summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/28120-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '28120-8.txt')
-rw-r--r--28120-8.txt23160
1 files changed, 23160 insertions, 0 deletions
diff --git a/28120-8.txt b/28120-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..84e152e
--- /dev/null
+++ b/28120-8.txt
@@ -0,0 +1,23160 @@
+Project Gutenberg's Eene Egyptische Koningsdochter, by Georg Moritz Ebers
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Eene Egyptische Koningsdochter
+ Historische Roman van George Ebers
+
+Author: Georg Moritz Ebers
+
+Translator: Hendrik Cornelis Rogge
+
+Release Date: February 19, 2009 [EBook #28120]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EENE EGYPTISCHE KONINGSDOCHTER ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Eene
+ Egyptische Koningsdochter
+
+
+ Historische roman
+ Van
+ George Ebers
+
+
+ Vijfde druk
+
+
+ Bewerkt door
+ Dr. H. C. Rogge
+
+ Amsterdam
+ Van Holkema & Warendorf
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE BOEK.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+
+De Nijl was buiten zijne oevers getreden. Daar, waar anders het oog met
+welgevallen rustte op weelderige akkers en bloeiende velden, breidde
+zich thans heinde en verre eene onmetelijke watervlakte uit. Alleen
+de door dammen beschermde steden, met hare reusachtige tempels en
+paleizen, de daken der dorpen en de kronen der hoogstammige palmen en
+der bladerrijke sykomoren verhieven zich boven den waterspiegel. De
+wilgenboomen lieten hunne takken nederhangen in den vloed, terwijl
+de hooge zilverpopulieren, met hunne naar boven gerichte takken,
+het vochtige element schenen te willen ontwijken. De volle maan was
+opgegaan en goot haar zacht en liefelijk licht uit over de Lybische
+heuvelrijen in het westen, welker omtrekken zich slechts flauw tegen
+den wolkloozen hemel afteekenden. Op den effen waterspiegel dreven
+blauwe en witte lotusbloemen. Vledermuizen van verschillende soorten
+zwierden en fladderden door de stille, van den geur der acacia's
+en jasmijnbloesems vervulde nachtlucht. In de toppen der boomen
+sluimerden wilde duiven en andere vogels, terwijl pelikanen, ooievaars
+en kraanvogels zich verscholen hielden tusschen het papyrus-riet en de
+nijlboonen, die langs den oever wiesen. De eersten verborgen slapend
+hunne langgesnavelde koppen onder de vleugelen en bewogen zich niet;
+de kraanvogels evenwel schrikten op, telkens wanneer zich een riemslag
+of het gezang van nog werkende schippers deed hooren, en zij tuurden
+in de ruimte, terwijl zij de slanke halzen angstig her- en derwaarts
+keerden. Geen koeltje zelfs woei er, en het spiegelbeeld der maan, dat
+als een zilveren schild op het watervlak scheen te drijven, bewees,
+dat de Nijl, die zich eerst zoo woest van de rotsen neêrstort en zoo
+driftig de reuzentempels van Opper-Egypte voorbijsnelt, daar, waar
+hij, in verscheidene armen verdeeld, de zee nadert, zijn onstuimig
+jagen heeft laten varen, om zich over te geven aan een kalme rust.
+
+In dezen schoonen nacht doorkliefde, 528 jaren vóor onze jaartelling,
+eene bark den Canobischen mond [1] van den Nijl, waarin schier geen
+stroom te bespeuren was. Een Egyptenaar zat op het hooge achterdek,
+terwijl hij met beide handen den langen stuurriem vasthield, waarmede
+hij den koers van het vaartuig regelde [2]. In het ruim van het schip
+zaten halfnaakte roeiers, die zingende de riemen bewogen. In eene van
+voren opene kajuit, die groote overeenkomst had met een houten priëel,
+lagen twee mannen op lage matrassen. Zij waren, naar hun uiterlijk te
+oordeelen, geen van beiden Egyptenaren. Zelfs bij het maanlicht kon men
+hunne Grieksche afkomst herkennen. De oudste van de twee, een ongemeen
+groot en krachtig man van even zestig jaren, wiens zware grijze lokken
+vrij en los tot op zijn korten gevulden hals nedervielen, was in een
+eenvoudigen mantel zonder sieraad gehuld. Hij staarde met somberen blik
+in den stroom, terwijl zijn metgezel, die ongeveer twintig jaren jonger
+was, een slank en schoon gebouwd man, nu eens naar den hemel opzag,
+dan weder tot den stuurman enkele woorden richtte, dan weder zijne
+violetblauwe chlanis [3] verschikte en verplooide, of met de hand over
+zijne welriekende bruine lokken of zijn fijngekroesden baard streek.
+
+De bark had omtrent een half uur geleden Naucratis [4], de eenige
+Grieksche havenplaats in het toenmalige Egypte, verlaten. De grijze
+sombere man had gedurende de gansche vaart geen woord gesproken,
+en de ander had hem in zijn gepeinzen niet gestoord. Als nu het
+vaartuig den oever naderde, richtte zich de bewegelijke jonkman op,
+zijn metgezel toeroepende: »Zoo aanstonds hebben wij het einde van
+onzen tocht bereikt, Aristomachus. Dáár in de hoogte, links, dat zoo
+lieflijk gelegen huis, in dien zich boven de overstroomde velden
+verheffenden tuin van palmboomen [5] is de woning mijner vriendin
+Rhodopis. Haar overleden echtgenoot Charaxus heeft het doen bouwen,
+en al hare vrienden, tot zelfs de koning, beijveren zich, er ieder
+jaar nieuwe verfraaiingen aan te brengen. Noodelooze moeite! Het beste
+sieraad van dit huis zal, al werden ook alle schatten der wereld er
+aan ten koste gelegd, toch steeds zijne schoone bewoonster zelve zijn."
+
+De oude stond nu op, wierp een vluchtigen blik op het gebouw, bracht
+met de hand zijn dichten grijzen baard, die kin en wangen doch niet
+de lippen [6] omgaf, eenigszins in orde, en vroeg kortaf: »Wat is
+die Rhodopis toch voor een wezen in uwe oogen, Phanes? Sinds wanneer
+dweepen de Atheners met oude vrouwen?"
+
+Hij, die dus werd aangesproken, glimlachte en hernam met zekere
+zelfvoldoening: »Ik acht dat ik de menschen, en vooral de vrouwen,
+zeer goed ken; maar ik geef u nogmaals de verzekering, dat ik in geheel
+Egypte geen edeler, geen voortreffelijker wezen ken, dan deze oude
+vrouw. Als gij haar en hare lieve kleindochter zult hebben gezien,
+en uwe meest geliefkoosde liederen door een koor van uitmuntend
+geoefende slavinnen zult hebben hooren zingen [7], voorzeker, dan
+zult gij er mij voor danken, dat ik u derwaarts geleid heb!"
+
+»En toch," antwoordde de Spartaan ernstig, »zou ik u niet zijn
+gevolgd, zoo ik niet de hoop had gekoesterd, den Delphiër Phryxus
+hier te ontmoeten."
+
+»Gij zult hem aantreffen. Ook vertrouw ik, dat het gezang eene
+weldadige werking op u zal oefenen, en u uit uwe sombere overpeinzingen
+zal opwekken."
+
+Aristomachus schudde ontkennend het hoofd, en zeide: »U, levenslustige
+Athener, mogen de vaderlandsche liederen verkwikken, mij echter zal
+het, bij het vernemen van Alkman's [8] heerlijke zangen, zijn als in
+zoo vele nachten, die ik droomend heb doorwaakt. Mijn verlangen zal
+niet bevredigd, het zal slechts verdubbeld worden."
+
+»Meent gij dan," vroeg Phanes, »dat ik niet vurig verlang, mijn geliefd
+Athene, de speelplaatsen mijner jeugd, en het vroolijk gewoel van de
+markt weder te zien? Geloof mij, het brood der ballingschap smaakt
+ook mij niet; maar door een verkeer gelijk dit huis biedt, wordt het
+eenigszins smakelijker. En als de geliefde Helleensche liederen, zoo
+wonderbaar schoon gezongen, tot mijn oor doordringen, dan zie ik in
+mijne verbeelding mijn vaderland voor mij; dan zie ik zijne olijf-
+en pijnbosschen, zijne frissche smaragdgroene stroomen, zijne blauwe
+zee, zijne prachtige steden, zijne met sneeuw bedekte bergtoppen en
+marmeren zalen. Wanneer dan de tonen zwijgen, biggelen mij tranen
+van weemoed en verrukking langs de wangen, als ik tot mij zelven moet
+zeggen, dat ik nog in Egypte toef, dat eentonige heete wonderbare land,
+dat ik, den Goden zij dank, weldra verlaten zal. Maar, Aristomachus,
+is het verstandig de oasen in de woestijn te mijden, wijl gij later
+toch weder met de gevaren en ontberingen der zandzee te strijden zult
+hebben? Is het wijs, het geluk van éen uur te ontvlieden, omdat vele
+droeve dagen u verbeiden?--Halt, hier moeten wij zijn! Toon nu een
+vroolijk gelaat mijn vriend, want het past niet in eene treurige
+stemming den tempel der Charitinnen [9] binnen te treden.
+
+Bij deze woorden landde de bark aan den door den Nijl bespoelden
+muur van den tuin. Met een sprong verliet de Athener het vaartuig;
+de Spartaan volgde hem met zwaren doch vasten tred. Aristomachus had
+een houten been; toch stapte hij zoo gemakkelijk en snel naast den
+vluggen Phanes voort, dat men bijna in verzoeking kwam om te denken,
+dat hij met het houten been ter wereld was gekomen.
+
+In den tuin van Rhodopis geurde, bloeide en gonsde het, als in een
+nacht uit de tooververtellingen. Acanthus, gele mimosa's, hagen
+van sneeuwballen, jasmijn en vlier, rozen en goudenregenstruiken
+betwistten elkander de ruimte; hooge palmen, nijlacacia's en
+balsemboomen verhieven hunne statige kruinen boven de lagere
+gewassen. Groote vledermuizen zweefden op hunne dunne fijne vleugels
+boven deze liefelijke plek rond, terwijl gezang en gelach de stilte
+op den stroom bij wijle verlevendigden.
+
+Door een Egyptenaar was deze tuin aangelegd. De bouwmeesters der
+pyramiden hadden van oudsher den naam van zeer bekwame hoveniers
+te zijn [10]. Zij verstonden de kunst om bloembedden scherp af te
+steken, om boomen en struiken in regelmatige groepen te planten, om
+waterleidingen en springbronnen aan te leggen, om sierlijke priëeltjes
+en tuinhuisjes te bouwen, ja zelfs om de paden met kunstig besnoeide
+hagen af te perken, en in steenen bekkens goudvisschen te onderhouden
+en aan te kweeken.
+
+Phanes bleef voor de poort in den tuinmuur staan, zag oplettend om
+zich heen, luisterde een wijle, als om eenig geluid op te vangen,
+en schudde eindelijk het hoofd, zeggende: »Ik begrijp niet, wat dit
+te beduiden heeft. Ik verneem geene stemmen, zie geen licht, alle
+barken zijn weg, en toch hangt de vaan aan gindschen bontgekleurden
+staak nevens de obelisken aan weêrszijden der poort [11]. Rhodopis
+moet afwezig zijn. Zou men vergeten hebben.....?" Hier viel hem eene
+zware stem in de rede: »Ah, de overste der lijfwacht!"
+
+»Goeden avond, Knakias!" riep Phanes den op hem toetredenden grijsaard
+vriendelijk groetende toe. »Hoe komt het, dat deze tuin zoo stil is als
+eene Egyptische grafkamer, terwijl ik toch de vaan der verwelkoming
+geheschen zie? Sinds wanneer noodigt het witte doek te vergeefs de
+gasten uit?"
+
+»Sinds wanneer?" antwoordde de oude slaaf van Rhodopis lachende. »Zoo
+lang de Parcen [12] mijne gebiedster genadig verschoonen, kan men er
+zeker van zijn, dat deze vaan zoo vele gasten herwaarts zal roepen,
+als dit huis slechts bevatten kan. Rhodopis is niet te huis, doch
+zij zal weldra terugkeeren. De avond was zoo schoon, dat zij den
+lust niet kon weêrstaan, met hare vrienden een tochtje op den Nijl
+te maken. Twee uren geleden, bij het ondergaan der zon, staken zij
+van wal, en de maaltijd is reeds bereid [13]. Zij kunnen niet lang
+meer uitblijven. Ik bid u, Phanes, heb dus een weinig geduld, en
+volg mij intusschen naar binnen. Rhodopis zou het mij niet vergeven,
+als ik zulk een aangenamen gast niet had uitgenoodigd om een wijle te
+toeven. En u, vreemdeling," ging hij voort, den Spartaan aansprekende,
+»verzoek ik dringend te blijven, want als vriend van haar vriend zult
+gij mijne meesteres dubbel welkom zijn!"
+
+De beide Grieken volgden den dienaar, en zetten zich in een priëel
+neder. Aristomachus wijdde nu al zijne aandacht aan zijne omgeving,
+die door de maan helder werd verlicht, en sprak na eenige oogenblikken:
+»Verklaar het mij, Phanes, aan welk geluk deze Rhodopis, eene gewezene
+slavin en hetaere [14], het te danken heeft, dat zij als eene koningin
+leven en hare gasten vorstelijk ontvangen kan?"
+
+»Deze vraag verwachtte ik reeds lang," riep de Athener vroolijk,
+»en het verheugt me dat ik u alvorens gij het huis dezer vrouw
+binnentreedt, met haar verleden bekend kan maken. Gedurende onze
+vaart op den Nijl wilde ik u met mijne verhalen niet storen. Deze
+oude stroom dwingt met onweêrstaanbare kracht tot zwijgen en tot
+stille gepeinzen. Toen ik, gelijk gij daar straks, voor de eerste
+maal een nachtelijken tocht deed op dezen stroom, was het ook mij
+als was mijne anders zoo radde tong verlamd."
+
+»Ik dank u," antwoordde de Spartaan. »Toen ik den honderdvijftigjarigen
+priester Epimenides van Cnossus [15] op Creta, voor de eerste maal
+zag, werd ik door een bijzonder gevoel van eerbied aangegrepen. Zijn
+ouderdom en zijne heiligheid maakten op mij een onbeschrijfelijken
+indruk. Hoeveel ouder, hoeveel heiliger echter is deze grijze stroom
+Aigyptos [16]! Wie zou zich aan zijn betooverenden invloed vermogen
+te onttrekken? Doch ik bid u, verhaal mij van Rhodopis!"
+
+»Rhodopis," aldus ving Phanes aan, »werd, toen zij nog een klein
+kind was, bij gelegenheid dat zij met hare speelgenootjes aan het
+Thracische strand zich verlustigde, door Phoenicische zeevaarders
+geroofd en naar Samos gebracht, waar zij door Jadmon, een geomoor
+[17], gekocht werd. Het meisje nam met den dag toe in schoonheid,
+aanvalligheid en in verstand, en weldra werd zij door allen die haar
+kenden bemind en bewonderd.
+
+»Aesopus [18], de dichter der dierenfabelen, die toen evenzeer
+als slaaf bij Jadmon diende, had een bijzonder welgevallen in de
+aanminnigheid en geestigheid van het kind. Hij onderrichtte het in
+allerlei zaken, en zorgde voor Rhodopis, gelijk een paedagoog [19],
+dien wij, Atheners, voor onze jongens in dienst nemen. De goede
+leermeester vond in haar eene discipelin, die zich gemakkelijk liet
+leiden en zeer vlug van bevatting was. De jonge slavin sprak, zong
+en musiceerde binnen korten tijd beter en schooner, dan de zonen
+van Jadmon, die eene allerzorgvuldigste opvoeding genoten. Op haar
+veertiende jaar was Rhodopis zóo schoon en zóo ontwikkeld, dat de
+ijverzuchtige gade van Jadmon het meisje niet langer in haar huis
+wilde dulden, en de Samiër na lang tegenstribbelen, zijne lieveling aan
+zekeren Xanthus verkoopen moest. Te Samos heerschte toenmaals nog de
+weinig bemiddelde adel. Ware Polycrates reeds aan het bestuur geweest,
+zoo had Xanthus voorzeker niet lang naar een kooper behoeven uit te
+zien. Die tyrannen vullen hunne schatkamers, gelijk de eksters hunne
+nesten! Hij begaf zich dus met zijn kleinood naar Naucratis, en won
+hier door de bekoorlijkheden zijner slavin groote schatten. Rhodopis
+doorleefde nu drie jaren van diepe vernedering, waaraan zij nog altijd
+met afkeer denkt.
+
+»Toen eindelijk de roep harer schoonheid door geheel Hellas
+op de vleugelen der faam was rondgedragen, en vreemden uit de
+verstverwijderde oorden, alleen om haar te zien, naar Naucratis kwamen
+[20], gebeurde er iets, dat op het lot van Rhodopis grooten invloed
+had. Het volk van Lesbos verdreef zijn adel en verkoos den wijzen
+Pittacus tot gebieder. De aanzienlijkste familiën moesten Lesbos
+verlaten, en vluchtten deels naar Sicilië, deels naar de Grieksche
+volkplantingen in Italië, of eindelijk naar Egypte. Alcaeus [21], de
+grootste dichter van zijn tijd, en Charaxus, de broeder dier Sappho
+[22], wier lierzangen te leeren de laatste wensch van onzen Solon was,
+kwamen over naar Naucratis, dat reeds lang, als stapelplaats van den
+Egyptischen handel met alle andere landen, bloeide. Charaxus zag
+Rhodopis, en van stonde aan beminde hij haar zoo hartstochtelijk,
+dat hij eene ontzaggelijke som ten offer bracht, om haar van den
+geldgierigen Xanthus, die naar zijn vaderland verlangde weder te
+keeren, te koopen. Sappho bespotte haren broeder wegens dezen koop, in
+bijtend scherpe verzen; Alcaeus evenwel liet Charaxus recht wedervaren,
+terwijl hij Rhodopis in liederen vol gloed en geestdrift bezong.
+
+»De broeder der dichteres, die tot nog toe onder de vele vreemdelingen
+te Naucratis onopgemerkt was gebleven, verwierf op eenmaal
+door Rhodopis een groote vermaardheid. In zijn huis verzamelden
+zich om harentwille alle vreemdelingen, die haar met geschenken
+overlaadden. Koning Hophra [23], die veel van hare schoonheid en
+haar verstand gehoord had, liet haar naar Memphis komen, en wilde
+haar van Charaxus koopen. Deze echter had haar reeds lang de vrijheid
+geschonken, en beminde haar te vurig, dan dat hij zich van haar zou
+hebben kunnen scheiden. Wederkeerig had ook Rhodopis den schoonen
+Lesbiër hartelijk lief, zoodat zij niets liever wenschte dan bij hem
+te blijven, in weerwil van de schitterende aanbiedingen, die haar
+van verschillende zijden gedaan werden. Ten laatste verhief Charaxus
+de merkwaardige vrouw tot den rang zijner wettige gade, en bleef met
+haar en haar dochtertje Kleïs te Naucratis, tot Pittacus de ballingen
+in het vaderland terugriep. Nu stevende hij met zijne vrouw naar
+Lesbos. Op de reis derwaarts werd hij ziek, en kort na zijne aankomst
+op Mytilene stierf hij. Sappho, die aanvankelijk haren broeder om zijn
+dwaas huwelijk bespot had, werd zeer spoedig de vriendin der schoone
+weduwe. Zij toonde een ongeveinsde bewondering voor deze vrouw, en
+wedijverde met haren vriend Alcaeus, om Rhodopis in hartstochtelijke
+liederen te bezingen.
+
+»Na het overlijden der dichteres keerde Rhodopis met hare dochter naar
+Naucratis terug, en werd hier als eene godin ontvangen. Amasis [24],
+de tegenwoordige koning van Egypte, had zich intusschen van den troon
+der pharaonen meester gemaakt, en wist zich daarop met de hulp der
+krijgslieden, uit wier kaste hij gesproten was, te handhaven. Dewijl
+zijn voorganger Hophra, door zijne voorliefde voor de Grieken en zijn
+omgang met de door alle Egyptenaren gehaatte vreemdelingen, zijn eigen
+val bewerkt en verhaast had, daar hij de priesters en krijgslieden tot
+openbaren opstand had aangezet, hield men 't voor zeker dat Amasis,
+gelijk de vorsten van oudsher plachten te doen, het land voor de
+vreemdelingen sluiten, de Grieksche soldaten afdanken, en in plaats
+van aan den raad der Hellenen het oor te leenen, op de bevelen der
+priesters acht geven zou. Gij hebt het kunnen opmerken, hoezeer
+die goede Egyptenaren zich, bij hunne keuze van een nieuwen koning,
+vergist hebben, en hoe zij van de Scylla in de Charybdis [25], zijn
+vervallen. Was Hophra een vriend der Grieken, dan voorzeker kunnen wij
+van Amasis getuigen, dat hij ons hartelijk liefheeft. De Egyptenaren,
+en voornamelijk de priesters en krijgslieden, spuwen vuur en vlam,
+en zouden ons gaarne allen in eens verworgen. Om de laatste bekommert
+zich de koning niet veel, daar hij wel weet welke gewichtige diensten
+wij en welke zij hem bewijzen. Met de priesters moet hij evenwel
+altijd zeer omzichtig te werk gaan; want eensdeels oefenen deze een
+onbegrensden invloed uit op het volk, en ten andere hecht de koning
+meer, dan hij ons wil laten blijken, aan een ongerijmden godsdienst
+[26], die in dit wonderbare land sinds duizenden jaren onveranderd
+heeft bestaan, en aan haren ouderdom in de oogen harer belijders
+eene nog grootere heiligheid ontleent. Deze priesters verbitteren
+'s konings leven, zij vervolgen en benadeelen ons zooveel zij maar
+kunnen; ja, ik zou reeds lang het kind van de rekening geweest zijn,
+zoo de koning zijne beschermende hand niet over mij had uitgestrekt.
+
+»Maar ik heb den draad van mijn verhaal laten glippen. Rhodopis
+werd dan te Naucratis met opene armen ontvangen, en door Amasis,
+die haar weldra leerde kennen, met bewijzen zijner koninklijke
+gunst overladen. Hare dochter Kleïs, die, evenmin als thans Sappho,
+ooit de dagelijksche avondbijeenkomsten in haar huis mocht bijwonen,
+en bijkans nog strenger dan de andere jonkvrouwen van Naucratis werd
+opgevoed, huwde Glaukus, een rijk koopman uit Phocis van adellijke
+afkomst, die met groote dapperheid zijne vaderstad tegen de Perzen
+had helpen verdedigen, en volgde haar gemaal naar het kortelings op
+de Keltische kust gestichte Massalia [27]. De jeugdige echtelingen
+stierven, ten gevolge van het ongunstige klimaat, nadat hun eene
+dochter Sappho geboren was. Rhodopis ondernam zelve de reis naar het
+verre westen, om de hulpelooze wees af te halen. Zij nam dit kind in
+haar huis op, liet het met de meeste zorg opvoeden, en ontzegt het
+thans, nu het den maagdelijken leeftijd heeft bereikt, het verkeer
+met de mannen. Want zij heeft zulk een diep gevoel van schaamte over
+de vlekken, die aan hare eigene vroegste jeugd kleven, dat zij hare
+kleindochter, die hare grootmoeder hierin niet weêrstreeft, verder
+verwijderd houdt van den omgang met ons geslacht, dan de Egyptische
+zeden wel veroorlooven. Voor mijne vriendin is het gezellig verkeer
+even onontbeerlijk, als het water voor de visschen, als de lucht
+voor de vogelen. Alle vreemdelingen bezoeken haar, en wie eenmaal
+hare gastvrijheid ondervonden heeft, zal, wanneer hem de tijd niet
+ontbreekt, zich niet laten wachten, zoodra de vaan aan de poort tot
+een avondbezoek noodt. Ieder Helleen, onverschillig van welken rang,
+bezoekt dit huis; want hier overlegt men, hoe men zich het best
+tegen den haat der priesters zal kunnen wapenen; en hoe men den
+koning tot dit of dat zal weten over te halen. Hier verneemt men
+steeds de laatste berichten uit het vaderland en uit alle oorden
+der wereld. Hier vindt de vervolgde eene onschendbare wijkplaats,
+want de koning heeft zijne vriendin een vrijbrief gegeven tegen alle
+aanrandingen van de zijde der veiligheidsbeambten [28]. Hier hoort men
+zijne moedertaal spreken en de vaderlandsche liederen zingen. Hier
+wordt beraadslaagd, op welke wijze Hellas van de steeds toenemende
+macht der tyrannen [29] zal kunnen worden verlost. In één woord,
+dit huis is het brandpunt van alle Helleensche belangen in Egypte,
+en van hoogere staatkundige beteekenis, dan zelfs het Hellenion
+alhier, waar de aangelegenheden van onzen godsdienst en onzen handel
+besproken worden. Binnen weinige minuten zult gij de eerbiedwaardige
+grootmoeder, en misschien ook, wanneer wij alleen overig blijven,
+de kleindochter zien, en gij zult spoedig tot de overtuiging komen,
+dat deze menschen niet aan eenig geluk, maar alleen aan hunne eigene
+voortreffelijkheid alles verschuldigd zijn.
+
+»Ha, daar komen zij. Zie, daar richten zij hare schreden naar het
+huis. Hoort gij de slavinnen zingen? Nu treden zij binnen. Laat
+ons wachten tot zij eerst gezeten zijn, en volg mij dan. Bij het
+afscheid zal ik u vragen, of het u berouwt met mij te zijn gegaan,
+en of Rhodopis niet veeleer eene koningin, dan wel eene vrijgelatene
+slavin gelijkt."
+
+Het huis van Rhodopis [30] was in Griekschen stijl gebouwd. De
+buitenzijde van het slechts éene verdieping hooge lange gebouw was,
+ten minste naar onze begrippen van bouwkunst, hoogst eenvoudig. Bij
+de inwendige inrichting had men echter de schoone Grieksche vormen
+aan de Egyptische kleurenpracht weten te paren. Door de breede
+hoofddeur kwam men in het voorportaal. Dan zag men, ter linkerzijde
+eene groote eetzaal, waarvan de vensters het uitzicht hadden op
+de rivier. Tegenover deze was de keuken, waarvoor slechts in de
+woningen der rijke Hellenen eene ruimte was afgezonderd, daar de minder
+vermogenden hunne spijzen aan den haard in het woonvertrek plachten te
+bereiden. De receptie-zaal bevond zich vlak tegenover de hoofddeur,
+en vormde een zuiver vierkant, dat door een zuilengang omgeven was,
+waarop onderscheidene vertrekken uitkwamen. In het midden dezer zaal,
+die bestemd was voor de mannen, brandde op een sierlijken metalen
+haard, in den vorm van een altaar, door een Aeginaetisch kunstenaar
+vervaardigd [31], het huiselijk vuur. Over dag ontving deze zaal
+haar licht door eene groote opening in het dak, door welke tegelijk
+de rook van het haardvuur een uitweg vond. Aan het einde van deze
+zaal, tegenover het voorportaal, bevond zich een gang, die door
+eene zware deur was afgesloten, en naar het groote, slechts aan drie
+zijden door zuilen omgeven vrouwenvertrek geleidde. Hier vertoefden
+de bewoneressen van het huis, wanneer zij niet aan het spinrokken
+of voor het weefgetouw zaten in de zijvertrekken, die op de hoogte
+van de zoogenaamde tuin- of achterdeur gelegen waren. Tusschen deze
+en de vertrekken, die het vrouwenvertrek ter linker- en rechterzijde
+begrensden en tot huishoudkamers waren ingericht, lagen de slaapzalen,
+in welke tegelijk de schatten van het huis bewaard werden. De
+muren der mannenzaal waren met roodachtig bruine verf beschilderd,
+waartegen de witte marmeren beelden en groepen, alle geschenken van
+een kunstenaar op Chios, in scherpe omtrekken zeer goed uitkwamen. De
+ingelegde vloer was schoon van teekening en kleur. Langs de zuilen
+waren lage met pantervellen overtrokkene matrassen nedergelegd, en in
+de nabijheid van den kunstig bearbeidden haard stonden bijzonder fraaie
+Egyptische leunstoelen en fijn besnedene tafeltjes van thyahout [32],
+op welke allerlei muziekinstrumenten, als eene luit, een cyther en
+een phorminx [33] lagen. Aan de wanden hingen talrijke met kiki-olie
+[34] gevulde lampen van onderscheidene vormen: deze had de gedaante
+van een vuurspuwenden dolfijn, gene die van een vreemd gevleugeld
+monster, welks muil stralen uitschoot, terwijl allen hun licht met
+den gloed van het haardvuur vereenigden.
+
+In deze zaal stonden thans eenige mannen, zeer van elkander
+verschillende in gelaatstrekken en in kleeding. Een Phoeniciër uit
+Tyrus, in een lang karmozijnkleurig gewaad, was in eene zeer levendige
+woordenwisseling met een man, wiens scherpe trekken en zwart krullend
+haar den Israëliet deden kennen. Hij was uit zijn vaderland naar Egypte
+gekomen, om voor Serubabel, den koning van Juda, Egyptische paarden
+en wagens, die toen zeer beroemd waren, te koopen [35]. Naast dezen
+stonden drie Grieken uit Klein-Azië. Hunne kostbare kleederen, die
+in breede plooien neerhingen, lieten aanstonds vermoeden dat Mylete
+hun vaderland was. Zij voerden een ernstig gesprek met Phryxus, den
+eenvoudig gekleedden afgezant van de stad Delphi, die Egypte bezocht
+om gelden in te zamelen voor den Apollo-tempel. Het oude heiligdom
+der Pythia [36] was, tien jaren geleden, eene prooi der vlammen
+geworden, en men wenschte het thans schooner uit zijne asch te doen
+herrijzen. Twee der Myletiërs, leerlingen van Anaximander en Anaximes
+[37], bevonden zich aan de boorden van den Nijl, om te Heliopolis
+de sterrenkunde en de wijsbegeerte der Egyptenaren te beoefenen. De
+derde was een rijk koopman en scheepsreeder, Theopompus geheeten,
+die zich te Naucratis metterwoon had gevestigd.
+
+Rhodopis zelve onderhield zich zeer belangstellend met twee Grieken
+van Samos, den alom beroemden bouwmeester, metaalgieter, beeldhouwer
+en goudsmid Theodorus en den jambendichter Ibycus van Rhegium [38],
+die voor eenige weken het hof van Polycrates verlaten hadden, ten
+einde Egypte te leeren kennen, en den koning geschenken van wege hun
+heer aan te bieden. Nabij den haard lag een gezet man, Philoinus van
+Sybaris [39], met sterk sprekende zinnelijke gelaatstrekken, zoo lang
+als hij was uitgestrekt op een met bont overtrokken voor twee personen
+bestemden stoel. Hij streek gedurig met zeker welbehagen door zijne
+welriekende met gouddraad doorvlochten lokken, of speelde met de gouden
+kettingen, die van zijn hals nederhingen op het saffraankleurig kleed,
+dat hem tot aan de voeten reikte.
+
+Rhodopis had voor iederen gast een vriendelijk woord; doch op
+dit oogenblik richtte zij zich meer uitsluitend tot de beroemde
+Samiërs. Zij onderhield zich met hen over kunst en poëzie. De oogen
+der Thracische vrouw gloeiden nog van jeugdig vuur. Hare hooge
+gestalte was gevuld en nog niet door den ouderdom gebogen. Hoewel
+hare lokken vergrijsd waren, golfden zij nog altijd weelderig om
+het schoongevormde hoofd, en schenen zich slechts met weerzin van
+achteren door een net van gouddraad te laten bedwingen. Op het hooge
+voorhoofd prijkte een fonkelende diadeem. Dat edel Grieksch gelaat
+was bleek, maar schoon en, ofschoon zij reeds zeer bejaard was,
+door rimpel noch plooi ontsierd. Die kleine mond, die volle lippen,
+die witte tanden, die schitterende en toch zachte oogen, dat edele
+voorhoofd en die fijnbesneden neus hadden nog het sieraad eener maagd
+kunnen zijn. Men moest Rhodopis voor jonger houden, dan zij werkelijk
+was, en toch handelde of sprak zij nooit in strijd met hare hooge
+jaren. Uit elke harer bewegingen sprak de waardigheid eener matrone,
+en hare minzaamheid was niet die der jeugd, die zoekt te behagen,
+maar die des ouderdoms, die zich aangenaam wil maken, die achting
+heeft voor anderen en tegelijk achting vordert.
+
+Thans verschenen ook de ons bekende mannen in de zaal. Aller oogen
+vestigden zich op hen, en als Phanes nader trad zijn vriend bij de
+hand leidende, werd hij op de hartelijkste wijze welkom geheeten.
+
+»Ik dacht al," riep een der Mylesiërs, »er ontbreekt ons iets, hoewel
+ik niet wist wat! Nu is het mij volkomen duidelijk: zonder Phanes
+geene vroolijkheid!"
+
+Philoinus de Sybariet verhief daarop zijne diepe zware stem, en riep,
+zonder zijne gemakkelijke houding ook maar in het minst te veranderen:
+»De vroolijkheid is een kostelijk ding, en zoo gij haar medebrengt
+zijt gij ook mij welkom, Athener!"
+
+»Wat mij aangaat," sprak Rhodopis, terwijl zij hare nieuwe gasten
+tegemoet ging, »weest hartelijk gegroet, wanneer gij vroolijk zijt,
+maar niet minder welkom, als gij onder kommer of smart gebukt gaat:
+ik ken toch geen grooter genot, dan de rimpels op het voorhoofd van
+een vriend glad te strijken. Ook u, Spartaan, heet ik vriend, want
+zoo noem ik een ieder, die mijnen vrienden dierbaar is."
+
+Aristomachus boog zich zwijgend; de Athener evenwel riep, zich half tot
+Rhodopis en half tot den Sybariet wendende: »Welnu dan, gij, Rhodopis,
+zult gelegenheid hebben, mij, uw vriend, te troosten, want maar al te
+spoedig zal ik u en uwe vriendelijke woning moeten verlaten. Doch gij,
+Sybariet, zult uw hart kunnen ophalen aan mijne vroolijkheid, want
+eindelijk zal ik mijn Hellas wederzien, en dit land, dat veel heeft
+van een vergulden muizenval, zij 't dan ook met weêrzin, verlaten!"
+
+»Gij gaat heen? Hebt ge dan uw ontslag gekregen? Waarheen denkt gij
+u te begeven?" klonk het van alle zijden.
+
+»Geduld! geduld! vrienden," riep Phanes; »ik moet u eene lange
+geschiedenis vertellen, die ik evenwel wil bewaren tot we aan tafel
+zijn. Maar, van den maaltijd gesproken, beste vriendin, mijn honger
+is op dit oogenblik bijna even groot, als mijn leedwezen dat ik u
+verlaten moet."
+
+»Honger is een voortreffelijk ding," philosopheerde de Sybariet,
+»als men een goeden maaltijd in het vooruitzicht heeft."
+
+»Stel u gerust, Philoinus," hernam Rhodopis, »ik heb den kok
+bevolen zijn uiterste best te doen, en hem gewaarschuwd, dat de
+fijnste lekkerbek uit de weelderigste stad der geheele wereld, dat
+een Sybariet, dat Philoinus een streng gericht zal houden over de
+werken zijner handen.--Ga, Knakias, en zeg dat men aanrichte!--Zijt
+ge thans tevreden, gij ongeduldige heeren? Ondeugende Phanes, mij
+hebt gij intusschen met uwe tijding alle eetlust benomen!"
+
+De Athener maakte eene buiging. Intusschen zette de Sybariet zijne
+wijsgeerige overpeinzingen voort: »Tevredenheid is een kostelijk ding,
+als men de middelen heeft om al zijne wenschen te bevredigen. U,
+Rhodopis, dank ik, dat gij aan mijne onvergetelijke vaderstad recht
+hebt laten wedervaren. Gij weet wat Anakreon zegt?
+
+
+ 'k Leef bij 't heden, niemand weet toch
+ Wat de dag van morgen brengt.
+ Proef, geniet dan 's levens vreugde,
+ Wijl het noodlot zulks gehengt.
+ Werp den teerling, offer Bacchus,
+ Drink en smaak zijn kostbren wijn:
+ Immers, als een ziekte u nadert,
+ Moogt gij niet meer vroolijk zijn.
+
+
+Zeg! Ibycus, heb ik uw vriend, die met u aan de tafel van Polycrates
+smult, niet zeer juist te berde gebracht? Maar ik zeg u, dat,
+al maakt Anakreon betere verzen dan ik, uw onderdanige dienaar
+desniettemin zoo goed als de beste bedreven is in de kunst om er
+heerlijk van te leven. In geen zijner liederen zingt hij den lof van
+het eten; en is toch het eten niet van meer belang, dan het spel en de
+liefde? Ofschoon deze beide uitspanningen, ik bedoel spel en liefde,
+ook mij zeer na aan 't hart liggen. Als ik niet te eten had, ging
+ik zeker dood, maar zonder spel en liefde kan ik het leven rekken,
+zij het dan ook een leven zonder kleur of geur."
+
+De Sybariet barstte in een schaterend gelach uit over zijne
+eigene geestigheid, en terwijl de verzamelde gasten in dezer voege
+voortkeuvelden, wendde zich de Spartaan tot den Delphiër Phryxus,
+troonde hem naar een hoek van de zaal, en vroeg hem, zijne gewone
+bedaardheid geheel verloochenende, in groote opgewondenheid, of hij
+hem reeds het antwoord van het orakel had medegebracht? De ernstige
+tronie van den Delphiër nam eene meer vriendelijke uitdrukking
+aan. Hij tastte in de borstplooien van zijn chiton [40], en bracht
+een klein rolletje van perkamentachtig schaapsleder te voorschijn,
+waarop eenige regels geschreven stonden.
+
+De handen van den reusachtig sterken, dapperen Spartaan sidderden,
+toen hij ze naar het rolletje uitstak. Hij tuurde op de letters, als
+wilde hij met zijne blikken het leder doorboren. Doch hij bezon zich,
+en zeide mistroostig het grijze hoofd schuddende: »Wij, Spartanen,
+leeren andere kunsten dan lezen en schrijven; zoo gij 't kunt, lees
+mij dan voor wat de Pythia zegt."
+
+De Delphiër doorliep het geschrevene, en antwoordde: »Verheug u! Loxias
+[41] belooft u een gelukkigen terugkeer in uw vaderland. Hoor wat de
+priesteres u verkondigt:
+
+
+ Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen
+ In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,
+ Dan voert de ranke boot u, moê van 't ommedwalen,
+ Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.
+ En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven
+ Wat gij zoo lang, met rouw in 't hart, moest derven.
+
+
+Met gespannen aandacht luisterde de Spartaan naar deze woorden. Nog
+eenmaal liet hij zich de uitspraak van het orakel voorlezen; daarop
+herhaalde hij ze uit het hoofd, dankte Phryxus, en stak het rolletje
+bij zich.
+
+De Delphiër mengde zich vervolgens in het algemeen gesprek. De Spartaan
+prevelde echter voortdurend bij zich zelven de geheimzinnige regels
+der orakelspreuk, om ze toch niet weer te vergeten en deed al zijn
+best om deze raadselachtige taal te verklaren.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+
+De vleugeldeuren der eetzaal werden geopend. Aan weêrszijden van
+den ingang stond een schoone blonde knaap, met myrtenkransen in
+de hand. In het midden van de zaal zag men eene groote, lage, glad
+gepolijste tafel, omgeven door purperroode matrassen, die de gasten
+noodigden om zich neder te vlijen [42]. Op den disch prijkten heerlijke
+bouquetten. Groote stukken gebraad, glazen en schalen vol dadels,
+vijgen, granaatappelen, meloenen en druiven waren naast kleine zilveren
+bijenkorven met honig gerangschikt. Op gedreven koperen borden lag
+fijne zachte kaas van het eiland Trinakria [43]. In het midden der
+tafel verhief zich een zilveren plateau in den vorm van een altaar,
+dat geheel met myrten- en rozenkransen omwonden was, en waarop reukwerk
+brandde, dat de geheele zaal met de liefelijkste geuren vervulde. Aan
+het uiterste einde van den disch zag men het zilveren mengvat [44],
+dat blonk als een spiegel, een kostelijk Aeginetisch kunstwerk, welks
+omgebogen handvatten twee giganten voorstelden, die onder het gewicht
+der schaal, die zij torschten, schenen te bezwijken. Dit vat was,
+evenals het altaar in het midden, met bloemen omwonden. Evenzoo had
+men om iederen beker een rozen- of myrtenkrans gevlochten [45]. Over
+de geheele oppervlakte der zaal waren rozenbladeren gestrooid, terwijl
+langs de gladde, wit gepleisterde muren een tal van lampen hingen.
+
+Nauw hadden zich de gasten op de matrassen nedergelegd, of de blonde
+knapen traden binnen, bekransten de hoofden en omwonden de schouders
+der aanliggenden met myrten- en klimopkransen, en wieschen hunne
+voeten in zilveren bekkens. Reeds had de voorsnijder de eerste stukken
+gebraad van de tafel genomen, om ze volgens den eisch te ontleden,
+en nog altijd was de Sybariet onder de handen van een der knapen, door
+wien hij zich, schoon zijne kleederen en lokken reeds doortrokken waren
+met de geuren van alle denkbare Arabische reukwerken, letterlijk geheel
+in rozen deed wikkelen. Toen evenwel het eerste gerecht, tonijnen met
+mostaardsaus, was rondgediend, vergat hij alle bijzaken en bepaalde
+zich uitsluitend bij het genot der voortreffelijk bereidde spijzen.
+
+Rhodopis zat op een armstoel aan het hooger einde der tafel, naast het
+mengvat en hield niet slechts het toezicht over de dienende slaven,
+maar gaf ook den toon aan bij de verschillende gesprekken [46]. Met
+zekeren trots overzag zij hare opgeruimde gasten, en het was of
+zij zich met ieder in het bijzonder bezig hield. Nu eens vroeg zij
+den Delphiër naar den uitslag zijner inzameling ten behoeve van den
+Apollo-tempel; dan eens verlangde zij van den Sybariet te weten, hoe
+hem de gewrochten van haren kok bevielen, of wel zij luisterde naar
+Ibycus, die verhaalde, hoe Phrynichus van Athene de godsdienstige
+schouwspelen van Thespis van Icaria in het burgerlijke leven had
+ingevoerd, en met koren en sprekende personen geheele geschiedenissen
+uit den voortijd liet voorstellen [47].
+
+Ook richtte zij het woord tot den Spartaan, zeggende, dat hij de
+eenige was, bij wien zij zich niet behoefde te verontschuldigen over
+den eenvoud, maar wel over de weelde van dezen maaltijd. Wanneer hij
+zijn bezoek eens hervatte, zou haar slaaf Knakias, een uitgeweken
+Spartaansch heloot [48], die zich beroemde eene voortreffelijke
+bloedsoep--bij dit woord rilde de Sybariet over zijn gansche
+lichaam--te kunnen koken, een echt Lacedaemonischen maaltijd bereiden.
+
+Toen de gasten verzadigd waren, wieschen zij zich opnieuw de
+handen. Het tafelgereedschap werd nu weggeruimd, de vloer gereinigd,
+en eindelijk het mengvat met wijn en water gevuld [49]. Toen Rhodopis
+zich overtuigd had, dat alles in de beste orde was, richtte zij zich
+tot Phanes, die in een woordenstrijd met de Milesiërs gewikkeld was,
+en sprak:
+
+»Edele vriend! wij hebben ons ongeduld reeds zoolang onderdrukt,
+dat thans voorzeker de verplichting op u rust ons mede te deelen,
+welk noodlottig voorval u uit Egypte en uit onze kring dreigt te
+verbannen. Gij kunt u met een luchtig gemoed, dat de goden u allen,
+Joniërs, bij de geboorte als een kostelijk geschenk plegen mede te
+geven, van ons en van dit land losmaken, wij zullen niettemin lang
+met droefheid u gedenken, want ik ken geen grooter verlies dan dat
+van een vriend, wiens trouw ons sinds jaren is gebleken. Sommigen
+onzer hebben ook te lang aan den Nijl vertoefd, om niet een weinig
+van het onveranderlijk en standvastig karakter der Egyptenaren
+te hebben overgenomen. Nu ja, gij lacht: toch weet ik dat het u,
+ofschoon gij reeds lang naar Hellas smacht, ook wel iets kosten zal
+van ons te scheiden. Niet waar, gij geeft mij dit toe. Nu, ik wist
+wel dat ik mij niet bedroog, maar laat ons thans vernemen, waarom
+gij Egypte moet of wilt verlaten, opdat wij mogen overleggen, of er
+mogelijkheid bestaat uwe verbanning van het hof te doen herroepen,
+en u alzoo in ons midden te houden."
+
+Eene pijnlijke glimlach plooide Phanes' lippen. »Ik dank u, Rhodopis,"
+antwoordde hij, »voor uwe vleiende woorden. Het doet mij goed te
+hooren, dat mijn vertrek u bedroeven zal, en gij gaarne al het
+mogelijke zoudt doen, om het te verhinderen. Maar honderd nieuwe
+aangezichten zullen u weldra het mijne doen vergeten; want, al woont
+gij ook lang aan de boorden van den Nijl, zoo zijt gij toch, en
+daarvoor moogt gij de goden danken, van top tot teen eene Helleensche
+gebleven. Ook ik heb de trouw lief, even vurig, als ik de dwaasheid der
+Egyptenaars haat; en is er onder u allen wel één, die het verstandig
+kan achten zich te kwellen over het noodlot? De Egyptische trouw
+is, mijns erachtens, geene deugd, maar een ijdele waan. Menschen,
+die hunne dooden van duizenden jaren her tot heden toe bewaren,
+die zich eerder het laatste brood, dan een stukje van het gebeente
+hunner voorvaderen zouden laten ontnemen [50], zijn niet trouw maar
+dwaas. Kan ik er behagen in scheppen, hen, die ik liefheb, treurig
+te zien? Voorzeker niet! Gij moet niet maanden lang, onder dagelijks
+herhaalde weeklachten, mijner gedenken, gelijk de Egyptenaren doen,
+als een vriend van hen gescheiden is. Neen! Wilt gij in waarheid den
+verwijderden of voor altijd van u gescheiden vriend,--want, zoo lang
+ik leef mag ik den bodem van Egypte nimmer meer betreden,--bij wijle
+gedachtig zijn, zoo doe het met een glimlach om de lippen, en roep
+niet uit: »Ach, waarom moest Phanes ons verlaten?" maar zeg: »Wij
+willen vroolijk zijn gelijk Phanes was, toen hij nog in onze kring
+verkeerde!" Zoo behoort gij u te gedragen. Dat leerdet gij reeds van
+Simonides, als hij zong:
+
+
+ Dwaasheid is het, tal van dagen
+ Toe te wijden aan 't verdriet,
+ Geven we aan de sarkophagen
+ Eén dag rouw, en langer niet.
+ Och de dood komt snel en vroeg;
+ Zonder dat wij 't ons vergallen.
+ Blijft het leven voor ons allen
+ Bitter arm en kort genoeg.
+
+
+En als men niet over zijne dooden mag treuren, dan voorzeker hebben
+wij nog veel minder het recht, ons aandoenlijk te maken over het
+gemis van verwijderde vrienden. Want genen zijn voor immer van ons
+heengegaan, dezen roepen wij echter bij den laatsten handdruk toe:
+»tot wederziens!"
+
+Thans kon de Sybariet, die al lang op gloeiende kolen had gezeten,
+niet meer zwijgen, en met klagende stem riep hij: »Maar begin dan
+toch eindelijk met uw verhaal, afgunstig schepsel! Ik kan geen droppel
+drinken, zoo gij niet ophoudt van den dood te spreken. Het bloed stolt
+mij in de aderen, en ik gevoel mij geheel onwel, als ik over.... nu
+ja, als ik daarvan hoor gewagen, dat wij niet eeuwig leven!"
+
+Het geheele gezelschap lachte, doch Phanes begon nu werkelijk te
+vertellen, wat er met hem gebeurd was.
+
+»Gelijk gij weet, woon ik te Saïs in het nieuwe slot; te Memphis
+evenwel werd mij, in mijne hoedanigheid van overste der Grieksche
+lijfwacht, die den koning vergezellen moet, waar hij ook heentrekt,
+een gedeelte van den linkervleugel van het aloude paleis ten verblijve
+aangewezen [51]. Sedert de regeering van Psamtik I [52] houden zich de
+koningen te Saïs op, zoodat het inwendige van de andere paleizen wel
+eenigszins verwaarloosd is geworden. Mijne woning was zonder twijfel
+uitmuntend gelegen, zeer goed ingericht, en zou niets te wenschen
+hebben overgelaten, als ik niet, dadelijk nadat ik hier mijn intrek
+had genomen, eene vreeselijke plaag had ontdekt. Over dag, wanneer
+ik buitendien zelden te huis was, vond ik niets op mijne woning af
+te dingen, maar des nachts was er aan slapen niet te denken, daar
+duizenden ratten en muizen onder de vermolmde vloeren, rustbedden
+en oude tapijten aan de wanden allervreeselijkst te keer gingen. Ik
+wist geen raad tegen deze schrikkelijke bezoeking, tot eindelijk
+een Egyptisch soldaat mij twee mooie groote katten verkocht, die mij
+binnen eenige weken van het gezelschap mijner kwelgeesten verlosten.
+
+»Het zal u allen wel bekend zijn, dat eene der beminnelijkste
+wetten van dit wonderlijke volk, welks beschaving en wijsheid gij,
+mijne Milesische vrienden, niet genoeg prijzen kunt, de katten heilig
+verklaart. Men bewijst aan deze viervoetige gelukskinderen, gelijk aan
+zoo menig ander dier, goddelijke eer, en het dooden van zoo'n exemplaar
+wordt even streng gestraft als het vermoorden van een mensch."
+
+Rhodopis, die tot dusverre met een opgeruimd gelaat geluisterd had,
+scheen ernstiger te worden, toen zij vernam, hoe de verbanning van
+Phanes met zijne minachting van de heilige dieren in verband stond. Zij
+wist maar al te goed hoevele offers, ja hoevele menschenlevens dit
+bijgeloof der Egyptenaren reeds gekost had. Het was nog niet lang
+geleden, dat koning Amasis een ongelukkigen Samiër, die eene kat gedood
+had, niet tegen de wraak van het verwoede volk had kunnen beveiligen
+[53].
+
+»Toen wij, twee jaren geleden Memphis verlieten," vervolgde de
+overste, »was alles nog goed. Ik had het kattenpaar aan de verzorging
+van een Egyptischen bediende toevertrouwd, wel begrijpende, dat deze
+gezworene muizenvijanden mijne woning, ook voor het vervolg, wel zuiver
+zouden houden. Ik begon zelfs voor deze vriendelijke schepseltjes,
+die zoo goed waren geweest mij van dat muizengebroed te bevrijden,
+eene zekere achting te koesteren. Het vorige jaar werd Amasis ziek,
+vóór dat het hof zich naar Memphis kon begeven, en wij bleven dus te
+Saïs. Eindelijk, omtrent zes weken geleden, begaven wij ons op weg naar
+de pyramidenstad. Ik betrok mijn vorig kwartier weder en zag er zelfs
+geen schaduw meer van een muizenstaart. In plaats van ratten, wemelde
+het er echter van eene andere diersoort, waarop ik evenmin gesteld
+was als op de verdrevene. Het kattenpaar was namelijk, gedurende
+de twee jaren van mijn afzijn, tot vier en twintig aangegroeid. Ik
+poogde het lastige katergebroed, van alle leeftijden en kleuren,
+te verdrijven; maar het gelukte mij niet, en alle nachten werd mijn
+slaap door de afgrijselijke koorgezangen dezer viervoeters, door het
+krijgsgeschreeuw en de minnezangen van katers en katten verstoord.
+
+»Jaarlijks, ten tijde van het Bubastisfeest [54], heeft men verlof
+alle overtollige muizenvangers in den tempel van Pacht, de godin
+met den kattenkop, af te leveren, alwaar zij verpleegd, en, gelijk
+ik voor zeker houd, gedood worden in geval zij zich al te sterk
+vermenigvuldigen. De priesters van dezen tempel zijn rechte schelmen!
+
+»Ongelukkig had de groote optocht naar genoemd heiligdom niet plaats
+gedurende ons verblijf bij de pyramiden. Ik kon het evenwel niet
+langer uithouden met dit heirleger van kwelgeesten, die het er allen op
+schenen toe te leggen mijn leven te verbitteren. Toen twee der moeders
+mij op nieuw een dozijn gezonde en wel geschapene kindertjes hadden
+vereerd, besloot ik deze althans uit den weg te ruimen. Mijn oude
+slaaf Mus [55], reeds naar zijn naam te oordeelen een geboren vijand
+van het kattengeslacht, ontving den last de jongen van kant te maken,
+ze in een zak te stoppen en vervolgens in den Nijl te werpen. Wij
+konden er niet buiten de diertjes eerst om hals te brengen, anders
+toch zou het miauwen den wachters van het paleis den inhoud van den
+zak verraden hebben. Toen het donker begon te worden, begaf zich de
+arme Mus met zijn gevaarlijken last door het Hathorbosch [56] naar den
+Nijl. Maar de Egyptische bediende, die mijne dieren gewoonlijk voederde
+en ieder katje bij name kende, had dadelijk ons geheele plan doorzien.
+
+»Mijn slaaf ging met de grootste bedaardheid, als had hij niets
+buitengewoons te verrichten, door de groote sphinxenlaan, den tempel
+van Ptah [57] voorbij, terwijl hij het zakje onder zijn mantel had
+verborgen. In het heilige bosch bemerkte hij reeds, dat men hem
+volgde. Hij lette er echter niet verder op, en zette zijn weg voort,
+volkomen gerust dat alles goed ging, tot hij zag dat de lieden, die
+hem op de hielen zaten, bij den tempel van Ptah bleven staan, en zich
+met de priesters onderhielden. Eindelijk had hij den oever bereikt. Nu
+hoorde hij zich bij zijn naam roepen. Eenige lieden kwamen hem haastig
+achterop. Tegelijk snorde een slingersteen vlak langs zijn hoofd.
+
+»Mus begreep volkomen welk gevaar hem dreigde. Al zijne krachten
+inspannende snelde hij nu op den Nijl toe, slingerde den zak een
+eind ver in den vloed en bleef nu met een kloppend hart op den oever
+staan, hoewel hij zich overtuigd hield, dat niemand zijne schuld
+bewijzen kon. Weinige oogenblikken later was hij door een honderdtal
+tempeldienaren omringd. De opperpriester van Ptah, Ptahotep, mijn
+oude vijand, had het niet beneden zich geacht, in persoon deze jacht
+op mijn dienaar bij te wonen.
+
+»Eenige lieden, en onder hen ook die verraderlijke dienaar van het
+paleis, waren aanstonds te water gegaan en vonden tot ons ongeluk
+den zak met de twaalf lijken, onbeschadigd hangende te midden van het
+papyrusriet en de boonenranken aan den oever. In tegenwoordigheid van
+den opperpriester, eene schaar van tempeldienaren en minstens duizend
+toegestroomde inwoners van Memphis, werd de vreeselijke katoenen
+sarkophaag geopend. Nauw werd men zijn noodlottigen inhoud gewaar, of
+er ging zulk een geweldig gehuil, zulk een ontzettende wraakkreet op,
+dat ik het tot in het paleis hooren kon. De verbolgene menigte stortte
+zich, in wilde razernij, op mijn armen knecht, wierp hem ter aarde,
+trapte hem onder de voeten, en zou hem aan stukken hebben gescheurd,
+als de machtige opperpriester niet 'halt' geboden had--met het plan
+mij, in wien hij den eigenlijken bewerker der gepleegde misdaad
+onderstelde, mede in het verderf te slepen--en bevolen den gruwelijk
+mishandelden booswicht in de gevangenis te werpen.
+
+»Een half uur later werd ook ik achter slot gezet.
+
+»Mijne oude Mus nam alle schuld der misdaad op zich, tot de
+opperpriester hem door eene bastonade de bekentenis afdwong, dat ik
+hem geboden had de katten om hals te brengen, en hij, als een getrouw
+dienaar, mijn bevel had moeten opvolgen.
+
+»Het oppergerechtshof [58], tegen welks uitspraken zelfs de koning
+niets vermag, is uit priesters van Memphis, Heliopolis en Thebe
+samengesteld. Gij kunt u dus wel voorstellen, dat men zoowel
+dien armen Mus als mijn persoontje, een verachten Helleen, zonder
+omwegen ter dood veroordeelde; den slaaf wegens twee halsmisdaden:
+ten eerste wegens den moord aan heilige dieren gepleegd, ten andere
+wegens de twaalfvoudige verontreiniging van den heiligen stroom door
+het inwerpen van lijken; mij, omdat ik de oorzaak en de bewerker
+was dezer vier en twintigvoudige halsmisdaad [59], gelijk zij het
+geliefden te noemen. Aan Mus werd nog dienzelfden dag het vonnis
+voltrokken. Drukke de aarde hem zacht. In mijne herinnering zal
+hij niet als mijn slaaf, maar als mijn vriend en weldoener blijven
+voortleven. In tegenwoordigheid van zijn lijk werd ook mij het vonnis
+des doods voorgelezen, en reeds bereidde ik mij tot de lange reis naar
+de benedenwereld, als de koning bevelen liet de voltrekking mijner
+straf uit te stellen. Ik werd in de gevangenis teruggebracht. Een
+Arkadisch taxiarch [60], die zich onder mijne bewakers bevond,
+deelde mij mede, dat al de bevelhebbers der Grieksche lijfwacht
+en eene menigte krijgslieden, te zamen meer dan vierduizend man,
+gedreigd hadden hun ontslag te zullen nemen, wanneer men mij, hun
+overste, geen genade zou willen schenken. Zoodra het duister was
+geworden, werd ik voor den koning gevoerd, die mij zeer vriendelijk
+ontving. Hij zelf bevestigde de mededeeling van den taxiarch en
+verklaarde, dat het hem leed deed een overste te moeten verliezen,
+waaraan hij zoo gehecht was. Wat mij aangaat, ik belijd gaarne, dat ik
+jegens Amasis geen wrok voelde, dat ik zelfs medelijden had met den in
+schijn zoo machtigen koning. O, gij hadt er getuigen van moeten zijn,
+hoe hij zich beklaagde, nooit en nergens te kunnen handelen gelijk hij
+wilde, en zelfs in zijne persoonlijke aangelegenheden overal door de
+priesters en hun invloed tegengewerkt en beheerscht te worden. Hing
+het alleen van hem af, hij zou mij, den vreemdeling, het overtreden
+eener wet, die ik niet verstond en daarom, schoon ook ten onrechte,
+voor onzinnig bijgeloof moest houden, gaarne vergeven. Doch uit vrees
+voor de priesters durfde hij mij niet ongestraft laten. Verbanning
+uit Egypte was de zachtste boete die hij mij kon opleggen. Gij kunt
+niet begrijpen--met deze woorden eindigde hij zijn klacht,--in hoeveel
+zaken ik de priesters te wille heb moeten zijn, om genade voor u te
+erlangen. Want het opperste gerechtshof is zelfs van mij, den koning,
+onafhankelijk.
+
+»Ik kreeg derhalve mijn ontslag, nadat ik met een duren eed gezworen
+had, nog dienzelfden dag Memphis en binnen drie weken Egypte te
+zullen verlaten.
+
+»Aan de poort van het paleis ontmoette ik Psamtik, den kroonprins,
+die mij sinds lang geen goed hart toedraagt, ter zake van eene
+ergerlijke geschiedenis, die ik echter niet mag openbaren. Gij,
+Rhodopis, kent haar. Ik zeide hem vaarwel, hij echter keerde mij
+den rug toe, terwijl hij mij toesnauwde: »ook ditmaal Athener, zijt
+gij den dans ontsprongen, maar aan mijne wraak zijt gij daarom nog
+niet ontkomen. Waarheen gij u ook moogt begeven, ik zal u weten
+te vinden." Ik mag alzoo hopen u weder te zien! gaf ik hem tot
+bescheid. Spoedig was mijn boeltje in eene bark geladen, waarna ik
+mij naar Naucratis begaf, alwaar ik het geluk had mijn ouden vriend,
+Aristomachus van Sparta, te ontmoeten, die, als gewezen bevelhebber
+over de troepen van Cyprus [61] hoogstwaarschijnlijk tot mijn opvolger
+zal worden benoemd. Het zou mij verheugen mijne plaats door zulk een
+voortreffelijk man te zien vervullen, indien ik niet reden had om
+te vreezen, dat zijne uitstekende verdiensten de door mij bewezene
+diensten nog geringer zullen doen schijnen, dan zij in waarheid
+geweest zijn."
+
+»Al lofs genoeg, vriend Phanes!" viel Aristomachus den Athener in de
+rede. »Spartaansche tongen zijn zoo buigzaam niet. Met daden zal ik
+u echter, zoodra gij mijne hulp behoeft, een antwoord geven, dat den
+spijker juist op den kop slaat."
+
+Rhodopis zag beide mannen aan met een welgevallig lachje. Daarop
+reikte zij ieder van hen de hand, zeggende: »Uw verhaal, arme Phanes,
+heeft mij helaas tot de overtuiging gebracht, dat gij onmogelijk
+langer in dit land kunt blijven. Ik wil u om uw lichtzinnigheid niet
+berispen, maar gij hadt toch vooruit kunnen berekenen, dat gij u om
+eene weinig beteekenende zaak aan groote gevaren blootsteldet. Een
+wijs en waarlijk kloekmoedig man onderneemt slechts dan een waagstuk,
+wanneer het voordeel minstens gelijk staat met het nadeel, dat het
+hem kan opleveren. Roekeloosheid is even dwaas als lafheid, hoewel
+niet even verachtelijk; want beiden mogen schaden, alleen de laatste
+schandvlekt. Uwe onnadenkendheid heeft u ditmaal bijna het leven
+gekost, een leven, dat velen dierbaar is, en te hooge waarde heeft,
+dan dat gij het door een dwazen streek zoudt verspelen. Wij kunnen
+geene enkele poging wagen om u voor onzen vriendenkring te behouden,
+want het zou u toch niet baten en ons zelven slechts schaden. In uwe
+plaats zal voortaan deze edele Spartaan, als overste der Grieksche
+lijfwacht, onze natie bij het hof vertegenwoordigen, en zich steeds
+ten doel stellen, haar tegen alle listen der priesters te beschermen,
+en haar bij voortduring in de gunst des konings aanbevelen. Ik heb
+uwe hand gevat, Aristomachus, en laat haar niet los, zoolang gij mij
+niet belooft, voor zooveel in uw vermogen is, ook den geringsten onder
+de Grieken tegen den overmoed der Egyptenaren te beschermen, gelijk
+Phanes vóor u gedaan heeft, en eer uw post te zullen prijsgeven dan
+het minste onrecht een Helleen aangedaan, ongestraft te laten. Wij
+zijn weinige duizenden onder even zoovele millioenen vijandig gezinde
+menschen; maar wij zijn sterk door onzen moed, en moeten trachten
+door eendracht machtig te blijven. Tot op den huidigen dag hebben
+zich de Hellenen in Egypte als broeders gedragen. Eén offerde zich op
+voor allen, allen voor éen, en juist deze eenheid maakte onze kracht
+uit, en zal ook in de toekomst ons machtig doen zijn. Ach, ware het
+ons gegeven aan het moederland en zijne volkplantingen deze zelfde
+eendracht te schenken, en allen stammen hunne Dorische, Jonische
+of Aeolische afkomst te doen vergeten, zoodat zij geen anderen roem
+kenden dan die van Hellenen te zijn, en als kinderen van éen huis,
+als schapen van éene kudde te leven, waarlijk dan zou de geheele
+wereld niets tegen ons vermogen, dan zou Hellas eenmaal door alle
+volkeren als de koningin der aarde worden erkend."
+
+Bij deze woorden schitterden de oogen der oude matrone van edel
+vuur. De Spartaan drukte hare hand met buitengewone heftigheid,
+stampte met zijn houten been op den grond en riep: »Bij Zeus, de
+opperste god der Lacedaemoniërs, ik zal niet dulden dat een Helleen,
+wie hij ook zijn moge, éen haar gekrenkt worde; gij echter, Rhodopis,
+verdiendet eene Spartaansche te zijn."
+
+»En eene Atheensche!" riep Phanes.
+
+»Eene Jonische!" de mannen van Milete.
+
+»De dochter van een geomoor van Samos!" de beeldhouwer.
+
+»Maar ik ben meer dan dat alles," riep de edele vrouw in geestdrift
+uit, »ik ben meer, veel meer; ik ben eene Helleensche!"
+
+Al de gasten deelden in hare vervoering, zelfs de Syriër en de Jood
+werden medegesleept. Alleen de Sybariet liet zich niet uit zijne
+welbehagelijke rust opwekken, en zeide met vollen mond, zoodat men hem
+nauwelijks verstaan kon: »Gij zoudt ook waardig zijn eene Sybariete
+te heeten, want uw rundergebraad is beter, dan al wat ik sedert mijn
+vertrek uit Italië geproefd heb, en uw wijn van Anthylla [62] smaakt
+mij bijna even goed als die van den Vesuvius en van Chios!"
+
+Allen schoten in den lach, met uitzondering van den Spartaan, die
+den smulpaap een blik vol toorn en verachting toewierp.
+
+»Weest allen gegroet!" riep plotseling eene ons nog onbekende zware
+stem door het open venster.
+
+»Wees gegroet!" antwoordde het geheele gezelschap als uit éen mond,
+vragende en gissende, wie toch deze late gast mocht zijn.
+
+Doch de onbekende liet zich niet lang wachten, want eer nog de
+Sybariet tijd had gehad, eene nieuwe teug wijns nauwkeurig met de
+tong te proeven, stond een groot mager man, van over de zestig jaren,
+met een langwerpig fijnbesneden geestig gelaat, naast Rhodopis. Het was
+Kallias, de zoon van Phaenippus van Athene. Met de heldere, verstandige
+oogen zag de nieuw aangekomene,--een der rijkste bannelingen uit
+Athene, die tot tweemaal toe de goederen van Pisistratus van den
+staat had gekocht, en ze telkens bij diens terugkeer had moeten
+prijsgeven,--den kring zijner bekenden rond. Na met ieder hunner in
+het bijzonder een vriendelijken groet te hebben gewisseld, riep hij
+op vroolijken toon: »Zoo gijlieden mijn bezoek van heden niet hoog
+waardeert, dan houd ik het er voor, dat alle dankbaarheid uit de
+wereld verdwenen is."
+
+»Wij hebben u sinds lang gewacht," antwoordde een der Milesiërs. »Gij
+zijt de eerste, die ons betreffende den uitslag van de Olympische
+spelen bericht kunt geven!"
+
+»En wij zouden ons geen beteren verslaggever kunnen wenschen, dan
+den overwinnaar van weleer," liet Rhodopis er op volgen.
+
+»Kom, neem plaats," riep Phanes ongeduldig, »en verhaal ons, kort en
+bondig, al wat gij weet, vriend Kallias!"
+
+»Zoo aanstonds, mijn waarde landgenoot," hervatte deze. »Het is reeds
+tamelijk lang geleden, dat ik Olympia verliet, en te Kenchreae [63] op
+een Samisch vaartuig van vijftig roeiers, het beste dat ooit gebouwd
+werd, scheep ben gegaan. Het verwondert mij volstrekt niet, dat vóor
+mij nog geen Helleen te Naucratis is binnengeloopen. We hadden toch
+zware stormen door te staan en zouden er te nauwernood ons leven hebben
+afgebracht, als deze Samische zeekasteelen, met hunne stevige kielen,
+ibis-snavels en vischstaarten, niet zoo voortreffelijk getimmerd en
+bemand waren. Waarheen de anderen, die huiswaarts keerden, verwaaid
+zijn, weet ik niet. Wij konden ons echter nog in de haven van Samos
+bergen, vanwaar we, na een oponthoud van tien dagen, de reis weder
+aanvaardden.
+
+»Toen wij eindelijk heden morgen vroeg den Nijl binnengestevend waren,
+wierp ik mij dadelijk in mijne bark, en werd door Boreas [64], die mij
+toch bij het einde der reis nog eens toonen wilde, dat hij zijn ouden
+Kallias nog liefhad, zoo snel voortgestuwd, dat ik reeds voor weinige
+oogenblikken de vriendelijkste aller woningen mocht wederzien. Ik
+zag de vaan in het avondkoeltje fladderen, ik zag de opene vensters
+verlicht, en was nog een oogenblik met mijzelven in strijd, of ik
+al dan niet zou binnengaan. Maar tevergeefs, Rhodopis, beproefde ik
+uwe tooverkracht te wederstaan, en buitendien zou ik zeker van al het
+nieuws, dat ik nog te vertellen heb, gebersten zijn, zoo ik niet ware
+uitgestapt, om u allen, onder een beker wijn en bij een stuk gebraad,
+dingen mede te deelen, waarvan gij niet hebt kunnen droomen."
+
+Kallias strekte zich zeer gemakkelijk op eene matras uit, en
+overhandigde Rhodopis, alvorens een aanvang te maken met het uitkramen
+van zijne nieuwtjes, een prachtigen gouden armband in den vorm van een
+slang, dien hij te Samos, in de werkplaats van denzelfden Theodoros,
+die met hem aanlag, voor eene groote som gekocht had.
+
+»Dit heb ik voor u medegebracht [65]," zeide hij, zich tot de oude
+vrouw wendende, die hoogst voldaan was over zijn geschenk.
+
+»Voor u, vriend Phanes, heb ik evenwel nog iets beters. Raad eens
+wie in 't wagenmennen met het vierspan den prijs behaalde?"
+
+»Een Athener?" vroeg Phanes met gloeiende wangen. Want schoon het
+geheele volk zich den roem van iedere overwinning in de Olympische
+spelen toeëigende, voor den burger, die ze behaalde, was toch de
+Olympische olijftak de hoogste eere en het grootste geluk, dat een
+Helleen, ja een geheelen Griekschen stam te beurt kon vallen.
+
+»Juist geraden, Phanes!" antwoordde de vreugdebode; »een Athener heeft
+den eerste prijs gewonnen, en wat voor u nog meer zegt, uw neef Cimon,
+de zoon van Kypselus, de broeder van dien Miltiades, die ons voor
+negen Olympiaden dezelfde eer verwierf, was het, die dit jaar met
+dezelfde paarden, die bij het vorige feest den prijs voor hem wonnen,
+ten tweede male de zege behaalde [66]. Voorwaar, de Philaïden [67]
+verduisteren meer en meer den roem der Alkmaeoniden! Welnu, Phanes,
+voelt gij thans uwe borst niet zwellen, verblijdt gij u niet over
+den roem van uw geslacht?"
+
+Buiten zich zelven van verrukking, was de aldus aangesprokene
+opgestaan, en zijne gestalte scheen plotseling wel een hoofd langer
+te zijn geworden. Met een onbeschrijfelijk gevoel van trots en
+eigenwaarde, reikte hij zijn landgenoot de hand. Deze omhelsde hem,
+en vervolgde daarop: »Ja, wij hebben alle reden om fier en gelukkig te
+zijn, Phanes. En gij vooral moogt u verblijden; want nadat de rechters
+eenstemmig aan Cimon den prijs hadden toegewezen, liet deze den tiran
+Pisistratus door de herauten als den bezitter van het heerlijk schoone
+vierspan, en dus ook als den overwinnaar uitroepen. Pisistratus liet
+daarop terstond afkondigen, dat uw geslacht naar Athene terug mocht
+keeren. Dus is ook voor u het uur niet verre meer, waarnaar gij zoo
+lang smachtend hebt uitgezien, dat gij uw geliefd Athene weder zult
+aanschouwen!"
+
+Bij deze laatste woorden verdween de blos der vreugde van de wangen des
+oversten, en zijne oogen gloeiden niet meer van zelf bewusten trots,
+maar van toorn, toen hij uitriep: »Hoe, ik zou mij verheugen, dwaze
+Kallias? Ik kan van spijt mijne tranen nauwelijks bedwingen, als ik
+bedenk, dat een afstammeling van Ajax in staat is, zijn welverdienden
+roem zoo schandelijk aan de voeten van den overweldiger neêr te
+leggen.--Ik zou naar mijn vaderland wederkeeren? Neen! ik zweer bij
+Athene, bij vader Zeus en Apollo, dat ik liever in den vreemde zal
+verhongeren, dan een voet te zetten op den geliefden grond, zoo lang
+Pisistratus mijn vaderland in slavernij doet zuchten. Ik ben zoo vrij
+als een adelaar in de wolken, nu ik uit den dienst van Amasis ontslagen
+ben; maar liever werd ik in een vreemd land de slaaf van een boer, dan
+in het land mijner geboorte de eerste dienaar van Pisistratus. Ons,
+den adel, komt de heerschappij over Athene toe; Cimon echter heeft,
+door zijn krans aan de voeten van Pisistratus neer te leggen, de
+rechten van den tyran erkend, en zichzelf als slaaf gebrandmerkt. Ik,
+Phanes, en dat zal ik Cimon zelf doen weten, bekommer mij bitter weinig
+over de genade van den tyran; ja, ik wil balling blijven, totdat mijn
+vaderland weder vrij is geworden, en adel en volk wederom zichzelven
+regeeren, zichzelven wetten geven! Phanes huldigt den verdrukker niet,
+ook al kropen alle Philaïden en Alkmaeoniden, ja zelfs uw geslacht,
+Kallias, de rijke Daduchen [68], voor Pisistratus in het stof!"
+
+Met vlammende blikken zag de Athener in het rond. Doch ook de oude
+Kallias monsterde, hoogmoedig en met zelfvoldoening, den kring der
+gasten, terwijl hij de aanwezigen één voor één scheen te willen
+toeroepen:
+
+"Ziet, vrienden, op zulke mannen kan mijn roemrijk vaderland
+bogen!" Daarop vatte hij andermaal Phanes' hand en zeide: "Niet
+minder dan gij, mijn vriend, haat ik den dwingeland. Maar ik heb de
+overtuiging gekregen dat de macht der tyrannen, zoo lang Pisistratus in
+leven blijft, niet omvergeworpen kan worden. In Lygdamis van Naxos en
+Polycrates van Samos heeft hij bondgenooten, tegen wie wij bezwaarlijk
+iets zouden vermogen. Doch nog gevaarlijker voor onze vrijheid dan
+deze twee is de gematigdheid en wijsheid van Pisistratus zelve.
+
+Gedurende mijn laatste oponthoud in Hellas heb ik met verbazing
+opgemerkt, dat de massa van het Atheensche volk den overheerscher
+als een vader liefheeft. Ofschoon hij zich oppermachtig gevoelt,
+houdt hij de wetgeving van Solon in eere. Hij versiert de stad
+met de prachtigste bouwwerken. De nieuwe tempel van Zeus, die door
+Kallaeschrus, Antistates en Porimus,--mannen die gij zeker wel kent,
+Theodorus,--uit het kostelijkste marmer wordt opgetrokken, moet alle
+tot nog toe in Hellas verrezene gebouwen verre overtreffen. Kunstenaars
+en dichters van groote verdienste weet hij naar Athene te lokken. De
+zangen van Homerus laat hij afschrijven, en de spreuken van Musaeus
+door Onomacritus opteekenen en verzamelen. Hij legt nieuwe wegen
+aan en voert nieuwe feesten in. De handel bloeit onder zijn bestuur,
+en het volk gevoelt zich, ondanks de belastingen die hij het oplegt,
+zeer gelukkig. Maar wat is het volk? Een gemeene hoop, die, even als
+de muggen, zich laat aantrekken door alles wat blinkt, en al zengt het
+ook de vleugels, toch om de kaars blijft fladderen, zoolang die slechts
+brandt. Laat het licht van Pisistratus maar eens worden uitgedoofd,
+Phanes, en ik zweer u, dat de wufte menigte den terugkeerenden adel,
+het nieuwe licht tegemoet zal snellen, gelijk het tot dusverre zich
+om den tiran verdrong.--Waardige zoon van Ajax, geef mij nog eenmaal
+de hand!--Maar ik ben u, mijne vrienden, nog menig nieuwtje schuldig.
+
+»In het rennen met den wagen was alzoo Cimon overwinnaar, die aan
+Pisistratus zijn olijftak vereerde. Nooit zag ik vier schoonere paarden
+dan de zijne. Ook Argesilaus van Cyrene, Cleosthenes van Epidamnus
+[69], Aster van Sybaris, Hecataeus van Mylete, en vele anderen hadden
+kostbare vierspannen naar Olympia gezonden. Over het algemeen waren de
+spelen ditmaal buitengewoon schitterend. Geheel Hellas had afgezanten
+gezonden. Rhoda, de Ardeaten-stad in het ver verwijderde Iberië [70],
+het rijke Tartessus, Sinope in het verre Oosten, aan de kust van
+den Pontus Euxinus [71], kortom iedere stad die roem draagt op hare
+Helleensche afkomst, was op dit feest vorstelijk vertegenwoordigd. De
+Sybarieten hadden gezanten gezonden, die uitblonken door hunne
+kostbare kleeding, de Spartanen daarentegen eenvoudig gekleede
+mannen, maar schoon als Achilles en groot en sterk als Hercules. De
+Atheners onderscheidden zich door de buigzaamheid hunner leden, door
+hunne vlugheid en bevalligheid. Aan het hoofd der Krotoniaten stond
+Milon [72], de sterkste mensch die ooit geboren werd. De Samische
+en Milesische feestgenooten wedijverden in pracht en rijkdom met de
+Korinthiërs en Mytileners. De geheele keur der Helleensche jongelingen
+was te Olympia verzameld, en op de voor de toeschouwers bestemde
+plaatsen zaten, naast mannen van ouderen leeftijd, van iederen stand,
+uit ieder volk een aantal schoone jonkvrouwen, die uit Sparta waren
+overgekomen, om door hare toejuichingen de spelen der mannen op te
+luisteren [73]. Op den tegenoverliggenden oever van den Alphaeus
+was gelegenheid om handel te drijven. Daar kon men kooplieden zien
+uit alle oorden der wereld. Hellenen, Karchedoniërs [74], Lydiërs,
+Phrygiërs en schacherende Phoeniciërs uit Palaestina deden onderling
+groote zaken af, of stelden in kramen en onder tenten hunne waren te
+koop. Hoe zal ik u eene schildering geven van het gewoel en gejoel der
+tallooze menigte; van de koorzangen, die door de lucht weergalmden; van
+de rookende feesthekatomben [75]; van de bonte kleederdrachten; van de
+kostbare wagens en paarden; van het geklank van al die verschillende
+talen en tongvallen; van de blijde ontmoetingen van oude vrienden,
+die elkander hier, na eene scheiding van vele jaren, wederzagen;
+van den glans der feestgezanten; van het gewemel van toeschouwers
+en kooplieden; van de spanning over den uitslag der spelen; van
+het heerlijk schouwspel, dat de met toeschouwers opgepropte ruimte
+aanbood; van het eindelooze gejuich bij iedere nieuwe overwinning;
+van het plechtig overhandigen van den olijftak, die door een knaap
+uit Elis, wiens beide ouders nog in leven moesten zijn, met een gouden
+mes van den heiligen olijfboom in de Altis [76], door Hercules zelven
+voor eeuwen geplant, moest worden gesneden? Hoe zal ik u eindelijk
+eene beschrijving geven van het aanhoudend gejubel, dat als een
+rollende donder door het stadium [77] weêrklonk, toen Milon van
+Croton verscheen, en zijn door Dameas van brons gegoten standbeeld,
+zonder dat zijn knieën een oogenblik knikten, op de schouders door
+het stadium naar de Altis droeg? Een stier zou onder zulk een gewicht
+bezweken zijn; Milon evenwel droeg dit ontzaglijk gevaarte gelijk
+eene Lacedaemonische baker [78] een knaapje draagt.
+
+»De schoonste kransen, na dien van Cimon, vielen aan een paar broeders
+uit Sparta ten deel, te weten: aan Lysander en Maron, zonen van eenen
+verbannen edelman, Aristomachus genaamd. Maron behaalde den prijs bij
+het wedloopen. Lysander trad onder de toejuichingen van alle aanwezigen
+tegen Milon, den nog onoverwonnen overwinnaar van Pisa [79], van de
+Pythische en de Isthmische spelen, in het worstelperk. Milon was
+grooter en sterker dan de Spartaan, wiens lichaamsbouw aan Apollo
+deed denken, en wiens jeugdig voorkomen overtuigend bewees, dat hij
+ternauwernood den paedanomos [80] ontgroeid was. Schoon in hunne
+naaktheid, glanzend van de gele zalfolie, stonden de jongeling en de
+man tegenover elkander, een panter en een leeuw gelijk, die zich tot
+den strijd toerusten. Alvorens op zijn tegenstander toe te springen,
+hief de jonge Lysander zijne handen omhoog, om de goden te bezweren,
+en riep: 'Voor mijn vader, mijne eer en den roem van Sparta!' De
+Crotoniaat meesmuilde, terwijl hij op den jongeling uit de hoogte
+neêrzag, evenals een lekkerbek lacht, alvorens hij zich neerzet om
+een kreeft te ontleden.
+
+»De worsteling begon. Lang duurde het, eer het een van beiden gelukte
+den anderen beet te krijgen. Uit al zijn macht, ja met onweêrstaanbaar
+geweld, greep de Crotoniaat naar zijn tegenstander, die zich als
+eene slang loswond uit de geweldige grepen der athletische, zich
+als eene tang vastklemmende handen.--Lang hield na elken aanval de
+worsteling aan, waarvan de gansche vergadering zwijgend en ademloos
+getuige was. Men hoorde niets dan het steunen der worstelaars en het
+gezang der vogelen in het woud van de Altis. Eindelijk,--eindelijk was
+het den jongeling gelukt, zich door een meesterlijken greep, zooals
+ik nooit een gezien heb, aan zijn tegenstander vast te klemmen. Lang
+spande Milon vruchteloos al zijne krachten in, om zich uit de gespierde
+armen van den jongeling los te rukken. Het zand van het stadium werd
+rijkelijk gedrenkt door het zweet van zulk een reuzenarbeid.
+
+»Naarmate de spanning der toeschouwers hooger en hooger klom,
+vermeerderde nog de stilte, werden de aanmoedigingskreten zeldzamer,
+en hoorde men luider het steunen der beide kampvechters. Ten laatste
+ontzonken den jongeling de krachten. Duizenden stemmen riepen hem
+moed toe. Nog eenmaal verzamelde hij, met schier bovenmenschelijke
+inspanning, al zijne krachten, nog eenmaal beproefde hij den
+Crotoniaat ter aarde te werpen. Doch deze had zijn voordeel gedaan
+met de oogenblikkelijke afmatting van zijn tegenstander, en hield hem
+nu met onweêrstaanbaar geweld, terwijl hij beide armen om hem sloeg,
+tegen zijn borst gedrukt. Daar golfde een zwarte, dikke bloedstraal
+over de schoone lippen van den jongeling, en levenloos ontzonk hij
+aan de vermoeide armen van den reus. Democedes [81], de beroemdste
+arts van onzen tijd, dien gij, Samiërs, aan het hof van Polycrates
+zeker wel hebt leeren kennen, snelde toe; doch de kunst vermocht
+dezen gelukkige niet meer te redden. Hij was dood.
+
+»Milon moest afstand doen van den krans [82]. De roem van dien
+jongeling zal daarentegen door gansch Hellas worden bezongen. Ik zelf
+zou veel liever gestorven zijn als Lysander, de zoon van Aristomachus,
+dan leven als Kallias, die in den vreemde in werkeloosheid oud
+wordt en vergrijst, zonder iets te kunnen uitrichten. Geheel
+Griekenland, vertegenwoordigd door zijne edelste zonen, droeg
+den jongeling ten grave, en zijne eerezuil zal in de Altis nevens
+die van Milon, den Crotoniaat, en Praxidamas van Aegina [83] eene
+plaats erlangen. Eindelijk verkondigden de herauten de uitspraak der
+kampvechters: Sparta zal voor den gestorvene den krans der overwinning
+ontvangen; want niet Milon, maar de dood heeft den edelen Lysander
+doen bezwijken. Wie echter, na een strijd met den sterkste aller
+Grieken, die twee uren duurde, onoverwonnen blijft, hem voorwaar komt
+de olijftak wel toe."
+
+Kallias zweeg eenige oogenblikken. De levendige man had onder de
+schildering van deze voor iederen Griek zoo dierbare tooneelen, op de
+aanwezigen geen acht geslagen. Voor zich uit starende, had hij het
+beeld dier worsteling voor zijne oogen laten voorbijgaan. Thans zag
+hij om zich heen en bemerkte met groote verbazing, hoe de grijsaard
+met het houten been, dien hij, zonder hem te kennen, reeds vroeger had
+opgemerkt, zijn aangezicht met de handen bedekt hield en schreide
+als een kind. Aan zijne rechterzijde stond Rhodopis, aan zijne
+linker Phanes. Al de overige gasten zagen den Spartaan aan, als ware
+hij de held van Kallias' verhaal geweest. De verstandige Athener
+begreep aanstonds, dat de grijsaard in nauwe betrekking tot een der
+overwinnaars in de Olympische spelen stond. Toen hij echter vernam,
+dat Aristomachus de vader was van dat Spartaansche broederpaar, hetwelk
+met zooveel roem werd gekroond, welke schoone gestalten nog steeds,
+als eene verschijning uit de godenwereld, voor zijne verbeelding
+zweefden, toen zag ook hij met afgunstige bewondering den snikkenden
+grijsaard aan, en ook in zijn oog parelde een traan, dien hij niet
+zocht weg te pinken. In dien tijd weenden de mannen, zoo vaak zij in
+den balsem der tranen eenige verlichting hoopten te vinden. De sterkste
+helden zien wij, in toorn, onder groote vreugde, bij elke zielesmart,
+weenen, terwijl zich de Spartaansche knaap voor het altaar van Artemis
+Orthia, zonder eene klacht te uiten, ten bloede, ja, menigmaal dood
+liet geeselen, om den lof der mannen deelachtig te worden.
+
+Gedurende eenige oogenblikken bewaarden al de aanwezigen
+het stilzwijgen, uit eerbied voor de aandoeningen van den
+grijsaard. Eindelijk maakte Jesua, de Israëliet, daaraan een
+einde, in gebroken Grieksch den oude aldus toesprekende: »Ween
+vrij uit, Spartaansche man! Ik weet wat het zeggen wil, een zoon
+te verliezen. Heb ik niet, elf jaren geleden, in het vreemde
+land, aan de wateren van Babylon, waar mijn volk in ballingschap
+zuchtte, een schoonen knaap grafwaarts gedragen! Had het beste kind
+nog slechts een enkel jaartje geleefd, zoo zou het in 't lieve
+vaderland gestorven zijn, en hadden wij het in het graf zijner
+vaderen kunnen bijzetten. Maar Cyrus, de Pers,--Jahveh zegene zijne
+nakomelingschap!--heeft ons éen jaar te laat vrij gemaakt, en ik
+beween nu dubbel dat kind mijns harten, wijl zijn graf in het land
+der vijanden Israëls gedolven is. Bestaat er wel iets treurigers
+dan te moeten beleven, dat onze kinderen, onze grootste schat,
+vóor ons ten grave dalen? En,--Jahveh zij mij genadig!--zulk een
+voortreffelijk kind, als uw zoon moet zijn geweest, te verliezen,
+wanneer hij juist een beroemd man staat te worden, dat moet wel de
+grootste aller smarten zijn!"
+
+De Spartaan verwijderde de handen van zijn streng gelaat en zeide,
+onder zijne tranen glimlachende: »Gij dwaalt, Phoeniciër; ik ween
+van blijdschap, niet van droefheid, en gaarne had ik ook mijn tweeden
+zoon verloren, indien hij gestorven ware gelijk mijn Lysander."
+
+De Israëliet schrikte van deze woorden, die hem onnatuurlijk en
+goddeloos in de ooren klonken, en schudde afkeurend het hoofd. De
+aanwezige Hellenen daarentegen overlaadden den door allen benijden
+grijsaard met gelukwenschingen. Aristomachus scheen door de vreugde
+zijner ziel vele jaren jonger te zijn geworden, en riep Rhodopis toe:
+»Waarlijk, vriendin, uw huis is voor mij rijk gezegend, want sedert
+ik het betrad, is dit het tweede geschenk der goden, hetwelk mij hier
+ten deelt valt!"
+
+»En wat was het eerste?" vroeg de gastvrouw.
+
+»Een gunstig orakel."
+
+»Gij vergeet het derde!" riep Phanes. »Op den dag van heden hebben
+u namelijk de goden Rhodopis leeren kennen. Maar wat is er van die
+godspraak?"
+
+"Mag ik haar aan de vrienden openbaren?" vroeg de Delphiër.
+
+Aristomachus knikte toestemmend, en Phryxus las ten tweeden male het
+antwoord van de Pythia:
+
+
+ Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen
+ In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,
+ Dan voert de ranke boot u, moe van 't ommedwalen,
+ Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt,
+ En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven,
+ Wat gij zoo lang met rouw in 't hart, moest derven.
+
+
+Nauw had Phryxus het laatste woord gelezen, toen Kallias, de Athener,
+juichend van zijne ligplaats opsprong, uitroepende: »De vierde gave,
+het vierde geschenk der goden, zult gij thans van mij in dit huis
+ontvangen. Weet dat ik de nieuwstijding, die wel het meest uwe
+verbazing zal wekken, tot het laatst bewaarde: de Perzen komen naar
+Egypte."
+
+Geen der gasten, behalve de Sybariet, bleef op zijne plaats, en Kallias
+werd door allen met vragen bestormd, zonder dat men hem tot antwoorden
+den tijd liet. »Bedaart wat, vrienden; houdt uw gemak!" riep hij
+eindelijk. »Laat mij u geregeld vertellen al wat ik weet, anders kom
+ik heden niet aan het einde. Een groot gezantschap van Cambyzes, den
+tegenwoordigen alleenheerscher van het machtige Perzië, en geen leger,
+gelijk Phanes misschien reeds vermoedde, is op weg naar dit land. Te
+Samos werd mij gezegd, dat het al op Mylete was aangekomen. Binnen
+weinige dagen moet het hier zijn. Bloedverwanten van den koning, en
+ook de oude Cresus van Lydië, moeten er deel van uitmaken. Wij zullen
+eene buitengewone pracht te zien krijgen. Met welk doel dit gezantschap
+komt weet niemand zeker, doch men gist, dat koning Cambyzes met Amasis
+een verbond verlangt te sluiten. Daar zijn er zelfs die beweren,
+dat de Perzische vorst de dochter van den pharao tot vrouw begeert."
+
+»Een verbond?" vroeg Phanes, ongeloovig de schouders ophalende. »Op
+dit oogenblik overheerschen de Perzen reeds bijna de halve wereld. De
+grootste natiën van Azië hebben zich onder hun schepter gebogen;
+alleen Egypte en het Grieksche moederland hebben den veroveraar nog
+niet erkend als hun meester."
+
+»Gij vergeet het goudrijk Indië en de groote Nomadenstammen van
+Azië," antwoordde Kallias. "Gij vergeet verder, dat een rijk, zoo
+samengeflanst als het Perzische, hetwelk uit zeventig volkstammen
+bestaat van allerlei talen en zeden, dat voortdurend de kiem des
+oorlogs in zich draagt, wel zeer op zijne hoede moet zijn om niet
+opnieuw in buitenlandsche oorlogen te worden gewikkeld. Want,
+bij afwezendheid van de hoofdmacht des legers, zouden enkele
+afgelegene provinciën deze gewenschte gelegenheid tot afval kunnen
+aangrijpen. Vraag den Milesiërs of zij rustig zouden blijven, indien
+het hun ter oore kwam dat het leger hunner verdrukkers in een of
+anderen slag het onderspit had gedolven."
+
+Daarop viel Theopompus, de koopman van Milete, den spreker in de rede,
+en riep opgewonden: »Als de Perzen eenmaal de nederlaag lijden, zoo
+krijgen zij wel honderd andere vijanden op den hals, en mijn volk
+zou voorzeker niet het laatste zijn, dat zich tegen den overweldiger
+verzette!"
+
+»Wat ook de last der gezanten zij," vervolgde Kallias, »ik houd
+staande, dat de Perzen op zijn laatst binnen drie dagen hier zullen
+aankomen."
+
+»En daarmede is tegelijkertijd uw orakel vervuld, gelukkige
+Aristomachus," zeide Rhodopis. »Met de ruiterschaar van het gebergte
+kunnen alleen de Perzen bedoeld worden. Wanneer deze de oevers van
+den Nijl naderen, zullen de vijf rechters, uwe ephoren [84], van
+gezindheid veranderen, en u, den vader van twee der overwinnaars
+te Olympia, in het vaderland terugroepen.--Vul nog eens de bekers,
+Knakias! Wijden wij dezen laatsten dronk aan de schim van den
+roemrijken Lysander. Maar dan raad ik u allen op te staan, want het
+is reeds lang middernacht. De waarlijk gastvrije breekt de tafel op,
+wanneer de vreugde haar toppunt heeft bereikt. De aangename, door
+geene droefheid gestoorde herinnering aan dezen avond zal u weldra
+in dit huis terugvoeren, terwijl gij het voorzeker liever niet weder
+betreden zoudt, zoo gij ook de uren der ontspanning gedenken moest,
+die zoo licht op de vreugde volgen."
+
+Al de gasten stemden met Rhodopis in, Ibycus noemde haar een echte
+leerlinge van Pythagoras, en gaf zijne hooge ingenomenheid te kennen
+met den opgeruimden, feestelijken toon, die dezen avond in den
+ganschen kring had geheerscht. Ieder maakte zich nu tot vertrekken
+gereed. Ook de Sybariet, die, om zijne aandoeningen, die hem zoo te
+onpas kwamen storen, te onderdrukken, overmatig veel gedronken had,
+richtte zich, door zijne slaven [85], die men inmiddels binnengeroepen
+had, ondersteund, uit zijne gemakkelijke houding op, onderwijl zoo
+wat pruttelende over inbreuk maken op het gastrecht.
+
+Toen Rhodopis hem tot afscheid de hand wilde reiken, riep hij, door den
+wijn beneveld: »Bij Hercules! Rhodopis, gij smijt ons het huis uit, als
+waren wij lastige schuldeischers. Ik ben niet gewoon van een gastmaal
+op te staan, zoolang mijne beenen mij nog kunnen dragen, en nog minder,
+mij als een tafelschuimer het gat van de deur te laten wijzen!"
+
+»Maar, begrijp dan toch, gij, onmatige drinkebroer...," begon Rhodopis
+zich lachende te verontschuldigen. Philoinus evenwel, die in zijn
+roes geen tegenspraak kon verdragen, barstte uit in een spottend
+geschater en beet haar toe, terwijl hij naar de deur waggelde:
+»Onmatige drinkebroer, zegt ge? Goed! Ik geef u daarop ten antwoord:
+onbeschaamde slavin! Waarachtig, men kan het u altijd nog aanzien, wat
+ge in uwe jeugd geweest zijt. Vaarwel, slavin van Jadmon en Xanthus,
+vrijgelatene van Charaxus!...
+
+Maar hij kon niet uitspreken, want plotseling sprong de Spartaan op
+hem toe, wierp hem met een geweldigen vuistslag ter aarde, en droeg
+den bewustelooze, als ware hij een kind, in het vaartuig, dat met
+zijne slaven aan de tuindeur hem wachtte.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Al de gasten hadden het huis verlaten.
+
+Gelijk een hagelslag in een bloeiend graanveld, zoo was de
+hoonende taal van den slemper in de vreugde der scheidende vrienden
+gevallen. Rhodopis zelve stond, bleek en bevende, in de nu ledige, maar
+nog feestlijk versierde zaal. Knakias doofde de lampen langs de wanden
+uit. Het helle licht van zoo even begon nu allengs plaats te maken
+voor een onaangenaam schemerdonker, dat het onachtzaam dooreengeworpen
+tafelgereedschap, de overblijfselen van den maaltijd en de van hunne
+plaats geschovene rustbedden slechts spaarzaam verlichtte. Door
+de opene deur stroomde eene koude nachtlucht binnen; want de morgen
+brak reeds aan, en in Egypte is de temperatuur, onmiddellijk vóor het
+opgaan der zon, doordringend koel. Eene lichte huivering voer door de
+leden van de slechts luchtig gekleede vrouw. Met weemoed liet zij hare
+blikken dwalen door de ledige ruimte, die nog voor weinige minuten
+weêrgalmde van vroolijk gejubel. Zij vergeleek haar gemoed met deze
+verlatene feestzaal. Het was haar, als knaagde een worm aan haar hart,
+als stolde haar bloed tot sneeuw en ijs.
+
+Lang stond zij dus, onbewust van wat om haar heen plaats greep,
+totdat hare oude slavin verscheen en haar naar het slaapvertrek
+voorlichtte. Zwijgend liet Rhodopis zich ontkleeden. Zwijgend
+opende zij het voorhangsel, dat een tweede slaapvertrek van het hare
+scheidde. In het midden er van stond eene ahorn-houten rustbank [86],
+waarin, op een matras van zachte schaapswol, waarover witte lakens
+waren gespreid, onder een lichtblauw dek, een engelachtig, wonderschoon
+meisje sluimerde. Het was Sappho, de kleindochter van Rhodopis. De
+teederheid, de zachte ronding der vormen, het fijn gevormde gelaat
+dezer jeugdige maagd waren onberispelijk. De zalige, vreedzame lach
+om die lippen bewees, dat dit kind zich nog van geen kwaad bewust was,
+nog niets anders kende dan geluk. De eene hand der slapende, waarop het
+lieve hoofdje rustte, was door het dichte donkerbruine haar verborgen;
+de andere hield eene kleine amulet van groenen steen [87], die van haar
+hals nederhing, losjes omvat. De lange oogwimpers bewogen zich nauw
+merkbaar, en over de wangen van dit bekoorlijk wezen lag een teeder
+rozenrood verspreid, dat onmerkbaar samenvloeide met de blankheid van
+het gelaat. De fijne neusvleugels rezen en daalden gelijkmatig bij
+iederen ademtocht. Zóo zou men de onschuld voorstellen, zóo lacht eene
+reine ziel, zulk een slaap schenken de goden aan de zorgelooze jeugd.
+
+Zonder het minste geritsel te weeg te brengen, het zware
+tapijt nauwelijks met de teenen aanrakende, naderde Rhodopis het
+bed. Met onbeschrijfelijke teederheid aanschouwde zij het lachende,
+kinderlijke gelaat. Zachtkens, en bijna zonder te ademen, knielde zij
+neder. Behoedzaam drukte zij haar aangezicht in het zachte dek, zoodat
+de hand van het meisje in aanraking kwam met hare grijze haren. Nu
+welden er tranen in de oogen der diepgekrenkte vrouw, en zij liet ze
+den vrijen loop, als wilde zij met die tranen de vernedering, die zij
+geleden had, en al den kommer harer ziel afwasschen. Eindelijk stond
+zij op, drukte eene kus op het voorhoofd van het kind, dat haar zoo
+onuitsprekelijk dierbaar was, hief de handen hemelwaarts, en keerde
+dan naar haar eigen vertrek terug, even behoedzaam als zij gekomen was.
+
+De oude slavin stond nog altijd bij hare slaapstede te wachten. »Wat
+wilt gij nog zoo laat, Melitta?" vroeg Rhodopis vriendelijk en
+zacht. »Ga naar bed. Dat lange waken deugt niet voor uwe hooge
+jaren. Gij weet, dat ik u niet meer noodig heb. Goedennacht! Kom
+morgen niet voordat ik u laat roepen. Ik zal niet veel kunnen slapen
+en blijde zijn, als ik tegen den morgen even mag insluimeren!"
+
+Nog altijd aarzelde de slavin. Men kon het haar aanzien, dat zij nog
+iets te zeggen had, maar niet durfde spreken.
+
+»Hebt gij mij misschien iets te vragen?" zeide Rhodopis.
+
+De oude vrouw weifelde nog.
+
+»Spreek vrij uit, spreek; maar maak het kort!"
+
+»Ik zag u weenen," begon de trouwe slavin ten laatste; »het schijnt mij
+toe, dat gij onder kommer gebukt gaat, of krank zijt. Mag ik niet bij
+u waken; wilt gij mij niet zeggen, wat u deert? Reeds menigmaal hebt
+gij ondervonden, hoe het de borst verruimt en de smart draaglijker
+maakt, wanneer men aan een ander zijn leed kan mededeelen. Vertrouw
+mij ook thans de oorzaak uwer droefheid toe; het zal u goed doen,
+o zeker, het zal uwe ziel rust geven."
+
+»Neen, ik kan niet spreken!" antwoordde hare meesteres. Daarop
+vervolgde zij, smartelijk lachende: »Wederom is het mij gebleken,
+dat eene godheid zelfs niet bij machte is, het verleden eens
+menschen uit te wisschen, en dat ongeluk en schande in den regel
+samengaan. Goedennacht! Verlaat mij thans, Melitta."
+
+Den volgenden dag, omstreeks den middag, legde dezelfde bark, die
+'s avonds te voren den Athener en den Spartaan had overgevoerd, voor
+den tuin van Rhodopis aan. De zon scheen zoo helder, zoo warm en
+zoo vriendelijk aan den wolkloozen donkerblauwen Egyptischen hemel;
+de lucht was zoo zuiver en fijn; de kevers gonsden zoo lustig; de
+schippers in de tallooze booten zongen uit zoo ruime borst hunne
+eenvoudige, telkens herhaalde liederen; de boorden van den Nijl
+bloeiden zoo liefelijk en vertoonden zulk eene vroolijke mengeling van
+bonte vanen en van bedrijvige menschen; de palmen, sykomoren, acacia's
+en bananen verhieven zoo fier hunne groene en bloesemrijke kruinen;
+het geheele landschap scheen, zoo ver het oog strekte, zoo ongemeen
+rijk bedeeld te zijn door eene milde godheid, die het geven niet
+moede werd,--dat de wandelaar wel denken moest: uit dit oord is alle
+ongeluk verbannen, hier is de woonsteê van ware vreugde en levensgenot.
+
+Hoe menigmaal wanen wij, wanneer we een tusschen bloeiende vruchtboomen
+half verscholen dorpje voorbijtrekken, dat dáar de zetel is van den
+vrede, dat niemand daar onvervulde wenschen kent, maar ieder tevreden
+is met zijn bescheiden deel! Doch nauw treden wij de nederige huizen en
+hutten binnen, of die voorstelling blijkt geheel onwaar te zijn. Want,
+gelijk overal, vinden we ook dáar angst en nood, begeerlijkheid en
+hartstocht, vreeze en berouw, smart en ellende naast, helaas, zoo
+weinig geluk en vreugde! Wie toch zou kunnen vermoeden, indien hij
+aan de oevers van den Nijl verplaatst werd, in het aloude Egypte,
+dat dit lachende, rijk bedeelde, veelkleurige, zonnige land, welks
+heldere hemel zich nooit achter wolken verbergt, de woonplaats is van
+de ernstigste menschen? Wie zou kunnen gelooven, dat in die sierlijke,
+door kransen en bloemfestoenen als omwevene gastvrije woning van de
+gelukkige Rhodopis, een hart klopte met naamloozen kommer vervuld? Wie
+der gasten van deze zoozeer gevierde Thracische vrouw kon denken, dat
+dit hart geen ander was dan dat der schoone, altijd zoo vriendelijk
+lachende matrone?
+
+Bleek, maar schoon en minzaam als altijd, zat zij met Phanes in een
+dicht belommerd priëel, naast den verfrisschenden waterstraal der
+fontein. Men kon het haar aanzien, dat zij lang en veel geweend
+had. De Athener hield hare hand in de zijne en zocht haar te
+troosten. Rhodopis luisterde geduldig toe, nu eens met een bitteren
+lach, dan weer, ten teeken harer instemming met zijne woorden, even
+het hoofd buigende. Eindelijk viel zij den welmeenenden vriend in de
+rede, zeggende:
+
+»Ik dank u, Phanes! binnen korteren of langeren tijd moet ook deze
+beleediging vergeten worden. De tijd is een goed heelmeester. Ware ik
+zwak, zoo zou ik Naucratis verlaten, en voortaan in strenge afzondering
+alleen voor mijne kleindochter leven. In dit jeugdig schepseltje, zeg
+ik u, sluimert eene geheele wereld. Duizendmaal kwam het denkbeeld in
+mij op Egypte te verlaten, duizendmaal onderdrukte ik dien wensch. Niet
+de begeerte naar eene hulde, die mij door uw geslacht zoo ruimschoots
+wordt gebracht, hield mij hier terug. Daarvan heb ik zooveel genoten
+dat ik er oververzadigd van ben. Ik, de zwakke, eens zoo diep verachte
+vrouw, de slavin van weleer, gevoel mij in Egypte op mijne plaats,
+want het bewustzijn, dat ik voor edele, vrije mannen, zoo al niet
+onontbeerlijk, dan toch van groot nut ben, bond en bindt mij nog
+voortdurend aan deze plaats. Aan een grooten werkkring onder zulke
+mannen gewoon, zou ik mij niet kunnen vergenoegen met de zorg voor
+mijne geliefde kleindochter alleen. Ik zou verdorren als eene plant,
+die uit een vetten bodem in de woestijn is overgeplant, en mijne Sappho
+zou weldra geheel alleen, en driemaal meer verlaten dan eenige andere
+weeze, in de wereld overblijven.--Ik blijf in Egypte.
+
+»Juist nu, na uw vertrek, zal ik den vrienden volkomen onmisbaar
+zijn. Amasis wordt oud; wanneer Psamtik hem opvolgt, dan zullen wij
+met groote zwarigheden te worstelen hebben, waarvoor wij tot nog toe
+bewaard bleven. Ik moet blijven, en mij met nieuwe kracht en nieuwen
+moed aangorden, om voor de vrijheid en de welvaart der Hellenen
+te kampen. Dat is het levensdoel, dat ik mij zelve heb gesteld. En
+deze taak zal ik te getrouwer vervullen, daar het maar hoogst zelden
+gebeurt, dat eene vrouw zich aan zulk een levensdoel kan wijden. Velen
+zullen mijn streven onvrouwelijk noemen, het zij zoo. In dezen nacht,
+dien ik onder tranen heb doorwaakt, ondervond ik, dat er nog veel, zeer
+veel van die vrouwelijke zwakheid in mij woont, die tegelijk het geluk
+en het ongeluk van mijn geslacht uitmaakt. Deze zwakheid, gepaard met
+een teeder, vrouwelijk gevoel in zijne hoogste ontwikkeling, bij mijne
+kleindochter aan te kweeken, is de eerste plicht, dien ik mij zelve heb
+opgelegd; de tweede is, bij mij zelve alle weekelijkheid te overwinnen.
+
+»Maar het is onmogelijk strijd te voeren tegen zijne natuur, zonder
+soms eene nederlaag te lijden. Zoodra eenige smart mij dreigt neêr te
+drukken, of ik gevaar loop tot wanhoop te geraken, dan zoek en vind ik
+alleen hulp en troost in de woorden van Pythagoras, den uitnemendste
+aller menschen, den trouwste aller vrienden, en bij de herinnering
+zijner waarschuwing: Houd in alle dingen den middelweg, hoed u voor
+uitgelatene vreugde, evenzeer als voor buitensporige droefheid,
+en streef er steeds naar, dat de stemming uwer ziel harmonisch en
+welluidend zij, gelijk de snaren eener zuiver gestemde harp!" Dezen
+Pythagorischen zielevrede, deze diepe, ongestoorde gemoedsrust,
+aanschouw ik dagelijks in mijne Sappho, en ik tracht onophoudelijk ze
+ook tot mijn eigendom te maken. De strijd valt soms onbegrijpelijk
+zwaar, daar het noodlot met zijne ruwe grepen maar al te dikwijls
+de snaren van het speeltuig mijns harten ontstemt. Maar nu ben ik
+kalm en rustig!--Gij kunt niet begrijpen, welk eene macht de gedachte
+alleen aan dien grootste aller denkers, aan dien stillen, wijzen man,
+op mij uitoefent. Als hij mij voor den geest staat, is het alsof eene
+zachte liefelijke toon de snaren mijner ziel doet trillen. Ook gij
+hebt hem gekend en moet verstaan, wat ik niet in woorden vermag uit
+te drukken.--En nu bid ik u, mij de reden van dit uw bezoek te doen
+kennen. Mijn hart is rustig, als de wateren van den Nijl, die zoo
+stil en zonder eenige stoornis ons voorbijvlieten. Hetzij gij goede,
+hetzij gij kwade tijding brengt, ik ben bereid, u te hooren."
+
+»Thans herken ik u weder," sprak de Athener. »Waart gij den edelen
+vriend der wijsheid, gelijk Pythagoras zichzelf placht te noemen
+[88], eerder gedachtig geweest, zoo zou uwe ziel reeds gisteren tot
+hare gewone kalmte zijn gekomen. De meester geeft den raad, zich
+iederen avond de gebeurtenissen, gewaarwordingen en gedachten van den
+verloopen dag nog eens voor den geest te brengen. Hadt gij dat gedaan,
+dan zoudt gij hebben ingezien, dat de ongeveinsde bewondering van
+al uwe gasten, onder welke zich mannen van uitstekende verdiensten
+bevonden, ruimschoots tegen den smaad van een onbesuisden dronkaard
+opwoog. Gij hadt moeten begrijpen, dat gij toch inderdaad eene vriendin
+der goden zijt. Want het was in uw huis, dat de onsterfelijken een
+edelen grijsaard, na jaren van tegenspoed, de hoogste zaligheid lieten
+smaken, die ooit een mensch ten deel kan vallen. Ja, zij ontnamen u
+een vriend, om u echter in denzelfden stond een anderen, veel beteren
+te schenken. Spreek mij niet tegen, en vergun mij thans u met mijn
+verzoek bekend te maken.
+
+»Gij weet dat men mij nu eens een Athener, dan weêr een Halicarnassiër
+[89] noemt. De Jonische, Aeolische en Dorische soldaten hebben zich
+van oudsher nooit goed met de Carische kunnen verstaan. Daarom kwam
+mij, den aanvoerder van beide legerafdeelingen, mijne afkomst van,
+ik zou wel haast mogen zeggen drie stammen, bijzonder te stade. Welke
+uitnemende eigenschappen Aristomachus ook bezit, Amasis zal mij toch
+missen, want het viel mij gemakkelijk de eendracht in het leger te
+bewaren, terwijl de Spartaan tegenover de Cariërs dikwerf op groote
+zwarigheden stooten zal.
+
+»Deze mijne dubbele afkomst heeft haar grond hierin, dat mijn vader
+met eene Halicarnassische vrouw uit een edel Dorisch geslacht gehuwd
+was, en met mijne moeder juist op het tijdstip mijner geboorte te
+Halicarnassus vertoefde, waarheen zij zich hadden begeven, om bezit
+te nemen van de nalatenschap harer ouders. Ofschoon men mij reeds
+in de derde maand mijns levens naar Athene terugbracht, ben ik toch
+eigenlijk een Cariër, want, waar een mensch geboren wordt, daar is
+zijn vaderland.
+
+»Te Athene werd ik, als jong Eupatride [90] uit het aanzienlijke,
+aloude geslacht van Ajax, met al de weelde en al den rijkdom
+van een Attisch edelman grootgebracht en opgevoed. De dappere en
+wijze Pisistratus, gesproten uit een geslacht, dat wel van gelijke
+afkomst was als het onze, maar ons in macht en invloed volstrekt
+niet overtrof--er bestaat geen aanzienlijker stamhuis dan dat mijns
+vaders--wist zich tot alleenheerscher te verheffen. Aan de vereende
+pogingen van den adel gelukte het tot tweemaal hem ten val te
+brengen. Toen hij ten derden male, door Lygdamis van Naxos en door
+de bewoners van Argos en Eretria ondersteund, wilde terugkeeren,
+stelden wij ons tegen hem. Wij hadden ons gelegerd nabij den tempel
+van Athene op Pallene [91]. Terwijl wij vóor het ontbijt aan de godin
+offerden, verraste ons de listige tyran, overviel onze ongewapende
+manschappen, en behaalde eene gemakkelijke overwinning, zonder een
+druppel bloeds te storten. Daar aan mij het bevel over de helft der
+troepen was opgedragen, besloot ik liever te sterven, dan mijn post
+te verlaten. Ik streed als een razende, bezwoer mijne soldaten stand
+te houden en verloor ook geen duimbreed gronds. Doch eene noodlottige
+speer wondde mijn schouder en ik viel.
+
+»Pisistratus en de zijnen werden meester van Athene. Ik vluchtte naar
+Halicarnassus, mijn tweede vaderland, waarheen mij mijne vrouw met
+onze kinderen volgde. Mijn naam was niet geheel onbekend, daar ik eene
+overwinning in de Pythische spelen [92] behaald en nog eenige andere
+dappere daden verricht had. Men benoemde mij dus tot overste bij het
+leger in Egypte. Ik maakte den veldtocht op Cyprus mede, deelde met
+Aristomachus den roem, de geboorteplaats van Aphrodite voor Amasis
+gewonnen te hebben, en werd ten laatste tot opperbevelhebber van al
+de troepen in Egypte verheven.
+
+»Den vorigen zomer stierf mijne vrouw. Mijne kinderen, een knaap
+van elf en een meisje van tien jaren, bleven bij hunne moei te
+Halicarnassus. Ook deze werd de prooi van den onverbiddelijken Hades
+[93]. Nu heb ik de kleinen eenige dagen geleden hierheen ontboden. Zij
+kunnen evenwel niet vroeger dan over drie weken te Naucratis zijn,
+en zullen reeds zijn afgereisd, alvorens zij een tegenbevel van mij
+kunnen ontvangen. Binnen veertien dagen moet ik Egypte verlaten, en kan
+dus zelf mijne lievelingen niet afwachten. Ik ben besloten, mij naar
+den Thracischen Chersonesus te begeven, waar, gelijk gij weet, mijn oom
+door den stam der Dolonkers [94] tot vorst is verheven. Daarheen moeten
+de kinderen mij volgen. Korax, mijn oude trouwe slaaf, zal te Naucratis
+blijven om ze tot mij te brengen. Wilt gij thans metterdaad toonen,
+dat gij mijne vriendin zijt, zoo ontvang die kleinen in uw huis; zorg
+voor hen tot er een schip naar Thracië onder zeil gaat, en verberg ze
+zorgvuldig voor de blikken van de spionnen van den kroonprins Psamtik
+[95]. Gij weet, dat deze mij een doodelijken haat heeft gezworen,
+en zich gaarne in de kinderen op den vader zou wreken.--Ik kom tot u
+met deze bede, ten eerste wijl ik uw goed hart ken; ten andere omdat
+uw huis, krachtens den vrijbrief des konings, die het tot een asyl
+heeft gemaakt, de kinderen voor alle nasporingen der politie-beambten
+vrijwaart. Want deze personen moeten, in dit land van formaliteiten,
+kennis nemen van alle vreemdelingen, zelfs al zijn dit kinderen,
+om daarvan aangifte te doen bij de district-beambten.
+
+»Gij ziet, hoezeer ik u hoogschat, want ik vertrouw u het eenige toe,
+wat mij nog waarde doet hechten aan mijn leven. Zelfs het vaderland
+heeft voor mij niets aantrekkelijks, zoolang het zich onder den voet
+des geweldenaars kromt. Welnu, vriendin, wilt gij aan het gefolterde
+vaderhart de rust hergeven, wilt gij...?"
+
+»Ik wil, ik wil, Phanes!" antwoordde Rhodopis met ongeveinsde
+blijdschap. »Gij hebt mij geene bede gedaan, gij hebt mij een voorrecht
+geschonken. O, reeds nu verheug ik mij bij de gedachte aan de lieve
+kleinen! En hoe verrukt zal Sappho zijn, als die aardige schepseltjes
+hare eenzaamheid komen vervroolijken! Maar dit zeg ik u vooruit,
+Phanes, met het eerste het beste Thracische schip laat ik mijne jonge
+gasten niet weggaan. Gij kunt het nog wel een half jaartje langer
+zonder hen uithouden, want ik sta er voor in, dat zij voortreffelijk
+onderricht zullen genieten, en dat hun al wat waarlijk schoon en goed
+is dagelijks zal worden voorgehouden."
+
+»Wat dat aangaat, ben ik volkomen gerust," hernam Phanes met een
+dankbaren glimlach; »maar ik sta er bepaald op, dat gij de beide
+wildzangen met het eerste schip het beste laat vertrekken. Mijne vrees
+voor de wraakzucht van Psamtik is, helaas! maar al te gegrond. En
+ontvang nu bij voorbaat reeds mijn hartelijken dank voor uwe liefde
+en goedheid jegens mijne kinderen. Overigens geloof ik zelf, dat
+de afleiding, door het gezelschap van twee zulke vroolijke gasten,
+aan uwe Sappho in hare eenzaamheid goed zal doen."
+
+»En eindelijk," liet Rhodopis met neergeslagene oogen volgen, »kan
+dit bewijs van vertrouwen duizendvoudig opwegen tegen den hoon,
+mij door een dronkaard aangedaan.--Daar komt Sappho!"
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Vijf dagen na dien merkwaardigen avond in het huis van Rhodopis,
+heerschte er eene meer dan gewone drukte aan de haven van
+Saïs. Egyptenaren van iederen leeftijd, van allerlei rang, stand
+en geslacht, stonden dicht opeengepakt aan den waterkant. Soldaten,
+en kooplieden in witte, met veelkleurige franjes omzoomde kleederen,
+welker meerdere of mindere lengte afhankelijk was van den hoogeren of
+lageren rang dergenen, die ze droegen, bewogen zich onder eene groote
+menigte gespierde, halfnaakte mannen uit de laagste volksklasse, wier
+eenige kleeding slechts uit een schort bestond. Geheel ongekleede
+kinderen verdrongen, stompten en sloegen elkaar, om toch de beste
+plaatsen in te nemen. Moeders, met korte mantels om de schouders
+[96], hielden hare kleinen in de hoogte, al moesten ze daardoor ook
+het voorrecht missen om zelf iets van het verwachte schouwspel te
+zien te krijgen. Een tal van honden en katten basten en miauwden, en
+zaten elkander na tusschen de voeten der nieuwsgierigen, die uiterst
+voorzichtig waren, om toch geen der heilige dieren te trappen of
+te bezeeren.
+
+Overal liepen politie-agenten rond, met lange stokken [97] in de hand,
+welker metalen knoppen den naam des konings droegen. Zij hadden voor
+rust en orde te waken, maar vooral daarvoor, dat niemand door het
+gedrang der achteraf staanden in het water viel. Want de arm van den
+Nijl, die gedurende den overstroomingstijd de muren van Saïs bespoelde,
+was hoog gezwollen. En het bleek niet zelden, dat de voorzorgen dezer
+beambten allesbehalve overbodig waren.
+
+Aan de breede met sphinxen bezette oevertrappen, de aanlegplaats der
+koninklijke barken, had zich eene geheel andere klasse van menschen
+verzameld. Hier zaten op steenen banken de voornaamste priesters, deels
+in lange witte gewaden, deels met een schort, kostbare bandelieren,
+breed halssieraad en panterhuiden gekleed. Sommigen droegen met
+vederen bezette banden, die zij om het voorhoofd, de slapen en
+de dichte, valsche haarlokken, die op den rug nedervielen, hadden
+bevestigd. Anderen schenen te willen pronken met hunne zorgvuldig
+geschorene, glinsterende kale schedels, die meestal goed gevormd
+waren. Onder hen was de opperrechter aanstonds te herkennen, want zijn
+hoofdtooisel was versierd met eene schoone, golvende struisveder,
+en eene kostbare amulet van saffier hing, aan eene gouden keten,
+op zijne borst [98].
+
+De bevelhebbers van het Egyptische leger droegen veelkleurige
+wapenrokken en korte zwaarden in hunne gordels. Eene afdeeling van de
+lijfwacht, met strijdbijlen, dolken, bogen en groote schilden gewapend,
+stond ter rechterzijde van de trap geschaard. Ter linkerzijde had
+men de Grieksche soldaten geplaatst, uitgedost in hun Jonischen
+wapentooi. Hun nieuwe aanvoerder, de ons welbekende Aristomachus,
+stond met eenige Grieksche onderbevelhebbers, van de Egyptenaren
+afgezonderd, naast de kolossale standbeelden van Psamtik I, die, met de
+aangezichten naar den stroom gekeerd, op het plein boven de trap waren
+opgericht. Vóor de trap zat de kroonprins Psamtik, op een zilveren
+troon. Hij droeg een bonten met gouddraad doorweven rok, die hem eng
+om het lichaam sloot. Rondom hem stonden de voornaamste hovelingen,
+kamerheeren, raadslieden en vrienden des konings, die staven in de
+handen hielden, met pauwenvederen en gouden lotusbloemen versierd [99].
+
+De volksmenigte had al lang, door schreeuwen, zingen en onderling
+twisten, duidelijke teekenen van haar ongeduld gegeven. De priesters
+en rijksgrooten daarentegen, die wij nabij de trap hebben opgemerkt,
+keken met waardigheid en zwijgend voor zich. Ieder van deze afgemetene,
+onbeweeglijke mannen in het bijzonder, met zijne stijve krulpruik
+[100] en zijn valschen, regelmatig gekroesden baard, had bijzonder
+veel overeenkomst met die, onderling volkomen op elkander gelijkende
+standbeelden, die rustig, ernstig en met onafgewend gelaat in den
+stroom zaten te turen, en onbeweeglijk op hunne plaatsen bleven.
+
+Eindelijk werd men in de verte de zijden, purperrood en blauw geruite
+zeilen [101] van schepen gewaar. Het volk hief een luiden jubelkreet
+aan. »Daar komen ze, daar zijn ze!" riep men, terwijl het gedrang
+toenam.--»Pas op, dat ge niet op dat katje trapt!"--»Minne, houd
+het meisje wat hooger, opdat het ook wat te zien krijge van al dat
+moois!"--»Heila! je zult me nog in 't water duwen, Sebek!"--»Zie
+dan toch toe, Phoeniciër, die jongens werpen klissen in je langen
+baard!"--»Nu, nu, Helleen, je moet niet denken dat je in Egypte den
+baas moogt spelen, omdat Amasis je toestaat aan de oevers van den
+heiligen stroom te wonen!"--»Onbeschaamd volk, die Grieken! Weg met
+hen!" riep een tempeldienaar.--»Weg met de zwijneneters [102], die
+verachters der Goden!" klonk het van alle zijden. Reeds dreigde men tot
+dadelijkheden over te gaan. Maar de politie-agenten toonden, dat zij
+hier niet voor niets waren. Spoedig herstelden ze orde en rust, daarbij
+een krachtig gebruik makende van hunne lange stokken. De groote bonte
+zeilen, die zeer gemakkelijk te onderscheiden waren van de blauwe,
+witte en bruine zeiltjes der kleine Nijlvaartuigen, kwamen intusschen
+al nader en nader. De menigte was in gespannen verwachting. Thans
+rezen de grootwaardigheidsbekleeders en de kroonprins van hunne
+zitplaatsen op. De koninklijke trompetters deden eene schetterende,
+oorverdoovende fanfare door de lucht weerklinken, en de eerste der met
+ongeduld verbeide barken legde voor de oevertrap aan. Het vrij lange
+vaartuig was rijk verguld, en voerde op den boeg het zilveren beeld
+van een sperwer. In het midden van de bark was een gouden baldakijn
+opgericht, met purperen hemel, waaronder lange matrassen lagen. Vóór
+in het schip zaten aan weerszijden twaalf roeiers, wier schorten met
+kostbare gordels waren vastgesnoerd [103].
+
+Onder den troonhemel lagen zes mannen, allen sierlijk uitgedost en van
+een statig voorkomen. Eer nog de bark aan den oever landde, sprong
+de jongste hunner, die ook de voornaamste in rang scheen te zijn,
+een schoon jongeling met blonde lokken, op de trap. Bij het zien van
+dezen jongen man konden de lippen van menige Egyptische maagd een lang
+gerekt »Ah!" niet weerhouden. Ja zelfs de strakke gelaatstrekken van
+eenige waardigheidsbekleeders plooiden zich tot een welgevallig lachje.
+
+Hij, die aldus zoo algemeen de bewondering en de aandacht trok, was
+Bartja [104], zoon van den overledenen en broeder van den regeerenden
+koning van Perzië. De natuur had hem alles geschonken, wat een
+jeugdig hart op twintigjarigen leeftijd zou kunnen wenschen. Van
+onder de blauwe en witte banden, waarmede zijne tiara omwonden was,
+kwamen dichte, goudgele haren in weelderige lokken te voorschijn. Uit
+zijne helderblauwe oogen straalden levenslust, goedheid en dapperheid,
+ja vermetelheid. Zijn edel gelaat, dat de eerste sporen vertoonde van
+een baard, zou een waardig model zijn geweest voor den beitel van een
+Griekschen beeldhouwer. Zijne ranke, gespierde gestalte getuigde van
+groote kracht en ongemeene vlugheid. De pracht van zijn gewaad was
+evenredig aan zijne schoonheid. In het midden van zijne tiara fonkelde
+eene groote ster van diamanten en turkooizen. Zijn tot over de knie
+reikend opperkleed van zwaar wit goudbrocaat, werd boven de heupen
+door een gordel van blauw en wit [105] bijéengehouden. In dezen gordel
+hing een kort zwaard met gouden scheede, die evenals het gevest, tot
+overladens toe, met witte opalen en blauwe turkooizen bezet was. De
+benedenkleederen. die nauw om de beenen sloten, bestonden evenals het
+opperkleed uit goudbrocaat. Aan de voeten droeg hij lage schoenen van
+lichtblauw leder. Zijne krachtige armen, die de wijde lange mouwen van
+zijn kleed voor een groot deel zien lieten, waren met onderscheidene
+kostbare armbanden van goud en edelgesteente versierd. Van zijn slanken
+hals hingen gouden ketens tot op de hooggewelfde borst neder [106].
+
+Deze jongeling was de eerste, die den oever betrad. Hem volgde Darius,
+de zoon van Hystaspes, een aanzienlijke Pers, evenals Bartja van
+koninklijken bloede en slechts weinig minder kostbaar gekleed dan
+deze. De derde persoon die de bark verliet, was een grijsaard met
+sneeuwwitte haren. Op zijn vriendelijk, zacht gelaat zetelden de
+goedheid van het kind, de wijsheid van den ouderdom en de krachtige
+geest van den man. Hij droeg een langen, purperkleurigen rok met
+mouwen, en gele Lydische laarzen [107]. Zijn geheele voorkomen was
+hoogst eenvoudig en zonder eenige aanmatiging. En toch was deze
+nederige grijsaard eenmaal de meest benijdde man van zijn tijd,
+met wiens naam thans nog het toppunt van aardschen rijkdom wordt
+uitgedrukt. In hem leeren wij Cresus, den onttroonden koning van Lydië
+kennen, die thans als vriend en raadsman aan het hof van Cambyzes
+leefde, en den jongen Bartja als mentor naar Egypte vergezelde. Hem
+volgden Prexaspes, de eigenlijke gezant van den koning, Zopyrus, de
+zoon van Megabyzus, een Pers van adel, de vriend van Bartja en Darius,
+en eindelijk Gyges, de magere, bleeke zoon van Cresus, die, in zijn
+vierde levensjaar stom geworden, tengevolge van den doodsangst, dien
+hij bij de inneming van Sardes ter wille van zijn vader had uitgestaan,
+de spraak teruggekregen had.
+
+Psamtik steeg de trappen af en ging de vreemdelingen tegemoet,
+intusschen beproevende zijn geelachtig, streng gelaat tot een minzamen
+glimlach te plooien. De waardigheidsbekleeders, die hem volgden, bogen
+zich bijkans ter aarde, terwijl zij de armen slap lieten neerhangen. De
+Persen kruisten de handen over de borst, en wierpen zich voor den
+kroonprins neder. Toen de eerste plichtplegingen voorbij waren, kuste
+Bartja, volgens de gewoonte van zijn land, tot groote verbazing van
+het volk, dat zoo iets nog nooit had aanschouwd, de gele wang van
+den Egyptischen koningszoon, wien eene rilling door de leden ging bij
+deze aanraking van de onreine lippen eens vreemdelings. Hierna begaf
+hij zich met zijn gevolg naar de draagstoelen, die gereed stonden om
+allen naar de voor hen in het koninklijk paleis te Saïs gereedgemaakte
+verblijven te brengen.
+
+Een deel van het volk stroomde de vreemdelingen achterna; de meeste
+toeschouwers bleven echter waar zij waren, wetende, dat zij nog
+vele dingen zouden aanschouwen, die hunne oogen nooit te voren
+hadden gezien.
+
+»Zoudt gij dien opgeschikten aap, en die andere Typhonskinderen [108]
+naloopen?" vroeg een tempeldienaar, die alles behalve in zijn humeur
+was, zijn buurman, een eerzamen kleermaker uit Saïs.
+
+»Ik verzeker u, Poehor, en ook de opperpriester heeft het gezegd,
+dat deze indringers niets dan onheil over het zwarte land [109]
+brengen! Och, konden wij dien goeden ouden tijd nog eens beleven, toen
+geen vreemdeling, die zijn leven liefhad, den voet op Egyptischen bodem
+durfde zetten. Thans wemelen letterlijk onze straten van Hebreeuwsche
+bedriegers, maar vooral van die onbeschaamde Hellenen, die de Goden
+mogen verdelgen. Daar, zie eens aan, dat is reeds de derde bark vol
+vreemdelingen. En weet gij, wie die Persen zijn? De opperpriester heeft
+gezegd, dat in hun gansche rijk, hetwelk de halve wereld omvat, geen
+enkele tempel is voor de goden. Zij laten de lijken hunner dooden,
+in plaats van ze eene eervolle begrafenis te gunnen, door de honden
+en gieren opeten [110]."
+
+De kleermaker toonde zich over deze mededeeling niet weinig verbaasd en
+nog meer verontrust. Met den vinger naar de aanlegplaats wijzende, riep
+hij uit: »Zoo waarachtig als de zoon van Isis den Typhon vernietigt:
+daar komt nu het zesde schip met vreemdelingen aan wal!"
+
+»Ja, wel is het erg!" zuchtte de tempeldienaar. »Men zou haast
+denken, dat een geheel leger in aantocht was. Amasis zal het nog
+zoover drijven, dat hem de vreemdelingen van den troon en het land
+uit jagen; dat zij ons armen, evenals weleer de booze Hyksos [111],
+die pestmenschen, en de zwarte Ethiopiërs hebben gedaan, uitplunderen
+en tot slaven maken."
+
+»De zevende bark!" riep de kleermaker.
+
+»Mijne gebiedster Neith, de groote godin van Saïs, moge mij verderven;"
+klaagde de tempeldienaar, »als ik den koning begrijp! Drie schepen
+heeft hij naar dat vervloekte giftnest Naucratis gezonden, om de
+bedienden en de pakkage der Perzische gezanten herwaarts over te
+brengen. Maar die drie bleken bij lange na niet voldoende; nog vijf
+andere schepen waren er noodig. Want behalve eene ongehoorde menigte
+keukengereedschappen, honden, paarden, wagens, kisten, manden en balen,
+hebben deze verachters der goden, deze lijkenschenners, een heir van
+knechten duizend mijlen ver hierheen gevoerd. Onder dezen moeten er
+zijn, die niets te doen hebben, dan kransen te vlechten of zalven
+te bereiden [112]. Ook priesters, die zij magiërs noemen, hebben zij
+bij zich. Nu zou ik wel eens willen weten, waarom zij er deze op na
+houden? Want wat beduidt een priester waar niet eens een tempel is?"
+
+
+
+De grijze koning van Egypte, Amasis, had het Perzische gezantschap,
+kort na zijne aankomst, met de hem zoo eigene minzaamheid bij zich
+ten gehoore ontvangen. Vier dagen later ging hij, na de bezigheden,
+waaraan hij zich geregeld iederen morgen wijdde, te hebben afgedaan,
+met den ouden Cresus in den tuin van het paleis wandelen, terwijl de
+overige leden van het gezantschap, onder geleide van Psamtik, een
+tochtje op den Nijl naar Memphis deden. De koninklijke tuin, die,
+hoewel volgens een veel grootscher plan, in denzelfden geest als
+die van Rhodopis was aangelegd, bevond zich nabij den koningsburg,
+die in het noordwestelijk gedeelte der stad op een heuvel was gelegen.
+
+De beide grijsaards zetten zich neder onder het lommer van eene
+breedgetakte sykomore, niet ver van een reusachtig bekken uit rood
+graniet gehouwen, waarin krokodillen van zwart bazalt, uit wijdgeopende
+muilen, een overvloed van kristalhelder water spoten. Was de onttroonde
+koning ook al eenige jaren ouder dan de machtige vorst aan zijne zijde,
+zijn gelaat was toch veel frisscher en zijne gestalte veel krachtiger
+dan die van Amasis. Deze, ofschoon overigens hoog gebouwd, ging reeds
+gebogen; de beenen die zijn groot lichaam droegen waren bijzonder
+schraal; zijn aangezicht was welgevormd, maar reeds gerimpeld. Een
+jeugdig vuur straalde nog altijd uit zijne kleine, bliksemende oogen,
+en een schalke, ja dikwerf spotachtige trek speelde voortdurend om
+zijne dikke lippen. Het lage doch breede voorhoofd van den grijsaard
+en zijn groote, schoongewelfde schedel getuigden van de kracht zijns
+geestes [113]. De afwisselende kleur van zijn oog liet vermoeden,
+dat deze zeldzame man, die zich van gemeen soldaat tot den troon der
+pharao's had weten te verheffen, groote schranderheid bezat, doch ook
+de macht der hartstochten kende. Zijn stemgeluid was hard en snijdend,
+zijne bewegingen waren, in tegenstelling met de afgemetenheid van
+den geheelen Egyptischen hofstoet, bijkans overdreven levendig.
+
+De houding van zijn metgezel was een koning waardig, doch tegelijk
+bevallig. Zijn geheele wezen verried, dat hij veel met de edelste
+Grieken verkeerd had. Thales, Anaximander en Anaximenes van Milete,
+Bias van Priëne, Solon van Athene, Pittacus van Lesbos, de beroemdste
+Helleensche wijsgeeren, hadden zich weleer als gasten aan den disch
+van Cresus te Sardes vereenigd. Zijne volle, heldere stem klonk als
+liefelijk gezang, bij het schrille geluid van Amasis.
+
+»Maar zeg mij thans onbewimpeld," sprak de pharao, in tamelijk vloeiend
+Grieksch, »hoe Egypte u bevalt. Ik weet niemand, op wiens oordeel
+ik hoogeren prijs stel, dan op het uwe. Want vooreerst kent gij de
+meeste volken en landen van de wereld, ten andere hebben de goden u
+de geheele ladder der fortuin op en af doen stijgen, ten derde zijt
+gij niet tevergeefs zoo lang de eerste raadsman van den machtigste
+aller koningen geweest. Ik zou wel willen, dat mijn rijk u zoo beviel,
+dat gij genegen waart, als een broeder bij mij te blijven. Waarlijk,
+Cresus, schoon de goden mij eerst gisteren uw aangezicht hebben doen
+aanschouwen, zijt gij toch reeds lang mijn vriend."
+
+»En gij de mijne," haastte de Lydiër zich te zeggen. »Ik bewonder
+u om den moed, waarmede gij uwe omgeving trotseert, en weet door te
+zetten wat gij goed oordeelt. Ik ben u dankbaar voor de bescherming,
+die gij mijne vrienden, de Hellenen, verleent. Ik beschouw u als een
+lotgenoot, want ook gij hebt al het wèl en wee, dat het leven bieden
+kan, bij ervaring leeren kennen!"
+
+»Met dit onderscheid echter," hernam Amasis glimlachend, »dat wij
+op zeer verschillende wijze begonnen zijn. U viel eerst het goede,
+daarna het kwade ten deel. Mij ging het juist omgekeerd, altijd
+namelijk onderstellende," vervolgde hij zuchtende, »dat ik mij in
+mijn tegenwoordigen toestand gelukkig gevoel."
+
+»En ook," vulde Cresus aan, »dat ik onder mijn zoogenaamd ongeluk
+lijde."
+
+»Hoe zou dit anders kunnen zijn, na het verlies van zulk een heerlijk
+rijk en zoo groote schatten?"
+
+»Is dan het geluk alleen te vinden in het bezit van aardsche goederen
+of macht?" vroeg Cresus. »Is het wel in iets stoffelijks gelegen? Geluk
+is niets anders dan eene gewaarwording, een gevoel, dat de wangunstige
+goden eer den behoeftige schenken, dan den machtige, wiens anders zoo
+heldere blik niet zelden door den glans van zijne schatten verblind
+wordt, en wiens hart bloedt bij elke nederlaag. Zich bewust van
+zijn kracht om veel te erlangen, moet hij telkens onderliggen in den
+strijd om het bezit van alle goederen, die hij zou wenschen de zijne
+te noemen, maar niet verkrijgen kan."
+
+Amasis zuchtte weder en antwoordde: »Ik wenschte wel, dat ik u van
+dwaling kon overtuigen. Maar wanneer ik mij mijn verleden herinner, dan
+moet ik bekennen, dat sedert het uur, hetwelk mij het zoogenoemde geluk
+aanbracht, ook de zorgen mijns levens zich begonnen te doen gevoelen."
+
+»En ik verzeker u," liet Cresus er dadelijk op volgen, »dat ik
+u dankbaar ben voor dit woord, al hebt ge het ook uws ondanks
+gesproken, daar mij het uur, dat voor mij zoo noodlottig was, het
+eerste waarachtige geluk te smaken gaf. Toen de Persen de muren van
+Sardes beklommen, verwenschte ik mijzelven en de goden; haatte ik het
+leven en vloekte ik mijn bestaan. Al vechtende week ik in vertwijfeling
+met de mijnen terug. Daar zwaaide een krijgsknecht zijn zwaard over
+mijn schedel; mijn sedert jaren stomme zoon viel den moordenaar in de
+armen, en wederom hoorde ik het eerste woord uit dien dierbaren mond,
+die door den angst was ontsloten. De tong van mijn spraakloos kind
+Gyges was ontboeid, en ik, die de goden had gevloekt, boog mij voor
+hun macht. Ik ontrukte den slaaf het staal, waarmede ik hem bevolen
+had mij te dooden, als ik in de hand der Persen viel. Ik was een ander
+man geworden en leerde langzamerhand de telkens weder boven komende
+ontevredenheid over mijn lot en den weerzin tegen mijn edelen vijand
+bedwingen. Gij weet, dat ik eindelijk Cyrus' vriend werd; dat mijn
+zoon, die het gebruik van zijn spraakvermogen behield, naast mij als
+vrij man mocht opgroeien. Al wat ik schoons in mijn langdurig leven
+had gezien, gehoord en gedacht, vereenigde zich van nu aan voor mij in
+dien eenigen, die mijn rijk, mijne kroon, mijn schat was geworden. Als
+ik zag hoe de zorgen Cyrus dag noch nacht rust lieten, kreeg ik een
+afkeer van mijne eigene vroegere grootheid en macht, en werd het mij
+steeds duidelijker, waar het waarachtig geluk te vinden is. Een ieder
+draagt het als eene verborgene kiem in zijn hart om. De tevredenheid en
+het geduld, die den mensch in staat stellen zich niet alleen over het
+groote en schoone, maar ook over den geringsten zegen te verblijden,
+het leed zonder klachten aan te nemen, en het door de gedachten aan
+een beter verleden te verzachten; dat zich zelven gelijkblijven onder
+alle omstandigheden; het onwankelbaar vertrouwen op de bescherming
+der goden, en de overtuiging, dat ook het ergste ons voorbijgaat,
+wijl alles aan verandering en omkeer onderworpen is,--dit alles doet
+ontwijfelbaar de in onze borst verborgene kiem des geluks rijpen,
+en schenkt ons de kracht om te glimlachen, als het troetelkind van
+de fortuin versaagt en vertwijfelt."
+
+Amasis luisterde aandachtig toe, terwijl hij inmiddels met den gouden
+kop van een hazewind op zijn staf figuren in het zand teekende. Hij
+zeide daarop: »Inderdaad, Cresus, ik, de groote God, de zon der
+gerechtigheid, de zoon van Neith, de heer van den krijgsroem [114],
+gelijk de Egyptenaren mij noemen, zou u, den armsten, den beroofden
+en onttroonden vorst haast kunnen benijden. In vroeger dagen was
+ik even gelukkig als gij thans zijt. Geheel Egypte kende mij,
+den armen zoon van een hoofdman, en gewaagde van mijne dartelheid,
+mijne guitenstreken, mijne luchthartigheid en mijn aan roekeloosheid
+grenzenden moed. De gemeene soldaat droeg mij op de handen. Mijne
+meerderen vonden veel in mij te berispen; maar uit liefde voor
+den dollen Amasis zag men alles door de vingers. Mijne makkers,
+de onderbevelhebbers van het leger, hadden geen genoegen op het
+heerlijkste feest, als ik er niet bij was.
+
+»Op zekeren dag zond mijn voorganger, Hophra, ons ten strijde tegen
+Cyrene. In de woestijn van dorst versmachtende, weigerden we verder
+te trekken. Wij begonnen den koning te verdenken, dat hij ons in de
+macht der Helleensche krijgsbenden wilde overleveren, en kwamen tot
+openbaren opstand. Schertsend, als altijd, riep ik den vrienden toe:
+Zonder koning kunt gij u niet redden, maakt mij dus tot uw vorst;
+een vroolijker vindt gij zeker nergens! De soldaten hadden dit
+woord vernomen. Amasis wil koning worden! klonk het van gelid tot
+gelid, van mond tot mond. De goede, de vroolijke Amasis zij onze
+koning! jubelde het gansche leger na weinige oogenblikken. Een mijner
+oude tafelvrienden zette mij den veldheershelm op het hoofd, en toen
+deed ik de scherts in ernst verkeeren. De hoofdmacht van het leger
+sloot zich bij mij aan, en wij versloegen Hophra bij Momemphis. Het
+volk nam aanstonds deel aan den opstand. Ik beklom den troon. Men
+noemde mij gelukkig. Ik, die tot dusverre de vriend was van alle
+Egyptenaren, werd spoedig de vijand van de besten in den lande.
+
+»De priesters huldigden mij en namen mij in hunne kaste op, maar alleen
+omdat zij hoopten mij geheel naar hunne hand te kunnen zetten. Zij,
+die vroeger boven mij stonden, benijdden mij, of wilden op denzelfden
+toon als voorheen met mij blijven verkeeren. Ik begreep dat dit niet
+mogelijk was en mijn gezag zou ondermijnen. Op zekeren dag, toen de
+oversten van het leger bij mij ter maaltijd waren en met mij wilden
+schertsen, wees ik hun op het gouden bekken, waarin men, voor wij aan
+tafel gingen, hunne voeten gewasschen had. Vijf dagen later waren
+zij wederom mijne gasten, en toen deed ik een gouden beeld van den
+grooten god Ra [115] op den rijk voorzienen disch plaatsen. Zoodra
+zij het beeld zagen, vielen zij neder om te aanbidden. Toen zij
+wederom waren opgestaan, greep ik mijn schepter, hield dien plechtig
+in de hoogte en riep: Dit beeld van den God heeft een mensch in vijf
+dagen vervaardigd uit het verachte bekken, in hetwelk gij spuwdet,
+en waarin men uwe voeten wiesch. Ik zelf was eens zulk een veracht
+vat; de godheid evenwel, die beter en sneller dan een goudsmid weet
+te scheppen, heeft mij tot uw koning gemaakt. Valt dus voor mij neder,
+en aanbidt. Wie ongehoorzaam is, of voortaan den eerbied, dien hij den
+koning verschuldigd is, uit het oog verliest, is des doods schuldig.
+
+»Zij vielen voor mij neder, allen. Mijne waardigheid was gered; maar
+mijne vrienden had ik verloren. En nu gevoelde ik behoefte aan een
+anderen, vasteren steun. Dezen vond ik bij de Hellenen. Éen Griek
+is, wat de krijgstucht betreft, meer waard dan vijf Egyptenaren. Dat
+wist ik, en met het oog hierop waagde ik het door te zetten, wat ik
+voor mijzelven raadzaam achtte. Van toen af was ik altijd omringd
+door Grieksche soldaten. Ik leerde hunne taal, en maakte door hunne
+tusschenkomst kennis met den edelsten mensch, dien ik ooit ontmoette,
+namelijk Pythagoras. Het werd mijn streven in Egypte Grieksche kunst en
+Grieksche zeden in te voeren. Want ik was tot de overtuiging gekomen,
+dat het allerdwaast is halsstarrig vast te houden aan het gebrekkige,
+dat ons door de vaderen is overgeleverd; dat voor de hand lag wat
+verbeterd moest worden; dat de Egyptische grond gereed was om het
+goede zaad te ontvangen en slechts wachtte op de hand, die 't uit
+zou strooien.
+
+»Ik maakte eene nieuwe en veel doelmatiger rijksverdeeling,
+nam de beste maatregelen voor de openbare veiligheid, en het
+gelukte mij veel door te zetten. Mijn hoogste doel evenwel, om
+namelijk den Griekschen geest, den Griekschen schoonheidszin, den
+Griekschen levenslust en de vrije Helleensche kunst in dit schoone,
+weelderige en toch nog zoo onbeschaafde land ingang te doen vinden,
+leed schipbreuk op de klip, die mij, zoodra ik op iets nieuws het
+oog had, met een volkomen ondergang bedreigde. De priesters binden
+mij de handen en werken mij tegen. Zij zijn mijne meerderen. Zij,
+die niet bijgeloovigen eerbied aan alle overleveringen gehecht zijn,
+voor wie al het vreemde een gruwel is, en die in iederen buitenlander
+een natuurlijken bestrijder zien van hun gezag en hunne leerstellingen,
+regeeren het godsdienstigste van alle volkeren met bijna onbeperkte
+macht. En dit is de oorzaak, dat ik hun mijne beste plannen ten offer
+moet brengen; dat ik, de minst vrije in geheel Egypte, mijn leven
+naar hunne strenge inzettingen doelloos moet laten voorbijgaan; dat
+ik onvoldaan zal sterven, en misschien bij mijn dood niet eens zeker
+zal zijn, dat deze toornige en trotsche middelaars tusschen den mensch
+en de godheid mij de eeuwige ruste in het graf zullen gunnen!"
+
+»Bij Zeus, den vader der goden en menschen, arme gelukkige!" viel
+Cresus thans meewarig den koning in de rede, »ik begrijp uwe
+klacht. Want hoewel ik gedurende mijn langdurig leven reeds menigeen
+heb gekend, die somber en afgetrokken zijne dagen sleet, zoo kon ik
+toch niet denken, dat er een geheel geslacht van menschen zou bestaan,
+die allen met dezelfde somberheid bedeeld zijn, gelijk de slangen met
+gifttanden. Zoovele priesters als ik op mijne reize hierheen en aan uw
+hof ontmoet heb, zoovele norsche en wrevelige aangezichten heb ik ook
+gezien. Zelfs de jongelingen die u bedienen, zag ik zelden lachen;
+en vroolijkheid pleegt toch, als de schoonste gave der godheid,
+een kenmerk der jeugd te zijn, gelijk de bloemen dat der lente."
+
+»Gij zoudt u zeer vergissen," antwoordde Amasis, »indien gij alle
+Egyptenaren voor sombere menschen wildet houden. Onze godsdienst
+eischt wel, dat wij steeds ernstig aan den dood zullen denken,
+maar overigens zult gij ternauwernood een volk vinden, dat zoo
+geneigd is tot vroolijke scherts. Is er aanleiding tot feestvreugde,
+geen volk zal zoo gemakkelijk alle zorgen vergeten en zoo uitgelaten
+jubelen als het mijne. Maar uwe tegenwoordigheid aan mijn hof is den
+priesteren een doorn in het oog, en zij laten mij hun wrevel over
+mijne gemeenzaamheid met u als vreemdeling duidelijk gevoelen. Die
+knapen op welke gij doelt, de zonen der aanzienlijksten onder hen, zijn
+de grootste plaag van mijn leven. Zij bewijzen mij slavendiensten en
+vliegen op elk mijner wenken. Men zou hen, die hunne kinderen eene zoo
+nederige betrekking laten vervullen, oppervlakkig voor de gehoorzaamste
+en eerbiedigste dienaren houden van een vorst, dien zij als een God
+vereeren. Maar geloof mij, Cresus, juist achter dit offer van hunne
+zijde, dat geen koning zonder te beleedigen van de hand kan wijzen,
+schuilt eene fijne en listige berekening. Ieder dezer jongelingen is
+mijn bewaker, mijn spion. Ik kan geene hand verroeren, zonder dat zij
+het weten. En wat zij te weten komen, wordt in hetzelfde uur aan de
+priesters overgebracht."
+
+»Maar hoe kunt gij zulk een leven verdragen? Verban deze schandelijke
+spionnen uit uwe tegenwoordigheid, en kies uwe dienaren, bijvoorbeeld
+uit de kaste der krijgslieden, die u niet minder nuttig kan zijn dan
+die der priesters."
+
+»Kon ik maar, durfde ik slechts!" riep Amasis. Doch opeens ging hij
+voort op zachter toon, als ware hij van zichzelf geschrikt: »Ik geloof
+zeker dat men ons beluistert! Morgen zal ik het vijgenboschje daar
+ginds laten uitroeien. Het is dien jongen, priesterlijken hovenier,
+die daar de nog nauwelijks rijpe vijgen plukt, stellig om andere
+vruchten te doen, dan die hij zoo langzaam in zijn korfje legt. Met
+zijne hand zamelt hij het ooft in, en met zijn oor de woorden uit
+den mond zijns konings..."
+
+»Maar bij vader Zeus en Apollo!..."
+
+»Ik begrijp uwe verbazing," vervolgde Amasis fluisterend, »en kan er
+in deelen. Maar ieder recht brengt zijne plichten mede. Als koning
+van dit land, waarin men de overlevering als hoogste godheid vereert,
+moet ik mij aan het duizenden jaren oude hofceremoniëel, althans
+voorzoover de hoofdzaak betreft, onderwerpen. Waagde ik het mijne
+kluisters te verbreken, dan kon ik mij verzekerd houden, dat men
+mijn lijk onbegraven zou laten liggen. Want weet, dat de priesters
+over iederen afgestorvene een doodengericht houden, en een iegelijk
+dien zij schuldig oordeelen de ruste van het graf ontzeggen [116]. De
+genegenheid die zij voor mijn zoon koesteren, waarborgt mijne mummie
+wel eene eerlijke begrafenis. Doch wat mijn lijk te wachten staat
+van hen, die voor de doodenoffers moeten zorgen...."
+
+»Wat bekommert ge u om het graf!" riep Cresus met eenigen wrevel. »Men
+leeft voor het leven, niet voor den dood!"
+
+»Zeg liever," hervatte Amasis, opstaande, »wij, die als Grieken
+denken, achten een schoon leven het hoogste, wat een mensch ten deel
+kan vallen. Ik echter, Cresus, dank mijn bestaan aan een Egyptischen
+vader, ik ben door eene Egyptische moeder gezoogd, met Egyptische
+spijze gevoed, en heb ik ook veel van de Hellenen overgenomen,
+in mijn innerlijk wezen blijf ik toch steeds Egyptenaar. Wat ons
+in onze kindsheid is aangeprezen, en in onze jeugd als heilig en
+goed is voorgesteld, dat leeft in ons hart voort, totdat men ons
+wikkelt in het lijkkleed der mummiën. Ik ben een grijsaard en heb
+nog slechts een kort eindwegs af te leggen, om den grenspaal te
+bereiken, waar de onbekende toekomst aanvangt. Zal ik nu, om mijne
+nog weinige levensdagen te verzoeten, de duizenden jaren, die mij
+bij den dood wachten, verbitteren? Neen, mijn vriend! juist hierin
+ben ik Egyptenaar gebleven, dat ik als al mijne landgenooten vast en
+zeker geloof, dat van het behoud mijns lichaams, de woning der ziel,
+het geluk van mijn tweede leven [117] afhankelijk is, wanneer ik nog
+niet waardig word bevonden om op te gaan in de wereldziel en, zelf
+een bestanddeel dier ziel, als Osiris deel te nemen aan het bestuur
+van al het geschapene. Maar genoeg van deze dingen, die gij toch niet
+verstaat. Beantwoord liever mijne vraag: Hoe bevallen u onze tempels
+en onze pyramiden?"
+
+Cresus bedacht zich een oogenblik, waarna hij glimlachend antwoordde:
+»De steenmassa's der pyramiden maken op mij den indruk, als waren zij
+door de onmetelijke woestijn, de bonte zuilengangen uwer tempels, als
+waren zij door de bloeiende lente geschapen. Maar terwijl de sphinxen,
+die tot de tempelpoorten leiden, den weg naar het heiligdom wijzen,
+zoo schijnen de steile, vestingachtige muren der pylonen opgetrokken om
+ieder af te weren. Evenzoo hebben de veelkleurige hiëroglyphen-beelden
+iets aantrekkelijks, maar geheimzinnig als ze zijn, schrikken zij
+den onderzoekenden geest af. Overal staan beelden van uwe goden in
+allerlei gestalten, zoodat men ze zien moet, of men wil of niet, en
+toch vermoedt ieder, dat ze iets anders beteekenen dan zij voorstellen,
+dat zij, naar ik hoor, de zinnebeelden zijn van diepe gedachten, die
+maar weinige menschen begrijpen kunnen. Alles trekt mijne aandacht,
+alles wekt mijne belangstelling, doch mijn warm gevoel voor het
+schoone wordt door niets van wat ik zie weldadig aangedaan, veel
+minder bevredigd. Indien mijn geest mocht willen indringen in de
+geheimnissen van uwe wijze mannen, zou mijn hart en mijn verstand
+toch zeker vreemd blijven aan de hoofddenkbeelden, waarop uw denken,
+leven en streven berust. Zij schijnen mij te leeren, dat men het
+leven heeft te beschouwen als eene korte bedevaart naar het graf,
+den dood daarentegen als het eigenlijke, ware leven."
+
+»En toch wordt ook door ons het leven, dat men door heerlijke feesten
+opluistert, in zijne volle waarde erkend, heeft ook voor ons het graf
+zijne verschrikkingen, en poogt men den dood te ontvluchten, wanneer
+hij zich vertoont. Onze geneesheeren zouden niet zoo beroemd en geëerd
+zijn, als men hun het vermogen niet toeschreef om ons aardsche leven
+te verlengen. Doch dit doet mij aan den oogarts Nebenchari denken, dien
+ik naar Susa zond, om den koning zijne diensten te bewijzen. Handhaaft
+hij zijn roem, is men tevreden over hem?"
+
+»Uitmuntend," antwoordde Cresus. »Zulke vertegenwoordigers der
+wetenschap doen uw land eer aan. Het was ook Nebenchari, die Cambyzes
+het eerst sprak over de bevalligheid uwer dochter. Reeds vele blinden
+heeft hij hersteld, maar 's konings moeder mist helaas nog altijd het
+gezicht. Wij bejammeren het slechts, dat hij alleen bedreven is in
+de oogheelkunde. Toen de prinses Atossa de koorts had, was hij niet
+te bewegen haar eenigen raad te geven."
+
+»Dat is zeer natuurlijk, daar onze geneesmeesters ieder slechts éen
+bepaald deel van het lichaam mogen behandelen. Wij hebben hier oor-,
+tand- en oogartsen, dokters voor beenbreuken, en weer andere voor
+inwendige ziekten. Overeenkomstig de oude priesterlijke verordeningen,
+mag een tandendokter geen doove, een beenarts geen ingewandslijder
+behandelen, ook al ware hij volkomen bekend met het geheele
+inwendige samenstel van het lichaam [118]. Deze verordening heeft
+ten doel, meerdere grondigheid in de beoefening van de geneeskunde
+te bevorderen. Nu is het zeker ook waar, dat de priesters, waartoe de
+artsen behooren, over het algemeen zich met hoogst loffelijken ernst op
+de wetenschap toeleggen. Ginds ziet gij het huis van den opperpriester
+Neithotep, wiens sterren- en meetkundige kennis zelfs door Pythagoras
+hoog geroemd werd. Het staat naast den zuilengang, die tot den tempel
+der godin Neith, de gebiedster van Saïs, toegang verleent. Ik wenschte
+dat het mij geoorloofd ware, u het heilige bosch met zijne prachtige
+boomen, de kostbare zuilen van het heiligdom, welker kapiteelen in den
+vorm van lotusbloemen [119] zijn uitgehouwen, en de kolossale kapel van
+graniet, die ik te Elephantine uit een enkelen steen liet vervaardigen,
+tot een geschenk voor de godin [120], te toonen. De priesters hebben
+mij echter uitdrukkelijk verzocht ook u niet verder te brengen dan
+tot aan den ringmuur en het poortgebouw van den tempel. Kom, laat
+ons thans tot mijne vrouw en dochters gaan, die u ook reeds als een
+oud vriend liefhebben. Ik hoop, dat gij het arme kind zult bewijzen,
+dat gij waarlijk haar vriend zijt, voordat gij met haar henen trekt
+naar het verre land en tot de vreemde menschen, wier vorstinne zij
+wezen zal. Niet waar, gij wilt toch wel haar beschermer zijn?"
+
+»Verlaat u daarop," verzekerde Cresus, de hand drukkende, die Amasis
+hem toereikte. »Ik wil uwe Nitetis als een vader ter zijde staan, en
+mijne hulp zal niet gansch overbodig zijn. De vrouwenvertrekken der
+Perzische paleizen hebben een glibberigen bodem. Maar ik verzeker u,
+dat zij met achting en onderscheiding bejegend zal worden. Cambyzes
+mag over zijne keuze tevreden zijn, en hij zal er zich zeker zeer
+erkentelijk voor betoonen, dat gij hem uw schoonste kind hebt
+afgestaan. Want ofschoon Tachot niet minder aanvallig schijnt dan
+Nitetis, zoo onderscheidt deze laatste zich toch door hare fiere
+houding, hetgeen eene toekomstige koningin van Perzië niet zal
+misstaan. Nebenchari had slechts van uwe dochter Tachot gesproken."
+
+»En toch geef ik u mijne schoone Nitetis mede. Tachot is zoo teer en
+zwak, dat zij de vermoeienissen van de reis en de smart der scheiding
+nauwelijks zou kunnen doorstaan. Handelde ik naar de inspraak van mijn
+hart, zoo behield ik ook Nitetis bij mij. Maar Egypte heeft behoefte
+aan vrede, en ik was koning eer ik vader werd!"
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+
+De overige leden van het Perzische gezantschap waren van hun
+tochtje langs den Nijl naar de pyramiden te Saïs teruggekeerd; alleen
+Prexaspes, de gezant van Cambyzes, had reeds de terugreis naar Perzië
+aanvaard, om den koning bericht te brengen van den gunstigen uitslag
+zijner zending. In het groote paleis van Amasis heerschten de grootste
+drukte en vroolijkheid. Het gevolg der gezanten van Cambyzes, dat
+uit bijna driehonderd personen bestond, en de aanzienlijke gasten,
+aan wie men alle denkbare oplettendheden bewees, vulden alle zalen van
+het vorstelijk verblijf te Saïs, terwijl de hoven en pleinen wemelden
+van lijfwachten en waardigheidsbekleders, jonge priesters en slaven,
+allen in den rijksten feestdosch.
+
+De koning wilde heden, op een feest ter eere van de verloving zijner
+dochter, al den rijkdom en de pracht van zijn hof op eene luisterrijke
+wijze ten toon spreiden. De hooge receptiezaal, welker blauw geverfde
+zoldering, met rijk gesierde beelden voorzien, gedragen werd door
+bontbeschilderde zuilen, had het uitzicht op den tuin en maakte een
+waarlijk betooverenden indruk. Aan de met beelden en hiëroglyphen
+rijk beschilderde wanden en zuilen hingen lampen van gekleurd
+papyrus, die een vreemdsoortig licht verspreidden, niet ongelijk aan
+dat der zonnestralen, die door geschilderde glasruiten vallen. De
+ruimte tusschen de wanden en pilaren was met uitgelezene tamarisken,
+bladplanten en bloeiende struiken opgevuld, en achter deze waren een
+aantal harp- en fluitspelers verborgen, die de gasten met feestelijke,
+hoewel zeer eentonige melodieën ontvingen [121]. Op het midden van
+den vloer, die met steenen van wit en zwart marmer was ingelegd,
+stonden sierlijke tafels, waarop koud gebraad, zoete gerechten, net
+gerangschikte korven met vruchten en koeken, gouden wijnkruiken,
+glazen bekers en kunstige bloemvazen waren geplaatst. Rondom de
+tafels was eene menigte rijk getooide slaven druk in de weer, die,
+onder de leiding van den hofmeester, de gasten spijzen en dranken
+aanboden. Deze onderhielden zich met elkander; hetzij staande, hetzij
+in leunstoelen gezeten.
+
+Het gezelschap bestond uit mannen en vrouwen van elken leeftijd. Aan
+de vrouwen die binnentraden boden jonge priesters, de persoonlijke
+dienaren des konings, sierlijke bloemruikers aan. Ook had menig
+aanzienlijk jongeling bloemen medegebracht, die hij in den loop van
+het feest aan de uitverkorene van zijn hart niet alleen overhandigde,
+maar dicht onder den neus hield. De Egyptenaars, die gekleed waren als
+bij gelegenheid van de ontvangst der Perzische gezanten, gedroegen
+zich zeer hoffelijk, ja bijna onderdanig jegens de vrouwen, onder
+welke zich weinige uitstekende schoonheden bevonden. Wel is waar was
+er een zekere tooverglans op te merken in menig ovaalvormig oog, die
+nog verhoogd werd doordat de randen met zeker blanketsel, "mestem"
+[122] geheeten, waren beschilderd. Het hoofdhaar van de meesten was
+naar hetzelfde model gekapt, en wel zóo, dat de gefriseerde golvende
+lokken allen naar achteren vielen, en van voren zorgvuldig achter de
+ooren waren gestreken, behalve dat er rechts en links een haarlok
+was bespaard, die bezijden de oogen tot op de borst neerhing. Een
+breede diadeem hield dit kapsel samen, waartoe niet minder de kapper,
+gelijk de kameniers maar al te goed wisten, dan de natuur het hunne
+hadden gedaan. Bij enkele hofdames was over den schedel een lotusbloem
+gelegd, welker stengel langs het achterhoofd neerhing. In de fijne
+met ringen beladene vingers, waarvan de nagels, naar Egyptische
+gewoonte, rood waren geverfd, hielden zij waaiers van veelkleurige
+vederen. De bovenarm, het handgewricht, en de enkels waren met
+gouden en zilveren ringen getooid. Voorts was de kleeding van al
+de aanwezige Egyptische dames even schoon als kostbaar, namelijk
+door fijnheid en doorzichtigheid van weefsel, en bij de meeste zoo
+uitgesneden, dat de rechterborst onbedekt bleef. Gelijk zich onder
+de mannen de jonge Perzische koningszoon, Bartja, door schoonheid en
+bevalligheid onderscheidde, evenzoo was Nitetis, de dochter van den
+pharao, verreweg de bekoorlijkste onder al de Egyptische vrouwen. De
+koninklijke maagd, die in een doorschijnend rozerood gewaad gehuld,
+met frissche rozen in het zwarte haar, aan de zijde harer eveneens
+gekleedde zuster door de zaal wandelde, was bleek als de lotusbloem,
+die het hoofd harer moeder sierde.
+
+De koningin Ladice [123], eene geborene Griekin, de dochter van
+Battus van Cyrene, ging aan de zijde van Amasis, om de jonge Persen
+aan hare dochters voor te stellen. Een dun kanten kleed hing als een
+doorzichtige nevel over haar vorstelijk gewaad van met goud doorwerkte
+purperstof. Op het schoongevormde Grieksche hoofd droeg zij een gouden
+Uraeus-slang, het hoofdsieraad van de Egyptische vorstinnen [124]. Haar
+gelaat was even edel als bekoorlijk, en elke harer bewegingen kenmerkte
+zich door eene vlugheid en bevalligheid, die alleen eene Helleensche
+opvoeding vermocht te geven. Toegevende aan zijne ingenomenheid met
+de Grieken, en den toorn der priesters trotseerende, had Amasis deze
+vrouw na den dood zijner tweede gade, de Egyptische Tentcheta [125],
+de moeder van den troonopvolger Psamtik, tot zijne koningin verheven.
+
+De beide meisjes aan de zijde van Ladice, Tachot en Nitetis,
+werden tweelingzusters genoemd; maar zij vertoonden geen spoor dier
+gelijkenis, welke anders tusschen tweelingen gewoonlijk bestaat. Tachot
+had blauwe oogen, blonde haren en eene fraaie doch kleine gestalte
+[126]. Nitetis daarentegen was groot en kloek, zij had zwarte oogen en
+haren, terwijl zij in elk harer bewegingen hare koninklijke afkomst
+verried.
+
+»Wat ziet gij bleek, mijne dochter," sprak Ladice, Nitetis op de wang
+kussende. »Wees opgeruimd en zie getroost de toekomst tegemoet. Ik
+stel u den broeder voor van uw toekomstigen gemaal, den edelen Bartja."
+
+Nitetis sloeg hare verstandige donkere oogen op, en liet ze lang
+met een onderzoekenden blik op den schoonen jongeling rusten. Deze
+boog zich diep, kuste het kleed der blozende maagd, en zeide: »Wees
+gegroet, als mijne toekomstige koningin en zuster! Gaarne geloof ik,
+dat u het afscheid van vaderland, ouders, zusters en vriendinnen het
+hart beklemt. Heb niettemin goeden moed, want uw gemaal is een groot
+held en een machtig koning. Onze moeder Cassandane is de edelste der
+vrouwen, en vrouwelijke schoonheid en deugd worden door de Persen
+geëerd als het levenwekkende licht der zon. U, zuster van de lelie
+Nitetis, wie ik nevens haar 'de roos' zou kunnen heeten, u bid ik om
+vergeving dat wij gekomen zijn om u de liefste vriendin te ontrooven."
+
+De blikken van den jongeling ontmoetten, terwijl hij deze woorden
+sprak, de blauwe oogen der schoone Tachot, die, terwijl zij de hand
+tegen het hart drukte, zwijgend eene buiging maakte en Bartja nog
+lang nastaarde, toen Amasis hem met zich voorttrok, om hem de stoel
+aan te wijzen tegenover de danseressen, die zooeven begonnen waren
+tot vermaak der gasten hare kunsten te vertoonen. Deze meisjes,
+slechts in een dun onderkleed gehuld, spreidden op de maat van harpen
+en tamboerijns de grootste vlugheid en buigzaamheid van leden ten
+toon. Vervolgens gaven Egyptische zangers [127] hunne liederen,
+en potsenmakers hunne grappen ten beste.
+
+Eindelijk verlieten eenige hovelingen de zaal, omdat zij, door
+het overmatig gebruik van wijn, hunne deftige houding niet meer
+wisten te bewaren [128]. De vrouwen begaven zich in bontgekleurde
+draagstoelen huiswaarts, afgehaald door slaven, die de fakkels
+droegen. Alleen de krijgsoversten, de Perzische gezanten en eenige
+waardigheidsbekleeders, bijzondere vrienden van Amasis, werden door den
+hofmeester teruggehouden, als zij zich insgelijks wilden verwijderen,
+en in eene kostbaar versierde zaal geleid, waar eene op Grieksche
+wijze aangerichte tafel, waarop een reusachtig mengvat prijkte,
+tot een nachtelijk drinkgelag noodigde.
+
+Amasis zat op een hoogen leunstoel aan het hoofd van de tafel, aan
+zijne linkerhand was Bartja, aan zijne rechter- de grijze Cresus
+geplaatst. Behalve deze en de vertrouwelingen van den Pharao,
+bevonden zich ook de ons bekende vrienden van Polycrates, Theodorus
+en Ibycus, alsook de nieuw benoemde overste der Helleensche lijfwacht
+Aristomachus, onder de gasten van den koning. Amasis, dien wij nog
+maar kort geleden zoo ernstig met Cresus hoorden spreken, had thans
+alle zorgen op zijde gezet, en gaf zich over aan vroolijke scherts. Het
+was of hij weder de uitgelaten onderbevelhebber, de lustige drinkebroer
+was van weleer. Hij scheen onuitputtelijk in spotternijen en geestige
+zetten, en menigeen zijner gasten moest het zich getroosten, ten
+doelwit te verstrekken aan de luimige aardigheden van zijn heer en
+meester. Een schaterend gelach beantwoordde, ofschoon soms gedwongen,
+zijne scherts. Beker op beker werd geledigd en de feestvreugde had
+haar toppunt bereikt, toen de hofmeester met eene kleine vergulde
+mummie binnentrad, en deze aan het gezelschap vertoonende uitriep:
+»Drinkt, schertst en zijt vroolijk, want slechts al te spoedig zult
+gij aan deze gelijk zijn" [129].
+
+»Is men hier te lande altijd bij feestmalen gewoon, de gasten op
+deze wijze aan den dood te doen gedenken," vroeg Bartja, ernstiger
+wordende, aan den koning, »of is dit eene aardigheid, die zich uw
+hofmeester slechts bij deze gelegenheid veroorlooft?"
+
+»Sinds eeuwen," antwoordde Amasis, »pleegt men de gasten zulke mummiën
+voor te houden, om de feestvreugde te verhoogen, en de vrienden te
+herinneren, dat men moet genieten zoolang het tijd is. Gij, jonge
+vlinder, hebt nog vele jaren van vreugde te goed; wij oudjes echter,
+vriend Cresus, zullen wel doen met de ons gegevene waarschuwing in acht
+te nemen.--Schenker, vul schielijk onze bekers, opdat geen oogenblik
+des levens ongebruikt voorbijga!--Gij zijt een stevig drinker, gij
+Pers met uwe goudgele haren! Waarachtig, de groote goden hebben u
+zoowel eene flinke keel, als schoone oogen en eene bevallige gestalte
+geschonken. Laat mij u kussen, mijn beste jongen, gij ondeugd!--Wat
+zegt gij er wel van, Cresus? Mijne dochter Tachot spreekt van niemand
+anders dan van dezen melkbaard, die eerst met zijn betooverenden blik
+en daarna met zoete woordjes haar hoofdje op hol schijnt te hebben
+gebracht.--Nu, nu, gij behoeft niet te blozen, jonge wildzang! een
+man als gij mag wel naar koningsdochters vrijen. Maar, al waart gij
+uw vader Cyrus zelf, Tachot geef ik niet mede naar Perzië!"
+
+»Vader!" viel de kroonprins Psamtik, den koning in de rede en
+fluisterde hem toe: »Vader, betoom uw tong en denk aan Phanes!" De
+koning zag zijn zoon aan met een donkeren blik, volgde evenwel zijn
+raad, en als ware zijn tong verlamd, mengde hij zich van nu aan
+slechts zelden in het gesprek, dat meer algemeen werd.
+
+Aristomachus, die schuins over Cresus zat, had tot nog toe zonder
+een enkel woord te uiten, of met de lachers over de scherts van den
+koning in te stemmen, de Persen onafgebroken gadegeslagen. Toen nu
+de pharao ophield het hoogste woord te voeren, wendde hij zich op
+eenmaal tot Cresus, met de vraag: »Ik wenschte wel te weten, Lydiër,
+of de bergen met sneeuw bedekt waren, toen gij Perzië verliet?"
+
+Verwonderd en glimlachende over dit vreemde begin, antwoordde Cresus:
+»De meeste bergen van het Perzische gebergte prijkten met heerlijk
+groen, toen wij vóor vier maanden naar Egypte opbraken. Maar er zijn
+hooger bergtoppen in het gebied van Cambyzes, op welke zelfs in het
+heetst van den zomer de sneeuw niet smelt [130], en deze zagen wij
+in het zonlicht schitteren, toen wij naar de vlakte afdaalden."
+
+Het gelaat van den Spartaan nam onmiddellijk eene vroolijker
+uitdrukking aan. Cresus, die in den ernstigen man behagen schepte,
+vroeg hem naar zijn naam.
+
+»Ik heet Aristomachus."
+
+»Dien naam heb ik meer gehoord."
+
+»Gij hebt vele Hellenen leeren kennen, en velen dragen denzelfden
+naam als ik."
+
+»Naar uwe uitspraak te oordeelen, behoort gij tot de Doriërs. Zijt
+gij misschien een Spartaan?"
+
+»Ik was het."
+
+»Zoo zijt gij het dus niet meer?"
+
+»Wie het vaderland zonder verlof verlaat, is des doods schuldig."
+
+»Verliet gij het vrijwillig?"
+
+»Ja!"
+
+»Waarom?"
+
+»Om de schande te ontvluchten."
+
+»Wat hadt gij misdreven?"
+
+»Niets!"
+
+»Gij werdt dus ten onrechte van misdaad beschuldigd?"
+
+»Ja!"
+
+»Wie was de bewerker van uw ongeluk?"
+
+»Gij!"
+
+Cresus stond driftig op. De ernstige toon en het sombere gelaat van den
+Spartaan maakten het hem onmogelijk hier aan scherts te denken. Ook
+de in de nabijheid der beide mannen aanzittende gasten, die dit
+vreemdsoortige onderhoud gevolgd hadden, ontstelden, en verzochten
+Aristomachus om eene verklaring van zijne geheimzinnige woorden.
+
+De Spartaan aarzelde. Men kon het hem aanzien dat hij liefst
+gezwegen had. Eindelijk echter, toen ook de koning hem tot spreken
+drong, begon hij: »Ingevolge de uitspraak van het orakel, hadt gij,
+Cresus, ons Lacedaemoniërs, als de machtigste stam der Hellenen,
+tot uwe bondgenooten tegen de Persen gekozen, en ons het goud,
+dat er noodig was voor het beeld van Apollo-Herme op den berg
+Thornax, geschonken. De ephoren besloten daarop u, ten bewijze onzer
+dankbaarheid, een reusachtig groot en kunstig bronzen mengvat aan
+te bieden. Tot overbrenger daarvan koos men mij uit. Alvorens wij
+Sardes bereikten, werd ons schip door een storm vernield. Het kostbare
+mengvat verzonk in de diepte. Wij konden alleen ons leven op de kust
+van Samos redden. Zoodra wij in het vaderland terug waren gekeerd, werd
+ik door afgunstige vijanden beschuldigd, het schip en het mengvat aan
+Samische kooplieden verkocht te hebben. Daar men mij niet van schuld
+kon overtuigen en tot mijn ondergang besloten had, werd ik veroordeeld
+om twee dagen en twee nachten in de boeien te staan. Des nachts smeedde
+men mijn voet aan het schandblok vast. Voordat de morgen over mijne
+onteering aanbrak, kwam mijn broeder heimelijk tot mij en bracht
+mij een zwaard, opdat ik mij zelven zou doorsteken. Maar ik kon niet
+sterven, zonder mij op die ellendelingen gewroken te hebben. Daarom
+hieuw ik mijn vastgesmeden voet van het been af, en verborg mij
+tusschen de biezen aan den oever van den Eurotas. Mijn broeder bracht
+mij in stilte spijs en drank. Binnen twee maanden kon ik weder op dit
+houten been gaan. De van verre treffende Apollo belastte zich met mijne
+wraak, en mijne beide grootste vijanden stierven aan de pest. Maar
+toch durfde ik niet in het vaderland terugkeeren. Eindelijk ging ik
+te Gythium scheep, om met u, Cresus, van Sardes uit, tegen de Persen
+strijd te voeren. Toen ik te Teos aan land stapte, vernam ik dat gij
+geen koning meer waart. De groote Cyrus, de vader van dezen schoonen
+jongeling, had binnen weinige weken het machtige Lydië veroverd,
+en den rijksten koning tot een bedelaar gemaakt."
+
+Al de gasten staarden den ernstigen krijgsheld vol verwondering
+aan. Cresus schudde hem krachtig de hand. De jonge Bartja riep in
+vervoering: »Spartaan, ik wenschte dat ik u naar Susa kon medenemen,
+om mijn vrienden te toonen wat ik gezien heb, namelijk den moedigsten
+en eerbiedwaardigsten aller menschen!"
+
+»Geloof mij jongeling," antwoordde Aristomachus glimlachende, »ieder
+Spartaan zou even als ik gehandeld hebben. Bij ons te lande behoort
+er meer moeds toe om laf, dan wel om dapper te zijn!"
+
+»Maar gij, Bartja," riep Darius, de neef van den koning van Perzië,
+»zoudt gij het hebben kunnen verdragen, aan den schandpaal te staan?"
+
+Bartja bloosde, doch 't was hem aan te zien, dat ook hij den dood
+boven de schande zou hebben verkozen.
+
+»En gij, Zopyrus?" vroeg Darius, zich tot den derden jongen Pers
+wendende.
+
+»Ik zou uit louter vriendschap voor ulieden mij zelven
+verminken!" [131] riep deze, en drukte onder de tafel de handen zijner
+beide vrienden.
+
+Psamtik zag de jonge helden aan met een spottenden lach. Cresus, Gyges
+en Amasis beschouwden hen met het grootste welgevallen. De Egyptenaren
+wisselden onderling veelbeteekenende blikken, en de Spartaan beschouwde
+de jonge helden met innige vergenoegdheid. Thans verhaalde Ibycus van
+het orakel, dat aan Aristomachus het uitzicht had geopend om, wanneer
+een ruiterschaar van de met sneeuw bedekte bergen zou afdalen, naar
+zijn vaderland teruggeroepen te zullen worden, en gewaagde daarbij
+van de gastvrije woning van Rhodopis.
+
+Psamtik werd onrustig toen hij dezen naam hoorde uitspreken. Cresus
+deed blijken, dat hij de oude Thracische vrouw gaarne zou leeren
+kennen, van wie Aesopus hem zooveel goeds en schoons had verhaald. En
+toen de gasten, voor het meerendeel in bijna bewusteloozen toestand,
+de zaal verlieten, scheidden ook de onttroonde koning, de dichter, de
+beeldhouwer en de Spartaansche held, met de afspraak, den volgenden
+dag naar Naucratis te gaan, om eenige aangename uren te slijten in
+gesprekken met Rhodopis.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+
+Koning Amasis had zich, na het beschrevene gastmaal, nauwelijks drie
+uren slaaps gegund. Gelijk alle andere dagen werd hij ook heden,
+bij het eerste hanengekraai, door jonge priesters gewekt. Als altijd
+geleidden zij hem naar het bad, tooiden hem vervolgens met zijn
+koninklijk plechtgewaad, en voerden hem naar het altaar in den voorhof
+van het paleis, alwaar hij voor de oogen des volks zijn offer bracht,
+terwijl de opperpriester met luider stemme gebeden zong, de deugden
+des konings opsomde en, om elke overtreding van het vorstelijk hoofd
+af te weren, zijne slechte raadslieden voor alle vloek waardige,
+in onwetendheid bedrevene zonden verantwoordelijk stelde. Als op
+alle andere dagen vermaanden hem de priesters, terwijl zij zijne
+voortreffelijke hoedanigheden ophemelden, tot het goede, lazen zij
+hem de edele daden en ondernemingen van groote mannen uit de heilige
+schriften voor, en geleidden hem dan naar zijne vertrekken, alwaar
+brieven en berichten uit alle deelen van het land zijne aandacht
+vereischten [132]. Aan deze iederen morgen wederkeerende ceremoniën
+onderwierp Amasis zich zonder morren, en met de grootste nauwgezetheid
+wijdde hij zich, gedurende de daartoe bestemde ochtenduren, aan den
+arbeid en de belangen des rijks. Het overige van den dag gebruikte
+hij naar hem goed dacht, en meestal bracht hij dit door in vroolijk
+gezelschap. Daarom verweten de priesters hem, dat hij een onkoninklijk
+leven leidde. Eens gaf hij echter den vertoornden opperpriester ten
+antwoord: »Ziet gij dezen boog? Als gij dien onafgebroken gespannen
+houdt, zal hij spoedig zijne kracht verloren hebben; gebruikt gij
+hem echter den halven dag, om hem verder rust te gunnen, zoo blijft
+hij sterk en bruikbaar, totdat de pees breekt."
