diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 28469-8.txt | 9439 | ||||
| -rw-r--r-- | 28469-8.zip | bin | 0 -> 185493 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28469-h.zip | bin | 0 -> 1144319 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28469-h/28469-h.htm | 8682 | ||||
| -rw-r--r-- | 28469-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 110858 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28469-h/images/p000.jpg | bin | 0 -> 103471 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28469-h/images/p014.jpg | bin | 0 -> 110137 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28469-h/images/p026.jpg | bin | 0 -> 107391 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28469-h/images/p030.jpg | bin | 0 -> 89652 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28469-h/images/p044.jpg | bin | 0 -> 104667 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28469-h/images/p048.jpg | bin | 0 -> 98335 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28469-h/images/p188.jpg | bin | 0 -> 120746 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28469-h/images/p226.jpg | bin | 0 -> 102708 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
16 files changed, 18137 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/28469-8.txt b/28469-8.txt new file mode 100644 index 0000000..ad6b1be --- /dev/null +++ b/28469-8.txt @@ -0,0 +1,9439 @@ +The Project Gutenberg EBook of Don Quichot van La Mancha, by +Miguel Cervantes de Saavedra + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Don Quichot van La Mancha + +Author: Miguel Cervantes de Saavedra + +Editor: J. J. A. Goeverneur + +Release Date: April 1, 2009 [EBook #28469] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DON QUICHOT VAN LA MANCHA *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + + + + + + Don Quichot van La Mancha + + Naar + + Miguel Cervantes de Saavedra + + Op nieuw bewerkt + + Door + + J. J. A. Goeverneur + + + Met 8 gekleurde platen + + + + Tweede druk + + Amsterdam + + Tj. van Holkema + + + + + + + Boekdrukkerij van P. W. M. Trap, Leiden. + + + + + + +HOOFDSTUK I. + +JONKER DON QUICHOT. + + +Nog zoo heel, heel lang niet geleden woonde in een dorp van La Mancha, +een edelman, gelijk men die heden ten dage in Spanje nog bij de +vleet vinden kan. Zijne inkomsten waren slechts matig, en hij had +daarvan althans drie vierden tot zijn dagelijksch schraal onderhoud +noodig. Voor het laatste vierde schafte onze edelman zich zijne +kleeding aan, die elk jaar in een nieuwen lakenschen rok, een fluweelen +broek en leeren pantoffels bestond. Zijne verdere huisgenooten waren +zijne nicht, een jong knap meisje van achttien jaren, eene oude +huishoudster en eindelijk een jonge knaap, die het paard voeren, +water halen, hout klooven en verder huiselijk werk verrichten moest. + +Op den tijd, dat onze geschiedenis begint, had onze edelman, wiens +naam Don (Don is in Spanje ons: Heer) Quichot was, zijn vijftigste +jaar bijna bereikt. Evenwel was hij nog kloek, krachtig en lang, +ofschoon ontzettend schraal en mager van gestalte, met een smal, +ingevallen gezicht, en een bijzonder groot vriend van de jacht. Zijne +allergrootste liefhebberij was echter, zich in het lezen van +riddergeschiedenissen te verdiepen, waardoor hij niet alleen vaak +eten, drinken en slapen vergat, maar ook het beheer van zijn vermogen +verwaarloosde en zich gedwongen zag, het eene stuk goed land na het +ander te verkoopen, alleen om tot aanschaffen van zulke avontuurlijke +en zeldzame boeken het benoodigde geld in handen te krijgen. Op deze +wijze bracht hij daar mettertijd dan ook een groot aantal van bijeen, +in 't lezen waarvan hij zich van den vroegen morgen tot den laten +avond zoozeer verdiepte, dat zijn hoofd er van op hol raakte en hij +er zoetjes aan stapelgek door werd. Zijne arme hersens waren vol van +tornooien en gevechten, van lansen en zwaarden, van betooveringen +en minneliederen, van uitdagingen en wonden, van reuzen en draken; +en 't ongeluk daarbij was, dat hij al dien onzin voor wezenlijke +en waarachtige waarheid hield en er niet minder geloof aan schonk, +dan aan de beste wereldgeschiedenis, die hem toevallig in handen kwam. + +De vreemde verwarring zijner begrippen bracht hem tot het nog vreemder +voornemen, om tot vermeerdering van zijn roem en tot heil der wereld +een dolend ridder te worden, in ridderlijke wapenrusting het land door +te trekken en even zoo groote heldendaden te verrichten, als waarvan +hij in de oude romans gelezen had. Zijne verbeelding spiegelde hem met +levendige kleuren de ongehoorde avonturen en gevaren voor de oogen, +door welker heldhaftig bestaan hij zich een onvergankelijken roem +verzekeren moest. Door de kracht van zijn arm zag hij zich zelf reeds +tot machtig keizer gekroond, en hij meende, dat het hem althans zeker +gelukken moest een koningskroon te veroveren, gelijk al verschillende +dolende helden dat in den ouden tijd hadden gedaan. Hij gaf zich meer +en meer aan deze streelende gedachten over en achtte nu eindelijk +den tijd gekomen, om zijn dolzinnig besluit ten uitvoer te brengen. + +Zijn eerste werk was, dat hij aan het opknappen en schoonmaken van eene +overoude, door een zijner voorzaten gedragen wapenrusting ging, welke +hij uit een donkeren hoek van de rommelkamer had opgeschommeld. In 't +zweet zijns aanschijns wreef hij er met een wollen lap en puimsteen de +roestvlekken af, en hij was innig voldaan, als hij na uren poetsen weer +een deel van het harnas goed glad en blank had gekregen. Eerst toen +hij hiermee eindelijk klaar was, bemerkte hij tot zijn niet geringe +schrik, dat nog een zeer belangrijk stuk aan zijne uitrusting ontbrak: +de helm namelijk. + +Deze ongelukkige omstandigheid bracht hem in de grootste verlegenheid +en gaf hem veel kommer en zorg. In de hoop van den ontbrekenden helm +op te sporen, haalde hij in de rommelkamer alles onderstboven, doch +vond niets dan een oude stormkap, die bij de overige wapenstukken +volstrekt niet paste en vroeger denkelijk aan den een of anderen +geringen voetknecht had toebehoord. Desniettemin was hij met die vondst +niet weinig ingenomen en wist zijne scherpzinnigheid zeer spoedig +middelen te vinden, om de stormkap in een behoorlijken, schoon al niet +prachtigen helm te herscheppen. Hij nam bordpapier, waarvan hij met +veel moeite en getob de benedenhelft van den helm knutselde, hechtte +die aan de stormkap, verfde alles staalkleurig en kreeg zoo een ding, +dat wel nagenoeg het fatsoen van een ridderlijk hoofddeksel had. + +Nu diende nog de proef te worden genomen, of zijn meesterstuk ook +sterk genoeg was, om den houw van een vijand te kunnen weerstaan. Om +daar zeker van te zijn, zette hij den helm op tafel, trok zijn zwaard +en deed dat met al de kracht van zijn arm daarop neervallen. Terstond +lag het heele ding in stukken, en onze held moest met schrik zien, +hoe de arbeid van verscheidene dagen, die hem zoo menigen zweetdroppel +gekost had, in een ommezien tijds was te niet gegaan. + +Diep bedroefd zag hij de verwoesting aan. Hij had moeite, om zijne +tranen in te houden en zette zich stil in een hoek neer, om door diep +nadenken een middel uit te vinden om de schade te herstellen en in +weerwil van alle hindernissen toch in het bezit van een behoorlijken +helm te komen. + +Na lang hoofdbreken kwam hij tot het besluit, om het bordpapier +van binnen van ijzeren staafjes te voorzien, ging terstond aan +het werk en kwam ook eindelijk tot zijn genoegen klaar. "Nu is hij +sterk genoeg!" dacht hij, maar had toch den moed niet, zijn maaksel +nogmaals aan zulk eene gevaarlijke proef te onderwerpen, zoodat hij +zich vergenoegde met zonder omstandigheden zijn helm voor den besten +en volmaaksten helm te verklaren, die ooit het hoofd eens dapperen +ridders had gedekt. + +Toen dit nu beredderd was, besteedde hij drie of vier dagen, om een +gepasten en welluidenden naam voor zijn strijdros te bedenken. Het +arme beest had wel meer gebreken, dan een gulden centen en een pond +wichtjes heeft, aan zijn lijf, maar Don Quichot was toch van oordeel, +dat de hengst, daar die voortaan een edelen en beroemden ridder zou +dragen, ook volstrekt een naam moest hebben, die met zijne nieuwe +roeping en waardigheid strookte. Hij koos en koos weer, snuffelde al +zijne ridder- en heldengeschiedenissen door en kwam na veel wikken en +wegen tot het besluit, om aan zijn knol den liefelijken en welluidenden +naam van Rocinante te geven. + +Na het afdoen van deze hoogst gelukkige aangelegenheid viel hem in, dat +ook hij zelf aan zijn ouden eerlijken naam een deftigen staart moest +hechten, en besloot hij dus, in 't vervolg als manhaftig en dapper +ridder onder den naam van Don Quichot van La Mancha op te treden. + +Nu eindelijk zoo de hoofdzwarigheden overwonnen waren, nu zijne +wapenrusting blank gepoetst, Rocinante gedoopt en hij zelf van een +deftigen naam voorzien was, nu haperde er alleen nog maar aan, dat hij, +gelijk alle dolende ridders vóór hem, naar eene schoone dame rondzag, +tot wier eer en verheerlijking de te verrichten groote daden moesten +bedreven worden. + +"Een dolend ridder," sprak hij bij zich zelf, "is een onding zonder +ridderlijke liefde. Hij is een boom zonder blad en bloesem, een lichaam +zonder ziel en geest. Hoe toch, als ik nu op mijne tochten een reus +ontmoet en hem door de kracht van mijn arm en van mijne dapperheid in +het stof neerwerp of hem van den kop tot de teenen in tweeën hak, moet +ik hem dan niet naar iemand heen zenden, om den roem mijner dapperheid +te verkonden en door heel de wereld te verbreiden? En tot wien kan ik +hem beter zenden, dan tot de uitverkorene dame van mijn hart, gelijk +in alle tijden ieder avontuurlijk ridder er eene bezeten heeft? Ik moet +en wil eene aangebedene van mijn hart en van mijne gedachten vinden!" + +Eens tot dit besluit gekomen, vond hij de uitvoering er van zoo heel +moeielijk niet. + +In de nabijheid zijner woning, in een klein gehucht, Toboso genaamd, +woonde eene flinke, stevige, gezonde boerenmeid. Don Quichot had haar +in vroeger tijd wel menigmaal gezien, en zij scheen hem recht geschikt +toe, om tot de koningin van zijn hart te worden uitverkoren. Zij +heette eigenlijk Aldonza Lorenzo, maar daar die naam hem niet mooi +en deftig genoeg klonk, zoo noemde hij haar Dulcinea van Toboso, daar +hij dit voor een recht hoogdravenden, welluidenden en geheimzinnigen +naam hield, die eerder aan eene prinses en hooge dame, dan aan eene +gewone boerendeerne deed denken. En dat immers was de hoofdzaak voor +onzen held. + + + + + + +HOOFDSTUK II. + +HOE DON QUICHOT ZIJN EERSTEN TOCHT ONDERNEEMT. + + +Alle toebereidselen waren gemaakt en Don Quichot wilde dus de +volvoering van zijn koen en grootsch opzet niet langer uitstellen. + +Op een warmen Julimorgen legde hij dus, zonder een sterveling iets +van zijn voornemen mede te deelen, zijne wapenrusting aan, zette den +kunstig gefatsoeneerden helm op het hoofd, stak het schild aan zijn +arm, greep zijne lans, besteeg Rocinante en reed door het achterdeurtje +van zijn hoenderhof de wijde wereld in. Zielsvergenoegd, dat de eerste +stap op zijne loopbaan als held hem zoo uitstekend gelukt was, zat hij +op zijn strijdros, aan welks uitstekende heupschonken hij gevoeglijk +al de stukken zijner rusting als aan een paar stevige kapstokken had +kunnen ophangen. Zijne voldoening was evenwel niet van langen duur; +want op eens schoot hem tot zijn geweldigen schrik te binnen, dat hij +nog niet werkelijk tot ridder geslagen was en zich dus ook niet met +een ridder, die hem in den weg kwam, in een kamp mocht inlaten. Deze +gedachte viel hem zoo drukkend zwaar op het hart, dat hij bijna zijn +plan opgegeven en weer naar huis teruggekeerd was. Reeds wilde hij +Rocinante den kop doen omwenden, toen hem nog tijdig inviel, dat +hij zich immers door den eersten den besten, die hem bejegende, den +ridderslag kon laten geven. Deze gedachte vervulde hem met nieuwen moed +en bewoog hem, zijn gelukkig begonnen tocht getroost voort te zetten. + +Toen de avond begon te vallen en Don Quichot zoowel als zijn knol +van vermoeidheid en honger uitgeput waren, keek onze held naar alle +kanten rond, of hij niet ergens een trots opstekenden ridderburcht +of een gastvrij slot kon ontdekken, waar hij gelegenheid vond, om +zijne behoeften te bevredigen en nachtrust te houden. Tot zijne +blijdschap zag hij niet ver van zijn weg eene herberg staan, +waarop hij aanreed en die hij, voordat het nog ten volle donker +was, bereikte. Toevallig stonden voor de deur twee ganzenmeiden, +die vroolijk met elkaar praatten en wier heldere stemmen hem reeds +van verre in de ooren klonken. + +Daar nu echter vriend Don Quichot alles, wat hem voorkwam, met de oogen +van zijn verwarden geest zag en zich zoodoende de wonderlijkste dingen +inbeeldde, zoo hield hij ook de herberg hier niet maar voor een gewone +kroeg, maar meende in haar een echten en wezenlijken ridderburcht +met torens en grachten, met wallen en ophaalbruggen voor zich te +hebben. Toen hij er nog weinig passen van verwijderd was, bracht hij +zijn paard tot staan en geloofde niets anders, of daar zou nu een +dwerg op den torentrans verschijnen en door schetterend hoorngeschal +verkondigen, dat een ridder door de burchtpoort verlangde toegelaten +te worden. Tevergeefs wachtte hij eene poos, en Rocinante, die niet +weinig naar den stal, naar voeder en rust verlangde, nam eindelijk de +teugels tusschen de tanden en stapte bedaard op de deur van de herberg +toe, zonder dat Don Quichot in staat was, het koppig dier tegen te +houden. Voor de huisdeur bleef hij staan, en Don Quichot kreeg nu de +beide morsige ganzenmeiden in het oog, welke zijne dolle verbeelding +echter dadelijk in edele en hoogst bevallige jonkvrouwen herschiep, die +zich voor de burchtpoort een weinig in de koele avondlucht vermeidden. + +Terwijl hij haar nog vol eerbied aanzag, wilde het toeval, dat de +varkenshoeder met zijne kudde van een stoppelland naar huis kwam en +bij het bereiken van het dorp uit zijn horen eenige luide, krachtige +tonen lokte. Nu geloofde Don Quichot wat zijne verbeelding hem had +voorgespiegeld ten volle bewaarheid te zien; want hij hield den +zwijnenhoeder voor den ontbrekenden dwerg en sprong vroolijk van het +paard, om de beide schoone adellijke jonkvrouwen, dat wil zeggen de +ganzenhoedsters, met eerbiedige buiging te begroeten. De meiden echter, +toen zij zoo onverwachts een geharnasten ridder voor zich zagen, +gilden en gierden het uit en vluchtten vol schrik de herberg in. Don +Quichot, die zich dit vreemd gedrag niet verklaren kon, snelde haar na, +riep haar terug, lichtte het vizier van zijn helm op, ontdekte zijn +mager, bestoven gezicht en zeide met lispelende stem en onder eene +diepe buiging: "Mijne edele en hooggeboren jonkvrouwen, vlucht toch +niet zoo voor een ridder, van wien gij nooit in der eeuwigheid eenige +oneerbiedige behandeling te duchten hebt, maar die veeleer bereid is, +u ten allen tijde naar zijn beste vermogen te dienen en bij te staan." + +Op eene haar zoo vreemde en ongehoorde wijze aangesproken, barstten +de beide deernen in een luid, schaterend lachen uit en maakten zulk +een leven en misbaar, dat Don Quichot in 't eind ernstig boos begon +te worden. Evenwel bedwong hij zijne drift en sprak: + +"Mijne geëerde dames, zonder reden zoo te lachen verraadt +onverstand. Gelieft dit echter niet als eene beleediging te beschouwen; +want ik herhaal u met den diepsten eerbied, dat ik bloed en leven +aan uw dienst wensch toe te wijden." + +De dolle taal van den gekken ridder deed de meiden, in plaats van +haar tot bedaren te brengen, nog maar harder te lachen, en Don +Quichots ergernis klom reeds tot een bedenkelijken graad, toen nog +juist van pas de dikke herbergier voor de deur verscheen en als een +vreedzaam man vrede zocht te stichten. Niettegenstaande zijne goede +bedoeling was hij echter bijna zelf in den lach geschoten, toen hij +de wonderbaarlijk kluchtige figuur van onzen ridder wat nader had +opgenomen; alleen het gezicht van de dreigende lans in Don Quichots +vuist maakte, dat hij zich met geweld goedhield. Hij trad met eene +beleefde buiging op den held toe en zeide uitermate vriendelijk: + +"Heer ridder, ingeval gij misschien nachtkwartier zoekt, zult gij in +mijn huis op de kostelijkste manier bediend worden." + +Don Quichot nam den dikken waard van het hoofd tot de voeten op en +meende uit zijne woorden te mogen opmaken, dat deze de bewaarder van +den ingebeelden burcht was. Zoo antwoordde hij dan, dat hij zelf met +alles zou tevreden zijn, mits men maar zorg wilde dragen voor zijn +ros, welks weerga in kracht en schoonheid men in de geheele wereld +tevergeefs zou zoeken. + +De waard keek den mageren Rocinante aan en schudde glimlachend zijn dik +hoofd. Evenwel greep hij het dier gewillig bij den teugel, leidde het +in den stal en keerde vervolgens tot zijn gast terug, om te vernemen, +wat die verder zou te gelasten hebben. + +In de gelagkamer tredend, vond hij daar Don Quichot onder de handen +der beide ganzenmeiden, die na eene roerende verzoening thans druk +bezig waren, den dolenden ridder van zijne zware wapenstukken te +ontlasten. Borst- en rugharnas hadden zij hem reeds losgegespt; +maar met den helm konden zij onmogelijk klaarkomen, daar die met +eenige groene koorden stijf aan het pantser vastzat. Die koorden waren +dusdanig in de war geraakt, dat men ze zou moeten doorknippen, om den +held van den zwaren last van den helm te bevrijden. Dit echter wilde +Don Quichot volstrekt niet toelaten, en daarom hield hij den helm +liever den ganschen nacht op het hoofd; wat wel zeer krijgshaftig +stond, maar ook zeker een weinig lastig en vermoeiend moest wezen. + +Onderwijl vroeg de waard, die telkens moeite had, het niet uit te +proesten, wat de edele ridder wel tot avondmaaltijd verlangde, en deed +daarbij een hoog woord van zijn visch, die wat smakelijkheid betreft, +in geheel Spanje haar weerga niet moest hebben. Don Quichot dacht nu +natuurlijk aan versche visch, aan baars en forellen; maar de waard had +stokvisch bedoeld en kwam met een groot stuk daarvan aansleepen. Dit +was slecht gekookt en ellendig toebereid; maar nog ellendiger was het +zwarte en beschimmelde brood, dat daarbij den armen dolenden ridder +werd voorgezet. + +Daar hij een honger als een paard had, stoorde onze held zich daar +nochtans weinig aan. Hij viel terstond gretig op de spijzen aan; doch +toen hij den eersten hap aan zijn mond wilde brengen, kwam hij tot zijn +schrik tot de ontdekking, dat hij om zijn helm geen beet over de lippen +zou kunnen krijgen. De ondeugende meiden stonden eerst te schudden van +lachen over zijne verlegenheid, maar waren toen toch goedhartig genoeg +om hem tot het gewichtig werk der spijziging haar gullen bijstand te +verleenen. De eene hield daartoe het vizier van zijn helm in de hoogte, +terwijl de andere hem visch en brood brok voor brok in den mond stopte. + +De honger van den edelen held werd op die wijze dan ook gestild. Maar +hoe zou hij nu den dorst lesschen, die door den sterk gezouten +visch in niet geringe mate was toegenomen?--De dikke waard wist raad +daarvoor. Hij stak hem de dunne pijp van een trechter in den mond en +goot daar van boven den wijn in, die op die manier heel verkwikkelijk +in des armen lijders droge keel neerstroomde. Dat de helft van den +wijn den mond voorbij en hem de broekspijpen weer uitliep, oordeelde +de held van zoo groot belang niet tegenover de zoete voldoening, +dat hij daardoor de groene koorden van zijn helm had gered. + +Terwijl hij nog aan de pijp zoog, kwam toevallig een ezeldrijver +de herberg voorbij en begon onder de vensters een deuntje op zijne +dwarsfluit te blazen. Deze toevallige omstandigheid versterkte Don +Quichot ten volle in zijne inbeelding, dat hij zich in een beroemd +ridderlijk kasteel ophield, dat hij door edele dames werd bediend, +dat de stokvisch forellen en 't beschimmelde brood pasteitjes waren, +en dat eindelijk de dikke waard de slotvoogd was. Door die zekerheid en +misschien zoo wat half door den hem ingepompten wijn geraakte hij dan +ook zoetjes aan in eene vrij jolige stemming en bleef de gedachte, dat +hij nog niet tot ridder was geslagen, bijna 't eenige, dat hem kwelde. + + + + + + +HOOFDSTUK III. + +DE RIDDERSLAG. + + +Toen de wonderbaarlijke maaltijd op die wijze was afgeloopen, wenkte +Don Quichot den waard ter zijde, bracht hem in den stal, sloot zich +daar met hem op, viel voor hem op de knieën neder en hief smeekend +de handen tot hem op. + +"O, gij dapperste van alle ridders en slotvoogden," sprak hij tot hem, +"hier wil ik knielen en ik zal niet weer opstaan, voordat gij mij +met bovenmenschelijke goedheid en genade één wensch vervuld hebt, +waarvan de verhooring u tot eeuwigen roem en de gansche wereld tot +heil en zegen zal strekken." + +De dikke herbergier zag den knielenden held met verbaasde oogen +aan en was niet weinig verlegen. Hij wist niet, hoe hij zich in dit +geval gedragen moest, en verzocht Don Quichot met alle beleefdheid, +dat hij toch maar opstaan en zijne wenschen op verstandige manier +aan den dag leggen mocht. Don Quichot verroerde zich echter niet +van de stee en rustte niet, voordat de waard beloofd had te doen, +wat hij van hem begeeren zou. + +"Ik dank u voor uwe grootmoedigheid," sprak hij hierop "en zal u +nu mijn verlangen openbaren. Dat bestaat hierin, dat gij mij morgen +vroeg tot ridder slaan en mij vergunnen wilt, dezen nacht in de kapel +van uw kasteel mijne wapenwake te houden. Hebt gij dat gedaan, dan +wil ik de wijde wereld intrekken en wil vechten en strijden, totdat +de roem mijner daden de aarde met verbazing en bewondering vervult; +want dit is de plicht der dolende ridderschap, tot welke ik van den +dag van morgen af hoop te behooren." + +De dikke herbergier was een guit van een kerel, en nu hij den edelen +ridder daar zoo hoorde doordraven, begreep hij terstond, dat het +bij dezen in de bovenverdieping niet recht pluis moest wezen. Dus +nam hij zich dan ook voor eens terdege pret met hem te hebben, en +antwoordde met een deftig, uitgestreken gezicht, dat hij zeer gaarne +bereid was, den wensch van een zoo dapper, volmaakt en roemruchtig +ridder te vervullen. Hij versterkte hem in het geloof, dat hij zich +werkelijk in een groot en prachtig slot bevond, en betreurde alleen +voor 't oogenblik geen kapel tot zijne beschikking te hebben, daar +de oude kort geleden was afgebroken, om weer nieuw te worden opgebouwd. + +"Maar toch, waardige held," voegde hij er bij, "kunt gij hier getroost +uwe wapenwake houden, daar in tijd van nood iedere plaats tot dat doel +goed en passend is. Doe het dezen nacht in een binnenhof van het slot, +en morgen wil ik alsdan de noodige toebereidselen maken en alles +zoo inrichten, dat gij tot een zoo volmaakt ridder wordt geslagen, +als er maar een op twee beenen loopt." + +Na deze troostrijke toezegging vroeg hij Don Quichot, of hij ook geld +bij zich had. Tot zijne verwondering antwoordde de ridder ontkennend en +voegde er bij, nog nooit gelezen te hebben, dat een braaf dolend ridder +met ander nietig metaal, dan zijn goed harnas, was bezwaard geweest. + +"Ei, dan moeten de schrijvers van uwe heldengeschiedenissen 't +niet recht goed geweten hebben," antwoordde de guitige herbergier +met gemaakte deftigheid. "Ik voor mij heb altijd gehoord, dat alle +avontuurzoekende ridders op hunne tochten wel wezenlijk goed gespekte +beurzen, schoone hemden en buitendien een doosje met wonderbalsem +meenamen, om de in 't gevecht bekomen wonden en kwetsuren te heelen, +en dat zij die dingen, als ze geen schildknaap bij zich hadden, +in een daartoe aan den zadel aangebrachten knapzak bewaarden. Neem +dus goeden raad van mij aan, hoogedele Don Quichot: rijd, als ge +van mij den ridderslag hebt ontvangen, naar huis, zorg voor geld en +andere noodwendige behoeften, neem, zooals dat een held betaamt, +een schildknaap in dienst en rijd dan in vredesnaam opnieuw op +ontmoetingen en avonturen uit." + +Don Quichot beloofde dezen welgemeenden raad stiptelijk te zullen +opvolgen, en verklaarde zich bereid, zijne wapenwake op een binnenhof +van den burcht te houden. + +Zonder dralen sleepte hij daarop de stukken zijner wapenrusting naar +buiten, legde die op den trog voor den waterput en begon toen, met +het schild aan den arm, de lans in de vuist, met de grootst mogelijke +deftigheid en waardigheid daarvoor op en neer te stappen. + +Het was onderwijl vrij laat geworden en de dikke waard haastte zich +al de wonderlijke dingen van ridderslag en wapenwake, die hij van +Don Quichot vernomen had, aan zijne gasten in de gelagkamer zoo heet +van den rooster over te vertellen. De menschen liepen nu lachend +naar het venster en, daar de maan helder scheen, zagen zij daar den +goeden Don Quichot parmantig en in volle glorie voor zijne wapens +heen en weer kuieren. Nu en dan bleef hij, op zijne lans leunend, +eenige oogenblikken nadenkend staan, keek zuchtend tot de maan op en +begon dan opnieuw zijne eentonige wandeling. + +Nu schoot een muilezeldrijver onder de gasten op eens te binnen, dat +hij zijne beesten nog te drinken moest geven. Hij trad dus buiten in +den hof en naderde den put, om de wapenstukken van den trog te nemen, +daar hij anders niet bij het water kon komen. Zoodra nu echter Don +Quichot hem in het oog kreeg, stelde deze zich dreigend in postuur +en keek den komende grimmig aan. + +"Terug, vermetel ridder!" riep hij. "Wie gij ook zijn moogt, die u zoo +roekeloos verstout de hand naar mijne wapens uit te steken, hoed u, +dat gij niet het leven laat tot straffe voor uw dolzinning bestaan!" + +De ezeldrijver stoorde zich zoo weinig aan die hoogdravende taal, +dat hij de hem in den weg liggende wapens zonder omstandigheden bij +de riemen oppakte en ze, 't eene stuk rechts, 't ander links, op den +grond smeet. + +Toen Don Quichot dit zag, ontstak hij in hevigen toorn, verdraaide +de oogen, liet zijn schild los, greep met beide handen zijne lans en +liet die met zooveel geweld op het hoofd van den armen ezeldrijver +neervallen, dat dezen hooren en zien verging en hij dadelijk +bewusteloos neerstortte. + +Zonder verder naar den overwonneling om te zien, raapte Don Quichot +bedaard zijne wapens weer op, legde ze andermaal op den trog neer en +zette zijne wandeling met alle deftigheid voort. + +Het duurde echter niet lang, of daar kwam een tweede ezeldrijver +die volstrekt niet wist van hetgeen met zijn kameraad gebeurd was, +en ontving van Don Quichot dezelfde waarschuwing, om zich op een +afstand te houden. Daar de man dit nu niet dadelijk deed, hief de +bedreigde ridder andermaal zijne lans op en bracht den armen drommel, +die heel niet wist, wat hem overkwam, een paar zoo geweldige slagen +op het hoofd toe, dat het bloed er bij neerstroomde en de onnoozele +sukkel jammerlijk begon te schreeuwen en te huilen. Dit gerucht +deed den herbergier en zijne gasten verschrikt toeschieten en +met verbaasdheid zien, wat gebeurd was. En toen hij bemerkte, welk +machtig leger tegen hem in aantocht was, greep de wakkere ridder nu +zijn zwaard en riep uit: + +"Nu, o Dulcinea, koninginne van mijn hart, nu is het tijd, dat gij uwe +oogen op mij richt en ziet, welk vreeselijk en schrikbarend avontuur +ik hier te bestaan heb." + +De dreigende gebaren, waarmede Don Quichot zijne wapens zwaaide, +zijne vlammende blikken en onmiskenbare vastberadenheid boezemden den +menschen zooveel ontzag in, dat zij terstond staan bleven en zich niet +nader waagden. Om toch iets te doen, raapten zij echter steenen van +den grond op en begonnen daarmee op veiligen afstand zulk een hevig +bombardement, dat Don Quichot zich daar met zijn schild onmogelijk +tegen kon dekken. Hij ontving dus menig harden bons, maar week geen +voet van de plaats, daar hij liever zijn leven dan ook maar één enkel +stuk van zijne wapenrusting wilde verliezen. + +De herbergier, die medelijden met den armen held begon te krijgen, +trad eindelijk als bemiddelaar op en zocht de aanvallers tot bedaren te +brengen door hun te herinneren, dat Don Quichot niet recht wijs was, +wat hij hun vroeger ook al had gezegd. Zijne dringende toespraak en +des ridders ernstige bedreiging, dat hij den een na den ander den +schedel zou klooven, hadden eindelijk ten gevolge, dat men den bont +en blauw gesteenigden held verder met rust liet. Deze gaf nu den +deerlijk gekwetsten ezeldrijver vrijheid, om zijns weegs te gaan, +vatte de lans weer op en zette zijne wandeling voort, alsof er +hoegenaamd niets was voorgevallen. + +Onderwijl begreep de waard, dat het nu tijd werd, aan de grap voorgoed +een einde te maken, en besloot dus onzen heldhaftigen vriend maar +terstond zonder verder uitstel tot ridder te slaan. + +"Hoogedele heer," sprak hij op eerbiedigen toon, "gij hebt thans +ten volle uw plicht vervuld en door de heldhaftige verdediging uwer +wapens uwe bovenmenschelijke dapperheid doen blijken. Ik acht het dus +niet noodig, dat gij hier tot den morgen staan blijft, maar reken mij +verplicht, u nu dadelijk hier onder den blooten hemel den ridderslag +te geven." + +Door deze nederige toespraak, waarin een zoo hooge lof voor hem +lag opgesloten, niet weinig gestreeld, toonde Don Quichot zich +dan ook terstond bereid den slag te ontvangen; en om aan de zaak de +behoorlijke plechtigheid bij te zetten, haastte de herbergier zich de +beide ganzenmeiden en een keukenjongen te halen, om er als getuigen +bij te dienen. Hierop beval hij den gekken ridder, neer te knielen, +vroeg hem zijn zwaard en bracht hem daarmee twee zoo duchtige slagen +op de schouders toe, dat ieder ander dan onze standvastige held het +daarbij van pijn zou uitgeschreeuwd hebben. De dikke waard hield hierop +eene korte toespraak, beval toen aan de meiden, welke Don Quichot +nog altijd voor voorname, schoone jonkvrouwen hield, hem zwaard en +sporen aan te gespen, en verklaarde, dat de ceremonie hiermee naar +eisch was afgeloopen. + +De nieuwbakken ridder dankte alle drie, den slotvoogd en de dames, voor +hunne liefdediensten, hunne gunst en genade, en ging vervolgens in den +stal, om Rocinante te zadelen en buiten te brengen. Hij kon namelijk +niet besluiten den ganschen nacht in de herberg door te brengen. De +dorst naar avonturen en ridderlijke daden dreef hem voort; en de waard, +maar blij, dat hij hem kwijtraakte, liet hem trekken, zonder zelfs voor +de huisvesting en de ellendige stokvisch betaling van hem te vergen. + + + + + + +HOOFDSTUK IV. + +WAARIN BRAAF GEROST EN GERANSELD WORDT. + + +De morgen begon juist te schemeren, toen Don Quichot de herberg verliet +en welgemoed zijn tocht vervolgde. Zijne opgewonden verbeelding +spiegelde hem reeds allerlei grootsche en ongehoorde wapenfeiten +voor, toen hem op eens de goede raad inviel, dien de waard hem had +meegegeven, te weten, om zich vooral van geld, schoon linnen en +een schildknaap te voorzien. Dit deed hem dus besluiten naar zijne +woonplaats terug te keeren en Rocinante den weg te doen inslaan naar +het dorp, waar hij het levenslicht aanschouwd had. Het paard scheen +zijn voornemen te begrijpen en nog meer dan hij naar den bekenden +stal te verlangen. Het draafde lustig voort en scheen met zijne hoeven +nauwelijks de aarde te raken. + +Op eens trok Don Quichot de teugels aan en luisterde. Een klagend +gekerm drong hem uit een dicht kreupelbosch in de ooren, en terstond +stuurde hij zijn paard op de plaats, van waar dat geluid kwam, aan. Hij +was nauwelijks vijftig passen ver, toen hij eene vastgebonden merrie +en daar dicht bij een ongeveer veertienjarigen knaap ontdekte, welke +die klagende tonen uitstiet. De jongen was aan een boom vastgebonden +en zijn bovenlichaam tot aan de heupen ontbloot. Een stevige boer +stond achter hem, ranselde den schreeuwenden knaap met een dik touw +ongenadig af en deed op iederen slag de vermaning volgen: "Mond open, +oogen toe, mijn jongen!" + +Don Quichots hart zwol van toorn en verontwaardiging, terwijl hij +den boer met donderende stem toevoegde: "Gij zijt een schandelijk +en eerloos ridder, daar gij u zoo aan een weerlooze vergrijpen +durft! Laat hem los, bestijg uw strijdros en grijp uwe lans, opdat +wij elkaars krachten beproeven; want ik zweer u en wil u bewijzen, +dat uwe handelwijze de ergste lafhartigheid verraadt." + +Bij het hooren van de dreigende stem en 't zien van den geharnasten +ridder, die met gevelde lans op hem toe kwam, hield de boer zich +reeds voor een man des doods en antwoordde met schrik: "Edele heer, +deze knaap hier heeft zijne tuchtiging dubbel en dwars verdiend. Hij +is een van mijne knechts en hoedt mijne schapen, maar past zoo slecht +op zijn plicht, dat ik om den anderen dag een stuk kwijtraak, om 't +nooit weer te zien te krijgen. Als ik hem dan een pak ransel geef, dan +zegt hij, ofschoon 't een schandelijke leugen is, dat ik dat uit booze +vrekkigheid doe en omdat ik hem zijn verdiende loon niet wil betalen." + +"Dat liegt gij, goddelooze schobbejak!" riep Don Quichot, die uit +pure ridderlijkheid voor den zwakkere partij koos. "Gij liegt! Bind +terstond den jongen los en betaal hem, wat hem toekomt, als gij niet +op staanden voet met mijne lans doorboord wilt worden." + +In zijn angst bond de boer den jongen rekel los, en Don Quichot vroeg +dezen laatsten, hoe veel geld zijn heer hem schuldig was. + +"Negen en zestig realen," antwoordde snikkend de gauwdief. + +Zijn meester stond bij dit antwoord geheel verbijsterd en hief van +verbaasdheid beide handen omhoog; doch de ridder beval hem, die som +terstond zonder tegenspraak te betalen. + +"En al moest ik hier nu zoo dadelijk op de plaats dood blijven, +dat geld geven kan ik niet," riep de boer. "Ik sleep de realen maar +zoo niet in mijn zak mee. Als de jongen echter met mij naar huis +wil komen, dan zweer ik u, heer ridder, dat hij hebben zal, wat hem +eerlijk toekomt." + +"Neen, meegaan wil ik niet," huilde de knaap. "Geloof mij, edele +ridder, als hij mij weer onder zijn klauwen krijgt, dan haalt hij +mij bij levenden lijve 't arme vel over de ooren." + +"Neen, dat zal hij niet, maar hij zal doen, wat ik hem gelast. Hij +moet mij op zijn woord beloven, dat hij u betalen zal, en de hemel +moge hem genadig zijn, wanneer hij als een slecht en valsch ridder +zijn woord brak. Ga gerust met hem." + +"Maar hij is heelemaal geen ridder, heer!" huilebalkte de jongen. "Hij +is maar de rijke boer Juan Haldudo uit Quintanar en anders niets." + +"Dat doet er niet toe," verklaarde Don Quichot; "ook onder de Haldudo's +kunnen ridders zijn, en ik zeg u, als uw heer u niet betaalt, dan zal +ik weeromkomen, om hem te tuchtigen. Weet, dat ik de beroemde dolende +ridder Don Quichot van La Mancha ben, de verdelger aller boozen, de +beschermer der onschuld en de toevlucht der onderdrukten. Ga daarom +met uw meester, mijn zoon! Hij zal niet wagen u kwaad te doen, daar +ik u onder mijne bescherming heb genomen." + +De boer zwoer bij hoog en bij laag, dat hij den knaap behoorlijk +behandelen zou, en Don Quichot gaf zijn ros de sporen en stoof heen in +galop. Niet zoodra was hij echter uit het gezicht, of de boer keerde +zich tot zijn knecht en zeide: "Kom nu hier, m'n kereltje: ik wil +je betalen, wat je toekomt, en dat met rente en interest. Kom hier, +zeg ik!" + +En met die woorden pakte hij hem, bond hem opnieuw aan den eik vast, +waar hij den bengel zoo jammerlijk afranselde, dat zijn huilend +brullen wijd en zijd door het bosch klonk en hij den wakkeren ridder, +aan wien hij dat pak te danken had, naar den diepsten afgrond wenschte. + +"Roep nu je bevrijder, mijn zoon!" spotte de boer, terwijl hij zijne +slagen als hagel neer liet vallen. "Toe, roep hem nu en zie, of hij +je hooren en helpen zal! Wacht, ik wil je leeren, tegen je meester +rebellig te wezen. Klets, klets, klets!" + +En hij beukte op den jongen los, tot zijn arm er lam van werd. Toen +eerst bond hij hem los en joeg hem weg met een duchtigen schop tot +reispenning. + +Onderwijl sjokte Don Quichot in sukkeldraf zijns weegs en verheugde +zich over zijn werk, daar hij weinig vermoedde, hoe zijn pas bevrijde +beschermeling thans opnieuw onder de slagen zijns kastijders stond +te kreunen en te krimpen. Maar daar op eens zag hij in de verte eene +stofwolk opstijgen, welke hij terstond voor een troep stroopende +roofridders hield, niettegenstaande 't eenvoudig zes vreedzame +kooplieden met hunne dienaren waren, die van Toledo naar Murcia +trokken, om daar hunne handelszaken af te doen. Don Quichot herinnerde +zich intusschen wat hij vroeger in zijne oude riddergeschiedenissen +gelezen had, en besloot op dezelfde wijze te werk te gaan als die +onvergelijkelijke helden, welke hij zich eens voor al tot schitterend +voorbeeld had gesteld. Hij zette zich dus met kalme bedaardheid vaster +in den zadel, dekte zijne borst met het schild, legde de lans aan en +bleef in deze houding de langzaam naderende kleine karavaan roerloos +afwachten. Toen nu de vreemde ridders, want voor dezulken hield hij +hen, binnen het bereik zijner klinkende stem waren gekomen, deed hij +zijn mond open en schreeuwde hun uitdagend toe: + +"Wie gij ook zijn moogt, ik zal u geen doortocht gunnen, voordat gij +verklaard en betuigd hebt, dat Dulcinea van Toboso, mijne uitverkorene +dame, de nobelste en schoonste jonkvrouw op den grooten, wijden +aardbodem is!" + +De kooplieden konden uit Don Quichots gansche toetakeling en uit +de dolle taal, die hij uitsloeg, wel dadelijk opmaken, dat het met +hem daar boven niet recht pluis moest wezen, en een van hen, een +jolige snaak, antwoordde dus dadelijk met even groote deftigheid: +"Koen, dapper en roemwaardig ridder! wij hebben den naam van de +eerbare jonkvrouwe, dien gij daar uit- galmt, nog nooit gehoord en +hebben dus ook geen sikkepitje tegen haar in te brengen. Laat ons dan +zien, hoe zij is, en is zij werkelijk het toonbeeld van schoonheid, +waarvoor gij haar uitgeeft, dan zullen wij haar eer en lof volgaarne +overal uitbazuinen." + +"Dat is maar dwaze praat!" voegde Don Quichot hun toe. "Als ik haar +toonde, zou 't geen verdienste wezen, dat ge voor haar op de knieën +neervielt. Neen, ook zonder haar liefelijk aangezicht te aanschouwen +zult gij gelooven, bekennen en bezweren, dat zij de schoonste op +aarde is, of allen door de kracht mijner lans in het stof worden +neergeworpen. Komt nader dan, komt nader, een voor een of allen te +gelijk, en ik wil u toonen, wat straf hen wacht, die wagen, aan de +edele en hooge dame Dulcinea van Toboso de verschuldigde achting +te ontzeggen." + +"Ei, heer ridder, hoe kunt gij u ook zoo schrikbarend driftig +maken?" antwoordde de spotzieke koopman, met moeite zijn lachlust +bedwingende. "Toont ons maar eene beeltenis van uwe aangebedene, +en al is die ook maar zoo groot als een gerstekorrel, we zullen +tevreden zijn en uwe heerlijkheid alle eer bewijzen, zelfs als uit +dat konterfeitsel blijkt, dat de edele Dulcinea erg scheel ziet en +voor en achter een bochel heeft." + +"Ellendige, laaghartige schavuit!" riep Don Quichot, ten uiterste +verontwaardigd. "Doña [1] Dulcinea van Toboso kijkt niet scheel, en +nog veel minder wordt haar edele gestalte door een bult ontsierd. Maar +gij zult voor uwe snoode lastering het met den dood boeten." + +En nog terwijl hij dit uitschreeuwde, gaf hij Rocinante de sporen +en stormde met zulk een geweld op den spotachtigen koopman in, dat +hij hem met zijne lans doorboord zou hebben, zoo niet een gelukkig +toeval dat dreigend gevaar had afgewend, De arme Rocinante namelijk, +op dat harde rennen nog niet afgericht, stiet tegen een steen aan, +struikelde, stortte neer en slingerde zijn ridderlijken berijder +met zooveel kracht uit den zadel, dat hij wel tien passen ver door +de lucht vloog. Hij deed wel al zijn best, om zich van zijn val +weer op te richten; doch de zware last zijner rusting belette hem +dat. Desniettegenstaande ging hij voort met schimpen en razen en +overstelpte de kooplieden met een vloed van scheldwoorden, terwijl +dezen daarbij zaten te schudden van lachen. + +Maar het spektakel, dat hij maakte, begon eindelijk een der +muilezeldrijvers van het gezelschap te vervelen en deed hem besluiten, +den gevallen ridder op krachtdadige wijze tot zwijgen te dwingen. Hij +steeg van zijn lastdier, ging op Don Quichot toe, rukte hem de lans uit +de hand, brak die door midden, nam het dikste eind en beukte daarmee +zoo lang op den nog voortdurend schimpenden en scheldenden ridder los, +tot hij zijn knuppel in duizend splinters had geslagen. Vervolgens nam +hij het andere stuk van de lans en bediende zich daarvan op dezelfde +wijze tegen den armen gevallene, die daarom toch den mond niet hield, +maar hemel en aarde tot getuigen van de schandelijke behandeling +aanriep, die hij van zulke ellendige gauwdieven en straatroovers +ondergaan moest. + +Toen eindelijk de kerel moe werd en Don Quichot eene ongenadige dracht +slagen had ontvangen, zetten de kooplieden hunne reis voort, zonder +zich verder om den jammerlijk toegetakelden held te bekommeren. Deze +hernieuwde nu nog eens zijne pogingen om overeind te komen; doch dat +gelukte hem niet, daar zijn gansche lichaam deerlijk gekneusd was en +hij zijne armen en beenen bijna heel niet kon bewegen. + + + + + + +HOOFDSTUK V. + +HOE DON QUICHOT NAAR HUIS KWAM EN EEN SCHILDKNAAP VOND. + + +Verscheiden uren lag Don Quichot niet ver van zijn paard stijf en +roerloos op den grond en had tijd om over zijn treurig lot na te +denken, totdat toevallig een boer uit zijne nabuurschap dien weg langs +kwam en den ongelukkigen ridder daar zoo vond liggen. Die kwam hem te +hulp, maakte hem den helm van het hoofd los en vroeg deelnemend, hoe +het met hem was. De arme mishandelde gaf eerst volstrekt geen antwoord, +maar bracht toen op eens zulk een onzin en wartaal voor den dag, dat +de goede, eenvoudige boer er heel niet wijs uit kon worden. Het duurde +lang, voordat hij de waarheid eenigermate op het spoor kwam. Eindelijk +trok hij den gekneusde zonder omstandigheden de wapenrusting en de +kleederen van het lijf, onderzocht zijn geheele lichaam en vond +eene ontelbare menigte bruine, blauwe en groene plekken, die aan +de krachtige slagen van den verbolgen muilezeldrijver waren toe te +schrijven. Nu begreep hij zoo nagenoeg, wat hij te doen had, tilde +den armen ridder op Rocinante, bond hem op den zadel vast, pakte de +stukken der wapenrusting op zijn eigen paard, nam beide rossen bij +den teugel en geleidde den dolenden ridder op die wijze naar huis. + +Onder weg kraamde Don Quichot zoo veel dwaze dingen uit, dat den +eenvoudigen boer hooren en zien verging en hij hartelijk blij was, +toen hij eindelijk zonder verdere ongelukken behouden Don Quichots +huis bereikt en daar terdege op de gesloten deur gebonsd had. + +Zijne nicht en de oude huishoudster waren intusschen niet weinig +verbaasd geweest, toen zij op eens de afwezigheid van haren heer +bemerkten, die met ros en rusting spoorloos verdwenen scheen. In haar +angst en bezorgdheid zonden zij, toen eenige dagen verloopen waren, +naar den pastoor en den barbier van het stadje, verzochten dezen, +bij haar te komen, en deelden hun het vreemde geval in al zijne +kleuren en fleuren mee. + +"Die verwenschte ridderboeken hebben hem het hoofd op hol gebracht," +zeide de huishoudster tot den pastoor, "en het knapste verstand in +heel Spanje totaal te gronde gericht." + +"Ja, ja, meester Nicolaas," klaagde het nichtje, zich tot den barbier +richtende, "mijn arme oom zat dagen en nachten lang in die domme boeken +te studeeren en las zoo lang, tot het hem groen en geel voor de oogen +werd. Soms smeet hij het boek weg, greep naar een ouden verroesten +degen, die aan den wand hing, haalde hem uit de schede en begon er als +een dolleman mee in de lucht te schermen. Als hij dan moe werd en 't +zweet hem bij 't gezicht neerliep, zeide hij, dat hij met vier machtige +reuzen had gekampt en alle vier doodgeslagen. Vervolgens dronk hij een +groot glas water en verklaarde, dat het een kostelijke wonderdrank +was, dien hij van zijn goeden vriend, den toovenaar Esquife, had +gekregen. En dan eindelijk nam hij zijne malle ridderhistories weer +op en las daarin, tot hij weer zoo'n nieuwe vlaag van razende dolheid +kreeg. Zoolang die ellendige boeken niet tot asch verbrand zijn, +krijgt mijn arme oom zeker zijn verstand niet weerom." + +"Nu, dan willen wij er het vonnis over uitspreken en ze morgen aan +den dag zonder genade op het vuur te gooien." + +Op dit oogenblik bonsde de boer buiten op de huisdeur, en de +verzamelden sprongen op en haastten zich naar buiten, om te zien, +wat er gaande was. Toen zij den verloren ridder Don Quichot herkende, +gaf de huishoudster een kreet van blijdschap en vroeg hem, waar +hij zoo lang geweest was. De arme man was echter niet in staat een +verstandig antwoord te geven. Hij kwam met allerlei onzin voor den dag, +en de boer, die hem gebracht had, moest het woord nemen en vertellen, +in welken toestand hij den dolenden held gevonden had. Deze werd nu +met alle zorg van het paard getild en te bed gebracht, waarop hij +terstond in een diepen slaap verzonk. De overigen bleven echter nog +tot laat opzitten, om te overleggen, wat zij doen moesten om de dwaze +inbeeldingen van den armen man zooveel mogelijk te keer te gaan of +althans voor het vervolg onschadelijk te maken. + +Den volgenden morgen was de dag nauwelijks aan den hemel, of de +ongelukkige riddergeschiedenissen ondergingen het vonnis, dat den +vorigen avond onherroepelijk over haar was uitgesproken. De pastoor, +de barbier, de huishoudster en de nicht trokken daartoe gezamenlijk +naar de bibliotheek, sleepten de gansche vracht boeken naar buiten, +stapelden ze als een houtmijt op elkander en legden er een duchtig vuur +onder aan. De oude stroosnijders brandden als zwavelstokken, en het +duurde geen half uur, of van heel den rommel was niets meer over dan +een hoopje grauwe asch, die de wind naar alle richtingen verstrooide. + +Om nu het goede werk te voltooien, deed de huishoudster toen +een metselaar komen, die nog dienzelfden dag de deur naar de +bibliotheek dichtmetselen moest, zoodat men er geen spoor meer van +kon ontdekken. Toen dit gedaan was, stelde zij zich gerust en meende +haren meester nu alle dolle kuren uit het hoofd te hebben gedreven of +toch te kunnen drijven, daar de onzinnige ridderromans, waaruit hij +al dat vergift had gezogen, nu voor altijd onschadelijk waren gemaakt. + +Onderwijl werd Don Quichot wakker, sliep weer in, werd weer wakker, +at en dronk en vertelde allerlei dwaze dingen, totdat hij zich +eindelijk weer tamelijk wel gevoelde. Hij trok zijne kleeren aan, +sukkelde naar zijne bibliotheek, om daar wat in zijne geliefde boeken +te studeeren, en vond--geen vertrek en zelfs geen deur meer. Op zijne +verwonderde vraag vertelde zijne nicht hem, dat een booze toovenaar +de geheele bibliotheek weggehaald had; en daar dit verzinsel met de +denkbeelden van den ridder vrij goed overeenkwam, nam deze dat dan +ook geloovig aan. + +De eenige gedachte, die Don Quichot thans nacht en dag bezighield, +was hoe hij best weer een nieuwen tocht zou ondernemen en aan een +schildknaap komen, die hem daarop vergezellen kon. Zijn buurman, een +eerlijke boer zonder bijzonder veel verstand, scheen hem voor zulk eene +betrekking de meest geschikte persoon toe, en hij gaf zich dus alle +moeite om den man over te halen. In den beginne wilde Sancho Panza, +zoo heette de boer, van al die dolende ridderschap hoegenaamd niets +hooren; doch Don Quichot deed hem zulke fraaie beloften en stelde hem +zoo duidelijk voor, dat hij wat vroeger of later een koninkrijk of een +eiland veroveren moest, waarop hij dan Sancho Panza als stadhouder +zou aanstellen, dat de goede man eindelijk toegaf en, in spijt van +vrouw en kinderen, tot het besluit kwam, den edelen Don te vergezellen. + +Nadat op deze wijze eene voorname zwarigheid uit den weg geruimd +was, moest de ridder van La Mancha nog geld en schoon linnen zien +te bekomen. Hij verkocht en verpandde derhalve een goed deel van +zijn eigendommen en bracht zoodoende eene vrij aanzienlijke som +bijeen. Hierop lapte hij zijne wapenrusting weder op, bracht zijn +helm in behoorlijken staat, kondigde Sancho Panza het uur aan, waarop +zij opbreken zouden, en drukte hem op het hart, zich toch vooral van +een duchtigen knapzak te voorzien. Sancho Panza beloofde niet alleen +voor den knapzak, maar ook voor een rijdier te zullen zorgen, daar hij +zijn ezel op de reis meenemen wou. Nu wist Don Quichot zich wel niet +te herinneren, dat ooit een schildknaap op een grauwtje op avonturen +was uitgegaan, maar toch had hij er vrede mee, daar hij zich voornam, +den eersten den besten onheuschen ridder, met wien hij te doen kreeg, +zijn strijdros af te nemen en op die wijze beter voor Sancho Panza +dan voor zichzelf te zorgen. + +Nadat zoo alles bezorgd en in orde gebracht was, verlieten Don Quichot +en zijn schildknaap in het holst van den nacht stil en heimelijk +hun vredig dorp, zonder dat een van beiden van zijne betrekkingen +afscheid had genomen. Zij haastten zich zoo veel mogelijk, om +niet achterhaald te worden, zelfs als men hen misschien nazetten +mocht. Sancho Panza bungelde op zijn ezel, rookte uit zijn kort +pijpje, blies ontzettende rookwolken in de lucht en droomde van het +hem toegezegde stadhouderschap zoo levendig, alsof hij het reeds goed +en wel in den zak had. Zij volgden denzelfden weg, dien Don Quichot +reeds vroeger had genomen, en raakten al spoedig in een zeer wijs +en te gelijk onderhoudend gesprek verdiept, waarin de ridder zijn +schildknaap opnieuw ongehoorde dingen voorspiegelde en hem beloofde, +dat hij al heel gauw koning en zijne vrouw en kinderen koningin en +prinsen of prinsessen zouden zijn. De eerlijke knaap nam al, wat zijn +meester hem voorpraatte, geloovig aan, terwijl het uitzicht op eene +zoo hooge waardigheid zijne eerzucht niet weinig streelde en zijne +oogen blind maakte voor alle onwaarschijnlijkheden. + + + + + + +HOOFDSTUK VI. + +DON QUICHOT EN DE WINDMOLENS. + + +Onze twee hadden reeds een goed eind weegs afgelegd, toen zij op +eens dertig tot veertig windmolens op de vlakte voor zich zagen. Op +dat gezicht keerde de ridder zich tot zijn schildknaap om en zeide: +"Vriend, het geluk lacht ons toe, vroeger dan wij hopen of verwachten +konden. Daar voor ons staan dertig en nog meer schrikbarende reuzen. Ik +wil er op losgaan, op leven en dood met hen kampen en hun allen het +levenslicht uitblazen. Als ik hen geveld heb, zullen wij rijken buit +en ik zelf onsterfelijken roem behalen, daar het een edel ridderlijk +en den hemel welgevallig werk is, dat men zulke snoode reuzen van +den aardbodem verdelgt." + +"Wat voor reuzen dan?" vroeg Sancho Panza, verwonderd rondkijkend en +niets dan die onschuldige windmolens ontdekkend. + +"Daar staan zij," antwoordde Don Quichot en wees op de windmolens, +"daar staan ze en zwaaien hunne geweldige armen, die wel twee mijlen +en meer lang zijn." + +"Die dingen daar, doorluchtige heer?" vroeg Sancho, ten uiterste +verbaasd. "Wel, lieve hemeltje, dat zijn immers windmolens, maar geen +reuzen. Wat gij de armen noemt, dat zijn de wieken, die door den wind +rondgedraaid worden en de molensteenen aan den gang brengen." + +"Ik merk, dat gij nog heel weinig van avonturen weet," riep Don +Quichot. "Dat zijn de reuzen; en als u de angst om het hart slaat, +blijf dan op een afstand en zie toe, hoe ik den geduchten en ongelijken +strijd met hen wagen zal." + +Met deze woorden drukte hij den mageren Rocinante de sporen in de +ribben en stoorde zich niet meer aan het roepen van zijn verwonderden +schildknaap, die hem nog altijd met al de kracht zijner longen +naschreeuwde, dat hij gewone windmolens en geen reuzen of ridders +voor zich had. Don Quichot had zich nu eens die reuzen in het hoofd +gezet en zag zelfs zijne dwaling nog niet in, toen hij reeds dicht +bij de molens gekomen was. Met donderende stem riep hij hun toe: + +"Staat, gij ellendige en lafhartige schepsels! Staat en vlucht +niet! Een eenig ridder nadert, die u het hoofd biedt en u in het stof +zal nederwerpen!" + +Op dit oogenblik stak een lichte wind op; die de wieken der molens +langzaam in beweging bracht. Don Quichot hield dit voor een antwoord +en eene uitdaging en schreeuwde vol strijdlust: + +"En al had gij ook zooveel armen, als de honderdarmige reus Briareus, +toch zult gij overwonnen worden en mij aan mijne voeten om genade +smeeken." + +Met deze woorden maakte hij zich tot den kamp gereed, dacht aan zijn +hooge gebiedster Dulcinea van Toboso, riep hare machtige bescherming +tegen het dreigende gevaar in, dekte zijn borst met het schild, +velde de lans, stoof in wilden galop vooruit en richtte onversaagd +zijn aanval op den naastbij staanden windmolen. De scherpe lans ging +door een der wieken heen, welke de wind juist op dat oogenblik met +vermeerderde snelheid ronddraaide; zij brak dadelijk in stukken, +terwijl ruiter en ros overhoop geworpen en, leelijk bezeerd en +gekneusd, een eind ver weggeslingerd werden. Nu schoot Sancho Panza +toe, zoo vlug als zijn grauwtje maar draven kon, en ontdekte met +schrik, dat zijn dappere meester zulk een geweldigen smak had gekregen, +dat hij geen lid meer verroeren kon. + +"Och lieve hemeltje!" riep Sancho, toen hij zijn edelen heer daar +zoo jammerlijk vond toegetakeld. "Heb ik u niet gezeid, dat ge u in +acht moest nemen? Ieder verstandig mensch moest toch zien, dat hij +windmolens en geen reuzen voor zich had." + +"Stil, stil, vriend Sancho!" kreunde Don Quichot met matte stem. "Ik +zie wel, dat alle krijgsgeluk wisselvallig en onbestendig is. De een +of ander boosaardige toovenaar, waarschijnlijk dezelfde, die mij +mijne kamer en mijne boeken ontstal, moet de reuzen in windmolens +hebben veranderd, om mij de eer en den roem der overwinning uit de +handen te rukken. Zijne vijandigheid is groot, maar zal eindelijk +toch door de voortreffelijkheid van mijn goed zwaard en door mijne +dapperheid overwonnen worden." + +"Dat hoop ik!" zeide Sancho Panza, terwijl hij zijn ridder overeind +en weer op Rocinante hielp, die bijna de ruggegraat had gebroken. + +Hierop vervolgden beiden hunne reis en richtten zich naar den bergpas +van Lápice, waar Don Quichot, daar het eene druk bezochte plaats was, +eene menigte avonturen hoopte te beleven. Het verlies van zijne lans +griefde hem uitermate zeer en hij dacht lang na, op wat wijze hij +dat best kon herstellen. Eindelijk besloot hij, van den eersten den +besten eik of beuk een stevigen tak af te kappen en dien dan voortaan +als lans te gebruiken. + +"Gij zult zien, Sancho," zeide hij, "dat ik zelf met een zoo ellendig +werktuig de stoutste en ongeloofelijkste daden volvoeren zal." + +"'k Mag een boontje wezen, als ik dat niet hoop, edele heer," +antwoordde de schildknaap, "Maar waarom zit gij toch zoo scheef in den +zadel en hangt zoo op de eene zij van het paard? Hebt ge u misschien +bij den val wat bezeerd?" + +"Zoo is het," erkende de ridder, "en dat ik het niet hardop van pijn +uitschreeuw, is alleen maar, omdat ik wel vaak gehoord en gelezen +heb, dat zulk kermen en jammeren aan kloeke dolende ridders niet +betaamt. Zij klaagden nooit over eenige kwetsuur of verwonding, al was +'t ook, dat hun de darmen uit het lijf hingen." + +"Nu, ieder zijn meug, zooals mijne grootmoeder placht te zeggen," +antwoordde de schildknaap. "Ik had evenwel liever, dat gij maar +schreeuwdet, edele heer, als ge pijn voelt ergens; want ik voor mijn +part zal terdege een keel opzetten, als mijn arm lichaam erg schade +of letsel krijgt. Of is 't misschien ook aan de schildknapen der +dolende ridders verboden, te klagen, als hun iets overkomt?" + +Don Quichot haalde over deze vraag van zijn dienaar de schouders op, +maar gaf hem toch volle vrijheid, om bij voorkomende gelegenheid naar +hartelust te kermen, te krijten en te huilebalken, daar hij nog nooit +gehoord had, dat in de voorschriften voor de ridderschap iets voorkwam, +dat zulks bepaald verbood. Sancho stelde zich hiermede tevreden, +doch deed een poosje later opmerken, dat de etenstijd gekomen was. + +"Eet en drink, zoo gij wilt," antwoordde de ridder. "Ik voor mij voel +nog geen honger." + +Sancho liet zich dit geen tweemaal zeggen, maar maakte 't zich zoo +gemakkelijk, als dat bovenop een ezel maar eenigszins mogelijk is; +hij haalde proviand uit den welgevulden knapzak en at zich dik en +zat. Vervolgens bleef hij een weinig achter, opende den bokkevellen +wijnzak, bracht dien aan den mond en dronk met zulke geduchte teugen, +dat de grootste nathals in heel Spanje 't niet beter zou hebben +kunnen doen. + +Zoo ging de reis voort. Don Quichot gaf zich aan zijn hoogvliegende +gedachten over en Sancho Panza zocht zijn troost bij den wijnzak, +totdat de avond hen midden in een groot bosch overviel. Zij maakten +halt en sloegen onder een groep dicht gebladerde eikeboomen hun +nachtleger op. Sancho, die braaf moe en wiens hoofd buitendien door +de wijndampen een weinig beneveld was, lag dadelijk vast in slaap +en snorkte zoo geweldig, dat de vogels en vleermuizen in den omtrek +er verschrikt de vlucht voor namen. Don Quichot daarentegen deed +geen enkel oog toe. Hij droomde van zijne zielekoninginne Dulcinea, +tot de morgen weer aanbrak. Toen stond hij op, beroofde een der eiken +van een langen, taaien tak, stak daar zijn lansijzer in en verschafte +zich opnieuw een ridderlijk wapen. Vervolgens, toen de eerste gouden +zonnestralen in het dichte groene bosch doordrongen en duizenden van +vogels hun orgelend en schetterend morgenlied aanhieven, wekte hij +zijn schildknaap, die anders een gat in den dag zou hebben geslapen, +en vervolgde zijn tocht. Sancho had eerst al eens hoogte van den +wijnzak genomen en tot zijn groot verdriet bevonden, dat die veel +magerder dan den dag te voren was. Na eene poos noodigde hij zijn +meester tot het ontbijt, maar verteerde dat alleen, daar Don Quichot, +die van honger noch dorst scheen te weten, geen beet over de lippen +wilde nemen. Drie uren later bereikten zij den pas van Lápice, die door +den ridder met van moed en strijdlust flonkerende oogen werd begroet. + +"Sancho," sprak hij, "hier op deze plaats zal het ons niet aan +avonturen ontbreken, en ik reken mij dus verplicht u een bevel +te geven, waaraan gij u strikt houden moet. Nooit en in geen geval +namelijk moogt gij wagen, mij te hulp te komen en uw degen te trekken, +behalve wanneer misschien gemeen volk en laag gepeupel zich in den +strijd mocht willen mengen. Tegen ridders te kampen is u, volgens de +wetten der ridderschap, ten strengste verboden, zoolang gij niet zelf +tot ridder geslagen zijt." + +"Ei," antwoordde Sancho Panza, "in dit punt wil ik u dol gaarne +gehoorzamen, gestrenge heer, daar ik van nature zoo vreedzaam als een +pasgeboren lam ben. Wanneer mij echter iemand te lijf wil, tegen dien +verweer ik mijne huid, om 't even of 't een ridder, een schildknaap +of maar een uit het gemeene volk is." + +Terwijl Sancho nog sprak, zag Don Quichot twee Benedictijner monniken +aankomen. Zij reden op groote muildieren, droegen lange zwarte gewaden +en dekten zich door groote schermen tegen de zonnestralen. Een weinig +achter hen aan kwam eene koets, door eenige mannen te paard en een paar +ezeldrijversjongens te voet begeleid. In die koets zat eene dame uit +Biscaye, die naar haren gemaal te Sevilla reisde. De monniken, hoewel +zij dienzelfden weg gingen, behoorden niet tot het reisgezelschap +van de dame en schenen zich ook maar weinig om haar te bekommeren. + +Nauwelijks had Don Quichot de naderenden in het oog gekregen, of hij +zeide tot zijn schildknaap: + +"Hoor, Sancho Panza, dat is een avontuur, als den besten ridder nog +niet fraaier bejegend is. Die zwarte gedaanten daar zijn zonder twijfel +twee toovenaars, die eene geschaakte prinses helpen voortsleepen, +en ik reken het mijn plicht, mij tegen zulk een schandelijk bestaan +met al de kracht van mijn arm te verzetten." + +"Allerdapperste heer ridder," riep Sancho Panza vol schrik, "gij +bedriegt u. Die mannen in het zwart zijn eerwaardige monniken van +de Benedictijner orde en hebben zeker zoomin eene prinses als eenige +andere edele dame geroofd. Hoed u, dat gij door uwe inbeelding niet +allerleelijkst in de klem komt." + +"Sancho Panza, zwijg stil!" gebood Don Quichot op hoogen toon. "Ik +heb u al eens gezegd, dat gij van hooge en merkwaardige avonturen +nog heel geen begrip hebt, en gij zult spoedig zien, dat al, wat ik +van die zwarte toovenaars zei, de zuivere onvervalschte waarheid is." + +De schildknaap zweeg beschaamd stil, en zijn meester reed de reizigers +nog een kort eind te gemoet. Midden op den weg hield hij toen zijn +klepper staande, en toen de mannen dichtbij genoeg waren, om zijne +woorden te kunnen verstaan, riep hij hun met luider stemme toe: + +"Gij verfoeilijke, heidensche snoodaards, houdt dadelijk stil en +geelt terstond en zonder weigeren de doorluchtige prinses over, +die gij daar in de koets in gevangenschap wilt sleepen. Draalt gij, +mijn bevel te gehoorzamen, dan zult gij hier tot straffe voor uwe +misdaad op staanden voet de zwarte ziel uitblazen." + +De monniken hielden hunne muildieren in en wisten niet, wat zij van +de wonderbaarlijke figuur van den ridder en van zijn dreigende woorden +denken moesten. Eindelijk antwoordde een van hen: + +"Heer ridder, ik bid u, laat ons in vrede trekken! Wij zijn noch +verfoeilijke, noch heidensche snoodaards, maar twee doodonschuldige +dienaren des Heeren, die rustig huns weegs gaan en niet weten, of in +die koets daar prinsessen of prinsen zitten." + +"Gij liegt, duivelsche heksenmeesters!" riep Don Quichot woedend, +velde de lans, gaf Rocinante de sporen en stoof in galop op den eersten +monnik los. Hij was zoo grimmig en verwoed, dat hij den onschuldigen +man doorboord zou hebben, indien deze zich niet met verwonderlijke +vlugheid van zijn muildier had laten glijden. De andere monnik drukte +zijn beest de hielen in de zijden en wist door overhaaste vlucht +gelukkig zijn lijf te bergen. + +Thans viel Sancho Panza, wiens anders niet groote moed door het stoute +heldenfeit van zijn meester verbazend gerezen was, op den eersten +monnik aan, wierp hem ter aarde en begon hem de kleederen van het +lijf te rukken. Terstond echter kwamen nu de ezeldrijversjongens toe, +vroegen hem, wat kwaad de heer hem gedaan had, pakten hem in haar en +baard en ranselden hem zoo ongenadig af, dat hij moord en brand begon +te schreeuwen. Terwijl de jongens hem nog zoo onder hunne knuisten +hadden en hem bont en blauw sloegen, wist de sidderende en bevende +monnik weer in den zadel te komen, greep de teugels, bracht zijn +muildier in snellen draf en haalde eerst weer adem, toen hij den +onstuimigen ridder en zijn ruwen, pootigen schildknaap ver achter +zich had gelaten. + +Intusschen was Don Quichot de koets genaderd, om de daarin zittende +dame aan te spreken. + +"Hooge en edele prinses," begon hij, "gij moogt nu weder naar +welgevallen over uw persoon beschikken, want daareven heb ik uw belager +door de kracht van mijn sterken arm ter aarde geworpen. Indien gij +mijne daad beloonen wilt, zend dan een heraut aan de meesteresse mijns +harten, de verhevene dame Dulcinea van Toboso, en laat haar melden, +wat ik volvoerd heb en hoe ik u door mijne dapperheid uit het geweld +van twee schandelijke toovenaars bevrijdde." + +Deze woorden vernam een palfrenier der dame, een Biscayer van +geboorte. Daar hij zag, dat Don Quichot zich niet verwijderde en dat +zijne gebiedster zeer verschrikt scheen, ging hij op den dollen ridder +toe, greep zijne lans en zeide: + +"Maak, dat je weg komt, ridder! Zoo waar als ik leef en een Biscayer +ben, haal ik je van het paard, als je niet dadelijk de koets verlaat." + +Don Quichot staarde den palfrenier met groote oogen aan. Daar hij +nochtans zag, dat hij slechts een dienaar en niet een ridder voor +zich had, antwoordde hij met de grootste bedaardheid: + +"Laat mij met vrede, mensch! Zoo gij een ridder waart, zou ik u +tuchtigen, maar nu pak u weg, onbeschaamde lijfeigen hond!" + +"Wacht!" riep de Biscayer, "ge zult zien, met wien ge te doen +hebt. Gooi die lans weg en trek het zwaard! We willen gauw zien, +wiens haan victorie zal kraaien. Trek van leer, zeg ik, en toon wat +ge kunt, kale jakhals van een edelman!" + +Don Quichot geraakte nu in drift. Hij wierp de lans van zich, dekte de +borst met het schild, trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los, +met het stellig voornemen om hem zonder barmhartigheid den schedel +te klooven. De palfrenier ontblootte insgelijks zijn wapen, greep +tot zijne dekking een kussen uit den wagen, hield dat als een schild +voor zich, en de tweekamp begon met vreeselijk geweld. Men riep den +strijdenden toe, vrede te maken; doch zij luisterden daar niet naar. De +dame in de koets beval nu haren koetsier, een weinig door te rijden, +waar zij op veiligen afstand ooggetuige van het gevecht kon zijn. + +De koetsier gehoorzaamde en de zwaarden vervolgden hun werk. De +Biscayer bracht zijn vijand een houw over den schouder toe, die +dezen van den romp zou gescheiden hebben, ware hij niet door schild +en harnas beschut geweest. Desniettemin voelde de ridder de zwaarte +van den slag, die hem door alle ribben dreunde, en riep zijne hooge +patronesse Dulcinea van Toboso smeekend aan. De gedachte aan haar +bezielde hem met nieuwen moed, leende zijn arm nieuwe sterkte, en +vol woede drong hij op den Biscayer in. Zijne zwaardslagen kletterden +op hem neer, en de arme palfrenier zag vol schrik zijne nederlaag te +gemoet. Had hij een goed paard gehad, zoo zou hij gevlucht zijn; doch +hij bereed een ellendigen knol, dien hij bijna niet van de plaats kon +krijgen. Derhalve verweerde hij zich met de grootste vertwijfeling, +waardoor 't hem dan ook gelukte zich den razenden ridder nog een +tijdlang van 't lijf te houden. Daar hij echter ongeharnast was, +terwijl Don Quichot van kop tot teen in ijzer staal stak, moest +hij natuurlijk eindelijk het onderspit delven. Onze ridder richtte +zich op in zijn zadel, pakte zijn zwaard met beide handen, hieuw den +Biscayer over den schedel en raakte hem zoo geducht, dat het bloed +hem terstond uit mond en neusgaten spoot en hij met paard en al op +den grond stortte. + +Thans steeg Don Quichot uit den zadel, hield den gevallene de punt +van zijn zwaard voor het gezicht en beval hem, zich verwonnen te +verklaren. De man was evenwel te erg verbijsterd, om antwoord te kunnen +geven, en de verbolgen ridder zou hem ongetwijfeld zijn zwaard door +den strot gejaagd hebben, indien de dame in de koets niet vol angst +tusschenbeide was gekomen en in roerende bewoordingen om het leven +van haar dienaar had gesmeekt. Don Quichot liet zich vermurwen en die +deemoedige bede goot water op den vlammenden gloed zijner gramschap. + +"Het leven zij hem dan geschonken," riep hij; "doch slechts onder +voorwaarde, dat deze ridder mij belooft, naar Toboso te trekken en +mijner onvergelijkelijke meesteres, Dona Dulcinea, te verhalen, op +wat heldhaftige, ridderlijke wijze ik hem met mijn zwaard heb geveld." + +De arme vrouw beloofde in haar angst alles, en Don Quichot bracht +zijn overwonneling dan ook geen verder leed toe. Deze kwam met moeite +weer op de been en was blij, dat hij de reis met zijne meesteres +kon vervolgen. + +In dien tusschentijd had ook Sancho Panza zich uit de handen der jonge +ezeldrijvers weten los te wringen en kwam nu op zijn meester toe, +die al weer hoog te paard zat en de wegrollende koets triomfeerend +naoogde. Toen deze in eene kromming van den weg verdween, keerde hij +zich tot zijnen stom wachtenden schildknaap om en begon zijn nooit +geëvenaard heldenfeit in klinkende woorden te verheffen. + +"Ja, dat alles is mooi en wel," viel Sancho Panza hem eindelijk in +de rede; "maar waar, edele heer, is het stadhouderschap, dat gij mij +na uw eerste schitterende avontuur vast beloofd hebt? 'k Wil mezelf +niet roemen, maar 'k geloof, dat ik zoo'n knappe, fiksche stadhouder +zou wezen, als maar één denken durft." + +"Sancho," antwoordde de ridder, "toen ik dat zei, meende ik een +eilandsavontuur, en dit hier is enkel een vastelandsavontuur, dat niets +dan eer en roem aanbrengt. Heb geduld, mijn zoon! Als de tijd gekomen +is, zult gij ook stadhouder worden. Maar verbind nu mijn oor eens, dat +die booze ridder vrij erg geraakt heeft, en waar 't bloed uitloopt." + +Sancho Panza haalde aanstonds pluksel en zalf uit zijn knapzak en +nam zijn meester den helm af. Deze merkte nu eerst, hoe erg gedeukt +en gehavend die was, en dat ongeluk deed zijne gramschap opnieuw +ontbranden. Hij rukte zich de haren uit het hoofd, schermde met beide +handen in de lucht en zwoer bij kris en bij kras, niet weer van een +schoon tafellaken te zullen eten, voordat hij den snooden ridder, +die hem zijn ridderlijk hoofddeksel zoo had bedorven, daarvoor op +schrikkelijke manier had doen boeten. Sancho kreeg hem niet zonder veel +moeite tot bedaren, verbond zijn bloedend oor, en beiden gingen weer +op weg, nadat zij een stuk droog brood en geitenkaas genoten hadden. + +Tegen den avond bereikten zij eenige hutten van geitenherders, en +ofschoon vooral Sancho wel een beter dak voor den nacht gewenscht had, +besloten zij toch, daar de zon onderging, hier kwartier te nemen. + +Vriendelijk werden zij door de herders ontvangen en onthaald, en allen +behandelden vooral den geharnasten ridder met groote beleefdheid. Na +een rustig doorgebrachten nacht namen zij afscheid van de herders en +gingen nieuwe gevaren en avonturen te gemoet. + + + + + + +HOOFDSTUK VII. + +HOE DON QUICHOT MET PAARDENHOEDERS TWIST KRIJGT EN WAT HEM IN DE +HERBERG OVERKOMT. + + +Op hun verderen weg kwamen Don Quichot en Sancho Panza in een bosch, +waarin zij verscheiden uren lang voortreden. Eindelijk hielden zij stil +op eene open plek, die met geurig gras begroeid was. Eene heldere, +liefelijk murmelende beek stroomde voorbij en ettelijke boomen gaven +verkoelende schaduw, zoodat onze beide helden weldra lust gevoelden +eene korte middagrust te houden. Zij stegen van hunne dieren, lieten +Rocinante en grauwtje vrij rondloopen en zich op het groene gras +vergasten, vlijden zich onder een boom neer, openden hun knapzak en +verteerden in vrede en eensgezindheid, wat daar in te vinden was. + +Sancho Panza had verzuimd beide dieren de voorpooten te koppelen, +daar hij ook niet verwachtte, dat Rocinante uit lust en moedwil de +vette weide verlaten zou. Het trof nu echter, dat toevallig eene kudde +Galicische paarden door het dal werd gedreven. De hoeders kwamen aan +de plaats, waar Don Quichot zich reeds gelegerd had, en daar die plek +hun beviel, besloten zij, daar met hunne dieren insgelijks middagrust +te houden. + +De paarden verstrooiden zich over de weide en het duurde niet lang, +of eenige dartele veulens begonnen den ouden Rocinante het leven +lastig te maken. De dieren werden wild en gingen hem met hunne tanden +en hoeven zoo ongenadig te lijf, dat zij hem al spoedig den gordel +losgemaakt en den zadel van den rug gehaald hadden. Op het gerucht, +dat dit veroorzaakte, kwamen toen ook de hoeders met hunne knuppels +en zweepen toe en ranselden den armen Rocinante zoo erg, dat hij +eindelijk neerstortte en onder de hoeven der overige viervoeters den +geest scheen te zullen uitblazen. + +De ridder en zijn schildknaap ontdekten spoedig, op wat wijze het +arme dier mishandeld werd, en schoten hijgend toe. Onder weg zeide +Don Quichot tot zijn dienaar: + +"Hoor, vriend Sancho: naar ik zie, zijn dat geen ridders en helden, +maar ze behooren tot het gemeene volk, en dus kunt gij mij zonder +bedenking bijstaan, als ik voor de beschimping, Rocinante hier voor +mijne oogen aangedaan, bloedig wraak neem." + +"Maar hoe drommel wilt gij hier wraak nemen, gestrenge heer?" vroeg +Sancho. "Zij zijn meer dan twintig sterk, en wij maar met ons tweeën." + +"Ik tel voor honderd," antwoordde de ridder en trok meteen zijn +zwaard. Met onstuimigheid greep hij de hoeders aan en Sancho Panza, +hierdoor krachtig aangemoedigd, volgde wakker zijn voorbeeld. + +Den eersten hoeder bracht Don Quichot een houw toe, die door 's mans +lederen wambuis ging en hem nog buitendien diep in den schouder +drong. Toen de herders zich op die wijze door slechts twee mannen +zagen aangetast, werden ook zij verstoord, namen onze beide helden in +hun midden, pakten hunne knuppels en lieten eene hagelbui van forsche +slagen op hen neervallen. Deze begroeting had ten gevolge, dat Sancho +Panza al spoedig luid huilend op zijn dikken buik lag. Terstond daarna +volgde ook zijn meester dit voorbeeld, niettegenstaande hij zich met +veel kracht en vlugheid een tijdlang manmoedig verweerd had; en het +toeval wilde, dat hij midden tusschen de beenen van zijn Rocinante +neertuimelde, die daar nog altijd, door de vreeselijke slagen en +trappen bedwelmd, als een blok neerlag en geen lid verroerde. + +Nadat de hoeders nog een poosje op ridder en knecht losgebeukt +hadden, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne paarden te +hoop, vervolgden hun weg en lieten de arme afgeroste helden in zeer +slechten staat en in nog slechter gemoedsstemming achter. Sancho was +de eerste, die weer bijkwam. Hij richtte zich met moeite en onder veel +steenen en kreunen overeind, keek naar zijn heer om en zei met matte, +klagende stem: + +"Och, och, dat hebben wij er nu van, gestrenge heer!" + +"Wat wilt gij van mij, Sancho?" vroeg Don Quichot op even flauwen en +klagenden toon. + +"Ach, ach, wat hebben we daar een pak gekregen!" kreunde Sancho +Panza. "Ik ben heelemaal tot stokvisch gebeukt." + +"Ja, wel een pak!" stemde de ridder toe. "Als ik ongelukkige nu maar +den wonderdrank van Fierabras had! Twee druppels daarvan zouden ons +gezond maken, onze builen genezen en alle pijn wegnemen." + +"Is er dan geen kans, dat gij dien drank krijgt, edele ridder?" vroeg +Sancho. + +"Jawel," antwoordde Don Quichot; "ik zweer u, bij onze +dolende-riddereer, dat ik niet rusten zal, voordat het geluk mij hem +in handen speelt." + +"Wie was dan die Fierabras, die dien drank heeft uitgevonden?" + +"Dat was een beroemd toovenaar, zooals in een heerlijken ridderroman +beschreven staat," antwoordde Don Quichot. "Wij moeten opbreken en +hem opsporen. Zoodra wij hem vinden, zal ik hem door mijne dapperheid +dwingen, ons den kostelijken balsem af te staan." + +Onderwijl kwamen de beide deerlijk toegetakelde helden overeind en +hielpen ook den armen Rocinante weer op de been. Met gekromden rug, +want zich recht oprichten kon hij nog niet, tuigde de schildknaap +zijn ezel op en drong zijn meester, op diens zadel plaats te nemen, +daar het paard in zijn tegenwoordigen toestand onbekwaam was om eenigen +last, hoe licht ook, op zijn gewonden rug te torsen. Don Quichot steeg +op, Sancho Panza leidde den ezel bij den halster, Rocinante bij den +teugel, en de avontuurzoekende helden gingen langzaam op weg. Na korte +wandeling kwamen zij aan eene herberg, welke de ridder terstond weer +voor een adellijken burcht aanzag, terwijl zijn metgezel strijk en zet +volhield, dat het een gewone kroeg was. De strijd duurde voort totdat +zij voor de deur kwamen en Sancho de dieren zonder omstandigheden in +den stal bracht. + +Toen de waard, die dadelijk buiten trad, om zijne gasten te +ontvangen, Don Quichot in zoo jammerlijken staat op den ezel meer +hangen dan zitten zag, vroeg hij aan Sancho, wat zijn heer toch +wel scheelde. Sancho antwoordde, dat de arme man van eene rots was +gevallen en zich daarbij de ribben wat had bezeerd. Deze mededeeling +wekte het medelijden van den waard en nog meer van zijne vrouw op, +die dadelijk met hare dochter aankwam, om den ongelukkige de noodige +hulp te verleenen. De ridder werd, daar hij nog niet gaan kon, in +huis gedragen, verbonden en toen te bed gebracht. + +In de kamer, waar Don Quichot, over zijn geheele lichaam met pleisters +beplakt, slapen zoude, was wat meer naar achteren een tweede bed, +waarvan een stevige muilezeldrijver bezit had genomen. + +Het werd avond en nacht; maar Don Quichot voelde zich zoo ellendig, +dat hij onmogelijk slapen kon. Hij kermde en kreunde zoo luid en +aanhoudend, dat de muilezeldrijver daar eindelijk door wakker werd +en hem met barsche woorden verzocht, zich stil te houden en niet +andere menschen in hun slaap te storen. Don Quichot antwoordde alleen +met een nieuw dof gekreun, waardoor de ezeldrijver zoo boos werd, +dat hij opsprong en den armen lijder zulk een duchtigen vuistslag op +zijne dorre kinnebakken gaf, dat het bloed hem terstond uit den mond +liep. Hiermede nog niet tevreden, stapte hij op zijn mager lichaam, +trappelde daar met de voeten op, en deed hem al de ribben in het lijf +kraken. Don Quichots bed, dat buitendien al op zwakke, tuitelige beenen +stond, stortte in en dit veroorzaakte zulk een geraas, dat de waard +wakker werd en vol schrik kwam toesnellen. Onderwijl kwam ook Sancho +Panza, die aan de voeten zijns meesters sliep, op de been, en sloeg, +slaapdronken, als dol en bezeten links en rechts. Zijne vuistslagen +troffen de meid van het huis, Maritornes geheeten, die insgelijks +op het verontrustend rumoer was toegekomen. De meid stelde zich te +weer, de waard gebruikte niet minder wakker zijne knuisten, en zoo +ontstond een alarm en een spektakel, waarvan men zich onmogelijk een +denkbeeld kan maken. De muilezeldrijver, nog altijd op den kermenden +ridder omtrappelende, sloeg op Sancho los, Sancho roste de meid, de +meid roste hem, de waard roste allen zonder onderscheid, en dat alles +gebeurde met zoo blinden ijver en dolle drift, dat geen een er ook maar +een oogenblik mee ophield. In de donkerheid vielen allen over elkaar +heen en deelden rechts en links zulke zwaarwichtige stompen en slagen +uit, dat, waar een vuist trof, zeker ook een blauwe plek te zien was. + +Toevallig had voor dien nacht ook een gerechtsdienaar zijn intrek +in de herberg genomen en sliep in eene andere kamer. Het vreeselijk +gerucht, dat de algemeene kloppartij veroorzaakte, schrikte ook hem +uit den slaap wakker; hij sprong met beide voeten uit zijn bed, greep +zijn ambtsstaf en eene blikken doos, waarin hij zijne aanstelling als +koninklijk ambtenaar bewaarde, kwam in het donker in de kamer en riep +met donderende stem: "Vrede in naam van de overheid! Vrede en rust!" + +De eerste, dien hij met de handen grijpen kon, was Don Quichot, die +bewusteloos in zijn neergetrapt bed lag. Hij pakte hem bij den baard, +trok hem daarbij en hield niet op te roepen: "Achting en ontzag voor +de hooge overheid!" + +Al spoedig bemerkte hij echter, dat de man, dien hij gepakt had, +geen lid verroerde, en geloofde nu, dat die dood en door de anderen +in de kamer vermoord was. Nu brulde hij: "De deuren toe! Alle deuren +in het huis gesloten! Geen sterveling mag in of uit, want hier is +een mensch vermoord." + +Deze woorden verwekten een algemeenen schrik en deden het gevecht +staken. De waard sloop stilletjes weer de kamer uit, de muilezeldrijver +kroop op zijn bed en hield zich slapend, de dienstmeid maakte, dat +zij wegkwam, en alleen Don Quichot en Sancho Panza konden geen ander +heenkomen zoeken. Onderwijl zocht de gerechtsdienaar al tastend de +keuken te vinden en daar licht aan te krijgen. + +Terwijl de gerechtsdienaar buiten was, kwam Don Quichot weer tot +bewustzijn en riep klagend: "Sancho Panza, slaapt gij? Slaapt gij, +Sancho Panza?" + +"'t Mocht wat, slapen!" bromde de schildknaap. "Ik wou maar, dat ik +sliep. Al de duivels uit de hel zijn los en hebben dezen nacht een +aanval op mij, armen, ongelukkigen kerel gedaan." + +"Neen, gij vergist u, vriend!" antwoordde Don Quichot. "Wij zijn in +een betooverd slot; want weet, toen ik op mijn bed lag te kreunen, +kwam onvoorziens, zonder dat ik wist waar vandaan, eene hand, die zeker +aan den arm van een ontzettenden reus vastzat, en bracht mij een zoo +geduchten slag op mijne kinnebakken toe, dat mijn aangezicht terstond +één bloed was en ik bijna mijne kennis verloor. Toen stampte en beukte +de reus mij met handen en voeten, en ik maak daaruit op, dat hij een +allergruwelijkst en meedoogenloos monster en wangedrocht moet wezen." + +"Ik heb er nog erger van gelust," zeide Sancho Panza; "mij hebben +vier- of vijfhonderd Mooren zoo onbarmhartig onder handen genomen, dat +de portie slaag, waarop ons gisteren de paardenhoeders onthaalden, +daar als honig en zoete koek bij was. O wee, o wee! Ik ben geen +dolend ridder en toch krijg ik van alle ongeluk, dat ons overkomt, +altijd dubbel en dwars mijn part." + +"Dus hebben ze u ook gemolesteerd, vriend?" vroeg de ridder meelijdig. + +"Bont en blauw geslagen hebben ze me!" antwoordde Sancho Panza op +grimmigen toon. "Geen lid aan mijn lijf, dat niet zeer doet!" + +"Wees maar bedaard, vriend!" troostte Don Quichot; "ik zal u den +kostelijken balsem van Fierabras bereiden, die in eene minuut tijds +alle pijnen en smarten wegneemt." + +Hier werd hun gesprek door den gerechtsdienaar afgebroken, die met +licht kwam, om den vermeenden doode nader te bezichtigen. Hij trad +voor het bed en was zeer verwonderd, toen hij onze helden daar bedaard +hoorde praten. Don Quichot lag nog wel altijd op den rug en kon zich +van pijn en pleisters niet bewegen; maar toch scheen hij zoo goed +bij zijne kennis als de beste. De gerechtsdienaar liet het licht van +zijne lamp op hem vallen en vroeg deelnemend: "Nu, hoe gaat het je, +goede vriend?" + +"Ik zou toch wat beleefder spreken," antwoordde Don Quichot op hoogen +toon. "Spreekt men dolende ridders met je en jij aan, lompe vlegel?" + +Toen de ambtenaar zich door iemand van zulk een jammerlijk uitzicht +zoo barsch behandeld zag, werd hij driftig, nam de lamp en wierp haar +Don Quichot met zooveel geweld naar het hoofd, dat men een harden bons +hoorde. Vervolgens liet hem in het donker liggen en ging brommend en +pruttelend heen. + +"Ei," sprak Sancho Panza, "als dat geen lomperd is, dan laat ik mij +hangen. Die gooit iemand met de dingen naar den kop, alsof 't maar +een aardigheid was." + +"Ja, ja," kreunde Don Quichot, wien zijn hoofd bitter zeer deed; +"maar sta op, Sancho, laat u door den burgtvoogd van dit slot wat +olie, azijn, zout en rosmarijn geven en breng mij dat alles hier, +om er den kostelijken balsem uit te bereiden, die spoedig al onze +pijnen verzachten zal." + +Sancho stond op, niettegenstaande al zijne ledematen geradbraakt +schenen, hinkte al tastend naar de kamer van den waard, en ontmoette +onder weg den gerechtsdienaar, die voor de deur stond te luisteren. + +"Wie gij ook zijn moogt, waarde heer," zeide hij, "bezorg ons een +weinig olie, azijn, zout en rosmarijn, om den besten dolenden ridder, +dien de aarde ooit gedragen heeft, van zijn lijden te bevrijden en +van den dood te redden. Hij ligt zwaar gekwetst door de hand van een +betooverden Moor op zijn bed." + +De gerechtsdienaar hield Sancho Panza, nu hij zoo sprak, voor +stapelgek. Daar de morgen nu echter reeds begon te lichten, riep hij +den herbergier en zeide dien, den knaap het verlangde te geven. De +waard deed dat bereidwillig en Sancho bracht alles aan zijn heer, die +van pijn lag te krimpen en zijn hoofd met beide handen vasthield. Hij +nam de verschillende stoffen, mengde ze duchtig door elkaar en kookte +ze toen op een komfoor, dat men hem brengen moest, tot hij dacht, +dat alles goed gaar was. Hierop verlangde hij eene flesch; doch +toen die in de herberg niet te vinden was, vergenoegde hij zich met +eene oude blikken oliekan, goot den drank daarin en zegende hem. Nu +draalde hij niet om van de kracht van dit kooksel op zichzelf de +proef te nemen, en dronk er wel bijkans de helft van. Nauwelijks +had hij het mengelmoes binnen, of hij begon schrikbarend over te +geven. De inspanning, de angst en het gruwelijke braken brachten hem +geducht aan het zweeten, en hij verzocht, dat men hem goed toedekken +en alleen laten mocht. Men voldeed aan zijn verlangen, en Don Quichot +viel nu in een zachten slaap, die wel ruim drie uren aanhield. Bij +zijn ontwaken voelde hij zich merkbaar verlicht en deden zijne wonden +en builen hem bijna geen pijn meer. Hij achtte zichzelf dus weer ten +volle hersteld, kwam tot de vaste overtuiging, dat hij werkelijk den +wonderbalsem van den toovenaar Fierabras ontdekt had, en leefde in de +hoop, dat hij, in 't bezit van dit middel, in 't vervolg alle kampen, +tweestrijden en gevechten, hoe gevaarlijk die ook schijnen mochten, +geheel onbezorgd te gemoet kon gaan. + +Zoodra Sancho Panza zijn heer zooveel beter zag, verzocht hij +dringend, het overschotje van den drank te mogen opdrinken. De ridder, +altijd grootmoedig, stond hem dat toe, en Sancho pakte de blikken +kan met beide handen, dronk met volle teugen en liet er geen enkel +droppeltje in. + +Maar of nu de schildknaap eene minder gevoelige maag had dan zijn +meester, of om wat andere reden ook, genoeg, de drank bekwam hem zoo +bitter slecht, dat de arme sukkel ieder oogenblik dacht te moeten +sterven. In zijne benauwdheid verwenschte hij het venijnig goed +en den spitsboef, die hem dat gegeven had, ja, hij betoonde zelfs +grooten lust om zijn eigen meester voor zijne welgemeende bedoeling +eens danig af te ranselen. Don Quichot zocht hem echter te troosten +en tot bedaren te brengen. + +"Hoor, Sancho," zeide hij, "ik geloof, dat de schuld alleen daaraan +ligt, dat gij nog niet tot ridder zijt geslagen. De drank kan alleen +maar een ridder helpen." + +"Wat drommel, als gij dat wist, heer, waarom gaaft gij mij dien +dan?" schreeuwde Sancho Panza in zijne benauwdheid. + +Voordat Don Quichot antwoorden kon, begon het brouwsel te werken en +had bij Sancho Panza niet minder hevige braking ten gevolge dan bij +zijn meester. Daarbij geraakte hij in het zweet, lag onrustig op zijn +leger te woelen en kermde en jammerde op erbarmelijke manier. + +Twee uren lang was hij doodziek, toen die aanval voorbij was, voelde +hij zich niet zoo wel en krachtig, als zijn heer, maar zoo flauw, +slap en ellendig, dat hij zich nauwelijks op de been kon houden. + +Don Quichot liet zich aan den toestand van zijn schildknaap slechts +weinig gelegen liggen. Hij zelf was nagenoeg weer hersteld, en de +balsem vervulde hem met zulk een heldenmoed, dat hij vuriger dan ooit +naar nieuwe avonturen haakte. Hij ging in den stal, zadelde en tuigde +met eigen handen Rocinante, maakte ook het grauwtje tot de reis gereed +en trad toen weer in huis, om zijn schildknaap bij het aankleeden te +helpen. Met veel moeite en getob kreeg hij hem wakker en hielp hem +op de beenen. Toen dit beredderd was, pakte hij uit den eersten den +besten hoek een staak op, om tot lans te dienen, klom te paard en +riep met luider stemme den herbergier, om afscheid van hem te nemen. + +"Heer slotvoogd," sprak hij, "gij hebt mij vele en belangrijke diensten +bewezen en mij daardoor tot dank verplicht. Indien ooit iemand, +hij zij ridder of knecht, u onrecht wil aandoen, roep mij dan en ik +wil u wreken. Zoo echter een of ander overmoedige u reeds schade of +schande heeft aangedaan, noem mij zijn naam en zijne misdaad, en bij +mijne riddereer zij 't gezworen, dat ik niet rusten zal alvorens ik +u volkomen voldoening heb verschaft." + +"Mijn beste heer ridder," antwoordde de waard doodbedaard, "uwe +gestrengheid behoeft de moeite niet te nemen, zich voor mij met +wraakneming te belasten; waar dat noodig is, weet ik mijzelf wel +recht te verschaffen. Wel echter moet gij zoo goed zijn uw gelag te +betalen voor nachtlogies en voêr voor uwe dieren, en 't is daarom, +dat ik u met alle beleefdheid verzoek." + +"Wat!" schreeuwde Don Quichot, "'t was dus een ellendige herberg, +waarin ik overnacht heb?" + +"Eene herberg, ja," antwoordde de waard; "doch niet eene ellendige, +maar eene zeer voorname." + +"Welnu, dan moet ik bekennen, dat ik in eene groote dwaling verkeerd +heb," antwoordde Don Quichot. "Voor 't overige zult gij maar best +doen, niet op betaling van het gelag te rekenen; want nog nooit heb +ik gehoord of in de boeken gelezen, dat een dolend ridder ooit in +eenige herberg ook maar een penning betaald heeft." + +"Dat gaat mij niets aan!" riep de waard driftig. "Betaal uwe schuld +en leuter me niet met die malle ridderschap om de ooren, of 'k zal +weten, wat me te doen staat, zotte kerel!" + +"O gij domme, ellendige schoelje en schobbejak!" schreeuwde Don +Quichot; "gij gemeenste van alle herbergiers, verstout je niet, je +onbeschaamde kaken weer open te doen, en maak plaats, als ik je niet +onder de hoeven van mijn strijdhengst tot gruizelmenten zal trappen." + +En met deze woorden velde de ridder zijne lans, gaf Rocinante de +sporen en holde voort, zonder dat iemand hem dorst tegenhouden. Reeds +was hij buiten het gezicht en had nog niet eens omgekeken, om zich +te overtuigen, dat zijn trouwe schildknaap hem gevolgd was. + +De op die manier gefopte waard kwam nu als een brullende beer op Sancho +Panza aanschieten en verlangde, dat die hem instaan zou voor de kosten +der vertering; doch Sancho van zijn kant antwoordde heel bedaard, dat, +als zijn meester niet afdokken wou, hij voor zijn part daar nog veel +minder lust toe voelde. Hij was de schildknaap en wapendrager eens +dolenden ridders en moest in alle dingen het doorluchtig voorbeeld +van zijn heer en toonbeeld volgen. + +De waard liet zich nochtans met deze verklaring volstrekt niet paaien; +hij werd boos, begon op zijn poot te spelen en dreigde Sancho, dat +hij zich alsdan zou laten betalen op eene manier, die dezen zeker +bijster weinig bevallen zou. Sancho evenwel hield voet bij stuk en +verklaarde, dat hij zelfs niet het tiende part van de helft van een +kwartpenning betalen zou. + +Nu wou echter het ongeluk, dat juist dien morgen vier lakenscheerders +uit Segovia en vier wevers uit Sevilla in de herberg een uurtje waren +komen pleisteren. 't Waren vroolijke, jolige, lustige lui, die dus +veel van eene grap hielden en dan nu ook terstond op Sancho Panza +aanvielen en hem onder groot gejuich van zijn ezel trokken. Een hunner +liep in huis, om daar een beddelaken te halen. De overigen pakten den +armen schildknaap, legden hem op het beddelaken en begonnen hem in +de hoogte te gooien, zooals een oud wijf doet, als ze een pannekoek +in de pan 't onderst boven wipt. Hoe harder de sukkel schreeuwde, des +te hooger vloog hij in de lucht op en des te grooter was de pret. De +arme Sancho meende stellig en vast, dat hij onder een troep booze +duivels was vervallen, die hem tot kaatsbal gebruikten. + +Intusschen was Don Quichot nog niet zoo ver, dat het brullen van +zijn geplaagden knecht niet zijn oor kon bereiken. Hij hield dus +stil, luisterde scherp toe en geloofde reeds, dat een nieuw avontuur +in aantocht was, totdat hij zich eindelijk overtuigde, dat het de +huilende stem van zijn schildknaap was, die hij hoorde. Terstond +wierp hij zijn paard om, keerde in strompelenden draf naar de herberg +terug en reed, daar hij de hofpoort gesloten vond, rondom het huis, +om ergens een ingang te vinden. Daarbij bemerkte hij, wat schandelijk +spel daar met zijn schildknaap gedreven werd, en dit gezicht bracht +hem in de grimmigste woede. Hij zag Sancho Panza in de lucht op- +en neervliegen als een bal, dien een knaap opgooit en weer opvangt, +en zou zeker om dit zonderlinge schouwspel hebben moeten lachen, +indien de gramschap over zulk eene mishandeling van zijn dienaar niet +zoo sterk was geweest. + +Daar hij echter niettegenstaande al zijn zoeken geen ingang +ontdekte, beproefde hij, van zijn paard op den rand van den muur te +klimmen. Evenwel was hij nog altijd zoo zwak, dat hij zijne lange +beenen nauwelijks bewegen kon, en dus kon hij zijne woede niet anders +koelen, dan door een stroom van scheldwoorden en verwenschingen +over den herbergier en zijne gasten uit te storten. Dezen lieten +daarom echter den armen Sancho niet los, en beantwoordden elk nieuw +schimpwoord, dat Don Quichot tegen hen uitbraakte, met schaterend +gelach. Eindelijk, toen hunne armen zoo moe en lam waren, dat zij +die niet meer opheffen konden, gaven zij de grap op en lieten Sancho +Panza vrij. Zij brachten hem bij zijn ezel, hielpen hem daarop, pakten +hem in zijn mantel en joegen hem zoo de poort uit. Zeer tevreden, +dat hij er met een blauw oog was afgekomen, reed de schildknaap weg +en was zelfs vrij wat trotsch, dat hij toch zijn wil doorgezet en +den waard geen penning betaald had. + +De arme drommel bemerkte later eerst, dat de slimme herbergier zijn +knapzak in beslag gehouden en daardoor de kosten van het gelag dubbel +en dwars betaald gekregen had. + + + + + + +HOOFDSTUK VIII. + +DON QUICHOT EN DE SCHAPENKUDDEN, MET NOG ANDERE AVONTUREN. + + +Toen Sancho Panza tot zijn heer terugkeerde, was hij zoo mat en +krachteloos, dat hij zijn grauwtje maar met moeite vooruit kon +krijgen. Hem in dien toestand ziende, sprak de ridder: + +"Nu, mijn goede Sancho, houd ik het er stellig en vast voor, dat dat +kasteel of die herberg betooverd was, daar de bewoners, die u zoo +gruwelijk mishandeld hebben, toch niet anders dan spoken en geesten +kunnen geweest zijn." + +De schildknaap antwoordde met eene diepe verzuchting, maar zei verder +geen woord. + +Terwijl beiden nu langzaam verder reden, bemerkte de ridder, dat +eene ontzettend groote en dichte stofwolk op hen toekwam. Hij zag +daar met fonkelende oogen naar uit en keerde zich toen tot Sancho. + +"Hoor, Sancho," sprak hij, "dit is de dag, dien de hemel tot mijn +geluk heeft uitverkoren. De kracht van mijn arm zal worden op de +proef gesteld en ik wil daden verrichten, waarvan de menschheid nog na +honderden van jaren met bewondering spreken zal. Zie daar die stofwolk, +Sancho! Een groot krijgsheir, uit velerlei volken saamgesteld, doet +haar opstijgen." + +"Dan moeten er twee legers zijn," zeide Sancho. "Daar van gindschen +kant komt eene tweede stofwolk op." + +Don Quichot volgde met de oogen de aangewezen richting en was +uitermate verheugd, toen hij de verklaring van zijn schildknaap door +eigen aanschouwing bevestigd vond. Hij geloofde nu stellig, dat de +twee legers elkaar op de vlakte een grooten veldslag zouden leveren; +want zijn zwak hoofd was met betooveringen, avonturen, uitdagingen, +gevechten en wapenfeiten geheel volgepropt en alles, wat hij sprak en +dacht, placht op zulke wonderbare dingen uit te komen. Die stofwolken +werden intusschen geenszins door twee gewapende legers opgejaagd, +maar eenvoudig door twee groote kudden schapen, die langs den grooten +weg rustig voorttrokken, doch door het dichte stof, dat zij deden +opstuiven, niet duidelijk onderscheiden konden worden. Don Quichot +verzekerde nochtans met zooveel drift en heftigheid, dat het oprukkende +heirlegers waren, dat Sancho dit eindelijk ook geloofde en angstig +de vraag opwierp, wat men dan nu in dit geval moest beginnen. + +"Wat te beginnen?" riep Don Quichot, zich in den zadel +vastzettende. "Wij moeten de zwakken helpen en den hulpbehoevenden +bijstand leenen. Weet, Sancho, dat het eerste dezer legers wordt +aangevoerd door den beroemden keizer Alifanfaron, beheerscher van het +eiland Trapobana, en het ander door Pentapolin met de opgestroopte +mouw, die koning is van de Garamanten." + +Sancho Panza keek zijn heer verwonderd aan. Hij wist niet, dat deze al +zijne hoogdravende en dolle benamingen uit oude ridderromans had geput +en ze nu te pas bracht, alsof die wonderbaarlijke geschiedenissen +waarheid geweest waren. Zijne phantasie spiegelde hem de zotste +dingen voor. + +"Maar wat hebben die beide legers tegen elkaar?" vroeg Sancho Panza +eindelijk. + +"Zij bevechten elkaar, omdat Alifanfaron een heiden is en de +christelijke dochter van den koning Pentapolin tot gemalinne heeft +begeerd. Pentapolin zal hem haar niet geven, voordat de heiden een +goed christen is geworden." + +"Waarachtig, dan heeft die opgestroopte mouw gelijk," zeide +Sancho. "Als 't van mij afhangt, staan wij hem bij, zoo goed wij +maar kunnen." + +"Gij hebt het rechte inzicht, vriend," antwoordde Don Quichot; "maar +wees nu stil en rijd met mij rechts die hoogte op. Van dat punt kunnen +wij het krijgsvolk beter zien, en ik zal u dan meteen met de beste +en dapperste ridders van beide legers bekendmaken." + +Zij reden den heuvel op en kozen eene plaats, waar zij de beide kudden +nauwkeurig hadden kunnen onderscheiden, als de dwarlende stofwolken +niet alles als in een dichten nevel hadden gehuld. Desniettemin zag +Don Quichot met behulp van zijn gloeiende verbeeldingskracht alles, +wat hij maar verkoos te zien, en begon dus dadelijk met luid klinkende +stem zijne inlichtingen te geven. + +"Die ridder daar met de gele wapens," begon hij, "die een gekroonden +leeuw in zijn schild voert, is de dappere Laucalco, de heer van de +zilveren brug. Die met de gouden bloemen op zijne rusting en de drie +zilveren kronen in het azuurblauwe wapenschild is de groothertog +van Quirocia. Die daar aan zijne zijde met de reusachtige ledematen +is de nooit overwonnen Brandabarbaran van Bolicho, heer van de +drie Arabiën. Naast hem rijdt de nooitvolprezen held Timonel van +Carcassonne aan de spits. Zijne rusting vertoont vier kleuren, blauw, +groen, wit en geel, en in het schild draagt hij eene roode kat op +donkerbruin veld met het opschrift "Miauw!" ter eere van zijne dame, +die Miulina van Algarvië moet heeten. De ridder daar op het witte +ros met de witte wapens is een ridder uit Frankrijk. Pierre Papin +is zijn naam; en die op den gestreepten wilden zebra met de ijzeren +sporen is Espartafilardo, hertog van Nervië." + +Nog vele ridders en heeren noemde Don Quichot op, en 't zou vermoeien +die allen te vermelden. Sancho Panza hoorde met open mond toe en +zijne verbazing steeg ten top, toen hij eindelijk zag, dat heel die +schitterende ridderschap in werkelijkheid niets anders dan eene kudde +vetgemeste hamels was. + +"Loop naar den drommel, heer!" barstte hij op eens los. "Ik zie noch +reuzen, noch ridders, noch knapen, maar enkel schapen, zoo ver mijn +oog reikt." + +"Hoe kunt gij zulk een onzin uitkramen?" antwoordde Don Quichot. "Hoort +gij dan niet het brieschen der paarden, het schetteren der trompetten +en het doffe dreunen en bommen der legerpauken?" + +"Ik hoor niets dan een ontzettend geblaat, heer!" verzekerde Sancho, +en hij had gelijk. De beide kudden waren nu vrij dichtbij gekomen, +en ieder mensch met gezonde hersens moest zien, dat het schapen en +rammen waren en anders niet. Don Quichot bleef nochtans verblind. + +"Uwe lafhartigheid, Sancho Panza, benevelt uw verstand," zeide +hij met fierheid. "Als gij bevreesd zijt, blijf dan vrij achter en +berg uw leven. Ik echter zal mij in den heeten strijd storten en de +overwinning zal met mij zijn." + +Zonder het antwoord van zijn schildknaap af te wachten, drukte hij +Rocinante de sporen in de ribben en stoof met gevelde lans pijlsnel +den heuvel af. Sancho schreeuwde hem wel na: "Blijf, blijf, heer! Zoo +waar ik een zondig mensch ben, 't zijn enkel hamels en schapen, +waarop gij instormt!" Maar Don Quichot luisterde niet naar zijne stem. + +Onder wild krijgsgeschreeuw drong hij tot midden in de kudde schapen +door en deelde rechts en links zulke verwoede houwen en steken uit, +alsof de onnoozele schepsels zijne ergste vijanden waren. De herders +en drijvers riepen hem toe, dat hij met zijne dwaasheid toch ophouden +zou. Daar zij echter zagen, dat Don Quichot naar geen vermaning +luisterde, maar zich steeds doller en wilder aanstelde, namen zij hunne +slingers in de hand en wierpen steenen van een vuist dik naar hem. Een +tijdlang deden die den dolleman geen letsel. De keien gonsden hem om +de ooren, maar troffen hem niet. Eindelijk echter raakte een zware +kei hem met zooveel geweld in de zijde, dat twee van zijne ribben +werden gebroken en de ridder niet anders meende, dan dat zijn laatste +uur gekomen was. Nu echter dacht hij aan zijn wonderdrank, zette +dien aan de lippen en dronk er met gretige teugen van. Op datzelfde +oogenblik kwam een tweede steen aangevlogen en richtte nog veel erger +schade aan. Hij verbrijzelde de flesch met het kooksel en verlamde des +ridders hand, sloeg hem drie of vier tanden uit den mond en schramde +deerlijk zijne wang. De worp was zoo krachtig, dat Don Quichot zich +niet meer in den zadel kon houden, maar als een blok van het paard +op den grond plofte. De herders schoten nu ijlings toe, en daar zij +meenen moesten, dat zij den onmachtige hadden omgebracht, dreven zij +met den meest mogelijken spoed hunne verstrooide kudden weer bijeen, +pakten de doode hamels, ten getale van zeven, op hunne schouders en +lieten den schijnbaar levenloozen Don Quichot aan zijn lot over. + +Sancho Panza was al dien tijd radeloos op den heuvel blijven staan, +waar hij de dolheden van zijn heer aanzag, zich de haren uit den baard +rukte en het uur verwenschte, dat hem met den ongelukkigen dolenden +ridder in kennis had gebracht. Toen hij echter zag, dat de herders +opbraken en zijn meester alleen op het slagveld achterbleef, ging +hij naar hem toe en vond hem, schoon deerlijk gekneusd en gehavend, +toch weer half bij zijne bezinning. + +"Nu," vroeg hij, "heb ik u niet gezegd, dat gij eene kudde wolvee voor +een krijgsleger aanzaagt? Had ik niet gelijk, toen ik u waarschuwde?" + +"Sancho, gij zijt een ezel," antwoordde Don Quichot. "Merkt gij dan +niet, dat een arglistige toovenaar al de ridders in hamels heeft +veranderd? Hij deed dat, om mij te ergeren, en omdat de schurk mij +de daden benijdde, die ik zou hebben uitgevoerd. Overtuig u hiervan, +Sancho, door de vermeende kudde na te rijden. Dan zult gij spoedig +zien, dat de betoovering verdwijnt en de ridders zich weer in hunne +natuurlijke gedaante vertoonen. Vooreerst kunt gij daarmee nog wel +wat wachten, want ik heb dringend uw hulp en bijstand noodig. Kijk +nu maar eerst eens in mijn mond en zeg mij, hoe veel tanden mij zijn +uitgeslagen. Ik zou zeggen, dat ik geen een meer heb overgehouden." + +Vol ijver boog de schildknaap zich zoo dicht over den ridder, die +den mond opendeed, neer, dat zijn neus bijna tusschen diens tanden +verdween. Op dit oogenblik begon echter de ingezwolgen drank te +werken, en terwijl Sancho in den mond keek, gaf de lijder op eens al +wat hij in de maag had over en overstroomde daar den baard van zijn +armen, meewarigen schildknaap mee. Deze schrikte, daar hij het hem +overstelpend vocht in den beginne voor bloed hield; doch spoedig +merkte bij, wat het was, en kreeg zulk een gevoel van walging, +dat hij wel genoodzaakt was zijn gestrengen heer hetzelfde te doen, +wat deze hem had gedaan. + +De arme Sancho schudde zich als een natte poedelhond, maar was toen +met een sprong op de been en liep naar zijn ezel, om uit den knapzak +het een of ander te halen, waarmee hij zichzelf en zijn meester weer +schoonmaken kon. Daar echter ontdekte hij, dat zijn knapzak verdwenen +was, wat hem opnieuw zijn noodlot deed verwenschen, dat hem aan zulk +een dolzinnigen heer gebonden had. + +Toen hij nog stond te klagen en te lamenteeren, kwam Don Quichot met +moeite weer overeind, onderzocht met de linkerhand den toestand van +zijn mond, greep met de rechter Rocinante bij den teugel en sleepte +zich voort naar zijn schildknaap, die nu bedrukt op zijn grauwtje +stond te leunen en in diepe gedachten voor zich neerkeek. + +"Sancho Panza," sprak de edele ridder, "gij zijt bedroefd om de +wederwaardigheden, die mij en dus u ook getroffen hebben. Maar klaag +niet en treur niet, want op regen volgt zonneschijn, en 't zal spoedig +beter met ons gaan." + +"Och wat!" bromde Sancho. "'t Lijkt wat naar zonneschijn! Gisteren +gefopt en vandaag zonder knapzak, daar moet een mensch wel tureluursch +onder worden." + +"Wat!" riep de ridder, "de knapzak weg?" + +"Nergens te vinden," antwoordde Sancho. + +"Maar dan hebben we ook niets meer te eten." + +"Geen sikkepitje," zei de schildknaap; "of we moeten het gras en de +kruiden kauwen, die de schapen overlieten." + +"Dat alles zal zich wel schikken," troostte Don Quichot; "maar kijk +nu eens naar mijne kakebeenen en vertel, hoeveel tanden ik ben +kwijtgeraakt. Ik voel een moorddadige pijn op de plaats, waar ze +vroeger plachten te zitten." + +Sancho stak Don Quichot den vinger in den mond, tastte en voelde +en vroeg: "Hoeveel kiezen hebt gij vroeger aan dezen kant gehad, +gestrenge heer?" + +"Vier, buiten de verstandskies, en alle vier gaaf en gezond." + +"Heer," antwoordde Sancho, "bedenk wel, wat gij zegt." + +"Vier zijn er geweest, zoo niet vijf," betuigde Don Quichot opnieuw. + +"Nu, dan moet ik zeggen, dat ge er leelijk zijt afgekomen," zeide de +schildknaap; "want aan deze zijde hebt gij beneden nog maar twee en een +halven tand en boven geen een meer: daar is alles glad weggeschoren." + +"Ongelukkige, die ik ben!" riep Don Quichot bij dit bericht bedroefd +uit. "Hadden ze mij toch maar liever den linkerarm afgehouwen! Een +mond zonder tanden is als een molen zonder maalsteen, en een tand is +meer waard dan een diamant. Maar zoo gaat het den ridders, die zich +voor het heil der menschheid opofferen! Wee mij armen, ongelukkigen, +dolenden held!" + +"Heer," zeide Sancho Panza, na dat gejammer een poosje geduldig +te hebben aangehoord, "heer, ik zou zeggen, dat ge nu lang genoeg +gelamenteerd hebt. Stijg te paard en laat ons eene herberg opzoeken, +want ik blaf van honger." + +Don Quichot vermande zich en besteeg al zuchtend en kreunend +Rocinante. "Rij voorop, vriend," beval hij den schildknaap. "Ik wil +den weg volgen, dien gij inslaan zult." + +Dit liet zich Sancho geen tweemaal zeggen, maar in de hoop van spoedig +eene herberg te zullen vinden draafde hij moedig op den breeden +landweg voort. 't Begon evenwel donker te worden, en geen gastvrij +dak vertoonde zich. Desniettegenstaande werd nergens rust gehouden, +want heer en knecht werden door een razenden honger geplaagd, en zij +hoopten nog altijd eene herberg te vinden. Toen echter wachtte hen +een avontuur, als nog geen van beiden ooit beleefd had. + +De nacht was pikdonker geworden en treurig reden de beide helden +op den weg voort, toen zij op eens eene groote menigte lichten +zagen flikkeren, die als dwalende sterren uit de verte op hen +toekwamen. Sancho Panza werd bleek, en ook Don Quichots hart bonsde +hoorbaar tegen zijne gekneusde ribben. Beiden hielden hunne dieren +staande en staarden op de lichten, die van minuut tot minuut grooter +en schitterender werden. Sancho Panza beefde als een riet, en den +dapperen ridder begonnen de haren te berge te rijzen. Echter toonde +hij zich moedig en sprak: + +"Sancho Panza, hier moet ik al mijne kracht en mijn moed te hulp +roepen, want dit is zonder twijfel een dreigend en gevaarvol avontuur." + +"O wee, o wee!" zuchtte Sancho. "Daar komen weer reuzen en gedrochten, +en op mijn armen rug, die toch al bont en blauw gebeukt is, zal +'t opnieuw weer slagen regenen." + +"Geloof dat niet," antwoordde Don Quichot. "Al zijn 't ook nog zulke +grimmige geesten en spoken, ze zullen u met hand noch vinger aanraken, +daar ik u beschermen zal. Hier zijn wij op het open veld, waar ik +onbelemmerd mijn scherp zwaard kan gebruiken." + +"Ik wil mij goed zoeken te houden," zei Sancho Panza, hield zich +dicht achter zijn heer en keek met gespannen opmerkzaamheid naar de +lichten uit, om te ontdekken, hoe het daar eigenlijk mee gelegen was. + +Zij onderscheidden voor en na eene menigte gedaanten in witte hemden, +die den armen Sancho Panza het verschrikkelijkste toeschenen, dat +zijne oogen ooit nog op aarde hadden aanschouwd. Hij trilde en beefde, +en zijne tanden klapperden, alsof hij eene zware koude koorts had. + +Toen de lichten nog nader kwamen, zagen zij bij de twintig mannen in +lange, slepende tabbaarden. Zij zaten op paarden, droegen fakkels in +de handen en hunne gezichten schenen spookachtig bleek. Achter hen +kwam eene met een zwart laken overdekte baar, en op deze volgden zes +andere ruiters, die, evenals de eersten, van het hoofd tot de voeten +in lange, donkere rouwgewaden staken. Dezen zaten echter niet te +paard, maar op muildieren, gelijk uit den zachten en bedaarden stap +dezer dieren gemakkelijk was op te maken. Met doffe stem mompelden +alle mannen onverstaanbare woorden, die wel bezweringen schenen en +het hart van ridder en knecht met schrik vervulden. Daarbij het late +uur, de donkere nacht en de lijkbaar,--dit een en ander had ook den +dapperste kunnen verbijsteren en beangstigen. + +Sancho Panza was halfdood van schrik en ontzetting; doch bij Don +Quichot begon de verbeelding reeds weer te werken en spiegelde hem +de zonderlingste avonturen voor. Hij geloofde, dat men op de baar +een zwaar gekwetsten of wel dooden ridder wegdroeg, en dat de hemel +hem opzettelijk tot diens bloedwreker had uitverkoren. + +Zonder aarzelen omklemde hij dan ook zijne lans en stelde zich midden +op den weg dreigend in postuur, om den geheimzinnigen trein op te +wachten. Toen die tot op korten afstand genaderd was, verhief hij +zijne stem en sprak: + +"Halt! Staat, gij ridders en edelen, en zegt zonder dralen, wie gij +zijt, waarheen gij gaat, van waar gij komt en wie de ridder is, wiens +lijk gij daar op die baar medevoert. Gij hebt òf kwaad gedaan óf kwaad +geleden, en ik moet dit weten, om daarnaar mijne maatregelen te nemen." + +"Heer ridder," gaf een der mannen tot antwoord, "houd ons niet op, +want wij hebben haast en mogen geen tijd verliezen met u uitvoerig +rekenschap van ons doen en laten te geven." + +Met deze woorden dreef hij zijn muildier aan en wilde doorrijden; +maar Don Quichot gevoelde zich door dit korte bescheid in dier voege +beleedigd, dat hij het dier bij den teugel greep en luid en dreigend +riep: "Houd stil en leg rekenschap af! Zoo niet, dan zal ik u en al +de uwen bloedig tuchtigen en kastijden." + +Het muildier van den aldus bedreigden ruiter werd schuw, sprong op zij, +steigerde hoog op en sloeg ruggelings achterover. Een knaap die er te +voet bij liep, zag den val en begon op Don Quichot te schimpen. Dat +kon deze niet dulden en de kamp begon. De ridder velde de lans, viel +op een der mannen in het zwart aan en deed hem gewond van het paard +tuimelen. Hierop keerde hij zich tegen de overigen. Met waarlijk +verbazende vlugheid en behendigheid hieuw hij op de menschen in en +'t scheen wel, dat Rocinante vleugels had gekregen, zoo licht en snel +galoppeerde hij over het slagveld heen en weer. + +De mannen in de witte en zwarte kleederen toonden al zeer weinig hart +in het lijf te hebben en gedroegen zich jammerlijk lafhartig. Don +Quichot dreef hen met weinig moeite op de vlucht, joeg hen met hunne +vlammende fakkels over het veld heen en deed hen zich naar alle kanten +verstrooien. Sommigen der mannen konden zich wegens de lengte hunner +rouwkleeren nauwelijks bewegen, en op dezen hakte de verwoede ridder, +zonder eenigen weerstand te vinden, zoo lang in, totdat zij hunne +mantels wegwierpen en insgelijks de vlucht namen. De arme sukkels +meenden, dat de duivel zelf hun op de hielen zat, en kruisten zich +al hun best. + +Sancho Panza zag dit schouwspel met de grootste verbazing aan. Hij +was over de stoutheid en dapperheid van zijn gebieder ten hoogste +verwonderd en begon bijna te gelooven, dat Don Quichot werkelijk de +machtige en geweldige held was, waarvoor hij zich uitgaf. + +Don Quichot greep eindelijk een der brandende fakkels, die in menigte +op den grond lagen, en lichtte in het rond, of hij ook nog een vijand +ontdekken kon. Hij bemerkte niemand dan den ruiter, die onder zijn +muildier was geraakt, zette hem de punt zijner lans op de borst en +gebood hem zich over te geven, als hij niet oogenblikkelijk een man +des doods wilde zijn. + +"Ach, heer ridder," stotterde de beangstigde man, "ik ben, gelijk +gij ziet, onderdanig genoeg en smeek u ootmoedig om mijn beetje +leven. Ik geloof, dat ik een been heb gebroken, want ik kan geen lid +verroeren. Breng mij dus ook maar niet om, als gij een christelijk +ridder zijt. Weet, dat ik tot den geestelijken stand behoor. Gij +zoudt eene gruwelijke daad begaan door de hand aan een dienaar van +de kerk te slaan." + +"Maar, bij mijn zwaard," schreeuwde Don Quichot, "als gij werkelijk +een geestelijke zijt, wat heeft u dan midden in den nacht hier op +den grooten weg gebracht?" + +"Mijn ongelukkig gesternte, heer ridder," antwoordde de gevallene. + +"En dat zal u het leven kosten, als gij mij niet dadelijk antwoord +op mijne eerste vraag geeft," riep Don Quichot. + +"Ach, ik wil gaarne alles zeggen," antwoordde de man. "Ik en de twaalf +andere priesters, die allen gevlucht zijn, komen uit de stad Baeza, +en wij dachten ons naar Segovia te begeven, om het lijk van den ridder, +dat daar op de baar ligt, naar zijn eigen grafkelder te begeleiden." + +"Wie heeft dien ridder omgebracht?" vroeg Don Quichot op barschen toon. + +"Hij is zijn natuurlijken dood gestorven ten gevolge van eene heete +koorts," was het antwoord. + +"Nu, dan heb ik niet de moeite te nemen om hem te wreken," sprak +de dappere dolende held. "Weet dan nu, eerwaardige heer, dat ik de +hoogvermaarde en machtige ridder Don Quichot van La Mancha ben, en +dat mijne roeping is de wereld te doorkruisen, om alle onrecht te +keer te gaan, het kromme recht te maken en de lijdende, onderdrukte +menschheid te hulp te komen." + +"Ei, heer ridder," antwoordde de geestelijke, "bij mij is u dat niet +gelukt, want gij hebt veeleer het rechte krom gemaakt, gelijk mijn +gebroken been u duidelijk kan bewijzen." + +"Dat doet mij leed om uwentwil," betuigde de ridder; "doch gij hebt +dit ongeluk aan uzelf te wijten. Waarom gaaft gij mij niet terstond +behoorlijk antwoord op mijne vraag?" + +"Daar het nu toch niet te veranderen is, wil ik mij in mijn lot +zoeken te troosten," zuchtte de geestelijke. "Maar, heer ridder, +wilt gij mij eene gunst en weldaad bewijzen, help mij dan van onder +mijn muildier weg. Een van mijne beenen zit nog tusschen zadel en +stijgbeugel vastgeklemd." + +"Waarom hebt gij dat niet terstond gezegd, eerwaardige heer?" riep +Don Quichot. "Wacht, gij zult zonder uitstel geholpen worden." + +Hij wenkte Sancho Panza nader te komen; doch deze maakte bitter +weinig haast, daar hij juist bezig was, een met proviand zwaar beladen +ezel, dien de geestelijke heeren bij zich hadden, van zijn vracht te +bevrijden en die op zijn eigen grauwtje over te brengen. Eerst toen +hij dit werk volbracht had en zich toereikend van mondvoorraad voorzien +zag, kwam hij zijn meester te hulp en haalde den geestelijke onder het +muildier weg. Dit richtte zich nu vanzelf op, en de geestelijke heer +werd er op geholpen. Voordat hij wegreed, verzocht Don Quichot hem, +zijne broeders weder bijeen te roepen en hun in zijn naam vergiffenis +te vragen voor het kwaad, dat hij hun bij vergissing had aangedaan. En +Sancho Panza voegde er bij: + +"En als uwe vrienden weten willen, wie hen zoo deerlijk toegetakeld +heeft, zeg hun dan, dat het Don Quichot van La Mancha, de Ridder van +de Droevige Figuur, is geweest." + +Hierop reed de geestelijke weg, en nu vroeg Don Quichot zijn +schildknaap, hoe die er toe gekomen was, hem den Ridder van de Droevige +Figuur te noemen. + +"Dat zal ik u zeggen, gestrenge heer," zeide Sancho Panza. "Kijk, +toen ik u bij het licht van de fakkels zoo eens terdeeg goed bekeek, +moest ik bij mijzelf zeggen, dat gij wezenlijk de jammerlijkste +en droevigste figuur zijt, die ik nog ooit van mijn leven gezien +heb. Dat komt denkelijk wel van het gevecht, waarin gij veel moet +geleden hebben, of misschien ligt het ook daaraan, dat gij zoo'n +geduchte vracht kiezen en tanden zijt kwijtgeraakt." + +"Neen, dat is het zeker niet," antwoordde Don Quichot. "Maar wat ook +de reden mag wezen, ik wil den bijnaam, die u toevallig in den mond +kwam, behouden en mij ten eeuwige dage den Ridder van de Droevige +Figuur noemen. Om dien naam met volle recht te dragen, wil ik eene +recht treurige figuur op mijn schild laten schilderen." + +"Die kosten kunt gij sparen, heer ridder," zei Sancho Panza. "Als +gij maar uwe eigene figuur laat zien, kunt gij verzekerd wezen, dat +de heele wereld u dadelijk voor den Ridder van de Droevige Figuur +zal houden. Twijfel niet aan mijn zeggen, want ik verzeker u, dat +de honger en 't verlies van die tanden u zoo'n jammerlijk aanzien +gegeven hebben, als men zich met mogelijkheid verbeelden kan. + +Don Quichot lachte om Sancho's dol zeggen, maar bleef er toch bij, +dat hij dien bijnaam aannemen wou en op zijn schild eene droevige +figuur doen schilderen. Sancho liet hem nochtans geen tijd, om daar +lang over na te denken, maar drong er op aan, dat men de reis zonder +tijdverlies voortzetten zou. + + + + + + +HOOFDSTUK IX. + +DE MOLEN. + + +'t Was reeds helderlichte dag geworden, toen de ridder en zijn dienaar +door een engen hollen weg in een afgelegen, vrij uitgestrekt dal +uitkwamen. Zij stapten hier van hunne vermoeide dieren, vergastten +zich op den voorraad, die Sancho van de monniken had meegepakt, +en voelden er zich zoo wel, dat zij den ganschen dag en een deel +van den volgenden nacht op die plaats bleven uitrusten. Den daarop +volgenden morgen echter, lang voordat het licht aan den hemel kwam, +braken zij weer op, leidden hunne dieren bij den teugel, om er in de +donkerheid niet mee te struikelen, en vervolgden zoo behoedzaam hun +weg. De hen omringende duisternis was zoo groot, dat zij nauwelijks +twee passen ver zien konden. + +Zij waren nog niet ver, toen op eens een geweldig klateren en klotsen +als van neerstortende wateren, in hun oor drong. Dit gedruis ging +gepaard met een vreemd gedreun, dat den armen schildknaap, die nu +eenmaal van de natuur het hart van een haas had gekregen, met schrik en +ontzetting vervulde. Zij hoorden namelijk regelmatige, doffe slagen, +met geluiden als het rammelen van ijzeren kettingen vermengd. Daarbij +was de nacht pikdonker, en in de bladeren der boomen ruischte de wind, +die akelig langs de naaste rotswanden huilde en gierde. De eenzaamheid, +de woeste streek, de donkerheid, het ruischen van het water, het +loeien van den wind, dat alles vereenigde zich met dat voortdurend, +schrikbarend bonzen en stampen, om onze helden het hart in de borst te +doen trillen. Zooals gezegd is, sidderde Sancho Panza dan ook als een +popelblad; maar Don Quichot bleef onverschrokken, besteeg Rocinante, +greep lans en schild en sprak: + +"Sancho Panza, de hemel heeft mij tot groote daden geroepen, gelijk +nu weer uit het nieuwe, schrikbarende avontuur, dat ik manhaftig +te gemoet zal gaan, ten duidelijkste schijnt te blijken. Haal mij +dus den zadelriem wat vaster aan, trouwe vriend, en blijf dan hier +op de plaats, om mij drie dagen te wachten. Als ik binnen dien +tijd niet hier terug ben, trek dan naar onze woonplaats en doe aan +mijne gebiederesse, de edele Dulcinea van Toboso, kond en te weten, +dat haar ridder bij de vervulling zijner plichten als dolend held, +onder het volvoeren van grootsche en verheven daden bezweken is." + +Deze toespraak van zijn heer bewoog Sancho Panza tot schreiens toe, +en hij peinsde op een middel, om den edelen Don Quichot aan den +zekeren dood te ontrukken. Terwijl hij het paard den gordel vaster +om het lijf gespte, sloeg hij den halsterriem van zijn ezel vlug en +ongemerkt om Rocinantes voorpooten heen, zoodat Don Quichot met zijn +ros bezwaarlijk van de plaats kon komen. De ridder gaf nu werkelijk +het dier de sporen, doch dat wipte slechts een paar malen op en bleef +toen onbeweeglijk staan. + +Ziende, dat zijne list gelukt was, sprak Sancho: + +"Heer ridder, de hemel zelf verlangt door teekens en wonderen, dat +gij u niet in gevaar zult storten. Hij heeft Rocinantes ledematen +verlamd, zoodat hij zoo stijf als een stok is, en als gij nu toch +het arme dier woudt slaan en aansporen, zou het u niet baten en gij +zoudt geen stap verder voortkomen." + +Don Quichot was razend van ongeduld. Hij luisterde heel niet naar +Sancho's woorden, maar hieuw en stak als dol op het arme beest los, +zonder daardoor iets anders dan een paar vruchtelooze sprongen van +het gebonden dier gedaan te kunnen krijgen. Eindelijk moest hij +alle verdere pogingen opgeven. Zonder op de gedachte te komen, dat +Rocinante door een uitwendig middel gebonden kon zijn, besloot hij, +zich voorloopig tevreden te stellen en den morgen af te wachten, +wanneer, naar hij hoopte, Rocinante wel weer vanzelf in beweging zou +komen. Hij gaf dit besluit aan Sancho te kennen, maar kon toch wel +bijna gehuild hebben van ongeduld. + +"Troost u, gestrenge heer," voegde zijn guitachtige schildknaap hem +op deelnemenden toon toe, "troost u, want ik wil u, tot de dag komt, +een aardige historie vertellen, als gij niet liever uit den zadel wilt +komen en tot het aanbreken van den dag nog eene zoete rust genieten." + +"Neen, ik zal niet afstijgen en slapen," verklaarde Don Quichot; +"maar wel zal ik met genoegen uwe geschiedenis aanhooren." + +"Goed, gestrenge heer," zeide Sancho. "Luister dan goed toe en val +mij vooral niet in de rede, want dat is een ding, dat ik volstrekt +niet dulden kan." + +"In een dorp van Estramadura was eens een geitenherder, dat wil zeggen +een man, die geiten hoedde, en deze geitenherder of man, die geiten +hoedde, van wien mijne geschiedenis vertelt, heette Lope Ruiz." + +"Hoor, Sancho, als ge zoo omslachtig blijft voortvertellen, zullen we +uwe geschiedenis niet voor het einde van de wereld te hooren krijgen," +viel de ridder hem verdrietig in de rede. "Spreek als een verstandig +mensch, of houd liever den mond dicht." + +"Goed, goed, heer!" riep Sancho Panza en vertelde verder. + +"Deze geitenherder dan nu, die Lope Ruiz heette, ging op een goeden +dag met zijne kudde uit en kwam aan een breeden stroom, dien hij met +de geiten niet doorwaden kon. En daarom keek hij dus naar een veerman +om en ontdekte al spoedig een visscher, die aanbood zijne driehonderd +geiten op den anderen oever te brengen. Hij stapte in zijne boot, nam +een geit mee en bracht haar naar de overzij. Hierop kwam hij terug, +nam weer eene geit en bracht haar ook over.--En nu, gestrenge heer, +tel nu goed al de geiten, die de visscher overzette, want als ge er +ook maar één van vergeet, dan is mijn historie uit en kan ik met den +besten wil niet verder vertellen. Hoor nu.