diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:37:28 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:37:28 -0700 |
| commit | c8d5884fb6abd3244f6696669145ba983c2ef4fe (patch) | |
| tree | 29e5d7b58faa17b5a717e231d7518a111836dff0 /28120-8.txt | |
Diffstat (limited to '28120-8.txt')
| -rw-r--r-- | 28120-8.txt | 23160 |
1 files changed, 23160 insertions, 0 deletions
diff --git a/28120-8.txt b/28120-8.txt new file mode 100644 index 0000000..84e152e --- /dev/null +++ b/28120-8.txt @@ -0,0 +1,23160 @@ +Project Gutenberg's Eene Egyptische Koningsdochter, by Georg Moritz Ebers + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Eene Egyptische Koningsdochter + Historische Roman van George Ebers + +Author: Georg Moritz Ebers + +Translator: Hendrik Cornelis Rogge + +Release Date: February 19, 2009 [EBook #28120] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EENE EGYPTISCHE KONINGSDOCHTER *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Eene + Egyptische Koningsdochter + + + Historische roman + Van + George Ebers + + + Vijfde druk + + + Bewerkt door + Dr. H. C. Rogge + + Amsterdam + Van Holkema & Warendorf + + + + + + + + +EERSTE BOEK. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + +De Nijl was buiten zijne oevers getreden. Daar, waar anders het oog met +welgevallen rustte op weelderige akkers en bloeiende velden, breidde +zich thans heinde en verre eene onmetelijke watervlakte uit. Alleen +de door dammen beschermde steden, met hare reusachtige tempels en +paleizen, de daken der dorpen en de kronen der hoogstammige palmen en +der bladerrijke sykomoren verhieven zich boven den waterspiegel. De +wilgenboomen lieten hunne takken nederhangen in den vloed, terwijl +de hooge zilverpopulieren, met hunne naar boven gerichte takken, +het vochtige element schenen te willen ontwijken. De volle maan was +opgegaan en goot haar zacht en liefelijk licht uit over de Lybische +heuvelrijen in het westen, welker omtrekken zich slechts flauw tegen +den wolkloozen hemel afteekenden. Op den effen waterspiegel dreven +blauwe en witte lotusbloemen. Vledermuizen van verschillende soorten +zwierden en fladderden door de stille, van den geur der acacia's +en jasmijnbloesems vervulde nachtlucht. In de toppen der boomen +sluimerden wilde duiven en andere vogels, terwijl pelikanen, ooievaars +en kraanvogels zich verscholen hielden tusschen het papyrus-riet en de +nijlboonen, die langs den oever wiesen. De eersten verborgen slapend +hunne langgesnavelde koppen onder de vleugelen en bewogen zich niet; +de kraanvogels evenwel schrikten op, telkens wanneer zich een riemslag +of het gezang van nog werkende schippers deed hooren, en zij tuurden +in de ruimte, terwijl zij de slanke halzen angstig her- en derwaarts +keerden. Geen koeltje zelfs woei er, en het spiegelbeeld der maan, dat +als een zilveren schild op het watervlak scheen te drijven, bewees, +dat de Nijl, die zich eerst zoo woest van de rotsen neêrstort en zoo +driftig de reuzentempels van Opper-Egypte voorbijsnelt, daar, waar +hij, in verscheidene armen verdeeld, de zee nadert, zijn onstuimig +jagen heeft laten varen, om zich over te geven aan een kalme rust. + +In dezen schoonen nacht doorkliefde, 528 jaren vóor onze jaartelling, +eene bark den Canobischen mond [1] van den Nijl, waarin schier geen +stroom te bespeuren was. Een Egyptenaar zat op het hooge achterdek, +terwijl hij met beide handen den langen stuurriem vasthield, waarmede +hij den koers van het vaartuig regelde [2]. In het ruim van het schip +zaten halfnaakte roeiers, die zingende de riemen bewogen. In eene van +voren opene kajuit, die groote overeenkomst had met een houten priëel, +lagen twee mannen op lage matrassen. Zij waren, naar hun uiterlijk te +oordeelen, geen van beiden Egyptenaren. Zelfs bij het maanlicht kon men +hunne Grieksche afkomst herkennen. De oudste van de twee, een ongemeen +groot en krachtig man van even zestig jaren, wiens zware grijze lokken +vrij en los tot op zijn korten gevulden hals nedervielen, was in een +eenvoudigen mantel zonder sieraad gehuld. Hij staarde met somberen blik +in den stroom, terwijl zijn metgezel, die ongeveer twintig jaren jonger +was, een slank en schoon gebouwd man, nu eens naar den hemel opzag, +dan weder tot den stuurman enkele woorden richtte, dan weder zijne +violetblauwe chlanis [3] verschikte en verplooide, of met de hand over +zijne welriekende bruine lokken of zijn fijngekroesden baard streek. + +De bark had omtrent een half uur geleden Naucratis [4], de eenige +Grieksche havenplaats in het toenmalige Egypte, verlaten. De grijze +sombere man had gedurende de gansche vaart geen woord gesproken, +en de ander had hem in zijn gepeinzen niet gestoord. Als nu het +vaartuig den oever naderde, richtte zich de bewegelijke jonkman op, +zijn metgezel toeroepende: »Zoo aanstonds hebben wij het einde van +onzen tocht bereikt, Aristomachus. Dáár in de hoogte, links, dat zoo +lieflijk gelegen huis, in dien zich boven de overstroomde velden +verheffenden tuin van palmboomen [5] is de woning mijner vriendin +Rhodopis. Haar overleden echtgenoot Charaxus heeft het doen bouwen, +en al hare vrienden, tot zelfs de koning, beijveren zich, er ieder +jaar nieuwe verfraaiingen aan te brengen. Noodelooze moeite! Het beste +sieraad van dit huis zal, al werden ook alle schatten der wereld er +aan ten koste gelegd, toch steeds zijne schoone bewoonster zelve zijn." + +De oude stond nu op, wierp een vluchtigen blik op het gebouw, bracht +met de hand zijn dichten grijzen baard, die kin en wangen doch niet +de lippen [6] omgaf, eenigszins in orde, en vroeg kortaf: »Wat is +die Rhodopis toch voor een wezen in uwe oogen, Phanes? Sinds wanneer +dweepen de Atheners met oude vrouwen?" + +Hij, die dus werd aangesproken, glimlachte en hernam met zekere +zelfvoldoening: »Ik acht dat ik de menschen, en vooral de vrouwen, +zeer goed ken; maar ik geef u nogmaals de verzekering, dat ik in geheel +Egypte geen edeler, geen voortreffelijker wezen ken, dan deze oude +vrouw. Als gij haar en hare lieve kleindochter zult hebben gezien, +en uwe meest geliefkoosde liederen door een koor van uitmuntend +geoefende slavinnen zult hebben hooren zingen [7], voorzeker, dan +zult gij er mij voor danken, dat ik u derwaarts geleid heb!" + +»En toch," antwoordde de Spartaan ernstig, »zou ik u niet zijn +gevolgd, zoo ik niet de hoop had gekoesterd, den Delphiër Phryxus +hier te ontmoeten." + +»Gij zult hem aantreffen. Ook vertrouw ik, dat het gezang eene +weldadige werking op u zal oefenen, en u uit uwe sombere overpeinzingen +zal opwekken." + +Aristomachus schudde ontkennend het hoofd, en zeide: »U, levenslustige +Athener, mogen de vaderlandsche liederen verkwikken, mij echter zal +het, bij het vernemen van Alkman's [8] heerlijke zangen, zijn als in +zoo vele nachten, die ik droomend heb doorwaakt. Mijn verlangen zal +niet bevredigd, het zal slechts verdubbeld worden." + +»Meent gij dan," vroeg Phanes, »dat ik niet vurig verlang, mijn geliefd +Athene, de speelplaatsen mijner jeugd, en het vroolijk gewoel van de +markt weder te zien? Geloof mij, het brood der ballingschap smaakt +ook mij niet; maar door een verkeer gelijk dit huis biedt, wordt het +eenigszins smakelijker. En als de geliefde Helleensche liederen, zoo +wonderbaar schoon gezongen, tot mijn oor doordringen, dan zie ik in +mijne verbeelding mijn vaderland voor mij; dan zie ik zijne olijf- +en pijnbosschen, zijne frissche smaragdgroene stroomen, zijne blauwe +zee, zijne prachtige steden, zijne met sneeuw bedekte bergtoppen en +marmeren zalen. Wanneer dan de tonen zwijgen, biggelen mij tranen +van weemoed en verrukking langs de wangen, als ik tot mij zelven moet +zeggen, dat ik nog in Egypte toef, dat eentonige heete wonderbare land, +dat ik, den Goden zij dank, weldra verlaten zal. Maar, Aristomachus, +is het verstandig de oasen in de woestijn te mijden, wijl gij later +toch weder met de gevaren en ontberingen der zandzee te strijden zult +hebben? Is het wijs, het geluk van éen uur te ontvlieden, omdat vele +droeve dagen u verbeiden?--Halt, hier moeten wij zijn! Toon nu een +vroolijk gelaat mijn vriend, want het past niet in eene treurige +stemming den tempel der Charitinnen [9] binnen te treden. + +Bij deze woorden landde de bark aan den door den Nijl bespoelden +muur van den tuin. Met een sprong verliet de Athener het vaartuig; +de Spartaan volgde hem met zwaren doch vasten tred. Aristomachus had +een houten been; toch stapte hij zoo gemakkelijk en snel naast den +vluggen Phanes voort, dat men bijna in verzoeking kwam om te denken, +dat hij met het houten been ter wereld was gekomen. + +In den tuin van Rhodopis geurde, bloeide en gonsde het, als in een +nacht uit de tooververtellingen. Acanthus, gele mimosa's, hagen +van sneeuwballen, jasmijn en vlier, rozen en goudenregenstruiken +betwistten elkander de ruimte; hooge palmen, nijlacacia's en +balsemboomen verhieven hunne statige kruinen boven de lagere +gewassen. Groote vledermuizen zweefden op hunne dunne fijne vleugels +boven deze liefelijke plek rond, terwijl gezang en gelach de stilte +op den stroom bij wijle verlevendigden. + +Door een Egyptenaar was deze tuin aangelegd. De bouwmeesters der +pyramiden hadden van oudsher den naam van zeer bekwame hoveniers +te zijn [10]. Zij verstonden de kunst om bloembedden scherp af te +steken, om boomen en struiken in regelmatige groepen te planten, om +waterleidingen en springbronnen aan te leggen, om sierlijke priëeltjes +en tuinhuisjes te bouwen, ja zelfs om de paden met kunstig besnoeide +hagen af te perken, en in steenen bekkens goudvisschen te onderhouden +en aan te kweeken. + +Phanes bleef voor de poort in den tuinmuur staan, zag oplettend om +zich heen, luisterde een wijle, als om eenig geluid op te vangen, +en schudde eindelijk het hoofd, zeggende: »Ik begrijp niet, wat dit +te beduiden heeft. Ik verneem geene stemmen, zie geen licht, alle +barken zijn weg, en toch hangt de vaan aan gindschen bontgekleurden +staak nevens de obelisken aan weêrszijden der poort [11]. Rhodopis +moet afwezig zijn. Zou men vergeten hebben.....?" Hier viel hem eene +zware stem in de rede: »Ah, de overste der lijfwacht!" + +»Goeden avond, Knakias!" riep Phanes den op hem toetredenden grijsaard +vriendelijk groetende toe. »Hoe komt het, dat deze tuin zoo stil is als +eene Egyptische grafkamer, terwijl ik toch de vaan der verwelkoming +geheschen zie? Sinds wanneer noodigt het witte doek te vergeefs de +gasten uit?" + +»Sinds wanneer?" antwoordde de oude slaaf van Rhodopis lachende. »Zoo +lang de Parcen [12] mijne gebiedster genadig verschoonen, kan men er +zeker van zijn, dat deze vaan zoo vele gasten herwaarts zal roepen, +als dit huis slechts bevatten kan. Rhodopis is niet te huis, doch +zij zal weldra terugkeeren. De avond was zoo schoon, dat zij den +lust niet kon weêrstaan, met hare vrienden een tochtje op den Nijl +te maken. Twee uren geleden, bij het ondergaan der zon, staken zij +van wal, en de maaltijd is reeds bereid [13]. Zij kunnen niet lang +meer uitblijven. Ik bid u, Phanes, heb dus een weinig geduld, en +volg mij intusschen naar binnen. Rhodopis zou het mij niet vergeven, +als ik zulk een aangenamen gast niet had uitgenoodigd om een wijle te +toeven. En u, vreemdeling," ging hij voort, den Spartaan aansprekende, +»verzoek ik dringend te blijven, want als vriend van haar vriend zult +gij mijne meesteres dubbel welkom zijn!" + +De beide Grieken volgden den dienaar, en zetten zich in een priëel +neder. Aristomachus wijdde nu al zijne aandacht aan zijne omgeving, +die door de maan helder werd verlicht, en sprak na eenige oogenblikken: +»Verklaar het mij, Phanes, aan welk geluk deze Rhodopis, eene gewezene +slavin en hetaere [14], het te danken heeft, dat zij als eene koningin +leven en hare gasten vorstelijk ontvangen kan?" + +»Deze vraag verwachtte ik reeds lang," riep de Athener vroolijk, +»en het verheugt me dat ik u alvorens gij het huis dezer vrouw +binnentreedt, met haar verleden bekend kan maken. Gedurende onze +vaart op den Nijl wilde ik u met mijne verhalen niet storen. Deze +oude stroom dwingt met onweêrstaanbare kracht tot zwijgen en tot +stille gepeinzen. Toen ik, gelijk gij daar straks, voor de eerste +maal een nachtelijken tocht deed op dezen stroom, was het ook mij +als was mijne anders zoo radde tong verlamd." + +»Ik dank u," antwoordde de Spartaan. »Toen ik den honderdvijftigjarigen +priester Epimenides van Cnossus [15] op Creta, voor de eerste maal +zag, werd ik door een bijzonder gevoel van eerbied aangegrepen. Zijn +ouderdom en zijne heiligheid maakten op mij een onbeschrijfelijken +indruk. Hoeveel ouder, hoeveel heiliger echter is deze grijze stroom +Aigyptos [16]! Wie zou zich aan zijn betooverenden invloed vermogen +te onttrekken? Doch ik bid u, verhaal mij van Rhodopis!" + +»Rhodopis," aldus ving Phanes aan, »werd, toen zij nog een klein +kind was, bij gelegenheid dat zij met hare speelgenootjes aan het +Thracische strand zich verlustigde, door Phoenicische zeevaarders +geroofd en naar Samos gebracht, waar zij door Jadmon, een geomoor +[17], gekocht werd. Het meisje nam met den dag toe in schoonheid, +aanvalligheid en in verstand, en weldra werd zij door allen die haar +kenden bemind en bewonderd. + +»Aesopus [18], de dichter der dierenfabelen, die toen evenzeer +als slaaf bij Jadmon diende, had een bijzonder welgevallen in de +aanminnigheid en geestigheid van het kind. Hij onderrichtte het in +allerlei zaken, en zorgde voor Rhodopis, gelijk een paedagoog [19], +dien wij, Atheners, voor onze jongens in dienst nemen. De goede +leermeester vond in haar eene discipelin, die zich gemakkelijk liet +leiden en zeer vlug van bevatting was. De jonge slavin sprak, zong +en musiceerde binnen korten tijd beter en schooner, dan de zonen +van Jadmon, die eene allerzorgvuldigste opvoeding genoten. Op haar +veertiende jaar was Rhodopis zóo schoon en zóo ontwikkeld, dat de +ijverzuchtige gade van Jadmon het meisje niet langer in haar huis +wilde dulden, en de Samiër na lang tegenstribbelen, zijne lieveling aan +zekeren Xanthus verkoopen moest. Te Samos heerschte toenmaals nog de +weinig bemiddelde adel. Ware Polycrates reeds aan het bestuur geweest, +zoo had Xanthus voorzeker niet lang naar een kooper behoeven uit te +zien. Die tyrannen vullen hunne schatkamers, gelijk de eksters hunne +nesten! Hij begaf zich dus met zijn kleinood naar Naucratis, en won +hier door de bekoorlijkheden zijner slavin groote schatten. Rhodopis +doorleefde nu drie jaren van diepe vernedering, waaraan zij nog altijd +met afkeer denkt. + +»Toen eindelijk de roep harer schoonheid door geheel Hellas +op de vleugelen der faam was rondgedragen, en vreemden uit de +verstverwijderde oorden, alleen om haar te zien, naar Naucratis kwamen +[20], gebeurde er iets, dat op het lot van Rhodopis grooten invloed +had. Het volk van Lesbos verdreef zijn adel en verkoos den wijzen +Pittacus tot gebieder. De aanzienlijkste familiën moesten Lesbos +verlaten, en vluchtten deels naar Sicilië, deels naar de Grieksche +volkplantingen in Italië, of eindelijk naar Egypte. Alcaeus [21], de +grootste dichter van zijn tijd, en Charaxus, de broeder dier Sappho +[22], wier lierzangen te leeren de laatste wensch van onzen Solon was, +kwamen over naar Naucratis, dat reeds lang, als stapelplaats van den +Egyptischen handel met alle andere landen, bloeide. Charaxus zag +Rhodopis, en van stonde aan beminde hij haar zoo hartstochtelijk, +dat hij eene ontzaggelijke som ten offer bracht, om haar van den +geldgierigen Xanthus, die naar zijn vaderland verlangde weder te +keeren, te koopen. Sappho bespotte haren broeder wegens dezen koop, in +bijtend scherpe verzen; Alcaeus evenwel liet Charaxus recht wedervaren, +terwijl hij Rhodopis in liederen vol gloed en geestdrift bezong. + +»De broeder der dichteres, die tot nog toe onder de vele vreemdelingen +te Naucratis onopgemerkt was gebleven, verwierf op eenmaal +door Rhodopis een groote vermaardheid. In zijn huis verzamelden +zich om harentwille alle vreemdelingen, die haar met geschenken +overlaadden. Koning Hophra [23], die veel van hare schoonheid en +haar verstand gehoord had, liet haar naar Memphis komen, en wilde +haar van Charaxus koopen. Deze echter had haar reeds lang de vrijheid +geschonken, en beminde haar te vurig, dan dat hij zich van haar zou +hebben kunnen scheiden. Wederkeerig had ook Rhodopis den schoonen +Lesbiër hartelijk lief, zoodat zij niets liever wenschte dan bij hem +te blijven, in weerwil van de schitterende aanbiedingen, die haar +van verschillende zijden gedaan werden. Ten laatste verhief Charaxus +de merkwaardige vrouw tot den rang zijner wettige gade, en bleef met +haar en haar dochtertje Kleïs te Naucratis, tot Pittacus de ballingen +in het vaderland terugriep. Nu stevende hij met zijne vrouw naar +Lesbos. Op de reis derwaarts werd hij ziek, en kort na zijne aankomst +op Mytilene stierf hij. Sappho, die aanvankelijk haren broeder om zijn +dwaas huwelijk bespot had, werd zeer spoedig de vriendin der schoone +weduwe. Zij toonde een ongeveinsde bewondering voor deze vrouw, en +wedijverde met haren vriend Alcaeus, om Rhodopis in hartstochtelijke +liederen te bezingen. + +»Na het overlijden der dichteres keerde Rhodopis met hare dochter naar +Naucratis terug, en werd hier als eene godin ontvangen. Amasis [24], +de tegenwoordige koning van Egypte, had zich intusschen van den troon +der pharaonen meester gemaakt, en wist zich daarop met de hulp der +krijgslieden, uit wier kaste hij gesproten was, te handhaven. Dewijl +zijn voorganger Hophra, door zijne voorliefde voor de Grieken en zijn +omgang met de door alle Egyptenaren gehaatte vreemdelingen, zijn eigen +val bewerkt en verhaast had, daar hij de priesters en krijgslieden tot +openbaren opstand had aangezet, hield men 't voor zeker dat Amasis, +gelijk de vorsten van oudsher plachten te doen, het land voor de +vreemdelingen sluiten, de Grieksche soldaten afdanken, en in plaats +van aan den raad der Hellenen het oor te leenen, op de bevelen der +priesters acht geven zou. Gij hebt het kunnen opmerken, hoezeer +die goede Egyptenaren zich, bij hunne keuze van een nieuwen koning, +vergist hebben, en hoe zij van de Scylla in de Charybdis [25], zijn +vervallen. Was Hophra een vriend der Grieken, dan voorzeker kunnen wij +van Amasis getuigen, dat hij ons hartelijk liefheeft. De Egyptenaren, +en voornamelijk de priesters en krijgslieden, spuwen vuur en vlam, +en zouden ons gaarne allen in eens verworgen. Om de laatste bekommert +zich de koning niet veel, daar hij wel weet welke gewichtige diensten +wij en welke zij hem bewijzen. Met de priesters moet hij evenwel +altijd zeer omzichtig te werk gaan; want eensdeels oefenen deze een +onbegrensden invloed uit op het volk, en ten andere hecht de koning +meer, dan hij ons wil laten blijken, aan een ongerijmden godsdienst +[26], die in dit wonderbare land sinds duizenden jaren onveranderd +heeft bestaan, en aan haren ouderdom in de oogen harer belijders +eene nog grootere heiligheid ontleent. Deze priesters verbitteren +'s konings leven, zij vervolgen en benadeelen ons zooveel zij maar +kunnen; ja, ik zou reeds lang het kind van de rekening geweest zijn, +zoo de koning zijne beschermende hand niet over mij had uitgestrekt. + +»Maar ik heb den draad van mijn verhaal laten glippen. Rhodopis +werd dan te Naucratis met opene armen ontvangen, en door Amasis, +die haar weldra leerde kennen, met bewijzen zijner koninklijke +gunst overladen. Hare dochter Kleïs, die, evenmin als thans Sappho, +ooit de dagelijksche avondbijeenkomsten in haar huis mocht bijwonen, +en bijkans nog strenger dan de andere jonkvrouwen van Naucratis werd +opgevoed, huwde Glaukus, een rijk koopman uit Phocis van adellijke +afkomst, die met groote dapperheid zijne vaderstad tegen de Perzen +had helpen verdedigen, en volgde haar gemaal naar het kortelings op +de Keltische kust gestichte Massalia [27]. De jeugdige echtelingen +stierven, ten gevolge van het ongunstige klimaat, nadat hun eene +dochter Sappho geboren was. Rhodopis ondernam zelve de reis naar het +verre westen, om de hulpelooze wees af te halen. Zij nam dit kind in +haar huis op, liet het met de meeste zorg opvoeden, en ontzegt het +thans, nu het den maagdelijken leeftijd heeft bereikt, het verkeer +met de mannen. Want zij heeft zulk een diep gevoel van schaamte over +de vlekken, die aan hare eigene vroegste jeugd kleven, dat zij hare +kleindochter, die hare grootmoeder hierin niet weêrstreeft, verder +verwijderd houdt van den omgang met ons geslacht, dan de Egyptische +zeden wel veroorlooven. Voor mijne vriendin is het gezellig verkeer +even onontbeerlijk, als het water voor de visschen, als de lucht +voor de vogelen. Alle vreemdelingen bezoeken haar, en wie eenmaal +hare gastvrijheid ondervonden heeft, zal, wanneer hem de tijd niet +ontbreekt, zich niet laten wachten, zoodra de vaan aan de poort tot +een avondbezoek noodt. Ieder Helleen, onverschillig van welken rang, +bezoekt dit huis; want hier overlegt men, hoe men zich het best +tegen den haat der priesters zal kunnen wapenen; en hoe men den +koning tot dit of dat zal weten over te halen. Hier verneemt men +steeds de laatste berichten uit het vaderland en uit alle oorden +der wereld. Hier vindt de vervolgde eene onschendbare wijkplaats, +want de koning heeft zijne vriendin een vrijbrief gegeven tegen alle +aanrandingen van de zijde der veiligheidsbeambten [28]. Hier hoort men +zijne moedertaal spreken en de vaderlandsche liederen zingen. Hier +wordt beraadslaagd, op welke wijze Hellas van de steeds toenemende +macht der tyrannen [29] zal kunnen worden verlost. In één woord, +dit huis is het brandpunt van alle Helleensche belangen in Egypte, +en van hoogere staatkundige beteekenis, dan zelfs het Hellenion +alhier, waar de aangelegenheden van onzen godsdienst en onzen handel +besproken worden. Binnen weinige minuten zult gij de eerbiedwaardige +grootmoeder, en misschien ook, wanneer wij alleen overig blijven, +de kleindochter zien, en gij zult spoedig tot de overtuiging komen, +dat deze menschen niet aan eenig geluk, maar alleen aan hunne eigene +voortreffelijkheid alles verschuldigd zijn. + +»Ha, daar komen zij. Zie, daar richten zij hare schreden naar het +huis. Hoort gij de slavinnen zingen? Nu treden zij binnen. Laat +ons wachten tot zij eerst gezeten zijn, en volg mij dan. Bij het +afscheid zal ik u vragen, of het u berouwt met mij te zijn gegaan, +en of Rhodopis niet veeleer eene koningin, dan wel eene vrijgelatene +slavin gelijkt." + +Het huis van Rhodopis [30] was in Griekschen stijl gebouwd. De +buitenzijde van het slechts éene verdieping hooge lange gebouw was, +ten minste naar onze begrippen van bouwkunst, hoogst eenvoudig. Bij +de inwendige inrichting had men echter de schoone Grieksche vormen +aan de Egyptische kleurenpracht weten te paren. Door de breede +hoofddeur kwam men in het voorportaal. Dan zag men, ter linkerzijde +eene groote eetzaal, waarvan de vensters het uitzicht hadden op +de rivier. Tegenover deze was de keuken, waarvoor slechts in de +woningen der rijke Hellenen eene ruimte was afgezonderd, daar de minder +vermogenden hunne spijzen aan den haard in het woonvertrek plachten te +bereiden. De receptie-zaal bevond zich vlak tegenover de hoofddeur, +en vormde een zuiver vierkant, dat door een zuilengang omgeven was, +waarop onderscheidene vertrekken uitkwamen. In het midden dezer zaal, +die bestemd was voor de mannen, brandde op een sierlijken metalen +haard, in den vorm van een altaar, door een Aeginaetisch kunstenaar +vervaardigd [31], het huiselijk vuur. Over dag ontving deze zaal +haar licht door eene groote opening in het dak, door welke tegelijk +de rook van het haardvuur een uitweg vond. Aan het einde van deze +zaal, tegenover het voorportaal, bevond zich een gang, die door +eene zware deur was afgesloten, en naar het groote, slechts aan drie +zijden door zuilen omgeven vrouwenvertrek geleidde. Hier vertoefden +de bewoneressen van het huis, wanneer zij niet aan het spinrokken +of voor het weefgetouw zaten in de zijvertrekken, die op de hoogte +van de zoogenaamde tuin- of achterdeur gelegen waren. Tusschen deze +en de vertrekken, die het vrouwenvertrek ter linker- en rechterzijde +begrensden en tot huishoudkamers waren ingericht, lagen de slaapzalen, +in welke tegelijk de schatten van het huis bewaard werden. De +muren der mannenzaal waren met roodachtig bruine verf beschilderd, +waartegen de witte marmeren beelden en groepen, alle geschenken van +een kunstenaar op Chios, in scherpe omtrekken zeer goed uitkwamen. De +ingelegde vloer was schoon van teekening en kleur. Langs de zuilen +waren lage met pantervellen overtrokkene matrassen nedergelegd, en in +de nabijheid van den kunstig bearbeidden haard stonden bijzonder fraaie +Egyptische leunstoelen en fijn besnedene tafeltjes van thyahout [32], +op welke allerlei muziekinstrumenten, als eene luit, een cyther en +een phorminx [33] lagen. Aan de wanden hingen talrijke met kiki-olie +[34] gevulde lampen van onderscheidene vormen: deze had de gedaante +van een vuurspuwenden dolfijn, gene die van een vreemd gevleugeld +monster, welks muil stralen uitschoot, terwijl allen hun licht met +den gloed van het haardvuur vereenigden. + +In deze zaal stonden thans eenige mannen, zeer van elkander +verschillende in gelaatstrekken en in kleeding. Een Phoeniciër uit +Tyrus, in een lang karmozijnkleurig gewaad, was in eene zeer levendige +woordenwisseling met een man, wiens scherpe trekken en zwart krullend +haar den Israëliet deden kennen. Hij was uit zijn vaderland naar Egypte +gekomen, om voor Serubabel, den koning van Juda, Egyptische paarden +en wagens, die toen zeer beroemd waren, te koopen [35]. Naast dezen +stonden drie Grieken uit Klein-Azië. Hunne kostbare kleederen, die +in breede plooien neerhingen, lieten aanstonds vermoeden dat Mylete +hun vaderland was. Zij voerden een ernstig gesprek met Phryxus, den +eenvoudig gekleedden afgezant van de stad Delphi, die Egypte bezocht +om gelden in te zamelen voor den Apollo-tempel. Het oude heiligdom +der Pythia [36] was, tien jaren geleden, eene prooi der vlammen +geworden, en men wenschte het thans schooner uit zijne asch te doen +herrijzen. Twee der Myletiërs, leerlingen van Anaximander en Anaximes +[37], bevonden zich aan de boorden van den Nijl, om te Heliopolis +de sterrenkunde en de wijsbegeerte der Egyptenaren te beoefenen. De +derde was een rijk koopman en scheepsreeder, Theopompus geheeten, +die zich te Naucratis metterwoon had gevestigd. + +Rhodopis zelve onderhield zich zeer belangstellend met twee Grieken +van Samos, den alom beroemden bouwmeester, metaalgieter, beeldhouwer +en goudsmid Theodorus en den jambendichter Ibycus van Rhegium [38], +die voor eenige weken het hof van Polycrates verlaten hadden, ten +einde Egypte te leeren kennen, en den koning geschenken van wege hun +heer aan te bieden. Nabij den haard lag een gezet man, Philoinus van +Sybaris [39], met sterk sprekende zinnelijke gelaatstrekken, zoo lang +als hij was uitgestrekt op een met bont overtrokken voor twee personen +bestemden stoel. Hij streek gedurig met zeker welbehagen door zijne +welriekende met gouddraad doorvlochten lokken, of speelde met de gouden +kettingen, die van zijn hals nederhingen op het saffraankleurig kleed, +dat hem tot aan de voeten reikte. + +Rhodopis had voor iederen gast een vriendelijk woord; doch op +dit oogenblik richtte zij zich meer uitsluitend tot de beroemde +Samiërs. Zij onderhield zich met hen over kunst en poëzie. De oogen +der Thracische vrouw gloeiden nog van jeugdig vuur. Hare hooge +gestalte was gevuld en nog niet door den ouderdom gebogen. Hoewel +hare lokken vergrijsd waren, golfden zij nog altijd weelderig om +het schoongevormde hoofd, en schenen zich slechts met weerzin van +achteren door een net van gouddraad te laten bedwingen. Op het hooge +voorhoofd prijkte een fonkelende diadeem. Dat edel Grieksch gelaat +was bleek, maar schoon en, ofschoon zij reeds zeer bejaard was, +door rimpel noch plooi ontsierd. Die kleine mond, die volle lippen, +die witte tanden, die schitterende en toch zachte oogen, dat edele +voorhoofd en die fijnbesneden neus hadden nog het sieraad eener maagd +kunnen zijn. Men moest Rhodopis voor jonger houden, dan zij werkelijk +was, en toch handelde of sprak zij nooit in strijd met hare hooge +jaren. Uit elke harer bewegingen sprak de waardigheid eener matrone, +en hare minzaamheid was niet die der jeugd, die zoekt te behagen, +maar die des ouderdoms, die zich aangenaam wil maken, die achting +heeft voor anderen en tegelijk achting vordert. + +Thans verschenen ook de ons bekende mannen in de zaal. Aller oogen +vestigden zich op hen, en als Phanes nader trad zijn vriend bij de +hand leidende, werd hij op de hartelijkste wijze welkom geheeten. + +»Ik dacht al," riep een der Mylesiërs, »er ontbreekt ons iets, hoewel +ik niet wist wat! Nu is het mij volkomen duidelijk: zonder Phanes +geene vroolijkheid!" + +Philoinus de Sybariet verhief daarop zijne diepe zware stem, en riep, +zonder zijne gemakkelijke houding ook maar in het minst te veranderen: +»De vroolijkheid is een kostelijk ding, en zoo gij haar medebrengt +zijt gij ook mij welkom, Athener!" + +»Wat mij aangaat," sprak Rhodopis, terwijl zij hare nieuwe gasten +tegemoet ging, »weest hartelijk gegroet, wanneer gij vroolijk zijt, +maar niet minder welkom, als gij onder kommer of smart gebukt gaat: +ik ken toch geen grooter genot, dan de rimpels op het voorhoofd van +een vriend glad te strijken. Ook u, Spartaan, heet ik vriend, want +zoo noem ik een ieder, die mijnen vrienden dierbaar is." + +Aristomachus boog zich zwijgend; de Athener evenwel riep, zich half tot +Rhodopis en half tot den Sybariet wendende: »Welnu dan, gij, Rhodopis, +zult gelegenheid hebben, mij, uw vriend, te troosten, want maar al te +spoedig zal ik u en uwe vriendelijke woning moeten verlaten. Doch gij, +Sybariet, zult uw hart kunnen ophalen aan mijne vroolijkheid, want +eindelijk zal ik mijn Hellas wederzien, en dit land, dat veel heeft +van een vergulden muizenval, zij 't dan ook met weêrzin, verlaten!" + +»Gij gaat heen? Hebt ge dan uw ontslag gekregen? Waarheen denkt gij +u te begeven?" klonk het van alle zijden. + +»Geduld! geduld! vrienden," riep Phanes; »ik moet u eene lange +geschiedenis vertellen, die ik evenwel wil bewaren tot we aan tafel +zijn. Maar, van den maaltijd gesproken, beste vriendin, mijn honger +is op dit oogenblik bijna even groot, als mijn leedwezen dat ik u +verlaten moet." + +»Honger is een voortreffelijk ding," philosopheerde de Sybariet, +»als men een goeden maaltijd in het vooruitzicht heeft." + +»Stel u gerust, Philoinus," hernam Rhodopis, »ik heb den kok +bevolen zijn uiterste best te doen, en hem gewaarschuwd, dat de +fijnste lekkerbek uit de weelderigste stad der geheele wereld, dat +een Sybariet, dat Philoinus een streng gericht zal houden over de +werken zijner handen.--Ga, Knakias, en zeg dat men aanrichte!--Zijt +ge thans tevreden, gij ongeduldige heeren? Ondeugende Phanes, mij +hebt gij intusschen met uwe tijding alle eetlust benomen!" + +De Athener maakte eene buiging. Intusschen zette de Sybariet zijne +wijsgeerige overpeinzingen voort: »Tevredenheid is een kostelijk ding, +als men de middelen heeft om al zijne wenschen te bevredigen. U, +Rhodopis, dank ik, dat gij aan mijne onvergetelijke vaderstad recht +hebt laten wedervaren. Gij weet wat Anakreon zegt? + + + 'k Leef bij 't heden, niemand weet toch + Wat de dag van morgen brengt. + Proef, geniet dan 's levens vreugde, + Wijl het noodlot zulks gehengt. + Werp den teerling, offer Bacchus, + Drink en smaak zijn kostbren wijn: + Immers, als een ziekte u nadert, + Moogt gij niet meer vroolijk zijn. + + +Zeg! Ibycus, heb ik uw vriend, die met u aan de tafel van Polycrates +smult, niet zeer juist te berde gebracht? Maar ik zeg u, dat, +al maakt Anakreon betere verzen dan ik, uw onderdanige dienaar +desniettemin zoo goed als de beste bedreven is in de kunst om er +heerlijk van te leven. In geen zijner liederen zingt hij den lof van +het eten; en is toch het eten niet van meer belang, dan het spel en de +liefde? Ofschoon deze beide uitspanningen, ik bedoel spel en liefde, +ook mij zeer na aan 't hart liggen. Als ik niet te eten had, ging +ik zeker dood, maar zonder spel en liefde kan ik het leven rekken, +zij het dan ook een leven zonder kleur of geur." + +De Sybariet barstte in een schaterend gelach uit over zijne +eigene geestigheid, en terwijl de verzamelde gasten in dezer voege +voortkeuvelden, wendde zich de Spartaan tot den Delphiër Phryxus, +troonde hem naar een hoek van de zaal, en vroeg hem, zijne gewone +bedaardheid geheel verloochenende, in groote opgewondenheid, of hij +hem reeds het antwoord van het orakel had medegebracht? De ernstige +tronie van den Delphiër nam eene meer vriendelijke uitdrukking +aan. Hij tastte in de borstplooien van zijn chiton [40], en bracht +een klein rolletje van perkamentachtig schaapsleder te voorschijn, +waarop eenige regels geschreven stonden. + +De handen van den reusachtig sterken, dapperen Spartaan sidderden, +toen hij ze naar het rolletje uitstak. Hij tuurde op de letters, als +wilde hij met zijne blikken het leder doorboren. Doch hij bezon zich, +en zeide mistroostig het grijze hoofd schuddende: »Wij, Spartanen, +leeren andere kunsten dan lezen en schrijven; zoo gij 't kunt, lees +mij dan voor wat de Pythia zegt." + +De Delphiër doorliep het geschrevene, en antwoordde: »Verheug u! Loxias +[41] belooft u een gelukkigen terugkeer in uw vaderland. Hoor wat de +priesteres u verkondigt: + + + Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen + In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt, + Dan voert de ranke boot u, moê van 't ommedwalen, + Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt. + En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven + Wat gij zoo lang, met rouw in 't hart, moest derven. + + +Met gespannen aandacht luisterde de Spartaan naar deze woorden. Nog +eenmaal liet hij zich de uitspraak van het orakel voorlezen; daarop +herhaalde hij ze uit het hoofd, dankte Phryxus, en stak het rolletje +bij zich. + +De Delphiër mengde zich vervolgens in het algemeen gesprek. De Spartaan +prevelde echter voortdurend bij zich zelven de geheimzinnige regels +der orakelspreuk, om ze toch niet weer te vergeten en deed al zijn +best om deze raadselachtige taal te verklaren. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + +De vleugeldeuren der eetzaal werden geopend. Aan weêrszijden van +den ingang stond een schoone blonde knaap, met myrtenkransen in +de hand. In het midden van de zaal zag men eene groote, lage, glad +gepolijste tafel, omgeven door purperroode matrassen, die de gasten +noodigden om zich neder te vlijen [42]. Op den disch prijkten heerlijke +bouquetten. Groote stukken gebraad, glazen en schalen vol dadels, +vijgen, granaatappelen, meloenen en druiven waren naast kleine zilveren +bijenkorven met honig gerangschikt. Op gedreven koperen borden lag +fijne zachte kaas van het eiland Trinakria [43]. In het midden der +tafel verhief zich een zilveren plateau in den vorm van een altaar, +dat geheel met myrten- en rozenkransen omwonden was, en waarop reukwerk +brandde, dat de geheele zaal met de liefelijkste geuren vervulde. Aan +het uiterste einde van den disch zag men het zilveren mengvat [44], +dat blonk als een spiegel, een kostelijk Aeginetisch kunstwerk, welks +omgebogen handvatten twee giganten voorstelden, die onder het gewicht +der schaal, die zij torschten, schenen te bezwijken. Dit vat was, +evenals het altaar in het midden, met bloemen omwonden. Evenzoo had +men om iederen beker een rozen- of myrtenkrans gevlochten [45]. Over +de geheele oppervlakte der zaal waren rozenbladeren gestrooid, terwijl +langs de gladde, wit gepleisterde muren een tal van lampen hingen. + +Nauw hadden zich de gasten op de matrassen nedergelegd, of de blonde +knapen traden binnen, bekransten de hoofden en omwonden de schouders +der aanliggenden met myrten- en klimopkransen, en wieschen hunne +voeten in zilveren bekkens. Reeds had de voorsnijder de eerste stukken +gebraad van de tafel genomen, om ze volgens den eisch te ontleden, +en nog altijd was de Sybariet onder de handen van een der knapen, door +wien hij zich, schoon zijne kleederen en lokken reeds doortrokken waren +met de geuren van alle denkbare Arabische reukwerken, letterlijk geheel +in rozen deed wikkelen. Toen evenwel het eerste gerecht, tonijnen met +mostaardsaus, was rondgediend, vergat hij alle bijzaken en bepaalde +zich uitsluitend bij het genot der voortreffelijk bereidde spijzen. + +Rhodopis zat op een armstoel aan het hooger einde der tafel, naast het +mengvat en hield niet slechts het toezicht over de dienende slaven, +maar gaf ook den toon aan bij de verschillende gesprekken [46]. Met +zekeren trots overzag zij hare opgeruimde gasten, en het was of +zij zich met ieder in het bijzonder bezig hield. Nu eens vroeg zij +den Delphiër naar den uitslag zijner inzameling ten behoeve van den +Apollo-tempel; dan eens verlangde zij van den Sybariet te weten, hoe +hem de gewrochten van haren kok bevielen, of wel zij luisterde naar +Ibycus, die verhaalde, hoe Phrynichus van Athene de godsdienstige +schouwspelen van Thespis van Icaria in het burgerlijke leven had +ingevoerd, en met koren en sprekende personen geheele geschiedenissen +uit den voortijd liet voorstellen [47]. + +Ook richtte zij het woord tot den Spartaan, zeggende, dat hij de +eenige was, bij wien zij zich niet behoefde te verontschuldigen over +den eenvoud, maar wel over de weelde van dezen maaltijd. Wanneer hij +zijn bezoek eens hervatte, zou haar slaaf Knakias, een uitgeweken +Spartaansch heloot [48], die zich beroemde eene voortreffelijke +bloedsoep--bij dit woord rilde de Sybariet over zijn gansche +lichaam--te kunnen koken, een echt Lacedaemonischen maaltijd bereiden. + +Toen de gasten verzadigd waren, wieschen zij zich opnieuw de +handen. Het tafelgereedschap werd nu weggeruimd, de vloer gereinigd, +en eindelijk het mengvat met wijn en water gevuld [49]. Toen Rhodopis +zich overtuigd had, dat alles in de beste orde was, richtte zij zich +tot Phanes, die in een woordenstrijd met de Milesiërs gewikkeld was, +en sprak: + +»Edele vriend! wij hebben ons ongeduld reeds zoolang onderdrukt, +dat thans voorzeker de verplichting op u rust ons mede te deelen, +welk noodlottig voorval u uit Egypte en uit onze kring dreigt te +verbannen. Gij kunt u met een luchtig gemoed, dat de goden u allen, +Joniërs, bij de geboorte als een kostelijk geschenk plegen mede te +geven, van ons en van dit land losmaken, wij zullen niettemin lang +met droefheid u gedenken, want ik ken geen grooter verlies dan dat +van een vriend, wiens trouw ons sinds jaren is gebleken. Sommigen +onzer hebben ook te lang aan den Nijl vertoefd, om niet een weinig +van het onveranderlijk en standvastig karakter der Egyptenaren +te hebben overgenomen. Nu ja, gij lacht: toch weet ik dat het u, +ofschoon gij reeds lang naar Hellas smacht, ook wel iets kosten zal +van ons te scheiden. Niet waar, gij geeft mij dit toe. Nu, ik wist +wel dat ik mij niet bedroog, maar laat ons thans vernemen, waarom +gij Egypte moet of wilt verlaten, opdat wij mogen overleggen, of er +mogelijkheid bestaat uwe verbanning van het hof te doen herroepen, +en u alzoo in ons midden te houden." + +Eene pijnlijke glimlach plooide Phanes' lippen. »Ik dank u, Rhodopis," +antwoordde hij, »voor uwe vleiende woorden. Het doet mij goed te +hooren, dat mijn vertrek u bedroeven zal, en gij gaarne al het +mogelijke zoudt doen, om het te verhinderen. Maar honderd nieuwe +aangezichten zullen u weldra het mijne doen vergeten; want, al woont +gij ook lang aan de boorden van den Nijl, zoo zijt gij toch, en +daarvoor moogt gij de goden danken, van top tot teen eene Helleensche +gebleven. Ook ik heb de trouw lief, even vurig, als ik de dwaasheid der +Egyptenaars haat; en is er onder u allen wel één, die het verstandig +kan achten zich te kwellen over het noodlot? De Egyptische trouw +is, mijns erachtens, geene deugd, maar een ijdele waan. Menschen, +die hunne dooden van duizenden jaren her tot heden toe bewaren, +die zich eerder het laatste brood, dan een stukje van het gebeente +hunner voorvaderen zouden laten ontnemen [50], zijn niet trouw maar +dwaas. Kan ik er behagen in scheppen, hen, die ik liefheb, treurig +te zien? Voorzeker niet! Gij moet niet maanden lang, onder dagelijks +herhaalde weeklachten, mijner gedenken, gelijk de Egyptenaren doen, +als een vriend van hen gescheiden is. Neen! Wilt gij in waarheid den +verwijderden of voor altijd van u gescheiden vriend,--want, zoo lang +ik leef mag ik den bodem van Egypte nimmer meer betreden,--bij wijle +gedachtig zijn, zoo doe het met een glimlach om de lippen, en roep +niet uit: »Ach, waarom moest Phanes ons verlaten?" maar zeg: »Wij +willen vroolijk zijn gelijk Phanes was, toen hij nog in onze kring +verkeerde!" Zoo behoort gij u te gedragen. Dat leerdet gij reeds van +Simonides, als hij zong: + + + Dwaasheid is het, tal van dagen + Toe te wijden aan 't verdriet, + Geven we aan de sarkophagen + Eén dag rouw, en langer niet. + Och de dood komt snel en vroeg; + Zonder dat wij 't ons vergallen. + Blijft het leven voor ons allen + Bitter arm en kort genoeg. + + +En als men niet over zijne dooden mag treuren, dan voorzeker hebben +wij nog veel minder het recht, ons aandoenlijk te maken over het +gemis van verwijderde vrienden. Want genen zijn voor immer van ons +heengegaan, dezen roepen wij echter bij den laatsten handdruk toe: +»tot wederziens!" + +Thans kon de Sybariet, die al lang op gloeiende kolen had gezeten, +niet meer zwijgen, en met klagende stem riep hij: »Maar begin dan +toch eindelijk met uw verhaal, afgunstig schepsel! Ik kan geen droppel +drinken, zoo gij niet ophoudt van den dood te spreken. Het bloed stolt +mij in de aderen, en ik gevoel mij geheel onwel, als ik over.... nu +ja, als ik daarvan hoor gewagen, dat wij niet eeuwig leven!" + +Het geheele gezelschap lachte, doch Phanes begon nu werkelijk te +vertellen, wat er met hem gebeurd was. + +»Gelijk gij weet, woon ik te Saïs in het nieuwe slot; te Memphis +evenwel werd mij, in mijne hoedanigheid van overste der Grieksche +lijfwacht, die den koning vergezellen moet, waar hij ook heentrekt, +een gedeelte van den linkervleugel van het aloude paleis ten verblijve +aangewezen [51]. Sedert de regeering van Psamtik I [52] houden zich de +koningen te Saïs op, zoodat het inwendige van de andere paleizen wel +eenigszins verwaarloosd is geworden. Mijne woning was zonder twijfel +uitmuntend gelegen, zeer goed ingericht, en zou niets te wenschen +hebben overgelaten, als ik niet, dadelijk nadat ik hier mijn intrek +had genomen, eene vreeselijke plaag had ontdekt. Over dag, wanneer +ik buitendien zelden te huis was, vond ik niets op mijne woning af +te dingen, maar des nachts was er aan slapen niet te denken, daar +duizenden ratten en muizen onder de vermolmde vloeren, rustbedden +en oude tapijten aan de wanden allervreeselijkst te keer gingen. Ik +wist geen raad tegen deze schrikkelijke bezoeking, tot eindelijk +een Egyptisch soldaat mij twee mooie groote katten verkocht, die mij +binnen eenige weken van het gezelschap mijner kwelgeesten verlosten. + +»Het zal u allen wel bekend zijn, dat eene der beminnelijkste +wetten van dit wonderlijke volk, welks beschaving en wijsheid gij, +mijne Milesische vrienden, niet genoeg prijzen kunt, de katten heilig +verklaart. Men bewijst aan deze viervoetige gelukskinderen, gelijk aan +zoo menig ander dier, goddelijke eer, en het dooden van zoo'n exemplaar +wordt even streng gestraft als het vermoorden van een mensch." + +Rhodopis, die tot dusverre met een opgeruimd gelaat geluisterd had, +scheen ernstiger te worden, toen zij vernam, hoe de verbanning van +Phanes met zijne minachting van de heilige dieren in verband stond. Zij +wist maar al te goed hoevele offers, ja hoevele menschenlevens dit +bijgeloof der Egyptenaren reeds gekost had. Het was nog niet lang +geleden, dat koning Amasis een ongelukkigen Samiër, die eene kat gedood +had, niet tegen de wraak van het verwoede volk had kunnen beveiligen +[53]. + +»Toen wij, twee jaren geleden Memphis verlieten," vervolgde de +overste, »was alles nog goed. Ik had het kattenpaar aan de verzorging +van een Egyptischen bediende toevertrouwd, wel begrijpende, dat deze +gezworene muizenvijanden mijne woning, ook voor het vervolg, wel zuiver +zouden houden. Ik begon zelfs voor deze vriendelijke schepseltjes, +die zoo goed waren geweest mij van dat muizengebroed te bevrijden, +eene zekere achting te koesteren. Het vorige jaar werd Amasis ziek, +vóór dat het hof zich naar Memphis kon begeven, en wij bleven dus te +Saïs. Eindelijk, omtrent zes weken geleden, begaven wij ons op weg naar +de pyramidenstad. Ik betrok mijn vorig kwartier weder en zag er zelfs +geen schaduw meer van een muizenstaart. In plaats van ratten, wemelde +het er echter van eene andere diersoort, waarop ik evenmin gesteld +was als op de verdrevene. Het kattenpaar was namelijk, gedurende +de twee jaren van mijn afzijn, tot vier en twintig aangegroeid. Ik +poogde het lastige katergebroed, van alle leeftijden en kleuren, +te verdrijven; maar het gelukte mij niet, en alle nachten werd mijn +slaap door de afgrijselijke koorgezangen dezer viervoeters, door het +krijgsgeschreeuw en de minnezangen van katers en katten verstoord. + +»Jaarlijks, ten tijde van het Bubastisfeest [54], heeft men verlof +alle overtollige muizenvangers in den tempel van Pacht, de godin +met den kattenkop, af te leveren, alwaar zij verpleegd, en, gelijk +ik voor zeker houd, gedood worden in geval zij zich al te sterk +vermenigvuldigen. De priesters van dezen tempel zijn rechte schelmen! + +»Ongelukkig had de groote optocht naar genoemd heiligdom niet plaats +gedurende ons verblijf bij de pyramiden. Ik kon het evenwel niet +langer uithouden met dit heirleger van kwelgeesten, die het er allen op +schenen toe te leggen mijn leven te verbitteren. Toen twee der moeders +mij op nieuw een dozijn gezonde en wel geschapene kindertjes hadden +vereerd, besloot ik deze althans uit den weg te ruimen. Mijn oude +slaaf Mus [55], reeds naar zijn naam te oordeelen een geboren vijand +van het kattengeslacht, ontving den last de jongen van kant te maken, +ze in een zak te stoppen en vervolgens in den Nijl te werpen. Wij +konden er niet buiten de diertjes eerst om hals te brengen, anders +toch zou het miauwen den wachters van het paleis den inhoud van den +zak verraden hebben. Toen het donker begon te worden, begaf zich de +arme Mus met zijn gevaarlijken last door het Hathorbosch [56] naar den +Nijl. Maar de Egyptische bediende, die mijne dieren gewoonlijk voederde +en ieder katje bij name kende, had dadelijk ons geheele plan doorzien. + +»Mijn slaaf ging met de grootste bedaardheid, als had hij niets +buitengewoons te verrichten, door de groote sphinxenlaan, den tempel +van Ptah [57] voorbij, terwijl hij het zakje onder zijn mantel had +verborgen. In het heilige bosch bemerkte hij reeds, dat men hem +volgde. Hij lette er echter niet verder op, en zette zijn weg voort, +volkomen gerust dat alles goed ging, tot hij zag dat de lieden, die +hem op de hielen zaten, bij den tempel van Ptah bleven staan, en zich +met de priesters onderhielden. Eindelijk had hij den oever bereikt. Nu +hoorde hij zich bij zijn naam roepen. Eenige lieden kwamen hem haastig +achterop. Tegelijk snorde een slingersteen vlak langs zijn hoofd. + +»Mus begreep volkomen welk gevaar hem dreigde. Al zijne krachten +inspannende snelde hij nu op den Nijl toe, slingerde den zak een +eind ver in den vloed en bleef nu met een kloppend hart op den oever +staan, hoewel hij zich overtuigd hield, dat niemand zijne schuld +bewijzen kon. Weinige oogenblikken later was hij door een honderdtal +tempeldienaren omringd. De opperpriester van Ptah, Ptahotep, mijn +oude vijand, had het niet beneden zich geacht, in persoon deze jacht +op mijn dienaar bij te wonen. + +»Eenige lieden, en onder hen ook die verraderlijke dienaar van het +paleis, waren aanstonds te water gegaan en vonden tot ons ongeluk +den zak met de twaalf lijken, onbeschadigd hangende te midden van het +papyrusriet en de boonenranken aan den oever. In tegenwoordigheid van +den opperpriester, eene schaar van tempeldienaren en minstens duizend +toegestroomde inwoners van Memphis, werd de vreeselijke katoenen +sarkophaag geopend. Nauw werd men zijn noodlottigen inhoud gewaar, of +er ging zulk een geweldig gehuil, zulk een ontzettende wraakkreet op, +dat ik het tot in het paleis hooren kon. De verbolgene menigte stortte +zich, in wilde razernij, op mijn armen knecht, wierp hem ter aarde, +trapte hem onder de voeten, en zou hem aan stukken hebben gescheurd, +als de machtige opperpriester niet 'halt' geboden had--met het plan +mij, in wien hij den eigenlijken bewerker der gepleegde misdaad +onderstelde, mede in het verderf te slepen--en bevolen den gruwelijk +mishandelden booswicht in de gevangenis te werpen. + +»Een half uur later werd ook ik achter slot gezet. + +»Mijne oude Mus nam alle schuld der misdaad op zich, tot de +opperpriester hem door eene bastonade de bekentenis afdwong, dat ik +hem geboden had de katten om hals te brengen, en hij, als een getrouw +dienaar, mijn bevel had moeten opvolgen. + +»Het oppergerechtshof [58], tegen welks uitspraken zelfs de koning +niets vermag, is uit priesters van Memphis, Heliopolis en Thebe +samengesteld. Gij kunt u dus wel voorstellen, dat men zoowel +dien armen Mus als mijn persoontje, een verachten Helleen, zonder +omwegen ter dood veroordeelde; den slaaf wegens twee halsmisdaden: +ten eerste wegens den moord aan heilige dieren gepleegd, ten andere +wegens de twaalfvoudige verontreiniging van den heiligen stroom door +het inwerpen van lijken; mij, omdat ik de oorzaak en de bewerker +was dezer vier en twintigvoudige halsmisdaad [59], gelijk zij het +geliefden te noemen. Aan Mus werd nog dienzelfden dag het vonnis +voltrokken. Drukke de aarde hem zacht. In mijne herinnering zal +hij niet als mijn slaaf, maar als mijn vriend en weldoener blijven +voortleven. In tegenwoordigheid van zijn lijk werd ook mij het vonnis +des doods voorgelezen, en reeds bereidde ik mij tot de lange reis naar +de benedenwereld, als de koning bevelen liet de voltrekking mijner +straf uit te stellen. Ik werd in de gevangenis teruggebracht. Een +Arkadisch taxiarch [60], die zich onder mijne bewakers bevond, +deelde mij mede, dat al de bevelhebbers der Grieksche lijfwacht +en eene menigte krijgslieden, te zamen meer dan vierduizend man, +gedreigd hadden hun ontslag te zullen nemen, wanneer men mij, hun +overste, geen genade zou willen schenken. Zoodra het duister was +geworden, werd ik voor den koning gevoerd, die mij zeer vriendelijk +ontving. Hij zelf bevestigde de mededeeling van den taxiarch en +verklaarde, dat het hem leed deed een overste te moeten verliezen, +waaraan hij zoo gehecht was. Wat mij aangaat, ik belijd gaarne, dat ik +jegens Amasis geen wrok voelde, dat ik zelfs medelijden had met den in +schijn zoo machtigen koning. O, gij hadt er getuigen van moeten zijn, +hoe hij zich beklaagde, nooit en nergens te kunnen handelen gelijk hij +wilde, en zelfs in zijne persoonlijke aangelegenheden overal door de +priesters en hun invloed tegengewerkt en beheerscht te worden. Hing +het alleen van hem af, hij zou mij, den vreemdeling, het overtreden +eener wet, die ik niet verstond en daarom, schoon ook ten onrechte, +voor onzinnig bijgeloof moest houden, gaarne vergeven. Doch uit vrees +voor de priesters durfde hij mij niet ongestraft laten. Verbanning +uit Egypte was de zachtste boete die hij mij kon opleggen. Gij kunt +niet begrijpen--met deze woorden eindigde hij zijn klacht,--in hoeveel +zaken ik de priesters te wille heb moeten zijn, om genade voor u te +erlangen. Want het opperste gerechtshof is zelfs van mij, den koning, +onafhankelijk. + +»Ik kreeg derhalve mijn ontslag, nadat ik met een duren eed gezworen +had, nog dienzelfden dag Memphis en binnen drie weken Egypte te +zullen verlaten. + +»Aan de poort van het paleis ontmoette ik Psamtik, den kroonprins, +die mij sinds lang geen goed hart toedraagt, ter zake van eene +ergerlijke geschiedenis, die ik echter niet mag openbaren. Gij, +Rhodopis, kent haar. Ik zeide hem vaarwel, hij echter keerde mij +den rug toe, terwijl hij mij toesnauwde: »ook ditmaal Athener, zijt +gij den dans ontsprongen, maar aan mijne wraak zijt gij daarom nog +niet ontkomen. Waarheen gij u ook moogt begeven, ik zal u weten +te vinden." Ik mag alzoo hopen u weder te zien! gaf ik hem tot +bescheid. Spoedig was mijn boeltje in eene bark geladen, waarna ik +mij naar Naucratis begaf, alwaar ik het geluk had mijn ouden vriend, +Aristomachus van Sparta, te ontmoeten, die, als gewezen bevelhebber +over de troepen van Cyprus [61] hoogstwaarschijnlijk tot mijn opvolger +zal worden benoemd. Het zou mij verheugen mijne plaats door zulk een +voortreffelijk man te zien vervullen, indien ik niet reden had om +te vreezen, dat zijne uitstekende verdiensten de door mij bewezene +diensten nog geringer zullen doen schijnen, dan zij in waarheid +geweest zijn." + +»Al lofs genoeg, vriend Phanes!" viel Aristomachus den Athener in de +rede. »Spartaansche tongen zijn zoo buigzaam niet. Met daden zal ik +u echter, zoodra gij mijne hulp behoeft, een antwoord geven, dat den +spijker juist op den kop slaat." + +Rhodopis zag beide mannen aan met een welgevallig lachje. Daarop +reikte zij ieder van hen de hand, zeggende: »Uw verhaal, arme Phanes, +heeft mij helaas tot de overtuiging gebracht, dat gij onmogelijk +langer in dit land kunt blijven. Ik wil u om uw lichtzinnigheid niet +berispen, maar gij hadt toch vooruit kunnen berekenen, dat gij u om +eene weinig beteekenende zaak aan groote gevaren blootsteldet. Een +wijs en waarlijk kloekmoedig man onderneemt slechts dan een waagstuk, +wanneer het voordeel minstens gelijk staat met het nadeel, dat het +hem kan opleveren. Roekeloosheid is even dwaas als lafheid, hoewel +niet even verachtelijk; want beiden mogen schaden, alleen de laatste +schandvlekt. Uwe onnadenkendheid heeft u ditmaal bijna het leven +gekost, een leven, dat velen dierbaar is, en te hooge waarde heeft, +dan dat gij het door een dwazen streek zoudt verspelen. Wij kunnen +geene enkele poging wagen om u voor onzen vriendenkring te behouden, +want het zou u toch niet baten en ons zelven slechts schaden. In uwe +plaats zal voortaan deze edele Spartaan, als overste der Grieksche +lijfwacht, onze natie bij het hof vertegenwoordigen, en zich steeds +ten doel stellen, haar tegen alle listen der priesters te beschermen, +en haar bij voortduring in de gunst des konings aanbevelen. Ik heb +uwe hand gevat, Aristomachus, en laat haar niet los, zoolang gij mij +niet belooft, voor zooveel in uw vermogen is, ook den geringsten onder +de Grieken tegen den overmoed der Egyptenaren te beschermen, gelijk +Phanes vóor u gedaan heeft, en eer uw post te zullen prijsgeven dan +het minste onrecht een Helleen aangedaan, ongestraft te laten. Wij +zijn weinige duizenden onder even zoovele millioenen vijandig gezinde +menschen; maar wij zijn sterk door onzen moed, en moeten trachten +door eendracht machtig te blijven. Tot op den huidigen dag hebben +zich de Hellenen in Egypte als broeders gedragen. Eén offerde zich op +voor allen, allen voor éen, en juist deze eenheid maakte onze kracht +uit, en zal ook in de toekomst ons machtig doen zijn. Ach, ware het +ons gegeven aan het moederland en zijne volkplantingen deze zelfde +eendracht te schenken, en allen stammen hunne Dorische, Jonische +of Aeolische afkomst te doen vergeten, zoodat zij geen anderen roem +kenden dan die van Hellenen te zijn, en als kinderen van éen huis, +als schapen van éene kudde te leven, waarlijk dan zou de geheele +wereld niets tegen ons vermogen, dan zou Hellas eenmaal door alle +volkeren als de koningin der aarde worden erkend." + +Bij deze woorden schitterden de oogen der oude matrone van edel +vuur. De Spartaan drukte hare hand met buitengewone heftigheid, +stampte met zijn houten been op den grond en riep: »Bij Zeus, de +opperste god der Lacedaemoniërs, ik zal niet dulden dat een Helleen, +wie hij ook zijn moge, éen haar gekrenkt worde; gij echter, Rhodopis, +verdiendet eene Spartaansche te zijn." + +»En eene Atheensche!" riep Phanes. + +»Eene Jonische!" de mannen van Milete. + +»De dochter van een geomoor van Samos!" de beeldhouwer. + +»Maar ik ben meer dan dat alles," riep de edele vrouw in geestdrift +uit, »ik ben meer, veel meer; ik ben eene Helleensche!" + +Al de gasten deelden in hare vervoering, zelfs de Syriër en de Jood +werden medegesleept. Alleen de Sybariet liet zich niet uit zijne +welbehagelijke rust opwekken, en zeide met vollen mond, zoodat men hem +nauwelijks verstaan kon: »Gij zoudt ook waardig zijn eene Sybariete +te heeten, want uw rundergebraad is beter, dan al wat ik sedert mijn +vertrek uit Italië geproefd heb, en uw wijn van Anthylla [62] smaakt +mij bijna even goed als die van den Vesuvius en van Chios!" + +Allen schoten in den lach, met uitzondering van den Spartaan, die +den smulpaap een blik vol toorn en verachting toewierp. + +»Weest allen gegroet!" riep plotseling eene ons nog onbekende zware +stem door het open venster. + +»Wees gegroet!" antwoordde het geheele gezelschap als uit éen mond, +vragende en gissende, wie toch deze late gast mocht zijn. + +Doch de onbekende liet zich niet lang wachten, want eer nog de +Sybariet tijd had gehad, eene nieuwe teug wijns nauwkeurig met de +tong te proeven, stond een groot mager man, van over de zestig jaren, +met een langwerpig fijnbesneden geestig gelaat, naast Rhodopis. Het was +Kallias, de zoon van Phaenippus van Athene. Met de heldere, verstandige +oogen zag de nieuw aangekomene,--een der rijkste bannelingen uit +Athene, die tot tweemaal toe de goederen van Pisistratus van den +staat had gekocht, en ze telkens bij diens terugkeer had moeten +prijsgeven,--den kring zijner bekenden rond. Na met ieder hunner in +het bijzonder een vriendelijken groet te hebben gewisseld, riep hij +op vroolijken toon: »Zoo gijlieden mijn bezoek van heden niet hoog +waardeert, dan houd ik het er voor, dat alle dankbaarheid uit de +wereld verdwenen is." + +»Wij hebben u sinds lang gewacht," antwoordde een der Milesiërs. »Gij +zijt de eerste, die ons betreffende den uitslag van de Olympische +spelen bericht kunt geven!" + +»En wij zouden ons geen beteren verslaggever kunnen wenschen, dan +den overwinnaar van weleer," liet Rhodopis er op volgen. + +»Kom, neem plaats," riep Phanes ongeduldig, »en verhaal ons, kort en +bondig, al wat gij weet, vriend Kallias!" + +»Zoo aanstonds, mijn waarde landgenoot," hervatte deze. »Het is reeds +tamelijk lang geleden, dat ik Olympia verliet, en te Kenchreae [63] op +een Samisch vaartuig van vijftig roeiers, het beste dat ooit gebouwd +werd, scheep ben gegaan. Het verwondert mij volstrekt niet, dat vóor +mij nog geen Helleen te Naucratis is binnengeloopen. We hadden toch +zware stormen door te staan en zouden er te nauwernood ons leven hebben +afgebracht, als deze Samische zeekasteelen, met hunne stevige kielen, +ibis-snavels en vischstaarten, niet zoo voortreffelijk getimmerd en +bemand waren. Waarheen de anderen, die huiswaarts keerden, verwaaid +zijn, weet ik niet. Wij konden ons echter nog in de haven van Samos +bergen, vanwaar we, na een oponthoud van tien dagen, de reis weder +aanvaardden. + +»Toen wij eindelijk heden morgen vroeg den Nijl binnengestevend waren, +wierp ik mij dadelijk in mijne bark, en werd door Boreas [64], die mij +toch bij het einde der reis nog eens toonen wilde, dat hij zijn ouden +Kallias nog liefhad, zoo snel voortgestuwd, dat ik reeds voor weinige +oogenblikken de vriendelijkste aller woningen mocht wederzien. Ik +zag de vaan in het avondkoeltje fladderen, ik zag de opene vensters +verlicht, en was nog een oogenblik met mijzelven in strijd, of ik +al dan niet zou binnengaan. Maar tevergeefs, Rhodopis, beproefde ik +uwe tooverkracht te wederstaan, en buitendien zou ik zeker van al het +nieuws, dat ik nog te vertellen heb, gebersten zijn, zoo ik niet ware +uitgestapt, om u allen, onder een beker wijn en bij een stuk gebraad, +dingen mede te deelen, waarvan gij niet hebt kunnen droomen." + +Kallias strekte zich zeer gemakkelijk op eene matras uit, en +overhandigde Rhodopis, alvorens een aanvang te maken met het uitkramen +van zijne nieuwtjes, een prachtigen gouden armband in den vorm van een +slang, dien hij te Samos, in de werkplaats van denzelfden Theodoros, +die met hem aanlag, voor eene groote som gekocht had. + +»Dit heb ik voor u medegebracht [65]," zeide hij, zich tot de oude +vrouw wendende, die hoogst voldaan was over zijn geschenk. + +»Voor u, vriend Phanes, heb ik evenwel nog iets beters. Raad eens +wie in 't wagenmennen met het vierspan den prijs behaalde?" + +»Een Athener?" vroeg Phanes met gloeiende wangen. Want schoon het +geheele volk zich den roem van iedere overwinning in de Olympische +spelen toeëigende, voor den burger, die ze behaalde, was toch de +Olympische olijftak de hoogste eere en het grootste geluk, dat een +Helleen, ja een geheelen Griekschen stam te beurt kon vallen. + +»Juist geraden, Phanes!" antwoordde de vreugdebode; »een Athener heeft +den eerste prijs gewonnen, en wat voor u nog meer zegt, uw neef Cimon, +de zoon van Kypselus, de broeder van dien Miltiades, die ons voor +negen Olympiaden dezelfde eer verwierf, was het, die dit jaar met +dezelfde paarden, die bij het vorige feest den prijs voor hem wonnen, +ten tweede male de zege behaalde [66]. Voorwaar, de Philaïden [67] +verduisteren meer en meer den roem der Alkmaeoniden! Welnu, Phanes, +voelt gij thans uwe borst niet zwellen, verblijdt gij u niet over +den roem van uw geslacht?" + +Buiten zich zelven van verrukking, was de aldus aangesprokene +opgestaan, en zijne gestalte scheen plotseling wel een hoofd langer +te zijn geworden. Met een onbeschrijfelijk gevoel van trots en +eigenwaarde, reikte hij zijn landgenoot de hand. Deze omhelsde hem, +en vervolgde daarop: »Ja, wij hebben alle reden om fier en gelukkig te +zijn, Phanes. En gij vooral moogt u verblijden; want nadat de rechters +eenstemmig aan Cimon den prijs hadden toegewezen, liet deze den tiran +Pisistratus door de herauten als den bezitter van het heerlijk schoone +vierspan, en dus ook als den overwinnaar uitroepen. Pisistratus liet +daarop terstond afkondigen, dat uw geslacht naar Athene terug mocht +keeren. Dus is ook voor u het uur niet verre meer, waarnaar gij zoo +lang smachtend hebt uitgezien, dat gij uw geliefd Athene weder zult +aanschouwen!" + +Bij deze laatste woorden verdween de blos der vreugde van de wangen des +oversten, en zijne oogen gloeiden niet meer van zelf bewusten trots, +maar van toorn, toen hij uitriep: »Hoe, ik zou mij verheugen, dwaze +Kallias? Ik kan van spijt mijne tranen nauwelijks bedwingen, als ik +bedenk, dat een afstammeling van Ajax in staat is, zijn welverdienden +roem zoo schandelijk aan de voeten van den overweldiger neêr te +leggen.