+
+Amasis had juist den laatsten brief gelezen, inhoudende het verzoek
+van een nomarch [133] om gelden voor onderscheidene afdammingen [134],
+die na de overstrooming noodzakelijk moesten gemaakt worden, en op
+dat verzoek toestemmend beschikt, toen een der dienaren hem meldde,
+dat de kroonprins Psamtik zijn vader voor eenige oogenblikken gehoor
+verzocht. Amasis, die recht verheugd over de gunstige berichten uit
+alle deelen des lands, den binnenkomende met een vergenoegden glimlach
+had welkom geheeten, werd op eenmaal ernstig en afgetrokken. Na
+lang aarzelen antwoordde hij evenwel: »Ga, en zeg den prins, dat hij
+komen kan!"
+
+Het gelaat van Psamtik was bleek en somber als altijd, toen hij den
+drempel van zijn vaders vertrek overschreed, en zich diep en met
+eerbied nederboog.
+
+Amasis dankte hem zwijgend met een wenk; daarop vroeg hij hem kortaf
+en op ijskouden toon. »Wat begeert gij van mij? Mijn tijd is beperkt."
+
+»Vooral voor uw zoon," antwoordde de kroonprins met bittere
+ironie. »Zevenmaal heb ik u om de groote gunst laten verzoeken,
+die gij mij heden voor het eerst bewijst."
+
+»Geene verwijten! Ik vermoedde de reden van uwe komst. Gij verlangt
+zeker, dat ik uw twijfel zal ophelderen betreffende de afkomst van
+Nitetis."
+
+»Ik ben niet nieuwsgierig, en kom veeleer om u te waarschuwen en u te
+herinneren, dat er buiten mij nog iemand leeft, die dit geheim kent."
+
+»Bedoelt gij Phanes?"
+
+»Wien anders? Hij, de uit Egypte en uit zijn eigen vaderland verbannene
+zal binnen weinige dagen Naucratis verlaten. Welke waarborg, hebt gij,
+dat hij ons niet aan de Persen zal verraden?"
+
+»De goedheid en vriendschap die ik hem altijd bewezen heb."
+
+»Zoo gelooft gij aan de dankbaarheid der menschen?"
+
+»Neen! maar ik vertrouw op mijne bekwaamheid in het beoordeelen
+van menschen. Phanes zal ons niet verraden! Ik herhaal het, hij is
+mijn vriend!"
+
+»Uw vriend;--maar mijn doodvijand!"
+
+»Wees dan op uwe hoede voor hem! Ik heb niets van hem te vreezen."
+
+»Gij niet, maar wel ons land! O, bedenk mijn vader, dat hoewel gij mij,
+uw zoon, ook een bitteren haat toedraagt, ik u toch na aan het hart
+moet liggen, omdat gij in mij Egypte's toekomst ziet. Bedenk toch,
+dat na uw dood, waarvoor de goden ons nog lang mogen bewaren, ik,
+gelijk gij thans zijt, het leven en de ziel van dit heerlijke land
+moet worden, dat mijn val de val van uw huis, de ondergang van Egypte
+zijn zal."
+
+Het gelaat van Amasis werd hoe langer zoo ernstiger, terwijl Psamtik
+steeds met meer aandrang vervolgde: »Gij zult, gij moet mij recht
+laten wedervaren. Deze Phanes bezit de macht om ons land iederen
+buitenlandschen vijand in handen te spelen, want hij kent het even
+goed, als gij en ik. Voorts sluimert in zijne borst een geheim, welks
+openbaarmaking onzen machtigsten vriend in onzen vreeselijksten vijand
+kan verkeeren."
+
+»Gij dwaalt! Nitetis is wel niet mijne, maar toch eens konings dochter,
+en zij zal het hart van haren gemaal zeker weten te winnen."
+
+»Al ware zij de dochter van een god, toch zou Cambyzes, als hij
+het geheim te weten kwam, uw vijand worden. Weet gij dan niet,
+dat bij de Persen de leugen de ergste misdaad [135], en bedrogen
+te worden de grootste schande wordt geacht? En toch hebt gij den
+hoogmoedigsten, den machtigsten hunner om den tuin geleid. Wat zal
+een enkel onervaren meisje op hem vermogen, terwijl honderd in alle
+listen en streken volleerde vrouwen de gunst van haren heer en meester
+zoeken te verwerven?"
+
+»Zouden er wel betere leermeesters in de welsprekendheid zijn, dan
+haat en wraak?" vroeg Amasis scherp. »Dwaze zoon, meent gij dan
+waarlijk, dat ik zulk een gevaarlijk spel zou wagen, zonder alle
+omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben? Wat mij betreft, laat
+Phanes nog heden aan de Persen vertellen, wat hij niet eens weet,
+wat hij slechts vermoeden doch nimmer bewijzen kan. Ik, de vader, en
+Ladice, de moeder, moeten wel het best weten, wie ons kind is. Wij
+beiden noemen Nitetis onze dochter; wie zal durven beweren dat zij
+het niet is?--Wil Phanes aan een anderen vijand dan de Persen de
+zwakke punten van ons land verraden, laat hem zijn gang gaan; ik vrees
+niemand. Wilt gij mij bewegen een man, wien ik grooten dank schuldig
+ben, een vriend, die mij tien jaren lang trouw diende, uit den weg te
+ruimen, omdat hij mij misschien zou kunnen benadeelen, zoo weet dat
+ik hem, in plaats van hem een haar te krenken, zal beveiligen tegen
+uwe wraakzucht, waarvan ik de onzuivere bron al te goed ken."
+
+»Vader!"
+
+»Gij zoudt dezen man gaarne in het ongeluk storten, daar hij u
+verhinderde de kleindochter van Rhodopis met geweld in uw bezit
+te krijgen; omdat ik hem in uwe plaats tot veldheer benoemd heb,
+aangezien gij u tot het vervullen dier betrekking onbekwaam had
+getoond. Gij verbleekt? Welnu, ik ben Phanes zeer dankbaar, dat hij
+mij uwe roekelooze ontwerpen mededeelde, en mij zoodoende in staat
+stelde, de steunpilaren van mijn troon aan wie Rhodopis zoo dierbaar
+is, vaster aan mij te verbinden."
+
+»O, vader! hoe is het mogelijk, dat gij de vreemdelingen aldus
+betitelt, dat gij den ouden roem van Egypte zoo geheel kunt
+vergeten! Beleedig mij zooveel gij wilt; ik weet dat gij mij niet
+liefhebt. Maar zeg niet, dat wij die vreemdelingen noodig hebben om
+groot te zijn. Wees indachtig aan ons verleden! Wanneer waren wij
+het grootst? In de dagen, toen wij voor alle vreemdelingen zonder
+uitzondering de poorten van ons land gesloten hielden, en op eigene
+beenen staande, op eigene kracht vertrouwende, naar de aloude wetten
+van onze vaderen en onze goden leefden. Die tijden zijn getuigen
+geweest, hoe Ramses de groote [136] met onze zegevierende wapenen de
+verst verwijderde volken ten onder bracht. Die tijden hebben vernomen,
+hoe de gansche wereld Egypte het eerste, het grootste, het schoonste
+land der aarde noemde.--En wat zijn wij thans? Door uw, door 's konings
+eigen mond hoor ik vreemde bedelaars en gelukzoekers de steunpilaren
+van het rijk noemen. U, den koning, zie ik eene armzalige list smeden,
+om de vriendschap van een volksstam te winnen, waarop wij, eer de
+vreemdelingen naar den Nijl kwamen, groote overwinningen konden
+behalen. Egypte was weleer eene rijkgetooide, machtige koningin,
+thans is het eene geblankette met klatergoud versierde deerne!"
+
+»Bedwing uwe tong!" riep Amasis stampvoetende. »Nooit was Egypte
+zoo machtig en groot als juist thans! Ja, Ramses heeft onze wapenen
+in ver verwijderde landen gedragen en er bloed mede verworven; ik
+echter heb het zoover gebracht, dat de werken onzer handen tot de
+verste einden der aarde worden gevoerd, en ons, in plaats van bloed,
+schatten en zegen aanbrengen. Ja, Ramses liet zijne onderdanen
+stroomen bloeds en zweets verspillen, alleen om den roem van zijn
+naam te verbreiden; ik echter heb weten te bewerken, dat in mijn
+land slechts weinig bloed wordt vergoten, weinig zweet afgeperst, en
+dat ieder burger in veiligheid, in geluk en vrede zijne levensreize
+voleinden kan. Aan de boorden van den Nijl verrijzen thans tienduizend
+volkrijke steden. Geen voet gronds is onbebouwd. Geen kind in Egypte
+wordt uitgesloten van den zegen, die de vrucht is der handhaving van
+recht en wet. Geen boosdoener kan zich aan het wakend oog der overheid
+onttrekken.--Mocht de een of andere vijand ons willen overvallen,
+welnu, zoo staan, naast onze vestingen, de bolwerken [137] ons door
+de goden geschonken, namelijk: de watervallen, de zee en de woestijn,
+behalve de Egyptische krijgslieden, dertig duizend Hellenen, de beste
+soldaten die ooit de wapens droegen, tot onze verdediging gereed. Zoo
+is het met Egypte gesteld. Den glans van ijdelen roem heeft ditzelfde
+Egypte aan Ramses met bloedige tranen betaald. Het echte goud van
+waarachtig burgergeluk en vreedzame welvaart is het aan mij en mijne
+voorgangers, de koningen van Saïs verschuldigd!"
+
+»En toch zeg ik u," riep de prins, »dat Egypte een boom is, aan welks
+merg een doodelijke worm knaagt. Het jagen en streven naar schatten,
+naar pracht en glans heeft alle harten bedorven. De weelderigheid
+van de buitenlanders heeft de eenvoudige zeden van onze burgers den
+doodsteek toegebracht. Voor goud is alles veil. Hier en daar hoort men
+zelfs Egyptenaren, die zich door de Hellenen hebben laten verleiden,
+met de goden den spot te drijven. Twist en tweedracht scheiden
+en scheuren de kasten van priesters en krijgslieden. Dagelijks
+komen klachten in over bloedige vechtpartijen tusschen Grieksche
+en Egyptische soldaten, vreemden en inboorlingen. Herder en kudde
+bestrijden elkander. De eene steen van den staatsmolen schuurt den
+andere stuk, totdat het geheel in puin en gruis zal samenvallen. Ja,
+vader, doe ik het niet heden, dan zal ik nimmer spreken. Ik moet
+eindelijk uiten, wat reeds zoolang mijn hart beklemt. Terwijl
+gij strijd voerdet met onze eerwaardige priesterschap, de beste
+steunpilaar van den troon, hebt gij lijdelijk toegezien, hoe zich
+de nog jeugdige macht der Persen van het oosten naar het westen
+uitbreidde, gelijk een monster dat gansche volken verslindt, dat bij
+iedere prooi vraatzuchtiger en vreeselijker wordt. In plaats van
+de Lydiërs en Babyloniërs te hulp te snellen, gelijk aanvankelijk
+uw voornemen was, hebt gij de Grieken geholpen om tempels voor
+hunne valsche goden te bouwen. En toen eindelijk iedere tegenstand
+onmogelijk bleek, toen Perzië de halve wereld onderworpen had, en
+in zijn overmoed van alle koningen durfde eischen wat het wilde,
+toen schenen de onsterfelijken u nog eenmaal de hand te reiken tot
+redding van Egypte. Cambyzes begeerde uwe dochter tot vrouw; en gij,
+die te zwak zijt om uw eigen kind aan de welvaart van uw land ten offer
+te brengen, zendt den machtigen koning eene ondergeschovene maagd, en
+spaart nog bovendien met uwe gewone flauwhartigheid een vreemdeling,
+die het geluk of het ongeluk van uw rijk in zijne handen heeft, en
+Egypte's ondergang zeker bewerken zal, zoo het niet reeds vroeger
+door innerlijke verdeeldheid vermolmd ineenstort!"
+
+Tot hiertoe had Amasis, bleek en bevend van toorn, zijne edelste
+bedoelingen laten miskennen. Thans echter kon hij niet langer
+zwijgen, en met eene stem, die als bazuingeschal door de ruime zaal
+weerklonk, riep hij: »Weet ge wel, wien ik moest opofferen, als het
+leven mijner kinderen en de instandhouding van het door mij gestichte
+vorstenhuis mij niet liever waren, dan de welvaart van dit land? Weet
+gij grootspreker, wraakzuchtig ongelukskind, wie de toekomstige
+verwoester van dit heerlijke, eeuwenoude rijk is? Dat zijt gij,
+Psamtik, gij, gebrandmerkte door de goden, gij, verafschuwde door de
+menschen, gij, wiens hart geene liefde, wiens borst geene vriendschap,
+wiens gelaat geen glimlach, wiens ziel geen mededoogen kent!--Gij
+hebt uw rampzalig bestaan aan den vloek der goden te danken, en de
+vijandschap der onsterfelijken tegen u doet alles wat gij aanvangt
+treurig eindigen. Verneem thans, want te eeniger tijd moet gij het
+toch weten, wat ik zoo lang voor u meende te moeten verzwijgen. Ik
+had mijn voorganger van den troon gestooten, en hem gedwongen mij
+zijne zuster Tentcheta tot vrouw te geven. Zij kreeg mij lief, en een
+jaar na ons huwelijk verblijdde zij zich in het vooruitzicht moeder
+te zullen worden. In den nacht, die uwe geboorte voorafging, viel ik
+voor het bed uwer moeder gezeten in slaap. Toen had ik dezen droom:
+
+»Uwe moeder lag op den oever van den Nijl en klaagde over pijn in de
+borst. Ik boog mij over haar neder, en zag hoe een cypres uit haar hart
+opwies. De boom werd grooter en grooter, al breeder en zwaarder, en
+zijne wortelen wonden zich om uwe moeder heen en verworgden haar. Een
+koude siddering overviel mij. Ik wilde vluchten. Plotseling verhief
+zich in het oosten een hevige orkaan, die den cypres ontwortelde en
+omverwierp, zoodat zijne breede takken in den Nijl stortten. De stroom
+hield op te vloeien, zijn wateren stolden, en in plaats van de rivier
+lag daar eene reusachtige groote mummie voor mij. De steden langs
+de boorden van den vloed krompen inéen en veranderden in ontzaglijke
+lijkurnen, die, als in een graf, om de geweldige mummie van den Nijl
+heen stonden. Nauwlijks was ik ontwaakt, of ik ontbood aanstonds de
+droomuitleggers. Geen hunner was in staat het wonderbare gezicht
+te verklaren, tot eindelijk de priesters van den Libyschen Ammon
+mijn droom aldus uitlegden: Tentcheta zal sterven bij het ter wereld
+brengen van een zoon. De cypres die zijne moeder doodt, beteekent uw
+zoon, een zwartgallig, rampzalig wezen. Onder zijne regeering zal
+een volk uit het Oosten den Nijl, dus de Egyptenaren, tot lijken,
+en hunne steden tot doodenurnen, dat wil zeggen tot puinhoopen maken."
+
+Psamtik stond als versteend voor zijn vader, terwijl deze vervolgde:
+»Uwe moeder stierf bij uwe geboorte. Vuurrood haar, het teeken van
+de zonen Typhons [138], omgaf uwe slapen. Gij groeidet op tot een
+somber man. Het noodlot vervolgde u, want het ontnam u eene geliefde
+vrouw en vier uwer kinderen. Evenals ik onder het gelukkige teeken van
+Ammon geboren werd, zoo zaagt gij het levenslicht, de sterrekundigen
+hebben het berekend, bij het opkomen van de schrikkelijke planeet Seth
+[139]. Gij..."
+
+Amasis brak eensklaps af, want Psamtik, overweldigd en verpletterd
+door al het vreeselijke dat hij vernam, smeekte hevig snikkend, meer
+kermend dan sprekend, terwijl hij voor hem nederviel: »Houd op, wreede
+vader, en verzwijg ten minste, dat ik de eenige zoon in Egypte ben,
+dien de haat zijns vaders onschuldig vervolgt!"
+
+Amasis zag neder op den bleeken man, die, met het aangezicht in
+de plooien van zijn kleed verborgen, voor hem op den grond was
+gezonken. Zijn snel ontvlamde toorn veranderde in medelijden. Hij
+moest voor zichzelven erkennen, dat hij te hard was geweest, dat hij
+door zijn verhaal het hart van zijn kind met een giftigen pijl had
+getroffen, en dacht daarbij aan de voor veertig jaren ontslapene
+moeder van den ongelukkige.--Na langen tijd zag hij thans weder
+voor het eerst als vader, als geroepen om de zijnen te troosten, op
+dezen somberen alle liefdebetoon afwijzenden, hem in alle opzichten
+zoo vreemden man. Ofschoon week van gemoed, was hij thans voor het
+eerst in de gelegenheid, om een traan in het anders zoo koude oog
+van zijn zoon te drogen. Hierover verheugd, greep hij haastig deze
+gelegenheid aan. Hij boog zich over den snikkende neder, kuste hem
+op het voorhoofd, richtte hem op en sprak met zachte stem:
+
+»Vergeef mij mijne hardheid, geliefde zoon! De booze woorden, die u
+zoozeer kwetsten, kwamen niet uit het hart van Amasis, maar werden mij
+door onbesuisde drift op de lippen gelegd. Gij hebt mij vele jaren lang
+door koelheid, onverschilligheid, wederspannigheid en zonderlingheid
+vertoornd. Heden beleedigdet gij mij in mijne heiligste overtuiging,
+daarom gaf ik toe aan eene onverstandige toomlooze heftigheid. Maar
+thans zal alles weder goed zijn tusschen u en mij. Zijn wij ook van te
+uiteenloopende karakters, dan dat onze harten volkomen zouden kunnen
+samenstemmen, zoo willen wij in het vervolg toch eensgezind in onze
+handelingen en toegevend jegens elkander zijn."
+
+Psamtik boog zwijgend het hoofd, en kuste het kleed van zijn
+vader. »Niet alzoo," riep deze, »kus mij op den mond! Juist, zoo moet
+het zijn, zoo betaamt het tusschen vader en zoon. Wat den dwazen
+droom betreft, dien ik u verhaald heb, geef daar verder geen acht
+op. Droomen zijn bedrog: en worden zij ook al werkelijk door de goden
+ons toegezonden, dan zijn toch de uitleggers aan menschelijke dwalingen
+onderworpen. Uwe hand beeft nog altijd en uwe wangen zijn bleeker
+dan uw linnen kleed. Ik was te hard voor u, harder dan een vader...."
+
+»Harder zelfs, dan een vreemde iemand behandelen mag, die hem vreemd
+is," viel de kroonprins den koning in de rede. »Gij hebt mij gebroken
+en verbrijzeld. Heeft mijn gelaat zich tot hiertoe zelden geplooid tot
+een lach, van nu aan zal het de spiegel zijn van de diepste ellende."
+
+»Ga zoo niet voort," hernam Amasis, en legde de hand vertrouwelijk
+op den schouder zijns zoons. »Indien ik wonden sla, bezit ik ook de
+macht ze te genezen. Spreek uit, welke de innigste wensch is van uw
+hart; ik zal hem inwilligen."
+
+Psamtik's oogen helderden op; 't scheen dat zijne vale wangen een
+oogenblik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eene
+krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de
+laatste oogenblikken: »Laat Phanes, mijn vijand, aan mij over!"
+
+De koning stond een oogenblik in gepeins verzonken, toen zeide hij:
+»Ik zal aan uw verlangen moeten voldoen, maar liever had ik gezien,
+dat gij de helft van mijn vermogen hadt gevraagd, dan dit. Duizend
+stemmen in mijn binnenste zeggen mij, dat ik iets ga doen, dat
+mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij,
+voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij
+handelt. Dit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes voorhebt, Rhodopis
+mag geen haar op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles met de
+grootste geheimhouding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste
+van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman,
+een dischgenoot vinden, als hij was?--maar ik zie hem nog niet in uwe
+macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook
+zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij
+uw eed van alle gedachte aan het bezit van Rhodopis' kleindochter te
+zullen opgeven. De vergoeding, die ik u bied, is mijns erachtens meer
+dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard
+dan de liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het u,
+dat het nooit grooter geluk heeft gekend dan thans. Het tegendeel te
+beweren is nog niemand ingevallen, behalve den ontevredenen priesters
+en hun, die dezen in hunne onwetendheid nabazelen.--En nu zoudt gij
+nog gaarne de geschiedenis vernemen van Nitetis' afkomst? Welnu,
+luister! Uw eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen."
+
+Psamtik hoorde met gespannen aandacht de mededeeling zijns vaders
+aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een
+krachtigen handdruk.
+
+»Vaarwel thans!" zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn
+zoon. »Vergeet niets van wat ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u,
+vergiet geen bloed! Wat er ook met Phanes geschiede, laat mij er niets
+van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet gaarne
+willen, dat ik u, mijn zoon, moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert
+thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden
+te hebben."
+
+Toen Psamtik het vertrek van zijn vader verlaten had, ging deze nog
+langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevendheid berouwde hem,
+en reeds zag hij in zijne verbeelding den vermoorden Phanes, nevens de
+schim van den door hem onttroonden Hophra voor zich staan. »Maar, het
+is waar, hij zou ons werkelijk te gronde kunnen richten;" alzoo poogde
+hij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. Ten
+laatste maakte hij eene beweging, als wilde hij alle zorgen van zich
+afwerpen, richtte zich op, riep zijne dienaren, en verliet met een
+glimlach om de lippen zijn kabinet.
+
+Had de luchthartige man, het troetelkind der fortuin, zijn
+beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij
+sterk genoeg, om de pijn die hij leed achter een glimlach te verbergen?
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Toen hij de vertrekken van zijn vader verlaten had, begaf Psamtik zich
+onverwijld naar den tempel der godin Neith. Alvorens binnen te treden,
+vroeg hij naar den opperpriester. De tempeldienaren verzochten hem
+een oogenblik te toeven, daar de groote Neithotep zich juist in het
+allerheiligste [140] van de verhevene koningin des hemels bevond. Kort
+daarop verscheen een jong priester, en meldde dat zijn gebieder den
+prins wachtte.
+
+Psamtik verliet oogenblikkelijk het koele plekje, dat hij zich had
+uitgekozen in het lommer der zilverpopulieren van het aan de godin
+gewijde bosch, aan den oever van het aan de groote Neith geheiligde
+meer [141]. Hij stak het met asphalt bevloerde eerste voorhof des
+tempels over, waarop de verblindende zonnestralen als gloeiende pijlen
+neerschoten, zooveel doenlijk in de schaduw blijvende van eene der
+lange rijen van sphinxen, die tot de geheel op zichzelve staande
+pylonen [142] van het grootsche huis der godin geleidden. Vervolgens
+trad hij de ontzaglijk groote hoofdpoort binnen, die, evenals alle
+Egyptische tempelpoorten, met de breedgevleugelde zonneschijf [143]
+versierd was. Aan weerszijden van de wijdgeopende vleugeldeuren
+verhieven zich schuinoploopende gebouwen, slanke obelisken en van hooge
+staken wapperden vanen. Zoo kwam hij in het hof, dat aan de linker- en
+rechterzijde door een zuilengang was afgesloten, in het midden waarvan
+het offer aan de godheid werd gebracht. De geheele voorgevel van den
+eigenlijken tempel, die als een vestingmuur in een stompen hoek voor
+den steenen vloer van de ruime zuilengang oprees, was met veelkleurige
+beelden en opschriften bedekt. Door de portiek kwam hij in een hooge
+voorzaal en vervolgens in de groote ruimte, welker blauwe, met duizend
+gouden sterren bezaaide zoldering door vier rijen reusachtige zuilen
+gedragen werd. De schachten dezer zuilen en hare kapiteelen in den
+vorm van lotusbloemen, de zijwanden en de nissen van deze ontzaglijke
+zaal, kortom alles waarop het oog rustte, was met bonte kleuren en
+hiëroglyphenteekens bedekt. De pijlers verhieven zich in kolossale
+afmetingen en de ruimte was ontzagwekkend hoog en uitgestrekt. De
+lucht, die de tempelbezoekers inademden, was geheel vervuld met
+wierook en kyphigeuren, en van de dampen die voortkwamen uit het bij
+den tempel behoorende laboratorium. Zonder ophouden liet zich eene
+zachte muziek hooren, door onzichtbare kunstenaars voortgebracht, nu en
+dan alleen afgebroken door het zwaar gebrul der heilige Isis-koeien of
+het krassend geluid van de Horus-sperwers, die in eene bijzaal waren
+gehuisvest. Zoodra het plechtstatig gebrul van eene koe, als van den
+donder uit de verte, of de schrille zenuwschokkende kreet van eenen
+sperwer, als van een bliksemstraal, die van de aarde opschiet naar den
+hemel, werd gehoord, bogen zich alle aandachtigen, die op den grond
+lagen neergehurkt, zoodat hun voorhoofd de steenen vloer van het met
+zuilengangen omgeven voorhof raakte. Zij zagen allen met diep ontzag
+naar het voor hen gesloten inwendig gedeelte des tempels, in welks
+allerheiligste, uit éen enkel geweldig stuk graniet in den vorm van
+eene kapel gehouwen, talrijke priesters stonden, van welke eenige
+struisvederen op hunne glimmend kale hoofden, anderen panthervellen
+over de schouders droegen. Onder zacht gebrom en luid gezang lagen zij
+nu eens ter aarde, hieven zich dan weder op, slingerden wierookvaten
+en sprenkelden voor de goden zuiver water uit gouden plengvaten. Hoe
+nietig moest de mensch zich niet gevoelen in deze reuzenhal, waarin
+echter alleen den meest bevoorrechte onder de Egyptenaren toegang werd
+verleend. Zijn oog, zijn oor, ja zelfs zijne ademhalingswerktuigen
+stonden hier enkel onder den invloed van indrukken, die hemelsbreed
+verschilden van die in het dagelijksch leven, indrukken die de borst
+beknelden en de zenuwen deden trillen. Als bedwelmd en geheel ontrukt
+aan het werkelijke leven, moest de smeekeling wel een steunpunt buiten
+zich zoeken. De stem van den priester wees hem op zulk een steun,
+en de geheimzinnige muziek, zoowel als het geroep der heilige dieren,
+waren voor hem teekenen van de nabijheid der godheid.
+
+Nadat Psamtik voor een oogenblik eene biddende houding had aangenomen
+op de voor hem bestemde gouden en met een kussen bedekte rustbank,
+zonder evenwel te kunnen bidden, kwam hij bij de vermelde zaal, die
+iets lager en kleiner was, in welke de heilige koeien van Isis-Neith
+en de sperwers van Horus verpleegd werden. Een met gouddraad
+rijkbestikt voorhangsel van de kostbaarste stof verborg deze zaal
+voor de oogen der tempelbezoekers, want slechts zelden was het den
+volke geoorloofd, zich te verheugen in de aanschouwing der dieren, die
+eene goddelijke eer genoten. Juist toen Psamtik voorbijkwam werden in
+melk geweekte koeken, zout en klaver in de gouden kribben der koeien,
+en kleine vogels met bonte vederen in het sierlijk bewerkte huisje
+van de sperwers gelegd. In de stemming waarin hij thans verkeerde,
+had de prins geen oog voor dingen, die hem zoo goed bekend waren,
+en zonder een oogenblik te verliezen, klom hij langs een verborgen
+trap naar de naast de sterrenwacht gelegene vertrekken, alwaar zich
+de opperpriester na het verrichten van den godsdienst, placht op te
+houden en uit te rusten.
+
+Neithotep, een grijsaard van zeventig jaren, zat in een prachtig
+vertrek, waarvan de vloer met zware Babylonische tapijten was
+belegd, op een vergulden leunstoel met een purperen kussen. Zijne
+voeten rustten op eene kunstig gesnedene voetbank. Hij hield eene
+met hiëroglyphen beschrevene rol in de hand. Achter hem stond een
+knaap, die met eenen waaier van struisvederen de insekten van hem
+verwijderd hield. Het aangezicht van den grijzen priester was vol
+diepgegroefde rimpels, maar als jongeling moest hij eens zeer schoon
+geweest zijn. Uit zijne groote blauwe oogen sprak nog altijd een
+levendige geest en een krachtig zelfbewustzijn.
+
+Neithotep had zijne valsche lokken afgelegd. Zijn gladde kale
+schedel stak zeer scherp af bij het gerimpeld gelaat, en deed
+het bij de Egyptenaren gewoonlijk vlakke voorhoofd ongemeen hoog
+schijnen. Het bonte vertrek, waarvan de wanden met duizend spreuken
+in hiëroglyphenschrift beschilderd waren, de verschillende gekleurde
+standbeelden der godin, die hier en daar stonden, en de sneeuwwitte
+kleeding des priesters moesten op den vreemdeling een even diepen
+als vreemden indruk maken.
+
+De grijsaard ontving den troonopvolger met groote hartelijkheid, en
+vroeg hem: »Wat voert mijn doorluchtigen zoon tot den armen dienaar
+der godheid?"
+
+»Ik heb u zeer veel te berichten, mijn vader;" antwoordde Psamtik,
+met zegevierenden glimlach, »want ik kom zoo even van Amasis!"
+
+»Zoo, heeft hij u eindelijk gehoor verleend?"
+
+»Eindelijk!"
+
+»Uw gelaat zegt mij, dat gij door onzen heer, uw vader, met goedheid
+ontvangen zijt geworden."
+
+»Nadat ik den storm van zijn toorn had doorgestaan!--Toen ik het
+verzoek, dat gij mij in den mond hebt gelegd, had voorgedragen,
+ontvlamde hij in woede en verpletterde mij schier met de vreeselijkste
+woorden."
+
+»Gij zult hem getart hebben. Of zijt gij den koning, gelijk ik u
+aanried, als een ootmoedig smeekeling en als een onderdanig zoon
+genaderd?"
+
+»Neen, mijn vader; ik was scherp en onwillig."
+
+»Dan had ook Amasis het recht om toornig te worden, want het betaamt
+den zoon nooit zijn vader tegen te treden met wrok en spijt in
+'t hart, en allerminst als hij hem iets te verzoeken heeft. Gij
+kent de spreuk: Wie zijn vader eert, zal een lang leven ontvangen
+[144]. Zie, mijn zoon, daarin dwaalt gij altijd, dat gij zaken,
+die met goedheid en zachtheid gemakkelijk te verkrijgen zouden zijn,
+met geweld en norschheid zoekt door te zetten.--Een goed woord vindt
+eene goede plaats, en het komt er vooral op aan, hoe men zijn verzoek
+inkleedt.--Hoort mij, ik wil u eene geschiedenis verhalen: Voor
+vele jaren heerschte over Egypte koning Snefroe, die te Memphis zijn
+verblijf hield. Deze droomde op zekeren dag, dat hem al de tanden uit
+den mond vielen. Aanstonds ontbood hij een droomuitlegger en deelde
+dezen zijn gezicht mede. En nu riep de uitlegger: 'Wee u, o koning,
+al uwe bloedverwanten zullen voor u sterven!' De vertoornde Snefroe
+liet den ongeluksbode geeselen, en riep een tweeden uitlegger. Deze
+verklaarde den droom op de volgende wijze: 'Heil u, o groote koning,
+want gij zult langer leven dan al uwe bloedverwanten!' De koning
+glimlachte over deze woorden, en liet den tweeden uitlegger met
+geschenken heengaan; want al zeide deze hem ook hetzelfde als de
+eerste, hij had toch zijne verklaring in vrij wat lieflijker termen
+weten in te kleeden.--Begrijpt gij den zin mijner geschiedenis? Zoo
+laat het in de toekomst uw streven zijn, uwe wenschen in aangenamer
+vormen voor te dragen, want voor het oor van een koning komt het
+evenzeer aan op de wijze waarop men spreekt, als op hetgeen men zegt."
+
+»Ach, mijn vader, hoe dikwerf hebt gij mij dit voorgehouden. Hoe
+dikwerf heb ik ingezien, dat ik mij zelven met mijne ruwe woorden en
+toornige gebaren schade berokken. Ik kan evenwel mijne natuur niet
+veranderen, ik kan niet...."
+
+»Zeg liever: ik wil niet; want wie in waarheid man is, moet, als hij
+eenmaal iets gedaan heeft dat hem berouwde, dit niet meer doen. Maar
+genoeg hiervan voor heden! Vertel mij, hoe gij den toorn van Amasis
+bezworen hebt."
+
+»Gij kent mijn vader. Toen hij zag dat zijne vreeselijke woorden mij
+in het diepst mijner ziel gewond hadden, had hij berouw over zijne
+opvliegendheid. Hij gevoelde dat hij te ver was gegaan, en wilde
+zijne hardheid tot iederen prijs weder goedmaken."
+
+»Hij heeft een edel hart, maar zijn geest is verblind en zijn gemoed
+is verhard," riep de priester. »Wat zou Amasis voor Egypte niet kunnen
+zijn, als hij acht wilde geven op onzen raad en op den wil der goden!"
+
+»Ontroerd als hij was, stelde hij ten laatste het leven,--hoort gij
+wel, mijn vader!--het leven van Phanes in mijne handen."
+
+»Hoe vonkelen uwe oogen! Dat is niet zooals het behoort, Psamtik! De
+Athener moet sterven, daar hij de goden beleedigd heeft. De rechter
+behoort wel met strengheid oordeel te vellen, maar moet zich eer
+bedroeven dan verblijden over het ongeluk van den veroordeelde. Spreek
+uit: wat verkreegt gij verder van uw vader?"
+
+»De koning deelde mij mede, aan wien Nitetis haar aanzijn verschuldigd
+is."
+
+»Anders niets?"
+
+»Neen, mijn vader. Maar brandt gij niet van verlangen, om te
+vernemen...."
+
+»Nieuwsgierigheid is eene ondeugd van de vrouw; ook weet ik uw geheim
+sinds lang."
+
+»En gisteren hebt gij mij eerst opgedragen, het mijnen vader te
+vragen."
+
+»Dat deed ik om u op de proef te stellen, om mij te overtuigen, of
+gij de bevelen der goden gehoorzaam genoeg waart, om waardig te zijn
+toegelaten te worden tot den hoogsten graad van het weten. Ik hoor nu,
+dat gij ons eerlijk verslag geeft van alles wat gij vernomen hebt, en
+zie dat gij de eerste priesterdeugd, de gehoorzaamheid, in beoefening
+weet te brengen."
+
+»Alzoo weet gij, wie de vader van Nitetis was?"
+
+»Ik zelf heb het gebed bij het graf van koning Hophra uitgesproken."
+
+»Maar wie heeft u dit geheim verraden?"
+
+»De eeuwige sterren, mijn zoon, en mijne kunst om in dit boek des
+hemels te lezen."
+
+»En bedriegen deze sterren nooit?"
+
+»Hen, die de taal der sterren waarlijk verstaan, bedriegen zij nooit."
+
+Psamtik verbleekte. De droom van zijn vader en zijn eigen vreeselijk
+horoscoop kwamen hem als ontzettende schrikbeelden voor den geest. De
+priester bespeurde aanstonds de verandering op het gelaat van den
+prins, en voegde hem nu met zachter stem toe: »Gij denkt aan de
+booze hemelteekenen, bij gelegenheid uwer geboorte, en acht u zelven
+reddeloos verloren;--wees echter getroost, Psamtik, de sterrenkundigen
+hebben toen éen sterrenbeeld over het hoofd gezien, dat aan mijn
+blik niet ontgaan is. Uw horoscoop was zeer onrustbarend, voorzeker,
+maar kan ten goede verkeeren, het kan..."
+
+»O, spreek, mijn vader, spreek!"
+
+»Het moet ten goede verkeeren, als gij alle andere dingen wilt
+vergeten, en alleen voor de goden leven; als gij u voorneemt naar hunne
+stem, die wij alleen in het allerheiligste verstaan, te luisteren,
+en onvoorwaardelijk op te volgen wat zij u gebieden."
+
+»Geef slechts een wenk, mijn vader, en ik zal gehoorzamen."
+
+»Dat geve de godin van Saïs, de groote Neith!" riep de priester
+op plechtigen toon.--»Laat mij thans echter alleen, mijn zoon,"
+vervolgde hij minzaam, »ik ben zeer vermoeid van het langdurig
+bidden, want ik gevoel dagelijks meer den last mijner jaren. Stel
+het ombrengen van Phanes zoo lang uit, als het u mogelijk is, ik zou
+hem gaarne spreken voor hij sterft.--Toch nog iets! Gisteren is er
+eene bende Ethiopiërs hier binnengetrokken. Deze lieden verstaan geen
+woord Egyptisch of Grieksch. Onder de leiding van een vertrouwd man,
+die den Athener en de plaatselijke gesteldheid kent, zullen zij de
+meest geschikte werktuigen zijn, om den veroordeelde uit de wereld te
+helpen, daar hunne onbekendheid met de taal en met de toedracht der
+zaak alle verraad of geklap onmogelijk maakt. Vóor hun vertrek naar
+Naucratis mag deze lieden niets omtrent het doel van den tocht ter
+ooren komen. Is de zaak afgeloopen, dan zenden wij hen naar Koesch
+[145] terug. Een geheim, merk dit wel op, dat meer dan éen weet,
+is reeds voor de helft verraden. Vaarwel!"
+
+Psamtik verliet het vertrek van den grijsaard. Weinige oogenblikken
+later trad een jong priester, een der dienaren des konings, binnen,
+en vroeg den priester: »Heb ik goed toegeluisterd, vader?"
+
+»Voortreffelijk, mijn zoon. Niets is u ontgaan van hetgeen Amasis
+met Psamtik gesproken heeft. Moge Isis [146] u lang uw gehoor laten!"
+
+»Och, vader, een doove had heden in het aangrenzende vertrek ieder
+woord kunnen verstaan, want de koning brulde als een stier."
+
+»De groote Neith heeft hem met onvoorzichtigheid geslagen. Ga thans,
+houd de oogen wijd open, en breng mij dadelijk bericht, ingeval Amasis,
+wat zeer wel mogelijk is, den aanslag tegen Phanes mocht zoeken te
+verijdelen. Gij vindt mij altijd te huis. Beveel den dienaren, dat zij
+allen moeten afwijzen, die mij mochten komen bezoeken, met te zeggen
+dat ik in het allerheiligste bid. De Onnoembare geleide uwe schreden!"
+
+
+
+Terwijl Psamtik alle noodige maatregelen nam tot de inhechtenisneming
+van Phanes, ging Cresus met zijn gevolg scheep in een koninklijk
+Nijlvaartuig, om naar Naucratis te varen, en dien avond bij Rhodopis
+door te brengen. Zijn zoon Gyges en de drie jonge Persen bleven te
+Saïs, alwaar zij den tijd zeer genoeglijk sleten.
+
+Amasis overlaadde hen met vriendelijkheid, veroorloofde hun,
+volgens het Egyptisch gebruik, met zijne vrouw en de zoogenaamde
+tweeling-zuster te verkeeren, en onderwees Gyges in het damspel
+[147]. Hij was vroolijk en onuitputtelijk in geestigheden, wanneer
+hij zag, hoe de krachtige en behendige jonge helden zich vermaakten,
+door met zijne dochters ballen en ringen te werpen, een lievelingsspel
+der Egyptische jonge dochters [148].
+
+»Waarlijk," riep Bartja, nadat Nitetis den fijnen, met bonte linten
+versierden ring, zonder een enkele maal te missen, minstens voor
+den honderdsten keer met haar dun ivoren staafje had opgevangen,
+»dit spel moeten wij ook in ons land invoeren. Wij, Persen, denken
+geheel anders dan gij, Egyptenaars. Al wat nieuw en vreemd heet,
+is ons even welkom, als het bij ulieden gehaat schijnt te zijn. Ik
+zal er onze moeder Cassandane van verhalen, en zij zal gaarne aan de
+vrouwen mijns broeders verlof geven, zich met dit spel te vermaken."
+
+»O, doe dat, doe dat!" riep de blonde Tachot, terwijl zij bloosde
+tot achter de ooren. »Nitetis zal dan medespelen, en zich verbeelden
+weder in het vaderland bij hare geliefde betrekkingen te zijn. Gij
+echter, Bartja," vervolgde zij zachter, »moet ook aan dit uur denken,
+zoo dikwerf gij de ringen ziet vliegen."
+
+De jonge Pers antwoordde glimlachend: »Ik zal ze nimmer
+vergeten!" Daarop riep hij luide en opgeruimd, zich tot zijne
+aanstaande schoonzuster wendende: »Heb goeden moed, Nitetis, het
+zal u bij ons beter bevallen, dan gij wel denkt. De Aziaten weten de
+schoonheid te eeren; dit bewijzen wij reeds daardoor, dat wij vele
+vrouwen nemen."
+
+Nitetis zuchtte, en Ladice, de koningin, riep: »Juist daardoor toont
+gijlieden, dat gij het karakter der vrouw volstrekt niet weet te
+waardeeren. Gij kunt zelfs niet vermoeden Bartja, wat eene vrouw
+gevoelt, als zij bemerkt dat de man, die haar dierbaarder is dan het
+leven, om wiens wille zij alles wat haar lief en heilig is ten offer
+wil brengen, op haar neerziet als op een schoon stuk speelgoed, een
+edel ros, een kunstig bewerkt mengvat. En het is nog duizendmaal
+smartelijker de liefde, die men zoo gaarne alleen zou bezitten,
+met honderd andere te moeten deelen."
+
+»Hoor me nu die jaloersche vrouw eens!" riep Amasis. »Spreekt zij niet,
+als had zij zich reeds over mijne ontrouw te beklagen gehad?"
+
+»O, neen, mijn beste," hervatte Ladice, »daarin staat gij,
+Egyptenaars, boven alle andere mannen, dat gij trouw en standvastig
+zijt in uwe liefde, en dat gij u tevreden stelt met hen, die u eens
+dierbaar zijn geworden. Ja, ik durf tegen iedereen vol te houden,
+dat geene vrouw ter wereld zoo gelukkig is, als de gade van een
+Egyptenaar [149]. Zelfs de Grieken, die ons anders in vele dingen
+tot voorbeeld kunnen strekken, weten de vrouw niet naar waarde te
+schatten. In bedompte vertrekken, onafgebroken door de moeders of door
+huishoudsters aangezet tot den arbeid aan weefstoel en spinrokken,
+verkwijnen de meeste Helleensche meisjes reeds in hare kindsheid,
+om wanneer zij eenmaal huwbaar zijn, in het stille huis van een haar
+onbekenden echtgenoot te worden verplaatst, wiens vele staatkundige
+en maatschappelijke werkzaamheden hem slechts zelden veroorloven
+den voet in het vrouwenvertrek te zetten. Alleen dan, wanneer de
+naaste vrienden en verwanten bij den heer des huizes te gast zijn,
+mag zij, maar ook dan nog altijd schuchter en zwijgend, in den kring
+der mannen verschijnen, om iets te vernemen van wat er in de wereld
+omgaat en wat te leeren. Ach, ook in ons woont de zucht naar kennis,
+en aan ons geslacht behoorde men allerminst de wetenschap van sommige
+dingen te onthouden, daar wij als moeders wel het eerst geroepen zijn,
+onze kinderen te onderwijzen. Wat zal eene Helleensche moeder, die
+zelve niets weet, omdat zij nooit iets geleerd heeft, hare dochters
+leeren? Daarom kan zich de Griek ook maar zelden met zijne, door het
+huwelijk aan hem verbondene, doch in geest en verstand ver bij hem
+achterstaande vrouw tevreden stellen. Hij gaat naar de huizen der
+hetaeren, die gestadig met het mannelijk geslacht verkeeren, die de
+mannen hunne kennis weten af te luisteren, en die de dus verkregene
+wetenschap met de bloemen van vrouwelijke bevalligheid weten te tooien
+en met het zout van haar fijneren zachteren geest te kruiden.
+
+»In Egypte is het geheel anders. Hier mag de bloeiende maagd deelnemen
+aan het ongedwongen gezellige verkeer met de edelsten en besten
+der mannen. De jongeling en de jongedochter leeren elkaar op de
+vele feesten kennen en beminnen. De vrouw is hier te lande niet de
+slavin, maar de vriendin van den man. Zij vullen elkander aan. Geldt
+het levensvragen, zoo beslist de sterkere; de geringere zorgen des
+levens worden aan de vrouw overgelaten, die juist in het kleine
+grooter is. De dochters groeien op onder hare uitmuntende leiding,
+want de moeder is geene vrouw zonder kennis of ervaring. Het wordt
+de vrouw gemakkelijk gemaakt, deugdzaam en huiselijk te blijven,
+want juist door hare deugd en huiselijkheid verhoogt zij het geluk
+van hem, die haar alleen toebehoort, wiens liefste bezitting te zijn
+haar eenige roem is. Wij, vrouwen, zijn nu eens gewoon te doen wat
+ons behaagt, doch de Egyptenaren verstaan de kunst ons zóo te leiden,
+dat ons alleen behagen kan wat goed is.--Hier aan den Nijl zouden
+Phocylides van Mylete en Hipponax van Ephesus nooit den moed gehad
+hebben, hunne smaadliederen op ons te dichten; hier zou nooit de
+legende van Pandora [150] in eenig menschelijk brein zijn opgekomen."
+
+»Inderdaad, gij spreekt voortreffelijk!" riep Bartja. »Het heeft
+mij ontzaglijk veel moeite en inspanning gekost Grieksch te leeren;
+thans echter verheugt het mij, dat ik den moed niet verloor, en van
+het onderwijs van Cresus zooveel mogelijk partij heb getrokken."
+
+»Maar wie zijn die booze mannen, die het waagden van de vrouwen kwaad
+te spreken?" vroeg Darius.
+
+»Een paar Grieksche dichters," antwoordde Amasis, »de stoutste menschen
+die ik ooit heb gekend. Want eer zou ik het wagen eene leeuwin, dan
+eene vrouw boos te maken. Maar die Grieken deinzen voor niets ter
+wereld terug. Verneem slechts dit staaltje van de poëzie van Hipponax:
+
+
+ Tweemaal in 't leven kan ons een' vrouw behagen,
+ Wanneer zij trouwt en--als zij grafwaarts wordt gedragen."
+
+
+»Houd op, houd op, ondeugd!" riep Ladice, de ooren dicht
+houdende. »Ziet, Persen, zoo is deze Amasis altijd. Als hij spotten
+en gekscheren kan, dan doet hij het, ook al is hij het volkomen eens
+met het voorwerp van zijn spot. Er is voorzeker geen beter echtgenoot
+dan hij..."
+
+»En geene slechtere vrouw dan gij," hernam Amasis lachend; »want gij
+laadt waarachtig den schijn op mij, dat ik een maar al te gehoorzaam
+gemaal ben.--Vaarwel kinderen; de jonge lieden verlangen van naderbij
+met ons Saïs kennis te maken. Maar eerst wil ik hun nog laten hooren,
+wat de booze Simonides van de beste vrouw zingt:
+
+
+ Één is der bij verwant. Gelukkig hij,
+ Wien zulk een vrouw haar hart en hand mocht geven:
+ Ze is trouw en teer; zij siert en kroont zijn leven,
+ En grijst, bemind en minnend, aan zijn zij.
+ Een wakker kroost, uit haren schoot gesproten,
+ Vlecht om haar kruin een nieuwen stralenkrans
+ Zij prijkt aan 't hoofd van haar geslachtsgenooten
+ In reinen, meer dan sterfelijken glans.
+ Zij zit niet neer bij wufte gezellinnen,
+ Die ijdle scherts en dartle taal beminnen,
+ Geen schooner lot schonk Zeus dan aan den man,
+ Die zulk een vrouw de zijne noemen kan.
+
+
+»Een zulke is nu ook mijne Ladice. Vaarwel!"
+
+»Nog niet!" riep Bartja. »Ik moet eerst mijn arm Perzië rechtvaardigen,
+om mijne aanstaande schoonzuster met nieuwen moed te bezielen. Maar
+neen! Darius, spreek gij voor mij, want gij verstaat de kunst van
+spreken evengoed, als die van het rekenen en het hanteeren van het
+zwaard!"
+
+»Gij spreekt, als ware ik een zwetser en een kramer [151]," antwoordde
+de zoon van Hystaspes. »Maar dat doet niets ter zake; ik brand reeds
+lang van begeerte, om de zeden van ons vaderland te verdedigen. Weet
+dan Ladice, dat uwe dochter in geenen deele de slavin, maar de vriendin
+van onzen koning zal worden, wanneer slechts Aoeramazda [152] zijn hart
+ten haren gunste neigt. Weet, dat ook in Perzië, hoewel alleen op hooge
+feesten, de vrouwen des konings aan de tafel der mannen aanzitten,
+en dat wij gewoon zijn onze vrouwen en moeders de hoogste achting te
+bewijzen. Oordeelt gijlieden zelven, of de Egyptenaren hunne vrouwen
+een schooner en grooter geschenk kunnen vereeren, dan zekere koning
+van Babylon, die eene Perzische tot vrouw nam. Gewoon aan de bergen
+van haar vaderland, gevoelde deze zich in de uitgestrekte vlakten
+van den Euphraat diep ongelukkig, en kwijnde weg van hartzeer en
+heimwee. En wat deed nu de koning? Op hooge gewelven liet hij een
+reusachtig groot gebouw optrekken, en het bovenste gedeelte ervan met
+eene zware laag vruchtbaren tuingrond bedekken. Hierin deed hij de
+schoonste bloemen en boomen planten, terwijl door een zeer kunstig
+samengesteld werktuig het onmisbare water werd opgepompt, om ze te
+besproeien. Als het grootsche ontwerp geheel ten uitvoer was gelegd,
+voerde hij zijne Perzische vrouw naar dezen toovertuin, en gaf haar
+den kunstberg, van welks top zij als van de kruin van den Rachmed in
+de vlakte kon nederzien, ten geschenke [153]."
+
+»En werd de Perzische gezond?" vroeg Nitetis, met neergeslagene oogen.
+
+»Zij herstelde en werd vroolijk, gelijk ook gij u binnen korten tijd
+in ons land gezond en gelukkig zult gevoelen."
+
+Ladice glimlachte en vroeg: »Wat zou wel het meeste hebben bijgedragen
+tot de genezing der jonge koningin, de kunstige berg, of de liefde
+van den echtgenoot, die zulk een reuzenwerk tot stand bracht om haar
+op te beuren?"
+
+»De liefde van haar gemaal!" riepen de meisjes.
+
+»Maar Nitetis zal toch zeker den berg niet versmaden?" vroeg
+Bartja. »Ik zal er ten minste zorg voor dragen, dat zij op de hangende
+tuinen komt te wonen, telkens wanneer zich het hof te Babylon bevindt."
+
+»Maar komt thans!" riep Amasis; »anders zult gij de stad nog in het
+donker moeten bezien. Ginds staan reeds een uur lang twee schrijvers
+op mij te wachten. Hola, Sachons, beveel den hoofdman der lijfwacht
+onze hooge gasten met honderd man te volgen!"
+
+»Maar waartoe dit? Eén gids bijvoorbeeld, éen Grieksch onderbevelhebber
+is meer dan voldoende."
+
+»Zoo is het beter, vrienden. Als vreemdeling kan men in Egypte nooit
+te voorzichtig zijn. Neemt dit wel in acht; en zorgt ook vooral, dat
+gij den spot niet drijft met de heilige dieren.--Vaartwel, mijne jonge
+helden; heden avond hoop ik u bij den vroolijken beker weder te zien!"
+
+De Persen verlieten het koninklijke paleis, voorafgegaan door hun
+tolk, een Griek, die in Egypte was opgevoed, en beide talen [154]
+even gemakkelijk sprak.
+
+De straten van Saïs, in de nabijheid van het verblijf des vorsten,
+zagen er zeer fraai en vriendelijk uit. De huizen, waaronder vele van
+vijf verdiepingen hoog, waren meerendeels met beelden en hiëroglyphen
+bedekt. Ook hadden de meesten aan de tuinzijde houten balkons
+met balustraden van bontgekleurd beeldhouwwerk, door beschilderde
+pijlers ondersteund. Op sommige der goed geslotene huisdeuren stond
+de naam en de stand van de bewoners te lezen. Op de platte daken
+zag men bloemen en boompjes, te midden van welke de Egyptenaren
+des avonds vertoefden; als hen ten minste de nood niet drong om het
+muggentorentje te bestijgen, dat op weinige woningen gemist werd, en
+waar men de lastige insecten, door den Nijl in menigte aangekweekt,
+doch die alleen in de laagte zweven, ontvluchten kon [155].
+
+De jonge Persen maakten zich vroolijk over de groote, bijkans
+overdrevene zindelijkheid van ieder huis in het bijzonder en zelfs
+van de straten. De schilden op de deuren en de kloppers schitterden
+in het zonlicht; de schilderingen op de muren, balkons en kolommen
+waren zoo frisch en helder, als had men er zooeven de laatste hand
+aan gelegd. Zelfs het plaveisel der straat wekte het vermoeden op,
+dat men gewoon was het te schrobben. Naarmate de Persen zich verder
+van den Nijl verwijderden, werden de straten onaanzienlijker. De stad
+was tegen de helling van een tamelijk hoogen heuvel gebouwd, en had
+zich, sinds voor derdehalve eeuw de residentie der pharao's, hierheen
+was verlegd, in betrekkelijk korten tijd uit hare onbeduidendheid en
+armoede tot eene machtige en groote stad ontwikkeld. In het gedeelte
+der stad, dat zich langs den Nijl uitstrekte, waren de straten fraai
+en zindelijk. Daarentegen lagen aan de andere zijde van den heuvel,
+slechts zeldzaam door betere huizen afgewisseld, de uit Nijlslib en
+acaciatakken samengestelde woningen der armen. In het noordwesten
+der stad verhief zich de versterkte burg van den koning.
+
+»Laat ons hier omkeeren," riep Gyges, de zoon van Cresus zijn jongere
+makkers toe, over wie hij bij afwezigheid zijns vaders het toezicht
+had, daar hij zag dat de menigte der nieuwsgierigen, die hen volgden,
+bij iedere schrede grooter en lastiger werd.
+
+»Gij hebt slechts te bevelen," gaf de tolk ten antwoord. »Anders,
+daar beneden in het dal, aan den voet van gindschen heuvel, ligt
+de doodenstad der Saïten, en deze is, zoo ik meen, wel waardig door
+vreemdelingen bezocht te worden."
+
+»Ga gij ons dan maar voor," riep Bartja. »Wij zijn toch immers
+Prexaspes alleen gevolgd, om de merkwaardigheden van het buitenland
+te zien."
+
+Toen zij eindelijk nabij de doodenstad op een open, door de kramen
+der handwerkslieden [156] omgeven plein waren gekomen, hoorde men
+op eens door de nog steeds volgende menigte een luid geschreeuw
+aanheffen. De kinderen juichten, de vrouwen gilden, en eene stem die
+boven alle andere hoorbaar was brulde: »Komt herwaarts in het voorhof
+des tempels, om de werken van den grooten toovenaar te zien, die
+uit de oasen in het westen van Libyë geboortig is, en door Choensoe,
+den uitdeeler van goede vindingen, en de groote godin Hekt met alle
+wonderkrachten is toegerust!" [157]
+
+»Volgt mij naar den kleinen tempel daarginds," zeide de tolk, »dan
+zult gij zoo aanstonds eene zonderlinge vertooning zien."
+
+Hierop baande hij zich met de Persen een weg door de menigte, nu eens
+een naakt kind, dan weer eene taankleurige vrouw op zijde duwende,
+en keerde spoedig terug met een priester, die de vreemdelingen in
+het voorhof des tempels voerde. Hier stond een man in priestergewaad,
+tusschen onderscheidene kisten en kasten. Twee Mooren knielden naast
+hem op den grond. Deze Libyër [158], een reusachtige kerel, met zeer
+buigzame ledematen en vurige zwarte oogen, hield een blaasinstrument
+in den vorm onzer klarinet in de hand; om zijne borst en zijne armen
+kronkelden zich ettelijke, in Egypte als vergiftig bekende slangen.
+
+Toen hij de Persen gewaarwerd, boog hij zich, en noodigde hen met een
+plechtig gebaar uit, om goed toe te zien. Daarop legde hij zijn wit
+gewaad af, en begon toen allerlei kunststukken met zijne slangen te
+verrichten. Nu eens liet hij zich door dezen bijten, dat het bloed
+van zijne wang droop, dan weer dwong hij ze door de vreemde tonen
+zijner fluit zich op te richten en bewegingen te maken, die op een
+dans moesten gelijken, een andermaal deed hij ze, door ze in den bek
+te spuwen, in onbeweeglijke staven veranderen. Eindelijk wierp hij
+al de slangen op den grond en voerde in haar midden een wilden dans
+uit, zonder een der dieren met de voeten te raken. Als een razende
+draaide en kromde de toovenaar zijne slappe ledematen, tot hem de oogen
+uitpuilden en bloedig schuim op zijne lippen stond. Eensklaps wierp hij
+zich als dood ter aarde. Niets bewoog zich aan zijn lichaam, uitgenomen
+de lippen, die een schel gesis deden hooren. Op dit teeken kropen de
+slangen op hem toe, en legden zich als levende ringen om zijn hals,
+zijne beenen en zijne armen. Eindelijk stond hij op en zong een lied
+ter eere van de wonderbare macht der godheid, die hem, zichzelve ter
+eere, tot toovenaar had gemaakt. Hierop opende hij een der kasten, en
+borg daarin het meerendeel der slangen, slechts eenige, waarschijnlijk
+zijne lievelingen, behield hij als hals- en armsieraden bij zich.
+
+De tweede afdeeling zijner voorstelling bestond uit eenige goed
+uitgevoerde proeven zijner goochelkunst. Hij at brandend vlas, hield
+al dansende zwaarden, die met de spits in zijne oogholten rustten,
+in evenwicht, haalde lange linten en strikken uit de neuzen van de om
+hem heen staande Egyptische kinderen, vertoonde het bekende ballen- en
+bekerspel, en deed de verbazing der toeschouwers ten toppunt stijgen,
+door uit vijf struiseieren even zoo vele levende jonge konijnen te
+voorschijn te goochelen.
+
+De Persen waren op verre na niet de ondankbaarsten zijner toeschouwers;
+op hen toch maakte dit nooit te voren door hen geziene schouwspel een
+verbazenden indruk. Het was hun, als bevonden zij zich in het rijk der
+wonderen. Van al de zeldzaamheden, die zij in Egypte al hadden gezien,
+geloofden zij thans wel de allermerkwaardigste aanschouwd te hebben.
+
+Denkende over hetgeen zij gezien hadden, waren zij weder tot de meer
+aanzienlijke straten teruggekeerd, zonder op te merken hoe velen der
+hen omringende Egyptenaars daar henen liepen zonder handen, neuzen of
+ooren. Het was voor de Aziaten niet vreemd zulke ongelukkigen te zien,
+want ook bij hen werden vele misdrijven met het afsnijden van eenig
+lichaamsdeel gestraft. Hadden zij naar de redenen dier verminking
+onderzoek gedaan, zij zouden vernomen hebben, dat in Egypte de van
+zijne hand beroofde een op heeterdaad betrapte bedrieger, de vrouw
+zonder neus eene overspelige, iemand zonder tong een landverrader
+of een lasteraar, een man zonder ooren een verspieder was. De bleeke
+vrouw, zou men hun gezegd hebben, die er uitziet als eene zinnelooze,
+is de moordenares van haar kind. Tot straf voor deze misdaad, heeft zij
+het lijkje van den verworgden zuigeling drie dagen en drie nachten op
+hare armen moeten houden. Welke vrouw zou, na het einde van zulk eene
+marteling, nog het verstand hebben behouden? De meeste strafwetten der
+Egyptenaars hadden evenzeer de strekking om de misdaad te straffen,
+als om den misdadiger buiten de mogelijkheid te stellen, zijn eerste
+vergrijp te herhalen.
+
+Eensklaps werden de vreemdelingen verhinderd verder te gaan. Eene
+massa menschen had zich namelijk verzameld voor een der schoonste
+huizen in de straat naar den Neith-tempel, welks weinige vensters--de
+meeste bevonden zich aan de zijde van het voorhof en den tuin--met
+luiken gesloten waren. In de geopende huisdeur stond een grijsaard,
+gekleed in een eenvoudig wit gewaad, dat in hem den dienaar van
+een priester deed herkennen. Onder luid geschreeuw trachtte hij een
+aantal lieden van zijn eigen stand te beletten, eene groote kist uit
+het huis te verwijderen.
+
+»Wie geeft u het recht, mijn heer te bestelen?" riep hij met woedende
+gebaren. »Ik ben de bewaarder van dit huis, en mijn heer heeft mij,
+toen hij door den koning naar Perzië gezonden werd,--dat de Goden
+mogen verdelgen!--bevolen vooral acht te geven op deze kist, in welke
+zijne geschriften liggen!"
+
+»Stel u gerust, oude Hib!" riep de tempeldienaar, dien wij bij de
+aankomst van het Perzische gezantschap hebben leeren kennen. »De
+opperpriester van de groote Neith, de heer van uw heer, heeft ons
+herwaarts gezonden. In deze kist moeten al zeer zeldzame stukken
+verborgen zijn, anders zou Neithotep ons niet vereerd hebben met het
+bevel ze te halen."
+
+»Maar ik zal niet gedoogen, dat het eigendom van mijn heer, den grooten
+arts Nebenchari, weggevoerd worde!" schreeuwde de oude man. »Ik zal
+mij aanstonds recht verschaffen, en des noods tot den koning gaan."
+
+»Voorzichtig, mannen!" riep de tempeldienaar tot zijne
+onderhoorigen. »Zóo is het goed. Maakt nu maar voort en brengt de kist
+dadelijk naar den opperpriester. En gij, oude, zoudt wijzer handelen,
+als gij uwe tong in toom hieldt, en bedacht dat ook gij een dienaar
+van mijn heer den opperpriester zijt. Kom, maak maar dat gij in huis
+komt, anders sleepen wij morgen uzelven nog weg, gelijk wij heden
+de kist doen!"--Bij deze woorden sloeg hij de zware huisdeur dicht,
+zoodat de oude man in het voorhuis teruggeworpen en aan de blikken
+der steeds aangroeiende menigte onttrokken werd.
+
+De Persen hadden dit vreemde tooneel aangezien, en lieten het zich
+door hun tolk verklaren. Zopyrus lachte, toen hij vernam, dat de
+eigenaar der door den oppermachtigen opperpriester in beslag genomene
+kist de oogarts was, die zich ter behandeling van de oogziekte der
+koningin-moeder in Perzië ophield, en zich door zijn ernstig, norsch
+karakter aan het hof van Cambyzes niet zeer bemind had gemaakt. Bartja
+wilde aan Amasis vragen, wat deze zonderlinge diefstal te beduiden
+kon hebben; doch Gyges verzocht hem dringend zich niet te mengen in
+zaken, die hem volstrekt niet aangingen.
+
+De duisternis, die in Egypte snel op den dag volgt, begon zich reeds
+over de stad uit te breiden. Toen de stoet bijna het paleis bereikt
+had, werd Gyges plotseling staande gehouden door iemand, die hem
+bij zijn kleed greep. Hij keek om en zag een hem onbekenden man,
+die hem te kennen gaf dat hij zwijgen moest, door den vinger op de
+lippen te leggen.
+
+»Wanneer kan ik u alleen en onopgemerkt spreken?" fluisterde hij den
+zoon van Cresus in het oor.
+
+»Wat wilt ge van mij?"
+
+»Vraag niets, maar antwoord schielijk. Bij Mithra [159], ik heb u
+belangrijke dingen mede te deelen!"
+
+»Gij spreekt Perzisch? Zijt gij dan geen Egyptenaar, gelijk ik uit
+uwe kleeding zou opmaken?"
+
+»Ik ben een Pers; maar antwoord spoedig, opdat wij niet te zamen
+gezien worden. Wanneer kan ik u alleen vinden?"
+
+»Morgenochtend vroeg."
+
+»Dan is het te laat!"
+
+»Welnu, dan binnen een kwartier, wanneer het volkomen donker is,
+aan deze poort van het Paleis."
+
+»Ik zal u wachten."
+
+Met deze woorden verdween de man. Zoodra de stoet het paleis was
+binnengegaan, verwijderde Gyges zich van Bartja en Zopyrus, stak zijn
+zwaard in den gordel, verzocht Darius hetzelfde te doen en hem te
+volgen. Weldra stond hij in het stikdonker aan de groote poort van
+het paleis tegenover den vreemdeling.
+
+»Aoeramazda zij geloofd, dat gij daar zijt!" fluisterde hij den jongen
+Lydiër in het Perzisch toe. »Maar wie hebt gij bij u?"
+
+»Mijn vriend, een Achaemenide [160], Darius, de zoon van Hystaspes!"
+
+De vreemdeling boog zich diep, en zeide: »Goed, ik vreesde reeds dat
+gij een Egyptenaar hadt medegebracht."
+
+»Neen, wij zijn alleen en willen u hooren. Maar, maak het kort! Wie
+zijt gij, en wat verlangt gij?"
+
+»Ik heet Bubares, en was onder den grooten Cyrus een arm hoofdman. Toen
+wij Sardes, de stad uws vaders, ingenomen hadden, kregen wij verlof
+om te plunderen. Maar uw wijze vader bad Cyrus, dat hij bevelen zou
+de plundering te staken, dewijl hij, nu Sardes in zijne macht was,
+niet den voormaligen koning maar zichzelven plunderde. Alzoo werd op
+straffe des doods bevolen, al het buitgemaakte aan de hoofdlieden uit
+te leveren, en dezen vervolgens opgedragen alle kostbaarheden, die hun
+gebracht zouden worden, op de markt bijeen te vergaderen. Daar lagen
+geheele hoopen gouden en zilveren vaatwerk, vrouwen- en manssieraden,
+die van edelgesteenten fonkelden...."
+
+»Maak wat voort, wij hebben weinig tijd!" viel Gyges den spreker in
+de rede.
+
+»Gij hebt gelijk, ik mag geen woorden verspillen. Ik verbeurde
+mijn leven, doordien ik een gouden, rijk met edelgesteenten
+bezette zalfdoos, uit het paleis uws vaders afkomstig, voor mij had
+behouden. Cyrus wilde mij ter dood doen brengen; Cresus redde evenwel
+mijn leven, door mijn voorspraak te zijn bij zijn overwinnaar. Cyrus
+gaf mij de vrijheid, doch verklaarde mij voor eerloos. Alzoo dank
+ik uw vader het leven. Maar in Perzië kon ik niet blijven, daar
+de eerloosheid al te zwaar op mij drukte. Een Smyrnaasch schip
+bracht mij naar Cyprus. Daar trad ik weder in den krijgsdienst,
+leerde Grieksch en Egyptisch, streed tegen Amasis, en werd door
+Phanes als krijgsgevangene hierheen gebracht. Ik had altijd als
+ruiter gediend; ik werd dus gevoegd bij de slaven, die voor de
+paarden van den koning zorg dragen. Ik paste goed op, en werd na zes
+jaren opzichter van den stal. Nooit heb ik uw vader en wat ik hem
+verschuldigd ben vergeten. Heden is de beurt aan mij gekomen hem een
+dienst te bewijzen."
+
+»Betreft het mijn vader?--Zoo spreek! Zeg mij dadelijk wat er is!"
+
+»Aanstonds. Heeft Cresus den prins Psamtik beleedigd?"
+
+»Dat ik weet, niet."
+
+»Uw vader is hedenavond de gast van Rhodopis, te Naucratis."
+
+»Hoe weet gij dat?"
+
+»Uit zijn eigen mond, want hedenmorgen, toen hij naar de bark ging,
+volgde ik hem, om mij aan zijne voeten te werpen."
+
+»En hebt gij uw doel bereikt?"
+
+»Ja. Hij sprak mij minzaam toe; doch hij kon mij niet lang aanhooren,
+daar zijne metgezellen reeds in de bark plaats hadden genomen, toen
+hij aankwam. In haast deelde zijn slaaf Sandon, dien ik ken, mij nog
+mede, dat zij naar Naucratis zouden gaan, naar de Helleensche vrouw,
+die zij Rhodopis noemen."
+
+»Hij zeide de waarheid."
+
+»Dan moeten wij aanstonds alles in het werk stellen om hem te
+redden. Toen de markt vol was [161] zijn er tien wagens en twee barken
+met Ethiopische soldaten, onder aanvoering van een Egyptisch hoofdman,
+heimelijk naar Naucratis getogen, om dezen nacht het huis van Rhodopis
+te omsingelen en hare gasten gevangen te nemen."
+
+»Die verraders!" riep Gyges.
+
+»Maar wat zouden zij uw vader durven aandoen?" vroeg Darius. »Zij
+weten toch dat de wraak van Cambyzes......"
+
+»Ik weet niets anders," herhaalde Bubares, »dan dat het huis van
+Rhodopis, waarin thans ook uw vader is, hedennacht door Ethiopische
+soldaten zal worden omsingeld. Ik zelf heb de wagens ingespannen en
+goed verstaan, hoe de waaierdrager van den kroonprins den hoofdman
+Pentaoer toeriep: »Houd ooren en oogen open. Laat het huis van Rhodopis
+omsingelen, opdat hij niet door de achterpoort ontsnappe. Spaar zijn
+leven, indien het mogelijk is, en dood hem alleen wanneer hij zich
+mocht willen verzetten. Zoo gij hem levend te Saïs brengt, zult gij
+twintig gouden ringen ontvangen [162]!"
+
+»Zou dit werkelijk mijn vader gelden?"
+
+»Onmogelijk!" riep Darius.
+
+»Men kan niet weten," mompelde Bubares. »In dit land is alles
+mogelijk!"
+
+»In hoeveel tijds kan een goed paard den weg van hier naar Naucratis
+afleggen?"
+
+»In drie uren, als het tot het einde toe flink doordraaft, en de Nijl
+den weg niet te hoog onder water heeft gezet."
+
+»Binnen twee uren ben ik te Naucratis!"
+
+»Ik vergezel u," riep Darius.
+
+»Neen, gij moet met Zopyrus hier blijven, ter bescherming van
+Bartja. Geef onzen dienaren de noodige bevelen, zoodat zij op alles
+voorbereid zijn."
+
+»Maar, Gyges....."
+
+»Gij blijft hier en verontschuldigt mij bij Amasis. Gij zegt, dat ik
+wegens hoofd-, of maag-, of tandpijn geen deel aan het drinkgelag kan
+nemen, hoort gij? Ik zal het Nisaeische ros van Bartja bestijgen. Gij,
+Bubares, volgt mij op dat van Darius. Gij wilt het mij toch zeker
+wel leenen, broeder?"
+
+»Had ik er tienduizend, gij kondt er over beschikken."
+
+»Kent gij den weg naar Naucratis, Bubares?"
+
+»Als mijne oogen!"
+
+»Ga dan, Darius, en gelast, dat men uw en Bartja's paard
+gereedhoude. De minste vertraging is hier eene misdaad. Vaarwel Darius,
+wellicht voor immer! Bescherm Bartja! Vaarwel!"
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Het was nog twee uren vóór middernacht. Door de geopende vensters
+van het huis van Rhodopis kon men het schijnsel zien der helder
+brandende lampen, en de onbepaalde klanken opvangen der vroolijke
+gesprekken. Dien avond was de tafel der eerwaardige vrouw, ter eere
+van Cresus, bijzonder rijk voorzien. Op de matrassen lagen, met
+populiertakken en rozen bekranst, de ons bekende gasten van Rhodopis:
+Theodorus, Ibycus, Phanes, Aristomachus, de koopman Theopompus van
+Milete, Cresus en nog onderscheidene andere mannen.
+
+»Ja, dit Egypte," zeide Theodorus, de beeldhouwer, »maakt op mij
+den indruk van een meisje, dat een gouden schoen bezit, dien zij,
+ofschoon hij haar knelt en pijn doet, niet besluiten kan af te leggen,
+niettegenstaande de schoonste en gemakkelijkste schoeisels voor haar
+staan, waarnaar zij slechts de hand heeft uit te strekken, om zich
+op eens vrij en ongedwongen te kunnen bewegen."
+
+»Gij bedoelt dat halsstarrig vasthouden der Egyptenaren aan hunne,
+door de voorvaderen overgeleverde vormen en gewoonten?" vroeg Cresus.
+
+»Juist," antwoordde de beeldhouwer. »Vóór twee eeuwen was Egypte
+ontegenzeglijk nog het eerste land der wereld. Zijne kunst en zijne
+wetenschap overtrof alles, wat wij toen voortbrengen konden. Wij zagen
+echter den Egyptenaren hunne handgrepen af; we wisten deze te volmaken;
+we gaven aan de stijve, gedwongene vormen losheid en schoonheid;
+we hielden ons aan geene vaste afmetingen, maar namen de natuur tot
+model. En thans zijn we onze meesters ver vooruitgestreefd. Hoe kon dit
+geschieden? Alleen omdat de leermeester, door onverbiddelijke wetten
+gebonden, op zijn oude plaats moest blijven staan. Wij daarentegen
+konden ons naar vermogen en welgevallen op het gebied der kunst
+vrij bewegen."
+
+»Maar hoe kan men den kunstenaar dwingen, zijne beeldwerken, die toch
+altijd verschillende onderwerpen hebben, naar vaste afmetingen uit
+te voeren?"
+
+»Dit laat zich in dit geval gemakkelijk verklaren. De Egyptenaren
+verdeelen het geheele menschelijke lichaam in 21 1/4 deelen [163],
+en berekenen daarnaar de verhoudingen der afzonderlijke ledematen. Aan
+deze getallen houden zij vast en offeren daaraan de hoogere eischen der
+kunst. Ik zelf heb Amasis, in tegenwoordigheid van den voornaamsten
+Egyptischen beeldhouwer, een priester van Thebe, deze weddenschap
+aangeboden, dat ik mijn broeder Telecles te Ephesus de grootte,
+de verhouding en den stand volgens de Egyptische voorschriften zou
+opgeven van een met hem te vervaardigen standbeeld, dat als door éene
+hand en uit éen stuk zou schijnen bewerkt te zijn, ofschoon Telecles
+het benedendeel er van te Ephesus, en ik het bovendeel te Saïs onder
+de oogen van Amasis zou bewerken."
+
+»En zoudt gij de weddenschap winnen?"
+
+»Zonder eenigen twijfel. Ook ben ik bepaald van voornemen dit werk
+onderhanden te nemen. Een kunststuk zal het wel niet zijn, evenmin
+als eenig Egyptisch standbeeld dezen schoonen naam verdient."
+
+»Maar toch zijn enkele beeldhouwwerken, onder andere die welke Amasis
+als geschenk voor Polycrates naar Samos zal zenden, uitmuntend
+bearbeid. Ik zag te Memphis een beeld, dat drieduizend jaren oud
+moet zijn. Men zeide dat het den koning voorstelde, die een der
+groote pyramiden liet bouwen. Het wekte in alle opzichten mijne
+bewondering. Met hoeveel zekerheid is de buitengewoon harde steen
+bewerkt; hoe juist zijn de borstbeen- en voetspieren weêrgegeven;
+hoe zuiver zijn de omtrekken en hoe oordeelkundig is het geheel
+ontworpen! Bij dit en andere beelden trof mij vooral de harmonie in
+de gelaatstrekken." [164]
+
+»Volkomen waar. Wat het handwerk in de kunst, dat wil zeggen de
+gemakkelijke en zekere bewerking ook van de hardste stoffen betreft,
+daarin zijn ons de Egyptenaren, al zijn zij ook lang op dezelfde hoogte
+gebleven, nog altijd vooruit. Geen Grieksch standbeeld is zoo uitermate
+schoon gepolijst, als dat van Amasis in den hof van het paleis. Maar
+de vrije vorming, den Prometheusarbeid, het geven van ziel en leven
+aan den steen, dit zullen zij niet leeren, zoolang zij niet met hunne
+oude vormenkraam geheel gebroken hebben. Door zuivere proporties geeft
+men nog geen leven aan zijne beelden. De Egyptische beelden missen
+de zoo bevallige verscheidenheid in lichamelijke vormen. Beschouw
+eens opmerkzaam de honderdduizend standbeelden, die van Naucratis
+tot aan de watervallen bij alle tempels en paleizen sedert dertig
+eeuwen zijn opgericht. Alle stellen zij gemoedelijk ernstige menschen
+op middelbaren leeftijd voor, en toch is het eene het beeld van een
+grijsaard, terwijl een ander ten doel heeft het aandenken aan een
+jongeling van koninklijken bloede te vereeuwigen. Krijgshelden,
+wetgevers, wreedaards en menschenvrienden hebben allen omtrent
+hetzelfde voorkomen, en onderscheiden zich alleen van elkander door
+hunne grootte, waarmede de Egyptische kunstenaar meerdere of mindere
+macht en kracht uitdrukt, en door hun portret."
+
+»Doch onder deze portretten," zeide Phanes, het woord nemende, »heb ik
+zeer voortreffelijke gevonden. Onder de oudere, die zich te Memphis
+bevinden en die maar weinig Grieken te zien krijgen, zijn er enkele
+zoo sprekend van uitdrukking, dat men zou meenen de origineelen gekend
+te hebben. Ik zou wel wenschen, dat gij die voortreffelijk uitgevoerde
+beelden, zoo vol karakter, eens kondet aanschouwen."
+
+»Amasis," sprak de beeldhouwer, »heeft mij enkele getoond, en ik geef
+toe dat zij allen lof verdienen, ja dat ik niet in staat zou zijn die
+kunstwerken te overtreffen. Doch de Egyptische kunstenaars van heden
+staan bij hunne voorvaderen zeer verre ten achter, al moet ik erkennen,
+dat ik zeer goede afbeeldingen van Amasis en zijne voorgangers heb
+gezien. Ze zijn beter gepolijst, maar op verre na niet zoo krachtig
+als de andere kunstwerken. Over het geheel neem ik niets van het
+gezegde terug. Gelijk ik mij een zwaard bestel, evenzoo geeft de
+koning last tot het vervaardigen van een standbeeld. Alvorens de
+meester zijn werk begonnen heeft, weten wij beiden reeds, als wij
+namelijk slechts de lengte en breedte nauwkeurig hebben opgegeven,
+wat wij aanschouwen zullen, wanneer het werk gereed is.--Hoe zou
+ik een grijsaard, die onder den last der jaren gebukt gaat, op
+gelijke wijze kunnen voorstellen als een jongeling, die het hoofd vol
+levenslust omhoog heft; een vuistvechter gelijk aan een hardlooper;
+een dichter gelijk aan een krijgsman?--Plaats Ibycus naast onzen
+vriend, den Spartaan, en bedenk eens wat gij wel zeggen zoudt, als
+ik den dichter met gebalde vuist, den held met een aanminnig gelaat
+en bevallige gebaren wilde voorstellen?"
+
+»En wat antwoordt Amasis op uwe aanmerkingen betreffende dezen
+stilstand?"
+
+»Hij betreurt dien zeer, maar voelt zich niet sterk genoeg om de
+wetten der priesters op te heffen, die de kunst aan banden leggen."
+
+»En toch," zeide de Delphiër, »heeft hij ter versiering van onzen
+nieuwen tempel, om de Grieksche kunst aan te moedigen,--ik bezig
+zijne eigene woorden--eene belangrijke som toegestaan."
+
+»Dat 's ferm gehandeld," riep Cresus. »Zullen de Alkmaeoniden weldra
+de driehonderd talenten, die zij tot de voltooiing van den tempel
+behoeven, bijeenhebben? [165] Ware ik nog maar de rijke man, die ik
+eens geweest ben, dan zou ik gaarne al de kosten voor mijne rekening
+nemen, hoewel uw booze god mij, in spijt van al mijne geschenken,
+leelijk bedrogen heeft. Toen ik hem namelijk liet vragen, of ik
+den oorlog tegen Cyrus zou durven ondernemen, gaf hij mij ten
+antwoord, dat ik een groot rijk ten onder zou brengen, zoo ik de
+rivier Halys overtrok. Ik vertrouwde op deze godspraak, verzekerde
+mij, overeenkomstig zijn bevel, van de vriendschap der Spartanen,
+en bracht werkelijk een groot rijk ten val, toen ik de grensrivier
+had overschreden. Dit rijk was evenwel niet het Medisch-Perzische,
+maar mijn eigen arm Lydië, dat thans als eene satrapie van Cambyzes
+zich maar noode in zulk eene ongewone afhankelijkheid kan voegen."
+
+»Ten onrechte beklaagt gij u over den god," antwoordde Phryxus, »want
+het is niet zijne schuld, dat gij in uwe menschelijke ijdelheid aan
+zijne uitspraak eene valsche verklaring hebt gegeven. Hij zeide niet:
+'het rijk der Persen', maar een rijk zal door uw strijdlust ten
+onder worden gebracht. Waarom hebt ge niet gevraagd, welk rijk hij
+bedoelde? Heeft Apollo u bovendien niet naar waarheid het lot van
+uw zoon voorspeld en u gezegd, dat deze op een onheilsdag de spraak
+terug zou krijgen? En toen gij, na den val van Sardes, van Cyrus verlof
+hadt gekregen, om aan het orakel van Delphi te vragen, of de Grieksche
+goden zich tot eene wet hadden gesteld, hunne weldoeners met ondank te
+beloonen, toen antwoordde Loxias u, dat hij het goed met u had gemeend;
+maar dat het onverbiddelijke noodlot, hetwelk machtiger is dan hij,
+reeds aan uw grooten voorvader [166] voorzegd had, dat de vijfde na
+hem en dit waart gij, ten ondergang was bestemd!"
+
+»Uwe woorden," liet Cresus hier dadelijk op volgen, »zouden mij in de
+dagen van mijn ongeluk beter te stade zijn gekomen, dan thans. Er is
+eene ure geweest, waarin ik uw god en zijn orakel vervloekte. Toen ik
+echter met mijne macht en mijn rijkdom ook mijne vleiers verloren had,
+en ik mijne daden begon te beoordeelen naar een maatstaf, dien ik mij
+zelven had gesteld, zag ik in dat niet Apollo maar mijne ijdelheid
+mij in het verderf had gestort. Het rijk dat vernietigd zou worden,
+kon toch het mijne, het machtige rijk van den machtigen Cresus,
+den vriend der goden, die als veldheer nog door niemand overwonnen
+was, niet zijn! Als een vriend in die dagen mij op het dubbelzinnige
+van het orakel had gewezen, ik zou met hem den spot hebben gedreven;
+misschien had ik hem zelfs gestraft. Evenals een paard den arts slaat,
+die zijne wond betast om te genezen, zoo handelt ook de despoot ten
+opzichte van een oprecht vriend, die de wonden van zijne kranke ziel
+durft aanraken. Alzoo heb ik niet opgemerkt, wat ik zoo gemakkelijk
+had kunnen zien. De ijdelheid verblindt het oog, dat ons gegeven is
+tot een onbevangen onderzoek, en geeft voedsel aan de begeerlijkheid
+van het hart, dat toch bovendien, den goden zij dank, zich wijd openzet
+voor elke hoop op gewin, maar zich ook haastig sluit, wanneer verlies
+of onheil in aantocht is. Nu ik helder zie en toch niets te verliezen
+heb, ben ik veel meer bezorgd, dan toen niemand meer te verliezen
+had dan ik. In vergelijking met hetgeen ik vroeger was ben ik arm,
+Phryxus; maar Cambyzes laat mij geen gebrek lijden, en ik ben toch
+nog bij machte een talent [167] voor het tot stand brengen van uw
+tempel bij te dragen."
+
+Phryxus dankte den ouden koning; maar Phanes zeide: »De Alkmaeoniden
+zullen een schoon werk tot stand brengen, omdat zij eerzuchtig zijn
+en rijk, en zich de gunst der Amphiktyonen [168] willen trachten te
+verwerven, ten einde, door dezen ondersteund, den tyran te verdrijven,
+mijn geslacht te overvleugelen en zich van het roer van den staat
+meester te maken."
+
+»Tot den rijkdom van dit geslacht hebt gij, Cresus, naar men zegt,
+na Agariste [169], die Megacles zoo groote schatten ten huwelijk
+medebracht, wel het meeste bijgedragen," zeide Ibycus.
+
+»Zeer waar, zeer waar!" hernam Cresus lachend.
+
+»Verhaal ons, hoe zich dit heeft toegedragen," verzocht Rhodopis.
+
+»Alkmaeon van Athene kwam eens aan mijn hof. De vroolijke, fijn
+beschaafde man behaagde mij zoozeer, dat ik hem langen tijd bij mij
+hield. Op zekeren dag toonde ik hem mijne schatkamers, bij den aanblik
+waarvan hij schier in vertwijfeling geraakte. Hij noemde zichzelven
+een gemeenen bedelaar, en verbeeldde zich een allergelukkigst leven te
+zullen leiden, zoo hij slechts een enkelen greep in al die heerlijkheid
+mocht doen. Ik gaf hem verlof zooveel goud met zich te nemen, als hij
+maar dragen kon. Wat deed Alkmaeon nu? Hij liet zich hooge Lydische
+rijlaarzen aantrekken, een schort voorbinden en eene mand op den
+rug hangen. Deze mand vulde hij met schatten; in het schort laadde
+hij zooveel geld als hij maar dragen kon, in zijne laarzen liet hij
+gouden munten glijden, terwijl hij op zijn haar en in zijn baard
+stofgoud deed strooien. Ja, hij nam zelfs den mond vol goud, zoodat
+zijne wangen er zoo gezwollen uitzagen, als ware hij op het punt aan
+eene groote ramenas te stikken. Eindelijk hield hij in iedere hand
+een gouden schotel, en sleepte zich zoo de deur der schatkamer uit,
+terwijl hij bijna onder zijn last bezweek. Maar nauw was hij buiten,
+of hij zeeg neder. Nooit heb ik hartelijker gelachen, dan dien dag."
+
+»En gij liet hem die schatten behouden?" vroeg Rhodopis.
+
+»Zeker, mijne vriendin; ik achtte toch de ervaring, dat het goud
+zelfs een verstandig man tot een dwaas maakt, niet te duur betaald."
+
+»Gij waart de mildste van alle vorsten!" riep Phanes.
+
+»En ik ben thans de tevredenste van alle bedelaars. Maar zeg mij,
+Phryxus, hoeveel heeft Amasis tot den tempelbouw bijgedragen?"
+
+»Hij gaf duizend centenaars aluin!"
+
+»Dat komt mij voor een vorstelijk geschenk te zijn. En de kroonprins?"
+
+»Toen ik hem om zijne medewerking verzocht, en mij op de mildheid van
+zijn vader beriep, antwoordde hij met een hoonenden lach, en zeide,
+mij den rug toekeerende: Indien gij eens eene inzameling voor de
+verwoesting uwer tempels doet, dan ben ik bereid voor dubbel zooveel
+te teekenen als Amasis."
+
+»Die ellendige!"
+
+»Zeg liever: die echte Egyptenaar! Psamtik haat alles, wat niet uit
+dit land afkomstig is."
+
+»Hoeveel hebben de Grieken te Naucratis bijeengebracht?"
+
+»Behalve de rijke bijdragen van afzonderlijke personen teekende iedere
+gemeente voor twintig minen."
+
+»Dat is veel."
+
+»Philoinus, de Sybariet, zond mij geheel alleen duizend drachmen en
+deed dit bedrag vergezeld gaan van een zeer zonderlingen brief. Mag
+ik hem voorlezen, Rhodopis?"
+
+»Ongetwijfeld," antwoordde de gastvrouw. »Gij zult er uit vernemen,
+dat hij berouw gevoelt over de beleedigingen, die hij mij in zijn
+roes onlangs heeft aangedaan."
+
+De Delphiër haalde het briefrolletje uit zijn zak te voorschijn, en
+las: »Philoinus laat Phryxus weten, dat het hem van harte leed doet,
+onlangs bij Rhodopis niet nog meer gedronken te hebben; want hadde
+ik dat gedaan, dan zou ik mijn bewustzijn geheel verloren hebben,
+en niet bij machte zijn geweest zelfs de kleinste vlieg kwaad
+te doen. Mijne verwenschte matigheid is er dus alleen de schuld
+van, dat ik mij voortaan niet meer te goed mag doen aan den best
+voorzienen disch van geheel Egypte. Desniettemin ben ik Rhodopis
+zeer dankbaar voor het genotene, en zend u, tot gedachtenis aan
+dat heerlijke rundergebraad, om der wille waarvan alleen ik den kok
+der Thracische gaarne tot iederen prijs zou willen koopen, twaalf
+groote spietsen tot het roosten van ossen. Gij moogt ze in eene der
+schatkameren van den tempel te Delphi, als geschenk van Rhodopis,
+laten ten toon stellen. Daar ik een rijk man ben, teeken ikzelf voor
+de ronde som van duizend drachmen. Bij de eerstvolgende Pythische
+spelen moet dit geschenk openlijk worden uitgeroepen.--Gelieve dien
+lomperd Aristomachus van Sparta uit mijn naam te bedanken. Hij heeft
+mij het doel mijner Egyptische reis ineens doen bereiken. Ik was
+derwaarts gekomen, om mij door dien Egyptischen arts [170], die de
+kunst moet verstaan om kwade tanden zonder veel pijn uit te trekken,
+van zulk een leelijk exemplaar te laten verlossen. Aristomachus heeft
+mij met zijn vuistslag van het kranke deel mijns gebits verlost,
+en me die verschrikkelijke kunstbewerking bespaard, waaraan ik niet
+zonder siddering kan denken. Toen ik tot mij zelven kwam, vond ik
+drie uitgeslagen tanden in mijn mond, den zieken en twee gezonde,
+welke laatsten alle kenteekenen droegen, dat zij mij waarschijnlijk
+ook nog veel pijn zouden hebben veroorzaakt.
+
+»Groet Rhodopis en den schoonen Phanes van mij; u echter noodig ik uit,
+heden over een jaar deel te nemen aan een gastmaal te mijnen huize,
+te Sybaris. Uithoofde er vele kleine toebereidselen moeten gemaakt
+worden, zijn wij gewoon onze uitnoodigingen in tijds te doen.
+
+»Ik laat dezen brief door mijn geleerden slaaf Sophotatus in het naaste
+vertrek schrijven; want ik voor mij krijg reeds kramp in de vingers,
+wanneer ik een ander slechts zie schrijven."
+
+Al de gasten barstten in een schaterend gelach uit; Rhodopis hervatte
+echter: »Ik verheug mij zeer over dezen brief, omdat er mij uit
+blijkt, dat Philoinus geen slecht mensch is. Op echt Sybarietische
+wijze opgevoed....."
+
+»Vergeeft mij, heeren, als ik u stoor, en gij, eerbiedwaardige
+Helleensche, dat ik ongenood uw vriendelijk huis binnendring!" Met
+deze woorden brak iemand, dien de oude matrone volstrekt niet kende en
+die door niemand opgemerkt de eetzaal was ingetreden, het gesprek der
+gasten plotseling af.--»Ik ben Gyges, de zoon van Cresus, en het is
+niet voor de grap, dat ik nauwelijks drie uren geleden Saïs verliet,
+om hier nog ter rechter tijd aan te komen!"
+
+»Menon, eene matras voor onzen nieuwen gast!" riep Rhodopis. »Wees
+hartelijk welkom in mijn huis, en neem uw gemak na uw wilden, echt
+Lydischen rit."
+
+»Bij den hond [171], Gyges," zeide Cresus, zijn zoon de hand reikende,
+»ik begrijp niet wat u zoo laat herwaarts voert. Ik had u verzocht niet
+van de zijde van Bartja te wijken, die aan mijne zorg is toevertrouwd,
+en toch.... Maar hoe ontsteld ziet gij er uit? Is er iets gebeurd? Is
+er een ongeluk voorgevallen? Zoo spreek dan toch, spreek!"
+
+Gyges was gedurende de eerste oogenblikken niet in staat, een woord
+op de vragen zijns vaders te antwoorden. Toen hij den geliefden man,
+voor wiens leven hij zoo bezorgd was geweest, veilig en wel aan
+den rijk bezetten disch zag aanliggen, was het hem als had hij ten
+tweeden male de spraak verloren. Eindelijk was hij weder in staat te
+spreken, en nu antwoordde hij: »Den Goden zij dank, vader, dat ik
+u levend terugzie! Geloof niet dat ik mijn post aan Bartja's zijde
+lichtvaardig verlaten heb. Ik werd door de omstandigheden genoodzaakt,
+als een ongeluksvogel dezen vroolijken kring binnen te dringen. Weet
+dan mannen,--want ik mag mijn tijd niet met onnutte voorbereidingen
+verspillen,--verraad en overrompeling bedreigen u!"
+
+Al de aanwezenden sprongen als door den bliksem getroffen
+overeind. Aristomachus trok onwillekeurig zijn zwaard ter helft uit de
+scheede, en Phanes rekte zijne athletische armen uit, als om zich te
+vergewissen, of ze nog even veerkrachtig en sterk waren als voorheen.
+
+»Wat is er?--Wat wil men met ons?" klonk het van alle zijden.
+
+»Dit huis is geheel omsingeld door Ethiopische krijgslieden," hervatte
+Gyges. »Eene trouwe ziel heeft mij medegedeeld, dat de kroonprins
+één uit uw midden wil gevangennemen en wegvoeren, ja, dat hij bevolen
+heeft den bedoelden persoon te dooden, indien hij zich mocht willen
+verweren: ik vreesde voor u, vader, en spoedde mij hierheen.--De man,
+die mij deze mededeeling heeft gedaan, heeft niet gelogen. Dit huis is
+geheel ingesloten. Toen ik aan de poort van uw tuin kwam, Rhodopis,
+schrikte mijn paard, hoe vermoeid het ook was. Onder het afstijgen
+bespeurde ik bij het heldere maanlicht achter iederen struik de
+flikkerende wapenen en gloeiende oogen van menschen. die zich daar
+verscholen hadden. Zij lieten ons echter ongehinderd binnengaan."
+
+»Gewichtig nieuws!" met deze woorden viel Knakias, die de zaal
+kwam binnenstuiven, Gyges in de rede. »Toen ik zoo even naar den
+Nijl ging, om water voor het mengvat te halen [172], vloog mij een
+mensch tegen het lijf, die mij bijna omverwierp. Ik herkende hem
+aanstonds. Het was een Ethiopisch roeier van Phanes. Hij vertelde me
+dat, toen hij een oogenblik te voren om zich te baden uit de boot
+in den Nijl was gesprongen, eene koninklijke bark het vaartuig van
+Phanes was genaderd. Een soldaat had aan de manschap, die daarin de
+wacht hield, gevraagd, aan wien deze boot toebehoorde. 'Aan Phanes,'
+antwoordde de stuurman. De koninklijke bark voer langzaam verder,
+schijnbaar zonder zich om uw vaartuig te bekommeren, overste! Maar
+de badende roeiknecht had zich zonder eenige bedoeling op het roer
+van het vreemde vaartuig neêrgezet, en hoorde nu, hoe een Ethiopisch
+soldaat een zijner kameraden toeriep: 'Houd die boot goed in het oog;
+wij weten nu waar de vogel zijn nest heeft. Nu zal het niet veel
+moeite kosten hem te vangen. Bedenk dat Psamtik ons vijftig gouden
+ringen toegezegd heeft, wanneer wij den Athener, dood of levend,
+te Saïs brengen.'--Dit berichtte mij Sebek, de roeier, die u sinds
+zeven jaren dient, Phanes!"
+
+Met de grootste kalmte had de Athener het verhaal van Gyges en dat
+van den slaaf aangehoord.
+
+Rhodopis beefde, en Aristomachus riep: »Ik zal niet dulden dat
+een haar van uw hoofd gekrenkt worde, al moet ik ook geheel Egypte
+verslaan!" Cresus gaf den raad om toch voorzichtig te handelen. Eene
+geweldige ontroering was op aller gelaat te lezen.
+
+Eindelijk brak Phanes het stilzwijgen af: »Nooit is overleg
+noodzakelijker dan in gevaar. Ik heb alles rijpelijk overwogen
+en begrijp, dat ik moeielijk te redden ben. De Egyptenaren zullen
+beproeven mij uit den weg te ruimen, zonder opzien te wekken. Zij
+weten, dat ik voornemens ben morgen in de vroegte met eene Phoceïsche
+triëre van Naucratis naar Sigeum [173] te zeilen, en hebben dus geen
+tijd te verliezen, zoo zij mij willen oplichten. Uw geheele tuin,
+Rhodopis, is omsingeld, blijf ik bij u, zoo kunt gij u verzekerd
+houden, dat men uw huis zal doorzoeken en mij van hier wegsleepen. Het
+Phoceïsche schip, dat mij naar de mijnen moest overbrengen, zal wel
+evenals dit huis bewaakt zijn. Om mijnentwil moet niet nutteloos
+bloed gestort worden."
+
+»Gij moogt u niet overgeven!" schreeuwde Aristomachus.
+
+»Ha! Ik heb er wat op gevonden!" riep plotseling Theopompus,
+de Milesische koopman, terwijl de anderen allerlei plannen
+beraamden. »Morgen, bij het opgaan der zon, zeilt een schip met
+Egyptisch koorn, niet van Naucratis maar van Canopus naar Milete. Neem
+het paard van den edelen Pers en rijd daarheen. Wij banen u met geweld
+een weg door den tuin!"
+
+»Onze ongewapende schaar zou gewis aanstonds het onderspit delven,"
+hernam Gyges. »Wij zijn tien man sterk, en slechts drie van ons
+hebben een zwaard. Die kerels daar buiten, wier aantal minstens
+honderd beloopt, zijn tot aan de tanden gewapend."
+
+»En al hadt gij, Lydiër, nu ook tienmaal geen moed, en al waren ze
+ook tweehonderd sterk," riep Aristomachus, »ik zal vechten!"
+
+Phanes drukte zijn vriend de hand. Gyges verbleekte. Die oude held, die
+reeds zoo menige proef had doorgestaan, noemde hem een lafaard! Weder
+ontbraken hem de woorden om zich te rechtvaardigen. Bij iedere heftige
+gemoedsbeweging begaf hem zijn spraakvermogen. Eensklaps echter
+kleurde een vluchtig rood zijne wangen, en snel en op beslissenden
+toon riep hij: »Volg mij, Athener! en gij, Spartaan, die u anders
+wel beraadt alvorens gij spreekt, noem voortaan niemand laf, dien
+gij niet kent.--Vrienden, Phanes is gered! Vaarwel, vader!"
+
+In de grootste verbazing staarden zij, die bleven, de twee mannen na,
+die daarheen gingen. Eenige minuten na hun vertrek vernamen de gasten,
+die in angstige spanning zaten te luisteren, den hoefslag van een paar
+wegrennende paarden. Daarop hoorden zij na eene poos een langgerekt
+gefluit en een geroep om hulp van den Nijlkant.
+
+»Waar is Knakias?" vroeg Rhodopis aan een harer slaven.
+
+»Hij is met Phanes en den Pers in den tuin gegaan." Op hetzelfde
+oogenblik trad de oude dienaar bleek en bevend het vertrek binnen.
+
+»Hebt gij mijn zoon gezien?" riep Cresus hem reeds uit de verte tegen.
+
+»Waar is Phanes?"
+
+»Beiden laten u door mij hun afscheidsgroet brengen."
+
+»Zijn zij dan ontkomen?--Hoe zijn zij er door gekomen?--Waarheen zijn
+zij gegaan?--"
+
+»Dáar, in het vertrek hiernaast," verhaalde de slaaf, »spraken
+de Athener en de Pers eerst een oogenblik met elkaar. Toen moest
+ik beiden ontkleeden. Phanes deed de broek, den rok en den gordel
+van den vreemdeling aan, en zette diens spitse muts op. De Pers
+daarentegen hulde zich in den chiton en den mantel van den Athener,
+versierde zijn voorhoofd met diens gouden band, liet zich het haar
+van de bovenlip wegsnijden, en gebood mij hem in den tuin te volgen.
+
+»Phanes, wien iedereen in zijne nieuwe kleeding voor een Pers
+zou hebben aangezien, sprong op een der voor de poort gereed
+staande paarden. De vreemde riep hem herhaaldelijk toe: 'Vaarwel,
+Gyges! Vaarwel, edele Pers! Reis voorspoedig, Gyges!'" De dienaar,
+die aan de poort wachtte, reed hem achterna. In de struiken vernam
+ik onophoudelijk wapengekletter, doch niemand trad den vluchteling
+in den weg. De soldaten twijfelden er geen oogenblik aan, dat hij
+een Pers was.
+
+»Toen wij weder voor het huis stonden, gebood de vreemdeling mij:
+'Vergezel mij nu naar de boot van Phanes, en noem mij dikwerf bij den
+naam van den Athener.'--'Maar de matrozen zouden u kunnen verraden,'
+bracht ik hier tegen in. 'Ga dan eerst alleen tot hen, en zeg hun,
+dat zij mij moeten ontvangen alsof ik hun meester ware.' Ik bad hem
+nog mij toe te staan, dat ik mij in zijne plaats in het kleed van den
+ontvlodene zou laten vangen. Doch hij wees mijn verzoek met vastheid
+van de hand, en hij had gelijk toen hij zeide, dat mijne houding mij
+aanstonds zou hebben verraden.
+
+»Ach, slechts de vrije kan met opgeheven hoofd daarheen wandelen;
+de nek van een slaaf is altijd gebogen, en zijne bewegingen missen
+de bevalligheid, die gij, edelen, op de scholen en in de gymnasiën
+leert. Zoo zal het eeuwig blijven, want onze kinderen moeten aan hun
+vader gelijk worden. Uit een armzaligen ui kan geene roos, uit den
+grauwen ramenas geene hyacinth voortkomen [174]. De slavernij kromt
+den rug, gelijk het bewustzijn der vrijheid ons het hoofd fier omhoog
+doet heffen!"
+
+»Wat is er van mijn zoon geworden?" riep Cresus, den slaaf in de
+rede vallende.
+
+»Hij nam mijn welgemeend offer niet aan, en zette zich, terwijl hij
+mij duizend groeten aan u, o koning, opdroeg, in de boot neder. Ik riep
+hem nog toe: 'het ga u goed, Phanes! Voorspoedige reis, Phanes!' Eene
+wolk onderschepte het licht van de maan, zoodat het buitengemeen
+donker was geworden. Daar hoorde ik op eenmaal om hulp roepen. Dit
+duurde evenwel slechts kort, en toen deed zich een gillend gefluit
+hooren, waarna ik niets meer vernam dan den gelijkmatigen slag der
+riemen. Juist wilde ik in huis gaan, om u van het voorgevallene kennis
+te geven, als Sebek de roeier opnieuw kwam aanzwemmen. Hij verhaalde
+mij het volgende: De Egyptenaren hadden in het vaartuig van Phanes,
+waarschijnlijk door duikers, een gat doen booren. Zoodra het zich een
+weinig van den oever verwijderd had, begon het te zinken. De matrozen
+schreeuwden om hulp. Toen kwam het koninklijk schip dat hen volgde
+naderbij, nam den gewaanden Phanes aan boord, als om hem te redden,
+en belette de matrozen van den Athener hunne banken te verlaten. Zij
+zijn allen met de boot in de diepte verdwenen; alleen de stoute
+zwemmer Sebek bereikte den oever.
+
+»Gyges bevindt zich dus op het koninklijke vaartuig. Phanes is
+ontkomen, want dat fluiten strekte zeker om de krijgslieden aan
+de achterpoort te onderrichten, dat de zaak in orde was. Toen ik
+huiswaarts keerende de struiken langs den weg onderzocht, vond ik
+daar niemand meer. Doch in de verte vernam ik het wapengekletter en
+het praten der soldaten, die op den terugweg naar Saïs waren."
+
+Met koortsachtige spanning hadden de gasten van Rhodopis den slaaf
+aangehoord.
+
+Toen hij zijn verhaal geëindigd had, waren de aandoeningen natuurlijk
+tweeërlei. Aanvankelijk had bij de meesten het gevoel van blijdschap
+over het geluk, dat de geliefde vriend aan een dreigend levensgevaar
+ontkomen was, de overhand. Maar daarna deed zich bij velen de
+vrees voor het lot van den koenen Lydiër gelden. Men zwaaide zijner
+edelmoedigheid grooten lof toe. Men wenschte den vader geluk met
+het bezit van zulk een zoon, en kwam na rijpe overweging eindelijk
+tot het eenparig besluit, dat de kroonprins, zoodra hij de dwaling
+zijner lieden zou hebben bespeurd, Gyges niet alleen zonder verwijl
+in vrijheid zou moeten stellen, maar ook verplicht was, hem eene
+genoegdoening te geven voor den hoon hem aangedaan. Cresus zelf
+stelde zich daarmede gerust, gedachtig aan de vriendschap van
+Amasis en de vrees, die deze voor de macht der Perzen aan den dag
+had gelegd. Kort daarop verliet hij het huis van Rhodopis, om bij
+den Milesiër Theopompus te overnachten.
+
+»Groet Gyges van mij!" riep Aristomachus, toen de grijsaard zich
+verwijderde. »Ik bid hem om vergeving. En zeg hem uit mijn naam, dat
+ik zou wenschen, hem tot vriend te hebben, of, zoo dit niet zijn kan,
+in een eerlijken krijg als vijand tegenover hem te staan."
+
+»Wie zal zeggen wat de toekomst nog brengen kan!" antwoordde Cresus,
+den Spartaan de hand reikende.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Het licht van een nieuwen dag was over Egypte opgegaan. De
+overvloedige dauw van den nacht, die aan de oevers van den Nijl den
+regen vervangt, lag als smaragden en edelgesteenten op de bladeren en
+in de bloemkelken. De zon was nog maar weinige oogenblikken te voren
+in het oosten verrezen, en de door den frisschen noordwestenwind
+bekoelde morgenlucht lokte een ieder uit, om zich te vermeien in de
+vrije natuur, voordat de drukkende warmte van den middag dit bijkans
+onmogelijk zou maken.
+
+Uit het ons welbekende landhuis traden twee vrouwen te voorschijn,
+de oude slavin Melitta en Sappho, de kleindochter van Rhodopis. Als
+eene gazelle huppelde het aanvallige meisje door den tuin. Zij was
+ook nu, evenals toen wij haar in den slaap bewonderden, bekoorlijk
+in hare maagdelijke schoonheid. Bovendien speelde er thans een
+schalksche trek om haren rooskleurigen mond, en om de kuiltjes in kin
+en wangen. Het volle bruine haar vertoonde zich als ter sluiks van
+onder den purperrooden hoofddoek, en het lichte witte morgengewaad
+met wijde mouwen fladderde los en vrij om hare buigzame leden.
+
+Nu bukte zij, brak een nog gesloten rozeknopje af, sprengde den dauw
+er van hare oude bewaakster in het aangezicht, lachte hartelijk over
+hare schalkschheid op een toon, zuiverder dan de zuiverste klank
+eener klok, stak daarna de roos op den boezem, en begon toen met eene
+verwonderlijk heldere en liefelijke stem te zingen:
+
+
+ Amor wilde een roosje plukken
+ In Cythere's bloemenhof,
+ Toen op eens een honigbietje,
+ In heur blaadjes neêrgedoken, hem den donzen vinger trof.
+
+ 't Knaapje, door de smart gefolterd,
+ Barstte los in luid geween;
+ En terwijl een vloed van traantjes
+ Langs zijn bleeke koontjes dauwde, vloog hij naar Cythere heen:
+
+ "Moeder!" riep hij, "'k ben verloren!
+ Red mij op mijn jammerklacht;
+ Ach, een kleine slang met vleugels,
+ Door den landman bie geheeten, heeft me een wonde
+ toegebracht!" [175]
+
+
+»Is mijn lied niet schoon?" lachte het meisje. »Och, wat was die
+kleine Eros toch dom, eene bij voor eene gevleugelde slang te
+houden! Grootmoeder zegt, dat zij nog een paar verzen kent van dit
+lied, dat door den grooten dichter Anakreon gemaakt is, maar die wil
+zij mij nu nog niet leeren. Zeg eens, Melitta, wat zou er wel in die
+strophen staan? Gij glimlacht? Lieve, eenige Melitta, zing mij het
+laatste coupletje eens voor! Of, kent gij het misschien niet? Neen? Dan
+kunt gij het mij ook niet leeren."
+
+»Dat is een heel nieuw lied," antwoordde de oude vrouw, »en ik ken
+alleen de zangen van den goeden ouden tijd. Maar, wat is dat? Hoordet
+gij daar den klopper niet op de poort vallen?"
+
+»Zeker, en ik verbeeldde mij ook dat ik den hoefslag van een paard
+op den weg vernam. Daar klopt men weder. Zie toch eens, wie zoo
+vroeg in den morgen binnen gelaten wenscht te worden. Wellicht is de
+goede Phanes gisteren toch niet vertrokken, en komt hij ons nog eens
+vaarwel zeggen."
+
+»Phanes is weg," antwoordde de oude, ernstiger wordende. »Rhodopis
+heeft mij bevolen u in huis te zenden, indien er bezoek mocht
+komen... Ga dus, meisje, opdat ik de poort opensluite. Kom, verwijder
+u spoedig, daar klopt men reeds voor de derde maal."
+
+Sappho deed als liep zij hard naar huis. Maar in plaats van aan
+het verlangen harer bewaakster te voldoen, verborg zij zich achter
+een rozestruik, om vandaar den ontijdigen bezoeker te kunnen gade
+slaan.--Men had haar de gebeurtenissen van den vorigen avond verzwegen,
+ten einde haar niet noodeloos te verontrusten, en Sappho was gewoon
+op dit vroege morgenuur slechts de meest vertrouwde vrienden harer
+grootmoeder te zien verschijnen.
+
+Melitta opende de poort, en geleidde kort daarop een rijkuitgedost
+jongeling met blonde haren door den tuin.
+
+Sappho verroerde zich niet; zij was in stomme verbazing over deze
+haar geheel vreemde kleederdracht en de zeldzame schoonheid van den
+Perzischen koningszoon. Want deze was 't die in den vroegen ochtend
+Rhodopis kwam bezoeken. Zij kon hare oogen niet van zijn gelaat
+afwenden. Juist zóo had zij zich den blondlokkigen Apollo, den voerman
+van den zonnewagen en den aanvoerder van de Muzen, voorgesteld.
+
+Melitta en de vreemdeling naderden intusschen haar schuilhoekje. In
+plaats van zich nog beter te verbergen, drong zij haar kopje tusschen
+de rozen naar voren, om den jongeling, die minzaam maar in gebroken
+Grieksch tot de oude slavin sprak, te beter te kunnen verstaan. En
+nu hoorde zij, hoe hij met zekere drift onderzoek deed naar Cresus en
+zijn zoon. Vervolgens vernam zij uit den mond der slavin, in antwoord
+op de haar gedane vragen, alles wat er den vorigen avond had plaats
+gegrepen. Zij werd vol angst over Phanes. Zij dankte in haar hart den
+edelen Gyges, en vroeg zichzelve af, wie deze koninklijk uitgedoste
+jongeling zou kunnen zijn. Wel had Rhodopis haar van de heldendaden
+van Cyrus, van den val van Cresus, van de macht en den rijkdom der
+Perzen verhaald; maar dit was ook alles wat zij van de Aziaten wist,
+die zij overigens voor een woest, onbeschaafd volk hield. Hoe langer
+zij nu den schoonen Bartja aanschouwde, des te sterker werd hare
+belangstelling in de Perzen.
+
+Als eindelijk Melitta zich verwijderde, om hare grootmoeder te wekken
+en kennis te geven van het vroegtijdig bezoek, wilde het meisje
+haar volgen. Maar Eros, de dartele knaap, over wiens kinderlijke
+onwetendheid zij nog een oogenblik te voren gelachen had, had het
+anders besloten. Haar kleedje werd door de doornen van den rozestruik
+vastgehouden, en voordat zij nog in staat was zich te bevrijden, stond
+reeds de schoone Pers voor haar, en hielp haar, terwijl zij sterk
+bloosde, om het kleedje van den verraderlijken struik los te maken.
+
+Sappho was niet in staat een enkel woord van dank uit te brengen, en
+sloeg beschaamd en toch glimlachende de oogen neder. Bartja, de anders
+zoo moedige knaap, zag zwijgend, en evenals zij met hoogroode kleur,
+op haar neder. Maar dit zwijgen duurde slechts kort, want het meisje,
+dat zich spoedig van haar schrik hersteld had, barstte op eenmaal
+met kinderlijke vroolijkheid in een helderen schaterlach uit over den
+zwijgenden vreemdeling en het vreemdsoortige dezer ontmoeting. Toen
+snelde zij als eene opgejaagde hinde naar huis.
+
+Nu echter herkreeg ook de Pers de hem eigene vrijmoedigheid. In
+twee sprongen had hij het meisje ingehaald. Snel als de gedachte
+vatte hij hare hand, en hield ze in spijt van haar weêrstreven in de
+zijne geklemd.
+
+»Laat mij los!" bad Sappho, half ernstig, half glimlachende, hare
+donkere oogen tot den jongeling opheffende.
+
+»Hoe zou ik dat kunnen?" antwoordde deze. »Ik heb u van den rozestruik
+geplukt, en houd u gevangen, tot ge mij in uwe plaats uwe zuster dáar
+aan uw boezem als eene gedachtenis medegeeft naar mijn ver verwijderd
+vaderland."
+
+»Ach, ik bid u, laat mij," herhaalde Sappho. »Zoolang ge mij niet
+loslaat, treed ik in geene onderhandeling."
+
+»Maar, zult gij niet weder wegloopen, als ik aan uw verlangen voldoe?"
+
+»Zeker niet!"
+
+»Welnu, zoo schenk ik u de vrijheid terug, maar nu moet ge mij ook
+uwe roos geven."
+
+»Ginds aan den struik zijn nog veel schoonere. Pluk er van, zooveel
+u lust. Waarom wilt gij juist deze?"
+
+»Om ze, als eene gedachtenis aan het schoonste meisje dat ik ooit
+gezien heb, zorgvuldig te bewaren."
+
+»Nu geef ik u de roos in het geheel niet, want hij die mij zegt dat
+ik schoon ben, die meent het niet goed met mij. Maar wie mij zegt
+dat ik goed ben, hij is mijn vriend."
+
+»Wie heeft u dat geleerd?"
+
+»Mijne grootmoeder Rhodopis."
+
+»Welnu, dan zeg ik u, dat gij het beste meisje op de geheele wereld
+zijt."
+
+»Hoe kunt gij nu zoo iets zeggen, gij, die mij volstrekt niet kent? O,
+ik ben dikwijls zeer ondeugend en ongehoorzaam. Ware ik goed, zoo
+zou ik thans, in plaats van met u te staan praten, reeds lang in
+huis zijn gegaan, gelijk mij betaamde. Want grootmoeder heeft mij
+streng verboden in den tuin te blijven als er vreemdelingen zijn,
+en ik verlang ook volstrekt niet naar het bijzijn van de mannen,
+die steeds over dingen spreken waarvan ik niets versta."
+
+»Zoo zoudt gij dan ook maar liefst zien, dat ik mij verwijderde?"
+
+»Ach neen, u begrijp ik zeer goed, al spreekt gij ook op verre na
+zoo schoon niet, als bij voorbeeld Ibycus of de arme Phanes, die
+gisteren, gelijk ik eerst straks van Melitta vernam, zoo jammerlijk
+vluchten moest."
+
+»Hadt gij hem lief?"
+
+»Of ik hem liefhad? O ja, ik mocht hem zeer gaarne lijden. Toen
+ik nog klein was, bracht hij altijd ballen, ledepoppen [176] en
+kegelspellen uit Saïs en Memphis voor mij mede; en toen ik grooter was
+geworden, leerde hij mij schoone nieuwe liederen. Bij het afscheid
+bracht hij mij een zeer klein Siciliaansch schoothondje mede, dat
+ik Argos zal noemen [177], daar het zoo wit en zoo vlug is. Binnen
+weinige dagen zullen wij nog een ander geschenk van den goeden Phanes
+ontvangen. Dan.... ziet gij, zoo ben ik. Bijna had ik daar nu een groot
+geheim verklapt. Grootmoeder heeft mij streng verboden, aan iemand
+ter wereld te vertellen, welke lieve kleine gasten wij wachtende
+zijn. Maar het is mij, al kenden wij elkaar reeds sinds lang. Uwe
+oogen zijn zoo goed, dat ik u gerust alles zou durven zeggen wat ik
+weet. Doch, ziet ge, buiten grootmoeder en de oude Melitta heb ik
+ook niemand wien ik kan toevertrouwen, wat mij verblijdt; en ik weet
+zelve niet hoe het komt, maar menigmaal begrijpen die twee, hoe lief
+zij mij ook hebben, in het geheel niet, hoe deze of gene kleinigheid
+mij zoo groote vreugde kan geven."
+
+»Dat komt daar vandaan, dat zij oud zijn, en de blijdschap van een
+jeugdig hart niet meer verstaan kunnen. Maar hebt gij dan in het geheel
+geene speelgenoot, niemand van uw eigen leeftijd, die gij liefhebt?"
+
+»Niemand. Wel zijn er, buiten mij, vele meisjes in Naucratis, doch
+grootmoeder zegt, dat ik haren omgang niet mag zoeken. Omdat zij niet
+tot ons willen komen, werd het mij ook niet vergund tot hen te gaan."
+
+»Arm kind! Waart gij in Perzië, zoo zou ik u spoedig eene lieve
+vriendin bezorgen. Ik heb eene zuster, zij heet Atossa, die zoo jong,
+zoo schoon en zoo goed is, als gij."
+
+»Ach, hoe jammer, dat zij niet met u gekomen is. Maar nu moet gij
+mij ook zeggen, hoe ik u moet noemen."
+
+»Ik heet Bartja."
+
+»Bartja? Een vreemd woord Bartja!--Bartja! Weet gij wel, dat die naam
+mij best bevalt? Hoe heet toch de goede zoon van Cresus, die onzen
+Phanes zoo edelmoedig redde?"
+
+»Gyges is zijn naam. Darius, Zopyrus en hij zijn mijne beste
+vrienden. Wij hebben wederzijds gezworen, elkaar nimmer te zullen
+verlaten, en voor elkander des noods bloed en leven ten offer te
+brengen [178]. Zoo ben ik dus heden in de vroegte, in spijt van hun
+bidden en smeeken, heimelijk hierheen gereden om mijn vriend bij te
+staan, ingeval hij hulp mocht behoeven."
+
+»En uwe reis was vergeefs."
+
+»Neen, bij Mithra! dat was zij niet, want op mijn rit heb ik u
+gevonden. Maar nu moet gij mij ook zeggen hoe gij heet?"
+
+»Men noemt mij Sappho."
+
+»Een schoone naam. Zijt gij misschien nog eene bloedverwante van
+de dichteres, wier schoone liederen Gyges mij zoo dikwerf heeft
+voorgezongen?"
+
+»Voorzeker! De tiende Muze of de Lesbische zwaan, gelijk de oudere
+Sappho genoemd wordt, was de zuster van mijn grootvader Charaxus. Uw
+vriend Gyges schijnt in het Grieksch beter te huis te zijn, dan gij?"
+
+»Van zijn geboorte af heeft hij niet alleen de Lydische maar ook de
+Grieksche taal leeren spreken, en van beide bedient hij zich met
+evenveel gemak. Ook het Perzisch is hij volkomen machtig; en, wat
+meer zegt, hij heeft zich ook alle deugden der Perzen eigen gemaakt!"
+
+»Wat houdt gij dan wel voor de hoogste deugden?"
+
+»Waarheidsliefde is de eerste van alle deugden; de tweede noemen wij
+dapperheid, de derde gehoorzaamheid. Deze drie, gepaard aan eerbied
+voor de goden, hebben de Perzen groot gemaakt."
+
+»Maar gij erkent immers geene goden?"
+
+»Dwaasheid, lief kind! Wie zou zonder goden, zonder een hoogeren
+bestuurder kunnen bestaan? Het is waar, wij laten die hemelsche wezens
+niet, gelijk gij, in huizen en beelden wonen, want al het geschapene
+is hunne woning. De godheid, die overal moet zijn en een ieder hooren
+en zien, laat zich niet binnen muren opsluiten!" [179]
+
+»Maar waar aanbidt en offert gij dan, zoo gij geene tempels hebt?"
+
+»Op het grootste van alle altaren, in de vrije natuur, het liefst op
+de toppen der bergen [180]. Dáar zijn wij onzen Mithra, de groote zon,
+en Aoeramazda, het reine scheppende licht, het meest nabij. Dáar valt
+het duister het laatst en breekt het licht het eerste door. Alleen
+het licht is rein en goed, de duisternis is zwart en boos. Ja, lief
+kind, op de bergen is ons de godheid het meest nabij, daar toeft
+zij het liefst. Hebt gij nooit op de met wouden gekroonde toppen van
+een hooggebergte gestaan en, onder het plechtig zwijgen der natuur,
+het zachte suizen van den adem der godheid vernomen, zoodat u eene
+siddering door de leden voer? Hebt gij nooit in het groene bosch, aan
+eene heldere bron, onder den blooten hemel neergezeten, en geluisterd
+naar de stem van den God, die in het ritselen der bladeren, en in
+het ruischen van de wateren spreekt? Hebt gij nooit opgemerkt, hoe
+de vlam met onweerstaanbare macht opwaarts stijgt tot haren vader,
+de zon, en het gebed in den ten hemel klimmenden rook tot den grooten
+stralenden schepper draagt?--Gij hoort mij verwonderd aan; maar,
+meisje, ik verzeker u, gij zoudt met mij nederknielen en aanbidden,
+zoo ik u naar een altaar op den top van het hooggebergte kon voeren."
+
+»O, dat ik met u konde gaan! O, dat ik eens van een berg neder mocht
+zien, op alle dalen en stroomen en wouden en weiden! Ik geloof, dat
+het mij daar boven, waar niets voor mijn blik verborgen zou wezen,
+zijn zou, als ware ik zelve eene alziende godheid.--Maar, wat was
+dat?--Grootmoeder roept. Ik moet gaan."
+
+»O, verlaat mij nog niet!"
+
+»De gehoorzaamheid is ook eene Perzische deugd."
+
+»En mijne roos?"
+
+»Hier hebt gij ze."
+
+»Zult gij u mijner herinneren?"
+
+»Hoe zou ik niet?"
+
+»Lief meisje, vergeef mij, maar sta mij nog eene tweede gunst toe."
+
+»Spoedig, spoedig, grootmoeder roept al weder."
+
+»Neem deze ster van diamanten tot eene gedachtenis aan dit uur."
+
+»Ik mag niet!"
+
+»O, ik bid u, neem ze aan. Mijn vader gaf ze mij tot belooning toen ik
+den eersten beer met eigen hand geveld had [181]. Zij was tot dusver
+het liefste, wat ik had, thans moet gij haar van mij aannemen, want
+van nu aan is mij niets zoo dierbaar als gij!"
+
+De jongeling nam de keten met de ster van zijne borst, en wilde
+het meisje dit kleinood om den hals hangen. Sappho bleef echter
+dit kostbare geschenk weigeren. Toen sloeg Bartja zijn arm om haar
+heen, kuste haar op 't voorhoofd, noemde haar zijn eenige geliefde,
+wierp haar met zacht geweld het sieraad om den hals, en staarde een
+oogenblik diep in de donkere oogen van het bevende kind.
+
+Rhodopis riep ten derden male. Sappho wond zich los uit den arm van
+den koningszoon, en wilde zich snel verwijderen. Maar nog eenmaal
+wendde zij, op de smeekende stem van den jongeling, het hoofd om, en
+antwoordde op zijne vraag: »Wanneer mag ik u wederzien?" met zachte
+stem: »Morgen ochtend vroeg, bij gindsche rozestruik."
+
+»Die als mijn bondgenoot u vasthield."
+
+Sappho spoedde zich nu naar binnen. Rhodopis ontving Bartja, en deelde
+hem omtrent de geschiedenis van zijn vriend mede, wat zij zelve wist.
+
+Zonder verder dralen keerden nu de jonge Pers naar Saïs terug.
+
+Toen Rhodopis aan den avond van dien dag, als gewoonlijk, voor de
+sponde harer kleindochter trad, sliep deze niet zoo kalm en rustig,
+als zij placht. Hare lippen bewogen zich en, als werd zij door booze
+droomen gekweld, de schoone slaapster zuchtte soms diep en smartelijk.
+
+Bartja ontmoette op den terugweg zijne vrienden Darius en Zopyrus,
+die hem, zoodra zij kennis droegen van zijn heimelijken aftocht,
+terstond gevolgd waren. Zij konden bezwaarlijk vermoeden dat Bartja,
+in plaats van strijd en gevaar, zijn eerste liefdesgeluk gevonden had.
+
+Kort vóor de drie vrienden kwam Cresus te Saïs aan. Op staanden voet
+begaf hij zich tot den koning, en verhaalde dezen zonder omwegen alles,
+wat den vorigen avond te Naucratis geschied was. Amasis veinsde de
+grootste verwondering over den aanslag van zijn zoon, verzekerde
+zijn vriend, dat Gyges aanstonds op vrije voeten zou worden gesteld,
+en maakte zich vroolijk over de verijdelde wraakneming van Psamtik.
+
+Nauwelijks had Cresus zich verwijderd, of de kroonprins liet zich
+aandienen.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Toen Amasis zijn zoon zag binnentreden, barstte hij uit in schaterend
+gelach, volstrekt geen acht slaande op diens bleek en verstoord
+gelaat. »Heb ik het u niet gezegd," zoo begon hij, »dat het voor een
+eenvoudig Egyptenaar geene lichte taak is, zulk een Helleenschen
+vos te vangen? Ik had gaarne tien steden van mijn rijk gegeven,
+zoo ik tegenwoordig had kunnen zijn, toen gij in den gewaanden wel
+bespraakten Athener den stotterenden Lydiër herkendet."
+
+Psamtik werd nog bleeker. Hij beefde van toorn, en met heesche stem
+antwoordde hij: »Het staat u niet mooi, vader, u te verheugen over den
+hoon uw zoon aangedaan. Had ik mijn drift niet beteugeld ter wille
+van Cambyzes, zoo zou, bij de eeuwige goden, de onbeschaamde Lydiër
+heden voor het laatst het licht der zon aanschouwd hebben. Maar wat
+raakt het u of ik, uw zoon, ten doelwit verstrek aan den spot van
+dit Grieksche bedelaarspak!"
+
+»Zie niet met minachting neder op hen, die bewezen hebben verstandiger
+te zijn dan gij."
+
+»Verstandiger?--verstandiger?--Mijn ontwerp was zoo fijn en zoo
+kunstig aangelegd, dat....."
+
+»De fijnste weefsels scheuren het lichtst."
+
+»Dat mij de geslepen Helleen niet zou zijn ontkomen, zoo zich niet, in
+strijd met alle wetten en gebruiken, de gezant eener vreemde mogendheid
+tot redder van dezen door ons ter dood veroordeelden had opgeworpen."
+
+»Gij dwaalt, mijn zoon! Hier is geene sprake van de voltrekking van
+een rechterlijk vonnis, maar eenvoudig van het gelukken of mislukken
+eener persoonlijke wraak."
+
+»De werktuigen van die wraak waren evenwel beambten des konings, en
+daarom is het geringste, wat ik als genoegdoening van u eischen moet,
+dat gij den koning van Perzië verzoekt, den man te straffen, die zich
+ongeroepen in de tenuitvoerlegging uwer bevelen heeft gemengd. Zulk
+een vergrijp zal in Perzië, waar zich alles voor den koning als voor
+de godheid buigt, naar recht en billijkheid vergolden worden. Cambyzes
+is ons de bestraffing van Gyges schuldig."
+
+»Maar ik zal er hem toch niet toe aanmanen, want ik wil u bekennen,
+dat ik mij hartelijk verheug over de redding van Phanes. Gyges heeft
+mijne ziel bewaard voor het verwijt, onschuldig bloed vergoten te
+hebben, en u verhinderd lage wraak te oefenen aan een man, aan wien
+uw vader groote verplichting heeft."
+
+»Zoo wilt gij dan dit voorval voor Cambyzes geheel verzwijgen?"
+
+»Neen! ik zal het hem in een brief mededeelen, doch schertsende, gelijk
+dit mijne gewoonte is, en hem tegelijk voor Phanes waarschuwen. Ik
+zal er hem op voorbereiden, dat hij ter nauwernood aan onze wraak
+ontsnapt, het zich ten doel zal stellen het machtige Perzië tegen
+Egypte op te ruien, en mijn schoonzoon verzoeken zijn oor voor den
+indringer te sluiten. De vriendschap van Cresus en Gyges zal ons van
+meer nut zijn, dan de haat van Phanes ons schaden kan."
+
+»Is dat uw laatste woord? Wilt gij mij geene genoegdoening
+verschaffen?"
+
+»Neen! Het blijft bij hetgeen ik gezegd heb."
+
+»Zoo beef niet slechts voor Phanes, maar voor een anderen, wiens
+lot wij in onze handen hebben, maar die wederkeerig uw lot in zijne
+handen heeft!"
+
+»Gij wilt mij dreigen, wilt den gisteren geknoopten band weder
+verbreken? Psamtik, Psamtik, ik raad u te bedenken, dat gij voor uw
+vader den koning staat!"
+
+»En gij, wees indachtig dat ik uw zoon ben! Want, zoo gij mij dwingt
+te vergeten, dat ik u het leven verschuldigd ben, en ik op geene
+hulp van uwe zijde rekenen mag, zoo zal ik van mijne eigene wapenen
+gebruik weten te maken."
+
+»Ik ben waarlijk nieuwsgierig, die te leeren kennen."
+
+»Waarom zou ik die voor u verbergen? Weet dan, dat ik en mijne
+vrienden, de priesters, in den oogarts Nebenchari een bondgenoot
+bezitten."
+
+Amasis verbleekte.
+
+»Vóor dat gij kondet vermoeden, dat Cambyzes aanzoek om uwe dochter zou
+doen, zondt gij dezen man naar het afgelegene Perzië, ten einde iemand,
+die het geheim der afkomst van mijne zoogenaamde zuster Nitetis kende,
+uit Egypte te verwijderen. Daar bevindt hij zich nu nog, en op den
+eersten wenk der priesterschap zal hij den misleiden koning mededeelen,
+dat gij hem, in plaats van uw eigen kind, de dochter van uw voorganger
+Hophra tot vrouw hebt gegeven. Alle papieren van den arts zijn in
+ons bezit. Het gewichtigste stuk van alle, een eigenhandigen brief
+van u, gericht aan zijn vader, die Ladice bij hare bevalling ter
+zijde stond [182], houdt in, dat gij duizend gouden ringen belooft,
+zoo hij zelfs voor de priesters geheim wilde houden, dat Nitetis uit
+een ander stamhuis dan het uwe afkomstig is."
+
+»Wie bezit die papieren?" vroeg Amasis op ijskouden toon.
+
+»De priesters."
+
+»En deze spreken door uw mond?"
+
+»Gelijk gij zegt."
+
+»Herhaal dan, wat gij van mij begeert."
+
+»Eisch van Cambyzes de bestraffing van Gyges, en geef mij volmacht
+om den voortvluchtigen Phanes te vervolgen naar mijn goeddunken."
+
+»Is dit alles?"
+
+»Leg in handen der priesters den eed af, dat gij van nu aan den
+Hellenen beletten zult, in Egypte nieuwe tempels voor hunne leugengoden
+te bouwen, en bevelen zult, dat men de oprichting van den Apollo-tempel
+te Memphis stake!"
+
+»Ik verwachtte diergelijke eischen; want voorzeker, men heeft een
+scherp wapen tegen mij gevonden. Ik ben bereid aan de wenschen mijner
+vijanden, die gij u tot vrienden hebt uitgelezen, gehoor te geven. Maar
+ook ik stel twee voorwaarden. Ten eerste verlang ik den bewusten
+brief terug, dien ik werkelijk onvoorzichtig genoeg aan den vader van
+Nebenchari heb geschreven; want liet ik dit document in hunne handen,
+zoo kon ik verzekerd zijn, in plaats van koning te blijven, weldra
+de onderdanige slaaf van ellendige priesterlisten te zullen worden."
+
+»Uw wensch is billijk. Gij zult den brief ontvangen, als..."
+
+»Geen tweede: als! Verneem veeleer, dat ik uw wensch, om Cambyzes
+aan te manen tot het straffen van Gyges, zoo dwaas acht, dat ik dien
+niet vervullen zal. Laat mij nu alleen, en treed mij niet onder de
+oogen voordat ik u ontbied. Gisteren had ik een zoon gewonnen, om
+hem heden weder te verliezen. Sta op! Ik begeer geene bewijzen van
+eene onderdanigheid en liefde die gij nooit gekend hebt. Als gij in
+het vervolg troost of raad noodig hebt, ga dan tot de priesters, en
+zie of zij uw vader vervangen kunnen. Zeg aan Neithotep, die u kneden
+kan als zachte was, dat hij het rechte middel heeft gevonden, om mij
+af te persen wat ik hem anders geweigerd zou hebben. Om Egypte groot
+en gelukkig te maken, was ik tot heden tot ieder persoonlijk offer
+bereid; nu mij echter duidelijk wordt, dat de priesterschap het niet
+beneden zich acht mij met het verraad van het vaderland te dreigen,
+teneinde hare eigene bedoelingen te verwezenlijken, kon ik er wel
+eens toe komen de zoo bevoorrechte kaste voor gevaarlijker vijanden
+van mijn rijk te houden dan zelfs de Perzen. Neem u in acht! Neem u
+in acht! Ditmaal buig ik nog voor de listen mijner vijanden, want
+ik heb zelf, door vaderlijke zwakheid gedreven, een groot gevaar
+over Egypte gebracht. Voortaan echter zal ik, bij de groote Neith,
+mijne gebiedster! handtastelijk bewijzen dat ik koning ben, en eer
+de gansche priesterschap, dan het kleinste deel van mijn koninklijken
+wil ten offer brengen. Zwijg--en vertrek!"
+
+Psamtik ging. Ditmaal echter had de koning meer tijd noodig, om met
+een vroolijk gelaat zijne gasten te kunnen ontmoeten. De prins begaf
+zich dadelijk tot den opperbevelhebber der inlandsche troepen. Hij
+gebood hem den Egyptischen hoofdman, het onbekwame werktuig zijner
+verijdelde wraak, naar de steengroeven van Chennoe te verbannen [183]
+en de Ethiopische krijgslieden naar hun land terug te zenden. Daarop
+spoedde hij zich naar den opperpriester van Neith, om dezen mede te
+deelen wat hij van den koning had weten te verwerven.
+
+Neithotep schudde bedenkelijk het verstandig hoofd, bij het vernemen
+der dreigende woorden van Amasis, en zond den troonopvolger heen met
+eenige vermaningen, zonder welke hij hem nooit van zich liet gaan.
+
+Psamtik trad nu zijne woning binnen. Zijne mislukte wraak, de nieuwe
+rampzalige breuk met zijn vader, de vrees voor de bespotting der
+vreemdelingen, het gevoel zijner afhankelijkheid van den wil der
+priesters, het geloof aan eene vreeselijke toekomst, die hem van
+zijne geboorte af boven het hoofd hing, drukten loodzwaar op zijn
+hart en verduisterden zijn geest. Eens was hij gelukkig geweest in
+het bezit eener geliefde vrouw en van vijf bloeiende kinderen. Van
+dat alles was hem niets overgebleven dan eene dochter en een zoontje,
+dat hij met zijne gansche ziel liefhad. Tot dien knaap voelde hij
+zich thans heengetrokken. In de nabijheid van dit kind hoopte hij
+troost en nieuwen moed te vinden. Het helderblauwe oog en de lachende
+mond van zijn zoon waren alleen in staat, het als met eene ijskorst
+omgeven gemoed van dezen man te verwarmen.
+
+»Waar is mijn zoon?" vroeg hij den eersten den besten hoveling,
+die hem tegenkwam.
+
+»Zoo even heeft de koning prins Necho en zijne oppasster laten halen,"
+was het antwoord.
+
+De hofmeester van den kroonprins naderde nu zijn meester, en
+overhandigde hem met eene diepe buiging een verzegelden, op papyrus
+geschreven brief, zeggende: »Van uw vader, den koning!"
+
+Met toornige drift verbrak Psamtik het gele was van het zegel, dat
+het naamcijfer des konings droeg [184], en las: Ik heb uw zoon bij
+mij ontboden, opdat hij niet evenals gij tot het blinde werktuig der
+priesters opgroeie, en niet vergeten zal wat hij zichzelven en zijn
+vaderland verschuldigd is. Ik zal voor zijne opvoeding zorg dragen,
+want de indrukken, in de kindsheid ontvangen, doen het gansche leven
+door hun invloed gevoelen. Wilt gij Necho bezoeken, het is mij wel;
+maar dan moet gij mij van te voren van uwe komst verwittigen."
+
+De kroonprins beet zich de lippen aan bloed, om voor de hem omringende
+dienaars zijne woede te verbergen. De wensch van zijn vader, den
+koning, was in Egypte even verbindend als het strengste bevel. Eenige
+oogenblikken stond hij in diep gepeins. Daarop riep hij om jagers,
+honden, bogen en lansen, sprong op een lichten wagen, en deed zich
+door zijn wagenmenner in het westelijk gelegene moerasland brengen, om
+daar, terwijl hij de bewoners der wildernis met honden en werpspietsen
+vervolgde [185], te vergeten wat zijn hart benauwde, en op de dieren
+zijne verijdelde wraak te verhalen.
+
+Gyges was, oogenblikkelijk na het onderhoud van zijn vader met
+Amasis, op vrije voeten gesteld, en door zijne vrienden met luid
+gejubel ontvangen. De pharao scheen de gevangenneming van den
+zoon zijns vriends door verdubbelde hartelijkheid weder goed te
+willen maken. Hij schonk den jongen Lydiër nog dienzelfden dag
+een kostbaren wagen met twee bruine rossen van edel ras bespannen,
+en verzocht hem tot een aandenken aan Saïs een zeer kunstig damspel
+naar Perzië mede te nemen. De schijven van dit spel waren vervaardigd
+van ivoor en ebbenhout. Sommige dier schijven waren met zinspreuken
+in hiëroglyphenteekens van goud en zilver ingelegd. Amasis maakte
+zich met zijne gasten recht vroolijk over de list van Gyges, liet de
+jonge helden ongehinderd met zijn gezin verkeeren, en behandelde hen
+gelijk een opgeruimd vader zijne levenslustige zonen. Alleen bij den
+maaltijd bewees hij, dat hij in zijn hart toch nog een Egyptenaar
+was; want de Perzen moesten aan eene afzonderlijke tafel eten. Hij
+zou zich, volgens het geloof zijner vaderen, verontreinigd hebben,
+wanneer hij met de vreemdelingen aan dezelfde tafel gespijsd had [186].
+
+Toen Amasis eindelijk, drie dagen na de invrijheidstelling van Gyges,
+verklaarde, dat zijne dochter Nitetis binnen twee weken tot de afreize
+naar Azië gereed zou zijn, betreurden al de Perzen, dat zij niet langer
+in Egypte konden toeven. Cresus had vele gelukkige uren gesleten
+in het gezelschap van den Samischen dichter en beeldhouwer. Gyges
+koesterde, evenals zijn vader, eene voorliefde voor de Helleensche
+kunstenaars. Darius, die zich te Babylon reeds met de beoefening
+der sterrenkunde had beziggehouden [187], was op zekeren avond, toen
+hij den hemel beschouwde, door den grijzen opperpriester van Neith
+aangesproken en uitgenoodigd hem op den hoogsten pylon, de voornaamste
+sterrenwacht van den tempel, te volgen. Mocht hem deze toenadering
+van den priester ook verbazen, de naar wijsheid begeerige jongeling
+had zich geen tweemaal laten nooden, en deed sedert dien avond alle
+nachten uit den mond van den grijsaard nieuwe kennis op.
+
+Psamtik ontmoette op zekeren dag den vreemdeling bij zijn meester,
+en toen Darius zich verwijderd had, vroeg hij Neithotep, hoe deze er
+toe kwam een Pers in te wijden in de Egyptische geheimenissen.
+
+»Ik onderwijs hem," antwoordde de priester, »in zaken, welke ieder
+geleerd Chaldeër te Babylon evengoed weet als wij, en maak ons
+daardoor een man tot vriend, wiens gesternte dat van Cambyzes in glans
+overtreft, gelijk de zon de maan.--Deze Darius, zeg ik u, zal eenmaal
+een machtig heerscher worden. Ja, ik heb zijne planeet zelfs over
+Egypte zien lichten. Den wijze voegt het niet bij het tegenwoordige te
+blijven stilstaan; hij moet pogen ook in de toekomst door te dringen;
+hij moet niet alleen zijn eigen weg, maar ook zijne omgeving trachten
+te overzien. Gaat gij een huis voorbij, zoo kunt gij bezwaarlijk weten,
+of niet binnen de wanden dier woning iemand wordt opgevoed, die later
+uw weldoener zijn zal. Laat niets onopgemerkt van hetgeen ge op uw pad
+ontmoet; maar zie vóor alle dingen op naar de sterren. Gelijk de hond
+des nachts waakt, om zijn meester te kunnen waarschuwen zoo er dieven
+in aantocht zijn, waak ik sedert vijftig jaren, om de zwervers aan den
+hemel, de eeuwige in den aether schitterende boden van het noodlot,
+die den menschen niet slechts dag en nacht, zomer en winter, maar
+ook geluk en ongeluk, roem en schande verkonden, te bespieden. Zij,
+die nooit liegen, hebben mij in Darius eene plant doen aanschouwen,
+die tot een grooten boom zal opwassen."
+
+De nachtelijke leeruren van Darius, die hem veroorloofden langer dan
+gewoonlijk te slapen, waren Bartja uiterst welkom, want zij maakten
+'t hem gemakkelijker zijne heimelijke morgen toertjes naar Naucratis
+uit te voeren, op welke Zopyrus, dien hij tot zijn vertrouwde had
+gemaakt, hem gewoonlijk vergezelde. Terwijl hij zelf bij Sappho
+was, hield zijn vriend zich gewoonlijk met zijne dienaren onledig,
+om eenige springhazen, snippen, pelikanen of vossen te schieten. En
+bij hunne terugkomst, wanneer hun mentor Cresus naar de oorzaak van
+hun vroegtijdig uitstapje onderzoek deed, heette het, dat de vrienden
+zich in de lievelingsbezigheid der aanzienlijke Perzen, de edele jacht,
+geoefend hadden.
+
+Buiten Tachot, de dochter van Amasis, was er niemand, die de
+verandering bespeurde in het gemoed van den koningszoon, door de
+macht eener eerste liefde uitgewerkt. Zij voedde, sedert den dag
+waarop Bartja voor het eerst tot haar gesproken had, een stillen
+hartstocht voor den schoonen jongeling. Met de fijne voelhorens
+der liefde bemerkte zij alras, dat een derde zich tusschen haar en
+hem geplaatst moest hebben. Had Bartja haar vroeger als een broeder
+bejegend en haar bijzijn gezocht, thans vermeed hij zorgvuldig alle
+vertrouwelijke toenadering. Hij vermoedde het geheim van haar hart,
+en meende dat hij verraad pleegde jegens Sappho, met haar slechts
+vriendelijk aan te zien. De arme koningsdochter leed zeer onder de
+koelheid van den jongeling, en vertrouwde eindelijk hare smart aan
+Nitetis. Deze bemoedigde haar en bouwde luchtkasteelen voor en met
+haar. De beide meisjes spiegelden zich voor, hoe heerlijk het zijn zou,
+als zij met twee vorstelijke broeders gehuwd zich niet van elkander
+zouden behoeven te scheiden, maar aan éen hof zouden kunnen leven. Maar
+de eene dag vóor de andere na verstreek, en de schoone Pers vertoonde
+zich aan de dochter van Amasis steeds zeldzamer, en wanneer hij in haar
+gezelschap was, dan behandelde hij Tachot koel en vormelijk. Toch moest
+de ongelukkige zichzelve bekennen, dat Bartja gedurende zijn verblijf
+in Egypte nog schooner en mannelijker was geworden. Fierheid en het
+bewustzijn van eigenwaarde straalden thans uit zijne groote oogen,
+welker zachte uitdrukking daaronder echter niet leed; en, in plaats
+van den vroegeren jeugdigen overmoed, was er allengs eene eigenaardige
+kalmte waar te nemen in al zijne handelingen. Zijne wangen waren minder
+rooskleurig, maar die bleekheid stond hem goed, beter althans dan haar,
+die van dag tot dag verviel als sneeuw voor de zon.
+
+Melitta, de oude slavin van Rhodopis, was de bondgenoote der
+minnenden geworden. Op zekeren morgen had zij Bartja en Sappho
+in hunne minnekoozerij verrast; doch zij was door den koningszoon
+zoo rijkelijk bedacht, door zijne schoonheid zoo geheel betooverd,
+door haar hartediefje zoo innig gebeden en met zulke fraaie namen
+betiteld geworden, dat zij beloofd had tegenover hare meesteres te
+zullen zwijgen. Ten laatste had zij, toegevende aan de neiging van
+alle oude vrouwen om verliefden voort te helpen, de samenkomsten der
+minnenden zelfs op alle mogelijke wijzen begunstigd. De oude zag reeds
+in hare verbeelding haar »zoet dochterken" tot beheerscheresse der
+halve wereld verheven. Zij noemde haar, als zij met haar alleen was:
+»vorstin" en »koningin." In menig zwak oogenblik zag zij zichzelve
+met het oog haars geestes als rijkgetooide waardigheidsbekleedster
+aan het Perzische hof.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Drie dagen vóor de afreis van Nitetis, had Rhodopis een groot
+aantal gasten, onder welke zich Cresus en Gyges bevonden, ten harent
+genoodigd. Gedurende den maaltijd zouden, onder begunstiging van den
+nacht en met de hulp der slavin, de verliefden elkander in den tuin
+ontmoeten. Nadat Melitta zich overtuigd had, dat het tafelgesprek in
+vollen gang was, opende zij de poort, liet den koningszoon in den tuin,
+en voerde hem de geliefde maagd te gemoet. Dan verwijderde zij zich,
+om voor hen te waken, en door in de handen te klappen te waarschuwen,
+zoo zich ongeroepen getuigen van hun onderhoud mochten opdoen.
+
+»Nog slechts drie dagen kan ik mij opbeuren met de overtuiging, dat
+gij in mijne nabijheid zijt," fluisterde Sappho. »Menigmaal is het mij,
+als had ik u gisteren voor het eerst gezien. Gewoonlijk ben ik evenwel
+te moede, als of gij mij reeds gedurende eene eeuwigheid toebehoort,
+en ik u mijn leven lang heb lief gehad."
+
+»Ook mij is het, als waart gij van mijne vroegste jeugd de mijne
+geweest; want ik kan mij niet voorstellen, dat het mij ooit mogelijk
+zou zijn zonder u te leven."
+
+»Ware die tijd der scheiding slechts voorbij!"
+
+»O, geloof mij, die tijd vliegt sneller om, dan gij meent. Het
+wachten zal ons wel lang, zeer lang toeschijnen; maar wanneer wij
+weder bij elkander zijn, moet het ons, dunkt mij, wezen, als hadden
+we elkaar eerst kort geleden vaarwel gezegd. Ziet gij, zoo ging
+het mij dagelijks. Hoe vurig verlangde ik altijd naar den morgen en
+naar uw bijzijn! En was ik weder hier, en waart gij weder aan mijne
+zijde gezeten, dan scheen het als had ik u geen oogenblik verlaten,
+als had uw hand sinds den vorigen dag bestendig op mijn hoofd gerust."
+
+»En toch overvalt mij een, mij anders geheel onbekende angst,
+wanneer ik aan het oogenblik van scheiden denk. Niet dat ik vrees
+voor die ure. Wel zal mijn hart bloeden, als gij mij vaarwel zegt;
+maar ik weet dat gij wederkomen en mij niet vergeten zult. Melitta
+heeft het orakel willen raadplegen, of gij mij getrouw zult blijven;
+zij wilde ook naar eene oude vrouw gaan, die onlangs uit Phrygië is
+aangekomen, en des nachts uit het trekken van strikken de toekomst
+kan voorzeggen. Daarbij heeft zij voor de reinigingen, wierook,
+styrax, maanvormige koeken en bladeren van wilde doornstruiken noodig
+[188]. Maar ik heb Melitta verzocht niets van dit alles te doen,
+want mijn hart weet beter dan Pythia, strik en offerrook, dat gij
+mij trouw blijven en mij steeds liefhebben zult."
+
+»En uw vertrouwen bedriegt u niet!"
+
+»Toch ben ik niet volkomen gerust geweest. Want ik heb, gelijk de
+meisjes gewoonlijk doen, wel honderdmaal in een papaverblad geblazen en
+er dan op geslagen. Als het dan knalde, jubelde ik: »hij zal mij trouw
+blijven, hij zal mij niet vergeten!" Maar als het blaadje zonder eenig
+geluid scheurde, dan werd ik bedroefd.--Doch ik vernam bijna altijd
+den zoo vurig begeerden knal, en ik had meestal reden om vroolijk,
+zelden reden om treurig te zijn [189]."
+
+»En zoo zal het blijven!"
+
+»Ja, zoo moet het blijven. Spreek echter zacht, liefste, opdat Knakias,
+die daar naar den Nijl gaat om water te scheppen, ons niet bemerke!"
+
+»Ja, ik zal zacht spreken... Zoo! Nu strijk ik uwe zijden lokken
+achterwaarts en fluister in uw oor: Ik bemin u!--Hebt gij het
+verstaan?"
+
+»Wat men gaarne hoort, zegt grootmoeder, verstaat men zoo licht. Maar
+al hadt gij mij zoo even ook toegeroepen: »ik haat u!" zoo zou mij
+uw blik toch met duizend stemmen toegezongen hebben, dat gij mij
+bemint. De zwijgende taal van het oog is veel welsprekender, dan alle
+tongen der wereld."
+
+»Kon ik zoo, als gij, de schoone taal der Hellenen spreken, dan
+zou ik..."
+
+»O, het verheugt mij, dat gij niet beter spreekt; want dan zoudt gij
+alles wat gij gevoelt onder woorden kunnen brengen, en gij zoudt
+mij, dunkt me, veel minder teeder in de oogen zien. Want wat zijn
+woorden? Hoort gij daar den nachtegaal? De gave der spraak werd hem
+niet verleend, en toch geloof ik dat ik hem versta."
+
+»Och toe, wilt gij 't mij zeggen? Ik zou gaarne weten, wat Bulbul,
+gelijk wij Perzen den nachtegaal noemen, met zijne liefste ginds
+in den rozestruik te verhandelen heeft. Moogt gij mij verklappen,
+wat de vogel spreekt?"
+
+»Ik zal 't u zachtkens zeggen. Philomele zegt zingende tot zijn wijfje:
+'Ik min u!' en zij antwoordt, luister slechts: 'Itys, Ito, Itys'
+[190]."
+
+»En wat beteekent dat: Ito, ito?"
+
+»Ik neem het aan, ik neem het aan!"
+
+»En Itys?"
+
+»Dit laat zich niet zoo in een enkel woord vertolken. Itys is een
+kring. De kring beteekent, dat leerde men mij althans, de eeuwigheid,
+want hij heeft begin noch einde. Daarom roept het wijfje: 'ik neem
+het aan,--ik neem het aan voor alle eeuwigheid!'"
+
+»En wanneer ik nu tot u zeg: Ik min u?"
+
+»Zoo antwoord ik, gelijk de zangster van den nacht met verrukking:
+ik neem het aan voor heden, voor morgen, voor de eeuwigheid!"
+
+»O, welk een nacht! Alles rust en zwijgt; ik hoor zelfs den nachtegaal
+niet meer. Thans zit hij in gindschen acacia-boom, welks bloesemknoppen
+zulk een liefelijken geur uitwasemen. De kronen der palmen spiegelen
+zich in den Nijl, en daartusschen wiegelt het beeld der maan gelijk
+een witte zwaan."
+
+»En hare stralen houden met zilveren draden alles wat leeft
+geboeid. Daarom ligt de geheele wereld als eene gevangene vrouw
+zwijgend en roerloos neder. Hoe gelukkig ik mij ook gevoel, zou ik
+thans toch niet kunnen lachen, en nog veel minder met luider stem
+kunnen spreken."
+
+»Zoo fluister,--of zing!"
+
+»Gij hebt gelijk. Geef mij mijn speeltuig. Ik dank u. Laat mij
+mijn hoofd aan uwe borst leggen en u een eenvoudig vredeliedje
+voorzingen. Alkman, de Lydiër, die in Sparta woonde, heeft het gezongen
+den stillen nacht ter eere. Luister nu goed, want dit liefelijke
+slaapliedje moet zacht, zeer zacht over de lippen zweven.--Kus mij
+nu niet meer, neen, ik bid u, kus mij niet vóor ik gedaan heb; dan
+echter vorder ik zelve een kus tot belooning:
+
+
+ "De slaap is neêrgedaald op vlakte en dal:
+ Der bergen kruin, de klip in 't grondloos zout,
+ De stroom en 't meir, 't gebladerte van 't woud,
+ De worm der aarde--'t rust en sluimert àl.
+ Het wild gedierte slaapt, en ademt zwaar;
+ Na d'arbeid slaapt de nijvre bijenschaar;
+ In d'afgrond slaapt, zich schomlend in den vloed,
+ Des oceaans ontzaglijk monsterbroed;
+ En hijgend, borst aan borst, slaapt moêgekoosd,
+ Het vooglenpaar te midden van zijn kroost."
+
+
+»En nu mijn beste, een kus?"
+
+»Ik had onder het luisteren het kussen vergeten, gelijk ik straks
+bij het kussen het luisteren vergat."
+
+»Gij ondeugd! Maar is mijn liedje niet schoon?"
+
+»Schoon, als alles, wat gij zingt."
+
+»En wat de groote Helleensche zangers dichten."
+
+»Ook dit geef ik u toe."
+
+»Hebt gij in Perzië geene dichters?"
+
+»Hoe kunt gij dit vragen? Zou een volk met mogelijkheid op edele
+gevoelens roem kunnen dragen, als het de edele dichtkunst verachtte?"
+
+»Maar de Perzen hebben toch kwade zeden."
+
+»Hoe bedoelt gij dat?"
+
+»Gijlieden kiest u zoo vele vrouwen."
+
+»Mijne Sappho...."
+
+»Versta mij niet verkeerd! Zie, ik heb u zoo lief, dat ik geen
+andere wensch heb, dan u gelukkig te zien en alle lief en leed met
+u te mogen deelen. Bezondigt gij u tegen de zeden van uw vaderland,
+wanneer gij mij alleen tot vrouw neemt, mocht men u wegens uwe trouw
+willen verachten of slechts berispen,--want wie zou het wagen mijn
+Bartja te verachten--zoo neem u andere vrouwen nevens mij; maar laat
+mij eerst slechts twee, drie jaren lang u geheel alleen bezitten. Wilt
+gij mij dat beloven, Bartja?"
+
+»Dat wil ik!"
+
+»En dan, wanneer mijn tijd voorbij is, en gij u aan de zeden van uw
+land onderwerpen moet,--want uit liefde zult gij geene tweede vrouw
+nemen,--zoo laat mij uwe eerste slavin blijven. O, ik heb mij dit
+zoo schoon voorgespiegeld! Als gij ten strijde trekt, zet ik u den
+tulband op de lokken, gord ik u het zwaard om de lendenen, geef ik
+u de lans in de hand. Als gij als overwinnaar huiswaarts keert,
+druk ik het eerst u den krans op het hoofd. Gaat gij ter jacht,
+zoo gesp ik u de sporen aan; en begeeft gij u naar een feestmaal,
+dan tooi en zalf ik u, vlecht ik voor u populier- en rozenkransen,
+en slinger ze u om voorhoofd en schouderen. Zijt gij gewond, dan
+verbind ik u; zijt gij krank, zoo wijk ik niet van uwe zijde; zijt
+gij gelukkig, dan trek ik mij terug, en vermei me op een afstand in
+uwe eere en in uw voorspoed. Misschien roept ge mij dan wel tot u,
+en uw kus zal mij zeggen, dat gij over uwe Sappho tevreden zijt,
+en dat gij haar nog altijd liefhebt."
+
+»O Sappho, waart gij reeds heden mijn vrouwtje! Wie zulk een groote
+schat bezit als ik in u, die mag hem zorgvuldig bewaren, maar hij zal
+niet naar andere schatten trachten, die bij deze éene vergeleken niet
+anders dan armelijk kunnen zijn. Wie u liefheeft, bemint geene andere
+meer. Wel is waar is het in mijn vaderland de gewoonte, dat ieder
+man vele vrouwen neemt, maar dit is alleen geoorloofd, het wordt
+niet door eene wet bevolen. Mijn vader had wel honderd slavinnen,
+doch inderdaad slechts éene vrouw, onze moeder Cassandane."
+
+»En zal ik dan uwe Cassandane zijn?"
+
+»Neen, mijne Sappho, want wat gij nu mij zijn zult, dat was nog geene
+gade van haar echtgenoot."
+
+»Wanneer komt gij weder om mij met u te nemen?"
+
+»Zoo spoedig ik maar kan en mag."
+
+»O, ik zal geduldig wachten."
+
+»En zal ik ook tijding van u ontvangen?"
+
+»Ik zal u lange, zeer lange brieven schrijven, en aan alle winden
+draag ik mijn groet voor u op...."
+
+»Doe dat, mijne liefste! Wat de brieven betreft, geef die met den
+bode mede, die aan Nitetis van tijd tot tijd berichten uit Egypte
+zal brengen."
+
+»Waar vind ik dien?"
+
+»Ik zal u te Naucratis een man aanwijzen, die alles, wat gij hem zult
+doen toekomen, bezorgen zal. Het overige wil ik met Melitta bespreken."
+
+»Wij kunnen haar vertrouwen, want zij heeft overleg, en houdt veel
+van mij. Maar ik heb nog eene andere vriendin, die mij na u het meest
+bemint, en die ook ik na mijn Bartja het liefste heb."
+
+»Gij bedoelt uwe grootmoeder Rhodopis?"
+
+»Mijne trouwe opvoedster en leermeesteres!"
+
+»Zij is eene edele vrouw, Cresus noemt haar de voortreffelijkste
+aller vrouwen, en hij kent de menschen, gelijk een arts de kruiden
+en wortels. Want deze weet dat sommigen een doodelijk gif, anderen
+genezingbrengende sappen bevatten. Rhodopis, zegt Cresus dikwerf,
+gelijkt eene roos, die liefelijk geurt en aan zwakke lijders
+verkwikkenden balsem schenkt, zelfs dan nog, wanneer zij verwelkende
+blad voor blad verliest, en geduldig den wind verbeidt die haar het
+laatste zal ontrukken."
+
+»O, moge zij nog lang gespaard blijven! Liefste, sta mij nog eene
+groote gunst toe!"
+
+»Zij is u toegestaan, nog eer ik ze vernomen heb."
+
+»Wanneer gij mij met u neemt, zoo laat Rhodopis hier niet alleen
+achter. Dat zij met ons trekke! Zij is zoo goed, en heeft mij zoo
+innig lief, dat zij dan alleen gelukkig kan zijn, als zij mijne
+dierbaarste wenschen vervuld ziet."
+
+»Zij zal de eerste gast in ons huis zijn!"
+
+»Wat zijt gij goed! Thans ben ik volmaakt tevreden en gerust. De
+goede vrouw heeft mij zoo noodig! Zij kan niet leven zonder mij,
+haar kind. Ik lach hare droeve zorgen weg. Als zij bij mij zit om mij
+te leeren, als zij liederen voor mij zingt, of mij wijst hoe men de
+schrijfstift hanteeren moet, of de luit bespeelt, dan straalt een rein
+licht van haar voorhoofd, en effenen zich al de voren, door de smart
+geploegd; hare zachte oogen lachen, en zij vergeet menigen kwaden dag,
+terwijl zij blij het tegenwoordige geniet."
+
+»Alvorens wij scheiden zal ik haar vragen, of zij ons naar mijn
+afgelegen vaderland wil volgen."
+
+»O, hoe verheugt mij dit! En wilt gij wel gelooven, dat mij nu de
+eerste tijd van uw afzijn in het geheel niet vreeselijk schijnt? Thans
+mag ik u, mijn bruidegom, wel alles zeggen, wat mij verblijdt of
+bedroeft; voor anderen echter moet ik zwijgen. Weet dan, mijn beste,
+dat wij, terwijl gij naar uw vaderland terugkeert, twee kleine gasten
+in ons huis verwachten, de kinderen van den goeden Phanes, van den man,
+voor wien uw vriend, de zoon van Cresus, zijn leven in de waagschaal
+stelde. Ik wil voor de kinderen steeds als eene moeder zorgen, en als
+zij zoet zijn geweest, zal ik hun schoone sprookjes vertellen van een
+koningszoon, een sterken held, die zich een eenvoudig meisje tot vrouw
+koos. En als ik hun dan beschrijf, hoe die prins, die jonge held er
+uitzag, dan zal ik u in mijne verbeelding voor mij zien. Zonder dat
+mijn lief tweetal er iets van merkt, zal ik u van het hoofd tot de
+voeten afschilderen. Mijn held is van uwe lengte, hem sieren uwe
+gouden lokken, uwe blauwe oogen verlevendigen zijn voorhoofd, en
+uwe vorstelijke, prachtige kleeding omgeeft zijne edele gestalte. Uw
+edel hart, uw trouw, oprecht karakter, uw eerbied voor de goden, uwe
+dapperheid, kortom, alles wat ik in u liefheb en hoogschat, zal het
+deel van den held mijner verhalen zijn. De kinderen zullen aandachtig
+luisteren. En wanneer zij zullen uitroepen: 'O, hoe lief hebben wij
+den koningszoon, wat is hij schoon en goed; ach, konden wij dien edelen
+jongeling eens zien!'--dan druk ik hen vol liefde aan mijn hart en kus
+hen, gelijk ik u gekust zou hebben. Dan is ook der kinderen wensch
+vervuld, want daar gij in mijn hart woont, zoo leeft gij in mij en
+zijt gij hun nabij; en daarom, als zij mij omarmen, omarmen zij ook u!"
+
+»En ik ga tot mijne zuster Atossa, en verhaal haar van alles wat
+ik op mijn tocht gezien heb. En als ik de minzaamheid der Grieken,
+de pracht hunner werken en de bekoorlijkheid hunner vrouwen prijs,
+dan wil ik uw liefelijk wezen schilderen, gelijk het beeld der gulden
+Aphrodite. Ik zal haar van uwe deugd, van uwe schoonheid en zedigheid,
+van uw welluidend gezang, dat zelfs den nachtegaal dwingt te luisteren,
+wanneer hij u hoort, van uwe liefde, van uwe teederheid spreken. Maar
+dit alles breng ik over op de goddelijke gestalte van Cypris [191], en
+ik kus mijne zuster als zij roept: 'O, Aphrodite, kon ik u eens zien!'"
+
+»Hoor, wat was dat?--Daar klapt onze trouwe schildwacht in de
+handen! Vaarwel, wij moeten van hier! Tot wederziens!"
+
+»Nog eene kus!"
+
+»Vaarwel!"
+
+
+
+Melitta was op haar post van ouderdom en vermoeidheid in slaap
+gevallen. Eensklaps werd zij door een groot gedruisch in hare droomen
+gestoord. Aanstonds klapte zij in de handen, om het paar te waarschuwen
+en Sappho naar huis te roepen, daar zij aan de sterren bespeurde,
+dat de dag weldra zou aanbreken. Toen de oude vrouw met het meisje,
+dat aan hare hoede was toevertrouwd, het huis naderde, bemerkte zij,
+dat het gedruisch, waardoor zij gewekt was, veroorzaakt werd door de
+gasten, die zich gereed maakten om te vertrekken. Zij drong Sappho
+om toch spoed te maken, en bracht het verschrikte meisje door de
+achterdeur in huis en in haar slaapvertrek. Zij wilde juist beginnen
+met haar te ontkleeden, toen Rhodopis binnentrad.
+
+»Nog niet te bed, Sappho?" luidde haar vraag. »Wat beduidt dit,
+mijn kind?"
+
+Melitta beefde en had reeds een leugen gereed; maar Sappho wierp
+zich aan de borst harer grootmoeder, omhelsde en kuste haar teeder,
+en verhaalde haar de geheele geschiedenis harer liefde.
+
+Rhodopis verbleekte.
+
+»Verlaat ons!" gebood zij de slavin op strengen toon. Daarop plaatste
+zij zich voor hare kleindochter, legde de handen op hare schouders,
+en zeide: »Zie mij in de oogen, Sappho! Kunt gij mij nog even helder,
+even kinderlijk rein aanzien, als vóor de aankomst van dezen Pers?"
+
+Het meisje zag lachend en met open gelaat tot hare grootmoeder
+op. Toen drukte Rhodopis haar aan hare borst, kuste haar en zeide:
+»Sinds gij de kinderschoenen hebt uitgetrokken, was het mijn streven
+u tot eene waardige jonkvrouw op te voeden, en u tegen de liefde te
+vrijwaren. Ik had zoo spoedig mogelijk een geschikten echtgenoot voor
+u willen kiezen, en u hem volgens Helleensch gebruik [192] tot vrouw
+willen geven. Maar de goden hebben het anders gewild. Eros drijft
+den spot met alle muren en bolwerken, door menschenhanden tegen
+hem opgericht. Het warme Aeolische [193] bloed in uwe aderen heeft
+liefde geëischt: het driftige hart uwer Lesbische voorvaderen klopt
+ook in uwe borst. Aan het gebeurde valt niets te veranderen. Bewaar
+dan de genotvolle uren dezer uwe reine eerste liefde als een kostbaar
+kleinood in de schatkamer uwer herinnering, want het leven van ieder
+mensch wordt vroeger of later zoo arm en ledig, dat hij zulke schatten
+van het verleden behoeft, om niet te versmachten. Gedenk den schoonen
+knaap in uwe eenzaamheid. Zeg hem vaarwel als hij naar zijn vaderland
+wederkeert, maar onderdruk met al uwe krachten de hoop van hem ooit te
+zullen wederzien. De Perzen zijn wuft en wispelturig; al wat nieuw is
+bekoort hen; naar al wat vreemd is strekken zij de open armen uit. Uw
+lief gezichtje behaagde den koningszoon. Hij gelooft vast en zeker,
+dat hij u bemint; maar hij is jong en schoon, hij wordt in zijn land
+door al de maagden van voornamen huize begeerd, en hij is en blijft
+een Pers. Trek gij uw hart van hem af, opdat hij u niet vergeefs
+late wachten."
+
+»Hoe zou ik dat kunnen, grootmoeder! Heb ik hem niet voor eeuwig
+trouw gezworen?"
+
+»Gij, kinderen, speelt met de eeuwigheid, als duurde zij slechts
+een oogenblik! Wat uw eed betreft, dien keur ik zeer af. Maar dit
+verblijdt me, dat ge aan hem vasthoudt, want ik verfoei dat misdadig
+spreekwoord: 'Zeus hoort de eeden der minnenden niet.' Waarom zou
+de godheid een eed, met betrekking tot het heiligste wat er in de
+mensch is, geringer achten dan een, die slechts de nietige vragen
+van het mijn en dijn betreft? Zoo houd dan wat gij beloofd hebt,
+vergeet nimmer uwe liefde, maar gewen u aan de gedachte afstand te
+moeten doen van den persoon dien gij bemint."
+
+»Nooit, grootmoeder! Zou dan Bartja mijn vriend zijn geworden,
+als ik hem niet kon vertrouwen? Juist, omdat hij een Pers is, die de
+waarheidsliefde zijne schoonste deugd noemt, mag ik met vol vertrouwen
+hopen, dat hij zijn eed gedachtig zal wezen, en mij, in spijt der
+treurige gewoonte van zijn land, tot zijne eenige vrouw zal verheffen."
+
+»En als hij toch zijn eed eens vergat, dan zou uwe jeugd helaas in
+droefheid verkwijnen, en met een vergiftigd hart...."
+
+»O, goede, lieve grootmoeder, zeg zulke verschrikkelijke dingen toch
+niet! Als gij hem kendet, gelijk ik hem ken, zoudt gij u met mij
+verblijden, en moeten toestemmen, dat eer de Nijl opdrogen en de
+pyramiden instorten zullen, dan dat mijn Bartja mij bedriegen zal!"
+
+Het meisje sprak deze woorden met zulk een blij vertrouwen, met zoo
+overtuigende zekerheid, en hare donkere oogen, waarin tranen opwelden,
+glinsterden daarbij van zulk een gloed en van zoo groote zaligheid, dat
+ook het gelaat harer grootmoeder weder eene vriendelijke uitdrukking
+aannam.
+
+Nog eenmaal sloeg Sappho hare armen om den hals der geliefde vrouw,
+herhaalde voor haar ieder woord, dat de beminde jongeling tot
+haar gesproken had, en besloot haar verhaal met den uitroep: »O,
+grootmoeder, ik ben zoo gelukkig! En als gij nu met ons naar Perzië
+trekt, zie, dan heb ik niets meer van de Onsterfelijken te begeeren."
+
+»Maar al te spoedig zullen uwe armen zich weder naar hen
+uitstrekken!" zuchtte Rhodopis. »Met afgunstige blikken beschouwen zij
+het geluk der stervelingen, en wegen hun het booze met kwistige, het
+goede met karige handen toe. Ga thans ter ruste, mijn kind, en bid met
+mij, dat dit alles een gelukkig einde moge nemen. Aan een kind bracht
+ik mijn morgengroet, eene jonkvrouw zeg ik goeden nacht; moogt gij mij
+eens als gade even vroolijk den mond tot kussen bieden als nu.--Morgen
+zal ik met Cresus over u spreken. Van zijne uitspraak zal het afhangen,
+of ik u kan toestaan u als de bruid van den Pers te beschouwen, dan
+wel of ik u bezweren moet den koningszoon te vergeten, om weldra de
+huisvrouw van een Helleen van mijne keus te worden. Slaap gerust,
+mijne lieveling, slaap gerust; uwe oude grootmoeder waakt over u!"
+
+Sappho sluimerde aanstonds in, door zalige droomen zachtkens in
+slaap gewiegd. Doch Rhodopis zag nog lang, nu eens glimlachende,
+dan weder bedenkelijk het voorhoofd fronsende, naar de opgaande zon
+en het aanlichten van den dag.
+
+Den volgenden morgen liet Rhodopis Cresus verzoeken, haar een uurtje
+gehoor te schenken. Zij deelde den grijsaard zonder grooten omhaal
+van woorden mede, wat Sappho haar beleden had, en eindigde aldus:
+»Ik weet niet welke eischen de Perzen doen aan de gemalin van een
+vorst. Dit kan ik u echter zeggen, dat Sappho mij de eere overwaardig
+schijnt, om de vrouw van den eersten aller koningen te zijn. Zij stamt
+af van een edelen vrijen vader, en ik meen dat, volgens uwe wetten,
+de stand des vaders alleen de afkomst van het kind bepaalt. Diodorus
+beweert hetzelfde van de Egyptenaren, de gedenkteekenen leeren ons
+echter, dat hier veeleer de moeder het kind adelde. Overweldigers
+huwen dochters van pharao's, om hunne kinderen het erfrecht op den
+troon te verschaffen."
+
+»Ik heb u zwijgend aangehoord," antwoordde Cresus, »en moet u
+bekennen, dat ik, evenmin als gij, op dit oogenblik kan beslissen,
+of ik mij verheugen, dan wel of ik met deze liefde medelijden hebben
+moet.--Cambyzes en Cassandane, de moeder van Bartja en van den
+koning, hadden reeds vóor ons vertrek den prins willen doen huwen. De
+koning zelf mag zich tot heden niet in het bezit van een nakomeling
+verheugen. Mocht hij kinderloos blijven, zoo rust de eenige hoop op
+de voortplanting van het geslacht zijns vaders Cyrus op Bartja. Want
+de groote grondlegger der Perzische heerschappij mocht zich slechts
+in het bezit van twee zonen verheugen, Cambyzes en den vriend uwer
+kleindochter. Deze laatste is de roem aller Perzen, de lieveling
+van het geheele hof, ja van het gansche land, de hoop van alle
+waardigheidsbekleeders en onderdanen. Hij is even schoon als edel,
+even deugdzaam als beminnelijk.--Wel vergt men van de koningszonen,
+dat zij met vrouwen uit hun, dat is het geslacht der Achaemeniden
+huwen; maar de Perzen hebben eene onbegrensde voorliefde voor al wat
+vreemd is, en zullen, verrukt over de schoonheid uwer kleindochter
+en zeker uit genegenheid voor Bartja, de oogen sluiten, en deze
+zonde tegen het oude gebruik lichtelijk vergeven, te eerder daar de
+onderdanen niets mogen inbrengen tegen alles, wat de goedkeuring des
+konings wegdraagt. Ook levert de Iranische geschiedenis voorbeelden
+genoeg op, dat zelfs slavinnen koningen ter wereld hebben gebracht
+[194]. De moeder van den monarch, die evenzeer geëerbiedigd wordt als
+deze zelf, zal aan het geluk van haren jongsten meest geliefden zoon
+wel geene hinderpalen in den weg stellen. Als zij ziet, dat Bartja
+geen afstand wil doen van Sappho, als zij bemerkt, dat het lachende
+gelaat van dit aangebeden evenbeeld van haar overleden echtvriend met
+een waas van treurigheid wordt overtogen, dan zou zij, geloof ik,
+om hem zijne vroolijkheid te hergeven, zelfs niet weigeren eene
+Scytische als schoondochter aan te nemen. En ook Cambyzes zal,
+wanneer zijne moeder er hem op het rechte oogenblik om verzoekt,
+zijne toestemming niet onthouden."
+
+»Welnu, dan zouden alle bezwaren uit den weg zijn geruimd," riep
+Rhodopis zeer verheugd.
+
+»Niet de voltrekking van het huwelijk, maar de tijd daarna baart mij
+groote zorg."
+
+»Meent gij dan, dat Bartja..."
+
+»Van zijne zijde ducht ik niets. Hij heeft een trouw hart en is zoolang
+onkwetsbaar gebleven voor de liefde, dat hij, nu zij hem eens getroffen
+heeft, met warmte en duurzaam beminnen zal."
+
+»Maar..."
+
+»Maar gij moet niet vergeten dat, al ontvangen ook alle mannen
+met geestdrift de bekoorlijke gemalin van hun lieveling, in de
+vrouwenvertrekken der Perzische grooten duizend vrouwen ledig
+nederzitten, die er zich op zullen toeleggen, om de jeugdige
+nieuwelinge door allerlei listen en lagen te benadeelen, en geene
+hoogere vreugde zullen kennen, dan het onervaren kind in het ongeluk
+te storten."
+
+»Hebt gij dan zulke kwade gedachten van alle Perzische vrouwen?"
+
+»Zij zijn niet slechter dan andere vrouwen; maar zij zullen haar
+benijden, die het hart van den man wist te winnen, naar wien zij met
+smachtend verlangen voor zichzelve of voor hare dochters uitzagen. De
+nijd ontwikkelt zich in de vertrekken van den harem, waar vadsige rust
+en eentonigheid hare tenten hebben opgeslagen, lichtelijk tot haat,
+en de bevrediging van dezen hartstocht is voor die beklagenswaardige
+wezens als het ware eene vergoeding voor het volslagen gebrek aan
+liefde en vrijheid. Juist de buitengewone schoonheid uwer Sappho zal,
+ik herhaal het u, haar des te bitterder vijandinnen op den hals
+halen. En al bemint Bartja haar nog zoo vurig, en al blijft zij
+de eerste jaren zijne eenige gade, zij zal toch zulke bange uren
+te doorleven hebben, dat ik in waarheid niet weet, of ik u met de
+in schijn zoo glansrijke toekomst uwer kleindochter wel geluk mag
+wenschen."
+
+»Ik ben volkomen van dezelfde meening. Een eenvoudig Helleen zou mij
+als schoonzoon verreweg verkieslijker zijn geweest, dan deze edele
+zoon van den grooten koning."
+
+Op dit oogenblik trad Bartja, door Knakias voorgegaan, het vertrek
+binnen. Hij smeekte Rhodopis hem de hoop op het bezit harer
+kleindochter niet te ontnemen. In welsprekende taal schilderde hij
+zijne vurige liefde voor het schoone meisje, en bezwoer dat zij zijn
+geluk ten top zou voeren, als zij zelve met hem naar Perzië wilde
+trekken. Daarop vatte hij de hand van Cresus, bad hem om vergeving,
+dat hij hem, zijn vaderlijken vriend, zoolang verzwegen had, wat zijn
+hart met zoo groote zaligheid vervulde, en smeekte hem zijn aanzoek
+bij Rhodopis te ondersteunen.
+
+Glimlachende hoorde de grijsaard de hartstochtelijke taal van den
+jongeling aan, en zeide toen: »Hoe dikwijls, mijn Bartja, heb ik u
+tegen de liefde gewaarschuwd! Zij is een verterend vuur."
+
+»Maar hare vlammen zijn vol gloed en kleuren!"
+
+»Zij doet pijn!"
+
+»Maar die pijn is zoet!"
+
+»Zij verwart den geest!"
+
+»Maar zij versterkt het hart!"
+
+»O, die liefde!" riep Rhodopis. »Spreekt die knaap, door Eros bezield,
+niet als had hij zijn leven lang bij een Attischen taalmeester ter
+school gegaan?"
+
+»En toch," hervatte Cresus, »noem ik verliefden de ongezeggelijkste van
+alle scholieren. Bewijs hun zonneklaar, dat hun hartstocht vergift,
+vuur, dwaasheid, dood is, zij zullen niettemin uitroepen: »maar hij
+is zoet," en tegen beter weten in blijven beminnen!"
+
+In dit oogenblik trad ook Sappho het vertrek binnen. Een wit
+feestgewaad, met purperrood gestikte boordsels en wijde mouwen, omgaf
+in losse plooien hare schoone gestalte, en werd op de heupen door
+een gouden gordel bijeengehouden. In heure haren had zij frissche
+rozen gestoken, en haar boezem was getooid met de vonkelende ster,
+het eerste geschenk van den geliefde. Lieftallig en blozende boog zij
+voor den grijsaard, wiens blikken lang op haar gevestigd bleven. En hoe
+langer hij dit jonkvrouwelijk gelaat beschouwde, des te vriendelijker
+uitdrukking nam het zijne aan. Beelden uit het verleden doemden voor
+zijne verbeelding op, en voor een oogenblik gevoelde hij zichzelven
+weder jong. Onwillekeurig naderde hij het meisje; hij drukte een warmen
+kus op haar voorhoofd, vatte hare hand, voerde haar Bartja tegemoet,
+en riep: »Neem haar, zij moet uwe vrouw worden, zelfs al spanden alle
+Achaemeniden tegen ons samen!"