--De gindsche oever van de +rivier, waarover de geiten gebracht moesten worden, was buitengewoon +glad en glibberig, en de visscher had dus veel tijd noodig, om al de +geiten over te krijgen. Evenwel voer hij heen en terug en bracht nog +eene geit naar de overzij." + +"Maar, domme kerel," riep Don Quichot ongeduldig en verdrietig, +"neem dan gerust aan, dat al de geiten zijn, waar ze wezen moeten, +en vertel dan verder." + +"Ja, dat gaat niet," antwoordde Sancho. "Hoeveel geiten zijn er +nu over?" + +"Hoe drommel, weet ik dat?" riep de ridder. + +"Daar hebben we 't al!" zeide Sancho Panza. "Nu is mijn vertelsel +uit en ik kan er onmogelijk het slot van vinden. Waarom hebt gij de +geiten dan ook niet beter geteld?" + +"Maar, goede hemel, wat heeft het getal der overgezette geiten dan +toch eigenlijk met uwe geschiedenis te doen? Vertel maar verder." + +"Neen, nu gaat dat niet meer," antwoordde Sancho, de schouders +ophalend. "Daar gij niet wist, hoeveel geiten overgezet waren, +raakte ik de kluts kwijt, en nu is mij de heele historie door het +hoofd gegaan." + +Don Quichot bromde wat, en beiden zwegen nu een tijdlang +doodstil. Eindelijk echter, toen de hemel zich in het oosten begon te +kleuren en de morgen aanbrak, oordeelde de ondeugende schildknaap het +tijd, zijns meesters strijdhengst weer van zijne banden te ontdoen. Hij +maakte den halsterriem behoedzaam los en legde dien zijn ezel aan. + +Nauwelijks voelde Rocinante zich weer vrij, of zijn zelfgevoel scheen +te ontwaken. Hij lichtte eenige malen zijne stijve voorpooten op en +maakte eenige andere bewegingen. Dit hield Don Quichot voor een goed +voorteeken en hij geloofde, dat het nu tijd was om het gevaarlijkste +van alle avonturen te beginnen en te bestaan. + +Middelerwijl werd het ten volle licht en zag de ridder, dat hij zich +in een dicht boschje van kastanjeboomen bevond, welker groene takken +het uitzicht beletten. Daar hij echter nog altijd dat schrikbarend +stampen vernam, nam hij afscheid van Sancho Panza, herhaalde hem +zijne vroegere aanwijzingen, gaf Rocinante de sporen en ging op weg, +terwijl de schildknaap langzaam te voet achternakwam. + +Toen zij nu vrij lang onder kastanjes en andere lommerrijke boomen +waren voortgetrokken, kwamen zij op eene kleine weidevlakte, die te +midden van hooge rotsen was gelegen, van welke een prachtige waterval +zich in de diepte neerstortte. Aan den voet daarvan lagen eenige +ellendige lage hutten, uit wier binnenste het dreunend stampen klonk, +dat onze beide helden al zooveel schrik aangejaagd had. Rocinante +werd erg schuw door het gebons, het geklapper en de slagen, die het +aardrijk voortdurend deden schudden. Don Quichot bedwong nochtans zijn +steigerend ros en reed voort, recht op de oorzaak van het schrikbarend +geraas aan. + +Sancho Panza hield zich dicht achter hem en loerde nu en dan tusschen +Rocinantes pooten door, om de eigenlijke oorzaak van het vreeselijk +rumoer, dat hem door merg en heenging, te vernemen. + +Op eens hield Don Quichot zijn ros staande, want zie, de onschuldige +oorzaak van het zoo geducht alarm, dat hen den halven nacht in onrust, +vrees en spanning had gehouden, lag daar open en bloot voor hen. Dat +waren namelijk de zes stampers van een pletmolen, die, door de +kracht des waters gedreven, door hunne slagen den omliggenden grond +in voortdurende trilling en schudding hielden. + +Toen Don Quichot zich hiervan ten volle overtuigd had, werd hij bleek +van teleurstelling en ergernis. Hij liet het hoofd op de borst zinken +en schaamde zich zoo, dat hij liefst dadelijk in den grond zou zijn +weggezonken. Sancho Panza daarentegen barstte in zulk een luid en +schaterend lachen uit, dat hij zich onmogelijk op de been kon houden, +maar als een meelzak neerplofte en zich in het gras rondwentelde van +pleizier. Dit kluchtig gezicht verdreef eindelijk ook des ridders +mismoedigheid, zoodat de diepe rimpels van zijn voorhoofd verdwenen +en hij zelf hartelijk meelachen moest. + +Zoodra Sancho Panza dit bemerkte, ontwaakte zijn overmoed en deed +hem de vrijheid nemen met zijn heer den spot te drijven door alles, +wat die in de verwachting van een groot gevaar tot hem gesproken +had, onder schaterend lachen te herhalen. Deze bespotting verdreef +nochtans weder de blijmoedige stemming van zijn heer en maakte dezen +zoo verbolgen, dat hij zijne lans ophief en zijn schildknaap een paar +slagen over de schouderbladen gaf, die aan zijn ondeugenden spotlust op +eens een einde maakten. Hij stond op en nam zijne vroegere onderdanige +en bescheiden houding weder aan. + +"Vergeef mij, gestrenge heer," zeide hij; "ik gekte maar wat." + +"Nu, al gekt gij, knaap, zoo houd ik toch niet van gekken," antwoordde +de ridder. "Daar gij uwe straf nu reeds bekomen hebt, zal ik u uw +onbehoorlijk gedrag echter voor ditmaal vergeven." + +Intusschen begon het een weinig te regenen, en Sancho Panza betoonde +grooten lust, een paar uren in den pletmolen te schuilen. Zijn meester +had echter zulk een afkeer gekregen van het gebouw, dat hem op eene +zoo belachelijke wijze gefopt had, dat hij voor Sancho's voorstel +geen ooren had, maar zijn tocht onverwijld voortzette. Hij keerde zich +rechts en kwam op een weg, dien hij tot hiertoe nog niet betreden had. + +Het duurde niet lang, of hij kreeg een man te paard in het oog, +die een blinkend ding op het hoofd droeg, dat in de hoogste mate Don +Quichots aandacht trok. Zoodra hij het gezien had, keerde hij zich +tot zijn schildknaap om en zeide: + +"Sancho, het noodlot maakt alle teleurstelling goed, die ons zoo +bitter heeft verdroten. Zie, daar komt ons een man te gemoet, die op +zijn hoofd den helm van een hoogberoemden held, den ridder Mambrino, +draagt." + +"Als ge u maar niet vergist, gestrenge heer!" antwoordde Sancho +Panza. "Wees niet al te voorbarig!" + +"Gij schandelijke twijfelaar! Hoe zou ik mij op helderlichten dag +zoo kunnen vergissen?" riep de ridder, wiens hoofd weer op hol begon +te raken. "Ziet gij dien ridder op zijn appelschimmel niet? Ziet gij +den gouden helm op zijn hoofd niet?" + +"Och, ik met mijn dom verstand zie niets dan een man op een grauwen +ezel, die veel van den mijnen heeft," was het koele antwoord. "Wel +heeft hij een blinkend ding op zijn hoofd, dat ik niet recht +onderscheiden kan; maar een helm is het zeker niet." + +"Het is de helm van Mambrino, domkop!" schreeuwde Don Quichot. "Ga op +zij, kerel, en laat mij met dien ridder alleen. Weldra zult gij zien, +dat ik met hem kampen en den helm veroveren zal." + +"En toch is het geen helm," bromde de schildknaap. + +"Hondsvot, rekel, zwijg!" riep Don Quichot vol woede. "Als gij nog +een woord spreekt, zweer ik u de ziel uit het lijf te beuken." + +Door deze bedreiging verschrikt, vond Sancho 't maar het verstandigst, +op zij te gaan en geen mond meer open te doen. + +Er lagen daar in den omtrek twee dorpen, die te klein waren, om er +ieder een eigen barbier op na te houden. Daarom bediende dan ook +maar één scheerbaas beide plaatsen en ging op zijn grauwtje bij zijne +verschillende klanten rond. Dit was ook heden weer het geval en, om +zijn nieuwen hoed tegen de regendroppels te beschutten, had de goede +man zijn geelkoperen scheerbekken daar bovenop gezet. Dat bekken, blank +geschuurd, blonk van verre als een spiegel en werkte zoo levendig op +des Dons ziekelijke verbeelding, dat alles, als gewoonlijk, in zijn +oog eene herschepping onderging, dat hij een grauwen ezel voor een +appelschimmel hield en een ridder met gouden helm zag, waar daar in +werkelijkheid niets van bestond. + +In zijne dolle verblinding stoof Don Quichot dan nu ook op den aan +geen kwaad denkenden baardschrabber aan en richtte in vollen ren zijne +lans op hem met het vaste voornemen, om hem met de scherpe punt zonder +genade door en door te priemen. Eerst toen hij al heel dicht bij was, +schreeuwde hij hem toe: "Verweer u, roover en dief! of sta af, wat +u niet toekomt!" + +De arme, verschrikte barbier wist geen ander middel om den dreigenden +lansstoot te vermijden, dan dat hij zich maar terstond van den ezel +liet vallen. Dit deed hij, en nauwelijks had hij met zijne volle +lengte den bodem gemeten, of hij sprong weer op, nam, gelijk men dat +noemt, zijne beenen onder den arm en zette het op een loopen met eene +snelheid, dat een stormwind hem bezwaarlijk zou hebben ingehaald. + +Don Quichot liet hem loopen, zonder aan eene vervolging te denken; +want bij den val was den verschrikten barbier zijn bekken van het hoofd +gevlogen en lag nu als goud in de zon te blinken. Don Quichot beval +zijn schildknaap, den helm op te nemen, en Sancho Panza gehoorzaamde, +terwijl hij zeide: "Waarachtig, een heel goed scheerbekken, en onder +broeders zijne acht realen waard." + +Met deze woorden reikte hij het bekken aan Don Quichot over, die +het terstond op zijn hoofd zette en omdraaide, om het vizier te +vinden. Wijl dit er nu niet was, vond hij het ook niet en zeide: +"Die held Mambrino moet een geweldig dik en groot hoofd hebben! Jammer +maar, dat de helft van den helm ontbreekt!" + +Toen Sancho Panza zag, dat zijn meester nog altijd hardnekkig bij +zijne verbeelding bleef, kon hij toch onmogelijk het lachen laten en +proestte het hardop uit. + +"Waarom lacht gij?" vroeg Don Quichot dadelijk. + +"Ei," antwoordde de schildknaap, "ik lach, als ik mij den dikken kop +voorstel, die onder dat barbiersbekken moet gezeten hebben." + +"Sancho, gij spreekt onverstandig!" zeide de ridder op berispenden +toon. "Ik wil u zeggen, hoe ik over dit wapenstuk denk. Stellig zeker +is de helm eens door een of ander toeval in de handen van een mensch +gekomen, die er den prijs niet van wist te waardeeren en, zonder te +weten wat hij deed, de helft er van smolt, om er geld van te maken, +maar de andere helft tot een ding misvormde, dat misschien wel wat +op een barbiersbekken lijkt. Dat zal mij echter niet beletten hem in +eere te houden, en zoodra wij bij eene smederij komen, wil ik hem zoo +laten opknappen, dat hij zelfs den krijgshelm zal overtreffen, dien +Vulcanus, de god der smeden, voor Mars, den oorlogsgod, vervaardigd +heeft. Tot zoo lang wil ik hem dragen, gelijk hij is; want in allen +gevalle is hij beter dan in 't geheel niets en kan hij mij desnoods +tegen een steenworp dekken." + +"Als die maar niet uit een slinger komt," merkte Sancho spotachtig +aan. "Maar wat moet nu met het beest gebeuren, dat uw edelheid voor +een appelschimmel gelieft te houden? Het is niet te denken, dat de +eigenaar er van terugkomt, en, bij mijn baard, het is zoo kloek en +krachtig, dat het mij bevallen zou, zelfs als 't mijn eigendom was." + +"Gij moogt het u niet toeëigenen," antwoordde Don Quichot. "Het zou +onedel zijn, een overwonnene te berooven. Laat daarom den appelschimmel +stilletjes staan." + +"Nu, als ik hem niet met huid en haar mag nemen, wil ik toch zijn +zadeltuig voor mijn dier meepakken," mompelde Sancho Panza en ging +dadelijk tot dezen ruil over, zonder dat zijn gestrenge meester +daar iets tegen inbracht. Hij knapte nu zijn eigen ezel netjes op, +zoodat hij er tienmaal fraaier dan vroeger uitzag, en volgde toen +op een sukkeldrafje zijn heer, die reeds een tamelijk eind vooruit +was. Rustig trokken zij nu met elkaar voort en lieten aan Rocinante +over zijn eigen weg te zoeken. Rocinante bleef op den grooten rijweg, +zeker omdat die hem de gemakkelijkste toescheen. + + + + + + +HOOFDSTUK X. + +HOE DON QUICHOT EENIGE ONGELUKKIGEN IN VRIJHEID STELT EN WAT HEM +VERDER OVERKOMT. + + +Ongeveer een uur waren onze beide helden, in vertrouwelijke gesprekken +verdiept, huns weegs getrokken, toen Don Quichot toevallig zijne +oogen opsloeg en van verre twaalf menschen zag aankomen, die aan +handen en voeten met ijzeren kettingen geboeid schenen. Twee mannen +met geweer en twee anderen met pieken en sabels gewapend gingen te +voet bij hen aan. Hij maakte daar Sancho opmerkzaam op, en deze zeide: +"Het is een koppel galeislaven, die tot dwangdienst voor den koning +naar de haven worden geleid." + +"Wat, tot dwangdienst?" riep Don Quichot verontwaardigd uit. "Doet +de koning zelf zijnen onderdanen dwang en geweld aan?" + +"Dat zeg ik niet," sprak Sancho. "Die menschen zijn boosdoeners, +die tot straf voor hunne misdaden tot de galeien veroordeeld zijn." + +"In allen gevalle gaan zij dus niet uit vrije verkiezing, maar +gedwongen daarheen?" + +"Ja, zoo is het," zeide Sancho. + +"Welaan, ik zal mijn plicht doen en den ongelukkigen hulp en bijstand +verleenen," sprak Don Quichot. + +"Maar in 's hemels naam, bedenk toch, edele heer, dat de gerechtigheid, +en dus in zeker opzicht de koning zelf, die menschen tot hunne straf +heeft veroordeeld," riep Sancho angstig. + +Don Quichot luisterde niet naar deze verstandige voorstelling, +en de koppel galeiboeven kwam nader. De ridder wendde zich tot de +wachters en verzocht die in beleefde bewoordingen wel zoo goed te +willen zijn, de redenen op te geven, waarom zij die arme menschen +geboeid meesleepten. Een der wachters antwoordde kortaf, dat het +schelmen en gauwdieven waren, die naar de haven werden gebracht, +en dat hij daar verder zijn nieuwsgierigen neus niet in had te steken. + +Dit onheusche antwoord verdroot den dolenden held in hooge mate; maar +toch hield hij zich nog in en vroeg beleefd: "Niettegenstaande dat +wensch ik van ieder dezer menschen in het bijzonder de oorzaak van +zijn ongeluk te vernemen, en ik hoop en vertrouw, dat gij, heeren, +mij daarin niet hinderlijk zult zijn." + +Lachend werd hem de gevraagde vergunning gegeven, en Don Quichot vroeg +den eersten den besten van den troep, hoe hij in zijn ongelukkigen +toestand was geraakt. + +"Dat moogt gij gerust weten," antwoordde de kerel. "Kijk, ik was op +een mand met schoon linnen verliefd geraakt en hield die zoo stevig +gepakt, dat ik haar eerst losliet, toen de strenge hand van de politie +mij daartoe dwong. Zij hielden mij vast, gaven mij een goed getelde +honderd op den rug en nu brengen ze mij naar de galeien, om mij daar +drie jaren lang vrij kost en logies te geven." + +"En waarom zijt gij geboeid, vriend?" vroeg Don Quichot aan den +tweeden uit den troep. + +"Omdat ik een paar schapen heb gestolen en stom genoeg was schuld te +bekennen. Dat was ezelachtig dom van mij; want ik had evengoed Neen +kunnen zeggen." + +"Dat is waar," zeide Don Quichot en vroeg den derden naar zijn +vergrijp. + +"Ik moet naar de galeien, omdat mij tien dukaten te kort kwamen, +juist toen ik die noodig had," antwoordde de schelm. + +Don Quichot vroeg verder, tot hij bij den laatsten van het edele +gezelschap kwam. Dit was een kloek, knap man van om de dertig jaren, +die geen ander gebrek had, dan dat hij wat heel erg scheel zag. Zijne +boeien waren veel zwaarder dan die der overigen, en op zijne navraag +vernam de ridder, dat hij wegens vele en zware misdaden tot levenslange +galeistraf was veroordeeld. Hij heette Gines van Pasamonte en stond +als de ergste en sluwste gauwdief van geheel Spanje te boek. + +Nadat de edele ridder zoo van alles, wat hij weten wou, nauwkeurig +onderricht was, wendde hij zich weer tot de wachters en zeide: + +"Mijne heeren, ik bid u uiterst beleefd deze arme menschen zonder +verwijl van hunne boeien te ontdoen en hen vrij en ongehinderd te laten +gaan, waarheen 't hun goeddunkt. Zij hebben zich wel aan eenige kleine +verkeerdheden schuldig gemaakt, maar daarom kunnen zij nog altijd goede +en brave menschen zijn. Laat hen goedwillig los, zeg ik, of reken er +op, dat ik u daar met deze lans en dit zwaard toe zal dwingen." + +De wachters lachten hardop. + +"Ge schijnt mij een rare snaak toe!" riep hun aanvoerder. "Maak, +dat je wegkomt, zet je scheerbekken terecht en bemoei je voortaan +niet met dingen, die je geen zier aangaan!" + +"Gij vlegel, gij onbeschaamde rekel!" schreeuwde Don Quichot vol +woede, en rende met zooveel geweld op den wachter in, dat deze geen +tijd vond, om zich te weer te stellen, maar terstond op den grond +lag. De lans was hem bijna midden door het lichaam gegaan. Een +oogenblik stonden de overige wachters door deze koene daad als +verbijsterd; maar toen rukten zij hunne zwaarden uit de scheeden, +tastten naar hunne verdere wapens en keerden zich tegen Don Quichot, +die hun aanval met veel koelbloedigheid afwachtte. Niettegenstaande +dit zou het slecht met hem zijn afgeloopen, zoo niet de gevangenen +zich dit plotseling ontstaan tumult hadden ten nutte gemaakt om hunne +boeien te verbreken en zich in vrijheid te stellen. Het gevolg was, +dat de wachters niet recht wisten, waarheen zij zich het eerst wenden +moesten, en zich dus deels tegen Don Quichot verweerden, deels op +de vluchtende gevangenen wierpen, en zoo met verdeelde krachten +weinig konden uitrichten. Sancho maakte onderwijl de zware ketens +van Gines van Pasamonte los. Zoodra deze handen en voeten vrij had, +greep hij sabel en buks van den gevallen wachter op, welke laatste hij, +zonder vuur te geven, nu op dezen dan op genen aanlegde. De dreigende +houding van het geweer boezemde den wachters meer schrik in, dan al +Don Quichots vechtkunst. Toen nu eindelijk de ontboeide gevangenen +hen met een hagelbui van steenen begonnen te overstelpen, wisten zij +geen raad meer en zochten hun eenige en laatste heil in de vlucht. + +Hoe blij ook, dat zij hunne piek schuurden, kon Sancho Panza toch +niet zonder bezorgdheid aan de mogelijke gevolgen van dit avontuur +denken. Hij zocht zijn heer aan het verstand te brengen, dat de +wachters ongetwijfeld dadelijk alarm maken, versterking halen en alsdan +de misdadigers vervolgen zouden, waarom het maar het best zou zijn, +dat zij beiden zich stilletjes uit de voeten maakten en de wijk naar +het nabijgelegen gebergte namen. + +"Zwijg stil!" voegde Don Quichot hem barsch toe. "Ik weet best, +wat mij in dit roemrijk geval te doen staat." + +Hij riep de galeiboeven in zijne nabijheid, deed hen een kring sluiten, +hield eene lange toespraak en verlangde van hen, dat zij zich naar +Toboso begeven en zijne schoone Dulcinea van hunne bevrijding bericht +brengen zouden. + +"Hoor, uwe edelheid," gaf Gines van Pasamonte in naam der overigen tot +antwoord, "daar is geen denken aan, want als wij ons niet schielijk +naar al de windstreken verstrooiden, zou men ons al gauw weer bij de +lurven hebben gepakt. Heb overigens dank voor de ons bewezen goede +diensten, en wees hiermee vriendelijk gegroet." + +"Hoe is dat, ondankbare snoodaard?" vroeg Don Quichot ten hoogste +verontwaardigd. "Zoo weigert gij dus den heiligen plicht der +dankbaarheid te vervullen? Wacht, man, dan zal ik je toonen, met wien +gij te doen hebt." + +Gines van Pasamonte, die al van den beginne had gemerkt, dat het +met het verstand van den edelen ridder niet recht in den haak moest +wezen, wenkte zijne kameraden hem te volgen, en bracht hen een eind +ver achteruit. Van daar, op veiligen afstand, deden de schelmen nu +zulk een dichten regen van steenen op den grootmoedigen ridder en +zijn schildknaap neerkletteren, dat de eerste zich moeielijk met zijn +schild konde dekken, terwijl de laatste in aller ijl achter zijn ezel +wegkroop. De bui duurde voort, tot eenige keisteenen den armen Don +Quichot zoo gevoelig raakten, dat hij in den zadel waggelde en in zijne +kletterende wapenrusting ter aarde stortte. Pas lag hij daar weerloos, +of Gines van Pasamonte was bij hem, rukte hem het scheerbekken +van het hoofd, bracht hem een paar moorddadige houwen toe en sloeg +den zoogenaamden helm bijna in stukken. De overigen trokken hem den +wapenrok, dien hij over het harnas droeg, uit en zouden hem ook zijn +broek hebben ontstolen, indien de stevig vastgegespte dijplaten zijner +rusting hun dat niet hadden belet. Sancho Panza moest insgelijks zijn +bovenkleed afstaan en mocht blij zijn, dat men hem zijn wambuis liet, +waarna de dievenbende zich links en rechts verstrooide, om niet weer +opnieuw in de klauwen der straffende gerechtigheid te geraken. + +Don Quichot en Rocinante benevens Sancho en zijn grauwtje bleven alleen +op het slagveld achter. De ezel stond daar als in droefgeestig gepeins +en schudde van tijd tot tijd zijne ooren, alsof 't hem verwonderde, +dat de hagelbui, die ook hem niet weinig pijnlijk getroffen had, nu +toch voorbij was. Rocinante lag bij zijn heer op den grond en stak al +zijne vier pooten in de lucht. Sancho Panza beefde van angst en woede, +en de edele ridder van La Mancha smeekte de wraak des hemels af over +de schelmen en gauwdieven, die hem zoo schandelijk en verregaand +ondankbaar behandeld hadden. + + + + + + +HOOFDSTUK XI. + +SANCHO PANZA VERLIEST ZIJN EZEL EN DON QUICHOT SPEELT VOOR GEK. + + +Toen de edele ridder van La Mancha weer eenigermate van de werking +der zware steenworpen bekomen was, sprak hij: + +"Sancho Panza, altijd heb ik gehoord, dat men een nutteloos en +vergeefsch werk doet, als men aan 't gemeene volk weldaden bewijst. Die +schurkachtige gevangenen hebben mij met den snoodsten ondank beloond, +en dit zal ons leeren ons nimmer weer met soortgelijk gespuis in +te laten." + +"Nu, ik wil hopen, dat gij eindelijk door schade en schande wijs +wordt," antwoordde Sancho Panza. "Voorts is 't maar best, dat wij +ons zoo spoedig mogelijk uit de voeten maken. De politie heeft voor +dolende helden bitter weinig ontzag en zou, als zij u in handen +kreeg, aan uwe ridderschap spoedig een treurig einde maken. Zie, +dat gij weer op Rocinante komt, en laat ons vluchten." + +"Gij zijt een bloodaard, Sancho! Toch wil ik voor ditmaal aan uw +verlangen toegeven en mij in de Sierra Morena begeven, in de hoop, +dat het ons daar geen dag aan avonturen ontbreken zal." + +Sancho was van harte blij, dat hij zijn zin kreeg, en ging dadelijk +zijn best doen om eerst Rocinante en toen ook zijn meester weer op +de been te helpen. Gelukkig had hij zijn broodzak aan de handen der +roofzuchtige spitsboeven weten te onttrekken en kon dus zich zelf en +zijn heer een stevige hartsterking voorzetten. Hierop bestegen beiden +hunne dieren en kwamen nog voor den donker midden in de Sierra Morena, +waar zij in een eng rotsdal onder eenige zware, lommerrijke boomen +hun nachtleger opsloegen. + +Nauwelijks lagen onze twee helden daar vast in slaap, of hun +ongelukkige gesternte wilde, dat de schelmachtige Gines van Pasamonte +toevallig dienzelfden weg langs kwam. Uit vrees voor den straffenden +arm der gerechtigheid was ook hij in de Sierra Morena zijn heil komen +zoeken en, vooral ter wille van den ezel, niet weinig verheugd, +hier zoo geheel onverwachts zijne beide bevrijders te vinden. Met +alle omzichtigheid sloop hij nader, maakte zich van des schildknaaps +langoor meester, ging daar op zitten en voerde zijn buit weg, zoo +hard als het dier maar loopen wou. Den volgenden dag was hij reeds +uren ver van de beroofde twee verwijderd. + +De zon kwam zich tot verkwikking van al, wat leeft en ademt, boven de +kim vertoonen, doch ditmaal niet tot blijdschap van den armen Sancho +Panza, die door haar helder licht al spoedig onderricht werd van het +zware verlies, dat hij in den loop van dien nacht geleden had. Hij +vervulde de lucht met zijne jammerklachten en huilde zoo geweldig, dat +ook zijn meester ontwaakte en naar de oorzaak van dat klaaglied vernam. + +"Ach," lamenteerde de knaap, "ach, mijn grauwtje is weg, mijn hartelap, +mijn suikerpop, de oogappel van mijn vrouw, de doorn in 't vleesch +van al mijne buren, de steun van al mijne lasten!" + +"Kom, kom, Sancho, bedaar, man!" trooste de ridder zijn weeklagenden +dienaar; "gij zult voor den verloren ezel drie van de vijf hebben, +die ik bij mij thuis op stal heb staan. Ik zal u daar een papier van +geven en gij zult ze zelf halen. Nu kom en laat ons zorgen, dat wij +dieper in het gebergte komen." + +De goede Sancho trooste zich en dankte zijn meester voor de +grootmoedige toezegging. Hierop braken zij op en vervolgden hunne reis. + +Hoe dieper Don Quichot in de wilde bergstreek doordrong, des te meer +verblijde zich zijne ziel, terwijl hij zich al de wonderbare daden en +avonturen voor den geest riep, welke dolende ridders vóór hem in zulke +woestijnen en wildernissen volvoerd en beleefd hadden. Hij verzonk zoo +diep in gepeins, dat hij geen woord sprak en de tijd den armen Sancho, +die pruttelend achter hem aan sjokte, danig lang begon te vallen. Hij +had bijster gaarne eens een woordje gepraat, doch waagde niet een +gesprek aan te vangen uit vrees, dat hij zijn heer hierdoor beleedigen +zou. Ten laatste werd het hem echter toch al te erg en besloot hij, +op elk gevaar af, aan dat vervelende zwijgen een einde te maken. + +"Heer," begon hij, "ik verzoek u dringend, mij mijn afscheid te geven +en stilletjes naar huis te laten terugkeeren. Thuis kan ik althans met +vrouw en kinderen praten, als ik daar lust toe voel; maar hier in de +wildernis moet ik als een gek achter Rocinante aansukkelen en krijg +geen woord te hooren, en dat noem ik dood wezen bij levenden lijve." + +"Sancho Panza," antwoordde de ridder, "daar is raad voor, want weet, +dat ik juist van plan ben, eene daad te verrichten, die mij tot +den beroemdsten ridder moet maken, dien de aardbodem ooit gedragen +heeft. En daartoe heb ik uwe medewerking noodig." + +"Is er gevaar bij, heer ridder?" vroeg Sancho Panza. + +"Neen; met gevaar is de daad niet verbonden. Echter hangt alles van +uwe werkzaamheid af." + +"Van mijne werkzaamheid?" vroeg Sancho verwonderd. + +"Zeker, mijn zoon," luidde des ridders antwoord, "want weet, dat, zoo +gij schielijk van de plaats, waarheen ik u zenden zal, terugkeert, +gij den tijd van mijn lijden zult verkorten, en dat dan mijn triomf +een aanvang zal nemen. Ten einde gij echter in staat moogt zijn, +mij te verstaan, moet ik u zeggen, dat vóór tijden de beroemde Amadis +van Gallië een der beste, dapperste dolende ridders was, en dat hem +na te volgen mij tot onvergankelijke eer moet strekken. En dit moet +geschieden ten opzichte van de beste daad, die van hem verhaald +word. Toen namelijk de schoone Oriana hem versmaad had, begaf hij +zich naar de wildernis, deed boete en kastijdde zich en noemde zich +gedurende dien tijd Beltenebros." + +"Maar, gestrenge heer, gij wordt toch niet door uwe Dulcinea +versmaad?" zeide Sancho Panza. + +"Dat is juist de zaak waar het op aankomt, Sancho," antwoordde Don +Quichot; "want versta mij wel: dat een dolend ridder om goede redenen +dol en razend wordt, dat is niet de moeite waard, dat men er over +praat. De groote kunst is, zonder grond of oorzaak dol te worden, +en van deze kunst wil ik blijk geven. Gij echter, Sancho, moet u naar +mijne aanbiddelijke meesteres Dulcinea van Toboso begeven en haar een +brief overbrengen, die haar van mijn waanzin onderrichten moet, opdat +zij de sterkte van mijne vereering en aanbidding leere waarderen." + +Sancho Panza wist niet, wat hij op deze dollemanspraat zeggen +moest. Hij schudde het hoofd en stapte zwijgend nevens Don Quichot +voort, totdat zij aan den voet van een hoogen rotskegel kwamen, die +rondom met naakte wanden van graniet omgeven was. Daar borrelde eene +heldere bron uit op en rondom breidde zich een groen graskleed uit, +dat met bonte bloemen sierlijk getooid was. Deze plaats scheen den +edelen ridder tot volvoering van zijn avontuurlijk opzet uiterst +geschikt toe, en hij besloot hier zijne dolle razernij maar terstond +den vrijen teugel te vieren. + +"Ha, ha!" riep hij met bulderende stem, alsof hij op eens stapelgek +was geworden, "ha ha! dit is dus de plaats, waar ik mijn ongeluk wil +beschreien. Ha, ha! dit is de plaats, waar mijn tranen dit beekje +tot een schuimenden bergstroom zullen doen aanzwellen. Ha, ha! dit +is de plaats, waar ik zuchten ga loozen, die als een stormwind door +de boomtoppen en hunne groene bladeren zullen ruischen." + +Onder het uitstooten van al dezen onzin liet hij zich van zijn paard +zakken en gaf dat een slag op den rug. + +"Vlucht weg," riep hij dat toe, "vlucht weg, mijn edel ros! Ik geef +u uwe vrijheid weer, daar ik zelf in de boeien en banden van den +waanzin zal vervallen. Vlucht weg en dool als een rustelooze schim +in bosschen en wildernissen rond." + +"Nu ja, van een schim begint Rocinante al vrij wat te krijgen, heer +ridder," zeide Sancho Panza; "maar toch reken ik 't beter, dat ik +maar op hem ga zitten en op zijn rug mijne reis naar uwe Dulcinea +aanvaard. Ik zal dan des te gauwer hier terug kunnen zijn." + +"Goed, Sancho, doe, wat gij verkiest," antwoordde de ridder van de +droevige figuur. "Evenwel moet gij op zijn minst nog drie dagen in +mijne tegenwoordigheid blijven, om aan mijne uitverkorene te kunnen +berichten, wat ik al niet tot hare verheerlijking gedaan heb." + +"Zal ik nog meer razende dolligheden zien, dan ik nu al gezien heb, +heer?" vroeg Sancho Panza verwonderd. + +"O, ik zal er nog zooveel vertoonen, dat ge u van verbaasdheid de oogen +uit het hoofd kijkt," antwoordde de ridder. "Vooreerst moet ik, daar ik +nog niet weet, of ik in mijne dolheid Amadis van Gallië of den razenden +ridder Roland wil navolgen, mijne kleeren verscheuren, mijne wapens +te grabbel gooien, met mijn hoofd tegen de rots aanrennen en nog meer +dergelijke dingen uitvoeren, zoodat ge verbluft staat van wat ge ziet." + +"Doe, wat ge niet laten kunt, edele heer," antwoordde de schildknaap; +"maar wees in 's hemels naam wat voorzichtig met dat met het hoofd +tegen de rots rammeien. De steenen zijn hard en hebben allerlei hoeken +en punten. Als ge toevallig op zoo'n punt te land kwaamt, kon 't met +alle malligheid op eens gedaan wezen. Zoo gij werkelijk oordeelt, dat +die kopstooten volstrekt noodig zijn, kondt gij, dunkt me, volstaan +met het hoofd in 't water te plompen of met vooraf een week, zacht +ding tegen de rots te plakken. Dan doet de stoot geen zeer, en ik +wil Dulcinea van Toboso er toch een relaas van geven, dat de haren +haar te berge rijzen. 't Is toch alles maar fopperij en malligheid, +edele heer!" + +"Dan verkeert gij in een geweldige en betreurenswaardige dwaling, +vriend Sancho," antwoordde Don Quichot. "Al de dingen, die ik wil +uitvoeren, zijn geenszins malligheid, maar hooge, heilige ernst. Ik +zal koen en krachtig tegen de rotsen aanrennen, en 't zou dus niet +kwaad zijn, dat gij mij wat linnen tot het verbinden der daardoor +aan mijn hoofd toegebrachte wonden achterliet." + +"Heer, al 't linnen is met den ezel naar de maan gegaan," verzekerde +de schildknaap. "Daarom verzoek ik u ook dringend, die gekheid van met +het hoofd tegen de harde steenen te loopen maar achterwege te laten +en u liever in te beelden, dat de drie dagen van razernij al voorbij +zijn. Ik voor mij wil aannemen, dat ik al uwe dwaze stukken gezien heb, +en zal de edele jonkvrouwe Dulcinea daar de ongeloofelijkste dingen +van vertellen. Schrijf den brief en laat het overige aan mij over." + +Don Quichot gaf aan dit verstandig voorstel gehoor. "Gij hebt gelijk, +Sancho," zeide hij. "Doch hoe moeten wij 't aanleggen, om den brief +klaar te krijgen?" + +"Ja, en 't papiertje, waarop ze mij de drie ezels moeten afgeven," +voegde zijn schildknaap er bij. + +"Juist, juist!" riep Don Quichot, "dat mogen wij niet vergeten. Ik zal +alles in mijn zakboek schrijven, en gij moet het dan door den eersten +den besten koster in het naaste dorp mooi en netjes laten kopieeren." + +"Maar hoe moet het dan met de onderteekening?" + +"De brieven van den grooten ridder Amadis van Gallië waren nooit +onderteekend," verzekerde Don Quichot. + +"Voor den brief komt dat er ook zooveel niet op aan," zei Sancho; +"maar met het papiertje voor de ezels is dat anders gelegen. Daar +moet uw edelheids handteekening onder staan, of ze zullen mij als +een afzetter en bedrieger de deur voor den neus toesmijten." + +"Dat is zoo," erkende Don Quichot, "en ik zal dus de lastgeving in +het dagboek zelf met mijn naam onderschrijven. Als mijne nicht dat +ziet, zal zij u de ezels gewillig afstaan. En onder den brief kunt +gij zetten: De uwe tot in den dood. Don Quichot van La Mancha, de +ridder van de droevige figuur.--Daar Dulcinea niet lezen kan, voor +zoover ik weet, zal zij met dat onderschrift volkomen tevreden wezen, +en dan heb ik haar ook nog maar pas een- of tweemaal gezien, omdat zij +door haar vader, Lorenzo Corchuelo, en hare moeder, Aldonza Nogales, +zeer streng wordt opgevoed." + +"Ei, de dochter van Lorenzo, die dikke vette, is dat dus uwe hooge +en edele gebiedster?" vroeg Sancho Panza heel verwonderd. + +"Ja, die is het, en zij verdient tot meesteresse van het gansche +heelal te worden verheven." + +"O, haar ken ik wel," zeide Sancho Panza en lachte, dat zijn buik +schudde. "Dat is een meid van stavast. Zij gooit met knuppels zoo +goed als de beste jongen in het dorp, en kan haar mondwerk roeren, +dat iedereen voor haar wegloopt. Een stemmetje heeft ze als een +trompet, en ze is van top tot teen een echte, stevige, plompe +boerendeern. En ik, ezel, heb me altijd verbeeld, dat uwe hooge en +edele gebiederesse Dulcinea van Toboso heel wat bijzonders was, een +prinses of een koningin of zoo'n andere voorname hoogheid. Dat valt +me dan danig tegen! En 't is maar een geluk, edele heer, dat al de +lui, die ge in bloedige gevechten overwonnen hebt, niet naar haar toe +gegaan zijn. Die hadden uwe Dulcinea dan licht bij 't vlashekelen of +druk aan het dorschen gevonden, en zouden u in dat geval niet weinig +hebben bespot en uitgelachen." + +"Sancho, ik zeg, dat gij een stomme ezel zijt!" riep Don Quichot +verstoord. "Mij behaagt mijne Dulcinea en in mijn oog is zij de hoogste +en edelste prinses op aarde. Zoo gij nog een woord ten haren nadeele +zegt, zal ik u mijne lans dwars door het lichaam boren." + +"Goed, goed, ik heb er vrede mee, als uwe edelheid met zulk eene +schoonheid tevreden is," verklaarde Sancho Panza. "Schrijf nu den +brief maar en laat mij stilletjes mijns weegs gaan." + +Don Quichot haalde zijn zakboek uit, ging op zij, bedacht zich lang +en schreef toen zijn brief aan Dulcinea van Toboso. Toen hij dien +klaar had, keerde hij tot zijn schildknaap terug en zeide, hem het +stuk te willen voorlezen, zoodat hij het in zijn hoofd had, ingeval +het geschrift onderweg door eenig ongelukkig toeval mocht verloren +gaan. Sancho Panza wilde daar echter niets van hooren. + +"Schrijf mij den brief liever een maal of tien twaalf af," zeide hij, +"en maak er veilig staat op, dat ik al die afschriften trouw bewaren +zal. Dat voorlezen echter helpt niemendal. Mijne memorie is zoo zwak, +dat ik geen tien letters onthouden kan, en nog veel minder zoo'n +langen brief." + +De ridder zag dus van zijn voornemen af en vergenoegde zich met op +een tweede blad van zijn dagboek de aanwijzing tot het uitleveren der +ezels te schrijven. Vervolgens vertrouwde hij die gewichtige papieren +aan zijn schildknaap toe, drukte hem op het hart, er toch vooral +goed op te passen, en gaf hem de verzekering, dat alles uitmuntend +afloopen zou, zoo hij ijverig in den dienst en stipt in de volvoering +van zijne taak was. + +"Heb daar maar geen zorg voor, heer ridder," zeide Sancho. "Geef +mij uwen zegen, laat mij Rocinante bestijgen, en houd mij nu maar +niet langer op. Uwe dwaze stukken behoef ik niet te zien, daar ik +er zonder dat wel zooveel van zal vertellen, dat uwe meesteres er +versteld en verbijsterd van staat." + +"En toch verlangde ik, dat gij althans een dozijn van mijne dolheden +met eigen oogen aanschouwdet," zeide Don Quichot. "Gij kunt dan +bezweren, dat gij mij in den staat van volslagen razernij hebt gezien, +en deze betuiging zal ontwijfelbaar een diepen indruk op de aangebedene +van mijn hart maken." + +"Neen, neen, laat dat rusten," antwoordde Sancho. "Wij hebben nog +gewichtiger dingen af te doen. Wat, bij voorbeeld, zult gij te eten +krijgen in den tijd, dat ik weg ben? Teerkost heeft geen van ons +beiden meer." + +"Maak u daar niet bezorgd over, mijn zoon," zeide Don Quichot. "Al +waren wij nog zoo ruim van mondvoorraad voorzien, toch zou ik daar +niets van aanraken. Ik zal mijn leven rekken met de kruiden, die hier +in de weide groeien en met de vruchten des wouds, want zoo verlangt +het de waanzin, waaraan ik mij prijs zal geven." + +"Nu, dan wensch ik u smakelijk eten!" zeide Sancho. "Maar nog één +ding! Hoe zal ik de plaats weervinden, waar ik u nu verlaat? Ze +schijnt mij vrij wat afgelegen, en 't zou een leelijk ding wezen, +als ik weken lang omdwalen moest en u nergens weerom kon vinden." + +"Prent u onder het rijden goed de merkteekens van den weg in het +hoofd," antwoordde Don Quichot. "Ik voor mij zal dezen omtrek niet +verlaten en tegen den tijd, dat ik u terug mag verwachten, de hoogste +toppen der omliggende bergen beklimmen, om naar u uit zien. Ook kunt +gij uw weg door boomtakken merken, die gij van tijd tot tijd in den +grond steekt, en de groene twijgen zullen u dan als zekere wegwijzers +in mijne nabijheid terugbrengen." + +"Welaan, dat wil ik doen," riep Sancho en sneed al dadelijk een +voorraad takken af. Hierop verzocht hij den edelen ridder om zijn +zegen, nam onder heete tranen van hem afscheid, besteeg Rocinante +en aanvaardde zijn tocht. Hij was echter nog geen honderd passen ver +gereden, of hij keerde op een drafje weerom en riep: + +"Luister, heer ridder! Daar valt mij in, dat het toch niet kwaad +zou wezen, dat ik althans één van uwe dolle stukken zag. Ik kan dan +met een goed geweten bezweren, dat gij wis en waarachtig stapelgek +zijt geworden." + +"Ziet gij wel, dat ik gelijk had?" riep Don Quichot verheugd +uit. "Wacht maar, mijn zoon! Ik zal er u dadelijk een vertoonen." + +Na deze woorden trok hij met den meest mogelijken spoed zijne kleeren +uit en hield niets aan zijn lichaam buiten het bloote hemd. Hierop +buitelde hij een paar malen over den kop, vertoonde allerlei gekke +bokkesprongen, ging op zijn hoofd staan, kortom, stelde zich zoo boven +alle beschrijving gek aan, dat Sancho Panza met de volste overtuiging +van zijns meesters dolheid weg kon rijden. + +Terwijl Sancho Panza zijns weegs trok, staakte de ridder zijne +luchtsprongen en kopjebuitelingen en beklom eene hooge rots, om +daar bedaard te overleggen, of hij verder voor razenden Roland of +eenvoudig voor den smachtenden Amadis wilde spelen. Na lang, ernstig +nadenken besloot hij eindelijk zich Amadis tot voorbeeld te kiezen, +omdat hij daarbij noch zoo veel builen te vreezen, noch ook boomen +uit den grond te rukken en rotsen te vergruizelen had. Zoo kortte hij +zich dus den tijd met op de groene weide rond te kuieren, den zoeten +naam zijner Dulcinea in de schors der boomen te snijden en verzen te +maken, die in liefelijkheid alles overtroffen, wat nog ooit door een +menschenkind gedicht is. + + + + + + +HOOFDSTUK XII. + +HOE DON QUICHOT UIT HET ROTSDAL BEVRIJDT WORDT. + + +Onderwijl reed Sancho Panza door de bosch- en bergstreken en kwam +al spoedig op den grooten heerweg uit. Dezen houdende kwam hij den +volgenden dag aan de herberg, waar hij eerst voor eenige dagen door +eenige reizigers zoo erg beet was genomen, en zoodra hij haar in het +oog kreeg, had hij een gevoel, alsof hij weer hoog in de lucht werd +opgegooid. Dus wilde hij hier liever maar niet pleisteren, alhoewel hij +juist tegen den besten tijd van den dag, tegen etenstijd namelijk, +in de nabijheid kwam. Zijne maag kwam echter tegen dezen zijnen +wil in opstand, en daar de mensch bijna altijd aan de eischen van +zijne maag moet gehoorzamen, zoo voldeed ook Sancho Panza aan hare +dringende aanmaning en reed regelrecht op de herberg toe, om haar +door eene warme soep en een duchtig stuk vleesch tevreden te stellen. + +Juist toen hij in de deur trad, kwamen twee heeren naar buiten, +die hem terstond herkenden. De een sprak tot den ander: "Kijk eens, +heer pastoor, is dat niet Sancho Panza, die met den gekken ridder +Don Quichot op avonturen is uitgegaan?" + +"Ja, waarlijk, hij is het," antwoordde de pastoor, "en hij zit op +den knol van zijn meester." + +Die beide mannen waren, gelijk wij reeds geraden hebben, de pastoor +en de barbier uit Don Quichots dorp, die voor eenigen tijd met de +huishoudster van den dolenden ridder al diens mooie ridderboeken +verbrand en den ingang tot de bibliotheek dichtgemetseld hadden. Zij +naderden den schildknaap, en de pastoor, uiterst verlangend, om iets +van Don Quichot te vernemen, riep hem bij zijn naam en vroeg hem: +"Vriend Sancho Panza, waar is uw heer?" + +De ondervraagde herkende de beide mannen op het eerste gezicht, +doch nam zich voor, hun van het verblijf en de lotgevallen van zijn +meester geen enkel woord te verklappen. Hij antwoordde dus kortaf, +dat zijn heer ergens een gewichtige zaak had in orde te brengen, +waarvan hem streng verboden was iets naders te zeggen. + +"Nu, als de zaken zoo staan, vriend Sancho," sprak de barbier, die +terstond begreep, hoe het was, "als gij niet zeggen wilt, waar de +ridder zich ophoudt, dan moeten wij aannemen, dat hij door u vermoord +en geplunderd is geworden. Gij rijdt op zijn paard en gij moet dus +ook uw meester terugbezorgen, of 't zal leelijk met u afloopen." + +"Ho, ho, maar zoo driftig niet!" riep Sancho Panza op barschen toon, +alhoewel de bedreiging van den barbier hem wel eenigszins ongerust +maakte. "Ik ben geen man, om andere eerlijke menschen dood te slaan, +en als gij mijn heer vinden wilt, zoek hem dan daarginder in het +gebergte, waar hij zich met veel kunst en knapheid stapelgek houdt." + +Op verder navragen der beide heeren bracht hij hen nu bij de rij af al +de avonturen en dolheden van zijn meester over en voegde er bij, dat +hij was afgezonden, om aan de dochter van den boer Lorenzo Corchuelo +een brief over te brengen. De beide heeren hoorden dit bericht met +verwondering aan; want ofschoon zij Don Quichot een tamelijk hoogen +graad van gekheid toeschreven, moesten zij erkennen, dat wat zij nu +van zijne dollemansstreken vernamen, hunne stoutste verwachtingen +nog verre overtrof. Eindelijk verzochten zij Sancho, hun den brief +te toonen, dien de ridder aan zijne aangebedene Dulcinea van Toboso +geschreven had. + +Sancho Panza tastte dadelijk in den zak, om aan hun verlangen te +voldoen, maar ontdekte tot zijn schrik, dat hij het boekje moest +verloren hebben. Hij werd doodsbleek van schrik, woelde en grabbelde +in al zijne zakken om en geraakte in zulk eene vertwijfeling, dat hij +haar en baard uitrukte en zich met beide vuisten zoo in het gezicht +sloeg, dat het bloed hem uit den neus sprong. De barbier en de pastoor +verwonderden zich natuurlijk zeer over zijn gedrag en vroegen hem, +waarom hij dan toch zoo tegen zijn eigen vleesch woedde. + +"Daar is mij 't grootste ongeluk van mijn geheele leven +overkomen!" huilde Sancho. "Ik heb drie jonge ezels verloren, waarvan +ieder althans een gravenslot waard was." + +"Ei! En hoe heeft dat zich toegedragen?" vroeg de barbier. + +"Wel, doodeenvoudig," antwoordde Sancho. "Ik ben het zakboekje kwijt, +waarin de brief van mijn heer aan zijne Dulcinea en buitendien ook de +door hem eigenhandig onderteekende aanwijzing staat, dat zijne nicht +mij drie van de jonge ezels, die hij op stal heeft, moet uitleveren." + +De pastoor troostte hem over dat verlies en beloofde hem, zijnen +heer te zullen bewegen eene tweede aanwijzing op de drie ezels af +te geven. Deze toezegging stelde den schildknaap ten volle gerust, +terwijl het verlies van den brief voor Dulcinea hem niet de koude +kleeren scheen te raken. + +"Ik ken hem bijna van buiten, daar ik hem onder weg verscheiden malen +gelezen heb, en kan hem desnoods uit mijne memorie opschrijven," +zei hij op onverschilligen toon. + +"Toe dan, zeg hem ons voor," antwoordde de barbier. "Wij willen hem +dan later op papier brengen." + +Bij deze uitnoodiging krabde Sancho zich verlegen achter de ooren +en gaf zich alle mogelijke moeite, om de woorden van het schrijven +in zijn geheugen terug te roepen. Hij trok daarbij nu het eene, dan +het andere been in de hoogte, keek nu naar de lucht en dan naar den +grond, scheen zich de nagels van de vingers te willen zuigen en riep +eindelijk in zijne verlegenheid: + +"Hoort, mijne heeren, de drommel mag me halen, als ik nog veel van +den brief weet! Mij heugt alleen nog maar het begin en dat was: +Allerverhevenste en alleromgeperste gebiederesse!" + +"Alleronbeperktste zal er gestaan hebben," zei de barbier lachend. + +"Ja, ja, zoo was het vast," zeide Sancho; "en dan kwam verder: "De +verwonde, blauwgebeukte en slapelooze kust u de hand, onbekende en +ondankbare jonkvrouwe!" en zoo al voort tot aan het slot, dat was: +"De uwe tot den dood, Don Quichot van La Mancha, Ridder van de +Droevige Figuur." + +De beide mannen lachten, dat de tranen hun over de wangen rolden, +en lieten zich den brief nog eenige malen herhalen. Sancho Panza vond +daar zelf pleizier in en vertelde buitendien nog eene menigte andere +geschiedenissen, zonder echter van het onbetaald gebleven gelag in +de herberg ook maar met een woord te reppen. + +"Als mijn meester," zoo vervolgde hij, "zijne penitentie in het +rotsdal volbracht heeft, zullen wij terstond op weg gaan, om ons een +keizerschap of toch voor 't minst een koningschap te veroveren. Zoo +hebben wij het tusschen ons beiden afgesproken, en 't kan niet +anders, of het zal mijn heer met zijne ontzettende koenheid heel +licht gelukken, dit doel te bereiken. Als wij eenmaal zoover zijn, +dan wil mijn heer mij eene edele jonkvrouw tot gemalin geven en mij +tot gouverneur van een eiland benoemen, dat minstens zoo groot als +heel Spanje is." + +Sancho kwam met deze ongerijmdheden met zooveel bedaardheid en +innerlijke overtuiging voor den dag, dat zijne beide toehoorders vol +verwondering de hoofden schudden. + +"Hoever," fluisterde de pastoor den barbier toe, "hoever moet het +met Don Quichots waanzin gekomen zijn, dat hij ook het verstand van +dezen armen sukkel zoo deerlijk op hol kon brengen!" + +Nochtans besloten zij, zich geen moeite te geven, om Sancho Panza +uit zijn droom te helpen. Zijne ziel werd er niet door in gevaar +gebracht, en zij zelven beloofden zich van zijne verdwaasdheid nog +vrij wat pret. Zij zeiden hem derhalve slechts, dat hij maar op +de gezondheid zijns meesters moest hopen, opdat die al zijne stoute +plannen en ontwerpen zou kunnen volvoeren en hijzelf mettertijd keizer +of aartsbisschop of wat anders heel hoogs en voornaams zou worden. + +"Wat!" vroeg Sancho, "kan een dolend ridder ook aartsbisschop +worden? Wat heb ik, als zijn trouwe schildknaap, dan niet eene +belooning te wachten!" + +"Wel zeker, gewoonlijk krijgen de schildknapen de eene of andere vette +prebende of toch ten minste eene goede kostersplaats," antwoordde +de pastoor. + +"Welaan," verklaarde Sancho, zich vergenoegd de handen wrijvende, +"dan wil ik mijn meester daarheen leiden, waar 't voor hemzelf het +best is en hij mij de vetste happen kan toeduwen." + +"Gij zijt een vroom man en een goed Christen, Sancho," sprak de +pastoor. "Doch 't wordt nu tijd, een middel uit te denken, om uw heer +van zijne onnutte boete af te brengen, en me dunkt, we stappen daartoe +hier de herberg binnen, om dat eens op ons gemak te bepraten. Kom, +vriend Sancho, wees onze gast bij den maaltijd." + +Sancho's schrik voor de herberg was intusschen weer levendig geworden +en hij zei dus, dat zij maar moesten binnengaan; hij zelf zou zoolang +buiten wachten en hun later de reden zeggen, waarom hij van hunne +uitnoodiging geen gebruik kon maken. Evenwel zouden zij hem groot +pleizier doen, indien zij hem eene portie warm eten en Rocinante een +maaltje gerst buiten wilden zenden. + +De beide mannen drongen na deze verklaring niet verder bij Sancho +aan, maar traden in de herberg. De barbier verzuimde echter niet, den +hongerige en zijn rijbeest al spoedig ruim van het noodige te voorzien. + +Terwijl Sancho Panza in eenzaamheid zijn maal verteerde, overlegden de +pastoor en de barbier, op welke wijze zij het best hun doel bereiken en +Don Quichot van zijn dol opzet afbrengen konden. Na lang heen en weer +praten, kwam de pastoor op een denkbeeld, dat zoowel met des ridders +dweperij, als ook met hunne bedoelingen in volmaakte overeenstemming +was. Hij had namelijk den inval, zichzelf als eene dolende jonkvrouw +te vermommen, terwijl de barbier zich als stalmeester van de edele +dame in het pak zou steken. Zoo verkleed wilden zij Don Quichot gaan +opzoeken; de pastoor zou zich voor eene vervolgde, hulpbehoevende +edelvrouwe uitgeven en hem bezweren, haar te volgen en den smaad en +hoon te wreken, haar door een boozen, ondeugenden ridder aangedaan. Om +het geheim niet voor den tijd te verraden, wilde de pastoor eene +gelofte voorwenden, die haar verbood, zich te ontsluieren, voordat +Don Quichot haar tegen den valschen ridder recht had verschaft, +en hij vertrouwde ten volle, dat het op die wijze gelukken zou, +den krankzinnigen ridder naar zijne oude woonstee terug te brengen +en hem daar geheel van zijne kwaal te genezen. + +Den barbier kwam dit plan zoo goed voor, dat hij terstond op de +uitvoering er van aandrong. Zij verzochten dus van de waardin een +vrouwenkleed en een hoofdkap met toereikend dichten sluier ter leen en +werden aan een en ander volgens hun wensch geholpen. De barbier echter +maakte zich een ontzettenden baard van een roodbruinen ossestaart, +waarin hij gewoonlijk zijn kam placht te steken. Op haar vragen vernam +de herbergiersvrouw, waartoe deze verkleeding eigenlijk moest dienen, +en nu begreep zij oogenblikkelijk, dat die gekke ridder haar gewezen +gast en de heer van dien geplaagden schildknaap moest zijn. Zij +vertelde den pastoor, wat toenmaals was voorgevallen, en verzweeg +ook niet het geringste van wat Sancho Panza zoo zorgvuldig verborgen +had gehouden. + +Hierop verkleedde zij den pastoor met zooveel zorg, dat hij zichzelf +bijna niet herkend zou hebben. Zij trok hem een lakenschen rok +aan, die met breede zwartfluweelen strooken bezet was, gaf hem een +groenfluweelen rijglijf en wou hem ook nog het haar kappen, zooals de +vrouwen gewoon zijn, dat te doen. Dit laatste liet de brave man evenwel +niet toe, maar hij bedekte zijn hoofd met eene witte linnen slaapmuts +en bond daar een sluier aan, die zijn baard en zijn geheele gezicht ten +volle bedekte. Daarop drukte hij zich zijn grooten breedgeranden hoed +diep in de oogen, wierp een langen mantel om en ging, op vrouwenmanier, +dwars op zijn muildier zitten. Ook de barbier met zijn roodbruinen +langen baard besteeg zijn ezel, en zoo zeiden zij de wakkere waardin +vaarwel en gingen bij Sancho, die over de wonderlijke toetakeling +der beide eerzame mannen lachen moest, dat zijn buik er van schudde. + +Terwijl zij nu den weg naar het gebergte insloegen, begreep de +pastoor, dat het in den grond nergens toe diende, dat zij nu reeds +hunne verkleeding droegen, en besloot dus die vooreerst af te +leggen en eerst weder aan te nemen, als zij in de nabijheid van de +schouwplaats hunner daden en van Don Quichots dwaasheid zouden zijn +aangekomen. Dit geschiedde, en in zeer vroolijke stemming vervolgden +zij hierop hunnen tocht. + +Den volgenden dag kwamen zij aan de plaats, waar Sancho Panza de +boomtakken in den grond had gestoken, om hem tot wegwijzers te +dienen. Hier vonden zij een lustig gezelschap van personen, die, +naar het scheen, eene reis door het gebergte hadden gedaan. Het +bestond uit drie heeren en eene dame van buitengewoone schoonheid. + +Sancho Panza haastte zich vooruit, om voorloopig naar zijn heer om +te zien; doch de pastoor liet zich in een gesprek met de reizigers +in en vertelde op hunne vraag, hoe hij hierheen kwam, alles wat hij +van Don Quichot wist, van zijne wonderbaarlijke dwaasheid en van zijn +waanzinnig besluit, om in een rotsdal van het gebergte den razenden +Roland of den smachtenden Amadis van Gallië te spelen. + +De jonge dame had dit verhaal onder veel lachen aangehoord, en daar +zij van een zeer vroolijken en spotzieken aard was, wist zij hare +begeleiders over te halen, den braven pastoor in zijn goed werk te +ondersteunen en den dollen ridder van La Mancha eens eene heilzame +poets te helpen spelen. + +"Ik wil de vervolgde jonkvrouw voorstellen," zeide zij, "en kan die rol +recht natuurlijk spelen, daar ik toevallig eenige kleeren bij mij heb, +die daarbij uitmuntend te pas kunnen komen. Ook weet ik zeer goed, hoe +dergelijke dames in de riddergeschiedenissen doorgaans spreken en zich +aanstellen, en dus twijfel ik niet, of de grap zal kostelijk gelukken." + +De pastoor en de overige heeren waren met dit plan dadelijk bijzonder +ingenomen, en de vreemde dame, die blijkbaar van hoogen stand was en +Dorothea heette, haalde dus uit haar reiskoffer een prachtig fluweelen +kleed voor den dag, tooide zich met schitterende juweelen en schikte +zich zoo deftig op, dat elk haar wel voor eene echte ridderdame uit +den goeden ouden tijd moest houden. Allen stonden over haar prachtig +uitzien verbaasd, en vooral Sancho Panza, die intusschen teruggekeerd +was, kon niet ophouden haar te bewonderen, en verklaarde haar voor +de schoonste dame, die hij nog ooit in zijn leven gezien had. Hij +vroeg heimelijk den pastoor, of die niet wist, wie zij was. + +"Zeker weet ik dat, vriend Sancho," antwoordde de pastoor, om den +schildknaap wat te foppen. "Deze schoone jonkvrouw is eene prinses +en de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon. Zij is hierheen +gekomen, om de hulp van uw meester in te roepen tegen een reus, +die haar ten schandelijkste beleedigd heeft, en stelt het hoogste +vertrouwen op zijn heldenmoed en zijne dapperheid." + +Sancho Panza nam deze gekheid voor echte munt op en zeide vergenoegd: +"Waarlijk, dan heeft zij zich tot den rechten man gewend, want mijn +heer weet met reuzen om te springen, alsof het ratten en muizen +waren. Och toe, heer, zorg, dat hij die schoone prinses tot gemalin +en zoodoende haar gansche koninkrijk krijgt. Stellig maakt hij mij +dan tot zijn stadhouder, en mijn fortuin is voor altijd gemaakt. Maar +hoe heet de schoone prinses eigenlijk?" + +"Zij heet prinses Micomicona naar haar koninkrijk Micomicon," +antwoordde de pastoor; "en ik wil mijn uiterste best doen, om uw +meester tot een huwelijk met haar te bewegen. Maar zeg, in welken +toestand hebt gij den edelen ridder eigenlijk gevonden?" + +"Och lieve hemeltje," zeide Sancho Panza, "ik vond hem half naakt, in +'t bloote hemd, vervallen, geel, van honger blaffend en voortdurend +naar zijne Dulcinea zuchtend. Ik droeg zorg, dat hij mij niet te zien +kreeg, en ben maar dadelijk tot u teruggekeerd." + +Onderwijl werd Dorothea op des pastoors muilezel geholpen, bond +de barbier zijn ossestaart weer voor en beval de pastoor Sancho, +die beiden in Don Quichots nabijheid te brengen. Hij prentte hem +goed in, op geenerlei wijze te verraden, dat hij den barbier kende, +en wendde zich toen tot Dorothea, om de rol van het op te voeren +kluchtspel nog eens met haar door te loopen. Hierop gingen de dame, +de barbier en Sancho Panza op weg, terwijl de anderen, om het spel +niet te bederven, vooreerst achterbleven. + +Zij konden misschien een kwartier afgelegd hebben, toen Dorothea een +maar half gekleeden man in het oog kreeg en van Sancho hoorde, dat +dit de dolle ridder in hoogsteigen persoon was. Terstond spoorde zij +nu haar muildier aan en de ossebaardige barbier volgde haar op den +voet. Zoodra zij dicht bij den ridder waren, sprong de voorgewende +palfrenier van zijn ezel en hielp Dorothea van haar muildier. De dame +viel dadelijk voor Don Quichot op de knieën neer; deze wilde haar +oprichten, doch zij wilde niet opstaan, maar begon op hoogdravenden +toon de volgende toespraak: + +"Dappere, edele en grootmoedige ridder! niet eer zal ik van mijne +knieën opstaan, voordat gij mij uw ridderlijk woord hebt gegeven, +de sterkte van uwen arm tot hulp eener ongelukkige aan te wenden, +die op de faam uwer daden uit verre landen is toegesneld, om u te +smeeken, aan haren nood en hare ellendigheid een einde te maken." + +"En ik," antwoordde Don Quichot op denzelfden toon, "zal u niet +eer antwoord geven, alleraanminnigste en allerschoonste jonkvrouwe, +voordat gij van dien vuilen grond zijt opgestaan." + +"Neen, edele heer," verklaarde de smeekelinge, "hier zal ik neerknielen +in het stof, tot uwe goedertierenheid mij de genade heeft toegezegd, +welke ik smeekend van u durfde vragen." + +"Welaan dan," sprak Don Quichot, "zoo zij uwe bede u toegestaan, mits +zij namelijk niet strijdt tegen wat ik mijn vaderland, mijn koning +en mijn hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso verschuldigd ben." + +"Tegen niets van dat alles strijdt zij," antwoordde de hulpzoekende +jonkvrouw en richtte zich op. + +Inmiddels kwam Sancho Panza achter zijn meester staan en fluisterde +hem in het oor: "Toe, toe maar, edele heer! Gij kunt aan de dame +veilig alles beloven, want zij verlangt eenvoudig maar, dat gij een +geweldigen en schrikbarenden reus voor haar kapot maakt. Zij is de +verheven prinses Micomicona, de erfgename van het groote koninkrijk +Micomicon in 't land van Aethiopië." + +"Zwijg!" beval de ridder op barschen toon. "Zij moge wezen, wie zij +wil, ik zal doen, wat mijn plicht als dolend ridder voorschrijft." + +Hierop keerde hij zich weer tot de dame en sprak: "Spreek, doorluchtige +jonkvrouwe! Wat is uwe begeerte?" + +"Ik bid en smeek, hooge ridder," zeide de dame, "dat uw grootmoedig +persoon met mij komen en beloven moge, geen ander avontuur te beginnen, +voordat gij mij wraak en genoegdoening tegen den snooden verrader +hebt verschaft, die in strijd met alle menschelijke en goddelijke +wetten mijn koninkrijk overweldigd heeft." + +"Het zij u toegestaan, edele dame," antwoordde de ridder met veel +grootmoedigheid. "Verban derhalve de droefgeestigheid van uw aanminnig +aangezicht en verheug u, want met Gods hulp zal ik uwe goede zaak recht +verschaffen en u weder op den troon uwer vaderen plaatsen. Laat ons +moedig en wakker tegen de schurken en roovers te werk gaan, want uit +talmen en dralen komt niets dan gevaar en tegenspoed voort." + +De eerst beproefde, maar thans wonderbaarlijk vertrooste jonkvrouwe +wilde met alle geweld den ridder de handen kussen, wat deze als +hoffelijk en welgemanierd held evenwel volstrekt niet toestaan +wou. Veeleer omhelsde hij haar met groote aandoening, waarna hij zijn +schildknaap beval, Rocinante den gordelriem vaster aan te halen en +hemzelf de wapenstukken aan te leggen. Dit geschiedde, en nu riep hij: +"Welaan, in naam van Dulcinea, laat ons gaan, want de aanminnige dame +moet geholpen worden." + +De barbier had, terwijl dit alles voorviel, nog altijd op de knieën +gelegen en zichzelf alle geweld aangedaan, om 't niet hardop uit +proesten en daardoor de heele grap op eens te bederven. Toen hij zag, +dat de terugreis zou worden aangenomen, sprong hij op, hielp zijne +gebiedster op het muildier en steeg vervolgens ook zelf op. Don +Quichot stapte op Rocinante; doch Sancho, voor wien paard noch ezel +meer overbleef, moest te voet het gezelschap volgen. Niettegenstaande +dat bleef hij blij en welgemoed, want hij waande zijn meester thans op +den besten weg, om door het huwelijk met de prinses keizer te worden; +en dan kon 't niet uitblijven, of ook hij zou geborgen zijn en tot +een groot stadhouderschap geraken. De eenige zorg, die hem kwelde, +bestond in de omstandigheid, dat zijne toekomstige onderdanen Negers +zijn zouden. Evenwel wist hij zich ook daarover te troosten, daar hij +het plan opvatte, hen tot een handelsartikel te maken en er zoovelen +van te verkoopen, als hij maar goedschiks slijten kon. + +Intusschen kwam het gezelschap weder op de vlakte aan den voet van het +gebergte, waar de pastoor en de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea +het opwachtten. Om zich zonder omstandigheden te kunnen aansluiten, +kwam de pastoor met open armen op Don Quichot toe, viel hem te voet, +omhelsde zijne knie en hield eene toespraak tot hem, die zoo rijkelijk +met vuistdikke bloemen en pluimpjes voor den dolenden ridder doorspekt +was, dat Don Quichot zelf hem en die bij hem waren uitnoodigde, met +hem te gaan. Ja, hij wou zelfs afstijgen en den pastoor zijn eigen +Rocinante ten gebruike overlaten. + +Dit aanbod werd nochtans door den pastoor niet aangenomen, en er +volgde eene kleine vriendschappelijke schermutseling, totdat de dame +tusschenbeide kwam en haar palfrenier, d. i. den barbier met den +ossestaart, verzocht zijn plaats aan den geestelijken heer af te +staan en achter dezen op het muildier te kruipen. + +De gehoorzame palfrenier was hier aanstonds toe bereid; hij steeg +af en liet den pastoor zijne plaats in den zadel over. Toen hij nu +echter achter hem opzitten wilde, begon het muildier te steigeren en +achteruit te slaan, en toonde zich zoo koppig, dat meester Nicolaas +op den grond tuimelde en onder den val zijn ossestaart verloor. + +Don Quichot was niet weinig verwonderd, toen hij op eens den +roodbruinen baard van des barbiers gelaat verdwenen zag, doch stelde +zich spoedig gerust, toen de pastoor hem toeschreeuwde, dat alleen dat +verwenschte muildier den armen palfenier zoo deerlijk gehavend had. Hij +zou echter wel zorgen, dat de baard ten spoedigste weer aangroeide. + +Alles, wat den schijn van het wonderbare had, was voor den goeden +ridder het geloofwaardigste ter wereld. Hij gaf dus ook volstrekt geen +bevreemding te kennen, toen hij zag, hoe de pastoor den baard opraapte, +bij de borst van den barbier neerknielde, eenige wonderlijke grimassen +maakte en een paar tooverwoorden mompelde, die den baard op eens zoo +vast deden zitten, als die vroeger gezeten had. Men steeg opnieuw op +en de door dit toeval vertraagde reis werd nu onverwijld voortgezet. + +Onderweg kraamde Don Quichot nochtans zoo veel onzin uit en overstelpte +Sancho Panza, om zich zijn stadhouderschap te verzekeren, zijn +meester met zoo veel dwaze en kant noch wal rakende loftuitingen en +pluimstrijkerijen, dat de vreemde dame de klucht spoedig moe werd en +van harte blij was, toen zij den volgenden dag de herberg bereikten, +van waar de pastoor en de barbier waren opgebroken, om Don Quichot +op te zoeken en door list naar huis terug te lokken. + +Wat nu echter in deze herberg gebeurde en welke heldendaad de Ridder +van de Droevige Figuur aldaar verrichtte, daarvan zal in het volgende +hoofdstuk uitvoerig verslag worden gegeven. + + + + + + +HOOFDSTUK XIII. + +DON QUICHOT VELT EENIGE REUZEN EN WORDT NAAR HUIS GEBRACHT. + + +In de herberg aangekomen, werd Don Quichot door den waard zeer beleefd +verwelkomd en de ridder nam dit teeken van eerbied met zichtbaar +welgevallen aan. Op zijne vraag, of hij een goed nachtverblijf kon +bekomen, antwoordde de waard toestemmend en verklaarde, dat, mits hij +goed betalen wilde, hij een zoo groot en kostelijk bed zou krijgen, +dat een keizer of koning er in hun paleis geen beter hadden. Don +Quichot beloofde te zullen betalen, en werd hierop door den waard in +hetzelfde vertrek gebracht, waar hij voor eenigen tijd dat merkwaardig +avontuur met den muildierdrijver, den gerechtsdienaar en Maritornes, +de meid, bestaan had. Ten einde zijn doel te bereiken, dat hij geen +oogenblik uit het oog verloor, volgde Sancho Panza hem daarheen; +doch de overigen bleven in de algemeene gelagkamer, waar 's ridders +ongehoorde dwaasheid hun stof tot lachen in overvloed gaf. + +Zoodra de Ridder van de Droevige Figuur zich met zijn schildknaap +alleen bevond, nam hij dezen een examen af, dat Sancho Panza hoegenaamd +niet beviel. Don Quichot vroeg namelijk naar zijne aangebedene Dulcinea +van Toboso, en Sancho had het gesprek veel liever op de prinses van +Micomicon gebracht, om in zijn heer den wensch op te wekken, om die +schoone dame te huwen, en zichzelf op die wijze het vurig begeerde +stadhouderschap te verzekeren. Desniettemin moest hij op Don Quichots +vragen antwoorden geven; doch hij richtte die in, zooals zij best in +zijn kraam te pas kwamen. + +"Nu, Sancho Panza," begon Don Quichot, nadat hij zich languit op zijne +legerstede had uitgestrekt, "waar en hoe hebt gij de aanbiddelijke +Dulcinea aangetroffen? Wat deed zij, wat zeide zij? Hoe dacht zij over +mijn brief? Spreek, maar hoed u, met leugens voor den dag te komen, +want die zouden u hals en hoofd kosten." + +"Ja, heer, om de waarheid te zeggen, heb ik den brief niet kunnen +doen overschrijven en overbrengen," antwoordde Sancho Panza met de +handen in het haar. "Ik heb uw zakboek verloren, edele ridder." + +"Sancho Panza, hieraan zie ik, dat gij mij geen leugens op de mouw wilt +spelden," sprak Don Quichot uitermate tevreden. "Gij moet weten, dat ik +zelf het zakboek vond, toen gij mij nog pas een uur hadt verlaten. Uwe +waarheidsliefde draagt mijne volle goedkeuring weg en ik verzoek u, +het verhaal van uwe verdere lotgevallen te beginnen. Spreek op en zeg, +waarmede mijne gebiedster zich bij uwe aankomst bezighield? Reeg zij +niet parels aan gouden draden of zat zij eenig zinnebeeld voor haren +in staat van razernij verkeerenden ridder te stikken?" + +"Neen, dat deed zij niet," bromde Sancho Panza verdrietig. "Zij was +bezig voor haar vader twee schepels tarwe te ziften." + +"Wat?" vroeg Don Quichot. "Tarwe? Dan zaagt gij zeker ook, dat +de korrels onder hare fijne handen in diamanten en edelgesteenten +veranderden?" + +"Daar heb ik niemendal van gemerkt. Ze bleven heel gewone, grove, +gele tarwe." + +"Nu, dan wordt zekerlijk het fijnste brood daaruit gebakken," +verklaarde de ridder. "Maar ga voort! Hoe nam zij de boodschap van +mij op? Geraakte zij niet buiten haarzelve van verrukking, toen zij +u mijnen naam hoorde noemen?" + +"Neen, volstrekt niet," antwoordde Sancho. "Zij stond midden in het +dichtste stof en stak wat den gek met mijne tijding van u. Ik zei, +dat gij half naakt in den wildernis rondliept, op den blooten grond +sliept, geen kam, water of handdoek gebruiktet en uw tijd doorbracht +met uw lot te beweenen en te verwenschen. Toen antwoordde zij mij, +dat gij een gek en een vuile, morsige kerel waart, en wou niets meer +van u hooren. Dus, lieve heer, laat die domme boerendeerne loopen en +houd u aan de schoone prinses Micomicona. Deze moet gij trouwen, want +gij trouwt met haar een heel groot koninkrijk en kunt dan uwen trouwen +schildknaap beloonen, die u altijd braaf en eerlijk gediend heeft." + +"Zwijg!" beval Don Quichot met somberen ernst. "Ik mag uw wensch niet +vervullen en nimmer aan trouwen denken, zoolang Dulcinea van Toboso +nog mijne hooge en verhevene gebiedster is." + +Deze woorden van den ridder deden zijn schildknaap in hevigen toorn +ontvlammen. "Bij hoog en bij laag zweer ik, dat gij de grootste +gek zijt, die op twee beenen loopt, als gij de prinses Micomicona +niet trouwt!" schreeuwde hij. "Denkt gij, dat u elken dag eene zoo +goede gelegenheid wordt aangeboden, als u hier onder den neus wordt +geduwd? Meent gij, dat uwe smerige Dulcinea maar half zoo mooi is +als de prinses? Niet het honderdste part zoo mooi is ze en ze is niet +waard de wezenlijke en waarachtige prinses de voeten te kussen. Trouw +haar in 's hemels naam, zeg ik, en neem het koninkrijk, dat u maar +zoo vanzelf in den mond komt vliegen! Als gij eerst koning zijt en +mij tot stadhouder hebt gemaakt, doe dan, wat ge niet laten kunt, +en mijnenthalve mag je de drommel halen, als ik eerst geborgen ben +en mijne schaapjes geschoren heb." + +Toen Don Quichot zijn schildknaap zulk eene taal hoorde voeren, +geraakte hij van verbaasdheid zoo geheel buiten zichzelf, dat hij geen +woord over de lippen kon brengen. Hij richtte zich langzaam in zijn bed +op, greep naar zijne lans en liet die met zooveel geweld op Sancho's +breede schouderbladen neervallen, dat deze tuimelde, waar hij stond. + +"Neem dat, gemeene boerenziel!" riep hij alstoen, "en hoed u in het +vervolg, één smalend woord tegen mijne meesteresse Dulcinea uit te +brengen. Gij moet niet denken, dat gij haar ooit ongestraft beschimpen +moogt, hondsvot, deugniet, schavuit, domme rekel, die ge zijt! Zwijg, +zeg ik je, of reken er op, dat ik je je beetje hersens uit den dikken +schedel zal stampen." + +Na aan zijne gramschap in deze niet zeer kiesche en malsche +bewoordingen lucht te hebben gegeven, liet de Ridder van de Droevige +Figuur zijn hoofd op het kussen neervallen, strekte de lange beenen +uit en sliep in. Sancho echter, wien de rug nog gloeide, stond op, +dook in een hoek neer en hield zich doodstil. + +Intusschen hadden de pastoor, de barbier en het overige gezelschap er +in de herberg hun gemak van genomen en bij den waard een duchtig maal +besteld. Terwijl zij daarop wachtten, brachten zij het gesprek opnieuw +op Don Quichot en overlegden, wat zij verder aanvangen moesten, om +hem veilig naar huis terug te brengen. De dame had hare bekomst van +de grap en wilde met hare begeleiders de reis voortzetten, zonder +zich verder om den dollen ridder te bekommeren. De pastoor stelde +dus voor, dezen wijs te maken, dat de prinses met haar geleide was +vooruitgereisd en den ridder in zijn eigen huis opwachten wilde. + +"Als wij hem eens daar hebben," voegde hij er bij, "zullen wij wel +zorgen, dat hij ons zoo spoedig niet weer ontsnapt." + +Nog praatten zij hierover, toen plotseling Sancho Panza geducht +ontsteld uit de kamer van zijn heer kwam aanloopen en met luider +stemme riep: "Komt, heeren, komt toch den ridder Don Quichot te hulp, +want daar zoo pas is hij in het vreeselijkste gevecht gewikkeld, +dat nog ooit op de aarde geleverd is. Haast u, haast u! want, zoo +waar als ik hier sta, heeft hij den reus, den snooden vijand van de +prinses Micomicona, een slag toegebracht, die hem den kop dadelijk +glad van den romp heeft weggesabeld." + +"Wat domme dingen praat gij daar weer, Sancho?" vroeg de pastoor. "Zijt +ge dan nog gekker dan uw gekke heer geworden? Hoe kan Don Quichot +dien reus geveld hebben, daar hij voor 't minst twee duizend mijlen +ver van hier woont!" + +Sancho antwoordde niet, maar wel vernamen thans allen uit des ridders +kamer een geweldig gerucht en hoorden diens luid schreeuwen en roepen. + +"Halt, roover," brulde hij, "halt, schandelijke booswicht! Ik heb u +nu in mijne macht en die groote sabel zal door de kracht mijner vuist +in splinters worden geslagen." + +En terwijl hij zoo tierde, deelde hij rechts en links geweldige +houwen uit en stampte en beukte tegen den wand, dat het halve huis +er van trilde. + +"Waarom staat gij en wacht, in plaats van toe te snellen en mijn +meester bijstand te verleenen?" riep Sancho Panza. "Gaat in de kamer, +scheidt de strijdenden of redt en helpt althans den dappersten van +alle dolende ridders! Maar toch zal dat, hoop ik, niet eens noodig +zijn, want zeker ligt de reus al verslagen aan zijne voeten en braakt +zijne zwarte ziel uit, om daarboven rekenschap te geven van het snoode +leven, dat hij hier geleid heeft. Immers heb ik zelf zijn bloed over +den vloer zien stroomen en het afgehouwen hoofd, dat wel de dikte +van een wijnzak had, in een hoek zien liggen." + +"De drommel hale me, als ik het niet al begrijp!" riep nu op eens +de waard. "Dan heeft me die malle ridder zeker een van de zakken vol +rooden wijn, die vlak boven zijn hoofd hangen, een stoot toegebracht, +en de uitgeloopen wijn is het bloed, dat hier dit domme uilskuiken +gezien heeft." + +Met deze woorden draafde hij naar de kamer van den ridder en alle +overigen volgden hem. + +Zij troffen Don Quichot in den potsierlijksten toestand van de wereld +aan. Hij stond daar in zijn hemd, dat hem pas tot aan de knieën +reikte, en had eene niet al te zindelijke nachtmuts op het hoofd; +hij had zich zijn beddelaken om den linkerarm gewikkeld, om zich +daarvan als schild te bedienen, en in de rechterhand hield hij zijn +verroesten degen, waarmee hij als een dolleman naar rechts en links +steken en houwen uitdeelde. Daarbij schreeuwde hij als bezeten en +stelde zich aan, alsof hij werkelijk met een reus aan het vechten +was. Het wonderlijkste van het geval was echter, dat zijne oogen +vast gesloten schenen, en dat hij werkelijk nog in slapenden toestand +verkeerde. Vermoedelijk had een bedrieglijke droom hem voorgespiegeld, +dat hij zich reeds in het koninkrijk Micomicon bevond en met den reus, +die het land tegen alle recht overmeesterd had, den strijd op leven +en dood had begonnen. In deze inbeelding had hij aan de zakken, die +met rooden wijn gevuld waren, zooveel moorddadige steken toegebracht, +dat de kamer onderliep van den wijn, die nog altijd uit de door zijn +degen geboorde gaten stroomde. + +Bij dit gezicht werd de herbergier zoo woedend, dat hij, zonder een +woord te spreken, op Don Quichot aanviel en met beide vuisten grimmig +op zijn rug begon te trommelen. Hij zou hem hebben doodgeslagen, was +niet de pastoor tusschenbeide gekomen en had beloofd, den verloren +geganen wijn tot den laatsten duit toe te betalen. + +Niettegenstaande de duchtige stompen, die de waard hem met +zijne stevige vuisten had toegediend, werd de slaapwandelaar niet +wakker, maar raasde voort, totdat de barbier een grooten emmer vol +ijskoud water uit den put haalde en hem dat over het gansche lichaam +uitgoot. Toen eerst deed hij de oogen open, maar was nog te verward en +te verbijsterd, om te begrijpen, wat er gebeurd was en wat deerlijke +verwoesting hij had aangericht. + +Onderwijl zocht Sancho naar het hoofd van den gevelden reus, doch kon +dat nergens vinden en riep op krijterigen toon: "Ik wist al lang, +dat in dit huis alles behekst en betooverd is, want hier op deze +zelfde plaats kreeg ik oorvijgen en stompen, zonder dat ik wist waar +ze vandaan kwamen, en nu zoek ik vruchteloos naar den kop, dien ik +met eigen oogen den reus van den romp zag vallen. Het bloed stroomde +na en spoot uit het lichaam op, als het water uit eene fontein." + +"Gij stomme rekel!" bulderde de waard, "wat leutert ge daar van bloed +en fonteinen! Ziet ge dan niet, ezel, dat al dat bloed niets anders +is dan de roode wijn uit de zakken, die je dolle heer me voor altijd +totaal bedorven heeft?" + +"Wat zou ik weten?" snauwde Sancho daartegen in. "Ik weet alleen, +dat ik een ongelukkige sukkel ben, als ik den kop van den reus niet +vind; want mijn graafschap en stadhouderschap zijn dan voor altijd +naar de maan!" + +De waard hoorde verbaasd op bij deze woorden van Sancho, wien de +beloften van zijn heer insgelijks het hoofd geheel op hol gebracht +hadden. Evenwel zwoer hij bij kris en bij kras, dat noch de ridder +noch zijn knecht ditmaal wegkomen zouden gelijk de vorige maal, +d.i. zonder gelag en schade ten volle te betalen. + +Don Quichot was inmiddels weer wat tot zichzelf gekomen en meende, +zijn avontuur triomfantelijk ten einde te hebben gebracht. Hij viel +voor de vermeende prinses Micomicona op de knieën en sprak haar aan, +als volgt: + +"Koninklijke hoogheid, doorluchtigste, edelmoedigste en schoonste +prinses! Van dezen gezegenden dag af kunt gij in rust en veiligheid +leven, want de verfoeielijke toovenaar, de reus, ligt hier verslagen +door mijne dappere hand. Ik echter heb mij ten volle van mijn +ridderplicht gekweten, daar ik met behulp van mijne meesteresse +Dulcinea van Toboso mijne beloften gehouden heb." + +"Hoort gij 't nu wel?" riep Sancho vroolijk. "Heb ik 't niet gezegd? Ik +sprak toch niet in dronkenschap. Nu ziet gij, mijn heer heeft den +reus doodgemaakt en mijn stadhouderschap kan mij nu niet meer ontgaan." + +Allen lachten hartelijk bij deze nieuwe dwaasheden van den ridder +en zijn knaap. Alleen de herbergier vloekte en schimpte nog altijd +voort en wenschte de twee gekken naar het land, waar de peper groeit. + +Om echter aan deze klucht een goed einde te maken, brachten de +pastoor en de barbier den ridder weer te bed, dekten hem warmpjes +toe en merkten tot hunne blijdschap, dat hij van uitputting dadelijk +insliep. Zij lieten hem rusten, traden voor de deur van de herberg, +namen Sancho Panza mee en troostten hem, dat hij het hoofd van den reus +niet had kunnen vinden. De schildknaap was spoedig tevredengesteld; +doch meer moeite had men met den verbolgen waard, die nog altijd +over het verlies van zijn wijn en zijne kostelijke nieuwe zakken +lamenteerde. Hij zette eerst weer een lachend gezicht, toen de +begeleiders van jonkvrouwe Dorothea hem tot schadeloos stelling +eenige goudstukken, die zijne schade dubbel en dwars goedmaakten, +in de hand drukten. + +Nu werd het eten opgedragen en allen schikten vroolijk aan den +maaltijd. Toen die was afgeloopen, nam jonkvrouwe Dorothea met hare +begeleiders van den pastoor en den barbier vriendelijk afscheid, +droeg den verbaasden Sancho op, zijn meester wel duizendmaal van haar +te groeten, en zette toen hare door het avontuur met den dolenden +ridder afgebroken reis met haar gezelschap voort. Eerst toen zij in de +verte verdwenen was, verklapte men aan Sancho, hoe 't met de zaak was +gelegen geweest; en deze maakte zich niet weinig boos over de comedie, +welke men met hem en zijn dapperen meester gespeeld had. Men wist hem +echter door vriendelijke toespraak al spoedig tot bedaren te brengen, +en eindelijk beloofde hij zelfs zijne medewerking tot het beraamde +plan, om den ridder Don Quichot goed- of kwaadschiks weer naar zijne +woonplaats terug te brengen. + +De nacht ging verder rustig voorbij. Den volgenden morgen echter +kwam Don Quichot, die nu uitgeslapen en weer tamelijk goed bij zijne +zinnen was, uit zijne slaapkamer te voorschijn en vernam naar de +prinses Micomicona en de heeren van haar gevolg. De pastoor maakte hem +volgens afspraak wijs, dat die was vooruitgereden, om de woonplaats +van een zoo beroemden ridder als Don Quichot te leeren kennen, en +dat zij aldaar zijne aankomst rustig afwachten wilde. De goede man +stelde zich met deze verklaring dan ook dadelijk tevreden en drong nu +zelf op vertrekken aan, daar zijn harte brandende was van verlangen, +om zijne edele beschermelinge ten spoedigste weer te ontmoeten. + +Vóór de afreis daagde nu ook de barbier op, die tot hiertoe de +betrekking van palfrenier bij de prinses Micomicona had vervuld, +en begroette Don Quichot, alsof hij hem in tijden niet gezien en +gesproken had. Don Quichot verwelkomde hem op dezelfde wijze en +noodigde hem uit, zich aan zijn gezelschap aan te sluiten. Hierop +besteeg hij Rocinante; de overigen, ook Sancho Panza die een muildier +van Dorothea ten geschenke had gekregen, volgden op hunne ezels, +en de reis naar de woonplaats des dolenden ridders werd ondernomen. + +De eerste dag leverde niets opmerkelijks op. Don Quichot hield zich +tamelijk rustig, Sancho Panza keuvelde met den barbier, en de pastoor +vleide zich meer en meer met de hoop, dat men des ridders huis wel +zonder tegenspoed bereiken en hem daar zijne dolle ideën eindelijk +uit het hoofd drijven zou. + +Voordat zij hunne bestemming bereikten, moesten zij echter nog een +avontuur bestaan, dat den Ridder van de Droevige Figuur bijna 't +leven kostte. + +Op den tweeden dag hunner reis vernam deze de tonen eener trompet, +keek op en zag van eenen heuvel eene schaar geheel in 't wit gedoste +lieden afkomen. Dit waren geeselaars, die, daar de hemel dit jaar +allen regen had geweigerd, onder gebed en boetedoening eene bedevaart +naar eene kluizenaarshut ondernamen, om daar van God af te smeeken, +dat Hij zijne milde hand mocht openen en een verkwikkenden regen op de +verdorde velden doen neerruischen. Bij 't zien van hunne zonderlinge +en ongewone kleeding beeldde Don Quichot zich nu echter naar gewoonte +in, dat hem weder een avontuur wachtte, en dat hij als dolend ridder +verplicht was, dat met koenheid en moed te bestaan. In dezen waan werd +hij door een beeld in rouwkleederen nog meer versterkt. Hij hield dat +namelijk voor de eene of andere edele en voorname vrouw, die door deze +schaamtelooze en schandelijke roovers met geweld voortgesleept werd. + +Zoodra hij dit alles in zijne dolle verbeelding zoo had vastgesteld, +greep hij zijne teugels vaster, hield zijn schild voor, trok met +geweldigen zwaai zijn blinkend zwaard uit de scheede en riep met +dreunende stem: + +"Geeft acht, gij mannen; thans zult gij met eigen oogen aanschouwen, +dat er helden in de wereld zijn, die zich uit vrije verkiezing voor +het algemeen welzijn opofferen en tot de beroemde orde der dolende +ridders behooren." + +Na dit geroepen te hebben, stiet hij Rocinante, daar hij geen sporen +had, met de kuiten en hakken in de ribben en stormde in een zwakken +galop, die echter de snelste was, dien de knol aannemen kon, op de +geeselaars in. Tevergeefs schreeuwden de pastoor en de barbier zich +heesch, om hem van zijn roekeloos opzet af te brengen. Don Quichot +was daar doof voor. Ook Sancho Panza verhief zijne stem, om den ridder +tot staan te brengen, doch met hetzelfde gevolg. + +"Heer, bedroefde ridder," schreeuwde hij hem na, "waar wilt gij +dan eigenlijk naar toe? Welke booze duivel is in u gevaren, dat gij +zelfs tegen ons eigen heilig geloof wilt vechten? Ziet gij dan niet, +dat die optocht eene schaar boetelingen en dat de vrouw, die zij op +dat voetstuk dragen, enkel het beeld der heilige Moedermaagd is? God +helpe ons en sta ons bij! Bedenk wel, heer ridder, wat gij doet, +en stel u niet moedwillig aan schimp, schande en schade bloot!" + +Zoo brulde Sancho; doch 't was, zooals gezegd is, voor doovemansooren +gepraat. Don Quichot van La Mancha stoof, om de in diepen rouw gekleede +vrouw te bevrijden, met zulk een dolle vaart op de boetelingen in, +dat hij nergens naar luisterde. En ook als hij elk woord verstaan +had, zou hij daarom toch niet omgekeerd zijn. Eens door zijne +razernij aangetast, liet hij zich door geen woord en geen koning +meer tegenhouden. + +Op korten afstand gekomen, hield hij zijn hijgend en kuchend strijdros +in en riep met dreigende stem: "Gij daar in witte kleederen, die uwe +aangezichten zeker alleen bedekt houdt, omdat gij booze dingen in +het schild voert, houdt stil en verneemt mijne rede!" + +De voorsten in de rij droegen het beeld en waren dus natuurlijk +ook de eersten, die 's ridders toeroep vernamen en vol verbazing +bleven staan. Het waren vier geestelijken, en bij 't zien van de +wonderbaarlijke uitrusting, het magere paard en heel het potsierlijk +voorkomen van onzen held nam een hunner het woord en riep terug: + +"Hoor, mijn beste heer, zoo gij ons iets van belang hebt mede te +deelen, doe dat wat kort en bondig en houd ons, als 't wezen kan, +niet op. De vrome lieden hier achter ons doen boete en kastijden hun +lichaam, tot wij daar bij de hermitage zullen zijn aangekomen. Wij +mogen hun lijden niet onnoodig verlengen, en als gij dus wat lang +van stijl zijt, zwijg dan liever en maak u wat spoedig uit de voeten." + +"Nu, wat ik wil is in korte woorden te zeggen en af te doen," +antwoordde Don Quichot. "Ik verlang van u, dat gij zonder verwijl +die arme en in tranen wegsmeltende dame in vrijheid stelt, naardien +gij haar zonder twijfel tegen haar wil medesleept en haar hemeltergend +geweld hebt aangedaan. Ik, die in de wereld ben gezonden, om het kromme +recht te buigen en de onderdrukten te helpen, zal niet dulden, dat men +de arme bedrukte jonkvrouwe nog verder onrecht doet. Voordat gij een +stap verder moogt gaan, moet gij haar de volle vrijheid teruggeven, +die zij gewisselijk verdient." + +Uit deze onzinnige taal merkten allen, die 't hooren en verstaan +konden, dat er bij den ridder van de droevige figuur een vrij +erge streep door moest loopen, en het gevolg was, dat allen in een +schaterend lachen uitbarstten. Dit lachen was echter olie in het vuur +gegoten. Don Quichots toorn ontvlamde; zonder een woord te spreken, +schuimbekkend van woede, zwaaide hij zijn zwaard en stoof tot den +aanval vooruit. Zoodra de dragers van het heilige beeld dit zagen, +liet de sterkste zijn last aan een ander over, trad den dolleman in +den weg en weerde diens eersten houw af met eene soort van vork, +waarmee hij bij het uitrusten het beeld der Heilige Maagd placht +te stutten. Die vork of gaffel werd wel door 's ridders geweldige +zwaardslagen in tweeën gehakt, doch de drager verloor daarom den +moed niet, maar bracht met het stuk, dat hij nog in de hand hield, +onzen armen held een zoo geduchten veeg over de schouders toe, +dat deze waggelde, tuimelde en half kopjebuitelend op den harden, +zandigen grond neerplofte. + +Op dit oogenblik schreeuwde Sancho Panza, die hijgend aan kwam loopen, +den overwinnaar toe, den gevallene te ontzien en hem verder geen +kwaad meer te doen. Don Quichot was een arme behekste en verbijsterde +ridder, die niet wist, wat hij deed, en derhalve het medelijden van +alle verstandige menschen verdiende. + +De boer hief zijn knuppel dan ook niet weer op; doch 't was niet +Sancho's kermen, dat hem tot deze verschooning bewoog, maar alleen +de opmerking, dat Don Quichot als een blok op den grond lag en +geen vin meer verroerde. Deze omstandigheid deed den boer denken, +dat hij den armen ridder had doodgeslagen, en daarom pakte hij zijn +lang sleepkleed op, trok het tot den gordel in de hoogte, wierp zijn +knuppel weg en zette het met de snelheid van een hert op een loopen. + +Inmiddels waren ook de pastoor en de barbier nader gekomen en hadden de +geeselaars zich om den gevallene opeengedrongen, ten gevolge waarvan +een kluchtig tooneel van verwarring en misverstand ontstond. De +bedevaartgangers meenden, dat zij zouden worden aangevallen, trokken +hunne kappen over het hoofd, zwaaiden hunne geeselroeden en wachtten +het begin van den kamp af met het vaste voornemen, om iederen vijand +ongenadig van de taart te geven. Toen zij nu echter zagen, dat Sancho +Panza, zonder zich aan iets anders te storen, bij het lichaam van zijn +meester neerknielde en, in de stellige verbeelding, dat die werkelijk +morsdood was, de akeligste jammer- en klaagtonen uitstiet, toen ook de +pastoor door een der priesters, die de bedevaart aanvoerden, herkend +werd, toen maakten op eens haat en vijandschap voor vrede en verzoening +plaats en werd van geen van beide kanten aan vechten meer gedacht. + +Onze pastoor deelde den priester in korte woorden mede, hoe het +eigenlijk met den armen ridder gesteld was, en ging daarop met nog +eenige anderen bij den gevallene, om te zien, of die werkelijk den +adem had uitgeblazen of alleen maar buiten kennis lag. Op de kampplaats +aangekomen, hoorde hij den trouwen schildknaap luid krijten en huilen +en aan zijne droefheid lucht geven in de volgende bewoordingen: + +"O gij, bloem van alle ridderschap, roem en glorie dezer eeuw, +eer en sieraad van uw gansche geslacht, waarom moest gij door +zoo een ellendigen knuppelslag uw doorluchtig leven eindigen? Nu, +daar gij gestorven zijt, zullen alle zondaars en boosdoeners weer +stoutmoedig de hoofden opsteken, zonder te vreezen, dat zij voor hunne +goddeloosheden gestraft worden. Hoe beklaag en betreur ik uwen dood, +o grootmoedigste en milddadigste van alle dolende helden, die mij voor +de korte dienstbaarheid van weinig maanden 't schoonste eiland zoudt +hebben gegeven, dat gij maar op de wereld veroveren kondt. Rust zacht, +deemoedige onder de hoovaardigen, wreker der beleedigden, helper +der bedrukten, tuchtroede der boozen en godslasteraars, schrik der +schelmen en gauwdieven en vervolger der wreedaardigen! Rust zacht, +zeg ik, want gij verdient dat, als de beste dolende ridder, dien ooit +de wereld gezien en bewonderd heeft." + +Dat laatste woord had Sancho Panza echter pas over de lippen, of Don +Quichot sloeg na het uitstooten van een diepen zucht zijne oogen op +en keek uiterst verbijsterd rond. + +"Waar ben ik?" vroeg hij. "Ha, ik herinner mij: een vreeselijke reus en +toovenaar heeft mij met zijn ijzeren knods ter aarde geveld. Bezorg +mij een voertuig, waarde vriend Sancho Panza, want ik ben niet +meer in staat mijn strijdhengst Rocinante te beklimmen. Mijne +schouderbladen zijn stukgebeukt, en wij moeten ons haasten onze +woonplaats te bereiken, als ik er het leven afbrengen zal. Ach, wat +zal van de edele prinses Micomicona van Micomicon worden, nu mijn +heldenarm haar niet langer beschermen kan!" + +"Maak u daar niet ongerust over," antwoordde de pastoor, die dit +oogenblik gunstig oordeelde, om Don Quichot het vertrek van de +jonkvrouw mede te deelen. "Zoo pas heb ik daar eene boodschap van de +prinses ontvangen, dat zij uwe bescherming niet meer noodig heeft. De +reus is door hare onderdanen doodgeslagen, en haar terugkeer in haar +koningrijk staat dus niets meer in den weg. Reeds is zij daarheen +op reis gegaan en zij laat u door mij duizendmaal groeten en haren +innigsten dank betuigen." + +"Dat verheugt mij hartelijk," antwoordde de ridder. "Ik wensch der +edele dame zegen en voorspoed op haar weg toe en verblijd mij, dat +zij ook zonder mijne hulp tot hare rechten is gekomen. Maar waar is +de karos? Sancho Panza, zorg gij, dat ik een rijtuig krijg." + +"Terstond, terstond, edele heer!" riep Sancho en liep heen, om ergens +in de nabijheid een voertuig op te loopen. Hij vond gelukkig eene +oude, deerlijk gehavende herderskar op het veld staan, kwam daarmee +aankruien en laadde met behulp van den pastoor en den barbier den +gekwetste er op. Rocinante werd er als trekpaard voorgespannen en zoo +de reis voortgezet. De bedevaartgangers stelden zich weder in beweging, +en Don Quichot werd langzaam naar huis gekruid. + +Tegen den middag kwamen zij in Don Quichot's geboortedorp aan. Het +was juist op een Zondag en bijna al de bewoners der plaats hadden +zich op het marktplein verzameld, dat de kar van den ridder dwars +moest oversteken. Oud en jong stroomden nieuwsgierig toe, om met de +lading van het vreemde voertuig kennis te maken, en waren niet weinig +verbaasd, toen zij hunnen edelen landsman herkenden. Een jongen liep +op een drafje naar 's ridders huis vooruit, om aan de huishoudster en +de nicht bericht te brengen, dat haar meester en oom bont en blauw +geslagen, bleek, vermagerd, op een bos hooi op eene ellendige kar +liggend, in aantocht was. + +De beide vrouwen waren door dit bericht zoo ontsteld, dat het met +geen woorden te beschrijven is. Zij maakten een gruwelijk misbaar, +rukten zich haren en krullen uit het hoofd en verwenschten opnieuw +de onzalige ridderboeken, die al deze ellende hadden veroorzaakt. + +Nog raasden zij op deze wijze tegen hare eigen hoofden en tegen +die verwenschte romans, toen de hofpoort knarsend op hare verroeste +hengsels draaide en de kruiwagen met den gewonden ridder voor de deur +stilhield. Terstond schoten de beide vrouwen toe, namen den armen held +op, droegen hem met behulp van den pastoor en den barbier in huis, +ontkleedden hem en brachten hem eindelijk in zijn ouderwetsch ledikant +ter ruste. Don Quichot zei geen woord, maar liet zich alles bedaard +welgevallen. De pastoor drukte echter het nichtje op het hart, haar +oom toch met de meeste zorg te verplegen en in 's hemels naam toe +te zien, dat hij nog niet eens ontsnapte en als dolend ridder het +land op stelten zette. Hierop vertelde hij, wat moeite het gekost +had, den gekken held weer naar huis te krijgen, en zocht de arme +vrouwen te troosten, die alweer hardop begonnen te huilen en haar +hart vasthielden, dat haar meester en oom die dolle kuren opnieuw +zoude beginnen. + +Of dit al of niet gebeurde, zullen wij spoedig genoeg vernemen. + +Terwijl nu daar binnen in huis over den ridder geklaagd, getreurd en +gelamenteerd werd, kreeg zijn arme schildknaap het daarbuiten op den +hof bitter zwaar te verantwoorden. Op het bericht van Don Quichots +terugkeer kwam namelijk Sancho Panza's vrouw toe en vond haren +echtvriend op het punt van zijn ezel te bestijgen, om naar zijne hut +en zijne dierbare gade terug te keeren. De schimp- en scheldwoorden, +waarmede de vergramde vrouw hem overstelpte, omdat hij zoo heimelijk +den huiselijken haard had verlaten, willen wij hier liever niet +herhalen. Wij zeggen alleen, dat den armen knaap terdeeg de ooren +werden gewasschen, en dat hij zeer mak en gedwee onder geleide van +zijne kijvende wederhelft thuis aankwam. + + + + + + +HOOFDSTUK XIV. + +HOE DON QUICHOT TOT EEN NIEUWEN TOCHT WORDT BEWOGEN. + + +Verscheiden weken achtereen lag de ridder aan de gevolgen van de +bekomen wonden en kwetsuren vrij ernstig ziek. In plaats van hem +gedurende zijne krankheid te bezoeken, hielden de pastoor en de +barbier zich opzettelijk op een afstand, om de voorvallen van den +laatsten tijd maar niet weer in zijn ontsteld brein op te frisschen, +doch verzuimden niet, van tijd tot tijd de huishoudster en het nichtje +te komen zien, om haar in de behandeling van den ridder naar hun +beste weten te onderrichten. + +"Geeft hem goeden, stevigen kost en praat hem niet van de dolle +streken, die hij uitgevoerd heeft," zeide de pastoor. "Misschien +vergeet hij dan zijne waanzinnige hersenschimmen en wordt mettertijd +weer een zoo wat half verstandig man." + +De vrouwen volgden deze aanwijzing met alle stiptheid en Don Quichot +kwam eindelijk zoo ver, dat hij bezoekers toelaten en zijne oude +vrienden, den pastoor en den barbier, ontvangen kon. Bij hunne komst +vonden zij hem overeind in zijn bed zitten. Hij had een buis van groen +laken aan, droeg eene groene Toledomuts op het hoofd en zag er zoo +mager en uitgedroogd uit, dat hij wel haast eene mummie geleek. Voor +'t overige ontving hij zijne gasten met veel vriendelijkheid, sprak +zeer bedaard en verstandig en bediende zich van zulke uitgezochte en +gepaste uitdrukkingen, dat de goede pastoor reeds hoop begon te voeden, +dat hij zich die dwaze dolende ridderschap nu toch voorgoed uit het +hoofd had gezet. Om daarvan de zekerheid te verkrijgen, besloot hij +eene afdoende proef te nemen, en bracht zoo in den loop van het gesprek +te pas, dat de Turken met eene geweldige legermacht in aantocht waren +en het eiland Sicilië, dat destijds nog tot het koningrijk Spanje +behoorde, met een inval bedreigden. De koning had dat eiland evenwel +reeds doen versterken en er een sterke krijgsmacht heengezonden. + +Bij dit verhaal schudde Don Quichot bedenkelijk het hoofd. + +"De koning," zeide hij na eene poos, "heeft zeker bij deze gelegenheid +als een wijs en zeer voorzichtig veldheer gehandeld en zijne staten +gedekt, zoodat de vijand die niet onvoorbereid en weerloos zal +vinden; maar als hij mijn raad wou volgen, zou hij toch met veel +geringer aanwending van geld en krachten veel grooter uitkomsten +kunnen verkrijgen." + +Bij het vernemen van deze woorden kreeg het vertrouwen van den +pastoor op Don Quichots herstelling weer een bedenkelijken stoot en +bij zichzelf dacht hij: "Mijn goede beste Don Quichot! daar tuimelt +gij weer hals over kop in den afgrond van uwe dolle inbeeldingen neer!" + +De barbier had nagenoeg dezelfde gedachten; maar om niet te voorbarig +te oordeelen, vroeg hij Don Quichot, waar zijne voortreffelijke +maatregelen dan wel eigenlijk in bestonden? Misschien behoorden +zij wel tot die, welke men in het dagelijksch leven dolzinnige en +ongerijmde noemt. + +"Mijn denkbeeld, meester baardschrabber, is zeer gerijmd," antwoordde +Don Quichot op barschen toon, "en stellig lang niet zoo dolzinnig +als gij zelf." + +"Kom, kom, heer ridder, ik meende 't zoo boos niet, als gij het +daar opvat," zei de barbier. "Ik wou alleen maar zeggen, dat veel +voorslagen, die den koning reeds gedaan zijn, onuitvoerbaar en +onmogelijk zijn bevonden en, wou men er gevolg aan geven, het rijk +enkel schade en verlies zouden toebrengen." + +"Dat is echter met mijn voorslag niet het geval," verzekerde Don +Quichot. "'t Is het lichtste, gemakkelijkste, doelmatigste en +vernuftigste middel, dat ooit in de hersens van een verstandig man +is opgekomen." + +"En wilt gij het ons ook mededeelen, heer?" vroeg de pastoor. + +Don Quichot zag hem wantrouwig van ter zijde aan. "Ik zal mij wel +wachten, het te verklappen," zeide hij. "Wie staat mij borg, dat gij +niet, zoodra gij het plan vernomen hebt, dat dadelijk aan de ministers +des konings mededeelt en u zoo den roem en de eer toeëigent, die mij, +als den uitvinder, heel alleen toekomt?" + +"Ik voor mij zweer bij alles, wat heilig is, dat ik mij nooit aan zulk +een schandelijk verraad zal schuldig maken," riep de barbier. "Wat +gij ook spreken moogt, nooit zal eene syllabe over mijne lippen komen, +en noch koning noch bedelaar zal mij immer bewegen mijn eed te breken." + +"Dat is genoeg, dat is genoeg," zeide Don Quichot. "Ik ken u als een +eerlijk man, heer barbier, en vertrouw u ten volle." + +"En was dat niet zoo, dan durfde ik wel voor hem instaan," verklaarde +de pastoor. "Hij zou niet meer over deze zaak spreken, dan een stomme, +op straffe der boete, die ik hem opleggen zou." + +"Maar wie is mij borg voor u zelf, heer pastoor?" vroeg Don Quichot. + +"Mijn heilig ambt," antwoordde de pastoor met waardigheid, "mijn +heilig ambt, dat mij streng stilzwijgen tot een onverbrekelijken +plicht maakt." + +"Welaan dan," riep Don Quichot, die thans zijne toehoorders ten +volle vertrouwde: "waarom laat dan de koning niet uitroepen, dat op +een vastgestelden dag alle dolende ridders en helden van Spanje zich +ten hove verzamelen moeten? Indien ook maar een dozijn verschenen, +zou toch reeds dit gering aantal toereikend zijn, om de gansche +macht van den heidenschen Turk geheel te vernielen. Heeft niet al +vaak een eenig dolend ridder een leger van tweemaal honderd duizend +krijgers op de vlucht gejaagd? Waarom zou in den tegenwoordigen tijd +zulk eene heldendaad niet meer kunnen voorkomen? Waarlijk, waarlijk, +nog heden ten dage zijn er mannen, die voor de ridders uit den ouden +tijd in sterkte noch in dapperheid onderdoen! God hoort mij en ziet +in mijn hart.... Meer wil ik niet zeggen." + +"Och grut!" riep hier de nicht, die met de huishoudster het gansche +gesprek had aangehoord, "och grut, dat is weer de oude mallepraat; +en ik wil een boon wezen, als hij niet weer lust heeft, om op zijne +dolle avonturen uit te gaan." + +"Ja," zeide Don Quichot op ernstigen toon, "als dolend ridder wil +ik leven en sterven, en geen sterveling zal mij van mijn voornemen +afbrengen. Laat de Turken maar komen! Al zijn zij nog zoo machtig en +geweldig, ik zal." + +"Luister, beste heer," wendde de barbier, die een poosje stil +nagedacht had, zich hier tot den koenen ridder: "vergun mij, eene +kleine geschiedenis te vertellen, die in Sevilla is voorgevallen en +op deze dingen past, als het deksel op den pot." + +Don Quichot gaf dadelijk de gevraagde vergunning, en de barbier +vertelde de volgende aardige kleine geschiedenis: + +"In het dolhuis te Sevilla was een man, dien zijne verwanten daarheen +gebracht hadden, omdat het met zijn hoofd niet goed was. Hij was van +den geestelijken stand en had zijn examen al gedaan, toen zijn vroeger +verstandige en vlugge kop op eens van streek raakte en niemand raad +meer met hem wist. + +"De candidaat woonde eenige jaren in het gekkenhuis en hield zich +stil en bedaard, totdat hij op eens op de gedachte kwam, dat hij +zijn verstand weerom had gekregen en dat hem niets meer haperde. In +deze vreemde overtuiging ging hij zitten, schreef een langen brief +aan den aartsbisschop, meldde hem in verstandige woorden, dat hij +door Gods goedheid al zijne vijf zinnen weer bij elkaar had, en dat +men hem alleen nog maar als een gevangene hield opgesloten, omdat +zijne verwanten uit hebzucht en vrekkigheid het weinigje vermogen, +dat hem toekwam, niet uitkeeren wilden. + +"Daar de eerste brief onbeantwoord bleef, stelde de waanzinnige +candidaat een tweeden op; toen een derden, een vierden en zoo voort, +totdat de aartsbisschop zich eindelijk door zijne mooie, sierlijke +woorden liet verleiden om een kapelaan naar het gekkenhuis af te +vaardigen. Dezen gaf hij de bepaalde order, eerst bij het hoofd van het +gesticht te vernemen, of alles waar was, wat de candidaat geschreven +had; vervolgens moest hij den candidaat zelf in verhoor nemen, en +bevond hij dan, dat die werkelijk gezond en goed bij zijn hoofd was, +dan moest hij hem dadelijk op vrije voeten stellen. + +"De kapelaan handelde stipt volgens het voorschrift van den bisschop; +doch toen hij in het gekkenhuis kwam, werd hem door den bestuurder +verzekerd, dat de bewuste jonge geestelijke even gek was, als in den +beginne, en al sprak hij soms eens een verstandig woord, dan sloeg +hij daarvoor al spoedig weer zoo hard door, dat aan loslating niet +te denken viel. + +"Om in alles naar het voorschrift van zijn aartsbisschop te +handelen, antwoordde de kapelaan hier niet op, maar liet zich bij den +krankzinnige brengen, om te zien, of hij zoo ook achter de waarheid zou +kunnen komen. Hij sprak langer dan een uur met den jongen geestelijke, +hoorde in al dien tijd geen enkel onwijs of zelfs maar onverstandig +woord van hem, en kon dus moeielijk anders, dan den gekken candidaat +voor een mensch met gezonde hersens houden. De waanzinnige beklaagde +zich er onder andere ook over, dat de bestuurder hem alleen daarom voor +een lijder, die slechts nu en dan heldere oogenblikken had, uitgaf, +omdat hij daarvoor door zijne verwanten rijkelijk werd betaald. Zoo +kwam het dan, dat zijn vermogen de steen des aanstoots, de bron van +alle kwaad bij hem geworden was. Alleen om genot van zijne have te +hebben, overstelpten zijne verwanten hem met smaad en schande en +loochenden stoutweg, dat een wonder aan hem gedaan was en hem van +een krankzinnig tot een verstandig mensch gemaakt had. + +"De kapelaan, die al deze verklaringen zeer geloofwaardig vond, vatte +nu argwaan tegen den bestuurder van het gesticht op en geloofde den +gek liever dan zijn dokter. Hij besloot dus, den candidaat in vrijheid +te stellen en hem bij den aartsbisschop te brengen, zoodat deze zelf +zich van het helder verstand van den armen man overtuigen kon. + +"Zonder dralen beval de kapelaan den bestuurder, den candidaat van +behoorlijke kleederen te voorzien. De bestuurder pruttelde hier wel erg +tegen en deed alles, om den kapelaan tot andere gedachten te brengen; +maar dat hielp niet, hij moest gehoorzamen. De candidaat kreeg dus +een fatsoenlijk splinternieuw pak aan en verzocht den kapelaan zeer +beleefd, van zijne voormalige lotgenooten afscheid te mogen nemen. Dit +werd toegestaan en de kapelaan zelf bood aan, hem op deze wandeling +te vergezellen. Zoo kwamen zij bij de cel van een krankzinnige, wien +de candidaat goedendagzeide, terwijl hij aanbood, zoo de ander de eene +of andere boodschap mocht hebben, die zonder haperen over te brengen. + +""Beschik vrij over mij," zeide hij tot den waanzinnige. "Nu ik mijn +verstand weerom heb gekregen, wil ik dat ook gebruiken, om al mijnen +medemenschen van dienst te zijn." + +"Deze woorden hoorde een andere gek, die in eene cel tegenover die +van den eersten zat. Hij sprong dus van zijne mat op en vroeg, luid +schreeuwend: "Wie is het toch, die daar gezond en verstandig heen +mag gaan?" + +""Ik ben het, lieve broeder," antwoordde de candidaat; "ik behoef +hier niet langer te blijven en ben dankbaar, dat mij zoo groote genade +is verleend." + +""Ei, ge weet niet, wat ge zegt," schreeuwde de gek den candidaat +toe. "Laat je niet door den duivel verblinden, maar blijf stil in je +cel, zoodat ze je niet terug hebben te brengen." + +""O, dat heeft geen nood," riep de candidaat lachend. "Ik weet, dat +ik volkomen goed bij mijn verstand ben en hier dus niet behoef terug +te komen, om het ellendig leven van een krankzinnige te leiden." + +""Jij volkomen bij je verstand?" riep de gek. "Jij gezond? Loop +heen! De tijd zal 't gauw anders leeren. Ik zweer je bij Jupiter, +wiens plaats ik op aarde bekleed, dat ik de onnoozele stad Sevilla, +die zoo'n razenden gek, als jij bent, vrijlaat, voor die dwaasheid +hard zal straffen en kastijden. Van vandaag af zal het drie volle +jaren lang niet regenen over deze stad, en alle vruchten zullen +verdorren en alle weiden verschroeid en verzengd worden. Je zoudt goed +bij je verstand wezen, terwijl men mij hier gebonden en opgesloten +houdt? Daar moet straf voor wezen! Voordat die drie jaren om zijn, +zal geen droppeltje regen over Sevilla vallen." + +"De omstanders hoorden vreemd op bij dien zottepraat van den gek, en +ook de kapelaan zag hem verwonderd aan. Nu echter klopte de candidaat +dezen op schouder en voegde hem vertrouwelijk toe: + +""Wees maar niet bang, waarde heer, en stoor u niet aan de dreigementen +van dien armen zot. Als hij Jupiter is en niet wil laten regenen, dan +ben ik daarentegen Neptunus, de vader der zeeën en van alle wateren, +en kan dus ook regen zenden, zooveel ge maar hebben wilt." + +""Ei, wat ge zegt!" riep de kapelaan, die nu zijn man had leeren +kennen. "Als gij Neptunus zijt en heer Jupiter wilt beleedigen, oordeel +ik het toch maar beter, dat gij vooreerst hier in huis blijft. Een +ander maal, als 't mij eens gelegen komt, wil ik terugkeeren en u +van hier weghalen." + +"De bestuurder van het gesticht lachte, en de gekke candidaat kreeg +zijn oude pak weer aan en kon weer naar zijne oude cel stappen. + +"Dit is mijne geschiedenis," zeide de barbier; "en de toepassing kan +ieder licht zelf maken." + +"O baardschrabber, o baardschrabber!" riep Don Quichot uit, "meent +ge werkelijk, dat deze dwaze historie zoo goed op onze omstandigheden +past? Ik voor mijn part geloof dat niet; want ik weet opperbest, dat ik +niet Neptunus ben, en verlang van niemand, dat hij mij voor wijs houdt, +als ik een domme ezel, een onwijze sukkel ben. Mijn streven is edel en +groot, en door de plichten der dolende ridderschap te vervullen doe +ik eenvoudig, wat goed en recht is. Zwijgt allen en leutert me niet +langer met zulke beuzelpraatjes om de ooren! Ik ga mijn eigen weg, +en er is geen mensch in de wereld, die mij daarvan afbrengen zal." + +Verstoord keerde Don Quichot hun den rug toe, zoodat de pastoor +en de barbier het 't best oordeelden, maar stilletjes weer op te +trekken. Zij moesten alle hoop, om den armen ridder Don Quichot van +zijne dwaze inbeeldingen terug te brengen, nu eindelijk wel opgeven, +en deden dat dan ook. + +Bij het verlaten van het huis kwamen zij een zeer aardig en verstandig +jonkman, zekeren Sanson Carrasco, tegen, die een geleerde en met onzen +welmeenenden pastoor bevriend was. Bij hem stortte deze laatste zijn +hart uit, en de jonge Carrasco gaf al spoedig een middel op, om Don +Quichot van zijne avontuurlijke hersenschimmen te bevrijden. Dat middel +kwam den pastoor goed voor en terstond overlegde hij met zijn vriend, +op welke wijze men dit het best zou kunnen aanwenden. + +Weinige dagen daarna, toen Don Quichot weer ten volle hersteld was en +zich juist met Sancho Panza over zijne toekomstige plannen onderhield, +liet Sanson Carrasco zich bij hem aanmelden en werd zonder verwijl in +zijn vertrek toegelaten. Na eenige voorafgaande komplimenten deelde +hij den edelen ridder mede, dat hij zeer veel goeds en schoons van +zijne roemruchtige daden had vernomen en nu opzettelijk gekomen was, +om van aangezicht tot aangezicht den held te zien, wiens naam sinds +eenigen tijd het gansche heelal vervulde. Na deze inleiding spoorde hij +hem met krachtige taal aan, toch spoedig weer een nieuwen krijgstocht +tegen de ondeugden, verkeerdheden en zonden der goddelooze wereld te +beginnen, en bracht het toch al zwakke hoofd des edelen Dons daardoor +dusdanig op hol, dat deze terstond besloot, aan de inblazingen van den +welbespraakten Carrasco gehoor te geven. Nauwelijks had deze met de +belofte van hem een prachtigen ridderhelm te zullen vereeren van hem +afscheid genomen, of hij gaf Sancho Panza last, zijn ezel en zichzelf +gereed te houden, om binnen drie dagen op nieuwe avonturen uit te +gaan. Sancho verklaarde zich daartoe gaarne bereid, daar Don Quichots +beloften en voorspiegelingen nog altijd een open oor bij hem vonden, +en hierop deelde Don Quichot zijn besluit ook aan huishoudster en nicht +mede. De arme vrouwen, die van Carrasco's fijn plan niets wisten, +waren radeloos, en kermden en huilden, maar richtten daardoor niets +uit, dan dat Don Quichot haar voor malloten en domme, onverstandige +vrouwlui uitmaakte, zonder zich door al dat misbaar van zijn voornemen +te laten afbrengen. + +Den volgenden dag zond Carrasco den beloofden helm. Deze was met +roest en schimmel overdekt en had niets aan zich, dat aan blank en +glanzig staal deed denken. Dat achtte Don Quichot evenwel maar eene +kleinigheid. Hij nam puimsteen en schuurlappen, poetste hem zoo goed +mogelijk op en besteedde de overige dagen, om alles voor zijne reis +in gereedheid te brengen. + +Het was Don Quichot echter gedurende zijne ziekte door het hoofd +gegaan, wie hij tot hiertoe voor jonkvrouwe Dulcinea had gehouden, +zoodat deze voor hem een zuiver phantasiebeeld geworden was. + + + + + + +HOOFDSTUK XV. + +DON QUICHOT ZOEKT ZIJNE HOOGE GEBIEDERES DULCINEA VAN TOBOSO OP. + + +Toen de dolende ridder en zijn wakkere schildknaap het open veld +bereikt hadden, snoof en brieschte Rocinante luid en begon ook +het grauwtje uit volle keel zijn welluidend Yah in de lucht te +brullen. Beiden zagen deze omstandigheid voor een zeer gunstig +voorteeken aan en hunne harten klopten van blijdschap, nu ze zich +de daden voorstelden, die zij in 't vervolg zeker bedrijven, en den +onvergankelijken roem, dien zij daarvoor inoogsten zouden. + +"Sancho Panza," sprak Don Quichot, toen zij eene poos zwijgend zij +aan zij hadden voortgedraafd, "Sancho Panza, de avond valt en het +zal donkerder worden, dan wij wenschen, voordat wij Toboso bereiken, +dat ik in allen gevalle bezoeken moet. Daar, waar Dulcinea leeft en +ademt, wil ik haar zegen afsmeeken, naardien ik overtuigd ben, dat ik +daardoor ieder avontuur gelukkig zal te boven komen. Niets, moet gij +weten, maakt de dolende ridders gelukkiger en dapperder, dan dat zij +van de genade en de bescherming hunner meesteressen verzekerd zijn." + +"Daar wil ik niets tegen zeggen, gestrenge heer," antwoordde Sancho +Panza, die wist, wat hij van Dulcinea te denken had; "maar toch kan +'t u nog wel wat moeite kosten, Dulcinea te spreken te krijgen en +eene geschikte plaats te vinden, waar gij den zegen van de hooge +dame ontvangen kunt. Ik vrees, dat ze u dien over de schutting of +door een gat in den muur zal moeten geven." + +"De schutting, Sancho?" vroeg Don Quichot verwonderd. "Zijt gij +dan blind geweest, of hebt ge uwe oogen niet gebruikt? Wat gij voor +een schutting aanzaagt, was zeker eene rij van trotsche galerijen, +gangen en booggewelven, zooals men die altijd bij rijke koninklijke +paleizen heeft." + +"Nu, dan weet ik het niet," verklaarde Sancho. "Voor zoover mij +voorstaat, was 't een gewoone schutting, en nog wel in niet al te +besten staat, want ik meende er vrij wat scheuren, spleten en gaten +in te zien." + +"Dat mag wezen, hoe 't wil," zeide Don Quichot een weinig verdrietig; +"maar toch zullen wij haar een bezoek brengen. Als ik haar maar te +zien krijgt, raakt het mij weinig, of over eene schutting, of door een +raam, of door een traliehek de straal van haar oog op mij valt en mijne +ziel verlicht. Een blik van haar zal mij bezielen en wel zoo geweldig, +dat ik onvergelijkelijk moet worden in deugd en in dapperheid." + +Sancho Panza schudde het hoofd, zonder op deze hoogdravende taal iets +te antwoorden, en zwijgend vervolgden ridder en knaap nu voortaan +hun weg. Het zal tegen middernacht hebben geloopen, toen zij, bij +een heuvel neerdalende, Toboso bereikten. In het dorp heerschte de +diepste rust; want natuurlijk lagen al de bewoners te bed en rustten +in de armen van de slaap. De maan stond aan den hemel, en de nacht was +dus niet zoo donker, als Sancho Panza gewenscht had. 't Zou hem liever +geweest zijn, dat geen sterretje aan den hemel had geblonken, daar de +donkerheid hem dan tot verontschuldiging voor zijne onwetendheid kon +hebben gediend. Hij had, gelijk wij weten, Toboso nog met geen voet +betreden, hoewel hij den bedrogen ridder duizend dingen van Dulcinea +en zijne boodschap aan haar had weten op de mouw te spelden. + +Zooals gezegd is, lagen de bewoners van het dorp nog in den diepsten +slaap, en men vernam niets dan het blaffen van honden, dat den ridder +hoogst onaangenaam in de ooren klonk, terwijl het den vreesachtigen +schildknaap niet minder beangstigde. Toen het blaffen niet ophield, +voegden zich daar nog andere tonen bij: ezels balkten, varkens knorden, +paarden snoven, katten miauwden, wat alles in de stilte van den +nacht duidelijker dan ooit hoorbaar was. Don Quichot behaagde dat +volstrekt niet, daar hij al die geluiden voor slechte voorteekens +hield, hoewel hij er niets van zei, maar stil aan Sancho Panza's +zijde doorreed. Eindelijk brak hij het lange stilzwijgen af en sprak: + +"Sancho, breng mij naar het paleis mijner gebiedster. Misschien wil +een gelukkig toeval, dat wij haar wakende vinden." + +"Maar naar wat paleis moet ik u dan brengen, edele heer?" riep Sancho +verlegen uit. "Hier heeft men geen paleizen en, zooals ik u al zei, +uwe Dulcinea woont in een ellendig klein kot van een huisje." + +"Gij vergist u zeker, vriend," beweerde Don Quichot. "Waarschijnlijk +had mijne edele gebiedster zich toen maar in een zijvleugel van haar +vorstelijk paleis afgezonderd, gelijk hooge dames wel eens meer de +stilte en eenzaamheid zoeken." + +"Gestrenge heer," antwoordde Sancho, "gesteld nu al, dat gij gelijk +hadt, is het dan toch wel gepast, dat wij zoo in het holle van den +nacht de rust uwer meesteresse storen? Als wij op de deur kloppen, +zullen ook de buren wakker worden en ons voor zeer dwaze en onzinnige +menschen houden." + +"Dat moeten wij afwachten," zeide de ridder. "Laat ons eerst maar +haar burcht opzoeken, en dan zal ik u zeggen, wat verder te doen. Zie +daar eens, Sancho! Een donker gebouw rijst daar hoog op in den nacht +en ik bedrieg mij zeker niet, als ik dat voor de woonstede mijner +onvergelijkelijke dame houd." + +"Rijd er dan maar op los," bromde de schildknaap; "maar 'k laat mij +hangen, als ge 't niet glad mishebt." + +Don Quichot gaf Rocinante de sporen en reed vooruit. Toen hij echter +in de nabijheid van het groote gebouw was gekomen, zag hij wel, +dat hij niet het slot eener edele prinses, maar enkel de kerk van +het dorp voor zich had. + +"Het is de kerk," zeide hij, onaangenaam verrast. + +"Ja, dat zie ik," zeide Sancho Panza, "en de hemel geve maar, dat +wij niet op het kerkhof ons graf vinden. Voor 't overige heb ik u wel +gezeid, dat de woning van uwe Dulcinea in een of ander achterafstraatje +moet liggen." + +"Ezel! Domkop! Stommerik!" bulderde Don Quichot. "Waar hebt ge dan ooit +van uw leven gezien, dat riddersloten en paleizen in achterafstraatjes +liggen?" + +"Gehoord en gezien heb ik dat niet," was Sancho's koel antwoord; "maar +'s lands wijs 's lands eer, zegt het spreekwoord, en misschien is +'t hier in Toboso wel gebruikelijk groote huizen en voorname gebouwen +wat achteraf te zetten. Wilt gij mijn raad volgen, gestrenge ridder, +laat mij dan maar eens op mijn eigen houtje gaan zoeken. Misschien lukt +het ons wel 't paleis van uwe gebiedster te vinden, dat mijnentwege +in den grond mag verzinken, zoo veel ergernis heb ik er al van gehad." + +"Sancho Panza," zeide de ridder op dreigenden toon, "ik raad u, met +achting van alle dingen te spreken, die met mijne gebiedster ook maar +van verre in verband staan. Ga nu voorts in vrede, zoek al uw best, +en als ge het paleis gevonden hebt, val dan niet zoo dadelijk met de +deur in huis. Overleg, Sancho, overleg en bedaardheid bij alle dingen +en in alle omstandigheden moet de hoofddeugd van iederen dolenden +schildknaap zijn." + +"Ik ben bedaard genoeg," antwoordde Sancho Panza, "maar hoe zou ik +mijn geduld niet verliezen, als uwe edelheid verlangt, dat ik midden +in den nacht een huis weerom zou vinden, dat ik nog maar eens bij +helder daglicht gezien heb? Waarom zoekt gij zelf het dan niet? Gij +moest het toch, dunkt mij, in een ommezien kunnen vinden, daar gij +het meer dan duizendmaal moet gezien hebben." + +"Sancho Panza, gij zult mij nog tot razernij brengen," schreeuwde Don +Quichot. "Ik heb u wel honderdmaal gezegd, dat ik de gebiederesse +mijner ziel nog geen enkel maal met eigen oogen aanschouwd, dat ik +nog nooit den drempel van haar geheiligd paleis betreden heb." + +"Nu, edele heer, als gij haar nog niet gezien hebt, dan heb ik haar ook +niet gezien," antwoordde Sancho. "Men kan uit u niet wijs worden! Nu +spreekt gij zus, dan spreekt gij zoo, al naar 't u best past, en +meent, dat gij uwen schildknaap vrij de huid vol moogt liegen. Fop +je mij, ik fop je weer, zegt het spreekwoord; en dat heb ik ook al +vaak genoeg gedaan. Ik zeg u nu ronduit, dat ik noch uwe Dulcinea, +noch haar vader, noch een van hare familie ooit met mijne oogen gezien +heb,--en daarmee basta!" + +"Sancho, Sancho," sprak Don Quichot, "met heilige dingen mag men niet +gekscheren. Hoe kunt gij dus zeggen, dat gij Dulcinea nooit gezien +hebt, daar gij mij zooveel van haar hebt verteld?" + +"Wat ik vertelde, heb ik maar zoo van hooren zeggen gehad," antwoordde +de schildknaap. + +Voordat de ridder antwoordde, bemerkte hij, dat hem een man met twee +muilezels voorbijkwam, die een ploeg trokken. Waarschijnlijk wou de +man naar den akker gaan en voor dag en dauw zijn arbeid beginnen, +en Don Quichot nam de gelegenheid waar, om bij hem naar Dulcinea's +woning te vernemen. + +"Kunt gij mij ook zeggen, goede vriend," riep hij hem toe, "waar ik +hier ergens het paleis van de onvergelijkelijke prinses Dulcinea van +Toboso vind?" + +De boer hield zijn span ezels stil en keek verwonderd op. + +"Heer," zei hij na kort beraad, "ik ben hier zelf nog vreemd, daar +ik mij hier eerst voor korte dagen bij een boer als knecht verhuurd +heb. Als gij alles precies weten wilt, ga dan bij den pastoor, +die daar recht tegenover in dat groote huis woont. Evenwel kan ik +kwalijk gelooven, dat hier in het dorp eene prinses verblijf houdt, +ofschoon er vrouwen genoeg zijn, die binnen hare vier muren wel voor +prinsessen doorgaan kunnen." + +Na deze woorden dreef de man zijne dieren weer aan en reed door, +terwijl Don Quichot hem verdrietig nakeek. + +"Gestrenge heer," zeide Sancho tot den ridder, "de dag begint te +lichten en ik geloof niet, dat het goed is, dat wij ons hier vóór de +zon op straat laten vinden. 't Zou beter wezen, dat gij u hier in +den omtrek ergens in een boschje verborgen hieldt, terwijl ik geen +hoekje ondoorzocht wil laten, tot ik uwe prinses gevonden heb. Het +moest al vreemd toegaan, als ik haar niet eindelijk te pakken kreeg!" + +"Uw raad bevalt mij, Sancho Panza," antwoordde Don Quichot na kort +nadenken. "Volg mij dus eerst tot buiten het dorp en keer terug om +haar te hooren, te zien en te spreken." + +Van harte blij, dat hij zijn heer zoo gewillig vond, maakte Sancho, +dat hij buiten het dorp kwam, en hield eerst een heel eind daar vandaan +stil bij een boschje, waar Don Quichot zich tusschen de boomen schuil +kon houden, terwijl Sancho Panza onverwijld naar het dorp terugkeerde. + +Toen de knaap echter zoo ver was, dat zijn meester hem niet meer +zien kon, liet hij zich doodbedaard van zijn ezel neerglijden, wierp +zich onder een boom in het malsche gras neer en hield de volgende +alleenspraak: + +"'k Moest wel zot wezen, als ik naar prinsessen en paleizen ging +zoeken, die heel niet in de wereld zijn. Mijn heer moet gefopt worden +en zal gefopt worden. Zooveel is zeker, dat hij gek is, stapelgek, 't +eene ding voor het ander houdt en zwart voor wit, maar wit voor zwart +aanziet, zooals bij die windmolens, die schapenkudden en de hemel weet +waar meer zonneklaar gebleken is. De eerste de beste boerenmeid, die ik +te zien krijg, stel ik hem als prinses Dulcinea voor. Gelooft hij mij +niet, dan bezweer ik 't, en vloekt hij, dan bezweer ik 't weer en wil +'t zoo lang bezweren, totdat ik hem eindelijk de baas word. Hij laat +mij dan òf later met zijne malle boodschappen ongemoeid, of misschien +denkt hij ook, dat de eene of andere toovenaar zijne prinses, om hem +te plagen, heeft omgehekst, en 't een is mij zoo lief als 't ander +en zal mij voortaan 't leven minder zuur maken." + +Na die stichtelijke redeneering legde Sancho rustig zijn hoofd +neer, sloot de oogen en deed een dutje, dat tot den laten namiddag +duurde. Toen eerst besteeg hij zijn ezel weer en ging zijn meester +opzoeken. Zijn goed geluk wou, dat hij drie boerenmeiden inhaalde, +die op muilezels denzelfden weg reden, en nu was zijn plan dadelijk +ontworpen. Zijn grauwtje in draf zettend, was hij spoedig bij zijn +ridder en vond dien stijf te paard zittend, en luid zuchtend en +weeklagend over het lang uitblijven van zijn schildknaap. + +"Nu, hoe is het, Sancho" vroeg hij, "moet ik dezen dag met een zwarten +of mag ik hem met een witten steen teekenen?" + +"Met een witten, of nog liever met een vuurrooden," antwoordde Sancho +Panza. "Gij hebt uw Rocinante maar aan te sporen en den weg op te +rijden, om uwe aanminnige Dulcinea te zien. Zij komt daar met twee +van hare hofdames aandraven, om u een bezoek te brengen." + +"Wat zegt gij daar?" riep Don Quichot half verschrikt. "Hoed u, hoed +u, Sancho, mij opzettelijk te misleiden, om door eene bedrieglijke +boodschap mijne diepe treurigheid in een snel vervliegend geluk +te verkeeren." + +"Maar, heer ridder, wat zou 't mij baten, dat ik u trachtte te +bedriegen?" vroeg Sancho met een doodonnoozel gezicht. "Gij zoudt +dat bedrog immers in een ommezien ontdekken. Kom, kom, en spoor uw +ros, om uwe verheven gebiedster van aangezicht tot aangezicht te +aanschouwen. Och, wat is zij mooi, heer! Zij en hare staatsiedames +glimmen van klinkklaar goud, van juweelen, van parels en van +brocaat. Haar krullend haar blinkt in den zonneschijn en fladdert in +den wind. Zij rijden op drie telgangers, zooals ik ze mijn leven lang +nog niet gezien heb." + +"Nu, dan willen we ons haasten, vriend Sancho," antwoordde Don +Quichot. "Heb dank voor de heuglijke tijding en maak er staat op, +dat ik u daar koninklijk voor beloonen zal." + +Zij brachten hunne dieren in draf en zagen, uit het bosch komende, +de drie boerinnetjes reeds dicht voor zich. Don Quichot keek deze +echter nauwelijks aan, maar liet zijne oogen over den weg naar Toboso +rondgaan, om de schoone prinses Dulcinea met hare hofdames te zien +te krijgen. Met groote verwondering bemerkte hij echter, dat van +de drie geen spoor te ontdekken was, en vroeg dus zijn schildknaap, +of die haar reeds buiten het dorp had gezien. + +"Wel zeker heb ik dat," zei Sancho Panza. "Heeft uwe edelheid dan +geen oogen in het hoofd en ziet de prinses niet, die daar aankomt, +schitterend als de zon en flikkerend als tienmaal honderdduizend +diamanten." + +"Sancho Panza, ik zie niets dan drie boerenmeiden op drie magere +bonken van muilezels." + +"Wel drommel en geen einde!" riep Sancho met geveinsde +verwondering. "Is het mogelijk, dat gij drie zulke juweeltjes +van paarden voor muilezels en uw hooge gebiederes voor eene boerin +aanziet? De rossen zijn spierwit, als versch gevallen sneeuw; en mijn +naam mag geen Sancho Panza wezen, als 't niet waarempel waar is." + +"Ik zeg je evenwel," riep de ridder, "dat het drie ezelinnen en +drie boerenmeiden zijn, zoo waar als ik op Rocinante en jij op je +grauwtje zit." + +"Zwijg stil, ridder, zwijg stil, genadige heer, en kijk beter uit de +oogen," zei Sancho. "Daar komt uwe dame al aan; rijd haar te gemoet +en betoon haar de verschuldigde achting en eerbied." + +En zonder af te wachten, wat zijn heer doen zou, reed hij vooruit, +om de drie boerinnen te begroeten. Hij liet zich van zijn ezeltje +glijden, greep het paard van de zoogenaamde Dulcinea bij den teugel, +viel op beide knieën neer en sprak: + +"Hooge en doorluchtige prinses, keizerinne der schoonheid, wilt gij +zoo goed wezen en uwen getrouwen ridder ontvangen, die daar, door uw +aanblik betooverd, als versteend staat en door uwe tegenwoordigheid +totaal is beteuterd? Ik ben Sancho Panza, de schildknaap, maar hij +is de wijdvermaarde en hoogbefaamde held Don Quichot van La Mancha, +Ridder van de Droevige Figuur." + +Gedurende Sancho's deftige toespraak was ook Don Quichot naast +zijn schildknaap neergeknield en staarde verbaasd en verbijsterd +de schoone aan, die door zijn dienaar als prinses en keizerin werd +aangesproken. Daar hij nog altijd niets dan eene heel gewone en +daarbij nog vrij leelijke boerenmeid met platten neus en een mond +als een bakoven kon zien, geraakte hij zoo van streek, dat hij buiten +staat was ook maar een enkel woord over de lippen te brengen. + +De boerinnen waren intusschen niet minder verlegen dan hij zelf. Eene +heele poos keken zij verbaasd op de knielende helden neer en wisten +niet, wat van Sancho's zotte toespraak te denken, totdat eindelijk +de vermeende Dulcinea het woord nam en vrij kribbig en boos riep: + +"Loopt naar de maan en laat ons 't pad vrij! Wat hebben wij noodig +met al die malligheden!" + +"O, bekoorlijke prinses en gebiederesse van Toboso," antwoordde Sancho +Panza, "wordt dan uw steenen hart niet verweekt door het leed van +den ridder aan uwe voeten?" + +"Laat ons met vree, leelijke kerels!" schreeuwden de meiden. "Wij +doen geen mensch wat; wat heb je dan ons overlast aan te doen?" + +"Sancho Panza, sta op!" beval Don Quichot op bedrukten toon. "Ik +zie wel, dat weer een ongelukkig gesternte boven mijn hoofd staat +en dat de bron van mijn lijden nog niet is opgedroogd. Gij echter, +aanbiddelijke Dulcinea, die, gelijk ik nu wel zie, door een snooden +toovenaar van uwe verrukkelijke schoonheid en aanminnigheid werdt +beroofd, buig u neder tot mij, verkwik en laaf mij door een zoeten +straal uit uwe oogen, en zie uit deze mijne kniebuiging, dat ik u +ten eeuwigen dage als mijne hooge gebiederesse vereeren zal." + +"Die smerige ouwe vent is gek!" riep de meid, terwijl zij Sancho de +teugels van haar muilezel met geweld uit de handen rukte. "Laat los, +leelijke dikzak, en houd ons niet langer op met je dol gezanik." + +Sancho Panza week op zij, en de boerendeernen zetten het nu dadelijk op +een draf. Zij waren echter niet ver, of daar kwam Dulcinea's ezel te +struikelen en wierp zijne berijdster af. Don Quichot schoot dadelijk +toe, om haar weer op de been te helpen; doch voordat hij nog bij haar +kwam, was zij weer opgesprongen, nam een aanloop, zette hare vuisten +op de achterschonken van haar rijdier, zat met een wip weer in den +zadel en galoppeerde voort, zonder ook maar eens naar den verbaasden +ridder om te zien. De dolende held tuurde haar na, tot zij uit zijn +gezicht verdwenen was, en keerde zich toen tot Sancho, met de woorden: + +"Wat zegt gij nu, mijn schildknaap? Ziet gij nu, hoe erg ik door de +toovenaars gehaat en vervolgd word? Zij hebben mij het onschuldig genot +ontroofd van mijne aangebedene in den vollen glans harer schoonheid te +zien, en haar tot mijne kwelling in een gemeene boerenmeid veranderd." + +"Ja, ja, 't zijn rekels, 't zijn schobbejakken, al die +toovenaars!" riep Sancho uit. "Maar tob daar maar niet over, gestrenge +heer; want 'k weet wel vast, dat de deugd en dapperheid bij slot van +rekening over alle boosheid triomfeeren moeten." + +Don Quichot antwoordde hier niet op, maar besteeg weer zijn Rocinante +en de schildknaap zijn grauwtje, en zoo sukkelden beiden den weg naar +de wereldberoemde stad Saragossa op. Voordat zij die bereikten, moesten +zij echter nog velerlei wonderbaarlijke avonturen beleven, waarvan wij +niet verzuimen mogen het trouw en waarachtig relaas te laten volgen. + + + + + + +HOOFDSTUK XVI. + +DE KAR DES DOODS EN DE RIDDER MET DE SPIEGELS. + + +Terwijl Don Quichot in diep gepeins zijn weg vervolgde, keek Sancho +Panza, over 't gelukken van zijne list in zijn vuistje lachend, +vroolijk rond en ontdekte een wagen, die met allerlei vreemde gedaanten +en personages beladen was. Hij maakte Don Quichot daar opmerkzaam op, +en beiden staarden het wonderlijk schouwspel verbaasd aan. + +De voerman van den wagen was een schrikbarende duivel, en de wagen +zelf was open en onbedekt. Binnenin zat de dood in levenden lijve en +met een menschelijk aangezicht. Naast hem vertoonde zich een engel +met bont beschilderde vleugels. Verder stond daar een keizer met zijn +gouden kroon op het hoofd, en aan de voeten des doods zat god Cupido +met boog, koker en pijlen. Buitendien waren nog een ridder in blank +harnas en eene menigte andere personen in verschillende drachten en +met allerlei tronies en gezichten op den wagen te zien. + +Hoewel eerst een weinig ontsteld, kreeg de Ridder van de Droevige +Figuur toch spoedig zijne gewone bedaardheid weer en geloofde, dat +daar een nieuw avontuur in aantocht was. In deze meening stelde hij +zich dicht voor de kar in postuur en riep met dreigende stem: + +"Voerman of duivel, of wat gij wezen moogt, zeg mij onverwijld, +wie gij zijt en wat vreemd volk gij daar bij u hebt?" + +"Och, waarde heer," antwoordde de duivel zeer onderdanig, "anders niet +dan arme komedianten, die in het kleine dorp ginder achter den heuvel +eene voorstelling van de hofhouding des doods willen geven. Om tijd +te sparen en terstond na onze aankomst het spel te kunnen beginnen, +hebben we ons maar vooraf verkleed. Deze knaap hier speelt voor dood, +die voor engel, die voor soldaat, die voor keizer en ik zelf voor +duivel. Zoo is het gelegen met het geval, en als gij nog meer wilt +weten, vraag dan maar vrij; daar een duivel alles moet weten, kan ik +u wis voldoend bescheid geven." + +"Neen, neen, ik weet al genoeg," sprak Don Quichot. "Toen ik uwe kar +zag, meende ik, dat ik eenig avontuur zou moeten bestaan; maar ik +merk nu wel anders. Trekt in vrede, goede lui, houdt uwe vertooning en +bedenkt eens, of gij niet 't een of ander voor mij te doen weet. Van +harte gaarne wil ik u van dienst wezen, want als kind ben ik al een +groot vriend van zulke mommespelen geweest." + +Terwijl Don Quichot zulke goelijke en vriendelijke woorden sprak, +wilde het toeval, dat de paljas van het gezelschap, die wat achter +was gebleven, aankwam. Hij was als hansworst gekleed, met belletjes +behangen en had op het hoofd een zotskap en in de hand een stok, aan 't +eind waarvan drie groote, met erwten gevulde koeblazen hingen. Zoodra +hij Don Quichot te zien kreeg, begon hij zijn stok te zwaaien, met +de blazen te rammelen, te springen en cabriolen te maken, zoodat al +zijne belletjes rinkelden. Dat geraas en het vreemd uitzien van den +paljas brachten Rocinante zoo van streek, dat hij het gebit tusschen +de tanden nam en, wat de ridder ook trok en riep, in suizenden galop +over de vlakte voortstoof. Ziende, hoe zijn heer zoo gevaar liep van +zandruiter te worden, sprong nu Sancho Panza van zijn grauwtje en +liep achter den ridder aan, om hem bijstand te verleenen. Voordat +hij hem bereikte, was het ongeluk al gebeurd. Don Quichot lag zoo +lang als hij was op den grond, en Rocinante lag naast hem. + +Zoodra echter Sancho Panza van zijn ezel was gestapt, sprong de paljas +op grauwtje en sloeg het met zijne rammelende blazen om de ooren. 