraak nemen, gestrenge heer?" vroeg
+Sancho. "Zij zijn meer dan twintig sterk, en wij maar met ons tweeën."
+
+"Ik tel voor honderd," antwoordde de ridder en trok meteen zijn
+zwaard. Met onstuimigheid greep hij de hoeders aan en Sancho Panza,
+hierdoor krachtig aangemoedigd, volgde wakker zijn voorbeeld.
+
+Den eersten hoeder bracht Don Quichot een houw toe, die door 's mans
+lederen wambuis ging en hem nog buitendien diep in den schouder
+drong. Toen de herders zich op die wijze door slechts twee mannen
+zagen aangetast, werden ook zij verstoord, namen onze beide helden in
+hun midden, pakten hunne knuppels en lieten eene hagelbui van forsche
+slagen op hen neervallen. Deze begroeting had ten gevolge, dat Sancho
+Panza al spoedig luid huilend op zijn dikken buik lag. Terstond daarna
+volgde ook zijn meester dit voorbeeld, niettegenstaande hij zich met
+veel kracht en vlugheid een tijdlang manmoedig verweerd had; en het
+toeval wilde, dat hij midden tusschen de beenen van zijn Rocinante
+neertuimelde, die daar nog altijd, door de vreeselijke slagen en
+trappen bedwelmd, als een blok neerlag en geen lid verroerde.
+
+Nadat de hoeders nog een poosje op ridder en knecht losgebeukt
+hadden, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne paarden te
+hoop, vervolgden hun weg en lieten de arme afgeroste helden in zeer
+slechten staat en in nog slechter gemoedsstemming achter. Sancho was
+de eerste, die weer bijkwam. Hij richtte zich met moeite en onder veel
+steenen en kreunen overeind, keek naar zijn heer om en zei met matte,
+klagende stem:
+
+"Och, och, dat hebben wij er nu van, gestrenge heer!"
+
+"Wat wilt gij van mij, Sancho?" vroeg Don Quichot op even flauwen en
+klagenden toon.
+
+"Ach, ach, wat hebben we daar een pak gekregen!" kreunde Sancho
+Panza. "Ik ben heelemaal tot stokvisch gebeukt."
+
+"Ja, wel een pak!" stemde de ridder toe. "Als ik ongelukkige nu maar
+den wonderdrank van Fierabras had! Twee druppels daarvan zouden ons
+gezond maken, onze builen genezen en alle pijn wegnemen."
+
+"Is er dan geen kans, dat gij dien drank krijgt, edele ridder?" vroeg
+Sancho.
+
+"Jawel," antwoordde Don Quichot; "ik zweer u, bij onze
+dolende-riddereer, dat ik niet rusten zal, voordat het geluk mij hem
+in handen speelt."
+
+"Wie was dan die Fierabras, die dien drank heeft uitgevonden?"
+
+"Dat was een beroemd toovenaar, zooals in een heerlijken ridderroman
+beschreven staat," antwoordde Don Quichot. "Wij moeten opbreken en
+hem opsporen. Zoodra wij hem vinden, zal ik hem door mijne dapperheid
+dwingen, ons den kostelijken balsem af te staan."
+
+Onderwijl kwamen de beide deerlijk toegetakelde helden overeind en
+hielpen ook den armen Rocinante weer op de been. Met gekromden rug,
+want zich recht oprichten kon hij nog niet, tuigde de schildknaap
+zijn ezel op en drong zijn meester, op diens zadel plaats te nemen,
+daar het paard in zijn tegenwoordigen toestand onbekwaam was om eenigen
+last, hoe licht ook, op zijn gewonden rug te torsen. Don Quichot steeg
+op, Sancho Panza leidde den ezel bij den halster, Rocinante bij den
+teugel, en de avontuurzoekende helden gingen langzaam op weg. Na korte
+wandeling kwamen zij aan eene herberg, welke de ridder terstond weer
+voor een adellijken burcht aanzag, terwijl zijn metgezel strijk en zet
+volhield, dat het een gewone kroeg was. De strijd duurde voort totdat
+zij voor de deur kwamen en Sancho de dieren zonder omstandigheden in
+den stal bracht.
+
+Toen de waard, die dadelijk buiten trad, om zijne gasten te
+ontvangen, Don Quichot in zoo jammerlijken staat op den ezel meer
+hangen dan zitten zag, vroeg hij aan Sancho, wat zijn heer toch
+wel scheelde. Sancho antwoordde, dat de arme man van eene rots was
+gevallen en zich daarbij de ribben wat had bezeerd. Deze mededeeling
+wekte het medelijden van den waard en nog meer van zijne vrouw op,
+die dadelijk met hare dochter aankwam, om den ongelukkige de noodige
+hulp te verleenen. De ridder werd, daar hij nog niet gaan kon, in
+huis gedragen, verbonden en toen te bed gebracht.
+
+In de kamer, waar Don Quichot, over zijn geheele lichaam met pleisters
+beplakt, slapen zoude, was wat meer naar achteren een tweede bed,
+waarvan een stevige muilezeldrijver bezit had genomen.
+
+Het werd avond en nacht; maar Don Quichot voelde zich zoo ellendig,
+dat hij onmogelijk slapen kon. Hij kermde en kreunde zoo luid en
+aanhoudend, dat de muilezeldrijver daar eindelijk door wakker werd
+en hem met barsche woorden verzocht, zich stil te houden en niet
+andere menschen in hun slaap te storen. Don Quichot antwoordde alleen
+met een nieuw dof gekreun, waardoor de ezeldrijver zoo boos werd,
+dat hij opsprong en den armen lijder zulk een duchtigen vuistslag op
+zijne dorre kinnebakken gaf, dat het bloed hem terstond uit den mond
+liep. Hiermede nog niet tevreden, stapte hij op zijn mager lichaam,
+trappelde daar met de voeten op, en deed hem al de ribben in het lijf
+kraken. Don Quichots bed, dat buitendien al op zwakke, tuitelige beenen
+stond, stortte in en dit veroorzaakte zulk een geraas, dat de waard
+wakker werd en vol schrik kwam toesnellen. Onderwijl kwam ook Sancho
+Panza, die aan de voeten zijns meesters sliep, op de been, en sloeg,
+slaapdronken, als dol en bezeten links en rechts. Zijne vuistslagen
+troffen de meid van het huis, Maritornes geheeten, die insgelijks
+op het verontrustend rumoer was toegekomen. De meid stelde zich te
+weer, de waard gebruikte niet minder wakker zijne knuisten, en zoo
+ontstond een alarm en een spektakel, waarvan men zich onmogelijk een
+denkbeeld kan maken. De muilezeldrijver, nog altijd op den kermenden
+ridder omtrappelende, sloeg op Sancho los, Sancho roste de meid, de
+meid roste hem, de waard roste allen zonder onderscheid, en dat alles
+gebeurde met zoo blinden ijver en dolle drift, dat geen een er ook maar
+een oogenblik mee ophield. In de donkerheid vielen allen over elkaar
+heen en deelden rechts en links zulke zwaarwichtige stompen en slagen
+uit, dat, waar een vuist trof, zeker ook een blauwe plek te zien was.
+
+Toevallig had voor dien nacht ook een gerechtsdienaar zijn intrek
+in de herberg genomen en sliep in eene andere kamer. Het vreeselijk
+gerucht, dat de algemeene kloppartij veroorzaakte, schrikte ook hem
+uit den slaap wakker; hij sprong met beide voeten uit zijn bed, greep
+zijn ambtsstaf en eene blikken doos, waarin hij zijne aanstelling als
+koninklijk ambtenaar bewaarde, kwam in het donker in de kamer en riep
+met donderende stem: "Vrede in naam van de overheid! Vrede en rust!"
+
+De eerste, dien hij met de handen grijpen kon, was Don Quichot, die
+bewusteloos in zijn neergetrapt bed lag. Hij pakte hem bij den baard,
+trok hem daarbij en hield niet op te roepen: "Achting en ontzag voor
+de hooge overheid!"
+
+Al spoedig bemerkte hij echter, dat de man, dien hij gepakt had,
+geen lid verroerde, en geloofde nu, dat die dood en door de anderen
+in de kamer vermoord was. Nu brulde hij: "De deuren toe! Alle deuren
+in het huis gesloten! Geen sterveling mag in of uit, want hier is
+een mensch vermoord."
+
+Deze woorden verwekten een algemeenen schrik en deden het gevecht
+staken. De waard sloop stilletjes weer de kamer uit, de muilezeldrijver
+kroop op zijn bed en hield zich slapend, de dienstmeid maakte, dat
+zij wegkwam, en alleen Don Quichot en Sancho Panza konden geen ander
+heenkomen zoeken. Onderwijl zocht de gerechtsdienaar al tastend de
+keuken te vinden en daar licht aan te krijgen.
+
+Terwijl de gerechtsdienaar buiten was, kwam Don Quichot weer tot
+bewustzijn en riep klagend: "Sancho Panza, slaapt gij? Slaapt gij,
+Sancho Panza?"
+
+"'t Mocht wat, slapen!" bromde de schildknaap. "Ik wou maar, dat ik
+sliep. Al de duivels uit de hel zijn los en hebben dezen nacht een
+aanval op mij, armen, ongelukkigen kerel gedaan."
+
+"Neen, gij vergist u, vriend!" antwoordde Don Quichot. "Wij zijn in
+een betooverd slot; want weet, toen ik op mijn bed lag te kreunen,
+kwam onvoorziens, zonder dat ik wist waar vandaan, eene hand, die zeker
+aan den arm van een ontzettenden reus vastzat, en bracht mij een zoo
+geduchten slag op mijne kinnebakken toe, dat mijn aangezicht terstond
+één bloed was en ik bijna mijne kennis verloor. Toen stampte en beukte
+de reus mij met handen en voeten, en ik maak daaruit op, dat hij een
+allergruwelijkst en meedoogenloos monster en wangedrocht moet wezen."
+
+"Ik heb er nog erger van gelust," zeide Sancho Panza; "mij hebben
+vier- of vijfhonderd Mooren zoo onbarmhartig onder handen genomen, dat
+de portie slaag, waarop ons gisteren de paardenhoeders onthaalden,
+daar als honig en zoete koek bij was. O wee, o wee! Ik ben geen
+dolend ridder en toch krijg ik van alle ongeluk, dat ons overkomt,
+altijd dubbel en dwars mijn part."
+
+"Dus hebben ze u ook gemolesteerd, vriend?" vroeg de ridder meelijdig.
+
+"Bont en blauw geslagen hebben ze me!" antwoordde Sancho Panza op
+grimmigen toon. "Geen lid aan mijn lijf, dat niet zeer doet!"
+
+"Wees maar bedaard, vriend!" troostte Don Quichot; "ik zal u den
+kostelijken balsem van Fierabras bereiden, die in eene minuut tijds
+alle pijnen en smarten wegneemt."
+
+Hier werd hun gesprek door den gerechtsdienaar afgebroken, die met
+licht kwam, om den vermeenden doode nader te bezichtigen. Hij trad
+voor het bed en was zeer verwonderd, toen hij onze helden daar bedaard
+hoorde praten. Don Quichot lag nog wel altijd op den rug en kon zich
+van pijn en pleisters niet bewegen; maar toch scheen hij zoo goed
+bij zijne kennis als de beste. De gerechtsdienaar liet het licht van
+zijne lamp op hem vallen en vroeg deelnemend: "Nu, hoe gaat het je,
+goede vriend?"
+
+"Ik zou toch wat beleefder spreken," antwoordde Don Quichot op hoogen
+toon. "Spreekt men dolende ridders met je en jij aan, lompe vlegel?"
+
+Toen de ambtenaar zich door iemand van zulk een jammerlijk uitzicht
+zoo barsch behandeld zag, werd hij driftig, nam de lamp en wierp haar
+Don Quichot met zooveel geweld naar het hoofd, dat men een harden bons
+hoorde. Vervolgens liet hem in het donker liggen en ging brommend en
+pruttelend heen.
+
+"Ei," sprak Sancho Panza, "als dat geen lomperd is, dan laat ik mij
+hangen. Die gooit iemand met de dingen naar den kop, alsof 't maar
+een aardigheid was."
+
+"Ja, ja," kreunde Don Quichot, wien zijn hoofd bitter zeer deed;
+"maar sta op, Sancho, laat u door den burgtvoogd van dit slot wat
+olie, azijn, zout en rosmarijn geven en breng mij dat alles hier,
+om er den kostelijken balsem uit te bereiden, die spoedig al onze
+pijnen verzachten zal."
+
+Sancho stond op, niettegenstaande al zijne ledematen geradbraakt
+schenen, hinkte al tastend naar de kamer van den waard, en ontmoette
+onder weg den gerechtsdienaar, die voor de deur stond te luisteren.
+
+"Wie gij ook zijn moogt, waarde heer," zeide hij, "bezorg ons een
+weinig olie, azijn, zout en rosmarijn, om den besten dolenden ridder,
+dien de aarde ooit gedragen heeft, van zijn lijden te bevrijden en
+van den dood te redden. Hij ligt zwaar gekwetst door de hand van een
+betooverden Moor op zijn bed."
+
+De gerechtsdienaar hield Sancho Panza, nu hij zoo sprak, voor
+stapelgek. Daar de morgen nu echter reeds begon te lichten, riep hij
+den herbergier en zeide dien, den knaap het verlangde te geven. De
+waard deed dat bereidwillig en Sancho bracht alles aan zijn heer, die
+van pijn lag te krimpen en zijn hoofd met beide handen vasthield. Hij
+nam de verschillende stoffen, mengde ze duchtig door elkaar en kookte
+ze toen op een komfoor, dat men hem brengen moest, tot hij dacht,
+dat alles goed gaar was. Hierop verlangde hij eene flesch; doch
+toen die in de herberg niet te vinden was, vergenoegde hij zich met
+eene oude blikken oliekan, goot den drank daarin en zegende hem. Nu
+draalde hij niet om van de kracht van dit kooksel op zichzelf de
+proef te nemen, en dronk er wel bijkans de helft van. Nauwelijks
+had hij het mengelmoes binnen, of hij begon schrikbarend over te
+geven. De inspanning, de angst en het gruwelijke braken brachten hem
+geducht aan het zweeten, en hij verzocht, dat men hem goed toedekken
+en alleen laten mocht. Men voldeed aan zijn verlangen, en Don Quichot
+viel nu in een zachten slaap, die wel ruim drie uren aanhield. Bij
+zijn ontwaken voelde hij zich merkbaar verlicht en deden zijne wonden
+en builen hem bijna geen pijn meer. Hij achtte zichzelf dus weer ten
+volle hersteld, kwam tot de vaste overtuiging, dat hij werkelijk den
+wonderbalsem van den toovenaar Fierabras ontdekt had, en leefde in de
+hoop, dat hij, in 't bezit van dit middel, in 't vervolg alle kampen,
+tweestrijden en gevechten, hoe gevaarlijk die ook schijnen mochten,
+geheel onbezorgd te gemoet kon gaan.
+
+Zoodra Sancho Panza zijn heer zooveel beter zag, verzocht hij
+dringend, het overschotje van den drank te mogen opdrinken. De ridder,
+altijd grootmoedig, stond hem dat toe, en Sancho pakte de blikken
+kan met beide handen, dronk met volle teugen en liet er geen enkel
+droppeltje in.
+
+Maar of nu de schildknaap eene minder gevoelige maag had dan zijn
+meester, of om wat andere reden ook, genoeg, de drank bekwam hem zoo
+bitter slecht, dat de arme sukkel ieder oogenblik dacht te moeten
+sterven. In zijne benauwdheid verwenschte hij het venijnig goed
+en den spitsboef, die hem dat gegeven had, ja, hij betoonde zelfs
+grooten lust om zijn eigen meester voor zijne welgemeende bedoeling
+eens danig af te ranselen. Don Quichot zocht hem echter te troosten
+en tot bedaren te brengen.
+
+"Hoor, Sancho," zeide hij, "ik geloof, dat de schuld alleen daaraan
+ligt, dat gij nog niet tot ridder zijt geslagen. De drank kan alleen
+maar een ridder helpen."
+
+"Wat drommel, als gij dat wist, heer, waarom gaaft gij mij dien
+dan?" schreeuwde Sancho Panza in zijne benauwdheid.
+
+Voordat Don Quichot antwoorden kon, begon het brouwsel te werken en
+had bij Sancho Panza niet minder hevige braking ten gevolge dan bij
+zijn meester. Daarbij geraakte hij in het zweet, lag onrustig op zijn
+leger te woelen en kermde en jammerde op erbarmelijke manier.
+
+Twee uren lang was hij doodziek, toen die aanval voorbij was, voelde
+hij zich niet zoo wel en krachtig, als zijn heer, maar zoo flauw,
+slap en ellendig, dat hij zich nauwelijks op de been kon houden.
+
+Don Quichot liet zich aan den toestand van zijn schildknaap slechts
+weinig gelegen liggen. Hij zelf was nagenoeg weer hersteld, en de
+balsem vervulde hem met zulk een heldenmoed, dat hij vuriger dan ooit
+naar nieuwe avonturen haakte. Hij ging in den stal, zadelde en tuigde
+met eigen handen Rocinante, maakte ook het grauwtje tot de reis gereed
+en trad toen weer in huis, om zijn schildknaap bij het aankleeden te
+helpen. Met veel moeite en getob kreeg hij hem wakker en hielp hem
+op de beenen. Toen dit beredderd was, pakte hij uit den eersten den
+besten hoek een staak op, om tot lans te dienen, klom te paard en
+riep met luider stemme den herbergier, om afscheid van hem te nemen.
+
+"Heer slotvoogd," sprak hij, "gij hebt mij vele en belangrijke diensten
+bewezen en mij daardoor tot dank verplicht. Indien ooit iemand,
+hij zij ridder of knecht, u onrecht wil aandoen, roep mij dan en ik
+wil u wreken. Zoo echter een of ander overmoedige u reeds schade of
+schande heeft aangedaan, noem mij zijn naam en zijne misdaad, en bij
+mijne riddereer zij 't gezworen, dat ik niet rusten zal alvorens ik
+u volkomen voldoening heb verschaft."
+
+"Mijn beste heer ridder," antwoordde de waard doodbedaard, "uwe
+gestrengheid behoeft de moeite niet te nemen, zich voor mij met
+wraakneming te belasten; waar dat noodig is, weet ik mijzelf wel
+recht te verschaffen. Wel echter moet gij zoo goed zijn uw gelag te
+betalen voor nachtlogies en voêr voor uwe dieren, en 't is daarom,
+dat ik u met alle beleefdheid verzoek."
+
+"Wat!" schreeuwde Don Quichot, "'t was dus een ellendige herberg,
+waarin ik overnacht heb?"
+
+"Eene herberg, ja," antwoordde de waard; "doch niet eene ellendige,
+maar eene zeer voorname."
+
+"Welnu, dan moet ik bekennen, dat ik in eene groote dwaling verkeerd
+heb," antwoordde Don Quichot. "Voor 't overige zult gij maar best
+doen, niet op betaling van het gelag te rekenen; want nog nooit heb
+ik gehoord of in de boeken gelezen, dat een dolend ridder ooit in
+eenige herberg ook maar een penning betaald heeft."
+
+"Dat gaat mij niets aan!" riep de waard driftig. "Betaal uwe schuld
+en leuter me niet met die malle ridderschap om de ooren, of 'k zal
+weten, wat me te doen staat, zotte kerel!"
+
+"O gij domme, ellendige schoelje en schobbejak!" schreeuwde Don
+Quichot; "gij gemeenste van alle herbergiers, verstout je niet, je
+onbeschaamde kaken weer open te doen, en maak plaats, als ik je niet
+onder de hoeven van mijn strijdhengst tot gruizelmenten zal trappen."
+
+En met deze woorden velde de ridder zijne lans, gaf Rocinante de
+sporen en holde voort, zonder dat iemand hem dorst tegenhouden. Reeds
+was hij buiten het gezicht en had nog niet eens omgekeken, om zich
+te overtuigen, dat zijn trouwe schildknaap hem gevolgd was.
+
+De op die manier gefopte waard kwam nu als een brullende beer op Sancho
+Panza aanschieten en verlangde, dat die hem instaan zou voor de kosten
+der vertering; doch Sancho van zijn kant antwoordde heel bedaard, dat,
+als zijn meester niet afdokken wou, hij voor zijn part daar nog veel
+minder lust toe voelde. Hij was de schildknaap en wapendrager eens
+dolenden ridders en moest in alle dingen het doorluchtig voorbeeld
+van zijn heer en toonbeeld volgen.
+
+De waard liet zich nochtans met deze verklaring volstrekt niet paaien;
+hij werd boos, begon op zijn poot te spelen en dreigde Sancho, dat
+hij zich alsdan zou laten betalen op eene manier, die dezen zeker
+bijster weinig bevallen zou. Sancho evenwel hield voet bij stuk en
+verklaarde, dat hij zelfs niet het tiende part van de helft van een
+kwartpenning betalen zou.
+
+Nu wou echter het ongeluk, dat juist dien morgen vier lakenscheerders
+uit Segovia en vier wevers uit Sevilla in de herberg een uurtje waren
+komen pleisteren. 't Waren vroolijke, jolige, lustige lui, die dus
+veel van eene grap hielden en dan nu ook terstond op Sancho Panza
+aanvielen en hem onder groot gejuich van zijn ezel trokken. Een hunner
+liep in huis, om daar een beddelaken te halen. De overigen pakten den
+armen schildknaap, legden hem op het beddelaken en begonnen hem in
+de hoogte te gooien, zooals een oud wijf doet, als ze een pannekoek
+in de pan 't onderst boven wipt. Hoe harder de sukkel schreeuwde, des
+te hooger vloog hij in de lucht op en des te grooter was de pret. De
+arme Sancho meende stellig en vast, dat hij onder een troep booze
+duivels was vervallen, die hem tot kaatsbal gebruikten.
+
+Intusschen was Don Quichot nog niet zoo ver, dat het brullen van
+zijn geplaagden knecht niet zijn oor kon bereiken. Hij hield dus
+stil, luisterde scherp toe en geloofde reeds, dat een nieuw avontuur
+in aantocht was, totdat hij zich eindelijk overtuigde, dat het de
+huilende stem van zijn schildknaap was, die hij hoorde. Terstond
+wierp hij zijn paard om, keerde in strompelenden draf naar de herberg
+terug en reed, daar hij de hofpoort gesloten vond, rondom het huis,
+om ergens een ingang te vinden. Daarbij bemerkte hij, wat schandelijk
+spel daar met zijn schildknaap gedreven werd, en dit gezicht bracht
+hem in de grimmigste woede. Hij zag Sancho Panza in de lucht op-
+en neervliegen als een bal, dien een knaap opgooit en weer opvangt,
+en zou zeker om dit zonderlinge schouwspel hebben moeten lachen,
+indien de gramschap over zulk eene mishandeling van zijn dienaar niet
+zoo sterk was geweest.
+
+Daar hij echter niettegenstaande al zijn zoeken geen ingang
+ontdekte, beproefde hij, van zijn paard op den rand van den muur te
+klimmen. Evenwel was hij nog altijd zoo zwak, dat hij zijne lange
+beenen nauwelijks bewegen kon, en dus kon hij zijne woede niet anders
+koelen, dan door een stroom van scheldwoorden en verwenschingen
+over den herbergier en zijne gasten uit te storten. Dezen lieten
+daarom echter den armen Sancho niet los, en beantwoordden elk nieuw
+schimpwoord, dat Don Quichot tegen hen uitbraakte, met schaterend
+gelach. Eindelijk, toen hunne armen zoo moe en lam waren, dat zij
+die niet meer opheffen konden, gaven zij de grap op en lieten Sancho
+Panza vrij. Zij brachten hem bij zijn ezel, hielpen hem daarop, pakten
+hem in zijn mantel en joegen hem zoo de poort uit. Zeer tevreden,
+dat hij er met een blauw oog was afgekomen, reed de schildknaap weg
+en was zelfs vrij wat trotsch, dat hij toch zijn wil doorgezet en
+den waard geen penning betaald had.
+
+De arme drommel bemerkte later eerst, dat de slimme herbergier zijn
+knapzak in beslag gehouden en daardoor de kosten van het gelag dubbel
+en dwars betaald gekregen had.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII.
+
+DON QUICHOT EN DE SCHAPENKUDDEN, MET NOG ANDERE AVONTUREN.
+
+
+Toen Sancho Panza tot zijn heer terugkeerde, was hij zoo mat en
+krachteloos, dat hij zijn grauwtje maar met moeite vooruit kon
+krijgen. Hem in dien toestand ziende, sprak de ridder:
+
+"Nu, mijn goede Sancho, houd ik het er stellig en vast voor, dat dat
+kasteel of die herberg betooverd was, daar de bewoners, die u zoo
+gruwelijk mishandeld hebben, toch niet anders dan spoken en geesten
+kunnen geweest zijn."
+
+De schildknaap antwoordde met eene diepe verzuchting, maar zei verder
+geen woord.
+
+Terwijl beiden nu langzaam verder reden, bemerkte de ridder, dat
+eene ontzettend groote en dichte stofwolk op hen toekwam. Hij zag
+daar met fonkelende oogen naar uit en keerde zich toen tot Sancho.
+
+"Hoor, Sancho," sprak hij, "dit is de dag, dien de hemel tot mijn
+geluk heeft uitverkoren. De kracht van mijn arm zal worden op de
+proef gesteld en ik wil daden verrichten, waarvan de menschheid nog na
+honderden van jaren met bewondering spreken zal. Zie daar die stofwolk,
+Sancho! Een groot krijgsheir, uit velerlei volken saamgesteld, doet
+haar opstijgen."
+
+"Dan moeten er twee legers zijn," zeide Sancho. "Daar van gindschen
+kant komt eene tweede stofwolk op."
+
+Don Quichot volgde met de oogen de aangewezen richting en was
+uitermate verheugd, toen hij de verklaring van zijn schildknaap door
+eigen aanschouwing bevestigd vond. Hij geloofde nu stellig, dat de
+twee legers elkaar op de vlakte een grooten veldslag zouden leveren;
+want zijn zwak hoofd was met betooveringen, avonturen, uitdagingen,
+gevechten en wapenfeiten geheel volgepropt en alles, wat hij sprak en
+dacht, placht op zulke wonderbare dingen uit te komen. Die stofwolken
+werden intusschen geenszins door twee gewapende legers opgejaagd,
+maar eenvoudig door twee groote kudden schapen, die langs den grooten
+weg rustig voorttrokken, doch door het dichte stof, dat zij deden
+opstuiven, niet duidelijk onderscheiden konden worden. Don Quichot
+verzekerde nochtans met zooveel drift en heftigheid, dat het oprukkende
+heirlegers waren, dat Sancho dit eindelijk ook geloofde en angstig
+de vraag opwierp, wat men dan nu in dit geval moest beginnen.
+
+"Wat te beginnen?" riep Don Quichot, zich in den zadel
+vastzettende. "Wij moeten de zwakken helpen en den hulpbehoevenden
+bijstand leenen. Weet, Sancho, dat het eerste dezer legers wordt
+aangevoerd door den beroemden keizer Alifanfaron, beheerscher van het
+eiland Trapobana, en het ander door Pentapolin met de opgestroopte
+mouw, die koning is van de Garamanten."
+
+Sancho Panza keek zijn heer verwonderd aan. Hij wist niet, dat deze al
+zijne hoogdravende en dolle benamingen uit oude ridderromans had geput
+en ze nu te pas bracht, alsof die wonderbaarlijke geschiedenissen
+waarheid geweest waren. Zijne phantasie spiegelde hem de zotste
+dingen voor.
+
+"Maar wat hebben die beide legers tegen elkaar?" vroeg Sancho Panza
+eindelijk.
+
+"Zij bevechten elkaar, omdat Alifanfaron een heiden is en de
+christelijke dochter van den koning Pentapolin tot gemalinne heeft
+begeerd. Pentapolin zal hem haar niet geven, voordat de heiden een
+goed christen is geworden."
+
+"Waarachtig, dan heeft die opgestroopte mouw gelijk," zeide
+Sancho. "Als 't van mij afhangt, staan wij hem bij, zoo goed wij
+maar kunnen."
+
+"Gij hebt het rechte inzicht, vriend," antwoordde Don Quichot; "maar
+wees nu stil en rijd met mij rechts die hoogte op. Van dat punt kunnen
+wij het krijgsvolk beter zien, en ik zal u dan meteen met de beste
+en dapperste ridders van beide legers bekendmaken."
+
+Zij reden den heuvel op en kozen eene plaats, waar zij de beide kudden
+nauwkeurig hadden kunnen onderscheiden, als de dwarlende stofwolken
+niet alles als in een dichten nevel hadden gehuld. Desniettemin zag
+Don Quichot met behulp van zijn gloeiende verbeeldingskracht alles,
+wat hij maar verkoos te zien, en begon dus dadelijk met luid klinkende
+stem zijne inlichtingen te geven.
+
+"Die ridder daar met de gele wapens," begon hij, "die een gekroonden
+leeuw in zijn schild voert, is de dappere Laucalco, de heer van de
+zilveren brug. Die met de gouden bloemen op zijne rusting en de drie
+zilveren kronen in het azuurblauwe wapenschild is de groothertog
+van Quirocia. Die daar aan zijne zijde met de reusachtige ledematen
+is de nooit overwonnen Brandabarbaran van Bolicho, heer van de
+drie Arabiën. Naast hem rijdt de nooitvolprezen held Timonel van
+Carcassonne aan de spits. Zijne rusting vertoont vier kleuren, blauw,
+groen, wit en geel, en in het schild draagt hij eene roode kat op
+donkerbruin veld met het opschrift "Miauw!" ter eere van zijne dame,
+die Miulina van Algarvië moet heeten. De ridder daar op het witte
+ros met de witte wapens is een ridder uit Frankrijk. Pierre Papin
+is zijn naam; en die op den gestreepten wilden zebra met de ijzeren
+sporen is Espartafilardo, hertog van Nervië."
+
+Nog vele ridders en heeren noemde Don Quichot op, en 't zou vermoeien
+die allen te vermelden. Sancho Panza hoorde met open mond toe en
+zijne verbazing steeg ten top, toen hij eindelijk zag, dat heel die
+schitterende ridderschap in werkelijkheid niets anders dan eene kudde
+vetgemeste hamels was.
+
+"Loop naar den drommel, heer!" barstte hij op eens los. "Ik zie noch
+reuzen, noch ridders, noch knapen, maar enkel schapen, zoo ver mijn
+oog reikt."
+
+"Hoe kunt gij zulk een onzin uitkramen?" antwoordde Don Quichot. "Hoort
+gij dan niet het brieschen der paarden, het schetteren der trompetten
+en het doffe dreunen en bommen der legerpauken?"
+
+"Ik hoor niets dan een ontzettend geblaat, heer!" verzekerde Sancho,
+en hij had gelijk. De beide kudden waren nu vrij dichtbij gekomen,
+en ieder mensch met gezonde hersens moest zien, dat het schapen en
+rammen waren en anders niet. Don Quichot bleef nochtans verblind.
+
+"Uwe lafhartigheid, Sancho Panza, benevelt uw verstand," zeide
+hij met fierheid. "Als gij bevreesd zijt, blijf dan vrij achter en
+berg uw leven. Ik echter zal mij in den heeten strijd storten en de
+overwinning zal met mij zijn."
+
+Zonder het antwoord van zijn schildknaap af te wachten, drukte hij
+Rocinante de sporen in de ribben en stoof met gevelde lans pijlsnel
+den heuvel af. Sancho schreeuwde hem wel na: "Blijf, blijf, heer! Zoo
+waar ik een zondig mensch ben, 't zijn enkel hamels en schapen,
+waarop gij instormt!" Maar Don Quichot luisterde niet naar zijne stem.
+
+Onder wild krijgsgeschreeuw drong hij tot midden in de kudde schapen
+door en deelde rechts en links zulke verwoede houwen en steken uit,
+alsof de onnoozele schepsels zijne ergste vijanden waren. De herders
+en drijvers riepen hem toe, dat hij met zijne dwaasheid toch ophouden
+zou. Daar zij echter zagen, dat Don Quichot naar geen vermaning
+luisterde, maar zich steeds doller en wilder aanstelde, namen zij hunne
+slingers in de hand en wierpen steenen van een vuist dik naar hem. Een
+tijdlang deden die den dolleman geen letsel. De keien gonsden hem om
+de ooren, maar troffen hem niet. Eindelijk echter raakte een zware
+kei hem met zooveel geweld in de zijde, dat twee van zijne ribben
+werden gebroken en de ridder niet anders meende, dan dat zijn laatste
+uur gekomen was. Nu echter dacht hij aan zijn wonderdrank, zette
+dien aan de lippen en dronk er met gretige teugen van. Op datzelfde
+oogenblik kwam een tweede steen aangevlogen en richtte nog veel erger
+schade aan. Hij verbrijzelde de flesch met het kooksel en verlamde des
+ridders hand, sloeg hem drie of vier tanden uit den mond en schramde
+deerlijk zijne wang. De worp was zoo krachtig, dat Don Quichot zich
+niet meer in den zadel kon houden, maar als een blok van het paard
+op den grond plofte. De herders schoten nu ijlings toe, en daar zij
+meenen moesten, dat zij den onmachtige hadden omgebracht, dreven zij
+met den meest mogelijken spoed hunne verstrooide kudden weer bijeen,
+pakten de doode hamels, ten getale van zeven, op hunne schouders en
+lieten den schijnbaar levenloozen Don Quichot aan zijn lot over.
+
+Sancho Panza was al dien tijd radeloos op den heuvel blijven staan,
+waar hij de dolheden van zijn heer aanzag, zich de haren uit den baard
+rukte en het uur verwenschte, dat hem met den ongelukkigen dolenden
+ridder in kennis had gebracht. Toen hij echter zag, dat de herders
+opbraken en zijn meester alleen op het slagveld achterbleef, ging
+hij naar hem toe en vond hem, schoon deerlijk gekneusd en gehavend,
+toch weer half bij zijne bezinning.
+
+"Nu," vroeg hij, "heb ik u niet gezegd, dat gij eene kudde wolvee voor
+een krijgsleger aanzaagt? Had ik niet gelijk, toen ik u waarschuwde?"
+
+"Sancho, gij zijt een ezel," antwoordde Don Quichot. "Merkt gij dan
+niet, dat een arglistige toovenaar al de ridders in hamels heeft
+veranderd? Hij deed dat, om mij te ergeren, en omdat de schurk mij
+de daden benijdde, die ik zou hebben uitgevoerd. Overtuig u hiervan,
+Sancho, door de vermeende kudde na te rijden. Dan zult gij spoedig
+zien, dat de betoovering verdwijnt en de ridders zich weer in hunne
+natuurlijke gedaante vertoonen. Vooreerst kunt gij daarmee nog wel
+wat wachten, want ik heb dringend uw hulp en bijstand noodig. Kijk
+nu maar eerst eens in mijn mond en zeg mij, hoe veel tanden mij zijn
+uitgeslagen. Ik zou zeggen, dat ik geen een meer heb overgehouden."
+
+Vol ijver boog de schildknaap zich zoo dicht over den ridder, die
+den mond opendeed, neer, dat zijn neus bijna tusschen diens tanden
+verdween. Op dit oogenblik begon echter de ingezwolgen drank te
+werken, en terwijl Sancho in den mond keek, gaf de lijder op eens al
+wat hij in de maag had over en overstroomde daar den baard van zijn
+armen, meewarigen schildknaap mee. Deze schrikte, daar hij het hem
+overstelpend vocht in den beginne voor bloed hield; doch spoedig
+merkte bij, wat het was, en kreeg zulk een gevoel van walging,
+dat hij wel genoodzaakt was zijn gestrengen heer hetzelfde te doen,
+wat deze hem had gedaan.
+
+De arme Sancho schudde zich als een natte poedelhond, maar was toen
+met een sprong op de been en liep naar zijn ezel, om uit den knapzak
+het een of ander te halen, waarmee hij zichzelf en zijn meester weer
+schoonmaken kon. Daar echter ontdekte hij, dat zijn knapzak verdwenen
+was, wat hem opnieuw zijn noodlot deed verwenschen, dat hem aan zulk
+een dolzinnigen heer gebonden had.
+
+Toen hij nog stond te klagen en te lamenteeren, kwam Don Quichot met
+moeite weer overeind, onderzocht met de linkerhand den toestand van
+zijn mond, greep met de rechter Rocinante bij den teugel en sleepte
+zich voort naar zijn schildknaap, die nu bedrukt op zijn grauwtje
+stond te leunen en in diepe gedachten voor zich neerkeek.
+
+"Sancho Panza," sprak de edele ridder, "gij zijt bedroefd om de
+wederwaardigheden, die mij en dus u ook getroffen hebben. Maar klaag
+niet en treur niet, want op regen volgt zonneschijn, en 't zal spoedig
+beter met ons gaan."
+
+"Och wat!" bromde Sancho. "'t Lijkt wat naar zonneschijn! Gisteren
+gefopt en vandaag zonder knapzak, daar moet een mensch wel tureluursch
+onder worden."
+
+"Wat!" riep de ridder, "de knapzak weg?"
+
+"Nergens te vinden," antwoordde Sancho.
+
+"Maar dan hebben we ook niets meer te eten."
+
+"Geen sikkepitje," zei de schildknaap; "of we moeten het gras en de
+kruiden kauwen, die de schapen overlieten."
+
+"Dat alles zal zich wel schikken," troostte Don Quichot; "maar kijk
+nu eens naar mijne kakebeenen en vertel, hoeveel tanden ik ben
+kwijtgeraakt. Ik voel een moorddadige pijn op de plaats, waar ze
+vroeger plachten te zitten."
+
+Sancho stak Don Quichot den vinger in den mond, tastte en voelde
+en vroeg: "Hoeveel kiezen hebt gij vroeger aan dezen kant gehad,
+gestrenge heer?"
+
+"Vier, buiten de verstandskies, en alle vier gaaf en gezond."
+
+"Heer," antwoordde Sancho, "bedenk wel, wat gij zegt."
+
+"Vier zijn er geweest, zoo niet vijf," betuigde Don Quichot opnieuw.
+
+"Nu, dan moet ik zeggen, dat ge er leelijk zijt afgekomen," zeide de
+schildknaap; "want aan deze zijde hebt gij beneden nog maar twee en een
+halven tand en boven geen een meer: daar is alles glad weggeschoren."
+
+"Ongelukkige, die ik ben!" riep Don Quichot bij dit bericht bedroefd
+uit. "Hadden ze mij toch maar liever den linkerarm afgehouwen! Een
+mond zonder tanden is als een molen zonder maalsteen, en een tand is
+meer waard dan een diamant. Maar zoo gaat het den ridders, die zich
+voor het heil der menschheid opofferen! Wee mij armen, ongelukkigen,
+dolenden held!"
+
+"Heer," zeide Sancho Panza, na dat gejammer een poosje geduldig
+te hebben aangehoord, "heer, ik zou zeggen, dat ge nu lang genoeg
+gelamenteerd hebt. Stijg te paard en laat ons eene herberg opzoeken,
+want ik blaf van honger."
+
+Don Quichot vermande zich en besteeg al zuchtend en kreunend
+Rocinante. "Rij voorop, vriend," beval hij den schildknaap. "Ik wil
+den weg volgen, dien gij inslaan zult."
+
+Dit liet zich Sancho geen tweemaal zeggen, maar in de hoop van spoedig
+eene herberg te zullen vinden draafde hij moedig op den breeden
+landweg voort. 't Begon evenwel donker te worden, en geen gastvrij
+dak vertoonde zich. Desniettegenstaande werd nergens rust gehouden,
+want heer en knecht werden door een razenden honger geplaagd, en zij
+hoopten nog altijd eene herberg te vinden. Toen echter wachtte hen
+een avontuur, als nog geen van beiden ooit beleefd had.
+
+De nacht was pikdonker geworden en treurig reden de beide helden
+op den weg voort, toen zij op eens eene groote menigte lichten
+zagen flikkeren, die als dwalende sterren uit de verte op hen
+toekwamen. Sancho Panza werd bleek, en ook Don Quichots hart bonsde
+hoorbaar tegen zijne gekneusde ribben. Beiden hielden hunne dieren
+staande en staarden op de lichten, die van minuut tot minuut grooter
+en schitterender werden. Sancho Panza beefde als een riet, en den
+dapperen ridder begonnen de haren te berge te rijzen. Echter toonde
+hij zich moedig en sprak:
+
+"Sancho Panza, hier moet ik al mijne kracht en mijn moed te hulp
+roepen, want dit is zonder twijfel een dreigend en gevaarvol avontuur."
+
+"O wee, o wee!" zuchtte Sancho. "Daar komen weer reuzen en gedrochten,
+en op mijn armen rug, die toch al bont en blauw gebeukt is, zal
+'t opnieuw weer slagen regenen."
+
+"Geloof dat niet," antwoordde Don Quichot. "Al zijn 't ook nog zulke
+grimmige geesten en spoken, ze zullen u met hand noch vinger aanraken,
+daar ik u beschermen zal. Hier zijn wij op het open veld, waar ik
+onbelemmerd mijn scherp zwaard kan gebruiken."
+
+"Ik wil mij goed zoeken te houden," zei Sancho Panza, hield zich
+dicht achter zijn heer en keek met gespannen opmerkzaamheid naar de
+lichten uit, om te ontdekken, hoe het daar eigenlijk mee gelegen was.
+
+Zij onderscheidden voor en na eene menigte gedaanten in witte hemden,
+die den armen Sancho Panza het verschrikkelijkste toeschenen, dat
+zijne oogen ooit nog op aarde hadden aanschouwd. Hij trilde en beefde,
+en zijne tanden klapperden, alsof hij eene zware koude koorts had.
+
+Toen de lichten nog nader kwamen, zagen zij bij de twintig mannen in
+lange, slepende tabbaarden. Zij zaten op paarden, droegen fakkels in
+de handen en hunne gezichten schenen spookachtig bleek. Achter hen
+kwam eene met een zwart laken overdekte baar, en op deze volgden zes
+andere ruiters, die, evenals de eersten, van het hoofd tot de voeten
+in lange, donkere rouwgewaden staken. Dezen zaten echter niet te
+paard, maar op muildieren, gelijk uit den zachten en bedaarden stap
+dezer dieren gemakkelijk was op te maken. Met doffe stem mompelden
+alle mannen onverstaanbare woorden, die wel bezweringen schenen en
+het hart van ridder en knecht met schrik vervulden. Daarbij het late
+uur, de donkere nacht en de lijkbaar,--dit een en ander had ook den
+dapperste kunnen verbijsteren en beangstigen.
+
+Sancho Panza was halfdood van schrik en ontzetting; doch bij Don
+Quichot begon de verbeelding reeds weer te werken en spiegelde hem
+de zonderlingste avonturen voor. Hij geloofde, dat men op de baar
+een zwaar gekwetsten of wel dooden ridder wegdroeg, en dat de hemel
+hem opzettelijk tot diens bloedwreker had uitverkoren.
+
+Zonder aarzelen omklemde hij dan ook zijne lans en stelde zich midden
+op den weg dreigend in postuur, om den geheimzinnigen trein op te
+wachten. Toen die tot op korten afstand genaderd was, verhief hij
+zijne stem en sprak:
+
+"Halt! Staat, gij ridders en edelen, en zegt zonder dralen, wie gij
+zijt, waarheen gij gaat, van waar gij komt en wie de ridder is, wiens
+lijk gij daar op die baar medevoert. Gij hebt òf kwaad gedaan óf kwaad
+geleden, en ik moet dit weten, om daarnaar mijne maatregelen te nemen."
+
+"Heer ridder," gaf een der mannen tot antwoord, "houd ons niet op,
+want wij hebben haast en mogen geen tijd verliezen met u uitvoerig
+rekenschap van ons doen en laten te geven."
+
+Met deze woorden dreef hij zijn muildier aan en wilde doorrijden;
+maar Don Quichot gevoelde zich door dit korte bescheid in dier voege
+beleedigd, dat hij het dier bij den teugel greep en luid en dreigend
+riep: "Houd stil en leg rekenschap af! Zoo niet, dan zal ik u en al
+de uwen bloedig tuchtigen en kastijden."
+
+Het muildier van den aldus bedreigden ruiter werd schuw, sprong op zij,
+steigerde hoog op en sloeg ruggelings achterover. Een knaap die er te
+voet bij liep, zag den val en begon op Don Quichot te schimpen. Dat
+kon deze niet dulden en de kamp begon. De ridder velde de lans, viel
+op een der mannen in het zwart aan en deed hem gewond van het paard
+tuimelen. Hierop keerde hij zich tegen de overigen. Met waarlijk
+verbazende vlugheid en behendigheid hieuw hij op de menschen in en
+'t scheen wel, dat Rocinante vleugels had gekregen, zoo licht en snel
+galoppeerde hij over het slagveld heen en weer.
+
+De mannen in de witte en zwarte kleederen toonden al zeer weinig hart
+in het lijf te hebben en gedroegen zich jammerlijk lafhartig. Don
+Quichot dreef hen met weinig moeite op de vlucht, joeg hen met hunne
+vlammende fakkels over het veld heen en deed hen zich naar alle kanten
+verstrooien. Sommigen der mannen konden zich wegens de lengte hunner
+rouwkleeren nauwelijks bewegen, en op dezen hakte de verwoede ridder,
+zonder eenigen weerstand te vinden, zoo lang in, totdat zij hunne
+mantels wegwierpen en insgelijks de vlucht namen. De arme sukkels
+meenden, dat de duivel zelf hun op de hielen zat, en kruisten zich
+al hun best.
+
+Sancho Panza zag dit schouwspel met de grootste verbazing aan. Hij
+was over de stoutheid en dapperheid van zijn gebieder ten hoogste
+verwonderd en begon bijna te gelooven, dat Don Quichot werkelijk de
+machtige en geweldige held was, waarvoor hij zich uitgaf.
+
+Don Quichot greep eindelijk een der brandende fakkels, die in menigte
+op den grond lagen, en lichtte in het rond, of hij ook nog een vijand
+ontdekken kon. Hij bemerkte niemand dan den ruiter, die onder zijn
+muildier was geraakt, zette hem de punt zijner lans op de borst en
+gebood hem zich over te geven, als hij niet oogenblikkelijk een man
+des doods wilde zijn.
+
+"Ach, heer ridder," stotterde de beangstigde man, "ik ben, gelijk
+gij ziet, onderdanig genoeg en smeek u ootmoedig om mijn beetje
+leven. Ik geloof, dat ik een been heb gebroken, want ik kan geen lid
+verroeren. Breng mij dus ook maar niet om, als gij een christelijk
+ridder zijt. Weet, dat ik tot den geestelijken stand behoor. Gij
+zoudt eene gruwelijke daad begaan door de hand aan een dienaar van
+de kerk te slaan."
+
+"Maar, bij mijn zwaard," schreeuwde Don Quichot, "als gij werkelijk
+een geestelijke zijt, wat heeft u dan midden in den nacht hier op
+den grooten weg gebracht?"
+
+"Mijn ongelukkig gesternte, heer ridder," antwoordde de gevallene.
+
+"En dat zal u het leven kosten, als gij mij niet dadelijk antwoord
+op mijne eerste vraag geeft," riep Don Quichot.
+
+"Ach, ik wil gaarne alles zeggen," antwoordde de man. "Ik en de twaalf
+andere priesters, die allen gevlucht zijn, komen uit de stad Baeza,
+en wij dachten ons naar Segovia te begeven, om het lijk van den ridder,
+dat daar op de baar ligt, naar zijn eigen grafkelder te begeleiden."
+
+"Wie heeft dien ridder omgebracht?" vroeg Don Quichot op barschen toon.
+
+"Hij is zijn natuurlijken dood gestorven ten gevolge van eene heete
+koorts," was het antwoord.
+
+"Nu, dan heb ik niet de moeite te nemen om hem te wreken," sprak
+de dappere dolende held. "Weet dan nu, eerwaardige heer, dat ik de
+hoogvermaarde en machtige ridder Don Quichot van La Mancha ben, en
+dat mijne roeping is de wereld te doorkruisen, om alle onrecht te
+keer te gaan, het kromme recht te maken en de lijdende, onderdrukte
+menschheid te hulp te komen."
+
+"Ei, heer ridder," antwoordde de geestelijke, "bij mij is u dat niet
+gelukt, want gij hebt veeleer het rechte krom gemaakt, gelijk mijn
+gebroken been u duidelijk kan bewijzen."
+
+"Dat doet mij leed om uwentwil," betuigde de ridder; "doch gij hebt
+dit ongeluk aan uzelf te wijten. Waarom gaaft gij mij niet terstond
+behoorlijk antwoord op mijne vraag?"
+
+"Daar het nu toch niet te veranderen is, wil ik mij in mijn lot
+zoeken te troosten," zuchtte de geestelijke. "Maar, heer ridder,
+wilt gij mij eene gunst en weldaad bewijzen, help mij dan van onder
+mijn muildier weg. Een van mijne beenen zit nog tusschen zadel en
+stijgbeugel vastgeklemd."
+
+"Waarom hebt gij dat niet terstond gezegd, eerwaardige heer?" riep
+Don Quichot. "Wacht, gij zult zonder uitstel geholpen worden."
+
+Hij wenkte Sancho Panza nader te komen; doch deze maakte bitter
+weinig haast, daar hij juist bezig was, een met proviand zwaar beladen
+ezel, dien de geestelijke heeren bij zich hadden, van zijn vracht te
+bevrijden en die op zijn eigen grauwtje over te brengen. Eerst toen
+hij dit werk volbracht had en zich toereikend van mondvoorraad voorzien
+zag, kwam hij zijn meester te hulp en haalde den geestelijke onder het
+muildier weg. Dit richtte zich nu vanzelf op, en de geestelijke heer
+werd er op geholpen. Voordat hij wegreed, verzocht Don Quichot hem,
+zijne broeders weder bijeen te roepen en hun in zijn naam vergiffenis
+te vragen voor het kwaad, dat hij hun bij vergissing had aangedaan. En
+Sancho Panza voegde er bij:
+
+"En als uwe vrienden weten willen, wie hen zoo deerlijk toegetakeld
+heeft, zeg hun dan, dat het Don Quichot van La Mancha, de Ridder van
+de Droevige Figuur, is geweest."
+
+Hierop reed de geestelijke weg, en nu vroeg Don Quichot zijn
+schildknaap, hoe die er toe gekomen was, hem den Ridder van de Droevige
+Figuur te noemen.
+
+"Dat zal ik u zeggen, gestrenge heer," zeide Sancho Panza. "Kijk,
+toen ik u bij het licht van de fakkels zoo eens terdeeg goed bekeek,
+moest ik bij mijzelf zeggen, dat gij wezenlijk de jammerlijkste
+en droevigste figuur zijt, die ik nog ooit van mijn leven gezien
+heb. Dat komt denkelijk wel van het gevecht, waarin gij veel moet
+geleden hebben, of misschien ligt het ook daaraan, dat gij zoo'n
+geduchte vracht kiezen en tanden zijt kwijtgeraakt."
+
+"Neen, dat is het zeker niet," antwoordde Don Quichot. "Maar wat ook
+de reden mag wezen, ik wil den bijnaam, die u toevallig in den mond
+kwam, behouden en mij ten eeuwige dage den Ridder van de Droevige
+Figuur noemen. Om dien naam met volle recht te dragen, wil ik eene
+recht treurige figuur op mijn schild laten schilderen."
+
+"Die kosten kunt gij sparen, heer ridder," zei Sancho Panza. "Als
+gij maar uwe eigene figuur laat zien, kunt gij verzekerd wezen, dat
+de heele wereld u dadelijk voor den Ridder van de Droevige Figuur
+zal houden. Twijfel niet aan mijn zeggen, want ik verzeker u, dat
+de honger en 't verlies van die tanden u zoo'n jammerlijk aanzien
+gegeven hebben, als men zich met mogelijkheid verbeelden kan.
+
+Don Quichot lachte om Sancho's dol zeggen, maar bleef er toch bij,
+dat hij dien bijnaam aannemen wou en op zijn schild eene droevige
+figuur doen schilderen. Sancho liet hem nochtans geen tijd, om daar
+lang over na te denken, maar drong er op aan, dat men de reis zonder
+tijdverlies voortzetten zou.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX.
+
+DE MOLEN.
+
+
+'t Was reeds helderlichte dag geworden, toen de ridder en zijn dienaar
+door een engen hollen weg in een afgelegen, vrij uitgestrekt dal
+uitkwamen. Zij stapten hier van hunne vermoeide dieren, vergastten
+zich op den voorraad, die Sancho van de monniken had meegepakt,
+en voelden er zich zoo wel, dat zij den ganschen dag en een deel
+van den volgenden nacht op die plaats bleven uitrusten. Den daarop
+volgenden morgen echter, lang voordat het licht aan den hemel kwam,
+braken zij weer op, leidden hunne dieren bij den teugel, om er in de
+donkerheid niet mee te struikelen, en vervolgden zoo behoedzaam hun
+weg. De hen omringende duisternis was zoo groot, dat zij nauwelijks
+twee passen ver zien konden.
+
+Zij waren nog niet ver, toen op eens een geweldig klateren en klotsen
+als van neerstortende wateren, in hun oor drong. Dit gedruis ging
+gepaard met een vreemd gedreun, dat den armen schildknaap, die nu
+eenmaal van de natuur het hart van een haas had gekregen, met schrik en
+ontzetting vervulde. Zij hoorden namelijk regelmatige, doffe slagen,
+met geluiden als het rammelen van ijzeren kettingen vermengd. Daarbij
+was de nacht pikdonker, en in de bladeren der boomen ruischte de wind,
+die akelig langs de naaste rotswanden huilde en gierde. De eenzaamheid,
+de woeste streek, de donkerheid, het ruischen van het water, het
+loeien van den wind, dat alles vereenigde zich met dat voortdurend,
+schrikbarend bonzen en stampen, om onze helden het hart in de borst te
+doen trillen. Zooals gezegd is, sidderde Sancho Panza dan ook als een
+popelblad; maar Don Quichot bleef onverschrokken, besteeg Rocinante,
+greep lans en schild en sprak:
+
+"Sancho Panza, de hemel heeft mij tot groote daden geroepen, gelijk
+nu weer uit het nieuwe, schrikbarende avontuur, dat ik manhaftig
+te gemoet zal gaan, ten duidelijkste schijnt te blijken. Haal mij
+dus den zadelriem wat vaster aan, trouwe vriend, en blijf dan hier
+op de plaats, om mij drie dagen te wachten. Als ik binnen dien
+tijd niet hier terug ben, trek dan naar onze woonplaats en doe aan
+mijne gebiederesse, de edele Dulcinea van Toboso, kond en te weten,
+dat haar ridder bij de vervulling zijner plichten als dolend held,
+onder het volvoeren van grootsche en verheven daden bezweken is."
+
+Deze toespraak van zijn heer bewoog Sancho Panza tot schreiens toe,
+en hij peinsde op een middel, om den edelen Don Quichot aan den
+zekeren dood te ontrukken. Terwijl hij het paard den gordel vaster
+om het lijf gespte, sloeg hij den halsterriem van zijn ezel vlug en
+ongemerkt om Rocinantes voorpooten heen, zoodat Don Quichot met zijn
+ros bezwaarlijk van de plaats kon komen. De ridder gaf nu werkelijk
+het dier de sporen, doch dat wipte slechts een paar malen op en bleef
+toen onbeweeglijk staan.
+
+Ziende, dat zijne list gelukt was, sprak Sancho:
+
+"Heer ridder, de hemel zelf verlangt door teekens en wonderen, dat
+gij u niet in gevaar zult storten. Hij heeft Rocinantes ledematen
+verlamd, zoodat hij zoo stijf als een stok is, en als gij nu toch
+het arme dier woudt slaan en aansporen, zou het u niet baten en gij
+zoudt geen stap verder voortkomen."
+
+Don Quichot was razend van ongeduld. Hij luisterde heel niet naar
+Sancho's woorden, maar hieuw en stak als dol op het arme beest los,
+zonder daardoor iets anders dan een paar vruchtelooze sprongen van
+het gebonden dier gedaan te kunnen krijgen. Eindelijk moest hij
+alle verdere pogingen opgeven. Zonder op de gedachte te komen, dat
+Rocinante door een uitwendig middel gebonden kon zijn, besloot hij,
+zich voorloopig tevreden te stellen en den morgen af te wachten,
+wanneer, naar hij hoopte, Rocinante wel weer vanzelf in beweging zou
+komen. Hij gaf dit besluit aan Sancho te kennen, maar kon toch wel
+bijna gehuild hebben van ongeduld.
+
+"Troost u, gestrenge heer," voegde zijn guitachtige schildknaap hem
+op deelnemenden toon toe, "troost u, want ik wil u, tot de dag komt,
+een aardige historie vertellen, als gij niet liever uit den zadel wilt
+komen en tot het aanbreken van den dag nog eene zoete rust genieten."
+
+"Neen, ik zal niet afstijgen en slapen," verklaarde Don Quichot;
+"maar wel zal ik met genoegen uwe geschiedenis aanhooren."
+
+"Goed, gestrenge heer," zeide Sancho. "Luister dan goed toe en val
+mij vooral niet in de rede, want dat is een ding, dat ik volstrekt
+niet dulden kan."
+
+"In een dorp van Estramadura was eens een geitenherder, dat wil zeggen
+een man, die geiten hoedde, en deze geitenherder of man, die geiten
+hoedde, van wien mijne geschiedenis vertelt, heette Lope Ruiz."
+
+"Hoor, Sancho, als ge zoo omslachtig blijft voortvertellen, zullen we
+uwe geschiedenis niet voor het einde van de wereld te hooren krijgen,"
+viel de ridder hem verdrietig in de rede. "Spreek als een verstandig
+mensch, of houd liever den mond dicht."
+
+"Goed, goed, heer!" riep Sancho Panza en vertelde verder.
+
+"Deze geitenherder dan nu, die Lope Ruiz heette, ging op een goeden
+dag met zijne kudde uit en kwam aan een breeden stroom, dien hij met
+de geiten niet doorwaden kon. En daarom keek hij dus naar een veerman
+om en ontdekte al spoedig een visscher, die aanbood zijne driehonderd
+geiten op den anderen oever te brengen. Hij stapte in zijne boot, nam
+een geit mee en bracht haar naar de overzij. Hierop kwam hij terug,
+nam weer eene geit en bracht haar ook over.--En nu, gestrenge heer,
+tel nu goed al de geiten, die de visscher overzette, want als ge er
+ook maar één van vergeet, dan is mijn historie uit en kan ik met den
+besten wil niet verder vertellen. Hoor nu.--De gindsche oever van de
+rivier, waarover de geiten gebracht moesten worden, was buitengewoon
+glad en glibberig, en de visscher had dus veel tijd noodig, om al de
+geiten over te krijgen. Evenwel voer hij heen en terug en bracht nog
+eene geit naar de overzij."
+
+"Maar, domme kerel," riep Don Quichot ongeduldig en verdrietig,
+"neem dan gerust aan, dat al de geiten zijn, waar ze wezen moeten,
+en vertel dan verder."
+
+"Ja, dat gaat niet," antwoordde Sancho. "Hoeveel geiten zijn er
+nu over?"
+
+"Hoe drommel, weet ik dat?" riep de ridder.
+
+"Daar hebben we 't al!" zeide Sancho Panza. "Nu is mijn vertelsel
+uit en ik kan er onmogelijk het slot van vinden. Waarom hebt gij de
+geiten dan ook niet beter geteld?"