--Ik zou naar mijn vaderland wederkeeren? Neen! ik zweer bij +Athene, bij vader Zeus en Apollo, dat ik liever in den vreemde zal +verhongeren, dan een voet te zetten op den geliefden grond, zoo lang +Pisistratus mijn vaderland in slavernij doet zuchten. Ik ben zoo vrij +als een adelaar in de wolken, nu ik uit den dienst van Amasis ontslagen +ben; maar liever werd ik in een vreemd land de slaaf van een boer, dan +in het land mijner geboorte de eerste dienaar van Pisistratus. Ons, +den adel, komt de heerschappij over Athene toe; Cimon echter heeft, +door zijn krans aan de voeten van Pisistratus neer te leggen, de +rechten van den tyran erkend, en zichzelf als slaaf gebrandmerkt. Ik, +Phanes, en dat zal ik Cimon zelf doen weten, bekommer mij bitter weinig +over de genade van den tyran; ja, ik wil balling blijven, totdat mijn +vaderland weder vrij is geworden, en adel en volk wederom zichzelven +regeeren, zichzelven wetten geven! Phanes huldigt den verdrukker niet, +ook al kropen alle Philaïden en Alkmaeoniden, ja zelfs uw geslacht, +Kallias, de rijke Daduchen [68], voor Pisistratus in het stof!" + +Met vlammende blikken zag de Athener in het rond. Doch ook de oude +Kallias monsterde, hoogmoedig en met zelfvoldoening, den kring der +gasten, terwijl hij de aanwezigen één voor één scheen te willen +toeroepen: + +"Ziet, vrienden, op zulke mannen kan mijn roemrijk vaderland +bogen!" Daarop vatte hij andermaal Phanes' hand en zeide: "Niet +minder dan gij, mijn vriend, haat ik den dwingeland. Maar ik heb de +overtuiging gekregen dat de macht der tyrannen, zoo lang Pisistratus in +leven blijft, niet omvergeworpen kan worden. In Lygdamis van Naxos en +Polycrates van Samos heeft hij bondgenooten, tegen wie wij bezwaarlijk +iets zouden vermogen. Doch nog gevaarlijker voor onze vrijheid dan +deze twee is de gematigdheid en wijsheid van Pisistratus zelve. + +Gedurende mijn laatste oponthoud in Hellas heb ik met verbazing +opgemerkt, dat de massa van het Atheensche volk den overheerscher +als een vader liefheeft. Ofschoon hij zich oppermachtig gevoelt, +houdt hij de wetgeving van Solon in eere. Hij versiert de stad +met de prachtigste bouwwerken. De nieuwe tempel van Zeus, die door +Kallaeschrus, Antistates en Porimus,--mannen die gij zeker wel kent, +Theodorus,--uit het kostelijkste marmer wordt opgetrokken, moet alle +tot nog toe in Hellas verrezene gebouwen verre overtreffen. Kunstenaars +en dichters van groote verdienste weet hij naar Athene te lokken. De +zangen van Homerus laat hij afschrijven, en de spreuken van Musaeus +door Onomacritus opteekenen en verzamelen. Hij legt nieuwe wegen +aan en voert nieuwe feesten in. De handel bloeit onder zijn bestuur, +en het volk gevoelt zich, ondanks de belastingen die hij het oplegt, +zeer gelukkig. Maar wat is het volk? Een gemeene hoop, die, even als +de muggen, zich laat aantrekken door alles wat blinkt, en al zengt het +ook de vleugels, toch om de kaars blijft fladderen, zoolang die slechts +brandt. Laat het licht van Pisistratus maar eens worden uitgedoofd, +Phanes, en ik zweer u, dat de wufte menigte den terugkeerenden adel, +het nieuwe licht tegemoet zal snellen, gelijk het tot dusverre zich +om den tiran verdrong.--Waardige zoon van Ajax, geef mij nog eenmaal +de hand!--Maar ik ben u, mijne vrienden, nog menig nieuwtje schuldig. + +»In het rennen met den wagen was alzoo Cimon overwinnaar, die aan +Pisistratus zijn olijftak vereerde. Nooit zag ik vier schoonere paarden +dan de zijne. Ook Argesilaus van Cyrene, Cleosthenes van Epidamnus +[69], Aster van Sybaris, Hecataeus van Mylete, en vele anderen hadden +kostbare vierspannen naar Olympia gezonden. Over het algemeen waren de +spelen ditmaal buitengewoon schitterend. Geheel Hellas had afgezanten +gezonden. Rhoda, de Ardeaten-stad in het ver verwijderde Iberië [70], +het rijke Tartessus, Sinope in het verre Oosten, aan de kust van +den Pontus Euxinus [71], kortom iedere stad die roem draagt op hare +Helleensche afkomst, was op dit feest vorstelijk vertegenwoordigd. De +Sybarieten hadden gezanten gezonden, die uitblonken door hunne +kostbare kleeding, de Spartanen daarentegen eenvoudig gekleede +mannen, maar schoon als Achilles en groot en sterk als Hercules. De +Atheners onderscheidden zich door de buigzaamheid hunner leden, door +hunne vlugheid en bevalligheid. Aan het hoofd der Krotoniaten stond +Milon [72], de sterkste mensch die ooit geboren werd. De Samische +en Milesische feestgenooten wedijverden in pracht en rijkdom met de +Korinthiërs en Mytileners. De geheele keur der Helleensche jongelingen +was te Olympia verzameld, en op de voor de toeschouwers bestemde +plaatsen zaten, naast mannen van ouderen leeftijd, van iederen stand, +uit ieder volk een aantal schoone jonkvrouwen, die uit Sparta waren +overgekomen, om door hare toejuichingen de spelen der mannen op te +luisteren [73]. Op den tegenoverliggenden oever van den Alphaeus +was gelegenheid om handel te drijven. Daar kon men kooplieden zien +uit alle oorden der wereld. Hellenen, Karchedoniërs [74], Lydiërs, +Phrygiërs en schacherende Phoeniciërs uit Palaestina deden onderling +groote zaken af, of stelden in kramen en onder tenten hunne waren te +koop. Hoe zal ik u eene schildering geven van het gewoel en gejoel der +tallooze menigte; van de koorzangen, die door de lucht weergalmden; van +de rookende feesthekatomben [75]; van de bonte kleederdrachten; van de +kostbare wagens en paarden; van het geklank van al die verschillende +talen en tongvallen; van de blijde ontmoetingen van oude vrienden, +die elkander hier, na eene scheiding van vele jaren, wederzagen; +van den glans der feestgezanten; van het gewemel van toeschouwers +en kooplieden; van de spanning over den uitslag der spelen; van +het heerlijk schouwspel, dat de met toeschouwers opgepropte ruimte +aanbood; van het eindelooze gejuich bij iedere nieuwe overwinning; +van het plechtig overhandigen van den olijftak, die door een knaap +uit Elis, wiens beide ouders nog in leven moesten zijn, met een gouden +mes van den heiligen olijfboom in de Altis [76], door Hercules zelven +voor eeuwen geplant, moest worden gesneden? Hoe zal ik u eindelijk +eene beschrijving geven van het aanhoudend gejubel, dat als een +rollende donder door het stadium [77] weêrklonk, toen Milon van +Croton verscheen, en zijn door Dameas van brons gegoten standbeeld, +zonder dat zijn knieën een oogenblik knikten, op de schouders door +het stadium naar de Altis droeg? Een stier zou onder zulk een gewicht +bezweken zijn; Milon evenwel droeg dit ontzaglijk gevaarte gelijk +eene Lacedaemonische baker [78] een knaapje draagt. + +»De schoonste kransen, na dien van Cimon, vielen aan een paar broeders +uit Sparta ten deel, te weten: aan Lysander en Maron, zonen van eenen +verbannen edelman, Aristomachus genaamd. Maron behaalde den prijs bij +het wedloopen. Lysander trad onder de toejuichingen van alle aanwezigen +tegen Milon, den nog onoverwonnen overwinnaar van Pisa [79], van de +Pythische en de Isthmische spelen, in het worstelperk. Milon was +grooter en sterker dan de Spartaan, wiens lichaamsbouw aan Apollo +deed denken, en wiens jeugdig voorkomen overtuigend bewees, dat hij +ternauwernood den paedanomos [80] ontgroeid was. Schoon in hunne +naaktheid, glanzend van de gele zalfolie, stonden de jongeling en de +man tegenover elkander, een panter en een leeuw gelijk, die zich tot +den strijd toerusten. Alvorens op zijn tegenstander toe te springen, +hief de jonge Lysander zijne handen omhoog, om de goden te bezweren, +en riep: 'Voor mijn vader, mijne eer en den roem van Sparta!' De +Crotoniaat meesmuilde, terwijl hij op den jongeling uit de hoogte +neêrzag, evenals een lekkerbek lacht, alvorens hij zich neerzet om +een kreeft te ontleden. + +»De worsteling begon. Lang duurde het, eer het een van beiden gelukte +den anderen beet te krijgen. Uit al zijn macht, ja met onweêrstaanbaar +geweld, greep de Crotoniaat naar zijn tegenstander, die zich als +eene slang loswond uit de geweldige grepen der athletische, zich +als eene tang vastklemmende handen.--Lang hield na elken aanval de +worsteling aan, waarvan de gansche vergadering zwijgend en ademloos +getuige was. Men hoorde niets dan het steunen der worstelaars en het +gezang der vogelen in het woud van de Altis. Eindelijk,--eindelijk was +het den jongeling gelukt, zich door een meesterlijken greep, zooals +ik nooit een gezien heb, aan zijn tegenstander vast te klemmen. Lang +spande Milon vruchteloos al zijne krachten in, om zich uit de gespierde +armen van den jongeling los te rukken. Het zand van het stadium werd +rijkelijk gedrenkt door het zweet van zulk een reuzenarbeid. + +»Naarmate de spanning der toeschouwers hooger en hooger klom, +vermeerderde nog de stilte, werden de aanmoedigingskreten zeldzamer, +en hoorde men luider het steunen der beide kampvechters. Ten laatste +ontzonken den jongeling de krachten. Duizenden stemmen riepen hem +moed toe. Nog eenmaal verzamelde hij, met schier bovenmenschelijke +inspanning, al zijne krachten, nog eenmaal beproefde hij den +Crotoniaat ter aarde te werpen. Doch deze had zijn voordeel gedaan +met de oogenblikkelijke afmatting van zijn tegenstander, en hield hem +nu met onweêrstaanbaar geweld, terwijl hij beide armen om hem sloeg, +tegen zijn borst gedrukt. Daar golfde een zwarte, dikke bloedstraal +over de schoone lippen van den jongeling, en levenloos ontzonk hij +aan de vermoeide armen van den reus. Democedes [81], de beroemdste +arts van onzen tijd, dien gij, Samiërs, aan het hof van Polycrates +zeker wel hebt leeren kennen, snelde toe; doch de kunst vermocht +dezen gelukkige niet meer te redden. Hij was dood. + +»Milon moest afstand doen van den krans [82]. De roem van dien +jongeling zal daarentegen door gansch Hellas worden bezongen. Ik zelf +zou veel liever gestorven zijn als Lysander, de zoon van Aristomachus, +dan leven als Kallias, die in den vreemde in werkeloosheid oud +wordt en vergrijst, zonder iets te kunnen uitrichten. Geheel +Griekenland, vertegenwoordigd door zijne edelste zonen, droeg +den jongeling ten grave, en zijne eerezuil zal in de Altis nevens +die van Milon, den Crotoniaat, en Praxidamas van Aegina [83] eene +plaats erlangen. Eindelijk verkondigden de herauten de uitspraak der +kampvechters: Sparta zal voor den gestorvene den krans der overwinning +ontvangen; want niet Milon, maar de dood heeft den edelen Lysander +doen bezwijken. Wie echter, na een strijd met den sterkste aller +Grieken, die twee uren duurde, onoverwonnen blijft, hem voorwaar komt +de olijftak wel toe." + +Kallias zweeg eenige oogenblikken. De levendige man had onder de +schildering van deze voor iederen Griek zoo dierbare tooneelen, op de +aanwezigen geen acht geslagen. Voor zich uit starende, had hij het +beeld dier worsteling voor zijne oogen laten voorbijgaan. Thans zag +hij om zich heen en bemerkte met groote verbazing, hoe de grijsaard +met het houten been, dien hij, zonder hem te kennen, reeds vroeger had +opgemerkt, zijn aangezicht met de handen bedekt hield en schreide +als een kind. Aan zijne rechterzijde stond Rhodopis, aan zijne +linker Phanes. Al de overige gasten zagen den Spartaan aan, als ware +hij de held van Kallias' verhaal geweest. De verstandige Athener +begreep aanstonds, dat de grijsaard in nauwe betrekking tot een der +overwinnaars in de Olympische spelen stond. Toen hij echter vernam, +dat Aristomachus de vader was van dat Spartaansche broederpaar, hetwelk +met zooveel roem werd gekroond, welke schoone gestalten nog steeds, +als eene verschijning uit de godenwereld, voor zijne verbeelding +zweefden, toen zag ook hij met afgunstige bewondering den snikkenden +grijsaard aan, en ook in zijn oog parelde een traan, dien hij niet +zocht weg te pinken. In dien tijd weenden de mannen, zoo vaak zij in +den balsem der tranen eenige verlichting hoopten te vinden. De sterkste +helden zien wij, in toorn, onder groote vreugde, bij elke zielesmart, +weenen, terwijl zich de Spartaansche knaap voor het altaar van Artemis +Orthia, zonder eene klacht te uiten, ten bloede, ja, menigmaal dood +liet geeselen, om den lof der mannen deelachtig te worden. + +Gedurende eenige oogenblikken bewaarden al de aanwezigen +het stilzwijgen, uit eerbied voor de aandoeningen van den +grijsaard. Eindelijk maakte Jesua, de Israëliet, daaraan een +einde, in gebroken Grieksch den oude aldus toesprekende: »Ween +vrij uit, Spartaansche man! Ik weet wat het zeggen wil, een zoon +te verliezen. Heb ik niet, elf jaren geleden, in het vreemde +land, aan de wateren van Babylon, waar mijn volk in ballingschap +zuchtte, een schoonen knaap grafwaarts gedragen! Had het beste kind +nog slechts een enkel jaartje geleefd, zoo zou het in 't lieve +vaderland gestorven zijn, en hadden wij het in het graf zijner +vaderen kunnen bijzetten. Maar Cyrus, de Pers,--Jahveh zegene zijne +nakomelingschap!--heeft ons éen jaar te laat vrij gemaakt, en ik +beween nu dubbel dat kind mijns harten, wijl zijn graf in het land +der vijanden Israëls gedolven is. Bestaat er wel iets treurigers +dan te moeten beleven, dat onze kinderen, onze grootste schat, +vóor ons ten grave dalen? En,--Jahveh zij mij genadig!--zulk een +voortreffelijk kind, als uw zoon moet zijn geweest, te verliezen, +wanneer hij juist een beroemd man staat te worden, dat moet wel de +grootste aller smarten zijn!" + +De Spartaan verwijderde de handen van zijn streng gelaat en zeide, +onder zijne tranen glimlachende: »Gij dwaalt, Phoeniciër; ik ween +van blijdschap, niet van droefheid, en gaarne had ik ook mijn tweeden +zoon verloren, indien hij gestorven ware gelijk mijn Lysander." + +De Israëliet schrikte van deze woorden, die hem onnatuurlijk en +goddeloos in de ooren klonken, en schudde afkeurend het hoofd. De +aanwezige Hellenen daarentegen overlaadden den door allen benijden +grijsaard met gelukwenschingen. Aristomachus scheen door de vreugde +zijner ziel vele jaren jonger te zijn geworden, en riep Rhodopis toe: +»Waarlijk, vriendin, uw huis is voor mij rijk gezegend, want sedert +ik het betrad, is dit het tweede geschenk der goden, hetwelk mij hier +ten deelt valt!" + +»En wat was het eerste?" vroeg de gastvrouw. + +»Een gunstig orakel." + +»Gij vergeet het derde!" riep Phanes. »Op den dag van heden hebben +u namelijk de goden Rhodopis leeren kennen. Maar wat is er van die +godspraak?" + +"Mag ik haar aan de vrienden openbaren?" vroeg de Delphiër. + +Aristomachus knikte toestemmend, en Phryxus las ten tweeden male het +antwoord van de Pythia: + + + Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen + In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt, + Dan voert de ranke boot u, moe van 't ommedwalen, + Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt, + En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven, + Wat gij zoo lang met rouw in 't hart, moest derven. + + +Nauw had Phryxus het laatste woord gelezen, toen Kallias, de Athener, +juichend van zijne ligplaats opsprong, uitroepende: »De vierde gave, +het vierde geschenk der goden, zult gij thans van mij in dit huis +ontvangen. Weet dat ik de nieuwstijding, die wel het meest uwe +verbazing zal wekken, tot het laatst bewaarde: de Perzen komen naar +Egypte." + +Geen der gasten, behalve de Sybariet, bleef op zijne plaats, en Kallias +werd door allen met vragen bestormd, zonder dat men hem tot antwoorden +den tijd liet. »Bedaart wat, vrienden; houdt uw gemak!" riep hij +eindelijk. »Laat mij u geregeld vertellen al wat ik weet, anders kom +ik heden niet aan het einde. Een groot gezantschap van Cambyzes, den +tegenwoordigen alleenheerscher van het machtige Perzië, en geen leger, +gelijk Phanes misschien reeds vermoedde, is op weg naar dit land. Te +Samos werd mij gezegd, dat het al op Mylete was aangekomen. Binnen +weinige dagen moet het hier zijn. Bloedverwanten van den koning, en +ook de oude Cresus van Lydië, moeten er deel van uitmaken. Wij zullen +eene buitengewone pracht te zien krijgen. Met welk doel dit gezantschap +komt weet niemand zeker, doch men gist, dat koning Cambyzes met Amasis +een verbond verlangt te sluiten. Daar zijn er zelfs die beweren, +dat de Perzische vorst de dochter van den pharao tot vrouw begeert." + +»Een verbond?" vroeg Phanes, ongeloovig de schouders ophalende. »Op +dit oogenblik overheerschen de Perzen reeds bijna de halve wereld. De +grootste natiën van Azië hebben zich onder hun schepter gebogen; +alleen Egypte en het Grieksche moederland hebben den veroveraar nog +niet erkend als hun meester." + +»Gij vergeet het goudrijk Indië en de groote Nomadenstammen van +Azië," antwoordde Kallias. "Gij vergeet verder, dat een rijk, zoo +samengeflanst als het Perzische, hetwelk uit zeventig volkstammen +bestaat van allerlei talen en zeden, dat voortdurend de kiem des +oorlogs in zich draagt, wel zeer op zijne hoede moet zijn om niet +opnieuw in buitenlandsche oorlogen te worden gewikkeld. Want, +bij afwezendheid van de hoofdmacht des legers, zouden enkele +afgelegene provinciën deze gewenschte gelegenheid tot afval kunnen +aangrijpen. Vraag den Milesiërs of zij rustig zouden blijven, indien +het hun ter oore kwam dat het leger hunner verdrukkers in een of +anderen slag het onderspit had gedolven." + +Daarop viel Theopompus, de koopman van Milete, den spreker in de rede, +en riep opgewonden: »Als de Perzen eenmaal de nederlaag lijden, zoo +krijgen zij wel honderd andere vijanden op den hals, en mijn volk +zou voorzeker niet het laatste zijn, dat zich tegen den overweldiger +verzette!" + +»Wat ook de last der gezanten zij," vervolgde Kallias, »ik houd +staande, dat de Perzen op zijn laatst binnen drie dagen hier zullen +aankomen." + +»En daarmede is tegelijkertijd uw orakel vervuld, gelukkige +Aristomachus," zeide Rhodopis. »Met de ruiterschaar van het gebergte +kunnen alleen de Perzen bedoeld worden. Wanneer deze de oevers van +den Nijl naderen, zullen de vijf rechters, uwe ephoren [84], van +gezindheid veranderen, en u, den vader van twee der overwinnaars +te Olympia, in het vaderland terugroepen.--Vul nog eens de bekers, +Knakias! Wijden wij dezen laatsten dronk aan de schim van den +roemrijken Lysander. Maar dan raad ik u allen op te staan, want het +is reeds lang middernacht. De waarlijk gastvrije breekt de tafel op, +wanneer de vreugde haar toppunt heeft bereikt. De aangename, door +geene droefheid gestoorde herinnering aan dezen avond zal u weldra +in dit huis terugvoeren, terwijl gij het voorzeker liever niet weder +betreden zoudt, zoo gij ook de uren der ontspanning gedenken moest, +die zoo licht op de vreugde volgen." + +Al de gasten stemden met Rhodopis in, Ibycus noemde haar een echte +leerlinge van Pythagoras, en gaf zijne hooge ingenomenheid te kennen +met den opgeruimden, feestelijken toon, die dezen avond in den +ganschen kring had geheerscht. Ieder maakte zich nu tot vertrekken +gereed. Ook de Sybariet, die, om zijne aandoeningen, die hem zoo te +onpas kwamen storen, te onderdrukken, overmatig veel gedronken had, +richtte zich, door zijne slaven [85], die men inmiddels binnengeroepen +had, ondersteund, uit zijne gemakkelijke houding op, onderwijl zoo +wat pruttelende over inbreuk maken op het gastrecht. + +Toen Rhodopis hem tot afscheid de hand wilde reiken, riep hij, door den +wijn beneveld: »Bij Hercules! Rhodopis, gij smijt ons het huis uit, als +waren wij lastige schuldeischers. Ik ben niet gewoon van een gastmaal +op te staan, zoolang mijne beenen mij nog kunnen dragen, en nog minder, +mij als een tafelschuimer het gat van de deur te laten wijzen!" + +»Maar, begrijp dan toch, gij, onmatige drinkebroer...," begon Rhodopis +zich lachende te verontschuldigen. Philoinus evenwel, die in zijn +roes geen tegenspraak kon verdragen, barstte uit in een spottend +geschater en beet haar toe, terwijl hij naar de deur waggelde: +»Onmatige drinkebroer, zegt ge? Goed! Ik geef u daarop ten antwoord: +onbeschaamde slavin! Waarachtig, men kan het u altijd nog aanzien, wat +ge in uwe jeugd geweest zijt. Vaarwel, slavin van Jadmon en Xanthus, +vrijgelatene van Charaxus!... + +Maar hij kon niet uitspreken, want plotseling sprong de Spartaan op +hem toe, wierp hem met een geweldigen vuistslag ter aarde, en droeg +den bewustelooze, als ware hij een kind, in het vaartuig, dat met +zijne slaven aan de tuindeur hem wachtte. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + +Al de gasten hadden het huis verlaten. + +Gelijk een hagelslag in een bloeiend graanveld, zoo was de +hoonende taal van den slemper in de vreugde der scheidende vrienden +gevallen. Rhodopis zelve stond, bleek en bevende, in de nu ledige, maar +nog feestlijk versierde zaal. Knakias doofde de lampen langs de wanden +uit. Het helle licht van zoo even begon nu allengs plaats te maken +voor een onaangenaam schemerdonker, dat het onachtzaam dooreengeworpen +tafelgereedschap, de overblijfselen van den maaltijd en de van hunne +plaats geschovene rustbedden slechts spaarzaam verlichtte. Door +de opene deur stroomde eene koude nachtlucht binnen; want de morgen +brak reeds aan, en in Egypte is de temperatuur, onmiddellijk vóor het +opgaan der zon, doordringend koel. Eene lichte huivering voer door de +leden van de slechts luchtig gekleede vrouw. Met weemoed liet zij hare +blikken dwalen door de ledige ruimte, die nog voor weinige minuten +weêrgalmde van vroolijk gejubel. Zij vergeleek haar gemoed met deze +verlatene feestzaal. Het was haar, als knaagde een worm aan haar hart, +als stolde haar bloed tot sneeuw en ijs. + +Lang stond zij dus, onbewust van wat om haar heen plaats greep, +totdat hare oude slavin verscheen en haar naar het slaapvertrek +voorlichtte. Zwijgend liet Rhodopis zich ontkleeden. Zwijgend +opende zij het voorhangsel, dat een tweede slaapvertrek van het hare +scheidde. In het midden er van stond eene ahorn-houten rustbank [86], +waarin, op een matras van zachte schaapswol, waarover witte lakens +waren gespreid, onder een lichtblauw dek, een engelachtig, wonderschoon +meisje sluimerde. Het was Sappho, de kleindochter van Rhodopis. De +teederheid, de zachte ronding der vormen, het fijn gevormde gelaat +dezer jeugdige maagd waren onberispelijk. De zalige, vreedzame lach +om die lippen bewees, dat dit kind zich nog van geen kwaad bewust was, +nog niets anders kende dan geluk. De eene hand der slapende, waarop het +lieve hoofdje rustte, was door het dichte donkerbruine haar verborgen; +de andere hield eene kleine amulet van groenen steen [87], die van haar +hals nederhing, losjes omvat. De lange oogwimpers bewogen zich nauw +merkbaar, en over de wangen van dit bekoorlijk wezen lag een teeder +rozenrood verspreid, dat onmerkbaar samenvloeide met de blankheid van +het gelaat. De fijne neusvleugels rezen en daalden gelijkmatig bij +iederen ademtocht. Zóo zou men de onschuld voorstellen, zóo lacht eene +reine ziel, zulk een slaap schenken de goden aan de zorgelooze jeugd. + +Zonder het minste geritsel te weeg te brengen, het zware +tapijt nauwelijks met de teenen aanrakende, naderde Rhodopis het +bed. Met onbeschrijfelijke teederheid aanschouwde zij het lachende, +kinderlijke gelaat. Zachtkens, en bijna zonder te ademen, knielde zij +neder. Behoedzaam drukte zij haar aangezicht in het zachte dek, zoodat +de hand van het meisje in aanraking kwam met hare grijze haren. Nu +welden er tranen in de oogen der diepgekrenkte vrouw, en zij liet ze +den vrijen loop, als wilde zij met die tranen de vernedering, die zij +geleden had, en al den kommer harer ziel afwasschen. Eindelijk stond +zij op, drukte eene kus op het voorhoofd van het kind, dat haar zoo +onuitsprekelijk dierbaar was, hief de handen hemelwaarts, en keerde +dan naar haar eigen vertrek terug, even behoedzaam als zij gekomen was. + +De oude slavin stond nog altijd bij hare slaapstede te wachten. »Wat +wilt gij nog zoo laat, Melitta?" vroeg Rhodopis vriendelijk en +zacht. »Ga naar bed. Dat lange waken deugt niet voor uwe hooge +jaren. Gij weet, dat ik u niet meer noodig heb. Goedennacht! Kom +morgen niet voordat ik u laat roepen. Ik zal niet veel kunnen slapen +en blijde zijn, als ik tegen den morgen even mag insluimeren!" + +Nog altijd aarzelde de slavin. Men kon het haar aanzien, dat zij nog +iets te zeggen had, maar niet durfde spreken. + +»Hebt gij mij misschien iets te vragen?" zeide Rhodopis. + +De oude vrouw weifelde nog. + +»Spreek vrij uit, spreek; maar maak het kort!" + +»Ik zag u weenen," begon de trouwe slavin ten laatste; »het schijnt mij +toe, dat gij onder kommer gebukt gaat, of krank zijt. Mag ik niet bij +u waken; wilt gij mij niet zeggen, wat u deert? Reeds menigmaal hebt +gij ondervonden, hoe het de borst verruimt en de smart draaglijker +maakt, wanneer men aan een ander zijn leed kan mededeelen. Vertrouw +mij ook thans de oorzaak uwer droefheid toe; het zal u goed doen, +o zeker, het zal uwe ziel rust geven." + +»Neen, ik kan niet spreken!" antwoordde hare meesteres. Daarop +vervolgde zij, smartelijk lachende: »Wederom is het mij gebleken, +dat eene godheid zelfs niet bij machte is, het verleden eens +menschen uit te wisschen, en dat ongeluk en schande in den regel +samengaan. Goedennacht! Verlaat mij thans, Melitta." + +Den volgenden dag, omstreeks den middag, legde dezelfde bark, die +'s avonds te voren den Athener en den Spartaan had overgevoerd, voor +den tuin van Rhodopis aan. De zon scheen zoo helder, zoo warm en +zoo vriendelijk aan den wolkloozen donkerblauwen Egyptischen hemel; +de lucht was zoo zuiver en fijn; de kevers gonsden zoo lustig; de +schippers in de tallooze booten zongen uit zoo ruime borst hunne +eenvoudige, telkens herhaalde liederen; de boorden van den Nijl +bloeiden zoo liefelijk en vertoonden zulk eene vroolijke mengeling van +bonte vanen en van bedrijvige menschen; de palmen, sykomoren, acacia's +en bananen verhieven zoo fier hunne groene en bloesemrijke kruinen; +het geheele landschap scheen, zoo ver het oog strekte, zoo ongemeen +rijk bedeeld te zijn door eene milde godheid, die het geven niet +moede werd,--dat de wandelaar wel denken moest: uit dit oord is alle +ongeluk verbannen, hier is de woonsteê van ware vreugde en levensgenot. + +Hoe menigmaal wanen wij, wanneer we een tusschen bloeiende vruchtboomen +half verscholen dorpje voorbijtrekken, dat dáar de zetel is van den +vrede, dat niemand daar onvervulde wenschen kent, maar ieder tevreden +is met zijn bescheiden deel! Doch nauw treden wij de nederige huizen en +hutten binnen, of die voorstelling blijkt geheel onwaar te zijn. Want, +gelijk overal, vinden we ook dáar angst en nood, begeerlijkheid en +hartstocht, vreeze en berouw, smart en ellende naast, helaas, zoo +weinig geluk en vreugde! Wie toch zou kunnen vermoeden, indien hij +aan de oevers van den Nijl verplaatst werd, in het aloude Egypte, +dat dit lachende, rijk bedeelde, veelkleurige, zonnige land, welks +heldere hemel zich nooit achter wolken verbergt, de woonplaats is van +de ernstigste menschen? Wie zou kunnen gelooven, dat in die sierlijke, +door kransen en bloemfestoenen als omwevene gastvrije woning van de +gelukkige Rhodopis, een hart klopte met naamloozen kommer vervuld? Wie +der gasten van deze zoozeer gevierde Thracische vrouw kon denken, dat +dit hart geen ander was dan dat der schoone, altijd zoo vriendelijk +lachende matrone? + +Bleek, maar schoon en minzaam als altijd, zat zij met Phanes in een +dicht belommerd priëel, naast den verfrisschenden waterstraal der +fontein. Men kon het haar aanzien, dat zij lang en veel geweend +had. De Athener hield hare hand in de zijne en zocht haar te +troosten. Rhodopis luisterde geduldig toe, nu eens met een bitteren +lach, dan weer, ten teeken harer instemming met zijne woorden, even +het hoofd buigende. Eindelijk viel zij den welmeenenden vriend in de +rede, zeggende: + +»Ik dank u, Phanes! binnen korteren of langeren tijd moet ook deze +beleediging vergeten worden. De tijd is een goed heelmeester. Ware ik +zwak, zoo zou ik Naucratis verlaten, en voortaan in strenge afzondering +alleen voor mijne kleindochter leven. In dit jeugdig schepseltje, zeg +ik u, sluimert eene geheele wereld. Duizendmaal kwam het denkbeeld in +mij op Egypte te verlaten, duizendmaal onderdrukte ik dien wensch. Niet +de begeerte naar eene hulde, die mij door uw geslacht zoo ruimschoots +wordt gebracht, hield mij hier terug. Daarvan heb ik zooveel genoten +dat ik er oververzadigd van ben. Ik, de zwakke, eens zoo diep verachte +vrouw, de slavin van weleer, gevoel mij in Egypte op mijne plaats, +want het bewustzijn, dat ik voor edele, vrije mannen, zoo al niet +onontbeerlijk, dan toch van groot nut ben, bond en bindt mij nog +voortdurend aan deze plaats. Aan een grooten werkkring onder zulke +mannen gewoon, zou ik mij niet kunnen vergenoegen met de zorg voor +mijne geliefde kleindochter alleen. Ik zou verdorren als eene plant, +die uit een vetten bodem in de woestijn is overgeplant, en mijne Sappho +zou weldra geheel alleen, en driemaal meer verlaten dan eenige andere +weeze, in de wereld overblijven.--Ik blijf in Egypte. + +»Juist nu, na uw vertrek, zal ik den vrienden volkomen onmisbaar +zijn. Amasis wordt oud; wanneer Psamtik hem opvolgt, dan zullen wij +met groote zwarigheden te worstelen hebben, waarvoor wij tot nog toe +bewaard bleven. Ik moet blijven, en mij met nieuwe kracht en nieuwen +moed aangorden, om voor de vrijheid en de welvaart der Hellenen +te kampen. Dat is het levensdoel, dat ik mij zelve heb gesteld. En +deze taak zal ik te getrouwer vervullen, daar het maar hoogst zelden +gebeurt, dat eene vrouw zich aan zulk een levensdoel kan wijden. Velen +zullen mijn streven onvrouwelijk noemen, het zij zoo. In dezen nacht, +dien ik onder tranen heb doorwaakt, ondervond ik, dat er nog veel, zeer +veel van die vrouwelijke zwakheid in mij woont, die tegelijk het geluk +en het ongeluk van mijn geslacht uitmaakt. Deze zwakheid, gepaard met +een teeder, vrouwelijk gevoel in zijne hoogste ontwikkeling, bij mijne +kleindochter aan te kweeken, is de eerste plicht, dien ik mij zelve heb +opgelegd; de tweede is, bij mij zelve alle weekelijkheid te overwinnen. + +»Maar het is onmogelijk strijd te voeren tegen zijne natuur, zonder +soms eene nederlaag te lijden. Zoodra eenige smart mij dreigt neêr te +drukken, of ik gevaar loop tot wanhoop te geraken, dan zoek en vind ik +alleen hulp en troost in de woorden van Pythagoras, den uitnemendste +aller menschen, den trouwste aller vrienden, en bij de herinnering +zijner waarschuwing: Houd in alle dingen den middelweg, hoed u voor +uitgelatene vreugde, evenzeer als voor buitensporige droefheid, +en streef er steeds naar, dat de stemming uwer ziel harmonisch en +welluidend zij, gelijk de snaren eener zuiver gestemde harp!" Dezen +Pythagorischen zielevrede, deze diepe, ongestoorde gemoedsrust, +aanschouw ik dagelijks in mijne Sappho, en ik tracht onophoudelijk ze +ook tot mijn eigendom te maken. De strijd valt soms onbegrijpelijk +zwaar, daar het noodlot met zijne ruwe grepen maar al te dikwijls +de snaren van het speeltuig mijns harten ontstemt. Maar nu ben ik +kalm en rustig!--Gij kunt niet begrijpen, welk eene macht de gedachte +alleen aan dien grootste aller denkers, aan dien stillen, wijzen man, +op mij uitoefent. Als hij mij voor den geest staat, is het alsof eene +zachte liefelijke toon de snaren mijner ziel doet trillen. Ook gij +hebt hem gekend en moet verstaan, wat ik niet in woorden vermag uit +te drukken.--En nu bid ik u, mij de reden van dit uw bezoek te doen +kennen. Mijn hart is rustig, als de wateren van den Nijl, die zoo +stil en zonder eenige stoornis ons voorbijvlieten. Hetzij gij goede, +hetzij gij kwade tijding brengt, ik ben bereid, u te hooren." + +»Thans herken ik u weder," sprak de Athener. »Waart gij den edelen +vriend der wijsheid, gelijk Pythagoras zichzelf placht te noemen +[88], eerder gedachtig geweest, zoo zou uwe ziel reeds gisteren tot +hare gewone kalmte zijn gekomen. De meester geeft den raad, zich +iederen avond de gebeurtenissen, gewaarwordingen en gedachten van den +verloopen dag nog eens voor den geest te brengen. Hadt gij dat gedaan, +dan zoudt gij hebben ingezien, dat de ongeveinsde bewondering van +al uwe gasten, onder welke zich mannen van uitstekende verdiensten +bevonden, ruimschoots tegen den smaad van een onbesuisden dronkaard +opwoog. Gij hadt moeten begrijpen, dat gij toch inderdaad eene vriendin +der goden zijt. Want het was in uw huis, dat de onsterfelijken een +edelen grijsaard, na jaren van tegenspoed, de hoogste zaligheid lieten +smaken, die ooit een mensch ten deel kan vallen. Ja, zij ontnamen u +een vriend, om u echter in denzelfden stond een anderen, veel beteren +te schenken. Spreek mij niet tegen, en vergun mij thans u met mijn +verzoek bekend te maken. + +»Gij weet dat men mij nu eens een Athener, dan weêr een Halicarnassiër +[89] noemt. De Jonische, Aeolische en Dorische soldaten hebben zich +van oudsher nooit goed met de Carische kunnen verstaan. Daarom kwam +mij, den aanvoerder van beide legerafdeelingen, mijne afkomst van, +ik zou wel haast mogen zeggen drie stammen, bijzonder te stade. Welke +uitnemende eigenschappen Aristomachus ook bezit, Amasis zal mij toch +missen, want het viel mij gemakkelijk de eendracht in het leger te +bewaren, terwijl de Spartaan tegenover de Cariërs dikwerf op groote +zwarigheden stooten zal. + +»Deze mijne dubbele afkomst heeft haar grond hierin, dat mijn vader +met eene Halicarnassische vrouw uit een edel Dorisch geslacht gehuwd +was, en met mijne moeder juist op het tijdstip mijner geboorte te +Halicarnassus vertoefde, waarheen zij zich hadden begeven, om bezit +te nemen van de nalatenschap harer ouders. Ofschoon men mij reeds +in de derde maand mijns levens naar Athene terugbracht, ben ik toch +eigenlijk een Cariër, want, waar een mensch geboren wordt, daar is +zijn vaderland. + +»Te Athene werd ik, als jong Eupatride [90] uit het aanzienlijke, +aloude geslacht van Ajax, met al de weelde en al den rijkdom +van een Attisch edelman grootgebracht en opgevoed. De dappere en +wijze Pisistratus, gesproten uit een geslacht, dat wel van gelijke +afkomst was als het onze, maar ons in macht en invloed volstrekt +niet overtrof--er bestaat geen aanzienlijker stamhuis dan dat mijns +vaders--wist zich tot alleenheerscher te verheffen. Aan de vereende +pogingen van den adel gelukte het tot tweemaal hem ten val te +brengen. Toen hij ten derden male, door Lygdamis van Naxos en door +de bewoners van Argos en Eretria ondersteund, wilde terugkeeren, +stelden wij ons tegen hem. Wij hadden ons gelegerd nabij den tempel +van Athene op Pallene [91]. Terwijl wij vóor het ontbijt aan de godin +offerden, verraste ons de listige tyran, overviel onze ongewapende +manschappen, en behaalde eene gemakkelijke overwinning, zonder een +druppel bloeds te storten. Daar aan mij het bevel over de helft der +troepen was opgedragen, besloot ik liever te sterven, dan mijn post +te verlaten. Ik streed als een razende, bezwoer mijne soldaten stand +te houden en verloor ook geen duimbreed gronds. Doch eene noodlottige +speer wondde mijn schouder en ik viel. + +»Pisistratus en de zijnen werden meester van Athene. Ik vluchtte naar +Halicarnassus, mijn tweede vaderland, waarheen mij mijne vrouw met +onze kinderen volgde. Mijn naam was niet geheel onbekend, daar ik eene +overwinning in de Pythische spelen [92] behaald en nog eenige andere +dappere daden verricht had. Men benoemde mij dus tot overste bij het +leger in Egypte. Ik maakte den veldtocht op Cyprus mede, deelde met +Aristomachus den roem, de geboorteplaats van Aphrodite voor Amasis +gewonnen te hebben, en werd ten laatste tot opperbevelhebber van al +de troepen in Egypte verheven. + +»Den vorigen zomer stierf mijne vrouw. Mijne kinderen, een knaap +van elf en een meisje van tien jaren, bleven bij hunne moei te +Halicarnassus. Ook deze werd de prooi van den onverbiddelijken Hades +[93]. Nu heb ik de kleinen eenige dagen geleden hierheen ontboden. Zij +kunnen evenwel niet vroeger dan over drie weken te Naucratis zijn, +en zullen reeds zijn afgereisd, alvorens zij een tegenbevel van mij +kunnen ontvangen. Binnen veertien dagen moet ik Egypte verlaten, en kan +dus zelf mijne lievelingen niet afwachten. Ik ben besloten, mij naar +den Thracischen Chersonesus te begeven, waar, gelijk gij weet, mijn oom +door den stam der Dolonkers [94] tot vorst is verheven. Daarheen moeten +de kinderen mij volgen. Korax, mijn oude trouwe slaaf, zal te Naucratis +blijven om ze tot mij te brengen. Wilt gij thans metterdaad toonen, +dat gij mijne vriendin zijt, zoo ontvang die kleinen in uw huis; zorg +voor hen tot er een schip naar Thracië onder zeil gaat, en verberg ze +zorgvuldig voor de blikken van de spionnen van den kroonprins Psamtik +[95]. Gij weet, dat deze mij een doodelijken haat heeft gezworen, +en zich gaarne in de kinderen op den vader zou wreken.--Ik kom tot u +met deze bede, ten eerste wijl ik uw goed hart ken; ten andere omdat +uw huis, krachtens den vrijbrief des konings, die het tot een asyl +heeft gemaakt, de kinderen voor alle nasporingen der politie-beambten +vrijwaart. Want deze personen moeten, in dit land van formaliteiten, +kennis nemen van alle vreemdelingen, zelfs al zijn dit kinderen, +om daarvan aangifte te doen bij de district-beambten. + +»Gij ziet, hoezeer ik u hoogschat, want ik vertrouw u het eenige toe, +wat mij nog waarde doet hechten aan mijn leven. Zelfs het vaderland +heeft voor mij niets aantrekkelijks, zoolang het zich onder den voet +des geweldenaars kromt. Welnu, vriendin, wilt gij aan het gefolterde +vaderhart de rust hergeven, wilt gij...?" + +»Ik wil, ik wil, Phanes!" antwoordde Rhodopis met ongeveinsde +blijdschap. »Gij hebt mij geene bede gedaan, gij hebt mij een voorrecht +geschonken. O, reeds nu verheug ik mij bij de gedachte aan de lieve +kleinen! En hoe verrukt zal Sappho zijn, als die aardige schepseltjes +hare eenzaamheid komen vervroolijken! Maar dit zeg ik u vooruit, +Phanes, met het eerste het beste Thracische schip laat ik mijne jonge +gasten niet weggaan. Gij kunt het nog wel een half jaartje langer +zonder hen uithouden, want ik sta er voor in, dat zij voortreffelijk +onderricht zullen genieten, en dat hun al wat waarlijk schoon en goed +is dagelijks zal worden voorgehouden." + +»Wat dat aangaat, ben ik volkomen gerust," hernam Phanes met een +dankbaren glimlach; »maar ik sta er bepaald op, dat gij de beide +wildzangen met het eerste schip het beste laat vertrekken. Mijne vrees +voor de wraakzucht van Psamtik is, helaas! maar al te gegrond. En +ontvang nu bij voorbaat reeds mijn hartelijken dank voor uwe liefde +en goedheid jegens mijne kinderen. Overigens geloof ik zelf, dat +de afleiding, door het gezelschap van twee zulke vroolijke gasten, +aan uwe Sappho in hare eenzaamheid goed zal doen." + +»En eindelijk," liet Rhodopis met neergeslagene oogen volgen, »kan +dit bewijs van vertrouwen duizendvoudig opwegen tegen den hoon, +mij door een dronkaard aangedaan.--Daar komt Sappho!" + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + +Vijf dagen na dien merkwaardigen avond in het huis van Rhodopis, +heerschte er eene meer dan gewone drukte aan de haven van +Saïs. Egyptenaren van iederen leeftijd, van allerlei rang, stand +en geslacht, stonden dicht opeengepakt aan den waterkant. Soldaten, +en kooplieden in witte, met veelkleurige franjes omzoomde kleederen, +welker meerdere of mindere lengte afhankelijk was van den hoogeren of +lageren rang dergenen, die ze droegen, bewogen zich onder eene groote +menigte gespierde, halfnaakte mannen uit de laagste volksklasse, wier +eenige kleeding slechts uit een schort bestond. Geheel ongekleede +kinderen verdrongen, stompten en sloegen elkaar, om toch de beste +plaatsen in te nemen. Moeders, met korte mantels om de schouders +[96], hielden hare kleinen in de hoogte, al moesten ze daardoor ook +het voorrecht missen om zelf iets van het verwachte schouwspel te +zien te krijgen. Een tal van honden en katten basten en miauwden, en +zaten elkander na tusschen de voeten der nieuwsgierigen, die uiterst +voorzichtig waren, om toch geen der heilige dieren te trappen of +te bezeeren. + +Overal liepen politie-agenten rond, met lange stokken [97] in de hand, +welker metalen knoppen den naam des konings droegen. Zij hadden voor +rust en orde te waken, maar vooral daarvoor, dat niemand door het +gedrang der achteraf staanden in het water viel. Want de arm van den +Nijl, die gedurende den overstroomingstijd de muren van Saïs bespoelde, +was hoog gezwollen. En het bleek niet zelden, dat de voorzorgen dezer +beambten allesbehalve overbodig waren. + +Aan de breede met sphinxen bezette oevertrappen, de aanlegplaats der +koninklijke barken, had zich eene geheel andere klasse van menschen +verzameld. Hier zaten op steenen banken de voornaamste priesters, deels +in lange witte gewaden, deels met een schort, kostbare bandelieren, +breed halssieraad en panterhuiden gekleed. Sommigen droegen met +vederen bezette banden, die zij om het voorhoofd, de slapen en +de dichte, valsche haarlokken, die op den rug nedervielen, hadden +bevestigd. Anderen schenen te willen pronken met hunne zorgvuldig +geschorene, glinsterende kale schedels, die meestal goed gevormd +waren. Onder hen was de opperrechter aanstonds te herkennen, want zijn +hoofdtooisel was versierd met eene schoone, golvende struisveder, +en eene kostbare amulet van saffier hing, aan eene gouden keten, +op zijne borst [98]. + +De bevelhebbers van het Egyptische leger droegen veelkleurige +wapenrokken en korte zwaarden in hunne gordels. Eene afdeeling van de +lijfwacht, met strijdbijlen, dolken, bogen en groote schilden gewapend, +stond ter rechterzijde van de trap geschaard. Ter linkerzijde had +men de Grieksche soldaten geplaatst, uitgedost in hun Jonischen +wapentooi. Hun nieuwe aanvoerder, de ons welbekende Aristomachus, +stond met eenige Grieksche onderbevelhebbers, van de Egyptenaren +afgezonderd, naast de kolossale standbeelden van Psamtik I, die, met de +aangezichten naar den stroom gekeerd, op het plein boven de trap waren +opgericht. Vóor de trap zat de kroonprins Psamtik, op een zilveren +troon. Hij droeg een bonten met gouddraad doorweven rok, die hem eng +om het lichaam sloot. Rondom hem stonden de voornaamste hovelingen, +kamerheeren, raadslieden en vrienden des konings, die staven in de +handen hielden, met pauwenvederen en gouden lotusbloemen versierd [99]. + +De volksmenigte had al lang, door schreeuwen, zingen en onderling +twisten, duidelijke teekenen van haar ongeduld gegeven. De priesters +en rijksgrooten daarentegen, die wij nabij de trap hebben opgemerkt, +keken met waardigheid en zwijgend voor zich. Ieder van deze afgemetene, +onbeweeglijke mannen in het bijzonder, met zijne stijve krulpruik +[100] en zijn valschen, regelmatig gekroesden baard, had bijzonder +veel overeenkomst met die, onderling volkomen op elkander gelijkende +standbeelden, die rustig, ernstig en met onafgewend gelaat in den +stroom zaten te turen, en onbeweeglijk op hunne plaatsen bleven. + +Eindelijk werd men in de verte de zijden, purperrood en blauw geruite +zeilen [101] van schepen gewaar. Het volk hief een luiden jubelkreet +aan. »Daar komen ze, daar zijn ze!" riep men, terwijl het gedrang +toenam.--»Pas op, dat ge niet op dat katje trapt!"--»Minne, houd +het meisje wat hooger, opdat het ook wat te zien krijge van al dat +moois!"--»Heila! je zult me nog in 't water duwen, Sebek!"--»Zie +dan toch toe, Phoeniciër, die jongens werpen klissen in je langen +baard!"--»Nu, nu, Helleen, je moet niet denken dat je in Egypte den +baas moogt spelen, omdat Amasis je toestaat aan de oevers van den +heiligen stroom te wonen!"--»Onbeschaamd volk, die Grieken! Weg met +hen!" riep een tempeldienaar.--»Weg met de zwijneneters [102], die +verachters der Goden!" klonk het van alle zijden. Reeds dreigde men tot +dadelijkheden over te gaan. Maar de politie-agenten toonden, dat zij +hier niet voor niets waren. Spoedig herstelden ze orde en rust, daarbij +een krachtig gebruik makende van hunne lange stokken. De groote bonte +zeilen, die zeer gemakkelijk te onderscheiden waren van de blauwe, +witte en bruine zeiltjes der kleine Nijlvaartuigen, kwamen intusschen +al nader en nader. De menigte was in gespannen verwachting. Thans +rezen de grootwaardigheidsbekleeders en de kroonprins van hunne +zitplaatsen op. De koninklijke trompetters deden eene schetterende, +oorverdoovende fanfare door de lucht weerklinken, en de eerste der met +ongeduld verbeide barken legde voor de oevertrap aan. Het vrij lange +vaartuig was rijk verguld, en voerde op den boeg het zilveren beeld +van een sperwer. In het midden van de bark was een gouden baldakijn +opgericht, met purperen hemel, waaronder lange matrassen lagen. Vóór +in het schip zaten aan weerszijden twaalf roeiers, wier schorten met +kostbare gordels waren vastgesnoerd [103]. + +Onder den troonhemel lagen zes mannen, allen sierlijk uitgedost en van +een statig voorkomen. Eer nog de bark aan den oever landde, sprong +de jongste hunner, die ook de voornaamste in rang scheen te zijn, +een schoon jongeling met blonde lokken, op de trap. Bij het zien van +dezen jongen man konden de lippen van menige Egyptische maagd een lang +gerekt »Ah!" niet weerhouden. Ja zelfs de strakke gelaatstrekken van +eenige waardigheidsbekleeders plooiden zich tot een welgevallig lachje. + +Hij, die aldus zoo algemeen de bewondering en de aandacht trok, was +Bartja [104], zoon van den overledenen en broeder van den regeerenden +koning van Perzië. De natuur had hem alles geschonken, wat een +jeugdig hart op twintigjarigen leeftijd zou kunnen wenschen. Van +onder de blauwe en witte banden, waarmede zijne tiara omwonden was, +kwamen dichte, goudgele haren in weelderige lokken te voorschijn. Uit +zijne helderblauwe oogen straalden levenslust, goedheid en dapperheid, +ja vermetelheid. Zijn edel gelaat, dat de eerste sporen vertoonde van +een baard, zou een waardig model zijn geweest voor den beitel van een +Griekschen beeldhouwer. Zijne ranke, gespierde gestalte getuigde van +groote kracht en ongemeene vlugheid. De pracht van zijn gewaad was +evenredig aan zijne schoonheid. In het midden van zijne tiara fonkelde +eene groote ster van diamanten en turkooizen. Zijn tot over de knie +reikend opperkleed van zwaar wit goudbrocaat, werd boven de heupen +door een gordel van blauw en wit [105] bijéengehouden. In dezen gordel +hing een kort zwaard met gouden scheede, die evenals het gevest, tot +overladens toe, met witte opalen en blauwe turkooizen bezet was. De +benedenkleederen. die nauw om de beenen sloten, bestonden evenals het +opperkleed uit goudbrocaat. Aan de voeten droeg hij lage schoenen van +lichtblauw leder. Zijne krachtige armen, die de wijde lange mouwen van +zijn kleed voor een groot deel zien lieten, waren met onderscheidene +kostbare armbanden van goud en edelgesteente versierd. Van zijn slanken +hals hingen gouden ketens tot op de hooggewelfde borst neder [106]. + +Deze jongeling was de eerste, die den oever betrad. Hem volgde Darius, +de zoon van Hystaspes, een aanzienlijke Pers, evenals Bartja van +koninklijken bloede en slechts weinig minder kostbaar gekleed dan +deze. De derde persoon die de bark verliet, was een grijsaard met +sneeuwwitte haren. Op zijn vriendelijk, zacht gelaat zetelden de +goedheid van het kind, de wijsheid van den ouderdom en de krachtige +geest van den man. Hij droeg een langen, purperkleurigen rok met +mouwen, en gele Lydische laarzen [107]. Zijn geheele voorkomen was +hoogst eenvoudig en zonder eenige aanmatiging. En toch was deze +nederige grijsaard eenmaal de meest benijdde man van zijn tijd, +met wiens naam thans nog het toppunt van aardschen rijkdom wordt +uitgedrukt. In hem leeren wij Cresus, den onttroonden koning van Lydië +kennen, die thans als vriend en raadsman aan het hof van Cambyzes +leefde, en den jongen Bartja als mentor naar Egypte vergezelde. Hem +volgden Prexaspes, de eigenlijke gezant van den koning, Zopyrus, de +zoon van Megabyzus, een Pers van adel, de vriend van Bartja en Darius, +en eindelijk Gyges, de magere, bleeke zoon van Cresus, die, in zijn +vierde levensjaar stom geworden, tengevolge van den doodsangst, dien +hij bij de inneming van Sardes ter wille van zijn vader had uitgestaan, +de spraak teruggekregen had. + +Psamtik steeg de trappen af en ging de vreemdelingen tegemoet, +intusschen beproevende zijn geelachtig, streng gelaat tot een minzamen +glimlach te plooien. De waardigheidsbekleeders, die hem volgden, bogen +zich bijkans ter aarde, terwijl zij de armen slap lieten neerhangen. De +Persen kruisten de handen over de borst, en wierpen zich voor den +kroonprins neder. Toen de eerste plichtplegingen voorbij waren, kuste +Bartja, volgens de gewoonte van zijn land, tot groote verbazing van +het volk, dat zoo iets nog nooit had aanschouwd, de gele wang van +den Egyptischen koningszoon, wien eene rilling door de leden ging bij +deze aanraking van de onreine lippen eens vreemdelings. Hierna begaf +hij zich met zijn gevolg naar de draagstoelen, die gereed stonden om +allen naar de voor hen in het koninklijk paleis te Saïs gereedgemaakte +verblijven te brengen. + +Een deel van het volk stroomde de vreemdelingen achterna; de meeste +toeschouwers bleven echter waar zij waren, wetende, dat zij nog +vele dingen zouden aanschouwen, die hunne oogen nooit te voren +hadden gezien. + +»Zoudt gij dien opgeschikten aap, en die andere Typhonskinderen [108] +naloopen?" vroeg een tempeldienaar, die alles behalve in zijn humeur +was, zijn buurman, een eerzamen kleermaker uit Saïs. + +»Ik verzeker u, Poehor, en ook de opperpriester heeft het gezegd, +dat deze indringers niets dan onheil over het zwarte land [109] +brengen! Och, konden wij dien goeden ouden tijd nog eens beleven, toen +geen vreemdeling, die zijn leven liefhad, den voet op Egyptischen bodem +durfde zetten. Thans wemelen letterlijk onze straten van Hebreeuwsche +bedriegers, maar vooral van die onbeschaamde Hellenen, die de Goden +mogen verdelgen. Daar, zie eens aan, dat is reeds de derde bark vol +vreemdelingen. En weet gij, wie die Persen zijn? De opperpriester heeft +gezegd, dat in hun gansche rijk, hetwelk de halve wereld omvat, geen +enkele tempel is voor de goden. Zij laten de lijken hunner dooden, +in plaats van ze eene eervolle begrafenis te gunnen, door de honden +en gieren opeten [110]." + +De kleermaker toonde zich over deze mededeeling niet weinig verbaasd en +nog meer verontrust. Met den vinger naar de aanlegplaats wijzende, riep +hij uit: »Zoo waarachtig als de zoon van Isis den Typhon vernietigt: +daar komt nu het zesde schip met vreemdelingen aan wal!" + +»Ja, wel is het erg!" zuchtte de tempeldienaar. »Men zou haast +denken, dat een geheel leger in aantocht was. Amasis zal het nog +zoover drijven, dat hem de vreemdelingen van den troon en het land +uit jagen; dat zij ons armen, evenals weleer de booze Hyksos [111], +die pestmenschen, en de zwarte Ethiopiërs hebben gedaan, uitplunderen +en tot slaven maken." + +»De zevende bark!" riep de kleermaker. + +»Mijne gebiedster Neith, de groote godin van Saïs, moge mij verderven;" +klaagde de tempeldienaar, »als ik den koning begrijp! Drie schepen +heeft hij naar dat vervloekte giftnest Naucratis gezonden, om de +bedienden en de pakkage der Perzische gezanten herwaarts over te +brengen. Maar die drie bleken bij lange na niet voldoende; nog vijf +andere schepen waren er noodig. Want behalve eene ongehoorde menigte +keukengereedschappen, honden, paarden, wagens, kisten, manden en balen, +hebben deze verachters der goden, deze lijkenschenners, een heir van +knechten duizend mijlen ver hierheen gevoerd. Onder dezen moeten er +zijn, die niets te doen hebben, dan kransen te vlechten of zalven +te bereiden [112]. Ook priesters, die zij magiërs noemen, hebben zij +bij zich. Nu zou ik wel eens willen weten, waarom zij er deze op na +houden? Want wat beduidt een priester waar niet eens een tempel is?" + + + +De grijze koning van Egypte, Amasis, had het Perzische gezantschap, +kort na zijne aankomst, met de hem zoo eigene minzaamheid bij zich +ten gehoore ontvangen. Vier dagen later ging hij, na de bezigheden, +waaraan hij zich geregeld iederen morgen wijdde, te hebben afgedaan, +met den ouden Cresus in den tuin van het paleis wandelen, terwijl de +overige leden van het gezantschap, onder geleide van Psamtik, een +tochtje op den Nijl naar Memphis deden. De koninklijke tuin, die, +hoewel volgens een veel grootscher plan, in denzelfden geest als +die van Rhodopis was aangelegd, bevond zich nabij den koningsburg, +die in het noordwestelijk gedeelte der stad op een heuvel was gelegen. + +De beide grijsaards zetten zich neder onder het lommer van eene +breedgetakte sykomore, niet ver van een reusachtig bekken uit rood +graniet gehouwen, waarin krokodillen van zwart bazalt, uit wijdgeopende +muilen, een overvloed van kristalhelder water spoten. Was de onttroonde +koning ook al eenige jaren ouder dan de machtige vorst aan zijne zijde, +zijn gelaat was toch veel frisscher en zijne gestalte veel krachtiger +dan die van Amasis. Deze, ofschoon overigens hoog gebouwd, ging reeds +gebogen; de beenen die zijn groot lichaam droegen waren bijzonder +schraal; zijn aangezicht was welgevormd, maar reeds gerimpeld. Een +jeugdig vuur straalde nog altijd uit zijne kleine, bliksemende oogen, +en een schalke, ja dikwerf spotachtige trek speelde voortdurend om +zijne dikke lippen. Het lage doch breede voorhoofd van den grijsaard +en zijn groote, schoongewelfde schedel getuigden van de kracht zijns +geestes [113]. De afwisselende kleur van zijn oog liet vermoeden, +dat deze zeldzame man, die zich van gemeen soldaat tot den troon der +pharao's had weten te verheffen, groote schranderheid bezat, doch ook +de macht der hartstochten kende. Zijn stemgeluid was hard en snijdend, +zijne bewegingen waren, in tegenstelling met de afgemetenheid van +den geheelen Egyptischen hofstoet, bijkans overdreven levendig. + +De houding van zijn metgezel was een koning waardig, doch tegelijk +bevallig. Zijn geheele wezen verried, dat hij veel met de edelste +Grieken verkeerd had. Thales, Anaximander en Anaximenes van Milete, +Bias van Priëne, Solon van Athene, Pittacus van Lesbos, de beroemdste +Helleensche wijsgeeren, hadden zich weleer als gasten aan den disch +van Cresus te Sardes vereenigd. Zijne volle, heldere stem klonk als +liefelijk gezang, bij het schrille geluid van Amasis. + +»Maar zeg mij thans onbewimpeld," sprak de pharao, in tamelijk vloeiend +Grieksch, »hoe Egypte u bevalt. Ik weet niemand, op wiens oordeel +ik hoogeren prijs stel, dan op het uwe. Want vooreerst kent gij de +meeste volken en landen van de wereld, ten andere hebben de goden u +de geheele ladder der fortuin op en af doen stijgen, ten derde zijt +gij niet tevergeefs zoo lang de eerste raadsman van den machtigste +aller koningen geweest. Ik zou wel willen, dat mijn rijk u zoo beviel, +dat gij genegen waart, als een broeder bij mij te blijven. Waarlijk, +Cresus, schoon de goden mij eerst gisteren uw aangezicht hebben doen +aanschouwen, zijt gij toch reeds lang mijn vriend." + +»En gij de mijne," haastte de Lydiër zich te zeggen. »Ik bewonder +u om den moed, waarmede gij uwe omgeving trotseert, en weet door te +zetten wat gij goed oordeelt. Ik ben u dankbaar voor de bescherming, +die gij mijne vrienden, de Hellenen, verleent. Ik beschouw u als een +lotgenoot, want ook gij hebt al het wèl en wee, dat het leven bieden +kan, bij ervaring leeren kennen!" + +»Met dit onderscheid echter," hernam Amasis glimlachend, »dat wij +op zeer verschillende wijze begonnen zijn. U viel eerst het goede, +daarna het kwade ten deel. Mij ging het juist omgekeerd, altijd +namelijk onderstellende," vervolgde hij zuchtende, »dat ik mij in +mijn tegenwoordigen toestand gelukkig gevoel." + +»En ook," vulde Cresus aan, »dat ik onder mijn zoogenaamd ongeluk +lijde." + +»Hoe zou dit anders kunnen zijn, na het verlies van zulk een heerlijk +rijk en zoo groote schatten?" + +»Is dan het geluk alleen te vinden in het bezit van aardsche goederen +of macht?" vroeg Cresus. »Is het wel in iets stoffelijks gelegen? Geluk +is niets anders dan eene gewaarwording, een gevoel, dat de wangunstige +goden eer den behoeftige schenken, dan den machtige, wiens anders zoo +heldere blik niet zelden door den glans van zijne schatten verblind +wordt, en wiens hart bloedt bij elke nederlaag. Zich bewust van +zijn kracht om veel te erlangen, moet hij telkens onderliggen in den +strijd om het bezit van alle goederen, die hij zou wenschen de zijne +te noemen, maar niet verkrijgen kan." + +Amasis zuchtte weder en antwoordde: »Ik wenschte wel, dat ik u van +dwaling kon overtuigen. Maar wanneer ik mij mijn verleden herinner, dan +moet ik bekennen, dat sedert het uur, hetwelk mij het zoogenoemde geluk +aanbracht, ook de zorgen mijns levens zich begonnen te doen gevoelen." + +»En ik verzeker u," liet Cresus er dadelijk op volgen, »dat ik +u dankbaar ben voor dit woord, al hebt ge het ook uws ondanks +gesproken, daar mij het uur, dat voor mij zoo noodlottig was, het +eerste waarachtige geluk te smaken gaf. Toen de Persen de muren van +Sardes beklommen, verwenschte ik mijzelven en de goden; haatte ik het +leven en vloekte ik mijn bestaan. Al vechtende week ik in vertwijfeling +met de mijnen terug. Daar zwaaide een krijgsknecht zijn zwaard over +mijn schedel; mijn sedert jaren stomme zoon viel den moordenaar in de +armen, en wederom hoorde ik het eerste woord uit dien dierbaren mond, +die door den angst was ontsloten. De tong van mijn spraakloos kind +Gyges was ontboeid, en ik, die de goden had gevloekt, boog mij voor +hun macht. Ik ontrukte den slaaf het staal, waarmede ik hem bevolen +had mij te dooden, als ik in de hand der Persen viel. Ik was een ander +man geworden en leerde langzamerhand de telkens weder boven komende +ontevredenheid over mijn lot en den weerzin tegen mijn edelen vijand +bedwingen. Gij weet, dat ik eindelijk Cyrus' vriend werd; dat mijn +zoon, die het gebruik van zijn spraakvermogen behield, naast mij als +vrij man mocht opgroeien. Al wat ik schoons in mijn langdurig leven +had gezien, gehoord en gedacht, vereenigde zich van nu aan voor mij in +dien eenigen, die mijn rijk, mijne kroon, mijn schat was geworden. Als +ik zag hoe de zorgen Cyrus dag noch nacht rust lieten, kreeg ik een +afkeer van mijne eigene vroegere grootheid en macht, en werd het mij +steeds duidelijker, waar het waarachtig geluk te vinden is. Een ieder +draagt het als eene verborgene kiem in zijn hart om. De tevredenheid en +het geduld, die den mensch in staat stellen zich niet alleen over het +groote en schoone, maar ook over den geringsten zegen te verblijden, +het leed zonder klachten aan te nemen, en het door de gedachten aan +een beter verleden te verzachten; dat zich zelven gelijkblijven onder +alle omstandigheden; het onwankelbaar vertrouwen op de bescherming +der goden, en de overtuiging, dat ook het ergste ons voorbijgaat, +wijl alles aan verandering en omkeer onderworpen is,--dit alles doet +ontwijfelbaar de in onze borst verborgene kiem des geluks rijpen, +en schenkt ons de kracht om te glimlachen, als het troetelkind van +de fortuin versaagt en vertwijfelt." + +Amasis luisterde aandachtig toe, terwijl hij inmiddels met den gouden +kop van een hazewind op zijn staf figuren in het zand teekende. Hij +zeide daarop: »Inderdaad, Cresus, ik, de groote God, de zon der +gerechtigheid, de zoon van Neith, de heer van den krijgsroem [114], +gelijk de Egyptenaren mij noemen, zou u, den armsten, den beroofden +en onttroonden vorst haast kunnen benijden. In vroeger dagen was +ik even gelukkig als gij thans zijt. Geheel Egypte kende mij, +den armen zoon van een hoofdman, en gewaagde van mijne dartelheid, +mijne guitenstreken, mijne luchthartigheid en mijn aan roekeloosheid +grenzenden moed. De gemeene soldaat droeg mij op de handen. Mijne +meerderen vonden veel in mij te berispen; maar uit liefde voor +den dollen Amasis zag men alles door de vingers. Mijne makkers, +de onderbevelhebbers van het leger, hadden geen genoegen op het +heerlijkste feest, als ik er niet bij was. + +»Op zekeren dag zond mijn voorganger, Hophra, ons ten strijde tegen +Cyrene. In de woestijn van dorst versmachtende, weigerden we verder +te trekken. Wij begonnen den koning te verdenken, dat hij ons in de +macht der Helleensche krijgsbenden wilde overleveren, en kwamen tot +openbaren opstand. Schertsend, als altijd, riep ik den vrienden toe: +Zonder koning kunt gij u niet redden, maakt mij dus tot uw vorst; +een vroolijker vindt gij zeker nergens! De soldaten hadden dit +woord vernomen. Amasis wil koning worden! klonk het van gelid tot +gelid, van mond tot mond. De goede, de vroolijke Amasis zij onze +koning! jubelde het gansche leger na weinige oogenblikken. Een mijner +oude tafelvrienden zette mij den veldheershelm op het hoofd, en toen +deed ik de scherts in ernst verkeeren. De hoofdmacht van het leger +sloot zich bij mij aan, en wij versloegen Hophra bij Momemphis. Het +volk nam aanstonds deel aan den opstand. Ik beklom den troon. Men +noemde mij gelukkig. Ik, die tot dusverre de vriend was van alle +Egyptenaren, werd spoedig de vijand van de besten in den lande. + +»De priesters huldigden mij en namen mij in hunne kaste op, maar alleen +omdat zij hoopten mij geheel naar hunne hand te kunnen zetten. Zij, +die vroeger boven mij stonden, benijdden mij, of wilden op denzelfden +toon als voorheen met mij blijven verkeeren. Ik begreep dat dit niet +mogelijk was en mijn gezag zou ondermijnen. Op zekeren dag, toen de +oversten van het leger bij mij ter maaltijd waren en met mij wilden +schertsen, wees ik hun op het gouden bekken, waarin men, voor wij aan +tafel gingen, hunne voeten gewasschen had. Vijf dagen later waren +zij wederom mijne gasten, en toen deed ik een gouden beeld van den +grooten god Ra [115] op den rijk voorzienen disch plaatsen. Zoodra +zij het beeld zagen, vielen zij neder om te aanbidden. Toen zij +wederom waren opgestaan, greep ik mijn schepter, hield dien plechtig +in de hoogte en riep: Dit beeld van den God heeft een mensch in vijf +dagen vervaardigd uit het verachte bekken, in hetwelk gij spuwdet, +en waarin men uwe voeten wiesch. Ik zelf was eens zulk een veracht +vat; de godheid evenwel, die beter en sneller dan een goudsmid weet +te scheppen, heeft mij tot uw koning gemaakt. Valt dus voor mij neder, +en aanbidt. Wie ongehoorzaam is, of voortaan den eerbied, dien hij den +koning verschuldigd is, uit het oog verliest, is des doods schuldig. + +»Zij vielen voor mij neder, allen. Mijne waardigheid was gered; maar +mijne vrienden had ik verloren. En nu gevoelde ik behoefte aan een +anderen, vasteren steun. Dezen vond ik bij de Hellenen. Éen Griek +is, wat de krijgstucht betreft, meer waard dan vijf Egyptenaren. Dat +wist ik, en met het oog hierop waagde ik het door te zetten, wat ik +voor mijzelven raadzaam achtte. Van toen af was ik altijd omringd +door Grieksche soldaten. Ik leerde hunne taal, en maakte door hunne +tusschenkomst kennis met den edelsten mensch, dien ik ooit ontmoette, +namelijk Pythagoras. Het werd mijn streven in Egypte Grieksche kunst en +Grieksche zeden in te voeren. Want ik was tot de overtuiging gekomen, +dat het allerdwaast is halsstarrig vast te houden aan het gebrekkige, +dat ons door de vaderen is overgeleverd; dat voor de hand lag wat +verbeterd moest worden; dat de Egyptische grond gereed was om het +goede zaad te ontvangen en slechts wachtte op de hand, die 't uit +zou strooien. + +»Ik maakte eene nieuwe en veel doelmatiger rijksverdeeling, +nam de beste maatregelen voor de openbare veiligheid, en het +gelukte mij veel door te zetten. Mijn hoogste doel evenwel, om +namelijk den Griekschen geest, den Griekschen schoonheidszin, den +Griekschen levenslust en de vrije Helleensche kunst in dit schoone, +weelderige en toch nog zoo onbeschaafde land ingang te doen vinden, +leed schipbreuk op de klip, die mij, zoodra ik op iets nieuws het +oog had, met een volkomen ondergang bedreigde. De priesters binden +mij de handen en werken mij tegen. Zij zijn mijne meerderen. Zij, +die niet bijgeloovigen eerbied aan alle overleveringen gehecht zijn, +voor wie al het vreemde een gruwel is, en die in iederen buitenlander +een natuurlijken bestrijder zien van hun gezag en hunne leerstellingen, +regeeren het godsdienstigste van alle volkeren met bijna onbeperkte +macht. En dit is de oorzaak, dat ik hun mijne beste plannen