+
+»Gaat dat alles maar zoo buiten mij om?" vroeg Rhodopis, met
+vreugdetranen in de oogen.
+
+Nu vatte Bartja de rechter-, Sappho de linkerhand der grootmoeder,
+en vier smeekende oogen zagen tot haar op. Rhodopis sprak als eene
+profetes, terwijl zij het hoofd fier oprichtte:
+
+»Moge Eros, die u elkaar in de armen voerde, mogen Zeus en Apollo u
+beschermen! In de lente des levens zie ik u beiden bloeien, gelukkig
+en vol liefde, als twee rozen aan éen stengel; wat de zomer, de herfst
+en de winter u zullen brengen is alleen den goden bekend. Mogen de
+schimmen uwer gestorven ouders, mijne Sappho, u vriendelijk toelachen,
+als deze tijding van u in de benedenwereld tot hen komt."
+
+
+
+Drie dagen later verdrong zich aan de landingsplaats te Saïs wederom
+eene dichte volksmenigte, die getuige wenschte te zijn van de afreis
+der naar den vreemde vertrekkende dochter des konings, en haar een
+laatst vaarwel verlangde toe te roepen. Bij deze gelegenheid bleek,
+dat de Egyptenaren, in spijt van alle opruiingen der priesters, met
+innige liefde aan het regeerende vorstenhuis verknocht waren. Toen
+Amasis en Ladice Nitetis voor de laatste maal weenend omhelsden,
+toen Tachot, voor de oogen van alle Saïten, op de groote trap zich
+snikkende aan de borst harer zuster wierp, toen eindelijk de boot,
+waarin de bleeke dochter van den koning had plaats genomen, zich
+met gezwollen zeilen van den oever verwijderde, toen bleven weinig
+oogen zonder tranen. Alleen de priesters zagen ernstig en koud als
+altijd, het treffend schouwspel aan. Toen eindelijk ook de schepen der
+vreemdelingen, die de Egyptische maagd naar hare bestemming zouden
+geleiden, door den zuidenwind zeewaarts werden gestuwd, uitte zich
+menig Egyptenaar in vloeken en verwenschingen. Maar de achtergeblevene
+dochter des konings wuifde den vertrekkenden nog lang met haren sluier
+een laatst vaarwel toe. Zij weende vele en heete tranen. Golden deze
+uitsluitend de lieve speelnoote harer jeugd; golden zij soms ook den
+schoonen en beminden koningszoon?
+
+In tegenwoordigheid der menigte omarmde Amasis zijne gade en
+dochter. Hij hief den kleinen Necho, zijn kleinzoon, in de hoogte, en
+dezen ziende, barstten de Egyptenaren los in een luid gejuich. Psamtik,
+de vader van het kind, stond zwijgend en oogenschijnlijk koel naast den
+koning, die hem niet eens scheen op te merken. Eindelijk trad Neithotep
+de opperpriester nader, leidde den prins, die nog in twijfel stond,
+tot zijn vader, legde beider handen inéen en smeekte met luider stem
+den zegen der goden af over het koninklijke huis. Terwijl hij sprak,
+knielden de Egyptenaren met opgehevene handen neder. Amasis drukte
+zijn zoon aan zijn hart, en fluisterde den opperpriester toe, toen
+deze zijn gebed geëindigd had: »Laat ons den vrede bewaren, om ons
+zelfs en om Egypte's wil."
+
+»Hebt gij dien brief van Nebenchari ontvangen?"
+
+»Een Samisch zeerooverschip vervolgt de triëre van Phanes."
+
+»Ginds vertrekt het kind van uw voorganger, de rechtmatige erfgename
+van den Egyptischen troon, onverlet naar het vreemde land."
+
+»De opbouw van den Helleenschen tempel te Memphis zal geen voortgang
+hebben."
+
+»Isis geve ons vrede! Geluk en welvaart mogen zich over Egypte
+uitbreiden!"
+
+
+
+Te Naucratis hadden de in Egypte wonende Hellenen de dochter van
+hun beschermer, die naar den vreemde vertrok, een feest bereid. Op
+de altaren der Grieksche goden werden tal van offerdieren geslacht,
+en toen de Nijlbarken in de haven aanlegden, verhief zich een luid
+»Ailinos [195]!" Feestelijk uitgedoste maagden boden Nitetis een gouden
+band aan, die als bruidskrans met duizend geurige viooltjes omwonden
+was [196]. Als de schoonste jonkvrouw van Naucratis genoot Sappho
+de eer haar dien te mogen overhandigen. Nitetis nam het geschenk
+dankbaar aan, en drukte het meisje een kus op het voorhoofd. Daarop
+beklom zij de triëre, die haar wachtte.
+
+De roeiers begaven zich aan den arbeid, en hieven het keleusma [197]
+aan. De zuidenwind vulde de zeilen, en ten tweeden male weêrgalmde
+de lucht van een duizendvoudig »Ailinos", ten afscheid. Op het dek
+van het koninklijke schip wuifde Bartja zijner verloofde de laatste
+liefdesgroeten toe.--In haar hart bad Sappho tot Aphrodite Euploia,
+de schutsgodin der schippers. Een traan bevochtigde hare wang; maar
+om haar mond speelde een lachje van hoop en van liefde, terwijl
+de oude slavin Melitta, die het zonnescherm der jonkvrouw droeg,
+als eene wanhopige weende. Doch toen aan den krans, die het hoofd
+harer lieveling sierde, toevallig eenige blaadjes ontvielen, vergat
+de oude voor een oogenblik haar leed, en fluisterde zachtkens: »Ja,
+mijn hartje, men kan wel zien dat gij bemint, want alle meisjes,
+die blaadjes uit hare kransen verliezen, zijn door Eros in het hart
+getroffen."
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE BOEK.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Zeven weken later bewoog zich op den grooten koningsweg [198], die
+uit het westen naar Babylon voerde, een lange trein van allerlei
+wagens en van ruiters van verschillenden rang naar de reuzenstad,
+die reeds op verren afstand zichtbaar was.
+
+Onder den door houten pijlers gedragen hemel van een kunstig
+verguld, van binnen met goudbrocaat bekleed voertuig op vier
+wielen, de zoogenaamde harmamaxa [199], die aan de vier zijden
+door gordijnen kon worden gesloten, zat Nitetis, de dochter van den
+koning van Egypte. Naast dezen wagen reden hare begeleiders, de ons
+bekende Perzische edelen, en de onttroonde koning van Lydië met zijn
+zoon. Hen volgden vijftig andere voertuigen en zeshonderd lastdieren,
+terwijl eene afdeeling Perzische krijgslieden, op prachtige paarden,
+den trein opende.
+
+De weg volgde de kronkelingen van den Euphraat, door rijk
+beladene tarwe-, gerst-, en sesamvelden [200], die tweehonderd-,
+ja, dikwerf driehonderdvoudig vrucht droegen. Rijzige dadelpalmen,
+vol goudgele vruchten, stonden allerwegen verspreid over de akkers,
+die in alle richtingen door goed onderhouden slooten en kanalen
+doorsneden werden. Niettegenstaande het in den wintertijd was,
+schoot de zon uit den wolkenloozen hemel warme en heldere stralen
+over de velden. De breede stroom wemelde van groote en kleine
+vaartuigen, die de voortbrengselen van het Armenische hoogland
+naar de vlakten van Mesopotamië vervoerden, en de meeste waren,
+uit Griekenland en Klein-Azië afkomstig, van Thapsacus [201] naar
+Babylon brachten. Pompwerktuigen en schepraderen besproeiden de akkers
+en beplantingen langs de oevers, die met hunne talrijke dorpen een
+levendig en vriendelijk landschap opleverden. Al wat zich aan het oog
+voordeed bewees, dat men het middelpunt van een ouden, met groote zorg
+bestuurden, hoofdzakelijk door den akkerbouw bloeienden staat naderde.
+
+Voor een lang baksteenen huis, dat met zwart aardpek [202] was
+bestreken, en aan welks zijden zich boschjes van platanen uitstrekten,
+hield de wagen van Nitetis en haar gevolg stil. Cresus liet zich van
+zijn paard helpen, naderde het voertuig der Egyptische koningsdochter,
+en riep deze toe: »Wij zijn tot de laatste pleisterplaats genaderd. Die
+hooge toren daarginds, die zich zoo scherp tegen den gezichteinder
+afteekent, is de beroemde tempel van Bel, nevens uwe pyramiden
+een der meest grootsche werken van menschenhanden. Eer nog de zon
+ondergaat, zijn wij voor de metalen poorten van Babylon. Sta mij toe,
+dat ik u uit den wagen help, en uwe dienstmaagden in dit huis tot
+u zende. Thans moet gij u verkleeden, naar de wijze der Perzische
+vorstinnen, opdat de oogen van Cambyzes een welgevallen in u mogen
+hebben. Binnen weinige uren zult gij voor uw gemaal staan.--Wat ziet
+gij bleek! Draag zorg, dat de vrouwen, door middel van blanketsel, aan
+uwe wangen den blos der blijde ontroering geven. De eerste indruk is
+dikwerf beslissend. Dit is voorzeker op niemand zoozeer van toepassing,
+als op uw aanstaanden echtgenoot. Zoo gij hem, waaraan ik niet twijfel,
+bij de eerste ontmoeting behaagt, kunt gij u verzekerd houden, zijn
+hart voor altijd gewonnen te hebben; wanneer gij hem daarentegen heden
+mishaagdet, zou hij u, tengevolge van zijn ruwe geaardheid, nimmer
+weder met een blik verwaardigen.--Moed, mijne dochter, moed! Indien
+gij slechts ter harte neemt, wat ik u gezegd heb, zal alles wel gaan!"
+
+Nitetis pinkte een traan weg, dien zij niet vermocht te weerhouden,
+en antwoordde: »Hoe zal ik u danken voor al uwe goedheid, Cresus,
+mijn tweede vader, mijn beschermer en raadsman! O, verlaat mij ook
+in het vervolg niet! Blijf mijn leidsman, gelijk op deze lange reis
+over gevaarlijke bergpaden, wanneer mijn levensweg met smart en zorg
+geplaveid mocht zijn. Dank, mijn vader, duizendwerf dank!"
+
+Dit zeggende, sloeg de jonkvrouw hare mollige armen om den hals van
+den grijsaard, en kuste zijn mond, als ware zij zijne eigene dochter
+geweest.
+
+Toen zij het voorhof van het donkere huis betrad, kwam haar
+een man tegemoet, die door een aantal Aziatische dienstmaagden
+werd gevolgd. Deze man, de overste der eunuchen [203], een der
+aanzienlijkste Perzische hofbeambten, was hoog van gestalte en zeer
+gezet. Een honigzoete lach speelde om zijn mond; op zijn aangezicht
+was niet het geringste spoor van een baard te ontdekken; aan zijne
+ooren bengelden kostbare sieraden; zijne armen en beenen, zijn hals
+en zijne voor een man veel te lange kleederen waren overladen met
+gouden ringen en kettingen; en zijne stijve, gefriseerde lokken,
+die door een purperen band bijeen werden gehouden, waren doortrokken
+van allerlei sterk riekende oliën.
+
+De eunuch, Boges genaamd, boog zich eerbiedig voor de Egyptische
+maagd neder en zeide, zijne vleezige, met ringen overladene hand
+voor den mond houdende: »Cambyzes, de beheerscher der wereld,
+zendt mij tot u, o koningin, opdat ik uw hart met den dauw van zijn
+groet verkwikke. Hij zendt u verder door mij, zijn armsten knecht,
+de kleederen der Perzische vrouwen, opdat gij, gelijk het der gade
+van den grootsten aller koningen betaamt, in Medische dracht heden de
+poort der Achaemeniden zoudt naderen. Deze vrouwen, uwe dienstmaagden,
+wachten op uwe bevelen. Van een Egyptischen smaragd zullen zij u in
+een Perzischen diamant veranderen."
+
+Boges trad, na dit gezegd te hebben, terug, en veroorloofde den
+waard van de herberg, met een teeken van nederbuigende goedheid,
+de vorstin als welkomstgeschenk een korf aan te bieden, waarin de
+keurigste vruchten bijzonder smaakvol waren geschikt.
+
+Nitetis dankte de beide mannen op minzamen toon, trad daarop het
+huis binnen, legde onder vele tranen den tooi van haar vaderland
+af, en liet de dikke vlecht ter linkerzijde van het hoofd, het
+onderscheidingsteeken van Egyptische vorstendochters [204], losmaken,
+om zich volgens Medische wijze door vreemde handen te laten kleeden.
+
+Haar gevolg beval intusschen een maaltijd op te dragen. Rappe
+knechten haalden stoelen, tafels en gouden vaatwerk van de wagens;
+de koks begaven zich met den meesten spoed aan den arbeid, en allen
+hielpen elkander zoo snel en gewillig, dat als in een oogwenk een
+rijk voorziene disch, waarop zelfs de bloemen niet gemist werden,
+de hongerige reizigers toelachte. Op dezelfde wijze hadden zij het
+zich gedurende deze lange reis altijd draaglijk weten te maken. De
+lastdieren, die hen volgden, waren met alle mogelijke voorwerpen
+tot gemak beladen, van waterdichte met goud doorwerkte tenten, tot
+zilveren voetschabellen toe. Voorts werd een heer van bakkers, koks,
+schenkers, voorsnijders, zalfbereiders, kransvlechters en haarkrullers
+op wagens medegevoerd.
+
+Buitendien waren er langs den grooten weg, van vier tot vier mijlen,
+goed ingerichte vreemdelinghuizen. Hier werden de vermoeide paarden
+en die onderweg waren neergevallen tegen andere verwisseld, hier
+verleenden schaduwrijke boschjes eene beschutting tegen de hitte van
+den middag, terwijl men in de huizen op de bergen, bij een warmen
+haard, eene schuilplaats vond tegen sneeuw en koude. Deze Perzische
+herbergen, die groote overeenkomst hadden met onze poststations,
+dankten haar bestaan en hare verfraaiing aan den grooten Cyrus,
+die door goed onderhouden wegen de geweldig groote afstanden in
+zijn wereldrijk had zoeken te verkorten. Dezelfde vorst had ook
+eene geregelde postbodendienst ingevoerd. Op elk station vonden deze
+boden een plaatsvervanger op een versch paard, die gereed stond om
+aanstonds te vertrekken. Na de brieven ontvangen te hebben, rende
+deze postillon weder met de snelheid van den wind voort, om bij de
+eerstvolgende herberg zijn valies aan den daar wachtenden ruiter toe
+te werpen. Deze koeriers werden Angaren geheeten, en voor de snelste
+ruiters ter wereld gehouden [205].
+
+Toen het gezelschap, waarbij zich ook Boges gevoegd had, van tafel
+opstond, werd de deur van de herberg weder geopend. Een lang gerekt
+»Ha!" ontsnapte den mond der Perzen toen zij Nitetis aanschouwden in
+de kostbare Medische hofkleeding. Zij stond daar voor hen, het hoofd
+met vorstelijke waardigheid omhoog geheven, in het bewustzijn harer
+zegevierende schoonheid, en tegelijk met een maagdelijken blos over
+de verrukking harer vrienden. Onwillekeurig vielen de knechten, naar
+Aziatisch gebruik, voor haar neder; de edele Achaemeniden daarentegen
+bogen diep en eerbiedig. Het was als had de koningsdochter, met de
+meer eenvoudige kleeding van haar vaderland, ook alle schuchterheid
+afgelegd, en met het van goud en edelgesteente flonkerende zijden
+gewaad der Perzische vorstin, den trots en de waardigheid eener
+koningin aangetogen.
+
+Dit bewijs van eerbied scheen haar te streelen. Met eene soort van
+nederbuigende minzaamheid wenkte zij met de hand, en dankte hare
+vrienden voor deze hulde. Daarop wendde zij zich tot den overste der
+eunuchen [206], en zeide vriendelijk, maar tegelijk uit de hoogte:
+»Gij hebt uw plicht gedaan. Ik ben niet onvoldaan over de kleederen
+en de slavinnen, die ge mij bezorgd hebt. Ik zal mijn gemaal een
+loffelijke getuigenis geven van uw ijver. Ontvang intusschen deze
+gouden keten, ten teeken mijner erkentelijkheid."
+
+De alvermogende opzichter van de vrouwen des konings kuste haar
+kleed, en nam het geschenk zwijgend aan. Met zulk een trots was hij
+nog nooit door eene der aan zijne zorg toevertrouwden bejegend. Tot
+nu toe waren al de vrouwen van Cambyzes Aziatische, en deze plachten
+altijd, de onbeperkte macht van den overste der eunuchen kennende, al
+het mogelijke in het werk te stellen, om zijne gunst door vleierijen
+en onderworpenheid te winnen.
+
+Ten tweeden male boog de eunuch zich voor Nitetis. Zij wendde zich
+echter, zonder verder op hem acht te geven, tot Cresus, en zeide:
+»U, mijn liefderijken vriend, kan ik noch door woorden, noch door
+eenig geschenk vergelden, wat gij aan mij gedaan hebt; want u alleen
+zal ik het dank weten, als mijn leven aan dit hof, zoo al niet een
+gelukkig, dan toch een vreedzaam leven zijn mag.--Neem dezen ring,"
+zeide zij nu met luider stem, zoodat zij ook door de overige leden van
+het reisgezelschap kon worden verstaan, »die sinds mijn vertrek uit
+Egypte mijne hand niet verlaten heeft. Zijne waarde is gering; doch
+zijne beteekenis is schoon. Pythagoras, de edelste aller Hellenen,
+gaf hem aan mijne moeder, toen hij in Egypte de wijsheid onzer
+priesters kwam afluisteren. Mijne moeder schonk hem mij, toen ik van
+mijn vaderland afscheid nam. Op den eenvoudigen turkoois staat eene
+zeven [207]. Dit volstrekt ondeelbare getal is het zinnebeeld van de
+gezondheid van lichaam en ziel; want niets is ondeelbaarder dan de
+gezondheid. Wanneer ook maar het kleinste deeltje van het lichaam krank
+is, zoo lijdt de geheele mensch; wanneer zich eene slechte gedachte in
+ons hart nestelt, dan is de harmonie der geheele ziel verstoord. Deze
+zeven moge, zoo dikwerf gij er het oog op vestigt, u toeroepen, wat
+ik u wensch: het ongestoord en onverdeeld genot van eene lichamelijke
+gezondheid, en de lange voortduring van de liefderijke zachtmoedigheid,
+die u tot den deugdzaamste, en daarom tot den gezondste aller menschen
+maakt. Geen dank, mijn vader, want ik zou uwe schuldenares blijven,
+zelfs al vermocht ik Cresus de schatten van Cresus weer te geven.--Gij,
+Gyges, ontvang deze elpenbeenen Lydische lier, en gedenk de geefster,
+zoo dikwijls gij de snaren tokkelt.--U, Zopyrus, bied ik deze gouden
+keten aan, want gij zijt, gelijk ik gezien heb, de trouwste vriend
+van uwe vrienden; en wij, Egyptenaren, geven aan onze godin der
+liefde en der vriendschap, de schoone Hathor, als zinnebeeld van
+haar bindend vermogen, banden en strikken in de liefelijke handen
+[208].--U, Darius, u beminnaar van de wijsheid der Egyptenaren en
+van den helderen sterrenhemel, schenk ik tot aandenken dezen gouden
+band, op welken gij den dierenriem ziet, door eene bekwame hand in
+het metaal gegraveerd [209].--Gij, Bartja, mijn lieve schoonbroeder,
+zult eindelijk het kostbaarst kleinood ontvangen, dat ik bezit. Neem
+deze amulet van blauw steen [210]. Mijne zuster Tachot hing ze mij om
+den hals, toen ik haar voor de laatste maal goeden nacht wenschte, en
+mijne lippen op de hare drukte. Zij zeide: 'deze talisman verschaffe
+allen, die hem dragen, onvermengd geluk op aarde.' Zij weende, terwijl
+ze dat zeide, Bartja!--Ik weet niet aan wie de lieve dacht, maar ik
+hoop in haar geest te handelen, als ik haar kleinood in uwe handen
+leg. Houd het er voor, dat Tachot het u door mijne tusschenkomst
+aanbiedt, en gedenk nog dikwijls onze spelen in de tuinen van Saïs."
+
+Tot hiertoe had zij Grieksch gesproken. Thans richtte zij in gebroken
+Perzisch het woord tot de op eerbiedigen afstand wachtende dienaren:
+»Ontvangt ook gijlieden mijn dank! Te Babylon zal ik u duizend gouden
+staters [211] doen uitbetalen. Ik beveel u, Boges," vervolgde zij,
+zich tot den eunuch wendende, »uiterlijk overmorgen deze som onder
+de lieden te doen verdeelen.--Leid mij thans naar mijn wagen, Cresus!"
+
+De grijsaard haastte zich aan dit verzoek te voldoen. Terwijl hij
+Nitetis naar het voertuig geleidde, fluisterde zij hem toe, zijn arm
+aan hare borst drukkende: »Zijt gij over mij tevreden, mijn vader?"
+
+»Ik zeg u, meisje," antwoordde de grijsaard, »gij zult aan dit hof
+de eerste worden, na de moeder van den koning, want op uw voorhoofd
+zetelt de ware trots der koningin, en gij verstaat de kunst met weinig
+veel te doen. Geloof mij, dat een klein geschenk, gelijk gij het weet
+te kiezen en aan te bieden, den edele grooter vreugde verschaft, dan
+een hoop goud, dien men hem voor de voeten werpt. Kostbare geschenken
+te geven en te ontvangen is de gewoonte der Perzen. Zij verstaan de
+kunst elkander te verrijken. Gij zult hun leeren, elkaar gelukkiger
+te maken.--Wat zijt gij schoon!--Zit gij zóó goed, of verlangt gij
+hooger kussens?--Maar wat is dat? Ziet gij, in de richting van de
+stad, geene stofwolken oprijzen? Dat zal Cambyzes zijn die u tegemoet
+trekt. Het hoofd omhoog, mijne dochter! Beproef toch vooral den
+blik van uw gemaal te doorstaan en te beantwoorden. Slechts weinigen
+kunnen het bliksemen van dat oog verdragen. Gelukt het u hem vrij en
+onbedeesd in het gelaat te zien, zoo is uw spel gewonnen. Moed, moed,
+mijne dochter! Aphrodite siere u met hare schoonste bevalligheid!--Te
+paard mijne vrienden, ik geloof dat de koning ons te gemoet trekt!"
+
+Nitetis zat in den gouden wagen met opgeheven hoofd, en drukte
+de handen op haar hart. De stofwolken kwamen intusschen al nader
+en nader. Reeds zag men de zonnestralen flikkeren op de blinkende
+wapenen der naderende ruiterschaar, als bliksemstralen aan een
+donkeren hemel. Nu eens verdeelde zich de wolk, om enkele afzonderlijke
+gedaanten te laten zien, dan weer was de trein achter dicht geboomte,
+bij eene kromming van den weg, verborgen. Maar op eens vertoonden zich
+de ruiters zeer dicht in de nabijheid, nauwelijks honderd schreden
+van haar verwijderd, volkomen duidelijk aan haar starenden blik.
+
+De geheele stoet geleek eene bonte massa van paarden, mannen, purper,
+goud, zilver en edelgesteenten. Meer dan tweehonderd personen, allen
+op sneeuwwitte Nisaeische rossen gezeten, welker tuig en schabrakken
+met gouden klokjes en gespen, vederen, kwasten en stikwerk waren
+gemonteerd, volgden den man, die aanstonds te onderkennen was aan
+den raafzwarten hengst dien hij bereed [212]. Telkens werd hij door
+het edele dier in dolle vaart meegevoerd, doch even dikwijls deed
+hij den vurigen, schuimenden viervoeter met reuzenkracht voelen,
+dat hij juist de man was, om zijn overmoed te temmen. Deze ruiter,
+wiens gespierde dijbeenen den hengst zoo krachtig omklemden, dat het
+dier beefde en hijgde, droeg een kleed van scharlakenrood en wit,
+bedekt met schier ontelbare zilveren arenden en valken van stikwerk
+[213]. Zijne onderkleederen waren van purper en zijne laarzen
+van geel leder. Om zijne heupen was een gouden gordel gegespt,
+waarin een korte dolkvormige sabel stak, welker greep en scheede met
+edelgesteenten bezaaid waren. Evenals de tulband van Bartja, was ook de
+zijne met blauwe en witte banden der Achaemeniden omwoeld. Van onder
+dit hoofdsieraad kwamen dichte gitzwarte lokken te voorschijn. Een
+ontzaglijke baard van dezelfde kleur bedekte geheel het benedendeel
+van zijn aangezicht. Zijn gelaat was bleek en strak; zijne oogen
+daarentegen waren nog zwarter dan haar en baard, en daaruit straalde
+geen verwarmend, maar een verzengend vuur. Een vuurrood litteeken,
+het gevolg van den sabelhouw van een Massagetischen krijger, vormde
+een diepe groef over zijn hooggewelfd voorhoofd, zijn grooten gebogen
+neus en zijne smalle lippen. Geheel zijn uiterlijk droeg den stempel
+van groote kracht en mateloozen trots.
+
+Het was Nitetis niet mogelijk, ook maar voor éene seconde haar
+blik van dezen man af te wenden. Zijn evenbeeld had zij nog
+nooit aanschouwd. Als door toovermacht voelde zij zich tot hem
+getrokken. Zij meende in dit onbedwingbaar trotsch gelaat het kort
+begrip van alle mannelijke deugden te lezen. Het scheen haar, als
+was de gansche wereld, en in de eerste plaats zijzelve, geschapen
+om dezen man te dienen. Zij vreesde hem, en toch verlangde haar
+hart met vrouwelijke onderworpenheid vurig, zich als de wijnrank
+om den olmboom aan dezen sterken man te mogen vastklemmen. Zij wist
+niet recht, of zij zich den vreeselijken Seth [214], den vader van
+al wat boos is, of wel den gever van al wat licht en goed is, den
+grooten Ra, dus had voorgesteld. Op haar gelaat wisselden hoogrood en
+vaalbleek elkander af, gelijk licht en schaduw op den middag, wanneer
+de hemel met wolken overtogen wordt. Zij vergat de raadgevingen van
+haar vaderlijken vriend, en toch staarde zij, toen Cambyzes zijn
+woest snuivend ros ter zijde van haren wagen tot stilstaan dwong,
+met ingehouden adem in de vlammende oogen van den man, in wien zij
+den koning zou hebben erkend, al had niemand het haar gezegd.
+
+Het strenge gelaat van den beheerscher der halve wereld werd
+steeds vriendelijker, hoe langer zij, tengevolge van eene soort van
+aantrekkingskracht, zijn doordringenden blik doorstond. Eindelijk
+wenkte hij haar met de hand een welkomstgroet toe, en reed dan naar
+hare geleiders, die van hunne paarden waren gesprongen, en zich deels
+voor den koning in het stof hadden geworpen, deels diep gebogen en,
+volgens Perzisch gebruik, met de handen in de mouwen van hun gewaad
+hun vorst ontvingen.
+
+Thans sprong hij zelf van zijn hengst. Al de met hem gekomen ruiters
+volgden zijn voorbeeld. Reeds hadden 's konings tapijtenleggers, snel
+als de gedachte, een zwaar purperen dekkleed op den weg uitgespreid,
+opdat de voet van den vorst het stof niet beroeren zou, en weinige
+oogenblikken later begroette Cambyzes zijne vrienden en bloedverwanten,
+terwijl hij hun zijn mond tot kussen bood. Vervolgens schudde hij
+Cresus de rechterhand, gebood hem zijn paard weder te bestijgen,
+en hem als tolk naar den wagen van Nitetis te volgen.
+
+De aanzienlijkste hovelingen snelden toe, en hieven den koning
+op zijn ros. Deze wenkte nu, en de trein stelde zich opnieuw in
+beweging. Cresus draafde nevens Cambyzes aan de zijde van den gouden
+wagen.
+
+»Zij is schoon en mijn hart welgevallig," riep de Perzische vorst den
+Lydischen grijsaard toe. »Breng mij nu getrouw over, wat zij op mijne
+vragen zal antwoorden, want ik versta geen andere dan de Perzische,
+de Assyrische en de Medische taal."
+
+Nitetis had deze woorden verstaan. Eene zalige vreugde vervulde
+haar hart, en nog voordat Cresus den koning had kunnen antwoorden,
+sprak zij met zachte stem en sterk blozende, in gebroken Perzisch:
+»Hoe zal ik de goden danken, dat zij mij genade in uwe oogen hebben
+laten vinden! Ik ben niet geheel vreemdelinge in de taal van mijn
+heer, want deze edele grijsaard heeft mij op onze lange reize in
+het Perzisch onderricht. Vergeef mij, dat ik u slechts in gebroken
+volzinnen vermag te antwoorden. Mijn leertijd toch was kort, en mijne
+bevatting is slechts die eener eenvoudige, ongeleerde maagd [215]."
+
+Om den anders zoo ernstigen mond van Cambyzes speelde een
+glimlach. Zijne ijdelheid voelde zich gestreeld door den ijver van
+Nitetis om hem aangenaam te zijn, en de volhardende vlijt van eene
+vrouw kwam den Pers, die gewoon was de vrouwen te zien opgroeien in
+onwetendheid en traagheid, terwijl zij zich slechts met opschik en het
+smeden van listen bezighielden, even verwonderlijk als prijzenswaardig
+voor. Daarom antwoordde hij met blijkbaar welgevallen: »Het verheugt
+mij, dat ik zonder tolk met u kan spreken. Ga voort u toe te leggen
+op het aanleeren van de schoone taal mijner vaderen. Mijn dischgenoot
+Cresus zal ook in het vervolg uw leermeester zijn."
+
+»Gij maakt mij zeer gelukkig door dit bevel," antwoordde de grijsaard,
+»want ik zou mij geene dankbaarder en ijveriger leerling kunnen
+wenschen, dan de dochter van Amasis."
+
+»Zij bevestigt den ouden roem der Egyptische wijsheid," hervatte de
+koning, »en ik vertrouw, dat zij ook het onderwijs der magiërs, die
+haar in onzen godsdienst zullen onderrichten, zeer spoedig verstaan
+en in hare ziel opnemen zal."
+
+Nitetis sloeg de oogen neder. Wat zij zoozeer gevreesd had was
+aanstaande. In plaats van de Egyptische, zou zij voortaan vreemde
+goden moeten dienen.
+
+Cambyzes bemerkte hare innerlijke ontroering niet, en vervolgde:
+»Mijne moeder Cassandane zal u de verplichtingen, die op u als
+mijne gemalin rusten, leeren kennen. Ik zelf zal u morgen tot haar
+geleiden. Wat gij toevallig afluisterdet, herhaal ik u: Gij zijt mijn
+hart welgevallig. Zorg dat dit zoo blijve! Wij willen beproeven uwe
+liefde voor ons land te winnen. En als uw vriend geef ik u den raad,
+Boges, dien ik u tegemoet heb gezonden, met minzaamheid te bejegenen,
+want gij zult in vele dingen hem te gehoorzamen hebben, daar hij de
+bestuurder is van het vrouwenverblijf."
+
+»Al is hij de bestuurder van het vrouwenverblijf," antwoordde Nitetis,
+»zoo denk ik toch, dat over uwe gemalin zelve geen sterveling dan
+gij alleen te bevelen heeft. Wenk, en ik zal gehoorzamen; bedenk
+evenwel, dat ik eene koningsdochter ben en uit een land afkomstig,
+waar de zwakke vrouw in de rechten van den sterken man deelt;
+dat ook mijne borst doordrongen is van den trots, dien ik uit uwe
+oogen zie lichten, mijn gebieder!--U, den grooten man, mijn gemaal
+en heer, wil ik als eene slavin gehoorzamen; maar om de gunst van
+den onmannelijkste aller mannen, van een omkoopbaren knecht bedelen,
+dat kan ik evenmin, als ik de wetten zou kunnen gehoorzamen, die hij
+mij mocht willen voorschrijven."
+
+De verbazing en het welgevallen van Cambyzes namen steeds toe. Zoo had
+hij nog nooit eene vrouw, behalve zijne moeder, hooren spreken, en de
+behendige wijze waarop Nitetis, zonder het zelve te vermoeden, zijne
+macht over haar geheele bestaan erkende en op den voorgrond stelde,
+bevredigde zijne eigenliefde. De trots behaagde den hoogmoedigen
+man. Hij knikte de jonkvrouw goedkeurend toe en zeide: »Gij hebt
+gelijk. Ik zal u eene eigene woning doen aanwijzen. Ik alleen zal u
+bevelen, hoe gij u te gedragen hebt. Het vriendelijke huis boven op
+de hangende tuinen zal nog heden voor u in orde worden gebracht."
+
+»Dank, duizendwerf dank!" riep Nitetis. »O, zoo gij wist, hoe gelukkig
+gij mij met dit geschenk maakt! Van de hangende tuinen heeft uw waarde
+broeder, Bartja, mij veel moeten verhalen; en geene der heerlijkheden
+van uw groot rijk behaagde ons zoozeer als de liefde van dien koning,
+die dezen schoonen berg liet opwerpen."
+
+»Morgen zult gij uwe nieuwe woning kunnen betrekken; zeg mij thans,
+hoe mijne boden u en den Egyptenaren bevallen zijn?"
+
+»Hoe kunt gij dit vragen? Wie zou dezen edelen grijsaard kunnen
+leeren kennen, zonder hem te beminnen? Wie zou niet de schoonheid
+der jonge helden, uwe vrienden, bewonderen? Zij allen zijn ons huis
+dierbaar geworden. Maar vooral uw schoone broeder heeft aller harten
+gewonnen. De Egyptenaren haten de vreemdelingen, doch zoodra Bartja
+zich vertoonde, doorliep een gemompel van bewondering de menigte,
+die zich rondom hem verdrong."
+
+Terwijl de koningsdochter deze laatste woorden sprak, trok er eene
+wolk over 's konings gelaat. Eensklaps gaf hij zijn paard een harden
+slag, zoodat het steigerde, wendde het om, stelde zich aan de spits
+van zijn gevolg, en bereikte na eenige minuten de muren van Babylon.
+
+
+
+Nitetis, die als eene Egyptische van jongs af in de gelegenheid was
+geweest, de stoutste gewrochten der bouwkunst te leeren kennen, was
+desniettemin ten hoogste verwonderd over de verbazende uitgestrektheid
+en de grootschheid dezer reuzenstad. Zij scheen haar volstrekt
+onneembaar. De muren toch waren vijftig el hoog, en zóo breed, dat twee
+wagens met het grootste gemak elkaar konden voorbijrijden. Tweehonderd
+vijftig hooge torens kroonden en versterkten dezen reuzenwal, en dit
+aantal zou nog niet voldoende zijn geweest, zoo Babylon niet aan éene
+zijde door ondoorwaadbare moerassen ware beschermd geworden. De stad
+was op de beide oevers van den Euphraat gebouwd. Haar omtrek was meer
+dan negen mijlen, en binnen den steenen gordel harer muren verhieven
+zich gebouwen, die in grootte zelfs de pyramiden en de tempels van
+Thebe en Memphis overtroffen [216].
+
+De poort door welke de koninklijke stoet de stad binnentrok, had
+voor de aanzienlijke personages hare vijftig el hooge metalen deuren
+wijd geopend. Deze toegang werd aan weerszijden bestreken door een
+vesting-toren, voor welken zich als schildwacht een reusachtige
+gevleugelde stier van steen, met een ernstig, baardig menschelijk
+aangezicht, in liggende houding, verhief [217]. Deze monsters waren
+eene zinnebeeldige voorstelling van de almacht der goden. De hoogste
+kracht was uitgedrukt door de gestalte van den stier, het hoogste
+verstand door het menschelijk hoofd, de grootste snelheid door
+adelaarsvleugels. Met verbazing zag Nitetis tot deze reuzenpoort op;
+met blijde ontroering dwaalden hare oogen door de straten der groote
+stad, die haar ter eere haar schoonste feestgewaad had aangetogen.
+
+Zoodra de koning en de gouden wagen zichtbaar werden, barstte de
+saamgevloeide menigte in luide vreugdekreten los. Maar het gejuich
+klom tot een onafgebroken en donderend gejubel, toen het volk den
+terugkeerenden Bartja, zijn lieveling, opmerkte. De menigte had ook
+Cambyzes in langen tijd niet gezien, want de koning vertoonde zich,
+overeenkomstig Medisch gebruik, slechts zelden in het openbaar. Hij
+behoorde onzichtbaar te regeeren, evenals de godheid, en zijne
+verschijning voor de oogen des volks moest, als het grootste feest,
+door allen steeds met smachtend verlangen verbeid worden. Zoo had
+zich dan ook heden geheel Babylon opgemaakt, om den gevreesden
+gebieder en den geliefden jongsten zoon van Cyrus te zien en te
+begroeten. Alle vensters waren door nieuwsgierige vrouwen bezet, die
+de voorbijtrekkende bloemen voor de voeten wierpen, en welriekende
+wateren over het hoofd uitstortten. De geheele weg was met myrten- en
+palmtakken bestrooid; allerlei groene boomen stonden voor de deuren;
+uit de vensters hingen tapijten en stukken doek; van huis tot huis
+waren bloemguirlanden opgehangen; de geuren van wierook en sandelhout
+vervulden de lucht, en dicht op elkander gepakt stonden, aan beide
+zijden van den weg, duizenden gapende Babyloniërs, in witte linnen
+hemden, veelkleurige wollen rokken en korte manteltjes, die lange
+stokken, op wier punten gouden, zilveren en ivoren granaatappels,
+vogels of rozen bevestigd waren, in de handen hielden [218].
+
+Al de straten, waardoor de stoet voorttrok, waren breed en recht; de
+van gebakken steen gebouwde huizen deftig en hoog [219]. Maar boven
+alle huizen en torens verhief zich de reuzentempel van den god Bel,
+met zijn verbazende trap, die zich buiten om het ronde, torenvormige
+gebouw, dat uit acht verdiepingen bestond, gelijk eene monsterslang
+omhoog slingerde, naar de spits, die het eigenlijk heiligdom droeg
+[220].
+
+Nu naderde de trein den burcht des konings [221], welks
+afmetingen geheel evenredig waren aan den grootschen aanleg
+van de gansche stad. De muren die het paleis omgaven, waren met
+verglaasde veelkleurige beeldwerken bedekt, die in eene bonte
+mengeling menschen, vogels, zoogdieren en visschen, jachtpartijen,
+krijgstooneelen en feestelijke optochten voorstelden. Noordwaarts,
+langs den rivieroever, verrezen de hangende tuinen [222], oostwaarts,
+op den tegenovergestelden oever, lag de tweede, kleinere koningsburcht,
+met den eersten door eene vaste steenen brug verbonden.
+
+De stoet trok de metalen poorten der drie het paleis omgevende
+muren binnen. De paarden van den wagen van Nitetis stonden stil;
+voetbankdragers hielpen haar uitstappen. Zij was nu in haar nieuw
+vaderland, en kort daarop in de haar voorloopig tot woning aangewezene
+vertrekken van het vrouwenhuis aangekomen.
+
+Cambyzes, Bartja en de ons bekende vrienden stonden nog, door honderd
+aanzienlijke waardigheidbekleeders omgeven, op het slotplein, dat
+met veelkleurige tapijten belegd was, toen men luide vrouwenstemmen
+vernam, en eene bij uitnemendheid schoone jonge Perzische maagd,
+in kostbare kleeding, wier volle blonde haren met rijke parelsnoeren
+waren omwonden, door verscheidene andere vrouwen gevolgd, het plein op
+en de mannen tegemoet snelde. Cambyzes stelde zich het driftige meisje
+glimlachend in den weg; zij wist hem echter met eene vlugge wending
+voorbij te komen, en hing een oogenblik later, nu eens lachende dan
+weer weenende aan Bartja's hals.
+
+De vrouwen die haar volgden, wierpen zich op eerbiedigen afstand
+ter aarde. Toen het meisje inmiddels voortging den wedergekeerde met
+liefkoozingen te overladen, riep Cambyzes: »Schaam u, Atossa! Bedenk
+dat gij, sedert gij de oorringen draagt [223], opgehouden hebt,
+een kind te zijn. Ik heb er niets tegen, dat gij u verblijdt over de
+behoudene wederkomst van uw broeder; maar zelfs te midden der vreugde
+mag eene koninklijke jonkvrouw de betamelijkheid niet uit het oog
+verliezen. Maak thans, dat gij weder bij uwe moeder komt! Daar ginds
+zie ik uwe dienstmaagden. Ga, en zeg haar, dat ik u ter wille van dezen
+vreugdedag ongestraft zal laten. Waagt gij 't echter andermaal tot deze
+plaats door te dringen, die voor iederen ongeroepene gesloten is, zoo
+zal ik Boges last geven u twaalf dagen lang op te sluiten. Onthoud dit,
+gij wildzang, en zeg aan onze moeder, dat ik haar aanstonds met Bartja
+een bezoek zal brengen. Geef mij nu een kus!--Gij wilt niet? Zijt ge
+boos? Wacht maar, stijfhoofd!"
+
+Bij deze woorden sprong de koning op het meisje toe, hield hare beide
+handen met zijne linker zoo vast te zamen, dat zij kermde van pijn,
+boog met de rechter het lieve hoofdje achterwaarts, en kuste zijne
+weerstrevende zuster, die daarop weenende hare dienstmaagden tegemoet
+liep, en ijlings naar hare woning terugkeerde.
+
+Toen Atossa verdwenen was, zeide Bartja: »Gij hebt de arme kleine te
+hart aangegrepen, Cambyzes; zij kreet van pijn."
+
+Het gelaat van den koning betrok. Hij hield echter het barsche antwoord
+terug, dat hem op de lippen zweefde en zeide, zich naar het huis
+keerende: »Kom thans mede naar onze moeder; zij heeft mij verzocht
+u tot haar te leiden, zoodra gij zoudt zijn aangekomen. De vrouwen
+hebben geen rust, vóor dat zij haren aangebeden lieveling weder bij
+zich hebben. Nitetis zeide mij, dat gij ook de Egyptische vrouwen met
+uwe blonde lokken en rooskleurige wangen betooverd hebt. Bid Mithra
+[224] toch gedurig, dat hij u eene eeuwige jeugd schenke, en u de
+rimpels van den ouderdom spare!"
+
+»Wilt gij daarmede zeggen," vroeg Bartja, »dat ik geene deugd bezit,
+die ook den ouderdom ten sieraad kan verstrekken?"
+
+»Ik ben aan niemand verklaring schuldig van den zin mijner
+woorden. Kom!"
+
+»Ik zal u echter verzoeken, mij in de gelegenheid te stellen u
+te bewijzen, dat ik in mannelijke deugden bij geen enkelen Pers
+achtersta."
+
+»Het gejubel der Babyloniërs had u anders kunnen leeren, dat gij
+geene daden behoeft te doen, om liefde en achting te verwerven."
+
+»Cambyzes!"
+
+»Kom nu! De oorlog met de Massageten staat voor de deur. Alsdan zult
+gij gelegenheid te over hebben, om te toonen wat gij kunt, en wie
+gij zijt!"
+
+Weinige oogenblikken later rustte Bartja aan den boezem zijner blinde
+moeder, die met een kloppend hart den lieveling, die zoolang van haar
+gescheiden was geweest, verbeid had. En thans, nu zij eindelijk het
+geluid zijner stem vernam, en hare handen het dierbare hoofd betastten,
+vergat zij alle anderen om haar heen, ja, sloeg zij zelfs geen acht op
+haren eerstgeboren zoon, den machtigen koning, die het met verkropte
+spijt aanzag, hoe zich een volle stroom van moederliefde over zijn
+jongeren broeder ontlastte.
+
+Van Cambyzes' vroegste jeugd was elke zijner wenschen vervuld geworden,
+iedere zijner oogwenken als een bevel gehoorzaamd. Vandaar dat hij
+geene tegenspraak kon dulden, en zich geheel aan zijn snel opbruisenden
+toorn overgaf, wanneer een zijner onderdanen, en hij kende geene andere
+menschen dan dezulken, het waagde hem tegen te spreken. Cyrus, zijn
+vader, de machtige veroveraar der halve wereld, wiens groote geest
+het kleine volk der Perzen tot het toppunt van aardsche macht had
+gebracht; die zoo goed had begrepen, hoe hij aan tallooze ten onder
+gebrachte stammen ontzag moest inboezemen, deze Cyrus had niet geweten,
+hoe hij in den kleinen kring van zijn gezin het opvoedingswerk moest
+volbrengen, waarin hij ten opzichte van groote staten zoo uitstekend
+geslaagd was. Reeds in den knaap Cambyzes zag hij den toekomstigen
+koning. Hij vergde van zijne onderdanen, dat zij het kind blindelings
+zouden gehoorzamen, ofschoon hij daarbij vergat, dat hij die eenmaal
+bevelen wil, eerst moet geleerd hebben zelf te gehoorzamen.
+
+De vrouw zijns harten en de beminde zijner jeugd, Cassandane, had
+hem eerst Cambyzes, toen drie dochters en eindelijk, vijftien jaren
+later, Bartja geschonken. De eerstgeboren zoon had zich sinds lang
+aan de ouderlijke liefkoozingen onttrokken, toen de jongere broeder
+het levenslicht aanschouwde, en al de zorgen en de teederheid der
+moeder voor zich alleen vorderde. De schoone, gevoelige, aanvallige
+Bartja werd de oogappel van beide ouders; hem wijdden zij hunne
+koesterende liefde, terwijl Cambyzes zich slechts over de groote
+toegevendheid van vader en moeder te verblijden had. De toekomstige
+koning onderscheidde zich in menigen oorlog door moed en dapperheid,
+maar zijn heerschzuchtig en trotsch karakter deed hem slechts
+sidderende slaven vinden, terwijl de minzame, hartelijke Bartja de
+hem omringenden met volle recht zijne vrienden mocht heeten. Het volk
+eindelijk vreesde Cambyzes, en beefde als hij naderde, in spijt van de
+rijke geschenken, die hij gewoon was met kwistige hand uit te strooien;
+terwijl het den vriendelijken Bartja liefhad, en in dezen het evenbeeld
+van den gestorven Cyrus, »den vader zijns volks," aanschouwde.
+
+Cambyzes gevoelde zeer goed, dat hij de liefde, die men zijn broeder
+van alle zijden geheel vrijwillig schonk, niet koopen kon. Hij
+haatte Bartja niet, maar het verdroot hem dat een knaap, die zich
+door geene daden had doen kennen, door alle Perzen als een held en
+een weldoener vereerd en bemind werd. Alles wat hem niet behaagde,
+hield hij voor onrecht, wat hij onrecht heette moest hij bestraffen,
+en een bestraffend woord uit zijn mond was sedert zijne kindsheid
+zelfs door de aanzienlijksten altijd gevreesd geworden. De opgewondene
+vreugdekreten van het volk, de welsprekende uitingen van de liefde
+zijner moeder en zuster, maar vooral de warme loftuitingen van Nitetis,
+ontstaken thans eene ijverzucht in hem, die zijn trotsch hart tot op
+dien dag niet gekend had.
+
+Nitetis behaagde hem ongemeen. Deze vorstentelg, die zich aan zijne
+grootheid volkomen onderwierp, en evenals hij al het geringere
+met zekeren trots verachtte; deze dochter van een machtig koning,
+die, om zijne gunst te winnen, zich groote moeite had getroost
+tot het aanleren der Perzische taal; deze aanzienlijke jonkvrouw,
+wier eigenaardige, half Egyptische, half Grieksche schoonheid (hare
+moeder was eene Helleensche geweest), als iets nieuws, als iets dat
+hij te voren nooit aanschouwd had, zijne bewondering in de hoogste
+mate had gewekt,--had een diepen indruk op hem gemaakt. Daarom was
+hij ontstemd geworden door hare, zoo geheel uit eigen beweging over
+Bartja uitgesprokene lofuitingen, en hadden deze slechts gestrekt,
+om zijn hart voor de ijverzucht te ontsluiten.
+
+Toen hij met zijn broeder de vertrekken der vrouwen verliet, nam hij
+een kort besluit, en riep hem toe, alvorens van hem te scheiden: »Gij
+hebt mij verzocht u in de gelegenheid te stellen, uwe dapperheid door
+daden te toonen. Ik wil u hierin ter wille zijn. De Tapoeren [225] zijn
+opgestaan. Ik heb een leger naar hunne grenzen gezonden. Begeef u naar
+Rhagae, neem het opperbevel over, en toon wat gij zijt en vermoogt!"
+
+»Ik dank u, mijn broeder," riep Bartja; »mogen mijne vrienden Darius,
+Gyges en Zopyrus mij vergezellen?"
+
+»Ook deze gunst wil ik niet afslaan. Gedraag u als een held en talm
+niet, opdat gij binnen drie maanden weder bij het groote leger moogt
+zijn, dat in het voorjaar ter wraakoefening tegen de Massageten [226]
+zal optrekken."
+
+»Morgen reeds vertrek ik!"
+
+»Het ga u goed!"
+
+»Wanneer Aoeramazda mijn leven spaart, en ik als overwinnaar terugkeer,
+wilt gij mij dan ééne bede toestaan?"
+
+»Dat wil ik."
+
+»O, thans zult gij zien dat ik de zege behaal, ook al stond ik met
+duizend man tegenover tienduizend Tapoeren!"--'s Jongelings oogen
+fonkelden. Hij dacht aan Sappho.
+
+»Het zal mij verheugen, als gij uwe schoone woorden
+verwezenlijkt. Maar, wacht even, ik heb u nog iets te zeggen. Gij
+zijt twintig jaar oud en moet trouwen. Roxane, de dochter van den
+edelen Hydarnes, is huwbaar geworden. Zij moet schoon zijn, en is
+uwer waardig, wat hare afkomst betreft."
+
+»O, mijn broeder, spreek mij niet van trouwen, ik..."
+
+»Gij moet eene vrouw nemen, want ik ben kinderloos."
+
+»Maar gij zijt jong, en zult niet zonder nakomelingen blijven. Ook zeg
+ik niet, dat ik in het geheel niet wil huwen. Wees niet boos op mij,
+maar juist thans, nu ik bewijzen zal man te zijn, wil ik niets van
+trouwen weten!"
+
+»Dan moet gij Roxane trouwen, wanneer gij uit het Noorden zult zijn
+teruggekeerd. Maar ik raad u de schoone met u in het veld te nemen. De
+Pers vecht gewoonlijk veel beter, wanneer hij, behalve zijne schatten,
+ook eene schoone vrouw in zijne legerplaats te verdedigen heeft."
+
+»Verschoon mij hiervan, mijn broeder. Bij de ziel van onzen vader
+bezweer ik u, straf mij niet met eene vrouw, die ik niet ken en niet
+mag kennen. Geef Roxane aan Zopyrus, die de vrouwen bemint, geef haar
+aan Darius of Bessus, beiden verwanten van Hydarnes. Ik kan haar niet
+beminnen, en gij zoudt mij dus slechts ongelukkig maken..."
+
+Cambyzes lachte en riep, zijn broeder in de rede vallende: »Het is
+als hadt gij opgehouden een Pers te zijn; als waart gij geheel een
+Egyptenaar geworden. Voorwaar, het berouwt mij reeds, dat ik een knaap
+als gij zijt in den vreemde heb gezonden! Maar ik ben niet gewoon mij
+te laten weerstreven, en na afloop van dezen krijg neem ik dus geene
+verontschuldigingen aan. Thans kunt gij mijnentwege zonder vrouw ten
+strijde gaan, want ik wil u niet iets opdringen, dat, naar gij meent,
+slechts gevaarlijk zou zijn voor uwe dapperheid. Overigens komt het
+mij voor, dat gij nog andere geheime gronden hebt, om geen genoegen
+te nemen in mijn broederlijken voorslag. Dat zou mij om uwentwil leed
+doen. Trek nu met het leger op. Na den krijg laat ik geen tegenspraak
+gelden. Gij kent mij!"
+
+»Misschien kom ik zelf u na den krijg om datgene vragen, wat ik
+thans niet van u mag aannemen. Even slecht als het is, iemand in zijn
+ongeluk te storten, even onverstandig is het, een mensch te willen
+dwingen om gelukkig te worden. Ik dank u voor uwe toegevendheid."
+
+»Stel die maar niet te dikwijls op de proef!--Hoe gelukkig ziet gij er
+uit! Ik geloof vast dat gij verliefd zijt, en ter wille uwer schoone
+alle andere vrouwen veracht."
+
+Bartja bloosde tot achter de ooren, terwijl hij de hand van zijn
+broeder greep, en riep: »Onderzoek thans niet verder. Ontvang nogmaals
+mijn dank, en vaarwel! Veroorlooft gij mij, nadat ik van onze moeder
+en van Atossa afscheid genomen heb, ook Nitetis vaarwel te zeggen?"
+
+Cambyzes beet zich op de lippen, en zag Bartja doordringend aan. Toen
+hij bemerkte dat zijn broeder zijn bliksemend oog niet verdragen kon,
+riep hij scherp en dreigend: »Maak gij maar dat ge bij de Tapoeren
+komt! Mijne gemalin heeft uwe bescherming niet meer van noode. Zij
+heeft thans anderen die haar bewaken."
+
+Dit zeggende, keerde hij Bartja den rug toe, en begaf zich naar
+de met goud, purper en edelgesteenten rijk versierde voorzaal,
+waar veldheeren, satrapen, rechters, schatmeesters, schrijvers,
+raadsheeren, eunuchen, deurwachters, beambten, wier roeping was
+de vreemdelingen voor den koning te geleiden, kamerdienaars, uit-
+en aankleeders, schenkers, stalmeesters, jachtoversten, lijfartsen,
+oogen en ooren des konings [227] en boden van allerlei soort hem
+verbeidden. Herauten met staven in de handen traden voor hem uit,
+terwijl hij gevolgd werd door een gansch heir van waaier-, draagstoel-
+en voetbankdragers, tapijtleggers en schrijvers, welke laatsten
+ieder bevel huns heeren, iedere met een wenk gedane inwilliging,
+elke uitgeloofde belooning of gevelde straf aanstonds opteekenden,
+en aan de bevoegde ambtenaren ter uitvoering overbrachten.
+
+In het midden der helder verlichte zaal stond eene vergulde tafel,
+die bijkans bezweek onder den last van gouden en zilveren vaatwerk,
+borden, bekers en schalen, die in de keurigste orde waren geschikt. In
+een door purperen gordijnen afgesloten zijvertrek zag men eene
+kleine tafel, bezet met eetgereedschappen, welker waarde vele
+millioenen moet hebben bedragen. Hier placht de koning den maaltijd
+te gebruiken. Het voorhangsel verborg hem voor de blikken der andere
+spijzenden, terwijl hij de geheele zaal kon overzien, en de minste
+beweging zijner dischgenooten waarnemen [228]. Tot het getal dezer
+dischgenooten te behooren was, ook voor den meest eerzuchtige, de
+grootste onderscheiding die men zich denken kon, ja, reeds hij mocht
+zich beroemen een bijzonder bewijs van gunst te hebben ontvangen,
+aan wien slechts een deel van de tafel des konings was toegezonden.
+
+Toen hij de zaal binnentrad, wierpen zich bijna al de aanwezigen
+voor hem neder; alleen zijne bloedverwanten, kenbaar aan de blauwe
+en witte strepen op hunne tulbanden, vergenoegden zich met eene
+eerbiedige buiging.
+
+Nadat de koning in zijn vertrek had plaats genomen, zetten zich ook
+zijne gasten, en nu begon men op eene verbazende wijze den disch
+eere aan te doen. Gebradene dieren werden in hun geheel opgebracht,
+en toen de eetlust bevredigd was, werd door een tal van dienaren eene
+ontzaglijke massa van de vreemdsoortigste snoeperijen opgedragen,
+die later, als »Perzisch nagerecht," zelfs bij de Grieken groote
+vermaardheid verkregen [229]. Daarop verschenen slaven, die de tafel
+van de overblijfselen van het maal zuiverden, terwijl andere dienaren
+reusachtige wijnkruiken brachten. De koning verliet zijn vertrek, om
+zich aan het hoogereinde der tafel in de groote zaal te plaatsen. Een
+tal van schenkers vulden op de sierlijkste wijze de gouden bekers en
+proefden den wijn, ten bewijze dat deze geen vergif bevatte. Weldra
+was een dier drinkgelagen in vollen gang, waarbij later Alexander de
+groote de matigheid, ja zelfs de vriendschap vergat [230].
+
+Cambyzes was dien dag buitengewoon stil. In zijne ziel had zich het
+vermoeden genesteld, dat Bartja zijne nieuwe gemalin beminde. Waarom
+had de jongeling zich, tegen alle gebruiken in, zoo bepaald afkeerig
+getoond van een huwelijk met eene aanzienlijke schoone maagd, terwijl
+hem dit zoo vaak als een plicht was voorgehouden, omdat zijn broeder
+kinderloos was? Waarom wilde hij Nitetis, vóor zijn vertrek naar
+de Tapoeren, nog eenmaal zien? Waarom bloosde hij zoo, toen hij dit
+verzoek deed? Waarom had die Egyptische hem zoo geroemd? »Het is goed,
+dat hij van hier gaat, want hij mocht mij anders ook eens de liefde van
+deze vrouw ontrooven," dacht de koning. »Ware hij niet mijn broeder,
+ik zond hem daarheen, van waar niemand ooit terugkeert."
+
+Na middernacht maakte hij een einde aan het zwelgen. Boges, de overste
+der eunuchen, verscheen, om hem naar het vrouwenverblijf te geleiden,
+waarheen hij zich op dit uur als zijne dronkenschap namelijk niet te
+groot was, placht te begeven.
+
+»Phaedime wacht u met ongeduld," zeide de eunuch.
+
+»Laat haar wachten!" antwoordde de koning. »Hebt gij maatregelen
+genomen tot het in gereedheid brengen van het paleis op de hangende
+tuinen."
+
+»Morgen kan het betrokken worden."
+
+»Welke vertrekken hebt gij voor de Egyptische bestemd?"
+
+»De vroegere woning van de tweede gemalin van uw vader Cyrus, de
+gestorvene Amytis."
+
+»Het is goed. Nitetis moet met den grootsten eerbied behandeld
+worden. Gij zelf hebt haar geene andere bevelen te geven, dan die ik
+u aan haar zal opdragen."
+
+De eunuch boog zich zwijgend.
+
+»Zorg er voor, dat niemand, zelfs Cresus niet, met haar spreke,
+alvorens mijn .... zoo lang ik u geene andere bevelen geef."
+
+»Cresus was hedenavond bij haar."
+
+»Wat wilde hij van mijne gemalin?"
+
+»Ik weet het niet, want ik versta geen Grieksch; maar ik hoorde
+meermalen den naam Bartja uitspreken, en houd het er voor, dat de
+Egyptische eenig treurig bericht heeft ontvangen. Haar gelaat stond
+droevig, toen ik, nadat Cresus vertrokken was, kwam vernemen, of zij
+nog iets te bevelen had."
+
+»Angramainjus doe uwe tong verlammen!" bromde de koning, Boges den
+rug toekeerende, en de fakkeldragers en uitkleeders volgende, die
+hem naar zijne vertrekken geleidden.
+
+
+
+Den volgenden dag, omstreeks den middag, vertrok Bartja met zijne
+vrienden en een grooten stoet van dienaren, naar de Tapoerische
+grenzen. Cresus verzelde de jonge helden tot aan de poort van
+Babylon. Toen Bartja zijn grijzen vriend voor het laatst omarmde,
+fluisterde hij hem toe: »Mocht de bode uit Egypte ook voor mij een
+schrijven in zijn valies hebben, zoo zend mij dit achterna."
+
+»Zoudt gij dan de Grieksche schrijfteekens kunnen ontcijferen?"
+
+»Gyges en Eros zullen mij helpen!"
+
+»Nitetis, wie ik van uwe afreize kennis heb gegeven, laat u groeten,
+en u zeggen, dat gij toch vooral de Egyptische vrienden niet moet
+vergeten."
+
+»Voorzeker niet!"
+
+»Zoo mogen de goden u behoeden, mijn zoon. Wees gelijk uw vader,
+jegens de opstandelingen zachtmoedig, die niet uit woelzucht maar
+ter verkrijging van het schoonste, dat de mensch bezit, de vrijheid,
+aan het muiten zijn geraakt. Bedenk ook, dat weldaden bewijzen beter
+is dan bloed vergieten. Want het zwaard doodt, maar de goedheid en de
+zachtmoedigheid van den heerscher maken de menschen gelukkig. Staak
+den strijd, zoodra gij kunt, want hij verandert den loop der
+natuur. Gedurende den vrede toch overleven de zonen hunne vaders,
+als 't oorlog is de vaders hunne zonen. Vaarwel, jonge helden, de
+overwinning zij met u!"
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+
+Cambyzes bracht een slapeloozen nacht door. De jaloezij, die hij tot
+hiertoe niet in die mate gekend had, versterkte zijne begeerte naar het
+bezit der Egyptische. Vooralsnog mocht hij haar niet zijne gemalinne
+noemen, want de Perzische wet schreef voor, dat het den koning eerst
+dan geoorloofd was eene vreemdelinge tot zijne gade te nemen [231],
+wanneer zij zich met de Iranische gebruiken vertrouwd had gemaakt,
+en den godsdienst van Zoroaster [232] had aangenomen. Volgens die
+wet zou er een geheel jaar hebben moeten verloopen, eer Nitetis de
+vrouw van een Perzischen vorst mocht worden.
+
+Maar wat bekommerde Cambyzes zich om de wet? Hij beschouwde zichzelven
+als de verpersoonlijking ervan, en was van oordeel, dat voor Nitetis
+drie maanden voldoende zouden zijn, om alle leerstukken der Magiërs
+te verstaan, en het feest van haar huwelijk met hem te vieren. Zijne
+andere vrouwen schenen hem thans hatelijk, ja, hij had zelfs een
+afkeer van haar gekregen. Reeds in zijne jeugd had men zijn huis
+met vrouwen opgevuld. Zijn harem bevatte schoone meisjes uit alle
+deelen van Azië. Zwartoogige maagden uit Armenië, schitterend
+blanke jonkvrouwen van den Kaukasus, teedere maagdelijns van den
+oever van den Ganges, weelderige dochteren Babylons, goudlokkige
+Perzische meisjes en weekelijke kinderen uit de Medische vlakte,
+ja, zelfs onderscheidene telgen van de edelste Achaemeniden hadden
+den koningszoon als echte gemalinnen de hand gereikt. Phaedime, de
+dochter van den edelen Otanes en nicht van zijne moeder Cassandane,
+was tot heden zijne meest geliefde vrouw, of beter gezegd, de eenige
+geweest, van wie men zeggen kon, dat zij hem nader aan 't hart lag
+dan eene gekochte slavin. Maar ook deze kwam thans den gemelijken en
+oververzadigden koning gering en verachtelijk voor.
+
+De Egyptische scheen hem echter uit edeler en waardiger stof gevormd,
+dan alle die andere. Zij waren maar vleiende deernen, maar Nitetis
+was eene koningin. De andere bogen in het stof aan zijne voeten,
+maar dacht hij aan Nitetis, dan zag hij haar rechtop staan, even
+trotsch en hoog als hijzelf. Zij zou van nu aan niet alleen Phaedime's
+plaats innemen; hij wilde haar veeleer zoo hoog verheffen, als weleer
+zijn vader Cyrus zijne gemalin Cassandane. Nitetis alleen vermocht
+met hare kennis en haren raad hem ter zijde te staan, terwijl de
+andere, onwetend als kinderen, slechts voor opschik en kleeding,
+voor verachtelijke samenzweringen en nietige twisten leefden. De
+Egyptische moest hem liefhebben, want hij was haar steun, haar heer,
+haar vader en haar broeder, in het land dat haar geheel vreemd was.
+
+»Zij moet!" zeide hij in zichzelven, en zijn wil scheen den tyran
+even voldoende, als de reeds volbrachte daad. »Laat Bartja slechts
+wederkomen," mompelde hij; »hij zal ondervinden wat hem wacht, die
+het waagt zich mij in den weg te stellen!"
+
+
+
+Ook Nitetis had een onrustigen nacht. In de aan hare vertrekken
+grenzende gemeenschappelijke zaal der vrouwen zong en joelde en
+krakeelde men tot middernacht. Dikwijls herkende zij de krijschende
+stem van Boges, die met de aan zijne hoede toevertrouwden schertste en
+lachte. Als het eindelijk in de ruime zalen van het paleis rustig was
+geworden, dacht zij zich weer terug in het afgelegene vaderland en bij
+de arme Tachot, die naar haar en naar den schoonen Bartja smachtte;
+naar Bartja, die, gelijk Cresus haar gezegd had, morgen ten strijde
+zou trekken, en misschien wel zijn dood tegemoet ging. Dan sliep zij
+in, afgemat door de vermoeienissen der reis, en van haar toekomstigen
+gade droomende. Zij zag hem rijdende op zijn zwarten hengst. Het wilde
+dier schrikte van Bartja's lijk, dat aan den weg lag, wierp den koning
+uit het zadel en sleepte hem voort in den Nijl, die eensklaps met
+bloedroode golven begon te stroomen. In haar angst riep zij om hulp;
+haar geroep werd door de pyramiden weerkaatst, en het klonk steeds
+luider en geweldiger, tot zij van de vreeselijke echo ontwaakte.
+
+Maar wat was dat?--De klagende, galmende toon, dien zij in den droom
+vernomen had, klonk nog voort nu zij ontwaakt was. Zij rukte de luiken
+van een venster open en zag naar buiten. Een groote, prachtige tuin,
+met springfonteinen en lange rijen boomen, door den frisschen dauw
+bevochtigd, lag daar vóór haar [233]. Geen geluid werd vernomen,
+behalve dien vreemden toon. Maar ook deze stierf eindelijk in het
+ochtendkoeltje weg. Na weinige oogenblikken hoorde zij in de verte
+schreeuwen en joelen. Daarop ontwaakte allengs het leven in de
+reuzenstad. Ten laatste vernam zij nog slechts een dof bruisen,
+als dat van de golven der zee.
+
+De koele morgenlucht had haar zoo geheel den slaap uit de oogen
+gedreven, dat zij geen lust meer gevoelde om zich andermaal neder
+te leggen. Zij keerde naar het venster terug. Zie, daar traden twee
+menschen uit het door haar bewoonde huis in den tuin. Zij herkende den
+eunuch Boges, die met eene schoone, slechts half gekleede Perzische
+vrouw sprak. Zij naderden haar venster. Nitetis verborg zich achter
+het half geopende luik en luisterde, want zij meende haren naam te
+hebben hooren noemen.
+
+»De Egyptische slaapt nog," zeide de eunuch. »Zij zal wel zeer vermoeid
+zijn van de reis."
+
+»Zoo antwoord spoedig," hernam de Perzische. »Gelooft gij werkelijk,
+dat deze vreemdelinge mij gevaarlijk zou kunnen worden?"
+
+»Zeer zeker, mijn popje."
+
+»Wat brengt u tot dat vermoeden?"
+
+»Deze nieuwe vrouw behoeft niet mijne, maar alleen de bevelen des
+konings te gehoorzamen."
+
+»Is dat alles?"
+
+»Neen, mijn schatje. Maar ik ken den koning, en lees op zijn
+aangezicht, gelijk een magiër in de heilige boeken."
+
+»Dus moeten wij haar uit den weg ruimen."
+
+»Dat is licht gezegd, maar moeielijk uit te voeren, mijn duifje."
+
+»Laat mij los, onbeschaamde!"
+
+»Kom, kom, men ziet ons niet, en gij zult mij noodig hebben."
+
+»Nu dan, maar zeg mij spoedig, wat er gedaan moet worden."
+
+»Dank, mijn zoet hartje Phaedime!--Om te beginnen, moeten wij ons
+stilhouden en eene gelegenheid afwachten. Wanneer Cresus, die zich
+de Egyptische bijzonder schijnt aan te trekken, weg is, dan moeten
+wij een strik zien te spannen..."
+
+Zij, die dit gesprek voerden, hadden zich zoover verwijderd, dat
+Nitetis niets meer kon verstaan. In de hevigste ontroering sloot zij
+het luik en riep hare dienstmaagden, om zich te laten kleeden. Zij
+kende thans hare vijanden. Zij wist nu, dat duizend gevaren haar
+bedreigden. Toch voelde zij zich sterk en trotsch, want zij moest
+de echte vrouw van Cambyzes worden. Nooit had zij zulk een besef
+van eigenwaarde gehad, als tegenover deze ellendige schepsels. De
+ontwijfelbare zekerheid van te zullen overwinnen vervulde haar hart,
+dat stellig geloofde aan de tooverkracht van het goede en van de deugd.
+
+»Wat had dat akelig geluid, hedenmorgen vroeg, te beduiden?" vroeg zij
+aan de eerste van hare Perzische kamerjuffers, die haar toilet maakte.
+
+»Bedoelt gij het slaan op het koperen bekken, meesteres?"
+
+»Nauwlijks twee uren geleden werd ik door een vreemdsoortig geluid
+gewekt."
+
+»O ja, meesteres, dat was het koperen bekken, hetwelk de zonen der
+edelen, die aan de poort van het koninklijk paleis worden opgevoed,
+iederen morgen wekt. Gij zult aan dat geluid spoedig gewoon zijn. Wij
+hooren het reeds lang niet meer, wij ontwaken daarentegen juist door
+de ongewone stilte, wanneer het op hooge feestdagen uitblijft. Op de
+hangende tuinen zult gij iederen ochtend, onverschillig of het koud
+dan of het warm is, die knapen naar het bad kunnen zien voeren. De
+arme kleinen worden reeds op hun zesden geboortedag aan hunne moeders
+ontnomen, om met de andere jongens van hun stand gemeenschappelijk,
+onder de oogen des konings, te worden opgevoed."
+
+»Moeten zij reeds zoo vroeg kennis maken met de weelderigheid van
+dit hof?"
+
+»O, volstrekt niet; die arme jongens hebben het heel kwaad. Zij moeten
+op den harden grond slapen, en vóor het opgaan der zon weder op de been
+zijn. Hun voedsel bestaat uit brood en een weinig vleesch; hun drank
+is water. Wat wijn en toespijs is, weten zij niet eens. Menigmaal
+moeten zij, zelfs dagen achtereen, zonder eenige noodzakelijkheid,
+honger en dorst lijden, om hen aan ontberingen te gewennen, zoo men
+zegt. Wonen wij te Pasargadae of te Ekbatana [234], dan kunnen zij
+zich verzekerd houden, ook bij de grootste koude naar 't bad gebracht
+te zullen worden. Zijn we daarentegen hier of te Susa, dan laat men
+hen, hoe sterker de zon brandt, des te moeielijker marschen maken."
+
+»En uit deze geharde, eenvoudig opgevoede knapen groeien zulke
+weelderige mannen?"
+
+»Ja, dat gaat zoo! Hoe langer men honger moet lijden, hoe beter de
+maaltijd smaakt! Zulk een jong edelman ziet dagelijks al den glans
+dezer omgeving, weet dat hij rijk is, en moet toch gebrek lijden. Is
+het wonder dat hij, als men hem loslaat, alle genietingen van het
+leven met tiendubbelen ijver najaagt? Gaat hij evenwel ten strijde
+of op de jacht, dan klaagt hij ook niet als hij honger en dorst moet
+lijden. Lachende doorwaadt hij dan de moerassen, met zijne dunne
+laarzen en zijn purperen broek en slaapt op eene rots even goed,
+als op zijn bed van zachte Arabische wol. Gij moest eens zien, welke
+waagstukken die knapen ondernemen, vooral wanneer de koning bij hunne
+oefeningen tegenwoordig is! Cambyzes zal u zeker wel eens met zich
+nemen, als gij 't hem vraagt."
+
+»Ik ken die oefeningen. In Egypte moeten zoowel knapen als meisjes
+hunne ledematen oefenen. Ook ik heb door loopen, moeielijke houdingen,
+bal- en ringspel, vlugheid en buigzaamheid verkregen."
+
+»Hoe vreemd! Hier te lande groeien de meisjes op, gelijk ze willen. Zij
+leeren niets, dan een weinig weven en spinnen. Is het waar, dat
+de meeste vrouwen in Egypte zelfs de kunst van lezen en schrijven
+verstaan?"
+
+»Bijna alle meisjes van aanzienlijke ouders worden daarin onderwezen."
+
+»Bij Mithra, de Egyptenaren moeten een verstandig volk zijn. Behalve de
+magiërs en schrijvers, beoefenen slechts weinige Perzen deze moeielijke
+kunst. De zonen der aanzienlijken leert men niets dan waarheid spreken,
+gehoorzaamheid en dapperheid, de goden te eeren, jagen, rijden, boomen
+planten, en kruiden onderscheiden. Die wil leeren schrijven, mag zich
+later, gelijk de edele Darius, tot de magiërs wenden. Aan de vrouwen
+is het verboden, zich op zulke wetenschappen toe te leggen.--Maar
+thans zijt gij gereed. Dit parelsnoer, dat de koning u hedenmorgen
+gezonden heeft, staat prachtig bij uwe raafzwarte haren. Mag ik u
+verzoeken op te staan? Waarlijk, deze schoenen zijn u te groot. Pas
+dit paar eens!--Thans ziet gij er uit als eene godin, doch men kan
+het u aanzien, dat gij niet gewoon zijt de wijde zijden beenkleederen
+en laarzen met hooge hakken te dragen. Loop echter slechts een paar
+maal op en neêr, dan zult gij zelfs in sierlijkheid van gang alle
+Perzische vrouwen overtreffen."
+
+Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt, en trad de eunuch
+Boges binnen, om Nitetis tot de blinde Cassandane te geleiden, bij
+wie Cambyzes haar wachtte.
+
+De eunuch nam de houding aan van een nederigen slaaf, en overstelpte
+haar met een stroom van bloemrijke vleierijen, haar met de zon,
+den sterrenhemel, eene reine bron van geluk en een rozengaard
+vergelijkende. Nitetis verwaardigde zich niet, hem met een enkel
+woord te antwoorden, en trad met een kloppend hart het vertrek van
+de moeder des konings binnen. Voor de vensters hingen gordijnen van
+groene Indische zijde, die de heldere stralen der middagzon temperden,
+en in het vertrek een, voor de oogen der blinde weldadig schemerdonker
+verspreidden. De vloer was met een zwaar Babylonisch tapijt bedekt,
+waarin de voeten als in mos wegzonken. Het bekleedsel der muren
+bestond uit een mozaïek van ivoor, schildpad, goud, zilver, malachiet,
+lazuursteen, ebbenhout en barnsteen. De zittingen der gouden zetels
+waren met leeuwenhuiden overtrokken, en de tafel, die naast de blinde
+stond, was van zuiver zilver. Cassandane, gekleed in een vioolkleurig,
+rijk met zilver bestikt gewaad, zat in een kostbaren leuningstoel. Over
+hare sneeuwwitte haren hing een lange sluier van de fijnste Egyptische
+kant, welks lange slippen om haren hals geslagen en onder de kin in
+een grooten strik vereenigd waren [235]. Het door den kanten doek
+omlijste gelaat der blinde, die tusschen de zestig en zeventig jaren
+oud scheen te zijn, was bijzonder regelmatig gevormd, en getuigde
+niet alleen van een verheven geest, maar ook van goedheid des harten
+en van warme menschenliefde. De blinde oogen der grijze vrouw waren
+gesloten, maar wie haar aanzag, stelde zich ongetwijfeld voor een
+paar zachte en vriendelijke sterren te zullen zien lichten, indien
+zij zich openden. Te oordeelen naar de houding en de grootte, terwijl
+zij gezeten was, had zij eene rijzige gestalte. Haar geheele voorkomen
+was de weduwe van den grooten en goeden Cyrus volkomen waardig.
+
+Op eene lage bank, aan de voeten der oude koningin, zat hare jongste
+telg, het kind van haar ouderdom, Atossa, spelende met de draden
+van haar gouden spinrokken. Tegenover de blinde stond Cambyzes,
+en op een afstand, ternauwernood zichtbaar in het schemerlicht,
+dat in het vertrek heerschte, de Egyptische oogarts Nebenchari.
+
+Toen Nitetis den drempel van dit vertrek overschreden had, trad de
+koning haar tegemoet, en leidde haar tot zijne moeder.--De dochter
+van Amasis zonk voor de eerbiedwaardige oude vrouw op de knieën,
+en kuste haar met hartelijkheid de hand.
+
+»Wees ons welkom!" sprak de blinde, hare hand al tastende op het
+hoofd der jonkvrouw leggende. »Ik heb veel goeds van u vernomen en
+hoop eene lieve dochter in u te winnen."
+
+Nogmaals kuste Nitetis de teedere hand der koningin, en antwoordde
+met zachte stem: »Ik dank u voor dat woord. O, veroorloof mij, u,
+gade van den grooten Cyrus, moeder te noemen. Mijne lippen, die zoo
+lang gewoon waren dien zoeten naam uit te spreken, beven van zalige
+verrukking, nu ze, na vele weken, weder voor het eerst mogen uitroepen:
+'mijne moeder!' Ja, met al mijne krachten wil ik er naar streven
+uwe goedheid waardig te worden. Maar houdt gij dan ook de belofte,
+die uw vriendelijk gelaat mij schijnt te doen. Sta mij in dit vreemde
+land met raad en onderricht ter zijde. Laat mij aan uwe voeten een
+toevlucht vinden, als het verlangen naar het land mijner vaderen mij
+overweldigt, en mijn hart te zwak blijkt om de smart of het geluk
+alleen te dragen. Wees, met dit éene woord is alles gezegd, wees, o,
+wees mijne moeder!"
+
+De blinde voelde warme tranen vallen op hare hand; zij drukte hare
+lippen op het voorhoofd der weenende, en zeide: »Ik gevoel wat er in
+u omgaat. Mijn hart en mijne vertrekken zullen ten allen tijde voor u
+geopend zijn, en, gelijk ik u met mijne geheele ziel 'dochter' heet,
+kunt gij mij met vol vertrouwen uwe moeder noemen. Binnen weinige
+maanden zult gij de gemalin van mijn zoon worden, en later gunnen
+de goden u wellicht een geluk, waarbij gij de moeder kunt ontberen,
+als ge u zelve moeder gevoelt."
+
+»Daartoe geve Aoeramazda zijn zegen!" riep Cambyzes. »Het verheugt
+mij, moeder, dat mijne gemalin ook aan uw hart welgevallig is. Wees
+overtuigd dat zij zich bij ons gelukkig zal gevoelen, zoodra zij
+slechts eerst alle Perzische zeden en gebruiken kent. Als zij
+nauwlettend acht geeft op hetgeen haar zal worden voorgehouden,
+kan binnen vier maanden ons huwelijksfeest gevierd worden!"
+
+»Maar de wet," wilde de moeder hier tegen inbrengen.
+
+»Ik beveel: binnen vier maanden!" riep de koning, »en zou wel eens
+willen weten, wie daar tegen op zou durven komen. En thans, vaarwel,
+vrouwen! Denk aan de oogen der koningin, Nebenchari, en wanneer
+mijne gemalin het u toestaat, moogt gij, als haar landgenoot, haar
+morgen bezoeken. Vaarwel! Bartja laat u groeten. Hij is op weg naar
+de Tapoeren."
+
+Atossa wischte zwijgend een traan uit het oog. Cassandane zeide: »Gij
+hadt den knaap toch nog wel eenige maanden bij ons kunnen laten. Uw
+veldheer Megabyzus zal het kleine volk der Tapoeren alleen wel tot
+zijn plicht weten te brengen."
+
+»Daar twijfel ik niet aan," antwoordde de koning; »maar Bartja zelf
+was verlangend naar eene gelegenheid, om zijne heldhaftigheid te
+toonen. Ik vond dus goed hem aanstonds in het veld te zenden."
+
+»Zou hij niet liever gewacht hebben op den grooten krijg tegen de
+Massageten, waarin meer roem te behalen zal zijn!" vroeg de blinde.
+
+»En als hij nu eens door een Tapoerischen pijl getroffen werd," riep
+Atossa, »dan zoudt gij hem belet hebben zich van den heiligsten plicht,
+die op een man kan rusten te kwijten; dan zoudt gij oorzaak zijn,
+dat hij de ziel van onzen vader niet had kunnen wreken!"
+
+»Zwijg," snauwde Cambyzes zijne zuster toe, »opdat ik u niet leere,
+wat de plicht van vrouwen en kinderen is. Het gelukskind Bartja zal
+in leven blijven, en zich, zoo ik hoop, de liefde waardig maken,
+die men hem thans als eene aalmoes in den schoot werpt."
+
+»Hoe kunt gij zoo spreken? Bezit uw broeder niet al de deugden van
+den man? Is het zijne schuld, dat hij nog niet in de gelegenheid is
+geweest, zich, evenals gij, in den krijg te onderscheiden?" vroeg
+Cassandane. »Gij zijt de koning, wiens bevelen ik eerbiedig; mijn
+zoon zou ik echter kunnen berispen, omdat hij zijne blinde moeder,
+ik weet niet op welken grond, van de schoonste vreugde van haren
+ouderdom berooft. Bartja ware gaarne tot aan den Massageten-krijg
+bij ons gebleven, doch mijn stijfhoofdigen eerstgeborene behaagde
+het anders..."
+
+»En wat ik wil, is goed!" zeide Cambyzes, wiens wangen bleek waren
+geworden, zijne moeder in de rede vallende. »Ik verlang niets meer
+over deze zaak te hooren!"
+
+Dit zeggende verliet hij ijlings het vertrek, en begaf zich, vergezeld
+door zijn groot gevolg, dat altijd in zijne nabijheid bleef, waarheen
+hij ook zijne schreden richtte, naar de gehoorzaal.
+
+Een vol uur verliep, nadat Cambyzes zijne moeder verliet, en nog
+altijd zat Nitetis naast de bekoorlijke Atossa, aan de voeten
+der edele vrouw. De Perzische vrouwen luisterden naar de verhalen
+der nieuwe vriendin, en hielden niet op onderzoek te doen naar de
+merkwaardigheden van Egypte.
+
+»O, hoe gaarne zou ik uw vaderland eens zien," riep Atossa. »Uw Egypte
+moet zoo heel, heel anders zijn dan Perzië, en alles wat ik tot nog
+toe gezien heb. De vruchtbare oevers van den verbazenden stroom, nog
+grooter en grootscher dan onze Euphraat, de godentempels met hunne
+vele bonte zuilen, de kunstmatige bergen, die men pyramiden noemt,
+waarin koningen uit de hooge oudheid begraven liggen, dat alles moet
+recht schoon en treffend zijn om te aanschouwen. Maar het schoonste van
+alles zijn toch, dunkt me, uwe gastmalen, op welke mannen en vrouwen
+vertrouwelijk met elkander kouten, zooveel hun lust. Wij Perzische,
+mogen ook, bij gelegenheid van het nieuwjaars- en het geboortefeest
+des konings, met de mannen samen spijzen, maar het is ons dan verboden
+te spreken, en het zou zelfs zeer onbetamelijk zijn als wij de oogen
+opsloegen. Hoe geheel anders is het bij u!--Bij Mithra, moeder, ik
+zou een Egyptische willen zijn, want wij, arme vrouwen, zijn niets
+dan ellendige slavinnen. En toch gevoel ik, dat ook ik een kind van
+den grooten Cyrus, en niet slechter ben dan een man. Spreek ik niet
+de waarheid, kan ik niet bevelen en gehoorzamen, smacht ik niet
+naar roem, zou ik niet te paard kunnen stijgen, den boog spannen,
+vechten en zwemmen, als men ook mij in de gelegenheid had gesteld,
+mij te oefenen en mijne krachten te sterken?"
+
+De oogen van het meisje tintelden. Zij was van hare zitplaats
+opgesprongen, en zwaaide met het spinrokken, niet bemerkende, hoe
+het vlas in de war raakte en de draad brak.
+
+»Verlies toch de betamelijkheid niet uit het oog," vermaande
+Cassandane. »De vrouw behoort zich nederig en stil in haar lot te
+schikken, en vermete zich niet naar de daden van den man te streven."
+
+»Maar er zijn toch vrouwen, die even als de mannen leven," riep
+Atossa. »Aan den Thermodon in Themiscyra, en aan den Iris-stroom te
+Komana, wonen immers de Amazonen [236], die groote oorlogen gevoerd
+hebben, en thans nog even als de mannen gewapend en gekleed gaan."
+
+»Van wie weet gij dat?"
+
+»Mijne dienstmaagd, de oude Stephanion uit Sinope, door vader als
+krijgsgevangene naar Pasargadae gevoerd, heeft het mij verhaald."
+
+»Ik kan u echter dienaangaande beter onderrichten," zeide Nitetis. Te
+Themiscyra en te Komana leven werkelijk eene menigte vrouwen, die
+als strijdbare mannen zijn uitgedost. Dit zijn priesteressen, die
+zich, even als de krijgsgodin die zij dienen, plegen te kleeden,
+om de aanbidders in hare eigene gestalte het beeld der godheid
+te toonen. Cresus zegt, dat er nooit een heer van Amazonen bestaan
+heeft. De Grieken evenwel, die uit alles ras eene schoone sage wisten
+samen te stellen, hebben ook, nadat zij deze priesteressen gezien
+hadden, van een stoet gewapende jonkvrouwen van die godin een geheel
+volk van strijdbare vrouwen gemaakt."
+
+»Maar dan zijn zij leugenaars!" riep het verbaasde kind.
+
+»Voorzeker," antwoordde Nitetis, »is den Hellenen de waarheid niet
+zoo heilig als uw volk, maar zulke sprookjes op te stellen, en den
+opgetogen hoorderen in schoone verzen voor te zingen, noemen zij niet
+liegen, maar dichten."
+
+»Juist als bij ons;" hernam Cassandane. »Zoo hebben de zangers, den
+roem van mijn echtgenoot verkondigende, de geschiedenis van zijne
+jeugd allerwonderlijkst verdraaid en opgesierd, zonder daarom toch
+den naam van leugenaars te verdienen.--Maar zeg mij, mijne dochter,
+is het waar, dat deze Hellenen schooner zijn dan de andere menschen,
+en alle kunsten beter verstaan, dan zelfs de Egyptenaren?"
+
+»Daarover durf ik geen oordeel vellen. De voortbrengselen van onze
+kunst zijn zoo geheel verschillend van die der Helleensche. Als ik
+onze reusachtige tempelgebouwen binnentrad om te bidden, was het me
+altijd, alsof ik mij voor de grootheid der goden in 't stof moest
+werpen, en hun bidden mij, kleinen worm, niet te verpletteren. Maar
+te Samos, in het heiligdom aan Hera gewijd, voelde ik mij gedrongen
+de handen op te heffen en de goden te danken, dat zij de aarde zoo
+schoon hadden gemaakt. In Egypte dacht ik altijd, gelijk men mij
+geleerd had: 'Het leven is een slaap; in de ure van onzen dood zullen
+we eerst tot het rechte leven ontwaken, in het rijk van Osiris.' In
+Griekenland fluisterde alles mij toe: »Gij zijt geboren voor dit
+leven en de genietingen dezer wereld, die u zoo vroolijk toelacht,
+en zoo liefelijk bloeit en geurt."
+
+»Ach, verhaal ons meer van Griekenland!" riep Atossa. »Maar eerst
+zal Nebenchari de oogen van moeder opnieuw verbinden."
+
+De oogarts, een lange man met een ernstig gelaat, in het witte
+Egyptische priestergewaad gehuld, kweet zich van zijne taak, en
+trad dan, nadat Nitetis hem hartelijk begroet had, zwijgend op den
+achtergrond terug, toen een eunuch verscheen, en voor Cresus verlof
+vroeg, om de moeder des konings zijn eerbiedigen groet te mogen
+komen brengen.
+
+Kort daarop trad de grijsaard binnen. Als een trouw vriend van
+het Perzische koningshuis, werd hij met de grootste hartelijkheid
+ontvangen. De onstuimige Atossa viel den ouden vriend, dien zij
+zoolang gemist had, om den hals, de koningin reikte hem de hand,
+en Nitetis begroette hem als ware hij haar vader geweest.
+
+»Ik dank de goden, dat zij mij de vreugde gunnen u weder te zien,"
+zeide de wakkere grijsaard. »Op mijn leeftijd moet men ieder nieuw
+jaar als een onverdiend geschenk der goden dankbaar aannemen,
+terwijl de jeugd het leven als iets, dat zoo vanzelf spreekt, als
+een onbetwistbaar eigendom beschouwt."
+
+»Hoezeer benijd ik u om uwen moed en levenslust," hernam Cassandane
+met een zucht. »Ik ben jonger dan gij; en toch komt mij iedere dag,
+voor welks licht de goden mijne oogen gesloten hebben, als een
+vernieuwde straf der onsterfelijken voor."
+
+»Hoor ik de gade van den grooten Cyrus spreken?" vroeg Cresus. »Sedert
+wanneer is het krachtig gemoed van Cassandane zonder moed en zonder
+hope? Gij zult weder ziende worden, zeg ik u, en evenals ik de goden
+voor uw schoonen en hoogen ouderdom danken. Hij, die ernstig ziek
+geweest is, weet den schat der gezondheid beter dan iemand anders te
+waardeeren. Wie eens blind was en het licht der oogen terugkrijgt,
+moet, meer dan iemand anders, een vriend der eeuwige goden zijn. Stel
+u slechts een oogenblik de zalige vreugde voor, die gij smaken zult
+in de ure, als gij na lange jaren voor de eerste maal het heldere
+licht der zon, de aangezichten uwer geliefden en de schoonheid van
+al het geschapene weder zult aanschouwen, en zeg mij dan, of de
+heerlijkheid van dat uur niet tegen een geheel leven van duisternis
+en blindheid kan opwegen. Wanneer gij genezen zult zijn, begint
+voor u in uw ouderdom een nieuw en verjongd leven, en het is mij,
+als hoorde ik u reeds Solons woorden tot de uwe maken."
+
+»Wat zeide Solon dan?" vroeg Atossa.
+
+»Hij wenschte, dat Mimnermus van Colophon, die in een zijner gedichten
+gezegd had, dat een schoon leven met het zestigste jaar moest eindigen,
+zijn vers mocht verbeteren, en van de zestig tachtig maken."
+
+»O neen," riep Cassandane, »zulk een lang leven zou mij, zelfs wanneer
+Mithra mij het gezicht mocht willen wedergeven, een last zijn. Sedert
+mijn Cyrus is gestorven, beschouw ik mijzelve als eene zwervelinge,
+die zonder doel en gids in de woestijn omdoolt."
+
+»Vergeet gij dan geheel uwe kinderen en dit rijk, dat gij hebt zien
+ontstaan en groot worden?"
+
+»O, neen! Maar de kinderen hebben mij niet meer van noode, en de
+beheerscher van dit rijk is te trotsch om acht te geven op den raad
+van eene oude vrouw."
+
+Nu vatte Atossa de rechter-, Nitetis de linkerhand der blinde moeder,
+en de Egyptische riep: »Om den wil uwer dochters en van haar geluk,
+moet gij voor u zelve een lang leven wenschen. Wat werd er van ons
+zonder uwe bescherming en hulp?"
+
+Cassandane lachte, en prevelde nauw hoorbaar: »Gij hebt gelijk,
+gij zult de moeder nog noodig hebben."
+
+»Aan deze woorden herken ik de gade van Cyrus," riep Cresus, het
+kleed der blinde kussende. »Ik zeg u, Cassandane, dat men u noodig zal
+hebben; wie weet hoe spoedig! Cambyzes is gelijk aan het harde staal,
+dat vonken wekt waar het treft. Uw plicht is het te maken, dat deze
+vonken geen brand stichten binnen den kring van hen, die uw hart het
+dierbaarste zijn. Gij zijt de eenige, die de opwellingen van 's konings
+toorn met een woord van terechtwijzing durft bezweren. U alleen acht
+hij zijns gelijke. Het oordeel der menschen is hem onverschillig,
+maar een bestraffend woord van zijne moeder doet hem leed. Zoo is het
+dus uw plicht, als bemiddelaarster tusschen den koning, zijn volk en
+de uwen, op uw plaats te blijven en te verhoeden, dat de trots van
+uw zoon, in plaats van door uwe wenken en vermaningen, door de straf
+der goden vernederd worde."
+
+»O, als ik eens zulk een invloed op hem had!" antwoordde de blinde,
+»doch hoe zelden luistert mijn trotsche zoon naar den raad van zijne
+moeder."
+
+»Maar hij zal toch moeten aanhooren, wat gij hem voorhoudt," hervatte
+Cresus; »en daarmede is reeds veel gewonnen. Want al volgt hij ook
+uwe raadgevingen niet, deze zullen toch als stemmen der goden tot
+zijn geweten blijven spreken, en hem van veel kwaads terughouden. En
+ik wil u een bondgenoot blijven. Zijn stervende vader vermaande mij,
+hem met raad en daad bij te staan. Vandaar dat ik meermalen den moed
+heb, zijne uitbarstingen met een krachtig woord te trotseeren. Wij
+beiden zijn de eenige menschen aan dit hof, wier afkeuring hij
+vreest. Omgorden we ons met de noodige koenheid, om onze roeping als
+vermaners en raadgevers getrouw te vervullen; doe gij het uit liefde
+voor uw zoon en voor Perzië, ik zal het doen uit dankbaarheid jegens
+den grooten man, die mij het leven en de vrijheid schonk. Ik weet,
+dat het u leed doet, Cambyzes niet anders te hebben opgevoed; maar
+het berouw moet men vlieden als een doodend vergif. Herstelling,
+niet berouw, is het geneesmiddel voor de gebreken der wijzen; want
+berouw verteert het hart, herstelling daarentegen vervult het met
+edelen trots en doet het vrijer en ruimer kloppen."
+
+»Bij ons in Egypte," zeide Nitetis, »rekent men het berouw zelfs
+onder de twee-en-veertig doodzonden. 'Gij moogt niet dulden, dat uw
+hart verteerd worde,' luidt een onzer eerste geboden [237]."
+
+»Gij brengt mij met deze woorden te binnen," sprak de grijsaard,
+»dat ik op mij genomen heb uw tijd te verdeelen, tot het onderricht
+in de Perzische gebruiken, godsdienst en taal. Gaarne zou ik mij naar
+Barene, de stad door Cyrus mij afgestaan, hebben begeven, om daar,
+in het stilste en liefelijkste van alle dalen, uit te rusten van
+de vele vermoeienissen der laatste maanden. Om uwent en des konings
+wil blijf ik echter hier en zal ik voortgaan met u in de Perzische
+taal te onderwijzen. Cassandane zelve zal u inwijden in de zeden
+van de vrouwen aan dit hof. Oropastes, de opperpriester, zal u,
+overeenkomstig 's konings bevel, met de Iranische godenleer bekend
+maken. Hij zal uw geestelijke, ik uw wereldlijke voogd zijn [238]."
+
+Nitetis, om wier lippen tot op dit oogenblik een opgeruimde glimlach
+had gespeeld, sloeg nu de oogen neder, en vroeg met doffe stem:
+»Moet ik den goden van mijn land, die ik tot hiertoe heb aangebeden,
+en die mijne smeekingen nooit onverhoord lieten, ontrouw worden? Kan
+ik, mag ik hen wel vergeten?"
+
+»Gij kunt, moogt en moet," zeide Cassandane met nadruk, »want de
+vrouw zal geene andere vrienden hebben dan haar man. De goden zijn
+de machtigste, trouwste en eerste vrienden van den man, daarom is
+het uw plicht als vrouw hen te eerbiedigen; en gelijk gij eenmaal
+gehuwd zijnde voor alle minnaars de deur sluit, zoo moet ge ook uw
+hart voor de goden en het bijgeloof van uw vroeger vaderland sluiten."
+
+»En dan," zeide Cresus, »is men ook niet van meening u de godheid te
+ontnemen; men stelt ze u slechts onder een anderen naam voor. Want
+evenals de waarheid zichzelve eeuwig gelijk blijft, of gij ze als
+de Egyptenaren 'Maa,' dan wel als de Hellenen 'Aletheia' noemt, zoo
+verandert ook het wezen der waarheid nooit en nergens.--Zie, mijne
+dochter, ik zelf heb, toen ik nog koning was, met ongeveinsden eerbied
+aan den Helleenschen Apollo geofferd, en begreep met deze godsdienstige
+hulde den Lydischen zonnegod Sandon niet te beleedigen. De Joniërs
+aanbidden met geheel hun hart de Aziatische Cybele [239]. En thans,
+nu ik een Pers ben geworden, hef ik mijne handen op tot Mithra,
+Aoeramazda en de schoone Anâhita [240]. Pythagoras, wiens leeringen
+ook u niet vreemd zijn, aanbidt slechts éene godheid. Hij noemt haar
+Apollo, daar zij, evenals de Helleensche zonnegod, de oorsprong is
+van het reine licht en van al wat schoon is en wel luidt. Xenophanes
+van Colophon [241] eindelijk spot met het veelgodendom van Homerus, en
+erkent ook slechts éene godheid, namelijk: de rusteloos voortbrengende
+natuurkracht, wier wezen de gedachte, het verstand en de eeuwigheid
+is. Uit haar is alles voortgekomen. Zij is de kracht, die zich
+zelve eeuwig gelijk blijft, terwijl de stoffelijke schepping onder
+bestendige afwisseling zich volmaakt en vernieuwt. Dat onweerstaanbaar
+en smachtend verlangen in onzen boezem naar een hooger wezen boven ons,
+dat ons steunen kan, wanneer onze eigene krachten ontoereikend blijken;
+dat onverklaarbare gedreven worden naar een stilzwijgenden vertrouwde,
+wien wij van het lijden en al de zaligheid van ons hart deelgenoot
+kunnen maken; de dankbaarheid, die wij ondervinden bij de aanschouwing
+dezer schoone wereld, en van al het goede dat ons deel is, noemen wij
+vroomheid.--Laat dat gevoel in u blijven leven, maar vergeet niet,
+dat niet de Egyptische, niet de Grieksche, niet de Perzische goden,
+allen op zichzelve staande, de wereld regeeren, maar dat zij allen éen
+zijn; dat eene ondeelbare godheid, hoe onderscheiden men haar ook moge
+noemen en voorstellen, het lot aller volkeren en menschen bestuurt."
+
+De Perzische vrouwen hoorden den grijsaard met de hoogste verbazing
+aan. Haar weinig geoefend verstand vermocht den gedachtenloop van
+den grijsaard niet te volgen. Nitetis echter had hem begrepen en
+antwoordde: »Mijne moeder Ladice, ook eene leerlinge van Pythagoras,
+heeft mij hetzelfde geleerd. Maar de Egyptische priesters noemen zulke
+begrippen misdadig, en hen die ze aanhangen godenverzakers. Daarom
+heb ik altijd mijn best gedaan, om zulke gedachten uit mijn hart
+te verbannen. Maar van nu aan geef ik dien strijd op. Wat de goede,
+deugdzame en wijze Cresus gelooft, kan niet slecht, niet goddeloos
+zijn. Oropastes kan komen! Ik ben bereid zijn onderricht te ontvangen,
+en voor onzen Amon, den God van Thebe, Aoeramazda, voor Isis of
+Hathor, Anâhita in de plaats te stellen. Eerbiedig zal ik opzien
+tot de godheid, die de gansche wereld omvat, die ook hier alles laat
+groeien en bloeien, en die ook verkwikking en troost doet nederdalen
+in de harten der Perzen, die zich tot hem wenden."
+
+Cresus glimlachte. Hij had zich voorgesteld, dat het vrij wat meer
+moeite zou kosten, Nitetis te bewegen afstand te doen van de goden van
+haar land, daar hij de halsstarrige ingenomenheid der Egyptenaren met
+hunne oude overleveringen en eenmaal opgevatte meeningen kende. Maar
+hij had niet bedacht, dat de moeder dezer jonkvrouw eene Helleensche,
+en de leer van Pythagoras aan de dochter van Amasis niet vreemd
+gebleven was. Bovendien wist hij ook niet, met welk eene vurige
+begeerte het hart dezer maagd vervuld was, om haar trotschen
+heer en gemaal welgevallig te zijn. Amasis zelf zou, hoe hoog hij
+den Samischen wijze ook achtte, hoezeer hij zich ook dikwijls door
+Griekschen invloed liet beheerschen, en met volle recht een vrijdenkend
+Egyptenaar mocht worden geheeten, liever zijn leven hebben afgelegd,
+dan zijn veelgodendom met het begrip van eene 'godheid' te verwisselen.
+
+»Gij zijt eene zeer ontvankelijke leerling," zeide Cresus, terwijl
+hij de hand op het hoofd zijner beschermeling legde. »Tot belooning
+daarvoor zal u worden toegestaan, uwe ochtenden en namiddagen, tot
+aan het ondergaan der zon, bij Cassandane door te brengen, of op de
+hangende tuinen te slijten, in gezelschap van Atossa."
+
+Deze blijde tijding werd door de Perzische maagd met een jubelkreet,
+door de Egyptische met een dankbaren blik beantwoord.
+
+»Eindelijk," vervolgde Cresus, »heb ik u een bal- en ringspel uit
+Saïs medegebracht, opdat gij u zoudt kunnen vermaken, gelijk gij dat
+in Egypte placht te doen."
+
+»Ballen?" vroeg Atossa verwonderd. »Wat zullen wij met die zware
+houten kogels [242] beginnen?"
+
+»Maak u niet ongerust," zeide Cresus, lachende. »De ballen, waarvan
+hier sprake is, zijn zeer fijn en licht, en van eene opgeblazene
+vischhuid of van leder gemaakt. Een kind van twee jaar zou ze kunnen
+opwerpen, terwijl gij zulk een houten kogel, waarmede de Perzische
+knapen en jongelingen spelen, bezwaarlijk zoudt kunnen tillen. Zijt
+gij over mij tevreden, Nitetis?"
+
+»Hoe zal ik u genoeg danken, mijn vader!"
+
+»Laat mij u nu nog eens de verdeeling van uw dag herhalen: 's
+morgens bezoekt gij Cassandane, keuvelt ge met Atossa, of leent ge
+een luisterend oor aan het onderricht uwer verhevene moeder."
+
+De blinde boog toestemmend het hoofd.
+
+»Tegen den middag kom ik bij u, en onderwijs u in het Perzisch,
+terwijl ik daarbij niet verzuimen zal u over Egypte en de uwen te
+spreken. Als gij er ten minste niet tegen hebt."
+
+Nitetis glimlachte.
+
+»Om den anderen dag zal Oropastes bij u zijne opwachting maken,
+om u in den godsdienst der Perzen in te wijden."
+
+»Ik zal mij alle moeite geven, om hem spoedig te verstaan."
+
+»'s Namiddags zult gij, zoo lang gij verkiest, met Atossa samenzijn. Is
+het zoo goed?"
+
+»O Cresus, mijn vader!" riep het meisje, terwijl zij de hand van den
+grijsaard kuste.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Den volgenden dag betrok Nitetis het landhuis op de hangende tuinen,
+en leidde daar een eentonig, maar genoeglijk en werkzaam leven, geheel
+overeenkomstig de voorschriften van Cresus. Dagelijks werd zij, in
+een dicht gesloten draagstoel, naar Cassandane en Atossa gebracht. De
+blinde koningin was voor haar spoedig eene liefhebbende en geliefde
+moeder, en de wilde, levenslustige dochter van Cyrus vergoedde der
+Egyptische bijna het gemis harer aan den Nijl achtergeblevene zuster
+Tachot. Nitetis had zich geene betere gezellin kunnen wenschen,
+dan het dartele kind, dat door hare scherts en vroolijkheid wist
+te verhinderen, dat ontevredenheid of heimwee zich in het hart van
+hare vriendin nestelden. De ernst der eene nam eene vroolijke tint
+aan, onder den invloed van de opgeruimdheid der andere, terwijl
+de kinderlijke overmoed van het Perzische meisje, door de kalme
+beradenheid der Egyptische allengs overging in eene meer ingetogene
+vroolijkheid.
+
+Cresus en Cassandane waren beiden uiterst voldaan over hunne
+nieuwe dochter en leerling. Oropastes, de magiër, sprak den koning
+dagelijks met den meesten lof over de vlugge bevatting en den ijver der
+jonkvrouw. Nitetis maakte zich de Perzische taal bijzonder spoedig en
+zeer goed eigen. De koning ging dan alleen tot zijne moeder, wanneer
+hij begreep de Egyptische dáar te zullen vinden, en schonk haar alle
+dagen kostbare sieraden en kleederen. Hij bewees haar de grootste
+gunst, met haar nooit in hare eigene vertrekken te bezoeken. Hierdoor
+gaf hij duidelijk te kennen, dat hij voornemens was Nitetis eene
+plaats te gunnen onder het kleine getal zijner uitverkorene, echte
+gemalinnen, eene onderscheiding, waarop zich menige vorstendochter,
+die als bijwijf in zijn harem leefde, niet beroemen kon.
+
+Het schoone, ernstige meisje oefende op dien ontembaren man des gewelds
+een betooverenden invloed uit. Alleen hare tegenwoordigheid scheen
+voldoende om de ijskorst, die zijn hart omgaf, te ontdooien. Uren
+achtereen toefde hij bij het ringspel, en dan wendde hij zijn oog
+niet af van de sierlijke bewegingen der Egyptische schoone. Eens,
+toen een bal in het water was gevlogen, sprong hij dien na, ondanks
+zijn zware, kostbare kleeding, en redde den drenkeling. Nitetis liet
+een luiden angstkreet hooren, toen de koning zich onverwachts tot deze
+ridderlijke daad gereedmaakte. Cambyzes overhandigde haar echter den
+druipenden bal met een glimlach, zeggende: »Wees nu voorzichtiger,
+anders zou ik u opnieuw moeten verschrikken!" Tegelijkertijd nam
+hij een gouden met edelgesteenten bezette keten van zijn hals,
+en schonk deze aan de blozende maagd. Zij dankte hem met een blik,
+die duidelijker dan de meest welsprekende taal te kennen gaf, wat
+haar hart voor den toekomstigen gemaal gevoelde.
+
+Cresus, Cassandane en Atossa bemerkten weldra, dat Nitetis den
+koning met hare geheele ziel beminde. Uit hare vrees voor den
+oppermachtigen trotschen man was werkelijk een vurige hartstocht
+ontstaan. Het was haar, als zou zij moeten sterven, wanneer zij
+uit zijne tegenwoordigheid gebannen werd. Het was haar of zij in
+zijn persoon eene almachtige godheid aanschouwde, die licht rondom
+zich verspreidde. De wensch hem te bezitten scheen haar vermetel
+en misdadig; en toch de bevrediging van dien wensch achtte zij
+verkieslijker dan zelfs den terugkeer naar haar vaderland, dan zelfs
+de hereeniging met hen die zij tot nog toe alleen had liefgehad. Zij
+was zichzelve nauw bewust van dezen hartstocht, en beproefde aan
+de gedachte vast te houden, dat zij hem slechts eerbiedig vreesde,
+dat tegen het uur, waarop zij hem gewoonlijk wachtte, hare zenuwen
+van angst en niet van onuitsprekelijk verlangen trilden.
+
+Cresus had haar spoedig doorgrond, en joeg zijner lieveling een hoogen
+blos op de wangen, toen hij haar, met zijne min of meer bevende stem,
+het nieuwste lied van Anacreon, dat hij te Saïs van Ibycus geleerd had,
+ondeugend voorzong:
+
+
+ "Men brandde 's meesters naam voorheen
+ De heupen in van 't paard
+ En aan den tulband kent elkeen
+ Den Parther, trotsch van aard;
+ Maar ik ontdek op 't eerst gezicht,
+ Wie zich der min verpandt;
+ Want ieder werd door 't minnewicht
+ Een merk in 't hart geplant."
+
+
+Alzoo vlogen voor Nitetis dagen, weken, maanden zelfs, ongemerkt
+voorbij, onder oefening en spel, onder ernst en scherts, onder
+liefde en wederliefde. Het bevel van Cambyzes: »Gij moet hier
+gelukkig zijn!" werd verwezenlijkt, en toen de Mesopotamische lente
+[243], welke in die streken op de regenachtige Decembermaand volgt,
+verstreken was; toen men gedurende de voorjaars dag- en nachtevening
+het grootste feest der Aziaten, het nieuwjaarsfeest gevierd had; toen
+de Mei-zon het aardrijk begon te stoven en te schroeien, gevoelde
+Nitetis zich te Babylon volkomen tehuis, en wisten alle Perzen, dat
+de jonge Egyptische, Phaedime de dochter van Otanes, uit de gunst
+van den koning had verdrongen, en in het zekere vooruitzicht leefde,
+de eerste bevoorrechte gemalin van Cambyzes te zullen worden.
+
+Het aanzien van den eunuchen-overste Boges verminderde dagelijks, want
+men wist maar al te goed, dat de koning zijn harem niet meer bezocht,
+en de eunuch zijn invloed alleen verschuldigd was aan de vrouwen, die,
+wat hij voor zichzelven of voor anderen begeerde, door liefkoozingen en
+vleierijen van Cambyzes moesten trachten te verwerven. Dagelijks trad
+de gekrenkte man in overleg met de in ongenade gevallene Phaedime,
+over de middelen die den ondergang der Egyptische zouden kunnen
+bewerken. Maar hunne fijnst gesponnen listen, hunne strikken met het
+meeste overleg uitgezet, misten alle hun doel, tengevolge van de groote
+liefde des konings, en van het vlekkeloos gedrag der koninklijke bruid.
+
+Phaedime, de ongeduldige, naar wraak dorstende, vernederde vrouw,
+porde den voorzichtigen Boges onophoudelijk tot eene beslissende
+handeling aan. Deze vermaande haar echter, om toch geduldig het rechte
+tijdstip af te wachten. Eindelijk, verscheidene weken na de aankomst
+van Nitetis, kwam hij bijzonder vroolijk bij zijne bondgenoote,
+en riep: »Als Bartja teruggekeerd is, mijn schatje, dan is onze ure
+gekomen. Ik heb een plannetje beraamd, dat de Egyptische zoo zeker
+in het verderf zal storten, als ik Boges heet."
+
+Dit zeggende, wreef zich de gesnedene, die altijd lachte, de zachte
+vleezige handen, en toonde zich zoo uitermate verheugd als ware
+hem het grootste geluk te beurt gevallen. Maar hij paste wel op
+Phaedime ook maar het geringste van zijn plannetje te laten gissen,
+en beantwoordde hare dringende vragen met te zeggen: »Liever vertrouwde
+ik mijn hoofd in den muil van een leeuw, dan dat ik mijn geheim in het
+oor eener vrouw zou leggen. Ik waardeer, ja, uw moed; maar bedenk wel,
+dat de koenheid van den man in zijn handelen, die der vrouw in hare
+gehoorzaamheid moet blijken. Doe dus wat ik u zeggen zal, en wacht
+geduldig af wat de toekomst u brengt."
+
+Nebenchari, de oogarts, ging steeds voort met Cassandane te behandelen,
+en vermeed allen omgang met de Perzen, onder wie zijn somber, in
+zichzelf gekeerd karakter tot een spreekwoord was geworden. Men noemde
+aan het hof elken gelukkige: een Bartja, en elken ouden knorrepot: een
+Nebenchari. Hij sleet zijne dagen in de vertrekken van de moeder des
+konings, zonder een enkel woord te spreken, terwijl hij zich bezighield
+met het doorbladeren van groote papyrus-rollen, die hij het boek van
+Athothes [244] noemde. Des nachts beklom hij meermalen, met verlof
+van den koning en van Tritantaechmes, den satraap [245] van Babylon,
+eenen der hoogste torens op de muren, om de sterren gade te slaan.
+
+De Chaldeeuwsche priesters, de aloude beoefenaren der sterrenkunde,
+hadden hem aangeboden zijne waarnemingen te doen op den top van den
+grooten Bel-tempel, hunne sterrenwacht. Hij weigerde evenwel bepaald
+aan deze uitnoodiging gevolg te geven, en hield zich voortdurend
+van iedereen afgezonderd. Toen Oropastes, de magiër, hem den
+beroemden Babylonischen zonnewijzer, dien Anaximander van Milete
+ook in Griekenland had ingevoerd, verklaren wilde, glimlachte hij,
+met minachting de schouders ophalende, en keerde den overste der
+Medische priesters den rug toe, zeggende: »Dezen kenden wij reeds,
+voordat gij nog wist wat een uur is" [246].
+
+Nitetis had hem met de grootste minzaamheid bejegend. Maar hij
+bekommerde zich volstrekt niet om haar, ja, scheen haar opzettelijk te
+ontwijken. Toen zij hem eens vroeg: »Merkt gij iets verkeerds in mij
+op, Nebenchari, of heb ik u beleedigd?" gaf hij haar ten antwoord:
+»Gij zijt voor mij eene vreemdelinge; want hoe zou ik iemand kunnen
+liefhebben, die hare beste vrienden, de goden, en de zeden van haar
+land, zoo gewillig en zoo spoedig verloochent?"
+
+Boges, de eunuch, begreep ras, dat de oogarts niet hoog was ingenomen
+met de toekomstige gade van zijn koning, en stelde dus pogingen in
+het werk, hem tot zijn bondgenoot te maken. Doch Nebenchari wees
+zijne kruipende toespraken, zijne geschenken en voorkomendheden met
+vastheid af. Zoo dikwijls een angaar het plein voor het paleis opreed,
+met eene boodschap aan den koning, haastte zich de eunuch hem uit te
+hooren van waar hij kwam, en of hij geene tijding had van het leger
+tegen de Tapoeren. Eindelijk verscheen de langgewenschte bode, met
+het bericht, dat de oproerige stam volkomen ten onder was gebracht,
+en Bartja binnenkort huiswaarts zou keeren.
+
+Drie weken verliepen. De eene bode voor, de andere na, meldde de
+nadering van den vorstelijken overwinnaar. De straten vertoonden zich
+wederom in den rijksten feestdos. Het leger trok Babylon binnen. Bartja
+dankte het jubelende volk, en rustte weinige oogenblikken later aan
+de borst zijner moeder.
+
+Ook Cambyzes ontving hem met welgemeende hartelijkheid, en bracht hem
+met voordacht zelf bij zijne moeder, op het oogenblik dat Nitetis zich
+bij haar bevond. Hij was in zijn hart verzekerd, dat de Egyptische hem
+beminde. Hij wilde Bartja bewijzen dat hij haar vertrouwde, en hield
+zich overtuigd, dat zijne vroegere ijverzucht eene dwaze inbeelding was
+geweest. De woeste man was, gedurende de laatste weken, de weldoener
+van zijn volk geworden. Zijne liefde had hem toegevend en minzaam
+gemaakt. Zijne handen werden des gevens niet moede. Zijn toorn was
+ingesluimerd, en de kraaien van Babylon zwierden thans, van honger
+schreeuwende, boven de plaats, waar anders de hoofden van talrijke
+gevonnisten, als waarschuwend voorbeeld waren ten toon gesteld.
+
+De edele Perzen uit het geslacht der Achaemeniden stegen in aanzien,
+naar gelang de invloed der vleiende en geveinsde eunuchen afnam. Deze
+klasse van menschen was, door de inlijving van Medië, Lydië en
+Babylonië, in welke rijken zij vele der hoogste ambten in den staat
+en aan het hof bekleedden, in het paleis van Cyrus gekomen. Cambyzes
+gewende zich in het belang van zijn land, meer acht te geven op de
+stem zijner verwanten, dan op de raadgevingen der eunuchen. De grijze
+Hystaspes, de vader van Darius en stadhouder van het oorspronkelijke
+Perzische gebied, die in den regel te Pasargadae zijn verblijf hield,
+een neef van den koning; Pharnaspes, de grootvader van Cambyzes van
+moederszijde; Otanes, zijn oom en schoonvader; Intaphernes, Aspatines,
+Gobryas, Hydarnes, de veldheer Megabyzus [247], de vader van Zopyrus,
+de gezant Prexaspes, de edele Cresus, de oude held Araspes, kortom,
+de voornaamste stamhoofden der Perzen bevonden zich juist toen aan
+het hof van den koning.
+
+Daarbij kwam nog, dat de geheele adel uit het gansche rijk, de satrapen
+of stadhouders van alle provinciën, en de opperpriesters uit alle
+steden zich te dier tijde te Babylon bevonden, om den geboortedag [248]
+van den koning te helpen vieren. De gezamenlijke waardigheidsbekleders
+en afgevaardigden uit al de provinciën stroomden naar de koningsstad,
+om den vorst geschenken aan te bieden, hem geluk te wenschen, en
+deel te nemen aan de groote offers, voor welke gewoonlijk duizenden
+van paarden, herten, stieren en ezels, ter eere der goden geslacht
+werden. Op dezen feestdag ontvingen alle Perzen geschenken, en elk
+mocht den koning een verzoek voordragen, dat maar zelden geweigerd
+werd. Ook werd in alle steden het volk op kosten van den vorst
+onthaald.
+
+Cambyzes had besloten, dat zijn huwelijk met Nitetis acht dagen na
+zijn geboortedag zou worden voltrokken, en alle grooten des rijks
+zouden genood worden, daarbij tegenwoordig te zijn. De straten van
+Babylon wemelden van vreemdelingen. De reusachtige paleizen op de
+beide oevers van den Euphraat waren overvol van gasten, en alle
+huizen waren versierd. Deze ijver van zijn volk, het opkomen van
+tallooze afgevaardigden, die zijn geheele rijk vertegenwoordigden,
+droegen niet weinig bij om de stemming des konings nog gedurig te
+vervroolijken. Zijn trots was bevredigd, en de ledigheid in zijn hart,
+het gebrek aan liefde, door Nitetis aangevuld. Voor de eerste maal in
+zijn leven geloofde hij volkomen gelukkig te zijn, en strooide hij
+zijne geschenken uit, niet omdat dit een koning van Perzië voegde,
+maar omdat hij werkelijk met vreugde gaf.
+
+De veldheer Megabyzus was onuitputtelijk in loftuitingen over de
+heldenfeiten van Bartja en zijne vrienden. Cambyzes omarmde de
+jeugdige dapperen, begiftigde hen met gouden ketens en paarden,
+noemde hen »broeders" en herinnerde Bartja aan de bede, die hij hem
+mocht voordragen, wanneer hij als overwinnaar uit den strijd zou
+zijn teruggekeerd, en welker vervulling hem was toegezegd. Toen de
+jongeling zijne oogen nedersloeg, en niet aanstonds wist hoe zijn
+verzoek in te kleeden, lachte de koning, en riep: »Ziet vrienden,
+hoe onze jonge held als een maagdelijn bloost! Ik geloof, dat hij mij
+iets buitengewoons zal vragen, daarom moet hij nog maar wat geduld
+hebben tot op mijn geboortedag. Bij het drinkgelag, wanneer, de wijn
+hem moed kan geven, zal hij mij toefluisteren, wat hij nu niet durft
+uiten. Laat uw eisch groot zijn, Bartja! Ik ben gelukkig en wensch
+ook al mijne vrienden gelukkig te zien."
+
+Bartja glimlachte en begaf zich naar zijne moeder, om haar thans
+voor de eerste maal mede te deelen, wat zijn hart zoo onrustig en
+tegelijk zoo zalig deed kloppen. Hij had gevreesd van hare zijde
+vele onoverkomelijke bezwaren te zullen hooren opperen. Maar Cresus
+had zijn aanval op de moederlijke teederheid zoo goed voorbereid,
+en der blinde zooveel liefelijks van Sappho verhaald, hare deugd en
+bevalligheid, hare kunstvaardigheid en talenten zoo hoog verheven,
+dat de meisjes den grijsaard met de kleindochter van Rhodopis waren
+gaan plagen en Cassandane thans, na een korten en zwakken tegenstand
+te hebben geboden, aan de bede van haar lieveling toegaf.
+
+»Eene Helleensche de echte vrouw van een Perzischen koningszoon!" riep
+de blinde. »Dat is nog nooit gebeurd. Wat zal Cambyzes zeggen?--Hoe
+zullen we ooit zijne toestemming verkrijgen?"
+
+»Wat dat aangaat, hebt gij niets te vreezen, moedertje," hervatte
+Bartja. »Ik ben van de toestemming mijns broeders even verzekerd,
+als dat ik mij overtuigd houd, dat Sappho een sieraad van ons huis
+zal zijn."
+
+»Cresus heeft mij veel schoons en goeds van de jonkvrouw verhaald,
+en het verheugt mij, dat gij eindelijk besloten zijt te huwen. Maar
+eigenlijk past zulk eene verbintenis den zoon van Cyrus niet. Ook geef
+ik u wel in overweging, dat de Achaemeniden nimmer een zoon dezer
+Grieksche vrouw als hun koning zullen erkennen, wanneer Cambyzes
+geene mannelijke nakomelingen mocht hebben."
+
+»Ik vrees niets, want ik verlang volstrekt niet naar eene kroon. Maar
+buitendien zijn er verschillende Perzische koningen geweest, die eene
+minder aanzienlijke vrouw dan mijn Sappho tot moeder hadden. Ik weet
+zeker, dat mijne bloedverwanten mij niet laken zullen, wanneer ik
+hun het kleinood toon, dat ik aan den Nijl gevonden heb."
+
+»Mocht Sappho slechts onze Nitetis gelijken! Deze heb ik lief,
+als ware zij mijne eigene dochter, en ik zegen den dag, waarop
+zij den Perzischen grond betrad. Met haren koesterenden blik heeft
+zij de halsstarrigheid, de stugheid en den hoogmoed van mijn zoon
+gebroken. Hare goedheid en zachtmoedigheid verlichten den altoos
+durenden nacht, die mij omgeeft, en veraangenamen mijn leven. Haar
+opgeruimde ernst heeft uwe zuster Atossa van een onbesuisd kind in eene
+zedige jonkvrouw herschapen!--Roep nu de meisjes, die beneden in den
+tuin spelen, opdat wij haar mededeelen, dat zij door uw tusschenkomst
+eene nieuwe vriendin rijker zullen worden."
+
+»Vergeef mij, moeder," hervatte Bartja, »maar ik bid u, deze zaak
+voor mijne zuster geheim te houden, tot wij de bepaalde toestemming
+van den koning hebben verkregen."
+
+»Misschien hebt gij gelijk, mijn zoon. Wij moeten de meisjes nog
+onkundig laten van uwe liefde, al ware het slechts om haar eene
+mogelijke teleurstelling te besparen. De verijdeling eener schoone
+hoop valt zwaarder te dragen, dan onverwacht leed. Laat ons dus niet
+te vast rekenen op de bewilliging van uw broeder, schoon ik met u
+geloof, dat deze niet zal uitblijven, zoolang zijne tegenwoordige
+stemming aanhoudt. Mogen de goden u hun zegen schenken!"
+
+In den vroegen morgen van 's konings geboortedag brachten de Perzen
+aan den oever van den Euphraat hunne offers. Op een kunstmatigen berg
+stond een ontzaglijk groot zilveren altaar, waarop een zeer groot
+vuur zijne vlammen en welriekende geuren hemelwaarts deed stijgen. In
+het wit gekleede magiërs voedden gestadig den gloed met sierlijk
+gesnedene stukken van het fijnste sandelhout, en wakkerden de vlammen
+met takkenbossen aan. Het hoofd van elken priester was met een breeden
+band omgeven, de Paiti-dhana [249], welks uiteinden den mond bedekten,
+en verhinderden, dat de onreine adem over het reine vuur heenging. Op
+eene weide langs den stroom, had men de offerdieren geslacht, het
+vleesch in stukken gesneden [250], met zout bestrooid en op een zacht
+tapijt van klaver, mirtenloof en laurierbladen uitgespreid, opdat
+niets van het doode en bloedige, de schoone dochter van Aoeramazda,
+de geduldige, heilige aarde mocht besmetten.
+
+Nu trad Oropastes, de opper-Destoer [251], voor het vuur, en wierp
+er versche boter in. De vlammen sloegen hoog op. Al de Perzen vielen
+op de knieën, en bedekten hun aangezicht; want zij geloofden, dat
+de heldere vlam opsloeg tot haren vader, den grooten God. Vervolgens
+nam de magiër een mortier, vulde dien voor een deel met de bladen en
+stengels van het heilige haomakruid [252], kneusde deze, en goot het
+roodachtige sap der plant, de spijze der goden, in de vlammen.
+
+Eindelijk hief hij zijne handen ten hemel en zong, terwijl andere
+priesters voortgingen de vlam met versche boter aan te wakkeren, een
+lang gebed uit de heilige boeken van Zoroaster. In dit gebed werd de
+zegen der goden afgesmeekt over al het reine en goede, en vóór alles
+over den koning en het gansche rijk. De goede geesten, van het licht,
+van het leven, van de waarheid, van edele daden, van de vruchtdragende
+aarde, van het levende en verfrisschende water, van de glanzende
+metalen, van de weiden, van de boomen en van de reine schepselen werden
+geprezen. De booze geesten van de duisternis, van den leugen, die de
+menschen bedriegt, van ziekten, van dood, van zonden, van de woestijn,
+van de verstijvende koude, van de dorheid, die het leven vernietigt,
+van alle afschuwelijke morsigheid, van alle ongedierte werden, met den
+vader van deze allen, den boozen Angramainjus, vervloekt. Ten laatste
+vereenigde zich de geheele onafzienbare menigte in het feestgebed:
+»Reinheid en heerlijkheid verbeiden den reine en rechtvaardige!" [253]
+
+Daarop maakte het gebed van den koning een einde aan de
+offerplechtigheid. In het rijkste plechtgewaad besteeg Cambyzes den
+met vier sneeuwwitte Nisaeische paarden bespannen gouden wagen, die
+als het ware bedekt was met een bekleedsel van corneolen, topazen
+en barnsteen, en liet zich naar de groote gehoorzaal brengen,
+om de waardigheidbekleeders en afgevaardigden der provinciën te
+ontvangen.--Zoodra de koning en zijn gevolg vertrokken waren, zochten
+de priesters voor zichzelve de beste stukken van het offervleesch uit,
+en lieten toen het volk, dat meer en meer opdrong, de vrijheid het
+overschot mede naar huis te nemen. Want de Perzische goden versmaadden
+het offer als spijs; zij begeerden slechts de zielen der geslachte
+dieren. En menige arme, namelijk onder de priesters, rekte zijn leven
+met het vleesch der rijke koningsoffers.
+
+Gelijk de magiër gebeden had, moesten alle Perzen bidden. Hun
+godsdienst verbood, dat éen iets voor zich alleen van den hemelschen
+geest zou vragen. Veeleer moest ieder deugdzame voor alle Perzen,
+maar bovenal voor den koning bidden; want was ieder Pers slechts
+een deel van het geheele volk, dan werd toch ook ieder in het
+bijzonder gezegend, als de goden rijke weldaden over het geheele rijk
+uitstortten. Dit verloochenen van het eigen ik, dit samensmelten van
+alle bijzondere belangen tot éen groot algemeen belang, had de Perzen
+grootgemaakt. Alleen was men gewoon voor den koning afzonderlijk
+te bidden, maar dit had geene andere oorzaak, dan dat men hem als
+de verpersoonlijking van het geheele rijk beschouwde. Ook mocht
+niemand om een bijzonder bezit vragen, doch slechts om het goede in
+het algemeen, want geen sterveling, de godheid alleen, wist wat den
+menschen tot voor- of nadeel zou strekken. De Egyptische priesters
+stelden de pharao's als werkelijke godheden voor, de Perzen noemden
+hunne vorsten slechts zonen der goden [254]. En toch heerschten dezen
+inderdaad veel onbeperkter dan genen, daar zij zich hadden weten te
+vrijwaren tegen de voogdij der priesterkaste, die, gelijk wij reeds
+zagen, de pharao's, zoo al niet beheerschte, dan toch in gewichtige
+aangelegenheden naar haren wil wist te leiden.
+
+Van het onverdraagzame karakter der Egyptenaren, die geene andere
+dan hunne eigene goden aan de boorden van den Nijl duldden, was in
+Azië geen zweem te ontdekken. De door Cyrus overwonnen Babyloniërs
+mochten na hun inlijving in het groote Aziatische rijk, als te voren
+tot hunne oude goden bidden. De Joden, Joniërs en Klein-Aziaten,
+kortom al de aan den schepter van Cambyzes onderworpene stammen,
+hadden alle hun godsdienst en hunne zeden behouden. Zoo stegen dan
+ook te Babylon op het geboortefeest des konings, naast de altaren
+der magiërs, vele offervlammen ten hemel, door de afgevaardigden
+uit de provinciën ontstoken ter eere van de goden, die zij in hun
+land aanbaden. De dichte rookwolken, die boven de torens hingen en
+het licht der gloeiende Mei-zon verduisterden, deden de stad op een
+afstand op een reusachtigen smeltoven gelijken.
+
+Toen de koning in het groote rijkspaleis was aangekomen, schikten
+zich de feestgezanten tot een onafzienbaren stoet, die door de rechte
+straten van Babylon in de richting van het paleis voorttrok. Alle
+wegen waren bedekt met mirtenloof en palmtakken, met rozen, papaver-
+en oleanderbloemen, met bladeren van zilverpopulieren, palmen en
+laurieren. Wierook-, myrrhe- en duizend andere geuren vervulden de
+lucht. Van alle huizen wapperden vanen en hingen tapijten neder. Het
+juichen en jubelen van de tienduizenden Babyloniërs, die, eerst
+sedert weinige jaren aan de Perzische heerschappij onderworpen, naar
+Aziatische gewoonte hunne ketenen als een sieraad droegen, zoolang
+zij althans geen kans zagen zich van het juk te bevrijden,--overstemde
+de schetterende fanfares der Medische trompetten, de zachte tonen der
+Phrygische fluiten, de cymbalen en harpen der Joden, de tamboerijns der
+Paphlagoniërs, de snarenspeeltuigen der Joniërs, de Syrische pauken en
+bekkens, de horens en trommels der Ariërs van den mond van den Indus,
+en de heldere tonen der Baktrische krijgsbazuinen. Al die geuren, die
+verscheidenheid van kleuren en tinten, dat schitteren en flonkeren
+van goud en edelgesteenten, dat gehinnik van tallooze paarden, dat
+juichen en zingen vereenigden zich, om de zinnen te bedwelmen en de
+harten tot de meest uitgelatene feestvreugde te stemmen.
+
+Geen der feestgezanten was met ledige handen gekomen. Deze bracht een
+span paarden van het edelste ras; gene geweldig groote olifanten en
+potsierlijke apen; een derde verscheidene met schabrakken en kwasten
+behangen rhinocerossen en buffels; een vierde tweebultige Baktrische
+kameelen, met gouden ringen om den ruigen hals. Anderen boden wagens
+aan, beladen met vreemde houtsoorten en elpenbeen, kostbare weefsels,
+zilveren en gouden vaatwerken, goud in stof en in baren, zeldzame
+gewassen voor de tuinen, en voor het wildpark van den koning vreemde
+dieren, onder welke men vooral antilopen, zebra's, vreemde apen en
+vogelsoorten [255] opmerkte, welke laatsten aan groene boomen geketend
+waren, en daar zij telkens de vleugels uitsloegen, een vroolijk
+schouwspel opleverden. Deze geschenken maakten de schatting uit van
+de onderworpene stammen.--Nadat zij aan den koning vertoond waren,
+werden zij door de schatmeesters en schrijvers gewogen, onderzocht,
+en óf voldoende gekeurd, óf als te gering afgewezen. In het laatste
+geval moesten de karige gevers een dubbele schatting opbrengen [256].
+
+Zonder oponthoud bereikte de stoet de poorten van het rijkspaleis,
+hetgeen men voor een groot deel te danken had aan de zweepdragers
+en aan de soldaten, die aan weerszijden van den weg eene levende
+schutting vormden, en het opdringende volk in bedwang hielden.
+
+Zoo de optocht des konings naar de offerplaats reeds meer dan prachtig
+was geweest (achter den vorstelijken wagen toch had men vijfhonderd
+rijk getooide paarden geteld en de trein der gezanten had niet
+minder de verbazing van het geheele vergaderde volk opgewekt) de
+groote troonzaal bood nu een verblindend en tooverachtig schouwspel
+aan. Aan het einde dezer zaal verrees, op eene verhevenheid van zes
+treden, waarvan ieder twee gouden honden als schildwachten droeg, de
+vergulde troon, onder een purperen, door vier gouden met edelgesteenten
+bezette pijlers gedragen hemel, die wederom twee gevleugelde schijven,
+de Feruers [257] des konings, torste. Achter den troon stonden
+dragers van struisveeren en waaiers, aanzienlijke hofbeambten; aan
+weerszijden zag men de dischgenooten, bloedverwanten en vrienden des
+konings, de grootwaardigheidsbekleeders van het rijk, de voornaamste
+priesters en eunuchen. De wanden en de zoldering van de geheele zaal
+waren bekleed met platen van gepolijst goud, en de vloer belegd met
+purperen tapijten. Gevleugelde stieren met menschenhoofden lagen als
+schildwachten vóor de zilveren deuren, en in het voorhof van het paleis
+stonden de lijfwachten gerangschikt, wier lansen met gouden en zilveren
+appels versierd waren. Zij droegen over hunne purperen rokken gouden
+pantsers, scherpe zwaarden in gouden, van edelgesteente fonkelende
+scheeden en hooge Perzische tulbanden. Te midden dier krijgers viel
+aanstonds de schaar der Onsterfelijken [258] in het oog, die altijd
+bestond uit mannen van eene rijzige gestalte en kloeke houding.
+
+Personen, die de vreemdelingen aanmeldden, geleiders, met korte
+elpenbeenen staven in de handen, brachten de feestgezanten de zaal
+binnen tot vóor den troon. Daar gekomen, wierpen deze zich ter aarde,
+als wilden zij den grond kussen, en verborgen de handen in de mouwen
+van hun kleed. Alvorens zij den koning op eenige vraag antwoordden,
+werd hun een doek voor het benedendeel van het aangezicht gebonden,
+opdat hun onreine adem den reinen persoon des konings niet bezoedelen
+zou.
+
+Cambyzes sprak, minzaam of streng, naargelang hij voldaan was over de
+geschenken en de gehoorzaamheid van de vertegenwoordigde provincie,
+met de aanzienlijksten van ieder gezantschap. Toen het laatste, dat
+der Joden, zijn troon naderde, riep hij den Hebreërs, die door twee
+deftige mannen met scherpe trekken en langen baard werden voorafgegaan,
+een vriendelijk »halt" toe. De eerste van dezen was gekleed op de wijze
+als de voornaamste en rijkste Babyloniërs. De tweede droeg een uit éen
+stuk geweven, met schellen en kwasten behangen purperen kleed, dat door
+een gekleurden gordel van blauw, rood en wit bijéen werd gehouden,
+en een blauw schouderkleed. Om zijn hals hing een taschje met de
+heilige loten [259], dat met twaalf in goud gevatte edelgesteenten,
+waarop de namen der stammen Israëls te lezen waren, prijkte. Een
+witte band, welks slippen tot over de schouders neervielen, bedekte
+het ernstige voorhoofd van den hoogepriester.
+
+»Het verheugt mij u eens weder te zien, Beltsazar," riep de koning
+den op Babylonische wijze gekleeden man toe. »Sedert den dood van
+mijn vader hebt gij u niet aan mijne poort laten zien!"
+
+Hij, die aldus werd toegesproken, boog zich diep en antwoordde: »De
+genade van mijn heer verheugt het harte van uw knecht! Wilt gij de
+zon uwer genade over uw knecht laten lichten, zijne onwaardigheid niet
+gedenkende, zoo bewillig mijn arm volk, dat uw groote voorganger naar
+het land zijner vaderen liet terugkeeren, eene bede! Deze grijsaard
+aan mijne zijde, Jozua, de hoogepriester onzes Gods, heeft den verren
+weg naar Babylon niet geacht, daar hij gekomen is om die bede aan uw
+goedgunstig oor voor te dragen. Mogen zijne reden u aangenaam zijn,
+en zijn woord een vruchtbaren grond in uw hart vinden."
+
+»Ik gis reeds, wat gij vragen wilt," riep de koning. »Heb ik ongelijk,
+priester, als ik vermoed, dat uwe bede wederom betrekking heeft op
+de herbouwing van uw tempel?"
+
+»Voor mijn heer kan niets verborgen blijven," antwoordde de priester,
+diep buigende. »Uwe knechten te Jeruzalem verlangen zeer het aangezicht
+van hun heer te aanschouwen, en smeeken u door mijn mond, af te komen
+tot het land hunner vaderen, en hun verlof te geven den tempelbouw,
+waartoe uw doorluchtige vader, wien Jahveh genadig zij! zijne
+toestemming verleende, voort te zetten."
+
+De koning glimlachte, en antwoordde: »Gij weet uwe bede voor te dragen
+met eene slimheid, die uw volk eigen is, en het juiste woord en het
+rechte uur te kiezen! Op mijn geboortedag kan ik een trouw volk bijkans
+geene enkele bede afslaan. Ik beloof u dus, zoodra dit mij mogelijk is,
+de goede stad Jeruzalem en het land uwer vaderen te zullen bezoeken."
+
+»Gij zult uwe knechten groote vreugde bereiden," hervatte de
+priester. »Onze olijfboomen en wijnstokken zullen bij uwe nadering
+schoonere vruchten dragen; onze poorten zullen verwijd worden om u
+te ontvangen, en Israël zal zijn heer met gejubel inhalen, dubbel
+verheugd, wanneer het hem als nieuwen bouwheer...."
+
+»Halt, priester, niet verder!" riep Cambyzes. »Uwe eerste bede zal,
+gelijk ik zeide, niet onvervuld blijven, want sinds lang reeds koester
+ik den wensch, het rijke Tyrus, het gouden Sidon en uw Jeruzalem met
+zijn wonderlijk bijgeloof te leeren kennen. Maar gaf ik u thans reeds
+verlof tot het voortzetten van den tempelbouw, wat bleef mij dan nog
+over, dat ik u een volgend jaar zou kunnen toestaan?"
+
+»Uwe knechten zullen het oor huns heeren niet meer vermoeien,"
+antwoordde de priester, »als gij hun verlof geeft, den God hunner
+vaderen een huis te bouwen."
+
+»Vreemde menschen, die mannen van Palaestina!" riep Cambyzes. »Men
+heeft mij dikwijls gezegd, dat gij aan eene enkele godheid gelooft,
+die door geene afbeelding wordt voorgesteld, die niets is dan een
+geest. Meent gij dan, dat dit alomtegenwoordig wezen een huis van noode
+heeft? Voorwaar, uw groote geest moet al zeer zwak en erbarmelijk zijn,
+als hij een dak behoeft tegen wind en regen, en eene beschutting
+tegen de zon, die hij zelf eens schiep. Is uwe godheid evenals de
+onze overal tegenwoordig, welnu, valt dan voor haar neder en aanbidt
+haar aan alle plaatsen gelijk wij het doen, en gij kunt u verzekerd
+houden overal door haar gehoord te zullen worden."
+
+»De Gods Israëls hoort zijn volk aan alle plaatsen," riep de
+hoogepriester. »Hij heeft ons geroep gehoord, toen wij, ver van ons
+land als slaven van den pharao, tichelen bakten en versmachtten. Hij
+hoorde en zag ons, toen wij aan de wateren Babylons weenden. Hij koos
+uw vader tot het werktuig onzer bevrijding, en zal ook heden mijn
+gebed verhooren en uw hart vermurwen. O, groote koning, veroorloof uwen
+knechten eene gemeenschappelijke offerplaats te bouwen voor de twaalf
+verdeelde stammen van hun volk, een altaar voor welks trappen zij te
+zamen voor u kunnen bidden, een huis in hetwelk zij gemeenschappelijk
+hunne feestdagen kunnen vieren. Voor deze gunst zullen wij de genade
+onzes Heeren over uw hoofd, en zijn vloek over uwe vijanden afsmeeken."
+
+»Veroorloof mijnen broederen hun tempel op te bouwen!" bad ook
+Beltsazar, de rijkste en aanzienlijkste der Joden, die in Babel waren
+achtergebleven, dien Cyrus met groote onderscheiding behandeld en
+dikwijls om raad gevraagd had.
+
+»Zoudt gij dan den vrede bewaren, indien ik aan uwe bede gehoor
+gaf?" vroeg de koning. »Mijn vader vergunde u het werk te beginnen,
+en verschafte u de middelen om het te volbrengen. Eendrachtig en
+gelukkig zijt ge van Babylon naar uw land getogen. Maar nauw waart ge
+aan het bouwen, of daar barstten twist en tweedracht los. Tallooze
+verzoekschriften, door de aanzienlijkste Syriërs onderteekend,
+bestormden Cyrus, of het hem behagen mocht den tempelbouw te doen
+staken. Nog niet lang geleden ben ik zelf door uwe landslieden,
+de Samaritanen, dringend aangezocht, de voortzetting van het werk
+te verhinderen. Bidt dus tot uw God, waar en op welke wijze gij
+wilt; maar hoe genegen ik u ook ben, kan ik toch mijne toestemming
+niet verleenen tot voortzetting van een werk, dat slechts twist en
+oneenigheid onder uw volk sticht."
+
+»Wilt gij op dezen dag eene bewilliging intrekken, die uw vader ons
+in een koninklijken brief heeft gedaan?" vroeg Beltsazar.
+
+»Een brief?"
+
+»Die op den huidigen dag nog voorhanden moet zijn onder de bescheiden
+van uw rijk [260]."
+
+»Zoodra gij hem vindt, en mij vertoont," hervatte de koning, »wil
+ik niet slechts verlof geven tot het bouwen van den tempel, maar u
+zelfs op alle mogelijke wijze ondersteunen, opdat het werk spoedig
+voltooid zij. De wil van mijn vader is mij even heilig als een bevel
+van de goden!"
+
+»Is het mij dus toegestaan." vroeg Beltsazar, »het archief van
+Ekbatana, waar het geschrift aanwezig moet zijn, door uwe schrijvers
+te laten doorzoeken?"
+
+»Ik geef u daartoe verlof; maar ik vrees, dat gij niets vinden
+zult! Zeg uwen landslieden, priester, dat ik tevreden ben over de
+uitrusting der krijgslieden, die zij naar Perzië zonden, om den tocht
+tegen de Massageten mede te maken. Mijn veldheer Megabyzus roemt
+hunne houding en hun krijgshaftig voorkomen. Mogen zij, evenals in de
+oorlogen mijns vaders, de goede gedachten, die men van hen koestert,
+niet teleurstellen!--U, Beltsazar, noodig ik op het feest van mijn
+huwelijk met de Egyptische, en ik draag u op aan uwe landslieden
+Mesach en Abed Nego, de eerste mannen van Babylon na u, te zeggen,
+dat ik hen hedenavond aan mijne tafel verwacht."
+
+»De God onzes volks Israël schenke u geluk en zegen!" sprak Beltsazar,
+terwijl hij diep ter aarde boog.
+
+»Dezen wensch neem ik aan," riep de koning, »want ik acht uw
+grooten Geest, die groote wonderen moet hebben gedaan, niet voor
+geheel machteloos.--Hoor nog dit, Beltsazar! Vele Joden hebben in
+den laatsten tijd van de goden der Babyloniërs op smadelijke wijze
+gesproken, en zijn daarvoor gestraft geworden. Waarschuw uw volk! Het
+maakt zich gehaat door zijn stijfhoofdig bijgeloof en zijn hoogmoed,
+omdat het wil staande houden, dat zijn groote Geest de eenige ware
+godheid is! Neemt gijlieden een voorbeeld aan ons, die, tevreden met
+wat wij hebben, anderen in het rustig bezit van het hunne laten. Houdt
+u zelve niet voor beter dan alle andere menschen. Ik ben u genegen,
+uw trots en uw gevoel van eigenwaarde behagen mij; zorgt evenwel dat
+uw trots niet, tot uwe eigene schade, in hoovaardij ontaarde!--Vaarwel
+en weest verzekerd van mijne voortdurende bescherming!"
+
+De Hebreërs verwijderden zich, wel teleurgesteld, doch niet geheel
+zonder hope, want Beltsazar wist bepaald, dat dit stuk, hetwelk op
+den Jeruzalemschen tempelbouw betrekking had, in het archief van
+Ekbatana voorhanden moest zijn.
+
+Hen volgden de gezantschappen der Syriërs en Jonische Grieken. Het
+laatst van allen vertoonden zich mannen van woest uiterlijk en vreemden
+gelaatsvorm, in dierenhuiden gekleed. Hunne gordels, schouderbanden,
+boog-foedralen, strijdbijlen en lansspitsen bleken van ruw bearbeid,
+doch zuiver goud te zijn, en hunne hooge pelsmutsen waren met gouden
+sieraden overladen. Vóór hen ging een man in Perzische kleederdracht,
+wiens trekken echter bewezen, dat hij tot denzelfden stam behoorde,
+als de mannen die hem volgden [261].
+
+De koning zag met verwondering op deze gezanten, terwijl zij den troon
+naderden. Hij fronste zijn voorhoofd, en den vreemdeling wenkende,
+die hen binnenleidde, zeide hij: »Wat begeeren deze menschen van
+mij?--Bedrieg ik mij niet, zoo behooren zij tot de Massageten,
+die weldra voor mijn wraak zullen sidderen. Zeg hun, Gobryas, dat
+een behoorlijk uitgerust leger in de Medische vlakte gereedstaat,
+om hun op iederen eisch met het zwaard te antwoorden!"
+
+De vreemdeling boog zich en sprak: »Deze menschen zijn hedenmorgen,
+tijdens het offer, zwaar beladen met het zuiverste goud Babylon
+binnengetrokken, om den vrede van u te koopen. Toen zij vernamen, dat
+men een groot feest u ter eere vierde, drongen zij bij mij aan, dat
+ik hun nog heden de gelegenheid zou verschaffen, voor uw aangezicht
+te verschijnen en u mede te deelen, met welken last zij door hunne
+landslieden naar uwe poorte zijn gezonden."
+
+De wolk op 's konings voorhoofd dreef af, zijn gelaat verhelderde. Met
+scherpen blik nam hij ze op, die forsche mannen met hunne zware baarden
+en riep dan: »Dat zij nadertreden! Ik ben nieuwsgierig te hooren,
+welke voorstellen de moordenaren van mijn vader mij zullen doen."
+
+Gobryas gaf hun een teeken. De grootste en oudste der Massageten trad,
+door den op Perzische wijze gekleeden man vergezeld, tot dicht voor den
+troon, en begon toen in de taal van zijn vaderland met luider stem te
+spreken. De man die naast hem stond, een Massagetisch krijgsgevangene
+van Cyrus, die de Perzische taal aangeleerd had, vertolkte den koning,
+volzin voor volzin, de toespraak van den woordvoerder der nomaden.
+
+»Wij weten," ving deze aan, »dat gij, groote vorst, met wrok en
+wrevel jegens de Massageten vervuld zijt, wijl uw vader in een strijd
+tegen ons, dien hij zelf begon, schoon wij hem nooit beleedigden,
+gevallen is."
+
+»Mijn vader had reden te over om u te straffen," viel de koning
+den spreker in de rede, »want uwe vorstin Tomyris ontzag zich niet,
+hem een weigerend antwoord te geven, toen hij naar hare hand dong."
+
+»Vertoorn u niet, o koning," antwoordde de Massageet; »maar weet, dat
+ons gansche volk deze weigering billijkte. Men had een onnoozel kind
+moeten zijn, om niet te doorzien, dat de grijze Cyrus slechts daarom
+onze koningin onder het getal zijner vrouwen verlangde op te nemen,
+wijl hij, heerschzuchtig als hij was, en onophoudelijk begeerig naar
+nieuwe uitbreiding van zijn gebied, met de koningin ook haar land
+hoopte machtig te worden."
+
+Cambyzes zweeg, maar de gezant vervolgde: »Cyrus liet eene brug slaan
+over den Araxes [262], onze grensrivier. Wij waren zonder vreeze;
+daarom liet Tomyris hem weten, dat hij zich de moeite van eene brug
+te maken wel kon besparen, daar wij bereid waren, òf hem in ons
+land rustig af te wachten, en hem ongehinderd den Araxes te laten
+overschrijden, òf hem in zijn eigen land tegemoet te trekken.
+
+»Cyrus besloot, en dat wel, gelijk wij later uit den mond van
+krijgsgevangenen vernamen, op raad van den onttroonden koning van
+Lydië, Cresus, ons op ons eigen gebied te komen bestoken en door
+list ten onder te brengen. Hij zond slechts een kleine afdeeling van
+zijn leger er op af, liet dit door onze pijlen en lansen verdelgen,
+en zag het aan, hoe wij zijne legerplaats zonder slag of stoot
+bemachtigden. Wij dachten den veroveraar overwonnen te hebben, en
+hielden feest van den rijken voorraad der Perzen. Toen wij, vergiftigd
+door den zoeten drank, dien gijlieden wijn noemt, en dien wij nog
+nooit geproefd hadden, in een diepen slaap verzonken waren en weerloos
+nederlagen, overviel ons uw leger en vermoordde een groot deel onzer
+beste krijgers. Velen werden ook gevangengenomen, onder anderen de
+heldhaftige Spargapises, de jeugdige zoon onzer koningin. Toen deze
+hoorde, dat zijne moeder bereid was vrede met uw vader te sluiten,
+op voorwaarde dat de jonge held op vrije voeten zou worden gesteld,
+bad de edele jongeling, dat men hem van zijne ketenen zou ontdoen. Men
+voldeed aan zijn verlangen. Daarop vatte hij een zwaard en doorstak
+zich, uitroepende: »Ik offer mij op voor de vrijheid van mijn volk!"
+
+»Nauw hadden wij bericht gekregen van den dood van dezen dapperen
+jongeling, of wij trokken al de strijdkrachten samen, die niet onder
+uw zwaard gevallen waren, of niet in boeien zuchtten. Zelfs knapen en
+grijsaards grepen naar de wapens, en als een eenig man trokken wij
+uw vader tegemoet, om den edelen Spargapises te wreken, of gelijk
+hij, voor de vrijheid der Massageten te sterven. Het kwam tot een
+treffen. De Perzen werden geslagen. Cyrus sneuvelde. Tomyris vond zijn
+lijk, drijvende in een zee van bloed, en richtte deze woorden tot den
+doode: »Onverzadelijke, thans, zou ik meenen, hebt gij uw dorst naar
+bloed kunnen lesschen!" De edele schaar, die gij de onsterfelijken
+noemt, wierp ons terug, en voerde uit onze dichte rijen het overschot
+van uw vader met zich. Gij zelf streedt aan hunne spits; uw moed en
+uwe dapperheid waren die van een leeuw. Ik herken u, want het zwaard,
+dat aan mijne zijde hangt, sloeg de wonde, welker bloedig litteeken
+nu nog uw mannelijk gelaat siert!"
+
+De menigte, die met ingehouden adem had geluisterd, sidderde voor het
+leven van den man, die zoo stout durfde spreken. Doch Cambyzes knikte
+hem minzaam toe, in plaats van toornig op te vliegen: »Ook ik herken
+u thans. Op dien dag bereedt gij een vuurrood ros, dat met gouden
+sieraden was bedekt. Wij Perzen, weten de dapperheid te waardeeren, ook
+in onze vijanden. Dat zult ook gij ondervinden! Mijne vrienden, nooit
+zag ik scherper zwaard of onvermoeider arm, dan van dezen man. Buigt
+u voor hem neder, want heldengrootheid verdient den eerbied van alle
+dapperen, onverschillig of zij zich bij vriend of bij vijand openbaart
+[263].--Maar u, Massageet, raad ik, ijlings naar huis en haard terug
+te keeren, en u ten strijde uit te rusten, want de herinnering aan
+uw moed en uwe kracht prikkelt des te meer mijn verlangen, om met u
+te kampen. Sterke vijanden als gij, zijn mij, bij Mithra, liever dan
+zwakke vrienden! Ik wil u onverlet naar uw land laten trekken. Maar
+blijf niet te lang in mijne nabijheid, anders kon de gedachte aan
+de wraak, die ik mijns vaders ziel schuldig ben, mijn toorn wel eens
+doen ontwaken, en dan zou het einde uws levens niet verre zijn."
+
+De gebaarde krijgsman glimlachte, en antwoordde: »Wij Massageten
+zijn van oordeel, dat de ziel uws vaders meer dan gewroken is. De
+Perzen verloren hun koning, maar onze koningin had haar eenigen zoon
+te beweenen, die de trots was van ons volk, en niet minder edel en
+groot dan Cyrus. Vijftig duizend lijken van mijne landslieden lagen
+als een doodenoffer aan de boorden van den Araxes, terwijl in dezen
+strijd slechts dertig duizend Perzen vielen. Wij vochten niet minder
+dapper dan gijlieden, maar uwe wapenrustingen zijn dichter en steviger
+dan de onze, en bieden weerstand aan de pijlen, die ons dadelijk de
+huid doorboren. En wat de kroon op alles zet, en de maat uwer wraak
+zekerlijk ten boorde vult, ook onze koningin Tomyris hebt gij gedood."
+
+»Tomyris leeft niet meer!?" riep Cambyzes, den spreker in de rede
+vallende. »Wij Perzen, zouden eene vrouw vermoord hebben? Wat is uwe
+koningin overkomen? Spreek!"
+
+»De smart over den dood van haar eenigen zoon heeft haar, nu tien
+maanden geleden, doen bezwijken. Dus kon ik met alle recht zeggen,
+dat ook zij als een offer van den oorlog met de Perzen en voor de
+ziel uws vaders viel."
+
+»Zij was eene groote vrouw," zeide Cambyzes zacht, als tot
+zichzelven. Dan vervolgde hij, zijne stem verheffende: »Waarlijk,
+Massageten, ik begin te gelooven, dat de goden zelve op zich genomen
+hebben, mijn vader op u te wreken. Maar hoe zwaar uwe verliezen ook
+schijnen mogen, Spargapises, Tomyris en vijftig duizend Massageten
+kunnen nog niet opwegen tegen de ziel van éen Perzischen koning,
+en allerminst tegen die van een Cyrus!"
+
+»Bij ons te lande," antwoordde de gezant, »is in den dood alles
+gelijk, en de ziel van een gestorven koning niet grooter dan die van
+een armen knecht. Uw vader was een groot man, maar onbeschrijfelijk
+veel hebben wij om zijnentwil geleden. Weet ook, o koning, dat ik
+u nog al de rampen niet heb opgesomd, die sedert dien ongelukkigen
+krijg over ons land zijn uitgestort.--Na den dood van Tomyris werden
+de Massageten door tweedracht verdeeld. Twee mannen stonden op, die
+beweerden gelijke rechten op den ledigen troon te hebben. Het volk
+splitste zich in twee partijen. Een vreeselijke burgeroorlog, aanstonds
+gevolgd door eene besmettelijke ziekte, die talrijke offers eischte,
+dunde de schare onzer krijgers. Mocht gij volharden in uw voornemen om
+ons den oorlog aan te doen, zoo zouden wij u niet kunnen weerstaan, en
+daarom zijn wij gekomen om voor veel gouds den vrede van u te koopen."
+
+»Gij wilt u dus zonder slag of stoot onderwerpen?" vroeg Cambyzes. »De
+sterkte van het leger, dat in de Medische vlakte bijeengetrokken is,
+kan u bewijzen, dat ik betere verwachting van uw heldenmoed heb
+gekoesterd. Zonder vijanden kunnen wij niet strijden, ik zal dus
+mijne macht ontbinden en u een stadhouder zenden. Ik heet u welkom
+als nieuwe onderdanen van mijn rijk."
+
+Bij deze woorden des konings kleurde een hoog rood de wangen van den
+Massagetischen held. Met bevende stem antwoordde hij: »Gij dwaalt, o
+koning, indien gij meent, dat wij de oude dapperheid verleerd hebben,
+of gezind zijn knechten te worden. Maar wij kennen uwe macht en weten,
+dat het kleine getal onzer, door het zwaard en de pestilentie gespaarde
+landslieden tegen uwe ontzaglijke goed uitgeruste krijgsheeren niet
+is opgewassen. Rond en eerlijk, gelijk alle Massageten zijn, belijden
+wij u dit. Maar tegelijk verklaren wij, dat wij ons zelve zullen
+blijven regeeren, en niet voornemens zijn ooit van een Perzischen
+satraap wetten en voorschriften te ontvangen.--Gij ziet mij toornig
+aan! Toch hebt gij ons laatste woord vernomen."
+
+»Gij hebt slechts te kiezen," antwoordde Cambyzes. »Buigt u onder mijn
+schepter, laat uw land onder den naam van de Massagetische provincie
+bij Perzië inlijven, ontvangt met den vereischten eerbied een satraap,
+als vertegenwoordiger van mijn persoon, of beschouwt u als mijne
+vijanden, en rekent er dan op, dat gij door mijne legers tot dezelfde
+dingen gedwongen zult worden, die ik u thans uit goedwilligheid
+aanbied.--Op den dag van heden kunt gij nog een vader in mij winnen;
+later zult gij mij slechts als een veroveraar en wreker over u zien
+komen. Bedenkt u dus wel, aleer gij een beslissend antwoord geeft!"
+
+»Wij hebben alles van te voren rijpelijk overwogen," hernam de
+krijgsheld, »en begrepen dat wij, de vrije zonen der steppen, aan
+den dood boven de slavernij de voorkeur moesten geven.
+
+»Hoor, wat onze oudsten u door mijn mond verder verkonden en raden. Wij
+Massageten zijn niet door ons eigen toedoen, maar tengevolge van
+zware bezoekingen van onzen god, de zon, te zwak geworden om Perzië
+te wederstaan. Wij weten, dat gij een groot leger tegen ons hebt
+uitgerust, en zijn bereid door jaarlijksche schatting den vrede en de
+vrijheid van u te koopen. Weet dat, zoo gij desniettemin zoudt willen
+beproeven ons door geweld van wapenen ten onder te brengen, gij u
+zelven de grootste schade zoudt berokkenen. Zoodra uwe krijgsmacht
+den Araxes nadert, zullen wij allen met vrouwen en kinderen opbreken,
+en een ander vaderland zoeken. Want wij wonen niet, gelijk gijlieden,
+in vaste steden en huizen, maar zijn gewoon op onze paarden om te
+zwerven, en onder onze tenten slechts tijdelijk te rusten. Ons goud
+zullen we met ons voeren, en de verborgene groeven, die nog groote
+schatten kunnen leveren, ontoegankelijk maken. Wij kennen al de
+plaatsen, waar edele metalen te delven zijn, en verklaren ons bereid,
+u jaarlijks daarvan groote hoeveelheden te schenken, zoo gij ons
+vrede en vrijheid gunt. Wilt gij ons daarentegen beoorlogen, zoo zult
+gij niets te bestrijden hebben dan eene ontvolkte wildernis en een
+onzichtbaren vijand, die u zeer geducht kan worden, zoodra hij van
+de geledene verliezen een weinig op zijn verhaal is gekomen. Laat
+gij ons den vrede en de vrijheid, zoo willen wij u, behalve het
+goud, jaarlijks nog vijfduizend snelvoetige steppenpaarden, benevens
+hulptroepen leveren, wanneer het Perzische rijk door ernstige gevaren
+mocht worden bedreigd."
+
+De gezant zweeg. Cambyzes staarde langen tijd peinzend voor zich
+op den grond. Eindelijk verhief hij zich van zijn troon, zeggende:
+»Hedenavond, bij het drinkgelag, zullen wij krijgsraad beleggen,
+en morgen verneemt gij, welk antwoord gij aan uw volk hebt te
+brengen. Zorg Gobryas, dat deze lieden goed onthaald worden, en zend
+den Massageet, wien ik het litteeken op mijn aangezicht te danken heb,
+een deel der gerechten van mijne eigene tafel."
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Gedurende dit onderhoud zat Nitetis eenzaam en treurig in haar
+verblijf op de hangende tuinen. Dien dag had zij voor het eerst de
+gemeenschappelijke offers van de vrouwen des konings bijgewoond, en
+beproefd onder den vrijen hemel, voor het hoog opvlammende altaarvuur,
+onder het ruischen der haar zoo vreemde tonen, tot hare nieuwe goden
+te bidden. De meeste bewoneressen van den koninklijken harem zagen
+de Egyptische bij deze feestelijke gelegenheid voor de eerste maal,
+en hielden de blikken niet van haar afgewend, in plaats van op te
+zien tot de godheid daarboven.
+
+Beangstigd door de nieuwsgierige en vijandige blikken harer
+mededingsters; afgeleid door de duizenderlei tonen, die uit de stad
+haar tegenklonken; smartelijk aangedaan bij de herinnering aan de
+vurige gebeden, die zij in de plechtige, indrukwekkende stilte der
+reuzentempels van haar vaderland, aan de zijde van moeder en zuster,
+tot de goden harer kindsheid had opgezonden, kon Nitetis, hoe groote
+behoefte haar hart ook gevoelde om voor den beminden koning op zijn
+feestdag geluk en voorspoed van de goden af te smeeken, hare ziel
+niet verheffen tot godsdienstige overdenkingen. Cassandane en Atossa
+lagen aan hare zijde geknield, en stemden van ganscher harte in met
+de gezangen der magiërs, die voor het bedrukt gemoed der Egyptische
+slechts ijdele klanken waren.
+
+Deze gebeden, die soms een verheven dichterlijken geest ademen,
+vermoeien echter het oor door de gedurige herhaling van namen en
+aanroepingen van ontelbare goede en booze geesten. De Perzische
+vrouwen werden daardoor in de hoogste godsdienstige stemming gebracht;
+zij toch hadden van jongs af geleerd, deze verhevene lofzangen als de
+heiligste en heerlijkste aller liederen te beschouwen. Deze gezangen
+hadden hare eerste gebeden begeleid, en waren haar dierbaar en heilig,
+gelijk alles wat wij van onze vaderen erven; gelijk alles wat ons in
+onze jeugd, als 't gemoed nog zoo ontvankelijk is voor elken indruk,
+als vereerenswaardig en goddelijk wordt voorgehouden. Deze liederen
+konden evenwel den geest der Egyptische niet boeien, die vertrouwd
+was met de schoonste zangen van Hellas' dichters. Zij had zich nog
+niet vereenzelvigd met hetgeen zij onder zooveel inspanning had
+aangeleerd, en terwijl de Perzische vrouwen de uitwendige vormen van
+haar godsdienst verrichtten, als iets dat zij van jongs af hadden
+gekend, als iets dat vanzelf sprak, moest zij al hare geestkracht te
+hulp roepen, om de voorgeschrevene ceremoniën niet te vergeten, en zich
+zoodoende niet bloot te geven voor de afgunstig loerende argusoogen
+harer mededingsters. Buitendien had zij, weinige oogenblikken voordat
+de dienst een aanvang nam, den eersten brief uit Egypte ontvangen. Deze
+lag nog ongelezen op hare tafel en hield hare gedachten gansch en al
+bezig, zoodra zij zich tot bidden nederboog. Welke tijding zou hij
+haar brengen? Hoe zou het den geliefden ouders gaan? Hoe zou zich
+Tachot houden, gescheiden van háar en van den beminden koningszoon?
+
+Toen de feestviering was afgeloopen, omarmde zij Cassandane en
+Atossa met verruimde borst, als ware zij aan een dreigend gevaar
+ontsnapt. Daarop liet zij zich naar hare woning dragen, en snelde
+zoodra zij binnenkwam met driftig verlangen naar de toilettafel,
+op welke het dierbaar schrijven lag. De eerste harer dienaressen,
+dezelfde jonge maagd die haar op de reis voor het eerst in Perzisch
+gewaad had gekleed, ontving haar met een ondeugend en veelbeteekenend
+lachje, dat spoedig overging in een trek van de grootste verbazing,
+toen hare meesteres de op de tafel liggende sieraden met geen enkelen
+blik verwaardigde en slechts oogen had voor den lang verwachten brief.
+
+Haastig verbrak Nitetis het was van het zegel, en wilde zich juist
+neerzetten, om een aanvang te maken met den ingespannen arbeid van
+het lezen, toen de dienstmaagd dicht bij haar kwam, en de handen
+in elkaar slaande, uitriep: »Bij Mithra, meesteres, ik begrijp u
+niet! Gij moet krank zijn! Bevat dit grauwe, ellendige stuk papyrus
+misschien eenige tooverij, die hem of haar, die het beschouwt,
+voor al het schoone blind maakt? Leg dit rolletje maar spoedig op
+zijde, en bewonder de heerlijke zaken, die de groote koning, dien
+Aoeramazda met roem en eere krone, u toezond, terwijl gij het feest
+bijwoondet. Bezie toch dit kostbare purperen kleed met witte strepen,
+en dat prachtig zilveren stikwerk! Zie dezen tulband, met vorstelijke
+diamanten overladen! Weet gij dan niet, dat zulke gaven meer beduiden
+dan gewone feestgeschenken? Cambyzes laat u verzoeken--verzoeken,
+heeft de bode gezegd, niet bevelen,--u met deze schoone en koninklijke
+sieraden te tooien voor den feestmaaltijd van heden. Of Phaedime ook
+woedend zal zijn! Welke oogen zullen de andere vrouwen opzetten,
+die nooit iets dergelijks ontvingen! Tot op heden was Cassandane,
+de moeder van den koning, de eenige vrouw aan het hof, die purper en
+diamanten mocht dragen. Nu Cambyzes u deze geschenken aanbiedt, stelt
+hij u op gelijken rang met zijne doorluchtige moeder, en verheft u
+voor de oogen van het gansche volk tot zijne meestgeliefde gemalin en
+koningin. O, ik bid u, sta mij toe u met al deze nieuwe heerlijkheden
+te versieren. Wat zult gij schoon zijn! Wat zullen die andere vrouwen
+afgunstig wezen! Wat zullen zij razen en woeden! Mocht ik er maar
+bij tegenwoordig zijn, als gij de feestzaal binnentreedt. Kom, goede
+meesteres, laat mij u van dit eenvoudige gewaad ontdoen, en u kleeden,
+gelijk het der nieuwe koningin past, al ware het slechts om te zien,
+hoe het u staan zal."
+
+Nitetis had de snapster bedaard aangehoord, en de kostbare geschenken
+met een glimlach bekeken. Zij was vrouw genoeg, om er zich over te
+verheugen. Zij werden haar toch gezonden door den man, dien zij liever
+had dan haar leven, en bewezen deze geschenken haar niet, dat zij den
+koning meer was dan al zijne andere vrouwen; dat zij door Cambyzes
+bemind werd? De brief, naar welken zij met nijgend verlangen had
+uitgezien, ontglipte nog ongelezen hare hand. Zwijgend gaf zij toe aan
+de bede der dienstmaagd, en binnen weinige oogenblikken had zij eene
+volkomene gedaantewisseling ondergaan. Het vorstelijk purper verhoogde
+hare vorstelijke schoonheid, en hare edele, rijzige gestalte kwam onder
+den hoogen, van edelgesteenten schitterenden tulband eerst recht goed
+uit. Toen de op de kleedtafel liggende metalen spiegel haar voor de
+eerste maal haar eigen beeld vertoonde, in het volledig plechtgewaad
+eener koningin, nam haar gelaat een veranderde uitdrukking aan. Het was
+als spiegelde er zich een deel van den trots haars gemaals en gebieders
+op af.--De lichtvaardige kamerjuffer zonk onwillekeurig op de knieën,
+toen de fonkelende blik der meest geliefde vrouw van den machtigste
+aller mannen haar van blijde verrukking tintelend oog ontmoette.
+
+Gedurende eenige seconden zag Nitetis op het meisje, dat vol eerbied
+aan hare voeten lag. Daarop schudde zij, van schaamte blozende,
+het schoone hoofd, boog zich tot de knielende neder, richtte haar
+vriendelijk op, kuste haar op het voorhoofd, en schonk haar een gouden
+armband. Toen daarop haar blik viel op den brief, die op den grond
+was gevallen, verzocht zij het meisje zich te verwijderen. Mandane
+verliet het vertrek van hare meesteres op een drafje, om het rijke
+geschenk aan hare onderhoorige vrouwen, de lagere kamerjuffers en
+slavinnen, te toonen. Nitetis vlijde zich in den voor de toilettafel
+staanden elpenbeenen leunstoel neder. Hare oogen vloeiden over van
+vreugdetranen: 't scheen dat haar hart te klein was om al dit geluk
+te bevatten. Zij zond een kort dankgebed op tot hare Egyptische
+lievelingsgodin, de schoone Hathor, kuste de gouden keten, die
+Cambyzes haar, na het redden van haren bal, had omgehangen, bracht
+den brief uit het vaderland aan hare lippen, en ontrolde dien met
+van blijdschap bevende vingeren, terwijl zij zich diep in de purperen
+kussens verschool en prevelde: »Hoe komt het toch, dat ik zoo vroolijk,
+zoo overgelukkig ben? Arme brief, zij, die u geschreven heeft, kon
+zich zeker niet voorstellen, dat Nitetis u een kwartier uurs lang
+ongelezen op den grond zou laten liggen!"
+
+Met den lach der opgeruimdheid om de lippen begon zij te lezen;
+maar die lach verdween allengs, om plaats te maken voor een trek
+van bekommering. Toen zij aan het einde van den brief was gekomen,
+ontgleed hij wederom aan hare hand. Die oogen, welker trotsche blik
+de dienstmaagd had doen neêrknielen, baadden in tranen; het hoofd,
+dat zich straks zoo fier verhief, zonk mat en lusteloos neder op
+de sieraden, die de tafel bedekten. Tranen bevochtigden de parelen
+en diamanten. Voorwaar, eene vreemde tegenstelling! Weinig paste de
+trotsche tulband bij de ingezonkene gestalte van haar die hem droeg.
+
+De brief bevatte het navolgende:
+
+»Ladice, vrouw van Amasis en koningin van Opper- en Neder-Egypte, aan
+hare dochter Nitetis, gemalinne van den machtigen koning van Perzië.
+
+»Wanneer gij, beminde dochter, zoo langen tijd zonder berichten uit
+uw vaderland zijt gebleven, lag de schuld daarvan niet aan ons. De
+triëre, die de voor u bestemde brieven naar Sidon zou overbrengen,
+is door Samische oorlogsschepen, die men liever zeeroofschepen moest
+noemen, genomen en in de haven van Astypalaia [264] opgebracht.
+
+»De vermetelheid van Polycrates, wien alles wat hij onderneemt, gelukt,
+wordt dagelijks grooter. Geen vaartuig is voor zijne roofschepen
+veilig, sedert hij de Lesbiërs en Milesiërs, die het monster zochten
+te breidelen, overwonnen heeft. De zonen van den overleden Pisistratus
+zijn zijne vrienden. Lygdamis is hem veel verplicht, en heeft de hulp
+der Samiërs van noode, om zijne heerschappij op Naxos te handhaven. De
+grieksche Amphiktyonen heeft hij in zijn belang gewonnen, door
+Apollo van Delos het naburige eiland Rhenia [265] te schenken. Alle
+vaartuigen, onverschillig tot welke natie zij behooren, worden
+verontrust door zijne vijftigriemsschepen, die te zamen eene bemanning
+van twintigduizend matrozen hebben. Toch waagt niemand het hem aan te
+tasten; want hij is altijd door voortreffelijk geoefende lijfwachten
+omgeven, en heeft zijn burcht en de prachtige havendammen van Samos
+zóo versterkt, dat zij onneembaar mogen heeten. De kooplieden, die den
+gelukkigen Kolaeus [266] naar het westen volgden, en de roofschepen,
+die niemand ontzien, zullen Samos tot het rijkste eiland, en Polycrates
+tot den machtigsten vorst maken, wanneer ten minste niet, gelijk
+uw vader zegt, de goden het zoo buitengewoon groot geluk van dezen
+mensch met afgunst aanzien, en hem een onverwachten ondergang bereiden.
+
+»Dit vreezende, ried Amasis zijn ouden vriend Polycrates, ten einde
+zich van de bescherming der goden te verzekeren, afstand te doen van
+datgene, waarvan het verlies hem 't meest zou bedroeven, en wel op
+zulk een wijze, dat hij het nimmer terug kon krijgen. Polycrates gaf
+gehoor aan dezen raad, en wierp den kostbaarsten zegelring dien hij
+bezat, een meesterstuk van Theodorus, bestaande uit een sardonyx
+van ontzaglijke grootte, die door twee dolfijnen gedragen werd,
+en waarop eene lier, het wapen van den tyran, bijzonder kunstig
+gegraveerd was, van den top des ronden torens van zijn burcht in zee
+[267]. Zes dagen later vonden zijne koks den zegelring terug in het
+lichaam van een visch. Polycrates liet ons dadelijk deze vreemde
+gebeurtenis boodschappen; maar in plaats van zich te verblijden,
+schudde uw vader verdrietig het grijze hoofd en zeide: hieruit leeren
+wij, dat men niemand aan zijn noodlot kan ontrukken. Op denzelfden
+dag zeide hij Polycrates de oude vriendschap op, en liet hem weten,
+dat hij zijn best zou doen hem te vergeten, opdat hem de smart
+bespaard mocht worden, een mensch dien hij liefhad ongelukkig te
+zien. Polycrates maakte zich vroolijk over deze boodschap, en zond
+ons de brieven, die zijne zeeroovers onze triëre ontnomen hadden,
+met een spottenden groet terug. Van nu aan zullen al onze brieven
+aan u over Syrië gezonden worden.
+
+»Gij vraagt, waarom ik u deze lange geschiedenis, waarin gij zeker
+niet half zoo veel belang stelt als in de kleinste berichten uit
+het ouderlijke huis, geschreven heb? Mijn antwoord is, om u op het
+vernemen van den toestand uws vaders voor te bereiden.
+
+»Herkent gij den vroolijken, levenslustigen, zorgeloozen Amasis uit
+die sombere woorden, die hij den Samischen vriend toeriep?
+
+»Ach, mijn echtgenoot heeft wel reden om treurig te zijn, en de oogen
+uwer moeder zijn sedert uw vertrek naar Perzië nooit zonder tranen. Van
+het ziekbed uwer zuster spoed ik mij tot uw vader, om hem te troosten
+en zijne schreden te besturen. Ik maak mij den nacht ten nutte,
+om u deze regelen te schrijven, schoon ik groote behoefte aan rust heb.
+
+»Tot zoover was ik gekomen, toen ik door de waaksters werd geroepen
+om bij uwe zuster Tachot te komen, die u zoo innig liefheeft. Hoe
+dikwijls heeft onze dierbare, als de koorts haar deed ijlen, uw naam
+uitgeroepen! Hoe zorgvuldig bewaart zij een wassen beeltenis [268] van
+u, welker gelijkenis de voortreffelijkheid der Grieksche kunst en het
+meesterschap van den grooten Theodorus bewijst! Morgen zullen wij het
+beeldje naar Aegina zenden, om het daar in goud te doen namaken. Het
+teeder was is niet bestand tegen de brandende handen en lippen uwer
+zuster, die zoo dikwijls met het portretje in aanraking komen.
+
+»Verzamel thans al uw moed, mijne dochter, gelijk ik al mijne krachten
+wil inspannen, om u in behoorlijke orde te schetsen al wat de goden
+over ons huis hebben doen komen.
+
+»Na uw vertrek heeft Tachot drie dagen lang zonder ophouden
+geweend. Al onze troostwoorden, alle vermaningen van uw vader, alle
+offers en gebeden waren niet in staat, de smart van het arme kind te
+verzachten of af te leiden. Op den vierden dag eindelijk droogden hare
+tranen. Met zachte stem, en schijnbaar zeer gelaten, beantwoordde
+zij de vragen, die haar gedaan werden, het grootste gedeelte van
+den dag zat zij evenwel zwijgend voor haar spinrokken. De anders zoo
+vlugge en behendige vingers rukten de draden stuk, wanneer zij niet
+uren lang met de handen roerloos in den schoot zat te droomen. Zij,
+die anders zoo hartelijk kon lachen om de geestige scherts van uw
+vader, hoorde hem nu slechts met ijskoude onverschilligheid aan;
+en naar mijne moederlijke vermaningen luisterde zij in angstige
+spanning. Als ik haar op haar voorhoofd kuste en bad zichzelve te
+beheerschen, vloog zij mij met een hoog rooden blos op de wangen om
+den hals, zette zich dan weer voor haar spinrokken, en trok met een
+bijkans woeste drift het vlas van den haspel. Maar een halfuur later
+lagen hare handen wederom werkeloos in haren schoot, en was haar blik
+opnieuw in droomerig gepeins op éen enkel punt in de lucht of op den
+grond gevestigd. Drongen we bij haar aan om deel te nemen aan het
+een of ander feest, dan sloop zij onrustig tusschen de gasten rond,
+zonder zich met iets of met iemand in te laten.
+
+»Toen wij haar op de groote bedevaart naar Bubastis met ons namen,
+gedurende welke het Egyptische volk zijn ernst geheel aflegt, zijn
+gevoel van eigenwaarde verloochent, en de Nijl met zijne oevers
+een groot schouwtooneel oplevert, waarop dronken koren saterspelen
+uitvoeren, die spelers en toeschouwers beiden tot de grootste
+uitgelatenheid opwinden; toen zij dan voor de eerste maal van haar
+leven te Bubastis [269] het geheele volk, dat zich aan de meest
+onbeperkte vreugde overgaf, vereenigd zag, ontwaakte zij uit hare
+sombere mijmeringen, en begon als in de eerste dagen na uwe afreize
+opnieuw hartstochtelijk te weenen. Diep bedroefd, bijna radeloos,
+brachten wij uwe arme zuster naar Saïs terug.
+
+»Haar geheele voorkomen had eene groote verandering ondergaan, en zoo
+iets edels, zoo iets verhevens aangenomen, dat men had kunnen denken
+eene godheid te aanschouwen. Zij was veel magerder, maar langer
+geworden, naar wij allen meenden op te merken. De tint harer huid
+was in een doorschijnend wit overgegaan, terwijl hare wangen met een
+licht blosje gekleurd waren, teer als de kleur van een jong rozeblad
+of het eerste gloren van het morgenrood. Nog voortdurend schitteren
+hare oogen zoo wonderbaar schoon en helder. Het komt mij altijd voor,
+dat die oogen meer aanschouwen, dan wat zich op de aarde en aan den
+hemel beweegt. Het is mij, als moeten zij over het geschapene heen in
+eene andere wereld zien.--Daar hare handen en haar voorhoofd gedurig
+heeter werden en menigmaal eene lichte huivering haar teeder lichaam
+doorliep ontboden wij Imhotep, den meest beroemden arts voor inwendige
+krankheden, uit Thebe naar Saïs.
+
+»De geleerde priester, die zooveel ondervinding heeft, schudde
+het hoofd, zoodra hij uwe zuster zag, en voorspelde dat zij eene
+zware ziekte onder de leden had. Van dit oogenblik mocht zij niet
+meer spinnen en slechts weinig spreken. Zij moest allerlei dranken
+innemen. Men hield lange consulten over den aard van haar lijden,
+en trachtte de kwaal te bezweren [270]. De sterren en orakels
+werden geraadpleegd, den goden rijke offers gebracht en geschenken
+aangeboden. De Isis-priesters van het eiland Philae zonden ons voor
+de zieke eene gewijde amulet, de Osiris-priesters van Abydus eene in
+goud gevatte haarlok van Osiris. Neithotep, de opperpriester onzer
+beschermgodin, deed een groot offer plaats hebben, hetwelk aan de
+arme kranke de gezondheid zeker zou hergeven.