+
+"Maar, goede hemel, wat heeft het getal der overgezette geiten dan
+toch eigenlijk met uwe geschiedenis te doen? Vertel maar verder."
+
+"Neen, nu gaat dat niet meer," antwoordde Sancho, de schouders
+ophalend. "Daar gij niet wist, hoeveel geiten overgezet waren,
+raakte ik de kluts kwijt, en nu is mij de heele historie door het
+hoofd gegaan."
+
+Don Quichot bromde wat, en beiden zwegen nu een tijdlang
+doodstil. Eindelijk echter, toen de hemel zich in het oosten begon te
+kleuren en de morgen aanbrak, oordeelde de ondeugende schildknaap het
+tijd, zijns meesters strijdhengst weer van zijne banden te ontdoen. Hij
+maakte den halsterriem behoedzaam los en legde dien zijn ezel aan.
+
+Nauwelijks voelde Rocinante zich weer vrij, of zijn zelfgevoel scheen
+te ontwaken. Hij lichtte eenige malen zijne stijve voorpooten op en
+maakte eenige andere bewegingen. Dit hield Don Quichot voor een goed
+voorteeken en hij geloofde, dat het nu tijd was om het gevaarlijkste
+van alle avonturen te beginnen en te bestaan.
+
+Middelerwijl werd het ten volle licht en zag de ridder, dat hij zich
+in een dicht boschje van kastanjeboomen bevond, welker groene takken
+het uitzicht beletten. Daar hij echter nog altijd dat schrikbarend
+stampen vernam, nam hij afscheid van Sancho Panza, herhaalde hem
+zijne vroegere aanwijzingen, gaf Rocinante de sporen en ging op weg,
+terwijl de schildknaap langzaam te voet achternakwam.
+
+Toen zij nu vrij lang onder kastanjes en andere lommerrijke boomen
+waren voortgetrokken, kwamen zij op eene kleine weidevlakte, die te
+midden van hooge rotsen was gelegen, van welke een prachtige waterval
+zich in de diepte neerstortte. Aan den voet daarvan lagen eenige
+ellendige lage hutten, uit wier binnenste het dreunend stampen klonk,
+dat onze beide helden al zooveel schrik aangejaagd had. Rocinante
+werd erg schuw door het gebons, het geklapper en de slagen, die het
+aardrijk voortdurend deden schudden. Don Quichot bedwong nochtans zijn
+steigerend ros en reed voort, recht op de oorzaak van het schrikbarend
+geraas aan.
+
+Sancho Panza hield zich dicht achter hem en loerde nu en dan tusschen
+Rocinantes pooten door, om de eigenlijke oorzaak van het vreeselijk
+rumoer, dat hem door merg en heenging, te vernemen.
+
+Op eens hield Don Quichot zijn ros staande, want zie, de onschuldige
+oorzaak van het zoo geducht alarm, dat hen den halven nacht in onrust,
+vrees en spanning had gehouden, lag daar open en bloot voor hen. Dat
+waren namelijk de zes stampers van een pletmolen, die, door de
+kracht des waters gedreven, door hunne slagen den omliggenden grond
+in voortdurende trilling en schudding hielden.
+
+Toen Don Quichot zich hiervan ten volle overtuigd had, werd hij bleek
+van teleurstelling en ergernis. Hij liet het hoofd op de borst zinken
+en schaamde zich zoo, dat hij liefst dadelijk in den grond zou zijn
+weggezonken. Sancho Panza daarentegen barstte in zulk een luid en
+schaterend lachen uit, dat hij zich onmogelijk op de been kon houden,
+maar als een meelzak neerplofte en zich in het gras rondwentelde van
+pleizier. Dit kluchtig gezicht verdreef eindelijk ook des ridders
+mismoedigheid, zoodat de diepe rimpels van zijn voorhoofd verdwenen
+en hij zelf hartelijk meelachen moest.
+
+Zoodra Sancho Panza dit bemerkte, ontwaakte zijn overmoed en deed
+hem de vrijheid nemen met zijn heer den spot te drijven door alles,
+wat die in de verwachting van een groot gevaar tot hem gesproken
+had, onder schaterend lachen te herhalen. Deze bespotting verdreef
+nochtans weder de blijmoedige stemming van zijn heer en maakte dezen
+zoo verbolgen, dat hij zijne lans ophief en zijn schildknaap een paar
+slagen over de schouderbladen gaf, die aan zijn ondeugenden spotlust op
+eens een einde maakten. Hij stond op en nam zijne vroegere onderdanige
+en bescheiden houding weder aan.
+
+"Vergeef mij, gestrenge heer," zeide hij; "ik gekte maar wat."
+
+"Nu, al gekt gij, knaap, zoo houd ik toch niet van gekken," antwoordde
+de ridder. "Daar gij uwe straf nu reeds bekomen hebt, zal ik u uw
+onbehoorlijk gedrag echter voor ditmaal vergeven."
+
+Intusschen begon het een weinig te regenen, en Sancho Panza betoonde
+grooten lust, een paar uren in den pletmolen te schuilen. Zijn meester
+had echter zulk een afkeer gekregen van het gebouw, dat hem op eene
+zoo belachelijke wijze gefopt had, dat hij voor Sancho's voorstel
+geen ooren had, maar zijn tocht onverwijld voortzette. Hij keerde zich
+rechts en kwam op een weg, dien hij tot hiertoe nog niet betreden had.
+
+Het duurde niet lang, of hij kreeg een man te paard in het oog,
+die een blinkend ding op het hoofd droeg, dat in de hoogste mate Don
+Quichots aandacht trok. Zoodra hij het gezien had, keerde hij zich
+tot zijn schildknaap om en zeide:
+
+"Sancho, het noodlot maakt alle teleurstelling goed, die ons zoo
+bitter heeft verdroten. Zie, daar komt ons een man te gemoet, die op
+zijn hoofd den helm van een hoogberoemden held, den ridder Mambrino,
+draagt."
+
+"Als ge u maar niet vergist, gestrenge heer!" antwoordde Sancho
+Panza. "Wees niet al te voorbarig!"
+
+"Gij schandelijke twijfelaar! Hoe zou ik mij op helderlichten dag
+zoo kunnen vergissen?" riep de ridder, wiens hoofd weer op hol begon
+te raken. "Ziet gij dien ridder op zijn appelschimmel niet? Ziet gij
+den gouden helm op zijn hoofd niet?"
+
+"Och, ik met mijn dom verstand zie niets dan een man op een grauwen
+ezel, die veel van den mijnen heeft," was het koele antwoord. "Wel
+heeft hij een blinkend ding op zijn hoofd, dat ik niet recht
+onderscheiden kan; maar een helm is het zeker niet."
+
+"Het is de helm van Mambrino, domkop!" schreeuwde Don Quichot. "Ga op
+zij, kerel, en laat mij met dien ridder alleen. Weldra zult gij zien,
+dat ik met hem kampen en den helm veroveren zal."
+
+"En toch is het geen helm," bromde de schildknaap.
+
+"Hondsvot, rekel, zwijg!" riep Don Quichot vol woede. "Als gij nog
+een woord spreekt, zweer ik u de ziel uit het lijf te beuken."
+
+Door deze bedreiging verschrikt, vond Sancho 't maar het verstandigst,
+op zij te gaan en geen mond meer open te doen.
+
+Er lagen daar in den omtrek twee dorpen, die te klein waren, om er
+ieder een eigen barbier op na te houden. Daarom bediende dan ook
+maar één scheerbaas beide plaatsen en ging op zijn grauwtje bij zijne
+verschillende klanten rond. Dit was ook heden weer het geval en, om
+zijn nieuwen hoed tegen de regendroppels te beschutten, had de goede
+man zijn geelkoperen scheerbekken daar bovenop gezet. Dat bekken, blank
+geschuurd, blonk van verre als een spiegel en werkte zoo levendig op
+des Dons ziekelijke verbeelding, dat alles, als gewoonlijk, in zijn
+oog eene herschepping onderging, dat hij een grauwen ezel voor een
+appelschimmel hield en een ridder met gouden helm zag, waar daar in
+werkelijkheid niets van bestond.
+
+In zijne dolle verblinding stoof Don Quichot dan nu ook op den aan
+geen kwaad denkenden baardschrabber aan en richtte in vollen ren zijne
+lans op hem met het vaste voornemen, om hem met de scherpe punt zonder
+genade door en door te priemen. Eerst toen hij al heel dicht bij was,
+schreeuwde hij hem toe: "Verweer u, roover en dief! of sta af, wat
+u niet toekomt!"
+
+De arme, verschrikte barbier wist geen ander middel om den dreigenden
+lansstoot te vermijden, dan dat hij zich maar terstond van den ezel
+liet vallen. Dit deed hij, en nauwelijks had hij met zijne volle
+lengte den bodem gemeten, of hij sprong weer op, nam, gelijk men dat
+noemt, zijne beenen onder den arm en zette het op een loopen met eene
+snelheid, dat een stormwind hem bezwaarlijk zou hebben ingehaald.
+
+Don Quichot liet hem loopen, zonder aan eene vervolging te denken;
+want bij den val was den verschrikten barbier zijn bekken van het hoofd
+gevlogen en lag nu als goud in de zon te blinken. Don Quichot beval
+zijn schildknaap, den helm op te nemen, en Sancho Panza gehoorzaamde,
+terwijl hij zeide: "Waarachtig, een heel goed scheerbekken, en onder
+broeders zijne acht realen waard."
+
+Met deze woorden reikte hij het bekken aan Don Quichot over, die
+het terstond op zijn hoofd zette en omdraaide, om het vizier te
+vinden. Wijl dit er nu niet was, vond hij het ook niet en zeide:
+"Die held Mambrino moet een geweldig dik en groot hoofd hebben! Jammer
+maar, dat de helft van den helm ontbreekt!"
+
+Toen Sancho Panza zag, dat zijn meester nog altijd hardnekkig bij
+zijne verbeelding bleef, kon hij toch onmogelijk het lachen laten en
+proestte het hardop uit.
+
+"Waarom lacht gij?" vroeg Don Quichot dadelijk.
+
+"Ei," antwoordde de schildknaap, "ik lach, als ik mij den dikken kop
+voorstel, die onder dat barbiersbekken moet gezeten hebben."
+
+"Sancho, gij spreekt onverstandig!" zeide de ridder op berispenden
+toon. "Ik wil u zeggen, hoe ik over dit wapenstuk denk. Stellig zeker
+is de helm eens door een of ander toeval in de handen van een mensch
+gekomen, die er den prijs niet van wist te waardeeren en, zonder te
+weten wat hij deed, de helft er van smolt, om er geld van te maken,
+maar de andere helft tot een ding misvormde, dat misschien wel wat
+op een barbiersbekken lijkt. Dat zal mij echter niet beletten hem in
+eere te houden, en zoodra wij bij eene smederij komen, wil ik hem zoo
+laten opknappen, dat hij zelfs den krijgshelm zal overtreffen, dien
+Vulcanus, de god der smeden, voor Mars, den oorlogsgod, vervaardigd
+heeft. Tot zoo lang wil ik hem dragen, gelijk hij is; want in allen
+gevalle is hij beter dan in 't geheel niets en kan hij mij desnoods
+tegen een steenworp dekken."
+
+"Als die maar niet uit een slinger komt," merkte Sancho spotachtig
+aan. "Maar wat moet nu met het beest gebeuren, dat uw edelheid voor
+een appelschimmel gelieft te houden? Het is niet te denken, dat de
+eigenaar er van terugkomt, en, bij mijn baard, het is zoo kloek en
+krachtig, dat het mij bevallen zou, zelfs als 't mijn eigendom was."
+
+"Gij moogt het u niet toeëigenen," antwoordde Don Quichot. "Het zou
+onedel zijn, een overwonnene te berooven. Laat daarom den appelschimmel
+stilletjes staan."
+
+"Nu, als ik hem niet met huid en haar mag nemen, wil ik toch zijn
+zadeltuig voor mijn dier meepakken," mompelde Sancho Panza en ging
+dadelijk tot dezen ruil over, zonder dat zijn gestrenge meester
+daar iets tegen inbracht. Hij knapte nu zijn eigen ezel netjes op,
+zoodat hij er tienmaal fraaier dan vroeger uitzag, en volgde toen
+op een sukkeldrafje zijn heer, die reeds een tamelijk eind vooruit
+was. Rustig trokken zij nu met elkaar voort en lieten aan Rocinante
+over zijn eigen weg te zoeken. Rocinante bleef op den grooten rijweg,
+zeker omdat die hem de gemakkelijkste toescheen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X.
+
+HOE DON QUICHOT EENIGE ONGELUKKIGEN IN VRIJHEID STELT EN WAT HEM
+VERDER OVERKOMT.
+
+
+Ongeveer een uur waren onze beide helden, in vertrouwelijke gesprekken
+verdiept, huns weegs getrokken, toen Don Quichot toevallig zijne
+oogen opsloeg en van verre twaalf menschen zag aankomen, die aan
+handen en voeten met ijzeren kettingen geboeid schenen. Twee mannen
+met geweer en twee anderen met pieken en sabels gewapend gingen te
+voet bij hen aan. Hij maakte daar Sancho opmerkzaam op, en deze zeide:
+"Het is een koppel galeislaven, die tot dwangdienst voor den koning
+naar de haven worden geleid."
+
+"Wat, tot dwangdienst?" riep Don Quichot verontwaardigd uit. "Doet
+de koning zelf zijnen onderdanen dwang en geweld aan?"
+
+"Dat zeg ik niet," sprak Sancho. "Die menschen zijn boosdoeners,
+die tot straf voor hunne misdaden tot de galeien veroordeeld zijn."
+
+"In allen gevalle gaan zij dus niet uit vrije verkiezing, maar
+gedwongen daarheen?"
+
+"Ja, zoo is het," zeide Sancho.
+
+"Welaan, ik zal mijn plicht doen en den ongelukkigen hulp en bijstand
+verleenen," sprak Don Quichot.
+
+"Maar in 's hemels naam, bedenk toch, edele heer, dat de gerechtigheid,
+en dus in zeker opzicht de koning zelf, die menschen tot hunne straf
+heeft veroordeeld," riep Sancho angstig.
+
+Don Quichot luisterde niet naar deze verstandige voorstelling,
+en de koppel galeiboeven kwam nader. De ridder wendde zich tot de
+wachters en verzocht die in beleefde bewoordingen wel zoo goed te
+willen zijn, de redenen op te geven, waarom zij die arme menschen
+geboeid meesleepten. Een der wachters antwoordde kortaf, dat het
+schelmen en gauwdieven waren, die naar de haven werden gebracht,
+en dat hij daar verder zijn nieuwsgierigen neus niet in had te steken.
+
+Dit onheusche antwoord verdroot den dolenden held in hooge mate; maar
+toch hield hij zich nog in en vroeg beleefd: "Niettegenstaande dat
+wensch ik van ieder dezer menschen in het bijzonder de oorzaak van
+zijn ongeluk te vernemen, en ik hoop en vertrouw, dat gij, heeren,
+mij daarin niet hinderlijk zult zijn."
+
+Lachend werd hem de gevraagde vergunning gegeven, en Don Quichot vroeg
+den eersten den besten van den troep, hoe hij in zijn ongelukkigen
+toestand was geraakt.
+
+"Dat moogt gij gerust weten," antwoordde de kerel. "Kijk, ik was op
+een mand met schoon linnen verliefd geraakt en hield die zoo stevig
+gepakt, dat ik haar eerst losliet, toen de strenge hand van de politie
+mij daartoe dwong. Zij hielden mij vast, gaven mij een goed getelde
+honderd op den rug en nu brengen ze mij naar de galeien, om mij daar
+drie jaren lang vrij kost en logies te geven."
+
+"En waarom zijt gij geboeid, vriend?" vroeg Don Quichot aan den
+tweeden uit den troep.
+
+"Omdat ik een paar schapen heb gestolen en stom genoeg was schuld te
+bekennen. Dat was ezelachtig dom van mij; want ik had evengoed Neen
+kunnen zeggen."
+
+"Dat is waar," zeide Don Quichot en vroeg den derden naar zijn
+vergrijp.
+
+"Ik moet naar de galeien, omdat mij tien dukaten te kort kwamen,
+juist toen ik die noodig had," antwoordde de schelm.
+
+Don Quichot vroeg verder, tot hij bij den laatsten van het edele
+gezelschap kwam. Dit was een kloek, knap man van om de dertig jaren,
+die geen ander gebrek had, dan dat hij wat heel erg scheel zag. Zijne
+boeien waren veel zwaarder dan die der overigen, en op zijne navraag
+vernam de ridder, dat hij wegens vele en zware misdaden tot levenslange
+galeistraf was veroordeeld. Hij heette Gines van Pasamonte en stond
+als de ergste en sluwste gauwdief van geheel Spanje te boek.
+
+Nadat de edele ridder zoo van alles, wat hij weten wou, nauwkeurig
+onderricht was, wendde hij zich weer tot de wachters en zeide:
+
+"Mijne heeren, ik bid u uiterst beleefd deze arme menschen zonder
+verwijl van hunne boeien te ontdoen en hen vrij en ongehinderd te laten
+gaan, waarheen 't hun goeddunkt. Zij hebben zich wel aan eenige kleine
+verkeerdheden schuldig gemaakt, maar daarom kunnen zij nog altijd goede
+en brave menschen zijn. Laat hen goedwillig los, zeg ik, of reken er
+op, dat ik u daar met deze lans en dit zwaard toe zal dwingen."
+
+De wachters lachten hardop.
+
+"Ge schijnt mij een rare snaak toe!" riep hun aanvoerder. "Maak,
+dat je wegkomt, zet je scheerbekken terecht en bemoei je voortaan
+niet met dingen, die je geen zier aangaan!"
+
+"Gij vlegel, gij onbeschaamde rekel!" schreeuwde Don Quichot vol
+woede, en rende met zooveel geweld op den wachter in, dat deze geen
+tijd vond, om zich te weer te stellen, maar terstond op den grond
+lag. De lans was hem bijna midden door het lichaam gegaan. Een
+oogenblik stonden de overige wachters door deze koene daad als
+verbijsterd; maar toen rukten zij hunne zwaarden uit de scheeden,
+tastten naar hunne verdere wapens en keerden zich tegen Don Quichot,
+die hun aanval met veel koelbloedigheid afwachtte. Niettegenstaande
+dit zou het slecht met hem zijn afgeloopen, zoo niet de gevangenen
+zich dit plotseling ontstaan tumult hadden ten nutte gemaakt om hunne
+boeien te verbreken en zich in vrijheid te stellen. Het gevolg was,
+dat de wachters niet recht wisten, waarheen zij zich het eerst wenden
+moesten, en zich dus deels tegen Don Quichot verweerden, deels op
+de vluchtende gevangenen wierpen, en zoo met verdeelde krachten
+weinig konden uitrichten. Sancho maakte onderwijl de zware ketens
+van Gines van Pasamonte los. Zoodra deze handen en voeten vrij had,
+greep hij sabel en buks van den gevallen wachter op, welke laatste hij,
+zonder vuur te geven, nu op dezen dan op genen aanlegde. De dreigende
+houding van het geweer boezemde den wachters meer schrik in, dan al
+Don Quichots vechtkunst. Toen nu eindelijk de ontboeide gevangenen
+hen met een hagelbui van steenen begonnen te overstelpen, wisten zij
+geen raad meer en zochten hun eenige en laatste heil in de vlucht.
+
+Hoe blij ook, dat zij hunne piek schuurden, kon Sancho Panza toch
+niet zonder bezorgdheid aan de mogelijke gevolgen van dit avontuur
+denken. Hij zocht zijn heer aan het verstand te brengen, dat de
+wachters ongetwijfeld dadelijk alarm maken, versterking halen en alsdan
+de misdadigers vervolgen zouden, waarom het maar het best zou zijn,
+dat zij beiden zich stilletjes uit de voeten maakten en de wijk naar
+het nabijgelegen gebergte namen.
+
+"Zwijg stil!" voegde Don Quichot hem barsch toe. "Ik weet best,
+wat mij in dit roemrijk geval te doen staat."
+
+Hij riep de galeiboeven in zijne nabijheid, deed hen een kring sluiten,
+hield eene lange toespraak en verlangde van hen, dat zij zich naar
+Toboso begeven en zijne schoone Dulcinea van hunne bevrijding bericht
+brengen zouden.
+
+"Hoor, uwe edelheid," gaf Gines van Pasamonte in naam der overigen tot
+antwoord, "daar is geen denken aan, want als wij ons niet schielijk
+naar al de windstreken verstrooiden, zou men ons al gauw weer bij de
+lurven hebben gepakt. Heb overigens dank voor de ons bewezen goede
+diensten, en wees hiermee vriendelijk gegroet."
+
+"Hoe is dat, ondankbare snoodaard?" vroeg Don Quichot ten hoogste
+verontwaardigd. "Zoo weigert gij dus den heiligen plicht der
+dankbaarheid te vervullen? Wacht, man, dan zal ik je toonen, met wien
+gij te doen hebt."
+
+Gines van Pasamonte, die al van den beginne had gemerkt, dat het
+met het verstand van den edelen ridder niet recht in den haak moest
+wezen, wenkte zijne kameraden hem te volgen, en bracht hen een eind
+ver achteruit. Van daar, op veiligen afstand, deden de schelmen nu
+zulk een dichten regen van steenen op den grootmoedigen ridder en
+zijn schildknaap neerkletteren, dat de eerste zich moeielijk met zijn
+schild konde dekken, terwijl de laatste in aller ijl achter zijn ezel
+wegkroop. De bui duurde voort, tot eenige keisteenen den armen Don
+Quichot zoo gevoelig raakten, dat hij in den zadel waggelde en in zijne
+kletterende wapenrusting ter aarde stortte. Pas lag hij daar weerloos,
+of Gines van Pasamonte was bij hem, rukte hem het scheerbekken
+van het hoofd, bracht hem een paar moorddadige houwen toe en sloeg
+den zoogenaamden helm bijna in stukken. De overigen trokken hem den
+wapenrok, dien hij over het harnas droeg, uit en zouden hem ook zijn
+broek hebben ontstolen, indien de stevig vastgegespte dijplaten zijner
+rusting hun dat niet hadden belet. Sancho Panza moest insgelijks zijn
+bovenkleed afstaan en mocht blij zijn, dat men hem zijn wambuis liet,
+waarna de dievenbende zich links en rechts verstrooide, om niet weer
+opnieuw in de klauwen der straffende gerechtigheid te geraken.
+
+Don Quichot en Rocinante benevens Sancho en zijn grauwtje bleven alleen
+op het slagveld achter. De ezel stond daar als in droefgeestig gepeins
+en schudde van tijd tot tijd zijne ooren, alsof 't hem verwonderde,
+dat de hagelbui, die ook hem niet weinig pijnlijk getroffen had, nu
+toch voorbij was. Rocinante lag bij zijn heer op den grond en stak al
+zijne vier pooten in de lucht. Sancho Panza beefde van angst en woede,
+en de edele ridder van La Mancha smeekte de wraak des hemels af over
+de schelmen en gauwdieven, die hem zoo schandelijk en verregaand
+ondankbaar behandeld hadden.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI.
+
+SANCHO PANZA VERLIEST ZIJN EZEL EN DON QUICHOT SPEELT VOOR GEK.
+
+
+Toen de edele ridder van La Mancha weer eenigermate van de werking
+der zware steenworpen bekomen was, sprak hij:
+
+"Sancho Panza, altijd heb ik gehoord, dat men een nutteloos en
+vergeefsch werk doet, als men aan 't gemeene volk weldaden bewijst. Die
+schurkachtige gevangenen hebben mij met den snoodsten ondank beloond,
+en dit zal ons leeren ons nimmer weer met soortgelijk gespuis in
+te laten."
+
+"Nu, ik wil hopen, dat gij eindelijk door schade en schande wijs
+wordt," antwoordde Sancho Panza. "Voorts is 't maar best, dat wij
+ons zoo spoedig mogelijk uit de voeten maken. De politie heeft voor
+dolende helden bitter weinig ontzag en zou, als zij u in handen
+kreeg, aan uwe ridderschap spoedig een treurig einde maken. Zie,
+dat gij weer op Rocinante komt, en laat ons vluchten."
+
+"Gij zijt een bloodaard, Sancho! Toch wil ik voor ditmaal aan uw
+verlangen toegeven en mij in de Sierra Morena begeven, in de hoop,
+dat het ons daar geen dag aan avonturen ontbreken zal."
+
+Sancho was van harte blij, dat hij zijn zin kreeg, en ging dadelijk
+zijn best doen om eerst Rocinante en toen ook zijn meester weer op
+de been te helpen. Gelukkig had hij zijn broodzak aan de handen der
+roofzuchtige spitsboeven weten te onttrekken en kon dus zich zelf en
+zijn heer een stevige hartsterking voorzetten. Hierop bestegen beiden
+hunne dieren en kwamen nog voor den donker midden in de Sierra Morena,
+waar zij in een eng rotsdal onder eenige zware, lommerrijke boomen
+hun nachtleger opsloegen.
+
+Nauwelijks lagen onze twee helden daar vast in slaap, of hun
+ongelukkige gesternte wilde, dat de schelmachtige Gines van Pasamonte
+toevallig dienzelfden weg langs kwam. Uit vrees voor den straffenden
+arm der gerechtigheid was ook hij in de Sierra Morena zijn heil komen
+zoeken en, vooral ter wille van den ezel, niet weinig verheugd,
+hier zoo geheel onverwachts zijne beide bevrijders te vinden. Met
+alle omzichtigheid sloop hij nader, maakte zich van des schildknaaps
+langoor meester, ging daar op zitten en voerde zijn buit weg, zoo
+hard als het dier maar loopen wou. Den volgenden dag was hij reeds
+uren ver van de beroofde twee verwijderd.
+
+De zon kwam zich tot verkwikking van al, wat leeft en ademt, boven de
+kim vertoonen, doch ditmaal niet tot blijdschap van den armen Sancho
+Panza, die door haar helder licht al spoedig onderricht werd van het
+zware verlies, dat hij in den loop van dien nacht geleden had. Hij
+vervulde de lucht met zijne jammerklachten en huilde zoo geweldig, dat
+ook zijn meester ontwaakte en naar de oorzaak van dat klaaglied vernam.
+
+"Ach," lamenteerde de knaap, "ach, mijn grauwtje is weg, mijn hartelap,
+mijn suikerpop, de oogappel van mijn vrouw, de doorn in 't vleesch
+van al mijne buren, de steun van al mijne lasten!"
+
+"Kom, kom, Sancho, bedaar, man!" trooste de ridder zijn weeklagenden
+dienaar; "gij zult voor den verloren ezel drie van de vijf hebben,
+die ik bij mij thuis op stal heb staan. Ik zal u daar een papier van
+geven en gij zult ze zelf halen. Nu kom en laat ons zorgen, dat wij
+dieper in het gebergte komen."
+
+De goede Sancho trooste zich en dankte zijn meester voor de
+grootmoedige toezegging. Hierop braken zij op en vervolgden hunne reis.
+
+Hoe dieper Don Quichot in de wilde bergstreek doordrong, des te meer
+verblijde zich zijne ziel, terwijl hij zich al de wonderbare daden en
+avonturen voor den geest riep, welke dolende ridders vóór hem in zulke
+woestijnen en wildernissen volvoerd en beleefd hadden. Hij verzonk zoo
+diep in gepeins, dat hij geen woord sprak en de tijd den armen Sancho,
+die pruttelend achter hem aan sjokte, danig lang begon te vallen. Hij
+had bijster gaarne eens een woordje gepraat, doch waagde niet een
+gesprek aan te vangen uit vrees, dat hij zijn heer hierdoor beleedigen
+zou. Ten laatste werd het hem echter toch al te erg en besloot hij,
+op elk gevaar af, aan dat vervelende zwijgen een einde te maken.
+
+"Heer," begon hij, "ik verzoek u dringend, mij mijn afscheid te geven
+en stilletjes naar huis te laten terugkeeren. Thuis kan ik althans met
+vrouw en kinderen praten, als ik daar lust toe voel; maar hier in de
+wildernis moet ik als een gek achter Rocinante aansukkelen en krijg
+geen woord te hooren, en dat noem ik dood wezen bij levenden lijve."
+
+"Sancho Panza," antwoordde de ridder, "daar is raad voor, want weet,
+dat ik juist van plan ben, eene daad te verrichten, die mij tot
+den beroemdsten ridder moet maken, dien de aardbodem ooit gedragen
+heeft. En daartoe heb ik uwe medewerking noodig."
+
+"Is er gevaar bij, heer ridder?" vroeg Sancho Panza.
+
+"Neen; met gevaar is de daad niet verbonden. Echter hangt alles van
+uwe werkzaamheid af."
+
+"Van mijne werkzaamheid?" vroeg Sancho verwonderd.
+
+"Zeker, mijn zoon," luidde des ridders antwoord, "want weet, dat, zoo
+gij schielijk van de plaats, waarheen ik u zenden zal, terugkeert,
+gij den tijd van mijn lijden zult verkorten, en dat dan mijn triomf
+een aanvang zal nemen. Ten einde gij echter in staat moogt zijn,
+mij te verstaan, moet ik u zeggen, dat vóór tijden de beroemde Amadis
+van Gallië een der beste, dapperste dolende ridders was, en dat hem
+na te volgen mij tot onvergankelijke eer moet strekken. En dit moet
+geschieden ten opzichte van de beste daad, die van hem verhaald
+word. Toen namelijk de schoone Oriana hem versmaad had, begaf hij
+zich naar de wildernis, deed boete en kastijdde zich en noemde zich
+gedurende dien tijd Beltenebros."
+
+"Maar, gestrenge heer, gij wordt toch niet door uwe Dulcinea
+versmaad?" zeide Sancho Panza.
+
+"Dat is juist de zaak waar het op aankomt, Sancho," antwoordde Don
+Quichot; "want versta mij wel: dat een dolend ridder om goede redenen
+dol en razend wordt, dat is niet de moeite waard, dat men er over
+praat. De groote kunst is, zonder grond of oorzaak dol te worden,
+en van deze kunst wil ik blijk geven. Gij echter, Sancho, moet u naar
+mijne aanbiddelijke meesteres Dulcinea van Toboso begeven en haar een
+brief overbrengen, die haar van mijn waanzin onderrichten moet, opdat
+zij de sterkte van mijne vereering en aanbidding leere waarderen."
+
+Sancho Panza wist niet, wat hij op deze dollemanspraat zeggen
+moest. Hij schudde het hoofd en stapte zwijgend nevens Don Quichot
+voort, totdat zij aan den voet van een hoogen rotskegel kwamen, die
+rondom met naakte wanden van graniet omgeven was. Daar borrelde eene
+heldere bron uit op en rondom breidde zich een groen graskleed uit,
+dat met bonte bloemen sierlijk getooid was. Deze plaats scheen den
+edelen ridder tot volvoering van zijn avontuurlijk opzet uiterst
+geschikt toe, en hij besloot hier zijne dolle razernij maar terstond
+den vrijen teugel te vieren.
+
+"Ha, ha!" riep hij met bulderende stem, alsof hij op eens stapelgek
+was geworden, "ha ha! dit is dus de plaats, waar ik mijn ongeluk wil
+beschreien. Ha, ha! dit is de plaats, waar mijn tranen dit beekje
+tot een schuimenden bergstroom zullen doen aanzwellen. Ha, ha! dit
+is de plaats, waar ik zuchten ga loozen, die als een stormwind door
+de boomtoppen en hunne groene bladeren zullen ruischen."
+
+Onder het uitstooten van al dezen onzin liet hij zich van zijn paard
+zakken en gaf dat een slag op den rug.
+
+"Vlucht weg," riep hij dat toe, "vlucht weg, mijn edel ros! Ik geef
+u uwe vrijheid weer, daar ik zelf in de boeien en banden van den
+waanzin zal vervallen. Vlucht weg en dool als een rustelooze schim
+in bosschen en wildernissen rond."
+
+"Nu ja, van een schim begint Rocinante al vrij wat te krijgen, heer
+ridder," zeide Sancho Panza; "maar toch reken ik 't beter, dat ik
+maar op hem ga zitten en op zijn rug mijne reis naar uwe Dulcinea
+aanvaard. Ik zal dan des te gauwer hier terug kunnen zijn."
+
+"Goed, Sancho, doe, wat gij verkiest," antwoordde de ridder van de
+droevige figuur. "Evenwel moet gij op zijn minst nog drie dagen in
+mijne tegenwoordigheid blijven, om aan mijne uitverkorene te kunnen
+berichten, wat ik al niet tot hare verheerlijking gedaan heb."
+
+"Zal ik nog meer razende dolligheden zien, dan ik nu al gezien heb,
+heer?" vroeg Sancho Panza verwonderd.
+
+"O, ik zal er nog zooveel vertoonen, dat ge u van verbaasdheid de oogen
+uit het hoofd kijkt," antwoordde de ridder. "Vooreerst moet ik, daar ik
+nog niet weet, of ik in mijne dolheid Amadis van Gallië of den razenden
+ridder Roland wil navolgen, mijne kleeren verscheuren, mijne wapens
+te grabbel gooien, met mijn hoofd tegen de rots aanrennen en nog meer
+dergelijke dingen uitvoeren, zoodat ge verbluft staat van wat ge ziet."
+
+"Doe, wat ge niet laten kunt, edele heer," antwoordde de schildknaap;
+"maar wees in 's hemels naam wat voorzichtig met dat met het hoofd
+tegen de rots rammeien. De steenen zijn hard en hebben allerlei hoeken
+en punten. Als ge toevallig op zoo'n punt te land kwaamt, kon 't met
+alle malligheid op eens gedaan wezen. Zoo gij werkelijk oordeelt, dat
+die kopstooten volstrekt noodig zijn, kondt gij, dunkt me, volstaan
+met het hoofd in 't water te plompen of met vooraf een week, zacht
+ding tegen de rots te plakken. Dan doet de stoot geen zeer, en ik
+wil Dulcinea van Toboso er toch een relaas van geven, dat de haren
+haar te berge rijzen. 't Is toch alles maar fopperij en malligheid,
+edele heer!"
+
+"Dan verkeert gij in een geweldige en betreurenswaardige dwaling,
+vriend Sancho," antwoordde Don Quichot. "Al de dingen, die ik wil
+uitvoeren, zijn geenszins malligheid, maar hooge, heilige ernst. Ik
+zal koen en krachtig tegen de rotsen aanrennen, en 't zou dus niet
+kwaad zijn, dat gij mij wat linnen tot het verbinden der daardoor
+aan mijn hoofd toegebrachte wonden achterliet."
+
+"Heer, al 't linnen is met den ezel naar de maan gegaan," verzekerde
+de schildknaap. "Daarom verzoek ik u ook dringend, die gekheid van met
+het hoofd tegen de harde steenen te loopen maar achterwege te laten
+en u liever in te beelden, dat de drie dagen van razernij al voorbij
+zijn. Ik voor mij wil aannemen, dat ik al uwe dwaze stukken gezien heb,
+en zal de edele jonkvrouwe Dulcinea daar de ongeloofelijkste dingen
+van vertellen. Schrijf den brief en laat het overige aan mij over."
+
+Don Quichot gaf aan dit verstandig voorstel gehoor. "Gij hebt gelijk,
+Sancho," zeide hij. "Doch hoe moeten wij 't aanleggen, om den brief
+klaar te krijgen?"
+
+"Ja, en 't papiertje, waarop ze mij de drie ezels moeten afgeven,"
+voegde zijn schildknaap er bij.
+
+"Juist, juist!" riep Don Quichot, "dat mogen wij niet vergeten. Ik zal
+alles in mijn zakboek schrijven, en gij moet het dan door den eersten
+den besten koster in het naaste dorp mooi en netjes laten kopieeren."
+
+"Maar hoe moet het dan met de onderteekening?"
+
+"De brieven van den grooten ridder Amadis van Gallië waren nooit
+onderteekend," verzekerde Don Quichot.
+
+"Voor den brief komt dat er ook zooveel niet op aan," zei Sancho;
+"maar met het papiertje voor de ezels is dat anders gelegen. Daar
+moet uw edelheids handteekening onder staan, of ze zullen mij als
+een afzetter en bedrieger de deur voor den neus toesmijten."
+
+"Dat is zoo," erkende Don Quichot, "en ik zal dus de lastgeving in
+het dagboek zelf met mijn naam onderschrijven. Als mijne nicht dat
+ziet, zal zij u de ezels gewillig afstaan. En onder den brief kunt
+gij zetten: De uwe tot in den dood. Don Quichot van La Mancha, de
+ridder van de droevige figuur.--Daar Dulcinea niet lezen kan, voor
+zoover ik weet, zal zij met dat onderschrift volkomen tevreden wezen,
+en dan heb ik haar ook nog maar pas een- of tweemaal gezien, omdat zij
+door haar vader, Lorenzo Corchuelo, en hare moeder, Aldonza Nogales,
+zeer streng wordt opgevoed."
+
+"Ei, de dochter van Lorenzo, die dikke vette, is dat dus uwe hooge
+en edele gebiedster?" vroeg Sancho Panza heel verwonderd.
+
+"Ja, die is het, en zij verdient tot meesteresse van het gansche
+heelal te worden verheven."
+
+"O, haar ken ik wel," zeide Sancho Panza en lachte, dat zijn buik
+schudde. "Dat is een meid van stavast. Zij gooit met knuppels zoo
+goed als de beste jongen in het dorp, en kan haar mondwerk roeren,
+dat iedereen voor haar wegloopt. Een stemmetje heeft ze als een
+trompet, en ze is van top tot teen een echte, stevige, plompe
+boerendeern. En ik, ezel, heb me altijd verbeeld, dat uwe hooge en
+edele gebiederesse Dulcinea van Toboso heel wat bijzonders was, een
+prinses of een koningin of zoo'n andere voorname hoogheid. Dat valt
+me dan danig tegen! En 't is maar een geluk, edele heer, dat al de
+lui, die ge in bloedige gevechten overwonnen hebt, niet naar haar toe
+gegaan zijn. Die hadden uwe Dulcinea dan licht bij 't vlashekelen of
+druk aan het dorschen gevonden, en zouden u in dat geval niet weinig
+hebben bespot en uitgelachen."
+
+"Sancho, ik zeg, dat gij een stomme ezel zijt!" riep Don Quichot
+verstoord. "Mij behaagt mijne Dulcinea en in mijn oog is zij de hoogste
+en edelste prinses op aarde. Zoo gij nog een woord ten haren nadeele
+zegt, zal ik u mijne lans dwars door het lichaam boren."
+
+"Goed, goed, ik heb er vrede mee, als uwe edelheid met zulk eene
+schoonheid tevreden is," verklaarde Sancho Panza. "Schrijf nu den
+brief maar en laat mij stilletjes mijns weegs gaan."
+
+Don Quichot haalde zijn zakboek uit, ging op zij, bedacht zich lang
+en schreef toen zijn brief aan Dulcinea van Toboso. Toen hij dien
+klaar had, keerde hij tot zijn schildknaap terug en zeide, hem het
+stuk te willen voorlezen, zoodat hij het in zijn hoofd had, ingeval
+het geschrift onderweg door eenig ongelukkig toeval mocht verloren
+gaan. Sancho Panza wilde daar echter niets van hooren.
+
+"Schrijf mij den brief liever een maal of tien twaalf af," zeide hij,
+"en maak er veilig staat op, dat ik al die afschriften trouw bewaren
+zal. Dat voorlezen echter helpt niemendal. Mijne memorie is zoo zwak,
+dat ik geen tien letters onthouden kan, en nog veel minder zoo'n
+langen brief."
+
+De ridder zag dus van zijn voornemen af en vergenoegde zich met op
+een tweede blad van zijn dagboek de aanwijzing tot het uitleveren der
+ezels te schrijven. Vervolgens vertrouwde hij die gewichtige papieren
+aan zijn schildknaap toe, drukte hem op het hart, er toch vooral
+goed op te passen, en gaf hem de verzekering, dat alles uitmuntend
+afloopen zou, zoo hij ijverig in den dienst en stipt in de volvoering
+van zijne taak was.
+
+"Heb daar maar geen zorg voor, heer ridder," zeide Sancho. "Geef
+mij uwen zegen, laat mij Rocinante bestijgen, en houd mij nu maar
+niet langer op. Uwe dwaze stukken behoef ik niet te zien, daar ik
+er zonder dat wel zooveel van zal vertellen, dat uwe meesteres er
+versteld en verbijsterd van staat."
+
+"En toch verlangde ik, dat gij althans een dozijn van mijne dolheden
+met eigen oogen aanschouwdet," zeide Don Quichot. "Gij kunt dan
+bezweren, dat gij mij in den staat van volslagen razernij hebt gezien,
+en deze betuiging zal ontwijfelbaar een diepen indruk op de aangebedene
+van mijn hart maken."
+
+"Neen, neen, laat dat rusten," antwoordde Sancho. "Wij hebben nog
+gewichtiger dingen af te doen. Wat, bij voorbeeld, zult gij te eten
+krijgen in den tijd, dat ik weg ben? Teerkost heeft geen van ons
+beiden meer."
+
+"Maak u daar niet bezorgd over, mijn zoon," zeide Don Quichot. "Al
+waren wij nog zoo ruim van mondvoorraad voorzien, toch zou ik daar
+niets van aanraken. Ik zal mijn leven rekken met de kruiden, die hier
+in de weide groeien en met de vruchten des wouds, want zoo verlangt
+het de waanzin, waaraan ik mij prijs zal geven."
+
+"Nu, dan wensch ik u smakelijk eten!" zeide Sancho. "Maar nog één
+ding! Hoe zal ik de plaats weervinden, waar ik u nu verlaat? Ze
+schijnt mij vrij wat afgelegen, en 't zou een leelijk ding wezen,
+als ik weken lang omdwalen moest en u nergens weerom kon vinden."
+
+"Prent u onder het rijden goed de merkteekens van den weg in het
+hoofd," antwoordde Don Quichot. "Ik voor mij zal dezen omtrek niet
+verlaten en tegen den tijd, dat ik u terug mag verwachten, de hoogste
+toppen der omliggende bergen beklimmen, om naar u uit zien. Ook kunt
+gij uw weg door boomtakken merken, die gij van tijd tot tijd in den
+grond steekt, en de groene twijgen zullen u dan als zekere wegwijzers
+in mijne nabijheid terugbrengen."
+
+"Welaan, dat wil ik doen," riep Sancho en sneed al dadelijk een
+voorraad takken af. Hierop verzocht hij den edelen ridder om zijn
+zegen, nam onder heete tranen van hem afscheid, besteeg Rocinante
+en aanvaardde zijn tocht. Hij was echter nog geen honderd passen ver
+gereden, of hij keerde op een drafje weerom en riep:
+
+"Luister, heer ridder! Daar valt mij in, dat het toch niet kwaad
+zou wezen, dat ik althans één van uwe dolle stukken zag. Ik kan dan
+met een goed geweten bezweren, dat gij wis en waarachtig stapelgek
+zijt geworden."
+
+"Ziet gij wel, dat ik gelijk had?" riep Don Quichot verheugd
+uit. "Wacht maar, mijn zoon! Ik zal er u dadelijk een vertoonen."
+
+Na deze woorden trok hij met den meest mogelijken spoed zijne kleeren
+uit en hield niets aan zijn lichaam buiten het bloote hemd. Hierop
+buitelde hij een paar malen over den kop, vertoonde allerlei gekke
+bokkesprongen, ging op zijn hoofd staan, kortom, stelde zich zoo boven
+alle beschrijving gek aan, dat Sancho Panza met de volste overtuiging
+van zijns meesters dolheid weg kon rijden.
+
+Terwijl Sancho Panza zijns weegs trok, staakte de ridder zijne
+luchtsprongen en kopjebuitelingen en beklom eene hooge rots, om
+daar bedaard te overleggen, of hij verder voor razenden Roland of
+eenvoudig voor den smachtenden Amadis wilde spelen. Na lang, ernstig
+nadenken besloot hij eindelijk zich Amadis tot voorbeeld te kiezen,
+omdat hij daarbij noch zoo veel builen te vreezen, noch ook boomen
+uit den grond te rukken en rotsen te vergruizelen had. Zoo kortte hij
+zich dus den tijd met op de groene weide rond te kuieren, den zoeten
+naam zijner Dulcinea in de schors der boomen te snijden en verzen te
+maken, die in liefelijkheid alles overtroffen, wat nog ooit door een
+menschenkind gedicht is.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XII.
+
+HOE DON QUICHOT UIT HET ROTSDAL BEVRIJDT WORDT.
+
+
+Onderwijl reed Sancho Panza door de bosch- en bergstreken en kwam
+al spoedig op den grooten heerweg uit. Dezen houdende kwam hij den
+volgenden dag aan de herberg, waar hij eerst voor eenige dagen door
+eenige reizigers zoo erg beet was genomen, en zoodra hij haar in het
+oog kreeg, had hij een gevoel, alsof hij weer hoog in de lucht werd
+opgegooid. Dus wilde hij hier liever maar niet pleisteren, alhoewel hij
+juist tegen den besten tijd van den dag, tegen etenstijd namelijk,
+in de nabijheid kwam. Zijne maag kwam echter tegen dezen zijnen
+wil in opstand, en daar de mensch bijna altijd aan de eischen van
+zijne maag moet gehoorzamen, zoo voldeed ook Sancho Panza aan hare
+dringende aanmaning en reed regelrecht op de herberg toe, om haar
+door eene warme soep en een duchtig stuk vleesch tevreden te stellen.
+
+Juist toen hij in de deur trad, kwamen twee heeren naar buiten,
+die hem terstond herkenden. De een sprak tot den ander: "Kijk eens,
+heer pastoor, is dat niet Sancho Panza, die met den gekken ridder
+Don Quichot op avonturen is uitgegaan?"
+
+"Ja, waarlijk, hij is het," antwoordde de pastoor, "en hij zit op
+den knol van zijn meester."
+
+Die beide mannen waren, gelijk wij reeds geraden hebben, de pastoor
+en de barbier uit Don Quichots dorp, die voor eenigen tijd met de
+huishoudster van den dolenden ridder al diens mooie ridderboeken
+verbrand en den ingang tot de bibliotheek dichtgemetseld hadden. Zij
+naderden den schildknaap, en de pastoor, uiterst verlangend, om iets
+van Don Quichot te vernemen, riep hem bij zijn naam en vroeg hem:
+"Vriend Sancho Panza, waar is uw heer?"
+
+De ondervraagde herkende de beide mannen op het eerste gezicht,
+doch nam zich voor, hun van het verblijf en de lotgevallen van zijn
+meester geen enkel woord te verklappen. Hij antwoordde dus kortaf,
+dat zijn heer ergens een gewichtige zaak had in orde te brengen,
+waarvan hem streng verboden was iets naders te zeggen.
+
+"Nu, als de zaken zoo staan, vriend Sancho," sprak de barbier, die
+terstond begreep, hoe het was, "als gij niet zeggen wilt, waar de
+ridder zich ophoudt, dan moeten wij aannemen, dat hij door u vermoord
+en geplunderd is geworden. Gij rijdt op zijn paard en gij moet dus
+ook uw meester terugbezorgen, of 't zal leelijk met u afloopen."
+
+"Ho, ho, maar zoo driftig niet!" riep Sancho Panza op barschen toon,
+alhoewel de bedreiging van den barbier hem wel eenigszins ongerust
+maakte. "Ik ben geen man, om andere eerlijke menschen dood te slaan,
+en als gij mijn heer vinden wilt, zoek hem dan daarginder in het
+gebergte, waar hij zich met veel kunst en knapheid stapelgek houdt."
+
+Op verder navragen der beide heeren bracht hij hen nu bij de rij af al
+de avonturen en dolheden van zijn meester over en voegde er bij, dat
+hij was afgezonden, om aan de dochter van den boer Lorenzo Corchuelo
+een brief over te brengen. De beide heeren hoorden dit bericht met
+verwondering aan; want ofschoon zij Don Quichot een tamelijk hoogen
+graad van gekheid toeschreven, moesten zij erkennen, dat wat zij nu
+van zijne dollemansstreken vernamen, hunne stoutste verwachtingen
+nog verre overtrof. Eindelijk verzochten zij Sancho, hun den brief
+te toonen, dien de ridder aan zijne aangebedene Dulcinea van Toboso
+geschreven had.
+
+Sancho Panza tastte dadelijk in den zak, om aan hun verlangen te
+voldoen, maar ontdekte tot zijn schrik, dat hij het boekje moest
+verloren hebben. Hij werd doodsbleek van schrik, woelde en grabbelde
+in al zijne zakken om en geraakte in zulk eene vertwijfeling, dat hij
+haar en baard uitrukte en zich met beide vuisten zoo in het gezicht
+sloeg, dat het bloed hem uit den neus sprong. De barbier en de pastoor
+verwonderden zich natuurlijk zeer over zijn gedrag en vroegen hem,
+waarom hij dan toch zoo tegen zijn eigen vleesch woedde.
+
+"Daar is mij 't grootste ongeluk van mijn geheele leven
+overkomen!" huilde Sancho. "Ik heb drie jonge ezels verloren, waarvan
+ieder althans een gravenslot waard was."
+
+"Ei! En hoe heeft dat zich toegedragen?" vroeg de barbier.
+
+"Wel, doodeenvoudig," antwoordde Sancho. "Ik ben het zakboekje kwijt,
+waarin de brief van mijn heer aan zijne Dulcinea en buitendien ook de
+door hem eigenhandig onderteekende aanwijzing staat, dat zijne nicht
+mij drie van de jonge ezels, die hij op stal heeft, moet uitleveren."
+
+De pastoor troostte hem over dat verlies en beloofde hem, zijnen
+heer te zullen bewegen eene tweede aanwijzing op de drie ezels af
+te geven. Deze toezegging stelde den schildknaap ten volle gerust,
+terwijl het verlies van den brief voor Dulcinea hem niet de koude
+kleeren scheen te raken.
+
+"Ik ken hem bijna van buiten, daar ik hem onder weg verscheiden malen
+gelezen heb, en kan hem desnoods uit mijne memorie opschrijven,"
+zei hij op onverschilligen toon.
+
+"Toe dan, zeg hem ons voor," antwoordde de barbier. "Wij willen hem
+dan later op papier brengen."
+
+Bij deze uitnoodiging krabde Sancho zich verlegen achter de ooren
+en gaf zich alle mogelijke moeite, om de woorden van het schrijven
+in zijn geheugen terug te roepen. Hij trok daarbij nu het eene, dan
+het andere been in de hoogte, keek nu naar de lucht en dan naar den
+grond, scheen zich de nagels van de vingers te willen zuigen en riep
+eindelijk in zijne verlegenheid:
+
+"Hoort, mijne heeren, de drommel mag me halen, als ik nog veel van
+den brief weet! Mij heugt alleen nog maar het begin en dat was:
+Allerverhevenste en alleromgeperste gebiederesse!"
+
+"Alleronbeperktste zal er gestaan hebben," zei de barbier lachend.
+
+"Ja, ja, zoo was het vast," zeide Sancho; "en dan kwam verder: "De
+verwonde, blauwgebeukte en slapelooze kust u de hand, onbekende en
+ondankbare jonkvrouwe!" en zoo al voort tot aan het slot, dat was:
+"De uwe tot den dood, Don Quichot van La Mancha, Ridder van de
+Droevige Figuur."
+
+De beide mannen lachten, dat de tranen hun over de wangen rolden,
+en lieten zich den brief nog eenige malen herhalen. Sancho Panza vond
+daar zelf pleizier in en vertelde buitendien nog eene menigte andere
+geschiedenissen, zonder echter van het onbetaald gebleven gelag in
+de herberg ook maar met een woord te reppen.
+
+"Als mijn meester," zoo vervolgde hij, "zijne penitentie in het
+rotsdal volbracht heeft, zullen wij terstond op weg gaan, om ons een
+keizerschap of toch voor 't minst een koningschap te veroveren. Zoo
+hebben wij het tusschen ons beiden afgesproken, en 't kan niet
+anders, of het zal mijn heer met zijne ontzettende koenheid heel
+licht gelukken, dit doel te bereiken. Als wij eenmaal zoover zijn,
+dan wil mijn heer mij eene edele jonkvrouw tot gemalin geven en mij
+tot gouverneur van een eiland benoemen, dat minstens zoo groot als
+heel Spanje is."
+
+Sancho kwam met deze ongerijmdheden met zooveel bedaardheid en
+innerlijke overtuiging voor den dag, dat zijne beide toehoorders vol
+verwondering de hoofden schudden.
+
+"Hoever," fluisterde de pastoor den barbier toe, "hoever moet het
+met Don Quichots waanzin gekomen zijn, dat hij ook het verstand van
+dezen armen sukkel zoo deerlijk op hol kon brengen!"
+
+Nochtans besloten zij, zich geen moeite te geven, om Sancho Panza
+uit zijn droom te helpen. Zijne ziel werd er niet door in gevaar
+gebracht, en zij zelven beloofden zich van zijne verdwaasdheid nog
+vrij wat pret. Zij zeiden hem derhalve slechts, dat hij maar op
+de gezondheid zijns meesters moest hopen, opdat die al zijne stoute
+plannen en ontwerpen zou kunnen volvoeren en hijzelf mettertijd keizer
+of aartsbisschop of wat anders heel hoogs en voornaams zou worden.
+
+"Wat!" vroeg Sancho, "kan een dolend ridder ook aartsbisschop
+worden? Wat heb ik, als zijn trouwe schildknaap, dan niet eene
+belooning te wachten!"
+
+"Wel zeker, gewoonlijk krijgen de schildknapen de eene of andere vette
+prebende of toch ten minste eene goede kostersplaats," antwoordde
+de pastoor.
+
+"Welaan," verklaarde Sancho, zich vergenoegd de handen wrijvende,
+"dan wil ik mijn meester daarheen leiden, waar 't voor hemzelf het
+best is en hij mij de vetste happen kan toeduwen."
+
+"Gij zijt een vroom man en een goed Christen, Sancho," sprak de
+pastoor. "Doch 't wordt nu tijd, een middel uit te denken, om uw heer
+van zijne onnutte boete af te brengen, en me dunkt, we stappen daartoe
+hier de herberg binnen, om dat eens op ons gemak te bepraten. Kom,
+vriend Sancho, wees onze gast bij den maaltijd."
+
+Sancho's schrik voor de herberg was intusschen weer levendig geworden
+en hij zei dus, dat zij maar moesten binnengaan; hij zelf zou zoolang
+buiten wachten en hun later de reden zeggen, waarom hij van hunne
+uitnoodiging geen gebruik kon maken. Evenwel zouden zij hem groot
+pleizier doen, indien zij hem eene portie warm eten en Rocinante een
+maaltje gerst buiten wilden zenden.
+
+De beide mannen drongen na deze verklaring niet verder bij Sancho
+aan, maar traden in de herberg. De barbier verzuimde echter niet, den
+hongerige en zijn rijbeest al spoedig ruim van het noodige te voorzien.
+
+Terwijl Sancho Panza in eenzaamheid zijn maal verteerde, overlegden de
+pastoor en de barbier, op welke wijze zij het best hun doel bereiken en
+Don Quichot van zijn dol opzet afbrengen konden. Na lang heen en weer
+praten, kwam de pastoor op een denkbeeld, dat zoowel met des ridders
+dweperij, als ook met hunne bedoelingen in volmaakte overeenstemming
+was. Hij had namelijk den inval, zichzelf als eene dolende jonkvrouw
+te vermommen, terwijl de barbier zich als stalmeester van de edele
+dame in het pak zou steken. Zoo verkleed wilden zij Don Quichot gaan
+opzoeken; de pastoor zou zich voor eene vervolgde, hulpbehoevende
+edelvrouwe uitgeven en hem bezweren, haar te volgen en den smaad en
+hoon te wreken, haar door een boozen, ondeugenden ridder aangedaan. Om
+het geheim niet voor den tijd te verraden, wilde de pastoor eene
+gelofte voorwenden, die haar verbood, zich te ontsluieren, voordat
+Don Quichot haar tegen den valschen ridder recht had verschaft,
+en hij vertrouwde ten volle, dat het op die wijze gelukken zou,
+den krankzinnigen ridder naar zijne oude woonstee terug te brengen
+en hem daar geheel van zijne kwaal te genezen.
+
+Den barbier kwam dit plan zoo goed voor, dat hij terstond op de
+uitvoering er van aandrong. Zij verzochten dus van de waardin een
+vrouwenkleed en een hoofdkap met toereikend dichten sluier ter leen en
+werden aan een en ander volgens hun wensch geholpen. De barbier echter
+maakte zich een ontzettenden baard van een roodbruinen ossestaart,
+waarin hij gewoonlijk zijn kam placht te steken. Op haar vragen vernam
+de herbergiersvrouw, waartoe deze verkleeding eigenlijk moest dienen,
+en nu begreep zij oogenblikkelijk, dat die gekke ridder haar gewezen
+gast en de heer van dien geplaagden schildknaap moest zijn. Zij
+vertelde den pastoor, wat toenmaals was voorgevallen, en verzweeg
+ook niet het geringste van wat Sancho Panza zoo zorgvuldig verborgen
+had gehouden.
+
+Hierop verkleedde zij den pastoor met zooveel zorg, dat hij zichzelf
+bijna niet herkend zou hebben. Zij trok hem een lakenschen rok
+aan, die met breede zwartfluweelen strooken bezet was, gaf hem een
+groenfluweelen rijglijf en wou hem ook nog het haar kappen, zooals de
+vrouwen gewoon zijn, dat te doen. Dit laatste liet de brave man evenwel
+niet toe, maar hij bedekte zijn hoofd met eene witte linnen slaapmuts
+en bond daar een sluier aan, die zijn baard en zijn geheele gezicht ten
+volle bedekte. Daarop drukte hij zich zijn grooten breedgeranden hoed
+diep in de oogen, wierp een langen mantel om en ging, op vrouwenmanier,
+dwars op zijn muildier zitten. Ook de barbier met zijn roodbruinen
+langen baard besteeg zijn ezel, en zoo zeiden zij de wakkere waardin
+vaarwel en gingen bij Sancho, die over de wonderlijke toetakeling
+der beide eerzame mannen lachen moest, dat zijn buik er van schudde.
+
+Terwijl zij nu den weg naar het gebergte insloegen, begreep de
+pastoor, dat het in den grond nergens toe diende, dat zij nu reeds
+hunne verkleeding droegen, en besloot dus die vooreerst af te
+leggen en eerst weder aan te nemen, als zij in de nabijheid van de
+schouwplaats hunner daden en van Don Quichots dwaasheid zouden zijn
+aangekomen. Dit geschiedde, en in zeer vroolijke stemming vervolgden
+zij hierop hunnen tocht.
+
+Den volgenden dag kwamen zij aan de plaats, waar Sancho Panza de
+boomtakken in den grond had gestoken, om hem tot wegwijzers te
+dienen. Hier vonden zij een lustig gezelschap van personen, die,
+naar het scheen, eene reis door het gebergte hadden gedaan. Het
+bestond uit drie heeren en eene dame van buitengewoone schoonheid.
+
+Sancho Panza haastte zich vooruit, om voorloopig naar zijn heer om
+te zien; doch de pastoor liet zich in een gesprek met de reizigers
+in en vertelde op hunne vraag, hoe hij hierheen kwam, alles wat hij
+van Don Quichot wist, van zijne wonderbaarlijke dwaasheid en van zijn
+waanzinnig besluit, om in een rotsdal van het gebergte den razenden
+Roland of den smachtenden Amadis van Gallië te spelen.