ten offer +moet brengen; dat ik, de minst vrije in geheel Egypte, mijn leven +naar hunne strenge inzettingen doelloos moet laten voorbijgaan; dat +ik onvoldaan zal sterven, en misschien bij mijn dood niet eens zeker +zal zijn, dat deze toornige en trotsche middelaars tusschen den mensch +en de godheid mij de eeuwige ruste in het graf zullen gunnen!" + +»Bij Zeus, den vader der goden en menschen, arme gelukkige!" viel +Cresus thans meewarig den koning in de rede, »ik begrijp uwe +klacht. Want hoewel ik gedurende mijn langdurig leven reeds menigeen +heb gekend, die somber en afgetrokken zijne dagen sleet, zoo kon ik +toch niet denken, dat er een geheel geslacht van menschen zou bestaan, +die allen met dezelfde somberheid bedeeld zijn, gelijk de slangen met +gifttanden. Zoovele priesters als ik op mijne reize hierheen en aan uw +hof ontmoet heb, zoovele norsche en wrevelige aangezichten heb ik ook +gezien. Zelfs de jongelingen die u bedienen, zag ik zelden lachen; +en vroolijkheid pleegt toch, als de schoonste gave der godheid, +een kenmerk der jeugd te zijn, gelijk de bloemen dat der lente." + +»Gij zoudt u zeer vergissen," antwoordde Amasis, »indien gij alle +Egyptenaren voor sombere menschen wildet houden. Onze godsdienst +eischt wel, dat wij steeds ernstig aan den dood zullen denken, +maar overigens zult gij ternauwernood een volk vinden, dat zoo +geneigd is tot vroolijke scherts. Is er aanleiding tot feestvreugde, +geen volk zal zoo gemakkelijk alle zorgen vergeten en zoo uitgelaten +jubelen als het mijne. Maar uwe tegenwoordigheid aan mijn hof is den +priesteren een doorn in het oog, en zij laten mij hun wrevel over +mijne gemeenzaamheid met u als vreemdeling duidelijk gevoelen. Die +knapen op welke gij doelt, de zonen der aanzienlijksten onder hen, zijn +de grootste plaag van mijn leven. Zij bewijzen mij slavendiensten en +vliegen op elk mijner wenken. Men zou hen, die hunne kinderen eene zoo +nederige betrekking laten vervullen, oppervlakkig voor de gehoorzaamste +en eerbiedigste dienaren houden van een vorst, dien zij als een God +vereeren. Maar geloof mij, Cresus, juist achter dit offer van hunne +zijde, dat geen koning zonder te beleedigen van de hand kan wijzen, +schuilt eene fijne en listige berekening. Ieder dezer jongelingen is +mijn bewaker, mijn spion. Ik kan geene hand verroeren, zonder dat zij +het weten. En wat zij te weten komen, wordt in hetzelfde uur aan de +priesters overgebracht." + +»Maar hoe kunt gij zulk een leven verdragen? Verban deze schandelijke +spionnen uit uwe tegenwoordigheid, en kies uwe dienaren, bijvoorbeeld +uit de kaste der krijgslieden, die u niet minder nuttig kan zijn dan +die der priesters." + +»Kon ik maar, durfde ik slechts!" riep Amasis. Doch opeens ging hij +voort op zachter toon, als ware hij van zichzelf geschrikt: »Ik geloof +zeker dat men ons beluistert! Morgen zal ik het vijgenboschje daar +ginds laten uitroeien. Het is dien jongen, priesterlijken hovenier, +die daar de nog nauwelijks rijpe vijgen plukt, stellig om andere +vruchten te doen, dan die hij zoo langzaam in zijn korfje legt. Met +zijne hand zamelt hij het ooft in, en met zijn oor de woorden uit +den mond zijns konings..." + +»Maar bij vader Zeus en Apollo!..." + +»Ik begrijp uwe verbazing," vervolgde Amasis fluisterend, »en kan er +in deelen. Maar ieder recht brengt zijne plichten mede. Als koning +van dit land, waarin men de overlevering als hoogste godheid vereert, +moet ik mij aan het duizenden jaren oude hofceremoniëel, althans +voorzoover de hoofdzaak betreft, onderwerpen. Waagde ik het mijne +kluisters te verbreken, dan kon ik mij verzekerd houden, dat men +mijn lijk onbegraven zou laten liggen. Want weet, dat de priesters +over iederen afgestorvene een doodengericht houden, en een iegelijk +dien zij schuldig oordeelen de ruste van het graf ontzeggen [116]. De +genegenheid die zij voor mijn zoon koesteren, waarborgt mijne mummie +wel eene eerlijke begrafenis. Doch wat mijn lijk te wachten staat +van hen, die voor de doodenoffers moeten zorgen...." + +»Wat bekommert ge u om het graf!" riep Cresus met eenigen wrevel. »Men +leeft voor het leven, niet voor den dood!" + +»Zeg liever," hervatte Amasis, opstaande, »wij, die als Grieken +denken, achten een schoon leven het hoogste, wat een mensch ten deel +kan vallen. Ik echter, Cresus, dank mijn bestaan aan een Egyptischen +vader, ik ben door eene Egyptische moeder gezoogd, met Egyptische +spijze gevoed, en heb ik ook veel van de Hellenen overgenomen, +in mijn innerlijk wezen blijf ik toch steeds Egyptenaar. Wat ons +in onze kindsheid is aangeprezen, en in onze jeugd als heilig en +goed is voorgesteld, dat leeft in ons hart voort, totdat men ons +wikkelt in het lijkkleed der mummiën. Ik ben een grijsaard en heb +nog slechts een kort eindwegs af te leggen, om den grenspaal te +bereiken, waar de onbekende toekomst aanvangt. Zal ik nu, om mijne +nog weinige levensdagen te verzoeten, de duizenden jaren, die mij +bij den dood wachten, verbitteren? Neen, mijn vriend! juist hierin +ben ik Egyptenaar gebleven, dat ik als al mijne landgenooten vast en +zeker geloof, dat van het behoud mijns lichaams, de woning der ziel, +het geluk van mijn tweede leven [117] afhankelijk is, wanneer ik nog +niet waardig word bevonden om op te gaan in de wereldziel en, zelf +een bestanddeel dier ziel, als Osiris deel te nemen aan het bestuur +van al het geschapene. Maar genoeg van deze dingen, die gij toch niet +verstaat. Beantwoord liever mijne vraag: Hoe bevallen u onze tempels +en onze pyramiden?" + +Cresus bedacht zich een oogenblik, waarna hij glimlachend antwoordde: +»De steenmassa's der pyramiden maken op mij den indruk, als waren zij +door de onmetelijke woestijn, de bonte zuilengangen uwer tempels, als +waren zij door de bloeiende lente geschapen. Maar terwijl de sphinxen, +die tot de tempelpoorten leiden, den weg naar het heiligdom wijzen, +zoo schijnen de steile, vestingachtige muren der pylonen opgetrokken om +ieder af te weren. Evenzoo hebben de veelkleurige hiëroglyphen-beelden +iets aantrekkelijks, maar geheimzinnig als ze zijn, schrikken zij +den onderzoekenden geest af. Overal staan beelden van uwe goden in +allerlei gestalten, zoodat men ze zien moet, of men wil of niet, en +toch vermoedt ieder, dat ze iets anders beteekenen dan zij voorstellen, +dat zij, naar ik hoor, de zinnebeelden zijn van diepe gedachten, die +maar weinige menschen begrijpen kunnen. Alles trekt mijne aandacht, +alles wekt mijne belangstelling, doch mijn warm gevoel voor het +schoone wordt door niets van wat ik zie weldadig aangedaan, veel +minder bevredigd. Indien mijn geest mocht willen indringen in de +geheimnissen van uwe wijze mannen, zou mijn hart en mijn verstand +toch zeker vreemd blijven aan de hoofddenkbeelden, waarop uw denken, +leven en streven berust. Zij schijnen mij te leeren, dat men het +leven heeft te beschouwen als eene korte bedevaart naar het graf, +den dood daarentegen als het eigenlijke, ware leven." + +»En toch wordt ook door ons het leven, dat men door heerlijke feesten +opluistert, in zijne volle waarde erkend, heeft ook voor ons het graf +zijne verschrikkingen, en poogt men den dood te ontvluchten, wanneer +hij zich vertoont. Onze geneesheeren zouden niet zoo beroemd en geëerd +zijn, als men hun het vermogen niet toeschreef om ons aardsche leven +te verlengen. Doch dit doet mij aan den oogarts Nebenchari denken, dien +ik naar Susa zond, om den koning zijne diensten te bewijzen. Handhaaft +hij zijn roem, is men tevreden over hem?" + +»Uitmuntend," antwoordde Cresus. »Zulke vertegenwoordigers der +wetenschap doen uw land eer aan. Het was ook Nebenchari, die Cambyzes +het eerst sprak over de bevalligheid uwer dochter. Reeds vele blinden +heeft hij hersteld, maar 's konings moeder mist helaas nog altijd het +gezicht. Wij bejammeren het slechts, dat hij alleen bedreven is in +de oogheelkunde. Toen de prinses Atossa de koorts had, was hij niet +te bewegen haar eenigen raad te geven." + +»Dat is zeer natuurlijk, daar onze geneesmeesters ieder slechts éen +bepaald deel van het lichaam mogen behandelen. Wij hebben hier oor-, +tand- en oogartsen, dokters voor beenbreuken, en weer andere voor +inwendige ziekten. Overeenkomstig de oude priesterlijke verordeningen, +mag een tandendokter geen doove, een beenarts geen ingewandslijder +behandelen, ook al ware hij volkomen bekend met het geheele +inwendige samenstel van het lichaam [118]. Deze verordening heeft +ten doel, meerdere grondigheid in de beoefening van de geneeskunde +te bevorderen. Nu is het zeker ook waar, dat de priesters, waartoe de +artsen behooren, over het algemeen zich met hoogst loffelijken ernst op +de wetenschap toeleggen. Ginds ziet gij het huis van den opperpriester +Neithotep, wiens sterren- en meetkundige kennis zelfs door Pythagoras +hoog geroemd werd. Het staat naast den zuilengang, die tot den tempel +der godin Neith, de gebiedster van Saïs, toegang verleent. Ik wenschte +dat het mij geoorloofd ware, u het heilige bosch met zijne prachtige +boomen, de kostbare zuilen van het heiligdom, welker kapiteelen in den +vorm van lotusbloemen [119] zijn uitgehouwen, en de kolossale kapel van +graniet, die ik te Elephantine uit een enkelen steen liet vervaardigen, +tot een geschenk voor de godin [120], te toonen. De priesters hebben +mij echter uitdrukkelijk verzocht ook u niet verder te brengen dan +tot aan den ringmuur en het poortgebouw van den tempel. Kom, laat +ons thans tot mijne vrouw en dochters gaan, die u ook reeds als een +oud vriend liefhebben. Ik hoop, dat gij het arme kind zult bewijzen, +dat gij waarlijk haar vriend zijt, voordat gij met haar henen trekt +naar het verre land en tot de vreemde menschen, wier vorstinne zij +wezen zal. Niet waar, gij wilt toch wel haar beschermer zijn?" + +»Verlaat u daarop," verzekerde Cresus, de hand drukkende, die Amasis +hem toereikte. »Ik wil uwe Nitetis als een vader ter zijde staan, en +mijne hulp zal niet gansch overbodig zijn. De vrouwenvertrekken der +Perzische paleizen hebben een glibberigen bodem. Maar ik verzeker u, +dat zij met achting en onderscheiding bejegend zal worden. Cambyzes +mag over zijne keuze tevreden zijn, en hij zal er zich zeker zeer +erkentelijk voor betoonen, dat gij hem uw schoonste kind hebt +afgestaan. Want ofschoon Tachot niet minder aanvallig schijnt dan +Nitetis, zoo onderscheidt deze laatste zich toch door hare fiere +houding, hetgeen eene toekomstige koningin van Perzië niet zal +misstaan. Nebenchari had slechts van uwe dochter Tachot gesproken." + +»En toch geef ik u mijne schoone Nitetis mede. Tachot is zoo teer en +zwak, dat zij de vermoeienissen van de reis en de smart der scheiding +nauwelijks zou kunnen doorstaan. Handelde ik naar de inspraak van mijn +hart, zoo behield ik ook Nitetis bij mij. Maar Egypte heeft behoefte +aan vrede, en ik was koning eer ik vader werd!" + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + +De overige leden van het Perzische gezantschap waren van hun +tochtje langs den Nijl naar de pyramiden te Saïs teruggekeerd; alleen +Prexaspes, de gezant van Cambyzes, had reeds de terugreis naar Perzië +aanvaard, om den koning bericht te brengen van den gunstigen uitslag +zijner zending. In het groote paleis van Amasis heerschten de grootste +drukte en vroolijkheid. Het gevolg der gezanten van Cambyzes, dat +uit bijna driehonderd personen bestond, en de aanzienlijke gasten, +aan wie men alle denkbare oplettendheden bewees, vulden alle zalen van +het vorstelijk verblijf te Saïs, terwijl de hoven en pleinen wemelden +van lijfwachten en waardigheidsbekleders, jonge priesters en slaven, +allen in den rijksten feestdosch. + +De koning wilde heden, op een feest ter eere van de verloving zijner +dochter, al den rijkdom en de pracht van zijn hof op eene luisterrijke +wijze ten toon spreiden. De hooge receptiezaal, welker blauw geverfde +zoldering, met rijk gesierde beelden voorzien, gedragen werd door +bontbeschilderde zuilen, had het uitzicht op den tuin en maakte een +waarlijk betooverenden indruk. Aan de met beelden en hiëroglyphen +rijk beschilderde wanden en zuilen hingen lampen van gekleurd +papyrus, die een vreemdsoortig licht verspreidden, niet ongelijk aan +dat der zonnestralen, die door geschilderde glasruiten vallen. De +ruimte tusschen de wanden en pilaren was met uitgelezene tamarisken, +bladplanten en bloeiende struiken opgevuld, en achter deze waren een +aantal harp- en fluitspelers verborgen, die de gasten met feestelijke, +hoewel zeer eentonige melodieën ontvingen [121]. Op het midden van +den vloer, die met steenen van wit en zwart marmer was ingelegd, +stonden sierlijke tafels, waarop koud gebraad, zoete gerechten, net +gerangschikte korven met vruchten en koeken, gouden wijnkruiken, +glazen bekers en kunstige bloemvazen waren geplaatst. Rondom de +tafels was eene menigte rijk getooide slaven druk in de weer, die, +onder de leiding van den hofmeester, de gasten spijzen en dranken +aanboden. Deze onderhielden zich met elkander; hetzij staande, hetzij +in leunstoelen gezeten. + +Het gezelschap bestond uit mannen en vrouwen van elken leeftijd. Aan +de vrouwen die binnentraden boden jonge priesters, de persoonlijke +dienaren des konings, sierlijke bloemruikers aan. Ook had menig +aanzienlijk jongeling bloemen medegebracht, die hij in den loop van +het feest aan de uitverkorene van zijn hart niet alleen overhandigde, +maar dicht onder den neus hield. De Egyptenaars, die gekleed waren als +bij gelegenheid van de ontvangst der Perzische gezanten, gedroegen +zich zeer hoffelijk, ja bijna onderdanig jegens de vrouwen, onder +welke zich weinige uitstekende schoonheden bevonden. Wel is waar was +er een zekere tooverglans op te merken in menig ovaalvormig oog, die +nog verhoogd werd doordat de randen met zeker blanketsel, "mestem" +[122] geheeten, waren beschilderd. Het hoofdhaar van de meesten was +naar hetzelfde model gekapt, en wel zóo, dat de gefriseerde golvende +lokken allen naar achteren vielen, en van voren zorgvuldig achter de +ooren waren gestreken, behalve dat er rechts en links een haarlok +was bespaard, die bezijden de oogen tot op de borst neerhing. Een +breede diadeem hield dit kapsel samen, waartoe niet minder de kapper, +gelijk de kameniers maar al te goed wisten, dan de natuur het hunne +hadden gedaan. Bij enkele hofdames was over den schedel een lotusbloem +gelegd, welker stengel langs het achterhoofd neerhing. In de fijne +met ringen beladene vingers, waarvan de nagels, naar Egyptische +gewoonte, rood waren geverfd, hielden zij waaiers van veelkleurige +vederen. De bovenarm, het handgewricht, en de enkels waren met +gouden en zilveren ringen getooid. Voorts was de kleeding van al +de aanwezige Egyptische dames even schoon als kostbaar, namelijk +door fijnheid en doorzichtigheid van weefsel, en bij de meeste zoo +uitgesneden, dat de rechterborst onbedekt bleef. Gelijk zich onder +de mannen de jonge Perzische koningszoon, Bartja, door schoonheid en +bevalligheid onderscheidde, evenzoo was Nitetis, de dochter van den +pharao, verreweg de bekoorlijkste onder al de Egyptische vrouwen. De +koninklijke maagd, die in een doorschijnend rozerood gewaad gehuld, +met frissche rozen in het zwarte haar, aan de zijde harer eveneens +gekleedde zuster door de zaal wandelde, was bleek als de lotusbloem, +die het hoofd harer moeder sierde. + +De koningin Ladice [123], eene geborene Griekin, de dochter van +Battus van Cyrene, ging aan de zijde van Amasis, om de jonge Persen +aan hare dochters voor te stellen. Een dun kanten kleed hing als een +doorzichtige nevel over haar vorstelijk gewaad van met goud doorwerkte +purperstof. Op het schoongevormde Grieksche hoofd droeg zij een gouden +Uraeus-slang, het hoofdsieraad van de Egyptische vorstinnen [124]. Haar +gelaat was even edel als bekoorlijk, en elke harer bewegingen kenmerkte +zich door eene vlugheid en bevalligheid, die alleen eene Helleensche +opvoeding vermocht te geven. Toegevende aan zijne ingenomenheid met +de Grieken, en den toorn der priesters trotseerende, had Amasis deze +vrouw na den dood zijner tweede gade, de Egyptische Tentcheta [125], +de moeder van den troonopvolger Psamtik, tot zijne koningin verheven. + +De beide meisjes aan de zijde van Ladice, Tachot en Nitetis, +werden tweelingzusters genoemd; maar zij vertoonden geen spoor dier +gelijkenis, welke anders tusschen tweelingen gewoonlijk bestaat. Tachot +had blauwe oogen, blonde haren en eene fraaie doch kleine gestalte +[126]. Nitetis daarentegen was groot en kloek, zij had zwarte oogen en +haren, terwijl zij in elk harer bewegingen hare koninklijke afkomst +verried. + +»Wat ziet gij bleek, mijne dochter," sprak Ladice, Nitetis op de wang +kussende. »Wees opgeruimd en zie getroost de toekomst tegemoet. Ik +stel u den broeder voor van uw toekomstigen gemaal, den edelen Bartja." + +Nitetis sloeg hare verstandige donkere oogen op, en liet ze lang +met een onderzoekenden blik op den schoonen jongeling rusten. Deze +boog zich diep, kuste het kleed der blozende maagd, en zeide: »Wees +gegroet, als mijne toekomstige koningin en zuster! Gaarne geloof ik, +dat u het afscheid van vaderland, ouders, zusters en vriendinnen het +hart beklemt. Heb niettemin goeden moed, want uw gemaal is een groot +held en een machtig koning. Onze moeder Cassandane is de edelste der +vrouwen, en vrouwelijke schoonheid en deugd worden door de Persen +geëerd als het levenwekkende licht der zon. U, zuster van de lelie +Nitetis, wie ik nevens haar 'de roos' zou kunnen heeten, u bid ik om +vergeving dat wij gekomen zijn om u de liefste vriendin te ontrooven." + +De blikken van den jongeling ontmoetten, terwijl hij deze woorden +sprak, de blauwe oogen der schoone Tachot, die, terwijl zij de hand +tegen het hart drukte, zwijgend eene buiging maakte en Bartja nog +lang nastaarde, toen Amasis hem met zich voorttrok, om hem de stoel +aan te wijzen tegenover de danseressen, die zooeven begonnen waren +tot vermaak der gasten hare kunsten te vertoonen. Deze meisjes, +slechts in een dun onderkleed gehuld, spreidden op de maat van harpen +en tamboerijns de grootste vlugheid en buigzaamheid van leden ten +toon. Vervolgens gaven Egyptische zangers [127] hunne liederen, +en potsenmakers hunne grappen ten beste. + +Eindelijk verlieten eenige hovelingen de zaal, omdat zij, door +het overmatig gebruik van wijn, hunne deftige houding niet meer +wisten te bewaren [128]. De vrouwen begaven zich in bontgekleurde +draagstoelen huiswaarts, afgehaald door slaven, die de fakkels +droegen. Alleen de krijgsoversten, de Perzische gezanten en eenige +waardigheidsbekleeders, bijzondere vrienden van Amasis, werden door den +hofmeester teruggehouden, als zij zich insgelijks wilden verwijderen, +en in eene kostbaar versierde zaal geleid, waar eene op Grieksche +wijze aangerichte tafel, waarop een reusachtig mengvat prijkte, +tot een nachtelijk drinkgelag noodigde. + +Amasis zat op een hoogen leunstoel aan het hoofd van de tafel, aan +zijne linkerhand was Bartja, aan zijne rechter- de grijze Cresus +geplaatst. Behalve deze en de vertrouwelingen van den Pharao, +bevonden zich ook de ons bekende vrienden van Polycrates, Theodorus +en Ibycus, alsook de nieuw benoemde overste der Helleensche lijfwacht +Aristomachus, onder de gasten van den koning. Amasis, dien wij nog +maar kort geleden zoo ernstig met Cresus hoorden spreken, had thans +alle zorgen op zijde gezet, en gaf zich over aan vroolijke scherts. Het +was of hij weder de uitgelaten onderbevelhebber, de lustige drinkebroer +was van weleer. Hij scheen onuitputtelijk in spotternijen en geestige +zetten, en menigeen zijner gasten moest het zich getroosten, ten +doelwit te verstrekken aan de luimige aardigheden van zijn heer en +meester. Een schaterend gelach beantwoordde, ofschoon soms gedwongen, +zijne scherts. Beker op beker werd geledigd en de feestvreugde had +haar toppunt bereikt, toen de hofmeester met eene kleine vergulde +mummie binnentrad, en deze aan het gezelschap vertoonende uitriep: +»Drinkt, schertst en zijt vroolijk, want slechts al te spoedig zult +gij aan deze gelijk zijn" [129]. + +»Is men hier te lande altijd bij feestmalen gewoon, de gasten op +deze wijze aan den dood te doen gedenken," vroeg Bartja, ernstiger +wordende, aan den koning, »of is dit eene aardigheid, die zich uw +hofmeester slechts bij deze gelegenheid veroorlooft?" + +»Sinds eeuwen," antwoordde Amasis, »pleegt men de gasten zulke mummiën +voor te houden, om de feestvreugde te verhoogen, en de vrienden te +herinneren, dat men moet genieten zoolang het tijd is. Gij, jonge +vlinder, hebt nog vele jaren van vreugde te goed; wij oudjes echter, +vriend Cresus, zullen wel doen met de ons gegevene waarschuwing in acht +te nemen.--Schenker, vul schielijk onze bekers, opdat geen oogenblik +des levens ongebruikt voorbijga!--Gij zijt een stevig drinker, gij +Pers met uwe goudgele haren! Waarachtig, de groote goden hebben u +zoowel eene flinke keel, als schoone oogen en eene bevallige gestalte +geschonken. Laat mij u kussen, mijn beste jongen, gij ondeugd!--Wat +zegt gij er wel van, Cresus? Mijne dochter Tachot spreekt van niemand +anders dan van dezen melkbaard, die eerst met zijn betooverenden blik +en daarna met zoete woordjes haar hoofdje op hol schijnt te hebben +gebracht.--Nu, nu, gij behoeft niet te blozen, jonge wildzang! een +man als gij mag wel naar koningsdochters vrijen. Maar, al waart gij +uw vader Cyrus zelf, Tachot geef ik niet mede naar Perzië!" + +»Vader!" viel de kroonprins Psamtik, den koning in de rede en +fluisterde hem toe: »Vader, betoom uw tong en denk aan Phanes!" De +koning zag zijn zoon aan met een donkeren blik, volgde evenwel zijn +raad, en als ware zijn tong verlamd, mengde hij zich van nu aan +slechts zelden in het gesprek, dat meer algemeen werd. + +Aristomachus, die schuins over Cresus zat, had tot nog toe zonder +een enkel woord te uiten, of met de lachers over de scherts van den +koning in te stemmen, de Persen onafgebroken gadegeslagen. Toen nu +de pharao ophield het hoogste woord te voeren, wendde hij zich op +eenmaal tot Cresus, met de vraag: »Ik wenschte wel te weten, Lydiër, +of de bergen met sneeuw bedekt waren, toen gij Perzië verliet?" + +Verwonderd en glimlachende over dit vreemde begin, antwoordde Cresus: +»De meeste bergen van het Perzische gebergte prijkten met heerlijk +groen, toen wij vóor vier maanden naar Egypte opbraken. Maar er zijn +hooger bergtoppen in het gebied van Cambyzes, op welke zelfs in het +heetst van den zomer de sneeuw niet smelt [130], en deze zagen wij +in het zonlicht schitteren, toen wij naar de vlakte afdaalden." + +Het gelaat van den Spartaan nam onmiddellijk eene vroolijker +uitdrukking aan. Cresus, die in den ernstigen man behagen schepte, +vroeg hem naar zijn naam. + +»Ik heet Aristomachus." + +»Dien naam heb ik meer gehoord." + +»Gij hebt vele Hellenen leeren kennen, en velen dragen denzelfden +naam als ik." + +»Naar uwe uitspraak te oordeelen, behoort gij tot de Doriërs. Zijt +gij misschien een Spartaan?" + +»Ik was het." + +»Zoo zijt gij het dus niet meer?" + +»Wie het vaderland zonder verlof verlaat, is des doods schuldig." + +»Verliet gij het vrijwillig?" + +»Ja!" + +»Waarom?" + +»Om de schande te ontvluchten." + +»Wat hadt gij misdreven?" + +»Niets!" + +»Gij werdt dus ten onrechte van misdaad beschuldigd?" + +»Ja!" + +»Wie was de bewerker van uw ongeluk?" + +»Gij!" + +Cresus stond driftig op. De ernstige toon en het sombere gelaat van den +Spartaan maakten het hem onmogelijk hier aan scherts te denken. Ook +de in de nabijheid der beide mannen aanzittende gasten, die dit +vreemdsoortige onderhoud gevolgd hadden, ontstelden, en verzochten +Aristomachus om eene verklaring van zijne geheimzinnige woorden. + +De Spartaan aarzelde. Men kon het hem aanzien dat hij liefst +gezwegen had. Eindelijk echter, toen ook de koning hem tot spreken +drong, begon hij: »Ingevolge de uitspraak van het orakel, hadt gij, +Cresus, ons Lacedaemoniërs, als de machtigste stam der Hellenen, +tot uwe bondgenooten tegen de Persen gekozen, en ons het goud, +dat er noodig was voor het beeld van Apollo-Herme op den berg +Thornax, geschonken. De ephoren besloten daarop u, ten bewijze onzer +dankbaarheid, een reusachtig groot en kunstig bronzen mengvat aan +te bieden. Tot overbrenger daarvan koos men mij uit. Alvorens wij +Sardes bereikten, werd ons schip door een storm vernield. Het kostbare +mengvat verzonk in de diepte. Wij konden alleen ons leven op de kust +van Samos redden. Zoodra wij in het vaderland terug waren gekeerd, werd +ik door afgunstige vijanden beschuldigd, het schip en het mengvat aan +Samische kooplieden verkocht te hebben. Daar men mij niet van schuld +kon overtuigen en tot mijn ondergang besloten had, werd ik veroordeeld +om twee dagen en twee nachten in de boeien te staan. Des nachts smeedde +men mijn voet aan het schandblok vast. Voordat de morgen over mijne +onteering aanbrak, kwam mijn broeder heimelijk tot mij en bracht +mij een zwaard, opdat ik mij zelven zou doorsteken. Maar ik kon niet +sterven, zonder mij op die ellendelingen gewroken te hebben. Daarom +hieuw ik mijn vastgesmeden voet van het been af, en verborg mij +tusschen de biezen aan den oever van den Eurotas. Mijn broeder bracht +mij in stilte spijs en drank. Binnen twee maanden kon ik weder op dit +houten been gaan. De van verre treffende Apollo belastte zich met mijne +wraak, en mijne beide grootste vijanden stierven aan de pest. Maar +toch durfde ik niet in het vaderland terugkeeren. Eindelijk ging ik +te Gythium scheep, om met u, Cresus, van Sardes uit, tegen de Persen +strijd te voeren. Toen ik te Teos aan land stapte, vernam ik dat gij +geen koning meer waart. De groote Cyrus, de vader van dezen schoonen +jongeling, had binnen weinige weken het machtige Lydië veroverd, +en den rijksten koning tot een bedelaar gemaakt." + +Al de gasten staarden den ernstigen krijgsheld vol verwondering +aan. Cresus schudde hem krachtig de hand. De jonge Bartja riep in +vervoering: »Spartaan, ik wenschte dat ik u naar Susa kon medenemen, +om mijn vrienden te toonen wat ik gezien heb, namelijk den moedigsten +en eerbiedwaardigsten aller menschen!" + +»Geloof mij jongeling," antwoordde Aristomachus glimlachende, »ieder +Spartaan zou even als ik gehandeld hebben. Bij ons te lande behoort +er meer moeds toe om laf, dan wel om dapper te zijn!" + +»Maar gij, Bartja," riep Darius, de neef van den koning van Perzië, +»zoudt gij het hebben kunnen verdragen, aan den schandpaal te staan?" + +Bartja bloosde, doch 't was hem aan te zien, dat ook hij den dood +boven de schande zou hebben verkozen. + +»En gij, Zopyrus?" vroeg Darius, zich tot den derden jongen Pers +wendende. + +»Ik zou uit louter vriendschap voor ulieden mij zelven +verminken!" [131] riep deze, en drukte onder de tafel de handen zijner +beide vrienden. + +Psamtik zag de jonge helden aan met een spottenden lach. Cresus, Gyges +en Amasis beschouwden hen met het grootste welgevallen. De Egyptenaren +wisselden onderling veelbeteekenende blikken, en de Spartaan beschouwde +de jonge helden met innige vergenoegdheid. Thans verhaalde Ibycus van +het orakel, dat aan Aristomachus het uitzicht had geopend om, wanneer +een ruiterschaar van de met sneeuw bedekte bergen zou afdalen, naar +zijn vaderland teruggeroepen te zullen worden, en gewaagde daarbij +van de gastvrije woning van Rhodopis. + +Psamtik werd onrustig toen hij dezen naam hoorde uitspreken. Cresus +deed blijken, dat hij de oude Thracische vrouw gaarne zou leeren +kennen, van wie Aesopus hem zooveel goeds en schoons had verhaald. En +toen de gasten, voor het meerendeel in bijna bewusteloozen toestand, +de zaal verlieten, scheidden ook de onttroonde koning, de dichter, de +beeldhouwer en de Spartaansche held, met de afspraak, den volgenden +dag naar Naucratis te gaan, om eenige aangename uren te slijten in +gesprekken met Rhodopis. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + +Koning Amasis had zich, na het beschrevene gastmaal, nauwelijks drie +uren slaaps gegund. Gelijk alle andere dagen werd hij ook heden, +bij het eerste hanengekraai, door jonge priesters gewekt. Als altijd +geleidden zij hem naar het bad, tooiden hem vervolgens met zijn +koninklijk plechtgewaad, en voerden hem naar het altaar in den voorhof +van het paleis, alwaar hij voor de oogen des volks zijn offer bracht, +terwijl de opperpriester met luider stemme gebeden zong, de deugden +des konings opsomde en, om elke overtreding van het vorstelijk hoofd +af te weren, zijne slechte raadslieden voor alle vloek waardige, +in onwetendheid bedrevene zonden verantwoordelijk stelde. Als op +alle andere dagen vermaanden hem de priesters, terwijl zij zijne +voortreffelijke hoedanigheden ophemelden, tot het goede, lazen zij +hem de edele daden en ondernemingen van groote mannen uit de heilige +schriften voor, en geleidden hem dan naar zijne vertrekken, alwaar +brieven en berichten uit alle deelen van het land zijne aandacht +vereischten [132]. Aan deze iederen morgen wederkeerende ceremoniën +onderwierp Amasis zich zonder morren, en met de grootste nauwgezetheid +wijdde hij zich, gedurende de daartoe bestemde ochtenduren, aan den +arbeid en de belangen des rijks. Het overige van den dag gebruikte +hij naar hem goed dacht, en meestal bracht hij dit door in vroolijk +gezelschap. Daarom verweten de priesters hem, dat hij een onkoninklijk +leven leidde. Eens gaf hij echter den vertoornden opperpriester ten +antwoord: »Ziet gij dezen boog? Als gij dien onafgebroken gespannen +houdt, zal hij spoedig zijne kracht verloren hebben; gebruikt gij +hem echter den halven dag, om hem verder rust te gunnen, zoo blijft +hij sterk en bruikbaar, totdat de pees breekt." + +Amasis had juist den laatsten brief gelezen, inhoudende het verzoek +van een nomarch [133] om gelden voor onderscheidene afdammingen [134], +die na de overstrooming noodzakelijk moesten gemaakt worden, en op +dat verzoek toestemmend beschikt, toen een der dienaren hem meldde, +dat de kroonprins Psamtik zijn vader voor eenige oogenblikken gehoor +verzocht. Amasis, die recht verheugd over de gunstige berichten uit +alle deelen des lands, den binnenkomende met een vergenoegden glimlach +had welkom geheeten, werd op eenmaal ernstig en afgetrokken. Na +lang aarzelen antwoordde hij evenwel: »Ga, en zeg den prins, dat hij +komen kan!" + +Het gelaat van Psamtik was bleek en somber als altijd, toen hij den +drempel van zijn vaders vertrek overschreed, en zich diep en met +eerbied nederboog. + +Amasis dankte hem zwijgend met een wenk; daarop vroeg hij hem kortaf +en op ijskouden toon. »Wat begeert gij van mij? Mijn tijd is beperkt." + +»Vooral voor uw zoon," antwoordde de kroonprins met bittere +ironie. »Zevenmaal heb ik u om de groote gunst laten verzoeken, +die gij mij heden voor het eerst bewijst." + +»Geene verwijten! Ik vermoedde de reden van uwe komst. Gij verlangt +zeker, dat ik uw twijfel zal ophelderen betreffende de afkomst van +Nitetis." + +»Ik ben niet nieuwsgierig, en kom veeleer om u te waarschuwen en u te +herinneren, dat er buiten mij nog iemand leeft, die dit geheim kent." + +»Bedoelt gij Phanes?" + +»Wien anders? Hij, de uit Egypte en uit zijn eigen vaderland verbannene +zal binnen weinige dagen Naucratis verlaten. Welke waarborg, hebt gij, +dat hij ons niet aan de Persen zal verraden?" + +»De goedheid en vriendschap die ik hem altijd bewezen heb." + +»Zoo gelooft gij aan de dankbaarheid der menschen?" + +»Neen! maar ik vertrouw op mijne bekwaamheid in het beoordeelen +van menschen. Phanes zal ons niet verraden! Ik herhaal het, hij is +mijn vriend!" + +»Uw vriend;--maar mijn doodvijand!" + +»Wees dan op uwe hoede voor hem! Ik heb niets van hem te vreezen." + +»Gij niet, maar wel ons land! O, bedenk mijn vader, dat hoewel gij mij, +uw zoon, ook een bitteren haat toedraagt, ik u toch na aan het hart +moet liggen, omdat gij in mij Egypte's toekomst ziet. Bedenk toch, +dat na uw dood, waarvoor de goden ons nog lang mogen bewaren, ik, +gelijk gij thans zijt, het leven en de ziel van dit heerlijke land +moet worden, dat mijn val de val van uw huis, de ondergang van Egypte +zijn zal." + +Het gelaat van Amasis werd hoe langer zoo ernstiger, terwijl Psamtik +steeds met meer aandrang vervolgde: »Gij zult, gij moet mij recht +laten wedervaren. Deze Phanes bezit de macht om ons land iederen +buitenlandschen vijand in handen te spelen, want hij kent het even +goed, als gij en ik. Voorts sluimert in zijne borst een geheim, welks +openbaarmaking onzen machtigsten vriend in onzen vreeselijksten vijand +kan verkeeren." + +»Gij dwaalt! Nitetis is wel niet mijne, maar toch eens konings dochter, +en zij zal het hart van haren gemaal zeker weten te winnen." + +»Al ware zij de dochter van een god, toch zou Cambyzes, als hij +het geheim te weten kwam, uw vijand worden. Weet gij dan niet, +dat bij de Persen de leugen de ergste misdaad [135], en bedrogen +te worden de grootste schande wordt geacht? En toch hebt gij den +hoogmoedigsten, den machtigsten hunner om den tuin geleid. Wat zal +een enkel onervaren meisje op hem vermogen, terwijl honderd in alle +listen en streken volleerde vrouwen de gunst van haren heer en meester +zoeken te verwerven?" + +»Zouden er wel betere leermeesters in de welsprekendheid zijn, dan +haat en wraak?" vroeg Amasis scherp. »Dwaze zoon, meent gij dan +waarlijk, dat ik zulk een gevaarlijk spel zou wagen, zonder alle +omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben? Wat mij betreft, laat +Phanes nog heden aan de Persen vertellen, wat hij niet eens weet, +wat hij slechts vermoeden doch nimmer bewijzen kan. Ik, de vader, en +Ladice, de moeder, moeten wel het best weten, wie ons kind is. Wij +beiden noemen Nitetis onze dochter; wie zal durven beweren dat zij +het niet is?--Wil Phanes aan een anderen vijand dan de Persen de +zwakke punten van ons land verraden, laat hem zijn gang gaan; ik vrees +niemand. Wilt gij mij bewegen een man, wien ik grooten dank schuldig +ben, een vriend, die mij tien jaren lang trouw diende, uit den weg te +ruimen, omdat hij mij misschien zou kunnen benadeelen, zoo weet dat +ik hem, in plaats van hem een haar te krenken, zal beveiligen tegen +uwe wraakzucht, waarvan ik de onzuivere bron al te goed ken." + +»Vader!" + +»Gij zoudt dezen man gaarne in het ongeluk storten, daar hij u +verhinderde de kleindochter van Rhodopis met geweld in uw bezit +te krijgen; omdat ik hem in uwe plaats tot veldheer benoemd heb, +aangezien gij u tot het vervullen dier betrekking onbekwaam had +getoond. Gij verbleekt? Welnu, ik ben Phanes zeer dankbaar, dat hij +mij uwe roekelooze ontwerpen mededeelde, en mij zoodoende in staat +stelde, de steunpilaren van mijn troon aan wie Rhodopis zoo dierbaar +is, vaster aan mij te verbinden." + +»O, vader! hoe is het mogelijk, dat gij de vreemdelingen aldus +betitelt, dat gij den ouden roem van Egypte zoo geheel kunt +vergeten! Beleedig mij zooveel gij wilt; ik weet dat gij mij niet +liefhebt. Maar zeg niet, dat wij die vreemdelingen noodig hebben om +groot te zijn. Wees indachtig aan ons verleden! Wanneer waren wij +het grootst? In de dagen, toen wij voor alle vreemdelingen zonder +uitzondering de poorten van ons land gesloten hielden, en op eigene +beenen staande, op eigene kracht vertrouwende, naar de aloude wetten +van onze vaderen en onze goden leefden. Die tijden zijn getuigen +geweest, hoe Ramses de groote [136] met onze zegevierende wapenen de +verst verwijderde volken ten onder bracht. Die tijden hebben vernomen, +hoe de gansche wereld Egypte het eerste, het grootste, het schoonste +land der aarde noemde.--En wat zijn wij thans? Door uw, door 's konings +eigen mond hoor ik vreemde bedelaars en gelukzoekers de steunpilaren +van het rijk noemen. U, den koning, zie ik eene armzalige list smeden, +om de vriendschap van een volksstam te winnen, waarop wij, eer de +vreemdelingen naar den Nijl kwamen, groote overwinningen konden +behalen. Egypte was weleer eene rijkgetooide, machtige koningin, +thans is het eene geblankette met klatergoud versierde deerne!" + +»Bedwing uwe tong!" riep Amasis stampvoetende. »Nooit was Egypte +zoo machtig en groot als juist thans! Ja, Ramses heeft onze wapenen +in ver verwijderde landen gedragen en er bloed mede verworven; ik +echter heb het zoover gebracht, dat de werken onzer handen tot de +verste einden der aarde worden gevoerd, en ons, in plaats van bloed, +schatten en zegen aanbrengen. Ja, Ramses liet zijne onderdanen +stroomen bloeds en zweets verspillen, alleen om den roem van zijn +naam te verbreiden; ik echter heb weten te bewerken, dat in mijn +land slechts weinig bloed wordt vergoten, weinig zweet afgeperst, en +dat ieder burger in veiligheid, in geluk en vrede zijne levensreize +voleinden kan. Aan de boorden van den Nijl verrijzen thans tienduizend +volkrijke steden. Geen voet gronds is onbebouwd. Geen kind in Egypte +wordt uitgesloten van den zegen, die de vrucht is der handhaving van +recht en wet. Geen boosdoener kan zich aan het wakend oog der overheid +onttrekken.--Mocht de een of andere vijand ons willen overvallen, +welnu, zoo staan, naast onze vestingen, de bolwerken [137] ons door +de goden geschonken, namelijk: de watervallen, de zee en de woestijn, +behalve de Egyptische krijgslieden, dertig duizend Hellenen, de beste +soldaten die ooit de wapens droegen, tot onze verdediging gereed. Zoo +is het met Egypte gesteld. Den glans van ijdelen roem heeft ditzelfde +Egypte aan Ramses met bloedige tranen betaald. Het echte goud van +waarachtig burgergeluk en vreedzame welvaart is het aan mij en mijne +voorgangers, de koningen van Saïs verschuldigd!" + +»En toch zeg ik u," riep de prins, »dat Egypte een boom is, aan welks +merg een doodelijke worm knaagt. Het jagen en streven naar schatten, +naar pracht en glans heeft alle harten bedorven. De weelderigheid +van de buitenlanders heeft de eenvoudige zeden van onze burgers den +doodsteek toegebracht. Voor goud is alles veil. Hier en daar hoort men +zelfs Egyptenaren, die zich door de Hellenen hebben laten verleiden, +met de goden den spot te drijven. Twist en tweedracht scheiden +en scheuren de kasten van priesters en krijgslieden. Dagelijks +komen klachten in over bloedige vechtpartijen tusschen Grieksche +en Egyptische soldaten, vreemden en inboorlingen. Herder en kudde +bestrijden elkander. De eene steen van den staatsmolen schuurt den +andere stuk, totdat het geheel in puin en gruis zal samenvallen. Ja, +vader, doe ik het niet heden, dan zal ik nimmer spreken. Ik moet +eindelijk uiten, wat reeds zoolang mijn hart beklemt. Terwijl +gij strijd voerdet met onze eerwaardige priesterschap, de beste +steunpilaar van den troon, hebt gij lijdelijk toegezien, hoe zich +de nog jeugdige macht der Persen van het oosten naar het westen +uitbreidde, gelijk een monster dat gansche volken verslindt, dat bij +iedere prooi vraatzuchtiger en vreeselijker wordt. In plaats van +de Lydiërs en Babyloniërs te hulp te snellen, gelijk aanvankelijk +uw voornemen was, hebt gij de Grieken geholpen om tempels voor +hunne valsche goden te bouwen. En toen eindelijk iedere tegenstand +onmogelijk bleek, toen Perzië de halve wereld onderworpen had, en +in zijn overmoed van alle koningen durfde eischen wat het wilde, +toen schenen de onsterfelijken u nog eenmaal de hand te reiken tot +redding van Egypte. Cambyzes begeerde uwe dochter tot vrouw; en gij, +die te zwak zijt om uw eigen kind aan de welvaart van uw land ten offer +te brengen, zendt den machtigen koning eene ondergeschovene maagd, en +spaart nog bovendien met uwe gewone flauwhartigheid een vreemdeling, +die het geluk of het ongeluk van uw rijk in zijne handen heeft, en +Egypte's ondergang zeker bewerken zal, zoo het niet reeds vroeger +door innerlijke verdeeldheid vermolmd ineenstort!" + +Tot hiertoe had Amasis, bleek en bevend van toorn, zijne edelste +bedoelingen laten miskennen. Thans echter kon hij niet langer +zwijgen, en met eene stem, die als bazuingeschal door de ruime zaal +weerklonk, riep hij: »Weet ge wel, wien ik moest opofferen, als het +leven mijner kinderen en de instandhouding van het door mij gestichte +vorstenhuis mij niet liever waren, dan de welvaart van dit land? Weet +gij grootspreker, wraakzuchtig ongelukskind, wie de toekomstige +verwoester van dit heerlijke, eeuwenoude rijk is? Dat zijt gij, +Psamtik, gij, gebrandmerkte door de goden, gij, verafschuwde door de +menschen, gij, wiens hart geene liefde, wiens borst geene vriendschap, +wiens gelaat geen glimlach, wiens ziel geen mededoogen kent!--Gij +hebt uw rampzalig bestaan aan den vloek der goden te danken, en de +vijandschap der onsterfelijken tegen u doet alles wat gij aanvangt +treurig eindigen. Verneem thans, want te eeniger tijd moet gij het +toch weten, wat ik zoo lang voor u meende te moeten verzwijgen. Ik +had mijn voorganger van den troon gestooten, en hem gedwongen mij +zijne zuster Tentcheta tot vrouw te geven. Zij kreeg mij lief, en een +jaar na ons huwelijk verblijdde zij zich in het vooruitzicht moeder +te zullen worden. In den nacht, die uwe geboorte voorafging, viel ik +voor het bed uwer moeder gezeten in slaap. Toen had ik dezen droom: + +»Uwe moeder lag op den oever van den Nijl en klaagde over pijn in de +borst. Ik boog mij over haar neder, en zag hoe een cypres uit haar hart +opwies. De boom werd grooter en grooter, al breeder en zwaarder, en +zijne wortelen wonden zich om uwe moeder heen en verworgden haar. Een +koude siddering overviel mij. Ik wilde vluchten. Plotseling verhief +zich in het oosten een hevige orkaan, die den cypres ontwortelde en +omverwierp, zoodat zijne breede takken in den Nijl stortten. De stroom +hield op te vloeien, zijn wateren stolden, en in plaats van de rivier +lag daar eene reusachtige groote mummie voor mij. De steden langs +de boorden van den vloed krompen inéen en veranderden in ontzaglijke +lijkurnen, die, als in een graf, om de geweldige mummie van den Nijl +heen stonden. Nauwlijks was ik ontwaakt, of ik ontbood aanstonds de +droomuitleggers. Geen hunner was in staat het wonderbare gezicht +te verklaren, tot eindelijk de priesters van den Libyschen Ammon +mijn droom aldus uitlegden: Tentcheta zal sterven bij het ter wereld +brengen van een zoon. De cypres die zijne moeder doodt, beteekent uw +zoon, een zwartgallig, rampzalig wezen. Onder zijne regeering zal +een volk uit het Oosten den Nijl, dus de Egyptenaren, tot lijken, +en hunne steden tot doodenurnen, dat wil zeggen tot puinhoopen maken." + +Psamtik stond als versteend voor zijn vader, terwijl deze vervolgde: +»Uwe moeder stierf bij uwe geboorte. Vuurrood haar, het teeken van +de zonen Typhons [138], omgaf uwe slapen. Gij groeidet op tot een +somber man. Het noodlot vervolgde u, want het ontnam u eene geliefde +vrouw en vier uwer kinderen. Evenals ik onder het gelukkige teeken van +Ammon geboren werd, zoo zaagt gij het levenslicht, de sterrekundigen +hebben het berekend, bij het opkomen van de schrikkelijke planeet Seth +[139]. Gij..." + +Amasis brak eensklaps af, want Psamtik, overweldigd en verpletterd +door al het vreeselijke dat hij vernam, smeekte hevig snikkend, meer +kermend dan sprekend, terwijl hij voor hem nederviel: »Houd op, wreede +vader, en verzwijg ten minste, dat ik de eenige zoon in Egypte ben, +dien de haat zijns vaders onschuldig vervolgt!" + +Amasis zag neder op den bleeken man, die, met het aangezicht in +de plooien van zijn kleed verborgen, voor hem op den grond was +gezonken. Zijn snel ontvlamde toorn veranderde in medelijden. Hij +moest voor zichzelven erkennen, dat hij te hard was geweest, dat hij +door zijn verhaal het hart van zijn kind met een giftigen pijl had +getroffen, en dacht daarbij aan de voor veertig jaren ontslapene +moeder van den ongelukkige.--Na langen tijd zag hij thans weder +voor het eerst als vader, als geroepen om de zijnen te troosten, op +dezen somberen alle liefdebetoon afwijzenden, hem in alle opzichten +zoo vreemden man. Ofschoon week van gemoed, was hij thans voor het +eerst in de gelegenheid, om een traan in het anders zoo koude oog +van zijn zoon te drogen. Hierover verheugd, greep hij haastig deze +gelegenheid aan. Hij boog zich over den snikkende neder, kuste hem +op het voorhoofd, richtte hem op en sprak met zachte stem: + +»Vergeef mij mijne hardheid, geliefde zoon! De booze woorden, die u +zoozeer kwetsten, kwamen niet uit het hart van Amasis, maar werden mij +door onbesuisde drift op de lippen gelegd. Gij hebt mij vele jaren lang +door koelheid, onverschilligheid, wederspannigheid en zonderlingheid +vertoornd. Heden beleedigdet gij mij in mijne heiligste overtuiging, +daarom gaf ik toe aan eene onverstandige toomlooze heftigheid. Maar +thans zal alles weder goed zijn tusschen u en mij. Zijn wij ook van te +uiteenloopende karakters, dan dat onze harten volkomen zouden kunnen +samenstemmen, zoo willen wij in het vervolg toch eensgezind in onze +handelingen en toegevend jegens elkander zijn." + +Psamtik boog zwijgend het hoofd, en kuste het kleed van zijn +vader. »Niet alzoo," riep deze, »kus mij op den mond! Juist, zoo moet +het zijn, zoo betaamt het tusschen vader en zoon. Wat den dwazen +droom betreft, dien ik u verhaald heb, geef daar verder geen acht +op. Droomen zijn bedrog: en worden zij ook al werkelijk door de goden +ons toegezonden, dan zijn toch de uitleggers aan menschelijke dwalingen +onderworpen. Uwe hand beeft nog altijd en uwe wangen zijn bleeker +dan uw linnen kleed. Ik was te hard voor u, harder dan een vader...." + +»Harder zelfs, dan een vreemde iemand behandelen mag, die hem vreemd +is," viel de kroonprins den koning in de rede. »Gij hebt mij gebroken +en verbrijzeld. Heeft mijn gelaat zich tot hiertoe zelden geplooid tot +een lach, van nu aan zal het de spiegel zijn van de diepste ellende." + +»Ga zoo niet voort," hernam Amasis, en legde de hand vertrouwelijk +op den schouder zijns zoons. »Indien ik wonden sla, bezit ik ook de +macht ze te genezen. Spreek uit, welke de innigste wensch is van uw +hart; ik zal hem inwilligen." + +Psamtik's oogen helderden op; 't scheen dat zijne vale wangen een +oogenblik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eene +krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de +laatste oogenblikken: »Laat Phanes, mijn vijand, aan mij over!" + +De koning stond een oogenblik in gepeins verzonken, toen zeide hij: +»Ik zal aan uw verlangen moeten voldoen, maar liever had ik gezien, +dat gij de helft van mijn vermogen hadt gevraagd, dan dit. Duizend +stemmen in mijn binnenste zeggen mij, dat ik iets ga doen, dat +mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij, +voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij +handelt. Dit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes voorhebt, Rhodopis +mag geen haar op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles met de +grootste geheimhouding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste +van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman, +een dischgenoot vinden, als hij was?--maar ik zie hem nog niet in uwe +macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook +zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij +uw eed van alle gedachte aan het bezit van Rhodopis' kleindochter te +zullen opgeven. De vergoeding, die ik u bied, is mijns erachtens meer +dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard +dan de liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het u, +dat het nooit grooter geluk heeft gekend dan thans. Het tegendeel te +beweren is nog niemand ingevallen, behalve den ontevredenen priesters +en hun, die dezen in hunne onwetendheid nabazelen.--En nu zoudt gij +nog gaarne de geschiedenis vernemen van Nitetis' afkomst? Welnu, +luister! Uw eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen." + +Psamtik hoorde met gespannen aandacht de mededeeling zijns vaders +aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een +krachtigen handdruk. + +»Vaarwel thans!" zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn +zoon. »Vergeet niets van wat ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u, +vergiet geen bloed! Wat er ook met Phanes geschiede, laat mij er niets +van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet gaarne +willen, dat ik u, mijn zoon, moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert +thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden +te hebben." + +Toen Psamtik het vertrek van zijn vader verlaten had, ging deze nog +langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevendheid berouwde hem, +en reeds zag hij in zijne verbeelding den vermoorden Phanes, nevens de +schim van den door hem onttroonden Hophra voor zich staan. »Maar, het +is waar, hij zou ons werkelijk te gronde kunnen richten;" alzoo poogde +hij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. Ten +laatste maakte hij eene beweging, als wilde hij alle zorgen van zich +afwerpen, richtte zich op, riep zijne dienaren, en verliet met een +glimlach om de lippen zijn kabinet. + +Had de luchthartige man, het troetelkind der fortuin, zijn +beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij +sterk genoeg, om de pijn die hij leed achter een glimlach te verbergen? + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + +Toen hij de vertrekken van zijn vader verlaten had, begaf Psamtik zich +onverwijld naar den tempel der godin Neith. Alvorens binnen te treden, +vroeg hij naar den opperpriester. De tempeldienaren verzochten hem +een oogenblik te toeven, daar de groote Neithotep zich juist in het +allerheiligste [140] van de verhevene koningin des hemels bevond. Kort +daarop verscheen een jong priester, en meldde dat zijn gebieder den +prins wachtte. + +Psamtik verliet oogenblikkelijk het koele plekje, dat hij zich had +uitgekozen in het lommer der zilverpopulieren van het aan de godin +gewijde bosch, aan den oever van het aan de groote Neith geheiligde +meer [141]. Hij stak het met asphalt bevloerde eerste voorhof des +tempels over, waarop de verblindende zonnestralen als gloeiende pijlen +neerschoten, zooveel doenlijk in de schaduw blijvende van eene der +lange rijen van sphinxen, die tot de geheel op zichzelve staande +pylonen [142] van het grootsche huis der godin geleidden. Vervolgens +trad hij de ontzaglijk groote hoofdpoort binnen, die, evenals alle +Egyptische tempelpoorten, met de breedgevleugelde zonneschijf [143] +versierd was. Aan weerszijden van de wijdgeopende vleugeldeuren +verhieven zich schuinoploopende gebouwen, slanke obelisken en van hooge +staken wapperden vanen. Zoo kwam hij in het hof, dat aan de linker- en +rechterzijde door een zuilengang was afgesloten, in het midden waarvan +het offer aan de godheid werd gebracht. De geheele voorgevel van den +eigenlijken tempel, die als een vestingmuur in een stompen hoek voor +den steenen vloer van de ruime zuilengang oprees, was met veelkleurige +beelden en opschriften bedekt. Door de portiek kwam hij in een hooge +voorzaal en vervolgens in de groote ruimte, welker blauwe, met duizend +gouden sterren bezaaide zoldering door vier rijen reusachtige zuilen +gedragen werd. De schachten dezer zuilen en hare kapiteelen in den +vorm van lotusbloemen, de zijwanden en de nissen van deze ontzaglijke +zaal, kortom alles waarop het oog rustte, was met bonte kleuren en +hiëroglyphenteekens bedekt. De pijlers verhieven zich in kolossale +afmetingen en de ruimte was ontzagwekkend hoog en uitgestrekt. De +lucht, die de tempelbezoekers inademden, was geheel vervuld met +wierook en kyphigeuren, en van de dampen die voortkwamen uit het bij +den tempel behoorende laboratorium. Zonder ophouden liet zich eene +zachte muziek hooren, door onzichtbare kunstenaars voortgebracht, nu en +dan alleen afgebroken door het zwaar gebrul der heilige Isis-koeien of +het krassend geluid van de Horus-sperwers, die in eene bijzaal waren +gehuisvest. Zoodra het plechtstatig gebrul van eene koe, als van den +donder uit de verte, of de schrille zenuwschokkende kreet van eenen +sperwer, als van een bliksemstraal, die van de aarde opschiet naar den +hemel, werd gehoord, bogen zich alle aandachtigen, die op den grond +lagen neergehurkt, zoodat hun voorhoofd de steenen vloer van het met +zuilengangen omgeven voorhof raakte. Zij zagen allen met diep ontzag +naar het voor hen gesloten inwendig gedeelte des tempels, in welks +allerheiligste, uit éen enkel geweldig stuk graniet in den vorm van +eene kapel gehouwen, talrijke priesters stonden, van welke eenige +struisvederen op hunne glimmend kale hoofden, anderen panthervellen +over de schouders droegen. Onder zacht gebrom en luid gezang lagen zij +nu eens ter aarde, hieven zich dan weder op, slingerden wierookvaten +en sprenkelden voor de goden zuiver water uit gouden plengvaten. Hoe +nietig moest de mensch zich niet gevoelen in deze reuzenhal, waarin +echter alleen den meest bevoorrechte onder de Egyptenaren toegang werd +verleend. Zijn oog, zijn oor, ja zelfs zijne ademhalingswerktuigen +stonden hier enkel onder den invloed van indrukken, die hemelsbreed +verschilden van die in het dagelijksch leven, indrukken die de borst +beknelden en de zenuwen deden trillen. Als bedwelmd en geheel ontrukt +aan het werkelijke leven, moest de smeekeling wel een steunpunt buiten +zich zoeken. De stem van den priester wees hem op zulk een steun, +en de geheimzinnige muziek, zoowel als het geroep der heilige dieren, +waren voor hem teekenen van de nabijheid der godheid. + +Nadat Psamtik voor een oogenblik eene biddende houding had aangenomen +op de voor hem bestemde gouden en met een kussen bedekte rustbank, +zonder evenwel te kunnen bidden, kwam hij bij de vermelde zaal, die +iets lager en kleiner was, in welke de heilige koeien van Isis-Neith +en de sperwers van Horus verpleegd werden. Een met gouddraad +rijkbestikt voorhangsel van de kostbaarste stof verborg deze zaal +voor de oogen der tempelbezoekers, want slechts zelden was het den +volke geoorloofd, zich te verheugen in de aanschouwing der dieren, die +eene goddelijke eer genoten. Juist toen Psamtik voorbijkwam werden in +melk geweekte koeken, zout en klaver in de gouden kribben der koeien, +en kleine vogels met bonte vederen in het sierlijk bewerkte huisje +van de sperwers gelegd. In de stemming waarin hij thans verkeerde, +had de prins geen oog voor dingen, die hem zoo goed bekend waren, +en zonder een oogenblik te verliezen, klom hij langs een verborgen +trap naar de naast de sterrenwacht gelegene vertrekken, alwaar zich +de opperpriester na het verrichten van den godsdienst, placht op te +houden en uit te rusten. + +Neithotep, een grijsaard van zeventig jaren, zat in een prachtig +vertrek, waarvan de vloer met zware Babylonische tapijten was +belegd, op een vergulden leunstoel met een purperen kussen. Zijne +voeten rustten op eene kunstig gesnedene voetbank. Hij hield eene +met hiëroglyphen beschrevene rol in de hand. Achter hem stond een +knaap, die met eenen waaier van struisvederen de insekten van hem +verwijderd hield. Het aangezicht van den grijzen priester was vol +diepgegroefde rimpels, maar als jongeling moest hij eens zeer schoon +geweest zijn. Uit zijne groote blauwe oogen sprak nog altijd een +levendige geest en een krachtig zelfbewustzijn. + +Neithotep had zijne valsche lokken afgelegd. Zijn gladde kale +schedel stak zeer scherp af bij het gerimpeld gelaat, en deed +het bij de Egyptenaren gewoonlijk vlakke voorhoofd ongemeen hoog +schijnen. Het bonte vertrek, waarvan de wanden met duizend spreuken +in hiëroglyphenschrift beschilderd waren, de verschillende gekleurde +standbeelden der godin, die hier en daar stonden, en de sneeuwwitte +kleeding des priesters moesten op den vreemdeling een even diepen +als vreemden indruk maken. + +De grijsaard ontving den troonopvolger met groote hartelijkheid, en +vroeg hem: »Wat voert mijn doorluchtigen zoon tot den armen dienaar +der godheid?" + +»Ik heb u zeer veel te berichten, mijn vader;" antwoordde Psamtik, +met zegevierenden glimlach, »want ik kom zoo even van Amasis!" + +»Zoo, heeft hij u eindelijk gehoor verleend?" + +»Eindelijk!" + +»Uw gelaat zegt mij, dat gij door onzen heer, uw vader, met goedheid +ontvangen zijt geworden." + +»Nadat ik den storm van zijn toorn had doorgestaan!--Toen ik het +verzoek, dat gij mij in den mond hebt gelegd, had voorgedragen, +ontvlamde hij in woede en verpletterde mij schier met de vreeselijkste +woorden." + +»Gij zult hem getart hebben. Of zijt gij den koning, gelijk ik u +aanried, als een ootmoedig smeekeling en als een onderdanig zoon +genaderd?" + +»Neen, mijn vader; ik was scherp en onwillig." + +»Dan had ook Amasis het recht om toornig te worden, want het betaamt +den zoon nooit zijn vader tegen te treden met wrok en spijt in +'t hart, en allerminst als hij hem iets te verzoeken heeft. Gij +kent de spreuk: Wie zijn vader eert, zal een lang leven ontvangen +[144]. Zie, mijn zoon, daarin dwaalt gij altijd, dat gij zaken, +die met goedheid en zachtheid gemakkelijk te verkrijgen zouden zijn, +met geweld en norschheid zoekt door te zetten.--Een goed woord vindt +eene goede plaats, en het komt er vooral op aan, hoe men zijn verzoek +inkleedt.--Hoort mij, ik wil u eene geschiedenis verhalen: Voor +vele jaren heerschte over Egypte koning Snefroe, die te Memphis zijn +verblijf hield. Deze droomde op zekeren dag, dat hem al de tanden uit +den mond vielen. Aanstonds ontbood hij een droomuitlegger en deelde +dezen zijn gezicht mede. En nu riep de uitlegger: 'Wee u, o koning, +al uwe bloedverwanten zullen voor u sterven!' De vertoornde Snefroe +liet den ongeluksbode geeselen, en riep een tweeden uitlegger. Deze +verklaarde den droom op de volgende wijze: 'Heil u, o groote koning, +want gij zult langer leven dan al uwe bloedverwanten!' De koning +glimlachte over deze woorden, en liet den tweeden uitlegger met +geschenken heengaan; want al zeide deze hem ook hetzelfde als de +eerste, hij had toch zijne verklaring in vrij wat lieflijker termen +weten in te kleeden.--Begrijpt gij den zin mijner geschiedenis? Zoo +laat het in de toekomst uw streven zijn, uwe wenschen in aangenamer +vormen voor te dragen, want voor het oor van een koning komt het +evenzeer aan op de wijze waarop men spreekt, als op hetgeen men zegt." + +»Ach, mijn vader, hoe dikwerf hebt gij mij dit voorgehouden. Hoe +dikwerf heb ik ingezien, dat ik mij zelven met mijne ruwe woorden en +toornige gebaren schade berokken. Ik kan evenwel mijne natuur niet +veranderen, ik kan niet...." + +»Zeg liever: ik wil niet; want wie in waarheid man is, moet, als hij +eenmaal iets gedaan heeft dat hem berouwde, dit niet meer doen. Maar +genoeg hiervan voor heden! Vertel mij, hoe gij den toorn van Amasis +bezworen hebt." + +»Gij kent mijn vader. Toen hij zag dat zijne vreeselijke woorden mij +in het diepst mijner ziel gewond hadden, had hij berouw over zijne +opvliegendheid. Hij gevoelde dat hij te ver was gegaan, en wilde +zijne hardheid tot iederen prijs weder goedmaken." + +»Hij heeft een edel hart, maar zijn geest is verblind en zijn gemoed +is verhard," riep de priester. »Wat zou Amasis voor Egypte niet kunnen +zijn, als hij acht wilde geven op onzen raad en op den wil der goden!" + +»Ontroerd als hij was, stelde hij ten laatste het leven,--hoort gij +wel, mijn vader!--het leven van Phanes in mijne handen." + +»Hoe vonkelen uwe oogen! Dat is niet zooals het behoort, Psamtik! De +Athener moet sterven, daar hij de goden beleedigd heeft. De rechter +behoort wel met strengheid oordeel te vellen, maar moet zich eer +bedroeven dan verblijden over het ongeluk van den veroordeelde. Spreek +uit: wat verkreegt gij verder van uw vader?" + +»De koning deelde mij mede, aan wien Nitetis haar aanzijn verschuldigd +is." + +»Anders niets?" + +»Neen, mijn vader. Maar brandt gij niet van verlangen, om te +vernemen...." + +»Nieuwsgierigheid is eene ondeugd van de vrouw; ook weet ik uw geheim +sinds lang." + +»En gisteren hebt gij mij eerst opgedragen, het mijnen vader te +vragen." + +»Dat deed ik om u op de proef te stellen, om mij te overtuigen, of +gij de bevelen der goden gehoorzaam genoeg waart, om waardig te zijn +toegelaten te worden tot den hoogsten graad van het weten. Ik hoor nu, +dat gij ons eerlijk verslag geeft van alles wat gij vernomen hebt, en +zie dat gij de eerste priesterdeugd, de gehoorzaamheid, in beoefening +weet te brengen." + +»Alzoo weet gij, wie de vader van Nitetis was?" + +»Ik zelf heb het gebed bij het graf van koning Hophra uitgesproken." + +»Maar wie heeft u dit geheim verraden?" + +»De eeuwige sterren, mijn zoon, en mijne kunst om in dit boek des +hemels te lezen." + +»En bedriegen deze sterren nooit?" + +»Hen, die de taal der sterren waarlijk verstaan, bedriegen zij nooit." + +Psamtik verbleekte. De droom van zijn vader en zijn eigen vreeselijk +horoscoop kwamen hem als ontzettende schrikbeelden voor den geest. De +priester bespeurde aanstonds de verandering op het gelaat van den +prins, en voegde hem nu met zachter stem toe: »Gij denkt aan de +booze hemelteekenen, bij gelegenheid uwer geboorte, en acht u zelven +reddeloos verloren;--wees echter getroost, Psamtik, de sterrenkundigen +hebben toen éen sterrenbeeld over het hoofd gezien, dat aan mijn +blik niet ontgaan is. Uw horoscoop was zeer onrustbarend, voorzeker, +maar kan ten goede verkeeren, het kan..." + +»O, spreek, mijn vader, spreek!" + +»Het moet ten goede verkeeren, als gij alle andere dingen wilt +vergeten, en alleen voor de goden leven; als gij u voorneemt naar hunne +stem, die wij alleen in het allerheiligste verstaan, te luisteren, +en onvoorwaardelijk op te volgen wat zij u gebieden." + +»Geef slechts een wenk, mijn vader, en ik zal gehoorzamen." + +»Dat geve de godin van Saïs, de groote Neith!" riep de priester +op plechtigen toon.--»Laat mij thans echter alleen, mijn zoon," +vervolgde hij minzaam, »ik ben zeer vermoeid van het langdurig +bidden, want ik gevoel dagelijks meer den last mijner jaren. Stel +het ombrengen van Phanes zoo lang uit, als het u mogelijk is, ik zou +hem gaarne spreken voor hij sterft.