't +Geduldige beest, door dat nooit gehoorde geraas verschrikt, zette +het nu op een loopen en holde regelrecht op het dorp aan, waar de +komedianten hunne voorstelling wilden geven. + +Sancho zag zijn ezel wegloopen, maar zag ook te gelijk den benauwden +toestand, waarin zijn heer verkeerde, en wist dus eerst niet, naar +wat kant hij zich keeren zou. Na kort beraad besloot hij echter, als +trouw en eerlijk schildknaap, eerst zijn heer te hulp te springen, +niettegenstaande hem telkens een steek door 't hart ging, als hij dien +verwenschten hansworst zijn stok om de ooren van zijn arme grauwtje +zag zwaaien. Hij wou liever, dat al die slagen hemzelf troffen, dan dat +zijn lief ezeltje ook maar een haartje in zijn staart gekrenkt werd. + +In woede en vertwijfeling over den ongelukkigen staat van zijn +lieveling naderde hij Don Quichot, die vrij leelijk toegetakeld was, +en hielp hem weer op de been en boven op zijn Rocinante. + +"De duivel heeft mijn ezel gehaald, edele heer," zeide hij toen. + +"Welke duivel dan?" vroeg de dolende ridder. + +"De duivel met blazen," antwoordde Sancho. "Daar gaat hij met hem +aan den haal." + +"Dan wil ik hem weer veroveren, al zou ik hem uit den afgrond van +de hel halen," riep Don Quichot. "Volg mij, Sancho! De wagen rijdt +langzaam en de muilezels, die hem trekken, zullen u 't verlies van +uw ezel vergoeden." + +"Laat dat maar rusten, heer," zeide Sancho. "Naar ik zie, heeft de +duivel mijn grauwtje al losgelaten, en 't komt op een drafje weer +naar ons toe." + +"Toch moet zijn lijden gewroken worden," verklaarde Don Quichot, "en +voor de ondeugendheid van den hansworst moet het gansche gezelschap +boeten." + +"Heer!" riep Sancho Panza, "zet u die gedachten in 's hemels naam +uit het hoofd en laat u niet in met potsenmakers, die overal in hooge +gunst en gratie staan." + +"En toch zullen zij hunne verdiende tuchtiging ontvangen," sprak +de ridder. + +Met deze woorden keerde hij zich naar den wagen, die al dicht bij +het dorp was, en riep met daverende stem: "Halt, halt! Wacht wat, +menschen, en 'k wil u toonen, hoe men een ezel behandelt, waarop de +schildknaap van een dolenden ridder rijdt!" + +Don Quichot was met zulke gezonde longen begaafd, dat het volkje op +de kar hem van woord tot woord verstond en zonder veel moeite zijn +voornemen begreep. Meteen was dus de dood van de kar; duivel, engel en +keizer sprongen hem vlug achterna, en ook de overige gedaanten draalden +niet dat voorbeeld te volgen. Allen raapten nu steenen van den grond +op, gingen in eene gesloten rij staan en wachtten zoo manmoedig den +ridder af, om hem met een hagelbui van steenen te ontvangen. + +Toen onze held de dreigende houding der vijanden en hunne armen tot +den worp opgeheven zag, hield hij Rocinante staande en overlegde, +op wat wijze hij die rij met het geringste gevaar voor zichzelf +aanvallen en overhoop werpen zou. Terwijl hij dienaangaande nog in +'t onzekere was, kwam Sancho Panza nader en riep hem vol schrik toe: + +"Heer, ik zeg, dat het roekeloos en dwaas zijn zou, tegen zulk eene +legermacht op te rukken. Bedenk, dat men tegen een keisteenenregen +weinig uitrichten kan, en dat het doldriest zou zijn, een krijgsheer +aan te tasten, dat dood en keizer tot aanvoerders heeft en waarin +engel en duivel meevechten. En mocht dit alles u nog niet afschrikken, +bedenk dan toch, dat onder die gansche bende, al heeft ze koningen +en keizers, toch geen enkel dolend ridder is." + +"Dat is waar, Sancho," antwoordde Don Quichot. "Ge hebt daar het rechte +punt getroffen, 't eenige, dat mij bewegen kan, van mijn voornemen af +te zien. Ik mag mijn goed zwaard tegen niemand ontblooten, die niet +werkelijk tot ridder is geslagen. Maar gij, Sancho, zoo gij wraak +wilt nemen voor de beschimping, uw ezel aangedaan, draal dan niet +en wees verzekerd, dat ik u met nuttige raadgevingen en wenken ter +zijde zal staan." + +"Neen, edele heer, ik wil het maar liever blauwblauw laten; gedane +dingen nemen toch geen keer," verklaarde de schildknaap. "Als ik mijn +grauwtje maar weerom krijg, wil ik er verder geen water om vuil maken." + +"Welaan dan, Sancho," sprak de ridder, "indien dit werkelijk uw +vast besluit is, willen wij die akelige schimmen en spooksels dan +maar laten loopen en avonturen opzoeken, waarbij meer roem en eer +is te behalen. Pak uw ezel bij den teugel: daar komt hij al vroolijk +aandraven." + +Sancho ving zijn grauwtje op. Don Quichot wierp Rocinante om, en de +opgejaagde zwerm komedianten keerde naar de verlaten kar terug. + +Den nacht, die op dezen dag volgde, brachten onze twee helden +onder eenige lommerrijke boomen door. Zij zadelden af, verteerden +hun avondkost uit den knapzak van den ezel, strekten zich toen, Don +Quichot onder een eik, Sancho Panza onder een kurkboom, uit en waren +spoedig in slaap. + +Een tijdlang snurkten beiden rustig en ongestoord; doch op eens +rees Don Quichot overeind en keek rond. Hij had een ongewoon gerucht +vernomen en ontdekte nu twee mannen te paard, van wie de een juist uit +den zadel steeg en zeide: "Neem onze dieren de teugels af en laat ze +grazen. Deze plaats schijnt rijkelijk met gras gezegend, en de stilte +en eenzaamheid hier passen goed voor mijne rustzoekende gedachten." + +Na deze woorden wierp de nieuwe aankomeling zich op den grond, en +zijne wapens maakten zulk een gedreun en gekletter, dat Don Quichot +terstond begreep, dat hij hier een echten dolenden ridder voor zich +had. Hij schudde Sancho bij den arm en kreeg hem, schoon niet zonder +moeite, wakker. + +"Sancho, vriend Sancho," fluisterde hij, "een avontuur is nabij." + +"De hemel geve, dat het wat goeds is," antwoordde de schildknaap en +wreef zich de oogen uit. "Waar is het dan?" + +"Kijk dien kant uit, vriend," antwoordde Don Quichot. "Gij zult +een dolenden ridder, als ik ben, ontdekken, die zoo even van zijn +strijdros steeg en zich onder het kletteren zijner wapenrusting op +de aarde uitstrekte." + +"Ja, waarachtig, ik zie hem," verzekerde Sancho Panza. "Wat zullen +wij met hem aanvangen?" + +Op dit oogenblik richtte de vreemde ridder, die dat gefluister +vermoedelijk vernomen had, zich op en vroeg barsch: "Wie is daar? Wie +spreekt daar? Behoort gij tot het getal der vergenoegden of tot het +getal der mistroostigen?" + +"Wij behooren tot de mistroostigen," antwoordde Don Quichot. + +"Welaan, komt dan hier, opdat wij elkaar nader leeren kennen," sprak +de vreemde ridder. + +Terstond stond Don Quichot op en naderde met Sancho den onbekende, +die zich van het gras half oprichtte en onzen ridder uitnoodigde, +aan zijne zijde plaats te nemen. Sancho Panza vervoegde zich +intusschen bij den wapendrager van den vreemden dolenden ridder, +en zij evenals de ridders begonnen elkaar nu hunne ontmoetingen en +avonturen te vertellen. Na voor zijn collega een waar klaaglied te +hebben aangeheven, begon Sancho Panza dit onderhoud echter al spoedig +moe te worden en verlangde, daar hij onderwijl al weer honger had +gekregen, uitermate zeer naar eenige gezonde hartsterking voor de maag. + +"De tong kleeft mij aan 't gehemelte," zuchtte hij. + +"Daar weet ik goeden raad voor," zeide zijn collega. "Ik heb een +kostelijk middel tegen honger en dorst aan den zadelknop van mijn +paard hangen." + +Met deze woorden stond hij op, en kwam al spoedig terug met een +grooten, goed gevulden wijnzak en eene pastei, die wel een halve el +hoog en breed was. + +"Ei, ei, maat, ben je van zoo'n teerkost voorzien?" vroeg Sancho en +likte zich al de lippen. + +"Wel wis en zeker," antwoordde de vreemde schildknaap. "Denkt ge, +dat ik mijn zwaren dienst heb aangenomen, om van water en brood +te leven? 't Mocht wat! Ik eet en drink er zoo goed van, als menig +generaal niet. Maar tast toe en laat je niet lang noodigen." + +Sancho liet ééne uitnoodiging genoeg zijn en at zonder er onnutte +woorden bij te verliezen. In den donker stopte hij brokken zoo groot +als een vuist in den mond. Toen hij zijn bekomst had, tastte hij naar +den wijnzak, en men zou liegen, als men den dorstigen knaap nazei, +dat hij de opening daarvan korter dan een kwartier achtereen aan den +mond hield. Toen hij met slokken ophield, boog hij het hoofd op zij, +haalde diep adem en zeide: + +"Hoor, ondeugend schermpje, ik wil gehangen worden, als deze wijn +niet uit een klooster gestolen is." + +De vreemde lachte, zonder te antwoorden, en de beide kameraads praatten +en dronken, totdat eindelijk de slaap hun de zware oogleden toedrukte. + +Terwijl zij in vrede rustten, verhaalde de vreemde ridder aan onzen Don +Quichot, dat zijne hooge en edele uitverkorene Casildea van Vandalia +werd geheeten, en dat zij onvergelijkelijk zoowel in schoonheid als +in voornaamheid was. + +"Voor kort," zeide hij, "heeft zij mij opgedragen, alle provinciën van +Spanje te doorkruisen en iederen dolenden ridder tot de bekentenis te +dwingen, dat zij de aanminnigste schoonheid is, die ooit door de zon +beschenen werd. Ik deed volgens haar bevel en wierp menigen ridder +in het stof neder; maar waarop ik het meest trotsch ben, is een kamp +met den beroemden ridder Don Quichot van La Mancha. Ook hem overwon +ik in tweegevecht en dwong ik tot de verklaring, dat mijne gebiedster +Casildea schooner is, dan de zijne, die Dulcinea heet." + +Toen onze Don Quichot den boschridder, dien hij in zijn gansche +leven nog niet gezien had, aldus hoorde spreken, ontbrandde hij in +geweldigen toorn, sprong op en riep: + +"Gij liegt, snoode en schandelijke ridder! Want weet, ik ben het, +dien gij noemt, ik ben Don Quichot van La Mancha, bijgenaamd de Ridder +van de Droevige Figuur. Kom op ten strijde, zoo gij moed daartoe hebt." + +De boschridder antwoordde zeer koelbloedig: "Dus zijt gij Don +Quichot? Nu, dan moet wel de een of andere schelm zich voor u hebben +uitgegeven, dien ik in de meening, dat gij zelf voor mij stondt, in +het zand wierp. Dat schaadt evenwel niet, daar ik nu inhalen kan, wat +ik toen verzuimde. Wacht nu echter den dag af, daar 't geen gebruik +is, dat edele ridders hunne wapenfeiten in den donker volbrengen als +roovers en gauwdieven. Over dag wil ik u staan, te voet en te paard, +met zwaard en met lans." + +"Goed, daar ben ik tevreden mee, en ik stel voor, dat wij onze +schildknapen wekken, zoodat zij tegen zonsopgang onze paarden getuigd +en gezadeld hebben." + +Zij gingen naar de plaats, waar de twee in slaap lagen, wekten hen +en bevalen hun, al het noodige tot den voorgenomen kamp gereed te +maken. Sancho schrikte niet weinig, daar hij voor het leven en de +gezondheid van zijn heer bijzonder bezorgd was. Nochtans waagde +hij geen woord van tegenspraak, maar ging in stilte zijn werk +verrichten. De andere schildknaap volgde zijn voorbeeld. + +"Hoor, broeder," sprak hij tot Sancho, "als onze meesters aan het +vechten zijn, mogen wij de handen niet stil in den schoot leggen, +maar moeten elkaar ook eens duchtig op 't jak zitten." + +"Dat reken ik heelemaal onnoodig," antwoordde Sancho Panza. "Ook heb +ik nog nooit gehoord, dat schildknapen van dolende ridders zich met +de zaken van hunne meesters bemoeiden, en buitendien ben ik niet eens +een zwaard rijk." + +"O, dat doet er niet toe," zeide de ander. "Wij vullen een paar linnen +zakjes met keisteentjes en slaan elkaar daar zoo lang mee om de ooren, +tot een van ons op den grond ligt." + +"Kijk, bij mijns vaders baard, dat zou een groote gekheid wezen!" riep +Sancho. "Neen, ik ben er niet op gesteld, dat men mij kop en schonken +bont en blauw beukt." + +"En toch moeten wij op zijn minst een half uurtje lang samen vechten," +zei de vreemde schildknaap; "en als ge niet wilt, dan zal ik je zoo +lang om de ooren slaan, tot ge wel weerom slaat." + +"O," riep Sancho, die nu boos werd, "als ge me zoo aankomt, zal ik +een knuppel pakken en je afranselen, tot je geen raad meer weet. Volg +mijn raad en zet je die vechterijen uit de malle hersens. Zoo niet, +dan zeg ik je, dat al 't ongeluk, dat er uit ontstaat, op je eigen +rekening komt." + +"Goed, goed," bromde de ander; "'t wordt gauw dag, en dan zullen we +wel nader zien." + +Onderwijl begonnen de vogeltjes op de takken rond te huppelen en +hunne fijne stemmetjes te laten hooren; het morgenrood verguldde +den hemel en de dauw viel in flonkerende parels op bloem en kruid +neer. Nauwelijks echter liet het licht van den dag de voorwerpen +duidelijk onderscheiden, of Sancho Panza zag een ding, dat hem allen +moed uit het harte dreef en hem eene rilling over den rug joeg. En +dat ding was--de neus van zijn collega, den vreemden schildknaap. + +Die was van buitensporige grootte, gebogen als een vogelsneb, met +wratten en puisten bezaaid en vertoonde alle kleurschakeeringen +van het zachte rozerood tot het donkerst purper toe. Sancho Panza +kreeg zoo'n schrik van dien neus, dat hij in stilte besloot, zich +liever tweehonderd oorvijgen te getroosten, dan zich met zulk een +vogelverschrikker in een gevecht in te laten. + +Intusschen nam ook Don Quichot zijn tegenstander op, die een stevig, +gezet en grof gespierd man was. Over zijn harnas droeg hij een +wapenrok van 't fijnste goudlaken, die van onder tot boven met kleine +halvemaanvormige spiegeltjes was bezet, wat bij iedere beweging eene +zeer aardige vertooning maakte. Van zijn helm hing een zware pluimbos +neer, en zijne lans, die tegen een boom geleund stond, was buitengewoon +dik en lang en met een lange stalen punt gewapend. + +Uit dit alles maakte Don Quichot op, dat hij eene kloeke tegenpartij +had te bekampen; doch zijn bekende en beproefde heldenmoed geraakte +daardoor geen oogenblik aan het wankelen. Veeleer daagde hij hem, +zonder nog zijn door het vizier van den helm bedekt aangezicht gezien +te hebben, op staanden voet ten kampstrijd uit, en beide ridders +bestegen onmiddellijk hunne rossen. + +Om de vereischte ruimte tot kampplaats te winnen, maakte Don Quichot +eene korte wending met zijn paard, en de spiegelridder volgde zijn +voorbeeld. Terstond daarop stonden zij tegen elkaar over en sloegen, +als om afscheid van de wereld te nemen, nog eens een blik in het +rond. Nu kreeg Don Quichot ook den vervaarlijken neus van den vreemden +schildknaap in het oog en verwonderde zich er niet minder over dan +Sancho, die op ditzelfde oogenblik kwam aanloopen, om zijn meester +eene dringende bede in het oor te fluisteren. + +"Heer ridder," zei hij, "ik bid u in 's hemels naam mij op gindschen +kurkboom te helpen, omdat ik daar uit de hoogte het vreeselijk slagveld +veel beter zal kunnen overzien." + +"Hoor, Sancho," antwoordde Don Quichot, "ik vrees, dat gij enkel en +alleen zoo hoogop wilt, om uw armzalig lijf in veiligheid te brengen." + +"Nu, nu, om de waarheid te zeggen, wil ik wel bekennen, dat ik wat +bang voor dat gruwelijk neuswerk ben," betuigde de knaap. "Dat jaagt +mij zoo'n schrik aan, dat ik 't er onmogelijk dicht bij uithouden kan." + +"Ja, ja, die neus is een afgrijselijk ding," zei Don Quichot, +"en maak dus maar gauw, dat ge naar boven komt." + +Terwijl Don Quichot zijn schildknaap een handje hielp, om op een +tak te komen, spoorde de spiegelridder zijn ros aan, om zijn vijand +met knaap en al overhoop te rennen. Daar nu evenwel zijn hengst een +knol van de gemeenste soort was, bleef die midden in zijn vaart staan +en kuchte en hijgde zoo erbarmelijk, dat men wel bijkans medelijden +moest krijgen met het arme beest, dat van lamlendigheid haast niet +op zijne vier pooten kon blijven staan. + +Don Quichot had intusschen zijn knaap in veiligheid gebracht en, +door zulk een verraderlijk gedrag in blakende grimmigheid ontstoken, +gaf hij Rocinante nu met zooveel geweld de sporen, dat hij in vollen +galop op den nu roerloos wachtenden spiegelridder instoof. In het +midden van de baan bereikte hij dien en trof hem met zijne lans zoo +geweldig in de zijde, dat de snoode man in den zadel waggelde en +ruggelings over zijn paard heen ter aarde tuimelde. De bons, dien +hij kreeg, was zoo geducht, dat hij stokstijf bleef liggen en Don +Quichot zelf geloofde, dat hij zoo dood als een pier was. + +Zoodra Sancho hem zag rollen, liet hij zich schielijk weer uit +zijn boom neerglijden en kwam toe op zijn heer, die uiterst bedaard +van Rocinante was gestegen en zich over den gevelden spiegelridder +neerboog. Hij gespte hem den helmband los, om hem lucht te verschaffen +en te zien, of hij wis en wezenlijk dood was, en aanschouwde nu tot +zijne allerovergrootste verbazing het aangezicht van--van den heer +Sanson Carrasco, denzelfden, van wien hij zijn fraaien helm ten +geschenke had gekregen. + +"Sancho!" riep hij, "Sancho Panza, kom hier en zie met eigen oogen, +welke kunstenarijen die snoode toovenaars aanwenden, om mijn zinnen +te verbijsteren en mij geheel op 't dwaalspoor te brengen." + +Sancho kwam reeds aansjokken en zette het bij dien toeroep op een +drafje. Bij 't zien van het bleeke aangezicht van Carrasco sloeg hij +van louter verbaasdheid een kruis en spoorde zijn heer aan, om den +gevallene maar zonder omslag het zwaard tusschen de tanden in te boren +en zoodoende aan die verfoeielijke tooverij op eens een einde te maken. + +"Dat zou zoo verkeerd niet wezen," zeide Don Quichot en trok zijn +zwaard, om Sancho's raad onverwijld op te volgen. Evenwel werd hem +dat nog bijtijds belet, daar de schildknaap van den gevallene, hoewel +thans zonder zijn groot neuswerk, op een drafje kwam aanloopen en al +van verre bad en smeekte, dat men zijn armen heer toch sparen mocht. + +"Kijk wel toe, gestrenge heer!" lamenteerde hij. "Die man daar aan +uwe voeten is wis en vast Sanson Carrasco, uw goede vriend, en ik +ben zijn alleronderdanigste knecht en dienaar." + +"Maar waar heb je dan je neus gelaten?" vroeg Sancho Panza, als ten +toppunt van verbazing, toen hij dat schrikbarend uitsteeksel niet +meer ontdekte. + +"Dien heb ik hier in mijn zak," antwoordde de knaap en haalde een +ding van beschilderd bordpapier voor den dag. + +"Wat is dat?" schreeuwde Sancho, toen hij den vreemde nu eens goed +had aangekeken. "Waarachtig, 't is Tomé Cecial, mijn naaste buurman!" + +"Geen mensch anders, mijn oude vriend Sancho Panza," zei de ander; +"en als ge een weinigje geduld hebt, wil ik je van haver tot gort +vertellen, hoe en waartoe ik hierheen ben gekomen. Verzoek uwen +dapperen heer echter eerst, dat hij den armen spiegelridder geen kwaad +doet; want het is wezenlijk de heer Sanson Carrasco, zijn oude vriend." + +Intusschen was de spiegelridder weer tot bezinning gekomen; en zoodra +Don Quichot dat bemerkte, hield hij hem de punt van zijn zwaard voor +het gezicht en sprak: + +"Gij zijt een kind des doods, zoo gij niet oogenblikkelijk erkent, +dat mijne hooge gebiedster Dulcinea van Toboso de uwe, Casildea van +Vandalia, in schoonheid ver overtreft." + +"Dat erken ik! Dat erken ik!" riep de spiegelridder, die in zijn +hulpeloozen toestand natuurlijk niet zeer op zijn gemak was. "Casildea +is niet waard, uwe Dulcinea de schoenriemen los te binden. Laat mij in +'s Hemels naam maar opstaan, gestrenge heer!" + +"Erken eerst nog, dat gij nu en nooit mij, Don Quichot van La Mancha, +den Ridder van de Droevige Figuur, in tweegevecht hebt overwonnen, en, +hoewel gij in uitzien veel op Sanson Carrasco gelijkt, toch niet die, +maar een heel ander zijt." + +"Dat erken ik! Dat erken ik!" riep de spiegelridder nogmaals in zijn +doodelijken angst. "Ik beken alles, wat gij wilt, als gij mij maar +eerst laat opstaan en mijne gekneusde ledematen wrijven, die van den +val deerlijk geleden hebben." + +Don Quichot stak thans bevredigd zijn zwaard op en hielp den +overwonnen ridder op de been. Beschaamd en neerslachtig trok deze +met zijn schildknaap zijns weegs; maar Don Quichot en Sancho Panza +vervolgden met fiere harten hun tocht, en de Ridder van de Droevige +Figuur bleef onverzettelijk bij zijne meening, dat hij een vijand +had geveld, dien een vijandig gezind toovenaar naderhand, om den +overwinnaar te ergeren en den overwonnene te redden, in den persoon +van Sanson Carrasco had veranderd. + +Dit was echter, gelijk wij uit goede bron weten, in geenen deele het +geval. De overwonnen dolende ridder was wel waarlijk Sanson Carrasco, +die uitgetrokken was om Don Quichot van zijne dwaasheid te genezen. In +de verwachting, dat het hem niet zwaar zou vallen den dolenden ridder +te overwinnen, had hij dien tot een nieuwen tocht aangespoord en +besloten Don Quichot, als hij hem meester was geworden, te gelasten +stilletjes naar zijn dorp terug te keeren en dat in de eerste twee +jaren niet weder te verlaten. + +Nu echter was dat anders uitgevallen. In plaats van victorie te +kraaien, moest Sanson Carrasco met hangende pootjes aftrekken. Hij +peinsde op wraak; maar Don Quichot was blij en welgemoed en had den +overwonnene spoedig weer vergeten. + + + + + + +HOOFDSTUK XVII. + +HET AVONTUUR MET DE LEEUWEN EN ANDERE WONDERLIJKE GESCHIEDENISSEN. + + +Den grooten weg volgende, haalde Don Quichot een goed gekleed, +oudachtig heer in, met wien hij zich, daar hij in alles, wat niet +met die dwaasheid van het dolend ridderschap in verband stond, een +hoogst beschaafd en verstandig man was, op recht aangename wijze wist +te onderhouden. Hij geraakte zóo met hem in 't gesprek verdiept, dat +Sancho Panza, die den helm zijns meesters aan zijn zadelknop droeg, +zich ongemerkt van zijne zijde verwijderen en bij eenige herders +vervoegen kon, die op een naburig veld hunne schapen weidden. Hij +wilde wat melk van hen vragen, waarop hij ontzettend belust was. + +Nog was Sancho bij de herders, toen Don Quichot toevallig opkeek en +eene kar in het oog kreeg, die, met vele bonte vaantjes en wimpels +versierd, regelrecht op hem toekwam. Daar hij terstond een nieuw +avontuur vermoedde, riep hij met luider stemme aan Sancho om zijn helm. + +De schildknaap vernam het dringend roepen van zijn heer juist op het +oogenblik, toen hij van de herders een paar vette, weeke kaasjes +had gekocht. Inderhaast wist hij niet, waar hij die bergen zou, +en daar hij ze reeds betaald had, wilde hij ze toch liefst niet in +den steek laten. In deze verlegenheid viel zijn oog op den helm, +die hem op eens op een gelukkigen inval bracht. Hij stopte de kaasjes +in zijns meesters ijzeren hoofddeksel en kwam nu haastig aandraven, +om te vernemen, wat Don Quichot van hem verlangde. + +"Geef mij mijn helm, Sancho!" riep de dolende ridder vol +ongeduld. "Mijn helm hier! Haast u, want nu staat ons een avontuur +te wachten, waarvan het late nageslacht nog gewagen zal." + +Driftig rukte hij Sancho, die nog geen tijd gehad had, om zijne +kaasjes in veiligheid te brengen, den helm uit de hand en drukte dien, +zonder te bemerken, dat er iets in was, stevig op zijn hoofd. Daar +nu de kaas nog versch was en door de zwaarte van den ijzeren helm +niet weinig geperst werd, zoo begon natuurlijk de vettige melkpap al +spoedig over Don Quichots haar, gezicht en baard neer te druppelen en +'t hem niet weinig lastig te maken. + +"Sancho," riep hij ontsteld, "Sancho, wat is dat hier? 't Is, alsof +mij de hersenen gaan smelten, of 't mij schemerachtig voor de oogen +wordt, of 't gulle zweet mij van alle kanten uitbreekt. Geef mij wat, +om mij af te drogen, want die bijtende zweetdroppels zullen mij anders +stekeblind maken." + +Zonder een woord te zeggen, reikte Sancho den ridder een vuilen, +vettigen doek toe en was in zijn hart maar blij, dat Don Quichot in +zijn ongeduld den eigenlijken aard van dat lastig zweet niet nader +onderzocht. + +De ridder merkte intusschen toch onraad en nam, na zich zoo wat +afgeveegd te hebben, den helm af, om zijn zweetenden schedel eens te +betasten. En toen hij nu aan zijne vingers dat witte kaasdeeg zag en +daaraan rook, begreep hij 't gansche geval en maakte zich. ontzettend +driftig. + +"Schandelijke, verraderlijke, laaghartige en arglistige knaap," +barstte hij los, "'t is kaas, wat gij daarin gestopt hebt! Kaas, +bij het leven en de schoonheid mijner hooge dame Dulcinea van Toboso!" + +Ofschoon Sancho Panza eerst geducht schrikte, herstelde hij zich toch +spoedig en kreeg zijne gewone onbeschaamdheid terug. + +"Ei, als 't werkelijk kaas is, edele heer," sprak hij, "geef die mij +dan, want op kaas ben ik dol. Schoon neen, de duivel mag haar eten, +want die alleen kan ze daarin getooverd hebben. Gij zult toch niet +gelooven, edele ridder, dat ik ooit de stoutheid zou hebben, uw +helm te verontreinigen? De hemel moge mij voor zulke heiligschennis +behoeden! Misschien vervolgt mij en u een snoode toovenaar, die +de kaas er alleen indeed om u te vertoornen en mij daardoor een +dracht slagen te bezorgen. Maar ik ben zeker, dat hem ditmaal zijne +list niet gelukken zal, want mijn edele heer is veel te verstandig, +om niet in te zien, dat ik de kaas, als ik die namelijk gehad had, +honderdmaal liever in mijn maag dan in uw helm zou hebben geborgen." + +"Dat komt mij wel waarschijnlijk voor," zeide Don Quichot, nu weer +ten volle tevredengesteld. + +Zonder zich aan het verwonderd gezicht te storen van den heer die +hem gezelschap hield, reinigde hij zich ten volle van de vettige +brij, zette toen zijn helm weer op, stond overeind in de beugels, +keek naar zijn zwaard, velde de lans en riep vol kamplust en moed: +"Kome nu, wie wil! Hier sta ik en voel de kracht in mij, om het zelfs +tegen den baarlijken duivel op te nemen." + +Onderwijl naderde de met vaantjes versierde kar, en het bleek nu, +dat daar niemand bij was dan de voerman met zijne muilezels en een +man, die op het voorste bankje zat. Don Quichot plaatste zich toen +midden in den weg en vroeg: + +"Wie zijt gij, menschen? Waar gaat gij heen? Wat voor een wagen is +dat? Wat hebt gij daarin? En wat moeten die vlaggetjes daar beduiden?" + +"Heer," antwoordde de voerman, "die kar is mijn eigendom, en er +zijn twee geweldige leeuwen in, die de stadhouder van Oran aan zijne +majesteit den koning ten geschenke zendt. Die vaantjes beduiden alleen, +dat de inhoud der kar 's konings eigendom is." + +"Zijn de leeuwen groot en sterk?" vroeg Don Quichot. + +"Zeker, edele heer!" antwoordde de man. "Ze zijn grooter en sterker dan +er ooit nog uit Afrika naar Spanje zijn gekomen. Ik heb al veel leeuwen +gezien, maar huns gelijken nog niet. Hier in het voorste hok zit de +leeuw en in dat andere de leeuwin. Ze zijn nu ontzettend hongerig, +daar ze vandaag nog geen voêr hebben gehad, en ik verzoek dus, dat +de heeren uit den weg gaan en ons doorlaten, zoodat wij spoedig naar +eene plaats komen, waar vleesch is te krijgen." + +"Ik voor zoo'n paar ellendige leeuwen uit den weg gaan?" vroeg Don +Quichot met minachting. "Zie mij aan, of ik de man daarnaar ben! Gauw +afgestapt, goede man, en de hokken geopend, zoodat de beestjes naar +buiten kunnen komen! Hier midden op het open veld wil ik met hen +vechten en hun toonen, wie Don Quichot van La Mancha, de Ridder van +de Droevige Figuur, is. Kom af, zeg ik, en voor den dag met de twee, +in spijt van al de toovenaars, die ze mij zeker in den weg hebben +gezonden." + +De vreemde heer zag Don Quichot met groote oogen aan en meende zeker, +dat het hem eensklaps in het hoofd was geslagen. In zijn bitteren +angst en benauwdheid wendde Sancho Panza zich tot hem en smeekte hem +in roerende bewoordingen althans eene poging te doen, om den ridder +van zijne roekelooze onderneming terug te houden. + +"Ik bid u in Gods naam," smeekte hij, "maak toch, dat mijn meester +zich niet met dat wilde gedierte inlaat, dat ons zeker in stukken +zal scheuren." + +"Maar wil uw heer dan wezenlijk die dieren bevechten?" vroeg de +vreemde. "Is hij dan geheel razend en dol?" + +"Dol en razend niet, maar zoo moedig, dat er geen houden aan is," +verzekerde Sancho. + +"Nu, dan wil ik mijn best doen, om ongelukken voor te komen," zeide +de vreemde en keerde zich tot Don Quichot, die den leeuwenhoeder nog +altijd drong de hokken te openen en de dieren vrij te laten. + +"Heer dolend ridder," sprak hij tot Don Quichot, "voor zoover mij +bekend is, moeten alle helden slechts zulke avonturen bestaan, die hun +kans laten op levensbehoud. Door zich met andere dingen in te laten +verraden zij meer dwaasheid dan kracht en verdienen geen lof, maar +berisping. Laat dus, bid ik u, deze leeuwen met rust; zij komen aan +zijne majesteit den koning toe en worden niet ongestraft aangeroerd." + +"Mijn beste heer," antwoordde Don Quichot, "bemoei gij u met uwe hazen +en patrijzen en laat mij mijn werk doen, gelijk dat mij goeddunkt. De +kamp met deze leeuwen behoort daartoe, en ik verzoek u, dat gij u +daar niet verder mee bemoeit." + +De heer zweeg, daar hij begreep, dat zijn spreken toch niet baatte, +terwijl Don Quichot zich opnieuw tot den leeuwenhoeder wendde en sprak: + +"Gij schandelijke en plichtvergeten dienaar! als gij niet op staanden +voet gehoorzaamt, zweer ik, dat ik u met deze lans aan uw hok vast +zal nagelen." + +Nu de man zag, dat het den geharnasten ridder ernst was, durfde hij +zich niet langer verzetten en zeide: "Ieder hier tegenwoordig kan +getuigen, dat ik alleen door geweld ben gedwongen geworden de kooi +der leeuwen te openen en het eigendom des konings op het spel te +zetten. Alle schade en alle onheil, dat daaruit ontstaan kan, gaat +mij niet aan, maar alles moet naar billijkheid en recht op rekening +van dezen ridder komen. Maakt plaats, mijne heeren, bergt u, voordat +ik de grendels openschuif." + +"Heer," keerde de voerman zich thans tot Don Quichot, "vergun althans, +dat ik mijne muilezels afspan en in veiligheid breng. Als de leeuwen +mijne dieren ombrengen, ben ik voor altijd mijne kostwinning kwijt." + +"Gij zijt een dom mensch," riep de ridder verstoord. "Denkt gij, dat ik +aan de leeuwen tijd zal laten, om uwe dieren aan te vallen? Mijnentwege +doe echter, wat gij wilt; maar gij zult zien, dat gij nutteloos werk +gedaan hebt." + +Niettegenstaande deze verzekering spande de man in aller ijl zijn +trekvee af, en gedurende dien tijd trachtte de vreemde heer den +ridder nogmaals tot andere gedachten te brengen. Deze bleef echter +onverzettelijk bij zijn opzet volharden. + +"Wilt gij niet getuige zijn van den kamp, dien ik hier op het open +veld beginnen zal, spoor dan uw schimmel aan en maak u uit de voeten," +zeide hij. + +Thans deed ook nog Sancho Panza een goed woord en smeekte met tranen +in de oogen zijn meester, toch van zijn voornemen af te zien. + +"Dit avontuur is zoo vreeselijk," zei hij, "dat al, wat wij reeds +beleefd hebben, er maar kinderspel bij was. Hier is geen tooverij +of hekserij in 't spel, maar alles is wis en wezenlijk ernst. Ik heb +tusschen de ijzeren tralies door in 't hok gekeken en daar de klauwen +van den leeuw gezien, die ontzettend lang en breed zijn. 't Is een +dier, zoo groot als een berg, heer." + +"Uwe benauwdheid zal het nog grooter maken dan de halve wereld," +zei Don Quichot. "Maak maar, dat ge weg komt, Sancho! Mocht ik bij +den zwaren strijd, die mij te wachten staat, het leven laten, spoed +u dan naar mijne gebiedster Dulcinea van Toboso en maak haar bekend +met mijn dood." + +Na deze woorden begrepen allen, dat met Don Quichot niets meer was +aan te vangen en dat men hem stil zijn gang moest laten gaan. Zoo +dreef dan de voerman zijne muilezels op zij, bracht de vreemde heer +zijn schimmel in veiligheid en zorgde Sancho Panza, dat hij met zijn +grauwtje op eerbiedigen afstand kwam. En toen gebood de ridder op +dreigenden toon, dat men de hokken zou openen. + +Ziende, dat alle menschen en dieren buiten gevaar waren, bracht de +leeuwenhoeder Don Quichot nogmaals onder het oog, welk eene roekelooze +onderneming hij voorhad, en waarschuwde hem ernstig zich toch niet +zoo moedwillig in gevaar te begeven. Don Quichot luisterde daar +echter niet naar. Terwijl de man talmde en nog steeds tijd zocht +te winnen, overlegde hij, of het niet beter zou zijn, den kamp te +voet, in plaats van te paard te beginnen, en besloot eindelijk tot +het eerste, omdat hij vreesde, dat Rocinante bij het zien van het +vreeselijk roofdier schuw en wild zou worden. Hij sprong dus van het +paard, wierp zijne lans op den grond, dekte zijne borst met het schild, +trad met ontbloot zwaard voor de deur van het hok en beval zijne ziel +Dulcinea van Toboso aan. + +Toen de leeuwenhoeder nu zag, dat Don Quichot ten volle bedaard +en beraden was, en dat hij hem dus wel zijn zin diende te geven, +rukte hij de deur van het eerste hok, waarin de leeuw zat, wagenwijd +open. De leeuw, werkelijk een dier van buitengewone grootte en +schrikinboezemende gestalte, keerde zich om in zijn kooi, schoof zijn +voorpooten vooruit en rekte zich. Daarop ontsloot hij zijn ontzettenden +muil, spalkte dien wijd open en gaapte zeer majestueus. Vervolgens stak +hij de bloedroode tong uit, likte zich de oogen, trad met langzamen +tred vooruit, stak zijn geweldigen kop buiten het hok, liet zijne +gloeiende oogen naar alle zijden rondrollen en nam eene houding aan, +die iedereen met ontzetting zou vervuld hebben. Don Quichot week +echter niet terug, maar nam het vreeselijk dier kalm en bedaard op +en wenschte zelfs, dat het dadelijk van den wagen springen en den +kamp met hem beginnen mocht. + +Na echter het landschap en zijn uitdager eene poos bedaard te hebben +aangekeken, schudde de leeuw langzaam zijn kop en--draaide zich om, +Don Quichot den rug toekeerend. Met de grootste onverschilligheid +strekte hij zich vervolgens op de planken uit en scheen zich om niets +ter wereld meer te bekommeren. + +"Jaag hem op!" riep Don Quichot den leeuwenhoeder toe. "Stoot, sla, +schop, terg en sar hem, tot hij uit zijn hok komt." + +"Ja, ja, dat zal ik wel uit mijn hersens laten," riep de man. "Als ik +hem aanraakte, zou hij mij allereerst beetpakken, en dat is een ding, +waarvoor ik hartelijk bedank. Vergenoeg u met wat gij gedaan hebt, +heer ridder, en wees verzekerd, dat het meer is, dan één menschenkind +u zou durven nadoen. Stel u niet voor de tweede maal bloot en bedenk, +dat gij alles gedaan hebt, wat men van een held kan verlangen. De deur +staat open, de leeuw is uitgedaagd, gij staat tot den kamp bereid. Wil +uw vijand niet vechten, dan is aan hem de schande en oneer en aan u +de zege en de roem." + +"Dat is waar!" riep Don Quichot uit. "Sluit de deur weer toe, vriend, +en geef mij de getuigenis, dat ik werkelijk alles gedaan heb, wat +mij geoorloofd was. Gij hebt den leeuw de deur opengezet; ik heb hem +opgewacht, maar hij is niet gekomen; eindelijk heb ik nog een poos +gewacht, en hij is weer niet verschenen, maar is naar den versten hoek +van zijn kooi gekropen en heeft zich daar lafhartig neergelegd. Meer is +niet noodig, om mijne dapperheid in vollen glans te vertoonen, en gij +moogt dus vrij de deur sluiten, terwijl ik onze gevluchte vrienden wil +terugroepen, opdat zij uit uw mond het verhaal van mijne daden hooren." + +De wachter sloot het hok weer toe, en Don Quichot bond den doek, +waarmee hij de kaas van zijn gezicht had gewischt, aan zijne lans, +om daarmee de anderen terug te roepen. Te gelijk verhief hij zijne +stem en riep: "Sancho! Sancho!" dat het wijd over het veld klonk. + +Sancho Panza vernam dien roep, keerde zich om, zag het witte vaantje +en zei: "Ik laat mij levend villen, als mijn heer de wilde beesten +niet overwonnen heeft; want zie, hij wenkt ons en zijn vaan wappert +in den wind." + +Ook de anderen zagen het gegeven teeken, en hunne harten, die tot nog +toe met angst vervuld waren geweest, werden gerust. Zij keerden naar +de kar terug en waren zeer verlangend, de toedracht en den afloop +van den gewaagden kamp te vernemen. + +"Span uwe muilezels weer voor," riep Don Quichot den voerman toe; +"span ze voor en vervolg ongehinderd uwe reis. En gij, Sancho, geef +den leeuwenhoeder twee goudguldens tot vergoeding omdat hij zich zoo +lang heeft opgehouden." + +"Die goudguldens wil ik hem wel geven," antwoordde de schildknaap; +"doch zeg mij eerst, wat er van de leeuwen geworden is. Zijn ze al +dood, of hebben ze er 't leven afgebracht?" + +"Wend u tot dezen man," sprak Don Quichot met trotschheid; "hij zal +u berichten, hoe de zaak is afgeloopen." + +Sancho talmde hier dan ook niet mee, en de leeuwenhoeder vertelde +uitvoerig de geheele geschiedenis en kon niet genoeg roemen, hoe +uitstekend dapper en heldhaftig de ridder zich in dit geval gedragen +had. De leeuw scheen reeds bij zijne eerste verschijning door schrik +aangetast en was, in plaats van den aangeboden kamp aan te nemen, +lafhartig naar den versten hoek van zijn hok teruggeweken; en daar hij, +de leeuwenhoeder, den dapperen Don Quichot nu gezegd had, dat het +roekeloos zou zijn, den leeuw nog verder te tergen, had de ridder, +hoewel ongaarne, hem eindelijk vrijheid gegeven de deur van het hok +weer dicht te doen. + +"Wat zegt gij daarvan, Sancho?" vroeg Don Quichot vol fierheid. "Daar +ziet gij nu uit, dat alle betooveringen tegen ware dapperheid en +echten heldenmoed geen zier kunnen uitrichten." + +Sancho haalde stilzwijgend de schouders op en stopte den leeuwenhoeder +de twee goudguldens in de hand, waarna deze laatste beloofde de +koenheid van Don Quichot overal te zullen uitbazuinen en zelfs te +zorgen, dat die zijne majesteit den koning ter oore kwam. + +"Goed, dat moogt gij doen," sprak Don Quichot; "en als de koning u naar +mijn naam mocht vragen, kunt gij antwoorden, dat het de "leeuwenridder" +is, die de stoute daad gewaagd heeft. Voortaan namelijk wil ik, een +overoud heilig gebruik volgend, dezen bijnaam voeren en daarentegen +dien van "Ridder van de Droevige Figuur" afleggen. Dat hebben vóór +mij reeds vele dolende helden gedaan, en ik wil hun doorluchtig +voorbeeld volgen." + +De kar reed nu weg en Don Quichot vervolgde met zijn klein gezelschap +den vroeger ingeslagen weg naar Saragossa. + +Het duurde nu niet lang, of zij kwamen eene beroemde grot, het +zoogenaamde hol van Montesinos, voorbij, waarvan allerlei wonderbare +dingen verteld worden, en de vreemde heer maakte daar Don Quichot +opmerkzaam op. Terstond betoonde deze grooten lust het inwendige te +bezien; doch de vreemde ried hem dit af, omdat men er niet anders +in kon komen, dan door zich aan lange touwen in de diepte te laten +neerzakken. + +"En al zou ik er voor in de hel komen, toch moet ik de grot bezien," +verklaarde Don Quichot en reed regelrecht op het naaste dorp aan, +om daar te overnachten en zich van de vereischte touwen en strikken +te voorzien. Hij kocht daarvan tot eene lengte van honderd vaam, +en begaf zich den anderen dag met den vreemden heer en met Sancho +Panza naar de gevaarlijke plaats. + +Na den middag te twee uren kwamen zij daar aan en vonden den toegang +tot de grot vrij breed, ruim en slechts weinig door doornen en ander +struikgewas bedekt en verdonkerd. Zij stegen af, en Don Quichot werd +vast en stevig aan een touw gebonden, om zonder verwijl in de diepte +te worden neergelaten. + +"Heer," zeide Sancho Panza, terwijl zij daarmee bezig waren, "heer, +bezin, eer gij begint, en bedenk nog eens goed, wat gij doet. Nog +niemand heeft het eind van de spelonk bereikt, en niemand dwingt u +zulk een gevaarvol stuk te ondernemen. Blijf stilletjes hier boven +en neem goeden raad van mij aan." + +"Houd den mond, Sancho, en bind maar de touwen vast," antwoordde Don +Quichot op deze welgemeende waarschuwing. "Juist zulk eene onderneming, +die nog niemand gelukt is, past voor mij." + +De schildknaap zweeg en liet verdrietig de lip hangen. Toen nu +echter Don Quichot stevig was vastgebonden, knielde hij neder, riep +de krachtdadige bescherming van zijne Dulcinea in en naderde toen +den afgrond, waarin hij zich wilde laten neerzakken. Voordat hij +aan den rand kwam, moest hij echter met zijn zwaard zich een weg +door het struikgewas banen, dat voor den ingang der grot welig was +opgeschoten. Het door het kraken en breken der takken veroorzaakte +gerucht joeg eene ontzettende menigte raven, kraaien, uilen en +vleermuizen op, die tot hiertoe in ongestoorde rust in de grot +genesteld hadden, en zij stoven met zooveel geweld op Don Quichot los, +dat die daardoor overhoop werd geworpen en zoo lang als hij was op +den grond kwam te liggen. + +Ieder ander, dan onze onverschrokken ridder, zou deze omstandigheid +als een noodlottig voorteeken hebben beschouwd; doch hem versterkte +zij slechts in zijn heldhaftig voornemen. Toen al dat fladderend +roofgedierte zich een uitweg had gebaand, sprong hij in den afgrond +neer; de vreemde heer en Sancho Panza vierden langzaam de lijn, +en Don Quichot verdween aldra in de donkere, gapende diepte. + +"De hemel behoede u, gij pronk en sieraad van de dolende +ridderschap!" riep Sancho Panza hem na. "Daal neer, gij hoofd van +ijzer, hart van staal en arm van metaal! Moogt gij behouden het +daglicht weer aanschouwen, waarvan gij daar in den afgrond niet heel +veel te zien zult krijgen." + +Onderwijl schreeuwde Don Quichot voortdurend, dat zij nog maar meer +touw zouden vieren, tot in 't eind het geluid zijner stem niet langer +tot hen opstijgen kon. Ten laatste liep de lijn echter toch ten einde, +en nu wachtten zij een half uur, voordat zij haar weder optrokken. Toen +zij hiermee begonnen, scheen zij hun echter zoo licht en onbezwaard +toe, dat zij vreezen moesten, dat Don Quichot zich had losgemaakt en +in de diepte was achtergebleven, wat Sancho tranen met tuiten deed +schreien en zich al zijn best reppen, om toch maar spoedig zeker te +zijn van de zaak. Op eens echter, toen reeds tachtig vaam van de lijn +was ingehaald, voelden zij een zwaren last en bemerkten al spoedig, +dat Don Quichot tegen vermoeden toch nog aan het touw hing. Zij +trokken en trokken met al hunne kracht, en vol blijdschap riep Sancho +naar beneden: + +"Welkom, welkom, gestrenge heer! Wij waren al bang, dat wij uw edel +aangezicht nooit meer aanschouwen zouden." + +Don Quichot antwoordde niet op dezen vriendelijken toeroep, en toen +zij hem eindelijk goed en wel boven hadden, zagen zij, dat zijne +oogen gesloten waren en dat hij in vasten slaap lag. Zij legden hem +op den grond, bevrijdden hem van zijne banden en hoopten, dat hij +nu vanzelf wel weer wakker zou worden. Dit gebeurde echter niet, +en zij moesten hem lang knijpen en schudden, rollen en omkeeren, +voordat hij ten laatste weer tot bezinning kwam, de oogen opsloeg, +zich rekte en strekte en in alles deed als iemand, die uit eene zwaren +droom ontwaakt. Verschrikt keek hij rond en eene rilling liep hem +over de leden, toen hij zich weder op de bovenwereld verplaatst en +den blauwen hemel boven zijn hoofd zag. + +"O, mijne vrienden," sprak hij op klagenden toon, "waarom hebt gij mij +aan den zoetsten toestand ontrukt, waarin ik ooit in mijn leven heb +mogen verkeeren? Een hemelsch aanminnig gezicht heb ik aanschouwd, +en nu eerst zie ik in, dat alle genietingen van dit ondermaansche +slechts nesterijen en kinderspel zijn, dat zij verdwijnen als een +schaduw, en verwelken gelijk de bloemen des velds." + +"Maar, sakkerloot, heer, wat hebt gij dan daar wel in die hel te zien +gekregen?" vroeg Sancho. + +"Eene hel noemt gij dat?" riep Don Quichot. "O, noem het niet zoo; +'t is de schoonste plaats, die op aarde te vinden is. Luister toe, +wat ik zal vertellen." + +"Ja, naderhand met alle genoegen," antwoordde Sancho Panza; "maar nu +blaf ik van honger en moet eerst mijne arme maag wat tevredenstellen." + +Don Quichot zeide hier niets tegen en begon, nadat hij zichzelf ook +door een hartig maal gesterkt had, het verhaal van zijne avonturen +in de onderaardsche grot. + +"Ongeveer twaalf vaam diep in de kloof opent zich rechts een gewelf, +als eene hal, waar wel eene groote koets met zes paarden zou kunnen +keeren. Door eenige spleten, die tot de oppervlakte der aarde reiken, +dringt daar een flauw en schemerachtig licht in door. + +"Dit gewelf ontdekte ik, toen ik het hangen en bongelen aan de lijn +al moe was, waarom ik besloot er binnen te treden en er eene korte +poos te rusten. Ik riep u toe, dat gij met het vieren van het touw +moest ophouden; maar daar gij mij niet scheent te verstaan, rolde ik +het touw, al naarmate dat mij nakwam, tot een tros op en ging toen +daarop zitten, om mij in gepeins te verdiepen. Ik overlegde, hoe ik +het aanvangen moest, om de diepte van den afgrond te bereiken, daar +ik nu niemand meer had, die mij neerlaten kon, en onder dat denken +overviel mij op eens de diepste slaap. Het duurde evenwel niet lang, +of ik ontwaakte weer en bevond mij op eene groote weide, schooner +en liefelijker, dan ik ooit nog met mijne oogen had aanschouwd. Ik +dacht te droomen en betastte hoofd, borst en handen, om mij van mijn +wakenden toestand ten volle te overtuigen. Uit alle teekens maakte +ik op, dat werkelijk de slaap van mij geweken was, en dat geen droom, +geen phantasie, geen drogbeeld van het verhitte bloed mij misleidde. + +"Nadat ik mij ten volle van mijn waken overtuigd had, keek ik +rond en viel mij een prachtig koninklijk paleis in het oog, welks +dak en wanden uit glinsterende kristallen schenen te bestaan. De +vleugeldeuren vlogen open, en nu trad een eerwaardig, met een lang +slepend gewaad bekleed grijsaard te voorschijn. Hij kwam op mij toe, +groette mij heel vriendelijk, sprak mij aan en vroeg, of hij mij +de wonderen van het betooverde paleis mocht vertoonen. Ik boog mij +dankbaar ten teeken van toestemming en volgde hem in het slot. Door +wijde portalen gingen wij, door lange gangen en onmetelijk groote +zalen. Overal, waar wij kwamen, stonden prachtige monumenten uit +goud en diamanten, en op ieder prijkte een kristallen standbeeld +van meer dan levensgrootte. Het waren de grafsteden der overleden +dolende ridders, die zich door deugd en dapperheid beroemd gemaakt +hebben, en de standbeelden stelden hen voor, gelijk zij er bij hun +leven hadden uitgezien. Daar zag ik Amadis van Gallië, en Roland, en +Durandarte, den spiegel der ridderschap, en nog vele, vele anderen, +welker namen ik niet weet op te noemen. Toen ik mij met het aanzien +dezer helden lang genoeg verkwikt had, bracht de grijsaard mij in +een heerlijken lusthof, waaruit mij de geur der kostelijkste bloemen +en gewassen tegensloeg en die met allerlei kunstwerken, beelden, +grotten en fonteinen koninklijk versierd was. En hier zag ik iets, +dat mijn geheele ziel in zoete verrukking bracht, namelijk ik zag +mijne doorluchtige gebiedster, de aanminnige jonkvrouwe Dulcinea van +Toboso. In een eenvoudig gewaad, als herderin gekleed en begeleid door +twee gesluierde hofdames, verlustigde zij zich in de lanen van den +betooverenden lusthof, lachte en schertste en deed nu en dan sprongen, +die mij door hunne hoogte verbaasd deden staan. + +"De grijsaard sprak mij aan en zeide: "Zie, in zulke nederige en +armoedige gedaante wandelt uwe schoone thans op aarde rond. Maar wees +getroost! Een booze toovenaar heeft haar slechts voor korten tijd +veranderd, en eens zult gij haar in de volle glorie harer verheven +schoonheid aanschouwen. Opdat gij zien moogt, wat glans haar dan +omstralen zal, wil ik u hare beeltenis toonen, gelijk die hare +natuurlijke gedaante volkomen waar en getrouw teruggeeft." + +"Hij wenkte met den vinger, en oogenblikkelijk verdween het omhulsel +der herderin, en Dulcinea zelve stond van aanminnigheid stralende +voor mij. Hare schoonheid overweldigde mij dusdanig, dat ik een luiden +kreet van verrukking uitstiet en daarop onmachtig neerstortte. + +"Wat verder met mij gebeurde, weet ik niet. Ik kwam eerst weer tot +bezinning, toen gij mij met geweld aan mijne zoete droomen ontruktet." + +"Neen, dat is te wonderbaarlijk, om waar te kunnen wezen!" riep +Sancho Panza uit. "Gij moet noodzakelijk gedroomd hebben, of een of +ander booze toovenaar heeft u dolle kluchten vertoond om uwe ziel te +verstrikken en u naar den afgrond des verderfs te lokken." + +"Spreek niet zoo, Sancho," zeide Don Quichot. "Alles, wat ik gezien +heb, heb ik met gezonde, wakende zinnen gezien. De tijd zal nog eens +openbaar maken, dat ik geen tittel of jota bezijden de waarheid sprak." + +Onderwijl bestegen zij hunne dieren weder, keerden de wondergrot +den rug toe en gingen hun nachtverblijf zoeken in eene herberg, +waar dienzelfden avond eene poppencomedie zou worden vertoond. De +directeur van het spel, een reizend genie, bood Don Quichot en zijn +twee geleiders plaatsen aan, kreeg zijn geld daarvoor, en liet hierop +het gordijn naar boven gaan. + +Don Quichot staarde met verwondering op de poppen, die, door +onzichtbare draden bestuurd, zich op de natuurlijkste wijze bewogen. + +Met gespannen aandacht volgde hij den loop der voorstelling, die +hoofdzakelijk in een gevecht tusschen Christenen en Mooren bestond. De +Christenen werden verslagen en de Mooren vervolgden hunne vluchtende +vijanden tot onder de torens van eene versterkte stad. + +Toen Don Quichot zag, dat de Heidenen hier nog eens een aanval op de +arme Christenen deden, steeg het bloed hem naar her hoofd en oordeelde +hij het niet meer dan billijk, dat hij de zwakkere partij te hulp kwam. + +"Houdt op! Houdt op!" riep hij, driftig opspringend, het Heidensche +poppenvolk toe. "Vervolgt mijne geloofsbroeders niet langer, of gij +krijgt het met mij te doen." + +Onder deze haastig uitgestooten woorden trok hij zijn zwaard, was +met een wip op het kleine tooneel en begon met ongehoorde woede +op de onschuldige poppen in te houwen. Sommige trapte hij als een +pannekoek plat, andere sloeg hij den kop af, nog andere verminkte +hij op deerlijke manier, kortom, hij zou een gruwelijk bloedbad +hebben aangericht, indien de poppen, in plaats van leder en werk, +van vleesch en bloed waren geweest. + +Bij het zien van deze verwoesting schoot de ontstelde tooneeldirecteur +toe, viel den verbolgen ridder te voet en smeekte hem met tranen in +de oogen, zijne arme levenlooze schepsels toch te sparen. Don Quichot +evenwel luisterde daar niet naar, en zou den armen poppenman zelven +het hoofd hebben afgeslagen, indien deze zich niet met alle snelheid +uit de voeten had gemaakt. + +De slagen des ridders vielen als hagelsteenen bij eene donderbui. + +In minder dan een kwartier tijds had hij het gansche tooneel tot +splinters geslagen, al de toeschouwers, die hem voor razend en dol +hielden, op de vlucht gejaagd, en zelfs Sancho Panza tot de stomme +bekentenis genoodzaakt, dat zijn meester wel al veel gekke dingen +had vertoond, maar nooit nog zoo'n gek stuk, als nu dit hier. + +Eerst toen het Heidensche leger de volle neerlaag had geleden, kwam +Don Quichot eenigszins tot bedaren, leunde hijgend op zijn zwaard en +zei: "Nu mocht ik nog wel eens iemand hooren zeggen, dat een dolend +ridder een onnut ding in de wereld is! Was ik hier niet gekomen, dan +was een gansch Christenleger vernietigd geweest, terwijl nu de snoode +Heidenen tot den laatsten man toe verslagen liggen. En daarom zeg ik: +eere, lof, roem en glorie der dolende ridderschap!" + +"Ja, ja, dat is goed en wel," riep de poppenman, die zich nu ook weer +kwam vertoonen: "maar in allen gevalle moet gij mij de schade betalen, +die gij mij moedwillig hebt toegevoegd." + +"Wat dan betalen?" vroeg Don Quichot verwonderd. "Wat heb ik u dan +bedorven?" + +"Hoe! dat weet gij niet?" vroeg meester Pedro, de eigenaar van het +poppenspel. "Ziet gij dan niet het armzalig overschot van mijne poppen, +die gij met uw zwaard in gruizels en splinters hebt geslagen?" + +"Poppen?" vroeg Don Quichot. "Poppen heb ik vernield? Ja, waarlijk, +het zijn poppen, en geen menschen van vleesch en bloed. Daar ziet men +weer, hoe ik door die snoode toovenaars vervolgd word! Zij verblindden +mijn oog, zoodat ik de poppen voor levende menschen moest aanzien, en +dat ik alles, wat gespeeld werd, voor echte werkelijkheid hield. Maar +wat te doen? Daar ik nu eens uit dwaling zoo groote schade aangericht +heb, is het ook mijn plicht, die ten volle te vergoeden, en ik zal +dus mijzelf tot alle kosten veroordeelen. Overleg, meester Pedro, +welke som u als schadeloosstelling toekomt, en laat u die door mijn +schildknaap Sancho Panza uitbetalen." + +Meester Pedro boog dankend voor den grootmoedigen ridder, die nu niet +weinig beschaamd zijn slaapkamer opzocht. Sancho Panza echter moest +de beurs trekken en voor de dwaasheden van zijn heer eene aanzienlijke +som betalen. + + + + + + +HOOFDSTUK XVIII. + +DE BETOOVERDE BOOT EN DE SCHOONE JAGERES. + + +Den volgende morgen zetten Don Quichot en Sancho Panza, na van hun +reisgenoot tot zoover, den vreemden heer, vriendschappelijk afscheid +te hebben genomen, hun tocht verder voort. Zij kwamen aan de rivier +de Ebro, welks helder doorzichtig water den dolenden leeuwenridder +uitstekend behaagde. Hij reed langzaam langs den oever voort, deed +Sancho al de schoonheden van het landschap opmerken en zweeg eerst +stil, toen hij op eens eene kleine boot bemerkte, die dicht aan den +stroom aan een boomstam vastlag en noch riemen, noch zeil, noch ander +scheepstuig bevatte. Hij keek rechts en links uit, en toen hij nergens +een mensch ontdekte, steeg hij van Rocinante en beval Sancho insgelijks +van zijn grauwtje te komen en beide dieren ergens in de nabijheid aan +een boom vast te binden. Sancho Panza vroeg, wat dan gebeuren zou, +en kreeg tot antwoord: + +"Weet, dat deze boot mij oproept en mij uitnoodigt haar te bestijgen +en met haar mee te varen, om een of anderen in nood zijnden ridder of +verongelukte jonkvrouw te hulp te komen. Bind dus de dieren vast en +kom mee, want, zoo waar ik leef, ik wil de tot mij gekomen roepstem +volgen en mij zonder schroom in deze bark inschepen." + +"Heer," antwoordde Sancho Panza, "ik laat mij hangen, als dat niet weer +een nieuwe gekheid van u is. De boot is volstrekt niet betooverd, maar +komt zeker aan den een of anderen visscher in dezen omtrek toe, waar +men de beste visschen van de wereld kan vangen. Niettegenstaande dit +is het mijn plicht u te volgen, en ik zal dus maar weer gehoorzamen, +gestrenge heer." + +Zoo sprak Sancho en bond de dieren vast. + +"Wat moet ik nu verder doen?" vroeg hij. + +"In de boot stappen," antwoordde Don Quichot; "als wij daarin zitten, +snijden wij het touw door, dat haar vasthoudt, en geven ons aan ons +lot over." + +Met deze woorden sprong hij er zelf in en Sancho volgde hem +gewillig. Het touw werd doorgesneden en de boot gleed langzaam +van den oever weg. Pas echter waren zij tien passen van den oever, +of Sancho Panza begon als een popelblad te trillen en erg bang voor +zijn eigen dierbaar ik te worden. Zijn angst nam toe, toen hij zijn +ezeltje hoorde balken en Rocinantes bewegingen zag, om zich los te +rukken en zijn meester te volgen. + +"Heer droevige ridder," zei hij, "hoor maar, hoe jammerlijk mijn +grauwtje schreeuwt en hoe Rocinante staat te trippelen om ons na te +loopen. Die arme, arme schepsels! Ze zullen ons misschien nooit weer +te zien krijgen." + +Bij deze woorden begon hij zoo hard te huilen en te krijten, dat Don +Quichot ernstig boos werd. + +"Gij onnoozele hals, waar zijt gij dan toch eigenlijk bang voor?" riep +hij verstoord. "Waarom zet ge zoo'n keel op? Wie vervolgt u? Wie heeft +kwaad tegen ons in den zin? Houd den mond, kerel, of wees verzekerd, +dat ik je een stoot geef en hals over kop in 't water doe tuimelen." + +Daar Sancho wist, waartoe zijn heer in zijne drift in staat was, hield +hij op met huilen, droogde zijne tranen en vertrok geen gezicht meer. + +Intusschen dreef de boot in het midden van den stroom voort en +streek, door den lichten golfslag voortgestuwd, met snelle vaart +langs de oevers. Op eens ontdekte Don Quichot eenige groote drijvende +watermolens, die in het midden van de rivier lagen, en pas had hij +die in het oog gekregen, of hij riep driftig uit: + +"Ziedaar, vriend! daar is de stad of de burgt, waar de benarde ridder +op mij wacht, of eene gevangen jonkvrouw naar verlossing uit de dikke +kerkerwanden hijgt." + +"Wat drommel, ziet ge daar weer, gestrenge heer?" riep Sancho Panza +verdrietig. "Een toovenaar moet u opnieuw de oogen verblinden, want +die dingen daar op het water zijn eenvoudig een paar molens, waarin +koren wordt gemalen." + +"Zwijg, Sancho!" bulderde Don Quichot. "Al lijken het op het oog +ook al molens, toch zijn ze dat niet, en ik weet zeer goed, hoe het +daarmee gelegen is." + +Intusschen werd de boot door den stroom met snelheid op de molens +aangedreven. De molenaars, die haar zagen aankomen en vreesden, +dat zij tusschen de schepraderen mocht geraken, schoten ijlings in +menigte toe en grepen naar lange stokken, om haar tegen te houden. Don +Quichot zag hen, en daar zij er in hunne met meel bestoven werkpakken +vrij wonderlijk uitzagen, meende hij dadelijk, hen voor tegen hem +uitgezonden vijandige geesten en spookgedaanten te moeten houden. + +"Stommerikken!" schreeuwden intusschen de molenaarsknechts; "waar wilt +gij dan toch naar toe? Wilt ge hier met geweld verzuipen of door de +molenraden verpletterd worden?" + +"Ziet gij wel, Sancho," sprak Don Quichot vol zelfvoldoening, +"ziet gij wel, dat wij nu de plaats bereiken, waar als gewoonlijk de +sterkte van mijn arm moet blijken? Zie, wat een menigte schelmen en +spitsboeven op ons aankomen! Zie, wat leelijke bekken ze trekken, +die monsters, die spookgedrochten! Maar wacht, ik zal hen wel tot +hun plicht brengen of anders van het aardrijk verdelgen." + +En zich in de boot hoog oprichtend, begon hij het molenaarsvolk met +harde woorden te bedreigen. + +"O gij vuig, ontaard en nietswaardig volk," schreeuwde hij hun toe, +"laat zonder verwijl de gevangenen vrij, die gij in uw ellendig +kasteel houdt opgesloten, van wat stand, rang en geslacht ze dan ook +zijn mogen. Weet, dat ik Don Quichot van La Mancha ben, de dolende +leeuwenridder en de beschermer en 't schild van alle ellendigen en +onderdrukten." + +Met deze woorden trok hij zijn zwaard en schermde er wild mee in de +lucht rond. De molenaars hoorden zijn geschreeuw wel, maar konden er +geen woord van verstaan en hielden zich met hunne stokken gereed, +om de boot tegen te houden, die reeds in de strooming geraakte, +die met vreeselijke snelheid op de molenraden toeschoot. + +Bij het zien van het gevaar wierp Sancho Panza zich vol angst op +de knieën neer. Don Quichot daarentegen hieuw met zijn zwaard op de +stokken der molenaars in en bewerkte daardoor, dat de boot, in plaats +van tegengehouden te worden, omsloeg en alle twee, ridder en knecht, +hals over kop in het water tuimelden. Nu kon Don Quichot wel zwemmen +als een eend; doch al zijne bekwaamheid zou hem in zijn tegenwoordigen +toestand en bij de zwaarte zijner wapenrusting niets gebaat hebben, +indien de molenaars hem niet waren te hulp gesprongen. Zij haalden +hem en Sancho uit het water en sleepten hen zoo nat als gewasschen +poedels op het droge. + +Onderwijl kwamen ook de visschers, wien de boot toebehoorde, toe +en begonnen, toen zij deze door de molenraden verbrijzeld vonden, +een leven als een oordeel te maken. Zij verlangden van Don Quichot, +dat die haar betalen en hun alle schade vergoeden zou. + +De nu anders een bitter droevig figuur makende, druipnatte ridder, +die zijne koelbloedigheid geen oogenblik verloren had, zeide met +de grootste bedaardheid, dat hij met genoegen de boot betalen zou, +mits men onverwijld de personen wilde in vrijheid stellen, welke men +in het slot gevangen hield. + +"Welke gevangenen en wat kasteel meent gij dan?" vroeg een van de +molenaarsknechts. "Moeten wij u dan de menschen uitleveren, die ons +hier koren te malen brengen, domme vent?" + +Don Quichot stond eene poos als voor 't hoofd +geslagen. "Genoeg!" mompelde hij eindelijk in zijn baard. "Genoeg; +'t zou dwaasheid zijn, hier verstandige woorden te verspillen. Zooveel +merk ik wel al, dat twee booze toovenaars elkaar hier moeten hebben +tegengewerkt. De een zond mij de boot toe, de ander gooide haar +omver. Daar viel niets tegen te doen, en ik moet mij wel onderwerpen." + +En zich naar de molens toekeerend, riep hij met luider stemme: +"Arme menschen en ongelukkige vrienden, die daar in een donkeren +kerker wegkwijnen moet, schrijft het aan mijn boos gesternte en aan +kwaadwillige toovenaars toe, dat ik u niet kan helpen en redden. Een +ander ridder moet komen en u bijstaan, daar ik tegen onzichtbare en +bovenaardsche wezens niet vermag te kampen." + +Hierop keerde hij zich tot de visschers, betaalde hun vijftig realen +voor de verongelukte boot en sprak tot Sancho: "Nog één tocht, als +deze hier, mijn vriend, en we zullen van al ons reisgeld geen penning +meer overhouden." + +De molenaars en de visschers hielden Don Quichot en zijn schildknaap +voor niet wijs en gingen hoofdschuddend heen; doch onze beiden keerden +met een bedrukt hart naar hunne dieren terug, bestegen die en reden +weg van de rivier, die hun zooveel onheil had berokkend. + +Sancho Panza, inwendig boos om dat onvrijwillig bad en nog veel meer +boos, dat hij zooveel geld voor die ellendige boot had moeten betalen, +besloot heimelijk, bij de eerste gelegenheid zijn heer te verlaten +en tot zijne vrouw Teresa terug te keeren. Het noodlot beschikte +dat echter anders en verhinderde hem, zich aan zulk eene snoode +trouweloosheid schuldig te maken. + +Den volgenden dag, juist toen onze beide helden uit een boschje op een +groene dalvlakte kwamen, ontdekte Don Quichot op een afstand eenige +lieden, welke hij bij scherper toezien voor valkenjagers hield. Wat +naderbij gekomen, onderscheidde hij midden onder hen eene schoone +dame op een sneeuwwitten telganger met groen tuig en een met zilver +beslagen vrouwenzadel. Die dame droeg een prachtig groen jachtkleed +en hield op hare linkerhand een valk, waaruit Don Quichot opmaakte, +dat zij eene hoogadellijke vrouwe en de gebiedster van heel dat +jachtgevolg moest zijn, 't geen dan ook werkelijk het geval was. + +"Hoor, Sancho," sprak hij, na het schitterend gezelschap een poosje +te hebben opgenomen, "rijd heen naar de schoone dame op dat witte +jachtros, breng haar mijn groet over en zeg haar, dat ik, Don Quichot +van La Mancha, de leeuwenridder, haar de handen kus en vergunning +vraag, om haar mijne eerbiedige opwachting te maken." + +"Die boodschap wil ik wel overbrengen," zeide Sancho, zette zijn +grauwtje de hakken in de zijden, draafde heen en was spoedig op de +plaats, waar de schoone jageres met haar gevolg stilhield. Hier steeg +hij af, boog zijne knie voor haar en sprak aldus: + +"Wonderschoone en glansrijke Dona, de ridder, dien gij daar in de verte +ziet, is mijn heer, de leeuwenridder Don Quichot van La Mancha, en ik +ben zijn schildknaap, Sancho Panza met name. Gezegde leeuwenridder, +die vroeger de Ridder van de Droevige Figuur heette, zendt mij tot +u, om u vergunning te vragen, dat hij komen en u alle mogelijke +onderdanigheid betoonen mag, hetwelk hij als eene bijzondere gunst +en gratie zou beschouwen." + +De dame zag glimlachend op den knielenden schildknaap neer en +antwoordde: "Gij hebt uwe boodschap uitmuntend overgebracht, en zoo +uw heer werkelijk de wijdvermaarde dolende ridder Don Quichot is, +van wiens ongehoorde daden ik al zooveel heb vernomen, dan zal hij mij +en mijn gemaal op ons landgoed welkom zijn. Maar sta op! Het betaamt +mij niet, een zoo dapperen schildknaap zoo lang aan mijne voeten te +laten neerknielen." + +Door de minzaamheid en genade der hooge dame geheel verrukt, stond +Sancho op, boog tot den grond en keerde hoogstvoldaan tot zijnen heer +terug, die de vriendelijke uitnoodiging met innig genoegen vernam. Hij +zette zich eerst behoorlijk in den zadel terecht, trad vast in de +stijgbeugels, schoof het vizier van zijn helm op, gaf Rocinante de +sporen en zette het toen in galop, om der hertogin de genadige handen +te kussen. + +Deze had inmiddels haar gemaal laten roepen en dien de door Sancho +Panza overgebrachte boodschap medegedeeld. De hertog lachte daar +hartelijk over en, daar hij werkelijk reeds veel van den dwazen ridder +gehoord had, zag hij dien met brandend verlangen te gemoet en verheugde +zich op eene persoonlijke kennismaking, waarvan hij zich allerlei +kluchten en grappen beloofde. Hij kwam met zijne gemalin overeen, +dat zij zich geheel naar de luimen van den kluchtigen heer schikken, +hem gedurende zijn verblijf in alles als dolend ridder behandelen en +alle ceremonies in acht nemen zouden, waarvan in de oude ridderboeken +te lezen staat. + +Intusschen kwam Don Quichot met opgeslagen vizier nader, en zoodra hij +eene beweging maakte, om van Rocinante te stijgen, kwam Sancho toe, +om hem den stijgbeugel te houden. Ongelukkig echter raakte Sancho +met den eenen voet in den strik van zijn pakzadel vast, tuimelde +voorover en lag languit op den grond, zonder den gevangen voet uit +den strik los te kunnen krijgen. Don Quichot, die alleen oogen voor +de schoone dame had, werd van dit ongeluk volstrekt niets gewaar en, +daar hij nooit afstapte, zonder zich door zijn schildknaap den beugel +te laten houden, meende hij, dat Sancho nu ook reeds bij de hand was, +om zich van zijn plicht te kwijten. Zonder toe te zien, beurde hij +zich zijwaarts van het paard en tuimelde nu plotseling rammelend en +kletterend naast Sancho op den grond neer. + +De ridder schaamde zich geducht, dat hij juist op zulk een oogenblik +en voor zulke toeschouwers te vallen was gekomen, en mompelde de +vreeselijkste verwenschingen tegen den onschuldigen schildknaap, die +nog altijd aan zijn in den strik gevangen been lag te trekken. De +hertog gaf nu echter aan zijne jagers een wenk, den ridder en zijn +dienaar te hulp te komen, en Don Quichot kwam dus weer overeind. Hij +had een zwaren val gedaan; maar toch kwam hij hinkend aan, om, zoo goed +het maar gaan wou, den hertog en zijne gemalin te begroeten en zijne +knie voor beiden te buigen. Dit liet de hertog echter niet toe, maar +hij sprong zelf van het paard, omarmde Don Quichot en zeide tot hem: + +"Het doet mij hartelijk leed, heer Ridder van de Droevige Figuur, dat +uw eerste aankomst op mijn gebied van zulk een kleinen tegenspoed moest +vergezeld gaan. Evenwel moet men zich troosten, daar de onhandigheid +dier knapen zelfs nog wel eens grooter ongelukken veroorzaakt." + +"Doorluchtige vorst," antwoordde Don Quichot op deze vriendelijke +toespraak, "ik kan dit ongeluk niet meer als een ongeluk beschouwen, +nu gij mij op zoo minzame wijze hebt weten te troosten. Schoon 't is +waar, die verwenschte schildknaap weet beter zijn tong los te laten +en domme dingen uit te brengen, dan behoorlijk, zooals het betaamt, +den stijgbeugel te houden. Maar in welken staat ik ook verkeeren mag, +te paard of te voet, vallend of staand, zittend of liggend, overal en +te allen tijde zal ik u ten dienst staan en uwer verhevene gemalin +als toonbeeld van schoonheid en lieftalligheid mijne hulde in alle +nederigheid toebrengen." + +"Stil, stil, heer ridder van La Mancha!" riep de hertog. "Wie de edele +jonkvrouwe van Toboso tot gebiederes heeft, mag andere schoonheden +en lieftalligheden niet zoo roemen." + +Gedurende dit gesprek had Sancho Panza zich eindelijk losgewrongen +en trad haastig toe. + +"Dat is waar," zeide hij, "en ik kan bekrachtigen, dat mijne genadige +jonkvrouw Dulcinea van Toboso eene ware schoonheid is; doch met dat +al moet ik erkennen, dat mevrouw de hertogin voor haar in schoonheid +en lieftalligheid volstrekt niet onderdoet." + +"Doorluchtige vrouw," keerde Don Quichot zich tot de hertogin, "uwe +hoogheid mag vrij gelooven, dat nu en nooit, zoolang de wereld staat, +een dolend ridder een babbelzieker, praatachtiger en onbeschaamder +rekel tot schildknaap gehad heeft, dan ik hier, zooals blijken zal, +als uwe hoogheid zich ons gezelschap eenigen tijd laat welgevallen." + +"De goede Sancho moet werkelijk een oolijke guit zijn," antwoordde +de hertogin, "en dat verblijdt mij, omdat ik er uit opmaak, dat hij +geest en verstand heeft en niet tot de vervelende domkoppen behoort." + +"In allen gevalle zal hij een onthaal vinden, dat hem geen reden tot +klagen geeft," voegde de hertog er bij. + +Inmiddels had Sancho zijn ezel weer bestegen, terwijl Don Quichot op +Rocinante zich aan de zijde der hertogin hield en zich met haar in +een leerzaam en onderhoudend gesprek verdiepte. + + + + + + +HOOFDSTUK XIX. + +WAT RIDDER EN SCHILDKNAAP OP HET SLOT AL BELEVEN. + + +Terwijl de hertogin zich met Don Quichot onderhield en soms over +Sancho Panza's kluchtige invallen lachte, reed de hertog in vollen +ren vooruit, om aan al zijne dienaren voor te schrijven, op wat +wijze de dolende ridder moest ontvangen worden. Toen deze dus met +de hertogin voor de slotpoort aankwam, werd hij daar door twee rijk +gekleede stalknechts opgewacht, die hem van het paard hielpen en hem +in 't oor fluisterden, dat hij niet verzuimen mocht, de hertogin bij +het afstijgen behulpzaam te zijn. + +Don Quichot trad op de hooge dame toe, die nochtans weigerde, andere +hulp dan van haren gemaal aan te nemen. De hertog maakte aan dezen +twist een einde door zelf te komen en zijne gemalin de hand te reiken. + +Zoodra nu het gezelschap het binnenhof betrad, kwamen twee jonge +hofdames te voorschijn, die den ridder een grooten scharlakenrooden +mantel over de schouders wierpen. Op hetzelfde oogenblik vertoonden +zich alle toegangen en portalen van het slot met dienaren opgevuld, +die de bloem en den roem der dolende ridderschap met een daverend +Vivat! welkom heetten. Te gelijk goten zij een geurigen regen van +welriekende wateren over Don Quichot, den hertog en de hertogin uit, +waarover de eerste zich niet weinig verwonderde. + +Nu trok men het slot zelf binnen, waar Don Quichot in eene zaal werd +geleid, die met de kostbaarste tapijten van zijde en goudlaken belegd +was. Hier werd hij door zes edelknapen van zijne zwaarste wapenstukken +bevrijd en van kleederen voorzien, die hem op bevel des hertogs werden +aangeboden. Vervolgens omgordde hij zich met een zwaard, wierp zijn +scharlaken mantel om, zette eene groene zijden muts op en begaf zich +in eene groote zaal, waar eene menigte staatsiedames hem met zilveren +bekkens tot handenwassching wachtten. Terwijl hij dit deed, verscheen +de hofmeester met twaalf edelknapen, om hem naar de tafel te geleiden, +waar de hooge heerschappen hem reeds wachtten. Don Quichot werd in +het midden genomen en in eene zaal geleid, waar allerprachtigst, +schoon slechts voor vier personen, gedekt was. De hertog, de hertogin +en een hooge geestelijke kwamen den gast te gemoet en verwelkomden +hem. Onder duizend ceremonies en plichtplegingen werd hij naar de +tafel geleid en moest, niettegenstaande zijn weigeren, de eerste +plaats daaraan innemen. De geestelijke zette zich tegenover hem, +terwijl gastheer en gastvrouw hem in hun midden namen. + +Sancho Panza, die bij alles tegenwoordig was, stond versteld en +verbaasd over al de eer, die hier zijn meester werd bewezen, en kwam +nu tot het vaste besluit, om dien ook verder op zijne avontuurlijke +tochten getrouwelijk te volgen. + +Gedurende den maaltijd vroeg de hertogin met belangstelling, hoe de +jongste berichten van jonkvrouwe Dulcinea van Toboso luidden en of de +ridder haar in den laatsten tijd ook weer eenige reuzen of gevangen +helden had toegezonden. + +"Neen, genadige vrouw," antwoordde Don Quichot; "mijn ongelukkig +gesternte belette mij dat. Ik heb wel reuzen, ridders en roovers +overwonnen,--maar hoe hadden die de volschoone jonkvrouwe kunnen +vinden, nu zij door een afschuwelijken toovenaar in eene gemeene +boerin veranderd werd?" + +"Ei, ik vind haar toch nog 't bekoorlijkst schepsel, dat maar ergens te +vinden is," zeide Sancho Panza, zich voorbarig in het gesprek mengende, +"en wat springen aangaat, is zij den besten koordedanser de baas. Zij +wipt op haar muilezel, alsof die niet hooger dan een kat was." + +"Hebt gij haar ook in haar onbetooverden staat gezien?" vroeg de +hertog. + +"Natuurlijk," antwoordde Sancho Panza. "Ik ben immers de man geweest, +die hare betoovering het allereerst in den neus kreeg." + +Toen de geestelijke zooveel over roovers, reuzen en betooveringen +hoorde spreken, kwam hij vanzelf op de gedachte, dat het Don Quichot +van La Mancha moest zijn, met wien hij hier aan ééne tafel zat. Op +zijne navraag vernemende, dat zijn vermoeden gegrond was, gaf hij +zich veel moeite, om Don Quichot van zijne onzinnige inbeelding terug +te brengen. Tegen verwachting werd hij door den ridder zoo duchtig +afgezouten, dat hij doodstil zweeg en gedurende den ganschen maaltijd +geen mond meer tot spreken opendeed. + +Toen nu de tijd kwam, dat men van tafel opstaan zou, traden vier +jonkvrouwen in het vertrek. De eene droeg een zilveren waschbekken, +de andere een zilveren lampetkan, de derde twee handdoeken van het +fijnste en witste linnen, en de vierde een groot stuk welriekende +Italiaansche zeep. De jonge dame met het bekken trad vooruit en hield +dat Don Quichot, alsof dat vanzelf sprak, onder den baard. De ridder +vond dit wel wat vreemd, doch deed zulks niet blijken, maar stak +zonder omstandigheden zijn baard in het water, in de meening, dat +het daar ter plaatse zeker gebruik moest zijn, zich na den maaltijd +in plaats van de handen het baardhaar te wasschen. + +Thans kwam de dame met de zilveren kan, goot het water daaruit over 's +ridders baard uit en trad toen achteruit, om voor hare gezellin plaats +te maken, wier blanke hand hem het gansche gezicht met zeep inwreef. + +Don Quichot liet zich alles welgevallen en sloot zijne oogen, +om daar niet van het bijtend zeepsop in te krijgen. De hertog en +de hertogin hielden zich doodbedaard en wachtten den afloop dier +kluchtige waschpartij rustig af. + +Toen nu de dame met de zeep Don Quichots rimpelige tronie met een +vinger dikke laag schuim overdekt had, hield zij zich, alsof er geen +water meer was, en verzocht hare vriendin met de kan, schielijk nog +wat te halen, om den edelen ridder niet te lang daar zoo ingezeept +te laten zitten. + +De dame ging en Don Quichot bleef in de potsierlijkste positie, +die men zich voorstellen kan, stijf en onbeweeglijk als een paal op +zijn stoel zitten. Al de aanwezigen staarden hem aan, en nu zij hem +daar zoo zagen met zijn langen, bruinen, mageren hals, met gesloten +oogen en wit bepleisterd gezicht, moesten zij zich geweld aandoen, +om niet in luid lachen uit te barsten. + +Nadat de klucht lang genoeg geduurd had, kwam de jonge dame met de +schenkkan terug, goot een stroom water over 's ridders mager gezicht +uit en waschte dat, tot het laatste spatje zeep was verdwenen. Daarop +kwam de dame met de handdoeken aan de beurt, maakte eene eerbiedige +buiging voor den natten held en droogde hem heel handig en sierlijk +af. Toen dit verricht was, wilden alle vier de zaal verlaten; doch +de hertog riep haar nog bij de deur terug. + +Hij had zich met dat kluchtig tooneel, waarvan hij volstrekt niets +geweten had, evengoed als al de anderen verlustigd, maar wilde niet, +dat de ridder merken zou, dat men hem voor den gek had gehouden. + +"Komt," zeide hij tot de dames, "komt en wascht nu mij ook, maar zorgt, +dat er niet weer gebrek aan water is." + +De ondeugende meisjes begrepen dadelijk, wat de hertog wou, en maakten +dus geen zwarigheid, om aan zijn verlangen te voldoen. Zij naderden +zeepten hem met de grootste handigheid in, wieschen hem, droogden hem +af en behandelden hem in alles, gelijk zij den ridder gedaan hadden, +behalve dat zij daar nu niet de helft van den tijd toe besteedden. + +Sancho Panza had deze vreemde ceremonie met groote oogen aangezien. + +"Waarachtig," mompelde hij, "'k wou, dat het hier te lande gebruik +was, ook schildknapen den baard te wasschen, en nog liever had ik, +dat men zijn baard meteen kon afgeschoren krijgen, want de mijne +wordt al schrikbarend lang." + +"Wat mompelt gij daar, Sancho?" vroeg de hertogin, die merkte, dat +hij iets op het hart had. + +Sancho zeide het haar. + +"Dan kunt gij geholpen worden," antwoordde de spotachtige dame. "Mijne +hofjuffers zullen u afzeepen en u des noods tot over de ooren in het +zeepsop steken. Hofmeester, draag gij zorg, dat de schildknaap van +onzen edelen gast naar zijn wensch bediend wordt." + +De huishofmeester boog zich en verliet met Sancho Panza het vertrek, +terwijl Don Quichot nog met den hertog en de hertogin aan tafel bleef +zitten en hen druk over het lief en leed der dolende ridderschap +en over de schoonheid zijner doorluchtige dame Dulcinea van Toboso +onderhield. + +Nog waren zij levendig in gesprek, toen zij op eens luide stemmen +en een groot geschreeuw in het paleis hoorden. Zij luisterden, en de +hertog wilde reeds buiten gaan, om naar de oorzaak van dat rumoer te +vernemen, toen op eens Sancho Panza in een wonderlijken toestand en +zeer verschrikt kwam binnenstuiven. Hij had een ouden schuurlap als een +servet voor en een talrijke troep keukenjongens en ander volk volgde +hem op de hielen. Een van dezen droeg eene tobbe met vuil spoelwater +en een ander had een groot stuk grove zeep. in de hand. Deze beiden +wilden den ontstelden schildknaap te lijf en deden al hun best, +om hem te wasschen en zijn baard in te zeepen. + +"Wat moet dat beduiden, menschen?" vroeg de hertogin. "Wat hebt gij +met dezen braven man voor? Weet gij niet, dat mijn gemaal voornemens +is, hem tot de waardigheid van stadhouder te verheffen?" + +"Mevrouw," antwoordde de keukenjongen, "wij wilden den heer eenvoudig +wasschen, gelijk hier te lande gebruik is en zooals hij zelf verlangd +heeft." + +"Ja zeker heb ik!" riep Sancho Panza hevig vergramd; "maar ik wil, +dat dit met schoone doeken en niet met oude schuurlappen gebeurt. Wie +mij met zulke instrumenten aankomt, heeft te wachten, dat ik hem den +schedel insla." + +De hertogin vond Sancho Panza's gramstorigheid en heel zijn uitzien +zoo kluchtig, dat zij 't wel van lachen uitschateren moest. De hertog +daarentegen zette een zeer ernstig gezicht en hield zich, alsof hij +die plagerij ten strengste afkeurde. + +"Gij zijt schandelijk lomp en vlegelachtig geweest," wendde hij zich +tot den dartelen troep, "en ik vertrouw, dat zulke dingen niet weer +zullen gebeuren. Neemt den heer Sancho die vodden af en maakt, dat gij +wegkomt. Ik waarschuw u, dat gij den schildknaap van dezen dapperen +dolenden ridder niet weder reden tot klachten en ontevredenheid geeft." + +De knapen meenden, dat hun meester ernstig boos was, ofschoon hij zich +alleen zoo hield, om ridder en knecht in den waan te houden, dat hij +hen werkelijk voor dolende helden aanzag. Zij namen den schildknaap +de schuurlappen af en dropen stilletjes af, terwijl Sancho den hertog +te voet viel en hem met een vloed van woorden voor zijne welwillende +bescherming dankzeide. + +Thans stond men van tafel op en Don Quichot verwijderde zich, om +in zijn koel vertrek een korte middagrust te nemen. De hertog nam +intusschen maatregelen, dat Don Quichot voortdurend als een echt +dolend ridder behandeld werd, en stelde zich daar niet weinig pret +en vroolijkheid van voor. + +Weinig dagen later wenschte de hertog eene groote jachtpartij te +houden, en nadat zijne dienaren van al, wat zij te doen zouden hebben, +nauwkeurig onderricht waren, werden Don Quichot en zijn schildknaap +van een geheel nieuwe jachtkleedij voorzien. Sancho trok die aan en was +er zeer in zijn schik mee; maar Don Quichot weigerde zulks, zeggende, +dat hij zichzelf in geen opzicht vertroetelen mocht en dus liever +zijne zware wapenrusting wilde aanhouden. Hij reed op Rocinante en +Sancho Panza in zijn nieuw pak op zijn ezel, niettegenstaande hem een +paard uit des hertogs stallen was aangeboden. Dat hij van zijn geliefd +grauwtje scheiden zou, was immers wat al te veel van hem gevergd. + +De jachthorens schalden en op hun roepstem verscheen de hertogin, +als eene koningin uitgedost. Don Quichot reed aan hare zijde en +hield uit pure ridderlijkheid den teugel van haar telganger vast, +ofschoon de hertog dit niet toelaten wou, wat hem eene bijna al te +groote beleefdheid en hoffelijkheid toescheen. + +Na een korten rit kwamen zij aan eene tusschen bergen ingesloten +woudstreek, die rondom door jagers was afgezet en waar de jacht +zou gehouden worden. Deze begon met groot alarm, met geschreeuw +en geklapper. De honden blaften en huilden, de horens klonken en +'t was een leven en een rumoer, dat men zijn eigen woorden niet kon +verstaan. De hertogin steeg van haar paard en vatte, met eene korte +jachtspies gewapend, post op eene plaats, waar gewoonlijk wilde zwijnen +plachten uit te breken. De hertog en zijn gast volgden haar voorbeeld +en dekten haar aan weerszijden. Sancho Panza bleef op eenigen afstand +achter hen op zijn grauwtje zitten, dat hij uit vrees voor mogelijk +gevaar niet durfde verlaten. + +Nauwelijks hadden allen op die wijze hunne posten ingenomen, +of zij zagen een zwijn aankomen, dat, door de honden opgejaagd, +grimmig zijne slagtanden wette en de schuimvlokken uit zijn wijden +muil liet vliegen. Zoodra Don Quichot het ontdekte, greep hij zijn +schild vaster, tastte naar zijn zwaard en trad een weinig vooruit, +om het getergde dier te ontvangen. Datzelfde deed de hertog, daar +hij zijn jachtspies vaster omklemde, en de hertogin volgde hem moedig +op den voet. Sancho alleen werd door schrik overmeesterd bij 't zien +van het geweldig everzwijn. + +Vol angst liet hij zijn grauwtje in den steek, ging op den loop en +deed zijn uiterste best, om een steeneik te beklimmen en zich tusschen +de takken te bergen. Dat gelukte hem echter niet. Toen hij ongeveer +de helft van de hoogte bereikt had en naar een tak greep, om nog +hooger te komen, brak die tak tot zijn schrik rits af, en onze arme +Sancho tuimelde met een luiden schreeuw naar beneden. Onder het vallen +raakte hij met zijne kleeren aan een anderen tak vast en bleef, zonder +dat hij den grond kon bereiken in de lucht hangen. Zijn jachtkleed +scheurde en hij verkeerde in doodelijken angst, dat de ever hem pakken +zou. Dus zette hij een geduchte keel op en brulde zoo ontzettend, +dat ieder die hem hoorde en niet zag, in de verbeelding moest komen, +dat een of ander wild beest hem reeds in zijne klauwen had. + +Onderwijl werd het wilde zwijn geveld, en Don Quichot keek naar zijn +schildknaap om, ten einde hem zoo noodig te hulp te snellen. Hij kwam +op zijn gehuil af en zag hem, met het hoofd naar beneden, de beenen in +de lucht, aan den stam van den eik spartelen, terwijl onder hem, aan +den voet des booms, de ezel stond, die zijn meester, naar 't scheen, +in de ure van nood niet verlaten wilde. + +Terstond snelde Don Quichot toe en hielp den luchtspringer weer op de +been. Bij het zien van zijn gescheurd kleed wrong de schildknaap de +handen, huilde bittere tranen en wilde van de troostwoorden, welke +zijn heer hem toesprak, volstrekt niets hooren. + +Intusschen werd het gedoode everzwijn op een pakezel geladen en in een +groote jachttent gebracht, die midden in het bosch opgeslagen en waar +men met de toebereiding van een kostelijken maaltijd bezig was. Men +ging aan tafel en hield tot het vallen van den avond vroolijk feest. + +Toen de sterren aan den hemel stonden, verlieten allen de tent en +trokken het bosch in, om naar de netten te zien, waarin het wild +gevangen werd gehouden. De nacht was donker en alleen de sterren +gaven een zwak en onzeker licht. + +Op eens scheen het gansche bosch aan alle kanten in lichtelaaie vlam +te staan en te gelijk schetterden rondom tallooze horens en trompetten, +alsof een geheel leger ruiterij door het woud trok. + +De glans van het vuur, verblindde de oogen en het schallend +geluid der blaasinstrumenten verdoofde de ooren der omstanders, en +allen schrikten, toen zich onder al dat rumoer nu ook een gillend +krijgsgeschrei mengde alsof twee vijandelijke legers tegen elkaar +oprukten. De trompetten schetterden, de klarinetten krijschten, de +trommen roffelden, de pauken donderden, de fluiten gilden, en dat +alles gelijktijdig en met zoo doordringend geweld en zoo aanhoudend, +dat men wel op staanden voet met doofheid had willen geslagen zijn. + +De hertog scheen ten hoogste verbaasd, de hertogin schrikte, Don +Quichot verwonderde zich en Sancho had wel van angst in den grond +willen zinken. + +Op eens echter verstomde dat schrikbarend leven, eene diepe stilte +volgde, en te gelijk naderde een ruiter in de dracht van den baardigen +Satan, die, in plaats van op een trompet, op een grooten, vreemd +gevormden Tritonshoren blies en daar akelig gillende, snerpende tonen +uit te voorschijn bracht. + +"Wie zijt gij, vriend?" vroeg de hertog den ruiter. "Waar wilt gij naar +toe, en welke legerbenden zijn het, die daar door het bosch trekken?" + +"Ik ben de Duivel en zoek den dolenden ridder Don Quichot van La +Mancha," antwoordde de ruiter met een stem, die allen omstanders door +merg en been ging. "Het leger, dat daar in aantocht is, bestaat uit zes +scharen beroemde toovenaars, die op een triomfkar de onvergelijkelijk +schoone Dulcinea van Toboso medevoeren. Zij nadert betooverd onder +geleide van den grijsaard uit de grot van Montesinos, die den edelen +Don Quichot de wijze zal mededeelen, waarop hij de hooge prinses +Dulcinea onttooveren kan." + +"En al zijt gij tienmaal de Duivel, gelijk uw uitzien verraadt, zoo +vrees ik u toch niet," riep onze dolende ridder. "Zie op en zie in +den man, die hier staat, den onverschrokken Don Quichot van La Mancha +voor u." + +"Welaan, als gij zelf de persoon zijt, dien gij noemt," antwoordde +de Duivel, "wacht dan hier de aankomst af van den grijzen Montesinos +en van de dame, welke men Dulcinea van Toboso noemt." + +Met deze woorden blies hij op zijn reusachtigen horen, wierp zijn +paard om en stoof, zonder des ridders antwoord af te wachten, in +vliegenden galop voort. + +Allen verwonderden zich over deze boodschap, maar vooral Don Quichot, +wien zij dan ook het meest aanging. + +"Denkt gij de toovenaars, Montesinos en Dulcinea hier werkelijk af +te wachten?" vroeg de hertog den held, die in diepe gedachten stond. + +"Stellig!" verklaarde Don Quichot met vaste stem. "Onversaagd en +onverschrokken wil ik hier wachten, al mocht ook de gansche hel met +al hare duivels tegen mij in aantocht zijn." + +"En ik wil bij u blijven, heer", zeide Sancho Panza, terwijl hij, +als bescherming zoekend, zich dicht aan hem drong. + +Onderwijl was het weer donker geworden en begonnen tallooze +lichtjes zich door het bosch te bewegen. Zij flikkerden hier en +schemerden daar: men had ze voor groote huppelende dwaallichtjes +kunnen houden. Toen echter volgde een gerucht en geraas, dat hooren +en zien deed vergaan, en te gelijk scheen dieper in het bosch een +hevig gevecht te beginnen. Van alle kanten dreunde het dof gedonder +van zwaar geschut en het onophoudelijk knetteren van duizend en nog +eens duizend musketten en geweren. Van dichtbij en uit de verte klonk +het geschreeuw der strijdenden, de luide toeroep der aanvoerders, +het gekerm en gekreun der gewonden en stervenden. + +De trompetten, de horens, de fluiten, de trommen mengden zich +daartusschen en veroorzaakten in verband met het kraken en knetteren +van grof geschut en klein geweer een zoo schrikbarend en alle zinnen +verbijsterend spektakel, dat Don Quichot al zijn vaak beproefden +moed bijeenrapen moest, om niet het veld te ruimen. De arme Sancho +was tegen al die verschrikkingen niet opgewassen. Half zinneloos +van angst en schrik viel hij op den grond en begroef zijn gezicht +in de wijde plooien van het kleed der hertogin, die terstond beval, +dat men hem opnemen en een koud-waterbad zou toedienen. Dit gebeurde, +en toen de schildknaap weer tot bezinning kwam, was reeds eene kar +genaderd, welker knarsende wielen een scherp piepend, krijschend +en gierend geluid voortbrachten, dat alle gehoorvliezen verscheuren +moest. Vier goed gemeste, plompe stieren, met zwarte kleeden behangen, +trokken haar. Aan hunne horens waren dikke, brandende harsfakkels +vastgebonden, en op de kar zelve was een hooge zetel aangebracht, +waarop een grijsaard van eerbiedwekkend voorkomen troonde, van wiens +kin een lange, sneeuwwitte baard in dichte lokken tot over den gordel +neergolfde. Een wijde mantel van zwarte stof omkleedde zijne forsche +ledematen, en twee kleine duiveltjes, zoo verfoeilijk leelijk, dat +Sancho Panza er voor wegkroop, begeleidden hem en waren nagenoeg +evenzoo gekleed als hij zelf. Toen die kar tegenover Don Quichot +stilhield, rees de daarin zittende grijsaard van zijne kussens overeind +en riep met luider stemme: "Ik ben de wijze Lirgandeo!" + +Hierop reed die eerste kar door en een ander grijsaard volgde, die +bekend maakte, dat hij de wijze Alquife was. + +Toen verscheen een derde kar, waarin een vierkante, pootige kerel +met een bruin, verweerd en brutaal gezicht was gezeten, die, evenals +de vorigen, onder 't voorbijrijden opstond en met rauwe, schorre en +heesche stem uitschreeuwde, dat hij was de wijdbefaamde toovenaar +Arcalaüs, de doodvijand van Amadis van Gallië. + +Op korten afstand van ons gezelschap hielden de drie karren stil; +'t merg en been verscheurend piepen en gillen hield op en, in plaats +daarvan, lieten zich de smeltende tonen eener uitermate liefelijke +muziek hooren, wat Sancho Panza al dadelijk voor een gunstig voorteeken +hield. Een weinig moed krijgende, richtte hij zich op en zeide tot +de hertogin: + +"Waar ze zulke deuntjes spelen, kan geen gevaar wezen, hoogedele +doorluchtige mevrouwe!" + +"En ook niet, waar zooveel licht en helderheid is," gaf de hertogin +hem glimlachend tot bescheid. + +De muziek klonk nader en nader, en Don Quichot zag nu een kar aankomen, +die van buiten geheel den vorm van een Romeinsche triomfkar had. Zij +werd getrokken door zes grauwe muildieren, die met sneeuwwitte dekken +van het fijnste lijnwaad behangen waren. Op elk dier zat eene in het +wit gekleede gestalte met een fakkel in de hand; doch op een troon op +de kar zelve vertoonde zich eene dame, in een langen golvenden sluier +van zilverstof gehuld, waarop een tallooze menigte gouden sterretjes +flonkerden. Het gelaat der dame was ook wel door een sluier bedekt, +maar deze was zoo fijn en doorzichtig, dat men door de plooien heen +een zeer schoon jonkvrouwelijk gelaat kon ontdekken. + +Naast de dame vertoonde zich eene gestalte in een mantel, die haar van +'t hoofd tot de voeten reikte, terwijl een zwarte sluier haar gelaat +aan het oog onttrok. + +Langzaam kwam die kar op Don Quichot en het verdere gezelschap toe, dat +haar met nieuwsgierigheid en de uiterste spanning opwachtte. Tegenover +onzen held hield zij stil; de muziek verstomde en de mannelijke +gedaante richtte zich langzaam op. Den zwarten sluier opslaande, +liet zij een ontvleesden schedel met ledige oogholten zien, zoodat +men den dood in eigen persoon meende te aanschouwen. + +Don Quichot schrikte, Sancho werd doodsbleek en zelfs de hertog en de +hertogin staarden met angst en ontzetting de vreemde huiveringwekkende +gedaante aan, die nu met holle, gesmoorde stem de woorden liet hooren: + +"Ik ben Montesinos en kom in het gevolg der aanminnigheid en +schoonheid, om den edelen ridder Don Quichot te verkondigen, dat +zijne hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso kan onttooverd worden, +indien Sancho Panza, zijn schildknaap, zichzelf drie duizend en drie +honderd slagen op zijn breeden rug toetelt. En dan moeten die slagen +zóó zijn, dat zij wezenlijk pijn, builen en striemen veroorzaken." + +"Lieve hemeltje, dan zou de heele historie op mijn armen rug +neerkomen!" riep Sancho Panza. "Niet drie duizend slagen wil ik +mijzelf geven, niet drie honderd, niet eens drie! Wat heeft mijn +rug met de betooverde Dulcinea uitstaande? Loop heen! Als meester +Montesinos er geen ander middeltje op weet uit te vinden, dan moet +de schoone jonkvrouw vooreerst nog maar wat betooverd blijven." + +"Hoor me zoo'n ondankbaren schelm en deugniet eens!" riep Don Quichot +verontwaardigd. "Wacht, man! ik wil je naakt aan een boom binden, +en daar zult ge niet drie duizend drie honderd, maar zes duizend zes +honderd zoo wichtige en klappende slagen toegeteld krijgen, dat men ze +drie duizend en drie honderd buksschoten ver hooren kan. Zwijg stil, +zeg ik, of ik ruk je dadelijk de zwarte ziel uit het lijf." + +"Bedaar, edele ridder!" sprak Montesinos met holle stem. "De slagen, +die de wakkere Sancho Panza doorstaan moet, mogen niet opgedrongen +worden, maar hij moet ze zich zelf geheel vrijwillig toebrengen, +en hij heeft vrijheid, om ze op verschillende tijden geheel naar +eigen goeddunken door te staan. Mocht het zijne verkiezing wezen, +ze van eene vreemde hand te ontvangen, dan zal het getal tot op de +helft verminderd worden, ofschoon onder voorwaarde, dat de zweep door +eene niet te zwakke vuist worde gevoerd." + +"Dat alles is goed en wel," riep Sancho, "maar ik laat mij noch door +mijn eigen noch door vreemde vuist afrossen, en wil mijn heer zijne +Dulcinea onttooverd hebben, laat hem haar dan zelf onttooveren en zijne +magere schouders zoo bont en blauw slaan, als hij maar verkiest. Ik +voor mijn part zal zoo gek niet wezen, om tegen mijn eigen vleesch +te woeden." + +Op dit woord rees nu eensklaps de vrouwelijke gedaante, die naast +Montesinos zat, overeind, sloeg haar doorzichtigen sluier op en zag +den weerspannigen schildknaap met een van verontwaardiging vlammenden +blik aan. + +"Nietswaardige," riep zij; "man, met uw steenen hart en ziel van +graniet, wat groote dingen verlangt men dan van u, dat gij u verstout, +op zulk een toon te spreken? Indien u bevolen werd, van een hoogen +toren te springen, of gesmolten lood door te slikken en met bloote +voeten een half uur ver over gloeiende ijzeren platen te gaan, +dan zou ik niets zeggen, zoo gij dat weigerdet; maar om een paar +ellendige zweepslagen zoo'n leven te maken, dat noem ik boosaardig +en slecht. Roert u dan mijne bloeiende jeugd en mijne betooverde +schoonheid niet? Moet ik altijd en eeuwig als een gemeene boerendeerne +omdolen, terwijl ik toch de schoonste prinses op aarde ben? Schaam u, +flauwe lafaard! Schaam u en laat mij niet van hier weggaan zonder +den troost, dat gij u tot mijne onttoovering aan eene lichte boete +wilt onderwerpen. En zoo mijn beden en tranen u niet vermurwen, laat +u dan bewegen door de ellendigheid van uwen heer, die van verdriet +en hartzeer zal wegkwijnen, zoo gij niet tot een besluit komt, den +schildknaap eens zoo beroemden helds waardig." + +"Neen, zoo gek ben ik niet," bromde Sancho. "Om een ander wil ik mijn +eigen vleesch niet mishandelen." + +"Vriend Sancho," sprak nu de hertog, die door het lijden der schoone +dame en het ongeluk van den ridder ten diepste geroerd scheen, "vriend +Sancho, 't is wel waar, dat ik u een stadhouderschap beloofd heb, maar +ik moet u nu ronduit en stellig verklaren, dat daar niets van komen +kan, als gij u zoo halsstarrig en onhandelbaar betoont. Wat zouden +mijne onderdanen op het eiland, dat voor u bestemd was, denken, als ik +hun zulk een gruwzamen en hardvochtigen tiran op den hals zond? Neen, +neen, Sancho! Gij moet of uit liefde tot uwen heer u die slagen +getroosten, of ge zult het uw leven lang niet tot stadhouder brengen." + +"Ei, ei, niet zoo haastig, doorluchtige heer!" antwoordde Sancho +op vrij wat onderdaniger toon; "men dient zich op zoo'n ding toch +wel eens te beslapen. Gun mij twee dagen tijd en dan wil ik u nader +bescheid geven." + +"Dat gaat niet aan!" sprak Montesinos met akelig holle stem. "Hier +op staanden voet en binnen vijf minuten moet alles beslist zijn. Ja +of neen--wat zegt gij?" + +"Zeg ja, beste Sancho!" fluisterde de hertogin den schildknaap toe, +die besluiteloos stond, als een ezel tusschen twee bossen hooi. "Zeg +ja, en toon u daardoor dankbaar voor al de goedheid en liefde, die +uw dappere heer u tot hiertoe betoond heeft. Zeg ja, en wees niet +bang voor zoo'n beetje pijn." + +"Nu, welaan dan," zei Sancho eindelijk; "daar gij allen mij zoo dringt, +wil ik die vracht van drie duizend drie honderd in 's hemels naam +maar op mij nemen. Doch 't is onder voorwaarde, dat ik ze mijzelf +toetellen mag, wanneer en zoo veel of zoo weinig, als mij op een keer +goeddunkt. Daartegenover beloof ik, dat ik mijn best zal doen om zoo +gauw mogelijk schoone lei te krijgen en jonkvrouwe Dulcinea van hare +betoovering te verlossen." + +"Dat is voldoende," riep Montesinos. + +En zoodra hij dat woord over de lippen had, nam de liefelijke muziek +van fluiten, harpen en horens weer een aanvang, terwijl Don Quichot, +verrukt over zijne opoffering, zijn trouwen schildknaap om den hals +viel en hem onder heete tranen op voorhoofd en wangen kuste. De hertog, +de hertogin en alle verdere tegenwoordigen gaven insgelijks hunne +voldoening en tevredenheid te kennen, en toen de kar zich weer in +beweging stelde, boog Dulcinea eerbiedig het hoofd voor de hertogin +en wierp Sancho Panza een allerliefst kushandje toe. + +Sancho zelf voelde zich een oogenblik volkomen gelukkig, doch had +twee minuten later al weer bitter berouw, dat hij zoo gek geweest was, +dat zware pak van drie duizend drie honderd slagen op zich te nemen. + +Onderwijl begon het in het oosten te schemeren, en allen keerden +naar het slot terug, om na de vermoeienissen der jacht en na al die +spannende ontmoetingen een verkwikkenden slaap te genieten. De hertog +en de hertogin waren meer dan ooit in hun voornemen versterkt, om met +Don Quichot en zijn schildknaap nog allerlei kluchten en dwaasheden te +vertoonen, en stelden zich daar onbegrijpelijk veel pret en genoegen +van voor. + +Tot opheldering van het pas beschreven avontuur hebben wij alleen maar +te zeggen, dat de geheele comedie volgens de beschikking van den hertog +zoo was opgevoerd. Montesinos was de hofmeester van het slot, Dulcinea +een knappe jonge page geweest, terwijl de verschillende talrijke +dienaren des hertogs als toovenaars en duivels hadden moeten optreden. + + + + + + +HOOFDSTUK XX. + +HET AVONTUUR MET HET HOUTEN PAARD. + + +Eenige dagen verliepen, zonder dat met onze beide helden iets +bijzonders was voorgevallen. Op de vraag van de hertogin aan den +schildknaap, of hij met het werk zijner zelfkastijding al begonnen was, +antwoordde Sancho toestemmend. + +"En waarmee hebt gij uzelf de slagen toegedeeld?" vroeg zij verder. + +"Wel, hier met mijn hand," antwoordde hij. + +"Ei," sprak de hertogin, "dan zijn de slagen zeker wat heel zacht +uitgevallen, en ik twijfel zeer, of de gestrenge heer Montesinos +daar wel mee zal tevreden zijn. Gij moet eene stevige geeselroede of +een dik touw met knoopen nemen, daar voor de verlossing van eene zoo +uitstekende en schoone dame wel wat pijn mag worden geleden." + +"Nu, als 't knijpt en weer knijpt, mevrouw, geef mij dan eene roe, +zooals 't hoort, en dan wil ik mijzelf daarmee kwispelen, als 't niet +te erg zeer doet. Maar uwe doorluchtigheid mag vrij gelooven--schoon +'k maar een boer ben, zoo is mijn huid toch even gevoelig als 't vel +van den besten edelman, en mijzelf erg te pijnigen is volstrekt mijn +plan niet." + +"Goed, goed!" zei de dame lachend; "ge zult morgen eene roe hebben, +die net voor je past en je de teêre huid niet al te erg zal havenen." + +Met deze toezegging stelde Sancho zich tevreden. + +Eenige dagen daarna zaten de hertog en de hertogin na afgeloopen +maaltijd met hunne beide gasten in den tuin en spraken over beroemde +ridders van vroeger en later dagen, toen men op eens den schellen, +gillende toon van eene fluit en het dof gerommel van eene oude +trom vernam. Geen van allen wist eerst, wat van deze vreemde en +onwelluidende muziek te denken, en Don Quichot werd zoo onrustig, dat +hij op zijn stoel heen en weer schoof en van verlangen brandde, om te +weten, welk nieuw avontuur hier voor hem aanstaande was. Sancho zat, +als gewoonlijk, weer zoo in angst, dat hij zich zoo dicht mogelijk bij +de hertogin hield en gaarne onder de plooien van haar lang sleepkleed +zou zijn weggekropen. + +Terwijl zij met gespannen verwachting naar de treurige en zwaarmoedige +tonen van die muziek luisteren, traden aan het andere eind van den tuin +twee mannen in rouwkleederen binnen, welke laatste zoo lang waren, dat +zij ruischend op den grond nasleepten. Die mannen sloegen op trommen, +die insgelijks met zwart rouwfloers behangen waren. Aan hunne zijde +stapte een pijper, en dicht achter hen volgde een reusachtig lang +man, van top tot teen in het zwart gekleed en met een sleep, die ter +breedte van wel ruim tien el het stof van den grond wegveegde. Over +zijn kleed droeg hij aan een gordel van zwart leder een verbazend +groot zwaard met zwarten greep en zwarte scheede, en zijn gezicht +was met een zwarten sluier bedekt, door welken een dichte, lange, +sneeuwwitte baard heenschemerde. Met deftig afgemeten passen trad hij +nader en zette de voeten telkens naar de maat der trommen neer. Zijne +reusachtige figuur, zijne vreemde kleedij en fiere houding brachten +allen in de grootste verbazing. + +Na den tuin doorgegaan te zijn, trad hij regelrecht op den hertog +toe, die hem met de overigen staande opwachtte, wierp zich aan diens +voeten neer en wilde met zijne toespraak beginnen, toen de hertog hem +beduidde, dat hij geen woord aanhooren zou, indien hij niet dadelijk +weer opstond. De reus rees dus weder overeind, sloeg zijn sluier op +en vertoonde zijn gezicht, dat met den diksten, langsten en witsten +baard versierd was, dien ooit een menschelijk oog had aanschouwd. + +"Doorluchtigste heer en hooge gebieder," begon hij met eene stem, +die zwaar en diep als het rollen van den verren donder uit zijne +breede borst kwam, "mijn naam is Trifaldin met den witten baard, +en ik ben stalmeester van de gravin Trifaldi, die met anderen naam +ook Dueña Dolorida genoemd wordt. Op last van haar verschijn ik, +om uwe hoogheid een genadig gehoor te verzoeken, en om te vernemen, +of zich hier op het slot ook de dappere en nooit overwonnen ridder +Don Quichot van La Mancha ophoudt, om wiens wille mijne meesteres uit +haar koninkrijk Candaya hierheen is gekomen. Zij wacht aan de poort +van dit slot en verlangt slechts uwe vergunning, om binnen te komen +en u haar ongehoord ongeluk mee te deelen." + +"Mijn waarde stalmeester Trifaldin met den witten baard," antwoordde +de hertog, "wij kennen sinds lang al het ongeluk van uwe meesteres, +de gravin Trifaldi, die alleen door de kunstenarijen van snoode +toovenaars Dueña Dolorida genoemd wordt. Meld haar, dat wij haar +wachten, en dat zij hier ook den dapperen en vermaarden ridder van +La Mancha zal vinden, van wiens grootmoedige gezindheid zij veilig +alle bescherming en bijstand mag hopen." + +Bij het vernemen dier blijde tijding boog de stalmeester Trifaldin tot +afscheid de knie, wenkte trommelaars en pijper en verwijderde zich +met dezen, even deftig en plechtstatig, als hij gekomen was. Korten +tijd daarna verschenen twaalf in 't zwart gekleede dames in den tuin +en naderden twee aan twee op de maat van de muziek. Achter haar ging +de gravin Trifaldi aan den arm haars stalmeesters. Een zwart kleed +golfde om hare leden en drie edelknapen volgden haar, die haar den +sleep nadroegen. + +In de nabijheid van het hertogelijk paar gekomen, schaarden de +twaalf dames zich in twee rijen, tusschen welke de gravin doorging, +om zich den hertog te voet te werpen, wat deze natuurlijk wist te +verhinderen. Hierop sprak zij met eene eer grove en mannelijke dan +fijne vrouwenstem de volgende woorden: + +"Doorluchtige heer, eene ongelukkige nadert u, om uwe bescherming +in te roepen, die zij meer dan iemand anders ter wereld noodig +heeft. Voordat ik u echter mijn ongeluk vertel, zou ik gaarne weten, of +de wereldvermaarde en dappere leeuwenridder hier is en zijn getrouwen +schildknaap Sancho Panza bij zich heeft." + +"Hier is Sancho Panza," riep deze, nu weer moedig voor den dag +springend, "en hier is ook mijn heer, de vreeselijkste en dapperste +ridder, die ooit op twee beenen stond. Zeg, wat gij begeert, +betreurenswaardige jonkvrouwe Dolorida. Wij zijn steeds bereid, +ongelukkigen te helpen en verongelijkten recht te verschaffen." + +Voordat de dame hierop antwoorden kon, trad Don Quichot toe en zeide: + +"Indien uw leed zich van den arm en de kracht eens dolenden ridders +eenige hoop op verzachting durft beloven, dan staat hier Don Quichot +van La Mancha, over wien gij vrij beschikken kunt, zoo gij zijne +diensten verlangt. Laat mij dus zonder verwijl de geschiedenis van +uw ongeluk vernemen." + +De dame wilde den dapperen ridder de knieën omhelzen; doch hij liet +dat niet toe, maar verzocht haar bij herhaling, de oorzaak van haar +leed mee te deelen. + +Zoo vernam hij dan, dat een schandelijke reus en toovenaar, Malambruno +geheeten, haar van hare heerlijkheid beroofd en haar zelve met al +hare hofdames op de afschuwelijkste wijze misvormd had door hare +gladde blanke gezichten met ruige borstels te bedekken. + +Op een wenk der gravin sloegen hare gezellinnen hare sluiers op en +lieten tronies zien, die dusdanig met dichte baardharen begroeid waren, +dat Don Quichot een kreet van verbazing uitstiet en zelfs de hertog +en de hertogin zich verschrikt afwendden. + +"Zie, heer ridder," sprak gravin Trifaldi, "zóó heeft die kwaadaardige +booswicht Malambruno ons toegetakeld. 't Was ons allen veel liever +geweest, als hij ons terstond gedood had en het hoofd afgehouwen. Maar +om nu tot de hoofdzaak te komen, moet ik u zeggen, dat niemand +buiten u mij helpen kan, daar nergens op aarde meer een ridder van +uwe dapperheid gevonden wordt." + +"Nu, aan mijn goeden wil zal het niet ontbreken," antwoordde Don +Quichot. "Beveel, wat ik verrichten moet, en uwe wenschen zullen +oogenblikkelijk vervuld worden!" + +"Het eenige bezwaar, dat ons in den weg staat," sprak de gravin, +"is de omstandigheid, dat mijn koninkrijk over de vijfduizend mijlen +van hier verwijderd ligt. Zoo gij echter, waaraan ik niet twijfel, +moed genoeg bezit, om van eene reisgelegenheid gebruik te maken, +die mij ieder oogenblik ten dienste staat, ben ik in een ommezien +geholpen. Ik bezit namelijk het houten paard, waarop de dappere Pierres +de schoone Magalona ontvoerde. Het wordt bestuurd door een kruk, +die voor op den kop en ten volle de diensten van een teugel doet, +en daarbij vliegt het met eene lichtheid en snelheid door de lucht, +alsof de duivel zelf het medevoerde. Dit paard is, volgens echte +oorkonden, door den grootmeester van alle toovenaars, den grooten +Merlin, vervaardigd, die het aan zijn vriend, den dapperen Pierres +ten geschenke gaf. Na dien held heeft niemand het meer bestegen, wijl +ieder vreest er de lucht mee in te gaan. Evenwel is het het makste +en beste dier van de wereld. In een ommezien brengt het zijn berijder +in de verst verwijderde werelddeelen, en heeft daarbij het voordeel, +dat het noch eet, noch drinkt, noch slaapt, noch ook zijne hoefijzers +afslijt. Voor 't overige heeft het zulk een aangenamen en lichten gang, +dat men, terwijl men door de lucht vliegt, een boordevolle kom water +in de hand kan houden, zonder een droppel te morsen. Dit was de reden, +waarom de schoone Magalona het ook zoo gaarne bereed." + +"Nu, wat een zacht en rustig draven aangaat," zei Sancho, "heb ik zelf +een grauwtje, dat het tegen alle telgangers van de wereld opneemt. Zijn +eenige fout is maar, dat hij niet door de lucht kan vliegen." + +Allen lachten over Sancho Panza's dwaze aanmerking, en de gravin +ging voort: + +"Zoo gij bereid zijt, heer ridder, mijne wenschen te vervullen en u +aan dat wonderdadig ros toe te vertrouwen, dan zal het zich op mijn +wenk een half uur voor den donker in ons midden bevinden." + +"Hoeveel menschen nemen dan plaats op dat paardje?" vroeg Sancho. + +"Niet meer dan twee," antwoordde jonkvrouwe Dolorida, ook gravinne +Trifaldi geheeten: "Één in den zadel en de ander achterop." + +"Ik ben benieuwd, wat naam dat beest heeft," vroeg Sancho Panza. "Weet +gij mij dat ook te zeggen?" + +"Zijn naam is niet zoo hoogdravend als Pegasus of Bucephalus, of +Orelia, maar 't is een doodeenvoudige, schoon bijzonder passende +naam. Het heet Krukhout de Gevleugelde, omdat het van hout is, omdat +het door een kruk bestuurd wordt en omdat het in vlugheid door geen +schepsel ter wereld wordt overtroffen." + +"Ei, die naam is zoo kwaad niet en bevalt mij bijzonder goed," +verklaarde Sancho. "Maar waar is de toom of halster, waardoor 't +geregeerd wordt?" + +"Ik heb al gezegd, dat die kruk zijn teugel is," antwoordde de gravin +Trifaldi. "Al naarmate de ridder, die het berijdt, die kruk draait, +gaat het paard hoog in de lucht op of daalt weer naar de aarde neer, +houdt rechts of links, of rechtuit." + +"Dat moet dan al een bijzonder knap dier wezen en 'k ben verlangend, +het eens te zien," zei Sancho. "Als men zich evenwel verbeeldt, +dat ik daar achterop zal kruipen, dan slaat men den bal glad mis en +verwacht peren van den olijfboom. Dat zou me wat moois wezen! Ik, +die mij pas op den zadel van mijn grauwtje kan houden, die toch goed +gevuld en zoo week als een kussen is, zou op de harde houten bonken +van een beest gaan zitten, dat met mij de lucht ingaat, zonder dat +ik weet, of het ooit weer op aarde te land zal komen! Neen, neen, +voor zoo'n reisje bedank ik!" + +"Weest gerust, mijne heeren en dames!" zeide Don Quichot, die elk woord +van zijn schildknaap verstaan had. "Ik vertrouw zeker, dat Sancho mij +in alles gehoorzamen zal. Had ik den reus nu maar hier! Waarachtig, +ik zou hem den kop van den romp houwen, voordat hij drie kon tellen." + +"Geduld, edele ridder, nog korten tijd," zeide de gravin +Trifaldi. "Zoodra de avond komt, zal ook het ros verschijnen, en +gij kunt het dan terstond bestijgen. Dan zal ook mijne ellende haar +einde nabij zijn; mijn baard met al de baarden mijner dames zullen +spoorloos verdwijnen, en wij allen zullen u, heer ridder, eeuwige +erkentelijkheid verschuldigd zijn." + +Zeer spoedig kwam de avond en dus ook de tijd, dat het vliegend paard +moest verschijnen. Don Quichot wachtte het met levendig ongeduld en +wilde daaraan reeds in woorden lucht geven, toen op eens vier wilde, +met groen klimop in plaats van met kleederen bedekte mannen in den +tuin traden en een plomp houten paard op hunne schouders droegen. Zij +zetten dat in de nabijheid van den ridder behoedzaam op den grond, +en een hunner sprak met machtige stem: "Wie moed voelt, die bestijge +den Gevleugelden Krukhout." + +"Nu, ik voor mijn part heb geen moed, en zal hem dus niet bestijgen," +verklaarde Sancho op stelligen toon. + +"Wanneer de ridder, die dit ros bestijgt," ging de met klimop bekleede +man voort, "een schildknaap in zijn gevolg heeft, dan moet deze +achterop stijgen en zijn meester vergezellen. Hij kan daarbij zonder +vrees zijn, want hem zal in het minst geen kwaad overkomen. De ridder +heeft niets te doen, dan aan de kruk te draaien, die aan den hals van +het paard is aangebracht, en dan zal hij zonder verwijl naar de plaats +worden gedragen, waar Malambruno hem wacht. Opdat echter de ontzettende +hoogte, waartoe het paard opstijgen zal, de ruiters niet duizelig make, +moeten zij zich de oogen laten blinddoeken en mogen zij dien doek niet +afdoen, voordat het paard luid begint te brieschen. Dit is het teeken, +dat de tocht volbracht is en de ruiters hun doel hebben bereikt." + +Na deze woorden bogen zich de mannen in klimop en verwijderden zich +met haastigen tred. Dolorida of gravin Trifaldi echter keerde zich +met tranen in de oogen tot den ridder en sprak: + +"Daar, dapperste aller ridders, is nu Krukhout de Gevleugelde, en +niets ontbreekt meer om mij gelukkig te maken, dan dat gij met uw +schildknaap opstijgt en met vroolijk harte den tocht onderneemt." + +"Dat zal geschieden, edele vrouwe," antwoordde Don Quichot, "dat zal +geschieden met vroolijk harte en met den besten wil, om uw wreker te +worden en u uwe vroegere schoonheid terug te verschaffen." + +"Dan wensch ik u goede reis en behouden overtocht, edele heer," zeide +Sancho Panza. "Ik voor mij zal wel oppassen, dat ik mij niet in zulk +een gevaar begeef, en bedank er voor, daar achter op dat harde hout +te zitten. Ik blijf, waar ik ben, of als ik meega, wil ik de reis op +mijn eigen grauwtje doen." + +"Sancho Panza," sprak hierop de hertog op bestraffende toon, "zoo +gij uw heer in de ure des gevaars in den steek laat, reken dan niet, +dat gij ooit eene stadhoudersplaats van mij krijgt. Vergezelt gij +hem echter, gelijk dat een rechtschapen schildknaap betaamt, dan zal +het stadhouderschap van mijn eiland Barataria uw loon zijn en kunt gij +verzekerd wezen van mijne voortdurende gunst en goedwilligheid. Twijfel +niet aan de waarheid dezer verzekering, maar wees overtuigd, dat wat +ik zeg ernstig gemeend is." + +"Goed, goed, doorluchtige heer," zeide Sancho, op wien het beloofde +stadhouderschap dadelijk krachtig werkte. "Ik ben een arme schildknaap +en kan anders niet, dan voor uwe genade dankbaar zijn en uwe bevelen +gehoorzamen. Laat mijn meester opstijgen, laat mij een doek voor de +oogen binden, en zeg mij, of ik op onze gevaarvolle reis den hemel +en de hertogin aanroepen en hun krachtigen bijstand vragen mag." + +"Gerust, gerust moogt gij dat doen, vriend Sancho," sprak Trifaldin, +de stalmeester. "'t Is niet aan de tooverkracht des duivels en der +helsche geesten, waaraan gij u toevertrouwt, maar 't is eene eerlijke +en behoorlijke tooverij, waartegen de goede geesten niets inbrengen +kunnen." + +"Nu welaan, dan ben ik bereid," zeide Sancho, niet zonder eene zachte +trilling in zijne stem. + +"Waarlijk," sprak Don Quichot, "ik kan mij niet herinneren, mijn +schildknaap, behalve bij dat gedenkwaardig avontuur met de molens, +ooit zoo vreesachtig te hebben gezien, als heden, en indien ik maar +wat bijgeloovig was, zou ik dien angst voor een slecht voorteeken +houden. Maar kom eens hier, Sancho! Ik heb u een paar woorden onder +vier oogen te zeggen." + +Sancho kwam bij hem, en beiden gingen een weinig bezijden af in +een boschje. Hier vatte de ridder zijn schildknaap bij beide handen +en sprak: + +"Waarde vriend Sancho, wij hebben, zooals gij weet, een verren tocht te +doen en het is onzeker, hoe lang wij uitblijven zullen. Daarom wensch +ik zeer, dat gij terstond in uwe kamer gaat en u daar vóór ons vertrek +nog een vijfhonderd of duizend slagen van de drie duizend en drie +honderd toedient, die tot onttoovering van mijne gebiederes Dulcinea +van Toboso noodig zijn. Wat gedaan is, is gedaan, en gij zult er mij +bijzonder door verplichten. Frisch aan het werk dus, mijn vriend, +want uitstel leidt tot afstel en uw woord houden moet gij toch." + +"Zoo waar ik leef, heer, 't is een onverstandig ding, dat gij daar +van mij vergt," antwoordde Sancho. "Hoe kunt gij verlangen, dat ik +mijne krachten ga verzwakken op een tijd, nu ik die zoo bijzonder +hoog noodig zal hebben! Waarachtig, 't is, alsof ge niet goed bij uw +hoofd zijt. Laat ons eerst de gevaarlijke reis volbrengen, en wees +dan verzekerd, dat ik mijn uiterste best zal doen, om den tijd der +betoovering voor u af te korten. Ik zal mij dan zoo vlug en handig +van mijne verplichting zoeken te kwijten, dat gij in de hoogste mate +tevreden zult wezen." + +"Nu goed, vriend Sancho, ik wil op uwe belofte vertrouwen," antwoordde +Don Quichot. "Ik ben van uwe waarheidsliefde zoo volkomen overtuigd, +dat ik niet aan uwe woorden twijfelen wil. Kom dan weer mee bij de +overigen, en wij willen ons gereedmaken tot ons vertrek." + +Zij keerden terug, en nu zou het vliegend paard terstond bestegen +worden. + +"Bind u nu een doek voor de oogen, Sancho," zeide Don Quichot. "Wij +moeten stiptelijk volbrengen, wat men van ons verlangt." + +"Ja, ja, maar doe gij dat maar eerst," sprak de schildknaap, "Als ik +achter zal zitten, dient gij natuurlijk eerst op te stijgen, en dus +heb ik tijd tot gij zelf klaar zijt." + +Don Quichot zag het gegronde dezer aanmerking in, haalde zijn zakdoek +te voorschijn en verzocht de gravin Trifaldi, hem dien voor de oogen te +binden. Zij deed dat zonder tegenspraak, en nu werd de ridder op den +houten rug van het tooverpaard getild. Toen hij vast zat, onderzocht +hij de kruk aan den hals en bevond, dat die zich uiterst gemakkelijk +liet omdraaien en bewegen. Daar de ridder geen stijgbeugels had, +hingen zijne magere beenen steil naar beneden en had hij veel van +de figuur, welke men wel soms op oude behangsels ziet en die een +Romeinschen triumphator moet voorstellen. + +Sancho volgde langzaam en met kennelijken tegenzin het voorbeeld +zijns meesters en zocht het zich op het achterdeel van het paard zoo +gemakkelijk mogelijk te maken. Hij vond dat evenwel zoo hard, dat hij +den hertog bad, hem toch een sprei of kussen te doen brengen, daar +hij de bezwaarlijke reis anders onmogelijk zou kunnen uithouden. De +gravin Trifaldi antwoordde, dat aan dit verzoek op geene wijze kon +voldaan worden, omdat het in Krukhouts aard lag, dat hij niet de +minste bedekking kon verdragen. Om meer gemak te hebben, moest hij +dan maar zoo gaan zitten, als vrouwen doen, wat hem zeker wel eenige +verlichting zou aanbrengen. + +Sancho Panza volgde dezen raad, nam afscheid van de omstanders en bond +zich den doek voor de oogen. Terstond daarna maakte hij dien echter +nog eens weer los, keek met tranen in de oogen rond en verzocht al de +achterblijvenden, dat zij toch om hem zouden denken en zijn grauwtje +goed verzorgen. + +"Lafhartige kerel!" riep Don Quichot hem hierop toe, "staat gij dan +al onder de galg of ligt gij op uw uiterste, dat gij de menschen hier +met zulke vragen lastig valt? Bind gauw den doek weer vast en leuter +niet van gevaar, zoolang gij u in mijne tegenwoordigheid bevindt." + +Brommend en pruttelend bond Sancho Panza zich nogmaals den doek voor, +en toen Don Quichot merkte, dat alles in orde was, greep hij naar +de kruk en draaide die rond op de wijze, die hem was opgegeven. Op +'tzelfde oogenblik verhieven de omstanders hunne stemmen en riepen +hem na: + +"God geleide u, dapperste aller ridders, met u, onverschrokken +schildknaap! Ha, wat vliegen zij! Dat snort als een pijl door de +lucht! Een mensch wordt duizelig alleen van 't gezicht! Houd u vast, +Sancho, en pas op, dat ge niet valt, want ge zoudt in duizend stukken +op den grond komen." + +Sancho verstond elk woord, dat hem werd toegeroepen, en klemde zich +vol zielsangst vast, waartoe hij beide armen om zijn heer sloeg. + +"Hoe zou het toch wel zoo wezen, heer," vroeg hij, "dat wij alles +verstaan, wat die daar beneden ons toeschreeuwen, ofschoon wij nu +toch al zoo hoog in de lucht vliegen? 't Is net, alsof ze nog dicht +om ons toe stonden." + +"Breek daar uw hoofd niet mee," antwoordde de ridder. "Daar deze +luchtvaart zoo geheel buiten het bereik der gewone dingen ligt, +zoo moet gij op duizend mijlen afstands kunnen hooren en zien, wat +ge maar verkiest. Maar pak mij niet zoo vast, of ge zult mij nog van +het paard trekken. Wat zijt ge toch bang en flauwhartig! Ik begrijp +volstrekt niet, hoe ge u zoo angstig maakt, daar ik zeggen moet, +nog nooit een dier bereden te hebben, dat zachter gang heeft. 't Is +waarlijk, of we heel niet van de plaats kwamen. Onderdruk uwe vrees +dus, mijn vriend, en vertrouw, dat alles goed af zal loopen. De wind +is ons gunstig en blaast ons frisch in den rug." + +"Ja, dat is zoo," erkende Sancho; "ik voel zoo'n koelte in mijn zij, +alsof 'k den wind uit duizend blaasbalgen kreeg." + +Sancho Panza had het rechte woord getroffen, want inderdaad waren +'t een paar groote blaasbalgen, die hem van frissche lucht in +overvloed voorzagen. De hertog had alles zoo goed ingericht, dat +zelfs de elementen meewerken moesten om de luchtreizigers in hun waan +te versterken. + +Don Quichot, die ook zijn deel van de aanblazing gehad had, nam na eene +poos het woord weer en zeide tegen Sancho: "wij moeten nu spoedig de +tweede luchtlaag bereiken, waar de donders rollen en de bliksems als +vurige slangen heen en weer schieten, en eindelijk, als wij al hooger +en hooger klimmen, komen wij in het luchtgebied van het vuur. 't Is +leelijk, dat ik niet weet, hoe de kruk te draaien om ons zoo ver van +dat gebied te houden, dat wij niet verbranden." + +Terstond wenkte de hertog nu eenige dienaren, en men warmde de +gezichten der luchtreizigers door middel van eenige bossen vlas, die, +aan stokken gebonden, licht vuur vatten en ontvlamden, en ook even +gemakkelijk waren uit te dooven. + +"Ik laat mij villen," zei Sancho, toen hij die hitte op zijn lichaam +bespeurde, "als wij niet al midden in dat vuurgebied of er althans +heel dicht bij zijn. Mijn gezicht gloeit als vuur en 't zou wel goed +wezen, dat ik mijn blinddoek eens afnam, om te zien, op wat hoogte +we eigenlijk zijn." + +"Doe dat vooral niet!" waarschuwde Don Quichot. "Denk aan de historie, +die eens met zekeren pastoor Torralva is voorgevallen. De duivels +voerden hem op een bezemstok door de lucht mee en hij moest, als wij, +zijne oogen toehouden. Binnen de twaalf uren kwam hij naar Rome en werd +in de straat Torre de Nona neergezet, zag het tumult eener belegering, +en was den volgenden morgen al weer in Madrid, waar hij alles vertelde, +wat hij gezien had. Onder weg, zoo verklapte hij, hadden de duivels +hem bevolen, de oogen te openen, en toen was hij zoo dicht bij de +maan geweest, dat hij haar wel met de hand betasten kon. Maar naar de +aarde had hij niet durven kijken, uit vrees van duizelig te worden +en naar beneden te tuimelen; en daarom, Sancho, mogen ook wij onze +blinddoeken niet afnemen. Misschien komen wij zoetjes aan wel zoo +hoog, dat wij plotseling op het koninkrijk Candaya neervallen kunnen, +als een valk op zijn prooi. In allen gevalle is Krukhouts vlucht van +verbazende snelheid, en ofschoon wij nog pas een half uur uit den +tuin weg zijn, kunt gij er staat op maken, dat wij reeds honderden +mijlen achter den rug hebben." + +"Hoe het daarmee is, weet ik niet," bromde Sancho Panza; "maar wel +weet ik, dat jonkvrouw Magalona, als ze 't hier op mijne plaats kon +uithouden, zeker vrij grof van huid en van ledematen is geweest." + +Al deze woorden werden door het gezelschap in den tuin duidelijk +verstaan, en men vermaakte zich er natuurlijk niet weinig mee. Om +echter aan de klucht een einde te maken en heel het vreemde, kunstig +aangelegde avontuur met een luisterrijk slot te kronen, werd thans +aan Krukhouts staart eene brandende lont vastgemaakt. Daar spatte +nu de gansche buik van het holle paard met schrikbarend geknetter +en gekraak uiteen en deed den dapperen held en zijn schildknaap half +verzengd en geheel bedwelmd en verbijsterd op den grond tuimelen. Van +dit oogenblik maakten de gravin Trifaldi en hare medebaarddraagsters, +de twaalf dames, met de meeste verdere toeschouwers haastig gebruik +om zich uit de voeten te maken, zoodat zij uit den tuin verdwenen +waren, voordat de gefopten weer uit hunne bedwelming ontwaakten. De +overigen wierpen zich op den grond en hielden zich, alsof zij ook in +onmacht lagen. + +Toen Don Quichot en Sancho na eenigen tijd weer bijkwamen en zich +vrij wat gekneusd en gehavend van den grond oprichtten, keken zij vol +bevreemding naar alle kanten rond, daar zij bemerkten, dat zij zich +in denzelfden tuin bevonden, waaruit zij waren opgestegen, en hunne +verbazing klom nog, toen zij eenige personen als dood op den grond +zagen liggen. Eindelijk zag Don Quichot aan het eind van den tuin +eene lange lans staan, waaraan, met zijden snoeren vastgemaakt, een +groot blad wit perkament hing. Hij ging daarop toe en ontdekte op het +perkament een opschrift in gouden letters, van den volgenden inhoud: + +"De groote en wereldberoemde ridder Don Quichot van La Mancha heeft het +gevaarvolle avontuur ter gunste van de gravin Trifaldi bestaan alleen +reeds door de bedoeling, om het te volbrengen. De gravin en hare dames +zijn van hare baarden bevrijd, Malambruno is dood, en de heerschappij +over het koninkrijk is aan de rechte handen teruggegeven. Zoodra +de schildknaap Sancho Panza zijne zelfkastijding volbracht heeft, +zal ook de schoone Dulcinea hare vroegere gedaante weder aannemen +en in de armen van haren dapperen ridder en bevrijder snellen. Aldus +spreekt Martino, de machtigste aller toovenaars." + +Na het lezen van dit opschrift was Don Quichot zeer verheugd, met +zoo gering gevaar eene zoo roemvolle daad verricht te hebben, en +zijn hart klopte hoorbaar bij de gedachte, dat hij zijne verhevene +Dulcinea thans wellicht spoedig onttooverd zou zien. Evenwel herstelde +hij zich spoedig, bedwong zijne verrukking en trad op den hertog en +de hertogin toe, die schijnbaar nog altijd in diepe onmacht op een +groen grasperk lagen uitgestrekt. + +"Op, op, doorluchtige heer!" riep hij, de rechterhand des hertogs +grijpend en duchtig schuddend. "Op, heer, en wees goedsmoeds! Het +avontuur is gelukkig volbracht, zonder iemand schade gedaan te hebben, +gelijk gij uit dat getuigschrift daar aan die lans met eigen oogen +zien kunt." + +De hertog richtte zich langzaam op en nam den schijn aan, alsof +hij uit een diepen slaap ontwaakte. Evenzoo deden de hertogin en de +overigen, en allen hielden zich zoo verbaasd, alsof zij van al het +voorgevallene geen sikkepitje wisten. Met nog half gesloten oogen las +de hertog het gouden opschrift, dat hij zelf had opgesteld, en viel +toen Don Quichot om den hals, hem met gelukwenschingen overstelpend +en hem wel honderdmaal verzekerend, dat hij de beste ridder was, +dien het aardrijk nog ooit had gedragen. + +Sancho Panza vroeg intusschen naar de gravin Trifaldi en haar gevolg, +en hoorde tot zijne verwondering, dat de geheele schaar verdwenen was +op 't zelfde oogenblik, toen het vliegend luchtpaard kwam aansuizen +en brandend op de aarde was neergevallen. + +De hertogin vroeg den schildknaap, wat hem op zijne luchtreis al zoo +was overgekomen. + +"Dat wil ik u van stukje tot beetje vertellen, doorluchtige mevrouw," +antwoordde Sancho. "Toen ik voelde, dat wij door de vuurstreek vlogen, +vroeg ik mijn meester, of ik den blinddoek niet wat los mocht maken; +maar die verbood mij dat. Daar ik evenwel zoo erg nieuwsgierig was, +lichtte ik den doek toch zoo'n beetje op en keek door de opening bij +mijn neus langs naar de aarde. Van de ontzettende hoogte, waar wij +met de snelheid van den razendsten stormwind voortdreven en waar de +bliksemstralen ons maar zoo om de ooren sisten, leek zij mij niet +veel grooter dan een mosterdkorrel toe en de menschen, die er op +omkrabbelden, leken mij pas zoo groot als een walnoot. Daaruit kunt +gij opmaken, tot wat hoogte wij 't al gebracht hadden." + +"Maar, vriend Sancho," zei de hertogin met een ernstig gezicht, +schoon zij moeite had om haar lachen te verbijten, "als de aarde u +maar zoo groot als een mosterdkorrel toescheen, maar de menschen zoo +groot als een walnoot, dan moest immers één mensch de geheele aarde +bedekt hebben?" + +"Dat zou men wel haast zoo zeggen," antwoordde Sancho; "maar toch +stak er een tipje van uit, en ik zag haar heelemaal." + +"Sancho, dat is niet mogelijk," verklaarde de hertogin. "Als men maar +een tipje ziet, kan men onmogelijk het geheel zien." + +"Och, ik kan met eene zoo verstandige en voorname dame niet +redetwisten," antwoordde de schildknaap; "maar bij dit alles moet gij +toch in aanmerking nemen, dat hier overal tooverij bij in 't spel kwam, +dat wij met tooverij door de lucht vlogen, en dat ik door tooverij +de heele aarde zien kon, van wat plaats ik ook uitkeek. Indien gij +evenwel dit niet gelooft, dan gelooft gij misschien ook niet, wat +mij nog later is overkomen. Kijk, uwe doorluchtigheid, toen ik de +oogen opsloeg, streken wij al zoo dicht bij den hemel langs, dat +ik hem haast met de handen aanraken kon. Hij is ontzettend groot, +als men hem zoo van nabij ziet. Verder wou 't geval, dat wij in +de buurt van het zevengesternte kwamen, en daar ik in mijne jeugd +geitenherder ben geweest, kreeg ik lust, om eens eventjes die zeven +geitjes toe te spreken. 