+
+De jonge dame had dit verhaal onder veel lachen aangehoord, en daar
+zij van een zeer vroolijken en spotzieken aard was, wist zij hare
+begeleiders over te halen, den braven pastoor in zijn goed werk te
+ondersteunen en den dollen ridder van La Mancha eens eene heilzame
+poets te helpen spelen.
+
+"Ik wil de vervolgde jonkvrouw voorstellen," zeide zij, "en kan die rol
+recht natuurlijk spelen, daar ik toevallig eenige kleeren bij mij heb,
+die daarbij uitmuntend te pas kunnen komen. Ook weet ik zeer goed, hoe
+dergelijke dames in de riddergeschiedenissen doorgaans spreken en zich
+aanstellen, en dus twijfel ik niet, of de grap zal kostelijk gelukken."
+
+De pastoor en de overige heeren waren met dit plan dadelijk bijzonder
+ingenomen, en de vreemde dame, die blijkbaar van hoogen stand was en
+Dorothea heette, haalde dus uit haar reiskoffer een prachtig fluweelen
+kleed voor den dag, tooide zich met schitterende juweelen en schikte
+zich zoo deftig op, dat elk haar wel voor eene echte ridderdame uit
+den goeden ouden tijd moest houden. Allen stonden over haar prachtig
+uitzien verbaasd, en vooral Sancho Panza, die intusschen teruggekeerd
+was, kon niet ophouden haar te bewonderen, en verklaarde haar voor
+de schoonste dame, die hij nog ooit in zijn leven gezien had. Hij
+vroeg heimelijk den pastoor, of die niet wist, wie zij was.
+
+"Zeker weet ik dat, vriend Sancho," antwoordde de pastoor, om den
+schildknaap wat te foppen. "Deze schoone jonkvrouw is eene prinses
+en de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon. Zij is hierheen
+gekomen, om de hulp van uw meester in te roepen tegen een reus,
+die haar ten schandelijkste beleedigd heeft, en stelt het hoogste
+vertrouwen op zijn heldenmoed en zijne dapperheid."
+
+Sancho Panza nam deze gekheid voor echte munt op en zeide vergenoegd:
+"Waarlijk, dan heeft zij zich tot den rechten man gewend, want mijn
+heer weet met reuzen om te springen, alsof het ratten en muizen
+waren. Och toe, heer, zorg, dat hij die schoone prinses tot gemalin
+en zoodoende haar gansche koninkrijk krijgt. Stellig maakt hij mij
+dan tot zijn stadhouder, en mijn fortuin is voor altijd gemaakt. Maar
+hoe heet de schoone prinses eigenlijk?"
+
+"Zij heet prinses Micomicona naar haar koninkrijk Micomicon,"
+antwoordde de pastoor; "en ik wil mijn uiterste best doen, om uw
+meester tot een huwelijk met haar te bewegen. Maar zeg, in welken
+toestand hebt gij den edelen ridder eigenlijk gevonden?"
+
+"Och lieve hemeltje," zeide Sancho Panza, "ik vond hem half naakt, in
+'t bloote hemd, vervallen, geel, van honger blaffend en voortdurend
+naar zijne Dulcinea zuchtend. Ik droeg zorg, dat hij mij niet te zien
+kreeg, en ben maar dadelijk tot u teruggekeerd."
+
+Onderwijl werd Dorothea op des pastoors muilezel geholpen, bond
+de barbier zijn ossestaart weer voor en beval de pastoor Sancho,
+die beiden in Don Quichots nabijheid te brengen. Hij prentte hem
+goed in, op geenerlei wijze te verraden, dat hij den barbier kende,
+en wendde zich toen tot Dorothea, om de rol van het op te voeren
+kluchtspel nog eens met haar door te loopen. Hierop gingen de dame,
+de barbier en Sancho Panza op weg, terwijl de anderen, om het spel
+niet te bederven, vooreerst achterbleven.
+
+Zij konden misschien een kwartier afgelegd hebben, toen Dorothea een
+maar half gekleeden man in het oog kreeg en van Sancho hoorde, dat
+dit de dolle ridder in hoogsteigen persoon was. Terstond spoorde zij
+nu haar muildier aan en de ossebaardige barbier volgde haar op den
+voet. Zoodra zij dicht bij den ridder waren, sprong de voorgewende
+palfrenier van zijn ezel en hielp Dorothea van haar muildier. De dame
+viel dadelijk voor Don Quichot op de knieën neer; deze wilde haar
+oprichten, doch zij wilde niet opstaan, maar begon op hoogdravenden
+toon de volgende toespraak:
+
+"Dappere, edele en grootmoedige ridder! niet eer zal ik van mijne
+knieën opstaan, voordat gij mij uw ridderlijk woord hebt gegeven,
+de sterkte van uwen arm tot hulp eener ongelukkige aan te wenden,
+die op de faam uwer daden uit verre landen is toegesneld, om u te
+smeeken, aan haren nood en hare ellendigheid een einde te maken."
+
+"En ik," antwoordde Don Quichot op denzelfden toon, "zal u niet
+eer antwoord geven, alleraanminnigste en allerschoonste jonkvrouwe,
+voordat gij van dien vuilen grond zijt opgestaan."
+
+"Neen, edele heer," verklaarde de smeekelinge, "hier zal ik neerknielen
+in het stof, tot uwe goedertierenheid mij de genade heeft toegezegd,
+welke ik smeekend van u durfde vragen."
+
+"Welaan dan," sprak Don Quichot, "zoo zij uwe bede u toegestaan, mits
+zij namelijk niet strijdt tegen wat ik mijn vaderland, mijn koning
+en mijn hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso verschuldigd ben."
+
+"Tegen niets van dat alles strijdt zij," antwoordde de hulpzoekende
+jonkvrouw en richtte zich op.
+
+Inmiddels kwam Sancho Panza achter zijn meester staan en fluisterde
+hem in het oor: "Toe, toe maar, edele heer! Gij kunt aan de dame
+veilig alles beloven, want zij verlangt eenvoudig maar, dat gij een
+geweldigen en schrikbarenden reus voor haar kapot maakt. Zij is de
+verheven prinses Micomicona, de erfgename van het groote koninkrijk
+Micomicon in 't land van Aethiopië."
+
+"Zwijg!" beval de ridder op barschen toon. "Zij moge wezen, wie zij
+wil, ik zal doen, wat mijn plicht als dolend ridder voorschrijft."
+
+Hierop keerde hij zich weer tot de dame en sprak: "Spreek, doorluchtige
+jonkvrouwe! Wat is uwe begeerte?"
+
+"Ik bid en smeek, hooge ridder," zeide de dame, "dat uw grootmoedig
+persoon met mij komen en beloven moge, geen ander avontuur te beginnen,
+voordat gij mij wraak en genoegdoening tegen den snooden verrader
+hebt verschaft, die in strijd met alle menschelijke en goddelijke
+wetten mijn koninkrijk overweldigd heeft."
+
+"Het zij u toegestaan, edele dame," antwoordde de ridder met veel
+grootmoedigheid. "Verban derhalve de droefgeestigheid van uw aanminnig
+aangezicht en verheug u, want met Gods hulp zal ik uwe goede zaak recht
+verschaffen en u weder op den troon uwer vaderen plaatsen. Laat ons
+moedig en wakker tegen de schurken en roovers te werk gaan, want uit
+talmen en dralen komt niets dan gevaar en tegenspoed voort."
+
+De eerst beproefde, maar thans wonderbaarlijk vertrooste jonkvrouwe
+wilde met alle geweld den ridder de handen kussen, wat deze als
+hoffelijk en welgemanierd held evenwel volstrekt niet toestaan
+wou. Veeleer omhelsde hij haar met groote aandoening, waarna hij zijn
+schildknaap beval, Rocinante den gordelriem vaster aan te halen en
+hemzelf de wapenstukken aan te leggen. Dit geschiedde, en nu riep hij:
+"Welaan, in naam van Dulcinea, laat ons gaan, want de aanminnige dame
+moet geholpen worden."
+
+De barbier had, terwijl dit alles voorviel, nog altijd op de knieën
+gelegen en zichzelf alle geweld aangedaan, om 't niet hardop uit
+proesten en daardoor de heele grap op eens te bederven. Toen hij zag,
+dat de terugreis zou worden aangenomen, sprong hij op, hielp zijne
+gebiedster op het muildier en steeg vervolgens ook zelf op. Don
+Quichot stapte op Rocinante; doch Sancho, voor wien paard noch ezel
+meer overbleef, moest te voet het gezelschap volgen. Niettegenstaande
+dat bleef hij blij en welgemoed, want hij waande zijn meester thans op
+den besten weg, om door het huwelijk met de prinses keizer te worden;
+en dan kon 't niet uitblijven, of ook hij zou geborgen zijn en tot
+een groot stadhouderschap geraken. De eenige zorg, die hem kwelde,
+bestond in de omstandigheid, dat zijne toekomstige onderdanen Negers
+zijn zouden. Evenwel wist hij zich ook daarover te troosten, daar hij
+het plan opvatte, hen tot een handelsartikel te maken en er zoovelen
+van te verkoopen, als hij maar goedschiks slijten kon.
+
+Intusschen kwam het gezelschap weder op de vlakte aan den voet van het
+gebergte, waar de pastoor en de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea
+het opwachtten. Om zich zonder omstandigheden te kunnen aansluiten,
+kwam de pastoor met open armen op Don Quichot toe, viel hem te voet,
+omhelsde zijne knie en hield eene toespraak tot hem, die zoo rijkelijk
+met vuistdikke bloemen en pluimpjes voor den dolenden ridder doorspekt
+was, dat Don Quichot zelf hem en die bij hem waren uitnoodigde, met
+hem te gaan. Ja, hij wou zelfs afstijgen en den pastoor zijn eigen
+Rocinante ten gebruike overlaten.
+
+Dit aanbod werd nochtans door den pastoor niet aangenomen, en er
+volgde eene kleine vriendschappelijke schermutseling, totdat de dame
+tusschenbeide kwam en haar palfrenier, d. i. den barbier met den
+ossestaart, verzocht zijn plaats aan den geestelijken heer af te
+staan en achter dezen op het muildier te kruipen.
+
+De gehoorzame palfrenier was hier aanstonds toe bereid; hij steeg
+af en liet den pastoor zijne plaats in den zadel over. Toen hij nu
+echter achter hem opzitten wilde, begon het muildier te steigeren en
+achteruit te slaan, en toonde zich zoo koppig, dat meester Nicolaas
+op den grond tuimelde en onder den val zijn ossestaart verloor.
+
+Don Quichot was niet weinig verwonderd, toen hij op eens den
+roodbruinen baard van des barbiers gelaat verdwenen zag, doch stelde
+zich spoedig gerust, toen de pastoor hem toeschreeuwde, dat alleen dat
+verwenschte muildier den armen palfenier zoo deerlijk gehavend had. Hij
+zou echter wel zorgen, dat de baard ten spoedigste weer aangroeide.
+
+Alles, wat den schijn van het wonderbare had, was voor den goeden
+ridder het geloofwaardigste ter wereld. Hij gaf dus ook volstrekt geen
+bevreemding te kennen, toen hij zag, hoe de pastoor den baard opraapte,
+bij de borst van den barbier neerknielde, eenige wonderlijke grimassen
+maakte en een paar tooverwoorden mompelde, die den baard op eens zoo
+vast deden zitten, als die vroeger gezeten had. Men steeg opnieuw op
+en de door dit toeval vertraagde reis werd nu onverwijld voortgezet.
+
+Onderweg kraamde Don Quichot nochtans zoo veel onzin uit en overstelpte
+Sancho Panza, om zich zijn stadhouderschap te verzekeren, zijn
+meester met zoo veel dwaze en kant noch wal rakende loftuitingen en
+pluimstrijkerijen, dat de vreemde dame de klucht spoedig moe werd en
+van harte blij was, toen zij den volgenden dag de herberg bereikten,
+van waar de pastoor en de barbier waren opgebroken, om Don Quichot
+op te zoeken en door list naar huis terug te lokken.
+
+Wat nu echter in deze herberg gebeurde en welke heldendaad de Ridder
+van de Droevige Figuur aldaar verrichtte, daarvan zal in het volgende
+hoofdstuk uitvoerig verslag worden gegeven.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII.
+
+DON QUICHOT VELT EENIGE REUZEN EN WORDT NAAR HUIS GEBRACHT.
+
+
+In de herberg aangekomen, werd Don Quichot door den waard zeer beleefd
+verwelkomd en de ridder nam dit teeken van eerbied met zichtbaar
+welgevallen aan. Op zijne vraag, of hij een goed nachtverblijf kon
+bekomen, antwoordde de waard toestemmend en verklaarde, dat, mits hij
+goed betalen wilde, hij een zoo groot en kostelijk bed zou krijgen,
+dat een keizer of koning er in hun paleis geen beter hadden. Don
+Quichot beloofde te zullen betalen, en werd hierop door den waard in
+hetzelfde vertrek gebracht, waar hij voor eenigen tijd dat merkwaardig
+avontuur met den muildierdrijver, den gerechtsdienaar en Maritornes,
+de meid, bestaan had. Ten einde zijn doel te bereiken, dat hij geen
+oogenblik uit het oog verloor, volgde Sancho Panza hem daarheen;
+doch de overigen bleven in de algemeene gelagkamer, waar 's ridders
+ongehoorde dwaasheid hun stof tot lachen in overvloed gaf.
+
+Zoodra de Ridder van de Droevige Figuur zich met zijn schildknaap
+alleen bevond, nam hij dezen een examen af, dat Sancho Panza hoegenaamd
+niet beviel. Don Quichot vroeg namelijk naar zijne aangebedene Dulcinea
+van Toboso, en Sancho had het gesprek veel liever op de prinses van
+Micomicon gebracht, om in zijn heer den wensch op te wekken, om die
+schoone dame te huwen, en zichzelf op die wijze het vurig begeerde
+stadhouderschap te verzekeren. Desniettemin moest hij op Don Quichots
+vragen antwoorden geven; doch hij richtte die in, zooals zij best in
+zijn kraam te pas kwamen.
+
+"Nu, Sancho Panza," begon Don Quichot, nadat hij zich languit op zijne
+legerstede had uitgestrekt, "waar en hoe hebt gij de aanbiddelijke
+Dulcinea aangetroffen? Wat deed zij, wat zeide zij? Hoe dacht zij over
+mijn brief? Spreek, maar hoed u, met leugens voor den dag te komen,
+want die zouden u hals en hoofd kosten."
+
+"Ja, heer, om de waarheid te zeggen, heb ik den brief niet kunnen
+doen overschrijven en overbrengen," antwoordde Sancho Panza met de
+handen in het haar. "Ik heb uw zakboek verloren, edele ridder."
+
+"Sancho Panza, hieraan zie ik, dat gij mij geen leugens op de mouw wilt
+spelden," sprak Don Quichot uitermate tevreden. "Gij moet weten, dat ik
+zelf het zakboek vond, toen gij mij nog pas een uur hadt verlaten. Uwe
+waarheidsliefde draagt mijne volle goedkeuring weg en ik verzoek u,
+het verhaal van uwe verdere lotgevallen te beginnen. Spreek op en zeg,
+waarmede mijne gebiedster zich bij uwe aankomst bezighield? Reeg zij
+niet parels aan gouden draden of zat zij eenig zinnebeeld voor haren
+in staat van razernij verkeerenden ridder te stikken?"
+
+"Neen, dat deed zij niet," bromde Sancho Panza verdrietig. "Zij was
+bezig voor haar vader twee schepels tarwe te ziften."
+
+"Wat?" vroeg Don Quichot. "Tarwe? Dan zaagt gij zeker ook, dat
+de korrels onder hare fijne handen in diamanten en edelgesteenten
+veranderden?"
+
+"Daar heb ik niemendal van gemerkt. Ze bleven heel gewone, grove,
+gele tarwe."
+
+"Nu, dan wordt zekerlijk het fijnste brood daaruit gebakken,"
+verklaarde de ridder. "Maar ga voort! Hoe nam zij de boodschap van
+mij op? Geraakte zij niet buiten haarzelve van verrukking, toen zij
+u mijnen naam hoorde noemen?"
+
+"Neen, volstrekt niet," antwoordde Sancho. "Zij stond midden in het
+dichtste stof en stak wat den gek met mijne tijding van u. Ik zei,
+dat gij half naakt in den wildernis rondliept, op den blooten grond
+sliept, geen kam, water of handdoek gebruiktet en uw tijd doorbracht
+met uw lot te beweenen en te verwenschen. Toen antwoordde zij mij,
+dat gij een gek en een vuile, morsige kerel waart, en wou niets meer
+van u hooren. Dus, lieve heer, laat die domme boerendeerne loopen en
+houd u aan de schoone prinses Micomicona. Deze moet gij trouwen, want
+gij trouwt met haar een heel groot koninkrijk en kunt dan uwen trouwen
+schildknaap beloonen, die u altijd braaf en eerlijk gediend heeft."
+
+"Zwijg!" beval Don Quichot met somberen ernst. "Ik mag uw wensch niet
+vervullen en nimmer aan trouwen denken, zoolang Dulcinea van Toboso
+nog mijne hooge en verhevene gebiedster is."
+
+Deze woorden van den ridder deden zijn schildknaap in hevigen toorn
+ontvlammen. "Bij hoog en bij laag zweer ik, dat gij de grootste
+gek zijt, die op twee beenen loopt, als gij de prinses Micomicona
+niet trouwt!" schreeuwde hij. "Denkt gij, dat u elken dag eene zoo
+goede gelegenheid wordt aangeboden, als u hier onder den neus wordt
+geduwd? Meent gij, dat uwe smerige Dulcinea maar half zoo mooi is
+als de prinses? Niet het honderdste part zoo mooi is ze en ze is niet
+waard de wezenlijke en waarachtige prinses de voeten te kussen. Trouw
+haar in 's hemels naam, zeg ik, en neem het koninkrijk, dat u maar
+zoo vanzelf in den mond komt vliegen! Als gij eerst koning zijt en
+mij tot stadhouder hebt gemaakt, doe dan, wat ge niet laten kunt,
+en mijnenthalve mag je de drommel halen, als ik eerst geborgen ben
+en mijne schaapjes geschoren heb."
+
+Toen Don Quichot zijn schildknaap zulk eene taal hoorde voeren,
+geraakte hij van verbaasdheid zoo geheel buiten zichzelf, dat hij geen
+woord over de lippen kon brengen. Hij richtte zich langzaam in zijn bed
+op, greep naar zijne lans en liet die met zooveel geweld op Sancho's
+breede schouderbladen neervallen, dat deze tuimelde, waar hij stond.
+
+"Neem dat, gemeene boerenziel!" riep hij alstoen, "en hoed u in het
+vervolg, één smalend woord tegen mijne meesteresse Dulcinea uit te
+brengen. Gij moet niet denken, dat gij haar ooit ongestraft beschimpen
+moogt, hondsvot, deugniet, schavuit, domme rekel, die ge zijt! Zwijg,
+zeg ik je, of reken er op, dat ik je je beetje hersens uit den dikken
+schedel zal stampen."
+
+Na aan zijne gramschap in deze niet zeer kiesche en malsche
+bewoordingen lucht te hebben gegeven, liet de Ridder van de Droevige
+Figuur zijn hoofd op het kussen neervallen, strekte de lange beenen
+uit en sliep in. Sancho echter, wien de rug nog gloeide, stond op,
+dook in een hoek neer en hield zich doodstil.
+
+Intusschen hadden de pastoor, de barbier en het overige gezelschap er
+in de herberg hun gemak van genomen en bij den waard een duchtig maal
+besteld. Terwijl zij daarop wachtten, brachten zij het gesprek opnieuw
+op Don Quichot en overlegden, wat zij verder aanvangen moesten, om
+hem veilig naar huis terug te brengen. De dame had hare bekomst van
+de grap en wilde met hare begeleiders de reis voortzetten, zonder
+zich verder om den dollen ridder te bekommeren. De pastoor stelde
+dus voor, dezen wijs te maken, dat de prinses met haar geleide was
+vooruitgereisd en den ridder in zijn eigen huis opwachten wilde.
+
+"Als wij hem eens daar hebben," voegde hij er bij, "zullen wij wel
+zorgen, dat hij ons zoo spoedig niet weer ontsnapt."
+
+Nog praatten zij hierover, toen plotseling Sancho Panza geducht
+ontsteld uit de kamer van zijn heer kwam aanloopen en met luider
+stemme riep: "Komt, heeren, komt toch den ridder Don Quichot te hulp,
+want daar zoo pas is hij in het vreeselijkste gevecht gewikkeld,
+dat nog ooit op de aarde geleverd is. Haast u, haast u! want, zoo
+waar als ik hier sta, heeft hij den reus, den snooden vijand van de
+prinses Micomicona, een slag toegebracht, die hem den kop dadelijk
+glad van den romp heeft weggesabeld."
+
+"Wat domme dingen praat gij daar weer, Sancho?" vroeg de pastoor. "Zijt
+ge dan nog gekker dan uw gekke heer geworden? Hoe kan Don Quichot
+dien reus geveld hebben, daar hij voor 't minst twee duizend mijlen
+ver van hier woont!"
+
+Sancho antwoordde niet, maar wel vernamen thans allen uit des ridders
+kamer een geweldig gerucht en hoorden diens luid schreeuwen en roepen.
+
+"Halt, roover," brulde hij, "halt, schandelijke booswicht! Ik heb u
+nu in mijne macht en die groote sabel zal door de kracht mijner vuist
+in splinters worden geslagen."
+
+En terwijl hij zoo tierde, deelde hij rechts en links geweldige
+houwen uit en stampte en beukte tegen den wand, dat het halve huis
+er van trilde.
+
+"Waarom staat gij en wacht, in plaats van toe te snellen en mijn
+meester bijstand te verleenen?" riep Sancho Panza. "Gaat in de kamer,
+scheidt de strijdenden of redt en helpt althans den dappersten van
+alle dolende ridders! Maar toch zal dat, hoop ik, niet eens noodig
+zijn, want zeker ligt de reus al verslagen aan zijne voeten en braakt
+zijne zwarte ziel uit, om daarboven rekenschap te geven van het snoode
+leven, dat hij hier geleid heeft. Immers heb ik zelf zijn bloed over
+den vloer zien stroomen en het afgehouwen hoofd, dat wel de dikte
+van een wijnzak had, in een hoek zien liggen."
+
+"De drommel hale me, als ik het niet al begrijp!" riep nu op eens
+de waard. "Dan heeft me die malle ridder zeker een van de zakken vol
+rooden wijn, die vlak boven zijn hoofd hangen, een stoot toegebracht,
+en de uitgeloopen wijn is het bloed, dat hier dit domme uilskuiken
+gezien heeft."
+
+Met deze woorden draafde hij naar de kamer van den ridder en alle
+overigen volgden hem.
+
+Zij troffen Don Quichot in den potsierlijksten toestand van de wereld
+aan. Hij stond daar in zijn hemd, dat hem pas tot aan de knieën
+reikte, en had eene niet al te zindelijke nachtmuts op het hoofd;
+hij had zich zijn beddelaken om den linkerarm gewikkeld, om zich
+daarvan als schild te bedienen, en in de rechterhand hield hij zijn
+verroesten degen, waarmee hij als een dolleman naar rechts en links
+steken en houwen uitdeelde. Daarbij schreeuwde hij als bezeten en
+stelde zich aan, alsof hij werkelijk met een reus aan het vechten
+was. Het wonderlijkste van het geval was echter, dat zijne oogen
+vast gesloten schenen, en dat hij werkelijk nog in slapenden toestand
+verkeerde. Vermoedelijk had een bedrieglijke droom hem voorgespiegeld,
+dat hij zich reeds in het koninkrijk Micomicon bevond en met den reus,
+die het land tegen alle recht overmeesterd had, den strijd op leven
+en dood had begonnen. In deze inbeelding had hij aan de zakken, die
+met rooden wijn gevuld waren, zooveel moorddadige steken toegebracht,
+dat de kamer onderliep van den wijn, die nog altijd uit de door zijn
+degen geboorde gaten stroomde.
+
+Bij dit gezicht werd de herbergier zoo woedend, dat hij, zonder een
+woord te spreken, op Don Quichot aanviel en met beide vuisten grimmig
+op zijn rug begon te trommelen. Hij zou hem hebben doodgeslagen, was
+niet de pastoor tusschenbeide gekomen en had beloofd, den verloren
+geganen wijn tot den laatsten duit toe te betalen.
+
+Niettegenstaande de duchtige stompen, die de waard hem met
+zijne stevige vuisten had toegediend, werd de slaapwandelaar niet
+wakker, maar raasde voort, totdat de barbier een grooten emmer vol
+ijskoud water uit den put haalde en hem dat over het gansche lichaam
+uitgoot. Toen eerst deed hij de oogen open, maar was nog te verward en
+te verbijsterd, om te begrijpen, wat er gebeurd was en wat deerlijke
+verwoesting hij had aangericht.
+
+Onderwijl zocht Sancho naar het hoofd van den gevelden reus, doch kon
+dat nergens vinden en riep op krijterigen toon: "Ik wist al lang,
+dat in dit huis alles behekst en betooverd is, want hier op deze
+zelfde plaats kreeg ik oorvijgen en stompen, zonder dat ik wist waar
+ze vandaan kwamen, en nu zoek ik vruchteloos naar den kop, dien ik
+met eigen oogen den reus van den romp zag vallen. Het bloed stroomde
+na en spoot uit het lichaam op, als het water uit eene fontein."
+
+"Gij stomme rekel!" bulderde de waard, "wat leutert ge daar van bloed
+en fonteinen! Ziet ge dan niet, ezel, dat al dat bloed niets anders
+is dan de roode wijn uit de zakken, die je dolle heer me voor altijd
+totaal bedorven heeft?"
+
+"Wat zou ik weten?" snauwde Sancho daartegen in. "Ik weet alleen,
+dat ik een ongelukkige sukkel ben, als ik den kop van den reus niet
+vind; want mijn graafschap en stadhouderschap zijn dan voor altijd
+naar de maan!"
+
+De waard hoorde verbaasd op bij deze woorden van Sancho, wien de
+beloften van zijn heer insgelijks het hoofd geheel op hol gebracht
+hadden. Evenwel zwoer hij bij kris en bij kras, dat noch de ridder
+noch zijn knecht ditmaal wegkomen zouden gelijk de vorige maal,
+d.i. zonder gelag en schade ten volle te betalen.
+
+Don Quichot was inmiddels weer wat tot zichzelf gekomen en meende,
+zijn avontuur triomfantelijk ten einde te hebben gebracht. Hij viel
+voor de vermeende prinses Micomicona op de knieën en sprak haar aan,
+als volgt:
+
+"Koninklijke hoogheid, doorluchtigste, edelmoedigste en schoonste
+prinses! Van dezen gezegenden dag af kunt gij in rust en veiligheid
+leven, want de verfoeielijke toovenaar, de reus, ligt hier verslagen
+door mijne dappere hand. Ik echter heb mij ten volle van mijn
+ridderplicht gekweten, daar ik met behulp van mijne meesteresse
+Dulcinea van Toboso mijne beloften gehouden heb."
+
+"Hoort gij 't nu wel?" riep Sancho vroolijk. "Heb ik 't niet gezegd? Ik
+sprak toch niet in dronkenschap. Nu ziet gij, mijn heer heeft den
+reus doodgemaakt en mijn stadhouderschap kan mij nu niet meer ontgaan."
+
+Allen lachten hartelijk bij deze nieuwe dwaasheden van den ridder
+en zijn knaap. Alleen de herbergier vloekte en schimpte nog altijd
+voort en wenschte de twee gekken naar het land, waar de peper groeit.
+
+Om echter aan deze klucht een goed einde te maken, brachten de
+pastoor en de barbier den ridder weer te bed, dekten hem warmpjes
+toe en merkten tot hunne blijdschap, dat hij van uitputting dadelijk
+insliep. Zij lieten hem rusten, traden voor de deur van de herberg,
+namen Sancho Panza mee en troostten hem, dat hij het hoofd van den reus
+niet had kunnen vinden. De schildknaap was spoedig tevredengesteld;
+doch meer moeite had men met den verbolgen waard, die nog altijd
+over het verlies van zijn wijn en zijne kostelijke nieuwe zakken
+lamenteerde. Hij zette eerst weer een lachend gezicht, toen de
+begeleiders van jonkvrouwe Dorothea hem tot schadeloos stelling
+eenige goudstukken, die zijne schade dubbel en dwars goedmaakten,
+in de hand drukten.
+
+Nu werd het eten opgedragen en allen schikten vroolijk aan den
+maaltijd. Toen die was afgeloopen, nam jonkvrouwe Dorothea met hare
+begeleiders van den pastoor en den barbier vriendelijk afscheid,
+droeg den verbaasden Sancho op, zijn meester wel duizendmaal van haar
+te groeten, en zette toen hare door het avontuur met den dolenden
+ridder afgebroken reis met haar gezelschap voort. Eerst toen zij in de
+verte verdwenen was, verklapte men aan Sancho, hoe 't met de zaak was
+gelegen geweest; en deze maakte zich niet weinig boos over de comedie,
+welke men met hem en zijn dapperen meester gespeeld had. Men wist hem
+echter door vriendelijke toespraak al spoedig tot bedaren te brengen,
+en eindelijk beloofde hij zelfs zijne medewerking tot het beraamde
+plan, om den ridder Don Quichot goed- of kwaadschiks weer naar zijne
+woonplaats terug te brengen.
+
+De nacht ging verder rustig voorbij. Den volgenden morgen echter
+kwam Don Quichot, die nu uitgeslapen en weer tamelijk goed bij zijne
+zinnen was, uit zijne slaapkamer te voorschijn en vernam naar de
+prinses Micomicona en de heeren van haar gevolg. De pastoor maakte hem
+volgens afspraak wijs, dat die was vooruitgereden, om de woonplaats
+van een zoo beroemden ridder als Don Quichot te leeren kennen, en
+dat zij aldaar zijne aankomst rustig afwachten wilde. De goede man
+stelde zich met deze verklaring dan ook dadelijk tevreden en drong nu
+zelf op vertrekken aan, daar zijn harte brandende was van verlangen,
+om zijne edele beschermelinge ten spoedigste weer te ontmoeten.
+
+Vóór de afreis daagde nu ook de barbier op, die tot hiertoe de
+betrekking van palfrenier bij de prinses Micomicona had vervuld,
+en begroette Don Quichot, alsof hij hem in tijden niet gezien en
+gesproken had. Don Quichot verwelkomde hem op dezelfde wijze en
+noodigde hem uit, zich aan zijn gezelschap aan te sluiten. Hierop
+besteeg hij Rocinante; de overigen, ook Sancho Panza die een muildier
+van Dorothea ten geschenke had gekregen, volgden op hunne ezels,
+en de reis naar de woonplaats des dolenden ridders werd ondernomen.
+
+De eerste dag leverde niets opmerkelijks op. Don Quichot hield zich
+tamelijk rustig, Sancho Panza keuvelde met den barbier, en de pastoor
+vleide zich meer en meer met de hoop, dat men des ridders huis wel
+zonder tegenspoed bereiken en hem daar zijne dolle ideën eindelijk
+uit het hoofd drijven zou.
+
+Voordat zij hunne bestemming bereikten, moesten zij echter nog een
+avontuur bestaan, dat den Ridder van de Droevige Figuur bijna 't
+leven kostte.
+
+Op den tweeden dag hunner reis vernam deze de tonen eener trompet,
+keek op en zag van eenen heuvel eene schaar geheel in 't wit gedoste
+lieden afkomen. Dit waren geeselaars, die, daar de hemel dit jaar
+allen regen had geweigerd, onder gebed en boetedoening eene bedevaart
+naar eene kluizenaarshut ondernamen, om daar van God af te smeeken,
+dat Hij zijne milde hand mocht openen en een verkwikkenden regen op de
+verdorde velden doen neerruischen. Bij 't zien van hunne zonderlinge
+en ongewone kleeding beeldde Don Quichot zich nu echter naar gewoonte
+in, dat hem weder een avontuur wachtte, en dat hij als dolend ridder
+verplicht was, dat met koenheid en moed te bestaan. In dezen waan werd
+hij door een beeld in rouwkleederen nog meer versterkt. Hij hield dat
+namelijk voor de eene of andere edele en voorname vrouw, die door deze
+schaamtelooze en schandelijke roovers met geweld voortgesleept werd.
+
+Zoodra hij dit alles in zijne dolle verbeelding zoo had vastgesteld,
+greep hij zijne teugels vaster, hield zijn schild voor, trok met
+geweldigen zwaai zijn blinkend zwaard uit de scheede en riep met
+dreunende stem:
+
+"Geeft acht, gij mannen; thans zult gij met eigen oogen aanschouwen,
+dat er helden in de wereld zijn, die zich uit vrije verkiezing voor
+het algemeen welzijn opofferen en tot de beroemde orde der dolende
+ridders behooren."
+
+Na dit geroepen te hebben, stiet hij Rocinante, daar hij geen sporen
+had, met de kuiten en hakken in de ribben en stormde in een zwakken
+galop, die echter de snelste was, dien de knol aannemen kon, op de
+geeselaars in. Tevergeefs schreeuwden de pastoor en de barbier zich
+heesch, om hem van zijn roekeloos opzet af te brengen. Don Quichot
+was daar doof voor. Ook Sancho Panza verhief zijne stem, om den ridder
+tot staan te brengen, doch met hetzelfde gevolg.
+
+"Heer, bedroefde ridder," schreeuwde hij hem na, "waar wilt gij
+dan eigenlijk naar toe? Welke booze duivel is in u gevaren, dat gij
+zelfs tegen ons eigen heilig geloof wilt vechten? Ziet gij dan niet,
+dat die optocht eene schaar boetelingen en dat de vrouw, die zij op
+dat voetstuk dragen, enkel het beeld der heilige Moedermaagd is? God
+helpe ons en sta ons bij! Bedenk wel, heer ridder, wat gij doet,
+en stel u niet moedwillig aan schimp, schande en schade bloot!"
+
+Zoo brulde Sancho; doch 't was, zooals gezegd is, voor doovemansooren
+gepraat. Don Quichot van La Mancha stoof, om de in diepen rouw gekleede
+vrouw te bevrijden, met zulk een dolle vaart op de boetelingen in,
+dat hij nergens naar luisterde. En ook als hij elk woord verstaan
+had, zou hij daarom toch niet omgekeerd zijn. Eens door zijne
+razernij aangetast, liet hij zich door geen woord en geen koning
+meer tegenhouden.
+
+Op korten afstand gekomen, hield hij zijn hijgend en kuchend strijdros
+in en riep met dreigende stem: "Gij daar in witte kleederen, die uwe
+aangezichten zeker alleen bedekt houdt, omdat gij booze dingen in
+het schild voert, houdt stil en verneemt mijne rede!"
+
+De voorsten in de rij droegen het beeld en waren dus natuurlijk
+ook de eersten, die 's ridders toeroep vernamen en vol verbazing
+bleven staan. Het waren vier geestelijken, en bij 't zien van de
+wonderbaarlijke uitrusting, het magere paard en heel het potsierlijk
+voorkomen van onzen held nam een hunner het woord en riep terug:
+
+"Hoor, mijn beste heer, zoo gij ons iets van belang hebt mede te
+deelen, doe dat wat kort en bondig en houd ons, als 't wezen kan,
+niet op. De vrome lieden hier achter ons doen boete en kastijden hun
+lichaam, tot wij daar bij de hermitage zullen zijn aangekomen. Wij
+mogen hun lijden niet onnoodig verlengen, en als gij dus wat lang
+van stijl zijt, zwijg dan liever en maak u wat spoedig uit de voeten."
+
+"Nu, wat ik wil is in korte woorden te zeggen en af te doen,"
+antwoordde Don Quichot. "Ik verlang van u, dat gij zonder verwijl
+die arme en in tranen wegsmeltende dame in vrijheid stelt, naardien
+gij haar zonder twijfel tegen haar wil medesleept en haar hemeltergend
+geweld hebt aangedaan. Ik, die in de wereld ben gezonden, om het kromme
+recht te buigen en de onderdrukten te helpen, zal niet dulden, dat men
+de arme bedrukte jonkvrouwe nog verder onrecht doet. Voordat gij een
+stap verder moogt gaan, moet gij haar de volle vrijheid teruggeven,
+die zij gewisselijk verdient."
+
+Uit deze onzinnige taal merkten allen, die 't hooren en verstaan
+konden, dat er bij den ridder van de droevige figuur een vrij
+erge streep door moest loopen, en het gevolg was, dat allen in een
+schaterend lachen uitbarstten. Dit lachen was echter olie in het vuur
+gegoten. Don Quichots toorn ontvlamde; zonder een woord te spreken,
+schuimbekkend van woede, zwaaide hij zijn zwaard en stoof tot den
+aanval vooruit. Zoodra de dragers van het heilige beeld dit zagen,
+liet de sterkste zijn last aan een ander over, trad den dolleman in
+den weg en weerde diens eersten houw af met eene soort van vork,
+waarmee hij bij het uitrusten het beeld der Heilige Maagd placht
+te stutten. Die vork of gaffel werd wel door 's ridders geweldige
+zwaardslagen in tweeën gehakt, doch de drager verloor daarom den
+moed niet, maar bracht met het stuk, dat hij nog in de hand hield,
+onzen armen held een zoo geduchten veeg over de schouders toe,
+dat deze waggelde, tuimelde en half kopjebuitelend op den harden,
+zandigen grond neerplofte.
+
+Op dit oogenblik schreeuwde Sancho Panza, die hijgend aan kwam loopen,
+den overwinnaar toe, den gevallene te ontzien en hem verder geen
+kwaad meer te doen. Don Quichot was een arme behekste en verbijsterde
+ridder, die niet wist, wat hij deed, en derhalve het medelijden van
+alle verstandige menschen verdiende.
+
+De boer hief zijn knuppel dan ook niet weer op; doch 't was niet
+Sancho's kermen, dat hem tot deze verschooning bewoog, maar alleen
+de opmerking, dat Don Quichot als een blok op den grond lag en
+geen vin meer verroerde. Deze omstandigheid deed den boer denken,
+dat hij den armen ridder had doodgeslagen, en daarom pakte hij zijn
+lang sleepkleed op, trok het tot den gordel in de hoogte, wierp zijn
+knuppel weg en zette het met de snelheid van een hert op een loopen.
+
+Inmiddels waren ook de pastoor en de barbier nader gekomen en hadden de
+geeselaars zich om den gevallene opeengedrongen, ten gevolge waarvan
+een kluchtig tooneel van verwarring en misverstand ontstond. De
+bedevaartgangers meenden, dat zij zouden worden aangevallen, trokken
+hunne kappen over het hoofd, zwaaiden hunne geeselroeden en wachtten
+het begin van den kamp af met het vaste voornemen, om iederen vijand
+ongenadig van de taart te geven. Toen zij nu echter zagen, dat Sancho
+Panza, zonder zich aan iets anders te storen, bij het lichaam van zijn
+meester neerknielde en, in de stellige verbeelding, dat die werkelijk
+morsdood was, de akeligste jammer- en klaagtonen uitstiet, toen ook de
+pastoor door een der priesters, die de bedevaart aanvoerden, herkend
+werd, toen maakten op eens haat en vijandschap voor vrede en verzoening
+plaats en werd van geen van beide kanten aan vechten meer gedacht.
+
+Onze pastoor deelde den priester in korte woorden mede, hoe het
+eigenlijk met den armen ridder gesteld was, en ging daarop met nog
+eenige anderen bij den gevallene, om te zien, of die werkelijk den
+adem had uitgeblazen of alleen maar buiten kennis lag. Op de kampplaats
+aangekomen, hoorde hij den trouwen schildknaap luid krijten en huilen
+en aan zijne droefheid lucht geven in de volgende bewoordingen:
+
+"O gij, bloem van alle ridderschap, roem en glorie dezer eeuw,
+eer en sieraad van uw gansche geslacht, waarom moest gij door
+zoo een ellendigen knuppelslag uw doorluchtig leven eindigen? Nu,
+daar gij gestorven zijt, zullen alle zondaars en boosdoeners weer
+stoutmoedig de hoofden opsteken, zonder te vreezen, dat zij voor hunne
+goddeloosheden gestraft worden. Hoe beklaag en betreur ik uwen dood,
+o grootmoedigste en milddadigste van alle dolende helden, die mij voor
+de korte dienstbaarheid van weinig maanden 't schoonste eiland zoudt
+hebben gegeven, dat gij maar op de wereld veroveren kondt. Rust zacht,
+deemoedige onder de hoovaardigen, wreker der beleedigden, helper
+der bedrukten, tuchtroede der boozen en godslasteraars, schrik der
+schelmen en gauwdieven en vervolger der wreedaardigen! Rust zacht,
+zeg ik, want gij verdient dat, als de beste dolende ridder, dien ooit
+de wereld gezien en bewonderd heeft."
+
+Dat laatste woord had Sancho Panza echter pas over de lippen, of Don
+Quichot sloeg na het uitstooten van een diepen zucht zijne oogen op
+en keek uiterst verbijsterd rond.
+
+"Waar ben ik?" vroeg hij. "Ha, ik herinner mij: een vreeselijke reus en
+toovenaar heeft mij met zijn ijzeren knods ter aarde geveld. Bezorg
+mij een voertuig, waarde vriend Sancho Panza, want ik ben niet
+meer in staat mijn strijdhengst Rocinante te beklimmen. Mijne
+schouderbladen zijn stukgebeukt, en wij moeten ons haasten onze
+woonplaats te bereiken, als ik er het leven afbrengen zal. Ach, wat
+zal van de edele prinses Micomicona van Micomicon worden, nu mijn
+heldenarm haar niet langer beschermen kan!"
+
+"Maak u daar niet ongerust over," antwoordde de pastoor, die dit
+oogenblik gunstig oordeelde, om Don Quichot het vertrek van de
+jonkvrouw mede te deelen. "Zoo pas heb ik daar eene boodschap van de
+prinses ontvangen, dat zij uwe bescherming niet meer noodig heeft. De
+reus is door hare onderdanen doodgeslagen, en haar terugkeer in haar
+koningrijk staat dus niets meer in den weg. Reeds is zij daarheen
+op reis gegaan en zij laat u door mij duizendmaal groeten en haren
+innigsten dank betuigen."
+
+"Dat verheugt mij hartelijk," antwoordde de ridder. "Ik wensch der
+edele dame zegen en voorspoed op haar weg toe en verblijd mij, dat
+zij ook zonder mijne hulp tot hare rechten is gekomen. Maar waar is
+de karos? Sancho Panza, zorg gij, dat ik een rijtuig krijg."
+
+"Terstond, terstond, edele heer!" riep Sancho en liep heen, om ergens
+in de nabijheid een voertuig op te loopen. Hij vond gelukkig eene
+oude, deerlijk gehavende herderskar op het veld staan, kwam daarmee
+aankruien en laadde met behulp van den pastoor en den barbier den
+gekwetste er op. Rocinante werd er als trekpaard voorgespannen en zoo
+de reis voortgezet. De bedevaartgangers stelden zich weder in beweging,
+en Don Quichot werd langzaam naar huis gekruid.
+
+Tegen den middag kwamen zij in Don Quichot's geboortedorp aan. Het
+was juist op een Zondag en bijna al de bewoners der plaats hadden
+zich op het marktplein verzameld, dat de kar van den ridder dwars
+moest oversteken. Oud en jong stroomden nieuwsgierig toe, om met de
+lading van het vreemde voertuig kennis te maken, en waren niet weinig
+verbaasd, toen zij hunnen edelen landsman herkenden. Een jongen liep
+op een drafje naar 's ridders huis vooruit, om aan de huishoudster en
+de nicht bericht te brengen, dat haar meester en oom bont en blauw
+geslagen, bleek, vermagerd, op een bos hooi op eene ellendige kar
+liggend, in aantocht was.
+
+De beide vrouwen waren door dit bericht zoo ontsteld, dat het met
+geen woorden te beschrijven is. Zij maakten een gruwelijk misbaar,
+rukten zich haren en krullen uit het hoofd en verwenschten opnieuw
+de onzalige ridderboeken, die al deze ellende hadden veroorzaakt.
+
+Nog raasden zij op deze wijze tegen hare eigen hoofden en tegen
+die verwenschte romans, toen de hofpoort knarsend op hare verroeste
+hengsels draaide en de kruiwagen met den gewonden ridder voor de deur
+stilhield. Terstond schoten de beide vrouwen toe, namen den armen held
+op, droegen hem met behulp van den pastoor en den barbier in huis,
+ontkleedden hem en brachten hem eindelijk in zijn ouderwetsch ledikant
+ter ruste. Don Quichot zei geen woord, maar liet zich alles bedaard
+welgevallen. De pastoor drukte echter het nichtje op het hart, haar
+oom toch met de meeste zorg te verplegen en in 's hemels naam toe
+te zien, dat hij nog niet eens ontsnapte en als dolend ridder het
+land op stelten zette. Hierop vertelde hij, wat moeite het gekost
+had, den gekken held weer naar huis te krijgen, en zocht de arme
+vrouwen te troosten, die alweer hardop begonnen te huilen en haar
+hart vasthielden, dat haar meester en oom die dolle kuren opnieuw
+zoude beginnen.
+
+Of dit al of niet gebeurde, zullen wij spoedig genoeg vernemen.
+
+Terwijl nu daar binnen in huis over den ridder geklaagd, getreurd en
+gelamenteerd werd, kreeg zijn arme schildknaap het daarbuiten op den
+hof bitter zwaar te verantwoorden. Op het bericht van Don Quichots
+terugkeer kwam namelijk Sancho Panza's vrouw toe en vond haren
+echtvriend op het punt van zijn ezel te bestijgen, om naar zijne hut
+en zijne dierbare gade terug te keeren. De schimp- en scheldwoorden,
+waarmede de vergramde vrouw hem overstelpte, omdat hij zoo heimelijk
+den huiselijken haard had verlaten, willen wij hier liever niet
+herhalen. Wij zeggen alleen, dat den armen knaap terdeeg de ooren
+werden gewasschen, en dat hij zeer mak en gedwee onder geleide van
+zijne kijvende wederhelft thuis aankwam.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV.
+
+HOE DON QUICHOT TOT EEN NIEUWEN TOCHT WORDT BEWOGEN.
+
+
+Verscheiden weken achtereen lag de ridder aan de gevolgen van de
+bekomen wonden en kwetsuren vrij ernstig ziek. In plaats van hem
+gedurende zijne krankheid te bezoeken, hielden de pastoor en de
+barbier zich opzettelijk op een afstand, om de voorvallen van den
+laatsten tijd maar niet weer in zijn ontsteld brein op te frisschen,
+doch verzuimden niet, van tijd tot tijd de huishoudster en het nichtje
+te komen zien, om haar in de behandeling van den ridder naar hun
+beste weten te onderrichten.
+
+"Geeft hem goeden, stevigen kost en praat hem niet van de dolle
+streken, die hij uitgevoerd heeft," zeide de pastoor. "Misschien
+vergeet hij dan zijne waanzinnige hersenschimmen en wordt mettertijd
+weer een zoo wat half verstandig man."
+
+De vrouwen volgden deze aanwijzing met alle stiptheid en Don Quichot
+kwam eindelijk zoo ver, dat hij bezoekers toelaten en zijne oude
+vrienden, den pastoor en den barbier, ontvangen kon. Bij hunne komst
+vonden zij hem overeind in zijn bed zitten. Hij had een buis van groen
+laken aan, droeg eene groene Toledomuts op het hoofd en zag er zoo
+mager en uitgedroogd uit, dat hij wel haast eene mummie geleek. Voor
+'t overige ontving hij zijne gasten met veel vriendelijkheid, sprak
+zeer bedaard en verstandig en bediende zich van zulke uitgezochte en
+gepaste uitdrukkingen, dat de goede pastoor reeds hoop begon te voeden,
+dat hij zich die dwaze dolende ridderschap nu toch voorgoed uit het
+hoofd had gezet. Om daarvan de zekerheid te verkrijgen, besloot hij
+eene afdoende proef te nemen, en bracht zoo in den loop van het gesprek
+te pas, dat de Turken met eene geweldige legermacht in aantocht waren
+en het eiland Sicilië, dat destijds nog tot het koningrijk Spanje
+behoorde, met een inval bedreigden. De koning had dat eiland evenwel
+reeds doen versterken en er een sterke krijgsmacht heengezonden.
+
+Bij dit verhaal schudde Don Quichot bedenkelijk het hoofd.
+
+"De koning," zeide hij na eene poos, "heeft zeker bij deze gelegenheid
+als een wijs en zeer voorzichtig veldheer gehandeld en zijne staten
+gedekt, zoodat de vijand die niet onvoorbereid en weerloos zal
+vinden; maar als hij mijn raad wou volgen, zou hij toch met veel
+geringer aanwending van geld en krachten veel grooter uitkomsten
+kunnen verkrijgen."
+
+Bij het vernemen van deze woorden kreeg het vertrouwen van den
+pastoor op Don Quichots herstelling weer een bedenkelijken stoot en
+bij zichzelf dacht hij: "Mijn goede beste Don Quichot! daar tuimelt
+gij weer hals over kop in den afgrond van uwe dolle inbeeldingen neer!"
+
+De barbier had nagenoeg dezelfde gedachten; maar om niet te voorbarig
+te oordeelen, vroeg hij Don Quichot, waar zijne voortreffelijke
+maatregelen dan wel eigenlijk in bestonden? Misschien behoorden
+zij wel tot die, welke men in het dagelijksch leven dolzinnige en
+ongerijmde noemt.
+
+"Mijn denkbeeld, meester baardschrabber, is zeer gerijmd," antwoordde
+Don Quichot op barschen toon, "en stellig lang niet zoo dolzinnig
+als gij zelf."
+
+"Kom, kom, heer ridder, ik meende 't zoo boos niet, als gij het
+daar opvat," zei de barbier. "Ik wou alleen maar zeggen, dat veel
+voorslagen, die den koning reeds gedaan zijn, onuitvoerbaar en
+onmogelijk zijn bevonden en, wou men er gevolg aan geven, het rijk
+enkel schade en verlies zouden toebrengen."
+
+"Dat is echter met mijn voorslag niet het geval," verzekerde Don
+Quichot. "'t Is het lichtste, gemakkelijkste, doelmatigste en
+vernuftigste middel, dat ooit in de hersens van een verstandig man
+is opgekomen."
+
+"En wilt gij het ons ook mededeelen, heer?" vroeg de pastoor.
+
+Don Quichot zag hem wantrouwig van ter zijde aan. "Ik zal mij wel
+wachten, het te verklappen," zeide hij. "Wie staat mij borg, dat gij
+niet, zoodra gij het plan vernomen hebt, dat dadelijk aan de ministers
+des konings mededeelt en u zoo den roem en de eer toeëigent, die mij,
+als den uitvinder, heel alleen toekomt?"
+
+"Ik voor mij zweer bij alles, wat heilig is, dat ik mij nooit aan zulk
+een schandelijk verraad zal schuldig maken," riep de barbier. "Wat
+gij ook spreken moogt, nooit zal eene syllabe over mijne lippen komen,
+en noch koning noch bedelaar zal mij immer bewegen mijn eed te breken."
+
+"Dat is genoeg, dat is genoeg," zeide Don Quichot. "Ik ken u als een
+eerlijk man, heer barbier, en vertrouw u ten volle."
+
+"En was dat niet zoo, dan durfde ik wel voor hem instaan," verklaarde
+de pastoor. "Hij zou niet meer over deze zaak spreken, dan een stomme,
+op straffe der boete, die ik hem opleggen zou."
+
+"Maar wie is mij borg voor u zelf, heer pastoor?" vroeg Don Quichot.
+
+"Mijn heilig ambt," antwoordde de pastoor met waardigheid, "mijn
+heilig ambt, dat mij streng stilzwijgen tot een onverbrekelijken
+plicht maakt."
+
+"Welaan dan," riep Don Quichot, die thans zijne toehoorders ten
+volle vertrouwde: "waarom laat dan de koning niet uitroepen, dat op
+een vastgestelden dag alle dolende ridders en helden van Spanje zich
+ten hove verzamelen moeten? Indien ook maar een dozijn verschenen,
+zou toch reeds dit gering aantal toereikend zijn, om de gansche
+macht van den heidenschen Turk geheel te vernielen. Heeft niet al
+vaak een eenig dolend ridder een leger van tweemaal honderd duizend
+krijgers op de vlucht gejaagd? Waarom zou in den tegenwoordigen tijd
+zulk eene heldendaad niet meer kunnen voorkomen? Waarlijk, waarlijk,
+nog heden ten dage zijn er mannen, die voor de ridders uit den ouden
+tijd in sterkte noch in dapperheid onderdoen! God hoort mij en ziet
+in mijn hart.... Meer wil ik niet zeggen."
+
+"Och grut!" riep hier de nicht, die met de huishoudster het gansche
+gesprek had aangehoord, "och grut, dat is weer de oude mallepraat;
+en ik wil een boon wezen, als hij niet weer lust heeft, om op zijne
+dolle avonturen uit te gaan."
+
+"Ja," zeide Don Quichot op ernstigen toon, "als dolend ridder wil
+ik leven en sterven, en geen sterveling zal mij van mijn voornemen
+afbrengen. Laat de Turken maar komen! Al zijn zij nog zoo machtig en
+geweldig, ik zal."
+
+"Luister, beste heer," wendde de barbier, die een poosje stil
+nagedacht had, zich hier tot den koenen ridder: "vergun mij, eene
+kleine geschiedenis te vertellen, die in Sevilla is voorgevallen en
+op deze dingen past, als het deksel op den pot."
+
+Don Quichot gaf dadelijk de gevraagde vergunning, en de barbier
+vertelde de volgende aardige kleine geschiedenis:
+
+"In het dolhuis te Sevilla was een man, dien zijne verwanten daarheen
+gebracht hadden, omdat het met zijn hoofd niet goed was. Hij was van
+den geestelijken stand en had zijn examen al gedaan, toen zijn vroeger
+verstandige en vlugge kop op eens van streek raakte en niemand raad
+meer met hem wist.
+
+"De candidaat woonde eenige jaren in het gekkenhuis en hield zich
+stil en bedaard, totdat hij op eens op de gedachte kwam, dat hij
+zijn verstand weerom had gekregen en dat hem niets meer haperde. In
+deze vreemde overtuiging ging hij zitten, schreef een langen brief
+aan den aartsbisschop, meldde hem in verstandige woorden, dat hij
+door Gods goedheid al zijne vijf zinnen weer bij elkaar had, en dat
+men hem alleen nog maar als een gevangene hield opgesloten, omdat
+zijne verwanten uit hebzucht en vrekkigheid het weinigje vermogen,
+dat hem toekwam, niet uitkeeren wilden.
+
+"Daar de eerste brief onbeantwoord bleef, stelde de waanzinnige
+candidaat een tweeden op; toen een derden, een vierden en zoo voort,
+totdat de aartsbisschop zich eindelijk door zijne mooie, sierlijke
+woorden liet verleiden om een kapelaan naar het gekkenhuis af te
+vaardigen. Dezen gaf hij de bepaalde order, eerst bij het hoofd van het
+gesticht te vernemen, of alles waar was, wat de candidaat geschreven
+had; vervolgens moest hij den candidaat zelf in verhoor nemen, en
+bevond hij dan, dat die werkelijk gezond en goed bij zijn hoofd was,
+dan moest hij hem dadelijk op vrije voeten stellen.
+
+"De kapelaan handelde stipt volgens het voorschrift van den bisschop;
+doch toen hij in het gekkenhuis kwam, werd hem door den bestuurder
+verzekerd, dat de bewuste jonge geestelijke even gek was, als in den
+beginne, en al sprak hij soms eens een verstandig woord, dan sloeg
+hij daarvoor al spoedig weer zoo hard door, dat aan loslating niet
+te denken viel.
+
+"Om in alles naar het voorschrift van zijn aartsbisschop te
+handelen, antwoordde de kapelaan hier niet op, maar liet zich bij den
+krankzinnige brengen, om te zien, of hij zoo ook achter de waarheid zou
+kunnen komen. Hij sprak langer dan een uur met den jongen geestelijke,
+hoorde in al dien tijd geen enkel onwijs of zelfs maar onverstandig
+woord van hem, en kon dus moeielijk anders, dan den gekken candidaat
+voor een mensch met gezonde hersens houden. De waanzinnige beklaagde
+zich er onder andere ook over, dat de bestuurder hem alleen daarom voor
+een lijder, die slechts nu en dan heldere oogenblikken had, uitgaf,
+omdat hij daarvoor door zijne verwanten rijkelijk werd betaald. Zoo
+kwam het dan, dat zijn vermogen de steen des aanstoots, de bron van
+alle kwaad bij hem geworden was. Alleen om genot van zijne have te
+hebben, overstelpten zijne verwanten hem met smaad en schande en
+loochenden stoutweg, dat een wonder aan hem gedaan was en hem van
+een krankzinnig tot een verstandig mensch gemaakt had.
+
+"De kapelaan, die al deze verklaringen zeer geloofwaardig vond, vatte
+nu argwaan tegen den bestuurder van het gesticht op en geloofde den
+gek liever dan zijn dokter. Hij besloot dus, den candidaat in vrijheid
+te stellen en hem bij den aartsbisschop te brengen, zoodat deze zelf
+zich van het helder verstand van den armen man overtuigen kon.
+
+"Zonder dralen beval de kapelaan den bestuurder, den candidaat van
+behoorlijke kleederen te voorzien. De bestuurder pruttelde hier wel erg
+tegen en deed alles, om den kapelaan tot andere gedachten te brengen;
+maar dat hielp niet, hij moest gehoorzamen. De candidaat kreeg dus
+een fatsoenlijk splinternieuw pak aan en verzocht den kapelaan zeer
+beleefd, van zijne voormalige lotgenooten afscheid te mogen nemen. Dit
+werd toegestaan en de kapelaan zelf bood aan, hem op deze wandeling
+te vergezellen. Zoo kwamen zij bij de cel van een krankzinnige, wien
+de candidaat goedendagzeide, terwijl hij aanbood, zoo de ander de eene
+of andere boodschap mocht hebben, die zonder haperen over te brengen.
+
+""Beschik vrij over mij," zeide hij tot den waanzinnige. "Nu ik mijn
+verstand weerom heb gekregen, wil ik dat ook gebruiken, om al mijnen
+medemenschen van dienst te zijn."
+
+"Deze woorden hoorde een andere gek, die in eene cel tegenover die
+van den eersten zat. Hij sprong dus van zijne mat op en vroeg, luid
+schreeuwend: "Wie is het toch, die daar gezond en verstandig heen
+mag gaan?"
+
+""Ik ben het, lieve broeder," antwoordde de candidaat; "ik behoef
+hier niet langer te blijven en ben dankbaar, dat mij zoo groote genade
+is verleend."
+
+""Ei, ge weet niet, wat ge zegt," schreeuwde de gek den candidaat
+toe. "Laat je niet door den duivel verblinden, maar blijf stil in je
+cel, zoodat ze je niet terug hebben te brengen."
+
+""O, dat heeft geen nood," riep de candidaat lachend. "Ik weet, dat
+ik volkomen goed bij mijn verstand ben en hier dus niet behoef terug
+te komen, om het ellendig leven van een krankzinnige te leiden."