--Toch nog iets! Gisteren is er +eene bende Ethiopiërs hier binnengetrokken. Deze lieden verstaan geen +woord Egyptisch of Grieksch. Onder de leiding van een vertrouwd man, +die den Athener en de plaatselijke gesteldheid kent, zullen zij de +meest geschikte werktuigen zijn, om den veroordeelde uit de wereld te +helpen, daar hunne onbekendheid met de taal en met de toedracht der +zaak alle verraad of geklap onmogelijk maakt. Vóor hun vertrek naar +Naucratis mag deze lieden niets omtrent het doel van den tocht ter +ooren komen. Is de zaak afgeloopen, dan zenden wij hen naar Koesch +[145] terug. Een geheim, merk dit wel op, dat meer dan éen weet, +is reeds voor de helft verraden. Vaarwel!" + +Psamtik verliet het vertrek van den grijsaard. Weinige oogenblikken +later trad een jong priester, een der dienaren des konings, binnen, +en vroeg den priester: »Heb ik goed toegeluisterd, vader?" + +»Voortreffelijk, mijn zoon. Niets is u ontgaan van hetgeen Amasis +met Psamtik gesproken heeft. Moge Isis [146] u lang uw gehoor laten!" + +»Och, vader, een doove had heden in het aangrenzende vertrek ieder +woord kunnen verstaan, want de koning brulde als een stier." + +»De groote Neith heeft hem met onvoorzichtigheid geslagen. Ga thans, +houd de oogen wijd open, en breng mij dadelijk bericht, ingeval Amasis, +wat zeer wel mogelijk is, den aanslag tegen Phanes mocht zoeken te +verijdelen. Gij vindt mij altijd te huis. Beveel den dienaren, dat zij +allen moeten afwijzen, die mij mochten komen bezoeken, met te zeggen +dat ik in het allerheiligste bid. De Onnoembare geleide uwe schreden!" + + + +Terwijl Psamtik alle noodige maatregelen nam tot de inhechtenisneming +van Phanes, ging Cresus met zijn gevolg scheep in een koninklijk +Nijlvaartuig, om naar Naucratis te varen, en dien avond bij Rhodopis +door te brengen. Zijn zoon Gyges en de drie jonge Persen bleven te +Saïs, alwaar zij den tijd zeer genoeglijk sleten. + +Amasis overlaadde hen met vriendelijkheid, veroorloofde hun, +volgens het Egyptisch gebruik, met zijne vrouw en de zoogenaamde +tweeling-zuster te verkeeren, en onderwees Gyges in het damspel +[147]. Hij was vroolijk en onuitputtelijk in geestigheden, wanneer +hij zag, hoe de krachtige en behendige jonge helden zich vermaakten, +door met zijne dochters ballen en ringen te werpen, een lievelingsspel +der Egyptische jonge dochters [148]. + +»Waarlijk," riep Bartja, nadat Nitetis den fijnen, met bonte linten +versierden ring, zonder een enkele maal te missen, minstens voor +den honderdsten keer met haar dun ivoren staafje had opgevangen, +»dit spel moeten wij ook in ons land invoeren. Wij, Persen, denken +geheel anders dan gij, Egyptenaars. Al wat nieuw en vreemd heet, +is ons even welkom, als het bij ulieden gehaat schijnt te zijn. Ik +zal er onze moeder Cassandane van verhalen, en zij zal gaarne aan de +vrouwen mijns broeders verlof geven, zich met dit spel te vermaken." + +»O, doe dat, doe dat!" riep de blonde Tachot, terwijl zij bloosde +tot achter de ooren. »Nitetis zal dan medespelen, en zich verbeelden +weder in het vaderland bij hare geliefde betrekkingen te zijn. Gij +echter, Bartja," vervolgde zij zachter, »moet ook aan dit uur denken, +zoo dikwerf gij de ringen ziet vliegen." + +De jonge Pers antwoordde glimlachend: »Ik zal ze nimmer +vergeten!" Daarop riep hij luide en opgeruimd, zich tot zijne +aanstaande schoonzuster wendende: »Heb goeden moed, Nitetis, het +zal u bij ons beter bevallen, dan gij wel denkt. De Aziaten weten de +schoonheid te eeren; dit bewijzen wij reeds daardoor, dat wij vele +vrouwen nemen." + +Nitetis zuchtte, en Ladice, de koningin, riep: »Juist daardoor toont +gijlieden, dat gij het karakter der vrouw volstrekt niet weet te +waardeeren. Gij kunt zelfs niet vermoeden Bartja, wat eene vrouw +gevoelt, als zij bemerkt dat de man, die haar dierbaarder is dan het +leven, om wiens wille zij alles wat haar lief en heilig is ten offer +wil brengen, op haar neerziet als op een schoon stuk speelgoed, een +edel ros, een kunstig bewerkt mengvat. En het is nog duizendmaal +smartelijker de liefde, die men zoo gaarne alleen zou bezitten, +met honderd andere te moeten deelen." + +»Hoor me nu die jaloersche vrouw eens!" riep Amasis. »Spreekt zij niet, +als had zij zich reeds over mijne ontrouw te beklagen gehad?" + +»O, neen, mijn beste," hervatte Ladice, »daarin staat gij, +Egyptenaars, boven alle andere mannen, dat gij trouw en standvastig +zijt in uwe liefde, en dat gij u tevreden stelt met hen, die u eens +dierbaar zijn geworden. Ja, ik durf tegen iedereen vol te houden, +dat geene vrouw ter wereld zoo gelukkig is, als de gade van een +Egyptenaar [149]. Zelfs de Grieken, die ons anders in vele dingen +tot voorbeeld kunnen strekken, weten de vrouw niet naar waarde te +schatten. In bedompte vertrekken, onafgebroken door de moeders of door +huishoudsters aangezet tot den arbeid aan weefstoel en spinrokken, +verkwijnen de meeste Helleensche meisjes reeds in hare kindsheid, +om wanneer zij eenmaal huwbaar zijn, in het stille huis van een haar +onbekenden echtgenoot te worden verplaatst, wiens vele staatkundige +en maatschappelijke werkzaamheden hem slechts zelden veroorloven +den voet in het vrouwenvertrek te zetten. Alleen dan, wanneer de +naaste vrienden en verwanten bij den heer des huizes te gast zijn, +mag zij, maar ook dan nog altijd schuchter en zwijgend, in den kring +der mannen verschijnen, om iets te vernemen van wat er in de wereld +omgaat en wat te leeren. Ach, ook in ons woont de zucht naar kennis, +en aan ons geslacht behoorde men allerminst de wetenschap van sommige +dingen te onthouden, daar wij als moeders wel het eerst geroepen zijn, +onze kinderen te onderwijzen. Wat zal eene Helleensche moeder, die +zelve niets weet, omdat zij nooit iets geleerd heeft, hare dochters +leeren? Daarom kan zich de Griek ook maar zelden met zijne, door het +huwelijk aan hem verbondene, doch in geest en verstand ver bij hem +achterstaande vrouw tevreden stellen. Hij gaat naar de huizen der +hetaeren, die gestadig met het mannelijk geslacht verkeeren, die de +mannen hunne kennis weten af te luisteren, en die de dus verkregene +wetenschap met de bloemen van vrouwelijke bevalligheid weten te tooien +en met het zout van haar fijneren zachteren geest te kruiden. + +»In Egypte is het geheel anders. Hier mag de bloeiende maagd deelnemen +aan het ongedwongen gezellige verkeer met de edelsten en besten +der mannen. De jongeling en de jongedochter leeren elkaar op de +vele feesten kennen en beminnen. De vrouw is hier te lande niet de +slavin, maar de vriendin van den man. Zij vullen elkander aan. Geldt +het levensvragen, zoo beslist de sterkere; de geringere zorgen des +levens worden aan de vrouw overgelaten, die juist in het kleine +grooter is. De dochters groeien op onder hare uitmuntende leiding, +want de moeder is geene vrouw zonder kennis of ervaring. Het wordt +de vrouw gemakkelijk gemaakt, deugdzaam en huiselijk te blijven, +want juist door hare deugd en huiselijkheid verhoogt zij het geluk +van hem, die haar alleen toebehoort, wiens liefste bezitting te zijn +haar eenige roem is. Wij, vrouwen, zijn nu eens gewoon te doen wat +ons behaagt, doch de Egyptenaren verstaan de kunst ons zóo te leiden, +dat ons alleen behagen kan wat goed is.--Hier aan den Nijl zouden +Phocylides van Mylete en Hipponax van Ephesus nooit den moed gehad +hebben, hunne smaadliederen op ons te dichten; hier zou nooit de +legende van Pandora [150] in eenig menschelijk brein zijn opgekomen." + +»Inderdaad, gij spreekt voortreffelijk!" riep Bartja. »Het heeft +mij ontzaglijk veel moeite en inspanning gekost Grieksch te leeren; +thans echter verheugt het mij, dat ik den moed niet verloor, en van +het onderwijs van Cresus zooveel mogelijk partij heb getrokken." + +»Maar wie zijn die booze mannen, die het waagden van de vrouwen kwaad +te spreken?" vroeg Darius. + +»Een paar Grieksche dichters," antwoordde Amasis, »de stoutste menschen +die ik ooit heb gekend. Want eer zou ik het wagen eene leeuwin, dan +eene vrouw boos te maken. Maar die Grieken deinzen voor niets ter +wereld terug. Verneem slechts dit staaltje van de poëzie van Hipponax: + + + Tweemaal in 't leven kan ons een' vrouw behagen, + Wanneer zij trouwt en--als zij grafwaarts wordt gedragen." + + +»Houd op, houd op, ondeugd!" riep Ladice, de ooren dicht +houdende. »Ziet, Persen, zoo is deze Amasis altijd. Als hij spotten +en gekscheren kan, dan doet hij het, ook al is hij het volkomen eens +met het voorwerp van zijn spot. Er is voorzeker geen beter echtgenoot +dan hij..." + +»En geene slechtere vrouw dan gij," hernam Amasis lachend; »want gij +laadt waarachtig den schijn op mij, dat ik een maar al te gehoorzaam +gemaal ben.--Vaarwel kinderen; de jonge lieden verlangen van naderbij +met ons Saïs kennis te maken. Maar eerst wil ik hun nog laten hooren, +wat de booze Simonides van de beste vrouw zingt: + + + Één is der bij verwant. Gelukkig hij, + Wien zulk een vrouw haar hart en hand mocht geven: + Ze is trouw en teer; zij siert en kroont zijn leven, + En grijst, bemind en minnend, aan zijn zij. + Een wakker kroost, uit haren schoot gesproten, + Vlecht om haar kruin een nieuwen stralenkrans + Zij prijkt aan 't hoofd van haar geslachtsgenooten + In reinen, meer dan sterfelijken glans. + Zij zit niet neer bij wufte gezellinnen, + Die ijdle scherts en dartle taal beminnen, + Geen schooner lot schonk Zeus dan aan den man, + Die zulk een vrouw de zijne noemen kan. + + +»Een zulke is nu ook mijne Ladice. Vaarwel!" + +»Nog niet!" riep Bartja. »Ik moet eerst mijn arm Perzië rechtvaardigen, +om mijne aanstaande schoonzuster met nieuwen moed te bezielen. Maar +neen! Darius, spreek gij voor mij, want gij verstaat de kunst van +spreken evengoed, als die van het rekenen en het hanteeren van het +zwaard!" + +»Gij spreekt, als ware ik een zwetser en een kramer [151]," antwoordde +de zoon van Hystaspes. »Maar dat doet niets ter zake; ik brand reeds +lang van begeerte, om de zeden van ons vaderland te verdedigen. Weet +dan Ladice, dat uwe dochter in geenen deele de slavin, maar de vriendin +van onzen koning zal worden, wanneer slechts Aoeramazda [152] zijn hart +ten haren gunste neigt. Weet, dat ook in Perzië, hoewel alleen op hooge +feesten, de vrouwen des konings aan de tafel der mannen aanzitten, +en dat wij gewoon zijn onze vrouwen en moeders de hoogste achting te +bewijzen. Oordeelt gijlieden zelven, of de Egyptenaren hunne vrouwen +een schooner en grooter geschenk kunnen vereeren, dan zekere koning +van Babylon, die eene Perzische tot vrouw nam. Gewoon aan de bergen +van haar vaderland, gevoelde deze zich in de uitgestrekte vlakten +van den Euphraat diep ongelukkig, en kwijnde weg van hartzeer en +heimwee. En wat deed nu de koning? Op hooge gewelven liet hij een +reusachtig groot gebouw optrekken, en het bovenste gedeelte ervan met +eene zware laag vruchtbaren tuingrond bedekken. Hierin deed hij de +schoonste bloemen en boomen planten, terwijl door een zeer kunstig +samengesteld werktuig het onmisbare water werd opgepompt, om ze te +besproeien. Als het grootsche ontwerp geheel ten uitvoer was gelegd, +voerde hij zijne Perzische vrouw naar dezen toovertuin, en gaf haar +den kunstberg, van welks top zij als van de kruin van den Rachmed in +de vlakte kon nederzien, ten geschenke [153]." + +»En werd de Perzische gezond?" vroeg Nitetis, met neergeslagene oogen. + +»Zij herstelde en werd vroolijk, gelijk ook gij u binnen korten tijd +in ons land gezond en gelukkig zult gevoelen." + +Ladice glimlachte en vroeg: »Wat zou wel het meeste hebben bijgedragen +tot de genezing der jonge koningin, de kunstige berg, of de liefde +van den echtgenoot, die zulk een reuzenwerk tot stand bracht om haar +op te beuren?" + +»De liefde van haar gemaal!" riepen de meisjes. + +»Maar Nitetis zal toch zeker den berg niet versmaden?" vroeg +Bartja. »Ik zal er ten minste zorg voor dragen, dat zij op de hangende +tuinen komt te wonen, telkens wanneer zich het hof te Babylon bevindt." + +»Maar komt thans!" riep Amasis; »anders zult gij de stad nog in het +donker moeten bezien. Ginds staan reeds een uur lang twee schrijvers +op mij te wachten. Hola, Sachons, beveel den hoofdman der lijfwacht +onze hooge gasten met honderd man te volgen!" + +»Maar waartoe dit? Eén gids bijvoorbeeld, éen Grieksch onderbevelhebber +is meer dan voldoende." + +»Zoo is het beter, vrienden. Als vreemdeling kan men in Egypte nooit +te voorzichtig zijn. Neemt dit wel in acht; en zorgt ook vooral, dat +gij den spot niet drijft met de heilige dieren.--Vaartwel, mijne jonge +helden; heden avond hoop ik u bij den vroolijken beker weder te zien!" + +De Persen verlieten het koninklijke paleis, voorafgegaan door hun +tolk, een Griek, die in Egypte was opgevoed, en beide talen [154] +even gemakkelijk sprak. + +De straten van Saïs, in de nabijheid van het verblijf des vorsten, +zagen er zeer fraai en vriendelijk uit. De huizen, waaronder vele van +vijf verdiepingen hoog, waren meerendeels met beelden en hiëroglyphen +bedekt. Ook hadden de meesten aan de tuinzijde houten balkons +met balustraden van bontgekleurd beeldhouwwerk, door beschilderde +pijlers ondersteund. Op sommige der goed geslotene huisdeuren stond +de naam en de stand van de bewoners te lezen. Op de platte daken +zag men bloemen en boompjes, te midden van welke de Egyptenaren +des avonds vertoefden; als hen ten minste de nood niet drong om het +muggentorentje te bestijgen, dat op weinige woningen gemist werd, en +waar men de lastige insecten, door den Nijl in menigte aangekweekt, +doch die alleen in de laagte zweven, ontvluchten kon [155]. + +De jonge Persen maakten zich vroolijk over de groote, bijkans +overdrevene zindelijkheid van ieder huis in het bijzonder en zelfs +van de straten. De schilden op de deuren en de kloppers schitterden +in het zonlicht; de schilderingen op de muren, balkons en kolommen +waren zoo frisch en helder, als had men er zooeven de laatste hand +aan gelegd. Zelfs het plaveisel der straat wekte het vermoeden op, +dat men gewoon was het te schrobben. Naarmate de Persen zich verder +van den Nijl verwijderden, werden de straten onaanzienlijker. De stad +was tegen de helling van een tamelijk hoogen heuvel gebouwd, en had +zich, sinds voor derdehalve eeuw de residentie der pharao's, hierheen +was verlegd, in betrekkelijk korten tijd uit hare onbeduidendheid en +armoede tot eene machtige en groote stad ontwikkeld. In het gedeelte +der stad, dat zich langs den Nijl uitstrekte, waren de straten fraai +en zindelijk. Daarentegen lagen aan de andere zijde van den heuvel, +slechts zeldzaam door betere huizen afgewisseld, de uit Nijlslib en +acaciatakken samengestelde woningen der armen. In het noordwesten +der stad verhief zich de versterkte burg van den koning. + +»Laat ons hier omkeeren," riep Gyges, de zoon van Cresus zijn jongere +makkers toe, over wie hij bij afwezigheid zijns vaders het toezicht +had, daar hij zag dat de menigte der nieuwsgierigen, die hen volgden, +bij iedere schrede grooter en lastiger werd. + +»Gij hebt slechts te bevelen," gaf de tolk ten antwoord. »Anders, +daar beneden in het dal, aan den voet van gindschen heuvel, ligt +de doodenstad der Saïten, en deze is, zoo ik meen, wel waardig door +vreemdelingen bezocht te worden." + +»Ga gij ons dan maar voor," riep Bartja. »Wij zijn toch immers +Prexaspes alleen gevolgd, om de merkwaardigheden van het buitenland +te zien." + +Toen zij eindelijk nabij de doodenstad op een open, door de kramen +der handwerkslieden [156] omgeven plein waren gekomen, hoorde men +op eens door de nog steeds volgende menigte een luid geschreeuw +aanheffen. De kinderen juichten, de vrouwen gilden, en eene stem die +boven alle andere hoorbaar was brulde: »Komt herwaarts in het voorhof +des tempels, om de werken van den grooten toovenaar te zien, die +uit de oasen in het westen van Libyë geboortig is, en door Choensoe, +den uitdeeler van goede vindingen, en de groote godin Hekt met alle +wonderkrachten is toegerust!" [157] + +»Volgt mij naar den kleinen tempel daarginds," zeide de tolk, »dan +zult gij zoo aanstonds eene zonderlinge vertooning zien." + +Hierop baande hij zich met de Persen een weg door de menigte, nu eens +een naakt kind, dan weer eene taankleurige vrouw op zijde duwende, +en keerde spoedig terug met een priester, die de vreemdelingen in +het voorhof des tempels voerde. Hier stond een man in priestergewaad, +tusschen onderscheidene kisten en kasten. Twee Mooren knielden naast +hem op den grond. Deze Libyër [158], een reusachtige kerel, met zeer +buigzame ledematen en vurige zwarte oogen, hield een blaasinstrument +in den vorm onzer klarinet in de hand; om zijne borst en zijne armen +kronkelden zich ettelijke, in Egypte als vergiftig bekende slangen. + +Toen hij de Persen gewaarwerd, boog hij zich, en noodigde hen met een +plechtig gebaar uit, om goed toe te zien. Daarop legde hij zijn wit +gewaad af, en begon toen allerlei kunststukken met zijne slangen te +verrichten. Nu eens liet hij zich door dezen bijten, dat het bloed +van zijne wang droop, dan weer dwong hij ze door de vreemde tonen +zijner fluit zich op te richten en bewegingen te maken, die op een +dans moesten gelijken, een andermaal deed hij ze, door ze in den bek +te spuwen, in onbeweeglijke staven veranderen. Eindelijk wierp hij +al de slangen op den grond en voerde in haar midden een wilden dans +uit, zonder een der dieren met de voeten te raken. Als een razende +draaide en kromde de toovenaar zijne slappe ledematen, tot hem de oogen +uitpuilden en bloedig schuim op zijne lippen stond. Eensklaps wierp hij +zich als dood ter aarde. Niets bewoog zich aan zijn lichaam, uitgenomen +de lippen, die een schel gesis deden hooren. Op dit teeken kropen de +slangen op hem toe, en legden zich als levende ringen om zijn hals, +zijne beenen en zijne armen. Eindelijk stond hij op en zong een lied +ter eere van de wonderbare macht der godheid, die hem, zichzelve ter +eere, tot toovenaar had gemaakt. Hierop opende hij een der kasten, en +borg daarin het meerendeel der slangen, slechts eenige, waarschijnlijk +zijne lievelingen, behield hij als hals- en armsieraden bij zich. + +De tweede afdeeling zijner voorstelling bestond uit eenige goed +uitgevoerde proeven zijner goochelkunst. Hij at brandend vlas, hield +al dansende zwaarden, die met de spits in zijne oogholten rustten, +in evenwicht, haalde lange linten en strikken uit de neuzen van de om +hem heen staande Egyptische kinderen, vertoonde het bekende ballen- en +bekerspel, en deed de verbazing der toeschouwers ten toppunt stijgen, +door uit vijf struiseieren even zoo vele levende jonge konijnen te +voorschijn te goochelen. + +De Persen waren op verre na niet de ondankbaarsten zijner toeschouwers; +op hen toch maakte dit nooit te voren door hen geziene schouwspel een +verbazenden indruk. Het was hun, als bevonden zij zich in het rijk der +wonderen. Van al de zeldzaamheden, die zij in Egypte al hadden gezien, +geloofden zij thans wel de allermerkwaardigste aanschouwd te hebben. + +Denkende over hetgeen zij gezien hadden, waren zij weder tot de meer +aanzienlijke straten teruggekeerd, zonder op te merken hoe velen der +hen omringende Egyptenaars daar henen liepen zonder handen, neuzen of +ooren. Het was voor de Aziaten niet vreemd zulke ongelukkigen te zien, +want ook bij hen werden vele misdrijven met het afsnijden van eenig +lichaamsdeel gestraft. Hadden zij naar de redenen dier verminking +onderzoek gedaan, zij zouden vernomen hebben, dat in Egypte de van +zijne hand beroofde een op heeterdaad betrapte bedrieger, de vrouw +zonder neus eene overspelige, iemand zonder tong een landverrader +of een lasteraar, een man zonder ooren een verspieder was. De bleeke +vrouw, zou men hun gezegd hebben, die er uitziet als eene zinnelooze, +is de moordenares van haar kind. Tot straf voor deze misdaad, heeft zij +het lijkje van den verworgden zuigeling drie dagen en drie nachten op +hare armen moeten houden. Welke vrouw zou, na het einde van zulk eene +marteling, nog het verstand hebben behouden? De meeste strafwetten der +Egyptenaars hadden evenzeer de strekking om de misdaad te straffen, +als om den misdadiger buiten de mogelijkheid te stellen, zijn eerste +vergrijp te herhalen. + +Eensklaps werden de vreemdelingen verhinderd verder te gaan. Eene +massa menschen had zich namelijk verzameld voor een der schoonste +huizen in de straat naar den Neith-tempel, welks weinige vensters--de +meeste bevonden zich aan de zijde van het voorhof en den tuin--met +luiken gesloten waren. In de geopende huisdeur stond een grijsaard, +gekleed in een eenvoudig wit gewaad, dat in hem den dienaar van +een priester deed herkennen. Onder luid geschreeuw trachtte hij een +aantal lieden van zijn eigen stand te beletten, eene groote kist uit +het huis te verwijderen. + +»Wie geeft u het recht, mijn heer te bestelen?" riep hij met woedende +gebaren. »Ik ben de bewaarder van dit huis, en mijn heer heeft mij, +toen hij door den koning naar Perzië gezonden werd,--dat de Goden +mogen verdelgen!--bevolen vooral acht te geven op deze kist, in welke +zijne geschriften liggen!" + +»Stel u gerust, oude Hib!" riep de tempeldienaar, dien wij bij de +aankomst van het Perzische gezantschap hebben leeren kennen. »De +opperpriester van de groote Neith, de heer van uw heer, heeft ons +herwaarts gezonden. In deze kist moeten al zeer zeldzame stukken +verborgen zijn, anders zou Neithotep ons niet vereerd hebben met het +bevel ze te halen." + +»Maar ik zal niet gedoogen, dat het eigendom van mijn heer, den grooten +arts Nebenchari, weggevoerd worde!" schreeuwde de oude man. »Ik zal +mij aanstonds recht verschaffen, en des noods tot den koning gaan." + +»Voorzichtig, mannen!" riep de tempeldienaar tot zijne +onderhoorigen. »Zóo is het goed. Maakt nu maar voort en brengt de kist +dadelijk naar den opperpriester. En gij, oude, zoudt wijzer handelen, +als gij uwe tong in toom hieldt, en bedacht dat ook gij een dienaar +van mijn heer den opperpriester zijt. Kom, maak maar dat gij in huis +komt, anders sleepen wij morgen uzelven nog weg, gelijk wij heden +de kist doen!"--Bij deze woorden sloeg hij de zware huisdeur dicht, +zoodat de oude man in het voorhuis teruggeworpen en aan de blikken +der steeds aangroeiende menigte onttrokken werd. + +De Persen hadden dit vreemde tooneel aangezien, en lieten het zich +door hun tolk verklaren. Zopyrus lachte, toen hij vernam, dat de +eigenaar der door den oppermachtigen opperpriester in beslag genomene +kist de oogarts was, die zich ter behandeling van de oogziekte der +koningin-moeder in Perzië ophield, en zich door zijn ernstig, norsch +karakter aan het hof van Cambyzes niet zeer bemind had gemaakt. Bartja +wilde aan Amasis vragen, wat deze zonderlinge diefstal te beduiden +kon hebben; doch Gyges verzocht hem dringend zich niet te mengen in +zaken, die hem volstrekt niet aangingen. + +De duisternis, die in Egypte snel op den dag volgt, begon zich reeds +over de stad uit te breiden. Toen de stoet bijna het paleis bereikt +had, werd Gyges plotseling staande gehouden door iemand, die hem +bij zijn kleed greep. Hij keek om en zag een hem onbekenden man, +die hem te kennen gaf dat hij zwijgen moest, door den vinger op de +lippen te leggen. + +»Wanneer kan ik u alleen en onopgemerkt spreken?" fluisterde hij den +zoon van Cresus in het oor. + +»Wat wilt ge van mij?" + +»Vraag niets, maar antwoord schielijk. Bij Mithra [159], ik heb u +belangrijke dingen mede te deelen!" + +»Gij spreekt Perzisch? Zijt gij dan geen Egyptenaar, gelijk ik uit +uwe kleeding zou opmaken?" + +»Ik ben een Pers; maar antwoord spoedig, opdat wij niet te zamen +gezien worden. Wanneer kan ik u alleen vinden?" + +»Morgenochtend vroeg." + +»Dan is het te laat!" + +»Welnu, dan binnen een kwartier, wanneer het volkomen donker is, +aan deze poort van het Paleis." + +»Ik zal u wachten." + +Met deze woorden verdween de man. Zoodra de stoet het paleis was +binnengegaan, verwijderde Gyges zich van Bartja en Zopyrus, stak zijn +zwaard in den gordel, verzocht Darius hetzelfde te doen en hem te +volgen. Weldra stond hij in het stikdonker aan de groote poort van +het paleis tegenover den vreemdeling. + +»Aoeramazda zij geloofd, dat gij daar zijt!" fluisterde hij den jongen +Lydiër in het Perzisch toe. »Maar wie hebt gij bij u?" + +»Mijn vriend, een Achaemenide [160], Darius, de zoon van Hystaspes!" + +De vreemdeling boog zich diep, en zeide: »Goed, ik vreesde reeds dat +gij een Egyptenaar hadt medegebracht." + +»Neen, wij zijn alleen en willen u hooren. Maar, maak het kort! Wie +zijt gij, en wat verlangt gij?" + +»Ik heet Bubares, en was onder den grooten Cyrus een arm hoofdman. Toen +wij Sardes, de stad uws vaders, ingenomen hadden, kregen wij verlof +om te plunderen. Maar uw wijze vader bad Cyrus, dat hij bevelen zou +de plundering te staken, dewijl hij, nu Sardes in zijne macht was, +niet den voormaligen koning maar zichzelven plunderde. Alzoo werd op +straffe des doods bevolen, al het buitgemaakte aan de hoofdlieden uit +te leveren, en dezen vervolgens opgedragen alle kostbaarheden, die hun +gebracht zouden worden, op de markt bijeen te vergaderen. Daar lagen +geheele hoopen gouden en zilveren vaatwerk, vrouwen- en manssieraden, +die van edelgesteenten fonkelden...." + +»Maak wat voort, wij hebben weinig tijd!" viel Gyges den spreker in +de rede. + +»Gij hebt gelijk, ik mag geen woorden verspillen. Ik verbeurde +mijn leven, doordien ik een gouden, rijk met edelgesteenten +bezette zalfdoos, uit het paleis uws vaders afkomstig, voor mij had +behouden. Cyrus wilde mij ter dood doen brengen; Cresus redde evenwel +mijn leven, door mijn voorspraak te zijn bij zijn overwinnaar. Cyrus +gaf mij de vrijheid, doch verklaarde mij voor eerloos. Alzoo dank +ik uw vader het leven. Maar in Perzië kon ik niet blijven, daar +de eerloosheid al te zwaar op mij drukte. Een Smyrnaasch schip +bracht mij naar Cyprus. Daar trad ik weder in den krijgsdienst, +leerde Grieksch en Egyptisch, streed tegen Amasis, en werd door +Phanes als krijgsgevangene hierheen gebracht. Ik had altijd als +ruiter gediend; ik werd dus gevoegd bij de slaven, die voor de +paarden van den koning zorg dragen. Ik paste goed op, en werd na zes +jaren opzichter van den stal. Nooit heb ik uw vader en wat ik hem +verschuldigd ben vergeten. Heden is de beurt aan mij gekomen hem een +dienst te bewijzen." + +»Betreft het mijn vader?--Zoo spreek! Zeg mij dadelijk wat er is!" + +»Aanstonds. Heeft Cresus den prins Psamtik beleedigd?" + +»Dat ik weet, niet." + +»Uw vader is hedenavond de gast van Rhodopis, te Naucratis." + +»Hoe weet gij dat?" + +»Uit zijn eigen mond, want hedenmorgen, toen hij naar de bark ging, +volgde ik hem, om mij aan zijne voeten te werpen." + +»En hebt gij uw doel bereikt?" + +»Ja. Hij sprak mij minzaam toe; doch hij kon mij niet lang aanhooren, +daar zijne metgezellen reeds in de bark plaats hadden genomen, toen +hij aankwam. In haast deelde zijn slaaf Sandon, dien ik ken, mij nog +mede, dat zij naar Naucratis zouden gaan, naar de Helleensche vrouw, +die zij Rhodopis noemen." + +»Hij zeide de waarheid." + +»Dan moeten wij aanstonds alles in het werk stellen om hem te +redden. Toen de markt vol was [161] zijn er tien wagens en twee barken +met Ethiopische soldaten, onder aanvoering van een Egyptisch hoofdman, +heimelijk naar Naucratis getogen, om dezen nacht het huis van Rhodopis +te omsingelen en hare gasten gevangen te nemen." + +»Die verraders!" riep Gyges. + +»Maar wat zouden zij uw vader durven aandoen?" vroeg Darius. »Zij +weten toch dat de wraak van Cambyzes......" + +»Ik weet niets anders," herhaalde Bubares, »dan dat het huis van +Rhodopis, waarin thans ook uw vader is, hedennacht door Ethiopische +soldaten zal worden omsingeld. Ik zelf heb de wagens ingespannen en +goed verstaan, hoe de waaierdrager van den kroonprins den hoofdman +Pentaoer toeriep: »Houd ooren en oogen open. Laat het huis van Rhodopis +omsingelen, opdat hij niet door de achterpoort ontsnappe. Spaar zijn +leven, indien het mogelijk is, en dood hem alleen wanneer hij zich +mocht willen verzetten. Zoo gij hem levend te Saïs brengt, zult gij +twintig gouden ringen ontvangen [162]!" + +»Zou dit werkelijk mijn vader gelden?" + +»Onmogelijk!" riep Darius. + +»Men kan niet weten," mompelde Bubares. »In dit land is alles +mogelijk!" + +»In hoeveel tijds kan een goed paard den weg van hier naar Naucratis +afleggen?" + +»In drie uren, als het tot het einde toe flink doordraaft, en de Nijl +den weg niet te hoog onder water heeft gezet." + +»Binnen twee uren ben ik te Naucratis!" + +»Ik vergezel u," riep Darius. + +»Neen, gij moet met Zopyrus hier blijven, ter bescherming van +Bartja. Geef onzen dienaren de noodige bevelen, zoodat zij op alles +voorbereid zijn." + +»Maar, Gyges....." + +»Gij blijft hier en verontschuldigt mij bij Amasis. Gij zegt, dat ik +wegens hoofd-, of maag-, of tandpijn geen deel aan het drinkgelag kan +nemen, hoort gij? Ik zal het Nisaeische ros van Bartja bestijgen. Gij, +Bubares, volgt mij op dat van Darius. Gij wilt het mij toch zeker +wel leenen, broeder?" + +»Had ik er tienduizend, gij kondt er over beschikken." + +»Kent gij den weg naar Naucratis, Bubares?" + +»Als mijne oogen!" + +»Ga dan, Darius, en gelast, dat men uw en Bartja's paard +gereedhoude. De minste vertraging is hier eene misdaad. Vaarwel Darius, +wellicht voor immer! Bescherm Bartja! Vaarwel!" + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + +Het was nog twee uren vóór middernacht. Door de geopende vensters +van het huis van Rhodopis kon men het schijnsel zien der helder +brandende lampen, en de onbepaalde klanken opvangen der vroolijke +gesprekken. Dien avond was de tafel der eerwaardige vrouw, ter eere +van Cresus, bijzonder rijk voorzien. Op de matrassen lagen, met +populiertakken en rozen bekranst, de ons bekende gasten van Rhodopis: +Theodorus, Ibycus, Phanes, Aristomachus, de koopman Theopompus van +Milete, Cresus en nog onderscheidene andere mannen. + +»Ja, dit Egypte," zeide Theodorus, de beeldhouwer, »maakt op mij +den indruk van een meisje, dat een gouden schoen bezit, dien zij, +ofschoon hij haar knelt en pijn doet, niet besluiten kan af te leggen, +niettegenstaande de schoonste en gemakkelijkste schoeisels voor haar +staan, waarnaar zij slechts de hand heeft uit te strekken, om zich +op eens vrij en ongedwongen te kunnen bewegen." + +»Gij bedoelt dat halsstarrig vasthouden der Egyptenaren aan hunne, +door de voorvaderen overgeleverde vormen en gewoonten?" vroeg Cresus. + +»Juist," antwoordde de beeldhouwer. »Vóór twee eeuwen was Egypte +ontegenzeglijk nog het eerste land der wereld. Zijne kunst en zijne +wetenschap overtrof alles, wat wij toen voortbrengen konden. Wij zagen +echter den Egyptenaren hunne handgrepen af; we wisten deze te volmaken; +we gaven aan de stijve, gedwongene vormen losheid en schoonheid; +we hielden ons aan geene vaste afmetingen, maar namen de natuur tot +model. En thans zijn we onze meesters ver vooruitgestreefd. Hoe kon dit +geschieden? Alleen omdat de leermeester, door onverbiddelijke wetten +gebonden, op zijn oude plaats moest blijven staan. Wij daarentegen +konden ons naar vermogen en welgevallen op het gebied der kunst +vrij bewegen." + +»Maar hoe kan men den kunstenaar dwingen, zijne beeldwerken, die toch +altijd verschillende onderwerpen hebben, naar vaste afmetingen uit +te voeren?" + +»Dit laat zich in dit geval gemakkelijk verklaren. De Egyptenaren +verdeelen het geheele menschelijke lichaam in 21 1/4 deelen [163], +en berekenen daarnaar de verhoudingen der afzonderlijke ledematen. Aan +deze getallen houden zij vast en offeren daaraan de hoogere eischen der +kunst. Ik zelf heb Amasis, in tegenwoordigheid van den voornaamsten +Egyptischen beeldhouwer, een priester van Thebe, deze weddenschap +aangeboden, dat ik mijn broeder Telecles te Ephesus de grootte, +de verhouding en den stand volgens de Egyptische voorschriften zou +opgeven van een met hem te vervaardigen standbeeld, dat als door éene +hand en uit éen stuk zou schijnen bewerkt te zijn, ofschoon Telecles +het benedendeel er van te Ephesus, en ik het bovendeel te Saïs onder +de oogen van Amasis zou bewerken." + +»En zoudt gij de weddenschap winnen?" + +»Zonder eenigen twijfel. Ook ben ik bepaald van voornemen dit werk +onderhanden te nemen. Een kunststuk zal het wel niet zijn, evenmin +als eenig Egyptisch standbeeld dezen schoonen naam verdient." + +»Maar toch zijn enkele beeldhouwwerken, onder andere die welke Amasis +als geschenk voor Polycrates naar Samos zal zenden, uitmuntend +bearbeid. Ik zag te Memphis een beeld, dat drieduizend jaren oud +moet zijn. Men zeide dat het den koning voorstelde, die een der +groote pyramiden liet bouwen. Het wekte in alle opzichten mijne +bewondering. Met hoeveel zekerheid is de buitengewoon harde steen +bewerkt; hoe juist zijn de borstbeen- en voetspieren weêrgegeven; +hoe zuiver zijn de omtrekken en hoe oordeelkundig is het geheel +ontworpen! Bij dit en andere beelden trof mij vooral de harmonie in +de gelaatstrekken." [164] + +»Volkomen waar. Wat het handwerk in de kunst, dat wil zeggen de +gemakkelijke en zekere bewerking ook van de hardste stoffen betreft, +daarin zijn ons de Egyptenaren, al zijn zij ook lang op dezelfde hoogte +gebleven, nog altijd vooruit. Geen Grieksch standbeeld is zoo uitermate +schoon gepolijst, als dat van Amasis in den hof van het paleis. Maar +de vrije vorming, den Prometheusarbeid, het geven van ziel en leven +aan den steen, dit zullen zij niet leeren, zoolang zij niet met hunne +oude vormenkraam geheel gebroken hebben. Door zuivere proporties geeft +men nog geen leven aan zijne beelden. De Egyptische beelden missen +de zoo bevallige verscheidenheid in lichamelijke vormen. Beschouw +eens opmerkzaam de honderdduizend standbeelden, die van Naucratis +tot aan de watervallen bij alle tempels en paleizen sedert dertig +eeuwen zijn opgericht. Alle stellen zij gemoedelijk ernstige menschen +op middelbaren leeftijd voor, en toch is het eene het beeld van een +grijsaard, terwijl een ander ten doel heeft het aandenken aan een +jongeling van koninklijken bloede te vereeuwigen. Krijgshelden, +wetgevers, wreedaards en menschenvrienden hebben allen omtrent +hetzelfde voorkomen, en onderscheiden zich alleen van elkander door +hunne grootte, waarmede de Egyptische kunstenaar meerdere of mindere +macht en kracht uitdrukt, en door hun portret." + +»Doch onder deze portretten," zeide Phanes, het woord nemende, »heb ik +zeer voortreffelijke gevonden. Onder de oudere, die zich te Memphis +bevinden en die maar weinig Grieken te zien krijgen, zijn er enkele +zoo sprekend van uitdrukking, dat men zou meenen de origineelen gekend +te hebben. Ik zou wel wenschen, dat gij die voortreffelijk uitgevoerde +beelden, zoo vol karakter, eens kondet aanschouwen." + +»Amasis," sprak de beeldhouwer, »heeft mij enkele getoond, en ik geef +toe dat zij allen lof verdienen, ja dat ik niet in staat zou zijn die +kunstwerken te overtreffen. Doch de Egyptische kunstenaars van heden +staan bij hunne voorvaderen zeer verre ten achter, al moet ik erkennen, +dat ik zeer goede afbeeldingen van Amasis en zijne voorgangers heb +gezien. Ze zijn beter gepolijst, maar op verre na niet zoo krachtig +als de andere kunstwerken. Over het geheel neem ik niets van het +gezegde terug. Gelijk ik mij een zwaard bestel, evenzoo geeft de +koning last tot het vervaardigen van een standbeeld. Alvorens de +meester zijn werk begonnen heeft, weten wij beiden reeds, als wij +namelijk slechts de lengte en breedte nauwkeurig hebben opgegeven, +wat wij aanschouwen zullen, wanneer het werk gereed is.--Hoe zou +ik een grijsaard, die onder den last der jaren gebukt gaat, op +gelijke wijze kunnen voorstellen als een jongeling, die het hoofd vol +levenslust omhoog heft; een vuistvechter gelijk aan een hardlooper; +een dichter gelijk aan een krijgsman?--Plaats Ibycus naast onzen +vriend, den Spartaan, en bedenk eens wat gij wel zeggen zoudt, als +ik den dichter met gebalde vuist, den held met een aanminnig gelaat +en bevallige gebaren wilde voorstellen?" + +»En wat antwoordt Amasis op uwe aanmerkingen betreffende dezen +stilstand?" + +»Hij betreurt dien zeer, maar voelt zich niet sterk genoeg om de +wetten der priesters op te heffen, die de kunst aan banden leggen." + +»En toch," zeide de Delphiër, »heeft hij ter versiering van onzen +nieuwen tempel, om de Grieksche kunst aan te moedigen,--ik bezig +zijne eigene woorden--eene belangrijke som toegestaan." + +»Dat 's ferm gehandeld," riep Cresus. »Zullen de Alkmaeoniden weldra +de driehonderd talenten, die zij tot de voltooiing van den tempel +behoeven, bijeenhebben? [165] Ware ik nog maar de rijke man, die ik +eens geweest ben, dan zou ik gaarne al de kosten voor mijne rekening +nemen, hoewel uw booze god mij, in spijt van al mijne geschenken, +leelijk bedrogen heeft. Toen ik hem namelijk liet vragen, of ik +den oorlog tegen Cyrus zou durven ondernemen, gaf hij mij ten +antwoord, dat ik een groot rijk ten onder zou brengen, zoo ik de +rivier Halys overtrok. Ik vertrouwde op deze godspraak, verzekerde +mij, overeenkomstig zijn bevel, van de vriendschap der Spartanen, +en bracht werkelijk een groot rijk ten val, toen ik de grensrivier +had overschreden. Dit rijk was evenwel niet het Medisch-Perzische, +maar mijn eigen arm Lydië, dat thans als eene satrapie van Cambyzes +zich maar noode in zulk eene ongewone afhankelijkheid kan voegen." + +»Ten onrechte beklaagt gij u over den god," antwoordde Phryxus, »want +het is niet zijne schuld, dat gij in uwe menschelijke ijdelheid aan +zijne uitspraak eene valsche verklaring hebt gegeven. Hij zeide niet: +'het rijk der Persen', maar een rijk zal door uw strijdlust ten +onder worden gebracht. Waarom hebt ge niet gevraagd, welk rijk hij +bedoelde? Heeft Apollo u bovendien niet naar waarheid het lot van +uw zoon voorspeld en u gezegd, dat deze op een onheilsdag de spraak +terug zou krijgen? En toen gij, na den val van Sardes, van Cyrus verlof +hadt gekregen, om aan het orakel van Delphi te vragen, of de Grieksche +goden zich tot eene wet hadden gesteld, hunne weldoeners met ondank te +beloonen, toen antwoordde Loxias u, dat hij het goed met u had gemeend; +maar dat het onverbiddelijke noodlot, hetwelk machtiger is dan hij, +reeds aan uw grooten voorvader [166] voorzegd had, dat de vijfde na +hem en dit waart gij, ten ondergang was bestemd!" + +»Uwe woorden," liet Cresus hier dadelijk op volgen, »zouden mij in de +dagen van mijn ongeluk beter te stade zijn gekomen, dan thans. Er is +eene ure geweest, waarin ik uw god en zijn orakel vervloekte. Toen ik +echter met mijne macht en mijn rijkdom ook mijne vleiers verloren had, +en ik mijne daden begon te beoordeelen naar een maatstaf, dien ik mij +zelven had gesteld, zag ik in dat niet Apollo maar mijne ijdelheid +mij in het verderf had gestort. Het rijk dat vernietigd zou worden, +kon toch het mijne, het machtige rijk van den machtigen Cresus, +den vriend der goden, die als veldheer nog door niemand overwonnen +was, niet zijn! Als een vriend in die dagen mij op het dubbelzinnige +van het orakel had gewezen, ik zou met hem den spot hebben gedreven; +misschien had ik hem zelfs gestraft. Evenals een paard den arts slaat, +die zijne wond betast om te genezen, zoo handelt ook de despoot ten +opzichte van een oprecht vriend, die de wonden van zijne kranke ziel +durft aanraken. Alzoo heb ik niet opgemerkt, wat ik zoo gemakkelijk +had kunnen zien. De ijdelheid verblindt het oog, dat ons gegeven is +tot een onbevangen onderzoek, en geeft voedsel aan de begeerlijkheid +van het hart, dat toch bovendien, den goden zij dank, zich wijd openzet +voor elke hoop op gewin, maar zich ook haastig sluit, wanneer verlies +of onheil in aantocht is. Nu ik helder zie en toch niets te verliezen +heb, ben ik veel meer bezorgd, dan toen niemand meer te verliezen +had dan ik. In vergelijking met hetgeen ik vroeger was ben ik arm, +Phryxus; maar Cambyzes laat mij geen gebrek lijden, en ik ben toch +nog bij machte een talent [167] voor het tot stand brengen van uw +tempel bij te dragen." + +Phryxus dankte den ouden koning; maar Phanes zeide: »De Alkmaeoniden +zullen een schoon werk tot stand brengen, omdat zij eerzuchtig zijn +en rijk, en zich de gunst der Amphiktyonen [168] willen trachten te +verwerven, ten einde, door dezen ondersteund, den tyran te verdrijven, +mijn geslacht te overvleugelen en zich van het roer van den staat +meester te maken." + +»Tot den rijkdom van dit geslacht hebt gij, Cresus, naar men zegt, +na Agariste [169], die Megacles zoo groote schatten ten huwelijk +medebracht, wel het meeste bijgedragen," zeide Ibycus. + +»Zeer waar, zeer waar!" hernam Cresus lachend. + +»Verhaal ons, hoe zich dit heeft toegedragen," verzocht Rhodopis. + +»Alkmaeon van Athene kwam eens aan mijn hof. De vroolijke, fijn +beschaafde man behaagde mij zoozeer, dat ik hem langen tijd bij mij +hield. Op zekeren dag toonde ik hem mijne schatkamers, bij den aanblik +waarvan hij schier in vertwijfeling geraakte. Hij noemde zichzelven +een gemeenen bedelaar, en verbeeldde zich een allergelukkigst leven te +zullen leiden, zoo hij slechts een enkelen greep in al die heerlijkheid +mocht doen. Ik gaf hem verlof zooveel goud met zich te nemen, als hij +maar dragen kon. Wat deed Alkmaeon nu? Hij liet zich hooge Lydische +rijlaarzen aantrekken, een schort voorbinden en eene mand op den +rug hangen. Deze mand vulde hij met schatten; in het schort laadde +hij zooveel geld als hij maar dragen kon, in zijne laarzen liet hij +gouden munten glijden, terwijl hij op zijn haar en in zijn baard +stofgoud deed strooien. Ja, hij nam zelfs den mond vol goud, zoodat +zijne wangen er zoo gezwollen uitzagen, als ware hij op het punt aan +eene groote ramenas te stikken. Eindelijk hield hij in iedere hand +een gouden schotel, en sleepte zich zoo de deur der schatkamer uit, +terwijl hij bijna onder zijn last bezweek. Maar nauw was hij buiten, +of hij zeeg neder. Nooit heb ik hartelijker gelachen, dan dien dag." + +»En gij liet hem die schatten behouden?" vroeg Rhodopis. + +»Zeker, mijne vriendin; ik achtte toch de ervaring, dat het goud +zelfs een verstandig man tot een dwaas maakt, niet te duur betaald." + +»Gij waart de mildste van alle vorsten!" riep Phanes. + +»En ik ben thans de tevredenste van alle bedelaars. Maar zeg mij, +Phryxus, hoeveel heeft Amasis tot den tempelbouw bijgedragen?" + +»Hij gaf duizend centenaars aluin!" + +»Dat komt mij voor een vorstelijk geschenk te zijn. En de kroonprins?" + +»Toen ik hem om zijne medewerking verzocht, en mij op de mildheid van +zijn vader beriep, antwoordde hij met een hoonenden lach, en zeide, +mij den rug toekeerende: Indien gij eens eene inzameling voor de +verwoesting uwer tempels doet, dan ben ik bereid voor dubbel zooveel +te teekenen als Amasis." + +»Die ellendige!" + +»Zeg liever: die echte Egyptenaar! Psamtik haat alles, wat niet uit +dit land afkomstig is." + +»Hoeveel hebben de Grieken te Naucratis bijeengebracht?" + +»Behalve de rijke bijdragen van afzonderlijke personen teekende iedere +gemeente voor twintig minen." + +»Dat is veel." + +»Philoinus, de Sybariet, zond mij geheel alleen duizend drachmen en +deed dit bedrag vergezeld gaan van een zeer zonderlingen brief. Mag +ik hem voorlezen, Rhodopis?" + +»Ongetwijfeld," antwoordde de gastvrouw. »Gij zult er uit vernemen, +dat hij berouw gevoelt over de beleedigingen, die hij mij in zijn +roes onlangs heeft aangedaan." + +De Delphiër haalde het briefrolletje uit zijn zak te voorschijn, en +las: »Philoinus laat Phryxus weten, dat het hem van harte leed doet, +onlangs bij Rhodopis niet nog meer gedronken te hebben; want hadde +ik dat gedaan, dan zou ik mijn bewustzijn geheel verloren hebben, +en niet bij machte zijn geweest zelfs de kleinste vlieg kwaad +te doen. Mijne verwenschte matigheid is er dus alleen de schuld +van, dat ik mij voortaan niet meer te goed mag doen aan den best +voorzienen disch van geheel Egypte. Desniettemin ben ik Rhodopis +zeer dankbaar voor het genotene, en zend u, tot gedachtenis aan +dat heerlijke rundergebraad, om der wille waarvan alleen ik den kok +der Thracische gaarne tot iederen prijs zou willen koopen, twaalf +groote spietsen tot het roosten van ossen. Gij moogt ze in eene der +schatkameren van den tempel te Delphi, als geschenk van Rhodopis, +laten ten toon stellen. Daar ik een rijk man ben, teeken ikzelf voor +de ronde som van duizend drachmen. Bij de eerstvolgende Pythische +spelen moet dit geschenk openlijk worden uitgeroepen.--Gelieve dien +lomperd Aristomachus van Sparta uit mijn naam te bedanken. Hij heeft +mij het doel mijner Egyptische reis ineens doen bereiken. Ik was +derwaarts gekomen, om mij door dien Egyptischen arts [170], die de +kunst moet verstaan om kwade tanden zonder veel pijn uit te trekken, +van zulk een leelijk exemplaar te laten verlossen. Aristomachus heeft +mij met zijn vuistslag van het kranke deel mijns gebits verlost, +en me die verschrikkelijke kunstbewerking bespaard, waaraan ik niet +zonder siddering kan denken. Toen ik tot mij zelven kwam, vond ik +drie uitgeslagen tanden in mijn mond, den zieken en twee gezonde, +welke laatsten alle kenteekenen droegen, dat zij mij waarschijnlijk +ook nog veel pijn zouden hebben veroorzaakt. + +»Groet Rhodopis en den schoonen Phanes van mij; u echter noodig ik uit, +heden over een jaar deel te nemen aan een gastmaal te mijnen huize, +te Sybaris. Uithoofde er vele kleine toebereidselen moeten gemaakt +worden, zijn wij gewoon onze uitnoodigingen in tijds te doen. + +»Ik laat dezen brief door mijn geleerden slaaf Sophotatus in het naaste +vertrek schrijven; want ik voor mij krijg reeds kramp in de vingers, +wanneer ik een ander slechts zie schrijven." + +Al de gasten barstten in een schaterend gelach uit; Rhodopis hervatte +echter: »Ik verheug mij zeer over dezen brief, omdat er mij uit +blijkt, dat Philoinus geen slecht mensch is. Op echt Sybarietische +wijze opgevoed....." + +»Vergeeft mij, heeren, als ik u stoor, en gij, eerbiedwaardige +Helleensche, dat ik ongenood uw vriendelijk huis binnendring!" Met +deze woorden brak iemand, dien de oude matrone volstrekt niet kende en +die door niemand opgemerkt de eetzaal was ingetreden, het gesprek der +gasten plotseling af.--»Ik ben Gyges, de zoon van Cresus, en het is +niet voor de grap, dat ik nauwelijks drie uren geleden Saïs verliet, +om hier nog ter rechter tijd aan te komen!" + +»Menon, eene matras voor onzen nieuwen gast!" riep Rhodopis. »Wees +hartelijk welkom in mijn huis, en neem uw gemak na uw wilden, echt +Lydischen rit." + +»Bij den hond [171], Gyges," zeide Cresus, zijn zoon de hand reikende, +»ik begrijp niet wat u zoo laat herwaarts voert. Ik had u verzocht niet +van de zijde van Bartja te wijken, die aan mijne zorg is toevertrouwd, +en toch.... Maar hoe ontsteld ziet gij er uit? Is er iets gebeurd? Is +er een ongeluk voorgevallen? Zoo spreek dan toch, spreek!" + +Gyges was gedurende de eerste oogenblikken niet in staat, een woord +op de vragen zijns vaders te antwoorden. Toen hij den geliefden man, +voor wiens leven hij zoo bezorgd was geweest, veilig en wel aan +den rijk bezetten disch zag aanliggen, was het hem als had hij ten +tweeden male de spraak verloren. Eindelijk was hij weder in staat te +spreken, en nu antwoordde hij: »Den Goden zij dank, vader, dat ik +u levend terugzie! Geloof niet dat ik mijn post aan Bartja's zijde +lichtvaardig verlaten heb. Ik werd door de omstandigheden genoodzaakt, +als een ongeluksvogel dezen vroolijken kring binnen te dringen. Weet +dan mannen,--want ik mag mijn tijd niet met onnutte voorbereidingen +verspillen,--verraad en overrompeling bedreigen u!" + +Al de aanwezenden sprongen als door den bliksem getroffen +overeind. Aristomachus trok onwillekeurig zijn zwaard ter helft uit de +scheede, en Phanes rekte zijne athletische armen uit, als om zich te +vergewissen, of ze nog even veerkrachtig en sterk waren als voorheen. + +»Wat is er?--Wat wil men met ons?" klonk het van alle zijden. + +»Dit huis is geheel omsingeld door Ethiopische krijgslieden," hervatte +Gyges. »Eene trouwe ziel heeft mij medegedeeld, dat de kroonprins +één uit uw midden wil gevangennemen en wegvoeren, ja, dat hij bevolen +heeft den bedoelden persoon te dooden, indien hij zich mocht willen +verweren: ik vreesde voor u, vader, en spoedde mij hierheen.--De man, +die mij deze mededeeling heeft gedaan, heeft niet gelogen. Dit huis is +geheel ingesloten. Toen ik aan de poort van uw tuin kwam, Rhodopis, +schrikte mijn paard, hoe vermoeid het ook was. Onder het afstijgen +bespeurde ik bij het heldere maanlicht achter iederen struik de +flikkerende wapenen en gloeiende oogen van menschen. die zich daar +verscholen hadden. Zij lieten ons echter ongehinderd binnengaan." + +»Gewichtig nieuws!" met deze woorden viel Knakias, die de zaal +kwam binnenstuiven, Gyges in de rede. »Toen ik zoo even naar den +Nijl ging, om water voor het mengvat te halen [172], vloog mij een +mensch tegen het lijf, die mij bijna omverwierp. Ik herkende hem +aanstonds. Het was een Ethiopisch roeier van Phanes. Hij vertelde me +dat, toen hij een oogenblik te voren om zich te baden uit de boot +in den Nijl was gesprongen, eene koninklijke bark het vaartuig van +Phanes was genaderd. Een soldaat had aan de manschap, die daarin de +wacht hield, gevraagd, aan wien deze boot toebehoorde. 'Aan Phanes,' +antwoordde de stuurman. De koninklijke bark voer langzaam verder, +schijnbaar zonder zich om uw vaartuig te bekommeren, overste! Maar +de badende roeiknecht had zich zonder eenige bedoeling op het roer +van het vreemde vaartuig neêrgezet, en hoorde nu, hoe een Ethiopisch +soldaat een zijner kameraden toeriep: 'Houd die boot goed in het oog; +wij weten nu waar de vogel zijn nest heeft. Nu zal het niet veel +moeite kosten hem te vangen. Bedenk dat Psamtik ons vijftig gouden +ringen toegezegd heeft, wanneer wij den Athener, dood of levend, +te Saïs brengen.'--Dit berichtte mij Sebek, de roeier, die u sinds +zeven jaren dient, Phanes!" + +Met de grootste kalmte had de Athener het verhaal van Gyges en dat +van den slaaf aangehoord. + +Rhodopis beefde, en Aristomachus riep: »Ik zal niet dulden dat +een haar van uw hoofd gekrenkt worde, al moet ik ook geheel Egypte +verslaan!" Cresus gaf den raad om toch voorzichtig te handelen. Eene +geweldige ontroering was op aller gelaat te lezen. + +Eindelijk brak Phanes het stilzwijgen af: »Nooit is overleg +noodzakelijker dan in gevaar. Ik heb alles rijpelijk overwogen +en begrijp, dat ik moeielijk te redden ben. De Egyptenaren zullen +beproeven mij uit den weg te ruimen, zonder opzien te wekken. Zij +weten, dat ik voornemens ben morgen in de vroegte met eene Phoceïsche +triëre van Naucratis naar Sigeum [173] te zeilen, en hebben dus geen +tijd te verliezen, zoo zij mij willen oplichten. Uw geheele tuin, +Rhodopis, is omsingeld, blijf ik bij u, zoo kunt gij u verzekerd +houden, dat men uw huis zal doorzoeken en mij van hier wegsleepen. Het +Phoceïsche schip, dat mij naar de mijnen moest overbrengen, zal wel +evenals dit huis bewaakt zijn. Om mijnentwil moet niet nutteloos +bloed gestort worden." + +»Gij moogt u niet overgeven!" schreeuwde Aristomachus. + +»Ha! Ik heb er wat op gevonden!" riep plotseling Theopompus, +de Milesische koopman, terwijl de anderen allerlei plannen +beraamden. »Morgen, bij het opgaan der zon, zeilt een schip met +Egyptisch koorn, niet van Naucratis maar van Canopus naar Milete. Neem +het paard van den edelen Pers en rijd daarheen. Wij banen u met geweld +een weg door den tuin!" + +»Onze ongewapende schaar zou gewis aanstonds het onderspit delven," +hernam Gyges. »Wij zijn tien man sterk, en slechts drie van ons +hebben een zwaard. Die kerels daar buiten, wier aantal minstens +honderd beloopt, zijn tot aan de tanden gewapend." + +»En al hadt gij, Lydiër, nu ook tienmaal geen moed, en al waren ze +ook tweehonderd sterk," riep Aristomachus, »ik zal vechten!" + +Phanes drukte zijn vriend de hand. Gyges verbleekte. Die oude held, die +reeds zoo menige proef had doorgestaan, noemde hem een lafaard! Weder +ontbraken hem de woorden om zich te rechtvaardigen. Bij iedere heftige +gemoedsbeweging begaf hem zijn spraakvermogen. Eensklaps echter +kleurde een vluchtig rood zijne wangen, en snel en op beslissenden +toon riep hij: »Volg mij, Athener! en gij, Spartaan, die u anders +wel beraadt alvorens gij spreekt, noem voortaan niemand laf, dien +gij niet kent.--Vrienden, Phanes is gered! Vaarwel, vader!" + +In de grootste verbazing staarden zij, die bleven, de twee mannen na, +die daarheen gingen. Eenige minuten na hun vertrek vernamen de gasten, +die in angstige spanning zaten te luisteren, den hoefslag van een paar +wegrennende paarden. Daarop hoorden zij na eene poos een langgerekt +gefluit en een geroep om hulp van den Nijlkant. + +»Waar is Knakias?" vroeg Rhodopis aan een harer slaven. + +»Hij is met Phanes en den Pers in den tuin gegaan." Op hetzelfde +oogenblik trad de oude dienaar bleek en bevend het vertrek binnen. + +»Hebt gij mijn zoon gezien?" riep Cresus hem reeds uit de verte tegen. + +»Waar is Phanes?" + +»Beiden laten u door mij hun afscheidsgroet brengen." + +»Zijn zij dan ontkomen?--Hoe zijn zij er door gekomen?--Waarheen zijn +zij gegaan?--" + +»Dáar, in het vertrek hiernaast," verhaalde de slaaf, »spraken +de Athener en de Pers eerst een oogenblik met elkaar. Toen moest +ik beiden ontkleeden. Phanes deed de broek, den rok en den gordel +van den vreemdeling aan, en zette diens spitse muts op. De Pers +daarentegen hulde zich in den chiton en den mantel van den Athener, +versierde zijn voorhoofd met diens gouden band, liet zich het haar +van de bovenlip wegsnijden, en gebood mij hem in den tuin te volgen. + +»Phanes, wien iedereen in zijne nieuwe kleeding voor een Pers +zou hebben aangezien, sprong op een der voor de poort gereed +staande paarden. De vreemde riep hem herhaaldelijk toe: 'Vaarwel, +Gyges! Vaarwel, edele Pers! Reis voorspoedig, Gyges!'" De dienaar, +die aan de poort wachtte, reed hem achterna. In de struiken vernam +ik onophoudelijk wapengekletter, doch niemand trad den vluchteling +in den weg. De soldaten twijfelden er geen oogenblik aan, dat hij +een Pers was. + +»Toen wij weder voor het huis stonden, gebood de vreemdeling mij: +'Vergezel mij nu naar de boot van Phanes, en noem mij dikwerf bij den +naam van den Athener.'--'Maar de matrozen zouden u kunnen verraden,' +bracht ik hier tegen in. 'Ga dan eerst alleen tot hen, en zeg hun, +dat zij mij moeten ontvangen alsof ik hun meester ware.' Ik bad hem +nog mij toe te staan, dat ik mij in zijne plaats in het kleed van den +ontvlodene zou laten vangen. Doch hij wees mijn verzoek met vastheid +van de hand, en hij had gelijk toen hij zeide, dat mijne houding mij +aanstonds zou hebben verraden. + +»Ach, slechts de vrije kan met opgeheven hoofd daarheen wandelen; +de nek van een slaaf is altijd gebogen, en zijne bewegingen missen +de bevalligheid, die gij, edelen, op de scholen en in de gymnasiën +leert. Zoo zal het eeuwig blijven, want onze kinderen moeten aan hun +vader gelijk worden. Uit een armzaligen ui kan geene roos, uit den +grauwen ramenas geene hyacinth voortkomen [174]. De slavernij kromt +den rug, gelijk het bewustzijn der vrijheid ons het hoofd fier omhoog +doet heffen!" + +»Wat is er van mijn zoon geworden?" riep Cresus, den slaaf in de +rede vallende. + +»Hij nam mijn welgemeend offer niet aan, en zette zich, terwijl hij +mij duizend groeten aan u, o koning, opdroeg, in de boot neder. Ik riep +hem nog toe: 'het ga u goed, Phanes! Voorspoedige reis, Phanes!' Eene +wolk onderschepte het licht van de maan, zoodat het buitengemeen +donker was geworden. Daar hoorde ik op eenmaal om hulp roepen. Dit +duurde evenwel slechts kort, en toen deed zich een gillend gefluit +hooren, waarna ik niets meer vernam dan den gelijkmatigen slag der +riemen. Juist wilde ik in huis gaan, om u van het voorgevallene kennis +te geven, als Sebek de roeier opnieuw kwam aanzwemmen. Hij verhaalde +mij het volgende: De Egyptenaren hadden in het vaartuig van Phanes, +waarschijnlijk door duikers, een gat doen booren. Zoodra het zich een +weinig van den oever verwijderd had, begon het te zinken. De matrozen +schreeuwden om hulp. Toen kwam het koninklijk schip dat hen volgde +naderbij, nam den gewaanden Phanes aan boord, als om hem te redden, +en belette de matrozen van den Athener hunne banken te verlaten. Zij +zijn allen met de boot in de diepte verdwenen; alleen de stoute +zwemmer Sebek bereikte den oever. + +»Gyges bevindt zich dus op het koninklijke vaartuig. Phanes is +ontkomen, want dat fluiten strekte zeker om de krijgslieden aan +de achterpoort te onderrichten, dat de zaak in orde was. Toen ik +huiswaarts keerende de struiken langs den weg onderzocht, vond ik +daar niemand meer. Doch in de verte vernam ik het wapengekletter en +het praten der soldaten, die op den terugweg naar Saïs waren." + +Met koortsachtige spanning hadden de gasten van Rhodopis den slaaf +aangehoord. + +Toen hij zijn verhaal geëindigd had, waren de aandoeningen natuurlijk +tweeërlei. Aanvankelijk had bij de meesten het gevoel van blijdschap +over het geluk, dat de geliefde vriend aan een dreigend levensgevaar +ontkomen was, de overhand. Maar daarna deed zich bij velen de +vrees voor het lot van den koenen Lydiër gelden. Men zwaaide zijner +edelmoedigheid grooten lof toe. Men wenschte den vader geluk met +het bezit van zulk een zoon, en kwam na rijpe overweging eindelijk +tot het eenparig besluit, dat de kroonprins, zoodra hij de dwaling +zijner lieden zou hebben bespeurd, Gyges niet alleen zonder verwijl +in vrijheid zou moeten stellen, maar ook verplicht was, hem eene +genoegdoening te geven voor den hoon hem aangedaan. Cresus zelf +stelde zich daarmede gerust, gedachtig aan de vriendschap van +Amasis en de vrees, die deze voor de macht der Perzen aan den dag +had gelegd. Kort daarop verliet hij het huis van Rhodopis, om bij +den Milesiër Theopompus te overnachten. + +»Groet Gyges van mij!" riep Aristomachus, toen de grijsaard zich +verwijderde. »Ik bid hem om vergeving. En zeg hem uit mijn naam, dat +ik zou wenschen, hem tot vriend te hebben, of, zoo dit niet zijn kan, +in een eerlijken krijg als vijand tegenover hem te staan." + +»Wie zal zeggen wat de toekomst nog brengen kan!" antwoordde Cresus, +den Spartaan de hand reikende. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + +Het licht van een nieuwen dag was over Egypte opgegaan. De +overvloedige dauw van den nacht, die aan de oevers van den Nijl den +regen vervangt, lag als smaragden en edelgesteenten op de bladeren en +in de bloemkelken. De zon was nog maar weinige oogenblikken te voren +in het oosten verrezen, en de door den frisschen noordwestenwind +bekoelde morgenlucht lokte een ieder uit, om zich te vermeien in de +vrije natuur, voordat de drukkende warmte van den middag dit bijkans +onmogelijk zou maken. + +Uit het ons welbekende landhuis traden twee vrouwen te voorschijn, +de oude slavin Melitta en Sappho, de kleindochter van Rhodopis. Als +eene gazelle huppelde het aanvallige meisje door den tuin. Zij was +ook nu, evenals toen wij haar in den slaap bewonderden, bekoorlijk +in hare maagdelijke schoonheid. Bovendien speelde er thans een +schalksche trek om haren rooskleurigen mond, en om de kuiltjes in kin +en wangen. Het volle bruine haar vertoonde zich als ter sluiks van +onder den purperrooden hoofddoek, en het lichte witte morgengewaad +met wijde mouwen fladderde los en vrij om hare buigzame leden. + +Nu bukte zij, brak een nog gesloten rozeknopje af, sprengde den dauw +er van hare oude bewaakster in het aangezicht, lachte hartelijk over +hare schalkschheid op een toon, zuiverder dan de zuiverste klank +eener klok, stak daarna de roos op den boezem, en begon toen met eene +verwonderlijk heldere en liefelijke stem te zingen: + + + Amor wilde een roosje plukken + In Cythere's bloemenhof, + Toen op eens een honigbietje, + In heur blaadjes neêrgedoken, hem den donzen vinger trof. + + 't Knaapje, door de smart gefolterd, + Barstte los in luid geween; + En terwijl een vloed van traantjes + Langs zijn bleeke koontjes dauwde, vloog hij naar Cythere heen: + + "Moeder!" riep hij, "'k ben verloren! + Red mij op mijn jammerklacht; + Ach, een kleine slang met vleugels, + Door den landman bie geheeten, heeft me een wonde + toegebracht!" [175] + + +»Is mijn lied niet schoon?" lachte het meisje. »Och, wat was die +kleine Eros toch dom, eene bij voor eene gevleugelde slang te +houden! Grootmoeder zegt, dat zij nog een paar verzen kent van dit +lied, dat door den grooten dichter Anakreon gemaakt is, maar die wil +zij mij nu nog niet leeren. Zeg eens, Melitta, wat zou er wel in die +strophen staan? Gij glimlacht? Lieve, eenige Melitta, zing mij het +laatste coupletje eens voor! Of, kent gij het misschien niet? Neen? Dan +kunt gij het mij ook niet leeren." + +»Dat is een heel nieuw lied," antwoordde de oude vrouw, »en ik ken +alleen de zangen van den goeden ouden tijd. Maar, wat is dat? Hoordet +gij daar den klopper niet op de poort vallen?" + +»Zeker, en ik verbeeldde mij ook dat ik den hoefslag van een paard +op den weg vernam. Daar klopt men weder. Zie toch eens, wie zoo +vroeg in den morgen binnen gelaten wenscht te worden. Wellicht is de +goede Phanes gisteren toch niet vertrokken, en komt hij ons nog eens +vaarwel zeggen." + +»Phanes is weg," antwoordde de oude, ernstiger wordende. »Rhodopis +heeft mij bevolen u in huis te zenden, indien er bezoek mocht +komen... Ga dus, meisje, opdat ik de poort opensluite. Kom, verwijder +u spoedig, daar klopt men reeds voor de derde maal." + +Sappho deed als liep zij hard naar huis. Maar in plaats van aan +het verlangen harer bewaakster te voldoen, verborg zij zich achter +een rozestruik, om vandaar den ontijdigen bezoeker te kunnen gade +slaan.--Men had haar de gebeurtenissen van den vorigen avond verzwegen, +ten einde haar niet noodeloos te verontrusten, en Sappho was gewoon +op dit vroege morgenuur slechts de meest vertrouwde vrienden harer +grootmoeder te zien verschijnen. + +Melitta opende de poort, en geleidde kort daarop een rijkuitgedost +jongeling met blonde haren door den tuin. + +Sappho verroerde zich niet; zij was in stomme verbazing over deze +haar geheel vreemde kleederdracht en de zeldzame schoonheid van den +Perzischen koningszoon. Want deze was 't die in den vroegen ochtend +Rhodopis kwam bezoeken. Zij kon hare oogen niet van zijn gelaat +afwenden. Juist zóo had zij zich den blondlokkigen Apollo, den voerman +van den zonnewagen en den aanvoerder van de Muzen, voorgesteld. + +Melitta en de vreemdeling naderden intusschen haar schuilhoekje. In +plaats van zich nog beter te verbergen, drong zij haar kopje tusschen +de rozen naar voren, om den jongeling, die minzaam maar in gebroken +Grieksch tot de oude slavin sprak, te beter te kunnen verstaan. En +nu hoorde zij, hoe hij met zekere drift onderzoek deed naar Cresus en +zijn zoon. Vervolgens vernam zij uit den mond der slavin, in antwoord +op de haar gedane vragen, alles wat er den vorigen avond had plaats +gegrepen. Zij werd vol angst over Phanes. Zij dankte in haar hart den +edelen Gyges, en vroeg zichzelve af, wie deze koninklijk uitgedoste +jongeling zou kunnen zijn. Wel had Rhodopis haar van de heldendaden +van Cyrus, van den val van Cresus, van de macht en den rijkdom der +Perzen verhaald; maar dit was ook alles wat zij van de Aziaten wist, +die zij overigens voor een woest, onbeschaafd volk hield. Hoe langer +zij nu den schoonen Bartja aanschouwde, des te sterker werd hare +belangstelling in de Perzen. + +Als eindelijk Melitta zich verwijderde, om hare grootmoeder te wekken +en kennis te geven van het vroegtijdig bezoek, wilde het meisje +haar volgen. Maar Eros, de dartele knaap, over wiens kinderlijke +onwetendheid zij nog een oogenblik te voren gelachen had, had het +anders besloten. Haar kleedje werd door de doornen van den rozestruik +vastgehouden, en voordat zij nog in staat was zich te bevrijden, stond +reeds de schoone Pers voor haar, en hielp haar, terwijl zij sterk +bloosde, om het kleedje van den verraderlijken struik los te maken. + +Sappho was niet in staat een enkel woord van dank uit te brengen, en +sloeg beschaamd en toch glimlachende de oogen neder. Bartja, de anders +zoo moedige knaap, zag zwijgend, en evenals zij met hoogroode kleur, +op haar neder. Maar dit zwijgen duurde slechts kort, want het meisje, +dat zich spoedig van haar schrik hersteld had, barstte op eenmaal +met kinderlijke vroolijkheid in een helderen schaterlach uit over den +zwijgenden vreemdeling en het vreemdsoortige dezer ontmoeting. Toen +snelde zij als eene opgejaagde hinde naar huis. + +Nu echter herkreeg ook de Pers de hem eigene vrijmoedigheid. In +twee sprongen had hij het meisje ingehaald. Snel als de gedachte +vatte hij hare hand, en hield ze in spijt van haar weêrstreven in de +zijne geklemd. + +»Laat mij los!" bad Sappho, half ernstig, half glimlachende, hare +donkere oogen tot den jongeling opheffende. + +»Hoe zou ik dat kunnen?" antwoordde deze. »Ik heb u van den rozestruik +geplukt, en houd u gevangen, tot ge mij in uwe plaats uwe zuster dáar +aan uw boezem als eene gedachtenis medegeeft naar mijn ver verwijderd +vaderland." + +»Ach, ik bid u, laat mij," herhaalde Sappho. »Zoolang ge mij niet +loslaat, treed ik in geene onderhandeling." + +»Maar, zult gij niet weder wegloopen, als ik aan uw verlangen voldoe?" + +»Zeker niet!" + +»Welnu, zoo schenk ik u de vrijheid terug, maar nu moet ge mij ook +uwe roos geven." + +»Ginds aan den struik zijn nog veel schoonere. Pluk er van, zooveel +u lust. Waarom wilt gij juist deze?" + +»Om ze, als eene gedachtenis aan het schoonste meisje dat ik ooit +gezien heb, zorgvuldig te bewaren." + +»Nu geef ik u de roos in het geheel niet, want hij die mij zegt dat +ik schoon ben, die meent het niet goed met mij. Maar wie mij zegt +dat ik goed ben, hij is mijn vriend." + +»Wie heeft u dat geleerd?" + +»Mijne grootmoeder Rhodopis." + +»Welnu, dan zeg ik u, dat gij het beste meisje op de geheele wereld +zijt." + +»Hoe kunt gij nu zoo iets zeggen, gij, die mij volstrekt niet kent? O, +ik ben dikwijls zeer ondeugend en ongehoorzaam. Ware ik goed, zoo +zou ik thans, in plaats van met u te staan praten, reeds lang in +huis zijn gegaan, gelijk mij betaamde. Want grootmoeder heeft mij +streng verboden in den tuin te blijven als er vreemdelingen zijn, +en ik verlang ook volstrekt niet naar het bijzijn van de mannen, +die steeds over dingen spreken waarvan ik niets versta." + +»Zoo zoudt gij dan ook maar liefst zien, dat ik mij verwijderde?" + +»Ach neen, u begrijp ik zeer goed, al spreekt gij ook op verre na +zoo schoon niet, als bij voorbeeld Ibycus of de arme Phanes, die +gisteren, gelijk ik eerst straks van Melitta vernam, zoo jammerlijk +vluchten moest." + +»Hadt gij hem lief?" + +»Of ik hem liefhad? O ja, ik mocht hem zeer gaarne lijden. Toen +ik nog klein was, bracht hij altijd ballen, ledepoppen [176] en +kegelspellen uit Saïs en Memphis voor mij mede; en toen ik grooter was +geworden, leerde hij mij schoone nieuwe liederen. Bij het afscheid +bracht hij mij een zeer klein Siciliaansch schoothondje mede, dat +ik Argos zal noemen [177], daar het zoo wit en zoo vlug is. Binnen +weinige dagen zullen wij nog een ander geschenk van den goeden Phanes +ontvangen. Dan.... ziet gij, zoo ben ik. Bijna had ik daar nu een groot +geheim verklapt. Grootmoeder heeft mij streng verboden, aan iemand +ter wereld te vertellen, welke lieve kleine gasten wij wachtende +zijn. Maar het is mij, al kenden wij elkaar reeds sinds lang. Uwe +oogen zijn zoo goed, dat ik u gerust alles zou durven zeggen wat ik +weet. Doch, ziet ge, buiten grootmoeder en de oude Melitta heb ik +ook niemand wien ik kan toevertrouwen, wat mij verblijdt; en ik weet +zelve niet hoe het komt, maar menigmaal begrijpen die twee, hoe lief +zij mij ook hebben, in het geheel niet, hoe deze of gene kleinigheid +mij zoo groote vreugde kan geven." + +»Dat komt daar vandaan, dat zij oud zijn, en de blijdschap van een +jeugdig hart niet meer verstaan kunnen. Maar hebt gij dan in het geheel +geene speelgenoot, niemand van uw eigen leeftijd, die gij liefhebt?" + +»Niemand. Wel zijn er, buiten mij, vele meisjes in Naucratis, doch +grootmoeder zegt, dat ik haren omgang niet mag zoeken. Omdat zij niet +tot ons willen komen, werd het mij ook niet vergund tot hen te gaan." + +»Arm kind! Waart gij in Perzië, zoo zou ik u spoedig eene lieve +vriendin bezorgen. Ik heb eene zuster, zij heet Atossa, die zoo jong, +zoo schoon en zoo goed is, als gij." + +»Ach, hoe jammer, dat zij niet met u gekomen is. Maar nu moet gij +mij ook zeggen, hoe ik u moet noemen." + +»Ik heet Bartja." + +»Bartja? Een vreemd woord Bartja!