+
+»Maar artsen, noch bezweringen, noch amuletten brachten hulp. Neithotep
+ontveinsde mij ten laatste niet meer, dat Tachot's sterren weinig
+hoop gaven. In die dagen stierf de heilige stier van Memphis. De
+priesters vonden geen hart in zijn lichaam en verkondigden dat er
+groote onheilen over Egypte zouden komen. Tot op den huidigen dag
+heeft men nog geen nieuwen Apis gevonden. Men houdt het er voor, dat
+de goden vertoornd zijn op het rijk van uw vader, en het orakel van
+Buto heeft verkondigd, dat de onsterfelijken eerst dan hunne gunst
+wederom aan Egypte zullen verleenen, als alle, voor den dienst van
+vreemde goden op de zwarte aarde [271] gebouwde tempels vernield,
+en zij die den valschen goden offeren uit Egypte verbannen zullen zijn.
+
+»De booze voorteekenen hebben niet gelogen. Tachot werd door eene
+heftige koorts aangetast. Negen dagen lang zweefde zij tusschen dood
+en leven. En thans is zij nog zóo zwak, dat zij gedragen moet worden,
+en hand noch voet verroeren kan.
+
+»Op den tocht naar Bubastis had Amasis een oogontsteking gekregen,
+hetgeen hier in Egypte geen zeldzaamheid is [272]. In plaats van zijne
+oogen, deze zoo onontbeerlijke zintuigen, rust te gunnen, ging hij
+voort met, als voorheen, van het opgaan der zon tot op den middag te
+arbeiden. Zoolang de koortsen uwer zuster het hevigst waren, week hij,
+in spijt onzer vermaningen en smeekingen geen oogenblik van de sponde
+der dierbare.
+
+»Maar ik moet kort zijn, mijne dochter!--De oogziekte nam van dag
+tot dag in hevigheid toe, en op denzelfden dag, op welken wij het
+bericht uwer behoudene aankomst te Babylon ontvingen, werd Amasis
+blind. Sedert is de opgeruimde, krachtige man van voorheen een
+in zichzelven gekeerde, zwakkelijke grijsaard geworden. De dood
+van den Apis, de onheilspellende teekenen aan den hemel, en de
+ongunstige godspraken verontrustten zijn gemoed. De duisternis,
+die hem onafgebroken omgeeft, werpt een somber floers over zijne
+vroolijkheid. Het bewustzijn, zich zonder hulp niet te kunnen bewegen,
+berooft hem van zijne wilskracht. De moedige, zelfstandige monarch
+is op het punt een lijdelijk werktuig der priesters te worden. Uren
+achtereen toeft hij in den tempel van Neith, om te bidden en te
+offeren. Een groot aantal arbeiders bouwen daar, op zijn last, eene
+woning voor zijne eigene mummie, terwijl een niet minder groot aantal
+het heiligdom van Apollo, dat de Hellenen te Memphis zijn begonnen te
+bouwen, met den grond gelijk moeten maken. Zijn eigen ongeluk en dat
+van Tachot noemt hij eene rechtvaardige straf van de Onsterfelijken.
+
+»Zijne bezoeken aan het bed der kranke verschaffen haar weinig troost;
+want in plaats van het lieve kind op te beuren, poogt hij haar te
+bewijzen, dat ook zij deze bezoeking verdiend heeft. Al de kracht
+zijner welsprekendheid put hij uit, om Tachot tot de overtuiging te
+brengen, dat zij de aarde geheel moet vergeten, en door onophoudelijke
+gebeden en offeranden, de genade van Osiris en van de rechters in de
+benedenwereld moet zoeken te verwerven. Zoo foltert hij de ziel onzer
+lieveling, die nog zoo gaarne zou blijven leven. Misschien ben ik
+voor eene Egyptische koningin te veel Griekin gebleven; maar de dood
+is zóo lang en het leven zoo kort, dat ik de wijzen onwijs noem, die
+door eeuwig aan den donkeren Hades te denken, aan dezen heerschappij
+verleenen over de helft van ons leven.
+
+»Opnieuw ben ik in mijn schrijven gestoord geworden. Imhotep, de
+groote geneesmeester, was gekomen, om naar den toestand onzer lieve
+kranke te zien. Hij geeft weinig hoop, ja schijnt er zich over te
+verbazen, dat dit broze lichaam de heftige aanvallen van den dood
+zoolang weerstand heeft kunnen bieden. Zij zou al lang niet meer
+onder de levenden zijn, zeide hij gisteren, zoo zij niet den vasten
+wil had nog op aarde te blijven, en niet gesterkt werd door een
+rusteloos heimwee om te leven. Zij zou, zoodra zij de begeerte om
+te blijven leven opgaf, kunnen sterven, gelijk wij ons nederleggen
+om in slaap te vallen. Wordt haar hoogste wensch vervuld, dat niet
+waarschijnlijk is, zoo kan zij misschien haar leven nog enkele jaren
+rekken. Blijft hare hoop nog eenigen tijd onverwezenlijkt, dan zal
+zij door hetzelfde hijgende verlangen, dat haar nu belet te sterven,
+inwendig geheel verteerd en eindelijk gedood worden. Kunt gij gissen
+waarnaar hare ziele smacht? Ik kan het met een enkel woord zeggen. Onze
+Tachot heeft zich door den schoonen broeder van uw gemaal laten
+betooveren. Ik wil hiermede niet zeggen, dat de jonkman, gelijk de
+priester Amen-em-an gelooft, zich van magische middelen heeft bediend,
+om haar in liefde te doen ontgloeien; want zulk eene schoonheid en
+aanvalligheid als Bartja bezit, is zeker wel in staat om het hart van
+eene onschuldige jonkvrouw, die nog ternauwernood den kinderleeftijd
+is ontwassen, te veroveren. Maar zij heeft hem zóo hartstochtelijk
+lief, en de verandering is bij haar zóo groot, dat ik zelve dikwijls
+aan een bovennatuurlijken invloed heb gedacht. Reeds vóor uw vertrek
+bemerkte ik, dat uwe zuster hooglijk was ingenomen met den jongen
+Pers. Aanvankelijk meenden we, dat hare tranen u golden, die van haar
+was weggegaan; maar toen zij ophield met weenen en in doffe mijmeringen
+verzonk, zeide Ibycus, die toen ter tijd nog aan het hof was, dat de
+jonkvrouw gewis aan een man haar hart moest hebben geschonken.
+
+»Toen zij op zekeren dag droomend voor haar spinnewiel zat, zong hij
+zachtkens het minneliedje van Sappho:
+
+
+ 'Wil niet treuren, lieve moeder!
+ Wijl mijn taak niet is volbracht.
+ Want de liefde bindt mijn handen.
+ Wie weerstaat toch Cypris macht?'
+
+
+»Zij verbleekte, bij het vernemen dezer woorden en vroeg: 'Hebt gij
+zelf dit liedeken gemaakt, Ibycus?'
+
+'Neen,' antwoordde hij, »Sappho van Lesbos zong het voor omtrent
+vijftig jaren."
+
+'Vóór vijftig jaren,' herhaalde Tachot peinzende.
+
+'De liefde blijft steeds zichzelve gelijk,' viel de dichter haar in
+de rede; 'gelijk Sappho voor vijftig jaren minde, heeft men eeuwen
+geleden bemind, zal men na duizenden jaren nog beminnen.'
+
+»De kranke gaf door een vriendelijk lachje te kennen, dat zij van
+dezelfde gedachte was. Van toen af neuriede zij dikwijls dat liedje,
+als zij werkeloos bij haar spinrokken zat. Desniettemin vermeden
+wij angstvallig alle vragen, die haar aan den geliefde konden
+herinneren. Maar telkens, als de koorts op het hevigst was, hielden
+hare brandende lippen niet op den naam van Bartja uit te roepen. En
+toen zij haar bewustzijn had teruggekregen, en wij haar zeiden hoe
+zij geijld had, stortte zij hare gansche ziel voor hare moeder uit,
+en zeide met eene stem, zoo plechtig als verkondigde ze eene godspraak,
+en met den blik ten hemel geslagen: 'Ik weet dat ik niet sterven zal,
+voordat ik hem zal hebben wedergezien.'
+
+»Onlangs hadden wij haar in den tempel doen dragen, omdat zij zoo vurig
+verlangde in de heilige voorhoven te bidden. Toen de godsdienstoefening
+was afgeloopen, en wij de aan de poort spelende kinderen voorbijgingen,
+viel haar oog op een klein meisje, dat met groote ingenomenheid iets
+aan hare speelgenootjes verhaalde. Aanstonds beval zij den dragers
+den draagstoel neer te zetten en het kind te roepen.
+
+'Wat zeidet ge daar?' vroeg ze aan het meisje.
+
+'Ik vertelde van mijne oudste zuster.'
+
+'Mag ik het ook weten?' vroeg Tachot, zoo vriendelijk en goedig, dat de
+kleine, zonder de minste verlegenheid, dadelijk haar verhaal begon:
+'Bataoe, de bruigom mijner zuster, is gisteren geheel onverwacht
+uit Thebe teruggekomen. Toen de Isis-ster [273] opging, klom hij
+eensklaps op ons dak, waar Hathor juist met vader zat te dammen. Hij
+bracht een schoonen gouden bruidskrans voor haar mede.'
+
+»Tachot kuste het kind, en schonk het haar kostbaren waaier. Toen
+wij tehuis kwamen, zeide zij met een schalksch lachje: 'Gij weet wel,
+lief moedertje, dat de woorden der kinderen in het voorhof des tempels
+voor godspraken gehouden worden. Zoo de kleine niet gelogen heeft,
+dan moet hij komen! Hebt gij niet gehoord, dat hij den bruidskrans mede
+zal brengen? O moeder, ik weet zeker, ik ben er stellig van overtuigd,
+dat ik hem zal wederzien!'
+
+»Toen ik Tachot gisteren vroeg, of zij ook iets aan u te zeggen had,
+verzocht zij mij u te melden, dat zij u duizend groeten en kussen zond,
+en voornemens was zelve aan u te schrijven, zoodra zij sterker zou
+zijn geworden; want zij had u veel, veel te vertellen.--Daar zendt
+zij mij juist bijgaand briefje, dat voor u alleen bestemd is. Zij
+heeft het met veel moeite geschreven.
+
+»Thans moet ik mij haasten, om dezen brief te eindigen, want de bode
+wacht er reeds lang op.
+
+»Zoo gaarne zou ik u nog eens iets verblijdends melden. Maar waarheen
+zich mijn blik ook wendt, ik bespeur niets dan treurigheid. Uw broeder
+wordt hoe langer zoo meer de slaaf onzer heerschzuchtige priesterkaste,
+en heeft in den laatsten tijd, onder voorlichting van Neithotep, in
+de plaats van uw armen vader het rijk moeten besturen. Amasis laat
+Psamtik de handen geheel vrij. Het is mij onverschillig, zegt hij,
+of mijn zoon eenige dagen vroeger of later den troon beklimt. Hij
+belette uw broeder ook niet, de kinderen van den gewezen overste der
+lijfwacht, Phanes, gewelddadig uit het huis der Helleensche Rhodopis
+op te lichten. Hij billijkt zelfs, dat de prins in onderhandeling trad
+met de nakomelingen der tweemaal honderdduizend strijders, die onder
+de regeering van Psamtik I, wegens de bevoorrechting der Jonische
+krijgslieden, naar Ethiopië waren uitgeweken. Ingeval zij bereid
+mochten zijn in hun vaderland terug te keeren, zouden de Grieksche
+soldaten ontslagen kunnen worden. Maar de hiertoe door hem gedane
+stappen bleven zonder gevolg. De Hellenen achtten zich daarentegen
+zwaar beleedigd door de onwaardige behandeling der kinderen van
+Phanes. Toen het zoontje van Phanes, op bevel van uw broeder, was
+ter dood gebracht, dreigde Aristomachus met tienduizend der beste
+soldaten Egypte te zullen verlaten, en verlangde op staanden voet
+zijn ontslag. Aristomachus is evenwel opeens verdwenen. Niemand weet
+waarheen hij gegaan is, doch de Grieken hebben zich dezen nieuwen
+hoon niet zwaar aangetrokken naar 't schijnt, althans zich voor groote
+sommen laten vinden om in Egypte te blijven.
+
+»Amasis zweeg onder dit alles, offerde en bad, gelaten toeziende,
+hoe zijn zoon alle klassen van het volk nu eens zwaar beleedigde, dan
+weer in hunne dierbaarste belangen griefde. Helleensche en Egyptische
+krijgsoversten, gelijk ook de nomarchen, uit onderscheidene provinciën,
+hebben mij verzekerd, dat de tegenwoordige staat van zaken op den duur
+onhoudbaar is. Men weet niet meer hoe men 't heeft met den nieuwen
+rijksbestuurder. Heden beveelt hij, wat hij gisteren met heftigheid
+verbood. Hij schijnt het er alleen op toe te leggen, den schoonen band,
+die tot dusverre het Egyptische volk en zijne koningen vereenigde,
+te verbreken.
+
+»Vaarwel mijne dochter! Denk vaak aan uwe arme, lijdende vriendin
+en aan uwe moeder! Duid het uw ouders niet ten kwade, dat zij u
+deelgenoote maakten van wat zij zoo lang voor u verzwegen hebben. Bid
+voor Tachot! Breng onze groeten over aan Cresus en de jonge Perzen, die
+wij hier leerden kennen! Stel Bartja den groet uwer zuster ter hand,
+en zeg hem, dat ik hem bidde dien te beschouwen, als hem door eene
+stervende vermaakt. Wellicht kunt gij uwe zuster een bewijs zenden,
+dat de jonge Pers haar niet geheel heeft vergeten.
+
+»Leef gelukkig in uw nieuw bloeiend vaderland!"
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Voorspelt het gulden morgenrood niet zelden een regenachtigen
+dag, de blijde verwachting is meermalen eene voorbode van droeve
+gebeurtenissen.
+
+Hoe hartelijk had Nitetis zich over dezen brief niet verheugd, die
+toch slechts bestemd was, alsem in den zoeten kelk van haar geluk te
+druppelen. Met een tooverslag had hij een schoon gedeelte van haar
+innerlijk leven, de blijde herinnering aan het lieve vaderland, en aan
+de deelgenooten van het reine geluk harer kindsheid vernietigd. Terwijl
+zij daar in het vorstelijk purper weenend neerzat, kon zij aan niets
+anders denken dan aan de smart van hare moeder, aan het ongeluk van
+haar vader en aan de krankheid van hare zuster. De heerlijke toekomst
+die haar tegenlachte, die sprak van geluk, van macht en van liefde,
+verdween voor haar door tranen verduisterden blik. De bevoorrechte
+bruid van Cambyzes vergat den geliefde, die haar met geopende armen
+verbeidde; de toekomstige koningin van Perzië kon slechts tranen
+storten over het ongeluk van het Egyptische vorstenhuis.
+
+Sinds lang reeds had de zon haar middaghoogte bereikt, toen Mandane,
+de kamerjuffer, het vertrek binnentrad, om de laatste hand te leggen
+aan de kleeding harer meesteres. »Zij slaapt," dacht het meisje; »een
+kwartiertje kan ik haar nog wel laten rusten. Het offerfeest zal haar
+vermoeid hebben, en aan het feestmaal moet zij in volle frischheid en
+schoonheid verschijnen, om helderder te schitteren dan al de anderen,
+gelijk het licht der maan dat der sterren overtreft."
+
+Zonder door hare meesteres te zijn opgemerkt, sloop zij uit het
+vertrek, waarvan de vensters een verrukkend uitzicht hadden op de
+hangende tuinen, de reuzenstad, de rivier en de vruchtbare Babylonische
+vlakte. Zonder om te zien, liep zij naar een bloembed om rozen te
+plukken. Hare oogen waren als gekluisterd aan den nieuwen armband,
+in welks edelgesteente zich de stralen der middagzon spiegelden. Zij
+bemerkte dus den rijkgekleeden man niet, die met uitgerekten hals door
+een venster in het vertrek gluurde, waar Nitetis bedroefd nederzat. De
+gestoorde en, zoo hij meende, op heeterdaad betrapte spion, wendde
+zich aanstonds tot het meisje, en riep met krijschende stem: »Wees
+gegroet, schoone Mandane!"
+
+De kamerjuffer maakte eene beweging van schrik en zeide, toen
+zij den eunuch gewaarwerd: »Het staat u niet mooi, heer, een arm
+meisje zoo te doen ontstellen! Ik zou, bij Mithra, in onmacht zijn
+gevallen, als ik u gezien had, alvorens het geluid uwer stem te
+hooren. Vrouwenstemmen verschrikken mij niet; een mannelijk wezen
+daarentegen is in deze eenzaamheid eene even groote zeldzaamheid,
+als een zwaan in de woestijn."
+
+Boges lachte uiterst minzaam, ofschoon hij de moedwillige zinspeling
+op zijne vrouwelijke stem zeer goed begrepen had, en antwoordde,
+terwijl hij in zijne dikke handen wreef: »Inderdaad, het is wel hard
+voor een jong, schoon duifje, als gij zijt, in zulk een eenzaam nest
+te moeten wegkwijnen. Doch geduld maar, mijn hartje; weldra wordt
+uwe meesteres koningin, en dan zal zij zeker een aardig jong mannetje
+voor u uitzoeken, met wien gij het zeker beter in de eenzaamheid zult
+kunnen uithouden, dan met de schoone Egyptische?!"
+
+»Mijne meesteres is schooner dan misschien menigeen wel lief is;
+en ik heb niemand opgedragen een man voor mij te zoeken," antwoordde
+zij snibbig. »Ook zonder u zal ik den rechten wel vinden!"
+
+»Wie zou daaraan kunnen twijfelen? Zulk een lief poppetje lokt de
+mannen, evenals de worm de visschen."
+
+»Ik hengel niet naar mannen, allerminst naar mannen van uwe soort."
+
+»Waarachtig, ik geloof het gaarne!" hernam de eunuch al
+grinnikende. »Maar, zeg mij, mijn schatje, waarom zijt gij zoo hard
+tegen mij? Heb ik u iets misdaan? Ben ik het niet geweest, die u deze
+aanzienlijke plaats heb bezorgd? Ben ik niet uw landsman, een Mediër?"
+
+»En zijn wij beiden niet menschen, en hebben wij beiden niet tien
+vingers aan onze handen, en staan onze neuzen niet midden in ons
+aangezicht? De helft van alle menschen hier zijn Mediërs; als deze
+allen mijne vrienden waren, omdat zij mijne landslieden zijn, dan kon
+ik morgen wel koningin worden. Wat mijne betrekking betreft bij de
+Egyptische, gij hebt mij die niet verschaft; ik heb haar te danken
+aan den opperpriester Oropastes, die mij aanbeval bij de koningin
+Cassandane, en niet aan u!"
+
+»Wat ge zegt, mijn liefje! Weet ge dan niet, dat eene kamerjuffer
+zonder mijne bewilliging niet kan aangesteld worden?"
+
+»Dat weet ik zoo goed, als gij, maar....."
+
+»Maar gij, vrouwen, zijt een ondankbaar volkje, dat onze goedheid
+niet verdient."
+
+»Vergeet niet, dat gij tot een meisje van goeden huize spreekt."
+
+»Dat weet ik maar al te goed, mijn lammetje! Uw vader was een magiër,
+en uwe moeder de dochter van een magiër. Beiden stierven vroeg,
+en gaven u over aan de zorg van den destoer Ixabates, den vader
+van den opperpriester Oropastes, die u met zijne kinderen liet
+opgroeien. Toen gij uwe eerste oorringen hadt ontvangen, raakte de
+broeder van Oropastes, Gaumata [274]--nu, nu, gij behoeft niet zoo
+rood te worden, Gaumata is een mooie naam,--op uwe fijne koontjes
+verliefd, en hoewel hij nog slechts negentien jaren telde, wilde
+hij u maar dadelijk tot vrouw nemen. Gaumata en Mandane, of dat ook
+schoon klinkt! Mandane en Gaumata! Als ik een dichter was, dan moest
+mijn held Gaumata, en zijne liefste Mandane heeten."
+
+»Verschoon mij van uwe spotternijen!" riep het meisje, sterk blozende
+en stampvoetende.
+
+»Zijt gij boos op mij, omdat ik vind, dat uwe namen zoo goed bij
+elkaâr passen? Wees dan liever toornig op den trotschen Oropastes,
+die zijn jongeren broeder naar Rhagae [275] zond, en u een plaatsje
+aan het hof bezorgde, opdat gij elkander zoudt vergeten."
+
+»Lasteraar die gij zijt! Mijn weldoener zou..."
+
+»Mijne tong moge verdorren, als ik niet de zuivere waarheid
+spreek! Oropastes scheidde u van zijn broeder, omdat hij grootere
+dingen met den schoonen Gaumata voorhad, dan een huwelijk met de
+arme wees van een eenvoudigen magiër. Amytis of Menische zouden
+hem als schoonzusters beter aanstaan. Een arm meisje als gij, dat
+alles aan zijne mildheid verschuldigd is, kan zijne heerschzuchtige
+ontwerpen slechts tegenwerken. Onder ons gezegd en gezwegen, zou hij
+zoo gaarne het rijk als stadhouder besturen gedurende den oorlog met
+de Massageten, en het zou hem, om dit doel te bereiken, veel waard
+zijn, indien hij door banden van bloedverwantschap aan de Achaemeniden
+verbonden was. Op zijn leeftijd denkt men echter niet meer aan nieuwe
+vrouwen; maar zijn broeder is jong en schoon. Velen zeggen zelfs,
+dat hij op prins Bartja gelijkt."
+
+»Dat is zoo," riep de kamerjuffer. »Toen ik met u mijne tegenwoordige
+meesteres tegemoet trok, meende ik Gaumata te zien, toen ik Bartja op
+het plein van het wachthuis voor het eerst in het gezicht kreeg. Zij
+gelijken op elkaâr als tweelingen, en zijn de schoonste mannen in
+het gansche rijk!"
+
+»Wat krijgt ge een kleur, mijn roosje! Zóo erg is het met de
+gelijkenis niet. Toen ik hedenmorgen den broeder van den opperpriester
+groette...."
+
+»Is Gaumata dan hier?" viel de kamerjuffer den eunuch met
+hartstochtelijke drift in de rede. »Hebt gij hem inderdaad gezien? Of
+wilt gij mij maar eens uithooren en mij beetnemen?"
+
+»Bij Mithra, mijn duifje, ik heb hem heden het voorhoofd gekust,
+en hem veel moeten vertellen van zijn schoon schatje. Ja, ik wil
+het onmogelijke voor hem beproeven, want ik gevoel mij te zwak, om
+aan deze lieve blauwe oogjes, deze goudgele lokken en deze wangen,
+zoo frisch en blozend als perziken, weerstand te bieden! Gij behoeft
+niet te kleuren, mijn kleine granaatbloesem, luister slechts; ik
+zal u alles zeggen. In het vervolg zult gij den armen Boges niet
+meer zoo wantrouwen, en leeren inzien, dat hij een goed hart heeft,
+dat hij van vriendschap gloeit voor zijne kleine, schoone, snibbige
+landgenoote Mandane."
+
+»Ik vertrouw u niet," hervatte het meisje. »Men heeft mij gewaarschuwd
+voor uw gladde tong, en ik kan niet begrijpen waarmede ik uwe
+belangstelling zou hebben verdiend."
+
+»Kent gij dit?" vroeg nu de eunuch, haar een witten band toonende,
+kunstig met gouden vlammetjes bestikt.
+
+»Dit is het laatste geschenk, dat ik voor hem vervaardigde!" riep
+Mandane.
+
+»Ik heb Gaumata om dit teeken gevraagd. Ik wist wel, dat gij mij niet
+zoudt vertrouwen. Wie heeft ook ooit gezien, dat de gevangene zijn
+bewaker bemint!"
+
+»Kom, zeg mij spoedig, wat mijn oude speelgenoot van mij verlangt! Want
+zie, ginds in het westen begint de hemel reeds te kleuren. Het wordt
+avond, en ik moet mijne meesteres nog kleeden voor het feest."
+
+»Ik zal kort zijn, en wilt gij dan al niet gelooven, dat ik mij uit
+vriendschap voor u aan een groot gevaar blootstel, neem dan aan,
+dat ik ulieder bondgenoot wil zijn, om den trots van Oropastes te
+fnuiken, die mij uit de gunst van den koning dreigt te verdringen. In
+spijt van alle listen en streken van den overste der magiërs, zult
+ge en moet ge, zoo zeker als ik Boges heet, de vrouw van uw Gaumata
+worden. Morgenavond, na het opgaan der Tistar-ster [276] zal uw liefste
+u bezoeken. Ik zal alle wachten weten te verwijderen, opdat hij zonder
+gevaar tot u kan komen en éen uur, maar ook niet langer, hoort gij,
+bij u blijven, om alles verder met u te bespreken. Uwe meesteres zal,
+dit weet ik zeker, de uitverkorene gemalin van Cambyzes worden. Later
+biedt zij de behulpzame hand, om uw huwelijk met Gaumata tot stand
+te brengen. Want zij bemint u, en weet u niet genoeg te prijzen,
+wegens uwe trouw en bekwaamheid. »Morgenavond," ging hij voort,
+weder op den ouden vleienden toon, die hem eigen was,--»morgenavond,
+wanneer de Tistar-ster zal zijn opgegaan, begint de zon van uw geluk
+te schijnen.--Gij slaat de oogen neder, en zwijgt? De dankbaarheid
+houdt zeker uw klein mondje gesloten. Is het zoo niet? ik bid u, mijn
+duifje, gebruik uwe tong wat beter, wanneer het er eens op aankomt,
+aan uwe gebiedster een loffelijk getuigenis van den armen Boges te
+geven!--Zal ik den schoonen Gaumata van u groeten? Mag ik hem zeggen,
+dat gij hem niet vergeten zijt, en hem met blijdschap verwacht?--Gij
+aarzelt? O wee, de duisternis begint reeds te vallen; ik moet weg
+om te onderzoeken, of al de vrouwen overeenkomstig het voorschrift
+voor een grooten feestmaaltijd zijn getooid.--Nog eens, Gaumata moet
+overmorgen Babylon verlaten. Oropastes vreest dat hij u weder zal zien,
+en heeft hem dus geboden, dadelijk na afloop der feesten, naar Rhagae
+terug te keeren.--Gij zwijgt nog altijd? Welnu, dan kan ik u en den
+armen knaap niet helpen! Ook zonder u zal ik mijn doel bereiken,
+en het is toch ook maar beter, dat gij uwe liefde vergeet. Vaarwel!"
+
+Het meisje had een zwaren strijd. Zij kon de gedachte niet van zich
+zetten, dat Boges haar wilde bedriegen. Eene inwendige stem gebood
+haar, den geliefde de gevraagde samenkomst te weigeren. Plichtgevoel en
+voorzichtigheid behaalden in haar gemoed de overhand, en reeds wilde
+zij den eunuch toeroepen: »Zeg hem dat ik hem niet kan wachten,"
+toen haar oog viel op den zijden band, dien zij eens voor den
+schoonen knaap gestikt had. Oude herinneringen aan uren in zalige
+droomen doorgebracht, aan oogenblikken van bedwelmend mingekoos,
+rezen plotseling voor haar geest op, en liefde, lichtzinnigheid en
+smachtend verlangen verkregen de overhand op deugd, waarschuwend
+voorgevoel en voorzichtigheid. Eer Boges zijn vaarwel had kunnen
+uitspreken riep zij, bijna tegen wil en dank, terwijl zij als een
+opgejaagd hert naar huis snelde: »Ik zal hem verwachten!"
+
+Met rassche schreden ging Boges door de bloeiende lanen der hangende
+tuinen. Tot de borstwering genaderd zijnde bleef hij staan en opende
+voorzichtig eene verborgene valdeur. Deze diende tot afsluiting
+van een geheime trap, die de koninklijke bouwmeester waarschijnlijk
+had doen aanbrengen, om door een der kolossale pijlers, waarop de
+hangende tuinen rustten, van den oever der rivier onopgemerkt de
+woning zijner gemalin te kunnen bereiken. De deur draaide gemakkelijk
+op hare hengsels, en was, nadat Boges ze weder gesloten en er eenige
+schelpen, waarmede de paden bedekt waren, overheen gestrooid had,
+zelfs voor hem die er naar zocht moeilijk te vinden. De eunuch wreef
+zich oudergewoonte, met een honigzoeten glimlach, de met ringen
+beladene handen, en mompelde: »Thans moet het gelukken! Het meisje
+loopt in het net. Haar beminde gehoorzaamt mijn wenk, de oude trap
+is toegankelijk, Nitetis heeft op dezen feestdag bitter geweend,
+de blauwe lelie bloeit morgen nacht; ja, ja, mijn plannetje moet
+gelukken! Schoon Egyptisch katje, uwe fluweelen voetjes zullen morgen
+in den vossenklem blijven zitten, dien de arme, verachte Boges,
+die u niets mag bevelen, heeft opgezet."
+
+Terwijl hij dit woord tot zichzelven sprak, schitterde het oog van
+den vrouwenbewaker van eene duivelsche vreugde. Hij spoedde zich
+nu voort. Aan de groote trap ontmoette hij den eunuch Neriglissar,
+die als oppertuinman op de hangende tuinen woonde.
+
+»Hoe staat het met de blauwe lelie?" vroeg hij dezen.
+
+»Zij ontwikkelt zich kostelijk!" antwoordde de tuinman, die
+in geestdrift geraakte bij de gedachte aan dat kind zijner vele
+zorgen. »Morgen, bij het opgaan der Tistar-ster, zal zij, gelijk ik u
+wel gezegd heb, in vollen bloei staan! Mijne Egyptische meesteres zal
+zich bijzonder verheugen, want zij houdt veel van bloemen. Ik bid u
+ook den koning en de Achaemeniden te verwittigen, dat het mijn ijver
+is mogen gelukken, deze zeldzame plant aan het bloeien te krijgen. Zij
+vertoont zich alle tien jaren slechts een enkelen nacht in hare volle
+schoonheid. Zeg dit den edelen Achaemeniden, en breng hen hierheen."
+
+»Uw wensch zal vervuld worden," antwoordde Boges met een vroolijk
+gelaat. »Op een bezoek van den koning behoeft gij evenwel niet
+te rekenen, want ik geloof niet dat hij vóor zijn huwelijk met
+de Egyptische, de hangende tuinen zal betreden. Maar eenige der
+Achaemeniden zullen zeker komen. Zij zijn, gelijk alle Perzen, zoo
+groote liefhebbers van tuinen en bloemen, dat zij dit zoo zeldzame
+schouwspel niet gaarne zouden missen. Misschien leid ik ook Cresus
+hierheen; hij heeft wel minder kennis van het hovenieren, maar
+daarentegen een fijnen blik voor al wat schoon is."
+
+»Laat hem gerust komen," riep de tuinman, »hij zal u er dankbaar
+voor zijn, want mijne nachtvorstin is schooner dan alle bloemen,
+die ooit in een koninklijken tuin zijn gekweekt! Gij hebt in den
+kristalhelderen waterbak den door groene bladeren omkransten knop
+gezien; als deze openbreekt, vertoont zich mijne lelie als eene
+hemelsblauwe, reusachtige roos. Mijne bloem..."
+
+De opgewonden hovenier wilde nog meer zeggen tot lof zijner
+kweekeling. Maar Boges liet hem alleen, na hem minzaam gegroet te
+hebben, daalde de trap af, plaatste zich in den houten wagen op twee
+wielen, die hem wachtte, en liet zich door den naast hem staanden
+menner van de met kwasten en klokjes getooide paarden in snellen draf
+brengen tot voor de poort van den tuin, die het groote vrouwenverblijf
+des konings omgaf.
+
+In den harem van Cambyzes was het dien dag ongemeen levendig. Boges
+had bevolen, dat al de vrouwen van het hof vóor het groote feestmaal,
+zich baden zouden, teneinde zoo schoon en frisch mogelijk te
+verschijnen. Derhalve begaf zich de vorst van het vrouwenverblijf,
+zonder een oogenblik te verliezen, naar den vleugel van het paleis,
+waarin zich de badplaats der vrouwen bevond. Reeds op een afstand
+hoorde hij een verward rumoer van schreeuwende, lachende, babbelende
+stemmen. In de uitgestrekte, bovenmatig verwarmde zaal bewogen zich
+meer dan driehonderd vrouwen [277], door eene dichte wolk van vochtigen
+waterdamp omgeven.
+
+Als nevelbeelden woelden de halfnaakte wezens, wier los omgeworpen
+dunne zijden kleederen, doortrokken van het vocht, aan hare leden
+kleefden, in bont gewemel door elkander over den verwarmden marmeren
+vloer van de badzaal, van welks zoldering lauwe droppels nedervielen,
+die op den steenen grond uiteenspatten. Hier lagen groepen van tien
+tot twintig der schoonste vrouwen, vroolijk keuvelende en zich
+vermakende, meestal ten koste van elkaar of van andere leden van
+den harem. Een eind verder krakeelden twee vrouwen des konings als
+bedorvene kinderen. Eene schoone, die met de sierlijke pantoffel harer
+buurvrouw op eene gevoelige wijze had kennis gemaakt, stoof gillend
+op; eene andere lag, in vadsige rust, half droomend en bewegingloos
+als een lijk, op den heeten, vochtigen bodem. Zes Armenische schoonen
+stonden naast elkaar, en zongen met schelle stemmen een ondeugend
+minneliedje in de taal van haar land, terwijl een aantal blondlokkige
+Perzische vrouwen vuur en vlam spuwden tegen de arme Nitetis, haar
+belasterende op eene wijze dat een vreemdeling, die hare woorden had
+afgeluisterd, zou hebben moeten gelooven, dat de schoone Egyptische
+een dier monsters was, waarmede men de kinderen schrik aanjaagt.
+
+Tusschen deze verschillende groepjes waren de naakte slavinnen
+druk in de weer. Zij droegen doeken op het hoofd, ten einde ze hare
+meesteressen om te werpen. Het geschreeuw der eunuchen, die de deur
+der zaal bewaakten, en de badenden gedurig toeriepen dat zij spoed
+moesten maken, de gillende vrouwenstemmen, die de slavinnen bij
+herhaling riepen, als ze niet aanstonds bij de hand waren, en de
+sterke, met den heeten waterdamp opstijgende geuren, verleenden aan
+dit tooneel van verwarring iets bedwelmends en betooverends.
+
+Een kwartier later leverde de harem des konings een gansch ander
+tafereel op, geheel verschillend van het hierboven beschrevene. Als
+door den dauw bevochtigde rozen lagen de vrouwen stil neder. Zij
+sliepen niet maar rustten, half droomende, op weeke matrassen,
+die langs de wanden van een groot vertrek lagen uitgespreid. Het
+welriekende nat hing nog altijd aan de losse, onafgedroogde haren,
+terwijl vlugge slavinnen het geringste spoor van het vocht, dat diep
+in de poriën was gedrongen, met zachte kussentjes van kemelshaar van
+de teedere lichamen wreven. Vervolgens werden zijden dekens over de
+vermoeide schoonen uitgespreid, en zorgde eene schaar van eunuchen, dat
+geene moedwillige of twistzieke de rust van het droomende vrouwenheer
+verstoorde. Maar in spijt van de wachters, was het zelden zoo stil als
+heden in deze zaal, die voor de sluimering na het bad bestemd was;
+want zij die thans den vrede waagde te verstoren, liep gevaar tot
+straf van het groote feestmaal te zullen worden uitgesloten.
+
+Omtrent een vol uur hadden de schoonen in deze diepe rust doorgebracht,
+toen de klank van het metalen bekken weder eene verandering van
+tooneel ten gevolge had. De rustende vrouwen sprongen van hare
+matrassen op. Een tal van slavinnen stormde de zaal binnen. Deze
+goten zalven en welriekende wateren over de schoonen uit, wier haren
+kunstig gevlochten en met edelgesteenten versierd werden. Geheele
+bergen kostbare sieraden werden aangedragen, benevens zijden en wollen
+kleedingstukken in al de kleuren van den regenboog. Schoenen, stijf van
+paarlen en edelgesteenten, werden aan de teedere voetjes bevestigd,
+en rijke gouden gordels om de heupen gegespt [278]. Alles te zamen
+vertegenwoordigde wel de waarde van een geheel koninkrijk. Toen Boges
+de zaal binnentrad, waren de meeste vrouwen reeds gereed.
+
+Met een luid gejubel werd hij door allen ontvangen. Een twintigtal
+vrouwen begonnen hand aan hand in een kring te dansen om haren
+altijd lachenden bewaker. Zij zongen een in den harem samengeflanst
+laf en vleiend loflied op zijne deugden. Op dezen gewichtigen dag
+was het 's konings gewoonte, aan elke zijner vrouwen een billijken
+wensch toe te staan. Nadat de rondedans was afgeloopen, stormde dus
+eene geheele schaar smeekelingen op Boges los, om hem, onder het
+streelen zijner wangen en het kussen zijner vleezige handen, de meest
+uiteenloopende verzoeken in het oor te blazen en zijne voorspraak
+te vragen. De vroolijke vrouwentyran stopte zijne ooren dicht,
+en stiet de schoonen, die hoe langer zoo meer op hem aandrongen,
+al stoeiende en schaterlachende terug. Hij beloofde de Medische
+Amytis, dat de Phoenicische Esther, en de Phoenicische Esther,
+dat de Medische Amytis gestraft zou worden. Hij beloofde Parmys
+een kostbaarder gewaad dan dat van Parisatys, en Parisatys [279]
+een veel kostbaarder dan dat van Parmys. Als het hem ten laatste
+onmogelijk werd, de aanvallen der verzoeksters van zich af te weren,
+bracht hij een gouden fluitje aan de lippen, welks schelle toon als
+met een tooverslag de rust herstelde. De opgehevene handen zonken
+plotseling neder, de trippelende voeten stonden roerloos, de geopende
+lippen sloten zich, het rumoer veranderde op eens in eene ademlooze
+stilte. Wie aan den toon van dit fluitje, die zoo veel beteekende als:
+»Stil in naam des konings!" niet gehoorzaamde, kon zich verzekerd
+houden eene strenge straf te zullen ondergaan. Op dezen dag werkte het
+schelle geluid beter en sneller nog dan anders. Boges merkte dit op met
+groote zelfvoldoening, hij gunde der geheele schaar een welwillenden
+blik van tevredenheid, beloofde in eene bloemrijke rede de bede van
+al zijne lieve witte duifjes aan den koning te zullen voordragen,
+en beval haar ten laatste zich in twee lange rijen te verdeelen. De
+vrouwen gehoorzaamden terstond, en lieten zich, als soldaten door
+hun aanvoerder, als slaven door hun kooper, monsteren.
+
+Boges was over het algemeen voldaan. Enkele vrouwen gebood hij zich
+nog meer te blanketten, andere de te hooge kleur met wit poeder
+te temperen, de haren hooger op te steken, de wenkbrauwen zwarter
+te maken, of de lippen beter te zalven. Na afloop der monstering
+verliet hij de zaal, en begaf zich naar Phaedime, die, als echte
+vrouw van Cambyzes, gelijk al zijne wettige gemalinnen, afzonderlijke
+vertrekken bewoonde.
+
+De gevallen gunstelinge, de vernederde dochter der Achaemeniden
+verwachtte den eunuch reeds lang. Zij was prachtig uitgedost en
+bijna overladen met kostbare sieraden. Van haren kleinen tulband,
+zooals de vrouwen gewoon waren te dragen, hing een dichte sluier
+van met goud doorwerkt floers, terwijl hij omwonden was met het
+blauwe en witte band, dat in haar aanstonds eene Achaemenide deed
+herkennen. Men moest haar schoon noemen, ofschoon men in haar de al
+te sterke ontwikkeling der vormen reeds opmerkte, welke de vrouw van
+het Oosten, na eenige jaren het vadsige haremleven geleid te hebben,
+gewoonlijk eigen is. Het overvloedige goudblonde, met zilveren
+kettinkjes en kleine goudversierselen doorvlochten haar, drong van
+onder haar hoofddeksel te voorschijn en was, door middel van zalven,
+tegen haar blanke slapen bevestigd.
+
+Toen Boges bij haar binnentrad, sprong zij ijlings op hem toe, wierp
+nog een blik in den spiegel, een tweeden op den eunuch, en vroeg in
+hartstochtelijke opgewondenheid: »Zijt gij over mij tevreden? Zal ik
+genade in zijne oogen vinden?"
+
+Als altijd glimlachte Boges, terwijl hij antwoordde: »In mijne oogen
+vindt gij altijd genade, mijne gouden pauwin, en ook den koning zoudt
+gij welgevallig zijn, als hij u zien kon gelijk ik u gezien heb. Toen
+gij mij zoo even toeriept: »Zal ik genade in zijne oogen vinden?" toen
+waart ge waarlijk schoon, want de hartstocht verfde uwe blauwe oogen
+zoo zwart, dat het de nacht van Angramainjus geleek; en de haat trok
+uwe lippen op en vertoonde twee rijen tanden, witter dan de sneeuw
+van den Demawend."
+
+Zij liet duidelijk blijken, dat zij zich door deze aanspraak gevleid
+gevoelde. Zij trachtte Boges andermaal met zulk een blik aan te zien,
+en riep: »Laat ons spoedig naar de feestzaal gaan, want ik verzeker u,
+Boges, dat mijne oogen nog zwarter zullen schitteren, en mijne tanden
+nog beter zullen uitkomen dan straks, wanneer ik de Egyptische zal
+zien op de plaats, die haar niet toekomt."
+
+»Zij kan die niet lang meer behouden."
+
+»Uw plan gelukt dus? O, spreek Boges, verzwijg mij niet langer wat
+gij in het schild voert, ik wil stom zijn als een lijk en u helpen...."
+
+»Ik kan en mag niet klappen, maar om u de bittere teugen, die gij
+dezen avond te verzwelgen zult hebben, te verzoeten, wil ik u zeggen,
+dat alles voortreffelijk in zijn werk gaat; dat de afgrond gegraven
+is, waarin wij onze vijandin zullen neerstorten, en ik mijne gouden
+Phaedime weldra op hare oude plaats, en wellicht nog hooger denk
+weder te zien, zoo zij mij slechts blindelings gehoorzaamt."
+
+»Zeg maar, wat ik doen moet; ik ben tot alles bereid."
+
+»Goed gesproken, dappere leeuwin! Volg mijne bevelen, en alles zal
+goed gaan. Verg ik iets moeilijks van u, uw loon zal er te schooner
+om zijn. Spreek nu niet tegen, want wij hebben geen oogenblik meer te
+verliezen. Leg dadelijk alle overtollige sieraden af en behoud alleen
+de keten, die de koning u bij de huwelijksplechtigheid schonk. In
+plaats van deze rijke kleederen, moet gij een donker, een eenvoudig
+gewaad aantrekken. Wanneer gij u voor Cassandane, de moeder des
+konings, nedergeworpen hebt, buigt gij u diep voor de Egyptische!"
+
+»Onmogelijk!"
+
+»Geene tegenspraak! Ontdoe u gezwind van al die pracht, ik verzoek
+u daarom! Zoo is het goed! Alleen wanneer gij gehoorzaamt, kunnen
+wij van den goeden uitslag zeker zijn. De blankste hals eener Peri
+is donker in vergelijking met de uwe!"
+
+»Maar...."
+
+»Als de beurt aan u komt, om den koning iets te verzoeken, zoo zegt
+gij, dat uw hart opgehouden heeft te wenschen, sedert uwe zon u haar
+licht onthoudt."
+
+»Goed."
+
+»Als uw vader u vraagt hoe het u gaat, dan weent ge."
+
+»Ik zal weenen."
+
+»Goed, en zoo heftig, dat alle Achaemeniden u zien weenen.""
+
+»Welk een vernedering!"
+
+»Geene vernedering, slechts het middel om des te zekerder in de
+hoogte verheven te worden. Wisch snel het blanketsel van uwe wangen,
+en verf ze bleek, doodelijk bleek."
+
+»Ik zal dit niet behoeven te doen om mijn blos te verbergen. Gij vergt
+vreeselijk veel van mij, Boges! Maar ik wil u gehoorzamen, als gij
+mij slechts éen reden opgeeft, waarom gij dit alles van mij verlangt."
+
+»Kamerjuffer! Breng spoedig het nieuwe donkergroene gewaad uwer
+meesteres!"
+
+»Ik zal eene slavin gelijken!"
+
+»De ware bevalligheid is schoon, al is zij in lompen gehuld."
+
+»De Egyptische zal mij geheel in de schaduw stellen!"
+
+»Ieder moet zien, dat gij er niet aan denkt u met haar te willen
+meten. Men zal zich afvragen: zou Phaedime niet even schoon zijn als
+deze hoogmoedige vrouw, wanneer zij zich opgetooid had?
+
+»Maar ik kan mij niet voor haar nederbuigen."
+
+»Gij moet!"
+
+»Gij wilt mij ongelukkig maken en diep vernederen."
+
+»Kortzinnige gekkin! Welaan verneem dan, waartoe dit alles dienen
+moet, en gehoorzaam! Het is mij te doen, dat de Achaemeniden een wrok
+zullen opvatten tegen onze vijandin. Hoe toornig moet uw grootvader
+Intaphernes, hoe woedend uw vader Otanes niet worden, als zij u zien
+neêrbuigen voor eene vreemdelinge! Hun gekrenkte trots zal hen tot
+onze bondgenooten maken; en zijn ze ook zelve te edel, gelijk zij het
+noemen, om iets tegen eene vrouw te ondernemen, zij zullen toch als
+ik hen van noode heb mij liever helpen, dan in den weg staan. Als
+de Egyptische uit den weg is geruimd, zal de koning, als gij mij
+althans gehoorzaamt, zich uwe bleeke wangen, uwe nederigheid, uwe
+belangeloosheid herinneren. De Achaemeniden en zelfs de magiërs zullen
+hem bidden, eene aanzienlijke vrouw uit zijn geslacht tot koningin te
+verheffen. En welke vrouw in Perzië kan zich op eene hoogere geboorte
+beroemen dan gij; wie anders zal het purper ontvangen, dan mijn bonte
+paradijsvogel, mijne schoone roos Phaedime? Gelijk men niet bang
+moet zijn om van het paard te vallen, als men wil leeren rijden,
+zoo moet men ook niet tegen eene vernedering opzien, als het geldt
+den hoogsten prijs te winnen."
+
+»Ik zal gehoorzamen!" riep de vorstendochter.
+
+»Dan moeten wij overwinnen!" antwoordde de eunuch. »Zie, nu schitteren
+uwe oogen weder, nu zijn ze weder gitzwart. Zoo zie ik u gaarne,
+mijne koningin; zoo moet Cambyzes u zien, als zich de honden en
+vogelen aan het malsche vleesch der Egyptische vergasten, en ik hem
+voor het eerst sedert vele maanden, in de stilte van den nacht uw
+slaapvertrek ontsluit.--Hei daar, Armorges, beveel de andere vrouwen,
+dat zij zich gereed houden en in de draagstoelen plaats nemen; ik ga
+vooruit om haar heure plaatsen te wijzen."
+
+
+
+De groote feestzaal was helder verlicht door duizenden lampen welker
+vlammen zich spiegelden in de gouden platen, waarmede de wanden bekleed
+waren. In het midden van de zaal stond eene onafzienbaar lange tafel,
+die onnoemelijke schatten droeg, in de gedaante van zilveren bekers,
+borden, schotels, kruiken, kannen, vruchtschalen en reukaltaren. Het
+was inderdaad prachtig om aan te zien.
+
+»De koning zal zoo dadelijk verschijnen," zeide de overste der
+tafeldekkers tot een voornaam hofbeambte, den bijzonderen schenker
+des konings, een edelen bloedverwant van Cambyzes. »Zijn al de kruiken
+gevuld, al de wijnen geproefd, de bekers opgezet, en de lederen zakken
+die Polycrates gezonden heeft geledigd?"
+
+»Alles is gereed!" antwoordde de schenker. »Die wijn van Chios
+overtreft in deugdelijkheid alles, wat ik tot heden gedronken heb,
+en stelt zelfs den lievelingsdrank van Nebucadnezar, het druivensap
+van Chelbon, in de schaduw [280]. Proef maar!"
+
+Dit zeggende greep hij met de eene hand een sierlijk gouden bekertje,
+met de andere een kruik van hetzelfde metaal, hief deze aan het oor in
+de hoogte, als ware zij zoo licht als eene veer geweest, en goot den
+edelen drank met een grooten boog zoo behendig in de nauwe opening
+van den beker, dat er geen druppel op den grond viel. Daarop vatte
+hij den beker met de vingertoppen aan en overhandigde dien met zeer
+veel gratie aan den tafeldekker [281].
+
+Deze dronk langzaam het kostbare vocht, proefde het zeer nauwkeurig,
+en riep, den schenker den beker teruggevende: »Waarlijk, een edele
+drank, die dubbel goed smaakt, als hij zoo bevallig den drinker wordt
+aangeboden, gelijk gij alleen dat weet te doen. De vreemdelingen
+hebben gelijk, als zij de Perzische schenkers de bekwaamste in de
+geheele wereld noemen."
+
+»Ik dank u," antwoordde de man, die aldus werd toegesproken. Hij
+kuste het voorhoofd van zijn vriend en vervolgde: »Waarlijk, ik ben
+trotsch op mijn ambt, dat de groote koning slechts aan zijne vrienden
+opdraagt. Toch wordt het mij in dit smoorheete Babylon bijna een
+last. Wanneer zullen we eindelijk de zomerresidentie te Ekbatana of
+Pasargadae betrekken?"
+
+»Juist heden heb ik daarover met den koning gesproken. Met het
+oog op den Massageten-krijg, wilde hij nog niet van verblijfplaats
+verwisselen, maar van Babylon uit onmiddellijk te velde trekken. Mocht
+echter, wat na de heden ontvangene boodschap niet onwaarschijnlijk is,
+vrede met dat volk gesloten worden, dan zullen we drie dagen na het
+huwelijk van den koning, dus binnen eene week, naar Susa opbreken."
+
+»Naar Susa?" vroeg de schenker. »Daar is het weinig frisscher dan hier,
+en buitendien wordt de oude Memnonsburcht [282] verbouwd.
+
+»De satraap van Susa heeft den koning geboodschapt, dat het nieuwe
+paleis gereed is, en in schoonheid en pracht alles overtreft,
+wat tot nog toe menschenoogen aanschouwden." Nauw had Cambyzes
+dit woord vernomen, of hij riep uit: »Dan trekken we drie dagen na
+het huwelijksfeest daarheen! Ik wil der Egyptische koningsdochter
+toonen, dat wij Perzen niet minder bedreven zijn in het bouwen,
+dan hare voorvaderen. Zij was aan den Nijl van haar kindsheid af,
+aan heete dagen gewoon, en zal zich in ons schoon Susa zeker zeer
+op haar gemak gevoelen. De koning schijnt eene groote voorliefde te
+hebben voor deze vrouw."
+
+»Zoodat hij om harentwil alle andere vrouwen verwaarloost, en haar
+weldra tot koningin zal verheffen."
+
+»Dat zou onbillijk zijn; de Achaemenide Phaedime heeft oudere en
+betere rechten."
+
+»Voorzeker; maar wat de koning wil is goed."
+
+»De wil van den vorst is de wil der godheid."
+
+»Goed gesproken! De echte Pers verblijdt zich de hand van zijn meester
+te mogen kussen, ook al druipt die van het bloed van zijn kind."
+
+»Cambyzes heeft mijn broeder ter dood doen brengen; maar ik haat
+hem daarom evenmin, als ik de goden haat, die mij mijne ouders
+ontnamen.--Hei daar, knechten, trekt het voorhangsel op zijde, want
+de gasten naderen! Rept je, gij honden, en past op je zaken!--Houd
+u goed, Artabazos; een heete nacht verbeidt ons!"
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+
+De oppertafeldekker ging den gasten, die binnenkwamen, tegemoet, en
+wees hun, door eenige andere aanzienlijke stafdragers [283] geholpen,
+hunne plaatsen aan. Toen allen gezeten waren, verkondigde eene fanfare
+der trompetten, dat de koning in aantocht was. Zoodra hij de zaal
+binnentrad, stonden de gasten op, en ontvingen hun gebieder met den
+donderenden, meermalen herhaalden kreet: »Heil den koning!"
+
+Een Sardisch purpertapijt, hetwelk hij en Cassandane alleen mochten
+betreden, wees den weg naar zijne plaats aan. De blinde moeder van
+den koning ging, door Cresus geleid, voor haren zoon uit, en zette
+zich neder op een troon aan de spits der tafel, hooger dan de gouden
+zetel van Cambyzes, die naast den haren stond. Ter linkerzijde van
+den koning namen zijne echte gemalinnen plaats. Nitetis zat naast
+hem, dan volgde Atossa, dan de eenvoudig gekleede, bleeke Phaedime,
+en naast de laatste gemalin van den koning zat de eunuch Boges. Nu
+volgden de opperpriester Oropastes, eenige andere hooggeplaatste
+magiërs, de satrapen van onderscheidene provinciën, onder welke
+zich de Jood Beltsazar bevond, en eene menigte Perzen, Meden en
+eunuchen, die hooge staatsambten bekleedden. Rechts van den koning
+zat Bartja. Op hem volgden Cresus, Hystaspes, Gobryas, Araspes en
+andere Achaemeniden, overeenkomstig hunnen ouderdom en rang. De
+bijwijven zaten voor een deel aan het benedeneinde der tafel; voor
+een deel stonden zij ook tegenover den koning, om door spel en zang
+de feestvreugde te verhoogen. In haar midden en achter haar zag men
+onderscheidene eunuchen, die moesten zorgen dat de vrouwen de oogen
+niet naar de mannen ophieven.
+
+De eerste blik van Cambyzes gold Nitetis, die in al de pracht en
+waardigheid eener koningin, bleek, maar boven alle beschrijving
+schoon, in het vorstelijk purper naast hem zat. De oogen der verloofden
+ontmoetten elkander. Cambyzes voelde, dat hem uit den blik zijner bruid
+eene vurige liefde tegenstraalde. Toch bemerkte hij met het fijne
+instinct der liefde, dat het dierbare meisje iets zeer onaangenaams
+moest zijn bejegend. Een zekere trek van weemoedigen ernst speelde
+heden om haar mond, terwijl een droeve, slechts voor hem merkbare
+sluier haar anders zoo gelijkmatig helderen en opgeruimden blik
+overtogen had.
+
+»Ik zal haar later vragen, wat haar is overkomen," dacht de koning;
+»mijne onderdanen mogen niet opmerken, hoe lief ik dit meisje heb."
+
+Nu kuste hij het voorhoofd zijner moeder, zuster en naaste
+bloedverwanten, sprak een kort gebed uit, waarin hij de goden voor
+hunne genade dankte en een nieuw gelukkig jaar voor zichzelven en
+voor alle Perzen afsmeekte; noemde de ontzaglijke som, waarmede hij
+op dezen dag zijne landslieden begiftigd had; en gebood ten laatste
+den stafdragers, allen die op dit feest der genade de inwilliging
+van eenigen billijken wensch verwachtten, voor zijn aangezicht te
+doen treden. Geen der verzoekers ging onbevredigd heen; den dag te
+voren toch had ieder hunner den opperstafdrager zijn wensch moeten
+openbaren, en zich omtrent het al of niet mogelijke der inwilliging
+moeten laten onderrichten. Op gelijke wijze werden de verzoeken der
+vrouwen, alvorens den koning te mogen worden voorgedragen, door de
+eunuchen overwogen.
+
+Nadat de mannen wederom gezeten waren, voerde Boges de schaar der
+vrouwen (alleen Cassandane bleef zitten) voor het aangezicht van
+den monarch voorbij. Atossa en Nitetis openden den stoet. Phaedime
+en eene andere schoone volgden de twee koningsdochters. De laatste
+was allerprachtigst gekleed en opgetooid, en door Boges opzettelijk
+naast de vernederde gunstelinge geplaatst, om den bijna armoedigen
+eenvoud van deze te scherper te doen uitkomen. Intaphernes en Otanes
+beschouwden hunne kleindochter en dochter, die zoo bleek en zoo
+armoedig gekleed in deze feestzaal verscheen, met een somberen blik,
+gelijk Boges wel vermoed had.
+
+Cambyzes, die van vroeger de verkwistende pronkzucht van Phaedime
+kende, merkte, toen zij tegenover hem stond, met verbazing het
+eenvoudige gewaad en de bleeke trekken der Achaemenide op. Zijn
+voorhoofd werd bewolkt, en met barsche stem riep hij de voor hem ter
+aarde neigende vrouw toe: »Wat beduidt dit bedelpak aan mijn disch
+en op mijn feest? Kent gij dan niet meer de gewoonte van ons volk,
+om niet dan prachtig gekleed voor zijn vorst te verschijnen? Ware
+het heden een gewone dag, en ontzag ik u niet, als de dochter van
+een onzer meest geliefde verwanten, ik liet u door de eunuchen in den
+harem terugbrengen, opdat gij in de eenzaamheid zoudt kunnen nadenken
+over hetgeen betamelijk is!"
+
+Deze woorden maakten der vernederde gunstelinge de taak gemakkelijker,
+die Boges haar had opgelegd. Luid en bitter weenende, hief zij hare
+blikken en handen zoo smeekend tot den in drift ontstoken vorst op,
+dat zijn toorn in medelijden overging, en hij haar vroeg, terwijl
+hij de knielende oprichtte: »Hebt gij eene bede op het hart?"
+
+»Wat zou mij nog begeerlijk kunnen schijnen, sedert mijne zon mij
+haar licht onthoudt?" luidde haar, door snikken afgebroken, aarzelend
+antwoord.
+
+Cambyzes haalde de schouders op, en vroeg nog eenmaal: »Begeert gij
+dan niets? In vroegere dagen kon ik met geschenken uwe tranen drogen;
+vorder gij dan ook heden een gouden troost."
+
+»Phaedime wenscht niets meer! Voor wie zou zij schoone kleederen en
+opschik behoeven, sinds de koning, haar gemaal, het licht van zijn
+oog niet meer op haar laat schijnen?"
+
+»Dan kan ik u niet helpen!" riep Cambyzes, zich met onwil van haar
+afwendende.
+
+De raad van Boges, dat Phaedime zich het aangezicht met blanketsel zou
+bedekken, was zeer goed geweest, want onder de witte verf gloeiden
+hare wangen van toorn en schaamte. Toch wist zij zich te bedwingen
+en gehoorzaamde het bevel van den eunuch, door zich diep en eerbiedig
+zoo voor de koningin als voor Nitetis te buigen, daarbij hare tranen
+vrijen loop latende, zoodat alle Achaemeniden ze opmerkten. Otanes en
+Intaphernes verborgen slechts met moeite hunne verbittering over den
+hoon, hunner dochter en kleindochter aangedaan. En menig Achaemenide
+zag met innige deelneming op de ongelukkige Phaedime neder, met
+heimelijken wrok tot de bevoorrechte, schoone vreemdelinge op.
+
+Alle ceremoniën waren nu afgeloopen, en de maaltijd nam dus een
+aanvang.--Vóor den koning lag in een gouden korf een reusachtige
+granaatappel ter grootte van een kinderhoofd [284], door andere
+vruchten sierlijk omgeven. Thans merkte hij dezen op. Met het oog
+van een kenner beschouwde hij de zeldzaam schoone en groote vrucht,
+en vroeg: »Wie heeft dezen kolossalen appel gekweekt?"
+
+»Uw knecht Oropastes," antwoordde de overste der magiërs, zich diep
+buigende. »Sedert vele jaren leg ik mij op het hovenieren toe, en heb
+mij vermeten deze heerlijke vrucht, het schoonste resultaat van mijn
+rusteloos pogen, aan uwe voeten neder te leggen."
+
+»Ik dank u!" was het antwoord. »Mijne vrienden, deze granaatappel
+zal mij de keuze van een stadhouder gemakkelijker maken, als wij ten
+strijde trekken. Bij Mithra, die een kleinen boom zoo zorgvuldig
+verpleegde, zal ook in groote dingen getrouw zijn. Welk eene
+vrucht! Wie zag ooit de weerga er van? Nog eens, ik dank u, Oropastes,
+en wijl de dank van den koning niet alleen in woorden mag bestaan,
+benoem ik u reeds heden, voor het geval dat er een oorlog mocht
+uitbarsten, tot stadhouder van het gansche rijk. Ja, mijne vrienden,
+wij zullen niet lang meer in vadsige rust onzen tijd verbeuzelen. De
+Pers verliest zijne vroolijkheid als de krijg haar geen voedsel geeft!"
+
+Een goedkeurend gemompel doorliep de rijen der Achaemeniden. »Heil
+den koning!" klonk het opnieuw. De wrok over de vernedering hunner
+bloedverwante was weldra vergeten; gedachten aan veldslagen, droomen
+van onsterfelijken roem en zegekransen, herinneringen aan vroeger
+verrichte heldendaden deden de feestelijke stemming der aanzittenden
+met ieder oogenblik klimmen. De koning zelf, die in den regel op dezen
+dag matiger was dan anders, spoorde nu zijne gasten tot drinken aan,
+en verheugde zich in de uitgelaten vroolijkheid en den opgewekten
+strijdlust zijner helden. Maar vooral genoot hij in de aanschouwing
+van de betooverende schoonheid der Egyptische, die marmerbleek aan
+zijne zijde zat, uitgeput door de vermoeienissen en aandoeningen
+van den morgen die voorafging, en bovendien gedrukt onder den haar
+ongewonen last van den hoogen tulband. Zóo gelukkig als op dezen dag,
+had Cambyzes zich nog nooit gevoeld.
+
+En wat ontbrak hem ook? Wat kon hij nog te wenschen hebben, hij,
+wien de goden het geluk der liefde, en alle schatten die het hart
+kan begeeren, in den schoot hadden geworpen? Zijne stugheid scheen
+in zachtmoedige welwillendheid, zijne strenge hardheid in minzame
+toegevendheid te zijn overgegaan, toen hij Bartja, die aan zijne zijde
+zat, toeriep: »Welnu, broeder, hebt gij mijne belofte vergeten? Weet
+gij niet meer, dat gij heden van mij moogt vragen wat uw hart begeert,
+terwijl gij zeker kunt zijn dat het u zal worden toegestaan? Welaan,
+ledig dan den beker en vat moed! Maar eisch geene geringe gunst. Ik ben
+heden juist in eene stemming om groote geschenken te geven. Ha! gij
+wilt mij in het oor fluisteren wat gij begeert? Kom dan nader bij
+mij! Ik ben toch nieuwsgierig te vernemen, wat de gelukkigste jongeling
+in mijn gansche rijk zoo vurig begeert dat hij als een meisje bloost,
+zoodra men doelt op wat hij wenscht."
+
+Bartja, wiens wangen werkelijk van ontroering gloeiden, boog zich
+glimlachend naar het oor van zijn broeder over, en verhaalde hem
+fluisterend, in weinige woorden, de geschiedenis zijner liefde. De
+vader van Sappho had zijne vaderstad Phocaea [285] tegen de legers van
+Cyrus helpen verdedigen. Deze omstandigheid stelde de jongeling zeer
+behendig op den voorgrond. Vervolgens betitelde hij zijne geliefde,
+overeenkomstig de waarheid, als de dochter van een Helleenschen
+krijgsman van adellijke afkomst, doch verzweeg, dat hij zich door
+handelsondernemingen groote schatten had verworven [286]. Hij schetste
+zijn broeder de bevalligheid, de beschaving en de liefde zijner
+bruid, en wilde zich juist op het getuigenis van Cresus beroepen,
+toen Cambyzes hem in de rede viel, en zijn voorhoofd kussende uitriep:
+»Spaar uwe woorden, mijn broeder, en volg den wensch van uw hart. Ik
+ken de macht der liefde, en wil u helpen om de toestemming onzer
+moeder te verwerven."
+
+Bartja wierp zich, dronken van geluk en door het gevoel der
+dankbaarheid overweldigd, aan de voeten van zijn koninklijken
+broeder. Cambyzes richtte hem echter met minzaamheid op en riep,
+zich in het bijzonder tot Nitetis en Cassandane wendende: »Let wel
+op hetgeen ik u zeggen zal, geliefden! De stam van Cyrus zal nieuwe
+loten schieten, want onze broeder Bartja heeft besloten aan zijn
+ongehuwden staat, die den goden niet welgevallig was [287] een einde
+te maken. Binnen weinige dagen trekt de verliefde jongeling naar uw
+vaderland, Nitetis, om het tweede edelgesteente van de boorden des
+Nijls naar ons bergachtig land over te brengen."
+
+»Wat schort u, zuster?" riep de jonge Atossa, eer Cambyzes had
+uitgesproken. Nitetis was bewusteloos in hare armen neêrgezegen. Zij
+trachtte haar bij te brengen, door het voorhoofd met wijn te
+bevochtigen.
+
+»Wat scheelt u?" vroeg de blinde Cassandane, als de bruid van den
+koning na weinige oogenblikken tot zichzelve kwam.
+
+»Welk eene vreugde, welk een geluk, o Tachot!" stamelde Nitetis.
+
+Cambyzes was, evenals zijne zuster, de in zwijm liggende ijlings ter
+hulp gesneld. Toen zij zich geheel hersteld had, verzocht hij haar
+zich met eene teuge wijns te versterken, bood haar zelf den beker aan
+en vervolgde, zijne mededeeling herhalende en aanvullende: »Bartja zal
+naar uw land trekken, mijne gemalin, en de kleindochter van eene zekere
+Rhodopis, de dochter van een edelen krijgsheld, uit het heldhaftige
+Phocaea, van Naucratis aan den Nijl, hierheen voeren als zijne gade."
+
+»Wat was dat?" riep de blinde moeder van den koning.
+
+»Wat schort u toch?" vroeg de vroolijke Atossa, op bezorgden, bijna
+verwijtenden toon.
+
+»Nitetis!" riep Cresus zijne beschermeling vermanend toe.
+
+Maar deze waarschuwing kwam te laat, want reeds was de beker, dien
+Cambyzes zijne geliefde gereikt had, aan hare handen ontgleden en
+kletterend op den grond gevallen.
+
+De blikken van al de aanzittenden hingen in angstige spanning aan het
+gelaat van den koning, die, bleek als de dood, met sidderende lippen
+en krampachtig gebalde vuist, opnieuw van zijn zetel was opgesprongen.
+
+Nitetis zag met smeekend oog tot haren geliefde op, om zijne vergeving
+af te bidden. Maar hij duchtte de betoovering van dien blik; daarom
+wendde hij het hoofd af, en riep met heesche stem: »Breng de vrouwen
+naar hare vertrekken, Boges, ik wil ze niet meer zien!.... Het
+drinkgelag zal beginnen.... Slaap wel, mijne moeder, en wees op
+uwe hoede, dat gij geene adders zoogt met uw hartebloed. Rust wel,
+Egyptische, en bid de goden, dat zij u beter leeren veinzen. Vrienden,
+morgen gaan wij ter jacht! Geef mij te drinken, schenker! Vul den
+grooten beker! Maar proef goed, neem een fiksche teug, want heden vrees
+ik voor vergif, heden voor de eerste maal. Hoort gij, Egyptische,
+ik vrees voor vergif, en alle vergiften en artsenijen [288],--ja,
+ja, dat weet zelfs ieder kind,--alle vergiften komen uit Egypte!"
+
+Nitetis verliet de zaal met wankelenden tred. Boges geleidde haar en
+gebood den dragers spoed te maken. Bij de hangende tuinen aangekomen,
+leverde hij haar over aan de eunuchen, die het huis moesten bewaken,
+en voegde haar, terwijl hij in zijne handen wreef, met een duivelsch
+lachje tot afscheid eenige woorden toe, die in 't geheel niet meer
+van den vroeger haar betoonden eerbied, maar van eene onbetamelijke
+gemeenzaamheid getuigden: »Droom van den schoonen Bartja en zijn
+Egyptisch liefje, mijn wit Nijlkatje! Hebt gij niets te zeggen aan den
+mooien knaap, wiens verliefdheid gij u zoo hebt aangetrokken?--Bedenk u
+goed. De arme Boges wil u gaarne van dienst zijn. De verachte Boges
+houdt veel van u. De nederige Boges zal zich bedroeven, als hij de
+trotsche palm van Saïs ziet vallen. De ziener Boges voorspelt u een
+spoedigen terugkeer naar Egypte, of een zachten slaap in de zwarte
+aarde van Babylon. De goede Boges wenscht u een ongestoorde rust. Houd
+u goed, geknakt bloempje, bonte adder, die zichzelve wondde, gevallen
+pijnappel."
+
+»Onbeschaamde!" riep de koningsdochter in hare verontwaardiging.
+
+»Ik dank u," antwoordde het lachende monster.
+
+»Ik zal mij over uw gedrag beklagen!" dreigde Nitetis.
+
+»Wat zijt gij beminnelijk!" antwoordde Boges.
+
+»Verwijder u uit mijne oogen!" riep de Egyptische.
+
+»Ik gehoorzaam den minsten uwer wenken," fluisterde de eunuch, als
+had hij haar een liefdesgeheim te openbaren.
+
+Vol walging en ontzetting over deze beleediging, waarin zij slechts
+eene voorbode van nog diepere vernederingen zag, trad zij achteruit,
+en snelde naar hare woning, terwijl zij Boges den rug toekeerde. Deze
+echter riep haar nog na: »Gedenk mijner, schoone koningin, gedenk
+mijner! Alles, wat u in de eerst volgende dagen overkomen zal, is
+een geschenk van den armen, verachten Boges!"
+
+Zoodra de Egyptische verdwenen was, veranderde hij van toon, en
+gebood den wachters, streng en uit de hoogte, de hangende tuinen
+zorgvuldig te bewaken. »Wie van u een mensch, buiten mijn persoon,
+deze plaats laat genaken, is des doods schuldig! Niemand, hoort gij,
+niemand! Allerminst mogen boden van de moeder des konings, van Atossa
+of van andere grooten den voet op deze trap zetten. Wanneer Cresus of
+Oropastes de Egyptische begeert te spreken, dan wijst gij hen bepaald
+af! Verstaan?--En ik herhaal, dat gij allen, zonder onderscheid,
+den langsten tijd geleefd zult hebben, wanneer gij u door beden of
+geschenken tot ongehoorzaamheid laat verleiden. Niemand, niemand
+mag deze tuinen betreden, zonder mijne uitdrukkelijke mondelinge
+toestemming! Ik geloof dat gij mij kent. Neemt deze gouden staters
+bij voorbaat tot loon, voor uwen verzwaarden dienst, en hoort mij bij
+Mithra zweren, dat ik den nalatige of ongehoorzame niet verschoonen
+zal!"
+
+De wachters bogen zich, vast besloten hun overste te gehoorzamen. Want
+zij wisten, dat hij niet met zich liet spotten, indien hij ernstig
+dreigde; en ze vermoedden, dat er groote dingen op til waren, daar
+de gierige Boges niet gewoon was zijne staters met zoo kwistige hand
+uit te strooien.
+
+Dezelfde draagstoel, die Nitetis vervoerd had, bracht den eunuch
+naar de feestzaal terug. De vrouwen des konings waren vertrokken,
+doch de bijwijven stonden nog op de haar aangewezene plaatsen, en
+zongen, terwijl niemand luisterde, hare eentonige liederen.
+
+De brassende gasten waren de Egyptische en wat er met haar gebeurd was
+reeds lang vergeten. Iedere nieuwe beker deed het joelen en verwarde
+schreeuwen in woestheid toenemen. Niemand bekommerde zich meer om
+het verhevene karakter der plaats, of om de tegenwoordigheid van den
+machtigen vorst. Hier sloeg een beschonkene de meest onzinnige taal
+uit; daar omarmden twee krijgers elkaar, die eerst na het gebruik
+eener groote hoeveelheid wijns bespeurd hadden, dat zij groote
+vrienden waren; ginds werd een nieuweling in het zwelgen door sterke
+knechten de zaal uitgedragen; een eind verder greep een oud drinker
+eene kruik, in plaats van zijn beker, en ledigde ze in éene teug,
+onder het gejubel zijner buren.
+
+Aan het hoogereind der tafel zat de koning, bleek als een doode,
+onverschillig en ongevoelig voor wat om hem heen plaats had, in
+zijn beker te staren. Telkens als zijn oog voor een oogenblik op
+zijn broeder rustte, balden zich zijne vuisten. Hij sprak hem niet
+aan en liet zijne vragen onbeantwoord. Hoe langer hij dus in somber
+gepeins neerzat, des te vaster vestigde zich de overtuiging in hem,
+dat de Egyptische hem bedrogen en liefde voor hem gehuicheld had,
+terwijl haar hart Bartja toebehoorde. Welk een schandelijk spel
+had zij met hem gespeeld! Hoe diep moest de trouweloosheid dezer
+behendige huichelaarster niet wortelen, daar het bloote bericht, dat
+zijn broeder eene andere liefhad, niet alleen te machtig was voor
+hare bedrevenheid in het veinzen, maar zelfs voldoende om haar van
+haar bewustzijn te berooven.
+
+Otanes, de vader van Phaedime, had, toen Nitetis de zaal verliet,
+uitgeroepen: »De Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn
+op de liefde harer zwagers; de Perzische zijn minder vrijgevig met
+hare genegenheid, en besparen die geheel voor hare mannen!"
+
+De trotsche man had den schijn aangenomen, als had hij die woorden
+niet gehoord. Gelijk de struisvogel sloot hij zijne ooren en oogen,
+om het gemompel en de blikken zijner gasten, die onverholen te kennen
+gaven dat hij bedrogen was, niet op te merken.
+
+Bartja kon geene schuld hebben aan hare ontrouw; zij alleen beminde
+den schoonen jongeling, en wellicht te vuriger, daar zij geene hoop
+durfde koesteren op beantwoording van haar hartstocht. Had hij den
+geringsten argwaan jegens zijn broeder opgevat, zoo zou hij hem
+gewis op staanden voet gedood hebben. Bartja was onschuldig aan deze
+zijne teleurstelling en smart. Maar hij was er toch de oorzaak van,
+en daarom ontwaakte opnieuw de oude wrok, die voor korten tijd was
+ingesluimerd. En gelijk iedere instorting gevaarlijker is dan de
+eerste aanval eener ziekte, woedde die wrok nu veel heftiger.
+
+Hij peinsde en dacht, maar kon niet tot een vast besluit komen,
+hoe hij de valsche vrouw zou straffen. Haar dood bevredigde zijne
+wraakzucht niet; neen, zwaarder moest zij boeten. Zou hij haar, met
+smaad en schande overladen, naar Egypte terugzenden? O, neen! zij had
+haar vaderland lief, en zou door haar ouders slechts met open armen
+ontvangen worden. Zou hij, nadat zij hare schuld had bekend,--want hij
+was vast besloten, haar deze bekentenis af te persen,--de trouwelooze
+in een eenzamen kerker opsluiten, of haar als dienstmaagd zijner
+bijwijven aan Boges overleveren? Dat was het beste! Zoo wilde hij de
+huichelaarster, die zich vermeten had met hem, den machtigen koning,
+een misdadig spel te spelen, tuchtigen en doen boeten.
+
+Vervolgens zeide hij tot zichzelven: »Bartja moet van hier, want vuur
+en water zullen eer te zamen vrede hebben, dan dit gelukskind en ik,
+beklagenswaardig mensch! Zijne nakomelingen zullen eens mijne schatten
+deelen, en deze kroon dragen. Maar nog ben ik koning, en ik zal toonen,
+dat ik het ben."
+
+Als een bliksemstraal schoot de gedachte aan zijne trotsche, almachtige
+grootheid door zijn verhit brein. Uit zijne droomerijen tot de
+werkelijkheid terugkeerende, wierp hij in wilde hartstochtelijkheid
+zijn gouden beker midden in de zaal, zoodat de wijn, als eene
+regenvlaag, over de aanzittenden werd uitgestort, en riep: »Houdt op
+met dit ijdel gesnap, en dwaas getier! Laat ons, dronken als we zijn,
+naar de gewoonte der Perzen [289], krijgsraad houden, en overleggen,
+welk antwoord den Massageten zal gegeven worden. U, Hystaspes,
+u vraag ik, als den oudste in onzen kring, het eerst naar uw meening!"
+
+De grijze vader van Darius antwoordde: »Het komt mij voor, dat de
+gezanten dezer nomaden ons geene keus hebben gelaten. Tegen ontvolkte
+steppen kunnen wij niet ten strijde trekken. Daar echter ons leger
+nu toch marschvaardig is, en onze zwaarden reeds te lang gerust
+hebben, moet er oorlog gevoerd worden. Om dezen te kunnen voeren,
+ontbreken ons slechts een paar goede vijanden, en vijanden te maken,
+is de gemakkelijkste zaak die ik ken!"
+
+De Perzen barstten bij deze woorden in luid gejubel uit. Doch toen de
+stilte eenigszins hersteld was, vatte Cresus het woord op en zeide:
+»Gij zijt een grijsaard, evenals ik, Hystaspes; maar als een echte
+Pers, denkt gij slechts op 't veld en in den strijd gelukkig te
+kunnen zijn. De staf, eenmaal het teeken uwer veldheerswaardigheid,
+strekt u thans ten steun; en toch spreekt gij als een jongeling, wien
+het warme bloed nog driftig door de aderen snelt. Vijanden, ik geef
+het u toe, zijn gemakkelijk te vinden, maar slechts dwazen leggen
+het er op toe zich vijanden te maken. Wie ze zich moedwillig op den
+hals haalt gelijkt een misdadiger, die zichzelven verminkt. Hebben we
+vijanden, dan betaamt het ons tegen hen te strijden, gelijk het den
+wijze past het ongeluk moedig onder de oogen te zien!--Laat ons geen
+onrecht begaan, mijne vrienden, en geen onbillijken oorlog beginnen,
+die een gruwel is in de oogen der goden, maar wachten tot men ons
+onrecht aandoe, en dan, met het volle bewustzijn voor een goede zaak
+het zwaard te hebben aangegord, overwinnen of sterven."
+
+Een zacht goedkeurend gemompel deed den grijsaard afbreken. Het werd
+echter onmiddellijk overstemd door het geroep: »Hystaspes heeft gelijk,
+laten wij een vijand zoeken!"
+
+De gezant Prexaspes, die nu aan de beurt was om te spreken, riep
+lachende: »Volgen wij den raad van beide edele grijsaards! Laten
+wij wachten tot men ons eenig onrecht aandoe, en intusschen ons wat
+gevoeliger toonen, en vaststellen dat ieder, die zich niet gewillig
+en met blijdschap een medelid van het groote rijk van onzen vader
+Cyrus mocht willen noemen, onder de vijanden van Perzië zal worden
+gerekend. Beginnen wij bij voorbeeld met den Indiërs te vragen, of
+zij niet trotsch zouden zijn zich onder uw schepter te mogen buigen,
+Cambyzes. Zeggen zij neen, dan hebben zij ons niet lief, en wie ons
+niet liefheeft is onze vijand!"
+
+»Niets van dat alles!" riep Zopyrus. »Wij moeten oorlog hebben tot
+iederen prijs!"
+
+»Ik stem voor Cresus!" riep Gobryas.
+
+»Ik ook! riep de edele Artabazos.
+
+»Wij zijn voor Hystaspes!" schreeuwden de held Araspes, de grijze
+Intaphernes, en andere oude strijdmakkers van Cyrus.
+
+»Geen krijg tegen de Massageten, die ons ontvluchten; maar oorlog
+tot elken prijs!" brulde de veldheer Megabyzus, de vader van Zopyrus,
+met zijne zware vuist op de tafel slaande, dat de gouden vaten tegen
+elkaar stieten en verscheidene bekers omvielen.
+
+»Geen strijd tegen de Massageten, aan wie Cyrus door de goden zelve
+gewroken is," zeide de opperpriester Oropastes.
+
+»Strijd! Strijd!" schreeuwden de dronken Perzen wild dooreen.
+
+Koel en rustig sloeg Cambyzes eenige oogenblikken de teugellooze
+geestdrift zijner krijgers gade; dan stond hij van zijn zetel op,
+en riep met donderende stem: »Zwijgt en hoort uw koning!"
+
+Als een tooverslag werkten deze woorden, zelfs de meest beschonkene
+gehoorzaamde, haast zonder het zelf te weten, het bevel van zijn
+vorst, die thans minder luid sprekende vervolgde: »Ik heb u niet
+gevraagd of gij oorlog dan wel vrede begeert, want ik weet dat ieder
+Pers aan de inspanning van den strijd de voorkeur geeft boven eene
+roemlooze rust. Ik heb slechts willen weten, wat gij in mijne plaats
+den Massageten zoudt antwoorden.--Acht gij de ziel van mijn vader,
+van den man, wien gij uwe grootheid verschuldigd zijt, genoegzaam
+gewroken?"
+
+Een dof gemompel van toestemming, slechts door enkele heftige
+uitroepingen in ontkennenden zin afgebroken, was het antwoord. De
+tweede vraag van den koning: »Zullen wij de voorwaarden der gezanten
+die tot ons kwamen aannemen, en het verzwakte, door de goden zoo zwaar
+bezochte volk den vrede schenken?"--werd door alle aan wezenden met
+een levendig »Ja!" beantwoord.
+
+»Dat is het, wat ik weten wilde" vervolgde Cambyzes. »Morgen, als
+wij nuchter zijn, willen we, naar oud gebruik, overwegen, wat we in
+onzen roes besloten. Doorbrast de nog restende uren van den nacht; ik
+verlaat uw kring en wacht u bij het laatste gekraai van den heiligen
+vogel Parôdar [290] aan de poort van Bel, om met u ter jacht te gaan."
+
+Met deze woorden verliet de monarch de zaal. Een donderend: »Heil
+zij den Koning!" deed hem uitgeleide. Boges, de eunuch, was vóor zijn
+gebieder de zaal uitgeslopen. In den voorhof vond hij een knaap van
+den boomkweeker op de hangende tuinen.
+
+»Wat zoekt gij hier?" vroeg hij hem.
+
+»Ik heb aan prins Bartja iets te overhandigen."
+
+»Bartja? Heeft hij uw heer dan om zaden of stekjes gevraagd?"
+
+De knaap schudde met een schelmsch lachje het hoofd, dat door de zon
+half verbrand was.
+
+»Zijt gij dan door iemand anders gezonden?" vroeg Boges, die vermoedde
+dat hier iets achter stak.
+
+»Ja, eene andere heeft mij gezonden."
+
+»Ah! De Egyptische laat haar zwager door u in 't geheim iets weten!"
+
+»Wie heeft u dit verraden?"
+
+»Nitetis sprak er mij van. Geef hier wat gij hebt, ik zal het Bartja
+aanstonds ter hand stellen."
+
+»Ik mag het aan niemand geven, dan aan hem zelven."
+
+»Geef op! ik kan deze boodschap beter doen dan gij."
+
+»Ik mag niet."
+
+»Gehoorzaam mij, of..."
+
+Op dit oogenblik naderde de koning. Boges bezon zich eene wijle;
+daarop gebood hij met luider stem den aan de deur wachthoudenden
+zweepdragers, den onthutsten knaap te grijpen.
+
+»Wat gebeurt hier?" vroeg Cambyzes.
+
+»Deze vermetele knaap," antwoordde de eunuch, »is het paleis
+binnengedrongen, om Bartja eene boodschap van uwe gemalin Nitetis
+over te brengen."
+
+Toen de jongen den koning gewaarwerd, zonk hij op de knieën, met het
+voorhoofd den grond aanrakende.
+
+Doodelijk bleek zag Cambyzes op den rampzaligen bode neder. Daarop
+wendde hij zich tot den eunuch met de vraag: »Wat verlangt de
+Egyptische van mijn broeder?"
+
+»De knaap houdt vol, dat hij slechts aan Bartja zelven mag
+overhandigen, wat hij voor hem bij zich heeft."
+
+Met smeekenden blik tot den koning opziende, reikte de knaap thans
+aan dezen een klein papyrus-rolletje over.
+
+Cambyzes ontrukte hem het blad, en stampvoette van toorn, toen hij de
+Grieksche schrijfteekens zag, die hij niet in staat was te ontcijferen.
+
+Na eenige seconden herkreeg hij zijne bedaardheid, en vroeg den knaap,
+terwijl hij zijn doorborenden blik op hem vestigde:
+
+»Wie heeft u dit gegeven?"
+
+»De kamerjuffer van mijne Egyptische meesteres, Mandane, de dochter
+van den magiër."
+
+»Voor mijn broeder Bartja?"
+
+»Zij zeide dat ik dit blad, vóor den maaltijd, aan den schoonen prins
+moest overhandigen, hem de groete van hare meesteres Nitetis doen,
+en zeggen, dat uwe zuster Atossa hem morgen den inhoud van het briefje
+verklaren zou."
+
+De koning stampvoette van gramschap en ongeduld, waardoor de knaap
+zoo verschrikte, dat zijn stem hokte en hij slechts met moeite kon
+uitbrengen: »Ik kon den prins vóor den maaltijd niet naderen, daar
+hij naast u ging. Thans wacht ik hem hier op, want Mandane beloofde
+mij twee goudstaters, als ik mijne boodschap goed ten uitvoer bracht."
+
+»Dat hebt gij niet gedaan!" bulderde de, gelijk hij meende,
+schandelijk bedrogen vorst. »Dat hebt gij niet gedaan! Trawanten,
+grijpt den knaap!"
+
+De jongen sloeg een smeekenden blik op den koning en bad om
+genade. Doch vruchteloos, want, snel als de gedachte hadden de
+zweepdragers hem gegrepen, en de koning, die zich ijlings naar zijne
+vertrekken begaf, vernam zijn kermend smeeken om genade en vergiffenis
+niet meer.
+
+Boges wreef zich weder de dikke handen, terwijl hij den vorst volgde,
+en lachte met zijn gewonen duivelschen lach.
+
+Toen de uitkleeders zich van hunne taak wilden kwijten, wees de koning
+hunne diensten toornig af, zeggende dat zij zich oogenblikkelijk
+moesten verwijderen. Nadat zij hem met Boges alleen hadden gelaten,
+zeide hij tot dezen: »Van dit uur belast ik u met het toezicht over
+de hangende tuinen en de Egyptische. Bewaak haar goed! Wanneer iemand
+of eenig bericht, zonder mijn weten, tot haar doordringt, dan hebt
+gij uw leven verbeurd!"
+
+»Maar als Cassandane of Atossa iemand tot haar zendt?"
+
+»Zoo wijst gij de boden af en laat weten, dat ik iedere poging om
+Nitetis te spreken te krijgen, als eene beleediging mij aangedaan
+zal beschouwen."
+
+»Mag ik u om eene gunst bidden, o koning?"
+
+»Het tijdstip daartoe is slecht gekozen."
+
+»Ik gevoel mij zoo krank. Zoo gij slechts voor den dag van morgen
+aan een ander het toezicht op de tuinen wildet toevertrouwen...."
+
+»Neen!--Verlaat mij!"
+
+»Eene hevige koorts doet mijn bloed koken. Heden heb ik tot driemaal
+toe het bewustzijn verloren.--Indien op zulk een oogenblik eens
+iemand...."
+
+»Wie zou u dan kunnen vervangen?"
+
+»De Lydische eunuchenhoofdman Candaules. Hij is eerlijk als goud,
+en onverbiddelijk streng. Een dag rust zal voldoende zijn om mijne
+gezondheid te herstellen. Wees genadig!"
+
+»Niemand wordt zoo slecht gediend als ik, de koning! Candaules mag
+morgen uwe plaats vervangen. Geef hem strenge bevelen, en zeg hem dat
+de kleinste nalatigheid hem zijn leven zal kosten.--Verlaat mij thans!"
+
+»Nog iets, mijn koning! Gij weet, dat morgennacht in de hangende
+tuinen de zeldzame blauwe lelie in bloei moet staan. Hystaspes,
+Intaphernes, Grobryas, Cresus en Oropastes, de beste beoordeelaars
+der hovenierskunst aan uw hof, zouden ze gaarne zien. Mogen zij voor
+enkele minuten de hangende tuinen betreden? Candaules zal wel zorg
+dragen, dat zij de Egyptische niet naderen."
+
+»Als Candaules zijn leven liefheeft, zal hij zijne oogen
+openhouden.--Ga!"
+
+Boges groette eerbiedig, en verliet 's konings vertrek. Den slaven,
+die hem met fakkels voorlichtten, wierp hij eenige goudstukken toe. Hij
+was recht gelukkig. Al zijne ontwerpen slaagden boven verwachting,
+want het lot van Nitetis scheen hem zoo goed als beslist, en het
+leven van Candaules, den man, wien hij een onbegrensden haat toedroeg,
+hield hij in zijne handen.
+
+Tot aan den morgen liep Cambyzes in zijne vertrekken op en
+neder. Toen de haan kraaide was hij tot het vaste besluit gekomen,
+Nitetis eene bekentenis van haar misdrijf af te persen, en haar
+dan, als dienstmaagd zijner bijwijven, in den grooten harem te
+plaatsen. Bartja, de verwoester van zijn geluk, zou op staanden
+voet naar Egypte reizen, en later als satraap naar eene afgelegene
+provincie worden gezonden. Hij deinsde terug voor de misdaad van
+broedermoord, maar kende zichzelven goed genoeg om te weten, dat hij
+in een oogenblik van drift den gehaten jongeling zou kunnen dooden,
+zoo deze niet buiten het bereik van zijn hartstocht was.
+
+Twee uren na het aanbreken van den dag stoof Cambyzes, op zijn
+snuivenden en brieschenden hengst gezeten, zijn onafzienbaar, met
+schild, zwaard, lans, boog en vangsnoer gewapend gevolg ver vooruit,
+om een groote slachting aan te richten onder het door meer dan duizend
+honden opgejaagd wild van den diergaarde van Babylon, die vele mijlen
+uitgestrekt was [291].
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De jacht was afgeloopen. Wagens vol gedood wild, waaronder ettelijke
+reusachtige evers, die Cambyzes met eigen hand geveld had, volgden de
+huiswaarts keerende jagers. Voor de poorten van het paleis gingen dezen
+uiteen, om in hunne woningen het oud Perzisch jachtgewaad van eenvoudig
+leder met de schitterende Medische hofkleeding te verwisselen.
+
+Onder het jagen had de koning zijn broeder op schijnbaar minzamen
+toon, schoon het hem moeite kostte zijn toorn te verbergen, het bevel
+gegeven den volgenden dag te vertrekken, om Sappho af te halen en
+naar Perzië te geleiden. Tegelijkertijd had hij hem de inkomsten
+der steden Bactra, Rhagae en Sinope toegezegd, ter bestrijding der
+meerdere kosten van den nieuwen staat, dien hij als gehuwd man zou
+moeten voeren. Voorts schonk hij aan de jonge vrouw, als zoogenaamd
+speldengeld, de opbrengst van haar vaderstad Phocaea.
+
+Bartja dankte zijn milden broeder met ongeveinsde hartelijkheid;
+Cambyzes echter hernam zijn koele stugheid, riep hem eenige woorden
+tot afscheid toe, en wendde zich van hem af, om het spoor van een
+wilden ezel te volgen.
+
+Op den terugtocht noodigde de jonge held zijne vertrouwdste vrienden
+Cresus, Darius, Zopyrus en Gyges uit, met hem een beker tot afscheid
+te drinken. Cresus wilde zich eerst later bij hen voegen, daar
+hij beloofd had bij het opkomen der Tistar-ster de blauwe lelie te
+zullen komen zien. Toen de grijsaard in den vroegen morgen Nitetis
+op de hangende tuinen had willen bezoeken, was hij door de wachters
+onbepaald afgewezen; thans scheen het bloeien der blauwe lelie hem
+eene gelegenheid aan de hand te doen om zijn geliefde beschermelinge,
+wier gedrag bij gelegenheid van den feestmaaltijd hij zich niet
+verklaren kon, en wier strenge bewaking hem zeer bezorgd maakte,
+te zien en te spreken.
+
+Toen het begon te schemeren, zaten de jonge Achaemeniden in
+een lommerrijk priëel van den koninklijken tuin, naast hetwelk
+kristalheldere fonteinen ruischten, onder vroolijke gesprekken
+bijeen.--Araspes, een voorname Pers en vriend van den overleden
+Cyrus, had zich aangesloten bij de jongelieden, die druk aan het
+praten waren, en deed zich te goed aan den voortreffelijken wijn,
+dien de koningszoon met milde hand schonk.
+
+»Gelukkige Bartja," riep de oude vrijgezel. »Gij trekt weldra naar
+een heerlijk land, om de vrouw uwer keuze af te halen, terwijl ik,
+arme oude vrijer, door iedereen bespot, naar mijn graf voortstrompel,
+zonder vrouwen en kinderen na te laten, die mij zouden kunnen beweenen
+en de goden bidden om een genadig oordeel over mijne ziel."
+
+»Hoe is het mogelijk zulke gedachten te koesteren!" riep Zopyrus, den
+beker opheffende. »Geene vrouw ter wereld is zóo volmaakt, dat het haar
+echtgenoot niet minstens eenmaal per dag berouwt, eene vrouw te hebben
+genomen! Wees blij te moede, vadertje, en bedenk, dat gij u beklaagt
+over iets dat uwe eigene schuld of liever uwe eigene wijsheid is. Men
+kiest vrouwen toch als noten, met enkel op de schaal te letten. Wie
+kan vooruit weten, of er een goede, of een slechte, of in het geheel
+geen kern in schuilt! Ik spreek uit ervaring, want ofschoon ik pas
+twee en twintig jaar oud ben, heb ik reeds vijf uitverkorene vrouwen
+en een ganschen stoet der schoonste slavinnen in mijn huis."
+
+Araspes glimlachte weemoedig.
+
+»En wie belet u, nog heden te huwen?" riep Gyges. »Gij zijt wel zestig
+jaar oud; maar gij beschaamt menig jonkman door uwe forsche houding,
+uwe kracht en uwe volharding. Gij behoort bovendien tot de edelste
+bloedverwanten van den koning. Waarlijk ik verzeker u, Araspes,
+dat gij nog wel twintig schoone vrouwen kunt krijgen."
+
+»Veeg het vuil maar weg voor uw eigen deur," duwde de oude vrijer
+den zoon van Cresus toe. »In uwe plaats zou ik zeker niet tot mijn
+dertigste jaar ongetrouwd zijn gebleven!"
+
+»Eene godspraak heeft mij verboden te huwen."
+
+»Gekheid! Welk verstandig mensch stoort zich aan eene godspraak! Alleen
+in droomen openbaren de goden ons de toekomst! Ik zou toch meenen dat
+gij uit het voorbeeld van uw eigen vader genoeg hebt kunnen leeren, hoe
+schandelijk die Grieksche priesters hunne beste vrienden bedriegen."
+
+»Gij spreekt over dingen, die gij niet verstaat, Araspes."
+
+»En die ik niet verlang te verstaan, jonge vriend! Waarom anders
+gelooft gij aan orakelen, dan omdat gij ze niet verstaat! Wat gijlieden
+niet begrijpt, dat noemt gij in uw bekrompenheid een wonder, en in
+alles wat u wonderbaar toeschijnt stelt gij meer vertrouwen, dan in de
+eenvoudige waarheid, die voor de hand ligt. Het orakel heeft uw vader
+bedrogen en in het verderf gestort; maar het orakel is een wonder,
+en daarom laat ook gij u met het volste vertrouwen door dat zelfde
+orakel van uw geluk afhouden!"
+
+»Gij lastert, Araspes. Is het de schuld der goden, wanneer wij hunne
+uitspraken verkeerd uitleggen?"
+
+»Ongetwijfeld, want als zij ons waarlijk helpen wilden, moesten
+zij ons met hunne woorden ook het noodige doorzicht schenken, om ze
+te verstaan. Wat baten mij de schoonste toespraken, zoo zij worden
+voorgedragen in eene voor mij onverstaanbare taal!"
+
+»Houdt op met dit nutteloos gekibbel!" sprak nu Darius. »Verklaar ons
+liever, Araspes, waarom gij u zoolang door de priesters bestraffen,
+bij de feesten terugzetten en door de vrouwen smaden liet; waarom gij
+vrijgezel zijt gebleven, ofschoon gij iederen bruidegom zijn geluk
+schijnt te benijden?"
+
+Araspes staarde een oogenblik peinzend op den grond; daarop hief
+hij plotseling het hoofd op, nam een fiksche teug uit zijn beker,
+en zeide: »Ik heb daarvoor mijne redenen, vrienden, maar ik kan u
+die thans niet mededeelen."
+
+»Laat hooren, laat hooren!"
+
+»Ik kan niet, kinderen, ik kan niet! Dezen beker ledig ik op het
+welzijn uwer schoone Sappho, gelukkige Bartja, en dezen wijd ik aan
+uw toekomstig geluk, mijn lieveling Darius!"
+
+»Ik dank u!" antwoordde Bartja, terwijl hij den beker lustig aan de
+lippen zette.
+
+»Gij meent het goed," prevelde Darius, die zeer bedrukt naar den
+grond keek.
+
+»Zeg eens, gij zoon van Hystaspes," riep de oude krijger, toen hij
+zag dat de jongeling op eens zoo ernstig was gestemd: »zulk een donker
+gelaat past den bruidegom, wien een dronk gebracht wordt op het welzijn
+zijner liefste, volstrekt niet! Is het lieve dochterke van Gobryas,
+na Atossa, niet de aanzienlijkste van alle jonge Perzische meisjes? Is
+zij niet schoon?"
+
+»Artystone bezit al de voorrechten en voordeelen eener Achaemenide,"
+antwoordde Darius, wiens gelaat echter bij deze verklaring nog geene
+vroolijker uitdrukking aannam.
+
+»Nu wat verlangt gij dan nog meer, gij ontevredene?"
+
+Darius hief den beker op, en keek schijnbaar met aandacht in den wijn.
+
+»De knaap is verliefd, zoo waar als ik Araspes heet!" riep de oude.
+
+»Wat zijt gijlieden toch dwaas," sprak Zopyrus, die zich nu in het
+gesprek begon te mengen. »De een is, in strijd met alle Perzische
+gebruiken, vrijgezel gebleven; een ander trouwt niet, daar eene
+godspraak hem vrees aanjaagt; Bartja wil slechts éene vrouw hebben,
+en Darius zet een gezicht als een destoer, die de liederen der
+dooden zingt, omdat zijn vader hem beveelt gelukkig te worden met
+het schoonste maagdelijn uit gansch Perzië!"
+
+»Zopyrus heeft gelijk," zeide de oude man opgeruimd; »Darius is een
+ondankbaar mensch!"
+
+Bartja wendde zijn blik niet af van den vriend, die dus al schertsend
+werd doorgehaald. Hij zag 't hem aan, dat de woorden zijner makkers
+eene teedere plaats in zijn hart pijnlijk aandeden, en drukte hem
+de hand, omdat hij zijn eigen geluk dubbel gevoelde, zeggende: »Het
+doet mij leed, dat ik bij uw huwelijksfeest niet tegenwoordig kan
+zijn. Als ik terugkom, dan hoop ik, dat gij u met de keuze van uw
+vader verzoend zult hebben."
+
+»Misschien," antwoordde Darius, met een smartelijk lachje, »kan ik u,
+bij uwe terugkomst, wel eene tweede, ja eene derde vrouw toonen."
+
+»Dat geve Anahita," riep Zopyrus. »De Achaemeniden zouden spoedig
+uitsterven, als allen deden gelijk Araspes en Gyges. Gij met uwe éene
+vrouw, Bartja, handelt ook niet als het behoort. Om den stam van Cyrus
+in leven te houden, moest gij eigenlijk drie vrouwen te gelijk huwen."
+
+»Ik haat het Perzische gebruik, van vele vrouwen te hebben," antwoordde
+Bartja. »Door zoo te handelen stellen wij ons beneden de vrouwen,
+van wie wij eischen, dat zij haar gansche leven ons trouw blijven,
+terwijl wij, wien de trouw boven alles heilig behoorde te zijn,
+vandaag deze, morgen gene vrouw eene eeuwige liefde zweren."
+
+»Bah!" hernam Zopyrus. »Ik sneed mij liever de tong af, dan een man
+te misleiden; maar onze vrouwen zijn zulke bedrieglijke schepsels,
+dat men geen kwaad doet haar met dezelfde munt te betalen."
+
+»De Helleensche vrouwen zijn geheel anders, daar zij anders behandeld
+worden," antwoordde Bartja. »Sappho verhaalde mij van eene Grieksche
+vrouw, zij heette geloof ik Penelope, die twintig jaren lang geduldig,
+en met dezelfde liefde en trouw, op haren voor dood gehouden
+echtgenoot [292] wachtte, ofschoon dagelijks vijftig vrijers haar
+huis platliepen."
+
+»Mijne vrouwen zouden zeker niet zoo lang op mij wachten!" zeide
+de vroolijke Zopyrus. »Ik beken ronduit dat ik mij ook niet zou
+doodtreuren, als ik, na zulk een lange afwezigheid, bij mijne
+terugkomst mijn geheele huis ledig vond. In de plaats van die ontrouwe
+vrouwen, die intusschen tamelijk oud geworden zouden zijn, kon ik dan
+jonge en schoone deerntjes in mijn harem opnemen. Maar niet iedere
+vrouw vindt een minnaar om haar te schaken, en onze vrouwen hebben
+nog liever een man die afwezig is, dan in het geheel geen."
+
+»Als uwe vrouwen u zoo eens hoorden spreken!" zeide Araspes, terwijl
+hij hem lachend aanzag.
+
+»Zij verklaarden mij bepaald den oorlog, of, wat nog erger zou zijn,
+ze sloten onderling vrede."
+
+»Hoe meent gij dat?"
+
+»Hoe ik het meen? Nu ik kan wel merken, dat gijlieden geen ervaring
+hebt op dit gebied!"
+
+»Wijd ons dan eens in de geheimen van uw huwelijksleven in."
+
+»Zeer gaarne! Gij kunt u wel voorstellen, dat vijf vrouwen in éen huis
+niet zoo vreedzaam samenleven als vijf duiven in éen til. De mijne ten
+minste voeren onafgebroken strijd op leven en dood. Daar ben ik aan
+gewoon, en het doet mij altijd genoegen, als de lieve schepseltjes zich
+onderling zoo vermaken. Een jaar geleden waren zij het voor de eerste
+maal eens, en deze dag des vredes was de ongelukkigste mijns levens."
+
+»Gij spotvogel!"
+
+»Neen, ik spreek in vollen ernst. De ellendige eunuch, die dit vijftal
+moest bewaken, liet een ouden juwelier uit Tyrus bij haar toe. Ieder
+koos zich een kostbaar tooisel. Toen ik tehuis kwam, viel Subade
+mij aanstonds op het lijf, en bad mij om het geld voor het door
+haar gekozen sieraad. Het ding was zóo duur, dat ik weigerde het
+te betalen. Eén voor éen kwamen ook de vier andere vrouwen mij geld
+vragen voor haar opschik, maar allen kregen hetzelfde antwoord en ik
+ging naar het hof.--Toen ik weer terugkom, zitten al mijne vrouwen
+bij elkaar te pruilen en te klagen. Zij omarmen elkaar, en noemen
+elkaar vriendinnen en deelgenooten in het ongeluk. Met een waarlijk
+aandoenlijke eensgezindheid staan ze alle vijf als vijandinnen tegen
+mij op, en overladen me met scheldwoorden en dreigementen, tot ik
+het vertrek verlaat. Ik wil me te slapen leggen, maar jawel, ik vind
+vijf geslotene deuren. Den volgenden morgen begint het gejammer en
+getier opnieuw. Ik neem wederom de vlucht en rijd met den koning
+ter jacht. Vermoeid, hongerig en verstijfd, (het was in de lente,
+en reeds was het hof te Ekbatana, terwijl de sneeuw nog ellenhoog
+den Orontes bedekte) kom ik tehuis, en vind geen vuur aan den haard,
+geen maaltijd gereed. Mijne lieve vrouwtjes hadden, om mij te straffen,
+vrede met elkaar gesloten, het vuur uitgedoofd, den koks verboden hun
+plicht te doen, en wat het ergste was, de juweelen behouden!--Nauw heb
+ik den slaven geboden vuur aan te maken en een maaltijd te bereiden,
+of daar verschijnt de onbeschaamde juwelier andermaal en vordert zijn
+geld. Wederom weiger ik hem te betalen, breng opnieuw, door de vrouwen
+buitengesloten, eenzaam den nacht door, en offer den volgenden morgen
+om des lieven vredes wille tien talenten. Sedert ducht ik de eendracht
+mijner vriendinnen evenzeer als de booze Diws, en heb niets liever,
+dan dat zij elkander lagen leggen, krakeelen en plukharen."
+
+»Ongelukkige Zopyrus!" zeide Bartja lachend.
+
+»Ongelukkige?" hernam de echtgenoot van het vijftal. »Ik zeg u,
+dat ik de gelukkigste sterveling op aarde ben. Mijne vrouwen zijn
+jong en aanvallig, en als hun gelaat begint te rimpelen, wie zal
+mij dan beletten schoonere in mijn huis te nemen? De leelijkheid der
+verouderde vrouwen zal dan de schoonheid mijner jeugdige vriendinnen
+te sterker doen uitkomen.--Hei daar slaaf, zorg voor lampen! De zon
+is ondergegaan, en de wijn smaakt dan alleen als de tafel helder
+verlicht is!"
+
+»Hoort, hoe schoon de vogel Bulbul slaat!" riep Darius, die buiten
+het priëel onder den vrijen hemel was gaan staan, zijnen vrienden toe.
+
+»Bij Mithra, zoon van Hystaspes, gij zijt tot over de ooren verliefd,"
+viel Araspes den jongeling in de rede. »Wie den wijn laat staan om
+naar den nachtegaal te luisteren, is door den bloesempijl der liefde
+[293] getroffen, zoo zeker als ik Araspes heet!"
+
+»Gij hebt gelijk, vadertje!" zeide Bartja. »Philomele, gelijk de
+Hellenen onzen Bulbul noemen, wien de liefde zoo schoone tonen in den
+gorgel geeft, is bij alle volken de vogel der minnenden. Van welk
+maagdelijn droomdet gij, Darius, toen ge straks in het duister ons
+verliet, om naar Bulbul te luisteren?"
+
+»Ik dacht niet aan meisjes," antwoordde de jongeling. »Gij weet,
+dat ik gaarne den sterrenhemel beschouw. De Tistar-ster kwam heden
+zoo buitengewoon luisterrijk op, dat ik den wijn vergat om naar haar
+te zien. Ik had echter mijne ooren wel moeten dichtstoppen, om den
+welluidenden beurtzang der nachtegalen niet te vernemen."
+
+»Gij hieldt ze wijd genoeg open, want uwe opgetogene ontboezeming
+bewees, dat het gezang van den vogel diep in uw hart was
+gedrongen!" hernam Araspes plagende.
+
+»Genoeg!" riep Darius, dien deze scherts verdroot.
+
+»Onvoorzichtige," fluisterde nu de oude den jongeling toe, »nu hebt
+gij u zelven verraden! Waart gij niet verliefd, zoo zoudt gij lachen
+in plaats van dus op te vliegen. Maar ik wil u niet kwellen; zeg mij
+liever wat gij in de sterren gelezen hebt?"
+
+Darius zag bij deze woorden nogmaals naar den hemel op, en hield zijne
+blikken onafgewend op een helder lichtend sterrenbeeld gevestigd, dat
+juist boven den horizont oprees. Zopyrus sloeg den astroloog opmerkzaam
+gade, en riep zijnen vrienden toe: »Daarboven moet iets gewichtigs
+plaats grijpen. Hé, Darius, deel ons mede wat de hemel u verkondigt!"
+
+»Niets goeds," antwoordde deze. »Ik wenschte u even alleen te spreken,
+Bartja."
+
+»Waartoe dat? Araspes kan zwijgen, en wij hebben immers geene geheimen
+voor elkaâr!"
+
+»Toch...."
+
+»Kom, spreek gerust!"
+
+»Neen, ik bid u, volg mij in den tuin."
+
+Bartja knikte de vrienden toe, legde zijn arm op Darius' schouder,
+en ging met hem in het maanlicht naar buiten. Toen zij alleen waren,
+vatte de zoon van Hystaspes beide handen van zijn vriend, en zeide:
+»Heden voor de derde maal merk ik aan den hemel verschijnselen op,
+die u niets goeds beloven. Uw boos gesternte nadert uwe heilbrengende
+ster zóo dicht, dat men slechts geringe kennis van de hemellichten
+behoeft te hebben, om te kunnen voorzeggen, dat u een groot gevaar
+bedreigt. Neem uwe voorzorgen, Bartja, en reis nog heden naar Egypte,
+want de sterren verkondigen mij, dat het ongeluk u aan de oevers van
+den Euphraat, niet in het verre land zal overkomen."
+
+»Gelooft gij zoo vast aan de voorspellende kracht van die gesternten?"
+
+»Voorzeker! De sterren liegen nooit!"
+
+»Dan zou het eene dwaasheid zijn, zich te willen onttrekken aan
+hetgeen zij ons voorspellen."
+
+»Gij hebt gelijk, de mensch kan niet ontgaan wat over hem besloten
+is. Maar het noodlot heeft groote overeenkomst met de onderwijzers in
+de krijgskunst, wien zulke leerlingen het liefst zijn, die het moedigst
+en het behendigst met hen vechten. Reis nog heden naar Egypte, Bartja!"
+
+»Ik kan niet, want ik heb van mijne moeder en van Atossa nog geen
+afscheid genomen."
+
+»Zend haar door een bode uw afscheidsgroet, en draag Cresus op haar
+de reden van uw overhaast vertrek mede te deelen."
+
+»Zij zullen mij voor een lafaard houden."
+
+»Voor een mensch te wijken is een bewijs van lafheid; zijn noodlot
+te ontvlieden, als men kan, is wijs."
+
+»Gij weerspreekt u zelven, Darius! Wat zou de leermeester in de
+krijgskunst van den vluchtenden leerling zeggen?"
+
+»Hij zou zich verheugen over den krijgslist, waardoor een enkele aan
+de overmacht tracht te ontkomen."
+
+»Die hem toch ten laatste inhalen en verdelgen zou.--Hoe zou ik een
+gevaar, dat, gij zegt het zelf, niet kan worden afgewend, zoeken
+te ontwijken! Als mij een tand pijn doet, laat ik dien aanstonds
+uittrekken, terwijl vrouwen en lafaards zich weken lang kwellen
+en angstig maken, om de smartelijke kunstbewerking slechts niet op
+staanden voet, maar zoo laat mogelijk te ondergaan. Ik verbeid het
+gevaar met onwankelbaren moed, en hoop dat het zich spoedig moge
+vertoonen, om het des te eerder achter mij te hebben."
+
+»Gij kent er de grootte niet van."
+
+»Vreest gij voor mijn leven?"
+
+»Neen!"
+
+»Laat mij hooren, wat gij ducht."
+
+»Die Egyptische priester te Saïs, onder wiens voorlichting ik de
+sterren gadesloeg, heeft uw horoscoop met mij getrokken. Hij was de
+bekwaamste in de wetenschap der sterren, dien ik ooit ontmoette. Hem
+ben ik veel van hetgeen ik weet verschuldigd, en ik wil u niet
+verzwijgen, dat hij mij opmerkzaam heeft gemaakt op gevaren, die u
+toen reeds boven het hoofd hingen."
+
+»Waarom mij dat verzwegen?"
+
+»Waarom u voór den tijd schrik aangejaagd! Thans waarschuw ik u,
+daar ik zie, dat hetgeen u bedreigde nadert."
+
+»Ik dank u, en zal op mijne hoede zijn. Vroeger zou ik mij aan uwe
+waarschuwing niet hebben gestoord; maar sedert ik bemin, is het mij
+altijd als mag ik niet meer zoo vrij over mijn leven beschikken."
+
+»Ik begrijp dat gevoel..."
+
+»Gij begrijpt mij? Araspes heeft dan goed gezien?--Gij zegt niet neen?"
+
+»Ach, een droom zonder hoop!"
+
+»Welke vrouw zou u kunnen versmaden?"
+
+»Versmaden?"
+
+»Ik vat u niet. Ontzinkt u, den stoutsten jager, den sterksten
+worstelaar, den wijste van alle jonge Perzen, ontzinkt u de moed en
+het zelfvertrouwen, waar gij staat tegenover eene vrouw?"
+
+»Kan ik u vertrouwen, meer vertrouwen, dan ik mijnen vader vertrouwen
+zou, Bartja?"
+
+»Dat kunt ge!"
+
+»Ik bemin de dochter van Cyrus, uwe en des konings zuster, Atossa!"
+
+»Heb ik u goed verstaan; gij bemint Atossa? Daarvoor dank ik u, reine
+Amescha Çpenta [294]! Van nu aan geloof ik niet meer aan uwe sterren,
+want in plaats van de gevaren, waarmede zij mij bedreigen, over mij te
+zien komen, ontvang ik een onverwachten zegen. Omarm mij, mijn broeder,
+en verhaal mij de geschiedenis uwer liefde, opdat ik in staat zij u
+te helpen, en te verwezenlijken wat gij een droom zonder hoop noemdet!"
+
+»Vóor ons vertrek naar Egypte, trokken we, gelijk gij weet, met het
+geheele hof van Ekbatana naar Susa. Ik had toen het bevel over de
+afdeeling der Onsterfelijken, die de wagens van de gemalinnen des
+konings moesten beschermen. Op den bergpas over den Orontes, gleden
+de paarden uit, die den wagen uwer moeder en zuster trokken. Het juk,
+waaraan de dieren bevestigd waren [295], brak van den dissel, en voor
+mijne oogen stortte de zware vierwielige wagen in den afgrond. Bevend
+van schrik zagen wij het voertuig verdwijnen. Wij gaven onze paarden
+de sporen, zoodat hun het bloed uit de zijde sprong, en snelden toe
+om, zoo mogelijk, nog hulp te bieden. Op de plaats van het ongeluk
+gekomen, bereidden we ons reeds voor op het ijselijke gezicht van den
+verbrijzelden wagen en van bloedende, vreeselijk misvormde lijken. Maar
+de goden hadden de uwen onder hunne alvermogende bescherming genomen,
+en de in den afgrond geslingerde wagen rustte, met gebrokene raderen,
+in de armen van twee reusachtige cypressen, welker taaie wortels zich
+diep in de spleten der steenrotsen hadden vastgewrongen, en die hunne
+donkere kronen tot aan den rand van den weg verhieven.
+
+»Bliksemsnel sprong ik van mijn paard en klauterde, zonder mij een
+oogenblik te bezinnen, langs een der cypressen af. Uwe moeder en zuster
+riepen om hulp, en strekten hare armen naar mij uit. Zij verkeerden in
+een ontzettend gevaar, want de houten wanden van den wagen, door den
+geweldigen schok uit de voegen gelicht, dreigden ieder oogenblik van
+elkaar te splijten. Dan zouden de vrouwen onvermijdelijk in den afgrond
+zijn gestort, die peilloos diep en donker, als het verblijf der booze
+Diws, bereid scheen de schoone offers in zijne kaken te verzwelgen.
+
+»Daar stond ik, mij aan den stam der cypres vastklemmende, voor den
+zwevenden wagen, die ieder oogenblik bezwijken kon, en toen werd ik
+voor het eerst getroffen door den smeekenden blik uwer zuster. Sinds
+dat oogenblik beminde ik Atossa. Maar ik wist toen nog niet, wat er
+in mijn hart omging, want daar was geen tijd om op iets anders, dan
+de redding uwer dierbaren bedacht te zijn. In een ommezien hief ik
+de vrouwen uit den wagen, die een oogenblik later in duizend stukken
+sprong, en krakende in de diepte stortte. Ik ben sterk, maar toch zou
+ik, zonder de uiterste inspanning mijner krachten, de beide vrouwen
+en mij zelven niet zoo lang boven den afgrond zwevende hebben kunnen
+houden, tot men koorden had afgelaten. Atossa hing aan mijn hals,
+Cassandane rustte, door mijn linkerarm omklemd, aan mijn borst. Met de
+rechterhand slingerde ik den strik om mijn lichaam. Men trok ons naar
+boven, en weinige minuten later stond ik, met mijn kostbaren last,
+behouden op den vasten bodem.
+
+»Nadat een magiër de wonde, die het sterk aangetrokken koord in
+mijne zijde had gesneden, verbonden had, liet de koning mij roepen,
+schonk mij deze halsketen en de inkomsten van eene geheele provincie,
+en leidde mij in eigen persoon tot de vrouwen, die mij in de warmste
+taal haren dank betuigden. Cassandane stond mij toe haar voorhoofd
+te kussen, en deed mij al de sieraden, die zij op dat gevaarvolle
+oogenblik gedragen had, voor mijne toekomstige gemalin ter hand
+stellen. Atossa trok een ring van haar vinger, stak dien aan mijne
+hand, en kuste die met hare gewone levendigheid, alleen gehoor gevende
+aan de inspraak van haar dankbaar hart. Gij hebt te dien tijde dat
+alles vernomen, maar wat gij niet weet, is, dat ik sedert dien dag,
+den gelukkigsten mijns levens, uwe zuster liefheb, de goden alleen
+weten hoe innig en teeder! Nochtans heb ik tot op gisteren avond
+uwe zuster niet wedergezien. Bij den grooten feestmaaltijd zaten
+wij tegenover elkander. Mijn oog ontmoette het hare. Ik zag niemand
+dan Atossa, en ben overtuigd dat zij wederkeerig haren redder niet
+vergeten heeft. Cassandane...."
+
+»O, mijne moeder zal u volgaarne als haar schoonzoon aannemen,
+daarvoor sta ik u borg. Laat uw vader zich tot den koning wenden;
+hij is onze oom, en mag met alle recht de dochter van Cyrus voor zijn
+zoon tot vrouw verlangen!"
+
+»Herinnert gij u nog dien droom van uw vader? Sedert dien nacht heeft
+Cambyzes nooit opgehouden mij te wantrouwen."
+
+»Dat is lang vergeten! Kort voor zijn dood droomde mijn vader, dat
+gij vleugelen hadt; en nu vreesde hij op een dwaalspoor gebracht door
+de droomuitleggers, dat gij, een achttienjarige knaap, naar de kroon
+zoudt staan. Cambyzes kon dat gezicht maar niet vergeten, tot Cresus,
+nadat ge mijne moeder en zuster hadt gered, verklaarde dat de droom
+verwezenlijkt was; want alleen een gevleugelde arend of Darius was
+in staat zoo behendig boven een afgrond te zweven."
+
+»Doch deze verklaring had niet de eer uw broeder te bevallen. Hij
+wil de eenige adelaar in Perzië zijn. Cresus vleit echter nooit
+zijn trots."
+
+»Waar zou hij toch zoo lang blijven?"
+
+»Hij is op de hangende tuinen. Mijn vader en Gobryas zullen hem
+ophouden."
+
+»Dat noem ik toch waarlijk bijzonder beleefd!" liet zich op eens de
+stem van Zopyrus hooren. »Bartja noodigt ons aan zijn disch, en laat
+ons, terwijl hij geheimen behandelt, zonder gastheer zitten!"
+
+»Wij komen, wij komen!" antwoordde deze. Daarop vatte hij de hand
+van Darius, drukte die en zeide: »Uwe liefde voor Atossa maakt mij
+onbeschrijfelijk gelukkig. Ik blijf nog tot overmorgen, al bedreigden
+mij ook de sterren met de verschrikkelijkste gevaren. Morgen zal ik
+Atossa's hart peilen en eerst wanneer alles behoorlijk is voorbereid,
+aanvaard ik mijne reis, aan mijn gevleugelden Darius overlatende op
+eigene wieken zijn doel te bereiken."
+
+Dit zeggende ging Bartja naar het priëel terug, terwijl zijn
+vriend andermaal den blik ten hemel richtte. Hoe langer hij de
+sterren gade sloeg, des te somberder werd de uitdrukking van zijn
+gelaat. Toen de Tistar-ster onderging, sprak hij bij zichzelven:
+»Arme Bartja!" Zijne vrienden riepen hem en juist wilde hij tot hen
+terugkeeren, als eene nieuwe ster zijne aandacht trok, waarvan hij
+plaats en richting opmerkzaam gadesloeg. De ernst zijner trekken ging
+in een zegevierenden glimlach over, zijne hooge gestalte scheen nog
+te rijzen, en terwijl hij de hand op zijn hart legde, fluisterde hij:
+»Gevleugelde Darius, gebruik thans uwe wieken; uwe ster zal u ter
+zijde staan!" Daarop keerde hij tot de vrienden weder, die hem met
+ongeduld zaten te wachten.
+
+Kort daarop naderde Cresus het priëel. De jongelingen sprongen van
+hunne zitplaatsen op, om den eerwaardigen man welkom te heeten, die,
+als door den bliksem getroffen, bleef staan, toen hij het gelaat van
+Bartja herkende, dat door het maanlicht helder werd verlicht.
+
+»Wat is u overkomen, vader?" vroeg Gyges, terwijl hij bezorgd de hand
+van den grijsaard vatte.
+
+»Niets, niets," stamelde deze nauw hoorbaar, drong zijn zoon op
+zijde, naderde Bartja, en beet hem in het oor: »Rampzalige, zijt gij
+nog hier? Verzuim geen seconde meer, en vlucht! De zweepdragers,
+die uitgezonden zijn om u in hechtenis te nemen, volgen mij op de
+hielen! Denk aan Sappho, en geloof mij als ik u zeg, dat gij, door
+nog een oogenblik te aarzelen, uwe dubbele onvoorzichtigheid met den
+dood zult bekoopen."
+
+»Maar Cresus, ik heb...."
+
+»Gij hebt de wet van dit land, van dit hof met voeten getreden en
+althans in schijn de eer van uw broeder gekrenkt...."
+
+»Wat zegt gij?"
+
+»Vlucht, vlucht, zeg ik u! Want, al waart gij ook met de meest
+onschuldige bedoeling op de hangende tuinen en bij de Egyptische
+geweest, zoo zoudt gij toch alles te vreezen hebben. Hoe kondet gij,
+die de opvliegendheid van Cambyzes kent, toch zoo dwaas wezen, zijn
+uitdrukkelijk verbod te overtreden?"
+
+»Ik begrijp er niets van! Ik...."
+
+»Geene uitvluchten! Pak u weg! Gij weet niet dat Cambyzes u reeds
+lang met een jaloersch oog aanziet, en dat uw nachtelijk bezoek bij
+de Egyptische...."
+
+»Sedert Nitetis hier is, heb ik op de hangende tuinen geen voet gezet!"
+
+»Maak thans uwe overtreding niet nog erger door een leugen. Ik...."
+
+»Maar ik zweer u...."
+
+»Wilt gij eene daad van lichtzinnigheid door meineed tot eene misdaad
+maken? De zweepdragers komen reeds, vlucht, vlucht!"
+
+»Ik blijf, want ik houd mij aan mijn eed."
+
+»Verblinde! Weet dat ik zelf, Hystaspes en andere Achaemeniden, u,
+nog geen uur geleden, op de hangende tuinen gezien hebben...."
+
+Bartja liet zich in zijne verbazing, haast zonder het te bemerken,
+door den grijsaard voortleiden; doch toen hij diens laatste woorden
+had vernomen, bleef hij staan, riep zijne vrienden naderbij, en
+zeide: »Cresus beweert, dat hij mij, nog geen uur geleden, op de
+hangende tuinen heeft gezien. Gelijk gij allen weet, heb ik sedert
+het ondergaan der zon deze plaats niet verlaten. Bevestigt hem toch
+door ulieder getuigenis, dat hier een booze Diw met onzen vriend en
+wie met hem waren zijn spel moet hebben gespeeld!"
+
+»Ik zweer u, vader," riep Gyges, »dat Bartja sedert de laatste uren
+dezen tuin niet verlaten heeft!"
+
+»Dat bezweren wij allen," verzekerden Araspes, Zopyrus en Darius
+levendig, als uit éen mond.
+
+»Wilt ge allen mij bedriegen, mij, uw besten vriend?" hernam Cresus op
+klagenden toon, den een na den ander verwijtend aanziende. »Gelooft gij
+dan, dat ik blind of krankzinnig ben? Meent gij dan, dat uw getuigenis
+de verklaring der edelste grijsaards, van Hystaspes, Gobryas,
+Intaphernes en den opperpriester Oropastes zal kunnen ontzenuwen? In
+spijt van ulieder valsche eeden, die zelfs uwe vriendschap voor Bartja
+niet billijken kan, is hij een kind des doods, als hij niet vlucht!"
+
+»Angramainjus moge mij verderven," riep de oude Araspes, den angstigen
+grijsaard in de rede vallend, »als de zoon van Cyrus de laatste uren
+op de hangende tuinen is geweest."
+
+»Noem mij uw zoon niet meer," liet Gyges volgen, »als ons getuigenis
+valsch is."
+
+»Bij de eeuwige sterren!" wilde Darius uitroepen, als Bartja de door
+elkander schreeuwenden het stilzwijgen oplegde, en met vaste stem
+zeide: »Ginds komt eene afdeeling van de lijfwacht den tuin in. Ik
+zal gevangen genomen worden en kan niet vluchten; omdat ik, onschuldig
+zijnde, juist daardoor den schijn van schuld op mij zou laden. Bij de
+ziel mijns vaders, bij de blinde oogen mijner moeder, bij het reine
+licht der zon, zweer ik u, Cresus, dat ik u niet bedrieg!"
+
+»Zal ik u gelooven, ondanks het getuigenis mijner beide oogen, die
+mij tot heden nog nooit bedrogen hebben? Ik wil u gelooven, jongeling,
+want ik heb u lief en eer u. Of gij schuldig, dan wel onschuldig zijt,
+weet ik niet en wil ik ook niet weten. Maar dit weet ik, dat gij
+vluchten moet, in allerijl vluchten! Gij kent Cambyzes! Mijn wagen
+wacht voor de poort. Ontzie de paarden niet, maar vlucht! De soldaten
+schijnen te weten wat het doel uwer gevangenneming is, want het is
+ontwijfelbaar dat zij zoo talmen, ten einde u, hun lieveling, den
+tijd te laten om te ontkomen. Vlucht! vlucht! of het is met u gedaan!"
+
+»Vlucht, Bartja!" riep ook Darius, terwijl hij zijn vriend vooruit
+drong, »en denk aan de waarschuwing, die de hemel zelf u in
+sterrenschrift heeft gegeven."
+
+Bartja schudde echter zwijgend het hoofd, en zeide, terwijl hij
+de vrienden afwees, die zich om zijnentwil zoo verontrustten: »Ik
+ben nog nooit gevloden, en heb mij voorgenomen ook in deze ure pal
+te staan. Lafheid schijnt mij vreeselijker dan de dood, en liever
+lijd ik van anderen onrecht, dan dat ik mij zelven met schande zou
+overladen.--Daar zijn de soldaten. Wees welkom Bischen! Moet gij mij
+gevangen nemen? Ja? Wacht dan een oogenblik, tot ik mijn vrienden
+vaarwel heb gezegd."
+
+Bischen, een oud hoofdman van Cyrus, die Bartja het eerste onderricht
+had gegeven in het pijlschieten en speerwerpen, die in den krijg
+tegen de Tapoeren aan zijne zijde had gestreden, en hem liefhad
+als zijn eigen zoon, viel den jongeling in de rede, zeggende: »Gij
+behoeft van uwe vrienden geen afscheid te nemen, want de koning, die
+buiten zichzelven is van razernij, heeft mij bevolen, u, en allen,
+die ik bij u mocht vinden, in hechtenis te nemen."
+
+Daarop liet hij fluisterend volgen: »De koning is woedend, en bedreigt
+uw leven. Gij moet vluchten. Mijne lieden gehoorzamen mij blindelings
+en zullen u niet vervolgen; ik ben echter oud en Perzië verliest er
+niets bij, als ik met mijn hoofd mijne ongehoorzaamheid boeten moet."
+
+»Ik dank u, vriend," hernam Bartja, diep geroerd over dit blijk
+van gehechtheid, »maar ik kan uw offer niet aannemen, want ik ben
+onschuldig, en weet dat Cambyzes wel opvliegend, maar volstrekt niet
+onrechtvaardig is. Komt, vrienden, ik geloof dat de koning ons nog
+heden in het verhoor zal nemen."
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Twee uren later stonden Bartja en zijne vrienden voor den
+koning. Doodsbleek en met holle oogen zat de sterke man op zijn
+gouden zetel, waarachter twee lijfartsen, die allerlei vaatwerk en
+instrumenten in de handen hielden, stonden. Cambyzes toch was eerst
+voor eenige minuten weer tot zijn bewustzijn gekomen, nadat hij langer
+dan een uur, onder een aanval dier vreeselijke krankheid, die lichaam
+en ziel beiden uitput en sloopt, en die wij met den naam van vallende
+ziekte of epilepsie bestempelen, had neergelegen. Sedert de aankomst
+van Nitetis was hij van zulke aanvallen verschoond gebleven, maar heden
+had de ziekte, tengevolge van gemoedsbewegingen van de laatste uren,
+hem met vernieuwde woede aangegrepen [296].
+
+Had hij Bartja een paar uur geleden ontmoet, hij zou hem met eigen hand
+gedood hebben. Het toeval had evenwel zijne woede, zoo al niet geheel
+neergezet, dan toch in zooverre doen bedaren, dat hij in staat was
+beschuldigers en beschuldigden beiden te hooren. Rechts van den troon
+stonden Hystaspes, de grijze vader van Darius, Gobryas, de toekomstige
+schoonvader van dezen, de hoogbejaarde Intaphernes, de grootvader van
+Phaedime, die ter wille van de Egyptische 's konings gunst verloren
+had, de opperpriester Oropastes, Cresus, en achter dezen Boges, de
+overste der eunuchen. Links stonden Bartja, wiens handen met zware
+ketenen beladen waren, Araspes, Darius, Zopyrus en Gyges. Meer op den
+achtergrond bevonden zich honderden waardigheidbekleeders en grooten.
+
+Na lang het stilzwijgen bewaard te hebben, hief de koning zijne
+oogen op, liet ze een oogenblik vol afkeer en toorn op den geketenden
+jongeling rusten, en sprak dan met doffe stem:
+
+»Opperpriester, zeg ons, wat hem te wachten staat, die zijn broeder
+bedriegt, den koning onteert en beleedigt en zijn hart met zware
+leugens bevlekt!"
+
+Oropastes trad vooruit en antwoordde: »Hem wacht, zoodra hij van zijne
+misdaden overtuigd zal zijn, een pijnlijken dood in deze wereld en
+een vreeselijk oordeel op de brug Schinvât [297]; want hij heeft de
+hoogste geboden overtreden en, omdat hij drie misdaden begaan heeft,
+de genade onzer wet verbeurd, welke hem die slechts eenmaal zondigt,
+al ware het maar een slaaf, het leven laat behouden [298]."
+
+»Derhalve is Bartja des doods schuldig! Voert hem weg, wachters,
+en verworgt hem! Voert hem weg!--Zwijg, ellendeling, ik wil
+uw huichelachtig geteem nimmermeer hooren, nimmermeer in deze
+leugenachtige oogen zien, die slechts tot verleiding geschapen zijn
+en den Diws hunnen oorsprong danken. Voort met hem, wachters!"
+
+De hoofdman Bischen naderde, om het bevel ten uitvoer te leggen. Thans
+trad echter Cresus voor den koning, wierp zich voor den troon neder,
+raakte den grond met het voorhoofd aan, hief de handen smeekend op en
+sprak: »Ieder jaar, iedere dag brenge u niets dan geluk! Aoeramazda
+schenke u al het goede des levens en de Amescha Çpenta mogen de
+wachters van uw troon zijn! Sluit uw oor niet voor de woorden van een
+grijsaard, en bedenk dat Cyrus, uw vader, mij als uw raadsman heeft
+aanbevolen. Gij wilt uw broeder doen ombrengen; ik waarschuw u echter
+aan uw toorn geen gehoor te geven, maar met al de kracht die in u is
+u zelven te beheerschen! Bedachtzaamheid is de plicht van wijzen en
+koningen. Wacht u wel het bloed van een broeder te vergieten, want
+weet, dat de dampen er van opstijgen ten hemel en tot wolken worden,
+die al de dagen van een moordenaar verduisteren, en eindelijk den
+bliksem der wrake op hem nederslingeren. Maar ik weet dat gij richten
+en niet moorden wilt. Handel dus naar de wijze van hen, die bij het
+rechtspreken beide partijen hooren, alvorens uitspraak te doen. Hebt
+gij dit gedaan, is de misdadiger overtuigd geworden en heeft hij zijn
+schuld moeten belijden, dan zal de bloedwolk uw levensstroom niet meer
+verduisteren, maar u beschaduwen. In de plaats van de straf der goden
+zult gij u den roem verwerven van een verstandig rechter te zijn."
+
+Cambyzes hoorde den grijsaard zwijgend aan, wenkte Bischen om terug
+te treden, en beval Boges zijn aanklacht te herhalen.
+
+De eunuch boog en begon: »Ik was ziek, en moest daarom het opzicht
+over de Egyptische opdragen aan mijn ambtgenoot Candaules, die zijne
+onachtzaamheid met den dood bekocht. Tegen den avond voelde ik mij
+veel beter, en beklom dus de hangende tuinen, om te zien of alles in
+orde was, en de zeldzame bloem, die dezen nacht in bloei moest staan,
+in oogenschouw te nemen. De koning, wien Aoeramazda zege verleene,
+had geboden de Egyptische strenger te bewaken dan anders, wijl zij
+zich vermeten had den edelen Bartja een brief..."
+
+»Zwijg," viel de koning den eunuch in de rede, »en blijf bij de zaak!"
+
+»Toen de Tistar-ster was opgegaan, kwam ik op de tuinen, en stond
+eenigen tijd met deze edele Achaemeniden, den opperpriester en den
+koning Cresus bij de blauwe lelie, want die was inderdaad betooverend
+schoon. Daarop riep ik mijn ambtgenoot Candaules, en vroeg hem,
+in tegenwoordigheid dezer aanzienlijke getuigen, of alles in orde
+was. Hij beantwoordde deze vraag toestemmend, en voegde er bij, dat
+hij juist van Nitetis kwam, die den ganschen dag geweend had en drank
+noch spijze had willen gebruiken. Bezorgd voor de gezondheid mijner
+hooge gebiedster, droeg ik Candaules op een geneesheer te halen,
+en juist wilde ik, om mij zelven van den toestand uwer gemalin te
+overtuigen, van de edele Achaemeniden afscheid nemen, toen ik in
+den maneschijn eene mannelijke gedaante gewaar werd. Ik was zoo zwak
+tengevolge der doorgestane koorts, dat ik ter nauwernood staan kon,
+en had niemand tot hulp bij mij dan den tuinman.
+
+»Mijne onderhoorigen hielden op grooten afstand van ons, aan de
+ingangen de wacht. Ik klapte in de handen, om te waarschuwen dat er
+onraad was, en toen zij niet verschenen, naderde ik het huis, door
+deze edelen vergezeld. De mannelijke gedaante stond voor de vensters
+der Egyptische, en liet, toen wij in dezelfde richting voortwandelden,
+een zacht gefluit hooren. Aanstonds verscheen, duidelijk zichtbaar
+bij het heldere maanlicht, eene tweede gedaante, die uit het venster
+van het slaapvertrek der Egyptische in den tuin sprong, en met haren
+geleider ons te gemoet kwam.
+
+»Wie beschrijft mijne verbazing toen ik in den indringer den edelen
+Bartja herkende. Een vijgenboschje onttrok de vluchtenden voor een
+oogenblik aan ons gezicht. Eene minuut later snelden zij voorbij,
+op geen vier schreden afstands van ons. zoodat wij gelegenheid hadden
+hen nogmaals goed op te nemen. Terwijl ik mij nog bedacht, of ik wel
+het recht had aan een zoon van Cyrus de handen te slaan, en Cresus
+hem bij zijn naam riep, verdwenen de vluchtelingen plotseling achter
+een cypres. Wij volgden hen, en zochten lang, doch te vergeefs naar
+de op onverklaarbare wijze ontkomenen. Toen ik terstond daarop het
+huis onderzocht, vond ik de Egyptische in onmacht op den divan in
+haar slaapvertrek liggen."
+
+Al de aanwezigen luisterden in angstige spanning. Cambyzes verbeet
+zich van woede, en vroeg met een verschrikkelijke stem: »Kunt gij de
+woorden van den eunuch bevestigen, Hystaspes?"
+
+»Ja!"
+
+»Waarom hebt gij den misdadiger niet gevat?"
+
+»Wij zijn krijgslieden, maar geene gerechtsdienaars."
+
+»Zeg liever: wij hebben dien knaap liever dan onzen koning."
+
+»Wij eeren u, maar hebben een afschuw van den misdadigen Bartja,
+gelijk wij den schuldeloozen zoon van Cyrus liefhadden."
+
+»Zijt gij wel zeker, dat Bartja die indringer was?"
+
+»Ja!"
+
+»En gij, Cresus, kunt gij mijne vraag ontkennend beantwoorden?"
+
+»Neen. Ik geloof in den maneschijn uw broeder, even duidelijk als hij
+hier voor mij staat, gezien te hebben; en toch schijnt het mij, dat wij
+allen door een onverklaarbaar gezichtsbedrog misleid zijn geworden."
+
+Bij deze woorden verbleekte Boges, die tot dusverre in zijn vuistje
+had gelachen. Cambyzes schudde echter afkeurend het hoofd, en zeide:
+»Wie zou ik mogen gelooven, wanneer de oogen mijner beproefde helden
+zich hebben kunnen bedriegen? Wie zou nog rechter kunnen wezen,
+wanneer getuigenissen, als de uwe, niet meer van kracht zijn?"
+
+»Andere getuigen, wier verklaring even geldig is, zullen u bewijzen,
+dat wij stellig en zeker gedwaald moeten hebben."
+
+»Wie waagt het voor dezen misdadiger in de bres te springen?" vroeg
+Cambyzes, terwijl hij opvloog en stampvoette van drift.
+
+»Wij!" »Ik!" »Wij!" riepen Araspes, Darius, Gyges en Zopyrus, als
+uit éen mond.
+
+»Verraders, schurken!" schreeuwde de koning. Als echter zijn oog
+den kalmen, afkeurenden blik van Cresus ontmoette, daalde zijne stem
+aanmerkelijk, en sprak hij: »Wat hebt gijlieden dan ten gunste van
+dezen misdadiger in te brengen? Bedenk u wel, eer gij spreekt, en
+acht de straf die den valschen getuige bedreigt, niet te licht."
+
+»Wij hebben deze waarschuwing niet van noode," zeide Araspes; »maar
+wij kunnen bij Mithra bezweren, dat wij, nadat we van de jacht tehuis
+gekomen zijn, Bartja en zijn tuin geen oogenblik verlaten hebben."
+
+»En," liet Darius volgen, »ik, de zoon van Hystaspes, kan de
+onschuld van uw broeder zonneklaar bewijzen, want ik sloeg met hem
+de Tistar-ster gade, wier licht, volgens het getuigenis van Boges,
+zijne vlucht moet hebben begunstigd."
+
+Hystaspes keek na deze verklaring zijn zoon met verbazing en vragend
+aan. Cambyzes wendde, onderzoekend en besluiteloos, nu eens den blik
+naar de eene dan naar de andere partij, die beide zoo volkomen zeker
+waren van hunne zaak en elkander toch niet gelooven konden.
+
+Bartja had tot hiertoe gezwegen, en slechts weemoedig neergezien
+op de ketenen, die zijne handen boeiden. Hij maakte nu gebruik van
+de heerschende stilte, en zeide, terwijl hij diep ter aarde boog:
+»Veroorlooft ge mij, eenige woorden te spreken mijn koning?"
+
+»Spreek!"
+
+»Onze vader gaf ons het voorbeeld, om slechts het goede en reine na te
+streven; daarom was mijn wandel tot hiertoe onbevlekt. Kunt gij mij van
+eene enkele booze handeling overtuigen, zoo geloof mij niet. Vindt gij
+evenwel geene vlekken op mijn verleden, zoo vertrouw mijne woorden,
+en overweeg, dat een zoon van Cyrus liever sterft dan een leugen te
+spreken. Ik erken dat nog nooit een rechter in moeilijker toestand
+verkeerde, dan gij thans. De besten van uw rijk getuigen tegen
+den beste, de vriend tegen den vriend, de vader tegen den zoon. Ik
+echter zeg u dat, wanneer geheel Perzië zijne hand tegen u ophief,
+en allen bezweren wilden: Cambyzes heeft dit of dat bedreven, en
+gij verzekerdet: 'Ik deed het niet,' ik, Bartja, geheel Perzië zou
+logenstraffen en zeggen: Gij zijt allen valsche getuigen, want eer
+zal de zee vuur uitwerpen, dan de mond eens zoons van Cyrus leugens
+verkondigen! Wij beiden zijn van zoo hooge geboorte, dat gij slechts
+tegen mij, gij echter alleen tegen u zelven moogt getuigen."
+
+Cambyzes zag na deze woorden minder toornig op zijn broeder neder. Deze
+vervolgde: »ik bezweer u dus, bij Mithra en alle reine geesten,
+mijne onschuld. Wanneer ik, sedert mijne terugkomst uit Egypte, op de
+hangende tuinen ben geweest, wanneer mijn mond u thans leugens vertelt,
+dan moge het leven mij ontnomen worden, en ik zonder nakomelingschap
+ten grave dalen!"
+
+Bartja had dezen eed op zulk een vasten, overtuigenden toon afgelegd,
+dat Cambyzes gebood hem zijne ketenen af te nemen. Na zich nog
+eene wijle bezonnen te hebben, zeide hij: »Ik wil u gelooven, want
+het is mij niet mogelijk u voor den verdorvenste aller menschen te
+houden. Morgen zullen wij de sterrenwichelaars, zieners en priesters
+raadplegen. Wellicht kunnen zij de waarheid aan den dag brengen. Ziet
+gij eenig licht in deze duisternis, Oropastes?"
+
+»Uw knecht vermoedt, dat een Diw de gestalte van Bartja heeft
+aangenomen, om uw broeder in het ongeluk te storten en uwe koninklijke
+ziel met het bloed van den zoon uws vaders te bevlekken."
+
+Cambyzes en al de aanwezigen gaven door een teeken te kennen dat
+zij hiermede instemden; ja, reeds wilde de koning zijn broeder de
+hand reiken, toen een stafdrager binnentrad, en den koning een dolk
+overhandigde. Een eunuch had dien onder het venster van Nitetis'
+slaapvertrek gevonden.
+
+Cambyzes beschouwde het wapen, waarvan het kostbare gevest met robijnen
+en turkooizen rijk bezet was, met onderzoekenden blik. Op eens werd
+hij doodsbleek en wierp den dolk met zulk eene kracht voor de voeten
+van zijn broeder, dat de edelgesteenten uit hunne kassen sprongen.
+
+»Dit is uw dolk, ellendeling!" brulde hij, en vloog andermaal in woeste
+drift op. »Heden morgen hebt gij er den ever, dien ik geveld had,
+den laatsten stoot mede gegeven. Ook gij, Cresus, moet hem kennen,
+want mijn vader nam hem uit uwe schatkamer te Sardes. Thans zijt gij
+overtuigd, gij, leugenaar en bedrieger! De Diws hebben geene wapenen
+van noode en dolken als deze zijn niet overal te vinden. Gij grijpt
+naar uw gordel? Gij verbleekt? Uw mes is verdwenen?"
+
+»Het is weg. Ik moet het verloren hebben, en een vijand van mij..."
+
+»Bind hem, boei hem, Bischen! Leid den verrader en zijne valsche
+getuigen naar den kerker! Morgen worden ze allen geworgd. De dood
+is de straf voor den meineed. Als zij ontkomen, dan verbeuren de
+wachters hunne hoofden. Geen woord wil ik meer hooren; voort met u,
+meineedige schurken! Gij Boges, spoedt u naar de hangende tuinen,
+en breng de Egyptische vóor mij.--Maar neen, ik wil de slang niet
+meer zien. Weldra breekt de morgen aan; omstreeks den middag zal de
+verraderes met zweepslagen door de stad gedreven worden. Dan wil ik.."
+
+Hier verstomde de koning. Hij stortte op den marmeren vloer neder. Een
+nieuwe aanval der vreeselijke ziekte had hem getroffen.
+
+In dit schrikkelijk oogenblik trad de blinde Cassandane, door den
+grooten veldheer Megabyzus geleid, de zaal binnen. Het bericht
+van het voorgevallene was tot in haar stil vertrek doorgedrongen,
+en dadelijk had zij zich, ondanks dit nachtelijk uur, gereed
+gemaakt om, zoo mogelijk, achter de waarheid te komen, en haar
+eerstgeborene voor overijling te waarschuwen. Vast en onwankelbaar
+was hare overtuiging betreffende de onschuld van Bartja en Nitetis,
+schoon zij het raadselachtige in het gedrag der laatste, en van de
+verschijning des eersten op de hangende tuinen niet vermocht op te
+lossen. Bij herhaling had zij beproefd met de Egyptische een onderhoud
+te hebben, doch het had haar niet mogen gelukken. Toen zij eindelijk
+in persoon naar de hangende tuinen was gegaan, hadden de wachters de
+stoutmoedigheid gehad haar af te wijzen.
+
+Cresus trad de edele vrouw te gemoet, deelde haar in vergoelijkende
+bewoordingen mede, wat er had plaats gegrepen, versterkte de blinde
+in haar geloof aan de onschuld der aangeklaagden, en leidde haar naar
+het rustbed van haar zoon, den koning.
+
+De aanval der ziekte was ditmaal niet van langen duur. Uitgeput en
+bleek lag hij op zijn gouden rustbed, onder een purperzijden dek. Naast
+hem zat zijne blinde moeder, aan het voeteneind stonden Cresus
+en Oropastes en aan het andere einde der zaal beraadslaagden vier
+lijfartsen [299], zacht fluisterend, over den toestand van den lijder.
+
+Cassandane vermaande haar zoon met liefderijke woorden, om zich
+toch te wachten voor dat hartstochtelijk opvliegen, en te bedenken,
+hoe noodlottig iedere nieuwe vlaag van drift voor zijne gezondheid
+moest zijn.
+
+»Gij hebt gelijk, moeder," antwoordde de koning, op smartelijken
+toon. »Het zal noodig zijn alles wat mijne drift gaande maakt uit
+den weg te ruimen. De Egyptische moet sterven, en mijn verraderlijke
+broeder zal zijne boeleerster volgen."
+
+Cassandane gebruikte al hare welsprekendheid, om de onschuld der
+veroordeelden te bewijzen en den woedenden man neder te zetten. Maar
+beden, noch tranen, noch moederlijke vermaningen waren in staat
+Cambyzes te doen wankelen in zijn besluit, om zich namelijk te ontdoen
+van de gewaande moordenaars van zijn geluk en zijne rust.
+
+Eindelijk belette Cambyzes de weeklagende vrouw met hare verdediging
+voort te gaan, en zeide: »Ik gevoel mij doodelijk afgemat, en kan
+uw snikken en kermen niet meer aanhooren. De schuld van Nitetis is
+bewezen. Een man heeft tegen den nacht haar slaapvertrek verlaten,
+en deze man was geen dief, maar de schoonste van alle Perzen, aan
+wien zij gisterenavond beproefd heeft een brief te doen toekomen."
+
+»Kent gij den inhoud van dat schrijven?" waagde Cresus te vragen,
+terwijl hij het bed naderde.
+
+»Neen, het is in 't Grieksch gesteld. De trouwlooze kiest voor hare
+misdadige boodschappen teekens, die niemand aan dit hof bij machte
+is te ontcijferen."
+
+»Veroorlooft gij mij den brief voor u te vertolken?"
+
+Cambyzes wees met de hand op een elpenbeenen kastje, waarin het
+gewichtig schrijven geborgen was, en zeide: »Neem en lees! Maar
+verzwijg mij geen enkel woord, want morgen zal ik den brief nogmaals
+door een der kooplieden van Sinope, die te Babylon wonen, doen
+voorlezen."
+
+Cresus ademde nu weder vrijer. Nieuwe hoop bezielde hem, terwijl hij
+den brief ontrolde. Maar als hij die gelezen had, stonden er tranen in
+zijne oogen en zijne lippen fluisterden: »De sage van Pandora behelst
+dan toch waarheid, en ik heb geene reden meer mij te vertoornen
+op de dichters, die de vrouwen beschimpen [300]. Alle, alle zijn
+valsch en trouwloos!--O, Cassandane, hoe misleiden ons de goden. Zij
+schenken ons een hoogen ouderdom; maar alleen om ontbladerd te worden,
+gelijk de boomen als de winter nadert, en om ons te doen ondervinden,
+dat alles, wat wij voor goud hielden slechts koper is, dat hetgeen
+waarvan wij verkwikking en sterkte verwachtten, enkel gif bevat!"
+
+En hij stortte zulk een vloed van tranen, dat hij de letters nauwelijks
+kon onderscheiden. Cassandane weende met hem en scheurde haar kostbaar
+gewaad. Cambyzes echter balde de vuisten, als Cresus met bevende stem
+de volgende woorden las:
+
+»Nitetis, dochter van Amasis van Egypte, aan Bartja, zoon van den
+grooten Cyrus.
+
+»Ik heb u, maar u alleen iets gewichtigs te zeggen. Morgen spreek ik u
+misschien bij uwe moeder. Gij hebt het in uwe hand, een arm beminnend
+hart te troosten en het alvorens het sterft, een gelukkig oogenblik
+te doen smaken. Ik heb u vele en zeer treurige dingen mede te deelen,
+en herhaal dus, dat ik u spoedig spreken moet."
+
+Het gelach van Cambyzes, dat klonk als de lach van een waanzinnige,
+sneed Cassandane door de ziel. Zij boog zich over hem heen en
+wilde een kus op zijn voorhoofd drukken; doch hij weerde hare
+liefkoozingen af, met te zeggen: »Het is een twijfelachtige eer,
+tot uwe lievelingen te behooren. Bartja heeft zich door de verraderes
+niet tweemaal laten roepen, en zich door valsche eeden onteerd. Zijne
+vrienden, de bloem onzer jongelingschap, hebben zich om zijnentwil
+met onuitwischbare schande bedekt, en uwe meest geliefde dochter is
+door hem.... Maar neen, Bartja heeft aan den misdaad van dit monster,
+dat de gestalte eener Peri heeft aangenomen, geene schuld. Haar
+leven was een samenweefsel van huichelarij, leugen en bedrog. Haar
+dood zal u bewijzen, dat ik weet te straffen. Verlaat mij thans,
+ik moet alleen zijn."
+
+Nauw hadden zich de aanwezigen verwijderd of Cambyzes sprong van zijne
+legerstede op, en vloog als een razende het vertrek op en neder, totdat
+de heilige vogel Parôdar het aanbreken van den dag verkondde. Toen
+de zon was opgegaan, legde hij zich wederom te bed en verzonk in een
+vasten slaap, die hem echter verkwikking noch rust kon schenken.
+
+
+
+Intusschen zaten de jeugdige gevangenen en de oude Araspes, nadat
+Bartja Gyges een afscheidsbrief aan Sappho in de pen had gegeven,
+onder een beker wijn bij elkander. »Laat ons vroolijk zijn," riep
+Zopyrus; »want ik geloof, dat het met de vreugde spoedig gedaan zal
+zijn! Ik wil niet langer leven, als wij morgenochtend niet allen,
+zoo als wij hier zitten, dood zijn. Jammer dat wij menschen maar éen
+hals hebben; hadden wij er twee, dan zou ik meer dan éen goudstuk
+voor ons leven verwedden."
+
+»Zopyrus heeft gelijk," voegde Araspes er bij; »we moeten vroolijk
+zijn, en de oogen ter dege openhouden, want ze zullen zich spoedig
+genoeg en wel voor altijd sluiten."
+
+»Wie onschuldig den dood tegengaat, heeft geen reden om te treuren,"
+zeide Gyges. »Vul den beker, schenker!"
+
+»Hé, Bartja en Darius!" riep Zopyrus dezen toe, die zich fluisterend
+met elkaar onderhielden. »Hebt gijlieden weer geheimen? Komt naderbij
+en neemt den beker. Ik heb, bij Mithra, nog nooit naar mijn dood
+gewenscht, heden echter verbeid ik met vreugde den zwarten Azis [301],
+want hij zal ons allen tegelijk van de aarde doen verdwijnen. Zopyrus
+sterft liever met zijne vrienden, dan dat hij zonder hen zou willen
+leven."
+
+»Vóor alle dingen," zeide Darius, nu hij met Bartja plaats nam in
+den kring der drinkers, »moeten wij beproeven het voorgevallene
+te verklaren."
+
+»Mij is het onverschillig," riep Zopyrus, »of ik met dan zonder
+deze opheldering sterf, zoo ik slechts weet, dat ik onschuldig ben,
+en de dood van een valsch getuige niet verdiend heb. Bezorg ons
+gouden bokalen, Bischen! Uit deze ellendige ijzeren kroezen smaakt
+de wijn niet. Al verbiedt Cambyzes onzen vrienden en vaders ook ons
+te bezoeken, hij zal toch wel niet van ons vergen, dat wij in onze
+laatste levensuren gebrek lijden."
+
+»Niet de slechte beker, maar het smartelijke dat er in ligt zoo jong
+te moeten sterven, verbittert u den wijn," zeide Bartja.
+
+»Zoo waar ik nog leef, neen!" riep Zopyrus. »Ik had bijna reeds
+vergeten, dat op het worgen gewoonlijk de dood volgt." Dit gezegd
+hebbende, stiet hij Gyges aan, en fluisterde dezen in: »Wees toch wat
+opgeruimder! Ziet gij dan niet dat onzen Bartja het scheiden van de
+aarde moeilijk valt? Wat zegt gij, Darius?"
+
+»Ik houd het er voor, dat het is gelijk Oropastes vermoedt, dat een
+booze Diw Bartja's gestalte heeft aangenomen, en tot de Egyptische
+is gegaan om ons in 't ongeluk te storten."
+
+»Dwaasheid, ik geloof niet aan zulke dingen."
+
+»Herinnert gij u niet de sage van koning Kawoes, aan wien ook een
+Diw verscheen, in de schoone gestalte van een dichter?"
+
+»Zeker!" riep Araspes. »Cyrus liet deze sage zoo dikwijls onder den
+maaltijd zingen, dat ik ze van buiten ken. Wilt gij ze hooren?"
+
+»Gaarne, gaarne! Zing op! Laat hooren!" riepen de jongelingen. Een
+oogenblik bedacht Araspes zich, dan begon hij, halfsprekend,
+halfzingend:
+
+
+ "Als Kawoes koning was van 't Perzisch rijk,
+ En er geen koning was aan hem gelijk.
+ Als hij de wereld voor zich beven zag,
+ Van pracht en rijkdom zich omgeven zag,
+ Zijn troon met goud en paarlen zag getooid,
+ Zijn kroon met diamanten overstrooid,
+ Zijn Thasir-paarden van het edelst bloed,
+ Zoo werd hij trotsch, en zwol van overmoed.
+
+ Eens toen hij op zijn geurig rustbed zat,
+ En zich verzaadde aan fonklend druivennat
+ Vertoonde een Diw zich aan de poort van 't hof,
+ In zangerdos gehuld, en vroeg verlof
+ Om tot den koning in 't paleis te gaan:
+ 'Ik ben een zanger uit Masenderan [302],'
+ Zóo klonk zijn taal; 'ontga mij 't voorrecht niet
+ Des konings oor te streelen met mijn lied.'
+ 't Gedwee verzoek vond bij den koning gunst.
+ "Hij nader," sprak de vorst, "en toon zijn' kunst!"
+ Toen kwam de Diw en sloeg de snaren aan,
+ En zong dit loflied op Masenderan."
+
+
+»Wilt gij het lied van Masenderan hooren?"
+
+»Zing steeds voort!"
+
+
+ "O vaderland, u klinkt mijn lied ter eer;
+ De zegen Gods dale op uw vlakten neer,
+ Waar zich de roos in wonderpracht ontplooit,
+ Waar anemoon en tulp de heuvlen tooit,
+ Waar 't groenend veld in eeuwgen feestdos prijkt,
+ De lentelucht voor koû noch hitte wijkt,
+ De nachtegaal in 't loof der wouden zingt,
+ De hinde langs den rug der bergen springt,
+ De lucht steeds klaar is en het leven zoet,
+ Waar alles zwemt in geur en kleurengloed,
+ Waar rozenwater stroomt door beek en vliet,
+ En weelde en wellust in de zielen giet;--
+ Daar groeit de bonte tulp in elk seizoen: [303]
+ Daar slingert, tusschen nooit verwelkend groen,
+ De zilvren vloed zich voort; daar is de jacht
+ Nooit vruchteloos en toont de valk zijn kracht.
+ Daar schittert alles. Louter goud is daar
+ Het hoofdsieraad der achtbre priesterschaar.
+ De grooten spreiden er hun glans ten toon
+ In gouden borstborduursels, rijk en schoon.
+ Wie dáar den toegang zich geweigerd ziet,
+ Die kent het waar geluk des levens niet." [304]
+
+
+»En Kai Kawoes luisterde naar de woorden van den Diw, die in de
+gestalte van een zanger tot hem gekomen was en trok naar Masenderan,
+alwaar hij door de Diws geslagen en van zijn gezicht beroofd werd."
+
+»Maar," viel Darius in, »Rustem, de groote held kwam, en sloeg den
+Erscheng en de andere booze geesten, en bevrijdde den gevangene, en gaf
+den blinde het gezicht weder, door hem het bloed der gedoode Diws in de
+oogen te druppelen. Evenzoo zal het ons gaan vrienden! Wij gevangenen
+zullen bevrijd, Cambyzes en onzen met blindheid geslagen vaders zullen
+de oogen geopend worden, zoodat zij onze onschuld erkennen. Hoor
+eens, Bischen, wanneer wij toch ter dood gebracht worden, ga dan tot
+de magiërs, de Chaldeërs en den Egyptenaar Nebenchari, en zeg hun,
+dat zij nimmermeer naar de sterren moeten opzien, want dat Darius ze
+heeft leeren kennen als leugenaars en bedriegers."
+
+»Ik heb het altijd wel gezegd," viel Araspes hem in de rede, »dat
+slechts droomen ons de toekomst kunnen onthullen. Voordat Abradat
+in den slag voor de muren van Sardes viel, zag de onvergelijkelijke
+Panthea in den droom, hoe hij door een Lydischen pijl doorboord werd."
+
+»Gruwzaam mensch!" riep Zopyrus. »Moet gij er ons aan herinneren,
+dat het vrij wat schooner is op het slagveld te sterven, dan met den
+hals in een strop?"
+
+»Gij hebt volkomen gelijk!" antwoordde de oude; »ik heb menigeen zien
+sterven, wiens dood mij verreweg verkieselijker voorkwam dan de onze,
+ja, dan het leven zelfs. Ach, kinderen, daar zijn veel betere tijden
+geweest, dan de tegenwoordige."
+
+»Vertel ons iets uit die dagen!"
+
+»Verhaal ons, waarom gij nooit gehuwd zijt geweest. In de andere
+wereld zal het u niet schaden, zoo wij soms uw geheim openbaar maken."
+
+»Ik heb geene geheimen; want hetgeen gij wilt, dat ik u verhalen zal,
+kan ieder uwer vaders u mededeelen. Luistert dan!--Toen ik jong was,
+vermaakte ik mij met de vrouwen, maar dreef den spot met de liefde. Nu
+wilde het toeval dat Panthea, de schoonste van alle vrouwen, in onze
+handen viel. Cyrus stelde mij tot haar bewaker aan, omdat ik mij
+meermalen beroemd had een onkwetsbaar hart te hebben. Ik zag Panthea
+dagelijks, en, mijne vrienden, ik deed de ervaring op, dat de liefde
+sterker is dan onze wilskracht. Zij wees mijne aanzoeken af, bewoog
+Cyrus mij uit hare nabijheid te verwijderen, en een verbond te sluiten
+met haar echtgenoot Abradat. De trouwe, edele vrouw tooide daarna
+haar gade, toen hij ten strijde toog, met al wat zij kostbaars had,
+en zeide, dat hij de deugd van Cyrus, die haar als gevangene gelijk
+eene zuster behandeld had, slechts met zelfopofferende vriendschap en
+de grootste dapperheid vergelden kon. Abradat dacht gelijk zijne vrouw,
+streed als een leeuw voor Cyrus, en viel. Bij zijn lijk doodde Panthea
+zich zelve. Toen hare dienaren dit vernamen, maakten ook zij, bij het
+graf der schoonste meesteres, een einde aan hun leven. Cyrus beweende
+het edele paar, en liet te hunner eere een lijksteen oprichten,
+die tot op den huidigen dag bij Sardes te zien is. Slechts deze
+eenvoudige woorden zijn er op vermeld: 'Aan Panthea, aan Abradat,
+en aan de trouwsten van alle dienaren!'--Ziet, kinderen, wie eenmaal
+zulk een vrouw bemind heeft, kan voorzeker nimmermeer aan een andere
+denken." [305]
+
+De jonge helden hadden den grijsaard zwijgend aangehoord en
+bewaarden, nog lang nadat hij had opgehouden met spreken, het
+stilzwijgen. Eindelijk hief Bartja de handen ten hemel, en riep:
+»O, groote Aoeramazda! Waarom laat gij mij dit leven niet besluiten
+als Abradat; waarom moeten wij als moordenaars een schandelijken
+dood sterven?"
+
+Op dit oogenblik trad Cresus, door zweepdragers geleid, met geketende
+handen, in den kerker. De vrienden snelden den grijsaard tegemoet,
+en bestormden hem met vragen. Gyges wierp zich aan de borst van zijn
+vader, en Bartja naderde den door hem zoo hooggeschatten man met
+geopende armen.
+
+Het anders zoo opgeruimd gelaat van den grijsaard was somber en streng;
+zijne heldere, zachte oogen stonden dof en bijkans dreigend. Met eene
+koele, gebiedende beweging van zijne hand wees hij den koningszoon
+terug, en zeide met bevende en verwijtende stem: »Raak mij niet
+aan, verblinde knaap! Gij zijt de liefde niet waard, die ik u tot
+op heden toedroeg. Trouweloos zonder wedergade, hebt gij uw broeder
+bedrogen, uwe vrienden verleid, het arme kind, dat in Naucratis naar
+u smacht, verraden, en het hart van de ongelukkige dochter van Amasis
+vergiftigd."
+
+Aanvankelijk luisterde Bartja bedaard en lijdzaam toe; toen echter
+Cresus het woord »bedrogen" uitsprak, balde hij zijne vuisten, en
+stampvoetende riep hij op woesten toon: »Uwe jaren, uwe zwakheid en
+de groote verplichting die ik aan u heb, beschermen u, oude; anders
+ware deze uwe hoonende taal uw laatste woord geweest!"
+
+Cresus hoorde deze uitbarsting van rechtmatigen toorn gelaten aan,
+en antwoordde: »Cambyzes en gij zijt van één bloed; dit bewijst
+uwe dwaze opvliegendheid. Het ware u echter beter, zoo gij berouw
+toondet over uwe euveldaden; zoo ge mij, uw leermeester en vriend,
+om vergeving wildet bidden, en niet nog de ondankbaarheid voegdet
+bij uwe trouweloosheid."
+
+Deze woorden deden den toorn van den beleedigden jongeling een weinig
+bedaren. Zijne gebalde vuisten zonken krachteloos neder en zijne
+wangen werden doodsbleek.
+
+Aan deze schijnbare teekenen van berouw kon het zachtmoedige hart
+van den ouden man geen weerstand bieden. Zijne liefde was sterk
+genoeg, dat zij zoowel den schuldigen, als den onschuldigen Bartja
+kon omvatten. Hij sloeg zijn arm om 's jongelings hals, en vroeg hem,
+gelijk eene moeder haar kind vraagt, als zij op het dierbare gelaat
+de sporen van lijden meent op te merken: »Beken mij toch, mijn lieve,
+arme zoon, hoe was het mogelijk, dat uw rein hart zich zoo snel aan
+den booze overgaf?"
+
+Bartja hoorde deze woorden huiverend aan. Zijn aangezicht kleurde
+zich wederom vuurrood, en zijne ziel werd met wrevel vervuld. Voor de
+eerste maal in zijn leven gaf hij het geloof aan de rechtvaardigheid
+der goden prijs. Hij noemde zichzelven het slachtoffer van een wreed,
+onverbiddelijk noodlot. Hij gevoelde hetzelfde, wat het onschuldige
+gejaagde wild moet ondervinden, als het nederstort en het rumoer van
+het naderen der honden en jagers verneemt. Zijn teeder gemoed was
+nog zoo kinderlijk gestemd, dat hij niet wist hoe zich onder deze
+eerste ernstige slagen van het lot te gedragen. Men was er wel op
+bedacht geweest zijn lichaam en zijn moed voor den strijd met aardsche
+vijanden te harden en te ontwikkelen, maar zijne opvoeders hadden
+hem, evenmin als zijn broeder geleerd, de slagen van het lot af te
+weren. Want Cambyzes en Bartja schenen toch slechts bestemd te zijn,
+om uit den beker van het geluk en der vreugde te drinken.
+
+Zopyrus kon de diepe neerslachtigheid van zijn vriend niet langer
+aanzien. Toornig voerde hij den grijsaard tegen, dat hij hard
+en onrechtvaardig was. Gyges zag zijn vader smeekend aan. Araspes
+plaatste zich tusschen den bestraffenden grijsaard en den gekrenkten
+jongeling. Doch Darius, die een tijd lang al de aanwezigen peinzend
+had gadegeslagen, trad met kalm overleg op Cresus toe, en zeide:
+»Gij kwetst en beleedigt elkaar, zonder dat de beschuldigde schijnt
+te weten, wat men hem ten laste legt, en zonder dat de rechter zijne
+verdediging aanhoort. Ik bid u Cresus, deel ons mede ter wille van de
+vriendschap die ons tot heden toe aan elkander verbond, wat u toch
+bewogen heeft Bartja, aan wiens onschuld gij nog zoo kort geleden
+geloofdet, zoo hard te veroordeelen."
+
+De grijsaard voldeed aan dit verlangen, en verhaalde dat hij een
+eigenhandigen brief van de Egyptische gelezen had, waarin zij Bartja
+hare liefde belijdt, en tot eene geheime samenkomst uitnoodigt. Zijne
+eigene oogen, het getuigenis der eerste mannen in het rijk, ja zelfs
+de voor het huis van Nitetis gevonden dolk, dat alles had hem niet van
+de schuld van zijn lieveling kunnen overtuigen. Maar die brief was als
+een brandende fakkel in zijn hart geworpen, om het laatste overschot
+van zijn geloof aan deugd en vrouwelijke reinheid te verteren.
+
+»Ik verliet den koning," zoo besloot hij, »vast en zeker overtuigd van
+de werkelijkheid eener misdadige verbintenis tusschen uw vriend en de
+Egyptische, wier hart ik tot nu toe voor den spiegel hield van al wat
+goed is en schoon. Kunt ge het mij euvel duiden, dat ik hem berisp,
+die dezen helderen spiegel en de niet minder vlekkelooze reinheid
+van zijne eigene ziel zoo schandelijk bezoedelde?"
+
+»Hoe zal ik u mijne onschuld toch bewijzen?" riep Bartja, de
+handen wringende. »Zoo gij mij liefhadt, zoudt gij mijne woorden
+gelooven. Waart gij mij slechts genegen...."
+
+»Knaap! om uw leven te redden, heb ik weinige oogenblikken geleden
+het mijne verspeeld. Toen ik vernam, dat Cambyzes werkelijk bevel had
+gegeven tot uwe terechtstelling, spoedde ik mij tot hem, bestormde hem
+met beden, en had de vermetelheid, ziende dat mijn smeeken ijdel was,
+den billijk vertoornden man bittere verwijten te doen. Maar op eens
+scheurde het dunne weefsel van zijn geduld, en opstuivende gebood hij
+den trawanten mij onmiddellijk het hoofd voor de voeten te leggen. De
+overste der zweepdragers, Giw, nam mij in hechtenis, doch schonk
+mij tot morgen het leven. Hij heeft verplichting aan mij, en zal de
+opschorting van het vonnis wel geheim weten te houden. Het verblijdt
+mij intusschen, mijne zonen, dat ik u niet behoef te overleven en dat
+ik onschuldig sterf. Mocht ik dit laatste ook van u kunnen getuigen!"
+
+Deze woorden verwekten eene nieuwe uitbarsting van de zijde der
+verdachten.
+
+Alleen Darius bleef andermaal kalm en bedaard, te midden der algemeene
+onstuimigheid. Hij verhaalde den grijsaard opnieuw, op welke wijze zij
+te zamen den avond hadden doorgebracht, en bewees daardoor nogmaals
+de onmogelijkheid van Bartja's schuld. Daarop eischte hij dat Bartja,
+dien Cresus van trouweloosheid had beschuldigd, zelf zou spreken. Deze
+ontkende zoo stellig en zoo beslissend, dat hij ooit eene samenkomst
+met Nitetis zou hebben gehad, en bekrachtigde zijne verklaring met
+zulk een duren eed, dat de overtuiging van Cresus begon te wankelen,
+en hij ten laatste in het geheel geen geloof meer sloeg aan al de
+tegen den jongeren zoon van Cyrus ingebrachte beschuldigingen. Toen
+Bartja zweeg, zuchtte de oude man diep, als was zijne borst van een
+zwaren last ontheven, en hij sloot den jongeling in zijne armen.
+
+Hoe zich de vrienden nu verder ook inspanden om het voorgevallene te
+verklaren, hun peinzen en gissen bleef zonder vrucht. Hierin waren
+allen het eens, dat Nitetis Bartja beminde, en den brief met booze
+bedoelingen geschreven had.
+
+»Wie haar gezien heeft," riep Darius uit,--»op het oogenblik dat
+Cambyzes den gasten mededeelde, dat Bartja zich eene vrouw had gekozen,
+kan niet langer aan haar hartstocht voor hem twijfelen. Toen zij den
+beker liet vallen, hoorde ik den vader van Phaedime reeds zeggen:
+de Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde
+harer zwagers."
+
+Gedurende dit gesprek was de zon boven de kim gerezen, en wierp haar
+helder, vriendelijk licht in het verblijf der gevangenen.
+
+»Mithra wil ons het scheiden moeilijk maken," mompelde Bartja.
+
+»Neen," sprak Cresus, »hij licht ons slechts vriendelijk voor in
+de eeuwigheid."
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Nitetis, de onschuldige oorzaak van al deze treurige verwikkelingen,
+had, sinds den geboortedag van den koning, onbeschrijfelijk smartelijke
+uren doorleefd. Na de harde woorden, waarmede Cambyzes de arme
+jonkvrouw de deur der zaal had gewezen, wijl haar onverklaarbaar
+gedrag zijn ijverzucht had opgewekt, was niet de minste tijding
+van haar toornigen geliefde, van zijne moeder of zuster tot haar
+gekomen. Sedert zij te Babylon aankwam, was zij iederen dag gedurende
+eenige uren met Cassandane en Atossa samengeweest. Toen zij zich tot
+de eerwaardige weduwe wilde doen brengen, om deze hare zonderlinge
+houding te verklaren, verbood Candaules, haar nieuwe bewaker haar, in
+weinige niet zeer eerbiedige bewoordingen, het huis te verlaten. Tot
+dusverre had zij zich gevleid, dat eene vrijmoedige openbaring van wat
+zij uit den brief harer moeder had vernomen, alle misverstand uit den
+weg zou ruimen. In hare verbeelding zag zij Cambyzes reeds, berouw
+gevoelende over zijne dwaze ijverzucht, haar om vergeving biddende
+en de hand reikende. Eindelijk kwam er een weinig opgeruimdheid in
+hare ziel, als zij zich een woord te binnen bracht, eens uit den
+mond van Ibycus opgevangen: »Gelijk een krachtig man veel heviger
+dan een zwak mensch door de koorts wordt aangetast, zoo oefent de
+ijverzucht ook grooteren invloed uit op een waarlijk beminnend hart,
+dan op een, dat slechts door oogenblikkelijken hartstocht in verrukking
+is gebracht." Had de groote kenner der liefde de waarheid gesproken,
+dan moest Cambyzes, wiens ijverzucht zoo snel en zoo heftig ontvlamd
+was, haar wel vurig liefhebben.
+
+Maar te midden dezer gedachten, die haar weder eenige hoop gaven,
+mengden zich voortdurend andere droeve herinneringen aan het land
+harer geboorte en duistere vermoedens, voor welke zij haar hart niet
+vermocht te sluiten. Toen de middagzon het aardrijk met hare gloeiende
+stralen verzengde, en er nog altijd geene boodschap van hem, dien
+zij beminde, tot haar werd gebracht, werd zij door eene koortsachtige
+onrust overvallen, die van oogenblik tot oogenblik haar meer benauwde,
+naarmate de nacht zijne schaduwen begon uit te breiden. Toen het begon
+te schemeren, trad Boges in haar vertrek, en verhaalde haar in de
+grievendste en beleedigendste bewoordingen, dat de koning in het bezit
+was van haar brief aan Bartja, en dat de tuinmansjongen, die dezen
+had moeten bezorgen, ter dood gebracht was. Hare gemartelde zenuwen
+waren niet sterk genoeg dezen nieuwen schok te weerstaan. Alvorens
+Boges haar verliet, had hij de bewustelooze in haar bijzonder vertrek
+moeten dragen, hetwelk hij zorgvuldig van buiten had gesloten.
+
+Weinige minuten later klommen twee mannen, een jongeling en een oude
+man, door de valdeur, die Boges twee dagen te voren zoo nauwkeurig
+had onderzocht. De oude hield zich dicht aan den muur van het huis,
+en bleef daar staan, terwijl de jongeling den wenk van eene uit
+het venster wuivende hand volgde, en in de kamer sprong. Er werden
+ettelijke verzekeringen van liefde en de namen Gaumata en Mandane
+zacht gefluisterd, tal van kussen gewisseld en beloften van trouw
+vernieuwd. Eindelijk klapte de oude in de handen. De jongeling gaf
+onmiddellijk aan dit afgesproken teeken gehoor. Na de dienstmaagd
+van Nitetis nog eenmaal omarmd te hebben, sprong hij wederom door het
+venster in den tuin, liep haastig voort in de richting van de plek waar
+de Achaemeniden zich bevonden, die toen juist de blauwe lelie kwamen
+bewonderen, vloog deze rakelings voorbij, sloop met zijn geleider
+door de opengelatene valdeur en sloot deze zorgvuldig boven zich dicht.
+
+Mandane spoedde zich nu naar het vertrek, waar hare gebiedster gewoon
+was den avond door te brengen. Zij kende hare gewoonten, en wist, dat
+zij alle avonden bij het opkomen der sterren nederzat aan het venster,
+dat op den Euphraat uitzag, om van daar uren achtereen in den stroom
+en over de vlakte te staren, terwijl zij de dienstjuffers, wier hulp
+zij dan niet noodig had, de vrijheid liet dien tijd naar welgevallen
+te besteden. Aldus had zij, zonder van deze zijde voor ontdekking te
+vreezen te hebben, en door den overste der eunuchen zelven beschermd,
+haar minnaar rustig kunnen verbeiden.
+
+Nauw had zij hare gebiedster in haren bewusteloozen toestand gevonden,
+of zij hoorde hoe de tuin met menschen werd gevuld, hoe mannen en
+eunuchen verward dooreenschreeuwden, en hoe de trompetten werden
+gestoken om de wachters te verzamelen. In den beginne beefde zij voor
+haar geliefde, vreezende dat hij ontdekt mocht zijn. Toen Boges echter
+verscheen, en haar toefluisterde: »Hij is gelukkig ontkomen!" beval
+zij de dienstmaagden welke uit het vrouwenverblijf, waar zij dezen
+ter wille harer afgesproken samenkomst bevolen had te blijven,
+in menigte kwamen aanloopen, de Egyptische in haar slaapvertrek
+te dragen. Daarop wendde Mandane alle mogelijke middelen aan, om
+Nitetis weder bij te brengen. En deze had nog ternauwernood de oogen
+opgeslagen, toen Boges binnentrad en de twee eunuchen, die hem volgden,
+beval de teedere armen van Nitetis te ketenen.
+
+Onmachtig om een woord uit te brengen, liet Nitetis de mannen begaan;
+ja, zij dacht er zelfs niet aan iets te antwoorden, toen Boges haar
+bij het verlaten van het vertrek toeriep: »Moge het u in uw kooitje
+goed bevallen, mijn vogeltje! Zoo even heeft men uw heer het bericht
+gebracht, dat zich een koningsmarter in zijne duiventil is komen
+vermaken. Het ga u goed! Wees er den armen geplaagden Boges dankbaar
+voor, als bij deze hitte de vochtige aarde u een weinigje zal afkoelen,
+of misschien wel zeer koud maken. Ja, mijn duifje, in den dood leert
+men zijne ware vrienden kennen; daarom zal ik u niet in een zak van
+grof linnen, maar in een laken van zachte zijde doen begraven. Leef
+gelukkig, mijn hartediefje!"
+
+De zwaarbeproefde vrouw hoorde deze woorden sidderend aan. Nadat de
+eunuch zich verwijderd had, bad zij Mandane haar het voorgevallene
+op te helderen. Overeenkomstig den raad, door Boges haar gegeven,
+verhaalde Mandane haar, dat Bartja in de hangende tuinen was geslopen,
+en door verscheidene Achaemeniden was opgemerkt, juist op het oogenblik
+dat hij door een venster wilde klimmen. Men had den koning kennis
+gegeven van het door zijn broeder gepleegde verraad, en vreesde nu
+het ergste van 's vorsten ijverzucht. Het lichtzinnige meisje stortte
+onder dit verhaal een vloed van tranen van bitter berouw, die een
+balsem waren voor hare niets kwaads vermoedende meesteres, wijl deze
+ze beschouwde als een bewijs van hare oprechte liefde en deelneming.
+
+Toen Mandane zweeg, zag Nitetis in doffe wanhoop op hare ketenen neder,
+en er verliep een geruime tijd, eer zij zich eene tamelijk heldere
+voorstelling van haar toestand kon maken. Zij las den brief van
+hare moeder nog eens over, schreef op een briefje de enkele woorden:
+»ik ben onschuldig," beval hare snikkende kamerjuffer na haren dood
+beide aan de moeder van den koning te overhandigen, en doorwaakte
+daarna een nacht, waarop geen dag meer scheen te zullen volgen. In
+haar zalvenkastje was een middel ter verfraaiing van de huid, dat,
+gelijk zij wist, den dood ten gevolge had, wanneer men er eene zekere
+hoeveelheid van innam. Dit vergift liet zij zich brengen, en met
+kalm overleg nam zij het besluit zichzelve het leven te benemen,
+zoodra de beul tot haar mocht komen. Van nu af verheugde zij er
+zich over, zoo spoedig te zullen sterven, en zeide tot zichzelve:
+»Hij doodt u wel, maar hij doodt u uit liefde." Eindelijk kwam zij
+op de gedachte hem een brief te schrijven, en hem daarin den omvang
+en de diepte harer liefde te openbaren. Eerst na haren dood zou hij
+dit schrijven ontvangen, opdat hij niet zou gelooven, dat zij het
+gedaan had om haar leven te redden. De hoop, dat de onbuigzaam sterke
+man dezen laatsten groet misschien met zijne tranen zou bevochtigen,
+vervulde hare ziel met eene weemoedige vreugde.