+
+""Jij volkomen bij je verstand?" riep de gek. "Jij gezond? Loop
+heen! De tijd zal 't gauw anders leeren. Ik zweer je bij Jupiter,
+wiens plaats ik op aarde bekleed, dat ik de onnoozele stad Sevilla,
+die zoo'n razenden gek, als jij bent, vrijlaat, voor die dwaasheid
+hard zal straffen en kastijden. Van vandaag af zal het drie volle
+jaren lang niet regenen over deze stad, en alle vruchten zullen
+verdorren en alle weiden verschroeid en verzengd worden. Je zoudt goed
+bij je verstand wezen, terwijl men mij hier gebonden en opgesloten
+houdt? Daar moet straf voor wezen! Voordat die drie jaren om zijn,
+zal geen droppeltje regen over Sevilla vallen."
+
+"De omstanders hoorden vreemd op bij dien zottepraat van den gek, en
+ook de kapelaan zag hem verwonderd aan. Nu echter klopte de candidaat
+dezen op schouder en voegde hem vertrouwelijk toe:
+
+""Wees maar niet bang, waarde heer, en stoor u niet aan de dreigementen
+van dien armen zot. Als hij Jupiter is en niet wil laten regenen, dan
+ben ik daarentegen Neptunus, de vader der zeeën en van alle wateren,
+en kan dus ook regen zenden, zooveel ge maar hebben wilt."
+
+""Ei, wat ge zegt!" riep de kapelaan, die nu zijn man had leeren
+kennen. "Als gij Neptunus zijt en heer Jupiter wilt beleedigen, oordeel
+ik het toch maar beter, dat gij vooreerst hier in huis blijft. Een
+ander maal, als 't mij eens gelegen komt, wil ik terugkeeren en u
+van hier weghalen."
+
+"De bestuurder van het gesticht lachte, en de gekke candidaat kreeg
+zijn oude pak weer aan en kon weer naar zijne oude cel stappen.
+
+"Dit is mijne geschiedenis," zeide de barbier; "en de toepassing kan
+ieder licht zelf maken."
+
+"O baardschrabber, o baardschrabber!" riep Don Quichot uit, "meent
+ge werkelijk, dat deze dwaze historie zoo goed op onze omstandigheden
+past? Ik voor mijn part geloof dat niet; want ik weet opperbest, dat ik
+niet Neptunus ben, en verlang van niemand, dat hij mij voor wijs houdt,
+als ik een domme ezel, een onwijze sukkel ben. Mijn streven is edel en
+groot, en door de plichten der dolende ridderschap te vervullen doe
+ik eenvoudig, wat goed en recht is. Zwijgt allen en leutert me niet
+langer met zulke beuzelpraatjes om de ooren! Ik ga mijn eigen weg,
+en er is geen mensch in de wereld, die mij daarvan afbrengen zal."
+
+Verstoord keerde Don Quichot hun den rug toe, zoodat de pastoor
+en de barbier het 't best oordeelden, maar stilletjes weer op te
+trekken. Zij moesten alle hoop, om den armen ridder Don Quichot van
+zijne dwaze inbeeldingen terug te brengen, nu eindelijk wel opgeven,
+en deden dat dan ook.
+
+Bij het verlaten van het huis kwamen zij een zeer aardig en verstandig
+jonkman, zekeren Sanson Carrasco, tegen, die een geleerde en met onzen
+welmeenenden pastoor bevriend was. Bij hem stortte deze laatste zijn
+hart uit, en de jonge Carrasco gaf al spoedig een middel op, om Don
+Quichot van zijne avontuurlijke hersenschimmen te bevrijden. Dat middel
+kwam den pastoor goed voor en terstond overlegde hij met zijn vriend,
+op welke wijze men dit het best zou kunnen aanwenden.
+
+Weinige dagen daarna, toen Don Quichot weer ten volle hersteld was en
+zich juist met Sancho Panza over zijne toekomstige plannen onderhield,
+liet Sanson Carrasco zich bij hem aanmelden en werd zonder verwijl in
+zijn vertrek toegelaten. Na eenige voorafgaande komplimenten deelde
+hij den edelen ridder mede, dat hij zeer veel goeds en schoons van
+zijne roemruchtige daden had vernomen en nu opzettelijk gekomen was,
+om van aangezicht tot aangezicht den held te zien, wiens naam sinds
+eenigen tijd het gansche heelal vervulde. Na deze inleiding spoorde hij
+hem met krachtige taal aan, toch spoedig weer een nieuwen krijgstocht
+tegen de ondeugden, verkeerdheden en zonden der goddelooze wereld te
+beginnen, en bracht het toch al zwakke hoofd des edelen Dons daardoor
+dusdanig op hol, dat deze terstond besloot, aan de inblazingen van den
+welbespraakten Carrasco gehoor te geven. Nauwelijks had deze met de
+belofte van hem een prachtigen ridderhelm te zullen vereeren van hem
+afscheid genomen, of hij gaf Sancho Panza last, zijn ezel en zichzelf
+gereed te houden, om binnen drie dagen op nieuwe avonturen uit te
+gaan. Sancho verklaarde zich daartoe gaarne bereid, daar Don Quichots
+beloften en voorspiegelingen nog altijd een open oor bij hem vonden,
+en hierop deelde Don Quichot zijn besluit ook aan huishoudster en nicht
+mede. De arme vrouwen, die van Carrasco's fijn plan niets wisten,
+waren radeloos, en kermden en huilden, maar richtten daardoor niets
+uit, dan dat Don Quichot haar voor malloten en domme, onverstandige
+vrouwlui uitmaakte, zonder zich door al dat misbaar van zijn voornemen
+te laten afbrengen.
+
+Den volgenden dag zond Carrasco den beloofden helm. Deze was met
+roest en schimmel overdekt en had niets aan zich, dat aan blank en
+glanzig staal deed denken. Dat achtte Don Quichot evenwel maar eene
+kleinigheid. Hij nam puimsteen en schuurlappen, poetste hem zoo goed
+mogelijk op en besteedde de overige dagen, om alles voor zijne reis
+in gereedheid te brengen.
+
+Het was Don Quichot echter gedurende zijne ziekte door het hoofd
+gegaan, wie hij tot hiertoe voor jonkvrouwe Dulcinea had gehouden,
+zoodat deze voor hem een zuiver phantasiebeeld geworden was.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XV.
+
+DON QUICHOT ZOEKT ZIJNE HOOGE GEBIEDERES DULCINEA VAN TOBOSO OP.
+
+
+Toen de dolende ridder en zijn wakkere schildknaap het open veld
+bereikt hadden, snoof en brieschte Rocinante luid en begon ook
+het grauwtje uit volle keel zijn welluidend Yah in de lucht te
+brullen. Beiden zagen deze omstandigheid voor een zeer gunstig
+voorteeken aan en hunne harten klopten van blijdschap, nu ze zich
+de daden voorstelden, die zij in 't vervolg zeker bedrijven, en den
+onvergankelijken roem, dien zij daarvoor inoogsten zouden.
+
+"Sancho Panza," sprak Don Quichot, toen zij eene poos zwijgend zij
+aan zij hadden voortgedraafd, "Sancho Panza, de avond valt en het
+zal donkerder worden, dan wij wenschen, voordat wij Toboso bereiken,
+dat ik in allen gevalle bezoeken moet. Daar, waar Dulcinea leeft en
+ademt, wil ik haar zegen afsmeeken, naardien ik overtuigd ben, dat ik
+daardoor ieder avontuur gelukkig zal te boven komen. Niets, moet gij
+weten, maakt de dolende ridders gelukkiger en dapperder, dan dat zij
+van de genade en de bescherming hunner meesteressen verzekerd zijn."
+
+"Daar wil ik niets tegen zeggen, gestrenge heer," antwoordde Sancho
+Panza, die wist, wat hij van Dulcinea te denken had; "maar toch kan
+'t u nog wel wat moeite kosten, Dulcinea te spreken te krijgen en
+eene geschikte plaats te vinden, waar gij den zegen van de hooge
+dame ontvangen kunt. Ik vrees, dat ze u dien over de schutting of
+door een gat in den muur zal moeten geven."
+
+"De schutting, Sancho?" vroeg Don Quichot verwonderd. "Zijt gij
+dan blind geweest, of hebt ge uwe oogen niet gebruikt? Wat gij voor
+een schutting aanzaagt, was zeker eene rij van trotsche galerijen,
+gangen en booggewelven, zooals men die altijd bij rijke koninklijke
+paleizen heeft."
+
+"Nu, dan weet ik het niet," verklaarde Sancho. "Voor zoover mij
+voorstaat, was 't een gewoone schutting, en nog wel in niet al te
+besten staat, want ik meende er vrij wat scheuren, spleten en gaten
+in te zien."
+
+"Dat mag wezen, hoe 't wil," zeide Don Quichot een weinig verdrietig;
+"maar toch zullen wij haar een bezoek brengen. Als ik haar maar te
+zien krijgt, raakt het mij weinig, of over eene schutting, of door een
+raam, of door een traliehek de straal van haar oog op mij valt en mijne
+ziel verlicht. Een blik van haar zal mij bezielen en wel zoo geweldig,
+dat ik onvergelijkelijk moet worden in deugd en in dapperheid."
+
+Sancho Panza schudde het hoofd, zonder op deze hoogdravende taal iets
+te antwoorden, en zwijgend vervolgden ridder en knaap nu voortaan
+hun weg. Het zal tegen middernacht hebben geloopen, toen zij, bij
+een heuvel neerdalende, Toboso bereikten. In het dorp heerschte de
+diepste rust; want natuurlijk lagen al de bewoners te bed en rustten
+in de armen van de slaap. De maan stond aan den hemel, en de nacht was
+dus niet zoo donker, als Sancho Panza gewenscht had. 't Zou hem liever
+geweest zijn, dat geen sterretje aan den hemel had geblonken, daar de
+donkerheid hem dan tot verontschuldiging voor zijne onwetendheid kon
+hebben gediend. Hij had, gelijk wij weten, Toboso nog met geen voet
+betreden, hoewel hij den bedrogen ridder duizend dingen van Dulcinea
+en zijne boodschap aan haar had weten op de mouw te spelden.
+
+Zooals gezegd is, lagen de bewoners van het dorp nog in den diepsten
+slaap, en men vernam niets dan het blaffen van honden, dat den ridder
+hoogst onaangenaam in de ooren klonk, terwijl het den vreesachtigen
+schildknaap niet minder beangstigde. Toen het blaffen niet ophield,
+voegden zich daar nog andere tonen bij: ezels balkten, varkens knorden,
+paarden snoven, katten miauwden, wat alles in de stilte van den
+nacht duidelijker dan ooit hoorbaar was. Don Quichot behaagde dat
+volstrekt niet, daar hij al die geluiden voor slechte voorteekens
+hield, hoewel hij er niets van zei, maar stil aan Sancho Panza's
+zijde doorreed. Eindelijk brak hij het lange stilzwijgen af en sprak:
+
+"Sancho, breng mij naar het paleis mijner gebiedster. Misschien wil
+een gelukkig toeval, dat wij haar wakende vinden."
+
+"Maar naar wat paleis moet ik u dan brengen, edele heer?" riep Sancho
+verlegen uit. "Hier heeft men geen paleizen en, zooals ik u al zei,
+uwe Dulcinea woont in een ellendig klein kot van een huisje."
+
+"Gij vergist u zeker, vriend," beweerde Don Quichot. "Waarschijnlijk
+had mijne edele gebiedster zich toen maar in een zijvleugel van haar
+vorstelijk paleis afgezonderd, gelijk hooge dames wel eens meer de
+stilte en eenzaamheid zoeken."
+
+"Gestrenge heer," antwoordde Sancho, "gesteld nu al, dat gij gelijk
+hadt, is het dan toch wel gepast, dat wij zoo in het holle van den
+nacht de rust uwer meesteresse storen? Als wij op de deur kloppen,
+zullen ook de buren wakker worden en ons voor zeer dwaze en onzinnige
+menschen houden."
+
+"Dat moeten wij afwachten," zeide de ridder. "Laat ons eerst maar
+haar burcht opzoeken, en dan zal ik u zeggen, wat verder te doen. Zie
+daar eens, Sancho! Een donker gebouw rijst daar hoog op in den nacht
+en ik bedrieg mij zeker niet, als ik dat voor de woonstede mijner
+onvergelijkelijke dame houd."
+
+"Rijd er dan maar op los," bromde de schildknaap; "maar 'k laat mij
+hangen, als ge 't niet glad mishebt."
+
+Don Quichot gaf Rocinante de sporen en reed vooruit. Toen hij echter
+in de nabijheid van het groote gebouw was gekomen, zag hij wel,
+dat hij niet het slot eener edele prinses, maar enkel de kerk van
+het dorp voor zich had.
+
+"Het is de kerk," zeide hij, onaangenaam verrast.
+
+"Ja, dat zie ik," zeide Sancho Panza, "en de hemel geve maar, dat
+wij niet op het kerkhof ons graf vinden. Voor 't overige heb ik u wel
+gezeid, dat de woning van uwe Dulcinea in een of ander achterafstraatje
+moet liggen."
+
+"Ezel! Domkop! Stommerik!" bulderde Don Quichot. "Waar hebt ge dan ooit
+van uw leven gezien, dat riddersloten en paleizen in achterafstraatjes
+liggen?"
+
+"Gehoord en gezien heb ik dat niet," was Sancho's koel antwoord; "maar
+'s lands wijs 's lands eer, zegt het spreekwoord, en misschien is
+'t hier in Toboso wel gebruikelijk groote huizen en voorname gebouwen
+wat achteraf te zetten. Wilt gij mijn raad volgen, gestrenge ridder,
+laat mij dan maar eens op mijn eigen houtje gaan zoeken. Misschien lukt
+het ons wel 't paleis van uwe gebiedster te vinden, dat mijnentwege
+in den grond mag verzinken, zoo veel ergernis heb ik er al van gehad."
+
+"Sancho Panza," zeide de ridder op dreigenden toon, "ik raad u, met
+achting van alle dingen te spreken, die met mijne gebiedster ook maar
+van verre in verband staan. Ga nu voorts in vrede, zoek al uw best,
+en als ge het paleis gevonden hebt, val dan niet zoo dadelijk met de
+deur in huis. Overleg, Sancho, overleg en bedaardheid bij alle dingen
+en in alle omstandigheden moet de hoofddeugd van iederen dolenden
+schildknaap zijn."
+
+"Ik ben bedaard genoeg," antwoordde Sancho Panza, "maar hoe zou ik
+mijn geduld niet verliezen, als uwe edelheid verlangt, dat ik midden
+in den nacht een huis weerom zou vinden, dat ik nog maar eens bij
+helder daglicht gezien heb? Waarom zoekt gij zelf het dan niet? Gij
+moest het toch, dunkt mij, in een ommezien kunnen vinden, daar gij
+het meer dan duizendmaal moet gezien hebben."
+
+"Sancho Panza, gij zult mij nog tot razernij brengen," schreeuwde Don
+Quichot. "Ik heb u wel honderdmaal gezegd, dat ik de gebiederesse
+mijner ziel nog geen enkel maal met eigen oogen aanschouwd, dat ik
+nog nooit den drempel van haar geheiligd paleis betreden heb."
+
+"Nu, edele heer, als gij haar nog niet gezien hebt, dan heb ik haar ook
+niet gezien," antwoordde Sancho. "Men kan uit u niet wijs worden! Nu
+spreekt gij zus, dan spreekt gij zoo, al naar 't u best past, en
+meent, dat gij uwen schildknaap vrij de huid vol moogt liegen. Fop
+je mij, ik fop je weer, zegt het spreekwoord; en dat heb ik ook al
+vaak genoeg gedaan. Ik zeg u nu ronduit, dat ik noch uwe Dulcinea,
+noch haar vader, noch een van hare familie ooit met mijne oogen gezien
+heb,--en daarmee basta!"
+
+"Sancho, Sancho," sprak Don Quichot, "met heilige dingen mag men niet
+gekscheren. Hoe kunt gij dus zeggen, dat gij Dulcinea nooit gezien
+hebt, daar gij mij zooveel van haar hebt verteld?"
+
+"Wat ik vertelde, heb ik maar zoo van hooren zeggen gehad," antwoordde
+de schildknaap.
+
+Voordat de ridder antwoordde, bemerkte hij, dat hem een man met twee
+muilezels voorbijkwam, die een ploeg trokken. Waarschijnlijk wou de
+man naar den akker gaan en voor dag en dauw zijn arbeid beginnen,
+en Don Quichot nam de gelegenheid waar, om bij hem naar Dulcinea's
+woning te vernemen.
+
+"Kunt gij mij ook zeggen, goede vriend," riep hij hem toe, "waar ik
+hier ergens het paleis van de onvergelijkelijke prinses Dulcinea van
+Toboso vind?"
+
+De boer hield zijn span ezels stil en keek verwonderd op.
+
+"Heer," zei hij na kort beraad, "ik ben hier zelf nog vreemd, daar
+ik mij hier eerst voor korte dagen bij een boer als knecht verhuurd
+heb. Als gij alles precies weten wilt, ga dan bij den pastoor,
+die daar recht tegenover in dat groote huis woont. Evenwel kan ik
+kwalijk gelooven, dat hier in het dorp eene prinses verblijf houdt,
+ofschoon er vrouwen genoeg zijn, die binnen hare vier muren wel voor
+prinsessen doorgaan kunnen."
+
+Na deze woorden dreef de man zijne dieren weer aan en reed door,
+terwijl Don Quichot hem verdrietig nakeek.
+
+"Gestrenge heer," zeide Sancho tot den ridder, "de dag begint te
+lichten en ik geloof niet, dat het goed is, dat wij ons hier vóór de
+zon op straat laten vinden. 't Zou beter wezen, dat gij u hier in
+den omtrek ergens in een boschje verborgen hieldt, terwijl ik geen
+hoekje ondoorzocht wil laten, tot ik uwe prinses gevonden heb. Het
+moest al vreemd toegaan, als ik haar niet eindelijk te pakken kreeg!"
+
+"Uw raad bevalt mij, Sancho Panza," antwoordde Don Quichot na kort
+nadenken. "Volg mij dus eerst tot buiten het dorp en keer terug om
+haar te hooren, te zien en te spreken."
+
+Van harte blij, dat hij zijn heer zoo gewillig vond, maakte Sancho,
+dat hij buiten het dorp kwam, en hield eerst een heel eind daar vandaan
+stil bij een boschje, waar Don Quichot zich tusschen de boomen schuil
+kon houden, terwijl Sancho Panza onverwijld naar het dorp terugkeerde.
+
+Toen de knaap echter zoo ver was, dat zijn meester hem niet meer
+zien kon, liet hij zich doodbedaard van zijn ezel neerglijden, wierp
+zich onder een boom in het malsche gras neer en hield de volgende
+alleenspraak:
+
+"'k Moest wel zot wezen, als ik naar prinsessen en paleizen ging
+zoeken, die heel niet in de wereld zijn. Mijn heer moet gefopt worden
+en zal gefopt worden. Zooveel is zeker, dat hij gek is, stapelgek, 't
+eene ding voor het ander houdt en zwart voor wit, maar wit voor zwart
+aanziet, zooals bij die windmolens, die schapenkudden en de hemel weet
+waar meer zonneklaar gebleken is. De eerste de beste boerenmeid, die ik
+te zien krijg, stel ik hem als prinses Dulcinea voor. Gelooft hij mij
+niet, dan bezweer ik 't, en vloekt hij, dan bezweer ik 't weer en wil
+'t zoo lang bezweren, totdat ik hem eindelijk de baas word. Hij laat
+mij dan òf later met zijne malle boodschappen ongemoeid, of misschien
+denkt hij ook, dat de eene of andere toovenaar zijne prinses, om hem
+te plagen, heeft omgehekst, en 't een is mij zoo lief als 't ander
+en zal mij voortaan 't leven minder zuur maken."
+
+Na die stichtelijke redeneering legde Sancho rustig zijn hoofd
+neer, sloot de oogen en deed een dutje, dat tot den laten namiddag
+duurde. Toen eerst besteeg hij zijn ezel weer en ging zijn meester
+opzoeken. Zijn goed geluk wou, dat hij drie boerenmeiden inhaalde,
+die op muilezels denzelfden weg reden, en nu was zijn plan dadelijk
+ontworpen. Zijn grauwtje in draf zettend, was hij spoedig bij zijn
+ridder en vond dien stijf te paard zittend, en luid zuchtend en
+weeklagend over het lang uitblijven van zijn schildknaap.
+
+"Nu, hoe is het, Sancho" vroeg hij, "moet ik dezen dag met een zwarten
+of mag ik hem met een witten steen teekenen?"
+
+"Met een witten, of nog liever met een vuurrooden," antwoordde Sancho
+Panza. "Gij hebt uw Rocinante maar aan te sporen en den weg op te
+rijden, om uwe aanminnige Dulcinea te zien. Zij komt daar met twee
+van hare hofdames aandraven, om u een bezoek te brengen."
+
+"Wat zegt gij daar?" riep Don Quichot half verschrikt. "Hoed u, hoed
+u, Sancho, mij opzettelijk te misleiden, om door eene bedrieglijke
+boodschap mijne diepe treurigheid in een snel vervliegend geluk
+te verkeeren."
+
+"Maar, heer ridder, wat zou 't mij baten, dat ik u trachtte te
+bedriegen?" vroeg Sancho met een doodonnoozel gezicht. "Gij zoudt
+dat bedrog immers in een ommezien ontdekken. Kom, kom, en spoor uw
+ros, om uwe verheven gebiedster van aangezicht tot aangezicht te
+aanschouwen. Och, wat is zij mooi, heer! Zij en hare staatsiedames
+glimmen van klinkklaar goud, van juweelen, van parels en van
+brocaat. Haar krullend haar blinkt in den zonneschijn en fladdert in
+den wind. Zij rijden op drie telgangers, zooals ik ze mijn leven lang
+nog niet gezien heb."
+
+"Nu, dan willen we ons haasten, vriend Sancho," antwoordde Don
+Quichot. "Heb dank voor de heuglijke tijding en maak er staat op,
+dat ik u daar koninklijk voor beloonen zal."
+
+Zij brachten hunne dieren in draf en zagen, uit het bosch komende,
+de drie boerinnetjes reeds dicht voor zich. Don Quichot keek deze
+echter nauwelijks aan, maar liet zijne oogen over den weg naar Toboso
+rondgaan, om de schoone prinses Dulcinea met hare hofdames te zien
+te krijgen. Met groote verwondering bemerkte hij echter, dat van
+de drie geen spoor te ontdekken was, en vroeg dus zijn schildknaap,
+of die haar reeds buiten het dorp had gezien.
+
+"Wel zeker heb ik dat," zei Sancho Panza. "Heeft uwe edelheid dan
+geen oogen in het hoofd en ziet de prinses niet, die daar aankomt,
+schitterend als de zon en flikkerend als tienmaal honderdduizend
+diamanten."
+
+"Sancho Panza, ik zie niets dan drie boerenmeiden op drie magere
+bonken van muilezels."
+
+"Wel drommel en geen einde!" riep Sancho met geveinsde
+verwondering. "Is het mogelijk, dat gij drie zulke juweeltjes
+van paarden voor muilezels en uw hooge gebiederes voor eene boerin
+aanziet? De rossen zijn spierwit, als versch gevallen sneeuw; en mijn
+naam mag geen Sancho Panza wezen, als 't niet waarempel waar is."
+
+"Ik zeg je evenwel," riep de ridder, "dat het drie ezelinnen en
+drie boerenmeiden zijn, zoo waar als ik op Rocinante en jij op je
+grauwtje zit."
+
+"Zwijg stil, ridder, zwijg stil, genadige heer, en kijk beter uit de
+oogen," zei Sancho. "Daar komt uwe dame al aan; rijd haar te gemoet
+en betoon haar de verschuldigde achting en eerbied."
+
+En zonder af te wachten, wat zijn heer doen zou, reed hij vooruit,
+om de drie boerinnen te begroeten. Hij liet zich van zijn ezeltje
+glijden, greep het paard van de zoogenaamde Dulcinea bij den teugel,
+viel op beide knieën neer en sprak:
+
+"Hooge en doorluchtige prinses, keizerinne der schoonheid, wilt gij
+zoo goed wezen en uwen getrouwen ridder ontvangen, die daar, door uw
+aanblik betooverd, als versteend staat en door uwe tegenwoordigheid
+totaal is beteuterd? Ik ben Sancho Panza, de schildknaap, maar hij
+is de wijdvermaarde en hoogbefaamde held Don Quichot van La Mancha,
+Ridder van de Droevige Figuur."
+
+Gedurende Sancho's deftige toespraak was ook Don Quichot naast
+zijn schildknaap neergeknield en staarde verbaasd en verbijsterd
+de schoone aan, die door zijn dienaar als prinses en keizerin werd
+aangesproken. Daar hij nog altijd niets dan eene heel gewone en
+daarbij nog vrij leelijke boerenmeid met platten neus en een mond
+als een bakoven kon zien, geraakte hij zoo van streek, dat hij buiten
+staat was ook maar een enkel woord over de lippen te brengen.
+
+De boerinnen waren intusschen niet minder verlegen dan hij zelf. Eene
+heele poos keken zij verbaasd op de knielende helden neer en wisten
+niet, wat van Sancho's zotte toespraak te denken, totdat eindelijk
+de vermeende Dulcinea het woord nam en vrij kribbig en boos riep:
+
+"Loopt naar de maan en laat ons 't pad vrij! Wat hebben wij noodig
+met al die malligheden!"
+
+"O, bekoorlijke prinses en gebiederesse van Toboso," antwoordde Sancho
+Panza, "wordt dan uw steenen hart niet verweekt door het leed van
+den ridder aan uwe voeten?"
+
+"Laat ons met vree, leelijke kerels!" schreeuwden de meiden. "Wij
+doen geen mensch wat; wat heb je dan ons overlast aan te doen?"
+
+"Sancho Panza, sta op!" beval Don Quichot op bedrukten toon. "Ik
+zie wel, dat weer een ongelukkig gesternte boven mijn hoofd staat
+en dat de bron van mijn lijden nog niet is opgedroogd. Gij echter,
+aanbiddelijke Dulcinea, die, gelijk ik nu wel zie, door een snooden
+toovenaar van uwe verrukkelijke schoonheid en aanminnigheid werdt
+beroofd, buig u neder tot mij, verkwik en laaf mij door een zoeten
+straal uit uwe oogen, en zie uit deze mijne kniebuiging, dat ik u
+ten eeuwigen dage als mijne hooge gebiederesse vereeren zal."
+
+"Die smerige ouwe vent is gek!" riep de meid, terwijl zij Sancho de
+teugels van haar muilezel met geweld uit de handen rukte. "Laat los,
+leelijke dikzak, en houd ons niet langer op met je dol gezanik."
+
+Sancho Panza week op zij, en de boerendeernen zetten het nu dadelijk op
+een draf. Zij waren echter niet ver, of daar kwam Dulcinea's ezel te
+struikelen en wierp zijne berijdster af. Don Quichot schoot dadelijk
+toe, om haar weer op de been te helpen; doch voordat hij nog bij haar
+kwam, was zij weer opgesprongen, nam een aanloop, zette hare vuisten
+op de achterschonken van haar rijdier, zat met een wip weer in den
+zadel en galoppeerde voort, zonder ook maar eens naar den verbaasden
+ridder om te zien. De dolende held tuurde haar na, tot zij uit zijn
+gezicht verdwenen was, en keerde zich toen tot Sancho, met de woorden:
+
+"Wat zegt gij nu, mijn schildknaap? Ziet gij nu, hoe erg ik door de
+toovenaars gehaat en vervolgd word? Zij hebben mij het onschuldig genot
+ontroofd van mijne aangebedene in den vollen glans harer schoonheid te
+zien, en haar tot mijne kwelling in een gemeene boerenmeid veranderd."
+
+"Ja, ja, 't zijn rekels, 't zijn schobbejakken, al die
+toovenaars!" riep Sancho uit. "Maar tob daar maar niet over, gestrenge
+heer; want 'k weet wel vast, dat de deugd en dapperheid bij slot van
+rekening over alle boosheid triomfeeren moeten."
+
+Don Quichot antwoordde hier niet op, maar besteeg weer zijn Rocinante
+en de schildknaap zijn grauwtje, en zoo sukkelden beiden den weg naar
+de wereldberoemde stad Saragossa op. Voordat zij die bereikten, moesten
+zij echter nog velerlei wonderbaarlijke avonturen beleven, waarvan wij
+niet verzuimen mogen het trouw en waarachtig relaas te laten volgen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVI.
+
+DE KAR DES DOODS EN DE RIDDER MET DE SPIEGELS.
+
+
+Terwijl Don Quichot in diep gepeins zijn weg vervolgde, keek Sancho
+Panza, over 't gelukken van zijne list in zijn vuistje lachend,
+vroolijk rond en ontdekte een wagen, die met allerlei vreemde gedaanten
+en personages beladen was. Hij maakte Don Quichot daar opmerkzaam op,
+en beiden staarden het wonderlijk schouwspel verbaasd aan.
+
+De voerman van den wagen was een schrikbarende duivel, en de wagen
+zelf was open en onbedekt. Binnenin zat de dood in levenden lijve en
+met een menschelijk aangezicht. Naast hem vertoonde zich een engel
+met bont beschilderde vleugels. Verder stond daar een keizer met zijn
+gouden kroon op het hoofd, en aan de voeten des doods zat god Cupido
+met boog, koker en pijlen. Buitendien waren nog een ridder in blank
+harnas en eene menigte andere personen in verschillende drachten en
+met allerlei tronies en gezichten op den wagen te zien.
+
+Hoewel eerst een weinig ontsteld, kreeg de Ridder van de Droevige
+Figuur toch spoedig zijne gewone bedaardheid weer en geloofde, dat
+daar een nieuw avontuur in aantocht was. In deze meening stelde hij
+zich dicht voor de kar in postuur en riep met dreigende stem:
+
+"Voerman of duivel, of wat gij wezen moogt, zeg mij onverwijld,
+wie gij zijt en wat vreemd volk gij daar bij u hebt?"
+
+"Och, waarde heer," antwoordde de duivel zeer onderdanig, "anders niet
+dan arme komedianten, die in het kleine dorp ginder achter den heuvel
+eene voorstelling van de hofhouding des doods willen geven. Om tijd
+te sparen en terstond na onze aankomst het spel te kunnen beginnen,
+hebben we ons maar vooraf verkleed. Deze knaap hier speelt voor dood,
+die voor engel, die voor soldaat, die voor keizer en ik zelf voor
+duivel. Zoo is het gelegen met het geval, en als gij nog meer wilt
+weten, vraag dan maar vrij; daar een duivel alles moet weten, kan ik
+u wis voldoend bescheid geven."
+
+"Neen, neen, ik weet al genoeg," sprak Don Quichot. "Toen ik uwe kar
+zag, meende ik, dat ik eenig avontuur zou moeten bestaan; maar ik
+merk nu wel anders. Trekt in vrede, goede lui, houdt uwe vertooning en
+bedenkt eens, of gij niet 't een of ander voor mij te doen weet. Van
+harte gaarne wil ik u van dienst wezen, want als kind ben ik al een
+groot vriend van zulke mommespelen geweest."
+
+Terwijl Don Quichot zulke goelijke en vriendelijke woorden sprak,
+wilde het toeval, dat de paljas van het gezelschap, die wat achter
+was gebleven, aankwam. Hij was als hansworst gekleed, met belletjes
+behangen en had op het hoofd een zotskap en in de hand een stok, aan 't
+eind waarvan drie groote, met erwten gevulde koeblazen hingen. Zoodra
+hij Don Quichot te zien kreeg, begon hij zijn stok te zwaaien, met
+de blazen te rammelen, te springen en cabriolen te maken, zoodat al
+zijne belletjes rinkelden. Dat geraas en het vreemd uitzien van den
+paljas brachten Rocinante zoo van streek, dat hij het gebit tusschen
+de tanden nam en, wat de ridder ook trok en riep, in suizenden galop
+over de vlakte voortstoof. Ziende, hoe zijn heer zoo gevaar liep van
+zandruiter te worden, sprong nu Sancho Panza van zijn grauwtje en
+liep achter den ridder aan, om hem bijstand te verleenen. Voordat
+hij hem bereikte, was het ongeluk al gebeurd. Don Quichot lag zoo
+lang als hij was op den grond, en Rocinante lag naast hem.
+
+Zoodra echter Sancho Panza van zijn ezel was gestapt, sprong de paljas
+op grauwtje en sloeg het met zijne rammelende blazen om de ooren. 't
+Geduldige beest, door dat nooit gehoorde geraas verschrikt, zette
+het nu op een loopen en holde regelrecht op het dorp aan, waar de
+komedianten hunne voorstelling wilden geven.
+
+Sancho zag zijn ezel wegloopen, maar zag ook te gelijk den benauwden
+toestand, waarin zijn heer verkeerde, en wist dus eerst niet, naar
+wat kant hij zich keeren zou. Na kort beraad besloot hij echter, als
+trouw en eerlijk schildknaap, eerst zijn heer te hulp te springen,
+niettegenstaande hem telkens een steek door 't hart ging, als hij dien
+verwenschten hansworst zijn stok om de ooren van zijn arme grauwtje
+zag zwaaien. Hij wou liever, dat al die slagen hemzelf troffen, dan dat
+zijn lief ezeltje ook maar een haartje in zijn staart gekrenkt werd.
+
+In woede en vertwijfeling over den ongelukkigen staat van zijn
+lieveling naderde hij Don Quichot, die vrij leelijk toegetakeld was,
+en hielp hem weer op de been en boven op zijn Rocinante.
+
+"De duivel heeft mijn ezel gehaald, edele heer," zeide hij toen.
+
+"Welke duivel dan?" vroeg de dolende ridder.
+
+"De duivel met blazen," antwoordde Sancho. "Daar gaat hij met hem
+aan den haal."
+
+"Dan wil ik hem weer veroveren, al zou ik hem uit den afgrond van
+de hel halen," riep Don Quichot. "Volg mij, Sancho! De wagen rijdt
+langzaam en de muilezels, die hem trekken, zullen u 't verlies van
+uw ezel vergoeden."
+
+"Laat dat maar rusten, heer," zeide Sancho. "Naar ik zie, heeft de
+duivel mijn grauwtje al losgelaten, en 't komt op een drafje weer
+naar ons toe."
+
+"Toch moet zijn lijden gewroken worden," verklaarde Don Quichot, "en
+voor de ondeugendheid van den hansworst moet het gansche gezelschap
+boeten."
+
+"Heer!" riep Sancho Panza, "zet u die gedachten in 's hemels naam
+uit het hoofd en laat u niet in met potsenmakers, die overal in hooge
+gunst en gratie staan."
+
+"En toch zullen zij hunne verdiende tuchtiging ontvangen," sprak
+de ridder.
+
+Met deze woorden keerde hij zich naar den wagen, die al dicht bij
+het dorp was, en riep met daverende stem: "Halt, halt! Wacht wat,
+menschen, en 'k wil u toonen, hoe men een ezel behandelt, waarop de
+schildknaap van een dolenden ridder rijdt!"
+
+Don Quichot was met zulke gezonde longen begaafd, dat het volkje op
+de kar hem van woord tot woord verstond en zonder veel moeite zijn
+voornemen begreep. Meteen was dus de dood van de kar; duivel, engel en
+keizer sprongen hem vlug achterna, en ook de overige gedaanten draalden
+niet dat voorbeeld te volgen. Allen raapten nu steenen van den grond
+op, gingen in eene gesloten rij staan en wachtten zoo manmoedig den
+ridder af, om hem met een hagelbui van steenen te ontvangen.
+
+Toen onze held de dreigende houding der vijanden en hunne armen tot
+den worp opgeheven zag, hield hij Rocinante staande en overlegde,
+op wat wijze hij die rij met het geringste gevaar voor zichzelf
+aanvallen en overhoop werpen zou. Terwijl hij dienaangaande nog in
+'t onzekere was, kwam Sancho Panza nader en riep hem vol schrik toe:
+
+"Heer, ik zeg, dat het roekeloos en dwaas zijn zou, tegen zulk eene
+legermacht op te rukken. Bedenk, dat men tegen een keisteenenregen
+weinig uitrichten kan, en dat het doldriest zou zijn, een krijgsheer
+aan te tasten, dat dood en keizer tot aanvoerders heeft en waarin
+engel en duivel meevechten. En mocht dit alles u nog niet afschrikken,
+bedenk dan toch, dat onder die gansche bende, al heeft ze koningen
+en keizers, toch geen enkel dolend ridder is."
+
+"Dat is waar, Sancho," antwoordde Don Quichot. "Ge hebt daar het rechte
+punt getroffen, 't eenige, dat mij bewegen kan, van mijn voornemen af
+te zien. Ik mag mijn goed zwaard tegen niemand ontblooten, die niet
+werkelijk tot ridder is geslagen. Maar gij, Sancho, zoo gij wraak
+wilt nemen voor de beschimping, uw ezel aangedaan, draal dan niet
+en wees verzekerd, dat ik u met nuttige raadgevingen en wenken ter
+zijde zal staan."
+
+"Neen, edele heer, ik wil het maar liever blauwblauw laten; gedane
+dingen nemen toch geen keer," verklaarde de schildknaap. "Als ik mijn
+grauwtje maar weerom krijg, wil ik er verder geen water om vuil maken."
+
+"Welaan dan, Sancho," sprak de ridder, "indien dit werkelijk uw
+vast besluit is, willen wij die akelige schimmen en spooksels dan
+maar laten loopen en avonturen opzoeken, waarbij meer roem en eer
+is te behalen. Pak uw ezel bij den teugel: daar komt hij al vroolijk
+aandraven."
+
+Sancho ving zijn grauwtje op. Don Quichot wierp Rocinante om, en de
+opgejaagde zwerm komedianten keerde naar de verlaten kar terug.
+
+Den nacht, die op dezen dag volgde, brachten onze twee helden
+onder eenige lommerrijke boomen door. Zij zadelden af, verteerden
+hun avondkost uit den knapzak van den ezel, strekten zich toen, Don
+Quichot onder een eik, Sancho Panza onder een kurkboom, uit en waren
+spoedig in slaap.
+
+Een tijdlang snurkten beiden rustig en ongestoord; doch op eens
+rees Don Quichot overeind en keek rond. Hij had een ongewoon gerucht
+vernomen en ontdekte nu twee mannen te paard, van wie de een juist uit
+den zadel steeg en zeide: "Neem onze dieren de teugels af en laat ze
+grazen. Deze plaats schijnt rijkelijk met gras gezegend, en de stilte
+en eenzaamheid hier passen goed voor mijne rustzoekende gedachten."
+
+Na deze woorden wierp de nieuwe aankomeling zich op den grond, en
+zijne wapens maakten zulk een gedreun en gekletter, dat Don Quichot
+terstond begreep, dat hij hier een echten dolenden ridder voor zich
+had. Hij schudde Sancho bij den arm en kreeg hem, schoon niet zonder
+moeite, wakker.
+
+"Sancho, vriend Sancho," fluisterde hij, "een avontuur is nabij."
+
+"De hemel geve, dat het wat goeds is," antwoordde de schildknaap en
+wreef zich de oogen uit. "Waar is het dan?"
+
+"Kijk dien kant uit, vriend," antwoordde Don Quichot. "Gij zult
+een dolenden ridder, als ik ben, ontdekken, die zoo even van zijn
+strijdros steeg en zich onder het kletteren zijner wapenrusting op
+de aarde uitstrekte."
+
+"Ja, waarachtig, ik zie hem," verzekerde Sancho Panza. "Wat zullen
+wij met hem aanvangen?"
+
+Op dit oogenblik richtte de vreemde ridder, die dat gefluister
+vermoedelijk vernomen had, zich op en vroeg barsch: "Wie is daar? Wie
+spreekt daar? Behoort gij tot het getal der vergenoegden of tot het
+getal der mistroostigen?"
+
+"Wij behooren tot de mistroostigen," antwoordde Don Quichot.
+
+"Welaan, komt dan hier, opdat wij elkaar nader leeren kennen," sprak
+de vreemde ridder.
+
+Terstond stond Don Quichot op en naderde met Sancho den onbekende,
+die zich van het gras half oprichtte en onzen ridder uitnoodigde,
+aan zijne zijde plaats te nemen. Sancho Panza vervoegde zich
+intusschen bij den wapendrager van den vreemden dolenden ridder,
+en zij evenals de ridders begonnen elkaar nu hunne ontmoetingen en
+avonturen te vertellen. Na voor zijn collega een waar klaaglied te
+hebben aangeheven, begon Sancho Panza dit onderhoud echter al spoedig
+moe te worden en verlangde, daar hij onderwijl al weer honger had
+gekregen, uitermate zeer naar eenige gezonde hartsterking voor de maag.
+
+"De tong kleeft mij aan 't gehemelte," zuchtte hij.
+
+"Daar weet ik goeden raad voor," zeide zijn collega. "Ik heb een
+kostelijk middel tegen honger en dorst aan den zadelknop van mijn
+paard hangen."
+
+Met deze woorden stond hij op, en kwam al spoedig terug met een
+grooten, goed gevulden wijnzak en eene pastei, die wel een halve el
+hoog en breed was.
+
+"Ei, ei, maat, ben je van zoo'n teerkost voorzien?" vroeg Sancho en
+likte zich al de lippen.
+
+"Wel wis en zeker," antwoordde de vreemde schildknaap. "Denkt ge,
+dat ik mijn zwaren dienst heb aangenomen, om van water en brood
+te leven? 't Mocht wat! Ik eet en drink er zoo goed van, als menig
+generaal niet. Maar tast toe en laat je niet lang noodigen."
+
+Sancho liet ééne uitnoodiging genoeg zijn en at zonder er onnutte
+woorden bij te verliezen. In den donker stopte hij brokken zoo groot
+als een vuist in den mond. Toen hij zijn bekomst had, tastte hij naar
+den wijnzak, en men zou liegen, als men den dorstigen knaap nazei,
+dat hij de opening daarvan korter dan een kwartier achtereen aan den
+mond hield. Toen hij met slokken ophield, boog hij het hoofd op zij,
+haalde diep adem en zeide:
+
+"Hoor, ondeugend schermpje, ik wil gehangen worden, als deze wijn
+niet uit een klooster gestolen is."
+
+De vreemde lachte, zonder te antwoorden, en de beide kameraads praatten
+en dronken, totdat eindelijk de slaap hun de zware oogleden toedrukte.
+
+Terwijl zij in vrede rustten, verhaalde de vreemde ridder aan onzen Don
+Quichot, dat zijne hooge en edele uitverkorene Casildea van Vandalia
+werd geheeten, en dat zij onvergelijkelijk zoowel in schoonheid als
+in voornaamheid was.
+
+"Voor kort," zeide hij, "heeft zij mij opgedragen, alle provinciën van
+Spanje te doorkruisen en iederen dolenden ridder tot de bekentenis te
+dwingen, dat zij de aanminnigste schoonheid is, die ooit door de zon
+beschenen werd. Ik deed volgens haar bevel en wierp menigen ridder
+in het stof neder; maar waarop ik het meest trotsch ben, is een kamp
+met den beroemden ridder Don Quichot van La Mancha. Ook hem overwon
+ik in tweegevecht en dwong ik tot de verklaring, dat mijne gebiedster
+Casildea schooner is, dan de zijne, die Dulcinea heet."
+
+Toen onze Don Quichot den boschridder, dien hij in zijn gansche
+leven nog niet gezien had, aldus hoorde spreken, ontbrandde hij in
+geweldigen toorn, sprong op en riep:
+
+"Gij liegt, snoode en schandelijke ridder! Want weet, ik ben het,
+dien gij noemt, ik ben Don Quichot van La Mancha, bijgenaamd de Ridder
+van de Droevige Figuur. Kom op ten strijde, zoo gij moed daartoe hebt."
+
+De boschridder antwoordde zeer koelbloedig: "Dus zijt gij Don
+Quichot? Nu, dan moet wel de een of andere schelm zich voor u hebben
+uitgegeven, dien ik in de meening, dat gij zelf voor mij stondt, in
+het zand wierp. Dat schaadt evenwel niet, daar ik nu inhalen kan, wat
+ik toen verzuimde. Wacht nu echter den dag af, daar 't geen gebruik
+is, dat edele ridders hunne wapenfeiten in den donker volbrengen als
+roovers en gauwdieven. Over dag wil ik u staan, te voet en te paard,
+met zwaard en met lans."
+
+"Goed, daar ben ik tevreden mee, en ik stel voor, dat wij onze
+schildknapen wekken, zoodat zij tegen zonsopgang onze paarden getuigd
+en gezadeld hebben."
+
+Zij gingen naar de plaats, waar de twee in slaap lagen, wekten hen
+en bevalen hun, al het noodige tot den voorgenomen kamp gereed te
+maken. Sancho schrikte niet weinig, daar hij voor het leven en de
+gezondheid van zijn heer bijzonder bezorgd was. Nochtans waagde
+hij geen woord van tegenspraak, maar ging in stilte zijn werk
+verrichten. De andere schildknaap volgde zijn voorbeeld.
+
+"Hoor, broeder," sprak hij tot Sancho, "als onze meesters aan het
+vechten zijn, mogen wij de handen niet stil in den schoot leggen,
+maar moeten elkaar ook eens duchtig op 't jak zitten."
+
+"Dat reken ik heelemaal onnoodig," antwoordde Sancho Panza. "Ook heb
+ik nog nooit gehoord, dat schildknapen van dolende ridders zich met
+de zaken van hunne meesters bemoeiden, en buitendien ben ik niet eens
+een zwaard rijk."
+
+"O, dat doet er niet toe," zeide de ander. "Wij vullen een paar linnen
+zakjes met keisteentjes en slaan elkaar daar zoo lang mee om de ooren,
+tot een van ons op den grond ligt."
+
+"Kijk, bij mijns vaders baard, dat zou een groote gekheid wezen!" riep
+Sancho. "Neen, ik ben er niet op gesteld, dat men mij kop en schonken
+bont en blauw beukt."
+
+"En toch moeten wij op zijn minst een half uurtje lang samen vechten,"
+zei de vreemde schildknaap; "en als ge niet wilt, dan zal ik je zoo
+lang om de ooren slaan, tot ge wel weerom slaat."
+
+"O," riep Sancho, die nu boos werd, "als ge me zoo aankomt, zal ik
+een knuppel pakken en je afranselen, tot je geen raad meer weet. Volg
+mijn raad en zet je die vechterijen uit de malle hersens. Zoo niet,
+dan zeg ik je, dat al 't ongeluk, dat er uit ontstaat, op je eigen
+rekening komt."
+
+"Goed, goed," bromde de ander; "'t wordt gauw dag, en dan zullen we
+wel nader zien."
+
+Onderwijl begonnen de vogeltjes op de takken rond te huppelen en
+hunne fijne stemmetjes te laten hooren; het morgenrood verguldde
+den hemel en de dauw viel in flonkerende parels op bloem en kruid
+neer. Nauwelijks echter liet het licht van den dag de voorwerpen
+duidelijk onderscheiden, of Sancho Panza zag een ding, dat hem allen
+moed uit het harte dreef en hem eene rilling over den rug joeg. En
+dat ding was--de neus van zijn collega, den vreemden schildknaap.
+
+Die was van buitensporige grootte, gebogen als een vogelsneb, met
+wratten en puisten bezaaid en vertoonde alle kleurschakeeringen
+van het zachte rozerood tot het donkerst purper toe. Sancho Panza
+kreeg zoo'n schrik van dien neus, dat hij in stilte besloot, zich
+liever tweehonderd oorvijgen te getroosten, dan zich met zulk een
+vogelverschrikker in een gevecht in te laten.
+
+Intusschen nam ook Don Quichot zijn tegenstander op, die een stevig,
+gezet en grof gespierd man was. Over zijn harnas droeg hij een
+wapenrok van 't fijnste goudlaken, die van onder tot boven met kleine
+halvemaanvormige spiegeltjes was bezet, wat bij iedere beweging eene
+zeer aardige vertooning maakte. Van zijn helm hing een zware pluimbos
+neer, en zijne lans, die tegen een boom geleund stond, was buitengewoon
+dik en lang en met een lange stalen punt gewapend.
+
+Uit dit alles maakte Don Quichot op, dat hij eene kloeke tegenpartij
+had te bekampen; doch zijn bekende en beproefde heldenmoed geraakte
+daardoor geen oogenblik aan het wankelen. Veeleer daagde hij hem,
+zonder nog zijn door het vizier van den helm bedekt aangezicht gezien
+te hebben, op staanden voet ten kampstrijd uit, en beide ridders
+bestegen onmiddellijk hunne rossen.
+
+Om de vereischte ruimte tot kampplaats te winnen, maakte Don Quichot
+eene korte wending met zijn paard, en de spiegelridder volgde zijn
+voorbeeld. Terstond daarop stonden zij tegen elkaar over en sloegen,
+als om afscheid van de wereld te nemen, nog eens een blik in het
+rond. Nu kreeg Don Quichot ook den vervaarlijken neus van den vreemden
+schildknaap in het oog en verwonderde zich er niet minder over dan
+Sancho, die op ditzelfde oogenblik kwam aanloopen, om zijn meester
+eene dringende bede in het oor te fluisteren.
+
+"Heer ridder," zei hij, "ik bid u in 's hemels naam mij op gindschen
+kurkboom te helpen, omdat ik daar uit de hoogte het vreeselijk slagveld
+veel beter zal kunnen overzien."
+
+"Hoor, Sancho," antwoordde Don Quichot, "ik vrees, dat gij enkel en
+alleen zoo hoogop wilt, om uw armzalig lijf in veiligheid te brengen."
+
+"Nu, nu, om de waarheid te zeggen, wil ik wel bekennen, dat ik wat
+bang voor dat gruwelijk neuswerk ben," betuigde de knaap. "Dat jaagt
+mij zoo'n schrik aan, dat ik 't er onmogelijk dicht bij uithouden kan."
+
+"Ja, ja, die neus is een afgrijselijk ding," zei Don Quichot,
+"en maak dus maar gauw, dat ge naar boven komt."
+
+Terwijl Don Quichot zijn schildknaap een handje hielp, om op een
+tak te komen, spoorde de spiegelridder zijn ros aan, om zijn vijand
+met knaap en al overhoop te rennen. Daar nu evenwel zijn hengst een
+knol van de gemeenste soort was, bleef die midden in zijn vaart staan
+en kuchte en hijgde zoo erbarmelijk, dat men wel bijkans medelijden
+moest krijgen met het arme beest, dat van lamlendigheid haast niet
+op zijne vier pooten kon blijven staan.
+
+Don Quichot had intusschen zijn knaap in veiligheid gebracht en,
+door zulk een verraderlijk gedrag in blakende grimmigheid ontstoken,
+gaf hij Rocinante nu met zooveel geweld de sporen, dat hij in vollen
+galop op den nu roerloos wachtenden spiegelridder instoof. In het
+midden van de baan bereikte hij dien en trof hem met zijne lans zoo
+geweldig in de zijde, dat de snoode man in den zadel waggelde en
+ruggelings over zijn paard heen ter aarde tuimelde. De bons, dien
+hij kreeg, was zoo geducht, dat hij stokstijf bleef liggen en Don
+Quichot zelf geloofde, dat hij zoo dood als een pier was.
+
+Zoodra Sancho hem zag rollen, liet hij zich schielijk weer uit
+zijn boom neerglijden en kwam toe op zijn heer, die uiterst bedaard
+van Rocinante was gestegen en zich over den gevelden spiegelridder
+neerboog. Hij gespte hem den helmband los, om hem lucht te verschaffen
+en te zien, of hij wis en wezenlijk dood was, en aanschouwde nu tot
+zijne allerovergrootste verbazing het aangezicht van--van den heer
+Sanson Carrasco, denzelfden, van wien hij zijn fraaien helm ten
+geschenke had gekregen.
+
+"Sancho!" riep hij, "Sancho Panza, kom hier en zie met eigen oogen,
+welke kunstenarijen die snoode toovenaars aanwenden, om mijn zinnen
+te verbijsteren en mij geheel op 't dwaalspoor te brengen."
+
+Sancho kwam reeds aansjokken en zette het bij dien toeroep op een
+drafje. Bij 't zien van het bleeke aangezicht van Carrasco sloeg hij
+van louter verbaasdheid een kruis en spoorde zijn heer aan, om den
+gevallene maar zonder omslag het zwaard tusschen de tanden in te boren
+en zoodoende aan die verfoeielijke tooverij op eens een einde te maken.
+
+"Dat zou zoo verkeerd niet wezen," zeide Don Quichot en trok zijn
+zwaard, om Sancho's raad onverwijld op te volgen. Evenwel werd hem
+dat nog bijtijds belet, daar de schildknaap van den gevallene, hoewel
+thans zonder zijn groot neuswerk, op een drafje kwam aanloopen en al
+van verre bad en smeekte, dat men zijn armen heer toch sparen mocht.
+
+"Kijk wel toe, gestrenge heer!" lamenteerde hij. "Die man daar aan
+uwe voeten is wis en vast Sanson Carrasco, uw goede vriend, en ik
+ben zijn alleronderdanigste knecht en dienaar."
+
+"Maar waar heb je dan je neus gelaten?" vroeg Sancho Panza, als ten
+toppunt van verbazing, toen hij dat schrikbarend uitsteeksel niet
+meer ontdekte.
+
+"Dien heb ik hier in mijn zak," antwoordde de knaap en haalde een
+ding van beschilderd bordpapier voor den dag.
+
+"Wat is dat?" schreeuwde Sancho, toen hij den vreemde nu eens goed
+had aangekeken. "Waarachtig, 't is Tomé Cecial, mijn naaste buurman!"
+
+"Geen mensch anders, mijn oude vriend Sancho Panza," zei de ander;
+"en als ge een weinigje geduld hebt, wil ik je van haver tot gort
+vertellen, hoe en waartoe ik hierheen ben gekomen. Verzoek uwen
+dapperen heer echter eerst, dat hij den armen spiegelridder geen kwaad
+doet; want het is wezenlijk de heer Sanson Carrasco, zijn oude vriend."
+
+Intusschen was de spiegelridder weer tot bezinning gekomen; en zoodra
+Don Quichot dat bemerkte, hield hij hem de punt van zijn zwaard voor
+het gezicht en sprak:
+
+"Gij zijt een kind des doods, zoo gij niet oogenblikkelijk erkent,
+dat mijne hooge gebiedster Dulcinea van Toboso de uwe, Casildea van
+Vandalia, in schoonheid ver overtreft."
+
+"Dat erken ik! Dat erken ik!" riep de spiegelridder, die in zijn
+hulpeloozen toestand natuurlijk niet zeer op zijn gemak was. "Casildea
+is niet waard, uwe Dulcinea de schoenriemen los te binden. Laat mij in
+'s Hemels naam maar opstaan, gestrenge heer!"
+
+"Erken eerst nog, dat gij nu en nooit mij, Don Quichot van La Mancha,
+den Ridder van de Droevige Figuur, in tweegevecht hebt overwonnen, en,
+hoewel gij in uitzien veel op Sanson Carrasco gelijkt, toch niet die,
+maar een heel ander zijt."
+
+"Dat erken ik! Dat erken ik!" riep de spiegelridder nogmaals in zijn
+doodelijken angst. "Ik beken alles, wat gij wilt, als gij mij maar
+eerst laat opstaan en mijne gekneusde ledematen wrijven, die van den
+val deerlijk geleden hebben."
+
+Don Quichot stak thans bevredigd zijn zwaard op en hielp den
+overwonnen ridder op de been. Beschaamd en neerslachtig trok deze
+met zijn schildknaap zijns weegs; maar Don Quichot en Sancho Panza
+vervolgden met fiere harten hun tocht, en de Ridder van de Droevige
+Figuur bleef onverzettelijk bij zijne meening, dat hij een vijand
+had geveld, dien een vijandig gezind toovenaar naderhand, om den
+overwinnaar te ergeren en den overwonnene te redden, in den persoon
+van Sanson Carrasco had veranderd.
+
+Dit was echter, gelijk wij uit goede bron weten, in geenen deele het
+geval. De overwonnen dolende ridder was wel waarlijk Sanson Carrasco,
+die uitgetrokken was om Don Quichot van zijne dwaasheid te genezen. In
+de verwachting, dat het hem niet zwaar zou vallen den dolenden ridder
+te overwinnen, had hij dien tot een nieuwen tocht aangespoord en
+besloten Don Quichot, als hij hem meester was geworden, te gelasten
+stilletjes naar zijn dorp terug te keeren en dat in de eerste twee
+jaren niet weder te verlaten.
+
+Nu echter was dat anders uitgevallen. In plaats van victorie te
+kraaien, moest Sanson Carrasco met hangende pootjes aftrekken. Hij
+peinsde op wraak; maar Don Quichot was blij en welgemoed en had den
+overwonnene spoedig weer vergeten.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVII.
+
+HET AVONTUUR MET DE LEEUWEN EN ANDERE WONDERLIJKE GESCHIEDENISSEN.
+
+
+Den grooten weg volgende, haalde Don Quichot een goed gekleed,
+oudachtig heer in, met wien hij zich, daar hij in alles, wat niet
+met die dwaasheid van het dolend ridderschap in verband stond, een
+hoogst beschaafd en verstandig man was, op recht aangename wijze wist
+te onderhouden. Hij geraakte zóo met hem in 't gesprek verdiept, dat
+Sancho Panza, die den helm zijns meesters aan zijn zadelknop droeg,
+zich ongemerkt van zijne zijde verwijderen en bij eenige herders
+vervoegen kon, die op een naburig veld hunne schapen weidden. Hij
+wilde wat melk van hen vragen, waarop hij ontzettend belust was.
+
+Nog was Sancho bij de herders, toen Don Quichot toevallig opkeek en
+eene kar in het oog kreeg, die, met vele bonte vaantjes en wimpels
+versierd, regelrecht op hem toekwam. Daar hij terstond een nieuw
+avontuur vermoedde, riep hij met luider stemme aan Sancho om zijn helm.
+
+De schildknaap vernam het dringend roepen van zijn heer juist op het
+oogenblik, toen hij van de herders een paar vette, weeke kaasjes
+had gekocht. Inderhaast wist hij niet, waar hij die bergen zou,
+en daar hij ze reeds betaald had, wilde hij ze toch liefst niet in
+den steek laten. In deze verlegenheid viel zijn oog op den helm,
+die hem op eens op een gelukkigen inval bracht. Hij stopte de kaasjes
+in zijns meesters ijzeren hoofddeksel en kwam nu haastig aandraven,
+om te vernemen, wat Don Quichot van hem verlangde.
+
+"Geef mij mijn helm, Sancho!" riep de dolende ridder vol
+ongeduld. "Mijn helm hier! Haast u, want nu staat ons een avontuur
+te wachten, waarvan het late nageslacht nog gewagen zal."
+
+Driftig rukte hij Sancho, die nog geen tijd gehad had, om zijne
+kaasjes in veiligheid te brengen, den helm uit de hand en drukte dien,
+zonder te bemerken, dat er iets in was, stevig op zijn hoofd. Daar
+nu de kaas nog versch was en door de zwaarte van den ijzeren helm
+niet weinig geperst werd, zoo begon natuurlijk de vettige melkpap al
+spoedig over Don Quichots haar, gezicht en baard neer te druppelen en
+'t hem niet weinig lastig te maken.
+
+"Sancho," riep hij ontsteld, "Sancho, wat is dat hier? 't Is, alsof
+mij de hersenen gaan smelten, of 't mij schemerachtig voor de oogen
+wordt, of 't gulle zweet mij van alle kanten uitbreekt. Geef mij wat,
+om mij af te drogen, want die bijtende zweetdroppels zullen mij anders
+stekeblind maken."