--Bartja! Weet gij wel, dat die naam +mij best bevalt? Hoe heet toch de goede zoon van Cresus, die onzen +Phanes zoo edelmoedig redde?" + +»Gyges is zijn naam. Darius, Zopyrus en hij zijn mijne beste +vrienden. Wij hebben wederzijds gezworen, elkaar nimmer te zullen +verlaten, en voor elkander des noods bloed en leven ten offer te +brengen [178]. Zoo ben ik dus heden in de vroegte, in spijt van hun +bidden en smeeken, heimelijk hierheen gereden om mijn vriend bij te +staan, ingeval hij hulp mocht behoeven." + +»En uwe reis was vergeefs." + +»Neen, bij Mithra! dat was zij niet, want op mijn rit heb ik u +gevonden. Maar nu moet gij mij ook zeggen hoe gij heet?" + +»Men noemt mij Sappho." + +»Een schoone naam. Zijt gij misschien nog eene bloedverwante van +de dichteres, wier schoone liederen Gyges mij zoo dikwerf heeft +voorgezongen?" + +»Voorzeker! De tiende Muze of de Lesbische zwaan, gelijk de oudere +Sappho genoemd wordt, was de zuster van mijn grootvader Charaxus. Uw +vriend Gyges schijnt in het Grieksch beter te huis te zijn, dan gij?" + +»Van zijn geboorte af heeft hij niet alleen de Lydische maar ook de +Grieksche taal leeren spreken, en van beide bedient hij zich met +evenveel gemak. Ook het Perzisch is hij volkomen machtig; en, wat +meer zegt, hij heeft zich ook alle deugden der Perzen eigen gemaakt!" + +»Wat houdt gij dan wel voor de hoogste deugden?" + +»Waarheidsliefde is de eerste van alle deugden; de tweede noemen wij +dapperheid, de derde gehoorzaamheid. Deze drie, gepaard aan eerbied +voor de goden, hebben de Perzen groot gemaakt." + +»Maar gij erkent immers geene goden?" + +»Dwaasheid, lief kind! Wie zou zonder goden, zonder een hoogeren +bestuurder kunnen bestaan? Het is waar, wij laten die hemelsche wezens +niet, gelijk gij, in huizen en beelden wonen, want al het geschapene +is hunne woning. De godheid, die overal moet zijn en een ieder hooren +en zien, laat zich niet binnen muren opsluiten!" [179] + +»Maar waar aanbidt en offert gij dan, zoo gij geene tempels hebt?" + +»Op het grootste van alle altaren, in de vrije natuur, het liefst op +de toppen der bergen [180]. Dáar zijn wij onzen Mithra, de groote zon, +en Aoeramazda, het reine scheppende licht, het meest nabij. Dáar valt +het duister het laatst en breekt het licht het eerste door. Alleen +het licht is rein en goed, de duisternis is zwart en boos. Ja, lief +kind, op de bergen is ons de godheid het meest nabij, daar toeft +zij het liefst. Hebt gij nooit op de met wouden gekroonde toppen van +een hooggebergte gestaan en, onder het plechtig zwijgen der natuur, +het zachte suizen van den adem der godheid vernomen, zoodat u eene +siddering door de leden voer? Hebt gij nooit in het groene bosch, aan +eene heldere bron, onder den blooten hemel neergezeten, en geluisterd +naar de stem van den God, die in het ritselen der bladeren, en in +het ruischen van de wateren spreekt? Hebt gij nooit opgemerkt, hoe +de vlam met onweerstaanbare macht opwaarts stijgt tot haren vader, +de zon, en het gebed in den ten hemel klimmenden rook tot den grooten +stralenden schepper draagt?--Gij hoort mij verwonderd aan; maar, +meisje, ik verzeker u, gij zoudt met mij nederknielen en aanbidden, +zoo ik u naar een altaar op den top van het hooggebergte kon voeren." + +»O, dat ik met u konde gaan! O, dat ik eens van een berg neder mocht +zien, op alle dalen en stroomen en wouden en weiden! Ik geloof, dat +het mij daar boven, waar niets voor mijn blik verborgen zou wezen, +zijn zou, als ware ik zelve eene alziende godheid.--Maar, wat was +dat?--Grootmoeder roept. Ik moet gaan." + +»O, verlaat mij nog niet!" + +»De gehoorzaamheid is ook eene Perzische deugd." + +»En mijne roos?" + +»Hier hebt gij ze." + +»Zult gij u mijner herinneren?" + +»Hoe zou ik niet?" + +»Lief meisje, vergeef mij, maar sta mij nog eene tweede gunst toe." + +»Spoedig, spoedig, grootmoeder roept al weder." + +»Neem deze ster van diamanten tot eene gedachtenis aan dit uur." + +»Ik mag niet!" + +»O, ik bid u, neem ze aan. Mijn vader gaf ze mij tot belooning toen ik +den eersten beer met eigen hand geveld had [181]. Zij was tot dusver +het liefste, wat ik had, thans moet gij haar van mij aannemen, want +van nu aan is mij niets zoo dierbaar als gij!" + +De jongeling nam de keten met de ster van zijne borst, en wilde +het meisje dit kleinood om den hals hangen. Sappho bleef echter +dit kostbare geschenk weigeren. Toen sloeg Bartja zijn arm om haar +heen, kuste haar op 't voorhoofd, noemde haar zijn eenige geliefde, +wierp haar met zacht geweld het sieraad om den hals, en staarde een +oogenblik diep in de donkere oogen van het bevende kind. + +Rhodopis riep ten derden male. Sappho wond zich los uit den arm van +den koningszoon, en wilde zich snel verwijderen. Maar nog eenmaal +wendde zij, op de smeekende stem van den jongeling, het hoofd om, en +antwoordde op zijne vraag: »Wanneer mag ik u wederzien?" met zachte +stem: »Morgen ochtend vroeg, bij gindsche rozestruik." + +»Die als mijn bondgenoot u vasthield." + +Sappho spoedde zich nu naar binnen. Rhodopis ontving Bartja, en deelde +hem omtrent de geschiedenis van zijn vriend mede, wat zij zelve wist. + +Zonder verder dralen keerden nu de jonge Pers naar Saïs terug. + +Toen Rhodopis aan den avond van dien dag, als gewoonlijk, voor de +sponde harer kleindochter trad, sliep deze niet zoo kalm en rustig, +als zij placht. Hare lippen bewogen zich en, als werd zij door booze +droomen gekweld, de schoone slaapster zuchtte soms diep en smartelijk. + +Bartja ontmoette op den terugweg zijne vrienden Darius en Zopyrus, +die hem, zoodra zij kennis droegen van zijn heimelijken aftocht, +terstond gevolgd waren. Zij konden bezwaarlijk vermoeden dat Bartja, +in plaats van strijd en gevaar, zijn eerste liefdesgeluk gevonden had. + +Kort vóor de drie vrienden kwam Cresus te Saïs aan. Op staanden voet +begaf hij zich tot den koning, en verhaalde dezen zonder omwegen alles, +wat den vorigen avond te Naucratis geschied was. Amasis veinsde de +grootste verwondering over den aanslag van zijn zoon, verzekerde +zijn vriend, dat Gyges aanstonds op vrije voeten zou worden gesteld, +en maakte zich vroolijk over de verijdelde wraakneming van Psamtik. + +Nauwelijks had Cresus zich verwijderd, of de kroonprins liet zich +aandienen. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + +Toen Amasis zijn zoon zag binnentreden, barstte hij uit in schaterend +gelach, volstrekt geen acht slaande op diens bleek en verstoord +gelaat. »Heb ik het u niet gezegd," zoo begon hij, »dat het voor een +eenvoudig Egyptenaar geene lichte taak is, zulk een Helleenschen +vos te vangen? Ik had gaarne tien steden van mijn rijk gegeven, +zoo ik tegenwoordig had kunnen zijn, toen gij in den gewaanden wel +bespraakten Athener den stotterenden Lydiër herkendet." + +Psamtik werd nog bleeker. Hij beefde van toorn, en met heesche stem +antwoordde hij: »Het staat u niet mooi, vader, u te verheugen over den +hoon uw zoon aangedaan. Had ik mijn drift niet beteugeld ter wille +van Cambyzes, zoo zou, bij de eeuwige goden, de onbeschaamde Lydiër +heden voor het laatst het licht der zon aanschouwd hebben. Maar wat +raakt het u of ik, uw zoon, ten doelwit verstrek aan den spot van +dit Grieksche bedelaarspak!" + +»Zie niet met minachting neder op hen, die bewezen hebben verstandiger +te zijn dan gij." + +»Verstandiger?--verstandiger?--Mijn ontwerp was zoo fijn en zoo +kunstig aangelegd, dat....." + +»De fijnste weefsels scheuren het lichtst." + +»Dat mij de geslepen Helleen niet zou zijn ontkomen, zoo zich niet, in +strijd met alle wetten en gebruiken, de gezant eener vreemde mogendheid +tot redder van dezen door ons ter dood veroordeelden had opgeworpen." + +»Gij dwaalt, mijn zoon! Hier is geene sprake van de voltrekking van +een rechterlijk vonnis, maar eenvoudig van het gelukken of mislukken +eener persoonlijke wraak." + +»De werktuigen van die wraak waren evenwel beambten des konings, en +daarom is het geringste, wat ik als genoegdoening van u eischen moet, +dat gij den koning van Perzië verzoekt, den man te straffen, die zich +ongeroepen in de tenuitvoerlegging uwer bevelen heeft gemengd. Zulk +een vergrijp zal in Perzië, waar zich alles voor den koning als voor +de godheid buigt, naar recht en billijkheid vergolden worden. Cambyzes +is ons de bestraffing van Gyges schuldig." + +»Maar ik zal er hem toch niet toe aanmanen, want ik wil u bekennen, +dat ik mij hartelijk verheug over de redding van Phanes. Gyges heeft +mijne ziel bewaard voor het verwijt, onschuldig bloed vergoten te +hebben, en u verhinderd lage wraak te oefenen aan een man, aan wien +uw vader groote verplichting heeft." + +»Zoo wilt gij dan dit voorval voor Cambyzes geheel verzwijgen?" + +»Neen! ik zal het hem in een brief mededeelen, doch schertsende, gelijk +dit mijne gewoonte is, en hem tegelijk voor Phanes waarschuwen. Ik +zal er hem op voorbereiden, dat hij ter nauwernood aan onze wraak +ontsnapt, het zich ten doel zal stellen het machtige Perzië tegen +Egypte op te ruien, en mijn schoonzoon verzoeken zijn oor voor den +indringer te sluiten. De vriendschap van Cresus en Gyges zal ons van +meer nut zijn, dan de haat van Phanes ons schaden kan." + +»Is dat uw laatste woord? Wilt gij mij geene genoegdoening +verschaffen?" + +»Neen! Het blijft bij hetgeen ik gezegd heb." + +»Zoo beef niet slechts voor Phanes, maar voor een anderen, wiens +lot wij in onze handen hebben, maar die wederkeerig uw lot in zijne +handen heeft!" + +»Gij wilt mij dreigen, wilt den gisteren geknoopten band weder +verbreken? Psamtik, Psamtik, ik raad u te bedenken, dat gij voor uw +vader den koning staat!" + +»En gij, wees indachtig dat ik uw zoon ben! Want, zoo gij mij dwingt +te vergeten, dat ik u het leven verschuldigd ben, en ik op geene +hulp van uwe zijde rekenen mag, zoo zal ik van mijne eigene wapenen +gebruik weten te maken." + +»Ik ben waarlijk nieuwsgierig, die te leeren kennen." + +»Waarom zou ik die voor u verbergen? Weet dan, dat ik en mijne +vrienden, de priesters, in den oogarts Nebenchari een bondgenoot +bezitten." + +Amasis verbleekte. + +»Vóor dat gij kondet vermoeden, dat Cambyzes aanzoek om uwe dochter zou +doen, zondt gij dezen man naar het afgelegene Perzië, ten einde iemand, +die het geheim der afkomst van mijne zoogenaamde zuster Nitetis kende, +uit Egypte te verwijderen. Daar bevindt hij zich nu nog, en op den +eersten wenk der priesterschap zal hij den misleiden koning mededeelen, +dat gij hem, in plaats van uw eigen kind, de dochter van uw voorganger +Hophra tot vrouw hebt gegeven. Alle papieren van den arts zijn in +ons bezit. Het gewichtigste stuk van alle, een eigenhandigen brief +van u, gericht aan zijn vader, die Ladice bij hare bevalling ter +zijde stond [182], houdt in, dat gij duizend gouden ringen belooft, +zoo hij zelfs voor de priesters geheim wilde houden, dat Nitetis uit +een ander stamhuis dan het uwe afkomstig is." + +»Wie bezit die papieren?" vroeg Amasis op ijskouden toon. + +»De priesters." + +»En deze spreken door uw mond?" + +»Gelijk gij zegt." + +»Herhaal dan, wat gij van mij begeert." + +»Eisch van Cambyzes de bestraffing van Gyges, en geef mij volmacht +om den voortvluchtigen Phanes te vervolgen naar mijn goeddunken." + +»Is dit alles?" + +»Leg in handen der priesters den eed af, dat gij van nu aan den +Hellenen beletten zult, in Egypte nieuwe tempels voor hunne leugengoden +te bouwen, en bevelen zult, dat men de oprichting van den Apollo-tempel +te Memphis stake!" + +»Ik verwachtte diergelijke eischen; want voorzeker, men heeft een +scherp wapen tegen mij gevonden. Ik ben bereid aan de wenschen mijner +vijanden, die gij u tot vrienden hebt uitgelezen, gehoor te geven. Maar +ook ik stel twee voorwaarden. Ten eerste verlang ik den bewusten +brief terug, dien ik werkelijk onvoorzichtig genoeg aan den vader van +Nebenchari heb geschreven; want liet ik dit document in hunne handen, +zoo kon ik verzekerd zijn, in plaats van koning te blijven, weldra +de onderdanige slaaf van ellendige priesterlisten te zullen worden." + +»Uw wensch is billijk. Gij zult den brief ontvangen, als..." + +»Geen tweede: als! Verneem veeleer, dat ik uw wensch, om Cambyzes +aan te manen tot het straffen van Gyges, zoo dwaas acht, dat ik dien +niet vervullen zal. Laat mij nu alleen, en treed mij niet onder de +oogen voordat ik u ontbied. Gisteren had ik een zoon gewonnen, om +hem heden weder te verliezen. Sta op! Ik begeer geene bewijzen van +eene onderdanigheid en liefde die gij nooit gekend hebt. Als gij in +het vervolg troost of raad noodig hebt, ga dan tot de priesters, en +zie of zij uw vader vervangen kunnen. Zeg aan Neithotep, die u kneden +kan als zachte was, dat hij het rechte middel heeft gevonden, om mij +af te persen wat ik hem anders geweigerd zou hebben. Om Egypte groot +en gelukkig te maken, was ik tot heden tot ieder persoonlijk offer +bereid; nu mij echter duidelijk wordt, dat de priesterschap het niet +beneden zich acht mij met het verraad van het vaderland te dreigen, +teneinde hare eigene bedoelingen te verwezenlijken, kon ik er wel +eens toe komen de zoo bevoorrechte kaste voor gevaarlijker vijanden +van mijn rijk te houden dan zelfs de Perzen. Neem u in acht! Neem u +in acht! Ditmaal buig ik nog voor de listen mijner vijanden, want +ik heb zelf, door vaderlijke zwakheid gedreven, een groot gevaar +over Egypte gebracht. Voortaan echter zal ik, bij de groote Neith, +mijne gebiedster! handtastelijk bewijzen dat ik koning ben, en eer +de gansche priesterschap, dan het kleinste deel van mijn koninklijken +wil ten offer brengen. Zwijg--en vertrek!" + +Psamtik ging. Ditmaal echter had de koning meer tijd noodig, om met +een vroolijk gelaat zijne gasten te kunnen ontmoeten. De prins begaf +zich dadelijk tot den opperbevelhebber der inlandsche troepen. Hij +gebood hem den Egyptischen hoofdman, het onbekwame werktuig zijner +verijdelde wraak, naar de steengroeven van Chennoe te verbannen [183] +en de Ethiopische krijgslieden naar hun land terug te zenden. Daarop +spoedde hij zich naar den opperpriester van Neith, om dezen mede te +deelen wat hij van den koning had weten te verwerven. + +Neithotep schudde bedenkelijk het verstandig hoofd, bij het vernemen +der dreigende woorden van Amasis, en zond den troonopvolger heen met +eenige vermaningen, zonder welke hij hem nooit van zich liet gaan. + +Psamtik trad nu zijne woning binnen. Zijne mislukte wraak, de nieuwe +rampzalige breuk met zijn vader, de vrees voor de bespotting der +vreemdelingen, het gevoel zijner afhankelijkheid van den wil der +priesters, het geloof aan eene vreeselijke toekomst, die hem van +zijne geboorte af boven het hoofd hing, drukten loodzwaar op zijn +hart en verduisterden zijn geest. Eens was hij gelukkig geweest in +het bezit eener geliefde vrouw en van vijf bloeiende kinderen. Van +dat alles was hem niets overgebleven dan eene dochter en een zoontje, +dat hij met zijne gansche ziel liefhad. Tot dien knaap voelde hij +zich thans heengetrokken. In de nabijheid van dit kind hoopte hij +troost en nieuwen moed te vinden. Het helderblauwe oog en de lachende +mond van zijn zoon waren alleen in staat, het als met eene ijskorst +omgeven gemoed van dezen man te verwarmen. + +»Waar is mijn zoon?" vroeg hij den eersten den besten hoveling, +die hem tegenkwam. + +»Zoo even heeft de koning prins Necho en zijne oppasster laten halen," +was het antwoord. + +De hofmeester van den kroonprins naderde nu zijn meester, en +overhandigde hem met eene diepe buiging een verzegelden, op papyrus +geschreven brief, zeggende: »Van uw vader, den koning!" + +Met toornige drift verbrak Psamtik het gele was van het zegel, dat +het naamcijfer des konings droeg [184], en las: Ik heb uw zoon bij +mij ontboden, opdat hij niet evenals gij tot het blinde werktuig der +priesters opgroeie, en niet vergeten zal wat hij zichzelven en zijn +vaderland verschuldigd is. Ik zal voor zijne opvoeding zorg dragen, +want de indrukken, in de kindsheid ontvangen, doen het gansche leven +door hun invloed gevoelen. Wilt gij Necho bezoeken, het is mij wel; +maar dan moet gij mij van te voren van uwe komst verwittigen." + +De kroonprins beet zich de lippen aan bloed, om voor de hem omringende +dienaars zijne woede te verbergen. De wensch van zijn vader, den +koning, was in Egypte even verbindend als het strengste bevel. Eenige +oogenblikken stond hij in diep gepeins. Daarop riep hij om jagers, +honden, bogen en lansen, sprong op een lichten wagen, en deed zich +door zijn wagenmenner in het westelijk gelegene moerasland brengen, om +daar, terwijl hij de bewoners der wildernis met honden en werpspietsen +vervolgde [185], te vergeten wat zijn hart benauwde, en op de dieren +zijne verijdelde wraak te verhalen. + +Gyges was, oogenblikkelijk na het onderhoud van zijn vader met +Amasis, op vrije voeten gesteld, en door zijne vrienden met luid +gejubel ontvangen. De pharao scheen de gevangenneming van den +zoon zijns vriends door verdubbelde hartelijkheid weder goed te +willen maken. Hij schonk den jongen Lydiër nog dienzelfden dag +een kostbaren wagen met twee bruine rossen van edel ras bespannen, +en verzocht hem tot een aandenken aan Saïs een zeer kunstig damspel +naar Perzië mede te nemen. De schijven van dit spel waren vervaardigd +van ivoor en ebbenhout. Sommige dier schijven waren met zinspreuken +in hiëroglyphenteekens van goud en zilver ingelegd. Amasis maakte +zich met zijne gasten recht vroolijk over de list van Gyges, liet de +jonge helden ongehinderd met zijn gezin verkeeren, en behandelde hen +gelijk een opgeruimd vader zijne levenslustige zonen. Alleen bij den +maaltijd bewees hij, dat hij in zijn hart toch nog een Egyptenaar +was; want de Perzen moesten aan eene afzonderlijke tafel eten. Hij +zou zich, volgens het geloof zijner vaderen, verontreinigd hebben, +wanneer hij met de vreemdelingen aan dezelfde tafel gespijsd had [186]. + +Toen Amasis eindelijk, drie dagen na de invrijheidstelling van Gyges, +verklaarde, dat zijne dochter Nitetis binnen twee weken tot de afreize +naar Azië gereed zou zijn, betreurden al de Perzen, dat zij niet langer +in Egypte konden toeven. Cresus had vele gelukkige uren gesleten +in het gezelschap van den Samischen dichter en beeldhouwer. Gyges +koesterde, evenals zijn vader, eene voorliefde voor de Helleensche +kunstenaars. Darius, die zich te Babylon reeds met de beoefening +der sterrenkunde had beziggehouden [187], was op zekeren avond, toen +hij den hemel beschouwde, door den grijzen opperpriester van Neith +aangesproken en uitgenoodigd hem op den hoogsten pylon, de voornaamste +sterrenwacht van den tempel, te volgen. Mocht hem deze toenadering +van den priester ook verbazen, de naar wijsheid begeerige jongeling +had zich geen tweemaal laten nooden, en deed sedert dien avond alle +nachten uit den mond van den grijsaard nieuwe kennis op. + +Psamtik ontmoette op zekeren dag den vreemdeling bij zijn meester, +en toen Darius zich verwijderd had, vroeg hij Neithotep, hoe deze er +toe kwam een Pers in te wijden in de Egyptische geheimenissen. + +»Ik onderwijs hem," antwoordde de priester, »in zaken, welke ieder +geleerd Chaldeër te Babylon evengoed weet als wij, en maak ons +daardoor een man tot vriend, wiens gesternte dat van Cambyzes in glans +overtreft, gelijk de zon de maan.--Deze Darius, zeg ik u, zal eenmaal +een machtig heerscher worden. Ja, ik heb zijne planeet zelfs over +Egypte zien lichten. Den wijze voegt het niet bij het tegenwoordige te +blijven stilstaan; hij moet pogen ook in de toekomst door te dringen; +hij moet niet alleen zijn eigen weg, maar ook zijne omgeving trachten +te overzien. Gaat gij een huis voorbij, zoo kunt gij bezwaarlijk weten, +of niet binnen de wanden dier woning iemand wordt opgevoed, die later +uw weldoener zijn zal. Laat niets onopgemerkt van hetgeen ge op uw pad +ontmoet; maar zie vóor alle dingen op naar de sterren. Gelijk de hond +des nachts waakt, om zijn meester te kunnen waarschuwen zoo er dieven +in aantocht zijn, waak ik sedert vijftig jaren, om de zwervers aan den +hemel, de eeuwige in den aether schitterende boden van het noodlot, +die den menschen niet slechts dag en nacht, zomer en winter, maar +ook geluk en ongeluk, roem en schande verkonden, te bespieden. Zij, +die nooit liegen, hebben mij in Darius eene plant doen aanschouwen, +die tot een grooten boom zal opwassen." + +De nachtelijke leeruren van Darius, die hem veroorloofden langer dan +gewoonlijk te slapen, waren Bartja uiterst welkom, want zij maakten +'t hem gemakkelijker zijne heimelijke morgen toertjes naar Naucratis +uit te voeren, op welke Zopyrus, dien hij tot zijn vertrouwde had +gemaakt, hem gewoonlijk vergezelde. Terwijl hij zelf bij Sappho +was, hield zijn vriend zich gewoonlijk met zijne dienaren onledig, +om eenige springhazen, snippen, pelikanen of vossen te schieten. En +bij hunne terugkomst, wanneer hun mentor Cresus naar de oorzaak van +hun vroegtijdig uitstapje onderzoek deed, heette het, dat de vrienden +zich in de lievelingsbezigheid der aanzienlijke Perzen, de edele jacht, +geoefend hadden. + +Buiten Tachot, de dochter van Amasis, was er niemand, die de +verandering bespeurde in het gemoed van den koningszoon, door de +macht eener eerste liefde uitgewerkt. Zij voedde, sedert den dag +waarop Bartja voor het eerst tot haar gesproken had, een stillen +hartstocht voor den schoonen jongeling. Met de fijne voelhorens +der liefde bemerkte zij alras, dat een derde zich tusschen haar en +hem geplaatst moest hebben. Had Bartja haar vroeger als een broeder +bejegend en haar bijzijn gezocht, thans vermeed hij zorgvuldig alle +vertrouwelijke toenadering. Hij vermoedde het geheim van haar hart, +en meende dat hij verraad pleegde jegens Sappho, met haar slechts +vriendelijk aan te zien. De arme koningsdochter leed zeer onder de +koelheid van den jongeling, en vertrouwde eindelijk hare smart aan +Nitetis. Deze bemoedigde haar en bouwde luchtkasteelen voor en met +haar. De beide meisjes spiegelden zich voor, hoe heerlijk het zijn zou, +als zij met twee vorstelijke broeders gehuwd zich niet van elkander +zouden behoeven te scheiden, maar aan éen hof zouden kunnen leven. Maar +de eene dag vóor de andere na verstreek, en de schoone Pers vertoonde +zich aan de dochter van Amasis steeds zeldzamer, en wanneer hij in haar +gezelschap was, dan behandelde hij Tachot koel en vormelijk. Toch moest +de ongelukkige zichzelve bekennen, dat Bartja gedurende zijn verblijf +in Egypte nog schooner en mannelijker was geworden. Fierheid en het +bewustzijn van eigenwaarde straalden thans uit zijne groote oogen, +welker zachte uitdrukking daaronder echter niet leed; en, in plaats +van den vroegeren jeugdigen overmoed, was er allengs eene eigenaardige +kalmte waar te nemen in al zijne handelingen. Zijne wangen waren minder +rooskleurig, maar die bleekheid stond hem goed, beter althans dan haar, +die van dag tot dag verviel als sneeuw voor de zon. + +Melitta, de oude slavin van Rhodopis, was de bondgenoote der +minnenden geworden. Op zekeren morgen had zij Bartja en Sappho +in hunne minnekoozerij verrast; doch zij was door den koningszoon +zoo rijkelijk bedacht, door zijne schoonheid zoo geheel betooverd, +door haar hartediefje zoo innig gebeden en met zulke fraaie namen +betiteld geworden, dat zij beloofd had tegenover hare meesteres te +zullen zwijgen. Ten laatste had zij, toegevende aan de neiging van +alle oude vrouwen om verliefden voort te helpen, de samenkomsten der +minnenden zelfs op alle mogelijke wijzen begunstigd. De oude zag reeds +in hare verbeelding haar »zoet dochterken" tot beheerscheresse der +halve wereld verheven. Zij noemde haar, als zij met haar alleen was: +»vorstin" en »koningin." In menig zwak oogenblik zag zij zichzelve +met het oog haars geestes als rijkgetooide waardigheidsbekleedster +aan het Perzische hof. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + +Drie dagen vóor de afreis van Nitetis, had Rhodopis een groot +aantal gasten, onder welke zich Cresus en Gyges bevonden, ten harent +genoodigd. Gedurende den maaltijd zouden, onder begunstiging van den +nacht en met de hulp der slavin, de verliefden elkander in den tuin +ontmoeten. Nadat Melitta zich overtuigd had, dat het tafelgesprek in +vollen gang was, opende zij de poort, liet den koningszoon in den tuin, +en voerde hem de geliefde maagd te gemoet. Dan verwijderde zij zich, +om voor hen te waken, en door in de handen te klappen te waarschuwen, +zoo zich ongeroepen getuigen van hun onderhoud mochten opdoen. + +»Nog slechts drie dagen kan ik mij opbeuren met de overtuiging, dat +gij in mijne nabijheid zijt," fluisterde Sappho. »Menigmaal is het mij, +als had ik u gisteren voor het eerst gezien. Gewoonlijk ben ik evenwel +te moede, als of gij mij reeds gedurende eene eeuwigheid toebehoort, +en ik u mijn leven lang heb lief gehad." + +»Ook mij is het, als waart gij van mijne vroegste jeugd de mijne +geweest; want ik kan mij niet voorstellen, dat het mij ooit mogelijk +zou zijn zonder u te leven." + +»Ware die tijd der scheiding slechts voorbij!" + +»O, geloof mij, die tijd vliegt sneller om, dan gij meent. Het +wachten zal ons wel lang, zeer lang toeschijnen; maar wanneer wij +weder bij elkander zijn, moet het ons, dunkt mij, wezen, als hadden +we elkaar eerst kort geleden vaarwel gezegd. Ziet gij, zoo ging +het mij dagelijks. Hoe vurig verlangde ik altijd naar den morgen en +naar uw bijzijn! En was ik weder hier, en waart gij weder aan mijne +zijde gezeten, dan scheen het als had ik u geen oogenblik verlaten, +als had uw hand sinds den vorigen dag bestendig op mijn hoofd gerust." + +»En toch overvalt mij een, mij anders geheel onbekende angst, +wanneer ik aan het oogenblik van scheiden denk. Niet dat ik vrees +voor die ure. Wel zal mijn hart bloeden, als gij mij vaarwel zegt; +maar ik weet dat gij wederkomen en mij niet vergeten zult. Melitta +heeft het orakel willen raadplegen, of gij mij getrouw zult blijven; +zij wilde ook naar eene oude vrouw gaan, die onlangs uit Phrygië is +aangekomen, en des nachts uit het trekken van strikken de toekomst +kan voorzeggen. Daarbij heeft zij voor de reinigingen, wierook, +styrax, maanvormige koeken en bladeren van wilde doornstruiken noodig +[188]. Maar ik heb Melitta verzocht niets van dit alles te doen, +want mijn hart weet beter dan Pythia, strik en offerrook, dat gij +mij trouw blijven en mij steeds liefhebben zult." + +»En uw vertrouwen bedriegt u niet!" + +»Toch ben ik niet volkomen gerust geweest. Want ik heb, gelijk de +meisjes gewoonlijk doen, wel honderdmaal in een papaverblad geblazen en +er dan op geslagen. Als het dan knalde, jubelde ik: »hij zal mij trouw +blijven, hij zal mij niet vergeten!" Maar als het blaadje zonder eenig +geluid scheurde, dan werd ik bedroefd.--Doch ik vernam bijna altijd +den zoo vurig begeerden knal, en ik had meestal reden om vroolijk, +zelden reden om treurig te zijn [189]." + +»En zoo zal het blijven!" + +»Ja, zoo moet het blijven. Spreek echter zacht, liefste, opdat Knakias, +die daar naar den Nijl gaat om water te scheppen, ons niet bemerke!" + +»Ja, ik zal zacht spreken... Zoo! Nu strijk ik uwe zijden lokken +achterwaarts en fluister in uw oor: Ik bemin u!--Hebt gij het +verstaan?" + +»Wat men gaarne hoort, zegt grootmoeder, verstaat men zoo licht. Maar +al hadt gij mij zoo even ook toegeroepen: »ik haat u!" zoo zou mij +uw blik toch met duizend stemmen toegezongen hebben, dat gij mij +bemint. De zwijgende taal van het oog is veel welsprekender, dan alle +tongen der wereld." + +»Kon ik zoo, als gij, de schoone taal der Hellenen spreken, dan +zou ik..." + +»O, het verheugt mij, dat gij niet beter spreekt; want dan zoudt gij +alles wat gij gevoelt onder woorden kunnen brengen, en gij zoudt +mij, dunkt me, veel minder teeder in de oogen zien. Want wat zijn +woorden? Hoort gij daar den nachtegaal? De gave der spraak werd hem +niet verleend, en toch geloof ik dat ik hem versta." + +»Och toe, wilt gij 't mij zeggen? Ik zou gaarne weten, wat Bulbul, +gelijk wij Perzen den nachtegaal noemen, met zijne liefste ginds +in den rozestruik te verhandelen heeft. Moogt gij mij verklappen, +wat de vogel spreekt?" + +»Ik zal 't u zachtkens zeggen. Philomele zegt zingende tot zijn wijfje: +'Ik min u!' en zij antwoordt, luister slechts: 'Itys, Ito, Itys' +[190]." + +»En wat beteekent dat: Ito, ito?" + +»Ik neem het aan, ik neem het aan!" + +»En Itys?" + +»Dit laat zich niet zoo in een enkel woord vertolken. Itys is een +kring. De kring beteekent, dat leerde men mij althans, de eeuwigheid, +want hij heeft begin noch einde. Daarom roept het wijfje: 'ik neem +het aan,--ik neem het aan voor alle eeuwigheid!'" + +»En wanneer ik nu tot u zeg: Ik min u?" + +»Zoo antwoord ik, gelijk de zangster van den nacht met verrukking: +ik neem het aan voor heden, voor morgen, voor de eeuwigheid!" + +»O, welk een nacht! Alles rust en zwijgt; ik hoor zelfs den nachtegaal +niet meer. Thans zit hij in gindschen acacia-boom, welks bloesemknoppen +zulk een liefelijken geur uitwasemen. De kronen der palmen spiegelen +zich in den Nijl, en daartusschen wiegelt het beeld der maan gelijk +een witte zwaan." + +»En hare stralen houden met zilveren draden alles wat leeft +geboeid. Daarom ligt de geheele wereld als eene gevangene vrouw +zwijgend en roerloos neder. Hoe gelukkig ik mij ook gevoel, zou ik +thans toch niet kunnen lachen, en nog veel minder met luider stem +kunnen spreken." + +»Zoo fluister,--of zing!" + +»Gij hebt gelijk. Geef mij mijn speeltuig. Ik dank u. Laat mij +mijn hoofd aan uwe borst leggen en u een eenvoudig vredeliedje +voorzingen. Alkman, de Lydiër, die in Sparta woonde, heeft het gezongen +den stillen nacht ter eere. Luister nu goed, want dit liefelijke +slaapliedje moet zacht, zeer zacht over de lippen zweven.--Kus mij +nu niet meer, neen, ik bid u, kus mij niet vóor ik gedaan heb; dan +echter vorder ik zelve een kus tot belooning: + + + "De slaap is neêrgedaald op vlakte en dal: + Der bergen kruin, de klip in 't grondloos zout, + De stroom en 't meir, 't gebladerte van 't woud, + De worm der aarde--'t rust en sluimert àl. + Het wild gedierte slaapt, en ademt zwaar; + Na d'arbeid slaapt de nijvre bijenschaar; + In d'afgrond slaapt, zich schomlend in den vloed, + Des oceaans ontzaglijk monsterbroed; + En hijgend, borst aan borst, slaapt moêgekoosd, + Het vooglenpaar te midden van zijn kroost." + + +»En nu mijn beste, een kus?" + +»Ik had onder het luisteren het kussen vergeten, gelijk ik straks +bij het kussen het luisteren vergat." + +»Gij ondeugd! Maar is mijn liedje niet schoon?" + +»Schoon, als alles, wat gij zingt." + +»En wat de groote Helleensche zangers dichten." + +»Ook dit geef ik u toe." + +»Hebt gij in Perzië geene dichters?" + +»Hoe kunt gij dit vragen? Zou een volk met mogelijkheid op edele +gevoelens roem kunnen dragen, als het de edele dichtkunst verachtte?" + +»Maar de Perzen hebben toch kwade zeden." + +»Hoe bedoelt gij dat?" + +»Gijlieden kiest u zoo vele vrouwen." + +»Mijne Sappho...." + +»Versta mij niet verkeerd! Zie, ik heb u zoo lief, dat ik geen +andere wensch heb, dan u gelukkig te zien en alle lief en leed met +u te mogen deelen. Bezondigt gij u tegen de zeden van uw vaderland, +wanneer gij mij alleen tot vrouw neemt, mocht men u wegens uwe trouw +willen verachten of slechts berispen,--want wie zou het wagen mijn +Bartja te verachten--zoo neem u andere vrouwen nevens mij; maar laat +mij eerst slechts twee, drie jaren lang u geheel alleen bezitten. Wilt +gij mij dat beloven, Bartja?" + +»Dat wil ik!" + +»En dan, wanneer mijn tijd voorbij is, en gij u aan de zeden van uw +land onderwerpen moet,--want uit liefde zult gij geene tweede vrouw +nemen,--zoo laat mij uwe eerste slavin blijven. O, ik heb mij dit +zoo schoon voorgespiegeld! Als gij ten strijde trekt, zet ik u den +tulband op de lokken, gord ik u het zwaard om de lendenen, geef ik +u de lans in de hand. Als gij als overwinnaar huiswaarts keert, +druk ik het eerst u den krans op het hoofd. Gaat gij ter jacht, +zoo gesp ik u de sporen aan; en begeeft gij u naar een feestmaal, +dan tooi en zalf ik u, vlecht ik voor u populier- en rozenkransen, +en slinger ze u om voorhoofd en schouderen. Zijt gij gewond, dan +verbind ik u; zijt gij krank, zoo wijk ik niet van uwe zijde; zijt +gij gelukkig, dan trek ik mij terug, en vermei me op een afstand in +uwe eere en in uw voorspoed. Misschien roept ge mij dan wel tot u, +en uw kus zal mij zeggen, dat gij over uwe Sappho tevreden zijt, +en dat gij haar nog altijd liefhebt." + +»O Sappho, waart gij reeds heden mijn vrouwtje! Wie zulk een groote +schat bezit als ik in u, die mag hem zorgvuldig bewaren, maar hij zal +niet naar andere schatten trachten, die bij deze éene vergeleken niet +anders dan armelijk kunnen zijn. Wie u liefheeft, bemint geene andere +meer. Wel is waar is het in mijn vaderland de gewoonte, dat ieder +man vele vrouwen neemt, maar dit is alleen geoorloofd, het wordt +niet door eene wet bevolen. Mijn vader had wel honderd slavinnen, +doch inderdaad slechts éene vrouw, onze moeder Cassandane." + +»En zal ik dan uwe Cassandane zijn?" + +»Neen, mijne Sappho, want wat gij nu mij zijn zult, dat was nog geene +gade van haar echtgenoot." + +»Wanneer komt gij weder om mij met u te nemen?" + +»Zoo spoedig ik maar kan en mag." + +»O, ik zal geduldig wachten." + +»En zal ik ook tijding van u ontvangen?" + +»Ik zal u lange, zeer lange brieven schrijven, en aan alle winden +draag ik mijn groet voor u op...." + +»Doe dat, mijne liefste! Wat de brieven betreft, geef die met den +bode mede, die aan Nitetis van tijd tot tijd berichten uit Egypte +zal brengen." + +»Waar vind ik dien?" + +»Ik zal u te Naucratis een man aanwijzen, die alles, wat gij hem zult +doen toekomen, bezorgen zal. Het overige wil ik met Melitta bespreken." + +»Wij kunnen haar vertrouwen, want zij heeft overleg, en houdt veel +van mij. Maar ik heb nog eene andere vriendin, die mij na u het meest +bemint, en die ook ik na mijn Bartja het liefste heb." + +»Gij bedoelt uwe grootmoeder Rhodopis?" + +»Mijne trouwe opvoedster en leermeesteres!" + +»Zij is eene edele vrouw, Cresus noemt haar de voortreffelijkste +aller vrouwen, en hij kent de menschen, gelijk een arts de kruiden +en wortels. Want deze weet dat sommigen een doodelijk gif, anderen +genezingbrengende sappen bevatten. Rhodopis, zegt Cresus dikwerf, +gelijkt eene roos, die liefelijk geurt en aan zwakke lijders +verkwikkenden balsem schenkt, zelfs dan nog, wanneer zij verwelkende +blad voor blad verliest, en geduldig den wind verbeidt die haar het +laatste zal ontrukken." + +»O, moge zij nog lang gespaard blijven! Liefste, sta mij nog eene +groote gunst toe!" + +»Zij is u toegestaan, nog eer ik ze vernomen heb." + +»Wanneer gij mij met u neemt, zoo laat Rhodopis hier niet alleen +achter. Dat zij met ons trekke! Zij is zoo goed, en heeft mij zoo +innig lief, dat zij dan alleen gelukkig kan zijn, als zij mijne +dierbaarste wenschen vervuld ziet." + +»Zij zal de eerste gast in ons huis zijn!" + +»Wat zijt gij goed! Thans ben ik volmaakt tevreden en gerust. De +goede vrouw heeft mij zoo noodig! Zij kan niet leven zonder mij, +haar kind. Ik lach hare droeve zorgen weg. Als zij bij mij zit om mij +te leeren, als zij liederen voor mij zingt, of mij wijst hoe men de +schrijfstift hanteeren moet, of de luit bespeelt, dan straalt een rein +licht van haar voorhoofd, en effenen zich al de voren, door de smart +geploegd; hare zachte oogen lachen, en zij vergeet menigen kwaden dag, +terwijl zij blij het tegenwoordige geniet." + +»Alvorens wij scheiden zal ik haar vragen, of zij ons naar mijn +afgelegen vaderland wil volgen." + +»O, hoe verheugt mij dit! En wilt gij wel gelooven, dat mij nu de +eerste tijd van uw afzijn in het geheel niet vreeselijk schijnt? Thans +mag ik u, mijn bruidegom, wel alles zeggen, wat mij verblijdt of +bedroeft; voor anderen echter moet ik zwijgen. Weet dan, mijn beste, +dat wij, terwijl gij naar uw vaderland terugkeert, twee kleine gasten +in ons huis verwachten, de kinderen van den goeden Phanes, van den man, +voor wien uw vriend, de zoon van Cresus, zijn leven in de waagschaal +stelde. Ik wil voor de kinderen steeds als eene moeder zorgen, en als +zij zoet zijn geweest, zal ik hun schoone sprookjes vertellen van een +koningszoon, een sterken held, die zich een eenvoudig meisje tot vrouw +koos. En als ik hun dan beschrijf, hoe die prins, die jonge held er +uitzag, dan zal ik u in mijne verbeelding voor mij zien. Zonder dat +mijn lief tweetal er iets van merkt, zal ik u van het hoofd tot de +voeten afschilderen. Mijn held is van uwe lengte, hem sieren uwe +gouden lokken, uwe blauwe oogen verlevendigen zijn voorhoofd, en +uwe vorstelijke, prachtige kleeding omgeeft zijne edele gestalte. Uw +edel hart, uw trouw, oprecht karakter, uw eerbied voor de goden, uwe +dapperheid, kortom, alles wat ik in u liefheb en hoogschat, zal het +deel van den held mijner verhalen zijn. De kinderen zullen aandachtig +luisteren. En wanneer zij zullen uitroepen: 'O, hoe lief hebben wij +den koningszoon, wat is hij schoon en goed; ach, konden wij dien edelen +jongeling eens zien!'--dan druk ik hen vol liefde aan mijn hart en kus +hen, gelijk ik u gekust zou hebben. Dan is ook der kinderen wensch +vervuld, want daar gij in mijn hart woont, zoo leeft gij in mij en +zijt gij hun nabij; en daarom, als zij mij omarmen, omarmen zij ook u!" + +»En ik ga tot mijne zuster Atossa, en verhaal haar van alles wat +ik op mijn tocht gezien heb. En als ik de minzaamheid der Grieken, +de pracht hunner werken en de bekoorlijkheid hunner vrouwen prijs, +dan wil ik uw liefelijk wezen schilderen, gelijk het beeld der gulden +Aphrodite. Ik zal haar van uwe deugd, van uwe schoonheid en zedigheid, +van uw welluidend gezang, dat zelfs den nachtegaal dwingt te luisteren, +wanneer hij u hoort, van uwe liefde, van uwe teederheid spreken. Maar +dit alles breng ik over op de goddelijke gestalte van Cypris [191], en +ik kus mijne zuster als zij roept: 'O, Aphrodite, kon ik u eens zien!'" + +»Hoor, wat was dat?--Daar klapt onze trouwe schildwacht in de +handen! Vaarwel, wij moeten van hier! Tot wederziens!" + +»Nog eene kus!" + +»Vaarwel!" + + + +Melitta was op haar post van ouderdom en vermoeidheid in slaap +gevallen. Eensklaps werd zij door een groot gedruisch in hare droomen +gestoord. Aanstonds klapte zij in de handen, om het paar te waarschuwen +en Sappho naar huis te roepen, daar zij aan de sterren bespeurde, +dat de dag weldra zou aanbreken. Toen de oude vrouw met het meisje, +dat aan hare hoede was toevertrouwd, het huis naderde, bemerkte zij, +dat het gedruisch, waardoor zij gewekt was, veroorzaakt werd door de +gasten, die zich gereed maakten om te vertrekken. Zij drong Sappho +om toch spoed te maken, en bracht het verschrikte meisje door de +achterdeur in huis en in haar slaapvertrek. Zij wilde juist beginnen +met haar te ontkleeden, toen Rhodopis binnentrad. + +»Nog niet te bed, Sappho?" luidde haar vraag. »Wat beduidt dit, +mijn kind?" + +Melitta beefde en had reeds een leugen gereed; maar Sappho wierp +zich aan de borst harer grootmoeder, omhelsde en kuste haar teeder, +en verhaalde haar de geheele geschiedenis harer liefde. + +Rhodopis verbleekte. + +»Verlaat ons!" gebood zij de slavin op strengen toon. Daarop plaatste +zij zich voor hare kleindochter, legde de handen op hare schouders, +en zeide: »Zie mij in de oogen, Sappho! Kunt gij mij nog even helder, +even kinderlijk rein aanzien, als vóor de aankomst van dezen Pers?" + +Het meisje zag lachend en met open gelaat tot hare grootmoeder +op. Toen drukte Rhodopis haar aan hare borst, kuste haar en zeide: +»Sinds gij de kinderschoenen hebt uitgetrokken, was het mijn streven +u tot eene waardige jonkvrouw op te voeden, en u tegen de liefde te +vrijwaren. Ik had zoo spoedig mogelijk een geschikten echtgenoot voor +u willen kiezen, en u hem volgens Helleensch gebruik [192] tot vrouw +willen geven. Maar de goden hebben het anders gewild. Eros drijft +den spot met alle muren en bolwerken, door menschenhanden tegen +hem opgericht. Het warme Aeolische [193] bloed in uwe aderen heeft +liefde geëischt: het driftige hart uwer Lesbische voorvaderen klopt +ook in uwe borst. Aan het gebeurde valt niets te veranderen. Bewaar +dan de genotvolle uren dezer uwe reine eerste liefde als een kostbaar +kleinood in de schatkamer uwer herinnering, want het leven van ieder +mensch wordt vroeger of later zoo arm en ledig, dat hij zulke schatten +van het verleden behoeft, om niet te versmachten. Gedenk den schoonen +knaap in uwe eenzaamheid. Zeg hem vaarwel als hij naar zijn vaderland +wederkeert, maar onderdruk met al uwe krachten de hoop van hem ooit te +zullen wederzien. De Perzen zijn wuft en wispelturig; al wat nieuw is +bekoort hen; naar al wat vreemd is strekken zij de open armen uit. Uw +lief gezichtje behaagde den koningszoon. Hij gelooft vast en zeker, +dat hij u bemint; maar hij is jong en schoon, hij wordt in zijn land +door al de maagden van voornamen huize begeerd, en hij is en blijft +een Pers. Trek gij uw hart van hem af, opdat hij u niet vergeefs +late wachten." + +»Hoe zou ik dat kunnen, grootmoeder! Heb ik hem niet voor eeuwig +trouw gezworen?" + +»Gij, kinderen, speelt met de eeuwigheid, als duurde zij slechts +een oogenblik! Wat uw eed betreft, dien keur ik zeer af. Maar dit +verblijdt me, dat ge aan hem vasthoudt, want ik verfoei dat misdadig +spreekwoord: 'Zeus hoort de eeden der minnenden niet.' Waarom zou +de godheid een eed, met betrekking tot het heiligste wat er in de +mensch is, geringer achten dan een, die slechts de nietige vragen +van het mijn en dijn betreft? Zoo houd dan wat gij beloofd hebt, +vergeet nimmer uwe liefde, maar gewen u aan de gedachte afstand te +moeten doen van den persoon dien gij bemint." + +»Nooit, grootmoeder! Zou dan Bartja mijn vriend zijn geworden, +als ik hem niet kon vertrouwen? Juist, omdat hij een Pers is, die de +waarheidsliefde zijne schoonste deugd noemt, mag ik met vol vertrouwen +hopen, dat hij zijn eed gedachtig zal wezen, en mij, in spijt der +treurige gewoonte van zijn land, tot zijne eenige vrouw zal verheffen." + +»En als hij toch zijn eed eens vergat, dan zou uwe jeugd helaas in +droefheid verkwijnen, en met een vergiftigd hart...." + +»O, goede, lieve grootmoeder, zeg zulke verschrikkelijke dingen toch +niet! Als gij hem kendet, gelijk ik hem ken, zoudt gij u met mij +verblijden, en moeten toestemmen, dat eer de Nijl opdrogen en de +pyramiden instorten zullen, dan dat mijn Bartja mij bedriegen zal!" + +Het meisje sprak deze woorden met zulk een blij vertrouwen, met zoo +overtuigende zekerheid, en hare donkere oogen, waarin tranen opwelden, +glinsterden daarbij van zulk een gloed en van zoo groote zaligheid, dat +ook het gelaat harer grootmoeder weder eene vriendelijke uitdrukking +aannam. + +Nog eenmaal sloeg Sappho hare armen om den hals der geliefde vrouw, +herhaalde voor haar ieder woord, dat de beminde jongeling tot +haar gesproken had, en besloot haar verhaal met den uitroep: »O, +grootmoeder, ik ben zoo gelukkig! En als gij nu met ons naar Perzië +trekt, zie, dan heb ik niets meer van de Onsterfelijken te begeeren." + +»Maar al te spoedig zullen uwe armen zich weder naar hen +uitstrekken!" zuchtte Rhodopis. »Met afgunstige blikken beschouwen zij +het geluk der stervelingen, en wegen hun het booze met kwistige, het +goede met karige handen toe. Ga thans ter ruste, mijn kind, en bid met +mij, dat dit alles een gelukkig einde moge nemen. Aan een kind bracht +ik mijn morgengroet, eene jonkvrouw zeg ik goeden nacht; moogt gij mij +eens als gade even vroolijk den mond tot kussen bieden als nu.--Morgen +zal ik met Cresus over u spreken. Van zijne uitspraak zal het afhangen, +of ik u kan toestaan u als de bruid van den Pers te beschouwen, dan +wel of ik u bezweren moet den koningszoon te vergeten, om weldra de +huisvrouw van een Helleen van mijne keus te worden. Slaap gerust, +mijne lieveling, slaap gerust; uwe oude grootmoeder waakt over u!" + +Sappho sluimerde aanstonds in, door zalige droomen zachtkens in +slaap gewiegd. Doch Rhodopis zag nog lang, nu eens glimlachende, +dan weder bedenkelijk het voorhoofd fronsende, naar de opgaande zon +en het aanlichten van den dag. + +Den volgenden morgen liet Rhodopis Cresus verzoeken, haar een uurtje +gehoor te schenken. Zij deelde den grijsaard zonder grooten omhaal +van woorden mede, wat Sappho haar beleden had, en eindigde aldus: +»Ik weet niet welke eischen de Perzen doen aan de gemalin van een +vorst. Dit kan ik u echter zeggen, dat Sappho mij de eere overwaardig +schijnt, om de vrouw van den eersten aller koningen te zijn. Zij stamt +af van een edelen vrijen vader, en ik meen dat, volgens uwe wetten, +de stand des vaders alleen de afkomst van het kind bepaalt. Diodorus +beweert hetzelfde van de Egyptenaren, de gedenkteekenen leeren ons +echter, dat hier veeleer de moeder het kind adelde. Overweldigers +huwen dochters van pharao's, om hunne kinderen het erfrecht op den +troon te verschaffen." + +»Ik heb u zwijgend aangehoord," antwoordde Cresus, »en moet u +bekennen, dat ik, evenmin als gij, op dit oogenblik kan beslissen, +of ik mij verheugen, dan wel of ik met deze liefde medelijden hebben +moet.--Cambyzes en Cassandane, de moeder van Bartja en van den +koning, hadden reeds vóor ons vertrek den prins willen doen huwen. De +koning zelf mag zich tot heden niet in het bezit van een nakomeling +verheugen. Mocht hij kinderloos blijven, zoo rust de eenige hoop op +de voortplanting van het geslacht zijns vaders Cyrus op Bartja. Want +de groote grondlegger der Perzische heerschappij mocht zich slechts +in het bezit van twee zonen verheugen, Cambyzes en den vriend uwer +kleindochter. Deze laatste is de roem aller Perzen, de lieveling +van het geheele hof, ja van het gansche land, de hoop van alle +waardigheidsbekleeders en onderdanen. Hij is even schoon als edel, +even deugdzaam als beminnelijk.--Wel vergt men van de koningszonen, +dat zij met vrouwen uit hun, dat is het geslacht der Achaemeniden +huwen; maar de Perzen hebben eene onbegrensde voorliefde voor al wat +vreemd is, en zullen, verrukt over de schoonheid uwer kleindochter +en zeker uit genegenheid voor Bartja, de oogen sluiten, en deze +zonde tegen het oude gebruik lichtelijk vergeven, te eerder daar de +onderdanen niets mogen inbrengen tegen alles, wat de goedkeuring des +konings wegdraagt. Ook levert de Iranische geschiedenis voorbeelden +genoeg op, dat zelfs slavinnen koningen ter wereld hebben gebracht +[194]. De moeder van den monarch, die evenzeer geëerbiedigd wordt als +deze zelf, zal aan het geluk van haren jongsten meest geliefden zoon +wel geene hinderpalen in den weg stellen. Als zij ziet, dat Bartja +geen afstand wil doen van Sappho, als zij bemerkt, dat het lachende +gelaat van dit aangebeden evenbeeld van haar overleden echtvriend met +een waas van treurigheid wordt overtogen, dan zou zij, geloof ik, +om hem zijne vroolijkheid te hergeven, zelfs niet weigeren eene +Scytische als schoondochter aan te nemen. En ook Cambyzes zal, +wanneer zijne moeder er hem op het rechte oogenblik om verzoekt, +zijne toestemming niet onthouden." + +»Welnu, dan zouden alle bezwaren uit den weg zijn geruimd," riep +Rhodopis zeer verheugd. + +»Niet de voltrekking van het huwelijk, maar de tijd daarna baart mij +groote zorg." + +»Meent gij dan, dat Bartja..." + +»Van zijne zijde ducht ik niets. Hij heeft een trouw hart en is zoolang +onkwetsbaar gebleven voor de liefde, dat hij, nu zij hem eens getroffen +heeft, met warmte en duurzaam beminnen zal." + +»Maar..." + +»Maar gij moet niet vergeten dat, al ontvangen ook alle mannen +met geestdrift de bekoorlijke gemalin van hun lieveling, in de +vrouwenvertrekken der Perzische grooten duizend vrouwen ledig +nederzitten, die er zich op zullen toeleggen, om de jeugdige +nieuwelinge door allerlei listen en lagen te benadeelen, en geene +hoogere vreugde zullen kennen, dan het onervaren kind in het ongeluk +te storten." + +»Hebt gij dan zulke kwade gedachten van alle Perzische vrouwen?" + +»Zij zijn niet slechter dan andere vrouwen; maar zij zullen haar +benijden, die het hart van den man wist te winnen, naar wien zij met +smachtend verlangen voor zichzelve of voor hare dochters uitzagen. De +nijd ontwikkelt zich in de vertrekken van den harem, waar vadsige rust +en eentonigheid hare tenten hebben opgeslagen, lichtelijk tot haat, +en de bevrediging van dezen hartstocht is voor die beklagenswaardige +wezens als het ware eene vergoeding voor het volslagen gebrek aan +liefde en vrijheid. Juist de buitengewone schoonheid uwer Sappho zal, +ik herhaal het u, haar des te bitterder vijandinnen op den hals +halen. En al bemint Bartja haar nog zoo vurig, en al blijft zij +de eerste jaren zijne eenige gade, zij zal toch zulke bange uren +te doorleven hebben, dat ik in waarheid niet weet, of ik u met de +in schijn zoo glansrijke toekomst uwer kleindochter wel geluk mag +wenschen." + +»Ik ben volkomen van dezelfde meening. Een eenvoudig Helleen zou mij +als schoonzoon verreweg verkieslijker zijn geweest, dan deze edele +zoon van den grooten koning." + +Op dit oogenblik trad Bartja, door Knakias voorgegaan, het vertrek +binnen. Hij smeekte Rhodopis hem de hoop op het bezit harer +kleindochter niet te ontnemen. In welsprekende taal schilderde hij +zijne vurige liefde voor het schoone meisje, en bezwoer dat zij zijn +geluk ten top zou voeren, als zij zelve met hem naar Perzië wilde +trekken. Daarop vatte hij de hand van Cresus, bad hem om vergeving, +dat hij hem, zijn vaderlijken vriend, zoolang verzwegen had, wat zijn +hart met zoo groote zaligheid vervulde, en smeekte hem zijn aanzoek +bij Rhodopis te ondersteunen. + +Glimlachende hoorde de grijsaard de hartstochtelijke taal van den +jongeling aan, en zeide toen: »Hoe dikwijls, mijn Bartja, heb ik u +tegen de liefde gewaarschuwd! Zij is een verterend vuur." + +»Maar hare vlammen zijn vol gloed en kleuren!" + +»Zij doet pijn!" + +»Maar die pijn is zoet!" + +»Zij verwart den geest!" + +»Maar zij versterkt het hart!" + +»O, die liefde!" riep Rhodopis. »Spreekt die knaap, door Eros bezield, +niet als had hij zijn leven lang bij een Attischen taalmeester ter +school gegaan?" + +»En toch," hervatte Cresus, »noem ik verliefden de ongezeggelijkste van +alle scholieren. Bewijs hun zonneklaar, dat hun hartstocht vergift, +vuur, dwaasheid, dood is, zij zullen niettemin uitroepen: »maar hij +is zoet," en tegen beter weten in blijven beminnen!" + +In dit oogenblik trad ook Sappho het vertrek binnen. Een wit +feestgewaad, met purperrood gestikte boordsels en wijde mouwen, omgaf +in losse plooien hare schoone gestalte, en werd op de heupen door +een gouden gordel bijeengehouden. In heure haren had zij frissche +rozen gestoken, en haar boezem was getooid met de vonkelende ster, +het eerste geschenk van den geliefde. Lieftallig en blozende boog zij +voor den grijsaard, wiens blikken lang op haar gevestigd bleven. En hoe +langer hij dit jonkvrouwelijk gelaat beschouwde, des te vriendelijker +uitdrukking nam het zijne aan. Beelden uit het verleden doemden voor +zijne verbeelding op, en voor een oogenblik gevoelde hij zichzelven +weder jong. Onwillekeurig naderde hij het meisje; hij drukte een warmen +kus op haar voorhoofd, vatte hare hand, voerde haar Bartja tegemoet, +en riep: »Neem haar, zij moet uwe vrouw worden, zelfs al spanden alle +Achaemeniden tegen ons samen!" + +»Gaat dat alles maar zoo buiten mij om?" vroeg Rhodopis, met +vreugdetranen in de oogen. + +Nu vatte Bartja de rechter-, Sappho de linkerhand der grootmoeder, +en vier smeekende oogen zagen tot haar op. Rhodopis sprak als eene +profetes, terwijl zij het hoofd fier oprichtte: + +»Moge Eros, die u elkaar in de armen voerde, mogen Zeus en Apollo u +beschermen! In de lente des levens zie ik u beiden bloeien, gelukkig +en vol liefde, als twee rozen aan éen stengel; wat de zomer, de herfst +en de winter u zullen brengen is alleen den goden bekend. Mogen de +schimmen uwer gestorven ouders, mijne Sappho, u vriendelijk toelachen, +als deze tijding van u in de benedenwereld tot hen komt." + + + +Drie dagen later verdrong zich aan de landingsplaats te Saïs wederom +eene dichte volksmenigte, die getuige wenschte te zijn van de afreis +der naar den vreemde vertrekkende dochter des konings, en haar een +laatst vaarwel verlangde toe te roepen. Bij deze gelegenheid bleek, +dat de Egyptenaren, in spijt van alle opruiingen der priesters, met +innige liefde aan het regeerende vorstenhuis verknocht waren. Toen +Amasis en Ladice Nitetis voor de laatste maal weenend omhelsden, +toen Tachot, voor de oogen van alle Saïten, op de groote trap zich +snikkende aan de borst harer zuster wierp, toen eindelijk de boot, +waarin de bleeke dochter van den koning had plaats genomen, zich +met gezwollen zeilen van den oever verwijderde, toen bleven weinig +oogen zonder tranen. Alleen de priesters zagen ernstig en koud als +altijd, het treffend schouwspel aan. Toen eindelijk ook de schepen der +vreemdelingen, die de Egyptische maagd naar hare bestemming zouden +geleiden, door den zuidenwind zeewaarts werden gestuwd, uitte zich +menig Egyptenaar in vloeken en verwenschingen. Maar de achtergeblevene +dochter des konings wuifde den vertrekkenden nog lang met haren sluier +een laatst vaarwel toe. Zij weende vele en heete tranen. Golden deze +uitsluitend de lieve speelnoote harer jeugd; golden zij soms ook den +schoonen en beminden koningszoon? + +In tegenwoordigheid der menigte omarmde Amasis zijne gade en +dochter. Hij hief den kleinen Necho, zijn kleinzoon, in de hoogte, en +dezen ziende, barstten de Egyptenaren los in een luid gejuich. Psamtik, +de vader van het kind, stond zwijgend en oogenschijnlijk koel naast den +koning, die hem niet eens scheen op te merken. Eindelijk trad Neithotep +de opperpriester nader, leidde den prins, die nog in twijfel stond, +tot zijn vader, legde beider handen inéen en smeekte met luider stem +den zegen der goden af over het koninklijke huis. Terwijl hij sprak, +knielden de Egyptenaren met opgehevene handen neder. Amasis drukte +zijn zoon aan zijn hart, en fluisterde den opperpriester toe, toen +deze zijn gebed geëindigd had: »Laat ons den vrede bewaren, om ons +zelfs en om Egypte's wil." + +»Hebt gij dien brief van Nebenchari ontvangen?" + +»Een Samisch zeerooverschip vervolgt de triëre van Phanes." + +»Ginds vertrekt het kind van uw voorganger, de rechtmatige erfgename +van den Egyptischen troon, onverlet naar het vreemde land." + +»De opbouw van den Helleenschen tempel te Memphis zal geen voortgang +hebben." + +»Isis geve ons vrede! Geluk en welvaart mogen zich over Egypte +uitbreiden!" + + + +Te Naucratis hadden de in Egypte wonende Hellenen de dochter van +hun beschermer, die naar den vreemde vertrok, een feest bereid. Op +de altaren der Grieksche goden werden tal van offerdieren geslacht, +en toen de Nijlbarken in de haven aanlegden, verhief zich een luid +»Ailinos [195]!" Feestelijk uitgedoste maagden boden Nitetis een gouden +band aan, die als bruidskrans met duizend geurige viooltjes omwonden +was [196]. Als de schoonste jonkvrouw van Naucratis genoot Sappho +de eer haar dien te mogen overhandigen. Nitetis nam het geschenk +dankbaar aan, en drukte het meisje een kus op het voorhoofd. Daarop +beklom zij de triëre, die haar wachtte. + +De roeiers begaven zich aan den arbeid, en hieven het keleusma [197] +aan. De zuidenwind vulde de zeilen, en ten tweeden male weêrgalmde +de lucht van een duizendvoudig »Ailinos", ten afscheid. Op het dek +van het koninklijke schip wuifde Bartja zijner verloofde de laatste +liefdesgroeten toe.--In haar hart bad Sappho tot Aphrodite Euploia, +de schutsgodin der schippers. Een traan bevochtigde hare wang; maar +om haar mond speelde een lachje van hoop en van liefde, terwijl +de oude slavin Melitta, die het zonnescherm der jonkvrouw droeg, +als eene wanhopige weende. Doch toen aan den krans, die het hoofd +harer lieveling sierde, toevallig eenige blaadjes ontvielen, vergat +de oude voor een oogenblik haar leed, en fluisterde zachtkens: »Ja, +mijn hartje, men kan wel zien dat gij bemint, want alle meisjes, +die blaadjes uit hare kransen verliezen, zijn door Eros in het hart +getroffen." + + + + + + + + +TWEEDE BOEK. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + +Zeven weken later bewoog zich op den grooten koningsweg [198], die +uit het westen naar Babylon voerde, een lange trein van allerlei +wagens en van ruiters van verschillenden rang naar de reuzenstad, +die reeds op verren afstand zichtbaar was. + +Onder den door houten pijlers gedragen hemel van een kunstig +verguld, van binnen met goudbrocaat bekleed voertuig op vier +wielen, de zoogenaamde harmamaxa [199], die aan de vier zijden +door gordijnen kon worden gesloten, zat Nitetis, de dochter van den +koning van Egypte. Naast dezen wagen reden hare begeleiders, de ons +bekende Perzische edelen, en de onttroonde koning van Lydië met zijn +zoon. Hen volgden vijftig andere voertuigen en zeshonderd lastdieren, +terwijl eene afdeeling Perzische krijgslieden, op prachtige paarden, +den trein opende. + +De weg volgde de kronkelingen van den Euphraat, door rijk +beladene tarwe-, gerst-, en sesamvelden [200], die tweehonderd-, +ja, dikwerf driehonderdvoudig vrucht droegen. Rijzige dadelpalmen, +vol goudgele vruchten, stonden allerwegen verspreid over de akkers, +die in alle richtingen door goed onderhouden slooten en kanalen +doorsneden werden. Niettegenstaande het in den wintertijd was, +schoot de zon uit den wolkenloozen hemel warme en heldere stralen +over de velden. De breede stroom wemelde van groote en kleine +vaartuigen, die de voortbrengselen van het Armenische hoogland +naar de vlakten van Mesopotamië vervoerden, en de meeste waren, +uit Griekenland en Klein-Azië afkomstig, van Thapsacus [201] naar +Babylon brachten. Pompwerktuigen en schepraderen besproeiden de akkers +en beplantingen langs de oevers, die met hunne talrijke dorpen een +levendig en vriendelijk landschap opleverden. Al wat zich aan het oog +voordeed bewees, dat men het middelpunt van een ouden, met groote zorg +bestuurden, hoofdzakelijk door den akkerbouw bloeienden staat naderde. + +Voor een lang baksteenen huis, dat met zwart aardpek [202] was +bestreken, en aan welks zijden zich boschjes van platanen uitstrekten, +hield de wagen van Nitetis en haar gevolg stil. Cresus liet zich van +zijn paard helpen, naderde het voertuig der Egyptische koningsdochter, +en riep deze toe: »Wij zijn tot de laatste pleisterplaats genaderd. Die +hooge toren daarginds, die zich zoo scherp tegen den gezichteinder +afteekent, is de beroemde tempel van Bel, nevens uwe pyramiden +een der meest grootsche werken van menschenhanden. Eer nog de zon +ondergaat, zijn wij voor de metalen poorten van Babylon. Sta mij toe, +dat ik u uit den wagen help, en uwe dienstmaagden in dit huis tot +u zende. Thans moet gij u verkleeden, naar de wijze der Perzische +vorstinnen, opdat de oogen van Cambyzes een welgevallen in u mogen +hebben. Binnen weinige uren zult gij voor uw gemaal staan.--Wat ziet +gij bleek! Draag zorg, dat de vrouwen, door middel van blanketsel, aan +uwe wangen den blos der blijde ontroering geven. De eerste indruk is +dikwerf beslissend. Dit is voorzeker op niemand zoozeer van toepassing, +als op uw aanstaanden echtgenoot. Zoo gij hem, waaraan ik niet twijfel, +bij de eerste ontmoeting behaagt, kunt gij u verzekerd houden, zijn +hart voor altijd gewonnen te hebben; wanneer gij hem daarentegen heden +mishaagdet, zou hij u, tengevolge van zijn ruwe geaardheid, nimmer +weder met een blik verwaardigen.