+
+In weerwil van hare zware ketenen, schreef zij dus de volgende
+woorden: »Cambyzes zal dezen brief eerst dan, wanneer ik niet meer
+zijn zal, ontvangen. Dit schrijven strekt om mijn vorst te doen
+weten, dat ik hem vuriger liefheb dan de goden, dan de wereld, ja,
+dan mijn eigen jeugdig leven. Cassandane en Atossa mogen mij in
+liefde blijven gedenken! Uit den brief van mijne moeder zullen zij
+vernemen dat ik onschuldig ben, en Bartja alleen ter wille mijner
+arme zuster verlangde te spreken. Boges heeft mij gezegd, dat mijn
+dood onherroepelijk besloten is. Zoodra de beul nadert, zal ik zelve
+een eind aan mijn leven maken. Ik bega eene misdaad aan mij zelve,
+om u, Cambyzes, voor eene verachtelijke daad te bewaren."
+
+Dit schrijven stelde zij, met den brief van hare moeder in de handen
+van de snikkende Mandane, met verzoek beide aan Cambyzes te doen
+toekomen, wanneer zij niet meer onder de levenden zou zijn. Vervolgens
+wierp zij zich op de knieën, verhief het hart tot de goden van haar
+vaderland, en smeekte dezen om vergiffenis voor haren afval.
+
+Toen Mandane haar aanmaande om toch aan hare zwakte te denken, en toch
+wat rust te nemen, antwoordde zij: »Ik behoef niet meer te slapen,
+want ik heb nog maar korten tijd te waken!"
+
+Hoe langer zij bad en de oude Egyptische hymnen zong, des te inniger
+wijdde zij zich weder met haar gansche hart aan de goden van haar land,
+die zij, na zoo korten strijd, verloochend had. Bijna al de gebeden,
+die zij kende, hadden betrekking op het leven na den dood. In het rijk
+van Osiris, de onderwereld, waar de twee en veertig doodenrechters de
+waarde of onwaarde der ziel, nadat deze door de godin der waarheid en
+den hemelschrijver Thoth zou zijn gewogen, moesten beoordeelen, durfde
+zij hopen hare dierbaren weer te zullen zien, indien ten minste hare
+ongerechtvaardigde ziel niet den tocht door de lichamen der dieren
+moest aanvaarden, indien ten minste haar lichaam, de woning van hare
+ziel, behouden mocht blijven [306]. Dit »indien ten minste" bracht
+haar in eene koortsachtige onrust. De leer, dat het geluk van de ziel
+afhankelijk was van het behouden blijven van 's menschen stoffelijk
+overblijfsel, was haar van kindsbeen ingeprent. Zij stond vast in
+dezelfde overtuiging, die pyramiden had gebouwd en rotsen tot graven
+uitgehold. Zij beefde, zoo vaak zij er aan dacht, hoe haar lijk volgens
+Perzisch gebruik, aan honden, roofvogels en de vernielende machten
+der natuur prijsgegeven, en daarmede aan hare ziel alle hoop op het
+eeuwige leven ontnomen zou worden. Ook kwam de gedachte bij haar op
+om andermaal de oude goden te verloochenen, en zich voor de nieuwe
+geesten des lichts neder te werpen. Deze toch gaven het gestorven
+lichaam terug aan de elementen, waaruit het gevormd was, en hielden
+slechts gericht over de ziel van den overledene. Doch toen zij hare
+handen tot de groote zon ophief, die zoo even met hare gouden stralen
+de in het dal van den Euphraat hangende nevelen verdreven had, toen
+zij wilde beginnen met zich tot Mithra te verheffen en liederen te
+zingen, die zij pas had aangeleerd, begaf haar de stem, en in plaats
+van Mithra, zag zij in het gesternte van den dag den god, dien zij in
+Egypte zoo menigmaal geprezen en gedankt had, den grooten Ra Harmachis,
+en in plaats van de hymne der magiërs, zong zij het lied, waarmede
+de Egyptische priesters de opkomende zon plachten te begroeten:
+
+
+ "U, hoogverheven Ra, zij lof gebracht,
+ U, hemeltelg, verheft ons staamlend lied,
+ Dien elke dag door eigen scheppingskracht
+ Verjeugdigd en vernieuwd, herrijzen ziet.
+
+ "U prijst ons hart. Gij schiept het schepslenheir,
+ Zoover 't azuren vlak des hemels strekt,
+ O bron des lichts, die uit het blauwe meir,
+ Daar boven zegen stort, en leven wekt!
+
+ "Gij koestert en gij waakt. Uw stralenkrans
+ Roept vreugde en hoop in 't onbevlekt gemoed,
+ Zoo dikwijls Ge aan den ongemeten trans
+ Uw kreitsloop aflegt met gewiekten voet.
+
+ "Zoo roepen mensch en goden blij te moê,
+ O hemeltelg! u 't welkom, welkom toe [307]."
+
+
+Haar hart putte rijken troost uit dit gezang. Met vochtige oogen zag
+zij, terwijl zij zich hare kindsheid weder voor den geest bracht,
+in het licht der rijzende zon, welker stralen haar oog nog niet
+verblindden. Dan liet zij haren blik over de vlakte weiden. Daar
+kabbelde de Euphraat met zijne geelachtige golven, die haar deed
+denken aan den geliefden Nijl. Evenals langs den reuzenstroom in haar
+vaderland, vertoonden zich ook hier talrijke dorpen, te midden van
+rijke korenvelden en vijgenboschjes. Naar het westen strekte zich
+de diergaarde des konings, met hare hooge cypressen en noteboomen,
+mijlen ver uit. Op ieder blad, op elken halm fonkelde de dauw, en
+in de boschjes en struiken van den door haar bewoonden tuin lieten
+tallooze vogels hunne liefelijke stemmen hooren. Daar verhief zich
+een zacht koeltje, dat zoete rozengeuren tot haar voerde, en met de
+kronen der palmen speelde, die langs de oevers van den stroom en op
+alle akkers in de rondte, in eene ontelbare menigte verrezen. Dikwerf
+had zij deze schoone boomen bewonderd, dikwerf had zij ze met
+danseressen vergeleken, wanneer de wind hunne zware kronen aangreep,
+en hunne slanke stammen nu naar deze dan naar gene zijde overboog. Hoe
+menigmaal had zij niet tot zichzelve gezegd: hier moet het vaderland
+zijn van den Phoenix [308], den vogel uit het palmenland, die, gelijk
+de priesters verhaalden, om de vijfhonderd jaar naar den tempel van Ra
+te Heliopolis kwam, waar hij zich in heilige wierookvlammen verbrandde,
+om weder schooner uit zijne asch te verrijzen, en na drie dagen naar
+zijn vaderland in het Oosten terug te keeren. En terwijl zij aan
+dezen vogel dacht, en de wensch bij haar opkwam, evenals deze vogel,
+uit de vernedering van het ongeluk tot een nieuw en schooner geluk
+op te staan, vloog uit de cypressen, die de woning van hem, dien
+zij liefhad en die haar zoo miskend had, voor haar oog verborgen,
+een groote vogel met schitterende vederen op, die hooger en hooger
+steeg, en zich ten laatste op een palmboom op kleinen afstand van
+haar venster neerzette. Zulk een vogel had zij nog nooit gezien, en
+het kon ook geene alledaagsche verschijning wezen, want een gouden
+kettinkje hing aan zijn poot, en zijn staart bestond niet uit vederen,
+althans naar zij meende, maar uit zonnestralen. Het was Benno [309],
+de vogel van Ra. In deze godsdienstige stemming zonk zij andermaal
+op de knieën en zong het oude Phoenix-lied, terwijl zij inmiddels
+den blik niet afwendde van den prachtigen luchtbewoner:
+
+
+ "Ik roei door den ether, ik spreid aan den trans
+ Mijn kleuren ten toon, in haar vlekloozen glans.
+ Die dank ik den Schepper; zijn glorie en macht
+ Straalt af op mijn kleed, dat in rijkdom en pracht
+ Het bloementapijt evenaart, dat in Mei
+ Den akker bedekt en de grazige wei,
+ Of het blinkend gewaad, dat de godheid omgeeft,
+ Wier eeuwige hoede de wereld omzweeft;
+ 't Is kunstig geweven, 't is heerlijk gemaakt,
+ Als het kleed van den god, die de wolken bewaakt [310]."
+
+
+Het met golvende vederen versierde kopje met de verstandige oogjes
+nieuwsgierig her- en derwaarts bewegende, luisterde de vogel naar
+dit gezang. Zoodra het geëindigd was vloog hij weg. Nitetis zag den
+gewaanden Phoenix, een paradijsvogel, die het kettinkje gebroken had,
+waarmede hij aan een boom van de diergaarde bevestigd was geweest,
+met vriendelijken blik na. Zij was zoo wonderbaar te moede. Vertrouwen
+op redding daalde in haar hart, daar zij geloofde dat de god Ra zijn
+vogel tot haar gezonden had, welks gestalte zij als gezaligde geest
+zou aannemen. Zoolang men nog wenscht en hoopt, kan men veel smart
+dragen; en komt het geluk niet, dan blijft toch de verwachting er
+van in ons levend, en met deze het zoet gevoel, dat tot het wezen
+van het geluk behoort. Deze stemming is op zichzelve voldoende, om
+eene soort van genot te schenken, dat ons de werkelijkheid kan doen
+vergeten. Met vernieuwde hoop legde Nitetis zich, afgemat als zij was,
+op den divan neder, en viel weldra tegen haar wil, zonder het vergif te
+hebben aangeraakt, in een diepen door geene droomen verontrusten slaap.
+
+Ongelukkigen, die den nacht doorweenen, stort de opgaande zon
+gewoonlijk troost in 't harte, terwijl dezelfde zon met haar rein
+licht in den regel voor de schuldigen, die de duisternis zoeken, eene
+onwelkome verschijning is. Terwijl Nitetis sliep, waakte Mandane,
+gekweld door het vreeselijke knagen van haar geweten. Hoe gaarne zou
+zij de zon, die hare meesteres door hare schuld den dood zou brengen,
+teruggehouden en van nu af in een eeuwigen nacht geleefd hebben,
+indien zij daardoor hare den vorigen dag gepleegde daden ongedaan
+had kunnen maken. Het goede maar lichtzinnige schepsel hield niet op,
+zichzelve eene verachtelijke moordenares te noemen. Honderdmaal nam
+zij zich voor, alles overeenkomstig de waarheid te bekennen en Nitetis
+te redden; maar telkens behaalden de begeerte om te blijven leven en
+de vrees voor den dood de zege over haar zwak hart. Beleed zij, wat
+zij gedaan had, dan was haar dood zeker, en het leven was haar nog zoo
+lief, het graf was haar zulk een gruwel, zij hoopte nog zooveel van de
+aarde! Had zij slechts eene levenslange gevangenschap te vreezen gehad,
+dan zou zij misschien voor de waarheid zijn uitgekomen; maar sterven,
+neen, sterven kon zij niet! En buitendien, zou de veroordeelde
+door hare bekentenis te redden zijn? Had zij zelve dan niet den
+ongelukkigen tuinmansjongen met een brief voor Bartja belast? Deze
+geheime briefwisseling was ontdekt geworden, en dus zou Nitetis,
+ook zonder hare medewerking, toch verloren zijn geweest! Nooit zijn
+wij verstandiger en listiger, dan wanneer het er op aankomt het door
+ons gepleegde onrecht in ons eigen oog te vergoelijken.
+
+Toen de zon opging, knielde Mandane bitter weenende neder voor den
+divan, waarop hare meesteres rustte, en kon maar niet begrijpen,
+hoe deze zoo gerust kon slapen.
+
+
+
+Ook Boges, de eunuch, had een slapeloozen, maar toch een
+allergelukkigsten nacht gehad. Zijn plaatsvervanger en ambtgenoot
+Candaules, dien hij met zijne gansche ziel haatte, was om zijne
+onachtzaamheid, ja misschien wel omdat hij zich had laten omkoopen,
+op bevel des konings op staanden voet ter dood gebracht, en Nitetis
+was niet alleen in ongenade gevallen, maar zelfs tot een smadelijken
+dood veroordeeld. De invloed der koningin-moeder was aanmerkelijk
+minder geworden. Maar vooral verheugde hij zich over zijne eigene
+slimheid, in de zekerheid dat zijn ontwerp volkomen gelukt was, en in
+de hoop weldra weder, door zijn lieveling Phaedime, de alvermogende
+gunsteling van voorheen te zullen worden. Het over Cresus en de jonge
+helden uitgesproken doodvonnis was hem niet minder welkom geweest;
+want waren zij in het leven gebleven, dan had eene ontdekking van
+zijne duivelsche listen niet onder de onmogelijkheden behoord. De
+dag begon reeds aan te breken, toen hij het vertrek van den koning
+verliet, om zich naar Phaedime te begeven.
+
+De trotsche Perzische had zich nog niet ter rust begeven. In
+koortsachtig ongeduld verbeidde zij den eunuch, want reeds was
+de mare van het voorgevallene in het vrouwenverblijf en tot hare
+ooren doorgedrongen. Slechts in een dun zijden hemd gekleed, en met
+gele pantoffels, die van turkooizen en parelen schitterden, aan de
+voeten, lag zij, door een twintigtal dienstmaagden omgeven, op den
+purperen divan in hare kleedkamer. Zoodra zij Boges hoorde naderen,
+zond zij hare slavinnen weg, sprong overeind en liep hem te gemoet,
+hem overstelpende met een vloed van onsamenhangende vragen, die alle
+betrekking hadden op hare vijandin Nitetis.
+
+»Bedaar, mijn duifje!" zeide Boges, zijne vleezige hand op haar
+schouder leggende. »Bedaar! Zoo gij niet doodstil en zonder te
+vragen mijn verslag kunt aanhooren, verneemt gij heden geen enkel
+woord. Ja, mijne gouden koningin, ik heb u zooveel te zeggen, dat
+ik niet voor morgen gedaan zou hebben, als ik u toestond mij naar
+hartelust in de rede te vallen. Ach, mijn lammetje, ik heb heden nog
+zooveel te doen! Vooreerst een Egyptischen ezelrit bij te wonen, ten
+tweede getuige te zijn van eene Egyptische terechtstelling.... Maar
+ik loop mij zelven vooruit, en wil van het begin af alles ordelijk
+verhalen. Gij moogt weenen, lachen, ja juichen van blijdschap, zooveel
+gij wilt; maar vragen is u verboden, totdat ik aan het einde ben.--Ja,
+deze liefkoozing heb ik wel verdiend!--Zoo, nu lig ik goed en kan
+beginnen.--Daar leefde in Perzië een groot koning, die vele vrouwen
+had, van welke hij Phaedime het meest beminde, en boven al de anderen
+stelde. Maar op zekeren dag kwam hij op den inval, de hand van de
+dochter des konings Amasis van Egypte te vragen. Dus vaardigde hij
+een groot gezantschap naar Saïs af, met zijn eigen broeder, als zijn
+zaakgelastigde...."
+
+»Altemaal dwaasheid!" riep Phaedime, van ongeduld overmeesterd. »Ik
+wil weten wat er heden is voorgevallen."
+
+»Geduld, geduld, mijn onstuimige Ader-wind [311]! Zoo gij mij nog
+eenmaal in de rede valt, dan ga ik heen en vertel aan de boomen mijne
+geschiedenis. Gun mij toch de vreugde de laatste maanden nog eens in
+den geest te doorleven. Terwijl ik verhaal, voel ik me zoo recht wel
+te moede, als een beeldhouwer, die den hamer uit zijne hand heeft
+gelegd, en nu zijn voltooid werk beschouwt."
+
+»Neen, neen," begon Phaedime nogmaals, »ik kan thans niet aanhooren,
+wat ik al lang weet. Ik sterf van ongeduld. Sedert uren wacht ik hier
+in de vreeselijkste spanning. Elk nieuw gerucht, dat door den mond van
+slavinnen en eunuchen tot mij kwam, deed mijn ongeduld stijgen. Ik heb
+de koorts van verlangen en kan niet langer wachten. Begeer van mij,
+wat gij wilt, maar verlos mij uit deze ontzettende spanning. Later
+wil ik, zoo gij dat wenscht, dagen achtereen naar u luisteren."
+
+Boges glimlachte vergenoegd, en zeide, zich in de handen wrijvende:
+»Reeds als kind kende ik geen heerlijker vermaak, dan een aan den
+hengel spartelend vischje gade te slaan. Thans hangt gij, de schoonste
+goudkarper dien mijne oogen ooit zagen, aan mijn snoer, en ik kan u
+niet loslaten, voordat ik mij aan uw ongeduld verzadigd heb."
+
+Phaedime sprong nu van het rustbed op, dat zij met Boges had
+gedeeld, stampte met den voet en ging te keer als een kind, dat om
+de vervulling van zijn wensch dwingt. Den eunuch scheen haar woeden
+en razen ontzaglijk te vermaken, want hij wreef zich onophoudelijk
+de handen, lachte dat hem de tranen langs de bolle wangen biggelden,
+en ledigde verscheidene bekers wijn op de gezondheid der gemartelde
+schoone, alvorens hij op deze wijze zijn verslag vervolgde: »Het was
+voor mij niet geheim gebleven, dat Cambyzes zijn broeder Bartja, die de
+Egyptische hierheen had geleid, enkel en alleen uit ijverzucht tegen de
+Tapoeren zond. Doch de hoogmoedige vrouw, wie ik niets bevelen mocht,
+scheen naar mij docht, even weinig aan den schoonen knaap te denken,
+als een Jood aan varkensvleesch, of een Egyptenaar aan witte boonen
+[312]. Desniettemin besloot ik de ijverzucht van den koning aan te
+wakkeren, door de onbeschaamde, wie het scheen te zullen gelukken
+ons beiden uit de gunst van Cambyzes te verdringen, onschadelijk te
+maken. Maar ik zocht lang tevergeefs naar een deugdelijk plan.
+
+»Toen eindelijk het nieuwjaarsfeest [313] daar was, verzamelden zich
+alle priesters uit het rijk te Babylon. Acht dagen lang was de stad
+het tooneel van gejuich, maaltijden en drinkgelagen. Ook aan het hof
+was het een lustig leventje, en ik had weinig tijd, om over mijne
+plannen te peinzen. Doch daar deed de goedgunstige Amescha Çpenta mij,
+juist toen ik het allerminst uitzicht had op welslagen, een jongeling
+ontmoeten, dien Angramainjus zelf voor mijne plannen scheen te hebben
+geschapen. Gaumata, de broeder van Oropastes, was naar Babylon gekomen,
+om het groote nieuwjaarsoffer bij te wonen. Toen ik den jongeling voor
+de eerste maal zag bij zijn broeder, wien ik eene boodschap van den
+koning moest overbrengen, meende ik een geestverschijning te zien,
+zoo volmaakt geleek hij op Bartja. Nadat ik mijne zaken met Oropastes
+had afgehandeld, geleidde de knaap mij naar mijn wagen. Ik liet hem
+niets van mijne verbazing blijken, overlaadde hem met beleefdheden,
+en verzocht hem dringend, mij een bezoek te komen brengen. Denzelfden
+avond klopte hij aan mijne deur. Ik liet den besten wijn opzetten,
+spoorde hem tot drinken aan, en deed bij vernieuwing de ervaring op,
+dat de voortreffelijkste eigenschap van het druivensap deze is, dat het
+den minst spraakzame aan het praten brengt. In zijn roes bekende de
+jongeling, dat hij niet om het offer, maar ter wille van een meisje,
+dat de betrekking van eerste kamerjuffer bij de Egyptische bekleedde,
+naar Babylon was gekomen. Hij beminde haar van zijne kindsheid af,
+zeide hij, maar zijn eerzuchtige broeder had hoogere plannen met hem
+voor, en wist de schoone Mandane, alleen om die twee te scheiden, eene
+plaats bij de nieuwe gemalin van den koning te bezorgen. Eindelijk
+verzocht hij mij dringend, hem in de gelegenheid te stellen zijne
+liefste te spreken. Ik hoorde hem bedaard aan, opperde een tal van
+bezwaren, en verzocht hem ten slotte zich den volgenden dag nogmaals
+bij mij aan te melden. Hij kwam. Ik zeide dat zich alles schikken zou,
+indien hij beloofde mijne bevelen blindelings te volgen. Hij maakte
+natuurlijk geene zwarigheid, reisde dadelijk op mijn verzoek naar
+Rhagae terug, en kwam eerst eergisteren heimelijk binnen Babylon,
+als wanneer ik hem in mijn huis eene schuilplaats bezorgde.
+
+»Intusschen was Bartja uit den strijd teruggekeerd. Nu kwam het er
+op aan de ijverzucht van den koning opnieuw te doen ontbranden, en de
+Egyptische met een enkelen slag te doen vallen. Door uwe vernedering
+wekte ik den wrevel uwer bloedverwanten jegens de Egyptische op en
+maakte verder alle toebereidselen tot de groote onderneming. Het lot
+was mij bijzonder gunstig. Gij weet hoe, geheel buiten mijn toedoen,
+bij gelegenheid van den feestmaaltijd, Nitetis zich aanstelde. Maar gij
+weet niet, dat zij dienzelfden avond een tuinmansjongen met een brief
+tot Bartja in den koningsburcht zond. De onhandige bode liet zich
+betrappen, en werd in dien eigen nacht, op bevel van den woedenden
+koning, een hoofd kleiner gemaakt. Ik droeg intusschen zorg, dat
+Nitetis zoo geheel van alle gemeenschap met hare vrienden verstoken
+bleef, dat zij als in het nest van den Simurg [314] leefde. Het
+overige weet gij!"
+
+»Maar hoe ontkwam Gaumata?"
+
+»Door eene mij alleen bekende valdeur, die den vluchteling opeens aan
+alle verdere nasporingen onttrok. Alles is uitnemend in zijn werk
+gegaan; zelfs was het mij gelukt een dolk van Bartja, dien hij op
+de jacht verloren had, in handen te krijgen, en ongemerkt onder het
+venster van Nitetis te leggen. Om den prins te verwijderen, en hem te
+beletten op het beslissend oogenblik bij den koning of in gezelschap
+van andere invloedrijke getuigen te zijn, had ik den Griekschen koopman
+Colaeus, die tegenwoordig te Babylon Milesische lakens verkoopt, en
+veel voor mij overheeft, wijl ik hem al de voor het vrouwenverblijf
+benoodigde wollen stoffen laat leveren, verzocht, een brief in de
+Grieksche taal te schrijven, die Bartja namens zijne beminde, die
+Sappho heet, uitnoodigde, zich geheel alleen, op het tijdstip van
+het opkomen der Tistar-ster, aan de eerste pleisterplaats buiten
+de Euphraat-poort te laten vinden. Doch met dien brief liep het mij
+tegen, want de bode, die met de bezorging er van belast was, kweet
+zich slecht van zijne taak. Wel beweert hij, dat hij den brief aan
+Bartja zelven heeft ter hand gesteld, maar daar is geen twijfel aan,
+dat hij hem aan iemand anders, waarschijnlijk aan Gaumata, bezorgd
+heeft. Ik ontstelde hevig, toen ik vernam dat Bartja 's avonds met
+zijne vrienden onder een beker wijn te zamen was geweest. Maar het
+gebeurde kon niet ongedaan worden gemaakt, en getuigenissen als
+die van uw vader, Hystaspes, Cresus en Intaphernes wogen rijkelijk
+op tegen de verklaringen van Darius, Gyges en Araspes. Hier sprak
+men tegen, daar vóor den vriend. Ten slotte kwam toch alles best
+in orde. De jonge heeren zijn ter dood veroordeeld, en Cresus, die
+zich als altijd aanmatigde den koning onbeschaamde dingen te zeggen,
+zal zijn laatste uurtje reeds achter den rug hebben. Met betrekking
+tot de Egyptische heeft de opperschrijver zoo even het volgende stuk
+moeten opstellen. Hoor maar eens, mijn duifje, en wees blijde!
+
+
+ 'Nitetis, de overspelige dochter van den koning van
+ Egypte, zal, tot straf voor hare schanddaden, volgens al
+ de gestrengheid der wet worden terechtgesteld, en wel op de
+ volgende wijze: Men plaatse haar schrijdelings op een ezel,
+ en voere haar door de straten der stad, opdat het volk van
+ Babylon erkenne, dat Cambyzes de dochter van een koning even
+ streng weet te tuchtigen, als zijne rechters de geringste
+ bedelaars straffen. Na het ondergaan der zon zal de snoode
+ levend begraven worden.--Dit bevel wordt den overste der
+ eunuchen, Boges, ter uitvoering in handen gesteld.
+
+ De opperschrijver Ariabignes, op last van den koning Cambyzes.'
+
+
+»Nauwelijks had ik dit geschrift in mijne mouwen geborgen, toen de
+moeder van den koning, door Atossa geleid, met gescheurde kleederen
+de zaal binnenvloog.--Aan huilen, schreien, verwijtingen, vloeken,
+beden en bezweringen geen gebrek! Maar de koning was onvermurwbaar,
+en ik geloof waarlijk, dat Cassandane en Atossa, Cresus en Bartja naar
+de andere wereld zouden zijn nagezonden, indien niet de vrees voor de
+schim van zijn vader den zoon had weerhouden, de hand te slaan aan
+de weduwe van Cyrus. Althans van woede stond hem het schuim om den
+mond.--Ten gunste van Nitetis verspilde Cassandane overigens geen
+enkel woord. Zij schijnt, even als wij, ten volle overtuigd te zijn
+van hare schuld.--Den verliefden Gaumata hebben wij ook niet meer te
+vreezen, want ik heb drie mannen gehuurd, die hem, als hij naar Rhagae
+terugkeert, een koel bad in de golven van den Euphraat zullen doen
+nemen. De visschen en wormen zullen vroolijke dagen hebben, ha, ha!"
+
+Phaedime stemde van ganscher harte in met dit gelach, overstelpte
+den eunuch met de vleiendste namen, die zij van hem geleerd had, en
+zich te dezer stonde herinnerde, en hing hem eene zware gouden keten,
+met kostbare edelgesteenten bezet, als bewijs harer dankbaarheid om
+den hals.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De tijding van hetgeen er voorgevallen en op handen was scheen,
+eer de zon hare middaghoogte bereikt had, reeds tot in de armste
+hutten van Babylon doorgedrongen te zijn. De straten waren opgevuld
+met menschen, die het zeldzame schouwspel dat de terechtstelling
+der trouwlooze gemalin des konings zou aanbieden, met ongeduld
+verbeidden. De zweepdragers hadden de handen meer dan vol met het in
+bedwang houden der elk oogenblik aangroeiende menigte. Toen zich later
+het gerucht verbreidde van de op handen zijnde terechtstelling van
+Bartja en zijne vrienden, openbaarde zich de belangstelling van het
+volk, dat nog dronken was van den palmwijn, die op het geboortefeest
+van den koning en de daaropvolgende dagen zoo mild had gevloeid, en
+dus zijne opgewondenheid bezwaarlijk meester was, op gansch andere
+wijze. Beschonkene mannen schoolden samen en trokken de straten door,
+roepende: »Bartja, de goede zoon van Cyrus, zal vermoord worden!" De
+vrouwen, die in hare afgelegene vertrekken waren neergezeten,
+vernamen nauw dien kreet, of ze ontvloden hare bewakers, en volgden,
+terwijl zij in drift zelfs hare sluiers vergaten, huilende de mannen,
+wier brooddronkenheid met ieder oogenblik toenam. De vreugde over
+de aanstaande vernedering eener, boven zoo vele andere, schoone en
+bevoorrechte zuster, maakte plaats voor deernis met het lot van den
+beminden jongeling. Mannen, vrouwen, kinderen schreeuwden, vloekten,
+raasden en tierden, elkander onophoudelijk aanhitsende tot betoogingen,
+die meer en meer een onrustbarend karakter aannamen. Alle werkplaatsen
+liepen ledig; de kooplieden sloten hunne kelders, en de schoolknapen
+en dienstbaren, die bij het geboortefeest van den koning gewoonlijk
+acht dagen vacantie hadden, maakten van hunne vrijheid gebruik,
+om hunne stemmen te oefenen, door boven allen uit te gillen, of
+luidkeels te jammeren, meerendeels zonder te weten, waarom toch
+zooveel misbaar werd gemaakt. Eindelijk werd het rumoer zóo groot,
+dat de macht en het gezag der zweepdragers te kort schoten om de rust
+te herstellen, en eene afdeeling van de lijfwacht moest oprukken,
+teneinde de straten schoon te vegen. Zoodra het volk de glinsterende
+wapenrustingen en lange lansen gewaarwerd, week het terug, bezette
+de zijstraten, en rotte opnieuw samen als de soldaten voorbij waren.
+
+Bij de zoogenaamde Bel-poort, waar de groote weg een aanvang nam,
+die naar het westen voerde, was het gedrang het grootst, daar het volk
+vernomen had dat de Egyptische door deze poort, die zij eenige maanden
+geleden met zooveel luister was binnengetrokken, op eene smadelijke
+wijze de stad zou worden uitgevoerd. Zoo was dan ook te dezer plaatse
+eene sterke bende zweepdragers geposteerd, wier plicht was ruimte
+te maken voor de voetgangers, die door de poort moesten. Doch heden
+verlieten slechts weinige inwoners de stad, want de nieuwsgierigheid
+was sterker dan de drang der zaken, of het verlangen om zich buiten
+te gaan ontspannen. Die echter van buiten kwamen, hoopten zich bijna
+allen bij de poort op, toen zij vernamen welk belangwekkend schouwspel
+door die woelige menschenmassa's verwacht werd.
+
+Reeds stond de zon hoog aan den hemel, en moest het nog maar enkele
+uren duren, alvorens de ezelrit van Nitetis een aanvang zou nemen,
+toen een reisgezelschap, bestaande uit eene zoogenaamde harmamaxa,
+die met vier paarden bespannen was, een tweewielige kar en een met
+muildieren bespannen goederenwagen, in vliegende vaart de poort
+naderde. In het eerste voertuig zaten een schoon aanzienlijk man van
+omtrent vijftig jaren, in Perzische hofkleeding, en een grijsaard
+in een lang wit gewaad, terwijl onderscheidene slaven in eenvoudige
+hemden, met breedgerande vilten hoeden en zeer kort afgeschoren haar in
+de kar hadden plaats genomen. Naast deze laatste reed een oud man, in
+de kleeding van een Perzisch dienstknecht. De menner van het vierspan
+kon niet dan met de grootste moeite door de opeengepakte menigte voor
+zijne, met kwasten en klokjes behangene paarden ruim baan maken! Dicht
+voor de poort gaf hij den moed op en riep eenige zweepdragers ter
+hulp. »Maak plaats!" schreeuwde hij een hoofdman der politiebeambten
+toe, die met zijn volk tot bij het voertuig doordrong. »De koninklijke
+post heeft geen tijd te verliezen, en ik heb een voornaam heer in
+den wagen, die u voor iedere minuut uitstel zwaar zou doen boeten!"
+
+»Bedaar, mijn vriend!" antwoordde de hoofdman. »Gij ziet wel, dat het
+vandaag gemakkelijker gaat, de stad uit, dan er in te komen. Wie is
+die voorname heer?"
+
+»Iemand, die een vrijpas van den koning bezit. Kom, maak ons nu
+spoedig plaats!"
+
+»Hm! Het gevolg ziet er niet bijzonder koninklijk uit!"
+
+»Dat gaat u niet aan! De vrijpas...."
+
+»Dien moet ik zien, alvorens ik u in de stad kan laten."
+
+Deze waarschuwing richtte hij half tot den reiziger, dien hij
+aandachtig en wantrouwend opnam, half tot den koetsier.
+
+Terwijl de man die het Perzisch gewaad droeg in de mouwen van zijn
+kleed naar den vrijpas zocht, wendde zich de zweepdrager tot een zijner
+makkers, en zeide, op het onbeduidende gevolg wijzende: »Hebt gij
+ooit zulk een wonderlijken stoet gezien? Mijn naam zal niet Giw zijn,
+als deze vreemde snaken niet iets bijzonders in het schild voeren. De
+minste tapijtlegger van den koning reist met viermaal grooter gevolg
+dan deze kerel, die een vrijpas bezit, en de kleeding van 's konings
+dischgenooten draagt."
+
+Thans overhandigde de verdachte persoon hem een, naar muscus riekend,
+zijden rolletje, waarop 's konings zegel en eenige schrijfteekens
+zichtbaar waren.
+
+De zweepdrager nam het aan, en onderzocht het zegel. »Dit is in orde,"
+mompelde hij. Daarop begon hij het schrift te ontcijferen. Maar
+nauw was hij daarmede begonnen, of hij zag den reiziger scherp in de
+oogen, en riep: »Nadert mannen, omsingelt den wagen: deze man is een
+bedrieger!"--te gelijk de paarden bij de teugels grijpende.
+
+Nadat hij zich overtuigd had, dat de vreemdeling niet ontsnappen kon,
+naderde hij hem andermaal en zeide: »Gij toont een vrijpas, die u niet
+toebehoort: Gyges, de zoon van Cresus, voor wien gij u uitgeeft, zit
+in de gevangenis, en zal nog heden terechtgesteld worden. Gij gelijkt
+volstrekt niet op hem, en het zal u berouwen onder een valschen naam
+hier te zijn gekomen. Stijg uit en volg mij."
+
+De reiziger gehoorzaamde niet aan dit bevel, maar verzocht den hoofdman
+in gebroken Perzisch, zich naast hem in den wagen te zetten, daar
+hij hem belangrijke zaken had mede te deelen. Een oogenblik aarzelde
+de beambte; toen hij echter zag, dat eene nieuwe bende zweepdragers
+aanrukte, wenkte hij deze voor de van ongeduld trappelende paarden
+te blijven staan, en klom toen in de harmamaxa.
+
+De vreemdeling zag den hoofdman glimlachend aan, en vroeg: »Zie ik
+er uit als een bedrieger?"
+
+»Neen, want schoon uwe spraak verraadt, dat gij geen Pers zijt,
+zoo hebt gij toch geheel het voorkomen van een edelman."
+
+»Ik ben een Helleen, en hierheen gekomen, om Cambyzes een grooten
+dienst te bewijzen. Gyges, die mijn vriend is, leende mij, toen hij in
+Egypte was, zijn pas, voor het geval dat ik naar Perzië mocht willen
+komen. Ik ben bereid mij zelven voor den koning te rechtvaardigen, en
+heb niets te vreezen; integendeel zal de koning mij hoogst dankbaar
+zijn voor de berichten, die ik hem breng. Laat mij, als uw plicht
+zulks gebiedt, zonder uitstel tot Cresus brengen; deze zal borg voor
+mij blijven, en u uwe lieden, die gij heden hoog noodig schijnt te
+hebben, aanstonds terugzenden. Verdeel deze goudstukken onder hen,
+en zeg met een paar woorden wat mijn arme vriend Gyges misdaan heeft,
+en wat deze verbazende volksoploop beduidt."
+
+De vreemdeling had wel in gebroken Perzisch, maar met zulk eene
+waardigheid en overtuiging gesproken, en zijn geschenk was zóo rijk
+geweest, dat de dienaar, die gewoon was voor tyrannen te bukken en te
+kruipen, tegenover een vorst meende te zitten, zijne armen eerbiedig
+kruiste, verschooning vroeg voor zijne onheuschheid van zoo even,
+en in korte woorden begon te verhalen wat er gaande was. Hij had
+in den afgeloopen nacht, gedurende het verhoor in de groote zaal de
+wacht gehad, en kon dus den vreemdeling van het voorgevallene tamelijk
+nauwkeurig mededeeling doen. De Griek hoorde den man in groote spanning
+aan. Meermalen, vooral toen er sprake was van de ontrouw van Amasis'
+dochter en van den zoon van Cyrus, schudde hij ongeloovig het hoofd. De
+gevelde doodvonnissen, vooral dat van Cresus, schenen hem diep te
+treffen. Maar de droeve trek verdween allengs van zijn levendig gelaat;
+ja, nadat hij eene wijle had nagedacht, nam het zelfs eene vroolijke
+uitdrukking aan, waaruit was op te maken, dat zijn overleg tot eenig
+goed resultaat had geleid. Op eenmaal begon hij hartelijk te lachen,
+sloeg zich met de vlakke hand op het hooggewelfde voorhoofd, vatte met
+de linker de hand van den verbaasden hoofdman, drukte die, en zeide:
+
+»Zou het u verblijden, als Bartja kon worden gered?"
+
+»Onuitsprekelijk!"
+
+»Welnu, dan beloof ik u plechtig dat gij ten minste twee talenten
+[315] zult ontvangen, als gij mij in de gelegenheid stelt den koning te
+spreken, voordat het eerste der doodvonnissen voltrokken is geworden."
+
+»Maar, hoe zou ik, een arm hoofdman...."
+
+»Gij moet, gij moet."
+
+»Ik kan niet!"
+
+»Ik weet wel, dat het voor een vreemdeling moeilijk, ja, bijkans
+onmogelijk is, een gehoor bij uw gebieder te erlangen; maar mijne
+boodschap duldt geen uitstel, want ik kan de onschuld van Bartja
+en zijne vrienden bewijzen. Hoort gij, dat kan ik! Gelooft gij nu,
+dat ge mij helpen moet?"
+
+»Maar, hoe zou het mogelijk zijn?"
+
+»Vraag niet, maar handel!--Zeidet gij niet, dat ook Darius tot de
+veroordeelden behoort?"
+
+»Ja!"
+
+»Ik heb gehoord, dat zijn vader een zeer aanzienlijk persoon is."
+
+»Hij is de eerste in het rijk, na de kinderen van Cyrus."
+
+»Breng mij dan tot hem. Hij zal mij vriendelijk ontvangen, als hij
+verneemt, dat ik het in mijn macht heb zijn zoon te redden."
+
+»Wonderlijke vreemdeling! Uit uwe woorden spreekt zulk eene hoopvolle
+zekerheid, dat ik..."
+
+»Dat gij mij gerust kunt vertrouwen. Zorg nu maar gezwind, dat uw
+volk ons door het gedrang helpt, opdat wij spoedig het paleis mogen
+bereiken."
+
+Na den twijfel is er niets, dat zich schielijker verbreidt, dan de
+hoop op de vervulling van een vurigen wensch, vooral wanneer die
+hoop ons met volle overtuiging wordt voorgespiegeld. De hoofdman der
+zweepdragers stelde opeens een onbeperkt vertrouwen in den zonderlingen
+reiziger, sprong, zijn geesel zwaaiende, uit den wagen, en riep zijne
+onderhoorigen toe: »Deze edele heer is gekomen, om Bartja's onschuld
+te bewijzen, en moet aanstonds voor den koning gebracht worden. Volgt
+mij vrienden, en maakt ons plaats!"
+
+Op dit oogenblik verscheen juist eene afdeeling van de lijfwacht
+te paard. De hoofdman snelde op den aanvoerder toe, en bad hem,
+ondersteund door het geroep der menigte, die reeds begreep wat de
+bedoeling was, den vreemdeling naar het paleis te geleiden. Inmiddels
+besteeg de reiziger het paard van zijn knecht en volgde de Perzen,
+die hem ruim baan maakten.
+
+Snel als de wind verbreidde zich de heuglijke tijding door de
+reusachtige stad. Hoe verder de ruiters kwamen, des te gewilliger
+scheidden zich de volksdrommen, des te luider verhief zich het
+gejuich der menigte, zoodat de rit van den vreemdeling ten laatste
+een zegetocht geleek. Na weinige minuten hielden de ruiters voor
+de poort van het paleis stil. Nog waren hun de metalen deuren niet
+geopend, toen een tweede stoet opdaagde. Aan het hoofd van dezen reed
+langzaam de grijze Hystaspes, in bruine, gescheurde rouwkleederen,
+op een blauwgeverfd paard, welks staart en manen afgeschoren waren. De
+grijsaard was gekomen, om den koning genade voor zijn zoon te smeeken.
+
+Nauwelijks werd de hoofdman der zweepdragers den edelen grijsaard
+gewaar, of hij wierp zich vol vreugde voor zijn paard neder, en
+deelde hem, met de armen op de borst gekruist, mede, welke hoop de
+vreemdeling in hem had doen ontwaken. Hystaspes wenkte den reiziger,
+die zich op zijn paard bevallig voor hem boog, en liet zich door dezen
+de verklaring van den zweepdrager bevestigen. Ook in zijn hart werd
+de hoop weder levend. Hij verzocht den vreemdeling hem te volgen,
+voerde hem binnen het paleis en verlangde van den opperstafdrager,
+dat hij hem voor den koning zou brengen. Hij gebood den Griek zoolang
+aan de deur van 's konings vertrek te wachten.
+
+Cambyzes lag, op het oogenblik dat zijn grijze bloedverwant
+binnentrad, doodsbleek op zijn purperen divan uitgestrekt. Aan
+zijne voeten knielde een schenker, die bezig was met de scherven
+op te rapen van een kostbaren glazen bokaal, dien de koning, wijl
+de hem daarin geboden drank niet smaakte, ongeduldig op den grond
+had geworpen. Eene menigte hofbeambten omgaven hun vertoornden
+gebieder op eerbiedigen afstand. Het was allen aan te zien, dat zij
+de opbruisende drift van den vorst vreesden, en zich liefst zoo ver
+mogelijk van hem verwijderd hielden. Eene ademlooze stilte heerschte in
+de uitgestrekte zaal, door welker geopende vensters het verblindende
+licht en de drukkende hitte van een Babylonischen Mei-dag naar binnen
+stroomden. Een groote hond, van edel Epirotisch ras, was de eenige,
+die het waagde de diepe stilte af te breken. Cambyzes had met een
+forschen schop het hem liefkoozende dier afgewezen, dat nu een kermend
+gehuil aanhief. Voordat de stafdrager Hystaspes binnenleidde, was de
+koning van zijn divan afgesprongen. Hij kon de vadsige rust niet meer
+verdragen; hij dreigde van smart en woede te stikken. Het gehuil van
+den hond deed aanstonds eene gedachte opkomen in zijn afgemarteld,
+naar vergetelheid smachtend brein.
+
+»Op de jacht!" brulde hij, overeindspringende, zijne ontstelde
+hovelingen toe.
+
+De jagermeesters, stalmeesters en de opperbewaker der honden spoedden
+zich voort, om het bevel van hun heer ten uitvoer te leggen,
+die hun nog toeriep: »Ik wil den ontembaren hengst Reksch [316]
+bestijgen. Brengt de valken in gereedheid, laat al de honden los,
+ontbiedt een ieder die de speer kan voeren! Wij zullen de diergaarde
+eens terdege opruimen!"
+
+Als hadden deze weinige woorden zijn geweldig lichaam geheel
+uitgeput, zoo viel hij opnieuw op den divan neder. Hij bemerkte
+niet, dat Hystaspes was binnengekomen; zijne sombere blikken volgden
+onafgebroken het vroolijk spel der stofjes in de door het venster
+vallende zonnestralen. De vader van Darius durfde den vertoornden
+vorst niet aanspreken. Om 's konings aandacht op zich te vestigen,
+ging hij voor het venster staan, zoodat zijne schaduw de breede
+lichtstraal verdeelde.
+
+Cambyzes sloeg eerst een toornigen, daarna een smartelijken blik op
+dien man in zijne gescheurde kleeding, en vroeg: »Wat wilt ge? Waarom
+knielt ge?"
+
+»Heil zij den koning! Uw arme dienaar en oom is gekomen, om de genade
+van zijn heer in te roepen!"
+
+»Sta op en verwijder u! Gij weet, dat ik voor meineedigen en valsche
+getuigen geene genade ken. Beter is het een dooden, dan een eerloozen
+zoon te hebben."
+
+»Maar als Bartja eens onschuldig ware, en Darius...."
+
+»Gij vermeet u mijne uitspraak te bedillen?"
+
+»Dat zij verre. Wat de koning doet is goed, en duldt geene tegenspraak;
+maar...."
+
+»Zwijg! Ik wil niet, dat men deze zaak opnieuw aanroere. Gij zijt
+als vader te beklagen, maar mij hebben de laatste uren ook geene
+vreugde gebracht. Ik heb medelijden met u, grijsaard, maar ik mag
+het vonnis van uw zoon niet intrekken, evenmin als gij het bedreven
+kwaad ongedaan kunt maken."
+
+»Maar zoo Bartja toch eens onschuldig ware. Wanneer de goden...."
+
+»Meent gij, dat de geesten des hemels bedriegers en meineedigen
+ondersteunen?"
+
+»Neen, mijn koning! Maar een nieuwe getuige heeft zich opgedaan,
+die...."
+
+»Een nieuwe getuige? Voorwaar, ik zou gaarne de helft van mijn rijk
+geven, als ik overtuigd kon worden van de onschuld van zoo velen,
+die aan mijn huis zoo nauw verwant zijn!"
+
+»Heil zij mijn heer, het oog des rijks! Buiten toeft een Helleen,
+naar zijne gestalte en houding te oordeelen, een der edelsten van
+zijn stam. Deze beweert de onschuld van Bartja te kunnen bewijzen."
+
+De koning hernam met een bitteren lach: »Een Helleen! Wellicht een
+bloedverwant van de schoone, die Bartja voorgaf zoo hartstochtelijk
+te beminnen? Wat zou deze vreemdeling van de aangelegenheden van
+mijn huis weten? Maar ik ken die Ionische hongerlijders, vermetel
+en schaamteloos mengen zij zich in alles, en meenen ons met hunne
+listigheid om den tuin te kunnen leiden. Hoeveel hebt gij, oom,
+voor dezen nieuwen getuige betaald? De Grieken zijn even mild met
+leugens, als de magiërs met zegenspreuken, en ik weet zeer goed,
+dat zij voor goud tot alles in staat zijn. Ik ben nieuwsgierig uw
+nieuwen getuige te zien. Roep hem! Maar als hij mij bedriegen wil,
+laat hem dan blijven waar hij is, en bedenken dat, waar het hoofd van
+een zoon van Cyrus valt, het op de koppen van duizend Grieken niet
+aankomt!"--Bij deze woorden fonkelde 's konings oog opnieuw van toorn;
+Hystaspes antwoordde niets, maar liet den Helleen roepen.
+
+Alvorens deze binnentrad, bonden de stafdragers een doek voor zijn
+mond, en zeiden hem, dat hij zich voor den koning moest nederwerpen. De
+Griek trad in eene ongedwongene, edele houding naar den vorst toe,
+die met zijn bliksemend oog tot op den bodem zijner ziel scheen te
+willen doordringen, en wierp zich, overeenkomstig Perzisch gebruik,
+voor hem neder en kuste den grond.
+
+Het innemend gelaat en de fiere gestalte van den vreemdeling, die
+zijn blik rustig en met bescheidenheid beantwoordde, scheen een
+gunstigen indruk op den koning te maken; althans hij liet hem niet
+lang in zijne slaafsche houding, en vroeg hem, op vrij minzamen toon:
+
+»Wie zijt gij?"
+
+»Ik ben een Grieksch edelman, mijn naam is Phanes, mijne vaderstad
+Athene. Tien jaren lang heb ik, als krijgsoverste en aanvoerder der
+Grieksche soldaten, in dienst van Amasis niet zonder roem gestreden."
+
+»Zijt gij dezelfde, die de Egyptenaren de overwinning op Cyprus
+deed behalen?"
+
+»Dezelfde."
+
+»Wat voert u naar Perzië?"
+
+»De roem van uw naam, o Cambyzes, en de begeerte, mijn zwaard en
+mijne ondervinding aan u ten dienst te stellen."
+
+»Verder niets? Wees oprecht, en bedenk, dat een enkele leugen u het
+leven kan kosten. Wij Perzen, hebben andere begrippen van de waarheid,
+dan gij, Hellenen!"
+
+»Ook ik haat de leugen, al ware het alleen omdat zij de schoonheid van
+'s menschen karakter misvormt."
+
+»Welnu, spreek dan!"
+
+»Gij hebt gelijk, o koning, er bestaat nog eene derde oorzaak, om
+welke ik naar Perzië kwam, en deze zal ik u ook later doen kennen. Zij
+betreft iets ongemeen belangrijks, tot de bespreking waarvan wij
+echter veel tijd noodig hebben; heden echter..."
+
+»Juist heden wil ik gaarne iets nieuws hooren. Vergezel mij op de
+jacht! Gij komt, als waart gij geroepen, want nooit had ik grootere
+behoefte aan afleiding dan thans."
+
+»Ik zal u gaarne vergezellen, wanneer gij...."
+
+»Men stelt den koning geen voorwaarden! Zijt gij bedreven in de jacht?"
+
+»Ik heb menigen leeuw in de Lybische woestijn gedood."
+
+»Volg mij dan!"
+
+Bij de gedachte aan het jachtvermaak scheen de koning zijne uitputting
+geheel te boven te zijn, en reeds wilde hij de zaal verlaten, toen
+Hystaspes zich andermaal aan zijne voeten wierp, en met opgehevene
+handen uitriep: »Moet mijn zoon, moet uw broeder dan onschuldig
+sterven? Bij de ziel uws vaders, die mij zijn trouwsten vriend placht
+te noemen, bezweer ik u, dezen edelen vreemdeling aan te hooren!"
+
+Cambyzes bleef staan. Hij fronste het voorhoofd, zijne stem klonk
+dreigend en hol, en zijne oogen schoten vuur, toen hij den Griek
+toeriep, terwijl hij zijne hand tegen hem ophief: »Zeg wat gij
+weet! Maar bedenk, dat gij met het eerste leugenachtige woord uw
+eigen doodvonnis uitspreekt!"
+
+Phanes hoorde deze dreigende woorden met de grootste kalmte aan,
+en antwoordde, met eene bevallige buiging: »Voor de zon en voor mijn
+koning kan niets verborgen blijven. Hoe zou een arm sterveling voor
+den almachtige de waarheid kunnen bedekken? De edele Hystaspes zegt,
+dat ik stellig de onschuld van uw broeder zal bewijzen; ik kan echter
+slechts hopen en wenschen dat ik dit groote doel bereiken moge. Dit
+is zeker, dat de goden mij een spoor hebben doen ontdekken, waardoor
+'t mij mogelijk schijnt een geheel nieuw licht over de gebeurtenissen
+van gisteren te verspreiden. Oordeel zelf of mijne hoop zoo geheel
+ijdel is, en of ik mij met een droombeeld gevleid heb. Maar bedenk
+steeds, dat het mijn oprecht verlangen was u te dienen, en dat mijne
+dwaling, gesteld dat ik mij bedrogen heb, zeer vergeeflijk is. Bedenk,
+dat er niets zekers op de wereld is, en dat een ieder geneigd is dat,
+wat hij waarschijnlijk acht, ontwijfelbaar zeker te noemen."
+
+»Gij spreekt goed, en uwe woorden doen mij denken
+aan... Vervloekt! Spreek, en maak het kort! Reeds verneem ik het
+gebas der honden in het voorhof."
+
+»Ik bevond mij nog in Egypte, toen uw gezantschap daar aankwam om
+Nitetis af te halen. In het huis mijner voortreffelijke, beroemde
+landgenoote en vriendin Rhodopis maakte ik kennis met Cresus en zijn
+zoon, terwijl ik uw broeder en zijne vrienden slechts vluchtig mocht
+ontmoeten. Desniettemin bleef mij de herinnering aan het schoone gelaat
+van den koninklijken jongeling zeer levendig bij; want toen ik later
+te Samos de werkplaats van den grooten beeldhouwer Theodorus bezocht,
+herkende ik dadelijk zijne trekken...."
+
+»Hebt gij hem dan op Samos ontmoet?"
+
+»Neen, maar Theodorus had aan het hoofd van een zonnegod, dien de
+Alkmaeoniden voor den nieuwen tempel te Delphi bij hem besteld hadden,
+de gelaatstrekken van uw broeder gegeven, die hij vast in zijn geheugen
+had geprent."
+
+»Het begin van uw verhaal is reeds niet zeer geloofwaardig. Hoe was
+het mogelijk, de trekken van een gelaat, dat men niet vóor zich heeft,
+zoo trouw weer te geven!"
+
+»Theodorus heeft dit meesterstuk volbracht, en zoo gij zijne
+kunstvaardigheid op de proef wilt stellen, zal hij u met genoegen
+een tweede beeltenis van uw broeder...."
+
+»Ik begeer die niet. Ga voort!"
+
+»Op mijne reis herwaarts, die ik, dank zij de voortreffelijke
+maatregelen uws vaders, in ongelooflijk korten tijd heb gedaan,
+daar ik bij iedere vierde mijl van paarden wisselde...."
+
+»Wie heeft u vrijheid gegeven, als vreemdeling, van de postpaarden
+gebruik te maken?"
+
+»De voor den zoon van Cresus opgestelde pas, die toevallig in mijn
+bezit kwam, toen Gyges, om mijn leven te redden, mij dwong, zijne
+kleederen met de mijne te verwisselen."
+
+»Een Lydiër bedriegt den vos, een Syriër den Lydiër; maar een Ioniër
+beiden," zeide de koning zacht, terwijl er voor de eerste maal weer
+een glimlach om zijne lippen speelde. »Cresus verhaalde mij deze
+geschiedenis.--Arme Cresus!" Bij deze woorden trok er wederom een
+wolk over Cambyzes' gelaat, en zijne hand beproefde de rimpels op
+zijn voorhoofd glad te strijken.
+
+De Athener ging intusschen voort: »Zonder eenige ontmoeting vervolgde
+ik mijne reis, tot ik hedenmorgen, in het eerste uur na middernacht,
+door een vreemdsoortig voorval werd opgehouden...."
+
+De koning luisterde reeds met meerdere opmerkzaamheid, en drong den
+Athener, die het Perzisch niet zeer vlug sprak, wat voort te maken.
+
+»Wij waren," ging Phanes met zijn verhaal voort, »tusschen het
+laatste en voorlaatste posthuis Babylon genaderd, en hoopten reeds
+vóor het opgaan der zon de stad te zullen bereiken. Ik dacht aan
+mijn veelbewogen verleden, en mijn droeve, door de herinnering aan
+ongewrokene beleedigingen gekwelde ziel vond geene rust, terwijl de
+Egyptische grijsaard aan mijne zijde, door het eentonig geluid der
+tegen het paardentuig bengelende klokjes, den gestadigen hoefslag
+der paarden en het ruischen van den stroom slaperig geworden,
+aan mijne zijde zachtkens ingedommeld was. De nacht was boven alle
+beschrijving schoon en stil. De maan goot haar licht over den weg uit,
+en vereenigde haar schijnsel met het flikkeren der tallooze sterren,
+om het vreedzaam landschap in al zijne schoonheid voor mijn bewonderend
+oog te ontsluieren. Sinds een uur hadden wij geen enkel voertuig,
+geen enkelen ruiter gezien. De geheele bevolking uit de omstreken van
+Babylon was, gelijk wij later vernamen, naar de stad getrokken om,
+bij gelegenheid van uw geboortefeest, de pracht van uwe hofhouding te
+aanschouwen en in uwe milde gaven te deelen. Op eens echter trof het
+geluid van een onregelmatigen hoefslag en het geklingel van klokjes
+mijn oor, en weinige oogenblikken later hoorde ik duidelijk om hulp
+roepen. Mijn besluit was aanstonds genomen. Ik verzocht den Perzischen
+dienaar, die mij te paard begeleidde, af te stijgen, wierp mij in
+den zadel, beval den voerman van de kar, waarop mijne slaven zaten,
+de muildieren niet te ontzien, maakte mijn dolk en mijn zwaard los, gaf
+mijn ros de sporen, en rende naar de plaats van waar het hulpgeschrei,
+dat ieder oogenblik luider werd, tot mij kwam. Nog geene minuut later
+was ik getuige van een ontzettend tooneel. Drie knapen, van een woest
+voorkomen, rukten een jongeling, die het witte kleed der magiërs
+droeg, van zijn paard, begroetten hem met eene hagelbui van slagen,
+en waren, toen ik op de plek aankwam, juist voornemens hun slachtoffer
+in den Euphraat te werpen, die daar ter plaatse de wortels der palm-
+en vijgeboomen langs den weg bespoelt. Zonder mij te bedenken hief
+ik mijn Helleensch krijgsgeschreeuw aan, dat reeds menigen vijand
+deed beven, en wierp mij op de moordenaars, die laf als alle lieden
+van dat soort het hazenpad kozen, zoodra zij een hunner kameraden met
+gekloofden schedel op den grond zagen liggen. Ik liet de ellendelingen
+loopen, en boog mij over den zwaargewonden jongeling neder. Maar wie
+beschrijft mijne verbazing, toen ik in hem uw broeder Bartja meende
+te herkennen! Ja, dat waren volmaakt dezelfde trekken, die ik te
+Naucratis en in de werkplaats van Theodorus gezien had, dat waren...."
+
+»Zonderling!" kon Hystaspes niet nalaten uit te roepen.
+
+»Misschien al te zonderling, om geloofd te kunnen worden," liet
+Cambyzes volgen. »Neem u in acht, Helleen, en bedenk, dat mijn arm
+ver reikt! Ik zal de waarheid van uw verhaal doen onderzoeken."'
+
+»Ik ben gewoon," antwoordde de Athener met eene diepe buiging, »de
+leer te volgen van den wijzen Pythagoras, wiens roem misschien ook
+tot uw oor is doorgedrongen, en steeds, alvorens ik spreek, bij mij
+zelven te overleggen, of hetgeen ik zeggen ga mij vroeger of later
+ook zou kunnen berouwen."
+
+»Dat klinkt schoon en wijs; maar, bij Mithra, ik heb een schepsel
+gekend, dat den naam van denzelfden leeraar gestadig op de lippen had,
+en zich in hare daden als de trouwste leerlinge van Angramainjus
+heeft doen kennen. Gij kent de verraderes, die nog heden als een
+giftige adder van de aarde zal worden verdelgd."
+
+»Zult gij het mij niet euvel duiden," vroeg Phanes, die de sporen eener
+vreeselijke smart op het gelaat van den koning duidelijk opgemerkt had,
+»als ik u eene andere spreuk van onzen grooten meester voorhoude?"
+
+»Spreek!"
+
+»Elk goed wordt even snel verloren, als verworven. Als dus de goden
+u smarten toezenden, zoo draag ze met geduld. Mor niet onwillig,
+maar bedenk dat de goden niemand zwaardere lasten opleggen, dan
+hij vermag te dragen. Hebt gij eene wonde in het hart, zoo raak die
+evenmin aan als een lijdend oog. Tegen zielelijden bestaan slechts
+twee geneesmiddelen: hoop en geduld!"
+
+Cambyzes luisterde aandachtig naar deze gulden spreuken, uit den mond
+van Pythagoras opgevangen, en lachte pijnlijk, toen hij het woord
+»geduld" vernam. Maar het verhaal van Phanes had hem bijzonder geboeid,
+en hij noodigde dezen dus uit voort te gaan.
+
+»Wij droegen," vervolgde Phanes met eene nieuwe buiging, »den
+bewusteloozen jongeling in mijn wagen, en brachten hem naar het niet
+ver meer verwijderde posthuis. Daar sloeg hij de oogen op, en vroeg,
+mij angstig aanziende, wie ik was en waar hij zich bevond? De waard
+uit het posthuis stond bij ons; daarom moest ik mij, om den vrijpas
+niet te logenstraffen, die mij nieuwe paarden bezorgde, voor Gyges,
+den zoon van Cresus uitgeven.
+
+»De gewonde scheen hem te kennen, wiens naam ik mij toeëigende, want
+hij schudde zachtkens het hoofd en fluisterde: Gij zijt niet degeen,
+voor wien gij u uitgeeft. Daarop sloot hij weder de oogen en kreeg
+eene hevige koorts. Wij ontkleedden hem, deden hem eene aderlating
+en verbonden zijne kwetsuren. Mijn Perzische dienaar, die Bartja had
+gezien aan het hof van Amasis, alwaar hij de betrekking van opzichter
+over de stallen bekleed had, en de Egyptische grijsaard, die mij
+vergezelde, boden mij de behulpzame hand, en de eerste hield niet op te
+verzekeren, dat de gekwetste niemand anders dan uw broeder was. Zelfs
+de waard van het posthuis zwoer, toen we 's jongelings gelaat van het
+bloed gezuiverd hadden, dat de aangerande zonder eenigen twijfel de
+jongere zoon van uw grooten vader was. Intusschen was mijn Egyptische
+reisgenoot naar buiten gegaan, en had uit de reisapotheek [317], zonder
+welke een Egyptenaar niet dan ongaarne zijn vaderland verlaat, een
+drank gekregen, waarvan hij den kranke een weinig ingaf. De droppels
+werkten zoo wonderbaar, dat het door de koorts heftig bewogen bloed
+na weinige uren tot rust kwam, en de jongeling bij het opkomen der
+zon wederom de oogen opsloeg. Nu bogen wij ons voor hem neder, als
+voor uw broeder, en vroegen hem of hij verlangde naar het paleis
+te Babylon vervoerd te worden. Hij verzekerde ons echter met drift,
+dat hij niet diegeen was, voor wien wij hem aanzagen, maar...."
+
+»Wie mag zoo sprekend op Bartja gelijken? Spreek! Ik ben nieuwsgierig,
+dit te vernemen!" viel de koning den spreker in de rede.
+
+»Hij gaf voor de broeder te zijn van uw opperpriester, dat zijn naam
+was Gaumata, en dat men dezen op den pas, die in de mouwen van zijn
+kleed verborgen was, kon vinden. De waard van de herberg vond het
+bedoelde stuk, en bevestigde de bewering van den lijder, die kort
+daarop weder door eene nieuwe heftige aandoening van koorts werd
+aangegrepen, gedurende welke hij allerlei onsamenhangende woorden
+uitbracht."
+
+»Kondet ge ook verstaan, wat hij zeide?"
+
+»Voorzeker! Hij herhaalde onophoudelijk hetzelfde. De hangende tuinen
+schenen vooral zijne gedachten bezig te houden. Hij moest kort
+te voren aan een groot gevaar zijn ontkomen, en heeft op gemelde
+plaats waarschijnlijk eene samenkomst gehad met zijne liefste,
+Mandane geheeten."
+
+»Mandane!" prevelde Cambyzes voor zichzelven, »Mandane! Als ik mij
+niet bedrieg, draagt de eerste kamerjuffer van de dochter van Amasis
+dien naam."
+
+Aan het fijne gehoor van den Griek ontsnapten deze woorden niet. Eenige
+seconden bezon hij zich; dan plooide een blijde glimlach zijne lippen,
+en riep hij: »Stel de gevangenen gerust op vrije voeten, mijn koning,
+want ik blijf u met mijn hoofd borg, dat Bartja niet op de hangende
+tuinen geweest is!"
+
+De koning zag den koenen spreker verwonderd, maar vriendelijk
+aan. Het opene en innemende gelaat, de vrije en ongedwongene houding,
+waarmede de Athener tegenover hem stond, was hem iets geheel nieuws,
+en oefende een wonderlijken invloed op hem uit, evenals de zeelucht
+op iemand, wiens verhit voorhoofd voor de eerste maal door haar wordt
+afgekoeld. Terwijl zijn grooten, ja zelfs zijne naaste bloedverwanten
+hem slechts met gekromden rug durfden toespreken, stond deze Griek, met
+zijne rijzige, fiere gestalte, als zijns gelijke voor hem. Terwijl de
+Perzen ieder woord dat zij tot hun gebieder richtten, met bloemrijke
+volzinnen en vleiende spreekwijzen plachten op te sieren, sprak de
+Athener rond, eenvoudig en ongekunsteld. Daarbij ging zijne rede met
+zulke bevallige gebaren en zoo sprekende blikken vergezeld, dat de
+koning, ondanks Phanes' onbedrevenheid in de Perzische taal, hem beter
+verstond, dan de, in den regel in gelijkenissen ingekleede berichten
+zijner eigene onderdanen. Alleen tegenover dezen man en tegenover
+Nitetis vergat hij, dat hij vorst was. Hier stond de mensch voor den
+mensch; hier voelde de despoot niet meer, dat hij met iemand sprak,
+wiens leven of dood een speelbal zijner luimen was. Zoo machtig werkten
+de waardigheid van den man, het gevoel van eigenwaarde in een mensch,
+die zichzelven bewust is rechtmatige aanspraak op vrijheid te hebben,
+en de zedelijke meerderheid zelfs op den strengen dwingeland. Ook was
+er nog iets anders, dat Cambyzes zoo snel voor dezen man innam. De
+Griek toch scheen gekomen te zijn, om hem misschien den dierbaarsten
+en reeds verloren geachten schat weder te geven. Maar kon het leven
+van dezen vreemden avonturier als borg voor de zonen van de eersten
+in Perzië worden aangenomen? En toch voelde zich de koning door den
+voorslag van Phanes niet beleedigd. Hij glimlachte veeleer over de
+stoutheid van den Helleen, die zich in zijn ijver van den doek, die
+zijn mond en baard bedekte, bevrijd had, en riep: »Bij Mithra, het
+komt mij voor, Helleen, dat gij het goed met ons meent! Ik neem uw
+voorslag aan. Zijn de gevangenen in spijt uwer vermoedens, schuldig,
+dan zijt gij verplicht uw leven lang als mijn dienaar aan dit hof te
+blijven; gelukt het u echter datgene te bewijzen, waarnaar mijn hart
+zoo vurig verlangt, dan verhef ik u tot den rijkste uwer landgenooten."
+
+Phanes maakte glimlachend een gebaar, als wilde hij zeggen, dat
+hij dit niet begeerde, en vroeg: »Veroorlooft gij mij, tot u en uwe
+hofbeambten eenige vragen te richten?"
+
+»Spreek en vraag, hoe en wat gij wilt!"
+
+Op dat oogenblik trad de opperjachtmeester in de zaal, en kondigde aan,
+dat alles in gereedheid was.
+
+»Men wachte!" sprak de koning op barschen toon tot zijne dischgenooten,
+die tengevolge van den gemaakten spoed, om 's konings bevel ten uitvoer
+te leggen, bijkans buiten adem waren. »Ik weet niet, of er heden wel
+van jagen zal komen. Waar is de hoofdman der zweepdragers Bischen?"
+
+Datis, het zoogenaamde oog des konings, het hoofd van alle
+politiebeambten des rijks, snelde naar buiten en keerde binnen weinige
+minuten, die Phanes zich ten nutte had gemaakt, om verscheidene der
+aanwezige grooten over allerlei voor hem gewichtige bijzonderheden
+te ondervragen, met den genoemden persoon terug.
+
+»Wat doen de gevangenen?" vroeg Cambyzes den voor hem op den grond
+liggenden hoofdman.
+
+»Heil zij den koning! Zij verwachten rustig den dood, want het is
+zoet door uw wil te sterven."
+
+»Hebt gij ook iets van hunne gesprekken afgeluisterd?"
+
+»Ja, mijn koning!"
+
+»Belijden zij elkander, dat zij schuldig zijn?"
+
+»Mithra alleen vermag in het hart te zien; maar gij, mijn vorst, zoudt,
+als ik, uw armste knecht, aan de onschuld dezer veroordeelden gelooven,
+als gij hen hoordet spreken."
+
+De hoofdman zag angstig tot den koning op, vreezende dat deze woorden
+misschien zijn toorn zouden hebben opgewekt. Cambyzes antwoordde echter
+met een blik van tevredenheid, in plaats van op te vliegen. Plotseling
+deed eene sombere gedachte eene wolk over zijn voorhoofd trekken, en
+nauw hoorbaar vroeg hij: »Wanneer is het vonnis aan Cresus voltrokken?"
+
+De hoofdman sidderde, toen hij dit woord vernam; het angstzweet parelde
+op zijn voorhoofd, en slechts stamelend konden zijne lippen uitbrengen:
+»Hij is.... hij heeft.... wij dachten...."
+
+»Wat dacht gij?" hernam Cambyzes, in wiens borst een straal van hoop
+doordrong. »Hebt gij misschien mijn bevel niet op staanden voet ten
+uitvoer gebracht? Leeft Cresus wellicht nog? Spreek, spreek, ik wil
+de volle waarheid weten!"
+
+De hoofdman kromde zich als een worm aan de voeten van zijn gebieder,
+en stamelde eindelijk, de handen smeekend naar hem opheffende: »Genade,
+genade, mijn koning! Ik ben een arm man, en heb dertig kinderen,
+van welke vijftien...."
+
+»Ik wil weten, of Cresus leeft of niet!"
+
+»Hij leeft! Ik dacht, dat ik niet misdeed, als ik hem, wien ik alles
+verplicht ben, een paar uren langer in het leven liet, opdat hij...."
+
+»Het is genoeg!" riep thans de koning, ruimer ademhalende. »Ditmaal
+zal ik u uwe ongehoorzaamheid niet toerekenen, en wijl gij zoovele
+kinderen hebt, mag de schatmeester u vijf talenten uitbetalen.--Ga
+thans naar de gevangenen; verzoek Cresus hier te komen, en zeg den
+anderen, dat zij, zoo ze onschuldig zijn, goedsmoeds kunnen wezen."
+
+»Mijn koning is het licht der wereld en een oceaan van genade!"
+
+»Bartja en zijne vrienden behoeven niet langer opgesloten te
+blijven. Zij mogen zich onder uwe bewaking in het voorhof van het
+paleis begeven. Gij, Datis, ga dadelijk naar de hangende tuinen en
+beveel Boges, de voltrekking van het vonnis der Egyptische op te
+schorten. Wijders moet eene afdeeling der lijfwacht naar het posthuis
+worden gezonden, waarvan de Athener gesproken heeft, om den daar
+liggenden gekwetste herwaarts te brengen."
+
+Het oog van den koning wilde zich verwijderen. Phanes hield hem
+evenwel terug, en vroeg: »Veroorlooft mijn koning mij éene opmerking?"
+
+»Spreek!"
+
+»Het komt mij voor, dat de overste der eunuchen ons de beste
+inlichtingen kan geven. Die jongeling sprak terwijl hij ijlde zijn
+naam meermalen uit, en wel in verband met dien zijner liefste."
+
+»Haast u, Datis, breng Boges dadelijk hier!"
+
+»Ook moet, dunkt mij, de opperpriester Oropastes, als broeder van
+Gaumata, verhoord worden en evenzeer Mandane, die, gelijk mij zoo
+even voor vast is verzekerd, de eerste kamerjuffer der Egyptische is."
+
+»Zend beiden hierheen, Datis!"
+
+»Wanneer men eindelijk Nitetis zelve...."
+
+Bij deze woorden van den Athener verbleekte de koning, en eene lichte
+huivering voer door zijne leden. Hoe gaarne zou hij de geliefde
+hebben wedergezien! Maar de sterke vorst vreesde de betooverende of
+verwijtende blikken van deze vrouw. Daarom riep hij, naar de deur
+wijzende, Datis toe: »Ga, en haal Boges en Mandane; de Egyptische
+moet nog, onder goede bewaking, op de hangende tuinen blijven!"
+
+De Athener boog eerbiedig, als wilde hij zeggen: »Gij alleen hebt op
+deze plaats te bevelen."
+
+De koning beschouwde hem met zichtbaar welgevallen, en zette zich
+weder op zijn purperen divan. In gepeins verdiept, liet hij het hoofd
+in de hand rusten, en vestigde zijn blik op den grond. Het beeld der
+eenmaal zoo innig geliefde vrouw trad, ondanks alle inspanning om
+het te verdrijven, telkens helderder voor zijne verbeelding, en de
+gedachte, dat deze trekken onmogelijk die eener bedriegster konden
+zijn, dat Nitetis misschien toch nog onschuldig was, verkreeg steeds
+vaster voet in zijn voor de hoop opnieuw ontsloten hart. Bleek Bartja
+werkelijk onschuldig te zijn, dan was ook iedere andere dwaling
+denkbaar; dan wilde hij in persoon naar de hangende tuinen gaan,
+hare hand vatten en hare verdediging aanhooren. Heeft de liefde een
+man, in de kracht des levens, in het hart getroffen, dan slingert zij
+zich, gelijk de aderen door het lichaam, door zijn gansche wezen heen,
+en kan slechts met zijn leven worden uitgeroeid.
+
+Toen Cresus in de zaal verscheen, ontwaakte Cambyzes uit zijne
+mijmeringen, hief den grijsaard, die zich aan zijne voeten geworpen
+had, vriendelijk op, en zeide: »Gij hebt u aan mij vergrepen; ik
+wil echter genade bewijzen, gedachtig aan het laatste woord van mijn
+stervenden vader, waarmede hij mij gebood u als raadgever en vriend
+te eeren. Neem uw leven uit mijne hand terug, en vergeet mijn toorn,
+gelijk ik uwe oneerbiedigheid vergeten wil. Laat u thans door dien
+man, die voorgeeft u te kennen, mededeelen wat hij onderstelt. Daarna
+verneem ik gaarne ook uwe meening."
+
+Diep bewogen wendde Cresus zich tot den Athener, en liet zich door
+dezen, na hem hartelijk welkom te hebben geheeten, in zijne vermoedens
+inwijden. De grijsaard werd met ieder oogenblik oplettender, hief,
+toen Phanes zweeg, zijne handen ten hemel op, en riep: »Vergeeft
+mij, gij eeuwige goden, dat ik ooit aan uwe rechtvaardigheid heb
+getwijfeld. Is het niet opmerkelijk, Cambyzes? Mijn zoon waagde zijn
+leven, om het leven van dezen edelen mensch te redden, en thans voeren
+de goden den geredde naar Perzië, om wat Gyges hem deed tienvoudig
+te vergelden! Ware Phanes door de Egyptenaren vermoord geworden, dan
+zouden wellicht reeds in dit uur de hoofden onzer zonen zijn gevallen."
+
+Bij deze woorden wierp Cresus zich aan de borst van Hystaspes, die,
+gelijk hij, zijn geliefden zoon als ten tweeden male zag geboren
+worden.
+
+De koning, Phanes en de Perzische grootwaardigheidsbekleeders
+aanschouwden met diepe ontroering de elkander omarmende
+grijsaards. Geen der aanwezigen twijfelde meer aan de onschuld van
+Bartja, ofschoon die tot nog toe slechts door vermoedens kon worden
+bewezen. Waar het geloof aan schuld zwak is, vindt de verdediger
+gewoonlijk wijd geopende ooren.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Met echt Attische scherpzinnigheid had Phanes uit het gehoorde de ware
+toedracht dezer treurige zaak opgemaakt. Hij had al spoedig begrepen,
+dat ook de boosheid hare hand in het spel moest hebben gehad; want
+Bartja's dolk kon niet anders, dan door tusschenkomst van een verrader,
+op de hangende tuinen zijn gekomen. Terwijl hij dit zijn vermoeden
+den koning te kennen gaf, werd de opperpriester Oropastes door de
+stafdragers de zaal binnengeleid.
+
+De koning zag hem toornig aan en vroeg, zonder een enkel woord tot
+inleiding: »Hebt gij een broeder?"
+
+»Ja, mijn koning. Hij en ik zijn de eenigen, die nog in leven zijn,
+van zes broeders en zusters. Mijne ouders...."
+
+»Is deze broeder ouder of jonger dan gij?"
+
+»Ik was de oudste van ons allen, terwijl hij, de jongste, mijn vader
+tot vreugde van zijn ouderdom geboren werd."
+
+»Hebt gij ooit eene in het oog vallende gelijkenis tusschen hem en
+een mijner bloedverwanten opgemerkt?"
+
+»Ja, mijn koning, Gaumata gelijkt zoo sprekend op uw broeder Bartja,
+dat men hem steeds in de priesterschool te Rhagae, waar hij zich
+thans nog bevindt, den prins noemde."
+
+»Was hij in de laatste dagen te Babylon?"
+
+»Tijdens het nieuwjaarsfeest voor het laatst."
+
+»Spreekt gij de waarheid?"
+
+»Mijn kleed en mijn ambt zouden mij dubbel strafbaar maken, als ik
+mijn mond opende om een leugen te zeggen."
+
+Het gelaat van den koning werd vuurrood van toorn, en met een barsche
+stem riep hij: »En toch liegt gij, want Gaumata was gisterenavond
+hier!--Gij beeft! Daartoe hebt gij alle reden."
+
+»Mijn leven behoort u, wien alles toebehoort; desniettemin zweer ik,
+de opperpriester, bij den hoogsten God, dien ik dertig jaren lang
+trouw gediend heb, dat ik er niets van weet, dat mijn broeder gisteren
+binnen Babylon is geweest."
+
+»Uw aangezicht draagt den stempel der waarheid."
+
+»Gij weet dat ik, gedurende den gewichtigen dag van gisteren, geen
+oogenblik uwe zijde verlaten heb."
+
+»Dat weet ik!"
+
+Andermaal openden zich de deuren, om de sidderende Mandane binnen te
+laten. De opperpriester zag haar met verbaasden en vragenden blik in
+het ontroerde gelaat. Aan het scherpziend oog van den koning ontging
+het niet, dat de kamerjuffer in zekere betrekking stond tot Oropastes;
+daarom vroeg hij dezen, zonder verder acht te slaan op de maagd,
+die sidderend aan zijne voeten lag: »Kent gij deze vrouw?"
+
+»Ja, mijn koning. Door mijne voorspraak verwierf zij de hooge
+betrekking van eerste kamerjuffer en opperste van alle dienstdoende
+personen bij de Egyptische koningsdochter--Aoeramazda schenke haar
+vergiffenis!"
+
+»Hoe kwaamt gij, een priester er toe, om deze jonge vrouw zoo uitermate
+te begunstigen?"
+
+»Haar ouders stierven aan dezelfde pest, die mijne broeders
+wegrukte. Haar vader was een eerbiedwaardig priester en een vriend van
+ons huis. Daarom namen wij het meisje tot ons, gedachtig aan de leer:
+»Geeft gij den reinen man en zijner weduwe en zijne weezen niets, dan
+zult gij van de reine en onderworpene aarde in stekende brandnetels,
+in gruwzaam lijden en in de vreeselijkste plaatsen geslingerd
+worden." Aldus werd ik haar pleegvader, en liet ik haar met mijn
+jongsten broeder opvoeden, tot deze naar de priesterschool vertrok."
+
+De koning wisselde een blik van verstandhouding met Phanes, en vroeg:
+»Waarom behieldt gij het meisje, dat toch schoon van gelaat is,
+niet bij u?"
+
+»Toen zij de oorringen had gekregen, oordeelde ik het voegzaam haar,
+eene jonkvrouw, uit mijn priesterlijk huis te verwijderen, en haar
+eene zelfstandige toekomst te verzekeren."
+
+»Heeft zij, als volwassen meisje, uw broeder nog weergezien?"
+
+»Ja, mijn koning. Zoo dikwijls Gaumata mij bezocht, liet ik hem met
+Mandane als met zijne zuster verkeeren; toen mij echter duidelijk werd,
+dat zich in de kinderlijke vriendschap de hartstocht der jeugd begon
+te mengen, kwam het besluit meer en meer tot rijpheid om het meisje
+uit mijn huis te verwijderen."
+
+»Wij weten genoeg," zeide de koning, den opperpriester door een wenk
+te kennen gevende, dat hij zich ter zijde kon begeven. Daarna zag
+hij op het meisje neder, en zeide op gebiedenden toon: »Sta op!"
+
+Mandane stond sidderende en bevende overeind. Haar anders zoo blozend
+gelaat was bleek als de dood, en hare roode lippen hadden eene blauwe
+tint aangenomen.
+
+»Verhaal, wat gij van den avond van gisteren weet; maar bedenk,
+dat éen enkele leugen uw doodvonnis is!"
+
+De knieën van het angstige kind begonnen zoo sterk te knikken, dat
+zij zich ter nauwernood staande kon houden. De vrees belette haar
+een enkel woord uit te brengen.
+
+»Mijn geduld is kort!" riep Cambyzes haar waarschuwend toe.
+
+Mandane dreigde neder te zijgen; haar aangezicht werd nog bleeker,
+hare tong was als verstijfd. Daar trad Phanes naar den vorst toe,
+die opnieuw in toorn was ontstoken en vroeg hem bijna fluisterend
+vergunning om het meisje te verhooren. Haar mond thans door angst
+gesloten, zou met een zacht woord oogenblikkelijk geopend worden.
+
+Cambyzes gaf met een hoofdknik zijne toestemming. Wat de Athener
+voorzien had, gebeurde; want nauwelijks had hij Mandane van de
+welwillendheid van al de aanwezigen verzekerd, zijne hand op haar
+hoofd gelegd, en haar vriendelijk toegesproken, of zij barstte
+los in snikken, en een stroom van tranen bevochtigde hare bleeke
+wangen. Hij wist den band, die hare tong gesnoerd had, los te maken,
+en nu verhaalde zij, dikwerf met een snik afbrekende, alles wat zij
+wist. Zij verzweeg niet, dat Boges die heimelijke samenkomst had in de
+hand gewerkt, en het minnend paar in zijne bescherming had genomen,
+en eindigde met de woorden: »Ik weet wel, dat ik mijn leven verbeurd
+heb, en dat ik het slechtste en ondankbaarste schepsel van de geheele
+wereld ben. Maar al dat kwaad ware voorkomen geworden, als Oropastes
+zijn broeder toegestaan had mij te huwen!"
+
+Bij deze haastig uitgesprokene woorden, begon zij opnieuw te snikken
+en biggelden groote tranen haar langs de wangen, terwijl de ernstigste
+toehoorders, ja zelfs de koning, zich niet weerhouden konden even
+te glimlachen.
+
+Deze glimlach redde haar leven, dat zeker ernstig werd bedreigd. Na
+hetgeen Cambyzes gehoord had, ware het hem zeker onmogelijk geweest,
+zijne lippen tot een lach te plooien, als Mandane niet, met dat fijne
+instinct, dat der vrouw juist in de ure van het dreigendste gevaar
+zoo gereedelijk ten dienste staat, geweten had, hoe den koning in
+zijne zwakke zijde aan te tasten en daarvan partij te trekken. Veel
+langer dan noodig was, had zij dus stilgestaan bij de verrukking van
+Nitetis over de geschenken van haar koninklijken geliefde.
+
+»Duizendmaal," riep zij, »kuste mijne meesteres al de dingen, die men
+haar van uwentwege, o koning, bracht. Maar vooral drukte zij dikwerf
+hare lippen op den bloemruiker, dien gij, eenige dagen geleden, met
+eigen hand geplukt hadt. En toen de ruiker begon te verwelken, nam
+zij bloem voor bloem in de hand, breidde de fijne blaadjes zorgvuldig
+uit, legde ze tusschen wollen doeken, en plaatste zelve hare zware
+gouden zalfdoos daarop, om ze te drogen en als eene gedachtenis aan
+uwe goedheid te bewaren."
+
+Zij merkte op, dat het gelaat van haar strengen rechter bij deze
+woorden verhelderde, en schepte daaruit nieuwen moed, om harer
+meesteres woorden in den mond te leggen, die zij nooit had geuit. Zij
+beweerde honderdmaal gehoord te hebben, dat Nitetis den naam »Cambyzes"
+met onuitsprekelijke teederheid in den slaap uitriep. Eindelijk zweeg
+zij, na nog met eene door snikken nauw hoorbare stem om genade te
+hebben gesmeekt.
+
+Zonder toorn, maar met diepe verachting zag de koning op haar
+neder. Haar met den voet van zich stootende, riep hij: »Uit mijne
+oogen, verachtelijk schepsel! Bloed als het uwe zou de bijl van den
+beul slechts bezoedelen! Uit mijne oogen!"
+
+Mandane liet zich geen tweemaal zeggen de zaal te verlaten. Dat »uit
+mijne oogen" klonk in haar oor als de liefelijkste muziek. Als eene
+opgejaagde hinde vloog zij door de wijde voorhoven van het paleis,
+om op de straat de saamgedrongene menigte als eene krankzinnige in
+de ooren te gillen: »Ik ben vrij! Ik ben vrij!"
+
+Nauwelijks had zij de zaal verlaten, toen Datis, het oog des konings,
+terugkeerde en den koning het bericht bracht, dat men den overste
+der eunuchen overal tevergeefs gezocht had. Op eene raadselachtige
+wijze was hij van de hangende tuinen verdwenen. Hij, Datis, had
+echter zijne onderhoorigen gelast, den vluchteling op te sporen,
+en hem dood of levend over te leveren.
+
+Deze boodschap deed den vorst in eene geweldige vlaag van toorn
+uitbarsten, en hij bedreigde den politiebeambte, die van den
+volksoploop opzettelijk voor zijn vorst had gezwegen, met zware
+straf, indien men den voortvluchtige niet vóor den volgenden morgen
+achterhaald had.
+
+Nauwelijks had hij uitgesproken, toen de stafdrager een eunuch van
+de moeder des konings binnenleidde, door wien zij haar zoon om een
+mondgesprek liet verzoeken.
+
+Cambyzes aarzelde geen oogenblik, om aan den wensch zijner blinde
+moeder gevolg te geven. Hij reikte Phanes de hand ten kus, eene hooge
+eer, die in den regel slechts aan dischgenooten werd gegund, en riep:
+»Men stelle terstond al de gevangenen op vrije voeten. Gaat heen tot
+uwe zonen, gij beangste vaders, en zegt hun, dat zij zich van mijne
+gunst en genade kunnen verzekerd houden. Voor ieder hunner zal ik
+wel een satrapie weten te vinden, ter vergoeding van dezen nacht van
+onschuldige gevangenschap. U, mijn Helleenschen vriend, ben ik grooten
+dank verschuldigd. Om mij daarvan te kwijten, en u aan mijn hof te
+verbinden, verzoek ik u, u door onzen schatmeester honderd talenten
+[318] te doen uitbetalen."
+
+»Zulk eene groote som zal ik ternauwernood weten te gebruiken."
+
+»Misbruik haar dan!" antwoordde de koning met vriendelijken
+lach. Daarop verliet hij de zaal, vergezeld van zijn hofbeambten,
+aan de deur zich evenwel nog eens omkeerende, om den Athener toe te
+roepen: »Tot wederziens, aan den maaltijd!"
+
+
+
+Terwijl dit alles voorviel, heerschte er in de vertrekken van de moeder
+des konings de grootste neerslachtigheid. Nadat Cassandane kennis
+genomen had van dien rampzaligen brief aan Bartja, geloofde zij aan
+de ontrouw van Nitetis, maar volhardde in hare overtuiging omtrent
+de onschuld van haar geliefden zoon. Wien kon ze nu nog vertrouwen,
+als het meisje, in hetwelk zij tot nog toe de verpersoonlijking van
+alle vrouwelijke deugden had meenen te aanschouwen, eene verachtelijke
+boeleerster moest worden genoemd, als de edelste jongelingen zich aan
+meineed konden schuldig maken? Nitetis was erger dan dood voor haar;
+Bartja, Cresus, Darius, Gyges, Araspes, met wie allen haar hart door
+banden des bloeds en der vriendschap verbonden was, waren zoo goed als
+gestorven. En zij durfde niet eens hare tranen den vrijen loop laten,
+want de zware taak rustte op haar, de uitbarstingen der wanhoop van
+haar woest kind te beteugelen.
+
+Atossa stelde zich aan als eene razende, toen zij vernam dat de
+doodvonnissen geveld waren. De gematigdheid, die haar door den
+omgang met de Egyptische eigen was geworden, verliet haar geheel,
+en haar zoo lang bedwongen onstuimig karakter deed zich nu met
+verdubbelde heftigheid gelden. Nitetis, hare eenige vriendin,
+Bartja haar broeder, aan wien zij met hare gansche ziel hing, Darius,
+wien zij, nu gevoelde zij het eerst recht goed, niet slechts als den
+redder van haar leven een dankbaar hart toedroeg, maar dien zij met
+de innigheid eener eerste liefde beminde, Cresus, dien zij als haar
+vader vereerde;--kortom allen, die haar dierbaar waren, zou zij nu
+met één slag verliezen. Zij scheurde hare kleederen, rukte zich de
+haren uit, noemde Cambyzes een monster van wreedheid, en ieder, die
+aan de schuld van zulke voortreffelijke menschen geloofde, blind en
+krankzinnig. Dan smolt zij weder weg in tranen, en zond ootmoedige
+gebeden tot de goden op, om weinige minuten later hare moeder te
+bezweren, haar naar de hangende tuinen te vergezellen, en met haar
+de verdediging van Nitetis aan te hooren.
+
+Cassandane beproefde het onstuimige meisje tot kalmte en berusting te
+brengen, en verzekerde haar, dat iedere poging om Nitetis te spreken,
+zou blijken ijdel te wezen. Nu begon Atossa opnieuw uit te varen,
+zoodat de oude vrouw haar ten laatste met moederlijke gestrengheid
+het stilzwijgen moest opleggen, en bij het aanbreken van den morgen
+haar beval zich naar haar slaapvertrek te begeven.
+
+Het meisje gehoorzaamde, doch zette zich, in plaats van zich ter rust
+te begeven, aan het open venster, dat haar het uitzicht gaf op de
+hangende tuinen. Met betraande oogen tuurde zij naar het huis tegenover
+haar, waarin thans hare vriendin, hare zuster, eenzaam, verlaten,
+verstooten, een smadelijken dood verbeidde. Plotseling scheen, door
+eene buitengewone inspanning van den wil, haar door tranen verduisterd
+oog opnieuw te verhelderen. Het staarde niet meer in de onbegrensde
+ruimte, maar vestigde zich onafgewend op een zwart punt, dat uit de
+richting van de woning der Egyptische, van oogenblik tot oogenblik
+grooter en beter te onderscheiden, recht op haar aankwam, en zich
+eindelijk op eene cypres voor haar venster neerliet. Opeens verdween
+de toornige uitdrukking van haar liefelijk gelaat; voor de eerste maal
+sedert vele uren kon zij met verruimde borst ademhalen. Zij klapte
+in de handen en riep uit: »O, zie! daar is de vogel Homaï [319],
+de geluksvogel! Nu zal zich alles ten beste schikken!"--Dezelfde
+paradijsvogel, welks verschijning in het hart van Nitetis zulk een
+troostenden balsem had uitgestort, schonk ook Atossa nieuwe hoop.
+
+Zij nam den tuin nauwkeurig op, of ook iemand haar bespieden kon,
+en toen zij niemand gewaarwerd dan den ouden hovenier, sprong zij,
+bevende als eene achtervolgde ree, het venster uit, brak eenige
+rozeknoppen en cypressetakjes af, en naderde daarmede den grijzen
+tuinman, die hare bewegingen had gadegeslagen, terwijl hij zachtkens
+het hoofd schudde. Zij streelde de wangen van den oude, als ware hij
+haar vader geweest, legde hare bloemen in zijne grove hand, en vroeg:
+»Hebt gij mij lief, Sabaces?"
+
+»O, meesteres!" zeide de grijsaard, waarbij hij den zoom van het
+gewaad der koningsdochter in vervoering aan de lippen drukte.
+
+»Ik geloof u, vadertje, en wil u bewijzen, dat ik mijn ouden goeden
+Sabaces vertrouw. Verberg deze bloemen goed, en begeef u, zoo snel
+uwe krachten het u toelaten, naar het paleis van den koning. Zeg,
+dat gij vruchten voor de tafel brengt. Naast de wachtkamer der
+Onsterfelijken worden mijn arme broeder Bartja en Darius, de zoon van
+den edelen Hystaspes, gevangengehouden. Zorg dat deze bloemen dadelijk,
+maar hoort gij, dadelijk, met een hartelijken groet van mij, aan die
+beiden ter hand worden gesteld."
+
+»De wachters zullen mij niet bij de gevangenen toelaten."
+
+»Neem dezen ring en druk hun dien in de hand. Men kan toch de
+ongelukkigen niet verbieden, zich in de aanschouwing van bloemen
+te verlustigen?"
+
+»Ik zal het beproeven."
+
+»Ik wist wel, dat gij mij liefhadt, goede Sabaces! Ga nu, en keer
+spoedig terug!"
+
+De grijsaard verwijderde zich haastig. Atossa zag hem peinzend na,
+en sprak bij zichzelve: »Thans zullen zij beiden weten, dat ik hen
+tot aan hun dood heb bemind. De roos beteekent: ik bemin u; de altijd
+groene cypres: trouw en onwankelbaar."--Na verloop van een uur keerde
+de oude man terug, en bracht Atossa, die hem te gemoet snelde, den
+ring van Bartja waaraan hij zoozeer gehecht was, en van Darius een
+in bloed gedoopten Indischen doek.
+
+Met tranen in de oogen ontving Atossa deze panden uit de hand van den
+grijsaard; daarop ging zij onder een breedgetakten plataanboom zitten,
+drukte de beide voorwerpen afwisselend aan hare lippen, en zeide tot
+zichzelve: »Bartja's ring beteekent, dat hij aan mij denkt; en de in
+bloed gedoopte doek van Darius, dat hij zijn laatsten druppel bloed
+voor mij veil heeft."
+
+Atossa lachte weemoedig, terwijl zij deze woorden fluisterde; en van
+dat oogenblik was zij kalm, en dacht aan het lot harer vrienden met
+bittere tranen.
+
+
+
+Weinige uren later bracht een bode van Cresus aan de aanzienlijke
+vrouwen het bericht, dat de onschuld van Bartja en zijne vrienden
+bewezen, en ook Nitetis zoo goed als gerechtvaardigd was. Onmiddellijk
+zond Cassandane hare dienaren naar de hangende tuinen, om Nitetis uit
+te noodigen onverwijld tot haar te komen. In vreugde even uitgelaten
+als in droefheid, liep Atossa den draagstoel harer vriendin tegemoet,
+en vloog van de eene harer dienstmaagden naar de andere, om haar
+toe te roepen: »Allen zijn onschuldig; allen, allen zullen voor ons
+gespaard blijven!"
+
+En toen de draagstoel met hare vriendin eindelijk naderde, toen zij
+het voorwerp harer liefde, bleek als de dood, weerzag, barstte zij
+in hevig snikken uit, viel Nitetis reeds onder het uitstijgen om
+den hals, en bedekte haar gelaat met kussen, tot zij bemerkte, dat
+de knieën der geredde knikten, en zij een krachtiger steun behoefde
+dan haar zwakken arm.
+
+De Egyptische werd bewusteloos in de vertrekken van de moeder des
+konings gedragen. Toen zij de oogen weder opsloeg, rustte haar hoofd,
+dat bleek was als marmer, in den schoot der blinde, voelde zij den
+druk van Atossa's warme lippen op haar ijskoud voorhoofd, en stond
+Cambyzes, die onmiddellijk aan de roepstem zijner moeder gehoor had
+gegeven, naast haar rustbed.
+
+Verbaasd en angstig zag zij den kring van hen, die haar zoo vurig
+liefhadden, rond. Eindelijk herkende zij de haar omringenden. Nu
+streek zij met de vlakke hand over het strakke voorhoofd, als wilde
+zij een sluier verwijderen, die haar gezicht benevelde, lachte
+allen vriendelijk toe en sloot dan hare oogen weder. Zij meende,
+dat de liefderijke Isis haar een schoon droombeeld voortooverde,
+en beproefde dit met al de kracht harer ziel vast te houden.
+
+Toen riep de driftige Atossa haar nogmaals met teederheid bij haar
+naam. Andermaal opende Nitetis de oogen en deze ontmoetten opnieuw
+de liefdevolle blikken dergenen, van wie zij meende gedroomd te
+hebben. Ja, daar was hare Atossa, daar hare moederlijke vriendin,
+daar, niet de vertoornde koning, maar de man die haar beminde. Thans
+ontsloot ook hij de lippen en riep, zijn streng gebiedend oog smeekend
+op haar vestigende: »O, Nitetis, ontwaak! Gij moogt, gij kunt niet
+schuldig zijn!" Zij schudde zachtkens het hoofd, en een lachje van
+geluk zweefde over haar beeldschoon aangezicht, als de adem der
+jeugdige lente over een rozenbed.
+
+»Zij is onschuldig; bij Mithra, zij kan niet schuldig zijn!" riep
+Cambyzes andermaal, terwijl hij zonder acht te geven op de aanwezigen,
+op de knieën viel.
+
+Een Perzisch geneesheer naderde thans de als uit den dood verrezene,
+en bestreek hare slapen met eene zalfolie, die een aangenamen geur
+verspreidde, terwijl de oogarts Nebenchari, onder het prevelen van
+bezweringsformulieren, haar hoofdschuddend den pols voelde, en haar
+een drank uit zijne kleine apotheek ingaf. Nu herkreeg zij haar volle
+bewustzijn, en vroeg, zich tot Cambyzes wendende, nadat zij zich met
+moeite opgericht en de liefdesbetuigingen harer vriendinnen beantwoord
+had: »Hoe kondet gij zoo iets van mij denken, mijn koning!" Geen
+verwijt, slechts diepe smart sprak uit deze woorden, die Cambyzes
+alleen beantwoorden kon met de stamelende bede: »Vergeef mij!"
+
+Cassandane dankte haar zoon voor dit bewijs van zelfverloochening,
+met een vriendelijken blik harer blinde oogen, en zeide: »Ook ik,
+mijne dochter, heb uwe vergiffenis noodig."
+
+»Ik heb geen oogenblik aan u getwijfeld!" riep Atossa, de vriendin
+met zekeren trots en in verrukking op den mond kussende.
+
+»Uw schrijven aan Bartja bracht mijn geloof aan uwe onschuld aan het
+wankelen," sprak de koningin-moeder.
+
+»En toch was het alles zoo eenvoudig en natuurlijk!" antwoordde
+Nitetis. »Hier, mijne moeder, neem dezen brief uit Egypte. Cresus zal
+hem wel voor u ontcijferen. Deze zal u alles verklaren. Misschien
+ben ik onvoorzichtig geweest. Laat u door uwe moeder aangaande den
+inhoud voorlichten, mijn koning! O, ik bid u, spot niet met mijn arme,
+kranke zuster. Als eene Egyptische eenmaal iemand bemint, kan zij hem
+niet meer vergeten.--Het wordt mij zoo benauwd! Mijn einde nadert! De
+laatste uren waren zoo ijselijk! Het verschrikkelijke doodvonnis,
+dat Boges, die vreeselijke man, mij voorlas, dat vonnis drong mij
+vergif te nemen. Ach, mijn hart!"
+
+Dit zeggende, zonk zij weder in den schoot der blinde
+neder. Nebenchari, de oogarts, sprong toe, gaf de kranke wederom eenige
+droppels in, en riep: »Dacht ik het niet? Zij heeft vergif genomen,
+en zal onherroepelijk sterven, ook al weerhoudt dit tegengif den dood
+nog eenige dagen!"
+
+Bleek en als gevoelloos elke zijner bewegingen volgende, stond Cambyzes
+naast hem, terwijl Atossa het voorhoofd der geliefde vriendin met
+tranen besproeide.
+
+»Men brenge melk en mijne groote artsenijkast!" gebood de
+oogarts. »Roept ook dienstmaagden, om haar weg te dragen, want vóór
+alle dingen is rust noodig."
+
+Atossa snelde naar een zijvertrek; Cambyzes echter vroeg den arts,
+zonder hem aan te zien: »Is er geene hope?"
+
+»Het vergif, dat zij genomen heeft, moet onfeilbaar den dood ten
+gevolge hebben."
+
+Toen de koning dit woord vernomen had, stiet hij den arts van de
+kranke weg, en riep: »Zij zal, zij moet leven! Ik beveel het! Hier
+eunuch! Ontbied alle geneesmeesters uit geheel Babylon, roep alle
+priesters en mobeds [320]! Zij zal leven, hoort gij, zij moet leven,
+ik beveel het, ik, de koning!"
+
+Op dit oogenblik opende Nitetis de oogen, als wilde zij het bevel van
+haar gebieder aanstonds vervullen. Haar gelaat was naar het venster
+gekeerd. Dáar, op den cypres, zat nog altijd de paradijsvogel, met
+het gouden kettinkje aan den voet.--De blikken der lijdende vielen
+het eerst op den voor haar neergezonken geliefde, die zijne gloeiende
+lippen op hare rechterhand drukte. Glimlachend fluisterde zij: »O,
+welk een geluk!" Dan werd zij den vogel gewaar, wees er naar met de
+linkerhand, en riep: »O, zie, zie! De vogel van Ra, Phoenix!"
+
+Hierop sloot zij de oogen, en lag kort daarop in eene hevige koorts.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE BOEK.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Prexaspes, de koninklijke gezant, een der eerste beambten aan het hof,
+had Gaumata, Mandane's minnaar, die inderdaad op Bartja geleek als twee
+druppelen water, krank als hij was tengevolge der ontvangene wonden,
+naar Babylon vervoerd. Hier verwachtte hij in den kerker zijn vonnis,
+terwijl zijn verleider Boges, in spijt van de ijverigste nasporingen
+der politiebeambten nergens te vinden was. De volksoploopen in
+de straten van Babylon hadden zijne vlucht, die hem door de ons
+bekende valdeur op de hangende tuinen mogelijk was geweest, zeer
+begunstigd. Verbazende schatten vond men in zijne woning. Kisten vol
+goud en sieraden, waarmede hij zich in zijne betrekking zoo gemakkelijk
+had kunnen verrijken, werden teruggebracht in de koninklijke schatkist,
+waaruit zij afkomstig waren. Maar Cambyzes had gaarne het tienvoudig
+bedrag dezer rijkdommen uitbetaald, om den verrader zelven in handen
+te krijgen.
+
+Twee dagen na de vrijspraak der beschuldigden deed hij, tot wanhoop van
+Phaedime, al de bewoneressen van het vrouwenverblijf, zijne moeder,
+Atossa en de met den dood worstelende Nitetis uitgezonderd, naar
+Suza overbrengen. Onderscheidene hooggeplaatste eunuchen werden op
+staanden voet van hunne ambten ontzet. De geheele kaste moest boeten
+voor de misdaad van hun medelid, die zijne rechtvaardige straf was
+ontloopen. Oropastes, die zijn post als plaatsvervanger des konings
+reeds aanvaard, en zijne onschuld aan de overtreding van zijn broeder
+ten duidelijkste bewezen had, begunstigde uitsluitend magiërs met de
+opengevallene plaatsen.
+
+De volksbeweging, die van de zijde der Babyloniërs ten gunste van
+Bartja had plaats gegrepen, werd den koning eerst bekend, nadat het
+volk reeds lang uiteen was gegaan. In weerwil zijner bezorgdheid
+voor Nitetis, aan wie hij bijkans al zijn tijd wijdde, deed hij zich
+een nauwkeurig verslag geven van deze wanordelijkheden, en beval de
+raddraaiers streng te straffen. Uit het voorgevallene meende hij met
+grond te mogen afleiden, dat Bartja zich de gunst van het volk had
+zoeken te verwerven en misschien zou hij hem zijn ongenoegen wel
+duidelijk te kennen hebben gegeven, indien niet zijn beter gevoel
+hem gezegd had, dat niet Bartja tegen hem maar hij tegen Bartja
+misdaan had. Toch kon hij de gedachte, dat Bartja ook zonder zijn
+toedoen, de oorzaak was geweest van de treurige gebeurtenissen der
+laatste dagen, evenmin onderdrukken als den wensch, zich gansch
+en al van zijne tegenwoordigheid te ontslaan. Daarom schonk hij
+ook zijn onverdeelden bijval aan het verlangen van zijn broeder,
+om de reis naar Naucratis geen oogenblik langer uit te stellen. Na
+een teeder afscheid van zijne zuster en moeder, begaf Bartja zich,
+twee dagen na zijne invrijheidstelling, op weg naar Egypte. Gyges,
+Zopyrus en een talrijk gevolg, dat van Cambyzes kostbare geschenken
+voor Sappho had medegekregen, vergezelden hem.
+
+Darius volgde hem ditmaal niet, daar zijne liefde voor Atossa hem niet
+kon doen besluiten, Babylon voor zoo langen tijd te verlaten. Ook was
+de dag niet verre meer, dat hij, op bevel van zijn vader, Artystone,
+de dochter van Gobryas, huwen zou. Met een bezwaard hart scheidde
+Bartja van zijn vriend, wien hij met betrekking tot Atossa den raad
+gaf, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen. Cassandane was
+in het geheim dezer liefde ingewijd, en had beloofd bij den koning
+de voorspraak van Darius te zullen zijn. Zoo iemand, dan waarlijk
+mocht de zoon van Hystaspes zijne oogen tot de dochter van Cyrus
+opheffen, daar hij ten nauwste aan het regeerende huis vermaagschapt
+was, en evenals Cambyzes tot de Pasargaden behoorde. Zijn stam was
+eene jongere linie van de dynastie die thans het bewind voerde, en
+daarom niet minder aanzienlijk [321]. Zijn vader heette het hoofd
+van den geheelen rijksadel, en bestuurde als zoodanig de provincie
+Perzië, het moederland, aan hetwelk dit onmetelijke wereldrijk en
+zijn beheerscher hun oorsprong te danken hadden. Na het uitsterven
+der familie van Cyrus, hadden de nakomelingen van Hystaspes een op
+goede gronden steunend recht op den Perzischen troon. Daardoor reeds
+was Darius, zijne persoonlijke voortreffelijke hoedanigheden nog
+daargelaten, wel de meest geschikte echtgenoot voor Atossa. Toch
+viel er vooralsnog niet aan te denken, de toestemming des konings
+tot deze verbintenis te vragen. In de sombere gemoedsgesteldheid,
+waarin hij sedert de laatste gebeurtenissen verkeerde, had hij licht
+een weigerend antwoord kunnen geven, en zulk een antwoord moest onder
+alle omstandigheden als onherroepelijk worden beschouwd.
+
+Aldus trok Bartja naar den vreemde, zonder een schijn van zekerheid te
+hebben betreffende de toekomst van het hem zoo dierbare paar. Cresus
+beloofde ook hier als bemiddelaar te zullen optreden, en bracht
+Bartja kort vóor zijn vertrek met Phanes in aanraking. De jongeling
+behandelde den Athener, van wien hij uit den mond zijner geliefde
+niets dan schoons en goeds had vernomen, uiterst minzaam, en won
+spoedig de genegenheid van den aan ondervinding zoo rijken man,
+die hem menigen nuttigen wenk gaf, en een aanbevelingsbrief [322]
+aan den Milesiër Theopompus te Naucratis. Hij verzocht hem eindelijk
+om een mondgesprek onder vier oogen. Toen Bartja met den Athener in
+den vriendenkring wederkeerde, scheen hij over iets gewichtigs te
+denken en was er aanvankelijk op zijn gelaat hooge ernst te lezen;
+maar weldra had hij de zorgen van zich gezet, en schertste hij met
+de aanwezigen, terwijl de afscheidsbeker vroolijk geledigd werd.
+
+Voordat hij den volgenden morgen te paard steeg, liet Nebenchari
+hem om een mondgesprek verzoeken. De oogarts werd tot hem geleid, en
+bad hem zich met de bezorging te willen belasten van eene briefrol
+voor koning Amasis, die tamelijk groot was. Deze rol behelsde een
+uitvoerig verhaal van het lijden van Nitetis, en eindigde met deze
+woorden: »Zoo zal dus dit arme offer van uwe eerzucht, tot wanhoop
+gebracht, door het vergif dat zij innam, binnen weinige uren, te
+vroeg een prooi van den dood worden. Gelijk de spons eene teekening
+van de tafel wischt, alzoo vernielt de willekeur van de machtigen
+dezer aarde het geluk van een mensch. Uit zijn vaderland verbannen,
+van zijne eigendommen beroofd, kwijnt uw knecht Nebenchari in den
+vreemde weg. Als zelfmoordenares ligt de ongelukkige dochter van een
+Egyptischen koning te zieltogen. Overeenkomstig Perzisch gebruik zal
+haar lijk door honden en gieren verscheurd worden. Wee hem, die de
+schuldelooze het geluk dezer aarde en de rust der toekomst ontnam!"
+
+Bartja beloofde den in zichzelven gekeerden man, dit schrijven,
+waarvan de inhoud hem onbekend bleef, te zullen medenemen. Bij zijn
+vertrek richtte hij voor de poorten der stad, in tegenwoordigheid
+eener juichende menigte, de steenen op, die hem volgens het Perzische
+bijgeloof [323] eene gelukkige reis moesten waarborgen, en verliet
+Babylon.
+
+Intusschen was Nebenchari reeds weder op weg naar het sterfbed der
+Egyptische. Bij de metalen poort in den muur, die den tuin van het
+vrouwenverblijf scheidde van de hoven bij het groote paleis, trad een
+in het wit gekleed grijsaard op hem toe. Nauwelijks zag hij dezen, of
+hij deed een paar schreden achterwaarts, en staarde die hooge, magere
+gestalte aan als ware zij eene geestverschijning. Doch daar de oude
+hem vertrouwelijk en vriendelijk toelachte, verhaastte hij weder zijne
+schreden, stak hem de hand toe met eene hartelijkheid, waarvoor geen
+zijner Perzische bekenden hem vatbaar zou hebben geacht, en riep in
+het Egyptisch: »Mag ik mijne oogen gelooven?! Oude Hib [324], gij hier
+in Perzië? Eer had ik kunnen verwachten den hemel te zien instorten,
+dan dat ik mij met het vooruitzicht zou hebben durven vleien u hier
+aan den Euphraat te zullen wederzien! Maar zeg mij spoedig in Osiris'
+naam, wat u, oude ibis, heeft kunnen bewegen, uw warm nest aan den
+Nijl te verlaten, en de verre reis naar het Oosten te ondernemen?"
+
+De oude, die zich intusschen met slap nederhangende armen diep gebogen
+had, zag nu den geneesheer met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke
+blijdschap in het gelaat, betastte met sidderende handen zijne borst,
+en riep, zijne rechterknie buigende en de armen ten hemel opheffende:
+»Heb dank, groote Isis, dat gij den armen zwerver onder uwe hoede hebt
+genomen, en hem zijn meester aldus laat wedervinden. Ach, kind, welk
+een angst heb ik om uwentwil uitgestaan! Ik had mij u voorgesteld
+uitgemergeld, als een verhongerd gevangene uit de steengroeven,
+ellendig en wegkwijnende onder uw verdriet; en ik zie u weder met
+den blos der gezondheid, eerwaardig en krachtig als te voren! Ach,
+ware de arme oude Hib in uwe plaats geweest, reeds lang zou hij van
+louter ergernis gestorven zijn!"
+
+»Ik geloof het gaarne, oudje! Ook ik heb het vaderland slechts
+gedwongen en met een bloedend hart verlaten. De goede goden wonen
+alleen in Egypte aan den heiligen, gezegenden Nijl; het buitenland
+behoort aan Seth [325]!"
+
+»Dat gezegend mocht ge wel weglaten!" bromde de oude.
+
+»Gij doet mij schrikken, vadertje, wat is er voorgevallen dat.....?"
+
+»Voorgevallen? Hm--Fraaie dingen waarachtig! Maar daarvan zult
+gij spoedig genoeg hooren. Kunt gij dan denken, dat ik ons huis en
+mijne kleinkinderen zou verlaten hebben, om op mijn tachtigste jaar,
+als een Helleensch of Phoenicisch landlooper, onder die ellendige
+vreemdelingen, die de goden verdelgen mogen, te gaan reizen, als het
+in Egypte nog maar eenigszins uit te houden was?"
+
+»Maar spreek dan toch!"
+
+»Later, later! Thans moet ge mij, om te beginnen, medenemen naar
+uw huis, dat ik niet zal verlaten, zoolang wij in dit Typhonsland
+blijven."
+
+De grijsaard had deze woorden met zulk een onmiskenbaren afschuw geuit,
+dat Nebenchari niet nalaten kon even te glimlachen en de vraag te doen:
+»Heeft men u dan zoo onheusch behandeld, oudje?"
+
+»Pest en Chamsin [326]!" pruttelde de grijsaard.--»Al de Perzen zijn
+het nietswaardigste Typhonsgebroed op de gansche aarde! Het verwondert
+me, dat zij niet allen roodharig en melaatsch geboren worden. Ach
+kind, reeds twee lange dagen zit ik in deze hel, en heb al dien tijd
+te midden van godenverzakers moeten leven! Men zeide mij, dat ik u
+onmogelijk te spreken zou krijgen, daar ge de sponde der stervende
+Nitetis niet mocht verlaten. Die arme kleine! Ik heb het altijd wel
+gezegd, dat dit huwelijk met een vreemdeling slecht zou afloopen. Nu,
+Amasis krijgt slechts loon naar werken als zijne kinderen hem verdriet
+aandoen. Aan u alleen heeft hij dat verdiend!"
+
+»Gij moest u schamen, oude!"
+
+»Kom, kom! Ik zal u zeggen hoe ik over den koning denk; dat moet er
+toch eens uit! Ik haat dezen gelukzoeker, die, toen hij nog een arme
+jongen was, de dadels van uws vaders boomen en de naamborden van de
+huisdeuren stal! O, ik heb hem als kind gekend, den deugniet! Het is
+eene schande, zich door zulk een mensch, die...."
+
+»Bedaar, bedaar toch oude!" viel Nebenchari den knecht in de rede, die
+zich hoe langer zoo meer opwond. »Wij zijn niet allen van hetzelfde
+hout gemaakt, en wanneer Amasis als knaap werkelijk niet meer was
+dan gij, dan is het uwe schuld, dat gij op uw tachtigste jaar zooveel
+minder zijt dan hij."
+
+»Mijn grootvader was tempeldienaar, mijn vader was het, daarom moest
+ik het natuurlijk ook worden...." [327]
+
+»Gij hebt volkomen gelijk, alzoo luidt de wet der kasten, volgens
+welke Amasis nooit iets anders had mogen zijn dan een arm hoofdman
+der soldaten."
+
+»Niet iedereen heeft zulk een ruim geweten als dit gelukskind!"
+
+»Ge blijft toch altijd nog dezelfde! Schaam u Hib! Zoo lang ik u ken,
+en dat is nu reeds een halve eeuw, spreekt gij om het derde woord
+een scheldwoord. Toen ik nog kind was, gebruiktet ge mij voor een
+wrijfpaal; thans is de koning het."
+
+»En met alle recht! Wist gij maar alles! Zeven maanden is het geleden,
+dat...."
+
+»Ik kan u thans niet aanhooren! Bij het opkomen van het zevengesternte
+wil ik een slaaf zenden, die u naar mijne woning zal geleiden. Tot
+zoolang blijft gij, waar ge u tot nog toe hebt opgehouden, want ik
+mag mijne zieke niet langer alleen laten."
+
+»Zoo, moogt gij niet?--Goed, ga dan, en laat den ouden Hib sterven. Ik
+bezwijk, ik sterf, als ik nog een uur langer bij deze menschen moet
+blijven!"
+
+»Maar wat wilt ge dan toch?"
+
+»In uwe vertrekken mij opsluiten, tot wij weder van hier gaan."
+
+»Heeft men u dan zoo smadelijk bejegend?"
+
+»Nog walg ik, als ik er aan denk wat ze mij gedaan hebben! Ze
+hebben mij gedwongen met hen uit denzelfden pot te eten, en mijn
+brood met hun mes te snijden. Een ellendige Pers, die lang in Egypte
+gewoond heeft en met mij hierheen gekomen is, heeft hun gezegd wat
+ons verontreinigt. Toen ik mij wilde scheren, ontnamen ze mij het
+mes. Eene nietswaardige deern kuste me op het voorhoofd, voordat ik
+nog begreep wat zij wilde. Gij behoeft niet te lachen; ik heb minstens
+eene maand noodig om mij van al dat onreine te zuiveren. Toen eindelijk
+het braakmiddel, dat ik genomen had, werkte, lachten ze mij in het
+aangezicht uit. Maar dit was nog niet alles. Een verwenschte koksjongen
+sloeg in mijne tegenwoordigheid een heilig katje zoo erbarmelijk,
+dat het diertje het bijna bestierf. Een zalfbereider, die vernomen
+had dat ik uw knecht was, liet mij vragen door denzelfden schavuit
+Boebares, met wien ik gereisd heb, of ik ook verstand van oogheelkunde
+had? Ik heb deze vraag half en half toestemmend beantwoord; want,
+weet gij, in zestig jaren ziet men zijn meester wel iets van zijne
+kunst af. En nu beklaagde zich de ellendige spotter,--Boebares
+vertolkte mij alles,--dat hij zich zeer ongerust maakte over eene
+verschrikkelijke oogkwaal. Toen ik hem vroeg, waarin die bestond, liet
+hij mij antwoorden, dat hij in het duister volstrekt niet zien kon!"
+
+»Gij hadt hem moeten antwoorden, dat het eenige middel tegen deze
+krankheid is, licht aan te steken!"
+
+»O, ik haat deze booswichten met een volkomen haat! Als ik nog éen
+uur bij hen moet blijven, dan besterf ik het!"
+
+Nebenchari lachte, en antwoordde: »Gij zult u tegenover de
+vreemdelingen zeker vrij dwaas aangesteld en hen boos gemaakt
+hebben. De Perzen zijn over het algemeen zeer hupsche, beleefde
+lieden. Beproef het nog maar eens met hen! Hedenavond wil ik u met
+alle genoegen in mijn huis opnemen; vóor dien tijd kan het evenwel
+onmogelijk geschieden."
+
+»Dacht ik het niet? Ook hij is veranderd! Osiris is dood en Seth
+heerscht weder op aarde!"
+
+»Tot weerziens, tegen dat het zevengesternte opkomt, wacht u de slaaf
+Pianchi, onze oude Ethiopiër, op deze zelfde plaats."
+
+»Pianchi de oude spitsboef, dien ik niet uitstaan kan?"
+
+»Dezelfde!"
+
+»Hm, het is altijd nog iets goeds, dat men blijft, wat men eenmaal
+was. Ik ken wel lieden, die dat niet van zichzelve kunnen getuigen,
+die, in plaats van zich bij hunne kunst te houden, ook inwendige
+ziekten willen genezen, die een ouden trouwen knecht...."
+
+»Bevelen zijn mond te houden, en geduldig den avond af te wachten."
+
+Deze laatste in ernst gesprokene woorden misten hun doel niet. De oude
+maakte nogmaals eene buiging, en zeide, alvorens zijn heer hem verliet:
+»Ik ben onder de bescherming van den voormaligen krijgsoverste Phanes
+herwaarts gekomen. Hij is zeer begeerig u te spreken."
+
+»Niemand zal hem beletten mij te komen opzoeken."
+
+»Maar gij zit den geheelen dag bij deze zieke, wier oogen zoo gezond
+zijn...."
+
+»Hib!"
+
+»Nu, het kan mij niet schelen, al had zij de staar op beide hare
+oogen. Mag Phanes dezen avond met mij komen?"
+
+»Ik wilde u gaarne alleen spreken."
+
+»En ik u; maar de Helleen schijnt groote haast te hebben, en weet
+bijkans alles wat ik u te vertellen heb."
+
+»Hebt gij dan gebabbeld?"
+
+»Dat juist niet, maar...."
+
+»Mijn vader roemde uwe trouw, en tot heden toe heb ik u voor iemand
+gehouden, die zwijgen kon."
+
+»Ik heb ook altijd mijn mond gehouden, maar deze Griek wist reeds
+een groot gedeelte van wat ik weet, en het overige...."
+
+»Welnu?"
+
+»Het overige heeft hij behendig uit mij weten te krijgen; hoe, weet
+ik zelf niet! Droeg ik niet deze amulet tegen booze blikken, dan...."
+
+»Ik ken den Athener, en vergeef u! Het is mij wèl, dat hij hedenavond
+met u komt. Maar de zon staat reeds hoog, de tijd dringt, zeg mij in
+weinige woorden, wat er gebeurd is!"
+
+»Ik zou meenen dat het hedenavond...."
+
+»Neen, ik moet in ieder geval in hoofdzaak weten, wat er is
+voorgevallen, voordat ik met den Athener spreek. Wees dus kort!"
+
+»Gij zijt bestolen geworden."
+
+»Anders niets?"
+
+»Noemt gij dat dan niets?"
+
+»Antwoord mij! Anders niets?"
+
+»Neen!"
+
+»Vaarwel dan!"
+
+»Maar, Nebenchari....."
+
+De oogarts hoorde zijn knecht niet meer, want reeds had zich de deur,
+die toegang verleende tot het verblijf van 's konings vrouwen, achter
+hem gesloten.
+
+
+
+Toen het zevengesternte was opgekomen, zat Nebenchari in een
+der prachtige vertrekken, die hem in den oostelijken vleugel van
+het paleis, nabij de woning van Cassandane, ten verblijf waren
+aangewezen. De minzaamheid, waarmede hij zijn ouden dienaar had
+ontvangen, had weder plaats gemaakt voor den ernst, waardoor hij zich
+onder de levenslustige Perzen den naam van somberen knorrepot had
+verworven. Hij was een echte Egyptenaar, geheel en al een kind dier
+priesterkaste, welker leden, zelfs in hun vaderland, met statigen
+tred en hoog ernstig gelaat langs de straten gingen, en zich nooit
+de geringste scherts veroorloofden; terwijl zij in den kring hunner
+kastgenooten of van hun gezin alle gemaakte deftigheid vergaten,
+en vrij en vroolijk, ja, dikwerf uitgelaten konden zijn.
+
+Nebenchari ontving Phanes zeer hoffelijk, maar koel, hoewel hij hem
+reeds te Saïs had gekend, en gebood den ouden Hib, na eene korte
+begroeting, hem met den overste alleen te laten.
+
+»Ik heb u opgezocht," begon de Athener in het Egyptisch, dat hij
+volkomen machtig was, »omdat ik belangrijke dingen met u te bespreken
+heb...."
+
+»Van welke ik reeds onderricht ben!" luidde het korte antwoord van
+den arts.
+
+»Dat betwijfel ik," hervatte Phanes, met een ongeloovig gezicht.
+
+»Gij zijt uit Egypte verdreven; door den kroonprins Psamtik rusteloos
+vervolgd en bitter gegriefd, en komt nu naar Perzië, om Cambyzes te
+belezen het werktuig uwer wraakzucht tegen mijn vaderland te worden."
+
+»Gij bedriegt u! Jegens uw vaderland heb ik mij van geene schuld te
+kwijten; maar des te meer heb ik op het huis van Amasis te verhalen."
+
+»Gij weet, dat in Egypte staat en koning éen zijn."
+
+»Ik meen daarentegen te hebben opgemerkt, dat de priesters van uw
+vaderland zich gaarne de macht in den staat aanmatigen."
+
+»Dan zijt gij zeker beter op de hoogte dan ik. Ik hield tot dusver
+de Egyptische koningen voor oppermachtig."
+
+»Dat zijn zij ook, zoolang zij zich onafhankelijk weten te houden
+van den invloed uwer kaste.--Ook Amasis buigt zich thans voor de
+priesters."
+
+»Dat is wat nieuws voorwaar!"
+
+»Alsof men het u niet sinds lang zou hebben medegedeeld."
+
+»Meent gij dat?"
+
+»Voorzeker! Maar nog zekerder weet ik dat het hem eene, hoort gij,
+eene enkele maal gelukt is, den wil zijner meesters voor den zijnen
+te doen buigen."
+
+»Uit het vaderland komt mij slechts weinig ter oore, ik weet dus
+volstrekt niet, wat gij bedoelt."
+
+»Ik geloof u. Want zoo ge het wist, en de vuisten niet baldet, zoudt
+ge niet beter zijn dan een hond die kwispelstaart, terwijl men hem
+trapt, en den man die hem kwelt de handen lekt!"
+
+De arts verbleekte bij deze woorden, en zeide: »Ik weet, dat ik door
+Amasis beleedigd ben geworden; maar ik verzoek u wel in overweging
+te nemen, dat ik de wraak een te uitnemend gerecht acht, dan dat ik
+het met een vreemdeling zou willen deelen!"
+
+»Goed gesproken! Wat evenwel mijne wraak betreft, ik vergelijk die
+met een wijnberg, die zoo vol is, dat ik alleen niet in staat ben
+den oogst te plukken."
+
+»En gij zijt hierheen gekomen om behulpzame arbeiders aan te werven?"
+
+»Zoo is het! En ik laat de hoop ook nog niet varen, dat gij den oogst
+met mij zult willen deelen."
+
+»Gij dwaalt! Mijne taak is volbracht; de goden zelve hebben zich
+daarmede belast. Amasis is er streng genoeg voor gestraft, dat hij
+mij uit mijn vaderland, uit den kring van vrienden en leerlingen,
+naar dit onreine land gezonden heeft, ter bereiking zijner eigene
+baatzuchtige bedoelingen."
+
+»Gij meent zijne blindheid?"
+
+»Misschien!"
+
+»Zoo weet gij niet, dat uw kunstbroeder Petammon de huid, die
+den oogappel van Amasis bedekte, doorgesneden, en hem het licht
+teruggeschonken heeft?"
+
+Deze tijding trof den Egyptenaar als een donderslag. Hij werd
+doodsbleek en knarste op de tanden. Maar spoedig was hij zichzelven
+weer meester, en antwoordde den Athener: »Vervolgens hebben de goden
+den vader in zijne kinderen gestraft."
+
+»Hoe bedoelt gij dat? Met Psamtik leeft Amasis, zooals hij thans
+gestemd is, in de beste overeenstemming. Tachot, ja, is lijdende,
+maar bidt en offert juist daarom te ijveriger met den vader. Wat
+eindelijk Nitetis betreft, haar dood zal hem, dit weet gij zoo goed
+als ik, niet zoo diep treffen."
+
+»Wederom begrijp ik u niet."
+
+»Hoogst natuurlijk, zoolang gij onderstelt, dat ik de schoone kranke
+voor eene dochter van Amasis aanzie."
+
+De Egyptenaar ontroerde andermaal hevig. Zonder schijnbaar daarop
+acht te geven, vervolgde Phanes: »Ik ben beter onderricht, dan gij
+u kunt verbeelden. Nitetis is de dochter van Hophra, den onttroonden
+voorganger van uw koning. Amasis heeft haar doen opvoeden, als ware
+zij zijne eigene dochter, ten eerste, om uwe landslieden in den waan
+te brengen, dat de van den troon gestooten pharao zonder nakomelingen
+was gestorven; ten tweede echter, om Nitetis van alle aanspraak op
+een troon, die van rechtswege haar alleen toekomt, te versteken. Aan
+de oevers van den Nijl heeft ook de vrouw de bevoegdheid om te
+regeeren!" [328]
+
+»Dit zijn altemaal vermoedens...."
+
+»Die ik door onomstootelijke bewijzen tot zekerheid kan maken! Onder
+de papieren, die uw oude dienaar Hib in een kastje met zich bracht,
+moeten zich brieven bevinden van uw vader, den zoo beroemden
+vroedmeester...." [329]
+
+»Gesteld, dat dit zoo ware, dan zijn toch in ieder geval deze
+geschriften mijn eigendom, en ben ik niet bereid daar afstand van te
+doen; ten tweede zoudt gij in Perzië te vergeefs naar een man zoeken,
+die in staat is het schrift van mijn vader te ontcijferen."
+
+»Vergeef mij, dat ik u weder op eenige dwalingen opmerkzaam moet
+maken. Dat bedoelde kastje berust onder mij en zal, hoezeer ik anders
+ook het eigendomsrecht eerbiedig, niet in uwe handen worden gesteld,
+alvorens ik den inhoud er van aan de verwezenlijking mijner bedoelingen
+dienstbaar heb gemaakt; ten andere woont hier te Babylon werkelijk,
+door de goedgunstige beschikking der goden, een man, die in staat
+is iedere schrijfwijze, die een Egyptisch priester kan verstaan,
+te ontcijferen. Herinnert gij u toevallig ook den naam Onoephis?"
+
+Ten derden male ontstelde de arts merkbaar, en zoodra hij zich
+eenigszins hersteld had, vroeg hij: »Zijt gij er wel zeker van,
+dat deze man nog altijd tot de levenden behoort?"
+
+»Gisteren heb ik hem gesproken. Gelijk gij weet, is hij opperpriester
+te Heliopolis geweest; vandaar dat hij in al uwe geheimen is
+ingewijd. Mijn wijze landgenoot Pythagoras van Samos kwam indertijd
+naar Egypte, en na zich aan eenige uwer ceremoniën te hebben
+onderworpen, kreeg hij verlof het onderricht der priesterkaste van
+Heliopolis bij te wonen. Hij won door zijne buitengewone geestesgaven
+en zijne uitstekende hoedanigheden de liefde van den edelen Onoephis,
+werd door hem met alle mysteriën [330] bekend gemaakt, en wist deze
+dienstbaar te maken aan de ontwikkeling der menschheid. Ik zelf
+en mijne voortreffelijke vriendin Rhodopis zijn er trotsch op,
+ons zijne leerlingen te mogen noemen. Toen het uwe medepriesters
+ter oore kwam, dat Onoephis de mysteriën verraden had, besloten
+de priesterlijke rechters hem ter dood te brengen. Hij zou moeten
+sterven door een vergif, dat men uit de pitten van den perzikboom kan
+bereiden. De veroordeelde vernam nog intijds welk lot hem verbeidde,
+en vluchtte naar Naucratis, waar hij in het huis van Rhodopis, van
+wier edel karakter Pythagoras hem veel had verhaald, eene door den
+vrijbrief des konings gewaarborgde schuilplaats vond. Hier maakte hij
+kennis met Antimenidas, broeder van den dichter Alcaeus van Lesbos,
+die jaren achtereen, tijdens hij op bevel van Pittacus, den wijzen
+heerscher van Mytilene, als balling buiten zijn vaderland omzwierf,
+te Babylon geleefd en onder Nebucadnezar, den toenmaligen koning
+van Assyrië, bij het leger gediend had. Deze Antimenidas verschafte
+hem aanbevelingsbrieven aan de Chaldeërs. Onoephis reisde naar den
+Euphraat, zette zich te Babylon neder en moest naar eene broodwinning
+omzien, daar hij in zeer bekrompene omstandigheden zijn vaderland
+verlaten had. Hij vond dan ook een middel van bestaan door de
+aanbeveling van Antimenidas. Op den huidigen dag nog voorziet hij, die
+eenmaal tot de machtigsten van Egypte behoorde, zij het ook op karige
+wijze, in zijn onderhoud, door de Chaldeërs, bij hunne sterrenkundige
+berekeningen op den toren van Bel, met zijne uitgebreide kennis,
+die hunne wetenschap verre overtreft, behulpzaam te zijn. Onoephis is
+bijkans tachtig jaren oud, maar nog volkomen helder van geest. Toen
+ik hem gisteren sprak en zijne hulp inriep, zeide hij mij die toe met
+oogen, die van blijdschap straalden. Uw vader was een zijner rechters;
+maar wel verre van zijn haat van den vader op den zoon over te dragen,
+laat hij u door mij groeten."
+
+Onder het aanhooren van dit verhaal, had Nebenchari peinzend voor zich
+gestaard. Toen Phanes zweeg, zag hij dezen aan met een doordringenden
+blik, en vroeg: »Waar zijn mijne papieren?"
+
+»In handen van Onoephis, die daarin naar de oorkonde zoekt, welke ik
+van noode heb."
+
+»Dat is natuurlijk! Heb de goedheid mij te zeggen, hoe de kist,
+die Hib goedvond naar Perzië te brengen, er uitziet."
+
+»Het is een koffertje van zwart ebbenhout. Het deksel is kunstig
+gesneden. Men ziet in het midden een gevleugelden kever en aan de
+vier hoeken..."
+
+Nebenchari haalde weder vrij adem en zeide: »Dat bevat niets dan
+eenige aanteekeningen van mijn vader."
+
+»Die misschien toch toereikend zullen zijn, om mij te doen slagen. Ik
+weet niet, of men u verhaald heeft, dat ik mij verheugen mag in de
+hoogste gunst bij Cambyzes te staan."
+
+»Des te beter voor u! Ik kan u verzekeren dat de papieren, die u van
+het grootste nut zouden zijn, in Egypte zijn gebleven."
+
+»In eene groote, met vele kleuren beschilderde kist van sykomorenhout,
+niet waar?"
+
+»Hoe weet gij dat?"
+
+»Omdat ik,--let wel Nebenchari,--omdat ik u naar waarheid kan
+verzekeren,--ik zweer niet, want Pythagoras, de meester, verbiedt het
+gebruik van den eed,--dat juist deze kist, met haar geheelen inhoud,
+in het bosch van den Neith-tempel te Saïs, op bevel des konings
+verbrand is."
+
+Deze woorden, die Phanes langzaam uitsprak, terwijl hij op
+iedere lettergreep drukte, troffen den Egyptenaar als zoovele
+bliksemschichten. De kalmte en de bezadigdheid, die hij tot dusver
+had weten te bewaren, waren verdwenen. Eene onbeschrijfelijke woede
+zette zijne wangen in gloed, en deed zijne oogen vlammen schieten;
+maar ook slechts gedurende eene enkele minuut. Toen ging zijne woede
+in eene ijzingwekkende bedaardheid over, zijne gloeiende wangen
+verloren alle kleur, en zijn akelig vertrokken mond sprak koel en
+gelaten: »Om mij tot uw bondgenoot te maken, wilt ge mij met haat
+jegens mijne vrienden vervullen. Ik ken u, Hellenen! Uitgeleerd in
+listen en streken, versmaadt gij geen enkel middel, hoe bedrieglijk
+en leugenachtig ook, om uwe oogmerken te bereiken."
+
+»Gij beoordeelt mij en mijne landgenooten, gelijk dit van een
+Egyptenaar te wachten is; dat is, gij houdt ons, als vreemdelingen,
+voor de slechtste menschen die ge u denken kunt. Ditmaal echter
+bedriegt gij u!--Laat den ouden Hib komen, en hij u herhalen, wat
+gij uit mijn mond niet voor waarheid wilt aannemen."
+
+Nebenchari's gelaat nam weder eene sombere uitdrukking aan, toen Hib,
+gehoor gevende aan 's meesters roepstem, het vertrek binnentrad.
+
+»Nader!" luidde Nebenchari's barsch bevel. De knecht gehoorzaamde,
+de schouders ophalende.
+
+»Hebt gij u door dezen man laten omkoopen? Ja, of neen? Ik verlang de
+waarheid te hooren, want het geldt mijn geluk of mijn ongeluk voor de
+toekomst. Zijt gij in de listige en bedrieglijke strikken van dezen
+meester verward geraakt, ik zal het u vergeven, wijl ik aan u, mijn
+ouden getrouwen knecht, groote verplichting heb. Zeg de waarheid,
+ik bezweer het u in den naam uwer Osirische vaderen!"
+
+Het geelachtige aangezicht van den oude was, gedurende deze
+toespraak van zijn heer, vaalbleek geworden. Eenige oogenblikken
+lang nokte hem, onder veel snikken, de stem in de keel. Eindelijk,
+nadat het hem gelukt was de tranen, die met alle kracht in zijne
+oogen wilden opwellen, terug te dringen, riep hij, half toornig,
+half bedroefd: »Heb ik het niet dadelijk gezegd: Hij is in dit land
+der smaadheid en rampzaligheid betooverd en bedorven. Zooals de waard
+is, vertrouwt hij zijne gasten! Ja, zie mij maar boos aan, het kan
+mij niet schelen. Waarover zou ik mij ook verder nog bekommeren, als
+men mij, ouden man, die zestig jaren lang in hetzelfde huis trouw en
+eerlijk gediend heb, voor een schurk, een spitsboef, een verrader,
+ja, misschien wel voor een moordenaar uitmaakt!"
+
+Bij deze laatste woorden begonnen de oogen van den grijsaard, in
+weerwil zijner geweldige inspanning om zich goed te houden, in heete
+tranen te zwemmen.
+
+De fijngevoelige Phanes klopte hem op den schouder, en zeide, zich tot
+Nebenchari wendende: »Hib is een trouw dienaar. Noem mij een schurk,
+als hij een obool van mij heeft aangenomen."
+
+De geneesheer had deze woorden van den Athener niet noodig, om van de
+onschuld van zijn knecht volkomen overtuigd te zijn. Hij kende hem
+zoo lang en zoo door en door, dat hij in de, ook tot de geringste
+veinzerij onbekwame trekken van den oude, als in een geopend boek
+las. Hij trad dus naar hem toe, en zeide op den toon van zacht verwijt:
+»Ik heb u van niets beschuldigd, oude. Wat behoeft gij u zoo driftig
+te maken over eene bloote vraag!"
+
+»Ja, ik zou me zeker nog moeten verheugen over uwe schandelijke
+verdenking?"
+
+»Neen, dat behoeft niet;--maar ik veroorloof u thans te verhalen,
+wat er, gedurende mijn afzijn, in mijn huis is voorgevallen."
+
+»Eene mooie geschiedenis! Als ik daaraan denk, wordt het mij zoo
+bitter in den mond, alsof ik een kolokwintappel kauw."
+
+»Gij zeidet dezen morgen, dat men mij bestolen had."
+
+»Ja, en hoe!--Zoo is nog niemand vóor ons bestolen geworden! Hadden de
+spitsboeven slechts tot de dievenkaste [331] behoord, dan zouden wij
+ons nog kunnen troosten; want vooreerst zouden we dan het grootste
+deel van ons eigendom teruggekregen hebben, en ten andere er niet
+slechter aan toe zijn geweest, dan vele anderen; maar...."
+
+»Blijf bij de zaak, want mijn tijd is beperkt!"
+
+»Ja, dat weet ik al! De oude Hib kan hier in Perzië niets naar uw
+zin doen. Doch dat komt er niet op aan. Gij zijt meester en hebt
+dus maar te bevelen; ik ben maar knecht en moet dus gehoorzamen. Ik
+hoop het niet te vergeten. Nu dan, 't was juist in de dagen, dat
+het groote Perzische gezantschap naar Saïs kwam om Nitetis te halen,
+en zich door het gansche volk als een troep vreemde dieren te laten
+aangapen, dat het schandelijke feit plaats greep. 's Avonds, terwijl
+de zon ondergaat, zit ik op het muggentorentje, en speel met mijn
+kleinzoon, den oudsten jongen van mijne Benra [332], die een heerlijk
+dik ventje geworden is, en voor zijn leeftijd bijzonder verstandig en
+sterk. De guit vertelt me juist, dat zijn vader, gelijk de Egyptenaren
+plegen te doen, als hunne vrouwen de kinderen te veel alleen laten,
+de schoenen zijner moeder had weggestopt [333], en ik lach, dat de
+tranen me over de wangen loopen. Want ge moet weten, dat ik Benra,
+die geen mijner kleinkinderen bij mij wil laten wonen, omdat ik,
+zoo zegt zij, ze bederf, deze poets van harte gunde. Plotseling
+wordt er met den klopper zoo geweldig op de huisdeur geslagen, dat
+ik waarachtig meen, dat er hier of daar brand is, en den jongen van
+mijne knie laat vallen. Zoo hard ik maar kan, loop ik de trappen af,
+neem met mijne lange beenen telkens drie treden in eens, en schuif den
+grendel terug. De deur vliegt open en eene gansche bende tempeldienaars
+en politie-agenten,--daar waren minstens vijftien man,--dringt het
+huis binnen, nog voordat ik den tijd heb te vragen, wat ze van mij
+hebben willen. Pichi, de onbeschaamde tempeldienaar van Neith,--gij
+kent hem wel,--duwt mij op zij, grendelt de deur van binnen dicht,
+en beveelt den troep mij te knevelen, als ik niet terstond alles
+doe wat hij mij gebieden zal. Ik laat het natuurlijk niet onder mij,
+maar scheld hem braaf uit. Gij weet, heer, dat ik dit niet laten kan,
+als iets mij ergert. En nu doet hij mij,--bij onzen god Toth, die
+de wetenschap beschermt, ik spreek de waarheid, heer,--nu doet die
+melkmuil mij de handen binden, verbiedt mij, den ouden Hib, verder een
+woord te spreken, en zegt dat hij van den opperpriester in last heeft,
+mij vijf en twintig stokslagen te doen geven, als ik mij niet zonder
+tegenspraak aan al zijne bevelen onderwerp. Tegelijk toont hij mij den
+ring van den opperpriester. Nu moest ik, of ik wilde of niet, dezen
+schoft gehoorzamen, die niets minder eischte, dan dat ik hem dadelijk
+alle geschriften, die gij hadt achtergelaten, zou overhandigen. Maar
+de oude Hib is zoo dom niet, dat hij zich in den eersten strik den
+besten laat vangen, hoewel menschen, die hem beter moesten kennen,
+meenen dat hij omkoopbaar en de zoon van een ezel is.--Wat doe ik
+dus? Ik stel me aan, alsof ik geheel van mijn stuk ben door het zien
+van den zegelring, verzoek Pichi zoo beleefd mogelijk mijne handen
+los te maken, en zeg dat ik den sleutel zal halen. Men maakt mijne
+handen los; ik ren de trap op, bij vijf treden te gelijk, ruk de deur
+van uwe slaapkamer open, duw mijn kleinzoon, die voor de deur staat,
+naar binnen, en schuif er den grendel voor. Dank mijne lange beenen
+ben ik de anderen zoo ver vooruit, dat ik den tijd heb, den knaap
+het zwarte kastje, dat gij aan mijne bijzondere zorg hadt aanbevolen,
+onder den arm te geven, het kleine kereltje door het venster te zetten
+op het balkon, dat aan de zijde van den tuin langs het huis loopt,
+en hem te bevelen het kostbare kastje dadelijk in de duiventil te
+stoppen. Daarop open ik de deur, als ware er niets gebeurd, maak Pichi
+wijs, dat de jongen een mes in den mond had gehad, en ik daarvan zoo
+geschrikt was, dat ik uit angst op zulk een dwaze manier de trap was
+opgevlogen, en den knaap voor zijn straf wat te luchten had gezet. De
+vent, die zoo dom is als het broertje van een nijlpaard, gelooft me,
+en laat zich nu het geheele huis door leiden. Eerst leggen ze beslag
+op de groote kist van sykomorenhout met papieren, die gij mij bevolen
+hadt niet minder zorgvuldig te bewaren, dan op de papyrusrollen
+op uwe schrijftafel, en verder op alle geschrevene stukken, die in
+het huis voorhanden zijn. Zonder ze eerst te schiften of in te zien,
+smijten zij alles in de groote kist, en dragen die naar beneden. Doch
+het zwarte kastje lag ongeschonden en veilig in de duiventil. Mijn
+kleinzoon is de slimste jongen uit geheel Saïs!
+
+»Toen de kist het huis werd uitgedragen, kon ik mijne, tot dusverre met
+zooveel moeite onderdrukte woede niet langer bedwingen. Ik dreigde den
+onbeschaamden indringers, dat ik hen bij de rechters, en als dit niet
+hielp, bij den koning zou aanklagen, en zonder twijfel zou ik ook het
+volk tegen hen hebben opgehitst, als die vervloekte Perzen, die eene
+wandeling door de stad deden, niet juist op dit oogenblik de geheele
+aandacht der saamgestroomde menigte hadden getrokken. Dienzelfden avond
+ging ik naar mijn schoonzoon die, gelijk gij weet, ook tempeldienaar
+van de godin Neith is, en verzocht hem alles in het werk te stellen,
+om het lot der gestolene schriften te weten te komen. Die goede
+man is nog altijd dankbaar voor de rijke huwelijksgift, die gij aan
+mijne Benra hebt geschonken. Drie dagen later kwam hij mij zeggen,
+dat hij er getuige van geweest was, hoe men uwe fraaie kist, met
+al de daarin geborgen rollen, verbrand had. Van louter ergernis
+kreeg ik de geelzucht; doch mijne ziekte belette mij niet mijne
+klachten voor de rechters te brengen. Deze ellendelingen zijn echter,
+gelijk gij weet, zelve priesters, en wilden dus niets van de zaak
+weten. Nu diende ik namens u een verzoekschrift bij den koning in,
+maar werd door dezen afgesnauwd met de niet zeer malsche bedreiging,
+dat men mij als landverrader zou beschouwen, als ik nog eens van
+die papieren een woord durfde kikken. Nu had ik mijne tong [334]
+te lief, om nog verder eenigen stap te doen. De grond brandde onder
+mijne voeten. Ik kon niet in Egypte blijven, want ik moest u spreken;
+ik moest u zeggen hoe men u beleedigd had; ik moest u, die zeker meer
+vermoogt dan uw arme knecht, tot wraakneming aansporen; ik moest u ook
+het zwarte kastje brengen, dat men mij misschien anders nog zou hebben
+onttroggeld. Alzoo verliet ik mijn vaderland en mijn kleinzoontje
+met een bloedend hart, om, zoo oud als ik ben, naar het typhonisch
+buitenland te trekken.--Ach! de kleine jongen is zoo wijs! Toen ik hem
+bij het afscheid kuste, zeide hij: 'Blijf bij ons, grootvader! Als de
+vreemdelingen u verontreinigen, dan mag ik u niet meer kussen.'--Benra
+laat u hartelijk groeten, en mijn schoonzoon doet u weten, uit goede
+bron vernomen te hebben dat Psamtik, de kroonprins, en Petammon,
+de oogarts, uw oude mededinger, de bewerkers dezer vervloekte daad
+zijn. Daar ik mij niet aan de typhonische zee durfde toevertrouwen,
+reisde ik met eene karavaan Arabische kooplieden tot Thadmor, de
+palmrijke rustplaats der Phoeniciërs [335] in de woestijn, en van
+daar met Sidonische kooplieden tot Karchemis aan den Euphraat, waar
+zich de weg, die van Phoenicië naar Babylon voert, met dien tusschen
+Sardes en Babylon vereenigt. Doodmoede zat ik in het boschje voor de
+herberg, toen een vreemdeling, die met koninklijke postpaarden reisde,
+daar aankwam. Aanstonds herkende ik in hem den voormaligen overste
+der Helleensche soldaten."
+
+»En ik," viel Phanes den verteller in de rede, »herkende even spoedig
+in u, oude, den langsten en twistzieksten mensch, dien ik ooit gezien
+heb. Honderd malen heb ik te Saïs om u moeten lachen, als gij de
+kinderen stondt uit te schelden, die u naliepen, zoo dikwijls gij,
+met het artsenijkastje onder den arm, uw meester door de straten
+volgdet. Ja, ik herinnerde mij zoodra ik u zag eene aardigheid, die
+zich de koning eens te uwen koste liet ontvallen. Toen gij beiden
+op zekeren dag voorbijkwaamt, zeide hij: »Die oude lijkt wel een
+grimmige uil, die door kleine vogels omfladderd en voor den gek
+gehouden wordt; en Nebenchari moet zeker eene booze vrouw hebben,
+die hem, tot loon voor al de oogen die hij ziende maakt, zijne eigene
+dreigt uit te krabben!"
+
+»Schandelijk, schandelijk!" riep de oude, in verwenschingen
+uitbarstende.
+
+De arts had, zwijgend en in gedachten verzonken, het verhaal van
+zijn knecht aangehoord. Van tijd tot tijd veranderde de kleur van
+zijn gelaat. Toen hij hoorde dat men zijne papieren, de vruchten
+van zoovele doorwaakte nachten, verbrand, met medeweten van zijne
+standgenooten en van den koning vernietigd had, balde hij de vuisten,
+en rilde hij over zijn gansche lichaam, als werd hij door eene heftige
+koorts aangegrepen.
+
+Geene enkele beweging van den priester was den Athener ontgaan. Aan
+menschenkennis ontbrak 't hem niet, en hij wist dat een woord van
+spot de ziel van den eerzuchtige dikwerf dieper wondt, dan zware
+beleedigingen. Daarom bracht hij juist nu de scherts te berde, die
+Amasis zich eens, toen hij aan zijne neiging tot gekscheren toegaf,
+had veroorloofd. Ook had zijne berekening niet gefaald, want hij zag
+hoe Nebenchari, bij zijne laatste woorden, eene roos, die vóor hem op
+de tafel lag, met de vlakke hand krampachtig platdrukte. Terwijl hij
+een glimlach van voldoening haastig onderdrukte, vervolgde Phanes:
+»Maar verneem thans in korte trekken het einde van de reisavonturen
+van den braven Hib. Ik noodde hem mijn wagen met mij te deelen. Eerst
+weigerde hij met zulk een verwenschten vreemdeling als ik op éen kussen
+te gaan zitten. Doch eindelijk gaf hij aan mijn verzoek gehoor. Hij
+had aan de laatste pleisterplaats gelegenheid, op den broeder van den
+opperpriester Oropastes de proef te nemen van de handgrepen, die hij
+u en uw vader heeft afgezien, en kwam eindelijk behouden te Babylon
+aan, waar ik zelf hem in het paleis van den koning een onderkomen
+verschafte, daar wij u, uithoofde der droevige omstandigheid waarin
+uwe landgenoote zich bevindt, niet te spreken konden krijgen. Het
+overige is u bekend."
+
+Nebenchari knikte even, ten teeken van toestemming, en gebood Hib
+met een wenk het vertrek te verlaten.
+
+De oude gehoorzaamde brommend en tusschen de tanden scheldende. Toen de
+deur zich achter hem gesloten had, trad de geneesheer op den krijgsman
+toe, en zeide: »Ik vrees, Helleen, dat wij, in spijt van dit alles,
+toch geene bondgenooten zullen kunnen zijn!"
+
+»En waarom niet?"
+
+»Omdat ik vermoed dat uwe wraak, in vergelijking met die, welke ik
+mij verplicht acht te nemen, veel te zacht en te onbeduidend zal zijn."
+
+»Wat dat betreft, hebt gij niet te vreezen!" antwoordde de
+Athener. »Mag ik u mijn bondgenoot noemen?"
+
+»Ja! Onder éene voorwaarde!"
+
+»Laat hooren!"
+
+»Gij moet mij in de gelegenheid stellen, met eigene oogen de uitkomst
+onzer wraakoefening te zien."
+
+»Dat wil zeggen, als Cambyzes naar Egypte trekt, wenscht gij het
+leger te volgen?"
+
+»Ja! En als mijne vijanden in smaad en ellende nederliggen, dan
+wil ik hun toeroepen: »Ziet gij, lafaards, dit ongeluk hebt gij
+te wijten aan den armen, verbannen oogarts!"--O mijne geschriften,
+mijne geschriften! Zij waren mij even dierbaar als vrouw en kind,
+die ik beiden verloren heb. Zij waren bestemd, om aan honderden te
+leeren, hoe den blinden het licht weer te geven, hoe den zienden de
+zoetste gave der goden, de bloem van het gezicht, de bewaarplaats
+van het licht, het ziende oog voortdurend te doen behouden. Nu
+mijne geschriften vernield zijn, heb ik tevergeefs geleefd! Met
+mijne geschriften hebben die ellendelingen mij zelven verbrand! O,
+mijne geschriften, mijne geschriften!"--Bij deze woorden snikte de
+ongelukkige man, dat er 't hart van breken moest.
+
+Phanes trad nu op hem toe, vatte zijne rechterhand, en zeide: »U,
+mijn vriend, hebben de Egyptenaren geslagen, ik ben echter door
+hen nog schandelijker mishandeld geworden. Dieven zijn, ja, in
+uwe woning gedrongen, maar mij hebben moordenaars huis en hof in
+de asch gelegd. Weet gij, Nebenchari, weet gij, wat men mij gedaan
+heeft?--Toen zij mij verdreven en vervolgden, waren zij in hun recht;
+want volgens hunne wetten was ik des doods schuldig. Ware het daarbij
+gebleven, ik had hun kunnen vergeven, want ik had dezen Amasis lief,
+gelijk een vriend zijn vriend liefheeft. Dat wist de ellendeling,
+en toch liet hij toe, wat bijna ongelooflijk schijnt. O, het is,
+alsof mijne hersenen branden, als ik aan het ontzettende feit
+denk!--Als wolven drongen zij in den nacht het huis eener weerlooze
+vrouw binnen en stalen mijne kinderen, een meisje en een jongen, de
+trots, de vreugde, de troost van mijn eenzaam leven. En wat deden zij
+met de arme schepseltjes? Het meisje hielden zij gevangen, gelijk zij
+voorgaven, om mij te verhinderen Egypte den vreemdelingen in handen te
+spelen; den knaap evenwel, een toonbeeld van schoonheid en goedheid,
+mijn eenigen zoon, heeft de kroonprins Psamtik, misschien wel met
+medeweten van Amasis, doen vermoorden. Onder de smart der ballingschap
+was mijn hart eerst ineengekrompen en daarna gevoelloos geworden;
+thans echter gevoel ik, hoe de hoop op wraak het doet zwellen en van
+blijde verrukking kloppen!"
+
+Nebenchari zag met blikken, gloeiende van een somber vuur, in de
+vlammende oogen van den Athener, en zeide, terwijl hij hem de hand
+reikte: »Wij zijn bondgenooten!"
+
+De Helleen vatte de rechterhand van den arts en antwoordde: »Thans
+geldt het in de eerste plaats, ons van de gunst des konings te
+verzekeren!"
+
+»Ik zal Cassandane het gezicht hergeven!"
+
+»Zoudt ge dat kunnen?"
+
+»De kunstbewerking, die Amasis ziende heeft gemaakt, heb ik
+uitgevonden. Petammon heeft ze van mij geleerd uit mijne verbrande
+geschriften."
+
+»Waarom hebt gij ze dan niet vroeger toegepast?"
+
+»Omdat ik niet gewoon ben mijne vijanden geschenken te doen."
+
+Bij deze woorden voelde Phanes zich door eene lichte huivering
+aangrijpen. Hij herstelde zich evenwel spoedig, en zeide: »Ook
+ik kan mij verzekerd houden van 's konings gunst. De gezanten der
+Massageten zijn heden reeds naar hun land teruggekeerd. De vrede is
+hun toegestaan, en...."
+
+Op dit oogenblik werd de deur opengerukt, een eunuch van Cassandane
+vloog het vertrek binnen, en riep Nebenchari toe: »Onze meesteres
+Nitetis is stervende! Maak u dadelijk gereed, en volg mij!"
+
+De arts groette zijn bondgenoot met een wenk, trok zijne sandalen aan,
+en begaf zich naar het bed der stervende koningsbruid.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+
+Reeds poogden de eerste zonnestralen heen te boren door de dichte
+gordijnen voor de vensters van het vertrek, waarin de Egyptische
+nederlag, toen Nebenchari nog altijd aan hare stervenssponde
+neerzat. Nu eens betastte hij haar pols, dan weêr bestreek hij haar
+voorhoofd en hare borst met geurige zalven, om daarna gedurende eene
+korte poos voor zich te staren. Na een aanval van kramp scheen de
+lijderes in diepen slaap gezonken. Aan het voeteneind van het bed
+stonden zes Perzische heelmeesters bezweringsformulieren te prevelen,
+terwijl Nebenchari aan het hoofdeinde zat, en van daar den Aziaten, die
+zijne meerderheid als geneeskundige volgaarne erkenden, voorschriften
+gaf. Zoo dikwijls de Egyptenaar den pols der kranke betastte, haalde
+hij de schouders op, welke beweging zijne Perzische kunstbroeders
+oogenblikkelijk eenparig navolgden. Van tijd tot tijd werd het
+voorhangsel van het vertrek geopend, en vertoonde zich een lief
+vrouwenkopje, welks blauwe oogen den geneesheer vragend aanstaarden,
+om door dezen telkens met hetzelfde droeve schouderophalen beantwoord
+te worden. Tweemaal was de lieve vraagster, Atossa, 's konings
+zuster, terwijl zij het zware tapijt, een weefsel van Milesische
+wol, nauwelijks met de teenen beroerde, tot aan het bed der lijdende
+vriendin geslopen, om een zachten kus te drukken op het voorhoofd,
+waarop groote zweetdroppelen parelden; maar telkens was zij door den
+Egyptischen arts met strengen, afkeurenden blik naar het zijvertrek
+verdreven.
+
+Hier lag Cassandane moedeloos neder. Zij verbeidde het laatste
+bedrijf van dit menschenleven. Zoodra de zon verrezen en Nitetis in
+slaap gevallen was, had Cambyzes haar vertrek verlaten en zich te
+paard geworpen, om, door Phanes, Prexaspes, Otanes, Darius en vele,
+plotseling uit hun slaap gewekte hovelingen vergezeld, in woesten
+ren de diergaarde door te stuiven. Hij wist toch bij ondervinding,
+dat hij iedere gemoedsbeweging het best onderdrukken of vergeten kon,
+wanneer hij in het zadel van zijn wilden hengst was gezeten.
+
+Toen Nebenchari het dreunen der hoefslagen uit de verte vernam,
+ontroerde hij van top tot teen. Met open oogen droomde hij, dat de
+koning aan de spits eener onafzienbare ruiterschaar zijn vaderland
+binnentrok, brandende fakkels in steden en tempels wierp, en met
+geweldige vuistslagen de reuzengebouwen der pyramiden tot gruis
+beukte. Te midden der rookende en smeulende puinhoopen der steden
+lagen vrouwen en kinderen, uit de graven klommen de kermende stemmen
+van de mummiën der gestorvenen op, en allen, priesters, krijgslieden,
+vrouwen, kinderen, dooden en stervenden riepen zijn naam uit, en
+vloekten hem, hem, den verrader van zijn vaderland. Eene koude,
+koortsachtige siddering voer door zijne leden, krampachtig klopte
+zijn hart, gelijk de aderen der stervende aan zijne zijde.--Wederom
+opende zich het voorhangsel van het zijvertrek, wederom sloop Atossa
+binnen, en legde ditmaal de hand op zijn schouder. Huiverend sprong
+hij op, en ontwaakte. Drie dagen en drie nachten had Nebenchari bijna
+onafgebroken aan dit leger doorgebracht. Was het wonder, dat zulke
+droomen den overspannene en vermoeide overvielen?
+
+Atossa sloop naar hare moeder terug. Doodelijk stil was het in
+de drukkend warme ziekenkamer. De Egyptenaar herinnerde zich zijn
+droom van straks; hij hield zichzelven voor, hoe hij op het punt was
+een verrader en een misdadiger te worden. Nogmaals trok alles, wat
+hij in zijn half slapenden, half wakenden toestand had aanschouwd,
+voor het oog zijner verbeelding voorbij. Maar ditmaal werden die
+ontzettende droomgezichten door een nieuw beeld verdrongen. Nebenchari
+zag zichzelven naast de met ketenen beladen gestalten van Amasis,
+die hem gebannen en bespot, van Psamtik en de priesters, die zijne
+werken vernield hadden. Zachtkens bewogen zich zijne lippen. Aan deze
+plaats durfde hij de onbarmhartige woorden, die hij in den geest zijne
+om genade smeekende vijanden toeriep niet uiten. Zie, daar wischt de
+hardvochtige man zich een traan uit het oog. Zijne ziel doorleefde nog
+eens de lange nachten, in welke hij, met de schrijfstift in de hand,
+bij het matte schijnsel der lamp had neêrgezeten, en zijne gedachten
+en ervaringen, terwijl hij iedere letter zorgvuldig penseelde, in de
+fijnste hiëratische teekens had neergeschreven. Voor menige oogziekte,
+die de heilige boeken van Toth [336] en de verhandelingen van een
+oud, hoogberoemd arts van Byblos onherstelbaar noemden, had hij een
+geneesmiddel gevonden. Maar hij wist wel, dat zijne ambtgenooten
+hem van misdaad zouden hebben beticht, als hij zich vermeten had er
+voor uit te komen, dat hij het gewijde boek wilde verbeteren. Daarom
+had hij dit opschrift voor zijn boek gekozen: »Eenige nieuwe door
+Nebenchari, den oogarts, gevonden geschriften van den grooten Toth,
+betreffende de oogheelkunde [337]." Na zijn dood moest zijn werk
+het eigendom der boekverzameling te Thebe [338] worden, opdat al
+zijne opvolgers met zijne ervaringen hun voordeel mochten doen,
+en ontelbare lijders de vruchten van zijn arbeid plukken. Erkenning
+zijner verdiensten na zijn dood, dat was zijn ideaal; en om dat te
+verwezenlijken had hij aan de wetenschap zijne nachtrust ten offer
+gebracht. Hij dorstte naar roem, als belooning van zijn wroeten en
+zwoegen, voor de kaste tot welke hij behoorde.--Zie, daar staat zijn
+oude mededinger Petammon, na hem de uitvinding der staarsnede ontroofd
+te hebben, aan de zijde van den kroonprins, in het heilige bosch van
+Neith, en stookt het vernielend vuur op. De roode gloed der vlammen
+verlicht de boosaardige trekken dier beiden, en--hoor! hun spotlach,
+die om wraak schreit, stijgt met de vlammen ten hemel. Ginds stelt de
+opperpriester aan Amasis de brieven zijns vaders ter hand. Hoonende
+en spottende woorden vloeien van de lippen des konings, het gelaat
+van Neithotep gloeit van helsche vreugde.
+
+Zoo geheel weggezonken was hij in zijne droomerijen, dat een
+der Perzische geneesheeren hem waarschuwen moest, toen de kranke
+ontwaakte. Hij knikte zijn kunstbroeder glimlachend toe, terwijl
+hij op zijne zware oogleden wees, betastte den pols der lijderes,
+en vroeg haar in het Egyptisch: »Hebt gij goed geslapen, meesteres?"
+
+»Ik weet het niet," antwoordde de kranke, met nauw hoorbare stem. »Wel
+was het mij alsof ik sluimerde; toch zag en hoorde ik alles, wat
+hier in het vertrek voorviel. Ik voelde mij zoo vermoeid, dat ik niet
+onderscheiden kon, of ik waakte of droomde. Is Atossa niet meermalen
+bij mij geweest?"
+
+»Juist."
+
+»En Cambyzes bleef bij Cassandane, tot de zon opkwam; toen ging hij
+naar buiten, besteeg den hengst Reksch, en reed de diergaarde in."
+
+»Hoe weet gij dat?"
+
+»Ik heb het gezien!"
+
+Nebenchari zag onafgebroken met bezorgdheid in de glinsterende oogen
+der jonkvrouw, die verder vroeg: »Heeft men ook niet vele honden in
+den tuin achter dit huis gebracht?"
+
+»De koning wil waarschijnlijk beproeven door de jacht zijne smart
+over uw lijden een poos te vergeten."
+
+»O, neen, dat weet ik beter! Orapastes heeft mij geleerd, dat bij
+iederen stervenden Pers honden [339] worden gebracht, opdat de Diw
+des doods in deze beesten vare."
+
+»Gij leeft nog, gebiedster, en...."
+
+»O, ik ga sterven, dat weet ik! Al had ik niet gezien, hoe gij en die
+andere geneesheeren, telkens als gij mij beschouwdet, de schouders
+ophaaldet, toch zou ik weten, dat ik nog slechts weinige uren te
+leven heb. Het vergif is doodelijk!"
+
+»Gij spreekt te veel, meesteres; het spreken zal u kwaad doen."
+
+»Laat mij spreken, Nebenchari! Ik heb nog éene bede aan u te doen,
+voordat ik sterf."
+
+»Beveel, ik ben uw dienstknecht!"
+
+»Neen, Nebenchari, mijn vriend moet gij zijn, mijn priester! Niet
+waar, gij zijt niet meer boos op mij, wijl ik tot de Perzische
+goden heb gebeden! Onze Hathor is toch altijd mijne beste vriendin
+gebleven.--Ja, ik zie het op uw gelaat, dat gij mij vergeeft. Nu
+moet gij mij ook beloven, mij niet door honden en gieren te zullen
+laten verscheuren. O, de gedachte daaraan doet mij ijzen! Niet waar,
+gij zult mijn lijk balsemen en met amuletten versieren?"
+
+»Als de koning het veroorlooft."
+
+»O, zeker! Zou Cambyzes mij dan mijn laatste verzoek kunnen weigeren?"
+
+»Mijne kunst staat u ten dienste!"
+
+»Ik dank u. Maar nog heb ik éene bede."
+
+»Maak het kort! Mijne Perzische ambtgenooten wenken mij, dat ik u
+het stilzwijgen moet opleggen."
+
+»Kunt gij hen niet voor een oogenblik verwijderen?"
+
+»Ik wil het beproeven."
+
+Nebenchari naderde de magiërs. Hij wisselde enkele woorden met hen;
+daarop verlieten zij het vertrek. Hij had hen diets gemaakt, dat hij
+eene groote bezwering wilde beproeven, waarbij geen derde tegenwoordig
+mocht zijn, en een nieuw geheim tegengift wilde aanwenden.
+
+Toen de beiden alleen waren, haalde Nitetis voor een oogenblik
+vrijer adem, en zeide: »Geef mij uw priesterzegen mede op de lange
+reis naar de benedenwereld, en bereid mij voor tot den tocht naar
+het rijk van Osiris!"
+
+Nebenchari knielde aan hare sponde neder, en prevelde met nauw
+verstaanbare stem eenige liederen, die Nitetis met zachte, plechtige
+stem beantwoordde. De geneesheer stelde Osiris, den beheerscher der
+benedenwereld, voor; Nitetis de ziel, die zich voor hem rechtvaardigt
+[340].
+
+Nadat deze ceremoniën afgeloopen waren, was het alsof er een nieuw
+leven in de borst der kranke ontwaakte. Zij ademde vrij en geregeld,
+als leed zij niet meer. Niet zonder aandoening zag Nebenchari op de
+jeugdige zelfmoordenares neder. Hij was zich bewust deze ziel voor
+de goden van zijn vaderland gered, en de laatste moeielijke uren van
+eene schuldelooze verlicht te hebben. Gedurende deze oogenblikken was
+hij, door zuiver medelijden en ware menschenliefde bewogen, zijn haat
+en zijne wraakzucht vergeten. Maar toen de gedachte bij hem oprees,
+dat Amasis ook over deze schoone maagd ongeluk had gebracht, werd
+zijne ziel opnieuw door sombere gedachten verduisterd.--Nitetis, die
+eenigen tijd zwijgend had neergelegen, keerde zich wederom vriendelijk
+glimlachende tot haar nieuwen vriend, en vroeg: »Niet waar, ik zal
+bij de doodenrechters genade vinden?"
+
+»Ik hoop en geloof het!"
+
+»Misschien vind ik Tachot voor den troon van Osiris, en mijn vader...."
+
+»Uw vader en uwe moeder verwachten u! Zegen in uw laatste uur hen,
+aan wie gij uw leven verschuldigd zijt, en vloek hen, die uw ouders
+troon en leven ontroofden."
+
+»Ik versta u niet."
+
+»Vloek hen, mijne dochter, die uw ouders troon en leven
+ontroofden!" riep de geneesheer andermaal, zich oprichtende, en in
+angstige spanning op de stervende nederziende. »Vloek de boozen,
+mijn kind, want deze vloek zal u voor de doodenrechters hoogere
+genade doen vinden, dan duizend goede werken!"--Onder het uitspreken
+dezer woorden, greep de arts de hand der lijderes, en drukte die met
+hevigheid in de zijne.
+
+Nitetis zag den toornigen man angstig aan, en lispelde, zonder recht
+te weten, wat zij zeide: »Ik vloek!"
+
+»Vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden!"
+
+»Hen, die mijn ouders troon en leven ontroofden! O--ach--mijn hart!
+
+Uitgeput zonk zij in haar kussen neder.
+
+Nebenchari boog zich over de lijderes, drukte, voordat de geneesheeren
+van den koning binnentraden, een zachten kus op het voorhoofd der
+stervende, en mompelde: »Zij sterft als mijne bondgenoote. De goden
+hebben den vloek der stervende onschuld gehoord! Niet slechts als
+mijn eigen, maar ook als koning Hophra's wreker breng ik het zwaard
+over Egypte!"
+
+Eenige uren later opende Nitetis nog eenmaal de oogen.
+
+Ditmaal rustte hare marmerkoude rechterhand in de handen van
+Cassandane. Aan het voeteneind van het bed knielde Atossa; Cresus
+stond aan het hoofdeinde, en ondersteunde met zijne zwakke armen
+het ijzersterke lichaam van den koning, die, geheel overweldigd door
+zijne smart, als een beschonkene waggelde. De stervende zag met een
+helderen blik den kring rond. Zij was onbeschrijfelijk schoon. Cambyzes
+boog zich over haar neder, en drukte een vurigen kus op de reeds
+verstijvende lippen,--den eersten en den laatsten, dien hij haar had
+mogen geven. Twee groote, warme vreugdetranen ontsprongen aan hare
+brekende oogen, zachtkens ontgleed de naam Cambyzes aan hare bleeke
+lippen; toen zonk zij in Atossa's armen, en ontsliep.
+
+
+
+Wij zullen niet beproeven eene nauwkeurige beschrijving te geven van
+hetgeen er gedurende de eerstvolgende uren plaats greep. Want het
+stuit ons in bijzonderheden mede te deelen, hoe, op een teeken van
+den eersten Perzischen arts, alle aanwezigen, met uitzondering van
+Nebenchari en Cresus, met overhaasting het vertrek verlieten; hoe men
+honden bij het bed der overledene bracht, en hunne schrandere koppen
+naar het lijk toekeerde, ten einde de Drukhs Naçus door deze dieren
+te doen verdrijven; hoe, nadat de jonkvrouw den laatsten adem had
+uitgeblazen, Cassandane en Atossa, met al hare dienstbaren, dadelijk
+eene andere woning betrokken, om door het lijk niet verontreinigd
+te worden; hoe men alle vuren in de oude woning uitdoofde, opdat het
+reine element niet in aanraking mocht komen met de onreine geesten des
+doods [341]; hoe men bezweringsformulieren prevelde; hoe eindelijk
+ieder die en alles wat in de nabijheid van het lijk was geweest,
+talrijke wasschingen met water en runderurine moest ondergaan.
+
+Aan den avond van dien dag werd Cambyzes weder door zijne oude kwaal,
+de vallende ziekte, bezocht. Twee dagen later kreeg Nebenchari verlof,
+om het lijk, overeenkomstig den laatsten wensch der gestorvene,
+op Egyptische wijze te balsemen. De droefheid van den koning kende
+geene perken; hij reet het vleesch van zijne armen, scheurde zijne
+kleederen, en strooide asch op zijn hoofd en zijne legerstede. Al de
+grooten van het hof moesten zijn voorbeeld volgen. De wachten betrokken
+hunne posten, met gescheurde vanen en onder doffen trommelslag. De
+cymbalen en pauken der Onsterfelijken werden met floers omwonden. De
+paarden, die de overledene bediend hadden, en die, welke door het hof
+gebruikt werden, moesten blauw geverfd en hunne staarten afgesneden
+worden. Het geheele hofpersoneel was in donkerbruine, tot aan den
+gordel gescheurde rouwkleederen gehuld, en de magiërs moesten drie
+dagen en drie nachten zonder ophouden voor de gestorvene bidden,
+wier ziel in den derden nacht bij de brug Chinvàt haar vonnis voor
+de eeuwigheid te verwachten had [342]. Ook de koning, Cassandane
+en Atossa onttrokken zich aan deze reinigingen niet. Zij zeiden,
+als voor eene naaste bloedverwante, dertig lijkgebeden op, terwijl
+Nebenchari in een buiten de stadspoort gelegen huis, volgens al de
+regels der kunst, het lichaam begon te balsemen [343].
+
+Negen dagen lang bleef Cambyzes in een bijna waanzinnigen toestand. Nu
+woedend, dan dof en onverschillig, veroorloofde hij zelfs zijnen
+verwanten en den opperpriester niet hem te naderen. Op den morgen
+van den tienden liet hij den overste der zeven rechters komen, en
+beval hem Gaumata, den broeder van Oropastes, zoo zacht mogelijk te
+vonnissen. Nitetis had hem op haar sterfbed gebeden, het leven van
+den ongelukkigen jongeling te sparen. Een uur later werd hem het
+vonnis ter bekrachtiging voorgelezen. Het luidde aldus:
+
+
+ »Heil den koning!
+
+ Naardien Cambyzes, het oog der wereld en de zon der
+ gerechtigheid, in zijne zachtmoedigheid, die even uitgestrekt
+ is als de hemel en even onuitputtelijk als de zee, ons bevolen
+ heeft, de misdaad van den magiërszoon Gaumata niet met de
+ strengheid van den rechter, maar met de toegevendheid eener
+ moeder te beoordeelen en te bestraffen, zoo hebben wij,
+ de zeven rechters van het rijk, besloten, hem het leven,
+ dat hij verbeurd had, te schenken. Daar echter door de
+ lichtzinnigheid van dezen jongeling de aanzienlijksten en
+ edelsten van het rijk in levensgevaar hebben verkeerd, en
+ het zeer wel mogelijk zou zijn dat hij zijn aangezicht en
+ zijne gestalte,--welke de goden, in hunne gunst en genade,
+ aan het gelaat en de houding van den edelen zoon van Cyrus,
+ Bartja, zeldzaam gelijkend hebben gemaakt,--nogmaals tot
+ schade der reinen en rechtvaardigen misbruikte, hebben wij
+ besloten zijn hoofd zoodanig te misvormen, dat de onwaardigste
+ in het rijk lichtelijk van den waardigste zal kunnen worden
+ onderscheiden. Daarom zullen, volgens den wil en op bevel
+ des koning, Gaumata de beide ooren afgesneden worden [344],
+ ter eere der rechtvaardigen en tot schande van den onreine!"
+
+
+Cambyzes bekrachtigde aanstonds dit vonnis, 't welk nog dienzelfden
+dag ten uitvoer werd gelegd.
+
+Oropastes had den moed niet, om een woord ten gunste van zijn broeder
+te spreken; de schande hem aangedaan krenkte echter den eergierigen
+man dieper, dan zijn dood hem zou hebben gesmart. Hij vreesde door
+den verminkte veel van zijn aanzien te zullen verliezen, en beval hem
+daarom zoo spoedig mogelijk Babylon te verlaten, en een landhuis te
+betrekken, dat hij op den berg Arakadris [345] bezat.
+
+Gedurende de laatste dagen had zich een armoedig gekleede vrouw,
+wier aangezicht achter een dichten sluier verborgen was, dag en
+nacht voor de groote poort van het paleis opgehouden, en zich noch
+door de bedreigingen der wachten, noch door de ruwe spotternijen der
+koninklijke dienaars van haar post laten verdrijven. Geen enkele
+der mindere beambten, die de poort verlieten, ontsnapte aan hare
+nieuwsgierige vragen, eerst naar den toestand der Egyptische, dan naar
+de gezondheid van Gaumata. Toen een spraakzaam lampenopsteker haar, met
+een boosaardigen glimlach, het vonnis mededeelde, dat over den broeder
+van den grooten opperpriester geveld was, stelde zij zich aan als eene
+razende, en kuste het gewaad van den verbaasden man, die haar voor
+eene arme krankzinnige aanzag, en haar eene aalmoes wilde geven. Zij
+weigerde deze en bleef op haar post, zich voedende met het brood,
+dat meêdoogende spijsuitdeelers haar toewierpen. Toen Gaumata drie
+dagen later in eene gesloten harmamaxa, met een verband om 't hoofd,
+de poort van het paleis verliet, ijlde zij den wagen na, en hield niet
+op met roepen, totdat de voerman zijne muildieren tot staan bracht,
+om haar te vragen wat zij wilde. Nu hief zij haar sluier op en toonde
+den verminkten jongeling haar aanvallig, hoog blozend gelaat. Toen
+Gaumata haar zag, ontsnapte hem een kreet van verbazing, doch zich
+spoedig herstellende, vroeg hij: »Wat wilt gij van mij, Mandane?"
+
+De ongelukkige hief de handen smeekend naar hem op, en riep: »O verlaat
+mij niet, Gaumata! Neem mij met u! Ik vergeef u al het ongeluk, dat
+gij over mij en mijne arme meesteres hebt gebracht. Ik heb u zoo lief,
+en wil u verplegen en voor u zorgen, als uwe geringste dienstmaagd!"
+
+De jongeling voerde in zijn hart een korten strijd. Reeds wilde hij
+de deur van den wagen openen, en de geliefde zijner kindsheid in zijne
+armen sluiten, toen hij den hoefslag van naderende paarden vernam. Hij
+zag om, en werd een wagen vol magiërs gewaar, die naar den burcht
+togen om te bidden, en herkende onder hen verscheidenen zijner oude
+medeleerlingen aan de priesterschool. Schaamte overmeesterde hem;
+hij vreesde door hen, die hij, als broeder van den opperpriester,
+meermalen uit de hoogte had behandeld, te zullen worden gezien. Hij
+wierp dus Mandane een beurs met goud toe, die zijn broeder hem bij
+het afscheid gegeven had, en gebood den voerman zoo snel mogelijk
+door te rijden. In wilde vaart sleepten de muildieren het voertuig
+voort. Mandane schopte de goudbeurs weg, liep den wagen na en klemde
+er zich aan vast. Een der raderen vatte haar kleed en rukte haar
+neder. Met de kracht der vertwijfeling sprong zij overeind, haalde
+de muildieren weder in, die, daar de weg bergopwaarts ging, minder
+spoed konden maken en vatte ze bij de teugels. Nu maakte de voerman
+van zijn driesnoerigen geesel gebruik; de dieren steigerden, wierpen
+het meisje ter aarde, en joegen voort. Haar laatste angstkreet drong
+als een dolksteek in de wonden van den verminkte.
+
+
+
+Op den twaalfden dag, na den dood van Nitetis, ging Cambyzes weder
+jagen. Deze uitspanning met hare vermoeienissen, hare gevaren en
+haar opwekkenden invloed, was het meest geschikt om hem afleiding te
+geven. De grooten en waardigheidsbekleeders ontvingen hun heer met
+daverend gejuich, waarvoor hij hen met een vriendelijk wuiven zijner
+hand dankte. De weinige dagen smarts hadden den man, die nooit leed
+of zorg had gekend, zeer veranderd. Zijn aangezicht was bleek, zijn
+gitzwart hoofd- en baardhaar grauw geworden. Het bewustzijn zijner
+kracht sprak niet meer zoo duidelijk als voorheen uit zijne blikken;
+hij had toch de smartelijke ervaring opgedaan, dat er een sterker
+wil was dan de zijne; dat hij wel verdelgen en dooden, maar een leven
+dat hem zoo dierbaar was niet redden kon. Alvorens de stoet opbrak,
+monsterde Cambyzes de jagers, riep Gobryas tot zich, en vroeg naar
+Phanes.
+
+»Mijn koning heeft niet bevolen...."
+
+»Eens voor altijd is hij onze gast, en behoort hij tot ons
+geleide. Roep hem, en volg ons!"
+
+Gobryas boog, keerde haastig naar het paleis terug en voegde zich na
+een halfuur met Phanes wederom bij 's konings gevolg.
+
+Den Athener viel menige vriendelijke groet van de leden van den stoet
+ten deel; eene omstandigheid, die des te meer bevreemding moest wekken,
+omdat er in den regel geene afgunstiger menschen zijn dan hovelingen,
+en geen sterveling meer verzekerd kan wezen, van door vele nijdige
+oogen te worden aangezien, dan de gunsteling van een monarch. Doch
+Phanes scheen eene uitzondering op dezen regel te maken. Hij was al
+de Achaemeniden zoo ongedwongen en zoo vriendelijk tegemoet gekomen,
+had ieder in het bijzonder zoo fijn weten te vleien, had door los
+daarheen geworpen zinspelingen op een grooten krijg, die niet kon
+uitblijven, in hunne zielen zoovele blijmoedige gedachten gewekt, en
+de Perzen door zijne geestigheden, die hij op uitstekende wijze te pas
+wist te brengen, zoo vroolijk gestemd, dat, op weinige uitzonderingen
+na, allen het gezelschap van den Athener hoogst aangenaam was. Toen
+hij zich van den stoet gescheiden had, om met den koning een wilden
+ezel te vervolgen, moesten de jagers elkander toestemmen, dat zij
+nog nimmer zulk een uitstekend mensch als Phanes hadden gezien. Men
+bewonderde de wijsheid waarmede hij de onschuld der gevangenen
+aan den dag had gebracht, de behendigheid waarmede hij 's konings
+gunst had weten te winnen, de vaardigheid waarmede hij de Perzische
+taal had aangeleerd. Daarbij werd hij door geen der Achaemeniden in
+schoonheid en regelmaat van gestalte en gelaatstrekken overtroffen. Op
+de jacht deed hij zich als een volmaakt ruiter kennen, en in den
+strijd met een beer als een bij uitnemendheid stout en geoefend
+jager. Toen de hovelingen op den terugtocht al deze eigenschappen
+hemelhoog verhieven, riep de oude Araspes: »Ik stem volgaarne toe,
+dat deze Helleen, die zich overigens ook reeds in den krijg van de
+beste zijde heeft doen kennen, een zeldzaam man is; maar zeker zoudt
+gij hem niet half zooveel lof toezwaaien, als hij geen vreemdeling,
+als hij niet iets nieuws voor u was."