+
+Zonder een woord te zeggen, reikte Sancho den ridder een vuilen,
+vettigen doek toe en was in zijn hart maar blij, dat Don Quichot in
+zijn ongeduld den eigenlijken aard van dat lastig zweet niet nader
+onderzocht.
+
+De ridder merkte intusschen toch onraad en nam, na zich zoo wat
+afgeveegd te hebben, den helm af, om zijn zweetenden schedel eens te
+betasten. En toen hij nu aan zijne vingers dat witte kaasdeeg zag en
+daaraan rook, begreep hij 't gansche geval en maakte zich. ontzettend
+driftig.
+
+"Schandelijke, verraderlijke, laaghartige en arglistige knaap,"
+barstte hij los, "'t is kaas, wat gij daarin gestopt hebt! Kaas,
+bij het leven en de schoonheid mijner hooge dame Dulcinea van Toboso!"
+
+Ofschoon Sancho Panza eerst geducht schrikte, herstelde hij zich toch
+spoedig en kreeg zijne gewone onbeschaamdheid terug.
+
+"Ei, als 't werkelijk kaas is, edele heer," sprak hij, "geef die mij
+dan, want op kaas ben ik dol. Schoon neen, de duivel mag haar eten,
+want die alleen kan ze daarin getooverd hebben. Gij zult toch niet
+gelooven, edele ridder, dat ik ooit de stoutheid zou hebben, uw
+helm te verontreinigen? De hemel moge mij voor zulke heiligschennis
+behoeden! Misschien vervolgt mij en u een snoode toovenaar, die
+de kaas er alleen indeed om u te vertoornen en mij daardoor een
+dracht slagen te bezorgen. Maar ik ben zeker, dat hem ditmaal zijne
+list niet gelukken zal, want mijn edele heer is veel te verstandig,
+om niet in te zien, dat ik de kaas, als ik die namelijk gehad had,
+honderdmaal liever in mijn maag dan in uw helm zou hebben geborgen."
+
+"Dat komt mij wel waarschijnlijk voor," zeide Don Quichot, nu weer
+ten volle tevredengesteld.
+
+Zonder zich aan het verwonderd gezicht te storen van den heer die
+hem gezelschap hield, reinigde hij zich ten volle van de vettige
+brij, zette toen zijn helm weer op, stond overeind in de beugels,
+keek naar zijn zwaard, velde de lans en riep vol kamplust en moed:
+"Kome nu, wie wil! Hier sta ik en voel de kracht in mij, om het zelfs
+tegen den baarlijken duivel op te nemen."
+
+Onderwijl naderde de met vaantjes versierde kar, en het bleek nu,
+dat daar niemand bij was dan de voerman met zijne muilezels en een
+man, die op het voorste bankje zat. Don Quichot plaatste zich toen
+midden in den weg en vroeg:
+
+"Wie zijt gij, menschen? Waar gaat gij heen? Wat voor een wagen is
+dat? Wat hebt gij daarin? En wat moeten die vlaggetjes daar beduiden?"
+
+"Heer," antwoordde de voerman, "die kar is mijn eigendom, en er
+zijn twee geweldige leeuwen in, die de stadhouder van Oran aan zijne
+majesteit den koning ten geschenke zendt. Die vaantjes beduiden alleen,
+dat de inhoud der kar 's konings eigendom is."
+
+"Zijn de leeuwen groot en sterk?" vroeg Don Quichot.
+
+"Zeker, edele heer!" antwoordde de man. "Ze zijn grooter en sterker dan
+er ooit nog uit Afrika naar Spanje zijn gekomen. Ik heb al veel leeuwen
+gezien, maar huns gelijken nog niet. Hier in het voorste hok zit de
+leeuw en in dat andere de leeuwin. Ze zijn nu ontzettend hongerig,
+daar ze vandaag nog geen voêr hebben gehad, en ik verzoek dus, dat
+de heeren uit den weg gaan en ons doorlaten, zoodat wij spoedig naar
+eene plaats komen, waar vleesch is te krijgen."
+
+"Ik voor zoo'n paar ellendige leeuwen uit den weg gaan?" vroeg Don
+Quichot met minachting. "Zie mij aan, of ik de man daarnaar ben! Gauw
+afgestapt, goede man, en de hokken geopend, zoodat de beestjes naar
+buiten kunnen komen! Hier midden op het open veld wil ik met hen
+vechten en hun toonen, wie Don Quichot van La Mancha, de Ridder van
+de Droevige Figuur, is. Kom af, zeg ik, en voor den dag met de twee,
+in spijt van al de toovenaars, die ze mij zeker in den weg hebben
+gezonden."
+
+De vreemde heer zag Don Quichot met groote oogen aan en meende zeker,
+dat het hem eensklaps in het hoofd was geslagen. In zijn bitteren
+angst en benauwdheid wendde Sancho Panza zich tot hem en smeekte hem
+in roerende bewoordingen althans eene poging te doen, om den ridder
+van zijne roekelooze onderneming terug te houden.
+
+"Ik bid u in Gods naam," smeekte hij, "maak toch, dat mijn meester
+zich niet met dat wilde gedierte inlaat, dat ons zeker in stukken
+zal scheuren."
+
+"Maar wil uw heer dan wezenlijk die dieren bevechten?" vroeg de
+vreemde. "Is hij dan geheel razend en dol?"
+
+"Dol en razend niet, maar zoo moedig, dat er geen houden aan is,"
+verzekerde Sancho.
+
+"Nu, dan wil ik mijn best doen, om ongelukken voor te komen," zeide
+de vreemde en keerde zich tot Don Quichot, die den leeuwenhoeder nog
+altijd drong de hokken te openen en de dieren vrij te laten.
+
+"Heer dolend ridder," sprak hij tot Don Quichot, "voor zoover mij
+bekend is, moeten alle helden slechts zulke avonturen bestaan, die hun
+kans laten op levensbehoud. Door zich met andere dingen in te laten
+verraden zij meer dwaasheid dan kracht en verdienen geen lof, maar
+berisping. Laat dus, bid ik u, deze leeuwen met rust; zij komen aan
+zijne majesteit den koning toe en worden niet ongestraft aangeroerd."
+
+"Mijn beste heer," antwoordde Don Quichot, "bemoei gij u met uwe hazen
+en patrijzen en laat mij mijn werk doen, gelijk dat mij goeddunkt. De
+kamp met deze leeuwen behoort daartoe, en ik verzoek u, dat gij u
+daar niet verder mee bemoeit."
+
+De heer zweeg, daar hij begreep, dat zijn spreken toch niet baatte,
+terwijl Don Quichot zich opnieuw tot den leeuwenhoeder wendde en sprak:
+
+"Gij schandelijke en plichtvergeten dienaar! als gij niet op staanden
+voet gehoorzaamt, zweer ik, dat ik u met deze lans aan uw hok vast
+zal nagelen."
+
+Nu de man zag, dat het den geharnasten ridder ernst was, durfde hij
+zich niet langer verzetten en zeide: "Ieder hier tegenwoordig kan
+getuigen, dat ik alleen door geweld ben gedwongen geworden de kooi
+der leeuwen te openen en het eigendom des konings op het spel te
+zetten. Alle schade en alle onheil, dat daaruit ontstaan kan, gaat
+mij niet aan, maar alles moet naar billijkheid en recht op rekening
+van dezen ridder komen. Maakt plaats, mijne heeren, bergt u, voordat
+ik de grendels openschuif."
+
+"Heer," keerde de voerman zich thans tot Don Quichot, "vergun althans,
+dat ik mijne muilezels afspan en in veiligheid breng. Als de leeuwen
+mijne dieren ombrengen, ben ik voor altijd mijne kostwinning kwijt."
+
+"Gij zijt een dom mensch," riep de ridder verstoord. "Denkt gij, dat ik
+aan de leeuwen tijd zal laten, om uwe dieren aan te vallen? Mijnentwege
+doe echter, wat gij wilt; maar gij zult zien, dat gij nutteloos werk
+gedaan hebt."
+
+Niettegenstaande deze verzekering spande de man in aller ijl zijn
+trekvee af, en gedurende dien tijd trachtte de vreemde heer den
+ridder nogmaals tot andere gedachten te brengen. Deze bleef echter
+onverzettelijk bij zijn opzet volharden.
+
+"Wilt gij niet getuige zijn van den kamp, dien ik hier op het open
+veld beginnen zal, spoor dan uw schimmel aan en maak u uit de voeten,"
+zeide hij.
+
+Thans deed ook nog Sancho Panza een goed woord en smeekte met tranen
+in de oogen zijn meester, toch van zijn voornemen af te zien.
+
+"Dit avontuur is zoo vreeselijk," zei hij, "dat al, wat wij reeds
+beleefd hebben, er maar kinderspel bij was. Hier is geen tooverij
+of hekserij in 't spel, maar alles is wis en wezenlijk ernst. Ik heb
+tusschen de ijzeren tralies door in 't hok gekeken en daar de klauwen
+van den leeuw gezien, die ontzettend lang en breed zijn. 't Is een
+dier, zoo groot als een berg, heer."
+
+"Uwe benauwdheid zal het nog grooter maken dan de halve wereld,"
+zei Don Quichot. "Maak maar, dat ge weg komt, Sancho! Mocht ik bij
+den zwaren strijd, die mij te wachten staat, het leven laten, spoed
+u dan naar mijne gebiedster Dulcinea van Toboso en maak haar bekend
+met mijn dood."
+
+Na deze woorden begrepen allen, dat met Don Quichot niets meer was
+aan te vangen en dat men hem stil zijn gang moest laten gaan. Zoo
+dreef dan de voerman zijne muilezels op zij, bracht de vreemde heer
+zijn schimmel in veiligheid en zorgde Sancho Panza, dat hij met zijn
+grauwtje op eerbiedigen afstand kwam. En toen gebood de ridder op
+dreigenden toon, dat men de hokken zou openen.
+
+Ziende, dat alle menschen en dieren buiten gevaar waren, bracht de
+leeuwenhoeder Don Quichot nogmaals onder het oog, welk eene roekelooze
+onderneming hij voorhad, en waarschuwde hem ernstig zich toch niet
+zoo moedwillig in gevaar te begeven. Don Quichot luisterde daar
+echter niet naar. Terwijl de man talmde en nog steeds tijd zocht
+te winnen, overlegde hij, of het niet beter zou zijn, den kamp te
+voet, in plaats van te paard te beginnen, en besloot eindelijk tot
+het eerste, omdat hij vreesde, dat Rocinante bij het zien van het
+vreeselijk roofdier schuw en wild zou worden. Hij sprong dus van het
+paard, wierp zijne lans op den grond, dekte zijne borst met het schild,
+trad met ontbloot zwaard voor de deur van het hok en beval zijne ziel
+Dulcinea van Toboso aan.
+
+Toen de leeuwenhoeder nu zag, dat Don Quichot ten volle bedaard
+en beraden was, en dat hij hem dus wel zijn zin diende te geven,
+rukte hij de deur van het eerste hok, waarin de leeuw zat, wagenwijd
+open. De leeuw, werkelijk een dier van buitengewone grootte en
+schrikinboezemende gestalte, keerde zich om in zijn kooi, schoof zijn
+voorpooten vooruit en rekte zich. Daarop ontsloot hij zijn ontzettenden
+muil, spalkte dien wijd open en gaapte zeer majestueus. Vervolgens stak
+hij de bloedroode tong uit, likte zich de oogen, trad met langzamen
+tred vooruit, stak zijn geweldigen kop buiten het hok, liet zijne
+gloeiende oogen naar alle zijden rondrollen en nam eene houding aan,
+die iedereen met ontzetting zou vervuld hebben. Don Quichot week
+echter niet terug, maar nam het vreeselijk dier kalm en bedaard op
+en wenschte zelfs, dat het dadelijk van den wagen springen en den
+kamp met hem beginnen mocht.
+
+Na echter het landschap en zijn uitdager eene poos bedaard te hebben
+aangekeken, schudde de leeuw langzaam zijn kop en--draaide zich om,
+Don Quichot den rug toekeerend. Met de grootste onverschilligheid
+strekte hij zich vervolgens op de planken uit en scheen zich om niets
+ter wereld meer te bekommeren.
+
+"Jaag hem op!" riep Don Quichot den leeuwenhoeder toe. "Stoot, sla,
+schop, terg en sar hem, tot hij uit zijn hok komt."
+
+"Ja, ja, dat zal ik wel uit mijn hersens laten," riep de man. "Als ik
+hem aanraakte, zou hij mij allereerst beetpakken, en dat is een ding,
+waarvoor ik hartelijk bedank. Vergenoeg u met wat gij gedaan hebt,
+heer ridder, en wees verzekerd, dat het meer is, dan één menschenkind
+u zou durven nadoen. Stel u niet voor de tweede maal bloot en bedenk,
+dat gij alles gedaan hebt, wat men van een held kan verlangen. De deur
+staat open, de leeuw is uitgedaagd, gij staat tot den kamp bereid. Wil
+uw vijand niet vechten, dan is aan hem de schande en oneer en aan u
+de zege en de roem."
+
+"Dat is waar!" riep Don Quichot uit. "Sluit de deur weer toe, vriend,
+en geef mij de getuigenis, dat ik werkelijk alles gedaan heb, wat
+mij geoorloofd was. Gij hebt den leeuw de deur opengezet; ik heb hem
+opgewacht, maar hij is niet gekomen; eindelijk heb ik nog een poos
+gewacht, en hij is weer niet verschenen, maar is naar den versten hoek
+van zijn kooi gekropen en heeft zich daar lafhartig neergelegd. Meer is
+niet noodig, om mijne dapperheid in vollen glans te vertoonen, en gij
+moogt dus vrij de deur sluiten, terwijl ik onze gevluchte vrienden wil
+terugroepen, opdat zij uit uw mond het verhaal van mijne daden hooren."
+
+De wachter sloot het hok weer toe, en Don Quichot bond den doek,
+waarmee hij de kaas van zijn gezicht had gewischt, aan zijne lans,
+om daarmee de anderen terug te roepen. Te gelijk verhief hij zijne
+stem en riep: "Sancho! Sancho!" dat het wijd over het veld klonk.
+
+Sancho Panza vernam dien roep, keerde zich om, zag het witte vaantje
+en zei: "Ik laat mij levend villen, als mijn heer de wilde beesten
+niet overwonnen heeft; want zie, hij wenkt ons en zijn vaan wappert
+in den wind."
+
+Ook de anderen zagen het gegeven teeken, en hunne harten, die tot nog
+toe met angst vervuld waren geweest, werden gerust. Zij keerden naar
+de kar terug en waren zeer verlangend, de toedracht en den afloop
+van den gewaagden kamp te vernemen.
+
+"Span uwe muilezels weer voor," riep Don Quichot den voerman toe;
+"span ze voor en vervolg ongehinderd uwe reis. En gij, Sancho, geef
+den leeuwenhoeder twee goudguldens tot vergoeding omdat hij zich zoo
+lang heeft opgehouden."
+
+"Die goudguldens wil ik hem wel geven," antwoordde de schildknaap;
+"doch zeg mij eerst, wat er van de leeuwen geworden is. Zijn ze al
+dood, of hebben ze er 't leven afgebracht?"
+
+"Wend u tot dezen man," sprak Don Quichot met trotschheid; "hij zal
+u berichten, hoe de zaak is afgeloopen."
+
+Sancho talmde hier dan ook niet mee, en de leeuwenhoeder vertelde
+uitvoerig de geheele geschiedenis en kon niet genoeg roemen, hoe
+uitstekend dapper en heldhaftig de ridder zich in dit geval gedragen
+had. De leeuw scheen reeds bij zijne eerste verschijning door schrik
+aangetast en was, in plaats van den aangeboden kamp aan te nemen,
+lafhartig naar den versten hoek van zijn hok teruggeweken; en daar hij,
+de leeuwenhoeder, den dapperen Don Quichot nu gezegd had, dat het
+roekeloos zou zijn, den leeuw nog verder te tergen, had de ridder,
+hoewel ongaarne, hem eindelijk vrijheid gegeven de deur van het hok
+weer dicht te doen.
+
+"Wat zegt gij daarvan, Sancho?" vroeg Don Quichot vol fierheid. "Daar
+ziet gij nu uit, dat alle betooveringen tegen ware dapperheid en
+echten heldenmoed geen zier kunnen uitrichten."
+
+Sancho haalde stilzwijgend de schouders op en stopte den leeuwenhoeder
+de twee goudguldens in de hand, waarna deze laatste beloofde de
+koenheid van Don Quichot overal te zullen uitbazuinen en zelfs te
+zorgen, dat die zijne majesteit den koning ter oore kwam.
+
+"Goed, dat moogt gij doen," sprak Don Quichot; "en als de koning u naar
+mijn naam mocht vragen, kunt gij antwoorden, dat het de "leeuwenridder"
+is, die de stoute daad gewaagd heeft. Voortaan namelijk wil ik, een
+overoud heilig gebruik volgend, dezen bijnaam voeren en daarentegen
+dien van "Ridder van de Droevige Figuur" afleggen. Dat hebben vóór
+mij reeds vele dolende helden gedaan, en ik wil hun doorluchtig
+voorbeeld volgen."
+
+De kar reed nu weg en Don Quichot vervolgde met zijn klein gezelschap
+den vroeger ingeslagen weg naar Saragossa.
+
+Het duurde nu niet lang, of zij kwamen eene beroemde grot, het
+zoogenaamde hol van Montesinos, voorbij, waarvan allerlei wonderbare
+dingen verteld worden, en de vreemde heer maakte daar Don Quichot
+opmerkzaam op. Terstond betoonde deze grooten lust het inwendige te
+bezien; doch de vreemde ried hem dit af, omdat men er niet anders
+in kon komen, dan door zich aan lange touwen in de diepte te laten
+neerzakken.
+
+"En al zou ik er voor in de hel komen, toch moet ik de grot bezien,"
+verklaarde Don Quichot en reed regelrecht op het naaste dorp aan,
+om daar te overnachten en zich van de vereischte touwen en strikken
+te voorzien. Hij kocht daarvan tot eene lengte van honderd vaam,
+en begaf zich den anderen dag met den vreemden heer en met Sancho
+Panza naar de gevaarlijke plaats.
+
+Na den middag te twee uren kwamen zij daar aan en vonden den toegang
+tot de grot vrij breed, ruim en slechts weinig door doornen en ander
+struikgewas bedekt en verdonkerd. Zij stegen af, en Don Quichot werd
+vast en stevig aan een touw gebonden, om zonder verwijl in de diepte
+te worden neergelaten.
+
+"Heer," zeide Sancho Panza, terwijl zij daarmee bezig waren, "heer,
+bezin, eer gij begint, en bedenk nog eens goed, wat gij doet. Nog
+niemand heeft het eind van de spelonk bereikt, en niemand dwingt u
+zulk een gevaarvol stuk te ondernemen. Blijf stilletjes hier boven
+en neem goeden raad van mij aan."
+
+"Houd den mond, Sancho, en bind maar de touwen vast," antwoordde Don
+Quichot op deze welgemeende waarschuwing. "Juist zulk eene onderneming,
+die nog niemand gelukt is, past voor mij."
+
+De schildknaap zweeg en liet verdrietig de lip hangen. Toen nu
+echter Don Quichot stevig was vastgebonden, knielde hij neder, riep
+de krachtdadige bescherming van zijne Dulcinea in en naderde toen
+den afgrond, waarin hij zich wilde laten neerzakken. Voordat hij
+aan den rand kwam, moest hij echter met zijn zwaard zich een weg
+door het struikgewas banen, dat voor den ingang der grot welig was
+opgeschoten. Het door het kraken en breken der takken veroorzaakte
+gerucht joeg eene ontzettende menigte raven, kraaien, uilen en
+vleermuizen op, die tot hiertoe in ongestoorde rust in de grot
+genesteld hadden, en zij stoven met zooveel geweld op Don Quichot los,
+dat die daardoor overhoop werd geworpen en zoo lang als hij was op
+den grond kwam te liggen.
+
+Ieder ander, dan onze onverschrokken ridder, zou deze omstandigheid
+als een noodlottig voorteeken hebben beschouwd; doch hem versterkte
+zij slechts in zijn heldhaftig voornemen. Toen al dat fladderend
+roofgedierte zich een uitweg had gebaand, sprong hij in den afgrond
+neer; de vreemde heer en Sancho Panza vierden langzaam de lijn,
+en Don Quichot verdween aldra in de donkere, gapende diepte.
+
+"De hemel behoede u, gij pronk en sieraad van de dolende
+ridderschap!" riep Sancho Panza hem na. "Daal neer, gij hoofd van
+ijzer, hart van staal en arm van metaal! Moogt gij behouden het
+daglicht weer aanschouwen, waarvan gij daar in den afgrond niet heel
+veel te zien zult krijgen."
+
+Onderwijl schreeuwde Don Quichot voortdurend, dat zij nog maar meer
+touw zouden vieren, tot in 't eind het geluid zijner stem niet langer
+tot hen opstijgen kon. Ten laatste liep de lijn echter toch ten einde,
+en nu wachtten zij een half uur, voordat zij haar weder optrokken. Toen
+zij hiermee begonnen, scheen zij hun echter zoo licht en onbezwaard
+toe, dat zij vreezen moesten, dat Don Quichot zich had losgemaakt en
+in de diepte was achtergebleven, wat Sancho tranen met tuiten deed
+schreien en zich al zijn best reppen, om toch maar spoedig zeker te
+zijn van de zaak. Op eens echter, toen reeds tachtig vaam van de lijn
+was ingehaald, voelden zij een zwaren last en bemerkten al spoedig,
+dat Don Quichot tegen vermoeden toch nog aan het touw hing. Zij
+trokken en trokken met al hunne kracht, en vol blijdschap riep Sancho
+naar beneden:
+
+"Welkom, welkom, gestrenge heer! Wij waren al bang, dat wij uw edel
+aangezicht nooit meer aanschouwen zouden."
+
+Don Quichot antwoordde niet op dezen vriendelijken toeroep, en toen
+zij hem eindelijk goed en wel boven hadden, zagen zij, dat zijne
+oogen gesloten waren en dat hij in vasten slaap lag. Zij legden hem
+op den grond, bevrijdden hem van zijne banden en hoopten, dat hij
+nu vanzelf wel weer wakker zou worden. Dit gebeurde echter niet,
+en zij moesten hem lang knijpen en schudden, rollen en omkeeren,
+voordat hij ten laatste weer tot bezinning kwam, de oogen opsloeg,
+zich rekte en strekte en in alles deed als iemand, die uit eene zwaren
+droom ontwaakt. Verschrikt keek hij rond en eene rilling liep hem
+over de leden, toen hij zich weder op de bovenwereld verplaatst en
+den blauwen hemel boven zijn hoofd zag.
+
+"O, mijne vrienden," sprak hij op klagenden toon, "waarom hebt gij mij
+aan den zoetsten toestand ontrukt, waarin ik ooit in mijn leven heb
+mogen verkeeren? Een hemelsch aanminnig gezicht heb ik aanschouwd,
+en nu eerst zie ik in, dat alle genietingen van dit ondermaansche
+slechts nesterijen en kinderspel zijn, dat zij verdwijnen als een
+schaduw, en verwelken gelijk de bloemen des velds."
+
+"Maar, sakkerloot, heer, wat hebt gij dan daar wel in die hel te zien
+gekregen?" vroeg Sancho.
+
+"Eene hel noemt gij dat?" riep Don Quichot. "O, noem het niet zoo;
+'t is de schoonste plaats, die op aarde te vinden is. Luister toe,
+wat ik zal vertellen."
+
+"Ja, naderhand met alle genoegen," antwoordde Sancho Panza; "maar nu
+blaf ik van honger en moet eerst mijne arme maag wat tevredenstellen."
+
+Don Quichot zeide hier niets tegen en begon, nadat hij zichzelf ook
+door een hartig maal gesterkt had, het verhaal van zijne avonturen
+in de onderaardsche grot.
+
+"Ongeveer twaalf vaam diep in de kloof opent zich rechts een gewelf,
+als eene hal, waar wel eene groote koets met zes paarden zou kunnen
+keeren. Door eenige spleten, die tot de oppervlakte der aarde reiken,
+dringt daar een flauw en schemerachtig licht in door.
+
+"Dit gewelf ontdekte ik, toen ik het hangen en bongelen aan de lijn
+al moe was, waarom ik besloot er binnen te treden en er eene korte
+poos te rusten. Ik riep u toe, dat gij met het vieren van het touw
+moest ophouden; maar daar gij mij niet scheent te verstaan, rolde ik
+het touw, al naarmate dat mij nakwam, tot een tros op en ging toen
+daarop zitten, om mij in gepeins te verdiepen. Ik overlegde, hoe ik
+het aanvangen moest, om de diepte van den afgrond te bereiken, daar
+ik nu niemand meer had, die mij neerlaten kon, en onder dat denken
+overviel mij op eens de diepste slaap. Het duurde evenwel niet lang,
+of ik ontwaakte weer en bevond mij op eene groote weide, schooner
+en liefelijker, dan ik ooit nog met mijne oogen had aanschouwd. Ik
+dacht te droomen en betastte hoofd, borst en handen, om mij van mijn
+wakenden toestand ten volle te overtuigen. Uit alle teekens maakte
+ik op, dat werkelijk de slaap van mij geweken was, en dat geen droom,
+geen phantasie, geen drogbeeld van het verhitte bloed mij misleidde.
+
+"Nadat ik mij ten volle van mijn waken overtuigd had, keek ik
+rond en viel mij een prachtig koninklijk paleis in het oog, welks
+dak en wanden uit glinsterende kristallen schenen te bestaan. De
+vleugeldeuren vlogen open, en nu trad een eerwaardig, met een lang
+slepend gewaad bekleed grijsaard te voorschijn. Hij kwam op mij toe,
+groette mij heel vriendelijk, sprak mij aan en vroeg, of hij mij
+de wonderen van het betooverde paleis mocht vertoonen. Ik boog mij
+dankbaar ten teeken van toestemming en volgde hem in het slot. Door
+wijde portalen gingen wij, door lange gangen en onmetelijk groote
+zalen. Overal, waar wij kwamen, stonden prachtige monumenten uit
+goud en diamanten, en op ieder prijkte een kristallen standbeeld
+van meer dan levensgrootte. Het waren de grafsteden der overleden
+dolende ridders, die zich door deugd en dapperheid beroemd gemaakt
+hebben, en de standbeelden stelden hen voor, gelijk zij er bij hun
+leven hadden uitgezien. Daar zag ik Amadis van Gallië, en Roland, en
+Durandarte, den spiegel der ridderschap, en nog vele, vele anderen,
+welker namen ik niet weet op te noemen. Toen ik mij met het aanzien
+dezer helden lang genoeg verkwikt had, bracht de grijsaard mij in
+een heerlijken lusthof, waaruit mij de geur der kostelijkste bloemen
+en gewassen tegensloeg en die met allerlei kunstwerken, beelden,
+grotten en fonteinen koninklijk versierd was. En hier zag ik iets,
+dat mijn geheele ziel in zoete verrukking bracht, namelijk ik zag
+mijne doorluchtige gebiedster, de aanminnige jonkvrouwe Dulcinea van
+Toboso. In een eenvoudig gewaad, als herderin gekleed en begeleid door
+twee gesluierde hofdames, verlustigde zij zich in de lanen van den
+betooverenden lusthof, lachte en schertste en deed nu en dan sprongen,
+die mij door hunne hoogte verbaasd deden staan.
+
+"De grijsaard sprak mij aan en zeide: "Zie, in zulke nederige en
+armoedige gedaante wandelt uwe schoone thans op aarde rond. Maar wees
+getroost! Een booze toovenaar heeft haar slechts voor korten tijd
+veranderd, en eens zult gij haar in de volle glorie harer verheven
+schoonheid aanschouwen. Opdat gij zien moogt, wat glans haar dan
+omstralen zal, wil ik u hare beeltenis toonen, gelijk die hare
+natuurlijke gedaante volkomen waar en getrouw teruggeeft."
+
+"Hij wenkte met den vinger, en oogenblikkelijk verdween het omhulsel
+der herderin, en Dulcinea zelve stond van aanminnigheid stralende
+voor mij. Hare schoonheid overweldigde mij dusdanig, dat ik een luiden
+kreet van verrukking uitstiet en daarop onmachtig neerstortte.
+
+"Wat verder met mij gebeurde, weet ik niet. Ik kwam eerst weer tot
+bezinning, toen gij mij met geweld aan mijne zoete droomen ontruktet."
+
+"Neen, dat is te wonderbaarlijk, om waar te kunnen wezen!" riep
+Sancho Panza uit. "Gij moet noodzakelijk gedroomd hebben, of een of
+ander booze toovenaar heeft u dolle kluchten vertoond om uwe ziel te
+verstrikken en u naar den afgrond des verderfs te lokken."
+
+"Spreek niet zoo, Sancho," zeide Don Quichot. "Alles, wat ik gezien
+heb, heb ik met gezonde, wakende zinnen gezien. De tijd zal nog eens
+openbaar maken, dat ik geen tittel of jota bezijden de waarheid sprak."
+
+Onderwijl bestegen zij hunne dieren weder, keerden de wondergrot
+den rug toe en gingen hun nachtverblijf zoeken in eene herberg,
+waar dienzelfden avond eene poppencomedie zou worden vertoond. De
+directeur van het spel, een reizend genie, bood Don Quichot en zijn
+twee geleiders plaatsen aan, kreeg zijn geld daarvoor, en liet hierop
+het gordijn naar boven gaan.
+
+Don Quichot staarde met verwondering op de poppen, die, door
+onzichtbare draden bestuurd, zich op de natuurlijkste wijze bewogen.
+
+Met gespannen aandacht volgde hij den loop der voorstelling, die
+hoofdzakelijk in een gevecht tusschen Christenen en Mooren bestond. De
+Christenen werden verslagen en de Mooren vervolgden hunne vluchtende
+vijanden tot onder de torens van eene versterkte stad.
+
+Toen Don Quichot zag, dat de Heidenen hier nog eens een aanval op de
+arme Christenen deden, steeg het bloed hem naar her hoofd en oordeelde
+hij het niet meer dan billijk, dat hij de zwakkere partij te hulp kwam.
+
+"Houdt op! Houdt op!" riep hij, driftig opspringend, het Heidensche
+poppenvolk toe. "Vervolgt mijne geloofsbroeders niet langer, of gij
+krijgt het met mij te doen."
+
+Onder deze haastig uitgestooten woorden trok hij zijn zwaard, was
+met een wip op het kleine tooneel en begon met ongehoorde woede
+op de onschuldige poppen in te houwen. Sommige trapte hij als een
+pannekoek plat, andere sloeg hij den kop af, nog andere verminkte
+hij op deerlijke manier, kortom, hij zou een gruwelijk bloedbad
+hebben aangericht, indien de poppen, in plaats van leder en werk,
+van vleesch en bloed waren geweest.
+
+Bij het zien van deze verwoesting schoot de ontstelde tooneeldirecteur
+toe, viel den verbolgen ridder te voet en smeekte hem met tranen in
+de oogen, zijne arme levenlooze schepsels toch te sparen. Don Quichot
+evenwel luisterde daar niet naar, en zou den armen poppenman zelven
+het hoofd hebben afgeslagen, indien deze zich niet met alle snelheid
+uit de voeten had gemaakt.
+
+De slagen des ridders vielen als hagelsteenen bij eene donderbui.
+
+In minder dan een kwartier tijds had hij het gansche tooneel tot
+splinters geslagen, al de toeschouwers, die hem voor razend en dol
+hielden, op de vlucht gejaagd, en zelfs Sancho Panza tot de stomme
+bekentenis genoodzaakt, dat zijn meester wel al veel gekke dingen
+had vertoond, maar nooit nog zoo'n gek stuk, als nu dit hier.
+
+Eerst toen het Heidensche leger de volle neerlaag had geleden, kwam
+Don Quichot eenigszins tot bedaren, leunde hijgend op zijn zwaard en
+zei: "Nu mocht ik nog wel eens iemand hooren zeggen, dat een dolend
+ridder een onnut ding in de wereld is! Was ik hier niet gekomen, dan
+was een gansch Christenleger vernietigd geweest, terwijl nu de snoode
+Heidenen tot den laatsten man toe verslagen liggen. En daarom zeg ik:
+eere, lof, roem en glorie der dolende ridderschap!"
+
+"Ja, ja, dat is goed en wel," riep de poppenman, die zich nu ook weer
+kwam vertoonen: "maar in allen gevalle moet gij mij de schade betalen,
+die gij mij moedwillig hebt toegevoegd."
+
+"Wat dan betalen?" vroeg Don Quichot verwonderd. "Wat heb ik u dan
+bedorven?"
+
+"Hoe! dat weet gij niet?" vroeg meester Pedro, de eigenaar van het
+poppenspel. "Ziet gij dan niet het armzalig overschot van mijne poppen,
+die gij met uw zwaard in gruizels en splinters hebt geslagen?"
+
+"Poppen?" vroeg Don Quichot. "Poppen heb ik vernield? Ja, waarlijk,
+het zijn poppen, en geen menschen van vleesch en bloed. Daar ziet men
+weer, hoe ik door die snoode toovenaars vervolgd word! Zij verblindden
+mijn oog, zoodat ik de poppen voor levende menschen moest aanzien, en
+dat ik alles, wat gespeeld werd, voor echte werkelijkheid hield. Maar
+wat te doen? Daar ik nu eens uit dwaling zoo groote schade aangericht
+heb, is het ook mijn plicht, die ten volle te vergoeden, en ik zal
+dus mijzelf tot alle kosten veroordeelen. Overleg, meester Pedro,
+welke som u als schadeloosstelling toekomt, en laat u die door mijn
+schildknaap Sancho Panza uitbetalen."
+
+Meester Pedro boog dankend voor den grootmoedigen ridder, die nu niet
+weinig beschaamd zijn slaapkamer opzocht. Sancho Panza echter moest
+de beurs trekken en voor de dwaasheden van zijn heer eene aanzienlijke
+som betalen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVIII.
+
+DE BETOOVERDE BOOT EN DE SCHOONE JAGERES.
+
+
+Den volgende morgen zetten Don Quichot en Sancho Panza, na van hun
+reisgenoot tot zoover, den vreemden heer, vriendschappelijk afscheid
+te hebben genomen, hun tocht verder voort. Zij kwamen aan de rivier
+de Ebro, welks helder doorzichtig water den dolenden leeuwenridder
+uitstekend behaagde. Hij reed langzaam langs den oever voort, deed
+Sancho al de schoonheden van het landschap opmerken en zweeg eerst
+stil, toen hij op eens eene kleine boot bemerkte, die dicht aan den
+stroom aan een boomstam vastlag en noch riemen, noch zeil, noch ander
+scheepstuig bevatte. Hij keek rechts en links uit, en toen hij nergens
+een mensch ontdekte, steeg hij van Rocinante en beval Sancho insgelijks
+van zijn grauwtje te komen en beide dieren ergens in de nabijheid aan
+een boom vast te binden. Sancho Panza vroeg, wat dan gebeuren zou,
+en kreeg tot antwoord:
+
+"Weet, dat deze boot mij oproept en mij uitnoodigt haar te bestijgen
+en met haar mee te varen, om een of anderen in nood zijnden ridder of
+verongelukte jonkvrouw te hulp te komen. Bind dus de dieren vast en
+kom mee, want, zoo waar ik leef, ik wil de tot mij gekomen roepstem
+volgen en mij zonder schroom in deze bark inschepen."
+
+"Heer," antwoordde Sancho Panza, "ik laat mij hangen, als dat niet weer
+een nieuwe gekheid van u is. De boot is volstrekt niet betooverd, maar
+komt zeker aan den een of anderen visscher in dezen omtrek toe, waar
+men de beste visschen van de wereld kan vangen. Niettegenstaande dit
+is het mijn plicht u te volgen, en ik zal dus maar weer gehoorzamen,
+gestrenge heer."
+
+Zoo sprak Sancho en bond de dieren vast.
+
+"Wat moet ik nu verder doen?" vroeg hij.
+
+"In de boot stappen," antwoordde Don Quichot; "als wij daarin zitten,
+snijden wij het touw door, dat haar vasthoudt, en geven ons aan ons
+lot over."
+
+Met deze woorden sprong hij er zelf in en Sancho volgde hem
+gewillig. Het touw werd doorgesneden en de boot gleed langzaam
+van den oever weg. Pas echter waren zij tien passen van den oever,
+of Sancho Panza begon als een popelblad te trillen en erg bang voor
+zijn eigen dierbaar ik te worden. Zijn angst nam toe, toen hij zijn
+ezeltje hoorde balken en Rocinantes bewegingen zag, om zich los te
+rukken en zijn meester te volgen.
+
+"Heer droevige ridder," zei hij, "hoor maar, hoe jammerlijk mijn
+grauwtje schreeuwt en hoe Rocinante staat te trippelen om ons na te
+loopen. Die arme, arme schepsels! Ze zullen ons misschien nooit weer
+te zien krijgen."
+
+Bij deze woorden begon hij zoo hard te huilen en te krijten, dat Don
+Quichot ernstig boos werd.
+
+"Gij onnoozele hals, waar zijt gij dan toch eigenlijk bang voor?" riep
+hij verstoord. "Waarom zet ge zoo'n keel op? Wie vervolgt u? Wie heeft
+kwaad tegen ons in den zin? Houd den mond, kerel, of wees verzekerd,
+dat ik je een stoot geef en hals over kop in 't water doe tuimelen."
+
+Daar Sancho wist, waartoe zijn heer in zijne drift in staat was, hield
+hij op met huilen, droogde zijne tranen en vertrok geen gezicht meer.
+
+Intusschen dreef de boot in het midden van den stroom voort en
+streek, door den lichten golfslag voortgestuwd, met snelle vaart
+langs de oevers. Op eens ontdekte Don Quichot eenige groote drijvende
+watermolens, die in het midden van de rivier lagen, en pas had hij
+die in het oog gekregen, of hij riep driftig uit:
+
+"Ziedaar, vriend! daar is de stad of de burgt, waar de benarde ridder
+op mij wacht, of eene gevangen jonkvrouw naar verlossing uit de dikke
+kerkerwanden hijgt."
+
+"Wat drommel, ziet ge daar weer, gestrenge heer?" riep Sancho Panza
+verdrietig. "Een toovenaar moet u opnieuw de oogen verblinden, want
+die dingen daar op het water zijn eenvoudig een paar molens, waarin
+koren wordt gemalen."
+
+"Zwijg, Sancho!" bulderde Don Quichot. "Al lijken het op het oog
+ook al molens, toch zijn ze dat niet, en ik weet zeer goed, hoe het
+daarmee gelegen is."
+
+Intusschen werd de boot door den stroom met snelheid op de molens
+aangedreven. De molenaars, die haar zagen aankomen en vreesden,
+dat zij tusschen de schepraderen mocht geraken, schoten ijlings in
+menigte toe en grepen naar lange stokken, om haar tegen te houden. Don
+Quichot zag hen, en daar zij er in hunne met meel bestoven werkpakken
+vrij wonderlijk uitzagen, meende hij dadelijk, hen voor tegen hem
+uitgezonden vijandige geesten en spookgedaanten te moeten houden.
+
+"Stommerikken!" schreeuwden intusschen de molenaarsknechts; "waar wilt
+gij dan toch naar toe? Wilt ge hier met geweld verzuipen of door de
+molenraden verpletterd worden?"
+
+"Ziet gij wel, Sancho," sprak Don Quichot vol zelfvoldoening,
+"ziet gij wel, dat wij nu de plaats bereiken, waar als gewoonlijk de
+sterkte van mijn arm moet blijken? Zie, wat een menigte schelmen en
+spitsboeven op ons aankomen! Zie, wat leelijke bekken ze trekken,
+die monsters, die spookgedrochten! Maar wacht, ik zal hen wel tot
+hun plicht brengen of anders van het aardrijk verdelgen."
+
+En zich in de boot hoog oprichtend, begon hij het molenaarsvolk met
+harde woorden te bedreigen.
+
+"O gij vuig, ontaard en nietswaardig volk," schreeuwde hij hun toe,
+"laat zonder verwijl de gevangenen vrij, die gij in uw ellendig
+kasteel houdt opgesloten, van wat stand, rang en geslacht ze dan ook
+zijn mogen. Weet, dat ik Don Quichot van La Mancha ben, de dolende
+leeuwenridder en de beschermer en 't schild van alle ellendigen en
+onderdrukten."
+
+Met deze woorden trok hij zijn zwaard en schermde er wild mee in de
+lucht rond. De molenaars hoorden zijn geschreeuw wel, maar konden er
+geen woord van verstaan en hielden zich met hunne stokken gereed,
+om de boot tegen te houden, die reeds in de strooming geraakte,
+die met vreeselijke snelheid op de molenraden toeschoot.
+
+Bij het zien van het gevaar wierp Sancho Panza zich vol angst op
+de knieën neer. Don Quichot daarentegen hieuw met zijn zwaard op de
+stokken der molenaars in en bewerkte daardoor, dat de boot, in plaats
+van tegengehouden te worden, omsloeg en alle twee, ridder en knecht,
+hals over kop in het water tuimelden. Nu kon Don Quichot wel zwemmen
+als een eend; doch al zijne bekwaamheid zou hem in zijn tegenwoordigen
+toestand en bij de zwaarte zijner wapenrusting niets gebaat hebben,
+indien de molenaars hem niet waren te hulp gesprongen. Zij haalden
+hem en Sancho uit het water en sleepten hen zoo nat als gewasschen
+poedels op het droge.
+
+Onderwijl kwamen ook de visschers, wien de boot toebehoorde, toe
+en begonnen, toen zij deze door de molenraden verbrijzeld vonden,
+een leven als een oordeel te maken. Zij verlangden van Don Quichot,
+dat die haar betalen en hun alle schade vergoeden zou.
+
+De nu anders een bitter droevig figuur makende, druipnatte ridder,
+die zijne koelbloedigheid geen oogenblik verloren had, zeide met
+de grootste bedaardheid, dat hij met genoegen de boot betalen zou,
+mits men onverwijld de personen wilde in vrijheid stellen, welke men
+in het slot gevangen hield.
+
+"Welke gevangenen en wat kasteel meent gij dan?" vroeg een van de
+molenaarsknechts. "Moeten wij u dan de menschen uitleveren, die ons
+hier koren te malen brengen, domme vent?"
+
+Don Quichot stond eene poos als voor 't hoofd
+geslagen. "Genoeg!" mompelde hij eindelijk in zijn baard. "Genoeg;
+'t zou dwaasheid zijn, hier verstandige woorden te verspillen. Zooveel
+merk ik wel al, dat twee booze toovenaars elkaar hier moeten hebben
+tegengewerkt. De een zond mij de boot toe, de ander gooide haar
+omver. Daar viel niets tegen te doen, en ik moet mij wel onderwerpen."
+
+En zich naar de molens toekeerend, riep hij met luider stemme:
+"Arme menschen en ongelukkige vrienden, die daar in een donkeren
+kerker wegkwijnen moet, schrijft het aan mijn boos gesternte en aan
+kwaadwillige toovenaars toe, dat ik u niet kan helpen en redden. Een
+ander ridder moet komen en u bijstaan, daar ik tegen onzichtbare en
+bovenaardsche wezens niet vermag te kampen."
+
+Hierop keerde hij zich tot de visschers, betaalde hun vijftig realen
+voor de verongelukte boot en sprak tot Sancho: "Nog één tocht, als
+deze hier, mijn vriend, en we zullen van al ons reisgeld geen penning
+meer overhouden."
+
+De molenaars en de visschers hielden Don Quichot en zijn schildknaap
+voor niet wijs en gingen hoofdschuddend heen; doch onze beiden keerden
+met een bedrukt hart naar hunne dieren terug, bestegen die en reden
+weg van de rivier, die hun zooveel onheil had berokkend.
+
+Sancho Panza, inwendig boos om dat onvrijwillig bad en nog veel meer
+boos, dat hij zooveel geld voor die ellendige boot had moeten betalen,
+besloot heimelijk, bij de eerste gelegenheid zijn heer te verlaten
+en tot zijne vrouw Teresa terug te keeren. Het noodlot beschikte
+dat echter anders en verhinderde hem, zich aan zulk eene snoode
+trouweloosheid schuldig te maken.
+
+Den volgenden dag, juist toen onze beide helden uit een boschje op een
+groene dalvlakte kwamen, ontdekte Don Quichot op een afstand eenige
+lieden, welke hij bij scherper toezien voor valkenjagers hield. Wat
+naderbij gekomen, onderscheidde hij midden onder hen eene schoone
+dame op een sneeuwwitten telganger met groen tuig en een met zilver
+beslagen vrouwenzadel. Die dame droeg een prachtig groen jachtkleed
+en hield op hare linkerhand een valk, waaruit Don Quichot opmaakte,
+dat zij eene hoogadellijke vrouwe en de gebiedster van heel dat
+jachtgevolg moest zijn, 't geen dan ook werkelijk het geval was.
+
+"Hoor, Sancho," sprak hij, na het schitterend gezelschap een poosje
+te hebben opgenomen, "rijd heen naar de schoone dame op dat witte
+jachtros, breng haar mijn groet over en zeg haar, dat ik, Don Quichot
+van La Mancha, de leeuwenridder, haar de handen kus en vergunning
+vraag, om haar mijne eerbiedige opwachting te maken."
+
+"Die boodschap wil ik wel overbrengen," zeide Sancho, zette zijn
+grauwtje de hakken in de zijden, draafde heen en was spoedig op de
+plaats, waar de schoone jageres met haar gevolg stilhield. Hier steeg
+hij af, boog zijne knie voor haar en sprak aldus:
+
+"Wonderschoone en glansrijke Dona, de ridder, dien gij daar in de verte
+ziet, is mijn heer, de leeuwenridder Don Quichot van La Mancha, en ik
+ben zijn schildknaap, Sancho Panza met name. Gezegde leeuwenridder,
+die vroeger de Ridder van de Droevige Figuur heette, zendt mij tot
+u, om u vergunning te vragen, dat hij komen en u alle mogelijke
+onderdanigheid betoonen mag, hetwelk hij als eene bijzondere gunst
+en gratie zou beschouwen."
+
+De dame zag glimlachend op den knielenden schildknaap neer en
+antwoordde: "Gij hebt uwe boodschap uitmuntend overgebracht, en zoo
+uw heer werkelijk de wijdvermaarde dolende ridder Don Quichot is,
+van wiens ongehoorde daden ik al zooveel heb vernomen, dan zal hij mij
+en mijn gemaal op ons landgoed welkom zijn. Maar sta op! Het betaamt
+mij niet, een zoo dapperen schildknaap zoo lang aan mijne voeten te
+laten neerknielen."
+
+Door de minzaamheid en genade der hooge dame geheel verrukt, stond
+Sancho op, boog tot den grond en keerde hoogstvoldaan tot zijnen heer
+terug, die de vriendelijke uitnoodiging met innig genoegen vernam. Hij
+zette zich eerst behoorlijk in den zadel terecht, trad vast in de
+stijgbeugels, schoof het vizier van zijn helm op, gaf Rocinante de
+sporen en zette het toen in galop, om der hertogin de genadige handen
+te kussen.
+
+Deze had inmiddels haar gemaal laten roepen en dien de door Sancho
+Panza overgebrachte boodschap medegedeeld. De hertog lachte daar
+hartelijk over en, daar hij werkelijk reeds veel van den dwazen ridder
+gehoord had, zag hij dien met brandend verlangen te gemoet en verheugde
+zich op eene persoonlijke kennismaking, waarvan hij zich allerlei
+kluchten en grappen beloofde. Hij kwam met zijne gemalin overeen,
+dat zij zich geheel naar de luimen van den kluchtigen heer schikken,
+hem gedurende zijn verblijf in alles als dolend ridder behandelen en
+alle ceremonies in acht nemen zouden, waarvan in de oude ridderboeken
+te lezen staat.
+
+Intusschen kwam Don Quichot met opgeslagen vizier nader, en zoodra hij
+eene beweging maakte, om van Rocinante te stijgen, kwam Sancho toe,
+om hem den stijgbeugel te houden. Ongelukkig echter raakte Sancho
+met den eenen voet in den strik van zijn pakzadel vast, tuimelde
+voorover en lag languit op den grond, zonder den gevangen voet uit
+den strik los te kunnen krijgen. Don Quichot, die alleen oogen voor
+de schoone dame had, werd van dit ongeluk volstrekt niets gewaar en,
+daar hij nooit afstapte, zonder zich door zijn schildknaap den beugel
+te laten houden, meende hij, dat Sancho nu ook reeds bij de hand was,
+om zich van zijn plicht te kwijten. Zonder toe te zien, beurde hij
+zich zijwaarts van het paard en tuimelde nu plotseling rammelend en
+kletterend naast Sancho op den grond neer.
+
+De ridder schaamde zich geducht, dat hij juist op zulk een oogenblik
+en voor zulke toeschouwers te vallen was gekomen, en mompelde de
+vreeselijkste verwenschingen tegen den onschuldigen schildknaap, die
+nog altijd aan zijn in den strik gevangen been lag te trekken. De
+hertog gaf nu echter aan zijne jagers een wenk, den ridder en zijn
+dienaar te hulp te komen, en Don Quichot kwam dus weer overeind. Hij
+had een zwaren val gedaan; maar toch kwam hij hinkend aan, om, zoo goed
+het maar gaan wou, den hertog en zijne gemalin te begroeten en zijne
+knie voor beiden te buigen. Dit liet de hertog echter niet toe, maar
+hij sprong zelf van het paard, omarmde Don Quichot en zeide tot hem:
+
+"Het doet mij hartelijk leed, heer Ridder van de Droevige Figuur, dat
+uw eerste aankomst op mijn gebied van zulk een kleinen tegenspoed moest
+vergezeld gaan. Evenwel moet men zich troosten, daar de onhandigheid
+dier knapen zelfs nog wel eens grooter ongelukken veroorzaakt."
+
+"Doorluchtige vorst," antwoordde Don Quichot op deze vriendelijke
+toespraak, "ik kan dit ongeluk niet meer als een ongeluk beschouwen,
+nu gij mij op zoo minzame wijze hebt weten te troosten. Schoon 't is
+waar, die verwenschte schildknaap weet beter zijn tong los te laten
+en domme dingen uit te brengen, dan behoorlijk, zooals het betaamt,
+den stijgbeugel te houden. Maar in welken staat ik ook verkeeren mag,
+te paard of te voet, vallend of staand, zittend of liggend, overal en
+te allen tijde zal ik u ten dienst staan en uwer verhevene gemalin
+als toonbeeld van schoonheid en lieftalligheid mijne hulde in alle
+nederigheid toebrengen."
+
+"Stil, stil, heer ridder van La Mancha!" riep de hertog. "Wie de edele
+jonkvrouwe van Toboso tot gebiederes heeft, mag andere schoonheden
+en lieftalligheden niet zoo roemen."
+
+Gedurende dit gesprek had Sancho Panza zich eindelijk losgewrongen
+en trad haastig toe.
+
+"Dat is waar," zeide hij, "en ik kan bekrachtigen, dat mijne genadige
+jonkvrouw Dulcinea van Toboso eene ware schoonheid is; doch met dat
+al moet ik erkennen, dat mevrouw de hertogin voor haar in schoonheid
+en lieftalligheid volstrekt niet onderdoet."
+
+"Doorluchtige vrouw," keerde Don Quichot zich tot de hertogin, "uwe
+hoogheid mag vrij gelooven, dat nu en nooit, zoolang de wereld staat,
+een dolend ridder een babbelzieker, praatachtiger en onbeschaamder
+rekel tot schildknaap gehad heeft, dan ik hier, zooals blijken zal,
+als uwe hoogheid zich ons gezelschap eenigen tijd laat welgevallen."
+
+"De goede Sancho moet werkelijk een oolijke guit zijn," antwoordde
+de hertogin, "en dat verblijdt mij, omdat ik er uit opmaak, dat hij
+geest en verstand heeft en niet tot de vervelende domkoppen behoort."
+
+"In allen gevalle zal hij een onthaal vinden, dat hem geen reden tot
+klagen geeft," voegde de hertog er bij.
+
+Inmiddels had Sancho zijn ezel weer bestegen, terwijl Don Quichot op
+Rocinante zich aan de zijde der hertogin hield en zich met haar in
+een leerzaam en onderhoudend gesprek verdiepte.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIX.
+
+WAT RIDDER EN SCHILDKNAAP OP HET SLOT AL BELEVEN.
+
+
+Terwijl de hertogin zich met Don Quichot onderhield en soms over
+Sancho Panza's kluchtige invallen lachte, reed de hertog in vollen
+ren vooruit, om aan al zijne dienaren voor te schrijven, op wat
+wijze de dolende ridder moest ontvangen worden. Toen deze dus met
+de hertogin voor de slotpoort aankwam, werd hij daar door twee rijk
+gekleede stalknechts opgewacht, die hem van het paard hielpen en hem
+in 't oor fluisterden, dat hij niet verzuimen mocht, de hertogin bij
+het afstijgen behulpzaam te zijn.
+
+Don Quichot trad op de hooge dame toe, die nochtans weigerde, andere
+hulp dan van haren gemaal aan te nemen. De hertog maakte aan dezen
+twist een einde door zelf te komen en zijne gemalin de hand te reiken.
+
+Zoodra nu het gezelschap het binnenhof betrad, kwamen twee jonge
+hofdames te voorschijn, die den ridder een grooten scharlakenrooden
+mantel over de schouders wierpen. Op hetzelfde oogenblik vertoonden
+zich alle toegangen en portalen van het slot met dienaren opgevuld,
+die de bloem en den roem der dolende ridderschap met een daverend
+Vivat! welkom heetten. Te gelijk goten zij een geurigen regen van
+welriekende wateren over Don Quichot, den hertog en de hertogin uit,
+waarover de eerste zich niet weinig verwonderde.
+
+Nu trok men het slot zelf binnen, waar Don Quichot in eene zaal werd
+geleid, die met de kostbaarste tapijten van zijde en goudlaken belegd
+was. Hier werd hij door zes edelknapen van zijne zwaarste wapenstukken
+bevrijd en van kleederen voorzien, die hem op bevel des hertogs werden
+aangeboden. Vervolgens omgordde hij zich met een zwaard, wierp zijn
+scharlaken mantel om, zette eene groene zijden muts op en begaf zich
+in eene groote zaal, waar eene menigte staatsiedames hem met zilveren
+bekkens tot handenwassching wachtten. Terwijl hij dit deed, verscheen
+de hofmeester met twaalf edelknapen, om hem naar de tafel te geleiden,
+waar de hooge heerschappen hem reeds wachtten. Don Quichot werd in
+het midden genomen en in eene zaal geleid, waar allerprachtigst,
+schoon slechts voor vier personen, gedekt was. De hertog, de hertogin
+en een hooge geestelijke kwamen den gast te gemoet en verwelkomden
+hem. Onder duizend ceremonies en plichtplegingen werd hij naar de
+tafel geleid en moest, niettegenstaande zijn weigeren, de eerste
+plaats daaraan innemen. De geestelijke zette zich tegenover hem,
+terwijl gastheer en gastvrouw hem in hun midden namen.
+
+Sancho Panza, die bij alles tegenwoordig was, stond versteld en
+verbaasd over al de eer, die hier zijn meester werd bewezen, en kwam
+nu tot het vaste besluit, om dien ook verder op zijne avontuurlijke
+tochten getrouwelijk te volgen.
+
+Gedurende den maaltijd vroeg de hertogin met belangstelling, hoe de
+jongste berichten van jonkvrouwe Dulcinea van Toboso luidden en of de
+ridder haar in den laatsten tijd ook weer eenige reuzen of gevangen
+helden had toegezonden.
+
+"Neen, genadige vrouw," antwoordde Don Quichot; "mijn ongelukkig
+gesternte belette mij dat. Ik heb wel reuzen, ridders en roovers
+overwonnen,--maar hoe hadden die de volschoone jonkvrouwe kunnen
+vinden, nu zij door een afschuwelijken toovenaar in eene gemeene
+boerin veranderd werd?"
+
+"Ei, ik vind haar toch nog 't bekoorlijkst schepsel, dat maar ergens te
+vinden is," zeide Sancho Panza, zich voorbarig in het gesprek mengende,
+"en wat springen aangaat, is zij den besten koordedanser de baas. Zij
+wipt op haar muilezel, alsof die niet hooger dan een kat was."
+
+"Hebt gij haar ook in haar onbetooverden staat gezien?" vroeg de
+hertog.
+
+"Natuurlijk," antwoordde Sancho Panza. "Ik ben immers de man geweest,
+die hare betoovering het allereerst in den neus kreeg."
+
+Toen de geestelijke zooveel over roovers, reuzen en betooveringen
+hoorde spreken, kwam hij vanzelf op de gedachte, dat het Don Quichot
+van La Mancha moest zijn, met wien hij hier aan ééne tafel zat. Op
+zijne navraag vernemende, dat zijn vermoeden gegrond was, gaf hij
+zich veel moeite, om Don Quichot van zijne onzinnige inbeelding terug
+te brengen. Tegen verwachting werd hij door den ridder zoo duchtig
+afgezouten, dat hij doodstil zweeg en gedurende den ganschen maaltijd
+geen mond meer tot spreken opendeed.
+
+Toen nu de tijd kwam, dat men van tafel opstaan zou, traden vier
+jonkvrouwen in het vertrek. De eene droeg een zilveren waschbekken,
+de andere een zilveren lampetkan, de derde twee handdoeken van het
+fijnste en witste linnen, en de vierde een groot stuk welriekende
+Italiaansche zeep. De jonge dame met het bekken trad vooruit en hield
+dat Don Quichot, alsof dat vanzelf sprak, onder den baard. De ridder
+vond dit wel wat vreemd, doch deed zulks niet blijken, maar stak
+zonder omstandigheden zijn baard in het water, in de meening, dat
+het daar ter plaatse zeker gebruik moest zijn, zich na den maaltijd
+in plaats van de handen het baardhaar te wasschen.
+
+Thans kwam de dame met de zilveren kan, goot het water daaruit over 's
+ridders baard uit en trad toen achteruit, om voor hare gezellin plaats
+te maken, wier blanke hand hem het gansche gezicht met zeep inwreef.
+
+Don Quichot liet zich alles welgevallen en sloot zijne oogen,
+om daar niet van het bijtend zeepsop in te krijgen. De hertog en
+de hertogin hielden zich doodbedaard en wachtten den afloop dier
+kluchtige waschpartij rustig af.
+
+Toen nu de dame met de zeep Don Quichots rimpelige tronie met een
+vinger dikke laag schuim overdekt had, hield zij zich, alsof er geen
+water meer was, en verzocht hare vriendin met de kan, schielijk nog
+wat te halen, om den edelen ridder niet te lang daar zoo ingezeept
+te laten zitten.
+
+De dame ging en Don Quichot bleef in de potsierlijkste positie,
+die men zich voorstellen kan, stijf en onbeweeglijk als een paal op
+zijn stoel zitten. Al de aanwezigen staarden hem aan, en nu zij hem
+daar zoo zagen met zijn langen, bruinen, mageren hals, met gesloten
+oogen en wit bepleisterd gezicht, moesten zij zich geweld aandoen,
+om niet in luid lachen uit te barsten.
+
+Nadat de klucht lang genoeg geduurd had, kwam de jonge dame met de
+schenkkan terug, goot een stroom water over 's ridders mager gezicht
+uit en waschte dat, tot het laatste spatje zeep was verdwenen. Daarop
+kwam de dame met de handdoeken aan de beurt, maakte eene eerbiedige
+buiging voor den natten held en droogde hem heel handig en sierlijk
+af. Toen dit verricht was, wilden alle vier de zaal verlaten; doch
+de hertog riep haar nog bij de deur terug.