--Moed, mijne dochter, moed! Indien +gij slechts ter harte neemt, wat ik u gezegd heb, zal alles wel gaan!" + +Nitetis pinkte een traan weg, dien zij niet vermocht te weerhouden, +en antwoordde: »Hoe zal ik u danken voor al uwe goedheid, Cresus, +mijn tweede vader, mijn beschermer en raadsman! O, verlaat mij ook +in het vervolg niet! Blijf mijn leidsman, gelijk op deze lange reis +over gevaarlijke bergpaden, wanneer mijn levensweg met smart en zorg +geplaveid mocht zijn. Dank, mijn vader, duizendwerf dank!" + +Dit zeggende, sloeg de jonkvrouw hare mollige armen om den hals van +den grijsaard, en kuste zijn mond, als ware zij zijne eigene dochter +geweest. + +Toen zij het voorhof van het donkere huis betrad, kwam haar +een man tegemoet, die door een aantal Aziatische dienstmaagden +werd gevolgd. Deze man, de overste der eunuchen [203], een der +aanzienlijkste Perzische hofbeambten, was hoog van gestalte en zeer +gezet. Een honigzoete lach speelde om zijn mond; op zijn aangezicht +was niet het geringste spoor van een baard te ontdekken; aan zijne +ooren bengelden kostbare sieraden; zijne armen en beenen, zijn hals +en zijne voor een man veel te lange kleederen waren overladen met +gouden ringen en kettingen; en zijne stijve, gefriseerde lokken, +die door een purperen band bijeen werden gehouden, waren doortrokken +van allerlei sterk riekende oliën. + +De eunuch, Boges genaamd, boog zich eerbiedig voor de Egyptische +maagd neder en zeide, zijne vleezige, met ringen overladene hand +voor den mond houdende: »Cambyzes, de beheerscher der wereld, +zendt mij tot u, o koningin, opdat ik uw hart met den dauw van zijn +groet verkwikke. Hij zendt u verder door mij, zijn armsten knecht, +de kleederen der Perzische vrouwen, opdat gij, gelijk het der gade +van den grootsten aller koningen betaamt, in Medische dracht heden de +poort der Achaemeniden zoudt naderen. Deze vrouwen, uwe dienstmaagden, +wachten op uwe bevelen. Van een Egyptischen smaragd zullen zij u in +een Perzischen diamant veranderen." + +Boges trad, na dit gezegd te hebben, terug, en veroorloofde den +waard van de herberg, met een teeken van nederbuigende goedheid, +de vorstin als welkomstgeschenk een korf aan te bieden, waarin de +keurigste vruchten bijzonder smaakvol waren geschikt. + +Nitetis dankte de beide mannen op minzamen toon, trad daarop het +huis binnen, legde onder vele tranen den tooi van haar vaderland +af, en liet de dikke vlecht ter linkerzijde van het hoofd, het +onderscheidingsteeken van Egyptische vorstendochters [204], losmaken, +om zich volgens Medische wijze door vreemde handen te laten kleeden. + +Haar gevolg beval intusschen een maaltijd op te dragen. Rappe +knechten haalden stoelen, tafels en gouden vaatwerk van de wagens; +de koks begaven zich met den meesten spoed aan den arbeid, en allen +hielpen elkander zoo snel en gewillig, dat als in een oogwenk een +rijk voorziene disch, waarop zelfs de bloemen niet gemist werden, +de hongerige reizigers toelachte. Op dezelfde wijze hadden zij het +zich gedurende deze lange reis altijd draaglijk weten te maken. De +lastdieren, die hen volgden, waren met alle mogelijke voorwerpen +tot gemak beladen, van waterdichte met goud doorwerkte tenten, tot +zilveren voetschabellen toe. Voorts werd een heer van bakkers, koks, +schenkers, voorsnijders, zalfbereiders, kransvlechters en haarkrullers +op wagens medegevoerd. + +Buitendien waren er langs den grooten weg, van vier tot vier mijlen, +goed ingerichte vreemdelinghuizen. Hier werden de vermoeide paarden +en die onderweg waren neergevallen tegen andere verwisseld, hier +verleenden schaduwrijke boschjes eene beschutting tegen de hitte van +den middag, terwijl men in de huizen op de bergen, bij een warmen +haard, eene schuilplaats vond tegen sneeuw en koude. Deze Perzische +herbergen, die groote overeenkomst hadden met onze poststations, +dankten haar bestaan en hare verfraaiing aan den grooten Cyrus, +die door goed onderhouden wegen de geweldig groote afstanden in +zijn wereldrijk had zoeken te verkorten. Dezelfde vorst had ook +eene geregelde postbodendienst ingevoerd. Op elk station vonden deze +boden een plaatsvervanger op een versch paard, die gereed stond om +aanstonds te vertrekken. Na de brieven ontvangen te hebben, rende +deze postillon weder met de snelheid van den wind voort, om bij de +eerstvolgende herberg zijn valies aan den daar wachtenden ruiter toe +te werpen. Deze koeriers werden Angaren geheeten, en voor de snelste +ruiters ter wereld gehouden [205]. + +Toen het gezelschap, waarbij zich ook Boges gevoegd had, van tafel +opstond, werd de deur van de herberg weder geopend. Een lang gerekt +»Ha!" ontsnapte den mond der Perzen toen zij Nitetis aanschouwden in +de kostbare Medische hofkleeding. Zij stond daar voor hen, het hoofd +met vorstelijke waardigheid omhoog geheven, in het bewustzijn harer +zegevierende schoonheid, en tegelijk met een maagdelijken blos over +de verrukking harer vrienden. Onwillekeurig vielen de knechten, naar +Aziatisch gebruik, voor haar neder; de edele Achaemeniden daarentegen +bogen diep en eerbiedig. Het was als had de koningsdochter, met de +meer eenvoudige kleeding van haar vaderland, ook alle schuchterheid +afgelegd, en met het van goud en edelgesteente flonkerende zijden +gewaad der Perzische vorstin, den trots en de waardigheid eener +koningin aangetogen. + +Dit bewijs van eerbied scheen haar te streelen. Met eene soort van +nederbuigende minzaamheid wenkte zij met de hand, en dankte hare +vrienden voor deze hulde. Daarop wendde zij zich tot den overste der +eunuchen [206], en zeide vriendelijk, maar tegelijk uit de hoogte: +»Gij hebt uw plicht gedaan. Ik ben niet onvoldaan over de kleederen +en de slavinnen, die ge mij bezorgd hebt. Ik zal mijn gemaal een +loffelijke getuigenis geven van uw ijver. Ontvang intusschen deze +gouden keten, ten teeken mijner erkentelijkheid." + +De alvermogende opzichter van de vrouwen des konings kuste haar +kleed, en nam het geschenk zwijgend aan. Met zulk een trots was hij +nog nooit door eene der aan zijne zorg toevertrouwden bejegend. Tot +nu toe waren al de vrouwen van Cambyzes Aziatische, en deze plachten +altijd, de onbeperkte macht van den overste der eunuchen kennende, al +het mogelijke in het werk te stellen, om zijne gunst door vleierijen +en onderworpenheid te winnen. + +Ten tweeden male boog de eunuch zich voor Nitetis. Zij wendde zich +echter, zonder verder op hem acht te geven, tot Cresus, en zeide: +»U, mijn liefderijken vriend, kan ik noch door woorden, noch door +eenig geschenk vergelden, wat gij aan mij gedaan hebt; want u alleen +zal ik het dank weten, als mijn leven aan dit hof, zoo al niet een +gelukkig, dan toch een vreedzaam leven zijn mag.--Neem dezen ring," +zeide zij nu met luider stem, zoodat zij ook door de overige leden van +het reisgezelschap kon worden verstaan, »die sinds mijn vertrek uit +Egypte mijne hand niet verlaten heeft. Zijne waarde is gering; doch +zijne beteekenis is schoon. Pythagoras, de edelste aller Hellenen, +gaf hem aan mijne moeder, toen hij in Egypte de wijsheid onzer +priesters kwam afluisteren. Mijne moeder schonk hem mij, toen ik van +mijn vaderland afscheid nam. Op den eenvoudigen turkoois staat eene +zeven [207]. Dit volstrekt ondeelbare getal is het zinnebeeld van de +gezondheid van lichaam en ziel; want niets is ondeelbaarder dan de +gezondheid. Wanneer ook maar het kleinste deeltje van het lichaam krank +is, zoo lijdt de geheele mensch; wanneer zich eene slechte gedachte in +ons hart nestelt, dan is de harmonie der geheele ziel verstoord. Deze +zeven moge, zoo dikwerf gij er het oog op vestigt, u toeroepen, wat +ik u wensch: het ongestoord en onverdeeld genot van eene lichamelijke +gezondheid, en de lange voortduring van de liefderijke zachtmoedigheid, +die u tot den deugdzaamste, en daarom tot den gezondste aller menschen +maakt. Geen dank, mijn vader, want ik zou uwe schuldenares blijven, +zelfs al vermocht ik Cresus de schatten van Cresus weer te geven.--Gij, +Gyges, ontvang deze elpenbeenen Lydische lier, en gedenk de geefster, +zoo dikwijls gij de snaren tokkelt.--U, Zopyrus, bied ik deze gouden +keten aan, want gij zijt, gelijk ik gezien heb, de trouwste vriend +van uwe vrienden; en wij, Egyptenaren, geven aan onze godin der +liefde en der vriendschap, de schoone Hathor, als zinnebeeld van +haar bindend vermogen, banden en strikken in de liefelijke handen +[208].--U, Darius, u beminnaar van de wijsheid der Egyptenaren en +van den helderen sterrenhemel, schenk ik tot aandenken dezen gouden +band, op welken gij den dierenriem ziet, door eene bekwame hand in +het metaal gegraveerd [209].--Gij, Bartja, mijn lieve schoonbroeder, +zult eindelijk het kostbaarst kleinood ontvangen, dat ik bezit. Neem +deze amulet van blauw steen [210]. Mijne zuster Tachot hing ze mij om +den hals, toen ik haar voor de laatste maal goeden nacht wenschte, en +mijne lippen op de hare drukte. Zij zeide: 'deze talisman verschaffe +allen, die hem dragen, onvermengd geluk op aarde.' Zij weende, terwijl +ze dat zeide, Bartja!--Ik weet niet aan wie de lieve dacht, maar ik +hoop in haar geest te handelen, als ik haar kleinood in uwe handen +leg. Houd het er voor, dat Tachot het u door mijne tusschenkomst +aanbiedt, en gedenk nog dikwijls onze spelen in de tuinen van Saïs." + +Tot hiertoe had zij Grieksch gesproken. Thans richtte zij in gebroken +Perzisch het woord tot de op eerbiedigen afstand wachtende dienaren: +»Ontvangt ook gijlieden mijn dank! Te Babylon zal ik u duizend gouden +staters [211] doen uitbetalen. Ik beveel u, Boges," vervolgde zij, +zich tot den eunuch wendende, »uiterlijk overmorgen deze som onder +de lieden te doen verdeelen.--Leid mij thans naar mijn wagen, Cresus!" + +De grijsaard haastte zich aan dit verzoek te voldoen. Terwijl hij +Nitetis naar het voertuig geleidde, fluisterde zij hem toe, zijn arm +aan hare borst drukkende: »Zijt gij over mij tevreden, mijn vader?" + +»Ik zeg u, meisje," antwoordde de grijsaard, »gij zult aan dit hof +de eerste worden, na de moeder van den koning, want op uw voorhoofd +zetelt de ware trots der koningin, en gij verstaat de kunst met weinig +veel te doen. Geloof mij, dat een klein geschenk, gelijk gij het weet +te kiezen en aan te bieden, den edele grooter vreugde verschaft, dan +een hoop goud, dien men hem voor de voeten werpt. Kostbare geschenken +te geven en te ontvangen is de gewoonte der Perzen. Zij verstaan de +kunst elkander te verrijken. Gij zult hun leeren, elkaar gelukkiger +te maken.--Wat zijt gij schoon!--Zit gij zóó goed, of verlangt gij +hooger kussens?--Maar wat is dat? Ziet gij, in de richting van de +stad, geene stofwolken oprijzen? Dat zal Cambyzes zijn die u tegemoet +trekt. Het hoofd omhoog, mijne dochter! Beproef toch vooral den +blik van uw gemaal te doorstaan en te beantwoorden. Slechts weinigen +kunnen het bliksemen van dat oog verdragen. Gelukt het u hem vrij en +onbedeesd in het gelaat te zien, zoo is uw spel gewonnen. Moed, moed, +mijne dochter! Aphrodite siere u met hare schoonste bevalligheid!--Te +paard mijne vrienden, ik geloof dat de koning ons te gemoet trekt!" + +Nitetis zat in den gouden wagen met opgeheven hoofd, en drukte +de handen op haar hart. De stofwolken kwamen intusschen al nader +en nader. Reeds zag men de zonnestralen flikkeren op de blinkende +wapenen der naderende ruiterschaar, als bliksemstralen aan een +donkeren hemel. Nu eens verdeelde zich de wolk, om enkele afzonderlijke +gedaanten te laten zien, dan weer was de trein achter dicht geboomte, +bij eene kromming van den weg, verborgen. Maar op eens vertoonden zich +de ruiters zeer dicht in de nabijheid, nauwelijks honderd schreden +van haar verwijderd, volkomen duidelijk aan haar starenden blik. + +De geheele stoet geleek eene bonte massa van paarden, mannen, purper, +goud, zilver en edelgesteenten. Meer dan tweehonderd personen, allen +op sneeuwwitte Nisaeische rossen gezeten, welker tuig en schabrakken +met gouden klokjes en gespen, vederen, kwasten en stikwerk waren +gemonteerd, volgden den man, die aanstonds te onderkennen was aan +den raafzwarten hengst dien hij bereed [212]. Telkens werd hij door +het edele dier in dolle vaart meegevoerd, doch even dikwijls deed +hij den vurigen, schuimenden viervoeter met reuzenkracht voelen, +dat hij juist de man was, om zijn overmoed te temmen. Deze ruiter, +wiens gespierde dijbeenen den hengst zoo krachtig omklemden, dat het +dier beefde en hijgde, droeg een kleed van scharlakenrood en wit, +bedekt met schier ontelbare zilveren arenden en valken van stikwerk +[213]. Zijne onderkleederen waren van purper en zijne laarzen +van geel leder. Om zijne heupen was een gouden gordel gegespt, +waarin een korte dolkvormige sabel stak, welker greep en scheede met +edelgesteenten bezaaid waren. Evenals de tulband van Bartja, was ook de +zijne met blauwe en witte banden der Achaemeniden omwoeld. Van onder +dit hoofdsieraad kwamen dichte gitzwarte lokken te voorschijn. Een +ontzaglijke baard van dezelfde kleur bedekte geheel het benedendeel +van zijn aangezicht. Zijn gelaat was bleek en strak; zijne oogen +daarentegen waren nog zwarter dan haar en baard, en daaruit straalde +geen verwarmend, maar een verzengend vuur. Een vuurrood litteeken, +het gevolg van den sabelhouw van een Massagetischen krijger, vormde +een diepe groef over zijn hooggewelfd voorhoofd, zijn grooten gebogen +neus en zijne smalle lippen. Geheel zijn uiterlijk droeg den stempel +van groote kracht en mateloozen trots. + +Het was Nitetis niet mogelijk, ook maar voor éene seconde haar +blik van dezen man af te wenden. Zijn evenbeeld had zij nog +nooit aanschouwd. Als door toovermacht voelde zij zich tot hem +getrokken. Zij meende in dit onbedwingbaar trotsch gelaat het kort +begrip van alle mannelijke deugden te lezen. Het scheen haar, als +was de gansche wereld, en in de eerste plaats zijzelve, geschapen +om dezen man te dienen. Zij vreesde hem, en toch verlangde haar +hart met vrouwelijke onderworpenheid vurig, zich als de wijnrank +om den olmboom aan dezen sterken man te mogen vastklemmen. Zij wist +niet recht, of zij zich den vreeselijken Seth [214], den vader van +al wat boos is, of wel den gever van al wat licht en goed is, den +grooten Ra, dus had voorgesteld. Op haar gelaat wisselden hoogrood en +vaalbleek elkander af, gelijk licht en schaduw op den middag, wanneer +de hemel met wolken overtogen wordt. Zij vergat de raadgevingen van +haar vaderlijken vriend, en toch staarde zij, toen Cambyzes zijn +woest snuivend ros ter zijde van haren wagen tot stilstaan dwong, +met ingehouden adem in de vlammende oogen van den man, in wien zij +den koning zou hebben erkend, al had niemand het haar gezegd. + +Het strenge gelaat van den beheerscher der halve wereld werd +steeds vriendelijker, hoe langer zij, tengevolge van eene soort van +aantrekkingskracht, zijn doordringenden blik doorstond. Eindelijk +wenkte hij haar met de hand een welkomstgroet toe, en reed dan naar +hare geleiders, die van hunne paarden waren gesprongen, en zich deels +voor den koning in het stof hadden geworpen, deels diep gebogen en, +volgens Perzisch gebruik, met de handen in de mouwen van hun gewaad +hun vorst ontvingen. + +Thans sprong hij zelf van zijn hengst. Al de met hem gekomen ruiters +volgden zijn voorbeeld. Reeds hadden 's konings tapijtenleggers, snel +als de gedachte, een zwaar purperen dekkleed op den weg uitgespreid, +opdat de voet van den vorst het stof niet beroeren zou, en weinige +oogenblikken later begroette Cambyzes zijne vrienden en bloedverwanten, +terwijl hij hun zijn mond tot kussen bood. Vervolgens schudde hij +Cresus de rechterhand, gebood hem zijn paard weder te bestijgen, +en hem als tolk naar den wagen van Nitetis te volgen. + +De aanzienlijkste hovelingen snelden toe, en hieven den koning +op zijn ros. Deze wenkte nu, en de trein stelde zich opnieuw in +beweging. Cresus draafde nevens Cambyzes aan de zijde van den gouden +wagen. + +»Zij is schoon en mijn hart welgevallig," riep de Perzische vorst den +Lydischen grijsaard toe. »Breng mij nu getrouw over, wat zij op mijne +vragen zal antwoorden, want ik versta geen andere dan de Perzische, +de Assyrische en de Medische taal." + +Nitetis had deze woorden verstaan. Eene zalige vreugde vervulde +haar hart, en nog voordat Cresus den koning had kunnen antwoorden, +sprak zij met zachte stem en sterk blozende, in gebroken Perzisch: +»Hoe zal ik de goden danken, dat zij mij genade in uwe oogen hebben +laten vinden! Ik ben niet geheel vreemdelinge in de taal van mijn +heer, want deze edele grijsaard heeft mij op onze lange reize in +het Perzisch onderricht. Vergeef mij, dat ik u slechts in gebroken +volzinnen vermag te antwoorden. Mijn leertijd toch was kort, en mijne +bevatting is slechts die eener eenvoudige, ongeleerde maagd [215]." + +Om den anders zoo ernstigen mond van Cambyzes speelde een +glimlach. Zijne ijdelheid voelde zich gestreeld door den ijver van +Nitetis om hem aangenaam te zijn, en de volhardende vlijt van eene +vrouw kwam den Pers, die gewoon was de vrouwen te zien opgroeien in +onwetendheid en traagheid, terwijl zij zich slechts met opschik en het +smeden van listen bezighielden, even verwonderlijk als prijzenswaardig +voor. Daarom antwoordde hij met blijkbaar welgevallen: »Het verheugt +mij, dat ik zonder tolk met u kan spreken. Ga voort u toe te leggen +op het aanleeren van de schoone taal mijner vaderen. Mijn dischgenoot +Cresus zal ook in het vervolg uw leermeester zijn." + +»Gij maakt mij zeer gelukkig door dit bevel," antwoordde de grijsaard, +»want ik zou mij geene dankbaarder en ijveriger leerling kunnen +wenschen, dan de dochter van Amasis." + +»Zij bevestigt den ouden roem der Egyptische wijsheid," hervatte de +koning, »en ik vertrouw, dat zij ook het onderwijs der magiërs, die +haar in onzen godsdienst zullen onderrichten, zeer spoedig verstaan +en in hare ziel opnemen zal." + +Nitetis sloeg de oogen neder. Wat zij zoozeer gevreesd had was +aanstaande. In plaats van de Egyptische, zou zij voortaan vreemde +goden moeten dienen. + +Cambyzes bemerkte hare innerlijke ontroering niet, en vervolgde: +»Mijne moeder Cassandane zal u de verplichtingen, die op u als +mijne gemalin rusten, leeren kennen. Ik zelf zal u morgen tot haar +geleiden. Wat gij toevallig afluisterdet, herhaal ik u: Gij zijt mijn +hart welgevallig. Zorg dat dit zoo blijve! Wij willen beproeven uwe +liefde voor ons land te winnen. En als uw vriend geef ik u den raad, +Boges, dien ik u tegemoet heb gezonden, met minzaamheid te bejegenen, +want gij zult in vele dingen hem te gehoorzamen hebben, daar hij de +bestuurder is van het vrouwenverblijf." + +»Al is hij de bestuurder van het vrouwenverblijf," antwoordde Nitetis, +»zoo denk ik toch, dat over uwe gemalin zelve geen sterveling dan +gij alleen te bevelen heeft. Wenk, en ik zal gehoorzamen; bedenk +evenwel, dat ik eene koningsdochter ben en uit een land afkomstig, +waar de zwakke vrouw in de rechten van den sterken man deelt; +dat ook mijne borst doordrongen is van den trots, dien ik uit uwe +oogen zie lichten, mijn gebieder!--U, den grooten man, mijn gemaal +en heer, wil ik als eene slavin gehoorzamen; maar om de gunst van +den onmannelijkste aller mannen, van een omkoopbaren knecht bedelen, +dat kan ik evenmin, als ik de wetten zou kunnen gehoorzamen, die hij +mij mocht willen voorschrijven." + +De verbazing en het welgevallen van Cambyzes namen steeds toe. Zoo had +hij nog nooit eene vrouw, behalve zijne moeder, hooren spreken, en de +behendige wijze waarop Nitetis, zonder het zelve te vermoeden, zijne +macht over haar geheele bestaan erkende en op den voorgrond stelde, +bevredigde zijne eigenliefde. De trots behaagde den hoogmoedigen +man. Hij knikte de jonkvrouw goedkeurend toe en zeide: »Gij hebt +gelijk. Ik zal u eene eigene woning doen aanwijzen. Ik alleen zal u +bevelen, hoe gij u te gedragen hebt. Het vriendelijke huis boven op +de hangende tuinen zal nog heden voor u in orde worden gebracht." + +»Dank, duizendwerf dank!" riep Nitetis. »O, zoo gij wist, hoe gelukkig +gij mij met dit geschenk maakt! Van de hangende tuinen heeft uw waarde +broeder, Bartja, mij veel moeten verhalen; en geene der heerlijkheden +van uw groot rijk behaagde ons zoozeer als de liefde van dien koning, +die dezen schoonen berg liet opwerpen." + +»Morgen zult gij uwe nieuwe woning kunnen betrekken; zeg mij thans, +hoe mijne boden u en den Egyptenaren bevallen zijn?" + +»Hoe kunt gij dit vragen? Wie zou dezen edelen grijsaard kunnen +leeren kennen, zonder hem te beminnen? Wie zou niet de schoonheid +der jonge helden, uwe vrienden, bewonderen? Zij allen zijn ons huis +dierbaar geworden. Maar vooral uw schoone broeder heeft aller harten +gewonnen. De Egyptenaren haten de vreemdelingen, doch zoodra Bartja +zich vertoonde, doorliep een gemompel van bewondering de menigte, +die zich rondom hem verdrong." + +Terwijl de koningsdochter deze laatste woorden sprak, trok er eene +wolk over 's konings gelaat. Eensklaps gaf hij zijn paard een harden +slag, zoodat het steigerde, wendde het om, stelde zich aan de spits +van zijn gevolg, en bereikte na eenige minuten de muren van Babylon. + + + +Nitetis, die als eene Egyptische van jongs af in de gelegenheid was +geweest, de stoutste gewrochten der bouwkunst te leeren kennen, was +desniettemin ten hoogste verwonderd over de verbazende uitgestrektheid +en de grootschheid dezer reuzenstad. Zij scheen haar volstrekt +onneembaar. De muren toch waren vijftig el hoog, en zóo breed, dat twee +wagens met het grootste gemak elkaar konden voorbijrijden. Tweehonderd +vijftig hooge torens kroonden en versterkten dezen reuzenwal, en dit +aantal zou nog niet voldoende zijn geweest, zoo Babylon niet aan éene +zijde door ondoorwaadbare moerassen ware beschermd geworden. De stad +was op de beide oevers van den Euphraat gebouwd. Haar omtrek was meer +dan negen mijlen, en binnen den steenen gordel harer muren verhieven +zich gebouwen, die in grootte zelfs de pyramiden en de tempels van +Thebe en Memphis overtroffen [216]. + +De poort door welke de koninklijke stoet de stad binnentrok, had +voor de aanzienlijke personages hare vijftig el hooge metalen deuren +wijd geopend. Deze toegang werd aan weerszijden bestreken door een +vesting-toren, voor welken zich als schildwacht een reusachtige +gevleugelde stier van steen, met een ernstig, baardig menschelijk +aangezicht, in liggende houding, verhief [217]. Deze monsters waren +eene zinnebeeldige voorstelling van de almacht der goden. De hoogste +kracht was uitgedrukt door de gestalte van den stier, het hoogste +verstand door het menschelijk hoofd, de grootste snelheid door +adelaarsvleugels. Met verbazing zag Nitetis tot deze reuzenpoort op; +met blijde ontroering dwaalden hare oogen door de straten der groote +stad, die haar ter eere haar schoonste feestgewaad had aangetogen. + +Zoodra de koning en de gouden wagen zichtbaar werden, barstte de +saamgevloeide menigte in luide vreugdekreten los. Maar het gejuich +klom tot een onafgebroken en donderend gejubel, toen het volk den +terugkeerenden Bartja, zijn lieveling, opmerkte. De menigte had ook +Cambyzes in langen tijd niet gezien, want de koning vertoonde zich, +overeenkomstig Medisch gebruik, slechts zelden in het openbaar. Hij +behoorde onzichtbaar te regeeren, evenals de godheid, en zijne +verschijning voor de oogen des volks moest, als het grootste feest, +door allen steeds met smachtend verlangen verbeid worden. Zoo had +zich dan ook heden geheel Babylon opgemaakt, om den gevreesden +gebieder en den geliefden jongsten zoon van Cyrus te zien en te +begroeten. Alle vensters waren door nieuwsgierige vrouwen bezet, die +de voorbijtrekkende bloemen voor de voeten wierpen, en welriekende +wateren over het hoofd uitstortten. De geheele weg was met myrten- en +palmtakken bestrooid; allerlei groene boomen stonden voor de deuren; +uit de vensters hingen tapijten en stukken doek; van huis tot huis +waren bloemguirlanden opgehangen; de geuren van wierook en sandelhout +vervulden de lucht, en dicht op elkander gepakt stonden, aan beide +zijden van den weg, duizenden gapende Babyloniërs, in witte linnen +hemden, veelkleurige wollen rokken en korte manteltjes, die lange +stokken, op wier punten gouden, zilveren en ivoren granaatappels, +vogels of rozen bevestigd waren, in de handen hielden [218]. + +Al de straten, waardoor de stoet voorttrok, waren breed en recht; de +van gebakken steen gebouwde huizen deftig en hoog [219]. Maar boven +alle huizen en torens verhief zich de reuzentempel van den god Bel, +met zijn verbazende trap, die zich buiten om het ronde, torenvormige +gebouw, dat uit acht verdiepingen bestond, gelijk eene monsterslang +omhoog slingerde, naar de spits, die het eigenlijk heiligdom droeg +[220]. + +Nu naderde de trein den burcht des konings [221], welks +afmetingen geheel evenredig waren aan den grootschen aanleg +van de gansche stad. De muren die het paleis omgaven, waren met +verglaasde veelkleurige beeldwerken bedekt, die in eene bonte +mengeling menschen, vogels, zoogdieren en visschen, jachtpartijen, +krijgstooneelen en feestelijke optochten voorstelden. Noordwaarts, +langs den rivieroever, verrezen de hangende tuinen [222], oostwaarts, +op den tegenovergestelden oever, lag de tweede, kleinere koningsburcht, +met den eersten door eene vaste steenen brug verbonden. + +De stoet trok de metalen poorten der drie het paleis omgevende +muren binnen. De paarden van den wagen van Nitetis stonden stil; +voetbankdragers hielpen haar uitstappen. Zij was nu in haar nieuw +vaderland, en kort daarop in de haar voorloopig tot woning aangewezene +vertrekken van het vrouwenhuis aangekomen. + +Cambyzes, Bartja en de ons bekende vrienden stonden nog, door honderd +aanzienlijke waardigheidbekleeders omgeven, op het slotplein, dat +met veelkleurige tapijten belegd was, toen men luide vrouwenstemmen +vernam, en eene bij uitnemendheid schoone jonge Perzische maagd, +in kostbare kleeding, wier volle blonde haren met rijke parelsnoeren +waren omwonden, door verscheidene andere vrouwen gevolgd, het plein op +en de mannen tegemoet snelde. Cambyzes stelde zich het driftige meisje +glimlachend in den weg; zij wist hem echter met eene vlugge wending +voorbij te komen, en hing een oogenblik later, nu eens lachende dan +weer weenende aan Bartja's hals. + +De vrouwen die haar volgden, wierpen zich op eerbiedigen afstand +ter aarde. Toen het meisje inmiddels voortging den wedergekeerde met +liefkoozingen te overladen, riep Cambyzes: »Schaam u, Atossa! Bedenk +dat gij, sedert gij de oorringen draagt [223], opgehouden hebt, +een kind te zijn. Ik heb er niets tegen, dat gij u verblijdt over de +behoudene wederkomst van uw broeder; maar zelfs te midden der vreugde +mag eene koninklijke jonkvrouw de betamelijkheid niet uit het oog +verliezen. Maak thans, dat gij weder bij uwe moeder komt! Daar ginds +zie ik uwe dienstmaagden. Ga, en zeg haar, dat ik u ter wille van dezen +vreugdedag ongestraft zal laten. Waagt gij 't echter andermaal tot deze +plaats door te dringen, die voor iederen ongeroepene gesloten is, zoo +zal ik Boges last geven u twaalf dagen lang op te sluiten. Onthoud dit, +gij wildzang, en zeg aan onze moeder, dat ik haar aanstonds met Bartja +een bezoek zal brengen. Geef mij nu een kus!--Gij wilt niet? Zijt ge +boos? Wacht maar, stijfhoofd!" + +Bij deze woorden sprong de koning op het meisje toe, hield hare beide +handen met zijne linker zoo vast te zamen, dat zij kermde van pijn, +boog met de rechter het lieve hoofdje achterwaarts, en kuste zijne +weerstrevende zuster, die daarop weenende hare dienstmaagden tegemoet +liep, en ijlings naar hare woning terugkeerde. + +Toen Atossa verdwenen was, zeide Bartja: »Gij hebt de arme kleine te +hart aangegrepen, Cambyzes; zij kreet van pijn." + +Het gelaat van den koning betrok. Hij hield echter het barsche antwoord +terug, dat hem op de lippen zweefde en zeide, zich naar het huis +keerende: »Kom thans mede naar onze moeder; zij heeft mij verzocht +u tot haar te leiden, zoodra gij zoudt zijn aangekomen. De vrouwen +hebben geen rust, vóor dat zij haren aangebeden lieveling weder bij +zich hebben. Nitetis zeide mij, dat gij ook de Egyptische vrouwen met +uwe blonde lokken en rooskleurige wangen betooverd hebt. Bid Mithra +[224] toch gedurig, dat hij u eene eeuwige jeugd schenke, en u de +rimpels van den ouderdom spare!" + +»Wilt gij daarmede zeggen," vroeg Bartja, »dat ik geene deugd bezit, +die ook den ouderdom ten sieraad kan verstrekken?" + +»Ik ben aan niemand verklaring schuldig van den zin mijner +woorden. Kom!" + +»Ik zal u echter verzoeken, mij in de gelegenheid te stellen u +te bewijzen, dat ik in mannelijke deugden bij geen enkelen Pers +achtersta." + +»Het gejubel der Babyloniërs had u anders kunnen leeren, dat gij +geene daden behoeft te doen, om liefde en achting te verwerven." + +»Cambyzes!" + +»Kom nu! De oorlog met de Massageten staat voor de deur. Alsdan zult +gij gelegenheid te over hebben, om te toonen wat gij kunt, en wie +gij zijt!" + +Weinige oogenblikken later rustte Bartja aan den boezem zijner blinde +moeder, die met een kloppend hart den lieveling, die zoolang van haar +gescheiden was geweest, verbeid had. En thans, nu zij eindelijk het +geluid zijner stem vernam, en hare handen het dierbare hoofd betastten, +vergat zij alle anderen om haar heen, ja, sloeg zij zelfs geen acht op +haren eerstgeboren zoon, den machtigen koning, die het met verkropte +spijt aanzag, hoe zich een volle stroom van moederliefde over zijn +jongeren broeder ontlastte. + +Van Cambyzes' vroegste jeugd was elke zijner wenschen vervuld geworden, +iedere zijner oogwenken als een bevel gehoorzaamd. Vandaar dat hij +geene tegenspraak kon dulden, en zich geheel aan zijn snel opbruisenden +toorn overgaf, wanneer een zijner onderdanen, en hij kende geene andere +menschen dan dezulken, het waagde hem tegen te spreken. Cyrus, zijn +vader, de machtige veroveraar der halve wereld, wiens groote geest +het kleine volk der Perzen tot het toppunt van aardsche macht had +gebracht; die zoo goed had begrepen, hoe hij aan tallooze ten onder +gebrachte stammen ontzag moest inboezemen, deze Cyrus had niet geweten, +hoe hij in den kleinen kring van zijn gezin het opvoedingswerk moest +volbrengen, waarin hij ten opzichte van groote staten zoo uitstekend +geslaagd was. Reeds in den knaap Cambyzes zag hij den toekomstigen +koning. Hij vergde van zijne onderdanen, dat zij het kind blindelings +zouden gehoorzamen, ofschoon hij daarbij vergat, dat hij die eenmaal +bevelen wil, eerst moet geleerd hebben zelf te gehoorzamen. + +De vrouw zijns harten en de beminde zijner jeugd, Cassandane, had +hem eerst Cambyzes, toen drie dochters en eindelijk, vijftien jaren +later, Bartja geschonken. De eerstgeboren zoon had zich sinds lang +aan de ouderlijke liefkoozingen onttrokken, toen de jongere broeder +het levenslicht aanschouwde, en al de zorgen en de teederheid der +moeder voor zich alleen vorderde. De schoone, gevoelige, aanvallige +Bartja werd de oogappel van beide ouders; hem wijdden zij hunne +koesterende liefde, terwijl Cambyzes zich slechts over de groote +toegevendheid van vader en moeder te verblijden had. De toekomstige +koning onderscheidde zich in menigen oorlog door moed en dapperheid, +maar zijn heerschzuchtig en trotsch karakter deed hem slechts +sidderende slaven vinden, terwijl de minzame, hartelijke Bartja de +hem omringenden met volle recht zijne vrienden mocht heeten. Het volk +eindelijk vreesde Cambyzes, en beefde als hij naderde, in spijt van de +rijke geschenken, die hij gewoon was met kwistige hand uit te strooien; +terwijl het den vriendelijken Bartja liefhad, en in dezen het evenbeeld +van den gestorven Cyrus, »den vader zijns volks," aanschouwde. + +Cambyzes gevoelde zeer goed, dat hij de liefde, die men zijn broeder +van alle zijden geheel vrijwillig schonk, niet koopen kon. Hij +haatte Bartja niet, maar het verdroot hem dat een knaap, die zich +door geene daden had doen kennen, door alle Perzen als een held en +een weldoener vereerd en bemind werd. Alles wat hem niet behaagde, +hield hij voor onrecht, wat hij onrecht heette moest hij bestraffen, +en een bestraffend woord uit zijn mond was sedert zijne kindsheid +zelfs door de aanzienlijksten altijd gevreesd geworden. De opgewondene +vreugdekreten van het volk, de welsprekende uitingen van de liefde +zijner moeder en zuster, maar vooral de warme loftuitingen van Nitetis, +ontstaken thans eene ijverzucht in hem, die zijn trotsch hart tot op +dien dag niet gekend had. + +Nitetis behaagde hem ongemeen. Deze vorstentelg, die zich aan zijne +grootheid volkomen onderwierp, en evenals hij al het geringere +met zekeren trots verachtte; deze dochter van een machtig koning, +die, om zijne gunst te winnen, zich groote moeite had getroost +tot het aanleren der Perzische taal; deze aanzienlijke jonkvrouw, +wier eigenaardige, half Egyptische, half Grieksche schoonheid (hare +moeder was eene Helleensche geweest), als iets nieuws, als iets dat +hij te voren nooit aanschouwd had, zijne bewondering in de hoogste +mate had gewekt,--had een diepen indruk op hem gemaakt. Daarom was +hij ontstemd geworden door hare, zoo geheel uit eigen beweging over +Bartja uitgesprokene lofuitingen, en hadden deze slechts gestrekt, +om zijn hart voor de ijverzucht te ontsluiten. + +Toen hij met zijn broeder de vertrekken der vrouwen verliet, nam hij +een kort besluit, en riep hem toe, alvorens van hem te scheiden: »Gij +hebt mij verzocht u in de gelegenheid te stellen, uwe dapperheid door +daden te toonen. Ik wil u hierin ter wille zijn. De Tapoeren [225] zijn +opgestaan. Ik heb een leger naar hunne grenzen gezonden. Begeef u naar +Rhagae, neem het opperbevel over, en toon wat gij zijt en vermoogt!" + +»Ik dank u, mijn broeder," riep Bartja; »mogen mijne vrienden Darius, +Gyges en Zopyrus mij vergezellen?" + +»Ook deze gunst wil ik niet afslaan. Gedraag u als een held en talm +niet, opdat gij binnen drie maanden weder bij het groote leger moogt +zijn, dat in het voorjaar ter wraakoefening tegen de Massageten [226] +zal optrekken." + +»Morgen reeds vertrek ik!" + +»Het ga u goed!" + +»Wanneer Aoeramazda mijn leven spaart, en ik als overwinnaar terugkeer, +wilt gij mij dan ééne bede toestaan?" + +»Dat wil ik." + +»O, thans zult gij zien dat ik de zege behaal, ook al stond ik met +duizend man tegenover tienduizend Tapoeren!"--'s Jongelings oogen +fonkelden. Hij dacht aan Sappho. + +»Het zal mij verheugen, als gij uwe schoone woorden +verwezenlijkt. Maar, wacht even, ik heb u nog iets te zeggen. Gij +zijt twintig jaar oud en moet trouwen. Roxane, de dochter van den +edelen Hydarnes, is huwbaar geworden. Zij moet schoon zijn, en is +uwer waardig, wat hare afkomst betreft." + +»O, mijn broeder, spreek mij niet van trouwen, ik..." + +»Gij moet eene vrouw nemen, want ik ben kinderloos." + +»Maar gij zijt jong, en zult niet zonder nakomelingen blijven. Ook zeg +ik niet, dat ik in het geheel niet wil huwen. Wees niet boos op mij, +maar juist thans, nu ik bewijzen zal man te zijn, wil ik niets van +trouwen weten!" + +»Dan moet gij Roxane trouwen, wanneer gij uit het Noorden zult zijn +teruggekeerd. Maar ik raad u de schoone met u in het veld te nemen. De +Pers vecht gewoonlijk veel beter, wanneer hij, behalve zijne schatten, +ook eene schoone vrouw in zijne legerplaats te verdedigen heeft." + +»Verschoon mij hiervan, mijn broeder. Bij de ziel van onzen vader +bezweer ik u, straf mij niet met eene vrouw, die ik niet ken en niet +mag kennen. Geef Roxane aan Zopyrus, die de vrouwen bemint, geef haar +aan Darius of Bessus, beiden verwanten van Hydarnes. Ik kan haar niet +beminnen, en gij zoudt mij dus slechts ongelukkig maken..." + +Cambyzes lachte en riep, zijn broeder in de rede vallende: »Het is +als hadt gij opgehouden een Pers te zijn; als waart gij geheel een +Egyptenaar geworden. Voorwaar, het berouwt mij reeds, dat ik een knaap +als gij zijt in den vreemde heb gezonden! Maar ik ben niet gewoon mij +te laten weerstreven, en na afloop van dezen krijg neem ik dus geene +verontschuldigingen aan. Thans kunt gij mijnentwege zonder vrouw ten +strijde gaan, want ik wil u niet iets opdringen, dat, naar gij meent, +slechts gevaarlijk zou zijn voor uwe dapperheid. Overigens komt het +mij voor, dat gij nog andere geheime gronden hebt, om geen genoegen +te nemen in mijn broederlijken voorslag. Dat zou mij om uwentwil leed +doen. Trek nu met het leger op. Na den krijg laat ik geen tegenspraak +gelden. Gij kent mij!" + +»Misschien kom ik zelf u na den krijg om datgene vragen, wat ik +thans niet van u mag aannemen. Even slecht als het is, iemand in zijn +ongeluk te storten, even onverstandig is het, een mensch te willen +dwingen om gelukkig te worden. Ik dank u voor uwe toegevendheid." + +»Stel die maar niet te dikwijls op de proef!--Hoe gelukkig ziet gij er +uit! Ik geloof vast dat gij verliefd zijt, en ter wille uwer schoone +alle andere vrouwen veracht." + +Bartja bloosde tot achter de ooren, terwijl hij de hand van zijn +broeder greep, en riep: »Onderzoek thans niet verder. Ontvang nogmaals +mijn dank, en vaarwel! Veroorlooft gij mij, nadat ik van onze moeder +en van Atossa afscheid genomen heb, ook Nitetis vaarwel te zeggen?" + +Cambyzes beet zich op de lippen, en zag Bartja doordringend aan. Toen +hij bemerkte dat zijn broeder zijn bliksemend oog niet verdragen kon, +riep hij scherp en dreigend: »Maak gij maar dat ge bij de Tapoeren +komt! Mijne gemalin heeft uwe bescherming niet meer van noode. Zij +heeft thans anderen die haar bewaken." + +Dit zeggende, keerde hij Bartja den rug toe, en begaf zich naar +de met goud, purper en edelgesteenten rijk versierde voorzaal, +waar veldheeren, satrapen, rechters, schatmeesters, schrijvers, +raadsheeren, eunuchen, deurwachters, beambten, wier roeping was +de vreemdelingen voor den koning te geleiden, kamerdienaars, uit- +en aankleeders, schenkers, stalmeesters, jachtoversten, lijfartsen, +oogen en ooren des konings [227] en boden van allerlei soort hem +verbeidden. Herauten met staven in de handen traden voor hem uit, +terwijl hij gevolgd werd door een gansch heir van waaier-, draagstoel- +en voetbankdragers, tapijtleggers en schrijvers, welke laatsten +ieder bevel huns heeren, iedere met een wenk gedane inwilliging, +elke uitgeloofde belooning of gevelde straf aanstonds opteekenden, +en aan de bevoegde ambtenaren ter uitvoering overbrachten. + +In het midden der helder verlichte zaal stond eene vergulde tafel, +die bijkans bezweek onder den last van gouden en zilveren vaatwerk, +borden, bekers en schalen, die in de keurigste orde waren geschikt. In +een door purperen gordijnen afgesloten zijvertrek zag men eene +kleine tafel, bezet met eetgereedschappen, welker waarde vele +millioenen moet hebben bedragen. Hier placht de koning den maaltijd +te gebruiken. Het voorhangsel verborg hem voor de blikken der andere +spijzenden, terwijl hij de geheele zaal kon overzien, en de minste +beweging zijner dischgenooten waarnemen [228]. Tot het getal dezer +dischgenooten te behooren was, ook voor den meest eerzuchtige, de +grootste onderscheiding die men zich denken kon, ja, reeds hij mocht +zich beroemen een bijzonder bewijs van gunst te hebben ontvangen, +aan wien slechts een deel van de tafel des konings was toegezonden. + +Toen hij de zaal binnentrad, wierpen zich bijna al de aanwezigen +voor hem neder; alleen zijne bloedverwanten, kenbaar aan de blauwe +en witte strepen op hunne tulbanden, vergenoegden zich met eene +eerbiedige buiging. + +Nadat de koning in zijn vertrek had plaats genomen, zetten zich ook +zijne gasten, en nu begon men op eene verbazende wijze den disch +eere aan te doen. Gebradene dieren werden in hun geheel opgebracht, +en toen de eetlust bevredigd was, werd door een tal van dienaren eene +ontzaglijke massa van de vreemdsoortigste snoeperijen opgedragen, +die later, als »Perzisch nagerecht," zelfs bij de Grieken groote +vermaardheid verkregen [229]. Daarop verschenen slaven, die de tafel +van de overblijfselen van het maal zuiverden, terwijl andere dienaren +reusachtige wijnkruiken brachten. De koning verliet zijn vertrek, om +zich aan het hoogereinde der tafel in de groote zaal te plaatsen. Een +tal van schenkers vulden op de sierlijkste wijze de gouden bekers en +proefden den wijn, ten bewijze dat deze geen vergif bevatte. Weldra +was een dier drinkgelagen in vollen gang, waarbij later Alexander de +groote de matigheid, ja zelfs de vriendschap vergat [230]. + +Cambyzes was dien dag buitengewoon stil. In zijne ziel had zich het +vermoeden genesteld, dat Bartja zijne nieuwe gemalin beminde. Waarom +had de jongeling zich, tegen alle gebruiken in, zoo bepaald afkeerig +getoond van een huwelijk met eene aanzienlijke schoone maagd, terwijl +hem dit zoo vaak als een plicht was voorgehouden, omdat zijn broeder +kinderloos was? Waarom wilde hij Nitetis, vóor zijn vertrek naar +de Tapoeren, nog eenmaal zien? Waarom bloosde hij zoo, toen hij dit +verzoek deed? Waarom had die Egyptische hem zoo geroemd? »Het is goed, +dat hij van hier gaat, want hij mocht mij anders ook eens de liefde van +deze vrouw ontrooven," dacht de koning. »Ware hij niet mijn broeder, +ik zond hem daarheen, van waar niemand ooit terugkeert." + +Na middernacht maakte hij een einde aan het zwelgen. Boges, de overste +der eunuchen, verscheen, om hem naar het vrouwenverblijf te geleiden, +waarheen hij zich op dit uur als zijne dronkenschap namelijk niet te +groot was, placht te begeven. + +»Phaedime wacht u met ongeduld," zeide de eunuch. + +»Laat haar wachten!" antwoordde de koning. »Hebt gij maatregelen +genomen tot het in gereedheid brengen van het paleis op de hangende +tuinen." + +»Morgen kan het betrokken worden." + +»Welke vertrekken hebt gij voor de Egyptische bestemd?" + +»De vroegere woning van de tweede gemalin van uw vader Cyrus, de +gestorvene Amytis." + +»Het is goed. Nitetis moet met den grootsten eerbied behandeld +worden. Gij zelf hebt haar geene andere bevelen te geven, dan die ik +u aan haar zal opdragen." + +De eunuch boog zich zwijgend. + +»Zorg er voor, dat niemand, zelfs Cresus niet, met haar spreke, +alvorens mijn .... zoo lang ik u geene andere bevelen geef." + +»Cresus was hedenavond bij haar." + +»Wat wilde hij van mijne gemalin?" + +»Ik weet het niet, want ik versta geen Grieksch; maar ik hoorde +meermalen den naam Bartja uitspreken, en houd het er voor, dat de +Egyptische eenig treurig bericht heeft ontvangen. Haar gelaat stond +droevig, toen ik, nadat Cresus vertrokken was, kwam vernemen, of zij +nog iets te bevelen had." + +»Angramainjus doe uwe tong verlammen!" bromde de koning, Boges den +rug toekeerende, en de fakkeldragers en uitkleeders volgende, die +hem naar zijne vertrekken geleidden. + + + +Den volgenden dag, omstreeks den middag, vertrok Bartja met zijne +vrienden en een grooten stoet van dienaren, naar de Tapoerische +grenzen. Cresus verzelde de jonge helden tot aan de poort van +Babylon. Toen Bartja zijn grijzen vriend voor het laatst omarmde, +fluisterde hij hem toe: »Mocht de bode uit Egypte ook voor mij een +schrijven in zijn valies hebben, zoo zend mij dit achterna." + +»Zoudt gij dan de Grieksche schrijfteekens kunnen ontcijferen?" + +»Gyges en Eros zullen mij helpen!" + +»Nitetis, wie ik van uwe afreize kennis heb gegeven, laat u groeten, +en u zeggen, dat gij toch vooral de Egyptische vrienden niet moet +vergeten." + +»Voorzeker niet!" + +»Zoo mogen de goden u behoeden, mijn zoon. Wees gelijk uw vader, +jegens de opstandelingen zachtmoedig, die niet uit woelzucht maar +ter verkrijging van het schoonste, dat de mensch bezit, de vrijheid, +aan het muiten zijn geraakt. Bedenk ook, dat weldaden bewijzen beter +is dan bloed vergieten. Want het zwaard doodt, maar de goedheid en de +zachtmoedigheid van den heerscher maken de menschen gelukkig. Staak +den strijd, zoodra gij kunt, want hij verandert den loop der +natuur. Gedurende den vrede toch overleven de zonen hunne vaders, +als 't oorlog is de vaders hunne zonen. Vaarwel, jonge helden, de +overwinning zij met u!" + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + +Cambyzes bracht een slapeloozen nacht door. De jaloezij, die hij tot +hiertoe niet in die mate gekend had, versterkte zijne begeerte naar het +bezit der Egyptische. Vooralsnog mocht hij haar niet zijne gemalinne +noemen, want de Perzische wet schreef voor, dat het den koning eerst +dan geoorloofd was eene vreemdelinge tot zijne gade te nemen [231], +wanneer zij zich met de Iranische gebruiken vertrouwd had gemaakt, +en den godsdienst van Zoroaster [232] had aangenomen. Volgens die +wet zou er een geheel jaar hebben moeten verloopen, eer Nitetis de +vrouw van een Perzischen vorst mocht worden. + +Maar wat bekommerde Cambyzes zich om de wet? Hij beschouwde zichzelven +als de verpersoonlijking ervan, en was van oordeel, dat voor Nitetis +drie maanden voldoende zouden zijn, om alle leerstukken der Magiërs +te verstaan, en het feest van haar huwelijk met hem te vieren. Zijne +andere vrouwen schenen hem thans hatelijk, ja, hij had zelfs een +afkeer van haar gekregen. Reeds in zijne jeugd had men zijn huis +met vrouwen opgevuld. Zijn harem bevatte schoone meisjes uit alle +deelen van Azië. Zwartoogige maagden uit Armenië, schitterend +blanke jonkvrouwen van den Kaukasus, teedere maagdelijns van den +oever van den Ganges, weelderige dochteren Babylons, goudlokkige +Perzische meisjes en weekelijke kinderen uit de Medische vlakte, +ja, zelfs onderscheidene telgen van de edelste Achaemeniden hadden +den koningszoon als echte gemalinnen de hand gereikt. Phaedime, de +dochter van den edelen Otanes en nicht van zijne moeder Cassandane, +was tot heden zijne meest geliefde vrouw, of beter gezegd, de eenige +geweest, van wie men zeggen kon, dat zij hem nader aan 't hart lag +dan eene gekochte slavin. Maar ook deze kwam thans den gemelijken en +oververzadigden koning gering en verachtelijk voor. + +De Egyptische scheen hem echter uit edeler en waardiger stof gevormd, +dan alle die andere. Zij waren maar vleiende deernen, maar Nitetis +was eene koningin. De andere bogen in het stof aan zijne voeten, +maar dacht hij aan Nitetis, dan zag hij haar rechtop staan, even +trotsch en hoog als hijzelf. Zij zou van nu aan niet alleen Phaedime's +plaats innemen; hij wilde haar veeleer zoo hoog verheffen, als weleer +zijn vader Cyrus zijne gemalin Cassandane. Nitetis alleen vermocht +met hare kennis en haren raad hem ter zijde te staan, terwijl de +andere, onwetend als kinderen, slechts voor opschik en kleeding, +voor verachtelijke samenzweringen en nietige twisten leefden. De +Egyptische moest hem liefhebben, want hij was haar steun, haar heer, +haar vader en haar broeder, in het land dat haar geheel vreemd was. + +»Zij moet!" zeide hij in zichzelven, en zijn wil scheen den tyran +even voldoende, als de reeds volbrachte daad. »Laat Bartja slechts +wederkomen," mompelde hij; »hij zal ondervinden wat hem wacht, die +het waagt zich mij in den weg te stellen!" + + + +Ook Nitetis had een onrustigen nacht. In de aan hare vertrekken +grenzende gemeenschappelijke zaal der vrouwen zong en joelde en +krakeelde men tot middernacht. Dikwijls herkende zij de krijschende +stem van Boges, die met de aan zijne hoede toevertrouwden schertste en +lachte. Als het eindelijk in de ruime zalen van het paleis rustig was +geworden, dacht zij zich weer terug in het afgelegene vaderland en bij +de arme Tachot, die naar haar en naar den schoonen Bartja smachtte; +naar Bartja, die, gelijk Cresus haar gezegd had, morgen ten strijde +zou trekken, en misschien wel zijn dood tegemoet ging. Dan sliep zij +in, afgemat door de vermoeienissen der reis, en van haar toekomstigen +gade droomende. Zij zag hem rijdende op zijn zwarten hengst. Het wilde +dier schrikte van Bartja's lijk, dat aan den weg lag, wierp den koning +uit het zadel en sleepte hem voort in den Nijl, die eensklaps met +bloedroode golven begon te stroomen. In haar angst riep zij om hulp; +haar geroep werd door de pyramiden weerkaatst, en het klonk steeds +luider en geweldiger, tot zij van de vreeselijke echo ontwaakte. + +Maar wat was dat?--De klagende, galmende toon, dien zij in den droom +vernomen had, klonk nog voort nu zij ontwaakt was. Zij rukte de luiken +van een venster open en zag naar buiten. Een groote, prachtige tuin, +met springfonteinen en lange rijen boomen, door den frisschen dauw +bevochtigd, lag daar vóór haar [233]. Geen geluid werd vernomen, +behalve dien vreemden toon. Maar ook deze stierf eindelijk in het +ochtendkoeltje weg. Na weinige oogenblikken hoorde zij in de verte +schreeuwen en joelen. Daarop ontwaakte allengs het leven in de +reuzenstad. Ten laatste vernam zij nog slechts een dof bruisen, +als dat van de golven der zee. + +De koele morgenlucht had haar zoo geheel den slaap uit de oogen +gedreven, dat zij geen lust meer gevoelde om zich andermaal neder +te leggen. Zij keerde naar het venster terug. Zie, daar traden twee +menschen uit het door haar bewoonde huis in den tuin. Zij herkende den +eunuch Boges, die met eene schoone, slechts half gekleede Perzische +vrouw sprak. Zij naderden haar venster. Nitetis verborg zich achter +het half geopende luik en luisterde, want zij meende haren naam te +hebben hooren noemen. + +»De Egyptische slaapt nog," zeide de eunuch. »Zij zal wel zeer vermoeid +zijn van de reis." + +»Zoo antwoord spoedig," hernam de Perzische. »Gelooft gij werkelijk, +dat deze vreemdelinge mij gevaarlijk zou kunnen worden?" + +»Zeer zeker, mijn popje." + +»Wat brengt u tot dat vermoeden?" + +»Deze nieuwe vrouw behoeft niet mijne, maar alleen de bevelen des +konings te gehoorzamen." + +»Is dat alles?" + +»Neen, mijn schatje. Maar ik ken den koning, en lees op zijn +aangezicht, gelijk een magiër in de heilige boeken." + +»Dus moeten wij haar uit den weg ruimen." + +»Dat is licht gezegd, maar moeielijk uit te voeren, mijn duifje." + +»Laat mij los, onbeschaamde!" + +»Kom, kom, men ziet ons niet, en gij zult mij noodig hebben." + +»Nu dan, maar zeg mij spoedig, wat er gedaan moet worden." + +»Dank, mijn zoet hartje Phaedime!--Om te beginnen, moeten wij ons +stilhouden en eene gelegenheid afwachten. Wanneer Cresus, die zich +de Egyptische bijzonder schijnt aan te trekken, weg is, dan moeten +wij een strik zien te spannen..." + +Zij, die dit gesprek voerden, hadden zich zoover verwijderd, dat +Nitetis niets meer kon verstaan. In de hevigste ontroering sloot zij +het luik en riep hare dienstmaagden, om zich te laten kleeden. Zij +kende thans hare vijanden. Zij wist nu, dat duizend gevaren haar +bedreigden. Toch voelde zij zich sterk en trotsch, want zij moest +de echte vrouw van Cambyzes worden. Nooit had zij zulk een besef +van eigenwaarde gehad, als tegenover deze ellendige schepsels. De +ontwijfelbare zekerheid van te zullen overwinnen vervulde haar hart, +dat stellig geloofde aan de tooverkracht van het goede en van de deugd. + +»Wat had dat akelig geluid, hedenmorgen vroeg, te beduiden?" vroeg zij +aan de eerste van hare Perzische kamerjuffers, die haar toilet maakte. + +»Bedoelt gij het slaan op het koperen bekken, meesteres?" + +»Nauwlijks twee uren geleden werd ik door een vreemdsoortig geluid +gewekt." + +»O ja, meesteres, dat was het koperen bekken, hetwelk de zonen der +edelen, die aan de poort van het koninklijk paleis worden opgevoed, +iederen morgen wekt. Gij zult aan dat geluid spoedig gewoon zijn. Wij +hooren het reeds lang niet meer, wij ontwaken daarentegen juist door +de ongewone stilte, wanneer het op hooge feestdagen uitblijft. Op de +hangende tuinen zult gij iederen ochtend, onverschillig of het koud +dan of het warm is, die knapen naar het bad kunnen zien voeren. De +arme kleinen worden reeds op hun zesden geboortedag aan hunne moeders +ontnomen, om met de andere jongens van hun stand gemeenschappelijk, +onder de oogen des konings, te worden opgevoed." + +»Moeten zij reeds zoo vroeg kennis maken met de weelderigheid van +dit hof?" + +»O, volstrekt niet; die arme jongens hebben het heel kwaad. Zij moeten +op den harden grond slapen, en vóor het opgaan der zon weder op de been +zijn. Hun voedsel bestaat uit brood en een weinig vleesch; hun drank +is water. Wat wijn en toespijs is, weten zij niet eens. Menigmaal +moeten zij, zelfs dagen achtereen, zonder eenige noodzakelijkheid, +honger en dorst lijden, om hen aan ontberingen te gewennen, zoo men +zegt. Wonen wij te Pasargadae of te Ekbatana [234], dan kunnen zij +zich verzekerd houden, ook bij de grootste koude naar 't bad gebracht +te zullen worden. Zijn we daarentegen hier of te Susa, dan laat men +hen, hoe sterker de zon brandt, des te moeielijker marschen maken." + +»En uit deze geharde, eenvoudig opgevoede knapen groeien zulke +weelderige mannen?" + +»Ja, dat gaat zoo! Hoe langer men honger moet lijden, hoe beter de +maaltijd smaakt! Zulk een jong edelman ziet dagelijks al den glans +dezer omgeving, weet dat hij rijk is, en moet toch gebrek lijden. Is +het wonder dat hij, als men hem loslaat, alle genietingen van het +leven met tiendubbelen ijver najaagt? Gaat hij evenwel ten strijde +of op de jacht, dan klaagt hij ook niet als hij honger en dorst moet +lijden. Lachende doorwaadt hij dan de moerassen, met zijne dunne +laarzen en zijn purperen broek en slaapt op eene rots even goed, +als op zijn bed van zachte Arabische wol. Gij moest eens zien, welke +waagstukken die knapen ondernemen, vooral wanneer de koning bij hunne +oefeningen tegenwoordig is! Cambyzes zal u zeker wel eens met zich +nemen, als gij 't hem vraagt." + +»Ik ken die oefeningen. In Egypte moeten zoowel knapen als meisjes +hunne ledematen oefenen. Ook ik heb door loopen, moeielijke houdingen, +bal- en ringspel, vlugheid en buigzaamheid verkregen." + +»Hoe vreemd! Hier te lande groeien de meisjes op, gelijk ze willen. Zij +leeren niets, dan een weinig weven en spinnen. Is het waar, dat +de meeste vrouwen in Egypte zelfs de kunst van lezen en schrijven +verstaan?" + +»Bijna alle meisjes van aanzienlijke ouders worden daarin onderwezen." + +»Bij Mithra, de Egyptenaren moeten een verstandig volk zijn. Behalve de +magiërs en schrijvers, beoefenen slechts weinige Perzen deze moeielijke +kunst. De zonen der aanzienlijken leert men niets dan waarheid spreken, +gehoorzaamheid en dapperheid, de goden te eeren, jagen, rijden, boomen +planten, en kruiden onderscheiden. Die wil leeren schrijven, mag zich +later, gelijk de edele Darius, tot de magiërs wenden. Aan de vrouwen +is het verboden, zich op zulke wetenschappen toe te leggen.--Maar +thans zijt gij gereed. Dit parelsnoer, dat de koning u hedenmorgen +gezonden heeft, staat prachtig bij uwe raafzwarte haren. Mag ik u +verzoeken op te staan? Waarlijk, deze schoenen zijn u te groot. Pas +dit paar eens!--Thans ziet gij er uit als eene godin, doch men kan +het u aanzien, dat gij niet gewoon zijt de wijde zijden beenkleederen +en laarzen met hooge hakken te dragen. Loop echter slechts een paar +maal op en neêr, dan zult gij zelfs in sierlijkheid van gang alle +Perzische vrouwen overtreffen." + +Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt, en trad de eunuch +Boges binnen, om Nitetis tot de blinde Cassandane te geleiden, bij +wie Cambyzes haar wachtte. + +De eunuch nam de houding aan van een nederigen slaaf, en overstelpte +haar met een stroom van bloemrijke vleierijen, haar met de zon, +den sterrenhemel, eene reine bron van geluk en een rozengaard +vergelijkende. Nitetis verwaardigde zich niet, hem met een enkel +woord te antwoorden, en trad met een kloppend hart het vertrek van +de moeder des konings binnen. Voor de vensters hingen gordijnen van +groene Indische zijde, die de heldere stralen der middagzon temperden, +en in het vertrek een, voor de oogen der blinde weldadig schemerdonker +verspreidden. De vloer was met een zwaar Babylonisch tapijt bedekt, +waarin de voeten als in mos wegzonken. Het bekleedsel der muren +bestond uit een mozaïek van ivoor, schildpad, goud, zilver, malachiet, +lazuursteen, ebbenhout en barnsteen. De zittingen der gouden zetels +waren met leeuwenhuiden overtrokken, en de tafel, die naast de blinde +stond, was van zuiver zilver. Cassandane, gekleed in een vioolkleurig, +rijk met zilver bestikt gewaad, zat in een kostbaren leuningstoel. Over +hare sneeuwwitte haren hing een lange sluier van de fijnste Egyptische +kant, welks lange slippen om haren hals geslagen en onder de kin in +een grooten strik vereenigd waren [235]. Het door den kanten doek +omlijste gelaat der blinde, die tusschen de zestig en zeventig jaren +oud scheen te zijn, was bijzonder regelmatig gevormd, en getuigde +niet alleen van een verheven geest, maar ook van goedheid des harten +en van warme menschenliefde. De blinde oogen der grijze vrouw waren +gesloten, maar wie haar aanzag, stelde zich ongetwijfeld voor een +paar zachte en vriendelijke sterren te zullen zien lichten, indien +zij zich openden. Te oordeelen naar de houding en de grootte, terwijl +zij gezeten was, had zij eene rijzige gestalte. Haar geheele voorkomen +was de weduwe van den grooten en goeden Cyrus volkomen waardig. + +Op eene lage bank, aan de voeten der oude koningin, zat hare jongste +telg, het kind van haar ouderdom, Atossa, spelende met de draden +van haar gouden spinrokken. Tegenover de blinde stond Cambyzes, +en op een afstand, ternauwernood zichtbaar in het schemerlicht, +dat in het vertrek heerschte, de Egyptische oogarts Nebenchari. + +Toen Nitetis den drempel van dit vertrek overschreden had, trad de +koning haar tegemoet, en leidde haar tot zijne moeder.--De dochter +van Amasis zonk voor de eerbiedwaardige oude vrouw op de knieën, +en kuste haar met hartelijkheid de hand. + +»Wees ons welkom!" sprak de blinde, hare hand al tastende op het +hoofd der jonkvrouw leggende. »Ik heb veel goeds van u vernomen en +hoop eene lieve dochter in u te winnen." + +Nogmaals kuste Nitetis de teedere hand der koningin, en antwoordde +met zachte stem: »Ik dank u voor dat woord. O, veroorloof mij, u, +gade van den grooten Cyrus, moeder te noemen. Mijne lippen, die zoo +lang gewoon waren dien zoeten naam uit te spreken, beven van zalige +verrukking, nu ze, na vele weken, weder voor het eerst mogen uitroepen: +'mijne moeder!' Ja, met al mijne krachten wil ik er naar streven +uwe goedheid waardig te worden. Maar houdt gij dan ook de belofte, +die uw vriendelijk gelaat mij schijnt te doen. Sta mij in dit vreemde +land met raad en onderricht ter zijde. Laat mij aan uwe voeten een +toevlucht vinden, als het verlangen naar het land mijner vaderen mij +overweldigt, en mijn hart te zwak blijkt om de smart of het geluk +alleen te dragen. Wees, met dit éene woord is alles gezegd, wees, o, +wees mijne moeder!" + +De blinde voelde warme tranen vallen op hare hand; zij drukte hare +lippen op het voorhoofd der weenende, en zeide: »Ik gevoel wat er in +u omgaat. Mijn hart en mijne vertrekken zullen ten allen tijde voor u +geopend zijn, en, gelijk ik u met mijne geheele ziel 'dochter' heet, +kunt gij mij met vol vertrouwen uwe moeder noemen. Binnen weinige +maanden zult gij de gemalin van mijn zoon worden, en later gunnen +de goden u wellicht een geluk, waarbij gij de moeder kunt ontberen, +als ge u zelve moeder gevoelt." + +»Daartoe geve Aoeramazda zijn zegen!" riep Cambyzes. »Het verheugt +mij, moeder, dat mijne gemalin ook aan uw hart welgevallig is. Wees +overtuigd dat zij zich bij ons gelukkig zal gevoelen, zoodra zij +slechts eerst alle Perzische zeden en gebruiken kent. Als zij +nauwlettend acht geeft op hetgeen haar zal worden voorgehouden, +kan binnen vier maanden ons huwelijksfeest gevierd worden!" + +»Maar de wet," wilde de moeder hier tegen inbrengen. + +»Ik beveel: binnen vier maanden!" riep de koning, »en zou wel eens +willen weten, wie daar tegen op zou durven komen. En thans, vaarwel, +vrouwen! Denk aan de oogen der koningin, Nebenchari, en wanneer +mijne gemalin het u toestaat, moogt gij, als haar landgenoot, haar +morgen bezoeken. Vaarwel! Bartja laat u groeten. Hij is op weg naar +de Tapoeren." + +Atossa wischte zwijgend een traan uit het oog. Cassandane zeide: »Gij +hadt den knaap toch nog wel eenige maanden bij ons kunnen laten. Uw +veldheer Megabyzus zal het kleine volk der Tapoeren alleen wel tot +zijn plicht weten te brengen." + +»Daar twijfel ik niet aan," antwoordde de koning; »maar Bartja zelf +was verlangend naar eene gelegenheid, om zijne heldhaftigheid te +toonen. Ik vond dus goed hem aanstonds in het veld te zenden." + +»Zou hij niet liever gewacht hebben op den grooten krijg tegen de +Massageten, waarin meer roem te behalen zal zijn!" vroeg de blinde. + +»En als hij nu eens door een Tapoerischen pijl getroffen werd," riep +Atossa, »dan zoudt gij hem belet hebben zich van den heiligsten plicht, +die op een man kan rusten te kwijten; dan zoudt gij oorzaak zijn, +dat hij de ziel van onzen vader niet had kunnen wreken!" + +»Zwijg," snauwde Cambyzes zijne zuster toe, »opdat ik u niet leere, +wat de plicht van vrouwen en kinderen is. Het gelukskind Bartja zal +in leven blijven, en zich, zoo ik hoop, de liefde waardig maken, +die men hem thans als eene aalmoes in den schoot werpt." + +»Hoe kunt gij zoo spreken? Bezit uw broeder niet al de deugden van +den man? Is het zijne schuld, dat hij nog niet in de gelegenheid is +geweest, zich, evenals gij, in den krijg te onderscheiden?" vroeg +Cassandane. »Gij zijt de koning, wiens bevelen ik eerbiedig; mijn +zoon zou ik echter kunnen berispen, omdat hij zijne blinde moeder, +ik weet niet op welken grond, van de schoonste vreugde van haren +ouderdom berooft. Bartja ware gaarne tot aan den Massageten-krijg +bij ons gebleven, doch mijn stijfhoofdigen eerstgeborene behaagde +het anders..." + +»En wat ik wil, is goed!" zeide Cambyzes, wiens wangen bleek waren +geworden, zijne moeder in de rede vallende. »Ik verlang niets meer +over deze zaak te hooren!" + +Dit zeggende verliet hij ijlings het vertrek, en begaf zich, vergezeld +door zijn groot gevolg, dat altijd in zijne nabijheid bleef, waarheen +hij ook zijne schreden richtte, naar de gehoorzaal. + +Een vol uur verliep, nadat Cambyzes zijne moeder verliet, en nog +altijd zat Nitetis naast de bekoorlijke Atossa, aan de voeten +der edele vrouw. De Perzische vrouwen luisterden naar de verhalen +der nieuwe vriendin, en hielden niet op onderzoek te doen naar de +merkwaardigheden van Egypte. + +»O, hoe gaarne zou ik uw vaderland eens zien," riep Atossa. »Uw Egypte +moet zoo heel, heel anders zijn dan Perzië, en alles wat ik tot nog +toe gezien heb. De vruchtbare oevers van den verbazenden stroom, nog +grooter en grootscher dan onze Euphraat, de godentempels met hunne +vele bonte zuilen, de kunstmatige bergen, die men pyramiden noemt, +waarin koningen uit de hooge oudheid begraven liggen, dat alles moet +recht schoon en treffend zijn om te aanschouwen. Maar het schoonste van +alles zijn toch, dunkt me, uwe gastmalen, op welke mannen en vrouwen +vertrouwelijk met elkander kouten, zooveel hun lust. Wij Perzische, +mogen ook, bij gelegenheid van het nieuwjaars- en het geboortefeest +des konings, met de mannen samen spijzen, maar het is ons dan verboden +te spreken, en het zou zelfs zeer onbetamelijk zijn als wij de oogen +opsloegen. Hoe geheel anders is het bij u!--Bij Mithra, moeder, ik +zou een Egyptische willen zijn, want wij, arme vrouwen, zijn niets +dan ellendige slavinnen. En toch gevoel ik, dat ook ik een kind van +den grooten Cyrus, en niet slechter ben dan een man. Spreek ik niet +de waarheid, kan ik niet bevelen en gehoorzamen, smacht ik niet +naar roem, zou ik niet te paard kunnen stijgen, den boog spannen, +vechten en zwemmen, als men ook mij in de gelegenheid had gesteld, +mij te oefenen en mijne krachten te sterken?" + +De oogen van het meisje tintelden. Zij was van hare zitplaats +opgesprongen, en zwaaide met het spinrokken, niet bemerkende, hoe +het vlas in de war raakte en de draad brak. + +»Verlies toch de betamelijkheid niet uit het oog," vermaande +Cassandane. »De vrouw behoort zich nederig en stil in haar lot te +schikken, en vermete zich niet naar de daden van den man te streven." + +»Maar er zijn toch vrouwen, die even als de mannen leven," riep +Atossa. »Aan den Thermodon in Themiscyra, en aan den Iris-stroom te +Komana, wonen immers de Amazonen [236], die groote oorlogen gevoerd +hebben, en thans nog even als de mannen gewapend en gekleed gaan." + +»Van wie weet gij dat?" + +»Mijne dienstmaagd, de oude Stephanion uit Sinope, door vader als +krijgsgevangene naar Pasargadae gevoerd, heeft het mij verhaald." + +»Ik kan u echter dienaangaande beter onderrichten," zeide Nitetis. Te +Themiscyra en te Komana leven werkelijk eene menigte vrouwen, die +als strijdbare mannen zijn uitgedost. Dit zijn priesteressen, die +zich, even als de krijgsgodin die zij dienen, plegen te kleeden, +om de aanbidders in hare eigene gestalte het beeld der godheid +te toonen. Cresus zegt, dat er nooit een heer van Amazonen bestaan +heeft. De Grieken evenwel, die uit alles ras eene schoone sage wisten +samen te stellen, hebben ook, nadat zij deze priesteressen gezien +hadden, van een stoet gewapende jonkvrouwen van die godin een geheel +volk van strijdbare vrouwen gemaakt." + +»Maar dan zijn zij leugenaars!" riep het verbaasde kind. + +»Voorzeker," antwoordde Nitetis, »is den Hellenen de waarheid niet +zoo heilig als uw volk, maar zulke sprookjes op te stellen, en den +opgetogen hoorderen in schoone verzen voor te zingen, noemen zij niet +liegen, maar dichten." + +»Juist als bij ons;" hernam Cassandane. »Zoo hebben de zangers, den +roem van mijn echtgenoot verkondigende, de geschiedenis van zijne +jeugd allerwonderlijkst verdraaid en opgesierd, zonder daarom toch +den naam van leugenaars te verdienen.