+
+Phanes had deze woorden verstaan, want hij bevond zich in de
+onmiddellijke nabijheid van den spreker, hoewel dichte struiken hem
+voor een oogenblik onzichtbaar maakten. Toen Araspes zweeg, voegde
+hij zich bij de Perzen en zeide glimlachend: »Ik heb uwe gesprekken
+verstaan en dank u voor uwe goede gezindheid jegens mij. Het tweede
+deel van uwe samenspraak was mij bijna nog aangenamer dan het eerste,
+daar het toch de door mij zelven reeds gemaakte opmerking bevestigde,
+dat gij Perzen het grootmoedigste aller volken zijt, daar gij de
+deugden van vreemdelingen gelijk stelt met, ja, zelfs nog hooger
+aanschrijft dan uwe eigene."
+
+Al de aanwezigen, gevleid door dit woord, zagen hem glimlachend
+aan. Phanes vervolgde: »Hoe geheel anders zijn bijvoorbeeld
+de Joden! Deze houden zich voor het eenige volk, dat den goden
+welgevallig is, en halen zich daardoor de verachting van alle
+verstandigen en den haat der geheele wereld op den hals. En dan
+de Egyptenaren! Gij kunt u niet voorstellen, hoe dwaas dit volk
+zich aanstelt! Hing het alleen af van de priesters, die eene groote
+macht hebben, dan werden alle buitenlanders vermoord, en het geheele
+rijk van Amasis voor iederen vreemdeling ontoegankelijk gemaakt. Een
+echte Egyptenaar lijdt liever honger, dan dat hij met een onzer uit
+denzelfden pot zou eten. Nergens vindt men zoovele zeldzaamheden,
+zooveel dat de bevreemding en verbazing wekt, als daar. Maar, om
+billijk te zijn, moet ik ook bekennen, dat Egypte met recht als het
+rijkste en best bebouwde van alle landen der wereld bekend is. Hij,
+wien dit rijk toebehoort, behoeft zelfs de goden om hunne schatten niet
+te benijden. En de verovering van dat schoone land zou niet de minste
+moeite kosten. Een tienjarig verblijf in Egypte heeft mij met dat land
+nauwkeurig bekend doen worden, en ik weet, dat de geheele krijgerskaste
+van Amasis tegen eene enkele schaar, als die uwer Onsterfelijken, niet
+is opgewassen.--Nu, wie weet, wat de toekomst nog brengt! Misschien
+doen wij allen te zamen nog wel eens een uitstapje naar den Nijl. Ik
+houd het er voor, dat uwe goede zwaarden tamelijk lang gerust hebben!"
+
+Algemeene en luide kreten van bijval waren het antwoord op deze
+welberekende woorden van den Athener.
+
+Cambyzes had het gejuich van zijn gevolg nauw vernomen, of hij wendde
+zijn paard om, en vroeg naar de oorzaak er van. Phanes haastte zich het
+woord te nemen, en antwoordde, dat de Achaemeniden hunne blijdschap
+niet hadden kunnen smoren, bij de gedachte aan de mogelijkheid van
+een nieuwen oorlog.
+
+»Welken oorlog?" vroeg de koning, voor het eerst sedert langen tijd
+lachende.
+
+»Wij spraken slechts over de mogelijkheid er van, in het algemeen,"
+antwoordde Phanes los weg. Daarop wendde hij zijn paard en reed
+den koning op zijde. Zijne stem nam een welluidenden, tot het hart
+doordringenden toon aan. Met welsprekenden blik zag hij den koning in
+de oogen en zeide: »O, mijn vorst, wel ben ik niet als uw onderdaan
+in dit schoone land geboren, wel mag ik eerst sinds korten tijd er
+op roemen den machtigste aller vorsten te kennen, maar toch kan ik
+de, misschien misdadige gedachte niet van mij zetten, dat de goden
+mijn hart van mijne geboorte af, tot een innig vriendschapsverbond
+met u hebben voorbestemd. Niet de groote weldaden, die gij over mij
+hebt uitgestort, hebben mij zoo onbegrijpelijk snel en vast aan u
+verbonden. Deze heb ik niet van noode, want ik behoor tot de rijken
+mijns volks, en ik heb geen zoon, geen erfgenaam, wien ik mijne
+schatten kan nalaten. Eenmaal noemde ik een knaap den mijne. Het was
+een schoon, een heerlijk schoon kind!.... Maar dat wilde ik u niet
+zeggen, ik..... Gij wordt toch niet boos over mijne vrijmoedigheid,
+o koning?"
+
+»Hoe zou ik dat kunnen?" vroeg de monarch, tot wien, vóor den Athener,
+niemand ooit op dergelijke wijze gesproken had, en die zich tot den
+zonderlingen vriend met onweerstaanbare kracht voelde heengetrokken.
+
+»Tot op den huidigen dag was mij uwe droefheid te heilig, dan dat ik ze
+had willen storen; thans echter is de tijd gekomen, om u aan uwe smart
+te ontrukken en uw verkoeld hart opnieuw in gloed te ontsteken. Gij
+moet thans dingen vernemen, waardoor gij u diep beleedigd zult voelen."
+
+»Er is niets meer, dat mij zou kunnen bedroeven!"
+
+»Mijne woorden zullen niet uwe smart, maar uw toorn opwekken!"
+
+»Gij maakt mij nieuwsgierig."
+
+»Men heeft u snood bedrogen; u, zoowel als de lieve maagd, die voor
+weinige dagen in het schoonste tijdperk des levens werd weggerukt."
+
+Met fonkelende oogen zag Cambyzes den Athener vragend in het gelaat.
+
+»Koning Amasis van Egypte heeft zich veroorloofd, met u, den machtigen
+beheerscher der aarde, een misdadig spel te spelen. Die schoone
+jonkvrouw was niet zijne dochter, schoon zij zelve geloofde het kind
+van Amasis te zijn. Zij..."
+
+»Maar dat is onmogelijk!"
+
+»Dat zou men oppervlakkig zoo zeggen, en toch spreek ik de zuivere
+waarheid! Amasis heeft een net van leugen en bedrog geweven, waarin
+hij een geheel volk, en ook u, o koning, heeft gevangen. Nitetis, het
+schoonste schepseltje, dat ooit uit eene vrouw geboren werd, was ja
+eene vorstentelg, maar niet aan den overweldiger Amasis, neen, aan den
+onttroonden koning Hophra had deze parel het aanzijn te danken! Frons
+het voorhoofd, mijn vorst, gij hebt er alle reden toe; want een gruwel
+is het, voorwaar, door vrienden en bondgenooten bedrogen te worden!"
+
+Cambyzes gaf zijn hengst de sporen, en riep, nadat Phanes, om zijne
+laatste woorden beter te doen werken, een tijdlang gezwegen had:
+»Verder! Verder! Ik moet meer weten!"
+
+»De onttroonde koning had twintig jaren [346] lang in lichte
+gevangenschap te Saïs geleefd, toen zijne gemalin, die drie kinderen
+ter wereld en even zoovele ten grave had gebracht, andermaal zwanger
+werd. Hophra was boven alle beschrijving gelukkig, en wilde, om
+voor deze genade zijn dank te betuigen, in den tempel van Pacht
+[347], eene Egyptische godin, aan wie de Egyptenaren den zegen der
+zwangerschap toeschrijven, gaan offeren, toen een voormalige groote
+van zijn hof, Patarbemis genaamd, dien hij in een oogenblik van
+toorn ten onrechte verminkt had, hem met eene bende slaven overviel
+en nedersabelde. Amasis liet de weduwe, die op het punt was van te
+bevallen, dadelijk naar zijn paleis overbrengen, en voor haar een
+vertrek in gereedheid brengen, naast dat zijner gemalin Ladice, die,
+gelijk zij, met iederen dag de moedervreugde te gemoet zag. De weduwe
+van Hophra schonk daar het leven aan een meisje, doch bezweek zelve
+onder hare verlossing. Twee dagen later beviel Ladice, en ook zij
+van eene dochter.--Doch wij zijn hier aan de poort van het paleis
+genaderd. Zoo gij het mij wilt veroorloven, zal ik u het bericht
+van den vroedmeester, die de hand heeft gehad in dit vroom bedrog,
+doen voorlezen. Zijne aanteekeningen zijn, door eene wonderbare
+beschikking der goden, waarvan ik u later meer zal verhalen, in mijne
+handen geraakt. Onoephis, een voormalig opperpriester van Heliopolis
+in Egypte, woont hier te Babylon en kent alle schrijfwijzen [348]
+van zijn volk. Nebenchari, de oogarts, zal, gelijk zeer natuurlijk
+is, weigeren een bedrog, dat zijn vaderland gewis in het verderf zal
+storten, aan den dag te brengen."
+
+»Binnen een uur wacht ik u met dien man. Cresus, Nebenchari en al
+de Achaemeniden, die in Egypte zijn geweest, zullen insgelijks bij
+dit verhoor tegenwoordig zijn. Alvorens ik handel, moet ik zeker van
+mijne zaak zijn. Uw getuigenis is mij niet voldoende, want van Amasis
+zelven heb ik vernomen, dat gij reden te over hebt, om een wrok jegens
+zijn huis te koesteren."
+
+Op den bepaalden tijd stonden de opgeroepene personen voor den
+koning. De gewezen opperpriester Onoephis was een grijsaard van
+tachtig jaren, wiens beenderig hoofd volkomen op een doodshoofd zou
+hebben geleken, zoo niet zijne twee groote grijze oogen, vol geest
+en gloed, de leden der vergadering hadden aangestaard. Daar zijne
+verlamde leden hem niet gedoogden te staan, zat hij vóor den koning
+in een leunstoel en hield een groote papyrusrol in zijne vermagerde
+hand. Zijne kleeding was, gelijk het een priester betaamde, wit
+als sneeuw, doch hier en daar gescheurd en gelapt. Voorheen was hij
+misschien groot en slank van gestalte geweest; thans was hij echter
+onder den last der jaren, en tengevolge van lijden en ontberingen,
+zoo gebogen en ineengekrompen, dat zijn lichaam zich dwergachtig
+klein, zijn hoofd zich daarentegen onnatuurlijk groot vertoonde. Naast
+dezen vreemden man stond Nebenchari, die de kussens, welke 's mans rug
+steunden, te recht schikte. De arts eerbiedigde in hem niet alleen den
+in alle mysteriën ingewijden opperpriester, maar ook den hoogbejaarden
+grijsaard [349]. Ter linkerzijde van den oude stonden Phanes, Cresus,
+Darius en Prexaspes.
+
+De koning was op zijn troon gezeten. Zijn gelaat stond ernstig en
+somber, toen hij, het stilzwijgen afbrekende, aldus begon te spreken:
+»De edele Helleen Phanes, dien ik mijn vriend meen te mogen noemen,
+heeft mij zeer vreemde mededeelingen gedaan. Amasis van Egypte moet
+mij allersnoodst bedrogen hebben. Mijne overledene gemalin zou niet
+zijne, maar de dochter van zijn voorganger geweest zijn!"
+
+Bij deze woorden liet zich een gemompel van verbazing hooren.
+
+»Die grijsaard hier tegenover ons is gekomen, om ons de bewijzen voor
+dit bedrog te leveren."
+
+Onoephis boog het hoofd, ten teeken van toestemming.
+
+»Thans richt ik allereerst de vraag tot u, Prexaspes, mijn gezant: Is u
+Nitetis uitdrukkelijk als de dochter van Amasis voorgesteld geworden?"
+
+»Uitdrukkelijk! Wel had Nebenchari in een onderhoud met uwe moeder
+Cassandane de andere tweelingsdochter, Tachot, als de schoonste van
+de twee koningstelgen geprezen, doch Amasis stond er op, dat Nitetis
+naar Perzië zou gaan. Ik vermoedde dat hij u, met u zijn liefste
+kleinood af te staan, een uitnemend blijk van vriendschap wilde geven,
+en liet dus mijn aanzoek om de hand van Tachot varen. Want inderdaad
+de overledene verdiende mijns inziens, zoowel in schoonheid als in
+karakter, verre de voorkeur boven hare zuster. In zijn brief aan u
+schreef hij ook, gelijk gij u wel zult herinneren, dat hij u zijn
+schoonste en liefste kind toevertrouwde."
+
+»Dat schreef hij, ja!"
+
+»En Nitetis was stellig de schoonste en edelste van het
+zusterenpaar," zeide Cresus, ter bevestiging van de verklaring van
+den gezant. »Overigens kwam het mij voor, dat Tachot de lieveling
+van den koning en van de koningin was!"
+
+»Zeer zeker!" liet Darius er op volgen; »Amasis plaagde Bartja eens
+onder den maaltijd zeggende: »Zie niet te diep in de oogen van Tachot,
+want al waart gij een god, toch zou ik niet gedoogen, dat gij haar
+naar Perzië voerdet!"--De kroonprins Psamtik schrikte geweldig van
+deze scherts zijns vaders, en riep hem waarschuwend toe: 'Vader,
+denk aan Phanes!' Wij begrepen echter niet wat dit te beduiden had."
+
+»Aan Phanes?"
+
+»Ja mijn koning," antwoordde de Athener. »Amasis had mij eens, in
+zijn roes, deelgenoot van zijn geheim gemaakt; Psamtik waarschuwde
+hem nu slechts, zich niet andermaal te vergeten."
+
+»Verhaal mij ook dit geval!"
+
+»Toen ik als overwinnaar van Cyprus te Saïs terugkeerde,. werd er een
+groot feest aan het hof gevierd. Amasis gaf mij op allerlei wijzen
+blijken van zijne hooge ingenomenheid, omdat ik zulk eene schoone
+provincie voor hem gewonnen had. Hij omarmde mij, tot ergernis
+en verbazing der overige Egyptenaren. Hoe hooger zijn roes steeg,
+des te vuriger werd hij ook in de uitdrukking zijner dankbaarheid en
+vriendschap. Toen ik hem eindelijk met Psamtik naar zijne vertrekken
+bracht, en wij die zijner dochters voorbijgingen, bleef hij staan,
+en zeide: »Daar slapen de meisjes. Als gij uwe vrouw verstooten wilt,
+Athener, dan geef ik u Nitetis tot gemalin! Ik zou u gaarne tot mijn
+schoonzoon hebben! Het is een heel bijzonder geval met dat meisje,
+Phanes! Gij hebt veel van haar vader gehoord, van Hophra...." Psamtik
+liet den beschonkene niet voortgaan. Hij legde hem de hand op den mond,
+en zond mij met een barsch woord naar mijne woning. Daar overdacht
+ik het gehoorde, en kwam toen tot vermoedens, die mij gebleken zijn
+de zuivere waarheid te wezen. Ik bid u, koning, dezen grijsaard
+te bevelen, de op deze zaak betrekking hebbende bladzijden uit het
+dagboek van den vroedmeester Imhotep voor u te vertolken."
+
+Cambyzes gaf den ouden man een teeken, en deze las nu, met eene zoo
+luide en heldere stem, als niemand uit zulk een gebrekkig lichaam zou
+verwacht hebben, het navolgende: »Op den vijfden dag der maand Toth
+[350] werd ik bij den koning ontboden. Ik was daarop voorbereid,
+want de koningin lag reeds in barensweeën. Met mijne hulp beviel
+zij voorspoedig van een zwak dochterken.--Toen de min het kindje
+had overgenomen, bracht Amasis mij achter het voorhangsel, dat het
+slaapvertrek zijner gemalin in tweeën scheidde. Daar lag eene tweede
+zuigeling, waarin ik het kort te voren ter wereld gekomene kind van
+Hophra's weduwe, die op den derden dag van Toth onder mijne handen
+gestorven was, herkende. De koning wees op het sterke, goed ontwikkelde
+kindje, en zeide: »Dit is een ouderloos schepseltje. Daar de wet
+gebiedt, dat men zich over de verlatene weezen moet ontfermen [351],
+zoo hebben Ladice en ik besloten dit meisje op te voeden, als ware zij
+onze eigene dochter. Nu is er ons veel aan gelegen, dat de waarheid
+voor het volk en voor het kind zelf geheim blijve. Daarom verzoek
+ik u het diepste stilzwijgen in acht te nemen, en te verbreiden dat
+Ladice mij tweelingen heeft geschonken. Zijt gij ons hierin ter wille,
+zoo ontvangt gij nog heden vijf duizend gouden ringen, en jaarlijks
+zoolang gij leeft het vijfde van die som. Ik boog, zonder een woord te
+spreken, gebood alle aanwezigen de kraamkamer te verlaten, en riep hen
+eenige oogenblikken later terug, om de mededeeling te doen, dat Ladice
+van eene tweede dochter verlost was. Het eigenlijke kind van Amasis
+ontving den naam Tachot, het ondergeschovene werd Nitetis geheeten."
+
+Bij deze woorden sprong Cambyzes van zijn zetel op en doorliep de
+zaal met groote stappen. Zonder zich een oogenblik te laten storen,
+vervolgde Onoephis onmiddellijk: »Op den zesden dag der maand
+Toth. Toen ik mij hedenmorgen, ten einde een weinig uit te rusten van
+de vermoeienissen van den afgeloopen nacht, had nedergelegd, verscheen
+een dienaar van den koning, met het mij toegezegde goud en een brief,
+die het verzoek inhield een kinderlijkje te bezorgen, dat, alsof dit
+het overleden dochtertje van Hophra ware, met groote plechtigheid zou
+worden begraven. Niet zonder groote moeite heb ik, een uur geleden
+de zuigeling van het arme meisje, dat heimelijk bevallen is, bij de
+oude vrouw, die aan den ingang der doodenstad woont, gekregen. Zij
+wilde van haar gestorven lieveling, die haar zooveel smart en schande
+had gebracht, geen afstand doen; en eerst toen ik haar beloofde, dat
+de kleine op de kostbaarste wijze gebalsemd en bijgezet zou worden,
+gaf zij toe. In mijne groote artsenijkast, die ditmaal mijn zoon
+Nebenchari, in plaats van mijn dienaar Hib dragen moest, brachten
+wij het lijkje in de kraamkamer van Hophra's weduwe. Het kind van
+het arme meisje zal met alle vorstelijke eer begraven worden. Durfde
+ik haar maar mededeelen welk een heerlijk lot hare lieveling na den
+dood wacht.--Zoo even werd Nebenchari voor den koning ontboden."
+
+Bij de tweede vermelding van dezen naam bleef Cambyzes staan, en
+vroeg: »Is onze oogarts Nebenchari dezelfde, van wien dit geschrift
+melding maakt?"
+
+»Nebenchari," antwoordde Phanes, »is de zoon van denzelfden Imhotep,
+die de beide kinderen verruilde!"
+
+De oogarts keek somber voor zich.
+
+Cambyzes nam de papyrusrol uit de hand van Onoephis, beschouwde een
+oogenblik, het hoofd schuddende, de schrijfteekens die ze bedekten,
+naderde toen den geneesheer, en zeide: »Bezie deze teekens, en zeg
+mij of uw vader ze waarlijk geschreven heeft?"
+
+Nebenchari viel op de knieën, en hief zijne handen smeekend op.
+
+»Heeft uw vader deze teekenen geschreven? vraag ik."
+
+»Ik weet niet, of.... Inderdaad...."
+
+»De waarheid wil ik hooren! Ja, of neen?"
+
+»Ja, mijn koning; maar..."
+
+»Sta op, en wees verzekerd van mijne genade! Het betaamt een onderdaan
+zijn vorst getrouw te zijn. Vergeet evenwel niet, dat gij thans mij
+als uw koning hebt te beschouwen. Cassandane heeft mij doen weten,
+dat gij haar morgen door eene kunstbewerking het gezicht zoudt
+wedergeven. Waagt gij niet te veel?"
+
+»Ik ben van mijne kunst zeker, o koning!"
+
+»Nog eens, wist gij van dit bedrog af?"
+
+»Ja--mijn vorst."
+
+»En gij liet mij in mijne dwaling?"
+
+»Ik had Amasis moeten zweren, het geheim te zullen bewaren, en
+een eed..."
+
+»De eed is heilig!--Draag zorg, Gobryas, dat aan deze Egyptenaren een
+deel van onzen tafel worde gebracht. Gij schijnt groote behoefte aan
+betere voeding te hebben, oude!"
+
+»Ik heb niets van noode, dan lucht om te ademen, een stuk brood en
+een dronk water, om niet van honger en dorst om te komen, een rein
+gewaad om den goden en mij zelven te behagen, en een eigen kleine
+kamer om niemand in den weg te staan. Nooit ben ik rijker geweest
+dan op den huidigen dag."
+
+»Hoezoo?"
+
+»Ik sta gereed een koninkrijk weg te schenken."
+
+»Gij spreekt in raadselen."
+
+»Ik heb door mijne vertaling bewezen, dat uwe overledene gemalin een
+kind van Hophra is geweest. Volgens onze wet heeft ook de dochter van
+een koning recht op den troon, indien er geene zonen of broeders zijn;
+wanneer deze wederom kinderloos sterft, dan is haar echtgenoot haar
+wettige opvolger. Amasis heeft de kroon geroofd, terwijl Hophra en
+zijn nakomelingen door het recht van geboorte aanspraak op den troon
+hadden. Psamtik verliest alle recht op den schepter, zoodra zich
+een broeder, een zoon, eene dochter of een schoonzoon van Hophra
+opdoet. Alzoo begroet ik in mijn koning, den toekomstigen heer van
+mijn schoon vaderland."
+
+Cambyzes nam deze hulde aan, en Onoephis vervolgde: »Ook heb ik in
+de sterren gelezen, dat Psamtik zal ondergaan; maar dat de kroon van
+Egypte voor u is bestemd."
+
+»Ik zal de sterren niet tot leugenaars maken!" riep Cambyzes, »U
+echter, vrijgevige oude, beveel ik een wensch uit te spreken, het
+komt er niet op aan welken."
+
+»Laat mij in een wagen uw leger volgen. Ik heb geene andere begeerte
+meer, dan aan den Nijl mijne oogen te sluiten."
+
+»Het zij zoo! Laat mij thans alleen, vrienden, en zorgt dat alle
+dischgenooten heden aan den maaltijd verschijnen. Onder het genot van
+den beker zullen wij krijgsraad houden. Een veldtocht naar Egypte
+schijnt mij oneindig meer de moeite waardig, dan een strijd tegen
+de Massageten!"
+
+»Heil den koning!" riepen de aanwezigen jubelend, waarna zij zich
+verwijderden, terwijl Cambyzes zijne aan- en uitkleeders ontbood,
+om voor het eerst zijn rouwkleed met het schitterende koninklijk
+gewaad te verwisselen.
+
+
+
+Cresus en Phanes begaven zich gearmd naar den tuin, die, met
+zijne schoone boomen en fraaie heesters, grootsche waterwerken en
+veelkleurige bloembedden, aan de oostzijde van het paleis lag. Het
+gelaat van den Athener straalde van geluk, terwijl de onttroonde
+koning bezorgd en weemoedig voor zich staarde.
+
+»Hebt gij wel bedacht, Helleen," begon de laatste, »welk een fakkel
+gij zoo even in de wereld hebt geslingerd?"
+
+»Slechts kinderen en dwazen handelen onbedacht."
+
+»Gij vergeet de door hartstocht verblinden."
+
+»Tot dezen behoor ik niet."
+
+»Toch is de wraakzucht de vreeselijkste van alle hartstochten."
+
+»Ja, als men er in eene oogenblikkelijke opwelling gehoor aan
+geeft. Mijne wraakzucht is zoo koel als dit ijzer; maar ik ken mijn
+plicht."
+
+»De eerste plicht van ieder deugdzaam mensch is, zijn eigen geluk
+minder te achten dan dat van zijn vaderland."
+
+»Dat weet ik...."
+
+»Gij verliest evenwel uit het oog, dat gij met het Egyptische rijk
+ook uw eigen vaderland den Perzen overlevert!"
+
+»Dit ben ik niet met u eens."
+
+»Gelooft gij dan, dat Perzië het schoone Griekenland met vrede zal
+laten, als het eens in 't bezit is van al de overige kusten der
+middelzee?"
+
+»Volstrekt niet; maar ik ken mijne Hellenen, en houd het er voor, dat
+zij alle legers der barbaren met roem zullen wederstaan, en als het
+gevaar naakt, grooter zullen zijn dan ooit te voren. De nood zal al
+onze afzonderlijke stammen vereenigen, ons tot een groot eendrachtig
+volk maken, en de tronen der tyrannen omverwerpen."
+
+»Altemaal droomen!"
+
+»Die verwezenlijkt zullen worden, zoo waar ik hoop, dat ik weldra
+gewroken zal zijn!"
+
+»Ik kan de gegrondheid uwer onderstelling kwalijk beoordeelen, daar de
+tegenwoordige toestand van uw vaderland mij geheel vreemd is. Maar ik
+houd u voor een verstandig man, die het schoone en goede liefheeft,
+en te rechtschapen denkt, om uit bloote wraakzucht een geheel volk
+in 't verderf te willen storten. Het is voorwaar wel vreeselijk,
+dat eene gansche natie boeten moet voor de schuld van een enkele,
+zoo die enkele eene kroon draagt! Doch verhaal mij thans, als gij
+ten minste iets aan mijn oordeel hecht, welk onrecht uwe wraakzucht
+zoo geweldig heeft doen ontbranden!"
+
+»Luister dan, en beproef nimmer weer mij van mijn voornemen af
+te brengen! Gij kent den Egyptischen kroonprins, gij kent ook
+Rhodopis. Eerstgenoemde was mijn doodvijand, om meer dan éene reden;
+zij de vriendin van alle Hellenen, en in het bijzonder de mijne. Toen
+ik Egypte verlaten moest, bedreigde Psamtik mij met zijn wraak. Uw
+zoon Gyges redde mijn leven. Eenige weken later kwamen mijne kinderen
+te Naucratis; van daar zouden zij mij naar Sigeum volgen. Rhodopis
+nam hen in haar huis en onder hare bescherming. Een ellendeling had
+het geheim weten uit te visschen, en het den kroonprins verraden. In
+den volgenden nacht werd het huis der Thracische vrouw omsingeld en
+doorzocht. Men vond mijne kinderen en voerde ze weg. Intusschen was
+Amasis blind geworden; hij liet in dien toestand zijn verwenschten
+zoon de handen geheel vrij, en deze ontzag zich niet, mijn eenigen
+jongen.... te...."
+
+»Hij liet hem dooden?"
+
+»Gij zegt het."
+
+»En uw tweede kind?"
+
+»Het meisje is thans nog in zijne macht."
+
+»Maar men zal het arme schepseltje vermoorden, als men verneemt...."
+
+»Laat het sterven. Liever wil ik kinderloos, dan ongewroken ten
+grave dalen!"
+
+»Ik versta u, en kan u thans niet meer laken. Het bloed van uw zoon
+eischt wraak."
+
+Dit zeggende, drukte de grijsaard de rechterhand van den Athener,
+die na zijne tranen gedroogd en zijne aandoening overwonnen te
+hebben uitriep: »Kom, thans naar den krijgsraad! Niemand heeft
+grootere redenen, om Psamtik voor zijne schanddaden te danken, dan
+Cambyzes. Deze hartstochtelijke man deugt niet voor vredevorst."
+
+»En toch houd ik het voor de eerste plichten eens konings, om aan
+de innerlijke welvaart van zijn rijk te arbeiden. Maar de menschen
+zijn nu eenmaal zoo dwaas, dat zij hunne beulen hooger waardeeren
+dan hunne weldoeners. Hoevele liederen zijn er niet ter eere van
+Achilles gezongen, en wie is nog ooit op den inval gekomen, om de
+wijze regeering van Pittacus te bezingen [352]?"
+
+»Er behoort dan ook meer moeds toe, om bloed te vergieten dan om
+boomen te planten."
+
+»Maar meer goedheid en verstand, om wonden te heelen dan om wonden
+te slaan.--Maar, voor dat wij de zaal binnengaan, moet ik u nog eene
+dringende vraag doen. Zal Bartja, als Amasis met de ontwerpen van
+den koning bekend wordt, zonder gevaar te Naucratis kunnen blijven?"
+
+»Waarlijk niet. Ik heb hem dan ook gewaarschuwd, en aangeraden daar
+ginds vermomd en onder een valschen naam op te treden."
+
+»Was hij aanstonds daartoe bereid?"
+
+»Hij scheen ten minste van plan te zijn mijn wenk te gehoorzamen."
+
+»In ieder geval zal het goed zijn hem een bode na te zenden, om hem
+aan te raden op zijne hoede te zijn."
+
+»Wij zullen dit den koning verzoeken."
+
+»Kom thans! Daar rijden reeds de wagens, die den maaltijd voor den
+hofstoet bevatten, de keuken uit."
+
+»Hoeveel menschen worden er wel dagelijks door den koning gespijzigd?"
+
+»Omtrent vijftien duizend [353]."
+
+»Dan mogen de Perzen de goden wel danken, dat hunne koningen slechts
+éen maaltijd daags houden!"
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Zes weken na de beschrevene gebeurtenissen naderde eene kleine
+ruiterschaar in draf de poorten van Sardes. De paarden en hunne
+berijders waren zeer bezweet en met stof overdekt. De eersten,
+wier instinct hun de nabijheid van stal en kribbe deed vermoeden,
+spanden hunne laatste krachten in, doch schenen voor het ongeduld
+der twee mannen, die in Perzische hofkleeding aan het hoofd van den
+troep reden, nog veel te weinig spoed te maken.
+
+De goed onderhoudene koningsweg, die over het eerste terras van
+het Tmolus-gebergte nu eens rees, dan weder daalde, liep door
+vruchtbaar bouwland van zwarte aarde, en door bosschen van allerlei
+boomen. Olijven, citroenen, platanen, moerbeziën en wijngaarden
+bedekten den voet der hoogten, terwijl hooger op de pijn-, cypresse-
+en noteboomwouden groeiden. Aan den rand der akkers stonden vijge-
+en granaatstruiken met vruchten beladen. In het gras der weiden en in
+het lommer der bosschen bloeiden veelkleurige en geurige bloemen. Nu
+en dan trof men bronnen aan ter zijde van den weg, zorgvuldig door
+muren afgesloten; en daarnaast waren onder schaduwrijke struikgewassen
+banken aangebracht, die de reizigers gelegenheid gaven om een wijle
+te rusten. De weg liep over bergspleten en beken, die tengevolge der
+zomerhitte half uitgedroogd waren. Op belommerde vochtige plaatsen
+bloeide de laurierroos, terwijl daar, waar de zon het sterkst brandde,
+slanke palmen met hunne sierlijke kronen wuifden. Een donkerblauwe,
+volkomen wolkenlooze hemel welfde zich over dit rijke landschap, dat
+zuidwaarts de besneeuwde toppen van het Tmolus-gebergte, ten westen
+de blauwachtig schemerende Sipylus-bergen tot gezichteinder had.
+
+Thans voerde de weg door een boschje van berken, om welks stammen
+zich, met een overvloed van druiven beladene wijnranken tot hoog in
+de toppen slingerden, nederwaarts in een dal. Bij eene kromming,
+van waar men een heerlijk vergezicht had, hielden de ruiters
+stil. Vóor hen lag de hoofdstad van het voormalige Lydische
+rijk, eens de residentie van Cresus, het gouden Sardes, in het
+wijdvermaarde Hermusdal. Eene donkere steile rots stak hoog uit boven
+de eenvoudige rieten daken van de tallooze huizen der stad. Op haar
+top zag men reeds van verre een majestueus gebouw, uit wit marmer
+opgetrokken. Het was de burcht, om welks driedubbele muren koning
+Meles, vele eeuwen geleden, een leeuw had rondgedragen, opdat ze
+onneembaar zouden zijn. De zuidelijke helling van den slotberg
+was minder steil, en met huizen bebouwd. Noordwaarts van deze rots
+verrees, op den oever van den stofgoud met zich voerenden Pactolus,
+het voormalig paleis van Cresus. Aan gene zijde van het marktplein,
+dat de van verrukking opgetogene reizigers als eene onbegroeide plek
+te midden eener bloeiende weide voorkwam, ruischte de rosse stroom,
+die zich westwaarts in een smal bergdal stortte, om daar den voet
+van den grooten tempel van Cybele [354] te bespoelen. Oostwaarts
+strekten zich groote tuinen uit, door welker geboomte men hier en
+daar het kristalheldere Gygaeische meer zag glinsteren. Bont geverfde
+speelvaartuigen, waarachter een tal van sneeuwwitte zwanen met hunne
+lange halzen de diepte schenen te peilen, bedekten de oppervlakte
+van het meer. Op omtrent een kwartier afstand van het water verhieven
+zich talrijke, door menschenhanden opgeworpene heuvels, van welke drie
+vooral door hunne aanmerkelijke grootte en hoogte de aandacht trokken
+[355].
+
+»Wat beduiden die vreemdsoortige aardhoogten?" vroeg Darius, de
+aanvoerder van deze schaar, aan Prexaspes, den gezant van Cambyzes
+die naast hem reed.
+
+»Dat zijn de graven van de oude koningen van Lydië," was het
+antwoord. »De grootste heuvel, links, niet de middelste, die ter
+eere van een vorstelijk echtpaar, namelijk Panthea en Abradat, werd
+opgeworpen, is het gedenkteeken dat men voor Alyattes, den vader van
+Cresus, opgericht heeft. De koop- en handwerkslieden en de maagden van
+Sardes hebben dat uit liefde voor hun overledenen koning gesticht. Aan
+de vijf zuilen op den top kan men lezen, hoeveel arbeids iedere
+afdeeling van het volk aan dezen berg heeft verricht. De meisjes
+hebben den grootsten ijver aan den dag gelegd. De grootvader van
+Gyges moet een bijzonder vriend van het schoone geslacht geweest zijn."
+
+»Dan is de kleinzoon wel een tegenhanger van zijn grootvader!"
+
+»Hetgeen te vreemder is, omdat ook Cresus in zijne jeugd volstrekt
+geen vijand van het vrouwelijk geslacht is geweest, en de Lydiërs
+in den regel voor het mingenot geboren schijnen te zijn. Ginder in
+het Pactolus-dal, nabij de groote goudwasscherij, staat de tempel
+der godin van Sardes, Cybele of Ma geheeten. Gij kunt de witte muren
+zien door de openingen van het bosch, dat hem omgeeft. Daar is menig
+lommerrijk plekje waar zich de jonge lieden van Sardes, ter eere der
+godin, gelijk zij zeggen, minnend en koozend vereenigen."
+
+»Even als te Babylon, op het feest van Mylitta."
+
+»Op de kusten van Cyprus bestaat dezelfde gewoonte. Toen ik op
+mijne terugreis uit Egypte daar landde, werd ik door eene schaar
+der schoonste maagden met liefelijk gezang ontvangen. Al dansende
+onder den klank van cymbalen voerden ze mij naar het bosch van hare
+godin. Daar moest ik eenige goudstukken nederleggen, en werd toen
+door het bekoorlijkste meisje, dat gij u kunt voorstellen, in een
+purperen tent geleid, die van de heerlijkste geuren vervuld en waar
+ons een bed van roze- en leliebladeren gespreid was."
+
+»Zopyrus zal zich dan de krankheid van Bartja wel niet te sterk
+aantrekken."
+
+»En zeker meer tijd in het bosch van Cybele, dan aan de zijde van den
+lijder doorbrengen. Het verheugt mij, den opgeruimden jongen weldra
+te zullen wederzien."
+
+»Hij zal die vlagen van neerslachtigheid, waarin gij sedert den
+laatsten tijd zoo dikwijls vervalt, wel voorgoed verdrijven!"
+
+»Ik zal al mijne krachten inspannen ze voortaan te onderdrukken,
+ofschoon die sombere stemmingen, welke gij met alle recht afkeurt,
+hare oorzaak hebben. Cresus zegt, dat men slechts dan kwalijk geluimd
+is, als men te traag of te machteloos is, om te worstelen met de
+omstandigheden. Onze vriend heeft gelijk en men zal Darius noch
+van zwakheid, noch van traagheid kunnen beschuldigen. Kan ik ook de
+wereld niet beheerschen, dan wil ik toch voor het minst meester van
+mij zelven zijn!"
+
+Dit zeggende, richtte zich de schoone jongeling hoog in den zadel
+op. Zijn geleider zag hem met verbazing aan, en riep: »Waarlijk,
+zoon van Hystaspes, ik geloof, dat gij tot groote dingen bestemd
+zijt. Niet zonder doel hebben de goden hun lieveling Cyrus, toen gij
+nog een knaap waart, dien droom ingegeven, die oorzaak was dat hij
+u door uw vader deed opsluiten."
+
+»En toch heb ik nog geene vleugels gekregen."
+
+»Uw lichaam niet, maar wel uw geest. Jongeling, jongeling, gij zijt
+op een gevaarlijken weg!"
+
+»Heeft de gevleugelde dan voor een afgrond te vreezen?"
+
+»Als zijne krachten hem begeven, ja!"
+
+»Maar ik ben sterk!"
+
+»Doch sterkeren zullen beproeven uwe vleugels te verlammen!"
+
+»Laat hen begaan! Ik weet, dat ik slechts wil wat goed is, en vertrouw
+op mijn gesternte."
+
+»Weet gij ook hoe de naam van dat gesternte is?"
+
+»Anahita [356] is de naam der ster, waaronder ik geboren ben."
+
+»Ik geloof haar beter te kennen. Brandende eerzucht heet de zon, wier
+stralen uwe handelingen besturen. Neem u in acht, jongeling! Ook ik
+heb het pad bewandeld, dat òf tot roem òf tot schande, maar slechts
+zelden tot waar geluk voert. De eergierige gelijkt een dorstige, die
+zoutwater drinkt. Hoe meer roem hij oogst, hoe dorstiger hij wordt
+naar eer en grootheid! Van gemeen krijger ben ik gezant van Cambyzes
+geworden; maar wat blijft u nog na te jagen overig, gij, die thans
+reeds na den koning de grootste in geheel Perzië zijt?.... Maar,
+bedriegen mijne oogen mij niet, dan rijden Zopyrus en Gyges aan
+de spits der ruiterschaar, die ons van de zijde der stad te gemoet
+komt. De angaar, die vóor ons de herberg verliet, heeft zeker gezegd
+dat wij in aantocht waren."
+
+»Ja, zij zijn het!"
+
+»Waarlijk! Zie maar, hoe Zopyrus met het palmblad, dat hij zoo even
+afbrak, zwaait en wuift!"
+
+»Jongens, snijdt ons spoedig een paar takken van dezen struik!--Zoo
+is het goed! Laat ons nu met purpere granaatbloesems de groene palmen
+beantwoorden!"
+
+Weinige oogenblikken later omarmden Prexaspes en Darius hunne
+vrienden. Daarop trokken de vereende ruiterbenden door de tuinen,
+die het Gygaeische meer omgaven, en de voornaamste uitspanningsplaats
+der bewoners van Sardes uitmaakten, de volkrijke stad binnen. De
+zon neigde juist ten ondergang, en een frisch koeltje begon te
+waaien. De burgers der stad stroomden de poorten uit, om zich in de
+buitenlucht te gaan vermeien. Lydische krijgers met rijk versierde
+helmen, en Perzische soldaten met cylindervormige tulbanden, liepen de
+geblankette en bekranste deernen achterna. Dienstmeisjes brachten de
+aan hare zorg toevertrouwde kinderen naar het meer, om hen de zwanen
+te laten voederen. Onder een plataanboom zat een blinde grijze zanger,
+die voor een vrij talrijk gehoor zijne weemoedige liederen met den
+magadis, of twintig-snarige Lydische luit, begeleidde. Een groot aantal
+knapen vermaakten zich met dobbelsteenen of met het kegelspel [357];
+half volwassene meisjes stonden naar deze spelen te kijken, en gilden
+somwijlen van schrik, als eene harer door den met kracht geworpen
+bal werd getroffen, of deze bij ongeluk in het meer te recht kwam.
+
+De zoo even aangekomene Perzen sloegen nauwelijks acht op dit
+bonte tooneel, dat onder gewone omstandigheden in hooge mate hunne
+belangstelling zou hebben gewekt. Nu echter wijdden zij hunne gansche
+aandacht aan hunne vrienden, die hun veel van Bartja verhaalden,
+en hoe hij de ernstige ziekte gelukkig te boven was gekomen.
+
+Aan de metalen poort van het paleis, dat Cresus vroeger bewoond had,
+kwam hun de satraap van Sardes, Oroetes, te gemoet. Het was een deftig
+man, die voor deze gelegenheid zijne, met kostbare versierselen
+overladene hofkleeding had aangetrokken. Zijne kleine zwarte oogen
+schenen, van onder een paar borstelige ineengegroeide wenkbrauwen,
+met hun doordringend scherpen blik, de gedachte van alle menschen te
+willen raden. De provincie, die door hem bestuurd werd, was eene der
+belangrijkste en rijkste. Zijne hofhouding streefde die van Cambyzes
+in glans en rijkdom op zijde, schoon zijne dienaren en vrouwen veel
+minder in aantal waren, dan die van den koning. Toch werden de ruiters
+aan de poort door eene groote schaar van lijfwachten, slaven, eunuchen
+en sierlijk uitgedoste ambtenaren afgewacht.
+
+Het paleis, dat nog altijd prachtig mocht worden genoemd, was ten tijde
+dat Cresus het bewoonde, de heerlijkste aller vorstenwoningen. Na de
+inname van Sardes hadden echter de Perzische veroveraars het grootste
+gedeelte der rijkdommen van den onttroonden koning naar de schatkamers
+van Cyrus te Pasargadae overgebracht, en waren de schoonste kunstwerken
+door ruwe handen vernietigd geworden. Toen die schrikkelijke dagen
+voorbij waren, hadden de Lydiërs menigen verborgen schat weder te
+voorschijn gehaald, en zich gedurende eenige jaren van vrede, onder
+de regeering van Cyrus en Cambyzes, door kunstvlijt en werkzaamheid
+zoover hersteld, dat Sardes thans wederom onder de rijkste steden van
+Klein-Azië, ja, van de gansche wereld mocht gerekend worden. Schoon
+Darius en Prexaspes aan de pracht eener koninklijke hofhouding
+gewoon waren, verwonderden zij zich niettemin over de schoonheid en
+den luister van het paleis van den satraap. Vooral troffen hen de
+kunstwerken van marmer, zooals men er noch te Babylon, noch te Suza,
+noch te Ekbatana vond [358]. Gebakken tegels en cederhout moesten
+daar de plaats van deze kostbare steensoort vervullen.
+
+In de groote zaal vonden de vrienden Bartja, die er bleek uitzag, en
+van de matras waarop hij lag de armen naar hen uitstrekte. Nadat de
+hereenigde vrienden aan de tafel van den satraap den maaltijd hadden
+gebruikt, begaven zij zich naar het vertrek van den herstellende,
+ten einde ongestoord te kunnen spreken.
+
+Toen zij zich daar hadden neergezet, riep Darius Bartja toe: »Thans
+moet ge mij allereerst vertellen, hoe gij aan deze ongelukkige ziekte
+zijt gekomen."
+
+»Zoo gezond, als wij maar wenschen konden," begon de koningszoon,
+»reisden wij, gelijk gij weet, van Babylon af, en bereikten
+zonder eenige stoornis Germa, een klein stadje, aan den Sangarius
+gelegen. Vermoeid van den forschen rit, verbrandt door de zon van
+Chordât [359], en ontoonbaar door het stof dat op ons kleefde, sprongen
+wij van onze paarden, ontdeden ons van onze kleederen, en wierpen
+ons in den vloed, die voorbij de herberg stroomde, en wiens heldere
+golven ons tot een bad schenen uit te noodigen. Gyges berispte ons om
+onze onvoorzichtigheid; wij echter bouwden op onze geharde lichamen,
+sloegen zijne vermaningen in den wind, en zwommen vroolijk in de
+groene golfjes rond. Kalm en rustig als altijd liet Gyges ons begaan,
+ontkleedde zich, nadat wij reeds met baden gedaan hadden, en ging toen
+op zijne beurt te water. Twee uren later zaten wij weer in den zadel,
+joegen als gold het dood of leven op de heirbaan voort, wisselden
+bij iedere pleisterplaats van paarden, en maakten den nacht tot dag.
+
+»In de nabijheid van Ipsus kreeg ik hevige pijn in het hoofd en
+door al mijne leden. Maar ik schaamde mij te bekennen, dat ik mij
+niet wel gevoelde, en hield mij goed, totdat wij te Bagis versche
+paarden moesten bestijgen. Toen ik mij in den zadel wilde werpen,
+begaven mij mijne krachten en mijn bewustzijn, en viel ik neder."
+
+»Of wij ook schrikten, toen gij inéenzaktet," viel Zopyrus den spreker
+in de rede. »En het was een zegen dat Gyges bij mij was. Ik had geen
+raad geweten. Hij behield echter zijne volle tegenwoordigheid van
+geest en handelde, na aan zijne boosheid lucht te hebben gegeven in
+woorden, die voor ons juist niet zeer vleiend waren, als een omzichtig
+veldheer. Die ezel van een geneesheer, die aanstonds kwam aanloopen,
+zwoer bij hoog en laag, dat Bartja reddeloos verloren was, voor welk
+bewijs van doorzicht ik hem een pak slaag heb gegeven."
+
+»Dat hij zich gaarne getroostte," lachte de satraap, »daar gij bevel
+gaaft, op iedere striem een goudstater te leggen."
+
+»Ja, mijn lust om klappen uit te deelen heeft me reeds veel geld
+gekost. Doch ter zake. Nauwelijks had Bartja de oogen weder geopend,
+of Gyges droeg mij op naar Sardes te rijden, om een bekwamen geneesheer
+en een gemakkelijken reiswagen te halen. Dien rit doet geen mensch
+mij na! Een uur voor dat ik hier aankwam, stortte mijn derde paard
+van vermoeidheid neder. Nu liep ik wat ik maar loopen kon op de poort
+aan. De wandelaars moeten allen wel gedacht hebben, dat het mij in
+de hersenen scheelde. Den eersten ruiter den besten, een koopman uit
+Celaenae [360], rukte ik zonder een woord te spreken van zijn paard,
+sprong er zelf op, en voordat een nieuwe dag was aangebroken, was ik
+met den besten Sardischen arts en den voortreffelijksten reiswagen
+van Oroetes bij onzen zieke terug, dien wij, zoo langzaam mogelijk
+rijdende, naar dit paleis brachten, waar hij door eene kwaadaardige
+koorts werd aangetast. Hij kraamde alle dwaasheden uit, die in een
+menschenhoofd kunnen opkomen, en joeg ons zulk een angst aan, dat mij,
+als ik aan die dagen denk, nog telkens het angstzweet uitbreekt."
+
+Bartja greep de hand van zijn vriend en zeide, zich tot Darius
+wendende: »Hem en Gyges dank ik mijn leven. Zij hebben mij, tot op
+het oogenblik dat zij ulieden te gemoet reden, geene minuut verlaten,
+en mij verpleegd, gelijk eene moeder haar ziek kind. Ook aan uwe
+goedheid, Oroetes, ben ik veel verplicht, en dubbel, wijl gij er u
+zelven onaangenaamheden door hebt berokkend."
+
+»Hoe was dat mogelijk?" vroeg Darius.
+
+»Die Polycrates van Samos, wiens naam in Egypte zoo dikwerf genoemd
+werd, heeft den beroemdsten geneesheer, op welken Griekenland ooit
+trotsch mocht wezen, aan zich verbonden. Oroetes schrijft terstond,
+nadat ik ziek in zijn huis ben gekomen, aan Democedes [361] en
+verzoekt hem, onder de schoonste beloften, dadelijk naar Sardes te
+reizen. Samische zeeroovers, die de geheele Ionische kust onveilig
+maken, vangen den bode op, en brengen den brief van Oroetes aan hun
+heer Polycrates over. Deze opent hem en zendt den afgezant naar hier
+terug met de boodschap, dat Democedes in zijn dienst is. Als Oroetes
+[362] hem noodig had, kon hij zich tot Polycrates zelven wenden. Onze
+edele vriend vernederde zich om mijnentwille, en verzocht den Samiër
+zijn geneesheer naar Sardes te zenden."
+
+»En Polycrates?" vroeg Prexaspes.
+
+»De hoogmoedige tyran van het eiland zond oogenblikkelijk den bekwamen
+arts, die mij, zooals gij ziet, geheel genezen heeft, en eerst voor
+weinige dagen met rijke geschenken Sardes verliet."
+
+»Overigens," viel Zopyrus zijn vriend in de rede, »kan ik zeer goed
+begrijpen, waarom de Samiër niet lichtvaardig afstand doet van zijn
+lijfarts. Ik verzeker u Darius, die man heeft zijn gelijke niet! Hij
+is schoon als Minutscher, verstandig als Piran Wisa, sterk als Rustem
+[363] en dienstvaardig als het heilige Soma [364]. Gij hadt eens
+moeten zien, hoe hij metalen schijven, die hij discus noemde, wist
+te slingeren! Ik ben geen kind als 't op worstelen aankomt, maar wij
+waren geen minuut aan den gang, of ik lag reeds op den grond. En dan
+kan hij geschiedenissen verhalen, dat den toehoorders er het hart in
+'t lijf van opspringt."
+
+»Wij hebben een diergelijk man leeren kennen," zeide Darius, lachende
+om de geestdrift van zijn vriend, »namelijk Phanes, den Athener,
+die gekomen is om onze onschuld te bewijzen."
+
+»Democedes, de geneesheer, is uit Kroton, 't welk dicht bij de plek
+moet liggen, waar de zon ondergaat."
+
+»Maar," liet Oroetes er op volgen, »dat evenals Athene door Hellenen
+bewoond wordt. Weest op uwe hoede voor deze menschen, mijne jonge
+vrienden, want ze zijn even listig, bedrieglijk en zelfzuchtig,
+als sterk, verstandig en schoon."
+
+»Democedes is edel en waarheidlievend!" riep Zopyrus.
+
+»En Phanes," verzekerde Darius, »wordt zelfs door Cresus voor even
+deugdzaam als dapper gehouden."
+
+»Ook Sappho," bevestigde Bartja, »heeft van den Athener niets dan goeds
+getuigd, maar zwijgen wij van de Hellenen. Oroetes is hun vriend niet,
+wijl zij hem door hunne weêrspannigheid de handen vol werk geven."
+
+»Dat weten de goden!" zuchtte de satraap. »Eéne Grieksche stad is
+moeielijker in toom te houden, dan alle landen tusschen den Euphraat
+en den Tigris."
+
+Terwijl de satraap sprak, was Zopyrus eens naar het venster gegaan
+om uit te zien. Thans viel hij den spreker in de rede met te zeggen:
+»De sterren staan reeds zeer hoog, en Bartja heeft rust noodig;
+haast u daarom Darius, en verhaal ons wat van huis!"
+
+De zoon van Hystaspes knikte toestemmend, en deed nu omstandig verslag
+van de voorvallen, die wij reeds hebben bijgewoond. Het uiteinde
+van Nitetis vond vooral bij Bartja oprechte deelneming, terwijl het
+ontdekte bedrog van Amasis allen met verbazing en onrust vervulde.
+
+»Nadat de eigenlijke afkomst der overledene onwederlegbaar bewezen
+was," vervolgde de verhaler, na eene korte pauze, »scheen Cambyzes een
+ander mensch te zijn geworden. Hij riep ons allen samen tot het houden
+van krijgsraad, en had aan tafel, in plaats van rouwkleederen, voor
+het eerst weder zijn koninklijk gewaad aan. Gij kunt u voorstellen,
+met welk een gejuich het vooruitzicht op een oorlog met Egypte
+begroet werd. Zelfs Cresus, die anders Amasis niet ongenegen is, en
+gewoonlijk voor den vrede stemt, had ditmaal niets hiertegen in te
+brengen. Den volgenden morgen werd, gelijk dit gewoonlijk geschiedt,
+nogmaals overwogen, wat in den roes besloten was. Nadat velen hunne
+zienswijze hadden doen kennen, verzocht ook Phanes het woord te mogen
+hebben. Hij sprak wel een uur achtereen. Maar welk een taal! Het was
+alsof de goden hem woord voor woord in den mond hadden gelegd. Onze
+taal, die hij zich in ongelooflijk korten tijd eigen heeft gemaakt,
+vloeide als honig van zijne lippen, en perste het eene oogenblik
+ons allen heete tranen uit de oogen, om ons het volgende in een
+stormachtig gejuich of in woeste kreten van verontwaardiging te doen
+losbarsten. Iedere beweging zijner handen was bevallig als het wenken
+eener danseres, en toch mannelijk en vol waardigheid.
+
+»Ik ben niet in staat zijne rede weder te geven, want mijne woorden
+zouden bij de zijne klinken, als tromgeroffel bij donderslagen. En
+toen wij eindelijk, door onze geestdrift weggesleept, eenstemmig
+tot den krijg besloten, nam Phanes nog eenmaal het woord, en deed de
+middelen en wegen aan de hand, om op de gemakkelijkste wijze de zege
+te behalen."
+
+Darius kon niet voortgaan, want Zopyrus was, onder luid gejuich,
+hem om den hals gevallen. Ook Bartja, Gyges en de satraap Oroetes
+verheugden zich van harte over zijne mededeeling, en drongen bij den
+verhaler aan, om hun het einde te doen kennen.
+
+»In de maand Farwardin [365]," begon de jongeling opnieuw, »moeten
+onze legers aan de grenzen van Egypte staan, wijl in Murdâd [366] de
+Nijl buiten zijne oevers treedt, en den marsch van het voetvolk zeer
+zou bemoeilijken. De Helleen Phanes is thans op weg naar de Arabieren,
+om een verbond met hen te sluiten. De zonen der woestijn moeten ons in
+hun dor en onherbergzaam land van water en van gidsen voorzien. Verder
+wil hij het rijke Cyprus, dat hij eens voor Amasis veroverde, in onze
+hand stellen. De koningen van dit eiland hebben, op zijne voorspraak,
+hunne kronen behouden, en zullen aan zijne raadgevingen onmiddellijk
+gehoor geven. De Athener zorgt voor alles, en kent overal den weg,
+als kon hij gelijk de Zon de geheele aarde overzien. Hij toonde ons
+ook eene afbeelding van al de landen, op eene koperen tafel."
+
+Oroetes gaf over alles zijne goedkeuring te kennen, en zeide: »Ook
+ik bezit zulk eene afbeelding van de wereld. Een Milesiër, Hecataeus
+[367] genaamd, die voortdurend reizen doet, heeft deze geteekend,
+en mij voor een pas ten geschenke gegeven."
+
+»Die Hellenen bedenken van alles!" riep Zopyrus, die zich niet het
+flauwste denkbeeld kon maken van zulk eene voorstelling van de aarde.
+
+»Ik zal u morgen mijne tafel laten zien," zeide Oroetes; »thans echter
+moeten wij Darius niet meer in de rede vallen.'"
+
+»Phanes trok dus naar Arabië," vervolgde de verslaggever, »terwijl
+Prexaspes afreisde, om u, Oroetes, niet slechts te bevelen zoovele
+soldaten als mogelijk is,--vooral Ioniërs en Kariërs, over wie het
+bevel aan den Athener zal worden opgedragen,--bijeen te brengen,
+maar ook om Polycrates een verbond met ons voor te slaan."
+
+»Een verbond met hem, met den zeeroover?" vroeg Oroetes, wiens gelaat
+merkbaar betrok.
+
+»Met denzelfden," antwoordde Prexaspes, zich houdende, als ware hem
+de trek van onwil op het aangezicht van den satraap ontgaan. »Phanes
+heeft van den man, die over zoovele voortreffelijke schepen te bevelen
+heeft, reeds toezeggingen gekregen, zoodat wij ons van den gunstigen
+uitslag uwer zending verzekerd kunnen houden."
+
+»De Phoenicische, Syrische en Ionische oorlogsschepen," hernam de
+stadhouder, »zullen meer dan voldoende zijn, om de Egyptische vloot
+te overwinnen."
+
+»Daarin hebt gij volkomen gelijk. Maar indien Polycrates zich
+tegen ons verklaarde, dan zouden wij ons bezwaarlijk ter zee kunnen
+handhaven. Uit uw eigen mond toch hebben wij gehoord, dat hij in de
+Aegaeische zee den schepter voert."
+
+»Desniettemin keur ik een verbond met den zeeschuimer ten sterkste af!"
+
+»Vóor alle dingen zoeken wij goede bondgenooten, en de zeemacht
+van Polycrates boezemt ons ontzag in. Eerst wanneer wij met zijne
+hulp Egypte veroverd hebben, dan komt de tijd, om zijn overmoed te
+fnuiken. Maar wat ook verder van de zaak zij, ik moet u verzoeken allen
+persoonlijken wrok ter zijde te stellen, en slechts op het welslagen
+van het groote ontwerp bedacht te zijn. Deze woorden spreek ik in den
+naam des konings, wiens ring ik draag, en verplicht ben u te toonen."
+
+Oroetes boog zich zwijgend voor dit teeken van het vorstelijk gezag,
+en vroeg: »Wat verlangt Cambyzes van mij?"
+
+»Hij beveelt u, alle mogelijke pogingen in het werk te stellen, om
+een verbond met den Samiër tot stand te brengen, en verder, dat gij
+uwe troepen hoe eer hoe liever naar het hoofdleger in de Babylonische
+vlakte laat oprukken."
+
+De satraap boog, en verliet in trotsche houding het vertrek.
+
+Zoodra men het geluid zijner schreden in de zuilengang van het
+binnenhof hoorde, sprak Zopyrus: »De arme man! Het is bijster hard
+voor hem, den overmoedige, die zich zoo menige beleediging jegens
+hem veroorloofde, met zulk eene boodschap aan boord te komen. Denk
+slechts aan de geschiedenis met den arts!"
+
+»Gij zijt al te toegevend," hernam Darius, zijn vriend in de rede
+vallende. »Deze Oroetes bevalt mij niet! Zóo mag men een bevel des
+konings niet opnemen. Zaagt gij niet, dat hij zijne lippen aan bloed
+beet, toen Prexaspes hem den zegelring van onzen vorst toonde?"
+
+»In dezen man woont een hoogmoedig hart," voegde de gezant er bij. »Hij
+verliet ons zoo spoedig, omdat hij zijn toorn niet langer meester was."
+
+»Toch moet ik u verzoeken," zeide Bartja, »het gedrag van den
+satraap, wien ik grooten dank verschuldigd ben, voor mijn broeder
+te verzwijgen."
+
+Prexaspes boog even, doch Darius hernam: »In ieder geval moet men dezen
+man in het oog houden. Juist te dezer plaatse zoover van 's konings
+poorten, te midden van vijandige volken, hebben wij stadhouders noodig,
+die hun heer gewilliger gehoorzamen, dan Oroetes, die zich schijnt
+te verbeelden koning van Lydië te zijn!"
+
+»Zijt gij verstoord op den Satraap?" vroeg Zopyrus.
+
+»Ik geloof ja," luidde het antwoord. »Als ik iemand ontmoet, dan
+gevoel ik aanstonds iets, dat mij tot hem trekt, of dat mij een
+onverwinnelijken afkeer van dien persoon inboezemt. Deze plotselinge,
+onverklaarbare gewaarwording heeft mij nog nooit bedrogen. Oroetes
+mishaagde mij reeds, voordat ik nog een woord uit zijn mond had
+vernomen. Evenzoo ging het mij met den Egyptenaar Psamtik, terwijl
+ik mij door Amasis voelde aangetrokken."
+
+»Gij zijt nu eenmaal geheel anders dan wij!" hernam Zopyrus in
+scherts. »Maar doe mij het genoegen, en laat den armen Oroetes
+rusten. Het is goed dat hij weg is, want nu kunt gij vrijer van huis
+spreken. Hoe maakt het Cassandane en uwe godin Atossa? Hoe is het met
+Cresus? Wat voeren mijne lieve vrouwtjes uit? Zij zullen binnenkort
+eene nieuwe deelgenoote harer vreedzame uitspanningen krijgen, want ik
+ben van plan morgen om de hand van het schoone dochterken van Oroetes
+te vragen. Met de oogen hebben wij elkaar reeds allerlei lieve dingen
+verteld. Ik weet niet, of de hare Perzisch of Syrisch spraken; maar
+wij begrepen elkander toch volkomen."
+
+De vrienden lachten, en Darius riep, weder in de algemeene vroolijkheid
+deelende: »En nu zult gij eene blijde boodschap vernemen, die ik
+eigenlijk, als het beste, tot nagerecht bewaard heb. Hé! Bartja,
+spits de ooren, vriend! Uwe moeder, de edele Cassandane, heeft het
+gezicht teruggekregen!--Ja, ja, het is de zuivere waarheid!--Wie haar
+genezen heeft?--Wie anders dan die Egyptische knorrepot, die nu zoo
+mogelijk nog somberder en gemelijker is dan voorheen. Maar houd u nu
+stil en laat mij voortgaan, anders wordt het nog morgen eer Bartja
+kan gaan slapen.--Eigenlijk moesten wij u thans aan uw lot overlaten,
+want het beste weet gij, en gij kunt daarvan dus droomen.--Gij wilt
+niet? Dan moet ik in Mithra's naam maar verder verhalen, al bloedt
+mijn hart er ook bij.
+
+»Laat mij met den koning beginnen!--Zoolang Phanes te Babylon was,
+scheen hij zijne smart over het verlies der Egyptische niet te
+gevoelen. De Athener mocht geen oogenblik zijne zijde verlaten. Deze
+twee waren evenmin van elkaar te scheiden als Reksch en Rustem
+[368]. In dit gezelschap had Cambyzes geen tijd om te treuren,
+want de Helleen had ieder oogenblik nieuwe invallen, en hield niet
+slechts den koning, maar ons allen op eene bewonderenswaardige
+wijze bezig. Daarbij waren allen met hem ingenomen; ik geloof,
+omdat niemand hem recht benijden kan. Zoodra hij toch alleen was,
+welden er tranen in zijne oogen, bij de gedachte aan zijn vermoorden
+lieveling. Daarom was zijne opgeruimdheid, die hij, beste Bartja,
+ook in het hart van uw ernstigen broeder wist over te storten,
+dubbel bewonderenswaardig.--Iederen morgen reed hij met Cambyzes en
+ons allen naar den Euphraat, en vermaakte zich met het gadeslaan
+van de oefeningen der jeugdige Achaemeniden. Als hij de knapen
+spoorslags de zandheuvels zag voorbijrijden, en de potten die er op
+geplaatst waren met pijlen zag doorschieten; als hij aanschouwde
+hoe zij elkander met houtblokken wierpen en deze behendig wisten
+te ontwijken [369], beleed hij, dat hij hun dit niet zou kunnen
+nadoen. Daarentegen verklaarde hij met ons allen in het speerwerpen
+en worstelen naar den prijs te willen dingen. Levendig als hij is,
+sprong hij aanstonds van zijn paard, trok tot onzer aller ergernis
+[370] zijne kleederen uit, en slingerde, tot groot vermaak der knapen,
+hun onderwijzer in het worstelen als een veertje in het zand. Dan
+liet hij eene menigte pochhanzen, die zich met hem meten wilden,
+eene buiteling maken, en mij ware hetzelfde lot beschoren geweest,
+als hij zich niet reeds teveel vermoeid had. Toch verzeker ik u, dat
+ik sterker ben dan hij, en veel zwaardere blokken kan optillen. Maar
+die Athener is onbegrijpelijk vlug en behendig, en slingert zich om
+zijn tegenstander als de klimop om een stam. Zijne naaktheid kwam hem
+ook goed te stade. Indien het niet onvoegzaam was, moest men eigenlijk
+altijd ongekleed worstelen, gelijk de Hellenen, die zich bovendien de
+huid met olijfolie inwrijven.--In het speerwerpen overtrof hij allen
+evenzeer. Daarentegen vloog de pijl van den koning, die, gelijk wij
+weten, trotsch is op den roem van de beste schutter in geheel Perzië te
+zijn, veel verder dan de zijne. Hij roemde zeer de bij ons bestaande
+gewoonte, dat na den worstelstrijd de overwonnene den overwinnaar de
+hand kust. Eindelijk leverde hij een staaltje van eene nieuwe oefening,
+het vuistgevecht. Doch de nuttigheid hiervan wilde hij niet toonen
+door met een vrije te vechten; daarom liet de koning den grootste en
+sterkste van alle slaven, Bessus, mijn stalknecht, komen, die met
+zijne reuzenarmen de achterpooten van een paard samendrukt, zoodat
+het dier staat te rillen en zich niet kan verroeren. Die geweldige
+sladood, die minstens een hoofd langer was dan Phanes, lachte, en
+haalde medelijdend de schouders op, toen hij hoorde, dat hij met dezen
+vreemdeling een vuistgevecht moest houden. Zeker van zijn zegepraal,
+stelde hij zich tegenover den Athener en deed oogenblikkelijk een
+onbesuisden slag naar hem, die een olifant zou hebben gedood. Phanes
+ontweek dien echter, en bracht op hetzelfde oogenblik den reus met de
+bloote vuist zulk een geweldigen slag onder de oogen toe, dat een dikke
+bloedstroom uit zijn mond en zijn neus sprong, en de onbehouwen kerel
+huilend nederstortte. Toen men hem overeind had geholpen, geleek zijn
+aangezicht op eene groenachtig blauwe pompoen. De knapen hadden niet
+weinig pret hierover. Wij bewonderden de vlugheid van den Helleen,
+en verblijdden ons in de goede stemming van den koning, die nog
+duidelijker uitkwam, toen Phanes zijne stem met de luit begeleidde,
+en vroolijke Grieksche liederen en dansmelodieën zong.
+
+»Intusschen had Cassandane, door de kunst van den Egyptenaar
+Nebenchari, het gezicht teruggekregen, eene gebeurtenis die
+natuurlijk veel bijdroeg, om 's konings zwaarmoedigheid te
+verdrijven. Wij beleefden goede dagen, en reeds maakte ik plannen
+om de hand van Atossa te vragen, toen Phanes naar Arabië vertrok,
+en alles een geheel ander aanzien kreeg. Zoodra namelijk de Athener
+de poort verlaten had, was het alsof alle booze Diws plotseling in
+den koning gevaren waren. Somber en zwijgend ging hij in en uit,
+en om zijne zwaarmoedige gedachten te verdrijven, gebruikte hij
+reeds in den vroegen morgen kannen vol van den zwaarsten Syrischen
+wijn. Des avonds was hij in den regel zoo dronken, dat men hem naar
+zijne vertrekken moest dragen, terwijl hij 's morgens met heftige
+krampen en hoofdpijnen ontwaakte. Overdag liep hij rond, als zocht
+hij iets, en 's nachts hoorde men hem meermalen den naam van Nitetis
+uitspreken. De geneesheeren waren zeer bezorgd voor zijne gezondheid,
+en gaven hem dranken, die hij echter liet wegwerpen. Cresus had
+volkomen gelijk, toen hij op zekeren dag tot de artsen zeide: 'Eer
+men iemand wil gaan genezen, gij heeren magiërs en Chaldaeërs,
+moet men weten aan te wijzen, welk gedeelte van zijn organisme
+lijdt. Kunt gij dat?--Neen? Dan zal ik u zeggen, wat den koning
+deert. Hij lijdt inwendig, en heeft eene onzichtbare wonde. Zijn
+lijden is verveling, de wonde zit in het hart. Voor het eerste is de
+Athener de beste geneesmeester, voor het andere weet ik geen middel,
+want de ondervinding leert, dat zulke wonden of van zelve genezen,
+of den lijder doen doodbloeden.'
+
+»'Ik weet een geneesmiddel voor den koning!' riep Otanes, toen hij dit
+woord van Cresus vernam. 'Wij moeten hem zien te bewegen om de vrouwen,
+of althans mijne dochter Phaedime, van Suza terug te ontbieden. De
+liefde verstrooit de wolken der zwaarmoedigheid, en doet het bloed
+sneller door de aderen stroomen!' Wij deelden alle zijne zienswijze,
+en drongen bij hem aan, dat hij onzen vorst aan de in ballingschap
+levende vrouwen zou herinneren. Otanes maakte van de gelegenheid,
+die de eerste de beste maaltijd hem bood, gebruik, om Cambyzes het
+voorstel te doen de vrouwen terug te laten komen, doch werd zoo ruw
+door den koning afgesnauwd, dat het ons allen leed deed.
+
+»Kort daarop ontbood Cambyzes op een morgen alle mobeds en Chaldaeërs,
+om hun de verklaring van een vreemdsoortig droomgezicht te vragen. Hij
+had namelijk gedroomd, dat hij zich midden op een dorre vlakte bevond,
+die glad en effen als een dorschvloer, niet het geringste halmpje
+voortbracht. Ontstemd over het woest en treurig aanzien van die
+plek, wilde hij andere, meer vruchtbare oorden op gaan zoeken, toen
+Atossa verscheen, en zonder hem op te merken, op eene bron toeliep,
+die eensklaps als door een tooverslag liefelijk ruischend uit den
+dorren grond opborrelde. Verbaasd zag hij dit schouwspel aan, en
+bemerkte hoe overal, waar de voet zijner zuster den verzengden bodem
+had aangeraakt, slanke terpentijnboomen [371] opschoten, die grooter
+werden en in cypressen veranderden, welker kruinen tot aan den hemel
+reikten. Toen hij Atossa wilde aanspreken, ontwaakte hij.
+
+»De mobeds en Chaldaeërs beraadslaagden lang, en legden den droom alzoo
+uit, dat Atossa, bij alles wat zij ondernam, door het geluk begunstigd
+zou worden. Cambyzes stelde zich met dat antwoord tevreden, doch toen
+hij in den volgenden nacht een diergelijk droomgezicht had, bedreigde
+hij de mobeds met den dood, als zij hem geene andere verklaring
+gaven. De wijzen bedachten zich lang, en antwoordden eindelijk:
+'Atossa zal eenmaal koningin en de moeder van machtige vorsten worden.'
+
+»Over deze uitlegging was de koning volkomen tevreden, en met een
+zonderling lachenden trek om den mond, vertelde hij ons toen zijn
+droom. Dienzelfden dag werd ik bij Cassandane geroepen, die mij
+waarschuwde dat ik, als ik mijn leven lief had, alle hoop op het
+bezit harer dochter moest laten varen. Reeds wilde ik den tuin der
+eerwaardige vrouw verlaten, toen ik Atossa achter een granaat-boschje
+gewaar werd. Zij wenkte mij. Ik snelde naar haar toe. Wij vergaten
+gevaar en smart, en namen eindelijk afscheid, voor eeuwig. Thans
+weet gij alles. En terwijl ik nu afstand heb gedaan van het lieve
+schepseltje, omdat alle verdere hoop op haar bezit razernij zou zijn,
+moet ik mij zelven geweld aandoen, om niet gelijk de koning, ter wille
+van eene vrouw aan het mijmeren te geraken en mij aan droefgeestigheid
+over te geven. Ziedaar nu het einde der geschiedenis, dat wij reeds
+meenden te voorzien, toen Atossa's roos mij, den ter dood veroordeelde,
+tot den gelukkigste aller stervelingen maakte. Had ik ulieden in
+die ure, die wij dachten dat onze laatste zou zijn, mijn geheim niet
+verraden, het zou met mij in het graf zijn gegaan.--Maar wat bazel
+ik! Weet ik dan niet, dat ik op uwe geheimhouding rekenen kan? Wat ik
+u bidden mag, kijk me niet langer zoo droevig aan. Ik geloof dat ik
+nog altijd te benijden ben, want ik heb een uur van geluk doorleefd,
+dat tegen honderd jaren van ellende opweegt.--Ik dank u, ik dank
+u!--Maar, laat mij nu spoedig eindigen!
+
+»Drie dagen na mijn afscheid van Atossa moest ik Artystone, de dochter
+van Gobryas, huwen. Zij is schoon, en zou gewis ieder ander, behalve
+mij, gelukkig maken. 's Morgens na de feestviering kwam de angaar met
+het bericht van Bartja's ziekte te Babylon aan. Ik snelde dadelijk
+naar den koning, vroeg en verkreeg verlof u te mogen gaan opzoeken en
+verplegen, en u voor het gevaar, dat in Egypte uw leven bedreigt, te
+waarschuwen. In spijt van de tegenwerpingen mijns schoonvaders, nam ik
+van mijne nieuwe gemalin afscheid, en snelde, door Prexaspes vergezeld,
+herwaarts, om u, Bartja, met Zopyrus naar Egypte te volgen, terwijl
+Gyges den gezant als tolk naar Samos zal begeleiden. Alzoo beveelt de
+koning, wiens gemoedsgesteldheid in de laatste dagen veel verbeterd is,
+doordien hij in de wapenschouwing der aanrukkende legerafdeelingen
+eene goede afleiding vindt, en de Chaldaeërs hem verzekerd hebben,
+dat de planeet Adar [372], die hun krijgsgod Chanon toebehoort, den
+Perzischen wapenen eene groote overwinning belooft. Wanneer denkt
+gij de reis te kunnen hervatten, Bartja?"
+
+»Morgen, als gij wilt," antwoordde deze. »De geneesheeren verzekeren,
+dat het zeetochtje mij volstrekt niet schaden zal. De reis over land
+tot Smyrna is slechts kort."
+
+»En ik," liet Zopyrus er op volgen, »verzeker u, dat uw liefje u
+spoediger gezond zal maken, dan alle artsenijmengers in de geheele
+wereld!"
+
+»Laat ons afspreken, dat wij binnen drie dagen opbreken," hernam
+Darius. »Want wij hebben nog velerlei zaken voor de afreis in orde
+te brengen. Bedenk slechts, dat wij in een zoo goed als vijandelijk
+land komen! Bartja moet, alzoo heb ik de zaak overlegd, zich voor
+een tapijthandelaar uit Babylon uitgeven. Ik stel zijn broeder voor,
+en Zopyrus is een koopman in sardisch rood [373]."
+
+»Zouden wij ons niet als krijgslieden kunnen vermommen?" vroeg
+Zopyrus. »Het is wat al te vernederend, voor zulke bedrieglijke
+schacheraars te worden aangezien. Hoe zoudt gij bijvoorbeeld er
+over denken, als wij ons voor Lydische soldaten uitgaven, die in het
+Egyptische leger dienst komen nemen, om eene straf in het vaderland
+te ontgaan?"
+
+»Dat voorstel is zoo onaannemelijk niet," zeide Bartja. »Ook geloof
+ik, dat men ons op 't uiterlijk eer voor krijgers dan voor kooplieden
+zal aanzien."
+
+»Hierin zoudt gij u toch kunnen vergissen," antwoordde Gyges. »Zulk
+een Helleensch groothandelaar en scheepsgezagvoerder draagt de borst
+zoo hoog, als behoorde hem de gansche wereld toe. Overigens vind ik
+den voorslag van Zopyrus nog zoo slecht niet."
+
+»Het zij zoo!" zeide Darius, na nog een oogenblik nagedacht te
+hebben. »Dan moet Oroetes ons aan de kleederen van Lydische taxiarchen
+[374] helpen."
+
+»Waarom zoudt gij u niet als chiliarchen laten aankleeden?" riep
+Gyges. »Het zou stellig achterdocht wekken omdat gijlieden nog zoo
+jong zijt."
+
+»Maar wij kunnen toch niet als gemeene soldaten optreden."
+
+»Neen, maar wel als hekatontarchen!"
+
+»Ook al goed," hernam Zopyrus vroolijk, »als ik maar geen koopman
+behoefte wezen!--Binnen drie dagen aldus van hier. 't Doet mij
+genoegen, dat gijlieden mij toch nog den tijd laat, om mij van
+het dochtertje van dezen satraap te verzekeren, en nog eens het
+Cybele-bosch te bezoeken, waar ik reeds sinds lang naar verlang. En
+nu goeden nacht, Bartja! Slaap morgen een gat in den dag. Wat zou
+Sappho wel zeggen, als gij met zulke bleeke kaken en zulke fletse
+oogen tot haar kwaamt!"
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+
+De zon van een gloeiend heeten hondsdag was over Naucratis opgegaan. De
+Nijl was reeds buiten zijne oevers getreden, en had de velden en
+tuinen van Egypte met zijn wateren bedekt. De haven in den mond der
+rivier wemelde thans van schepen. Egyptische vaartuigen, bemand met de
+Phoenicische kolonisten van de kust der Delta, brachten fijne weefsels
+van Malta aan, metalen en gesteenten van Sardinië, wijn en koper van
+Cyprus. Grieksche triëren brachten fijne oliën en wijnen, mastiktakken,
+metaalwerken en wollen stoffen van Chalcidice; Phoenicische en Syrische
+vaartuigen, met bont gekleurde zeilen, voerden purperstoffen, koper,
+tin, edelgesteenten, specerijen, glas- en tapijtwerken aan, benevens
+ceders van den Libanon, voor het bouwen van huizen in het aan hout zoo
+arme Egypte, ten einde deze waren in te ruilen tegen de schatten van
+Aethiopië: goud, elpenbeen, ebbenhout, veelkleurige tropische vogels,
+edelgesteenten en zwarte slaven, maar vooral tegen het wereldberoemde
+Egyptische koren, de wagens van Memphis, Saïtisch kantwerk en fijn
+papyrusriet. Maar de tijd van uitsluitenden ruilhandel was reeds lang
+voorbij, en de kooplieden van Naucratis betaalden hunne inkoopen niet
+zelden met klinkend goud en zorgvuldig afgewogen zilver [375].
+
+Langs de haven dezer Helleensche volkplanting zag men groote
+magazijnen. Daarnaast stonden lichtgebouwde huizen. De muziek, het
+vroolijk gelach, de verleidende blikken en stemmen van geblankette
+deernen lokte daar vele ledigloopende matrozen binnen [376]. Roeiers
+en stuurlieden, in de meest uiteenloopende kleederdrachten,
+baanden zich, soms op een vrij onzachte wijze, een weg door het
+gedrang van zwarte en blanke slaven, die zware balen op de schouders
+droegen. Scheepsbevelhebbers, in Helleensche of kakelbonte Phoenicische
+kleeding deelden bevelen uit onder hunne manschappen, of waren ijverig
+in de weer, om den groothandelaars de voor hen bestemde goederen af
+te leveren. Waar bijgeval twist ontstond, vertoonden zich dadelijk
+Egyptische politiebeambten met hunne lange staven, en Helleensche
+havenmeesters, die door de oudste kooplieden van deze Milesische
+volkplanting waren aangesteld.
+
+Maar allengs verliet de menigte de haven, daar de tijd naderde
+waarop de markt begon [377], en de vrije Helleen was niet gewoon deze
+onbezocht te laten. Ditmaal echter bleven nog ettelijke nieuwsgierigen
+achter, om een schoon gebouwd Samisch schip met langen zwanenhals,
+de Okeia [378], op welker boeg een houten beeld van de godin Hera
+[379] prijkte en dat zoo even de haven was binnengeloopen, aan
+te gapen. Vooral wekten drie schoone jongelingen in Lydischen
+krijgsdos hoog opzien, toen zij de triëre verlieten. Zij werden
+door onderscheidene slaven gevolgd, die hun eenige kisten en pakken
+nadroegen. De schoonste dezer vreemdelingen, in wie de lezer zonder
+twijfel reeds onze jonge vrienden Darius, Bartja en Zopyrus heeft
+herkend, wendde zich tot een havenmeester met verzoek, hem de woning
+van zijn gastheer Theopompus, den Milesiër, te wijzen. Dienstvaardig
+en beleefd zooals alle Grieken, ging de beambte den vreemdeling voor,
+en leidde hem over de markt naar een deftig huis, het eigendom van den
+aanzienlijksten inwoner van Naucratis, den Milesiër Theopompus. Juist
+kondigde het luiden der klok de opening der markt aan.
+
+Maar niet geheel zonder oponthoud hadden de jongelingen hunne
+bestemming bereikt. Aan den vrij lastigen aandrang van de vischventers,
+die gaarne veel geld verdienden, hadden zij zich even gemakkelijk
+weten te onttrekken, als aan de veelvuldige aanbiedingen van vleesch-,
+worst- en groenteverkoopers, pottenbakkers en bakkers. Toen zij
+echter de standplaats der bloemenmeisjes [380] naderden, klapte
+Zopyrus hard in de handen, verrukt over het schouwspel, dat zich
+hier aan hem voordeed. Drie allerbekoorlijkste meisjes, in witte,
+bijkans doorschijnende kleeding met gekleurde zoomen, zaten daar op
+lage stoeltjes, door eene vracht van bloemen omgeven, en vlochten
+gezamenlijk een grooten krans van rozen, violen en oranjebloesem. Hare
+schoone, bekranste hoofdjes geleken op de drie rozeknoppen, die een
+harer, welke onze vrienden het eerst bemerkt had, hun aanbood,
+
+»Koopt mijne rozen, schoone heeren!" riep zij met heldere, welluidende
+stem, »en steekt ze uwe beminden in het haar!"
+
+Zopyrus nam de bloemen aan, riep, de hand van het meisje vasthoudende:
+»Ik kom zoo pas uit verre landen hier aan, lief kind, en heb nog
+geene vriendin te Naucratis, laat mij dus deze rozen in uw eigen
+blonde krullen steken, en dat goudstuk in uw blanke handjes drukken!"
+
+Het meisje schaterde het uit van blijdschap, toonde de buitengewoon
+rijke gift aan hare zuster [381], en riep: »Bij Eros! Jongelingen
+als gij zijt, kan het wel nimmer aan vriendinnen ontbreken! Zijt
+gijlieden broeders?"
+
+»Neen!"
+
+»Dat is jammer, want wij zijn zusters!"
+
+»Gij wilt zeggen, dat wij anders drie aardige paartjes zouden zijn?"
+
+»Dat heb ik misschien gedacht, maar niet gezegd," hernam zij heel
+ondeugend.
+
+»En uwe zusters?"
+
+De meisjes lachten, schenen met genoegen aan zulk eene verbintenis
+te denken, en boden ook Darius en Bartja rozeknoppen aan.
+
+De jongelingen namen ze aan; betaalden insgelijks voor ieder ruikertje
+een goudstuk, en konden zich niet van de schoonen afmaken, dan nadat
+zij hunne helmen met laurierbladeren omkranst hadden.
+
+Het gerucht van de ongemeene mildheid der vreemdelingen verspreidde
+zich intusschen onder de vele bloemenmeisjes, die linten, bloemen
+en kransen te koop boden. Ieder maakte de vrienden op hare schoone
+waar opmerkzaam, en noodigde hen door blikken en woorden tot koopen
+uit. Zopyrus had gaarne, als zoo menig jongeling uit Naucratis,
+nog veel langer bij de meisjes vertoefd, die zich bijna alle door
+schoonheid onderscheidden, en wier genegenheid licht te winnen
+was; Darius echter herinnerde hem, dat zij spoed moesten maken, en
+verzocht Bartja den lichtzinnigen vriend te verbieden zich verder op te
+houden. Eindelijk bereikten zij dan ook, na de tafels der wisselaars
+en de burgers, die, op steenen banken gezeten, onder den blooten
+hemel raad hielden, te zijn voorbijgegaan, het huis van Theopompus.
+
+Nauw had hun Grieksche gids den metalen klopper op de deur doen vallen,
+of deze werd door een slaaf geopend. Daar de heer des huizes zich
+op de markt bevond, werden de vreemdelingen door den portier, een in
+het huis van Theopompus grijs geworden slaaf, in het andronitis [382]
+geleid, met verzoek, de terugkomst van den meester daar af te wachten.
+
+Terwijl de jongelingen zich nog onledig hielden met het beschouwen
+van het schoone schilderwerk op de wanden, en de kunstige bewerking
+van den steenen vloer, keerde Theopompus,--dezelfde groothandelaar,
+dien wij reeds in het huis van Rhodopis leerden kennen,--van de
+markt terug, gevolgd door een aantal slaven, beladen met de door hem
+aangekochte waren [383]. De Milesiër heette de vrienden welkom met
+bevallige minzaamheid, en vroeg hun met de meeste voorkomendheid,
+waarmede hij hen dienen kon. Na zich overtuigd te hebben, dat zich
+geen ongeroepen getuige in de nabijheid bevond, stelde Bartja den heer
+des huizes de briefrol ter hand, die Phanes hem bij het afscheid voor
+Theopompus had medegegeven.
+
+Nauwelijks had deze den brief gelezen, of hij boog zich diep voor
+den koningszoon neder, en riep: »Bij Zeus, die ons den plicht der
+gastvrijheid oplegt, grootere eer dan die van uw bezoek, had mijn
+huis wel niet kunnen te beurt vallen! Beschouw al wat ik heb als uw
+eigendom, en verzoek ook uwe vrienden hun intrek in mijne woning te
+nemen. Vergeef mij, dat ik u in uwe Lydische kleeding niet herkende. Ik
+geloof dat uwe lokken korter en uw baard zwaarder zijn geworden, sedert
+gij Egypte verliet. Vergis ik mij niet, dan wenscht gijlieden onbekend
+te blijven?--Zooals gij wilt! De beste gastvrijheid bestaat daarin,
+dat men zijne gasten geheel vrijlaat. O, nu herken ik uwe vrienden! Ook
+zij hebben zich vermomd en gelijk gij het haar gekort. Ja, ik zou
+durven bezweren, dat gij, mijn vriend, wiens naam..."
+
+»Ik heet Darius."
+
+»Dat gij, Darius, uwe haren zwart geverfd hebt. Is het zoo niet? Gij
+ziet, dat mijn geheugen mij niet bedriegt. Toch mag ik daar niet al te
+zeer op roemen; want meermalen heb ik u te Saïs gezien, en ook hier bij
+uwe aankomst en uw vertrek. Gij, o koningszoon, zult misschien vragen,
+of anderen u niet evenzeer zullen herkennen? Stellig niet! De vreemde
+kleeding, het korte haar en uwe donkergekleurde wenkbrauwen hebben
+u verbazend veranderd. Maar vergun mij, dat ik mij een oogenblik
+verwijder! Mijn oude portier wenkt mij en schijnt eene belangrijke
+boodschap te hebben."
+
+Weinige oogenblikken later keerde Theopompus terug, en riep: »Hoort
+eens, waarde gasten, als gij onbekend wenscht te blijven, dan moet
+gij u hier, te Naucratis, niet zoo aanstellen, als gij reeds gedaan
+hebt! Gij hebt gekheid gemaakt met de bloemenmeisjes, en haar een
+paar rozen betaald, niet als ontvluchte Lydische hekatontarchen,
+maar als groote heeren, gelijk gij ook zijt. Geheel Naucratis kent
+de schoone, lichtzinnige zusters Stephanion, Chloris en Irene,
+die met hare kransen reeds menig jeugdig hart gevangen, en met hare
+verleidelijke blikken reeds menigen blanken obool [384] uit de beurzen
+onzer zorgelooze jongelieden hebben getooverd. Zoolang de markt duurt,
+houden de jongelingen zich het liefst bij de bloemenmeisjes op, en
+wat daar dan wordt verhandeld, wordt gewoonlijk in de stilte van den
+nacht met meer dan éen goudstuk betaald. Maar voor een vriendelijk
+woord en een paar rozen is men minder mild dan gij. De meisjes
+hebben met uwe geschenken gepronkt, en haren schrielen vrijers
+uwe goudstukken getoond. De faam is eene godin, die in den regel
+vreeselijk overdrijft, en van een hagedis een krokodil maakt. Spoedig
+kwam ook den Egyptischen hoofdman, die de wacht op de markt heeft,
+sedert Psamtik de teugels van het bewind in handen heeft genomen,
+het bericht ter oore, dat drie, kort te voren aangekomen Lydische
+krijgslieden goud onder de kransvlechtsters hadden uitgestrooid. Deze
+tijding wekte achterdocht en gaf den toparch [385] aanleiding, om een
+beambte hierheen te zenden, ten einde naar uwe afkomst en het doel
+uwer reis te vernemen. Ik heb eene list moeten gebruiken en den man,
+die de boodschap bracht, iets wijs moeten maken. Overeenkomstig uw
+verlangen, heb ik u voor rijke jongelingen van Sardes uitgegeven,
+die aan den toorn van den satraap ontvlucht zijn.--Maar daar komt de
+beambte met een schrijver, die u een pas zal brengen, opdat gij veilig
+aan den Nijl zoudt kunnen vertoeven. Ik heb hem eene rijke belooning
+toegezegd, als hij u behulpzaam wilde zijn, om onder de krijgslieden
+van den koning te worden opgenomen. Hij is in den strik geloopen, en
+gelooft mij op mijn woord. Omdat gijlieden nog zoo jong zijt, houdt
+men zich overtuigd dat gij met geene geheime zending zijt belast."
+
+Nauwelijks had de woordenrijke Helleen uitgesproken, of de schrijver,
+een mager in het wit gekleed man, trad het vertrek binnen. Hij ging
+naar de vreemdelingen toe, en ondervroeg hen door tusschenkomst van
+zijn tolk naar hunne afkomst en het doel hunner reis. De jongelingen
+herhaalden, wat door Theopompus reeds was bericht, namelijk dat zij
+uitgewekene hekatontarchen waren, en verzochten den beambte hun het
+middel aan de hand te doen, om onder de Egyptische hulptroepen te
+worden opgenomen, en hen van passen te voorzien. Nadat hun gastheer
+zich borg voor hen gesteld had, aarzelde de beambte niet langer,
+en stelde hen in 't bezit der verlangde stukken.
+
+Aldus luidde de pas van Bartja:
+
+
+ »Smerdes,--zoon van Sandon, uit Sardes,--ongeveer twee en
+ twintig jaren oud, hoog en rank van gestalte, met een schoon
+ gevormd gelaat, rechten neus en hoog voorhoofd, in het midden
+ waarvan zich een klein litteeken bevindt, mag zich, dewijl
+ voor hem een voldoende borg is aangewezen, daar waar de wet
+ vreemdelingen duldt, in Egypte ophouden.
+
+ In naam des Konings.
+ Sachons, schrijver."
+
+
+De passen van Zopyrus en Darius waren op dezelfde wijze gesteld [386].
+
+Toen de beambten het huis verlaten hadden, wreef Theopompus zich
+in de handen, zeggende: "Nu kunt ge u, zoo gij ten minste mijn raad
+steeds wilt volgen, vrij en gerust in dit land bewegen. Bewaart deze
+papierrolletjes zoo zorgvuldig als uwe oogen en houdt ze steeds
+bij u.--Thans noodig ik u mij aan 't ontbijt te volgen, en mij,
+als mijne vraag niet onbescheiden is, te vertellen, of het gerucht,
+dat zich als een loopend vuurtje over de markt verspreid heeft,
+niet als gewoonlijk gelogen heeft. Eene van Colophon komende triëre
+bracht namelijk het bericht, dat uw machtige broeder, edele Bartja,
+zich tegen Amasis ten strijde toerust.
+
+
+
+Aan den avond van den zelfden dag zagen Bartja en Sappho elkander
+weder. Welk een heuglijke ontmoeting! De verschijning van den
+koningszoon was voor Rhodopis' kleindochter eene verrassing, die hare
+stoutste verwachting verre overtrof. De jonkvrouw kon gedurende het
+eerste uur geene woorden vinden, om haar geluk, hare blijdschap en
+hare dankbaarheid te uiten. Toen zij eindelijk weer alleen waren in
+dat priëel van jasmijnen, waar zij den eersten liefdekus gewisseld
+hadden, legde Sappho haar hoofdje aan het hart van den dierbaren
+jongeling. Lang zaten zij sprakeloos naast elkaâr, en hadden geen
+oog voor maan of sterren, die in den zoelen zomernacht, in de
+diepste stilte, boven hunne hoofden de zooveel beteekenende cirkels
+beschreven. Zij hadden geen oor voor het lied van de nachtegalen,
+die als voorheen, in beurtzang al fluitend hun geliefkoosd »itys ito"
+zongen. Zij gaven geen acht op den vochtigen dauw, dien de nacht over
+hunne hoofden en de gesloten bloemklokjes uitgoot.
+
+Eindelijk vatte Bartja beide de handen zijner bruid, en keek haar lang
+zwijgend aan, als wilde hij zich hare trekken voor immer onuitwischbaar
+in de ziel prenten; zij echter zag blozend voor zich, tot hij eindelijk
+uitriep: »Wanneer ik van u droomde, dan waart gij schooner dan alles,
+wat Aoeramazda geschapen heeft; thans zie ik, dat gij zelfs mijne
+voorstellingen in den droom in schoonheid nog verre overtreft!"
+
+En toen zij hem voor dit woord met een vriendelijken blik dankte,
+sloeg hij nogmaals zijn arm om haar middel, drukte haar vaster aan
+zijne borst, en vroeg: »Hebt gij aan mij gedacht?"
+
+»Alleen, alleen aan u!"
+
+»En hooptet ge, mij spoedig weer te zullen zien?"
+
+»Ach, uur en uur dacht ik: 'hij moet komen!' Als ik 's morgens in
+den tuin trad, en heenzag naar het oosten, uw geboorteland, en een
+vogeltje van de rechterzijde op mij toevloog, voelde ik een zeker
+trekken in het rechter ooglid [387]; wanneer ik mijne kist opruimde,
+en den laurierkrans vond, die u zoo heerlijk stond, en dien ik daarom
+tot een aandenken bewaarde,--Melitta zegt, dat het bewaren van zulk
+een krans de trouwe liefde onderhoudt,--dan klapte ik in de handen,
+en dacht: »heden moet hij komen," liep naar den Nijl en wuifde ieder
+vaartuig met mijn doek het welkom toe, want ieder nieuw vaartuig,
+docht mij, kon u in mijne armen voeren. En als ik u niet komen zag,
+keerde ik treurig naar huis terug, en zong een lied, en tuurde in
+het vuur van den haard in het vrouwenvertrek, tot grootmoeder mij uit
+den droom kwam wekken, zeggende: 'hoor eens, meisjelief, wie overdag
+droomt, loopt gevaar des nachts den slaap niet te kunnen vatten, en
+'s morgens droefgeestig, met afgematte hersenen en vermoeide leden,
+van zijn leger op te staan. De dag werd ons gegeven, om te waken,
+om onze oogen wijd open te houden, en te zorgen, dat geen uur onnut
+voorbijga. Het verleden behoort aan de dooden. De dwazen hopen veel
+van de toekomst. De wijze leeft slechts voor het tegenwoordige, dat
+altijd jeugdig is en nieuw, en gebruikt dit, om alle gaven, die Zeus
+ons verleend heeft, die Apollo, Pallas en Cypris ons schonken, door
+arbeid zóo te gebruiken, dat zij met iederen dag in waarde rijzen,
+volkomener en edeler worden, en ons denken, handelen, gevoelen en
+spreken ten laatste zoo rein en welluidend zij, als de liefelijke klank
+der accoorden van het snarenspel. Gij kunt den man, wien gij uw hart
+geschonken hebt, en dien gij hooger dan u zelven stelt, wijl gij hem
+liefhebt, niet beter dienen, en geene sprekender bewijzen geven van
+uwe trouw, dan wanneer gij uw geest en uw hart, zooveel uwe krachten
+toelaten, veredelt. Het schoone en goede, dat gij u eigen maakt en
+aanleert, wordt voor uw geliefde een geschenk. Want als gij hem uw
+gansche zijn toewijdt, dan ontvangt hij uwe deugden met u. Maar al
+droomende heeft nog nooit iemand eene overwinning behaald. De dauw, die
+de bloem der deugd laaft en leven geeft, noemt men zweet!'--Zoo sprak
+zij; en beschaamd verliet ik ijlings den haard, greep mijn speeltuig,
+leerde nieuwe liederen, of hing aan den mond mijner leermeesteres,
+die mij,--in wijsheid overtreft zij menig man,--met woord en schrift
+onderwees. Zoo gleed de tijd daarheen, een snel vlietenden stroom
+gelijk, die, als de Nijl, van rusten noch toeven weet, en nu eens
+eene, met bonte wimpels versierde, gouden boot, dan eene vraatzuchtige
+booze krokodil voorbij ons stervelingen heenvoert!"
+
+»Thans zitten wij neder in die boot des geluks! Och, dat de
+tijdstroom nu ophield te vlieten! Och, bleef het immer, gelijk het nu
+is!--Allerliefst meisje, wat spreekt ge verstandig, hoe goed begrijpt
+gij die schoone lessen, en hoe bevallig geeft gij ze weder. Ja, mijne
+Sappho, ik ben trotsch op u! In uwe liefde bezit ik een schat, die
+mij veel rijker maakt dan mijn heer en broeder, voor wien de halve
+wereld zich buigt!"
+
+»Gij, trotsch op mij, gij, groote vorstenzoon, de schoonste en beste
+van uw heelen stam?"
+
+»Ik vind in mij geen hooger waarde, dan die, dat gij mij uwer waardig
+keurt!"
+
+»Groote goôn, hoe kan dit kleine hart zulk een volheid der hoogste
+zaligheid bevatten, zonder te bersten als eene vaas, die men met
+zuiver goud heeft overladen!"
+
+»Wijl een ander hart, het mijne, u dien last helpt dragen, wijl uwe
+ziel de mijne ondersteunt. Met deze hulp tart ik de gansche wereld,
+en al 't lijden dat de nacht ons brengt."
+
+»O, wek den nijd, den toorn der goôn niet op, wien toch te vaak 't
+geluk der stervelingen verdriet. Sinds gij van ons zijt weggegaan,
+hebben wij menigen dag van tranen doorleefd. De arme kinderen van den
+goeden Phanes, een knaap, schoon als Eros, een meisje zoo zacht en
+rooskleurig als een wolkje, dat liefelijk door het morgenrood beschenen
+wordt, brachten eenige dagen door in onze woning. Grootmoeder werd weer
+vroolijk en jong, toen zij de lieve, bloeiende kinderen aanschouwde. Ik
+schonk hun van stonde aan mijn hart, schoon dit u geheel alleen
+behoort. Maar met dat hart is 't zonderling gesteld. Gelijk de zon,
+verbreidt het licht en warmte, en 't wordt toch niet koud; zelfs houdt
+'t altijd nog gloed genoeg over, om wie daar aanspraak op hebben mede
+te koesteren. Ach, die kinderen van Phanes, ik had ze zoo lief!--Op
+een avond zaten wij met Theopompus alleen in het vrouwenvertrek, toen
+zich voor het huis een woest getier liet hooren, en de deur als met
+hamerslagen gebeukt werd. De oude Knakias, onze trouwe slaaf, spoedde
+zich naar de deur doch had deze nog niet bereikt, toen ze reeds voor 't
+geweld bezweek, en een bende woeste krijgsknechten door het voorportaal
+in het andronitis, en van daar, na de middendeur verbrijzeld te hebben,
+tot ons doordrong. Grootmoeder vertoonde hun den brief, bij welken
+Amasis haar huis tot een onschendbare wijkplaats had verklaard. Maar
+zij lachten met dat geschrift en toonden een gezegeld stuk, waarin
+de kroonprins Psamtik uitdrukkelijk gebood de kinderen van Phanes op
+staanden voet aan dien ruwen hoop over te leveren. Theopompus bestrafte
+de soldaten over hunne onbeschoftheid, en zeide, dat de kinderen, die
+onze gasten waren, te Corinthe tehuis hoorden, en niets met Phanes
+gemeen hadden. De hoofdman der krijgslieden beantwoordde den edelen
+man echter met smaad en spot, stiet mijne bezorgde grootmoeder ruw op
+zijde, drong met geweld in haar slaapvertrek, waar naast hare kostbare
+schatten, aan het hoofdeinde van hare eigene legerstede, de twee
+kinderen vreedzaam sluimerden. Ze rukten de kleinen uit hunne bedjes
+en brachten ze in eene opene boot,--het was een koude nacht,--naar
+de koningsstad. Weinige weken later was het knaapje dood. Men zeide,
+Psamtik had het jongske doen vermoorden. Het lieve meisje zucht nog
+heden in een duisteren kerker, verlangende naar ons en naar haar
+vader. O, mijn geliefde, spreek, is het niet hard, dat zelfs het
+reinste geluk niet onvergald kan blijven? De traan van zaligheid in
+mijn oog vermengt zich nu reeds met den bitteren traan der smart,
+en deze mond, die straks nog lachte, kan nu geen woorden vinden,
+sterk genoeg om 't lijden uit te drukken, dat dit hart gevoelt."
+
+»Ik voel, wat gij lijden moet, mijne liefste; doch klagen kan ik niet
+als gij, teedere vrouw. Wat u slechts de tranen uit de oogen perst,
+doet mij de vuisten ballen. De schoone knaap die u dierbaar was,
+het meisje dat in den kerker wegkwijnt, zullen weldra gewroken
+worden. Geloof, wat ik u zeg! Alvorens de Nijl andermaal buiten
+zijne oevers treedt, zal een verbazend leger dit land binnendringen,
+en rekenschap eischen van dien moord!"
+
+»O liefste vriend, hoe gloeien thans uwe oogen! Zoo schoon, zoo
+heerlijk zag ik u nog nooit! Ja, ja, de knaap moet gewroken worden,
+en niemand dan gij mag zijn wreker zijn!"
+
+»Mijne zachte Sappho wordt op eens krijgshaftig!"
+
+»Waar de boosheid over hare gruwelen juicht, daar behoort ook de
+vrouw heldenmoed te toonen. Ook de vrouw verheugt zich als de misdaad
+gestraft wordt!--Maar zeg mij, is de oorlog reeds verklaard?"
+
+»Nog niet, maar toch trekken reeds van alle zijden legerscharen naar
+het dal van den Euphraat, van waar het groote leger moet oprukken."
+
+»O, reeds ontzinkt mij de moed, straks zoo snel ontvlamd. Ik sidder
+bij het vernemen van het woord 'krijg.' Hoevele moeders maakt hij
+niet kinderloos! Hoevele vrouwen hullen het jeugdig hoofd niet in den
+sluier der weduwen, als Ares woedt! Hoevele legersteden worden niet
+door tranen besproeid, als Pallas hare huiveringwekkende Aegis zwaait!"
+
+»Hoe verheft zich daarentegen de man in den woesten strijd, hoe
+verruimt zich zijn borst, hoeveel krachtiger wordt zijn arm niet! En
+rekent gij dan uwe vreugde voor niets, wanneer de geliefde held,
+met roem overladen, als overwinnaar huiswaarts keert? Het hart eener
+Perzische vrouw moet kloppen van geestdrift, als zij van veldslagen
+hoort gewagen. Want is het leven van haar gade haar dierbaar, zijn
+krijgsroem moet haar meer waard zijn."
+
+»Ga ten strijde! Mijn gebed zal u beschermen."
+
+»En de rechtvaardige zaak zal zegevieren! Eerst slaan wij het leger
+van den pharao,--dan wordt Phanes' dochterke bevrijd...."
+
+»En dan de edele Aristomachus, die de plaats van den gevluchten
+Phanes heeft ingenomen. Hij is opeens verdwenen; waar hij bleef,
+weet niemand. Men beweert, dat de kroonprins den dappere, die hem met
+zijn wraak dreigde over de mishandeling van Phanes' kinderen, in een
+donkeren kerker heeft geworpen. Zoo hij hem maar niet--wat erger zou
+zijn dan de pijnlijkste dood--naar eene afgelegene steengroeve heeft
+doen sleepen. De arme grijsaard was door booze vijanden onschuldig
+uit zijn vaderland gebannen. Op den dag zelven van zijn verdwijnen,
+kwam er eene boodschap van wege de Spartanen hier aan den Nijl, waarbij
+Aristomachus, door wiens zonen Sparta in aanzien was gerezen, met al
+de eer, die Hellas een mensch kan schenken, naar de boorden van den
+Eurotas werd teruggeroepen. Een schip met kransen versierd wachtte
+den onvolprezen grijsaard, en aan 't hoofd van het gezantschap stond
+zijn eigen roemrijke en krachtige zoon."
+
+»Ik ken dien man met zijn stalen wil, die zichzelven verminkte om
+de schande te ontgaan. Bij de Anahita-ster, die ginds in het oosten
+tintelend ondergaat, wij zullen hem wreken!"
+
+»Maar, mijn beste Bartja, is het reeds zoo laat? De tijd is
+voor mij omgevlogen als een koeltje, dat onze voorhoofden kust en
+voorbijsnelt. Hoort gij daar niet roepen? Ja, men wacht ons! Vóor het
+aanbreken van den dag moet gij in de stad, in het huis van uw edelen
+gastheer zijn. Vaarwel, mijn held!"
+
+»Geliefde, vaarwel! Binnen vijf dagen zingen wij het
+bruiloftslied.--Gij beeft, als ging ik reeds ten strijde!"
+
+»Mijn zenuwen trillen bij de gedachte aan de grootte van ons geluk,
+gelijk dit het geval is bij de aanschouwing van al wat grootsch en
+ontzagwekkend is."
+
+»De goede Rhodopis roept al weder. Laat ons thans gaan! Ik heb
+Theopompus verzocht, overeenkomstig het gebruik met uwe grootmoeder
+te bepalen, wanneer en hoe het huwelijksfeest zal worden gevierd. Ik
+blijf vermomd in zijn huis, tot ik u, als mijne geliefde gade, tot
+mij mag nemen."
+
+»En ik zal u volgen!"
+
+
+
+Toen de jongelieden den volgenden morgen met hun gastheer in diens
+tuin wandelden, riep Zopyrus: »Ik heb dezen ganschen nacht door van
+uwe Sappho gedroomd, gelukkige Bartja! Zulk een lief schepseltje
+werd er nog nooit geboren. Wanneer Araspes haar heeft gezien, zal
+hij mij moeten toestemmen, dat Panthea niet de schoonste van alle
+vrouwen was. Mijne nieuwe gemalin te Sardes, die ik voor een wonder
+van schoonheid hield, komt mij thans als een nachtuil voor. Aoeramazda
+is een verkwister! Met Sappho's bekoorlijkheden had hij drie vrouwen
+gelukkig kunnen maken. Klonk haar stemmetje niet als muziek, toen
+zij ons in 't Perzisch goeden nacht wenschte?"
+
+»Gedurende mijn afzijn," antwoordde Bartja, »heeft zij de taal van
+mijn vaderland geleerd van eene oude vrouw uit Susa, echtgenoote van
+een tapijthandelaar uit Babylon, die te Naucratis woont, en met dit
+met zooveel moeite verworven geschenk verraste zij mij."
+
+»Zij is een voortreffelijk meisje!" riep de groothandelaar. »Mijne
+overledene gade beminde de kleine, als ware zij haar eigen kind
+geweest, en had haar gaarne met onzen zoon, die te Milete aan het
+hoofd mijner zaken staat, zien huwen. Maar de goden hebben het anders
+gewild! Toch zou mijne ontslapene gade zich verblijden, als zij de
+bloemguirlandes ten huize van Rhodopis kon zien!"
+
+»Is het dan bij u gebruikelijk, de woning eener bruid met bloemen te
+versieren?" vroeg Zopyrus.
+
+»Voorzeker!" antwoordde Theopompus. »Als gij eene met bloemguirlandes
+behangene deur voorbijgaat, dan weet gij dat daar eene bruid is;
+ziet gij een olijftak aan een huis hangen, dan zegt u dit zooveel als
+dat daar een zoon ter wereld is gekomen; een wollen windsel boven de
+deur strekt tot teeken, dat er een meisje is geboren [388]. Een vat
+met water voor de deur beduidt, dat daar een sterfhuis is.--Maar het
+marktuur is daar, mijne vrienden! Ik moet u verlaten, want gewichtige
+zaken vorderen elders mijne tegenwoordigheid."
+
+»Ik vergezel u," riep Zopyrus, »om kransen voor het huis van Sappho
+te bestellen!"
+
+»Ha! ha!" hernam de Milesiër lachend, »gij voelt u naar de
+bloemenmeisjes getrokken? O, spreek mij niet tegen, ik heb het wel
+geraden. Wanneer gij lust hebt, kunt gij gerust met mij gaan; maar ik
+bid u wat minder mild te zijn dan gisteren, en aan uwe verkleeding
+te denken, daar gij anders wel eens in gevaar zoudt kunnen geraken,
+als er bijgeval stellige berichten kwamen, dat Egypte een oorlog met
+Perzië boven 't hoofd hangt!"
+
+De Helleen liet zich door een slaaf de sandalen aanbinden, en begaf
+zich, door Zopyrus gevolgd, naar de markt, van waar hij weinige uren
+later terugkeerde. Er moest iets gewichtigs zijn voorgevallen, want
+de anders zoo opgeruimde man keek bijzonder ernstig, toen hij zich
+bij de achtergeblevene vrienden neerzette.
+
+»Ik vond de geheele stad in rep en roer," begon hij te verhalen,
+»want het gerucht liep, dat Amasis gevaarlijk ziek was. Toen wij
+zoo even, tot het afdoen van zaken, op de beurs [389] bijeenstonden,
+en ik groote kans had op den geheelen voorraad van al mijne hoog in
+prijs staande artikelen groote sommen te verdienen, die ik, ingeval de
+prijzen door de zekerheid van den aanstaanden oorlog dalen mochten,
+tot het aankoopen van nieuwe waren dacht te besteden--want dat ik
+tijdig bekend ben met de toerustingen van uw machtigen broeder,
+kan mij van ontzaglijk veel nut zijn--verscheen de toparch in onzen
+kring, en bracht de tijding, dat Amasis niet alleen zeer krank was,
+maar dat alle artsen hem hadden opgegeven. Met een uur kan het bericht
+van 's konings dood en van een belangrijken ommekeer in den stand van
+zaken tot ons komen. De dood van dezen vorst is het zwaarste verlies,
+dat ons Hellenen kan treffen; want hij was ons ten allen tijde zeer
+genegen, en begunstigde ons, waar hij maar kon. Zijn zoon daarentegen,
+een verklaard vijand van de Grieken, zal alles in het werk stellen,
+om ons zoo mogelijk allen uit Egypte te jagen. Naucratis met onze
+tempels is hem sinds lang een doorn in het oog. Had zijn vader het hem
+niet belet, en waren de Helleensche soldaten hem niet onontbeerlijk,
+dan zou hij ons, gehate vreemdelingen, reeds voor lang uit zijn rijk
+hebben verdreven. Als Amasis gestorven is, zal geheel Naucratis de
+legerscharen van Cambyzes als vrienden begroeten. Wij Grieken weten
+toch bij ondervinding, dat gijlieden ook achting hebt voor volken,
+die geen Perzen zijn, en hunne rechten pleegt te eerbiedigen."
+
+»Ik zal er wel voor zorgen," zeide Bartja, »dat mijn broeder al uwe
+oude vrijheden bevestigt, en er u nog meerdere verleent."
+
+»Moge hij spoedig Egypte binnenrukken!" riep de Helleen uit. »Wij
+weten dat Psamtik, zoodra hij slechts de handen volkomen vrij heeft,
+ons bevelen zal onze tempels, die hem een gruwel zijn, omver te
+halen. Reeds sedert lang is ons het bouwen eener offerplaats te
+Memphis verboden."
+
+»Hier evenwel", zeide Darius, »hebben wij schoone tempels gezien,
+toen wij van de haven kwamen."
+
+»Wij bezitten er verscheidene.--Doch daar komt Zopyrus met mijn
+slaven, die hem een berg van kransen nadragen. Hij ziet er zoo recht
+opgeruimd uit, en heeft zeker al een zeer aangenaam onderhoud met
+de bloemenmeisjes gehad. Goeden morgen, vriend! Gij schijnt u om de
+treurige boodschap, die gansch Naucratis met rouw vervult, niet zwaar
+te bekommeren!"
+
+»Ik gun Amasis nog honderd jaren!" was het antwoord. »Maar als hij
+sterft, zal men wel wat meer te doen hebben, dan op ons acht te
+geven. Wanneer denkt gijlieden naar Rhodopis te gaan, vrienden?"
+
+»Zoodra het duister wordt."
+
+»Breng dan de edele vrouw deze bloemen als een geschenk van mij. Ik
+had nooit kunnen denken, dat eene oude vrouw zulk een indruk
+op mij zou maken. Ieder harer woorden klinkt als muziek, en hoe
+ernstig en verstandig het ook is wat zij zegt, het weet toch, als de
+vroolijkste scherts, onze ooren binnen te dringen. Ditmaal kan ik u
+niet begeleiden, Bartja, want ik zou u toch maar hinderen! Wat zijn
+uwe plannen, Darius?"
+
+»Ik zou niet gaarne de gelegenheid verzuimen, om Rhodopis te spreken."
+
+»Dat kan ik denken! Gij moet altijd alles weten en leeren; terwijl
+ik er veel van houd, alles te genieten. Wilt gij mij voor hedenavond
+verlof geven, vrienden? Ziet eens...."
+
+»Ik weet alles!" viel Bartja den dartelen jongeling lachend in de
+rede. »Gij hebt de bloemenmeisjes tot heden slechts bij dag opgenomen,
+en zoudt ook gaarne weten, hoe zij er bij lamplicht uitzien."
+
+»Gij slaat den spijker op den kop!" antwoordde Zopyrus, die moeite
+deed, om een ernstig gezicht te zetten. »In dit opzicht ben ik als
+Darius zeer begeerig naar kennis."
+
+»Dan wenschen wij u veel genoegen bij de drie zusters!"
+
+»Liever niet;--slechts bij Stephanion, de jongste!"
+
+
+
+Toen Bartja, Darius en Theopompus het huis van Rhodopis verlieten,
+brak de morgen reeds aan. Syloson, een aanzienlijk Helleen, een broeder
+van Polycrates, door wien hij uit zijn vaderland gebannen was, had
+ook den avond bij Rhodopis doorgebracht en keerde nu met Theopompus en
+zijne gasten terug naar Naucratis, waar hij sedert jaren woonde. Deze
+man, dien zijn broeder wel in ballingschap deed leven, maar het hem
+evenwel nooit aan geld liet ontbreken, voerde den schitterendsten
+staat van alle burgers van Naucratis, en was evenzeer beroemd om zijne
+kwistige maaltijden, als om zijne kracht en behendigheid. Buitendien
+onderscheidde Syloson zich door schoonheid en prachtige kleeding. Alle
+jongelingen van Naucratis rekenden het zich tot eene eer, de snede
+en de schikking der plooien van zijn gewaad na te volgen. Ongehuwd
+zijnde en zonder bezigheden, bracht hij dikwerf den avond in het
+huis van Rhodopis door, die hem onder hare beste vrienden telde,
+en hem dan ook in het geheim harer kleindochter had ingewijd.
+
+Op dien avond was men overeengekomen, dat het huwelijk binnen vier
+dagen, in alle stilte en heimelijk, zou worden voltrokken. Reeds had
+Bartja den kweeappel met zijne geliefde, die op denzelfden dag Zeus,
+Hera en de overige beschermgoden van het huwelijk hare offers gebracht
+had, gegeten en zich door deze zinnebeeldige handeling plechtig met
+haar verloofd [390]. Syloson had op zich genomen, voor de zangers van
+het huwelijkslied en voor de fakkeldragers te zorgen. De feestmaaltijd
+zou in het huis van Theopompus, als dat van den bruidegom, worden
+aangericht. De kostbare bruidsgeschenken van den koningszoon waren
+reeds aan Rhodopis ter hand gesteld. Bartja had het vrij aanzienlijk
+erfdeel zijner geliefde van de hand gewezen en op hare grootmoeder
+overgedragen, die echter bepaald geweigerd had zich dit te laten
+welgevallen. Syloson geleidde de vrienden tot aan het huis van
+Theopompus, en wilde juist afscheid van hen nemen, toen men, in de
+stilte van den nacht, een geweldig straatrumoer vernam. Kort daarop
+kwam er eene Egyptische patrouille voorbij, die een zwaar geboeid man
+naar de gevangenis bracht. De gevangene scheen zeer boos te zijn,
+en werd hoe langer zoo driftiger, naarmate de soldaten minder acht
+sloegen op zijn gebroken Grieksch, en zijn vloeken in eene hun geheel
+onbekende taal.
+
+Nauw hadden Bartja en Darius de stem van den gebondene gehoord, of
+zij snelden op hem toe, en herkenden Zopyrus. Syloson en Theopompus
+hielden de patrouille staande en vroegen den aanvoerder, wat hun
+gevangene misdaan had. De beambte, die, als ieder kind te Naucratis,
+den Milesiër en den broeder van Polycrates kende, maakte eene diepe
+buiging, en vertelde, dat de vreemde jongeling een moord begaan had.
+
+Theopompus nam nu den hoofdman ter zijde, en beloofde hem veel geld,
+als hij den gevangene wilde loslaten, doch kon van den Egyptenaar
+niets meer gedaan krijgen, dan dat hij hem toestond met zijn gast
+even te spreken.
+
+Toen de vrienden bij Zopyrus stonden, verzochten zij hem hun spoedig te
+verhalen, wat er voorgevallen was, en vernamen dat hun levenslustige
+vriend, bij het aanbreken van den nacht, de bloemenmeisjes bezocht
+had, tot aan de eerste ochtendschemering bij Stephanion gebleven en
+toen de straat opgegaan was. Nauwelijks had hij de huisdeur achter
+zich gesloten, of hij werd door onderscheidene jongelieden, die hem
+allerwaarschijnlijkst bespied hadden, aangevallen. Met een hunner,
+die zich Stephanion's bruidegom noemde, had hij het 's morgens reeds
+aan den stok gehad. De deerne had den lastigen vrijer op vrij snibbige
+wijze den rug toegekeerd en Zopyrus bedankt, toen deze den indringer
+met klappen dreigde. Toen de Achaemenide zag, dat hij geheel omsingeld
+was, trok hij aanstonds zijn zwaard, en sloeg de slechts met stokken
+gewapende aanvallers zonder moeite terug, doch had daarbij het ongeluk,
+den jaloerschen vrijer, die vrij woest op hem indrong zoo zwaar te
+wonden, dat hij nederstortte. Intusschen was de patrouille genaderd,
+en wilde Zopyrus, op het roepen van den gewonde: »moordenaars,
+roovers!" in hechtenis nemen. Doch de Pers was niet genegen, tot
+zoo geringen prijs zijne vrijheid te verkoopen. Door het gevaar
+waarin hij zich bevond nog meer aangevuurd, vloog de strijdlustige
+jongeling met opgeheven zwaard op de soldaten los, en had zich reeds
+ruim baan gemaakt, toen eene tweede bende toesnelde, en hem met de
+eerste vereenigd opnieuw aangreep. Wederom zwaaide hij zijn wapen,
+dat ditmaal een Egyptenaar den schedel in tweeën spleet. Een tweede
+houw wondde een soldaat in den arm. Toen hij echter een derden houw
+wilde doen, voelde hij plotseling, dat men een strik om zijn hals
+slingerde, die hoe langer zoo vaster aangetrokken werd. Opeens kon
+hij geen adem meer halen en verloor zijn bewustzijn. Toen hij weder
+bijkwam, was hij gekneveld, en moest, in spijt van zijn pas en zijn
+beroep op Theopompus de bende volgen.
+
+Nadat hij zijn verhaal geëindigd had, gaf de Milesiër den jongeling
+op de ondubbelzinnigste wijze zijne ontevredenheid te kennen, hem
+verzekerende, dat zijn ontijdige strijdlust de treurigste gevolgen
+na zich zou kunnen sleepen. Daarop wendde hij zich nogmaals tot den
+hoofdman, en bad dezen zijn vriend op vrije voeten te stellen. Hij
+zou voor den gevangene borg blijven. Doch de man wees alle aanzoeken
+koel maar stellig van de hand, en verzekerde dat hij zijn eigen leven
+zou verspelen met den moordenaar de geringste gunst toe te staan. In
+Egypte toch bestond eene wet, die ook den heler van een moord met de
+doodstraf bedreigde [391]. Hij moest, zoo verzekerde de aanvoerder,
+den misdadiger op staanden voet naar Saïs brengen, en daar aan den
+nomarch overleveren, die zijn vonnis zou vellen.
+
+»Hij heeft," hiermede eindigde hij, »een Egyptenaar vermoord, en moet
+daarom door een Egyptische rechtbank gevonnist worden. In ieder ander
+geval ben ik tot uw dienst."
+
+Intusschen had Zopyrus met zijne beide vrienden gesproken, en hen
+aangemaand niet bezorgd voor hem te zijn. »Ik zweer u, bij Mithra,"
+riep hij, toen Bartja hem te kennen gaf dadelijk er voor uit te willen
+komen wie hij was, ten einde zijne vrijheid te verkrijgen, »dat ik mij,
+zonder er een oogenblik over te denken, mijn zwaard in het hart stoot,
+wanneer gij u om mijnentwille in de handen dezer Egyptische honden
+overlevert. Reeds is het gerucht van den aanstaanden krijg door
+de geheele stad verspreid; zoodra Psamtik verneemt, welke kostbare
+vogels in zijn net zitten, zal hij zich niet lang bezinnen, maar het
+spoedig dichttrekken, om u als gijzelaars te behouden. Aoeramazda
+schenke u heil en zegen en reinheid! Leeft gelukkig, vrienden, en
+denkt menigmaal aan den lustigen Zopyrus, die voor strijd en liefde
+geleefd heeft, en voor liefde en strijd in den dood gaat!"
+
+De hoofdman had zich intusschen weder aan het hoofd der bende gesteld,
+en zijnen lieden bevel tot oprukken gegeven.
+
+Eenige oogenblikken later was Zopyrus uit het gezicht der hem
+nastarende vrienden verdwenen.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Volgens de Egyptische wet, moest over Zopyrus het doodvonnis worden
+uitgesproken. Zoodra de vrienden dit vernomen hadden, stond het besluit
+bij hen vast, op staanden voet naar Saïs te reizen, en te beproeven den
+gevangene door list te bevrijden. Syloson, die daar bekend was en de
+Egyptische taal verstond, bood uit eigen beweging aan hun behulpzaam te
+zijn. Bartja en Darius maakten zich onkenbaar door haar en wenkbrauwen
+te verven, en breedgerande vilten hoeden [392] op te zetten, zoodat
+zelfs de vrienden zich in hen bedrogen zouden hebben. Bovendien liet
+Theopompus ze uiterst eenvoudige Grieksche kleederen aantrekken. Een
+uur na de inhechtenisneming van Zopyrus kwamen zij met den rijk
+gekleeden Syloson aan den oever van den Nijl samen, en bestegen een
+vaartuig, dat aan hun nieuwen vriend toebehoorde, en door diens slaven
+geroeid werd. Na eene korte door den wind begunstigde vaart, waren zij,
+eer nog de gloeiende zon der hondsdagen hare middaghoogte bereikt had,
+te Saïs, dat zich als een eiland boven de overstroomde velden verhief.
+
+Op eene afgelegene plaats traden zij aan wal, en kwamen dadelijk
+daarop in de wijk der handwerkslieden, die, in weerwil van de
+verbazende hitte, met onverdroten ijver hun werk verrichtten. In den
+open hof van een bakker zag men knechten, die het grove deeg met de
+voeten, het fijne met de handen kneedden. Brooden van allerlei vorm
+werden uit den oven gehaald, cirkelen langwerpig-rond gebakken,
+wittebrooden in de gedaante van schapen, slakken en harten, in
+manden gelegd. Sterke knapen plaatsten drie, vier of vijf dier
+manden op het hoofd, en droegen deze vlug en handig naar de, in
+de andere deelen der stad wonende klanten [393]. Een vleeschhouwer
+slachtte vóor zijn huis een os, wiens pooten bijeengebonden waren,
+terwijl zijne knechts op slijpsteenen hunne messen scherpten, om het
+lichaam eener wilde geit te ontleden. Vroolijke schoenmakers riepen
+uit hunne kramen de voorbijgangers aan, en timmerlieden, kleermakers,
+schrijnwerkers en wevers [394] waren allen ijverig in de weer. De
+vrouwen der ambachtslieden, met hare naakte kinderen aan de hand,
+kwamen op straat, om inkoopen te gaan doen, terwijl eenige soldaten
+naar den wijn- en bierschenker liepen, die zijne bedwelmende waar in
+het openbaar op de straat uitventte [395].
+
+Onze vrienden sloegen op dit alles echter geen acht; zwijgend volgden
+zij Syloson, die, aan de wacht der Helleensche krijgslieden gekomen,
+hen verzocht eenige oogenblikken op hem te wachten. De Samiër kende
+bij toeval den dienstdoenden taxiarch, en vroeg hem dus of hij ook
+van een moordenaar gehoord had, die men zeide dat van Naucratis naar
+Saïs was overgebracht.
+
+»Zeker heb ik van hem gehoord!" luidde het antwoord. »Nauwelijks een
+half uur geleden is hij hier binnengebracht. Men vond aan zijn gordel
+een vollen buidel, en houdt hem voor een Perzischen spion. Gij weet
+toch zeker, dat Cambyzes toerustingen maakt tot een oorlog tegen
+Egypte?"
+
+»Dat is niet mogelijk!"
+
+»Het is de stellige waarheid! Den pharao is dit ook reeds bekend. Door
+Arabische kooplieden, wier karavaan gisteren te Pelusium aankwam,
+is dit bericht het eerst tot ons overgekomen."
+
+»Dit gerucht komt mij voor even dwaas te zijn als het vermoeden
+betreffende den Lydiër. Ik ken dezen zeer goed, en beklaag den armen
+jongen van ganscher harte. Hij behoort tot een der rijkste geslachten
+van Sardes, maar is vandaar gevlucht, omdat hij een geschil had met den
+Perzischen satraap Oroetes, en van diens geduchte vijandschap alles
+vreezen moest. Ik zal u de geheele geschiedenis uitvoerig verhalen,
+als gij mij binnen kort te Naucratis eens een bezoek brengt. Natuurlijk
+zijt gij dan voor een dag of wat mijn gast, en brengt gij eenigen uwer
+vrienden mede. Mijn broeder heeft mij van Samos een wijntje gezonden,
+dat zeker alles overtreft, wat ge tot nog toe geproefd hebt. Slechts
+eene fijne tong als de uwe gun ik dezen godendrank!"
+
+Het aangezicht van den taxiarch glansde van genoegen, terwijl hij,
+Syloson bij de hand vattende, uitriep: »Bij den hond [396], vriend, wij
+zullen niet op ons laten wachten, en uwe lederzakken eere aandoen! Wat
+dunkt u, zoudt gij dan Archidike [397] en de drie bloemenmeisjes niet
+bestellen, met een paar fluitspelers om 't ontbijt op te luisteren?"
+
+»Geene van die allen zal ontbreken! Maar gij brengt mij daar weer
+op hetgeen ik u zeggen wilde; juist ter wille dier bloemenmeisjes
+zit de jonge Lydiër thans gevangen. Een ijverzuchtige botmuil, door
+eenigen zijner vrienden ondersteund, overviel den goeden jongen voor
+haar huis. Mijn Lydische driftkop weerde zich dapper...."
+
+»En deed zijn belager den grond kussen?"
+
+»Zóo, dat hij wel nimmer meer zal opstaan."
+
+»Dan moet die knaap wel goede vuisten hebben!"
+
+»Hij had een zwaard bij zich."
+
+»Des te beter voor hem."
+
+»Neen, des te erger, want de verslagene is een Egyptenaar."
+
+»Dat is eene gekke geschiedenis, die zeker slecht zal afloopen. Een
+vreemdeling die een Egyptenaar doodt, schiet er zoo zeker het hachje
+bij in, als iemand die aan de galg [398] hangt te spartelen. In allen
+gevalle zal hij eenige dagen tijd hebben, om zijne oploopendheid te
+betreuren. Al de priesters zijn verdiept in gebeden voor den stervenden
+koning, zoodat er geen tijd is voor gerechtszaken."
+
+»Het zou mij veel waard zijn, als men den armen schelm kon redden. Ik
+ken zijn vader."
+
+»Och, in den grond heeft hij ook niets gedaan, wat niet ieder ander
+zou doen, die hart in 't lijf heeft. 't Is toch van niemand te vergen,
+dat hij zich gedwee zal laten afranselen."
+
+»Weet gij ook, in welke gevangenis de arme jongen is opgesloten?"
+
+»Ja! Het groote gevangenhuis wordt verbouwd; daarom is hij voorloopig
+in het magazijn gezet, dat de hoofdwacht der Egyptische lijfgarde
+van het bosch van den Neith-tempel scheidt. Ik ben zoo even eerst
+hier gekomen, en zag den armen schelm er heenbrengen."
+
+»Hij is moedig en sterk, zou het hem met een weinig hulp van buiten
+niet mogelijk zijn te ontsnappen?"
+
+»Onmogelijk! Het gebouw, dat hem tot gevangenis dient, is twee
+verdiepingen hoog, en het eenige venster dat het heeft, ziet in het
+bosch der godin uit, dat, gelijk gij weet, door tien voet hooge muren
+omgeven is en als eene schatkamer bewaakt wordt. Aan al de poorten
+zijn dubbele posten uitgezet. Alleen waar de muur door het water
+bespoeld wordt, plaatst men tijdens de overstrooming natuurlijk
+geene schildwachten. Deze dieraanbidders zijn zoo voorzichtig als
+de kwikstaarten!"
+
+»Dat is jammer! Dan zullen wij den armen hals aan zijn lot
+moeten overlaten. Vaarwel Daemones, geef spoedig gevolg aan mijne
+uitnoodiging!"
+
+De Samiër verliet de wachtkamer, en ging aanstonds weder naar zijne
+vrienden, die hem met ongeduld zaten te wachten, en zijn bericht in
+de grootste spanning aanhoorden.
+
+Toen de Helleen hun de gevangenis beschreven had, riep Darius: »Ik
+geloof, dat het ons met eenig overleg en een weinigje moed wel zal
+gelukken Zopyrus te redden. Hij is behendig en vlug als eene kat,
+en sterk als een beer. Ik heb een plan!"
+
+»Laat hooren!" zeide Syloson. »Maar laat mij u vooraf zeggen, dat
+ook ik nog niet wanhoop."
+
+»Wij koopen touwladders, bindgaren en een goeden boog, bergen dat
+alles in de boot en varen, zoodra het donker wordt, naar de onbewaakte
+plaats van den tempelmuur. Gij helpt mij daarover te klauteren. Ik
+neem de gekochte voorwerpen mede, laat het geluid van den arend hooren,
+waaraan Zopyrus mij dadelijk zal herkennen, daar wij in onze jeugd er
+ons meermalen op de jacht van bedienden, om elkaar te waarschuwen,
+schiet den pijl met het bindgaren in het venster,--ik heb nog nooit
+mijn doel gemist,--roep mijn vriend toe, aan het uiteinde er van
+iets zwaars te hechten en dit neder te laten, en maak het garen
+aan de touwladder vast. Dan haalt Zopyrus het reddingstoestel op,
+slingert het om den ijzeren nagel, die in elk geval met de ladder
+naar boven moet, daar wij toch niet weten of er in zijne cel iets te
+vinden is, waaraan hij de ladder zou kunnen vastmaken, daalt naar
+beneden, snelt met mij naar de plaats, waar gij met de boot wacht,
+klautert met behulp van eene tweede ladder, die daar hangen moet,
+over den muur, springt in de boot, en is gered!"
+
+»Heerlijk, heerlijk!"
+
+»Maar zeer gewaagd!" sprak Syloson. »Als wij in het heilige bosch
+betrapt worden, kunnen wij verzekerd zijn, een zware straf op te
+loopen. De priesters vieren daar des nachts zeer geheimzinnige feesten,
+waarvan een oningewijde nimmer getuige mag zijn. Doch het meer in het
+bosch [399] zal het tooneel der mysteriën zijn, en dat is tamelijk
+ver van de gevangenis verwijderd."
+
+»Welnu, dan is het gevaar ook zoo heel groot niet!" riep Darius. »Maar
+denken wij het eerst aan de hoofdzaak. Op staanden voet moet er eene
+boodschap naar Theopompus, om hem te verzoeken eene snelzeilende
+triëre voor ons te huren en zeilreê te doen maken. Reeds is hier de
+tijding van Cambyzes' krijgstoerustingen aangekomen. Men ziet ons
+voor verspieders aan, en zal dus Zopyrus en zijne bevrijders met den
+grootsten spoed nazitten. Het zou dus onvergeeflijk zijn, indien
+wij ons nutteloos aan gevaren blootstelden. Gij, Bartja, moet de
+boodschap aan onzen gastheer overbrengen, en nog heden Sappho huwen,
+want morgen moeten wij Naucratis verlaten, wat er ook gebeure. Geen
+tegenspraak, mijn vriend, mijn broeder! Gij kent ons reddingsplan en
+weet dat gij bij de uitvoering, waartoe slechts éen noodig is, een
+werkeloos toeschouwer zoudt zijn. Ik heb den aanslag ontworpen, en
+zal niet dulden dat iemand anders dien ten uitvoer brengt. Morgen zien
+wij elkaâr weder, want Aoeramazda beschermt de vriendschap der reinen!"
+
+Lang wilde Bartja er niet van weten, zijne makkers in den steek te
+laten; doch eindelijk gaf hij aan de vereende beden en voorstellen
+van beiden gehoor, en begaf zich naar den oever, om daar eene boot
+voor de terugreis naar Naucratis te huren, terwijl Syloson en Darius
+de benoodigdheden ter uitvoering van het ontwerp gingen aankoopen.
+
+Om de ligplaats der huurvaartuigen te bereiken, moest de koningszoon
+den tempel van Neith voorbij. Dit was echter gemakkelijker gezegd
+dan gedaan, daar het volk zich in dichte hoopen voor de hoofdpoort
+van het heiligdom geschaard had. Toen Bartja was doorgedrongen tot
+bij de obelisken, die naast de met de gevleugelde zonneschijf en met
+wapperende vanen versierde poort van den tempel stonden, werd hij door
+de tempeldienaars, die den door sphinxen aangewezen processie-weg
+vrijhielden, tegengehouden. De reusachtige deuren werden geopend,
+en Bartja die tegen wil en dank in de voorste rij der toeschouwers
+was komen te staan, zag nu een schitterenden stoet de voorpoort
+uittrekken. De onverwachte aanschouwing van vele hem van vroeger
+bekende aangezichten hield zoozeer zijne opmerkzaamheid bezig, dat hij
+er nauwelijks acht op sloeg, hoe hem in het gedrang zijn breedgerande
+vilten hoed van 't hoofd was geraakt. Uit het gesprek van twee achter
+hem staande Ionische soldaten begreep hij, dat het gezin van Amasis
+den tempel had bezocht, om voor den stervenden koning te bidden en
+te offeren.
+
+Priesters, rijk getooid in pantervellen of lange witte kleederen,
+openden den stoet. Op deze volgden hofbeambten, met gouden staven in
+de handen, op welker spitsen pauwevederen en zilveren lotusbloemen
+waren bevestigd. Daaraan sloten zich de pastophoren [400], die eene
+gouden koe, het dier van Isis, op de schouders droegen. Nadat het
+volk zich voor dit heilig voorwerp had neergebogen, verscheen de
+koningin in priesterlijk gewaad, met een prachtig hoofdtooisel,
+waarin de gevleugelde zonneschijf en de Uraeus-slang eene voorname
+plaats bekleedden. Zij hield een heilig gouden sistrum [401], welks
+klank de demonen moest verdrijven, in de linker en lotusbloemen
+in de rechterhand. De koningin werd wederom gevolgd door de gade,
+de dochter en de zuster van den opperpriester, in dergelijke doch
+minder kostbare kleeding [402]. Dan verscheen de kroonprins in
+rijken feestdos. Daarop volgde Tachot, de dochter van Amasis en
+Ladice, de gewaande zuster van Nitetis. Zij werd in een draagstoel,
+door vier jonge priesters in witte kleederen, gedragen. De wangen der
+teringlijderes waren, tengevolge van de inspanning van het gebed en de
+hitte van den zomerdag, met een licht blosje overtogen. Hare blauwe
+oogen baadden in tranen en waren op het sistrum gevestigd, dat hare
+zwakke uitgeteerde handen ter nauwernood meer konden vasthouden.
+
+Een gemompel van deelneming doorliep de menigte, die den stervenden
+koning van harte bemind had, en zijne wegkwijnende dochter met
+dat medelijden beschouwde, hetwelk men in den regel voor jeugdige
+teringlijders zoo diep gevoelt en zoo ruimschoots toont, vooral
+wanneer zij voor een schitterend en gelukkig leven geboren schijnen
+te zijn. Menig oog was vochtig, toen het de schoone lijderes
+gewaarwerd. Tachot scheen de liefderijke deelneming van het volk
+op te merken, althans zij sloeg hare oogen van het sistrum op, en
+zag de menigte met vriendelijken en dankbaren blik aan. Maar opeens
+verdween het blosje van hare wangen, om voor eene doodelijke bleekheid
+plaats te maken. Het gouden instrument ontzonk hare bevende handen,
+en viel kletterend op het steenen plaveisel van den processie-weg
+voor Bartja's voeten neder. De jongeling gevoelde dat hij herkend
+was, en bezon zich een oogenblik, of het niet beter zou zijn zich
+te verbergen achter degenen, die naast hem stonden. Maar slechts een
+oogenblik weifelde hij, want spoedig had het ridderlijk karakter van
+den jongen held alle vrees voor eigen veiligheid overwonnen. Haastig
+raapte hij het sistrum op, en bood het der kranke koningsdochter aan,
+zonder het gevaar van herkend te zullen worden te tellen.
+
+Alvorens Tachot het kostbare voorwerp uit zijne hand aannam, zag
+zij hem vragend aan, fluisterde, slechts voor hem verstaanbaar:
+»Zijt gij Bartja? Bij uwe moeder vraag ik u: zijt gij Bartja?"
+
+»Ik ben het," antwoordde hij even zacht, »Bartja uw vriend!"
+
+Meer kon hij niet zeggen, want de tempeldienaars drongen hem met geweld
+onder de menigte terug. Toen hij weder op zijne vorige plaats stond,
+bemerkte hij, dat Tachot, wier dragers zich opnieuw in beweging hadden
+gesteld, nog eenmaal naar hem omzag. Hare wangen waren weder flauw
+gekleurd, en hare thans schitterende oogen zochten de zijne. Hij
+ontweek den blik der kranke niet, bukte nogmaals om eenen lotusknop,
+dien zij hem had toegeworpen, op te rapen, en baande zich toen met
+alle inspanning een weg door het volk, welks opmerkzaamheid hij in
+hooge mate begon te trekken.
+
+Een kwartier later zat hij in eene boot, die hem naar Sappho en ter
+bruiloft moest voeren. Zijne bezorgdheid voor Zopyrus was geheel
+verdwenen; hij achtte hem reeds gered. Een zonderling gevoel van
+gerustheid vervulde zijn hart, in spijt van de hem dreigende gevaren,
+waarvan hij zichzelven geen rekenschap vermocht te geven.
+
+Intusschen was de kranke koningsdochter in het paleis teruggekeerd. Zij
+had zich van de feestkleederen die haar benauwden laten ontdoen en
+zich met haar rustbed op een balkon doen dragen, waar zij gedurende
+de heete zomerdagen, door bladplanten [403] en een bij wijze van
+tent gespannen doek overschaduwd, zich bij voorkeur ophield. Van
+daar kon zij het groote, met boomen beplante voorhof van het paleis
+overzien, dat op dezen dag wemelde van priesters en hovelingen, als
+ook van legerbevelhebbers en nomarchen. Op aller aangezicht was eene
+angstige spanning te lezen, want de oogenblikken die Amasis nog te
+leven had waren geteld. Zonder zelve opgemerkt te worden, ving Tachot,
+in koortsachtige opgewondenheid, veel op van hetgeen onder de menigte
+daar beneden verhandeld werd.
+
+Thans, nu 's konings uiteinde met rassche schreden naderde, waren
+allen, zelfs de priesters, vol van zijn lof. Hier hoorde men de
+wijsheid zijner nieuwe instellingen, de omzichtigheid van zijn bestuur,
+zijn onvermoeiden ijver, de gematigdheid, die hij steeds aan den
+dag had gelegd, en zijn scherp vernuft hemelhoog roemen. »Hoezeer
+is Egypte, onder zijn schepter, niet in bloei toegenomen!" zeide
+een nomarch. »Welk een roem deed hij onze wapenen oogsten door
+de verovering van Cyprus en den oorlog met de Lybiërs!" riep
+een krijgsoverste. »En altijd was hij er op uit onze tempels te
+verfraaien, en aan de godin van Saïs de eere te geven, die haar
+toekomt!" liet een zanger van Neith er op volgen. »Hoe minzaam en
+genadig was hij!" prevelde een hoveling. »Hoe behendig wist hij het
+aan te leggen, om met de machtigste staten vrede te houden!" zeide de
+overste der schrijvers; terwijl de schatmeester, die een traan uit
+zijn oog pinkte, uitriep: »Hoe verstandig beheerde hij de inkomsten
+van het rijk! Sedert Ramses III waren de schatkamers nooit zoo goed
+gevuld als op den huidigen dag [404]!"--»Psamtik heeft eene groote
+erfenis te wachten," fluisterde de hoveling; terwijl de krijgsman
+uitriep: »Het is helaas niet te onderstellen, dat hij ze tot roemrijke
+oorlogen besteden zal; de kroonprins handelt geheel overeenkomstig
+den wil der priesters."--»Gij dwaalt," antwoordde de zanger; »sinds
+geruimen tijd schijnt onze heer de raadgevingen zijner getrouwe
+dienaren in den wind te slaan!"--»Den opvolger van zulk een vader
+zal het onbegrijpelijk veel moeite kosten, aller liefde en eerbied te
+winnen. Niet ieder bezit zulk eene verhevenheid van geest en zooveel
+wijsheid als Amasis, en niet ieder dient het geluk, gelijk dit bij
+hem het geval was!"--»Dat weten de goden!" mompelde de krijgsman.
+
+Tachot verstond dit alles, en liet aan hare tranen den vrijen loop. Wat
+men tot heden toe voor haar verzwegen had, was haar thans op eens
+duidelijk geworden. Spoedig zou zij haar geliefden vader verliezen.
+
+Nadat zij zich helder voor oogen had gesteld, welk een vreeselijke
+slag haar bedreigde, en hare dienstmaagden vergeefs had gebeden
+haar naar het bed van den beminden zieke te dragen, sloot zij haar
+oor voor de gesprekken der hovelingen, en beschouwde het sistrum,
+dat Bartja haar in de hand had gegeven en dat zij op het balkon had
+medegenomen, als verwachtte zij daarin troost te zullen vinden. En zij
+vond werkelijk dat, waaraan zij zoo groote behoefte had, want het was
+haar, als werd zij door den klank der gouden ringen van het speeltuig
+aan de werkelijkheid onttrokken, en in een lachend zonnig landschap
+verplaatst. Eene zekere matheid, een gevoel van machteloosheid, dat
+teringlijders meermalen overvalt, had zich van haar meester gemaakt,
+en voerde haar geest in de laatste levensuren in het liefelijke land
+der droomen. De slavinnen, die terwijl zij sluimerde met waaiers de
+vliegen uit hare nabijheid verdreven, verzekerden later, dat zij Tachot
+nooit zoo betooverend schoon gezien hadden als in die oogenblikken.
+
+Ongeveer een uur had zij dus gelegen, toen hare ademhaling in
+een zwak rochelen overging, een lichte hoest hare borst deed
+rijzen, en een weinig bloed van eene flauwroode kleur op haar wit
+gewaad afvloeide. Thans ontwaakte zij, en zag verwonderd en bijna
+teleurgesteld de haar omringenden aan. Toen zij hare moeder Ladice
+bespeurde, die op dit oogenblik het balkon betrad, glimlachte zij
+weder en zeide: »O, moeder, hoe heerlijk heb ik gedroomd!"
+
+»Het bezoek in den tempel is mijn lief kind dus goed bekomen?" vroeg
+de koningin, met schrik de bloeddruppels aan de lippen der kranke
+bemerkende.
+
+»O, moeder, zoo goed! Ik heb hem weder gezien!"
+
+Ladice zag de dienstmaagden harer dochter angstig aan, als wilde zij
+vragen: »Is dan het verstand uwer arme meesteres gekrenkt?"
+
+Tachot begreep dien blik, en zeide, al hare krachten verzamelende:
+»Gij meent dat ik ijl, moeder? Ik zeg u echter, dat ik hem niet
+alleen gezien, maar zelfs gesproken heb. Hij gaf mij het sistrum
+in de hand, en zeide dat hij mijn vriend was. Toen raapte hij mijn
+lotusknop van den grond op en verdween in het gedrang. Zie mij niet
+zoo bezorgd en verbaasd aan, moeder, ik spreek de zuivere waarheid,
+en heb het niet gedroomd.--Daar, hoort gij het? Tent-roet heeft hem
+ook opgemerkt. Hij is zeer zeker om mijnentwil naar Saïs gekomen,
+en het kinder-orakel in het voorhof des tempels heeft mij dus toch
+niet bedrogen! Thans voel ik ook niets meer van mijne ziekte, en ik
+droomde dat ik in een veld lag van bloeiende papavers, zoo rood als het
+versche bloed der jonge offerlammeren, en dat Bartja aan mijne zijde
+zat, en Nitetis naast ons knielde, en o zoo schoone liederen speelde
+op eene elpenbeenen nabla [405]. En in de lucht was er een geluid,
+zoo liefelijk, dat mijn hart iets gevoelde, als werd ik gekust door
+Horus, den lieven kleinen god van den morgen en de lente. Ja, moeder,
+wees er zeker van, dat hij weldra zal komen, en als ik hersteld ben,
+dan.... dan.... O! Ach!--Moeder, ik sterf!"
+
+Ladice knielde voor de rustbank harer dochter neder, en drukte
+brandende kussen op de reeds gebrokene oogen der jonkvrouw.
+
+Een uur later stond de koningin voor eene andere sponde, het sterfbed
+van haar echtvriend.
+
+Het aangezicht des konings was door het vreeselijk lijden zeer
+vermagerd en verwrongen. Koud zweet parelde op zijn voorhoofd, en zijne
+handen omklemden de gouden leeuwen, die de zijleuningen uitmaakten
+van den diepen ziekenstoel, waarin hij rustte. Toen Ladice in het
+vertrek kwam, opende hij de oogen, die nog altijd helder en levendig
+schitterden, niettegenstaande zij een tijdlang van het licht beroofd
+waren geweest.
+
+»Waarom brengt gij Tachot niet tot mij?" vroeg hij met eene heesche
+stem.
+
+»Zij is te ziek, te lijdende om...."
+
+»Zij is dood!--Zij is gelukkig, want de dood is geene straf, maar
+het einddoel des levens, het eenige doel, dat wij zonder moeite,
+maar de goden weten het, ten koste van veel lijden bereiken. Ra voert
+haar mede in zijn schuit met zijne getrouwen, en Osiris zal haar tot
+zich nemen, want zij was zonder schuld. Ook Nitetis is dood. Waar is
+de brief van Nebenchari?--Daar staat het: 'Zij benam zichzelve het
+leven en stierf, onder het uitspreken van een zwaren vloek over u en
+de uwen. Dit bericht, dat even waarachtig is als mijn haat tegen u,
+zendt u de arme, verbannene, beleedigde en bestolene oogarts uit
+Babylon naar Egypte toe.'
+
+»Verneem deze woorden, Psamtik, en laat u door uw stervenden vader
+waarschuwen. Alle onrecht, dat u op aarde éen drachme genot verschaft,
+zal u in de ure uws doods onder een talent wanhoop doen zuchten. Om
+Nitetis' wil zullen vreeselijke rampen over Egypte komen. Het bericht,
+door de Arabische kooplieden gebracht, is waarheid. Cambyzes maakt
+zich gereed tot een oorlog met ons, en zal Egypte overvallen als een
+verschroeiende woestijnwind. Veel van hetgeen ik tot stand bracht,
+en waarvoor ik mijne nachtrust heb opgeofferd, waaraan ik mijne beste
+krachten heb besteed, zal vernietigd worden. En toch heb ik niet
+tevergeefs geleefd, want veertig jaren lang ben ik de zorgende vader,
+de weldoener van een groot volk geweest. Het verre nageslacht zal
+den naam van Amasis, als dien van een groot, wijs en menschlievend
+koning, met eerbied vermelden, en op mijne stichtingen te Saïs en te
+Thebe vol bewondering den naam van hun bouwmeester lezen, en van de
+grootte zijner macht gewagen! Ja, ook Osiris en de twee-en-veertig
+rechters in de onderwereld zullen mij niet veroordeelen, en de godin
+der waarheid, de meesteres der weegschaal [406], zal bevinden, dat
+het gewicht mijner goede daden dat mijner booze te boven gaat!"
+
+De koning zuchtte en zweeg een geruime poos. Eindelijk zag hij
+zijne gemalin aan, met een weemoedigen blik, die van innige liefde
+getuigde, en zeide: »Gij, Ladice, zijt mij eene trouwe, deugdzame
+gade geweest. Ik dank u daarvoor, en bid u voor vele dingen om
+vergeving. Dikwijls konden wij elkander niet begrijpen. Ja, het viel
+mij gemakkelijker mij te verplaatsen in de denkbeelden van uw volk,
+dan u, de godsdienstige begrippen der Egyptenaren te vatten. Gij weet,
+hoe hoog ik de kunst van uwe landslieden schatte, hoe gaarne ik met uw
+vriend Pythagoras verkeerde, hij, die zoo diep was ingewijd in hetgeen
+wij weten kunnen en gelooven moeten, en hoeveel ik daarvan dankbaar
+aannam. Hij, die den verborgen zin had gevat van leerstellingen,
+die mij voorkomen boven alles heilig te zijn, ontzag zich wel met
+waarheden te spotten, die de priesterschap misschien al te angstvallig
+voor het volk verborgen houdt. Dat volk buigt zich gewillig voor
+het onbegrijpelijke en die het verkondigen. Zou het niet schooner en
+edeler zijn, wanneer men het de waarheid leerde verstaan, wanneer men
+het ophief in plaats van het in onwetendheid te laten? Voorzeker, de
+priesters zouden op deze wijze minder gehoorzame dienaars vinden, maar
+de goden meer vrije en oprechte vereerders. Met onzen dierendienst,
+Ladice, hebt gij u het minst kunnen verzoenen, maar ik acht het toch
+beter en den mensch waardiger, den schepper in zijn schepsel dan in
+steenen beelden te aanbidden. Bovendien hebben uwe goden alle zwakheden
+met de menschen gemeen, en ik zou mijne koningin wel zeer ongelukkig
+hebben gemaakt, als ik gelijk de Grieksche Zeus geleefd had."
+
+De koning zeide dit met een glimlach. »Maar weet gij, hoe dat
+komt?" vervolgde hij. »Deze Hellenen stellen den schoonen vorm boven
+alles; daarom is het hun niet mogelijk het lichaam, dat zij als het
+voortreffelijkste van al het geschapene beschouwen, van de ziel te
+scheiden; gelijk zij ook aannemen, dat in een schoon lichaam noodwendig
+eene schoone ziel moet wonen. Derhalve zijn hunne goden niets dan de
+veredelde menschen, terwijl wij ons voorstellen, dat de godheid als
+een kracht in de natuur en in ons zelven werkt. Tusschen beiden in
+staat het dier, dat niet als wij handelt volgens geschrevene wetten,
+maar gehoorzaamt aan de eeuwige wetten der natuur. Gene zijn door
+de menschen uitgedacht, deze echter hebben onmiddellijk aan de goden
+haar ontstaan te danken. En welk schepsel haakt zoozeer naar vrijheid,
+het hoogste goed, als het dier? Welk schepsel leeft zonder leering
+en onderricht zoo gelijkmatig van geslacht tot geslacht voort, als
+het dier?"
+
+Hier begaf den koning voor eenige oogenblikken zijn stem. Na eene
+pauze vervolgde hij: »Ik voel dat mijn einde nadert; daarom zal ik
+niet lang bij deze dingen stilstaan, maar u, mijn zoon en opvolger,
+mijn uitersten wil doen kennen. Handel dienovereenkomstig, want het
+is uit ervaring, dat ik tot u spreek! Maar helaas! Honderd malen heb
+ik, gedurende mijn langdurig leven, gezien dat alle levensregels,
+die anderen ons medegeven op onzen weg, nutteloos zijn. Geen mensch
+kan voor een ander ervaringen opdoen; alleen door eigen schade en
+schande wordt men wijs! Gij beklimt den troon op rijpen leeftijd,
+mijn zoon, en hebt den tijd gehad om na te denken over al wat recht
+en onrecht, heilzaam en verderfelijk is, en verschillende dingen te
+zien en met elkander te vergelijken. Daarom geef ik u geene algemeene
+lessen, maar stel mij tevreden met u enkele nuttige raadgevingen op
+'t hart te binden. Ik geef ze u met mijn rechterhand, maar ik vrees,
+dat gij ze met de linker zult aannemen.
+
+»Vóor alle dingen moet gij weten, dat ik gedurende de laatste
+maanden, niettegenstaande mijne blindheid, slechts in schijn een
+onverschillig toeschouwer was van uwe daden, en u met een bepaald
+doel de handen vrijliet. Rhodopis vertelde mij eens eene fabel van
+haar leermeester Aesopus: Een reiziger ontmoette een man, en vroeg
+dezen, hoe veel tijds hij noodig zou hebben om de naaste stad te
+bereiken. 'Loop!' was het antwoord.--'Maar zeg mij eerst, hoe lang ik
+loopen moet om er te komen?'--'Loop! Loop maar!'--De reiziger meende,
+dat de man hem voor den gek hield, en keerde dezen den rug toe, onder
+vloeken en verwenschingen. Nadat hij eenige schreden gedaan had, riep
+de ander hem terug, en zeide: 'Gij zult een uur noodig hebben, om de
+stad te bereiken. Ik kon uwe vraag niet met zekerheid beantwoorden,
+voordat ik eerst de snelheid van uw gang had gezien!' »Aan deze
+fabel heb ik vaak gedacht, en zwijgend sloeg ik uw bestuur gade,
+om u thans in uw eigen belang te kunnen zeggen, of gij te snel of
+te langzaam wandeldet. Nu weet ik wat ik wenschte te weten, en bij
+mijne bijzondere raadgevingen voeg ik dus de algemeene les: Onderzoek
+zelf alle dingen! Op ieder mensch, maar vooral op een koning, rust
+de verplichting, zich in eigen persoon te overtuigen van alles, wat
+hun betreft, voor wier welzijn hij te zorgen heeft. Gij, mijn zoon,
+ziet te veel door vreemde oogen, hoort te veel door vreemde ooren,
+en put veel te weinig uit oorspronkelijke bronnen. Uwe raadslieden,
+de priesters, bedoelen zeker niets dan wat goed is, maar,--Neithotep,
+ik bid u, laat ons een oogenblik alleen!"
+
+Zoodra de opperpriester zich verwijderd had, vervolgde de koning: »Zij
+willen wat goed is, maar slechts dat wat voor hen goed is! En wij zijn
+niet koningen voor priesters en aanzienlijken, maar voor het volk. Geef
+daarom niet uitsluitend acht op den raad dezer trotsche kaste, maar
+onderzoek zelf, door met eigen oogen alle smeekschriften te lezen,
+en trouwe, u toegedane en door het volk beminde nomarchen te kiezen,
+die u leeren, wat den Egyptenaren ontbreekt, wat zij van u hopen en
+wat zij behoeven. Weet gij nauwkeurig hoe het in het land gesteld is,
+dan is het zoo moeilijk niet goed te regeeren. Kies gij maar bekwame
+beambten; voor de juiste en doelmatige verdeeling van het rijk heb
+ik gezorgd. Onze wetten zijn goed en proefhoudend bevonden. Houd u
+daaraan, en vertrouw niemand, die zich voor verstandiger uitgeeft dan
+de wet. Ik zeg u, de wet is altijd en in elk geval verstandiger dan
+de enkele mensch, en die haar overtreedt heeft straf verdiend. Niemand
+gevoelt dit zoo diep als het volk, dat zich voor ons te gewilliger alle
+offers getroost, naarmate wij meer onze eigene inzichten aan de wet
+ten offer weten te brengen. Gij bekommert u niet veel om het volk. De
+stem des volks is in den regel wat ruw; maar meestal spreekt zij de
+waarheid, en niemand heeft de waarheid meer noodig dan een koning. De
+pharao, die uiterst gewillig den raad van priesters en hovelingen
+volgt, zal de meeste vleierijen hooren. Daarentegen zal hij, wiens
+streven het is, de wenschen van het volk te vervullen, veel te lijden
+hebben van zijne omgeving. Met zichzelven zal hij echter vrede hebben,
+en eere bij het nageslacht. Veel heb ik gedurende mijn leven misdaan,
+en toch zullen de Egyptenaren mij beweenen, want ik kende ten allen
+tijde hunne behoeften, en zorgde als een vader voor hun geluk. Een
+koning, die zijne plichten kent, moet zich de liefde zijns volks
+weten te verwerven; en dit zal hem niet moeilijk vallen. Daarentegen
+is het een ondankbaar streven den bijval der grooten te zoeken. Bijna
+onmogelijk acht ik het de tevredenheid van beiden te oogsten.
+
+»Herinner u steeds, dat gij en de priesters voor het volk, en
+niet het volk voor u en de priesters bestaat. Houd den godsdienst
+in waarde om zijns zelfs wil en als den hechtsten grondslag van
+de gehoorzaamheid des volks jegens zijne koningen; maar doe haren
+verkondigers steeds gevoelen, dat gij hen niet als de verpersoonlijking
+doch als de dienaren der godheid beschouwt. Het is hun gelukt zich
+in het bewustzijn der menigte boven de godheid te stellen, en van de
+Egyptenaren gehoorzame priesterknechten in plaats van godendienaars
+te maken. Dit werk van zoovele eeuwen kan de macht van een vorst
+niet vernietigen, maar wij kunnen den priesters wel beletten het
+belang van den staat ondergeschikt te maken aan hunne bijzondere
+bedoelingen. Geloof mij, mijn zoon, de priesterschap zal, zoodra zij
+den invloed harer kaste bedreigd ziet, zich niet ontzien het welzijn
+van den staat in de waagschaal te stellen!
+
+»Houd, gelijk de wet u voorschrijft, aan het oude vast; maar sluit
+nimmer de poorten van het rijk voor het nieuwe, dat beter blijkt te
+zijn. Booze menschen alleen verwerpen haastig het oude; dwazen vinden
+alles goed, wat nieuw en vreemd is, maar bekrompenen van verstand
+of baatzuchtige bevoorrechten klemmen zich onvoorwaardelijk aan het
+oude vast en noemen allen vooruitgang zonde. De wijze legt er zich op
+toe datgene in stand te houden, wat in het verleden gebleken is goed
+te zijn; dat wat blijken mocht schadelijk te werken af te schaffen;
+wat beter is, onverschillig uit welke bron het voortvloeit, aan te
+nemen. Mijn zoon, handel gij evenzoo! De priesters zullen beproeven
+u terug te dringen, de Hellenen u voorwaarts te drijven. Sluit u
+bij de eene of andere partij aan; maar wacht er u voor, tusschen
+beide in te blijven staan en heden aan deze, morgen aan gene het
+oor te leenen. Wie op twee stoelen tegelijk wil zitten, komt op den
+grond te recht. De eene partij zij uw vriend, de andere uw vijand,
+want beproeft gij beide te vriend te houden, dan zullen zij zeer
+spoedig beide uwe vijanden zijn. De menschen zijn nu eenmaal zoo;
+zij haten degenen, die hunne vijanden wèl doen.
+
+»Gedurende de laatste maanden, dat gij zelfstandig regeerdet, hebt
+gij, door uw onzalig weifelen, beide partijen tegen u in het harnas
+gejaagd. Wie, gelijk de kinderen, nu eens voorwaarts gaat, dan weer
+terugkrabbelt, komt nooit vooruit en verbruikt geheel nutteloos
+zijne krachten. Ik hield het met de Hellenen, en was de tegenstander
+der priesters, tot ik mijn laatste uur voelde naderen. Voor het
+maatschappelijk leven schenen mij de dappere en verstandige Grieken
+bijzonder bruikbaar; nu ik ga sterven heb ik daarentegen hen noodig,
+die mij een pas naar de onderwereld moeten bezorgen. Mogen de goden het
+mij vergeven, dat ik, zelfs nog in mijn laatste uur, mijn mond niet
+beletten kan een taal te spreken, die zoo lichtzinnig klinkt. Zooals
+ìk ben, hebben zij mij gemaakt, en zij moeten het nu ook maar voor
+lief met mij nemen. Ik wreef in mijne handen toen ik koning werd;
+moogt gij de hand op uw hart leggen, als gij den troon bestijgt!--Roep
+thans Neithotep weder binnen, u beiden heb ik nog iets te zeggen!"
+
+Toen de opperpriester aan zijne zijde stond, strekte de koning de hand
+naar hem uit, en vervolgde: »Ik scheid zonder wrok van u, ofschoon ik
+meen, dat gij uwe plichten als priester beter wist te vervullen, dan
+die op u rustten als zoon van dit land en dienaar des konings. Psamtik
+zal, geloof ik, gewilliger gehoorzamen dan ik. Eén ding echter druk
+ik u beiden op het hart: Ontslaat de Helleensche krijgsbenden niet
+uit uw dienst, dan nadat gij met hare hulp de Perzische legermacht
+hebt bevochten, en zoo ik hoop overwonnen! Mijne voorspelling van
+vroeger heeft geene waarde; men verliest zijne opgewektheid, en ziet
+de zaken een weinig donker in, als de stervensure nadert. Zonder de
+hulptroepen zoudt gij reddeloos verloren zijn; met hunne hulp is het
+niet onmogelijk, dat het Egyptische leger de overwinning behaalt. Weest
+bedachtzaam en brengt den Ioniërs aan het verstand, dat zij aan den
+Nijl voor de vrijheid van hun eigen vaderland strijden. Cambyzes
+zou na eene overwinning met Egypte niet tevreden zijn, terwijl de
+nederlaag der Perzen den onderworpen Ioniërs de vrijheid zou kunnen
+hergeven. Ik wist wel, Neithotep, dat gij het met mij eens zoudt zijn,
+want in den grond meent gij het goed met Egypte. Thans verzoek ik u mij
+de heilige gebeden voor te lezen. Ik voel mij zeer uitgeput; het zal
+spoedig gedaan zijn. Kon ik die arme Nitetis maar vergeten! Had zij
+recht ons te vervloeken? Mogen de doodenrechters en Osiris zich over
+onze zielen erbarmen!--Zet u hier neder, Ladice, en leg de hand op
+mijn gloeiend voorhoofd; en gij, Psamtik, zweer, in tegenwoordigheid
+dezer getuigen, dat gij uwe stiefmoeder zult hoogachten en ontzien,
+als waart gij haar eigen kind.--Arme vrouw! Gij zult mij spoedig
+bij Osiris komen zoeken. Wat bindt u nog verder zonder echtgenoot en
+kinderen aan deze aarde? Wij hebben Nitetis als onze eigene dochter
+opgekweekt, en toch werden wij om harentwil zoo zwaar gekastijd. Maar
+haar vloek treft ons alleen; niet u, Psamtik, niet uwe kinderen!--Breng
+mij thans mijn kleinzoon. Ik geloof waarlijk, dat er een traan over
+mijne wang rolt. Zoo gaat het gewoonlijk; te scheiden van kleine
+dingen, waaraan men zich gewend heeft, kost ons de meeste moeite."
+
+
+
+Een nieuwe gast was dienzelfden avond in het huis van Rhodopis
+aangekomen, namelijk Kallias, de zoon van Phaenippus [407], uit wiens
+mond wij indertijd het verslag van de Olympische spelen vernamen. De
+wakkere Athener was weinige uren te voren uit zijne vaderstad
+wedergekeerd en als een oud, beproefd vriend met open armen door
+Rhodopis ontvangen, en dadelijk ingewijd in de geheimen van haar
+huis. Knakias, de oude slaaf, had wel-is-waar voor een paar dagen
+de welkomstvaan ingenomen, maar wetende dat Kallias zijne meesteres
+ten allen tijde welkom was, leidde hij hem even gerust tot haar,
+als hij iederen anderen bezoeker afwees.
+
+De Athener had veel nieuws te vertellen, en toen Rhodopis zich
+eindelijk om de eene of andere bezigheid verwijderen moest, volgde
+hij Sappho, zijne lieveling, in den tuin, om daar naar den vriend
+uit te zien, dien zij verlangend wachtte. Kallias plaagde haar niet
+weinig, wijl zij zich na zulk eene korte scheiding reeds angstig
+maakte. In het eerst lokte zijne scherts een glimlach om hare lippen,
+doch langzamerhand nam hare bezorgdheid toe, en werd haar gelaat
+ernstiger. Nu riep hij de oude Melitta, die bijna nog angstiger dan
+hare meesteres den weg naar Naucratis opzag, en verzocht haar het
+snarenspeeltuig, dat hij had medegebracht, in den tuin te brengen.
+
+Nadat hij de schoone, tamelijk groote luit van goud en elpenbeen aan
+de jonkvrouw ter hand had gesteld, zeide hij: »Dit heerlijke speeltuig
+heeft de uitvinder er van, de goddelijke Anakreon, op mijne bestelling,
+opzettelijk voor u doen maken. Hij noemt het barbiton [408] en weet het
+de heerlijkste tonen te ontlokken, die zelfs nog in het schimmenrijk
+zullen voortklinken. Ik heb den dichter, die zijn geheele leven aan
+de Muzen, Eros en Dionysos wijdt [409], veel van u verhaald, en hem
+moeten beloven u het volgende liedje, dat hij op u heeft gemaakt,
+als een geschenk van hem aan te bieden. Luister:
+
+
+ "Werd op Sipylos' gebergte,
+ In den tijd van 't grijs verleên,
+ Tot heur straf Amphion's gade,
+ Niobé, verkeerd in steen;
+ Is weleer Pandion's dochter,
+ In 't onmeetlijk ruim der lucht,
+ Als een vluggewiekte zwaluw,
+ Theseus wrekend zwaard ontvlucht;--
+ Ik, ik wilde uw spiegel wezen,
+ Opdat mij ten allen tijd',
+ 't Harte door uw hemelsche oogen
+ Werd gekoesterd en verblijd!
+ 'k Wenschte steeds met heet verlangen,
+ Dat ik u ten mantel wierd,
+ Die u met zijn losse plooien
+ Langs de blanke schoudren zwiert!
+ Of ik zag mij gaarn veranderd,
+ In het helder bronkristal,
+ Dat, met oorenstreelend ruischen,
+ Kronkelt door het lomrig dal,
+ Opdat, als ge uw poezle leden
+ Wascht in 't zilverspattend vocht,
+ Ik, bij felle zomerhitte,
+ Die verkoelen, streelen mocht!
+ 'k Zag mij liever nog herschapen
+ In den balsem, lieve maagd!
+ Die er op uw vlechten druppelt,
+ En u door zijn geur behaagt;
+ In de paarlen, die er dartlen,
+ Stoeien langs uw' elpen hals,
+ Of in d'overkostbren gordel
+ Van uw golvend boezemmalsch!
+ Maar het liefste, dierbre schoone,
+ Als mijn hart zijn wensch bezat,
+ In uw schoentje, opdat gedurig
+ Mij uw kleine voet betrad."
+
+
+»Gij duidt den zanger toch niet ten kwade, dat hij een weinig vrij
+is geweest?"
+
+»Hoe zou ik dat kunnen! Met een dichter moet men het zoo nauw niet
+nemen!"
+
+»Allerminst met dezen!"
+
+»Die zulk een uitstekenden zanger tot overbrenger zijner liederen
+kiest!"
+
+»O, gij vleister! Ja, toen ik twintig jaren jonger was, werden mijne
+stem en voordracht met recht geroemd; maar thans is dat lang voorbij!"
+
+»Gij bedelt om nog meer lof, ik laat mij dien evenwel niet
+afdwingen. Maar is deze zoogenaamde barbiton, met hare zoete tonen,
+ook voor andere liederen dan die van den Teër [410] geschikt?"
+
+»Zeer zeker! Neem het plektron [411] slechts, en beproef zelve eens
+de snaren te tokkelen, die trouwens voor uw teedere vingers wel wat
+zwaar zijn."
+
+»Ik kan niet zingen; ik maak mij te ongerust over Bartja en zijne
+vrienden."
+
+»Dat is met andere woorden, dat het verlangen naar den beminde u
+de keel als toeschroeft. Kent gij het lied uwer Lesbische moei, de
+groote Sappho, dat de gemoedsgesteldheid schildert, waarin gij u in
+dit oogenblik allerwaarschijnlijkst bevindt?"
+
+»Ik geloof het niet."
+
+»Zoo luister. Voorheen pronkte ik het liefst met dit gedicht, dat
+geene vrouw, maar Eros zelf schijnt te hebben vervaardigd:
+
+
+ "Wel hem! die aan uw zij, uw teedre stem mag hooren;
+ Wiens blik den lach verrast, die kleurt op lip en koon;
+ Hij is door 't godendom ten lievling uitverkoren,
+ Hij evenaart de goôn.
+
+ "Wen u mijn oog ontwaart, begint mij 't hart te jagen,
+ En 't bloed stroomt, als gezweept, door de adren op en neêr;
+ Mijn tong ligt zonder spraak, en om mijn leed te klagen,
+ Vinde ik geen klanke meer.
+
+ "Een licht en vluchtig vuur komt door mijn leen gevlogen,
+ Een kil en machtloos zweet breekt me op 't voorhoofd door;
+ Het duister van den nacht omvangt de brekende oogen,
+ En 't suist en ruischt me in 't oor.
+
+ "Als door een koorts vermand, vangt 't lichaam aan te beven,
+ Een vaal en doodlijk bleek bedekt mij 't aangezicht;
+ Ik kwijn, ik zwijm, ik schei, van eeuw'gen nacht omgeven,
+ Weldra van 't levenslicht."
+
+
+»Welnu, wat zegt gij van dit lied? Maar, bij Heracles, kindlief,
+wat zijt gij bleek geworden! Hebben deze regelen u zoo aangedaan,
+of zijt gij alleen maar getroffen door de getrouwe voorstelling van
+uw eigen smachtend hart? Stel u toch gerust, meisje, wie weet wat uw
+geliefde zoo lang ophoudt."
+
+»Niets, niet met al!" klonk op dit oogenblik eene heldere
+mannenstem. En weinige seconden later lag Sappho aan de borst van
+den geliefden jongeling.
+
+Kallias zag zwijgend deze omarming aan, en glimlachte van genoegen
+over de uitnemende schoonheid van dit jeugdige paar.
+
+»Vóór alle dingen," riep de koningszoon, nadat hij met Kallias kennis
+had gemaakt, »moet ik uw grootmoeder thans opzoeken. In plaats van
+binnen vier dagen moet nog heden de bruiloft gevierd worden. Ieder
+uur vertragens kan ons gevaarlijk worden. Is Theopompus hier?"
+
+»Ik denk het wel," antwoordde Sappho, »want ik zou niet weten, waarom
+grootmoeder anders zoolang in huis blijft. Maar wat zeidet gij daar
+van de bruiloft? Ik geloof...."
+
+»Laat ons eerst naar binnen gaan, liefste; ik vrees dat er een onweder
+opkomt. De lucht betrekt zwaar, en het wordt ondraaglijk drukkend."
+
+»Kom dan spoedig," riep Sappho, »zoo gij niet wilt, dat ik van
+nieuwsgierigheid sterf! Over het onweder behoeft gij u zoo erg niet
+te verontrusten. Zoo oud als ik ben, heeft het in Egypte om dezen
+tijd nooit geweerlicht of gedonderd [412]."
+
+»Dan zult gij heden iets vreemds zien gebeuren," zeide de Athener
+lachend. »Zoo even viel er een zware regendroppel op mijn kale
+kruin. Toen ik hierheen kwam, streken de Nijlzwaluwen vlak over het
+water heen. En zie, de maan verschuilt zich reeds. Kom maar spoedig
+naar binnen, anders verrast de bui u nog. Hei daar, slaaf, draag
+zorg dat er een zwart lam worde geofferd aan de goden der onderwereld
+[413]!"
+
+In het woonvertrek van Rhodopis vonden zij, gelijk Sappho terecht
+vermoed had, Theopompus. Hij had zoo even zijn verhaal van de
+gevangenneming van Zopyrus en van de reis van Bartja en zijne vrienden
+ten einde gebracht. Daar beiden uiterst bezorgd waren over den afloop
+dezer zaak, was het eene groote vreugde althans den koningszoon zoo
+geheel onverwacht voor zich te zien. In weinige woorden bracht Bartja
+hen op de hoogte van de gebeurtenissen der laatste uren, en verzocht
+Theopompus op staanden voet werk te maken van een zeilree schip voor
+hem en zijne vrienden.
+
+»Dat treft uitnemend!" riep Kallias. »Mijne eigene triëre, die mij
+heden naar Naucratis bracht, ligt in de haven gereed, en is tot uw
+dienst. Ik heb slechts den stuurman te bevelen de manschap bijeen en
+alles gereed te houden.--Gij hebt mij niet te danken, veel meer ben ik
+u dank schuldig voor de eer, die gij mij bewijst. Hei daar, Knakias,
+zeg dadelijk aan mijn slaaf Philomelus, die buiten in de voorzaal
+wacht, dat hij zich naar de haven late roeien, en mijn stuurman
+Nausarchus gelaste alles tot vertrek gereed te houden. Stel hem slechts
+dit zegel ter hand, dat hem tot alles de noodige volmacht geeft!"
+
+»En mijne slaven?" vroeg Bartja.
+
+»Knakias zal mijn ouden hofmeester bevel geven, hen naar het schip
+van Kallias te brengen," antwoordde Theopompus.
+
+»Als zij dit teeken zien, zullen zij geen bezwaar maken, om hem te
+volgen," hernam Bartja, den ouden knecht zijn ring gevende.
+
+Toen Knakias met vele buigingen het vertrek verlaten had, vervolgde
+de koningszoon: »En nu, mijne moeder, heb ik u een dringend verzoek
+te doen."
+
+»Ik raad wat het is," zeide Rhodopis vriendelijk. »Gij wenscht,
+dat men de voltrekking van uw huwelijk bespoedige, en ik zie wel in,
+dat ik aan uw verlangen gehoor zal moeten geven."
+
+»Als ik mij niet bedrieg," riep Kallias, »dan hebben wij hier met twee
+menschen te doen, die, zonderling genoeg, zich van harte verblijden
+over het gevaar dat hen bedreigt."
+
+»Het kon wel zijn, dat gij juist geraden hadt," antwoordde Bartja,
+heimelijk de hand zijner liefste drukkende. Daarop wendde hij zich
+nogmaals tot Rhodopis, en bad haar, zonder aarzelen haar kostelijk
+kleinood, waarvan hij alleen de waarde wist te schatten, af te staan.
+
+Rhodopis richtte zich hoog op, legde hare rechterhand op Sappho's,
+hare linker op Bartja's hoofd, en zeide: »Er bestaat eene sage,
+kinderen, die verhaalt, dat in het land der rozen een blauw meer
+is, dat nu eens rustig kabbelt, dan heftig golft en woedt; dat
+het water van dit meer nu eens zoet smaakt als honig, dan bitter
+als gal. Gij zult de beteekenis dezer sage leeren kennen en in het
+gewenschte rozenland van uwen echt, nu kalme dan onrustige, nu zoete
+dan bittere uren doorleven. Zoolang gij kind waart, Sappho, zijn uwe
+dagen zonder eenige droefenis, als een lentedag voorbijgegaan. Toen gij
+als jonkvrouw leerdet, wat het zegt lief te hebben, heeft zich uw hart
+geopend voor de smart, die u eene welbekende gast werd, gedurende die
+scheiding van zoovele maanden, eene gast, die bij tusschenpoozen zal
+terugkeeren en aankloppen zoolang gij leeft. Uw plicht, Bartja, is het,
+den indringer, voorzooveel dit in uw vermogen is, van Sappho verwijderd
+te houden. Ik ken de menschen, en voordat Cresus mij eenige verzekering
+omtrent uw edel hart had gegeven, wist ik, dat gij mijner kleindochter
+waardig waart. Daarom veroorloofde ik u met haar den kweeappel te
+eten, daarom vertrouw ik u zonder vrees haar toe, die ik tot heden
+als een heilig pand bewaard heb. Beschouw gij uwe vrouw evenzeer
+als een geleenden schat, want niets is gevaarlijker voor de liefde,
+dan de behaaglijke zekerheid van het uitsluitend bezit.--Men heeft
+mij berispt, omdat ik het onervarene kind naar uw land laat trekken,
+waar de vrouwen zoo weinig in tel zijn. Ik weet echter wat liefde is,
+en dat er voor eene jonkvrouw die bemint geen ander vaderland bestaat,
+dan het hart van den man, aan wien zij zich heeft overgegeven; dat een
+door Eros getroffen vrouwenhart geen grooter ongeluk kent, dan dat van
+gescheiden te moeten leven van den man harer keuze. En buitendien,
+ik vraag u, Kallias en Theopompus, zijn dan uwe echtgenooten zoo
+hoog boven die der Perzen bevoorrecht? Moet de Ionische, de Attische
+vrouw niet, evenals de Perzische, in vrouwenvertrekken haar leven
+slijten, en blij zijn als men haar eens eene enkele maal toestaat,
+dicht gesluierd en door wantrouwige slaven vergezeld, over straat te
+gaan?--Wat de veelwijverij der Perzen aangaat, deze vrees ik zoomin
+voor Sappho als voor Bartja! Hij zal zijne vrouw trouwer zijn dan een
+Helleen, want in Sappho zal hij vereenigd vinden, wat gij, Kallias,
+eensdeels in uwe vrouw, anderdeels in de huizen der meer ontwikkelde
+hetaeren vindt; ik bedoel: eene echte huismoeder en eene ontwikkelde
+vrouw, die door aangename gesprekken den man weet te boeien.--Neem
+haar tot u, mijn zoon; vol vertrouwen en gewillig stel ik Sappho in
+uwe handen, gelijk een oud strijder aan zijn sterken zoon het beste
+wat hij heeft, namelijk zijne wapenen, met vreugde overgeeft. Werwaarts
+zij ook trekke, steeds zal zij toch eene Helleensche blijven en, dit is
+mij een groote troost, in haar nieuw vaderland haar Grieksche afkomst
+eere aandoen en het Grieksche volk nieuwe vrienden bezorgen. Ik dank
+u voor uwe tranen, mijn kind! Ik ben in staat de mijne te bedwingen,
+doch heb deze kunst aan het lot duur, zeer duur betaald!--Dezen eed,
+edele Bartja, hebben de goden gehoord. Vergeet hem nooit, en neem
+haar tot u als uw eigendom, uwe vriendin, uwe vrouw! Voer haar weg,
+zoodra uwe vrienden wederkomen. De goden wilden niet, dat op Sappho's
+huwelijksfeest de hymenaeus [414] gezongen zal worden!"