+
+Hij had zich met dat kluchtig tooneel, waarvan hij volstrekt niets
+geweten had, evengoed als al de anderen verlustigd, maar wilde niet,
+dat de ridder merken zou, dat men hem voor den gek had gehouden.
+
+"Komt," zeide hij tot de dames, "komt en wascht nu mij ook, maar zorgt,
+dat er niet weer gebrek aan water is."
+
+De ondeugende meisjes begrepen dadelijk, wat de hertog wou, en maakten
+dus geen zwarigheid, om aan zijn verlangen te voldoen. Zij naderden
+zeepten hem met de grootste handigheid in, wieschen hem, droogden hem
+af en behandelden hem in alles, gelijk zij den ridder gedaan hadden,
+behalve dat zij daar nu niet de helft van den tijd toe besteedden.
+
+Sancho Panza had deze vreemde ceremonie met groote oogen aangezien.
+
+"Waarachtig," mompelde hij, "'k wou, dat het hier te lande gebruik
+was, ook schildknapen den baard te wasschen, en nog liever had ik,
+dat men zijn baard meteen kon afgeschoren krijgen, want de mijne
+wordt al schrikbarend lang."
+
+"Wat mompelt gij daar, Sancho?" vroeg de hertogin, die merkte, dat
+hij iets op het hart had.
+
+Sancho zeide het haar.
+
+"Dan kunt gij geholpen worden," antwoordde de spotachtige dame. "Mijne
+hofjuffers zullen u afzeepen en u des noods tot over de ooren in het
+zeepsop steken. Hofmeester, draag gij zorg, dat de schildknaap van
+onzen edelen gast naar zijn wensch bediend wordt."
+
+De huishofmeester boog zich en verliet met Sancho Panza het vertrek,
+terwijl Don Quichot nog met den hertog en de hertogin aan tafel bleef
+zitten en hen druk over het lief en leed der dolende ridderschap
+en over de schoonheid zijner doorluchtige dame Dulcinea van Toboso
+onderhield.
+
+Nog waren zij levendig in gesprek, toen zij op eens luide stemmen
+en een groot geschreeuw in het paleis hoorden. Zij luisterden, en de
+hertog wilde reeds buiten gaan, om naar de oorzaak van dat rumoer te
+vernemen, toen op eens Sancho Panza in een wonderlijken toestand en
+zeer verschrikt kwam binnenstuiven. Hij had een ouden schuurlap als een
+servet voor en een talrijke troep keukenjongens en ander volk volgde
+hem op de hielen. Een van dezen droeg eene tobbe met vuil spoelwater
+en een ander had een groot stuk grove zeep. in de hand. Deze beiden
+wilden den ontstelden schildknaap te lijf en deden al hun best,
+om hem te wasschen en zijn baard in te zeepen.
+
+"Wat moet dat beduiden, menschen?" vroeg de hertogin. "Wat hebt gij
+met dezen braven man voor? Weet gij niet, dat mijn gemaal voornemens
+is, hem tot de waardigheid van stadhouder te verheffen?"
+
+"Mevrouw," antwoordde de keukenjongen, "wij wilden den heer eenvoudig
+wasschen, gelijk hier te lande gebruik is en zooals hij zelf verlangd
+heeft."
+
+"Ja zeker heb ik!" riep Sancho Panza hevig vergramd; "maar ik wil,
+dat dit met schoone doeken en niet met oude schuurlappen gebeurt. Wie
+mij met zulke instrumenten aankomt, heeft te wachten, dat ik hem den
+schedel insla."
+
+De hertogin vond Sancho Panza's gramstorigheid en heel zijn uitzien
+zoo kluchtig, dat zij 't wel van lachen uitschateren moest. De hertog
+daarentegen zette een zeer ernstig gezicht en hield zich, alsof hij
+die plagerij ten strengste afkeurde.
+
+"Gij zijt schandelijk lomp en vlegelachtig geweest," wendde hij zich
+tot den dartelen troep, "en ik vertrouw, dat zulke dingen niet weer
+zullen gebeuren. Neemt den heer Sancho die vodden af en maakt, dat gij
+wegkomt. Ik waarschuw u, dat gij den schildknaap van dezen dapperen
+dolenden ridder niet weder reden tot klachten en ontevredenheid geeft."
+
+De knapen meenden, dat hun meester ernstig boos was, ofschoon hij zich
+alleen zoo hield, om ridder en knecht in den waan te houden, dat hij
+hen werkelijk voor dolende helden aanzag. Zij namen den schildknaap
+de schuurlappen af en dropen stilletjes af, terwijl Sancho den hertog
+te voet viel en hem met een vloed van woorden voor zijne welwillende
+bescherming dankzeide.
+
+Thans stond men van tafel op en Don Quichot verwijderde zich, om
+in zijn koel vertrek een korte middagrust te nemen. De hertog nam
+intusschen maatregelen, dat Don Quichot voortdurend als een echt
+dolend ridder behandeld werd, en stelde zich daar niet weinig pret
+en vroolijkheid van voor.
+
+Weinig dagen later wenschte de hertog eene groote jachtpartij te
+houden, en nadat zijne dienaren van al, wat zij te doen zouden hebben,
+nauwkeurig onderricht waren, werden Don Quichot en zijn schildknaap
+van een geheel nieuwe jachtkleedij voorzien. Sancho trok die aan en was
+er zeer in zijn schik mee; maar Don Quichot weigerde zulks, zeggende,
+dat hij zichzelf in geen opzicht vertroetelen mocht en dus liever
+zijne zware wapenrusting wilde aanhouden. Hij reed op Rocinante en
+Sancho Panza in zijn nieuw pak op zijn ezel, niettegenstaande hem een
+paard uit des hertogs stallen was aangeboden. Dat hij van zijn geliefd
+grauwtje scheiden zou, was immers wat al te veel van hem gevergd.
+
+De jachthorens schalden en op hun roepstem verscheen de hertogin,
+als eene koningin uitgedost. Don Quichot reed aan hare zijde en
+hield uit pure ridderlijkheid den teugel van haar telganger vast,
+ofschoon de hertog dit niet toelaten wou, wat hem eene bijna al te
+groote beleefdheid en hoffelijkheid toescheen.
+
+Na een korten rit kwamen zij aan eene tusschen bergen ingesloten
+woudstreek, die rondom door jagers was afgezet en waar de jacht
+zou gehouden worden. Deze begon met groot alarm, met geschreeuw
+en geklapper. De honden blaften en huilden, de horens klonken en
+'t was een leven en een rumoer, dat men zijn eigen woorden niet kon
+verstaan. De hertogin steeg van haar paard en vatte, met eene korte
+jachtspies gewapend, post op eene plaats, waar gewoonlijk wilde zwijnen
+plachten uit te breken. De hertog en zijn gast volgden haar voorbeeld
+en dekten haar aan weerszijden. Sancho Panza bleef op eenigen afstand
+achter hen op zijn grauwtje zitten, dat hij uit vrees voor mogelijk
+gevaar niet durfde verlaten.
+
+Nauwelijks hadden allen op die wijze hunne posten ingenomen,
+of zij zagen een zwijn aankomen, dat, door de honden opgejaagd,
+grimmig zijne slagtanden wette en de schuimvlokken uit zijn wijden
+muil liet vliegen. Zoodra Don Quichot het ontdekte, greep hij zijn
+schild vaster, tastte naar zijn zwaard en trad een weinig vooruit,
+om het getergde dier te ontvangen. Datzelfde deed de hertog, daar
+hij zijn jachtspies vaster omklemde, en de hertogin volgde hem moedig
+op den voet. Sancho alleen werd door schrik overmeesterd bij 't zien
+van het geweldig everzwijn.
+
+Vol angst liet hij zijn grauwtje in den steek, ging op den loop en
+deed zijn uiterste best, om een steeneik te beklimmen en zich tusschen
+de takken te bergen. Dat gelukte hem echter niet. Toen hij ongeveer
+de helft van de hoogte bereikt had en naar een tak greep, om nog
+hooger te komen, brak die tak tot zijn schrik rits af, en onze arme
+Sancho tuimelde met een luiden schreeuw naar beneden. Onder het vallen
+raakte hij met zijne kleeren aan een anderen tak vast en bleef, zonder
+dat hij den grond kon bereiken in de lucht hangen. Zijn jachtkleed
+scheurde en hij verkeerde in doodelijken angst, dat de ever hem pakken
+zou. Dus zette hij een geduchte keel op en brulde zoo ontzettend,
+dat ieder die hem hoorde en niet zag, in de verbeelding moest komen,
+dat een of ander wild beest hem reeds in zijne klauwen had.
+
+Onderwijl werd het wilde zwijn geveld, en Don Quichot keek naar zijn
+schildknaap om, ten einde hem zoo noodig te hulp te snellen. Hij kwam
+op zijn gehuil af en zag hem, met het hoofd naar beneden, de beenen in
+de lucht, aan den stam van den eik spartelen, terwijl onder hem, aan
+den voet des booms, de ezel stond, die zijn meester, naar 't scheen,
+in de ure van nood niet verlaten wilde.
+
+Terstond snelde Don Quichot toe en hielp den luchtspringer weer op de
+been. Bij het zien van zijn gescheurd kleed wrong de schildknaap de
+handen, huilde bittere tranen en wilde van de troostwoorden, welke
+zijn heer hem toesprak, volstrekt niets hooren.
+
+Intusschen werd het gedoode everzwijn op een pakezel geladen en in een
+groote jachttent gebracht, die midden in het bosch opgeslagen en waar
+men met de toebereiding van een kostelijken maaltijd bezig was. Men
+ging aan tafel en hield tot het vallen van den avond vroolijk feest.
+
+Toen de sterren aan den hemel stonden, verlieten allen de tent en
+trokken het bosch in, om naar de netten te zien, waarin het wild
+gevangen werd gehouden. De nacht was donker en alleen de sterren
+gaven een zwak en onzeker licht.
+
+Op eens scheen het gansche bosch aan alle kanten in lichtelaaie vlam
+te staan en te gelijk schetterden rondom tallooze horens en trompetten,
+alsof een geheel leger ruiterij door het woud trok.
+
+De glans van het vuur, verblindde de oogen en het schallend
+geluid der blaasinstrumenten verdoofde de ooren der omstanders, en
+allen schrikten, toen zich onder al dat rumoer nu ook een gillend
+krijgsgeschrei mengde alsof twee vijandelijke legers tegen elkaar
+oprukten. De trompetten schetterden, de klarinetten krijschten, de
+trommen roffelden, de pauken donderden, de fluiten gilden, en dat
+alles gelijktijdig en met zoo doordringend geweld en zoo aanhoudend,
+dat men wel op staanden voet met doofheid had willen geslagen zijn.
+
+De hertog scheen ten hoogste verbaasd, de hertogin schrikte, Don
+Quichot verwonderde zich en Sancho had wel van angst in den grond
+willen zinken.
+
+Op eens echter verstomde dat schrikbarend leven, eene diepe stilte
+volgde, en te gelijk naderde een ruiter in de dracht van den baardigen
+Satan, die, in plaats van op een trompet, op een grooten, vreemd
+gevormden Tritonshoren blies en daar akelig gillende, snerpende tonen
+uit te voorschijn bracht.
+
+"Wie zijt gij, vriend?" vroeg de hertog den ruiter. "Waar wilt gij naar
+toe, en welke legerbenden zijn het, die daar door het bosch trekken?"
+
+"Ik ben de Duivel en zoek den dolenden ridder Don Quichot van La
+Mancha," antwoordde de ruiter met een stem, die allen omstanders door
+merg en been ging. "Het leger, dat daar in aantocht is, bestaat uit zes
+scharen beroemde toovenaars, die op een triomfkar de onvergelijkelijk
+schoone Dulcinea van Toboso medevoeren. Zij nadert betooverd onder
+geleide van den grijsaard uit de grot van Montesinos, die den edelen
+Don Quichot de wijze zal mededeelen, waarop hij de hooge prinses
+Dulcinea onttooveren kan."
+
+"En al zijt gij tienmaal de Duivel, gelijk uw uitzien verraadt, zoo
+vrees ik u toch niet," riep onze dolende ridder. "Zie op en zie in
+den man, die hier staat, den onverschrokken Don Quichot van La Mancha
+voor u."
+
+"Welaan, als gij zelf de persoon zijt, dien gij noemt," antwoordde
+de Duivel, "wacht dan hier de aankomst af van den grijzen Montesinos
+en van de dame, welke men Dulcinea van Toboso noemt."
+
+Met deze woorden blies hij op zijn reusachtigen horen, wierp zijn
+paard om en stoof, zonder des ridders antwoord af te wachten, in
+vliegenden galop voort.
+
+Allen verwonderden zich over deze boodschap, maar vooral Don Quichot,
+wien zij dan ook het meest aanging.
+
+"Denkt gij de toovenaars, Montesinos en Dulcinea hier werkelijk af
+te wachten?" vroeg de hertog den held, die in diepe gedachten stond.
+
+"Stellig!" verklaarde Don Quichot met vaste stem. "Onversaagd en
+onverschrokken wil ik hier wachten, al mocht ook de gansche hel met
+al hare duivels tegen mij in aantocht zijn."
+
+"En ik wil bij u blijven, heer", zeide Sancho Panza, terwijl hij,
+als bescherming zoekend, zich dicht aan hem drong.
+
+Onderwijl was het weer donker geworden en begonnen tallooze
+lichtjes zich door het bosch te bewegen. Zij flikkerden hier en
+schemerden daar: men had ze voor groote huppelende dwaallichtjes
+kunnen houden. Toen echter volgde een gerucht en geraas, dat hooren
+en zien deed vergaan, en te gelijk scheen dieper in het bosch een
+hevig gevecht te beginnen. Van alle kanten dreunde het dof gedonder
+van zwaar geschut en het onophoudelijk knetteren van duizend en nog
+eens duizend musketten en geweren. Van dichtbij en uit de verte klonk
+het geschreeuw der strijdenden, de luide toeroep der aanvoerders,
+het gekerm en gekreun der gewonden en stervenden.
+
+De trompetten, de horens, de fluiten, de trommen mengden zich
+daartusschen en veroorzaakten in verband met het kraken en knetteren
+van grof geschut en klein geweer een zoo schrikbarend en alle zinnen
+verbijsterend spektakel, dat Don Quichot al zijn vaak beproefden
+moed bijeenrapen moest, om niet het veld te ruimen. De arme Sancho
+was tegen al die verschrikkingen niet opgewassen. Half zinneloos
+van angst en schrik viel hij op den grond en begroef zijn gezicht
+in de wijde plooien van het kleed der hertogin, die terstond beval,
+dat men hem opnemen en een koud-waterbad zou toedienen. Dit gebeurde,
+en toen de schildknaap weer tot bezinning kwam, was reeds eene kar
+genaderd, welker knarsende wielen een scherp piepend, krijschend
+en gierend geluid voortbrachten, dat alle gehoorvliezen verscheuren
+moest. Vier goed gemeste, plompe stieren, met zwarte kleeden behangen,
+trokken haar. Aan hunne horens waren dikke, brandende harsfakkels
+vastgebonden, en op de kar zelve was een hooge zetel aangebracht,
+waarop een grijsaard van eerbiedwekkend voorkomen troonde, van wiens
+kin een lange, sneeuwwitte baard in dichte lokken tot over den gordel
+neergolfde. Een wijde mantel van zwarte stof omkleedde zijne forsche
+ledematen, en twee kleine duiveltjes, zoo verfoeilijk leelijk, dat
+Sancho Panza er voor wegkroop, begeleidden hem en waren nagenoeg
+evenzoo gekleed als hij zelf. Toen die kar tegenover Don Quichot
+stilhield, rees de daarin zittende grijsaard van zijne kussens overeind
+en riep met luider stemme: "Ik ben de wijze Lirgandeo!"
+
+Hierop reed die eerste kar door en een ander grijsaard volgde, die
+bekend maakte, dat hij de wijze Alquife was.
+
+Toen verscheen een derde kar, waarin een vierkante, pootige kerel
+met een bruin, verweerd en brutaal gezicht was gezeten, die, evenals
+de vorigen, onder 't voorbijrijden opstond en met rauwe, schorre en
+heesche stem uitschreeuwde, dat hij was de wijdbefaamde toovenaar
+Arcalaüs, de doodvijand van Amadis van Gallië.
+
+Op korten afstand van ons gezelschap hielden de drie karren stil;
+'t merg en been verscheurend piepen en gillen hield op en, in plaats
+daarvan, lieten zich de smeltende tonen eener uitermate liefelijke
+muziek hooren, wat Sancho Panza al dadelijk voor een gunstig voorteeken
+hield. Een weinig moed krijgende, richtte hij zich op en zeide tot
+de hertogin:
+
+"Waar ze zulke deuntjes spelen, kan geen gevaar wezen, hoogedele
+doorluchtige mevrouwe!"
+
+"En ook niet, waar zooveel licht en helderheid is," gaf de hertogin
+hem glimlachend tot bescheid.
+
+De muziek klonk nader en nader, en Don Quichot zag nu een kar aankomen,
+die van buiten geheel den vorm van een Romeinsche triomfkar had. Zij
+werd getrokken door zes grauwe muildieren, die met sneeuwwitte dekken
+van het fijnste lijnwaad behangen waren. Op elk dier zat eene in het
+wit gekleede gestalte met een fakkel in de hand; doch op een troon op
+de kar zelve vertoonde zich eene dame, in een langen golvenden sluier
+van zilverstof gehuld, waarop een tallooze menigte gouden sterretjes
+flonkerden. Het gelaat der dame was ook wel door een sluier bedekt,
+maar deze was zoo fijn en doorzichtig, dat men door de plooien heen
+een zeer schoon jonkvrouwelijk gelaat kon ontdekken.
+
+Naast de dame vertoonde zich eene gestalte in een mantel, die haar van
+'t hoofd tot de voeten reikte, terwijl een zwarte sluier haar gelaat
+aan het oog onttrok.
+
+Langzaam kwam die kar op Don Quichot en het verdere gezelschap toe, dat
+haar met nieuwsgierigheid en de uiterste spanning opwachtte. Tegenover
+onzen held hield zij stil; de muziek verstomde en de mannelijke
+gedaante richtte zich langzaam op. Den zwarten sluier opslaande,
+liet zij een ontvleesden schedel met ledige oogholten zien, zoodat
+men den dood in eigen persoon meende te aanschouwen.
+
+Don Quichot schrikte, Sancho werd doodsbleek en zelfs de hertog en de
+hertogin staarden met angst en ontzetting de vreemde huiveringwekkende
+gedaante aan, die nu met holle, gesmoorde stem de woorden liet hooren:
+
+"Ik ben Montesinos en kom in het gevolg der aanminnigheid en
+schoonheid, om den edelen ridder Don Quichot te verkondigen, dat
+zijne hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso kan onttooverd worden,
+indien Sancho Panza, zijn schildknaap, zichzelf drie duizend en drie
+honderd slagen op zijn breeden rug toetelt. En dan moeten die slagen
+zóó zijn, dat zij wezenlijk pijn, builen en striemen veroorzaken."
+
+"Lieve hemeltje, dan zou de heele historie op mijn armen rug
+neerkomen!" riep Sancho Panza. "Niet drie duizend slagen wil ik
+mijzelf geven, niet drie honderd, niet eens drie! Wat heeft mijn
+rug met de betooverde Dulcinea uitstaande? Loop heen! Als meester
+Montesinos er geen ander middeltje op weet uit te vinden, dan moet
+de schoone jonkvrouw vooreerst nog maar wat betooverd blijven."
+
+"Hoor me zoo'n ondankbaren schelm en deugniet eens!" riep Don Quichot
+verontwaardigd. "Wacht, man! ik wil je naakt aan een boom binden,
+en daar zult ge niet drie duizend drie honderd, maar zes duizend zes
+honderd zoo wichtige en klappende slagen toegeteld krijgen, dat men ze
+drie duizend en drie honderd buksschoten ver hooren kan. Zwijg stil,
+zeg ik, of ik ruk je dadelijk de zwarte ziel uit het lijf."
+
+"Bedaar, edele ridder!" sprak Montesinos met holle stem. "De slagen,
+die de wakkere Sancho Panza doorstaan moet, mogen niet opgedrongen
+worden, maar hij moet ze zich zelf geheel vrijwillig toebrengen,
+en hij heeft vrijheid, om ze op verschillende tijden geheel naar
+eigen goeddunken door te staan. Mocht het zijne verkiezing wezen,
+ze van eene vreemde hand te ontvangen, dan zal het getal tot op de
+helft verminderd worden, ofschoon onder voorwaarde, dat de zweep door
+eene niet te zwakke vuist worde gevoerd."
+
+"Dat alles is goed en wel," riep Sancho, "maar ik laat mij noch door
+mijn eigen noch door vreemde vuist afrossen, en wil mijn heer zijne
+Dulcinea onttooverd hebben, laat hem haar dan zelf onttooveren en zijne
+magere schouders zoo bont en blauw slaan, als hij maar verkiest. Ik
+voor mijn part zal zoo gek niet wezen, om tegen mijn eigen vleesch
+te woeden."
+
+Op dit woord rees nu eensklaps de vrouwelijke gedaante, die naast
+Montesinos zat, overeind, sloeg haar doorzichtigen sluier op en zag
+den weerspannigen schildknaap met een van verontwaardiging vlammenden
+blik aan.
+
+"Nietswaardige," riep zij; "man, met uw steenen hart en ziel van
+graniet, wat groote dingen verlangt men dan van u, dat gij u verstout,
+op zulk een toon te spreken? Indien u bevolen werd, van een hoogen
+toren te springen, of gesmolten lood door te slikken en met bloote
+voeten een half uur ver over gloeiende ijzeren platen te gaan,
+dan zou ik niets zeggen, zoo gij dat weigerdet; maar om een paar
+ellendige zweepslagen zoo'n leven te maken, dat noem ik boosaardig
+en slecht. Roert u dan mijne bloeiende jeugd en mijne betooverde
+schoonheid niet? Moet ik altijd en eeuwig als een gemeene boerendeerne
+omdolen, terwijl ik toch de schoonste prinses op aarde ben? Schaam u,
+flauwe lafaard! Schaam u en laat mij niet van hier weggaan zonder
+den troost, dat gij u tot mijne onttoovering aan eene lichte boete
+wilt onderwerpen. En zoo mijn beden en tranen u niet vermurwen, laat
+u dan bewegen door de ellendigheid van uwen heer, die van verdriet
+en hartzeer zal wegkwijnen, zoo gij niet tot een besluit komt, den
+schildknaap eens zoo beroemden helds waardig."
+
+"Neen, zoo gek ben ik niet," bromde Sancho. "Om een ander wil ik mijn
+eigen vleesch niet mishandelen."
+
+"Vriend Sancho," sprak nu de hertog, die door het lijden der schoone
+dame en het ongeluk van den ridder ten diepste geroerd scheen, "vriend
+Sancho, 't is wel waar, dat ik u een stadhouderschap beloofd heb, maar
+ik moet u nu ronduit en stellig verklaren, dat daar niets van komen
+kan, als gij u zoo halsstarrig en onhandelbaar betoont. Wat zouden
+mijne onderdanen op het eiland, dat voor u bestemd was, denken, als ik
+hun zulk een gruwzamen en hardvochtigen tiran op den hals zond? Neen,
+neen, Sancho! Gij moet of uit liefde tot uwen heer u die slagen
+getroosten, of ge zult het uw leven lang niet tot stadhouder brengen."
+
+"Ei, ei, niet zoo haastig, doorluchtige heer!" antwoordde Sancho
+op vrij wat onderdaniger toon; "men dient zich op zoo'n ding toch
+wel eens te beslapen. Gun mij twee dagen tijd en dan wil ik u nader
+bescheid geven."
+
+"Dat gaat niet aan!" sprak Montesinos met akelig holle stem. "Hier
+op staanden voet en binnen vijf minuten moet alles beslist zijn. Ja
+of neen--wat zegt gij?"
+
+"Zeg ja, beste Sancho!" fluisterde de hertogin den schildknaap toe,
+die besluiteloos stond, als een ezel tusschen twee bossen hooi. "Zeg
+ja, en toon u daardoor dankbaar voor al de goedheid en liefde, die
+uw dappere heer u tot hiertoe betoond heeft. Zeg ja, en wees niet
+bang voor zoo'n beetje pijn."
+
+"Nu, welaan dan," zei Sancho eindelijk; "daar gij allen mij zoo dringt,
+wil ik die vracht van drie duizend drie honderd in 's hemels naam
+maar op mij nemen. Doch 't is onder voorwaarde, dat ik ze mijzelf
+toetellen mag, wanneer en zoo veel of zoo weinig, als mij op een keer
+goeddunkt. Daartegenover beloof ik, dat ik mijn best zal doen om zoo
+gauw mogelijk schoone lei te krijgen en jonkvrouwe Dulcinea van hare
+betoovering te verlossen."
+
+"Dat is voldoende," riep Montesinos.
+
+En zoodra hij dat woord over de lippen had, nam de liefelijke muziek
+van fluiten, harpen en horens weer een aanvang, terwijl Don Quichot,
+verrukt over zijne opoffering, zijn trouwen schildknaap om den hals
+viel en hem onder heete tranen op voorhoofd en wangen kuste. De hertog,
+de hertogin en alle verdere tegenwoordigen gaven insgelijks hunne
+voldoening en tevredenheid te kennen, en toen de kar zich weer in
+beweging stelde, boog Dulcinea eerbiedig het hoofd voor de hertogin
+en wierp Sancho Panza een allerliefst kushandje toe.
+
+Sancho zelf voelde zich een oogenblik volkomen gelukkig, doch had
+twee minuten later al weer bitter berouw, dat hij zoo gek geweest was,
+dat zware pak van drie duizend drie honderd slagen op zich te nemen.
+
+Onderwijl begon het in het oosten te schemeren, en allen keerden
+naar het slot terug, om na de vermoeienissen der jacht en na al die
+spannende ontmoetingen een verkwikkenden slaap te genieten. De hertog
+en de hertogin waren meer dan ooit in hun voornemen versterkt, om met
+Don Quichot en zijn schildknaap nog allerlei kluchten en dwaasheden te
+vertoonen, en stelden zich daar onbegrijpelijk veel pret en genoegen
+van voor.
+
+Tot opheldering van het pas beschreven avontuur hebben wij alleen maar
+te zeggen, dat de geheele comedie volgens de beschikking van den hertog
+zoo was opgevoerd. Montesinos was de hofmeester van het slot, Dulcinea
+een knappe jonge page geweest, terwijl de verschillende talrijke
+dienaren des hertogs als toovenaars en duivels hadden moeten optreden.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XX.
+
+HET AVONTUUR MET HET HOUTEN PAARD.
+
+
+Eenige dagen verliepen, zonder dat met onze beide helden iets
+bijzonders was voorgevallen. Op de vraag van de hertogin aan den
+schildknaap, of hij met het werk zijner zelfkastijding al begonnen was,
+antwoordde Sancho toestemmend.
+
+"En waarmee hebt gij uzelf de slagen toegedeeld?" vroeg zij verder.
+
+"Wel, hier met mijn hand," antwoordde hij.
+
+"Ei," sprak de hertogin, "dan zijn de slagen zeker wat heel zacht
+uitgevallen, en ik twijfel zeer, of de gestrenge heer Montesinos
+daar wel mee zal tevreden zijn. Gij moet eene stevige geeselroede of
+een dik touw met knoopen nemen, daar voor de verlossing van eene zoo
+uitstekende en schoone dame wel wat pijn mag worden geleden."
+
+"Nu, als 't knijpt en weer knijpt, mevrouw, geef mij dan eene roe,
+zooals 't hoort, en dan wil ik mijzelf daarmee kwispelen, als 't niet
+te erg zeer doet. Maar uwe doorluchtigheid mag vrij gelooven--schoon
+'k maar een boer ben, zoo is mijn huid toch even gevoelig als 't vel
+van den besten edelman, en mijzelf erg te pijnigen is volstrekt mijn
+plan niet."
+
+"Goed, goed!" zei de dame lachend; "ge zult morgen eene roe hebben,
+die net voor je past en je de teêre huid niet al te erg zal havenen."
+
+Met deze toezegging stelde Sancho zich tevreden.
+
+Eenige dagen daarna zaten de hertog en de hertogin na afgeloopen
+maaltijd met hunne beide gasten in den tuin en spraken over beroemde
+ridders van vroeger en later dagen, toen men op eens den schellen,
+gillende toon van eene fluit en het dof gerommel van eene oude
+trom vernam. Geen van allen wist eerst, wat van deze vreemde en
+onwelluidende muziek te denken, en Don Quichot werd zoo onrustig, dat
+hij op zijn stoel heen en weer schoof en van verlangen brandde, om te
+weten, welk nieuw avontuur hier voor hem aanstaande was. Sancho zat,
+als gewoonlijk, weer zoo in angst, dat hij zich zoo dicht mogelijk bij
+de hertogin hield en gaarne onder de plooien van haar lang sleepkleed
+zou zijn weggekropen.
+
+Terwijl zij met gespannen verwachting naar de treurige en zwaarmoedige
+tonen van die muziek luisteren, traden aan het andere eind van den tuin
+twee mannen in rouwkleederen binnen, welke laatste zoo lang waren, dat
+zij ruischend op den grond nasleepten. Die mannen sloegen op trommen,
+die insgelijks met zwart rouwfloers behangen waren. Aan hunne zijde
+stapte een pijper, en dicht achter hen volgde een reusachtig lang
+man, van top tot teen in het zwart gekleed en met een sleep, die ter
+breedte van wel ruim tien el het stof van den grond wegveegde. Over
+zijn kleed droeg hij aan een gordel van zwart leder een verbazend
+groot zwaard met zwarten greep en zwarte scheede, en zijn gezicht
+was met een zwarten sluier bedekt, door welken een dichte, lange,
+sneeuwwitte baard heenschemerde. Met deftig afgemeten passen trad hij
+nader en zette de voeten telkens naar de maat der trommen neer. Zijne
+reusachtige figuur, zijne vreemde kleedij en fiere houding brachten
+allen in de grootste verbazing.
+
+Na den tuin doorgegaan te zijn, trad hij regelrecht op den hertog
+toe, die hem met de overigen staande opwachtte, wierp zich aan diens
+voeten neer en wilde met zijne toespraak beginnen, toen de hertog hem
+beduidde, dat hij geen woord aanhooren zou, indien hij niet dadelijk
+weer opstond. De reus rees dus weder overeind, sloeg zijn sluier op
+en vertoonde zijn gezicht, dat met den diksten, langsten en witsten
+baard versierd was, dien ooit een menschelijk oog had aanschouwd.
+
+"Doorluchtigste heer en hooge gebieder," begon hij met eene stem,
+die zwaar en diep als het rollen van den verren donder uit zijne
+breede borst kwam, "mijn naam is Trifaldin met den witten baard,
+en ik ben stalmeester van de gravin Trifaldi, die met anderen naam
+ook Dueña Dolorida genoemd wordt. Op last van haar verschijn ik,
+om uwe hoogheid een genadig gehoor te verzoeken, en om te vernemen,
+of zich hier op het slot ook de dappere en nooit overwonnen ridder
+Don Quichot van La Mancha ophoudt, om wiens wille mijne meesteres uit
+haar koninkrijk Candaya hierheen is gekomen. Zij wacht aan de poort
+van dit slot en verlangt slechts uwe vergunning, om binnen te komen
+en u haar ongehoord ongeluk mee te deelen."
+
+"Mijn waarde stalmeester Trifaldin met den witten baard," antwoordde
+de hertog, "wij kennen sinds lang al het ongeluk van uwe meesteres,
+de gravin Trifaldi, die alleen door de kunstenarijen van snoode
+toovenaars Dueña Dolorida genoemd wordt. Meld haar, dat wij haar
+wachten, en dat zij hier ook den dapperen en vermaarden ridder van
+La Mancha zal vinden, van wiens grootmoedige gezindheid zij veilig
+alle bescherming en bijstand mag hopen."
+
+Bij het vernemen dier blijde tijding boog de stalmeester Trifaldin tot
+afscheid de knie, wenkte trommelaars en pijper en verwijderde zich
+met dezen, even deftig en plechtstatig, als hij gekomen was. Korten
+tijd daarna verschenen twaalf in 't zwart gekleede dames in den tuin
+en naderden twee aan twee op de maat van de muziek. Achter haar ging
+de gravin Trifaldi aan den arm haars stalmeesters. Een zwart kleed
+golfde om hare leden en drie edelknapen volgden haar, die haar den
+sleep nadroegen.
+
+In de nabijheid van het hertogelijk paar gekomen, schaarden de
+twaalf dames zich in twee rijen, tusschen welke de gravin doorging,
+om zich den hertog te voet te werpen, wat deze natuurlijk wist te
+verhinderen. Hierop sprak zij met eene eer grove en mannelijke dan
+fijne vrouwenstem de volgende woorden:
+
+"Doorluchtige heer, eene ongelukkige nadert u, om uwe bescherming
+in te roepen, die zij meer dan iemand anders ter wereld noodig
+heeft. Voordat ik u echter mijn ongeluk vertel, zou ik gaarne weten, of
+de wereldvermaarde en dappere leeuwenridder hier is en zijn getrouwen
+schildknaap Sancho Panza bij zich heeft."
+
+"Hier is Sancho Panza," riep deze, nu weer moedig voor den dag
+springend, "en hier is ook mijn heer, de vreeselijkste en dapperste
+ridder, die ooit op twee beenen stond. Zeg, wat gij begeert,
+betreurenswaardige jonkvrouwe Dolorida. Wij zijn steeds bereid,
+ongelukkigen te helpen en verongelijkten recht te verschaffen."
+
+Voordat de dame hierop antwoorden kon, trad Don Quichot toe en zeide:
+
+"Indien uw leed zich van den arm en de kracht eens dolenden ridders
+eenige hoop op verzachting durft beloven, dan staat hier Don Quichot
+van La Mancha, over wien gij vrij beschikken kunt, zoo gij zijne
+diensten verlangt. Laat mij dus zonder verwijl de geschiedenis van
+uw ongeluk vernemen."
+
+De dame wilde den dapperen ridder de knieën omhelzen; doch hij liet
+dat niet toe, maar verzocht haar bij herhaling, de oorzaak van haar
+leed mee te deelen.
+
+Zoo vernam hij dan, dat een schandelijke reus en toovenaar, Malambruno
+geheeten, haar van hare heerlijkheid beroofd en haar zelve met al
+hare hofdames op de afschuwelijkste wijze misvormd had door hare
+gladde blanke gezichten met ruige borstels te bedekken.
+
+Op een wenk der gravin sloegen hare gezellinnen hare sluiers op en
+lieten tronies zien, die dusdanig met dichte baardharen begroeid waren,
+dat Don Quichot een kreet van verbazing uitstiet en zelfs de hertog
+en de hertogin zich verschrikt afwendden.
+
+"Zie, heer ridder," sprak gravin Trifaldi, "zóó heeft die kwaadaardige
+booswicht Malambruno ons toegetakeld. 't Was ons allen veel liever
+geweest, als hij ons terstond gedood had en het hoofd afgehouwen. Maar
+om nu tot de hoofdzaak te komen, moet ik u zeggen, dat niemand
+buiten u mij helpen kan, daar nergens op aarde meer een ridder van
+uwe dapperheid gevonden wordt."
+
+"Nu, aan mijn goeden wil zal het niet ontbreken," antwoordde Don
+Quichot. "Beveel, wat ik verrichten moet, en uwe wenschen zullen
+oogenblikkelijk vervuld worden!"
+
+"Het eenige bezwaar, dat ons in den weg staat," sprak de gravin,
+"is de omstandigheid, dat mijn koninkrijk over de vijfduizend mijlen
+van hier verwijderd ligt. Zoo gij echter, waaraan ik niet twijfel,
+moed genoeg bezit, om van eene reisgelegenheid gebruik te maken,
+die mij ieder oogenblik ten dienste staat, ben ik in een ommezien
+geholpen. Ik bezit namelijk het houten paard, waarop de dappere Pierres
+de schoone Magalona ontvoerde. Het wordt bestuurd door een kruk,
+die voor op den kop en ten volle de diensten van een teugel doet,
+en daarbij vliegt het met eene lichtheid en snelheid door de lucht,
+alsof de duivel zelf het medevoerde. Dit paard is, volgens echte
+oorkonden, door den grootmeester van alle toovenaars, den grooten
+Merlin, vervaardigd, die het aan zijn vriend, den dapperen Pierres
+ten geschenke gaf. Na dien held heeft niemand het meer bestegen, wijl
+ieder vreest er de lucht mee in te gaan. Evenwel is het het makste
+en beste dier van de wereld. In een ommezien brengt het zijn berijder
+in de verst verwijderde werelddeelen, en heeft daarbij het voordeel,
+dat het noch eet, noch drinkt, noch slaapt, noch ook zijne hoefijzers
+afslijt. Voor 't overige heeft het zulk een aangenamen en lichten gang,
+dat men, terwijl men door de lucht vliegt, een boordevolle kom water
+in de hand kan houden, zonder een droppel te morsen. Dit was de reden,
+waarom de schoone Magalona het ook zoo gaarne bereed."
+
+"Nu, wat een zacht en rustig draven aangaat," zei Sancho, "heb ik zelf
+een grauwtje, dat het tegen alle telgangers van de wereld opneemt. Zijn
+eenige fout is maar, dat hij niet door de lucht kan vliegen."
+
+Allen lachten over Sancho Panza's dwaze aanmerking, en de gravin
+ging voort:
+
+"Zoo gij bereid zijt, heer ridder, mijne wenschen te vervullen en u
+aan dat wonderdadig ros toe te vertrouwen, dan zal het zich op mijn
+wenk een half uur voor den donker in ons midden bevinden."
+
+"Hoeveel menschen nemen dan plaats op dat paardje?" vroeg Sancho.
+
+"Niet meer dan twee," antwoordde jonkvrouwe Dolorida, ook gravinne
+Trifaldi geheeten: "Één in den zadel en de ander achterop."
+
+"Ik ben benieuwd, wat naam dat beest heeft," vroeg Sancho Panza. "Weet
+gij mij dat ook te zeggen?"
+
+"Zijn naam is niet zoo hoogdravend als Pegasus of Bucephalus, of
+Orelia, maar 't is een doodeenvoudige, schoon bijzonder passende
+naam. Het heet Krukhout de Gevleugelde, omdat het van hout is, omdat
+het door een kruk bestuurd wordt en omdat het in vlugheid door geen
+schepsel ter wereld wordt overtroffen."
+
+"Ei, die naam is zoo kwaad niet en bevalt mij bijzonder goed,"
+verklaarde Sancho. "Maar waar is de toom of halster, waardoor 't
+geregeerd wordt?"
+
+"Ik heb al gezegd, dat die kruk zijn teugel is," antwoordde de gravin
+Trifaldi. "Al naarmate de ridder, die het berijdt, die kruk draait,
+gaat het paard hoog in de lucht op of daalt weer naar de aarde neer,
+houdt rechts of links, of rechtuit."
+
+"Dat moet dan al een bijzonder knap dier wezen en 'k ben verlangend,
+het eens te zien," zei Sancho. "Als men zich evenwel verbeeldt,
+dat ik daar achterop zal kruipen, dan slaat men den bal glad mis en
+verwacht peren van den olijfboom. Dat zou me wat moois wezen! Ik,
+die mij pas op den zadel van mijn grauwtje kan houden, die toch goed
+gevuld en zoo week als een kussen is, zou op de harde houten bonken
+van een beest gaan zitten, dat met mij de lucht ingaat, zonder dat
+ik weet, of het ooit weer op aarde te land zal komen! Neen, neen,
+voor zoo'n reisje bedank ik!"
+
+"Weest gerust, mijne heeren en dames!" zeide Don Quichot, die elk woord
+van zijn schildknaap verstaan had. "Ik vertrouw zeker, dat Sancho mij
+in alles gehoorzamen zal. Had ik den reus nu maar hier! Waarachtig,
+ik zou hem den kop van den romp houwen, voordat hij drie kon tellen."
+
+"Geduld, edele ridder, nog korten tijd," zeide de gravin
+Trifaldi. "Zoodra de avond komt, zal ook het ros verschijnen, en
+gij kunt het dan terstond bestijgen. Dan zal ook mijne ellende haar
+einde nabij zijn; mijn baard met al de baarden mijner dames zullen
+spoorloos verdwijnen, en wij allen zullen u, heer ridder, eeuwige
+erkentelijkheid verschuldigd zijn."
+
+Zeer spoedig kwam de avond en dus ook de tijd, dat het vliegend paard
+moest verschijnen. Don Quichot wachtte het met levendig ongeduld en
+wilde daaraan reeds in woorden lucht geven, toen op eens vier wilde,
+met groen klimop in plaats van met kleederen bedekte mannen in den
+tuin traden en een plomp houten paard op hunne schouders droegen. Zij
+zetten dat in de nabijheid van den ridder behoedzaam op den grond,
+en een hunner sprak met machtige stem: "Wie moed voelt, die bestijge
+den Gevleugelden Krukhout."
+
+"Nu, ik voor mijn part heb geen moed, en zal hem dus niet bestijgen,"
+verklaarde Sancho op stelligen toon.
+
+"Wanneer de ridder, die dit ros bestijgt," ging de met klimop bekleede
+man voort, "een schildknaap in zijn gevolg heeft, dan moet deze
+achterop stijgen en zijn meester vergezellen. Hij kan daarbij zonder
+vrees zijn, want hem zal in het minst geen kwaad overkomen. De ridder
+heeft niets te doen, dan aan de kruk te draaien, die aan den hals van
+het paard is aangebracht, en dan zal hij zonder verwijl naar de plaats
+worden gedragen, waar Malambruno hem wacht. Opdat echter de ontzettende
+hoogte, waartoe het paard opstijgen zal, de ruiters niet duizelig make,
+moeten zij zich de oogen laten blinddoeken en mogen zij dien doek niet
+afdoen, voordat het paard luid begint te brieschen. Dit is het teeken,
+dat de tocht volbracht is en de ruiters hun doel hebben bereikt."
+
+Na deze woorden bogen zich de mannen in klimop en verwijderden zich
+met haastigen tred. Dolorida of gravin Trifaldi echter keerde zich
+met tranen in de oogen tot den ridder en sprak:
+
+"Daar, dapperste aller ridders, is nu Krukhout de Gevleugelde, en
+niets ontbreekt meer om mij gelukkig te maken, dan dat gij met uw
+schildknaap opstijgt en met vroolijk harte den tocht onderneemt."
+
+"Dat zal geschieden, edele vrouwe," antwoordde Don Quichot, "dat zal
+geschieden met vroolijk harte en met den besten wil, om uw wreker te
+worden en u uwe vroegere schoonheid terug te verschaffen."
+
+"Dan wensch ik u goede reis en behouden overtocht, edele heer," zeide
+Sancho Panza. "Ik voor mij zal wel oppassen, dat ik mij niet in zulk
+een gevaar begeef, en bedank er voor, daar achter op dat harde hout
+te zitten. Ik blijf, waar ik ben, of als ik meega, wil ik de reis op
+mijn eigen grauwtje doen."
+
+"Sancho Panza," sprak hierop de hertog op bestraffende toon, "zoo
+gij uw heer in de ure des gevaars in den steek laat, reken dan niet,
+dat gij ooit eene stadhoudersplaats van mij krijgt. Vergezelt gij
+hem echter, gelijk dat een rechtschapen schildknaap betaamt, dan zal
+het stadhouderschap van mijn eiland Barataria uw loon zijn en kunt gij
+verzekerd wezen van mijne voortdurende gunst en goedwilligheid. Twijfel
+niet aan de waarheid dezer verzekering, maar wees overtuigd, dat wat
+ik zeg ernstig gemeend is."
+
+"Goed, goed, doorluchtige heer," zeide Sancho, op wien het beloofde
+stadhouderschap dadelijk krachtig werkte. "Ik ben een arme schildknaap
+en kan anders niet, dan voor uwe genade dankbaar zijn en uwe bevelen
+gehoorzamen. Laat mijn meester opstijgen, laat mij een doek voor de
+oogen binden, en zeg mij, of ik op onze gevaarvolle reis den hemel
+en de hertogin aanroepen en hun krachtigen bijstand vragen mag."
+
+"Gerust, gerust moogt gij dat doen, vriend Sancho," sprak Trifaldin,
+de stalmeester. "'t Is niet aan de tooverkracht des duivels en der
+helsche geesten, waaraan gij u toevertrouwt, maar 't is eene eerlijke
+en behoorlijke tooverij, waartegen de goede geesten niets inbrengen
+kunnen."
+
+"Nu welaan, dan ben ik bereid," zeide Sancho, niet zonder eene zachte
+trilling in zijne stem.
+
+"Waarlijk," sprak Don Quichot, "ik kan mij niet herinneren, mijn
+schildknaap, behalve bij dat gedenkwaardig avontuur met de molens,
+ooit zoo vreesachtig te hebben gezien, als heden, en indien ik maar
+wat bijgeloovig was, zou ik dien angst voor een slecht voorteeken
+houden. Maar kom eens hier, Sancho! Ik heb u een paar woorden onder
+vier oogen te zeggen."
+
+Sancho kwam bij hem, en beiden gingen een weinig bezijden af in
+een boschje. Hier vatte de ridder zijn schildknaap bij beide handen
+en sprak:
+
+"Waarde vriend Sancho, wij hebben, zooals gij weet, een verren tocht te
+doen en het is onzeker, hoe lang wij uitblijven zullen. Daarom wensch
+ik zeer, dat gij terstond in uwe kamer gaat en u daar vóór ons vertrek
+nog een vijfhonderd of duizend slagen van de drie duizend en drie
+honderd toedient, die tot onttoovering van mijne gebiederes Dulcinea
+van Toboso noodig zijn. Wat gedaan is, is gedaan, en gij zult er mij
+bijzonder door verplichten. Frisch aan het werk dus, mijn vriend,
+want uitstel leidt tot afstel en uw woord houden moet gij toch."
+
+"Zoo waar ik leef, heer, 't is een onverstandig ding, dat gij daar
+van mij vergt," antwoordde Sancho. "Hoe kunt gij verlangen, dat ik
+mijne krachten ga verzwakken op een tijd, nu ik die zoo bijzonder
+hoog noodig zal hebben! Waarachtig, 't is, alsof ge niet goed bij uw
+hoofd zijt. Laat ons eerst de gevaarlijke reis volbrengen, en wees
+dan verzekerd, dat ik mijn uiterste best zal doen, om den tijd der
+betoovering voor u af te korten. Ik zal mij dan zoo vlug en handig
+van mijne verplichting zoeken te kwijten, dat gij in de hoogste mate
+tevreden zult wezen."
+
+"Nu goed, vriend Sancho, ik wil op uwe belofte vertrouwen," antwoordde
+Don Quichot. "Ik ben van uwe waarheidsliefde zoo volkomen overtuigd,
+dat ik niet aan uwe woorden twijfelen wil. Kom dan weer mee bij de
+overigen, en wij willen ons gereedmaken tot ons vertrek."
+
+Zij keerden terug, en nu zou het vliegend paard terstond bestegen
+worden.
+
+"Bind u nu een doek voor de oogen, Sancho," zeide Don Quichot. "Wij
+moeten stiptelijk volbrengen, wat men van ons verlangt."
+
+"Ja, ja, maar doe gij dat maar eerst," sprak de schildknaap, "Als ik
+achter zal zitten, dient gij natuurlijk eerst op te stijgen, en dus
+heb ik tijd tot gij zelf klaar zijt."
+
+Don Quichot zag het gegronde dezer aanmerking in, haalde zijn zakdoek
+te voorschijn en verzocht de gravin Trifaldi, hem dien voor de oogen te
+binden. Zij deed dat zonder tegenspraak, en nu werd de ridder op den
+houten rug van het tooverpaard getild. Toen hij vast zat, onderzocht
+hij de kruk aan den hals en bevond, dat die zich uiterst gemakkelijk
+liet omdraaien en bewegen. Daar de ridder geen stijgbeugels had,
+hingen zijne magere beenen steil naar beneden en had hij veel van
+de figuur, welke men wel soms op oude behangsels ziet en die een
+Romeinschen triumphator moet voorstellen.
+
+Sancho volgde langzaam en met kennelijken tegenzin het voorbeeld
+zijns meesters en zocht het zich op het achterdeel van het paard zoo
+gemakkelijk mogelijk te maken. Hij vond dat evenwel zoo hard, dat hij
+den hertog bad, hem toch een sprei of kussen te doen brengen, daar
+hij de bezwaarlijke reis anders onmogelijk zou kunnen uithouden. De
+gravin Trifaldi antwoordde, dat aan dit verzoek op geene wijze kon
+voldaan worden, omdat het in Krukhouts aard lag, dat hij niet de
+minste bedekking kon verdragen. Om meer gemak te hebben, moest hij
+dan maar zoo gaan zitten, als vrouwen doen, wat hem zeker wel eenige
+verlichting zou aanbrengen.
+
+Sancho Panza volgde dezen raad, nam afscheid van de omstanders en bond
+zich den doek voor de oogen. Terstond daarna maakte hij dien echter
+nog eens weer los, keek met tranen in de oogen rond en verzocht al de
+achterblijvenden, dat zij toch om hem zouden denken en zijn grauwtje
+goed verzorgen.
+
+"Lafhartige kerel!" riep Don Quichot hem hierop toe, "staat gij dan
+al onder de galg of ligt gij op uw uiterste, dat gij de menschen hier
+met zulke vragen lastig valt? Bind gauw den doek weer vast en leuter
+niet van gevaar, zoolang gij u in mijne tegenwoordigheid bevindt."
+
+Brommend en pruttelend bond Sancho Panza zich nogmaals den doek voor,
+en toen Don Quichot merkte, dat alles in orde was, greep hij naar
+de kruk en draaide die rond op de wijze, die hem was opgegeven. Op
+'tzelfde oogenblik verhieven de omstanders hunne stemmen en riepen
+hem na:
+
+"God geleide u, dapperste aller ridders, met u, onverschrokken
+schildknaap! Ha, wat vliegen zij! Dat snort als een pijl door de
+lucht! Een mensch wordt duizelig alleen van 't gezicht! Houd u vast,
+Sancho, en pas op, dat ge niet valt, want ge zoudt in duizend stukken
+op den grond komen."
+
+Sancho verstond elk woord, dat hem werd toegeroepen, en klemde zich
+vol zielsangst vast, waartoe hij beide armen om zijn heer sloeg.
+
+"Hoe zou het toch wel zoo wezen, heer," vroeg hij, "dat wij alles
+verstaan, wat die daar beneden ons toeschreeuwen, ofschoon wij nu
+toch al zoo hoog in de lucht vliegen? 't Is net, alsof ze nog dicht
+om ons toe stonden."
+
+"Breek daar uw hoofd niet mee," antwoordde de ridder. "Daar deze
+luchtvaart zoo geheel buiten het bereik der gewone dingen ligt,
+zoo moet gij op duizend mijlen afstands kunnen hooren en zien, wat
+ge maar verkiest. Maar pak mij niet zoo vast, of ge zult mij nog van
+het paard trekken. Wat zijt ge toch bang en flauwhartig! Ik begrijp
+volstrekt niet, hoe ge u zoo angstig maakt, daar ik zeggen moet,
+nog nooit een dier bereden te hebben, dat zachter gang heeft. 't Is
+waarlijk, of we heel niet van de plaats kwamen. Onderdruk uwe vrees
+dus, mijn vriend, en vertrouw, dat alles goed af zal loopen. De wind
+is ons gunstig en blaast ons frisch in den rug."
+
+"Ja, dat is zoo," erkende Sancho; "ik voel zoo'n koelte in mijn zij,
+alsof 'k den wind uit duizend blaasbalgen kreeg."
+
+Sancho Panza had het rechte woord getroffen, want inderdaad waren
+'t een paar groote blaasbalgen, die hem van frissche lucht in
+overvloed voorzagen. De hertog had alles zoo goed ingericht, dat
+zelfs de elementen meewerken moesten om de luchtreizigers in hun waan
+te versterken.
+
+Don Quichot, die ook zijn deel van de aanblazing gehad had, nam na eene
+poos het woord weer en zeide tegen Sancho: "wij moeten nu spoedig de
+tweede luchtlaag bereiken, waar de donders rollen en de bliksems als
+vurige slangen heen en weer schieten, en eindelijk, als wij al hooger
+en hooger klimmen, komen wij in het luchtgebied van het vuur. 't Is
+leelijk, dat ik niet weet, hoe de kruk te draaien om ons zoo ver van
+dat gebied te houden, dat wij niet verbranden."
+
+Terstond wenkte de hertog nu eenige dienaren, en men warmde de
+gezichten der luchtreizigers door middel van eenige bossen vlas, die,
+aan stokken gebonden, licht vuur vatten en ontvlamden, en ook even
+gemakkelijk waren uit te dooven.
+
+"Ik laat mij villen," zei Sancho, toen hij die hitte op zijn lichaam
+bespeurde, "als wij niet al midden in dat vuurgebied of er althans
+heel dicht bij zijn. Mijn gezicht gloeit als vuur en 't zou wel goed
+wezen, dat ik mijn blinddoek eens afnam, om te zien, op wat hoogte
+we eigenlijk zijn."
+
+"Doe dat vooral niet!" waarschuwde Don Quichot. "Denk aan de historie,
+die eens met zekeren pastoor Torralva is voorgevallen. De duivels
+voerden hem op een bezemstok door de lucht mee en hij moest, als wij,
+zijne oogen toehouden. Binnen de twaalf uren kwam hij naar Rome en werd
+in de straat Torre de Nona neergezet, zag het tumult eener belegering,
+en was den volgenden morgen al weer in Madrid, waar hij alles vertelde,
+wat hij gezien had. Onder weg, zoo verklapte hij, hadden de duivels
+hem bevolen, de oogen te openen, en toen was hij zoo dicht bij de
+maan geweest, dat hij haar wel met de hand betasten kon. Maar naar de
+aarde had hij niet durven kijken, uit vrees van duizelig te worden
+en naar beneden te tuimelen; en daarom, Sancho, mogen ook wij onze
+blinddoeken niet afnemen. Misschien komen wij zoetjes aan wel zoo
+hoog, dat wij plotseling op het koninkrijk Candaya neervallen kunnen,
+als een valk op zijn prooi. In allen gevalle is Krukhouts vlucht van
+verbazende snelheid, en ofschoon wij nog pas een half uur uit den
+tuin weg zijn, kunt gij er staat op maken, dat wij reeds honderden
+mijlen achter den rug hebben."
+
+"Hoe het daarmee is, weet ik niet," bromde Sancho Panza; "maar wel
+weet ik, dat jonkvrouw Magalona, als ze 't hier op mijne plaats kon
+uithouden, zeker vrij grof van huid en van ledematen is geweest."
+
+Al deze woorden werden door het gezelschap in den tuin duidelijk
+verstaan, en men vermaakte zich er natuurlijk niet weinig mee. Om
+echter aan de klucht een einde te maken en heel het vreemde, kunstig
+aangelegde avontuur met een luisterrijk slot te kronen, werd thans
+aan Krukhouts staart eene brandende lont vastgemaakt. Daar spatte
+nu de gansche buik van het holle paard met schrikbarend geknetter
+en gekraak uiteen en deed den dapperen held en zijn schildknaap half
+verzengd en geheel bedwelmd en verbijsterd op den grond tuimelen. Van
+dit oogenblik maakten de gravin Trifaldi en hare medebaarddraagsters,
+de twaalf dames, met de meeste verdere toeschouwers haastig gebruik
+om zich uit de voeten te maken, zoodat zij uit den tuin verdwenen
+waren, voordat de gefopten weer uit hunne bedwelming ontwaakten. De
+overigen wierpen zich op den grond en hielden zich, alsof zij ook in
+onmacht lagen.
+
+Toen Don Quichot en Sancho na eenigen tijd weer bijkwamen en zich
+vrij wat gekneusd en gehavend van den grond oprichtten, keken zij vol
+bevreemding naar alle kanten rond, daar zij bemerkten, dat zij zich
+in denzelfden tuin bevonden, waaruit zij waren opgestegen, en hunne
+verbazing klom nog, toen zij eenige personen als dood op den grond
+zagen liggen. Eindelijk zag Don Quichot aan het eind van den tuin
+eene lange lans staan, waaraan, met zijden snoeren vastgemaakt, een
+groot blad wit perkament hing. Hij ging daarop toe en ontdekte op het
+perkament een opschrift in gouden letters, van den volgenden inhoud:
+
+"De groote en wereldberoemde ridder Don Quichot van La Mancha heeft het
+gevaarvolle avontuur ter gunste van de gravin Trifaldi bestaan alleen
+reeds door de bedoeling, om het te volbrengen. De gravin en hare dames
+zijn van hare baarden bevrijd, Malambruno is dood, en de heerschappij
+over het koninkrijk is aan de rechte handen teruggegeven. Zoodra
+de schildknaap Sancho Panza zijne zelfkastijding volbracht heeft,
+zal ook de schoone Dulcinea hare vroegere gedaante weder aannemen
+en in de armen van haren dapperen ridder en bevrijder snellen. Aldus
+spreekt Martino, de machtigste aller toovenaars."
+
+Na het lezen van dit opschrift was Don Quichot zeer verheugd, met
+zoo gering gevaar eene zoo roemvolle daad verricht te hebben, en
+zijn hart klopte hoorbaar bij de gedachte, dat hij zijne verhevene
+Dulcinea thans wellicht spoedig onttooverd zou zien. Evenwel herstelde
+hij zich spoedig, bedwong zijne verrukking en trad op den hertog en
+de hertogin toe, die schijnbaar nog altijd in diepe onmacht op een
+groen grasperk lagen uitgestrekt.
+
+"Op, op, doorluchtige heer!" riep hij, de rechterhand des hertogs
+grijpend en duchtig schuddend. "Op, heer, en wees goedsmoeds! Het
+avontuur is gelukkig volbracht, zonder iemand schade gedaan te hebben,
+gelijk gij uit dat getuigschrift daar aan die lans met eigen oogen
+zien kunt."
+
+De hertog richtte zich langzaam op en nam den schijn aan, alsof
+hij uit een diepen slaap ontwaakte. Evenzoo deden de hertogin en de
+overigen, en allen hielden zich zoo verbaasd, alsof zij van al het
+voorgevallene geen sikkepitje wisten. Met nog half gesloten oogen las
+de hertog het gouden opschrift, dat hij zelf had opgesteld, en viel
+toen Don Quichot om den hals, hem met gelukwenschingen overstelpend
+en hem wel honderdmaal verzekerend, dat hij de beste ridder was,
+dien het aardrijk nog ooit had gedragen.
+
+Sancho Panza vroeg intusschen naar de gravin Trifaldi en haar gevolg,
+en hoorde tot zijne verwondering, dat de geheele schaar verdwenen was
+op 't zelfde oogenblik, toen het vliegend luchtpaard kwam aansuizen
+en brandend op de aarde was neergevallen.
+
+De hertogin vroeg den schildknaap, wat hem op zijne luchtreis al zoo
+was overgekomen.