't Hing er maar van af, of ik kans zou zien, +om van Krukhout te komen. Wat doe ik eindelijk? Ik draai de kruk om, +zonder dat mijn heer er iets van merkt; ons paard staat doodstil; ik +wip er af, en houd met de geitjes een praatje van wel drie kwartier +en sprong toen weer achter mijn heer op, zonder dat Krukhout in al +dien tusschentijd een poot verzet had." + +"Maar wat deed Don Quichot zoolang? Zeg, edele heer, hoe hebt gij u +den tijd gekort?" vroeg de hertog. + +"Daar ik van al de dingen, die Sancho Panza gezien wil hebben, +niets merkte, kan ik er ook niets van zeggen. Ik heb mijn doek geen +oogenblik verschoven en dus hemel noch aarde, zee noch land gezien. Wel +bemerkte ik, dat wij de streek der winden door en nabij de streek +des vuurs kwamen; maar dat wij het veel verder gebracht hebben, kan +ik bezwaarlijk gelooven. In aanmerking nemende, dat wij niet zonder +tot asch te verbranden tot in den hemel, waar de Zeven Geitjes zijn, +konden komen, moet ik zelfs denken, dat Sancho Panza òf gedroomd òf, +wat nog veel erger is, schandelijk gelogen heeft." + +"Daar kan men licht de proef van nemen," zeide Sancho Panza met +onverzettelijke onbeschaamdheid. "Men heeft mij maar te vragen, +hoe de geitjes er hebben uitgezien. Geef ik onvoldoende antwoorden, +maak mij dan maar voor een droomer en een leugenaar uit." + +"Kom, beschrijf ons die geiten dan eens; we zijn nieuwsgierig," +zeide de hertogin. + +"Goed," antwoordde Sancho. "Twee er van zijn groen, twee rozerood, +twee hemelsblauw en een is bontgevlekt." + +"Ei, dat moeten dan wel vreemde geiten zijn," zeide de hertogin. "Bij +ons te lande komen ze zoo niet voor en heb ik althans ze nooit in +die kleuren gezien." + +"Ik voor mijn part vind het heel natuurlijk, dat tusschen de geiten +des hemels en de geiten der aarde een beetje onderscheid bestaat," +meende Sancho. + +"Maar zeg eens, Sancho, hebt gij onder die geiten ook een bok +gezien?" vroeg de hertogin. + +"Neen, mevrouw, en dat zou mij ook verwonderd hebben, want dan liep hij +gevaar van met zijne horens aan de horens van de maan vast te raken." + +Met dit antwoord had men van de stoute leugens van den braven +schildknaap vooreerst genoeg. De hertog had zich met het gansche +avontuur kostelijk vermaakt en het had in hem den lust opgewekt om +de klucht nog wat verder te laten voortspelen. Voortaan had hij het +hoofdzakelijk op Sancho Panza gemunt, die toch eindelijk zijn gehoopt +stadhouderschap moest aanvaarden. + + + + + + +HOOFDSTUK XXI. + +SANCHO PANZA OP HET EILAND BARATARIA. + + +Nadat de hertog zijn plan ontworpen en aan zijne talrijke bedienden +de noodige bevelen en aanwijzingen gegeven had, liet hij op een dag, +korten tijd na die wonderbaarlijke luchtvaart, Sancho Panza roepen +en kondigde hem aan, dat hij zich toerusten en klaar houden moest, om +zijne waardigheid als stadhouder te aanvaarden, daar zijne aanstaande +onderdanen al zoo naar hem verlangden, als het dorre land naar den +Meiregen. + +Sancho Panza boog zoo diep, dat zijn neus bijkans den grond raakte, +en zeide: "Heer, sinds ik tot de Zeven Geitjes opsteeg en daar de +aarde zoo klein en nietig aan mijne voeten zag liggen, is de begeerte +om stadhouder te worden een weinigje afgekoeld. Indien uwe hoogheid +mij een klein brokje hemel verkoos te geven, zou ik dat liever nemen, +dan het grootste eiland van den aardbodem." + +"Vriend Sancho," antwoordde de hertog, "gij weet wel, dat ik zoo hoog +in de lucht over niets te zeggen heb, en dat ik u daar dus ook geen +stadhouderschap kan aanbieden. Ik geef u, wat ik in staat ben te geven: +een vruchtbaar, kostelijk bebouwd, fraai en volmaakt eiland, waar gij +overvloedig gelegenheid zult vinden om u met schatten te verrijken." + +"Nu, komaan," sprak Sancho, "om uwe doorluchtigheid pleizier te doen, +wil ik dan zoo'n stadhouder worden; 't is anders niet eerzucht, +die mij aandrijft mijn nederigen stand te verlaten, maar alleen de +begeerte om goed te doen en te vernemen, hoe zulk een stadhouderschap +eigenlijk smaakt." + +"Ei, als ge daar eens van geproefd hebt, zult ge er heel den tijd +van uw leven alle tien vingers naar likken," meende de hertog. "Geen +heerlijker ding, dan te bevelen en nergens verzet of weerspannigheid +te vinden. Morgen al zult gij op reis gaan, en van avond nog krijgt +gij uwe ambtskleeding en wat meer tot uwe uitrusting behoort." + +Sancho Panza boog andermaal als een knipmes en ging heen, om aan +zijn meester het groote nieuws te verkondigen, dat hem zoo pas was +meegedeeld. Don Quichot gaf hem de beste lessen en vermaningen, +en Sancho hoorde hem zoo aandachtig aan, dat de ridder van zijn zoo +op eens tot eene hooge waardigheid verheven schilddrager de beste +verwachtingen opvatte. + +En nu kwam de dag tot vertrekken en ging Sancho Panza met een talrijk +gevolg op weg. Hij droeg de kleeding van een geleerde en daarover +een mantel van donkerblauw laken. Op een muildier zat hij, en zijn +grauwtje, met splinternieuw tuig en zadel, werd hem nageleid, daar +hij van dat trouwe dier onmogelijk kon scheiden. Hij was zoo tevreden +en gelukkig, dat hij op dat oogenblik niet met den keizer van China +had willen ruilen. + +Na eene korte reis kwam Sancho Panza met zijn gevolg in een stadje met +ongeveer duizend inwoners aan, dat eene der aanzienlijkste bezittingen +van den hertog was. Men maakte hem wijs, dat dit het eiland Barataria +was; en alhoewel Sancho nog over geen water was gekomen, zoo nam hij +die verzekering toch voor goede munt op en brak er verder zijn hoofd +niet mee. + +Toen hij de poorten der kleine stad naderde, die met een ringmuur +omgeven was, kwamen hem raad en overheid plechtig te gemoet, om hem +te verwelkomen. De klokken werden geluid, het volk juichte en jubelde, +en met veel staatsie werd hij naar de hoofdkerk geleid, om voor zijne +verheffing te danken, de sleutels der stad te ontvangen en zich in +zijne volle waardigheid den volke te vertoonen. + +De figuur, de dracht, de geheele houding en de manieren van den nieuwen +stadhouder wekten bij allen, die niet in het geheim van den hertog +waren ingewijd en dus de geheele ceremonie voor ernst moesten houden, +niet weinig verbazing. Nadat de plechtigheid in de kerk was afgeloopen, +bracht men hem buiten, deed hem plaats nemen op den rechterstoel, en +de huishofmeester van den hertog, die het geheele kluchtspel bestuurde, +sprak hem aan als volgt: + +"Eerwaarde heer stadhouder, het is een overoud gebruik op het +eiland, dat ieder, die er bezit van neemt, verplicht is eene vraag te +beantwoorden, die zeer moeielijk en ingewikkeld is. Dit gebruik heeft +geen andere bedoeling, dan om den bewoners al dadelijk een proefje +van de scherpzinnigheid van den nieuwen regent te geven. Uit diens +antwoord mogen zij dan opmaken, of zij over zijne aankomst zich te +verheugen of wel te beklagen hebben." + +"Ei, als dat zoo is, kom dan maar met uwe vraag voor den dag, heer +huishofmeester," antwoordde de nieuwe stadhouder. "Ik wil haar +beantwoorden, zoo goed als ik maar kan, en dan moet het volk zelf +weten, of 't lachen of huilen wil." + +Op dit oogenblik traden twee mannen in de rechtszaal, van wie de +een als boer was gekleed en de ander zich door de groote schaar, +die hij in de hand hield, als snijder deed kennen. + +"Heer stadhouder," begon deze laatste, "ik en die boer hier komen om +eene netelige zaak voor uwen rechtsstoel. Deze goede vriend namelijk +kwam gisteren in mijne werkplaats, hield mij een lap laken voor en +vroeg mij, of ik kans zag, daaruit eene muts voor hem te maken. Ik +bekeek het laken van alle kanten, keerde 't om en om, berekende +de lengte en de breedte, en toen zei ik eindelijk: "Ja, dat zou ik +wel kunnen." + +"Nu dacht het boertje zeker, dat ik hem een stuk van het laken +ontstelen wou of stilletjes in de hel wegmoffelen, en dus vroeg hij +mij, of 't niet mogelijk was, twee mutsen van het stuk te maken. + +"Ik had dat gauw in den neus, en zei ja. Daarop verlangde de boer al +meer mutsen, en al meer, en dat van dit ééne lapje laken, totdat we +'t eindelijk over vijf stuks eens werden, die ik hem beloofde te +maken. Voor een uur komt hij bij mij, om ze af te halen, en ik geef +ze hem. Maar toen hij nu de mutsen ziet, wil hij mij er geen maakloon +voor geven en verlangt zelfs, dat ik hem zijn laken zal betalen of +'t hem heel en gaaf, zooals 't geweest is, teruggeven." + +"En wat hebt gij nu te zeggen, vriendje?" keerde Sancho zich tot het +boertje. "Is alles zoo, als de snijder zegt?" + +"Ja, daar kan ik niets tegen zeggen," antwoordde de man. "Maar laat +u nu eens de vijf mutsen toonen, die de gauwdief gemaakt heeft." + +De snijder stak op den wenk van den stadhouder zijne hand onder den +mantel en, toen hij die weer voor den dag haalde, zag men vijf mutsjes, +die hij op de vijf vingertoppen van zijne hand had gestoken. + +"Hier is," zeide hij, "wat die man van mij verlangde, en 'k mag hier +door den grond zinken, als ik ook maar een enkelen draad van 't laken +voor mij heb gehouden." + +Al de toeschouwers lachten over die onnoozele poppenmutsjes en over +heel de kluchtige rechtzaak. Sancho Panza echter dacht een poosje +stil na en sprak toen: + +"Ik geloof niet, dat tot het uitwijzen van deze rechtspraak veel +wijsheid en geleerdheid noodig is, en ik beroep mij dus enkel en +alleen op het gezonde menschenverstand. Mijn vonnis luidt aldus: "De +snijder, omdat hij den boer opzettelijk bij den neus nam, verliest +zijn maakloon; maar de boer verliest zijn laken, omdat hij, volgens +zijne eigen bekentenis, vijf mutsen heeft besteld. De mutsen echter +houd ik tot vergoeding van de rechtskosten."" + +Deze beslissing verwekte een algemeen gelach; maar men hield zich +aan het vonnis van den stadhouder, en de zaak was hiermee afgeloopen. + +Nauwelijks was weer stilte gevolgd, of daar traden twee oude mannen +in de zaal, van wie de een op een dikken rietstok leunde. De ander, +die geen stok bij zich had, trad voor en sprak: + +"Gestrenge heer, voor eenigen tijd leende ik dezen man, uit +goedwilligheid en om hem te helpen, tien goudguldens, eenvoudig onder +voorwaarde, dat hij mij die som terug zou betalen, zoodra ik die +opeischte. Ik liet een geruimen tijd verloopen, voordat ik het mijne +terugvroeg. Daar echter de man volstrekt niet aan terugbetaling scheen +te denken, sprak ik hem eindelijk aan en verlangde het geleende geld +terug. Toen hield hij zich erg boos en hield vol, dat ik hem nooit +uit de verlegenheid had geholpen, en al was dat zoo, dan had hij de +schuld al lang afbetaald. Nu heb ik noch een getuige, dat ik hem de +tien goudguldens leende, noch ook een getuige, dat ik ze weerom kreeg, +want hij heeft ze werkelijk niet terugbetaald, en ik verzoek u dus, dat +gij den leugenaar den eed moogt afnemen. Als hij zweert, dat hij mij +het geld terugbetaalde, dan wil ik daar in 's hemels naam in berusten." + +"Wat zegt gij van dit geval, gij oude met den stok?" vroeg Sancho. + +"Ei," antwoordde deze, "ik ontken niet, dat hij mij dat geld geleend +heeft, maar ik ben evenzeer bereid, er een heiligen eed op af te +leggen, dat ik de tien goudguldens weer in zijne handen gaf en hem +dus wis en waarachtig betaalde." + +De stadhouder verlangde nu, dat de oude den eed afleggen zou, en deze +was daar dadelijk toe bereid. + +"Houd gij zoolang mijn stok vast," zeide hij tot den eischer en reikte +hem den stok toe. Hierop stak hij zijne rechterhand op en legde den +verlangden eed af, dat hij de tien goudguldens in de handen van zijn +schuldeischer had teruggegeven. + +"Nu welaan," zeide de eischer, "dan moet mijn zwak geheugen mij +bedrogen hebben, en ik wil mij dus tevredenstellen." + +De beschuldigde nam zijn stok weder aan en beide partijen verlieten +de gerechtszaal. + +Toen nu Sancho het bescheiden gedrag en de toegevendheid van den een +en de onbeschaamdheid van den ander bemerkte, liet hij zijn hoofd op de +borst zakken, legde den wijsvinger aan den neus en dacht een oogenblik +na. Op eens richtte hij zich op, wierp het hoofd in de hoogte, alsof +hij een licht zag opgaan, en beval, dat men de partijen terstond +terug zou roepen. Men bracht hen dus weder in de zaal, en Sancho sprak: + +"Hoor eens, oude met den stok, geef mij dien rotting eens eventjes +hier." + +"Met genoegen," zei de man en gaf den stok over. + +Sancho nam dien, reikte hem den eischer toe en zeide tot dezen: +"Ga nu in vrede, want thans zijt gij in waarheid betaald." + +"Hoe zoo dat?" vroeg de man verwonderd. "Dit ding is toch geen tien +goudguldens waard?" + +"Dat is het wel," sprak Sancho, "of zeg anders, dat ik een ezel en een +stommerik ben. Ziet toe, menschen, en oordeelt, of ik verstand genoeg +heb, om uw stadhouder te blijven. Breek me dien stok eens midden door." + +De stok werd in tweeën gebroken, en tot verbazing van alle verzamelden +bleek, dat hij van binnen hol was en de tien goudguldens bevatte, +waarover men twist had gevoerd. Iedereen verwonderde zich en hield +Sancho Panza voor een tweeden Salomo in wijsheid. Men vroeg hem, hoe +hij op de gedachte was gekomen, dat het geld in den rotting kon wezen. + +"Dat zal ik u vertellen," antwoordde hij. "Toen die bedrieger +zijn beschuldiger den stok gaf, terwijl hijzelf den eed aflegde, +vermoedde ik eene list en begreep ik, dat in den rotting de betaling +moest wezen." + +Toen deze eerste rechtszitting zoo roemrijk en glansrijk voor hem +was afgeloopen, werd Sancho Panza naar een prachtig paleis geleid, +waar in eene fraaie zaal een kostelijk middagmaal bereid stond. + +Terstond bij zijn binnentreden liet zich eene liefelijke muziek hooren +en traden vier pages toe, om hem een zilveren waschbekken voor te +houden, waarin hij met veel zwier zijne handen waschte. Toen verstomde +de muziek en Sancho Panza nam aan de rijkbezette tafel plaats. Hij +moest evenwel alleen zitten, want er was maar één stoel en ook maar +voor één persoon gedekt. Achter hem vatte een personage post, die een +baleinen stokje in de hand had en zich weldra als lijfarts deed kennen. + +Men tilde een sneeuwwit laken op, waarmede al de kostelijke gerechten +overdekt waren. Een jong mensch, die zeer veel van een student had, +deed het tafelgebed; een page bond den stadhouder een kostbaar, rijk +met kanten omzoomd servet om den hals, en de kok zette een schotel +voor hem, waaruit hem een heerlijke geur tegensloeg. + +Een honger als een paard hebbende, liet Sancho een begeerigen blik +over de tafel gaan, verheugde zich in den geest over de genietingen, +die daar voor zijn oog uitgebreid lagen, en wilde op den eersten hap +uit dien eersten schotel juist een tweeden laten volgen, toen men hem +'t lekker gerecht met de grootste snelheid voor den neus wegnam en +hem een anderen schotel voorzette. + +Onze gewezen schildknaap verwonderde zich over dit vreemde doen en +wou op den nieuwen schotel een aanval wagen, toen de dokter achter +hem zijn zwart stokje uitstak en op dien schotel tikte. Als een havik +uit de wolken schoot nu een page toe, pakte den schotel evenals den +eersten weg en was daarmee, voordat de onthutste stadhouder een, +twee, drie kon tellen, de deur uit. + +Sancho zette een gezicht als een oorworm, keek de omstanders stijf +aan en vroeg op hoogen toon, wat voor goochelaarskunsten 't waren, +dat men hem het eten zoo voor den neus wegkaapte. + +"Heer stadhouder," zeide hierop de lijfarts op plechtigen toon, +"gij moet hier te lande eten, zooals het gebruik dat voorschrijft. Ik +ben de lijfarts van uwe genade en word betaald, om u naar behooren +te bedienen. Ik zorg voor uwe gezondheid meer dan voor mijn eigene, +want ik studeer dag en nacht, om uw lichaamsgestel te leeren kennen en +u, mocht ge eens ziek worden, te kunnen bijstaan en genezen. Vooral +echter moet ik het oog op uwe maaltijden houden en toezien, dat gij +u de maag niet bederft. Ik mag u alleen dingen laten gebruiken, die +ik weet, dat u niet schaden kunnen. Al 't overige moet ik met mijn +stokje aanraken en buiten uw bereik laten brengen. Daarom gelastte ik, +den eersten schotel weg te nemen, omdat hij te verkoelend is, en de +tweede schotel moest verdwijnen, omdat hij te veel verhit en te veel +kruiderijen bevat, die den dorst aanzetten. Wie echter te veel drinkt, +mag nimmer op een lang, gelukkig en gezond leven rekenen." + +"Nu," bromde Sancho, "laat mij dan toch eens van die gebraden patrijzen +proeven. Die kunnen toch wis en waarachtig geen kwaad." + +"Ja, zeker wel," riep de lijfarts; "zoolang ik in leven ben, zal +mijnheer de stadhouder daar geen sikkepitje van over de lippen +krijgen." + +"En waarom dat niet?" vroeg Sancho Panza driftig. + +"Omdat," antwoordde de dokter met de grootste bedaardheid, "omdat ons +aller meester Hippocrates, de grootste medicijnmeester van alle tijden, +met wijsheid gezegd heeft: Omnis saturatio mala, perdix autem pessima; +wat op zijn plat Spaansch beteekent: Men mag zijn maag niet volstoppen, +en te veel patrijs eten is de pest." + +"Als dat waar is, zoek dan zelf uit, wat goed en dienstig voor mij +is, maar poets dan de plaat en laat mij rustig eten, zonder steeds +met dat verwenschte zwarte stokje te wijzen, want, zoo waar als ik +leef, ik ben flauw van honger. Eten moet de mensch, en die heel niets +gebruikt, zal eer aan zijn einde komen, dan die zich tienmaal op een +dag de maag bederft." + +"Hoogst wijs en verstandig gesproken, heer stadhouder," zeide de +dokter; "en 'k wil dus eens zien, wat hier voor uwe genade al zoo +dienstig is. Deze gestoofde konijntjes zijn een geducht zwaar eten, +en gij moet ze maar stilletjes laten staan. Dit kalfsvleesch zou +beter gaan; maar tot mijn spijt zie ik, dat het bijzonder vet is, +en dus deugt het volstrekt niet voor uwe genade." + +"Maar daar dampt nog een groote schotel, zeker met olla podrida; +geef dien hier, want onder al de dingen, die in zoo'n hutspot komen, +is zeker toch wel een, dat goed voor mij is." + +"In geen geval!" antwoordde de lijfarts. "Zoo'n olla podrida is +'t ongezondste en onverteerbaarste, dat op de wereld te bedenken +is. 't Is een kost voor boeren en schippers; maar op de tafel van een +stadhouder mogen alleen de fijnste, onschuldigste, uitgezochtste hapjes +verschijnen. 'k Moet uwe genade dus ernstig raden, liever een paar +van deze beschuitjes met wat kweegelei te nemen. Dit laatste vooral +verwarmt de maag, bevordert de spijsvertering en is dus bijzonder +aan te bevelen." + +Bij het vernemen van deze woorden wierp zich Sancho Panza in zijn +stoel achterover, keek den dokter een poosje stijf in de oogen en +vroeg hem toen zeer ernstig, hoe hij heette en waar hij gestudeerd had. + +"Mijn naam, heer stadhouder," antwoordde de arts, "is Pedro Recio +d'Aguero, ik ben geboren te Tirteafuera en heb aan de hoogeschool +van Osuna gestudeerd." + +"Goed, goed! heer dokter Pedro Recio," barstte Sancho Panza thans +woedend los, "goed, goed! Maar ik zeg u nu: maak oogenblikkelijk, +dat ge weg komt, of 'k zweer, een stok te zullen nemen, en je daarmee +zoo lang te ranselen, als mijn arm 't maar uithouden kan. Van een +verstandigen en billijken dokter wil ik raad aannemen, maar niet van +een domkop, als gij zijt. Ga, zeg ik! Scheer je dadelijk de deur uit, +of ik neem dezen stoel en sla hem op je dommen schedel in duizend +stukken. Geen mensch zou een woord zeggen, als ik een dokter ombracht, +die beul en dwingeland over anderen wil wezen. Marsch, zeg ik nog +eens, en geeft mij te eten, of loopt met heel dit stadhouderschap +naar de maan! Een ambt, dat zijn meester niet genoeg te eten geeft, +is geen knip voor den neus waard, en ik althans dank er voor." + +Toen Sancho zich zoo geweldig boos maakte, kreeg de dokter een schrik +op het lijf en wou reeds heengaan, toen het luid schetteren van een +posthoren hem nog even deed wachten. De hofmeester trad aan het raam, +keek naar buiten en zeide: "Heer stadhouder, daar komt een bode van +den hertog, die zeker gewichtige tijding brengt." + +"Laat hem binnenkomen!" beval Sancho. + +Met zweet bedekt en half buiten adem trad de postiljon binnen, +haalde een brief uit zijn tasch en reikte dien den stadhouder over, +die den hofmeester beval, het adres voor te lezen. + +Dit luidde: "Aan Don Sancho Panza, stadhouder van het eiland +Barataria. Eigenhandig of door den secretaris te openen." + +"Wie is hier mijn secretaris?" vroeg Sancho, na het adres te hebben +vernomen. + +"Ik, genadige heer," antwoordde een der aanwezigen en trad voor. "Ik +kan lezen en schrijven en ben een Biscayer." + +"Nu, als dat waar is, dan kunt gij secretaris zelfs van den keizer +zijn. Maak nu dien brief open en vertel mij wat er in staat." + +De secretaris gehoorzaamde. Nadat hij zich met den inhoud van den brief +had bekend gemaakt, zette hij echter een zeer bedenkelijk gezicht en +zeide, dat het schrijven eene zaak van het uiterste gewicht betrof, +die in het diepste geheim moest behandeld worden. + +Sancho liet nu dadelijk allen, op den hofmeester en den secretaris +na, de zaal verlaten, en verzocht den laatste vervolgens, den brief +hardop voor te lezen. + +"Mij is ter oore gekomen," luidde de brief, "dat eenige woedende +vijanden een aanval op het eiland Barataria voorhebben, en ik raad +u dus, vriend Sancho Panza, toch vooral waakzaam en op uwe hoede +te zijn. Ook heb ik vernomen, dat vier personen, die uwe wijsheid +vreezen, eene samenspanning gemaakt hebben, om u van het leven te +berooven. Houd dus uwe oogen open en eet niet van de spijzen, die +men u voorzet. Ingeval gij in nood mocht geraken, zal ik u te hulp +komen. Handel voor het overige, gelijk men dat van iemand van uw +verstand verwachten kan, en wees gegroet. + + +De hertog." + + + +De stadhouder hoorde van dit schrijven niet weinig vreemd op en ook +de anderen konden hunne verwondering niet verbergen. + +"Wat moeten wij dan doen?" vroeg Sancho, zich tot den hofmeester +keerend. "Ik voor mij ben er voor, dat wij in de eerste plaats en +zonder alle verwijl dien heer dokter Recio in eene diepe gevangenis +werpen, omdat juist hij pogingen gedaan heeft, om mij aan den +pijnlijksten en akeligsten dood, den hongerdood namelijk, over te +leveren." + +"Ja, maar nog noodiger reken ik, dat gij van al de gerechten, die +hier op tafel staan, geen brok aanroert, heer stadhouder," zeide +de hofmeester. + +"Gij maakt u zeker al te bezorgd, heer," bromde Sancho Panza; +"maar toch wil ik uw raad opvolgen en niets gebruiken, dan een +paar wijndruiven en een stuk brood. Geeft beiden hier, want ik val +wezenlijk flauw van honger, en als wij ons, zooals de hertog schrijft, +tot een veldslag moeten gereedhouden, is 't bovenal noodig, dat wij +ons hart en onze ledematen door krachtig voedsel sterken. De buik +draagt het hart, zegt het spreekwoord, en niet het hart den buik. Gij, +heer geheimschrijver, moogt den hertog antwoorden, dat wij zijne +orders stipt opvolgen en niets verzuimen zullen, om zijne gunst en +genade waardig te blijven. Nu weg met dat tafellaken, en geeft mij +wat krachtigs tot hartsterking! Later zal ik 't met alle schelmen, +spionnen en moordenaars klaarspelen, al kwamen ze bij scheepsladingen +vol naar ons eiland over." + +Op dit oogenblik trad een edelknaap in de zaal en berichtte, dat +verscheidene partijen buiten stonden, om de gerechtigheid van den +heer stadhouder in te roepen en zijne beslissing over verschillende +twistvragen te hooren. Zuchtend bleef Sancho zitten en liet de menschen +komen, welker verhalen hij met het grootste geduld aanhoorde. Zoo +goed als hij kon, deed hij uitspraak in de verschillende gevallen en +zocht iedereen naar zijn beste vermogen tevreden te stellen. + +Eindelijk viel de avond, en nu eerst was Sancho vrij van zaken en +hield, zonder door de wijze vermaningen van den lijfarts gestoord +te worden, een duchtigen avondmaaltijd. Na afloop daarvan bekroop +hem de lust om eens iets van het eiland te zien, en ging hij dus met +den hofmeester, den secretaris, den kroniekschrijver en een talrijk +gevolg van gerechtsdienaars en schrijvers op weg. Sancho Panza met +den staf, die zijne waardigheid aanduidde, stapte in het midden en +wel met zooveel deftigheid, dat tot de kleinste kinderen eerbied en +ontzag voor hem kregen. Na zoo eenige straten doorgekuierd te zijn, +vernamen zij een luid degengekletter, snelden daarop toe en bemerkten +twee mannen, die woedend op elkaar inhieuwen, en eerst toen zij de +hooge overheid zagen naderen, hun grimmig gevecht staakten. + +"Hierheen, mijne heeren!" riep een der vechtenden het hooge +gezelschap toe. "Men heeft mij willen berooven en op de publieke +straat aangevallen." + +"Stil, stil, goede man," antwoordde Sancho. "Zet maar zoo'n keel niet +op en vertel mij de oorzaak van uwe ruzie. Ik ben de stadhouder en +zal dat appeltje wel zien te schillen." + +De tweede kampioen nam terstond het woord en zeide: "Heer, gij moet +weten, dat deze knaap daar zoo pas in een speelhuis over de duizend +realen heeft gewonnen. Ik was daarbij en besliste in twijfelachtige +gevallen meermalen in zijn voordeel. Toen hij nu opstond, verwachtte +ik, dat hij mij uit dankbaarheid eenige realen in de hand zou stoppen; +doch hij streek zijn geld op en ging heen, zonder zelfs naar mij +om te zien. Ik volgde hem en verzocht hem, mij althans acht realen +af te staan, daar ik een arme drommel ben en dat geld opperbest kan +gebruiken. Maar nu wou die schraalhans mij maar vier realen geven, +waaruit uwe genade zien kunt, wat een gemeene en onbeschaamde rekel +hij is. Ik maakte mij boos over zijne inhaligheid, wij kregen harde +woorden en 't einde van 't lied was, dat wij de degens trokken en +elkaar te lijf gingen." + +"En wat hebt gij van uwen kant te zeggen?" vroeg Sancho Panza den +anderen rustverstoorder. + +"Ik moet erkennen, dat die sinjeur over het geheel de waarheid heeft +gesproken," antwoordde gene. "Ik wou hem niet meer dan vier realen +geven, omdat hij al vaak genoeg nog meer heeft gekregen en dus alles +zoo nauw niet rekenen moest. En dat ik hem zijn zin niet gaf, is het +beste bewijs, dat ik geen gauwdief ben, want gauwdieven zorgen wel, +dat zij een ander, die hun in de kaart kijkt, met geld en goede +woorden den mond stoppen." + +"Dat is wel wezenlijk zoo," zei de hofmeester tot den stadhouder. "Uwe +genade mag dat wel ernstig in overweging nemen." + +"Ik zal uitspraak doen naar billijkheid en recht," antwoordde +Sancho. "Gij, die eerlijk of oneerlijk gewonnen hebt, betaalt terstond +honderd realen aan uw makker en dan nog dertig aan de armenkas.--En +gij," keerde hij zich tot den tweede, "steekt die som op en pakt +dan zoo gauw mogelijk uwe biezen. Voor volle tien jaren zijt gij van +het eiland verbannen, en als gij voor dien tijd terug mocht komen, +zult gij opgeknoopt worden aan de hoogste galg, die in mijne staten +te vinden is. Zoo en niet anders zal het gebeuren, en daarmee basta!" + +De een betaalde, de ander streek op; de een ging naar huis, de ander +stapte de poort uit, en daarmee was de gansche zaak op de kortste en +beste manier afgedaan. + +Sancho Panza ging verder, toen daar een gerechtsdienaar aankwam, +die een jongmensch bij zijn kraag voortleidde. + +"Heer stadhouder," sprak de gerechtsdienaar, "zoodra deze jonkman +ons van verre in het oog kreeg, keerde hij dadelijk om en ging als +een haas op den loop. Wie het oog van de wet schuwt, heeft zeker +wat kwaads op zijn geweten, dacht ik, zette hem na en kreeg hem, +daar hij kwam te vallen, gelukkig te pakken." + +"Waarom gingt gij op den loop, manneke?" vroeg Sancho. + +"Heer, om niet op de vele vragen te moeten antwoorden, die de +gerechtigheid iedereen voorlegt," antwoordde de vreemde. + +"Wat is uw beroep?" + +"Ik ben wever." + +"Wat weeft gij?" + +"Lanspunten, met uwer genades permissie." + +"Ei, ei, ge lijkt mij een rare snaak toe; ge wilt u er zeker met een +grap afmaken," zeide Sancho. "Maar 't is goed.--Zeg, waarheen waart +ge nu op weg?" + +"Ik ging alleen, om een luchtje te scheppen." + +"En waar vindt men dat op dit eiland?" + +"Waar 't waait, heer." + +"Opperbest, mijn kereltje! Ik zie, dat ge een guit zijt. Verbeeld +je dan nu maar, dat ik de frissche lucht ben en je in de gevangenis +blaas. Pakt hem, mannen, en neemt hem mee. Zoo waar ik stadhouder ben, +zal hij van nacht slapen, waar hij geen frissche lucht kan scheppen." + +De jonge man lachte. "Gij zult mij in de gevangenis evenmin tot slapen +dwingen, als gij mij tot koning kunt maken," antwoordde hij stout. + +"En waarom niet?" vroeg Sancho. "Kan ik u niet in de gevangenis +stoppen en vrijlaten, al naardat ik verkies?" + +"Ja, dat kunt gij; maar tot slapen in de gevangenis kunt gij mij +niet dwingen." + +"Zoo'n dekselsche jongen!" riep Sancho. "Hebt ge bij geval ook +een beschermengel bij de hand, die je de boeien afneemt, die ik je +misschien zal laten aanleggen?" + +"Neen, dat niet," antwoordde de jonge man op luchtigen toon; "maar +toch blijf ik er bij, dat gij mij niet in de gevangenis kunt doen +slapen. Zie, beste heer, stel het geval, dat gij mij werkelijk in +boeien liet slaan en in de gevangenis werpen, dat gij den cipier +last gaaft mij ten strengste te bewaken, en dat deze werkelijk mijn +ontsnappen belette, dan zou toch niemand in staat zijn, mij tot slapen +te dwingen, als ik eens besloten was, mijne oogen open te houden." + +"Ha, meent gij het zoo, maat?" riep Sancho en lachte hartelijk. "Ja, +dat is een ander ding. Dus wilt gij dan maar niet slapen, om uw wil +te hebben, maar niet, om mijne bevelen gehoorzaamheid te weigeren?" + +"Zoo is het," antwoordde de jonge loshoofd. + +"Nu dan, slaap thuis en droom genoeglijk," sprak Sancho. "Wees echter +in 't vervolg wat voorzichtiger met uwe tong, want niet iedereen houdt +van gekscheren, en ge kondt u door die snakerijen licht wel eens een +dracht slagen op den hals halen." + +De jonge spotvogel ging zijns weegs en daar Sancho moe begon te +worden, maakte ook hij rechtsomkeert en keerde met zijn gevolg naar +het paleis terug. + +Den volgenden morgen, zoodra de stadhouder opgestaan was, werd hem +een ontbijt voorgezet, dat, volgens de verordening van dokter Recio, +eenvoudig uit wat fruit en een glas koud water bestond. Sancho +had gaarne wat anders gehad; maar de lijfarts deed opmerken, dat +weinig en licht voedsel den geest scherp en levendig houdt, wat +vooral voor iemand, die ambt of waardigheid bekleedt een ding van +uiterst groot gewicht is. De arme stadhouder moest zich met deze +redeneering tevredenstellen; doch praatjes vullen geen gaatjes, en +hij leed een barbaarschen honger en begon in zijn hart het geheele +stadhouderschap en hem, die 't hem had opgedragen, al half naar de maan +te wenschen. Intusschen zette hij zich toch met knorrende maag in den +rechterstoel en hoorde in tegenwoordigheid zijner hoogste ambtenaren +de vraag aan, welke een vreemde hem tot beslissing voorlegde. + +"Genadige heer," zeide deze tot hem, "uw gebied wordt door een +waterrijken stroom in tweeën gescheiden. Over dien stroom ligt +eene brug, aan wier eene eind een galg en een rechtshuis staan, +in welk laatste zich gewoonlijk vier rechters ophouden, om eene +wet te handhaven, die door den heer van den stroom is uitgevaardigd +en luidt: "Indien iemand over deze brug gaat, dan moet hij vooraf +zweren, waarheen en tot welk einde hij die overschrijdt. Zweert hij +de waarheid, dan mag men hem ongemoeid laten gaan; doch zweert hij +valsch, dan moet hij onverwijld opgehangen worden en sterven aan de +galg, die bij de brug staat." + +"Na het bekendmaken van deze wet gingen velen over de brug; doch +iedereen zwoer de waarheid, en men liet hen dus ongehinderd trekken. Nu +gebeurde het echter, dat een man, wien de eed werd afgevorderd, zwoer +en beweerde, dat hij over de brug ging enkel en alleen met plan, +om aan die galg opgehangen te worden en te sterven. + +"De rechters keken elkaar bij dien eed verbaasd aan en zeiden de een +tot den ander: "Als wij dezen man ongemoeid gaan laten, dan heeft +hij gelogen en moet volgens de wet wegens meineed sterven. Opknoopen +mogen wij hem evenwel niet; want deden wij dat, dan had hij immers +de waarheid gezeid, toen hij zwoer, dat hij enkel en alleen over de +brug wilde gaan, om opgehangen te worden, en diensvolgens moet hij +krachtens de letter van de wet vrij zijns weegs gaan." + +"Zoo staat nu het geval, en gij, heer stadhouder, moet beslissen, +wat de rechters met den man moeten aanvangen. Tot hiertoe zijn zij 't +nog altijd oneens en zitten met de handen in het haar. Zij vertrouwen +op uwe scherpzinnigheid en verkeeren in de zoete hoop, dat gij die +harde noot kraken en het raadsel oplossen zult." + +"Hoor, goede vriend," antwoordde Sancho, "uwe heeren rechters hadden +zich de moeite kunnen besparen van u hierheen te zenden, want ik ben +een man, wien de natuur een grooter portie domheid dan verstand heeft +geschonken. Vertel mij 't geval evenwel nog eens, en dan wil ik zien, +of ik, zooals men wel zegt, den spijker op den kop kan treffen. Spreek +op, goede vriend!" + +De vreemde vertelde de geheele geschiedenis nog eens, en toen nog +eens, totdat Sancho Panza haar goed genoeg meende begrepen te hebben, +om er zijn oordeel over te zeggen. + +"Mij dunkt," sprak hij, "dat ik dat dingetje wel zal klaren. 't +Geval komt eenvoudig hierop neer: De man verklaart onder eede, dat +hij over de brug wil gaan, om aan de galg te sterven. Sterft hij nu, +dan heeft hij de waarheid bezworen, en moet volgens de wet worden +vrijgelaten. Sterft hij evenwel niet, dan heeft hij een meineed gedaan, +en moet krachtens de wet gehangen worden." + +"Juist zoo is het, heer stadhouder," zeide de vreemde. + +"Nu dan doe ik uitspraak," sprak Sancho, "dat men de eene helft van +den mensch, die de waarheid heeft gezegd, vrijen overgang late, maar +de andere, die gelogen heeft, zonder barmhartigheid ophange. Op die +manier krijgt ieder deel wat hem toekomt." + +"Als wij ons aan deze uitspraak hielden, heer stadhouder," antwoordde +de vreemde, "zouden wij gedwongen zijn, den bedoelden persoon in twee +helften te deelen, en de leugenachtige van de waarheidsprekende te +scheiden. Deze scheiding zou het onschuldig deel echter niet kunnen +overleven, en de wet zou dus niet worden gehandhaafd." + +"Mijn beste vriend," zeide Sancho Panza op deze tegenwerping, +"de man, om wien 't hier te doen is, heeft, als ik 't wel begrijp, +evenveel recht om te leven als om te sterven. De waarheid redt, de +leugen veroordeelt hem. Zeg dus aan de rechters, dat zij voor ditmaal +maar genade voor recht moeten laten gelden en den sukkel de vrijheid +geven, omdat goeddoen altijd loffelijker is dan kwaaddoen.--En loop +nu naar den drommel en meen niet, dat ik hier aangesteld ben, om +raadseltjes te raden, die onmogelijk op te lossen zijn. Loop heen, +zeg ik, en gij, hofmeester, bezorg mij wat stevigs te eten en laat +mij niet van honger en ergernis omkomen." + +De vreemdeling stapte op, en de hofmeester betoonde zich genadig, daar +hij Sancho naar de tafel leidde, die evenals gisteren rijkelijk bezet +was. Indien niet de dokter achter hem gestaan had, zou de stadhouder +als een prins gesmuld hebben; maar nu kwam telkens een tik met dat +verwenschte zwarte stokje en haalde onzen hongerigen vriend de vetste +happen voor den mond weg. + + + + + + +HOOFDSTUK XXII. + +HET STADHOUDERSCHAP NEEMT EEN EINDE. + + +Verscheidene dagen gingen voorbij, en de arme Sancho werd, in plaats +van met krachtige en gezonde spijzen, bijna alleen met terechtzittingen +en vervelende twistvragen gevoêrd. En toen hij in den zevenden +nacht zijner regeering op zijn prachtig staatsieledikant lag en de +zachte slaap hem niettegenstaande zijn honger juist de zware oogleden +toedrukken wou, vernam hij op eens een vreeselijk alarm en hoorde het +luiden der klokken met zulk een geschreeuw en rumoer, dat hij meende, +dat de ondergang der wereld, of althans van zijn eiland, voor de +deur stond. Hij rees verschrikt overeind en luisterde scherp toe, +om zoo mogelijk de oorzaak van al dat spektakel te vernemen. Het al +luider wordend getier, waaronder zich nu ook het geluid van trommen en +trompetten mengde, maakte hem geheel verbijsterd, en half zinneloos +van schrik en angst, was hij met een geweldigen sprong op de been, +trok zijne pantoffels aan, vloog naar de deur van zijn vertrek, rukte +die open en zag nu meer dan twintig personen, die van verschillende +kanten met brandende fakkels en ontbloote zwaarden toesnelden. Zoodra +zij den sidderenden Sancho zagen, riepen zij met luider stem: "Te +wapen! Te wapen! Op, heer stadhouder! Tallooze vijanden overstroomen +het eiland, en zoo uw krijgsbeleid en uwe dapperheid ons niet redt, +zijn wij reddeloos verloren! Grijp de wapens op!" + +"Maar lieve tijd, waar zal ik mij mee wapenen?" huilde Sancho het +uit. "Ik heb van wapens en van vechten heel geen verstand, en 'k +stel dus voor, die dingen liever aan mijn heer Don Quichot over te +laten, aan wien dat beter toevertrouwd is. Mij, arme sukkel van een +schildknaap, staan de handen daar heel verkeerd toe." + +"Geen uitvluchten! Geen bezwaren!" schreeuwden al de heeren als met +ééne stem. "Hier brengen wij u wapens; wapen u daarmee en stel u +dan als aanvoerder aan onze spits. Dat komt u toe en gij moet het, +want gij zijt onze stadhouder." + +"Nu, wapen mij dan in 's hemelsnaam maar," antwoordde Sancho en gaf +zich lijdelijk aan zijn lot over. + +Terstond namen de mannen nu twee groote schilden, die zij, daar de +heele historie weer een afgesproken stukje was, al meegebracht hadden, +en bonden daarvan het een vóór, 't ander achter aan Sancho's dikke +lichaam vast, waarna zij zijne armen door een paar daarin gesneden +gaten trokken en de schilden zoo vast bonden, dat hij tusschen de +planken als ingemetseld zat en geen stap vooruit doen, noch ook +de knieën buigen kon. Hierop gaven zij hem eene lans in de hand, +waarop hij steunen moest, om zich op de voeten te kunnen houden, en +vervolgens zeiden zij, dat hij nu maar voor hen uit moest stappen, als +hun aanvoerder, en hun door zijne dapperheid moed inboezemen. Wanneer +hij zich aan het hoofd des legers wilde stellen, zou de overwinning +hun nooit betwist kunnen worden. + +"Maar om 's hemelswil!" schreeuwde de ongelukkige ridder in de klem; +"hoe zal ik dan gaan en vooruitkomen, daar ik niet eens de knie buigen +en geen lid van mijn lijf roeren kan? Als ik voorwaarts zal en moet, +neemt mij dan op uwe armen en zet mij ergens op een punt, dat ik met +mijne lans verdedigen kan. Dit wil ik met hart en ziel doen, maar +meer kan men van een tusschen planken ingeklemd mensch niet verlangen." + +"Vooruit, al vooruit, heer stadhouder!" riepen daarop de mannen. "Niet +die planken hinderen u, maar de vrees voor den vijand is het, die +de u knieën knikken doet. Er is al veel tijd verzuimd, de macht der +vijanden groeit aan, 't gevaar wordt al grooter en grooter. Vooruit, +vooruit dan, heer stadhouder!" + +Om deze beschuldigingen te ontgaan en de zich tegen hem verheffende +stemmen tot zwijgen te brengen, deed de ongelukkige Sancho Panza +werkelijk eene zwakke poging om zich van de plaats te bewegen. Zonder +zich staande te kunnen houden, plofte hij echter met zulk een +geweldigen bons voorover, dat hij een oogenblik meende, dat hij +al zijne beenderen stuk had gevallen. Daar lag hij dan nu en bleef +liggen, als een schildpad, die men de pooten heeft afgesneden. Geen +mensch hielp hem op of had medelijden met hem; veeleer werden de +fakkels terstond uitgedaan, een nieuw krijgsgeschreeuw ging uit de +rauwe kelen op, de kreet "Te wapen!" werd onophoudelijk herhaald, +en eindelijk liep zelfs de geheele schaar over den armen Sancho +Panza heen, waarbij ieder in 't voorbijgaan een zwaren zwaardstomp +of slag op zijn plankenharnas liet neerkomen. Zoo de arme stadhouder +zich niet als een schildpad had ingetrokken, zoo hij niet hoofd en +voeten onder zijne schaal verborgen had, zou 't leelijk met hem zijn +afgeloopen. Zoo echter kwam hij er met eenig angstzweet en eenige +schrammen en builen nogal boven verwachting goed af. + +Intusschen daagden telkens nieuwe krijgers op. Eenige strompelden over +Sancho heen, andere tuimelden werkelijk op hem neer, en eindelijk was +er zelfs een, die eene geruime poos op hem bleef staan trappelen en +van dit standpunt, als van een toren, het gevecht scheen te leiden, +daar den moed der zijnen met bezielende woorden aanvurende. + +"Hier, dappere mannen!" riep hij met donderende stem. "Hier is de +strijd het heetst. Hierheen, die een hart in 't lijf hebt! Verdedigt +dat poortje daar! Sluit de valpoort daar ginder! Werpt de stormladders +om en laat de beklimmers in de gracht tuimelen! Granaten hier! Hier pek +en hars en kokende olie!--Wakker, mannen! Slaat dood, die te na komt!" + +Op deze wijze ging het eenigen tijd voort, daar de aanvoerder orders +gaf en alle maatregelen scheen te nemen, om een heftigen aanval +van het stadje en het slot af te slaan. Sancho hoorde elk woord en +onderwierp zich lijdelijk aan zijn zwaar lot. + +"Mocht de hemel toch maar geven, dat het eiland verloren ging," +zuchtte hij, "en dat de vijanden mij doodsloegen of althans uit deze +harde gevangenis bevrijdden!" + +Een half uur verliep weer; doch toen scheen eindelijk zijn wensch om +verlossing uit zijn benauwden toestand verhoord te worden. Hij hoorde +luide stemmen en den blijden kreet: + +"Victorie! Victorie! De vijand is overwonnen! Heer stadhouder, +op! Sta op en verheug u over uwe overwinning! Kom, en verdeel den +onmetelijken buit, die door uwe dapperheid den vijand is afgenomen!" + +"Helpt mij weer op de beenen!" kreunde de overwinnende held met +klagende stem. + +Men hielp hem overeind, en toen hij weer eenigszins vast op zijne +voeten stond, zeide hij: "Den vijand, dien ik overwonnen heb, wil +ik met huid en haar opeten, of 'k mag lijden, dat ge hem den nek +omdraait. Ik verlang geen buit van den vijand; maar als een mensch +hier in de nabijheid maar een sikkepitje medelijden of vriendschap +in zijn hart heeft, laat hem mij dan een slok wijn geven en mij +'t zweet afdrogen, want ik smelt bijna tot klaar water weg." + +Op deze smeekende bede werd hem wijn gereikt. Men droogde hem af en +bond de schilden los, waartusschen hij had vastgeklemd gezeten. Toen +hij zich weer vrij roeren kon, waggelde hij naar zijn ledikant toe, +en hij had dat pas bereikt, of hij lag in diepe onmacht. + +Toen de deelhebbers aan de klucht dit bemerkten, werden zij ongerust +en vreesden, dat de dolle comedie den armen schildknaap wel eens het +leven kon kosten. Onze brave Sancho kwam echter spoedig weer bij, +en zoo had die bezorgdheid dan ook een einde. + +"Hoe laat is het?" vroeg de lijder met zwakke stem. + +"Het daglicht zal spoedig aanbreken," antwoordde men hem. + +Hierop stond Sancho zonder een woord te spreken van zijn ledikant op +en begon zich aan te kleeden, en niemand waagde het, hem een woord +te zeggen, ofschoon allen even nieuwsgierig waren, hoe de geheele +geschiedenis afloopen zou. + +Na zich in de kleeren te hebben gestoken, ging Sancho langzaam naar +den stal en scheen er zich niet om te bekommeren of men hem volgde +of niet. In den stal gekomen, trad hij zelf op zijn ezel toe, omarmde +het trouwe dier, drukte het een kus op den ruigen kop en zei, terwijl +de gulle tranen hem bij de wangen neerstroomden: + +"Kom hier, mijn oude vriend en makker, die alle lasten en lusten met +mij gedragen hebt. Zoolang wij ons aan elkaar hielden, wist ik van geen +zorg, en ik kan in waarheid zeggen, dat toen mijne jaren, mijne dagen +en mijne uren gelukkig waren. Sinds ik u verliet, heb ik maar altijd +met ergernis, moeite en kommer te kampen gehad, en ik wil daarom alle +eerzucht en trotschheid van mij afzetten en de ongelukkige zucht, om +het tot wat hoogers te brengen, met kracht in mijne borst verstikken." + +Onder deze woorden zadelde hij zijn ezel, zonder dat iemand zich +daartegen verzette, steeg, daar hij half lam en kreupel getrapt was, +met moeite op en voegde den hofmeester, den secretaris, dokter Recio +en anderen, die om hem stonden, de woorden toe: + +"Mijne heeren, ik verzoek u, maakt plaats voor mij, opdat ik tot mijne +oude vrijheid terugkeeren kan. Ik wil uit mijn tegenwoordigen dood +opstaan en mijn vroeger leven weder opzoeken. Tot stadhouder ben ik +nu eens voor al niet geboren, en hoe men eilanden en steden tegen een +oprukkenden vijand verdedigen moet, daarvan heb ik geen verstand. Ik +weet meer van spitten, graven en wingerd snoeien dan van wetten geven +en vreemde rechtzaken beslissen. Ik wil liever schrale aardappelsoep +eten dan aan een rijk bezette tafel zitten, voor de kostelijkheden, +waarvan ik niets over de lippen mag nemen, zoodat ik te midden van +den overvloed van honger omkom. Ik wil liever in vrijheid gebrek +lijden, dan in slavernij op zijden kussens rusten. God zij met u, +heeren! Zegt aan uwen hertog, dat ik hier arm gekomen ben en ook arm +weer weggegaan. Ik heb niets gewonnen en ook niets verloren, en mij +dus althans aan geen schelmerij en afpersingen schuldig gemaakt. Gaat +opzij en laat mij den weg vrij; want waarachtig, 't wordt tijd, dat +ik naar mijne ribben laat zien, waarvan in dezen stormachtigen nacht +zeker een stuk of wat gebroken zijn." + +"Heer stadhouder, neen, dat mag niet gebeuren," zeide Recio, de +lijfarts. "Gij moogt niet weg, voordat ik zelf uw toestand onderzocht +heb, en ik beloof u, mijn uiterste best te zullen doen, om u ten +spoedigste van alle pijnen en kwetsuren te bevrijden. Ook geef ik +u mijn woord, dat gij voortaan vergunning zult hebben, om alles te +eten en te drinken, wat uw hart maar begeert." + +"Te laat, te laat!" antwoordde Sancho. "Gij komt te laat, vrienden. Ik +laat mij nu zoo weinig van mijn voornemen afbrengen, als ik ooit +een Turk worden wil. Liever dan in dit verwenschte stadhouderschap +blijven, wil ik zonder vleugels ten hemel vliegen. Neen, neen! Ik ben +uit het geslacht der Panza's, die een hardnekkig geslacht zijn. Als +die eens zeggen, dat een ding krom is, dan moet het krom blijven, +al zei de heele wereld anders, en al was 't ook zoo recht als een +lamsstaartje. Ik moet weg, heeren; maakt mij dus ruimte, want iedere +minuut, die ik nog hier blijf, wordt mij een nagel aan mijn doodkist." + +"Genadige heer," nam nu de hofmeester het woord, "wij zouden u +zonder tegenspraak gaan laten, ofschoon wij uw helder verstand en +uitstekend voorbeeld ongaarne missen; maar 't zal u bekend zijn, +dat ieder stadhouder voor het neerleggen van zijn ambt rekenschap +van zijn beheer moet geven. Voldoe aan deze verplichting, en ga, +als gij u toch niet wilt laten terughouden." + +"Niemand kan zoo iets van mij verlangen, als niet de hertog zelf +het gebiedt," antwoordde Sancho. "Tot hem ga ik, en aan hem zal ik +rekenschap afleggen, zooveel hij maar verkiest. Van u echter heb +ik geen getuigenis noodig, want dat ik mij niet verrijkt en in alle +onschuld geregeerd heb, weet gij even goed als ik zelf 't weet." + +"Bij den hemel, Sancho heeft recht!" riep Recio, de lijfarts. "Ik +voor mij stem er voor, dat wij hem in vrede laten trekken, want de +hertog zal brandend verlangen hem weer te zien." + +Al de anderen waren het met den dokter eens, verklaarden, dat men den +stadhouder moest laten trekken, en boden aan, hem van al, wat hij op +reis noodig had, ruim en rijkelijk te voorzien. + +"Ik heb alleen maar wat haver voor mijn grauwtje, en wat brood en +kaas voor mijzelf noodig, en van een en ander ben ik al voorzien," +zeide Sancho. "De weg, dien ik af te leggen heb, is niet lang, en +daarom zou meer pakkage mij maar lastig wezen." + +Na deze woorden nam hij afscheid, omhelsde de achterblijvenden, +werd door hen omarmd, en liet hen eindelijk verbaasd over zijne +zielsgrootheid, levenswijsheid en standvastigheid staan. + +Sancho Panza reed langzaam voort, totdat hij het landgoed van den +hertog tot op ongeveer eene halve mijl was genaderd. Hier liet hij zich +van zijn grauwtje glijden, legde zich onder een boom en overpeinsde, +wat hij zijn meester Don Quichot en den hertog en de hertogin al zoo +vertellen zoude. Terwijl hij hierover nadacht, overviel hem de slaap, +en daar hij den ganschen voorgaanden nacht geen oog had toegedaan, +werd hij eerst weer wakker, toen de zon al onder en het ten volle +donker geworden was. Verschrikt rees hij op, klom weer in den zadel +en wou zich zooveel mogelijk haasten, om het hertogelijk slot nog +tijdig te bereiken. + +Terwijl hij nu zoo voortdraafde, wilde het ongeluk, dat hij in de +donkerheid opeens met zijn beest in een diep, donker gat stortte, dat +daar tusschen eenig vervallen muurwerk openlag. Onder het vallen meende +hij, dat hij den bodem des afgronds wel nooit levend bereiken zou. + +Intusschen liep het nog al redelijk goed af. Op eene diepte van +ruim achttien voet kreeg de ezel vasten grond onder zijne pooten en +kwam Sancho op grauwtjes buik te liggen, zonder zich eenigszins van +belang bezeerd te voelen. Hij betastte zijne ledematen, onderzocht +de stevigheid zijner beenderen, en hield den adem in, om te weten, +of hij ook ergens een gat in zijn lichaam was gevallen; echter was +zijn lichaam van top tot teen heel gebleven. + +Eindelijk stond hij op en zocht met de handen in de ruimten des +afgronds rond, om zoo mogelijk middelen en wegen te ontdekken, om +zonder vreemden bijstand weer uit den kuil te komen. Tot zijn bitter +leedwezen waren de wanden echter overal glad en zeer steil, zoodat +hij zich over zijne toekomst niet weinig ongerust moest maken. Zijn +angst nam nog toe, toen nu ook de ezel, die door den val deerlijk +gekneusd en geschaafd was, op jammerlijken toon begon te schreien en +te balken. Hij dacht nu niet anders, dan dat hij met zijn geliefd +grauwtje in die ongelukkige groeve op ellendige manier van honger, +dorst en gebrek zou moeten omkomen. + +Weeklagend bracht hij den nacht in het gat door, totdat daarin +eindelijk het schemerlicht van den aanbrekenden dag doordrong, zonder +den braven schildknaap echter veel troost aan te brengen; want bij +het schijnsel der zon overtuigde hij zich, dat uit zijne gevangenis +te ontkomen zonder vreemde hulp een onmogelijkheid was. Hij begon +opnieuw te jammeren en te schreeuwen, en zette zijne stem zooveel +mogelijk uit, om een toevalligen voorbijganger van zijn klimmenden +nood te onderrichten. Zijn geschreeuw was echter als de stem van +een roepende in de woestijn, daar in den ganschen omtrek geen levend +wezen dat vernam. Sancho achtte zich dus reddeloos verloren en begon +zichzelf als een stervende te beschouwen. Desniettemin bespeurde hij +nog iets als medelijden met zijn grauwtje, dat met verdraaide oogen +op den grond lag en zijn bek opendeed, alsof het ieder oogenblik een +roerend klaaglied dacht aan te heffen. Sancho Panza hielp hem met veel +moeite op de been, liet hem, daar hij moeielijk rechtop staan kon, +tegen den wand leunen en versterkte hem vervolgens met een stuk brood, +dat hij nog uit zijn knapzak opschommelde. + +"Neem dat maar en eet," zeide hij, alsof de ezel hem verstaan kon. "Met +een goede bete in den mond kan een mensch nogal veel doorstaan, +en een ezel zeker ook." + +Terwijl grauwtje aan de broodkorst knabbelde, zag Sancho Panza nog +eens in zijne gevangenis rond, en ontdekte eindelijk aan de eene +zijde eene opening, die juist groot genoeg was, om hem door te laten, +als hij zich bukte en zoo klein mogelijk maakte. Hij kromde zijn rug +dus, kroop er in en vond, dat de doorgang naar eene tamelijk ruime +en wijde plaats leidde, waarin, vermoedelijk door een half vervallen +dak, de zonnestralen helder en glansrijk neervielen. Bij hun schijnsel +bemerkte hij, dat deze ruimte zich tot een hol verwijdde, welks omvang +hij nader moest onderzoeken. + +Allereerst keerde Sancho tot zijn ezel terug, van wien hij +onmogelijk scheiden kon, en beproefde de opening zoo veel mogelijk +te verbreeden. Met behulp van een zwaren, scherpen steen gelukte dit +hem zoo tamelijk goed, en het duurde niet lang, of hij kon er ook +grauwtje zonder al te groot bezwaar doorkrijgen. Hij pakte hem dus +bij den halster, sleepte hem mee en drong toen verder in 't hol door, +om misschien aan 't ander eind daarvan een uitgang te vinden. Soms +tastte hij in den donker, soms verlichtte een van boven invallende +zonnestraal zijn pad; maar nog altijd bleef zijne ziel met angst en +bange vrees vervuld. + +"De hemel sta mij bij!" mompelde hij in zijn baard. "Dat Don Quichot +toch maar in mijne plaats was! Hij zou wat mij een ongeluk toelijkt, +voor het allergelukkigst avontuur houden, en zeker al deze afgronden en +onderaardsche gangen voor bloemtuinen en schitterende paleizen aanzien, +waaruit hij op eene of andere heerlijke, bloeiende lustgaarde moest +geraken. Ik ongelukkige daarentegen, die meer vrees dan heldenmoed in +mijn binnenste bespeur, ik denk bij iederen voetstap, dat zich voor +mij een bodemlooze afgrond zal openen, waaruit geen menschelijke +macht mij ooit redden kan. O ongeluk, wees verwenscht door hem, +dien gij zoo gruwelijk hebt beetgenomen!" + +Toen hij onder zulke en soortgelijke ontboezemingen zijn weg een goed +half uur had voortgezet, ontdekte hij in de verte een helder schijnsel, +dat zeker het lieve volle daglicht moest zijn. Vol hoop ging hij +daarop aan, en hij hield zich vast overtuigd, dat hij daar den uitweg +uit de gruwelijke gangen en spelonken der onderwereld moest vinden. + +Terwijl Sancho Panza in dat hol omdwaalde, trof het, dat de dappere +ridder Don Quichot, die tot nu toe op het slot van den hertog een +zeer aangenaam en genoeglijk leven geleid had, zijn nu bij den dag in +welgedaanheid toenemenden Rocinante besteeg en uitreed, om eenige uren +de frissche lucht te genieten. In diepe gedachten reed hij vooruit, +totdat eensklaps Rocinante met de voorpooten zoo dicht bij eene diepe +steenkloof kwam, dat hij onwillekeurig een zijsprong deed en den edelen +ridder uit zijne droomerijen opwekte. Deze hield zijn paard in, keek +naar de kloof om en reed er zoo dicht bij, dat hij er in neerzien +kon. Terwijl hij al bespiegelingen maakte, wat die donkere afgrond +toch wel in zijn schoot verbergen kon, drong daaruit een dof, diep +stemgeluid tot zijn oor door. Hij luisterde scherp en nieuwsgierig +en vernam zeer duidelijk de woorden: + +"Holla daar boven! Is er niet een of ander christenmensch in de buurt, +die mij hooren en zich over mij armen zondaar ontfermen kan? Hulp, +hulp, schrei ik; hulp voor een ongelukkigen, in de diepte gezakten +stadhouder!" + +Don Quichot was dadelijk overtuigd, dat dit de stem van zijn +schildknaap Sancho moest zijn, en bleef een oogenblik stom van +verbazing. + +"Wie is daar omlaag?" riep hij eindelijk. "Wie schreeuwt daar om hulp?" + +"Ik ben het," antwoordde de stem uit den afgrond, "ik, de benarde +en benepen Sancho Panza, gewezen stadhouder van het eiland Barataria +en schildknaap van den beroemden en dapperen ridder Don Quichot van +La Mancha." + +De verwondering van den dolenden ridder nam bij deze woorden nog toe, +en daar hij zijn voormaligen dienaar onmogelijk in zoo zonderlingen +toestand kon vermoeden, kwam hij op de gedachte, dat de arme +stadhouder moest gestorven zijn, en dat nu diens geest verscheen, +die wegens begane zonden in het graf geen rust kon vinden. In deze +veronderstelling zeide hij: + +"Bij alles, wat heilig is, bezweer ik u, verkond mij, wie gij +zijt! Zijt gij een boetende ziel, geef mij dan te kennen, wat ik +voor u doen moet, en zoo waar ik leef, wil ik alles doen, om u de +rust en de ongestoorde zaligheid te verschaffen. Mijne roeping is, +de noodlijdenden te helpen en de bedrukten bij te staan, en daarom wil +ik ook u beschermen, ook als uw lichaam niet meer op aarde omwandelt." + +"Heer," schreeuwde Sancho Panza, die nu eindelijk de stem zijns +meesters herkende, "heer Don Quichot van La Mancha, merkt gij dan niet, +dat ik uw schildknaap en in mijn gansche leven nog nooit gestorven +ben? Ik heb om redenen, die ik u later wel eens zal vertellen, mijn +stadhouderschap verlaten en ben gisterenavond met mijn grauwtje in +dit hol gevallen, zooals 't stomme dier, als het spreken kon, zeker +plechtig zou helpen getuigen." + +Op ditzelfde oogenblik, juist alsof de ezel verstaan had, wat zijn +heer sprak, begon die geducht te schreeuwen en balkte zijn Y-ah zoo +luid, dat de gansche grot er van weergalmde. + +"Sancho, aan uw ezel herken ik u," riep Don Quichot nu zeer +verblijd. "Wacht nu maar een kort poosje en heb geduld, totdat ik +terugkom. Ik wil in vliegende vaart naar het kasteel van den hertog +rijden, dat dichtbij ligt, en wil volk roepen, om u uit den afgrond +op te trekken, waarin uwe zonden u zeker hebben doen neerstorten." + +"Zoo gij gaan wilt, edele heer, blijf dan maar niet staan leuteren," +antwoordde Sancho uit de diepte. "Ik ben hier als bij levenden lijve +begraven en kom om van angst en benauwdheid." + +Don Quichot zette het dadelijk op een galop en deelde de onderaardsche +ontdekking aan den hertog en de hertogin mede. Terstond werden de +noodige orders aan de dienaren gegeven; men trok, toereikend van +ladders en touwen voorzien, naar het hol, en Sancho Panza werd, hij +en zijn ezel, met behulp van veel volk en niet zonder groote moeite +en inspanning uit zijn onderaardschen kerker opgetrokken. Zonder zich +met de menschen, die hem geholpen hadden, in veel praatjes in te laten, +trok hij nu met zijn grauwtje naar het slot, waar het doorluchtig paar +en zijn niet minder doorluchtige meester hem reeds met groot ongeduld +wachtten. Hij ging echter eerst tot hen, nadat hij zijn ezel met zorg +van al het noodige had voorzien. + +"Mijne genadige heerschappen," sprak hij eindelijk, voor den hertog +en de hertogin eerbiedig de knie buigend, "daar ben ik weerom. Het +stadhouderen heeft mij in veel opzichten niet recht willen bevallen, +en dus vond ik maar beter dat te laten varen; voordat het mij liet +varen. Arm ging ik heen, arm keer ik terug, en ik heb niets verloren, +dan bijna mijn klein beetje verstand. Ik heb als rechter gezeten, heb +processen uitgewezen, en ben daarbij bijkans van honger omgekomen, +omdat die wijze dokter Recio uit Tirteafuera dat voor gezond +voor mij hield. Bij nacht en ontijd overvielen de vijanden ons, +en schoon mijne onderdanen zeiden, dat ik die door mijn heldenmoed +weer verjaagd had, zoo weet ik dat toch wel beter en mijne arme +ribben kunnen er een droevig klaaglied van zingen. Gisterenmorgen +verliet ik het eiland, viel in een diepen, donkeren afgrond, stond +uren lang den vreeselijksten doodsangst uit, en zou zoo zeker als +wat zijn omgekomen, als mij niet mijn dappere meester tot hulp en +troost was toegezonden.--Zoo is 't met mij gegaan, heer hertog, en +eerbiedig leg ik de van u verkregen waardigheid hier weer voor uwe +voeten neer. Van mijne hoogte afdalend, keer ik weer in den dienst +van mijn ouden heer terug, waar 'k mij althans zat mag eten, wat voor +een hongerigen mensch een uitstekend en zeer aangenaam medicijn is." + +"Het bedroeft mij diep in de ziel, Sancho Panza," sprak de hertog, +"dat gij 't regeeren zoo schielijk moe zijt geworden. In allen gevalle +wil ik er op bedacht zijn, u een anderen, minder bezwaarlijken, maar +des te voordeeliger post aan te wijzen, en ik hoop, dat gij alsdan met +uwe doorgestane moeielijkheden en gevaren geheel verzoend zult zijn." + +Sancho Panza boog zich, zonder antwoord te geven, en de hertogin gaf +orders, dat de arme schildknaap als een prins verpleegd en verzorgd +zou worden, daar men hem maar al te goed kon aanzien, hoe bitter hij +door zijne kwelgeesten, den lijfarts en den hofmeester, geleden had. + + + + + + +HOOFDSTUK XXIII. + +DON QUICHOT VERLAAT HET KASTEEL VAN DEN HERTOG EN KOMT TE BARCELONA. + + +De edele ridder van den leeuw of van de droevige figuur werd het luie +leven op het slot nu zoetjes aan toch moe en verzocht dus den hertog +vergunning, om afscheid te nemen en zijn tocht te vervolgen. Deze +vergunning werd hem verleend, schoon eerst nadat de hertog en ook zijne +gemalin al hunne welsprekendheid verspild hadden, om hem tot langer +blijven te bewegen. Hij nam afscheid van het doorluchtig paar en ging +den volgenden morgen al voor dag en dauw weder op reis. Langzaam stapte +Rocinante met hem voort, en Sancho sjokte op zijn grauwtje vergenoegd +bij hem aan. De ezel was van een welgevulden knapzak voorzien, +en in Sancho's zak stak eene beurs met twee honderd goudguldens, +die hem op bevel des hertogs ten geschenke waren medegegeven. Geen +wonder derhalve, dat Sancho vergenoegd was, want zulk een voor hem +schier onmetelijken rijkdom had hij zijn leven lang nog niet bezeten. + +Nadat de beide dolende helden den halven dag door dik en dun waren +voortgereden, bereikten zij een bosch, dat eenigszins bezijden den +weg lag, en hier zag de ridder zich eensklaps in een net van groene +draden verstrikt, die tusschen de boomen van den eenen stam tot den +anderen waren uitgespannen. + +"Sancho," sprak hij tot zijn schildknaap, "het zou mij verwonderen, +als ons hier in dit woud niet weer een der zeldzaamste avonturen +wachtte. Zeker willen de boosaardige toovenaars, die mij onophoudelijk +plagen en vervolgen, mijne reis door dit net ophouden. Doch dit +zal hun niet gelukken! Al waren deze draden ook, niet uit boomwol, +maar uit ijzer, staal, graniet of diamant geweven, toch zou ik ze +als spinrag doorhakken, voordat men drie tellen kon." + +Bij deze woorden trok hij zijn zwaard en spoorde Rocinante aan, om te +doen, gelijk hij gezegd had, doch werd daarin verhinderd, daar eenige +mannen van wild en woest uitzien van achter de boomen voor den dag +sprongen en zich op hem en op Sancho wierpen, beiden de wapens afnamen +en hierop het grauwtje zoo zorgvuldig doorzochten en uitplunderden, +dat in den knapzak geen enkel kruimeltje meer overbleef. Een geluk +voor Sancho was het, dat de roovers niet aan het onderzoeken van zijn +persoon dachten, daar in dat geval zijne goedgespekte beurs voorzeker +liefhebbers en een anderen bezitter gevonden had. + +Terwijl de roovers nog bij den ezel bezig waren, en Don Quichot +de plundering met bedroefde oogen aankeek, kwam de hoofdman van de +bende aanrijden. Hij was een man op het oog over de dertig, kloek van +gestalte, vurig van blik en van een fier, ridderlijk voorkomen. Op een +wenk van hem staakten de roovers hun werk, en hijzelf naderde hierop +den edelen ridder Don Quichot, die bedroefd en nadenkend tegen een +boom stond te leunen. + +"Wees niet zoo bedrukt, man," sprak hij den dolenden held aan. "Gij +zijt niet in de handen van bloeddorstige duivels gevallen, en zoolang +ik Roque Guinart heet, zal uw persoon geen leed geschieden." + +"Ik ben niet bedrukt uit vrees, dappere rooverhoofdman," antwoordde +Don Quichot. "Mij grieft alleen, dat ik door een onverhoedschen aanval +verrast en van het paard geworpen werd, daar ik als dolend ridder +toch had moeten vooruitzien, dat in dit woud gevaarlijke roofridders +huizen. Had ik maar eene minuut tijd tot bezinning gehad, dan zou +de overwinning u niet zoo licht zijn gevallen, want weet, dat gij +met Don Quichot van La Mancha spreekt, met den ridder van den leeuw, +van wiens daden de gansche aardbol weet te gewagen." + +"Ha, gij zijt dus de beroemde dolende ridder, over wien men thans +overal hoort spreken?" zei de rooverhoofdman, die zich van die +ontmoeting met Don Quichot veel pret beloofde. "Nu, dan hoop ik, dat +gij eenige dagen als gast bij mij vertoeven zult, en ik beloof dan, +u zoo eerbiedig te zullen doen behandelen, als een ridder van uwe +vermaardheid met recht verwachten mag." + +Don Quichot boog bij die vleiende woorden zeer beleefd en gaf zijne +bereidwilligheid te kennen, om eenigen tijd in het gezelschap van +den rooverhoofdman door te brengen. + +"Waarheen wildet gij eigenlijk, toen mijn volk u aanhield?" vroeg +Roque Guinart. + +"Naar Barcelona, naar het stierengevecht," antwoordde Don Quichot. + +De rooverhoofdman scheen nu op eens op een inval te komen. Hij +trad op zij en schreef een briefje aan een vriend in Barcelona, +waarin hij dezen bericht gaf, dat Don Quichot bij hem was de zotste, +kluchtigste personage, die men in heel Spanje vinden kon. Hij wilde +hem over eenige dagen naar Barcelona brengen, en zorg dragen, dat +hij daar in volle wapenrusting, op Rocinante zijn strijdros gezeten +en in gezelschap van Sancho Panza, zijn schildknaap, aankwam. Hij, +de vriend, moest zijne bekenden daar vooraf van verwittigen en zou +zich met den wonderlijken ridder zeker kostelijk kunnen vermaken. + +De hoofdman verzegelde dit briefje en gaf het aan een van zijn volk +over met last, om het onverwijld naar Barcelona over te brengen. Hierop +keerde hij zich weder tot zijn gast en liet zich in een gesprek met +hem in, dat hem al zeer spoedig van des edelen ridders volslagen +verstandsverbijstering overtuigde. + +Drie dagen en drie nachten bleef Don Quichot bij Roque Guinart te gast, +en de hoofdman had al dien tijd overvloedig stof tot lachen. Toen +hij den dolenden ridder eindelijk moe werd en ook de dag naderde, +waarop Don Quichot in Barcelona moest verschijnen, ging hij met dezen +op weg en bracht hem en den schildknaap tot dicht onder de muren van +de stad. Hier nam hij afscheid en gaf den held aan zijn noodlot en +aan de handen zijner vrienden over, die hij wel wist, dat hem zeer +spoedig opsporen zouden. Terwijl hij naar het gebergte terugkeerde, +naderden ridder en schildknaap de poort der stad en reden dood op hun +gemak de eerste de beste straat op, over wier fraaiheid zij zich niet +weinig verwonderden. + +Toen zij nu de huizen en de golvende volksmenigte met verbaasde +oogen aanstaarden, kwam eensklaps een rijk gekleed man met eenige +volgelingen op hen toe, bleef voor Don Quichot staan en riep met alle +teekenen van de grootste blijdschap: + +"Ha, welkom, welkom in onze goede stad, gij pronkstuk en kompas van +heel de dolende ridderschap! Welkom, edele held Don Quichot! Wees +gegroet en bewonderd door een vurigen bewonderaar van uwe ongehoorde +dapperheid!" + +Bij deze woorden van den onbekende maakten deze en zijn geleide eene +behendige zwenking en brachten zoo Don Quichot in hun midden. Deze +wendde zich koelbloedig tot Sancho Panza en zeide: "Zie nu, mijn +vriend, hoe wijd de faam van mijn heldenmoed zich verbreid heeft; +want deze lieden hebben ons op het eerste gezicht herkend, ofschoon +zij ons nooit te voren kunnen gezien hebben." + +Intusschen kwam de onbekende nog nader en noodigde Don Quichot +beleefd uit, hem in zijne woning te volgen. "Ga met ons, genadige +heer!" sprak hij. "Wij zijn allen uwe dienaren en de beste vrienden +van Roque Guinart, die ons van uwe aankomst verwittigd heeft." + +"Gij zijt een zoo beleefd man, heer ridder," antwoordde Don Quichot, +"dat ik uwe heusche uitnoodiging onmogelijk afslaan kan. Breng mij, +waarheen gij wilt; ik zal geen anderen wil hebben dan den uwen." + +De vreemde boog diep en bracht zijn paard aan zijne zijde. Terwijl +zij nu langzaam door het gewemel der straten voortdrongen, wilde het +ongeluk, dat twee ondeugende straatbengels hun in den weg kwamen en +met onzen Don Quichot en zijn schildknaap wakker den draak begonnen +te steken. Een hunner lichtte Grauwtjes, de ander den staart van +Rocinante op, waarna beiden daar met goochelaarsvlugheid een handvol +stekelachtige distels onder wisten te schuiven. Zoodra de arme dieren +nu deze vreemde sporen voelden, trokken zij hunne staarten vast aan +het lijf en verergerden daardoor hunne pijn zoozeer, dat zij als +dol en razend heen en weer sprongen en eindelijk hunne toch al niet +bijster zadelvaste berijders hals over kop in het stof wierpen. Don +Quichot richtte zich beschaamd en hevig verstoord op, om Rocinante +van de oorzaak zijner kwelling te bevrijden, en riep Sancho Panza +toe, met zijn ezeltje hetzelfde te doen. Hierop bestegen zij hunne +kleppers weder en keken naar de jonge deugnieten, die hun die poets +gespeeld hadden, om. De ondeugende bengels hadden zich echter lang +geborgen, zoodat Don Quichot zonder hen gekastijd te hebben zijn weg +vervolgen moest. Weldra kwam hij met zijn begeleider in diens huis, +waar hij terstond bij zijne intrede door de talrijke dienaren met +luide juichkreten en eene ruischende muziek werd verwelkomd, al 't +geen den goeden ridder in niet geringe mate streelde en met aangename +aandoeningen vervulde. + +Don Quichots gastheer heette Don Antonio Moreno en was een rijk en +aanzienlijk man. Zoodra hij den held onder zijn dak zag, was hij er +op bedacht, diens dwaasheden aan den dag te brengen, zonder dat de +leeuwenridder er iets van merkte; want zijn gast te krenken of zeer +te doen, was in geenen deele zijne bedoeling. + +Vooreerst leidde hij hem aan tafel en onderhield zich met hem op +eene wijze, die, zonder hem te beleedigen, voor al de gasten uiterst +vermakelijk was, en daarop ging hij met hem in een afgelegen vertrek, +waarin niets dan een tafel van jaspis stond, die door een voetstuk +van dezelfde stof werd gedragen. Op die tafel stond een reusachtig +menschenhoofd van metaal, waarop Don Moreno zijn gast al dadelijk +opmerkzaam maakte. + +"Dit hoofd, heer," sprak hij, "is vervaardigd door een der grootste +toovenaars, die ooit op aarde bestaan hebben. Het bezit de eigenschap +van op iedere vraag, die men het in het oor zegt, te antwoorden, en +het doet mij leed, dat ik u hier niet oogenblikkelijk van overtuigen +kan. Maar 't is vandaag Vrijdag en juist op dezen dag is het hoofd +stom. Morgen echter, zoo gij dat goedvindt, zullen wij er de proef +van nemen en zult gij zien, dat ik de volle waarheid heb gesproken." + +Don Quichot was over deze begaafdheid van een levenloozen metalen +kop zoo zeer verwonderd, dat hij zijn gastheer bezwaarlijk gelooven +kon. Daar de proef op de som echter zoo spoedig geleverd zou worden, +gaf hij zijne ongeloovigheid niet te kennen, maar dankte Don Moreno, +dat die hem met zulk een merkwaardig tooverwerk had bekendgemaakt. Zij +verlieten het vertrek en keerden naar het overige gezelschap terug, +dat zich onderwijl met Sancho Panza's grappen en kluchtige vertellingen +niet weinig vermaakt had. + +Tegen den avond werd een wandelritje gedaan. Don Quichot was +niet gewapend, maar droeg over zijne gewone kleeding een wijden +zwaren mantel van donkere stof, die hem niet weinig zweetdroppels +afperste. Ook bereed hij heden niet zijn Rocinante, maar een fraai, +kloek muildier, dat bijzonder net en sierlijk was opgetuigd. Toen +men hem den mantel omwierp, spelde men hem, zonder dat hij er iets +van merkte, een blad perkament op den rug, waarop met groote letters +geschreven stond: "Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha." + +Toen men nu de straten doorreed, trok dat groote plakkaat natuurlijk +ieders oogen tot zich. De menschen lazen hardop: "Dit is de ridder Don +Quichot van La Mancha!" En Don Quichot, die dit hoorde, verwonderde +zich zeer, dat iedereen hem zoo goed kende en bij zijn naam wist te +noemen. Verbaasd wendde hij zich tot Don Moreno, die aan zijne zijde +reed, en sprak: + +"Wat is het toch aangenaam een dolend ridder te zijn, en in alle +hoeken en einden der aarde bekend en beroemd te worden! Zie maar, +beste heer, tot zelfs de dartele straatjeugd in deze stad kent mijn +persoon en moet zeker ook met mijne roemrijke daden bekend wezen." + +"Natuurlijk, en dat is ook geen wonder," antwoordde Don Moreno hoogst +ernstig, schoon hij moeite had zijn lachlust te onderdrukken. "Gelijk +het vuur niet verborgen en onderdrukt worden kan, zoo blinkt en +schittert ook de verdienste, welke de man zich door heldenmoed en +dapperheid verworven heeft." + +Intusschen werd het gedrang om Don Quichot heen toch zoo erg, dat +men hem het plakkaat heimelijk weer afnemen en naar huis terugkeeren +moest. Daar was een prachtige avondmaaltijd aangericht, en tot diep +in den nacht vermaakte de ridder met zijn dolle, dwaze en ongerijmde +redeneeringen het gansche gezelschap. + +Tegen den volgenden dag, wanneer het betooverd menschenhoofd zijne +kunsten vertoonen moest, had Don Moreno verschillende bevriende +families genoodigd. Daar was niemand onder, die iets van het eigenlijke +geheim van dat hoofd wist, dan twee jonge ridders, aan wie Don Moreno +het ontdekt had. Het was een kunstwerk, dat van een vindingrijkheid +en vernuft getuigde, die ieder versteld deden staan. + +De eerste, die het oor van het hoofd naderde, was Don Moreno zelf. Met +zachte stem, maar toch zoo luid, dat ieder zijne woorden verstaan +kon, vroeg hij: "Kunt gij mij ook zeggen, hoofd, met welke gedachte +ik mij op dit oogenblik bezighoud?" + +Het hoofd, zonder de lippen te bewegen, antwoordde met heldere stem: +"Over gedachten oordeel en spreek ik niet." + +De toehoorders waren ten toppunt van verbazing, te meer daar zij +overtuigd waren, dat in het gansche vertrek of althans in de nabijheid +van de tafel geen menschelijk wezen was, dat had kunnen antwoorden. + +"Kunt gij mij eenige personen noemen, die zich in dit vertrek +bevinden?" vroeg Don Moreno weder. + +"Gij en uwe vrouw zijn hier," sprak het hoofd met dezelfde +duidelijkheid; "buitendien zijn twee vrienden met hunne echtgenooten +tegenwoordig, verder de bij uitnemendheid beroemde ridder Don Quichot +van La Mancha, en eindelijk nog Sancho Panza, zijn trouwe schildknaap." + +De bewondering der toeschouwers maakte voor schrik en ontzetting +plaats, die enkelen de haren te berge deed rijzen. Don Moreno trad nu +echter achteruit en zeide: "De hier door mij genomen proeven overtuigen +zeker iedereen, dat de toovenaar, wien ik dit hoofd afkocht, mij niet +heeft bedrogen. Wie nog lust heeft, eene vraag te doen, trede nader." + +Oogenblikkelijk trad eene jonge vrouw op het hoofd toe en vroeg: +"Wat moet ik doen, om recht schoon te worden?" + +"Wees goed en deugdzaam," luidde het antwoord. + +De dame trad terug, en een jong man richtte tot het wonderhoofd de +vraag: "Wie ben ik?" + +"Dat weet gij zelf!" werd hem geantwoord. + +"Dat is waar," sprak de ridder; "maar wilt gij mij niet zeggen, +of gij mij kent?" + +"Ik ken u," antwoordde het hoofd; "gij zijt Don Pedro Noviz." + +"Goed, goed; meer verlang ik niet te hooren," riep de jonge man en +scheen niets van het geval te begrijpen. + +"Zeg, hoofd, welke wenschen voedt mijn zoon?" vroeg een oud-achtig +ridder, die insgelijks was toegetreden. + +"Ik oordeel eigenlijk niet over wenschen," klonk de stem uit het hoofd; +"alleen kan ik u zeggen, dat uw zoon u wenscht te begraven." + +"Dat kan ik zelf wel zoo wat half begrijpen!" zeide de oude ridder +wrevelig. "Maar genoeg, genoeg; ik vraag niet meer." + +Don Moreno's vrouw trad nu toe en zeide: "Ik wensch niets anders +te weten, dan of ik mijn edelen echtgenoot nog recht vele jaren zal +mogen bezitten?" + +"Dat zult gij," antwoordde het hoofd. "Uw gemaal zal nog jaren lang +leven, want hij is gezond, matig en deugdzaam." + +"En hoor dan nu mijne drie vragen, wijs hoofd!" vroeg eindelijk Don +Quichot. "Kunt gij mij ook zeggen, of het waarheid of een droom was, +wat mij in de grot van Montesinos is overkomen?--Kan ik mij op Sancho +Panza's zelfkastijding gerust verlaten?--En eindelijk, zal mijne +edele gebiederes Dulcinea ooit onttooverd worden?" + +"Van die grot zwijg ik," antwoordde het hoofd. "Met Sancho Panza's +geeseling zal het langzaam vooruitgaan; maar eindelijk zal de +aanminnige Dulcinea van Toboso u toch in haar vollen glans weer +verschijnen." + +"Verder verlang ik niets te weten," zeide Don Quichot en trad +terug. "Maar gij, Sancho Panza, wilt gij het hoofd niet eene vraag +voorleggen?" + +"Ei, te vragen had ik genoeg, maar ik wil 't kort maken," zei +Sancho. "Hoor dan eens, heer kopstuk! Zal ik het nog weer eens tot +een stadhouderschap brengen, of zal ik schildknaap blijven? En dan +nog--zal ik ooit vrouw en kinderen weerzien?" + +"Stadhouder of regent zult ge in uw eigen huis zijn, waar ge ook vrouw +en kinderen weerziet, als ge daarheen terugkeert. Voor 't overige +zult ge ophouden schildknaap te blijven, zoodra gij het dienen van +een heer hebt opgegeven." + +Hiermede eindigden de vragen en antwoorden, en allen, tot op Sancho na, +waren verbaasd over het wonderbare en de wijsheid van dat hoofd. Sancho +daarentegen bromde wat in zijn baard, daar de verkregen antwoorden +maar half naar zijn zin waren geweest. + +Voordat wij verder gaan, moeten wij hier het wonder van dat sprekend +hoofd verklaren. + +Het blad en de voet van de tafel namelijk waren van hout, waaraan +men door beschildering en verlakking het aanzien van jaspis had +weten te geven. Het hoofd was hol en hol waren ook de voet en het +blad van de tafel, in welk laatste het hoofd zoo kunstig ingezet +was, dat men geen teeken van verbinding bemerken kon. De voet van +de tafel stond in verband met de keel en de borst van het hoofd, +en dit alles weer met een vertrekje, dat onder de kamer met het +hoofd was gelegen. Door de holte van voet, tafel, keel en borst liep +eene zeer kunstig aangebrachte blikken buis of pijp, die voor niemand +zichtbaar was en zich tot diep in het benedenvertrekje uitstrekte. Hier +nu stond de persoon, die de antwoorden had te geven. Om de gedane +vragen te verstaan legde hij zijn oor aan de opening van de buis, +en hij antwoordde door zelf in de buis te spreken. + +Een neef van Moreno had zich, na nauwkeurig van alles onderricht +te zijn, met de rol van het orakel belast en die, gelijk wij gezien +hebben, uitmuntend volgehouden. + +Verscheiden dagen verliepen. Don Quichot werd steeds zeer voorkomend +behandeld en voelde zich volmaakt tevreden en gelukkig. De kleine, +onschuldige parten, die men hem speelde, bemerkte hij niet, daar Don +Moreno met scherp oog over hem waakte en zorgde, dat niemand hem te +na kwam. + +Daar gebeurde het op een morgen, dat hij met Sancho Panza in +volledige wapenrusting een ritje langs de haven deed en hier een +ridder ontmoette, die, evenals hij, van top tot teen gewapend was en +eene zilveren maan als wapenteeken op zijn schild droeg. Deze vreemde +ridder reed recht op Don Quichot toe en zeide, genaderd zijnde, +met ridderlijke hoffelijkheid: + +"Doorluchtige, glansrijke en wijd en zijd vermaarde Don Quichot van +La Mancha, zie in mij den ridder van de zilveren maan, wiens faam +denkelijk ook reeds tot uwe ooren is doorgedrongen. Ik ben gekomen, +om met u te kampen en de sterkte van uw arm te ondervinden, daar ik +u tot de bekentenis wil dwingen, dat mijne dame schooner en edeler +dan Dulcinea van Toboso is. Erkent gij dit vrijwillig, dan moogt +gij ongehinderd uws weegs trekken en voor ditmaal den dood ontgaan; +zoo niet, gord u aan ten strijde, en de hemel doe de waarheid +zegepralen. Ben ik overwinnaar, zoo verlang ik niets anders van u, +dan dat gij voor een jaar uwe wapens nederlegt, uwe avontuurlijke +tochten staakt en u naar huis begeeft, om in rust en vrede verpoozing +te vinden. Ontwapent gij mij, dan zij mijn leven aan uw goeddunken +overgelaten, mijne wapens mogen uw buit zijn, en de roem mijner daden +zal dienen, om den uwen te verhoogen en ten top te voeren. Overleg, +of gij met deze voorwaarden tevreden zijt, en antwoord zonder lang +dralen, want heden nog wil ik uw lot en het mijne beslist weten." + +Don Quichot voelde zich door deze aanmatigende taal des ridders van +de zilveren maan ten ergste beleedigd, en op kalmen, maar vasten en +ernstigen toon antwoordde hij: + +"Heer ridder van de zilveren maan, van wiens daden ik nog geen woord +vernomen heb, ik neem uwe uitdaging en uwe voorwaarden aan. Neem uwe +plaats in, waar gij wilt! Ik zal hetzelfde doen, en dan mag in Sint +Pieters naam de kamp beginnen." + +Terwijl de beide ridders hunne plaatsen innamen, naderde Don Moreno +met verscheiden vrienden en vroeg, om welke reden de tweekamp wezen +zou. De ridder van de zilveren maan verklaarde hem dat, en wijl Don +Moreno dadelijk eenige guiterij vermoedde en geen groot gevaar voor +zijn gast vreesde, liet hij de zaak haar vrijen loop. + +"Daar er geen ander middel bestaat, toont dan in 's hemelsnaam wat +gij kunt, mijne heeren!" zeide hij glimlachend. "Ik zal mij, met uw +goedvinden, tot kamprechter opwerpen." + +De beide ridders dankten Don Moreno en maakten zich tot den aanval +gereed. Don Quichot riep de bescherming van zijne Dulcinea in, en nam +hierop nog een weinig meer veld, daar hij zag, dat zijne tegenpartij +datzelfde deed. Hierop wendden beiden hunne rossen en stormden met +geweld op elkaar in. + +Daar nu het paard van den ridder der zilveren maan veel flinker en +lichter ter been was, dan de stijve, half lamme Rocinante, bereikte +de ridder Don Quichot, voordat deze een derde van de renbaan had +doorloopen, en trof hem met zoo vreeselijk geweld, dat ruiter en ros +in een ommezien over elkaar heen tuimelden en zich lagen te wentelen +in het stof. Terstond boog nu de ridder van de maan zich over Don +Quichot heen, zette hem zijne lans op de borst en sprak: + +"Gij zijt overwonnen, ridder, en moet sterven, indien gij de +voorwaarden van onzen kamp niet dadelijk aanneemt." + +Hoewel bitter gekneusd en bijna van zijne zinnen beroofd, bracht +Don Quichot toch, zij 't al met zwakke en trillende stem, de koene +woorden uit: "In spijt van uwe lans beweer ik, dat Dulcinea van +Toboso de schitterendste schoonheid op den wijden aardbodem is, +niettegenstaande ik van mijzelven erkennen wil, dat mijne zwakheid en +mijn ongeluk mij verhinderd hebben, deze waarheid zegevierend staande +te houden. Grijp dan nu uwe lans, ridder, en beroof mij van mijn leven, +gelijk gij mij reeds mijn eer en mijn roem ontnomen hebt." + +"Dat zij verre van mij," antwoordde de ridder van de zilveren +maan. "Leve jonkvrouwe Dulcinea van Toboso, en moge zij ten eeuwigen +dage als roem en bloem der schoonheid en volmaaktheid gehuldigd +worden. Ik voor mijn deel ben ten volle tevredengesteld, wanneer +gij u voor een jaar naar uwe woonplaats wilt terugbegeven en van uw +avontuurlijk leven afzien." + +"Welaan, dat wil ik beloven, omdat het niet tot nadeel van mijne +verheven gebiederesse strekt," antwoordde Don Quichot al kreunend +en zuchtend. "Ik wil dat beloven, en als een trouw, eerlijk en braaf +ridder mijn woord in alles gestand blijven." + +Na het ontvangen van deze toezegging wierp de ridder der zilveren maan +zijn paard om, maakte voor Don Moreno en zijn geleide eene beleefde +buiging en reed heen in galop. + +Onderwijl werd de gevelde dolende ridder van den grond opgetild, zijn +gelaat ontdekt en hem de helm afgenomen. Hij droop van zweet en was +doodsbleek. Rocinante was zoo deerlijk gehavend, dat hij geen poot +verzetten kon, en Sancho Panza toonde zich zoo bijster bedroefd en +neerslachtig, dat men puur niet wist, wat met den armen sukkel aan +te vangen. Sancho dacht, dat alles een droom of een werk van booze +toovenaars en heksenmeesters was, nu hij zijn dapperen heer daar zoo +uit den zadel gelicht, tegen den grond gekwakt en verplicht zag, +om voor een rond jaar wapens, zwaard en lans neer te leggen. Dat +leek hem ongehoord, ongeloofelijk toe. Lijdelijk zag hij toe, hoe Don +Quichot in een draagkoetsje gepakt en naar de stad teruggebracht werd, +terwijl hij zelf langzaam en met een bedrukt harte volgde. + +Wij moeten nu verklaren, wie eigenlijk de ridder van de zilveren maan +en wat zijne bedoeling was. Don Moreno vernam dat eerst, toen hij +in al de logementen der stad naar hem vroeg, hem vond en de volgende +opheldering van hem verkreeg: + +"Gij moet weten, mijnheer, dat ik Sanson Carrasco heet en een landsman +van onzen ridder Don Quichot ben. Zijne gekheid ging mij en allen, +die hem kenden, aan het hart, en daar ik het er voor hield, dat alleen +ongestoorde rust in zijn eigen huis hem van zijne dwaze inbeeldingen +genezen kon, ontwierp ik een plan, om hem die te verschaffen. Eerst +ging ik, als spiegelridder verkleed, op weg, om met hem te vechten en, +bleef ik overwinnaar, hem de belofte af te dwingen, dat hij voor een +bepaalden tijd zijne tochten opgeven en naar huis terugkeeren zou. Het +geluk liep mij echter tegen, want ik werd de onderliggende partij +en bracht er met moeite het leven af. Evenwel liet ik mij door dien +eersten tegenspoed niet afschrikken, maar verschafte mij nieuwe wapens +en een beter paard, volgde het spoor van den goeden man en vond hem +eindelijk hier, waar ik mijn doel bereikte. Dit is alles, wat ik u te +vertellen heb, en ik verzoek u dringend, Don Quichot niet te verraden, +met wien hij gevochten heeft, daar ik dan een vergeefsch werk zou +gedaan hebben. Onze vriend moet echter zijn verstand terugkrijgen, +daar hij op die dwaze inbeeldingen en kuren na de beste en braafste +mensch van de wereld is." + +Don Moreno beloofde het diepste stilzwijgen en Sanson Carrasco verliet +nog dienzelfden dag de stad. + +Onderwijl bleef Don Quichot zes dagen te bed liggen, was verdrietig, +somber en nadenkend, en kon zijn ongelukkig gevecht met geen +mogelijkheid uit het hoofd zetten. Sancho Panza zocht hem te troosten, +zoo goed hij maar kon. + +"Beste heer," sprak hij, "laat den moed niet zinken en steek het +hoofd maar weer op. Het ding is nog vrij gezegend afgeloopen, en +al hebt ge al een harden smak gekregen, toch zijn al uwe ribben nog +heel. Kom, laat ons naar huis terugkeeren en ons alle avonturen uit het +hoofd zetten. Troost u met mij en bedenk, dat ik er in den grond nog +bekaaider afkom, dan gij. Dat stadhouderschap mag naar de maan loopen; +maar 'k had toch wel graaf of zoo wat willen worden. Doch hoe is daar +kans op, nu gij naar huis moet en op uw koningschap weinig hoop meer +is? Door uw ongeluk hebt ge meteen mijn spel voor altijd verbroddeld." + +"Zwijg, Sancho!" antwoordde Don Quichot op knorrigen toon. "Hoe kunt ge +zulke onnutte jammerklachten aanheffen, daar ge wel weet, dat ik mijn +heldenleven toch maar voor één jaar opgeven moet? Is die tijd voorbij, +dan grijp ik weer naar lans en zwaard en, onder 's hemels zegen, zal +een koninkrijk dan wel niet uitblijven. Maar anders hebt gij gelijk. Ik +wil alle donkere gedachten uit mijn hoofd zetten en zonder verwijl op +reis gaan naar huis. Zadel Rocinante en uw ezel, en pak mijne wapens +op uw grauwtje, daar ik die nu toch een jaar lang niet dragen mag." + +Ten hoogste verblijd, ging Sancho Panza heen, om aan de bevelen van +zijn meester te voldoen. Deze zelf kwam uit zijn bed kruipen, trok zijn +lederen kleeding aan en ging Don Moreno opzoeken, om dien edelen man +voor zijne gastvrijheid te danken. Don Moreno omarmde hem hartelijk en +wenschte hem allen bedenkelijken zegen en voorspoed. Daarop besteeg +de dolende ridder Rocinante, en Sancho Panza kuierde te voet bij hem +aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen en hij +'t goede beest niet te zwaar belasten wou. + +Zoo verlieten de beiden Barcelona, waar onzen ridder door zijne +nederlaag 't zwaarste leed had getroffen, dat hem, naar zijne +gedachten, ooit op aarde kon overkomen. + + + + + + +HOOFDSTUK XXIV. + +DON QUICHOTS TEHUISKOMST EN DOOD. + + +De overwonnen ridder van den leeuw en de droevige figuur trok stil +en bedrukt zijns weegs. De droefheid knaagde als een vretende worm +aan zijn leven en deed zijne krachten bij den dag afnemen. + +Eens, toen hij met Sancho Panza door een bosch reed, keerde hij zich +na lang stilzwijgen eensklaps tot zijn reismakker en zeide: + +"Sancho Panza, voor zoover ik weet, hebt gij u nog maar vijf van de +slagen toegediend, die tot ontoovering van mijne Dulcinea vereischt +worden. Zal ik haar zoet, liefelijk aangezicht ooit weer aanschouwen, +dan moogt gij niet langer zoo traag zijn, maar moet voortaan wat +vlijtiger tegen uw eigen vleesch woeden. Daar ik mij echter overtuigd +heb, dat gij uit liefde tot mij dit offer niet brengen zult, stel +ik u voor, iederen slag met klinkende munt te betalen. Overleg eens, +wat gij eischen wilt, en begin dan maar dadelijk. Daar gij mijn geld +in bewaring hebt, kunt gij u later zelf betalen." + +Bij dit aanbod spalkte Sancho mond en oogen open. + +"Mijn gestrenge heer ridder," zeide hij, "dat lijkt mij een heel +verstandig voorstel toe, en uit liefde tot mijn vrouw en kinderen, +die dat geld goed gebruiken kunnen, wil ik het aannemen. Zeg op, +hoe duur wilt gij iederen slag, dien ik mijzelf geef, betalen?" + +"Bepaal zelf den prijs," antwoordde Don Quichot. + +"Ei, 't zijn drie duizend drie honderd slagen," zeide Sancho. "Vijf +daarvan heb ik al beet, maar de rest blijft nog over. Om echter niet +krenterig te wezen, wil ik die vijf niet meetellen, en dus komen we +weer op drie duizend drie honderd. Reken ik nu voor iederen slag een +quartillo, en dat is zuinig gerekend, dan geeft dat drie duizend drie +honderd quartillo's of acht honderd vijf en twintig realen [2]. Laat +mij die som van uw geld afnemen, en dan zal ik, al doet mijn rug wat +zeer, vergenoegd en tevreden naar mijn vrouwtje terugkeeren." + +"Sancho, gij zijt een juweel van een man!" riep Don Quichot. Ga dan +maar terstond aan den gang, en als ge goed haast maakt, beloof ik u +nog honderd realen extra." + +"Goed, om u genoegen te doen, wil ik van avond nog beginnen," +verzekerde Sancho Panza. "Onder den blooten hemel, midden in dit +bosch zal mijne huid in flarden gaan en mijn bloed gestort worden." + +De avond, schoon voor Don Quichots ongeduld te traag en te langzaam, +kwam eindelijk en breidde zijne donkere schaduwen over het geboomte +uit. Ridder en knaap ontdeden tegen schemerdonker hunne dieren van +zadel en tuig, legerden zich op het malsche gras en hielden in vrede +hun sober avondmaal. Hierop maakte Sancho uit grauwtjes halster een +stevig geeseltouw en ging alleen twintig passen dieper het bosch in, +waarbij hij zorg droeg, zijn dik lichaam zoo goed mogelijk achter de +boomstammen te verbergen. + +"Vriend Sancho," riep Don Quichot, toen zijn schildknaap zijne +marteling zoo onverschrokken te gemoet ging, "vriend Sancho, zorg, +dat ge uzelf niet doodslaat, en overhaast u niet zoo, dat ge te gauw +buiten adem raakt. Nu, ga uw gang en wees verzekerd, dat ik iederen +slag, dien ge u geeft, nauwkeurig zal tellen. De hemel sterke u onder +uw loffelijk werk." + +"Wees zonder zorg, heer; ik zal mij taai houden," riep Sancho +terug. "De pijn zal mij zoo gauw den dood niet doen." + +Hij trok zijn buis uit, ontblootte zich het bovenlijf tot aan +den gordel en zwaaide zijn geeseltouw met macht en geweld. Klits, +klats! vielen de forsche slagen neer, en Don Quichot begon te tellen. + +Vijf of zes klappende slagen waren gevallen, toen hij ophield en riep: +"Heer, ik heb te weinig gerekend! Ieder van deze slagen is op zijn +minst een halven reaal waard." + +"Sla toe! Sla toe, Sancho!" riep Don Quichot. "Ik verdubbel den +bedongen prijs." + +"Goed; dat blijft zoo afgesproken," antwoordde Sancho, en klits, +klats ging het opnieuw. + +Don Quichot was natuurlijk van meening, dat Sancho Panza zijn eigen +vleesch kastijdde; doch daar vergiste hij zich in, want de slimme +deugniet sloeg, in plaats van op zijn rug, op de omstaande boomen los, +en liet van tijd tot tijd eens een luider of zachter kreet hooren, om +zijn meester in zijn goed geloof te versterken. Deze werd intusschen +door Sancho's voorgewende pijn en smarte tot diep in de ziel geroerd, +en toen de geeseling eene goede poos geduurd had, riep hij hem toe, +dat hij nu vooreerst maar uitscheiden moest. + +"Naar mijne berekening hebt ge al ruim duizend slagen doorgestaan, +en dat is voor één keer voldoende," riep hij. + +"Neen, neen, gestrenge heer," antwoordde Sancho. "Ik houd vol, +tot ik althans twee duizend op mijn baaitje heb. Op die manier is +'t in tweemaal beredderd en ben ik 't gauwst van het ding af." + +"Nu dan, als dat uwe vrije verkiezing is, wil ik u niet tegenhouden," +sprak Don Quichot. "Sla toe dan maar, zoo lang gij kunt en wilt." + +Sancho begon zijn werk met nieuwe krachten en met zulk een ijver, +dat de boomstammen onder zijn bereik bijna al hun bast verloren. Eens +bracht hij een ouden beuk een slag toe, die door het halve bosch +dreunde, en schreeuwde daarbij: "Hier sterft Simson en alles, wat +bij hem is." + +Nu kon Don Quichot het lijden van zijn armen schildknaap niet langer +uitstaan. Hij liep op hem toe, hield zijn geeseltouw vast en riep: +"Houd op! Ik kan niet langer aanhooren, hoe gij om mijnentwil kreunt +en huilt. Denk aan vrouw en kind, en draag zorg, dat gij voor hen +behouden blijft. Dulcinea mag wachten, en ik wil in hoop leven, +tot gij weer nieuwe krachten hebt verzameld." + +"Zooals gij wilt, heer!" antwoordde Sancho Panza. "Wees echter nu +zoo goed, mij uw mantel om te hangen, dat ik geen kou vat; want ik +zweet als een oliekoek." + +De goedgeloovige ridder haalde zijn mantel, pakte Sancho als een +bakerkind in, en legde zich toen met hem onder de boomen neder. Met +de zon stonden zij echter weer op en vervolgden hun weg. + +De volgende nacht gaf Sancho gelegenheid, om zijne boete geheel +te volbrengen, en hij gebruikte dien, evenals den eersten, om niet +zijn eigen rug, maar de arme basten der boomen met vreeselijke woede +te kastijden. Don Quichot telde iederen slag, en toen de laatste +viel, was hij hoogst verblijd en kon nauwelijks den dag afwachten, +om te zien, of Dulcinea van Toboso dan ook in den vollen glans hare +herkregen schoonheid voor hem zou staan. + +Voor dag en dauw zat hij weer te paard en keek onderweg elk vrouwelijk +wezen aan, om in haar de onttooverde prinses te herkennen. Maar de dag +verstreek en toen het avond werd, gaf Don Quichot den moed verloren +en hing als half suf en wezenloos op zijn paard. Droefgeestig zag hij +voor zich neer, en zelfs Sancho's kluchtigste uitvallen vermochten hem +geen lachje af te persen. Eindelijk ontdekten de beide zwervers hun +dorp en bereikten dat, voordat het nog ten volle donker was. Toen zij +de straat doorreden, zag Don Quichot twee jongens op een dorschvloer +en hoorde den eenen zeggen: "Geef je geen moeite, Periquille; je zult +haar je leven lang niet weerzien." + +Bij het vernemen van deze woorden, zuchtte de ridder, alsof zijn hart +breken zou, en zeide tot Sancho: "Hebt gij gehoord, wat die jongen +zei? Ik zal Dulcinea mijn leven lang niet weerzien." + +"Malligheid! Malligheid, edele heer!" riep Sancho lachend. "Die jongen +meent heel wat anders." + +"Neen, neen," antwoordde Don Quichot zwaarmoedig, "'t Is eene +voorbeduiding en ik weet, dat mij zwaar ongeluk boven het hoofd hangt." + +Zonder naar Sancho's troostend antwoord te luisteren, reed hij +bedrukt verder en bereikte spoedig zijn huis, waar hij door zijne +nicht, zijne huishoudster, den pastoor en Sanson Carrasco met groote +blijdschap ontvangen werd. Ook vond hij er de vrouw van Sancho, +die terstond beslag op haar man legde en hem met niet al te zachte +en zoete woordekens welkom heette. + +"Vrouw, zwijg stil!" zeide Sancho. "Ik breng een zak vol geld mee, +en heb dat zuur, maar eerlijk verdiend." + +"Nu, als je geld meebrengt, wil ik je weer in genade aannemen, +beste manneke," antwoordde de vrouw op geheel veranderden toon. Zij +omarmde hem, zoende hem, dat het klapte, pakte hem onder den arm, +nam grauwtje bij den teugel en stapte zoo triomfantelijk naar huis. + +Terwijl zij zich thuis Sancho's avonturen liet vertellen, maakte +Don Quichot zijne vrienden en verwanten met zijne lotgevallen en +ontmoetingen bekend en verzweeg niet, dat hij overwonnen was geworden +en de plechtige belofte had afgelegd, een vol jaar in werkeloosheid +onder zijn eigen dak te zullen doorbrengen. + +Men beklaagde hem, zonder hem te laten merken, hoe bij dien laatsten +kampstrijd de vork in den steel had gezeten, en de huishoudster +noodigde haar meester eindelijk uit, aan tafel te komen en zich door +een duchtig avondmaal te sterken. + +"Neen, goede vrouw, ik weet beter, wat mij dient," antwoordde Don +Quichot zwaarmoedig. "Breng mij te bed en laat mij slapen, want het +is, alsof ik eene ziekte onder de leden heb." + +Aan zijn bleek en vervallen uitzien merkten de overigen zeer goed, +dat de arme ridder werkelijk ziek moest zijn, en daarom verzette +zich dan ook niemand tegen zijn verlangen. Hij werd te bed gebracht, +om daar niet weder van op te staan. + +Het verdriet over de in zijn oog vernederende nederlaag, die hij had +geleden, tastte hem hevig aan en haalde hem eene koorts op den hals, +die hem spoedig aan den rand van het graf bracht. Zijne vrienden +pasten hem wel met alle zorg op en lieten een dokter komen; doch +de middelen, die deze voorschreef, misten de gewenschte uitwerking, +en de toestand van den lijder verergerde van dag tot dag, zoodat de +dokter zijn naderend einde voorspelde. + +Toen de overigen, onder wie ook Sancho Panza, van deze uitspraak +kennis kregen, waren zij sterk aangedaan, en alleen Don Quichot zelf +behield zijne bedaardheid. + +"Gaat heen," zeide hij, "en laat mij slapen; zoodra ik weer wakker +word, zal ik u laten roepen." + +Allen gingen op zijn verlangen de kamer uit, en hij sliep nu wel +zes uren achtereen. Bij zijn ontwaken was het, alsof hem op eens de +blinddoek van zijn oogen was gevallen, en met luider stem riep hij, +dat hij al zijne verwanten en vrienden nog eens wenschte te zien. Zij +kwamen en schaarden zich rondom zijn ledikant. + +"Waarde en lieve vrienden," sprak hij, "de genade des hemels heeft +groote dingen aan mij gedaan en mijn verstand van de nevelen bevrijd, +die het zoo lang verdonkerd hebben. Nu, daar mijn einde nabij is, +zie ik in, dat mijn leven eene groote dwaasheid en dwaling was, +waartoe alleen het lezen van die ellendige ridderromans mij gebracht +heeft. Mij bedroeft niets, dan dat ik zoo laat tot dit inzicht ben +gekomen en dat mij geen tijd meer vergund is om mijne verkeerdheden +weder goed te maken. Ik weet, dat ik een dolzinnige dwaas was, terwijl +ik mij inbeeldde, een groot held en vermaard dolend ridder te wezen, +en het eenige, dat mij troost, is, dat ik gedurende mijne verblindheid +alleen zotternijen en dwaasheden, maar geen misdaden heb begaan. Mijn +einde is nabij; brengt mij dus een biechtvader, wien ik mijn zonden +bekennen en een notaris, wien ik mijn laatsten wil opgeven kan. Haast +u, want de minuten zijn kostbaar." + +Verwonderd zagen allen elkaar aan en waren verblijd dat zoo den armen +krankzinnige nog in de laatste ure het helder licht der rede werd +teruggeschonken. Zij weenden bitter, doch verzuimden daarbij niet, +dadelijk aan het verlangen van den stervende te voldoen. Deze biechtte +den pastoor en liet daarop zijn testament opstellen, waarbij hij al +zijne have en goed aan zijne arme nicht vermaakte met de bepaling, +dat deze aan de oude huishoudster haar leven lang den kost moest geven +en nooit een man mocht trouwen, die een vriend van avontuurlijke +ridderromans en soortelijke geschiedenissen was. Aan Sancho Panza +kende hij een aardig legaat toe, en de pastoor zou tot aandenken zijn +helm en zijne verdere wapenrusting bekomen. + +Nadat men hem de beschikking had voorgelezen, knikte hij tevreden +met het hoofd, zeeg toen op de kussens achterover, strekte zijn lang +lichaam tot zijne volle lengte uit en sloot de oogen. Allen schrikten, +schoten toe en bevonden, dat de ziel van den armen avonturier zacht +en vredig ter eeuwige ruste was ingegaan. + +Zoo was het uiteinde van Don Quichot van La Mancha. Onder tranen werd +hij begraven, en op zijn grafsteen liet Sanson Carrasco het volgend +opschrift beitelen: + +"Hier ligt de dappere, die alles overwinnen kon, behalve den dood. Bij +zijn leven was hij dwaas, op zijn sterfbed echter werd hij wijs, +en allen die hem kenden, betreurden hem." + +Sancho Panza leefde nog lang, vroolijk en zonder zorgen, en men zegt, +dat hij dagelijks het graf van zijn ouden heer bezocht heeft. De +schildknaap was een schelm, maar niet ondankbaar en had de herinnering +van zijn heer tot aan zijn eigen dood van harte lief. + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Spreek uit "donja". + +[2] Een quartillo is het vierde van de Spaansche koperen reaal, +welke laatste de waarde van omtrent 12-1/2 cent heeft. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Don Quichot van La Mancha, by +Miguel Cervantes de Saavedra + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DON QUICHOT VAN LA MANCHA *** + +***** This file should be named 28469-8.txt or 28469-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/8/4/6/28469/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/28469-8.zip b/28469-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0d1f03f --- /dev/null +++ b/28469-8.zip diff --git a/28469-h.zip b/28469-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d7a03ce --- /dev/null +++ b/28469-h.zip diff --git a/28469-h/28469-h.htm b/28469-h/28469-h.htm new file mode 100644 index 0000000..683e3fc --- /dev/null +++ b/28469-h/28469-h.htm @@ -0,0 +1,8682 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>Don Quichot van la Mancha</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Miguel Cervantes de Saavedra"> +<meta name="DC.Creator" content="Miguel Cervantes de Saavedra"> +<meta name="DC.Title" content="Don Quichot van la Mancha"> +<meta name="DC.Date" content="#####"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> +/* Standard CSS stylesheet */ + + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +} + +h1.docTitle +{ +font-size:1.6em; +line-height:2em; +} + +h2.byline +{ +font-size:1.1em; +font-weight:normal; +line-height:1.44em; +} + +span.docAuthor +{ +font-size:1.2em; +font-weight:bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size:1.2em; +font-weight:normal; +} + +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} + +.advertisment +{ +background-color:#FFFEE0; +border:black 1px dotted; +color:#000; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} + +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} + +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} + +.index +{ +font-size: 80%; +} + +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} + +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} + +h3, .pseudoh3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h4, pseudoh4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left:10%; +margin-right:10%; + +} + +.alignleft +{ +text-align:left; +} + +.alignright +{ +text-align:right; +} + +.alignblock +{ +text-align:justify; +} + +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} + +p.poetry +{ +margin:0 10% 1.58em; +} + +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ +color: white; +} + +p.line +{ +margin:0 10%; +} + +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} + +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} + +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} + +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} + + +div.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} + +.epigraph .bibl +{ +text-align: right; +} + +.epigraph .poem +{ +margin-left: 0; +} + +.epigraph .line +{ +margin-left: 0; +text-indent: 0; +} + +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} + +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} + +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} + +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} + +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} + +.leftnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} + +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} + +a.noteref, a.pseudonoteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} + + +.red +{ +color: red; +} + +.displayfootnote +{ +display: none; +} + +div.footnotes +{ +margin-top: 1em; +padding: 0; +} + +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align:left; +width:2em; +} + +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ +font-size: 80%; +} + +.centertable +{ +/* center the table */ +margin: 0px auto; +} + +.poem +{ +margin-left:5%; +position:relative; +text-align:left; +width:90%; +} + +.poem h4 +{ +font-weight:normal; +margin-left:5em; +} + +.poem .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left:-2.5em; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} + +.versenum +{ +font-weight:bold; +} + +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} + +.footnotes .line +{ +font-size:80%; +margin:0 5%; +} + +.poem .i0 +{ +display:block; +margin-left:2em; +} + +.poem .i1 +{ +display:block; +margin-left:3em; +} + +.poem .i2 +{ +display:block; +margin-left:4em; +} + +.poem .i3 +{ +display:block; +margin-left:5em; +} + +.poem .i4 +{ +display:block; +margin-left:6em; +} + +.poem .i5 +{ +display:block; +margin-left:7em; +} + +.poem .i6 +{ +display:block; +margin-left:8em; +} + +.poem .i7 +{ +display:block; +margin-left:9em; +} + +.poem .i8 +{ +display:block; +margin-left:10em; +} + +.poem .i9 +{ +display:block; +margin-left:11em; +} + +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing:0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant:small-caps; +} + + +.caps +{ +text-transform:uppercase; +} + +.fraktur +{ +font-family: 'Walbaum-Fraktur'; +} + +.rm +{ +font-style: normal; +} + +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} + +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ +text-align:center; +} + +h1,h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} + +h1.label,h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h5,h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} + +p,p.initial +{ +text-indent:0; +} + +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} + +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} + +.poem +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} + +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} + +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} + + +ul { list-style-type: disc; } +ol { list-style-type: decimal; } +ol.AL { list-style-type: lower-alpha; } +ol.AU { list-style-type: upper-alpha; } +ol.RU { list-style-type: upper-roman; } +ol.RL { list-style-type: lower-roman; } +.lsdisc { list-style-type: disc; } +.lsoff { list-style-type: none; } + +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } + + + + + +/* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml +" */ + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} + +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + +p.dropcap:first-letter +{ +color: #001FA4; +font-weight: bold; +} + +sub, sup +{ +line-height: 0; +} + + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Don Quichot van La Mancha, by +Miguel Cervantes de Saavedra + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Don Quichot van La Mancha + +Author: Miguel Cervantes de Saavedra + +Editor: J. J. A. Goeverneur + +Release Date: April 1, 2009 [EBook #28469] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DON QUICHOT VAN LA MANCHA *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + +<div class="front"> +<div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><p class="aligncenter">Don Quichot + +</p> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/cover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="466" height="720"></div><p> + + + +</p> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p000.jpg" alt="Don Quichot en zijn schildknaap Sancho Panza." width="477" height="720"><p class="figureHead">Don Quichot en zijn schildknaap Sancho Panza.</p> +</div><p> + + +</p> +</div> +<div class="titlePage"> +<h1 class="docTitle">Don Quichot van La Mancha</h1> +<h2 class="byline">Naar +<br> +<span class="docAuthor">Miguel Cervantes de Saavedra</span> +<br> +Op nieuw bewerkt +<br> +Door + +<span class="docAuthor">J. J. A. Goeverneur</span> + +<br> +Met 8 gekleurde platen +</h2> +<h2 class="docImprint">Tweede druk +<br> +Amsterdam +<br> +Tj. van Holkema +</h2> +</div><div class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><p class="aligncenter">Boekdrukkerij van P. W. M. Trap, Leiden. + + + + +</p> +</div> +</div><span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1">1</a>]</span><div class="body"> +<div id="xd0e131" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk I.</h2> +<h2 class="normal">Jonker Don Quichot.</h2> +<p>Nog zoo heel, heel lang niet geleden woonde in een dorp van La Mancha, een edelman, gelijk men die heden ten dage in Spanje +nog bij de vleet vinden kan. Zijne inkomsten waren slechts matig, en hij had daarvan althans drie vierden tot zijn dagelijksch +schraal onderhoud noodig. Voor het laatste vierde schafte onze edelman zich zijne kleeding aan, die elk jaar in een nieuwen +lakenschen rok, een fluweelen broek en leeren pantoffels bestond. Zijne verdere huisgenooten waren zijne nicht, een jong knap +meisje van achttien jaren, eene oude huishoudster en eindelijk een jonge knaap, die het paard voeren, water halen, hout klooven +en verder huiselijk werk verrichten moest. + +</p> +<p>Op den tijd, dat onze geschiedenis begint, had onze edelman, wiens naam Don (<i>Don</i> is in Spanje ons: Heer) Quichot was, zijn vijftigste jaar bijna bereikt. Evenwel was hij nog kloek, krachtig en lang, ofschoon +ontzettend schraal en mager van gestalte, met een smal, ingevallen gezicht, en een bijzonder groot vriend van de jacht. Zijne +allergrootste liefhebberij was echter, zich in het lezen van riddergeschiedenissen te verdiepen, waardoor hij niet alleen +vaak eten, drinken en slapen vergat, maar ook het beheer van zijn vermogen verwaarloosde en zich gedwongen zag, het eene stuk +goed land na het ander te verkoopen, alleen om tot aanschaffen van zulke avontuurlijke en zeldzame boeken het benoodigde geld +in handen te krijgen. Op deze wijze bracht hij daar <span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2">2</a>]</span>mettertijd dan ook een groot aantal van bijeen, in ’t lezen waarvan hij zich van den vroegen morgen tot den laten avond zoozeer +verdiepte, dat zijn hoofd er van op hol raakte en hij er zoetjes aan stapelgek door werd. Zijne arme hersens waren vol van +tornooien en gevechten, van lansen en zwaarden, van betooveringen en minneliederen, van uitdagingen en wonden, van reuzen +en draken; en ’t ongeluk daarbij was, dat hij al dien onzin voor wezenlijke en waarachtige waarheid hield en er niet minder +geloof aan schonk, dan aan de beste wereldgeschiedenis, die hem toevallig in handen kwam. + +</p> +<p>De vreemde verwarring zijner begrippen bracht hem tot het nog vreemder voornemen, om tot vermeerdering van zijn roem en tot +heil der wereld een dolend ridder te worden, in ridderlijke wapenrusting het land door te trekken en even zoo groote heldendaden +te verrichten, als waarvan hij in de oude romans gelezen had. Zijne verbeelding spiegelde hem met levendige kleuren de ongehoorde +avonturen en gevaren voor de oogen, door welker heldhaftig bestaan hij zich een onvergankelijken roem verzekeren moest. Door +de kracht van zijn arm zag hij zich zelf reeds tot machtig keizer gekroond, en hij meende, dat het hem althans zeker gelukken +moest een koningskroon te veroveren, gelijk al verschillende dolende helden dat in den ouden tijd hadden gedaan. Hij gaf zich +meer en meer aan deze streelende gedachten over en achtte nu eindelijk den tijd gekomen, om zijn dolzinnig besluit ten uitvoer +te brengen. + +</p> +<p>Zijn eerste werk was, dat hij aan het opknappen en schoonmaken van eene overoude, door een zijner voorzaten gedragen wapenrusting +ging, welke hij uit een donkeren hoek van de rommelkamer had opgeschommeld. In ’t zweet zijns aanschijns wreef hij er met +een wollen lap en puimsteen de roestvlekken af, en hij was innig voldaan, als hij na uren <span class="corr" id="xd0e149" title="Bron: poetsens">poetsen</span> weer een deel van het harnas goed glad en blank had gekregen. Eerst toen hij hiermee eindelijk klaar was, bemerkte hij tot +zijn niet geringe schrik, dat nog een zeer belangrijk stuk aan zijne uitrusting ontbrak: de helm namelijk. + +</p> +<p>Deze ongelukkige omstandigheid bracht hem in de grootste verlegenheid en gaf hem veel kommer en zorg. In de hoop van den <span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3">3</a>]</span>ontbrekenden helm op te sporen, haalde hij in de rommelkamer alles onderstboven, doch vond niets dan een oude stormkap, die +bij de overige wapenstukken volstrekt niet paste en vroeger denkelijk aan den een of anderen geringen voetknecht had toebehoord. +Desniettemin was hij met die vondst niet weinig ingenomen en wist zijne scherpzinnigheid zeer spoedig middelen te vinden, +om de stormkap in een behoorlijken, schoon al niet prachtigen helm te herscheppen. Hij nam bordpapier, waarvan hij met veel +moeite en getob de benedenhelft van den helm knutselde, hechtte die aan de stormkap, verfde alles staalkleurig en kreeg zoo +een ding, dat wel nagenoeg het fatsoen van een ridderlijk hoofddeksel had. + +</p> +<p>Nu diende nog de proef te worden genomen, of zijn meesterstuk ook sterk genoeg was, om den houw van een vijand te kunnen weerstaan. +Om daar zeker van te zijn, zette hij den helm op tafel, trok zijn zwaard en deed dat met al de kracht van zijn arm daarop +neervallen. Terstond lag het heele ding in stukken, en onze held moest met schrik zien, hoe de arbeid van verscheidene dagen, +die hem zoo menigen zweetdroppel gekost had, in een ommezien tijds was te niet gegaan. + +</p> +<p>Diep bedroefd zag hij de verwoesting aan. Hij had moeite, om zijne tranen in te houden en zette zich stil in een hoek neer, +om door diep nadenken een middel uit te vinden om de schade te herstellen en in weerwil van alle hindernissen toch in het +bezit van een behoorlijken helm te komen. + +</p> +<p>Na lang hoofdbreken kwam hij tot het besluit, om het bordpapier van binnen van ijzeren staafjes te voorzien, ging terstond +aan het werk en kwam ook eindelijk tot zijn genoegen klaar. “Nu is hij sterk genoeg!” dacht hij, maar had toch den moed niet, +zijn maaksel nogmaals aan zulk eene gevaarlijke proef te onderwerpen, zoodat hij zich vergenoegde met zonder omstandigheden +zijn helm voor den besten en volmaaksten helm te verklaren, die ooit het hoofd eens dapperen ridders had gedekt. + +</p> +<p>Toen dit nu beredderd was, besteedde hij drie of vier dagen, om een gepasten en welluidenden naam voor zijn strijdros te bedenken. +Het arme beest had wel meer gebreken, dan een gulden <span class="pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4">4</a>]</span>centen en een pond wichtjes heeft, aan zijn lijf, maar Don Quichot was toch van oordeel, dat de hengst, daar die voortaan +een edelen en beroemden ridder zou dragen, ook volstrekt een naam moest hebben, die met zijne nieuwe roeping en waardigheid +strookte. Hij koos en koos weer, snuffelde al zijne ridder- en heldengeschiedenissen door en kwam na veel wikken en wegen +tot het besluit, om aan zijn knol den liefelijken en welluidenden naam van <span class="letterspaced">Rocinante</span> te geven. + +</p> +<p>Na het afdoen van deze hoogst gelukkige aangelegenheid viel hem in, dat ook hij zelf aan zijn ouden eerlijken naam een deftigen +staart moest hechten, en besloot hij dus, in ’t vervolg als manhaftig en dapper ridder onder den naam van <span class="letterspaced">Don Quichot van La Mancha</span> op te treden. + +</p> +<p>Nu eindelijk zoo de hoofdzwarigheden overwonnen waren, nu zijne wapenrusting blank gepoetst, Rocinante gedoopt en hij zelf +van een deftigen naam voorzien was, nu haperde er alleen nog maar aan, dat hij, gelijk alle dolende ridders vóór hem, naar +eene schoone dame rondzag, tot wier eer en verheerlijking de te verrichten groote daden moesten bedreven worden. + +</p> +<p>“Een dolend ridder,” sprak hij bij zich zelf, “is een onding zonder ridderlijke liefde. Hij is een boom zonder blad en bloesem, +een lichaam zonder ziel en geest. Hoe toch, als ik nu op mijne tochten een reus ontmoet en hem door de kracht van mijn arm +en van mijne dapperheid in het stof neerwerp of hem van den kop tot de teenen in tweeën hak, moet ik hem dan niet naar iemand +heen zenden, om den roem mijner dapperheid te verkonden en door heel de wereld te verbreiden? En tot wien kan ik hem beter +zenden, dan tot de uitverkorene dame van mijn hart, gelijk in alle tijden ieder avontuurlijk ridder er eene bezeten heeft? +Ik moet en wil eene aangebedene van mijn hart en van mijne gedachten vinden!” + +</p> +<p>Eens tot dit besluit gekomen, vond hij de uitvoering er van zoo heel moeielijk niet. + +</p> +<p>In de nabijheid zijner woning, in een klein gehucht, Toboso genaamd, woonde eene flinke, stevige, gezonde boerenmeid. Don +<span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5">5</a>]</span>Quichot had haar in vroeger tijd wel menigmaal gezien, en zij scheen hem recht geschikt toe, om tot de koningin van zijn hart +te worden uitverkoren. Zij heette eigenlijk Aldonza Lorenzo, maar daar die naam hem niet mooi en deftig genoeg klonk, zoo +noemde hij haar <span class="letterspaced">Dulcinea van Toboso</span>, daar hij dit voor een recht hoogdravenden, welluidenden en geheimzinnigen naam hield, die eerder aan eene prinses en hooge +dame, dan aan eene gewone boerendeerne deed denken. En dat immers was de hoofdzaak voor onzen held. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e187" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk II.</h2> +<h2 class="normal">Hoe Don Quichot zijn eersten tocht onderneemt.</h2> +<p>Alle toebereidselen waren gemaakt en Don Quichot wilde dus de volvoering van zijn koen en grootsch opzet niet langer uitstellen. + +</p> +<p>Op een warmen Julimorgen legde hij dus, zonder een sterveling iets van zijn voornemen mede te deelen, zijne wapenrusting aan, +zette den kunstig gefatsoeneerden helm op het hoofd, stak het schild aan zijn arm, greep zijne lans, besteeg Rocinante en +reed door het achterdeurtje van zijn hoenderhof de wijde wereld in. Zielsvergenoegd, dat de eerste stap op zijne loopbaan +als held hem zoo uitstekend gelukt was, zat hij op zijn strijdros, aan welks uitstekende heupschonken hij gevoeglijk al de +stukken zijner rusting als aan een paar stevige kapstokken had kunnen ophangen. Zijne voldoening was evenwel niet van langen +duur; want op eens schoot hem tot zijn geweldigen schrik te binnen, dat hij nog niet werkelijk tot ridder geslagen was en +zich dus ook niet met een ridder, die hem in den weg kwam, in een kamp mocht inlaten. Deze gedachte viel hem zoo drukkend +zwaar op het hart, dat hij bijna zijn plan <span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6">6</a>]</span>opgegeven en weer naar huis teruggekeerd was. Reeds wilde hij Rocinante den kop doen omwenden, toen hem nog tijdig inviel, +dat hij zich immers door den eersten den besten, die hem bejegende, den ridderslag kon laten geven. Deze gedachte vervulde +hem met nieuwen moed en bewoog hem, zijn gelukkig begonnen tocht getroost voort te zetten. + +</p> +<p>Toen de avond begon te vallen en Don Quichot zoowel als zijn knol van vermoeidheid en honger uitgeput waren, keek onze held +naar alle kanten rond, of hij niet ergens een trots opstekenden ridderburcht of een gastvrij slot kon ontdekken, waar hij +gelegenheid vond, om zijne behoeften te bevredigen en nachtrust te houden. Tot zijne blijdschap zag hij niet ver van zijn +weg eene herberg staan, waarop hij aanreed en die hij, voordat het nog ten volle donker was, bereikte. Toevallig stonden voor +de deur twee ganzenmeiden, die vroolijk met elkaar praatten en wier heldere stemmen hem reeds van verre in de ooren klonken. + +</p> +<p>Daar nu echter vriend Don Quichot alles, wat hem voorkwam, met de oogen van zijn verwarden geest zag en zich zoodoende de +wonderlijkste dingen inbeeldde, zoo hield hij ook de herberg hier niet maar voor een gewone kroeg, maar meende in haar een +echten en wezenlijken ridderburcht met torens en grachten, met wallen en ophaalbruggen voor zich te hebben. Toen hij er nog +weinig passen van verwijderd was, bracht hij zijn paard tot staan en geloofde niets anders, of daar zou nu een dwerg op den +torentrans verschijnen en door schetterend hoorngeschal verkondigen, dat een ridder door de burchtpoort verlangde toegelaten +te worden. Tevergeefs wachtte hij eene poos, en Rocinante, die niet weinig naar den stal, naar voeder en rust verlangde, nam +eindelijk de teugels tusschen de tanden en stapte bedaard op de deur van de herberg toe, zonder dat Don Quichot in staat was, +het koppig dier tegen te houden. Voor de huisdeur bleef hij staan, en Don Quichot kreeg nu de beide morsige ganzenmeiden in +het oog, welke zijne dolle verbeelding echter dadelijk in edele en hoogst bevallige jonkvrouwen herschiep, die zich voor de +burchtpoort een weinig in de koele avondlucht vermeidden. +<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7">7</a>]</span></p> +<p>Terwijl hij haar nog vol eerbied aanzag, wilde het toeval, dat de varkenshoeder met zijne kudde van een stoppelland naar huis +kwam en bij het bereiken van het dorp uit zijn horen eenige luide, krachtige tonen lokte. Nu geloofde Don Quichot wat zijne +verbeelding hem had voorgespiegeld ten volle bewaarheid te zien; want hij hield den zwijnenhoeder voor den ontbrekenden dwerg +en sprong vroolijk van het paard, om de beide schoone adellijke jonkvrouwen, dat wil zeggen de ganzenhoedsters, met eerbiedige +buiging te begroeten. De meiden echter, toen zij zoo onverwachts een geharnasten ridder voor zich zagen, gilden en gierden +het uit en vluchtten vol schrik de herberg in. Don Quichot, die zich dit vreemd gedrag niet verklaren kon, snelde haar na, +riep haar terug, lichtte het vizier van zijn helm op, ontdekte zijn mager, bestoven gezicht en zeide met lispelende stem en +onder eene diepe buiging: “Mijne edele en hooggeboren jonkvrouwen, vlucht toch niet zoo voor een ridder, van wien gij nooit +in der eeuwigheid eenige oneerbiedige behandeling te duchten hebt, maar die veeleer bereid is, u ten allen tijde naar zijn +beste vermogen te dienen en bij te staan.” + +</p> +<p>Op eene haar zoo vreemde en ongehoorde wijze aangesproken, barstten de beide deernen in een luid, schaterend lachen uit en +maakten zulk een leven en misbaar, dat Don Quichot in ’t eind ernstig boos begon te worden. Evenwel bedwong hij zijne drift +en sprak: + +</p> +<p>“Mijne geëerde dames, zonder reden zoo te lachen verraadt onverstand. Gelieft dit echter niet als eene beleediging te beschouwen; +want ik herhaal u met den diepsten eerbied, dat ik bloed en leven aan uw dienst wensch toe te wijden.” + +</p> +<p>De dolle taal van den gekken ridder deed de meiden, in plaats van haar tot bedaren te brengen, nog maar harder te lachen, +en Don Quichots ergernis klom reeds tot een bedenkelijken graad, toen nog juist van pas de dikke herbergier voor de deur verscheen +en als een vreedzaam man vrede zocht te stichten. Niettegenstaande zijne goede bedoeling was hij echter bijna zelf in den +lach geschoten, toen hij de wonderbaarlijk kluchtige figuur van onzen ridder wat <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8">8</a>]</span>nader had opgenomen; alleen het gezicht van de dreigende lans in Don Quichots vuist maakte, dat hij zich met geweld goedhield. +Hij trad met eene beleefde buiging op den held toe en zeide uitermate vriendelijk: + +</p> +<p>“Heer ridder, ingeval gij misschien nachtkwartier zoekt, zult gij in mijn huis op de kostelijkste manier bediend worden.” + +</p> +<p>Don Quichot nam den dikken waard van het hoofd tot de voeten op en meende uit zijne woorden te mogen opmaken, dat deze de +bewaarder van den ingebeelden burcht was. Zoo antwoordde hij dan, dat hij zelf met alles zou tevreden zijn, mits men maar +zorg wilde dragen voor zijn ros, welks weerga in kracht en schoonheid men in de geheele wereld tevergeefs zou zoeken. + +</p> +<p>De waard keek den mageren Rocinante aan en schudde glimlachend zijn dik hoofd. Evenwel greep hij het dier gewillig bij den +teugel, leidde het in den stal en keerde vervolgens tot zijn gast terug, om te vernemen, wat die verder zou te gelasten hebben. + +</p> +<p>In de gelagkamer tredend, vond hij daar Don Quichot onder de handen der beide ganzenmeiden, die na eene roerende verzoening +thans druk bezig waren, den dolenden ridder van zijne zware wapenstukken te ontlasten. Borst- en rugharnas hadden zij hem +reeds <span class="corr" id="xd0e221" title="Bron: losgegepst">losgegespt</span>; maar met den helm konden zij onmogelijk klaarkomen, daar die met eenige groene koorden stijf aan het pantser vastzat. Die +koorden waren dusdanig in de war geraakt, dat men ze zou moeten doorknippen, om den held van den zwaren last van den helm +te bevrijden. Dit echter wilde Don Quichot volstrekt niet toelaten, en daarom hield hij den helm liever den ganschen nacht +op het hoofd; wat wel zeer krijgshaftig stond, maar ook zeker een weinig lastig en vermoeiend moest wezen. + +</p> +<p>Onderwijl vroeg de waard, die telkens moeite had, het niet uit te proesten, wat de edele ridder wel tot avondmaaltijd verlangde, +en deed daarbij een hoog woord van zijn visch, die wat smakelijkheid betreft, in geheel Spanje haar weerga niet moest hebben. +Don Quichot dacht nu natuurlijk aan versche visch, aan baars en forellen; maar de waard had stokvisch bedoeld en kwam met +een groot stuk daarvan aansleepen. Dit was slecht gekookt en <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9">9</a>]</span>ellendig toebereid; maar nog ellendiger was het zwarte en beschimmelde brood, dat daarbij den armen dolenden ridder werd voorgezet. + +</p> +<p>Daar hij een honger als een paard had, stoorde onze held zich daar nochtans weinig aan. Hij viel terstond gretig op de spijzen +aan; doch toen hij den eersten hap aan zijn mond wilde brengen, kwam hij tot zijn schrik tot de ontdekking, dat hij om zijn +helm geen beet over de lippen zou kunnen krijgen. De ondeugende meiden stonden eerst te schudden van lachen over zijne verlegenheid, +maar waren toen toch goedhartig genoeg om hem tot het gewichtig werk der spijziging haar gullen bijstand te verleenen. De +eene hield daartoe het vizier van zijn helm in de hoogte, terwijl de andere hem visch en brood brok voor brok in den mond +stopte. + +</p> +<p>De honger van den edelen held werd op die wijze dan ook gestild. Maar hoe zou hij nu den dorst lesschen, die door den sterk +gezouten visch in niet geringe mate was toegenomen?