+
+Dit zeggende, legde de oude vrouw de handen der gelieven ineen, sloot
+Sappho aan haar hart, en drukte een zachten kus op het voorhoofd van
+den jongen Pers. Daarop wendde zij zich tot de beide Hellenen, op
+wie dit tooneel een diepen indruk had gemaakt, en zeide: »Dat was een
+stille huwelijksplechtigheid, zonder gezang en zonder fakkellicht. Moge
+ze door een te gelukkiger huwelijksleven worden gevolgd!--Ga, Melitta,
+en haal den bruiloftstooi der bruid, de armbanden en halsketens, die
+in het bronzen kastje op mijne kleedtafel liggen, opdat onze lieveling
+haar gemaal in een gewaad, dat de toekomstige vorstinne past, de hand
+kunne reiken." [415]
+
+»Spoed u!" riep Kallias, die thans weder in zijne gewone opgeruimde
+stemming kwam. »Ook mag de nicht der grootste hymenaeën-dichteres
+[416] niet zonder zang en muziek haar bruidsvertrek binnentreden. Daar
+het huis van den heer gemaal wat al te ver van hier is, zullen wij
+onderstellen, dat het ledige andronitis zijne woning zij. Daarheen
+geleiden wij door de middeldeur de jonge vrouw, en gebruiken aan
+den huiselijken haard een vroolijk bruiloftsmaal.--Hier, slavinnen,
+verdeelt u in twee koren. Gij neemt de rol der jongelingen en gij die
+der maagden op u, en zingt voor ons de hymenaeus van Sappho: 'Zooals in
+het gebergte'. Ik speel voor fakkeldrager [417], eene waardigheid, die
+mij in ieder geval toekomt. Gij moet weten, Bartja, dat mijne familie
+het erfelijk recht bezit, bij de mysteriën van Eleusis de fakkels te
+dragen, waarom men ons dadoechen of fakkeldragers noemt.--Hei daar,
+slaaf! Zorg voor kransen aan de deur van het andronitis, en beveel
+uw onderhoorigen, dat zij ons bij ons binnentreden met suikerwerk
+bestrooien [418]. Zie eens aan, brave Melitta, van waar hebt gij die
+schoone bruids- en bruigomskronen van violen en mirten zoo spoedig
+gehaald [419]?--Waarlijk, de regen stort bij stroomen door de opening
+van het dak!--Ha! Ha!--Hymen heeft Zeus overgehaald ook een handje
+te helpen, opdat er niets aan uw bruiloftsfeest ontbreke. Daar gij
+het bad niet hebt kunnen nemen, dat bruid en bruigom, volgens oud
+gebruik, aan den morgen van den bruiloftsdag moeten gebruiken, moet
+gij voor een oogenblik hieronder staan en den regen van Zeus het
+geheiligd bronwater laten vervangen! Heft gij thans het lied aan,
+meisjes! Laat de jonkvrouw het verlies van haren maagdelijken staat
+betreuren en de jongelingen het lot der jonggehuwden nemen."
+
+Nu begonnen vijf geoefende sopraan-stemmen op klagenden toon het lied
+van Sappho te zingen:
+
+
+ "Zooals in het gebergte de hyacinth, door de voeten
+ Van den herder vertrapt, ten bodem zinkt, waar de purpren
+ Bloem verwelkt in het stof, geknakt, door ieder vergeten;--
+ Zoo wordt de jonkvrouw, wanneer zij de bloem harer kuischheid
+ verspeeld heeft,
+ Door de mannen geminacht en door de maagden gemeden.
+ Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!"
+
+
+Een koor van zwaardere stemmen antwoordde op jubelenden toon:
+
+
+ "Zooals de wingerd die treurt, wen ze eenzaam staat op de vlakte,
+ Maar aan de olmen gepaard omhoog schiet, ranken en druiven
+ Slingerend hoog om den top, tot innige vreugd van den landman;--
+ Zoo wordt de vrouw, in den bloei harer jeugd den huw'lijksband
+ knoopend,
+ Innig bemind door haar man en verheugt zij het hart harer ouders.
+ Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!"
+
+
+Hierna vereenigden beide koren zich in het: »Hymen kom, Hymenaeus" om
+dit nogmaals en nogmaals op smachtenden en juichenden toon te herhalen.
+
+Plotseling verstomde het gezang, daar een bliksemstraal, gevolgd door
+een zwaren donderslag, door de opening van het dak flikkerde, waaronder
+Kallias het jonge paar had geplaatst. »Ziet gij?" riep de dadoeche,
+zijne hand ten hemel heffende, »Zeus zelf zwaait de bruiloftsfakkel,
+en zingt den hymenaeus voor zijne lievelingen!"
+
+
+
+Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of Bartja en Sappho
+traden uit hun slaapvertrek den tuin in, die na het onweder,
+dat den ganschen nacht door met heftigheid gewoed had, evenals het
+aangezicht der jonggehuwden, met een waas van nieuw jeugdig leven was
+overtogen. Het schoone paar was zoo vroegtijdig van het bruidsleger
+opgestaan, wijl in Bartja's ziel de bezorgdheid over het lot zijner
+vrienden, die hij in den roes van zijn geluk bijna vergeten had,
+zich opnieuw en met onweerstaanbare kracht had doen gelden.
+
+De tuin lag op een kunstmatig aangelegden heuvel, die zich boven
+de overstroomde vlakte verhief, en een uitgestrekt vergezicht
+opende. Op den spiegel van den prachtigen stroom dreven witte en blauwe
+lotusbloemen, aan den oever en op de ondiepe plaatsen vertoonden zich
+dicht opeengedrongen groote zwermen watervogels. Zooals de sneeuwvelden
+op het hooggebergte deden de aan de oevers van den stroom staande
+zwermen zilverreigers zich aan het oog voor. Eenzaam beschreven
+breedgevleugelde arenden groote kringen in de reine morgenlucht,
+tortelduiven wiegden zich in de kronen der palmen, terwijl pelikanen en
+eenden op den waterspiegel dreven, om, zoodra het gekleurde zeil eener
+bark zichtbaar werd, snaterend en klapwiekend omhoog te stijgen. De
+lucht was door het nachtelijk onweder afgekoeld. Er woei een frissche
+noord-oostenwind, die reeds een vrij groot aantal vaartuigen over
+de onder water staande velden de rivier opstuwde, ofschoon de zon
+nog maar even boven de kim was gerezen. Het gezang der matrozen, het
+plassen der riemen en het gekwinkeleer der vogelen vereenigden zich,
+om het eentonige en toch bonte landschap van het overstroomde Nijldal
+meer leven te geven.
+
+De jeugdige echtelingen stonden, elkaar met de armen omstrengelend,
+voor den lagen muur, die den tuin van Rhodopis omgaf, en vermeiden
+zich, onder het wisselen der teederste woorden, in de aanschouwing
+van het liefelijke tooneel, tot Bartja's scherpe blik een vaartuig
+ontdekte, dat door den wind en krachtige riemslagen met spoed
+voortgedreven, recht op het landhuis aanhield. Weinige minuten later
+legde de boot bij den tuin aan, en kort daarop stonden Zopyrus en
+zijne bevrijders voor den koningszoon.
+
+Het plan van Darius was, dank zij het heftige en op dien tijd van het
+jaar zoo zeldzame onweder, dat de Egyptenaren niet weinig had doen
+ontstellen, uitnemend gelukt. Evenwel mocht er geen oogenblik verspild
+worden, daar het wel te verwachten was, dat de Saïten den vluchteling
+met al de hun ten dienste staande middelen zouden vervolgen. Na een
+kort, maar daarom te teederder afscheid, scheurde Sappho zich van
+hare grootmoeder los, en besteeg aan de hand van Bartja, gevolgd
+door de oude Melitta, die haar naar Perzië zou vergezellen, de boot
+van Syloson, en een uur later de sierlijk gebouwde Hygieia [420],
+het snelzeilend zeeschip van Kallias.
+
+De Athener verwelkomde de vluchtelingen aan boord zijner triëre en
+nam vooral van Sappho en Bartja een hartelijk afscheid. De laatste
+hing den ouden man eene ongemeen kostbare keten om den hals, ten
+bewijze zijner dankbaarheid; terwijl Syloson den edelen Darius,
+tot een aandenken aan het gemeenschappelijk doorgestane gevaar, zijn
+purperen mantel, een onschatbaar meesterstuk van Sidonische verfkunst,
+dat de bewondering van Hystaspes' zoon had opgewekt, om de schouders
+wierp. Darius nam dit geschenk met blijdschap aan en riep den broeder
+van Polycrates bij het afscheid toe: »Herinner u steeds, Helleensche
+vriend, dat ik u grooten dank schuldig ben, en stel mij zoo spoedig
+mogelijk in de gelegenheid, u een wederdienst te bewijzen!"
+
+»Maar dan komt gij eerst tot mij, tot Zopyrus," riep de geredde,
+terwijl hij zijn belangeloozen bevrijder omarmde. »Ik ben bereid mijn
+laatste goudstuk met u te deelen, en wat meer zegt, mij om uwentwil
+eene week lang te laten opsluiten in het verwenschte gat, waaruit
+ge mij hebt verlost!--Maar reeds worden de ankers gelicht. Vaarwel,
+dappere Helleen! Groet de drie gezusters, de bloemenmeisjes van mij,
+vooral de kleine Stephanion, en zeg haar dat, tengevolge mijner
+tusschenkomst, haar langbeenige bruidegom haar in lang het leven
+niet zal verbitteren.--Ja, nog iets! Neem dezen buidel met goud voor
+de vrouw en de kinderen van den Egyptischen wijsneus, die bij die
+geschiedenis het leven verloor."
+
+Thans vielen de ankers rammelend op het dek neer; de wind vulde het
+uitgespreide zeil, en uit het ruim der triëre steeg het eentonig
+keleusma of roeierslied, waarbij de triëraules met de fluit maat en
+toon aangaf [421]. Bartja en Sappho stonden op den achtersteven van
+het vaartuig, naast het houten beeld van Hygieia, zijn beschermgodin,
+en tuurden zoo lang in de richting van Naucratis, tot de oevers van
+den Nijl voor hun starenden blik niet meer te onderkennen waren,
+en de blauwe golven der Helleensche zee de boorden van de triëre met
+haar schuim bespatten.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+
+Reeds te Ephesus ontving het jonge echtpaar het bericht van den dood
+van Amasis. Van daar leidde hun weg eerst naar Babylon, vervolgens
+naar Pasargadae in de provincie Persis, alwaar zich Cassandane,
+Atossa en Cresus ophielden. Eerstgenoemde had behoefte gevoeld, vóor
+den tocht naar Egypte, dien zij zou medemaken, het praalgraf van haar
+overleden echtgenoot te bezoeken, dat, volgens de mededeeling van
+Cresus, onlangs voltooid was. De eerwaardige vrouw, die door de kunst
+van Nebenchari het gezicht terug had gekregen, was hoog ingenomen,
+zoowel met het ontwerp, volgens hetwelk de grafstede was gebouwd,
+als met de uitvoering ervan, en bracht dagelijks uren achtereen door
+in den heerlijken tuin, die ze omgaf.
+
+Het praalgraf van Cyrus bestond uit een reusachtigen sarkophaag
+van marmerblokken, dat, gelijk een huis, op een basis van zes hooge
+marmeren trappen rustte. Van binnen was de sarkophaag geheel als eene
+kamer ingericht, en bevatte, behalve de gouden kist, die de door
+de honden, gieren en elementen gespaarde overblijfselen van Cyrus
+inhield, een zilveren bed, en eene tafel van hetzelfde metaal, waarop
+gouden bekers stonden, en allerhande kleederen, alsmede de rijkste
+sieraden van edelgesteenten lagen. Het geheele praalgraf was veertig
+voet hoog. Lommerrijke paradijzen [422] en zuilengangen, volgens het
+voorschrift van Cresus aangelegd, omringden het geheel. In het midden
+der tuinen was de woning van de magiërs, aan wie de bewaking van het
+graf was opgedragen. In de verte ontdekte men van hier het paleis van
+Cyrus, dat, volgens den uitersten wil van den overledene, jaarlijks
+gedurende eenige maanden den koningen van Perzië ten verblijf moest
+strekken. In dit prachtige gebouw, dat veel op een vesting geleek,
+bevond zich ook de schatkamer van het rijk, aangezien de plaats door
+hare ligging bijna niet te genaken was.
+
+De frissche berglucht, die het graf van haar geliefden afgestorvene
+omgaf, deed Cassandane onbeschrijfelijk goed, en met vreugde zag zij,
+dat ook Atossa op deze stille, schoone plek hare oude vroolijkheid,
+die sedert het sterven van Nitetis en het vertrek van Darius, haar
+verlaten had, terugkreeg. Sappho hechtte zich zeer spoedig aan hare
+nieuwe moeder en zuster, en zeide evenals deze niet dan met weerzin
+het schoone Pasargadae vaarwel.
+
+Darius en Zopyrus waren bij het groote leger gebleven, dat in de vlakte
+van den Euphraat bijeen werd getrokken, en ook Bartja moest alvorens
+het opbrak naar Babylon terugkeeren. Cambyzes trok zijne huiswaarts
+keerende betrekkingen tegemoet, en was niet uitgesproken over de
+schoonheid zijner jonge schoonzuster, terwijl Sappho, gelijk zij Bartja
+beleed, niet dan met vreeze tot den broeder van haar echtgenoot kon
+opzien. De koning was in weinige maanden zeer veranderd. Zijn bleek
+maar schoon gevormd gelaat van weleer was thans, tengevolge van het
+onmatig gebruik van den wijn, opgezet en rood geworden. Zijne donkere
+oogen hadden, ja, hun ouden gloed behouden, maar hun vuur was niet meer
+zoo rein als voorheen. Zijn vroeger zoo weelderig, ravenzwart haar was
+vergrijsd, en hing ordeloos om hoofd en kin; terwijl de zegevierende
+trotsche glimlach, die eens aan zijne trekken een eigenaardig karakter
+bijzette, plaats had gemaakt voor eene uitdrukking van gemelijkheid
+en norsche strengheid. Alleen gedurende zijne dronkenschap, een
+toestand die reeds sedert lang niet meer zeldzaam voor hem was,
+hoorde men hem lachen, en dan lachte hij als een waanzinnige.
+
+Onafgebroken toonde hij den grootsten afkeer van zijne vrouwen,
+en zelfs toen hij naar Egypte optrok, liet hij zijn harem te Suza
+achter, terwijl al zijne grooten hunne echte vrouwen en bijwijven
+met zich voerden [423]. Toch was er niemand, die zich over de
+onrechtvaardigheid van den koning te beklagen had; integendeel, met
+meer nadruk dan ooit drong hij op strenge handhaving van het recht
+aan, en ontdekte hij hierin ook maar de geringste tekortkoming, dan
+was hij onverbiddelijk en velde hij de vreeselijkste vonnissen. Toen
+hem bijvoorbeeld werd medegedeeld, dat zeker rechter Sisamnes zich had
+laten omkoopen tot het uitspreken van een onrechtvaardig oordeel, liet
+hij den ongelukkige de huid afstroopen, en daarmede den rechterstoel
+bekleeden; daarop benoemde hij den zoon van den gestrafte tot rechter
+in zijns vaders plaats, en noodzaakte hem den verschrikkelijken zetel
+in te nemen. Verder wijdde hij zich met onverpoosden ijver aan zijne
+veldheersplichten. De oefeningen van de bij Babylon verzamelde troepen
+werden met even veel krijgstucht als beleid door hem zelven bestuurd.
+
+Na het nieuwjaarsfeest [424] moest het leger opbreken. Na de viering
+er van, die, overeenkomstig het verlangen van Cambyzes met den
+grootsten luister plaats had, begaf de koning zich naar het leger,
+bij hetwelk hij zijn broeder aantrof, die in de overmaat van zijn
+geluk zijn gewaad kuste, en hem met zekeren trots mededeelde, dat
+hij de hoop koesterde vader te zullen worden. Deze tijding deed den
+koning sidderen; hij antwoordde den gelukkige geen enkel woord, dronk
+aan den avond van dien dag zooveel, dat hij zijne bezinning verloor,
+en riep den volgenden morgen de mobeds, magiërs en Chaldaeërs bijeen,
+om hun eene vraag voor te leggen.
+
+»Gij weet," zoo begon hij, »dat gij, mijne droomen uitleggende, hebt
+gezegd, dat Atossa bestemd was om een zoon ter wereld te brengen, die
+eens koning over dit rijk zal zijn. Zou ik tegen de goden zondigen,
+als ik mijne zuster tot vrouw nam, en verwezenlijkte wat mijn droom
+voorspeld heeft?"
+
+De magiërs beraadslaagden eenige oogenblikken onderling; daarop wierp
+Oropastes, de opperpriester, zich voor den koning neder, en zeide:
+»Wij gelooven niet, dat gij met dat huwelijk zoudt zondigen; want in
+de eerste plaats gebeurt het meer, dat de Perzen hunne bloedverwanten
+huwen [425]; ten tweede zegt de wet wel niet, dat de reine zijne
+zuster tot vrouw mag nemen, maar wel, dat de koning doen kan, wat hem
+welbehaaglijk is. Handel gelijk gij wilt, en gij zult steeds gedaan
+hebben, wat goed is!"
+
+Cambyzes liet de magiërs met rijke geschenken van zich gaan, en
+gaf Oropastes de uitgestrektste volmacht als stadhouder van het
+rijk. Vervolgens deelde hij aan zijne moeder, wier haren daarbij van
+ontzetting en afschuw te berge rezen, mede, dat hij, zoodra hij de
+Egyptenaren overwonnen en den zoon van Amasis gestraft zou hebben,
+voornemens was Atossa tot vrouw te nemen.
+
+Eindelijk rukte het leger, dat meer dan achtmaal honderdduizend
+soldaten telde, bij afdeelingen op, en kwam na twee maanden in de
+Syrische woestijn aan, alwaar het de door Phanes tot bondgenooten
+gemaakte Arabische stammen der Amalekieten en Gessurieten vond,
+die de troepen van water voorzagen, dat zij op paarden en kameelen
+aanvoerden. Bij Akko, in het land der Kanaänieten, hadden zich de
+vloten der aan Perzië onderworpene Syriërs, Phoeniciërs en Ioniërs,
+en de evenzeer door Phanes geworvene schepen der Cypriërs en Samiërs
+vereenigd. Met de laatsten had hij een zeer bijzonder verbond
+gesloten. Polycrates namelijk had de uitnoodiging van Cambyzes,
+om hem met schepen bij te staan, als eene gunstige gelegenheid
+beschouwd, om zich op eens te ontslaan van alle burgers, die met
+zijne heerschappij niet tevreden waren. Daartoe liet hij veertig
+triëren bemannen met achtduizend Samiërs, die op hem gebeten waren,
+en zond deze den Perzen toe, met verzoek, niet éen dier lieden te
+laten terugkeeren. Nauwelijks had Phanes deze voorwaarde vernomen,
+of hij waarschuwde de Samiërs, die zoo den dood tegemoet gingen. In
+plaats van tegen Egypte op te trekken, voeren ze naar Samos terug
+en zochten Polycrates ten onder te brengen. Doch in een gevecht te
+land werden zij door hem geslagen, waarop zij naar Sparta vluchtten,
+om daar hulp tegen den tyran te zoeken.
+
+Ruim een maand vóor den tijd der jaarlijksche overstrooming stonden
+de Perzische en Egyptische legers bij Pelusium, op de noordoostkust
+van den Delta, tegenover elkander.
+
+Al de schikkingen en maatregelen van Phanes hadden zijn uitnemend
+doorzicht doen blijken. De tocht van het leger door de woestijn,
+die anders in den regel duizenden offers kostte, was ditmaal, dank
+den Arabieren, die aan hunne beloften getrouw gebleven waren, zonder
+verliezen van eenige beteekenis ten einde gebracht. Het gelukkig
+gekozen jaargetijde stelde de Perzen in staat langs droge wegen en
+zonder tijdverlies in Egypte door te dringen.
+
+De koning had zijn Helleenschen vriend met groote onderscheiding
+ontvangen en hem vriendelijk toegeknikt, toen Phanes hem op eerbiedigen
+en tegelijk vertrouwelijken toon toeriep: »Ik heb gehoord, dat gij
+sedert den dood uwer schoone vriendin minder opgeruimd zijt dan gij
+placht te wezen. Het past den man zijn smart lang te dragen, terwijl
+de vrouw haar leed in onstuimige maar ras voorbijgaande klachten
+uitstort. Ik gevoel met u, wat er in u omgaat, want ook ik verloor
+het dierbaarste wat ik had. Danken wij den goden, dat zij ons de
+beste middelen tegen de smart, namelijk strijd en wraak schenken!"
+
+Daarop vergezelde Phanes den vorst door het leger en naar den
+disch. Verbazend was de invloed, dien hij op den woesten man wist
+uit te oefenen. Opmerkelijk was het te zien, hoe kalm en opgeruimd
+de koning werd, zoodra de Athener in zijne nabijheid was.
+
+Waren de strijdkrachten der Perzen verbazend groot, ook het aantal
+der Egyptische krijgers was niet minder te achten. Het leger werd
+in den rug gedekt door de muren van Pelusium, de grensvesting, die
+gebouwd was om Egypte tegen de invallen der krijgszuchtige oostelijke
+volksstammen te beveiligen. Door overloopers vernamen de Perzen, dat
+het gezamenlijke leger van den pharao omtrent zesmaal honderdduizend
+man telde. Behalve een groot aantal strijdwagens en dertigduizend
+Karische en Ionische soldaten, en het gendarmerie-korps van de Mazaïoe
+[426], hadden zich tweemaal honderd-vijftigduizend Kalasiriërs,
+honderd-zestigduizend Hermotybiërs, twintigduizend ruiters [427]
+en ongeveer vijftigduizend man hulptroepen, onder welke de Libysche
+Mascha-wascha [428] zich door hun ouden krijgsroem, de Ethiopiërs
+zich door hun groot aantal onderscheidden, onder de vanen van
+Psamtik vereenigd. Het voetvolk was in regimenten en compagnieën
+ingedeeld, die zich onder verschillende veldteekens [429] schaarden,
+en iedere afdeeling had hare eigene wapening en kleeding. Men zag
+zwaar gewapenden met groote schilden, lansen en dolken [430]; bijl-
+en zwaardvechters met kleine schilden en korte knotsen; slingeraars,
+en schutters, die verreweg de meerderheid van het leger uitmaakten,
+wier ongespannen bogen de hoogte van een mensch bereikten. De ruiters
+waren alleen met een schort gekleed, en hadden geen ander wapen dan
+eene lichte knots in den vorm eener morgenster; terwijl daarentegen
+de wagenstrijders, die tot de aanzienlijksten van de krijgerskaste
+behoorden, zeer kostbaar uitgedost ten oorlog trokken, en zoowel
+aan het tuig hunner schoone wereldberoemde paarden, als aan hunne
+tweewielige voertuigen schatten besteedden. Het besturen van zulk een
+strijdwagen was geheel aan de zorg van den wagenmenner opgedragen,
+die naast den krijgsman stond; deze zelf dacht aan niets anders, dan
+hoe hij het best gebruik zou maken van boog en lans.--Het voetvolk
+van de Perzen was niet veel talrijker dan dat der Egyptenaren, doch
+de Aziatische ruiterij was wel zesmaal sterker dan die der bewoners
+van het Nijldal.
+
+Zoodra de beide legers tegenover elkander stonden, deed Cambyzes de
+struiken en boomen der uitgestrekte Pelusinische vlakte weghakken,
+en de zandheuvels die zich hier en daar verhieven slechten, ten einde
+voor zijne ruiters en strijdwagens ruim baan te maken. Phanes stond
+hem met zijne nauwkeurige kennis van de plaatselijke gesteldheid
+getrouw ter zijde, en wist te bewerken, dat zijne, met groote
+krijgskunde ontworpene plannen niet alleen door Cambyzes, maar ook
+door den grijzen opperbevelhebber Megabyzus en de meest ervarene
+Achaemeniden werden goedgekeurd. Zijne kennis van het terrein was
+van te meer waarde, omdat de vlakte van Pelusium doorsneden werd door
+moerassen, die door de Perzen, wilden zij den slag winnen, zorgvuldig
+vermeden moesten worden. Na afloop van den krijgsraad verzocht de
+Athener nog eens het woord, en nu sprak hij: »Thans mag ik eindelijk
+ook uwe nieuwsgierigheid naar den inhoud der geslotene wagens, die ik
+hierheen heb doen brengen, bevredigen. Die wagens bevatten vijfduizend
+katten.--Gij lacht! Ik verzeker u echter, dat deze dieren ons van
+meer nut zullen zijn dan honderdduizend zwaardvechters. Velen van
+u zijn bekend met het bijgeloof der Egyptenaren, dat hun eerder de
+hand aan hun eigen leven, dan aan dat eener kat zou doen slaan. Ik
+zelf heb vroeger, door het dooden van zulk een dier, bijna mijn leven
+verspeeld. Gedachtig aan dit bijgeloof, heb ik, waar ik ook kwam,
+op Cyprus bijvoorbeeld, waar men prachtige muizenvangers vindt, op
+Samos, Creta en in geheel Syrië, alle katten, die men maar meester
+kon worden, doen vangen. Thans doe ik het voorstel deze dieren te
+verdeelen onder de soldaten, die tegen de eigenlijke Egyptische troepen
+zullen worden aangevoerd, opdat zij ze dan op hunne schilden binden,
+en ze den Egyptenaren voorhouden. Ik ben overtuigd, dat ieder echt
+Egyptenaar liever het slagveld zal verlaten, dan op een dier heilige
+dieren schieten!"
+
+Met een schaterend gelach werd dit voorstel begroet, dat bij nadere
+overweging met algemeene stemmen werd aangenomen. Cambyzes bood
+den vindingrijken Athener de hand ten kus, vergoedde hem de gemaakte
+onkosten met een zeer rijk geschenk, en drong bij hem aan, dat hij met
+eene der aanzienlijkste Perzische vrouwen in het huwelijk zou treden
+[431]. Daarop noodigde hij den Athener aan zijn avondmaaltijd. Deze
+verontschuldigde zich echter, zeggende, dat hij noodzakelijk de
+Ionische troepen moest gaan monsteren, over welke hem het bevel was
+opgedragen, en die hij ter nauwernood kende. Hij begaf zich dus naar
+zijne tent.
+
+Aan den ingang er van vond hij zijn slaaf, in vrij hevige
+woordenwisseling met een zwaar gebaarden, in lompen gekleeden,
+morsigen ouden man, die met alle geweld Phanes op staanden voet wilde
+spreken. Phanes, meenende een bedelaar voor zich te zien, wierp hem
+een goudstuk toe; doch de oude zag niet eens naar de rijke gift, die
+aan zijne voeten nederviel, maar riep, hem bij den mantel vattende:
+»Ik ben Aristomachus van Sparta!"
+
+Nu herkende Phanes zijn vriend, die door lijden en ontbering veel
+had geleden, en bijna onkenbaar was geworden. Hij leidde hem in zijne
+tent, liet hem de voeten wasschen en het hoofd zalven, versterkte hem
+met wijn en vleesch, ontdeed hem van zijne lompen, en wierp hem eene
+nieuwe chiton om de vermagerde maar nog altijd gespierde schouders.
+
+Aristomachus liet hem stil begaan. Nadat hij zich met de voedzame
+spijs en den opwekkenden drank een weinig versterkt had, beantwoordde
+hij eerst de vragen van den ongeduldigen Athener, en verhaalde hem
+het volgende: »Toen Psamtik het zoontje van Phanes vermoord had,
+was hij, Aristomachus, tot hem gegaan met de stellige verklaring,
+dat hij al zijn volk zou aansporen den Egyptischen dienst te verlaten,
+indien men niet onmiddellijk het dochterke van zijn vriend in vrijheid
+stelde, en voldoende rekenschap gaf van de wijze waarop het knaapje
+zoo opeens was verdwenen. De kroonprins beloofde de zaak in beraad
+te zullen nemen. Toen de Spartaan twee dagen later zich des nachts
+scheep begaf, om naar Memphis te varen, werd hij door Ethiopische
+soldaten aangegrepen, gekneveld en in het donkere ruim van een
+vaartuig geworpen, dat na eene reis van vele dagen en nachten, aan
+een hem onbekenden oever het anker liet vallen. Nu bevrijdde men
+den gevangene uit zijn bedompten kerker, en voerde hem, onder eene
+brandende hitte, door eene woestijn langs rotsen van de zonderlingste
+gedaante naar het oosten. Eindelijk bereikte men een gebergte, aan
+welks voet een aantal hutten verspreid lagen. Het waren de woningen
+der ontelbaren, die met ketenen aan de voeten, des morgens in de
+schacht van een bergwerk werden gedreven, om daar uit den harden
+rotssteen goudkorrels te hakken [432]. Velen dier ongelukkigen hadden
+reeds langer dan veertig jaren in dit oord van jammer en ellende
+doorgebracht; de meeste veroordeelden echter werden; tengevolge van de
+geweldige krachtsinspanning, die van hen gevergd werd, en de bijkans
+ondraaglijke hitte, die hun tegenstroomde, zoodra zij de koele schacht
+verlieten, door een vroegen dood uit hun lijden verlost.
+
+»Mijne lotgenooten," vervolgde Aristomachus, »waren deels ter dood
+veroordeelde moordenaars, doch die genade hadden gekregen, deels van
+hunne tong beroofde staatsmisdadigers, deels menschen die voor den
+koning gevaarlijk waren en door hem gevreesd werden, gelijk ik. Drie
+lange maanden arbeidde ik in het gezelschap van dat gespuis, gedurig
+bedreigd door den stok der opzichters, versmachtende in de hitte
+van den middag, verkleumende wanneer de koele dauw van den nacht op
+mijne naakte huid nederviel, den dood dagelijks voor oogen ziende, en
+slechts staande blijvende door de hoop op wraak op mijne vervolgers. En
+de goden bestuurden het zóo dat, bij gelegenheid van het feest van
+Pacht [433], onze wachters, overeenkomstig de in Egypte heerschende
+gewoonte, zich te buiten gingen aan den wijn, zoodat zij in diepen
+slaap verzonken, en niet bemerkten hoe ik en een jonge gevangen Jood,
+wiens misdaad was valsch gewicht te hebben gebruikt, en die daarom
+van zijne rechterhand was beroofd geworden, op de vlucht gingen. Zeus
+Lacedaemonius en de groote God van dien jongeling stonden ons ter
+zijde, en sloegen onze vervolgers, wier stemmen wij dikwerf zoo dicht
+achter ons hoorden, dat wij ze onderscheiden konden, met blindheid.
+
+»Met een boog, dien ik een onzer wachters ontstolen had, voorzag
+ik in ons onderhoud. Waar zich geen wild opdeed, daar voedden wij
+ons met wortels, boomvruchten en vogeleieren. De stand van zon
+en sterren hielp ons den rechten weg vinden. Wetende dat de Roode
+Zee niet ver van de bergwerken verwijderd was, en dat wij in het
+zuiden van Memphis en Thebe hadden vertoefd, waren wij er op bedacht
+altijd noordwaarts te trekken. Eindelijk bereikten wij het zeestrand,
+waar wij menschlievende zeelieden vonden, die ons verpleegden, tot
+wij aan boord van een Arabisch schip gingen, dat mij en den Jood,
+die de taal dier lieden verstond, naar Ezeon-Geber, in het land der
+Edomieten bracht. Daar vernamen wij dat Cambyzes met een machtig leger
+tegen Egypte oprukte, en reisden met eene Amalekietische ruiterbende,
+die de Perzen van water moest voorzien, naar Harma. Van daar zwierf
+ik met de achterhoede van het groote Aziatische leger, bij welke ik
+soms medelijdende kerels vond, die mij een eindweegs op hunne paarden
+lieten rijden, naar Pelusium, en vernam daar dadelijk, dat gij den
+grooten koning als krijgsoverste diendet.--Ik heb mijn eed gehouden,
+en de belangen der Hellenen in Egypte getrouw behartigd; thans is de
+beurt aan u, den ouden Aristomachus te helpen, en hem het eenige te
+verschaffen, waarnaar hij smachtend verlangt: wraak op zijne vijanden!"
+
+»Die zal u gegeven worden," riep de Athener, terwijl hij de
+hand van den grijsaard drukte. »Ik zal u aan de spits der
+zwaargewapende Milesiërs stellen, en u volle vrijheid laten,
+tegen onze gemeenschappelijke vijanden te woeden zooveel gij maar
+wilt! Maar daarmede heb ik mij nog in lange niet van den plicht der
+dankbaarheid gekweten, en ik prijs de goden, dat zij mij het geluk
+beschoren hebben, u door een enkel woord gelukkig te maken.--Weet,
+dat weinige dagen na uw verdwijnen een Spartaansch schip, onder bevel
+van uw voortreffelijken zoon, te Naucratis is binnengeloopen, om u,
+den vader van twee overwinnaars in de Olympische spelen, op bevel
+der ephoren naar uw vaderland terug te brengen!"
+
+Bij dit bericht voer den grijsaard eene trilling van vreugde
+door de leden; tranen welden er in zijne oogen, en zijne lippen
+prevelden zachtkens een gebed. Daarop sloeg hij zich met de vlakke
+hand voor het voorhoofd, en zeide met bevende stem: »Thans wordt het
+verwezenlijkt,--thans zal het waarheid worden!--Vergeef mij, Phoebus
+Apollo, dat ik aan de woorden uwe priesteres dorst twijfelen! Wat
+beloofde de godspraak mij?
+
+
+ 'Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen
+ In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,
+ Dan voert de ranke boot u, moe van 't ommedwalen,
+ Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt;
+ En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven
+ Wat gij zoo lang, met rouw in 't hart, moest derven.'
+
+
+»Thans wordt vervuld, wat de god mij heeft toegezegd. Thans mag,
+thans wil ik naar mijn vaderland terugkeeren! Eerst echter hef ik
+de handen op en bid Dike, de godin der eeuwige rechtvaardigheid,
+dat zij mij het zalige genot der wrake niet onthoude!"
+
+»Morgen breekt de dag der vergelding aan!" riep Phanes, met het
+gebed van den ouden man instemmende. »Morgen breng ik aan de schim
+van mijn zoon de doodenoffers, en ik zal mij niet ter ruste begeven,
+alvorens Cambyzes, met de door mij gepunte pijlen, het hart van Egypte
+heeft getroffen!--Kom thans, mijn vriend, en laat mij u aan den koning
+voorstellen. Een man als gij zijt drijft een ganschen hoop Egyptische
+slingeraars op de vlucht!"
+
+'t Was intusschen nacht geworden. Daar de onversterkte legerplaats
+der Perzen ieder oogenblik blootlag voor een aanval van den vijand,
+stonden de soldaten op den hun aangewezen post in het gelid. De
+voetknechten leunden op hunne schilden en speren, en de ruiters hielden
+zich bij hunne gezadelde en getoomde paarden naast de wachtvuren
+strijdvaardig. Cambyzes reed de rijen zijner helden langs, en verhoogde
+aller moed en strijdlust door groet en toespraak. Alleen het centrum
+van het leger had zich nog niet geordend, daar dit was samengesteld
+uit de Perzische lijfwachten, de stafdragers, de Onsterfelijken en
+de bloedverwanten des konings, die onder zijn onmiddellijk bevel
+tegen den vijand moesten oprukken. Verder hadden zich de Grieken uit
+Klein-Azië op last van Phanes ter ruste begeven, in plaats van thans
+reeds aan te treden. De Athener had begrepen, dat zijne soldaten al
+hunne krachten voor den aanstaanden strijd van noode hadden, en hun
+dus toegestaan zich, geheel gekleed en gewapend, te slapen te leggen,
+terwijl hij over hen waakte. Aristomachus was door de Ioniërs met
+groot gejuich ontvangen en door den koning met een vriendelijk woord
+verwelkomd. Hij had van dezen den vereerenden last ontvangen, aan
+het hoofd van de helft der Hellenen de linkerflank van het centrum
+te dekken, terwijl Phanes met de andere helft aan de rechterzijde
+der koninklijke garde zou strijden. De koning had zich voorbehouden
+aan het hoofd der tienduizend Onsterfelijken, aan wier spits de
+blauw-rood-gouden rijksbanier en de vaan van Kawe wapperde [434],
+het gevecht te besturen. Bartja had het commando over het regiment
+Perzische lijfwachten, duizend man sterk, en de van het hoofd tot
+de voeten gepantserde cavalerie op zich genomen. Cresus eindelijk
+voerde het bevel over de afdeeling van het leger, belast met het
+bewaken van de onmetelijke schatten, die het leger met zich voerde,
+van de vrouwen der edelen, en de moeder en zuster van den koning.
+
+Zoodra de lichtende Mithra boven de kim verrees, en de duistere geesten
+van den nacht zich in hunne holen terugtrokken, werd het heilige vuur,
+dat van Babylon aan de spits van het heir vooruit gedragen was, tot
+eene verbazende hoogte opgestookt en door de magiërs en den koning
+met kostbare reukwerken gevoed. Daarop bracht Cambyzes het offer, en
+smeekte, terwijl hij de gouden schaal ophief, om overwinning en roem.
+
+Hierop gaf hij den Perzen het wachtwoord: 'Aoeramazda, helper en
+aanvoerder', en stelde zich aan het hoofd zijner garde, wier tulbanden
+met kransen waren versierd. Ook de Hellenen verrichtten hun offer, en
+hieven een ontzaglijk gejuich aan, toen de priesters hun aankondigden,
+dat de voorteekenen hun de overwinning beloofden. 'Hebe' was hun
+parool [435].--Ook de Egyptische priesters hadden den dag met offer en
+gebed begonnen, waarna de troepen zich in slagorde schaarden. Voor het
+centrum reed Psamtik op een gouden wagen met booghouders van hetzelfde
+metaal. Zijne paarden waren getooid met purperen dekken en schabrakken
+van gouddraad, en droegen struisvederen op de fiere koppen. Zijn
+wagenmenner stamde af van een aanzienlijk Egyptisch geslacht [436], en
+stond met de teugels en de zweep in de hand ter linkerzijde van zijn
+vorst, die de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte droeg. Links
+van het centrum moesten de Helleensche, rechts de Carische soldaten
+strijden. De ruiterij stond aan de uiterste einden van de beide
+vleugels van het leger; de Egyptische en Ethiopische voetknechten
+hadden zich rechts en links van de wagenstrijders en Hellenen in zes
+gelederen geschaard.
+
+Psamtik liet zich langs de rijen zijner dapperen rijden en hield
+eenige oogenblikken voor de Hellenen stil. Hij sprak hun op deze
+wijze toe: »Het verheugt mij, gij helden, van wier dapperheid
+Cyprus en Lybië getuigen kunnen, dat ik ditmaal uw roem zal mogen
+deelen en uwe hoofden met nieuwe kransen sieren. Vreest niet dat ik,
+wanneer wij onze vijanden verdelgd hebben, uwe vrijheden zal gaan
+verkorten. Ik weet het: lasteraars hebben u in het oor geblazen, dat
+gij zulk een snooden ondank van mij te verwachten hebt; ik verzeker
+u echter dat, zoo wij overwinnen, ik u en uwe nakomelingen op alle
+wijzen zal begunstigen en bevoordeelen, en de Hellenen ten allen
+tijde de steunpilaren van mijn rijk zal noemen! Bedenkt verder, dat
+gij heden niet alleen voor mij, maar voor de vrijheid van uw eigen
+vaderland zult strijden. Het ligt toch voor de hand dat Cambyzes,
+indien hij Egypte onder den voet krijgt, niet tevreden zal zijn met
+deze éene zegepraal, maar al spoedig de begeerige hand zal uitstrekken
+naar het schoone Hellas en zijne eilanden. Behoef ik u er nog op te
+wijzen hoe deze juist ingesloten zijn door Egypte en het gebied uwer
+Aziatische broeders, die reeds als slaven onder het juk der Perzen
+zuchten?--Uwe toejuichingen bewijzen mij dat gij mij toestemt; ik
+verzoek u mij nog slechts een oogenblik aan te hooren, want mijn
+plicht gebiedt mij, den man te noemen, die niet alleen Egypte, maar
+ook zijn eigen vaderland voor goud aan den grooten koning van Perzië
+heeft verkocht. Die man heet Phanes!--Gij moogt niet morren als had
+ik gelasterd, want ik zweer u, dat diezelfde Phanes de door Cambyzes
+hem aangebodene schatten heeft aangenomen, en dezen beloofd hem niet
+slechts den weg naar Egypte te wijzen, maar hem ook de poorten van
+zijn en uw vaderland te openen. Deze man kent landen en volken door en
+door, en is voor geld tot alles in staat. Ziet gij niet, hoe hij ginds
+naast den koning op en neer gaat, hoe hij zich voor hem in het stof
+werpt? Is dat een Helleen? Ik meen wel eens gehoord te hebben, dat de
+Grieken zich slechts voor hunne goden dus vernederen. Maar in waarheid,
+wie zijn vaderland verkoopt, houdt op een burger er van te zijn!--Gij
+zijt het met mij eens? Gij weigert, den schelm langer uw landgenoot
+te noemen? Welnu, zoo wil ik de dochter van dien ellendeling, die ik
+als gijzelares heb moeten behouden, en die de vrek tegelijk met zijn
+vaderland verkocht, in uwe handen stellen. Doet met het kind van een
+schurk, wat u goeddunkt. Versiert het met rozen, valt voor hetzelve
+neder; maar vergeet niet, dat het den man toebehoort, die den naam
+'Helleen' te schande maakte, die u, die zijn vaderland verried!"
+
+De Grieken hieven na deze toespraak een geweldig geschreeuw
+aan, terwijl zij het bevende meisje uit de handen van den koning
+ontvingen. Een ruw soldaat hief het ongelukkige schepseltje in de
+hoogte, en toonde het aan den vader, die haar duidelijk herkennen
+kon, daar de beide legers slechts een boogschot van elkaar verwijderd
+waren. Tegelijk brulde een Egyptenaar, die zich later door zijn luide
+stem beroemd maakte [437], den bevenden vader toe: »Geef acht, Athener,
+hoe men hier te lande verraders straft!"--Een Kariër greep het mengvat,
+welks inhoud hem en zijne makkers bedwelmd had, stiet zijn zwaard
+in de borst van het kind, liet het onschuldige bloed in het metalen
+vat vloeien, vulde een beker met het afschuwelijke mengsel en ledigde
+dien, als dronk hij het welzijn van den van woede en afschuw aan den
+grond genagelden vader. Als krankzinnigen vielen de andere soldaten
+op het mengvat aan, en slurpten, gelijk wilde dieren het door bloed
+verontreinigde druivensap [438].
+
+Op dit oogenblik schoot Psamtik, met een oog fonkelende van helsche
+vreugde, zijn eersten pijl op de Perzen af. De soldaten wierpen het
+lijkje van het kind met verachting van zich, hieven hun krijgslied
+aan, dronken van het ingezwolgen bloed, en snelden hunne Egyptische
+krijgsmakkers ver vooruit, den dood of de overwinning tegemoet. Maar
+ook de gelederen der Perzen stelden zich thans in beweging, en Phanes
+wierp zich, buiten zich zelf van woede en smart, gevolgd door zijne,
+over de schandelijke wreedheid hunner landgenooten, verontwaardigde
+zwaargewapenden, op dezelfde mannen, wier liefde hij door zijne
+tienjarige trouw meende te hebben verdiend en verworven.
+
+Toen de zon hare middaghoogte bereikt had, scheen zich het geluk der
+wapenen naar de zijde der Egyptenaren te neigen. Toen de dagtoorts
+op het punt was van uitgebluscht te worden, hadden de Perzen eenig
+voordeel behaald. En toen eindelijk de volle maan in al haar glans
+aan den hemel stond, verlieten de Egyptenaren in overijlde vlucht
+het slagveld, om den dood te vinden in de moerassen en in de golven
+van den Pelusinischen Nijlarm achter hen of onder de zwaarden der
+Aziaten, tot het laatste oogenblik voor de vrijheid van hun vaderland
+strijdende. Twintigduizend Perzen en vijftigduizend Egyptenaren bleven
+op het slagveld; de gekwetsten, verdronkenen en gevangenen waren
+nauwelijks te tellen [439]. Psamtik was onder de laatsten geweest,
+die het slagveld verlieten. Op een edel ros had hij, licht gewond, den
+anderen oever van den Nijl bereikt, en met weinige duizenden zijner
+getrouwen den weg naar Memphis ingeslagen. Want voor de versterking
+en verdediging der pyramidenstad waren alle voorzorgen genomen.
+
+Van de Hellenen, die onder de vanen van Psamtik gestreden hadden,
+waren slechts weinigen aan den dood ontkomen. Zoozeer had de naar
+wraak dorstende Phanes met zijne Ioniërs in hunne rijen gewoed. Tien
+duizend Kariërs werden gevangengenomen. Den moordenaar van zijn kind
+velde de Athener met eigen hand. Ook Aristomachus had, in spijt van
+zijn houten been, wonderen van dapperheid verricht. Toch was het
+zoo min hem, als iemand dergenen die hunne wraak te koelen hadden,
+mogen gelukken, Psamtik in handen te krijgen.
+
+Toen, na het einde van den slag, de Perzen juichend naar hunne
+legerplaatsen terugkeerden, werden zij door Cresus, de achtergeblevene
+priesters en soldaten met vreugdekreten ontvangen en met offers en
+gebeden werd den goden voor de roemrijke overwinning dank gebracht. Aan
+den anderen morgen riep de koning al de bevelhebbers bijeen, en
+verdeelde onder hen, naar hunne verdiensten, allerlei eereteekens,
+als: kostbare kleederen, gouden ketens, ringen, sabels en sterren
+van edelgesteenten, terwijl hij onder de soldaten gouden en zilveren
+munten deed uitstrooien.
+
+De hoofdaanval der Egyptenaren had het centrum van het Perzische
+leger gegolden, dat door den koning in persoon werd aangevoerd, en
+was zóo heftig geweest, dat de lijfwachten reeds begonnen te wijken,
+toen Bartja op het juiste oogenblik met zijne ruiterij aankwam,
+de vluchtenden met nieuwen moed bezielde, en eindelijk, vechtende
+als een leeuw, door zijne dapperheid en behendigheid den slag ten
+voordeele der Perzen besliste.
+
+De Perzen jubelden den jongeling te gemoet en noemden hem luide
+»Overwinnaar van Pelusium" en »den beste der Achaemeniden".
+
+Dit gejuich drong ten laatste ook tot den koning door en vervulde hem
+met spijt en wrok. Cambyzes was zich bewust, met waren heldenmoed
+en reuzenkracht gestreden te hebben, zonder zijn leven te sparen;
+en toch zou het met hem en zijn leger gedaan zijn geweest, zoo deze
+knaap hem niet intijds was ter hulp gesneld. Zijn broeder, die hem
+reeds het geluk verbitterd had, dat hem de liefde had kunnen schenken,
+ontstal hem nu de helft van zijn krijgsroem. Hij gevoelde dieper dan
+ooit dat hij Bartja haatte, en onwillekeurig balde hij de vuisten,
+toen hij den jongen man, op wiens gelaat een edel bewustzijn van
+eigenwaarde was te lezen, zag naderen.
+
+Phanes werd door zijne wonden aan zijn leger gebonden; naast hem lag
+Aristomachus, die doodelijk gekwetst was.
+
+»Toch heeft het orakel gelogen," mompelde de Spartaan. »Ik sterf,
+zonder mijn vaderland te hebben wedergezien!"
+
+»Het orakel sprak de waarheid!" antwoordde Phanes. »Hoe luidden de
+laatste woorden der Pythia?
+
+
+ 'Dan voert de boot u, moe van 't ommedwalen,
+ Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.'
+
+
+»Zoudt gij den zin dier woorden niet verkeerd hebben uitgelegd? Zij
+doelen ongetwijfeld op de boot van Charon, die u naar uw eigenlijk
+vaderland, naar de groote rustplaats van alle zwervers, naar het rijk
+van den Hades zal overvoeren."
+
+»Ja, gij hebt gelijk, mijn vriend, naar den Hades is de reis!"
+
+»En de vijf, de ephoren, hebben u vóor uw dood vergund, wat zij u
+zoo lang weigerden, namelijk, naar uw geliefd Lacedaemonië terug
+te keeren. Gij hebt alle reden om den goden dankbaar te zijn, die u
+zulke zonen en zulk een wraak op uwe vijanden schonken. Als ik van
+mijne wonden herstellen mag, zal ik naar Hellas trekken en uw zoon
+mededeelen, dat zijn vader een roemrijken dood gestorven is, na op
+zijn schild van het slagveld te zijn gedragen."
+
+»O, doe dat, en breng hem mijn schild, opdat hij het als eene
+gedachtenis van zijn ouden vader beware. Ik behoef hem overigens niet
+te vermanen steeds deugdzaam te zijn."
+
+»Zal ik Psamtik, wanneer wij hem in onze handen krijgen, zeggen dat
+gij niet weinig hebt bijgedragen tot zijn val?"
+
+»Dat is niet noodig, hij zag mij, alvorens te vluchten, en liet van
+schrik over deze onverwachte verschijning zijn boog vallen. Die hem
+vergezelden meenden, dat hij hun hiermede een teeken gaf, om hun heil
+in de vlucht te zoeken, en gehoorzaamden onmiddellijk."
+
+»De goden verderven den booswicht door zijne eigene wandaden. Psamtik
+liet den moed zinken, meenende, dat zelfs de geesten uit de onderwereld
+tegen hem te velde trokken."
+
+»Hij had met de levenden reeds de handen vol genoeg! De Perzen hebben
+goed gevochten. Niettemin zou zonder Bartja en zonder ons de slag
+verloren zijn geweest!"
+
+»Ongetwijfeld!"
+
+»Zeus Lacedaemonius, ik dank u!"
+
+»Bidt gij?"
+
+»Ik prijs de goden, die mij vergunnen van de aarde te vertrekken
+zonder zorg voor mijn vaderland. Deze bijeengeraapte benden zijn niet
+gevaarlijk voor den Griekschen staat.--Hei daar, arts! Wanneer zal
+ik sterven?"
+
+De heelmeester van Milete, die de Klein-Aziatische Grieken naar Egypte
+gevolgd was, glimlachte droevig, en zeide, wijzende op den pijl,
+die nog in de borst van den Spartaan stak: »Nog slechts weinige uren
+blijven u te leven overig. Zoodra ik het wapen uit de wonde trek,
+zult gij sterven."
+
+De Spartaan dankte den arts, zeide Phanes vaarwel, droeg hem de
+groete aan Rhodopis op, en trok, voordat men het hem kon beletten,
+met vaste hand den pijl uit zijne borst. Weinige oogenblikken later
+was hij een lijk.
+
+
+
+Dienzelfden dag bracht een Lesbisch vaartuig een Perzisch gezantschap
+naar Memphis, dat van den koning moest eischen zich en de stad op
+genade en ongenade over te geven. Cambyzes volgde het op den voet,
+na eene afdeeling van het leger onder Megabyzus te hebben afgezonden
+om het beleg voor Saïs te slaan.
+
+Te Heliopolis kwamen hem gezanten van de Helleensche inwoners van
+Naucratis en van de Lybiërs te gemoet, die hem baden om bescherming
+en vrede. Zij brachten hem een gouden krans, benevens rijke
+geschenken. Hij nam deze genadig aan, en gaf hun de verzekering
+zijner vriendschap. De afgevaardigden van Cyrene en Barka wees hij
+echter toornig terug, en hunne schatting, bedragende vijfhonderd
+zilverminen [440], die hem al te onbeduidend voorkwam, strooide hij
+met eigen hand onder zijne soldaten uit. Ter zelfder plaatse kreeg
+hij ook het bericht, dat de inwoners van Memphis, bij de aankomst
+van zijne gezanten, in menigte waren samengestroomd, het schip in
+den grond geboord, en die er op waren, zonder aanzien van personen,
+in stukken gescheurd en binnen de vesting gesleept hadden. Toen
+Cambyzes dit vernam werd hij woedend, en riep: »Bij Mithra, voor
+elken dezer vermoorden zullen tien inwoners van Memphis met hun
+leven boeten!"--Twee dagen later sloeg zijn leger voor de poorten der
+reuzenstad de tenten op. Slechts korten tijd duurde het beleg, daar
+de bezetting veel te klein was om de vesting behoorlijk te verdedigen,
+en de moed der burgerij na de nederlaag van Pelusium zeer gezonken was.
+
+Koning Psamtik zelf trok, aan het hoofd zijner voornaamste hofbeambten,
+zijn overwinnaar te gemoet. De ongelukkige man had zijne kleederen
+gescheurd en alle teekenen van rouw aangenomen. Cambyzes ontving hem
+met een koel zwijgen, en gebood dat men hem en zijn gevolg in hechtenis
+nemen en wegvoeren zou. De weduwe van Amasis, Ladice, die zich eveneens
+aan den Perzischen koning kwam vertoonen, werd met achting bejegend,
+en op voorspraak van Phanes, wien zij zich altijd genegen had betoond,
+onder veilig geleide naar haar vaderland Cyrene gezonden, waar zij
+bleef tot aan den val van haar neef Arkesilaus III, en de vlucht harer
+zuster Pheretime [441]. Toen nam zij de wijk naar Anthylla in Egypte,
+welke stad haar toebehoorde, en leefde daar in de grootste afzondering,
+tot zij in hoogen ouderdom overleed. Cambyzes achtte het beneden zich,
+het jegens hem gepleegde bedrog op eene vrouw te wreken, en koesterde
+buitendien als Pers te grooten eerbied voor eene moeder, vooral voor
+eene koninginne-moeder, om der weduwe van Amasis ook maar een haar
+te krenken. Terwijl Cambyzes de residentie Saïs belegerde en innam,
+vertoefde Psamtik in het paleis der pharao's streng bewaakt, doch te
+gelijk bejegend met al de onderscheiding, waarop een vorst aanspraak
+kon maken.
+
+Onder de voorname Egyptenaren, die het volk tot tegenstand hadden
+aangezet, nam Neithotep, de opperpriester van Neith, de eerste plaats
+in. Hij werd met honderd zijner ongelukkige medeschuldigen te Memphis
+in boeien geklonken. Het grootste deel van de koninklijke hofbeambten
+huldigde Cambyzes echter vrijwillig te Saïs. Zij noemden hem Ramestoe,
+dat is kind der zon, en verlangden dat hij zich plechtig tot koning
+van Opper- en Neder-Egypte zou laten kronen en zich volgens oud gebruik
+in de priesterkaste zou doen opnemen. Cambyzes liet zich dit alles op
+raad van Cresus en Phanes welgevallen, hoewel tegen zijn zin. Wat meer
+zegt: hij offerde zelfs in den tempel van Neith, en deed zich van den
+nieuwen opperpriester eene vluchtige verklaring geven van de beteekenis
+der mysteriën. Eenige oude hovelingen nam hij in zijne omgeving op,
+en aan vele rijksbeambten gaf hij hooge posten. Inzonderheid verstond
+de admiraal van Amasis' Nijlvloot de kunst om zich in de gunst te
+dringen, hij werd zelfs door Cambyzes tot zijn dischgenoot benoemd
+[442]. Toen de Perzische vorst eindelijk de stad verliet, stelde
+hij Megabyzus tot gouverneur aan. Doch nauwelijks had de koning Saïs
+verlaten of het volk, dat zich met moeite had ingehouden, gaf aan zijne
+woede lucht. Perzische wachten werden heimelijk vermoord, de bronnen
+vergiftigd en de stallen der ruiterij in brand gestoken. Megabyzus
+ging tot den koning, om zich over het voorgevallene te beklagen;
+hij trachtte Cambyzes te doen inzien hoe zulke vijandelijkheden licht
+tot openbaren opstand konden leiden, wanneer men ze niet onderdrukte
+door krachtig op te treden. »Laat," zoo zeide hij, »aan de tweeduizend
+jongelingen van Memphis, die gij ten zoenoffer voor den moord aan ons
+gezantschap gepleegd ter dood veroordeeld hebt, op staanden voet hun
+vonnis voltrekken. Ook zou het niet kwaad zijn den zoon van Psamtik,
+om wien het volk zich anders eens zeker ten opstand scharen zal,
+mede te doen sterven. De dochters van den vorigen koning en van den
+opperpriester Neithotep moeten, gelijk ik vernomen heb, water dragen
+voor de baden van den edelen Phanes."
+
+De Athener glimlachte, en zeide: »Cambyzes, mijn heer, heeft mij
+op mijn verzoek toegestaan er zulke voorname dienstmaagden op na
+te houden."
+
+»Maar u verboden," viel Cambyzes in, »een der leden van het gevallen
+vorstenhuis naar het leven te staan. Slechts een koning mag koningen
+straffen!"
+
+Phanes boog zich. Cambyzes wendde zich weder tot Megabyzus, en
+beval hem de tweeduizend veroordeelden den volgenden dag, tot een
+waarschuwend voorbeeld, ter dood te doen brengen. Betreffende het lot
+van den koningszoon zou hij later wel een besluit nemen; intusschen
+moest deze met de overige veroordeelden naar de gerechtsplaats
+worden geleid. »Men moet zien," riep hij, »dat wij van plan zijn,
+alle vijandelijkheden met de grootste gestrengheid te keer te gaan!"
+
+Toen Cresus het waagde om genade voor den onschuldigen knaap te
+smeeken, glimlachte Cambyzes, zeggende: »Wees gerust, oude vriend,
+het kind is nog in leven, en zal het misschien niet minder goed bij ons
+hebben, dan uw zoon, die bij Pelusium zoo dapper heeft gestreden! Maar
+ik zou gaarne weten of Psamtik zijn lot zoo gelaten en mannelijk weet
+te dragen als gij, nu vijf en twintig jaar geleden."
+
+»Dat is gemakkelijk te onderzoeken!" riep Phanes, »zoo het den
+koning slechts behaagt hem naar het slotplein te doen geleiden,
+en de gevangenen en veroordeelden voor zijn aangezicht te laten
+voorbijvoeren; dan zal het blijken, of hij zich als een man, dan wel
+als een lafhartige gedraagt."
+
+»Dat zal geschieden!" antwoordde Cambyzes. »Ik zal mij verborgen
+houden, en hem ongemerkt gadeslaan. Gij zult mij vergezellen, Phanes,
+en mij den naam en den stand van iederen gevangene noemen!"
+
+Aan den morgen van den volgenden dag begaf de Athener zich met den
+koning op het balkon, dat het uitgestrekte, met boomen beplante,
+slotplein omgaf. De planten en bloemen hielden de twee mannen
+verborgen, die de geringste beweging van menschen daar beneden opmerken
+en ieder woord verstaan konden. Door eenigen zijner vroegere hovelingen
+omgeven, leunde Psamtik tegen een palmboom en staarde met een somberen
+blik onafgebroken op den grond, terwijl zijne dochter en het kind van
+Neithotep, benevens andere aanzienlijke jonkvrouwen, als slavinnen
+gekleed, het plein overgingen, gevulde waterkannen dragende. Zoodra
+de meisjes den koning gewaarwerden, hieven zij luide klachten aan, die
+Psamtik uit zijn gemijmer opwekten. Hij herkende de jammerende maagden
+en boog zijn hoofd diep neder. Doch spoedig hief hij het weder op, en
+vroeg zijne oudste dochter, voor wien zij water droeg? Toen hij vernam,
+dat zij voor Phanes het werk van slavinnen verrichten moest, verbleekte
+hij, liet het hoofd op de borst vallen, en riep de meisjes toe: »Gaat!"
+
+Weinige oogenblikken later betraden de gevangenen het plein, met
+strikken om den hals en toomen in den mond, door Perzische wachters
+geleid [443]. De trein werd geopend door den kleinen Necho, die de
+handjes naar zijn vader uitstrekte, en hem bad de vreemde, booze
+menschen, die hem wilden dooden te straffen. De Egyptenaren konden
+hunne tranen niet bedwingen, toen zij deze woorden van den knaap,
+hun kroonprins, vernamen. Doch de oogen van Psamtik bleven droog, en
+wederom vestigde hij den blik op den grond, en wenkte den weenenden
+knaap met de hand een laatst vaarwel toe.
+
+Kort daarop verschenen zij, die te Saïs in hechtenis waren
+genomen. Onder dezen bevond zich ook de grijze Neithotep. De vroegere
+opperpriester was in lompen gehuld en strompelde met moeite voort,
+leunende op een stok. De poort binnentredende en de oogen opslaande,
+zag hij zijn ouden leerling Darius. Vergetende waar hij zich bevond,
+liep hij aanstonds naar dezen toe, klaagde hem zijn nood, bad hem
+om zijne hulp en voorspraak, en eindigde met om eene aalmoes te
+smeeken. Darius schonk hem een rijke gift, 't geen ten gevolge had,
+dat de andere Achaemeniden, die in de, nabijheid stonden, den oude
+schertsend tot zich riepen, en hem kleine muntstukken toewierpen,
+die hij niet zonder moeite en met vele dankbetuigingen opraapte. Toen
+Psamtik dit gewaarwerd, barstte hij in tranen los, riep op smartelijken
+toon zijn ouden vriend bij den naam, en sloeg zich met de krampachtig
+gesloten vuist voor het voorhoofd.
+
+Cambyzes verwonderde zich hierover, verwijderde de bloemen en
+planten, waarachter hij zich tot dusver had verborgen gehouden, en
+riep den ongelukkige toe: »Zeg mij, zonderling mensch, waarom gij,
+bij de aanschouwing van uwe diep vernederde dochter, en van uw zoon
+die den dood te gemoet gaat, niet geweeklaagd en geschreid hebt, en
+jegens een bedelaar, die niet eens tot uw huis behoort, zoo groote
+deelneming aan den dag legt?"
+
+Psamtik zag naar zijn overwinnaar op, en antwoordde: »Het ongeluk
+van mijn huis, zoon van Cyrus, is te groot voor mijne tranen; het
+lot van een vriend, die op hoogen ouderdom, van den aanzienlijksten
+en gelukkigsten man in het rijk een ellendige bedelaar is geworden,
+mag ik echter beweenen!"
+
+Cambyzes knikte den armen vorst minzaam toe, en toen hij zich
+omkeerde, bemerkte hij, dat niet alleen in zijn oog een traan was
+opgeweld. Cresus, Bartja en alle aanwezige Perzen, ja zelfs Phanes,
+die beiden koningen tot tolk had gediend, waren diep geroerd. De
+trotsche veroveraar had een welbehagen in deze tranen, en sprak, zich
+tot den Athener wendende: »Mij dunkt, Helleensche vriend, dat wij
+genoeg gewroken zijn.--Sta op, Psamtik, en beproef gelijk deze edele
+grijsaard--dit zeggende wees hij op Cresus--u aan uw tegenwoordig lot
+te gewennen. Het bedrog van uw vader is aan u en aan uw huis streng
+genoeg vergolden geworden. Dezelfde kroon, die Amasis de dochter van
+Hophra, mijne onvergetelijke gemalin, ontroofd heeft, heb ik u van
+het hoofd gerukt. Om Nitetis' wil heb ik dezen oorlog begonnen; thans
+schenk ik uw zoon het leven, wijl zij hem heeft liefgehad. Voortaan
+moogt gij als onze dischgenoot in volle vrijheid aan ons hof verkeeren,
+en de eer mijner grooten deelen. Ga den knaap halen, Gyges! Hij zal,
+gelijk gij voorheen, met de zonen der Achaemeniden worden opgevoed."
+
+De Lydiër snelde naar de deur van het balkon, om dezen hem zoo
+aangenamen last ten uitvoer te brengen, doch eer hij deze had
+bereikt, riep Phanes hem terug. Met opgericht hoofd en een fier
+gelaat plaatste zich de Athener tusschen den koning en Psamtik,
+die van zalige verrukking stond te trillen, en zeide:
+
+»Uw gang, edele Lydiër, zou vergeefsch zijn; Necho, de zoon
+van Psamtik, is reeds niet meer! Ondanks uw bevel, mijn vorst,
+heb ik, onder voorwendsel dat ik eene volmacht van u bezat, den
+beul doen bevelen den kleinzoon van Amasis, als zijnde de eerste
+en aanzienlijkste van al de gevangenen, ter dood te brengen. Het
+horengeschal, dat gij zoo even vernomen hebt, was het teeken dat
+de laatste aan den Nijl geboren kroonprins van Egypte den adem had
+uitgeblazen. Ik weet wat mij te wachten staat, Cambyzes, en bid niet
+om een leven, welks hoogste doel thans bereikt is. Ook uw verwijtenden
+blik, o Cresus, versta ik. Gij beklaagt de vermoorde kinderen; maar
+och, het leven is zulk een samenweefsel van jammer en teleurstelling,
+dat ik, met uw grooten raadsman Solon, hem het gelukkigst acht, wien
+de goden, gelijk weleer aan Kleobis en Biton [444], een vroegen dood
+geven. Zoo ik ooit genade in uwe oogen heb gevonden, Cambyzes, zoo
+mijne raadgevingen u van eenig nut zijn geweest, veroorloof mij dan,
+als eene laatste gunst, nog enkele woorden te spreken. Gij, Psamtik,
+weet, wat ons tot vijanden heeft gemaakt. Gij allen, aan wier achting
+mij veel gelegen is, zult het thans evenzeer vernemen.
+
+»Door den vader van dezen man werd ik in zijne plaats tot bevelhebber
+der tegen Cyprus gezondene troepen benoemd en streed met roem, terwijl
+hij slechts vernedering en schande had geoogst; tegen mijn wil, werd
+ik bekend met een geheim, dat zeer gevaarlijk had kunnen worden voor
+zijne aanspraken op den troon; eindelijk belette ik hem, eene deugdzame
+jonkvrouw weg te voeren uit het huis harer grootmoeder, eene vrouw,
+die door alle Hellenen hooggeacht en geëerbiedigd wordt.--Dat is het,
+wat hij mij nooit heeft kunnen vergeven, en hem heeft bewogen mij, toen
+ik den dienst van zijn vader verlaten moest, tot een strijd op leven
+en dood uit te dagen. Thans is onze worsteling beslist. Gij hebt mijne
+onschuldige kinderen doen vermoorden, en op mij als op een schadelijk
+ondier jacht gemaakt; dat is uwe geheele wraakoefening geweest! Ik
+heb u van den troon gestooten en u en uw volk tot slaven gemaakt. Ik
+heb uwe dochter mijne slavin genoemd, uw zoon heb ik doen ombrengen,
+en ik heb gezien hoe hetzelfde meisje, dat gij eenmaal vervolgdet,
+de gelukkige gade van een held is geworden. Gij, gevallen koning,
+hebt mij rijker en machtiger dan een mijner landslieden zien worden;
+gij, ongelukkige, moest mij--en dit was het schoonste gedeelte mijner
+wraak--van mededoogen met uw ijzingwekkend lot zien weenen!--Wie,
+gelijk ik, de diepste rampzaligheid van zijn vijand slechts eene
+seconde overleven mag, dien noem ik even gelukkig als de zalige
+goden. Thans heb ik niets meer te zeggen!"
+
+Phanes zweeg en drukte zijn hand op zijn wond. Cambyzes zag hem
+een tijdlang met de grootste verbazing aan, deed daarop een stap
+voorwaarts, en wilde reeds den gordel van den Athener aanraken, een
+teeken, dat met de onderteekening van een doodvonnis gelijkstond
+[445], toen zijn blik op de keten viel, die hij den Athener, tot
+belooning voor de behendigheid waarmede hij de onschuld van Nitetis
+had bewezen, om den hals had gehangen. De gedachte aan de vrouw
+zijner eenige liefde, en aan de dankbaarheid die hij verschuldigd
+was aan dezen zeldzamen man, wegens verschillende door hem bewezene
+diensten, onderdrukte zijn toorn, en deed zijne, tot het noodlottige
+sein reeds opgehevene hand weder zinken. Gedurende enkele seconden
+stond de strenge vorst tegenover den ongehoorzamen vriend, toen hief
+hij andermaal, aan eene plotselinge ingeving gehoor gevende, zijne
+rechterhand op, en wees gebiedend naar den uitgang van het plein.
+
+Phanes boog zich zwijgend, kuste het kleed van den koning en steeg
+langzaam de trap af naar het plein. Psamtik zag hem na met verbeten
+woede, sprong toen naar de borstwering van het balkon, doch zonk,
+eer hij zijne lippen tot een vloek had kunnen openen, uitgeput neder.
+
+Cambyzes wenkte zijn gevolg, en gebood zijn jachtmeester de
+toebereidselen te maken tot eene leeuwenjacht in de Lybische bergen.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK
+
+
+De Nijl begon wederom te wassen. Sedert het vertrek van Phanes waren
+twee maanden voorbijgegaan, rijk aan gebeurtenissen. Op denzelfden
+dag, op welken de Athener Egypte verliet, had Sappho haar Bartja
+eene dochter geschonken. Onder de verpleging harer grootmoeder was
+zij spoedig zoo ver hersteld, dat zij aan een tochtje op den Nijl,
+hetwelk op voorslag van Cresus plaats vond, bij gelegenheid van het
+feest van Neith, deel kon nemen. Het jeugdige paar woonde niet meer te
+Memphis, daar Bartja met 's konings toestemming het paleis te Saïs had
+betrokken, om de uitbarstingen van woede van zijn broeder te ontwijken,
+die sedert de vlucht van Phanes zeer waren toegenomen. Ook Rhodopis,
+in wier huis de Lydiër met zijn zoon, Bartja, Darius en Zopyrus zich
+vaak vereenigden, sloot zich bij het gezelschap aan.
+
+Aan den morgen van het feest besteeg men, omstreeks acht mijlen
+beneden Memphis, een keurig versierde bark, en voer den stroom op,
+door een gunstigen noordenwind en talrijke roeiers voortgestuwd. Onder
+het deels vergulde, deels met bonte kleuren beschilderde houten dak,
+dat het midden van het dek overwelfde, had zich het reisgezelschap
+neergevlijd, om tegen de brandende zonnestralen genoegzaam beschut
+te zijn. Cresus had aan de zijde der eerbiedwaardige matrone plaats
+genomen; de Milesiër Theopompus zat aan hare voeten. Sappho liet
+haar hoofdjen op Bartja's schouder rusten. Syloson, de broeder van
+Polycrates, lag naast Darius, die, in gepeins verdiept, onafgebroken
+in het water staarde, terwijl Gyges en Zopyrus van de bloemen, die
+een Egyptische slaaf hun ter hand stelde, kransen voor de hoofden
+der beide vrouwen vlochten.
+
+»Het is bijkans niet te gelooven," zeide Bartja, »dat wij den stroom
+tegen hebben. De boot vliegt als eene zwaluw over het water."
+
+»Dat komt van den fikschen noordenwind, die ons het voorhoofd
+verfrischt," antwoordde Theopompus. »Ook verstaan de Egyptische
+roeiers hun werk in den grond."
+
+»En werken met verdubbelden ijver," liet Cresus er op volgen, »wijl
+het tegen den stroom opgaat. Slechts dan, als we tegenstand vinden,
+zijn wij gewoon al onze krachten in te spannen."
+
+»Terwijl wij ons zelven bezwaren scheppen," sprak Rhodopis, »wanneer
+het lot onze levensboot met een kalmen, gunstigen stroom voortstuwt."
+
+»Zoo is het!" riep Darius. »De edele heeft een afkeer van dat
+gemakkelijke met den stroom meedrijven. Onder werkelooze rust zijn
+alle menschen gelijk; daarom hebben wij behoefte aan strijd, om te
+kunnen toonen, dat wij beter zijn en meer vermogen dan anderen."
+
+»Maar de edele strijders moeten zich wachten, twist- en
+tweedrachtstokers te worden," merkte Rhodopis aan. »Ziet gij ginds die
+watermeloenen, die als gouden kogels over den zwarten grond verspreid
+liggen? Had de landman het zaad met te milde hand uitgestrooid, geene
+enkele vrucht zou tot rijpheid zijn gekomen. De al te weelderige ranken
+en bladeren zouden ze verstikt en den oogst verijdeld hebben. Strijd
+en arbeid, ziedaar 's menschen bestemming. Maar ook hierin moet
+hij, gelijk in alle zaken, maat weten te houden, zal zijn streven de
+gewenschte uitkomst hebben. Nimmer de juiste grenzen te overschrijden,
+dat is het geheim van den wijze."
+
+»O, dat de koning u hoorde spreken!" riep Cresus. »In plaats van
+met zijne groote verovering tevreden en op het geluk zijner tallooze
+onderdanen bedacht te zijn, denkt hij er slechts aan, hoe hij nieuwe
+overwinningen zal behalen. De gansche wereld zou hij gaarne onder den
+voet hebben, terwijl hij zichzelf sedert de verbanning van Phanes,
+bijna dagelijks door den Diw der dronkenschap ter aarde laat werpen."
+
+»Heeft dan zijne edele moeder volstrekt geen invloed meer op
+hem?" vroeg Rhodopis.
+
+»Zij heeft hem niet eens kunnen afbrengen van zijn voornemen om
+Atossa te huwen, en in eigen persoon heeft zij het bruiloftsmaal
+moeten bijwonen!"
+
+»Arme Atossa!" fluisterde Sappho.
+
+»Als koningin van Perzië doorleeft zij ook geen gulden dagen," zeide
+Cresus, »en haar leven, aan de zijde van haar broederlijken gemaal,
+zal op den duur juist daarom te treuriger zijn, wijl zij niet minder
+opvliegend is dan hij. Cambyzes moet haar helaas zeer achteloos
+behandelen, daar hij in haar altijd nog slechts een kind ziet. De
+Egyptenaren vinden overigens in dit huwelijk niets buitengewoons, want
+ook bij hen worden niet zelden broeder en zuster man en vrouw." [446]
+
+»En ook in Perzië," merkte Darius aan, ofschoon hij niet het
+geringste liet merken van wat er in zijn binnenste omging, »acht men
+verbintenissen met bloedverwanten de beste huwelijken."
+
+»Om echter op den koning terug te komen," zeide Cresus, die, om den
+zoon van Hystaspes te sparen, aan het gesprek zoo spoedig mogelijk
+eene andere wending gaf, »ik verzeker u, Rhodopis, dat hij toch
+volstrekt geen slecht mensch is. Op zijne, in hartstocht en toorn
+begane misslagen, volgt altijd onmiddellijk een welgemeend berouw,
+en nooit heeft hij opgehouden zich telkens opnieuw voor te nemen een
+goed en rechtvaardig vorst te zijn. Onlangs bijvoorbeeld vroeg hij,
+gedurende den maaltijd, voordat nog de wijn zijn geest beneveld had,
+hoe de Perzen wel over hem, in vergelijking met zijn vader, dachten."
+
+»En wat was het antwoord?" vroeg Rhodopis.
+
+»Intaphernes redde ons handig uit de verlegenheid," zeide Zopyrus
+lachend. »Want hij antwoordde den koning: 'Wij houden het er voor,
+dat gij uw vader overtreft, omdat gij het gebied van Cyrus niet alleen
+ongeschonden weet te bewaren, maar ons rijk door de verovering van
+Egypte zelfs over de zee hebt weten uit te breiden!' Maar dit antwoord
+behaagde den koning niet, want hij sloeg met de vuist op de tafel,
+en riep: 'Vleier, ellendige vleier!' Intaphernes schrok geweldig van
+dezen onverwachten uitval. De koning wendde zich vervolgens tot Cresus,
+en vroeg dezen naar zijne meening. 'Mij dunkt,' antwoordde onze wijze
+vriend, 'dat gij het hooge standpunt uws vaders nog niet hebt bereikt;
+want'--voegde hij er vergoelijkend bij,--'u ontbreekt nog een zoon,
+gelijk de doorluchtige afgestorvene in u achterliet.'"
+
+»Recht goed! Uitmuntend!" riep Rhodopis, in de handen klappende, en
+den edelen man toelachende, »dit woord zou den behendigen Odysseus
+tot eere hebben gestrekt! Maar hoe slikte de koning deze met zoeten
+honig bestreken pil?"
+
+»Hij was er uitermate mede ingenomen, dankte Cresus voor dit antwoord,
+en noemde hem zijn vriend."
+
+»En ik," sprak de grijsaard, »maakte mij deze gelegenheid ten nutte,
+om hem af te brengen van zijn plan, om de langlevende Ethiopiërs,
+Ammoniërs en Carthagers te gaan beoorlogen. Van het eerste der
+genoemde volken verhaalt men allerlei fabelachtige dingen, en het is
+zeker dat men, met het den oorlog aan te doen, ten koste van groote
+offers, altijd slechts weinig zou winnen. De oase van Ammon is,
+uithoofde van de woestijn die haar van Egypte scheidt, voor een groot
+leger ter nauwernood bereikbaar, en mij schijnt het zonde krijg te
+voeren tegen een God en zijne schatten, ook al behoort men niet tot
+zijne vereerders. Wat eindelijk de Carthagers aangaat, zoo heeft de
+uitkomst reeds de waarheid mijner voorspelling gestaafd. De matrozen
+van onze vloot zijn bijna allen Syriërs en Phoeniciërs, en hebben
+dus natuurlijk geweigerd, tegen hunne broeders te vechten. Cambyzes
+spotte met mijne redenen, noemde mij een lafaard, en zwoer eindelijk,
+toen de wijn zijn verstand begon te benevelen, dat hij, ook zonder
+Phanes en zonder Bartja, in staat zou zijn moeilijke ondernemingen
+door te zetten en groote volkeren tot onderwerping te brengen."
+
+»Wat beteekent deze toespeling op u, mijn zoon?" vroeg Rhodopis.
+
+»Hij heeft den slag van Pelusium gewonnen, en niemand anders!" riep
+Zopyrus, zijn vriend voorkomende.
+
+»Maar gij," hervatte Cresus, »en uwe vrienden hadden voorzichtiger
+kunnen zijn, en moeten bedenken, dat het hoogst gevaarlijk is de
+ijverzucht van een man als Cambyzes op te wekken. Gij vergeet te vaak,
+dat zijn hart gewond en zeer gevoelig is, zoowel voor het kleinste
+verdriet als voor de felste smart. Het noodlot heeft hem de vrouw
+die hij liefhad, en den vriend die hem dierbaar was ontnomen; thans
+meent hij, dat het uw toeleg is hem ook nog het laatste dat hem ter
+harte gaat, zijn krijgsroem, te betwisten."
+
+»Beoordeel hem niet te hard," riep Bartja, terwijl hij de hand van
+den grijsaard vatte. »Mijn broeder is nooit onrechtvaardig geweest
+en het is niet in hem opgekomen, mij mijn geluk,--want als verdienste
+moet gij mij dien aanval op het juiste tijdstip niet toerekenen,--te
+benijden. Gij weet, dat hij mij na den slag deze prachtige sabel,
+honderd edele rossen en een gouden handmolen [447] schonk, als
+belooning voor mijne dapperheid!"
+
+De woorden van Cresus hadden in Sappho's ziel eenige bezorgdheid
+doen rijzen, die evenwel, na het geruststellend antwoord van haar
+gemaal, weder spoedig verdreven werd, en geheel en al vergeten was,
+toen Zopyrus zijn krans gereed had en dezen op het hoofd der oude
+vrouw plaatste.
+
+Gyges bood den zijnen der jeugdige moeder aan, die het kroontje van
+sneeuwwitte waterleliën op hare volle bruine lokken drukte, en met
+dezen eenvoudigen tooi er zoo lief en schoon uitzag, dat Bartja,
+ondanks de tegenwoordigheid van zoovele getuigen, niet kon nalaten,
+haar op het voorhoofd te kussen. Het gesprek nam nu eene meer vroolijke
+wending. Allen deden wat zij konden, om iets tot elkanders genoegen
+bij te dragen; ja zelfs Darius vergat zijn ernst, om met de vrienden,
+die de sedert eenige oogenblikken opgedragene spijzen en dranken eer
+aandeden, te lachen en te schertsen. Toen eindelijk de zon achter
+het Mokattam-gebergte was ondergegaan, plaatsten de slaven kunstig
+gesneden stoelen, voetbanken en tafeltjes op het open dek, waarheen
+het vroolijke gezelschap zich thans begaf, en waar zich een heerlijk
+schouwspel aan hen vertoonde, dat aller verwachting overtrof.
+
+Het Neith-feest, dat de Egyptenaren het lampen branden noemden, en
+door het geheele land met eene algemeene verlichting der huizen placht
+gevierd te worden, had met het opkomen der maan een aanvang genomen. De
+oevers van den stroom geleken onafzienbaar lange vuurstrepen. Iedere
+tempel, ieder huis, iedere hut was, al naar het vermogen der bewoners,
+met brandende lampen versierd. In de portalen der landhuizen, en
+op de torentjes der grootere gebouwen flikkerden de pekvlammen in
+steenen pannen; dichte rookwolken stegen op, die zich uitspreidden,
+en te midden der talrijke vanen en wimpels bleven hangen. De palmen en
+sykomoren, waarover de maan haar zilverglans uitgoot, spiegelden zich,
+in allerlei wonderlijke vormen, in de golfjes langs den oever, die door
+het schijnsel der vlammen tintelden met een rooden gloed. Maar al die
+lampen en vuren waren op verre na niet toereikend, om ook het midden
+van den reusachtigen stroom, waar de bark der spelevarende vrienden
+zachtkens voortgleed, te verlichten. Het was als voeren zij tusschen
+twee heldere dagen in een duisteren nacht. Soms ontmoette men barken,
+die, met lampen verlicht, als vurige zwanen over het water dreven,
+en als zij op den oever aanhielden, een stroom van gloeiend vloeibaar
+metaal schenen te doorklieven. Sneeuwwitte lotusbloemen dobberden op
+de golven, en vertoonden zich aan hen, die daar heenvoeren, als de
+oogen der rivier. Niet het geringste geluid drong van de oevers tot
+hunne ooren door, ofschoon zij zwijgend neerzaten. De kracht van de
+door den noordenwind voortgedragen tonen was te gering, om het midden
+van den stroom te bereiken. Alleen de riemslagen en het eentonige
+gezang der matrozen braken de diepe stilte af van den helderen nacht.
+
+Lang vermeiden zich de vrienden, zonder een woord te spreken, in de
+aanschouwing van dit zeldzaam en onvergelijkelijk schoon tafereel,
+dat voor hunne oogen langzaam scheen voorbij te gaan. Eindelijk maakte
+Zopyrus een einde aan de stilte, met een diepen zucht uitroepende:
+»Hoezeer benijd ik u, Bartja! Als het was gelijk het behoort, dan
+had ieder onzer in dit uur een lief wijfje aan zijne zijde!"
+
+»Wie heeft u dan verboden een uwer uitverkorene vrouwen met u te
+nemen?" antwoordde de gelukkige echtgenoot.
+
+»Mijne vijf andere levensgezellinnen," zeide de jonge man met een
+zucht. »Had ik Parysatis, het dochterke van Oroetes, de jongste mijner
+lievelingen, alleen met mij genomen, dan zou dit gelukkig uur wel mijn
+laatste wezen; want morgen zouden er zeker een paar oogen minder op
+de wereld zijn geweest!"
+
+Bartja glimlachte en zeide, de hand van zijne Sappho drukkende:
+»Ik geloof haast, dat ik mij mijn leven lang met éene vrouw zal
+vergenoegen!"
+
+De jonge moeder beantwoordde den zachten druk der geliefde hand, en
+zeide: »Ik vertrouw u niet, vriend Zopyrus, want het komt mij voor,
+dat gij minder den toorn ducht dier schepseltjes, die u toch vrij
+onverschillig zijn, dan wel terugdeinst voor eene overtreding van de
+zeden en gebruiken van uw vaderland. Men heeft mij reeds verhaald,
+dat men in de vrouwenvertrekken tegen mijn armen Bartja uitvaart,
+omdat hij mij niet door eunuchen laat bewaken, en mij vergunt aan
+zijne zijde het leven te genieten."
+
+»Hij verwent u schrikbarend," hernam Zopyrus, »en onze vrouwen
+beginnen, wanneer wij haar een weinig korthouden, zich reeds te
+beroepen op zijne goedheid en toegeeflijkheid. Let op, binnenkort
+zal aan de poort des konings een oproer onder de vrouwen uitbarsten,
+en de Achaemeniden, die de scherpste zwaarden en de best gerichte
+pijlen niet vreezen, zullen met spitse tongen doorstoken en in een
+zilten tranenvloed verdronken worden."
+
+»O, gij onbeschaamde Pers," sprak Syloson met een lach, »het zal
+noodig zijn, dat wij u leeren wat meer eerbied te hebben voor de
+evenbeelden van Aphrodite!"
+
+»Wilt gij, Hellenen, ons leeren?" vroeg de jonkman. »Bij Mithra,
+onze vrouwen hebben het even goed als de uwe! Alleen de Egyptische
+leven ongelooflijk vrij."
+
+»Dat is waar!" zeide Rhodopis. »De bewoners van dit vreemde land
+kennen sinds duizenden jaren aan ons zwak geslacht dezelfde rechten
+toe, waarop de mannen voor zich aanspraak maken. In vele opzichten
+genieten wij zelfs nog grootere onderscheiding dan zij. De Egyptische
+wet bijvoorbeeld beveelt niet den zonen, maar den dochteren hare grijze
+ouders te onderhouden en te verplegen. Het gebod bewijst, hoe juist
+de wijze voorvaderen van het thans zoo diep vernederde volk de natuur
+der vrouw wisten te beoordeelen; hoe zij begrepen, dat wij u, mannen,
+in trouwe zorg, oplettende hulpvaardigheid en opofferende liefde verre
+overtreffen!--Spot niet met deze dierenaanbidders, die ik, ik beken
+het gaarne, niet begrijp, maar daarom toch bewonder, daar Pythagoras,
+de meester van alle wetenschap, mij verzekerd heeft, dat de wijsheid,
+in de leeringen der priesters verborgen, even ontzagwekkend is als
+de pyramiden."
+
+»En uw groote meester heeft gelijk!" sprak Darius. »Gij weet, dat ik
+sedert verscheidene weken dagelijks met Neithotep, den opperpriester
+van Neith, dien ik uit zijne gevangenis heb laten bevrijden, en met
+den ouden Onoephis verkeer, of, beter gezegd, mij door hen laat
+onderrichten. Hoeveel nieuws heb ik van die twee grijsaards niet
+geleerd! Hoeveel treurigs vergeet ik niet, als ik naar hun onderwijs
+luister! De geheele geschiedenis van den hemel en van de aarde is hun
+bekend. Zij weten den naam van iederen koning, de toedracht van elke
+belangrijke gebeurtenis sedert de laatste vierduizend jaren. Zij dragen
+kennis van den loop van alle sterren, en van de werken en stelsels
+van alle kunstenaars en wijzen gedurende hetzelfde tijdsverloop. Want
+dat alles staat opgeteekend in groote boeken, die te Thebe in een
+paleis, dat zij 'Inrichting ter bevordering van de gezondheid der
+ziel' noemen, bewaard worden. Hunne wetten zijn eene rijke bron
+van wijsheid, en de geheele staatsinrichting is met verwonderlijk
+doorzicht geheel berekend voor de behoeften des lands. Ik wilde wel,
+dat wij in ons vaderland op zulk eene orde, zulk eene regelmaat konden
+roemen! Al hunne wetenschap berust op het gebruik der getallen, met
+welker hulp het alleen mogelijk is de banen der sterren te berekenen,
+het bestaande nauwkeurig te beschrijven en te bepalen, ja zelfs door
+verlenging en verkorting der snaren de tonen te regelen. Het getal
+is het eenig zekere, dat met alle willekeur en met elke uitlegging
+spot. Ieder volk heeft zijne eigene begrippen van recht en onrecht,
+iedere wet kan door veranderde omstandigheden onbruikbaar worden;
+doch waarheden, die haar grondslag in getallen hebben, staan voor
+eeuwig onomstootelijk vast. Wie zal ooit weerspreken, dat tweemaal
+twee vier is? De getallen bepalen duidelijk en zeker den inhoud van
+al het bestaande. Al wat bestaat is gelijk aan zijn inhoud. Daarom
+vindt men in de getallen het ware zijn, het wezen van alle dingen!"
+
+»In naam van Mithra, Darius, houd op, het schemert mij voor de
+oogen!" riep Zopyrus, zijn vriend in de rede vallende. »Wie u zoo hoort
+spreken, moet wel denken dat gij uw geheele leven in het gezelschap
+dier spitsvondige haarkloovers gesleten en nooit een zwaard gehanteerd
+hebt! Wat gaan ons die getallen aan?"
+
+»Meer dan gij denkt!" antwoordde Rhodopis, »ook Pythagoras is in deze
+leerstellingen, die tot de geheimenissen der Egyptische priesters
+behooren, door denzelfden Onoephis ingewijd, die u, Darius, thans den
+toegang tot de mysteriën ontsluit. Breng mij eens spoedig een bezoek,
+dan zal ik u mededeelen hoe heerlijk schoon de groote Samiër de wetten
+der getallen met die der tonen in overeenstemming heeft gebracht.--Maar
+zie, zie, daar zijn de pyramiden!"
+
+De vrienden stonden van hunne zitplaatsen op, en bewonderden zwijgend
+het grootsche schouwspel, dat zich aan hunne oogen voordeed. Daar lagen
+op den linker oever van den stroom, door de maan met een zilverachtig
+licht beschenen, de aloude reuzengraven van machtige heerschers, in
+hunne ontzaglijke afmetingen, als zoovele bewijzen voor de scheppende
+kracht van den menschelijken wil, als zoovele vingerwijzingen op het
+ijdele van alle aardsche grootheid. Wat was er geworden van dien
+Choefoe, die met het zweet zijner onderdanen steenen tot een berg
+had opgestapeld; van dien Chafra, die de goden verachtte, en prat
+op zijne eigene krachten, de poorten des tempels zou hebben gesloten
+[448] om zichzelven en zijn naam te vereeuwigen door een grafteeken,
+ter voltooiing waarvan een bijna bovenmenschelijke inspanning noodig
+was geweest? Hunne ledige doodkisten leeren ons misschien, dat zij
+door de doodenrechters onwaardig zijn gekeurd de rust van het graf te
+genieten, en tot een nieuw leven te herrijzen; terwijl de bouwmeester
+van de derde en schoonste pyramide, Menkera, die zich met een veel
+kleiner grafteeken vergenoegde, en de deuren des tempels wederom
+opende, ongestoord mocht rusten in zijne kist van blauw bazalt [449].
+
+Daar lagen de pyramiden te midden van de nachtelijke stilte, door
+de sterren verlicht, onder de hoede van den wachter der woestijn,
+den reusachtigen sphinx, hare spitsen verheffende boven de naakte
+rotsen der Lybische steenheuvels. Aan hare voeten sluimerden in
+kostbare graven de mummiën van de getrouwe dienaars harer oprichters,
+en tegenover het verhevene grafteeken van den vromen Menkera verrees
+een tempel, waarin de priesters van Osiris voor de zielen van de
+tallooze, in de doodenstad van Memphis bijgezette afgestorvenen gebeden
+opzonden. Westwaarts, daar waar de zon zich achter de Lybische bergen
+had verscholen, waar de vruchtdragende bodem vervangen werd door de
+dorre woestijn, hadden de Memphiten hunne graven gebouwd. Daarheen
+hielden de vrienden hunne blikken gericht, terwijl eene heilige
+huivering en eene eerbiedige bewondering hunne lippen gesloten hielden.
+
+Toen het ranke vaartuig, door den noordenwind gestuwd, de rustplaats
+der dooden en de ontzaglijke dammen [450], die de stad van Menes
+tegen de overstroomingen van den machtigen vloed beveiligden,
+voorbijgedreven was, en men de residentie der vorige pharao's nader
+en nader kwam, en ten laatste de millioenen en millioenen lichten
+zichtbaar werden, die ter eere der godin Neith allerwegen ontstoken
+waren, raakten eindelijk de tongen los. Woorden van bewondering en
+verrukking stroomden over de lippen, toen de reuzentempel van Ptah
+[451], het oudste bouwwerk van dit eeuwenoude land, zich aan hunne
+oogen vertoonde. Duizenden lampen verlichtten het huis van den god,
+honderden vuren brandden op de poorten, op de tinnen der muren en
+op de daken van het heiligdom. Tusschen de sphinxenrijen, die de
+onderscheidene ingangen met het hoofdgebouw verbonden, gloeiden
+brandende fakkels, en het ledige huis van den heiligen stier Apis
+[452] glinsterde bij het flikkeren van ontelbare veelkleurige vlammen,
+als een door het tropisch avondrood beschenen krijtberg. En boven
+dien, langs al zijne omtrekken verlichten tempel fladderden wimpels,
+en wapperden vanen, slingerden zich bloemfestoenen, en golfden de
+welluidende tonen van muziek en gezang.
+
+»Heerlijk, heerlijk!" riep Rhodopis, die naar woorden zocht, om hare
+opgetogenheid over dit betooverend schouwspel uit te drukken. »Zie
+hoe die bont beschilderde zuilen en wanden schitteren; zie welke
+zonderlinge schaduwen de obelisken en sphinxen werpen op den gelen
+gladgepleisterden vloer der voorhoven!"
+
+»En welk een geheimzinnig donker," liet Cresus er op volgen, »heerscht
+ginds in het heilige woud van den god! Nooit te voren heb ik iets
+schooners gezien!"
+
+»Ik echter," verzekerde Darius, heb nog wonderlijker dingen aanschouwd,
+en gij zult mij gelooven, als ik u zeg, dat ik getuige ben geweest
+van de mysteriën van Neith."
+
+»O, verhaal ons daar iets van!" riepen de vrienden.
+
+»Neithotep weigerde eerst mij toegang te verschaffen. Toen ik hem
+evenwel beloofde, dat ik mij verborgen zou houden en de vrijstelling
+van zijn kind zou bewerken, bracht hij mij op zijne sterrenwacht,
+vanwaar ik ver in het rond kon zien, en zeide, dat ik eene voorstelling
+van de lotgevallen van Osiris en zijne gade Isis zou aanschouwen [453].
+
+»Nauwelijks had hij mij verlaten, of ik zag vreemdsoortige,
+veelkleurige lichten, die zulk een helderen gloed door het geheele
+woud verspreidden, dat mijn blik tot in het binnenste gedeelte
+kon doordringen. Voor mij lag een spiegelglad meer, door fraaie
+boomen en bonte bloembedden omgeven. Vergulde booten dobberden op
+het heldere water. In die booten zaten schoone knapen en meisjes in
+sneeuwwitte kleederen, en zongen heerlijke liederen. Geen schipper
+was er om ze te sturen, en toch gleden de vaartuigjes, met allerlei
+sierlijke wendingen, als door eene tooverhand bestuurd over het effen
+watervlak. Te midden dezer booten dreef een prachtig groot schip,
+welks boorden flonkerden van edelgesteenten. Een schoone knaap scheen
+de geheele bemanning uit te maken, maar het wonderbaarste was, dat
+het roer hetwelk hij bestuurde, slechts uit eene witte lotusbloem
+bestond, welker teedere blaadjes den waterspiegel te nauwernood
+beroerden. In het midden van het vaartuig rustte op zijden kussens eene
+met vorstelijke pracht uitgedoste vrouw van zeldzame schoonheid. Aan
+hare zijde zat een man van meer dan menschelijke grootte, die eene
+met klimop omkranste hooge kroon op de golvende lokken, een pantervel
+om de schouders en een van boven omgebogen staf in de rechterhand
+droeg. Op het achterschip stond, onder een dak van rozen, klimop en
+lotusbloemen, eene sneeuwwitte koe [454], met gouden horens en een
+purperen dekkleed over den rug. Die man was Osiris, die vrouw Isis,
+die knaap aan het roer Horus, de zoon van het goddelijk paar, de koe
+het heilige dier der onsterfelijke vrouw. Al de kleine booten voeren
+het groote schip voorbij. Zoodra zij de bewoners des hemels naderden,
+hieven de jongelingen en maagden een groot gejuich aan, welk eerbewijs
+door een regen van bloemen en vruchten werd beantwoord. Eensklaps
+barstte een onweder los, welks gerommel zich luider en luider
+deed hooren, en ten laatste in een ijselijk gekraak overging. Toen
+trad uit het donkerste gedeelte van het woud een vreeselijk man te
+voorschijn. Hij was bedekt met de huid van een everzwijn, en zijn
+afschuwelijk gelaat was omgeven door eene dichte massa roode verwarde
+haren. Door zeventig mannen vergezeld, die er eveneens uitzagen,
+sprong hij in het meer en zwom naar het schip van Osiris [455].
+
+»Snel als de wind namen de kleine booten de vlucht, en de lotusbloem
+ontzonk aan de bevende hand van den jeugdigen stuurman. Sneller dan de
+gedachte wierp zich het monster op Osiris en versloeg hem, bijgestaan
+door zijn ijzingwekkend gevolg, wierp het lijk in eene mummiekist en
+deze in de golven, die als door tooverkracht de drijvende doodkist met
+zich voerden. Intusschen had Isis in eene der kleine booten den vasten
+wal bereikt, en dwaalde nu met loshangende haren, onder het uiten van
+luide weeklachten en gevolgd door de jonkvrouwen, die evenals zij de
+booten verlaten hadden, langs den oever. Allen zochten nu, onder het
+uitvoeren van fantastische dansen en het zingen van roerende liederen,
+waarbij de maagden met zwarte byssus-doeken, velerlei vreemde bogen
+beschreven, het lijk van den verslagene.--De jongelingen bleven evenmin
+werkeloos, maar brachten onder dans en hamerslag eene kostbare doodkist
+voor het spoorloos verdwenen lijk in gereedheid. Toen deze voltooid
+was, sloten zij zich bij de vrouwen van de droeve Isis aan, en zwierven
+met haar, ijverig zoekende en treurliederen zingende, langs den oever.
+
+»Op eens vernam men eene zachte liefelijke stem, uit een onzichtbaren
+mond, die, gedurig luider wordende, zong:
+
+
+ "Spoed u langs des Nijlstrooms boorden,
+ Treurende Isis, naar het Noorden;
+ Waar Egypte's heil'ge vloed
+ 't Brakke vocht van 't meer ontmoet,
+ Vindt gij den geliefde weder:
+ Aan den oever ligt hij neder,
+ Op zijn rietbed uitgestrekt,
+ 't Hoofd van leliën omgeven,
+ En door schom'lend groen gedekt.
+ Rozige flammingo's zweven,
+ Als zijn wachters dag en nacht
+ Om zijn goddelijke sponde,
+ En der nachtegalen klacht
+ Trilt weemoedig in het ronde."
+
+
+»Alzoo zong die wonderbare stem, tevens meldende, dat het lijk van den
+god naar Gebal [456] in Phoenicië was gedreven. De zoon van Neithotep,
+die bij mij gebleven was, noemde dit gezang, dat mij in de ziel greep,
+'den wind van het gerucht'.
+
+»Nauwelijks had Isis deze blijde tijding vernomen, of zij wierp haar
+rouwgewaad af, en hief, begeleid door de stemmen van haar bekoorlijk
+gevolg, een vroolijk jubellied aan. Het gerucht had haar niet misleid:
+werkelijk vond de godin op den noordelijken oever van het meer de
+lijkkist en het lichaam van haar god weder. Zoodra de kist onder zang
+en dans aan wal was gebracht, wierp Isis zich op het geliefde lijk. Zij
+riep Osiris bij zijn naam, en bedekte de mummie met duizend kussen,
+terwijl de jongelingen een sierlijk grafgewelf van lotusbloemen en
+klimopranken voor den doode vlochten.
+
+»Nadat het stoffelijk overschot van den geliefde was bijgezet,
+verliet Isis de plaats van gejammer, om haar zoon op te zoeken. Zij
+vond hem op den oostelijken oever van het meer, waar ik sedert lang
+reeds een beeldschoonen jongeling had opgemerkt, die zich met andere
+knapen van denzelfden leeftijd in het wapenspel oefende. Deze stelde
+den intusschen veel grooter geworden Horus voor.
+
+»Terwijl zich de moeder in de aanschouwing van haar schoon kind
+verheugde, ontstond er plotseling opnieuw een geweldig onweder, dat ten
+tweeden male de nadering van den Typhon aankondigde. Het monster wierp
+zich op het bloeiende graf van zijn slachtoffer, rukte het lichaam uit
+de kist, en hieuw het in veertien stukken, die hij onder bazuingeschal
+en zware donderslagen her- en derwaarts langs den oever strooide.
+
+»Toen Isis wederom het graf van haar echtgenoot naderde, vond zij niets
+dan verwelkte bloemen en eene ledige kist; maar langs het meer vlamden,
+op veertien verschillende plaatsen, in allerlei kleuren veertien vuren
+op. De weduwe snelde met hare maagden op deze vuren toe, terwijl de
+jongelingen met Horus aan hunne spits op den tegenoverliggenden oever
+Typhon bevochten.
+
+»Ik wist niet, waarheen oogen en ooren het eerst te wenden. Hier
+woedde, onder het ratelen van den donder en het geschetter van
+trompetten, een verschrikkelijke krijg, waarvan ik de oogen niet
+afwenden kon. Daar zongen lieftallige maagden, onder het uitvoeren
+van tooverachtige dansen, onbeschrijfelijk opwekkende liederen. Isis
+toch had bij ieder der plotseling ontvlamde vuren, waarvan ik zoo even
+melding maakte, een der ledematen van haar echtvriend teruggevonden,
+en vierde thans feest.
+
+»Dat dansen hadt gij moeten zien, Zopyrus! Het is mij onmogelijk u
+de bevalligheid van al de bewegingen der jonkvrouwen te schetsen,
+en gij kunt u evenmin voorstellen, hoe schoon het was, toen zij, na
+schijnbaar in de grootste verwarring door elkander te hebben gezwierd,
+op eens in onberispelijk regelmatige rijen tegenover elkaar stonden, om
+dan opnieuw in een oogwenk de grootste verwarring met de volkomenste
+orde te verwisselen. Bovendien schoten er gestadig verblindende
+lichtstralen uit de dwarlende rijen. Ze werden veroorzaakt doordat
+iedere danseres een spiegel tusschen de schouders had, die bij iedere
+beweging eene flikkering teweegbracht, en wanneer zij stilstonden
+het beeld van eene andere maagd weerkaatste.
+
+»Nauwelijks had Isis op éen na het laatste der ledematen [457]
+van Osiris gevonden, of van den anderen oever werden jubelkreten
+en zegeliederen gehoord. Horus had Typhon verslagen, en drong nu,
+om zijn vader te bevrijden, de opene poort der onderwereld binnen,
+die zich op den westelijken oever van het meer bevond, en bewaakt
+werd door een grimmig vrouwelijk nijlpaard [458].
+
+»Nu lieten zich al duidelijker en duidelijker liefelijke harp- en
+fluittonen hooren. Een hemelsche geur steeg gestadig uit de aarde op,
+en een rooskleurig licht verspreidde zich met toenemende helderheid
+over het woud. Aan de hand van zijn roemrijken zoon verliet Osiris
+de poorten der onderwereld. Isis snelde haar verlosten, haar uit den
+doode verrezen echtgenoot in de armen, gaf den schoonen Horus opnieuw
+in plaats van zijn zwaard eene lotusbloem in de hand, en strooide
+bloemen en vruchten uit, terwijl Osiris zich onder een met klimop
+omkransten troonhemel nederzette, en de hulde van al de geesten van
+de aarde en den Amenthes [459] ontving."
+
+Darius zweeg. Na hem nam Rhodopis het woord.
+
+»Wij danken u voor uwe schoone beschrijving; maar nog grooter zou
+onze erkentelijkheid zijn, als gij ons den zin wildet verklaren van
+deze wonderlijke voorstelling, die toch zeker niet zonder hoogere
+beteekenis is."
+
+»Uw vermoeden is juist," antwoordde Darius; »maar wat ik weet, moet
+ik verzwijgen, want ik heb Neithotep onder eede beloofd, niet uit de
+school te zullen klappen!"
+
+»Zal ik u zeggen," vroeg Rhodopis, »welke beteekenis ik, op grond
+van de inlichtingen van Pythagoras en Onoephis, aan die voorstelling
+hecht? Isis dunkt mij de liefderijke aarde te zijn, Osiris het water
+dat de aarde drenkt, of de Nijl die haar vruchtbaar maakt, Horus
+de jeugdige lente, Typhon de alles verzengende dorheid. De laatste
+overwint Osiris, dat is de vochtigheid. De goede aarde, van hare
+voortbrengingskracht beroofd, zoekt weeklagende den geliefden gade,
+dien zij in het koelere noorden, waarheen de Nijl zich voortspoedt,
+wedervindt. Eindelijk is Horus, de jeugdige groeikracht der natuur,
+in sterkte toegenomen, en overwint nu Typhon of de dorheid. Osiris
+was slechts schijndood, gelijk de vruchtbaarheid; hij stijgt nu
+uit de onderwereld op, en regeert met zijne gade, de milde aarde,
+opnieuw in het gezegende Nijldal."
+
+»En daar de verslagene God zich in de onderwereld loffelijk gedroeg,"
+schertste Zopyrus, »ontving hij, aan het slot dezer zonderlinge
+vertooning, de hulde van alle bewoners van den Haméstegân, Duzakh en
+Gorothman [460], of hoe men deze woningen van het geheele Egyptische
+zielenheir ook noeme!"
+
+»Amenti wordt zij genoemd!" antwoordde Darius, terwijl hij een meer
+opgeruimden toon aannam. »De geschiedenis van het goddelijk echtpaar
+is echter niet alleen een zinnebeeld van het leven der natuur, maar
+verkondigt ook dat de menschelijke ziel na den lichamelijken dood,
+evenals de verslagen Osiris, niet ophoudt te leven."
+
+»Wel bedankt," antwoordde de ander; »ik zal er om denken voor het
+geval, dat ik in Egypte sterf. In elk geval moet ik een volgenden
+keer dit schouwspel bijwonen, het koste wat het wil."
+
+»Ik deel uw wensch," zeide Rhodopis, »gij zult het der oude vrouw
+wel niet euvel duiden, dat zij nieuwsgierig is."
+
+»Gij blijft eeuwig jong!" viel Darius haar in de rede. »Uwe taal is
+zoo schoon gebleven als uw aangezicht, en uw geest is even helder
+als uw oog!"
+
+»Vergeef mij," riep Rhodopis, als had zij dit vleiend woord niet
+gehoord, »dat ik u in de rede val. Van oogen sprekende, doet gij mij
+denken aan den oogarts Nebenchari, en mijn geheugen is zoo verzwakt,
+dat ik, voordat ik het vergeet, u eenige inlichtingen omtrent hem
+moet vragen. Ik hoor niets meer van den kundigen man, aan wien toch
+de edele Cassandane zoo veel verschuldigd is."
+
+»Hij is zeer te beklagen!" antwoordde Darius. »Reeds gedurende den
+tocht naar Pelusium vermeed hij allen omgang met iedereen, zoodat
+hij zelfs van zijn landgenoot Onoephis niets wilde weten. Niemand
+dan zijn oude broodmagere knecht mocht hem bedienen en gezelschap
+houden. Na den slag echter onderging zijn geheele wezen plotseling
+eene verbazende verandering. Met een gelaat, waarop zijne verrukking
+stond te lezen, trad hij voor den koning, om hem verlof te vragen,
+Megabyzus naar Saïs te mogen vergezellen, en zich twee burgers dier
+stad tot slaven uit te kiezen. Cambyzes meende den weldoener zijner
+moeder geene bede, welke ook, te mogen weigeren, en voorzag hem dus
+van de vereischte volmacht. In de residentie van Amasis aangekomen,
+spoedde hij zich naar den tempel van Neith, deed den opperpriester,
+die zich bovendien aan het hoofd had gesteld der oproerige burgers,
+en een door hem gehaten oogarts in hechtenis nemen, en verklaarde
+hun, dat zij, tot straf voor het verbranden van zekere geschriften,
+van dien dag tot hun dood een Pers, aan wien hij hen zou verkoopen,
+in den vreemde de gemeenste slavendienst zouden moeten bewijzen. Ik
+was getuige van dit tooneel, en ik kan niet ontkennen, dat ik een
+zekere vrees, waarvan ik mij zelven geen rekenschap kon geven, voor
+den Egyptenaar gevoelde, toen ik hem zijn vijanden aldus hun vonnis
+hoorde aankondigen. Neithotep liet hem uitspreken, en zeide toen,
+zonder den minsten angst te laten blijken: 'Als gij, dwaze zoon,
+ter wille van uwe verbrande geschriften, uw vaderland verraden hebt,
+zoo hebt gij even onrechtvaardig als onverstandig gehandeld. Ik heb
+uwe kostbare werken met zorg bewaard; ik heb ze in onzen tempel doen
+bergen, en er een afschrift van gezonden aan de boekverzameling te
+Thebe. Wij hebben niets doen verbranden, dan alleen de door Amasis
+aan uw vader geschrevene brieven en eene oude kist, die geene waarde
+had. Psamtik en Petammon waren daarbij tegenwoordig, en besloten,
+u, tot dank voor uwe geschriften en als vergoeding voor de papieren,
+die wij, om Egypte te redden, oordeelden te moeten verbranden, in de
+doodenstad een nieuw erfelijk graf te doen bouwen. Op de wanden er
+van zult gij in sierlijk schilderwerk het aantal en den inhoud uwer
+werken, uw stamboom en vele andere schoone voorstellingen vinden,
+die op u betrekking hebben.'
+
+»De arts verbleekte, en liet zich eerst bij zijne boeken, daarna
+in zijn nieuw prachtig grafvertrek brengen. Hierop schonk hij zijne
+slaven, die niettemin als gevangenen naar Memphis waren gevoerd, de
+vrijheid, en ging, waggelend als een dronkaard en onophoudelijk de
+hand over zijn voorhoofd strijkende, naar zijn huis. Hier stelde hij
+zijn testament op, waarbij hij den kleinzoon van zijn ouden knecht Hib
+als erfgenaam van al zijne goederen aanwees, en begaf zich toen, onder
+voorwendsel dat hij zich plotseling ongesteld gevoelde, te bed. Den
+volgenden morgen vond men hem dood. Door gebruik van het vreeselijke
+strychnos-sap [461] had hij een einde aan zijn leven gemaakt."
+
+»Ongelukkige man!" riep Cresus, »Door de goden met blindheid geslagen,
+moest hij, als verrader van zijn vaderland, in plaats van wraak,
+wanhoop oogsten."
+
+»Ik beklaag hem van harte!" zeide Rhodopis zachtkens, als in
+gedachten. »Maar zie, reeds halen de roeiers hunne riemen in. Wij
+hebben onze bestemming bereikt; ginds wachten uwe draagstoelen en
+wagens. Het is een heerlijk tochtje geweest! Vaarwel, vrienden, komt
+mij spoedig te Naucratis opzoeken. Ik keer met Syloson en Theopompus
+aanstonds derwaarts terug. Geef aan de kleine Parmys uit mijn naam
+honderd kussen, en zeg aan Melitta, dat zij met het kind omstreeks den
+middag niet buiten moet gaan. Dat is niet goed voor de oogen. Goeden
+nacht, Cresus,--goeden nacht, vrienden! Vaarwel, beste zoon!"
+
+De Perzen verlieten, wuivende en groetende, het schip. Ook Bartja
+keerde zich nog eens om, maar struikelde daarbij, en viel op den
+grond. Zopyrus snelde toe en riep zijn vriend, die reeds zonder zijn
+hulp was opgestaan, lachend toe: »Pas op, Bartja! Het spelt geen
+geluk, als men bij het aan wal stappen valt.--Ook ik ben gevallen,
+toen wij te Naucratis het schip verlieten."
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Terwijl deze Nijltocht plaats had, was de gezant Prexaspes uit het land
+der langlevende Ethiopiërs, waarheen Cambyzes hem had afgevaardigd,
+teruggekeerd. Hij gaf hoog op van de grootte en de lichaamskracht
+dezer menschen, schilderde den weg naar hun gebied af als ten
+eenenmale ontoegankelijk voor een groot leger, en verhaalde van hen
+de wonderlijkste dingen. De Ethiopiërs waren gewoon den schoonste en
+sterkste van hun volk tot koning te verkiezen, en gehoorzaamden hun
+vorst onvoorwaardelijk. Velen hunner werden honderdtwintig jaren oud;
+niet weinigen bereikten nog hoogeren leeftijd. Hunne spijs was gekookt
+vleesch, hun drank versche melk. Zij wieschen zich in eene bron,
+welker water een violengeur had, aan de huid een eigenaardigen glans
+mededeelde en zoo licht was, dat hout er in zonk. Hunne gevangenen
+droegen gouden ketenen, daar het ijzer bij hen bijzonder zeldzaam
+en duur was. Hunne dooden werden met gips omgeven, en vervolgens met
+eene glasachtige pap begoten. Men was gewoon deze lijkzuilen een jaar
+lang in huis te bewaren. Gedurende dien tijd brachten zij offers aan
+de nagedachtenis der afgestorvenen, en plaatsten ze later rondom de
+stad op lange rijen.
+
+De koning van dit vreemde volk had de geschenken, hem vanwege Cambyzes
+aangeboden, met een minachtenden lach aangenomen, en geantwoord,
+dat hij zeer wel wist, dat den Perzen aan zijne vriendschap niets
+gelegen was, en dat Prexaspes alleen kwam als verspieder. Indien
+de Aziatische vorst rechtschapen was, zou hij zich vergenoegen met
+zijn uitgestrekt rijk, en de vrijheid van een volk, dat hem nooit
+iets in den weg had gelegd, niet belagen. »Breng uw koning dezen
+boog," zeide hij, »en raad hem niet tegen ons te velde te trekken,
+tenzij de Perzen wapenen als dit even gemakkelijk weten te hanteeren
+als wij. Overigens mag Cambyzes de goden wel dankbaar zijn, dat het
+den Ethiopiërs nog niet in den zin is gekomen, door veroveringen hun
+gebied te vergrooten!" Dit gezegd hebbende, ontspande hij zijn boog,
+en gaf dien aan Prexaspes.
+
+Deze stelde thans het kolossale, uit ebbenhout vervaardigde wapen zijn
+vorst ter hand. Cambyzes maakte zich zeer vroolijk over den pochenden
+Afrikaan, noodigde tegen den volgenden morgen zijne grooten uit, om
+tegenwoordig te zijn bij de proefneming met den boog, en beloonde
+Prexaspes voor zijne moeielijke reis, en de uitmuntende wijze,
+waarop hij de hem toevertrouwde zending had volbracht. Dronken als
+gewoonlijk begaf hij zich te bed, en sliep zeer onrustig. Hij droomde,
+dat Bartja op den Perzischen koningstroon zat en met zijn hoofd aan
+den hemel raakte. Deze droom, tot welks verklaring hij de hulp van
+mobeds noch Chaldaeërs van noode had, maakte eerst zijn toorn gaande,
+doch stemde hem vervolgens tot nadenken.
+
+»Hebt gij niet," zoo vraagde hij zichzelven af, »uw broeder
+overvloedige reden tot wraakneming gegeven? Kan hij het wel vergeten
+zijn, dat gij hem onschuldig in den kerker geworpen en ter dood
+veroordeeld hebt? Ingeval hij tegen u opstond, zouden dan niet alle
+Achaemeniden zich aan zijne zijde scharen? Want wat hebt gij ooit
+gedaan, om u de liefde dezer veile hovelingen te verzekeren? En wat
+kunt gij in het vervolg doen, om hen te winnen? Bestaat er sedert den
+dood van Nitetis en het vertrek van dien zonderlingen Helleen nog een
+eenig mensch, dien gij vertrouwen, op wiens liefde gij rekenen kunt?"
+
+Deze vragen brachten zijn verhit bloed zoozeer aan het koken, dat
+hij van zijne legerstede opvloog, uitroepende: »De liefde wil niets
+van mij, ik wil niets van de liefde weten! Anderen mogen het met
+goedheid beproeven, ik moet onverbiddelijk streng zijn; anders toch
+lever ik mij zelven over in de handen van wie mij haten, omdat ik
+rechtvaardig ben geweest en zware overtredingen door zware straffen
+heb doen boeten. In mijn bijzijn prevelen zij slechts vleitaal;
+achter mijn rug vervloeken ze mij met luider stem!--Zelfs de goden
+zijn mij vijandig, want zij ontrooven mij alles wat mij dierbaar
+is, schenken mij zelfs geen zoon, en onthouden mij den krijgsroem,
+die mij toekomt! Is dan Bartja zooveel beter dan ik, dat hem alles,
+wat ik missen moet, honderdvoudig ten deel valt? Liefde, vriendschap,
+eer, kinderen, alles wordt hem in den schoot geworpen, gelijk aan de
+zee de wateren der stroomen toevloeien, terwijl mijn hart evenals de
+woestijn steeds dorder wordt.--Maar nog ben ik koning; nog kan ik hem
+toonen, wie van ons beiden de sterkste is, al reikt zijn hoofd ook
+aan den hemel! Slechts éen mag de grootste zijn in Perzië! Hij of
+ik, ik of hij! Binnenkort zal ik hem naar Azië terugzenden, en hem
+tot satraap van Baktrië maken. Laat hij zich daar door zijne vrouw
+liederen doen voorzingen en zijn kind in slaap sussen, terwijl ik
+in den strijd met de Ethiopiërs roem verwerf, dien mij dan niemand
+betwisten zal! Hei daar, aankleeders! Brengt mij mijne kleederen en
+een fikschen morgendrank! Ik verlang de Perzen te toonen, dat ik de
+rechte man ben om koning over de Ethiopiërs te zijn, en hen allen in
+het boogspannen de baas ben! Nog éene teug! Ik zal het wapen spannen,
+ook al ware de pees een scheepskabel, en de boog een cederboom!"
+
+Dit gezegd hebbende, ledigde hij in éen teug een reusachtigen, ten
+boorde met wijn gevulden drinkbeker, en begaf zich daarop, in het volle
+bewustzijn zijner geweldige kracht, en overtuigd van zijne aanstaande
+zegepraal, naar den slottuin, waar al de grooten van het rijk den
+koning wachtten, en hem met luid gejuich ontvingen, den grond met het
+voorhoofd beroerende. Tusschen de geschorene hagen en rechtlijnige
+boomrijen waren in der haast staken opgericht, met scharlaken reepen
+aan elkaar gebonden. Aan gouden en zilveren ringen wapperden van den
+top dier staken roode, gele en donkerblauwe vanen [462]. Talrijke
+banken van verguld hout waren in een wijden kring gerangschikt, en
+noodigden de aanwezigen uit, om zich neder te zetten, terwijl vlugge
+schenkers in gouden vaatwerk wijn aanbrachten, dien zij allen, die
+tot het spannen van den reuzenboog hier verzameld waren, aanboden.
+
+Op een wenk van den koning rezen de Achaemeniden uit hunne eerbiedige
+houding op. Hij monsterde allen met zijne blikken, en scheen aanstonds
+veel vroolijker gestemd, toen hij bemerkte, dat Bartja afwezig was. Nu
+stelde Prexaspes den monarch het Ethiopische wapen ter hand, en toonde
+hem eene, op vrij grooten afstand opgerichte schijf. Cambyzes lachte
+over de grootte van den boog, woog dien met de rechterhand, en verzocht
+de aanwezigen hun geluk vóor hem te beproeven. Hij overhandigde den
+boog het eerst aan den grijzen Hystaspes, als zijnde de aanzienlijkste
+der Achaemeniden.
+
+Terwijl eerst deze, vervolgens de hoofden der zes andere voornaamste
+Perzische geslachten tevergeefs al hunne krachten uitputten, om het
+ontzaglijke wapen te spannen, ledigde de koning beker op beker, en werd
+des te vroolijker, hoe minder het een hunner gelukken mocht, aan de
+door den Ethiopischen koning gestelde voorwaarden te voldoen. Eindelijk
+kwam de beurt aan Darius, die beroemd was om zijne vaardigheid in het
+spannen van den boog. Maar, ofschoon hij al zijn krachten verzamelde,
+bracht hij het niet verder, dan dat hij het ijzerharde hout éen vinger
+breed deed buigen. De koning knikte hem vriendelijk toe, en riep, met
+trotschen blik zijne bloedverwanten en grooten aanziende: »Geef mij
+thans den boog, Darius! Ik zal u toonen, dat er slechts éen in Perzië
+leeft, die den naam van koning verdient, dat slechts éen berekend is,
+om tegen de Ethiopiërs te vechten, dat slechts éen bij machte is,
+dezen boog te spannen!"
+
+Nu vatte hij het wapen aan, omklemde het hout met de linker-, en de
+vingerdikke pees van leeuwendarmen met de rechterhand, haalde diep
+adem, kromde den breeden rug en trok, en trok, en raapte al zijne
+krachten samen, en spande al zijne spieren, tot zij gevaar liepen
+vaneen te rijten en de aderen op zijn voorhoofd dreigden te springen,
+en werkte zelfs met de voeten, om het reuzenwerk te volbrengen;--maar
+alles tevergeefs. Na een kwartier lang zijne krachten op schier
+bovenmenschelijke wijze te hebben ingespannen, was hij volkomen
+uitgeput, en hernam het ebbenhout, dat hij veel verder dan Darius had
+saamgebogen, weder zijn rechten stand, spottende met al de pogingen
+van dezen reus. Nu wierp de koning het wapen woedend van zich af,
+en riep: »De Ethiopiër is een leugenaar! Geen sterveling heeft ooit
+dezen boog gehanteerd! Wat mijne armen niet vermogen, kan niemand ter
+wereld doen! Binnen drie dagen rukken wij naar Ethiopië op. Dan zal ik
+den bedrieger tot een tweegevecht uitdagen, en u doen zien, wie van
+ons de sterkste is. Raap den boog op, Prexaspes, en bewaar hem goed,
+want ik wil den ellendigen leugenaar met de pees er van verworgen. Dat
+hout is harder dan ijzer. Wie in staat is het te spannen, hem noem ik
+volgaarne mijn meester, want hij is voorwaar van beter maaksel dan ik!"
+
+Nauwelijks had hij dit gezegd, of Bartja trad in den kring der
+verzamelde Perzen. Een rijk gewaad omgaf zijne schoone gestalte. Zijn
+gelaat straalde van geluk en in zijne trekken was te lezen, dat hij
+zich van zijne kracht bewust was. Vriendelijk groetende, ging hij door
+de rijen der Achaemeniden, die den geliefden zoon van Cyrus met blijde
+verwondering verwelkomden, en trad naar zijn broeder toe, kuste diens
+gewaad, en zeide, hem vrij en onbevreesd in de donkere oogen ziende:
+»Ik kom een weinig over mijn tijd, en vraag u daarvoor vergeving,
+mijn doorluchtige heer en broeder. Of ben ik nog ter juister ure
+gekomen? Ja, waarlijk, ik zie nog geen pijl in de schijf, en begrijp
+dus, dat gij, de beste schutter van de wereld, uwe krachten nog niet
+beproefd hebt! Gij ziet mij vragend aan? Welnu, ik wil u bekennen,
+dat ons kind mij een weinig heeft opgehouden. Het popje lachte heden
+voor het eerst, en lag zoo lief in den schoot zijner moeder, dat ik
+er de oogen niet van kon afwenden, en niet merkte, dat het intusschen
+mooi laat werd.--Spot vrij met mijne dwaasheid, ik schaam er mij
+haast over! En zie nu eens, daar heeft het kleine ding waarlijk de
+ster van mijn halsketen gerukt! Welnu, beste broeder, als mijn pijl
+het middenpunt van de schijf doorboort, zult gij mij zeker wel eene
+nieuwe schenken. Mag ik het eerst schieten, of wilt gij, mijn koning,
+een begin maken?"
+
+»Geef hem den boog, Prexaspes!" antwoordde Cambyzes, den jongen man
+nauwelijks met een blik verwaardigende.
+
+Toen Bartja het wapen in de handen had genomen, en boog en pees
+zorgvuldig wilde onderzoeken, zeide de koning met een smadelijken
+lach: »Ik geloof, bij Mithra, dat gij dit wapen, evenals de harten
+der menschen, met smeekende blikken wilt trachten te vermurwen. Geef
+Prexaspes den boog maar terug! Het is gemakkelijker met schoone
+vrouwen en lachende kinderen te spelen, dan met dit wapen, dat met
+de kracht van mannen spot!"
+
+Bij deze op bitteren toon geuitte woorden werd Bartja's gelaat met een
+blos van toorn en verontwaardiging overtogen. Hij nam den reusachtigen
+pijl, die vóor hem op den grond lag, zwijgend in de rechterhand,
+plaatste zich tegenover de schijf, verzamelde al zijne krachten,
+trok met alle mogelijke inspanning de pees aan, spande den boog,
+en deed den gevederden pijl de lucht klieven met zulk eene kracht,
+dat de ijzeren spits diep in het midden van de schijf drong, terwijl
+de houten schacht aan splinters vloog [463].
+
+De meeste Achaemeniden hieven een luid gejuich aan bij de aanschouwing
+van dit bewijs van reuzenkracht, terwijl de boezemvrienden van den
+jongen overwinnaar doodsbleek werden, en zwijgend nu eens den van
+woede bevenden koning, dan weer den niets kwaads vermoedenden Bartja
+aanstaarden. Akelig voorzeker was het, den koning aan te zien. Het was
+hem, als had de in de schijf gedrongen pijl zijn eigen hart, zijne
+waardigheid, zijne kracht, zijne eer doorboord. Zijne oogen schoten
+vuur, terwijl zijne wangen vaalbleek werden, en zijne rechterhand
+krampachtig den arm van den naast hem staanden Prexaspes omklemde. Deze
+vermoedde maar al te goed wat de greep van de koninklijke hand
+beduidde, en zeide zacht tot zichzelven: »Arme Bartja!"
+
+Eindelijk gelukte het den koning zijne drift meester te worden. Zonder
+een woord te spreken wierp hij zijn broeder eene gouden keten toe,
+beval zijne grooten hem te volgen, verliet den tuin, en begaf zich naar
+zijne vertrekken, waar hij rusteloos op en neder liep, en zijn wrok in
+den wijn zocht te smoren. Plotseling scheen hij een bepaald besluit te
+hebben genomen. Hij gebood al zijne hovelingen, met uitzondering van
+Prexaspes, de zaal te verlaten, en riep dezen, toen de anderen zich
+verwijderd hadden, met een waanzinnigen blik en heesche stem toe:
+»Dit leven is niet langer uit te houden! Ruim gij mij dien vijand
+uit den weg, en ik zal u mijn vriend en mijn weldoener noemen!"
+
+Prexaspes ontstelde hevig, wierp zich voor den monarch ter aarde en
+hief smeekend de handen tot hem op. Doch Cambyzes had te veel wijn
+gebruikt, en was te verblind door zijn haat, om dit gebaar van den
+hoveling te verstaan. Hij meende, dat de gezant met dien voetval zijne
+onderdanigheid wilde te kennen geven, gaf hem met een wenk te verstaan,
+dat hij van den grond zou oprijzen, en fluisterde, als vreesde hij
+zijne eigene woorden te hooren: »Handel spoedig en heimelijk! Niemand
+buiten u en mij mag, als uw leven u lief is, aangaande den dood van dit
+troetelkind der fortuin iets weten. Ga en neem, als de daad volbracht
+is, zooveel uit mijne schatkamer als gij wilt! Maar wees voorzichtig,
+want de knaap heeft een sterken arm en verstaat de kunst zich vrienden
+te maken. Bedenk wel, als hij u met zijne gladde tong uw plicht doet
+verzaken, dat uwe vrouw en kinderen in mijne macht zijn!"
+
+Dit zeggende ledigde hij opnieuw een beker vol onaangelengden wijn,
+verliet met wankelende schreden het vertrek, en stamelde, terwijl
+hij Prexaspes den rug toekeerde, alsof hij tot zichzelven sprak, met
+een heesche keel en met gebalde vuist: »Wee over u en de uwen, indien
+die vrouwenheld, dat gelukskind, die eerroover in het leven blijft!"
+
+Reeds lang had de koning de zaal verlaten, en nog altijd stond
+Prexaspes op dezelfde plaats, als ware hij plotseling versteend. De
+eerzuchtige, maar niet onedele hoveling was verplet door dien
+vreeselijken hem opgedragen last. Hij wist dat, zoo hij weigerde
+dezen ten uitvoer te brengen, dood of ongenade hem en de zijnen
+bedreigde. Maar hij had Bartja lief, en gruwde bij de gedachte, dat
+hij zich tot een sluipmoordenaar zou laten gebruiken. Hij had in zijn
+binnenste een geweldigen strijd te strijden, die nog voortwoedde,
+lang nadat hij het paleis reeds verlaten had. Op weg naar zijn huis
+ontmoette hij Cresus en Darius. Hij verborg zich voor hen achter de
+vooruitspringende poort van een groot Egyptisch huis, want het was
+hem als moesten zij het hem aanzien, dat hij op het punt was het
+pad der misdaad te betreden. Toen de twee mannen voorbijgingen,
+hoorde hij Cresus zeggen: »Ik heb den voortreffelijken jongeling
+bitter verweten, dat hij zoo ontijdig zijne krachten heeft getoond,
+en wij moeten inderdaad de goden danken, dat Cambyzes in een aanval
+van razernij zich niet aan hem vergrepen heeft. Hij heeft thans aan
+mijn raad gehoor gegeven, en is met zijne vrouw naar Saïs geweken. Hij
+moet in de eerste dagen den koning maar niet onder de oogen komen;
+de wrok van Cambyzes mocht eens opnieuw ontwaken, en een dwingeland
+vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren...."
+
+Bij deze laatste, nog ter nauwernood voor Prexaspes verstaanbare
+woorden kromp hij van schaamte ineen, als had Cresus hem reeds in het
+aangezicht dezen schandelijken moord verweten; hij besloot, wat er
+ook de gevolgen van mochten zijn, zich rein te houden van het bloed
+van zijn vriend. Nu trad hij weder met opgerichten hoofde voort, tot
+hij het huis bereikte, dat hem tot verblijf was aangewezen. Aan den
+ingang huppelden hem zijne twee zonen te gemoet. Zij waren voor een
+oogenblik uit de speelplaats der jonge Achaemeniden, die als altijd het
+leger waren gevolgd, weggeslopen om hun vader te begroeten. Met eene
+buitengewone ontroering, van welke hij zichzelven geene rekenschap kon
+geven, drukte hij de schoone kinderen aan zijn hart, en omarmde hen
+nogmaals, toen zij zeiden naar de speelplaats te moeten terugkeeren,
+zoo zij geene straf wilden oploopen. In zijne woning vond hij zijne
+meest geliefde vrouw, met haar jongste kind, een aanvallig meisje, op
+den schoot spelende. Zoodra hij haar zag werd hij bij vernieuwing door
+die onverklaarbare ontroering aangegrepen. Hij bedwong haar echter,
+om der geliefde vrouw zijn geheim niet te verraden, en zonderde zich
+ijlings in zijn vertrek af.
+
+Intusschen was het nacht geworden. Tevergeefs poogde hij den slaap te
+vatten; onophoudelijk wentelde hij zich op zijn leger heen en weder,
+gefolterd door de ijselijke gedachte, dat zijne weigering om aan
+'s konings verlangen te voldoen, ook zijne vrouw en kinderen in het
+verderf zou sleepen. Ten laatste had hij de kracht niet meer bij zijn
+edel voornemen te volharden, en hetzelfde woord van Cresus, dat een
+beter gevoel in zijne borst de zege had doen behalen, bracht de stem
+van zijn geweten thans tot zwijgen. »Een dwingeland vindt ten allen
+tijde gewetenlooze dienaren!" Hierin lag eene beschuldiging tegen hem
+opgesloten, ja, maar het gaf tevens te kennen, dat, zoo hij den koning
+ook al trotseerde, honderd anderen bereid zouden zijn diens bevel ten
+uitvoer te brengen. Nauwelijks was hem deze waarheid volkomen duidelijk
+geworden, of hij sprong van zijn leger op, onderzocht de dolken, die
+in geregelde orde boven hem waren opgehangen, en legde den scherpsten
+op het voor hem staande tafeltje. Daarop liep hij de kamer in gepeins
+op en neder, telkens naar het venster gaande, om te zien of het niet
+begon te lichten, en om zijn gloeiend voorhoofd af te koelen.
+
+Toen eindelijk de duisternis van den nacht had plaats gemaakt voor
+het heldere morgenlicht, en de klank van het metalen bekken, dat
+de knapen tot het ochtendgebed opriep, hem opnieuw aan zijne zonen
+herinnerde, onderzocht hij bij vernieuwing de scherpte van zijn
+dolk. Toen eenige rijkgetooide hovelingen, die op weg waren naar
+den koning, zijne woning voorbijreden, bevestigde hij het wapen aan
+zijn gordel. Toen ten laatste het vroolijk lachen van zijn jongste
+kind uit het vrouwenvertrek tot hem doordrong, zette hij met zekere
+haast zijn tulband op, en ging, zonder zijne vrouw vaarwel te zeggen,
+door verscheidene slaven vergezeld naar den Nijl, wierp zich daar in
+eene boot, en beval den roeiers hem dadelijk naar Saïs te brengen.
+
+
+
+Eenige uren na het noodlottige boogschot had Bartja, gehoor
+gevende aan den raad van Cresus, zich met zijne jonge vrouw naar
+Saïs begeven. Daar vond hij Rhodopis, die naar Saïs was gegaan,
+in plaats van naar Naucratis terug te keeren. Een onverklaarbaar
+angstig voorgevoel had de oude vrouw daarheen doen trekken. Na dat
+pleiziertochtje was Bartja gevallen, gelijk wij weten, en met eigen
+oogen had zij gezien hoe een uil, van de linkerzijde komende, dicht
+langs zijn hoofd was voorbijgevlogen. Waren deze slechte voorteekens
+reeds meer dan voldoende om haar hart, dat nog niet geheel verheven
+was boven het bijgeloof van dien tijd, te verontrusten, en in haar
+den wensch te doen oprijzen, in de nabijheid van het jeugdig echtpaar
+te blijven, de daaraan volgende nacht, in welken zij door allerlei
+verwarde droomen als bestormd werd, bracht haar besluit tot rijpheid,
+om te Saïs hare kleindochter op te wachten.
+
+Het vorstelijke paar verheugde zich hartelijk over de lieve onverwachte
+gast, en voerde Rhodopis, nadat deze haar achterkleindochter,
+die den naam Parmys [464] droeg, naar hartelust geliefkoosd had,
+in de voor haar bestemde vertrekken. Het waren dezelfde, waar
+de ongelukkige Tachot de laatste treurige maanden van haar leven
+had doorgebracht. Met aandoening beschouwde Rhodopis al die kleine
+voorwerpen, die niet alleen de kunne en den leeftijd der overledene,
+maar ook hare neigingen en haar gemoedstoestand verrieden. Op de
+kleedtafel stonden een aantal zalfpotjes en fleschjes [465] met
+reukwerk, blanketsel en oliën. In eene doos [466] die met verrassende
+juistheid de gedaante eener Nijlgans vertoonde, en in eene andere, op
+welker eene zijde eene luitspeelster was geschilderd, werden eenmaal
+de rijke gouden sieraden van de koningsdochter bewaard. Die metalen
+spiegel, welks handvat eene sluimerende jonkvrouw voorstelde [467],
+had meermalen het schoone, zacht blozende gelaat der afgestorvene
+weerkaatst. Het geheele meubilair van het vertrek, van het sierlijke
+rustbed, door leeuwenklauwen gedragen, tot de uit elpenbeen kunstig
+gesneden kammen, die op de kleedtafel lagen, bewezen, dat de vroegere
+bewoneres dezer vertrekken met haar geheele hart aan de uitwendigheden
+des levens was gehecht geweest. Het gouden sistrum en de kunstig
+bewerkte nabla, waarvan de snaren voorlang reeds gesprongen waren,
+getuigden van de liefde der koningsdochter voor de muziek, terwijl
+het in een hoek liggende gebrokene elpenbeenen spinrokken en eenige
+begonnen netten van koralen [468] bewezen, dat zij ook niet afkeerig
+was geweest van vrouwelijken arbeid.
+
+Met een weemoedig welgevallen beschouwde Rhodopis al deze
+voorwerpen. In hare verbeelding maakte zij zich uit deze gegevens
+eene voorstelling van het Egyptische leven, die slechts weinig van
+de waarheid afweek. Eindelijk ging zij, door nieuwsgierigheid en
+belangstelling gedreven, naar eene groote beschilderde kist, en opende
+het lichte deksel ervan. Dadelijk viel haar oog op eenige gedroogde
+bloemen: daarop ontdekte zij een bal, die door eene bekwame hand in
+sinds lang reeds verdroogde rozebladeren was gewikkeld; vervolgens
+zag zij eene menigte amuletten van onderscheidene gedaanten, waarvan
+sommige de godin der waarheid voorstelden, terwijl andere bestonden
+uit met tooverspreuken beschreven papyrusblaadjes, die in een gouden
+doosje waren geborgen. Eindelijk zag zij eenige met Grieksche letters
+geschrevene brieven. Zij kon de verzoeking niet weerstaan die in
+handen te nemen, en bij het schijnsel der lamp te lezen. Het waren
+brieven door Nitetis uit Perzië geschreven aan hare gewaande zuster,
+van wier ziekte zij geene kennis droeg. Toen Rhodopis deze brieven weer
+nederlegde baadden hare oogen in tranen. Het geheim der overledene lag
+thans voor haar open en bloot. Nu wist zij, dat Tachot Bartja bemind
+had, dat zij die verlepte bloemen van hem ontvangen en dien bal, als
+eene gedachtenis aan het oogenblik, waarin hij haar dezen toewierp,
+in rozen gewikkeld had. De amuletten waren voorzeker bestemd geweest,
+òf om haar krank hart te genezen, òf om in de borst van den koningszoon
+wederliefde op te wekken en aan te kweeken.
+
+Toen zij ten laatste deze brieven op hunne oude plaats wilde
+nederleggen, en eenige doeken, die den bodem der kist schenen te
+bedekken, met de hand aanraakte, bespeurde zij, dat zij een hard,
+rond voorwerp verborgen. Zij lichtte ze dus op, en vond nu eene kleine
+buste van gekleurd was, welke Nitetis voorstelde, en zoo volkomen
+geleek, dat Rhodopis een kreet van verbazing niet kon onderdrukken,
+en gedurende geruimen tijd de oogen van dit meesterstuk van Theodorus
+den Samiër niet af kon wenden. Eindelijk begaf zij zich ter ruste en
+sliep spoedig in, hare laatste gedachten aan het ongelukkige lot der
+Egyptische koningsdochter wijdende.
+
+Den volgenden morgen trad zij den tuin in, dien wij bij het leven
+van Amasis reeds eenmaal bezochten, en vond daar in een priëel van
+wijngaardloof hen, die zij zocht. Sappho zat op een fijn gevlochten
+stoel. In haar schoot lag haar zuigeling, geheel naakt. Het kindeke
+strekte de mollige handjes en voetjes nu eens naar zijn vader, die
+voor de jonge vrouw lag neergeknield, dan naar zijne moeder uit. Als de
+vingertjes van het wichtje bij wijle verdwaald raakten in de lokken of
+den baard van den jongen held, trok hij zijn hoofd zachtkens terug,
+om de kracht van de kleine te meten en haar het gevoel te geven,
+als had zij duchtig huisgehouden in zijne haren. Als de spartelende
+voetjes zijn gezicht raakten, nam hij ze in de hand en kuste de roode,
+fijn gevormde teentjes en voetzolen, die nog zoo zacht en teeder waren
+als de wangen eener maagd. Als de kleine Parmys een zijner vingers
+omklemde, deed hij alsof hij zijne hand niet los kon krijgen, en hield
+hij niet op de mollige schouders, òf de kuiltjes in de ellebogen,
+òf het blanke rugje van het aanvallige schepseltje te kussen.
+
+Sappho genoot onuitsprekelijk in de aanschouwing van dit onschuldig
+spel, en beproefde de aandacht van het kind uitsluitend op den vader
+te vestigen. Af en toe boog zij zich over de kleine heen, om een
+kus te drukken op het gevulde halsje of op de koraalroode lipjes,
+en dan gebeurde het wel eens, dat haar voorhoofd in aanraking kwam
+met de lokken van haar echtvriend, die dan geregeld den voor het
+kindje bestemden kus van hare lippen stal.
+
+Rhodopis was eenige oogenblikken ongemerkt getuige van dit schuldelooze
+spel. Met tranen in de oogen bad zij de goden, dit onuitsprekelijke
+reine geluk toch niet te verstoren. Ten laatste trad zij nader,
+riep beiden een opgeruimd »goeden morgen" toe, en prees de oude
+Melitta voor hare trouwe zorg, daar zij, met een groot zonnescherm
+gewapend, gekomen was om de kleine Parmys te slapen te leggen en
+aan het blakerende zonnelicht te onttrekken. De oude slavin was tot
+eerste voedster van de vorstelijke zuigeling aangesteld, welk ambt
+zij met de uiterste nauwgezetheid en met eene koddige waardigheid
+bekleedde. Zij had de oude stramme leden in een rijk Perzisch gewaad
+gestoken, en voelde zich onbeschrijfelijk gelukkig nu zij bevelen
+mocht uitdeelen, iets dat haar nog nooit was overkomen, terwijl zij
+de vele onder haar staande slavinnen met eene nederbuigende goedheid
+bejegende en onophoudelijk in beweging hield.
+
+Sappho volgde de oude dienstmaagd op den voet, na nog haar molligen
+arm om den hals van haar man geslagen en hem op vleienden toon in het
+oor gefluisterd te hebben: »Zeg toch alles aan grootmoeder en vraag
+haar, of zij u gelijkgeeft!"
+
+Voor dat Bartja haar kon antwoorden, had zij hem op den mond gekust,
+en was zij de statig voortstappende Melitta nagesneld.
+
+De koningszoon zag haar lachend na, en vergat een oogenblik het
+bijzijn der eerwaardige vrouw, weggesleept door zijne bewondering
+van haar zwevenden tred en hare schoone gestalte. Spoedig echter
+bezon hij zich, en vroeg, Rhodopis aanziende: »Vindt gij ook niet,
+dat zij den laatsten tijd grooter is geworden?"
+
+»Dat schijnt maar zoo," was het antwoord. »Als maagd heeft de vrouw
+zeker iets eigenaardigs en bekoorlijks: doch eerst de moedernaam
+schenkt haar de rechte waardigheid. Als moeder mag zij 't hoofd met
+meer fierheid oprichten. Wij meenen dan, dat zij lichamelijk grooter
+is geworden, terwijl zij zich slechts door het bewustzijn, aan hare
+bestemming beantwoord te hebben, innerlijk veredeld voelt!"
+
+»Ja, ik geloof dat zij gelukkig is," zeide Bartja. »Gisteren voor het
+eerst verschilden wij van zienswijze. Toen zij ons daareven verliet,
+verzocht zij mij ons geschil aan uw oordeel te onderwerpen, 't geen ik
+volgaarne doe, daar ik uwe wijsheid en ondervinding even hoog schat,
+als ik haar om hare kinderlijke onervarenheid liefheb."
+
+En nu verhaalde Bartja haar de geheele toedracht van de noodlottige
+geschiedenis met den boog, en eindigde aldus: »Cresus berispte mijne
+onvoorzichtigheid; maar ik ken mijn broeder, en weet dat hij, ja,
+in zijn toorn tot iedere daad van geweld in staat is, en dat het niet
+te verwonderen zou geweest zijn als hij mij op het oogenblik zijner
+nederlaag vermoord had; maar wanneer zijn toorn een weinig heeft
+uitgewoed, dan zal hij mijne vermetelheid vergeten, en er slechts naar
+streven mij in het vervolg door edele daden te overtreffen. Een jaar
+geleden was hij verreweg nog de beste schutter in geheel Perzië, en
+dat zou hij nog zijn, als zijne reuzenkrachten door zijne onmatigheid
+en door die booze krampen niet zooveel geleden hadden. Ik daarentegen
+gevoel, dat mijne krachten met den dag toenemen."
+
+»Waarachtig geluk," viel Rhodopis den jongen man in de rede, »verstaalt
+de armen van den man, gelijk het de schoonheid der vrouw verhoogt;
+terwijl onmatigheid en kwalen lichaam en ziel zekerder sloopen dan
+ziekte en ouderdom. Neem u in acht voor uw broeder, mijn zoon, want
+even goed als zijn oorspronkelijk zoo krachtige arm kon verlammen,
+kan zijne van nature edele ziel haar adeldom verliezen. Vertrouw
+op mijne ervaring: deze heeft mij geleerd, dat hij, die de slaaf
+van éen boozen hartstocht is geworden, zeer zelden zijne andere
+driften meester blijft. Buitendien valt het geen mensch zwaarder eene
+vernedering te dragen dan hem, die zedelijk daalt en zijne krachten
+voelt afnemen. Nog eens, neem u in acht voor uw broeder, en vertrouw
+eer de waarschuwende stem der ervaring, dan uw eigen hart, dat zoo
+gaarne ieder ander hart voor edel en rein houdt, wijl het zichzelf
+bewust is edel en rein te zijn."
+
+»Deze woorden," antwoordde Bartja, »doen me begrijpen, dat gij het
+met Sappho volkomen eens zult zijn. Zij heeft mij toch gebeden, hoe
+zwaar het haar ook moge vallen van u te scheiden, Egypte te verlaten en
+met haar naar Perzië te trekken. Zij denkt dat Cambyzes, als hij mij
+niet meer ziet en niets van mij hoort, zijn wrok vergeten zal. Maar
+ik houd hare bezorgdheid voor mijne veiligheid voor ongegrond, en
+zou mij zelven niet gaarne het genoegen ontzeggen, om den veldtocht
+tegen de Ethiopiërs mede te maken...."
+
+»En ik," viel Rhodopis hem nogmaals in de rede, »bid u dringend haar
+raad, die door eene juiste beoordeeling der omstandigheden en door
+oprechte liefde is ingegeven, te volgen. De goden weten hoezeer mij de
+scheiding van u zal smarten, maar toch roep ik u duizend en duizendmaal
+toe: Keer naar Perzië terug en bedenk, dat slechts dwazen hun leven en
+hun geluk doelloos op het spel zetten!--De oorlog tegen de Ethiopiërs
+is het ontwerp van een waanzinnige, want gij zult niet te strijden
+hebben met de zwarte bewoners van het zuiden, maar met hitte, dorst,
+en al de verschrikkingen der woestijn. Dit geldt den voorgenomen
+veldtocht in het algemeen; wat u in het bijzonder betreft, bedenk,
+dat gij uw geluk en dat der uwen vergeefs op het spel zet, wanneer er
+geen krijgsroem te behalen is; dat gij daarentegen, zoo gij u weder
+mocht onderscheiden, slechts den toorn en de ijverzucht van uw broeder
+opnieuw zoudt prikkelen. Ga naar Perzië, en wel zoo spoedig mogelijk!"
+
+Juist wilde Bartja beproeven de drangredenen der schrandere vrouw te
+ontzenuwen, toen Prexaspes met een bleek gelaat naar hem toekwam.
+
+Na de gewone begroetingen en vragen fluisterde de gezant den jongeling
+in het oor, dat hij hem alleen wenschte te spreken, en toen Rhodopis
+zich verwijderd had, zeide hij, in zijne verlegenheid met de ringen
+van zijn rechterhand spelende: »De koning zendt mij tot u. Gij hebt
+hem gisteren zeer verbitterd door uw kracht te toonen. Hij wil u den
+eersten tijd niet zien, en beveelt u daarom naar Arabië te reizen,
+en daar zooveel kameelen [469] te koopen, als er maar te krijgen
+zijn. Deze dieren, die langen tijd dorst kunnen lijden, moeten het
+water en de levensmiddelen medevoeren voor onze legers, als wij naar
+Ethiopië trekken. Onze reis duldt geen uitstel. Neem afscheid van
+uwe vrouw en zorg,--aldus luidt 's konings bevel--dat gij vóor de
+nacht valt tot vertrekken gereed zijt. Gij zult ten minste éene maand
+uitblijven. Ik vergezel u tot Pelusium. Intusschen wenscht Cassandane,
+uwe vrouw en uw kind in hare nabijheid te hebben. Gelast hun zoo
+spoedig mogelijk naar Memphis te gaan, waar zij, onder de hoede van
+'s konings edele moeder, het veiligst zullen zijn."
+
+Bartja had Prexaspes aangehoord, zonder dat het hem was opgevallen,
+dat de gezant zoo kortaf sprak, als aarzelde hij zijn last te
+volbrengen. Hij verheugde zich over de schijnbare gematigdheid van
+zijn broeder en over dit bevel, dat hem verder allen twijfel benam
+betreffende zijn al of niet terugkeeren naar Perzië. Hij reikte zijn
+gewaanden vriend de hand ten kus, en noodigde hem uit hem in zijn
+paleis te volgen. Toen het koeler begon te worden, nam hij van Sappho
+en het kind, dat op Melitta's armen sliep, een kort maar hartelijk
+afscheid, beval zijne vrouw zoo spoedig mogelijk naar Cassandane te
+vertrekken, riep zijne schoonmoeder nog schertsend toe, dat zij zich
+ditmaal in de beoordeeling van een mensch, namelijk van zijn broeder,
+toch zeer vergist had, en wierp zich in den zadel.
+
+Toen Prexaspes zijn paard wilde bestijgen, fluisterde Sappho hem in:
+»Pas toch goed op hem en herinner den waaghals, dat hij vrouw en kind
+heeft, zoo hij zich soms noodeloos in gevaar mocht willen begeven!"
+
+»Te Pelusium moet ik hem reeds verlaten," antwoordde de gezant,
+terwijl hij, om de blikken van de jonge vrouw te ontwijken, zich
+hield als herstelde hij iets aan het tuig van zijn paard.
+
+»Dan mogen de goden hem beschermen!" riep Sappho, de geliefde hand
+van den vertrekkende vattende en uitbarstende in tranen, die zij
+vruchteloos beproefde terug te houden.
+
+En hij, zijne anders zoo moedige gade ziende weenen, werd evenzeer door
+zekere tot nog toe hem onbekende ontroering aangegrepen. Liefderijk
+boog hij zich tot haar neder, sloeg zijn krachtigen arm om haar middel,
+hief haar tot zich op en drukte haar, terwijl haar voet op den zijnen
+rustte, aan zijn hart, als moest hij voor eeuwig afscheid van haar
+nemen. Daarop liet hij haar met vasten arm zacht op den grond neder,
+nam nog eens zijn kind bij zich in den zadel, om het te kussen en
+schertsend op het hart te drukken, dat het zoet moest zijn. Toen riep
+hij Rhodopis nog een hartelijk woord tot afscheid toe, en vloog,
+zijn hengst de sporen gevende, zoodat het edele dier steigerende
+voortgaloppeerde, door Prexaspes gevolgd, de poort van het paleis
+der pharao's uit.
+
+Nauwelijks was het geluid van den hoefslag der paarden in de verte
+weggestorven, of Sappho wierp zich aan de borst van hare grootmoeder,
+en weende lang onafgebroken, in weerwil van de ernstige vermaningen
+en de strenge berisping van de oude vrouw.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Op den morgen van den dag, volgende op dien van Bartja's zegepraal,
+had Cambyzes zulk een hevigen aanval van zijne ziekte gehad,
+dat hij acht en veertig uur lang, krank naar geest en lichaam,
+zijne kamer moest houden, en nu eens geheel uitgeput neerlag, dan
+weer als een bezetene woedde. Toen hij eindelijk op den derden dag
+weder tot zijn bewustzijn kwam, herinnerde hij zich aanstonds het
+verschrikkelijke bevel, waaraan Prexaspes nu waarschijnlijk reeds
+gevolg had gegeven. Hij sidderde bij deze gedachte, gelijk hij nog
+nooit te voren gesidderd had, liet oogenblikkelijk den oudsten zoon van
+den gezant, die den eerepost van schenker bij hem bekleedde, komen,
+en vernam van dezen, dat zijn vader zonder afscheid te nemen Memphis
+verlaten had. Dan ontbood hij Darius, Zopyrus en Gyges, die gelijk
+hij wist door banden der innigste vriendschap aan Bartja verbonden
+waren, en vroeg hun hoe het met hun vriend was. Van dezen vernam hij,
+dat zijn broeder zich te Saïs ophield. Terstond zond hij het drietal
+daarheen, hun gelastende Prexaspes, indien zij dezen mochten ontmoeten,
+zonder verzuim naar Memphis terug te zenden. De jonge Achaemeniden
+beproefden tevergeefs, zich het zonderlinge gedrag en de drift van den
+koning te verklaren. Desniettemin gingen zij oogenblikkelijk op reis,
+vreezende dat er iets gebeurd of op til mocht zijn, dat niet goed was.
+
+Intusschen had Cambyzes rust noch duur; in stilte verwenschte hij zijne
+dronkenschap en gebruikte dien dag geen druppel wijn. Toen hij in den
+tuin van het paleis der pharao's zijne moeder ontmoette, ontweek hij
+haar, want hij gevoelde dat hij haar blik niet zou kunnen verdragen.
+
+Ook de volgende acht dagen verstreken, zonder dat Prexaspes terugkeerde
+en schenen hem wel een jaar toe. Honderdmaal ontbood hij zijn schenker,
+altijd om hem te vragen of zijn vader nog niet tehuis was gekomen,
+en telkens was het antwoord ontkennend. Toen op den dertienden dag de
+zon op het punt was van onder te gaan, liet Cassandane hem verzoeken
+tot haar te komen. Nu begaf hij zich haastig naar de vertrekken van
+de eerbiedwaardige vrouw, want hij verlangde vurig haar aangezicht
+te zien. Het was hem, als moest hare aanschouwing hem de verloren
+zielsrust wedergeven.
+
+Nadat hij de oude vrouw begroet had, met eene teederheid, die te
+verrassender voor haar was, daar zij van hem zulk eene hartelijkheid
+niet gewoon was, vroeg hij haar, wat zij van hem begeerde, en vernam
+nu, dat Bartja's vrouw onder zeer bijzondere omstandigheden tot
+haar was gekomen, en den wensch had uitgesproken hem een geschenk
+aan te bieden. Dadelijk liet hij haar komen, en hoorde van haar,
+dat Prexaspes aan haar echtgenoot het bevel had overgebracht,
+om naar Arabië te reizen, en haar, uit naam van Cassandane, had
+uitgenoodigd naar Memphis te komen. De koning werd doodelijk bleek
+en zag de schoone vrouw van zijn broeder aan met een gelaat, dat
+onmiskenbaar eene geweldige ontroering verried. De jonge Griekin
+gevoelde, dat er in den koning iets buitengewoons omging, en kon,
+door vreeselijke vermoedens beangstigd, slechts met bevende handen
+het geschenk aanbieden, dat zij voor hem had medegebracht.
+
+»Mijn echtgenoot zendt u dit!" zeide zij, op de in een kunstig bewerkt
+kistje besloten wassen beeltenis van Nitetis wijzende.--Rhodopis had
+haar geraden juist dit als een geschenk ter verzoening, uit Bartja's
+naam, den vertoornden broeder aan te bieden.
+
+Cambyzes gaf het kistje, waarvan de inhoud hem weinig belang scheen
+in te boezemen, aan een eunuch over, sprak zijne schoonzuster eenige
+woorden toe, die eene dankbetuiging moesten beteekenen, en verliet
+daarop oogenblikkelijk het vrouwenverblijf, zonder zelfs naar Atossa
+te vragen, die hij geheel scheen te zijn vergeten. Hij had gedacht
+en gehoopt, dat het bezoek hem goed doen en tot kalmte brengen zou,
+maar Sappho's mededeelingen hadden hem de laatste hoop en voor altijd
+zijne rust ontnomen. Prexaspes moest den moord reeds begaan hebben,
+of kon ieder oogenblik, misschien op datzelfde tijdstip den dolk
+opheffen, om dien in de borst van den jongeling te stooten. Hoe zou
+hij na Bartja's dood voor zijne moeder durven verschijnen? Wat zou
+hij haar, en op de vragen van de lieve vrouw, die hem met hare groote
+oogen zoo angstig had aangezien, antwoorden?
+
+Eene huivering greep hem aan, als eene inwendige stem hem toeriep,
+dat de moord aan zijn broeder gepleegd, eene daad van lafheid en
+vrees, eene onnatuurlijke en snoode daad zou worden genoemd. De
+gedachte een sluipmoordenaar te zijn scheen hem onverdraaglijk. Zonder
+gewetenswroeging had hij reeds menigeen ter dood laten brengen, maar
+altijd óf in een eerlijken strijd, óf voor het oog van de geheele
+wereld. Hij was koning, en wat hij deed was goed. Had hij met eigen
+hand Bartja neergeveld, zoo zou hij zijn geweten wel tot zwijgen
+hebben gebracht; maar nu hij bevel had gegeven hem heimelijk uit den
+weg te ruimen, hem in stilte te vermoorden, zijn voortreffelijken
+broeder, die zoo vele bewijzen gaf van mannelijken moed, waardoor
+hij den hoogsten roem had ingeoogst, nu folterde hem de schaamte,
+nu knaagde hem het berouw, dat hij tot nog toe nooit had gevoeld. Hij
+was verbitterd op zichzelven over zijne onmatigheid en schandelijke
+willekeur. Hij begon zichzelven te verachten. De overtuiging, dat hij
+altijd slechts datgene wilde en volbracht wat billijk en recht was,
+verliet hem, en het was hem thans, als waren al de op zijn bevel
+gedoode menschen, evenals Bartja, onschuldige slachtoffers van zijne
+woede geweest. Om deze gedachten, die van oogenblik tot oogenblik
+ondraaglijker werden, te verdrijven, greep hij opnieuw naar het
+bedwelmende druivensap. Doch ditmaal kon de dronkenschap de wroeging
+niet uit zijne ziel verbannen. Zij werd de bron van nieuw lichaams-
+en zielslijden. Zijn door het onmatig wijndrinken en de vallende
+ziekte ondermijnd lichaam dreigde thans te zullen bezwijken onder
+de menigvuldige heftige aandoeningen der laatste maanden. Nu eens
+verstijvende van koude, dan weer gloeiende van eene ondraaglijke hitte,
+was hij eindelijk gedwongen zich op zijn leger neer te werpen.
+
+Toen men hem ontkleedde, schoot hem te binnen, dat hij een geschenk van
+zijn broeder had ontvangen. Oogenblikkelijk deed hij het kistje halen,
+en beval den uitkleeders hem alleen te laten. Zoodra hij het Egyptisch
+schilderwerk van het kistje zag, kon hij niet nalaten aan Nitetis
+te denken, en zich af te vragen, wat de overledene wel van zijne
+gepleegde euveldaad zou hebben gezegd. Rillend van de koorts, en met
+een beneveld brein boog hij zich over het kistje, nam er de schoone uit
+was gevormde buste uit, en staarde met ontzetting in de onbeweeglijke
+glazige oogen van het beeldje. De gelijkenis was zoo treffend, en zijn
+verstand door den wijn en de koorts zoo verzwakt, dat hij onder den
+invloed eener betoovering waande te verkeeren. Toch was het hem niet
+mogelijk den blik van die dierbare trekken af te wenden. Plotseling
+kwam het hem voor, dat het beeldje de oogen bewoog. Een doodelijke
+angst maakte zich van hem meester. Met kracht slingerde hij het kopje,
+dat voor hem scheen te leven, tegen den wand, zoodat het holle, broze
+was in duizend stukken vloog, en viel daarop steunende op zijn bed
+neder.--Van dat oogenblik nam de koorts onophoudelijk in hevigheid
+toe. Wakend droomende meende de ongelukkige den verbannen Phanes
+te zien, die een Grieksch straatliedje zong, en hem zoo schandelijk
+bespotte, dat hij zijne vuisten balde van toorn. Dan zag hij Cresus,
+zijn vriend en raadsman. Deze dreigde hem, en riep hem weder dezelfde
+woorden toe, waarmede hij hem, toen hij om de gewaande liefde van
+Nitetis Bartja had willen vonnissen, gewaarschuwd had: »Wacht u wel
+het bloed van een broeder te vergieten! Want weet, dat de dampen
+daarvan ten hemel opstijgen en tot wolken worden, die al de dagen
+van den moordenaar verduisteren, en eindelijk den bliksem der wrake
+op hem nederslingeren!"
+
+En in zijne verhitte verbeelding werd dit werkelijkheid. Hij dacht, dat
+uit de zwarte wolken bloed op hem nederstroomde, en deze afschuwelijke
+regen zijne kleederen en handen bevochtigde. Toen het eindelijk
+weder droog was, en hij naar den Nijl ging om zich te reinigen, trad
+Nitetis hem te gemoet, met dien liefelijken glimlach om de lippen,
+waarmede Theodorus haar had voorgesteld. Getroffen door dit heerlijk
+visioen, wierp hij zich voor haar neder en vatte hare hand. Nauw had
+hij ze aangeraakt, of aan iederen harer fijne vingertoppen vertoonde
+zich een bloeddruppel, en met afgrijzen keerde de schoone maagd hem
+nu den rug toe. Cambyzes smeekte de verschijning hem vergiffenis
+te willen schenken, en tot hem terug te keeren; doch zij liet zich
+niet verbidden. Nu ontbrandde zijn toorn, hij dreigde haar met zijne
+ongenade, ja met de vreeselijkste straffen. Toen Nitetis zijn dreigen
+met een zacht spottend lachen beantwoordde, ontzag hij zich niet
+zijn dolk naar haar te werpen. En zie, daar viel de verschijning in
+duizend stukken, gelijk kort te voren het wassen beeld tegen den wand
+verbrijzeld was; maar het lachen duurde voort, en klonk al luider en
+luider, en onderscheidene stemmen werden vernomen, die als met elkaar
+wedijverden in het bespotten van den ongelukkigen koning. Die van
+Bartja en Nitetis klonken boven al de andere uit, en schenen hem de
+bitterste verwijten te doen. Maar hij kon deze akelige stemmen niet
+langer aanhooren, en stopte de ooren dicht. Toen dit niet baatte,
+bedolf hij zijn hoofd in het brandend heete zand der woestijn, dan
+dompelde hij het in den Nijl, daarop weder in den gloed, dan andermaal
+in het ijskoude water, tot hij niets meer zag en hoorde. Toen hij
+ontwaakte, kon hij zich geen begrip vormen van de werkelijkheid. Het
+was avond toen hij zich te bed begaf, en hij zag thans aan de zon,
+die zijn rustbed met haar laatste stralen verguldde, dat het niet
+dag was. gelijk het naar hij meende, moest wezen, maar bijkans
+nacht. Hierin kon hij zich niet bedriegen, want hij hoorde het lied
+der priesters, die den scheidenden Mithra den laatsten groet toezongen.
+
+Nu merkte hij ook, hoe zich achter een gordijn, dat men aan het
+hoofdeinde van zijn leger had aangebracht, verscheidene menschen
+bewogen. Hij wilde oprijzen, doch voelde dat hem de kracht daartoe
+ontbrak. Na lang tevergeefs beproefd te hebben de werkelijkheid van
+den droom, en den droom van de werkelijkheid te onderscheiden, riep
+hij zijne aankleeders, en de andere hovelingen, die bij zijn opstaan
+tegenwoordig plachten te wezen. Dadelijk traden deze binnen, gevolgd
+door zijne moeder, Prexaspes, vele geleerde magiërs en eenige hem
+onbekende Egyptenaren, van wie hij vernam, dat hij weken lang met eene
+hevige koorts had geworsteld, en slechts door de bijzondere bescherming
+der goden, de kunst der geneesmeesters en de onvermoeide zorg zijner
+moeder van den dood was gered geworden. Eerst zag hij Cassandane,
+dan Prexaspes vragend aan, en verloor toen weder het bewustzijn,
+om echter den volgenden morgen na een verkwikkenden slaap met nieuwe
+krachten te ontwaken.
+
+Vier dagen later was hij sterk genoeg, om in een leuningstoel te
+zitten, en Prexaspes betreffende de zaak, die zijn geest uitsluitend
+bezig hield, te ondervragen. De gezant wilde, met het oog op de
+zwakheid van zijn vorst, een ontwijkend antwoord geven; doch als
+Cambyzes zijne vermagerde hand dreigend ophief, en hem met den nog
+altijd straffen blik van zijn oog aanzag, aarzelde Prexaspes niet
+langer, maar zeide, in de meening dat hij den koning eene blijde
+tijding ging mededeelen: »Verheugt u, mijn vorst! De jongeling, die het
+waagde u den roem te betwisten, is niet meer. Deze hand versloeg hem,
+en begroef zijn lijk bij Baal-Zephon [470]. Niemand heeft het gezien,
+buiten het zand van de woestijn, en de onvruchtbare golven der Roode
+Zee; niemand weet er van, dan gij en ik, en de raven en zeemeeuwen,
+die om zijn graf zwerven!"
+
+Een gil, die door merg en been drong, ontsnapte aan de lippen van
+den koning. Hij werd opnieuw door eene hevige koorts aangegrepen,
+en zonk ineen, om andermaal gekweld te worden door de vreeselijkste
+schrikbeelden. En nu verliepen er weken gedurende welke iedere dag
+de laatste van 's vorsten leven dreigde te zullen zijn. Eindelijk
+kwam zijn sterk lichaam deze gevaarlijke instorting te boven. Maar de
+krachten van zijn geest waren niet bestand geweest tegen de demonen
+der koorts. Zij waren geweken en keerden niet meer terug.
+
+Toen hij het ziekenvertrek weder mocht verlaten, en opnieuw kon rijden
+en den boog spannen, gaf hij zich, nog teugelloozer dan voorheen,
+aan het genot van den wijn over, en verloor zoo doende ook het laatste
+spoor van zijn vroegere macht om zich zelven te beheerschen. Buitendien
+had zich in zijn krank brein het denkbeeld genesteld, dat Bartja niet
+dood, maar in den boog van den koning van Ethiopië veranderd was,
+en dat de Feruer [471] van zijn overleden vader hem geboden had, hem
+door de onderwerping van het zwarte volk zijne vorige gestalte weder
+te geven. Deze gedachte, die hij aan ieder van de hem omringenden als
+een groot geheim mededeelde, vervolgde hem dag en nacht, en gunde
+hem rust nog duur, tot hij met een groot leger tegen Ethiopië was
+opgetrokken. Maar hij moest onverrichter zake terugkeeren, nadat het
+meerendeel zijner krijgsmacht, ten gevolge van hitte en van gebrek aan
+voedsel en water, een smadelijken dood had gevonden. Een schrijver,
+die bijkans tot zijne tijdgenoten behoorde, verhaalt [472], dat de
+ongelukkige soldaten, na alle mondvoorraad verteerd te hebben, lang van
+kruiden geleefd hadden. Doch nadat in de woestijn alle plantengroei had
+opgehouden, zouden zij, door wanhoop gedreven, hunne toevlucht hebben
+genomen tot een middel, dat de pen bijkans weigert te vermelden. Elke
+tien soldaten wierpen namelijk onderling het lot, en aten hem op,
+die op deze wijze ter slachting werd aangewezen. Toen het evenwel
+zoover gekomen was, dwong men den waanzinnige terug te keeren,
+om hem echter, zoodra men weder in bewoonde streken was gekomen,
+getrouw aan het slaafsche karakter der Aziaten, onvoorwaardelijk te
+gehoorzamen, ofschoon het wel voor niemand een geheim meer was dat
+'s konings verstand was gekrenkt.
+
+Toen hij met het rampzalig overschot van zijn leger Memphis binnen trok
+hadden de Egyptenaren juist een nieuwen Apis gevonden en vierden nu,
+ter eere van de in het heilige dier verborgen en opnieuw verschenen
+godheid, een groot feest. Daar Cambyzes reeds te Thebe vernomen had,
+dat het leger, hetwelk hij tegen de oase van Ammon [473] in de Lybische
+woestijn had afgezonden door den woestijnwind [474] vernield was, en
+het krijgsvolk van de vloot, die Carthago voor hem veroveren moest,
+geweigerd had tegen hunne stamgenooten op te trekken, meende de
+koning, dat de Memphiten dit feest vierden uit blijdschap over zijn
+tegenspoed. Hij liet dus de aanzienlijksten uit de stad ontbieden,
+en vroeg hen waarom zij zich na zijne overwinning neerslachtig
+en weerbarstig, doch na zijne nederlaag uitgelaten vroolijk hadden
+getoond? De Memphiten verklaarden hem de oorzaak hunner feestvreugde,
+en verzekerden, dat de verschijning van den goddelijken stier
+telkens door gansch Egypte met feesten en optochten placht gevierd
+te worden. Cambyzes schold hen voor leugenaars, en veroordeelde hen
+ter dood.
+
+Vervolgens liet hij de priesters komen, die hem hetzelfde antwoord
+gaven. Spottende met het bijgeloof van deze zijne onderdanen,
+wenschte hij kennis te maken met den nieuwen god, en gebood dat men
+dien voor hem zou brengen. De Apis werd voor den monarch geleid, die
+men mededeelde dat dit dier uit eene maagdelijke koe geboren was,
+door de aanraking van een straal der maan; hij moest zwart zijn,
+op het voorhoofd eene driehoekige witte vlek, op den rug het beeld
+van een arend, en op de zijde een wassende halve maan hebben. Zijn
+staart moest uit tweeërlei haar bestaan, terwijl aan zijne tong een
+uitwas zichtbaar moest zijn in de gedaante van den heiligen kever,
+scarabaeus [475].
+
+Toen de goddelijke stier voor hem stond, en hij er niets buitengewoons
+aan kon ontdekken, werd Cambyzes woedend en stiet zijn zwaard in
+de zijde van het dier [476]. Toen hij het bloed zag stroomen en
+den Apis ter aarde storten, lachte hij zoo hard hij kon, en riep:
+»Gij dwazen! Uwe goden hebben alzoo vleesch en bloed, en laten zich
+straffeloos kwetsen! Voorwaar, zulk eene lafheid is uwer volkomen
+waardig. Maar gij zult ondervinden, dat ik mij niet ongestraft laat
+bespotten. Hei daar, trawanten! Geeselt deze priesters, en doodt allen
+die gij bij deze waanzinnige feestviering betrapt!" Men gehoorzaamde
+zijn bevel, en deed op deze wijze de woede en den wrok der Egyptenaren
+ten toppunt stijgen.
+
+Nadat de Apis aan de ontvangen wonde gestorven was, begroeven de
+Memphiten hem heimelijk in de bij het Serapeum gelegene graven der
+heilige stieren, en beproefden onder aanvoering van Psamtik een opstand
+tegen de Perzen. Deze opstand werd evenwel spoedig onderdrukt, en
+kostte den ongelukkigen zoon van Amasis een leven, welks vlekken wel
+verdienden vergeten te worden, ter wille van zijn rusteloos streven
+om zijn volk van de heerschappij der vreemdelingen te verlossen, tot
+bereiking van welk doel hij niet aarzelde voor de vrijheid te sterven.
+
+De waanzin van Cambyzes had intusschen een anderen vorm aan genomen. Na
+de mislukte poging, om den, volgens zijn waan, in een boog veranderde
+Bartja zijne oude gedaante te hergeven, nam zijne prikkelbaarheid
+zoozeer toe, dat éen enkel woord, éen enkele blik, die hem mishaagde,
+voldoende was, om hem tot razernij te brengen. Zijne trouwe raadsman
+Cresus verliet ook nu zijne zijde niet, schoon de koning hem reeds
+meermalen den trawanten had overgegeven om hem terecht te stellen. Maar
+de trawanten kenden hun heer, en wachtten zich wel de handen aan
+den grijsaard te slaan, daar zij zeker waren geen straf te zullen
+beloopen wegens het niet nakomen van 's konings bevelen ten dezen
+opzichte, omdat hij ze den volgenden dag reeds weder vergeten was,
+of er berouw over had. Doch eens moesten de ongelukkige zweepdragers
+voor hunne ongehoorzaamheid zwaar boeten, want, schoon Cambyzes zich
+over het behoud van den grijsaard verblijdde, liet hij de redders van
+het hem dierbare leven niettemin wegens hunne nalatigheid ombrengen.
+
+Het stuit ons tegen de borst, nog meer voorbeelden te vermelden van
+de barbaarsche gruwelen, door den waanzinnigen koning in dien tijd
+bedreven, toch kunnen wij enkele niet met stilzwijgen voorbijgaan. Op
+zekeren dag, gedurende den maaltijd, vroeg hij Prexaspes, na zich
+als naar gewoonte een roes te hebben gedronken, wat de Perzen wel
+van hem zeiden. De gezant mocht zich in die dagen in de bijzondere
+gunst van den monarch verheugen. Ten einde door edele, doch dikwijls
+gevaarlijke daden zijn beschuldigend geweten het zwijgen op te leggen,
+liet hij dus geene gelegenheid voorbijgaan, om weldadigen invloed
+op den ongelukkigen vorst uit te oefenen. Daarom antwoordde hij,
+dat het volk hem zeer prees, maar meende, dat hij zich aan den wijn
+wel wat te veel te buiten ging.
+
+De waanzinnige ontstak door deze, op schertsenden toon uitgesprokene
+woorden in woedenden toorn, en zeide: »Zoo, zeggen de Perzen, dat de
+wijn mij het verstand doet verliezen? Welnu, ik zal bewijzen, dat zij
+zelven niet meer in staat zijn juist te oordeelen!" Dit zeggende spande
+hij zijn boog, mikte een oogenblik, en schoot den oudsten zoon van
+Prexaspes, die als schenker in het achterste gedeelte der zaal op de
+minste wenken van zijn gebieder lette, een pijl in de borst. Daarop gaf
+hij bevel, den ongelukkigen jongeling te openen en te onderzoeken. De
+pijl was midden in zijn hart gedrongen. Hierover verheugde zich het
+monster, en lachende riep hij: »Nu ziet gij, Prexaspes, dat niet ik,
+maar de Perzen het verstand verloren hebben. Wie is in staat, zoo
+zeker zijn doel te treffen, als ik?"
+
+Prexaspes stond als versteend, gelijk Niobe aan den Sipylus [477],
+toen hij bleek en roerloos dit ijzingwekkend tooneel aanschouwde. Zijne
+slaafsche ziel boog voor de almacht van den dwingeland; zijne vingeren
+omklemden niet, zelfs niet voor een oogenblik, het gevest van zijn
+dolk, om dien den onmensch in het hart te stooten. Ja, toen de dwaze
+vorst zijn vraag herhaalde, antwoordde de kruipende hoveling, de hand
+op zijn hart leggende: »Geen God had zekerder kunnen treffen!"
+
+Weinige weken daarna vertrok de koning naar Saïs. Toen men hem daar
+de vertrekken zijner voormalige geliefde wees, rees de sedert lang
+onderdrukte gedachte aan haar met nieuwe kracht in zijne ziel op,
+en tegelijk herinnerde hij zich, dat Amasis hem en haar bedrogen
+had. Zonder zich de moeite te geven over de omstandigheden, die
+tot dat bedrog aanleiding hadden gegeven, na te denken, vloekte hij
+den overleden vorst, en liet zich woedend naar den tempel van Neith
+brengen, waar zijne mummie was bijgezet. Hij rukte het gebalsemde lijk
+uit de sarkophaag, deed het met roeden slaan, met naalden doorsteken,
+de haren uitrukken, kortom op allerlei wijzen mishandelen, en het
+eindelijk, in strijd met de godsdienstwet der Perzen, volgens welke
+de verontreiniging van het reine vuur door lijken eene doodzonde is,
+verbranden. De mummie van de eerste vrouw van Amasis, die te Thebe,
+hare vaderstad, was bijgezet, veroordeelde hij tot hetzelfde lot [478].
+
+Te Memphis teruggekeerd, ontzag hij zich niet zijne gade en zuster
+Atossa met eigen hand te mishandelen. Op zekeren dag namelijk had
+hij een kampgevecht verordend, waarbij onder anderen een hond met een
+jongen leeuw vechten moest. Toen de leeuw zijn tegenstander overwonnen
+had, rukte een andere hond, die met den verwonnene uit hetzelfde
+nest was, zich van zijn ketting los, wierp zich op den leeuw, en deed
+hem met hulp van den gewonde het onderspit delven. Deze vertooning,
+die Cambyzes in verrukking bracht, deed Cassandane en Atossa, die op
+'s konings bevel tegenwoordig waren, de tranen in de oogen wellen. De
+verbaasde dwingeland vroeg naar de oorzaak daarvan, en kreeg nu van
+de driftige Atossa ten antwoord: »Het dappere dier, dat voor zijn
+broeder het leven waagt, doet mij aan Bartja denken, die ongewroken,
+door wien zal ik maar niet zeggen, vermoord is geworden."
+
+Dit woord deed den toorn en het sluimerend geweten van den razende
+voor een oogenblik weder ontwaken. Hij sloeg de vermetele vrouw met
+vuisten, en zou haar misschien gedood hebben, zoo zijne moeder zich
+niet in zijne armen had geworpen en zichzelve aan zijne slagen had
+blootgesteld. Het eerwaardig gelaat en de stem van zijne moeder waren
+voldoende, om zijne woede te beteugelen; uit haren blik echter, dien
+hij juist had opgevangen, sprak zulk eene diepe verontwaardiging,
+zulk eene onbegrensde verachting, dat hij die nimmermeer vergat, en
+het dwaze denkbeeld in hem oprees, dat hij door de oogen der vrouwen
+vergiftigd zou worden. Als hij na dat tijdstip eene vrouw ontmoette,
+kromp hij van angst ineen, en verschool zich achter dezen of genen
+die met hem was, tot hij eindelijk beval alle bewoneressen van het
+paleis te Memphis, zijne moeder niet uitgezonderd, naar Ekbatana
+te brengen. Araspes en Gyges ontvingen bevel, haar naar Perzië te
+geleiden.
+
+
+
+De koninklijke vrouwen waren met haar geleide te Saïs aangekomen,
+en daar in het paleis der pharao's afgestegen. Tot deze stad had
+Cresus haar uitgeleide gedaan. Cassandane was in de laatste jaren zeer
+veranderd. Diepe voren, door ergernis en lijden geploegd, ontsierden
+haar vroeger zoo schoon gelaat; maar de smart had hare hooge, fiere
+gestalte toch niet kunnen krommen.
+
+Atossa, hare dochter, was daarentegen, in spijt van onnoemelijk veel
+verdriet, steeds schooner geworden. Het moedwillige meisje werd eene
+volkomen ontwikkelde vrouw, die zich van hare eigenwaarde bewust was;
+het onstuimige, weerbarstige kind eene krachtige echtgenoote, die het
+aan vastheid van wil niet ontbrak. De ernst des levens en drie, aan
+de zijde van haar razenden gade en broeder doorleefde treurige jaren
+waren bijzonder geschikt geweest, om haar in geduld te oefenen, doch
+hadden haar evenwel eene eerste liefde niet kunnen doen vergeten. De
+vriendschap van Sappho bood haar eenige schadeloosstelling voor het
+verlies van Darius.
+
+De jonge Griekin was, sedert het verdwijnen van haar echtvriend, geheel
+veranderd. Het rozenwaas was sinds lang van hare wang weggevaagd, de
+glimlach van geluk speelde niet meer om haar mond. Buitengemeen schoon,
+in weerwil van hare bleekheid, hare saamgetrokken wimpers en lustelooze
+houding, deed zij aan Ariadne denken, die de terugkomst van Theseus
+verbeidde [479]. Smachtend verlangen sprak uit den opslag harer oogen,
+uit den toon harer zachte stem, uit de statige langzaamheid van haar
+tred. Vernam zij het geluid van een driftig naderenden voetstap, werd
+er een deur haastig geopend, of liet zich plotseling een mannenstem
+hooren, dan ontroerde zij geweldig, rees ijlings op en luisterde, om
+onmiddellijk daarop teleurgesteld, maar toch nog niet zonder hope,
+weder te gaan zitten en te peinzen en te droomen, gelijk zij reeds
+als meisje zoo gaarne deed.