+
+"Dat wil ik u van stukje tot beetje vertellen, doorluchtige mevrouw,"
+antwoordde Sancho. "Toen ik voelde, dat wij door de vuurstreek vlogen,
+vroeg ik mijn meester, of ik den blinddoek niet wat los mocht maken;
+maar die verbood mij dat. Daar ik evenwel zoo erg nieuwsgierig was,
+lichtte ik den doek toch zoo'n beetje op en keek door de opening bij
+mijn neus langs naar de aarde. Van de ontzettende hoogte, waar wij
+met de snelheid van den razendsten stormwind voortdreven en waar de
+bliksemstralen ons maar zoo om de ooren sisten, leek zij mij niet
+veel grooter dan een mosterdkorrel toe en de menschen, die er op
+omkrabbelden, leken mij pas zoo groot als een walnoot. Daaruit kunt
+gij opmaken, tot wat hoogte wij 't al gebracht hadden."
+
+"Maar, vriend Sancho," zei de hertogin met een ernstig gezicht,
+schoon zij moeite had om haar lachen te verbijten, "als de aarde u
+maar zoo groot als een mosterdkorrel toescheen, maar de menschen zoo
+groot als een walnoot, dan moest immers één mensch de geheele aarde
+bedekt hebben?"
+
+"Dat zou men wel haast zoo zeggen," antwoordde Sancho; "maar toch
+stak er een tipje van uit, en ik zag haar heelemaal."
+
+"Sancho, dat is niet mogelijk," verklaarde de hertogin. "Als men maar
+een tipje ziet, kan men onmogelijk het geheel zien."
+
+"Och, ik kan met eene zoo verstandige en voorname dame niet
+redetwisten," antwoordde de schildknaap; "maar bij dit alles moet gij
+toch in aanmerking nemen, dat hier overal tooverij bij in 't spel kwam,
+dat wij met tooverij door de lucht vlogen, en dat ik door tooverij
+de heele aarde zien kon, van wat plaats ik ook uitkeek. Indien gij
+evenwel dit niet gelooft, dan gelooft gij misschien ook niet, wat
+mij nog later is overkomen. Kijk, uwe doorluchtigheid, toen ik de
+oogen opsloeg, streken wij al zoo dicht bij den hemel langs, dat
+ik hem haast met de handen aanraken kon. Hij is ontzettend groot,
+als men hem zoo van nabij ziet. Verder wou 't geval, dat wij in
+de buurt van het zevengesternte kwamen, en daar ik in mijne jeugd
+geitenherder ben geweest, kreeg ik lust, om eens eventjes die zeven
+geitjes toe te spreken. 't Hing er maar van af, of ik kans zou zien,
+om van Krukhout te komen. Wat doe ik eindelijk? Ik draai de kruk om,
+zonder dat mijn heer er iets van merkt; ons paard staat doodstil; ik
+wip er af, en houd met de geitjes een praatje van wel drie kwartier
+en sprong toen weer achter mijn heer op, zonder dat Krukhout in al
+dien tusschentijd een poot verzet had."
+
+"Maar wat deed Don Quichot zoolang? Zeg, edele heer, hoe hebt gij u
+den tijd gekort?" vroeg de hertog.
+
+"Daar ik van al de dingen, die Sancho Panza gezien wil hebben,
+niets merkte, kan ik er ook niets van zeggen. Ik heb mijn doek geen
+oogenblik verschoven en dus hemel noch aarde, zee noch land gezien. Wel
+bemerkte ik, dat wij de streek der winden door en nabij de streek
+des vuurs kwamen; maar dat wij het veel verder gebracht hebben, kan
+ik bezwaarlijk gelooven. In aanmerking nemende, dat wij niet zonder
+tot asch te verbranden tot in den hemel, waar de Zeven Geitjes zijn,
+konden komen, moet ik zelfs denken, dat Sancho Panza òf gedroomd òf,
+wat nog veel erger is, schandelijk gelogen heeft."
+
+"Daar kan men licht de proef van nemen," zeide Sancho Panza met
+onverzettelijke onbeschaamdheid. "Men heeft mij maar te vragen,
+hoe de geitjes er hebben uitgezien. Geef ik onvoldoende antwoorden,
+maak mij dan maar voor een droomer en een leugenaar uit."
+
+"Kom, beschrijf ons die geiten dan eens; we zijn nieuwsgierig,"
+zeide de hertogin.
+
+"Goed," antwoordde Sancho. "Twee er van zijn groen, twee rozerood,
+twee hemelsblauw en een is bontgevlekt."
+
+"Ei, dat moeten dan wel vreemde geiten zijn," zeide de hertogin. "Bij
+ons te lande komen ze zoo niet voor en heb ik althans ze nooit in
+die kleuren gezien."
+
+"Ik voor mijn part vind het heel natuurlijk, dat tusschen de geiten
+des hemels en de geiten der aarde een beetje onderscheid bestaat,"
+meende Sancho.
+
+"Maar zeg eens, Sancho, hebt gij onder die geiten ook een bok
+gezien?" vroeg de hertogin.
+
+"Neen, mevrouw, en dat zou mij ook verwonderd hebben, want dan liep hij
+gevaar van met zijne horens aan de horens van de maan vast te raken."
+
+Met dit antwoord had men van de stoute leugens van den braven
+schildknaap vooreerst genoeg. De hertog had zich met het gansche
+avontuur kostelijk vermaakt en het had in hem den lust opgewekt om
+de klucht nog wat verder te laten voortspelen. Voortaan had hij het
+hoofdzakelijk op Sancho Panza gemunt, die toch eindelijk zijn gehoopt
+stadhouderschap moest aanvaarden.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXI.
+
+SANCHO PANZA OP HET EILAND BARATARIA.
+
+
+Nadat de hertog zijn plan ontworpen en aan zijne talrijke bedienden
+de noodige bevelen en aanwijzingen gegeven had, liet hij op een dag,
+korten tijd na die wonderbaarlijke luchtvaart, Sancho Panza roepen
+en kondigde hem aan, dat hij zich toerusten en klaar houden moest, om
+zijne waardigheid als stadhouder te aanvaarden, daar zijne aanstaande
+onderdanen al zoo naar hem verlangden, als het dorre land naar den
+Meiregen.
+
+Sancho Panza boog zoo diep, dat zijn neus bijkans den grond raakte,
+en zeide: "Heer, sinds ik tot de Zeven Geitjes opsteeg en daar de
+aarde zoo klein en nietig aan mijne voeten zag liggen, is de begeerte
+om stadhouder te worden een weinigje afgekoeld. Indien uwe hoogheid
+mij een klein brokje hemel verkoos te geven, zou ik dat liever nemen,
+dan het grootste eiland van den aardbodem."
+
+"Vriend Sancho," antwoordde de hertog, "gij weet wel, dat ik zoo hoog
+in de lucht over niets te zeggen heb, en dat ik u daar dus ook geen
+stadhouderschap kan aanbieden. Ik geef u, wat ik in staat ben te geven:
+een vruchtbaar, kostelijk bebouwd, fraai en volmaakt eiland, waar gij
+overvloedig gelegenheid zult vinden om u met schatten te verrijken."
+
+"Nu, komaan," sprak Sancho, "om uwe doorluchtigheid pleizier te doen,
+wil ik dan zoo'n stadhouder worden; 't is anders niet eerzucht,
+die mij aandrijft mijn nederigen stand te verlaten, maar alleen de
+begeerte om goed te doen en te vernemen, hoe zulk een stadhouderschap
+eigenlijk smaakt."
+
+"Ei, als ge daar eens van geproefd hebt, zult ge er heel den tijd
+van uw leven alle tien vingers naar likken," meende de hertog. "Geen
+heerlijker ding, dan te bevelen en nergens verzet of weerspannigheid
+te vinden. Morgen al zult gij op reis gaan, en van avond nog krijgt
+gij uwe ambtskleeding en wat meer tot uwe uitrusting behoort."
+
+Sancho Panza boog andermaal als een knipmes en ging heen, om aan
+zijn meester het groote nieuws te verkondigen, dat hem zoo pas was
+meegedeeld. Don Quichot gaf hem de beste lessen en vermaningen,
+en Sancho hoorde hem zoo aandachtig aan, dat de ridder van zijn zoo
+op eens tot eene hooge waardigheid verheven schilddrager de beste
+verwachtingen opvatte.
+
+En nu kwam de dag tot vertrekken en ging Sancho Panza met een talrijk
+gevolg op weg. Hij droeg de kleeding van een geleerde en daarover
+een mantel van donkerblauw laken. Op een muildier zat hij, en zijn
+grauwtje, met splinternieuw tuig en zadel, werd hem nageleid, daar
+hij van dat trouwe dier onmogelijk kon scheiden. Hij was zoo tevreden
+en gelukkig, dat hij op dat oogenblik niet met den keizer van China
+had willen ruilen.
+
+Na eene korte reis kwam Sancho Panza met zijn gevolg in een stadje met
+ongeveer duizend inwoners aan, dat eene der aanzienlijkste bezittingen
+van den hertog was. Men maakte hem wijs, dat dit het eiland Barataria
+was; en alhoewel Sancho nog over geen water was gekomen, zoo nam hij
+die verzekering toch voor goede munt op en brak er verder zijn hoofd
+niet mee.
+
+Toen hij de poorten der kleine stad naderde, die met een ringmuur
+omgeven was, kwamen hem raad en overheid plechtig te gemoet, om hem
+te verwelkomen. De klokken werden geluid, het volk juichte en jubelde,
+en met veel staatsie werd hij naar de hoofdkerk geleid, om voor zijne
+verheffing te danken, de sleutels der stad te ontvangen en zich in
+zijne volle waardigheid den volke te vertoonen.
+
+De figuur, de dracht, de geheele houding en de manieren van den nieuwen
+stadhouder wekten bij allen, die niet in het geheim van den hertog
+waren ingewijd en dus de geheele ceremonie voor ernst moesten houden,
+niet weinig verbazing. Nadat de plechtigheid in de kerk was afgeloopen,
+bracht men hem buiten, deed hem plaats nemen op den rechterstoel, en
+de huishofmeester van den hertog, die het geheele kluchtspel bestuurde,
+sprak hem aan als volgt:
+
+"Eerwaarde heer stadhouder, het is een overoud gebruik op het
+eiland, dat ieder, die er bezit van neemt, verplicht is eene vraag te
+beantwoorden, die zeer moeielijk en ingewikkeld is. Dit gebruik heeft
+geen andere bedoeling, dan om den bewoners al dadelijk een proefje
+van de scherpzinnigheid van den nieuwen regent te geven. Uit diens
+antwoord mogen zij dan opmaken, of zij over zijne aankomst zich te
+verheugen of wel te beklagen hebben."
+
+"Ei, als dat zoo is, kom dan maar met uwe vraag voor den dag, heer
+huishofmeester," antwoordde de nieuwe stadhouder. "Ik wil haar
+beantwoorden, zoo goed als ik maar kan, en dan moet het volk zelf
+weten, of 't lachen of huilen wil."
+
+Op dit oogenblik traden twee mannen in de rechtszaal, van wie de
+een als boer was gekleed en de ander zich door de groote schaar,
+die hij in de hand hield, als snijder deed kennen.
+
+"Heer stadhouder," begon deze laatste, "ik en die boer hier komen om
+eene netelige zaak voor uwen rechtsstoel. Deze goede vriend namelijk
+kwam gisteren in mijne werkplaats, hield mij een lap laken voor en
+vroeg mij, of ik kans zag, daaruit eene muts voor hem te maken. Ik
+bekeek het laken van alle kanten, keerde 't om en om, berekende
+de lengte en de breedte, en toen zei ik eindelijk: "Ja, dat zou ik
+wel kunnen."
+
+"Nu dacht het boertje zeker, dat ik hem een stuk van het laken
+ontstelen wou of stilletjes in de hel wegmoffelen, en dus vroeg hij
+mij, of 't niet mogelijk was, twee mutsen van het stuk te maken.
+
+"Ik had dat gauw in den neus, en zei ja. Daarop verlangde de boer al
+meer mutsen, en al meer, en dat van dit ééne lapje laken, totdat we
+'t eindelijk over vijf stuks eens werden, die ik hem beloofde te
+maken. Voor een uur komt hij bij mij, om ze af te halen, en ik geef
+ze hem. Maar toen hij nu de mutsen ziet, wil hij mij er geen maakloon
+voor geven en verlangt zelfs, dat ik hem zijn laken zal betalen of
+'t hem heel en gaaf, zooals 't geweest is, teruggeven."
+
+"En wat hebt gij nu te zeggen, vriendje?" keerde Sancho zich tot het
+boertje. "Is alles zoo, als de snijder zegt?"
+
+"Ja, daar kan ik niets tegen zeggen," antwoordde de man. "Maar laat
+u nu eens de vijf mutsen toonen, die de gauwdief gemaakt heeft."
+
+De snijder stak op den wenk van den stadhouder zijne hand onder den
+mantel en, toen hij die weer voor den dag haalde, zag men vijf mutsjes,
+die hij op de vijf vingertoppen van zijne hand had gestoken.
+
+"Hier is," zeide hij, "wat die man van mij verlangde, en 'k mag hier
+door den grond zinken, als ik ook maar een enkelen draad van 't laken
+voor mij heb gehouden."
+
+Al de toeschouwers lachten over die onnoozele poppenmutsjes en over
+heel de kluchtige rechtzaak. Sancho Panza echter dacht een poosje
+stil na en sprak toen:
+
+"Ik geloof niet, dat tot het uitwijzen van deze rechtspraak veel
+wijsheid en geleerdheid noodig is, en ik beroep mij dus enkel en
+alleen op het gezonde menschenverstand. Mijn vonnis luidt aldus: "De
+snijder, omdat hij den boer opzettelijk bij den neus nam, verliest
+zijn maakloon; maar de boer verliest zijn laken, omdat hij, volgens
+zijne eigen bekentenis, vijf mutsen heeft besteld. De mutsen echter
+houd ik tot vergoeding van de rechtskosten.""
+
+Deze beslissing verwekte een algemeen gelach; maar men hield zich
+aan het vonnis van den stadhouder, en de zaak was hiermee afgeloopen.
+
+Nauwelijks was weer stilte gevolgd, of daar traden twee oude mannen
+in de zaal, van wie de een op een dikken rietstok leunde. De ander,
+die geen stok bij zich had, trad voor en sprak:
+
+"Gestrenge heer, voor eenigen tijd leende ik dezen man, uit
+goedwilligheid en om hem te helpen, tien goudguldens, eenvoudig onder
+voorwaarde, dat hij mij die som terug zou betalen, zoodra ik die
+opeischte. Ik liet een geruimen tijd verloopen, voordat ik het mijne
+terugvroeg. Daar echter de man volstrekt niet aan terugbetaling scheen
+te denken, sprak ik hem eindelijk aan en verlangde het geleende geld
+terug. Toen hield hij zich erg boos en hield vol, dat ik hem nooit
+uit de verlegenheid had geholpen, en al was dat zoo, dan had hij de
+schuld al lang afbetaald. Nu heb ik noch een getuige, dat ik hem de
+tien goudguldens leende, noch ook een getuige, dat ik ze weerom kreeg,
+want hij heeft ze werkelijk niet terugbetaald, en ik verzoek u dus, dat
+gij den leugenaar den eed moogt afnemen. Als hij zweert, dat hij mij
+het geld terugbetaalde, dan wil ik daar in 's hemels naam in berusten."
+
+"Wat zegt gij van dit geval, gij oude met den stok?" vroeg Sancho.
+
+"Ei," antwoordde deze, "ik ontken niet, dat hij mij dat geld geleend
+heeft, maar ik ben evenzeer bereid, er een heiligen eed op af te
+leggen, dat ik de tien goudguldens weer in zijne handen gaf en hem
+dus wis en waarachtig betaalde."
+
+De stadhouder verlangde nu, dat de oude den eed afleggen zou, en deze
+was daar dadelijk toe bereid.
+
+"Houd gij zoolang mijn stok vast," zeide hij tot den eischer en reikte
+hem den stok toe. Hierop stak hij zijne rechterhand op en legde den
+verlangden eed af, dat hij de tien goudguldens in de handen van zijn
+schuldeischer had teruggegeven.
+
+"Nu welaan," zeide de eischer, "dan moet mijn zwak geheugen mij
+bedrogen hebben, en ik wil mij dus tevredenstellen."
+
+De beschuldigde nam zijn stok weder aan en beide partijen verlieten
+de gerechtszaal.
+
+Toen nu Sancho het bescheiden gedrag en de toegevendheid van den een
+en de onbeschaamdheid van den ander bemerkte, liet hij zijn hoofd op de
+borst zakken, legde den wijsvinger aan den neus en dacht een oogenblik
+na. Op eens richtte hij zich op, wierp het hoofd in de hoogte, alsof
+hij een licht zag opgaan, en beval, dat men de partijen terstond
+terug zou roepen. Men bracht hen dus weder in de zaal, en Sancho sprak:
+
+"Hoor eens, oude met den stok, geef mij dien rotting eens eventjes
+hier."
+
+"Met genoegen," zei de man en gaf den stok over.
+
+Sancho nam dien, reikte hem den eischer toe en zeide tot dezen:
+"Ga nu in vrede, want thans zijt gij in waarheid betaald."
+
+"Hoe zoo dat?" vroeg de man verwonderd. "Dit ding is toch geen tien
+goudguldens waard?"
+
+"Dat is het wel," sprak Sancho, "of zeg anders, dat ik een ezel en een
+stommerik ben. Ziet toe, menschen, en oordeelt, of ik verstand genoeg
+heb, om uw stadhouder te blijven. Breek me dien stok eens midden door."
+
+De stok werd in tweeën gebroken, en tot verbazing van alle verzamelden
+bleek, dat hij van binnen hol was en de tien goudguldens bevatte,
+waarover men twist had gevoerd. Iedereen verwonderde zich en hield
+Sancho Panza voor een tweeden Salomo in wijsheid. Men vroeg hem, hoe
+hij op de gedachte was gekomen, dat het geld in den rotting kon wezen.
+
+"Dat zal ik u vertellen," antwoordde hij. "Toen die bedrieger
+zijn beschuldiger den stok gaf, terwijl hijzelf den eed aflegde,
+vermoedde ik eene list en begreep ik, dat in den rotting de betaling
+moest wezen."
+
+Toen deze eerste rechtszitting zoo roemrijk en glansrijk voor hem
+was afgeloopen, werd Sancho Panza naar een prachtig paleis geleid,
+waar in eene fraaie zaal een kostelijk middagmaal bereid stond.
+
+Terstond bij zijn binnentreden liet zich eene liefelijke muziek hooren
+en traden vier pages toe, om hem een zilveren waschbekken voor te
+houden, waarin hij met veel zwier zijne handen waschte. Toen verstomde
+de muziek en Sancho Panza nam aan de rijkbezette tafel plaats. Hij
+moest evenwel alleen zitten, want er was maar één stoel en ook maar
+voor één persoon gedekt. Achter hem vatte een personage post, die een
+baleinen stokje in de hand had en zich weldra als lijfarts deed kennen.
+
+Men tilde een sneeuwwit laken op, waarmede al de kostelijke gerechten
+overdekt waren. Een jong mensch, die zeer veel van een student had,
+deed het tafelgebed; een page bond den stadhouder een kostbaar, rijk
+met kanten omzoomd servet om den hals, en de kok zette een schotel
+voor hem, waaruit hem een heerlijke geur tegensloeg.
+
+Een honger als een paard hebbende, liet Sancho een begeerigen blik
+over de tafel gaan, verheugde zich in den geest over de genietingen,
+die daar voor zijn oog uitgebreid lagen, en wilde op den eersten hap
+uit dien eersten schotel juist een tweeden laten volgen, toen men hem
+'t lekker gerecht met de grootste snelheid voor den neus wegnam en
+hem een anderen schotel voorzette.
+
+Onze gewezen schildknaap verwonderde zich over dit vreemde doen en
+wou op den nieuwen schotel een aanval wagen, toen de dokter achter
+hem zijn zwart stokje uitstak en op dien schotel tikte. Als een havik
+uit de wolken schoot nu een page toe, pakte den schotel evenals den
+eersten weg en was daarmee, voordat de onthutste stadhouder een,
+twee, drie kon tellen, de deur uit.
+
+Sancho zette een gezicht als een oorworm, keek de omstanders stijf
+aan en vroeg op hoogen toon, wat voor goochelaarskunsten 't waren,
+dat men hem het eten zoo voor den neus wegkaapte.
+
+"Heer stadhouder," zeide hierop de lijfarts op plechtigen toon,
+"gij moet hier te lande eten, zooals het gebruik dat voorschrijft. Ik
+ben de lijfarts van uwe genade en word betaald, om u naar behooren
+te bedienen. Ik zorg voor uwe gezondheid meer dan voor mijn eigene,
+want ik studeer dag en nacht, om uw lichaamsgestel te leeren kennen en
+u, mocht ge eens ziek worden, te kunnen bijstaan en genezen. Vooral
+echter moet ik het oog op uwe maaltijden houden en toezien, dat gij
+u de maag niet bederft. Ik mag u alleen dingen laten gebruiken, die
+ik weet, dat u niet schaden kunnen. Al 't overige moet ik met mijn
+stokje aanraken en buiten uw bereik laten brengen. Daarom gelastte ik,
+den eersten schotel weg te nemen, omdat hij te verkoelend is, en de
+tweede schotel moest verdwijnen, omdat hij te veel verhit en te veel
+kruiderijen bevat, die den dorst aanzetten. Wie echter te veel drinkt,
+mag nimmer op een lang, gelukkig en gezond leven rekenen."
+
+"Nu," bromde Sancho, "laat mij dan toch eens van die gebraden patrijzen
+proeven. Die kunnen toch wis en waarachtig geen kwaad."
+
+"Ja, zeker wel," riep de lijfarts; "zoolang ik in leven ben, zal
+mijnheer de stadhouder daar geen sikkepitje van over de lippen
+krijgen."
+
+"En waarom dat niet?" vroeg Sancho Panza driftig.
+
+"Omdat," antwoordde de dokter met de grootste bedaardheid, "omdat ons
+aller meester Hippocrates, de grootste medicijnmeester van alle tijden,
+met wijsheid gezegd heeft: Omnis saturatio mala, perdix autem pessima;
+wat op zijn plat Spaansch beteekent: Men mag zijn maag niet volstoppen,
+en te veel patrijs eten is de pest."
+
+"Als dat waar is, zoek dan zelf uit, wat goed en dienstig voor mij
+is, maar poets dan de plaat en laat mij rustig eten, zonder steeds
+met dat verwenschte zwarte stokje te wijzen, want, zoo waar als ik
+leef, ik ben flauw van honger. Eten moet de mensch, en die heel niets
+gebruikt, zal eer aan zijn einde komen, dan die zich tienmaal op een
+dag de maag bederft."
+
+"Hoogst wijs en verstandig gesproken, heer stadhouder," zeide de
+dokter; "en 'k wil dus eens zien, wat hier voor uwe genade al zoo
+dienstig is. Deze gestoofde konijntjes zijn een geducht zwaar eten,
+en gij moet ze maar stilletjes laten staan. Dit kalfsvleesch zou
+beter gaan; maar tot mijn spijt zie ik, dat het bijzonder vet is,
+en dus deugt het volstrekt niet voor uwe genade."
+
+"Maar daar dampt nog een groote schotel, zeker met olla podrida;
+geef dien hier, want onder al de dingen, die in zoo'n hutspot komen,
+is zeker toch wel een, dat goed voor mij is."
+
+"In geen geval!" antwoordde de lijfarts. "Zoo'n olla podrida is
+'t ongezondste en onverteerbaarste, dat op de wereld te bedenken
+is. 't Is een kost voor boeren en schippers; maar op de tafel van een
+stadhouder mogen alleen de fijnste, onschuldigste, uitgezochtste hapjes
+verschijnen. 'k Moet uwe genade dus ernstig raden, liever een paar
+van deze beschuitjes met wat kweegelei te nemen. Dit laatste vooral
+verwarmt de maag, bevordert de spijsvertering en is dus bijzonder
+aan te bevelen."
+
+Bij het vernemen van deze woorden wierp zich Sancho Panza in zijn
+stoel achterover, keek den dokter een poosje stijf in de oogen en
+vroeg hem toen zeer ernstig, hoe hij heette en waar hij gestudeerd had.
+
+"Mijn naam, heer stadhouder," antwoordde de arts, "is Pedro Recio
+d'Aguero, ik ben geboren te Tirteafuera en heb aan de hoogeschool
+van Osuna gestudeerd."
+
+"Goed, goed! heer dokter Pedro Recio," barstte Sancho Panza thans
+woedend los, "goed, goed! Maar ik zeg u nu: maak oogenblikkelijk,
+dat ge weg komt, of 'k zweer, een stok te zullen nemen, en je daarmee
+zoo lang te ranselen, als mijn arm 't maar uithouden kan. Van een
+verstandigen en billijken dokter wil ik raad aannemen, maar niet van
+een domkop, als gij zijt. Ga, zeg ik! Scheer je dadelijk de deur uit,
+of ik neem dezen stoel en sla hem op je dommen schedel in duizend
+stukken. Geen mensch zou een woord zeggen, als ik een dokter ombracht,
+die beul en dwingeland over anderen wil wezen. Marsch, zeg ik nog
+eens, en geeft mij te eten, of loopt met heel dit stadhouderschap
+naar de maan! Een ambt, dat zijn meester niet genoeg te eten geeft,
+is geen knip voor den neus waard, en ik althans dank er voor."
+
+Toen Sancho zich zoo geweldig boos maakte, kreeg de dokter een schrik
+op het lijf en wou reeds heengaan, toen het luid schetteren van een
+posthoren hem nog even deed wachten. De hofmeester trad aan het raam,
+keek naar buiten en zeide: "Heer stadhouder, daar komt een bode van
+den hertog, die zeker gewichtige tijding brengt."
+
+"Laat hem binnenkomen!" beval Sancho.
+
+Met zweet bedekt en half buiten adem trad de postiljon binnen,
+haalde een brief uit zijn tasch en reikte dien den stadhouder over,
+die den hofmeester beval, het adres voor te lezen.
+
+Dit luidde: "Aan Don Sancho Panza, stadhouder van het eiland
+Barataria. Eigenhandig of door den secretaris te openen."
+
+"Wie is hier mijn secretaris?" vroeg Sancho, na het adres te hebben
+vernomen.
+
+"Ik, genadige heer," antwoordde een der aanwezigen en trad voor. "Ik
+kan lezen en schrijven en ben een Biscayer."
+
+"Nu, als dat waar is, dan kunt gij secretaris zelfs van den keizer
+zijn. Maak nu dien brief open en vertel mij wat er in staat."
+
+De secretaris gehoorzaamde. Nadat hij zich met den inhoud van den brief
+had bekend gemaakt, zette hij echter een zeer bedenkelijk gezicht en
+zeide, dat het schrijven eene zaak van het uiterste gewicht betrof,
+die in het diepste geheim moest behandeld worden.
+
+Sancho liet nu dadelijk allen, op den hofmeester en den secretaris
+na, de zaal verlaten, en verzocht den laatste vervolgens, den brief
+hardop voor te lezen.
+
+"Mij is ter oore gekomen," luidde de brief, "dat eenige woedende
+vijanden een aanval op het eiland Barataria voorhebben, en ik raad
+u dus, vriend Sancho Panza, toch vooral waakzaam en op uwe hoede
+te zijn. Ook heb ik vernomen, dat vier personen, die uwe wijsheid
+vreezen, eene samenspanning gemaakt hebben, om u van het leven te
+berooven. Houd dus uwe oogen open en eet niet van de spijzen, die
+men u voorzet. Ingeval gij in nood mocht geraken, zal ik u te hulp
+komen. Handel voor het overige, gelijk men dat van iemand van uw
+verstand verwachten kan, en wees gegroet.
+
+
+De hertog."
+
+
+
+De stadhouder hoorde van dit schrijven niet weinig vreemd op en ook
+de anderen konden hunne verwondering niet verbergen.
+
+"Wat moeten wij dan doen?" vroeg Sancho, zich tot den hofmeester
+keerend. "Ik voor mij ben er voor, dat wij in de eerste plaats en
+zonder alle verwijl dien heer dokter Recio in eene diepe gevangenis
+werpen, omdat juist hij pogingen gedaan heeft, om mij aan den
+pijnlijksten en akeligsten dood, den hongerdood namelijk, over te
+leveren."
+
+"Ja, maar nog noodiger reken ik, dat gij van al de gerechten, die
+hier op tafel staan, geen brok aanroert, heer stadhouder," zeide
+de hofmeester.
+
+"Gij maakt u zeker al te bezorgd, heer," bromde Sancho Panza;
+"maar toch wil ik uw raad opvolgen en niets gebruiken, dan een
+paar wijndruiven en een stuk brood. Geeft beiden hier, want ik val
+wezenlijk flauw van honger, en als wij ons, zooals de hertog schrijft,
+tot een veldslag moeten gereedhouden, is 't bovenal noodig, dat wij
+ons hart en onze ledematen door krachtig voedsel sterken. De buik
+draagt het hart, zegt het spreekwoord, en niet het hart den buik. Gij,
+heer geheimschrijver, moogt den hertog antwoorden, dat wij zijne
+orders stipt opvolgen en niets verzuimen zullen, om zijne gunst en
+genade waardig te blijven. Nu weg met dat tafellaken, en geeft mij
+wat krachtigs tot hartsterking! Later zal ik 't met alle schelmen,
+spionnen en moordenaars klaarspelen, al kwamen ze bij scheepsladingen
+vol naar ons eiland over."
+
+Op dit oogenblik trad een edelknaap in de zaal en berichtte, dat
+verscheidene partijen buiten stonden, om de gerechtigheid van den
+heer stadhouder in te roepen en zijne beslissing over verschillende
+twistvragen te hooren. Zuchtend bleef Sancho zitten en liet de menschen
+komen, welker verhalen hij met het grootste geduld aanhoorde. Zoo
+goed als hij kon, deed hij uitspraak in de verschillende gevallen en
+zocht iedereen naar zijn beste vermogen tevreden te stellen.
+
+Eindelijk viel de avond, en nu eerst was Sancho vrij van zaken en
+hield, zonder door de wijze vermaningen van den lijfarts gestoord
+te worden, een duchtigen avondmaaltijd. Na afloop daarvan bekroop
+hem de lust om eens iets van het eiland te zien, en ging hij dus met
+den hofmeester, den secretaris, den kroniekschrijver en een talrijk
+gevolg van gerechtsdienaars en schrijvers op weg. Sancho Panza met
+den staf, die zijne waardigheid aanduidde, stapte in het midden en
+wel met zooveel deftigheid, dat tot de kleinste kinderen eerbied en
+ontzag voor hem kregen. Na zoo eenige straten doorgekuierd te zijn,
+vernamen zij een luid degengekletter, snelden daarop toe en bemerkten
+twee mannen, die woedend op elkaar inhieuwen, en eerst toen zij de
+hooge overheid zagen naderen, hun grimmig gevecht staakten.
+
+"Hierheen, mijne heeren!" riep een der vechtenden het hooge
+gezelschap toe. "Men heeft mij willen berooven en op de publieke
+straat aangevallen."
+
+"Stil, stil, goede man," antwoordde Sancho. "Zet maar zoo'n keel niet
+op en vertel mij de oorzaak van uwe ruzie. Ik ben de stadhouder en
+zal dat appeltje wel zien te schillen."
+
+De tweede kampioen nam terstond het woord en zeide: "Heer, gij moet
+weten, dat deze knaap daar zoo pas in een speelhuis over de duizend
+realen heeft gewonnen. Ik was daarbij en besliste in twijfelachtige
+gevallen meermalen in zijn voordeel. Toen hij nu opstond, verwachtte
+ik, dat hij mij uit dankbaarheid eenige realen in de hand zou stoppen;
+doch hij streek zijn geld op en ging heen, zonder zelfs naar mij
+om te zien. Ik volgde hem en verzocht hem, mij althans acht realen
+af te staan, daar ik een arme drommel ben en dat geld opperbest kan
+gebruiken. Maar nu wou die schraalhans mij maar vier realen geven,
+waaruit uwe genade zien kunt, wat een gemeene en onbeschaamde rekel
+hij is. Ik maakte mij boos over zijne inhaligheid, wij kregen harde
+woorden en 't einde van 't lied was, dat wij de degens trokken en
+elkaar te lijf gingen."
+
+"En wat hebt gij van uwen kant te zeggen?" vroeg Sancho Panza den
+anderen rustverstoorder.
+
+"Ik moet erkennen, dat die sinjeur over het geheel de waarheid heeft
+gesproken," antwoordde gene. "Ik wou hem niet meer dan vier realen
+geven, omdat hij al vaak genoeg nog meer heeft gekregen en dus alles
+zoo nauw niet rekenen moest. En dat ik hem zijn zin niet gaf, is het
+beste bewijs, dat ik geen gauwdief ben, want gauwdieven zorgen wel,
+dat zij een ander, die hun in de kaart kijkt, met geld en goede
+woorden den mond stoppen."
+
+"Dat is wel wezenlijk zoo," zei de hofmeester tot den stadhouder. "Uwe
+genade mag dat wel ernstig in overweging nemen."
+
+"Ik zal uitspraak doen naar billijkheid en recht," antwoordde
+Sancho. "Gij, die eerlijk of oneerlijk gewonnen hebt, betaalt terstond
+honderd realen aan uw makker en dan nog dertig aan de armenkas.--En
+gij," keerde hij zich tot den tweede, "steekt die som op en pakt
+dan zoo gauw mogelijk uwe biezen. Voor volle tien jaren zijt gij van
+het eiland verbannen, en als gij voor dien tijd terug mocht komen,
+zult gij opgeknoopt worden aan de hoogste galg, die in mijne staten
+te vinden is. Zoo en niet anders zal het gebeuren, en daarmee basta!"
+
+De een betaalde, de ander streek op; de een ging naar huis, de ander
+stapte de poort uit, en daarmee was de gansche zaak op de kortste en
+beste manier afgedaan.
+
+Sancho Panza ging verder, toen daar een gerechtsdienaar aankwam,
+die een jongmensch bij zijn kraag voortleidde.
+
+"Heer stadhouder," sprak de gerechtsdienaar, "zoodra deze jonkman
+ons van verre in het oog kreeg, keerde hij dadelijk om en ging als
+een haas op den loop. Wie het oog van de wet schuwt, heeft zeker
+wat kwaads op zijn geweten, dacht ik, zette hem na en kreeg hem,
+daar hij kwam te vallen, gelukkig te pakken."
+
+"Waarom gingt gij op den loop, manneke?" vroeg Sancho.
+
+"Heer, om niet op de vele vragen te moeten antwoorden, die de
+gerechtigheid iedereen voorlegt," antwoordde de vreemde.
+
+"Wat is uw beroep?"
+
+"Ik ben wever."
+
+"Wat weeft gij?"
+
+"Lanspunten, met uwer genades permissie."
+
+"Ei, ei, ge lijkt mij een rare snaak toe; ge wilt u er zeker met een
+grap afmaken," zeide Sancho. "Maar 't is goed.--Zeg, waarheen waart
+ge nu op weg?"
+
+"Ik ging alleen, om een luchtje te scheppen."
+
+"En waar vindt men dat op dit eiland?"
+
+"Waar 't waait, heer."
+
+"Opperbest, mijn kereltje! Ik zie, dat ge een guit zijt. Verbeeld
+je dan nu maar, dat ik de frissche lucht ben en je in de gevangenis
+blaas. Pakt hem, mannen, en neemt hem mee. Zoo waar ik stadhouder ben,
+zal hij van nacht slapen, waar hij geen frissche lucht kan scheppen."
+
+De jonge man lachte. "Gij zult mij in de gevangenis evenmin tot slapen
+dwingen, als gij mij tot koning kunt maken," antwoordde hij stout.
+
+"En waarom niet?" vroeg Sancho. "Kan ik u niet in de gevangenis
+stoppen en vrijlaten, al naardat ik verkies?"
+
+"Ja, dat kunt gij; maar tot slapen in de gevangenis kunt gij mij
+niet dwingen."
+
+"Zoo'n dekselsche jongen!" riep Sancho. "Hebt ge bij geval ook
+een beschermengel bij de hand, die je de boeien afneemt, die ik je
+misschien zal laten aanleggen?"
+
+"Neen, dat niet," antwoordde de jonge man op luchtigen toon; "maar
+toch blijf ik er bij, dat gij mij niet in de gevangenis kunt doen
+slapen. Zie, beste heer, stel het geval, dat gij mij werkelijk in
+boeien liet slaan en in de gevangenis werpen, dat gij den cipier
+last gaaft mij ten strengste te bewaken, en dat deze werkelijk mijn
+ontsnappen belette, dan zou toch niemand in staat zijn, mij tot slapen
+te dwingen, als ik eens besloten was, mijne oogen open te houden."
+
+"Ha, meent gij het zoo, maat?" riep Sancho en lachte hartelijk. "Ja,
+dat is een ander ding. Dus wilt gij dan maar niet slapen, om uw wil
+te hebben, maar niet, om mijne bevelen gehoorzaamheid te weigeren?"
+
+"Zoo is het," antwoordde de jonge loshoofd.
+
+"Nu dan, slaap thuis en droom genoeglijk," sprak Sancho. "Wees echter
+in 't vervolg wat voorzichtiger met uwe tong, want niet iedereen houdt
+van gekscheren, en ge kondt u door die snakerijen licht wel eens een
+dracht slagen op den hals halen."
+
+De jonge spotvogel ging zijns weegs en daar Sancho moe begon te
+worden, maakte ook hij rechtsomkeert en keerde met zijn gevolg naar
+het paleis terug.
+
+Den volgenden morgen, zoodra de stadhouder opgestaan was, werd hem
+een ontbijt voorgezet, dat, volgens de verordening van dokter Recio,
+eenvoudig uit wat fruit en een glas koud water bestond. Sancho
+had gaarne wat anders gehad; maar de lijfarts deed opmerken, dat
+weinig en licht voedsel den geest scherp en levendig houdt, wat
+vooral voor iemand, die ambt of waardigheid bekleedt een ding van
+uiterst groot gewicht is. De arme stadhouder moest zich met deze
+redeneering tevredenstellen; doch praatjes vullen geen gaatjes, en
+hij leed een barbaarschen honger en begon in zijn hart het geheele
+stadhouderschap en hem, die 't hem had opgedragen, al half naar de maan
+te wenschen. Intusschen zette hij zich toch met knorrende maag in den
+rechterstoel en hoorde in tegenwoordigheid zijner hoogste ambtenaren
+de vraag aan, welke een vreemde hem tot beslissing voorlegde.
+
+"Genadige heer," zeide deze tot hem, "uw gebied wordt door een
+waterrijken stroom in tweeën gescheiden. Over dien stroom ligt
+eene brug, aan wier eene eind een galg en een rechtshuis staan,
+in welk laatste zich gewoonlijk vier rechters ophouden, om eene
+wet te handhaven, die door den heer van den stroom is uitgevaardigd
+en luidt: "Indien iemand over deze brug gaat, dan moet hij vooraf
+zweren, waarheen en tot welk einde hij die overschrijdt. Zweert hij
+de waarheid, dan mag men hem ongemoeid laten gaan; doch zweert hij
+valsch, dan moet hij onverwijld opgehangen worden en sterven aan de
+galg, die bij de brug staat."
+
+"Na het bekendmaken van deze wet gingen velen over de brug; doch
+iedereen zwoer de waarheid, en men liet hen dus ongehinderd trekken. Nu
+gebeurde het echter, dat een man, wien de eed werd afgevorderd, zwoer
+en beweerde, dat hij over de brug ging enkel en alleen met plan,
+om aan die galg opgehangen te worden en te sterven.
+
+"De rechters keken elkaar bij dien eed verbaasd aan en zeiden de een
+tot den ander: "Als wij dezen man ongemoeid gaan laten, dan heeft
+hij gelogen en moet volgens de wet wegens meineed sterven. Opknoopen
+mogen wij hem evenwel niet; want deden wij dat, dan had hij immers
+de waarheid gezeid, toen hij zwoer, dat hij enkel en alleen over de
+brug wilde gaan, om opgehangen te worden, en diensvolgens moet hij
+krachtens de letter van de wet vrij zijns weegs gaan."
+
+"Zoo staat nu het geval, en gij, heer stadhouder, moet beslissen,
+wat de rechters met den man moeten aanvangen. Tot hiertoe zijn zij 't
+nog altijd oneens en zitten met de handen in het haar. Zij vertrouwen
+op uwe scherpzinnigheid en verkeeren in de zoete hoop, dat gij die
+harde noot kraken en het raadsel oplossen zult."
+
+"Hoor, goede vriend," antwoordde Sancho, "uwe heeren rechters hadden
+zich de moeite kunnen besparen van u hierheen te zenden, want ik ben
+een man, wien de natuur een grooter portie domheid dan verstand heeft
+geschonken. Vertel mij 't geval evenwel nog eens, en dan wil ik zien,
+of ik, zooals men wel zegt, den spijker op den kop kan treffen. Spreek
+op, goede vriend!"
+
+De vreemde vertelde de geheele geschiedenis nog eens, en toen nog
+eens, totdat Sancho Panza haar goed genoeg meende begrepen te hebben,
+om er zijn oordeel over te zeggen.
+
+"Mij dunkt," sprak hij, "dat ik dat dingetje wel zal klaren. 't
+Geval komt eenvoudig hierop neer: De man verklaart onder eede, dat
+hij over de brug wil gaan, om aan de galg te sterven. Sterft hij nu,
+dan heeft hij de waarheid bezworen, en moet volgens de wet worden
+vrijgelaten. Sterft hij evenwel niet, dan heeft hij een meineed gedaan,
+en moet krachtens de wet gehangen worden."
+
+"Juist zoo is het, heer stadhouder," zeide de vreemde.
+
+"Nu dan doe ik uitspraak," sprak Sancho, "dat men de eene helft van
+den mensch, die de waarheid heeft gezegd, vrijen overgang late, maar
+de andere, die gelogen heeft, zonder barmhartigheid ophange. Op die
+manier krijgt ieder deel wat hem toekomt."
+
+"Als wij ons aan deze uitspraak hielden, heer stadhouder," antwoordde
+de vreemde, "zouden wij gedwongen zijn, den bedoelden persoon in twee
+helften te deelen, en de leugenachtige van de waarheidsprekende te
+scheiden. Deze scheiding zou het onschuldig deel echter niet kunnen
+overleven, en de wet zou dus niet worden gehandhaafd."
+
+"Mijn beste vriend," zeide Sancho Panza op deze tegenwerping,
+"de man, om wien 't hier te doen is, heeft, als ik 't wel begrijp,
+evenveel recht om te leven als om te sterven. De waarheid redt, de
+leugen veroordeelt hem. Zeg dus aan de rechters, dat zij voor ditmaal
+maar genade voor recht moeten laten gelden en den sukkel de vrijheid
+geven, omdat goeddoen altijd loffelijker is dan kwaaddoen.--En loop
+nu naar den drommel en meen niet, dat ik hier aangesteld ben, om
+raadseltjes te raden, die onmogelijk op te lossen zijn. Loop heen,
+zeg ik, en gij, hofmeester, bezorg mij wat stevigs te eten en laat
+mij niet van honger en ergernis omkomen."
+
+De vreemdeling stapte op, en de hofmeester betoonde zich genadig, daar
+hij Sancho naar de tafel leidde, die evenals gisteren rijkelijk bezet
+was. Indien niet de dokter achter hem gestaan had, zou de stadhouder
+als een prins gesmuld hebben; maar nu kwam telkens een tik met dat
+verwenschte zwarte stokje en haalde onzen hongerigen vriend de vetste
+happen voor den mond weg.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXII.
+
+HET STADHOUDERSCHAP NEEMT EEN EINDE.
+
+
+Verscheidene dagen gingen voorbij, en de arme Sancho werd, in plaats
+van met krachtige en gezonde spijzen, bijna alleen met terechtzittingen
+en vervelende twistvragen gevoêrd. En toen hij in den zevenden
+nacht zijner regeering op zijn prachtig staatsieledikant lag en de
+zachte slaap hem niettegenstaande zijn honger juist de zware oogleden
+toedrukken wou, vernam hij op eens een vreeselijk alarm en hoorde het
+luiden der klokken met zulk een geschreeuw en rumoer, dat hij meende,
+dat de ondergang der wereld, of althans van zijn eiland, voor de
+deur stond. Hij rees verschrikt overeind en luisterde scherp toe,
+om zoo mogelijk de oorzaak van al dat spektakel te vernemen. Het al
+luider wordend getier, waaronder zich nu ook het geluid van trommen en
+trompetten mengde, maakte hem geheel verbijsterd, en half zinneloos
+van schrik en angst, was hij met een geweldigen sprong op de been,
+trok zijne pantoffels aan, vloog naar de deur van zijn vertrek, rukte
+die open en zag nu meer dan twintig personen, die van verschillende
+kanten met brandende fakkels en ontbloote zwaarden toesnelden. Zoodra
+zij den sidderenden Sancho zagen, riepen zij met luider stem: "Te
+wapen! Te wapen! Op, heer stadhouder! Tallooze vijanden overstroomen
+het eiland, en zoo uw krijgsbeleid en uwe dapperheid ons niet redt,
+zijn wij reddeloos verloren! Grijp de wapens op!"
+
+"Maar lieve tijd, waar zal ik mij mee wapenen?" huilde Sancho het
+uit. "Ik heb van wapens en van vechten heel geen verstand, en 'k
+stel dus voor, die dingen liever aan mijn heer Don Quichot over te
+laten, aan wien dat beter toevertrouwd is. Mij, arme sukkel van een
+schildknaap, staan de handen daar heel verkeerd toe."
+
+"Geen uitvluchten! Geen bezwaren!" schreeuwden al de heeren als met
+ééne stem. "Hier brengen wij u wapens; wapen u daarmee en stel u
+dan als aanvoerder aan onze spits. Dat komt u toe en gij moet het,
+want gij zijt onze stadhouder."
+
+"Nu, wapen mij dan in 's hemelsnaam maar," antwoordde Sancho en gaf
+zich lijdelijk aan zijn lot over.
+
+Terstond namen de mannen nu twee groote schilden, die zij, daar de
+heele historie weer een afgesproken stukje was, al meegebracht hadden,
+en bonden daarvan het een vóór, 't ander achter aan Sancho's dikke
+lichaam vast, waarna zij zijne armen door een paar daarin gesneden
+gaten trokken en de schilden zoo vast bonden, dat hij tusschen de
+planken als ingemetseld zat en geen stap vooruit doen, noch ook
+de knieën buigen kon. Hierop gaven zij hem eene lans in de hand,
+waarop hij steunen moest, om zich op de voeten te kunnen houden, en
+vervolgens zeiden zij, dat hij nu maar voor hen uit moest stappen, als
+hun aanvoerder, en hun door zijne dapperheid moed inboezemen. Wanneer
+hij zich aan het hoofd des legers wilde stellen, zou de overwinning
+hun nooit betwist kunnen worden.
+
+"Maar om 's hemelswil!" schreeuwde de ongelukkige ridder in de klem;
+"hoe zal ik dan gaan en vooruitkomen, daar ik niet eens de knie buigen
+en geen lid van mijn lijf roeren kan? Als ik voorwaarts zal en moet,
+neemt mij dan op uwe armen en zet mij ergens op een punt, dat ik met
+mijne lans verdedigen kan. Dit wil ik met hart en ziel doen, maar
+meer kan men van een tusschen planken ingeklemd mensch niet verlangen."
+
+"Vooruit, al vooruit, heer stadhouder!" riepen daarop de mannen. "Niet
+die planken hinderen u, maar de vrees voor den vijand is het, die
+de u knieën knikken doet. Er is al veel tijd verzuimd, de macht der
+vijanden groeit aan, 't gevaar wordt al grooter en grooter. Vooruit,
+vooruit dan, heer stadhouder!"
+
+Om deze beschuldigingen te ontgaan en de zich tegen hem verheffende
+stemmen tot zwijgen te brengen, deed de ongelukkige Sancho Panza
+werkelijk eene zwakke poging om zich van de plaats te bewegen. Zonder
+zich staande te kunnen houden, plofte hij echter met zulk een
+geweldigen bons voorover, dat hij een oogenblik meende, dat hij
+al zijne beenderen stuk had gevallen. Daar lag hij dan nu en bleef
+liggen, als een schildpad, die men de pooten heeft afgesneden. Geen
+mensch hielp hem op of had medelijden met hem; veeleer werden de
+fakkels terstond uitgedaan, een nieuw krijgsgeschreeuw ging uit de
+rauwe kelen op, de kreet "Te wapen!" werd onophoudelijk herhaald,
+en eindelijk liep zelfs de geheele schaar over den armen Sancho
+Panza heen, waarbij ieder in 't voorbijgaan een zwaren zwaardstomp
+of slag op zijn plankenharnas liet neerkomen. Zoo de arme stadhouder
+zich niet als een schildpad had ingetrokken, zoo hij niet hoofd en
+voeten onder zijne schaal verborgen had, zou 't leelijk met hem zijn
+afgeloopen. Zoo echter kwam hij er met eenig angstzweet en eenige
+schrammen en builen nogal boven verwachting goed af.
+
+Intusschen daagden telkens nieuwe krijgers op. Eenige strompelden over
+Sancho heen, andere tuimelden werkelijk op hem neer, en eindelijk was
+er zelfs een, die eene geruime poos op hem bleef staan trappelen en
+van dit standpunt, als van een toren, het gevecht scheen te leiden,
+daar den moed der zijnen met bezielende woorden aanvurende.
+
+"Hier, dappere mannen!" riep hij met donderende stem. "Hier is de
+strijd het heetst. Hierheen, die een hart in 't lijf hebt! Verdedigt
+dat poortje daar! Sluit de valpoort daar ginder! Werpt de stormladders
+om en laat de beklimmers in de gracht tuimelen! Granaten hier! Hier pek
+en hars en kokende olie!--Wakker, mannen! Slaat dood, die te na komt!"
+
+Op deze wijze ging het eenigen tijd voort, daar de aanvoerder orders
+gaf en alle maatregelen scheen te nemen, om een heftigen aanval
+van het stadje en het slot af te slaan. Sancho hoorde elk woord en
+onderwierp zich lijdelijk aan zijn zwaar lot.
+
+"Mocht de hemel toch maar geven, dat het eiland verloren ging,"
+zuchtte hij, "en dat de vijanden mij doodsloegen of althans uit deze
+harde gevangenis bevrijdden!"
+
+Een half uur verliep weer; doch toen scheen eindelijk zijn wensch om
+verlossing uit zijn benauwden toestand verhoord te worden. Hij hoorde
+luide stemmen en den blijden kreet:
+
+"Victorie! Victorie! De vijand is overwonnen! Heer stadhouder,
+op! Sta op en verheug u over uwe overwinning! Kom, en verdeel den
+onmetelijken buit, die door uwe dapperheid den vijand is afgenomen!"
+
+"Helpt mij weer op de beenen!" kreunde de overwinnende held met
+klagende stem.
+
+Men hielp hem overeind, en toen hij weer eenigszins vast op zijne
+voeten stond, zeide hij: "Den vijand, dien ik overwonnen heb, wil
+ik met huid en haar opeten, of 'k mag lijden, dat ge hem den nek
+omdraait. Ik verlang geen buit van den vijand; maar als een mensch
+hier in de nabijheid maar een sikkepitje medelijden of vriendschap
+in zijn hart heeft, laat hem mij dan een slok wijn geven en mij
+'t zweet afdrogen, want ik smelt bijna tot klaar water weg."
+
+Op deze smeekende bede werd hem wijn gereikt. Men droogde hem af en
+bond de schilden los, waartusschen hij had vastgeklemd gezeten. Toen
+hij zich weer vrij roeren kon, waggelde hij naar zijn ledikant toe,
+en hij had dat pas bereikt, of hij lag in diepe onmacht.
+
+Toen de deelhebbers aan de klucht dit bemerkten, werden zij ongerust
+en vreesden, dat de dolle comedie den armen schildknaap wel eens het
+leven kon kosten. Onze brave Sancho kwam echter spoedig weer bij,
+en zoo had die bezorgdheid dan ook een einde.
+
+"Hoe laat is het?" vroeg de lijder met zwakke stem.
+
+"Het daglicht zal spoedig aanbreken," antwoordde men hem.
+
+Hierop stond Sancho zonder een woord te spreken van zijn ledikant op
+en begon zich aan te kleeden, en niemand waagde het, hem een woord
+te zeggen, ofschoon allen even nieuwsgierig waren, hoe de geheele
+geschiedenis afloopen zou.
+
+Na zich in de kleeren te hebben gestoken, ging Sancho langzaam naar
+den stal en scheen er zich niet om te bekommeren of men hem volgde
+of niet. In den stal gekomen, trad hij zelf op zijn ezel toe, omarmde
+het trouwe dier, drukte het een kus op den ruigen kop en zei, terwijl
+de gulle tranen hem bij de wangen neerstroomden:
+
+"Kom hier, mijn oude vriend en makker, die alle lasten en lusten met
+mij gedragen hebt. Zoolang wij ons aan elkaar hielden, wist ik van geen
+zorg, en ik kan in waarheid zeggen, dat toen mijne jaren, mijne dagen
+en mijne uren gelukkig waren. Sinds ik u verliet, heb ik maar altijd
+met ergernis, moeite en kommer te kampen gehad, en ik wil daarom alle
+eerzucht en trotschheid van mij afzetten en de ongelukkige zucht, om
+het tot wat hoogers te brengen, met kracht in mijne borst verstikken."
+
+Onder deze woorden zadelde hij zijn ezel, zonder dat iemand zich
+daartegen verzette, steeg, daar hij half lam en kreupel getrapt was,
+met moeite op en voegde den hofmeester, den secretaris, dokter Recio
+en anderen, die om hem stonden, de woorden toe:
+
+"Mijne heeren, ik verzoek u, maakt plaats voor mij, opdat ik tot mijne
+oude vrijheid terugkeeren kan. Ik wil uit mijn tegenwoordigen dood
+opstaan en mijn vroeger leven weder opzoeken. Tot stadhouder ben ik
+nu eens voor al niet geboren, en hoe men eilanden en steden tegen een
+oprukkenden vijand verdedigen moet, daarvan heb ik geen verstand. Ik
+weet meer van spitten, graven en wingerd snoeien dan van wetten geven
+en vreemde rechtzaken beslissen. Ik wil liever schrale aardappelsoep
+eten dan aan een rijk bezette tafel zitten, voor de kostelijkheden,
+waarvan ik niets over de lippen mag nemen, zoodat ik te midden van
+den overvloed van honger omkom. Ik wil liever in vrijheid gebrek
+lijden, dan in slavernij op zijden kussens rusten. God zij met u,
+heeren! Zegt aan uwen hertog, dat ik hier arm gekomen ben en ook arm
+weer weggegaan. Ik heb niets gewonnen en ook niets verloren, en mij
+dus althans aan geen schelmerij en afpersingen schuldig gemaakt. Gaat
+opzij en laat mij den weg vrij; want waarachtig, 't wordt tijd, dat
+ik naar mijne ribben laat zien, waarvan in dezen stormachtigen nacht
+zeker een stuk of wat gebroken zijn."
+
+"Heer stadhouder, neen, dat mag niet gebeuren," zeide Recio, de
+lijfarts. "Gij moogt niet weg, voordat ik zelf uw toestand onderzocht
+heb, en ik beloof u, mijn uiterste best te zullen doen, om u ten
+spoedigste van alle pijnen en kwetsuren te bevrijden. Ook geef ik
+u mijn woord, dat gij voortaan vergunning zult hebben, om alles te
+eten en te drinken, wat uw hart maar begeert."
+
+"Te laat, te laat!" antwoordde Sancho. "Gij komt te laat, vrienden. Ik
+laat mij nu zoo weinig van mijn voornemen afbrengen, als ik ooit
+een Turk worden wil. Liever dan in dit verwenschte stadhouderschap
+blijven, wil ik zonder vleugels ten hemel vliegen. Neen, neen! Ik ben
+uit het geslacht der Panza's, die een hardnekkig geslacht zijn. Als
+die eens zeggen, dat een ding krom is, dan moet het krom blijven,
+al zei de heele wereld anders, en al was 't ook zoo recht als een
+lamsstaartje. Ik moet weg, heeren; maakt mij dus ruimte, want iedere
+minuut, die ik nog hier blijf, wordt mij een nagel aan mijn doodkist."
+
+"Genadige heer," nam nu de hofmeester het woord, "wij zouden u
+zonder tegenspraak gaan laten, ofschoon wij uw helder verstand en
+uitstekend voorbeeld ongaarne missen; maar 't zal u bekend zijn,
+dat ieder stadhouder voor het neerleggen van zijn ambt rekenschap
+van zijn beheer moet geven. Voldoe aan deze verplichting, en ga,
+als gij u toch niet wilt laten terughouden."
+
+"Niemand kan zoo iets van mij verlangen, als niet de hertog zelf
+het gebiedt," antwoordde Sancho. "Tot hem ga ik, en aan hem zal ik
+rekenschap afleggen, zooveel hij maar verkiest. Van u echter heb
+ik geen getuigenis noodig, want dat ik mij niet verrijkt en in alle
+onschuld geregeerd heb, weet gij even goed als ik zelf 't weet."
+
+"Bij den hemel, Sancho heeft recht!" riep Recio, de lijfarts. "Ik
+voor mij stem er voor, dat wij hem in vrede laten trekken, want de
+hertog zal brandend verlangen hem weer te zien."
+
+Al de anderen waren het met den dokter eens, verklaarden, dat men den
+stadhouder moest laten trekken, en boden aan, hem van al, wat hij op
+reis noodig had, ruim en rijkelijk te voorzien.
+
+"Ik heb alleen maar wat haver voor mijn grauwtje, en wat brood en
+kaas voor mijzelf noodig, en van een en ander ben ik al voorzien,"
+zeide Sancho. "De weg, dien ik af te leggen heb, is niet lang, en
+daarom zou meer pakkage mij maar lastig wezen."
+
+Na deze woorden nam hij afscheid, omhelsde de achterblijvenden,
+werd door hen omarmd, en liet hen eindelijk verbaasd over zijne
+zielsgrootheid, levenswijsheid en standvastigheid staan.
+
+Sancho Panza reed langzaam voort, totdat hij het landgoed van den
+hertog tot op ongeveer eene halve mijl was genaderd. Hier liet hij zich
+van zijn grauwtje glijden, legde zich onder een boom en overpeinsde,
+wat hij zijn meester Don Quichot en den hertog en de hertogin al zoo
+vertellen zoude. Terwijl hij hierover nadacht, overviel hem de slaap,
+en daar hij den ganschen voorgaanden nacht geen oog had toegedaan,
+werd hij eerst weer wakker, toen de zon al onder en het ten volle
+donker geworden was. Verschrikt rees hij op, klom weer in den zadel
+en wou zich zooveel mogelijk haasten, om het hertogelijk slot nog
+tijdig te bereiken.
+
+Terwijl hij nu zoo voortdraafde, wilde het ongeluk, dat hij in de
+donkerheid opeens met zijn beest in een diep, donker gat stortte, dat
+daar tusschen eenig vervallen muurwerk openlag. Onder het vallen meende
+hij, dat hij den bodem des afgronds wel nooit levend bereiken zou.
+
+Intusschen liep het nog al redelijk goed af. Op eene diepte van
+ruim achttien voet kreeg de ezel vasten grond onder zijne pooten en
+kwam Sancho op grauwtjes buik te liggen, zonder zich eenigszins van
+belang bezeerd te voelen. Hij betastte zijne ledematen, onderzocht
+de stevigheid zijner beenderen, en hield den adem in, om te weten,
+of hij ook ergens een gat in zijn lichaam was gevallen; echter was
+zijn lichaam van top tot teen heel gebleven.