—De dikke waard wist raad daarvoor. Hij stak hem de dunne pijp van een +trechter in den mond en goot daar van boven den wijn in, die op die manier heel verkwikkelijk in des armen lijders droge keel +neerstroomde. Dat de helft van den wijn den mond voorbij en hem de broekspijpen weer uitliep, oordeelde de held van zoo groot +belang niet tegenover de zoete voldoening, dat hij daardoor de groene koorden van zijn helm had gered. + +</p> +<p>Terwijl hij nog aan de pijp zoog, kwam toevallig een ezeldrijver de herberg voorbij en begon onder de vensters een deuntje +op zijne dwarsfluit te blazen. Deze toevallige omstandigheid versterkte Don Quichot ten volle in zijne inbeelding, dat hij +zich in een beroemd ridderlijk kasteel ophield, dat hij door edele dames werd bediend, dat de stokvisch forellen en ’t beschimmelde +brood pasteitjes waren, en dat eindelijk de dikke waard de slotvoogd was. Door die zekerheid en misschien zoo wat half door +den hem ingepompten wijn geraakte hij dan ook zoetjes aan in eene vrij jolige stemming en bleef de gedachte, dat hij nog niet +tot ridder was geslagen, bijna ’t eenige, dat hem kwelde. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10">10</a>]</span></p> +</div> +<div id="xd0e235" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk III.</h2> +<h2 class="normal">De ridderslag.</h2> +<p>Toen de wonderbaarlijke maaltijd op die wijze was afgeloopen, wenkte Don Quichot den waard ter zijde, bracht hem in den stal, +sloot zich daar met hem op, viel voor hem op de knieën neder en hief smeekend de handen tot hem op. + +</p> +<p>“O, gij dapperste van alle ridders en slotvoogden,” sprak hij tot hem, “hier wil ik knielen en ik zal niet weer opstaan, voordat +gij mij met bovenmenschelijke goedheid en genade één wensch vervuld hebt, waarvan de verhooring u tot eeuwigen roem en de +gansche wereld tot heil en zegen zal strekken.” + +</p> +<p>De dikke herbergier zag den knielenden held met verbaasde oogen aan en was niet weinig verlegen. Hij wist niet, hoe hij zich +in dit geval gedragen moest, en verzocht Don Quichot met alle beleefdheid, dat hij toch maar opstaan en zijne wenschen op +verstandige manier aan den dag leggen mocht. Don Quichot verroerde zich echter niet van de stee en rustte niet, voordat de +waard beloofd had te doen, wat hij van hem begeeren zou. + +</p> +<p>“Ik dank u voor uwe grootmoedigheid,” sprak hij hierop “en zal u nu mijn verlangen openbaren. Dat bestaat hierin, dat gij +mij morgen vroeg tot ridder slaan en mij vergunnen wilt, dezen nacht in de kapel van uw kasteel mijne wapenwake te houden. +Hebt gij dat gedaan, dan wil ik de wijde wereld intrekken en wil vechten en strijden, totdat de roem mijner daden de aarde +met verbazing en bewondering vervult; want dit is de plicht der dolende ridderschap, tot welke ik van den dag van morgen af +hoop te behooren.” + +</p> +<p>De dikke herbergier was een guit van een kerel, en nu hij den edelen ridder daar zoo hoorde doordraven, begreep hij terstond, +dat het bij dezen in de bovenverdieping niet recht pluis moest wezen. Dus nam hij zich dan ook voor eens terdege pret met +hem te <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span>hebben, en antwoordde met een deftig, uitgestreken gezicht, dat hij zeer gaarne bereid was, den wensch van een zoo dapper, +volmaakt en roemruchtig ridder te vervullen. Hij versterkte hem in het geloof, dat hij zich werkelijk in een groot en prachtig +slot bevond, en betreurde alleen voor ’t oogenblik geen kapel tot zijne beschikking te hebben, daar de oude kort geleden was +afgebroken, om weer nieuw te worden opgebouwd. + +</p> +<p>“Maar toch, waardige held,” voegde hij er bij, “kunt gij hier getroost uwe wapenwake houden, daar in tijd van nood iedere +plaats tot dat doel goed en passend is. Doe het dezen nacht in een binnenhof van het slot, en morgen wil ik alsdan de noodige +toebereidselen maken en alles zoo inrichten, dat gij tot een zoo volmaakt ridder wordt geslagen, als er maar een op twee beenen +loopt.” + +</p> +<p>Na deze troostrijke toezegging vroeg hij Don Quichot, of hij ook geld bij zich had. Tot zijne verwondering antwoordde de ridder +ontkennend en voegde er bij, nog nooit gelezen te hebben, dat een braaf dolend ridder met ander nietig metaal, dan zijn goed +harnas, was bezwaard geweest. + +</p> +<p>“Ei, dan moeten de schrijvers van uwe heldengeschiedenissen ’t niet recht goed geweten hebben,” antwoordde de guitige herbergier +met gemaakte deftigheid. “Ik voor mij heb altijd gehoord, dat alle avontuurzoekende ridders op hunne tochten wel wezenlijk +goed gespekte beurzen, schoone hemden en buitendien een doosje met wonderbalsem meenamen, om de in ’t gevecht bekomen wonden +en kwetsuren te heelen, en dat zij die dingen, als ze geen schildknaap bij zich hadden, in een daartoe aan den zadel aangebrachten +knapzak bewaarden. Neem dus goeden raad van mij aan, hoogedele Don Quichot: rijd, als ge van mij den ridderslag hebt ontvangen, +naar huis, zorg voor geld en andere noodwendige behoeften, neem, zooals dat een held betaamt, een schildknaap in dienst en +rijd dan in vredesnaam opnieuw op ontmoetingen en avonturen uit.” + +</p> +<p>Don Quichot beloofde dezen welgemeenden raad stiptelijk te zullen opvolgen, en verklaarde zich bereid, zijne wapenwake op +een binnenhof van den burcht te houden. + +</p> +<p>Zonder dralen sleepte hij daarop de stukken zijner wapenrusting <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12">12</a>]</span>naar buiten, legde die op den trog voor den waterput en begon toen, met het schild aan den arm, de lans in de vuist, met de +grootst mogelijke deftigheid en waardigheid daarvoor op en neer te stappen. + +</p> +<p>Het was onderwijl vrij laat geworden en de dikke waard haastte zich al de wonderlijke dingen van ridderslag en wapenwake, +die hij van Don Quichot vernomen had, aan zijne gasten in de gelagkamer zoo heet van den rooster over te vertellen. De menschen +liepen nu lachend naar het venster en, daar de maan helder scheen, zagen zij daar den goeden Don Quichot parmantig en in volle +glorie voor zijne wapens heen en weer kuieren. Nu en dan bleef hij, op zijne lans leunend, eenige oogenblikken nadenkend staan, +keek zuchtend tot de maan op en begon dan opnieuw zijne eentonige wandeling. + +</p> +<p>Nu schoot een muilezeldrijver onder de gasten op eens te binnen, dat hij zijne beesten nog te drinken moest geven. Hij trad +dus buiten in den hof en naderde den put, om de wapenstukken van den trog te nemen, daar hij anders niet bij het water kon +komen. Zoodra nu echter Don Quichot hem in het oog kreeg, stelde deze zich dreigend in postuur en keek den komende grimmig +aan. + +</p> +<p>“Terug, vermetel ridder!” riep hij. “Wie gij ook zijn moogt, die u zoo roekeloos verstout de hand naar mijne wapens uit te +steken, hoed u, dat gij niet het leven laat tot straffe voor uw dolzinning bestaan!” + +</p> +<p>De ezeldrijver stoorde zich zoo weinig aan die hoogdravende taal, dat hij de hem in den weg liggende wapens zonder omstandigheden +bij de riemen oppakte en ze, ’t eene stuk rechts, ’t ander links, op den grond smeet. + +</p> +<p>Toen Don Quichot dit zag, ontstak hij in hevigen toorn, verdraaide de oogen, liet zijn schild los, greep met beide handen +zijne lans en liet die met zooveel geweld op het hoofd van den armen ezeldrijver neervallen, dat dezen hooren en zien verging +en hij dadelijk bewusteloos neerstortte. + +</p> +<p>Zonder verder naar den overwonneling om te zien, raapte Don Quichot bedaard zijne wapens weer op, legde ze andermaal op den +trog neer en zette zijne wandeling met alle deftigheid voort. + +</p> +<p>Het duurde echter niet lang, of daar kwam een tweede ezeldrijver <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13">13</a>]</span>die volstrekt niet wist van hetgeen met zijn kameraad gebeurd was, en ontving van Don Quichot dezelfde waarschuwing, om zich +op een afstand te houden. Daar de man dit nu niet dadelijk deed, hief de bedreigde ridder andermaal zijne lans op en bracht +den armen drommel, die heel niet wist, wat hem overkwam, een paar zoo geweldige slagen op het hoofd toe, dat het bloed er +bij neerstroomde en de onnoozele sukkel jammerlijk begon te schreeuwen en te huilen. Dit gerucht deed den herbergier en zijne +gasten verschrikt toeschieten en met verbaasdheid zien, wat gebeurd was. En toen hij bemerkte, welk machtig leger tegen hem +in aantocht was, greep de wakkere ridder nu zijn zwaard en riep uit: + +</p> +<p>“Nu, o Dulcinea, koninginne van mijn hart, nu is het tijd, dat gij uwe oogen op mij richt en ziet, welk vreeselijk en schrikbarend +avontuur ik hier te bestaan heb.” + +</p> +<p>De dreigende gebaren, waarmede Don Quichot zijne wapens zwaaide, zijne vlammende blikken en onmiskenbare vastberadenheid boezemden +den menschen zooveel ontzag in, dat zij terstond staan bleven en zich niet nader waagden. Om toch iets te doen, raapten zij +echter steenen van den grond op en begonnen daarmee op veiligen afstand zulk een hevig bombardement, dat Don Quichot zich +daar met zijn schild onmogelijk tegen kon dekken. Hij ontving dus menig harden bons, maar week geen voet van de plaats, daar +hij liever zijn leven dan ook maar één enkel stuk van zijne wapenrusting wilde verliezen. + +</p> +<p>De herbergier, die medelijden met den armen held begon te krijgen, trad eindelijk als bemiddelaar op en zocht de aanvallers +tot bedaren te brengen door hun te herinneren, dat Don Quichot niet recht wijs was, wat hij hun vroeger ook al had gezegd. +Zijne dringende toespraak en des ridders ernstige bedreiging, dat hij den een na den ander den schedel zou klooven, hadden +eindelijk ten gevolge, dat men den bont en blauw gesteenigden held verder met rust liet. Deze gaf nu den deerlijk gekwetsten +ezeldrijver vrijheid, om zijns weegs te gaan, vatte de lans weer op en zette zijne wandeling voort, alsof er hoegenaamd niets +was voorgevallen. + +</p> +<p>Onderwijl begreep de waard, dat het nu tijd werd, aan de grap <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14">14</a>]</span>voorgoed een einde te maken, en besloot dus onzen heldhaftigen vriend maar terstond zonder verder uitstel tot ridder te slaan. + +</p> +<p>“Hoogedele heer,” sprak hij op eerbiedigen toon, “gij hebt thans ten volle uw plicht vervuld en door de heldhaftige verdediging +uwer wapens uwe bovenmenschelijke dapperheid doen blijken. Ik acht het dus niet noodig, dat gij hier tot den morgen staan +blijft, maar reken mij verplicht, u nu dadelijk hier onder den blooten hemel den ridderslag te geven.” + +</p> +<p>Door deze nederige toespraak, waarin een zoo hooge lof voor hem lag opgesloten, niet weinig gestreeld, toonde Don Quichot +zich dan ook terstond bereid den slag te ontvangen; en om aan de zaak de behoorlijke plechtigheid bij te zetten, haastte de +herbergier zich de beide ganzenmeiden en een keukenjongen te halen, om er als getuigen bij te dienen. Hierop beval hij den +gekken ridder, neer te knielen, vroeg hem zijn zwaard en bracht hem daarmee twee zoo duchtige slagen op de schouders toe, +dat ieder ander dan onze standvastige held het daarbij van pijn zou uitgeschreeuwd hebben. De dikke waard hield hierop eene +korte toespraak, beval toen aan de meiden, welke Don Quichot nog altijd voor voorname, schoone jonkvrouwen hield, hem zwaard +en sporen aan te gespen, en verklaarde, dat de ceremonie hiermee naar eisch was afgeloopen. + +</p> +<p>De nieuwbakken ridder dankte alle drie, den slotvoogd en de dames, voor hunne liefdediensten, hunne gunst en genade, en ging +vervolgens in den stal, om Rocinante te zadelen en buiten te brengen. Hij kon namelijk niet besluiten den ganschen nacht in +de herberg door te brengen. De dorst naar avonturen en ridderlijke daden dreef hem voort; en de waard, maar blij, dat hij +hem kwijtraakte, liet hem trekken, zonder zelfs voor de huisvesting en de ellendige stokvisch betaling van hem te vergen. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p014.jpg" alt="De Ridderslag." width="476" height="720"><p class="figureHead">De Ridderslag.</p> +</div><p> + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15">15</a>]</span></p> +</div> +<div id="xd0e302" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk IV.</h2> +<h2 class="normal">Waarin braaf gerost en geranseld wordt.</h2> +<p>De morgen begon juist te schemeren, toen Don Quichot de herberg verliet en welgemoed zijn tocht vervolgde. Zijne opgewonden +verbeelding spiegelde hem reeds allerlei grootsche en ongehoorde wapenfeiten voor, toen hem op eens de goede raad inviel, +dien de waard hem had meegegeven, te weten, om zich vooral van geld, schoon linnen en een schildknaap te voorzien. Dit deed +hem dus besluiten naar zijne woonplaats terug te keeren en Rocinante den weg te doen inslaan naar het dorp, waar hij het levenslicht +aanschouwd had. Het paard scheen zijn voornemen te begrijpen en nog meer dan hij naar den bekenden stal te verlangen. Het +draafde lustig voort en scheen met zijne hoeven nauwelijks de aarde te raken. + +</p> +<p>Op eens trok Don Quichot de teugels aan en luisterde. Een klagend gekerm drong hem uit een dicht kreupelbosch in de ooren, +en terstond stuurde hij zijn paard op de plaats, van waar dat geluid kwam, aan. Hij was nauwelijks vijftig passen ver, toen +hij eene vastgebonden merrie en daar dicht bij een ongeveer veertienjarigen knaap ontdekte, welke die klagende tonen uitstiet. +De jongen was aan een boom vastgebonden en zijn bovenlichaam tot aan de heupen ontbloot. Een stevige boer stond achter hem, +ranselde den schreeuwenden knaap met een dik touw ongenadig af en deed op iederen slag de vermaning volgen: “Mond open, oogen +toe, mijn jongen!” + +</p> +<p>Don Quichots hart zwol van toorn en verontwaardiging, terwijl hij den boer met donderende stem toevoegde: “Gij zijt een schandelijk +en eerloos ridder, daar gij u zoo aan een weerlooze vergrijpen durft! Laat hem los, bestijg uw strijdros en grijp uwe lans, +opdat wij elkaars krachten beproeven; want ik zweer u en wil <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span>u bewijzen, dat uwe handelwijze de ergste lafhartigheid verraadt.” + +</p> +<p>Bij het hooren van de dreigende stem en ’t zien van den geharnasten ridder, die met gevelde lans op hem toe kwam, hield de +boer zich reeds voor een man des doods en antwoordde met schrik: “Edele heer, deze knaap hier heeft zijne tuchtiging dubbel +en dwars verdiend. Hij is een van mijne knechts en hoedt mijne schapen, maar past zoo slecht op zijn plicht, dat ik om den +anderen dag een stuk kwijtraak, om ’t nooit weer te zien te krijgen. Als ik hem dan een pak ransel geef, dan zegt hij, ofschoon +’t een schandelijke leugen is, dat ik dat uit booze vrekkigheid doe en omdat ik hem zijn verdiende loon niet wil betalen.” + +</p> +<p>“Dat liegt gij, goddelooze schobbejak!” riep Don Quichot, die uit pure ridderlijkheid voor den zwakkere partij koos. “Gij +liegt! Bind terstond den jongen los en betaal hem, wat hem toekomt, als gij niet op staanden voet met mijne lans doorboord +wilt worden.” + +</p> +<p>In zijn angst bond de boer den jongen rekel los, en Don Quichot vroeg dezen laatsten, hoe veel geld zijn heer hem schuldig +was. + +</p> +<p>“Negen en zestig realen,” antwoordde snikkend de gauwdief. + +</p> +<p>Zijn meester stond bij dit antwoord geheel verbijsterd en hief van verbaasdheid beide handen omhoog; doch de ridder beval +hem, die som terstond zonder tegenspraak te betalen. + +</p> +<p>“En al moest ik hier nu zoo dadelijk op de plaats dood blijven, dat geld geven kan ik niet,” riep de boer. “Ik sleep de realen +maar zoo niet in mijn zak mee. Als de jongen echter met mij naar huis wil komen, dan zweer ik u, heer ridder, dat hij hebben +zal, wat hem eerlijk toekomt.” + +</p> +<p>“Neen, meegaan wil ik niet,” huilde de knaap. “Geloof mij, edele ridder, als hij mij weer onder zijn klauwen krijgt, dan haalt +hij mij bij levenden lijve ’t arme vel over de ooren.” + +</p> +<p>“Neen, dat zal hij niet, maar hij zal doen, wat ik hem gelast. Hij moet mij op zijn woord beloven, dat hij u betalen zal, +en de hemel moge hem genadig zijn, wanneer hij als een slecht en valsch ridder zijn woord brak. Ga gerust met hem.” + +</p> +<p>“Maar hij is heelemaal geen ridder, heer!” huilebalkte de jongen. <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span>“Hij is maar de rijke boer Juan Haldudo uit Quintanar en anders niets.” + +</p> +<p>“Dat doet er niet toe,” verklaarde Don Quichot; “ook onder de Haldudo’s kunnen ridders zijn, en ik zeg u, als uw heer u niet +betaalt, dan zal ik weeromkomen, om hem te tuchtigen. Weet, dat ik de beroemde dolende ridder Don Quichot van La Mancha ben, +de verdelger aller boozen, de beschermer der onschuld en de toevlucht der onderdrukten. Ga daarom met uw meester, mijn zoon! +Hij zal niet wagen u kwaad te doen, daar ik u onder mijne bescherming heb genomen.” + +</p> +<p>De boer zwoer bij hoog en bij laag, dat hij den knaap behoorlijk behandelen zou, en Don Quichot gaf zijn ros de sporen en +stoof heen in galop. Niet zoodra was hij echter uit het gezicht, of de boer keerde zich tot zijn knecht en zeide: “Kom nu +hier, m’n kereltje: ik wil je betalen, wat je toekomt, en dat met rente en interest. Kom hier, zeg ik!” + +</p> +<p>En met die woorden pakte hij hem, bond hem opnieuw aan den eik vast, waar hij den bengel zoo jammerlijk afranselde, dat zijn +huilend brullen wijd en zijd door het bosch klonk en hij den wakkeren ridder, aan wien hij dat pak te danken had, naar den +diepsten afgrond wenschte. + +</p> +<p>“Roep nu je bevrijder, mijn zoon!” spotte de boer, terwijl hij zijne slagen als hagel neer liet vallen. “Toe, roep hem nu +en zie, of hij je hooren en helpen zal! Wacht, ik wil je leeren, tegen je meester rebellig te wezen. Klets, klets, klets!” + +</p> +<p>En hij beukte op den jongen los, tot zijn arm er lam van werd. Toen eerst bond hij hem los en joeg hem weg met een duchtigen +schop tot reispenning. + +</p> +<p>Onderwijl sjokte Don Quichot in sukkeldraf zijns weegs en verheugde zich over zijn werk, daar hij weinig vermoedde, hoe zijn +pas bevrijde beschermeling thans opnieuw onder de slagen zijns kastijders stond te kreunen en te krimpen. Maar daar op eens +zag hij in de verte eene stofwolk opstijgen, welke hij terstond voor een troep stroopende roofridders hield, niettegenstaande +’t eenvoudig zes vreedzame kooplieden met hunne dienaren waren, die <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18">18</a>]</span>van Toledo naar Murcia trokken, om daar hunne handelszaken af te doen. Don Quichot herinnerde zich intusschen wat hij vroeger +in zijne oude riddergeschiedenissen gelezen had, en besloot op dezelfde wijze te werk te gaan als die onvergelijkelijke helden, +welke hij zich eens voor al tot schitterend voorbeeld had gesteld. Hij zette zich dus met kalme bedaardheid vaster in den +zadel, dekte zijne borst met het schild, legde de lans aan en bleef in deze houding de langzaam naderende kleine karavaan +roerloos afwachten. Toen nu de vreemde ridders, want voor dezulken hield hij hen, binnen het bereik zijner klinkende stem +waren gekomen, deed hij zijn mond open en schreeuwde hun uitdagend toe: + +</p> +<p>“Wie gij ook zijn moogt, ik zal u geen doortocht gunnen, voordat gij verklaard en betuigd hebt, dat Dulcinea van Toboso, mijne +uitverkorene dame, de nobelste en schoonste jonkvrouw op den grooten, wijden aardbodem is!” + +</p> +<p>De kooplieden konden uit Don Quichots gansche toetakeling en uit de dolle taal, die hij uitsloeg, wel dadelijk opmaken, dat +het met hem daar boven niet recht pluis moest wezen, en een van hen, een jolige snaak, antwoordde dus dadelijk met even groote +deftigheid: “Koen, dapper en roemwaardig ridder! wij hebben den naam van de eerbare jonkvrouwe, dien gij daar uit- galmt, +nog nooit gehoord en hebben dus ook geen sikkepitje tegen haar in te brengen. Laat ons dan zien, hoe zij is, en is zij werkelijk +het toonbeeld van schoonheid, waarvoor gij haar uitgeeft, dan zullen wij haar eer en lof volgaarne overal uitbazuinen.” + +</p> +<p>“Dat is maar dwaze praat!” voegde Don Quichot hun toe. “Als ik haar toonde, zou ’t geen verdienste wezen, dat ge voor haar +op de knieën neervielt. Neen, ook zonder haar liefelijk aangezicht te aanschouwen zult gij gelooven, bekennen en bezweren, +dat zij de schoonste op aarde is, of allen door de kracht mijner lans in het stof worden neergeworpen. Komt nader dan, komt +nader, een voor een of allen te gelijk, en ik wil u toonen, wat straf hen wacht, die wagen, aan de edele en hooge dame Dulcinea +van Toboso de verschuldigde achting te ontzeggen.” + +</p> +<p>“Ei, heer ridder, hoe kunt gij u ook zoo schrikbarend driftig <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span>maken?” antwoordde de spotzieke koopman, met moeite zijn lachlust bedwingende. “Toont ons maar eene beeltenis van uwe aangebedene, +en al is die ook maar zoo groot als een gerstekorrel, we zullen tevreden zijn en uwe heerlijkheid alle eer bewijzen, zelfs +als uit dat konterfeitsel blijkt, dat de edele Dulcinea erg scheel ziet en voor en achter een bochel heeft.” + +</p> +<p>“Ellendige, laaghartige schavuit!” riep Don Quichot, ten uiterste verontwaardigd. “Doña<a class="noteref" id="xd0e361src" href="#xd0e361">1</a> Dulcinea van Toboso kijkt niet scheel, en nog veel minder wordt haar edele gestalte door een bult ontsierd. Maar gij zult +voor uwe snoode lastering het met den dood boeten.” + +</p> +<p>En nog terwijl hij dit uitschreeuwde, gaf hij Rocinante de sporen en stormde met zulk een geweld op den spotachtigen koopman +in, dat hij hem met zijne lans doorboord zou hebben, zoo niet een gelukkig toeval dat dreigend gevaar had afgewend, De arme +Rocinante namelijk, op dat harde rennen nog niet afgericht, stiet tegen een steen aan, struikelde, stortte neer en slingerde +zijn ridderlijken berijder met zooveel kracht uit den zadel, dat hij wel tien passen ver door de lucht vloog. Hij deed wel +al zijn best, om zich van zijn val weer op te richten; doch de zware last zijner rusting belette hem dat. Desniettegenstaande +ging hij voort met schimpen en razen en overstelpte de kooplieden met een vloed van scheldwoorden, terwijl dezen daarbij zaten +te schudden van lachen. + +</p> +<p>Maar het spektakel, dat hij maakte, begon eindelijk een der muilezeldrijvers van het gezelschap te vervelen en deed hem besluiten, +den gevallen ridder op krachtdadige wijze tot zwijgen te dwingen. Hij steeg van zijn lastdier, ging op Don Quichot toe, rukte +hem de lans uit de hand, brak die door midden, nam het dikste eind en beukte daarmee zoo lang op den nog voortdurend schimpenden +en scheldenden ridder los, tot hij zijn knuppel in duizend splinters had geslagen. Vervolgens nam hij het andere stuk van +de lans en bediende zich daarvan op dezelfde wijze tegen den armen gevallene, die daarom toch den mond niet hield, maar hemel +en aarde tot getuigen van de schandelijke behandeling aanriep, die hij <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20">20</a>]</span>van zulke ellendige gauwdieven en straatroovers ondergaan moest. + +</p> +<p>Toen eindelijk de kerel moe werd en Don Quichot eene ongenadige dracht slagen had ontvangen, zetten de kooplieden hunne reis +voort, zonder zich verder om den jammerlijk toegetakelden held te bekommeren. Deze hernieuwde nu nog eens zijne pogingen om +overeind te komen; doch dat gelukte hem niet, daar zijn gansche lichaam deerlijk gekneusd was en hij zijne armen en beenen +bijna heel niet kon bewegen. + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e361src" id="xd0e361">1</a></span> Spreek uit “donja”. +</p> +</div> +</div> +<div id="xd0e372" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk V.</h2> +<h2 class="normal">Hoe Don Quichot naar huis kwam en een schildknaap vond.</h2> +<p>Verscheiden uren lag Don Quichot niet ver van zijn paard stijf en roerloos op den grond en had tijd om over zijn treurig lot +na te denken, totdat toevallig een boer uit zijne nabuurschap dien weg langs kwam en den ongelukkigen ridder daar zoo vond +liggen. Die kwam hem te hulp, maakte hem den helm van het hoofd los en vroeg deelnemend, hoe het met hem was. De arme mishandelde +gaf eerst volstrekt geen antwoord, maar bracht toen op eens zulk een onzin en wartaal voor den dag, dat de goede, eenvoudige +boer er heel niet wijs uit kon worden. Het duurde lang, voordat hij de waarheid eenigermate op het spoor kwam. Eindelijk trok +hij den gekneusde zonder omstandigheden de wapenrusting en de kleederen van het lijf, onderzocht zijn geheele lichaam en vond +eene ontelbare menigte bruine, blauwe en groene plekken, die aan de krachtige slagen van den verbolgen muilezeldrijver waren +toe te schrijven. Nu begreep hij zoo nagenoeg, wat hij te doen had, tilde den armen ridder op Rocinante, bond hem op den zadel +vast, pakte de <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span>stukken der wapenrusting op zijn eigen paard, nam beide rossen bij den teugel en geleidde den dolenden ridder op die wijze +naar huis. + +</p> +<p>Onder weg kraamde Don Quichot zoo veel dwaze dingen uit, dat den eenvoudigen boer hooren en zien verging en hij hartelijk +blij was, toen hij eindelijk zonder verdere ongelukken behouden Don Quichots huis bereikt en daar terdege op de gesloten deur +gebonsd had. + +</p> +<p>Zijne nicht en de oude huishoudster waren intusschen niet weinig verbaasd geweest, toen zij op eens de afwezigheid van haren +heer bemerkten, die met ros en rusting spoorloos verdwenen scheen. In haar angst en bezorgdheid zonden zij, toen eenige dagen +verloopen waren, naar den pastoor en den barbier van het stadje, verzochten dezen, bij haar te komen, en deelden hun het vreemde +geval in al zijne kleuren en fleuren mee. + +</p> +<p>“Die verwenschte ridderboeken hebben hem het hoofd op hol gebracht,” zeide de huishoudster tot den pastoor, “en het knapste +verstand in heel Spanje totaal te gronde gericht.” + +</p> +<p>“Ja, ja, meester Nicolaas,” klaagde het nichtje, zich tot den barbier richtende, “mijn arme oom zat dagen en nachten lang +in die domme boeken te studeeren en las zoo lang, tot het hem groen en geel voor de oogen werd. Soms smeet hij het boek weg, +greep naar een ouden verroesten degen, die aan den wand hing, haalde hem uit de schede en begon er als een dolleman mee in +de lucht te schermen. Als hij dan moe werd en ’t zweet hem bij ’t gezicht neerliep, zeide hij, dat hij met vier machtige reuzen +had gekampt en alle vier doodgeslagen. Vervolgens dronk hij een groot glas water en verklaarde, dat het een kostelijke wonderdrank +was, dien hij van zijn goeden vriend, den toovenaar Esquife, had gekregen. En dan eindelijk nam hij zijne malle ridderhistories +weer op en las daarin, tot hij weer zoo’n nieuwe vlaag van razende dolheid kreeg. Zoolang die ellendige boeken niet tot asch +verbrand zijn, krijgt mijn arme oom zeker zijn verstand niet weerom.” + +</p> +<p>“Nu, dan willen wij er het vonnis over uitspreken en ze morgen aan den dag zonder genade op het vuur te gooien.” + +</p> +<p>Op dit oogenblik bonsde de boer buiten op de huisdeur, en de <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22">22</a>]</span>verzamelden sprongen op en haastten zich naar buiten, om te zien, wat er gaande was. Toen zij den verloren ridder Don Quichot +herkende, gaf de huishoudster een kreet van blijdschap en vroeg hem, waar hij zoo lang geweest was. De arme man was echter +niet in staat een verstandig antwoord te geven. Hij kwam met allerlei onzin voor den dag, en de boer, die hem gebracht had, +moest het woord nemen en vertellen, in welken toestand hij den dolenden held gevonden had. Deze werd nu met alle zorg van +het paard getild en te bed gebracht, waarop hij terstond in een diepen slaap verzonk. De overigen bleven echter nog tot laat +opzitten, om te overleggen, wat zij doen moesten om de dwaze inbeeldingen van den armen man zooveel mogelijk te keer te gaan +of althans voor het vervolg onschadelijk te maken. + +</p> +<p>Den volgenden morgen was de dag nauwelijks aan den hemel, of de ongelukkige riddergeschiedenissen ondergingen het vonnis, +dat den vorigen avond onherroepelijk over haar was uitgesproken. De pastoor, de barbier, de huishoudster en de nicht trokken +daartoe gezamenlijk naar de bibliotheek, sleepten de gansche vracht boeken naar buiten, stapelden ze als een houtmijt op elkander +en legden er een duchtig vuur onder aan. De oude stroosnijders brandden als zwavelstokken, en het duurde geen half uur, of +van heel den rommel was niets meer over dan een hoopje grauwe asch, die de wind naar alle richtingen verstrooide. + +</p> +<p>Om nu het goede werk te voltooien, deed de huishoudster toen een metselaar komen, die nog dienzelfden dag de deur naar de +bibliotheek dichtmetselen moest, zoodat men er geen spoor meer van kon ontdekken. Toen dit gedaan was, stelde zij zich gerust +en meende haren meester nu alle dolle kuren uit het hoofd te hebben gedreven of toch te kunnen drijven, daar de onzinnige +ridderromans, waaruit hij al dat vergift had gezogen, nu voor altijd onschadelijk waren gemaakt. + +</p> +<p>Onderwijl werd Don Quichot wakker, sliep weer in, werd weer wakker, at en dronk en vertelde allerlei dwaze dingen, totdat +hij zich eindelijk weer tamelijk wel gevoelde. Hij trok zijne kleeren aan, sukkelde naar zijne bibliotheek, om daar wat in +zijne geliefde <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23">23</a>]</span>boeken te studeeren, en vond—geen vertrek en zelfs geen deur meer. Op zijne verwonderde vraag vertelde zijne nicht hem, dat +een booze toovenaar de geheele bibliotheek weggehaald had; en daar dit verzinsel met de denkbeelden van den ridder vrij goed +overeenkwam, nam deze dat dan ook geloovig aan. + +</p> +<p>De eenige gedachte, die Don Quichot thans nacht en dag bezighield, was hoe hij best weer een nieuwen tocht zou ondernemen +en aan een schildknaap komen, die hem daarop vergezellen kon. Zijn buurman, een eerlijke boer zonder bijzonder veel verstand, +scheen hem voor zulk eene betrekking de meest geschikte persoon toe, en hij gaf zich dus alle moeite om den man over te halen. +In den beginne wilde Sancho Panza, zoo heette de boer, van al die dolende ridderschap hoegenaamd niets hooren; doch Don Quichot +deed hem zulke fraaie beloften en stelde hem zoo duidelijk voor, dat hij wat vroeger of later een koninkrijk of een eiland +veroveren moest, waarop hij dan Sancho Panza als stadhouder zou aanstellen, dat de goede man eindelijk toegaf en, in spijt +van vrouw en kinderen, tot het besluit kwam, den edelen Don te vergezellen. + +</p> +<p>Nadat op deze wijze eene voorname zwarigheid uit den weg geruimd was, moest de ridder van La Mancha nog geld en schoon linnen +zien te bekomen. Hij verkocht en verpandde derhalve een goed deel van zijn eigendommen en bracht zoodoende eene vrij aanzienlijke +som bijeen. Hierop lapte hij zijne wapenrusting weder op, bracht zijn helm in behoorlijken staat, kondigde Sancho Panza het +uur aan, waarop zij opbreken zouden, en drukte hem op het hart, zich toch vooral van een duchtigen knapzak te voorzien. Sancho +Panza beloofde niet alleen voor den knapzak, maar ook voor een rijdier te zullen zorgen, daar hij zijn ezel op de reis meenemen +wou. Nu wist Don Quichot zich wel niet te herinneren, dat ooit een schildknaap op een grauwtje op avonturen was uitgegaan, +maar toch had hij er vrede mee, daar hij zich voornam, den eersten den besten onheuschen ridder, met wien hij te doen kreeg, +zijn strijdros af te nemen en op die wijze beter voor Sancho Panza dan voor zichzelf te zorgen. +<span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span></p> +<p>Nadat zoo alles bezorgd en in orde gebracht was, verlieten Don Quichot en zijn schildknaap in het holst van den nacht stil +en heimelijk hun vredig dorp, zonder dat een van beiden van zijne betrekkingen afscheid had genomen. Zij haastten zich zoo +veel mogelijk, om niet achterhaald te worden, zelfs als men hen misschien nazetten mocht. Sancho Panza bungelde op zijn ezel, +rookte uit zijn kort pijpje, blies ontzettende rookwolken in de lucht en droomde van het hem toegezegde stadhouderschap zoo +levendig, alsof hij het reeds goed en wel in den zak had. Zij volgden denzelfden weg, dien Don Quichot reeds vroeger had genomen, +en raakten al spoedig in een zeer wijs en te gelijk onderhoudend gesprek verdiept, waarin de ridder zijn schildknaap opnieuw +ongehoorde dingen voorspiegelde en hem beloofde, dat hij al heel gauw koning en zijne vrouw en kinderen koningin en prinsen +of prinsessen zouden zijn. De eerlijke knaap nam al, wat zijn meester hem voorpraatte, geloovig aan, terwijl het uitzicht +op eene zoo hooge waardigheid zijne eerzucht niet weinig streelde en zijne oogen blind maakte voor alle onwaarschijnlijkheden. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e410" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk VI.</h2> +<h2 class="normal">Don Quichot en de windmolens.</h2> +<p>Onze twee hadden reeds een goed eind weegs afgelegd, toen zij op eens dertig tot veertig windmolens op de vlakte voor zich +zagen. Op dat gezicht keerde de ridder zich tot zijn schildknaap om en zeide: “Vriend, het geluk lacht ons toe, vroeger dan +wij hopen of verwachten konden. Daar voor ons staan dertig en nog meer schrikbarende reuzen. Ik wil er op losgaan, op leven +en dood met hen <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25">25</a>]</span>kampen en hun allen het levenslicht uitblazen. Als ik hen geveld heb, zullen wij rijken buit en ik zelf onsterfelijken roem +behalen, daar het een edel ridderlijk en den hemel welgevallig werk is, dat men zulke snoode reuzen van den aardbodem verdelgt.” + +</p> +<p>“Wat voor reuzen dan?” vroeg Sancho Panza, verwonderd rondkijkend en niets dan die onschuldige windmolens ontdekkend. + +</p> +<p>“Daar staan zij,” antwoordde Don Quichot en wees op de windmolens, “daar staan ze en zwaaien hunne geweldige armen, die wel +twee mijlen en meer lang zijn.” + +</p> +<p>“Die dingen daar, doorluchtige heer?” vroeg Sancho, ten uiterste verbaasd. “Wel, lieve hemeltje, dat zijn immers windmolens, +maar geen reuzen. Wat gij de armen noemt, dat zijn de wieken, die door den wind rondgedraaid worden en de molensteenen aan +den gang brengen.” + +</p> +<p>“Ik merk, dat gij nog heel weinig van avonturen weet,” riep Don Quichot. “Dat zijn de reuzen; en als u de angst om het hart +slaat, blijf dan op een afstand en zie toe, hoe ik den geduchten en ongelijken strijd met hen wagen zal.” + +</p> +<p>Met deze woorden drukte hij den mageren Rocinante de sporen in de ribben en stoorde zich niet meer aan het roepen van zijn +verwonderden schildknaap, die hem nog altijd met al de kracht zijner longen naschreeuwde, dat hij gewone windmolens en geen +reuzen of ridders voor zich had. Don Quichot had zich nu eens die reuzen in het hoofd gezet en zag zelfs zijne dwaling nog +niet in, toen hij reeds dicht bij de molens gekomen was. Met donderende stem riep hij hun toe: + +</p> +<p>“Staat, gij ellendige en lafhartige schepsels! Staat en vlucht niet! Een eenig ridder nadert, die u het hoofd biedt en u in +het stof zal nederwerpen!” + +</p> +<p>Op dit oogenblik stak een lichte wind op; die de wieken der molens langzaam in beweging bracht. Don Quichot hield dit voor +een antwoord en eene uitdaging en schreeuwde vol strijdlust: + +</p> +<p>“En al had gij ook zooveel armen, als de honderdarmige reus Briareus, toch zult gij overwonnen worden en mij aan mijne voeten +om genade smeeken.” +<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26">26</a>]</span></p> +<p>Met deze woorden maakte hij zich tot den kamp gereed, dacht aan zijn hooge gebiedster Dulcinea van Toboso, riep hare machtige +bescherming tegen het dreigende gevaar in, dekte zijn borst met het schild, velde de lans, stoof in wilden galop vooruit en +richtte onversaagd zijn aanval op den naastbij staanden windmolen. De scherpe lans ging door een der wieken heen, welke de +wind juist op dat oogenblik met vermeerderde snelheid ronddraaide; zij brak dadelijk in stukken, terwijl ruiter en ros overhoop +geworpen en, leelijk bezeerd en gekneusd, een eind ver weggeslingerd werden. Nu schoot Sancho Panza toe, zoo vlug als zijn +grauwtje maar draven kon, en ontdekte met schrik, dat zijn dappere meester zulk een geweldigen smak had gekregen, dat hij +geen lid meer verroeren kon. + +</p> +<p>“Och lieve hemeltje!” riep Sancho, toen hij zijn edelen heer daar zoo jammerlijk vond toegetakeld. “Heb ik u niet gezeid, +dat ge u in acht moest nemen? Ieder verstandig mensch moest toch zien, dat hij windmolens en geen reuzen voor zich had.” + +</p> +<p>“Stil, stil, vriend Sancho!” kreunde Don Quichot met matte stem. “Ik zie wel, dat alle krijgsgeluk wisselvallig en onbestendig +is. De een of ander boosaardige toovenaar, waarschijnlijk dezelfde, die mij mijne kamer en mijne boeken ontstal, moet de reuzen +in windmolens hebben veranderd, om mij de eer en den roem der overwinning uit de handen te rukken. Zijne vijandigheid is groot, +maar zal eindelijk toch door de voortreffelijkheid van mijn goed zwaard en door mijne dapperheid overwonnen worden.” + +</p> +<p>“Dat hoop ik!” zeide Sancho Panza, terwijl hij zijn ridder overeind en weer op Rocinante hielp, die bijna de ruggegraat had +gebroken. + +</p> +<p>Hierop vervolgden beiden hunne reis en richtten zich naar den bergpas van Lápice, waar Don Quichot, daar het eene druk bezochte +plaats was, eene menigte avonturen hoopte te beleven. Het verlies van zijne lans griefde hem uitermate zeer en hij dacht lang +na, op wat wijze hij dat best kon herstellen. Eindelijk besloot hij, van den eersten den besten eik of beuk een stevigen tak +af te kappen en dien dan voortaan als lans te gebruiken. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p026.jpg" alt="Sancho Panza ontdekte met schrik, dat zijn dapperen meester een geweldigen smak had gekregen." width="475" height="720"><p class="figureHead">Sancho Panza ontdekte met schrik, dat zijn dapperen meester een geweldigen smak had gekregen.</p> +</div><p> + +<span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27">27</a>]</span></p> +<p>“Gij zult zien, Sancho,” zeide hij, “dat ik zelf met een zoo ellendig werktuig de stoutste en ongeloofelijkste daden volvoeren +zal.” + +</p> +<p>“’k Mag een boontje wezen, als ik dat niet hoop, edele heer,” antwoordde de schildknaap, “Maar waarom zit gij toch zoo scheef +in den zadel en hangt zoo op de eene zij van het paard? Hebt ge u misschien bij den val wat bezeerd?” + +</p> +<p>“Zoo is het,” erkende de ridder, “en dat ik het niet hardop van pijn uitschreeuw, is alleen maar, omdat ik wel vaak gehoord +en gelezen heb, dat zulk kermen en jammeren aan kloeke dolende ridders niet betaamt. Zij klaagden nooit over eenige kwetsuur +of verwonding, al was ’t ook, dat hun de darmen uit het lijf hingen.” + +</p> +<p>“Nu, ieder zijn meug, zooals mijne grootmoeder placht te zeggen,” antwoordde de schildknaap. “Ik had evenwel liever, dat gij +maar schreeuwdet, edele heer, als ge pijn voelt ergens; want ik voor mijn part zal terdege een keel opzetten, als mijn arm +lichaam erg schade of letsel krijgt. Of is ’t misschien ook aan de schildknapen der dolende ridders verboden, te klagen, als +hun iets overkomt?” + +</p> +<p>Don Quichot haalde over deze vraag van zijn dienaar de schouders op, maar gaf hem toch volle vrijheid, om bij voorkomende +gelegenheid naar hartelust te kermen, te krijten en te huilebalken, daar hij nog nooit gehoord had, dat in de voorschriften +voor de ridderschap iets voorkwam, dat zulks bepaald verbood. Sancho stelde zich hiermede tevreden, doch deed een poosje later +opmerken, dat de etenstijd gekomen was. + +</p> +<p>“Eet en drink, zoo gij wilt,” antwoordde de ridder. “Ik voor mij voel nog geen honger.” + +</p> +<p>Sancho liet zich dit geen tweemaal zeggen, maar maakte ’t zich zoo gemakkelijk, als dat bovenop een ezel maar eenigszins mogelijk +is; hij haalde proviand uit den welgevulden knapzak en at zich dik en zat. Vervolgens bleef hij een weinig achter, opende +den bokkevellen wijnzak, bracht dien aan den mond en dronk met zulke geduchte teugen, dat de grootste nathals in heel Spanje +’t niet beter zou hebben kunnen doen. +<span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28">28</a>]</span></p> +<p>Zoo ging de reis voort. Don Quichot gaf zich aan zijn hoogvliegende gedachten over en Sancho Panza zocht zijn troost bij den +wijnzak, totdat de avond hen midden in een groot bosch overviel. Zij maakten halt en sloegen onder een groep dicht gebladerde +eikeboomen hun nachtleger op. Sancho, die braaf moe en wiens hoofd buitendien door de wijndampen een weinig beneveld was, +lag dadelijk vast in slaap en snorkte zoo geweldig, dat de vogels en vleermuizen in den omtrek er verschrikt de vlucht voor +namen. Don Quichot daarentegen deed geen enkel oog toe. Hij droomde van zijne zielekoninginne Dulcinea, tot de morgen weer +aanbrak. Toen stond hij op, beroofde een der eiken van een langen, taaien tak, stak daar zijn lansijzer in en verschafte zich +opnieuw een ridderlijk wapen. Vervolgens, toen de eerste gouden zonnestralen in het dichte groene bosch doordrongen en duizenden +van vogels hun orgelend en schetterend morgenlied aanhieven, wekte hij zijn schildknaap, die anders een gat in den dag zou +hebben geslapen, en vervolgde zijn tocht. Sancho had eerst al eens hoogte van den wijnzak genomen en tot zijn groot verdriet +bevonden, dat die veel magerder dan den dag te voren was. Na eene poos noodigde hij zijn meester tot het <span class="corr" id="xd0e469" title="Bron: onbijt">ontbijt</span>, maar verteerde dat alleen, daar Don Quichot, die van honger noch dorst scheen te weten, geen beet over de lippen wilde nemen. +Drie uren later bereikten zij den pas van Lápice, die door den ridder met van moed en strijdlust flonkerende oogen werd begroet. + +</p> +<p>“Sancho,” sprak hij, “hier op deze plaats zal het ons niet aan avonturen ontbreken, en ik reken mij dus verplicht u een bevel +te geven, waaraan gij u strikt houden moet. Nooit en in geen geval namelijk moogt gij wagen, mij te hulp te komen en uw degen +te trekken, behalve wanneer misschien gemeen volk en laag gepeupel zich in den strijd mocht willen mengen. Tegen ridders te +kampen is u, volgens de wetten der ridderschap, ten strengste verboden, zoolang gij niet zelf tot ridder geslagen zijt.” + +</p> +<p>“Ei,” antwoordde Sancho Panza, “in dit punt wil ik u dol gaarne gehoorzamen, gestrenge heer, daar ik van nature zoo vreedzaam +als een pasgeboren lam ben. Wanneer mij echter iemand te lijf wil, <span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29">29</a>]</span>tegen dien verweer ik mijne huid, om ’t even of ’t een ridder, een schildknaap of maar een uit het gemeene volk is.” + +</p> +<p>Terwijl Sancho nog sprak, zag Don Quichot twee Benedictijner monniken aankomen. Zij reden op groote muildieren, droegen lange +zwarte gewaden en dekten zich door groote schermen tegen de zonnestralen. Een weinig achter hen aan kwam eene koets, door +eenige mannen te paard en een paar ezeldrijversjongens te voet begeleid. In die koets zat eene dame uit Biscaye, die naar +haren gemaal te Sevilla reisde. De monniken, hoewel zij dienzelfden weg gingen, behoorden niet tot het reisgezelschap van +de dame en schenen zich ook maar weinig om haar te bekommeren. + +</p> +<p>Nauwelijks had Don Quichot de naderenden in het oog gekregen, of hij zeide tot zijn schildknaap: + +</p> +<p>“Hoor, Sancho Panza, dat is een avontuur, als den besten ridder nog niet fraaier bejegend is. Die zwarte gedaanten daar zijn +zonder twijfel twee toovenaars, die eene geschaakte prinses helpen voortsleepen, en ik reken het mijn plicht, mij tegen zulk +een schandelijk bestaan met al de kracht van mijn arm te verzetten.” + +</p> +<p>“Allerdapperste heer ridder,” riep Sancho Panza vol schrik, “gij bedriegt u. Die mannen in het zwart zijn eerwaardige monniken +van de Benedictijner orde en hebben zeker zoomin eene prinses als eenige andere edele dame geroofd. Hoed u, dat gij door uwe +inbeelding niet allerleelijkst in de klem komt.” + +</p> +<p>“Sancho Panza, zwijg stil!” gebood Don Quichot op hoogen toon. “Ik heb u al eens gezegd, dat gij van hooge en merkwaardige +avonturen nog heel geen begrip hebt, en gij zult spoedig zien, dat al, wat ik van die zwarte toovenaars zei, de zuivere onvervalschte +waarheid is.” + +</p> +<p>De schildknaap zweeg beschaamd stil, en zijn meester reed de reizigers nog een kort eind te gemoet. Midden op den weg hield +hij toen zijn klepper staande, en toen de mannen dichtbij genoeg waren, om zijne woorden te kunnen verstaan, riep hij hun +met luider stemme toe: + +</p> +<p>“Gij verfoeilijke, heidensche snoodaards, houdt dadelijk stil en geelt terstond en zonder weigeren de doorluchtige prinses +over, die gij daar in de koets in gevangenschap wilt sleepen. Draalt gij, mijn <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30">30</a>]</span>bevel te gehoorzamen, dan zult gij hier tot straffe voor uwe misdaad op staanden voet de zwarte ziel uitblazen.” + +</p> +<p>De monniken hielden hunne muildieren in en wisten niet, wat zij van de wonderbaarlijke figuur van den ridder en van zijn dreigende +woorden denken moesten. Eindelijk antwoordde een van hen: + +</p> +<p>“Heer ridder, ik bid u, laat ons in vrede trekken! Wij zijn noch verfoeilijke, noch heidensche snoodaards, maar twee doodonschuldige +dienaren des Heeren, die rustig huns weegs gaan en niet weten, of in die koets daar prinsessen of prinsen zitten.” + +</p> +<p>“Gij liegt, duivelsche heksenmeesters!” riep Don Quichot woedend, velde de lans, gaf Rocinante de sporen en stoof in galop +op den eersten monnik los. Hij was zoo grimmig en verwoed, dat hij den onschuldigen man doorboord zou hebben, indien deze +zich niet met verwonderlijke vlugheid van zijn muildier had laten glijden. De andere monnik drukte zijn beest de hielen in +de zijden en wist door overhaaste vlucht gelukkig zijn lijf te bergen. + +</p> +<p>Thans viel Sancho Panza, wiens anders niet groote moed door het stoute heldenfeit van zijn meester verbazend gerezen was, +op den eersten monnik aan, wierp hem ter aarde en begon hem de kleederen van het lijf te rukken. Terstond echter kwamen nu +de ezeldrijversjongens toe, vroegen hem, wat kwaad de heer hem gedaan had, pakten hem in haar en baard en ranselden hem zoo +ongenadig af, dat hij moord en brand begon te schreeuwen. Terwijl de jongens hem nog zoo onder hunne knuisten hadden en hem +bont en blauw sloegen, wist de sidderende en bevende monnik weer in den zadel te komen, greep de teugels, bracht zijn muildier +in snellen draf en haalde eerst weer adem, toen hij den onstuimigen ridder en zijn ruwen, pootigen schildknaap ver achter +zich had gelaten. + +</p> +<p>Intusschen was Don Quichot de koets genaderd, om de daarin zittende dame aan te spreken. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p030.jpg" alt="Don Quichot trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los." width="475" height="720"><p class="figureHead">Don Quichot trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>“Hooge en edele prinses,” begon hij, “gij moogt nu weder naar welgevallen over uw persoon beschikken, want daareven heb ik +uw belager door de kracht van mijn sterken arm ter aarde geworpen. Indien gij mijne daad beloonen wilt, zend dan een heraut +aan de <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31">31</a>]</span>meesteresse mijns harten, de verhevene dame Dulcinea van Toboso, en laat haar melden, wat ik volvoerd heb en hoe ik u door +mijne dapperheid uit het geweld van twee schandelijke toovenaars bevrijdde.” + +</p> +<p>Deze woorden vernam een palfrenier der dame, een Biscayer van geboorte. Daar hij zag, dat Don Quichot zich niet verwijderde +en dat zijne gebiedster zeer verschrikt scheen, ging hij op den dollen ridder toe, greep zijne lans en zeide: + +</p> +<p>“Maak, dat je weg komt, ridder! Zoo waar als ik leef en een Biscayer ben, haal ik je van het paard, als je niet dadelijk de +koets verlaat.” + +</p> +<p>Don Quichot staarde den palfrenier met groote oogen aan. Daar hij nochtans zag, dat hij slechts een dienaar en niet een ridder +voor zich had, antwoordde hij met de grootste bedaardheid: + +</p> +<p>“Laat mij met vrede, mensch! Zoo gij een ridder waart, zou ik u tuchtigen, maar nu pak u weg, onbeschaamde lijfeigen hond!” + +</p> +<p>“Wacht!” riep de Biscayer, “ge zult zien, met wien ge te doen hebt. Gooi die lans weg en trek het zwaard! We willen gauw zien, +wiens haan victorie zal kraaien. Trek van leer, zeg ik, en toon wat ge kunt, kale jakhals van een edelman!” + +</p> +<p>Don Quichot geraakte nu in drift. Hij wierp de lans van zich, dekte de borst met het schild, trok zijn zwaard en stoof op +den Biscayer los, met het stellig voornemen om hem zonder barmhartigheid den schedel te klooven. De palfrenier ontblootte +insgelijks zijn wapen, greep tot zijne dekking een kussen uit den wagen, hield dat als een schild voor zich, en de tweekamp +begon met vreeselijk geweld. Men riep den strijdenden toe, vrede te maken; doch zij luisterden daar niet naar. De dame in +de koets beval nu haren koetsier, een weinig door te rijden, waar zij op veiligen afstand ooggetuige van het gevecht kon zijn. + +</p> +<p>De koetsier gehoorzaamde en de zwaarden vervolgden hun werk. De Biscayer bracht zijn vijand een houw over den schouder toe, +die dezen van den romp zou gescheiden hebben, ware hij niet door schild en harnas beschut geweest. Desniettemin voelde de +ridder de zwaarte van den slag, die hem door alle ribben dreunde, en riep zijne hooge patronesse Dulcinea van Toboso smeekend +aan. De <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32">32</a>]</span>gedachte aan haar bezielde hem met nieuwen moed, leende zijn arm nieuwe sterkte, en vol woede drong hij op den Biscayer in. +Zijne zwaardslagen kletterden op hem neer, en de arme palfrenier zag vol schrik zijne nederlaag te gemoet. Had hij een goed +paard gehad, zoo zou hij gevlucht zijn; doch hij bereed een ellendigen knol, dien hij bijna niet van de plaats kon krijgen. +Derhalve verweerde hij zich met de grootste vertwijfeling, waardoor ’t hem dan ook gelukte zich den razenden ridder nog een +tijdlang van ’t lijf te houden. Daar hij echter ongeharnast was, terwijl Don Quichot van kop tot teen in ijzer staal stak, +moest hij natuurlijk eindelijk het onderspit delven. Onze ridder richtte zich op in zijn zadel, pakte zijn zwaard met beide +handen, hieuw den Biscayer over den schedel en raakte hem zoo geducht, dat het bloed hem terstond uit mond en neusgaten spoot +en hij met paard en al op den grond stortte. + +</p> +<p>Thans steeg Don Quichot uit den zadel, hield den gevallene de punt van zijn zwaard voor het gezicht en beval hem, zich verwonnen +te verklaren. De man was evenwel te erg verbijsterd, om antwoord te kunnen geven, en de verbolgen ridder zou hem ongetwijfeld +zijn zwaard door den strot gejaagd hebben, indien de dame in de koets niet vol angst tusschenbeide was gekomen en in roerende +bewoordingen om het leven van haar dienaar had gesmeekt. Don Quichot liet zich vermurwen en die deemoedige bede goot water +op den vlammenden gloed zijner gramschap. + +</p> +<p>“Het leven zij hem dan geschonken,” riep hij; “doch slechts onder voorwaarde, dat deze ridder mij belooft, naar Toboso te +trekken en mijner onvergelijkelijke meesteres, Dona Dulcinea, te verhalen, op wat heldhaftige, ridderlijke wijze ik hem met +mijn zwaard heb geveld.” + +</p> +<p>De arme vrouw beloofde in haar angst alles, en Don Quichot bracht zijn overwonneling dan ook geen verder leed toe. Deze kwam +met moeite weer op de been en was blij, dat hij de reis met zijne meesteres kon vervolgen. + +</p> +<p>In dien tusschentijd had ook Sancho Panza zich uit de handen der jonge ezeldrijvers weten los te wringen en kwam nu op zijn +meester toe, die al weer hoog te paard zat en de wegrollende <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33">33</a>]</span>koets triomfeerend naoogde. Toen deze in eene kromming van den weg verdween, keerde hij zich tot zijnen stom wachtenden schildknaap +om en begon zijn nooit geëvenaard heldenfeit in klinkende woorden te verheffen. + +</p> +<p>“Ja, dat alles is mooi en wel,” viel Sancho Panza hem eindelijk in de rede; “maar waar, edele heer, is het stadhouderschap, +dat gij mij na uw eerste schitterende avontuur vast beloofd hebt? ’k Wil mezelf niet roemen, maar ’k geloof, dat ik zoo’n +knappe, fiksche stadhouder zou wezen, als maar één denken durft.” + +</p> +<p>“Sancho,” antwoordde de ridder, “toen ik dat zei, meende ik een eilandsavontuur, en dit hier is enkel een vastelandsavontuur, +dat niets dan eer en roem aanbrengt. Heb geduld, mijn zoon! Als de tijd gekomen is, zult gij ook stadhouder worden. Maar verbind +nu mijn oor eens, dat die booze ridder vrij erg geraakt heeft, en waar ’t bloed uitloopt.” + +</p> +<p>Sancho Panza haalde aanstonds pluksel en zalf uit zijn knapzak en nam zijn meester den helm af. Deze merkte nu eerst, hoe +erg gedeukt en gehavend die was, en dat ongeluk deed zijne gramschap opnieuw ontbranden. Hij rukte zich de haren uit het hoofd, +schermde met beide handen in de lucht en zwoer bij kris en bij kras, niet weer van een schoon tafellaken te zullen eten, voordat +hij den snooden ridder, die hem zijn ridderlijk hoofddeksel zoo had bedorven, daarvoor op schrikkelijke manier had doen boeten. +Sancho kreeg hem niet zonder veel moeite tot bedaren, verbond zijn bloedend oor, en beiden gingen weer op weg, nadat zij een +stuk droog brood en geitenkaas genoten hadden. + +</p> +<p>Tegen den avond bereikten zij eenige hutten van geitenherders, en ofschoon vooral Sancho wel een beter dak voor den nacht +gewenscht had, besloten zij toch, daar de zon onderging, hier kwartier te nemen. + +</p> +<p>Vriendelijk werden zij door de herders ontvangen en onthaald, en allen behandelden vooral den geharnasten ridder met groote +beleefdheid. Na een rustig doorgebrachten nacht namen zij afscheid van de herders en gingen nieuwe gevaren en avonturen te +gemoet. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34">34</a>]</span></p> +</div> +<div id="xd0e550" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk VII.</h2> +<h2 class="normal">Hoe Don Quichot met paardenhoeders twist krijgt en wat hem in de herberg overkomt.</h2> +<p>Op hun verderen weg kwamen Don Quichot en Sancho Panza in een bosch, waarin zij verscheiden uren lang voortreden. Eindelijk +hielden zij stil op eene open plek, die met geurig gras begroeid was. Eene heldere, liefelijk murmelende beek stroomde voorbij +en ettelijke boomen gaven verkoelende schaduw, zoodat onze beide helden weldra lust gevoelden eene korte middagrust te houden. +Zij stegen van hunne dieren, lieten Rocinante en grauwtje vrij rondloopen en zich op het groene gras vergasten, vlijden zich +onder een boom neer, openden hun knapzak en verteerden in vrede en eensgezindheid, wat daar in te vinden was. + +</p> +<p>Sancho Panza had verzuimd beide dieren de voorpooten te koppelen, daar hij ook niet verwachtte, dat Rocinante uit lust en +moedwil de vette weide verlaten zou. Het trof nu echter, dat toevallig eene kudde Galicische paarden door het dal werd gedreven. +De hoeders kwamen aan de plaats, waar Don Quichot zich reeds gelegerd had, en daar die plek hun beviel, besloten zij, daar +met hunne dieren insgelijks middagrust te houden. + +</p> +<p>De paarden verstrooiden zich over de weide en het duurde niet lang, of eenige dartele veulens begonnen den ouden Rocinante +het leven lastig te maken. De dieren werden wild en gingen hem met hunne tanden en hoeven zoo ongenadig te lijf, dat zij hem +al spoedig den gordel losgemaakt en den zadel van den rug gehaald hadden. Op het gerucht, dat dit veroorzaakte, kwamen toen +ook de hoeders met hunne knuppels en zweepen toe en ranselden den armen Rocinante zoo erg, dat hij eindelijk neerstortte en +onder de hoeven der overige viervoeters den geest scheen te zullen uitblazen. +<span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35">35</a>]</span></p> +<p>De ridder en zijn schildknaap ontdekten spoedig, op wat wijze het arme dier mishandeld werd, en schoten hijgend toe. Onder +weg zeide Don Quichot tot zijn dienaar: + +</p> +<p>“Hoor, vriend Sancho: naar ik zie, zijn dat geen ridders en helden, maar ze behooren tot het gemeene volk, en dus kunt gij +mij zonder bedenking bijstaan, als ik voor de beschimping, Rocinante hier voor mijne oogen aangedaan, bloedig wraak neem.” + +</p> +<p>“Maar hoe drommel wilt gij hier wraak nemen, gestrenge heer?” vroeg Sancho. “Zij zijn meer dan twintig sterk, en wij maar +met ons tweeën.” + +</p> +<p>“Ik tel voor honderd,” antwoordde de ridder en trok meteen zijn zwaard. Met onstuimigheid greep hij de hoeders aan en Sancho +Panza, hierdoor krachtig aangemoedigd, volgde wakker zijn voorbeeld. + +</p> +<p>Den eersten hoeder bracht Don Quichot een houw toe, die door ’s mans lederen wambuis ging en hem nog buitendien diep in den +schouder drong. Toen de herders zich op die wijze door slechts twee mannen zagen aangetast, werden ook zij verstoord, namen +onze beide helden in hun midden, pakten hunne knuppels en lieten eene hagelbui van forsche slagen op hen neervallen. Deze +begroeting had ten gevolge, dat Sancho Panza al spoedig luid huilend op zijn dikken buik lag. Terstond daarna volgde ook zijn +meester dit voorbeeld, niettegenstaande hij zich met veel kracht en vlugheid een tijdlang manmoedig verweerd had; en het toeval +wilde, dat hij midden tusschen de beenen van zijn Rocinante neertuimelde, die daar nog altijd, door de vreeselijke slagen +en trappen bedwelmd, als een blok neerlag en geen lid verroerde. + +</p> +<p>Nadat de hoeders nog een poosje op ridder en knecht losgebeukt hadden, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne paarden +te hoop, vervolgden hun weg en lieten de arme afgeroste helden in zeer slechten staat en in nog slechter gemoedsstemming achter. +Sancho was de eerste, die weer bijkwam. Hij richtte zich met moeite en onder veel steenen en kreunen overeind, keek naar zijn +heer om en zei met matte, klagende stem: + +</p> +<p>“Och, och, dat hebben wij er nu van, gestrenge heer!” +<span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36">36</a>]</span></p> +<p>“Wat wilt gij van mij, Sancho?” vroeg Don Quichot op even flauwen en klagenden toon. + +</p> +<p>“Ach, ach, wat hebben we daar een pak gekregen!” kreunde Sancho Panza. “Ik ben heelemaal tot stokvisch gebeukt.” + +</p> +<p>“Ja, wel een pak!” stemde de ridder toe. “Als ik ongelukkige nu maar den wonderdrank van Fierabras had! Twee druppels daarvan +zouden ons gezond maken, onze builen genezen en alle pijn wegnemen.” + +</p> +<p>“Is er dan geen kans, dat gij dien drank krijgt, edele ridder?” vroeg Sancho. + +</p> +<p>“Jawel,” antwoordde Don Quichot; “ik zweer u, bij onze dolende-riddereer, dat ik niet rusten zal, voordat het geluk mij hem +in handen speelt.” + +</p> +<p>“Wie was dan die Fierabras, die dien drank heeft uitgevonden?” + +</p> +<p>“Dat was een beroemd toovenaar, zooals in een heerlijken ridderroman beschreven staat,” antwoordde Don Quichot. “Wij moeten +opbreken en hem opsporen. Zoodra wij hem vinden, zal ik hem door mijne dapperheid dwingen, ons den kostelijken balsem af te +staan.” + +</p> +<p>Onderwijl kwamen de beide deerlijk toegetakelde helden overeind en hielpen ook den armen Rocinante weer op de been. Met gekromden +rug, want zich recht oprichten kon hij nog niet, tuigde de schildknaap zijn ezel op en drong zijn meester, op diens zadel +plaats te nemen, daar het paard in zijn tegenwoordigen toestand onbekwaam was om eenigen last, hoe licht ook, op zijn gewonden +rug te torsen. Don Quichot steeg op, Sancho Panza leidde den ezel bij den halster, Rocinante bij den teugel, en de avontuurzoekende +helden gingen langzaam op weg. Na korte wandeling kwamen zij aan eene herberg, welke de ridder terstond weer voor een adellijken +burcht aanzag, terwijl zijn metgezel strijk en zet volhield, dat het een gewone kroeg was. De strijd duurde voort totdat zij +voor de deur kwamen en Sancho de dieren zonder omstandigheden in den stal bracht. + +</p> +<p>Toen de waard, die dadelijk buiten trad, om zijne gasten te ontvangen, Don Quichot in zoo jammerlijken staat op den ezel <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37">37</a>]</span>meer hangen dan zitten zag, vroeg hij aan Sancho, wat zijn heer toch wel scheelde. Sancho antwoordde, dat de arme man van +eene rots was gevallen en zich daarbij de ribben wat had bezeerd. Deze mededeeling wekte het medelijden van den waard en nog +meer van zijne vrouw op, die dadelijk met hare dochter aankwam, om den ongelukkige de noodige hulp te verleenen. De ridder +werd, daar hij nog niet gaan kon, in huis gedragen, verbonden en toen te bed gebracht. + +</p> +<p>In de kamer, waar Don Quichot, over zijn geheele lichaam met pleisters beplakt, slapen zoude, was wat meer naar achteren een +tweede bed, waarvan een stevige muilezeldrijver bezit had genomen. + +</p> +<p>Het werd avond en nacht; maar Don Quichot voelde zich zoo ellendig, dat hij onmogelijk slapen kon. Hij kermde en kreunde zoo +luid en aanhoudend, dat de muilezeldrijver daar eindelijk door wakker werd en hem met barsche woorden verzocht, zich stil +te houden en niet andere menschen in hun slaap te storen. Don Quichot antwoordde alleen met een nieuw dof gekreun, waardoor +de ezeldrijver zoo boos werd, dat hij opsprong en den armen lijder zulk een duchtigen vuistslag op zijne dorre kinnebakken +gaf, dat het bloed hem terstond uit den mond liep. Hiermede nog niet tevreden, stapte hij op zijn mager lichaam, trappelde +daar met de voeten op, en deed hem al de ribben in het lijf kraken. Don Quichots bed, dat buitendien al op zwakke, tuitelige +beenen stond, stortte in en dit veroorzaakte zulk een geraas, dat de waard wakker werd en vol schrik kwam toesnellen. Onderwijl +kwam ook Sancho Panza, die aan de voeten zijns meesters sliep, op de been, en sloeg, slaapdronken, als dol en bezeten links +en rechts. Zijne vuistslagen troffen de meid van het huis, Maritornes geheeten, die insgelijks op het verontrustend rumoer +was toegekomen. De meid stelde zich te weer, de waard gebruikte niet minder wakker zijne knuisten, en zoo ontstond een alarm +en een spektakel, waarvan men zich onmogelijk een denkbeeld kan maken. De muilezeldrijver, nog altijd op den kermenden ridder +omtrappelende, sloeg op Sancho los, Sancho roste de meid, de meid roste hem, de waard roste allen zonder onderscheid, en dat +alles gebeurde met zoo blinden <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span>ijver en dolle drift, dat geen een er ook maar een oogenblik mee ophield. In de donkerheid vielen allen over elkaar heen en +deelden rechts en links zulke zwaarwichtige stompen en slagen uit, dat, waar een vuist trof, zeker ook een blauwe plek te +zien was. + +</p> +<p>Toevallig had voor dien nacht ook een gerechtsdienaar zijn intrek in de herberg genomen en sliep in eene andere kamer. Het +vreeselijk gerucht, dat de algemeene kloppartij veroorzaakte, schrikte ook hem uit den slaap wakker; hij sprong met beide +voeten uit zijn bed, greep zijn ambtsstaf en eene blikken doos, waarin hij zijne aanstelling als koninklijk ambtenaar bewaarde, +kwam in het donker in de kamer en riep met donderende stem: “Vrede in naam van de overheid! Vrede en rust!” + +</p> +<p>De eerste, dien hij met de handen grijpen kon, was Don Quichot, die bewusteloos in zijn neergetrapt bed lag. Hij pakte hem +bij den baard, trok hem daarbij en hield niet op te roepen: “Achting en ontzag voor de hooge overheid!” + +</p> +<p>Al spoedig bemerkte hij echter, dat de man, dien hij gepakt had, geen lid verroerde, en geloofde nu, dat die dood en door +de anderen in de kamer vermoord was. Nu brulde hij: “De deuren toe! Alle deuren in het huis gesloten! Geen sterveling mag +in of uit, want hier is een mensch vermoord.” + +</p> +<p>Deze woorden verwekten een algemeenen schrik en deden het gevecht staken. De waard sloop stilletjes weer de kamer uit, de +muilezeldrijver kroop op zijn bed en hield zich slapend, de dienstmeid maakte, dat zij wegkwam, en alleen Don Quichot en Sancho +Panza konden geen ander heenkomen zoeken. Onderwijl zocht de gerechtsdienaar al tastend de keuken te vinden en daar licht +aan te krijgen. + +</p> +<p>Terwijl de gerechtsdienaar buiten was, kwam Don Quichot weer tot bewustzijn en riep klagend: “Sancho Panza, slaapt gij? Slaapt +gij, Sancho Panza?” + +</p> +<p>“’t Mocht wat, slapen!” bromde de schildknaap. “Ik wou maar, dat ik sliep. Al de duivels uit de hel zijn los en hebben dezen +nacht een aanval op mij, armen, ongelukkigen kerel gedaan.” + +</p> +<p>“Neen, gij vergist u, vriend!” antwoordde Don Quichot. “Wij <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span>zijn in een betooverd slot; want weet, toen ik op mijn bed lag te kreunen, kwam onvoorziens, zonder dat ik wist waar vandaan, +eene hand, die zeker aan den arm van een ontzettenden reus vastzat, en bracht mij een zoo geduchten slag op mijne kinnebakken +toe, dat mijn aangezicht terstond één bloed was en ik bijna mijne kennis verloor. Toen stampte en beukte de reus mij met handen +en voeten, en ik maak daaruit op, dat hij een allergruwelijkst en meedoogenloos monster en wangedrocht moet wezen.” + +</p> +<p>“Ik heb er nog erger van gelust,” zeide Sancho Panza; “mij hebben vier- of vijfhonderd Mooren zoo onbarmhartig onder handen +genomen, dat de portie slaag, waarop ons gisteren de paardenhoeders onthaalden, daar als honig en zoete koek bij was. O wee, +o wee! Ik ben geen dolend ridder en toch krijg ik van alle ongeluk, dat ons overkomt, altijd dubbel en dwars mijn part.” + +</p> +<p>“Dus hebben ze u ook gemolesteerd, vriend?” vroeg de ridder meelijdig. + +</p> +<p>“Bont en blauw geslagen hebben ze me!” antwoordde Sancho Panza op grimmigen toon. “Geen lid aan mijn lijf, dat niet zeer doet!” + +</p> +<p>“Wees maar bedaard, vriend!” troostte Don Quichot; “ik zal u den kostelijken balsem van Fierabras bereiden, die in eene minuut +tijds alle pijnen en smarten wegneemt.” + +</p> +<p>Hier werd hun gesprek door den gerechtsdienaar afgebroken, die met licht kwam, om den vermeenden doode nader te bezichtigen. +Hij trad voor het bed en was zeer verwonderd, toen hij onze helden daar bedaard hoorde praten. Don Quichot lag nog wel altijd +op den rug en kon zich van pijn en pleisters niet bewegen; maar toch scheen hij zoo goed bij zijne kennis als de beste. De +gerechtsdienaar liet het licht van zijne lamp op hem vallen en vroeg deelnemend: “Nu, hoe gaat het je, goede vriend?” + +</p> +<p>“Ik zou toch wat beleefder spreken,” antwoordde Don Quichot op hoogen toon. “Spreekt men dolende ridders met je en jij aan, +lompe vlegel?” + +</p> +<p>Toen de ambtenaar zich door iemand van zulk een jammerlijk uitzicht zoo barsch behandeld zag, werd hij driftig, nam de lamp +<span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40">40</a>]</span>en wierp haar Don Quichot met zooveel geweld naar het hoofd, dat men een harden bons hoorde. Vervolgens liet hem in het donker +liggen en ging brommend en pruttelend heen. + +</p> +<p>“Ei,” sprak Sancho Panza, “als dat geen lomperd is, dan laat ik mij hangen. Die gooit iemand met de dingen naar den kop, alsof +’t maar een aardigheid was.” + +</p> +<p>“Ja, ja,” kreunde Don Quichot, wien zijn hoofd bitter zeer deed; “maar sta op, Sancho, laat u door den burgtvoogd van dit +slot wat olie, azijn, zout en rosmarijn geven en breng mij dat alles hier, om er den kostelijken balsem uit te bereiden, die +spoedig al onze pijnen verzachten zal.” + +</p> +<p>Sancho stond op, niettegenstaande al zijne ledematen geradbraakt schenen, hinkte al tastend naar de kamer van den waard, en +ontmoette onder weg den gerechtsdienaar, die voor de deur stond te luisteren. + +</p> +<p>“Wie gij ook zijn moogt, waarde heer,” zeide hij, “bezorg ons een weinig olie, azijn, zout en rosmarijn, om den besten dolenden +ridder, dien de aarde ooit gedragen heeft, van zijn lijden te bevrijden en van den dood te redden. Hij ligt zwaar gekwetst +door de hand van een betooverden Moor op zijn bed.” + +</p> +<p>De gerechtsdienaar hield Sancho Panza, nu hij zoo sprak, voor stapelgek. Daar de morgen nu echter reeds begon te lichten, +riep hij den herbergier en zeide dien, den knaap het verlangde te geven. De waard deed dat bereidwillig en Sancho bracht alles +aan zijn heer, die van pijn lag te krimpen en zijn hoofd met beide handen vasthield. Hij nam de verschillende stoffen, mengde +ze duchtig door elkaar en kookte ze toen op een komfoor, dat men hem brengen moest, tot hij dacht, dat alles goed gaar was. +Hierop verlangde hij eene flesch; doch toen die in de herberg niet te vinden was, vergenoegde hij zich met eene oude blikken +oliekan, goot den drank daarin en zegende hem. Nu draalde hij niet om van de kracht van dit kooksel op zichzelf de proef te +nemen, en dronk er wel bijkans de helft van. Nauwelijks had hij het mengelmoes binnen, of hij begon schrikbarend over te geven. +De inspanning, de angst en het gruwelijke braken brachten hem geducht aan het <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41">41</a>]</span>zweeten, en hij verzocht, dat men hem goed toedekken en alleen laten mocht. Men voldeed aan zijn verlangen, en Don Quichot +viel nu in een zachten slaap, die wel ruim drie uren aanhield. Bij zijn ontwaken voelde hij zich merkbaar verlicht en deden +zijne wonden en builen hem bijna geen pijn meer. Hij achtte zichzelf dus weer ten volle hersteld, kwam tot de vaste overtuiging, +dat hij werkelijk den wonderbalsem van den toovenaar Fierabras ontdekt had, en leefde in de hoop, dat hij, in ’t bezit van +dit middel, in ’t vervolg alle kampen, tweestrijden en gevechten, hoe gevaarlijk die ook schijnen mochten, geheel onbezorgd +te gemoet kon gaan. + +</p> +<p>Zoodra Sancho Panza zijn heer zooveel beter zag, verzocht hij dringend, het overschotje van den drank te mogen opdrinken. +De ridder, altijd grootmoedig, stond hem dat toe, en Sancho pakte de blikken kan met beide handen, dronk met volle teugen +en liet er geen enkel droppeltje in. + +</p> +<p>Maar of nu de schildknaap eene minder gevoelige maag had dan zijn meester, of om wat andere reden ook, genoeg, de drank bekwam +hem zoo bitter slecht, dat de arme sukkel ieder oogenblik dacht te moeten sterven. In zijne benauwdheid verwenschte hij het +venijnig goed en den spitsboef, die hem dat gegeven had, ja, hij betoonde zelfs grooten lust om zijn eigen meester voor zijne +welgemeende bedoeling eens danig af te ranselen. Don Quichot zocht hem echter te troosten en tot bedaren te brengen. + +</p> +<p>“Hoor, Sancho,” zeide hij, “ik geloof, dat de schuld alleen daaraan ligt, dat gij nog niet tot ridder zijt geslagen. De drank +kan alleen maar een ridder helpen.” + +</p> +<p>“Wat drommel, als gij dat wist, heer, waarom gaaft gij mij dien dan?” schreeuwde Sancho Panza in zijne benauwdheid. + +</p> +<p>Voordat Don Quichot antwoorden kon, begon het brouwsel te werken en had bij Sancho Panza niet minder hevige braking ten gevolge +dan bij zijn meester. Daarbij geraakte hij in het zweet, lag onrustig op zijn leger te woelen en kermde en jammerde op erbarmelijke +manier. + +</p> +<p>Twee uren lang was hij doodziek, toen die aanval voorbij was, voelde hij zich niet zoo wel en krachtig, als zijn heer, maar +<span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42">42</a>]</span>zoo flauw, slap en ellendig, dat hij zich nauwelijks op de been kon houden. + +</p> +<p>Don Quichot liet zich aan den toestand van zijn schildknaap slechts weinig gelegen liggen. Hij zelf was nagenoeg weer hersteld, +en de balsem vervulde hem met zulk een heldenmoed, dat hij vuriger dan ooit naar nieuwe avonturen haakte. Hij ging in den +stal, zadelde en tuigde met eigen handen Rocinante, maakte ook het grauwtje tot de reis gereed en trad toen weer in huis, +om zijn schildknaap bij het aankleeden te helpen. Met veel moeite en getob kreeg hij hem wakker en hielp hem op de beenen. +Toen dit beredderd was, pakte hij uit den eersten den besten hoek een staak op, om tot lans te dienen, klom te paard en riep +met luider stemme den herbergier, om afscheid van hem te nemen. + +</p> +<p>“Heer slotvoogd,” sprak hij, “gij hebt mij vele en belangrijke diensten bewezen en mij daardoor tot dank verplicht. Indien +ooit iemand, hij zij ridder of knecht, u onrecht wil aandoen, roep mij dan en ik wil u wreken. Zoo echter een of ander overmoedige +u reeds schade of schande heeft aangedaan, noem mij zijn naam en zijne misdaad, en bij mijne riddereer zij ’t gezworen, dat +ik niet rusten zal alvorens ik u volkomen voldoening heb verschaft.” + +</p> +<p>“Mijn beste heer ridder,” antwoordde de waard doodbedaard, “uwe gestrengheid behoeft de moeite niet te nemen, zich voor mij +met wraakneming te belasten; waar dat noodig is, weet ik mijzelf wel recht te verschaffen. Wel echter moet gij zoo goed zijn +uw gelag te betalen voor nachtlogies en voêr voor uwe dieren, en ’t is daarom, dat ik u met alle beleefdheid verzoek.” + +</p> +<p>“Wat!” schreeuwde Don Quichot, “’t was dus een ellendige herberg, waarin ik overnacht heb?” + +</p> +<p>“Eene herberg, ja,” antwoordde de waard; “doch niet eene ellendige, maar eene zeer voorname.” + +</p> +<p>“Welnu, dan moet ik bekennen, dat ik in eene groote dwaling verkeerd heb,” antwoordde Don Quichot. “Voor ’t overige zult gij +maar best doen, niet op betaling van het gelag te rekenen; want nog nooit heb ik gehoord of in de boeken gelezen, dat een +dolend ridder ooit in eenige herberg ook maar een penning betaald heeft.” +<span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43">43</a>]</span></p> +<p>“Dat gaat mij niets aan!” riep de waard driftig. “Betaal uwe schuld en leuter me niet met die malle ridderschap om de ooren, +of ’k zal weten, wat me te doen staat, zotte kerel!” + +</p> +<p>“O gij domme, ellendige schoelje en schobbejak!” schreeuwde Don Quichot; “gij gemeenste van alle herbergiers, verstout je +niet, je onbeschaamde kaken weer open te doen, en maak plaats, als ik je niet onder de hoeven van mijn strijdhengst tot gruizelmenten +zal trappen.” + +</p> +<p>En met deze woorden velde de ridder zijne lans, gaf Rocinante de sporen en holde voort, zonder dat iemand hem dorst tegenhouden. +Reeds was hij buiten het gezicht en had nog niet eens omgekeken, om zich te overtuigen, dat zijn trouwe schildknaap hem gevolgd +was. + +</p> +<p>De op die manier gefopte waard kwam nu als een brullende beer op Sancho Panza aanschieten en verlangde, dat die hem instaan +zou voor de kosten der vertering; doch Sancho van zijn kant antwoordde heel bedaard, dat, als zijn meester niet afdokken wou, +hij voor zijn part daar nog veel minder lust toe voelde. Hij was de schildknaap en wapendrager eens dolenden ridders en moest +in alle dingen het doorluchtig voorbeeld van zijn heer en toonbeeld volgen. + +</p> +<p>De waard liet zich nochtans met deze verklaring volstrekt niet paaien; hij werd boos, begon op zijn poot te spelen en dreigde +Sancho, dat hij zich alsdan zou laten betalen op eene manier, die dezen zeker bijster weinig bevallen zou. Sancho evenwel +hield voet bij stuk en verklaarde, dat hij zelfs niet het tiende part van de helft van een kwartpenning betalen zou. + +</p> +<p>Nu wou echter het ongeluk, dat juist dien morgen vier lakenscheerders uit Segovia en vier wevers uit Sevilla in de herberg +een uurtje waren komen pleisteren. ’t Waren vroolijke, jolige, lustige lui, die dus veel van eene grap hielden en dan nu ook +terstond op Sancho Panza aanvielen en hem onder groot gejuich van zijn ezel trokken. Een hunner liep in huis, om daar een +beddelaken te halen. De overigen pakten den armen schildknaap, legden hem op het beddelaken en begonnen hem in de hoogte te +gooien, <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span>zooals een oud wijf doet, als ze een pannekoek in de pan ’t onderst boven wipt. Hoe harder de sukkel schreeuwde, des te hooger +vloog hij in de lucht op en des te grooter was de pret. De arme Sancho meende stellig en vast, dat hij onder een troep booze +duivels was vervallen, die hem tot kaatsbal gebruikten. + +</p> +<p>Intusschen was Don Quichot nog niet zoo ver, dat het brullen van zijn geplaagden knecht niet zijn oor kon bereiken. Hij hield +dus stil, luisterde scherp toe en geloofde reeds, dat een nieuw avontuur in aantocht was, totdat hij zich eindelijk overtuigde, +dat het de huilende stem van zijn schildknaap was, die hij hoorde. Terstond wierp hij zijn paard om, keerde in strompelenden +draf naar de herberg terug en reed, daar hij de hofpoort gesloten vond, rondom het huis, om ergens een ingang te vinden. Daarbij +bemerkte hij, wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap gedreven werd, en dit gezicht bracht hem in de grimmigste woede. +Hij zag Sancho Panza in de lucht op- en neervliegen als een bal, dien een knaap opgooit en weer opvangt, en zou zeker om dit +zonderlinge schouwspel hebben moeten lachen, indien de gramschap over zulk eene mishandeling van zijn dienaar niet zoo sterk +was geweest. + +</p> +<p>Daar hij echter niettegenstaande al zijn zoeken geen ingang ontdekte, beproefde hij, van zijn paard op den rand van den muur +te klimmen. Evenwel was hij nog altijd zoo zwak, dat hij zijne lange beenen nauwelijks bewegen kon, en dus kon hij zijne woede +niet anders koelen, dan door een stroom van scheldwoorden en verwenschingen over den herbergier en zijne gasten uit te storten. +Dezen lieten daarom echter den armen Sancho niet los, en beantwoordden elk nieuw schimpwoord, dat Don Quichot tegen hen uitbraakte, +met schaterend gelach. Eindelijk, toen hunne armen zoo moe en lam waren, dat zij die niet meer opheffen konden, gaven zij +de grap op en lieten Sancho Panza vrij. Zij brachten hem bij zijn ezel, hielpen hem daarop, pakten hem in zijn mantel en joegen +hem zoo de poort uit. Zeer tevreden, dat hij er met een blauw oog was afgekomen, reed de schildknaap weg en was zelfs vrij +wat trotsch, dat hij toch zijn wil doorgezet en den waard geen penning betaald had. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p044.jpg" alt="Don Quichot bemerkte wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap werd gedreven." width="475" height="720"><p class="figureHead">Don Quichot bemerkte wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap werd gedreven.</p> +</div><p> + +<span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45">45</a>]</span></p> +<p>De arme drommel bemerkte later eerst, dat de slimme herbergier zijn knapzak in beslag gehouden en daardoor de kosten van het +gelag dubbel en dwars betaald gekregen had. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e700" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk VIII.</h2> +<h2 class="normal">Don Quichot en de schapenkudden, met nog andere avonturen.</h2> +<p>Toen Sancho Panza tot zijn heer terugkeerde, was hij zoo mat en krachteloos, dat hij zijn grauwtje maar met moeite vooruit +kon krijgen. Hem in dien toestand ziende, sprak de ridder: + +</p> +<p>“Nu, mijn goede Sancho, houd ik het er stellig en vast voor, dat dat kasteel of die herberg betooverd was, daar de bewoners, +die u zoo gruwelijk mishandeld hebben, toch niet anders dan spoken en geesten kunnen geweest zijn.” + +</p> +<p>De schildknaap antwoordde met eene diepe verzuchting, maar zei verder geen woord. + +</p> +<p>Terwijl beiden nu langzaam verder reden, bemerkte de ridder, dat eene ontzettend groote en dichte stofwolk op hen toekwam. +Hij zag daar met fonkelende oogen naar uit en keerde zich toen tot Sancho. + +</p> +<p>“Hoor, Sancho,” sprak hij, “dit is de dag, dien de hemel tot mijn geluk heeft uitverkoren. De kracht van mijn arm zal worden +op de proef gesteld en ik wil daden verrichten, waarvan de menschheid nog na honderden van jaren met bewondering spreken zal. +Zie daar die stofwolk, Sancho! Een groot krijgsheir, uit velerlei volken saamgesteld, doet haar opstijgen.” + +</p> +<p>“Dan moeten er twee legers zijn,” zeide Sancho. “Daar van gindschen kant komt eene tweede stofwolk op.” +<span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46">46</a>]</span></p> +<p>Don Quichot volgde met de oogen de aangewezen richting en was uitermate verheugd, toen hij de verklaring van zijn schildknaap +door eigen aanschouwing bevestigd vond. Hij geloofde nu stellig, dat de twee legers elkaar op de vlakte een grooten veldslag +zouden leveren; want zijn zwak hoofd was met betooveringen, avonturen, uitdagingen, gevechten en wapenfeiten geheel volgepropt +en alles, wat hij sprak en dacht, placht op zulke wonderbare dingen uit te komen. Die stofwolken werden intusschen geenszins +door twee gewapende legers opgejaagd, maar eenvoudig door twee groote kudden schapen, die langs den grooten weg rustig voorttrokken, +doch door het dichte stof, dat zij deden opstuiven, niet duidelijk onderscheiden konden worden. Don Quichot verzekerde nochtans +met zooveel drift en heftigheid, dat het oprukkende heirlegers waren, dat Sancho dit eindelijk ook geloofde en angstig de +vraag opwierp, wat men dan nu in dit geval moest beginnen. + +</p> +<p>“Wat te beginnen?” riep Don Quichot, zich in den zadel vastzettende. “Wij moeten de zwakken helpen en den hulpbehoevenden +bijstand leenen. Weet, Sancho, dat het eerste dezer legers wordt aangevoerd door den beroemden keizer Alifanfaron, beheerscher +van het eiland Trapobana, en het ander door Pentapolin met de opgestroopte mouw, die koning is van de Garamanten.” + +</p> +<p>Sancho Panza keek zijn heer verwonderd aan. Hij wist niet, dat deze al zijne hoogdravende en dolle benamingen uit oude ridderromans +had geput en ze nu te pas bracht, alsof die wonderbaarlijke geschiedenissen waarheid geweest waren. Zijne phantasie spiegelde +hem de zotste dingen voor. + +</p> +<p>“Maar wat hebben die beide legers tegen elkaar?” vroeg Sancho Panza eindelijk. + +</p> +<p>“Zij bevechten elkaar, omdat Alifanfaron een heiden is en de christelijke dochter van den koning Pentapolin tot gemalinne +heeft begeerd. Pentapolin zal hem haar niet geven, voordat de heiden een goed christen is geworden.” + +</p> +<p>“Waarachtig, dan heeft die opgestroopte mouw gelijk,” zeide Sancho. “Als ’t van mij afhangt, staan wij hem bij, zoo goed wij +maar kunnen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47">47</a>]</span></p> +<p>“Gij hebt het rechte inzicht, vriend,” antwoordde Don Quichot; “maar wees nu stil en rijd met mij rechts die hoogte op. Van +dat punt kunnen wij het krijgsvolk beter zien, en ik zal u dan meteen met de beste en dapperste ridders van beide legers bekendmaken.” + +</p> +<p>Zij reden den heuvel op en kozen eene plaats, waar zij de beide kudden nauwkeurig hadden kunnen onderscheiden, als de dwarlende +stofwolken niet alles als in een dichten nevel hadden gehuld. Desniettemin zag Don Quichot met behulp van zijn gloeiende verbeeldingskracht +alles, wat hij maar verkoos te zien, en begon dus dadelijk met luid klinkende stem zijne inlichtingen te geven. + +</p> +<p>“Die ridder daar met de gele wapens,” begon hij, “die een gekroonden leeuw in zijn schild voert, is de dappere Laucalco, de +heer van de zilveren brug. Die met de gouden bloemen op zijne rusting en de drie zilveren kronen in het azuurblauwe wapenschild +is de groothertog van Quirocia. Die daar aan zijne zijde met de reusachtige ledematen is de nooit overwonnen Brandabarbaran +van Bolicho, heer van de drie Arabiën. Naast hem rijdt de nooitvolprezen held Timonel van Carcassonne aan de spits. Zijne +rusting vertoont vier kleuren, blauw, groen, wit en geel, en in het schild draagt hij eene roode kat op donkerbruin veld met +het opschrift “Miauw!” ter eere van zijne dame, die Miulina van Algarvië moet heeten. De ridder daar op het witte ros met +de witte wapens is een ridder uit Frankrijk. Pierre Papin is zijn naam; en die op den gestreepten wilden zebra met de ijzeren +sporen is Espartafilardo, hertog van Nervië.” + +</p> +<p>Nog vele ridders en heeren noemde Don Quichot op, en ’t zou vermoeien die allen te vermelden. Sancho Panza hoorde met open +mond toe en zijne verbazing steeg ten top, toen hij eindelijk zag, dat heel die schitterende ridderschap in werkelijkheid +niets anders dan eene kudde vetgemeste hamels was. + +</p> +<p>“Loop naar den drommel, heer!” barstte hij op eens los. “Ik zie noch reuzen, noch ridders, noch knapen, maar enkel schapen, +zoo ver mijn oog reikt.” + +</p> +<p>“Hoe kunt gij zulk een onzin uitkramen?” antwoordde Don Quichot. “Hoort gij dan niet het brieschen der paarden, het schetteren +der <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48">48</a>]</span>trompetten en het doffe dreunen en bommen der legerpauken?” + +</p> +<p>“Ik hoor niets dan een ontzettend geblaat, heer!” verzekerde Sancho, en hij had gelijk. De beide kudden waren nu vrij dichtbij +gekomen, en ieder mensch met gezonde hersens moest zien, dat het schapen en rammen waren en anders niet. Don Quichot bleef +nochtans verblind. + +</p> +<p>“Uwe lafhartigheid, Sancho Panza, benevelt uw verstand,” zeide hij met fierheid. “Als gij bevreesd zijt, blijf dan vrij achter +en berg uw leven. Ik echter zal mij in den heeten strijd storten en de overwinning zal met mij zijn.” + +</p> +<p>Zonder het antwoord van zijn schildknaap af te wachten, drukte hij Rocinante de sporen in de ribben en stoof met gevelde lans +pijlsnel den heuvel af. Sancho schreeuwde hem wel na: “Blijf, blijf, heer! Zoo waar ik een zondig mensch ben, ’t zijn enkel +hamels en schapen, waarop gij instormt!” Maar Don Quichot luisterde niet naar zijne stem. + +</p> +<p>Onder wild krijgsgeschreeuw drong hij tot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links zulke verwoede houwen +en steken uit, alsof de onnoozele schepsels zijne ergste vijanden waren. De herders en drijvers riepen hem toe, dat hij met +zijne dwaasheid toch ophouden zou. Daar zij echter zagen, dat Don Quichot naar geen vermaning luisterde, maar zich steeds +doller en wilder aanstelde, namen zij hunne slingers in de hand en wierpen steenen van een vuist dik naar hem. Een tijdlang +deden die den dolleman geen letsel. De keien gonsden hem om de ooren, maar troffen hem niet. Eindelijk echter raakte een zware +kei hem met zooveel geweld in de zijde, dat twee van zijne ribben werden gebroken en de ridder niet anders meende, dan dat +zijn laatste uur gekomen was. Nu echter dacht hij aan zijn wonderdrank, zette dien aan de lippen en dronk er met gretige teugen +van. Op datzelfde oogenblik kwam een tweede steen aangevlogen en richtte nog veel erger schade aan. Hij verbrijzelde de flesch +met het kooksel en verlamde des ridders hand, sloeg hem drie of vier tanden uit den mond en schramde deerlijk zijne wang. +De worp was zoo krachtig, dat Don Quichot zich niet meer in den zadel kon houden, maar als een blok van <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span>het paard op den grond plofte. De herders schoten nu ijlings toe, en daar zij meenen moesten, dat zij den onmachtige hadden +omgebracht, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne verstrooide kudden weer bijeen, pakten de doode hamels, ten getale +van zeven, op hunne schouders en lieten den schijnbaar levenloozen Don Quichot aan zijn lot over. + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p048.jpg" alt="Onder wild krijgsgeschreeuw drong Don Quichot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links verwoede houwen en steken uit." width="478" height="720"><p class="figureHead">Onder wild krijgsgeschreeuw drong Don Quichot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links verwoede houwen en +steken uit. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Sancho Panza was al dien tijd radeloos op den heuvel blijven staan, waar hij de dolheden van zijn heer aanzag, zich de haren +uit den baard rukte en het uur verwenschte, dat hem met den ongelukkigen dolenden ridder in kennis had gebracht. Toen hij +echter zag, dat de herders opbraken en zijn meester alleen op het slagveld achterbleef, ging hij naar hem toe en vond hem, +schoon deerlijk gekneusd en gehavend, toch weer half bij zijne bezinning. + +</p> +<p>“Nu,” vroeg hij, “heb ik u niet gezegd, dat gij eene kudde wolvee voor een krijgsleger aanzaagt? Had ik niet gelijk, toen +ik u waarschuwde?” + +</p> +<p>“Sancho, gij zijt een ezel,” antwoordde Don Quichot. “Merkt gij dan niet, dat een arglistige toovenaar al de ridders in hamels +heeft veranderd? Hij deed dat, om mij te ergeren, en omdat de schurk mij de daden benijdde, die ik zou hebben uitgevoerd. +Overtuig u hiervan, Sancho, door de vermeende kudde na te rijden. Dan zult gij spoedig zien, dat de betoovering verdwijnt +en de ridders zich weer in hunne natuurlijke gedaante vertoonen. Vooreerst kunt gij daarmee nog wel wat wachten, want ik heb +dringend uw hulp en bijstand noodig. Kijk nu maar eerst eens in mijn mond en zeg mij, hoe veel tanden mij zijn uitgeslagen. +Ik zou zeggen, dat ik geen een meer heb overgehouden.” + +</p> +<p>Vol ijver boog de schildknaap zich zoo dicht over den ridder, die den mond opendeed, neer, dat zijn neus bijna tusschen diens +tanden verdween. Op dit oogenblik begon echter de ingezwolgen drank te werken, en terwijl Sancho in den mond keek, gaf de +lijder op eens al wat hij in de maag had over en overstroomde daar den baard van zijn armen, meewarigen schildknaap mee. Deze +schrikte, daar hij het hem overstelpend vocht in den beginne voor bloed hield; doch spoedig merkte bij, wat het was, en kreeg +zulk <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50">50</a>]</span>een gevoel van walging, dat hij wel genoodzaakt was zijn gestrengen heer hetzelfde te doen, wat deze hem had gedaan. + +</p> +<p>De arme Sancho schudde zich als een natte poedelhond, maar was toen met een sprong op de been en liep naar zijn ezel, om uit +den knapzak het een of ander te halen, waarmee hij zichzelf en zijn meester weer schoonmaken kon. Daar echter ontdekte hij, +dat zijn knapzak verdwenen was, wat hem opnieuw zijn noodlot deed verwenschen, dat hem aan zulk een dolzinnigen heer gebonden +had. + +</p> +<p>Toen hij nog stond te klagen en te lamenteeren, kwam Don Quichot met moeite weer overeind, onderzocht met de linkerhand den +toestand van zijn mond, greep met de rechter Rocinante bij den teugel en sleepte zich voort naar zijn schildknaap, die nu +bedrukt op zijn grauwtje stond te leunen en in diepe gedachten voor zich neerkeek. + +</p> +<p>“Sancho Panza,” sprak de edele ridder, “gij zijt bedroefd om de wederwaardigheden, die mij en dus u ook getroffen hebben. +Maar klaag niet en treur niet, want op regen volgt zonneschijn, en ’t zal spoedig beter met ons gaan.” + +</p> +<p>“Och wat!” bromde Sancho. “’t Lijkt wat naar zonneschijn! Gisteren gefopt en vandaag zonder knapzak, daar moet een mensch +wel tureluursch onder worden.” + +</p> +<p>“Wat!” riep de ridder, “de knapzak weg?” + +</p> +<p>“Nergens te vinden,” antwoordde Sancho. + +</p> +<p>“Maar dan hebben we ook niets meer te eten.” + +</p> +<p>“Geen sikkepitje,” zei de schildknaap; “of we moeten het gras en de kruiden kauwen, die de schapen overlieten.” + +</p> +<p>“Dat alles zal zich wel schikken,” troostte Don Quichot; “maar kijk nu eens naar mijne kakebeenen en vertel, hoeveel tanden +ik ben kwijtgeraakt. Ik voel een moorddadige pijn op de plaats, waar ze vroeger plachten te zitten.” + +</p> +<p>Sancho stak Don Quichot den vinger in den mond, tastte en voelde en vroeg: “Hoeveel kiezen hebt gij vroeger aan dezen kant +gehad, gestrenge heer?” + +</p> +<p>“Vier, buiten de verstandskies, en alle vier gaaf en gezond.” +<span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51">51</a>]</span></p> +<p>“Heer,” antwoordde Sancho, “bedenk wel, wat gij zegt.” + +</p> +<p>“Vier zijn er geweest, zoo niet vijf,” betuigde Don Quichot opnieuw. + +</p> +<p>“Nu, dan moet ik zeggen, dat ge er leelijk zijt afgekomen,” zeide de schildknaap; “want aan deze zijde hebt gij beneden nog +maar twee en een halven tand en boven geen een meer: daar is alles glad weggeschoren.” + +</p> +<p>“Ongelukkige, die ik ben!” riep Don Quichot bij dit bericht bedroefd uit. “Hadden ze mij toch maar liever den linkerarm afgehouwen! +Een mond zonder tanden is als een molen zonder maalsteen, en een tand is meer waard dan een diamant. Maar zoo gaat het den +ridders, die zich voor het heil der menschheid opofferen! Wee mij armen, ongelukkigen, dolenden held!” + +</p> +<p>“Heer,” zeide Sancho Panza, na dat gejammer een poosje geduldig te hebben aangehoord, “heer, ik zou zeggen, dat ge nu lang +genoeg gelamenteerd hebt. Stijg te paard en laat ons eene herberg opzoeken, want ik blaf van honger.” + +</p> +<p>Don Quichot vermande zich en besteeg al zuchtend en kreunend Rocinante. “Rij voorop, vriend,” beval hij den schildknaap. “Ik +wil den weg volgen, dien gij inslaan zult.” + +</p> +<p>Dit liet zich Sancho geen tweemaal zeggen, maar in de hoop van spoedig eene herberg te zullen vinden draafde hij moedig op +den breeden landweg voort. ’t Begon evenwel donker te worden, en geen gastvrij dak vertoonde zich. Desniettegenstaande werd +nergens rust gehouden, want heer en knecht werden door een razenden honger geplaagd, en zij hoopten nog altijd eene herberg +te vinden. Toen echter wachtte hen een avontuur, als nog geen van beiden ooit beleefd had. + +</p> +<p>De nacht was pikdonker geworden en treurig reden de beide helden op den weg voort, toen zij op eens eene groote menigte lichten +zagen flikkeren, die als dwalende sterren uit de verte op hen toekwamen. Sancho Panza werd bleek, en ook Don Quichots hart +bonsde hoorbaar tegen zijne gekneusde ribben. Beiden hielden hunne dieren staande en staarden op de lichten, die van minuut +tot minuut grooter en schitterender werden. Sancho Panza beefde als een riet, en den dapperen ridder begonnen de haren te +berge te rijzen. Echter toonde hij zich moedig en sprak: +<span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52">52</a>]</span></p> +<p>“Sancho Panza, hier moet ik al mijne kracht en mijn moed te hulp roepen, want dit is zonder twijfel een dreigend en gevaarvol +avontuur.” + +</p> +<p>“O wee, o wee!” zuchtte Sancho. “Daar komen weer reuzen en gedrochten, en op mijn armen rug, die toch al bont en blauw gebeukt +is, zal ’t opnieuw weer slagen regenen.” + +</p> +<p>“Geloof dat niet,” antwoordde Don Quichot. “Al zijn ’t ook nog zulke grimmige geesten en spoken, ze zullen u met hand noch +vinger aanraken, daar ik u beschermen zal. Hier zijn wij op het open veld, waar ik onbelemmerd mijn scherp zwaard kan gebruiken.” + +</p> +<p>“Ik wil mij goed zoeken te houden,” zei Sancho Panza, hield zich dicht achter zijn heer en keek met gespannen opmerkzaamheid +naar de lichten uit, om te ontdekken, hoe het daar eigenlijk mee gelegen was. + +</p> +<p>Zij onderscheidden voor en na eene menigte gedaanten in witte hemden, die den armen Sancho Panza het verschrikkelijkste toeschenen, +dat zijne oogen ooit nog op aarde hadden aanschouwd. Hij trilde en beefde, en zijne tanden klapperden, alsof hij eene zware +koude koorts had. + +</p> +<p>Toen de lichten nog nader kwamen, zagen zij bij de twintig mannen in lange, slepende tabbaarden. Zij zaten op paarden, droegen +fakkels in de handen en hunne gezichten schenen spookachtig bleek. Achter hen kwam eene met een zwart laken overdekte baar, +en op deze volgden zes andere ruiters, die, evenals de eersten, van het hoofd tot de voeten in lange, donkere rouwgewaden +staken. Dezen zaten echter niet te paard, maar op muildieren, gelijk uit den zachten en bedaarden stap dezer dieren gemakkelijk +was op te maken. Met doffe stem mompelden alle mannen onverstaanbare woorden, die wel bezweringen schenen en het hart van +ridder en knecht met schrik vervulden. Daarbij het late uur, de donkere nacht en de lijkbaar,—dit een en ander had ook den +dapperste kunnen verbijsteren en beangstigen. + +</p> +<p>Sancho Panza was halfdood van schrik en ontzetting; doch bij Don Quichot begon de verbeelding reeds weer te werken en spiegelde +hem de zonderlingste avonturen voor. Hij geloofde, dat men op de <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53">53</a>]</span>baar een zwaar gekwetsten of wel dooden ridder wegdroeg, en dat de hemel hem opzettelijk tot diens bloedwreker had uitverkoren. + +</p> +<p>Zonder aarzelen omklemde hij dan ook zijne lans en stelde zich midden op den weg dreigend in postuur, om den geheimzinnigen +trein op te wachten. Toen die tot op korten afstand genaderd was, verhief hij zijne stem en sprak: + +</p> +<p>“Halt! Staat, gij ridders en edelen, en zegt zonder dralen, wie gij zijt, waarheen gij gaat, van waar gij komt en wie de ridder +is, wiens lijk gij daar op die baar medevoert. Gij hebt òf kwaad gedaan óf kwaad geleden, en ik moet dit weten, om daarnaar +mijne maatregelen te nemen.” + +</p> +<p>“Heer ridder,” gaf een der mannen tot antwoord, “houd ons niet op, want wij hebben haast en mogen geen tijd verliezen met +u uitvoerig rekenschap van ons doen en laten te geven.” + +</p> +<p>Met deze woorden dreef hij zijn muildier aan en wilde doorrijden; maar Don Quichot gevoelde zich door dit korte bescheid in +dier voege beleedigd, dat hij het dier bij den teugel greep en luid en dreigend riep: “Houd stil en leg rekenschap af! Zoo +niet, dan zal ik u en al de uwen bloedig tuchtigen en kastijden.” + +</p> +<p>Het muildier van den aldus bedreigden ruiter werd schuw, sprong op zij, steigerde hoog op en sloeg ruggelings achterover. +Een knaap die er te voet bij liep, zag den val en begon op Don Quichot te schimpen. Dat kon deze niet dulden en de kamp begon. +De ridder velde de lans, viel op een der mannen in het zwart aan en deed hem gewond van het paard tuimelen. Hierop keerde +hij zich tegen de overigen. Met waarlijk verbazende vlugheid en behendigheid hieuw hij op de menschen in en ’t scheen wel, +dat Rocinante vleugels had gekregen, zoo licht en snel galoppeerde hij over het slagveld heen en weer. + +</p> +<p>De mannen in de witte en zwarte kleederen toonden al zeer weinig hart in het lijf te hebben en gedroegen zich jammerlijk lafhartig. +Don Quichot dreef hen met weinig moeite op de vlucht, joeg hen met hunne vlammende fakkels over het veld heen en deed hen +zich naar alle kanten verstrooien. Sommigen der mannen konden zich wegens de lengte hunner rouwkleeren nauwelijks bewegen, +en op dezen <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54">54</a>]</span>hakte de verwoede ridder, zonder eenigen weerstand te vinden, zoo lang in, totdat zij hunne mantels wegwierpen en insgelijks +de vlucht namen. De arme sukkels meenden, dat de duivel zelf hun op de hielen zat, en kruisten zich al hun best. + +</p> +<p>Sancho Panza zag dit schouwspel met de grootste verbazing aan. Hij was over de stoutheid en dapperheid van zijn gebieder ten +hoogste verwonderd en begon bijna te gelooven, dat Don Quichot werkelijk de machtige en geweldige held was, waarvoor hij zich +uitgaf. + +</p> +<p>Don Quichot greep eindelijk een der brandende fakkels, die in menigte op den grond lagen, en lichtte in het rond, of hij ook +nog een vijand ontdekken kon. Hij bemerkte niemand dan den ruiter, die onder zijn muildier was geraakt, zette hem de punt +zijner lans op de borst en gebood hem zich over te geven, als hij niet oogenblikkelijk een man des doods wilde zijn. + +</p> +<p>“Ach, heer ridder,” stotterde de beangstigde man, “ik ben, gelijk gij ziet, onderdanig genoeg en smeek u ootmoedig om mijn +beetje leven. Ik geloof, dat ik een been heb gebroken, want ik kan geen lid verroeren. Breng mij dus ook maar niet om, als +gij een christelijk ridder zijt. Weet, dat ik tot den geestelijken stand behoor. Gij zoudt eene gruwelijke daad begaan door +de hand aan een dienaar van de kerk te slaan.” + +</p> +<p>“Maar, bij mijn zwaard,” schreeuwde Don Quichot, “als gij werkelijk een geestelijke zijt, wat heeft u dan midden in den nacht +hier op den grooten weg gebracht?” + +</p> +<p>“Mijn ongelukkig gesternte, heer ridder,” antwoordde de gevallene. + +</p> +<p>“En dat zal u het leven kosten, als gij mij niet dadelijk antwoord op mijne eerste vraag geeft,” riep Don Quichot. + +</p> +<p>“Ach, ik wil gaarne alles zeggen,” antwoordde de man. “Ik en de twaalf andere priesters, die allen gevlucht zijn, komen uit +de stad Baeza, en wij dachten ons naar Segovia te begeven, om het lijk van den ridder, dat daar op de baar ligt, naar zijn +eigen grafkelder te begeleiden.” + +</p> +<p>“Wie heeft dien ridder omgebracht?” vroeg Don Quichot op barschen toon. +<span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55">55</a>]</span></p> +<p>“Hij is zijn natuurlijken dood gestorven ten gevolge van eene heete koorts,” was het antwoord. + +</p> +<p>“Nu, dan heb ik niet de moeite te nemen om hem te wreken,” sprak de dappere dolende held. “Weet dan nu, eerwaardige heer, +dat ik de hoogvermaarde en machtige ridder Don Quichot van La Mancha ben, en dat mijne roeping is de wereld te doorkruisen, +om alle onrecht te keer te gaan, het kromme recht te maken en de lijdende, onderdrukte menschheid te hulp te komen.” + +</p> +<p>“Ei, heer ridder,” antwoordde de geestelijke, “bij mij is u dat niet gelukt, want gij hebt veeleer het rechte krom gemaakt, +gelijk mijn gebroken been u duidelijk kan bewijzen.” + +</p> +<p>“Dat doet mij leed om uwentwil,” betuigde de ridder; “doch gij hebt dit ongeluk aan uzelf te wijten. Waarom gaaft gij mij +niet terstond behoorlijk antwoord op mijne vraag?” + +</p> +<p>“Daar het nu toch niet te veranderen is, wil ik mij in mijn lot zoeken te troosten,” zuchtte de geestelijke. “Maar, heer ridder, +wilt gij mij eene gunst en weldaad bewijzen, help mij dan van onder mijn muildier weg. Een van mijne beenen zit nog tusschen +zadel en stijgbeugel vastgeklemd.” + +</p> +<p>“Waarom hebt gij dat niet terstond gezegd, eerwaardige heer?” riep Don Quichot. “Wacht, gij zult zonder uitstel geholpen worden.” + +</p> +<p>Hij wenkte Sancho Panza nader te komen; doch deze maakte bitter weinig haast, daar hij juist bezig was, een met proviand zwaar +beladen ezel, dien de geestelijke heeren bij zich hadden, van zijn vracht te bevrijden en die op zijn eigen grauwtje over +te brengen. Eerst toen hij dit werk volbracht had en zich toereikend van mondvoorraad voorzien zag, kwam hij zijn meester +te hulp en haalde den geestelijke onder het muildier weg. Dit richtte zich nu vanzelf op, en de geestelijke heer werd er op +geholpen. Voordat hij wegreed, verzocht Don Quichot hem, zijne broeders weder bijeen te roepen en hun in zijn naam vergiffenis +te vragen voor het kwaad, dat hij hun bij vergissing had aangedaan. En Sancho Panza voegde er bij: + +</p> +<p>“En als uwe vrienden weten willen, wie hen zoo deerlijk toegetakeld <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56">56</a>]</span>heeft, zeg hun dan, dat het Don Quichot van La Mancha, de Ridder van de Droevige Figuur, is geweest.” + +</p> +<p>Hierop reed de geestelijke weg, en nu vroeg Don Quichot zijn schildknaap, hoe die er toe gekomen was, hem den Ridder van de +Droevige Figuur te noemen. + +</p> +<p>“Dat zal ik u zeggen, gestrenge heer,” zeide Sancho Panza. “Kijk, toen ik u bij het licht van de fakkels zoo eens terdeeg +goed bekeek, moest ik bij mijzelf zeggen, dat gij wezenlijk de jammerlijkste en droevigste figuur zijt, die ik nog ooit van +mijn leven gezien heb. Dat komt denkelijk wel van het gevecht, waarin gij veel moet geleden hebben, of misschien ligt het +ook daaraan, dat gij zoo’n geduchte vracht kiezen en tanden zijt kwijtgeraakt.” + +</p> +<p>“Neen, dat is het zeker niet,” antwoordde Don Quichot. “Maar wat ook de reden mag wezen, ik wil den bijnaam, die u toevallig +in den mond kwam, behouden en mij ten eeuwige dage den Ridder van de Droevige Figuur noemen. Om dien naam met volle recht +te dragen, wil ik eene recht treurige figuur op mijn schild laten schilderen.” + +</p> +<p>“Die kosten kunt gij sparen, heer ridder,” zei Sancho Panza. “Als gij maar uwe eigene figuur laat zien, kunt gij verzekerd +wezen, dat de heele wereld u dadelijk voor den Ridder van de Droevige Figuur zal houden. Twijfel niet aan mijn zeggen, want +ik verzeker u, dat de honger en ’t verlies van die tanden u zoo’n jammerlijk aanzien gegeven hebben, als men zich met mogelijkheid +verbeelden kan. + +</p> +<p>Don Quichot lachte om Sancho’s dol zeggen, maar bleef er toch bij, dat hij dien bijnaam aannemen wou en op zijn schild eene +droevige figuur doen schilderen. Sancho liet hem nochtans geen tijd, om daar lang over na te denken, maar drong er op aan, +dat men de reis zonder tijdverlies voortzetten zou. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57">57</a>]</span></p> +</div> +<div id="xd0e886" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk IX.</h2> +<h2 class="normal">De molen.</h2> +<p>’t Was reeds helderlichte dag geworden, toen de ridder en zijn dienaar door een engen hollen weg in een afgelegen, vrij uitgestrekt +dal uitkwamen. Zij stapten hier van hunne vermoeide dieren, vergastten zich op den voorraad, die Sancho van de monniken had +meegepakt, en voelden er zich zoo wel, dat zij den ganschen dag en een deel van den volgenden nacht op die plaats bleven uitrusten. +Den daarop volgenden morgen echter, lang voordat het licht aan den hemel kwam, braken zij weer op, leidden hunne dieren bij +den teugel, om er in de donkerheid niet mee te struikelen, en vervolgden zoo behoedzaam hun weg. De hen omringende duisternis +was zoo groot, dat zij nauwelijks twee passen ver zien konden. + +</p> +<p>Zij waren nog niet ver, toen op eens een geweldig klateren en klotsen als van neerstortende wateren, in hun oor drong. Dit +gedruis ging gepaard met een vreemd gedreun, dat den armen schildknaap, die nu eenmaal van de natuur het hart van een haas +had gekregen, met schrik en ontzetting vervulde. Zij hoorden namelijk regelmatige, doffe slagen, met geluiden als het rammelen +van ijzeren kettingen vermengd. Daarbij was de nacht pikdonker, en in de bladeren der boomen ruischte de wind, die akelig +langs de naaste rotswanden huilde en gierde. De eenzaamheid, de woeste streek, de donkerheid, het ruischen van het water, +het loeien van den wind, dat alles vereenigde zich met dat voortdurend, schrikbarend bonzen en stampen, om onze helden het +hart in de borst te doen trillen. Zooals gezegd is, sidderde Sancho Panza dan ook als een popelblad; maar Don Quichot bleef +onverschrokken, besteeg Rocinante, greep lans en schild en sprak: + +</p> +<p>“Sancho Panza, de hemel heeft mij tot groote daden geroepen, <span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58">58</a>]</span>gelijk nu weer uit het nieuwe, schrikbarende avontuur, dat ik manhaftig te gemoet zal gaan, ten duidelijkste schijnt te blijken. +Haal mij dus den zadelriem wat vaster aan, trouwe vriend, en blijf dan hier op de plaats, om mij drie dagen te wachten. Als +ik binnen dien tijd niet hier terug ben, trek dan naar onze woonplaats en doe aan mijne gebiederesse, de edele Dulcinea van +Toboso, kond en te weten, dat haar ridder bij de vervulling zijner plichten als dolend held, onder het volvoeren van grootsche +en verheven daden bezweken is.” + +</p> +<p>Deze toespraak van zijn heer bewoog Sancho Panza tot schreiens toe, en hij peinsde op een middel, om den edelen Don Quichot +aan den zekeren dood te ontrukken. Terwijl hij het paard den gordel vaster om het lijf gespte, sloeg hij den halsterriem van +zijn ezel vlug en ongemerkt om Rocinantes voorpooten heen, zoodat Don Quichot met zijn ros bezwaarlijk van de plaats kon komen. +De ridder gaf nu werkelijk het dier de sporen, doch dat wipte slechts een paar malen op en bleef toen onbeweeglijk staan. + +</p> +<p>Ziende, dat zijne list gelukt was, sprak Sancho: + +</p> +<p>“Heer ridder, de hemel zelf verlangt door teekens en wonderen, dat gij u niet in gevaar zult storten. Hij heeft Rocinantes +ledematen verlamd, zoodat hij zoo stijf als een stok is, en als gij nu toch het arme dier woudt slaan en aansporen, zou het +u niet baten en gij zoudt geen stap verder voortkomen.” + +</p> +<p>Don Quichot was razend van ongeduld. Hij luisterde heel niet naar Sancho’s woorden, maar hieuw en stak als dol op het arme +beest los, zonder daardoor iets anders dan een paar vruchtelooze sprongen van het gebonden dier gedaan te kunnen krijgen. +Eindelijk moest hij alle verdere pogingen opgeven. Zonder op de gedachte te komen, dat Rocinante door een uitwendig middel +gebonden kon zijn, besloot hij, zich voorloopig tevreden te stellen en den morgen af te wachten, wanneer, naar hij hoopte, +Rocinante wel weer vanzelf in beweging zou komen. Hij gaf dit besluit aan Sancho te kennen, maar kon toch wel bijna gehuild +hebben van ongeduld. + +</p> +<p>“Troost u, gestrenge heer,” voegde zijn guitachtige schildknaap <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59">59</a>]</span>hem op deelnemenden toon toe, “troost u, want ik wil u, tot de dag komt, een aardige historie vertellen, als gij niet liever +uit den zadel wilt komen en tot het aanbreken van den dag nog eene zoete rust genieten.” + +</p> +<p>“Neen, ik zal niet afstijgen en slapen,” verklaarde Don Quichot; “maar wel zal ik met genoegen uwe geschiedenis aanhooren.” + +</p> +<p>“Goed, gestrenge heer,” zeide Sancho. “Luister dan goed toe en val mij vooral niet in de rede, want dat is een ding, dat ik +volstrekt niet dulden kan.” + +</p> +<p>“In een dorp van Estramadura was eens een geitenherder, dat wil zeggen een man, die geiten hoedde, en deze geitenherder of +man, die geiten hoedde, van wien mijne geschiedenis vertelt, heette Lope Ruiz.” + +</p> +<p>“Hoor, Sancho, als ge zoo omslachtig blijft voortvertellen, zullen we uwe geschiedenis niet voor het einde van de wereld te +hooren krijgen,” viel de ridder hem verdrietig in de rede. “Spreek als een verstandig mensch, of houd liever den mond dicht.” + +</p> +<p>“Goed, goed, heer!” riep Sancho Panza en vertelde verder. + +</p> +<p>“Deze geitenherder dan nu, die Lope Ruiz heette, ging op een goeden dag met zijne kudde uit en kwam aan een breeden stroom, +dien hij met de geiten niet doorwaden kon. En daarom keek hij dus naar een veerman om en ontdekte al spoedig een visscher, +die aanbood zijne driehonderd geiten op den anderen oever te brengen. Hij stapte in zijne boot, nam een geit mee en bracht +haar naar de overzij. Hierop kwam hij terug, nam weer eene geit en bracht haar ook over.—En nu, gestrenge heer, tel nu goed +al de geiten, die de visscher overzette, want als ge er ook maar één van vergeet, dan is mijn historie uit en kan ik met den +besten wil niet verder vertellen. Hoor nu.—De gindsche oever van de rivier, waarover de geiten gebracht moesten worden, was +buitengewoon glad en glibberig, en de visscher had dus veel tijd noodig, om al de geiten over te krijgen. Evenwel voer hij +heen en terug en bracht nog eene geit naar de overzij.” + +</p> +<p>“Maar, domme kerel,” riep Don Quichot ongeduldig en verdrietig, <span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60">60</a>]</span>“neem dan gerust aan, dat al de geiten zijn, waar ze wezen moeten, en vertel dan verder.” + +</p> +<p>“Ja, dat gaat niet,” antwoordde Sancho. “Hoeveel geiten zijn er nu over?” + +</p> +<p>“Hoe drommel, weet ik dat?” riep de ridder. + +</p> +<p>“Daar hebben we ’t al!” zeide Sancho Panza. “Nu is mijn vertelsel uit en ik kan er onmogelijk het slot van vinden. Waarom +hebt gij de geiten dan ook niet beter geteld?” + +</p> +<p>“Maar, goede hemel, wat heeft het getal der overgezette geiten dan toch eigenlijk met uwe geschiedenis te doen? Vertel maar +verder.” + +</p> +<p>“Neen, nu gaat dat niet meer,” antwoordde Sancho, de schouders ophalend. “Daar gij niet wist, hoeveel geiten overgezet waren, +raakte ik de kluts kwijt, en nu is mij de heele historie door het hoofd gegaan.” + +</p> +<p>Don Quichot bromde wat, en beiden zwegen nu een tijdlang doodstil. Eindelijk echter, toen de hemel zich in het oosten begon +te kleuren en de morgen aanbrak, oordeelde de ondeugende schildknaap het tijd, zijns meesters strijdhengst weer van zijne +banden te ontdoen. Hij maakte den halsterriem behoedzaam los en legde dien zijn ezel aan. + +</p> +<p>Nauwelijks voelde Rocinante zich weer vrij, of zijn zelfgevoel scheen te ontwaken. Hij lichtte eenige malen zijne stijve voorpooten +op en maakte eenige andere bewegingen. Dit hield Don Quichot voor een goed voorteeken en hij geloofde, dat het nu tijd was +om het gevaarlijkste van alle avonturen te beginnen en te bestaan. + +</p> +<p>Middelerwijl werd het ten volle licht en zag de ridder, dat hij zich in een dicht boschje van kastanjeboomen bevond, welker +groene takken het uitzicht beletten. Daar hij echter nog altijd dat schrikbarend stampen vernam, nam hij afscheid van Sancho +Panza, herhaalde hem zijne vroegere aanwijzingen, gaf Rocinante de sporen en ging op weg, terwijl de schildknaap langzaam +te voet achternakwam. + +</p> +<p>Toen zij nu vrij lang onder kastanjes en andere lommerrijke boomen waren voortgetrokken, kwamen zij op eene kleine weidevlakte, +die te midden van hooge rotsen was gelegen, van welke een prachtige waterval zich in de diepte neerstortte. Aan den voet <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span>daarvan lagen eenige ellendige lage hutten, uit wier binnenste het dreunend stampen klonk, dat onze beide helden al zooveel +schrik aangejaagd had. Rocinante werd erg schuw door het gebons, het geklapper en de slagen, die het aardrijk voortdurend +deden schudden. Don Quichot bedwong nochtans zijn steigerend ros en reed voort, recht op de oorzaak van het schrikbarend geraas +aan. + +</p> +<p>Sancho Panza hield zich dicht achter hem en loerde nu en dan tusschen Rocinantes pooten door, om de eigenlijke oorzaak van +het vreeselijk rumoer, dat hem door merg en heenging, te vernemen. + +</p> +<p>Op eens hield Don Quichot zijn ros staande, want zie, de onschuldige oorzaak van het zoo geducht alarm, dat hen den halven +nacht in onrust, vrees en spanning had gehouden, lag daar open en bloot voor hen. Dat waren namelijk de zes stampers van een +pletmolen, die, door de kracht des waters gedreven, door hunne slagen den omliggenden grond in voortdurende trilling en schudding +hielden. + +</p> +<p>Toen Don Quichot zich hiervan ten volle overtuigd had, werd hij bleek van teleurstelling en ergernis. Hij liet het hoofd op +de borst zinken en schaamde zich zoo, dat hij liefst dadelijk in den grond zou zijn weggezonken. Sancho Panza daarentegen +barstte in zulk een luid en schaterend lachen uit, dat hij zich onmogelijk op de been kon houden, maar als een meelzak neerplofte +en zich in het gras rondwentelde van pleizier. Dit kluchtig gezicht verdreef eindelijk ook des ridders mismoedigheid, zoodat +de diepe rimpels van zijn voorhoofd verdwenen en hij zelf hartelijk meelachen moest. + +</p> +<p>Zoodra Sancho Panza dit bemerkte, ontwaakte zijn overmoed en deed hem de vrijheid nemen met zijn heer den spot te drijven +door alles, wat die in de verwachting van een groot gevaar tot hem gesproken had, onder schaterend lachen te herhalen. Deze +bespotting verdreef nochtans weder de blijmoedige stemming van zijn heer en maakte dezen zoo verbolgen, dat hij zijne lans +ophief en zijn schildknaap een paar slagen over de schouderbladen gaf, die aan zijn ondeugenden spotlust op eens een einde +maakten. Hij stond op en nam zijne vroegere onderdanige en bescheiden houding weder aan. +<span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62">62</a>]</span></p> +<p>“Vergeef mij, gestrenge heer,” zeide hij; “ik gekte maar wat.” + +</p> +<p>“Nu, al gekt gij, knaap, zoo houd ik toch niet van gekken,” antwoordde de ridder. “Daar gij uwe straf nu reeds bekomen hebt, +zal ik u uw onbehoorlijk gedrag echter voor ditmaal vergeven.” + +</p> +<p>Intusschen begon het een weinig te regenen, en Sancho Panza betoonde grooten lust, een paar uren in den pletmolen te schuilen. +Zijn meester had echter zulk een afkeer gekregen van het gebouw, dat hem op eene zoo belachelijke wijze gefopt had, dat hij +voor Sancho’s voorstel geen ooren had, maar zijn tocht onverwijld voortzette. Hij keerde zich rechts en kwam op een weg, dien +hij tot hiertoe nog niet betreden had. + +</p> +<p>Het duurde niet lang, of hij kreeg een man te paard in het oog, die een blinkend ding op het hoofd droeg, dat in de hoogste +mate Don Quichots aandacht trok. Zoodra hij het gezien had, keerde hij zich tot zijn schildknaap om en zeide: + +</p> +<p><span class="corr" id="xd0e965" title="Niet in bron">”</span>Sancho, het noodlot maakt alle teleurstelling goed, die ons zoo bitter heeft verdroten. Zie, daar komt ons een man te gemoet, +die op zijn hoofd den helm van een hoogberoemden held, den ridder Mambrino, draagt.” + +</p> +<p>“Als ge u maar niet vergist, gestrenge heer!” antwoordde Sancho Panza. “Wees niet al te voorbarig!” + +</p> +<p>“Gij schandelijke twijfelaar! Hoe zou ik mij op helderlichten dag zoo kunnen vergissen?” riep de ridder, wiens hoofd weer +op hol begon te raken. “Ziet gij dien ridder op zijn appelschimmel niet? Ziet gij den gouden helm op zijn hoofd niet?” + +</p> +<p>“Och, ik met mijn dom verstand zie niets dan een man op een grauwen ezel, die veel van den mijnen heeft,” was het koele antwoord. +“Wel heeft hij een blinkend ding op zijn hoofd, dat ik niet recht onderscheiden kan; maar een helm is het zeker niet.” + +</p> +<p>“Het is de helm van Mambrino, domkop!” schreeuwde Don Quichot. “Ga op zij, kerel, en laat mij met dien ridder alleen. Weldra +zult gij zien, dat ik met hem kampen en den helm veroveren zal.” + +</p> +<p>“En toch is het geen helm,” bromde de schildknaap. +<span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63">63</a>]</span></p> +<p>“Hondsvot, rekel, zwijg!” riep Don Quichot vol woede. “Als gij nog een woord spreekt, zweer ik u de ziel uit het lijf te beuken.” + +</p> +<p>Door deze bedreiging verschrikt, vond Sancho ’t maar het verstandigst, op zij te gaan en geen mond meer open te doen. + +</p> +<p>Er lagen daar in den omtrek twee dorpen, die te klein waren, om er ieder een eigen barbier op na te houden. Daarom bediende +dan ook maar één scheerbaas beide plaatsen en ging op zijn grauwtje bij zijne verschillende klanten rond. Dit was ook heden +weer het geval en, om zijn nieuwen hoed tegen de regendroppels te beschutten, had de goede man zijn geelkoperen scheerbekken +daar bovenop gezet. Dat bekken, blank geschuurd, blonk van verre als een spiegel en werkte zoo levendig op des Dons ziekelijke +verbeelding, dat alles, als gewoonlijk, in zijn oog eene herschepping onderging, dat hij een grauwen ezel voor een appelschimmel +hield en een ridder met gouden helm zag, waar daar in werkelijkheid niets van bestond. + +</p> +<p>In zijne dolle verblinding stoof Don Quichot dan nu ook op den aan geen kwaad denkenden baardschrabber aan en richtte in vollen +ren zijne lans op hem met het vaste voornemen, om hem met de scherpe punt zonder genade door en door te priemen. Eerst toen +hij al heel dicht bij was, schreeuwde hij hem toe: “Verweer u, roover en dief! of sta af, wat u niet toekomt!” + +</p> +<p>De arme, verschrikte barbier wist geen ander middel om den dreigenden lansstoot te vermijden, dan dat hij zich maar terstond +van den ezel liet vallen. Dit deed hij, en nauwelijks had hij met zijne volle lengte den bodem gemeten, of hij sprong weer +op, nam, gelijk men dat noemt, zijne beenen onder den arm en zette het op een loopen met eene snelheid, dat een stormwind +hem bezwaarlijk zou hebben ingehaald. + +</p> +<p>Don Quichot liet hem loopen, zonder aan eene vervolging te denken; want bij den val was den verschrikten barbier zijn bekken +van het hoofd gevlogen en lag nu als goud in de zon te blinken. Don Quichot beval zijn schildknaap, den helm op te nemen, +en Sancho Panza gehoorzaamde, terwijl hij zeide: “Waarachtig, een <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64">64</a>]</span>heel goed scheerbekken, en onder broeders zijne acht realen waard.” + +</p> +<p>Met deze woorden reikte hij het bekken aan Don Quichot over, die het terstond op zijn hoofd zette en omdraaide, om het vizier +te vinden. Wijl dit er nu niet was, vond hij het ook niet en zeide: “Die held Mambrino moet een geweldig dik en groot hoofd +hebben! Jammer maar, dat de helft van den helm ontbreekt!” + +</p> +<p>Toen Sancho Panza zag, dat zijn meester nog altijd hardnekkig bij zijne verbeelding bleef, kon hij toch onmogelijk het lachen +laten en proestte het hardop uit. + +</p> +<p>“Waarom lacht gij?” vroeg Don Quichot dadelijk. + +</p> +<p>“Ei,” antwoordde de schildknaap, “ik lach, als ik mij den dikken kop voorstel, die onder dat barbiersbekken moet gezeten hebben.” + +</p> +<p>“Sancho, gij spreekt onverstandig!” zeide de ridder op berispenden toon. “Ik wil u zeggen, hoe ik over dit wapenstuk denk. +Stellig zeker is de helm eens door een of ander toeval in de handen van een mensch gekomen, die er den prijs niet van wist +te waardeeren en, zonder te weten wat hij deed, de helft er van smolt, om er geld van te maken, maar de andere helft tot een +ding misvormde, dat misschien wel wat op een barbiersbekken lijkt. Dat zal mij echter niet beletten hem in eere te houden, +en zoodra wij bij eene smederij komen, wil ik hem zoo laten opknappen, dat hij zelfs den krijgshelm zal overtreffen, dien +Vulcanus, de god der smeden, voor Mars, den oorlogsgod, vervaardigd heeft. Tot zoo lang wil ik hem dragen, gelijk hij is; +want in allen gevalle is hij beter dan in ’t geheel niets en kan hij mij desnoods tegen een steenworp dekken.” + +</p> +<p>“Als die maar niet uit een slinger komt,” merkte Sancho spotachtig aan. “Maar wat moet nu met het beest gebeuren, dat uw edelheid +voor een appelschimmel gelieft te houden? Het is niet te denken, dat de eigenaar er van terugkomt, en, bij mijn baard, het +is zoo kloek en krachtig, dat het mij bevallen zou, zelfs als ’t mijn eigendom was.” + +</p> +<p>“Gij moogt het u niet toeëigenen,” antwoordde Don Quichot. “Het zou onedel zijn, een overwonnene te berooven. Laat daarom +den appelschimmel stilletjes staan.” +<span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span></p> +<p>“Nu, als ik hem niet met huid en haar mag nemen, wil ik toch zijn zadeltuig voor mijn dier meepakken,” mompelde Sancho Panza +en ging dadelijk tot dezen ruil over, zonder dat zijn gestrenge meester daar iets tegen inbracht. Hij knapte nu zijn eigen +ezel netjes op, zoodat hij er tienmaal fraaier dan vroeger uitzag, en volgde toen op een sukkeldrafje zijn heer, die reeds +een tamelijk eind vooruit was. Rustig trokken zij nu met elkaar voort en lieten aan Rocinante over zijn eigen weg te zoeken. +Rocinante bleef op den grooten rijweg, zeker omdat die hem de gemakkelijkste toescheen. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e1010" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk X.</h2> +<h2 class="normal">Hoe Don Quichot eenige ongelukkigen in vrijheid stelt en wat hem verder overkomt.