--Maar zeg mij, mijne dochter, +is het waar, dat deze Hellenen schooner zijn dan de andere menschen, +en alle kunsten beter verstaan, dan zelfs de Egyptenaren?" + +»Daarover durf ik geen oordeel vellen. De voortbrengselen van onze +kunst zijn zoo geheel verschillend van die der Helleensche. Als ik +onze reusachtige tempelgebouwen binnentrad om te bidden, was het me +altijd, alsof ik mij voor de grootheid der goden in 't stof moest +werpen, en hun bidden mij, kleinen worm, niet te verpletteren. Maar +te Samos, in het heiligdom aan Hera gewijd, voelde ik mij gedrongen +de handen op te heffen en de goden te danken, dat zij de aarde zoo +schoon hadden gemaakt. In Egypte dacht ik altijd, gelijk men mij +geleerd had: 'Het leven is een slaap; in de ure van onzen dood zullen +we eerst tot het rechte leven ontwaken, in het rijk van Osiris.' In +Griekenland fluisterde alles mij toe: »Gij zijt geboren voor dit +leven en de genietingen dezer wereld, die u zoo vroolijk toelacht, +en zoo liefelijk bloeit en geurt." + +»Ach, verhaal ons meer van Griekenland!" riep Atossa. »Maar eerst +zal Nebenchari de oogen van moeder opnieuw verbinden." + +De oogarts, een lange man met een ernstig gelaat, in het witte +Egyptische priestergewaad gehuld, kweet zich van zijne taak, en +trad dan, nadat Nitetis hem hartelijk begroet had, zwijgend op den +achtergrond terug, toen een eunuch verscheen, en voor Cresus verlof +vroeg, om de moeder des konings zijn eerbiedigen groet te mogen +komen brengen. + +Kort daarop trad de grijsaard binnen. Als een trouw vriend van +het Perzische koningshuis, werd hij met de grootste hartelijkheid +ontvangen. De onstuimige Atossa viel den ouden vriend, dien zij +zoolang gemist had, om den hals, de koningin reikte hem de hand, +en Nitetis begroette hem als ware hij haar vader geweest. + +»Ik dank de goden, dat zij mij de vreugde gunnen u weder te zien," +zeide de wakkere grijsaard. »Op mijn leeftijd moet men ieder nieuw +jaar als een onverdiend geschenk der goden dankbaar aannemen, +terwijl de jeugd het leven als iets, dat zoo vanzelf spreekt, als +een onbetwistbaar eigendom beschouwt." + +»Hoezeer benijd ik u om uwen moed en levenslust," hernam Cassandane +met een zucht. »Ik ben jonger dan gij; en toch komt mij iedere dag, +voor welks licht de goden mijne oogen gesloten hebben, als een +vernieuwde straf der onsterfelijken voor." + +»Hoor ik de gade van den grooten Cyrus spreken?" vroeg Cresus. »Sedert +wanneer is het krachtig gemoed van Cassandane zonder moed en zonder +hope? Gij zult weder ziende worden, zeg ik u, en evenals ik de goden +voor uw schoonen en hoogen ouderdom danken. Hij, die ernstig ziek +geweest is, weet den schat der gezondheid beter dan iemand anders te +waardeeren. Wie eens blind was en het licht der oogen terugkrijgt, +moet, meer dan iemand anders, een vriend der eeuwige goden zijn. Stel +u slechts een oogenblik de zalige vreugde voor, die gij smaken zult +in de ure, als gij na lange jaren voor de eerste maal het heldere +licht der zon, de aangezichten uwer geliefden en de schoonheid van +al het geschapene weder zult aanschouwen, en zeg mij dan, of de +heerlijkheid van dat uur niet tegen een geheel leven van duisternis +en blindheid kan opwegen. Wanneer gij genezen zult zijn, begint +voor u in uw ouderdom een nieuw en verjongd leven, en het is mij, +als hoorde ik u reeds Solons woorden tot de uwe maken." + +»Wat zeide Solon dan?" vroeg Atossa. + +»Hij wenschte, dat Mimnermus van Colophon, die in een zijner gedichten +gezegd had, dat een schoon leven met het zestigste jaar moest eindigen, +zijn vers mocht verbeteren, en van de zestig tachtig maken." + +»O neen," riep Cassandane, »zulk een lang leven zou mij, zelfs wanneer +Mithra mij het gezicht mocht willen wedergeven, een last zijn. Sedert +mijn Cyrus is gestorven, beschouw ik mijzelve als eene zwervelinge, +die zonder doel en gids in de woestijn omdoolt." + +»Vergeet gij dan geheel uwe kinderen en dit rijk, dat gij hebt zien +ontstaan en groot worden?" + +»O, neen! Maar de kinderen hebben mij niet meer van noode, en de +beheerscher van dit rijk is te trotsch om acht te geven op den raad +van eene oude vrouw." + +Nu vatte Atossa de rechter-, Nitetis de linkerhand der blinde moeder, +en de Egyptische riep: »Om den wil uwer dochters en van haar geluk, +moet gij voor u zelve een lang leven wenschen. Wat werd er van ons +zonder uwe bescherming en hulp?" + +Cassandane lachte, en prevelde nauw hoorbaar: »Gij hebt gelijk, +gij zult de moeder nog noodig hebben." + +»Aan deze woorden herken ik de gade van Cyrus," riep Cresus, het +kleed der blinde kussende. »Ik zeg u, Cassandane, dat men u noodig zal +hebben; wie weet hoe spoedig! Cambyzes is gelijk aan het harde staal, +dat vonken wekt waar het treft. Uw plicht is het te maken, dat deze +vonken geen brand stichten binnen den kring van hen, die uw hart het +dierbaarste zijn. Gij zijt de eenige, die de opwellingen van 's konings +toorn met een woord van terechtwijzing durft bezweren. U alleen acht +hij zijns gelijke. Het oordeel der menschen is hem onverschillig, +maar een bestraffend woord van zijne moeder doet hem leed. Zoo is het +dus uw plicht, als bemiddelaarster tusschen den koning, zijn volk en +de uwen, op uw plaats te blijven en te verhoeden, dat de trots van +uw zoon, in plaats van door uwe wenken en vermaningen, door de straf +der goden vernederd worde." + +»O, als ik eens zulk een invloed op hem had!" antwoordde de blinde, +»doch hoe zelden luistert mijn trotsche zoon naar den raad van zijne +moeder." + +»Maar hij zal toch moeten aanhooren, wat gij hem voorhoudt," hervatte +Cresus; »en daarmede is reeds veel gewonnen. Want al volgt hij ook +uwe raadgevingen niet, deze zullen toch als stemmen der goden tot +zijn geweten blijven spreken, en hem van veel kwaads terughouden. En +ik wil u een bondgenoot blijven. Zijn stervende vader vermaande mij, +hem met raad en daad bij te staan. Vandaar dat ik meermalen den moed +heb, zijne uitbarstingen met een krachtig woord te trotseeren. Wij +beiden zijn de eenige menschen aan dit hof, wier afkeuring hij +vreest. Omgorden we ons met de noodige koenheid, om onze roeping als +vermaners en raadgevers getrouw te vervullen; doe gij het uit liefde +voor uw zoon en voor Perzië, ik zal het doen uit dankbaarheid jegens +den grooten man, die mij het leven en de vrijheid schonk. Ik weet, +dat het u leed doet, Cambyzes niet anders te hebben opgevoed; maar +het berouw moet men vlieden als een doodend vergif. Herstelling, +niet berouw, is het geneesmiddel voor de gebreken der wijzen; want +berouw verteert het hart, herstelling daarentegen vervult het met +edelen trots en doet het vrijer en ruimer kloppen." + +»Bij ons in Egypte," zeide Nitetis, »rekent men het berouw zelfs +onder de twee-en-veertig doodzonden. 'Gij moogt niet dulden, dat uw +hart verteerd worde,' luidt een onzer eerste geboden [237]." + +»Gij brengt mij met deze woorden te binnen," sprak de grijsaard, +»dat ik op mij genomen heb uw tijd te verdeelen, tot het onderricht +in de Perzische gebruiken, godsdienst en taal. Gaarne zou ik mij naar +Barene, de stad door Cyrus mij afgestaan, hebben begeven, om daar, +in het stilste en liefelijkste van alle dalen, uit te rusten van +de vele vermoeienissen der laatste maanden. Om uwent en des konings +wil blijf ik echter hier en zal ik voortgaan met u in de Perzische +taal te onderwijzen. Cassandane zelve zal u inwijden in de zeden +van de vrouwen aan dit hof. Oropastes, de opperpriester, zal u, +overeenkomstig 's konings bevel, met de Iranische godenleer bekend +maken. Hij zal uw geestelijke, ik uw wereldlijke voogd zijn [238]." + +Nitetis, om wier lippen tot op dit oogenblik een opgeruimde glimlach +had gespeeld, sloeg nu de oogen neder, en vroeg met doffe stem: +»Moet ik den goden van mijn land, die ik tot hiertoe heb aangebeden, +en die mijne smeekingen nooit onverhoord lieten, ontrouw worden? Kan +ik, mag ik hen wel vergeten?" + +»Gij kunt, moogt en moet," zeide Cassandane met nadruk, »want de +vrouw zal geene andere vrienden hebben dan haar man. De goden zijn +de machtigste, trouwste en eerste vrienden van den man, daarom is +het uw plicht als vrouw hen te eerbiedigen; en gelijk gij eenmaal +gehuwd zijnde voor alle minnaars de deur sluit, zoo moet ge ook uw +hart voor de goden en het bijgeloof van uw vroeger vaderland sluiten." + +»En dan," zeide Cresus, »is men ook niet van meening u de godheid te +ontnemen; men stelt ze u slechts onder een anderen naam voor. Want +evenals de waarheid zichzelve eeuwig gelijk blijft, of gij ze als +de Egyptenaren 'Maa,' dan wel als de Hellenen 'Aletheia' noemt, zoo +verandert ook het wezen der waarheid nooit en nergens.--Zie, mijne +dochter, ik zelf heb, toen ik nog koning was, met ongeveinsden eerbied +aan den Helleenschen Apollo geofferd, en begreep met deze godsdienstige +hulde den Lydischen zonnegod Sandon niet te beleedigen. De Joniërs +aanbidden met geheel hun hart de Aziatische Cybele [239]. En thans, +nu ik een Pers ben geworden, hef ik mijne handen op tot Mithra, +Aoeramazda en de schoone Anâhita [240]. Pythagoras, wiens leeringen +ook u niet vreemd zijn, aanbidt slechts éene godheid. Hij noemt haar +Apollo, daar zij, evenals de Helleensche zonnegod, de oorsprong is +van het reine licht en van al wat schoon is en wel luidt. Xenophanes +van Colophon [241] eindelijk spot met het veelgodendom van Homerus, en +erkent ook slechts éene godheid, namelijk: de rusteloos voortbrengende +natuurkracht, wier wezen de gedachte, het verstand en de eeuwigheid +is. Uit haar is alles voortgekomen. Zij is de kracht, die zich +zelve eeuwig gelijk blijft, terwijl de stoffelijke schepping onder +bestendige afwisseling zich volmaakt en vernieuwt. Dat onweerstaanbaar +en smachtend verlangen in onzen boezem naar een hooger wezen boven ons, +dat ons steunen kan, wanneer onze eigene krachten ontoereikend blijken; +dat onverklaarbare gedreven worden naar een stilzwijgenden vertrouwde, +wien wij van het lijden en al de zaligheid van ons hart deelgenoot +kunnen maken; de dankbaarheid, die wij ondervinden bij de aanschouwing +dezer schoone wereld, en van al het goede dat ons deel is, noemen wij +vroomheid.--Laat dat gevoel in u blijven leven, maar vergeet niet, +dat niet de Egyptische, niet de Grieksche, niet de Perzische goden, +allen op zichzelve staande, de wereld regeeren, maar dat zij allen éen +zijn; dat eene ondeelbare godheid, hoe onderscheiden men haar ook moge +noemen en voorstellen, het lot aller volkeren en menschen bestuurt." + +De Perzische vrouwen hoorden den grijsaard met de hoogste verbazing +aan. Haar weinig geoefend verstand vermocht den gedachtenloop van +den grijsaard niet te volgen. Nitetis echter had hem begrepen en +antwoordde: »Mijne moeder Ladice, ook eene leerlinge van Pythagoras, +heeft mij hetzelfde geleerd. Maar de Egyptische priesters noemen zulke +begrippen misdadig, en hen die ze aanhangen godenverzakers. Daarom +heb ik altijd mijn best gedaan, om zulke gedachten uit mijn hart +te verbannen. Maar van nu aan geef ik dien strijd op. Wat de goede, +deugdzame en wijze Cresus gelooft, kan niet slecht, niet goddeloos +zijn. Oropastes kan komen! Ik ben bereid zijn onderricht te ontvangen, +en voor onzen Amon, den God van Thebe, Aoeramazda, voor Isis of +Hathor, Anâhita in de plaats te stellen. Eerbiedig zal ik opzien +tot de godheid, die de gansche wereld omvat, die ook hier alles laat +groeien en bloeien, en die ook verkwikking en troost doet nederdalen +in de harten der Perzen, die zich tot hem wenden." + +Cresus glimlachte. Hij had zich voorgesteld, dat het vrij wat meer +moeite zou kosten, Nitetis te bewegen afstand te doen van de goden van +haar land, daar hij de halsstarrige ingenomenheid der Egyptenaren met +hunne oude overleveringen en eenmaal opgevatte meeningen kende. Maar +hij had niet bedacht, dat de moeder dezer jonkvrouw eene Helleensche, +en de leer van Pythagoras aan de dochter van Amasis niet vreemd +gebleven was. Bovendien wist hij ook niet, met welk eene vurige +begeerte het hart dezer maagd vervuld was, om haar trotschen +heer en gemaal welgevallig te zijn. Amasis zelf zou, hoe hoog hij +den Samischen wijze ook achtte, hoezeer hij zich ook dikwijls door +Griekschen invloed liet beheerschen, en met volle recht een vrijdenkend +Egyptenaar mocht worden geheeten, liever zijn leven hebben afgelegd, +dan zijn veelgodendom met het begrip van eene 'godheid' te verwisselen. + +»Gij zijt eene zeer ontvankelijke leerling," zeide Cresus, terwijl +hij de hand op het hoofd zijner beschermeling legde. »Tot belooning +daarvoor zal u worden toegestaan, uwe ochtenden en namiddagen, tot +aan het ondergaan der zon, bij Cassandane door te brengen, of op de +hangende tuinen te slijten, in gezelschap van Atossa." + +Deze blijde tijding werd door de Perzische maagd met een jubelkreet, +door de Egyptische met een dankbaren blik beantwoord. + +»Eindelijk," vervolgde Cresus, »heb ik u een bal- en ringspel uit +Saïs medegebracht, opdat gij u zoudt kunnen vermaken, gelijk gij dat +in Egypte placht te doen." + +»Ballen?" vroeg Atossa verwonderd. »Wat zullen wij met die zware +houten kogels [242] beginnen?" + +»Maak u niet ongerust," zeide Cresus, lachende. »De ballen, waarvan +hier sprake is, zijn zeer fijn en licht, en van eene opgeblazene +vischhuid of van leder gemaakt. Een kind van twee jaar zou ze kunnen +opwerpen, terwijl gij zulk een houten kogel, waarmede de Perzische +knapen en jongelingen spelen, bezwaarlijk zoudt kunnen tillen. Zijt +gij over mij tevreden, Nitetis?" + +»Hoe zal ik u genoeg danken, mijn vader!" + +»Laat mij u nu nog eens de verdeeling van uw dag herhalen: 's +morgens bezoekt gij Cassandane, keuvelt ge met Atossa, of leent ge +een luisterend oor aan het onderricht uwer verhevene moeder." + +De blinde boog toestemmend het hoofd. + +»Tegen den middag kom ik bij u, en onderwijs u in het Perzisch, +terwijl ik daarbij niet verzuimen zal u over Egypte en de uwen te +spreken. Als gij er ten minste niet tegen hebt." + +Nitetis glimlachte. + +»Om den anderen dag zal Oropastes bij u zijne opwachting maken, +om u in den godsdienst der Perzen in te wijden." + +»Ik zal mij alle moeite geven, om hem spoedig te verstaan." + +»'s Namiddags zult gij, zoo lang gij verkiest, met Atossa samenzijn. Is +het zoo goed?" + +»O Cresus, mijn vader!" riep het meisje, terwijl zij de hand van den +grijsaard kuste. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + +Den volgenden dag betrok Nitetis het landhuis op de hangende tuinen, +en leidde daar een eentonig, maar genoeglijk en werkzaam leven, geheel +overeenkomstig de voorschriften van Cresus. Dagelijks werd zij, in +een dicht gesloten draagstoel, naar Cassandane en Atossa gebracht. De +blinde koningin was voor haar spoedig eene liefhebbende en geliefde +moeder, en de wilde, levenslustige dochter van Cyrus vergoedde der +Egyptische bijna het gemis harer aan den Nijl achtergeblevene zuster +Tachot. Nitetis had zich geene betere gezellin kunnen wenschen, +dan het dartele kind, dat door hare scherts en vroolijkheid wist +te verhinderen, dat ontevredenheid of heimwee zich in het hart van +hare vriendin nestelden. De ernst der eene nam eene vroolijke tint +aan, onder den invloed van de opgeruimdheid der andere, terwijl +de kinderlijke overmoed van het Perzische meisje, door de kalme +beradenheid der Egyptische allengs overging in eene meer ingetogene +vroolijkheid. + +Cresus en Cassandane waren beiden uiterst voldaan over hunne +nieuwe dochter en leerling. Oropastes, de magiër, sprak den koning +dagelijks met den meesten lof over de vlugge bevatting en den ijver der +jonkvrouw. Nitetis maakte zich de Perzische taal bijzonder spoedig en +zeer goed eigen. De koning ging dan alleen tot zijne moeder, wanneer +hij begreep de Egyptische dáar te zullen vinden, en schonk haar alle +dagen kostbare sieraden en kleederen. Hij bewees haar de grootste +gunst, met haar nooit in hare eigene vertrekken te bezoeken. Hierdoor +gaf hij duidelijk te kennen, dat hij voornemens was Nitetis eene +plaats te gunnen onder het kleine getal zijner uitverkorene, echte +gemalinnen, eene onderscheiding, waarop zich menige vorstendochter, +die als bijwijf in zijn harem leefde, niet beroemen kon. + +Het schoone, ernstige meisje oefende op dien ontembaren man des gewelds +een betooverenden invloed uit. Alleen hare tegenwoordigheid scheen +voldoende om de ijskorst, die zijn hart omgaf, te ontdooien. Uren +achtereen toefde hij bij het ringspel, en dan wendde hij zijn oog +niet af van de sierlijke bewegingen der Egyptische schoone. Eens, +toen een bal in het water was gevlogen, sprong hij dien na, ondanks +zijn zware, kostbare kleeding, en redde den drenkeling. Nitetis liet +een luiden angstkreet hooren, toen de koning zich onverwachts tot deze +ridderlijke daad gereedmaakte. Cambyzes overhandigde haar echter den +druipenden bal met een glimlach, zeggende: »Wees nu voorzichtiger, +anders zou ik u opnieuw moeten verschrikken!" Tegelijkertijd nam +hij een gouden met edelgesteenten bezette keten van zijn hals, +en schonk deze aan de blozende maagd. Zij dankte hem met een blik, +die duidelijker dan de meest welsprekende taal te kennen gaf, wat +haar hart voor den toekomstigen gemaal gevoelde. + +Cresus, Cassandane en Atossa bemerkten weldra, dat Nitetis den +koning met hare geheele ziel beminde. Uit hare vrees voor den +oppermachtigen trotschen man was werkelijk een vurige hartstocht +ontstaan. Het was haar, als zou zij moeten sterven, wanneer zij +uit zijne tegenwoordigheid gebannen werd. Het was haar of zij in +zijn persoon eene almachtige godheid aanschouwde, die licht rondom +zich verspreidde. De wensch hem te bezitten scheen haar vermetel +en misdadig; en toch de bevrediging van dien wensch achtte zij +verkieslijker dan zelfs den terugkeer naar haar vaderland, dan zelfs +de hereeniging met hen die zij tot nog toe alleen had liefgehad. Zij +was zichzelve nauw bewust van dezen hartstocht, en beproefde aan +de gedachte vast te houden, dat zij hem slechts eerbiedig vreesde, +dat tegen het uur, waarop zij hem gewoonlijk wachtte, hare zenuwen +van angst en niet van onuitsprekelijk verlangen trilden. + +Cresus had haar spoedig doorgrond, en joeg zijner lieveling een hoogen +blos op de wangen, toen hij haar, met zijne min of meer bevende stem, +het nieuwste lied van Anacreon, dat hij te Saïs van Ibycus geleerd had, +ondeugend voorzong: + + + "Men brandde 's meesters naam voorheen + De heupen in van 't paard + En aan den tulband kent elkeen + Den Parther, trotsch van aard; + Maar ik ontdek op 't eerst gezicht, + Wie zich der min verpandt; + Want ieder werd door 't minnewicht + Een merk in 't hart geplant." + + +Alzoo vlogen voor Nitetis dagen, weken, maanden zelfs, ongemerkt +voorbij, onder oefening en spel, onder ernst en scherts, onder +liefde en wederliefde. Het bevel van Cambyzes: »Gij moet hier +gelukkig zijn!" werd verwezenlijkt, en toen de Mesopotamische lente +[243], welke in die streken op de regenachtige Decembermaand volgt, +verstreken was; toen men gedurende de voorjaars dag- en nachtevening +het grootste feest der Aziaten, het nieuwjaarsfeest gevierd had; toen +de Mei-zon het aardrijk begon te stoven en te schroeien, gevoelde +Nitetis zich te Babylon volkomen tehuis, en wisten alle Perzen, dat +de jonge Egyptische, Phaedime de dochter van Otanes, uit de gunst +van den koning had verdrongen, en in het zekere vooruitzicht leefde, +de eerste bevoorrechte gemalin van Cambyzes te zullen worden. + +Het aanzien van den eunuchen-overste Boges verminderde dagelijks, want +men wist maar al te goed, dat de koning zijn harem niet meer bezocht, +en de eunuch zijn invloed alleen verschuldigd was aan de vrouwen, die, +wat hij voor zichzelven of voor anderen begeerde, door liefkoozingen en +vleierijen van Cambyzes moesten trachten te verwerven. Dagelijks trad +de gekrenkte man in overleg met de in ongenade gevallene Phaedime, +over de middelen die den ondergang der Egyptische zouden kunnen +bewerken. Maar hunne fijnst gesponnen listen, hunne strikken met het +meeste overleg uitgezet, misten alle hun doel, tengevolge van de groote +liefde des konings, en van het vlekkeloos gedrag der koninklijke bruid. + +Phaedime, de ongeduldige, naar wraak dorstende, vernederde vrouw, +porde den voorzichtigen Boges onophoudelijk tot eene beslissende +handeling aan. Deze vermaande haar echter, om toch geduldig het rechte +tijdstip af te wachten. Eindelijk, verscheidene weken na de aankomst +van Nitetis, kwam hij bijzonder vroolijk bij zijne bondgenoote, +en riep: »Als Bartja teruggekeerd is, mijn schatje, dan is onze ure +gekomen. Ik heb een plannetje beraamd, dat de Egyptische zoo zeker +in het verderf zal storten, als ik Boges heet." + +Dit zeggende, wreef zich de gesnedene, die altijd lachte, de zachte +vleezige handen, en toonde zich zoo uitermate verheugd als ware +hem het grootste geluk te beurt gevallen. Maar hij paste wel op +Phaedime ook maar het geringste van zijn plannetje te laten gissen, +en beantwoordde hare dringende vragen met te zeggen: »Liever vertrouwde +ik mijn hoofd in den muil van een leeuw, dan dat ik mijn geheim in het +oor eener vrouw zou leggen. Ik waardeer, ja, uw moed; maar bedenk wel, +dat de koenheid van den man in zijn handelen, die der vrouw in hare +gehoorzaamheid moet blijken. Doe dus wat ik u zeggen zal, en wacht +geduldig af wat de toekomst u brengt." + +Nebenchari, de oogarts, ging steeds voort met Cassandane te behandelen, +en vermeed allen omgang met de Perzen, onder wie zijn somber, in +zichzelf gekeerd karakter tot een spreekwoord was geworden. Men noemde +aan het hof elken gelukkige: een Bartja, en elken ouden knorrepot: een +Nebenchari. Hij sleet zijne dagen in de vertrekken van de moeder des +konings, zonder een enkel woord te spreken, terwijl hij zich bezighield +met het doorbladeren van groote papyrus-rollen, die hij het boek van +Athothes [244] noemde. Des nachts beklom hij meermalen, met verlof +van den koning en van Tritantaechmes, den satraap [245] van Babylon, +eenen der hoogste torens op de muren, om de sterren gade te slaan. + +De Chaldeeuwsche priesters, de aloude beoefenaren der sterrenkunde, +hadden hem aangeboden zijne waarnemingen te doen op den top van den +grooten Bel-tempel, hunne sterrenwacht. Hij weigerde evenwel bepaald +aan deze uitnoodiging gevolg te geven, en hield zich voortdurend +van iedereen afgezonderd. Toen Oropastes, de magiër, hem den +beroemden Babylonischen zonnewijzer, dien Anaximander van Milete +ook in Griekenland had ingevoerd, verklaren wilde, glimlachte hij, +met minachting de schouders ophalende, en keerde den overste der +Medische priesters den rug toe, zeggende: »Dezen kenden wij reeds, +voordat gij nog wist wat een uur is" [246]. + +Nitetis had hem met de grootste minzaamheid bejegend. Maar hij +bekommerde zich volstrekt niet om haar, ja, scheen haar opzettelijk te +ontwijken. Toen zij hem eens vroeg: »Merkt gij iets verkeerds in mij +op, Nebenchari, of heb ik u beleedigd?" gaf hij haar ten antwoord: +»Gij zijt voor mij eene vreemdelinge; want hoe zou ik iemand kunnen +liefhebben, die hare beste vrienden, de goden, en de zeden van haar +land, zoo gewillig en zoo spoedig verloochent?" + +Boges, de eunuch, begreep ras, dat de oogarts niet hoog was ingenomen +met de toekomstige gade van zijn koning, en stelde dus pogingen in +het werk, hem tot zijn bondgenoot te maken. Doch Nebenchari wees +zijne kruipende toespraken, zijne geschenken en voorkomendheden met +vastheid af. Zoo dikwijls een angaar het plein voor het paleis opreed, +met eene boodschap aan den koning, haastte zich de eunuch hem uit te +hooren van waar hij kwam, en of hij geene tijding had van het leger +tegen de Tapoeren. Eindelijk verscheen de langgewenschte bode, met +het bericht, dat de oproerige stam volkomen ten onder was gebracht, +en Bartja binnenkort huiswaarts zou keeren. + +Drie weken verliepen. De eene bode voor, de andere na, meldde de +nadering van den vorstelijken overwinnaar. De straten vertoonden zich +wederom in den rijksten feestdos. Het leger trok Babylon binnen. Bartja +dankte het jubelende volk, en rustte weinige oogenblikken later aan +de borst zijner moeder. + +Ook Cambyzes ontving hem met welgemeende hartelijkheid, en bracht hem +met voordacht zelf bij zijne moeder, op het oogenblik dat Nitetis zich +bij haar bevond. Hij was in zijn hart verzekerd, dat de Egyptische hem +beminde. Hij wilde Bartja bewijzen dat hij haar vertrouwde, en hield +zich overtuigd, dat zijne vroegere ijverzucht eene dwaze inbeelding was +geweest. De woeste man was, gedurende de laatste weken, de weldoener +van zijn volk geworden. Zijne liefde had hem toegevend en minzaam +gemaakt. Zijne handen werden des gevens niet moede. Zijn toorn was +ingesluimerd, en de kraaien van Babylon zwierden thans, van honger +schreeuwende, boven de plaats, waar anders de hoofden van talrijke +gevonnisten, als waarschuwend voorbeeld waren ten toon gesteld. + +De edele Perzen uit het geslacht der Achaemeniden stegen in aanzien, +naar gelang de invloed der vleiende en geveinsde eunuchen afnam. Deze +klasse van menschen was, door de inlijving van Medië, Lydië en +Babylonië, in welke rijken zij vele der hoogste ambten in den staat +en aan het hof bekleedden, in het paleis van Cyrus gekomen. Cambyzes +gewende zich in het belang van zijn land, meer acht te geven op de +stem zijner verwanten, dan op de raadgevingen der eunuchen. De grijze +Hystaspes, de vader van Darius en stadhouder van het oorspronkelijke +Perzische gebied, die in den regel te Pasargadae zijn verblijf hield, +een neef van den koning; Pharnaspes, de grootvader van Cambyzes van +moederszijde; Otanes, zijn oom en schoonvader; Intaphernes, Aspatines, +Gobryas, Hydarnes, de veldheer Megabyzus [247], de vader van Zopyrus, +de gezant Prexaspes, de edele Cresus, de oude held Araspes, kortom, +de voornaamste stamhoofden der Perzen bevonden zich juist toen aan +het hof van den koning. + +Daarbij kwam nog, dat de geheele adel uit het gansche rijk, de satrapen +of stadhouders van alle provinciën, en de opperpriesters uit alle +steden zich te dier tijde te Babylon bevonden, om den geboortedag [248] +van den koning te helpen vieren. De gezamenlijke waardigheidsbekleders +en afgevaardigden uit al de provinciën stroomden naar de koningsstad, +om den vorst geschenken aan te bieden, hem geluk te wenschen, en +deel te nemen aan de groote offers, voor welke gewoonlijk duizenden +van paarden, herten, stieren en ezels, ter eere der goden geslacht +werden. Op dezen feestdag ontvingen alle Perzen geschenken, en elk +mocht den koning een verzoek voordragen, dat maar zelden geweigerd +werd. Ook werd in alle steden het volk op kosten van den vorst +onthaald. + +Cambyzes had besloten, dat zijn huwelijk met Nitetis acht dagen na +zijn geboortedag zou worden voltrokken, en alle grooten des rijks +zouden genood worden, daarbij tegenwoordig te zijn. De straten van +Babylon wemelden van vreemdelingen. De reusachtige paleizen op de +beide oevers van den Euphraat waren overvol van gasten, en alle +huizen waren versierd. Deze ijver van zijn volk, het opkomen van +tallooze afgevaardigden, die zijn geheele rijk vertegenwoordigden, +droegen niet weinig bij om de stemming des konings nog gedurig te +vervroolijken. Zijn trots was bevredigd, en de ledigheid in zijn hart, +het gebrek aan liefde, door Nitetis aangevuld. Voor de eerste maal in +zijn leven geloofde hij volkomen gelukkig te zijn, en strooide hij +zijne geschenken uit, niet omdat dit een koning van Perzië voegde, +maar omdat hij werkelijk met vreugde gaf. + +De veldheer Megabyzus was onuitputtelijk in loftuitingen over de +heldenfeiten van Bartja en zijne vrienden. Cambyzes omarmde de +jeugdige dapperen, begiftigde hen met gouden ketens en paarden, +noemde hen »broeders" en herinnerde Bartja aan de bede, die hij hem +mocht voordragen, wanneer hij als overwinnaar uit den strijd zou +zijn teruggekeerd, en welker vervulling hem was toegezegd. Toen de +jongeling zijne oogen nedersloeg, en niet aanstonds wist hoe zijn +verzoek in te kleeden, lachte de koning, en riep: »Ziet vrienden, +hoe onze jonge held als een maagdelijn bloost! Ik geloof, dat hij mij +iets buitengewoons zal vragen, daarom moet hij nog maar wat geduld +hebben tot op mijn geboortedag. Bij het drinkgelag, wanneer, de wijn +hem moed kan geven, zal hij mij toefluisteren, wat hij nu niet durft +uiten. Laat uw eisch groot zijn, Bartja! Ik ben gelukkig en wensch +ook al mijne vrienden gelukkig te zien." + +Bartja glimlachte en begaf zich naar zijne moeder, om haar thans +voor de eerste maal mede te deelen, wat zijn hart zoo onrustig en +tegelijk zoo zalig deed kloppen. Hij had gevreesd van hare zijde +vele onoverkomelijke bezwaren te zullen hooren opperen. Maar Cresus +had zijn aanval op de moederlijke teederheid zoo goed voorbereid, +en der blinde zooveel liefelijks van Sappho verhaald, hare deugd en +bevalligheid, hare kunstvaardigheid en talenten zoo hoog verheven, +dat de meisjes den grijsaard met de kleindochter van Rhodopis waren +gaan plagen en Cassandane thans, na een korten en zwakken tegenstand +te hebben geboden, aan de bede van haar lieveling toegaf. + +»Eene Helleensche de echte vrouw van een Perzischen koningszoon!" riep +de blinde. »Dat is nog nooit gebeurd. Wat zal Cambyzes zeggen?--Hoe +zullen we ooit zijne toestemming verkrijgen?" + +»Wat dat aangaat, hebt gij niets te vreezen, moedertje," hervatte +Bartja. »Ik ben van de toestemming mijns broeders even verzekerd, +als dat ik mij overtuigd houd, dat Sappho een sieraad van ons huis +zal zijn." + +»Cresus heeft mij veel schoons en goeds van de jonkvrouw verhaald, +en het verheugt mij, dat gij eindelijk besloten zijt te huwen. Maar +eigenlijk past zulk eene verbintenis den zoon van Cyrus niet. Ook geef +ik u wel in overweging, dat de Achaemeniden nimmer een zoon dezer +Grieksche vrouw als hun koning zullen erkennen, wanneer Cambyzes +geene mannelijke nakomelingen mocht hebben." + +»Ik vrees niets, want ik verlang volstrekt niet naar eene kroon. Maar +buitendien zijn er verschillende Perzische koningen geweest, die eene +minder aanzienlijke vrouw dan mijn Sappho tot moeder hadden. Ik weet +zeker, dat mijne bloedverwanten mij niet laken zullen, wanneer ik +hun het kleinood toon, dat ik aan den Nijl gevonden heb." + +»Mocht Sappho slechts onze Nitetis gelijken! Deze heb ik lief, +als ware zij mijne eigene dochter, en ik zegen den dag, waarop +zij den Perzischen grond betrad. Met haren koesterenden blik heeft +zij de halsstarrigheid, de stugheid en den hoogmoed van mijn zoon +gebroken. Hare goedheid en zachtmoedigheid verlichten den altoos +durenden nacht, die mij omgeeft, en veraangenamen mijn leven. Haar +opgeruimde ernst heeft uwe zuster Atossa van een onbesuisd kind in eene +zedige jonkvrouw herschapen!--Roep nu de meisjes, die beneden in den +tuin spelen, opdat wij haar mededeelen, dat zij door uw tusschenkomst +eene nieuwe vriendin rijker zullen worden." + +»Vergeef mij, moeder," hervatte Bartja, »maar ik bid u, deze zaak +voor mijne zuster geheim te houden, tot wij de bepaalde toestemming +van den koning hebben verkregen." + +»Misschien hebt gij gelijk, mijn zoon. Wij moeten de meisjes nog +onkundig laten van uwe liefde, al ware het slechts om haar eene +mogelijke teleurstelling te besparen. De verijdeling eener schoone +hoop valt zwaarder te dragen, dan onverwacht leed. Laat ons dus niet +te vast rekenen op de bewilliging van uw broeder, schoon ik met u +geloof, dat deze niet zal uitblijven, zoolang zijne tegenwoordige +stemming aanhoudt. Mogen de goden u hun zegen schenken!" + +In den vroegen morgen van 's konings geboortedag brachten de Perzen +aan den oever van den Euphraat hunne offers. Op een kunstmatigen berg +stond een ontzaglijk groot zilveren altaar, waarop een zeer groot +vuur zijne vlammen en welriekende geuren hemelwaarts deed stijgen. In +het wit gekleede magiërs voedden gestadig den gloed met sierlijk +gesnedene stukken van het fijnste sandelhout, en wakkerden de vlammen +met takkenbossen aan. Het hoofd van elken priester was met een breeden +band omgeven, de Paiti-dhana [249], welks uiteinden den mond bedekten, +en verhinderden, dat de onreine adem over het reine vuur heenging. Op +eene weide langs den stroom, had men de offerdieren geslacht, het +vleesch in stukken gesneden [250], met zout bestrooid en op een zacht +tapijt van klaver, mirtenloof en laurierbladen uitgespreid, opdat +niets van het doode en bloedige, de schoone dochter van Aoeramazda, +de geduldige, heilige aarde mocht besmetten. + +Nu trad Oropastes, de opper-Destoer [251], voor het vuur, en wierp +er versche boter in. De vlammen sloegen hoog op. Al de Perzen vielen +op de knieën, en bedekten hun aangezicht; want zij geloofden, dat +de heldere vlam opsloeg tot haren vader, den grooten God. Vervolgens +nam de magiër een mortier, vulde dien voor een deel met de bladen en +stengels van het heilige haomakruid [252], kneusde deze, en goot het +roodachtige sap der plant, de spijze der goden, in de vlammen. + +Eindelijk hief hij zijne handen ten hemel en zong, terwijl andere +priesters voortgingen de vlam met versche boter aan te wakkeren, een +lang gebed uit de heilige boeken van Zoroaster. In dit gebed werd de +zegen der goden afgesmeekt over al het reine en goede, en vóór alles +over den koning en het gansche rijk. De goede geesten, van het licht, +van het leven, van de waarheid, van edele daden, van de vruchtdragende +aarde, van het levende en verfrisschende water, van de glanzende +metalen, van de weiden, van de boomen en van de reine schepselen werden +geprezen. De booze geesten van de duisternis, van den leugen, die de +menschen bedriegt, van ziekten, van dood, van zonden, van de woestijn, +van de verstijvende koude, van de dorheid, die het leven vernietigt, +van alle afschuwelijke morsigheid, van alle ongedierte werden, met den +vader van deze allen, den boozen Angramainjus, vervloekt. Ten laatste +vereenigde zich de geheele onafzienbare menigte in het feestgebed: +»Reinheid en heerlijkheid verbeiden den reine en rechtvaardige!" [253] + +Daarop maakte het gebed van den koning een einde aan de +offerplechtigheid. In het rijkste plechtgewaad besteeg Cambyzes den +met vier sneeuwwitte Nisaeische paarden bespannen gouden wagen, die +als het ware bedekt was met een bekleedsel van corneolen, topazen +en barnsteen, en liet zich naar de groote gehoorzaal brengen, +om de waardigheidbekleeders en afgevaardigden der provinciën te +ontvangen.--Zoodra de koning en zijn gevolg vertrokken waren, zochten +de priesters voor zichzelve de beste stukken van het offervleesch uit, +en lieten toen het volk, dat meer en meer opdrong, de vrijheid het +overschot mede naar huis te nemen. Want de Perzische goden versmaadden +het offer als spijs; zij begeerden slechts de zielen der geslachte +dieren. En menige arme, namelijk onder de priesters, rekte zijn leven +met het vleesch der rijke koningsoffers. + +Gelijk de magiër gebeden had, moesten alle Perzen bidden. Hun +godsdienst verbood, dat éen iets voor zich alleen van den hemelschen +geest zou vragen. Veeleer moest ieder deugdzame voor alle Perzen, +maar bovenal voor den koning bidden; want was ieder Pers slechts +een deel van het geheele volk, dan werd toch ook ieder in het +bijzonder gezegend, als de goden rijke weldaden over het geheele rijk +uitstortten. Dit verloochenen van het eigen ik, dit samensmelten van +alle bijzondere belangen tot éen groot algemeen belang, had de Perzen +grootgemaakt. Alleen was men gewoon voor den koning afzonderlijk +te bidden, maar dit had geene andere oorzaak, dan dat men hem als +de verpersoonlijking van het geheele rijk beschouwde. Ook mocht +niemand om een bijzonder bezit vragen, doch slechts om het goede in +het algemeen, want geen sterveling, de godheid alleen, wist wat den +menschen tot voor- of nadeel zou strekken. De Egyptische priesters +stelden de pharao's als werkelijke godheden voor, de Perzen noemden +hunne vorsten slechts zonen der goden [254]. En toch heerschten dezen +inderdaad veel onbeperkter dan genen, daar zij zich hadden weten te +vrijwaren tegen de voogdij der priesterkaste, die, gelijk wij reeds +zagen, de pharao's, zoo al niet beheerschte, dan toch in gewichtige +aangelegenheden naar haren wil wist te leiden. + +Van het onverdraagzame karakter der Egyptenaren, die geene andere +dan hunne eigene goden aan de boorden van den Nijl duldden, was in +Azië geen zweem te ontdekken. De door Cyrus overwonnen Babyloniërs +mochten na hun inlijving in het groote Aziatische rijk, als te voren +tot hunne oude goden bidden. De Joden, Joniërs en Klein-Aziaten, +kortom al de aan den schepter van Cambyzes onderworpene stammen, +hadden alle hun godsdienst en hunne zeden behouden. Zoo stegen dan +ook te Babylon op het geboortefeest des konings, naast de altaren +der magiërs, vele offervlammen ten hemel, door de afgevaardigden +uit de provinciën ontstoken ter eere van de goden, die zij in hun +land aanbaden. De dichte rookwolken, die boven de torens hingen en +het licht der gloeiende Mei-zon verduisterden, deden de stad op een +afstand op een reusachtigen smeltoven gelijken. + +Toen de koning in het groote rijkspaleis was aangekomen, schikten +zich de feestgezanten tot een onafzienbaren stoet, die door de rechte +straten van Babylon in de richting van het paleis voorttrok. Alle +wegen waren bedekt met mirtenloof en palmtakken, met rozen, papaver- +en oleanderbloemen, met bladeren van zilverpopulieren, palmen en +laurieren. Wierook-, myrrhe- en duizend andere geuren vervulden de +lucht. Van alle huizen wapperden vanen en hingen tapijten neder. Het +juichen en jubelen van de tienduizenden Babyloniërs, die, eerst +sedert weinige jaren aan de Perzische heerschappij onderworpen, naar +Aziatische gewoonte hunne ketenen als een sieraad droegen, zoolang +zij althans geen kans zagen zich van het juk te bevrijden,--overstemde +de schetterende fanfares der Medische trompetten, de zachte tonen der +Phrygische fluiten, de cymbalen en harpen der Joden, de tamboerijns der +Paphlagoniërs, de snarenspeeltuigen der Joniërs, de Syrische pauken en +bekkens, de horens en trommels der Ariërs van den mond van den Indus, +en de heldere tonen der Baktrische krijgsbazuinen. Al die geuren, die +verscheidenheid van kleuren en tinten, dat schitteren en flonkeren +van goud en edelgesteenten, dat gehinnik van tallooze paarden, dat +juichen en zingen vereenigden zich, om de zinnen te bedwelmen en de +harten tot de meest uitgelatene feestvreugde te stemmen. + +Geen der feestgezanten was met ledige handen gekomen. Deze bracht een +span paarden van het edelste ras; gene geweldig groote olifanten en +potsierlijke apen; een derde verscheidene met schabrakken en kwasten +behangen rhinocerossen en buffels; een vierde tweebultige Baktrische +kameelen, met gouden ringen om den ruigen hals. Anderen boden wagens +aan, beladen met vreemde houtsoorten en elpenbeen, kostbare weefsels, +zilveren en gouden vaatwerken, goud in stof en in baren, zeldzame +gewassen voor de tuinen, en voor het wildpark van den koning vreemde +dieren, onder welke men vooral antilopen, zebra's, vreemde apen en +vogelsoorten [255] opmerkte, welke laatsten aan groene boomen geketend +waren, en daar zij telkens de vleugels uitsloegen, een vroolijk +schouwspel opleverden. Deze geschenken maakten de schatting uit van +de onderworpene stammen.--Nadat zij aan den koning vertoond waren, +werden zij door de schatmeesters en schrijvers gewogen, onderzocht, +en óf voldoende gekeurd, óf als te gering afgewezen. In het laatste +geval moesten de karige gevers een dubbele schatting opbrengen [256]. + +Zonder oponthoud bereikte de stoet de poorten van het rijkspaleis, +hetgeen men voor een groot deel te danken had aan de zweepdragers +en aan de soldaten, die aan weerszijden van den weg eene levende +schutting vormden, en het opdringende volk in bedwang hielden. + +Zoo de optocht des konings naar de offerplaats reeds meer dan prachtig +was geweest (achter den vorstelijken wagen toch had men vijfhonderd +rijk getooide paarden geteld en de trein der gezanten had niet +minder de verbazing van het geheele vergaderde volk opgewekt) de +groote troonzaal bood nu een verblindend en tooverachtig schouwspel +aan. Aan het einde dezer zaal verrees, op eene verhevenheid van zes +treden, waarvan ieder twee gouden honden als schildwachten droeg, de +vergulde troon, onder een purperen, door vier gouden met edelgesteenten +bezette pijlers gedragen hemel, die wederom twee gevleugelde schijven, +de Feruers [257] des konings, torste. Achter den troon stonden +dragers van struisveeren en waaiers, aanzienlijke hofbeambten; aan +weerszijden zag men de dischgenooten, bloedverwanten en vrienden des +konings, de grootwaardigheidsbekleeders van het rijk, de voornaamste +priesters en eunuchen. De wanden en de zoldering van de geheele zaal +waren bekleed met platen van gepolijst goud, en de vloer belegd met +purperen tapijten. Gevleugelde stieren met menschenhoofden lagen als +schildwachten vóor de zilveren deuren, en in het voorhof van het paleis +stonden de lijfwachten gerangschikt, wier lansen met gouden en zilveren +appels versierd waren. Zij droegen over hunne purperen rokken gouden +pantsers, scherpe zwaarden in gouden, van edelgesteente fonkelende +scheeden en hooge Perzische tulbanden. Te midden dier krijgers viel +aanstonds de schaar der Onsterfelijken [258] in het oog, die altijd +bestond uit mannen van eene rijzige gestalte en kloeke houding. + +Personen, die de vreemdelingen aanmeldden, geleiders, met korte +elpenbeenen staven in de handen, brachten de feestgezanten de zaal +binnen tot vóor den troon. Daar gekomen, wierpen deze zich ter aarde, +als wilden zij den grond kussen, en verborgen de handen in de mouwen +van hun kleed. Alvorens zij den koning op eenige vraag antwoordden, +werd hun een doek voor het benedendeel van het aangezicht gebonden, +opdat hun onreine adem den reinen persoon des konings niet bezoedelen +zou. + +Cambyzes sprak, minzaam of streng, naargelang hij voldaan was over de +geschenken en de gehoorzaamheid van de vertegenwoordigde provincie, +met de aanzienlijksten van ieder gezantschap. Toen het laatste, dat +der Joden, zijn troon naderde, riep hij den Hebreërs, die door twee +deftige mannen met scherpe trekken en langen baard werden voorafgegaan, +een vriendelijk »halt" toe. De eerste van dezen was gekleed op de wijze +als de voornaamste en rijkste Babyloniërs. De tweede droeg een uit éen +stuk geweven, met schellen en kwasten behangen purperen kleed, dat door +een gekleurden gordel van blauw, rood en wit bijéen werd gehouden, +en een blauw schouderkleed. Om zijn hals hing een taschje met de +heilige loten [259], dat met twaalf in goud gevatte edelgesteenten, +waarop de namen der stammen Israëls te lezen waren, prijkte. Een +witte band, welks slippen tot over de schouders neervielen, bedekte +het ernstige voorhoofd van den hoogepriester. + +»Het verheugt mij u eens weder te zien, Beltsazar," riep de koning +den op Babylonische wijze gekleeden man toe. »Sedert den dood van +mijn vader hebt gij u niet aan mijne poort laten zien!" + +Hij, die aldus werd toegesproken, boog zich diep en antwoordde: »De +genade van mijn heer verheugt het harte van uw knecht! Wilt gij de +zon uwer genade over uw knecht laten lichten, zijne onwaardigheid niet +gedenkende, zoo bewillig mijn arm volk, dat uw groote voorganger naar +het land zijner vaderen liet terugkeeren, eene bede! Deze grijsaard +aan mijne zijde, Jozua, de hoogepriester onzes Gods, heeft den verren +weg naar Babylon niet geacht, daar hij gekomen is om die bede aan uw +goedgunstig oor voor te dragen. Mogen zijne reden u aangenaam zijn, +en zijn woord een vruchtbaren grond in uw hart vinden." + +»Ik gis reeds, wat gij vragen wilt," riep de koning. »Heb ik ongelijk, +priester, als ik vermoed, dat uwe bede wederom betrekking heeft op +de herbouwing van uw tempel?" + +»Voor mijn heer kan niets verborgen blijven," antwoordde de priester, +diep buigende. »Uwe knechten te Jeruzalem verlangen zeer het aangezicht +van hun heer te aanschouwen, en smeeken u door mijn mond, af te komen +tot het land hunner vaderen, en hun verlof te geven den tempelbouw, +waartoe uw doorluchtige vader, wien Jahveh genadig zij! zijne +toestemming verleende, voort te zetten." + +De koning glimlachte, en antwoordde: »Gij weet uwe bede voor te dragen +met eene slimheid, die uw volk eigen is, en het juiste woord en het +rechte uur te kiezen! Op mijn geboortedag kan ik een trouw volk bijkans +geene enkele bede afslaan. Ik beloof u dus, zoodra dit mij mogelijk is, +de goede stad Jeruzalem en het land uwer vaderen te zullen bezoeken." + +»Gij zult uwe knechten groote vreugde bereiden," hervatte de +priester. »Onze olijfboomen en wijnstokken zullen bij uwe nadering +schoonere vruchten dragen; onze poorten zullen verwijd worden om u +te ontvangen, en Israël zal zijn heer met gejubel inhalen, dubbel +verheugd, wanneer het hem als nieuwen bouwheer...." + +»Halt, priester, niet verder!" riep Cambyzes. »Uwe eerste bede zal, +gelijk ik zeide, niet onvervuld blijven, want sinds lang reeds koester +ik den wensch, het rijke Tyrus, het gouden Sidon en uw Jeruzalem met +zijn wonderlijk bijgeloof te leeren kennen. Maar gaf ik u thans reeds +verlof tot het voortzetten van den tempelbouw, wat bleef mij dan nog +over, dat ik u een volgend jaar zou kunnen toestaan?" + +»Uwe knechten zullen het oor huns heeren niet meer vermoeien," +antwoordde de priester, »als gij hun verlof geeft, den God hunner +vaderen een huis te bouwen." + +»Vreemde menschen, die mannen van Palaestina!" riep Cambyzes. »Men +heeft mij dikwijls gezegd, dat gij aan eene enkele godheid gelooft, +die door geene afbeelding wordt voorgesteld, die niets is dan een +geest. Meent gij dan, dat dit alomtegenwoordig wezen een huis van noode +heeft? Voorwaar, uw groote geest moet al zeer zwak en erbarmelijk zijn, +als hij een dak behoeft tegen wind en regen, en eene beschutting +tegen de zon, die hij zelf eens schiep. Is uwe godheid evenals de +onze overal tegenwoordig, welnu, valt dan voor haar neder en aanbidt +haar aan alle plaatsen gelijk wij het doen, en gij kunt u verzekerd +houden overal door haar gehoord te zullen worden." + +»De Gods Israëls hoort zijn volk aan alle plaatsen," riep de +hoogepriester. »Hij heeft ons geroep gehoord, toen wij, ver van ons +land als slaven van den pharao, tichelen bakten en versmachtten. Hij +hoorde en zag ons, toen wij aan de wateren Babylons weenden. Hij koos +uw vader tot het werktuig onzer bevrijding, en zal ook heden mijn +gebed verhooren en uw hart vermurwen. O, groote koning, veroorloof uwen +knechten eene gemeenschappelijke offerplaats te bouwen voor de twaalf +verdeelde stammen van hun volk, een altaar voor welks trappen zij te +zamen voor u kunnen bidden, een huis in hetwelk zij gemeenschappelijk +hunne feestdagen kunnen vieren. Voor deze gunst zullen wij de genade +onzes Heeren over uw hoofd, en zijn vloek over uwe vijanden afsmeeken." + +»Veroorloof mijnen broederen hun tempel op te bouwen!" bad ook +Beltsazar, de rijkste en aanzienlijkste der Joden, die in Babel waren +achtergebleven, dien Cyrus met groote onderscheiding behandeld en +dikwijls om raad gevraagd had. + +»Zoudt gij dan den vrede bewaren, indien ik aan uwe bede gehoor +gaf?" vroeg de koning. »Mijn vader vergunde u het werk te beginnen, +en verschafte u de middelen om het te volbrengen. Eendrachtig en +gelukkig zijt ge van Babylon naar uw land getogen. Maar nauw waart ge +aan het bouwen, of daar barstten twist en tweedracht los. Tallooze +verzoekschriften, door de aanzienlijkste Syriërs onderteekend, +bestormden Cyrus, of het hem behagen mocht den tempelbouw te doen +staken. Nog niet lang geleden ben ik zelf door uwe landslieden, +de Samaritanen, dringend aangezocht, de voortzetting van het werk +te verhinderen. Bidt dus tot uw God, waar en op welke wijze gij +wilt; maar hoe genegen ik u ook ben, kan ik toch mijne toestemming +niet verleenen tot voortzetting van een werk, dat slechts twist en +oneenigheid onder uw volk sticht." + +»Wilt gij op dezen dag eene bewilliging intrekken, die uw vader ons +in een koninklijken brief heeft gedaan?" vroeg Beltsazar. + +»Een brief?" + +»Die op den huidigen dag nog voorhanden moet zijn onder de bescheiden +van uw rijk [260]." + +»Zoodra gij hem vindt, en mij vertoont," hervatte de koning, »wil +ik niet slechts verlof geven tot het bouwen van den tempel, maar u +zelfs op alle mogelijke wijze ondersteunen, opdat het werk spoedig +voltooid zij. De wil van mijn vader is mij even heilig als een bevel +van de goden!" + +»Is het mij dus toegestaan." vroeg Beltsazar, »het archief van +Ekbatana, waar het geschrift aanwezig moet zijn, door uwe schrijvers +te laten doorzoeken?" + +»Ik geef u daartoe verlof; maar ik vrees, dat gij niets vinden +zult! Zeg uwen landslieden, priester, dat ik tevreden ben over de +uitrusting der krijgslieden, die zij naar Perzië zonden, om den tocht +tegen de Massageten mede te maken. Mijn veldheer Megabyzus roemt +hunne houding en hun krijgshaftig voorkomen. Mogen zij, evenals in de +oorlogen mijns vaders, de goede gedachten, die men van hen koestert, +niet teleurstellen!--U, Beltsazar, noodig ik op het feest van mijn +huwelijk met de Egyptische, en ik draag u op aan uwe landslieden +Mesach en Abed Nego, de eerste mannen van Babylon na u, te zeggen, +dat ik hen hedenavond aan mijne tafel verwacht." + +»De God onzes volks Israël schenke u geluk en zegen!" sprak Beltsazar, +terwijl hij diep ter aarde boog. + +»Dezen wensch neem ik aan," riep de koning, »want ik acht uw +grooten Geest, die groote wonderen moet hebben gedaan, niet voor +geheel machteloos.--Hoor nog dit, Beltsazar! Vele Joden hebben in +den laatsten tijd van de goden der Babyloniërs op smadelijke wijze +gesproken, en zijn daarvoor gestraft geworden. Waarschuw uw volk! Het +maakt zich gehaat door zijn stijfhoofdig bijgeloof en zijn hoogmoed, +omdat het wil staande houden, dat zijn groote Geest de eenige ware +godheid is! Neemt gijlieden een voorbeeld aan ons, die, tevreden met +wat wij hebben, anderen in het rustig bezit van het hunne laten. Houdt +u zelve niet voor beter dan alle andere menschen. Ik ben u genegen, +uw trots en uw gevoel van eigenwaarde behagen mij; zorgt evenwel dat +uw trots niet, tot uwe eigene schade, in hoovaardij ontaarde!--Vaarwel +en weest verzekerd van mijne voortdurende bescherming!" + +De Hebreërs verwijderden zich, wel teleurgesteld, doch niet geheel +zonder hope, want Beltsazar wist bepaald, dat dit stuk, hetwelk op +den Jeruzalemschen tempelbouw betrekking had, in het archief van +Ekbatana voorhanden moest zijn. + +Hen volgden de gezantschappen der Syriërs en Jonische Grieken. Het +laatst van allen vertoonden zich mannen van woest uiterlijk en vreemden +gelaatsvorm, in dierenhuiden gekleed. Hunne gordels, schouderbanden, +boog-foedralen, strijdbijlen en lansspitsen bleken van ruw bearbeid, +doch zuiver goud te zijn, en hunne hooge pelsmutsen waren met gouden +sieraden overladen. Vóór hen ging een man in Perzische kleederdracht, +wiens trekken echter bewezen, dat hij tot denzelfden stam behoorde, +als de mannen die hem volgden [261]. + +De koning zag met verwondering op deze gezanten, terwijl zij den troon +naderden. Hij fronste zijn voorhoofd, en den vreemdeling wenkende, +die hen binnenleidde, zeide hij: »Wat begeeren deze menschen van +mij?--Bedrieg ik mij niet, zoo behooren zij tot de Massageten, +die weldra voor mijn wraak zullen sidderen. Zeg hun, Gobryas, dat +een behoorlijk uitgerust leger in de Medische vlakte gereedstaat, +om hun op iederen eisch met het zwaard te antwoorden!" + +De vreemdeling boog zich en sprak: »Deze menschen zijn hedenmorgen, +tijdens het offer, zwaar beladen met het zuiverste goud Babylon +binnengetrokken, om den vrede van u te koopen. Toen zij vernamen, dat +men een groot feest u ter eere vierde, drongen zij bij mij aan, dat +ik hun nog heden de gelegenheid zou verschaffen, voor uw aangezicht +te verschijnen en u mede te deelen, met welken last zij door hunne +landslieden naar uwe poorte zijn gezonden." + +De wolk op 's konings voorhoofd dreef af, zijn gelaat verhelderde. Met +scherpen blik nam hij ze op, die forsche mannen met hunne zware baarden +en riep dan: »Dat zij nadertreden! Ik ben nieuwsgierig te hooren, +welke voorstellen de moordenaren van mijn vader mij zullen doen." + +Gobryas gaf hun een teeken. De grootste en oudste der Massageten trad, +door den op Perzische wijze gekleeden man vergezeld, tot dicht voor den +troon, en begon toen in de taal van zijn vaderland met luider stem te +spreken. De man die naast hem stond, een Massagetisch krijgsgevangene +van Cyrus, die de Perzische taal aangeleerd had, vertolkte den koning, +volzin voor volzin, de toespraak van den woordvoerder der nomaden. + +»Wij weten," ving deze aan, »dat gij, groote vorst, met wrok en +wrevel jegens de Massageten vervuld zijt, wijl uw vader in een strijd +tegen ons, dien hij zelf begon, schoon wij hem nooit beleedigden, +gevallen is." + +»Mijn vader had reden te over om u te straffen," viel de koning +den spreker in de rede, »want uwe vorstin Tomyris ontzag zich niet, +hem een weigerend antwoord te geven, toen hij naar hare hand dong." + +»Vertoorn u niet, o koning," antwoordde de Massageet; »maar weet, dat +ons gansche volk deze weigering billijkte. Men had een onnoozel kind +moeten zijn, om niet te doorzien, dat de grijze Cyrus slechts daarom +onze koningin onder het getal zijner vrouwen verlangde op te nemen, +wijl hij, heerschzuchtig als hij was, en onophoudelijk begeerig naar +nieuwe uitbreiding van zijn gebied, met de koningin ook haar land +hoopte machtig te worden." + +Cambyzes zweeg, maar de gezant vervolgde: »Cyrus liet eene brug slaan +over den Araxes [262], onze grensrivier. Wij waren zonder vreeze; +daarom liet Tomyris hem weten, dat hij zich de moeite van eene brug +te maken wel kon besparen, daar wij bereid waren, òf hem in ons +land rustig af te wachten, en hem ongehinderd den Araxes te laten +overschrijden, òf hem in zijn eigen land tegemoet te trekken. + +»Cyrus besloot, en dat wel, gelijk wij later uit den mond van +krijgsgevangenen vernamen, op raad van den onttroonden koning van +Lydië, Cresus, ons op ons eigen gebied te komen bestoken en door +list ten onder te brengen. Hij zond slechts een kleine afdeeling van +zijn leger er op af, liet dit door onze pijlen en lansen verdelgen, +en zag het aan, hoe wij zijne legerplaats zonder slag of stoot +bemachtigden. Wij dachten den veroveraar overwonnen te hebben, en +hielden feest van den rijken voorraad der Perzen. Toen wij, vergiftigd +door den zoeten drank, dien gijlieden wijn noemt, en dien wij nog +nooit geproefd hadden, in een diepen slaap verzonken waren en weerloos +nederlagen, overviel ons uw leger en vermoordde een groot deel onzer +beste krijgers. Velen werden ook gevangengenomen, onder anderen de +heldhaftige Spargapises, de jeugdige zoon onzer koningin. Toen deze +hoorde, dat zijne moeder bereid was vrede met uw vader te sluiten, +op voorwaarde dat de jonge held op vrije voeten zou worden gesteld, +bad de edele jongeling, dat men hem van zijne ketenen zou ontdoen. Men +voldeed aan zijn verlangen. Daarop vatte hij een zwaard en doorstak +zich, uitroepende: »Ik offer mij op voor de vrijheid van mijn volk!" + +»Nauw hadden wij bericht gekregen van den dood van dezen dapperen +jongeling, of wij trokken al de strijdkrachten samen, die niet onder +uw zwaard gevallen waren, of niet in boeien zuchtten. Zelfs knapen en +grijsaards grepen naar de wapens, en als een eenig man trokken wij +uw vader tegemoet, om den edelen Spargapises te wreken, of gelijk +hij, voor de vrijheid der Massageten te sterven. Het kwam tot een +treffen. De Perzen werden geslagen. Cyrus sneuvelde. Tomyris vond zijn +lijk, drijvende in een zee van bloed, en richtte deze woorden tot den +doode: »Onverzadelijke, thans, zou ik meenen, hebt gij uw dorst naar +bloed kunnen lesschen!" De edele schaar, die gij de onsterfelijken +noemt, wierp ons terug, en voerde uit onze dichte rijen het overschot +van uw vader met zich. Gij zelf streedt aan hunne spits; uw moed en +uwe dapperheid waren die van een leeuw. Ik herken u, want het zwaard, +dat aan mijne zijde hangt, sloeg de wonde, welker bloedig litteeken +nu nog uw mannelijk gelaat siert!" + +De menigte, die met ingehouden adem had geluisterd, sidderde voor het +leven van den man, die zoo stout durfde spreken. Doch Cambyzes knikte +hem minzaam toe, in plaats van toornig op te vliegen: »Ook ik herken +u thans. Op dien dag bereedt gij een vuurrood ros, dat met gouden +sieraden was bedekt. Wij Perzen, weten de dapperheid te waardeeren, ook +in onze vijanden. Dat zult ook gij ondervinden! Mijne vrienden, nooit +zag ik scherper zwaard of onvermoeider arm, dan van dezen man. Buigt +u voor hem neder, want heldengrootheid verdient den eerbied van alle +dapperen, onverschillig of zij zich bij vriend of bij vijand openbaart +[263].--Maar u, Massageet, raad ik, ijlings naar huis en haard terug +te keeren, en u ten strijde uit te rusten, want de herinnering aan +uw moed en uwe kracht prikkelt des te meer mijn verlangen, om met u +te kampen. Sterke vijanden als gij, zijn mij, bij Mithra, liever dan +zwakke vrienden! Ik wil u onverlet naar uw land laten trekken. Maar +blijf niet te lang in mijne nabijheid, anders kon de gedachte aan +de wraak, die ik mijns vaders ziel schuldig ben, mijn toorn wel eens +doen ontwaken, en dan zou het einde uws levens niet verre zijn." + +De gebaarde krijgsman glimlachte, en antwoordde: »Wij Massageten +zijn van oordeel, dat de ziel uws vaders meer dan gewroken is. De +Perzen verloren hun koning, maar onze koningin had haar eenigen zoon +te beweenen, die de trots was van ons volk, en niet minder edel en +groot dan Cyrus. Vijftig duizend lijken van mijne landslieden lagen +als een doodenoffer aan de boorden van den Araxes, terwijl in dezen +strijd slechts dertig duizend Perzen vielen. Wij vochten niet minder +dapper dan gijlieden, maar uwe wapenrustingen zijn dichter en steviger +dan de onze, en bieden weerstand aan de pijlen, die ons dadelijk de +huid doorboren. En wat de kroon op alles zet, en de maat uwer wraak +zekerlijk ten boorde vult, ook onze koningin Tomyris hebt gij gedood." + +»Tomyris leeft niet meer!?" riep Cambyzes, den spreker in de rede +vallende. »Wij Perzen, zouden eene vrouw vermoord hebben? Wat is uwe +koningin overkomen? Spreek!" + +»De smart over den dood van haar eenigen zoon heeft haar, nu tien +maanden geleden, doen bezwijken. Dus kon ik met alle recht zeggen, +dat ook zij als een offer van den oorlog met de Perzen en voor de +ziel uws vaders viel." + +»Zij was eene groote vrouw," zeide Cambyzes zacht, als tot +zichzelven. Dan vervolgde hij, zijne stem verheffende: »Waarlijk, +Massageten, ik begin te gelooven, dat de goden zelve op zich genomen +hebben, mijn vader op u te wreken. Maar hoe zwaar uwe verliezen ook +schijnen mogen, Spargapises, Tomyris en vijftig duizend Massageten +kunnen nog niet opwegen tegen de ziel van éen Perzischen koning, +en allerminst tegen die van een Cyrus!" + +»Bij ons te lande," antwoordde de gezant, »is in den dood alles +gelijk, en de ziel van een gestorven koning niet grooter dan die van +een armen knecht. Uw vader was een groot man, maar onbeschrijfelijk +veel hebben wij om zijnentwil geleden. Weet ook, o koning, dat ik +u nog al de rampen niet heb opgesomd, die sedert dien ongelukkigen +krijg over ons land zijn uitgestort.--Na den dood van Tomyris werden +de Massageten door tweedracht verdeeld. Twee mannen stonden op, die +beweerden gelijke rechten op den ledigen troon te hebben. Het volk +splitste zich in twee partijen. Een vreeselijke burgeroorlog, aanstonds +gevolgd door eene besmettelijke ziekte, die talrijke offers eischte, +dunde de schare onzer krijgers. Mocht gij volharden in uw voornemen om +ons den oorlog aan te doen, zoo zouden wij u niet kunnen weerstaan, en +daarom zijn wij gekomen om voor veel gouds den vrede van u te koopen." + +»Gij wilt u dus zonder slag of stoot onderwerpen?" vroeg Cambyzes. »De +sterkte van het leger, dat in de Medische vlakte bijeengetrokken is, +kan u bewijzen, dat ik betere verwachting van uw heldenmoed heb +gekoesterd. Zonder vijanden kunnen wij niet strijden, ik zal dus +mijne macht ontbinden en u een stadhouder zenden. Ik heet u welkom +als nieuwe onderdanen van mijn rijk." + +Bij deze woorden des konings kleurde een hoog rood de wangen van den +Massagetischen held. Met bevende stem antwoordde hij: »Gij dwaalt, o +koning, indien gij meent, dat wij de oude dapperheid verleerd hebben, +of gezind zijn knechten te worden. Maar wij kennen uwe macht en weten, +dat het kleine getal onzer, door het zwaard en de pestilentie gespaarde +landslieden tegen uwe ontzaglijke goed uitgeruste krijgsheeren niet +is opgewassen. Rond en eerlijk, gelijk alle Massageten zijn, belijden +wij u dit. Maar tegelijk verklaren wij, dat wij ons zelve zullen +blijven regeeren, en niet voornemens zijn ooit van een Perzischen +satraap wetten en voorschriften te ontvangen.--Gij ziet mij toornig +aan! Toch hebt gij ons laatste woord vernomen." + +»Gij hebt slechts te kiezen," antwoordde Cambyzes. »Buigt u onder mijn +schepter, laat uw land onder den naam van de Massagetische provincie +bij Perzië inlijven, ontvangt met den vereischten eerbied een satraap, +als vertegenwoordiger van mijn persoon, of beschouwt u als mijne +vijanden, en rekent er dan op, dat gij door mijne legers tot dezelfde +dingen gedwongen zult worden, die ik u thans uit goedwilligheid +aanbied.