+
+Eindelijk stond hij op en zocht met de handen in de ruimten des
+afgronds rond, om zoo mogelijk middelen en wegen te ontdekken, om
+zonder vreemden bijstand weer uit den kuil te komen. Tot zijn bitter
+leedwezen waren de wanden echter overal glad en zeer steil, zoodat
+hij zich over zijne toekomst niet weinig ongerust moest maken. Zijn
+angst nam nog toe, toen nu ook de ezel, die door den val deerlijk
+gekneusd en geschaafd was, op jammerlijken toon begon te schreien en
+te balken. Hij dacht nu niet anders, dan dat hij met zijn geliefd
+grauwtje in die ongelukkige groeve op ellendige manier van honger,
+dorst en gebrek zou moeten omkomen.
+
+Weeklagend bracht hij den nacht in het gat door, totdat daarin
+eindelijk het schemerlicht van den aanbrekenden dag doordrong, zonder
+den braven schildknaap echter veel troost aan te brengen; want bij
+het schijnsel der zon overtuigde hij zich, dat uit zijne gevangenis
+te ontkomen zonder vreemde hulp een onmogelijkheid was. Hij begon
+opnieuw te jammeren en te schreeuwen, en zette zijne stem zooveel
+mogelijk uit, om een toevalligen voorbijganger van zijn klimmenden
+nood te onderrichten. Zijn geschreeuw was echter als de stem van
+een roepende in de woestijn, daar in den ganschen omtrek geen levend
+wezen dat vernam. Sancho achtte zich dus reddeloos verloren en begon
+zichzelf als een stervende te beschouwen. Desniettemin bespeurde hij
+nog iets als medelijden met zijn grauwtje, dat met verdraaide oogen
+op den grond lag en zijn bek opendeed, alsof het ieder oogenblik een
+roerend klaaglied dacht aan te heffen. Sancho Panza hielp hem met veel
+moeite op de been, liet hem, daar hij moeielijk rechtop staan kon,
+tegen den wand leunen en versterkte hem vervolgens met een stuk brood,
+dat hij nog uit zijn knapzak opschommelde.
+
+"Neem dat maar en eet," zeide hij, alsof de ezel hem verstaan kon. "Met
+een goede bete in den mond kan een mensch nogal veel doorstaan,
+en een ezel zeker ook."
+
+Terwijl grauwtje aan de broodkorst knabbelde, zag Sancho Panza nog
+eens in zijne gevangenis rond, en ontdekte eindelijk aan de eene
+zijde eene opening, die juist groot genoeg was, om hem door te laten,
+als hij zich bukte en zoo klein mogelijk maakte. Hij kromde zijn rug
+dus, kroop er in en vond, dat de doorgang naar eene tamelijk ruime
+en wijde plaats leidde, waarin, vermoedelijk door een half vervallen
+dak, de zonnestralen helder en glansrijk neervielen. Bij hun schijnsel
+bemerkte hij, dat deze ruimte zich tot een hol verwijdde, welks omvang
+hij nader moest onderzoeken.
+
+Allereerst keerde Sancho tot zijn ezel terug, van wien hij
+onmogelijk scheiden kon, en beproefde de opening zoo veel mogelijk
+te verbreeden. Met behulp van een zwaren, scherpen steen gelukte dit
+hem zoo tamelijk goed, en het duurde niet lang, of hij kon er ook
+grauwtje zonder al te groot bezwaar doorkrijgen. Hij pakte hem dus
+bij den halster, sleepte hem mee en drong toen verder in 't hol door,
+om misschien aan 't ander eind daarvan een uitgang te vinden. Soms
+tastte hij in den donker, soms verlichtte een van boven invallende
+zonnestraal zijn pad; maar nog altijd bleef zijne ziel met angst en
+bange vrees vervuld.
+
+"De hemel sta mij bij!" mompelde hij in zijn baard. "Dat Don Quichot
+toch maar in mijne plaats was! Hij zou wat mij een ongeluk toelijkt,
+voor het allergelukkigst avontuur houden, en zeker al deze afgronden en
+onderaardsche gangen voor bloemtuinen en schitterende paleizen aanzien,
+waaruit hij op eene of andere heerlijke, bloeiende lustgaarde moest
+geraken. Ik ongelukkige daarentegen, die meer vrees dan heldenmoed in
+mijn binnenste bespeur, ik denk bij iederen voetstap, dat zich voor
+mij een bodemlooze afgrond zal openen, waaruit geen menschelijke
+macht mij ooit redden kan. O ongeluk, wees verwenscht door hem,
+dien gij zoo gruwelijk hebt beetgenomen!"
+
+Toen hij onder zulke en soortgelijke ontboezemingen zijn weg een goed
+half uur had voortgezet, ontdekte hij in de verte een helder schijnsel,
+dat zeker het lieve volle daglicht moest zijn. Vol hoop ging hij
+daarop aan, en hij hield zich vast overtuigd, dat hij daar den uitweg
+uit de gruwelijke gangen en spelonken der onderwereld moest vinden.
+
+Terwijl Sancho Panza in dat hol omdwaalde, trof het, dat de dappere
+ridder Don Quichot, die tot nu toe op het slot van den hertog een
+zeer aangenaam en genoeglijk leven geleid had, zijn nu bij den dag in
+welgedaanheid toenemenden Rocinante besteeg en uitreed, om eenige uren
+de frissche lucht te genieten. In diepe gedachten reed hij vooruit,
+totdat eensklaps Rocinante met de voorpooten zoo dicht bij eene diepe
+steenkloof kwam, dat hij onwillekeurig een zijsprong deed en den edelen
+ridder uit zijne droomerijen opwekte. Deze hield zijn paard in, keek
+naar de kloof om en reed er zoo dicht bij, dat hij er in neerzien
+kon. Terwijl hij al bespiegelingen maakte, wat die donkere afgrond
+toch wel in zijn schoot verbergen kon, drong daaruit een dof, diep
+stemgeluid tot zijn oor door. Hij luisterde scherp en nieuwsgierig
+en vernam zeer duidelijk de woorden:
+
+"Holla daar boven! Is er niet een of ander christenmensch in de buurt,
+die mij hooren en zich over mij armen zondaar ontfermen kan? Hulp,
+hulp, schrei ik; hulp voor een ongelukkigen, in de diepte gezakten
+stadhouder!"
+
+Don Quichot was dadelijk overtuigd, dat dit de stem van zijn
+schildknaap Sancho moest zijn, en bleef een oogenblik stom van
+verbazing.
+
+"Wie is daar omlaag?" riep hij eindelijk. "Wie schreeuwt daar om hulp?"
+
+"Ik ben het," antwoordde de stem uit den afgrond, "ik, de benarde
+en benepen Sancho Panza, gewezen stadhouder van het eiland Barataria
+en schildknaap van den beroemden en dapperen ridder Don Quichot van
+La Mancha."
+
+De verwondering van den dolenden ridder nam bij deze woorden nog toe,
+en daar hij zijn voormaligen dienaar onmogelijk in zoo zonderlingen
+toestand kon vermoeden, kwam hij op de gedachte, dat de arme
+stadhouder moest gestorven zijn, en dat nu diens geest verscheen,
+die wegens begane zonden in het graf geen rust kon vinden. In deze
+veronderstelling zeide hij:
+
+"Bij alles, wat heilig is, bezweer ik u, verkond mij, wie gij
+zijt! Zijt gij een boetende ziel, geef mij dan te kennen, wat ik
+voor u doen moet, en zoo waar ik leef, wil ik alles doen, om u de
+rust en de ongestoorde zaligheid te verschaffen. Mijne roeping is,
+de noodlijdenden te helpen en de bedrukten bij te staan, en daarom wil
+ik ook u beschermen, ook als uw lichaam niet meer op aarde omwandelt."
+
+"Heer," schreeuwde Sancho Panza, die nu eindelijk de stem zijns
+meesters herkende, "heer Don Quichot van La Mancha, merkt gij dan niet,
+dat ik uw schildknaap en in mijn gansche leven nog nooit gestorven
+ben? Ik heb om redenen, die ik u later wel eens zal vertellen, mijn
+stadhouderschap verlaten en ben gisterenavond met mijn grauwtje in
+dit hol gevallen, zooals 't stomme dier, als het spreken kon, zeker
+plechtig zou helpen getuigen."
+
+Op ditzelfde oogenblik, juist alsof de ezel verstaan had, wat zijn
+heer sprak, begon die geducht te schreeuwen en balkte zijn Y-ah zoo
+luid, dat de gansche grot er van weergalmde.
+
+"Sancho, aan uw ezel herken ik u," riep Don Quichot nu zeer
+verblijd. "Wacht nu maar een kort poosje en heb geduld, totdat ik
+terugkom. Ik wil in vliegende vaart naar het kasteel van den hertog
+rijden, dat dichtbij ligt, en wil volk roepen, om u uit den afgrond
+op te trekken, waarin uwe zonden u zeker hebben doen neerstorten."
+
+"Zoo gij gaan wilt, edele heer, blijf dan maar niet staan leuteren,"
+antwoordde Sancho uit de diepte. "Ik ben hier als bij levenden lijve
+begraven en kom om van angst en benauwdheid."
+
+Don Quichot zette het dadelijk op een galop en deelde de onderaardsche
+ontdekking aan den hertog en de hertogin mede. Terstond werden de
+noodige orders aan de dienaren gegeven; men trok, toereikend van
+ladders en touwen voorzien, naar het hol, en Sancho Panza werd, hij
+en zijn ezel, met behulp van veel volk en niet zonder groote moeite
+en inspanning uit zijn onderaardschen kerker opgetrokken. Zonder zich
+met de menschen, die hem geholpen hadden, in veel praatjes in te laten,
+trok hij nu met zijn grauwtje naar het slot, waar het doorluchtig paar
+en zijn niet minder doorluchtige meester hem reeds met groot ongeduld
+wachtten. Hij ging echter eerst tot hen, nadat hij zijn ezel met zorg
+van al het noodige had voorzien.
+
+"Mijne genadige heerschappen," sprak hij eindelijk, voor den hertog
+en de hertogin eerbiedig de knie buigend, "daar ben ik weerom. Het
+stadhouderen heeft mij in veel opzichten niet recht willen bevallen,
+en dus vond ik maar beter dat te laten varen; voordat het mij liet
+varen. Arm ging ik heen, arm keer ik terug, en ik heb niets verloren,
+dan bijna mijn klein beetje verstand. Ik heb als rechter gezeten, heb
+processen uitgewezen, en ben daarbij bijkans van honger omgekomen,
+omdat die wijze dokter Recio uit Tirteafuera dat voor gezond
+voor mij hield. Bij nacht en ontijd overvielen de vijanden ons,
+en schoon mijne onderdanen zeiden, dat ik die door mijn heldenmoed
+weer verjaagd had, zoo weet ik dat toch wel beter en mijne arme
+ribben kunnen er een droevig klaaglied van zingen. Gisterenmorgen
+verliet ik het eiland, viel in een diepen, donkeren afgrond, stond
+uren lang den vreeselijksten doodsangst uit, en zou zoo zeker als
+wat zijn omgekomen, als mij niet mijn dappere meester tot hulp en
+troost was toegezonden.--Zoo is 't met mij gegaan, heer hertog, en
+eerbiedig leg ik de van u verkregen waardigheid hier weer voor uwe
+voeten neer. Van mijne hoogte afdalend, keer ik weer in den dienst
+van mijn ouden heer terug, waar 'k mij althans zat mag eten, wat voor
+een hongerigen mensch een uitstekend en zeer aangenaam medicijn is."
+
+"Het bedroeft mij diep in de ziel, Sancho Panza," sprak de hertog,
+"dat gij 't regeeren zoo schielijk moe zijt geworden. In allen gevalle
+wil ik er op bedacht zijn, u een anderen, minder bezwaarlijken, maar
+des te voordeeliger post aan te wijzen, en ik hoop, dat gij alsdan met
+uwe doorgestane moeielijkheden en gevaren geheel verzoend zult zijn."
+
+Sancho Panza boog zich, zonder antwoord te geven, en de hertogin gaf
+orders, dat de arme schildknaap als een prins verpleegd en verzorgd
+zou worden, daar men hem maar al te goed kon aanzien, hoe bitter hij
+door zijne kwelgeesten, den lijfarts en den hofmeester, geleden had.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIII.
+
+DON QUICHOT VERLAAT HET KASTEEL VAN DEN HERTOG EN KOMT TE BARCELONA.
+
+
+De edele ridder van den leeuw of van de droevige figuur werd het luie
+leven op het slot nu zoetjes aan toch moe en verzocht dus den hertog
+vergunning, om afscheid te nemen en zijn tocht te vervolgen. Deze
+vergunning werd hem verleend, schoon eerst nadat de hertog en ook zijne
+gemalin al hunne welsprekendheid verspild hadden, om hem tot langer
+blijven te bewegen. Hij nam afscheid van het doorluchtig paar en ging
+den volgenden morgen al voor dag en dauw weder op reis. Langzaam stapte
+Rocinante met hem voort, en Sancho sjokte op zijn grauwtje vergenoegd
+bij hem aan. De ezel was van een welgevulden knapzak voorzien,
+en in Sancho's zak stak eene beurs met twee honderd goudguldens,
+die hem op bevel des hertogs ten geschenke waren medegegeven. Geen
+wonder derhalve, dat Sancho vergenoegd was, want zulk een voor hem
+schier onmetelijken rijkdom had hij zijn leven lang nog niet bezeten.
+
+Nadat de beide dolende helden den halven dag door dik en dun waren
+voortgereden, bereikten zij een bosch, dat eenigszins bezijden den
+weg lag, en hier zag de ridder zich eensklaps in een net van groene
+draden verstrikt, die tusschen de boomen van den eenen stam tot den
+anderen waren uitgespannen.
+
+"Sancho," sprak hij tot zijn schildknaap, "het zou mij verwonderen,
+als ons hier in dit woud niet weer een der zeldzaamste avonturen
+wachtte. Zeker willen de boosaardige toovenaars, die mij onophoudelijk
+plagen en vervolgen, mijne reis door dit net ophouden. Doch dit
+zal hun niet gelukken! Al waren deze draden ook, niet uit boomwol,
+maar uit ijzer, staal, graniet of diamant geweven, toch zou ik ze
+als spinrag doorhakken, voordat men drie tellen kon."
+
+Bij deze woorden trok hij zijn zwaard en spoorde Rocinante aan, om te
+doen, gelijk hij gezegd had, doch werd daarin verhinderd, daar eenige
+mannen van wild en woest uitzien van achter de boomen voor den dag
+sprongen en zich op hem en op Sancho wierpen, beiden de wapens afnamen
+en hierop het grauwtje zoo zorgvuldig doorzochten en uitplunderden,
+dat in den knapzak geen enkel kruimeltje meer overbleef. Een geluk
+voor Sancho was het, dat de roovers niet aan het onderzoeken van zijn
+persoon dachten, daar in dat geval zijne goedgespekte beurs voorzeker
+liefhebbers en een anderen bezitter gevonden had.
+
+Terwijl de roovers nog bij den ezel bezig waren, en Don Quichot
+de plundering met bedroefde oogen aankeek, kwam de hoofdman van de
+bende aanrijden. Hij was een man op het oog over de dertig, kloek van
+gestalte, vurig van blik en van een fier, ridderlijk voorkomen. Op een
+wenk van hem staakten de roovers hun werk, en hijzelf naderde hierop
+den edelen ridder Don Quichot, die bedroefd en nadenkend tegen een
+boom stond te leunen.
+
+"Wees niet zoo bedrukt, man," sprak hij den dolenden held aan. "Gij
+zijt niet in de handen van bloeddorstige duivels gevallen, en zoolang
+ik Roque Guinart heet, zal uw persoon geen leed geschieden."
+
+"Ik ben niet bedrukt uit vrees, dappere rooverhoofdman," antwoordde
+Don Quichot. "Mij grieft alleen, dat ik door een onverhoedschen aanval
+verrast en van het paard geworpen werd, daar ik als dolend ridder
+toch had moeten vooruitzien, dat in dit woud gevaarlijke roofridders
+huizen. Had ik maar eene minuut tijd tot bezinning gehad, dan zou
+de overwinning u niet zoo licht zijn gevallen, want weet, dat gij
+met Don Quichot van La Mancha spreekt, met den ridder van den leeuw,
+van wiens daden de gansche aardbol weet te gewagen."
+
+"Ha, gij zijt dus de beroemde dolende ridder, over wien men thans
+overal hoort spreken?" zei de rooverhoofdman, die zich van die
+ontmoeting met Don Quichot veel pret beloofde. "Nu, dan hoop ik, dat
+gij eenige dagen als gast bij mij vertoeven zult, en ik beloof dan,
+u zoo eerbiedig te zullen doen behandelen, als een ridder van uwe
+vermaardheid met recht verwachten mag."
+
+Don Quichot boog bij die vleiende woorden zeer beleefd en gaf zijne
+bereidwilligheid te kennen, om eenigen tijd in het gezelschap van
+den rooverhoofdman door te brengen.
+
+"Waarheen wildet gij eigenlijk, toen mijn volk u aanhield?" vroeg
+Roque Guinart.
+
+"Naar Barcelona, naar het stierengevecht," antwoordde Don Quichot.
+
+De rooverhoofdman scheen nu op eens op een inval te komen. Hij
+trad op zij en schreef een briefje aan een vriend in Barcelona,
+waarin hij dezen bericht gaf, dat Don Quichot bij hem was de zotste,
+kluchtigste personage, die men in heel Spanje vinden kon. Hij wilde
+hem over eenige dagen naar Barcelona brengen, en zorg dragen, dat
+hij daar in volle wapenrusting, op Rocinante zijn strijdros gezeten
+en in gezelschap van Sancho Panza, zijn schildknaap, aankwam. Hij,
+de vriend, moest zijne bekenden daar vooraf van verwittigen en zou
+zich met den wonderlijken ridder zeker kostelijk kunnen vermaken.
+
+De hoofdman verzegelde dit briefje en gaf het aan een van zijn volk
+over met last, om het onverwijld naar Barcelona over te brengen. Hierop
+keerde hij zich weder tot zijn gast en liet zich in een gesprek met
+hem in, dat hem al zeer spoedig van des edelen ridders volslagen
+verstandsverbijstering overtuigde.
+
+Drie dagen en drie nachten bleef Don Quichot bij Roque Guinart te gast,
+en de hoofdman had al dien tijd overvloedig stof tot lachen. Toen
+hij den dolenden ridder eindelijk moe werd en ook de dag naderde,
+waarop Don Quichot in Barcelona moest verschijnen, ging hij met dezen
+op weg en bracht hem en den schildknaap tot dicht onder de muren van
+de stad. Hier nam hij afscheid en gaf den held aan zijn noodlot en
+aan de handen zijner vrienden over, die hij wel wist, dat hem zeer
+spoedig opsporen zouden. Terwijl hij naar het gebergte terugkeerde,
+naderden ridder en schildknaap de poort der stad en reden dood op hun
+gemak de eerste de beste straat op, over wier fraaiheid zij zich niet
+weinig verwonderden.
+
+Toen zij nu de huizen en de golvende volksmenigte met verbaasde
+oogen aanstaarden, kwam eensklaps een rijk gekleed man met eenige
+volgelingen op hen toe, bleef voor Don Quichot staan en riep met alle
+teekenen van de grootste blijdschap:
+
+"Ha, welkom, welkom in onze goede stad, gij pronkstuk en kompas van
+heel de dolende ridderschap! Welkom, edele held Don Quichot! Wees
+gegroet en bewonderd door een vurigen bewonderaar van uwe ongehoorde
+dapperheid!"
+
+Bij deze woorden van den onbekende maakten deze en zijn geleide eene
+behendige zwenking en brachten zoo Don Quichot in hun midden. Deze
+wendde zich koelbloedig tot Sancho Panza en zeide: "Zie nu, mijn
+vriend, hoe wijd de faam van mijn heldenmoed zich verbreid heeft;
+want deze lieden hebben ons op het eerste gezicht herkend, ofschoon
+zij ons nooit te voren kunnen gezien hebben."
+
+Intusschen kwam de onbekende nog nader en noodigde Don Quichot
+beleefd uit, hem in zijne woning te volgen. "Ga met ons, genadige
+heer!" sprak hij. "Wij zijn allen uwe dienaren en de beste vrienden
+van Roque Guinart, die ons van uwe aankomst verwittigd heeft."
+
+"Gij zijt een zoo beleefd man, heer ridder," antwoordde Don Quichot,
+"dat ik uwe heusche uitnoodiging onmogelijk afslaan kan. Breng mij,
+waarheen gij wilt; ik zal geen anderen wil hebben dan den uwen."
+
+De vreemde boog diep en bracht zijn paard aan zijne zijde. Terwijl
+zij nu langzaam door het gewemel der straten voortdrongen, wilde het
+ongeluk, dat twee ondeugende straatbengels hun in den weg kwamen en
+met onzen Don Quichot en zijn schildknaap wakker den draak begonnen
+te steken. Een hunner lichtte Grauwtjes, de ander den staart van
+Rocinante op, waarna beiden daar met goochelaarsvlugheid een handvol
+stekelachtige distels onder wisten te schuiven. Zoodra de arme dieren
+nu deze vreemde sporen voelden, trokken zij hunne staarten vast aan
+het lijf en verergerden daardoor hunne pijn zoozeer, dat zij als
+dol en razend heen en weer sprongen en eindelijk hunne toch al niet
+bijster zadelvaste berijders hals over kop in het stof wierpen. Don
+Quichot richtte zich beschaamd en hevig verstoord op, om Rocinante
+van de oorzaak zijner kwelling te bevrijden, en riep Sancho Panza
+toe, met zijn ezeltje hetzelfde te doen. Hierop bestegen zij hunne
+kleppers weder en keken naar de jonge deugnieten, die hun die poets
+gespeeld hadden, om. De ondeugende bengels hadden zich echter lang
+geborgen, zoodat Don Quichot zonder hen gekastijd te hebben zijn weg
+vervolgen moest. Weldra kwam hij met zijn begeleider in diens huis,
+waar hij terstond bij zijne intrede door de talrijke dienaren met
+luide juichkreten en eene ruischende muziek werd verwelkomd, al 't
+geen den goeden ridder in niet geringe mate streelde en met aangename
+aandoeningen vervulde.
+
+Don Quichots gastheer heette Don Antonio Moreno en was een rijk en
+aanzienlijk man. Zoodra hij den held onder zijn dak zag, was hij er
+op bedacht, diens dwaasheden aan den dag te brengen, zonder dat de
+leeuwenridder er iets van merkte; want zijn gast te krenken of zeer
+te doen, was in geenen deele zijne bedoeling.
+
+Vooreerst leidde hij hem aan tafel en onderhield zich met hem op
+eene wijze, die, zonder hem te beleedigen, voor al de gasten uiterst
+vermakelijk was, en daarop ging hij met hem in een afgelegen vertrek,
+waarin niets dan een tafel van jaspis stond, die door een voetstuk
+van dezelfde stof werd gedragen. Op die tafel stond een reusachtig
+menschenhoofd van metaal, waarop Don Moreno zijn gast al dadelijk
+opmerkzaam maakte.
+
+"Dit hoofd, heer," sprak hij, "is vervaardigd door een der grootste
+toovenaars, die ooit op aarde bestaan hebben. Het bezit de eigenschap
+van op iedere vraag, die men het in het oor zegt, te antwoorden, en
+het doet mij leed, dat ik u hier niet oogenblikkelijk van overtuigen
+kan. Maar 't is vandaag Vrijdag en juist op dezen dag is het hoofd
+stom. Morgen echter, zoo gij dat goedvindt, zullen wij er de proef
+van nemen en zult gij zien, dat ik de volle waarheid heb gesproken."
+
+Don Quichot was over deze begaafdheid van een levenloozen metalen
+kop zoo zeer verwonderd, dat hij zijn gastheer bezwaarlijk gelooven
+kon. Daar de proef op de som echter zoo spoedig geleverd zou worden,
+gaf hij zijne ongeloovigheid niet te kennen, maar dankte Don Moreno,
+dat die hem met zulk een merkwaardig tooverwerk had bekendgemaakt. Zij
+verlieten het vertrek en keerden naar het overige gezelschap terug,
+dat zich onderwijl met Sancho Panza's grappen en kluchtige vertellingen
+niet weinig vermaakt had.
+
+Tegen den avond werd een wandelritje gedaan. Don Quichot was
+niet gewapend, maar droeg over zijne gewone kleeding een wijden
+zwaren mantel van donkere stof, die hem niet weinig zweetdroppels
+afperste. Ook bereed hij heden niet zijn Rocinante, maar een fraai,
+kloek muildier, dat bijzonder net en sierlijk was opgetuigd. Toen
+men hem den mantel omwierp, spelde men hem, zonder dat hij er iets
+van merkte, een blad perkament op den rug, waarop met groote letters
+geschreven stond: "Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha."
+
+Toen men nu de straten doorreed, trok dat groote plakkaat natuurlijk
+ieders oogen tot zich. De menschen lazen hardop: "Dit is de ridder Don
+Quichot van La Mancha!" En Don Quichot, die dit hoorde, verwonderde
+zich zeer, dat iedereen hem zoo goed kende en bij zijn naam wist te
+noemen. Verbaasd wendde hij zich tot Don Moreno, die aan zijne zijde
+reed, en sprak:
+
+"Wat is het toch aangenaam een dolend ridder te zijn, en in alle
+hoeken en einden der aarde bekend en beroemd te worden! Zie maar,
+beste heer, tot zelfs de dartele straatjeugd in deze stad kent mijn
+persoon en moet zeker ook met mijne roemrijke daden bekend wezen."
+
+"Natuurlijk, en dat is ook geen wonder," antwoordde Don Moreno hoogst
+ernstig, schoon hij moeite had zijn lachlust te onderdrukken. "Gelijk
+het vuur niet verborgen en onderdrukt worden kan, zoo blinkt en
+schittert ook de verdienste, welke de man zich door heldenmoed en
+dapperheid verworven heeft."
+
+Intusschen werd het gedrang om Don Quichot heen toch zoo erg, dat
+men hem het plakkaat heimelijk weer afnemen en naar huis terugkeeren
+moest. Daar was een prachtige avondmaaltijd aangericht, en tot diep
+in den nacht vermaakte de ridder met zijn dolle, dwaze en ongerijmde
+redeneeringen het gansche gezelschap.
+
+Tegen den volgenden dag, wanneer het betooverd menschenhoofd zijne
+kunsten vertoonen moest, had Don Moreno verschillende bevriende
+families genoodigd. Daar was niemand onder, die iets van het eigenlijke
+geheim van dat hoofd wist, dan twee jonge ridders, aan wie Don Moreno
+het ontdekt had. Het was een kunstwerk, dat van een vindingrijkheid
+en vernuft getuigde, die ieder versteld deden staan.
+
+De eerste, die het oor van het hoofd naderde, was Don Moreno zelf. Met
+zachte stem, maar toch zoo luid, dat ieder zijne woorden verstaan
+kon, vroeg hij: "Kunt gij mij ook zeggen, hoofd, met welke gedachte
+ik mij op dit oogenblik bezighoud?"
+
+Het hoofd, zonder de lippen te bewegen, antwoordde met heldere stem:
+"Over gedachten oordeel en spreek ik niet."
+
+De toehoorders waren ten toppunt van verbazing, te meer daar zij
+overtuigd waren, dat in het gansche vertrek of althans in de nabijheid
+van de tafel geen menschelijk wezen was, dat had kunnen antwoorden.
+
+"Kunt gij mij eenige personen noemen, die zich in dit vertrek
+bevinden?" vroeg Don Moreno weder.
+
+"Gij en uwe vrouw zijn hier," sprak het hoofd met dezelfde
+duidelijkheid; "buitendien zijn twee vrienden met hunne echtgenooten
+tegenwoordig, verder de bij uitnemendheid beroemde ridder Don Quichot
+van La Mancha, en eindelijk nog Sancho Panza, zijn trouwe schildknaap."
+
+De bewondering der toeschouwers maakte voor schrik en ontzetting
+plaats, die enkelen de haren te berge deed rijzen. Don Moreno trad nu
+echter achteruit en zeide: "De hier door mij genomen proeven overtuigen
+zeker iedereen, dat de toovenaar, wien ik dit hoofd afkocht, mij niet
+heeft bedrogen. Wie nog lust heeft, eene vraag te doen, trede nader."
+
+Oogenblikkelijk trad eene jonge vrouw op het hoofd toe en vroeg:
+"Wat moet ik doen, om recht schoon te worden?"
+
+"Wees goed en deugdzaam," luidde het antwoord.
+
+De dame trad terug, en een jong man richtte tot het wonderhoofd de
+vraag: "Wie ben ik?"
+
+"Dat weet gij zelf!" werd hem geantwoord.
+
+"Dat is waar," sprak de ridder; "maar wilt gij mij niet zeggen,
+of gij mij kent?"
+
+"Ik ken u," antwoordde het hoofd; "gij zijt Don Pedro Noviz."
+
+"Goed, goed; meer verlang ik niet te hooren," riep de jonge man en
+scheen niets van het geval te begrijpen.
+
+"Zeg, hoofd, welke wenschen voedt mijn zoon?" vroeg een oud-achtig
+ridder, die insgelijks was toegetreden.
+
+"Ik oordeel eigenlijk niet over wenschen," klonk de stem uit het hoofd;
+"alleen kan ik u zeggen, dat uw zoon u wenscht te begraven."
+
+"Dat kan ik zelf wel zoo wat half begrijpen!" zeide de oude ridder
+wrevelig. "Maar genoeg, genoeg; ik vraag niet meer."
+
+Don Moreno's vrouw trad nu toe en zeide: "Ik wensch niets anders
+te weten, dan of ik mijn edelen echtgenoot nog recht vele jaren zal
+mogen bezitten?"
+
+"Dat zult gij," antwoordde het hoofd. "Uw gemaal zal nog jaren lang
+leven, want hij is gezond, matig en deugdzaam."
+
+"En hoor dan nu mijne drie vragen, wijs hoofd!" vroeg eindelijk Don
+Quichot. "Kunt gij mij ook zeggen, of het waarheid of een droom was,
+wat mij in de grot van Montesinos is overkomen?--Kan ik mij op Sancho
+Panza's zelfkastijding gerust verlaten?--En eindelijk, zal mijne
+edele gebiederes Dulcinea ooit onttooverd worden?"
+
+"Van die grot zwijg ik," antwoordde het hoofd. "Met Sancho Panza's
+geeseling zal het langzaam vooruitgaan; maar eindelijk zal de
+aanminnige Dulcinea van Toboso u toch in haar vollen glans weer
+verschijnen."
+
+"Verder verlang ik niets te weten," zeide Don Quichot en trad
+terug. "Maar gij, Sancho Panza, wilt gij het hoofd niet eene vraag
+voorleggen?"
+
+"Ei, te vragen had ik genoeg, maar ik wil 't kort maken," zei
+Sancho. "Hoor dan eens, heer kopstuk! Zal ik het nog weer eens tot
+een stadhouderschap brengen, of zal ik schildknaap blijven? En dan
+nog--zal ik ooit vrouw en kinderen weerzien?"
+
+"Stadhouder of regent zult ge in uw eigen huis zijn, waar ge ook vrouw
+en kinderen weerziet, als ge daarheen terugkeert. Voor 't overige
+zult ge ophouden schildknaap te blijven, zoodra gij het dienen van
+een heer hebt opgegeven."
+
+Hiermede eindigden de vragen en antwoorden, en allen, tot op Sancho na,
+waren verbaasd over het wonderbare en de wijsheid van dat hoofd. Sancho
+daarentegen bromde wat in zijn baard, daar de verkregen antwoorden
+maar half naar zijn zin waren geweest.
+
+Voordat wij verder gaan, moeten wij hier het wonder van dat sprekend
+hoofd verklaren.
+
+Het blad en de voet van de tafel namelijk waren van hout, waaraan
+men door beschildering en verlakking het aanzien van jaspis had
+weten te geven. Het hoofd was hol en hol waren ook de voet en het
+blad van de tafel, in welk laatste het hoofd zoo kunstig ingezet
+was, dat men geen teeken van verbinding bemerken kon. De voet van
+de tafel stond in verband met de keel en de borst van het hoofd,
+en dit alles weer met een vertrekje, dat onder de kamer met het
+hoofd was gelegen. Door de holte van voet, tafel, keel en borst liep
+eene zeer kunstig aangebrachte blikken buis of pijp, die voor niemand
+zichtbaar was en zich tot diep in het benedenvertrekje uitstrekte. Hier
+nu stond de persoon, die de antwoorden had te geven. Om de gedane
+vragen te verstaan legde hij zijn oor aan de opening van de buis,
+en hij antwoordde door zelf in de buis te spreken.
+
+Een neef van Moreno had zich, na nauwkeurig van alles onderricht
+te zijn, met de rol van het orakel belast en die, gelijk wij gezien
+hebben, uitmuntend volgehouden.
+
+Verscheiden dagen verliepen. Don Quichot werd steeds zeer voorkomend
+behandeld en voelde zich volmaakt tevreden en gelukkig. De kleine,
+onschuldige parten, die men hem speelde, bemerkte hij niet, daar Don
+Moreno met scherp oog over hem waakte en zorgde, dat niemand hem te
+na kwam.
+
+Daar gebeurde het op een morgen, dat hij met Sancho Panza in
+volledige wapenrusting een ritje langs de haven deed en hier een
+ridder ontmoette, die, evenals hij, van top tot teen gewapend was en
+eene zilveren maan als wapenteeken op zijn schild droeg. Deze vreemde
+ridder reed recht op Don Quichot toe en zeide, genaderd zijnde,
+met ridderlijke hoffelijkheid:
+
+"Doorluchtige, glansrijke en wijd en zijd vermaarde Don Quichot van
+La Mancha, zie in mij den ridder van de zilveren maan, wiens faam
+denkelijk ook reeds tot uwe ooren is doorgedrongen. Ik ben gekomen,
+om met u te kampen en de sterkte van uw arm te ondervinden, daar ik
+u tot de bekentenis wil dwingen, dat mijne dame schooner en edeler
+dan Dulcinea van Toboso is. Erkent gij dit vrijwillig, dan moogt
+gij ongehinderd uws weegs trekken en voor ditmaal den dood ontgaan;
+zoo niet, gord u aan ten strijde, en de hemel doe de waarheid
+zegepralen. Ben ik overwinnaar, zoo verlang ik niets anders van u,
+dan dat gij voor een jaar uwe wapens nederlegt, uwe avontuurlijke
+tochten staakt en u naar huis begeeft, om in rust en vrede verpoozing
+te vinden. Ontwapent gij mij, dan zij mijn leven aan uw goeddunken
+overgelaten, mijne wapens mogen uw buit zijn, en de roem mijner daden
+zal dienen, om den uwen te verhoogen en ten top te voeren. Overleg,
+of gij met deze voorwaarden tevreden zijt, en antwoord zonder lang
+dralen, want heden nog wil ik uw lot en het mijne beslist weten."
+
+Don Quichot voelde zich door deze aanmatigende taal des ridders van
+de zilveren maan ten ergste beleedigd, en op kalmen, maar vasten en
+ernstigen toon antwoordde hij:
+
+"Heer ridder van de zilveren maan, van wiens daden ik nog geen woord
+vernomen heb, ik neem uwe uitdaging en uwe voorwaarden aan. Neem uwe
+plaats in, waar gij wilt! Ik zal hetzelfde doen, en dan mag in Sint
+Pieters naam de kamp beginnen."
+
+Terwijl de beide ridders hunne plaatsen innamen, naderde Don Moreno
+met verscheiden vrienden en vroeg, om welke reden de tweekamp wezen
+zou. De ridder van de zilveren maan verklaarde hem dat, en wijl Don
+Moreno dadelijk eenige guiterij vermoedde en geen groot gevaar voor
+zijn gast vreesde, liet hij de zaak haar vrijen loop.
+
+"Daar er geen ander middel bestaat, toont dan in 's hemelsnaam wat
+gij kunt, mijne heeren!" zeide hij glimlachend. "Ik zal mij, met uw
+goedvinden, tot kamprechter opwerpen."
+
+De beide ridders dankten Don Moreno en maakten zich tot den aanval
+gereed. Don Quichot riep de bescherming van zijne Dulcinea in, en nam
+hierop nog een weinig meer veld, daar hij zag, dat zijne tegenpartij
+datzelfde deed. Hierop wendden beiden hunne rossen en stormden met
+geweld op elkaar in.
+
+Daar nu het paard van den ridder der zilveren maan veel flinker en
+lichter ter been was, dan de stijve, half lamme Rocinante, bereikte
+de ridder Don Quichot, voordat deze een derde van de renbaan had
+doorloopen, en trof hem met zoo vreeselijk geweld, dat ruiter en ros
+in een ommezien over elkaar heen tuimelden en zich lagen te wentelen
+in het stof. Terstond boog nu de ridder van de maan zich over Don
+Quichot heen, zette hem zijne lans op de borst en sprak:
+
+"Gij zijt overwonnen, ridder, en moet sterven, indien gij de
+voorwaarden van onzen kamp niet dadelijk aanneemt."
+
+Hoewel bitter gekneusd en bijna van zijne zinnen beroofd, bracht
+Don Quichot toch, zij 't al met zwakke en trillende stem, de koene
+woorden uit: "In spijt van uwe lans beweer ik, dat Dulcinea van
+Toboso de schitterendste schoonheid op den wijden aardbodem is,
+niettegenstaande ik van mijzelven erkennen wil, dat mijne zwakheid en
+mijn ongeluk mij verhinderd hebben, deze waarheid zegevierend staande
+te houden. Grijp dan nu uwe lans, ridder, en beroof mij van mijn leven,
+gelijk gij mij reeds mijn eer en mijn roem ontnomen hebt."
+
+"Dat zij verre van mij," antwoordde de ridder van de zilveren
+maan. "Leve jonkvrouwe Dulcinea van Toboso, en moge zij ten eeuwigen
+dage als roem en bloem der schoonheid en volmaaktheid gehuldigd
+worden. Ik voor mijn deel ben ten volle tevredengesteld, wanneer
+gij u voor een jaar naar uwe woonplaats wilt terugbegeven en van uw
+avontuurlijk leven afzien."
+
+"Welaan, dat wil ik beloven, omdat het niet tot nadeel van mijne
+verheven gebiederesse strekt," antwoordde Don Quichot al kreunend
+en zuchtend. "Ik wil dat beloven, en als een trouw, eerlijk en braaf
+ridder mijn woord in alles gestand blijven."
+
+Na het ontvangen van deze toezegging wierp de ridder der zilveren maan
+zijn paard om, maakte voor Don Moreno en zijn geleide eene beleefde
+buiging en reed heen in galop.
+
+Onderwijl werd de gevelde dolende ridder van den grond opgetild, zijn
+gelaat ontdekt en hem de helm afgenomen. Hij droop van zweet en was
+doodsbleek. Rocinante was zoo deerlijk gehavend, dat hij geen poot
+verzetten kon, en Sancho Panza toonde zich zoo bijster bedroefd en
+neerslachtig, dat men puur niet wist, wat met den armen sukkel aan
+te vangen. Sancho dacht, dat alles een droom of een werk van booze
+toovenaars en heksenmeesters was, nu hij zijn dapperen heer daar zoo
+uit den zadel gelicht, tegen den grond gekwakt en verplicht zag,
+om voor een rond jaar wapens, zwaard en lans neer te leggen. Dat
+leek hem ongehoord, ongeloofelijk toe. Lijdelijk zag hij toe, hoe Don
+Quichot in een draagkoetsje gepakt en naar de stad teruggebracht werd,
+terwijl hij zelf langzaam en met een bedrukt harte volgde.
+
+Wij moeten nu verklaren, wie eigenlijk de ridder van de zilveren maan
+en wat zijne bedoeling was. Don Moreno vernam dat eerst, toen hij
+in al de logementen der stad naar hem vroeg, hem vond en de volgende
+opheldering van hem verkreeg:
+
+"Gij moet weten, mijnheer, dat ik Sanson Carrasco heet en een landsman
+van onzen ridder Don Quichot ben. Zijne gekheid ging mij en allen,
+die hem kenden, aan het hart, en daar ik het er voor hield, dat alleen
+ongestoorde rust in zijn eigen huis hem van zijne dwaze inbeeldingen
+genezen kon, ontwierp ik een plan, om hem die te verschaffen. Eerst
+ging ik, als spiegelridder verkleed, op weg, om met hem te vechten en,
+bleef ik overwinnaar, hem de belofte af te dwingen, dat hij voor een
+bepaalden tijd zijne tochten opgeven en naar huis terugkeeren zou. Het
+geluk liep mij echter tegen, want ik werd de onderliggende partij
+en bracht er met moeite het leven af. Evenwel liet ik mij door dien
+eersten tegenspoed niet afschrikken, maar verschafte mij nieuwe wapens
+en een beter paard, volgde het spoor van den goeden man en vond hem
+eindelijk hier, waar ik mijn doel bereikte. Dit is alles, wat ik u te
+vertellen heb, en ik verzoek u dringend, Don Quichot niet te verraden,
+met wien hij gevochten heeft, daar ik dan een vergeefsch werk zou
+gedaan hebben. Onze vriend moet echter zijn verstand terugkrijgen,
+daar hij op die dwaze inbeeldingen en kuren na de beste en braafste
+mensch van de wereld is."
+
+Don Moreno beloofde het diepste stilzwijgen en Sanson Carrasco verliet
+nog dienzelfden dag de stad.
+
+Onderwijl bleef Don Quichot zes dagen te bed liggen, was verdrietig,
+somber en nadenkend, en kon zijn ongelukkig gevecht met geen
+mogelijkheid uit het hoofd zetten. Sancho Panza zocht hem te troosten,
+zoo goed hij maar kon.
+
+"Beste heer," sprak hij, "laat den moed niet zinken en steek het
+hoofd maar weer op. Het ding is nog vrij gezegend afgeloopen, en
+al hebt ge al een harden smak gekregen, toch zijn al uwe ribben nog
+heel. Kom, laat ons naar huis terugkeeren en ons alle avonturen uit het
+hoofd zetten. Troost u met mij en bedenk, dat ik er in den grond nog
+bekaaider afkom, dan gij. Dat stadhouderschap mag naar de maan loopen;
+maar 'k had toch wel graaf of zoo wat willen worden. Doch hoe is daar
+kans op, nu gij naar huis moet en op uw koningschap weinig hoop meer
+is? Door uw ongeluk hebt ge meteen mijn spel voor altijd verbroddeld."
+
+"Zwijg, Sancho!" antwoordde Don Quichot op knorrigen toon. "Hoe kunt ge
+zulke onnutte jammerklachten aanheffen, daar ge wel weet, dat ik mijn
+heldenleven toch maar voor één jaar opgeven moet? Is die tijd voorbij,
+dan grijp ik weer naar lans en zwaard en, onder 's hemels zegen, zal
+een koninkrijk dan wel niet uitblijven. Maar anders hebt gij gelijk. Ik
+wil alle donkere gedachten uit mijn hoofd zetten en zonder verwijl op
+reis gaan naar huis. Zadel Rocinante en uw ezel, en pak mijne wapens
+op uw grauwtje, daar ik die nu toch een jaar lang niet dragen mag."
+
+Ten hoogste verblijd, ging Sancho Panza heen, om aan de bevelen van
+zijn meester te voldoen. Deze zelf kwam uit zijn bed kruipen, trok zijn
+lederen kleeding aan en ging Don Moreno opzoeken, om dien edelen man
+voor zijne gastvrijheid te danken. Don Moreno omarmde hem hartelijk en
+wenschte hem allen bedenkelijken zegen en voorspoed. Daarop besteeg
+de dolende ridder Rocinante, en Sancho Panza kuierde te voet bij hem
+aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen en hij
+'t goede beest niet te zwaar belasten wou.
+
+Zoo verlieten de beiden Barcelona, waar onzen ridder door zijne
+nederlaag 't zwaarste leed had getroffen, dat hem, naar zijne
+gedachten, ooit op aarde kon overkomen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIV.
+
+DON QUICHOTS TEHUISKOMST EN DOOD.
+
+
+De overwonnen ridder van den leeuw en de droevige figuur trok stil
+en bedrukt zijns weegs. De droefheid knaagde als een vretende worm
+aan zijn leven en deed zijne krachten bij den dag afnemen.
+
+Eens, toen hij met Sancho Panza door een bosch reed, keerde hij zich
+na lang stilzwijgen eensklaps tot zijn reismakker en zeide:
+
+"Sancho Panza, voor zoover ik weet, hebt gij u nog maar vijf van de
+slagen toegediend, die tot ontoovering van mijne Dulcinea vereischt
+worden. Zal ik haar zoet, liefelijk aangezicht ooit weer aanschouwen,
+dan moogt gij niet langer zoo traag zijn, maar moet voortaan wat
+vlijtiger tegen uw eigen vleesch woeden. Daar ik mij echter overtuigd
+heb, dat gij uit liefde tot mij dit offer niet brengen zult, stel
+ik u voor, iederen slag met klinkende munt te betalen. Overleg eens,
+wat gij eischen wilt, en begin dan maar dadelijk. Daar gij mijn geld
+in bewaring hebt, kunt gij u later zelf betalen."
+
+Bij dit aanbod spalkte Sancho mond en oogen open.
+
+"Mijn gestrenge heer ridder," zeide hij, "dat lijkt mij een heel
+verstandig voorstel toe, en uit liefde tot mijn vrouw en kinderen,
+die dat geld goed gebruiken kunnen, wil ik het aannemen. Zeg op,
+hoe duur wilt gij iederen slag, dien ik mijzelf geef, betalen?"
+
+"Bepaal zelf den prijs," antwoordde Don Quichot.
+
+"Ei, 't zijn drie duizend drie honderd slagen," zeide Sancho. "Vijf
+daarvan heb ik al beet, maar de rest blijft nog over. Om echter niet
+krenterig te wezen, wil ik die vijf niet meetellen, en dus komen we
+weer op drie duizend drie honderd. Reken ik nu voor iederen slag een
+quartillo, en dat is zuinig gerekend, dan geeft dat drie duizend drie
+honderd quartillo's of acht honderd vijf en twintig realen [2]. Laat
+mij die som van uw geld afnemen, en dan zal ik, al doet mijn rug wat
+zeer, vergenoegd en tevreden naar mijn vrouwtje terugkeeren."
+
+"Sancho, gij zijt een juweel van een man!" riep Don Quichot. Ga dan
+maar terstond aan den gang, en als ge goed haast maakt, beloof ik u
+nog honderd realen extra."
+
+"Goed, om u genoegen te doen, wil ik van avond nog beginnen,"
+verzekerde Sancho Panza. "Onder den blooten hemel, midden in dit
+bosch zal mijne huid in flarden gaan en mijn bloed gestort worden."
+
+De avond, schoon voor Don Quichots ongeduld te traag en te langzaam,
+kwam eindelijk en breidde zijne donkere schaduwen over het geboomte
+uit. Ridder en knaap ontdeden tegen schemerdonker hunne dieren van
+zadel en tuig, legerden zich op het malsche gras en hielden in vrede
+hun sober avondmaal. Hierop maakte Sancho uit grauwtjes halster een
+stevig geeseltouw en ging alleen twintig passen dieper het bosch in,
+waarbij hij zorg droeg, zijn dik lichaam zoo goed mogelijk achter de
+boomstammen te verbergen.
+
+"Vriend Sancho," riep Don Quichot, toen zijn schildknaap zijne
+marteling zoo onverschrokken te gemoet ging, "vriend Sancho, zorg,
+dat ge uzelf niet doodslaat, en overhaast u niet zoo, dat ge te gauw
+buiten adem raakt. Nu, ga uw gang en wees verzekerd, dat ik iederen
+slag, dien ge u geeft, nauwkeurig zal tellen. De hemel sterke u onder
+uw loffelijk werk."
+
+"Wees zonder zorg, heer; ik zal mij taai houden," riep Sancho
+terug. "De pijn zal mij zoo gauw den dood niet doen."
+
+Hij trok zijn buis uit, ontblootte zich het bovenlijf tot aan
+den gordel en zwaaide zijn geeseltouw met macht en geweld. Klits,
+klats! vielen de forsche slagen neer, en Don Quichot begon te tellen.
+
+Vijf of zes klappende slagen waren gevallen, toen hij ophield en riep:
+"Heer, ik heb te weinig gerekend! Ieder van deze slagen is op zijn
+minst een halven reaal waard."
+
+"Sla toe! Sla toe, Sancho!" riep Don Quichot. "Ik verdubbel den
+bedongen prijs."
+
+"Goed; dat blijft zoo afgesproken," antwoordde Sancho, en klits,
+klats ging het opnieuw.
+
+Don Quichot was natuurlijk van meening, dat Sancho Panza zijn eigen
+vleesch kastijdde; doch daar vergiste hij zich in, want de slimme
+deugniet sloeg, in plaats van op zijn rug, op de omstaande boomen los,
+en liet van tijd tot tijd eens een luider of zachter kreet hooren, om
+zijn meester in zijn goed geloof te versterken. Deze werd intusschen
+door Sancho's voorgewende pijn en smarte tot diep in de ziel geroerd,
+en toen de geeseling eene goede poos geduurd had, riep hij hem toe,
+dat hij nu vooreerst maar uitscheiden moest.
+
+"Naar mijne berekening hebt ge al ruim duizend slagen doorgestaan,
+en dat is voor één keer voldoende," riep hij.
+
+"Neen, neen, gestrenge heer," antwoordde Sancho. "Ik houd vol,
+tot ik althans twee duizend op mijn baaitje heb. Op die manier is
+'t in tweemaal beredderd en ben ik 't gauwst van het ding af."
+
+"Nu dan, als dat uwe vrije verkiezing is, wil ik u niet tegenhouden,"
+sprak Don Quichot. "Sla toe dan maar, zoo lang gij kunt en wilt."
+
+Sancho begon zijn werk met nieuwe krachten en met zulk een ijver,
+dat de boomstammen onder zijn bereik bijna al hun bast verloren. Eens
+bracht hij een ouden beuk een slag toe, die door het halve bosch
+dreunde, en schreeuwde daarbij: "Hier sterft Simson en alles, wat
+bij hem is."
+
+Nu kon Don Quichot het lijden van zijn armen schildknaap niet langer
+uitstaan. Hij liep op hem toe, hield zijn geeseltouw vast en riep:
+"Houd op! Ik kan niet langer aanhooren, hoe gij om mijnentwil kreunt
+en huilt. Denk aan vrouw en kind, en draag zorg, dat gij voor hen
+behouden blijft. Dulcinea mag wachten, en ik wil in hoop leven,
+tot gij weer nieuwe krachten hebt verzameld."
+
+"Zooals gij wilt, heer!" antwoordde Sancho Panza. "Wees echter nu
+zoo goed, mij uw mantel om te hangen, dat ik geen kou vat; want ik
+zweet als een oliekoek."
+
+De goedgeloovige ridder haalde zijn mantel, pakte Sancho als een
+bakerkind in, en legde zich toen met hem onder de boomen neder. Met
+de zon stonden zij echter weer op en vervolgden hun weg.
+
+De volgende nacht gaf Sancho gelegenheid, om zijne boete geheel
+te volbrengen, en hij gebruikte dien, evenals den eersten, om niet
+zijn eigen rug, maar de arme basten der boomen met vreeselijke woede
+te kastijden. Don Quichot telde iederen slag, en toen de laatste
+viel, was hij hoogst verblijd en kon nauwelijks den dag afwachten,
+om te zien, of Dulcinea van Toboso dan ook in den vollen glans hare
+herkregen schoonheid voor hem zou staan.
+
+Voor dag en dauw zat hij weer te paard en keek onderweg elk vrouwelijk
+wezen aan, om in haar de onttooverde prinses te herkennen. Maar de dag
+verstreek en toen het avond werd, gaf Don Quichot den moed verloren
+en hing als half suf en wezenloos op zijn paard. Droefgeestig zag hij
+voor zich neer, en zelfs Sancho's kluchtigste uitvallen vermochten hem
+geen lachje af te persen. Eindelijk ontdekten de beide zwervers hun
+dorp en bereikten dat, voordat het nog ten volle donker was. Toen zij
+de straat doorreden, zag Don Quichot twee jongens op een dorschvloer
+en hoorde den eenen zeggen: "Geef je geen moeite, Periquille; je zult
+haar je leven lang niet weerzien."
+
+Bij het vernemen van deze woorden, zuchtte de ridder, alsof zijn hart
+breken zou, en zeide tot Sancho: "Hebt gij gehoord, wat die jongen
+zei? Ik zal Dulcinea mijn leven lang niet weerzien."
+
+"Malligheid! Malligheid, edele heer!" riep Sancho lachend. "Die jongen
+meent heel wat anders."
+
+"Neen, neen," antwoordde Don Quichot zwaarmoedig, "'t Is eene
+voorbeduiding en ik weet, dat mij zwaar ongeluk boven het hoofd hangt."
+
+Zonder naar Sancho's troostend antwoord te luisteren, reed hij
+bedrukt verder en bereikte spoedig zijn huis, waar hij door zijne
+nicht, zijne huishoudster, den pastoor en Sanson Carrasco met groote
+blijdschap ontvangen werd. Ook vond hij er de vrouw van Sancho,
+die terstond beslag op haar man legde en hem met niet al te zachte
+en zoete woordekens welkom heette.
+
+"Vrouw, zwijg stil!" zeide Sancho. "Ik breng een zak vol geld mee,
+en heb dat zuur, maar eerlijk verdiend."
+
+"Nu, als je geld meebrengt, wil ik je weer in genade aannemen,
+beste manneke," antwoordde de vrouw op geheel veranderden toon. Zij
+omarmde hem, zoende hem, dat het klapte, pakte hem onder den arm,
+nam grauwtje bij den teugel en stapte zoo triomfantelijk naar huis.
+
+Terwijl zij zich thuis Sancho's avonturen liet vertellen, maakte
+Don Quichot zijne vrienden en verwanten met zijne lotgevallen en
+ontmoetingen bekend en verzweeg niet, dat hij overwonnen was geworden
+en de plechtige belofte had afgelegd, een vol jaar in werkeloosheid
+onder zijn eigen dak te zullen doorbrengen.
+
+Men beklaagde hem, zonder hem te laten merken, hoe bij dien laatsten
+kampstrijd de vork in den steel had gezeten, en de huishoudster
+noodigde haar meester eindelijk uit, aan tafel te komen en zich door
+een duchtig avondmaal te sterken.
+
+"Neen, goede vrouw, ik weet beter, wat mij dient," antwoordde Don
+Quichot zwaarmoedig. "Breng mij te bed en laat mij slapen, want het
+is, alsof ik eene ziekte onder de leden heb."
+
+Aan zijn bleek en vervallen uitzien merkten de overigen zeer goed,
+dat de arme ridder werkelijk ziek moest zijn, en daarom verzette
+zich dan ook niemand tegen zijn verlangen. Hij werd te bed gebracht,
+om daar niet weder van op te staan.
+
+Het verdriet over de in zijn oog vernederende nederlaag, die hij had
+geleden, tastte hem hevig aan en haalde hem eene koorts op den hals,
+die hem spoedig aan den rand van het graf bracht. Zijne vrienden
+pasten hem wel met alle zorg op en lieten een dokter komen; doch
+de middelen, die deze voorschreef, misten de gewenschte uitwerking,
+en de toestand van den lijder verergerde van dag tot dag, zoodat de
+dokter zijn naderend einde voorspelde.
+
+Toen de overigen, onder wie ook Sancho Panza, van deze uitspraak
+kennis kregen, waren zij sterk aangedaan, en alleen Don Quichot zelf
+behield zijne bedaardheid.
+
+"Gaat heen," zeide hij, "en laat mij slapen; zoodra ik weer wakker
+word, zal ik u laten roepen."
+
+Allen gingen op zijn verlangen de kamer uit, en hij sliep nu wel
+zes uren achtereen. Bij zijn ontwaken was het, alsof hem op eens de
+blinddoek van zijn oogen was gevallen, en met luider stem riep hij,
+dat hij al zijne verwanten en vrienden nog eens wenschte te zien. Zij
+kwamen en schaarden zich rondom zijn ledikant.
+
+"Waarde en lieve vrienden," sprak hij, "de genade des hemels heeft
+groote dingen aan mij gedaan en mijn verstand van de nevelen bevrijd,
+die het zoo lang verdonkerd hebben. Nu, daar mijn einde nabij is,
+zie ik in, dat mijn leven eene groote dwaasheid en dwaling was,
+waartoe alleen het lezen van die ellendige ridderromans mij gebracht
+heeft. Mij bedroeft niets, dan dat ik zoo laat tot dit inzicht ben
+gekomen en dat mij geen tijd meer vergund is om mijne verkeerdheden
+weder goed te maken. Ik weet, dat ik een dolzinnige dwaas was, terwijl
+ik mij inbeeldde, een groot held en vermaard dolend ridder te wezen,
+en het eenige, dat mij troost, is, dat ik gedurende mijne verblindheid
+alleen zotternijen en dwaasheden, maar geen misdaden heb begaan. Mijn
+einde is nabij; brengt mij dus een biechtvader, wien ik mijn zonden
+bekennen en een notaris, wien ik mijn laatsten wil opgeven kan. Haast
+u, want de minuten zijn kostbaar."
+
+Verwonderd zagen allen elkaar aan en waren verblijd dat zoo den armen
+krankzinnige nog in de laatste ure het helder licht der rede werd
+teruggeschonken. Zij weenden bitter, doch verzuimden daarbij niet,
+dadelijk aan het verlangen van den stervende te voldoen. Deze biechtte
+den pastoor en liet daarop zijn testament opstellen, waarbij hij al
+zijne have en goed aan zijne arme nicht vermaakte met de bepaling,
+dat deze aan de oude huishoudster haar leven lang den kost moest geven
+en nooit een man mocht trouwen, die een vriend van avontuurlijke
+ridderromans en soortelijke geschiedenissen was. Aan Sancho Panza
+kende hij een aardig legaat toe, en de pastoor zou tot aandenken zijn
+helm en zijne verdere wapenrusting bekomen.
+
+Nadat men hem de beschikking had voorgelezen, knikte hij tevreden
+met het hoofd, zeeg toen op de kussens achterover, strekte zijn lang
+lichaam tot zijne volle lengte uit en sloot de oogen. Allen schrikten,
+schoten toe en bevonden, dat de ziel van den armen avonturier zacht
+en vredig ter eeuwige ruste was ingegaan.
+
+Zoo was het uiteinde van Don Quichot van La Mancha. Onder tranen werd
+hij begraven, en op zijn grafsteen liet Sanson Carrasco het volgend
+opschrift beitelen:
+
+"Hier ligt de dappere, die alles overwinnen kon, behalve den dood. Bij
+zijn leven was hij dwaas, op zijn sterfbed echter werd hij wijs,
+en allen die hem kenden, betreurden hem."
+
+Sancho Panza leefde nog lang, vroolijk en zonder zorgen, en men zegt,
+dat hij dagelijks het graf van zijn ouden heer bezocht heeft. De
+schildknaap was een schelm, maar niet ondankbaar en had de herinnering
+van zijn heer tot aan zijn eigen dood van harte lief.
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Spreek uit "donja".
+
+[2] Een quartillo is het vierde van de Spaansche koperen reaal,
+welke laatste de waarde van omtrent 12-1/2 cent heeft.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Don Quichot van La Mancha, by
+Miguel Cervantes de Saavedra
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DON QUICHOT VAN LA MANCHA ***
+
+***** This file should be named 28469-8.txt or 28469-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/8/4/6/28469/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.