</h2> +<p>Ongeveer een uur waren onze beide helden, in vertrouwelijke gesprekken verdiept, huns weegs getrokken, toen Don Quichot toevallig +zijne oogen opsloeg en van verre twaalf menschen zag aankomen, die aan handen en voeten met ijzeren kettingen geboeid schenen. +Twee mannen met geweer en twee anderen met pieken en sabels gewapend gingen te voet bij hen aan. Hij maakte daar Sancho opmerkzaam +op, en deze zeide: “Het is een koppel galeislaven, die tot dwangdienst voor den koning naar de haven worden geleid.” + +</p> +<p>“Wat, tot dwangdienst?” riep Don Quichot verontwaardigd uit. “Doet de koning zelf zijnen onderdanen dwang en geweld aan?” + +</p> +<p>“Dat zeg ik niet,” sprak Sancho. “Die menschen zijn boosdoeners, die tot straf voor hunne misdaden tot de galeien veroordeeld +zijn.” + +</p> +<p>“In allen gevalle gaan zij dus niet uit vrije verkiezing, maar gedwongen daarheen?” +<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66">66</a>]</span></p> +<p>“Ja, zoo is het,” zeide Sancho. + +</p> +<p>“Welaan, ik zal mijn plicht doen en den ongelukkigen hulp en bijstand verleenen,” sprak Don Quichot. + +</p> +<p>“Maar in ’s hemels naam, bedenk toch, edele heer, dat de gerechtigheid, en dus in zeker opzicht de koning zelf, die menschen +tot hunne straf heeft veroordeeld,” riep Sancho angstig. + +</p> +<p>Don Quichot luisterde niet naar deze verstandige voorstelling, en de koppel galeiboeven kwam nader. De ridder wendde zich +tot de wachters en verzocht die in beleefde bewoordingen wel zoo goed te willen zijn, de redenen op te geven, waarom zij die +arme menschen geboeid meesleepten. Een der wachters antwoordde kortaf, dat het schelmen en gauwdieven waren, die naar de haven +werden gebracht, en dat hij daar verder zijn nieuwsgierigen neus niet in had te steken. + +</p> +<p>Dit onheusche antwoord verdroot den dolenden held in hooge mate; maar toch hield hij zich nog in en vroeg beleefd: “Niettegenstaande +dat wensch ik van ieder dezer menschen in het bijzonder de oorzaak van zijn ongeluk te vernemen, en ik hoop en vertrouw, dat +gij, heeren, mij daarin niet hinderlijk zult zijn.” + +</p> +<p>Lachend werd hem de gevraagde vergunning gegeven, en Don Quichot vroeg den eersten den besten van den troep, hoe hij in zijn +ongelukkigen toestand was geraakt. + +</p> +<p>“Dat moogt gij gerust weten,” antwoordde de kerel. “Kijk, ik was op een mand met schoon linnen verliefd geraakt en hield die +zoo stevig gepakt, dat ik haar eerst losliet, toen de strenge hand van de politie mij daartoe dwong. Zij hielden mij vast, +gaven mij een goed getelde honderd op den rug en nu brengen ze mij naar de galeien, om mij daar drie jaren lang vrij kost +en logies te geven.” + +</p> +<p>“En waarom zijt gij geboeid, vriend?” vroeg Don Quichot aan den tweeden uit den troep. + +</p> +<p>“Omdat ik een paar schapen heb gestolen en stom genoeg was schuld te bekennen. Dat was ezelachtig dom van mij; want ik had +evengoed Neen kunnen zeggen.” + +</p> +<p>“Dat is waar,” zeide Don Quichot en vroeg den derden naar zijn vergrijp. +<span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67">67</a>]</span></p> +<p>“Ik moet naar de galeien, omdat mij tien dukaten te kort kwamen, juist toen ik die noodig had,” antwoordde de schelm. + +</p> +<p>Don Quichot vroeg verder, tot hij bij den laatsten van het edele gezelschap kwam. Dit was een kloek, knap man van om de dertig +jaren, die geen ander gebrek had, dan dat hij wat heel erg scheel zag. Zijne boeien waren veel zwaarder dan die der overigen, +en op zijne navraag vernam de ridder, dat hij wegens vele en zware misdaden tot levenslange galeistraf was veroordeeld. Hij +heette Gines van Pasamonte en stond als de ergste en sluwste gauwdief van geheel Spanje te boek. + +</p> +<p>Nadat de edele ridder zoo van alles, wat hij weten wou, nauwkeurig onderricht was, wendde hij zich weer tot de wachters en +zeide: + +</p> +<p>“Mijne heeren, ik bid u uiterst beleefd deze arme menschen zonder verwijl van hunne boeien te ontdoen en hen vrij en ongehinderd +te laten gaan, waarheen ’t hun goeddunkt. Zij hebben zich wel aan eenige kleine verkeerdheden schuldig gemaakt, maar daarom +kunnen zij nog altijd goede en brave menschen zijn. Laat hen goedwillig los, zeg ik, of reken er op, dat ik u daar met deze +lans en dit zwaard toe zal dwingen.” + +</p> +<p>De wachters lachten hardop. + +</p> +<p>“Ge schijnt mij een rare snaak toe!” riep hun aanvoerder. “Maak, dat je wegkomt, zet je scheerbekken terecht en bemoei je +voortaan niet met dingen, die je geen zier aangaan!” + +</p> +<p>“Gij vlegel, gij onbeschaamde rekel!” schreeuwde Don Quichot vol woede, en rende met zooveel geweld op den wachter in, dat +deze geen tijd vond, om zich te weer te stellen, maar terstond op den grond lag. De lans was hem bijna midden door het lichaam +gegaan. Een oogenblik stonden de overige wachters door deze koene daad als verbijsterd; maar toen rukten zij hunne zwaarden +uit de scheeden, tastten naar hunne verdere wapens en keerden zich tegen Don Quichot, die hun aanval met veel koelbloedigheid +afwachtte. Niettegenstaande dit zou het slecht met hem zijn afgeloopen, zoo niet de gevangenen zich dit plotseling ontstaan +tumult hadden ten nutte gemaakt om hunne boeien te verbreken en zich <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68">68</a>]</span>in vrijheid te stellen. Het gevolg was, dat de wachters niet recht wisten, waarheen zij zich het eerst wenden moesten, en +zich dus deels tegen Don Quichot verweerden, deels op de vluchtende gevangenen wierpen, en zoo met verdeelde krachten weinig +konden uitrichten. Sancho maakte onderwijl de zware ketens van Gines van Pasamonte los. Zoodra deze handen en voeten vrij +had, greep hij sabel en buks van den gevallen wachter op, welke laatste hij, zonder vuur te geven, nu op dezen dan op genen +aanlegde. De dreigende houding van het geweer boezemde den wachters meer schrik in, dan al Don Quichots vechtkunst. Toen nu +eindelijk de ontboeide gevangenen hen met een hagelbui van steenen begonnen te overstelpen, wisten zij geen raad meer en zochten +hun eenige en laatste heil in de vlucht. + +</p> +<p>Hoe blij ook, dat zij hunne piek schuurden, kon Sancho Panza toch niet zonder bezorgdheid aan de mogelijke gevolgen van dit +avontuur denken. Hij zocht zijn heer aan het verstand te brengen, dat de wachters ongetwijfeld dadelijk alarm maken, versterking +halen en alsdan de misdadigers vervolgen zouden, waarom het maar het best zou zijn, dat zij beiden zich stilletjes uit de +voeten maakten en de wijk naar het nabijgelegen gebergte namen. + +</p> +<p>“Zwijg stil!” voegde Don Quichot hem barsch toe. “Ik weet best, wat mij in dit roemrijk geval te doen staat.” + +</p> +<p>Hij riep de galeiboeven in zijne nabijheid, deed hen een kring sluiten, hield eene lange toespraak en verlangde van hen, dat +zij zich naar Toboso begeven en zijne schoone Dulcinea van hunne bevrijding bericht brengen zouden. + +</p> +<p>“Hoor, uwe edelheid,” gaf Gines van Pasamonte in naam der overigen tot antwoord, “daar is geen denken aan, want als wij ons +niet schielijk naar al de windstreken verstrooiden, zou men ons al gauw weer bij de lurven hebben gepakt. Heb overigens dank +voor de ons bewezen goede diensten, en wees hiermee vriendelijk gegroet.” + +</p> +<p>“Hoe is dat, ondankbare snoodaard?” vroeg Don Quichot ten hoogste verontwaardigd. “Zoo weigert gij dus den heiligen plicht +der dankbaarheid te vervullen? Wacht, man, dan zal ik je toonen, met wien gij te doen hebt.” +<span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69">69</a>]</span></p> +<p>Gines van Pasamonte, die al van den beginne had gemerkt, dat het met het verstand van den edelen ridder niet recht in den +haak moest wezen, wenkte zijne kameraden hem te volgen, en bracht hen een eind ver achteruit. Van daar, op veiligen afstand, +deden de schelmen nu zulk een dichten regen van steenen op den grootmoedigen ridder en zijn schildknaap neerkletteren, dat +de eerste zich moeielijk met zijn schild konde dekken, terwijl de laatste in aller ijl achter zijn ezel wegkroop. De bui duurde +voort, tot eenige keisteenen den armen Don Quichot zoo gevoelig raakten, dat hij in den zadel waggelde en in zijne kletterende +wapenrusting ter aarde stortte. Pas lag hij daar weerloos, of Gines van Pasamonte was bij hem, rukte hem het scheerbekken +van het hoofd, bracht hem een paar moorddadige houwen toe en sloeg den zoogenaamden helm bijna in stukken. De overigen trokken +hem den wapenrok, dien hij over het harnas droeg, uit en zouden hem ook zijn broek hebben ontstolen, indien de stevig vastgegespte +dijplaten zijner rusting hun dat niet hadden belet. Sancho Panza moest insgelijks zijn bovenkleed afstaan en mocht blij zijn, +dat men hem zijn wambuis liet, waarna de dievenbende zich links en rechts verstrooide, om niet weer opnieuw in de klauwen +der straffende gerechtigheid te geraken. + +</p> +<p>Don Quichot en Rocinante benevens Sancho en zijn grauwtje bleven alleen op het slagveld achter. De ezel stond daar als in +droefgeestig gepeins en schudde van tijd tot tijd zijne ooren, alsof ’t hem verwonderde, dat de hagelbui, die ook hem niet +weinig pijnlijk getroffen had, nu toch voorbij was. Rocinante lag bij zijn heer op den grond en stak al zijne vier pooten +in de lucht. Sancho Panza beefde van angst en woede, en de edele ridder van La Mancha smeekte de wraak des hemels af over +de schelmen en gauwdieven, die hem zoo schandelijk en verregaand ondankbaar behandeld hadden. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span></p> +</div> +<div id="xd0e1077" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XI.</h2> +<h2 class="normal">Sancho Panza verliest zijn ezel en Don Quichot speelt voor gek.</h2> +<p>Toen de edele ridder van La Mancha weer eenigermate van de werking der zware steenworpen bekomen was, sprak hij: + +</p> +<p>“Sancho Panza, altijd heb ik gehoord, dat men een nutteloos en vergeefsch werk doet, als men aan ’t gemeene volk weldaden +bewijst. Die schurkachtige gevangenen hebben mij met den snoodsten ondank beloond, en dit zal ons leeren ons nimmer weer met +soortgelijk gespuis in te laten.” + +</p> +<p>“Nu, ik wil hopen, dat gij eindelijk door schade en schande wijs wordt,” antwoordde Sancho Panza. “Voorts is ’t maar best, +dat wij ons zoo spoedig mogelijk uit de voeten maken. De politie heeft voor dolende helden bitter weinig ontzag en zou, als +zij u in handen kreeg, aan uwe ridderschap spoedig een treurig einde maken. Zie, dat gij weer op Rocinante komt, en laat ons +vluchten.” + +</p> +<p>“Gij zijt een bloodaard, Sancho! Toch wil ik voor ditmaal aan uw verlangen toegeven en mij in de Sierra Morena begeven, in +de hoop, dat het ons daar geen dag aan avonturen ontbreken zal.” + +</p> +<p>Sancho was van harte blij, dat hij zijn zin kreeg, en ging dadelijk zijn best doen om eerst Rocinante en toen ook zijn meester +weer op de been te helpen. Gelukkig had hij zijn broodzak aan de handen der roofzuchtige spitsboeven weten te onttrekken en +kon dus zich zelf en zijn heer een stevige hartsterking voorzetten. Hierop bestegen beiden hunne dieren en kwamen nog voor +den donker midden in de Sierra Morena, waar zij in een eng rotsdal onder eenige zware, lommerrijke boomen hun nachtleger opsloegen. + +</p> +<p>Nauwelijks lagen onze twee helden daar vast in slaap, of hun ongelukkige gesternte wilde, dat de schelmachtige Gines van Pasamonte +<span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71">71</a>]</span>toevallig dienzelfden weg langs kwam. Uit vrees voor den straffenden arm der gerechtigheid was ook hij in de Sierra Morena +zijn heil komen zoeken en, vooral ter wille van den ezel, niet weinig verheugd, hier zoo geheel onverwachts zijne beide bevrijders +te vinden. Met alle omzichtigheid sloop hij nader, maakte zich van des schildknaaps langoor meester, ging daar op zitten en +voerde zijn buit weg, zoo hard als het dier maar loopen wou. Den volgenden dag was hij reeds uren ver van de beroofde twee +verwijderd. + +</p> +<p>De zon kwam zich tot verkwikking van al, wat leeft en ademt, boven de kim vertoonen, doch ditmaal niet tot blijdschap van +den armen Sancho Panza, die door haar helder licht al spoedig onderricht werd van het zware verlies, dat hij in den loop van +dien nacht geleden had. Hij vervulde de lucht met zijne jammerklachten en huilde zoo geweldig, dat ook zijn meester ontwaakte +en naar de oorzaak van dat klaaglied vernam. + +</p> +<p>“Ach,” lamenteerde de knaap, “ach, mijn grauwtje is weg, mijn hartelap, mijn suikerpop, de oogappel van mijn vrouw, de doorn +in ’t vleesch van al mijne buren, de steun van al mijne lasten!” + +</p> +<p>“Kom, kom, Sancho, bedaar, man!<span class="corr" id="xd0e1102" title="Niet in bron">”</span> trooste de ridder zijn weeklagenden dienaar; “gij zult voor den verloren ezel drie van de vijf hebben, die ik bij mij thuis +op stal heb staan. Ik zal u daar een papier van geven en gij zult ze zelf halen. Nu kom en laat ons zorgen, dat wij dieper +in het gebergte komen.” + +</p> +<p>De goede Sancho trooste zich en dankte zijn meester voor de grootmoedige toezegging. Hierop braken zij op en vervolgden hunne +reis. + +</p> +<p>Hoe dieper Don Quichot in de wilde bergstreek doordrong, des te meer verblijde zich zijne ziel, terwijl hij zich al de wonderbare +daden en avonturen voor den geest riep, welke dolende ridders vóór hem in zulke woestijnen en wildernissen volvoerd en beleefd +hadden. Hij verzonk zoo diep in gepeins, dat hij geen woord sprak en de tijd den armen Sancho, die pruttelend achter hem aan +sjokte, danig lang begon te vallen. Hij had bijster gaarne eens een woordje gepraat, doch waagde niet een gesprek aan te vangen +uit vrees, dat hij zijn heer hierdoor beleedigen zou. Ten laatste werd het hem <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72">72</a>]</span>echter toch al te erg en besloot hij, op elk gevaar af, aan dat vervelende zwijgen een einde te maken. + +</p> +<p>“Heer,” begon hij, “ik verzoek u dringend, mij mijn afscheid te geven en stilletjes naar huis te laten terugkeeren. Thuis +kan ik althans met vrouw en kinderen praten, als ik daar lust toe voel; maar hier in de wildernis moet ik als een gek achter +Rocinante aansukkelen en krijg geen woord te hooren, en dat noem ik dood wezen bij levenden lijve.” + +</p> +<p>“Sancho Panza,” antwoordde de ridder, “daar is raad voor, want weet, dat ik juist van plan ben, eene daad te verrichten, die +mij tot den beroemdsten ridder moet maken, dien de aardbodem ooit gedragen heeft. En daartoe heb ik uwe medewerking noodig.” + +</p> +<p>“Is er gevaar bij, heer ridder?” vroeg Sancho Panza. + +</p> +<p>“Neen; met gevaar is de daad niet verbonden. Echter hangt alles van uwe werkzaamheid af.” + +</p> +<p>“Van mijne werkzaamheid?” vroeg Sancho verwonderd. + +</p> +<p>“Zeker, mijn zoon,” luidde des ridders antwoord, “want weet, dat, zoo gij schielijk van de plaats, waarheen ik u zenden zal, +terugkeert, gij den tijd van mijn lijden zult verkorten, en dat dan mijn triomf een aanvang zal nemen. Ten einde gij echter +in staat moogt zijn, mij te verstaan, moet ik u zeggen, dat vóór tijden de beroemde Amadis van Gallië een der beste, dapperste +dolende ridders was, en dat hem na te volgen mij tot onvergankelijke eer moet strekken. En dit moet geschieden ten opzichte +van de beste daad, die van hem verhaald word. Toen namelijk de schoone Oriana hem versmaad had, begaf hij zich naar de wildernis, +deed boete en kastijdde zich en noemde zich gedurende dien tijd Beltenebros.” + +</p> +<p>“Maar, gestrenge heer, gij wordt toch niet door uwe Dulcinea versmaad?” zeide Sancho Panza. + +</p> +<p>“Dat is juist de zaak waar het op aankomt, Sancho,” antwoordde Don Quichot; “want versta mij wel: dat een dolend ridder om +goede redenen dol en razend wordt, dat is niet de moeite waard, dat men er over praat. De groote kunst is, zonder grond of +oorzaak dol te worden, en van deze kunst wil ik blijk geven. Gij echter, Sancho, moet u naar mijne aanbiddelijke meesteres +<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73">73</a>]</span>Dulcinea van Toboso begeven en haar een brief overbrengen, die haar van mijn waanzin onderrichten moet, opdat zij de sterkte +van mijne vereering en aanbidding leere waarderen.” + +</p> +<p>Sancho Panza wist niet, wat hij op deze dollemanspraat zeggen moest. Hij schudde het hoofd en stapte zwijgend nevens Don Quichot +voort, totdat zij aan den voet van een hoogen rotskegel kwamen, die rondom met naakte wanden van graniet omgeven was. Daar +borrelde eene heldere bron uit op en rondom breidde zich een groen graskleed uit, dat met bonte bloemen sierlijk getooid was. +Deze plaats scheen den edelen ridder tot volvoering van zijn avontuurlijk opzet uiterst geschikt toe, en hij besloot hier +zijne dolle razernij maar terstond den vrijen teugel te vieren. + +</p> +<p>“Ha, ha!” riep hij met bulderende stem, alsof hij op eens stapelgek was geworden, “ha ha! dit is dus de plaats, waar ik mijn +ongeluk wil beschreien. Ha, ha! dit is de plaats, waar mijn tranen dit beekje tot een schuimenden bergstroom zullen doen aanzwellen. +Ha, ha! dit is de plaats, waar ik zuchten ga loozen, die als een stormwind door de boomtoppen en hunne groene bladeren zullen +ruischen.” + +</p> +<p>Onder het uitstooten van al dezen onzin liet hij zich van zijn paard zakken en gaf dat een slag op den rug. + +</p> +<p>“Vlucht weg,” riep hij dat toe, “vlucht weg, mijn edel ros! Ik geef u uwe vrijheid weer, daar ik zelf in de boeien en banden +van den waanzin zal vervallen. Vlucht weg en dool als een rustelooze schim in bosschen en wildernissen rond.” + +</p> +<p>“Nu ja, van een schim begint Rocinante al vrij wat te krijgen, heer ridder,” zeide Sancho Panza; “maar toch reken ik ’t beter, +dat ik maar op hem ga zitten en op zijn rug mijne reis naar uwe Dulcinea aanvaard. Ik zal dan des te gauwer hier terug kunnen +zijn.” + +</p> +<p>“Goed, Sancho, doe, wat gij verkiest,” antwoordde de ridder van de droevige figuur. “Evenwel moet gij op zijn minst nog drie +dagen in mijne tegenwoordigheid blijven, om aan mijne uitverkorene te kunnen berichten, wat ik al niet tot hare verheerlijking +gedaan heb.” +<span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span></p> +<p>“Zal ik nog meer razende dolligheden zien, dan ik nu al gezien heb, heer?” vroeg Sancho Panza verwonderd. + +</p> +<p>“O, ik zal er nog zooveel vertoonen, dat ge u van verbaasdheid de oogen uit het hoofd kijkt,” antwoordde de ridder. “Vooreerst +moet ik, daar ik nog niet weet, of ik in mijne dolheid Amadis van Gallië of den razenden ridder Roland wil navolgen, mijne +kleeren verscheuren, mijne wapens te grabbel gooien, met mijn hoofd tegen de rots aanrennen en nog meer dergelijke dingen +uitvoeren, zoodat ge verbluft staat van wat ge ziet.” + +</p> +<p>“Doe, wat ge niet laten kunt, edele heer,” antwoordde de schildknaap; “maar wees in ’s hemels naam wat voorzichtig met dat +met het hoofd tegen de rots rammeien. De steenen zijn hard en hebben allerlei hoeken en punten. Als ge toevallig op zoo’n +punt te land kwaamt, kon ’t met alle malligheid op eens gedaan wezen. Zoo gij werkelijk oordeelt, dat die kopstooten volstrekt +noodig zijn, kondt gij, dunkt me, volstaan met het hoofd in ’t water te plompen of met vooraf een week, zacht ding tegen de +rots te plakken. Dan doet de stoot geen zeer, en ik wil Dulcinea van Toboso er toch een relaas van geven, dat de haren haar +te berge rijzen. ’t Is toch alles maar fopperij en malligheid, edele heer!” + +</p> +<p>“Dan verkeert gij in een geweldige en betreurenswaardige dwaling, vriend Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Al de dingen, die +ik wil uitvoeren, zijn geenszins malligheid, maar hooge, heilige ernst. Ik zal koen en krachtig tegen de rotsen aanrennen, +en ’t zou dus niet kwaad zijn, dat gij mij wat linnen tot het verbinden der daardoor aan mijn hoofd toegebrachte wonden achterliet.” + +</p> +<p>“Heer, al ’t linnen is met den ezel naar de maan gegaan,” verzekerde de schildknaap. “Daarom verzoek ik u ook dringend, die +gekheid van met het hoofd tegen de harde steenen te loopen maar achterwege te laten en u liever in te beelden, dat de drie +dagen van razernij al voorbij zijn. Ik voor mij wil aannemen, dat ik al uwe dwaze stukken gezien heb, en zal de edele jonkvrouwe +Dulcinea daar de ongeloofelijkste dingen van vertellen. Schrijf den brief en laat het overige aan mij over.” + +</p> +<p>Don Quichot gaf aan dit verstandig voorstel gehoor. “Gij <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75">75</a>]</span>hebt gelijk, Sancho,” zeide hij. “Doch hoe moeten wij ’t aanleggen, om den brief klaar te krijgen?” + +</p> +<p>“Ja, en ’t papiertje, waarop ze mij de drie ezels moeten afgeven,” voegde zijn schildknaap er bij. + +</p> +<p>“Juist, juist!” riep Don Quichot, “dat mogen wij niet vergeten. Ik zal alles in mijn zakboek schrijven, en gij moet het dan +door den eersten den besten koster in het naaste dorp mooi en netjes laten kopieeren.<span class="corr" id="xd0e1160" title="Niet in bron">”</span> + +</p> +<p>“Maar hoe moet het dan met de onderteekening?” + +</p> +<p>“De brieven van den grooten ridder Amadis van Gallië waren nooit onderteekend,” verzekerde Don Quichot. + +</p> +<p>“Voor den brief komt dat er ook zooveel niet op aan,” zei Sancho; “maar met het papiertje voor de ezels is dat anders gelegen. +Daar moet uw edelheids handteekening onder staan, of ze zullen mij als een afzetter en bedrieger de deur voor den neus toesmijten.” + +</p> +<p>“Dat is zoo,” erkende Don Quichot, “en ik zal dus de lastgeving in het dagboek zelf met mijn naam onderschrijven. Als mijne +nicht dat ziet, zal zij u de ezels gewillig afstaan. En onder den brief kunt gij zetten: De uwe tot in den dood. Don Quichot +van La Mancha, de ridder van de droevige figuur.—Daar Dulcinea niet lezen kan, voor zoover ik weet, zal zij met dat onderschrift +volkomen tevreden wezen, en dan heb ik haar ook nog maar pas een- of tweemaal gezien, omdat zij door haar vader, Lorenzo Corchuelo, +en hare moeder, Aldonza Nogales, zeer streng wordt opgevoed.” + +</p> +<p>“Ei, de dochter van Lorenzo, die dikke vette, is dat dus uwe hooge en edele gebiedster?” vroeg Sancho Panza heel verwonderd. + +</p> +<p>“Ja, die is het, en zij verdient tot meesteresse van het gansche heelal te worden verheven.” + +</p> +<p>“O, haar ken ik wel,” zeide Sancho Panza en lachte, dat zijn buik schudde. “Dat is een meid van stavast. Zij gooit met knuppels +zoo goed als de beste jongen in het dorp, en kan haar mondwerk roeren, dat iedereen voor haar wegloopt. Een stemmetje heeft +ze als een trompet, en ze is van top tot teen een echte, stevige, plompe boerendeern. En ik, ezel, heb me altijd verbeeld, +dat uwe <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76">76</a>]</span>hooge en edele gebiederesse Dulcinea van Toboso heel wat bijzonders was, een prinses of een koningin of zoo’n andere voorname +hoogheid. Dat valt me dan danig tegen! En ’t is maar een geluk, edele heer, dat al de lui, die ge in bloedige gevechten overwonnen +hebt, niet naar haar toe gegaan zijn. Die hadden uwe Dulcinea dan licht bij ’t vlashekelen of druk aan het dorschen gevonden, +en zouden u in dat geval niet weinig hebben bespot en uitgelachen.<span class="corr" id="xd0e1179" title="Niet in bron">”</span> + +</p> +<p>“Sancho, ik zeg, dat gij een stomme ezel zijt!” riep Don Quichot verstoord. “Mij behaagt mijne Dulcinea en in mijn oog is +zij de hoogste en edelste prinses op aarde. Zoo gij nog een woord ten haren nadeele zegt, zal ik u mijne lans dwars door het +lichaam boren.” + +</p> +<p>“Goed, goed, ik heb er vrede mee, als uwe edelheid met zulk eene schoonheid tevreden is,” verklaarde Sancho Panza. “Schrijf +nu den brief maar en laat mij stilletjes mijns weegs gaan.” + +</p> +<p>Don Quichot haalde zijn zakboek uit, ging op zij, bedacht zich lang en schreef toen zijn brief aan Dulcinea van Toboso. Toen +hij dien klaar had, keerde hij tot zijn schildknaap terug en zeide, hem het stuk te willen voorlezen, zoodat hij het in zijn +hoofd had, ingeval het geschrift onderweg door eenig ongelukkig toeval mocht verloren gaan. Sancho Panza wilde daar echter +niets van hooren. + +</p> +<p>“Schrijf mij den brief liever een maal of tien twaalf af,” zeide hij, “en maak er veilig staat op, dat ik al die afschriften +trouw bewaren zal. Dat voorlezen echter helpt niemendal. Mijne memorie is zoo zwak, dat ik geen tien letters onthouden kan, +en nog veel minder zoo’n langen brief.” + +</p> +<p>De ridder zag dus van zijn voornemen af en vergenoegde zich met op een tweede blad van zijn dagboek de aanwijzing tot het +uitleveren der ezels te schrijven. Vervolgens vertrouwde hij die gewichtige papieren aan zijn schildknaap toe, drukte hem +op het hart, er toch vooral goed op te passen, en gaf hem de verzekering, dat alles uitmuntend afloopen zou, zoo hij ijverig +in den dienst en stipt in de volvoering van zijne taak was. + +</p> +<p>“Heb daar maar geen zorg voor, heer ridder,” zeide Sancho. “Geef mij uwen zegen, laat mij Rocinante bestijgen, en houd mij +nu maar niet langer op. Uwe dwaze stukken behoef ik niet te zien, <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77">77</a>]</span>daar ik er zonder dat wel zooveel van zal vertellen, dat uwe meesteres er versteld en verbijsterd van staat.” + +</p> +<p>“En toch verlangde ik, dat gij althans een dozijn van mijne dolheden met eigen oogen aanschouwdet,” zeide Don Quichot. “Gij +kunt dan bezweren, dat gij mij in den staat van volslagen razernij hebt gezien, en deze betuiging zal ontwijfelbaar een diepen +indruk op de aangebedene van mijn hart maken.” + +</p> +<p>“Neen, neen, laat dat rusten,” antwoordde Sancho. “Wij hebben nog gewichtiger dingen af te doen. Wat, bij voorbeeld, zult +gij te eten krijgen in den tijd, dat ik weg ben? Teerkost heeft geen van ons beiden meer.<span class="corr" id="xd0e1200" title="Niet in bron">”</span> + +</p> +<p>“Maak u daar niet bezorgd over, mijn zoon,” zeide Don Quichot. “Al waren wij nog zoo ruim van mondvoorraad voorzien, toch +zou ik daar niets van aanraken. Ik zal mijn leven rekken met de kruiden, die hier in de weide groeien en met de vruchten des +wouds, want zoo verlangt het de waanzin, waaraan ik mij prijs zal geven.” + +</p> +<p>“Nu, dan wensch ik u smakelijk eten!” zeide Sancho. “Maar nog één ding! Hoe zal ik de plaats weervinden, waar ik u nu verlaat? +Ze schijnt mij vrij wat afgelegen, en ’t zou een leelijk ding wezen, als ik weken lang omdwalen moest en u nergens weerom +kon vinden.” + +</p> +<p>“Prent u onder het rijden goed de merkteekens van den weg in het hoofd,” antwoordde Don Quichot. “Ik voor mij zal dezen omtrek +niet verlaten en tegen den tijd, dat ik u terug mag verwachten, de hoogste toppen der omliggende bergen beklimmen, om naar +u uit zien. Ook kunt gij uw weg door boomtakken merken, die gij van tijd tot tijd in den grond steekt, en de groene twijgen +zullen u dan als zekere wegwijzers in mijne nabijheid terugbrengen.” + +</p> +<p>“Welaan, dat wil ik doen,” riep Sancho en sneed al dadelijk een voorraad takken af. Hierop verzocht hij den edelen ridder +om zijn zegen, nam onder heete tranen van hem afscheid, besteeg Rocinante en aanvaardde zijn tocht. Hij was echter nog geen +honderd passen ver gereden, of hij keerde op een drafje weerom en riep: + +</p> +<p>“Luister, heer ridder! Daar valt mij in, dat het toch niet kwaad <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78">78</a>]</span>zou wezen, dat ik althans één van uwe dolle stukken zag. Ik kan dan met een goed geweten bezweren, dat gij wis en waarachtig +stapelgek zijt geworden.” + +</p> +<p>“Ziet gij wel, dat ik gelijk had?” riep Don Quichot verheugd uit. “Wacht maar, mijn zoon! Ik zal er u dadelijk een vertoonen.” + +</p> +<p>Na deze woorden trok hij met den meest mogelijken spoed zijne kleeren uit en hield niets aan zijn lichaam buiten het bloote +hemd. Hierop buitelde hij een paar malen over den kop, vertoonde allerlei gekke bokkesprongen, ging op zijn hoofd staan, kortom, +stelde zich zoo boven alle beschrijving gek aan, dat Sancho Panza met de volste overtuiging van zijns meesters dolheid weg +kon rijden. + +</p> +<p>Terwijl Sancho Panza zijns weegs trok, staakte de ridder zijne luchtsprongen en kopjebuitelingen en beklom eene hooge rots, +om daar bedaard te overleggen, of hij verder voor razenden Roland of eenvoudig voor den smachtenden Amadis wilde spelen. Na +lang, ernstig nadenken besloot hij eindelijk zich Amadis tot voorbeeld te kiezen, omdat hij daarbij noch zoo veel builen te +vreezen, noch ook boomen uit den grond te rukken en rotsen te vergruizelen had. Zoo kortte hij zich dus den tijd met op de +groene weide rond te kuieren, den zoeten naam zijner Dulcinea in de schors der boomen te snijden en verzen te maken, die in +liefelijkheid alles overtroffen, wat nog ooit door een menschenkind gedicht is. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e1221" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XII.</h2> +<h2 class="normal">Hoe Don Quichot uit het rotsdal bevrijdt wordt.</h2> +<p>Onderwijl reed Sancho Panza door de bosch- en bergstreken en kwam al spoedig op den grooten heerweg uit. Dezen houdende kwam +hij den volgenden dag aan de herberg, waar hij eerst voor eenige <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79">79</a>]</span>dagen door eenige reizigers zoo erg beet was genomen, en zoodra hij haar in het oog kreeg, had hij een gevoel, alsof hij weer +hoog in de lucht werd opgegooid. Dus wilde hij hier liever maar niet pleisteren, alhoewel hij juist tegen den besten tijd +van den dag, tegen etenstijd namelijk, in de nabijheid kwam. Zijne maag kwam echter tegen dezen zijnen wil in opstand, en +daar de mensch bijna altijd aan de eischen van zijne maag moet gehoorzamen, zoo voldeed ook Sancho Panza aan hare dringende +aanmaning en reed regelrecht op de herberg toe, om haar door eene warme soep en een duchtig stuk vleesch tevreden te stellen. + +</p> +<p>Juist toen hij in de deur trad, kwamen twee heeren naar buiten, die hem terstond herkenden. De een sprak tot den ander: “Kijk +eens, heer pastoor, is dat niet Sancho Panza, die met den gekken ridder Don Quichot op avonturen is uitgegaan?” + +</p> +<p>“Ja, waarlijk, hij is het,” antwoordde de pastoor, “en hij zit op den knol van zijn meester.” + +</p> +<p>Die beide mannen waren, gelijk wij reeds geraden hebben, de pastoor en de barbier uit Don Quichots dorp, die voor eenigen +tijd met de huishoudster van den dolenden ridder al diens mooie ridderboeken verbrand en den ingang tot de bibliotheek dichtgemetseld +hadden. Zij naderden den schildknaap, en de pastoor, uiterst verlangend, om iets van Don Quichot te vernemen, riep hem bij +zijn naam en vroeg hem: “Vriend Sancho Panza, waar is uw heer?” + +</p> +<p>De ondervraagde herkende de beide mannen op het eerste gezicht, doch nam zich voor, hun van het verblijf en de lotgevallen +van zijn meester geen enkel woord te verklappen. Hij antwoordde dus kortaf, dat zijn heer ergens een gewichtige zaak had in +orde te brengen, waarvan hem streng verboden was iets naders te zeggen. + +</p> +<p>“Nu, als de zaken zoo staan, vriend Sancho,” sprak de barbier, die terstond begreep, hoe het was, “als gij niet zeggen wilt, +waar de ridder zich ophoudt, dan moeten wij aannemen, dat hij door u vermoord en geplunderd is geworden. Gij rijdt op zijn +paard en gij moet dus ook uw meester terugbezorgen, of ’t zal leelijk met u afloopen.” + +</p> +<p>“Ho, ho, maar zoo driftig niet!” riep Sancho Panza op barschen <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span>toon, alhoewel de bedreiging van den barbier hem wel eenigszins ongerust maakte. “Ik ben geen man, om andere eerlijke menschen +dood te slaan, en als gij mijn heer vinden wilt, zoek hem dan daarginder in het gebergte, waar hij zich met veel kunst en +knapheid stapelgek houdt.” + +</p> +<p>Op verder navragen der beide heeren bracht hij hen nu bij de rij af al de avonturen en dolheden van zijn meester over en voegde +er bij, dat hij was afgezonden, om aan de dochter van den boer Lorenzo Corchuelo een brief over te brengen. De beide heeren +hoorden dit bericht met verwondering aan; want ofschoon zij Don Quichot een tamelijk hoogen graad van gekheid toeschreven, +moesten zij erkennen, dat wat zij nu van zijne dollemansstreken vernamen, hunne stoutste verwachtingen nog verre overtrof. +Eindelijk verzochten zij Sancho, hun den brief te toonen, dien de ridder aan zijne aangebedene Dulcinea van Toboso geschreven +had. + +</p> +<p>Sancho Panza tastte dadelijk in den zak, om aan hun verlangen te voldoen, maar ontdekte tot zijn schrik, dat hij het boekje +moest verloren hebben. Hij werd doodsbleek van schrik, woelde en grabbelde in al zijne zakken om en geraakte in zulk eene +vertwijfeling, dat hij haar en baard uitrukte en zich met beide vuisten zoo in het gezicht sloeg, dat het bloed hem uit den +neus sprong. De barbier en de pastoor verwonderden zich natuurlijk zeer over zijn gedrag en vroegen hem, waarom hij dan toch +zoo tegen zijn eigen vleesch woedde. + +</p> +<p>“Daar is mij ’t grootste ongeluk van mijn geheele leven overkomen!” huilde Sancho. “Ik heb drie jonge ezels verloren, waarvan +ieder althans een gravenslot waard was.” + +</p> +<p>“Ei! En hoe heeft dat zich toegedragen?” vroeg de barbier. + +</p> +<p>“Wel, doodeenvoudig,” antwoordde Sancho. “Ik ben het zakboekje kwijt, waarin de brief van mijn heer aan zijne Dulcinea en +buitendien ook de door hem eigenhandig onderteekende aanwijzing staat, dat zijne nicht mij drie van de jonge ezels, die hij +op stal heeft, moet uitleveren.” + +</p> +<p>De pastoor troostte hem over dat verlies en beloofde hem, zijnen heer te zullen bewegen eene tweede aanwijzing op de drie +ezels <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81">81</a>]</span>af te geven. Deze toezegging stelde den schildknaap ten volle gerust, terwijl het verlies van den brief voor Dulcinea hem +niet de koude kleeren scheen te raken. + +</p> +<p>“Ik ken hem bijna van buiten, daar ik hem onder weg verscheiden malen gelezen heb, en kan hem desnoods uit mijne memorie opschrijven,” +zei hij op onverschilligen toon. + +</p> +<p>“Toe dan, zeg hem ons voor,” antwoordde de barbier. “Wij willen hem dan later op papier brengen.” + +</p> +<p>Bij deze uitnoodiging krabde Sancho zich verlegen achter de ooren en gaf zich alle mogelijke moeite, om de woorden van het +schrijven in zijn geheugen terug te roepen. Hij trok daarbij nu het eene, dan het andere been in de hoogte, keek nu naar de +lucht en dan naar den grond, scheen zich de nagels van de vingers te willen zuigen en riep eindelijk in zijne verlegenheid: + +</p> +<p>“Hoort, mijne heeren, de drommel mag me halen, als ik nog veel van den brief weet! Mij heugt alleen nog maar het begin en +dat was: Allerverhevenste en alleromgeperste gebiederesse!” + +</p> +<p>“Alleronbeperktste zal er gestaan hebben,” zei de barbier lachend. + +</p> +<p>“Ja, ja, zoo was het vast,” zeide Sancho; “en dan kwam verder: “De verwonde, blauwgebeukte en slapelooze kust u de hand, onbekende +en ondankbare jonkvrouwe!” en zoo al voort tot aan het slot, dat was: “De uwe tot den dood, Don Quichot van La Mancha, Ridder +van de Droevige Figuur.” + +</p> +<p>De beide mannen lachten, dat de tranen hun over de wangen rolden, en lieten zich den brief nog eenige malen herhalen. Sancho +Panza vond daar zelf pleizier in en vertelde buitendien nog eene menigte andere geschiedenissen, zonder echter van het onbetaald +gebleven gelag in de herberg ook maar met een woord te reppen. + +</p> +<p>“Als mijn meester,” zoo vervolgde hij, “zijne penitentie in het rotsdal volbracht heeft, zullen wij terstond op weg gaan, +om ons een keizerschap of toch voor ’t minst een koningschap te veroveren. Zoo hebben wij het tusschen ons beiden afgesproken, +en ’t kan niet anders, of het zal mijn heer met zijne ontzettende koenheid heel licht gelukken, dit doel te bereiken. Als +wij eenmaal zoover zijn, dan wil mijn heer mij eene edele jonkvrouw tot gemalin geven en <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82">82</a>]</span>mij tot gouverneur van een eiland benoemen, dat minstens zoo groot als heel Spanje is.” + +</p> +<p>Sancho kwam met deze ongerijmdheden met zooveel bedaardheid en innerlijke overtuiging voor den dag, dat zijne beide toehoorders +vol verwondering de hoofden schudden. + +</p> +<p>“Hoever,” fluisterde de pastoor den barbier toe, “hoever moet het met Don Quichots waanzin gekomen zijn, dat hij ook het verstand +van dezen armen sukkel zoo deerlijk op hol kon brengen!” + +</p> +<p>Nochtans besloten zij, zich geen moeite te geven, om Sancho Panza uit zijn droom te helpen. Zijne ziel werd er niet door in +gevaar gebracht, en zij zelven beloofden zich van zijne verdwaasdheid nog vrij wat pret. Zij zeiden hem derhalve slechts, +dat hij maar op de gezondheid zijns meesters moest hopen, opdat die al zijne stoute plannen en ontwerpen zou kunnen volvoeren +en hijzelf mettertijd keizer of aartsbisschop of wat anders heel hoogs en voornaams zou worden. + +</p> +<p>“Wat!” vroeg Sancho, “kan een dolend ridder ook aartsbisschop worden? Wat heb ik, als zijn trouwe schildknaap, dan niet eene +belooning te wachten!” + +</p> +<p>“Wel zeker, gewoonlijk krijgen de schildknapen de eene of andere vette prebende of toch ten minste eene goede kostersplaats,” +antwoordde de pastoor. + +</p> +<p>“Welaan,” verklaarde Sancho, zich vergenoegd de handen wrijvende, “dan wil ik mijn meester daarheen leiden, waar ’t voor hemzelf +het best is en hij mij de vetste happen kan toeduwen.” + +</p> +<p>“Gij zijt een vroom man en een goed Christen, Sancho,” sprak de pastoor. “Doch ’t wordt nu tijd, een middel uit te denken, +om uw heer van zijne onnutte boete af te brengen, en me dunkt, we stappen daartoe hier de herberg binnen, om dat eens op ons +gemak te bepraten. Kom, vriend Sancho, wees onze gast bij den maaltijd.” + +</p> +<p>Sancho’s schrik voor de herberg was intusschen weer levendig geworden en hij zei dus, dat zij maar moesten binnengaan; hij +zelf zou zoolang buiten wachten en hun later de reden zeggen, waarom hij van hunne uitnoodiging geen gebruik kon maken. Evenwel +zouden zij hem groot pleizier doen, indien zij hem eene portie <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83">83</a>]</span>warm eten en Rocinante een maaltje gerst buiten wilden zenden. + +</p> +<p>De beide mannen drongen na deze verklaring niet verder bij Sancho aan, maar traden in de herberg. De barbier verzuimde echter +niet, den hongerige en zijn rijbeest al spoedig ruim van het noodige te voorzien. + +</p> +<p>Terwijl Sancho Panza in eenzaamheid zijn maal verteerde, overlegden de pastoor en de barbier, op welke wijze zij het best +hun doel bereiken en Don Quichot van zijn dol opzet afbrengen konden. Na lang heen en weer praten, kwam de pastoor op een +denkbeeld, dat zoowel met des ridders dweperij, als ook met hunne bedoelingen in volmaakte overeenstemming was. Hij had namelijk +den inval, zichzelf als eene dolende jonkvrouw te vermommen, terwijl de barbier zich als stalmeester van de edele dame in +het pak zou steken. Zoo verkleed wilden zij Don Quichot gaan opzoeken; de pastoor zou zich voor eene vervolgde, hulpbehoevende +edelvrouwe uitgeven en hem bezweren, haar te volgen en den smaad en hoon te wreken, haar door een boozen, ondeugenden ridder +aangedaan. Om het geheim niet voor den tijd te verraden, wilde de pastoor eene gelofte voorwenden, die haar verbood, zich +te ontsluieren, voordat Don Quichot haar tegen den valschen ridder recht had verschaft, en hij vertrouwde ten volle, dat het +op die wijze gelukken zou, den krankzinnigen ridder naar zijne oude woonstee terug te brengen en hem daar geheel van zijne +kwaal te genezen. + +</p> +<p>Den barbier kwam dit plan zoo goed voor, dat hij terstond op de uitvoering er van aandrong. Zij verzochten dus van de waardin +een vrouwenkleed en een hoofdkap met toereikend dichten sluier ter leen en werden aan een en ander volgens hun wensch geholpen. +De barbier echter maakte zich een ontzettenden baard van een roodbruinen ossestaart, waarin hij gewoonlijk zijn kam placht +te steken. Op haar vragen vernam de herbergiersvrouw, waartoe deze verkleeding eigenlijk moest dienen, en nu begreep zij oogenblikkelijk, +dat die gekke ridder haar gewezen gast en de heer van dien geplaagden schildknaap moest zijn. Zij vertelde den pastoor, wat +toenmaals was voorgevallen, en verzweeg ook niet het geringste van wat Sancho Panza zoo zorgvuldig verborgen had gehouden. +<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84">84</a>]</span></p> +<p>Hierop verkleedde zij den pastoor met zooveel zorg, dat hij zichzelf bijna niet herkend zou hebben. Zij trok hem een lakenschen +rok aan, die met breede zwartfluweelen strooken bezet was, gaf hem een groenfluweelen rijglijf en wou hem ook nog het haar +kappen, zooals de vrouwen gewoon zijn, dat te doen. Dit laatste liet de brave man evenwel niet toe, maar hij bedekte zijn +hoofd met eene witte linnen slaapmuts en bond daar een sluier aan, die zijn baard en zijn geheele gezicht ten volle bedekte. +Daarop drukte hij zich zijn grooten breedgeranden hoed diep in de oogen, wierp een langen mantel om en ging, op vrouwenmanier, +dwars op zijn muildier zitten. Ook de barbier met zijn roodbruinen langen baard besteeg zijn ezel, en zoo zeiden zij de wakkere +waardin vaarwel en gingen bij Sancho, die over de wonderlijke toetakeling der beide eerzame mannen lachen moest, dat zijn +buik er van schudde. + +</p> +<p>Terwijl zij nu den weg naar het gebergte insloegen, begreep de pastoor, dat het in den grond nergens toe diende, dat zij nu +reeds hunne verkleeding droegen, en besloot dus die vooreerst af te leggen en eerst weder aan te nemen, als zij in de nabijheid +van de schouwplaats hunner daden en van Don Quichots dwaasheid zouden zijn aangekomen. Dit geschiedde, en in zeer vroolijke +stemming vervolgden zij hierop hunnen tocht. + +</p> +<p>Den volgenden dag kwamen zij aan de plaats, waar Sancho Panza de boomtakken in den grond had gestoken, om hem tot wegwijzers +te dienen. Hier vonden zij een lustig gezelschap van personen, die, naar het scheen, eene reis door het gebergte hadden gedaan. +Het bestond uit drie heeren en eene dame van buitengewoone schoonheid. + +</p> +<p>Sancho Panza haastte zich vooruit, om voorloopig naar zijn heer om te zien; doch de pastoor liet zich in een gesprek met de +reizigers in en vertelde op hunne vraag, hoe hij hierheen kwam, alles wat hij van Don Quichot wist, van zijne wonderbaarlijke +dwaasheid en van zijn waanzinnig besluit, om in een rotsdal van het gebergte den razenden Roland of den smachtenden Amadis +van Gallië te spelen. + +</p> +<p>De jonge dame had dit verhaal onder veel lachen aangehoord, <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85">85</a>]</span>en daar zij van een zeer vroolijken en spotzieken aard was, wist zij hare begeleiders over te halen, den braven pastoor in +zijn goed werk te ondersteunen en den dollen ridder van La Mancha eens eene heilzame poets te helpen spelen. + +</p> +<p>“Ik wil de vervolgde jonkvrouw voorstellen,” zeide zij, “en kan die rol recht natuurlijk spelen, daar ik toevallig eenige +kleeren bij mij heb, die daarbij uitmuntend te pas kunnen komen. Ook weet ik zeer goed, hoe dergelijke dames in de riddergeschiedenissen +doorgaans spreken en zich aanstellen, en dus twijfel ik niet, of de grap zal kostelijk gelukken.” + +</p> +<p>De pastoor en de overige heeren waren met dit plan dadelijk bijzonder ingenomen, en de vreemde dame, die blijkbaar van hoogen +stand was en Dorothea heette, haalde dus uit haar reiskoffer een prachtig fluweelen kleed voor den dag, tooide zich met schitterende +juweelen en schikte zich zoo deftig op, dat elk haar wel voor eene echte ridderdame uit den goeden ouden tijd moest houden. +Allen stonden over haar prachtig uitzien verbaasd, en vooral Sancho Panza, die intusschen teruggekeerd was, kon niet ophouden +haar te bewonderen, en verklaarde haar voor de schoonste dame, die hij nog ooit in zijn leven gezien had. Hij vroeg heimelijk +den pastoor, of die niet wist, wie zij was. + +</p> +<p>“Zeker weet ik dat, vriend Sancho,” antwoordde de pastoor, om den schildknaap wat te foppen. “Deze schoone jonkvrouw is eene +prinses en de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon. Zij is hierheen gekomen, om de hulp van uw meester in te roepen +tegen een reus, die haar ten schandelijkste beleedigd heeft, en stelt het hoogste vertrouwen op zijn heldenmoed en zijne dapperheid.” + +</p> +<p>Sancho Panza nam deze gekheid voor echte munt op en zeide vergenoegd: “Waarlijk, dan heeft zij zich tot den rechten man gewend, +want mijn heer weet met reuzen om te springen, alsof het ratten en muizen waren. Och toe, heer, zorg, dat hij die schoone +prinses tot gemalin en zoodoende haar gansche koninkrijk krijgt. Stellig maakt hij mij dan tot zijn stadhouder, en mijn fortuin +is voor altijd gemaakt. Maar hoe heet de schoone prinses eigenlijk?” + +</p> +<p>“Zij heet prinses Micomicona naar haar koninkrijk Micomicon,” <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86">86</a>]</span>antwoordde de pastoor; “en ik wil mijn uiterste best doen, om uw meester tot een huwelijk met haar te bewegen. Maar zeg, in +welken toestand hebt gij den edelen ridder eigenlijk gevonden?” + +</p> +<p>“Och lieve hemeltje,” zeide Sancho Panza, “ik vond hem half naakt, in ’t bloote hemd, vervallen, geel, van honger blaffend +en voortdurend naar zijne Dulcinea zuchtend. Ik droeg zorg, dat hij mij niet te zien kreeg, en ben maar dadelijk tot u teruggekeerd.” + +</p> +<p>Onderwijl werd Dorothea op des pastoors muilezel geholpen, bond de barbier zijn ossestaart weer voor en beval de pastoor Sancho, +die beiden in Don Quichots nabijheid te brengen. Hij prentte hem goed in, op geenerlei wijze te verraden, dat hij den barbier +kende, en wendde zich toen tot Dorothea, om de rol van het op te voeren kluchtspel nog eens met haar door te loopen. Hierop +gingen de dame, de barbier en Sancho Panza op weg, terwijl de anderen, om het spel niet te bederven, vooreerst achterbleven. + +</p> +<p>Zij konden misschien een kwartier afgelegd hebben, toen Dorothea een maar half gekleeden man in het oog kreeg en van Sancho +hoorde, dat dit de dolle ridder in hoogsteigen persoon was. Terstond spoorde zij nu haar muildier aan en de ossebaardige barbier +volgde haar op den voet. Zoodra zij dicht bij den ridder waren, sprong de voorgewende palfrenier van zijn ezel en hielp Dorothea +van haar muildier. De dame viel dadelijk voor Don Quichot op de knieën neer; deze wilde haar oprichten, doch zij wilde niet +opstaan, maar begon op hoogdravenden toon de volgende toespraak: + +</p> +<p>“Dappere, edele en grootmoedige ridder! niet eer zal ik van mijne knieën opstaan, voordat gij mij uw ridderlijk woord hebt +gegeven, de sterkte van uwen arm tot hulp eener ongelukkige aan te wenden, die op de faam uwer daden uit verre landen is toegesneld, +om u te smeeken, aan haren nood en hare ellendigheid een einde te maken.” + +</p> +<p>“En ik,” antwoordde Don Quichot op denzelfden toon, “zal u niet eer antwoord geven, alleraanminnigste en allerschoonste jonkvrouwe, +voordat gij van dien vuilen grond zijt opgestaan.” + +</p> +<p>“Neen, edele heer,” verklaarde de smeekelinge, “hier zal ik neerknielen in het stof, tot uwe goedertierenheid mij de genade +heeft toegezegd, welke ik smeekend van u durfde vragen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87">87</a>]</span></p> +<p>“Welaan dan,” sprak Don Quichot, “zoo zij uwe bede u toegestaan, mits zij namelijk niet strijdt tegen wat ik mijn vaderland, +mijn koning en mijn hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso verschuldigd ben.” + +</p> +<p>“Tegen niets van dat alles strijdt zij,” antwoordde de hulpzoekende jonkvrouw en richtte zich op. + +</p> +<p>Inmiddels kwam Sancho Panza achter zijn meester staan en fluisterde hem in het oor: “Toe, toe maar, edele heer! Gij kunt aan +de dame veilig alles beloven, want zij verlangt eenvoudig maar, dat gij een geweldigen en schrikbarenden reus voor haar kapot +maakt. Zij is de verheven prinses Micomicona, de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon in ’t land van Aethiopië.” + +</p> +<p>“Zwijg!” beval de ridder op barschen toon. “Zij moge wezen, wie zij wil, ik zal doen, wat mijn plicht als dolend ridder voorschrijft.” + +</p> +<p>Hierop keerde hij zich weer tot de dame en sprak: “Spreek, doorluchtige jonkvrouwe! Wat is uwe begeerte?” + +</p> +<p>“Ik bid en smeek, hooge ridder,” zeide de dame, “dat uw grootmoedig persoon met mij komen en beloven moge, geen ander avontuur +te beginnen, voordat gij mij wraak en genoegdoening tegen den snooden verrader hebt verschaft, die in strijd met alle menschelijke +en goddelijke wetten mijn koninkrijk overweldigd heeft.” + +</p> +<p>“Het zij u toegestaan, edele dame,” antwoordde de ridder met veel grootmoedigheid<span class="corr" id="xd0e1352" title="Niet in bron">.</span> “Verban derhalve de droefgeestigheid van uw aanminnig aangezicht en verheug u, want met Gods hulp zal ik uwe goede zaak recht +verschaffen en u weder op den troon uwer vaderen plaatsen. Laat ons moedig en wakker tegen de schurken en roovers te werk +gaan, want uit talmen en dralen komt niets dan gevaar en tegenspoed voort.” + +</p> +<p>De eerst beproefde, maar thans wonderbaarlijk vertrooste jonkvrouwe wilde met alle geweld den ridder de handen kussen, wat +deze als hoffelijk en welgemanierd held evenwel volstrekt niet toestaan wou. Veeleer omhelsde hij haar met groote aandoening, +waarna hij zijn schildknaap beval, Rocinante den gordelriem vaster aan te halen en hemzelf de wapenstukken aan te leggen. +Dit geschiedde, <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88">88</a>]</span>en nu riep hij: “Welaan, in naam van Dulcinea, laat ons gaan, want de aanminnige dame moet geholpen worden.” + +</p> +<p>De barbier had, terwijl dit alles voorviel, nog altijd op de knieën gelegen en zichzelf alle geweld aangedaan, om ’t niet +hardop uit proesten en daardoor de heele grap op eens te bederven. Toen hij zag, dat de terugreis zou worden aangenomen, sprong +hij op, hielp zijne gebiedster op het muildier en steeg vervolgens ook zelf op. Don Quichot stapte op Rocinante; doch Sancho, +voor wien paard noch ezel meer overbleef, moest te voet het gezelschap volgen. Niettegenstaande dat bleef hij blij en welgemoed, +want hij waande zijn meester thans op den besten weg, om door het huwelijk met de prinses keizer te worden; en dan kon ’t +niet uitblijven, of ook hij zou geborgen zijn en tot een groot stadhouderschap geraken. De eenige zorg, die hem kwelde, bestond +in de omstandigheid, dat zijne toekomstige onderdanen Negers zijn zouden. Evenwel wist hij zich ook daarover te troosten, +daar hij het plan opvatte, hen tot een handelsartikel te maken en er zoovelen van te verkoopen, als hij maar goedschiks slijten +kon. + +</p> +<p>Intusschen kwam het gezelschap weder op de vlakte aan den voet van het gebergte, waar de pastoor en de begeleiders van jonkvrouwe +Dorothea het opwachtten. Om zich zonder omstandigheden te kunnen aansluiten, kwam de pastoor met open armen op Don Quichot +toe, viel hem te voet, omhelsde zijne knie en hield eene toespraak tot hem, die zoo rijkelijk met vuistdikke bloemen en pluimpjes +voor den dolenden ridder doorspekt was, dat Don Quichot zelf hem en die bij hem waren uitnoodigde, met hem te gaan. Ja, hij +wou zelfs afstijgen en den pastoor zijn eigen Rocinante ten gebruike overlaten. + +</p> +<p>Dit aanbod werd nochtans door den pastoor niet aangenomen, en er volgde eene kleine vriendschappelijke schermutseling, totdat +de dame tusschenbeide kwam en haar palfrenier, d. i. den barbier met den ossestaart, verzocht zijn plaats aan den geestelijken +heer af te staan en achter dezen op het muildier te kruipen. + +</p> +<p>De gehoorzame palfrenier was hier aanstonds toe bereid; hij steeg af en liet den pastoor zijne plaats in den zadel over. Toen +<span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89">89</a>]</span>hij nu echter achter hem opzitten wilde, begon het muildier te steigeren en achteruit te slaan, en toonde zich zoo koppig, +dat meester Nicolaas op den grond tuimelde en onder den val zijn ossestaart verloor. + +</p> +<p>Don Quichot was niet weinig verwonderd, toen hij op eens den roodbruinen baard van des barbiers gelaat verdwenen zag, doch +stelde zich spoedig gerust, toen de pastoor hem toeschreeuwde, dat alleen dat verwenschte muildier den armen palfenier zoo +deerlijk gehavend had. Hij zou echter wel zorgen, dat de baard ten spoedigste weer aangroeide. + +</p> +<p>Alles, wat den schijn van het wonderbare had, was voor den goeden ridder het geloofwaardigste ter wereld. Hij gaf dus ook +volstrekt geen bevreemding te kennen, toen hij zag, hoe de pastoor den baard opraapte, bij de borst van den barbier neerknielde, +eenige wonderlijke grimassen maakte en een paar tooverwoorden mompelde, die den baard op eens zoo vast deden zitten, als die +vroeger gezeten had. Men steeg opnieuw op en de door dit toeval vertraagde reis werd nu onverwijld voortgezet. + +</p> +<p>Onderweg kraamde Don Quichot nochtans zoo veel onzin uit en overstelpte Sancho Panza, om zich zijn stadhouderschap te verzekeren, +zijn meester met zoo veel dwaze en kant noch wal rakende loftuitingen en pluimstrijkerijen, dat de vreemde dame de klucht +spoedig moe werd en van harte blij was, toen zij den volgenden dag de herberg bereikten, van waar de pastoor en de barbier +waren opgebroken, om Don Quichot op te zoeken en door list naar huis terug te lokken. + +</p> +<p>Wat nu echter in deze herberg gebeurde en welke heldendaad de Ridder van de Droevige Figuur aldaar verrichtte, daarvan zal +in het volgende hoofdstuk uitvoerig verslag worden gegeven. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90">90</a>]</span></p> +</div> +<div id="xd0e1378" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XIII.</h2> +<h2 class="normal">Don Quichot velt eenige reuzen en wordt naar huis gebracht.</h2> +<p>In de herberg aangekomen, werd Don Quichot door den waard zeer beleefd verwelkomd en de ridder nam dit teeken van eerbied +met zichtbaar welgevallen aan. Op zijne vraag, of hij een goed nachtverblijf kon bekomen, antwoordde de waard toestemmend +en verklaarde, dat, mits hij goed betalen wilde, hij een zoo groot en kostelijk bed zou krijgen, dat een keizer of koning +er in hun paleis geen beter hadden. Don Quichot beloofde te zullen betalen, en werd hierop door den waard in hetzelfde vertrek +gebracht, waar hij voor eenigen tijd dat merkwaardig avontuur met den muildierdrijver, den gerechtsdienaar en Maritornes, +de meid, bestaan had. Ten einde zijn doel te bereiken, dat hij geen oogenblik uit het oog verloor, volgde Sancho Panza hem +daarheen; doch de overigen bleven in de algemeene gelagkamer, waar ’s ridders ongehoorde dwaasheid hun stof tot lachen in +overvloed gaf. + +</p> +<p>Zoodra de Ridder van de Droevige Figuur zich met zijn schildknaap alleen bevond, nam hij dezen een examen af, dat Sancho Panza +hoegenaamd niet beviel. Don Quichot vroeg namelijk naar zijne aangebedene Dulcinea van Toboso, en Sancho had het gesprek veel +liever op de prinses van Micomicon gebracht, om in zijn heer den wensch op te wekken, om die schoone dame te huwen, en zichzelf +op die wijze het vurig begeerde stadhouderschap te verzekeren. Desniettemin moest hij op Don Quichots vragen antwoorden geven; +doch hij richtte die in, zooals zij best in zijn kraam te pas kwamen. + +</p> +<p>“Nu, Sancho Panza,” begon Don Quichot, nadat hij zich languit <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91">91</a>]</span>op zijne legerstede had uitgestrekt, “waar en hoe hebt gij de aanbiddelijke Dulcinea aangetroffen? Wat deed zij, wat zeide +zij? Hoe dacht zij over mijn brief? Spreek, maar hoed u, met leugens voor den dag te komen, want die zouden u hals en hoofd +kosten.” + +</p> +<p>“Ja, heer, om de waarheid te zeggen, heb ik den brief niet kunnen doen overschrijven en overbrengen,” antwoordde Sancho Panza +met de handen in het haar. “Ik heb uw zakboek verloren, edele ridder.” + +</p> +<p>“Sancho Panza, hieraan zie ik, dat gij mij geen leugens op de mouw wilt spelden,” sprak Don Quichot uitermate tevreden. “Gij +moet weten, dat ik zelf het zakboek vond, toen gij mij nog pas een uur hadt verlaten. Uwe waarheidsliefde draagt mijne volle +goedkeuring weg en ik verzoek u, het verhaal van uwe verdere lotgevallen te beginnen. Spreek op en zeg, waarmede mijne gebiedster +zich bij uwe aankomst bezighield? Reeg zij niet parels aan gouden draden of zat zij eenig zinnebeeld voor haren in staat van +razernij verkeerenden ridder te stikken?” + +</p> +<p>“Neen, dat deed zij niet,” bromde Sancho Panza verdrietig. “Zij was bezig voor haar vader twee schepels tarwe te ziften.” + +</p> +<p>“Wat?” vroeg Don Quichot. “Tarwe? Dan zaagt gij zeker ook, dat de korrels onder hare fijne handen in diamanten en edelgesteenten +veranderden?” + +</p> +<p>“Daar heb ik niemendal van gemerkt. Ze bleven heel gewone, grove, gele tarwe.” + +</p> +<p>“Nu, dan wordt zekerlijk het fijnste brood daaruit gebakken,” verklaarde de ridder. “Maar ga voort! Hoe nam zij de boodschap +van mij op? Geraakte zij niet buiten haarzelve van verrukking, toen zij u mijnen naam hoorde noemen?” + +</p> +<p>“Neen, volstrekt niet,” antwoordde Sancho. “Zij stond midden in het dichtste stof en stak wat den gek met mijne tijding van +u. Ik zei, dat gij half naakt in den wildernis rondliept, op den blooten grond sliept, geen kam, water of handdoek gebruiktet +en uw tijd doorbracht met uw lot te beweenen en te verwenschen. Toen antwoordde zij mij, dat gij een gek en een vuile, morsige +kerel waart, en wou niets meer van u hooren. Dus, lieve heer, laat die domme <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92">92</a>]</span>boerendeerne loopen en houd u aan de schoone prinses Micomicona. Deze moet gij trouwen, want gij trouwt met haar een heel +groot koninkrijk en kunt dan uwen trouwen schildknaap beloonen, die u altijd braaf en eerlijk gediend heeft.” + +</p> +<p>“Zwijg!” beval Don Quichot met somberen ernst. “Ik mag uw wensch niet vervullen en nimmer aan trouwen denken, zoolang Dulcinea +van Toboso nog mijne hooge en verhevene gebiedster is.” + +</p> +<p>Deze woorden van den ridder deden zijn schildknaap in hevigen toorn ontvlammen. “Bij hoog en bij laag zweer ik, dat gij de +grootste gek zijt, die op twee beenen loopt, als gij de prinses Micomicona niet trouwt!” schreeuwde hij. “Denkt gij, dat u +elken dag eene zoo goede gelegenheid wordt aangeboden, als u hier onder den neus wordt geduwd? Meent gij, dat uwe smerige +Dulcinea maar half zoo mooi is als de prinses? Niet het honderdste part zoo mooi is ze en ze is niet waard de <span class="corr" id="xd0e1411" title="Bron: wezenzenlijke">wezenlijke</span> en waarachtige prinses de voeten te kussen. Trouw haar in ’s hemels naam, zeg ik, en neem het koninkrijk, dat u maar zoo +vanzelf in den mond komt vliegen! Als gij eerst koning zijt en mij tot stadhouder hebt gemaakt, doe dan, wat ge niet laten +kunt, en mijnenthalve mag je de drommel halen, als ik eerst geborgen ben en mijne schaapjes geschoren heb.” + +</p> +<p>Toen Don Quichot zijn schildknaap zulk eene taal hoorde voeren, geraakte hij van verbaasdheid zoo geheel buiten zichzelf, +dat hij geen woord over de lippen kon brengen. Hij richtte zich langzaam in zijn bed op, greep naar zijne lans en liet die +met zooveel geweld op Sancho’s breede schouderbladen neervallen, dat deze tuimelde, waar hij stond. + +</p> +<p>“Neem dat, gemeene boerenziel!” riep hij alstoen, “en hoed u in het vervolg, één smalend woord tegen mijne meesteresse Dulcinea +uit te brengen. Gij moet niet denken, dat gij haar ooit ongestraft beschimpen moogt, hondsvot, deugniet, schavuit, domme rekel, +die ge zijt! Zwijg, zeg ik je, of reken er op, dat ik je je beetje hersens uit den dikken schedel zal stampen.” + +</p> +<p>Na aan zijne gramschap in deze niet zeer kiesche en malsche bewoordingen lucht te hebben gegeven, liet de Ridder van de Droevige +Figuur zijn hoofd op het kussen neervallen, strekte de lange beenen <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93">93</a>]</span>uit en sliep in. Sancho echter, wien de rug nog gloeide, stond op, dook in een hoek neer en hield zich doodstil. + +</p> +<p>Intusschen hadden de pastoor, de barbier en het overige gezelschap er in de herberg hun gemak van genomen en bij den waard +een duchtig maal besteld. Terwijl zij daarop wachtten, brachten zij het gesprek opnieuw op Don Quichot en overlegden, wat +zij verder aanvangen moesten, om hem veilig naar huis terug te brengen. De dame had hare bekomst van de grap en wilde met +hare begeleiders de reis voortzetten, zonder zich verder om den dollen ridder te bekommeren. De pastoor stelde dus voor, dezen +wijs te maken, dat de prinses met haar geleide was vooruitgereisd en den ridder in zijn eigen huis opwachten wilde. + +</p> +<p>“Als wij hem eens daar hebben,” voegde hij er bij, “zullen wij wel zorgen, dat hij ons zoo spoedig niet weer ontsnapt.” + +</p> +<p>Nog praatten zij hierover, toen plotseling Sancho Panza geducht ontsteld uit de kamer van zijn heer kwam aanloopen en met +luider stemme riep: “Komt, heeren, komt toch den ridder Don Quichot te hulp, want daar zoo pas is hij in het vreeselijkste +gevecht gewikkeld, dat nog ooit op de aarde geleverd is. Haast u, haast u! want, zoo waar als ik hier sta, heeft hij den reus, +den snooden vijand van de prinses Micomicona, een slag toegebracht, die hem den kop dadelijk glad van den romp heeft weggesabeld.” + +</p> +<p>“Wat domme dingen praat gij daar weer, Sancho?” vroeg de pastoor. “Zijt ge dan nog gekker dan uw gekke heer geworden? Hoe +kan Don Quichot dien reus geveld hebben, daar hij voor ’t minst twee duizend mijlen ver van hier woont!” + +</p> +<p>Sancho antwoordde niet, maar wel vernamen thans allen uit des ridders kamer een geweldig gerucht en hoorden diens luid schreeuwen +en roepen. + +</p> +<p>“Halt, roover,” brulde hij, “halt, schandelijke booswicht! Ik heb u nu in mijne macht en die groote sabel zal door de kracht +mijner vuist in splinters worden geslagen.” + +</p> +<p>En terwijl hij zoo tierde, deelde hij rechts en links geweldige houwen uit en stampte en beukte tegen den wand, dat het halve +huis er van trilde. +<span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94">94</a>]</span></p> +<p>“Waarom staat gij en wacht, in plaats van toe te snellen en mijn meester bijstand te verleenen?” riep Sancho Panza. “Gaat +in de kamer, scheidt de strijdenden of redt en helpt althans den dappersten van alle dolende ridders! Maar toch zal dat, hoop +ik, niet eens noodig zijn, want zeker ligt de reus al verslagen aan zijne voeten en braakt zijne zwarte ziel uit, om daarboven +rekenschap te geven van het snoode leven, dat hij hier geleid heeft. Immers heb ik zelf zijn bloed over den vloer zien stroomen +en het afgehouwen hoofd, dat wel de dikte van een wijnzak had, in een hoek zien liggen.” + +</p> +<p>“De drommel hale me, als ik het niet al begrijp!” riep nu op eens de waard. “Dan heeft me die malle ridder zeker een van de +zakken vol rooden wijn, die vlak boven zijn hoofd hangen, een stoot toegebracht, en de uitgeloopen wijn is het bloed, dat +hier dit domme uilskuiken gezien heeft.” + +</p> +<p>Met deze woorden draafde hij naar de kamer van den ridder en alle overigen volgden hem. + +</p> +<p>Zij troffen Don Quichot in den potsierlijksten toestand van de wereld aan. Hij stond daar in zijn hemd, dat hem pas tot aan +de knieën reikte, en had eene niet al te zindelijke nachtmuts op het hoofd; hij had zich zijn beddelaken om den linkerarm +gewikkeld, om zich daarvan als schild te bedienen, en in de rechterhand hield hij zijn verroesten degen, waarmee hij als een +dolleman naar rechts en links steken en houwen uitdeelde. Daarbij schreeuwde hij als bezeten en stelde zich aan, alsof hij +werkelijk met een reus aan het vechten was. Het wonderlijkste van het geval was echter, dat zijne oogen vast gesloten schenen, +en dat hij werkelijk nog in slapenden toestand verkeerde. Vermoedelijk had een bedrieglijke droom hem voorgespiegeld, dat +hij zich reeds in het koninkrijk Micomicon bevond en met den reus, die het land tegen alle recht overmeesterd had, den strijd +op leven en dood had begonnen. In deze inbeelding had hij aan de zakken, die met rooden wijn gevuld waren, zooveel moorddadige +steken toegebracht, dat de kamer onderliep van den wijn, die nog altijd uit de door zijn degen geboorde gaten stroomde. +<span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95">95</a>]</span></p> +<p>Bij dit gezicht werd de herbergier zoo woedend, dat hij, zonder een woord te spreken, op Don Quichot aanviel en met beide +vuisten grimmig op zijn rug begon te trommelen. Hij zou hem hebben doodgeslagen, was niet de pastoor tusschenbeide gekomen +en had beloofd, den verloren geganen wijn tot den laatsten duit toe te betalen. + +</p> +<p>Niettegenstaande de duchtige stompen, die de waard hem met zijne stevige vuisten had toegediend, werd de slaapwandelaar niet +wakker, maar raasde voort, totdat de barbier een grooten emmer vol ijskoud water uit den put haalde en hem dat over het gansche +lichaam uitgoot. Toen eerst deed hij de oogen open, maar was nog te verward en te verbijsterd, om te begrijpen, wat er gebeurd +was en wat deerlijke verwoesting hij had aangericht. + +</p> +<p>Onderwijl zocht Sancho naar het hoofd van den gevelden reus, doch kon dat nergens vinden en riep op krijterigen toon: “Ik +wist al lang, dat in dit huis alles behekst en betooverd is, want hier op deze zelfde plaats kreeg ik oorvijgen en stompen, +zonder dat ik wist waar ze vandaan kwamen, en nu zoek ik vruchteloos naar den kop, dien ik met eigen oogen den reus van den +romp zag vallen. Het bloed stroomde na en spoot uit het lichaam op, als het water uit eene fontein.” + +</p> +<p>“Gij stomme rekel!” bulderde de waard, “wat leutert ge daar van bloed en fonteinen! Ziet ge dan niet, ezel, dat al dat bloed +niets anders is dan de roode wijn uit de zakken, die je dolle heer me voor altijd totaal bedorven heeft?” + +</p> +<p>“Wat zou ik weten?” snauwde Sancho daartegen in. “Ik weet alleen, dat ik een ongelukkige sukkel ben, als ik den kop van den +reus niet vind; want mijn graafschap en stadhouderschap zijn dan voor altijd naar de maan!” + +</p> +<p>De waard hoorde verbaasd op bij deze woorden van Sancho, wien de beloften van zijn heer insgelijks het hoofd geheel op hol +gebracht hadden. Evenwel zwoer hij bij kris en bij kras, dat noch de ridder noch zijn knecht ditmaal wegkomen zouden gelijk +de vorige maal, d.i. zonder gelag en schade ten volle te betalen. + +</p> +<p>Don Quichot was inmiddels weer wat tot zichzelf gekomen en meende, zijn avontuur triomfantelijk ten einde te hebben gebracht. +<span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96">96</a>]</span>Hij viel voor de vermeende prinses Micomicona op de knieën en sprak haar aan, als volgt: + +</p> +<p>“Koninklijke hoogheid, doorluchtigste, edelmoedigste en schoonste prinses! Van dezen gezegenden dag af kunt gij in rust en +veiligheid leven, want de verfoeielijke toovenaar, de reus, ligt hier verslagen door mijne dappere hand. Ik echter heb mij +ten volle van mijn ridderplicht gekweten, daar ik met behulp van mijne meesteresse Dulcinea van Toboso mijne beloften gehouden +heb<span class="corr" id="xd0e1464" title="Bron: ,">.</span>” + +</p> +<p>“Hoort gij ’t nu wel?” riep Sancho vroolijk. “Heb ik ’t niet gezegd? Ik sprak toch niet in dronkenschap. Nu ziet gij, mijn +heer heeft den reus doodgemaakt en mijn stadhouderschap kan mij nu niet meer ontgaan.” + +</p> +<p>Allen lachten hartelijk bij deze nieuwe dwaasheden van den ridder en zijn knaap. Alleen de herbergier vloekte en schimpte +nog altijd voort en wenschte de twee gekken naar het land, waar de peper groeit. + +</p> +<p>Om echter aan deze klucht een goed einde te maken, brachten de pastoor en de barbier den ridder weer te bed, dekten hem warmpjes +toe en merkten tot hunne blijdschap, dat hij van uitputting dadelijk insliep. Zij lieten hem rusten, traden voor de deur van +de herberg, namen Sancho Panza mee en troostten hem, dat hij het hoofd van den reus niet had kunnen vinden. De schildknaap +was spoedig tevredengesteld; doch meer moeite had men met den verbolgen waard, die nog altijd over het verlies van zijn wijn +en zijne kostelijke nieuwe zakken lamenteerde. Hij zette eerst weer een lachend gezicht, toen de begeleiders van jonkvrouwe +Dorothea hem tot schadeloos stelling eenige goudstukken, die zijne schade dubbel en dwars goedmaakten, in de hand drukten. + +</p> +<p>Nu werd het eten opgedragen en allen schikten vroolijk aan den maaltijd. Toen die was afgeloopen, nam jonkvrouwe Dorothea +met hare begeleiders van den pastoor en den barbier vriendelijk afscheid, droeg den verbaasden Sancho op, zijn meester wel +duizendmaal van haar te groeten, en zette toen hare door het avontuur met den dolenden ridder afgebroken reis met haar gezelschap +voort. Eerst toen zij in de verte verdwenen was, verklapte men aan <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97">97</a>]</span>Sancho, hoe ’t met de zaak was gelegen geweest; en deze maakte zich niet weinig boos over de comedie, welke men met hem en +zijn dapperen meester gespeeld had. Men wist hem echter door vriendelijke toespraak al spoedig tot bedaren te brengen, en +eindelijk beloofde hij zelfs zijne medewerking tot het beraamde plan, om den ridder Don Quichot goed- of kwaadschiks weer +naar zijne woonplaats terug te brengen. + +</p> +<p>De nacht ging verder rustig voorbij. Den volgenden morgen echter kwam Don Quichot, die nu uitgeslapen en weer tamelijk goed +bij zijne zinnen was, uit zijne slaapkamer te voorschijn en vernam naar de prinses Micomicona en de heeren van haar gevolg. +De pastoor maakte hem volgens afspraak wijs, dat die was vooruitgereden, om de woonplaats van een zoo beroemden ridder als +Don Quichot te leeren kennen, en dat zij aldaar zijne aankomst rustig afwachten wilde. De goede man stelde zich met deze verklaring +dan ook dadelijk tevreden en drong nu zelf op vertrekken aan, daar zijn harte brandende was van verlangen, om zijne edele +beschermelinge ten spoedigste weer te ontmoeten. + +</p> +<p>Vóór de afreis daagde nu ook de barbier op, die tot hiertoe de betrekking van palfrenier bij de prinses Micomicona had vervuld, +en begroette Don Quichot, alsof hij hem in tijden niet gezien en gesproken had. Don Quichot verwelkomde hem op dezelfde wijze +en noodigde hem uit, zich aan zijn gezelschap aan te sluiten. Hierop besteeg hij Rocinante; de overigen, ook Sancho Panza +die een muildier van Dorothea ten geschenke had gekregen, volgden op hunne ezels, en de reis naar de woonplaats des dolenden +ridders werd ondernomen. + +</p> +<p>De eerste dag leverde niets opmerkelijks op. Don Quichot hield zich tamelijk rustig, Sancho Panza keuvelde met den barbier, +en de pastoor vleide zich meer en meer met de hoop, dat men des ridders huis wel zonder tegenspoed bereiken en hem daar zijne +dolle ideën eindelijk uit het hoofd drijven zou. + +</p> +<p>Voordat zij hunne bestemming bereikten, moesten zij echter nog een avontuur bestaan, dat den Ridder van de Droevige Figuur +bijna ’t leven kostte. +<span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98">98</a>]</span></p> +<p>Op den tweeden dag hunner reis vernam deze de tonen eener trompet, keek op en zag van eenen heuvel eene schaar geheel in ’t +wit gedoste lieden afkomen. Dit waren geeselaars, die, daar de hemel dit jaar allen regen had geweigerd, onder gebed en boetedoening +eene bedevaart naar eene kluizenaarshut ondernamen, om daar van God af te smeeken, dat Hij zijne milde hand mocht openen en +een verkwikkenden regen op de verdorde velden doen neerruischen. Bij ’t zien van hunne zonderlinge en ongewone kleeding beeldde +Don Quichot zich nu echter naar gewoonte in, dat hem weder een avontuur wachtte, en dat hij als dolend ridder verplicht was, +dat met koenheid en moed te bestaan. In dezen waan werd hij door een beeld in rouwkleederen nog meer versterkt. Hij hield +dat namelijk voor de eene of andere edele en voorname vrouw, die door deze schaamtelooze en schandelijke roovers met geweld +voortgesleept werd. + +</p> +<p>Zoodra hij dit alles in zijne dolle verbeelding zoo had vastgesteld, greep hij zijne teugels vaster, hield zijn schild voor, +trok met geweldigen zwaai zijn blinkend zwaard uit de scheede en riep met dreunende stem: + +</p> +<p>“Geeft acht, gij mannen; thans zult gij met eigen oogen aanschouwen, dat er helden in de wereld zijn, die zich uit vrije verkiezing +voor het algemeen welzijn opofferen en tot de beroemde orde der dolende ridders behooren.” + +</p> +<p>Na dit geroepen te hebben, stiet hij Rocinante, daar hij geen sporen had, met de kuiten en hakken in de ribben en stormde +in een zwakken galop, die echter de snelste was, dien de knol aannemen kon, op de geeselaars in. Tevergeefs schreeuwden de +pastoor en de barbier zich heesch, om hem van zijn roekeloos opzet af te brengen. Don Quichot was daar doof voor. Ook Sancho +Panza verhief zijne stem, om den ridder tot staan te brengen, doch met hetzelfde gevolg. + +</p> +<p>“Heer, bedroefde ridder,” schreeuwde hij hem na, “waar wilt gij dan eigenlijk naar toe? Welke booze duivel is in u gevaren, +dat gij zelfs tegen ons eigen heilig geloof wilt vechten? Ziet gij dan niet, dat die optocht eene schaar boetelingen en dat +de vrouw, die zij op dat voetstuk dragen, enkel het beeld der heilige Moedermaagd is? <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span>God helpe ons en sta ons bij! Bedenk wel, heer ridder, wat gij doet, en stel u niet moedwillig aan schimp, schande en schade +bloot!” + +</p> +<p>Zoo brulde Sancho; doch ’t was, zooals gezegd is, voor doovemansooren gepraat. Don Quichot van La Mancha stoof, om de in diepen +rouw gekleede vrouw te bevrijden, met zulk een dolle vaart op de boetelingen in, dat hij nergens naar luisterde. En ook als +hij elk woord verstaan had, zou hij daarom toch niet omgekeerd zijn. Eens door zijne razernij aangetast, liet hij zich door +geen woord en geen koning meer tegenhouden. + +</p> +<p>Op korten afstand gekomen, hield hij zijn hijgend en kuchend strijdros in en riep met dreigende stem: “Gij daar in witte kleederen, +die uwe aangezichten zeker alleen bedekt houdt, omdat gij booze dingen in het schild voert, houdt stil en verneemt mijne rede!” + +</p> +<p>De voorsten in de rij droegen het beeld en waren dus natuurlijk ook de eersten, die ’s ridders toeroep vernamen en vol verbazing +bleven staan. Het waren vier geestelijken, en bij ’t zien van de wonderbaarlijke uitrusting, het magere paard en heel het +potsierlijk voorkomen van onzen held nam een hunner het woord en riep terug: + +</p> +<p>“Hoor, mijn beste heer, zoo gij ons iets van belang hebt mede te deelen, doe dat wat kort en bondig en houd ons, als ’t wezen +kan, niet op. De vrome lieden hier achter ons doen boete en kastijden hun lichaam, tot wij daar bij de hermitage zullen zijn +aangekomen. Wij mogen hun lijden niet onnoodig verlengen, en als gij dus wat lang van stijl zijt, zwijg dan liever en maak +u wat spoedig uit de voeten.” + +</p> +<p>“Nu, wat ik wil is in korte woorden te zeggen en af te doen,” antwoordde Don Quichot. “Ik verlang van u, dat gij zonder verwijl +die arme en in tranen wegsmeltende dame in vrijheid stelt, naardien gij haar zonder twijfel tegen haar wil medesleept en haar +hemeltergend geweld hebt aangedaan. Ik, die in de wereld ben gezonden, om het kromme recht te buigen en de onderdrukten te +helpen, zal niet dulden, dat men de arme bedrukte jonkvrouwe nog verder onrecht doet. Voordat gij een stap verder moogt gaan, +moet gij <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100">100</a>]</span>haar de volle vrijheid teruggeven, die zij gewisselijk verdient.” + +</p> +<p>Uit deze onzinnige taal merkten allen, die ’t hooren en verstaan konden, dat er bij den ridder van de droevige figuur een +vrij erge streep door moest loopen, en het gevolg was, dat allen in een schaterend lachen uitbarstten. Dit lachen was echter +olie in het vuur gegoten. Don Quichots toorn ontvlamde; zonder een woord te spreken, schuimbekkend van woede, zwaaide hij +zijn zwaard en stoof tot den aanval vooruit. Zoodra de dragers van het heilige beeld dit zagen, liet de sterkste zijn last +aan een ander over, trad den dolleman in den weg en weerde diens eersten houw af met eene soort van vork, waarmee hij bij +het uitrusten het beeld der Heilige Maagd placht te stutten. Die vork of gaffel werd wel door ’s ridders geweldige zwaardslagen +in tweeën gehakt, doch de drager verloor daarom den moed niet, maar bracht met het stuk, dat hij nog in de hand hield, onzen +armen held een zoo geduchten veeg over de schouders toe, dat deze waggelde, tuimelde en half kopjebuitelend op den harden, +zandigen grond neerplofte. + +</p> +<p>Op dit oogenblik schreeuwde Sancho Panza, die hijgend aan kwam loopen, den overwinnaar toe, den gevallene te ontzien en hem +verder geen kwaad meer te doen. Don Quichot was een arme behekste en verbijsterde ridder, die niet wist, wat hij deed, en +derhalve het medelijden van alle verstandige menschen verdiende. + +</p> +<p>De boer hief zijn knuppel dan ook niet weer op; doch ’t was niet Sancho’s kermen, dat hem tot deze verschooning bewoog, maar +alleen de opmerking, dat Don Quichot als een blok op den grond lag en geen vin meer verroerde. Deze omstandigheid deed den +boer denken, dat hij den armen ridder had doodgeslagen, en daarom pakte hij zijn lang sleepkleed op, trok het tot den gordel +in de hoogte, wierp zijn knuppel weg en zette het met de snelheid van een hert op een loopen. + +</p> +<p>Inmiddels waren ook de pastoor en de barbier nader gekomen en hadden de geeselaars zich om den gevallene opeengedrongen, ten +gevolge waarvan een kluchtig tooneel van verwarring en misverstand ontstond. De <span class="corr" id="xd0e1518" title="Bron: beevaartgangers">bedevaartgangers</span> meenden, dat zij zouden worden aangevallen, trokken hunne kappen over het hoofd, zwaaiden <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101">101</a>]</span>hunne geeselroeden en <span class="corr" id="xd0e1523" title="Bron: wachten">wachtten</span> het begin van den kamp af met het vaste voornemen, om iederen vijand ongenadig van de taart te geven. Toen zij nu echter +zagen, dat Sancho Panza, zonder zich aan iets anders te storen, bij het lichaam van zijn meester neerknielde en, in de stellige +verbeelding, dat die werkelijk morsdood was, de akeligste jammer- en klaagtonen uitstiet, toen ook de pastoor door een der +priesters, die de bedevaart aanvoerden, herkend werd, toen maakten op eens haat en vijandschap voor vrede en verzoening plaats +en werd van geen van beide kanten aan vechten meer gedacht. + +</p> +<p>Onze pastoor deelde den priester in korte woorden mede, hoe het eigenlijk met den armen ridder gesteld was, en ging daarop +met nog eenige anderen bij den gevallene, om te zien, of die werkelijk den adem had uitgeblazen of alleen maar buiten kennis +lag. Op de kampplaats aangekomen, hoorde hij den trouwen schildknaap luid krijten en huilen en aan zijne droefheid lucht geven +in de volgende bewoordingen: + +</p> +<p>“O gij, bloem van alle ridderschap, roem en glorie dezer eeuw, eer en sieraad van uw gansche geslacht, waarom moest gij door +zoo een ellendigen knuppelslag uw doorluchtig leven eindigen? Nu, daar gij gestorven zijt, zullen alle zondaars en boosdoeners +weer stoutmoedig de hoofden opsteken, zonder te vreezen, dat zij voor hunne goddeloosheden gestraft worden. Hoe beklaag en +betreur ik uwen dood, o grootmoedigste en milddadigste van alle dolende helden, die mij voor de korte dienstbaarheid van weinig +maanden ’t schoonste eiland zoudt hebben gegeven, dat gij maar op de wereld veroveren kondt. Rust zacht, deemoedige onder +de hoovaardigen, wreker der beleedigden, helper der bedrukten, tuchtroede der boozen en godslasteraars, schrik der schelmen +en gauwdieven en vervolger der wreedaardigen! Rust zacht, zeg ik, want gij verdient dat, als de beste dolende ridder, dien +ooit de wereld gezien en bewonderd heeft.” + +</p> +<p>Dat laatste woord had Sancho Panza echter pas over de lippen, of Don Quichot sloeg na het uitstooten van een diepen zucht +zijne oogen op en keek uiterst verbijsterd rond. +<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span></p> +<p>“Waar ben ik?” vroeg hij. “Ha, ik herinner mij: een vreeselijke reus en toovenaar heeft mij met zijn ijzeren knods ter aarde +geveld. Bezorg mij een voertuig, waarde vriend Sancho Panza, want ik ben niet meer in staat mijn strijdhengst Rocinante te +beklimmen. Mijne schouderbladen zijn stukgebeukt, en wij moeten ons haasten onze woonplaats te bereiken, als ik er het leven +afbrengen zal. Ach, wat zal van de edele prinses Micomicona van Micomicon worden, nu mijn heldenarm haar niet langer beschermen +kan!” + +</p> +<p>“Maak u daar niet ongerust over,” antwoordde de pastoor, die dit oogenblik gunstig oordeelde, om Don Quichot het vertrek van +de jonkvrouw mede te deelen. “Zoo pas heb ik daar eene boodschap van de prinses ontvangen, dat zij uwe bescherming niet meer +noodig heeft. De reus is door hare onderdanen doodgeslagen, en haar terugkeer in haar koningrijk staat dus niets meer in den +weg. Reeds is zij daarheen op reis gegaan en zij laat u door mij duizendmaal groeten en haren innigsten dank betuigen.” + +</p> +<p>“Dat verheugt mij hartelijk,” antwoordde de ridder. “Ik wensch der edele dame zegen en voorspoed op haar weg toe en verblijd +mij, dat zij ook zonder mijne hulp tot hare rechten is gekomen. Maar waar is de karos? Sancho Panza, zorg gij, dat ik een +rijtuig krijg.” + +</p> +<p>“Terstond, terstond, edele heer!” riep Sancho en liep heen, om ergens in de nabijheid een voertuig op te loopen. Hij vond +gelukkig eene oude, deerlijk gehavende herderskar op het veld staan, kwam daarmee aankruien en laadde met behulp van den pastoor +en den barbier den gekwetste er op. Rocinante werd er als trekpaard voorgespannen en zoo de reis voortgezet. De bedevaartgangers +stelden zich weder in beweging, en Don Quichot werd langzaam naar huis gekruid. + +</p> +<p>Tegen den middag kwamen zij in Don Quichot’s geboortedorp aan. Het was juist op een Zondag en bijna al de bewoners der plaats +hadden zich op het marktplein verzameld, dat de kar van den ridder dwars moest oversteken. Oud en jong stroomden nieuwsgierig +toe, om met de lading van het vreemde voertuig kennis te maken, en waren niet weinig verbaasd, toen zij hunnen edelen landsman +herkenden. Een jongen liep op een drafje naar ’s ridders <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103">103</a>]</span>huis vooruit, om aan de huishoudster en de nicht bericht te brengen, dat haar meester en oom bont <span class="corr" id="xd0e1545" title="Bron: een">en</span> blauw geslagen, bleek, vermagerd, op een bos hooi op eene ellendige kar liggend, in aantocht was. + +</p> +<p>De beide vrouwen waren door dit bericht zoo ontsteld, dat het met geen woorden te beschrijven is. Zij maakten een gruwelijk +misbaar, rukten zich haren en krullen uit het hoofd en verwenschten opnieuw de onzalige ridderboeken, die al deze ellende +hadden veroorzaakt. + +</p> +<p>Nog raasden zij op deze wijze tegen hare eigen hoofden en tegen die verwenschte romans, toen de hofpoort knarsend op hare +verroeste hengsels draaide en de kruiwagen met den gewonden ridder voor de deur stilhield. Terstond schoten de beide vrouwen +toe, namen den armen held op, droegen hem met behulp van den pastoor en den barbier in huis, ontkleedden hem en brachten hem +eindelijk in zijn ouderwetsch ledikant ter ruste. Don Quichot zei geen woord, maar liet zich alles bedaard welgevallen. De +pastoor drukte echter het nichtje op het hart, haar oom toch met de meeste zorg te verplegen en in ’s hemels naam toe te zien, +dat hij nog niet eens ontsnapte en als dolend ridder het land op stelten zette. Hierop vertelde hij, wat moeite het gekost +had, den gekken held weer naar huis te krijgen, en zocht de arme vrouwen te troosten, die alweer hardop begonnen te huilen +en haar hart vasthielden, dat haar meester en oom die dolle kuren opnieuw zoude beginnen. + +</p> +<p>Of dit al of niet gebeurde, zullen wij spoedig genoeg vernemen. + +</p> +<p>Terwijl nu daar binnen in huis over den ridder geklaagd, getreurd en gelamenteerd werd, kreeg zijn arme schildknaap het daarbuiten +op den hof bitter zwaar te verantwoorden. Op het bericht van Don Quichots terugkeer kwam namelijk Sancho Panza’s vrouw toe +en vond haren echtvriend op het punt van zijn ezel te bestijgen, om naar zijne hut en zijne dierbare gade terug te keeren. +De schimp- en scheldwoorden, waarmede de vergramde vrouw hem overstelpte, omdat hij zoo heimelijk den huiselijken haard had +verlaten, willen wij hier liever niet herhalen. Wij zeggen alleen, dat den armen <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104">104</a>]</span>knaap terdeeg de ooren werden gewasschen, en dat hij zeer mak en gedwee onder geleide van zijne kijvende wederhelft thuis +aankwam. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e1558" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk <span class="corr" id="xd0e1561" title="Bron: VIII">XIV</span>. +</h2> +<h2 class="normal">Hoe Don Quichot tot een nieuwen tocht wordt bewogen.</h2> +<p>Verscheiden weken achtereen lag de ridder aan de gevolgen van de bekomen wonden en kwetsuren vrij ernstig ziek. In plaats +van hem gedurende zijne krankheid te bezoeken, hielden de pastoor en de barbier zich opzettelijk op een afstand, om de voorvallen +van den laatsten tijd maar niet weer in zijn ontsteld brein op te frisschen, doch verzuimden niet, van tijd tot tijd de huishoudster +en het nichtje te komen zien, om haar in de behandeling van den ridder naar hun beste weten te onderrichten. + +</p> +<p>“Geeft hem goeden, stevigen kost en praat hem niet van de dolle streken, die hij uitgevoerd heeft,” zeide de pastoor. “Misschien +vergeet hij dan zijne waanzinnige hersenschimmen en wordt mettertijd weer een zoo wat half verstandig man.” + +</p> +<p>De vrouwen volgden deze aanwijzing met alle stiptheid en Don Quichot kwam eindelijk zoo ver, dat hij bezoekers toelaten en +zijne oude vrienden, den pastoor en den barbier, ontvangen kon. Bij hunne komst vonden zij hem overeind in zijn bed zitten. +Hij had een buis van groen laken aan, droeg eene groene Toledomuts op het hoofd en zag er zoo mager en uitgedroogd uit, dat +hij wel haast eene mummie geleek. Voor ’t overige ontving hij zijne gasten met veel vriendelijkheid, sprak zeer bedaard en +verstandig en bediende <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105">105</a>]</span>zich van zulke uitgezochte en gepaste uitdrukkingen, dat de goede pastoor reeds hoop begon te voeden, dat hij zich die dwaze +dolende ridderschap nu toch voorgoed uit het hoofd had gezet. Om daarvan de zekerheid te verkrijgen, besloot hij eene afdoende +proef te nemen, en bracht zoo in den loop van het gesprek te pas, dat de Turken met eene geweldige legermacht in aantocht +waren en het eiland Sicilië, dat destijds nog tot het koningrijk Spanje behoorde, met een inval bedreigden. De koning had +dat eiland evenwel reeds doen versterken en er een sterke krijgsmacht heengezonden. + +</p> +<p>Bij dit verhaal schudde Don Quichot bedenkelijk het hoofd. + +</p> +<p>“De koning,” zeide hij na eene poos, “heeft zeker bij deze gelegenheid als een wijs en zeer voorzichtig veldheer gehandeld +en zijne staten gedekt, zoodat de vijand die niet onvoorbereid en weerloos zal vinden; maar als hij mijn raad wou volgen, +zou hij toch met veel geringer aanwending van geld en krachten veel grooter uitkomsten kunnen verkrijgen.” + +</p> +<p>Bij het vernemen van deze woorden kreeg het vertrouwen van den pastoor op Don Quichots herstelling weer een bedenkelijken +stoot en bij zichzelf dacht hij: “Mijn goede beste Don Quichot! daar tuimelt gij weer hals over kop in den afgrond van uwe +dolle inbeeldingen neer!” + +</p> +<p>De barbier had nagenoeg dezelfde gedachten; maar om niet te voorbarig te oordeelen, vroeg hij Don Quichot, waar zijne voortreffelijke +maatregelen dan wel eigenlijk in bestonden? Misschien behoorden zij wel tot die, welke men in het dagelijksch leven dolzinnige +en ongerijmde noemt. + +</p> +<p>“Mijn denkbeeld, meester baardschrabber, is zeer gerijmd,” antwoordde Don Quichot op barschen toon, “en stellig lang niet +zoo dolzinnig als gij zelf.” + +</p> +<p>“Kom, kom, heer ridder, ik meende ’t zoo boos niet, als gij het daar opvat,” zei de barbier. “Ik wou alleen maar zeggen, dat +veel voorslagen, die den koning reeds gedaan zijn, onuitvoerbaar en onmogelijk zijn bevonden en, wou men er gevolg aan geven, +het rijk enkel schade en verlies zouden toebrengen.” + +</p> +<p>“Dat is echter met mijn voorslag niet het geval,” verzekerde <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106">106</a>]</span>Don Quichot. “’t Is het lichtste, gemakkelijkste, doelmatigste en vernuftigste middel, dat ooit in de hersens van een verstandig +man is opgekomen.” + +</p> +<p>“En wilt gij het ons ook mededeelen, heer?” vroeg de pastoor. + +</p> +<p>Don Quichot zag hem wantrouwig van ter zijde aan. “Ik zal mij wel wachten, het te verklappen,” zeide hij. “Wie staat mij borg, +dat gij niet, zoodra gij het plan vernomen hebt, dat dadelijk aan de ministers des konings mededeelt en u zoo den roem en +de eer toeëigent, die mij, als den uitvinder, heel alleen toekomt?” + +</p> +<p>“Ik voor mij zweer bij alles, wat heilig is, dat ik mij nooit aan zulk een schandelijk verraad zal schuldig maken,” riep de +barbier. “Wat gij ook spreken moogt, nooit zal eene syllabe over mijne lippen komen, en noch koning noch bedelaar zal mij +immer bewegen mijn eed te breken.” + +</p> +<p>“Dat is genoeg, dat is genoeg,” zeide Don Quichot. “Ik ken u als een eerlijk man, heer barbier, en vertrouw u ten volle.” + +</p> +<p>“En was dat niet zoo, dan durfde ik wel voor hem instaan,” verklaarde de pastoor. “Hij zou niet meer over deze zaak spreken, +dan een stomme, op straffe der boete, die ik hem opleggen zou.” + +</p> +<p>“Maar wie is mij borg voor u zelf, heer pastoor?” vroeg Don Quichot. + +</p> +<p>“Mijn heilig ambt,” antwoordde de pastoor met waardigheid, “mijn heilig ambt, dat mij streng stilzwijgen tot een onverbrekelijken +plicht maakt.” + +</p> +<p>“Welaan dan,” riep Don Quichot, die thans zijne toehoorders ten volle vertrouwde: “waarom laat dan de koning niet uitroepen, +dat op een vastgestelden dag alle dolende ridders en helden van Spanje zich ten hove verzamelen moeten? Indien ook maar een +dozijn verschenen, zou toch reeds dit gering aantal toereikend zijn, om de gansche macht van den heidenschen Turk geheel te +vernielen. Heeft niet al vaak een eenig dolend ridder een leger van tweemaal honderd duizend krijgers op de vlucht gejaagd? +Waarom zou in den tegenwoordigen tijd zulk eene heldendaad niet meer kunnen voorkomen? Waarlijk, waarlijk, nog heden ten dage +zijn er mannen, die voor de ridders uit den ouden tijd in sterkte noch in dapperheid onderdoen! <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107">107</a>]</span>God hoort mij en ziet in mijn hart.... Meer wil ik niet zeggen.” + +</p> +<p>“Och grut!” riep hier de nicht, die met de huishoudster het gansche gesprek had aangehoord, “och grut, dat is weer de oude +mallepraat; en ik wil een boon wezen, als hij niet weer lust heeft, om op zijne dolle avonturen uit te gaan.” + +</p> +<p>“Ja,” zeide Don Quichot op ernstigen toon, “als dolend ridder wil ik leven en sterven, en geen sterveling zal mij van mijn +voornemen afbrengen. Laat de Turken maar komen! Al zijn zij nog zoo machtig en geweldig, ik zal.” + +</p> +<p>“Luister, beste heer,” wendde de barbier, die een poosje stil nagedacht had, zich hier tot den koenen ridder: “vergun mij, +eene kleine geschiedenis te vertellen, die in Sevilla is voorgevallen en op deze dingen past, als het deksel op den pot.” + +</p> +<p>Don Quichot gaf dadelijk de gevraagde vergunning, en de barbier vertelde de volgende aardige kleine geschiedenis: + +</p> +<p>“In het dolhuis te Sevilla was een man, dien zijne verwanten daarheen gebracht hadden, omdat het met zijn hoofd niet goed +was. Hij was van den geestelijken stand en had zijn examen al gedaan, toen zijn vroeger verstandige en vlugge kop op eens +van streek raakte en niemand raad meer met hem wist. + +</p> +<p>“De candidaat woonde eenige jaren in het gekkenhuis en hield zich stil en bedaard, totdat hij op eens op de gedachte kwam, +dat hij zijn verstand weerom had gekregen en dat hem niets meer haperde. In deze vreemde overtuiging ging hij zitten, schreef +een langen brief aan den aartsbisschop, meldde hem in verstandige woorden, dat hij door Gods goedheid al zijne vijf zinnen +weer bij elkaar had, en dat men hem alleen nog maar als een gevangene hield opgesloten, omdat zijne verwanten uit hebzucht +en vrekkigheid het weinigje vermogen, dat hem toekwam, niet uitkeeren wilden. + +</p> +<p>“Daar de eerste brief onbeantwoord bleef, stelde de waanzinnige candidaat een tweeden op; toen een derden, een vierden en +zoo voort, totdat de aartsbisschop zich eindelijk door zijne mooie, sierlijke woorden liet verleiden om een kapelaan naar +het gekkenhuis af te <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108">108</a>]</span>vaardigen. Dezen gaf hij de bepaalde order, eerst bij het hoofd van het gesticht te vernemen, of alles waar was, wat de candidaat +geschreven had; vervolgens moest hij den candidaat zelf in verhoor nemen, en bevond hij dan, dat die werkelijk gezond en goed +bij zijn hoofd was, dan moest hij hem dadelijk op vrije voeten stellen. + +</p> +<p>“De kapelaan handelde stipt volgens het voorschrift van den bisschop; doch toen hij in het gekkenhuis kwam, werd hem door +den bestuurder verzekerd, dat de bewuste jonge geestelijke even gek was, als in den beginne, en al sprak hij soms eens een +verstandig woord, dan sloeg hij daarvoor al spoedig weer zoo hard door, dat aan loslating niet te denken viel. + +</p> +<p>“Om in alles naar het voorschrift van zijn aartsbisschop te handelen, antwoordde de kapelaan hier niet op, maar liet zich +bij den krankzinnige brengen, om te zien, of hij zoo ook achter de waarheid zou kunnen komen. Hij sprak langer dan een uur +met den jongen geestelijke, hoorde in al dien tijd geen enkel onwijs of zelfs maar onverstandig woord van hem, en kon dus +moeielijk anders, dan den gekken candidaat voor een mensch met gezonde hersens houden. De waanzinnige beklaagde zich er onder +andere ook over, dat de bestuurder hem alleen daarom voor een lijder, die slechts nu en dan heldere oogenblikken had, uitgaf, +omdat hij daarvoor door zijne verwanten rijkelijk werd betaald. Zoo kwam het dan, dat zijn vermogen de steen des aanstoots, +de bron van alle kwaad bij hem geworden was. Alleen om genot van zijne have te hebben, overstelpten zijne verwanten hem met +smaad en schande en loochenden stoutweg, dat een wonder aan hem gedaan was en hem van een krankzinnig tot een verstandig mensch +gemaakt had. + +</p> +<p>“De kapelaan, die al deze verklaringen zeer geloofwaardig vond, vatte nu argwaan tegen den bestuurder van het gesticht op +en geloofde den gek liever dan zijn dokter. Hij besloot dus, den candidaat in vrijheid te stellen en hem bij den aartsbisschop +te brengen, zoodat deze zelf zich van het helder verstand van den armen man overtuigen kon. + +</p> +<p>“Zonder dralen beval de kapelaan den bestuurder, den candidaat van behoorlijke kleederen te voorzien. De bestuurder pruttelde +hier <span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109">109</a>]</span>wel erg tegen en deed alles, om den kapelaan tot andere gedachten te brengen; maar dat hielp niet, hij moest gehoorzamen. +De candidaat kreeg dus een fatsoenlijk splinternieuw pak aan en verzocht den kapelaan zeer beleefd, van zijne voormalige lotgenooten +afscheid te mogen nemen. Dit werd toegestaan en de kapelaan zelf bood aan, hem op deze wandeling te vergezellen. Zoo kwamen +zij bij de cel van een krankzinnige, wien de candidaat goedendagzeide, terwijl hij aanbood, zoo de ander de eene of andere +boodschap mocht hebben, die zonder haperen over te brengen. + +</p> +<p><span class="corr" id="xd0e1635" title="Niet in bron">“</span>“Beschik vrij over mij,” zeide hij tot den waanzinnige. “Nu ik mijn verstand weerom heb gekregen, wil ik dat ook gebruiken, +om al mijnen medemenschen van dienst te zijn.” + +</p> +<p>“Deze woorden hoorde een andere gek, die in eene cel tegenover die van den eersten zat. Hij sprong dus van zijne mat op en +vroeg, luid schreeuwend: “Wie is het toch, die daar gezond en verstandig heen mag gaan?” + +</p> +<p><span class="corr" id="xd0e1641" title="Niet in bron">“</span>“Ik ben het, lieve broeder,” antwoordde de candidaat; “ik behoef hier niet langer te blijven en ben dankbaar, dat mij zoo +groote genade is verleend.” + +</p> +<p><span class="corr" id="xd0e1645" title="Niet in bron">“</span>“Ei, ge weet niet, wat ge zegt,” schreeuwde de gek den candidaat toe. “Laat je niet door den duivel verblinden, maar blijf +stil in je cel, zoodat ze je niet terug hebben te brengen.” + +</p> +<p><span class="corr" id="xd0e1649" title="Niet in bron">“</span>“O, dat heeft geen nood,” riep de candidaat lachend. “Ik weet, dat ik volkomen goed bij mijn verstand ben en hier dus niet +behoef terug te komen, om het ellendig leven van een krankzinnige te leiden.” + +</p> +<p><span class="corr" id="xd0e1653" title="Niet in bron">“</span>“Jij volkomen bij je verstand?” riep de gek. “Jij gezond? Loop heen! De tijd zal ’t gauw anders leeren. Ik zweer je bij Jupiter, +wiens plaats ik op aarde bekleed, dat ik de onnoozele stad Sevilla, die zoo’n razenden gek, als jij bent, vrijlaat, voor die +dwaasheid hard zal straffen en kastijden. Van vandaag af zal het drie volle jaren lang niet regenen over deze stad, en alle +vruchten zullen verdorren en alle weiden verschroeid en verzengd worden. Je zoudt goed bij je verstand wezen, terwijl men +mij hier gebonden en opgesloten houdt? Daar moet straf voor wezen! Voordat die drie <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110">110</a>]</span>jaren om zijn, zal geen droppeltje regen over Sevilla vallen.” + +</p> +<p>“De omstanders hoorden vreemd op bij dien zottepraat van den gek, en ook de kapelaan zag hem verwonderd aan. Nu echter klopte +de candidaat dezen op schouder en voegde hem vertrouwelijk toe: + +</p> +<p><span class="corr" id="xd0e1661" title="Niet in bron">“</span>“Wees maar niet bang, waarde heer, en stoor u niet aan de dreigementen van dien armen zot. Als hij Jupiter is en niet wil +laten regenen, dan ben ik daarentegen Neptunus, de vader der zeeën en van alle wateren, en kan dus ook regen zenden, zooveel +ge maar hebben wilt.” + +</p> +<p><span class="corr" id="xd0e1665" title="Niet in bron">“</span>“Ei, wat ge zegt!” riep de kapelaan, die nu zijn man had leeren kennen. “Als gij Neptunus zijt en heer Jupiter wilt beleedigen, +oordeel ik het toch maar beter, dat gij vooreerst hier in huis blijft. Een ander maal, als ’t mij eens gelegen komt, wil ik +terugkeeren en u van hier weghalen.” + +</p> +<p>“De bestuurder van het gesticht lachte, en de gekke candidaat kreeg zijn oude pak weer aan en kon weer naar zijne oude cel +stappen. + +</p> +<p>“Dit is mijne geschiedenis,” zeide de barbier; “en de toepassing kan ieder licht zelf maken.” + +</p> +<p>“O baardschrabber, o baardschrabber!” riep Don Quichot uit, “meent ge werkelijk, dat deze dwaze historie zoo goed op onze +omstandigheden past? Ik voor mijn part geloof dat niet; want ik weet opperbest, dat ik niet Neptunus ben, en verlang van niemand, +dat hij mij voor wijs houdt, als ik een domme ezel, een onwijze sukkel ben. Mijn streven is edel en groot, en door de plichten +der dolende ridderschap te vervullen doe ik eenvoudig, wat goed en recht is. Zwijgt allen en leutert me niet langer met zulke +beuzelpraatjes om de ooren! Ik ga mijn eigen weg, en er is geen mensch in de wereld, die mij daarvan afbrengen zal.” + +</p> +<p>Verstoord keerde Don Quichot hun den rug toe, zoodat de pastoor en de barbier het ’t best oordeelden, maar stilletjes weer +op te trekken. Zij moesten alle hoop, om den armen ridder Don Quichot van zijne dwaze inbeeldingen terug te brengen, nu eindelijk +wel opgeven, en deden dat dan ook. +<span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111">111</a>]</span></p> +<p>Bij het verlaten van het huis kwamen zij een zeer aardig en verstandig jonkman, zekeren Sanson Carrasco, tegen, die een geleerde +en met onzen welmeenenden pastoor bevriend was. Bij hem stortte deze laatste zijn hart uit, en de jonge Carrasco gaf al spoedig +een middel op, om Don Quichot van zijne avontuurlijke hersenschimmen te bevrijden. Dat middel kwam den pastoor goed voor en +terstond overlegde hij met zijn vriend, op welke wijze men dit het best zou kunnen aanwenden. + +</p> +<p>Weinige dagen daarna, toen Don Quichot weer ten volle hersteld was en zich juist met Sancho Panza over zijne toekomstige plannen +onderhield, liet Sanson Carrasco zich bij hem aanmelden en werd zonder verwijl in zijn vertrek toegelaten. Na eenige voorafgaande +komplimenten deelde hij den edelen ridder mede, dat hij zeer veel goeds en schoons van zijne roemruchtige daden had vernomen +en nu opzettelijk gekomen was, om van aangezicht tot aangezicht den held te zien, wiens naam sinds eenigen tijd het gansche +heelal vervulde. Na deze inleiding spoorde hij hem met krachtige taal aan, toch spoedig weer een nieuwen krijgstocht tegen +de ondeugden, verkeerdheden en zonden der goddelooze wereld te beginnen, en bracht het toch al zwakke hoofd des edelen Dons +daardoor dusdanig op hol, dat deze terstond besloot, aan de inblazingen van den welbespraakten Carrasco gehoor te geven. Nauwelijks +had deze met de belofte van hem een prachtigen ridderhelm te zullen vereeren van hem afscheid genomen, of hij gaf Sancho Panza +last, zijn ezel en zichzelf gereed te houden, om binnen drie dagen op nieuwe avonturen uit te gaan. Sancho verklaarde zich +daartoe gaarne bereid, daar Don Quichots beloften en voorspiegelingen nog altijd een open oor bij hem vonden, en hierop deelde +Don Quichot zijn besluit ook aan huishoudster en nicht mede. De arme vrouwen, die van Carrasco’s fijn plan niets wisten, waren +radeloos, en kermden en huilden, maar richtten daardoor niets uit, dan dat Don Quichot haar voor malloten en domme, onverstandige +vrouwlui uitmaakte, zonder zich door al dat misbaar van zijn voornemen te laten afbrengen. + +</p> +<p>Den volgenden dag zond Carrasco den beloofden helm. Deze was <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112">112</a>]</span>met roest en schimmel overdekt en had niets aan zich, dat aan blank en glanzig staal deed denken. Dat achtte Don Quichot evenwel +maar eene kleinigheid. Hij nam puimsteen en schuurlappen, poetste hem zoo goed mogelijk op en besteedde de overige dagen, +om alles voor zijne reis in gereedheid te brengen. + +</p> +<p>Het was Don Quichot echter gedurende zijne ziekte door het hoofd gegaan, wie hij tot hiertoe voor jonkvrouwe Dulcinea had +gehouden, zoodat deze voor hem een zuiver phantasiebeeld geworden was. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e1687" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XV.</h2> +<h2 class="normal">Don Quichot zoekt zijne hooge gebiederes Dulcinea van Toboso op.</h2> +<p>Toen de dolende ridder en zijn wakkere schildknaap het open veld bereikt hadden, snoof en brieschte Rocinante luid en begon +ook het grauwtje uit volle keel zijn welluidend Yah in de lucht te brullen. Beiden zagen deze omstandigheid voor een zeer +gunstig voorteeken aan en hunne harten klopten van blijdschap, nu ze zich de daden voorstelden, die zij in ’t vervolg zeker +bedrijven, en den onvergankelijken roem, dien zij daarvoor inoogsten zouden. + +</p> +<p>“Sancho Panza,” sprak Don Quichot, toen zij eene poos zwijgend zij aan zij hadden voortgedraafd, “Sancho Panza, de avond valt +en het zal donkerder worden, dan wij wenschen, voordat wij Toboso bereiken, dat ik in allen gevalle bezoeken moet. Daar, waar +Dulcinea leeft en ademt, wil ik haar zegen afsmeeken, naardien ik overtuigd ben, dat ik daardoor ieder avontuur gelukkig zal +te boven komen. Niets, moet gij weten, maakt de dolende ridders gelukkiger en dapperder, dan dat zij van de genade en de bescherming +hunner meesteressen verzekerd zijn.” +<span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113">113</a>]</span></p> +<p>“Daar wil ik niets tegen zeggen, gestrenge heer,” antwoordde Sancho Panza, die wist, wat hij van Dulcinea te denken had; “maar +toch kan ’t u nog wel wat moeite kosten, Dulcinea te spreken te krijgen en eene geschikte plaats te vinden, waar gij den zegen +van de hooge dame ontvangen kunt. Ik vrees, dat ze u dien over de schutting of door een gat in den muur zal moeten geven.” + +</p> +<p>“De schutting, Sancho?” vroeg Don Quichot verwonderd. “Zijt gij dan blind geweest, of hebt ge uwe oogen niet gebruikt? Wat +gij voor een schutting aanzaagt, was zeker eene rij van trotsche galerijen, gangen en booggewelven, zooals men die altijd +bij rijke koninklijke paleizen heeft.” + +</p> +<p>“Nu, dan weet ik het niet,” verklaarde Sancho. “Voor zoover mij voorstaat, was ’t een gewoone schutting, en nog wel in niet +al te besten staat, want ik meende er vrij wat scheuren, spleten en gaten in te zien.” + +</p> +<p>“Dat mag wezen, hoe ’t wil,” zeide Don Quichot een weinig verdrietig; “maar toch zullen wij haar een bezoek brengen. Als ik +haar maar te zien krijgt, raakt het mij weinig, of over eene schutting, of door een raam, of door een traliehek de straal +van haar oog op mij valt en mijne ziel verlicht. Een blik van haar zal mij bezielen en wel zoo geweldig, dat ik onvergelijkelijk +moet worden in deugd en in dapperheid.” + +</p> +<p>Sancho Panza schudde het hoofd, zonder op deze hoogdravende taal iets te antwoorden, en zwijgend vervolgden ridder en knaap +nu voortaan hun weg. Het zal tegen middernacht hebben geloopen, toen zij, bij een heuvel neerdalende, Toboso bereikten. In +het dorp heerschte de diepste rust; want natuurlijk lagen al de bewoners te bed en rustten in de armen van de slaap. De maan +stond aan den hemel, en de nacht was dus niet zoo donker, als Sancho Panza gewenscht had. ’t Zou hem liever geweest zijn, +dat geen sterretje aan den hemel had geblonken, daar de donkerheid hem dan tot verontschuldiging voor zijne onwetendheid kon +hebben gediend. Hij had, gelijk wij weten, Toboso nog met geen voet betreden, hoewel hij den bedrogen ridder duizend dingen +van Dulcinea en zijne boodschap aan haar had weten op de mouw te spelden. + +</p> +<p>Zooals gezegd is, lagen de bewoners van het dorp nog in den <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114">114</a>]</span>diepsten slaap, en men vernam niets dan het blaffen van honden, dat den ridder hoogst onaangenaam in de ooren klonk, terwijl +het den vreesachtigen schildknaap niet minder beangstigde. Toen het blaffen niet ophield, voegden zich daar nog andere tonen +bij: ezels balkten, varkens knorden, paarden snoven, katten miauwden, wat alles in de stilte van den nacht duidelijker dan +ooit hoorbaar was. Don Quichot behaagde dat volstrekt niet, daar hij al die geluiden voor slechte voorteekens hield, hoewel +hij er niets van zei, maar stil aan Sancho Panza’s zijde doorreed. Eindelijk brak hij het lange stilzwijgen af en sprak: + +</p> +<p>“Sancho, breng mij naar het paleis mijner gebiedster. Misschien wil een gelukkig toeval, dat wij haar wakende vinden.” + +</p> +<p>“Maar naar wat paleis moet ik u dan brengen, edele heer?” riep Sancho verlegen uit. “Hier heeft men geen paleizen en, zooals +ik u al zei, uwe Dulcinea woont in een ellendig klein kot van een huisje.” + +</p> +<p>“Gij vergist u zeker, vriend,” beweerde Don Quichot. “Waarschijnlijk had mijne edele gebiedster zich toen maar in een zijvleugel +van haar vorstelijk paleis afgezonderd, gelijk hooge dames wel eens meer de stilte en eenzaamheid zoeken.” + +</p> +<p>“Gestrenge heer,” <span class="corr" id="xd0e1719" title="Bron: anwoordde">antwoordde</span> Sancho, “gesteld nu al, dat gij gelijk hadt, is het dan toch wel gepast, dat wij zoo in het holle van den nacht de rust uwer +meesteresse storen? Als wij op de deur kloppen, zullen ook de buren wakker worden en ons voor zeer dwaze en onzinnige menschen +houden.” + +</p> +<p>“Dat moeten wij afwachten,” zeide de ridder. “Laat ons eerst maar haar burcht opzoeken, en dan zal ik u zeggen, wat verder +te doen. Zie daar eens, Sancho! Een donker gebouw rijst daar hoog op in den nacht en ik bedrieg mij zeker niet, als ik dat +voor de woonstede mijner onvergelijkelijke dame houd.” + +</p> +<p>“Rijd er dan maar op los,” bromde de schildknaap; “maar ’k laat mij hangen, als ge ’t niet glad mishebt.” + +</p> +<p>Don Quichot gaf Rocinante de sporen en reed vooruit. Toen hij echter in de <span class="corr" id="xd0e1728" title="Bron: nababijheid">nabijheid</span> van het groote gebouw was gekomen, zag hij wel, dat hij niet het slot eener edele prinses, maar enkel de kerk van het dorp +voor zich had. +<span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115">115</a>]</span></p> +<p>“Het is de kerk,” zeide hij, onaangenaam verrast. + +</p> +<p>“Ja, dat zie ik,” zeide Sancho Panza, “en de hemel geve maar, dat wij niet op het kerkhof ons graf vinden. Voor ’t overige +heb ik u wel gezeid, dat de woning van uwe Dulcinea in een of ander achterafstraatje moet liggen.” + +</p> +<p>“Ezel! Domkop! Stommerik!” bulderde Don Quichot. “Waar hebt ge dan ooit van uw leven gezien, dat riddersloten en paleizen +in achterafstraatjes liggen?” + +</p> +<p>“Gehoord en gezien heb ik dat niet,” was Sancho’s koel antwoord; “maar ’s lands wijs ’s lands eer, zegt het spreekwoord, en +misschien is ’t hier in Toboso wel gebruikelijk groote huizen en voorname gebouwen wat achteraf te zetten. Wilt gij mijn raad +volgen, gestrenge ridder, laat mij dan maar eens op mijn eigen houtje gaan zoeken. Misschien lukt het ons wel ’t paleis van +uwe gebiedster te vinden, dat mijnentwege in den grond mag verzinken, zoo veel ergernis heb ik er al van gehad.” + +</p> +<p>“Sancho Panza,” zeide de ridder op dreigenden toon, “ik raad u, met achting van alle dingen te spreken, die met mijne gebiedster +ook maar van verre in verband staan. Ga nu voorts in vrede, zoek al uw best, en als ge het paleis gevonden hebt, val dan niet +zoo dadelijk met de deur in huis. Overleg, Sancho, overleg en bedaardheid bij alle dingen en in alle omstandigheden moet de +hoofddeugd van iederen dolenden schildknaap zijn.” + +</p> +<p>“Ik ben bedaard genoeg,” antwoordde Sancho Panza, “maar hoe zou ik mijn geduld niet verliezen, als uwe edelheid verlangt, +dat ik midden in den nacht een huis weerom zou vinden, dat ik nog maar eens bij helder daglicht gezien heb? Waarom zoekt gij +zelf het dan niet? Gij moest het toch, dunkt mij, in een ommezien kunnen vinden, daar gij het meer dan duizendmaal moet gezien +hebben.” + +</p> +<p>“Sancho Panza, gij zult mij nog tot razernij brengen,” schreeuwde Don Quichot. “Ik heb u wel honderdmaal gezegd, dat ik de +gebiederesse mijner ziel nog geen enkel maal met eigen oogen aanschouwd, dat ik nog nooit den drempel van haar geheiligd paleis +betreden heb.” +<span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116">116</a>]</span></p> +<p>“Nu, edele heer, als gij haar nog niet gezien hebt, dan heb ik haar ook niet gezien,” antwoordde Sancho. “Men kan uit u niet +wijs worden! Nu spreekt gij zus, dan spreekt gij zoo, al naar ’t u best past, en meent, dat gij uwen schildknaap vrij de huid +vol moogt liegen. Fop je mij, ik fop je weer, zegt het spreekwoord; en dat heb ik ook al vaak genoeg gedaan. Ik zeg u nu ronduit, +dat ik noch uwe Dulcinea, noch haar vader, noch een van hare familie ooit met mijne oogen gezien heb,—en daarmee basta!” + +</p> +<p>“Sancho, Sancho,” sprak Don Quichot, “met heilige dingen mag men niet gekscheren. Hoe kunt gij dus zeggen, dat gij Dulcinea +nooit gezien hebt, daar gij mij zooveel van haar hebt verteld?” + +</p> +<p>“Wat ik vertelde, heb ik maar zoo van hooren zeggen gehad,” antwoordde de schildknaap. + +</p> +<p>Voordat de ridder antwoordde, bemerkte hij, dat hem een man met twee muilezels voorbijkwam, die een ploeg trokken. Waarschijnlijk +wou de man naar den akker gaan en voor dag en dauw zijn arbeid beginnen, en Don Quichot nam de gelegenheid waar, om bij hem +naar Dulcinea’s woning te vernemen. + +</p> +<p>“Kunt gij mij ook zeggen, goede vriend,” riep hij hem toe, “waar ik hier ergens het paleis van de onvergelijkelijke prinses +Dulcinea van Toboso vind?” + +</p> +<p>De boer hield zijn span ezels stil en keek verwonderd op. + +</p> +<p>“Heer,” zei hij na kort beraad, “ik ben hier zelf nog vreemd, daar ik mij hier eerst voor korte dagen bij een boer als knecht +verhuurd heb. Als gij alles precies weten wilt, ga dan bij den pastoor, die daar recht tegenover in dat groote huis woont. +Evenwel kan ik kwalijk gelooven, dat hier in het dorp eene prinses verblijf houdt, ofschoon er vrouwen genoeg zijn, die binnen +hare vier muren wel voor prinsessen doorgaan kunnen.” + +</p> +<p>Na deze woorden dreef de man zijne dieren weer aan en reed door, terwijl Don Quichot hem verdrietig nakeek. + +</p> +<p>“Gestrenge heer,” zeide Sancho tot den ridder, “de dag begint te lichten en ik geloof niet, dat het goed is, dat wij ons hier +vóór de zon op straat laten vinden. ’t Zou beter wezen, dat gij u hier in den omtrek ergens in een boschje verborgen hieldt, +terwijl ik geen <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117">117</a>]</span>hoekje ondoorzocht wil laten, tot ik uwe prinses gevonden heb. Het moest al vreemd toegaan, als ik haar niet eindelijk te +pakken kreeg!” + +</p> +<p>“Uw raad bevalt mij, Sancho Panza,” antwoordde Don Quichot na kort nadenken. “Volg mij dus eerst tot buiten het dorp en keer +terug om haar te hooren, te zien en te spreken.” + +</p> +<p>Van harte blij, dat hij zijn heer zoo gewillig vond, maakte Sancho, dat hij buiten het dorp kwam, en hield eerst een heel +eind daar vandaan stil bij een boschje, waar Don Quichot zich tusschen de boomen schuil kon houden, terwijl Sancho Panza onverwijld +naar het dorp terugkeerde. + +</p> +<p>Toen de knaap echter zoo ver was, dat zijn meester hem niet meer zien kon, liet hij zich doodbedaard van zijn ezel neerglijden, +wierp zich onder een boom in het malsche gras neer en hield de volgende alleenspraak: + +</p> +<p>“’k Moest wel zot wezen, als ik naar prinsessen en paleizen ging zoeken, die heel niet in de wereld zijn. Mijn heer moet gefopt +worden en zal gefopt worden. Zooveel is zeker, dat hij gek is, stapelgek, ’t eene ding voor het ander houdt en zwart voor +wit, maar wit voor zwart aanziet, zooals bij die windmolens, die schapenkudden en de hemel weet waar meer zonneklaar gebleken +is. De eerste de beste boerenmeid, die ik te zien krijg, stel ik hem als prinses Dulcinea voor. Gelooft hij mij niet, dan +bezweer ik ’t, en vloekt hij, dan bezweer ik ’t weer en wil ’t zoo lang bezweren, totdat ik hem eindelijk de baas word. Hij +laat mij dan òf later met zijne malle boodschappen ongemoeid, of misschien denkt hij ook, dat de eene of andere toovenaar +zijne prinses, om hem te plagen, heeft omgehekst, en ’t een is mij zoo lief als ’t ander en zal mij voortaan ’t leven minder +zuur maken.” + +</p> +<p>Na die stichtelijke redeneering legde Sancho rustig zijn hoofd neer, sloot de oogen en deed een dutje, dat tot den laten namiddag +duurde. Toen eerst besteeg hij zijn ezel weer en ging zijn meester opzoeken. Zijn goed geluk wou, dat hij drie boerenmeiden +inhaalde, die op muilezels denzelfden weg reden, en nu was zijn plan dadelijk ontworpen. Zijn grauwtje in draf zettend, was +hij <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span>spoedig bij zijn ridder en vond dien stijf te paard zittend, en luid zuchtend en weeklagend over het lang uitblijven van zijn +schildknaap. + +</p> +<p>“Nu, hoe is het, Sancho” vroeg hij, “moet ik dezen dag met een zwarten of mag ik hem met een witten steen teekenen?” + +</p> +<p>“Met een witten, of nog liever met een vuurrooden,” antwoordde Sancho Panza. “Gij hebt uw Rocinante maar aan te sporen en +den weg op te rijden, om uwe aanminnige Dulcinea te zien. Zij komt daar met twee van hare hofdames aandraven, om u een bezoek +te brengen.” + +</p> +<p>“Wat zegt gij daar?” riep Don Quichot half verschrikt. “Hoed u, hoed u, Sancho, mij opzettelijk te misleiden, om door eene +bedrieglijke boodschap mijne diepe treurigheid in een snel vervliegend geluk te verkeeren.” + +</p> +<p>“Maar, heer ridder, wat zou ’t mij baten, dat ik u trachtte te bedriegen?” vroeg Sancho met een doodonnoozel gezicht. “Gij +zoudt dat bedrog immers in een ommezien ontdekken. Kom, kom, en spoor uw ros, om uwe verheven gebiedster van aangezicht tot +aangezicht te aanschouwen. Och, wat is zij mooi, heer! Zij en hare staatsiedames glimmen van klinkklaar goud, van juweelen, +van parels en van brocaat. Haar krullend haar blinkt in den zonneschijn en fladdert in den wind. Zij rijden op drie telgangers, +zooals ik ze mijn leven lang nog niet gezien heb.” + +</p> +<p>“Nu, dan willen we ons haasten, vriend Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Heb dank voor de heuglijke tijding en maak er staat +op, dat ik u daar koninklijk voor beloonen zal.” + +</p> +<p>Zij brachten hunne dieren in draf en zagen, uit het bosch komende, de drie boerinnetjes reeds dicht voor zich. Don Quichot +keek deze echter nauwelijks aan, maar liet zijne oogen over den weg naar Toboso rondgaan, om de schoone prinses Dulcinea met +hare hofdames te zien te krijgen. Met groote verwondering bemerkte hij echter, dat van de drie geen spoor te ontdekken was, +en vroeg dus zijn schildknaap, of die haar reeds buiten het dorp had gezien. + +</p> +<p>“Wel zeker heb ik dat,” zei Sancho Panza. “Heeft uwe edelheid dan geen oogen in het hoofd en ziet de prinses niet, die daar +aankomt, schitterend als de zon en flikkerend als tienmaal honderdduizend diamanten.” +<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119">119</a>]</span></p> +<p>“Sancho Panza, ik zie niets dan drie boerenmeiden op drie magere bonken van muilezels.” + +</p> +<p>“Wel drommel en geen einde!” riep Sancho met geveinsde verwondering. “Is het mogelijk, dat gij drie zulke juweeltjes van paarden +voor muilezels en uw hooge gebiederes voor eene boerin aanziet? De rossen zijn spierwit, als versch gevallen sneeuw; en mijn +naam mag geen Sancho Panza wezen, als ’t niet waarempel waar is.” + +</p> +<p>“Ik zeg je evenwel,” riep de ridder, “dat het drie ezelinnen en drie boerenmeiden zijn, zoo waar als ik op Rocinante en jij +op je grauwtje zit.” + +</p> +<p>“Zwijg stil, ridder, zwijg stil, genadige heer, en kijk beter uit de oogen,” zei Sancho. “Daar <span class="corr" id="xd0e1802" title="Bron: kont">komt</span> uwe dame al aan; rijd haar te gemoet en betoon haar de verschuldigde achting en eerbied.” + +</p> +<p>En zonder af te wachten, wat zijn heer doen zou, reed hij vooruit, om de drie boerinnen te begroeten. Hij liet zich van zijn +ezeltje glijden, greep het paard van de zoogenaamde Dulcinea bij den teugel, viel op beide knieën neer en sprak: + +</p> +<p>“Hooge en doorluchtige prinses, keizerinne der schoonheid, wilt gij zoo goed wezen en uwen getrouwen ridder ontvangen, die +daar, door uw aanblik betooverd, als versteend staat en door uwe tegenwoordigheid totaal is beteuterd? Ik ben Sancho Panza, +de schildknaap, maar hij is de wijdvermaarde en hoogbefaamde held Don Quichot van La Mancha, Ridder van de Droevige Figuur.” + +</p> +<p>Gedurende Sancho’s deftige toespraak was ook Don Quichot naast zijn schildknaap neergeknield en staarde verbaasd en verbijsterd +de schoone aan, die door zijn dienaar als prinses en keizerin werd aangesproken. Daar hij nog altijd niets dan eene heel gewone +en daarbij nog vrij leelijke boerenmeid met platten neus en een mond als een bakoven kon zien, geraakte hij zoo van streek, +dat hij buiten staat was ook maar een enkel woord over de lippen te brengen. + +</p> +<p>De boerinnen waren intusschen niet minder verlegen dan hij zelf. Eene heele poos keken zij verbaasd op de knielende helden +neer en wisten niet, wat van Sancho’s zotte toespraak te denken, totdat eindelijk de vermeende Dulcinea het woord nam en vrij +kribbig en boos riep: +<span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120">120</a>]</span></p> +<p>“Loopt naar de maan en laat ons ’t pad vrij! Wat hebben wij noodig met al die malligheden!” + +</p> +<p>“O, bekoorlijke prinses en gebiederesse van Toboso,” antwoordde Sancho Panza, “wordt dan uw steenen hart niet verweekt door +het leed van den ridder aan uwe voeten?” + +</p> +<p>“Laat ons met vree, leelijke kerels!” schreeuwden de meiden. “Wij doen geen mensch wat; wat heb je dan ons overlast aan te +doen?” + +</p> +<p>“Sancho Panza, sta op!” beval Don Quichot op bedrukten toon. “Ik zie wel, dat weer een ongelukkig gesternte boven mijn hoofd +staat en dat de bron van mijn lijden nog niet is opgedroogd. Gij echter, aanbiddelijke Dulcinea, die, gelijk ik nu wel zie, +door een snooden toovenaar van uwe verrukkelijke schoonheid en aanminnigheid werdt beroofd, buig u neder tot mij, verkwik +en laaf mij door een zoeten straal uit uwe oogen, en zie uit deze mijne kniebuiging, dat ik u ten eeuwigen dage als mijne +hooge gebiederesse vereeren zal.” + +</p> +<p>“Die smerige ouwe vent is gek!” riep de meid, terwijl zij Sancho de teugels van haar muilezel met geweld uit de handen rukte. +“Laat los, leelijke dikzak, en houd ons niet langer op met je dol gezanik.” + +</p> +<p>Sancho Panza week op zij, en de boerendeernen zetten het nu dadelijk op een draf. Zij waren echter niet ver, of daar kwam +Dulcinea’s ezel te struikelen en wierp zijne berijdster af. Don Quichot schoot dadelijk toe, om haar weer op de been te helpen; +doch voordat hij nog bij haar kwam, was zij weer opgesprongen, nam een aanloop, zette hare vuisten op de achterschonken van +haar rijdier, zat met een wip weer in den zadel en galoppeerde voort, zonder ook maar eens naar den verbaasden ridder om te +zien. De dolende held tuurde haar na, tot zij uit zijn gezicht verdwenen was, en keerde zich toen tot Sancho, met de woorden: + +</p> +<p>“Wat zegt gij nu, mijn schildknaap? Ziet gij nu, hoe erg ik door de toovenaars gehaat en vervolgd word? Zij hebben mij het +onschuldig genot ontroofd van mijne aangebedene in den vollen glans harer schoonheid te zien, en haar tot mijne kwelling in +een gemeene boerenmeid veranderd.” + +</p> +<p>“Ja, ja, ’t zijn rekels, ’t zijn schobbejakken, al die toovenaars!” <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121">121</a>]</span>riep Sancho uit. “Maar tob daar maar niet over, gestrenge heer; want ’k weet wel vast, dat de deugd en dapperheid bij slot +van rekening over alle boosheid triomfeeren moeten.” + +</p> +<p>Don Quichot antwoordde hier niet op, maar besteeg weer zijn Rocinante en de schildknaap zijn grauwtje, en zoo sukkelden beiden +den weg naar de wereldberoemde stad Saragossa op. Voordat zij die bereikten, moesten zij echter nog velerlei wonderbaarlijke +avonturen beleven, waarvan wij niet verzuimen mogen het trouw en waarachtig relaas te laten volgen. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e1834" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XVI.</h2> +<h2 class="normal">De kar des doods en de ridder met de spiegels.