+
+Maar als zij met het kind speelde of het verzorgde, dan scheen zij
+geheel de oude gelukkige moeder te worden, dan werden hare wangen
+weder gekleurd, dan glinsterden hare oogen, dan was 't alsof zij weder
+onverdeeld voor het tegenwoordige leefde, in plaats van in het verleden
+of in de toekomst. Dat kind was haar alles. In dat kind leefde Bartja
+met haar voort; op dat kind kon zij, zonder ook maar in het geringste
+te kort te doen aan den onvergetelijke, die van haar was weggescheurd,
+al de volheid harer liefde overbrengen; in dat kind had de godheid
+haar een levensdoel gegeven, en een band, die haar hechtte aan eene
+wereld, die anders, sinds het verdwijnen van den beminde, geene waarde
+meer voor haar had. Menigmaal dacht zij, als zij het lieve wicht in
+de blauwe kijkers staarde, die zoo sprekend op vaders oogen geleken:
+»Ach, waarom is het geen jongen? Die zou met iederen dag meer op zijn
+vader gelijken, en eindelijk als een tweede Bartja, gesteld dat er
+zulk een zijn kon, vóór mij staan!" Maar dergelijke gedachten werden
+in den regel even spoedig onderdrukt als zij in haar oprezen, en dan
+sloot zij de lieve Parmys met verdubbelde teederheid aan haar hart,
+en noemde zichzelve een dwaas en ondankbaar schepsel.
+
+Op zekeren dag had ook Atossa, getroffen door de gelijkenis van het
+kindeke op zijn vader, uitgeroepen: »Jammer, dat Parmys geen jongen
+is! Hij zou zijn vader eens evenaren en, als een tweede Cyrus,
+over Perzië regeeren!" Weemoedig lachende stemde Sappho met hare
+schoonzuster in, en overlaadde de kleine met kussen; doch Cassandane
+zeide: »Merk hierin de goedheid van de goden op, mijne dochter,
+dat zij u een meisje schonken. Ware Parmys een jongen, dan zou men
+u het kind, zoodra het de zes jaren had bereikt, ontnemen, om het
+met de zonen der andere Achaemeniden te doen opvoeden, terwijl het
+dochterke nog lang onder uwe hoede zal blijven."
+
+Sappho huiverde bij de gedachte alleen, zich van haar kind te moeten
+scheiden. Zij drukte het blonde kopje weder aan hare borst, en vond
+van nu aan niets meer op haar kostbaren schat aan te merken.
+
+De vriendschap van Atossa werkte allerheilzaamst op het gewonde
+hart der jonge weduwe. Met haar kon de bedroefde, zoo dikwijls en
+zoo lang zij wilde, over Bartja spreken, en altijd vond zij in haar
+eene geduldige en deelnemende toehoorderes. Want ook Atossa had den
+spoorloos verdwenen broeder zeer liefgehad. Maar zelfs een vreemde
+zou gaarne aan Sappho's vertellingen het oor hebben geleend. Want niet
+zelden nam zij een hooger vlucht, en scheen, als ze de herinneringen
+uit den bloeitijd van haar geluk in woorden kleedde, eene door de
+goden bezielde dichteres te zijn. En als zij het snarenspeeltuig greep,
+en de gloeiende, smachtende liederen van den Lesbischen zwaan [480],
+waarin zij hare eigene gewaarwordingen terugvond, met hare zuivere,
+zoo aandoenlijk klagende stem zong, dan was het haar of ze met den
+geliefde, te midden van de stilte van den nacht, onder welriekende
+jasmijn nederzat; dan vergat zij, door hare verbeelding weggesleept,
+voor een oogenblik de koude, droeve werkelijkheid geheel en al. En
+telkens, als zij het speeltuig nederlegde, om met een zucht zich
+aan het rijk der droomen te ontrukken, wischte Cassandane, schoon
+zij de Grieksche taal niet verstond, zich een traan uit het oog,
+en boog Atossa zich over haar heen, om haar voorhoofd te kussen.
+
+Aldus waren drie lange jaren voorbijgegaan, in welke zij hare
+grootmoeder slechts zelden had gezien. Volgens 's konings wil
+toch mocht zij het vrouwenverblijf nooit zonder het geleide en
+de toestemming van Cassandane of van de eunuchen verlaten. Thans
+had Cresus, die haar nog gelijk voorheen als eene dochter liefhad,
+Rhodopis naar Saïs doen overkomen. Sappho kon niet besluiten Egypte
+te verlaten, zonder van hare trouwste vriendin afscheid te hebben
+genomen, en zoowel Cassandane als de grijze Lydiër billijkten haar
+verlangen naar Rhodopis. Buitendien had de weduwe van Cyrus zoo veel
+goeds gehoord van de edele grootmoeder harer schoondochter, dat zij
+hartelijk wenschte haar te leeren kennen, en haar, nadat Sappho de
+beminde vrouw op de teederste wijze had verwelkomd, bij zich ontboden.
+
+Toen de beide grijze weduwen tegenover elkander stonden, had zeker
+niemand, voor wie beiden vreemd waren, kunnen beslissen, wie van
+de twee de koningin was. Hij zou ze voorzeker beiden voor vorstinnen
+hebben gehouden. Cresus, die zoowel met de Griekin als met de Perzische
+vorstin innig bevriend was, voorzag in de behoefte aan een tolk,
+en wist, ondersteund door den buigzamen geest der Helleensche, het
+gesprek langen tijd levendig en boeiend te houden.
+
+Nadat Rhodopis, met de haar alleen eigene toovermacht, Cassandane's
+hart voor zich gewonnen had, meende de koningin, volgens Perzisch
+gebruik, haar welgevallen niet beter te kunnen toonen, dan door haar
+uit te noodigen den een of anderen wensch uit te spreken. Een oogenblik
+aarzelde de Helleensche, toen hief zij de handen smeekend op en sprak
+met bevende stem: »Geef mij Sappho, den troost en de kroon van mijn
+ouderdom weder!"
+
+Cassandane's gelaat toonde eene pijnlijke teleurstelling. Zij
+antwoordde: »Dien wensch kan ik niet vervullen, want onze wet gebiedt,
+dat de kinderen der Achaemeniden aan de poorten des konings moeten
+worden opgevoed. Ik mag de kleine Parmys, de eenige kleindochter van
+Cyrus, niet van mij laten gaan en, Sappho zal, hoe lief zij u ook
+hebbe, toch wel in geen geval van haar kind willen scheiden. Ook is
+zij mij en mijne dochter zoo dierbaar, ja, ik zou haast zeggen zoo
+onmisbaar geworden, dat ik haar, schoon ik uw verlangen naar haar
+bijzijn zeer goed begrijp, aan niemand ter wereld zou willen afstaan."
+
+Zoodra Cassandane zag, dat er tranen opwelden in de oogen der Griekin,
+vervolgde zij: »Maar ik weet, een goed middel. Verlaat Naucratis en
+ga met ons naar Perzië. Daar zult gij uwe laatste jaren met ons en
+uwe kleindochter slijten, en als eene vorstin behandeld worden."
+
+Rhodopis schudde het schoone, grijze hoofd, en hernam met nauw
+hoorbare stem: »Ik dank u voor uw vriendelijk aanbod, edele vorstin;
+maar ik gevoel, dat ik niet in staat zou zijn er gebruik van te
+maken. Al de vezelen van mijn hart zijn in Griekenland vastgeworteld,
+en zouden met mijn leven wegsterven, als ik mij voor immer van mijn
+vaderland losrukte. Gewoon aan onafgebrokene werkzaamheid, levendige
+gedachtenwisseling en onbeperkte vrijheid, zou ik binnen de enge
+grenzen van den harem wegkwijnen en sterven. Door Cresus op uw gunstig
+aanbod voorbereid, heb ik een zwaren strijd gehad, eer ik er toe kon
+komen mij zelve te overtuigen, dat mijn plicht gebiedt, wat mij 't
+liefste is voor mijn hoogste goed op te offeren. Zooveel moeilijker
+het is, rein en goed, dan gelukkig te leven, zooveel roemrijker,
+zooveel waardiger is het van eene Helleensche in plaats van het geluk
+haar plicht te volgen. Mijn hart trekt met Sappho naar Perzië, mijne
+geestvermogens en mijne ervaring behooren den Grieken. Als gij soms
+te eeniger tijd mocht vernemen, dat in Hellas niemand buiten het volk
+regeert, en zich dat volk voor niets dan zijne goden en wetten, het
+goede en schoone buigt, denk dan dat het doel, waaraan Rhodopis haar
+leven wijdde, in vereeniging met de besten onder de Hellenen bereikt
+is. Duid het der Griekin niet ten kwade, dat zij, laat ik het maar
+uitspreken, liever als eene vrije bedelares van verlangen sterft,
+dan leeft als eene gelukkig geprezene, maar gebondene vorstin."
+
+Met verbazing had Cassandane de Grieksche vrouw dus hooren spreken. Zij
+begreep haar slechts ten halve; doch zij voelde dat Rhodopis waarheid
+gesproken had, en reikte haar dus, toen zij ophield met spreken, de
+hand ten kus. Daarop zeide zij, na een oogenblik te hebben nagedacht:
+»Handel, gelijk gij zult goedvinden, en wees verzekerd, dat het uwer
+kleindochter, zoolang ik en mijne dochter leven, niet aan trouwe
+liefde zal ontbreken."
+
+»Daarvoor zijn uw edel gelaat en de hooge roep uwer deugd mij zekere
+waarborgen!" antwoordde Rhodopis.
+
+»Zoo ook beschouw ik 't als mijn plicht, wat men tegen uwe kleindochter
+misdreven heeft, zooveel mijne krachten toelaten, weder goed te maken."
+
+De koningin slaakte een smartelijken zucht, en vervolgde: »Ook zal
+de meest mogelijke zorg worden gewijd aan de opvoeding van de kleine
+Parmys. Zij schijnt door de natuur rijk bedeeld te zijn, en zingt thans
+reeds hare moeder de melodieën van haar vaderland na. Ik keur hare
+neiging voor de muziek in 't geheel niet af, ofschoon ze in Perzië,
+uitgenomen bij den godsdienst, slechts door menschen uit den geringen
+stand pleegt te worden beoefend."
+
+Bij deze woorden raakte Rhodopis in geestdrift, en zeide: »Veroorlooft
+gij mij, o koningin, vrij uit te spreken?"
+
+»Spreek onbevreesd!"
+
+»Toen gij straks zoo diep zuchttet bij de gedachte aan uw spoorloos
+verdwenen, voortreffelijken zoon, dacht ik: misschien zou de jonge,
+edele held nog in leven zijn, als de Perzen hunne zonen eene betere,
+laat ik liever zeggen eene veelzijdiger opvoeding wisten te geven. Ik
+heb mij door Bartja laten mededeelen, wat den Perzischen knapen zoo al
+geleerd wordt. Boogschieten, speerwerpen, rijden, jagen, de waarheid
+spreken, en soms eenige schadelijke en heilzame kruiden onderscheiden,
+ziedaar alles, wat men bij u te lande oordeelt, dat zij noodig hebben
+te weten. Onze Helleensche knapen worden evenzeer lichamelijk geoefend
+en gehard, want de geneesheer is slechts de hersteller, de gymnastiek
+de schepper der gezondheid. Maar gesteld dat een Helleensch jongeling,
+door aanhoudende oefening, sterker dan een stier ware geworden,
+waarachtiger dan de godheid, en wijzer dan de geleerdste Egyptische
+priester, zoo zouden wij toch met minachting op hem nederzien, als
+hem ontbrak, wat hem slechts door eene vroegtijdige en eene grondige
+beoefening van de met de gymnastiek nauw verwante muziek kan worden
+geleerd: zachtmoedigheid en gematigdheid.--Gij glimlacht, wijl gij
+mij niet begrijpt; gij zult mij echter gelijk geven, als ik u zal
+hebben aangetoond, dat de muziek, die u, naar hetgeen Sappho mij
+verhaald heeft, zeer schijnt te treffen, van even groot belang voor
+de opvoeding is als de gymnastiek. Beide dragen, het zal u misschien
+vreemd in de ooren klinken, gelijkelijk bij tot de volmaking van
+ziel en lichaam. Wie zich uitsluitend aan de muziek wijdt, zal in
+den beginne, als hij woest van natuur is, week en buigzaam worden
+als het erts in den oven, en zijne ruwheid zal verzacht worden. Maar
+ten laatste zal zijn moed verslappen; in plaats van in drift op te
+vliegen, zal hij over kleinigheden tranen storten, en nimmer een goed
+soldaat worden, 't geen toch vóór alle andere dingen het streven der
+Perzen is. Wie zich uitsluitend in de gymnastiek oefent, zal, ja,
+als Cambyzes, eens de grootst mogelijke kracht aan dapperheid paren,
+maar zijn ziel--hier houdt mijne vergelijking op--blijft stomp en
+blind, terwijl zijne gewaarwordingen onzuiver zijn. Voor de rede zal
+hij doof zijn, en, een tijger gelijk, met ruw geweld zijn wil trachten
+door te drijven. Zijn leven zal waarschijnlijk een onbesuisd, geweldig
+jagen en drijven zijn, zonder dat hij zachtmoedigheid of gematigdheid
+kent. Daarom bestaat de muziek niet alleen voor de ziel, de gymnastiek
+niet alleen voor het lichaam, maar beide ten nauwste verbonden moeten
+het lichaam krachtig maken, en de ziel verheffende en tot kalmte
+stemmende, den geheelen mensch eene mannelijke zachtmoedigheid en
+eene zachtmoedige mannelijkheid geven [481].
+
+Rhodopis zweeg een oogenblik, en vervolgde toen: "Wien zulk eene
+opvoeding niet ten deel valt; wie buitendien van zijne jonkheid aan
+zijne ruwheid vrij den teugel kan vieren, hoe en jegens wien hij wil;
+wie nooit iets anders dan vleierijen, nooit eene gepaste vermaning
+hoort; wie mag bevelen, alvorens te hebben leeren gehoorzamen; wie
+eindelijk opgevoed wordt volgens het beginsel, dat uitwendige glans,
+macht en rijkdom de hoogste, meest wenschelijke goederen zijn, hij kan
+nooit tot die waarachtige, edele mannelijkheid opklimmen, welke wij van
+de goden voor onze jongens afsmeeken. En als zulk een ongelukkige met
+een heftige gemoedsgesteldheid en een zinnelijk hart geboren wordt,
+zoo zal, zonder den verzachtenden invloed der toonkunst, tengevolge
+der bloot lichamelijke oefeningen, zijne teugelloosheid steeds
+toenemen. Het kind, dat wellicht niet zonder goeden aanleg ter wereld
+kwam, zal, tengevolge der slechte opvoeding, eens een wild dier, een
+zwelger, die zichzelven vermoordt en een waanzinnige woestaard worden."
+
+Hier zweeg de levendige matrone. Toen haar blik de vochtige oogen
+der koningin ontmoette, gevoelde zij, dat zij te ver was gegaan, en
+een edel moederhart diep gekrenkt had. Zij greep Cassandane's gewaad,
+bracht den zoom er van aan hare lippen, en zeide op smeekenden toon:
+»Vergeef mij!"
+
+Cassandane boog even het hoofd, ten teeken, dat zij der spreekster
+het harde woord niet toerekende, groette haar, en maakte zich gereed
+het vertrek te verlaten. Op den drempel keerde zij zich nog eens
+om en zeide: »Ik ben niet boos op u, want uwe verwijten waren maar
+al te gegrond. Doch beproef gij desgelijks te vergeven, want ik zeg
+u dat hij, die het geluk van uw en van mijn kind verwoestte, wel de
+machtigste, maar ook de beklagenswaardigste aller menschen is. Vaarwel,
+en denk, indien gij ooit eenige hulp behoeft, aan de weduwe van Cyrus,
+die u dank zegt voor uwe vrijmoedigheid, en er u in dit oogenblik
+aan herinnert, dat men den Perzen vóor alle dingen grootmoedigheid
+en vrijgevigheid leert."
+
+Dit gezegd hebbende, verliet Cassandane het vertrek.
+
+Op dienzelfden dag ontving Rhodopis de tijding, dat Phanes, nadat
+hij te Croton den laatsten tijd in de nabijheid van Pythagoras had
+doorgebracht, steeds lijdende aan zijne wonden, zich bezig houdende
+met ernstige beschouwingen, eenige maanden geleden met de kalmte van
+een wijze gestorven was.
+
+Rhodopis werd door deze tijding diep getroffen en zeide tot Cresus:
+»In Phanes verliest Griekenland een zijner voortreffelijkste mannen;
+doch reeds ontwikkelen er zich velen, die hem zullen gelijken. Daarom
+vrees ik, evenals hij, niets van de toenemende macht der Perzen. Ja,
+ik geloof dat mijn vaderland, met zijne vele kloeke mannen, als eene
+roofgierige hand zich daarnaar uit mocht strekken, tot een reus zal
+worden met een hoofd vol goddelijke kracht, die het ruw geweld zoo
+zeker zal trotseeren als de geest over het lichaam heerscht."
+
+
+
+Drie dagen later nam Sappho voor het laatst afscheid van hare
+grootmoeder, en volgde de koninginnen naar Perzië, waar zij, in weerwil
+van de volgende gebeurtenissen, nog altijd aan de mogelijkheid van
+Bartja's terugkomst geloovende, zich geheel wijdde aan de opvoeding
+harer dochter en aan de verpleging der grijze Cassandane.
+
+De kleine Parmys groeide op tot een meisje van zeldzame schoonheid, en
+leerde naast de goden niets zoo vurig liefhebben als de nagedachtenis
+van haar vader, dien zij kende uit de vaak herhaalde beschrijvingen
+van hare moeder, als had zij hem nog niet lang geleden gezien.
+
+Atossa bleef voor haar, niettegenstaande het groote geluk, dat weldra
+haar deel zou worden, de oude vriendschap gevoelen, en placht haar
+nooit anders dan 'zuster' te noemen.
+
+In den zomer bewoonde Sappho de hangende tuinen te Babylon, en gedacht
+dan dikwijls in hare gesprekken met Cassandane en Atossa de Egyptische
+koningsdochter, die de onschuldige oorzaak was geweest van zoovele
+voor groote rijken en edele menschen noodlottige gebeurtenissen.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Wij zouden hier ons verhaal gevoeglijk kunnen besluiten, zoo wij
+den lezer nog niet enkele mededeelingen schuldig meenden te zijn,
+betreffende het uiteinde van den sinds lang reeds geestelijk gestorven
+Cambyzes, en de verdere lotgevallen van eenige ondergeschikte personen
+uit deze geschiedenis.
+
+Kort na het vertrek der koninginnen, werd te Naucratis de tijding
+aangebracht, dat de satraap van Lydië, Oroetes, zijn ouden vijand
+Polycrates door list naar Sardes had gelokt, en hem had doen
+kruisigen. Aldus was de voorspelling van Amasis betreffende het
+treurig uiteinde van den tyran verwezenlijkt geworden. De satraap
+had zich vermeten deze daad te volvoeren, zonder medeweten van den
+koning, omdat in het Medische rijk veranderingen plaats hadden,
+die de dynastie der Achaemeniden met een volkomen ondergang bedreigden.
+
+Het lange oponthoud van den koning in een ver afgelegen land had
+het ontzag voor zijn naam, dat voorheen de ontevredenen placht te
+weerhouden in verzet of tot opstand te komen, zeer verzwakt. De
+geruchten van den staat van krankzinnigheid, waarin hij verkeerde,
+deden hem merkelijk dalen in de achting zijner onderdanen, terwijl
+het bericht, dat hij uit louter overmoed duizenden landskinderen in
+de Ethiopische en Lybische woestijn aan een onvermijdelijken dood had
+prijsgegeven, de ontevredene Aziaten met een haat jegens hem bezielde,
+die door de machtige partij der magiërs gevoed en aangeblazen, zeer
+spoedig eerst de Mediërs en Assyriërs, doch daarna ook de Perzen tot
+afval en openlijken opstand aanzette.
+
+De eerzuchtige opperpriester Oropastes, die door Cambyzes tot
+stadhouder was aangesteld, plaatste zich aan het hoofd der beweging,
+met oogmerk zichzelven te verheffen en te bevoordeelen. Hij zocht het
+volk voor zich in te nemen door het afschaffen van belastingen, door
+groote geschenken en nog grootere beloften, en beproefde ten laatste,
+ziende hoe erkentelijk men was voor zijne zachtheid, door bedrog de
+Perzische koningskroon in zijn geslacht over te brengen. Gedachtig
+aan de zeldzame gelijkenis van zijn broeder Gaumata op Bartja,
+den zoon van Cyrus, nam hij, zoodra hij bericht ontving van het
+spoorloos verdwijnen van den, in Perzië algemeen beminden jongeling,
+het besluit, Gaumata, den man zonder ooren, voor den vermoorde uit te
+geven, en hem in de plaats van Cambyzes op den troon te zetten. Deze
+list gelukte te gemakkelijker, daar de liefde van het gansche volk
+voor Bartja sterker werd, naarmate de waanzinnige koning zich steeds
+meer gehaat maakte. Toen eindelijk een tal van boden door Oropastes in
+al de provinciën van het land werden rondgezonden, met de boodschap,
+dat de jongere zoon van Cyrus, in spijt van het gerucht omtrent zijn
+dood, nog in leven was, tegen zijn broeder was opgestaan, den troon van
+zijn vader had beklommen, en alle onderdanen gedurende drie jaren volle
+vrijheid van den krijgsdienst en van alle belastingen verzekerde, werd
+de nieuwe heerscher door het gansche rijk met groote vreugde erkend.
+
+De valsche Bartja had zijn broeder, den opperpriester, van wiens
+verstandelijke meerderheid hij zich volkomen bewust was, in alles
+gehoorzaamd. Hij had het paleis te Nisaea [482], in de Medische vlakte,
+betrokken, zich de kroon op het hoofd gezet, den harem des konings voor
+den zijnen verklaard, en zich uit de verte aan het volk vertoond, dat
+in zijne trekken die van den vermoorde meende te herkennen. Later hield
+hij zich echter in het paleis verborgen, om eene mogelijke ontdekking
+van zijn geheim te voorkomen, en gaf zich, het voorbeeld van andere
+Aziatische vorsten volgende, geheel aan zijne lusten over, terwijl
+zijn broeder met vaste hand den schepter voerde, en alle gewichtige
+ambten en posten onder zijne vrienden en stamgenooten, de magiërs,
+verdeelde. Toen hij vasten grond onder de voeten meende te hebben,
+zond hij den eunuch Ixabates naar Egypte, met den last, om aan het
+leger de verandering in de regeering mede te deelen, en het tot afval
+van Cambyzes en tot het omhelzen van Bartja's partij over te halen,
+welke laatste, gelijk wij weten, vooral door de soldaten afgodisch
+bemind werd.
+
+De voor zijne boodschap uitmuntend berekende gezant kweet zich zeer
+goed van zijn last, en had reeds een groot aantal soldaten voor den
+nieuwen koning gewonnen, toen hij door eenige Syriërs, die op eene
+goede belooning hoopten, gevangengenomen en naar Memphis gebracht
+werd. In de pyramidenstad aangekomen, voerde men hem oogenblikkelijk
+voor den koning, die hem, ingeval hij de volle waarheid aan het
+licht bracht, vrijheid en leven verzekerde. En nu bevestigde de
+gezant de tijding, die tot dusver als een los gerucht tot Egypte was
+doorgedrongen, dat Bartja den troon van Cyrus had bestegen, en reeds
+door het grootste deel van het rijk erkend was geworden.
+
+Cambyzes ontroerde bij dit bericht, als iemand, die een doode uit het
+graf ziet opstaan. In weerwil dat zijne geestvermogens zeer verzwakt
+waren, wist hij toch zeer goed, dat Bartja op zijn bevel door Prexaspes
+vermoord was. Hij vermoedde thans, dat zijn gezant hem bedrogen en den
+jongeling het leven geschonken had. Deze bliksemsnel in hem oprijzende
+gedachte onverwijld uitsprekende, verweet hij Prexaspes met bittere
+woorden het jegens zijn koning gepleegde verraad. De hoveling was
+nu gedwongen met een duren eed te bezweren, dat hij den ongelukkigen
+Bartja met zijne eigene hand gedood en begraven had.
+
+Hierop werd den bode van Oropastes gevraagd, of hij zelf den nieuwen
+koning gezien had. Hij antwoordde ontkennend, met bijvoeging, dat
+de broeder van Cambyzes slechts eene enkele maal zijne woning had
+verlaten, om zich uit de verte aan het volk te vertoonen. Thans
+doorzag Prexaspes het geheele weefsel van leugen en bedrog, door
+den opperpriester gesponnen. Hij herinnerde den koning het onzalige
+misverstand van vroeger, dat door de treffende gelijkenis van Gaumata
+op Bartja ontstaan was, en bood zijn hoofd aan tot onderpand voor de
+waarheid van zijn vermoeden. De geestelijk kranke koning, die met deze
+uitlegging genoegen nam, dacht sedert dit oogenblik aan niets meer,
+dan aan de gevangenneming en de terechtstelling der magiërs.
+
+Het leger moest zich marschvaardig maken. Aryandes, een Achaemenide,
+werd tot satraap over Egypte benoemd, en zonder verwijl braken de
+troepen naar Perzië op. Voortgezweept door het verlangen om wraak te
+nemen op den trouwloozen stadhouder, gunde de koning zich geene rust,
+en maakte den nacht tot dag. Maar plotseling werd hij in zijne dolle
+vaart gestuit. Zijn paard, waarvan hij in zijne onstuimige drift al
+te veel gevergd had, zeeg uitgeput neder, en onder het vallen had de
+ruiter het ongeluk zich met zijn eigen dolk te kwetsen [483]. Nadat
+hij dagen lang bewusteloos had neêrgelegen, sloeg hij de oogen op, en
+verlangde eerst Araspes, dan zijne moeder, en eindelijk Atossa te zien,
+ofschoon deze drie reeds voor maanden waren afgereisd. Uit al zijne
+woorden bleek, dat hij de laatste vier jaren, sedert het begin dier
+heftige koortsen, tot op het oogenblik zijner verwonding, als in een
+diepen slaap had verkeerd. Alles wat men hem uit dien tijd verhaalde,
+was hem geheel nieuw, en vervulde hem met groote smart. Alleen
+van den dood zijns broeders bleek hij kennis te dragen. Hij wist,
+dat Prexaspes dezen, op zijn bevel, vermoord en hem gezegd had,
+dat Bartja op den oever der Roode Zee begraven lag.--In den nacht
+die volgde op dit ontwaken, werd het hem zelven duidelijk, dat hij
+langen tijd volkomen krankzinnig moest geweest zijn. Tegen den morgen
+viel hij in een gerusten slaap, die hem zoo zeer versterkte, dat hij
+Cresus bij zich ontbieden kon. Hij gelastte dezen hem uitvoerig mede
+te deelen, wat hij in de laatste jaren gedaan had.
+
+De grijze raadsman voldeed aan 's konings verlangen, en verzweeg hem
+geene zijner geweldenarijen, al wanhoopte hij ook, den aan zijne zorg
+toevertrouwden vorst op den rechten weg te zullen terugbrengen. Zijne
+blijdschap was daarom dubbel groot, toen hij bemerkte, dat zijne
+woorden een diepen indruk maakten op het ontwaakte geweten van den
+koning. Met tranen in de oogen verklaarde deze, dat zijne euveldaden
+hem berouwden. Beschaamd als een kind, bad hij Cresus om vergiffenis,
+dankte hem voor zijne trouwe liefde, en droeg hem eindelijk op, uit
+zijn naam vooral Cassandane en Sappho, maar ook Atossa en allen die
+hij ten onrechte had gegriefd, om vergeving te vragen.
+
+De eerbiedwaardige Lydiër weende tranen van vreugde, en hield niet
+op den kranke te verzekeren, dat hij genezen en dan overvloedige
+gelegenheid hebben zou, om al het misdrevene door edele daden
+weder goed te maken. Cambyzes schudde evenwel ontkennend het hoofd,
+en verzocht den grijsaard hem in de open lucht te laten brengen,
+zijne legerstede op eene hoogte te doen plaatsen, en den Achaemeniden
+te bevelen, zich om hun koning te verzamelen. Toen aan zijn bevel,
+niettegenstaande de geneesheeren zich hiertegen verzetten, was voldaan,
+liet Cambyzes zich overeind zetten, en sprak daarop met een stem,
+die tot op grooten afstand verstaanbaar was, het volgende:
+
+»Het is thans tijd, Perzen, dat ik u mijn grootste geheim
+openbaar. Door een droomgezicht misleid, door mijn broeder vertoornd
+en gekrenkt, heb ik, in een vlaag van waanzinnige drift, last gegeven
+hem te vermoorden. Prexaspes heeft, op mijn uitdrukkelijk bevel,
+de schandelijke daad volbracht, die in plaats van mij de verlangde
+rust te schenken, mijne hersenen geheel heeft gekrenkt en deze
+stervensure voor mij zoo vreeselijk maakt.--Deze bekentenis moge
+u overtuigen, dat mijn broeder Bartja niet meer onder de levenden
+is. De magiërs hebben zich van den troon der Achaemeniden meester
+gemaakt. Aan hun hoofd staan de, door mij tot stadhouder aangestelde
+opperpriester Oropastes en zijn broeder Gaumata, die zoo sprekend op
+den vermoorden Bartja gelijkt, dat Cresus, Intaphernes en mijn oom,
+de edele Hystaspes, hem eens voor mijn broeder hebben aangezien. Wee
+mij, dat ik hem gedood heb, die, als mijn naaste bloedverwant, den mij
+door de magiërs aangedanen hoon had kunnen wreken. Maar ik kan hem niet
+in het leven terugroepen en daarom benoem ik ulieden tot uitvoerders
+van mijn laatsten wil. Bij den Feruer van mijn overleden vader, en
+in den naam van alle goede en reine geesten, bezweer ik u, dat gij de
+regeering niet in de handen der valsche magiërs laat. Hebben zij zich
+door list van de kroon meester gemaakt, zoekt die hun dan door list
+wederom te ontrukken. Hebben zij met geweld den schepter veroverd,
+ontweldigt hun dien op gelijke wijze. Volgt gij dezen mijn laatsten
+wil, zoo zal de aarde u rijke vruchten schenken, zoo zult gij in uwe
+vrouwen en kudden gezegend worden, zoo zal ten allen tijde vrijheid
+uw deel zijn. Mocht gij daarentegen de heerschappij niet meer in uw
+geslacht terugbrengen, dan zult gij allen, ja, dan zal ieder Pers
+even rampzalig aan zijn einde komen als ik!"
+
+Toen de Achaemeniden den koning na deze woorden zagen weenen en
+uitgeput nederzijgen, scheurden zij hunne kleederen en hieven een
+klaaggeschrei aan. Weinige uren later gaf Cambyzes in de armen van
+Cresus den geest. In zijne laatste oogenblikken dacht hij aan Nitetis,
+en hij stierf met haar naam op de lippen, en met tranen van berouw
+in de oogen [484].
+
+Nadat de Perzen het onreine lijk verlaten hadden, knielde Cresus er
+voor neder, en riep, zijne hand ten hemel heffende: »Groote Cyrus! Ik
+heb mijn eed gehouden, en dezen ongelukkige tot aan zijn dood als
+zijn getrouwe raadsman ter zijde gestaan!"
+
+Den volgenden dag trok de oude man, met zijn zoon Gyges, naar de hem
+in eigendom geschonken stad Barene, alwaar hij nog vele jaren leefde,
+als een vader zijner onderdanen, door Darius in hooge eere gehouden,
+door al zijne tijdgenooten geprezen.
+
+
+
+Na den dood van Cambyzes hielden de hoofden van de zeven
+Perzische stammen [485] te zamen raad, en besloten zich vóor
+alle dingen zekerheid te verschaffen, omtrent den persoon van den
+overweldiger. Otanes zond heimelijk een getrouwen eunuch tot zijne
+dochter Phaedime, die, gelijk men wist, met den geheelen te Nisaea
+achtergebleven harem van Cambyzes, in het bezit van den nieuwen
+koning was gekomen. Alvorens de bode terugkeerde, was het grootste
+gedeelte van het leger verloopen, daar de soldaten met vreugde de
+gunstige gelegenheid aangrepen, om na eene veeljarige afwezigheid tot
+hunne haardsteden en betrekkingen terug te keeren. Eindelijk kwam de
+eunuch, die met smart verwacht werd, terug, aan Otanes de volgende
+boodschap brengende: »Phaedime was slechts een enkele maal door
+den nieuwen koning bezocht geworden; zij had echter van zijn slaap
+partij weten te trekken, om zich met groot gevaar te overtuigen, dat
+hem werkelijk beide ooren ontbraken. Maar ook zonder deze ontdekking
+had zij de zekerheid, dat de overweldiger, die inderdaad treffend op
+den vermoorde geleek, niemand anders was dan Gaumata, de broeder van
+Oropastes. Haar oude vriend Boges was wederom overste der eunuchen,
+en had haar in het geheim der magiërs ingewijd. De opperpriester had
+den vrouwendespoot als bedelaar in de straten van Suza ontmoet, en
+hem zijne oude bediening teruggegeven met de woorden: »Wel hebt gij uw
+leven verbeurd; maar ik heb behoefte aan menschen van uw slag."--Ten
+slotte bad Phaedime haar vader alles in het werk te stellen, om den
+magiër, die haar met de grootste minachting bejegende, van den troon
+te stooten. Zij was, verzekerde ze, de ongelukkigste aller vrouwen.
+
+Ofschoon geen der Achaemeniden ook slechts een oogenblik geloofd
+had, dat Bartja nog in leven was, en zich werkelijk van den troon
+had meester gemaakt, waren zij toch blijde, toen zij door Phaedime's
+tusschenkomst zulk een afdoende zekerheid betreffende den persoon des
+overweldigers verkregen. Zij besloten onmiddellijk met het overschot
+van het leger naar Nisaea te trekken, en den magiërs door list of
+geweld de kroon te ontrukken.
+
+Nadat zij ongehinderd in de nieuwe residentie waren binnengetrokken,
+en gezien hadden dat het meerendeel der bevolking tevreden was met
+de verandering, die er in de regeering had plaats gehad, namen zij
+den schijn aan als geloofden zij, dat de nieuwe koning waarlijk de
+jongere zoon van Cyrus was, en als waren zij bereid hem hunne hulde
+te brengen. De magiërs lieten zich echter zoo gemakkelijk niet om den
+tuin leiden, hielden zich in hun paleis verborgen, verzamelden in de
+vlakte van Nisaja een leger, aan hetwelk zij hooge soldij beloofden,
+en zetten hunne bemoeiingen ijverig voort, om het geloof aan Bartja's
+bestaan te versterken. Niemand, die hen hierbij meer kon tegenwerken,
+of misschien van nut zijn, dan Prexaspes. Want deze stond bij alle
+Perzen hoog aangeschreven, en kon dus door te verzekeren, dat hij
+Bartja niet had vermoord, het meer en meer veld winnende gerucht
+betreffende diens dood ineens doen logenstraffen. Derhalve liet
+Oropastes den gezant, die sedert 's konings mededeeling door zijns
+gelijken gemeden werd en als een balling leefde, bij zich komen, en
+bood hem eene ontzaglijke som, indien hij een toren wilde bestijgen,
+en aan het in het voorhof vergaderde volk verklaren, dat lastertongen
+hem den moordenaar van Bartja hadden genoemd, terwijl hij zoo even
+met eigen oogen den nieuwen koning had gezien, en in hem den jongeren
+zoon van Cyrus, zijn vriend en weldoener, wedergevonden en herkend
+had. Prexaspes verklaarde zich hiertoe bereid, nam, terwijl zich het
+volk in het voorhof opeenhoopte, een teeder afscheid van de zijnen,
+zond bij het heilige vuuraltaar een kort gebed tot de goden op, en
+begaf zich dan met fieren tred en opgeheven hoofd naar het paleis. Op
+weg daarheen ontmoette hij de hoofden van de zeven stammen. Toen hij
+zag, dat zij voor hem uit den weg gingen, riep hij hun toe: »Ik verdien
+uwe verachting, maar ik zal beproeven uwe vergiffenis te verwerven!"
+
+Toen Darius zich nog eens omkeerde, liep hij naar dezen toe, vatte
+zijne hand, en zeide: »Ik heb u als een zoon liefgehad. Als ik niet
+meer zijn zal, zorg gij dan voor mijne kinderen, en gebruik uwe wieken,
+gevleugelde Darius!"
+
+Daarop beklom hij met trotsche houding den hoogen toren. De duizenden
+burgers uit Nisaea verstonden hem woord voor woord, toen hij, zijn
+stem zooveel hij kon uitzettende, het volgende sprak: »Gij allen weet,
+dat de koningen, die tot dusver roem en eer over u hebben gebracht,
+tot het geslacht der Achaemeniden behoorden. Cyrus regeerde over u
+als een billijk vader, Cambyzes als een streng gebieder, en Bartja
+zou u, als een bruidegom zijne bruid, hebben geleid, zoo hij niet
+door deze mijne eigene hand aan den oever der Roode Zee verslagen
+was geworden. Deze schandelijke daad, die ik, bij Mithra, met een
+bloedend hart pleegde, volbracht ik, als een gehoorzaam onderdaan,
+overeenkomstig het bevel van mijn heer en koning. Toch kon ik bij dag
+noch nacht rust vinden. Als het opgejaagde wild werd ik, vier jaren
+lang, door de geesten der duisternis, die den slaap van het leger eens
+moordenaars verdrijven, vervolgd en gemarteld. Thans echter heb ik het
+besluit genomen, dat leven vol angst en vertwijfeling met eene goede
+daad te besluiten. Zal ik ook aan de brug Chinvat [486] geene genade
+vinden, toch hoop ik mij bij de menschen den naam van een braaf man
+weder waardig te maken, dien ik eens verbeurde. Weet dan, dat hij,
+die zich voor den zoon van Cyrus uitgeeft, mij op dezen toren zond,
+en eene groote belooning toezeide, als ik u bedriegen wilde, en de
+verzekering voor u afleggen, dat hij Bartja, de Achaemenide, is. Ik
+lach met zijne beloften, en zweer hier met den duursten eed, dien
+ik ken, bij Mithra en de Feruers der koningen, dat hij, die thans
+over u heerscht, niemand anders is, dan de van zijne ooren beroofde
+Gaumata, de broeder van den opperpriester en stadhouder Oropastes,
+dien gij allen kent! Wilt gij den roem vergeten, dien gij aan de
+Achaemeniden te danken hebt, wilt gij niet alleen ondankbaar maar
+ook laf en laaghartig zijn, welnu, erkent dan die ellendelingen als
+uwe koningen. Maar verfoeit gij den leugen, en acht gij u zelven te
+edel, om nietswaardige bedriegers te gehoorzamen, verjaagt dan de
+magiërs, voordat Mithra den hemel verlaat, en roept den edelste der
+Achaemeniden, in wien gij een tweeden Cyrus zult wedervinden, roept
+dan Darius, den verheven zoon van Hystaspes, tot koning uit. Opdat
+gij echter geloof moogt hechten aan mijne woorden, en niet meenen,
+dat Darius mij hierheen heeft gezonden, om u voor hem te winnen, wil
+ik thans eene daad volbrengen, die aan allen twijfel een einde maken
+en bewijzen zal, dat mij de waarheid en de eer der Achaemeniden liever
+zijn dan mijn leven. Weest gezegend, als gij mijn raad volgt; weest
+vervloekt, als gij u niet op de magiërs wreekt, noch den schepter
+in de handen der Achaemeniden overlevert! Ziet, ik sterf als een
+waarheidlievend en braaf man!"
+
+Nadat hij dit gezegd had, beklom de spreker den hoogsten top van den
+toren, stortte zich van boven neder en stierf, de eenige misdaad die
+hij ooit gepleegd had met een schoonen dood verzoenende.
+
+Het volk, dat geen woord van zijne rede gemist had, en als het ware
+den adem had ingehouden, om hem goed te verstaan, barstte nu los
+in een geweldig gehuil van woede en wraak, verbrijzelde de deuren
+van het paleis, en stond gereed om met den kreet: »De dood aan de
+magiërs!" naar binnen te stuiven, toen de zeven stamhoofden der Perzen
+den woedenden hoop in den weg traden.
+
+Zoodra de menigte hen bespeurde, klom hare geestdrift nog hooger,
+en riep zij nog onstuimiger: »Weg met de magiërs! Leve koning Darius!"
+
+Door den volkshoop als in triomf voortgedragen, plaatste zich de
+zoon van Hystaspes thans op eene verhevenheid, en deelde van daar
+het volk mede, dat de magiërs zoo even, als leugenaars en roovers,
+door de handen der Achaemeniden den dood hadden ontvangen. Met
+nieuwe vreugdekreten werd dit bericht begroet. Nadat vervolgens de
+bloedende hoofden van Oropastes en Gaumata den volke vertoond waren,
+vloog de van woede en wraaklust uitgelaten menigte de straten door,
+iederen magiër doodende, dien zij meester kon worden. Alleen de nacht
+vermocht een einde te maken aan dat vreeselijke bloedbad [487]. Vier
+dagen later werd de zoon van Hystaspes, op grond van zijne geboorte
+en uitnemende hoedanigheden, door de hoofden der Achaemeniden tot
+koning gekozen, en als zoodanig door de Perzen met geestdrift begroet.
+
+Darius had met eigen hand den magiër Gaumata gedood, op hetzelfde
+oogenblik dat Megabyzus, de vader van Zopyrus, den opperpriester
+doorboorde. Terwijl Prexaspes het volk toesprak, waren de zeven
+saamgezworene stamhoofden Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus,
+Aspatines, Hydarnes en Darius, die zijn hoog bejaarden vader Hystaspes
+verving, door eene onbewaakte deur in het paleis gedrongen. Spoedig
+kwamen zij te weten, waar de magiërs zich ophielden, en waren dus,
+daar zij de inrichting van het slot kenden en de meeste wachters het
+toezicht moesten houden op het daar buiten naar de rede van Prexaspes
+luisterende volk, zonder oponthoud tot de vertrekken genaderd, waar de
+magiërs vertoefden. Hier beproefden eenige eunuchen, onder aanvoering
+van den ons welbekenden Boges, hun den weg te versperren; doch in
+weerwil van hun moedigen tegenstand werden zij allen gedood. Boges
+stierf door de hand van Darius, die hem dadelijk herkend had, en daarom
+met verdubbelde woede op hem was aangevallen. Verontrust door het
+gekerm der stervende eunuchen, waren de magiërs toegesneld, en ziende
+wat er gebeurde, hadden ook zij zich nog willen verweren. Oropastes
+rukte den nederzijgenden Boges de lans uit de hand, stiet Intaphernes
+een oog uit, en kwetste Aspatines aan het dijbeen, waarop een dolksteek
+van Megabyzus een einde aan zijn leven maakte. Gaumata was in een
+zijvertrek gevlucht, en wilde juist de deur dichtgrendelen, toen Darius
+en Gobryas naar binnen drongen. De laatste omvatte den magiër met zijne
+armen, wierp hem neder en belette hem, door zich op hem te werpen,
+van den grond op te staan. Besluiteloos stond Darius naast die beiden
+in het halfduistere vertrek, vreezende dat hij door toe te stooten
+ook Gobryas zou treffen. Deze bemerkte dit en riep: »Stoot toe, al
+moest gij ook ons beiden doorboren!" Darius gehoorzaamde, doch trof
+gelukkig alleen den magiër. Dit was het uiteinde van Oropastes, den
+opperpriester, en van den meer algemeen onder den naam van »pseudo"
+of »valschen Smerdis" bekenden Gaumata.
+
+Ettelijke weken nadat Darius tot koning was uitgeroepen, waarbij hij,
+gelijk de Perzen verhaalden, door wonderbare goddelijke teekens en
+de list van een stalmeester [488] ondersteund was geworden, vierde
+de zoon van Hystaspes te Pasargadae een prachtig kronings- en een
+nog luisterrijker huwelijksfeest met de geliefde zijns harten,
+Atossa [489], de dochter van Cyrus. De door het lijden ontwikkelde
+en gerijpte jonge vrouw bleef, tot aan het einde van het werkzame en
+roemrijke leven van haar gemaal, zijne vurig beminde en hooggeachte
+gemalin. Gelijk Prexaspes had voorspeld, werd Darius een koning,
+wiens daden en werken hem den naam van »tweeden Cyrus" en van »den
+groote" ten volle waardig maakten.
+
+Als veldheer even omzichtig als dapper, wist hij zijn onmetelijk rijk
+zoo uitmuntend in te deelen en te besturen, dat men hem in de kunst
+van te regeeren onder de grootste vorsten van alle landen en tijden
+moet rangschikken. Aan hem alleen hadden zijne zwakke opvolgers
+het te danken, dat zich dat kolossale Aziatische rijk, hetwelk uit
+zoovele landen bestond, nog twee eeuwen kon staande houden. Mild en
+vrijgevig met zijne eigene schatten, en hoogst zuinig als het die
+zijner onderdanen gold, wist hij waarlijk koninklijke geschenken
+te geven, zonder ooit meer te vorderen dan hem toekwam. In plaats
+van die willekeurige geldafpersingen, die onder de regeering van
+Cyrus en Cambyzes telkens wederkeerden, voerde hij een geregeld
+belastingstelsel in, en liet zich in het doorzetten van wat hij recht
+en billijk oordeelde door geene zwarigheden afschrikken. De bespotting
+van de zijde der Achaemeniden, die van niets wisten dan oorlog voeren,
+en hem dus om zijne zuiver financiëele bemoeiingen »kramer" noemden,
+deed hem geen haarbreed van den eenmaal ingeslagen weg afwijken. Het
+is voorwaar niet een zijner geringste verdiensten, dat hij door zijn
+geheele rijk, en aldus door de halve toen bekende wereld, een gelijk
+muntstelsel invoerde.
+
+De zeden en godsdiensten der verschillende volken eerbiedigende,
+veroorloofde hij den Joden, toen het document van Cyrus waarvan
+Cambyzes niets had geweten, in het archief van Ekbatana was
+wedergevonden, met het bouwen van hun tempel voort te gaan. Den
+Ionischen steden vergunde hij hare gemeenten zelfstandig te
+besturen. En nooit zou hij er toe gekomen zijn, zijne legers tegen
+Griekenland te doen optrekken, als de Atheners hem niet beleedigd
+hadden.
+
+In de staathuishoudkunde had hij, als in zoovele andere dingen,
+veel van de Egyptenaren geleerd. Vandaar dat hij dit volk eene
+bijzondere achting toedroeg en vele weldaden bewees. Zoo liet hij
+onder anderen, tot opbeuring van den Egyptischen handel, een kanaal
+graven, dat den Nijl met de Roode Zee verbond [490]. Gedurende zijne
+gansche regeering deed hij zijn uiterste best de hardheid, waarmede
+Cambyzes de Egyptenaren behandeld had, door zachtheid weder goed te
+maken, en nog op hoogen leeftijd hield hij zich gaarne onledig met het
+bestudeeren van de werken van dit wijze volk, welks zeden en godsdienst
+zoolang hij leefde door niemand ooit mocht worden aangerand. De grijze
+priester Neithotep, die eens zijn leermeester was geweest, mocht zich
+tot aan den dood in de gunst van dezen vorst verheugen, die zich niet
+zelden de sterrenkundige kennis van den ouden wijze ten nutte maakte.
+
+De Egyptenaren erkenden ook van hunne zijde de goedheid van den
+nieuwen vorst, en noemden Darius, evenals hunne vroegere koningen,
+eene godheid [491]. Desniettemin vergaten zij op het einde zijner
+regeering de groote verplichtingen, die zij aan hem hadden, en
+beproefden, toegevende aan hun verlangen naar zelfstandigheid,
+het zachte juk van de schouders te werpen [492]. Hun edele vorst en
+beschermer mocht het einde van dezen strijd niet meer beleven. Xerxes,
+de opvolger en zoon van Darius en Atossa, was bestemd om de bewoners
+van het Nijldal tot eene meer slaafsche onderwerping terug te brengen,
+die juist daarom onmogelijk duurzaam kon zijn.
+
+Als een waardig gedenkteeken zijner grootheid, liet Darius op
+den berg Rachmed bij Persepolis een heerlijk schoon paleis bouwen,
+welks puinhoopen thans nog de verbazing en bewondering der reizigers
+wekken. Zesduizend Egyptische bouwlieden, door Cambyzes indertijd naar
+Azië gevoerd, hielpen dit werk tot stand brengen, en ondersteunden de
+arbeiders, aan welke was opgedragen een koninklijk graf voor Darius en
+zijne nakomelingen aan te leggen. De moeilijk toegankelijke rotskamers
+dier begraafplaats hebben den tand des tijds getrotseerd, en strekken
+heden nog aan tallooze wilde duiven tot woning.
+
+Op een gepolijsten wand van de rots van Bisitoen of Behistân, nabij
+welke plaats Darius eens het leven zijner Atossa had gered, liet hij de
+geschiedenis zijner daden uitbeitelen met zoogenaamd spijkerschrift in
+de Perzische, Medische en Assyrische taal. Het Assyrisch en Perzisch
+gedeelte dezer opschriften is thans met juistheid te lezen. Aldaar
+vindt men ook eene mededeeling van de in de laatste hoofdstukken
+geschetste gebeurtenissen, die vrij nauwkeurig overeenstemt met ons
+verhaal en met de berichten van Herodotus. Onder anderen wordt er
+gezegd: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik deed, geschiedde in
+allen deele door de genade van Aoeramazda. Nadat de koningen afvallig
+waren geworden, leverde ik negentien veldslagen. Door de genade van
+Aoeramazda versloeg ik hen. Negen koningen nam ik gevangen. Een van
+hen, Gaumata, een Mediër, loog, toen hij dus sprak: 'Ik ben Bardiya
+(Bartja), de zoon van Cyrus.' Deze maakte Perzië afvallig."
+
+Verder vermeldt hij ook de namen der stamhoofden, die hem geholpen
+hadden bij het ten onder brengen der magiërs, en op eene andere plaats
+leest men: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik gedaan heb, dat
+heb ik in allen deele door de genade van Aoeramazda gedaan. Aoeramazda
+en de overige bestaande goden schonken mij hun bijstand, daarom, dat
+ik niet twistgierig, geen leugenaar, geen gewelddadig heerscher was,
+ik noch mijn geslacht. Wie mijne stamgenooten geholpen heeft, dien
+heb ik begunstigd; wie vijandig jegens ons was, dien heb ik streng
+gestraft. Gij, die na mij koning zult zijn, wees niet vriendschappelijk
+gezind jegens den man, die een leugenaar of een oproerling is, maar
+straf hem streng. Darius, de koning, spreekt: Gij, die later deze
+tafel zult zien, die ik geschreven heb, of deze teekens, vernietigt
+ze niet, maar bewaart ze zoolang gij leeft, enz."
+
+Ten slotte blijft ons nog over te verhalen, dat Zopyrus, de zoon
+van Megabyzus, tot aan zijn dood de trouwste vriend van Darius
+bleef. Toen een hoveling den koning eens een granaatappel toonde en
+hem vroeg: »Welk geluk zoudt gij gaarne zoo veelvuldig bezitten als
+deze appel pitten bevat?" antwoordde Darius, zonder zich te bedenken:
+»Mijn Zopyrus!"
+
+Deze wist de goedheid van zijn koninklijken vriend weerkeerig met
+vriendschap te vergelden. Toen Darius negen maanden lang vruchteloos
+Babylon had belegerd, dat zich na den dood van Cambyzes aan de
+Perzische heerschappij had ontworsteld, en reeds half en half besloten
+was het beleg op te breken, verscheen Zopyrus bloedende, zonder neus en
+ooren, voor den koning, en zeide, dat hij zichzelven dus verminkt had,
+om den Babyloniërs, die hem even goed kenden als hij hunne dochteren,
+wie hij zoo dikwerf het hof had gemaakt, eene poets te spelen. Hij
+zou de overmoedige bevolking diets maken, dat Darius hem alzoo had
+doen mishandelen, en hunne hulp inroepen om wraak te nemen op den
+koning. Zij zouden hem dan troepen verschaffen, waarmede hij, om zich
+het vertrouwen der burgers te verwerven, eenige gelukkige uitvallen
+zou doen. Dan zou hij de sleutels der stad in handen zien te krijgen,
+en voor zijne vrienden de Semiramis-poort openen. Deze op schertsenden
+toon uitgesproken woorden, en het verminkte gelaat van zijn vroeger
+zoo schoonen vriend, deden den koning zoozeer aan, dat hij tranen
+stortte. Maar toen de door geweld onneembare vesting voor de list
+van Zopyrus inderdaad bezweken was, riep hij: »Honderd Babels zou ik
+willen geven, als mijn Zopyrus zich niet zoo verminkt had!"--Daarop
+benoemde hij zijn vriend tot heer en meester van de reuzenstad, schonk
+hem al de inkomsten er van en vereerde hem jaarlijks de kostbaarste
+geschenken. In later tijd zeide hij meermalen, dat buiten Cyrus,
+met wien geen sterveling vergeleken kon worden, niemand ooit zulk
+eene edele daad had volbracht als Zopyrus.
+
+Weinige vorsten hebben op zulke edele vrienden kunnen wijzen
+als Darius, daar weinigen als hij den plicht der dankbaarheid
+in beoefening wisten te brengen. Toen Syloson, de broeder van den
+vermoorden Polycrates, op zekeren dag te Susa kwam, en den koning er
+aan herinnerde, wat hij eens voor hem gedaan had, ontving Darius hem
+als zijn vriend, stelde schepen en soldaten te zijner beschikking,
+en hielp hem de Samiërs onder zijne heerschappij terug te brengen. De
+eilanders verweerden zich met den moed der wanhoop tegen de vreemde
+krijgsbenden van den nieuwen tyran, en erkenden, toen zij zich ten
+laatste overwonnen moesten verklaren, dat zij hunne onderwerping aan
+de vriendschap van Darius voor Syloson hadden te wijten.
+
+Rhodopis beleefde nog, dat Hipparchus door Harmodius en Aristogiton
+vermoord werd en den val van zijn broeder Hippias, de tyrannen van
+Athene, en stierf eindelijk met vast vertrouwen op de hooge bestemming
+der Hellenen, in de armen van hare beste vrienden, Theopompus den
+Milesiër en Kallias den Athener. Geheel Naucratis beweende den dood
+dezer edele vrouw. Kallias zond een bode naar Susa, om den koning en
+Sappho bericht te geven van het afsterven zijner vriendin. Weinige
+maanden later ontving de satraap van Egypte den volgenden brief van
+de hand van Darius:
+
+
+ »Overmits wij de, onlangs te Naucratis gestorvene Helleensche
+ vrouw Rhodopis gekend en gehoogacht hebben,--overmits hare
+ kleindochter, als weduwe van een rechtmatigen kroonprins van
+ het Perzische rijk, op den huidigen dag nog de eere eener
+ koningin geniet,--overmits ik eindelijk de achterkleindochter
+ der overledene, Parmys, de dochter van Bartja en Sappho,
+ kortelings tot mijne derde echte gemalin heb verheven, schijnt
+ het mij recht en billijk toe, dat wij het stoffelijke overschot
+ van de grootmoeder van twee aanzienlijke vorstinnen koninklijke
+ eere doen genieten. Daarom beveel ik u de assche van Rhodopis,
+ die wij altijd voor de grootste en voortreffelijkste aller
+ vrouwen hebben gehouden, in de grootste en prachtigste
+ aller begraafplaatsen, namelijk in eene der pyramiden, met
+ vorstelijken luister te doen bijzetten. In nevensgaande
+ kostbare urn, die Sappho zelve zendt, moet de assche der
+ overledene worden verzameld.
+
+ Gedaan in het
+ nieuwe rijkspaleis te Persepolis,
+
+ Darius, zoon van Hystaspes,
+ koning.
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Naar de stad Canobus, niet ver van het tegenwoordige Rosette
+gelegen.
+
+[2] Van welke schepen de Egyptenaars zich bedienden, kan men
+o.a. zien bij Dümichen, Die Flotte einer Egyptischen Königin. De oude
+gedenkteekenen doen ons duidelijk opmerken, welke vorderingen zij
+langzamerhand in den scheepsbouw hebben gemaakt. Reeds op monumenten
+uit den pyramidentijd vinden wij afbeeldingen van scheepstimmerwerven,
+en in het museum te Leiden scheepsmodellen. Vgl. verder: Ebers,
+Cicerone durch das alte und neue Aegypten en A. Erman, Aegypten und
+ägyptisches Leben im Altertum.
+
+[3] Een lichte zomermantel van zeer fijne stof, die elegante Atheners
+gewoon waren te dragen. De Dorische Grieken, met name de Spartanen,
+droegen een eenvoudigen mantel (himation).
+
+[4] Deze stad lag in de zoogenaamde Delta, in de Saïtische provincie,
+aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm. Zij werd omstreeks 749
+v. Chr. door Milesiërs gesticht. Door de zorg van de Egypt. Exploration
+Fund werden in den jongsten tijd hare grondslagen teruggevonden. In
+de nabijheid van deze bloeiende handelstad koos Alexander de Groote
+later de plek tot stichting van Alexandrië.
+
+[5] Wij zijn in October, wanneer de rivier reeds begint te
+dalen. Vgl. Ebers' Warda (vert.) Dl. I, blz. 169.
+
+[6] Spartanen droegen geen knevels.
+
+[7] Gelijk de Grieken hunne gastmalen door muziek opluisterden, zoo
+vinden wij ook op de oud-Egyptische afbeeldingen bij de maaltijden
+vrouwen, blazende op dubbele fluiten, blinde harpspelers, enz.
+
+[8] Alkman (Alkmaeon) leefde in Sparta omstreeks 650. Om de vele door
+hem vervaardigde maagdenkoren (Partheniën), om zijne lofliederen op
+de vrouwen, en om de vriendschappelijke betrekkingen, waarin hij
+tot vele Spartaansche vrouwen stond, zou hij den Lacedaemonischen
+"vrouwenvereerder" genoemd kunnen worden. Zijne liederen waren ook in
+Egypte bekend, blijkens enkele die men op een papyrus heeft gevonden.
+
+[9] Meer bekend onder hare Romeinsche naam Gratiën (Aglaja, Thalia,
+Euphrosyne).
+
+[10] De beste afbeeldingen zijn in de graven van Tel el Amarna (18e
+dynastie) gevonden. Ze worden ook aangetroffen in de graven van de
+doodenstad van Thebe, bijv. in het door Ebers ontdekte graf van Amen em
+heb, die een groot liefhebber van bloemen was. Vgl. Lepsius. Denkmäler
+aus Aegypten und Aethiopien.
+
+[11] Aan den ingang van Egyptische landhuizen stonden gewoonlijk
+obelisken, waarop de namen van de eigenaars te lezen waren. Vanen
+of wimpels komen bijna uitsluitend bij tempelpoorten voor, en men
+kan nog de sporen der krammen zien, waar eens de vlaggestok werd
+ingestoken. Uit opschriften blijkt, dat men had opgemerkt, hoe de
+masten, die bij de pylonen (poorten) voor het hijschen van wimpels
+soms werden opgericht, ook als bliksemafleiders dienst deden. De
+vanen waren ook aan de Grieken niet onbekend.
+
+[12] Schikgodinnen.
+
+[13] De hoofdmaaltijd, het "deipnon," werd door de Atheners eerst
+laat in den avond gebruikt.
+
+[14] Men kan de Grieksche hetaeren niet met onze lichte vrouwen
+vergelijken. De beste onder hen hebben door vernuft en beschaving
+uitgemunt. Men denke aan Aspasia. In de publieke opinie stonden zij
+geenszins laag aangeschreven. Vgl. Becker, Charikles II, 51-69.
+
+[15] Volgens Xenophanes, zijn tijdgenoot, werd hij 154, volgens
+Plinius 299 jaren oud. In 576 was hij te Sparta.
+
+[16] Zoo werd de Nijl oudtijds, bijv. in de gedichten van Homerus,
+door de Grieken genoemd.
+
+[17] Een geboren Samiër van adellijke familie.
+
+[18] De bekende fabeldichter vertoefde werkelijk voor zijne vrijlating
+tegelijk met Rhodopis bij Jadmon.
+
+[19] Een slaaf, die met de opvoeding der kinderen was belast, en zich
+in den regel door fijnere beschaving onderscheidde. Hij vergezelde
+de knapen overal, ook als ze naar de scholen gingen.
+
+[20] Volgens Herodotus was Rhodopis zoo schoon, dat iedere Helleen
+haar naam kende.
+
+[21] Een der voortreffelijkste lierdichters der oudheid. Zijne liederen
+getuigen van een vurigen geest en zijn onberispelijk van vorm. Het
+lijdt geen twijfel of hij heeft zich met Charaxus ook te Naucratis
+opgehouden. Vgl. over hem en andere hier genoemde Grieksche dichters:
+enz. J. C. Spakler en J. Heemskerk. Handl. tot de studie der oudheid,
+en W. Wägner, Hellas, vert. door J. C. van Deventer.
+
+[22] Dichteres, bekend door hare ongelukkige liefde voor Phaon. J. van
+Lennep koos deze legende tot onderwerp voor een zangspel. Grillparzer,
+voor een drama. Van haar zijn maar twee volledige oden en eenige
+fragmenten bewaard gebleven.
+
+[23] Aldus genoemd in het O. Test. Bij de Grieken heet hij Apriës
+en Uaphris; op zijn naamschild in hiëroglyphen Uah-ph-ra-het. Hij
+behoorde tot de 26e dynastie en regeerde van 588-569.
+
+[24] Hij heet op de naamschilden (cartouches) Aahmes, d.i. jonge
+maan. Zijn bijnaam was Se-Net, d. i. zoon van Neith. Zijn naam vindt
+men o. a. op een monoliet-tempeltje van rood graniet in het museum
+te Leiden.
+
+[25] Een bekend spreekwoord der oudheid, ontleend aan de gevaarlijke
+rots en draaikolk in de zeeëngte tusschen Italië en Sicilië.
+
+[26] Ongerijmd voor zooverre men oordeelde naar de uiterlijke
+vormen. De wijsheid der Egyptische priesters werd echter door de
+Grieken zeer gewaardeerd. De Nieuw-Platonische wijsgeeren hebben
+daaraan veel ontleend.
+
+[27] Het tegenwoordige Marseille, omstreeks 600 v. Chr. door Phocaeërs
+gesticht.
+
+[28] In Egypte bestond een strenge politie. Amasis zou zich ten
+opzichte van hare organisatie zeer verdienstelijk hebben gemaakt. Men
+nam in dit corps bij voorkeur vreemdelingen op, gelijk uit talrijke
+opschriften en papyrussen blijkt.
+
+[29] Kort vóor het tijdperk, waarin deze geschiedenis aanvangt, hadden
+Pisistratus van Athene, Polycrates van Samos en Lygdamis van Naxos
+de heerschappij van den adel doen vallen, en zich meester gemaakt
+van het bestuur.
+
+[30] Vgl. Becker, Charikles, I, Pl. 1, bl. 166-205.
+
+[31] Over de beroemde plastische kunst der Aegineten kan men oordeelen
+naar de groepen uit den gevel van den Athene-tempel op Aegina,
+door Thorwaldsen gerestaureerd en naar de glyptotheek te Munchen
+overgebracht. Afgietsels vindt men op het museum te Leiden.
+
+[32] Eene houtsoort afkomstig uit de oase van Jupiter-Amon in de
+Libysche woestijn. Het was zoo kostbaar, dat Cicero ongeveer 96,000
+gulden betaalde voor eene tafel van dit hout. Egyptische stoelen
+vindt men in de musea te Leiden.
+
+[33] Eene soort van cither.
+
+[34] Olie geperst uit de vruchten van den wonderboom (ricinus
+communis). De Egyptenaars noemden de olie, die zij gebruikten om te
+branden, en zich te zalven, en misschien ook den boom "kiki."
+
+[35] Reeds Salomo liet wagens en paarden in Egypte koopen. (1 Kon. X,
+28 v.); een paard kostte ongeveer 135, een wagen 540 gulden. Paarden
+en wagens komen op Egyptische monumenten veelvuldig voor.
+
+[36] Naam der priesteres te Delphi, die het orakel uitsprak.
+
+[37] beroemde Grieksche wijsgeeren. Vgl. Spakler en Heemskerk,
+en Wägner.
+
+[38] Men herinnere zich Schillers lied. "Die Kraniche des Ibycus."
+
+[39] Stad in Beneden-Italië, berucht wegens hare weelderige
+levenswijze. Een zwelger, een lekkerbek werd daarom een Sybariet
+genoemd.
+
+[40] Het onderkleed, een soort van hemd.
+
+[41] Een bijnaam, dien men Apollo gaf, om zijne dubbelzinnige duistere
+orakelspreuken.
+
+[42] In den regel had iedere gast zijn eigen tafeltje. Xenophanes
+die ongeveer in dezen tijd leefde, geeft eene beschrijving van een
+gastmaal, waarin eene tafel voorkomt, die hier tot model heeft gediend.
+
+[43] Sicilië. Deze kaas werd voor een bijzondere lekkernij gehouden.
+
+[44] De Grieken dronken altijd wijn met water, gewoonlijk in de
+verhouding van 2/5 tot 3/5. Het drinken van onvermengden wijn,
+behalve als geneesmiddel, was door Solon en Zaleucus streng verboden.
+
+[45] De Egyptenaars wisten evenals de Grieken keurige bekers en
+drinkschalen te vervaardigen, hetzij van metaal, hetzij van fijne
+kleiaarde met glazuur, zelden van glas. Zij komen in verschillende
+vormen voor, bijv. van bloemen, van zoogdier- of vogelkoppen. In de
+musea van Londen, Parijs, Berlijn, Turijn, alsmede te Leiden worden
+er vele bewaard.
+
+[46] De vrouwen zaten aan tafel, meestal op een stoel met eene hooge
+steile rug en armleuningen. In den regel koos men door het lot iemand,
+die het gastmaal leidde (symposiarch). Hier was Rhodopis zelve de
+aangewezen persoon. Een slaaf des huizes had het toezicht over de
+andere bedienden, voor een deel door de gasten medegebracht.
+
+[47] Het drama was nog in zijne kindsheid. Thespis zou het eerst aan
+de reizangers bij de Bacchus-feesten den vorm van een drama hebben
+gegeven, door een gemaskerd persoon daarbij ten tooneele te voeren.
+
+[48] Naam der Spartaansche slaven.
+
+[49] Het symposium begon na den eigenlijken maaltijd. Gewoonlijk
+werden ook nu eerst de hoofden bekransd, en wiesch men de handen met
+een soort van zeep (smegma).
+
+[50] Een Egyptenaar, die in schulden zat, kon de mummiën zijner
+voorvaderen verpanden. Vgl. Ebers, Warda, Dl. I. Hoofdst. II.
+
+[51] Memphis, waarvan de overblijfselen bij het dorp Mitrahenneh zijn
+weergevonden, zou door Menes, volgens oude getuigenissen de eerste
+koning van Egypte, aan den linkeroever van den Nijl gesticht, en door
+kanalen en dammen tegen de overstrooming beveiligd zijn. Menes' zoon
+en opvolger zou het paleis van Memphis hebben gebouwd. Hier stond eens
+de tempel van den god Serapis (Serapeum), waarin de heilige stieren
+(Apis) werden begraven, en een tempel van Ptah, en in later tijd het
+kolossale standbeeld van Ramses II. De doodenstad (de pyramiden) is
+het best bewaard gebleven. Mariëtte, een Fransch geleerde in dienst
+van den onderkoning van Egypte, heeft zich door talrijke uitgravingen
+en ontdekkingen voor de kennis van dezen ouden zetel der pharaonen
+hoogst verdienstelijk gemaakt.
+
+[52] De Psametichus der Grieken, de eerste koning uit de 26ste
+of Saïtische dynastie, die Egypte opende voor het verkeer met het
+buitenland. Uit de opschriften op de Apis-graven weten wij, dat hij
+den 5den Febr. 664 den troon besteeg.
+
+[53] De kat werd van alle dieren door de Egyptenaren voor het heiligste
+gehouden en overál vereerd. Wie zulk een dier van kant had gemaakt,
+werd zonder genade ter dood veroordeeld, of wel door het woedend
+gepeupel op staanden voet omgebracht. De lijken dezer dieren werden
+zorgvuldig gebalsemd, en kattenmummiën vindt men in alle musea, o.a. te
+Leiden. Toch was er aan muizen geen gebrek. De papyrus-Ebers behelst
+middelen tegen de muizen. Een papyrus te Turin vertoont een katten-
+en muizenoorlog.
+
+[54] Bubastis was eene stad in Neder-Egypte, gelegen nabij Saqaziq,
+thans Tell Bastah geheeten. De godin Pacht had hier haar voornaamste
+heiligdom. Vele katten-mummiën werden daarheen gebracht. Men schijnt
+Pacht ook vereerd te hebben als de beschermgodin van de geboorte en
+de kraamvrouwen.
+
+[55] Mus, een eigennaam bij de Grieken zeer in gebruik, beteekent:
+muis.
+
+[56] Hathor was bij de Egyptenaars de godin der liefde. Zij was eene
+der voornaamste godheden, en had haar grooten tempel in de doodenstad
+van Thebe (Ebers, Warda, Dl I, Hoofdst. XIV.) Zij is de hemelsche
+moeder, die de moeders op aarde ter zijde staat, de geefster aller
+zegeningen. Men beeldde haar af met een koekop, want de koe was haar
+heilig dier, de zonneschijf tusschen de hoornen dragende. Zij heet de
+moeder van den God Horus. De godin Isis is Hathor in bovenzinnelijke
+vorm. Hathor was de lievelingsgodin der koninklijke vrouwen.
+
+[57] Een der beroemdste gebouwen van oud-Egypte, dat reeds dagteekende
+van den vroegsten tijd, en door latere koningen telkens werd uitgebreid
+en verfraaid. Ramses II richtte er standbeelden op voor zich, zijne
+gemalin en twee zijner kinderen. Beelden, die Amasis er deed plaatsen,
+lagen in den tijd van Herodotus reeds omver.
+
+[58] Het bestond uit dertig rechters, namelijk tien uit Memphis, en
+even zooveel uit Heliopolis en Thebe. De voortreffelijkste werd tot
+voorzitter gekozen. Klachten en verdedigingen moesten schriftelijk
+worden ingebracht, opdat men door woord en gebaren geen invloed op
+de rechters zou oefenen.
+
+[59] Volgens de Egyptische wet was hij, die van een misdrijf kennis
+had gedragen, even schuldig als de dader.
+
+[60] Aanvoerder eener taxis of hoofdman eener compagnie.
+
+[61] Amasis had met goed gevolg een oorlog tegen Cyprus gevoerd.
+
+[62] Stad in het westen van Neder-Egypte. Vandaar kwam een van de beste
+Egyptische wijnen. Op de gedenkteekenen komen ook nog verschillende
+andere roode en witte wijnsoorten voor, o. a. van Kakem.
+
+[63] Oostelijke haven van Corinthe.
+
+[64] De Noordenwind.
+
+[65] Reeds in de oudheid bestond de gewoonte, om zijne vrienden van
+eene reis kleine geschenken mede te brengen. Theocritus bracht voor
+de vrouw van Nicias een elpenbeenen spinrokken mede, dat hij haar
+zond met eenige dichtregelen, die door F. Rückert vertaald zijn. Ook
+de Egyptenaars droegen armbanden in den vorm van slangen.
+
+[66] Cimon liet voor deze paarden, waarmede hij driemaal overwon,
+nabij Athene een gedenkteeken oprichten.
+
+[67] Zij beroemden zich af te stammen van Ajax, gelijk de Alkmaeoniden
+van Nestor, beide helden uit de gedichten van Homerus, Miltiades en
+Cimon behoorden tot de Philaïden.
+
+[68] Zij, die bij de Eleusinische mysteriën fakkels mochten dragen,
+welk recht in Kallias' familie erfelijk was.
+
+[69] Deze overwon drie Olympiaden later met zijne vier
+hengsten. Phönix, Korax, Samos en Knakias, waarvoor hij gedenkteekenen
+liet oprichten.
+
+[70] Spanje. Rhoda lag in het tegenwoordige Catalonië, Tartessus
+in Andalusië.
+
+[71] De Zwarte zee.
+
+[72] Ongelooflijke wonderen werden van hem verhaald. Zevenmaal overwon
+hij te Olympia, negenmaal te Nemea, zesmaal bij de Pythische, tienmaal
+bij de Isthmische spelen.
+
+[73] Aan gehuwde vrouwen was het op doodstraf verboden bij de spelen
+tegenwoordig te zijn.
+
+[74] Karthagers.
+
+[75] Een offer van honderd ossen, een feestoffer.
+
+[76] Het heilige plataan- en olijvenwoud, dat, door een muur
+afgesloten, tusschen den Alphaeus en de beek Cladeus lag. Op de
+plaats van het oude Olympia zijn, op kosten der Duitsche regeering,
+uitgravingen gedaan en belangrijke kunstschatten gevonden.
+
+[77] De ruimte waarin de wedstrijden plaats hadden.
+
+[78] Spartaansche bakers waren door geheel Griekenland beroemd.
+
+[79] Stad nabij Olympia. Het lot bepaalde welke kampvechters tegen
+elkaar zouden optreden, wanneer gebleken was, dat zij vrijgeborenen
+waren, en dat er op hun leven niets viel aan te merken.
+
+[80] Titel van den persoon, aan wien in Sparta het toezicht over de
+opvoeding was toevertrouwd.
+
+[81] Hij was uit Croton afkomstig. Na de Pisistratiden, Polycrates
+en aan het Perzische hof gediend te hebben, keerde hij aldaar terug
+en huwde de dochter van Milon.
+
+[82] Volgens de wetten van het kampgevecht, had de overwinnaar,
+wiens tegenpartij stierf, geen aanspraak op den prijs.
+
+[83] Hij overwon in het vuistgevecht, in de 59ste Olympiade.
+
+[84] Oorspronkelijk aangesteld om de koningen te vervangen gedurende
+den Messenischen krijg, had de adel zich van deze staatsbetrekking
+bediend, om tegenover de macht der vorsten eene andere te stellen. Als
+hoogste rechterlijke beambten, die tegelijk het toezicht hadden over
+de opvoeding en eene zedelijke politie uitoefenden, wisten zij zich
+in vele aangelegenheden zelfs boven het koningschap te plaatsen.
+
+[85] De Grieken lieten zich gewoonlijk door hunne slaven naar de
+gastmalen begeleiden.
+
+[86] De bedden der oudheid waren van hout, brons of elpenbeen,
+soms ook gemetseld in den vorm van eene 7-8 voet lange en 2-2 1/2
+voet hooge trede, waarvan de voorrand een weinig was verhoogd. De
+matrassen en lakens werden daarop gelegd.
+
+[87] De Grieken droegen niet zelden amuletten, om zich te beveiligen
+tegen gevaren of voortdurende gezondheid te genieten. Nog menigvuldiger
+komen zij bij de Egyptenaren voor, niet alleen om het kwaad van de
+levenden, maar ook van de zielen der dooden af te wenden.
+
+[88] Hij was de eerste Grieksche denker, die zich "philosophos", vriend
+der wijsheid noemde en is zeker in Amasis' tijd in Egypte geweest.
+
+[89] Halicarnassus lag aan de zuidwest-kust van Klein-Azië, thans
+Bodru. De opgravingen van Newton en Pullans, in 1850 aangevangen,
+hebben hier de prachtigste overblijfselen van Grieksche kunst,
+o. a. het graf van koning Mausolos, aan het licht gebracht. Ofschoon
+Herodotus getuigt, dat Phanes uit deze stad afkomstig was, heeft
+Ebers dezen tot een Athener gemaakt, omdat hij in den persoon van
+Phanes opzettelijk een Joniër handelend wilde doen optreden.
+
+[90] Edelman.
+
+[91] Het meest westelijke der drie schiereilanden van Macedonië.
+
+[92] Zij werden om de vier jaren te Delphi gevierd, ter eere van
+Apollo, den Python-dooder.
+
+[93] Hades (Pluto), de god der onderwereld.
+
+[94] Miltiades was door dezen volksstam, die den Thracischen
+Chersonesus (het schiereiland Gallipoli) bewoonde, tot koning
+uitgeroepen, omdat hij hunne naar Delphi trekkende gezanten had
+geherbergd.
+
+[95] Zoo heet hij op koningsschilden, te Karnak en op het eiland
+Philae gevonden. De Grieken noemden hem Psammetichos of Psamenitos.
+
+[96] Zoo komen zij voor op verschillende gedenkteekenen. Desgelijks
+vindt men Isis en Hathor met het Horus-kind afgebeeld. Deze laatsten
+schijnen tot model gediend te hebben van de oudste voorstellingen
+van Maria met het Christus-kind.
+
+[97] Zulke stokken zijn bijna in alle musea aanwezig, ook te Leiden. Te
+Thebe moet men er gevonden hebben van kersenhout, hetgeen dubbel
+merkwaardig zou zijn, daar kerse- en pruimeboomen thans in Egypte
+niet meer worden gekweekt.
+
+[98] Zulk een amulet stelde Ma voor, de godin der waarheid, die
+een struisveder op het hoofd droeg. Zij werd ook afgebeeld met
+geslotene oogen. De gansche priesterklasse of orde der Pterophoren
+droeg struisvederen. Ook andere hoogere priesterorden sierden zich
+daarmede het hoofd.
+
+[99] De pharao werd altijd begeleid door personen met zulke staven
+in de hand. "Waaierdragers" was de gewone titel der hofbeambten.
+
+[100] In het Berlijnsch museum is zulk eene pruik aanwezig, waarvan
+de krullen 2 voet 6 duim lang zijn. Het dragen van dit hoofddeksel,
+dat den schedel voor de felle zonnestralen en de plotseling invallende
+avondkoelte moest beschutten, had zijn oorsprong zeker te danken aan
+het godsdienstig voorschrift om de haren te laten afscheren.
+
+[101] "Uw zeil was van gestikte zijde uit Egypte." (Ezechiël 27 vs. 7).
+
+[102] De Egyptenaars mochten geen zwijnenvleesch eten. In een graf
+te Abd-el-Qoernah kan men dit verbod lezen. Het zwijn werd voor
+een onrein dier gehouden. De god Typhon (Seth) had de gedaante van
+een zwijn aangenomen. Zwijnenhoeders werden diep veracht. Alleen
+bij het feest van Osiris en de Eileithyia werd zwijnenvleesch
+geofferd. Waarschijnlijk is het Mozaïsch verbod aan de Egyptische
+voorschriften ontleend.
+
+[103] Naar eene afbeelding in het museum te Berlijn. Alle aanzienlijke
+Egyptenaars bezaten meer of minder kostbare Nijlbarken. Op een
+graf uit den pyramiden-tijd vinden wij reeds gewag gemaakt van een
+hoofdopzichter over deze talrijke schepen. In het Leidsch museum zijn
+modellen van Egyptische vaartuigen.
+
+[104] Meer bekend onder den naam Smerdis, zooals de Grieken
+hem noemden, men weet niet zeker waarom. Op de opschriften in
+spijkerschrift van Bisitoen of Behistân heet hij Bartja of Bardiya,
+Babylonisch Barzia.
+
+[105] De kleuren van het Perzische koningshuis.
+
+[106] Deze beschrijving van de Perzische kleederdracht is ontleend
+aan Aeschylus, Xenophon, Curtius, het boek Esther en een te Pompeji
+gevonden mozaïek, den slag bij Issus voorstellende, waarschijnlijk
+afkomstig van eene Egyptische schilderes Helena, dochter van Timon.
+
+[107] Om deze laarzen noemde het orakel Cresus "weekvoetig."
+
+[108] De Grieken vereenzelvigden hun boozen god Typhon met dien der
+Egyptenaars, Seth.
+
+[109] Zoo noemden de Egyptenaars zelve hun land, naar de donkere
+kleur van den bodem.
+
+[110] De Persen hadden werkelijk onder de Achaemeniden geene tempels,
+alleen altaren. Wat de dooden aangaat, het onreine lijk mocht noch de
+reine aarde bezoedelen, noch aan het reine vuur of het reine water
+worden overgegeven. Men legde dus dakhma's of begraafplaatsen aan,
+die ten minste vier duim dik met cement bepleisterd en met touwen
+omgeven moesten zijn. Dit beteekende, dat het geheele gebouw in de
+vrije lucht hing.
+
+[111] Dat een vreemde volksstam van dezen naam, over welks herkomst
+verschil van gevoelen bestaat, werkelijk meer dan 400 jaren over het
+grootste gedeelte van Egypte heeft geheerscht, is uit monumenten en
+papyrussen gebleken. Zij drongen de wettige koningen naar het Zuiden
+terug. Hunne verdrijving, omstreeks 1600 v. Chr., had plaats onder den
+laatsten koning van de 17de dynastie en den eersten van de 18de. De
+vreemde indringers, die niet met de Joden verward mogen worden, werden
+den aat-u, geesels, pestmenschen genoemd.--De Ethiopiërs voerden
+later onder drie koningen heerschappij over Egypte, waarvan Taharka
+(Tirhaka) de laatste was. Zij werden in 693 teruggedreven.
+
+[112] Onder het gevolg van Darius, dat Alexander de Groote gevangen
+nam, waren 277 koks, 29 keukenjongens, 17 kuipers, 70 hofmeesters,
+40 zalfbereiders en 66 kransenvlechters.
+
+[113] Het portret van Amasis als jongeling wordt in de werken van
+Rosellini en Lepsius gevonden. Uit de trekken blijkt, dat Herodotus
+het karakter van dezen vorst goed geteekend heeft.
+
+[114] Titel van Amasis. Alle andere pharao's voerden dergelijke
+bijnamen en werden als goden vereerd, gelijk uit ontelbare
+hiëroglyphische opschriften is gebleken. In de 26e dynastie komt de
+titel Neb-pehti, heer van den krijgsroem, meermalen voor.
+
+[115] Ra, met het mannelijk artikel Phra, was het middelpunt van
+den Egyptischen zonnedienst. Hij werd inzonderheid te Heliopolis
+(Hebr. On. Egypt. An) vereerd. Hij komt op de gedenkteekenen voor
+met eene roode kleur. De sperwer was hem geheiligd. Aan hem zijn
+de meeste hymnen en gebeden gericht, en in het Doodenboek speelt
+hij de hoofdrol. Plato, Eudoxus en waarschijnlijk ook Pythagoras
+hebben aan de voeten zijner priesters gezeten. De obelisken, volgens
+Plinius afbeeldingen van de zonnestralen, waren hem geheiligd. Als
+lichtgod bestuurde hij de zichtbare schepping, gelijk Osiris de
+geestenwereld. Ra was de openbaring van Osiris, gelijk deze weder de
+ziel van Ra. Als Ra treedt Osiris elken morgen zichtbaar te voorschijn,
+om 's avonds tot zijn eigenlijk rijk terug te keeren. De Osiris-, Isis-
+en Horus-mythe gaf aan deze voorstelling een allegorisch-dramatischen
+vorm. (Vgl. Ebers, Warda, Dl. I, bl. 115. v.). Tot zijn dienst
+behoorde de phoenix (Bennoe), die om de 500 jaren uit het palmenland
+(oost-Phoenicië) kwam, om zich in den tempel te Heliopolis te
+verbranden en uit zijn asch te verrijzen. Zoo vernieuwden ook die
+tijdperken zich eeuwig. Het zesmaal terugkeeren van dit tijdperk
+bepaalde den tijd, dien eene ziel noodig had, om geheel gelouterd
+uit hare omzwerving terug te keeren.
+
+[116] Grieksche berichtgevers niet alleen, maar ook de monumenten
+kunnen dit getuigen. In sommige kamers heeft men de opschriften
+gevonden in een toestand, die duidelijk bewees, dat ze opzettelijk
+vernield waren. In de groote pyramide van Choefoe (Cheops), die het
+volk met geweld had gedwongen aan zijn reusachtig graf te bouwen,
+ja, de tempels had doen sluiten, opdat de godsdienst den arbeid niet
+vertragen zou, vond men eene ledige en vernielde sarkophaag.
+
+[117] Elke menschelijke ziel werd beschouwd als een deel der
+wereldziel, Osiris, waarmede hij zich na den dood des lichaams
+weder vereenigde, om dan Osiris genaamd te worden. De Egyptische
+kosmos bestaat uit hemel, aarde en onderwereld. Op den oceaan, die
+het hemelgewelf omgeeft, vaart de zonnegod in een schuit, getrokken
+door sterren en planeten. De goden wonen daarboven in eeuwige rust. De
+mensch nu behoort, wat zijn ziel aangaat, tot den hemel, zijn lichaam
+tot de aarde, zijne gedaante of schim tot de onderwereld. Bij zijn dood
+worden deze tijdelijk vereenigde deelen gescheiden, om tot die drie
+rijken weder te keeren. Het was een der voornaamste voorschriften in
+de Egyptische godsdienstleer, dat het lichaam zoowel voor bederf als
+voor vernieling bewaard moest worden. Misschien hebben de priesters,
+bij het opstellen van deze verordening, ook wel de gezondheid op het
+oog gehad. Daarbij stelde men zich voor, dat de ziel nog gedurende
+een grooten cyclus van zonnejaren aan het lichaam gebonden was, dat
+zij ook naar welgevallen verlaten kon, om zich in allerlei andere
+gedaanten aan de menschen te vertoonen.
+
+[118] De door Ebers uitgegeven medische papyrus, die over het genezen
+aller lichaamsdeelen handelt, heeft een aantal allermerkwaardigste
+bijzonderheden omtrent de geneeskunst, de dokters en de geneesmiddelen
+bij de Egyptenaars aan het licht gebracht.
+
+[119] De Egyptische zuilen stellen meestal palmen voor, gekroond
+door bloemen of het zaadomhulsel van de lotusplant, wanneer men
+ten minste de kapiteelen niet versierde met het gelaat van goden,
+zooals te Dendera. Ook komen dikwijls zuilen voor in den vorm van
+papyrus-schachten.
+
+[120] Volgens Herodotus zouden tweeduizend sterke schippers drie
+jaren bezig zijn geweest, om dit gevaarte uit de steengroeven van
+Syëne naar Saïs te brengen.
+
+[121] Het tafereel van dit gezelschap is ontleend aan muurschilderingen
+die Lepsius, Wilkinson, Rosellini e. a. in hunne werken hebben
+afgebeeld, en gevonden worden in de rotsgraven van rijke Egyptenaars,
+vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den
+overledene in de grafkamers zich vereenigden om te offeren, dan
+brachten die muurschilderingen hun het leven van den afgestorvene weder
+voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen,
+enz.
+
+[122] De gewoonte om de oogleden te verven, bestaat in Egypte nog. Men
+bezigt daartoe vooral het sap van de henna-plant. Het Arabische
+spiesglas, dat zij "mestem" noemden, komt op de monumenten en ook in
+den papyrus-Ebers voor.
+
+[123] Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste
+hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en dan
+beteekenen: dochter der godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een
+Grieksche bijnaam, beteekenende: "de geëerde, de aangebedene."
+
+[124] Vgl. Ebers' Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt
+zulk een koninklijk hoofdsieraad bewaard.
+
+[125] Anchnas, de weduwe van Psamtik II, schijnt Amasis' eerste vrouw
+geweest te zijn.
+
+[126] Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon
+gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers
+van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn
+inderdaad lieve gezichtjes, en ook bij de uitgravingen van Saqqara
+heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden
+in Egypte ook blondine's gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de
+vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen,
+die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars,
+munten vele door schoonheid uit.
+
+[127] Afbeeldingen van danseressen en muzikanten vindt men in
+de werken van Wilkinson e. a., muziekinstrumenten in de musea,
+o. a. ook te Leiden. De zingende danseressen, zooals men in Egypte
+nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoe en schijnen tot
+het personeel van aanzienlijke heeren gehoord te hebben. Voorname
+familiën hadden hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in
+het graf van Neferhotep te Abd-el-Qoernah, waarbij een zijner niet
+onverdienstelijke liederen te lezen staat.
+
+[128] Op de monumenten zijn zoowel beschonken mannen als vrouwen
+afgebeeld. Bijv. een man wordt, bijwijze van een balk, door drie
+slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander staat op zijn hoofd;
+sommige dames zijn door het overtollig gebruik van wijn onpasselijk
+geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes
+tot het feestprogram te hebben behoord. Toch werd de dronkenschap
+veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van
+den dronkaard gezegd: "Gij zijt een tempel zonder godheid, een huis
+zonder brood."
+
+[129] Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. De Grieken te Alexandrië
+namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden
+genius des doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest
+men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: "Vergeet alle
+zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote
+reis, wanneer men aankomt in het rijk, waar alles zwijgt."
+
+[130] Vooral de Demawend in het Elburs-gebergte.
+
+[131] Deze verzekering heeft hij, gelijk blijken zal, tot waarheid
+gemaakt.
+
+[132] Dat een koning van Egypte op deze wijze den dag verdeelde,
+zooals Diodorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenen.
+
+[133] Opperbestuurder van eene nomos (Egypt. p--tasch of hesp) of
+provincie. Wij weten thans dat het geheele land meestal in 26 Opperen
+en 24 Neder-Egyptische provinciën was verdeeld, die genoemd werden
+naar de hoofdplaatsen en elk weder drie onderafdeelingen hadden.
+
+[134] De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het
+aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten
+rekenden het zich tot eer voor deze werken te zorgen. Het is niet
+onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis
+deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Meuris
+is gegraven om de overstrooming te regelen.
+
+[135] Herodotus en Xenophon verzekeren, dat het liegen bij de Persen
+voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was
+het zondigen tegen den alwetenden god des lichts. Darius zegt in een
+opschrift van Behistân: "Ahoeramazda en de andere goden verleenden
+mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was."
+
+[136] Vgl. voor Ramses II en het Egypte van zijn tijd: Ebers' Warda.
+
+[137] De Egyptenaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde,
+zooals uit de afbeeldingen op de monumenten blijkt.
+
+[138] Typhon, Egyptisch Seth, was de god van het kwade. Eerst sedert
+de dagen der Hyksos, die hem vereerden, schijnen de Egyptenaars hem als
+eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heet "de almachtige
+verwoester." De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn
+bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel,
+het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn
+zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige menschen
+heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook "roode"
+genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of
+nijlpaard, en met hangende borsten op den rug.
+
+[139] De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur had
+zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden; Ammon (Jupiter) was
+bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius)
+wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed
+oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen,
+terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef.
+
+[140] De Egyptische tempels zijn zóo gebouwd, dat zij, daar de
+op elkander volgende zalen steeds lager worden, den aanbidder
+stemmen tot aandachtigen ernst. Zie eene beschrijving in Schnaase,
+Kunstgeschichte. I, 394.
+
+[141] Dit meer (Sa-el-Hagar bij de ruïnen van Saïs) bestaat nog. Ebers
+bezocht het. Zulke meren werden bij de meeste tempels gevonden.
+
+[142] Poortgebouwen, of wel de torens, die door een poortdoorgang
+verbonden waren.
+
+[143] De jongste ontdekkingen hebben geleerd, dat volgens het
+geloof der Egyptenaren de god Hor--Hoet (Horus) den booze en zijne
+medestanders in de gedaante van eene gevleugelde zonneschijf
+overweldigde, en dat, ter herinnering hieraan, de gevleugelde
+zonneschijf met de Uraeusslang op alle tempels en heiligdommen moest
+worden aangebracht. Dit symbool verkondigde dus den tempelganger,
+dat het goede het kwade overwint, het licht de duisternis, de
+vruchtbaarheid de dorheid en het leven den dood.
+
+[144] Dit Egyptisch gebod, dat zoo veel overeenkomst heeft met het
+vierde der Tien Geboden, komt voor in den Papyrus-Prisse, het oudste
+ons bekende hiëratisch handschrift.
+
+[145] Ethiopië.
+
+[146] De gemalin of zuster van Osiris. Zij is de natuur, waarin
+de godheid zich openbaart. Zij kan ook beschouwd worden als de
+verpersoonlijking van de door de godheid vruchtbaar gemaakte aarde. De
+koe was haar geheiligd en meermalen wordt zij met een koekop afgebeeld.
+
+[147] Op de monumenten zien wij niet alleen geringe Egyptenaars, maar
+ook de pharao's zich met dammen en dergelijke spelen bezighouden. Zoo
+bezitten wij eene voorstelling van Ramses, spelende met zijne
+dochter. In de musea van het Louvre en Boulaq worden schoone damborden
+bewaard.
+
+[148] In alle musea vindt men zulke ballen, o. a. te Leiden.
+
+[149] De gedenkteekenen en koningslijsten bewijzen, dat ook vrouwen
+konden regeeren. De echtgenoot van eene kroonprinses, werd door
+haar koning. Vorstinnen hadden haar eigen inkomen, en wanneer
+zij na haren dood onder de godinnen werden opgenomen, hare eigene
+priesterschap. Kortom, uit alle getuigenissen blijkt, dat de vrouwen
+bij de Egyptenaars gelijke rechten hadden als de mannen.
+
+[150] Simonides van Amorgos, de dichter der Pandora-sage, had
+het vooral op de vrouwen gemunt, die hij vergelijkt met allerlei
+onreine dieren. De vrouw die het karakter der bij had, was alleen
+goed. Phocylides, een barsch, vinnig maar scherpzinnig man, en de
+mismaakte Hipponax waren zijne navolgers. Onder de Egyptenaars waren
+er niet minder, die op slechte vrouwen scholden, en ze met hyena's
+en panthers vergeleken.
+
+[151] Over dezen scheldnaam, dien men later aan Darius gaf, nader in
+het 3de Boek.
+
+[152] Aoeramazda (Ahoera-Mazda) wordt in de spijkeropschriften de
+groote en reine god der Persen genaamd, meer bekend onder den naam
+Ormuzd. Hij staat tegenover Angramainjus of Ahriman, den god der
+duisternis en van het booze.
+
+[153] Nebucadnezar zou dit reuzenwerk hebben doen vervaardigen voor
+zijne Perzische gemalin Amytis.
+
+[154] Uit zulke in Egypte opgevoede Hellenen zou Psamtik I eene
+kaste der tolken hebben gevormd. Herodotus is zeker door zulk een
+"dragoman" rondgeleid.
+
+[155] Zulke torentjes vindt men daar heden nog.
+
+[156] De handwerkslieden waren en zijn nog altijd gewoon in de vrije
+lucht, of in wijdgeopende werkplaatsen te arbeiden.
+
+[157] Toovenaars en slangenbezweerders waren in het oude Egypte in
+het geheel niet zeldzaam. Nog worden er ontelbare gevonden. Hekt was
+de godin der magie. Choensoe komt op een schild in de bibliotheek te
+Parijs voor als verdrijver der booze geesten.
+
+[158] Libyë heette de westelijke Nijloever, met het land daarachter. De
+streek die aan de woestijn grensde, was rijk aan slangen.
+
+[159] Een eed bij Mithra, den zonnegod, was den Persen bijzonder
+heilig.
+
+[160] Achaemeniden heeten de van Achaemenes (Hakhâmanis) afstammende
+koningen en de met hen verwante edelen.
+
+[161] De Grieken bepaalden in den voormiddag den tijd naar het
+bezoeken van de markt. Zij rekenden naar den tijd waarop de markt
+begon, waarop zij gevuld was, en waarop zij weder ledig werd. Deze
+tijdberekening is met onze uurindeeling niet overeen te brengen. De
+grootste bedrijvigheid zal zoowat van 10 tot 1 uren geduurd hebben.
+
+[162] Vóor den tijd der Persen hadden de Egyptenaars geen gemunt
+geld. Men woog de edele metalen af, en bracht ze in den vorm van
+ringen, dieren, enz. in omloop. Op de monumenten zien wij menschen, die
+goud afwegen tegen koopwaren; anderen, die hunne belastingen met gouden
+ringen betalen. Deze ringen komen nog voor in den tijd der Ptolemaeën.
+
+[163] Volgens Diodorus. Plato meldt, dat de Egyptenaars in zijn tijd
+bij de wet verplicht waren hunne beelden even schoon of liever even
+leelijk te maken als voor duizend jaren; de gedenkteekenen bevestigen
+dit. Toch heeft de studie der gedenkteekenen bewezen, dat elk tijdperk
+zijn kunststijl had. In het oude rijk zijn de vormen gedrongen;
+onder Seti I bereikt de schoonheid der proportiën haar hoogste punt;
+onder de 20e dynastie begint de kunst te vervallen, om nog eens onder
+de 26e, de dynastie der Psamtiks, te bloeien.
+
+[164] Het hier bedoelde standbeeld is dat van Chefren in het museum
+te Boelaq, dat in 1867 op de tentoonstelling te Parijs algemeen de
+aandacht trok. Hetzelfde museum bezit een houten beeld, te Saqqara
+gevonden. Het is uit den pyramiden-tijd, en als kunstwerk niet genoeg
+te roemen.
+
+[165] Toen de Alkmaeoniden voor Pisistratus gevlucht waren, namen
+zij den bouw van den nieuwen tempel te Delphi op zich, waarvoor
+de Delphiërs echter een vierde der benoodigde gelden moesten
+opbrengen. Zij collecteerden o. a. in Egypte eene niet onbelangrijke
+som.--Driehonderd talenten is ongeveer 810,000 gulden.
+
+[166] Candaules, die zich door het vermoorden van koning Gyges van
+den troon had meester gemaakt.
+
+[167] Het oude Attische zilvertalent bedroeg zoowat 2700, een mine
+45 gulden; een drachme was ongeveer 8 stuivers, een obolus iets meer
+dan een stuiver.
+
+[168] De volkstammen, die rondom een gemeenschappelijk heiligdom
+woonden, zooals dat van Delphi.
+
+[169] De rijke erfdochter van Clisthenes van Sicyon.
+
+[170] De Egyptische tandmeesters moeten zeer knap zijn geweest. Men
+heeft werkelijk in de kaken van mummiën kunsttanden gevonden.
+
+[171] Eed van Rhadamanthus, den zoon van Zeus, om den naam der goden
+niet op de lippen te nemen.
+
+[172] Het Nijlwater smaakt bijzonder lekker. Een reiziger noemde
+het den champagne onder de wateren. De vrouwen uit den harem van
+den sultan laten Nijlwater naar Constantinopel brengen. De Arabieren
+zeggen dat Mohammed, bijaldien hij er van gedronken had, eeuwig zou
+hebben willen leven.
+
+[173] Voorgebergte aan de westkust van Klein-Azië.
+
+[174] Naar eenige verzen van Theognis van Megara.
+
+[175] Naar de vertaling van Ten Kate en Van den Bergh, waarvan het
+laatste couplet luidt:
+
+
+ Cytherea kuste 't wichtje.
+ "Voelt ge," sprak zij, "zulk een smart,
+ Enkel door eens bietjes angel,
+ Denk dan eens wat pijn zij lijden, die ge uw flitsen jaagt in
+ 't hart!"
+
+
+[176] In het museum te Leiden is een ledepopje, een man voorstellende
+die deeg kneedt.
+
+[177] Zoo heette de trouwe hond van Odysseus (Ulysses). Italiaansche
+schoothondjes waren in de oudheid zeer beroemd.
+
+[178] Nog heden worden vriendschapsverbintenissen in Perzië feestelijk
+gesloten, en wel op het zoogenaamde feest der navolging. "Twee Perzen,"
+verhaalt Brugsch, "die voor hun leven een verbond van vriendschap met
+elkander willen sluiten, gaan tot den Mollah. Aan dezen openbaren zij
+hun voornemen, waarna zij zich als 'brader hâ of broeders' plechtig
+laten inzegenen."
+
+[179] De Perzen hadden ten tijde der Achaemeniden geene tempels en
+godenbeelden. (Vgl. Tiele, De godsdienst van Zarathustra, bl. 71
+vv.). Het goede en het booze beginsel, Aoeramazda en Angramainjus,
+waren onzichtbare wezens, die de gansche schepping vervulden met een
+talloos heir van goede en booze geesten. De eeuwige tijd schiep het
+vuur en het water. Hieruit ontstond Ormuzd, de goede geest. Deze
+was rein, helder als het licht, en wilde alleen het goede. Nadat
+hij in 12000 jaren den hemel, de aarde, het paradijs en de sterren
+had geschapen zag hij den boozen geest, Ahriman (Angramainjus),
+die zwart was en onrein, en niet anders wilde dan het kwade. Ormuzd
+besloot Ahriman te vernietigen. Er ontstond een groote strijd,
+waarin de booze werd overwonnen, om 3000 jaren lang machteloos
+neder te liggen. Gedurende dezen tijd schiep Ormuzd het uitspansel,
+het water, de aarde, de goede planten, den stier en het eerste
+menschenpaar. Hierna kwam Ahriman weer te voorschijn. Hij werd opnieuw
+bedwongen maar niet gedood. Men had Ahriman dan alleen kunnen dooden,
+wanneer zijne onreinheid zich had kunnen veranderen in reinheid, zijne
+duisternis in licht. Zoo bleef het booze voortleven, om, zoodra de
+goede geest iets goeds en reins had geschapen, iets kwaads en onreins
+er tegenover te stellen. Deze kamp zal voortduren tot den jongsten
+dag. Dan zal Ahriman rein en heilig zijn. Deze leer is echter niet
+ouder dan 220 jaren n. C. en schijnt zelfs veel jonger te zijn.
+
+[180] Nog staan de vuuraltaren der Perzen op de bergen. Zij kunnen
+altijd bidden, als er maar vuur en water in de nabijheid is.
+
+[181] De koningen der oudheid waren reeds gewoon met dergelijke
+geschenken de daden hunner onderdanen te beloonen.
+
+[182] In het oude Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen
+te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden
+overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en
+godinnen, meestal de Hathors.
+
+[183] Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls
+werd toegepast.
+
+[184] Zegelringen werden reeds vroeg door de Egyptenaars
+gedragen. (Vgl. Genesis 41, 42.) In alle Egyptische musea, o. a. te
+Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud
+zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën.
+
+[185] De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere
+liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren
+af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen,
+en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een
+leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde
+leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht.
+
+[186] Volgens Herodotus mocht een Egyptenaar geen vreemdeling kussen
+of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet
+aanroeren, dat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere
+zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten.
+
+[187] Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babylon de eerste
+sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van
+astronomische tafels.
+
+[188] Zulk een orakel wilde Glycera raadplegen, toen haar minnaar,
+de treurspeldichter Menander, door koning Ptolemaeus naar Egypte
+was ontboden.
+
+[189] Zulk een bloemen-orakel, dat ons doet denken aan het uitplukken
+van acacia-, rozen- en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in
+den "Faust"), was in de oudheid niet vreemd. Men zegt dat meisjes in
+Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen.
+
+[190] Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude
+mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de
+weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus
+te wreken, door zijne eigene moeder Prokne geslacht werd.
+
+[191] Bijnaam van Aphrodite (Venus).
+
+[192] De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene
+trad men met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling,
+een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes.
+
+[193] Sappho's grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres,
+was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër.
+
+[194] De stam van de zonen van Feridoen bleef door eene slavin
+voortbestaan.
+
+[195] Klaaglied.
+
+[196] De Grieksche bruidskransen bestonden gewoonlijk uit viooltjes
+en myrten.
+
+[197] Het lied, op welks maat de Grieksche matrozen gewoon waren te
+roeien. De melodie werd meestal door een fluitspeler (triëraules)
+aangegeven.
+
+[198] De Perzische koningsweg liep van Ephesus over Sardes, en verder
+midden door Klein-Azië naar Susa en Babylon. Deze werd reeds door
+Cyrus aangelegd en door Darius zorgvuldig onderhouden.
+
+[199] Dit voertuig komt het eerst bij Xenophon voor, die er eene
+koningin in laat rijden. De Romeinen gebruikten het later als
+reiswagen.
+
+[200] Een Oostersch peulgewas, dat in de omstreken van Babylon zeer
+weelderig groeide, en uit welks zaden eene zoete, heldere olie werd
+geperst.
+
+[201] Belangrijke handelsstad aan den Euphraat. Hier trok men
+gewoonlijk den stroom over, want hier vereenigden zich de groote
+handelswegen. Deze stad was ook het middelpunt der metingen van
+Eratosthenes.
+
+[202] Het aardpek, thans nog in groote hoeveelheid dáar aanwezig,
+werd door de Babyloniërs gebezigd om de muren te bepleisteren.
+
+[203] Gesnedenen.
+
+[204] Bijna alle Egyptische beelden, die zonen of dochters van pharao's
+voorstellen, dragen zulke haarvlechten, die van het voorhoofd tot
+aan den hals reiken.
+
+[205] Bij de overblijfselen van den Perzischen koningsweg, die de
+steden Niniveh en Ekbatana verbond, vindt men thans nog de oude
+mijlsteenen, die de tegenwoordige Koerden, keli-Shin, d. i. blauwe
+zuilen, noemen.
+
+[206] Volgens het boek Esther was er in de dagen van koning Ahasverus
+een eunuchen-overste voor de gemalinnen en een tweede voor de bijzitten
+des konings. Boges bekleedt hier veel vroeger beide ambten tegelijk.
+
+[207] Het "moederlooze" getal heeft tot tien geen factor.
+
+[208] zie boven bl. 24.
+
+[209] Volgens Diodorus moet in het graf van koning Osymandyas (het
+paleis van Ramses II te Thebe, het Ramesseum) een gouden cirkel
+hebben gelegen, die een omtrek had van 365 el, éen el breed was,
+en eenen volledigen astronomischen kalender bevatte. De te Parijs
+aanwezige dierenriem van Dendera is eerst uit den laatsten tijd der
+Ptolemaeën afkomstig.
+
+[210] Lapis lazuli was een in het oude Egypte zeer geliefkoosd
+edelgesteente, dat men, evenals het smaragd, kunstig wist na te maken.
+
+[211] Eene Perzische munt, volgens Herodotus de eerste die geslagen
+werd.
+
+[212] Naar voorstellingen op de gedenkteekenen, waarvan o. a. Layard
+afbeeldingen heeft gegeven.
+
+[213] De kleederen en de opschik van den Perzischen koning zouden,
+volgens Plutarchus, eene waarde van 12,000 talenten, d. i. ongeveer
+27,000,000 gulden hebben gehad.
+
+[214] zie boven bl. 79.
+
+[215] Ook Themistocles leerde, volgens Diodorus, het Perzisch op de
+reis naar Susa, ofschoon Nepos van een ander gevoelen is.
+
+[216] Deze opgaven zijn aan de berichten van Herodotus en andere
+oude schrijvers ontleend. Volgens Aristoteles had Babylon niet de
+grootte van eene stad, maar van een volk. De bouwvallen zijn nog
+zoo ontzaglijk uitgebreid, dat men daaruit genoeg kan opmaken, hoe
+verbazend groot die stad geweest moet zijn.
+
+[217] Exemplaren en afgietsels van deze voortbrengsels der oud
+Assyrische kunst worden in het Britsch Museum, het Louvre, en in het
+nieuwe museum te Berlijn gevonden.
+
+[218] Deze kleederdracht komt overeen met de afbeeldingen van
+Assyriërs, die onder de vertegenwoordigers van vreemde natiën op de
+Egyptische gedenkteekenen gevonden worden.
+
+[219] Volgens de beschrijving bij Herodotus (I. 180).
+
+[220] Deze tempel, waarvan Herodotus e. a. eene beschrijving geven,
+wordt door sommigen voor den toren van Babel uit de Bijbelsche
+overlevering gehouden. De ruïnen worden door de tegenwoordige bewoners
+dier streken "Birs Nimroed," d. i. burg van Nimrod, genoemd. De
+hoogte der eerste verdieping, die tot heden bewaard bleef, bedraagt
+260 voet. De muren, die dezen tempel omgaven, moeten nog zeer goed te
+herkennen zijn. Ze waren 4000 voet lang en 3000 breed. Dit reusachtig
+gebouw moet tijdens Cambyzes nog in al zijn pracht hebben bestaan,
+want wij weten dat Nebucadnezar het liet voltooien.
+
+[221] Nebucadnezar zou ook dezen burcht hebben doen optrekken. Althans
+op de tegels, die men in de bouwvallen bij Hillah heeft gevonden,
+komt in spijkerschrift de naam van dezen grooten koning voor. Men
+vindt aldaar ook nog vele fragmenten van verglaasde reliëfs.
+
+[222] zie boven bl. 94. Aan den oever van den Euphraat in het
+noordelijk gedeelte van Babylon vindt men een uitgestrekten
+puinheuvel, Babil geheeten. Men heeft er bronnen en overblijfselen
+van waterleidingen gevonden, die met de rivier in verbinding
+stonden. Vgl. F. Mürdter, Geschichte Babyloniens und Assyriens
+Stuttgart.
+
+[223] Men gaf de Perzische meisjes oorringen, wanneer zij op haar
+vijftiende jaar huwbaar werden. Zoowel meisjes als knapen moesten zich
+met den heiligen band, kuçti of kosti, omgorden. Alleen in den nacht
+mochten zij zich van dezen ontdoen. De vervaardiging van zulk een
+gordel is nog bij de tegenwoordige Perzen met allerlei formaliteiten
+verbonden. Hij moet uit 72 draden bestaan. Er mag geen zwarte wol
+voor gebruikt worden.
+
+[224] De zonne- en lichtgod der Perzen.
+
+[225] Zij woonden in de noordelijke provinciën van Perzië.
+
+[226] Een volksstam aan de oostkust van de Caspische zee.
+
+[227] Deze beambten kunnen eenigermate met onze politie-commissarissen
+vergeleken worden. Cyrus liet, volgens Herodotus, als knaap een zijner
+speelnooten de rol vervullen van "oog des konings". Het stelsel
+van spionneeren bestond reeds onder de Meden. Ook op Egyptische
+gedenkteekenen, bijv. in het graf van Amen em heb te Abd el Qoernah,
+wordt gesproken van de twee oogen des konings van Opper-Egypte en de
+twee ooren des konings van Neder-Egypte.
+
+[228] Plutarchus verhaalt echter, dat de moeder en de uitverkoren
+gemalin des konings met hem aan tafel zaten.
+
+[229] De Grieken gingen, naar het oordeel der Perzen, nooit verzadigd
+van tafel, omdat men bij hen na den maaltijd niets meer opdroeg. De
+tegenwoordige Iraniërs houden nog veel van lekkernijen.
+
+[230] Hij doodde zijn gunsteling Clitus, die in den slag bij den
+Granicus zijn leven had gered.
+
+[231] Volgens het boek Esther werd dit leerjaar besteed, om de vrouwen
+te onderwijzen in het gebruik van zalven, specerijen en welriekende
+oliën. Ebers merkt op, dat dit wel wat lang was, om deze zeker niet
+ingewikkelde kunst te leeren, en dat het veel waarschijnlijker is,
+dat men dien tijd besteed heeft, om vreemde vrouwen in te wijden in
+de leer van Zoroaster.
+
+[232] Zoroaster, eigenlijk Zarathustra of Zeretoschtro, was een der
+grootste godsdienststichters en wetgevers. De etymologie van zijn
+naam is onzeker. Kern verklaart dien uit de woorden "zara", gulden,
+en "thwistra" glanzend. Het is ook onzeker of hij in Baktrië, Medië
+of Perzië geboren is. De geleerde Anquetil du Perron zegt, dat hij
+het levenslicht aanschouwde te Urmi, eene stad in Aderbedjan. Zijn
+vader heette Poroschasp, zijne moeder Dogdo. Hij beroemde zich
+van koninklijke afkomst te zijn. Het tijdperk zijner geboorte is
+"hopeloos" donker. Kern is zelfs van oordeel dat het bestaan van
+Zoroaster tot de mythen gerekend moet worden. Wij bezitten dus
+aangaande hem slechts onwaarschijnlijke tradities, en het is genoeg
+te verzekeren, dat de leer van Zoroaster vóor het tijdsbestek waarin
+deze geschiedenis speelt, reeds algemeen ingang had gevonden. Zie
+Tiele, De godsdienst van Zarathustra en Versl. en Meded. der
+kon. Akad. v. wetensch. Afd. Letterk. Amst. 1867.
+
+[233] De Perzische tuinen waren door de geheele oudheid beroemd en
+werden, naar het schijnt, veel vrijer en ongedwongener aangelegd
+dan de Egyptische. Zelfs de koningen stelden er eene eer in zich met
+den tuinbouw bezig te houden, en de voornaamste Achaemeniden waren
+gewoon schoone parken, die zij paradijzen noemden, met bijzondere
+zorg aan te leggen. Hunne voorliefde voor slanke gewassen ging zoo
+ver, dat Xerxes een bijzonder schoonen plataan, dien hij op weg
+naar Griekenland aantrof, met een gouden sieraad tooide. Firdausi,
+de grootste epische dichter van Perzië kent geen hooger lof voor de
+menschelijke schoonheid dan het epitheton: "rank als eene cypres."
+
+[234] De beide zomer-residentiën, waar het vrij koud kon zijn. Ekbatana
+lag in de omstreken van het tegenwoordige Hamadân, aan den voet van
+het Elwend (Orontes) gebergte, Pasargadae niet verre van den Rachmed
+op het hoogland van Iran, bij het tegenwoordige Sjiras.
+
+[235] Nergens werden in dien tijd fijner weefsels vervaardigd
+dan aan den Nijl, volgens getuigenis der oude schrijvers en der
+gedenkteekenen. Wat de prachtige inrichting van het woonvertrek van
+Cassandane betreft, de details zijn ontleend aan Xenophon, Aeschylus,
+e. a.
+
+[236] Volgens de sage bestond het volk der Amazonen alleen uit vrouwen,
+die zich de rechterborst lieten afschroeien, om des te beter den
+boog te kunnen spannen. Ook bij de Chineezen heeft men zulk eene
+Amazonen-sage aangetroffen, gelijk o. a. blijkt uit eene afbeelding
+in het ethnografisch museum te Jena.
+
+[237] In het Doodenboek (Zie Warda, Dl. II, bl. 3 v.) wordt
+eene beschrijving gegeven van de ziel, waarvan het hart gewogen
+en geoordeeld wordt. De rede die zij houdt, wordt hare negatieve
+rechtvaardiging genoemd. Deze rechtvaardiging is dubbel merkwaardig,
+omdat men daarin de geheele Mozaïsche zedenwet vindt. De ziel verzekert
+voor de twee-en-veertig doodenrechters, dat zij de twee-en-veertig
+doodzonden niet heeft begaan. Ook Pythagoras, die veel aan de
+Egyptenaren ontleende, gebood: dat men zijn hart niet moest verteren,
+m. a. w. zich voor berouw wachten.
+
+[238] Van het oogenblik dat een kind der Perzen den gordel "kostie"
+droeg, moest het zich een schutspatroon kiezen onder de Yazatas en
+een geestelijk raadgever onder de Destûrs (priesters). Evenals vader
+en moeder de vleeschelijke ouders waren van het kind, zoo was deze
+raadgever de geestelijke vader.
+
+[239] De godin der vruchtbare natuur, der alles voortbrengende aarde.
+
+[240] Anâhita of Ardî-çûra heette de godin der bronnen, die vaak met
+de grieksche Aphrodite vergeleken is geworden. Uit de bron Anâhita
+stroomde al het water, dat zeer stellig een reinigende kracht
+bezat. Oorspronkelijk schijnt Anâhita wel eene Semietische godheid
+geweest te zijn, die met den vrouwelijken Perzischen water-genius werd
+samengesmolten. Haar vereering komt eerst onder Artaxerxes Mnemon voor.
+
+[241] Een bekende vrijgeest, die wegens zijne bespotting van de
+Homerische godenwereld werd vervolgd.
+
+[242] In Perzië vermaken de mannen zich nog heden met het balspel. De
+eene speler werpt of stoot den ander houten kogels toe, gelijk bij
+ons kaats- of kolfspel en het Engelsche cricket-spel.
+
+[243] Januari tot April.
+
+[244] De Egyptische priester Horapollon maakt in zijn geschrift
+(uitgegeven door C. Leemans) gewag van een boek der krankheden,
+terwijl Manetho verhaalt, dat de opvolger van den eersten koning Menes,
+Atothes, reeds anatomische boeken schreef. Daar geneeskundige werken
+geacht werden van den god Toth afkomstig te zijn, kan wel aan dien
+koning zijn toegeschreven, wat op den god betrekking heeft. Onder
+de heilige schriften der Egyptenaren worden ook zes geneeskundige
+boeken genoemd.
+
+[245] Gouverneurs der provinciën, die, als plaatsbekleeders van den
+koning, eene vrij onbeperkte macht hadden. Tiele leidt het woord af van
+"khshatra," heerschappij, en "pavan," beschermer. Op de gedenkteekenen
+zien wij de grooten des rijks de zonneschermen achter de vorsten
+dragen, doch het is de vraag of hiermede ook satrapen bedoeld zijn.
+
+[246] Hoewel de Chaldeërs in het bezit waren van sterrenkundige
+berekeningen, die tot 2234 v. Chr. opklimmen, zoo is het toch boven
+allen twijfel verheven, dat de astronomie der Egyptenaren nog veel
+ouder is. Volgens de Egyptische priesters hadden de Chaldeërs alles
+aan hun onderwijs te danken.
+
+[247] Deze namen, door Herodotus genoemd, zijn, hoewel in eenigszins
+anderen vorm, in de opschriften van Behistân wedergevonden.
+
+[248] De geboortedag des konings was het grootste feest der Perzen, en
+heette "het volkomene." Herodotus verhaalt, dat geen dag luisterrijker
+bij de Perzen werd gevierd, dan een geboortedag. Er werd een kostelijk
+maal aangericht, waarbij de rijksten zelfs een os, een paard en een
+kameel lieten opdragen. Over het algemeen werd in de oudheid van
+koninklijke geboortedagen veel werk gemaakt, o. a. heet het op een
+gedenksteen in betrekking tot Ramses II: "vreugde was er in den hemel
+op zijn geboortedag."
+
+[249] Zulk een vierhoekig, van twee tot zeven vingers breed stuk doek,
+moeten alle Perzen voor den mond hebben als zij bidden.
+
+[250] Anquetil geeft in zijn Zend-Avesta eene beschrijving en
+afbeelding van het geheele offergereedschap der hedendaagsche Perzen.
+
+[251] Priester.
+
+[252] Haoma of soma is de naam van een plant, waarvan het sap de goden
+tot spijs gediend zou hebben. Bij sommige godsdienstige ceremoniën
+werd dit sap gedronken en in het vuur gedruppeld.
+
+[253] Dit verheven gebed moest de Pers eigenlijk uitspreken, wanneer
+hij uit den slaap ontwaakte.
+
+[254] In later tijd lieten de Perzische koningen zich echter ook
+goddelijke eer bewijzen.
+
+[255] Deze optocht is beschreven naar de reliëfs, die door Layard
+zijn uitgegraven, en een obelisk van Nimroed (Niniveh), waarvan in
+verschillende musea afgietsels aanwezig zijn.
+
+[256] In dezen tijd waren de koningen van Perzië gewoon in
+hun rijk schattingen te heffen, wanneer en zoo hoog als zij
+verkozen. Darius, de opvolger van Cambyzes, voerde het eerst een
+welgeordend belastingstelsel in. Daarom kreeg hij den bijnaam van den
+"kramer." Zelfs nog in later tijd waren enkele gewesten verplicht,
+zekere hoeveelheden van natuurproducten des lands aan het hof te
+leveren.
+
+[257] De Feruer of Ferwer is het geestelijk deel van den mensch,
+zijne met oordeel begaafde ziel. Deze bestaat reeds lang vóor
+zijne lichamelijke geboorte, vereenigt zich met hem zoodra hij het
+levenslicht aanschouwt, en verlaat het lichaam weder bij den dood. De
+Ferwer strijdt tegen de Diws (booze geesten) en is de oorzaak van
+ons behoud. Zoodra hij afscheid neemt van den mensch, moet het
+lichaam noodzakelijk worden ontbonden. Na den dood wordt de Ferwer
+onsterfelijk, zoo hij het goede heeft gedaan; heeft hij daarentegen
+het booze liefgehad, dan wordt hij in de hel geworpen. Men moest den
+Ferwer aanroepen en met offers om hulp smeeken. Hij brengt ook het
+gebed tot de godheid over, weshalve hij wordt voorgesteld onder de
+gedaante van eene gevleugelde schijf.
+
+[258] Deze "Onsterfelijken" dankten dien eernaam aan de omstandigheid,
+dat, zoodra een hunner stierf of viel, er dadelijk een ander voor hem
+in de plaats trad, zoodat hun aantal nooit verminderen kon en altijd
+10.000 man moest bedragen. Cyrus zou deze garde reeds opgericht hebben.
+
+[259] De Urim en Thummim.
+
+[260] Zie Esra, VI, 2-12. Zacharia, 1-8.
+
+[261] Deze episode is aan Herodotus, Diodorus en Justinus
+ontleend. Volgens Ctesias is Cyrus in een oorlog met de Derbiërs
+aan een wond gestorven. Xenophon geeft hem een rustig sterfbed,
+maar blijkbaar om den stichter van het Perzische rijk eene fraaie
+afscheidsrede in den mond te leggen.
+
+[262] De Araxes (Aras) ontspringt in Armenië en ontlast zich in de
+Caspische zee.
+
+[263] Deze trek is geheel overeenkomstig het Perzisch karakter.
+
+[264] Sidon was eene havenstad in Syrië. Met Astypalaia is de burcht
+van Polycrates van Samos bedoeld, die met ronde torens was versterkt.
+
+[265] Een der noordelijke Cycladen.
+
+[266] Een scheepsgezagvoerder van Samos, die in de zevende eeuw
+v. Chr. op een tocht naar Egypte werd verslagen. Hij was de eerste
+Griek, die tusschen de zuilen van Hercules doorzeilde.
+
+[267] Vgl. Schillers Ballade: "Der Ring des Polykrates." De
+hedendaagsche Arabieren vertellen eene dergelijke geschiedenis, doch
+zij laten den held hunner geschiedenis den ring bij toeval verliezen.
+
+[268] Men boetseerde in dien tijd niet alleen vruchten maar ook
+beeldjes in was. Zoo maakt de dichter Anacreon gewag van een wassen
+Eros-beeldje, dat hij van een knaap voor negen stuivers kocht.
+
+[269] Bubastis lag ten oosten van den Pelusinischen Nijlarm, op de
+hoogte van een kanaal, dat naar de Arabische golf liep. Herodotus
+geeft van dit uitgelaten feest de volgende schildering: Mannen en
+vrouwen varen te zamen in groote booten den Nijl af. Sommige vrouwen
+houden kleppen in de handen, waarmede zij voortdurend klepperen. De
+mannen spelen op de fluit, en het overige gezelschap klapt in de
+handen. Komen zij aan eene stad, dan legt de boot aan en maken zij
+allerlei zonderling misbaar. Te Bubastis worden dan groote offers
+gebracht. Meer dan 700,000 menschen komen er gewoonlijk samen. Op dit
+feest wordt meer wijn gedronken dan gedurende al de overige dagen van
+het jaar.--Uit de opschriften weten wij, dat te Dendera een dergelijk
+feest ter eere van Hathor werd gevierd. Ebers meende in de jaarmarkt
+van Tanta, een stadje eenige mijlen van het oude Bubastis gelegen,
+nog een overblijfsel van het oude feest te zien (Vgl. Ebers, Aegypten
+in Bild und Wort, I, 88 f).
+
+[270] De Egyptische geneesheeren schijnen de krankheden dikwijls
+bezworen te hebben. Er zijn verschillende papyrussen gevonden met
+geneeskundige voorschriften, die allermerkwaardigste bijzonderheden
+dienaangaande behelzen. Sommige ziekten worden er nauwkeurig
+in beschreven, allerlei geneesmiddelen opgesomd. Van hetgeen
+o. a. voorkomt in den medischen papyrus, door Ebers zelven ontdekt
+en uitgegeven, heeft hij op meer dan ééne plaats in zijne Warda
+gebruik gemaakt.
+
+[271] Egypte, dat door zijne oudste bewoners Cham, d. i. het zwarte
+werd genoemd, naar de zwarte kleur van den grond.
+
+[272] De Egyptische oogziekte, die ook bij ons niet onbekend is
+gebleven, moet reeds in de vroegste tijden aan de boorden van den
+Nijl gewoed hebben. De Egyptische oogartsen waren in dezen tijd
+reeds zeer beroemd. Herodotus zegt dat het in Egypte van oogartsen
+wemelde, en op de gedenkteekenen vinden wij vele afbeeldingen van
+blinden. Geweldige oogontstekingen worden heden ten dage zeer dikwijls
+in Egypte aangetroffen. De door Ebers uitgegeven papyrus behelst ook
+hierover belangrijke bijzonderheden.
+
+[273] De planeet Venus. Gelijk ons uit zeer oude gedenkteekenen
+blijkt, waren de Egyptenaren reeds vroeg bekend met de identiteit
+van de morgen- en avondster.
+
+[274] De Grieken noemden hem Smerdes. In de spijkeropschriften
+leest men Goemata of Gaumata. Hij heet bij Justinus, Kometes. Aan
+dezen schrijver is ook de naam Oropastes ontleend, dien Herodotus
+Patizeithes noemt.
+
+[275] Rhagae, tijdens Alexander Europes, later door Seleuces Nicator
+Arsacia, heden Rei genoemd, is eene der oudste steden van Perzië. Er
+was eene beroemde priesterschool. Hier zouden Zoroaster en Haroen al
+Raschid geboren zijn.
+
+[276] De Sirius of hondster. Zij werd als een helder en machtig
+gesternte in Perzië aangebeden, omdat het den zoo noodigen regen
+aanbracht.
+
+[277] Volgens Diodorus had de koning van Perzië zooveel vrouwen,
+als er dagen in het jaar waren. In den slag bij Issus werden door
+Alexander den Groote, de 329 vrouwen van den laatsten Darius gevangen
+genomen. Men bedenke echter, dat deze cijfers betrekking hebben op de
+bijwijven. Na het onderdrukken van den opstand der magiërs werd door
+de edelen van het rijk vastgesteld, dat een koning alleen uit hunne
+dochters zijne echte gemalinnen mocht kiezen. Hieraan schijnt men zich
+sedert gehouden te hebben. Darius had later vier echte gemalinnen,
+waarvan Atossa de voornaamste bleef.
+
+[278] Sommige vorsten gaven aan hunne vrouwen, als gordelgeld
+(speldenduitje), het inkomen van gansche steden.
+
+[279] Deze naam beteekent: "uit het geslacht der Peri."
+
+[280] De wijn van Chios werd door de Grieken voor den fijnsten
+gehouden. De wijn van Chelbon was in de oudheid inzonderheid om zijn
+bouquet beroemd. Ezech. 27:18.
+
+[281] Xenophon roemt zeer de Perzische schenkers, wegens hunne vlugheid
+en gratie.
+
+[282] Zóo heette in de oudheid de burcht van Susa, zelfs nog in de
+dagen van Ctesias, die zich langen tijd aan het Perzische hof ophield.
+
+[283] Kamerheeren of ceremoniemeesters.
+
+[284] Het gewone pischkesch of gastgeschenk, hetwelk de Perzen heden
+elkander nog vereeren, bestaat uit zoetigheden, of uit korven, die
+sierlijk met de schoonste vruchten zijn gevuld. Men roemt den smaak,
+waarmede zij het ooft weten te schikken.
+
+[285] Zie boven blz. 11.
+
+[286] De wet verbood den Perzen schulden te maken, aangezien een
+schuldenaar in de noodzakelijkheid kwam om onwaarheid te spreken. Zij
+hadden daarom een afkeer van geldzaken, waartoe hun oorlogzuchtig
+karakter ook veel bijdroeg. Den handel lieten zij over aan de
+overwonnen volken.
+
+[287] De godsdienst gebood den Perzen te huwen. De ongehuwden stelden
+zich aan eene algemeene verachting bloot. Men stelde groote eer in
+het bezit van vele kinderen.
+
+[288] Reeds in de dagen van Homerus was Egypte bekend als
+bijzonder rijk aan artsenijen. In de opschriften op de wanden van
+tempel-laboratoria, bijv. te Dendera en Edfoe, en in de medische
+papyrussen worden een menigte drogerijen opgesomd. De Egyptische
+vergiften, inzonderheid de strychnine, waren beroemd.
+
+[289] Volgens Herodotus waren de Perzen gewoon in dronkenschap over
+de gewichtigste aangelegenheden te beraadslagen. Het beslotene werd
+daarna, als zij nuchteren waren, nog eens overwogen. Iets dergelijks
+verhaalt Tacitus van de Germanen.
+
+[290] De haan was een heilig dier bij de Perzen, want hij joeg de
+duistere geesten van den nacht in hunne holen terug. Hij heette
+Parôdarsh en werd ook onomatopoetisch Kahrkatâç genoemd.
+
+[291] De jachtstoet der Perzische koningen was natuurlijk even
+grootsch en luisterrijk als hun reisgevolg. Daar de jacht tot de
+lievelingsbezigheden van den Perzischen adel behoorde, werden de
+knapen reeds in hun vroegste jeugd hierin geoefend. Zelfs koningen
+beroemen zich op hunne grafschriften, dat zij groote jagers geweest
+zijn. In de ruïnen van Persepolis is een reliëf gevonden, waarop de
+koning wordt voorgesteld, eene leeuwin met den rechterarm wurgend,
+eene symbolische voorstelling, waaraan geen historische waarde is
+toe te kennen. Layard heeft te Niniveh vele schoone overblijfselen
+van jachtpartijen gevonden, en de Grieken weten ons veel te verhalen
+van de groote diergaarden der Perzische koningen en den jachtstoet,
+die uit ruiters en voetknechten bestond. Ieder jager moest, behalve
+met pijl en boog, nog gewapend zijn met twee lansen, een zwaard en
+een schild. Ook maakte men gaarne gebruik van het vangsnoer. Reeds
+sedert onheuglijke tijden was de valkenjacht aan de Perzen bekend.
+
+[292] Odysseus of Ulysses. Penelope werd, volgens de sage, gedurende
+hare omzwervingen door meer dan honderd minnaars bestormd. Zij bleef
+echter trouw, en verzocht uitstel totdat het lijkkleed voor haar
+schoonvader Laërtes gereed zou zijn. Doch wat zij bij dag weefde,
+tornde zij 's nachts weer los. Toen het eindelijk tot eene beslissing
+zou komen, keerde Ulysses terug en doodde de minnaars.
+
+[293] Dit is ontleend aan de Indiërs, wier liefdegod Kama de harten
+wondt met puntige bloesems. De nachtegaal speelt eene groote rol in
+de liederen der Perzen. Hij is de vogel der verliefden, en zijn lied
+werd gehouden voor de uitdrukking van al wat lieflijk is.
+
+[294] Heilige onsterfelijken. Zij kunnen vergeleken worden met de
+aartsengelen der Joden. Zij omgeven den troon van Aoeramazda en
+stellen zinnebeeldig de hoogste deugden voor. Later werd hun getal
+op zes bepaald.
+
+[295] Aan het einde van den disselboom der Perzische wagens was
+een juk bevestigd, dat op de ruggen der paarden werd vastgemaakt,
+hetwelk gelijke diensten bewees als bij ons de borst- en disselriem. Op
+dezelfde wijze werden ook de Egyptische paarden aangespannen.
+
+[296] Als Herodotus verhaalt, dat Cambyzes reeds geboren was met
+den aanleg tot eene gevaarlijke krankheid, die sommigen "de heilige"
+noemen, dan bedoelt hij daarmede waarschijnlijk de epilepsie.
+
+[297] Op den derden dag na den dood, zoodra de heldere zon opging,
+werden de zielen door de Diws gevoerd naar de brug Schinvât, om
+ondervraagd te worden over hetgeen zij gedacht en gedaan hadden. Daar
+kampen de beide hemelsche machten om de ziel. De zielen der vromen
+vinden steun bij de reine geesten Yazatas, en trekken zegepralend
+den hemel binnen. De zielen der boozen worden door den Diw Vîzareshô
+gebonden en naar de hel gesleept. Vgl. Tiele, a. w. bl. 251 v.
+
+[298] Volgens Herodotus mocht zelfs de koning niemand om een enkel
+misdrijf laten ombrengen. Eerst wanneer na rijpe overweging bleek,
+dat de misdaden menigvuldiger en gewichtiger waren dan de bewezen
+diensten, mocht men aan zijn toorn den vrijen loop laten.
+
+[299] Het was natuurlijk dat de Perzen, die zulk eene hooge waarde
+aan het leven hechtten, zich in 't bijzonder op de geneeskunst
+toelegden. In de Avesta werden dan ook vele geneeskundige voorschriften
+gevonden. Wij vinden daarin zelfs eene gedetailleerde opgave van
+hetgeen men voor verschillende genezingen betalen moest, en welk examen
+iedere geneesheer moest afleggen, alvorens hij bekwaam werd geacht.
+
+[300] Zie boven blz. 92.
+
+[301] Een booze geest, die de menschen doodt.
+
+[302] Eene streek aan den noordelijken rand van Iran, in de heldensagen
+om hare vruchtbaarheid zeer geroemd, maar ook het verblijf van
+booze geesten genoemd. Tegenwoordig wordt daar nog een tropische
+plantengroei gevonden, terwijl de aanzienlijken zich, met zekeren
+trots, Diws noemen.
+
+[303] In Maart, April, Mei en Juli, staat er in het oorspronkelijk.
+
+[304] Dit schoone gezang is ontleend aan het "Koningsboek" van
+Firdusi. Deze werd omstreeks 940 n. C. geboren en bezong de oude
+Perzische sage in zijne onsterfelijke epische liederen. Deze Kai Kawoes
+behoorde tot de familie der Kajaniden, die niet met de Achaemeniden op
+éene lijn gesteld mag worden, maar stellig lang voor deze regeerde;
+of liever, stellig nooit regeerde. Kai Kawoes is een Vedische en
+oud-Perzische vuurgodheid, die in het "Zend-Avesta" een heros geworden
+is, en later in de legende opgenomen, door Firdusi als historisch
+persoon werd opgevat. Daar Firdusi zich in zijne gezangen aan de
+oud-Perzische traditie gehouden heeft, ofschoon hij haar bewerkte
+als een poëet, meende Ebers vrijheid te hebben een dichter sprekend
+te mogen invoeren, die zooveel eeuwen later leefde.
+
+[305] Het verhaal is van Xenophon, die het misschien verzonnen heeft
+ter wille van zijn held Cyrus.
+
+[306] zie boven bl. 59, v. Daar de afgestorvene, volgens het
+Doodenboek, zijne ledematen noodig heeft, moesten deze alle behouden
+blijven. De Egyptenaren wisten de idee der onsterfelijkheid in alle
+richtingen toe te passen. Evenals de zon des nachts niet sterft,
+maar de benedenwereld verlicht, zoo is ook de gestorven Egyptenaar
+niet dood. Zijne eeuwige ziel begint veeleer, na het scheiden van
+deze aarde, eerst recht te leven. Zij gaat naar de onderwereld,
+om daar, of gerechtvaardigd te worden, en dan in het reine licht
+van het oosten in de vlakte Aloe heerlijke akkers te bezaaien,
+tot zij rijp is als een deel der wereldziel in Osiris op te gaan,
+of na vreeselijke martelingen uit de onderwereld gezweept te worden,
+om door allerlei dierlijke lichamen om te zwerven. Na deze omzwerving
+kan zij, gereinigd en verzoend, zich met Osiris vereenigen, of moet
+zij opnieuw dezen reinigingsweg afleggen.
+
+[307] Naar een grafopschrift, dat in het museum te Berlijn wordt
+bewaard.
+
+[308] zie boven bl. 59.
+
+[309] Naam van den phoenix in het oud-Egyptisch.
+
+[310] Vrije vertolking van het begin van het 83e hoofdst. uit het
+Doodenboek, "het hoofdstuk van de verandering in den Benno-vogel"
+geheeten. De zielen worden vaak in de gedaante van een phoenix of
+van andere vogels voorgesteld.
+
+[311] Ader bet. Maart.
+
+[312] De Egyptenaren mochten inderdaad geene boonen eten. Pythagoras
+ontleende dit verbod aan hen. In den papyrus-Ebers komen boonen als
+geneesmiddelen voor.
+
+[313] In Maart, gedurende de voorjaars-dag- en nachtevening.
+
+[314] De Perzische wondervogel, die met den vogel Rock of Grijp te
+vergelijken is. In het nest van dien vogel werd Sal, de vader van
+Rustem, opgevoed.
+
+[315] 5400 gulden.
+
+[316] Zoo heet ook de beroemde hengst van Rustem. De naam beteekent
+bliksem.
+
+[317] Zulk eene reisapotheek is tegenwoordig nog te zien in het museum
+te Berlijn. Zij is zeer netjes en beknopt ingericht, en afkomstig uit
+den tijd van koning Mentoehotep, dus uit het laatst van de 30ste eeuw
+v. Chr.
+
+[318] Ongeveer 270,000 gulden.
+
+[319] Zoo heet in het Perzisch de paradijsvogel.
+
+[320] Een soort van priesters. Zij komen in de Avesta niet voor.
+
+[321] Een opschrift van Behistân behelst een stamboom van Darius, die
+met de geslachtslijst van Herodotus in overeenstemming te brengen is.
+
+[322] De Grieken waren gewoon op reis aanbevelingen mede te nemen,
+bestaande in brieven of afdrukken van zegels. Aristophanes vermeldt
+van een buitenlandschen pas, en in een opschrift wordt gewag gemaakt
+van zulke brieven of teekenen, die Straton, de koning van Sidon,
+aan zijn gezant naar Athene zou medegeven. De Locriërs en Ozoliërs
+voerden de avondster in hun zegel, de Samiërs de lier, enz. Bij eene
+mummie uit den tijd der Ptolomaeën vond men zulk een aanbevelingsbrief
+op papyrus geschreven.
+
+[323] Dit bijgeloof heerscht in Perzië nog.
+
+[324] Hib beteekent in hiëroglyphen-taal: ibis. Vele Egyptenaren
+droegen den naam van heilige dieren.
+
+[325] Zie boven blz. 80.
+
+[326] De zuidwestenwind, zoo gevaarlijk voor het vruchtbare Nijldal,
+die het meest waait in April en Mei. Het is de Samoem, dien de
+reizigers door de woestijn zoo vreezen.
+
+[327] Gewoonlijk volgde de zoon den vader in diens betrekking
+op. Er zijn lange stamboomen gevonden, waaruit bleek dat allen,
+die er op voorkwamen, dezelfde betrekking hadden vervuld. Overigens
+waren de kasten lang zoo streng niet afgescheiden als in Indië. Er
+zijn voorbeelden, dat zonen van krijgslieden priesters werden en
+omgekeerd. In den regel was een jongeling vrij in de keuze van zijn
+beroep, ofschoon het bij alle volken der oudheid gebruikelijk was,
+dat de zoon het werk van den vader voortzette.
+
+[328] Op de koningslijsten vindt men onderscheidene koninginnen. Dat
+zij werkelijk geregeerd hebben is uit de gedenkteekenen gebleken.
+
+[329] Op de gedenkteekenen en in de papyrussen komen alleen
+vroedvrouwen voor. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat in kritieke
+gevallen ook de priesterlijke geneesheeren werden te hulp geroepen.
+
+[330] De Grieksche schrijvers van later tijd, en wel bepaald eenige
+Neoplatonisten, verhalen ons veel van de Egyptische mysteriën. Maar wij
+kunnen hunne mededeelingen niet vertrouwen, en het is daarom uiterst
+moeielijk ons eene duidelijke voorstelling van het een en ander te
+maken. Ofschoon veel over dit onderwerp in papyrussen voorkomt,
+hebben toch de priesterlijke schrijvers zich van zulke duistere
+termen bediend, dat hunne bedoeling zeer moeielijk te vatten is. Die
+mysteriën, schijnen het uitsluitend eigendom der priesters geweest te
+zijn. Ze omvatten de verklaring van hetgeen door de heilige ceremoniën
+zinnebeeldig werd voorgesteld. Het geloof in een eenig goddelijk wezen
+was waarschijnlijk de kern dier geheimzinnige leerstellingen, die zeker
+veel schoons en voortreffelijks behelsden. Want Griekenlands grootste
+wijsgeeren, Lycurgus, Solon, Thales, Pythagoras, Democritus, Plato
+en zoovele andere, ontleenden daaruit veel voor hunne wijsbegeerte,
+staatswetenschap, wis- en sterrenkunde. Het kan wel niet geloochend
+worden dat Mozes, die een kweekeling der priesters was geweest, de
+voornaamste zijner zedelijke en geneeskundige voorschriften aan die
+mysteriën dankte.
+
+[331] Werkelijk bestond er zulk eene kaste. De Egyptenaren hadden
+eene wet, volgens welke zij jaarlijks bij de overheid, op straffe
+des doods, hun middel van bestaan moesten opgeven. Zij die zich als
+dieven aangaven, stonden wel onder streng toezicht, maar werden niet
+gestraft. Zie verder Warda, Dl. II.
+
+[332] De naam beteekent: palm.
+
+[333] Volgens Plutarchus hielden de Egyptenaren het voor zeer
+onvoegzaam, barrevoets over de straat te gaan. De mannen stopten
+daarom de schoenen der vrouwen weg, om haar tot huiselijkheid te
+dwingen. Volgens Herodotus deden de huismoeders de inkoopen op de
+markt, bij de Grieken geschiedde dit door de mannen.
+
+[334] Een staatsverrader moest, volgens Egyptische wetten, de tong
+uitgesneden worden.
+
+[335] Thadmor, het latere Palmyra, werd door Salomo gebouwd als
+rustplaats voor de karavanen die naar het oosten trokken. Het lag in
+eene oase in het midden der Syrische woestijn, ontwikkelde zich spoedig
+en bereikte weldra een hoogen trap van bloei. De trotsche ruïnen van
+deze reuzenstad wekken nog de verbazing der reizigers. Karchemis aan
+den rechter oever van den Euphraat, stroomafwaarts van Biredschik waar
+Nebucadnezar en Necho elkander slag leverden, was het hoofdstation
+van den grooten weg, die over Palmyra naar Babylon voerde.
+
+[336] Aan Toth, die met een ibis-kop werd afgebeeld, den
+hemelbeschrijver, later door de Grieken met hun Hermes vergeleken,
+schreef men de uitvinding toe van bijna alle wetenschappen. Hij, de
+driemaal groote (Trismegistos), zou zes boeken over de geneeskunde
+hebben geschreven, waarin o. a. ook over de oogheelkunde werd
+gehandeld. Isis, en later ook Serapis, worden als goden der geneeskunde
+geroemd.
+
+[337] In de geschriften, die tot ons kwamen, wordt dikwijls gesproken
+van boeken, die onder het beeld van deze of gene godheid zijn gevonden,
+of van oude koningen afkomstig zijn, om er op deze wijze hooger
+waarde aan toe te kennen. Toch kennen wij de schrijvers van enkele
+geschriften. Zoo is het sprookje van de twee gebroeders afkomstig van
+zekeren Anana, die Ebers in Warda laat optreden. Van de hermetische
+boeken was er een geheel aan de oogheelkunde gewijd, waarover ook in
+den papyrus-Ebers zeer uitvoerig wordt gehandeld. In dezen papyrus
+komt ook de arts Nebsecht voor, die in Warda zulk eene belangrijke
+rol vervult.
+
+[338] De bibliotheek van Thebe, die volgens Diodorus ten opschrift
+voerde: "Inrichting tot genezing der ziel", bevatte 20,000
+hermetische of priesterlijke boeken. Men vond haar in het Ramesseum of
+Ramseshuis, dat door Ramses II in de veertiende eeuw v. Chr. gebouwd
+werd. Champollion herkende deze boekenzaal in de ruïnen van het
+Ramesseum. Op den wand vond hij de afbeeldingen van Toth, den god der
+wijsheid, en van Safech, de godin der geschiedenis. Verschillende
+hiëratische papyrussen, die thans nog aanwezig zijn, zijn uit deze
+boekerij afkomstig, hetgeen niet zelden op Egyptische boekrollen
+vermeld wordt. Lepsius vond bovendien te Thebe de graven van twee
+bibliothecarissen onder Ramses II, vader en zoon. De titel van zulk
+een bibliothecaris was, overste of "chef der boeken." Bibliotheken
+schijnen altijd bij de tempels behoord te hebben, gelijk wij kunnen
+opmaken uit opschriften in de tempels van Dendera, Edfoe en Philae. Ook
+aan het Serapeum te Alexandrië was eene groote bibliotheek verbonden.
+
+[339] Zoodra er een Pers stierf, viel de onreine geest des doods, de
+Drukhs Naçus in den vorm van een vlieg, op hem aan en zette zich op het
+lijk van den afgestorvene en op een der aanwezigen neer, onreinheid
+en vernietiging aanbrengende. Het brengen van honden bij een lijk
+steunt op de oudste Arische mythologie, doch werd bij de latere Perzen
+beschouwd als een middel om de booze Drukhs te verschrikken, daar deze
+tegen de oogen van twee bijzonder gevlekte honden niet bestand is. De
+Drukhs Naçus is de booze geest van de ontbinding na den dood. Zij is
+eigenlijk de persoonsverbeelding van de onreinheid en het bederf, die
+bij de lijken zich vertoonen. Vgl. Tiele, Godsd. v. Zarath. bl. 184.
+
+[340] zie boven bl. 182.
+
+[341] 's Winters mocht het vuur na verloop van negen dagen, 's zomers
+eerst na eene maand in de woning van den overledene teruggebracht
+worden.
+
+[342] Zie boven blz. 263.
+
+[343] Over het balsemen der lijken wordt door Ebers zeer uitvoerig
+gehandeld in Warda, Dl. II.
+
+[344] Zulke straffen werden ook wel op Perzen van hoogen rang
+toegepast, gelijk uit de opschriften blijkt.
+
+[345] Zoo genoemd in een opschrift van Behistân.
+
+[346] Herodotus zegt, dat Amasis zijn onttroonden voorganger niet hard
+behandelde. Hij liet hem het leven, totdat hij door de Egyptenaren
+overvallen en van kant gemaakt werd. Om het verhaal van Herodotus
+te redden, laat Ebers Hophra zijn val zoovele jaren overleven, met
+het oog op den leeftijd van Nitetis. Amasis kon toch den koning van
+Perzië geene veertigjarige tot vrouw aanbieden. Men bedenke dat eene
+vrouw van veertig jaren aan de oevers van den Nijl ouder is dan eene
+Europeesche op den leeftijd van zestig.
+
+[347] zie boven bl. 24.
+
+[348] Ten tijde van Amasis bestonden reeds de drie schrijfwijzen
+der Egyptenaren, hoewel het demotisch (volks- of briefschrift)
+niet veel ouder schijnt te zijn dan hij. Het hiëroglyphen-schrift is
+verbazend oud. De teekens van dit schrift zijn duidelijke afbeeldingen
+van allerlei soorten van voorwerpen. Het werd voor opschriften en
+sommige godsdienstige boeken, zooals het Doodenboek gebruikt. Het
+hiëratische of heilige schrift was eene afkorting of vereenvoudiging
+der hiëroglyphen, waarin de oorspronkelijke beelden meestal nog zeer
+goed te herkennen zijn.
+
+[349] Het was bij de Egyptenaren een heilige plicht den ouderdom te
+eeren. Men denke aan het vierde gebod van Mozes, dat bijna woordelijk
+in den papyrus Prisse is weergevonden.
+
+[350] Deze maand duurde van 29 Aug. tot 27 Sept. De 5de was dus onze
+2de Sept.
+
+[351] Niet alleen uit het Doodenboek, maar ook uit andere teksten
+blijkt, dat den Egyptenaren steeds op het hart werd gedrukt weldadig
+te zijn, vooral jegens weduwen en weezen. Een aanzienlijke stadhouder
+beroemt zich in zijn graf te Benihassan, dat hij geen zwak kind
+benadeeld, geene weduwe kwaad gedaan heeft.
+
+[352] Vgl. blz. 9.
+
+[353] Deze ongehoorde hofhouding zou dagelijks 400 talenten, dus
+zoowat 1,080,000 gulden hebben gekost.
+
+[354] De groote, vruchtbaarmakende natuurgodin der Klein-Aziatische
+volken. De daar wonende Grieken namen haar dienst over, en stelden
+haar voor, rijdende op een leeuw, of in gezelschap van leeuwen. Zij
+hield een tamboerijn in de hand, welk instrument ook bij hare
+luidruchtige feesten werd gebruikt. Daar zij de verpersoonlijking
+was van de voortbrengende natuurkracht, droeg ook hare vereering
+een wellustig karakter. Aan de Niobe-sage ligt de mythe van Cybele,
+d. i. de vruchtbare aarde, die in den herfst van hare kinderen wordt
+beroofd, ten grondslag.
+
+[355] Het Gygaeische meer was Homerus reeds bekend. Herodotus
+noemde de graven der Lydische koningen de stoutste werken, die
+door menschenhanden waren tot stand gebracht, na de Egyptische en
+Babylonische. De kegelvormige heuvels zijn nog te zien, niet verre
+van het meer, bij de puinhoopen van Sardes. De grootste, het graf van
+Alyattes, heeft nog altijd een omvang van 3400 en een hoogte van 650
+voet. De Pruisische consul Spiegelthal vond er een grafkamer in.
+
+[356] De planeet Venus.
+
+[357] Volgens Herodotus zouden de Lydiërs het spelen met dobbelsteenen
+en met den bal hebben uitgevonden, maar niet het damspel. Dit laatste
+schijnt wel van Egyptischen oorsprong te zijn. Het is ook zeker,
+dat men aan den Nijl vroeger dan in Lydië het balspel kende.
+
+[358] Het paleis van Persepolis bestond toen nog niet. Dit
+was gedeeltelijk uit den zwarten steen van den berg Rachmed,
+gedeeltelijk uit wit marmer opgetrokken. Darius zou dien bouw reeds
+hebben begonnen. Het paleis van Susa was van tegels gebouwd, dat van
+Ekbatana van hout, dat met goudplaten van onschatbare waarde bekleed
+en met tegels van allerlei edele metalen bedekt was.
+
+[359] Mei.
+
+[360] Eene groote handelsstad in Phrygië.
+
+[361] Zie boven blz. 36.
+
+[362] Dezelfde Oroetes wist Polycrates later met list naar Sardes te
+lokken, en liet hem daar kruisigen.
+
+[363] Helden uit de Perzische sage.
+
+[364] Zie boven blz. 193.
+
+[365] Maart.
+
+[366] Juli.
+
+[367] Hij leefde in dezen tijd. Men zou hem "den vader der geographie"
+kunnen noemen. Hij verbeterde de kaarten van Anaximander en schreef
+eene "Reis om de Wereld", die helaas, op kleine fragmenten na,
+verloren ging. Perzië en Egypte kende hij nauwkeurig.
+
+[368] Zie boven blz. 296.
+
+[369] Niebuhr zag op zijne Aziatische reis dit spel nog door jongens
+te Schiraz spelen.
+
+[370] Ook toen hielden de Oosterlingen de ontblooting van het lichaam
+voor hoogst ongepast, terwijl de Grieken niets schooners kenden dan
+het naakt.
+
+[371] De koningen van Perzië moesten bij hunne kroning de vrucht van
+een terpentijnboom eten.
+
+[372] Mars.
+
+[373] Eene kleur die in de oudheid zeer gezocht werd, en uit de
+bloesems van den sandix-boom werd geperst.
+
+[374] Het Perzisch leger was volgens het tiendeelig stelsel
+ingedeeld. Eene divisie telde 10,000 man, een regiment 1000, een
+kompagnie 100. De Taxiarch was zoo wat gelijk aan een divisie-generaal
+bij ons. Een hekatontarch stond aan hoofd van een kompagnie. Een
+chiliarch was commandant van een regiment. Zij die later bij de Perzen
+de waardigheid van chiliarch bekleedden, waren de eersten des rijks,
+na den koning.
+
+[375] Zie blz. 101.
+
+[376] In elke havenstad der oudheid werden zulke huizen gevonden. Van
+die aan den Canopischen Nijlmond maakt Strabo opzettelijk melding.
+
+[377] Hoe ijverig de Grieken waren om ter markt te gaan, bewijst
+het volgend verhaal van Strabo. Een fluitspeler te Jasos werd door
+allen verlaten, die naar hem stonden te luisteren, toen de klok het
+marktuur aankondigde. Een bleef er bij hem staan. De muzikant dankte
+hem dat hij zich althans niet in het luisteren had laten storen. "Ach,"
+riep de man, "heeft de klok dan al geluid?!" En meteen liep hij op
+een drafje heen.
+
+[378] Het snelle schip.
+
+[379] Juno.
+
+[380] De onderscheidene waren werden binnen afgeslotene ruimten
+uitgestald. De plaats der bloemenverkoopsters, die over het algemeen
+voor meisjes van zeer verdachte zedelijkheid werden gehouden, heette
+de myrten-markt.
+
+[381] Zulk een ruikertje was met een goudstuk meer dan
+betaald. Aristophanes laat een slaaf van Lamachus een belachelijk
+hoogen prijs bieden als deze voor een vette aal van Kopaï, 3 drachmen
+(1 gulden 35 cts), en voor een paar lijsters, 1 drachme (9 stuivers)
+geven wil.
+
+[382] Het mannenvertrek.
+
+[383] De aanzienlijkste Grieken schaamden zich niet, in gezelschap
+van hunne slaven aankoopen op de markt te doen. Eerzame huismoeders
+durfden zich niet op de markt vertoonen; gewoonlijk zonden zij hare
+slavinnen er heen.
+
+[384] Zes centen.
+
+[385] Zie boven blz. 75.
+
+[386] Dergelijke signalementen zijn op papyrussen bewaard gebleven.
+
+[387] De vogel die van de rechterzijde kwam aanvliegen, bracht geluk
+aan. Ook het trekken van het rechter oog gold voor een goed voorteeken.
+
+[388] Men ziet: de bekende Haarlemsche kloppertjes zijn al van oude
+dagteekening.
+
+[389] De Grieken plachten daar hunne waren op monsters te verkoopen.
+
+[390] Plutarchus verzekert, dat de Atheensche bruiden, volgens een wet
+van Solon, vóor de bruiloft een kweeappel moesten eten, die buitendien
+voor de geliefden zeker eene bijzondere beteekenis had. Het lijdt
+geen twijfel, dat ook de Grieken onze bruidsdagen hebben gekend.
+
+[391] De heler van een moord moest met den knoet gestraft worden,
+en kreeg in drie dagen eten noch drinken.
+
+[392] De vilten hoeden (petasos) werden eerst door de Grieken,
+daarna ook door de Romeinen gedragen, tot bescherming tegen de
+zonnestralen. Op den beroemden ruiteroptocht van het Parthenon, in het
+Britsche museum, dragen bijna alle ruiters den petasos. Dit hoofddeksel
+komt ook als reishoed voor. Eene figuur met den breedgeranden hoed
+op den rug duidt een reiziger aan.
+
+[393] Op de oude gedenkteekenen, bijv. te Thebe, Benihassan en Saqqara
+vindt men het leven der nijvere handwerkslieden, zooals schoenmakers,
+pottenbakkers, schrijnwerkers, vervaardigers van mummie-kisten,
+timmerlieden, spinners en mattenmakers, glasblazers, goudsmeden,
+schilders, beeldhouwers, slachters, enz. zeer aanschouwelijk
+voorgesteld. Bij Ebers, Aegypten in Bild und Wort, Wilkinson e. a. kan
+men hiervan afbeeldingen vinden.
+
+[394] Wevende en spinnende mannen en vrouwen komen op de monumenten
+dikwijls voor. In het Berlijnsch museum zijn eenige Egyptische
+spinrokkens; in het Leidsche vindt men een keurig spinstokje en eene
+knoopnaald, met het roode garen er nog om, benevens vele monsters
+van weefsels.
+
+[395] Het Egyptische bier, dat de Grieken 'zythos' noemden, was
+algemeen bekend, maar stond niet hoog aangeschreven. Osiris zou het
+met den wijn aan de menschen hebben geschonken. In oud-Egyptische
+geschriften komt het dikwijls voor onder den naam: 'hek'. Het verdient
+opmerking dat men Gambrinus, als een zoon van Isis, met Egypte,
+het land waar men het eerst bier zou hebben gedronken, in betrekking
+heeft gebracht.
+
+[396] zie boven bl. 110.
+
+[397] Eene beroemde hetaere van Naucratis.
+
+[398] Misdadigers, die ter dood veroordeeld waren, werden in Egypte
+gewoonlijk opgehangen.
+
+[399] Zie boven blz. 84.
+
+[400] Priesters, die bij feestelijke optochten, de heilige dieren,
+de godenbeelden, enz. moesten dragen. De priesters waren verdeeld in
+opperpriesters, profeten, stolisten, die voor de godenbeelden en de
+offers moesten zorgen, vederdragers of schrijvers der hiëroglyphen,
+hiërogrammaten of wijzen, waartoe de horoscopen, astrologen,
+kalendermakers en teeken-uitleggers gerekend werden, de heilige
+vaders, waartoe ook de zangers behoorden, de priesters van lager
+orde, namelijk de pastophoren, taricheuten of balsemers, neokoren of
+tempeldienaars, enz.
+
+[401] Zie de beschrijving van dit instrument in Ebers' Warda, Dl. II
+bl. 102.
+
+[402] Dergelijke optochten van vrouwen ziet men op de gedenkteekenen,
+bijv. te Thebe, waar de vrouw van Ramses II en de moeder, de dochter
+en de zuster van een priester naar den tempel gaan om te bidden. Er
+waren in Egypte ook priesteressen.
+
+[403] Op de monumenten in Thebe vindt men de voorstelling van een
+plattegrond eener villa, in vogelvlucht gezien.
+
+[404] Ramses III is de Rhampsinit, van wien Herodotus ons dat
+aardige sprookje vertelt, hetwelk graaf von Platen stof gaf
+tot een drama. De schat van Ptolomaeus Philadelphus zou 740,000
+Egyptische talenten, d.i. ongeveer 990,000,000 gulden bedragen
+hebben. Doch misschien bedoelde men de gezamenlijke inkomsten van eene
+acht-en-dertigjarige regeering. De Egyptische schatkist had inderdaad
+enorme inkomsten. Volgens een opschrift in de schatkamer van Ramses den
+Groote, zouden de goud- en zilvermijnen jaarlijks 1080,000,000 gulden
+hebben opgebracht. Volgens Diodorus bedroeg de schat van Rhampsinit
+5400,000,000 gulden. Door een gelukkig toeval heeft men in den tempel
+van Medinet-Haboe eene voorstelling van zijn schatkamer gevonden.
+
+[405] Een Egyptisch snareninstrument.
+
+[406] De bijnaam "meesteres of beheerscheres der weegschaal" had zijn
+grond hierin, dat de godin der waarheid de zielen der afgestorvenen
+in de onderwereld afwoog. Van dit wegen vinden wij bijna in alle
+doodenboeken eene voorstelling.
+
+[407] zie boven bl. 29 en 31.
+
+[408] Een snareninstrument, dat grooter was dan de lier. Het stond
+in verhouding tot de luit als eene cello tot eene viool.
+
+[409] Antipater van Sidon vervaardigde op hem het volgend epigram:
+
+
+ Gij wijddet al uw dagen, o grijsaard, blij te moe,
+ Aan Dionysos, Eros en 't koor der Muzen toe.
+
+
+[410] Anacreon was van Teos afkomstig.
+
+[411] Een klein staafje van elpenbeen, waarmede men de snaren tokkelde.
+
+[412] Hoewel een onweder in Egypte tot de zeldzaamheden behoort,
+zoo komt het toch wel eens voor. Ebers trof in Januari 1870 een
+onweder in Opper-Egypte nabij Antinoë. De bui was zoo hevig, dat
+Arabische booten op den Nijl omsloegen en geweldige waterstroomen van
+de bergen afdaalden. Fella-hutten werden medegesleurd en palmboomen
+ontworteld. Herodotus vertelt als een wonder, dat het, juist in dezen
+tijd, in Opper-Egypte had geregend.
+
+[413] De Grieken waren gewoon, als een onweder dreigde, aan de stormen,
+die tot de goden der onderwereld behoorden, een zwart lam te offeren.
+
+[414] Zoo heetten de bruiloftsliederen, naar het refrein: "Hymen,
+o Hymenaee."
+
+[415] Eene Helleensche bruid verscheen in feestdos, en ook zij die
+haar geleidden droegen sierlijke gewaden.
+
+[416] Sappho.
+
+[417] De moeder der bruid ontstak de fakkel. De fakkeldrager moest
+den God Hymen voorstellen.
+
+[418] Dit gebruik bestond later ook te Rome.
+
+[419] Zie boven blz. 145.
+
+[420] Het schip heette naar de godin der gezondheid.
+
+[421] zie boven bl. 145.
+
+[422] Perzische lusthoven.
+
+[423] zie boven bl. 165.
+
+[424] In onze maand Maart.
+
+[425] Ook de hedendaagsche Perzen houden een huwelijk tusschen
+bloedverwanten in eersten of tweeden graad voor zeer gelukkig.
+
+[426] Een korps, gedeeltelijk uit vreemdelingen samengesteld, dat de
+krijgsgevangenen moest bewaren en andere diensten bewijzen.
+
+[427] Wagenstrijders vindt men op bijna alle Egyptische
+gedenkteekenen. Ofschoon daarop tot hiertoe niet meer dan vijf ruiters
+zijn gevonden, blijkt toch uit geschriften en berichten van andere
+volken, dat de Egyptenaren zich van ruiterij bedienden. Zoo zou Ramses
+II 24,000 ruiters in het veld hebben gebracht. Volgens Herodotus
+was het Egyptische leger verdeeld in Hermotybiërs en Kalasiriërs. De
+laatsten, in het Egyptisch Klaschr, waren boogschutters. De eersten
+ontleenden hun naam aan het schort Haemitybion, dat zij droegen.
+
+[428] Waarschijnlijk waren dit de door Herodotus genoemde
+Noord-Afrikaansche Maxyers.
+
+[429] Van vele standaarden zijn afbeeldingen gevonden. Elke nomos
+had ook zijn wapen.
+
+[430] Zoo gewapend vinden wij de troepen op de monumenten
+voorgesteld. Verschillende der genoemde wapenen worden in de musea
+gevonden, o. a. te Berlijn een dolk, waarvan de kling bestaat uit
+een soort van brons, en het gevest uit elpenbeen, met eene scheede
+van leder.
+
+[431] Toen Themistocles later aan het Perzische hof kwam, werd hem
+insgelijks eene aanzienlijke Perzische vrouw ten huwelijk gegeven.
+
+[432] Deze mijnen lagen in het zuiden, niet verre van de Roode Zee. De
+arbeiders waren deels krijgsgevangenen, deels lieden die men om de
+eene of andere reden uit den weg wilde ruimen. Men heeft de sporen
+van die mijnen weergevonden. Vgl. verder Ebers' Warda.
+
+[433] zie boven bl. 213.
+
+[434] Zoo worden de kleuren van de rijksbanier door Firdusi
+opgegeven. De banier van Kawe bestond uit het schootsvel van een
+dapperen smid, die volgens de legende alles te wapen riep tegen dan
+boozen Zohak, en Feridun hielp, om dien gruwelijken verwoester van
+het rijk ten val te brengen.
+
+[435] Dit was het wachtwoord der Grieken in den slag bij Mycale.
+
+[436] Dat die wagenmenners aanzienlijke personen waren, blijkt uit
+de wijze waarop de vorsten met hen omgingen. Op een gedenkteeken te
+Thebe werd Ramses II voorgesteld, in vertrouwelijk gesprek met zijn
+wagenmenner. Hetzelfde blijkt uit het epos van Pentaoer (Vgl. Ebers
+Warda). In een der papyrussen wordt van een wagenmenner gesproken,
+die na een militaire school bezocht te hebben, van den pharao zelven
+uit de koninklijke stallen de paarden ontvangt.
+
+[437] Herodotus verhaalt ons van een Egyptenaar, die op last van Darius
+aan den oever van den Ister ging staan, om Histiaeus van Milete te
+roepen, die hem hoorde en aanstonds deed wat de Perzische koning van
+hem verlangde.
+
+[438] Herodotus geeft ons werkelijk het verhaal van dit verschrikkelijk
+feit.
+
+[439] Het is een doorgaande regel, dat bij de oude schrijvers
+de overwinnaars altijd veel minder manschappen verliezen dan de
+overwonnenen.
+
+[440] Ongeveer f 22.500.
+
+[441] Zij was de gemalin van koning Battus III.
+
+[442] In het Gregoriaansch museum van het Vaticaan is het standbeeld
+van een scheepsgezagvoerder; het opschrift behelst de bijzonderheden
+omtrent Cambyzes' verblijf te Saïs, die hierboven worden medegedeeld.
+
+[443] Op de gedenkteekenen komen herhaaldelijk gevangenen voor,
+met eene soort van houten boeien, waarin de handen zijn gesloten,
+en die met een touw aan hun hals hangen.
+
+[444] Toen Solon den Lydischen koning bezocht, had deze den
+wijsgeer zijne schatten getoond en hem gevraagd, wien hij wel
+voor den gelukkigste hield, in de hoop dat hij zijn eigen naam zou
+hooren. Solon noemde echter in de eerste plaats Tellus, een beroemd
+burger van Athene, en daarna de broeders Kleobis en Biton. Deze schoone
+jongelingen, die ook in den worstelstrijd den prijs hadden behaald,
+trokken hunne moeder, toen de paarden niet intijds van het veld kwamen,
+ten aanzien van het gansche volk, naar den ver verwijderden tempel. De
+mannen van Argos roemden, de kracht der jongelingen, maar de vrouwen
+wenschten de moeder geluk die zulke zonen bezat. En de moeder verrukt
+over deze daad en den lof harer zonen, plaatste zich voor het beeld
+der godin en bad, dat zij hun het beste mocht schenken wat een mensch
+gegeven kon worden. Na dit gebed en het offer sluimerden de jongelingen
+in, om niet meer te ontwaken, want zij waren gestorven.
+
+[445] De laatste Perzische koning, Darius Codomannus, verwees op
+dezelfde wijze zijn uitstekenden Griekschen veldheer Memnon ter dood,
+die hem door zijne vrijmoedigheid beleedigd had. Toen men hem wegvoerde
+riep Memnon, zinspelende op Alexander, die reeds in aantocht was:
+"Uw berouw over deze daad zal getuigen van hoeveel waarde ik voor u
+was; mijn wreker is niet verre meer!"
+
+[446] De Egyptenaren huwden niet zelden hunne zusters of de weduwen
+hunner overleden broeders. Ook bij de Grieken komen zulke huwelijken
+voor.
+
+[447] Dit was het kostbaarste geschenk, dat een Perzisch onderdaan
+van zijn vorst kon ontvangen.
+
+[448] Wat Herodotus dienaangaande verhaalt, is genoegzaam
+uit Egyptische gedenkteekenen gebleken niet anders dan eene
+overlevering te zijn, geboren uit den volkshaat. De nagedachtenis
+dezer koningen (Cheops en Cephren) werd gebrandmerkt, omdat men de
+zware heerendiensten nimmer vergeten kon.
+
+[449] De sarkophaag ging met het schip, dat dit kostbare voorwerp
+naar Europa overbracht, op de Spaansche kust verloren. De Arabische
+geograaf Idrisi verhaalt, dat men kort vóor hij schreef (1240) de
+sarkophaag geopend en daarin een mummie gevonden had, benevens een
+goudplaat, beschreven met onbekende schriftteekens.
+
+[450] Zie boven blz. 75.
+
+[451] Zie boven blz. 25.
+
+[452] Wanneer de heilige stier stierf, dan werd hij diep betreurd
+en met fabelachtige staatsie begraven. Toen onder Ptolemaeus
+Lagi de Apis van ouderdom bezweek, besteedden de priesters tot
+zijne ter-aarde-bestelling niet alleen den geheelen tempelschat,
+maar leenden nog bovendien van den koning 50 zilvertalenten (81,000
+gulden). Sommige hoofden van den Apis-tempel gaven voor de uitvaart van
+dit dier 100 talenten uit. Men hield er voor den stier een ganschen
+stal met koeien op na. De Egyptenaren meenden, dat hij de toekomst
+kon voorspellen, en schijnen hem ook beschouwd te hebben als het
+symbool van een tijdperk van 25 jaren. Dit is bevestigd toen het
+Serapeum en de Apis-graven zijn ontdekt. Mariëtte vond een schoon
+steenen beeld van den heiligen stier, dat naar Parijs is gevoerd,
+alsmede een menigte kolossale Apis-sarkophagen.
+
+[453] Zulke tooneelvertooningen in het woud van Neith schijnen tot
+de mysteriën behoord te hebben. Het tooneel was het nog bestaande
+meer Sa-el-Hagar, waarbij zich een graf van Osiris bevond. "Deze
+schouwspelen," zegt Herodotus, "moesten de lotgevallen van
+bovengenoemde godheid voorstellen en heeten mysteriën."
+
+[454] De klimop was aan Osiris, de koe aan Isis gewijd. De laatste
+komt op de gedenkteekenen bijna altijd voor met den kop van eene koe.
+
+[455] Men vindt dezen geheelen strijd geteekend in een opschrift van
+den Horus-tempel te Edfoe.
+
+[456] Door de Grieken Byblos genoemd.
+
+[457] Het laatste lid werd vruchteloos gezocht, want Seth (Typhon) had
+het in den Nijl geworpen. Volgens de sage liet Isis dat lid namaken.
+
+[458] Het dier, dat gewoonlijk voor Osiris in zittende houding wordt
+afgebeeld, gelijkt nu eens op eene teef of leeuwin, dan weer het meest
+op een nijlpaard. De Cerberus der Grieken heeft misschien aan dezen
+"draak van Amenthes" zijn oorsprong te danken.
+
+[459] De onderwereld, eig. het westen, het doodenrijk, waar de ziel
+heenging na den dood, gelijk de zon na haren ondergang.
+
+[460] Haméstegân is de plaats dergenen, wier goede daden tegen hunne
+slechte kunnen opwegen; Duzakh is de hel, en Gorothman is het paradijs
+der Perzen.
+
+[461] zie boven bl. 239.
+
+[462] De Perzische kleuren.
+
+[463] Dit verhaal is ontleend aan Herodotus, evenals hetgeen er
+verder volgt. De Perzen waren zeer gesteld op den roem van goede
+boogschutters te zijn.
+
+[464] Herodotus bericht, dat Darius eene dochter van Bartja (Smerdis),
+Parmys geheeten, bij Atossa tot vrouw nam.
+
+[465] In alle musea, o. a. in het Leidsche, te vinden. De
+gedenkteekenen leeren, dat de Egyptenaren reeds in zeer vroegen tijd
+zich op allerlei wijze zalfden. De oogzalf, mestem, vinden wij reeds
+onder de 12e dynastie. De mummiën bewijzen, dat de hedendaagsche
+gewoonte om de nagels te verven, reeds in den tijd der pharao's
+bestond. Welriekende haarlokken waren een eerste vereischte voor eene
+schoone vrouw.
+
+[466] Het Leidsche museum bezit een exemplaar van zulk eene doos.
+
+[467] Zulk een handvatsel, en wel van eene doos, vindt men in het
+museum te Leiden, waar ook nog vele metalen spiegels bewaard worden,
+alsmede kammen, enz.
+
+[468] Op de musea vindt men bij de mummiën allerlei vlechtwerk van
+koralen. Kapitein Henveys vond eenige jaren geleden een kolossale
+koraal, waarop een hiëroglyphisch opschrift was gesneden.
+
+[469] Op de oude gedenkteekenen vindt men geene afbeeldingen van
+kameelen, terwijl het bekend is dat de Arabieren en Perzen zeer veel
+gebruik maakten van deze dieren, die tegenwoordig ook aan den Nijl
+onmisbaar zijn geworden. Toch was de kameel daar ook in de oudheid
+bekend, maar het schijnt dat de afbeelding van dit dier, evenals van
+den haan, verboden was.
+
+[470] Eene stad nabij het noordelijk einde van de Roode Zee.
+
+[471] Zie boven blz. 197.
+
+[472] Herodotus doorreisde Egypte ongeveer zestig jaren na Cambyzes'
+dood.
+
+[473] Op deze oase (thans Siwah) was een beroemd orakel, dat ook door
+Cresus was geraadpleegd, en later meer bekend werd, toen de groote
+Ammon verklaarde, dat Alexander de Groote de zoon eener godheid was.
+
+[474] De door de reizigers zoo gevreesde Khamsin der Lybische
+woestijn. Een dergelijke wind, bekend onder den naam Samoem, wordt
+door de Turken Schamyele genoemd.
+
+[475] De Apis zag er echter volgens de gedenkteekenen niet altijd
+eveneens uit. Op een Apis-standbeeld, dat Mariëtte liet uitgraven en
+thans te Parijs is, heeft men bovengenoemde kenteekenen gevonden, met
+zwarte verf op het lichaam geschilderd. Sommige bronzen Apis-beelden
+dragen den zonneschijf met den Uraeus-slang tusschen de hoornen.
+
+[476] Volgens Herodotus gleed het zwaard uit en trof het dier in de
+dij, aan welke wond het bezwaarlijk kan gestorven zijn. Nu sterft
+Cambyzes ook aan eene dijwond, en de geschiedschrijver is er blijkbaar
+altijd op uit, om de vergelding van een misdrijf in een helder licht
+te stellen.
+
+[477] De sage van Niobe, welker zonen en dochters door de kinderen
+van Leto, Apollo en Artemis, werden gedood is bekend. De namelooze
+smart over dit verlies deed haar versteenen. Zij was de rots op den
+top van het Sipylus-gebergte. De Niobe-groep, die in 1583 te Rome werd
+gevonden en thans te Florence wordt bewaard, is zoo niet het origineel
+dan toch eene voortreffelijke navolging van het werk van Praxiteles.
+
+[478] De officieren van het Fransche fregat Luxor, die den bekenden
+obelisk van Thebe moesten overbrengen, vonden te Abd el Qoernah de
+mummie van Amasis' gemalin, half verbrand, in een lijkkist.
+
+[479] De Atheners moesten aan Minos van Creta eene schatting
+leveren van zeven jongelieden en even zoo vele maagden. Toen deze
+schatting voor de derde maal werd gebracht, liet Theseus zich onder
+de jongelingen opnemen. Minos' dochter Ariadne verliefde op hem. Zij
+gaf hem een draad, met behulp waarvan hij het labyrinth weder kon
+verlaten, na het vreeselijk monster, den minotaurus, verslagen te
+hebben. Theseus vluchtte met haar naar Athene, maar verliet haar in
+stilte op het eiland Naxos.
+
+[480] zie boven bl. 9.
+
+[481] De hoofddenkbeelden zijn ontleend aan Plato's schets van een
+idealen staat.
+
+[482] Herodotus laat alles te Susa gebeuren; doch in een opschrift van
+Behistân leest men: "Daar is eene vesting, genaamd Cikathauvatis, een
+streek genoemd Niçâya in Medië, daar heb ik (Darius) hem gedood." Het
+valt echter moeielijk uit te maken, welke stad hier bedoeld is.
+
+[483] Uit de berichten van Herodotus en andere schrijvers, en uit
+het opschrift te Behistân blijkt genoeg, dat Cambyzes zich doodelijk
+wondde met zijn eigen wapen, zonder dat er grond bestaat om aan
+opzettelijken zelfmoord te denken.
+
+[484] Herodotus maakt uitdrukkelijk gewag van Cambyzes' berouw in
+zijne laatste oogenblikken.
+
+[485] Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes
+en Darius Hystaspes.
+
+[486] Zie boven blz. 263.
+
+[487] De Perzen vierden daarna op dezen dag een groot feest, het
+feest van den moord der magiërs.
+
+[488] Volgens Herodotus hadden de zeven saamgezworenen met elkander
+afgesproken, dat zij te zamen buiten de stad zouden rijden. Hij
+zou koning zijn, wiens paard bij het opgaan der zon het eerst
+hinnikte. Weinige dagen te voren bracht de stalknecht van Darius eene
+merrie op de plaats waar men heen zou rijden, terwijl hij deze door
+den hengst zijns meesters liet dekken. Toen nu de saamgezworenen,
+op den bestemden dag, die zelfde plek naderden, begon het paard van
+Darius zijn loop te versnellen en luid te hinniken. Terzelfder tijd
+zou het bij een helderen hemel geweerlicht en gedonderd hebben. Het
+eerste verhaal is zoo geheel onwaarschijnlijk niet, omdat het paard
+aan de zon geheiligd was en men het wel voor een goddelijk teeken
+kon houden, wanneer het de opkomende Mithra tegenhinnikte. Voor
+het overige kon Darius, ook zonder de list van zijn stalknecht,
+deugdelijke aanspraken op den troon doen gelden.
+
+[489] Atossa wordt dikwijls de uitverkorene gemalin van Darius
+genoemd. Hun zoon Xerxes werd door Darius tot zijn opvolger bestemd,
+ofschoon de dochter van Gobryas hem reeds vóor de geboorte van
+Xerxes drie mannelijke erfgenamen had geschonken. Herodotus verzekert
+uitdrukkelijk, dat de invloed en het aanzien van Atossa zeer groot is
+geweest. Aeschylus prijst haar in de "Perzen" als eene hooggeëerde,
+achtenswaardige vrouw.
+
+[490] Ramses II werkte aan dit kanaal, waarvan reeds sporen worden
+gevonden uit den tijd van zijn vader Seti I. Necho vatte het werk
+weder op. Darius liet er vlijtig aan werken. Onder de Ptolomaeën werd
+het voltooid.
+
+[491] Darius' naam komt op de Egyptische gedenkteekenen onder den vorm
+Ntarioesch voor. Die naam wordt het meest gevonden in de opschriften
+van den tempel in de oase el-Khargeh. Zeer merkwaardig zijn vooral
+de Egypto-Perzische gedenkteekenen op de landengte van Suez, met
+opschriften in hiëroglyphen en spijkerschrift. De Egyptische voornaam
+van Darius luidt gewoonlijk: "de door Ammon en Ra geliefde." Overal,
+bijv. op een porseleinen vaas te Florence en op papyrusrollen te
+Parijs en Florence wordt hij genoemd met de goddelijke eeretitels
+der pharao's.
+
+[492] De eerste opstand, die uitbrak onder den door Cambyzes
+aangestelden stadhouder Aryandes, zou Darius, met een bezoek aan
+Egypte te brengen, onderdrukt hebben, bij welke gelegenheid hij honderd
+talenten beloofde aan hem, die een nieuwen Apis zou vinden. De tweede
+opstand begon eerst vier jaren voor Darius' dood. Xerxes bedwong de
+opstandelingen twee jaren na zijne troonsbeklimming, en benoemde zijn
+broeder Acha emenes tot stadhouder.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Eene Egyptische Koningsdochter, by
+Georg Moritz Ebers
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EENE EGYPTISCHE KONINGSDOCHTER ***
+
+***** This file should be named 28120-8.txt or 28120-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/8/1/2/28120/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.