</h2> +<p>Terwijl Don Quichot in diep gepeins zijn weg vervolgde, keek Sancho Panza, over ’t gelukken van zijne list in zijn vuistje +lachend, vroolijk rond en ontdekte een wagen, die met allerlei vreemde gedaanten en personages beladen was. Hij maakte Don +Quichot daar opmerkzaam op, en beiden staarden het wonderlijk schouwspel verbaasd aan. + +</p> +<p>De voerman van den wagen was een schrikbarende duivel, en de wagen zelf was open en onbedekt. Binnenin zat de dood in levenden +lijve en met een menschelijk aangezicht. Naast hem vertoonde zich een engel met bont beschilderde vleugels. Verder stond daar +een keizer met zijn gouden kroon op het hoofd, en aan de voeten des doods zat god Cupido met boog, koker en pijlen. Buitendien +waren nog een ridder in blank harnas en eene menigte andere personen in verschillende drachten en met allerlei tronies en +gezichten op den wagen te zien. +<span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122">122</a>]</span></p> +<p>Hoewel eerst een weinig ontsteld, kreeg de Ridder van de Droevige Figuur toch spoedig zijne gewone bedaardheid weer en geloofde, +dat daar een nieuw avontuur in aantocht was. In deze meening stelde hij zich dicht voor de kar in postuur en riep met dreigende +stem: + +</p> +<p>“Voerman of duivel, of wat gij wezen moogt, zeg mij onverwijld, wie gij zijt en wat vreemd volk gij daar bij u hebt?” + +</p> +<p>“Och, waarde heer,” antwoordde de duivel zeer onderdanig, “anders niet dan arme komedianten, die in het kleine dorp ginder +achter den heuvel eene voorstelling van de hofhouding des doods willen geven. Om tijd te sparen en terstond na onze aankomst +het spel te kunnen beginnen, hebben we ons maar vooraf verkleed. Deze knaap hier speelt voor dood, die voor engel, die voor +soldaat, die voor keizer en ik zelf voor duivel. Zoo is het gelegen met het geval, en als gij nog meer wilt weten, vraag dan +maar vrij; daar een duivel alles moet weten, kan ik u wis voldoend bescheid geven.” + +</p> +<p>“Neen, neen, ik weet al genoeg,” sprak Don Quichot. “Toen ik uwe kar zag, meende ik, dat ik eenig avontuur zou moeten bestaan; +maar ik merk nu wel anders. Trekt in vrede, goede lui, houdt uwe vertooning en bedenkt eens, of gij niet ’t een of ander voor +mij te doen weet. Van harte gaarne wil ik u van dienst wezen, want als kind ben ik al een groot vriend van zulke mommespelen +geweest.” + +</p> +<p>Terwijl Don Quichot zulke goelijke en vriendelijke woorden sprak, wilde het toeval, dat de paljas van het gezelschap, die +wat achter was gebleven, aankwam. Hij was als hansworst gekleed, met belletjes behangen en had op het hoofd een zotskap en +in de hand een stok, aan ’t eind waarvan drie groote, met erwten gevulde koeblazen hingen. Zoodra hij Don Quichot te zien +kreeg, begon hij zijn stok te zwaaien, met de blazen te rammelen, te springen en cabriolen te maken, zoodat al zijne belletjes +rinkelden. Dat geraas en het vreemd uitzien van den paljas brachten Rocinante zoo van streek, dat hij het gebit tusschen de +tanden nam en, wat de ridder ook trok en riep, in suizenden galop over de vlakte <span class="corr" id="xd0e1854" title="Bron: voorstoof">voortstoof</span>. Ziende, hoe zijn heer zoo gevaar liep van zandruiter te worden, sprong nu Sancho Panza van zijn grauwtje en liep achter +den ridder aan, om hem <span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123">123</a>]</span>bijstand te verleenen. Voordat hij hem bereikte, was het ongeluk al gebeurd. Don Quichot lag zoo lang als hij was op den grond, +en Rocinante lag naast hem. + +</p> +<p>Zoodra echter Sancho Panza van zijn ezel was gestapt, sprong de paljas op grauwtje en sloeg het met zijne rammelende blazen +om de ooren. ’t Geduldige beest, door dat nooit gehoorde geraas verschrikt, zette het nu op een loopen en holde regelrecht +op het dorp aan, waar de komedianten hunne voorstelling wilden geven. + +</p> +<p>Sancho zag zijn ezel wegloopen, maar zag ook te gelijk den benauwden toestand, waarin zijn heer verkeerde, en wist dus eerst +niet, naar wat kant hij zich keeren zou. Na kort beraad besloot hij echter, als trouw en eerlijk schildknaap, eerst zijn heer +te hulp te springen, niettegenstaande hem telkens een steek door ’t hart ging, als hij dien verwenschten hansworst zijn stok +om de ooren van zijn arme grauwtje zag zwaaien. Hij wou liever, dat al die slagen hemzelf troffen, dan dat zijn lief ezeltje +ook maar een haartje in zijn staart gekrenkt werd. + +</p> +<p>In woede en vertwijfeling over den ongelukkigen staat van zijn lieveling naderde hij Don Quichot, die vrij leelijk toegetakeld +was, en hielp hem weer op de been en boven op zijn Rocinante. + +</p> +<p>“De duivel heeft mijn ezel gehaald, edele heer,” zeide hij toen. + +</p> +<p>“Welke duivel dan?” vroeg de dolende ridder. + +</p> +<p>“De duivel met blazen,<span class="corr" id="xd0e1871" title="Niet in bron">”</span> antwoordde Sancho. “Daar gaat hij met hem aan den haal.” + +</p> +<p>“Dan wil ik hem weer veroveren, al zou ik hem uit den afgrond van de hel halen,” riep Don Quichot. “Volg mij, Sancho! De wagen +rijdt langzaam en de muilezels, die hem trekken, zullen u ’t verlies van uw ezel vergoeden.” + +</p> +<p>“Laat dat maar rusten, heer,” zeide Sancho. “Naar ik zie, heeft de duivel mijn grauwtje al losgelaten, en ’t komt op een drafje +weer naar ons toe.” + +</p> +<p>“Toch moet zijn lijden gewroken worden,” verklaarde Don Quichot, “en voor de ondeugendheid van den hansworst moet het gansche +gezelschap boeten.” + +</p> +<p>“Heer!” riep Sancho Panza, “zet u die gedachten in ’s hemels <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124">124</a>]</span>naam uit het hoofd en laat u niet in met potsenmakers, die overal in hooge gunst en gratie staan.” + +</p> +<p>“En toch zullen zij hunne verdiende tuchtiging ontvangen,” sprak de ridder. + +</p> +<p>Met deze woorden keerde hij zich naar den wagen, die al dicht bij het dorp was, en riep met daverende stem: “Halt, halt! Wacht +wat, menschen, en ’k wil u toonen, hoe men een ezel behandelt, waarop de schildknaap van een dolenden ridder rijdt!” + +</p> +<p>Don Quichot was met zulke gezonde longen begaafd, dat het volkje op de kar hem van woord tot woord verstond en zonder veel +moeite zijn voornemen begreep. Meteen was dus de dood van de kar; duivel, engel en keizer sprongen hem vlug achterna, en ook +de overige gedaanten draalden niet dat voorbeeld te volgen. Allen raapten nu steenen van den grond op, gingen in eene gesloten +rij staan en wachtten zoo manmoedig den ridder af, om hem met een hagelbui van steenen te ontvangen. + +</p> +<p>Toen onze held de dreigende houding der vijanden en hunne armen tot den worp opgeheven zag, hield hij Rocinante staande en +overlegde, op wat wijze hij die rij met het geringste gevaar voor zichzelf aanvallen en overhoop werpen zou. Terwijl hij dienaangaande +nog in ’t onzekere was, kwam Sancho Panza nader en riep hem vol schrik toe: + +</p> +<p>“Heer, ik zeg, dat het roekeloos en dwaas zijn zou, tegen zulk eene legermacht op te rukken. Bedenk, dat men tegen een keisteenenregen +weinig uitrichten kan, en dat het doldriest zou zijn, een krijgsheer aan te tasten, dat dood en keizer tot aanvoerders heeft +en waarin engel en duivel meevechten. En mocht dit alles u nog niet afschrikken, bedenk dan toch, dat onder die gansche bende, +al heeft ze koningen en keizers, toch geen enkel dolend ridder is.” + +</p> +<p>“Dat is waar, Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Ge hebt daar het rechte punt getroffen, ’t eenige, dat mij bewegen kan, van +mijn voornemen af te zien. Ik mag mijn goed zwaard tegen niemand ontblooten, die niet werkelijk tot ridder is geslagen. Maar +gij, Sancho, zoo gij wraak wilt nemen voor de beschimping, uw ezel aangedaan, <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125">125</a>]</span>draal dan niet en wees verzekerd, dat ik u met nuttige raadgevingen en wenken ter zijde zal staan.” + +</p> +<p>“Neen, edele heer, ik wil het maar liever blauwblauw laten; gedane dingen nemen toch geen keer,” verklaarde de schildknaap. +“Als ik mijn grauwtje maar weerom krijg, wil ik er verder geen water om vuil maken.” + +</p> +<p>“Welaan dan, Sancho,” sprak de ridder, “indien dit werkelijk uw vast besluit is, willen wij die akelige schimmen en spooksels +dan maar laten loopen en avonturen opzoeken, waarbij meer roem en eer is te behalen. Pak uw ezel bij den teugel: daar komt +hij al vroolijk aandraven.” + +</p> +<p>Sancho ving zijn grauwtje op. Don Quichot wierp Rocinante om, en de opgejaagde zwerm komedianten keerde naar de verlaten kar +terug. + +</p> +<p>Den nacht, die op dezen dag volgde, brachten onze twee helden onder eenige lommerrijke boomen door. Zij zadelden af, verteerden +hun avondkost uit den knapzak van den ezel, strekten zich toen, Don Quichot onder een eik, Sancho Panza onder een kurkboom, +uit en waren spoedig in slaap. + +</p> +<p>Een tijdlang snurkten beiden rustig en ongestoord; doch op eens rees Don Quichot overeind en keek rond. Hij had een ongewoon +gerucht vernomen en ontdekte nu twee mannen te paard, van wie de een juist uit den zadel steeg en zeide: “Neem onze dieren +de teugels af en laat ze grazen. Deze plaats schijnt rijkelijk met gras gezegend, en de stilte en eenzaamheid hier passen +goed voor mijne rustzoekende gedachten.” + +</p> +<p>Na deze woorden wierp de nieuwe aankomeling zich op den grond, en zijne wapens maakten zulk een gedreun en gekletter, dat +Don Quichot terstond begreep, dat hij hier een echten dolenden ridder voor zich had. Hij schudde Sancho bij den arm en kreeg +hem, schoon niet zonder moeite, wakker. + +</p> +<p>“Sancho, vriend Sancho,” fluisterde hij, “een avontuur is nabij.” + +</p> +<p>“De hemel geve, dat het wat goeds is,” antwoordde de schildknaap en wreef zich de oogen uit. “Waar is het dan?” + +</p> +<p>“Kijk dien kant uit, vriend,” antwoordde Don Quichot. “Gij zult een dolenden ridder, als ik ben, ontdekken, die zoo even van +zijn <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126">126</a>]</span>strijdros steeg en zich onder het kletteren zijner wapenrusting op de aarde uitstrekte.” + +</p> +<p>“Ja, waarachtig, ik zie hem,” verzekerde Sancho Panza. “Wat zullen wij met hem aanvangen?” + +</p> +<p>Op dit oogenblik richtte de vreemde ridder, die dat gefluister vermoedelijk vernomen had, zich op en vroeg barsch: “Wie is +daar? Wie spreekt daar? Behoort gij tot het getal der vergenoegden of tot het getal der mistroostigen?” + +</p> +<p>“Wij behooren tot de mistroostigen,” antwoordde Don Quichot. + +</p> +<p>“Welaan, komt dan hier, opdat wij elkaar nader leeren kennen,” sprak de vreemde ridder. + +</p> +<p>Terstond stond Don Quichot op en naderde met Sancho den onbekende, die zich van het gras half oprichtte en onzen ridder uitnoodigde, +aan zijne zijde plaats te nemen. Sancho Panza vervoegde zich intusschen bij den wapendrager van den vreemden dolenden ridder, +en zij evenals de ridders begonnen elkaar nu hunne ontmoetingen en avonturen te vertellen. Na voor zijn collega een waar klaaglied +te hebben aangeheven, begon Sancho Panza dit onderhoud echter al spoedig moe te worden en verlangde, daar hij onderwijl al +weer honger had gekregen, uitermate zeer naar eenige gezonde hartsterking voor de maag. + +</p> +<p>“De tong kleeft mij aan ’t gehemelte,” zuchtte hij. + +</p> +<p>“Daar weet ik goeden raad voor,” zeide zijn collega. “Ik heb een kostelijk middel tegen honger en dorst aan den zadelknop +van mijn paard hangen.” + +</p> +<p>Met deze woorden stond hij op, en kwam al spoedig terug met een grooten, goed gevulden wijnzak en eene pastei, die wel een +halve el hoog en breed was. + +</p> +<p>“Ei, ei, maat, ben je van zoo’n teerkost voorzien?” vroeg Sancho en likte zich al de lippen. + +</p> +<p>“Wel wis en zeker,” antwoordde de vreemde schildknaap. “Denkt ge, dat ik mijn zwaren dienst heb aangenomen, om van water en +brood te leven? ’t Mocht wat! Ik eet en drink er zoo goed van, als menig generaal niet. Maar tast toe en laat je niet lang +noodigen.” + +</p> +<p>Sancho liet ééne uitnoodiging genoeg zijn en at zonder er onnutte <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127">127</a>]</span>woorden bij te verliezen. In den donker stopte hij brokken zoo groot als een vuist in den mond. Toen hij zijn bekomst had, +tastte hij naar den wijnzak, en men zou liegen, als men den dorstigen knaap nazei, dat hij de opening daarvan korter dan een +kwartier achtereen aan den mond hield. Toen hij met slokken ophield, boog hij het hoofd op zij, haalde diep adem en zeide: + +</p> +<p>“Hoor, ondeugend schermpje, ik wil gehangen worden, als deze wijn niet uit een klooster gestolen is.” + +</p> +<p>De vreemde lachte, zonder te antwoorden, en de beide kameraads praatten en dronken, totdat eindelijk de slaap hun de zware +oogleden toedrukte. + +</p> +<p>Terwijl zij in vrede rustten, verhaalde de vreemde ridder aan onzen Don Quichot, dat zijne hooge en edele uitverkorene Casildea +van Vandalia werd geheeten, en dat zij onvergelijkelijk zoowel in schoonheid als in voornaamheid was. + +</p> +<p>“Voor kort,<span class="corr" id="xd0e1950" title="Niet in bron">”</span> zeide hij, “heeft zij mij opgedragen, alle provinciën van Spanje te doorkruisen en iederen dolenden ridder tot de bekentenis +te dwingen, dat zij de aanminnigste schoonheid is, die ooit door de zon beschenen werd. Ik deed volgens haar bevel en wierp +menigen ridder in het stof neder; maar waarop ik het meest trotsch ben, is een kamp met den beroemden ridder Don Quichot van +La Mancha. Ook hem overwon ik in tweegevecht en dwong ik tot de verklaring, dat mijne gebiedster Casildea schooner is, dan +de zijne, die Dulcinea heet.” + +</p> +<p>Toen onze Don Quichot den boschridder, dien hij in zijn gansche leven nog niet gezien had, aldus hoorde spreken, ontbrandde +hij in geweldigen toorn, sprong op en riep: + +</p> +<p>“Gij liegt, snoode en schandelijke ridder! Want weet, ik ben het, dien gij noemt, ik ben Don Quichot van La Mancha, bijgenaamd +de Ridder van de Droevige Figuur. Kom op ten strijde, zoo gij moed daartoe hebt.” + +</p> +<p>De boschridder antwoordde zeer koelbloedig: “Dus zijt gij Don Quichot? Nu, dan moet wel de een of andere schelm zich voor +u hebben uitgegeven, dien ik in de meening, dat gij zelf voor mij stondt, in het zand wierp. Dat schaadt evenwel niet, daar +ik nu <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128">128</a>]</span>inhalen kan, wat ik toen verzuimde. Wacht nu echter den dag af, daar ’t geen gebruik is, dat edele ridders hunne wapenfeiten +in den donker volbrengen als roovers en gauwdieven. Over dag wil ik u staan, te voet en te paard, met zwaard en met lans.” + +</p> +<p>“Goed, daar ben ik tevreden mee, en ik stel voor, dat wij onze schildknapen wekken, zoodat zij tegen zonsopgang onze paarden +getuigd en gezadeld hebben.” + +</p> +<p>Zij gingen naar de plaats, waar de twee in slaap lagen, wekten hen en bevalen hun, al het noodige tot den voorgenomen kamp +gereed te maken. Sancho schrikte niet weinig, daar hij voor het leven en de gezondheid van zijn heer bijzonder bezorgd was. +Nochtans waagde hij geen woord van tegenspraak, maar ging in stilte zijn werk verrichten. De andere schildknaap volgde zijn +voorbeeld. + +</p> +<p>“Hoor, broeder,” sprak hij tot Sancho, “als onze meesters aan het vechten zijn, mogen wij de handen niet stil in den schoot +leggen, maar moeten elkaar ook eens duchtig op ’t jak zitten.” + +</p> +<p>“Dat reken ik heelemaal onnoodig,” antwoordde Sancho Panza. “Ook heb ik nog nooit gehoord, dat schildknapen van dolende ridders +zich met de zaken van hunne meesters bemoeiden, en buitendien ben ik niet eens een zwaard rijk.” + +</p> +<p>“O, dat doet er niet toe,” zeide de ander. “Wij vullen een paar linnen zakjes met keisteentjes en slaan elkaar daar zoo lang +mee om de ooren, tot een van ons op den grond ligt.” + +</p> +<p>“Kijk, bij mijns vaders baard, dat zou een groote gekheid wezen!” riep Sancho. “Neen, ik ben er niet op gesteld, dat men mij +kop en schonken bont en blauw beukt.” + +</p> +<p>“En toch moeten wij op zijn minst een half uurtje lang samen vechten,” zei de vreemde schildknaap; “en als ge niet wilt, dan +zal ik je zoo lang om de ooren slaan, tot ge wel weerom slaat.” + +</p> +<p>“O,” riep Sancho, die nu boos werd, “als ge me zoo aankomt, zal ik een knuppel pakken en je afranselen, tot je geen raad meer +weet. Volg mijn raad en zet je die vechterijen uit de malle hersens. Zoo niet, dan zeg ik je, dat al ’t ongeluk, dat er uit +ontstaat, op je eigen rekening komt.” +<span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129">129</a>]</span></p> +<p>“Goed, goed,” bromde de ander; “’t wordt gauw dag, en dan zullen we wel nader zien.” + +</p> +<p>Onderwijl begonnen de vogeltjes op de takken rond te huppelen en hunne fijne stemmetjes te laten hooren; het morgenrood verguldde +den hemel en de dauw viel in flonkerende parels op bloem en kruid neer. Nauwelijks echter liet het licht van den dag de voorwerpen +duidelijk onderscheiden, of Sancho Panza zag een ding, dat hem allen moed uit het harte dreef en hem eene rilling over den +rug joeg. En dat ding was—de neus van zijn collega, den vreemden schildknaap. + +</p> +<p>Die was van buitensporige grootte, gebogen als een vogelsneb, met wratten en puisten bezaaid en vertoonde alle kleurschakeeringen +van het zachte rozerood tot het donkerst purper toe. Sancho Panza kreeg zoo’n schrik van dien neus, dat hij in stilte besloot, +zich liever tweehonderd oorvijgen te getroosten, dan zich met zulk een vogelverschrikker in een gevecht in te laten. + +</p> +<p>Intusschen nam ook Don Quichot zijn tegenstander op, die een stevig, gezet en grof gespierd man was. Over zijn harnas droeg +hij een wapenrok van ’t fijnste goudlaken, die van onder tot boven met kleine halvemaanvormige spiegeltjes was bezet, wat +bij iedere beweging eene zeer aardige vertooning maakte. Van zijn helm hing een zware pluimbos neer, en zijne lans, die tegen +een boom geleund stond, was buitengewoon dik en lang en met een lange stalen punt gewapend. + +</p> +<p>Uit dit alles maakte Don Quichot op, dat hij eene kloeke tegenpartij had te bekampen; doch zijn bekende en beproefde heldenmoed +geraakte daardoor geen oogenblik aan het wankelen. Veeleer daagde hij hem, zonder nog zijn door het vizier van den helm bedekt +aangezicht gezien te hebben, op staanden voet ten kampstrijd uit, en beide ridders bestegen onmiddellijk hunne rossen. + +</p> +<p>Om de vereischte ruimte tot kampplaats te winnen, maakte Don Quichot eene korte wending met zijn paard, en de spiegelridder +volgde zijn voorbeeld. Terstond daarop stonden zij tegen elkaar over en sloegen, als om afscheid van de wereld te nemen, nog +eens een blik in het rond. Nu kreeg Don Quichot ook den vervaarlijken <span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130">130</a>]</span>neus van den vreemden schildknaap in het oog en verwonderde zich er niet minder over dan Sancho, die op ditzelfde oogenblik +kwam aanloopen, om zijn meester eene dringende bede in het oor te fluisteren. + +</p> +<p>“Heer ridder,<span class="corr" id="xd0e1994" title="Niet in bron">”</span> zei hij, “ik bid u in ’s hemels naam mij op gindschen kurkboom te helpen, omdat ik daar uit de hoogte het vreeselijk slagveld +veel beter zal kunnen overzien.” + +</p> +<p>“Hoor, Sancho,” antwoordde Don Quichot, “ik vrees, dat gij enkel en alleen zoo hoogop wilt, om uw armzalig lijf in veiligheid +te brengen.” + +</p> +<p>“Nu, nu, om de waarheid te zeggen, wil ik wel bekennen, dat ik wat bang voor dat gruwelijk neuswerk ben,” betuigde de knaap. +“Dat jaagt mij zoo’n schrik aan, dat ik ’t er onmogelijk dicht bij uithouden kan.” + +</p> +<p>“Ja, ja, die neus is een afgrijselijk ding,” zei Don Quichot, “en maak dus maar gauw, dat ge naar boven komt.” + +</p> +<p>Terwijl Don Quichot zijn schildknaap een handje hielp, om op een tak te komen, spoorde de spiegelridder zijn ros aan, om zijn +vijand met knaap en al overhoop te rennen. Daar nu evenwel zijn hengst een knol van de gemeenste soort was, bleef die midden +in zijn vaart staan en kuchte en hijgde zoo erbarmelijk, dat men wel bijkans medelijden moest krijgen met het arme beest, +dat van lamlendigheid haast niet op zijne vier pooten kon blijven staan. + +</p> +<p>Don Quichot had intusschen zijn knaap in veiligheid gebracht en, door zulk een verraderlijk gedrag in blakende grimmigheid +ontstoken, gaf hij Rocinante nu met zooveel geweld de sporen, dat hij in vollen galop op den nu roerloos wachtenden spiegelridder +instoof. In het midden van de baan bereikte hij dien en trof hem met zijne lans zoo geweldig in de zijde, dat de snoode man +in den zadel waggelde en ruggelings over zijn paard heen ter aarde tuimelde. De bons, dien hij kreeg, was zoo geducht, dat +hij stokstijf bleef liggen en Don Quichot zelf geloofde, dat hij zoo dood als een pier was. + +</p> +<p>Zoodra Sancho hem zag rollen, liet hij zich schielijk weer uit zijn boom neerglijden en kwam toe op zijn heer, die uiterst +bedaard van Rocinante was gestegen en zich over den gevelden spiegelridder <span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131">131</a>]</span>neerboog. Hij gespte hem den helmband los, om hem lucht te verschaffen en te zien, of hij wis en wezenlijk dood was, en aanschouwde +nu tot zijne allerovergrootste verbazing het aangezicht van—van den heer Sanson Carrasco, denzelfden, van wien hij zijn fraaien +helm ten geschenke had gekregen. + +</p> +<p>“Sancho!” riep hij, “Sancho Panza, kom hier en zie met eigen oogen, welke kunstenarijen die snoode toovenaars aanwenden, om +mijn zinnen te verbijsteren en mij geheel op ’t dwaalspoor te brengen.” + +</p> +<p>Sancho kwam reeds aansjokken en zette het bij dien toeroep op een drafje. Bij ’t zien van het bleeke aangezicht van Carrasco +sloeg hij van louter verbaasdheid een kruis en spoorde zijn heer aan, om den gevallene maar zonder omslag het zwaard tusschen +de tanden in te boren en zoodoende aan die verfoeielijke tooverij op eens een einde te maken. + +</p> +<p>“Dat zou zoo verkeerd niet wezen,” zeide Don Quichot en trok zijn zwaard, om Sancho’s raad onverwijld op te volgen. Evenwel +werd hem dat nog bijtijds belet, daar de schildknaap van den gevallene, hoewel thans zonder zijn groot neuswerk, op een drafje +kwam aanloopen en al van verre bad en smeekte, dat men zijn armen heer toch sparen mocht. + +</p> +<p>“Kijk wel toe, gestrenge heer!” lamenteerde hij. “Die man daar aan uwe voeten is wis en vast Sanson Carrasco, uw goede vriend, +en ik ben zijn alleronderdanigste knecht en dienaar.” + +</p> +<p>“Maar waar heb je dan je neus gelaten?” vroeg Sancho Panza, als ten toppunt van verbazing, toen hij dat schrikbarend uitsteeksel +niet meer ontdekte. + +</p> +<p>“Dien heb ik hier in mijn zak,” antwoordde de knaap en haalde een ding van beschilderd bordpapier voor den dag. + +</p> +<p>“Wat is dat?” schreeuwde Sancho, toen hij den vreemde nu eens goed had aangekeken. “Waarachtig, ’t is Tomé Cecial, mijn naaste +buurman!” + +</p> +<p>“Geen mensch anders, mijn oude vriend Sancho Panza,” zei de ander; “en als ge een weinigje geduld hebt, wil ik je van haver +tot gort vertellen, hoe en waartoe ik hierheen ben gekomen. Verzoek uwen <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132">132</a>]</span>dapperen heer echter eerst, dat hij den armen spiegelridder geen kwaad doet; want het is wezenlijk de heer Sanson Carrasco, +zijn oude vriend.” + +</p> +<p>Intusschen was de spiegelridder weer tot bezinning gekomen; en zoodra Don Quichot dat bemerkte, hield hij hem de punt van +zijn zwaard voor het gezicht en sprak: + +</p> +<p><span class="corr" id="xd0e2032" title="Niet in bron">“</span>Gij zijt een kind des doods, zoo gij niet oogenblikkelijk erkent, dat mijne hooge gebiedster Dulcinea van Toboso de uwe, Casildea +van Vandalia, in schoonheid ver overtreft.” + +</p> +<p>“Dat erken ik! Dat erken ik!” riep de spiegelridder, die in zijn hulpeloozen toestand natuurlijk niet zeer op zijn gemak was. +“Casildea is niet waard, uwe Dulcinea de schoenriemen los te binden. Laat mij in ’s Hemels naam maar opstaan, gestrenge heer!” + +</p> +<p>“Erken eerst nog, dat gij nu en nooit mij, Don Quichot van La Mancha, den Ridder van de Droevige Figuur, in tweegevecht hebt +overwonnen, en, hoewel gij in uitzien veel op Sanson Carrasco gelijkt, toch niet die, maar een heel ander zijt.” + +</p> +<p>“Dat erken ik! Dat erken ik!” riep de spiegelridder nogmaals in zijn doodelijken angst. “Ik beken alles, wat gij wilt, als +gij mij maar eerst laat opstaan en mijne gekneusde ledematen wrijven, die van den val deerlijk geleden hebben.” + +</p> +<p>Don Quichot stak thans bevredigd zijn zwaard op en hielp den overwonnen ridder op de been. Beschaamd en neerslachtig trok +deze met zijn schildknaap zijns weegs; maar Don Quichot en Sancho Panza vervolgden met fiere harten hun tocht, en de Ridder +van de Droevige Figuur bleef onverzettelijk bij zijne meening, dat hij een vijand had geveld, dien een vijandig gezind toovenaar +naderhand, om den overwinnaar te ergeren en den overwonnene te redden, in den persoon van <span class="corr" id="xd0e2043" title="Bron: Sanso">Sanson</span> Carrasco had veranderd. + +</p> +<p>Dit was echter, gelijk wij uit goede bron weten, in geenen deele het geval. De overwonnen dolende ridder was wel waarlijk +Sanson Carrasco, die uitgetrokken was om Don Quichot van zijne dwaasheid te genezen. In de verwachting, dat het hem niet zwaar +zou vallen den dolenden ridder te overwinnen, had hij dien tot een nieuwen tocht aangespoord en besloten Don Quichot, als +hij <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133">133</a>]</span>hem meester was geworden, te gelasten stilletjes naar zijn dorp terug te keeren en dat in de eerste twee jaren niet weder +te verlaten. + +</p> +<p>Nu echter was dat anders uitgevallen. In plaats van victorie te kraaien, moest Sanson Carrasco met hangende pootjes aftrekken. +Hij peinsde op wraak; maar Don Quichot was blij en welgemoed en had den overwonnene spoedig weer vergeten. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e2052" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XVII.</h2> +<h2 class="normal">Het avontuur met de leeuwen en andere wonderlijke geschiedenissen.</h2> +<p>Den grooten weg volgende, haalde Don Quichot een goed gekleed, oudachtig heer in, met wien hij zich, daar hij in alles, wat +niet met die dwaasheid van het dolend ridderschap in verband stond, een hoogst beschaafd en verstandig man was, op recht aangename +wijze wist te onderhouden. Hij geraakte zóo met hem in ’t gesprek verdiept, dat Sancho Panza, die den helm zijns meesters +aan zijn zadelknop droeg, zich ongemerkt van zijne zijde verwijderen en bij eenige herders vervoegen kon, die op een naburig +veld hunne schapen weidden. Hij wilde wat melk van hen vragen, waarop hij ontzettend belust was. + +</p> +<p>Nog was Sancho bij de herders, toen Don Quichot toevallig opkeek en eene kar in het oog kreeg, die, met vele bonte vaantjes +en wimpels versierd, regelrecht op hem toekwam. Daar hij terstond een nieuw avontuur vermoedde, riep hij met luider stemme +aan Sancho om zijn helm. + +</p> +<p>De schildknaap vernam het dringend roepen van zijn heer juist op het oogenblik, toen hij van de herders een paar vette, weeke +<span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134">134</a>]</span>kaasjes had gekocht. Inderhaast wist hij niet, waar hij die bergen zou, en daar hij ze reeds betaald had, wilde hij ze toch +liefst niet in den steek laten. In deze verlegenheid viel zijn oog op den helm, die hem op eens op een gelukkigen inval bracht. +Hij stopte de kaasjes in zijns meesters ijzeren hoofddeksel en kwam nu haastig aandraven, om te vernemen, wat Don Quichot +van hem verlangde. + +</p> +<p>“Geef mij mijn helm, Sancho!<span class="corr" id="xd0e2067" title="Niet in bron">”</span> riep de dolende ridder vol ongeduld. “Mijn helm hier! Haast u, want nu staat ons een avontuur te wachten, waarvan het late +nageslacht nog gewagen zal.” + +</p> +<p>Driftig rukte hij Sancho, die nog geen tijd gehad had, om zijne kaasjes in veiligheid te brengen, den helm uit de hand en +drukte dien, zonder te bemerken, dat er iets in was, stevig op zijn hoofd. Daar nu de kaas nog versch was en door de zwaarte +van den ijzeren helm niet weinig geperst werd, zoo begon natuurlijk de vettige melkpap al spoedig over Don Quichots haar, +gezicht en baard neer te druppelen en ’t hem niet weinig lastig te maken. + +</p> +<p>“Sancho,” riep hij ontsteld, “Sancho, wat is dat hier? ’t Is, alsof mij de hersenen gaan smelten, of ’t mij schemerachtig +voor de oogen wordt, of ’t gulle zweet mij van alle kanten uitbreekt. Geef mij wat, om mij af te drogen, want die bijtende +zweetdroppels zullen mij anders stekeblind maken.” + +</p> +<p>Zonder een woord te zeggen, reikte Sancho den ridder een vuilen, vettigen doek toe en was in zijn hart maar blij, dat Don +Quichot in zijn ongeduld den eigenlijken aard van dat lastig zweet niet nader onderzocht. + +</p> +<p>De ridder merkte intusschen toch onraad en nam, na zich zoo wat afgeveegd te hebben, den helm af, om zijn zweetenden schedel +eens te betasten. En toen hij nu aan zijne vingers dat witte kaasdeeg zag en daaraan rook, begreep hij ’t gansche geval en +maakte zich. ontzettend driftig. + +</p> +<p>“Schandelijke, verraderlijke, laaghartige en arglistige knaap,” barstte hij los, “’t is kaas, wat gij daarin gestopt hebt! +Kaas, bij het leven en de schoonheid mijner hooge dame Dulcinea van Toboso!” + +</p> +<p>Ofschoon Sancho Panza eerst geducht schrikte, herstelde hij zich toch spoedig en kreeg zijne gewone onbeschaamdheid terug. +<span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135">135</a>]</span></p> +<p>“Ei, als ’t werkelijk kaas is, edele heer,” sprak hij, “geef die mij dan, want op kaas ben ik dol. Schoon neen, de duivel +mag haar eten, want die alleen kan ze daarin getooverd hebben. Gij zult toch niet gelooven, edele ridder, dat ik ooit de stoutheid +zou hebben, uw helm te verontreinigen? De hemel moge mij voor zulke heiligschennis behoeden! Misschien vervolgt mij en u een +snoode toovenaar, die de kaas er alleen indeed om u te vertoornen en mij daardoor een dracht slagen te bezorgen. Maar ik ben +zeker, dat hem ditmaal zijne list niet gelukken zal, want mijn edele heer is veel te verstandig, om niet in te zien, dat ik +de kaas, als ik die namelijk gehad had, honderdmaal liever in mijn maag dan in uw helm zou hebben geborgen.” + +</p> +<p>“Dat komt mij wel waarschijnlijk voor,” zeide Don Quichot, nu weer ten volle tevredengesteld. + +</p> +<p>Zonder zich aan het verwonderd gezicht te storen van den heer die hem gezelschap hield, reinigde hij zich ten volle van de +vettige brij, zette toen zijn helm weer op, stond overeind in de beugels, keek naar zijn zwaard, velde de lans en riep vol +kamplust en moed: “Kome nu, wie wil! Hier sta ik en voel de kracht in mij, om het zelfs tegen den baarlijken duivel op te +nemen.” + +</p> +<p>Onderwijl naderde de met vaantjes versierde kar, en het bleek nu, dat daar niemand bij was dan de voerman met zijne muilezels +en een man, die op het voorste bankje zat. Don Quichot plaatste zich toen midden in den weg en vroeg: + +</p> +<p>“Wie zijt gij, menschen? Waar gaat gij heen? Wat voor een wagen is dat? Wat hebt gij daarin? En wat moeten die vlaggetjes +daar beduiden?” + +</p> +<p>“Heer,” antwoordde de voerman, “die kar is mijn eigendom, en er zijn twee geweldige leeuwen in, die de stadhouder van Oran +aan zijne majesteit den koning ten geschenke zendt. Die vaantjes beduiden alleen, dat de inhoud der kar ’s konings eigendom +is.” + +</p> +<p>“Zijn de leeuwen groot en sterk?” <span class="corr" id="xd0e2097" title="Bron: vreeg">vroeg</span> Don Quichot. + +</p> +<p>“Zeker, edele heer!” antwoordde de man. “Ze zijn grooter en sterker dan er ooit nog uit Afrika naar Spanje zijn gekomen. Ik +heb al veel leeuwen gezien, maar huns gelijken nog niet. Hier in <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136">136</a>]</span>het voorste hok zit de leeuw en in dat andere de leeuwin. Ze zijn nu ontzettend hongerig, daar ze vandaag nog geen voêr hebben +gehad, en ik verzoek dus, dat de heeren uit den weg gaan en ons doorlaten, zoodat wij spoedig naar eene plaats komen, waar +vleesch is te krijgen.” + +</p> +<p>“Ik voor zoo’n paar ellendige leeuwen uit den weg gaan?” vroeg Don Quichot met minachting. “Zie mij aan, of ik de man daarnaar +ben! Gauw afgestapt, goede man, en de hokken geopend, zoodat de beestjes naar buiten kunnen komen! Hier midden op het open +veld wil ik met hen vechten en hun toonen, wie Don Quichot van La Mancha, de Ridder van de Droevige Figuur, is. Kom af, zeg +ik, en voor den dag met de twee, in spijt van al de toovenaars, die ze mij zeker in den weg hebben gezonden.” + +</p> +<p>De vreemde heer zag Don Quichot met groote oogen aan en meende zeker, dat het hem eensklaps in het hoofd was geslagen. In +zijn bitteren angst en benauwdheid wendde Sancho Panza zich tot hem en smeekte hem in roerende bewoordingen althans eene poging +te doen, om den ridder van zijne roekelooze onderneming terug te houden. + +</p> +<p>“Ik bid u in Gods naam,” smeekte hij, “maak toch, dat mijn meester zich niet met dat wilde gedierte inlaat, dat ons zeker +in stukken zal scheuren.” + +</p> +<p>“Maar wil uw heer dan wezenlijk die dieren bevechten?” vroeg de vreemde. “Is hij dan geheel razend en dol?” + +</p> +<p>“Dol en razend niet, maar zoo moedig, dat er geen houden aan is,” verzekerde Sancho. + +</p> +<p>“Nu, dan wil ik mijn best doen, om ongelukken voor te komen,” zeide de vreemde en keerde zich tot Don Quichot, die den leeuwenhoeder +nog altijd drong de hokken te openen en de dieren vrij te laten. + +</p> +<p>“Heer dolend ridder,” sprak hij tot Don Quichot, “voor zoover mij bekend is, moeten alle helden slechts zulke avonturen bestaan, +die hun kans laten op levensbehoud. Door zich met andere dingen in te laten verraden zij meer dwaasheid dan kracht en verdienen +geen lof, maar berisping. Laat dus, bid ik u, deze leeuwen <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137">137</a>]</span>met rust; zij komen aan zijne majesteit den koning toe en worden niet ongestraft aangeroerd.” + +</p> +<p>“Mijn beste heer,” antwoordde Don Quichot, “bemoei gij u met uwe hazen en patrijzen en laat mij mijn werk doen, gelijk dat +mij goeddunkt. De kamp met deze leeuwen behoort daartoe, en ik verzoek u, dat gij u daar niet verder mee bemoeit.” + +</p> +<p>De heer zweeg, daar hij begreep, dat zijn spreken toch niet baatte, terwijl Don Quichot zich opnieuw tot den leeuwenhoeder +wendde en sprak: + +</p> +<p>“Gij schandelijke en plichtvergeten dienaar! als gij niet op staanden voet gehoorzaamt, zweer ik, dat ik u met deze lans aan +uw hok vast zal nagelen.” + +</p> +<p>Nu de man zag, dat het den geharnasten ridder ernst was, durfde hij zich niet langer verzetten en zeide: “Ieder hier tegenwoordig +kan getuigen, dat ik alleen door geweld ben gedwongen geworden de kooi der leeuwen te openen en het eigendom des konings op +het spel te zetten. Alle schade en alle onheil, dat daaruit ontstaan kan, gaat mij niet aan, maar alles moet naar billijkheid +en recht op rekening van dezen ridder komen. Maakt plaats, mijne heeren, bergt u, voordat ik de grendels openschuif.” + +</p> +<p>“Heer,” keerde de voerman zich thans tot Don Quichot, “vergun althans, dat ik mijne muilezels afspan en in veiligheid breng. +Als de leeuwen mijne dieren ombrengen, ben ik voor altijd mijne kostwinning kwijt.” + +</p> +<p>“Gij zijt een dom mensch,” riep de ridder verstoord. “Denkt gij, dat ik aan de leeuwen tijd zal laten, om uwe dieren aan te +vallen? Mijnentwege doe echter, wat gij wilt; maar gij zult zien, dat gij nutteloos werk gedaan hebt.” + +</p> +<p>Niettegenstaande deze verzekering spande de man in aller ijl zijn trekvee af, en gedurende dien tijd trachtte de vreemde heer +den ridder nogmaals tot andere gedachten te brengen. Deze bleef echter onverzettelijk bij zijn opzet volharden. + +</p> +<p>“Wilt gij niet getuige zijn van den kamp, dien ik hier op het open veld beginnen <span class="corr" id="xd0e2136" title="Bron: val">zal</span>, spoor dan uw schimmel aan en maak u uit de voeten,” zeide hij. +<span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138">138</a>]</span></p> +<p>Thans deed ook nog Sancho Panza een goed woord en smeekte met tranen in de oogen zijn meester, toch van zijn voornemen af +te zien. + +</p> +<p>“Dit avontuur is zoo vreeselijk,” zei hij, “dat al, wat wij reeds beleefd hebben, er maar kinderspel bij was. Hier is geen +tooverij of hekserij in ’t spel, maar alles is wis en wezenlijk ernst. Ik heb tusschen de ijzeren tralies door in ’t hok gekeken +en daar de klauwen van den leeuw gezien, die ontzettend lang en breed zijn. ’t Is een dier, zoo groot als een berg, heer.” + +</p> +<p>“Uwe benauwdheid zal het nog grooter maken dan de halve wereld,” zei Don Quichot. “Maak maar, dat ge weg komt, Sancho! Mocht +ik bij den zwaren strijd, die mij te wachten staat, het leven laten, spoed u dan naar mijne gebiedster Dulcinea van Toboso +en maak haar bekend met mijn dood.” + +</p> +<p>Na deze woorden begrepen allen, dat met Don Quichot niets meer was aan te vangen en dat men hem stil zijn gang moest laten +gaan. Zoo dreef dan de voerman zijne muilezels op zij, bracht de vreemde heer zijn schimmel in veiligheid en zorgde Sancho +Panza, dat hij met zijn grauwtje op eerbiedigen afstand kwam. En toen gebood de ridder op dreigenden toon, dat men de hokken +zou openen. + +</p> +<p>Ziende, dat alle menschen en dieren buiten gevaar waren, bracht de leeuwenhoeder Don Quichot nogmaals onder het oog, welk +eene roekelooze onderneming hij voorhad, en waarschuwde hem ernstig zich toch niet zoo moedwillig in gevaar te begeven. Don +Quichot luisterde daar echter niet naar. Terwijl de man talmde en nog steeds tijd zocht te winnen, overlegde hij, of het niet +beter zou zijn, den kamp te voet, in plaats van te paard te beginnen, en besloot eindelijk tot het eerste, omdat hij vreesde, +dat Rocinante bij het zien van het vreeselijk roofdier schuw en wild zou worden. Hij sprong dus van het paard, wierp zijne +lans op den grond, dekte zijne borst met het schild, trad met ontbloot zwaard voor de deur van het hok en beval zijne ziel +Dulcinea van Toboso aan. + +</p> +<p>Toen de leeuwenhoeder nu zag, dat Don Quichot ten volle bedaard en beraden was, en dat hij hem dus wel zijn zin diende <span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139">139</a>]</span>te geven, rukte hij de deur van het eerste hok, waarin de leeuw zat, wagenwijd open. De leeuw, werkelijk een dier van buitengewone +grootte en schrikinboezemende gestalte, keerde zich om in zijn kooi, schoof zijn voorpooten vooruit en rekte zich. Daarop +ontsloot hij zijn ontzettenden muil, spalkte dien wijd open en gaapte zeer majestueus. Vervolgens stak hij de bloedroode tong +uit, likte zich de oogen, trad met langzamen tred vooruit, stak zijn geweldigen kop buiten het hok, liet zijne gloeiende oogen +naar alle zijden rondrollen en nam eene houding aan, die iedereen met ontzetting zou vervuld hebben. Don Quichot week echter +niet terug, maar nam het vreeselijk dier kalm en bedaard op en wenschte zelfs, dat het dadelijk van den wagen springen en +den kamp met hem beginnen mocht. + +</p> +<p>Na echter het landschap en zijn uitdager eene poos bedaard te hebben aangekeken, schudde de leeuw langzaam zijn kop en—draaide +zich om, Don Quichot den rug toekeerend. Met de grootste onverschilligheid strekte hij zich vervolgens op de planken uit en +scheen zich om niets ter wereld meer te bekommeren. + +</p> +<p>“Jaag hem op!” riep Don Quichot den leeuwenhoeder toe. “Stoot, sla, schop, terg en sar hem, tot hij uit zijn hok komt.” + +</p> +<p>“Ja, ja, dat zal ik wel uit mijn hersens laten,” riep de man. “Als ik hem aanraakte, zou hij mij allereerst beetpakken, en +dat is een ding, waarvoor ik hartelijk bedank. Vergenoeg u met wat gij gedaan hebt, heer ridder, en wees verzekerd, dat het +meer is, dan één menschenkind u zou durven nadoen. Stel u niet voor de tweede maal bloot en bedenk, dat gij alles gedaan hebt, +wat men van een held kan verlangen. De deur staat open, de leeuw is uitgedaagd, gij staat tot den kamp bereid. Wil uw vijand +niet vechten, dan is aan hem de schande en oneer en aan u de zege en de roem.” + +</p> +<p>“Dat is waar!” riep Don Quichot uit. “Sluit de deur weer toe, vriend, en geef mij de getuigenis, dat ik werkelijk alles gedaan +heb, wat mij geoorloofd was. Gij hebt den leeuw de deur opengezet; ik heb hem opgewacht, maar hij is niet gekomen; eindelijk +heb ik nog een poos gewacht, en hij is weer niet verschenen, maar <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140">140</a>]</span>is naar den versten hoek van zijn kooi gekropen en heeft zich daar lafhartig neergelegd. Meer is niet noodig, om mijne dapperheid +in vollen glans te vertoonen, en gij moogt dus vrij de deur sluiten, terwijl ik onze gevluchte vrienden wil terugroepen, opdat +zij uit uw mond het verhaal van mijne daden hooren.” + +</p> +<p>De wachter sloot het hok weer toe, en Don Quichot bond den doek, waarmee hij de kaas van zijn gezicht had gewischt, aan zijne +lans, om daarmee de anderen terug te roepen. Te gelijk verhief hij zijne stem en riep: “Sancho! Sancho!” dat het wijd over +het veld klonk. + +</p> +<p>Sancho Panza vernam dien roep, keerde zich om, zag het witte vaantje en zei: “Ik laat mij levend villen, als mijn heer de +wilde beesten niet overwonnen heeft; want zie, hij wenkt ons en zijn vaan wappert in den wind.” + +</p> +<p>Ook de anderen zagen het gegeven teeken, en hunne harten, die tot nog toe met angst vervuld waren geweest, werden gerust. +Zij keerden naar de kar terug en waren zeer verlangend, de toedracht en den afloop van den gewaagden kamp te vernemen. + +</p> +<p>“Span uwe muilezels weer voor,” riep Don Quichot den voerman toe; “span ze voor en vervolg ongehinderd uwe reis. En gij, Sancho, +geef den leeuwenhoeder twee goudguldens tot vergoeding omdat hij zich zoo lang heeft opgehouden.” + +</p> +<p>“Die goudguldens wil ik hem wel geven,” antwoordde de schildknaap; “doch zeg mij eerst, wat er van de leeuwen geworden is. +Zijn ze al dood, of hebben ze er ’t leven afgebracht?” + +</p> +<p>“Wend u tot dezen man,” sprak Don Quichot met trotschheid; “hij zal u berichten, hoe de zaak is afgeloopen.” + +</p> +<p>Sancho talmde hier dan ook niet mee, en de leeuwenhoeder vertelde uitvoerig de geheele geschiedenis en kon niet genoeg roemen, +hoe uitstekend dapper en heldhaftig de ridder zich in dit geval gedragen had. De leeuw scheen reeds bij zijne eerste verschijning +door schrik aangetast en was, in plaats van den aangeboden kamp aan te nemen, lafhartig naar den versten hoek van zijn hok +teruggeweken; en daar hij, de leeuwenhoeder, den dapperen Don Quichot nu gezegd had, dat het roekeloos zou zijn, den leeuw +nog verder <span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141">141</a>]</span>te tergen, had de ridder, hoewel ongaarne, hem eindelijk vrijheid gegeven de deur van het hok weer dicht te doen. + +</p> +<p>“Wat zegt gij daarvan, Sancho?” vroeg Don Quichot vol fierheid. “Daar ziet gij nu uit, dat alle betooveringen tegen ware dapperheid +en echten heldenmoed geen zier kunnen uitrichten.” + +</p> +<p>Sancho haalde stilzwijgend de schouders op en stopte den leeuwenhoeder de twee goudguldens in de hand, waarna deze laatste +beloofde de koenheid van Don Quichot overal te zullen uitbazuinen en zelfs te zorgen, dat die zijne majesteit den koning ter +oore kwam. + +</p> +<p>“Goed, dat moogt gij doen,” sprak Don Quichot; “en als de koning u naar mijn naam mocht vragen, kunt gij antwoorden, dat het +de “leeuwenridder” is, die de stoute daad gewaagd heeft. Voortaan namelijk wil ik, een overoud heilig gebruik volgend, dezen +bijnaam voeren en daarentegen dien van “Ridder van de Droevige Figuur” afleggen. Dat hebben vóór mij reeds vele dolende helden +gedaan, en ik wil hun doorluchtig voorbeeld volgen.” + +</p> +<p>De kar reed nu weg en Don Quichot vervolgde met zijn klein gezelschap den vroeger ingeslagen weg naar Saragossa. + +</p> +<p>Het duurde nu niet lang, of zij kwamen eene beroemde grot, het zoogenaamde hol van Montesinos, voorbij, waarvan allerlei wonderbare +dingen verteld worden, en de vreemde heer maakte daar Don Quichot opmerkzaam op. Terstond betoonde deze grooten lust het inwendige +te bezien; doch de vreemde ried hem dit af, omdat men er niet anders in kon komen, dan door zich aan lange touwen in de diepte +te laten neerzakken. + +</p> +<p>“En al zou ik er voor in de hel komen, toch moet ik de grot bezien,” verklaarde Don Quichot en reed regelrecht op het naaste +dorp aan, om daar te overnachten en zich van de vereischte touwen en strikken te voorzien. Hij kocht daarvan tot eene lengte +van honderd vaam, en begaf zich den anderen dag met den vreemden heer en met Sancho Panza naar de gevaarlijke plaats. + +</p> +<p>Na den middag te twee uren kwamen zij daar aan en vonden den toegang tot de grot vrij breed, ruim en slechts weinig door doornen +en ander struikgewas bedekt en verdonkerd. Zij stegen af, <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142">142</a>]</span>en Don Quichot werd vast en stevig aan een touw gebonden, om zonder verwijl in de diepte te worden neergelaten. + +</p> +<p>“Heer,” zeide Sancho Panza, terwijl zij daarmee bezig waren, “heer, bezin, eer gij begint, en bedenk nog eens goed, wat gij +doet. Nog niemand heeft het eind van de spelonk bereikt, en niemand dwingt u zulk een gevaarvol stuk te ondernemen. Blijf +stilletjes hier boven en neem goeden raad van mij aan.” + +</p> +<p>“Houd den mond, Sancho, en bind maar de touwen vast,” antwoordde Don Quichot op deze welgemeende waarschuwing. “Juist zulk +eene onderneming, die nog niemand gelukt is, past voor mij.” + +</p> +<p>De schildknaap zweeg en liet verdrietig de lip hangen. Toen nu echter Don Quichot stevig was vastgebonden, knielde hij neder, +riep de krachtdadige bescherming van zijne Dulcinea in en naderde toen den afgrond, waarin hij zich wilde laten neerzakken. +Voordat hij aan den rand kwam, moest hij echter met zijn zwaard zich een weg door het struikgewas banen, dat voor den ingang +der grot welig was opgeschoten. Het door het kraken en breken der takken veroorzaakte gerucht joeg eene ontzettende menigte +raven, kraaien, uilen en vleermuizen op, die tot hiertoe in ongestoorde rust in de grot genesteld hadden, en zij stoven met +zooveel geweld op Don Quichot los, dat die daardoor overhoop werd geworpen en zoo lang als hij was op den grond kwam te liggen. + +</p> +<p>Ieder ander, dan onze onverschrokken ridder, zou deze omstandigheid als een noodlottig voorteeken hebben beschouwd; doch hem +versterkte zij slechts in zijn heldhaftig voornemen. Toen al dat fladderend roofgedierte zich een uitweg had gebaand, sprong +hij in den afgrond neer; de vreemde heer en Sancho Panza vierden langzaam de lijn, en Don Quichot verdween aldra in de donkere, +gapende diepte. + +</p> +<p>“De hemel behoede u, gij pronk en sieraad van de dolende ridderschap!” riep Sancho Panza hem na. “Daal neer, gij hoofd van +ijzer, hart van staal en arm van metaal! Moogt gij behouden het daglicht weer aanschouwen, waarvan gij daar in den afgrond +niet heel veel te zien zult krijgen.” + +</p> +<p>Onderwijl schreeuwde Don Quichot voortdurend, dat zij nog <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143">143</a>]</span>maar meer touw zouden vieren, tot in ’t eind het geluid zijner stem niet langer tot hen opstijgen kon. Ten laatste liep de +lijn echter toch ten einde, en nu wachtten zij een half uur, voordat zij haar weder optrokken. Toen zij hiermee begonnen, +scheen zij hun echter zoo licht en onbezwaard toe, dat zij vreezen moesten, dat Don Quichot zich had losgemaakt en in de diepte +was achtergebleven, wat Sancho tranen met tuiten deed schreien en zich al zijn best reppen, om toch maar spoedig zeker te +zijn van de zaak. Op eens echter, toen reeds tachtig vaam van de lijn was ingehaald, voelden zij een zwaren last en bemerkten +al spoedig, dat Don Quichot tegen vermoeden toch nog aan het touw hing. Zij trokken en trokken met al hunne kracht, en vol +blijdschap riep Sancho naar beneden: + +</p> +<p>“Welkom, welkom, gestrenge heer! Wij waren al bang, dat wij uw edel aangezicht nooit meer aanschouwen zouden.” + +</p> +<p>Don Quichot antwoordde niet op dezen vriendelijken toeroep, en toen zij hem eindelijk goed en wel boven hadden, zagen zij, +dat zijne oogen gesloten waren en dat hij in vasten slaap lag. Zij legden hem op den grond, bevrijdden hem van zijne banden +en hoopten, dat hij nu vanzelf wel weer wakker zou worden. Dit gebeurde echter niet, en zij moesten hem lang knijpen en schudden, +rollen en omkeeren, voordat hij ten laatste weer tot bezinning kwam, de oogen opsloeg, zich rekte en strekte en in alles deed +als iemand, die uit eene zwaren droom ontwaakt. Verschrikt keek hij rond en eene rilling liep hem over de leden, toen hij +zich weder op de bovenwereld verplaatst en den blauwen hemel boven zijn hoofd zag. + +</p> +<p>“O, mijne vrienden,” sprak hij op klagenden toon, “waarom hebt gij mij aan den zoetsten toestand ontrukt, waarin ik ooit in +mijn leven heb mogen verkeeren? Een hemelsch aanminnig gezicht heb ik aanschouwd, en nu eerst zie ik in, dat alle genietingen +van dit ondermaansche slechts nesterijen en kinderspel zijn, dat zij verdwijnen als een schaduw, en verwelken gelijk de bloemen +des velds.” + +</p> +<p>“Maar, sakkerloot, heer, wat hebt gij dan daar wel in die hel te zien gekregen?” vroeg Sancho. +<span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144">144</a>]</span></p> +<p>“Eene hel noemt gij dat?” riep Don Quichot. “O, noem het niet zoo; ’t is de schoonste plaats, die op aarde te vinden is. Luister +toe, wat ik zal vertellen.” + +</p> +<p>“Ja, naderhand met alle genoegen,” antwoordde Sancho Panza; “maar nu blaf ik van honger en moet eerst mijne arme maag wat +tevredenstellen.” + +</p> +<p>Don Quichot zeide hier niets tegen en begon, nadat hij zichzelf ook door een hartig maal gesterkt had, het verhaal van zijne +avonturen in de onderaardsche grot. + +</p> +<p>“Ongeveer twaalf vaam diep in de kloof opent zich rechts een gewelf, als eene hal, waar wel eene groote koets met zes paarden +zou kunnen keeren. Door eenige spleten, die tot de oppervlakte der aarde reiken, dringt daar een flauw en schemerachtig licht +in door. + +</p> +<p>“Dit gewelf ontdekte ik, toen ik het hangen en bongelen aan de lijn al moe was, waarom ik besloot er binnen te treden en er +eene korte poos te rusten. Ik riep u toe, dat gij met het vieren van het touw moest ophouden; maar daar gij mij niet scheent +te verstaan, rolde ik het touw, al naarmate dat mij nakwam, tot een tros op en ging toen daarop zitten, om mij in gepeins +te verdiepen. Ik overlegde, hoe ik het aanvangen moest, om de diepte van den afgrond te bereiken, daar ik nu niemand meer +had, die mij neerlaten kon, en onder dat denken overviel mij op eens de diepste slaap. Het duurde evenwel niet lang, of ik +ontwaakte weer en bevond mij op eene groote weide, schooner en liefelijker, dan ik ooit nog met mijne oogen had aanschouwd. +Ik dacht te droomen en betastte hoofd, borst en handen, om mij van mijn wakenden toestand ten volle te overtuigen. Uit alle +teekens maakte ik op, dat werkelijk de slaap van mij geweken was, en dat geen droom, geen phantasie, geen drogbeeld van het +verhitte bloed mij misleidde. + +</p> +<p>“Nadat ik mij ten volle van mijn waken overtuigd had, keek ik rond en viel mij een prachtig koninklijk paleis in het oog, +welks dak en wanden uit glinsterende kristallen schenen te bestaan. De vleugeldeuren vlogen open, en nu trad een eerwaardig, +met een lang slepend gewaad bekleed grijsaard te voorschijn. Hij kwam <span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145">145</a>]</span>op mij toe, groette mij heel vriendelijk, sprak mij aan en vroeg, of hij mij de wonderen van het betooverde paleis mocht vertoonen. +Ik boog mij dankbaar ten teeken van toestemming en volgde hem in het slot. Door wijde portalen gingen wij, door lange gangen +en onmetelijk groote zalen. Overal, waar wij kwamen, stonden prachtige monumenten uit goud en diamanten, en op ieder prijkte +een kristallen standbeeld van meer dan levensgrootte. Het waren de grafsteden der overleden dolende ridders, die zich door +deugd en dapperheid beroemd gemaakt hebben, en de standbeelden stelden hen voor, gelijk zij er bij hun leven hadden uitgezien. +Daar zag ik Amadis van Gallië, en Roland, en Durandarte, den spiegel der ridderschap, en nog vele, vele anderen, welker namen +ik niet weet op te noemen. Toen ik mij met het aanzien dezer helden lang genoeg verkwikt had, bracht de grijsaard mij in een +heerlijken lusthof, waaruit mij de geur der kostelijkste bloemen en gewassen tegensloeg en die met allerlei kunstwerken, beelden, +grotten en fonteinen koninklijk versierd was. En hier zag ik iets, dat mijn geheele ziel in zoete verrukking bracht, namelijk +ik zag mijne doorluchtige gebiedster, de aanminnige jonkvrouwe Dulcinea van Toboso. In een eenvoudig gewaad, als herderin +gekleed en begeleid door twee gesluierde hofdames, verlustigde zij zich in de lanen van den betooverenden lusthof, lachte +en schertste en deed nu en dan sprongen, die mij door hunne hoogte verbaasd deden staan. + +</p> +<p>“De grijsaard sprak mij aan en zeide: “Zie, in zulke nederige en armoedige gedaante wandelt uwe schoone thans op aarde rond. +Maar wees getroost! Een booze toovenaar heeft haar slechts voor korten tijd veranderd, en eens zult gij haar in de volle glorie +harer verheven schoonheid aanschouwen. Opdat gij zien moogt, wat glans haar dan omstralen zal, wil ik u hare beeltenis toonen, +gelijk die hare natuurlijke gedaante volkomen waar en getrouw teruggeeft.” + +</p> +<p>“Hij wenkte met den vinger, en oogenblikkelijk verdween het omhulsel der herderin, en Dulcinea zelve stond van aanminnigheid +stralende voor mij. Hare schoonheid overweldigde mij dusdanig, dat ik een luiden kreet van verrukking uitstiet en daarop onmachtig +neerstortte. +<span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146">146</a>]</span></p> +<p>“Wat verder met mij gebeurde, weet ik niet. Ik kwam eerst weer tot bezinning, toen gij mij met geweld aan mijne zoete droomen +ontruktet.” + +</p> +<p>“Neen, dat is te wonderbaarlijk, om waar te kunnen wezen!” riep Sancho Panza uit. “Gij moet noodzakelijk gedroomd hebben, +of een of ander booze toovenaar heeft u dolle kluchten vertoond om uwe ziel te verstrikken en u naar den afgrond des verderfs +te lokken.” + +</p> +<p>“Spreek niet zoo, Sancho,” zeide Don Quichot. “Alles, wat ik gezien heb, heb ik met gezonde, wakende zinnen gezien. De tijd +zal nog eens openbaar maken, dat ik geen tittel of jota bezijden de waarheid sprak.” + +</p> +<p>Onderwijl bestegen zij hunne dieren weder, keerden de wondergrot den rug toe en gingen hun nachtverblijf zoeken in eene herberg, +waar dienzelfden avond eene poppencomedie zou worden vertoond. De directeur van het spel, een reizend genie, bood Don Quichot +en zijn twee geleiders plaatsen aan, kreeg zijn geld daarvoor, en liet hierop het gordijn naar boven gaan. + +</p> +<p>Don Quichot staarde met verwondering op de poppen, die, door onzichtbare draden bestuurd, zich op de natuurlijkste wijze bewogen. + +</p> +<p>Met gespannen aandacht volgde hij den loop der voorstelling, die hoofdzakelijk in een gevecht tusschen Christenen en Mooren +bestond. De Christenen werden verslagen en de Mooren vervolgden hunne vluchtende vijanden tot onder de torens van eene versterkte +stad. + +</p> +<p>Toen Don Quichot zag, dat de Heidenen hier nog eens een aanval op de arme Christenen deden, steeg het bloed hem naar her hoofd +en oordeelde hij het niet meer dan billijk, dat hij de zwakkere partij te hulp kwam. + +</p> +<p>“Houdt op! Houdt op!” riep hij, driftig opspringend, het Heidensche poppenvolk toe. “Vervolgt mijne geloofsbroeders niet langer, +of gij krijgt het met mij te doen.” + +</p> +<p>Onder deze haastig uitgestooten woorden trok hij zijn zwaard, was met een wip op het kleine tooneel en begon met ongehoorde +woede op de onschuldige poppen in te houwen. Sommige trapte <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147">147</a>]</span>hij als een pannekoek plat, andere sloeg hij den kop af, nog andere verminkte hij op deerlijke manier, kortom, hij zou een +gruwelijk bloedbad hebben aangericht, indien de poppen, in plaats van leder en werk, van vleesch en bloed waren geweest. + +</p> +<p>Bij het zien van deze verwoesting schoot de ontstelde tooneeldirecteur toe, viel den verbolgen ridder te voet en smeekte hem +met tranen in de oogen, zijne arme levenlooze schepsels toch te sparen. Don Quichot evenwel luisterde daar niet naar, en zou +den armen poppenman zelven het hoofd hebben afgeslagen, indien deze zich niet met alle snelheid uit de voeten had gemaakt. + +</p> +<p>De slagen des ridders vielen als hagelsteenen bij eene donderbui. + +</p> +<p>In minder dan een kwartier tijds had hij het gansche tooneel tot splinters geslagen, al de toeschouwers, die hem voor razend +en dol hielden, op de vlucht gejaagd, en zelfs Sancho Panza tot de stomme bekentenis genoodzaakt, dat zijn meester wel al +veel gekke dingen had vertoond, maar nooit nog zoo’n gek stuk, als nu dit hier. + +</p> +<p>Eerst toen het Heidensche leger de volle neerlaag had geleden, kwam Don Quichot eenigszins tot bedaren, leunde hijgend op +zijn zwaard en zei: “Nu mocht ik nog wel eens iemand hooren zeggen, dat een dolend ridder een onnut ding in de wereld is! +Was ik hier niet gekomen, dan was een gansch Christenleger vernietigd geweest, terwijl nu de snoode Heidenen tot den laatsten +man toe verslagen liggen. En daarom zeg ik: eere, lof, roem en glorie der dolende ridderschap!” + +</p> +<p>“Ja, ja, dat is goed en wel,” riep de poppenman, die zich nu ook weer kwam vertoonen: “maar in allen gevalle moet gij mij +de schade betalen, die gij mij moedwillig hebt toegevoegd.” + +</p> +<p>“Wat dan betalen?” vroeg Don Quichot verwonderd. “Wat heb ik u dan bedorven?” + +</p> +<p>“Hoe! dat weet gij niet?” vroeg meester Pedro, de eigenaar van het poppenspel. “Ziet gij dan niet het armzalig overschot van +mijne poppen, die gij met uw zwaard in gruizels en splinters hebt geslagen?” + +</p> +<p>“Poppen?” vroeg Don Quichot. “Poppen heb ik vernield? Ja, waarlijk, het zijn poppen, en geen menschen van vleesch en bloed. +Daar ziet men weer, hoe ik door die snoode toovenaars <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148">148</a>]</span>vervolgd word! Zij verblindden mijn oog, zoodat ik de poppen voor levende menschen moest aanzien, en dat ik alles, wat gespeeld +werd, voor echte werkelijkheid hield. Maar wat te doen? Daar ik nu eens uit dwaling zoo groote schade aangericht heb, is het +ook mijn plicht, die ten volle te vergoeden, en ik zal dus mijzelf tot alle kosten veroordeelen. Overleg, meester Pedro, welke +som u als schadeloosstelling toekomt, en laat u die door mijn schildknaap Sancho Panza uitbetalen.” + +</p> +<p>Meester Pedro boog dankend voor den grootmoedigen ridder, die nu niet weinig beschaamd zijn slaapkamer opzocht. Sancho Panza +echter moest de beurs trekken en voor de dwaasheden van zijn heer eene aanzienlijke som betalen. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e2278" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XVIII.</h2> +<h2 class="normal">De betooverde boot en de schoone jageres.</h2> +<p>Den volgende morgen zetten Don Quichot en Sancho Panza, na van hun reisgenoot tot zoover, den vreemden heer, vriendschappelijk +afscheid te hebben genomen, hun tocht verder voort. Zij kwamen aan de rivier de Ebro, welks helder doorzichtig water den dolenden +leeuwenridder uitstekend behaagde. Hij reed langzaam langs den oever voort, deed Sancho al de schoonheden van het landschap +opmerken en zweeg eerst stil, toen hij op eens eene kleine boot bemerkte, die dicht aan den stroom aan een boomstam vastlag +en noch riemen, noch zeil, noch ander scheepstuig bevatte. Hij keek rechts en links uit, en toen hij nergens een mensch ontdekte, +steeg hij van Rocinante en beval Sancho insgelijks van zijn grauwtje te komen en beide dieren ergens in de nabijheid aan een +boom vast <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149">149</a>]</span>te binden. Sancho Panza vroeg, wat dan gebeuren zou, en kreeg tot antwoord: + +</p> +<p>“Weet, dat deze boot mij oproept en mij uitnoodigt haar te bestijgen en met haar mee te varen, om een of anderen in nood zijnden +ridder of verongelukte jonkvrouw te hulp te komen. Bind dus de dieren vast en kom mee, want, zoo waar ik leef, ik wil de tot +mij gekomen roepstem volgen en mij zonder schroom in deze bark inschepen.” + +</p> +<p>“Heer,” antwoordde Sancho Panza, “ik laat mij hangen, als dat niet weer een nieuwe gekheid van u is. De boot is volstrekt +niet betooverd, maar komt zeker aan den een of anderen visscher in dezen omtrek toe, waar men de beste visschen van de wereld +kan vangen. Niettegenstaande dit is het mijn plicht u te volgen, en ik zal dus maar weer gehoorzamen, gestrenge heer.” + +</p> +<p>Zoo sprak Sancho en bond de dieren vast. + +</p> +<p>“Wat moet ik nu verder doen?” vroeg hij. + +</p> +<p>“In de boot stappen,” antwoordde Don Quichot; “als wij daarin zitten, snijden wij het touw door, dat haar vasthoudt, en geven +ons aan ons lot over.” + +</p> +<p>Met deze woorden sprong hij er zelf in en Sancho volgde hem gewillig. Het touw werd doorgesneden en de boot gleed langzaam +van den oever weg. Pas echter waren zij tien passen van den oever, of Sancho Panza begon als een popelblad te trillen en erg +bang voor zijn eigen dierbaar ik te worden. Zijn angst nam toe, toen hij zijn ezeltje hoorde balken en Rocinantes bewegingen +zag, om zich los te rukken en zijn meester te volgen. + +</p> +<p>“Heer droevige ridder,” zei hij, “hoor maar, hoe jammerlijk mijn grauwtje schreeuwt en hoe Rocinante staat te trippelen om +ons na te loopen. Die arme, arme schepsels! Ze zullen ons misschien nooit weer te zien krijgen.” + +</p> +<p>Bij deze woorden begon hij zoo hard te huilen en te krijten, dat Don Quichot ernstig boos werd. + +</p> +<p>“Gij onnoozele hals, waar zijt gij dan toch eigenlijk bang voor?” riep hij verstoord. “Waarom zet ge zoo’n keel op? Wie vervolgt +u? Wie heeft kwaad tegen ons in den zin? Houd den mond, kerel, <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150">150</a>]</span>of wees verzekerd, dat ik je een stoot geef en hals over kop in ’t water doe tuimelen.” + +</p> +<p>Daar Sancho wist, waartoe zijn heer in zijne drift in staat was, hield hij op met huilen, droogde zijne tranen en vertrok +geen gezicht meer. + +</p> +<p>Intusschen dreef de boot in het midden van den stroom voort en streek, door den lichten golfslag voortgestuwd, met snelle +vaart langs de oevers. Op eens ontdekte Don Quichot eenige groote drijvende watermolens, die in het midden van de rivier lagen, +en pas had hij die in het oog gekregen, of hij riep driftig uit: + +</p> +<p>“Ziedaar, vriend! daar is de stad of de burgt, waar de benarde ridder op mij wacht, of eene gevangen jonkvrouw naar verlossing +uit de dikke kerkerwanden hijgt.” + +</p> +<p>“Wat drommel, ziet ge daar weer, gestrenge heer?” riep Sancho Panza verdrietig. “Een toovenaar moet u opnieuw de oogen verblinden, +want die dingen daar op het water zijn eenvoudig een paar molens, waarin koren wordt gemalen.” + +</p> +<p>“Zwijg, Sancho!” bulderde Don Quichot. “Al lijken het op het oog ook al molens, toch zijn ze dat niet, en ik weet zeer goed, +hoe het daarmee gelegen is.” + +</p> +<p>Intusschen werd de boot door den stroom met snelheid op de molens aangedreven. De molenaars, die haar zagen aankomen en vreesden, +dat zij tusschen de schepraderen mocht geraken, schoten ijlings in menigte toe en grepen naar lange stokken, om haar tegen +te houden. Don Quichot zag hen, en daar zij er in hunne met meel bestoven werkpakken vrij wonderlijk uitzagen, meende hij +dadelijk, hen voor tegen hem uitgezonden vijandige geesten en spookgedaanten te moeten houden. + +</p> +<p>“Stommerikken!” schreeuwden intusschen de molenaarsknechts; “waar wilt gij dan toch naar toe? Wilt ge hier met geweld verzuipen +of door de molenraden verpletterd worden?” + +</p> +<p>“Ziet gij wel, Sancho,” sprak Don Quichot vol zelfvoldoening, “ziet gij wel, dat wij nu de plaats bereiken, waar als gewoonlijk +de sterkte van mijn arm moet blijken? Zie, wat een menigte schelmen en spitsboeven op ons aankomen! Zie, wat leelijke bekken +ze <span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151">151</a>]</span>trekken, die monsters, die spookgedrochten! Maar wacht, ik zal hen wel tot hun plicht brengen of anders van het aardrijk verdelgen.” + +</p> +<p>En zich in de boot hoog oprichtend, begon hij het molenaarsvolk met harde woorden te bedreigen. + +</p> +<p>“O gij vuig, ontaard en nietswaardig volk,” schreeuwde hij hun toe, “laat zonder verwijl de gevangenen vrij, die gij in uw +ellendig kasteel houdt opgesloten, van wat stand, rang en geslacht ze dan ook zijn mogen. Weet, dat ik Don Quichot van La +Mancha ben, de dolende leeuwenridder en de beschermer en ’t schild van alle ellendigen en onderdrukten.” + +</p> +<p>Met deze woorden trok hij zijn zwaard en schermde er wild mee in de lucht rond. De molenaars hoorden zijn geschreeuw wel, +maar konden er geen woord van verstaan en hielden zich met hunne stokken gereed, om de boot tegen te houden, die reeds in +de strooming geraakte, die met vreeselijke snelheid op de molenraden toeschoot. + +</p> +<p>Bij het zien van het gevaar wierp Sancho Panza zich vol angst op de knieën neer. Don Quichot daarentegen hieuw met zijn zwaard +op de stokken der molenaars in en bewerkte daardoor, dat de boot, in plaats van tegengehouden te worden, omsloeg en alle twee, +ridder en knecht, hals over kop in het water tuimelden. Nu kon Don Quichot wel zwemmen als een eend; doch al zijne bekwaamheid +zou hem in zijn tegenwoordigen toestand en bij de zwaarte zijner wapenrusting niets gebaat hebben, indien de molenaars hem +niet waren te hulp gesprongen. Zij haalden hem en Sancho uit het water en sleepten hen zoo nat als gewasschen poedels op het +droge. + +</p> +<p>Onderwijl kwamen ook de visschers, wien de boot toebehoorde, toe en begonnen, toen zij deze door de molenraden verbrijzeld +vonden, een leven als een oordeel te maken. Zij verlangden van Don Quichot, dat die haar betalen en hun alle schade vergoeden +zou. + +</p> +<p>De nu anders een bitter droevig figuur makende, druipnatte ridder, die zijne koelbloedigheid geen oogenblik verloren had, +zeide <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152">152</a>]</span>met de grootste bedaardheid, dat hij met genoegen de boot betalen zou, mits men onverwijld de personen wilde in vrijheid stellen, +welke men in het slot gevangen hield. + +</p> +<p>“Welke gevangenen en wat kasteel meent gij dan?” vroeg een van de molenaarsknechts. “Moeten wij u dan de menschen uitleveren, +die ons hier koren te malen brengen, domme vent?” + +</p> +<p>Don Quichot stond eene poos als voor ’t hoofd geslagen. “Genoeg!” mompelde hij eindelijk in zijn baard. “Genoeg; ’t zou dwaasheid +zijn, hier verstandige woorden te verspillen. Zooveel merk ik wel al, dat twee booze toovenaars elkaar hier moeten hebben +tegengewerkt. De een zond mij de boot toe, de ander gooide haar omver. Daar viel niets tegen te doen, en ik moet mij wel onderwerpen.” + +</p> +<p>En zich naar de molens toekeerend, riep hij met luider stemme: “Arme menschen en ongelukkige vrienden, die daar in een donkeren +kerker wegkwijnen moet, schrijft het aan mijn boos gesternte en aan kwaadwillige toovenaars toe, dat ik u niet kan helpen +en redden. Een ander ridder moet komen en u bijstaan, daar ik tegen onzichtbare en bovenaardsche wezens niet vermag te kampen.” + +</p> +<p>Hierop keerde hij zich tot de visschers, betaalde hun vijftig realen voor de verongelukte boot en sprak tot Sancho: “Nog één +tocht, als deze hier, mijn vriend, en we zullen van al ons reisgeld geen penning meer overhouden.” + +</p> +<p>De molenaars en de visschers hielden Don Quichot en zijn schildknaap voor niet wijs en gingen hoofdschuddend heen; doch onze +beiden keerden met een bedrukt hart naar hunne dieren terug, bestegen die en reden weg van de rivier, die hun zooveel onheil +had berokkend. + +</p> +<p>Sancho Panza, inwendig boos om dat onvrijwillig bad en nog veel meer boos, dat hij zooveel geld voor die ellendige boot had +moeten betalen, besloot heimelijk, bij de eerste gelegenheid zijn heer te verlaten en tot zijne vrouw Teresa terug te keeren. +Het noodlot beschikte dat echter anders en verhinderde hem, zich aan zulk eene snoode trouweloosheid schuldig te maken. + +</p> +<p>Den volgenden dag, juist toen onze beide helden uit een boschje <span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153">153</a>]</span>op een groene dalvlakte kwamen, ontdekte Don Quichot op een afstand eenige lieden, welke hij bij scherper toezien voor valkenjagers +hield. Wat naderbij gekomen, onderscheidde hij midden onder hen eene schoone dame op een sneeuwwitten telganger met groen +tuig en een met zilver beslagen vrouwenzadel. Die dame droeg een prachtig groen jachtkleed en hield op hare linkerhand een +valk, waaruit Don Quichot opmaakte, dat zij eene hoogadellijke vrouwe en de gebiedster van heel dat jachtgevolg moest zijn, +’t geen dan ook werkelijk het geval was. + +</p> +<p>“Hoor, Sancho,” sprak hij, na het schitterend gezelschap een poosje te hebben opgenomen, “rijd heen naar de schoone dame op +dat witte jachtros, breng haar mijn groet over en zeg haar, dat ik, Don Quichot van La Mancha, de leeuwenridder, haar de handen +kus en vergunning vraag, om haar mijne eerbiedige opwachting te maken.” + +</p> +<p>“Die boodschap wil ik wel overbrengen,” zeide Sancho, zette zijn grauwtje de hakken in de zijden, draafde heen en was spoedig +op de plaats, waar de schoone jageres met haar gevolg stilhield. Hier steeg hij af, boog zijne knie voor haar en sprak aldus: + +</p> +<p>“Wonderschoone en glansrijke Dona, de ridder, dien gij daar in de verte ziet, is mijn heer, de leeuwenridder Don Quichot van +La Mancha, en ik ben zijn schildknaap, Sancho Panza met name. Gezegde leeuwenridder, die vroeger de Ridder van de Droevige +Figuur heette, zendt mij tot u, om u vergunning te vragen, dat hij komen en u alle mogelijke onderdanigheid betoonen mag, +hetwelk hij als eene bijzondere gunst en gratie zou beschouwen.” + +</p> +<p>De dame zag glimlachend op den knielenden schildknaap neer en antwoordde: “Gij hebt uwe boodschap uitmuntend overgebracht, +en zoo uw heer werkelijk de wijdvermaarde dolende ridder Don Quichot is, van wiens ongehoorde daden ik al zooveel heb vernomen, +dan zal hij mij en mijn gemaal op ons landgoed welkom zijn. Maar sta op! Het betaamt mij niet, een zoo dapperen schildknaap +zoo lang aan mijne voeten te laten neerknielen.” + +</p> +<p>Door de minzaamheid en genade der hooge dame geheel verrukt, stond Sancho op, boog tot den grond en keerde hoogstvoldaan tot +<span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154">154</a>]</span>zijnen heer terug, die de vriendelijke uitnoodiging met innig genoegen vernam. Hij zette zich eerst behoorlijk in den zadel +terecht, trad vast in de stijgbeugels, schoof het vizier van zijn helm op, gaf Rocinante de sporen en zette het toen in galop, +om der hertogin de genadige handen te kussen. + +</p> +<p>Deze had inmiddels haar gemaal laten roepen en dien de door Sancho Panza overgebrachte boodschap medegedeeld. De hertog lachte +daar hartelijk over en, daar hij werkelijk reeds veel van den dwazen ridder gehoord had, zag hij dien met brandend verlangen +te gemoet en verheugde zich op eene persoonlijke kennismaking, waarvan hij zich allerlei kluchten en grappen beloofde. Hij +kwam met zijne gemalin overeen, dat zij zich geheel naar de luimen van den kluchtigen heer schikken, hem gedurende zijn verblijf +in alles als dolend ridder behandelen en alle ceremonies in acht nemen zouden, waarvan in de oude ridderboeken te lezen staat. + +</p> +<p>Intusschen kwam Don Quichot met opgeslagen vizier nader, en zoodra hij eene beweging maakte, om van Rocinante te stijgen, +kwam Sancho toe, om hem den stijgbeugel te houden. Ongelukkig echter raakte Sancho met den eenen voet in den strik van zijn +pakzadel vast, tuimelde voorover en lag languit op den grond, zonder den gevangen voet uit den strik los te kunnen krijgen. +Don Quichot, die alleen oogen voor de schoone dame had, werd van dit ongeluk volstrekt niets gewaar en, daar hij nooit afstapte, +zonder zich door zijn schildknaap den beugel te laten houden, meende hij, dat Sancho nu ook reeds bij de hand was, om zich +van zijn plicht te kwijten. Zonder toe te zien, beurde hij zich zijwaarts van het paard en tuimelde nu plotseling rammelend +en kletterend naast Sancho op den grond neer. + +</p> +<p>De ridder schaamde zich geducht, dat hij juist op zulk een oogenblik en voor zulke toeschouwers te vallen was gekomen, en +mompelde de vreeselijkste verwenschingen tegen den onschuldigen schildknaap, die nog altijd aan zijn in den strik gevangen +been lag te trekken. De hertog gaf nu echter aan zijne jagers een wenk, den ridder en zijn dienaar te hulp te komen, en Don +Quichot kwam dus weer overeind. Hij had een zwaren val gedaan; maar <span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155">155</a>]</span>toch kwam hij hinkend aan, om, zoo goed het maar gaan wou, den hertog en zijne gemalin te begroeten en zijne knie voor beiden +te buigen. Dit liet de hertog echter niet toe, maar hij sprong zelf van het paard, omarmde Don Quichot en zeide tot hem: + +</p> +<p>“Het doet mij hartelijk leed, heer Ridder van de Droevige Figuur, dat uw eerste aankomst op mijn gebied van zulk een kleinen +tegenspoed moest vergezeld gaan. Evenwel moet men zich troosten, daar de onhandigheid dier knapen zelfs nog wel eens grooter +ongelukken veroorzaakt.” + +</p> +<p>“Doorluchtige vorst,” antwoordde Don Quichot op deze vriendelijke toespraak, “ik kan dit ongeluk niet meer als een ongeluk +beschouwen, nu gij mij op zoo minzame wijze hebt weten te troosten. Schoon ’t is waar, die verwenschte schildknaap weet beter +zijn tong los te laten en domme dingen uit te brengen, dan behoorlijk, zooals het betaamt, den stijgbeugel te houden. Maar +in welken staat ik ook verkeeren mag, te paard of te voet, vallend of staand, zittend of liggend, overal en te allen tijde +zal ik u ten dienst staan en uwer verhevene gemalin als toonbeeld van schoonheid en lieftalligheid mijne hulde in alle nederigheid +toebrengen.” + +</p> +<p>“Stil, stil, heer ridder van La Mancha!” riep de hertog. “Wie de edele jonkvrouwe van Toboso tot gebiederes heeft, mag andere +schoonheden en lieftalligheden niet zoo roemen.” + +</p> +<p>Gedurende dit gesprek had Sancho Panza zich eindelijk losgewrongen en trad haastig toe. + +</p> +<p>“Dat is waar,” zeide hij, “en ik kan bekrachtigen, dat mijne genadige jonkvrouw Dulcinea van Toboso eene ware schoonheid is; +doch met dat al moet ik erkennen, dat mevrouw de hertogin voor haar in schoonheid en lieftalligheid volstrekt niet onderdoet.” + +</p> +<p>“Doorluchtige vrouw,” keerde Don Quichot zich tot de hertogin, “uwe hoogheid mag vrij gelooven, dat nu en nooit, zoolang de +wereld staat, een dolend ridder een babbelzieker, praatachtiger en onbeschaamder rekel tot schildknaap gehad heeft, dan ik +hier, zooals blijken zal, als uwe hoogheid zich ons gezelschap eenigen tijd laat welgevallen.” + +</p> +<p>“De goede Sancho moet werkelijk een oolijke guit zijn,” antwoordde <span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156">156</a>]</span>de hertogin, “en dat verblijdt mij, omdat ik er uit opmaak, dat hij geest en verstand heeft en niet tot de vervelende domkoppen +behoort.” + +</p> +<p>“In allen gevalle zal hij een onthaal vinden, dat hem geen reden tot klagen geeft,” voegde de hertog er bij. + +</p> +<p>Inmiddels had Sancho zijn ezel weer bestegen, terwijl Don Quichot op Rocinante zich aan de zijde der hertogin hield en zich +met haar in een leerzaam en onderhoudend gesprek verdiepte. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e2395" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XIX.</h2> +<h2 class="normal">Wat ridder en schildknaap op het slot al beleven.</h2> +<p>Terwijl de hertogin zich met Don Quichot onderhield en soms over Sancho Panza’s kluchtige invallen lachte, reed de hertog +in vollen ren vooruit, om aan al zijne dienaren voor te schrijven, op wat wijze de dolende ridder moest ontvangen worden. +Toen deze dus met de hertogin voor de slotpoort aankwam, werd hij daar door twee rijk gekleede stalknechts opgewacht, die +hem van het paard hielpen en hem in ’t oor fluisterden, dat hij niet verzuimen mocht, de hertogin bij het afstijgen behulpzaam +te zijn. + +</p> +<p>Don Quichot trad op de hooge dame toe, die nochtans weigerde, andere hulp dan van haren gemaal aan te nemen. De hertog maakte +aan dezen twist een einde door zelf te komen en zijne gemalin de hand te reiken. + +</p> +<p>Zoodra nu het gezelschap het binnenhof betrad, kwamen twee jonge hofdames te voorschijn, die den ridder een grooten scharlakenrooden +mantel over de schouders wierpen. Op hetzelfde oogenblik vertoonden zich alle toegangen en portalen van het slot met dienaren +opgevuld, die de bloem en den roem der dolende <span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157">157</a>]</span>ridderschap met een daverend Vivat! welkom heetten. Te gelijk goten zij een geurigen regen van welriekende wateren over Don +Quichot, den hertog en de hertogin uit, waarover de eerste zich niet weinig verwonderde. + +</p> +<p>Nu trok men het slot zelf binnen, waar Don Quichot in eene zaal werd geleid, die met de kostbaarste tapijten van zijde en +goudlaken belegd was. Hier werd hij door zes edelknapen van zijne zwaarste wapenstukken bevrijd en van kleederen voorzien, +die hem op bevel des hertogs werden aangeboden. Vervolgens omgordde hij zich met een zwaard, wierp zijn scharlaken mantel +om, zette eene groene zijden muts op en begaf zich in eene groote zaal, waar eene menigte staatsiedames hem met zilveren bekkens +tot handenwassching wachtten. Terwijl hij dit deed, verscheen de hofmeester met twaalf edelknapen, om hem naar de tafel te +geleiden, waar de hooge heerschappen hem reeds wachtten. Don Quichot werd in het midden genomen en in eene zaal geleid, waar +allerprachtigst, schoon slechts voor vier personen, gedekt was. De hertog, de hertogin en een hooge geestelijke kwamen den +gast te gemoet en verwelkomden hem. Onder duizend ceremonies en plichtplegingen werd hij naar de tafel geleid en moest, niettegenstaande +zijn weigeren, de eerste plaats daaraan innemen. De geestelijke zette zich tegenover hem, terwijl gastheer en gastvrouw hem +in hun midden namen. + +</p> +<p>Sancho Panza, die bij alles tegenwoordig was, stond versteld en verbaasd over al de eer, die hier zijn meester werd bewezen, +en kwam nu tot het vaste besluit, om dien ook verder op zijne avontuurlijke tochten getrouwelijk te volgen. + +</p> +<p>Gedurende den maaltijd vroeg de hertogin met belangstelling, hoe de jongste berichten van jonkvrouwe Dulcinea van Toboso luidden +en of de ridder haar in den laatsten tijd ook weer eenige reuzen of gevangen helden had toegezonden. + +</p> +<p>“Neen, genadige vrouw,” antwoordde Don Quichot; “mijn ongelukkig gesternte belette mij dat. Ik heb wel reuzen, ridders en +roovers overwonnen,—maar hoe hadden die de volschoone jonkvrouwe kunnen vinden, nu zij door een afschuwelijken toovenaar in +eene gemeene boerin veranderd werd?” +<span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158">158</a>]</span></p> +<p>“Ei, ik vind haar toch nog ’t bekoorlijkst schepsel, dat maar ergens te vinden is,” zeide Sancho Panza, zich voorbarig in +het gesprek mengende, “en wat springen aangaat, is zij den besten koordedanser de baas. Zij wipt op haar muilezel, alsof die +niet hooger dan een kat was.” + +</p> +<p>“Hebt gij haar ook in haar onbetooverden staat gezien?” vroeg de hertog. + +</p> +<p>“Natuurlijk,” antwoordde Sancho Panza. “Ik ben immers de man geweest, die hare betoovering het allereerst in den neus kreeg.” + +</p> +<p>Toen de geestelijke zooveel over roovers, reuzen en betooveringen hoorde spreken, kwam hij vanzelf op de gedachte, dat het +Don Quichot van La Mancha moest zijn, met wien hij hier aan ééne tafel zat. Op zijne navraag vernemende, dat zijn vermoeden +gegrond was, gaf hij zich veel moeite, om Don Quichot van zijne onzinnige inbeelding terug te brengen. Tegen verwachting werd +hij door den ridder zoo duchtig afgezouten, dat hij doodstil zweeg en gedurende den ganschen maaltijd geen mond meer tot spreken +opendeed. + +</p> +<p>Toen nu de tijd kwam, dat men van tafel opstaan zou, traden vier jonkvrouwen in het vertrek. De eene droeg een zilveren waschbekken, +de andere een zilveren lampetkan, de derde twee handdoeken van het fijnste en witste linnen, en de vierde een groot stuk welriekende +Italiaansche zeep. De jonge dame met het bekken trad vooruit en hield dat Don Quichot, alsof dat vanzelf sprak, onder den +baard. De ridder vond dit wel wat vreemd, doch deed zulks niet blijken, maar stak zonder omstandigheden zijn baard in het +water, in de meening, dat het daar ter plaatse zeker gebruik moest zijn, zich na den maaltijd in plaats van de handen het +baardhaar te wasschen. + +</p> +<p>Thans kwam de dame met de zilveren kan, goot het water daaruit over ’s ridders baard uit en trad toen achteruit, om voor hare +gezellin plaats te maken, wier blanke hand hem het gansche gezicht met zeep inwreef. + +</p> +<p>Don Quichot liet zich alles welgevallen en sloot zijne oogen, om daar niet van het bijtend zeepsop in te krijgen. De hertog +en de <span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159">159</a>]</span>hertogin hielden zich doodbedaard en wachtten den afloop dier kluchtige waschpartij rustig af. + +</p> +<p>Toen nu de dame met de zeep Don Quichots rimpelige tronie met een vinger dikke laag schuim overdekt had, hield zij zich, alsof +er geen water meer was, en verzocht hare vriendin met de kan, schielijk nog wat te halen, om den edelen ridder niet te lang +daar zoo ingezeept te laten zitten. + +</p> +<p>De dame ging en Don Quichot bleef in de potsierlijkste positie, die men zich voorstellen kan, stijf en onbeweeglijk als een +paal op zijn stoel zitten. Al de aanwezigen staarden hem aan, en nu zij hem daar zoo zagen met zijn langen, bruinen, mageren +hals, met gesloten oogen en wit bepleisterd gezicht, moesten zij zich geweld aandoen, om niet in luid lachen uit te barsten. + +</p> +<p>Nadat de klucht lang genoeg geduurd had, kwam de jonge dame met de schenkkan terug, goot een stroom water over ’s ridders +mager gezicht uit en waschte dat, tot het laatste spatje zeep was verdwenen. Daarop kwam de dame met de handdoeken aan de +beurt, maakte eene eerbiedige buiging voor den natten held en droogde hem heel handig en sierlijk af. Toen dit verricht was, +wilden alle vier de zaal verlaten; doch de hertog riep haar nog bij de deur terug. + +</p> +<p>Hij had zich met dat kluchtig tooneel, waarvan hij volstrekt niets geweten had, evengoed als al de anderen verlustigd, maar +wilde niet, dat de ridder merken zou, dat men hem voor den gek had gehouden. + +</p> +<p>“Komt,” zeide hij tot de dames, “komt en wascht nu mij ook, maar zorgt, dat er niet weer gebrek aan water is.” + +</p> +<p>De ondeugende meisjes begrepen dadelijk, wat de hertog wou, en maakten dus geen zwarigheid, om aan zijn verlangen te voldoen. +Zij naderden zeepten hem met de grootste handigheid in, wieschen hem, droogden hem af en behandelden hem in alles, gelijk +zij den ridder gedaan hadden, behalve dat zij daar nu niet de helft van den tijd toe besteedden. + +</p> +<p>Sancho Panza had deze vreemde ceremonie met groote oogen aangezien. +<span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160">160</a>]</span></p> +<p>“Waarachtig,” mompelde hij, “’k wou, dat het hier te lande gebruik was, ook schildknapen den baard te wasschen, en nog liever +had ik, dat men zijn baard meteen kon afgeschoren krijgen, want de mijne wordt al schrikbarend lang.” + +</p> +<p>“Wat mompelt gij daar, Sancho?” vroeg de hertogin, die merkte, dat hij iets op het hart had. + +</p> +<p>Sancho zeide het haar. + +</p> +<p>“Dan kunt gij geholpen worden,” antwoordde de spotachtige dame. “Mijne hofjuffers zullen u afzeepen en u des noods tot over +de ooren in het zeepsop steken. Hofmeester, draag gij zorg, dat de schildknaap van onzen edelen gast naar zijn wensch bediend +wordt.” + +</p> +<p>De huishofmeester boog zich en verliet met Sancho Panza het vertrek, terwijl Don Quichot nog met den hertog en de hertogin +aan tafel bleef zitten en hen druk over het lief en leed der dolende ridderschap en over de schoonheid zijner doorluchtige +dame Dulcinea van Toboso onderhield. + +</p> +<p>Nog waren zij levendig in gesprek, toen zij op eens luide stemmen en een groot geschreeuw in het paleis hoorden. Zij luisterden, +en de hertog wilde reeds buiten gaan, om naar de oorzaak van dat rumoer te vernemen, toen op eens Sancho Panza in een wonderlijken +toestand en zeer verschrikt kwam binnenstuiven. Hij had een ouden schuurlap als een servet voor en een talrijke troep keukenjongens +en ander volk volgde hem op de hielen. Een van dezen droeg eene tobbe met vuil spoelwater en een ander had een groot stuk +grove zeep. in de hand. Deze beiden wilden den ontstelden schildknaap te lijf en deden al hun best, om hem te wasschen en +zijn baard in te zeepen. + +</p> +<p>“Wat moet dat beduiden, menschen?” vroeg de hertogin. “Wat hebt gij met dezen braven man voor? Weet gij niet, dat mijn gemaal +voornemens is, hem tot de waardigheid van stadhouder te verheffen?” + +</p> +<p>“Mevrouw,” antwoordde de keukenjongen, “wij wilden den heer eenvoudig wasschen, gelijk hier te lande gebruik is en zooals +hij zelf verlangd heeft.” + +</p> +<p>“Ja zeker heb ik!” riep Sancho Panza hevig vergramd; “maar <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161">161</a>]</span>ik wil, dat dit met schoone doeken en niet met oude schuurlappen gebeurt. Wie mij met zulke instrumenten aankomt, heeft te +wachten, dat ik hem den schedel insla.” + +</p> +<p>De hertogin vond Sancho Panza’s gramstorigheid en heel zijn uitzien zoo kluchtig, dat zij ’t wel van lachen uitschateren moest. +De hertog daarentegen zette een zeer ernstig gezicht en hield zich, alsof hij die plagerij ten strengste afkeurde. + +</p> +<p>“Gij zijt schandelijk lomp en vlegelachtig geweest,” wendde hij zich tot den dartelen troep, “en ik vertrouw, dat zulke dingen +niet weer zullen gebeuren. Neemt den heer Sancho die vodden af en maakt, dat gij wegkomt. Ik waarschuw u, dat gij den schildknaap +van dezen dapperen dolenden ridder niet weder reden tot klachten en ontevredenheid geeft.” + +</p> +<p>De knapen meenden, dat hun meester ernstig boos was, ofschoon hij zich alleen zoo hield, om ridder en knecht in den waan te +houden, dat hij hen werkelijk voor dolende helden aanzag. Zij namen den schildknaap de schuurlappen af en dropen stilletjes +af, terwijl Sancho den hertog te voet viel en hem met een vloed van woorden voor zijne welwillende bescherming dankzeide. + +</p> +<p>Thans stond men van tafel op en Don Quichot verwijderde zich, om in zijn koel vertrek een korte middagrust te nemen. De hertog +nam intusschen maatregelen, dat Don Quichot voortdurend als een echt dolend ridder behandeld werd, en stelde zich daar niet +weinig pret en vroolijkheid van voor. + +</p> +<p>Weinig dagen later wenschte de hertog eene groote jachtpartij te houden, en nadat zijne dienaren van al, wat zij te doen zouden +hebben, nauwkeurig onderricht waren, werden Don Quichot en zijn schildknaap van een geheel nieuwe jachtkleedij voorzien. Sancho +trok die aan en was er zeer in zijn schik mee; maar Don Quichot weigerde zulks, zeggende, dat hij zichzelf in geen opzicht +vertroetelen mocht en dus liever zijne zware wapenrusting wilde aanhouden. Hij reed op Rocinante en Sancho Panza in zijn nieuw +pak op zijn ezel, niettegenstaande hem een paard uit des hertogs stallen was aangeboden. Dat hij van zijn geliefd grauwtje +scheiden zou, was immers wat al te veel van hem gevergd. +<span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162">162</a>]</span></p> +<p>De jachthorens schalden en op hun roepstem verscheen de hertogin, als eene koningin uitgedost. Don Quichot reed aan hare zijde +en hield uit pure ridderlijkheid den teugel van haar telganger vast, ofschoon de hertog dit niet toelaten wou, wat hem eene +bijna al te groote beleefdheid en hoffelijkheid toescheen. + +</p> +<p>Na een korten rit kwamen zij aan eene tusschen bergen ingesloten woudstreek, die rondom door jagers was afgezet en waar de +jacht zou gehouden worden. Deze begon met groot alarm, met geschreeuw en geklapper. De honden blaften en huilden, de horens +klonken en ’t was een leven en een rumoer, dat men zijn eigen woorden niet kon verstaan. De hertogin steeg van haar paard +en vatte, met eene korte jachtspies gewapend, post op eene plaats, waar gewoonlijk wilde zwijnen plachten uit te breken. De +hertog en zijn gast volgden haar voorbeeld en dekten haar aan weerszijden. Sancho Panza bleef op eenigen afstand achter hen +op zijn grauwtje zitten, dat hij uit vrees voor mogelijk gevaar niet durfde verlaten. + +</p> +<p>Nauwelijks hadden allen op die wijze hunne posten ingenomen, of zij zagen een zwijn aankomen, dat, door de honden opgejaagd, +grimmig zijne slagtanden wette en de schuimvlokken uit zijn wijden muil liet vliegen. Zoodra Don Quichot het ontdekte, greep +hij zijn schild vaster, tastte naar zijn zwaard en trad een weinig vooruit, om het getergde dier te ontvangen. Datzelfde deed +de hertog, daar hij zijn jachtspies vaster omklemde, en de hertogin volgde hem moedig op den voet. Sancho alleen werd door +schrik overmeesterd bij ’t zien van het geweldig everzwijn. + +</p> +<p>Vol angst liet hij zijn grauwtje in den steek, ging op den loop en deed zijn uiterste best, om een steeneik te beklimmen en +zich tusschen de takken te bergen. Dat gelukte hem echter niet. Toen hij ongeveer de helft van de hoogte bereikt had en naar +een tak greep, om nog hooger te komen, brak die tak tot zijn schrik rits af, en onze arme Sancho tuimelde met een luiden schreeuw +naar beneden. Onder het vallen raakte hij met zijne kleeren aan een anderen tak vast en bleef, zonder dat hij den grond kon +bereiken in de lucht hangen. Zijn jachtkleed scheurde en hij verkeerde in doodelijken angst, dat de ever hem pakken zou. Dus +zette hij een <span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163">163</a>]</span>geduchte keel op en brulde zoo ontzettend, dat ieder die hem hoorde en niet zag, in de verbeelding moest komen, dat een of +ander wild beest hem reeds in zijne klauwen had. + +</p> +<p>Onderwijl werd het wilde zwijn geveld, en Don Quichot keek naar zijn schildknaap om, ten einde hem zoo noodig te hulp te snellen. +Hij kwam op zijn gehuil af en zag hem, met het hoofd naar beneden, de beenen in de lucht, aan den stam van den eik spartelen, +terwijl onder hem, aan den voet des booms, de ezel stond, die zijn meester, naar ’t scheen, in de ure van nood niet verlaten +wilde. + +</p> +<p>Terstond snelde Don Quichot toe en hielp den luchtspringer weer op de been. Bij het zien van zijn gescheurd kleed wrong de +schildknaap de handen, huilde bittere tranen en wilde van de troostwoorden, welke zijn heer hem toesprak, volstrekt niets +hooren. + +</p> +<p>Intusschen werd het gedoode everzwijn op een pakezel geladen en in een groote jachttent gebracht, die midden in het bosch +opgeslagen en waar men met de toebereiding van een kostelijken maaltijd bezig was. Men ging aan tafel en hield tot het vallen +van den avond vroolijk feest. + +</p> +<p>Toen de sterren aan den hemel stonden, verlieten allen de tent en trokken het bosch in, om naar de netten te zien, waarin +het wild gevangen werd gehouden. De nacht was donker en alleen de sterren gaven een zwak en onzeker licht. + +</p> +<p>Op eens scheen het gansche bosch aan alle kanten in lichtelaaie vlam te staan en te gelijk schetterden rondom tallooze horens +en trompetten, alsof een geheel leger ruiterij door het woud trok. + +</p> +<p>De glans van het vuur, verblindde de oogen en het schallend geluid der blaasinstrumenten verdoofde de ooren der omstanders, +en allen schrikten, toen zich onder al dat rumoer nu ook een gillend krijgsgeschrei mengde alsof twee vijandelijke legers +tegen elkaar oprukten. De trompetten schetterden, de klarinetten krijschten, de trommen roffelden, de pauken donderden, de +fluiten gilden, en dat alles gelijktijdig en met zoo doordringend geweld en zoo aanhoudend, dat men wel op staanden voet met +doofheid had willen geslagen zijn. +<span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164">164</a>]</span></p> +<p>De hertog scheen ten hoogste verbaasd, de hertogin schrikte, Don Quichot verwonderde zich en Sancho had wel van angst in den +grond willen zinken. + +</p> +<p>Op eens echter verstomde dat schrikbarend leven, eene diepe stilte volgde, en te gelijk naderde een ruiter in de dracht van +den baardigen Satan, die, in plaats van op een trompet, op een grooten, vreemd gevormden Tritonshoren blies en daar akelig +gillende, snerpende tonen uit te voorschijn bracht. + +</p> +<p>“Wie zijt gij, vriend?” vroeg de hertog den ruiter. “Waar wilt gij naar toe, en welke legerbenden zijn het, die daar door +het bosch trekken?” + +</p> +<p>“Ik ben de Duivel en zoek den dolenden ridder Don Quichot van La Mancha,” antwoordde de ruiter met een stem, die allen omstanders +door merg en been ging. “Het leger, dat daar in aantocht is, bestaat uit zes scharen beroemde toovenaars, die op een triomfkar +de onvergelijkelijk schoone Dulcinea van Toboso medevoeren. Zij nadert betooverd onder geleide van den grijsaard uit de grot +van Montesinos, die den edelen Don Quichot de wijze zal mededeelen, waarop hij de hooge prinses Dulcinea onttooveren kan.” + +</p> +<p>“En al zijt gij tienmaal de Duivel, gelijk uw uitzien verraadt, zoo vrees ik u toch niet,” riep onze dolende ridder. “Zie +op en zie in den man, die hier staat, den onverschrokken Don Quichot van La Mancha voor u.” + +</p> +<p>“Welaan, als gij zelf de persoon zijt, dien gij noemt,<span class="corr" id="xd0e2514" title="Niet in bron">”</span> antwoordde de Duivel, “wacht dan hier de aankomst af van den grijzen Montesinos en van de dame, welke men Dulcinea van Toboso +noemt.” + +</p> +<p>Met deze woorden blies hij op zijn reusachtigen horen, wierp zijn paard om en stoof, zonder des ridders antwoord af te wachten, +in vliegenden galop voort. + +</p> +<p>Allen verwonderden zich over deze boodschap, maar vooral Don Quichot, wien zij dan ook het meest aanging. + +</p> +<p>“Denkt gij de toovenaars, Montesinos en Dulcinea hier werkelijk af te wachten?” vroeg de hertog den held, die in diepe gedachten +stond. + +</p> +<p>“Stellig!” verklaarde Don Quichot met vaste stem. “Onversaagd <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165">165</a>]</span>en onverschrokken wil ik hier wachten, al mocht ook de gansche hel met al hare duivels tegen mij in aantocht zijn.” + +</p> +<p>“En ik wil bij u blijven, heer”, zeide Sancho Panza, terwijl hij, als bescherming zoekend, zich dicht aan hem drong. + +</p> +<p>Onderwijl was het weer donker geworden en begonnen tallooze lichtjes zich door het bosch te bewegen. Zij flikkerden hier en +schemerden daar: men had ze voor groote huppelende dwaallichtjes kunnen <span class="corr" id="xd0e2531" title="Bron: houdden">houden</span>. Toen echter volgde een gerucht en geraas, dat hooren en zien deed vergaan, en te gelijk scheen dieper in het bosch een hevig +gevecht te beginnen. Van alle kanten dreunde het dof gedonder van zwaar geschut en het onophoudelijk knetteren van duizend +en nog eens duizend musketten en geweren. Van dichtbij en uit de verte klonk het geschreeuw der strijdenden, de luide toeroep +der aanvoerders, het gekerm en gekreun der gewonden en stervenden. + +</p> +<p>De trompetten, de horens, de fluiten, de trommen mengden zich daartusschen en veroorzaakten in verband met het kraken en knetteren +van grof geschut en klein geweer een zoo schrikbarend en alle zinnen verbijsterend spektakel, dat Don Quichot al zijn vaak +beproefden moed bijeenrapen moest, om niet het veld te ruimen. De arme Sancho was tegen al die verschrikkingen niet opgewassen. +Half zinneloos van angst en schrik viel hij op den grond en begroef zijn gezicht in de wijde plooien van het kleed der hertogin, +die terstond beval, dat men hem opnemen en een koud-waterbad zou toedienen. Dit gebeurde, en toen de schildknaap weer tot +bezinning kwam, was reeds eene kar genaderd, welker knarsende wielen een scherp piepend, krijschend en gierend geluid voortbrachten, +dat alle gehoorvliezen verscheuren moest. Vier goed gemeste, plompe stieren, met zwarte kleeden behangen, trokken haar. Aan +hunne horens waren dikke, brandende harsfakkels vastgebonden, en op de kar zelve was een hooge zetel aangebracht, waarop een +grijsaard van eerbiedwekkend voorkomen troonde, van wiens kin een lange, sneeuwwitte baard in dichte lokken tot over den gordel +neergolfde. Een wijde mantel van zwarte stof omkleedde zijne forsche ledematen, en twee kleine duiveltjes, zoo verfoeilijk +leelijk, dat Sancho Panza <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166">166</a>]</span>er voor wegkroop, begeleidden hem en waren nagenoeg evenzoo gekleed als hij zelf. Toen die kar tegenover Don Quichot stilhield, +rees de daarin zittende grijsaard van zijne kussens overeind en riep met luider stemme: “Ik ben de wijze Lirgandeo!” + +</p> +<p>Hierop reed die eerste kar door en een ander grijsaard volgde, die bekend maakte, dat hij de wijze Alquife was. + +</p> +<p>Toen verscheen een derde kar, waarin een vierkante, pootige kerel met een bruin, verweerd en brutaal gezicht was gezeten, +die, evenals de vorigen, onder ’t voorbijrijden opstond en met rauwe, schorre en heesche stem uitschreeuwde, dat hij was de +wijdbefaamde toovenaar Arcalaüs, de doodvijand van Amadis van Gallië. + +</p> +<p>Op korten afstand van ons gezelschap hielden de drie karren stil; ’t merg en been verscheurend piepen en gillen hield op en, +in plaats daarvan, lieten zich de smeltende tonen eener uitermate liefelijke muziek hooren, wat Sancho Panza al dadelijk voor +een gunstig voorteeken hield. Een weinig moed krijgende, richtte hij zich op en zeide tot de hertogin: + +</p> +<p>“Waar ze zulke deuntjes spelen, kan geen gevaar wezen, hoogedele doorluchtige mevrouwe!” + +</p> +<p>“En ook niet, waar zooveel licht en helderheid is,” gaf de hertogin hem glimlachend tot bescheid. + +</p> +<p>De muziek klonk nader en nader, en Don Quichot zag nu een kar aankomen, die van buiten geheel den vorm van een Romeinsche +triomfkar had. Zij werd getrokken door zes grauwe muildieren, die met sneeuwwitte dekken van het fijnste lijnwaad behangen +waren. Op elk dier zat eene in het wit gekleede gestalte met een fakkel in de hand; doch op een troon op de kar zelve vertoonde +zich eene dame, in een langen golvenden sluier van zilverstof gehuld, waarop een tallooze menigte gouden sterretjes flonkerden. +Het gelaat der dame was ook wel door een sluier bedekt, maar deze was zoo fijn en doorzichtig, dat men door de plooien heen +een zeer schoon jonkvrouwelijk gelaat kon ontdekken. + +</p> +<p>Naast de dame vertoonde zich eene gestalte in een mantel, die haar van ’t hoofd tot de voeten reikte, terwijl een zwarte sluier +haar gelaat aan het oog onttrok. +<span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167">167</a>]</span></p> +<p>Langzaam kwam die kar op Don Quichot en het verdere gezelschap toe, dat haar met nieuwsgierigheid en de uiterste spanning +opwachtte. Tegenover onzen held hield zij stil; de muziek verstomde en de mannelijke gedaante richtte zich langzaam op. Den +zwarten sluier opslaande, liet zij een ontvleesden schedel met ledige oogholten zien, zoodat men den dood in eigen persoon +meende te aanschouwen. + +</p> +<p>Don Quichot schrikte, Sancho werd doodsbleek en zelfs de hertog en de hertogin staarden met angst en ontzetting de vreemde +huiveringwekkende gedaante aan, die nu met holle, gesmoorde stem de woorden liet hooren: + +</p> +<p>“Ik ben Montesinos en kom in het gevolg der aanminnigheid en schoonheid, om den edelen ridder Don Quichot te verkondigen, +dat zijne hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso kan onttooverd worden, indien Sancho Panza, zijn schildknaap, zichzelf drie +duizend en drie honderd slagen op zijn breeden rug toetelt. En dan moeten die slagen zóó zijn, dat zij wezenlijk pijn, builen +en striemen veroorzaken.” + +</p> +<p>“Lieve hemeltje, dan zou de heele historie op mijn armen rug neerkomen!” riep Sancho Panza. “Niet drie duizend slagen wil +ik mijzelf geven, niet drie honderd, niet eens drie! Wat heeft mijn rug met de betooverde Dulcinea uitstaande? Loop heen! +Als meester Montesinos er geen ander middeltje op weet uit te vinden, dan moet de schoone jonkvrouw vooreerst nog maar wat +betooverd blijven.” + +</p> +<p>“Hoor me zoo’n ondankbaren schelm en deugniet eens!” riep Don Quichot verontwaardigd. “Wacht, man! ik wil je naakt aan een +boom binden, en daar zult ge niet drie duizend drie honderd, maar zes duizend zes honderd zoo wichtige en klappende slagen +toegeteld krijgen, dat men ze drie duizend en drie honderd buksschoten ver hooren kan. Zwijg stil, zeg ik, of ik ruk je dadelijk +de zwarte ziel uit het lijf.” + +</p> +<p>“Bedaar, edele ridder!” sprak Montesinos met holle stem. “De slagen, die de wakkere Sancho Panza doorstaan moet, mogen niet +opgedrongen worden, maar hij moet ze zich zelf geheel vrijwillig toebrengen, en hij heeft vrijheid, om ze op verschillende +tijden <span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168">168</a>]</span>geheel naar eigen goeddunken door te staan. Mocht het zijne verkiezing wezen, ze van eene vreemde hand te ontvangen, dan zal +het getal tot op de helft verminderd worden, ofschoon onder voorwaarde, dat de zweep door eene niet te zwakke vuist worde +gevoerd.” + +</p> +<p>“Dat alles is goed en wel,” riep Sancho, “maar ik laat mij noch door mijn eigen noch door vreemde vuist afrossen, en wil mijn +heer zijne Dulcinea onttooverd hebben, laat hem haar dan zelf onttooveren en zijne magere schouders zoo bont en blauw slaan, +als hij maar verkiest. Ik voor mijn part zal zoo gek niet wezen, om tegen mijn eigen vleesch te woeden.” + +</p> +<p>Op dit woord rees nu eensklaps de vrouwelijke gedaante, die naast Montesinos zat, overeind, sloeg haar doorzichtigen sluier +op en zag den weerspannigen schildknaap met een van verontwaardiging vlammenden blik aan. + +</p> +<p>“Nietswaardige,” riep zij; “man, met uw steenen hart en ziel van graniet, wat groote dingen verlangt men dan van u, dat gij +u verstout, op zulk een toon te spreken? Indien u bevolen werd, van een hoogen toren te springen, of gesmolten lood door te +slikken en met bloote voeten een half uur ver over gloeiende ijzeren platen te gaan, dan zou ik niets zeggen, zoo gij dat +weigerdet; maar om een paar ellendige zweepslagen zoo’n leven te maken, dat noem ik boosaardig en slecht. Roert u dan mijne +bloeiende jeugd en mijne betooverde schoonheid niet? Moet ik altijd en eeuwig als een gemeene boerendeerne omdolen, terwijl +ik toch de schoonste prinses op aarde ben? Schaam u, flauwe lafaard! Schaam u en laat mij niet van hier weggaan zonder den +troost, dat gij u tot mijne onttoovering aan eene lichte boete wilt onderwerpen. En zoo mijn beden en tranen u niet vermurwen, +laat u dan bewegen door de ellendigheid van uwen heer, die van verdriet en hartzeer zal wegkwijnen, zoo gij niet tot een besluit +komt, den schildknaap eens zoo beroemden helds waardig.” + +</p> +<p>“Neen, zoo gek ben ik niet,” bromde Sancho. “Om een ander wil ik mijn eigen vleesch niet mishandelen.” + +</p> +<p>“Vriend Sancho,” sprak nu de hertog, die door het lijden der schoone dame en het ongeluk van den ridder ten diepste geroerd +<span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169">169</a>]</span>scheen, “vriend Sancho, ’t is wel waar, dat ik u een stadhouderschap beloofd heb, maar ik moet u nu ronduit en stellig verklaren, +dat daar niets van komen kan, als gij u zoo halsstarrig en onhandelbaar betoont. Wat zouden mijne onderdanen op het eiland, +dat voor u bestemd was, denken, als ik hun zulk een gruwzamen en hardvochtigen tiran op den hals zond? Neen, neen, Sancho! +Gij moet of uit liefde tot uwen heer u die slagen getroosten, of ge zult het uw leven lang niet tot stadhouder brengen.” + +</p> +<p>“Ei, ei, niet zoo haastig, doorluchtige heer!” antwoordde Sancho op vrij wat onderdaniger toon; “men dient zich op zoo’n ding +toch wel eens te beslapen. Gun mij twee dagen tijd en dan wil ik u nader bescheid geven.” + +</p> +<p>“Dat gaat niet aan!” sprak Montesinos met akelig holle stem. “Hier op staanden voet en binnen vijf minuten moet alles beslist +zijn. Ja of neen—wat zegt gij?” + +</p> +<p>“Zeg ja, beste Sancho!” fluisterde de hertogin den schildknaap toe, die besluiteloos stond, als een ezel tusschen twee bossen +hooi. “Zeg ja, en toon u daardoor dankbaar voor al de goedheid en liefde, die uw dappere heer u tot hiertoe betoond heeft. +Zeg ja, en wees niet bang voor zoo’n beetje pijn.” + +</p> +<p>“Nu, welaan dan,” zei Sancho eindelijk; “daar gij allen mij zoo dringt, wil ik die vracht van drie duizend drie honderd in +’s hemels naam maar op mij nemen. Doch ’t is onder voorwaarde, dat ik ze mijzelf toetellen mag, wanneer en zoo veel of zoo +weinig, als mij op een keer goeddunkt. Daartegenover beloof ik, dat ik mijn best zal doen om zoo gauw mogelijk schoone lei +te krijgen en jonkvrouwe Dulcinea van hare betoovering te verlossen.” + +</p> +<p>“Dat is voldoende,” riep Montesinos. + +</p> +<p>En zoodra hij dat woord over de lippen had, nam de liefelijke muziek van fluiten, harpen en horens weer een aanvang, terwijl +Don Quichot, verrukt over zijne opoffering, zijn trouwen schildknaap om den hals viel en hem onder heete tranen op voorhoofd +en wangen kuste. De hertog, de hertogin en alle verdere tegenwoordigen gaven insgelijks hunne voldoening en tevredenheid te +kennen, en toen de kar zich weer in beweging stelde, boog <span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170">170</a>]</span>Dulcinea eerbiedig het hoofd voor de hertogin en wierp Sancho Panza een allerliefst kushandje toe. + +</p> +<p>Sancho zelf voelde zich een oogenblik volkomen gelukkig, doch had twee minuten later al weer bitter berouw, dat hij zoo gek +geweest was, dat zware pak van drie duizend drie honderd slagen op zich te nemen. + +</p> +<p>Onderwijl begon het in het oosten te schemeren, en allen keerden naar het slot terug, om na de vermoeienissen der jacht en +na al die spannende ontmoetingen een verkwikkenden slaap te genieten. De hertog en de hertogin waren meer dan ooit in hun +voornemen versterkt, om met Don Quichot en zijn schildknaap nog allerlei kluchten en dwaasheden te vertoonen, en stelden zich +daar onbegrijpelijk veel pret en genoegen van voor. + +</p> +<p>Tot opheldering van het pas beschreven avontuur hebben wij alleen maar te zeggen, dat de geheele comedie volgens de beschikking +van den hertog zoo was opgevoerd. Montesinos was de hofmeester van het slot, Dulcinea een knappe jonge page geweest, terwijl +de verschillende talrijke dienaren des hertogs als toovenaars en duivels hadden moeten optreden. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e2599" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XX.</h2> +<h2 class="normal">Het avontuur met het houten paard.</h2> +<p>Eenige dagen verliepen, zonder dat met onze beide helden iets bijzonders was voorgevallen. Op de vraag van de hertogin aan +den schildknaap, of hij met het werk zijner zelfkastijding al begonnen was, antwoordde Sancho toestemmend. +<span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171">171</a>]</span></p> +<p>“En waarmee hebt gij uzelf de slagen toegedeeld?” vroeg zij verder. + +</p> +<p>“Wel, hier met mijn hand,” antwoordde hij. + +</p> +<p>“Ei,” sprak de hertogin, “dan zijn de slagen zeker wat heel zacht uitgevallen, en ik twijfel zeer, of de gestrenge heer Montesinos +daar wel mee zal tevreden zijn. Gij moet eene stevige geeselroede of een dik touw met knoopen nemen, daar voor de verlossing +van eene zoo uitstekende en schoone dame wel wat pijn mag worden geleden.” + +</p> +<p>“Nu, als ’t knijpt en weer knijpt, mevrouw, geef mij dan eene roe, zooals ’t hoort, en dan wil ik mijzelf daarmee kwispelen, +als ’t niet te erg zeer doet. Maar uwe doorluchtigheid mag vrij gelooven—schoon ’k maar een boer ben, zoo is mijn huid toch +even gevoelig als ’t vel van den besten edelman, en mijzelf erg te pijnigen is volstrekt mijn plan niet.” + +</p> +<p>“Goed, goed!” zei de dame lachend; “ge zult morgen eene roe hebben, die net voor je past en je de teêre huid niet al te erg +zal havenen.” + +</p> +<p>Met deze toezegging stelde Sancho zich tevreden. + +</p> +<p>Eenige dagen daarna zaten de hertog en de hertogin na afgeloopen maaltijd met hunne beide gasten in den tuin en spraken over +beroemde ridders van vroeger en later dagen, toen men op eens den schellen, gillende toon van eene fluit en het dof gerommel +van eene oude trom vernam. Geen van allen wist eerst, wat van deze vreemde en onwelluidende muziek te denken, en Don Quichot +werd zoo onrustig, dat hij op zijn stoel heen en weer schoof en van verlangen brandde, om te weten, welk nieuw avontuur hier +voor hem aanstaande was. Sancho zat, als gewoonlijk, weer zoo in angst, dat hij zich zoo dicht mogelijk bij de hertogin hield +en gaarne onder de plooien van haar lang sleepkleed zou zijn weggekropen. + +</p> +<p>Terwijl zij met gespannen verwachting naar de treurige en zwaarmoedige tonen van die muziek luisteren, traden aan het andere +eind van den tuin twee mannen in rouwkleederen binnen, welke laatste zoo lang waren, dat zij ruischend op den grond nasleepten. +<span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172">172</a>]</span>Die mannen sloegen op trommen, die insgelijks met zwart rouwfloers behangen waren. Aan hunne zijde stapte een pijper, en dicht +achter hen volgde een reusachtig lang man, van top tot teen in het zwart gekleed en met een sleep, die ter breedte van wel +ruim tien el het stof van den grond wegveegde. Over zijn kleed droeg hij aan een gordel van zwart leder een verbazend groot +zwaard met zwarten greep en zwarte scheede, en zijn gezicht was met een zwarten sluier bedekt, door welken een dichte, lange, +sneeuwwitte baard heenschemerde. Met deftig afgemeten passen trad hij nader en zette de voeten telkens naar de maat der trommen +neer. Zijne reusachtige figuur, zijne vreemde kleedij en fiere houding brachten allen in de grootste verbazing. + +</p> +<p>Na den tuin doorgegaan te zijn, trad hij regelrecht op den hertog toe, die hem met de overigen staande opwachtte, wierp zich +aan diens voeten neer en wilde met zijne toespraak beginnen, toen de hertog hem beduidde, dat hij geen woord aanhooren zou, +indien hij niet dadelijk weer opstond. De reus rees dus weder overeind, sloeg zijn sluier op en vertoonde zijn gezicht, dat +met den diksten, langsten en witsten baard versierd was, dien ooit een menschelijk oog had aanschouwd. + +</p> +<p>“Doorluchtigste heer en hooge gebieder,” begon hij met eene stem, die zwaar en diep als het rollen van den verren donder uit +zijne breede borst kwam, “mijn naam is Trifaldin met den witten baard, en ik ben stalmeester van de gravin Trifaldi, die met +anderen naam ook Dueña Dolorida genoemd wordt. Op last van haar verschijn ik, om uwe hoogheid een genadig gehoor te verzoeken, +en om te vernemen, of zich hier op het slot ook de dappere en nooit overwonnen ridder Don Quichot van La Mancha ophoudt, om +wiens wille mijne meesteres uit haar koninkrijk Candaya hierheen is gekomen. Zij wacht aan de poort van dit slot en verlangt +slechts uwe vergunning, om binnen te komen en u haar ongehoord ongeluk mee te deelen.” + +</p> +<p>“Mijn waarde stalmeester Trifaldin met den witten baard,” antwoordde de hertog, “wij kennen sinds lang al het ongeluk van +uwe meesteres, de gravin Trifaldi, die alleen door de kunstenarijen <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173">173</a>]</span>van snoode toovenaars Dueña Dolorida genoemd wordt. Meld haar, dat wij haar wachten, en dat zij hier ook den dapperen en vermaarden +ridder van La Mancha zal vinden, van wiens grootmoedige gezindheid zij veilig alle bescherming en bijstand mag hopen.” + +</p> +<p>Bij het vernemen dier blijde tijding boog de stalmeester Trifaldin tot afscheid de knie, wenkte trommelaars en pijper en verwijderde +zich met dezen, even deftig en plechtstatig, als hij gekomen was. Korten tijd daarna verschenen twaalf in ’t zwart gekleede +dames in den tuin en naderden twee aan twee op de maat van de muziek. Achter haar ging de gravin Trifaldi aan den arm haars +stalmeesters. Een zwart kleed golfde om hare leden en drie edelknapen volgden haar, die haar den sleep nadroegen. + +</p> +<p>In de nabijheid van het hertogelijk paar gekomen, schaarden de twaalf dames zich in twee rijen, tusschen welke de gravin doorging, +om zich den hertog te voet te werpen, wat deze natuurlijk wist te verhinderen. Hierop sprak zij met eene eer grove en mannelijke +dan fijne vrouwenstem de volgende woorden: + +</p> +<p>“Doorluchtige heer, eene ongelukkige nadert u, om uwe bescherming in te roepen, die zij meer dan iemand anders ter wereld +noodig heeft. Voordat ik u echter mijn ongeluk vertel, zou ik gaarne weten, of de wereldvermaarde en dappere leeuwenridder +hier is en zijn getrouwen schildknaap Sancho Panza bij zich heeft.” + +</p> +<p>“Hier is Sancho Panza,” riep deze, nu weer moedig voor den dag springend, “en hier is ook mijn heer, de vreeselijkste en dapperste +ridder, die ooit op twee beenen stond. Zeg, wat gij begeert, betreurenswaardige jonkvrouwe Dolorida. Wij zijn steeds bereid, +ongelukkigen te helpen en verongelijkten recht te verschaffen.” + +</p> +<p>Voordat de dame hierop antwoorden kon, trad Don Quichot toe en zeide: + +</p> +<p>“Indien uw leed zich van den arm en de kracht eens dolenden ridders eenige hoop op verzachting durft beloven, dan staat hier +Don Quichot van La Mancha, over wien gij vrij beschikken kunt, zoo gij zijne diensten verlangt. Laat mij dus zonder verwijl +de geschiedenis van uw ongeluk vernemen.” + +</p> +<p>De dame wilde den dapperen ridder de knieën omhelzen; doch <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174">174</a>]</span>hij liet dat niet toe, maar verzocht haar bij herhaling, de oorzaak van haar leed mee te deelen. + +</p> +<p>Zoo vernam hij dan, dat een schandelijke reus en toovenaar, Malambruno geheeten, haar van hare heerlijkheid beroofd en haar +zelve met al hare hofdames op de afschuwelijkste wijze misvormd had door hare gladde blanke gezichten met ruige borstels te +bedekken. + +</p> +<p>Op een wenk der gravin sloegen hare gezellinnen hare sluiers op en lieten tronies zien, die dusdanig met dichte baardharen +begroeid waren, dat Don Quichot een kreet van verbazing uitstiet en zelfs de hertog en de hertogin zich verschrikt afwendden. + +</p> +<p>“Zie, heer ridder,” sprak gravin Trifaldi, “zóó heeft die kwaadaardige booswicht Malambruno ons toegetakeld. ’t Was ons allen +veel liever geweest, als hij ons terstond gedood had en het hoofd afgehouwen. Maar om nu tot de hoofdzaak te komen, moet ik +u zeggen, dat niemand buiten u mij helpen kan, daar nergens op aarde meer een ridder van uwe dapperheid gevonden wordt.” + +</p> +<p>“Nu, aan mijn goeden wil zal het niet ontbreken,” antwoordde Don Quichot. “Beveel, wat ik verrichten moet, en uwe wenschen +zullen oogenblikkelijk vervuld worden!” + +</p> +<p>“Het eenige bezwaar, dat ons in den weg staat,” sprak de gravin, “is de omstandigheid, dat mijn koninkrijk over de vijfduizend +mijlen van hier verwijderd ligt. Zoo gij echter, waaraan ik niet twijfel, moed genoeg bezit, om van eene reisgelegenheid gebruik +te maken, die mij ieder oogenblik ten dienste staat, ben ik in een ommezien geholpen. Ik bezit namelijk het houten paard, +waarop de dappere Pierres de schoone Magalona ontvoerde. Het wordt bestuurd door een kruk, die voor op den kop en ten volle +de diensten van een teugel doet, en daarbij vliegt het met eene lichtheid en snelheid door de lucht, alsof de duivel zelf +het medevoerde. Dit paard is, volgens echte oorkonden, door den grootmeester van alle toovenaars, den grooten Merlin, vervaardigd, +die het aan zijn vriend, den dapperen Pierres ten geschenke gaf. Na dien held heeft niemand het meer bestegen, wijl ieder +vreest er de lucht mee in te gaan. Evenwel is het het makste en beste dier van de wereld. In <span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175">175</a>]</span>een ommezien brengt het zijn berijder in de verst verwijderde werelddeelen, en heeft daarbij het voordeel, dat het noch eet, +noch drinkt, noch slaapt, noch ook zijne hoefijzers afslijt. Voor ’t overige heeft het zulk een aangenamen en lichten gang, +dat men, terwijl men door de lucht vliegt, een boordevolle kom water in de hand kan houden, zonder een droppel te morsen. +Dit was de reden, waarom de schoone Magalona het ook zoo gaarne bereed.” + +</p> +<p>“Nu, wat een zacht en rustig draven aangaat,” zei Sancho, “heb ik zelf een grauwtje, dat het tegen alle telgangers van de +wereld opneemt. Zijn eenige fout is maar, dat hij niet door de lucht kan vliegen.” + +</p> +<p>Allen lachten over Sancho Panza’s dwaze aanmerking, en de gravin ging voort: + +</p> +<p>“Zoo gij bereid zijt, heer ridder, mijne wenschen te vervullen en u aan dat wonderdadig ros toe te vertrouwen, dan zal het +zich op mijn wenk een half uur voor den donker in ons midden bevinden.” + +</p> +<p>“Hoeveel menschen nemen dan plaats op dat paardje?” vroeg Sancho. + +</p> +<p>“Niet meer dan twee,” antwoordde jonkvrouwe Dolorida, ook gravinne Trifaldi geheeten: “Één in den zadel en de ander achterop.” + +</p> +<p>“Ik ben benieuwd, wat naam dat beest heeft,” vroeg Sancho Panza. “Weet gij mij dat ook te zeggen?” + +</p> +<p>“Zijn naam is niet zoo hoogdravend als Pegasus of Bucephalus, of Orelia, maar ’t is een doodeenvoudige, schoon bijzonder passende +naam. Het heet Krukhout de Gevleugelde, omdat het van hout is, omdat het door een kruk bestuurd wordt en omdat het in vlugheid +door geen schepsel ter wereld wordt overtroffen.” + +</p> +<p>“Ei, die naam is zoo kwaad niet en bevalt mij bijzonder goed,” verklaarde Sancho. “Maar waar is de toom of halster, waardoor +’t geregeerd wordt?” + +</p> +<p>“Ik heb al gezegd, dat die kruk zijn teugel is,” antwoordde de gravin Trifaldi. “Al naarmate de ridder, die het berijdt, die +kruk draait, gaat het paard hoog in de lucht op of daalt weer naar de aarde neer, houdt rechts of links, of rechtuit.” +<span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176">176</a>]</span></p> +<p>“Dat moet dan al een bijzonder knap dier wezen en ’k ben verlangend, het eens te zien,” zei Sancho. “Als men zich evenwel +verbeeldt, dat ik daar achterop zal kruipen, dan slaat men den bal glad mis en verwacht peren van den olijfboom. Dat zou me +wat moois wezen! Ik, die mij pas op den zadel van mijn grauwtje kan houden, die toch goed gevuld en zoo week als een kussen +is, zou op de harde houten bonken van een beest gaan zitten, dat met mij de lucht ingaat, zonder dat ik weet, of het ooit +weer op aarde te land zal komen! Neen, neen, voor zoo’n reisje bedank ik!” + +</p> +<p>“Weest gerust, mijne heeren en dames!” zeide Don Quichot, die elk woord van zijn schildknaap verstaan had. “Ik vertrouw zeker, +dat Sancho mij in alles gehoorzamen zal. Had ik den reus nu maar hier! Waarachtig, ik zou hem den kop van den romp houwen, +voordat hij drie kon tellen.” + +</p> +<p>“Geduld, edele ridder, nog korten tijd,” zeide de gravin Trifaldi. “Zoodra de avond komt, zal ook het ros verschijnen, en +gij kunt het dan terstond bestijgen. Dan zal ook mijne ellende haar einde nabij zijn; mijn baard met al de baarden mijner +dames zullen spoorloos verdwijnen, en wij allen zullen u, heer ridder, eeuwige erkentelijkheid verschuldigd zijn.” + +</p> +<p>Zeer spoedig kwam de avond en dus ook de tijd, dat het vliegend paard moest verschijnen. Don Quichot wachtte het met levendig +ongeduld en wilde daaraan reeds in woorden lucht geven, toen op eens vier wilde, met groen klimop in plaats van met kleederen +bedekte mannen in den tuin traden en een plomp houten paard op hunne schouders droegen. Zij zetten dat in de nabijheid van +den ridder behoedzaam op den grond, en een hunner sprak met machtige stem: “Wie moed voelt, die bestijge den Gevleugelden +Krukhout.” + +</p> +<p>“Nu, ik voor mijn part heb geen moed, en zal hem dus niet bestijgen,” verklaarde Sancho op stelligen toon. + +</p> +<p>“Wanneer de ridder, die dit ros bestijgt,” ging de met klimop bekleede man voort, “een schildknaap in zijn gevolg heeft, dan +moet deze achterop stijgen en zijn meester vergezellen. Hij kan daarbij zonder vrees zijn, want hem zal in het minst geen +kwaad overkomen. De ridder heeft niets te doen, dan aan de kruk te <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177">177</a>]</span>draaien, die aan den hals van het paard is aangebracht, en dan zal hij zonder verwijl naar de plaats worden gedragen, waar +Malambruno hem wacht. Opdat echter de ontzettende hoogte, waartoe het paard opstijgen zal, de ruiters niet duizelig make, +moeten zij zich de oogen laten blinddoeken en mogen zij dien doek niet afdoen, voordat het paard luid begint te brieschen. +Dit is het teeken, dat de tocht volbracht is en de ruiters hun doel hebben bereikt.” + +</p> +<p>Na deze woorden bogen zich de mannen in klimop en verwijderden zich met haastigen tred. Dolorida of gravin Trifaldi echter +keerde zich met tranen in de oogen tot den ridder en sprak: + +</p> +<p>“Daar, dapperste aller ridders, is nu Krukhout de Gevleugelde, en niets ontbreekt meer om mij gelukkig te maken, dan dat gij +met uw schildknaap opstijgt en met vroolijk harte den tocht onderneemt.” + +</p> +<p>“Dat zal geschieden, edele vrouwe,” antwoordde Don Quichot, “dat zal geschieden met vroolijk harte en met den besten wil, +om uw wreker te worden en u uwe vroegere schoonheid terug te verschaffen.” + +</p> +<p>“Dan wensch ik u goede reis en behouden overtocht, edele heer,” zeide Sancho Panza. “Ik voor mij zal wel oppassen, dat ik +mij niet in zulk een gevaar begeef, en bedank er voor, daar achter op dat harde hout te zitten. Ik blijf, waar ik ben, of +als ik meega, wil ik de reis op mijn eigen grauwtje doen.” + +</p> +<p>“Sancho Panza,” sprak hierop de hertog op bestraffende toon, “zoo gij uw heer in de ure des gevaars in den steek laat, reken +dan niet, dat gij ooit eene stadhoudersplaats van mij krijgt. Vergezelt gij hem echter, gelijk dat een rechtschapen schildknaap +betaamt, dan zal het stadhouderschap van mijn eiland Barataria uw loon zijn en kunt gij verzekerd wezen van mijne voortdurende +gunst en goedwilligheid. Twijfel niet aan de waarheid dezer verzekering, maar wees overtuigd, dat wat ik zeg ernstig gemeend +is.” + +</p> +<p>“Goed, goed, doorluchtige heer,” zeide Sancho, op wien het beloofde stadhouderschap dadelijk krachtig werkte. “Ik ben een +arme schildknaap en kan anders niet, dan voor uwe genade dankbaar zijn en uwe bevelen gehoorzamen. Laat mijn meester opstijgen, +<span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178">178</a>]</span>laat mij een doek voor de oogen binden, en zeg mij, of ik op onze gevaarvolle reis den hemel en de hertogin aanroepen en hun +krachtigen bijstand vragen mag.” + +</p> +<p>“Gerust, gerust moogt gij dat doen, vriend Sancho,” sprak Trifaldin, de stalmeester. “’t Is niet aan de tooverkracht des duivels +en der helsche geesten, waaraan gij u toevertrouwt, maar ’t is eene eerlijke en behoorlijke tooverij, waartegen de goede geesten +niets inbrengen kunnen.” + +</p> +<p>“Nu welaan, dan ben ik bereid,” zeide Sancho, niet zonder eene zachte trilling in zijne stem. + +</p> +<p>“Waarlijk,” sprak Don Quichot, “ik kan mij niet herinneren, mijn schildknaap, behalve bij dat gedenkwaardig avontuur met de +molens, ooit zoo vreesachtig te hebben gezien, als heden, en indien ik maar wat bijgeloovig was, zou ik dien angst voor een +slecht voorteeken houden. Maar kom eens hier, Sancho! Ik heb u een paar woorden onder vier oogen te zeggen.” + +</p> +<p>Sancho kwam bij hem, en beiden gingen een weinig bezijden af in een boschje. Hier vatte de ridder zijn schildknaap bij beide +handen en sprak: + +</p> +<p>“Waarde vriend Sancho, wij hebben, zooals gij weet, een verren tocht te doen en het is onzeker, hoe lang wij uitblijven zullen. +Daarom wensch ik zeer, dat gij terstond in uwe kamer gaat en u daar vóór ons vertrek nog een vijfhonderd of duizend slagen +van de drie duizend en drie honderd toedient, die tot onttoovering van mijne gebiederes Dulcinea van Toboso noodig zijn. Wat +gedaan is, is gedaan, en gij zult er mij bijzonder door verplichten. Frisch aan het werk dus, mijn vriend, want uitstel leidt +tot afstel en uw woord houden moet gij toch.” + +</p> +<p>“Zoo waar ik leef, heer, ’t is een onverstandig ding, dat gij daar van mij vergt,” antwoordde Sancho. “Hoe kunt gij verlangen, +dat ik mijne krachten ga verzwakken op een tijd, nu ik die zoo bijzonder hoog noodig zal hebben! Waarachtig, ’t is, alsof +ge niet goed bij uw hoofd zijt. Laat ons eerst de gevaarlijke reis volbrengen, en wees dan verzekerd, dat ik mijn uiterste +best zal doen, om den tijd der betoovering voor u af te korten. Ik zal mij dan zoo vlug <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179">179</a>]</span>en handig van mijne verplichting zoeken te kwijten, dat gij in de hoogste mate tevreden zult wezen.” + +</p> +<p>“Nu goed, vriend Sancho, ik wil op uwe belofte vertrouwen,” antwoordde Don Quichot. <span class="corr" id="xd0e2724" title="Niet in bron">“</span>Ik ben van uwe waarheidsliefde zoo volkomen overtuigd, dat ik niet aan uwe woorden twijfelen wil. Kom dan weer mee bij de +overigen, en wij willen ons gereedmaken tot ons vertrek.” + +</p> +<p>Zij keerden terug, en nu zou het vliegend paard terstond bestegen worden. + +</p> +<p>“Bind u nu een doek voor de oogen, Sancho,” zeide Don Quichot. “Wij moeten stiptelijk volbrengen, wat men van ons verlangt.” + +</p> +<p>“Ja, ja, maar doe gij dat maar eerst,” sprak de schildknaap, “Als ik achter zal zitten, dient gij natuurlijk eerst op te stijgen, +en dus heb ik tijd tot gij zelf klaar zijt.” + +</p> +<p>Don Quichot zag het gegronde dezer aanmerking in, haalde zijn zakdoek te voorschijn en verzocht de gravin Trifaldi, hem dien +voor de oogen te binden. Zij deed dat zonder tegenspraak, en nu werd de ridder op den houten rug van het tooverpaard getild. +Toen hij vast zat, onderzocht hij de kruk aan den hals en bevond, dat die zich uiterst gemakkelijk liet omdraaien en bewegen. +Daar de ridder geen stijgbeugels had, hingen zijne magere beenen steil naar beneden en had hij veel van de figuur, welke men +wel soms op oude behangsels ziet en die een Romeinschen triumphator moet voorstellen. + +</p> +<p>Sancho volgde langzaam en met kennelijken tegenzin het voorbeeld zijns meesters en zocht het zich op het achterdeel van het +paard zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Hij vond dat evenwel zoo hard, dat hij den hertog bad, hem toch een sprei of kussen +te doen brengen, daar hij de bezwaarlijke reis anders onmogelijk zou kunnen uithouden. De gravin Trifaldi antwoordde, dat +aan dit verzoek op geene wijze kon voldaan worden, omdat het in Krukhouts aard lag, dat hij niet de minste bedekking kon verdragen. +Om meer gemak te hebben, moest hij dan maar zoo gaan zitten, als vrouwen doen, wat hem zeker wel eenige verlichting zou aanbrengen. +<span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180">180</a>]</span></p> +<p>Sancho Panza volgde dezen raad, nam afscheid van de omstanders en bond zich den doek voor de oogen. Terstond daarna maakte +hij dien echter nog eens weer los, keek met tranen in de oogen rond en verzocht al de achterblijvenden, dat zij toch om hem +zouden denken en zijn grauwtje goed verzorgen. + +</p> +<p>“Lafhartige kerel!” riep Don Quichot hem hierop toe, “staat gij dan al onder de galg of ligt gij op uw uiterste, dat gij de +menschen hier met zulke vragen lastig valt? Bind gauw den doek weer vast en leuter niet van gevaar, zoolang gij u in mijne +tegenwoordigheid bevindt.” + +</p> +<p>Brommend en pruttelend bond Sancho Panza zich nogmaals den doek voor, en toen Don Quichot merkte, dat alles in orde was, greep +hij naar de kruk en draaide die rond op de wijze, die hem was opgegeven. Op ’tzelfde oogenblik verhieven de omstanders hunne +stemmen en riepen hem na: + +</p> +<p>“God geleide u, dapperste aller ridders, met u, onverschrokken schildknaap! Ha, wat vliegen zij! Dat snort als een pijl door +de lucht! Een mensch wordt duizelig alleen van ’t gezicht! Houd u vast, Sancho, en pas op, dat ge niet valt, want ge zoudt +in duizend stukken op den grond komen.” + +</p> +<p>Sancho verstond elk woord, dat hem werd toegeroepen, en klemde zich vol zielsangst vast, waartoe hij beide armen om zijn heer +sloeg. + +</p> +<p>“Hoe zou het toch wel zoo wezen, heer,” vroeg hij, “dat wij alles verstaan, wat die daar beneden ons toeschreeuwen, ofschoon +wij nu toch al zoo hoog in de lucht vliegen? ’t Is net, alsof ze nog dicht om ons toe stonden.” + +</p> +<p>“Breek daar uw hoofd niet mee,” antwoordde de ridder. “Daar deze luchtvaart zoo geheel buiten het bereik der gewone dingen +ligt, zoo moet gij op duizend mijlen afstands kunnen hooren en zien, wat ge maar verkiest. Maar pak mij niet zoo vast, of +ge zult mij nog van het paard trekken. Wat zijt ge toch bang en flauwhartig! Ik begrijp volstrekt niet, hoe ge u zoo angstig +maakt, daar ik zeggen moet, nog nooit een dier bereden te hebben, dat zachter gang heeft. ’t Is waarlijk, of we heel niet +van de plaats kwamen. <span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181">181</a>]</span>Onderdruk uwe vrees dus, mijn vriend, en vertrouw, dat alles goed af zal loopen. De wind is ons gunstig en blaast ons frisch +<span class="corr" id="xd0e2754" title="Bron: inden">in den</span> rug.” + +</p> +<p>“Ja, dat is zoo,” erkende Sancho; “ik voel zoo’n koelte in mijn zij, alsof ’k den wind uit duizend blaasbalgen kreeg.” + +</p> +<p>Sancho Panza had het rechte woord getroffen, want inderdaad waren ’t een paar groote blaasbalgen, die hem van frissche lucht +in overvloed voorzagen. De hertog had alles zoo goed ingericht, dat zelfs de elementen meewerken moesten om de luchtreizigers +in hun waan te versterken. + +</p> +<p>Don Quichot, die ook zijn deel van de aanblazing gehad had, nam na eene poos het woord weer en zeide tegen Sancho: “wij moeten +nu spoedig de tweede luchtlaag bereiken, waar de donders rollen en de bliksems als vurige slangen heen en weer schieten, en +eindelijk, als wij al hooger en hooger klimmen, komen wij in het luchtgebied van het vuur. ’t Is leelijk, dat ik niet weet, +hoe de kruk te draaien om ons zoo ver van dat gebied te houden, dat wij niet verbranden.” + +</p> +<p>Terstond wenkte de hertog nu eenige dienaren, en men warmde de gezichten der luchtreizigers door middel van eenige bossen +vlas, die, aan stokken gebonden, licht vuur vatten en ontvlamden, en ook even gemakkelijk waren uit te dooven. + +</p> +<p>“Ik laat mij villen,” zei Sancho, toen hij die hitte op zijn lichaam bespeurde, “als wij niet al midden in dat vuurgebied +of er althans heel dicht bij zijn. Mijn gezicht gloeit als vuur en ’t zou wel goed wezen, dat ik mijn blinddoek eens afnam, +om te zien, op wat hoogte we eigenlijk zijn.” + +</p> +<p>“Doe dat vooral niet!” waarschuwde Don Quichot. “Denk aan de historie, die eens met zekeren pastoor Torralva is voorgevallen. +De duivels voerden hem op een bezemstok door de lucht mee en hij moest, als wij, zijne oogen toehouden. Binnen de twaalf uren +kwam hij naar Rome en werd in de straat Torre de Nona neergezet, zag het tumult eener belegering, en was den volgenden morgen +al weer in Madrid, waar hij alles vertelde, wat hij gezien had. Onder weg, zoo verklapte hij, hadden de duivels hem bevolen, +de oogen te openen, en toen was hij zoo dicht bij de maan geweest, <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182">182</a>]</span>dat hij haar wel met de hand betasten kon. Maar naar de aarde had hij niet durven kijken, uit vrees van duizelig te worden +en naar beneden te tuimelen; en daarom, Sancho, mogen ook wij onze blinddoeken niet afnemen. Misschien komen wij zoetjes aan +wel zoo hoog, dat wij plotseling op het koninkrijk Candaya neervallen kunnen, als een valk op zijn prooi. In allen gevalle +is Krukhouts vlucht van verbazende snelheid, en ofschoon wij nog pas een half uur uit den tuin weg zijn, kunt gij er staat +op maken, dat wij reeds honderden mijlen achter den rug hebben.” + +</p> +<p>“Hoe het daarmee is, weet ik niet,” bromde Sancho Panza; “maar wel weet ik, dat jonkvrouw <span class="corr" id="xd0e2773" title="Bron: Magelona">Magalona</span>, als ze ’t hier op mijne plaats kon uithouden, zeker vrij grof van huid en van ledematen is geweest.” + +</p> +<p>Al deze woorden werden door het gezelschap in den tuin duidelijk verstaan, en men vermaakte zich er natuurlijk niet weinig +mee. Om echter aan de klucht een einde te maken en heel het vreemde, kunstig aangelegde avontuur met een luisterrijk slot +te kronen, werd thans aan Krukhouts staart eene brandende lont vastgemaakt. Daar spatte nu de gansche buik van het holle paard +met schrikbarend geknetter en gekraak uiteen en deed den dapperen held en zijn schildknaap half verzengd en geheel bedwelmd +en verbijsterd op den grond tuimelen. Van dit oogenblik maakten de gravin Trifaldi en hare medebaarddraagsters, de twaalf +dames, met de meeste verdere toeschouwers haastig gebruik om zich uit de voeten te maken, zoodat zij uit den tuin verdwenen +waren, voordat de gefopten weer uit hunne bedwelming ontwaakten. De overigen wierpen zich op den grond en hielden zich, alsof +zij ook in onmacht lagen. + +</p> +<p>Toen Don Quichot en Sancho na eenigen tijd weer bijkwamen en zich vrij wat gekneusd en gehavend van den grond oprichtten, +keken zij vol bevreemding naar alle kanten rond, daar zij bemerkten, dat zij zich in denzelfden tuin bevonden, waaruit zij +waren opgestegen, en hunne verbazing klom nog, toen zij eenige personen als dood op den grond zagen liggen. Eindelijk zag +Don Quichot aan het eind van den tuin eene lange lans staan, waaraan, met zijden snoeren vastgemaakt, een groot blad wit perkament +hing. Hij ging <span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183">183</a>]</span>daarop toe en ontdekte op het perkament een opschrift in gouden letters, van den volgenden inhoud: + +</p> +<p>“De groote en wereldberoemde ridder Don Quichot van La Mancha heeft het gevaarvolle avontuur ter gunste van de gravin Trifaldi +bestaan alleen reeds door de bedoeling, om het te volbrengen. De gravin en hare dames zijn van hare baarden bevrijd, Malambruno +is dood, en de heerschappij over het koninkrijk is aan de rechte handen teruggegeven. Zoodra de schildknaap Sancho Panza zijne +zelfkastijding volbracht heeft, zal ook de schoone Dulcinea hare vroegere gedaante weder aannemen en in de armen van haren +dapperen ridder en bevrijder snellen. Aldus spreekt Martino, de machtigste aller toovenaars.” + +</p> +<p>Na het lezen van dit opschrift was Don Quichot zeer verheugd, met zoo gering gevaar eene zoo roemvolle daad verricht te hebben, +en zijn hart klopte hoorbaar bij de gedachte, dat hij zijne verhevene Dulcinea thans wellicht spoedig onttooverd zou zien. +Evenwel herstelde hij zich spoedig, bedwong zijne verrukking en trad op den hertog en de hertogin toe, die schijnbaar nog +altijd in diepe onmacht op een groen grasperk lagen uitgestrekt. + +</p> +<p>“Op, op, doorluchtige heer!” riep hij, de rechterhand des hertogs grijpend en duchtig schuddend. “Op, heer, en wees goedsmoeds! +Het avontuur is gelukkig volbracht, zonder iemand schade gedaan te hebben, gelijk gij uit dat getuigschrift daar aan die lans +met eigen oogen zien kunt.” + +</p> +<p>De hertog richtte zich langzaam op en nam den schijn aan, alsof hij uit een diepen slaap ontwaakte. Evenzoo deden de hertogin +en de overigen, en allen hielden zich zoo verbaasd, alsof zij van al het voorgevallene geen sikkepitje wisten. Met nog half +gesloten oogen las de hertog het gouden opschrift, dat hij zelf had opgesteld, en viel toen Don Quichot om den hals, hem met +gelukwenschingen overstelpend en hem wel honderdmaal verzekerend, dat hij de beste ridder was, dien het aardrijk nog ooit +had gedragen. + +</p> +<p>Sancho Panza vroeg intusschen naar de gravin Trifaldi en haar gevolg, en hoorde tot zijne verwondering, dat de geheele schaar +verdwenen was op ’t zelfde oogenblik, toen het vliegend luchtpaard <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184">184</a>]</span>kwam aansuizen en brandend op de aarde was neergevallen. + +</p> +<p>De hertogin vroeg den schildknaap, wat hem op zijne luchtreis al zoo was overgekomen. + +</p> +<p>“Dat wil ik u van stukje tot beetje vertellen, doorluchtige mevrouw,” antwoordde Sancho. “Toen ik voelde, dat wij door de +vuurstreek vlogen, vroeg ik mijn meester, of ik den blinddoek niet wat los mocht maken; maar die verbood mij dat. Daar ik +evenwel zoo erg nieuwsgierig was, lichtte ik den doek toch zoo’n beetje op en keek door de opening bij mijn neus langs naar +de aarde. Van de ontzettende hoogte, waar wij met de snelheid van den razendsten stormwind voortdreven en waar de bliksemstralen +ons maar zoo om de ooren sisten, leek zij mij niet veel grooter dan een mosterdkorrel toe en de menschen, die er op omkrabbelden, +leken mij pas zoo groot als een walnoot. Daaruit kunt gij opmaken, tot wat hoogte wij ’t al gebracht hadden.” + +</p> +<p>“Maar, vriend Sancho,” zei de hertogin met een ernstig gezicht, schoon zij moeite had om haar lachen te verbijten, “als de +aarde u maar zoo groot als een mosterdkorrel toescheen, maar de menschen zoo groot als een walnoot, dan moest immers één mensch +de geheele aarde bedekt hebben?” + +</p> +<p>“Dat zou men wel haast zoo zeggen,” antwoordde Sancho; “maar toch stak er een tipje van uit, en ik zag haar heelemaal.” + +</p> +<p>“Sancho, dat is niet mogelijk,” verklaarde de hertogin. “Als men maar een tipje ziet, kan men onmogelijk het geheel zien.” + +</p> +<p>“Och, ik kan met eene zoo verstandige en voorname dame niet redetwisten,” antwoordde de schildknaap; “maar bij dit alles moet +gij toch in aanmerking nemen, dat hier overal tooverij bij in ’t spel kwam, dat wij met tooverij door de lucht vlogen, en +dat ik door tooverij de heele aarde zien kon, van wat plaats ik ook uitkeek. Indien gij evenwel dit niet gelooft, dan gelooft +gij misschien ook niet, wat mij nog later is overkomen. Kijk, uwe doorluchtigheid, toen ik de oogen opsloeg, streken wij al +zoo dicht bij den hemel langs, dat ik hem haast met de handen aanraken kon. Hij is ontzettend groot, als men hem zoo van nabij +ziet. Verder wou ’t geval, dat wij in de buurt van het zevengesternte <span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185">185</a>]</span>kwamen, en daar ik in mijne jeugd geitenherder ben geweest, kreeg ik lust, om eens eventjes die zeven geitjes toe te spreken. +’t Hing er maar van af, of ik kans zou zien, om van Krukhout te komen. Wat doe ik eindelijk? Ik draai de kruk om, zonder dat +mijn heer er iets van merkt; ons paard staat doodstil; ik wip er af, en houd met de geitjes een praatje van wel drie kwartier +en sprong toen weer achter mijn heer op, zonder dat Krukhout in al dien tusschentijd een poot verzet had.” + +</p> +<p>“Maar wat deed Don Quichot zoolang? Zeg, edele heer, hoe hebt gij u den tijd gekort?” vroeg de hertog. + +</p> +<p>“Daar ik van al de dingen, die Sancho Panza gezien wil hebben, niets merkte, kan ik er ook niets van zeggen. Ik heb mijn doek +geen oogenblik verschoven en dus hemel noch aarde, zee noch land gezien. Wel bemerkte ik, dat wij de streek der winden door +en nabij de streek des vuurs kwamen; maar dat wij het veel verder gebracht hebben, kan ik bezwaarlijk gelooven. In aanmerking +nemende, dat wij niet zonder tot asch te verbranden tot in den hemel, waar de Zeven Geitjes zijn, konden komen, moet ik zelfs +denken, dat Sancho Panza òf gedroomd òf, wat nog veel erger is, schandelijk gelogen heeft.” + +</p> +<p>“Daar kan men licht de proef van nemen,” zeide Sancho Panza met onverzettelijke onbeschaamdheid. “Men heeft mij maar te vragen, +hoe de geitjes er hebben uitgezien. Geef ik onvoldoende antwoorden, maak mij dan maar voor een droomer en een leugenaar uit.” + +</p> +<p>“Kom, beschrijf ons die geiten dan eens; we zijn nieuwsgierig,” zeide de hertogin. + +</p> +<p>“Goed,” antwoordde Sancho. “Twee er van zijn groen, twee rozerood, twee hemelsblauw en een is bontgevlekt.” + +</p> +<p>“Ei, dat moeten dan wel vreemde geiten zijn,” zeide de hertogin. “Bij ons te lande komen ze zoo niet voor en heb ik althans +ze nooit in die kleuren gezien.” + +</p> +<p>“Ik voor mijn part vind het heel natuurlijk, dat tusschen de geiten des hemels en de geiten der aarde een beetje onderscheid +bestaat,” meende Sancho. +<span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186">186</a>]</span></p> +<p>“Maar zeg eens, Sancho, hebt gij onder die geiten ook een bok gezien?” vroeg de hertogin. + +</p> +<p>“Neen, mevrouw, en dat zou mij ook verwonderd hebben, want dan liep hij gevaar van met zijne horens aan de horens van de maan +vast te raken.” + +</p> +<p>Met dit antwoord had men van de stoute leugens van den braven schildknaap vooreerst genoeg. De hertog had zich met het gansche +avontuur kostelijk vermaakt en het had in hem den lust opgewekt om de klucht nog wat verder te laten voortspelen. Voortaan +had hij het hoofdzakelijk op Sancho Panza gemunt, die toch eindelijk zijn gehoopt stadhouderschap moest aanvaarden. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e2829" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XXI.</h2> +<h2 class="normal">Sancho Panza op het eiland Barataria.</h2> +<p>Nadat de hertog zijn plan ontworpen en aan zijne talrijke bedienden de noodige bevelen en aanwijzingen gegeven had, liet hij +op een dag, korten tijd na die wonderbaarlijke luchtvaart<span class="corr" id="xd0e2836" title="Bron: ;">,</span> Sancho Panza roepen en kondigde hem aan, dat hij zich toerusten en klaar houden moest, om zijne waardigheid als stadhouder +te aanvaarden, daar zijne aanstaande onderdanen al zoo naar hem verlangden, als het dorre land naar den Meiregen. + +</p> +<p>Sancho Panza boog zoo diep, dat zijn neus bijkans den grond raakte, en zeide: “Heer, sinds ik tot de Zeven Geitjes opsteeg +en daar de aarde zoo klein en nietig aan mijne voeten zag liggen, is de begeerte om stadhouder te worden een weinigje afgekoeld. +Indien uwe hoogheid mij een klein brokje hemel verkoos te geven, zou <span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187">187</a>]</span>ik dat liever nemen, dan het grootste eiland van den aardbodem.” + +</p> +<p>“Vriend Sancho,” antwoordde de hertog, “gij weet wel, dat ik zoo hoog in de lucht over niets te zeggen heb, en dat ik u daar +dus ook geen stadhouderschap kan aanbieden. Ik geef u, wat ik in staat ben te geven: een vruchtbaar, kostelijk bebouwd, fraai +en volmaakt eiland, waar gij overvloedig gelegenheid zult vinden om u met schatten te verrijken.” + +</p> +<p>“Nu, komaan,” sprak Sancho, “om uwe doorluchtigheid pleizier te doen, wil ik dan zoo’n stadhouder worden; ’t is anders niet +eerzucht, die mij aandrijft mijn nederigen stand te verlaten, maar alleen de begeerte om goed te doen en te vernemen, hoe +zulk een stadhouderschap eigenlijk smaakt.” + +</p> +<p>“Ei, als ge daar eens van geproefd hebt, zult ge er heel den tijd van uw leven alle tien vingers naar likken,” meende de hertog. +“Geen heerlijker ding, dan te bevelen en nergens verzet of weerspannigheid te vinden. Morgen al zult gij op reis gaan, en +van avond nog krijgt gij uwe ambtskleeding en wat meer tot uwe uitrusting behoort.” + +</p> +<p>Sancho Panza boog andermaal als een knipmes en ging heen, om aan zijn meester het groote nieuws te verkondigen, dat hem zoo +pas was meegedeeld. Don Quichot gaf hem de beste lessen en vermaningen, en Sancho hoorde hem zoo aandachtig aan, dat de ridder +van zijn zoo op eens tot eene hooge waardigheid verheven schilddrager de beste verwachtingen opvatte. + +</p> +<p>En nu kwam de dag tot vertrekken en ging Sancho Panza met een talrijk gevolg op weg. Hij droeg de kleeding van een geleerde +en daarover een mantel van donkerblauw laken. Op een muildier zat hij, en zijn grauwtje, met splinternieuw tuig en zadel, +werd hem nageleid, daar hij van dat trouwe dier onmogelijk kon scheiden. Hij was zoo tevreden en gelukkig, dat hij op dat +oogenblik niet met den keizer van China had willen ruilen. + +</p> +<p>Na eene korte reis kwam Sancho Panza met zijn gevolg in een stadje met ongeveer duizend inwoners aan, dat eene der aanzienlijkste +bezittingen van den hertog was. Men maakte hem wijs, dat dit het eiland Barataria was; en alhoewel Sancho nog over geen water +was <span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188">188</a>]</span>gekomen, zoo nam hij die verzekering toch voor goede munt op en brak er verder zijn hoofd niet mee. + +</p> +<p>Toen hij de poorten der kleine stad naderde, die met een ringmuur omgeven was, kwamen hem raad en overheid plechtig te gemoet, +om hem te verwelkomen. De klokken werden geluid, het volk juichte en jubelde, en met veel staatsie werd hij naar de hoofdkerk +geleid, om voor zijne verheffing te danken, de sleutels der stad te ontvangen en zich in zijne volle waardigheid den volke +te vertoonen. + +</p> +<p>De figuur, de dracht, de geheele houding en de manieren van den nieuwen stadhouder wekten bij allen, die niet in het geheim +van den hertog waren ingewijd en dus de geheele ceremonie voor ernst moesten houden, niet weinig verbazing. Nadat de plechtigheid +in de kerk was afgeloopen, bracht men hem buiten, deed hem plaats nemen op den rechterstoel, en de huishofmeester van den +hertog, die het geheele kluchtspel bestuurde, sprak hem aan als volgt: + +</p> +<p>“Eerwaarde heer stadhouder, het is een overoud gebruik op het eiland, dat ieder, die er bezit van neemt, verplicht is eene +vraag te beantwoorden, die zeer moeielijk en ingewikkeld is. Dit gebruik heeft geen andere bedoeling, dan om den bewoners +al dadelijk een proefje van de scherpzinnigheid van den nieuwen regent te geven. Uit diens antwoord mogen zij dan opmaken, +of zij over zijne aankomst zich te verheugen of wel te beklagen hebben.” + +</p> +<p>“Ei, als dat zoo is, kom dan maar met uwe vraag voor den dag, heer huishofmeester,” antwoordde de nieuwe stadhouder. “Ik wil +haar beantwoorden, zoo goed als ik maar kan, en dan moet het volk zelf weten, of ’t lachen of huilen wil.” + +</p> +<p>Op dit oogenblik traden twee mannen in de rechtszaal, van wie de een als boer was gekleed en de ander zich door de groote +schaar, die hij in de hand hield, als snijder deed kennen. + +</p> +<p>“Heer stadhouder,” begon deze laatste, “ik en die boer hier komen om eene netelige zaak voor uwen rechtsstoel. Deze goede +vriend namelijk kwam gisteren in mijne werkplaats, hield mij een lap laken voor en vroeg mij, of ik kans zag, daaruit eene +muts <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189">189</a>]</span>voor hem te maken. Ik bekeek het laken van alle kanten, keerde ’t om en om, berekende de lengte en de breedte, en toen zei +ik eindelijk: “Ja, dat zou ik wel kunnen.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p188.jpg" alt="De nieuwe stadhouder Sancho Panza ontvangt de sleutels der stad." width="481" height="720"><p class="figureHead">De nieuwe stadhouder Sancho Panza ontvangt de sleutels der stad.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>“Nu dacht het boertje zeker, dat ik hem een stuk van het laken ontstelen wou of stilletjes in de hel wegmoffelen, en dus vroeg +hij mij, of ’t niet mogelijk was, twee mutsen van het stuk te maken. + +</p> +<p>“Ik had dat gauw in den neus, en zei ja. Daarop verlangde de boer al meer mutsen, en al meer, en dat van dit ééne lapje laken, +totdat we ’t eindelijk over vijf stuks eens werden, die ik hem beloofde te maken. Voor een uur komt hij bij mij, om ze af +te halen, en ik geef ze hem. Maar toen hij nu de mutsen ziet, wil hij mij er geen maakloon voor geven en verlangt zelfs, dat +ik hem zijn laken zal betalen of ’t hem heel en gaaf, zooals ’t geweest is, teruggeven.” + +</p> +<p>“En wat hebt gij nu te zeggen, vriendje?” keerde Sancho zich tot het boertje. “Is alles zoo, als de snijder zegt?” + +</p> +<p>“Ja, daar kan ik niets tegen zeggen,” antwoordde de man. “Maar laat u nu eens de vijf mutsen toonen, die de gauwdief gemaakt +heeft.” + +</p> +<p>De snijder stak op den wenk van den stadhouder zijne hand onder den mantel en, toen hij die weer voor den dag haalde, zag +men vijf mutsjes, die hij op de vijf vingertoppen van zijne hand had gestoken. + +</p> +<p>“Hier is,” zeide hij, “wat die man van mij verlangde, en ’k mag hier door den grond zinken, als ik ook maar een enkelen draad +van ’t laken voor mij heb gehouden.” + +</p> +<p>Al de toeschouwers lachten over die onnoozele poppenmutsjes en over heel de kluchtige rechtzaak. Sancho Panza echter dacht +een poosje stil na en sprak toen: + +</p> +<p>“Ik geloof niet, dat tot het uitwijzen van deze rechtspraak veel wijsheid en geleerdheid noodig is, en ik beroep mij dus enkel +en alleen op het gezonde menschenverstand. Mijn vonnis luidt aldus: “De snijder, omdat hij den boer opzettelijk bij den neus +nam, verliest zijn maakloon; maar de boer verliest zijn laken, omdat hij, volgens zijne eigen bekentenis, vijf mutsen heeft +besteld. De mutsen echter houd ik tot vergoeding van de rechtskosten.”<span class="corr" id="xd0e2892" title="Niet in bron">”</span> +<span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190">190</a>]</span></p> +<p>Deze beslissing verwekte een algemeen gelach; maar men hield zich aan het vonnis van den stadhouder, en de zaak was hiermee +afgeloopen. + +</p> +<p>Nauwelijks was weer stilte gevolgd, of daar traden twee oude mannen in de zaal, van wie de een op een dikken rietstok leunde. +De ander, die geen stok bij zich had, trad voor en sprak: + +</p> +<p>“Gestrenge heer, voor eenigen tijd leende ik dezen man, uit goedwilligheid en om hem te helpen, tien goudguldens, eenvoudig +onder voorwaarde, dat hij mij die som terug zou betalen, zoodra ik die opeischte. Ik liet een geruimen tijd verloopen, voordat +ik het mijne terugvroeg. Daar echter de man volstrekt niet aan terugbetaling scheen te denken, sprak ik hem eindelijk aan +en verlangde het geleende geld terug. Toen hield hij zich erg boos en hield vol, dat ik hem nooit uit de verlegenheid had +geholpen, en al was dat zoo, dan had hij de schuld al lang afbetaald. Nu heb ik noch een getuige, dat ik hem de tien goudguldens +leende, noch ook een getuige, dat ik ze weerom kreeg, want hij heeft ze werkelijk niet terugbetaald, en ik verzoek u dus, +dat gij den leugenaar den eed moogt afnemen. Als hij zweert, dat hij mij het geld terugbetaalde, dan wil ik daar in ’s hemels +naam in berusten.” + +</p> +<p>“Wat zegt gij van dit geval, gij oude met den stok?” vroeg Sancho. + +</p> +<p>“Ei,” antwoordde deze, “ik ontken niet, dat hij mij dat geld geleend heeft, maar ik ben evenzeer bereid, er een heiligen eed +op af te leggen, dat ik de tien goudguldens weer in zijne handen gaf en hem dus wis en waarachtig betaalde.” + +</p> +<p>De stadhouder verlangde nu, dat de oude den eed afleggen zou, en deze was daar dadelijk toe bereid. + +</p> +<p>“Houd gij zoolang mijn stok vast,” zeide hij tot den eischer en reikte hem den stok toe. Hierop stak hij zijne rechterhand +op en legde den verlangden eed af, dat hij de tien goudguldens in de handen van zijn schuldeischer had teruggegeven. + +</p> +<p>“Nu welaan,” zeide de eischer, “dan moet mijn zwak geheugen mij bedrogen hebben, en ik wil mij dus tevredenstellen.” + +</p> +<p>De beschuldigde nam zijn stok weder aan en beide partijen verlieten de gerechtszaal. +<span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191">191</a>]</span></p> +<p>Toen nu Sancho het bescheiden gedrag en de toegevendheid van den een en de onbeschaamdheid van den ander bemerkte, liet hij +zijn hoofd op de borst zakken, legde den wijsvinger aan den neus en dacht een oogenblik na. Op eens richtte hij zich op, wierp +het hoofd in de hoogte, alsof hij een licht zag opgaan, en beval, dat men de partijen terstond terug zou roepen. Men bracht +hen dus weder in de zaal, en Sancho sprak: + +</p> +<p>“Hoor eens, oude met den stok, geef mij dien rotting eens eventjes hier.” + +</p> +<p>“Met genoegen,” zei de man en gaf den stok over. + +</p> +<p>Sancho nam dien, reikte hem den eischer toe en zeide tot dezen: “Ga nu in vrede, want thans zijt gij in waarheid betaald.” + +</p> +<p>“Hoe zoo dat?” vroeg de man verwonderd. “Dit ding is toch geen tien goudguldens waard?” + +</p> +<p>“Dat is het wel,” sprak Sancho, “of zeg anders, dat ik een ezel en een stommerik ben. Ziet toe, menschen, en oordeelt, of +ik verstand genoeg heb, om uw stadhouder te blijven. Breek me dien stok eens midden door.” + +</p> +<p>De stok werd in tweeën gebroken, en tot verbazing van alle verzamelden bleek, dat hij van binnen hol was en de tien goudguldens +bevatte, waarover men twist had gevoerd. Iedereen verwonderde zich en hield Sancho Panza voor een tweeden Salomo in wijsheid. +Men vroeg hem, hoe hij op de gedachte was gekomen, dat het geld in den rotting kon wezen. + +</p> +<p>“Dat zal ik u vertellen,” antwoordde hij. “Toen die bedrieger zijn beschuldiger den stok gaf, terwijl hijzelf den eed aflegde, +vermoedde ik eene list en begreep ik, dat in den rotting de betaling moest wezen.” + +</p> +<p>Toen deze eerste rechtszitting zoo roemrijk en glansrijk voor hem was afgeloopen, werd Sancho Panza naar een prachtig paleis +geleid, waar in eene fraaie zaal een kostelijk middagmaal bereid stond. + +</p> +<p>Terstond bij zijn binnentreden liet zich eene liefelijke muziek hooren en traden vier pages toe, om hem een zilveren waschbekken +voor te houden, waarin hij met veel zwier zijne handen waschte. Toen verstomde de muziek en Sancho Panza nam aan de rijkbezette +<span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192">192</a>]</span>tafel plaats. Hij moest evenwel alleen zitten, want er was maar één stoel en ook maar voor één persoon gedekt. Achter hem +vatte een personage post, die een baleinen stokje in de hand had en zich weldra als lijfarts deed kennen. + +</p> +<p>Men tilde een sneeuwwit laken op, waarmede al de kostelijke gerechten overdekt waren. Een jong mensch, die zeer veel van een +student had, deed het tafelgebed; een page bond den stadhouder een kostbaar, rijk met kanten omzoomd servet om den hals, en +de kok zette een schotel voor hem, waaruit hem een heerlijke geur tegensloeg. + +</p> +<p>Een honger als een paard hebbende, liet Sancho een begeerigen blik over de tafel gaan, verheugde zich in den geest over de +genietingen, die daar voor zijn oog uitgebreid lagen, en wilde op den eersten hap uit dien eersten schotel juist een tweeden +laten volgen, toen men hem ’t lekker gerecht met de grootste snelheid voor den neus wegnam en hem een anderen schotel voorzette. + +</p> +<p>Onze gewezen schildknaap verwonderde zich over dit vreemde doen en wou op den nieuwen schotel een aanval wagen, toen de dokter +achter hem zijn zwart stokje uitstak en op dien schotel tikte. Als een havik uit de wolken schoot nu een page toe, pakte den +schotel evenals den eersten weg en was daarmee, voordat de onthutste stadhouder een, twee, drie kon tellen, de deur uit. + +</p> +<p>Sancho zette een gezicht als een oorworm, keek de omstanders stijf aan en vroeg op hoogen toon, wat voor goochelaarskunsten +’t waren, dat men hem het eten zoo voor den neus wegkaapte. + +</p> +<p>“Heer stadhouder,” zeide hierop de lijfarts op plechtigen toon, “gij moet hier te lande eten, zooals het gebruik dat voorschrijft. +Ik ben de lijfarts van uwe genade en word betaald, om u naar behooren te bedienen. Ik zorg voor uwe gezondheid meer dan voor +mijn eigene, want ik studeer dag en nacht, om uw lichaamsgestel te leeren kennen en u, mocht ge eens ziek worden, te kunnen +bijstaan en genezen. Vooral echter moet ik het oog op uwe maaltijden houden en toezien, dat gij u de maag niet bederft. Ik +mag u alleen dingen laten gebruiken, die ik weet, dat u niet schaden kunnen. Al ’t overige moet ik met mijn stokje aanraken +en buiten <span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193">193</a>]</span>uw bereik laten brengen. Daarom gelastte ik, den eersten schotel weg te nemen, omdat hij te verkoelend is, en de tweede schotel +moest verdwijnen, omdat hij te veel verhit en te veel kruiderijen bevat, die den dorst aanzetten. Wie echter te veel drinkt, +mag nimmer op een lang, gelukkig en gezond leven rekenen.” + +</p> +<p>“Nu,” bromde Sancho, “laat mij dan toch eens van die gebraden patrijzen proeven. Die kunnen toch wis en waarachtig geen kwaad.” + +</p> +<p>“Ja, zeker wel,” riep de lijfarts; “zoolang ik in leven ben, zal mijnheer de stadhouder daar geen sikkepitje van over de lippen +krijgen.” + +</p> +<p>“En waarom dat niet?” vroeg Sancho Panza driftig. + +</p> +<p>“Omdat,” antwoordde de dokter met de grootste bedaardheid, “omdat ons aller meester Hippocrates, de grootste medicijnmeester +van alle tijden, met wijsheid gezegd heeft: <i lang="la">Omnis saturatio mala, perdix autem pessima</i>; wat op zijn plat Spaansch beteekent: Men mag zijn maag niet volstoppen, en te veel patrijs eten is de pest.” + +</p> +<p>“Als dat waar is, zoek dan zelf uit, wat goed en dienstig voor mij is, maar poets dan de plaat en laat mij rustig eten, zonder +steeds met dat verwenschte zwarte stokje te wijzen, want, zoo waar als ik leef, ik ben flauw van honger. Eten moet de mensch, +en die heel niets gebruikt, zal eer aan zijn einde komen, dan die zich tienmaal op een dag de maag bederft.” + +</p> +<p>“Hoogst wijs en verstandig gesproken, heer stadhouder,” zeide de dokter; “en ’k wil dus eens zien, wat hier voor uwe genade +al zoo dienstig is. Deze gestoofde konijntjes zijn een geducht zwaar eten, en gij moet ze maar stilletjes laten staan. Dit +kalfsvleesch zou beter gaan; maar tot mijn spijt zie ik, dat het bijzonder vet is, en dus deugt het volstrekt niet voor uwe +genade.” + +</p> +<p>“Maar daar dampt nog een groote schotel, zeker met olla podrida; geef dien hier, want onder al de dingen, die in zoo’n hutspot +komen, is zeker toch wel een, dat goed voor mij is.” + +</p> +<p>“In geen geval!” antwoordde de lijfarts. “Zoo’n olla podrida is ’t ongezondste en onverteerbaarste, dat op de wereld te bedenken +is. ’t Is een kost voor boeren en schippers; maar op de tafel van een stadhouder mogen alleen de fijnste, onschuldigste, uitgezochtste +hapjes verschijnen. ’k Moet uwe genade dus ernstig raden, liever <span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194">194</a>]</span>een paar van deze beschuitjes met wat kweegelei te nemen. Dit laatste vooral verwarmt de maag, bevordert de spijsvertering +en is dus bijzonder aan te bevelen.” + +</p> +<p>Bij het vernemen van deze woorden wierp zich Sancho Panza in zijn stoel achterover, keek den dokter een poosje stijf in de +oogen en vroeg hem toen zeer ernstig, hoe hij heette en waar hij gestudeerd had. + +</p> +<p>“Mijn naam, heer stadhouder,” antwoordde de arts, “is Pedro Recio d’Aguero, ik ben geboren te Tirteafuera en heb aan de hoogeschool +van Osuna gestudeerd.” + +</p> +<p>“Goed, goed! heer dokter Pedro Recio,” barstte Sancho Panza thans woedend los, “goed, goed! Maar ik zeg u nu: maak oogenblikkelijk, +dat ge weg komt, of ’k zweer, een stok te zullen nemen, en je daarmee zoo lang te ranselen, als mijn arm ’t maar uithouden +kan. Van een verstandigen en billijken dokter wil ik raad aannemen, maar niet van een domkop, als gij zijt. Ga, zeg ik! Scheer +je dadelijk de deur uit, of ik neem dezen stoel en sla hem op je dommen schedel in duizend stukken. Geen mensch zou een woord +zeggen, als ik een dokter ombracht, die beul en dwingeland over anderen wil wezen. Marsch, zeg ik nog eens, en geeft mij te +eten, of loopt met heel dit stadhouderschap naar de maan! Een ambt, dat zijn meester niet genoeg te eten geeft, is geen knip +voor den neus waard, en ik althans dank er voor.” + +</p> +<p>Toen Sancho zich zoo geweldig boos maakte, kreeg de dokter een schrik op het lijf en wou reeds heengaan, toen het luid schetteren +van een posthoren hem nog even deed wachten. De hofmeester trad aan het raam, keek naar buiten en zeide: “Heer stadhouder, +daar komt een bode van den hertog, die zeker gewichtige tijding brengt.” + +</p> +<p>“Laat hem binnenkomen!” beval Sancho. + +</p> +<p>Met zweet bedekt en half buiten adem trad de postiljon binnen, haalde een brief uit zijn tasch en reikte dien den stadhouder +over, die den hofmeester beval, het adres voor te lezen. + +</p> +<p>Dit luidde: “Aan Don Sancho Panza, stadhouder van het eiland Barataria. Eigenhandig of door den secretaris te openen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195">195</a>]</span></p> +<p>“Wie is hier mijn secretaris?” vroeg Sancho, na het adres te hebben vernomen. + +</p> +<p>“Ik, genadige heer,” antwoordde een der aanwezigen en trad voor. “Ik kan lezen en schrijven en ben een Biscayer.” + +</p> +<p>“Nu, als dat waar is, dan kunt gij secretaris zelfs van den keizer zijn. Maak nu dien brief open en vertel mij wat er in staat.” + +</p> +<p>De secretaris gehoorzaamde. Nadat hij zich met den inhoud van den brief had bekend gemaakt, zette hij echter een zeer bedenkelijk +gezicht en zeide, dat het schrijven eene zaak van het uiterste gewicht betrof, die in het diepste geheim moest behandeld worden. + +</p> +<p>Sancho liet nu dadelijk allen, op den hofmeester en den secretaris na, de zaal verlaten, en verzocht den laatste vervolgens, +den brief hardop voor te lezen. + +</p> +<p>“Mij is ter oore gekomen,” luidde de brief, “dat eenige woedende vijanden een aanval op het eiland Barataria voorhebben, en +ik raad u dus, vriend Sancho Panza, toch vooral waakzaam en op uwe hoede te zijn. Ook heb ik vernomen, dat vier personen, +die uwe wijsheid vreezen, eene samenspanning gemaakt hebben, om u van het leven te berooven. Houd dus uwe oogen open en eet +niet van de spijzen, die men u voorzet. Ingeval gij in nood mocht geraken, zal ik u te hulp komen. Handel voor het overige, +gelijk men dat van iemand van uw verstand verwachten kan, en wees gegroet. + + +</p> +<p style="text-indent: 4em; ">De hertog.” +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De stadhouder hoorde van dit schrijven niet weinig vreemd op en ook de anderen konden hunne verwondering niet verbergen. + +</p> +<p>“Wat moeten wij dan doen?” vroeg Sancho, zich tot den hofmeester keerend. “Ik voor mij ben er voor, dat wij in de eerste plaats +en zonder alle verwijl dien heer dokter Recio in eene diepe gevangenis werpen, omdat juist hij pogingen gedaan heeft, om mij +aan den pijnlijksten en akeligsten dood, den hongerdood namelijk, over te leveren.” + +</p> +<p>“Ja, maar nog noodiger reken ik, dat gij van al de gerechten, die hier op tafel staan, geen brok aanroert, heer stadhouder,” +zeide de hofmeester.<span class="corr" id="xd0e3007" title="Bron: ”"></span> +<span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196">196</a>]</span></p> +<p>“Gij maakt u zeker al te bezorgd, heer,” bromde Sancho Panza; “maar toch wil ik uw raad opvolgen en niets gebruiken, dan een +paar wijndruiven en een stuk brood. Geeft beiden hier, want ik val wezenlijk flauw van honger, en als wij ons, zooals de hertog +schrijft, tot een veldslag moeten gereedhouden, is ’t bovenal noodig, dat wij ons hart en onze ledematen door krachtig voedsel +sterken. De buik draagt het hart, zegt het spreekwoord, en niet het hart den buik. Gij, heer geheimschrijver, moogt den hertog +antwoorden, dat wij zijne orders stipt opvolgen en niets verzuimen zullen, om zijne gunst en genade waardig te blijven. Nu +weg met dat tafellaken, en geeft mij wat krachtigs tot hartsterking! Later zal ik ’t met alle schelmen, spionnen en moordenaars +klaarspelen, al kwamen ze bij scheepsladingen vol naar ons eiland over.” + +</p> +<p>Op dit oogenblik trad een edelknaap in de zaal en berichtte, dat verscheidene partijen buiten stonden, om de gerechtigheid +van den heer stadhouder in te roepen en zijne beslissing over verschillende twistvragen te hooren. Zuchtend bleef Sancho zitten +en liet de menschen komen, welker verhalen hij met het grootste geduld aanhoorde. Zoo goed als hij kon, deed hij uitspraak +in de verschillende gevallen en zocht iedereen naar zijn beste vermogen tevreden te stellen. + +</p> +<p>Eindelijk viel de avond, en nu eerst was Sancho vrij van zaken en hield, zonder door de wijze vermaningen van den lijfarts +gestoord te worden, een duchtigen avondmaaltijd. Na afloop daarvan bekroop hem de lust om eens iets van het eiland te zien, +en ging hij dus met den hofmeester, den secretaris, den kroniekschrijver en een talrijk gevolg van gerechtsdienaars en schrijvers +op weg. Sancho Panza met den staf, die zijne waardigheid aanduidde, stapte in het midden en wel met zooveel deftigheid, dat +tot de kleinste kinderen eerbied en ontzag voor hem kregen. Na zoo eenige straten doorgekuierd te zijn, vernamen zij een luid +degengekletter, snelden daarop toe en bemerkten twee mannen, die woedend op elkaar inhieuwen, en eerst toen zij de hooge overheid +zagen naderen, hun grimmig gevecht staakten. + +</p> +<p>“Hierheen, mijne heeren!” riep een der vechtenden het hooge <span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197">197</a>]</span>gezelschap toe. “Men heeft mij willen berooven en op de publieke straat aangevallen.” + +</p> +<p>“Stil, stil, goede man,” antwoordde Sancho. “Zet maar zoo’n keel niet op en vertel mij de oorzaak van uwe ruzie. Ik ben de +stadhouder en zal dat appeltje wel zien te schillen.” + +</p> +<p>De tweede kampioen nam terstond het woord en zeide: “Heer, gij moet weten, dat deze knaap daar zoo pas in een speelhuis over +de duizend realen heeft gewonnen. Ik was daarbij en besliste in twijfelachtige gevallen meermalen in zijn voordeel. Toen hij +nu opstond, verwachtte ik, dat hij mij uit dankbaarheid eenige realen in de hand zou stoppen; doch hij streek zijn geld op +en ging heen, zonder zelfs naar mij om te zien. Ik volgde hem en verzocht hem, mij althans acht realen af te staan, daar ik +een arme drommel ben en dat geld opperbest kan gebruiken. Maar nu wou die schraalhans mij maar vier realen geven, waaruit +uwe genade zien kunt, wat een gemeene en onbeschaamde rekel hij is. Ik maakte mij boos over zijne inhaligheid, wij kregen +harde woorden en ’t einde van ’t lied was, dat wij de degens trokken en elkaar te lijf gingen.” + +</p> +<p>“En wat hebt gij van uwen kant te zeggen?” vroeg Sancho Panza den anderen rustverstoorder. + +</p> +<p>“Ik moet erkennen, dat die sinjeur over het geheel de waarheid heeft gesproken,” antwoordde gene. “Ik wou hem niet meer dan +vier realen geven, omdat hij al vaak genoeg nog meer heeft gekregen en dus alles zoo nauw niet rekenen moest. En dat ik hem +zijn zin niet gaf, is het beste bewijs, dat ik geen gauwdief ben, want gauwdieven zorgen wel, dat zij een ander, die hun in +de kaart kijkt, met geld en goede woorden den mond stoppen.” + +</p> +<p>“Dat is wel wezenlijk zoo,” zei de hofmeester tot den stadhouder. “Uwe genade mag dat wel ernstig in overweging nemen.” + +</p> +<p>“Ik zal uitspraak doen naar billijkheid en recht,” antwoordde Sancho. “Gij, die eerlijk of oneerlijk gewonnen hebt, betaalt +terstond honderd realen aan uw makker en dan nog dertig aan de armenkas.—En gij,” keerde hij zich tot den tweede, “steekt +die som op en pakt dan zoo gauw mogelijk uwe biezen. Voor volle tien jaren zijt gij van het eiland verbannen, en als gij voor +dien tijd <span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198">198</a>]</span>terug mocht komen, zult gij opgeknoopt worden aan de hoogste galg, die in mijne staten te vinden is. Zoo en niet anders zal +het gebeuren, en daarmee basta!” + +</p> +<p>De een betaalde, de ander streek op; de een ging naar huis, de ander stapte de poort uit, en daarmee was de gansche zaak op +de <span class="corr" id="xd0e3036" title="Bron: korste">kortste</span> en beste manier afgedaan. + +</p> +<p>Sancho Panza ging verder, toen daar een gerechtsdienaar aankwam, die een jongmensch bij zijn kraag voortleidde. + +</p> +<p>“Heer stadhouder,” sprak de gerechtsdienaar, “zoodra deze jonkman ons van verre in het oog kreeg, keerde hij dadelijk om en +ging als een haas op den loop. Wie het oog van de wet schuwt, heeft zeker wat kwaads op zijn geweten, dacht ik, zette hem +na en kreeg hem, daar hij kwam te vallen, gelukkig te pakken.” + +</p> +<p>“Waarom gingt gij op den loop, manneke?” vroeg Sancho. + +</p> +<p>“Heer, om niet op de vele vragen te moeten antwoorden, die de gerechtigheid iedereen voorlegt,” antwoordde de vreemde. + +</p> +<p>“Wat is uw beroep?” + +</p> +<p>“Ik ben wever.” + +</p> +<p>“Wat weeft gij?” + +</p> +<p>“Lanspunten, met uwer genades permissie.” + +</p> +<p>“Ei, ei, ge lijkt mij een rare snaak toe; ge wilt u er zeker met een grap afmaken,” zeide Sancho. “Maar ’t is goed.—Zeg, waarheen +waart ge nu op weg?” + +</p> +<p>“Ik ging alleen, om een luchtje te scheppen.” + +</p> +<p>“En waar vindt men dat op dit eiland?” + +</p> +<p>“Waar ’t waait, heer.” + +</p> +<p>“Opperbest, mijn kereltje! Ik zie, dat ge een guit zijt. Verbeeld je dan nu maar, dat ik de frissche lucht ben en je in de +gevangenis <span class="corr" id="xd0e3065" title="Bron: blaast">blaas</span>. Pakt hem, mannen, en neemt hem mee. Zoo waar ik stadhouder ben, zal hij van nacht slapen, waar hij geen frissche lucht kan +scheppen.” + +</p> +<p>De jonge man lachte. “Gij zult mij in de gevangenis evenmin tot slapen dwingen, als gij mij tot koning kunt maken,” antwoordde +hij stout. +<span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199">199</a>]</span></p> +<p>“En waarom niet?” vroeg Sancho. “Kan ik u niet in de gevangenis stoppen en vrijlaten, al naardat ik verkies?” + +</p> +<p>“Ja, dat kunt gij; maar tot slapen in de gevangenis kunt gij mij niet dwingen.” + +</p> +<p>“Zoo’n dekselsche jongen!” riep Sancho. “Hebt ge bij geval ook een beschermengel bij de hand, die je de boeien afneemt, die +ik je misschien zal laten aanleggen?” + +</p> +<p>“Neen, dat niet,” antwoordde de jonge man op luchtigen toon; “maar toch blijf ik er bij, dat gij mij niet in de gevangenis +kunt doen slapen. Zie, beste heer, stel het geval, dat gij mij werkelijk in boeien liet slaan en in de gevangenis werpen, +dat gij den cipier last gaaft mij ten strengste te bewaken, en dat deze werkelijk mijn ontsnappen belette, dan zou toch niemand +in staat zijn, mij tot slapen te dwingen, als ik eens besloten was, mijne oogen open te houden.” + +</p> +<p>“Ha, meent gij het zoo, maat?” riep Sancho en lachte hartelijk. “Ja, dat is een ander ding. Dus wilt gij dan maar niet slapen, +om uw wil te hebben, maar niet, om mijne bevelen gehoorzaamheid te weigeren?” + +</p> +<p>“Zoo is het,” antwoordde de jonge loshoofd. + +</p> +<p>“Nu dan, slaap thuis en droom genoeglijk,” sprak Sancho. “Wees echter in ’t vervolg wat voorzichtiger met uwe tong, want niet +iedereen houdt van gekscheren, en ge kondt u door die snakerijen licht wel eens een dracht slagen op den hals halen.” + +</p> +<p>De jonge spotvogel ging zijns weegs en daar Sancho moe begon te worden, maakte ook hij rechtsomkeert en keerde met zijn gevolg +naar het paleis terug. + +</p> +<p>Den volgenden morgen, zoodra de stadhouder opgestaan was, werd hem een ontbijt voorgezet, dat, volgens de verordening van +dokter Recio, eenvoudig uit wat fruit en een glas koud water bestond. Sancho had gaarne wat anders gehad; maar de lijfarts +deed opmerken, dat weinig en licht voedsel den geest scherp en levendig houdt, wat vooral voor iemand, die ambt of waardigheid +bekleedt een ding van uiterst groot gewicht is. De arme stadhouder moest zich met deze redeneering tevredenstellen; doch praatjes +<span class="pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200">200</a>]</span>vullen geen gaatjes, en hij leed een barbaarschen honger en begon in zijn hart het geheele stadhouderschap en hem, die ’t +hem had opgedragen, al half naar de maan te wenschen. Intusschen zette hij zich toch met knorrende maag in den rechterstoel +en hoorde in tegenwoordigheid zijner hoogste ambtenaren de vraag aan, welke een vreemde hem tot beslissing voorlegde. + +</p> +<p>“Genadige heer,” zeide deze tot hem, “uw gebied wordt door een waterrijken stroom in tweeën gescheiden. Over dien stroom ligt +eene brug, aan wier eene eind een galg en een rechtshuis staan, in welk laatste zich gewoonlijk vier rechters ophouden, om +eene wet te handhaven, die door den heer van den stroom is uitgevaardigd en luidt: “Indien iemand over deze brug gaat, dan +moet hij vooraf zweren, waarheen en tot welk einde hij die overschrijdt. Zweert hij de waarheid, dan mag men hem ongemoeid +laten gaan; doch zweert hij valsch, dan moet hij onverwijld opgehangen worden en sterven aan de galg, die bij de brug staat.” + +</p> +<p>“Na het bekendmaken van deze wet gingen velen over de brug; doch iedereen zwoer de waarheid, en men liet hen dus ongehinderd +trekken. Nu gebeurde het echter, dat een man, wien de eed werd afgevorderd, zwoer en beweerde, dat hij over de brug ging enkel +en alleen met plan, om aan die galg opgehangen te worden en te sterven. + +</p> +<p>“De rechters keken elkaar bij dien eed verbaasd aan en zeiden de een tot den ander: “Als wij dezen man ongemoeid gaan laten, +dan heeft hij gelogen en moet volgens de wet wegens meineed sterven. Opknoopen mogen wij hem evenwel niet; want deden wij +dat, dan had hij immers de waarheid gezeid, toen hij zwoer, dat hij enkel en alleen over de brug wilde gaan, om opgehangen +te worden, en diensvolgens moet hij krachtens de letter van de wet vrij zijns weegs gaan.” + +</p> +<p>“Zoo staat nu het geval, en gij, heer stadhouder, moet beslissen, wat de rechters met den man moeten aanvangen. Tot hiertoe +zijn zij ’t nog altijd oneens en zitten met de handen in het haar. Zij vertrouwen op uwe scherpzinnigheid en verkeeren in +de zoete hoop, dat gij die harde noot kraken en het raadsel oplossen zult.” +<span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201">201</a>]</span></p> +<p>“Hoor, goede vriend,” antwoordde Sancho, “uwe heeren rechters hadden zich de moeite kunnen besparen van u hierheen te zenden, +want ik ben een man, wien de natuur een grooter portie domheid dan verstand heeft geschonken. Vertel mij ’t geval evenwel +nog eens, en dan wil ik zien, of ik, zooals men wel zegt, den spijker op den kop kan treffen. Spreek op, goede vriend!” + +</p> +<p>De vreemde vertelde de geheele geschiedenis nog eens, en toen nog eens, totdat Sancho Panza haar goed genoeg meende begrepen +te hebben, om er zijn oordeel over te zeggen. + +</p> +<p>“Mij dunkt,” sprak hij, “dat ik dat dingetje wel zal klaren. ’t Geval komt eenvoudig hierop neer: De man verklaart onder eede, +dat hij over de brug wil gaan, om aan de galg te sterven. Sterft hij nu, dan heeft hij de waarheid bezworen, en moet volgens +de wet worden vrijgelaten. Sterft hij evenwel niet, dan heeft hij een meineed gedaan, en moet krachtens de wet gehangen worden.<span class="corr" id="xd0e3106" title="Niet in bron">”</span> + +</p> +<p>“Juist zoo is het, heer stadhouder,” zeide de vreemde. + +</p> +<p>“Nu dan doe ik uitspraak,” sprak Sancho, “dat men de eene helft van den mensch, die de waarheid heeft gezegd, vrijen overgang +late, maar de andere, die gelogen heeft, zonder barmhartigheid ophange. Op die manier krijgt ieder deel wat hem toekomt.” + +</p> +<p>“Als wij ons aan deze uitspraak hielden, heer stadhouder,” antwoordde de vreemde, “zouden wij gedwongen zijn, den bedoelden +persoon in twee helften te deelen, en de leugenachtige van de waarheidsprekende te scheiden. Deze scheiding zou het onschuldig +deel echter niet kunnen overleven, en de wet zou dus niet worden gehandhaafd.” + +</p> +<p>“Mijn beste vriend,” zeide Sancho Panza op deze tegenwerping, “de man, om wien ’t hier te doen is, heeft, als ik ’t wel begrijp, +evenveel recht om te leven als om te sterven. De waarheid redt, de leugen veroordeelt hem. Zeg dus aan de rechters, dat zij +voor ditmaal maar genade voor recht moeten laten gelden en den sukkel de vrijheid geven, omdat goeddoen altijd loffelijker +is dan kwaaddoen.—En loop nu naar den drommel en meen niet, dat ik hier aangesteld ben, om raadseltjes te raden, die onmogelijk +op te lossen zijn. Loop heen, zeg ik, en gij, hofmeester, bezorg mij wat <span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202">202</a>]</span>stevigs te eten en laat mij niet van honger en ergernis omkomen.” + +</p> +<p>De vreemdeling stapte op, en de hofmeester betoonde zich genadig, daar hij Sancho naar de tafel leidde, die evenals gisteren +rijkelijk bezet was. Indien niet de dokter achter hem gestaan had, zou de stadhouder als een prins gesmuld hebben; maar nu +kwam telkens een tik met dat verwenschte zwarte stokje en haalde onzen hongerigen vriend de vetste happen voor den mond weg. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e3121" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XXII.</h2> +<h2 class="normal">Het stadhouderschap neemt een einde.</h2> +<p>Verscheidene dagen gingen voorbij, en de arme Sancho werd, in plaats van met krachtige en gezonde spijzen, bijna alleen met +terechtzittingen en vervelende twistvragen gevoêrd. En toen hij in den zevenden nacht zijner regeering op zijn prachtig staatsieledikant +lag en de zachte slaap hem niettegenstaande zijn honger juist de zware oogleden toedrukken wou, vernam hij op eens een vreeselijk +alarm en hoorde het luiden der klokken met zulk een geschreeuw en rumoer, dat hij meende, dat de ondergang der wereld, of +althans van zijn eiland, voor de deur stond. Hij rees verschrikt overeind en luisterde scherp toe, om zoo mogelijk de oorzaak +van al dat spektakel te vernemen. Het al luider wordend getier, waaronder zich nu ook het geluid van trommen en trompetten +mengde, maakte hem geheel verbijsterd, en half zinneloos van schrik en angst, was hij met een geweldigen sprong op de been, +trok zijne pantoffels aan, vloog naar de deur van zijn vertrek, rukte die open en zag nu meer dan twintig personen, die van +verschillende kanten met <span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203">203</a>]</span>brandende fakkels en ontbloote zwaarden toesnelden. Zoodra zij den sidderenden Sancho zagen, riepen zij met luider stem: “Te +wapen! Te wapen! Op, heer stadhouder! Tallooze vijanden overstroomen het eiland, en zoo uw krijgsbeleid en uwe dapperheid +ons niet redt, zijn wij reddeloos verloren! Grijp de wapens op!” + +</p> +<p>“Maar lieve tijd, waar zal ik mij mee wapenen?” huilde Sancho het uit. “Ik heb van wapens en van vechten heel geen verstand, +en ’k stel dus voor, die dingen liever aan mijn heer Don Quichot over te laten, aan wien dat beter toevertrouwd is. Mij, arme +sukkel van een schildknaap, staan de handen daar heel verkeerd toe.” + +</p> +<p>“Geen uitvluchten! Geen bezwaren!” schreeuwden al de heeren als met ééne stem. “Hier brengen wij u wapens; wapen u daarmee +en stel u dan als aanvoerder aan onze spits. Dat komt u toe en gij moet het, want gij zijt onze stadhouder.” + +</p> +<p>“Nu, wapen mij dan in ’s hemelsnaam maar,” antwoordde Sancho en gaf zich lijdelijk aan zijn lot over. + +</p> +<p>Terstond namen de mannen nu twee groote schilden, die zij, daar de heele historie weer een afgesproken stukje was, al meegebracht +hadden, en bonden daarvan het een vóór, ’t ander achter aan Sancho’s dikke lichaam vast, waarna zij zijne armen door een paar +daarin gesneden gaten trokken en de schilden zoo vast bonden, dat hij tusschen de planken als ingemetseld zat en geen stap +vooruit doen, noch ook de knieën buigen kon. Hierop gaven zij hem eene lans in de hand, waarop hij steunen moest, om zich +op de voeten te kunnen houden, en vervolgens zeiden zij, dat hij nu maar voor hen uit moest stappen, als hun aanvoerder, en +hun door zijne dapperheid moed inboezemen. Wanneer hij zich aan het hoofd des legers wilde stellen, zou de overwinning hun +nooit betwist kunnen worden. + +</p> +<p>“Maar om ’s hemelswil!” schreeuwde de ongelukkige ridder in de klem; “hoe zal ik dan gaan en vooruitkomen, daar ik niet eens +de knie buigen en geen lid van mijn lijf roeren kan? Als ik voorwaarts zal en moet, neemt mij dan op uwe armen en zet mij +ergens op een punt, dat ik met mijne lans verdedigen kan. Dit wil ik met hart en ziel doen, maar meer kan men van een tusschen +planken ingeklemd mensch niet verlangen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204">204</a>]</span></p> +<p>“Vooruit, al vooruit, heer stadhouder!” riepen daarop de mannen. “Niet die planken hinderen u, maar de vrees voor den vijand +is het, die de u knieën knikken doet. Er is al veel tijd verzuimd, de macht der vijanden groeit aan, ’t gevaar wordt al grooter +en grooter. Vooruit, vooruit dan, heer stadhouder!” + +</p> +<p>Om deze beschuldigingen te ontgaan en de zich tegen hem verheffende stemmen tot zwijgen te brengen, deed de ongelukkige Sancho +Panza werkelijk eene zwakke poging om zich van de plaats te bewegen. Zonder zich staande te kunnen houden, plofte hij echter +met zulk een geweldigen bons voorover, dat hij een oogenblik meende, dat hij al zijne beenderen stuk had gevallen. Daar lag +hij dan nu en bleef liggen, als een schildpad, die men de pooten heeft afgesneden. Geen mensch hielp hem op of had medelijden +met hem; veeleer werden de fakkels terstond uitgedaan, een nieuw krijgsgeschreeuw ging uit de rauwe kelen op, de kreet “Te +wapen!” werd onophoudelijk herhaald, en eindelijk liep zelfs de geheele schaar over den armen Sancho Panza heen, waarbij ieder +in ’t voorbijgaan een zwaren zwaardstomp of slag op zijn plankenharnas liet neerkomen. Zoo de arme stadhouder zich niet als +een schildpad had ingetrokken, zoo hij niet hoofd en voeten onder zijne schaal verborgen had, zou ’t leelijk met hem zijn +afgeloopen. Zoo echter kwam hij er met eenig angstzweet en eenige schrammen en builen nogal boven verwachting goed af. + +</p> +<p>Intusschen daagden telkens nieuwe krijgers op. Eenige strompelden over Sancho heen, andere tuimelden werkelijk op hem neer, +en eindelijk was er zelfs een, die eene geruime poos op hem bleef staan trappelen en van dit standpunt, als van een toren, +het gevecht scheen te leiden, daar den moed der zijnen met bezielende woorden aanvurende. + +</p> +<p>“Hier, dappere mannen!” riep hij met donderende stem. “Hier is de strijd het heetst. Hierheen, die een hart in ’t lijf hebt! +Verdedigt dat poortje daar! Sluit de valpoort daar ginder! Werpt de stormladders om en laat de beklimmers in de gracht tuimelen! +Granaten hier! Hier pek en hars en kokende olie!—Wakker, mannen! Slaat dood, die te na komt!” +<span class="pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205">205</a>]</span></p> +<p>Op deze wijze ging het eenigen tijd voort, daar de aanvoerder orders gaf en alle maatregelen scheen te nemen, om een heftigen +aanval van het stadje en het slot af te slaan. Sancho hoorde elk woord en onderwierp zich lijdelijk aan zijn zwaar lot. + +</p> +<p>“Mocht de hemel toch maar geven, dat het eiland verloren ging,” zuchtte hij, “en dat de vijanden mij doodsloegen of althans +uit deze harde gevangenis bevrijdden!” + +</p> +<p>Een half uur verliep weer; doch toen scheen eindelijk zijn wensch om verlossing uit zijn benauwden toestand verhoord te worden. +Hij hoorde luide stemmen en den blijden kreet: + +</p> +<p>“Victorie! Victorie! De vijand is overwonnen! Heer stadhouder, op! Sta op en verheug u over uwe overwinning! Kom, en verdeel +den onmetelijken buit, die door uwe dapperheid den vijand is afgenomen!” + +</p> +<p>“Helpt mij weer op de beenen!” kreunde de overwinnende held met klagende stem. + +</p> +<p>Men hielp hem overeind, en toen hij weer eenigszins vast op zijne voeten stond, zeide hij: “Den vijand, dien ik overwonnen +heb, wil ik met huid en haar opeten, of ’k mag lijden, dat ge hem den nek omdraait. Ik verlang geen buit van den vijand; maar +als een mensch hier in de nabijheid maar een sikkepitje medelijden of vriendschap in zijn hart heeft, laat hem mij dan een +slok wijn geven en mij ’t zweet afdrogen, want ik smelt bijna tot klaar water weg.” + +</p> +<p>Op deze smeekende bede werd hem wijn gereikt. Men droogde hem af en bond de schilden los, waartusschen hij had vastgeklemd +gezeten. Toen hij zich weer vrij roeren kon, waggelde hij naar zijn ledikant toe, en hij had dat pas bereikt, of hij lag in +diepe onmacht. + +</p> +<p>Toen de deelhebbers aan de klucht dit bemerkten, werden zij ongerust en vreesden, dat de dolle comedie den armen schildknaap +wel eens het leven kon kosten. Onze brave Sancho kwam echter spoedig weer bij, en zoo had die bezorgdheid dan ook een einde. + +</p> +<p>“Hoe laat is het?” vroeg de lijder met zwakke stem. + +</p> +<p>“Het daglicht zal spoedig aanbreken,” antwoordde men hem. +<span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206">206</a>]</span></p> +<p>Hierop stond Sancho zonder een woord te spreken van zijn ledikant op en begon zich aan te kleeden, en niemand waagde het, +hem een woord te zeggen, ofschoon allen even nieuwsgierig waren, hoe de geheele geschiedenis afloopen zou. + +</p> +<p>Na zich in de kleeren te hebben gestoken, ging Sancho langzaam naar den stal en scheen er zich niet om te bekommeren of men +hem volgde of niet. In den stal gekomen, trad hij zelf op zijn ezel toe, omarmde het trouwe dier, drukte het een kus op den +ruigen kop en zei, terwijl de gulle tranen hem bij de wangen neerstroomden: + +</p> +<p>“Kom hier, mijn oude vriend en makker, die alle lasten en lusten met mij gedragen hebt. Zoolang wij ons aan elkaar hielden, +wist ik van geen zorg, en ik kan in waarheid zeggen, dat toen mijne jaren, mijne dagen en mijne uren gelukkig waren. Sinds +ik u verliet, heb ik maar altijd met ergernis, moeite en kommer te kampen gehad, en ik wil daarom alle eerzucht en <span class="corr" id="xd0e3177" title="Bron: trotscheid">trotschheid</span> van mij afzetten en de ongelukkige zucht, om het tot wat hoogers te brengen, met kracht in mijne borst verstikken.” + +</p> +<p>Onder deze woorden zadelde hij zijn ezel, zonder dat iemand zich daartegen verzette, steeg, daar hij half lam en kreupel getrapt +was, met moeite op en voegde den hofmeester, den secretaris, dokter Recio en anderen, die om hem stonden, de woorden toe: + +</p> +<p>“Mijne heeren, ik verzoek u, maakt plaats voor mij, opdat ik tot mijne oude vrijheid terugkeeren kan. Ik wil uit mijn tegenwoordigen +dood opstaan en mijn vroeger leven weder opzoeken. Tot stadhouder ben ik nu eens voor al niet geboren, en hoe men eilanden +en steden tegen een oprukkenden vijand verdedigen moet, daarvan heb ik geen verstand. Ik weet meer van spitten, graven en +wingerd snoeien dan van wetten geven en vreemde rechtzaken beslissen. Ik wil liever schrale aardappelsoep eten dan aan een +rijk bezette tafel zitten, voor de kostelijkheden, waarvan ik niets over de lippen mag nemen, zoodat ik te midden van den +overvloed van honger omkom. Ik wil liever in vrijheid gebrek lijden, dan in slavernij op zijden kussens rusten. God zij met +u, heeren! Zegt aan uwen hertog, dat ik hier arm <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207">207</a>]</span>gekomen ben en ook arm weer weggegaan. Ik heb niets gewonnen en ook niets verloren, en mij dus althans aan geen schelmerij +en afpersingen schuldig gemaakt. Gaat <span class="corr" id="xd0e3186" title="Bron: op zij">opzij</span> en laat mij den weg vrij; want waarachtig, ’t wordt tijd, dat ik naar mijne ribben laat zien, waarvan in dezen stormachtigen +nacht zeker een stuk of wat gebroken zijn.” + +</p> +<p>“Heer stadhouder, neen, dat mag niet gebeuren,” zeide Recio, de lijfarts. “Gij moogt niet weg, voordat ik zelf uw toestand +onderzocht heb, en ik beloof u, mijn uiterste best te zullen doen, om u ten spoedigste van alle pijnen en kwetsuren te bevrijden. +Ook geef ik u mijn woord, dat gij voortaan vergunning zult hebben, om alles te eten en te drinken, wat uw hart maar begeert.” + +</p> +<p>“Te laat, te laat!” antwoordde Sancho. “Gij komt te laat, vrienden. Ik laat mij nu zoo weinig van mijn voornemen afbrengen, +als ik ooit een Turk worden wil. Liever dan in dit verwenschte stadhouderschap blijven, wil ik zonder vleugels ten hemel vliegen. +Neen, neen! Ik ben uit het geslacht der Panza’s, die een hardnekkig geslacht zijn. Als die eens zeggen, dat een ding krom +is, dan moet het krom blijven, al zei de heele wereld anders, en al was ’t ook zoo recht als een lamsstaartje. Ik moet weg, +heeren; maakt mij dus ruimte, want iedere minuut, die ik nog hier blijf, wordt mij een nagel aan mijn doodkist.” + +</p> +<p>“Genadige heer,” nam nu de hofmeester het woord, “wij zouden u zonder tegenspraak gaan laten, ofschoon wij uw helder verstand +en uitstekend voorbeeld ongaarne missen; maar ’t zal u bekend zijn, dat ieder stadhouder voor het neerleggen van zijn ambt +rekenschap van zijn beheer moet geven. Voldoe aan deze verplichting, en ga, als gij u toch niet wilt laten terughouden.” + +</p> +<p>“Niemand kan zoo iets van mij verlangen, als niet de hertog zelf het gebiedt,” antwoordde Sancho. “Tot hem ga ik, en aan hem +zal ik rekenschap afleggen, zooveel hij maar verkiest. Van u echter heb ik geen getuigenis noodig, want dat ik mij niet verrijkt +en in alle onschuld geregeerd heb, weet gij even goed als ik zelf ’t weet.” + +</p> +<p>“Bij den hemel, Sancho heeft recht!” riep Recio, de lijfarts. “Ik <span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208">208</a>]</span>voor mij stem er voor, dat wij hem in vrede laten trekken, want de hertog zal brandend verlangen hem weer te zien.” + +</p> +<p>Al de anderen waren het met den dokter eens, verklaarden, dat men den stadhouder moest laten trekken, en boden aan, hem van +al, wat hij op reis noodig had, ruim en rijkelijk te voorzien. + +</p> +<p>“Ik heb alleen maar wat haver voor mijn grauwtje, en wat brood en kaas voor mijzelf noodig, en van een en ander ben ik al +voorzien,” zeide Sancho. “De weg, dien ik af te leggen heb, is niet lang, en daarom zou meer pakkage mij maar lastig wezen.” + +</p> +<p>Na deze woorden nam hij afscheid, omhelsde de achterblijvenden, werd door hen omarmd, en liet hen eindelijk verbaasd over +zijne zielsgrootheid, levenswijsheid en standvastigheid staan. + +</p> +<p>Sancho Panza reed langzaam voort, totdat hij het landgoed van den hertog tot op ongeveer eene halve mijl was genaderd. Hier +liet hij zich van zijn grauwtje glijden, legde zich onder een boom en overpeinsde, wat hij zijn meester Don Quichot en den +hertog en de hertogin al zoo vertellen zoude. Terwijl hij hierover nadacht, overviel hem de slaap, en daar hij den ganschen +voorgaanden nacht geen oog had toegedaan, werd hij eerst weer wakker, toen de zon al onder en het ten volle donker geworden +was. Verschrikt rees hij op, klom weer in den zadel en wou zich zooveel mogelijk haasten, om het hertogelijk slot nog tijdig +te bereiken. + +</p> +<p>Terwijl hij nu zoo voortdraafde, wilde het ongeluk, dat hij in de donkerheid <span class="corr" id="xd0e3211" title="Bron: op eens">opeens</span> met zijn beest in een diep, donker gat stortte, dat daar tusschen eenig vervallen muurwerk openlag. Onder het vallen meende +hij, dat hij den bodem des afgronds wel nooit levend bereiken zou. + +</p> +<p>Intusschen liep het nog al redelijk goed af. Op eene diepte van ruim achttien voet kreeg de ezel vasten grond onder zijne +pooten en kwam Sancho op grauwtjes buik te liggen, zonder zich eenigszins van belang bezeerd te voelen. Hij betastte zijne +ledematen, onderzocht de stevigheid zijner beenderen, en hield den adem in, om te weten, of hij ook ergens een gat in zijn +lichaam was gevallen; echter was zijn lichaam van top tot teen heel gebleven. + +</p> +<p>Eindelijk stond hij op en zocht met de handen in de ruimten des <span class="pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209">209</a>]</span>afgronds rond, om zoo mogelijk middelen en wegen te ontdekken, om zonder vreemden bijstand weer uit den kuil te komen. Tot +zijn bitter leedwezen waren de wanden echter overal glad en zeer steil, zoodat hij zich over zijne toekomst niet weinig ongerust +moest maken. Zijn angst nam nog toe, toen nu ook de ezel, die door den val deerlijk gekneusd en geschaafd was, op jammerlijken +toon begon te schreien en te balken. Hij dacht nu niet anders, dan dat hij met zijn geliefd grauwtje in die ongelukkige groeve +op ellendige manier van honger, dorst en gebrek zou moeten omkomen. + +</p> +<p>Weeklagend bracht hij den nacht in het gat door, totdat daarin eindelijk het schemerlicht van den aanbrekenden dag doordrong, +zonder den braven schildknaap echter veel troost aan te brengen; want bij het schijnsel der zon overtuigde hij zich, dat uit +zijne gevangenis te ontkomen zonder vreemde hulp een onmogelijkheid was. Hij begon opnieuw te jammeren en te schreeuwen, en +zette zijne stem zooveel mogelijk uit, om een toevalligen voorbijganger van zijn klimmenden nood te onderrichten. Zijn geschreeuw +was echter als de stem van een roepende in de woestijn, daar in den ganschen omtrek geen levend wezen dat vernam. Sancho achtte +zich dus reddeloos verloren en begon zichzelf als een stervende te beschouwen. Desniettemin bespeurde hij nog iets als medelijden +met zijn grauwtje, dat met verdraaide oogen op den grond lag en zijn bek opendeed, alsof het ieder oogenblik een roerend klaaglied +dacht aan te heffen. Sancho Panza hielp hem met veel moeite op de been, liet hem, daar hij moeielijk rechtop staan kon, tegen +den wand leunen en versterkte hem vervolgens met een stuk brood, dat hij nog uit zijn knapzak opschommelde. + +</p> +<p>“Neem dat maar en eet,” zeide hij, alsof de ezel hem verstaan kon. “Met een goede bete in den mond kan een mensch nogal veel +doorstaan, en een ezel zeker ook.” + +</p> +<p>Terwijl grauwtje aan de broodkorst knabbelde, zag Sancho Panza nog eens in zijne gevangenis rond, en ontdekte eindelijk aan +de eene zijde eene opening, die juist groot genoeg was, om hem door te laten, als hij zich bukte en zoo klein mogelijk maakte. +Hij kromde zijn rug dus, kroop er in en vond, dat de doorgang naar <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210">210</a>]</span>eene tamelijk ruime en wijde plaats leidde, waarin, vermoedelijk door een half vervallen dak, de zonnestralen helder en glansrijk +neervielen. Bij hun schijnsel bemerkte hij, dat deze ruimte zich tot een hol verwijdde, welks omvang hij nader moest onderzoeken. + +</p> +<p>Allereerst keerde Sancho tot zijn ezel terug, van wien hij onmogelijk scheiden kon, en beproefde de opening zoo veel mogelijk +te verbreeden. Met behulp van een zwaren, scherpen steen gelukte dit hem zoo tamelijk goed, en het duurde niet lang, of hij +kon er ook grauwtje zonder al te groot bezwaar doorkrijgen. Hij pakte hem dus bij den halster, sleepte hem mee en drong toen +verder in ’t hol door, om misschien aan ’t ander eind daarvan een uitgang te vinden. Soms tastte hij in den donker, soms verlichtte +een van boven invallende zonnestraal zijn pad; maar nog altijd bleef zijne ziel met angst en bange vrees vervuld. + +</p> +<p>“De hemel sta mij bij!” mompelde hij in zijn baard. “Dat Don Quichot toch maar in mijne plaats was! Hij zou wat mij een ongeluk +toelijkt, voor het allergelukkigst avontuur houden, en zeker al deze afgronden en onderaardsche gangen voor bloemtuinen en +schitterende paleizen aanzien, waaruit hij op eene of andere heerlijke, bloeiende lustgaarde moest geraken. Ik ongelukkige +daarentegen, die meer vrees dan heldenmoed in mijn binnenste bespeur, ik denk bij iederen voetstap, dat zich voor mij een +bodemlooze afgrond zal openen, waaruit geen menschelijke macht mij ooit redden kan. O ongeluk, wees verwenscht door hem, dien +gij zoo gruwelijk hebt beetgenomen!” + +</p> +<p>Toen hij onder zulke en soortgelijke ontboezemingen zijn weg een goed half uur had voortgezet, ontdekte hij in de verte een +helder schijnsel, dat zeker het lieve volle daglicht moest zijn. Vol hoop ging hij daarop aan, en hij hield zich vast overtuigd, +dat hij daar den uitweg uit de gruwelijke gangen en spelonken der onderwereld moest vinden. + +</p> +<p>Terwijl Sancho Panza in dat hol omdwaalde, trof het, dat de dappere ridder Don Quichot, die tot nu toe op het slot van den +hertog een zeer aangenaam en genoeglijk leven geleid had, zijn nu bij den dag in welgedaanheid toenemenden Rocinante besteeg +en <span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211">211</a>]</span>uitreed, om eenige uren de frissche lucht te genieten. In diepe gedachten reed hij vooruit, totdat eensklaps Rocinante met +de voorpooten zoo dicht bij eene diepe steenkloof kwam, dat hij onwillekeurig een zijsprong deed en den edelen ridder uit +zijne droomerijen opwekte. Deze hield zijn paard in, keek naar de kloof om en reed er zoo dicht bij, dat hij er in neerzien +kon. Terwijl hij al bespiegelingen maakte, wat die donkere afgrond toch wel in zijn schoot verbergen kon, drong daaruit een +dof, diep stemgeluid tot zijn oor door. Hij luisterde scherp en nieuwsgierig en vernam zeer duidelijk de woorden: + +</p> +<p>“Holla daar boven! Is er niet een of ander christenmensch in de buurt, die mij hooren en zich over mij armen zondaar ontfermen +kan? Hulp, hulp, schrei ik; hulp voor een ongelukkigen, in de diepte gezakten stadhouder!” + +</p> +<p>Don Quichot was dadelijk overtuigd, dat dit de stem van zijn schildknaap Sancho moest zijn, en bleef een oogenblik stom van +verbazing. + +</p> +<p>“Wie is daar omlaag?” riep hij eindelijk. “Wie schreeuwt daar om hulp?” + +</p> +<p>“Ik ben het,” antwoordde de stem uit den afgrond, “ik, de benarde en benepen Sancho Panza, gewezen stadhouder van het eiland +Barataria en schildknaap van den beroemden en dapperen ridder Don Quichot van La Mancha.” + +</p> +<p>De verwondering van den dolenden ridder nam bij deze woorden nog toe, en daar hij zijn voormaligen dienaar onmogelijk in zoo +zonderlingen toestand kon vermoeden, kwam hij op de gedachte, dat de arme stadhouder moest gestorven zijn, en dat nu diens +geest verscheen, die wegens begane zonden in het graf geen rust kon vinden. In deze veronderstelling zeide hij: + +</p> +<p>“Bij alles, wat heilig is, bezweer ik u, verkond mij, wie gij zijt! Zijt gij een boetende ziel, geef mij dan te kennen, wat +ik voor u doen moet, en zoo waar ik leef, wil ik alles doen, om u de rust en de ongestoorde zaligheid te verschaffen. Mijne +roeping is, de noodlijdenden te helpen en de bedrukten bij te staan, en daarom wil ik ook u beschermen, ook als uw lichaam +niet meer op aarde omwandelt.” +<span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212">212</a>]</span></p> +<p>“Heer,” schreeuwde Sancho Panza, die nu eindelijk de stem zijns meesters herkende, “heer Don Quichot van La Mancha, merkt +gij dan niet, dat ik uw schildknaap en in mijn gansche leven nog nooit gestorven ben? Ik heb om redenen, die ik u later wel +eens zal vertellen, mijn stadhouderschap verlaten en ben gisterenavond met mijn grauwtje in dit hol gevallen, zooals ’t stomme +dier, als het spreken kon, zeker plechtig zou helpen getuigen.” + +</p> +<p>Op ditzelfde oogenblik, juist alsof de ezel verstaan had, wat zijn heer sprak, begon die geducht te schreeuwen en balkte zijn +Y-ah zoo luid, dat de gansche grot er van weergalmde. + +</p> +<p>“Sancho, aan uw ezel herken ik u,” riep Don Quichot nu zeer verblijd. “Wacht nu maar een kort poosje en heb geduld, totdat +ik terugkom. Ik wil in vliegende vaart naar het kasteel van den hertog rijden, dat dichtbij ligt, en wil volk roepen, om u +uit den afgrond op te trekken, waarin uwe zonden u zeker hebben doen neerstorten.” + +</p> +<p>“Zoo gij gaan wilt, edele heer, blijf dan maar niet staan leuteren,” antwoordde Sancho uit de diepte. “Ik ben hier als bij +levenden lijve begraven en kom om van angst en benauwdheid.” + +</p> +<p>Don Quichot zette het dadelijk op een galop en deelde de onderaardsche ontdekking aan den hertog en de hertogin mede. Terstond +werden de noodige orders aan de dienaren gegeven; men trok, toereikend van ladders en touwen voorzien, naar het hol, en Sancho +Panza werd, hij en zijn ezel, met behulp van veel volk en niet zonder groote moeite en inspanning uit zijn onderaardschen +kerker opgetrokken. Zonder zich met de menschen, die hem geholpen hadden, in veel praatjes in te laten, trok hij nu met zijn +grauwtje naar het slot, waar het doorluchtig paar en zijn niet minder doorluchtige meester hem reeds met groot ongeduld wachtten. +Hij ging echter eerst tot hen, nadat hij zijn ezel met zorg van al het noodige had voorzien. + +</p> +<p>“Mijne genadige heerschappen,” sprak hij eindelijk, voor den hertog en de hertogin eerbiedig de knie buigend, “daar ben ik +weerom. Het stadhouderen heeft mij in veel opzichten niet recht willen bevallen, en dus vond ik maar beter dat te laten varen; +voordat het mij liet varen. Arm ging ik heen, arm keer ik terug, <span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213">213</a>]</span>en ik heb niets verloren, dan bijna mijn klein beetje verstand. Ik heb als rechter gezeten, heb processen uitgewezen, en ben +daarbij bijkans van honger omgekomen, omdat die wijze dokter Recio uit Tirteafuera dat voor gezond voor mij hield. Bij nacht +en ontijd overvielen de vijanden ons, en schoon mijne onderdanen zeiden, dat ik die door mijn heldenmoed weer verjaagd had, +zoo weet ik dat toch wel beter en mijne arme ribben kunnen er een droevig klaaglied van zingen. Gisterenmorgen verliet ik +het eiland, viel in een diepen, donkeren afgrond, stond uren lang den vreeselijksten doodsangst uit, en zou zoo zeker als +wat zijn omgekomen, als mij niet mijn dappere meester tot hulp en troost was toegezonden.—Zoo is ’t met mij gegaan, heer hertog, +en eerbiedig leg ik de van u verkregen waardigheid hier weer voor uwe voeten neer. Van mijne hoogte afdalend, keer ik weer +in den dienst van mijn ouden heer terug, waar ’k mij althans zat mag eten, wat voor een hongerigen mensch een uitstekend en +zeer aangenaam medicijn is.” + +</p> +<p>“Het bedroeft mij diep in de ziel, Sancho Panza,” sprak de hertog, “dat gij ’t regeeren zoo schielijk moe zijt geworden. In +allen gevalle wil ik er op bedacht zijn, u een anderen, minder bezwaarlijken, maar des te voordeeliger post aan te wijzen, +en ik hoop, dat gij alsdan met uwe doorgestane moeielijkheden en gevaren geheel verzoend zult zijn.” + +</p> +<p>Sancho Panza boog zich, zonder antwoord te geven, en de hertogin gaf orders, dat de arme schildknaap als een prins verpleegd +en verzorgd zou worden, daar men hem maar al te goed kon aanzien, hoe bitter hij door zijne kwelgeesten, den lijfarts en den +hofmeester, geleden had. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214">214</a>]</span></p> +</div> +<div id="xd0e3270" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XXIII.</h2> +<h2 class="normal">Don Quichot verlaat het kasteel van den hertog en komt te Barcelona.</h2> +<p>De edele ridder van den leeuw of van de droevige figuur werd het luie leven op het slot nu zoetjes aan toch moe en verzocht +dus den hertog vergunning, om afscheid te nemen en zijn tocht te vervolgen. Deze vergunning werd hem verleend, schoon eerst +nadat de hertog en ook zijne gemalin al hunne welsprekendheid verspild hadden, om hem tot langer blijven te bewegen. Hij nam +afscheid van het doorluchtig paar en ging den volgenden morgen al voor dag en dauw weder op reis. Langzaam stapte Rocinante +met hem voort, en Sancho sjokte op zijn grauwtje vergenoegd bij hem aan. De ezel was van een welgevulden knapzak voorzien, +en in Sancho’s zak stak eene beurs met twee honderd goudguldens, die hem op bevel des hertogs ten geschenke waren medegegeven. +Geen wonder derhalve, dat Sancho vergenoegd was, want zulk een voor hem schier onmetelijken rijkdom had hij zijn leven lang +nog niet bezeten. + +</p> +<p>Nadat de beide dolende helden den halven dag door dik en dun waren voortgereden, bereikten zij een bosch, dat eenigszins bezijden +den weg lag, en hier zag de ridder zich eensklaps in een net van groene draden verstrikt, die tusschen de boomen van den eenen +stam tot den anderen waren uitgespannen. + +</p> +<p>“Sancho,” sprak hij tot zijn schildknaap, “het zou mij verwonderen, als ons hier in dit woud niet weer een der zeldzaamste +avonturen wachtte. Zeker willen de boosaardige toovenaars, die mij onophoudelijk plagen en vervolgen, mijne reis door dit +net ophouden. Doch dit zal hun niet gelukken! Al waren deze draden ook, niet uit boomwol, maar uit ijzer, staal, graniet of +diamant geweven, <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215">215</a>]</span>toch zou ik ze als spinrag doorhakken, voordat men drie tellen kon.” + +</p> +<p>Bij deze woorden trok hij zijn zwaard en spoorde Rocinante aan, om te doen, gelijk hij gezegd had, doch werd daarin verhinderd, +daar eenige mannen van wild en woest uitzien van achter de boomen voor den dag sprongen en zich op hem en op Sancho wierpen, +beiden de wapens afnamen en hierop het grauwtje zoo zorgvuldig doorzochten en uitplunderden, dat in den knapzak geen enkel +kruimeltje meer overbleef. Een geluk voor Sancho was het, dat de roovers niet aan het onderzoeken van zijn persoon dachten, +daar in dat geval zijne goedgespekte beurs voorzeker liefhebbers en een anderen bezitter gevonden had. + +</p> +<p>Terwijl de roovers nog bij den ezel bezig waren, en Don Quichot de plundering met bedroefde oogen aankeek, kwam de hoofdman +van de bende aanrijden. Hij was een man op het oog over de dertig, kloek van gestalte, vurig van blik en van een fier, ridderlijk +voorkomen. Op een wenk van hem staakten de roovers hun werk, en hijzelf naderde hierop den edelen ridder Don Quichot, die +bedroefd en nadenkend tegen een boom stond te leunen. + +</p> +<p>“Wees niet zoo bedrukt, man,” sprak hij den dolenden held aan. “Gij zijt niet in de handen van bloeddorstige duivels gevallen, +en zoolang ik Roque Guinart heet, zal uw persoon geen leed geschieden.” + +</p> +<p>“Ik ben niet bedrukt uit vrees, dappere rooverhoofdman,” antwoordde Don Quichot. “Mij grieft alleen, dat ik door een onverhoedschen +aanval verrast en van het paard geworpen werd, daar ik als dolend ridder toch had moeten vooruitzien, dat in dit woud gevaarlijke +roofridders huizen. Had ik maar eene minuut tijd tot bezinning gehad, dan zou de overwinning u niet zoo licht zijn gevallen, +want weet, dat gij met Don Quichot van La Mancha spreekt, met den ridder van den leeuw, van wiens daden de gansche aardbol +weet te gewagen.” + +</p> +<p>“Ha, gij zijt dus de beroemde dolende ridder, over wien men thans overal hoort spreken?” zei de rooverhoofdman, die zich van +die ontmoeting met Don Quichot veel pret beloofde. “Nu, dan hoop ik, dat gij eenige dagen als gast bij mij vertoeven zult, +en ik <span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216">216</a>]</span>beloof dan, u zoo eerbiedig te zullen doen behandelen, als een ridder van uwe vermaardheid met recht verwachten mag.” + +</p> +<p>Don Quichot boog bij die vleiende woorden zeer beleefd en gaf zijne bereidwilligheid te kennen, om eenigen tijd in het gezelschap +van den rooverhoofdman door te brengen. + +</p> +<p>“Waarheen wildet gij eigenlijk, toen mijn volk u aanhield?” vroeg Roque Guinart. + +</p> +<p>“Naar Barcelona, naar het stierengevecht,” antwoordde Don Quichot. + +</p> +<p>De rooverhoofdman scheen nu op eens op een inval te komen. Hij trad op zij en schreef een briefje aan een vriend in Barcelona, +waarin hij dezen bericht gaf, dat Don Quichot bij hem was de zotste, kluchtigste personage, die men in heel Spanje vinden +kon. Hij wilde hem over eenige dagen naar Barcelona brengen, en zorg dragen, dat hij daar in volle wapenrusting, op Rocinante +zijn strijdros gezeten en in gezelschap van Sancho Panza, zijn schildknaap, aankwam. Hij, de vriend, moest zijne bekenden +daar vooraf van verwittigen en zou zich met den wonderlijken ridder zeker kostelijk kunnen vermaken. + +</p> +<p>De hoofdman verzegelde dit briefje en gaf het aan een van zijn volk over met last, om het onverwijld naar Barcelona over te +brengen. Hierop keerde hij zich weder tot zijn gast en liet zich in een gesprek met hem in, dat hem al zeer spoedig van des +edelen ridders volslagen verstandsverbijstering overtuigde. + +</p> +<p>Drie dagen en drie nachten bleef Don Quichot bij Roque Guinart te gast, en de hoofdman had al dien tijd overvloedig stof tot +lachen. Toen hij den dolenden ridder eindelijk moe werd en ook de dag naderde, waarop Don Quichot in Barcelona moest verschijnen, +ging hij met dezen op weg en bracht hem en den schildknaap tot dicht onder de muren van de stad. Hier nam hij afscheid en +gaf den held aan zijn noodlot en aan de handen zijner vrienden over, die hij wel wist, dat hem zeer spoedig opsporen zouden. +Terwijl hij naar het gebergte terugkeerde, naderden ridder en schildknaap de poort der stad en reden dood op hun gemak de +eerste de beste straat op, over wier fraaiheid zij zich niet weinig verwonderden. + +</p> +<p>Toen zij nu de huizen en de golvende volksmenigte met verbaasde <span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217">217</a>]</span>oogen aanstaarden, kwam eensklaps een rijk gekleed man met eenige volgelingen op hen toe, bleef voor Don Quichot staan en +riep met alle teekenen van de grootste blijdschap: + +</p> +<p>“Ha, welkom, welkom in onze goede stad, gij pronkstuk en kompas van heel de dolende ridderschap! Welkom, edele held Don Quichot! +Wees gegroet en bewonderd door een vurigen bewonderaar van uwe ongehoorde dapperheid!” + +</p> +<p>Bij deze woorden van den onbekende maakten deze en zijn geleide eene behendige zwenking en brachten zoo Don Quichot in hun +midden. Deze wendde zich koelbloedig tot Sancho Panza en zeide: “Zie nu, mijn vriend, hoe wijd de faam van mijn heldenmoed +zich verbreid heeft; want deze lieden hebben ons op het eerste gezicht herkend, ofschoon zij ons nooit te voren kunnen gezien +hebben.” + +</p> +<p>Intusschen kwam de onbekende nog nader en noodigde Don Quichot beleefd uit, hem in zijne woning te volgen. “Ga met ons, genadige +heer!” sprak hij. “Wij zijn allen uwe dienaren en de beste vrienden van Roque Guinart, die ons van uwe aankomst verwittigd +heeft.” + +</p> +<p>“Gij zijt een zoo beleefd man, heer ridder,” antwoordde Don Quichot, “dat ik uwe heusche uitnoodiging onmogelijk afslaan kan. +Breng mij, waarheen gij wilt; ik zal geen anderen wil hebben dan den uwen.” + +</p> +<p>De vreemde boog diep en bracht zijn paard aan zijne zijde. Terwijl zij nu langzaam door het gewemel der straten voortdrongen, +wilde het ongeluk, dat twee ondeugende straatbengels hun in den weg kwamen en met onzen Don Quichot en zijn schildknaap wakker +den draak begonnen te steken. Een hunner lichtte Grauwtjes, de ander den staart van Rocinante op, waarna beiden daar met goochelaarsvlugheid +een handvol stekelachtige distels onder wisten te schuiven. Zoodra de arme dieren nu deze vreemde sporen voelden, trokken +zij hunne staarten vast aan het lijf en verergerden daardoor hunne pijn zoozeer, dat zij als dol en razend heen en weer sprongen +en eindelijk hunne toch al niet bijster zadelvaste berijders hals over kop in het stof wierpen. Don Quichot richtte zich <span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218">218</a>]</span>beschaamd en hevig verstoord op, om Rocinante van de oorzaak zijner kwelling te bevrijden, en riep Sancho Panza toe, met zijn +ezeltje hetzelfde te doen. Hierop bestegen zij hunne kleppers weder en keken naar de jonge deugnieten, die hun die poets gespeeld +hadden, om. De ondeugende bengels hadden zich echter lang geborgen, zoodat Don Quichot zonder hen gekastijd te hebben zijn +weg vervolgen moest. Weldra kwam hij met zijn begeleider in diens huis, waar hij terstond bij zijne intrede door de talrijke +dienaren met luide juichkreten en eene ruischende muziek werd verwelkomd, al ’t geen den goeden ridder in niet geringe mate +streelde en met aangename aandoeningen vervulde. + +</p> +<p>Don Quichots gastheer heette Don Antonio Moreno en was een rijk en aanzienlijk man. Zoodra hij den held onder zijn dak zag, +was hij er op bedacht, diens dwaasheden aan den dag te brengen, zonder dat de leeuwenridder er iets van merkte; want zijn +gast te krenken of zeer te doen, was in geenen deele zijne bedoeling. + +</p> +<p>Vooreerst leidde hij hem aan tafel en onderhield zich met hem op eene wijze, die, zonder hem te beleedigen, voor al de gasten +uiterst vermakelijk was, en daarop ging hij met hem in een afgelegen vertrek, waarin niets dan een tafel van jaspis stond, +die door een voetstuk van dezelfde stof werd gedragen. Op die tafel stond een reusachtig menschenhoofd van metaal, waarop +Don Moreno zijn gast al dadelijk opmerkzaam maakte. + +</p> +<p>“Dit hoofd, heer,” sprak hij, “is vervaardigd door een der grootste toovenaars, die ooit op aarde bestaan hebben. Het bezit +de eigenschap van op iedere vraag, die men het in het oor zegt, te antwoorden, en het doet mij leed, dat ik u hier niet oogenblikkelijk +van overtuigen kan. Maar ’t is vandaag Vrijdag en juist op dezen dag is het hoofd stom. Morgen echter, zoo gij dat goedvindt, +zullen wij er de proef van nemen en zult gij zien, dat ik de volle waarheid heb gesproken.” + +</p> +<p>Don Quichot was over deze begaafdheid van een levenloozen metalen kop zoo zeer verwonderd, dat hij zijn gastheer bezwaarlijk +gelooven kon. Daar de proef op de som echter zoo spoedig geleverd zou worden, gaf hij zijne ongeloovigheid niet te kennen, +maar <span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219">219</a>]</span>dankte Don Moreno, dat die hem met zulk een merkwaardig tooverwerk had bekendgemaakt. Zij verlieten het vertrek en keerden +naar het overige gezelschap terug, dat zich onderwijl met Sancho Panza’s grappen en kluchtige vertellingen niet weinig vermaakt +had. + +</p> +<p>Tegen den avond werd een wandelritje gedaan. Don Quichot was niet gewapend, maar droeg over zijne gewone kleeding een wijden +zwaren mantel van donkere stof, die hem niet weinig zweetdroppels afperste. Ook bereed hij heden niet zijn Rocinante, maar +een fraai, kloek muildier, dat bijzonder net en sierlijk was opgetuigd. Toen men hem den mantel omwierp, spelde men hem, zonder +dat hij er iets van merkte, een blad perkament op den rug, waarop met groote letters geschreven stond: “Dit is de ridder Don +Quichot van La Mancha.” + +</p> +<p>Toen men nu de straten doorreed, trok dat groote plakkaat natuurlijk ieders oogen tot zich. De menschen lazen hardop: “Dit +is de ridder Don Quichot van La Mancha!” En Don Quichot, die dit hoorde, verwonderde zich zeer, dat iedereen hem zoo goed +kende en bij zijn naam wist te noemen. Verbaasd wendde hij zich tot Don Moreno, die aan zijne zijde reed, en sprak: + +</p> +<p>“Wat is het toch aangenaam een dolend ridder te zijn, en in alle hoeken en einden der aarde bekend en beroemd te worden! Zie +maar, beste heer, tot zelfs de dartele straatjeugd in deze stad kent mijn persoon en moet zeker ook met mijne roemrijke daden +bekend wezen.” + +</p> +<p>“Natuurlijk, en dat is ook geen wonder,” antwoordde Don Moreno hoogst ernstig, schoon hij moeite had zijn lachlust te onderdrukken. +“Gelijk het vuur niet verborgen en onderdrukt worden kan, zoo blinkt en schittert ook de verdienste, welke de man zich door +heldenmoed en dapperheid verworven heeft.” + +</p> +<p>Intusschen werd het gedrang om Don Quichot heen toch zoo erg, dat men hem het plakkaat heimelijk weer afnemen en naar huis +terugkeeren moest. Daar was een prachtige avondmaaltijd aangericht, en tot diep in den nacht vermaakte de ridder met zijn +dolle, dwaze en ongerijmde redeneeringen het gansche gezelschap. + +</p> +<p>Tegen den volgenden dag, wanneer het betooverd menschenhoofd <span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220">220</a>]</span>zijne kunsten vertoonen moest, had Don Moreno verschillende bevriende families genoodigd. Daar was niemand onder, die iets +van het eigenlijke geheim van dat hoofd wist, dan twee jonge ridders, aan wie Don Moreno het ontdekt had. Het was een kunstwerk, +dat van een vindingrijkheid en vernuft getuigde, die ieder versteld deden staan. + +</p> +<p>De eerste, die het oor van het hoofd naderde, was Don Moreno zelf. Met zachte stem, maar toch zoo luid, dat ieder zijne woorden +verstaan kon, vroeg hij: “Kunt gij mij ook zeggen, hoofd, met welke gedachte ik mij op dit oogenblik bezighoud?” + +</p> +<p>Het hoofd, zonder de lippen te bewegen, antwoordde met heldere stem: “Over gedachten oordeel en spreek ik niet.” + +</p> +<p>De toehoorders waren ten toppunt van verbazing, te meer daar zij overtuigd waren, dat in het gansche vertrek of althans in +de nabijheid van de tafel geen menschelijk wezen was, dat had kunnen antwoorden. + +</p> +<p>“Kunt gij mij eenige personen noemen, die zich in dit vertrek bevinden?” vroeg Don Moreno weder. + +</p> +<p>“Gij en uwe vrouw zijn hier,” sprak het hoofd met dezelfde duidelijkheid; “buitendien zijn twee vrienden met hunne echtgenooten +tegenwoordig, verder de bij uitnemendheid beroemde ridder Don Quichot van La Mancha, en eindelijk nog Sancho Panza, zijn trouwe +schildknaap.” + +</p> +<p>De bewondering der toeschouwers maakte voor schrik en ontzetting plaats, die enkelen de haren te berge deed rijzen. Don Moreno +trad nu echter achteruit en zeide: “De hier door mij genomen proeven overtuigen zeker iedereen, dat de toovenaar, wien ik +dit hoofd afkocht, mij niet heeft bedrogen. Wie nog lust heeft, eene vraag te doen, trede nader.” + +</p> +<p>Oogenblikkelijk trad eene jonge vrouw op het hoofd toe en vroeg: “Wat moet ik doen, om recht schoon te worden?” + +</p> +<p>“Wees goed en deugdzaam,” luidde het antwoord. + +</p> +<p>De dame trad terug, en een jong man richtte tot het wonderhoofd de vraag: “Wie ben ik?” + +</p> +<p>“Dat weet gij zelf!” werd hem geantwoord. +<span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221">221</a>]</span></p> +<p>“Dat is waar,” sprak de ridder; “maar wilt gij mij niet zeggen, of gij mij kent?” + +</p> +<p>“Ik ken u,” antwoordde het hoofd; “gij zijt Don Pedro Noviz.” + +</p> +<p>“Goed, goed; meer verlang ik niet te hooren,” riep de jonge man en scheen niets van het geval te begrijpen. + +</p> +<p>“Zeg, hoofd, welke wenschen voedt mijn zoon?” vroeg een oud-achtig ridder, die insgelijks was toegetreden. + +</p> +<p>“Ik oordeel eigenlijk niet over wenschen,” klonk de stem uit het hoofd; “alleen kan ik u zeggen, dat uw zoon u wenscht te +begraven.” + +</p> +<p>“Dat kan ik zelf wel zoo wat half begrijpen!” zeide de oude ridder wrevelig. “Maar genoeg, genoeg; ik vraag niet meer.” + +</p> +<p>Don Moreno’s vrouw trad nu toe en zeide: “Ik wensch niets anders te weten, dan of ik mijn edelen echtgenoot nog recht vele +jaren zal mogen bezitten?” + +</p> +<p>“Dat zult gij,” antwoordde het hoofd. “Uw gemaal zal nog jaren lang leven, want hij is gezond, matig en deugdzaam.” + +</p> +<p>“En hoor dan nu mijne drie vragen, wijs hoofd!” vroeg eindelijk Don Quichot<span class="corr" id="xd0e3386" title="Niet in bron">.</span> “Kunt gij mij ook zeggen, of het waarheid of een droom was, wat mij in de grot van Montesinos is overkomen?—Kan ik mij op +Sancho Panza’s zelfkastijding gerust verlaten?—En eindelijk, zal mijne edele gebiederes Dulcinea ooit onttooverd worden?” + +</p> +<p>“Van die grot zwijg ik,” antwoordde het hoofd. “Met Sancho Panza’s geeseling zal het langzaam vooruitgaan; maar eindelijk +zal de aanminnige Dulcinea van Toboso u toch in haar vollen glans weer verschijnen.” + +</p> +<p>“Verder verlang ik niets te weten,” zeide Don Quichot en trad terug. “Maar gij, Sancho Panza, wilt gij het hoofd niet eene +vraag voorleggen?” + +</p> +<p>“Ei, te vragen had ik genoeg, maar ik wil ’t kort maken,” zei Sancho. “Hoor dan eens, heer kopstuk! Zal ik het nog weer eens +tot een stadhouderschap brengen, of zal ik schildknaap blijven? En dan nog—zal ik ooit vrouw en kinderen weerzien?” + +</p> +<p>“Stadhouder of regent zult ge in uw eigen huis zijn, waar ge ook vrouw en kinderen weerziet, als ge daarheen terugkeert. Voor +<span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222">222</a>]</span>’t overige zult ge ophouden schildknaap te blijven, zoodra gij het dienen van een heer hebt opgegeven.” + +</p> +<p>Hiermede eindigden de vragen en antwoorden, en allen, tot op Sancho na, waren verbaasd over het wonderbare en de wijsheid +van dat hoofd. Sancho daarentegen bromde wat in zijn baard, daar de verkregen antwoorden maar half naar zijn zin waren geweest. + +</p> +<p>Voordat wij verder gaan, moeten wij hier het wonder van dat sprekend hoofd verklaren. + +</p> +<p>Het blad en de voet van de tafel namelijk waren van hout, waaraan men door beschildering en verlakking het aanzien van jaspis +had weten te geven. Het hoofd was hol en hol waren ook de voet en het blad van de tafel, in welk laatste het hoofd zoo kunstig +ingezet was, dat men geen teeken van verbinding bemerken kon. De voet van de tafel stond in verband met de keel en de borst +van het hoofd, en dit alles weer met een vertrekje, dat onder de kamer met het hoofd was gelegen. Door de holte van voet, +tafel, keel en borst liep eene zeer kunstig aangebrachte blikken buis of pijp, die voor niemand zichtbaar was en zich tot +diep in het benedenvertrekje uitstrekte. Hier nu stond de persoon, die de antwoorden had te geven. Om de gedane vragen te +verstaan legde hij zijn oor aan de opening van de buis, en hij antwoordde door zelf in de buis te spreken. + +</p> +<p>Een neef van Moreno had zich, na nauwkeurig van alles onderricht te zijn, met de rol van het orakel belast en die, gelijk +wij gezien hebben, uitmuntend volgehouden. + +</p> +<p>Verscheiden dagen verliepen. Don Quichot werd steeds zeer voorkomend behandeld en voelde zich volmaakt tevreden en gelukkig. +De kleine, onschuldige parten, die men hem speelde, bemerkte hij niet, daar Don Moreno met scherp oog over hem waakte en zorgde, +dat niemand hem te na kwam. + +</p> +<p>Daar gebeurde het op een morgen, dat hij met Sancho Panza in volledige wapenrusting een ritje langs de haven deed en hier +een ridder ontmoette, die, evenals hij, van top tot teen gewapend was en eene zilveren maan als wapenteeken op zijn schild +droeg. <span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223">223</a>]</span>Deze vreemde ridder reed recht op Don Quichot toe en zeide, genaderd zijnde, met ridderlijke hoffelijkheid: + +</p> +<p>“Doorluchtige, glansrijke en wijd en zijd vermaarde Don Quichot van La Mancha, zie in mij den ridder van de zilveren maan, +wiens faam denkelijk ook reeds tot uwe ooren is doorgedrongen. Ik ben gekomen, om met u te kampen en de sterkte van uw arm +te ondervinden, daar ik u tot de bekentenis wil dwingen, dat mijne dame schooner en edeler dan Dulcinea van Toboso is. Erkent +gij dit vrijwillig, dan moogt gij ongehinderd uws weegs trekken en voor ditmaal den dood ontgaan; zoo niet, gord u aan ten +strijde, en de hemel doe de waarheid zegepralen. Ben ik overwinnaar, zoo verlang ik niets anders van u, dan dat gij voor een +jaar uwe wapens nederlegt, uwe avontuurlijke tochten staakt en u naar huis begeeft, om in rust en vrede verpoozing te vinden. +Ontwapent gij mij, dan zij mijn leven aan uw goeddunken overgelaten, mijne wapens mogen uw buit zijn, en de roem mijner daden +zal dienen, om den uwen te verhoogen en ten top te voeren. Overleg, of gij met deze voorwaarden tevreden zijt, en antwoord +zonder lang dralen, want heden nog wil ik uw lot en het mijne beslist weten.” + +</p> +<p>Don Quichot voelde zich door deze aanmatigende taal des ridders van de zilveren maan ten ergste beleedigd, en op kalmen, maar +vasten en ernstigen toon antwoordde hij: + +</p> +<p>“Heer ridder van de zilveren maan, van wiens daden ik nog geen woord vernomen heb, ik neem uwe uitdaging en uwe voorwaarden +aan. Neem uwe plaats in, waar gij wilt! Ik zal hetzelfde doen, en dan mag in Sint Pieters naam de kamp beginnen.” + +</p> +<p>Terwijl de beide ridders hunne plaatsen innamen, naderde Don Moreno met verscheiden vrienden en vroeg, om welke reden de tweekamp +wezen zou. De ridder van de zilveren maan verklaarde hem dat, en wijl Don Moreno dadelijk eenige guiterij vermoedde en geen +groot gevaar voor zijn gast vreesde, liet hij de zaak haar vrijen loop. + +</p> +<p>“Daar er geen ander middel bestaat, toont dan in ’s hemelsnaam wat gij kunt, mijne heeren!” zeide hij glimlachend. “Ik zal +mij, met uw goedvinden, tot kamprechter opwerpen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224">224</a>]</span></p> +<p>De beide ridders dankten Don Moreno en maakten zich tot den aanval gereed. Don Quichot riep de bescherming van zijne Dulcinea +in, en nam hierop nog een weinig meer veld, daar hij zag, dat zijne tegenpartij datzelfde deed. Hierop wendden beiden hunne +rossen en stormden met geweld op elkaar in. + +</p> +<p>Daar nu het paard van den ridder der zilveren maan veel flinker en lichter ter been was, dan de stijve, half lamme Rocinante, +bereikte de ridder Don Quichot, voordat deze een derde van de renbaan had doorloopen, en trof hem met zoo vreeselijk geweld, +dat ruiter en ros in een ommezien over elkaar heen tuimelden en zich lagen te wentelen in het stof. Terstond boog nu de ridder +van de maan zich over Don Quichot heen, zette hem zijne lans op de borst en sprak: + +</p> +<p>“Gij zijt overwonnen, ridder, en moet sterven, indien gij de voorwaarden van onzen kamp niet dadelijk aanneemt.” + +</p> +<p>Hoewel bitter gekneusd en bijna van zijne zinnen beroofd, bracht Don Quichot toch, zij ’t al met zwakke en trillende stem, +de koene woorden uit: “In spijt van uwe lans beweer ik, dat Dulcinea van Toboso de schitterendste schoonheid op den wijden +aardbodem is, niettegenstaande ik van mijzelven erkennen wil, dat mijne zwakheid en mijn ongeluk mij verhinderd hebben, deze +waarheid zegevierend staande te houden. Grijp dan nu uwe lans, ridder, en beroof mij van mijn leven, gelijk gij mij reeds +mijn eer en mijn roem ontnomen hebt.” + +</p> +<p>“Dat zij verre van mij,” antwoordde de ridder van de zilveren maan. “Leve jonkvrouwe Dulcinea van Toboso, en moge zij ten +eeuwigen dage als roem en bloem der schoonheid en volmaaktheid gehuldigd worden. Ik voor mijn deel ben ten volle tevredengesteld, +wanneer gij u voor een jaar naar uwe woonplaats wilt terugbegeven en van uw avontuurlijk leven afzien.” + +</p> +<p>“Welaan, dat wil ik beloven, omdat het niet tot nadeel van mijne verheven gebiederesse strekt,” antwoordde Don Quichot al +kreunend en zuchtend. “Ik wil dat beloven, en als een trouw, eerlijk en braaf ridder mijn woord in alles gestand blijven.” + +</p> +<p>Na het ontvangen van deze toezegging wierp de ridder der zilveren <span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225">225</a>]</span>maan zijn paard om, maakte voor Don Moreno en zijn geleide eene beleefde buiging en reed heen in galop. + +</p> +<p>Onderwijl werd de gevelde dolende ridder van den grond opgetild, zijn gelaat ontdekt en hem de helm afgenomen. Hij droop van +zweet en was doodsbleek. Rocinante was zoo deerlijk gehavend, dat hij geen poot verzetten kon, en Sancho Panza toonde zich +zoo bijster bedroefd en neerslachtig, dat men puur niet wist, wat met den armen sukkel aan te vangen. Sancho dacht, dat alles +een droom of een werk van booze toovenaars en heksenmeesters was, nu hij zijn dapperen heer daar zoo uit den zadel gelicht, +tegen den grond gekwakt en verplicht zag, om voor een rond jaar wapens, zwaard en lans neer te leggen. Dat leek hem ongehoord, +ongeloofelijk toe. Lijdelijk zag hij toe, hoe Don Quichot in een draagkoetsje gepakt en naar de stad teruggebracht werd, terwijl +hij zelf langzaam en met een bedrukt harte volgde. + +</p> +<p>Wij moeten nu verklaren, wie eigenlijk de ridder van de zilveren maan en wat zijne bedoeling was. Don Moreno vernam dat eerst, +toen hij in al de logementen der stad naar hem vroeg, hem vond en de volgende opheldering van hem verkreeg: + +</p> +<p>“Gij moet weten, mijnheer, dat ik Sanson Carrasco heet en een landsman van onzen ridder Don Quichot ben. Zijne gekheid ging +mij en allen, die hem kenden, aan het hart, en daar ik het er voor hield, dat alleen ongestoorde rust in zijn eigen huis hem +van zijne dwaze inbeeldingen genezen kon, ontwierp ik een plan, om hem die te verschaffen. Eerst ging ik, als spiegelridder +verkleed, op weg, om met hem te vechten en, bleef ik overwinnaar, hem de belofte af te dwingen, dat hij voor een bepaalden +tijd zijne tochten opgeven en naar huis terugkeeren zou. Het geluk liep mij echter tegen, want ik werd de onderliggende partij +en bracht er met moeite het leven af. Evenwel liet ik mij door dien eersten tegenspoed niet afschrikken, maar verschafte mij +nieuwe wapens en een beter paard, volgde het spoor van den goeden man en vond hem eindelijk hier, waar ik mijn doel bereikte. +Dit is alles, wat ik u te vertellen heb, en ik verzoek u dringend, Don Quichot niet te verraden, met wien hij gevochten heeft, +daar ik dan een <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226">226</a>]</span>vergeefsch werk zou gedaan hebben. Onze vriend moet echter zijn verstand terugkrijgen, daar hij op die dwaze inbeeldingen +en kuren na de beste en braafste mensch van de wereld is.” + +</p> +<p>Don Moreno beloofde het diepste stilzwijgen en Sanson Carrasco verliet nog dienzelfden dag de stad. + +</p> +<p>Onderwijl bleef Don Quichot zes dagen te bed liggen, was verdrietig, somber en nadenkend, en kon zijn ongelukkig gevecht met +geen mogelijkheid uit het hoofd zetten. Sancho Panza zocht hem te troosten, zoo goed hij maar kon. + +</p> +<p>“Beste heer,” sprak hij, “laat den moed niet zinken en steek het hoofd maar weer op. Het ding is nog vrij gezegend afgeloopen, +en al hebt ge al een harden smak gekregen, toch zijn al uwe ribben nog heel. Kom, laat ons naar huis terugkeeren en ons alle +avonturen uit het hoofd zetten. Troost u met mij en bedenk, dat ik er in den grond nog bekaaider afkom, dan gij. Dat stadhouderschap +mag naar de maan loopen; maar ’k had toch wel graaf of zoo wat willen worden. Doch hoe is daar kans op, nu gij naar huis moet +en op uw koningschap weinig hoop meer is? Door uw ongeluk hebt ge meteen mijn spel voor altijd verbroddeld.” + +</p> +<p>“Zwijg, Sancho!” antwoordde Don Quichot op knorrigen toon. “Hoe kunt ge zulke onnutte jammerklachten aanheffen, daar ge wel +weet, dat ik mijn heldenleven toch maar voor één jaar opgeven moet? Is die tijd voorbij, dan grijp ik weer naar lans en zwaard +en, onder ’s hemels zegen, zal een koninkrijk dan wel niet uitblijven. Maar anders hebt gij gelijk. Ik wil alle donkere gedachten +uit mijn hoofd zetten en zonder verwijl op reis gaan naar huis. Zadel Rocinante en uw ezel, en pak mijne wapens op uw grauwtje, +daar ik die nu toch een jaar lang niet dragen mag.” + + +</p> +<p></p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p226.jpg" alt="Sancho kuierde te voet bij hem aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen." width="481" height="720"><p class="figureHead">Sancho kuierde te voet bij hem aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Ten hoogste verblijd, ging Sancho Panza heen, om aan de bevelen van zijn meester te voldoen. Deze zelf kwam uit zijn bed kruipen, +trok zijn lederen kleeding aan en ging Don Moreno opzoeken, om dien edelen man voor zijne gastvrijheid te danken. Don Moreno +omarmde hem hartelijk en wenschte hem allen bedenkelijken zegen en voorspoed. Daarop besteeg de dolende ridder Rocinante, +en Sancho Panza kuierde te voet bij hem aan, daar <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227">227</a>]</span>zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen en hij ’t goede beest niet te zwaar belasten wou. + +</p> +<p>Zoo verlieten de beiden Barcelona, waar onzen ridder door zijne nederlaag ’t zwaarste leed had getroffen, dat hem, naar zijne +gedachten, ooit op aarde kon overkomen. + + + +</p> +</div> +<div id="xd0e3467" class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#toc">Inhoud</a>] +</span><h2 class="label">Hoofdstuk XXIV.</h2> +<h2 class="normal">Don Quichots tehuiskomst en dood.</h2> +<p>De overwonnen ridder van den leeuw en de droevige figuur trok stil en bedrukt zijns weegs. De droefheid knaagde als een vretende +worm aan zijn leven en deed zijne krachten bij den dag afnemen. + +</p> +<p>Eens, toen hij met Sancho Panza door een bosch reed, keerde hij zich na lang stilzwijgen eensklaps tot zijn reismakker en +zeide: + +</p> +<p>“Sancho Panza, voor zoover ik weet, hebt gij u nog maar vijf van de slagen toegediend, die tot ontoovering van mijne Dulcinea +vereischt worden. Zal ik haar zoet, liefelijk aangezicht ooit weer aanschouwen, dan moogt gij niet langer zoo traag zijn, +maar moet voortaan wat vlijtiger tegen uw eigen vleesch woeden. Daar ik mij echter overtuigd heb, dat gij uit liefde tot mij +dit offer niet brengen zult, stel ik u voor, iederen slag met klinkende munt te betalen. Overleg eens, wat gij eischen wilt, +en begin dan maar dadelijk. Daar gij mijn geld in bewaring hebt, kunt gij u later zelf betalen.” + +</p> +<p>Bij dit aanbod spalkte Sancho mond en oogen open. + +</p> +<p>“Mijn gestrenge heer ridder,” zeide hij, “dat lijkt mij een heel verstandig voorstel toe, en uit liefde tot mijn vrouw en +kinderen, <span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228">228</a>]</span>die dat geld goed gebruiken kunnen, wil ik het aannemen. Zeg op, hoe duur wilt gij iederen slag, dien ik mijzelf geef, betalen?” + +</p> +<p>“Bepaal zelf den prijs,” antwoordde Don Quichot. + +</p> +<p>“Ei, ’t zijn drie duizend drie honderd slagen,” zeide Sancho. “Vijf daarvan heb ik al beet, maar de rest blijft nog over. +Om echter niet krenterig te wezen, wil ik die vijf niet meetellen, en dus komen we weer op drie duizend drie honderd. Reken +ik nu voor iederen slag een quartillo, en dat is zuinig gerekend, dan geeft dat drie duizend drie honderd quartillo’s of acht +honderd vijf en twintig realen<a class="noteref" id="xd0e3488src" href="#xd0e3488">1</a>. Laat mij die som van uw geld afnemen, en dan zal ik, al doet mijn rug wat zeer, vergenoegd en tevreden naar mijn vrouwtje +terugkeeren.” + +</p> +<p>“Sancho, gij zijt een juweel van een man!” riep Don Quichot. Ga dan maar terstond aan den gang, en als ge goed haast maakt, +beloof ik u nog honderd realen extra.” + +</p> +<p>“Goed, om u genoegen te doen, wil ik van avond nog beginnen,” verzekerde Sancho Panza. “Onder den blooten hemel, midden in +dit bosch zal mijne huid in flarden gaan en mijn bloed gestort worden.” + +</p> +<p>De avond, schoon voor Don Quichots ongeduld te traag en te langzaam, kwam eindelijk en breidde zijne donkere schaduwen over +het geboomte uit. Ridder en knaap ontdeden tegen schemerdonker hunne dieren van zadel en tuig, legerden zich op het malsche +gras en hielden in vrede hun sober avondmaal. Hierop maakte Sancho uit grauwtjes halster een stevig geeseltouw en ging alleen +twintig passen dieper het bosch in, waarbij hij zorg droeg, zijn dik lichaam zoo goed mogelijk achter de boomstammen te verbergen. + +</p> +<p>“Vriend Sancho,” riep Don Quichot, toen zijn schildknaap zijne marteling zoo onverschrokken te gemoet ging, “vriend Sancho, +zorg, dat ge uzelf niet doodslaat, en overhaast u niet zoo, dat ge te gauw buiten adem raakt. Nu, ga uw gang en wees verzekerd, +dat <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229">229</a>]</span>ik iederen slag, dien ge u geeft, nauwkeurig zal tellen. De hemel sterke u onder uw loffelijk werk.” + +</p> +<p>“Wees zonder zorg, heer; ik zal mij taai houden,” riep Sancho terug. “De pijn zal mij zoo gauw den dood niet doen.” + +</p> +<p>Hij trok zijn buis uit, ontblootte zich het bovenlijf tot aan den gordel en zwaaide zijn geeseltouw met macht en geweld. Klits, +klats! vielen de forsche slagen neer, en Don Quichot begon te tellen. + +</p> +<p>Vijf of zes klappende slagen waren gevallen, toen hij ophield en riep: “Heer, ik heb te weinig gerekend! Ieder van deze slagen +is op zijn minst een halven reaal waard.” + +</p> +<p>“Sla toe! Sla toe, Sancho!” riep Don Quichot. “Ik verdubbel den bedongen prijs.” + +</p> +<p>“Goed; dat blijft zoo afgesproken,” antwoordde Sancho, en klits, klats ging het opnieuw. + +</p> +<p>Don Quichot was natuurlijk van meening, dat Sancho Panza zijn eigen vleesch kastijdde; doch daar vergiste hij zich in, want +de slimme deugniet sloeg, in plaats van op zijn rug, op de omstaande boomen los, en liet van tijd tot tijd eens een luider +of zachter kreet hooren, om zijn meester in zijn goed geloof te versterken. Deze werd intusschen door Sancho’s voorgewende +pijn en smarte tot diep in de ziel geroerd, en toen de geeseling eene goede poos geduurd had, riep hij hem toe, dat hij nu +vooreerst maar uitscheiden moest. + +</p> +<p>“Naar mijne berekening hebt ge al ruim duizend slagen doorgestaan, en dat is voor één keer voldoende,” riep hij. + +</p> +<p>“Neen, neen, gestrenge heer,” antwoordde Sancho. “Ik houd vol, tot ik althans twee duizend op mijn baaitje heb. Op die manier +is ’t in tweemaal beredderd en ben ik ’t gauwst van het ding af.” + +</p> +<p>“Nu dan, als dat uwe vrije verkiezing is, wil ik u niet tegenhouden,” sprak Don Quichot. “Sla toe dan maar, zoo lang gij kunt +en wilt.” + +</p> +<p>Sancho begon zijn werk met nieuwe krachten en met zulk een ijver, dat de boomstammen onder zijn bereik bijna al hun bast verloren. +Eens bracht hij een ouden beuk een slag toe, die door <span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230">230</a>]</span>het halve bosch dreunde, en schreeuwde daarbij: “Hier sterft Simson en alles, wat bij hem is.” + +</p> +<p>Nu kon Don Quichot het lijden van zijn armen schildknaap niet langer uitstaan. Hij liep op hem toe, hield zijn geeseltouw +vast en riep: “Houd op! Ik kan niet langer aanhooren, hoe gij om mijnentwil kreunt en huilt. Denk aan vrouw en kind, en draag +zorg, dat gij voor hen behouden blijft. Dulcinea mag wachten, en ik wil in hoop leven, tot gij weer nieuwe krachten hebt verzameld.” + +</p> +<p>“Zooals gij wilt, heer!” antwoordde Sancho Panza. “Wees echter nu zoo goed, mij uw mantel om te hangen, dat ik geen kou vat; +want ik zweet als een oliekoek.” + +</p> +<p>De goedgeloovige ridder haalde zijn mantel, pakte Sancho als een bakerkind in, en legde zich toen met hem onder de boomen +neder. Met de zon stonden zij echter weer op en vervolgden hun weg. + +</p> +<p>De volgende nacht gaf Sancho gelegenheid, om zijne boete geheel te volbrengen, en hij gebruikte dien, evenals den eersten, +om niet zijn eigen rug, maar de arme basten der boomen met vreeselijke woede te kastijden. Don Quichot telde iederen slag, +en toen de laatste viel, was hij hoogst verblijd en kon nauwelijks den dag afwachten, om te zien, of Dulcinea van Toboso dan +ook in den vollen glans hare herkregen schoonheid voor hem zou staan. + +</p> +<p>Voor dag en dauw zat hij weer te paard en keek onderweg elk vrouwelijk wezen aan, om in haar de onttooverde prinses te herkennen. +Maar de dag verstreek en toen het avond werd, gaf Don Quichot den moed verloren en hing als half suf en wezenloos op zijn +paard. Droefgeestig zag hij voor zich neer, en zelfs Sancho’s kluchtigste uitvallen vermochten hem geen lachje af te persen. +Eindelijk ontdekten de beide zwervers hun dorp en bereikten dat, voordat het nog ten volle donker was. Toen zij de straat +doorreden, zag Don Quichot twee jongens op een dorschvloer en hoorde den eenen zeggen: “Geef je geen moeite, Periquille; je +zult haar je leven lang niet weerzien.” + +</p> +<p>Bij het vernemen van deze woorden, zuchtte de ridder, alsof zijn hart breken zou, en zeide tot Sancho: “Hebt gij gehoord, +wat die <span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231">231</a>]</span>jongen zei? Ik zal Dulcinea mijn leven lang niet weerzien.” + +</p> +<p>“Malligheid! Malligheid, edele heer!” riep Sancho lachend. “Die jongen meent heel wat anders.” + +</p> +<p>“Neen, neen,” antwoordde Don Quichot zwaarmoedig, “’t Is eene voorbeduiding en ik weet, dat mij zwaar ongeluk boven het hoofd +hangt.” + +</p> +<p>Zonder naar Sancho’s troostend antwoord te luisteren, reed hij bedrukt verder en bereikte spoedig zijn huis, waar hij door +zijne nicht, zijne huishoudster, den pastoor en Sanson Carrasco met groote blijdschap ontvangen werd. Ook vond hij er de vrouw +van Sancho, die terstond beslag op haar man legde en hem met niet al te zachte en zoete woordekens welkom heette. + +</p> +<p>“Vrouw, zwijg stil!” zeide Sancho. “Ik breng een zak vol geld mee, en heb dat zuur, maar eerlijk verdiend.” + +</p> +<p>“Nu, als je geld meebrengt, wil ik je weer in genade aannemen, beste manneke,” antwoordde de vrouw op geheel veranderden toon. +Zij omarmde hem, zoende hem, dat het klapte, pakte hem onder den arm, nam grauwtje bij den teugel en stapte zoo triomfantelijk +naar huis. + +</p> +<p>Terwijl zij zich thuis Sancho’s avonturen liet vertellen, maakte Don Quichot zijne vrienden en verwanten met zijne lotgevallen +en ontmoetingen bekend en verzweeg niet, dat hij overwonnen was geworden en de plechtige belofte had afgelegd, een vol jaar +in werkeloosheid onder zijn eigen dak te zullen doorbrengen. + +</p> +<p>Men beklaagde hem, zonder hem te laten merken, hoe bij dien laatsten kampstrijd de vork in den steel had gezeten, en de huishoudster +noodigde haar meester eindelijk uit, aan tafel te komen en zich door een duchtig avondmaal te sterken. + +</p> +<p>“Neen, goede vrouw, ik weet beter, wat mij dient,” antwoordde Don Quichot zwaarmoedig. “Breng mij te bed en laat mij slapen, +want het is, alsof ik eene ziekte onder de leden heb.” + +</p> +<p>Aan zijn bleek en vervallen uitzien merkten de overigen zeer goed, dat de arme ridder werkelijk ziek moest zijn, en daarom +verzette zich dan ook niemand tegen zijn verlangen. Hij werd te bed gebracht, om daar niet weder van op te staan. +<span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232">232</a>]</span></p> +<p>Het verdriet over de in zijn oog vernederende nederlaag, die hij had geleden, tastte hem hevig aan en haalde hem eene koorts +op den hals, die hem spoedig aan den rand van het graf bracht. Zijne vrienden pasten hem wel met alle zorg op en lieten een +dokter komen; doch de middelen, die deze voorschreef, misten de gewenschte uitwerking, en de toestand van den lijder verergerde +van dag tot dag, zoodat de dokter zijn naderend einde voorspelde. + +</p> +<p>Toen de overigen, onder wie ook Sancho Panza, van deze uitspraak kennis kregen, waren zij sterk aangedaan, en alleen Don Quichot +zelf behield zijne bedaardheid. + +</p> +<p>“Gaat heen,” zeide hij, “en laat mij slapen; zoodra ik weer wakker word, zal ik u laten roepen.” + +</p> +<p>Allen gingen op zijn verlangen de kamer uit, en hij sliep nu wel zes uren achtereen. Bij zijn ontwaken was het, alsof hem +op eens de blinddoek van zijn oogen was gevallen, en met luider stem riep hij, dat hij al zijne verwanten en vrienden nog +eens wenschte te zien. Zij kwamen en schaarden zich rondom zijn ledikant. + +</p> +<p>“Waarde en lieve vrienden,” sprak hij, “de genade des hemels heeft groote dingen aan mij gedaan en mijn verstand van de nevelen +bevrijd, die het zoo lang verdonkerd hebben. Nu, daar mijn einde nabij is, zie ik in, dat mijn leven eene groote dwaasheid +en dwaling was, waartoe alleen het lezen van die ellendige ridderromans mij gebracht heeft. Mij bedroeft niets, dan dat ik +zoo laat tot dit inzicht ben gekomen en dat mij geen tijd meer vergund is om mijne verkeerdheden weder goed te maken. Ik weet, +dat ik een dolzinnige dwaas was, terwijl ik mij inbeeldde, een groot held en vermaard dolend ridder te wezen, en het eenige, +dat mij troost, is, dat ik gedurende mijne verblindheid alleen zotternijen en dwaasheden, maar geen misdaden heb begaan. Mijn +einde is nabij; brengt mij dus een biechtvader, wien ik mijn zonden bekennen en een notaris, wien ik mijn laatsten wil opgeven +kan. Haast u, want de minuten zijn kostbaar.” + +</p> +<p>Verwonderd zagen allen elkaar aan en waren verblijd dat zoo den armen krankzinnige nog in de laatste ure het helder licht +der <span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233">233</a>]</span>rede werd teruggeschonken. Zij weenden bitter, doch verzuimden daarbij niet, dadelijk aan het verlangen van den stervende +te voldoen. Deze biechtte den pastoor en liet daarop zijn testament opstellen, waarbij hij al zijne have en goed aan zijne +arme nicht vermaakte met de bepaling, dat deze aan de oude huishoudster haar leven lang den kost moest geven en nooit een +man mocht trouwen, die een vriend van avontuurlijke ridderromans en soortelijke geschiedenissen was. Aan Sancho Panza kende +hij een aardig legaat toe, en de pastoor zou tot aandenken zijn helm en zijne verdere wapenrusting bekomen. + +</p> +<p>Nadat men hem de beschikking had voorgelezen, knikte hij tevreden met het hoofd, zeeg toen op de kussens achterover, strekte +zijn lang lichaam tot zijne volle lengte uit en sloot de oogen. Allen schrikten, schoten toe en bevonden, dat de ziel van +den armen avonturier zacht en vredig ter eeuwige ruste was ingegaan. + +</p> +<p>Zoo was het uiteinde van Don Quichot van La Mancha. Onder tranen werd hij begraven, en op zijn grafsteen liet Sanson Carrasco +het volgend opschrift beitelen: + +</p> +<p>“Hier ligt de dappere, die alles overwinnen kon, behalve den dood. Bij zijn leven was hij dwaas, op zijn sterfbed echter werd +hij wijs, en allen die hem kenden, betreurden hem.” + +</p> +<p>Sancho Panza leefde nog lang, vroolijk en zonder zorgen, en men zegt, dat hij dagelijks het graf van zijn ouden heer bezocht +heeft. De schildknaap was een schelm, maar niet ondankbaar en had de herinnering van zijn heer tot aan zijn eigen dood van +harte lief. + + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e3488src" id="xd0e3488">1</a></span> Een <i>quartillo</i> is het vierde van de Spaansche koperen reaal, welke laatste de waarde van omtrent 12½ cent heeft. +</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="normal">Inhoudsopgave</h2> +<ul> +<li><a href="#xd0e131">Jonker Don Quichot.</a></li> +<li><a href="#xd0e187">Hoe Don Quichot zijn eersten tocht onderneemt.</a></li> +<li><a href="#xd0e235">De ridderslag.</a></li> +<li><a href="#xd0e302">Waarin braaf gerost en geranseld wordt.</a></li> +<li><a href="#xd0e372">Hoe Don Quichot naar huis kwam en een schildknaap vond.</a></li> +<li><a href="#xd0e410">Don Quichot en de windmolens.</a></li> +<li><a href="#xd0e550">Hoe Don Quichot met paardenhoeders twist krijgt en wat hem in de herberg overkomt.</a></li> +<li><a href="#xd0e700">Don Quichot en de schapenkudden, met nog andere avonturen.</a></li> +<li><a href="#xd0e886">De molen.</a></li> +<li><a href="#xd0e1010">Hoe Don Quichot eenige ongelukkigen in vrijheid stelt en wat hem verder overkomt.</a></li> +<li><a href="#xd0e1077">Sancho Panza verliest zijn ezel en Don Quichot speelt voor gek.</a></li> +<li><a href="#xd0e1221">Hoe Don Quichot uit het rotsdal bevrijdt wordt.</a></li> +<li><a href="#xd0e1378">Don Quichot velt eenige reuzen en wordt naar huis gebracht.</a></li> +<li><a href="#xd0e1558">Hoe Don Quichot tot een nieuwen tocht wordt bewogen.</a></li> +<li><a href="#xd0e1687">Don Quichot zoekt zijne hooge gebiederes Dulcinea van Toboso op.</a></li> +<li><a href="#xd0e1834">De kar des doods en de ridder met de spiegels.</a></li> +<li><a href="#xd0e2052">Het avontuur met de leeuwen en andere wonderlijke geschiedenissen.</a></li> +<li><a href="#xd0e2278">De betooverde boot en de schoone jageres.</a></li> +<li><a href="#xd0e2395">Wat ridder en schildknaap op het slot al beleven.</a></li> +<li><a href="#xd0e2599">Het avontuur met het houten paard.</a></li> +<li><a href="#xd0e2829">Sancho Panza op het eiland Barataria.</a></li> +<li><a href="#xd0e3121">Het stadhouderschap neemt een einde.</a></li> +<li><a href="#xd0e3270">Don Quichot verlaat het kasteel van den hertog en komt te Barcelona.</a></li> +<li><a href="#xd0e3467">Don Quichots tehuiskomst en dood.</a></li> +</ul> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> +<h3>Beschikbaarheid</h3> +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie team op <a href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. + +</p> +<p>Oorspronkelijke titel: <i lang="es">El ingenioso hidalgo Don Quijote de la Mancha.</i>, verschenen 1605–1615. + +</p> +<p>Gerelateerde WorldCat catalogus pagina: +<a href="http://www.worldcat.org/oclc/63951222">63951222</a>. + +</p> +<h3>Codering</h3> +<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde +van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn +gemarkeerd met het corr-element. + +</p> +<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste +dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens. + +</p> +<h3>Documentgeschiedenis</h3> +<ol class="lsoff"> +<li>2009-03-19 Begonnen. + +</li> +</ol> +<h3>Externe Referenties</h3> +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.</p> +<h3>Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%"> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e149">2</a></td> +<td width="40%">poetsens</td> +<td width="40%">poetsen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e221">8</a></td> +<td width="40%">losgegepst</td> +<td width="40%">losgegespt</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e469">28</a></td> +<td width="40%">onbijt</td> +<td width="40%">ontbijt</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e965">62</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1102">71</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1160">75</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1179">76</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1200">77</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1352">87</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1411">92</a></td> +<td width="40%">wezenzenlijke</td> +<td width="40%">wezenlijke</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1464">96</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1518">100</a></td> +<td width="40%">beevaartgangers</td> +<td width="40%">bedevaartgangers</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1523">101</a></td> +<td width="40%">wachten</td> +<td width="40%">wachtten</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1545">103</a></td> +<td width="40%">een</td> +<td width="40%">en</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1561">104</a></td> +<td width="40%">VIII</td> +<td width="40%">XIV</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1635">109</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1641">109</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1645">109</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1649">109</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1653">109</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1661">110</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1665">110</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1719">114</a></td> +<td width="40%">anwoordde</td> +<td width="40%">antwoordde</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1728">114</a></td> +<td width="40%">nababijheid</td> +<td width="40%">nabijheid</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1802">119</a></td> +<td width="40%">kont</td> +<td width="40%">komt</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1854">122</a></td> +<td width="40%">voorstoof</td> +<td width="40%">voortstoof</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1871">123</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1950">127</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1994">130</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2032">132</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2043">132</a></td> +<td width="40%">Sanso</td> +<td width="40%">Sanson</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2067">134</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2097">135</a></td> +<td width="40%">vreeg</td> +<td width="40%">vroeg</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2136">137</a></td> +<td width="40%">val</td> +<td width="40%">zal</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2514">164</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2531">165</a></td> +<td width="40%">houdden</td> +<td width="40%">houden</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2724">179</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2754">181</a></td> +<td width="40%">inden</td> +<td width="40%">in den</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2773">182</a></td> +<td width="40%">Magelona</td> +<td width="40%">Magalona</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2836">186</a></td> +<td width="40%">;</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2892">189</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3007">195</a></td> +<td width="40%">”</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3036">198</a></td> +<td width="40%">korste</td> +<td width="40%">kortste</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3065">198</a></td> +<td width="40%">blaast</td> +<td width="40%">blaas</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3106">201</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3177">206</a></td> +<td width="40%">trotscheid</td> +<td width="40%">trotschheid</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3186">207</a></td> +<td width="40%">op zij</td> +<td width="40%">opzij</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3211">208</a></td> +<td width="40%">op eens</td> +<td width="40%">opeens</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3386">221</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Don Quichot van La Mancha, by +Miguel Cervantes de Saavedra + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DON QUICHOT VAN LA MANCHA *** + +***** This file should be named 28469-h.htm or 28469-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/8/4/6/28469/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/28469-h/images/cover.jpg b/28469-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..70267e9 --- /dev/null +++ b/28469-h/images/cover.jpg diff --git a/28469-h/images/p000.jpg b/28469-h/images/p000.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..61f3133 --- /dev/null +++ b/28469-h/images/p000.jpg diff --git a/28469-h/images/p014.jpg b/28469-h/images/p014.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4f31a0b --- /dev/null +++ b/28469-h/images/p014.jpg diff --git a/28469-h/images/p026.jpg b/28469-h/images/p026.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d520c54 --- /dev/null +++ b/28469-h/images/p026.jpg diff --git a/28469-h/images/p030.jpg b/28469-h/images/p030.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..aa00c20 --- /dev/null +++ b/28469-h/images/p030.jpg diff --git a/28469-h/images/p044.jpg b/28469-h/images/p044.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8f2334b --- /dev/null +++ b/28469-h/images/p044.jpg diff --git a/28469-h/images/p048.jpg b/28469-h/images/p048.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fdf880a --- /dev/null +++ b/28469-h/images/p048.jpg diff --git a/28469-h/images/p188.jpg b/28469-h/images/p188.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..32a7739 --- /dev/null +++ b/28469-h/images/p188.jpg diff --git a/28469-h/images/p226.jpg b/28469-h/images/p226.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..390efd4 --- /dev/null +++ b/28469-h/images/p226.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..a016ee1 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #28469 (https://www.gutenberg.org/ebooks/28469) |