--Op den dag van heden kunt gij nog een vader in mij winnen; +later zult gij mij slechts als een veroveraar en wreker over u zien +komen. Bedenkt u dus wel, aleer gij een beslissend antwoord geeft!" + +»Wij hebben alles van te voren rijpelijk overwogen," hernam de +krijgsheld, »en begrepen dat wij, de vrije zonen der steppen, aan +den dood boven de slavernij de voorkeur moesten geven. + +»Hoor, wat onze oudsten u door mijn mond verder verkonden en raden. Wij +Massageten zijn niet door ons eigen toedoen, maar tengevolge van +zware bezoekingen van onzen god, de zon, te zwak geworden om Perzië +te wederstaan. Wij weten, dat gij een groot leger tegen ons hebt +uitgerust, en zijn bereid door jaarlijksche schatting den vrede en de +vrijheid van u te koopen. Weet dat, zoo gij desniettemin zoudt willen +beproeven ons door geweld van wapenen ten onder te brengen, gij u +zelven de grootste schade zoudt berokkenen. Zoodra uwe krijgsmacht +den Araxes nadert, zullen wij allen met vrouwen en kinderen opbreken, +en een ander vaderland zoeken. Want wij wonen niet, gelijk gijlieden, +in vaste steden en huizen, maar zijn gewoon op onze paarden om te +zwerven, en onder onze tenten slechts tijdelijk te rusten. Ons goud +zullen we met ons voeren, en de verborgene groeven, die nog groote +schatten kunnen leveren, ontoegankelijk maken. Wij kennen al de +plaatsen, waar edele metalen te delven zijn, en verklaren ons bereid, +u jaarlijks daarvan groote hoeveelheden te schenken, zoo gij ons +vrede en vrijheid gunt. Wilt gij ons daarentegen beoorlogen, zoo zult +gij niets te bestrijden hebben dan eene ontvolkte wildernis en een +onzichtbaren vijand, die u zeer geducht kan worden, zoodra hij van +de geledene verliezen een weinig op zijn verhaal is gekomen. Laat +gij ons den vrede en de vrijheid, zoo willen wij u, behalve het +goud, jaarlijks nog vijfduizend snelvoetige steppenpaarden, benevens +hulptroepen leveren, wanneer het Perzische rijk door ernstige gevaren +mocht worden bedreigd." + +De gezant zweeg. Cambyzes staarde langen tijd peinzend voor zich +op den grond. Eindelijk verhief hij zich van zijn troon, zeggende: +»Hedenavond, bij het drinkgelag, zullen wij krijgsraad beleggen, +en morgen verneemt gij, welk antwoord gij aan uw volk hebt te +brengen. Zorg Gobryas, dat deze lieden goed onthaald worden, en zend +den Massageet, wien ik het litteeken op mijn aangezicht te danken heb, +een deel der gerechten van mijne eigene tafel." + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + +Gedurende dit onderhoud zat Nitetis eenzaam en treurig in haar +verblijf op de hangende tuinen. Dien dag had zij voor het eerst de +gemeenschappelijke offers van de vrouwen des konings bijgewoond, en +beproefd onder den vrijen hemel, voor het hoog opvlammende altaarvuur, +onder het ruischen der haar zoo vreemde tonen, tot hare nieuwe goden +te bidden. De meeste bewoneressen van den koninklijken harem zagen +de Egyptische bij deze feestelijke gelegenheid voor de eerste maal, +en hielden de blikken niet van haar afgewend, in plaats van op te +zien tot de godheid daarboven. + +Beangstigd door de nieuwsgierige en vijandige blikken harer +mededingsters; afgeleid door de duizenderlei tonen, die uit de stad +haar tegenklonken; smartelijk aangedaan bij de herinnering aan de +vurige gebeden, die zij in de plechtige, indrukwekkende stilte der +reuzentempels van haar vaderland, aan de zijde van moeder en zuster, +tot de goden harer kindsheid had opgezonden, kon Nitetis, hoe groote +behoefte haar hart ook gevoelde om voor den beminden koning op zijn +feestdag geluk en voorspoed van de goden af te smeeken, hare ziel +niet verheffen tot godsdienstige overdenkingen. Cassandane en Atossa +lagen aan hare zijde geknield, en stemden van ganscher harte in met +de gezangen der magiërs, die voor het bedrukt gemoed der Egyptische +slechts ijdele klanken waren. + +Deze gebeden, die soms een verheven dichterlijken geest ademen, +vermoeien echter het oor door de gedurige herhaling van namen en +aanroepingen van ontelbare goede en booze geesten. De Perzische +vrouwen werden daardoor in de hoogste godsdienstige stemming gebracht; +zij toch hadden van jongs af geleerd, deze verhevene lofzangen als de +heiligste en heerlijkste aller liederen te beschouwen. Deze gezangen +hadden hare eerste gebeden begeleid, en waren haar dierbaar en heilig, +gelijk alles wat wij van onze vaderen erven; gelijk alles wat ons in +onze jeugd, als 't gemoed nog zoo ontvankelijk is voor elken indruk, +als vereerenswaardig en goddelijk wordt voorgehouden. Deze liederen +konden evenwel den geest der Egyptische niet boeien, die vertrouwd +was met de schoonste zangen van Hellas' dichters. Zij had zich nog +niet vereenzelvigd met hetgeen zij onder zooveel inspanning had +aangeleerd, en terwijl de Perzische vrouwen de uitwendige vormen van +haar godsdienst verrichtten, als iets dat zij van jongs af hadden +gekend, als iets dat vanzelf sprak, moest zij al hare geestkracht te +hulp roepen, om de voorgeschrevene ceremoniën niet te vergeten, en zich +zoodoende niet bloot te geven voor de afgunstig loerende argusoogen +harer mededingsters. Buitendien had zij, weinige oogenblikken voordat +de dienst een aanvang nam, den eersten brief uit Egypte ontvangen. Deze +lag nog ongelezen op hare tafel en hield hare gedachten gansch en al +bezig, zoodra zij zich tot bidden nederboog. Welke tijding zou hij +haar brengen? Hoe zou het den geliefden ouders gaan? Hoe zou zich +Tachot houden, gescheiden van háar en van den beminden koningszoon? + +Toen de feestviering was afgeloopen, omarmde zij Cassandane en +Atossa met verruimde borst, als ware zij aan een dreigend gevaar +ontsnapt. Daarop liet zij zich naar hare woning dragen, en snelde +zoodra zij binnenkwam met driftig verlangen naar de toilettafel, +op welke het dierbaar schrijven lag. De eerste harer dienaressen, +dezelfde jonge maagd die haar op de reis voor het eerst in Perzisch +gewaad had gekleed, ontving haar met een ondeugend en veelbeteekenend +lachje, dat spoedig overging in een trek van de grootste verbazing, +toen hare meesteres de op de tafel liggende sieraden met geen enkelen +blik verwaardigde en slechts oogen had voor den lang verwachten brief. + +Haastig verbrak Nitetis het was van het zegel, en wilde zich juist +neerzetten, om een aanvang te maken met den ingespannen arbeid van +het lezen, toen de dienstmaagd dicht bij haar kwam, en de handen +in elkaar slaande, uitriep: »Bij Mithra, meesteres, ik begrijp u +niet! Gij moet krank zijn! Bevat dit grauwe, ellendige stuk papyrus +misschien eenige tooverij, die hem of haar, die het beschouwt, +voor al het schoone blind maakt? Leg dit rolletje maar spoedig op +zijde, en bewonder de heerlijke zaken, die de groote koning, dien +Aoeramazda met roem en eere krone, u toezond, terwijl gij het feest +bijwoondet. Bezie toch dit kostbare purperen kleed met witte strepen, +en dat prachtig zilveren stikwerk! Zie dezen tulband, met vorstelijke +diamanten overladen! Weet gij dan niet, dat zulke gaven meer beduiden +dan gewone feestgeschenken? Cambyzes laat u verzoeken--verzoeken, +heeft de bode gezegd, niet bevelen,--u met deze schoone en koninklijke +sieraden te tooien voor den feestmaaltijd van heden. Of Phaedime ook +woedend zal zijn! Welke oogen zullen de andere vrouwen opzetten, +die nooit iets dergelijks ontvingen! Tot op heden was Cassandane, +de moeder van den koning, de eenige vrouw aan het hof, die purper en +diamanten mocht dragen. Nu Cambyzes u deze geschenken aanbiedt, stelt +hij u op gelijken rang met zijne doorluchtige moeder, en verheft u +voor de oogen van het gansche volk tot zijne meestgeliefde gemalin en +koningin. O, ik bid u, sta mij toe u met al deze nieuwe heerlijkheden +te versieren. Wat zult gij schoon zijn! Wat zullen die andere vrouwen +afgunstig wezen! Wat zullen zij razen en woeden! Mocht ik er maar +bij tegenwoordig zijn, als gij de feestzaal binnentreedt. Kom, goede +meesteres, laat mij u van dit eenvoudige gewaad ontdoen, en u kleeden, +gelijk het der nieuwe koningin past, al ware het slechts om te zien, +hoe het u staan zal." + +Nitetis had de snapster bedaard aangehoord, en de kostbare geschenken +met een glimlach bekeken. Zij was vrouw genoeg, om er zich over te +verheugen. Zij werden haar toch gezonden door den man, dien zij liever +had dan haar leven, en bewezen deze geschenken haar niet, dat zij den +koning meer was dan al zijne andere vrouwen; dat zij door Cambyzes +bemind werd? De brief, naar welken zij met nijgend verlangen had +uitgezien, ontglipte nog ongelezen hare hand. Zwijgend gaf zij toe aan +de bede der dienstmaagd, en binnen weinige oogenblikken had zij eene +volkomene gedaantewisseling ondergaan. Het vorstelijk purper verhoogde +hare vorstelijke schoonheid, en hare edele, rijzige gestalte kwam onder +den hoogen, van edelgesteenten schitterenden tulband eerst recht goed +uit. Toen de op de kleedtafel liggende metalen spiegel haar voor de +eerste maal haar eigen beeld vertoonde, in het volledig plechtgewaad +eener koningin, nam haar gelaat een veranderde uitdrukking aan. Het was +als spiegelde er zich een deel van den trots haars gemaals en gebieders +op af.--De lichtvaardige kamerjuffer zonk onwillekeurig op de knieën, +toen de fonkelende blik der meest geliefde vrouw van den machtigste +aller mannen haar van blijde verrukking tintelend oog ontmoette. + +Gedurende eenige seconden zag Nitetis op het meisje, dat vol eerbied +aan hare voeten lag. Daarop schudde zij, van schaamte blozende, +het schoone hoofd, boog zich tot de knielende neder, richtte haar +vriendelijk op, kuste haar op het voorhoofd, en schonk haar een gouden +armband. Toen daarop haar blik viel op den brief, die op den grond +was gevallen, verzocht zij het meisje zich te verwijderen. Mandane +verliet het vertrek van hare meesteres op een drafje, om het rijke +geschenk aan hare onderhoorige vrouwen, de lagere kamerjuffers en +slavinnen, te toonen. Nitetis vlijde zich in den voor de toilettafel +staanden elpenbeenen leunstoel neder. Hare oogen vloeiden over van +vreugdetranen: 't scheen dat haar hart te klein was om al dit geluk +te bevatten. Zij zond een kort dankgebed op tot hare Egyptische +lievelingsgodin, de schoone Hathor, kuste de gouden keten, die +Cambyzes haar, na het redden van haren bal, had omgehangen, bracht +den brief uit het vaderland aan hare lippen, en ontrolde dien met +van blijdschap bevende vingeren, terwijl zij zich diep in de purperen +kussens verschool en prevelde: »Hoe komt het toch, dat ik zoo vroolijk, +zoo overgelukkig ben? Arme brief, zij, die u geschreven heeft, kon +zich zeker niet voorstellen, dat Nitetis u een kwartier uurs lang +ongelezen op den grond zou laten liggen!" + +Met den lach der opgeruimdheid om de lippen begon zij te lezen; +maar die lach verdween allengs, om plaats te maken voor een trek +van bekommering. Toen zij aan het einde van den brief was gekomen, +ontgleed hij wederom aan hare hand. Die oogen, welker trotsche blik +de dienstmaagd had doen neêrknielen, baadden in tranen; het hoofd, +dat zich straks zoo fier verhief, zonk mat en lusteloos neder op +de sieraden, die de tafel bedekten. Tranen bevochtigden de parelen +en diamanten. Voorwaar, eene vreemde tegenstelling! Weinig paste de +trotsche tulband bij de ingezonkene gestalte van haar die hem droeg. + +De brief bevatte het navolgende: + +»Ladice, vrouw van Amasis en koningin van Opper- en Neder-Egypte, aan +hare dochter Nitetis, gemalinne van den machtigen koning van Perzië. + +»Wanneer gij, beminde dochter, zoo langen tijd zonder berichten uit +uw vaderland zijt gebleven, lag de schuld daarvan niet aan ons. De +triëre, die de voor u bestemde brieven naar Sidon zou overbrengen, +is door Samische oorlogsschepen, die men liever zeeroofschepen moest +noemen, genomen en in de haven van Astypalaia [264] opgebracht. + +»De vermetelheid van Polycrates, wien alles wat hij onderneemt, gelukt, +wordt dagelijks grooter. Geen vaartuig is voor zijne roofschepen +veilig, sedert hij de Lesbiërs en Milesiërs, die het monster zochten +te breidelen, overwonnen heeft. De zonen van den overleden Pisistratus +zijn zijne vrienden. Lygdamis is hem veel verplicht, en heeft de hulp +der Samiërs van noode, om zijne heerschappij op Naxos te handhaven. De +grieksche Amphiktyonen heeft hij in zijn belang gewonnen, door +Apollo van Delos het naburige eiland Rhenia [265] te schenken. Alle +vaartuigen, onverschillig tot welke natie zij behooren, worden +verontrust door zijne vijftigriemsschepen, die te zamen eene bemanning +van twintigduizend matrozen hebben. Toch waagt niemand het hem aan te +tasten; want hij is altijd door voortreffelijk geoefende lijfwachten +omgeven, en heeft zijn burcht en de prachtige havendammen van Samos +zóo versterkt, dat zij onneembaar mogen heeten. De kooplieden, die den +gelukkigen Kolaeus [266] naar het westen volgden, en de roofschepen, +die niemand ontzien, zullen Samos tot het rijkste eiland, en Polycrates +tot den machtigsten vorst maken, wanneer ten minste niet, gelijk +uw vader zegt, de goden het zoo buitengewoon groot geluk van dezen +mensch met afgunst aanzien, en hem een onverwachten ondergang bereiden. + +»Dit vreezende, ried Amasis zijn ouden vriend Polycrates, ten einde +zich van de bescherming der goden te verzekeren, afstand te doen van +datgene, waarvan het verlies hem 't meest zou bedroeven, en wel op +zulk een wijze, dat hij het nimmer terug kon krijgen. Polycrates gaf +gehoor aan dezen raad, en wierp den kostbaarsten zegelring dien hij +bezat, een meesterstuk van Theodorus, bestaande uit een sardonyx +van ontzaglijke grootte, die door twee dolfijnen gedragen werd, +en waarop eene lier, het wapen van den tyran, bijzonder kunstig +gegraveerd was, van den top des ronden torens van zijn burcht in zee +[267]. Zes dagen later vonden zijne koks den zegelring terug in het +lichaam van een visch. Polycrates liet ons dadelijk deze vreemde +gebeurtenis boodschappen; maar in plaats van zich te verblijden, +schudde uw vader verdrietig het grijze hoofd en zeide: hieruit leeren +wij, dat men niemand aan zijn noodlot kan ontrukken. Op denzelfden +dag zeide hij Polycrates de oude vriendschap op, en liet hem weten, +dat hij zijn best zou doen hem te vergeten, opdat hem de smart +bespaard mocht worden, een mensch dien hij liefhad ongelukkig te +zien. Polycrates maakte zich vroolijk over deze boodschap, en zond +ons de brieven, die zijne zeeroovers onze triëre ontnomen hadden, +met een spottenden groet terug. Van nu aan zullen al onze brieven +aan u over Syrië gezonden worden. + +»Gij vraagt, waarom ik u deze lange geschiedenis, waarin gij zeker +niet half zoo veel belang stelt als in de kleinste berichten uit +het ouderlijke huis, geschreven heb? Mijn antwoord is, om u op het +vernemen van den toestand uws vaders voor te bereiden. + +»Herkent gij den vroolijken, levenslustigen, zorgeloozen Amasis uit +die sombere woorden, die hij den Samischen vriend toeriep? + +»Ach, mijn echtgenoot heeft wel reden om treurig te zijn, en de oogen +uwer moeder zijn sedert uw vertrek naar Perzië nooit zonder tranen. Van +het ziekbed uwer zuster spoed ik mij tot uw vader, om hem te troosten +en zijne schreden te besturen. Ik maak mij den nacht ten nutte, +om u deze regelen te schrijven, schoon ik groote behoefte aan rust heb. + +»Tot zoover was ik gekomen, toen ik door de waaksters werd geroepen +om bij uwe zuster Tachot te komen, die u zoo innig liefheeft. Hoe +dikwijls heeft onze dierbare, als de koorts haar deed ijlen, uw naam +uitgeroepen! Hoe zorgvuldig bewaart zij een wassen beeltenis [268] van +u, welker gelijkenis de voortreffelijkheid der Grieksche kunst en het +meesterschap van den grooten Theodorus bewijst! Morgen zullen wij het +beeldje naar Aegina zenden, om het daar in goud te doen namaken. Het +teeder was is niet bestand tegen de brandende handen en lippen uwer +zuster, die zoo dikwijls met het portretje in aanraking komen. + +»Verzamel thans al uw moed, mijne dochter, gelijk ik al mijne krachten +wil inspannen, om u in behoorlijke orde te schetsen al wat de goden +over ons huis hebben doen komen. + +»Na uw vertrek heeft Tachot drie dagen lang zonder ophouden +geweend. Al onze troostwoorden, alle vermaningen van uw vader, alle +offers en gebeden waren niet in staat, de smart van het arme kind te +verzachten of af te leiden. Op den vierden dag eindelijk droogden hare +tranen. Met zachte stem, en schijnbaar zeer gelaten, beantwoordde +zij de vragen, die haar gedaan werden, het grootste gedeelte van +den dag zat zij evenwel zwijgend voor haar spinrokken. De anders zoo +vlugge en behendige vingers rukten de draden stuk, wanneer zij niet +uren lang met de handen roerloos in den schoot zat te droomen. Zij, +die anders zoo hartelijk kon lachen om de geestige scherts van uw +vader, hoorde hem nu slechts met ijskoude onverschilligheid aan; +en naar mijne moederlijke vermaningen luisterde zij in angstige +spanning. Als ik haar op haar voorhoofd kuste en bad zichzelve te +beheerschen, vloog zij mij met een hoog rooden blos op de wangen om +den hals, zette zich dan weer voor haar spinrokken, en trok met een +bijkans woeste drift het vlas van den haspel. Maar een halfuur later +lagen hare handen wederom werkeloos in haren schoot, en was haar blik +opnieuw in droomerig gepeins op éen enkel punt in de lucht of op den +grond gevestigd. Drongen we bij haar aan om deel te nemen aan het +een of ander feest, dan sloop zij onrustig tusschen de gasten rond, +zonder zich met iets of met iemand in te laten. + +»Toen wij haar op de groote bedevaart naar Bubastis met ons namen, +gedurende welke het Egyptische volk zijn ernst geheel aflegt, zijn +gevoel van eigenwaarde verloochent, en de Nijl met zijne oevers +een groot schouwtooneel oplevert, waarop dronken koren saterspelen +uitvoeren, die spelers en toeschouwers beiden tot de grootste +uitgelatenheid opwinden; toen zij dan voor de eerste maal van haar +leven te Bubastis [269] het geheele volk, dat zich aan de meest +onbeperkte vreugde overgaf, vereenigd zag, ontwaakte zij uit hare +sombere mijmeringen, en begon als in de eerste dagen na uwe afreize +opnieuw hartstochtelijk te weenen. Diep bedroefd, bijna radeloos, +brachten wij uwe arme zuster naar Saïs terug. + +»Haar geheele voorkomen had eene groote verandering ondergaan, en zoo +iets edels, zoo iets verhevens aangenomen, dat men had kunnen denken +eene godheid te aanschouwen. Zij was veel magerder, maar langer +geworden, naar wij allen meenden op te merken. De tint harer huid +was in een doorschijnend wit overgegaan, terwijl hare wangen met een +licht blosje gekleurd waren, teer als de kleur van een jong rozeblad +of het eerste gloren van het morgenrood. Nog voortdurend schitteren +hare oogen zoo wonderbaar schoon en helder. Het komt mij altijd voor, +dat die oogen meer aanschouwen, dan wat zich op de aarde en aan den +hemel beweegt. Het is mij, als moeten zij over het geschapene heen in +eene andere wereld zien.--Daar hare handen en haar voorhoofd gedurig +heeter werden en menigmaal eene lichte huivering haar teeder lichaam +doorliep ontboden wij Imhotep, den meest beroemden arts voor inwendige +krankheden, uit Thebe naar Saïs. + +»De geleerde priester, die zooveel ondervinding heeft, schudde +het hoofd, zoodra hij uwe zuster zag, en voorspelde dat zij eene +zware ziekte onder de leden had. Van dit oogenblik mocht zij niet +meer spinnen en slechts weinig spreken. Zij moest allerlei dranken +innemen. Men hield lange consulten over den aard van haar lijden, +en trachtte de kwaal te bezweren [270]. De sterren en orakels +werden geraadpleegd, den goden rijke offers gebracht en geschenken +aangeboden. De Isis-priesters van het eiland Philae zonden ons voor +de zieke eene gewijde amulet, de Osiris-priesters van Abydus eene in +goud gevatte haarlok van Osiris. Neithotep, de opperpriester onzer +beschermgodin, deed een groot offer plaats hebben, hetwelk aan de +arme kranke de gezondheid zeker zou hergeven. + +»Maar artsen, noch bezweringen, noch amuletten brachten hulp. Neithotep +ontveinsde mij ten laatste niet meer, dat Tachot's sterren weinig +hoop gaven. In die dagen stierf de heilige stier van Memphis. De +priesters vonden geen hart in zijn lichaam en verkondigden dat er +groote onheilen over Egypte zouden komen. Tot op den huidigen dag +heeft men nog geen nieuwen Apis gevonden. Men houdt het er voor, dat +de goden vertoornd zijn op het rijk van uw vader, en het orakel van +Buto heeft verkondigd, dat de onsterfelijken eerst dan hunne gunst +wederom aan Egypte zullen verleenen, als alle, voor den dienst van +vreemde goden op de zwarte aarde [271] gebouwde tempels vernield, +en zij die den valschen goden offeren uit Egypte verbannen zullen zijn. + +»De booze voorteekenen hebben niet gelogen. Tachot werd door eene +heftige koorts aangetast. Negen dagen lang zweefde zij tusschen dood +en leven. En thans is zij nog zóo zwak, dat zij gedragen moet worden, +en hand noch voet verroeren kan. + +»Op den tocht naar Bubastis had Amasis een oogontsteking gekregen, +hetgeen hier in Egypte geen zeldzaamheid is [272]. In plaats van zijne +oogen, deze zoo onontbeerlijke zintuigen, rust te gunnen, ging hij +voort met, als voorheen, van het opgaan der zon tot op den middag te +arbeiden. Zoolang de koortsen uwer zuster het hevigst waren, week hij, +in spijt onzer vermaningen en smeekingen geen oogenblik van de sponde +der dierbare. + +»Maar ik moet kort zijn, mijne dochter!--De oogziekte nam van dag +tot dag in hevigheid toe, en op denzelfden dag, op welken wij het +bericht uwer behoudene aankomst te Babylon ontvingen, werd Amasis +blind. Sedert is de opgeruimde, krachtige man van voorheen een +in zichzelven gekeerde, zwakkelijke grijsaard geworden. De dood +van den Apis, de onheilspellende teekenen aan den hemel, en de +ongunstige godspraken verontrustten zijn gemoed. De duisternis, +die hem onafgebroken omgeeft, werpt een somber floers over zijne +vroolijkheid. Het bewustzijn, zich zonder hulp niet te kunnen bewegen, +berooft hem van zijne wilskracht. De moedige, zelfstandige monarch +is op het punt een lijdelijk werktuig der priesters te worden. Uren +achtereen toeft hij in den tempel van Neith, om te bidden en te +offeren. Een groot aantal arbeiders bouwen daar, op zijn last, eene +woning voor zijne eigene mummie, terwijl een niet minder groot aantal +het heiligdom van Apollo, dat de Hellenen te Memphis zijn begonnen te +bouwen, met den grond gelijk moeten maken. Zijn eigen ongeluk en dat +van Tachot noemt hij eene rechtvaardige straf van de Onsterfelijken. + +»Zijne bezoeken aan het bed der kranke verschaffen haar weinig troost; +want in plaats van het lieve kind op te beuren, poogt hij haar te +bewijzen, dat ook zij deze bezoeking verdiend heeft. Al de kracht +zijner welsprekendheid put hij uit, om Tachot tot de overtuiging te +brengen, dat zij de aarde geheel moet vergeten, en door onophoudelijke +gebeden en offeranden, de genade van Osiris en van de rechters in de +benedenwereld moet zoeken te verwerven. Zoo foltert hij de ziel onzer +lieveling, die nog zoo gaarne zou blijven leven. Misschien ben ik +voor eene Egyptische koningin te veel Griekin gebleven; maar de dood +is zóo lang en het leven zoo kort, dat ik de wijzen onwijs noem, die +door eeuwig aan den donkeren Hades te denken, aan dezen heerschappij +verleenen over de helft van ons leven. + +»Opnieuw ben ik in mijn schrijven gestoord geworden. Imhotep, de +groote geneesmeester, was gekomen, om naar den toestand onzer lieve +kranke te zien. Hij geeft weinig hoop, ja schijnt er zich over te +verbazen, dat dit broze lichaam de heftige aanvallen van den dood +zoolang weerstand heeft kunnen bieden. Zij zou al lang niet meer +onder de levenden zijn, zeide hij gisteren, zoo zij niet den vasten +wil had nog op aarde te blijven, en niet gesterkt werd door een +rusteloos heimwee om te leven. Zij zou, zoodra zij de begeerte om +te blijven leven opgaf, kunnen sterven, gelijk wij ons nederleggen +om in slaap te vallen. Wordt haar hoogste wensch vervuld, dat niet +waarschijnlijk is, zoo kan zij misschien haar leven nog enkele jaren +rekken. Blijft hare hoop nog eenigen tijd onverwezenlijkt, dan zal +zij door hetzelfde hijgende verlangen, dat haar nu belet te sterven, +inwendig geheel verteerd en eindelijk gedood worden. Kunt gij gissen +waarnaar hare ziele smacht? Ik kan het met een enkel woord zeggen. Onze +Tachot heeft zich door den schoonen broeder van uw gemaal laten +betooveren. Ik wil hiermede niet zeggen, dat de jonkman, gelijk de +priester Amen-em-an gelooft, zich van magische middelen heeft bediend, +om haar in liefde te doen ontgloeien; want zulk eene schoonheid en +aanvalligheid als Bartja bezit, is zeker wel in staat om het hart van +eene onschuldige jonkvrouw, die nog ternauwernood den kinderleeftijd +is ontwassen, te veroveren. Maar zij heeft hem zóo hartstochtelijk +lief, en de verandering is bij haar zóo groot, dat ik zelve dikwijls +aan een bovennatuurlijken invloed heb gedacht. Reeds vóor uw vertrek +bemerkte ik, dat uwe zuster hooglijk was ingenomen met den jongen +Pers. Aanvankelijk meenden we, dat hare tranen u golden, die van haar +was weggegaan; maar toen zij ophield met weenen en in doffe mijmeringen +verzonk, zeide Ibycus, die toen ter tijd nog aan het hof was, dat de +jonkvrouw gewis aan een man haar hart moest hebben geschonken. + +»Toen zij op zekeren dag droomend voor haar spinnewiel zat, zong hij +zachtkens het minneliedje van Sappho: + + + 'Wil niet treuren, lieve moeder! + Wijl mijn taak niet is volbracht. + Want de liefde bindt mijn handen. + Wie weerstaat toch Cypris macht?' + + +»Zij verbleekte, bij het vernemen dezer woorden en vroeg: 'Hebt gij +zelf dit liedeken gemaakt, Ibycus?' + +'Neen,' antwoordde hij, »Sappho van Lesbos zong het voor omtrent +vijftig jaren." + +'Vóór vijftig jaren,' herhaalde Tachot peinzende. + +'De liefde blijft steeds zichzelve gelijk,' viel de dichter haar in +de rede; 'gelijk Sappho voor vijftig jaren minde, heeft men eeuwen +geleden bemind, zal men na duizenden jaren nog beminnen.' + +»De kranke gaf door een vriendelijk lachje te kennen, dat zij van +dezelfde gedachte was. Van toen af neuriede zij dikwijls dat liedje, +als zij werkeloos bij haar spinrokken zat. Desniettemin vermeden +wij angstvallig alle vragen, die haar aan den geliefde konden +herinneren. Maar telkens, als de koorts op het hevigst was, hielden +hare brandende lippen niet op den naam van Bartja uit te roepen. En +toen zij haar bewustzijn had teruggekregen, en wij haar zeiden hoe +zij geijld had, stortte zij hare gansche ziel voor hare moeder uit, +en zeide met eene stem, zoo plechtig als verkondigde ze eene godspraak, +en met den blik ten hemel geslagen: 'Ik weet dat ik niet sterven zal, +voordat ik hem zal hebben wedergezien.' + +»Onlangs hadden wij haar in den tempel doen dragen, omdat zij zoo vurig +verlangde in de heilige voorhoven te bidden. Toen de godsdienstoefening +was afgeloopen, en wij de aan de poort spelende kinderen voorbijgingen, +viel haar oog op een klein meisje, dat met groote ingenomenheid iets +aan hare speelgenootjes verhaalde. Aanstonds beval zij den dragers +den draagstoel neer te zetten en het kind te roepen. + +'Wat zeidet ge daar?' vroeg ze aan het meisje. + +'Ik vertelde van mijne oudste zuster.' + +'Mag ik het ook weten?' vroeg Tachot, zoo vriendelijk en goedig, dat de +kleine, zonder de minste verlegenheid, dadelijk haar verhaal begon: +'Bataoe, de bruigom mijner zuster, is gisteren geheel onverwacht +uit Thebe teruggekomen. Toen de Isis-ster [273] opging, klom hij +eensklaps op ons dak, waar Hathor juist met vader zat te dammen. Hij +bracht een schoonen gouden bruidskrans voor haar mede.' + +»Tachot kuste het kind, en schonk het haar kostbaren waaier. Toen +wij tehuis kwamen, zeide zij met een schalksch lachje: 'Gij weet wel, +lief moedertje, dat de woorden der kinderen in het voorhof des tempels +voor godspraken gehouden worden. Zoo de kleine niet gelogen heeft, +dan moet hij komen! Hebt gij niet gehoord, dat hij den bruidskrans mede +zal brengen? O moeder, ik weet zeker, ik ben er stellig van overtuigd, +dat ik hem zal wederzien!' + +»Toen ik Tachot gisteren vroeg, of zij ook iets aan u te zeggen had, +verzocht zij mij u te melden, dat zij u duizend groeten en kussen zond, +en voornemens was zelve aan u te schrijven, zoodra zij sterker zou +zijn geworden; want zij had u veel, veel te vertellen.--Daar zendt +zij mij juist bijgaand briefje, dat voor u alleen bestemd is. Zij +heeft het met veel moeite geschreven. + +»Thans moet ik mij haasten, om dezen brief te eindigen, want de bode +wacht er reeds lang op. + +»Zoo gaarne zou ik u nog eens iets verblijdends melden. Maar waarheen +zich mijn blik ook wendt, ik bespeur niets dan treurigheid. Uw broeder +wordt hoe langer zoo meer de slaaf onzer heerschzuchtige priesterkaste, +en heeft in den laatsten tijd, onder voorlichting van Neithotep, in +de plaats van uw armen vader het rijk moeten besturen. Amasis laat +Psamtik de handen geheel vrij. Het is mij onverschillig, zegt hij, +of mijn zoon eenige dagen vroeger of later den troon beklimt. Hij +belette uw broeder ook niet, de kinderen van den gewezen overste der +lijfwacht, Phanes, gewelddadig uit het huis der Helleensche Rhodopis +op te lichten. Hij billijkt zelfs, dat de prins in onderhandeling trad +met de nakomelingen der tweemaal honderdduizend strijders, die onder +de regeering van Psamtik I, wegens de bevoorrechting der Jonische +krijgslieden, naar Ethiopië waren uitgeweken. Ingeval zij bereid +mochten zijn in hun vaderland terug te keeren, zouden de Grieksche +soldaten ontslagen kunnen worden. Maar de hiertoe door hem gedane +stappen bleven zonder gevolg. De Hellenen achtten zich daarentegen +zwaar beleedigd door de onwaardige behandeling der kinderen van +Phanes. Toen het zoontje van Phanes, op bevel van uw broeder, was +ter dood gebracht, dreigde Aristomachus met tienduizend der beste +soldaten Egypte te zullen verlaten, en verlangde op staanden voet +zijn ontslag. Aristomachus is evenwel opeens verdwenen. Niemand weet +waarheen hij gegaan is, doch de Grieken hebben zich dezen nieuwen +hoon niet zwaar aangetrokken naar 't schijnt, althans zich voor groote +sommen laten vinden om in Egypte te blijven. + +»Amasis zweeg onder dit alles, offerde en bad, gelaten toeziende, +hoe zijn zoon alle klassen van het volk nu eens zwaar beleedigde, dan +weer in hunne dierbaarste belangen griefde. Helleensche en Egyptische +krijgsoversten, gelijk ook de nomarchen, uit onderscheidene provinciën, +hebben mij verzekerd, dat de tegenwoordige staat van zaken op den duur +onhoudbaar is. Men weet niet meer hoe men 't heeft met den nieuwen +rijksbestuurder. Heden beveelt hij, wat hij gisteren met heftigheid +verbood. Hij schijnt het er alleen op toe te leggen, den schoonen band, +die tot dusverre het Egyptische volk en zijne koningen vereenigde, +te verbreken. + +»Vaarwel mijne dochter! Denk vaak aan uwe arme, lijdende vriendin +en aan uwe moeder! Duid het uw ouders niet ten kwade, dat zij u +deelgenoote maakten van wat zij zoo lang voor u verzwegen hebben. Bid +voor Tachot! Breng onze groeten over aan Cresus en de jonge Perzen, die +wij hier leerden kennen! Stel Bartja den groet uwer zuster ter hand, +en zeg hem, dat ik hem bidde dien te beschouwen, als hem door eene +stervende vermaakt. Wellicht kunt gij uwe zuster een bewijs zenden, +dat de jonge Pers haar niet geheel heeft vergeten. + +»Leef gelukkig in uw nieuw bloeiend vaderland!" + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + +Voorspelt het gulden morgenrood niet zelden een regenachtigen +dag, de blijde verwachting is meermalen eene voorbode van droeve +gebeurtenissen. + +Hoe hartelijk had Nitetis zich over dezen brief niet verheugd, die +toch slechts bestemd was, alsem in den zoeten kelk van haar geluk te +druppelen. Met een tooverslag had hij een schoon gedeelte van haar +innerlijk leven, de blijde herinnering aan het lieve vaderland, en aan +de deelgenooten van het reine geluk harer kindsheid vernietigd. Terwijl +zij daar in het vorstelijk purper weenend neerzat, kon zij aan niets +anders denken dan aan de smart van hare moeder, aan het ongeluk van +haar vader en aan de krankheid van hare zuster. De heerlijke toekomst +die haar tegenlachte, die sprak van geluk, van macht en van liefde, +verdween voor haar door tranen verduisterden blik. De bevoorrechte +bruid van Cambyzes vergat den geliefde, die haar met geopende armen +verbeidde; de toekomstige koningin van Perzië kon slechts tranen +storten over het ongeluk van het Egyptische vorstenhuis. + +Sinds lang reeds had de zon haar middaghoogte bereikt, toen Mandane, +de kamerjuffer, het vertrek binnentrad, om de laatste hand te leggen +aan de kleeding harer meesteres. »Zij slaapt," dacht het meisje; »een +kwartiertje kan ik haar nog wel laten rusten. Het offerfeest zal haar +vermoeid hebben, en aan het feestmaal moet zij in volle frischheid en +schoonheid verschijnen, om helderder te schitteren dan al de anderen, +gelijk het licht der maan dat der sterren overtreft." + +Zonder door hare meesteres te zijn opgemerkt, sloop zij uit het +vertrek, waarvan de vensters een verrukkend uitzicht hadden op de +hangende tuinen, de reuzenstad, de rivier en de vruchtbare Babylonische +vlakte. Zonder om te zien, liep zij naar een bloembed om rozen te +plukken. Hare oogen waren als gekluisterd aan den nieuwen armband, +in welks edelgesteente zich de stralen der middagzon spiegelden. Zij +bemerkte dus den rijkgekleeden man niet, die met uitgerekten hals door +een venster in het vertrek gluurde, waar Nitetis bedroefd nederzat. De +gestoorde en, zoo hij meende, op heeterdaad betrapte spion, wendde +zich aanstonds tot het meisje, en riep met krijschende stem: »Wees +gegroet, schoone Mandane!" + +De kamerjuffer maakte eene beweging van schrik en zeide, toen +zij den eunuch gewaarwerd: »Het staat u niet mooi, heer, een arm +meisje zoo te doen ontstellen! Ik zou, bij Mithra, in onmacht zijn +gevallen, als ik u gezien had, alvorens het geluid uwer stem te +hooren. Vrouwenstemmen verschrikken mij niet; een mannelijk wezen +daarentegen is in deze eenzaamheid eene even groote zeldzaamheid, +als een zwaan in de woestijn." + +Boges lachte uiterst minzaam, ofschoon hij de moedwillige zinspeling +op zijne vrouwelijke stem zeer goed begrepen had, en antwoordde, +terwijl hij in zijne dikke handen wreef: »Inderdaad, het is wel hard +voor een jong, schoon duifje, als gij zijt, in zulk een eenzaam nest +te moeten wegkwijnen. Doch geduld maar, mijn hartje; weldra wordt +uwe meesteres koningin, en dan zal zij zeker een aardig jong mannetje +voor u uitzoeken, met wien gij het zeker beter in de eenzaamheid zult +kunnen uithouden, dan met de schoone Egyptische?!" + +»Mijne meesteres is schooner dan misschien menigeen wel lief is; +en ik heb niemand opgedragen een man voor mij te zoeken," antwoordde +zij snibbig. »Ook zonder u zal ik den rechten wel vinden!" + +»Wie zou daaraan kunnen twijfelen? Zulk een lief poppetje lokt de +mannen, evenals de worm de visschen." + +»Ik hengel niet naar mannen, allerminst naar mannen van uwe soort." + +»Waarachtig, ik geloof het gaarne!" hernam de eunuch al +grinnikende. »Maar, zeg mij, mijn schatje, waarom zijt gij zoo hard +tegen mij? Heb ik u iets misdaan? Ben ik het niet geweest, die u deze +aanzienlijke plaats heb bezorgd? Ben ik niet uw landsman, een Mediër?" + +»En zijn wij beiden niet menschen, en hebben wij beiden niet tien +vingers aan onze handen, en staan onze neuzen niet midden in ons +aangezicht? De helft van alle menschen hier zijn Mediërs; als deze +allen mijne vrienden waren, omdat zij mijne landslieden zijn, dan kon +ik morgen wel koningin worden. Wat mijne betrekking betreft bij de +Egyptische, gij hebt mij die niet verschaft; ik heb haar te danken +aan den opperpriester Oropastes, die mij aanbeval bij de koningin +Cassandane, en niet aan u!" + +»Wat ge zegt, mijn liefje! Weet ge dan niet, dat eene kamerjuffer +zonder mijne bewilliging niet kan aangesteld worden?" + +»Dat weet ik zoo goed, als gij, maar....." + +»Maar gij, vrouwen, zijt een ondankbaar volkje, dat onze goedheid +niet verdient." + +»Vergeet niet, dat gij tot een meisje van goeden huize spreekt." + +»Dat weet ik maar al te goed, mijn lammetje! Uw vader was een magiër, +en uwe moeder de dochter van een magiër. Beiden stierven vroeg, +en gaven u over aan de zorg van den destoer Ixabates, den vader +van den opperpriester Oropastes, die u met zijne kinderen liet +opgroeien. Toen gij uwe eerste oorringen hadt ontvangen, raakte de +broeder van Oropastes, Gaumata [274]--nu, nu, gij behoeft niet zoo +rood te worden, Gaumata is een mooie naam,--op uwe fijne koontjes +verliefd, en hoewel hij nog slechts negentien jaren telde, wilde +hij u maar dadelijk tot vrouw nemen. Gaumata en Mandane, of dat ook +schoon klinkt! Mandane en Gaumata! Als ik een dichter was, dan moest +mijn held Gaumata, en zijne liefste Mandane heeten." + +»Verschoon mij van uwe spotternijen!" riep het meisje, sterk blozende +en stampvoetende. + +»Zijt gij boos op mij, omdat ik vind, dat uwe namen zoo goed bij +elkaâr passen? Wees dan liever toornig op den trotschen Oropastes, +die zijn jongeren broeder naar Rhagae [275] zond, en u een plaatsje +aan het hof bezorgde, opdat gij elkander zoudt vergeten." + +»Lasteraar die gij zijt! Mijn weldoener zou..." + +»Mijne tong moge verdorren, als ik niet de zuivere waarheid +spreek! Oropastes scheidde u van zijn broeder, omdat hij grootere +dingen met den schoonen Gaumata voorhad, dan een huwelijk met de +arme wees van een eenvoudigen magiër. Amytis of Menische zouden +hem als schoonzusters beter aanstaan. Een arm meisje als gij, dat +alles aan zijne mildheid verschuldigd is, kan zijne heerschzuchtige +ontwerpen slechts tegenwerken. Onder ons gezegd en gezwegen, zou hij +zoo gaarne het rijk als stadhouder besturen gedurende den oorlog met +de Massageten, en het zou hem, om dit doel te bereiken, veel waard +zijn, indien hij door banden van bloedverwantschap aan de Achaemeniden +verbonden was. Op zijn leeftijd denkt men echter niet meer aan nieuwe +vrouwen; maar zijn broeder is jong en schoon. Velen zeggen zelfs, +dat hij op prins Bartja gelijkt." + +»Dat is zoo," riep de kamerjuffer. »Toen ik met u mijne tegenwoordige +meesteres tegemoet trok, meende ik Gaumata te zien, toen ik Bartja op +het plein van het wachthuis voor het eerst in het gezicht kreeg. Zij +gelijken op elkaâr als tweelingen, en zijn de schoonste mannen in +het gansche rijk!" + +»Wat krijgt ge een kleur, mijn roosje! Zóo erg is het met de +gelijkenis niet. Toen ik hedenmorgen den broeder van den opperpriester +groette...." + +»Is Gaumata dan hier?" viel de kamerjuffer den eunuch met +hartstochtelijke drift in de rede. »Hebt gij hem inderdaad gezien? Of +wilt gij mij maar eens uithooren en mij beetnemen?" + +»Bij Mithra, mijn duifje, ik heb hem heden het voorhoofd gekust, +en hem veel moeten vertellen van zijn schoon schatje. Ja, ik wil +het onmogelijke voor hem beproeven, want ik gevoel mij te zwak, om +aan deze lieve blauwe oogjes, deze goudgele lokken en deze wangen, +zoo frisch en blozend als perziken, weerstand te bieden! Gij behoeft +niet te kleuren, mijn kleine granaatbloesem, luister slechts; ik +zal u alles zeggen. In het vervolg zult gij den armen Boges niet +meer zoo wantrouwen, en leeren inzien, dat hij een goed hart heeft, +dat hij van vriendschap gloeit voor zijne kleine, schoone, snibbige +landgenoote Mandane." + +»Ik vertrouw u niet," hervatte het meisje. »Men heeft mij gewaarschuwd +voor uw gladde tong, en ik kan niet begrijpen waarmede ik uwe +belangstelling zou hebben verdiend." + +»Kent gij dit?" vroeg nu de eunuch, haar een witten band toonende, +kunstig met gouden vlammetjes bestikt. + +»Dit is het laatste geschenk, dat ik voor hem vervaardigde!" riep +Mandane. + +»Ik heb Gaumata om dit teeken gevraagd. Ik wist wel, dat gij mij niet +zoudt vertrouwen. Wie heeft ook ooit gezien, dat de gevangene zijn +bewaker bemint!" + +»Kom, zeg mij spoedig, wat mijn oude speelgenoot van mij verlangt! Want +zie, ginds in het westen begint de hemel reeds te kleuren. Het wordt +avond, en ik moet mijne meesteres nog kleeden voor het feest." + +»Ik zal kort zijn, en wilt gij dan al niet gelooven, dat ik mij uit +vriendschap voor u aan een groot gevaar blootstel, neem dan aan, +dat ik ulieder bondgenoot wil zijn, om den trots van Oropastes te +fnuiken, die mij uit de gunst van den koning dreigt te verdringen. In +spijt van alle listen en streken van den overste der magiërs, zult +ge en moet ge, zoo zeker als ik Boges heet, de vrouw van uw Gaumata +worden. Morgenavond, na het opgaan der Tistar-ster [276] zal uw liefste +u bezoeken. Ik zal alle wachten weten te verwijderen, opdat hij zonder +gevaar tot u kan komen en éen uur, maar ook niet langer, hoort gij, +bij u blijven, om alles verder met u te bespreken. Uwe meesteres zal, +dit weet ik zeker, de uitverkorene gemalin van Cambyzes worden. Later +biedt zij de behulpzame hand, om uw huwelijk met Gaumata tot stand +te brengen. Want zij bemint u, en weet u niet genoeg te prijzen, +wegens uwe trouw en bekwaamheid. »Morgenavond," ging hij voort, +weder op den ouden vleienden toon, die hem eigen was,--»morgenavond, +wanneer de Tistar-ster zal zijn opgegaan, begint de zon van uw geluk +te schijnen.--Gij slaat de oogen neder, en zwijgt? De dankbaarheid +houdt zeker uw klein mondje gesloten. Is het zoo niet? ik bid u, mijn +duifje, gebruik uwe tong wat beter, wanneer het er eens op aankomt, +aan uwe gebiedster een loffelijk getuigenis van den armen Boges te +geven!--Zal ik den schoonen Gaumata van u groeten? Mag ik hem zeggen, +dat gij hem niet vergeten zijt, en hem met blijdschap verwacht?--Gij +aarzelt? O wee, de duisternis begint reeds te vallen; ik moet weg +om te onderzoeken, of al de vrouwen overeenkomstig het voorschrift +voor een grooten feestmaaltijd zijn getooid.--Nog eens, Gaumata moet +overmorgen Babylon verlaten. Oropastes vreest dat hij u weder zal zien, +en heeft hem dus geboden, dadelijk na afloop der feesten, naar Rhagae +terug te keeren.--Gij zwijgt nog altijd? Welnu, dan kan ik u en den +armen knaap niet helpen! Ook zonder u zal ik mijn doel bereiken, +en het is toch ook maar beter, dat gij uwe liefde vergeet. Vaarwel!" + +Het meisje had een zwaren strijd. Zij kon de gedachte niet van zich +zetten, dat Boges haar wilde bedriegen. Eene inwendige stem gebood +haar, den geliefde de gevraagde samenkomst te weigeren. Plichtgevoel en +voorzichtigheid behaalden in haar gemoed de overhand, en reeds wilde +zij den eunuch toeroepen: »Zeg hem dat ik hem niet kan wachten," +toen haar oog viel op den zijden band, dien zij eens voor den +schoonen knaap gestikt had. Oude herinneringen aan uren in zalige +droomen doorgebracht, aan oogenblikken van bedwelmend mingekoos, +rezen plotseling voor haar geest op, en liefde, lichtzinnigheid en +smachtend verlangen verkregen de overhand op deugd, waarschuwend +voorgevoel en voorzichtigheid. Eer Boges zijn vaarwel had kunnen +uitspreken riep zij, bijna tegen wil en dank, terwijl zij als een +opgejaagd hert naar huis snelde: »Ik zal hem verwachten!" + +Met rassche schreden ging Boges door de bloeiende lanen der hangende +tuinen. Tot de borstwering genaderd zijnde bleef hij staan en opende +voorzichtig eene verborgene valdeur. Deze diende tot afsluiting +van een geheime trap, die de koninklijke bouwmeester waarschijnlijk +had doen aanbrengen, om door een der kolossale pijlers, waarop de +hangende tuinen rustten, van den oever der rivier onopgemerkt de +woning zijner gemalin te kunnen bereiken. De deur draaide gemakkelijk +op hare hengsels, en was, nadat Boges ze weder gesloten en er eenige +schelpen, waarmede de paden bedekt waren, overheen gestrooid had, +zelfs voor hem die er naar zocht moeilijk te vinden. De eunuch wreef +zich oudergewoonte, met een honigzoeten glimlach, de met ringen +beladene handen, en mompelde: »Thans moet het gelukken! Het meisje +loopt in het net. Haar beminde gehoorzaamt mijn wenk, de oude trap +is toegankelijk, Nitetis heeft op dezen feestdag bitter geweend, +de blauwe lelie bloeit morgen nacht; ja, ja, mijn plannetje moet +gelukken! Schoon Egyptisch katje, uwe fluweelen voetjes zullen morgen +in den vossenklem blijven zitten, dien de arme, verachte Boges, +die u niets mag bevelen, heeft opgezet." + +Terwijl hij dit woord tot zichzelven sprak, schitterde het oog van +den vrouwenbewaker van eene duivelsche vreugde. Hij spoedde zich +nu voort. Aan de groote trap ontmoette hij den eunuch Neriglissar, +die als oppertuinman op de hangende tuinen woonde. + +»Hoe staat het met de blauwe lelie?" vroeg hij dezen. + +»Zij ontwikkelt zich kostelijk!" antwoordde de tuinman, die +in geestdrift geraakte bij de gedachte aan dat kind zijner vele +zorgen. »Morgen, bij het opgaan der Tistar-ster, zal zij, gelijk ik u +wel gezegd heb, in vollen bloei staan! Mijne Egyptische meesteres zal +zich bijzonder verheugen, want zij houdt veel van bloemen. Ik bid u +ook den koning en de Achaemeniden te verwittigen, dat het mijn ijver +is mogen gelukken, deze zeldzame plant aan het bloeien te krijgen. Zij +vertoont zich alle tien jaren slechts een enkelen nacht in hare volle +schoonheid. Zeg dit den edelen Achaemeniden, en breng hen hierheen." + +»Uw wensch zal vervuld worden," antwoordde Boges met een vroolijk +gelaat. »Op een bezoek van den koning behoeft gij evenwel niet +te rekenen, want ik geloof niet dat hij vóor zijn huwelijk met +de Egyptische, de hangende tuinen zal betreden. Maar eenige der +Achaemeniden zullen zeker komen. Zij zijn, gelijk alle Perzen, zoo +groote liefhebbers van tuinen en bloemen, dat zij dit zoo zeldzame +schouwspel niet gaarne zouden missen. Misschien leid ik ook Cresus +hierheen; hij heeft wel minder kennis van het hovenieren, maar +daarentegen een fijnen blik voor al wat schoon is." + +»Laat hem gerust komen," riep de tuinman, »hij zal u er dankbaar +voor zijn, want mijne nachtvorstin is schooner dan alle bloemen, +die ooit in een koninklijken tuin zijn gekweekt! Gij hebt in den +kristalhelderen waterbak den door groene bladeren omkransten knop +gezien; als deze openbreekt, vertoont zich mijne lelie als eene +hemelsblauwe, reusachtige roos. Mijne bloem..." + +De opgewonden hovenier wilde nog meer zeggen tot lof zijner +kweekeling. Maar Boges liet hem alleen, na hem minzaam gegroet te +hebben, daalde de trap af, plaatste zich in den houten wagen op twee +wielen, die hem wachtte, en liet zich door den naast hem staanden +menner van de met kwasten en klokjes getooide paarden in snellen draf +brengen tot voor de poort van den tuin, die het groote vrouwenverblijf +des konings omgaf. + +In den harem van Cambyzes was het dien dag ongemeen levendig. Boges +had bevolen, dat al de vrouwen van het hof vóor het groote feestmaal, +zich baden zouden, teneinde zoo schoon en frisch mogelijk te +verschijnen. Derhalve begaf zich de vorst van het vrouwenverblijf, +zonder een oogenblik te verliezen, naar den vleugel van het paleis, +waarin zich de badplaats der vrouwen bevond. Reeds op een afstand +hoorde hij een verward rumoer van schreeuwende, lachende, babbelende +stemmen. In de uitgestrekte, bovenmatig verwarmde zaal bewogen zich +meer dan driehonderd vrouwen [277], door eene dichte wolk van vochtigen +waterdamp omgeven. + +Als nevelbeelden woelden de halfnaakte wezens, wier los omgeworpen +dunne zijden kleederen, doortrokken van het vocht, aan hare leden +kleefden, in bont gewemel door elkander over den verwarmden marmeren +vloer van de badzaal, van welks zoldering lauwe droppels nedervielen, +die op den steenen grond uiteenspatten. Hier lagen groepen van tien +tot twintig der schoonste vrouwen, vroolijk keuvelende en zich +vermakende, meestal ten koste van elkaar of van andere leden van +den harem. Een eind verder krakeelden twee vrouwen des konings als +bedorvene kinderen. Eene schoone, die met de sierlijke pantoffel harer +buurvrouw op eene gevoelige wijze had kennis gemaakt, stoof gillend +op; eene andere lag, in vadsige rust, half droomend en bewegingloos +als een lijk, op den heeten, vochtigen bodem. Zes Armenische schoonen +stonden naast elkaar, en zongen met schelle stemmen een ondeugend +minneliedje in de taal van haar land, terwijl een aantal blondlokkige +Perzische vrouwen vuur en vlam spuwden tegen de arme Nitetis, haar +belasterende op eene wijze dat een vreemdeling, die hare woorden had +afgeluisterd, zou hebben moeten gelooven, dat de schoone Egyptische +een dier monsters was, waarmede men de kinderen schrik aanjaagt. + +Tusschen deze verschillende groepjes waren de naakte slavinnen +druk in de weer. Zij droegen doeken op het hoofd, ten einde ze hare +meesteressen om te werpen. Het geschreeuw der eunuchen, die de deur +der zaal bewaakten, en de badenden gedurig toeriepen dat zij spoed +moesten maken, de gillende vrouwenstemmen, die de slavinnen bij +herhaling riepen, als ze niet aanstonds bij de hand waren, en de +sterke, met den heeten waterdamp opstijgende geuren, verleenden aan +dit tooneel van verwarring iets bedwelmends en betooverends. + +Een kwartier later leverde de harem des konings een gansch ander +tafereel op, geheel verschillend van het hierboven beschrevene. Als +door den dauw bevochtigde rozen lagen de vrouwen stil neder. Zij +sliepen niet maar rustten, half droomende, op weeke matrassen, +die langs de wanden van een groot vertrek lagen uitgespreid. Het +welriekende nat hing nog altijd aan de losse, onafgedroogde haren, +terwijl vlugge slavinnen het geringste spoor van het vocht, dat diep +in de poriën was gedrongen, met zachte kussentjes van kemelshaar van +de teedere lichamen wreven. Vervolgens werden zijden dekens over de +vermoeide schoonen uitgespreid, en zorgde eene schaar van eunuchen, dat +geene moedwillige of twistzieke de rust van het droomende vrouwenheer +verstoorde. Maar in spijt van de wachters, was het zelden zoo stil als +heden in deze zaal, die voor de sluimering na het bad bestemd was; +want zij die thans den vrede waagde te verstoren, liep gevaar tot +straf van het groote feestmaal te zullen worden uitgesloten. + +Omtrent een vol uur hadden de schoonen in deze diepe rust doorgebracht, +toen de klank van het metalen bekken weder eene verandering van +tooneel ten gevolge had. De rustende vrouwen sprongen van hare +matrassen op. Een tal van slavinnen stormde de zaal binnen. Deze +goten zalven en welriekende wateren over de schoonen uit, wier haren +kunstig gevlochten en met edelgesteenten versierd werden. Geheele +bergen kostbare sieraden werden aangedragen, benevens zijden en wollen +kleedingstukken in al de kleuren van den regenboog. Schoenen, stijf van +paarlen en edelgesteenten, werden aan de teedere voetjes bevestigd, +en rijke gouden gordels om de heupen gegespt [278]. Alles te zamen +vertegenwoordigde wel de waarde van een geheel koninkrijk. Toen Boges +de zaal binnentrad, waren de meeste vrouwen reeds gereed. + +Met een luid gejubel werd hij door allen ontvangen. Een twintigtal +vrouwen begonnen hand aan hand in een kring te dansen om haren +altijd lachenden bewaker. Zij zongen een in den harem samengeflanst +laf en vleiend loflied op zijne deugden. Op dezen gewichtigen dag +was het 's konings gewoonte, aan elke zijner vrouwen een billijken +wensch toe te staan. Nadat de rondedans was afgeloopen, stormde dus +eene geheele schaar smeekelingen op Boges los, om hem, onder het +streelen zijner wangen en het kussen zijner vleezige handen, de meest +uiteenloopende verzoeken in het oor te blazen en zijne voorspraak +te vragen. De vroolijke vrouwentyran stopte zijne ooren dicht, +en stiet de schoonen, die hoe langer zoo meer op hem aandrongen, +al stoeiende en schaterlachende terug. Hij beloofde de Medische +Amytis, dat de Phoenicische Esther, en de Phoenicische Esther, +dat de Medische Amytis gestraft zou worden. Hij beloofde Parmys +een kostbaarder gewaad dan dat van Parisatys, en Parisatys [279] +een veel kostbaarder dan dat van Parmys. Als het hem ten laatste +onmogelijk werd, de aanvallen der verzoeksters van zich af te weren, +bracht hij een gouden fluitje aan de lippen, welks schelle toon als +met een tooverslag de rust herstelde. De opgehevene handen zonken +plotseling neder, de trippelende voeten stonden roerloos, de geopende +lippen sloten zich, het rumoer veranderde op eens in eene ademlooze +stilte. Wie aan den toon van dit fluitje, die zoo veel beteekende als: +»Stil in naam des konings!" niet gehoorzaamde, kon zich verzekerd +houden eene strenge straf te zullen ondergaan. Op dezen dag werkte het +schelle geluid beter en sneller nog dan anders. Boges merkte dit op met +groote zelfvoldoening, hij gunde der geheele schaar een welwillenden +blik van tevredenheid, beloofde in eene bloemrijke rede de bede van +al zijne lieve witte duifjes aan den koning te zullen voordragen, +en beval haar ten laatste zich in twee lange rijen te verdeelen. De +vrouwen gehoorzaamden terstond, en lieten zich, als soldaten door +hun aanvoerder, als slaven door hun kooper, monsteren. + +Boges was over het algemeen voldaan. Enkele vrouwen gebood hij zich +nog meer te blanketten, andere de te hooge kleur met wit poeder +te temperen, de haren hooger op te steken, de wenkbrauwen zwarter +te maken, of de lippen beter te zalven. Na afloop der monstering +verliet hij de zaal, en begaf zich naar Phaedime, die, als echte +vrouw van Cambyzes, gelijk al zijne wettige gemalinnen, afzonderlijke +vertrekken bewoonde. + +De gevallen gunstelinge, de vernederde dochter der Achaemeniden +verwachtte den eunuch reeds lang. Zij was prachtig uitgedost en +bijna overladen met kostbare sieraden. Van haren kleinen tulband, +zooals de vrouwen gewoon waren te dragen, hing een dichte sluier +van met goud doorwerkt floers, terwijl hij omwonden was met het +blauwe en witte band, dat in haar aanstonds eene Achaemenide deed +herkennen. Men moest haar schoon noemen, ofschoon men in haar de al +te sterke ontwikkeling der vormen reeds opmerkte, welke de vrouw van +het Oosten, na eenige jaren het vadsige haremleven geleid te hebben, +gewoonlijk eigen is. Het overvloedige goudblonde, met zilveren +kettinkjes en kleine goudversierselen doorvlochten haar, drong van +onder haar hoofddeksel te voorschijn en was, door middel van zalven, +tegen haar blanke slapen bevestigd. + +Toen Boges bij haar binnentrad, sprong zij ijlings op hem toe, wierp +nog een blik in den spiegel, een tweeden op den eunuch, en vroeg in +hartstochtelijke opgewondenheid: »Zijt gij over mij tevreden? Zal ik +genade in zijne oogen vinden?" + +Als altijd glimlachte Boges, terwijl hij antwoordde: »In mijne oogen +vindt gij altijd genade, mijne gouden pauwin, en ook den koning zoudt +gij welgevallig zijn, als hij u zien kon gelijk ik u gezien heb. Toen +gij mij zoo even toeriept: »Zal ik genade in zijne oogen vinden?" toen +waart ge waarlijk schoon, want de hartstocht verfde uwe blauwe oogen +zoo zwart, dat het de nacht van Angramainjus geleek; en de haat trok +uwe lippen op en vertoonde twee rijen tanden, witter dan de sneeuw +van den Demawend." + +Zij liet duidelijk blijken, dat zij zich door deze aanspraak gevleid +gevoelde. Zij trachtte Boges andermaal met zulk een blik aan te zien, +en riep: »Laat ons spoedig naar de feestzaal gaan, want ik verzeker u, +Boges, dat mijne oogen nog zwarter zullen schitteren, en mijne tanden +nog beter zullen uitkomen dan straks, wanneer ik de Egyptische zal +zien op de plaats, die haar niet toekomt." + +»Zij kan die niet lang meer behouden." + +»Uw plan gelukt dus? O, spreek Boges, verzwijg mij niet langer wat +gij in het schild voert, ik wil stom zijn als een lijk en u helpen...." + +»Ik kan en mag niet klappen, maar om u de bittere teugen, die gij +dezen avond te verzwelgen zult hebben, te verzoeten, wil ik u zeggen, +dat alles voortreffelijk in zijn werk gaat; dat de afgrond gegraven +is, waarin wij onze vijandin zullen neerstorten, en ik mijne gouden +Phaedime weldra op hare oude plaats, en wellicht nog hooger denk +weder te zien, zoo zij mij slechts blindelings gehoorzaamt." + +»Zeg maar, wat ik doen moet; ik ben tot alles bereid." + +»Goed gesproken, dappere leeuwin! Volg mijne bevelen, en alles zal +goed gaan. Verg ik iets moeilijks van u, uw loon zal er te schooner +om zijn. Spreek nu niet tegen, want wij hebben geen oogenblik meer te +verliezen. Leg dadelijk alle overtollige sieraden af en behoud alleen +de keten, die de koning u bij de huwelijksplechtigheid schonk. In +plaats van deze rijke kleederen, moet gij een donker, een eenvoudig +gewaad aantrekken. Wanneer gij u voor Cassandane, de moeder des +konings, nedergeworpen hebt, buigt gij u diep voor de Egyptische!" + +»Onmogelijk!" + +»Geene tegenspraak! Ontdoe u gezwind van al die pracht, ik verzoek +u daarom! Zoo is het goed! Alleen wanneer gij gehoorzaamt, kunnen +wij van den goeden uitslag zeker zijn. De blankste hals eener Peri +is donker in vergelijking met de uwe!" + +»Maar...." + +»Als de beurt aan u komt, om den koning iets te verzoeken, zoo zegt +gij, dat uw hart opgehouden heeft te wenschen, sedert uwe zon u haar +licht onthoudt." + +»Goed." + +»Als uw vader u vraagt hoe het u gaat, dan weent ge." + +»Ik zal weenen." + +»Goed, en zoo heftig, dat alle Achaemeniden u zien weenen."" + +»Welk een vernedering!" + +»Geene vernedering, slechts het middel om des te zekerder in de +hoogte verheven te worden. Wisch snel het blanketsel van uwe wangen, +en verf ze bleek, doodelijk bleek." + +»Ik zal dit niet behoeven te doen om mijn blos te verbergen. Gij vergt +vreeselijk veel van mij, Boges! Maar ik wil u gehoorzamen, als gij +mij slechts éen reden opgeeft, waarom gij dit alles van mij verlangt." + +»Kamerjuffer! Breng spoedig het nieuwe donkergroene gewaad uwer +meesteres!" + +»Ik zal eene slavin gelijken!" + +»De ware bevalligheid is schoon, al is zij in lompen gehuld." + +»De Egyptische zal mij geheel in de schaduw stellen!" + +»Ieder moet zien, dat gij er niet aan denkt u met haar te willen +meten. Men zal zich afvragen: zou Phaedime niet even schoon zijn als +deze hoogmoedige vrouw, wanneer zij zich opgetooid had? + +»Maar ik kan mij niet voor haar nederbuigen." + +»Gij moet!" + +»Gij wilt mij ongelukkig maken en diep vernederen." + +»Kortzinnige gekkin! Welaan verneem dan, waartoe dit alles dienen +moet, en gehoorzaam! Het is mij te doen, dat de Achaemeniden een wrok +zullen opvatten tegen onze vijandin. Hoe toornig moet uw grootvader +Intaphernes, hoe woedend uw vader Otanes niet worden, als zij u zien +neêrbuigen voor eene vreemdelinge! Hun gekrenkte trots zal hen tot +onze bondgenooten maken; en zijn ze ook zelve te edel, gelijk zij het +noemen, om iets tegen eene vrouw te ondernemen, zij zullen toch als +ik hen van noode heb mij liever helpen, dan in den weg staan. Als +de Egyptische uit den weg is geruimd, zal de koning, als gij mij +althans gehoorzaamt, zich uwe bleeke wangen, uwe nederigheid, uwe +belangeloosheid herinneren. De Achaemeniden en zelfs de magiërs zullen +hem bidden, eene aanzienlijke vrouw uit zijn geslacht tot koningin te +verheffen. En welke vrouw in Perzië kan zich op eene hoogere geboorte +beroemen dan gij; wie anders zal het purper ontvangen, dan mijn bonte +paradijsvogel, mijne schoone roos Phaedime? Gelijk men niet bang +moet zijn om van het paard te vallen, als men wil leeren rijden, +zoo moet men ook niet tegen eene vernedering opzien, als het geldt +den hoogsten prijs te winnen." + +»Ik zal gehoorzamen!" riep de vorstendochter. + +»Dan moeten wij overwinnen!" antwoordde de eunuch. »Zie, nu schitteren +uwe oogen weder, nu zijn ze weder gitzwart. Zoo zie ik u gaarne, +mijne koningin; zoo moet Cambyzes u zien, als zich de honden en +vogelen aan het malsche vleesch der Egyptische vergasten, en ik hem +voor het eerst sedert vele maanden, in de stilte van den nacht uw +slaapvertrek ontsluit.--Hei daar, Armorges, beveel de andere vrouwen, +dat zij zich gereed houden en in de draagstoelen plaats nemen; ik ga +vooruit om haar heure plaatsen te wijzen." + + + +De groote feestzaal was helder verlicht door duizenden lampen welker +vlammen zich spiegelden in de gouden platen, waarmede de wanden bekleed +waren. In het midden van de zaal stond eene onafzienbaar lange tafel, +die onnoemelijke schatten droeg, in de gedaante van zilveren bekers, +borden, schotels, kruiken, kannen, vruchtschalen en reukaltaren. Het +was inderdaad prachtig om aan te zien. + +»De koning zal zoo dadelijk verschijnen," zeide de overste der +tafeldekkers tot een voornaam hofbeambte, den bijzonderen schenker +des konings, een edelen bloedverwant van Cambyzes. »Zijn al de kruiken +gevuld, al de wijnen geproefd, de bekers opgezet, en de lederen zakken +die Polycrates gezonden heeft geledigd?" + +»Alles is gereed!" antwoordde de schenker. »Die wijn van Chios +overtreft in deugdelijkheid alles, wat ik tot heden gedronken heb, +en stelt zelfs den lievelingsdrank van Nebucadnezar, het druivensap +van Chelbon, in de schaduw [280]. Proef maar!" + +Dit zeggende greep hij met de eene hand een sierlijk gouden bekertje, +met de andere een kruik van hetzelfde metaal, hief deze aan het oor in +de hoogte, als ware zij zoo licht als eene veer geweest, en goot den +edelen drank met een grooten boog zoo behendig in de nauwe opening +van den beker, dat er geen druppel op den grond viel. Daarop vatte +hij den beker met de vingertoppen aan en overhandigde dien met zeer +veel gratie aan den tafeldekker [281]. + +Deze dronk langzaam het kostbare vocht, proefde het zeer nauwkeurig, +en riep, den schenker den beker teruggevende: »Waarlijk, een edele +drank, die dubbel goed smaakt, als hij zoo bevallig den drinker wordt +aangeboden, gelijk gij alleen dat weet te doen. De vreemdelingen +hebben gelijk, als zij de Perzische schenkers de bekwaamste in de +geheele wereld noemen." + +»Ik dank u," antwoordde de man, die aldus werd toegesproken. Hij +kuste het voorhoofd van zijn vriend en vervolgde: »Waarlijk, ik ben +trotsch op mijn ambt, dat de groote koning slechts aan zijne vrienden +opdraagt. Toch wordt het mij in dit smoorheete Babylon bijna een +last. Wanneer zullen we eindelijk de zomerresidentie te Ekbatana of +Pasargadae betrekken?" + +»Juist heden heb ik daarover met den koning gesproken. Met het +oog op den Massageten-krijg, wilde hij nog niet van verblijfplaats +verwisselen, maar van Babylon uit onmiddellijk te velde trekken. Mocht +echter, wat na de heden ontvangene boodschap niet onwaarschijnlijk is, +vrede met dat volk gesloten worden, dan zullen we drie dagen na het +huwelijk van den koning, dus binnen eene week, naar Susa opbreken." + +»Naar Susa?" vroeg de schenker. »Daar is het weinig frisscher dan hier, +en buitendien wordt de oude Memnonsburcht [282] verbouwd. + +»De satraap van Susa heeft den koning geboodschapt, dat het nieuwe +paleis gereed is, en in schoonheid en pracht alles overtreft, +wat tot nog toe menschenoogen aanschouwden." Nauw had Cambyzes +dit woord vernomen, of hij riep uit: »Dan trekken we drie dagen na +het huwelijksfeest daarheen! Ik wil der Egyptische koningsdochter +toonen, dat wij Perzen niet minder bedreven zijn in het bouwen, +dan hare voorvaderen. Zij was aan den Nijl van haar kindsheid af, +aan heete dagen gewoon, en zal zich in ons schoon Susa zeker zeer +op haar gemak gevoelen. De koning schijnt eene groote voorliefde te +hebben voor deze vrouw." + +»Zoodat hij om harentwil alle andere vrouwen verwaarloost, en haar +weldra tot koningin zal verheffen." + +»Dat zou onbillijk zijn; de Achaemenide Phaedime heeft oudere en +betere rechten." + +»Voorzeker; maar wat de koning wil is goed." + +»De wil van den vorst is de wil der godheid." + +»Goed gesproken! De echte Pers verblijdt zich de hand van zijn meester +te mogen kussen, ook al druipt die van het bloed van zijn kind." + +»Cambyzes heeft mijn broeder ter dood doen brengen; maar ik haat +hem daarom evenmin, als ik de goden haat, die mij mijne ouders +ontnamen.--Hei daar, knechten, trekt het voorhangsel op zijde, want +de gasten naderen! Rept je, gij honden, en past op je zaken!--Houd +u goed, Artabazos; een heete nacht verbeidt ons!" + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + +De oppertafeldekker ging den gasten, die binnenkwamen, tegemoet, en +wees hun, door eenige andere aanzienlijke stafdragers [283] geholpen, +hunne plaatsen aan. Toen allen gezeten waren, verkondigde eene fanfare +der trompetten, dat de koning in aantocht was. Zoodra hij de zaal +binnentrad, stonden de gasten op, en ontvingen hun gebieder met den +donderenden, meermalen herhaalden kreet: »Heil den koning!" + +Een Sardisch purpertapijt, hetwelk hij en Cassandane alleen mochten +betreden, wees den weg naar zijne plaats aan. De blinde moeder van +den koning ging, door Cresus geleid, voor haren zoon uit, en zette +zich neder op een troon aan de spits der tafel, hooger dan de gouden +zetel van Cambyzes, die naast den haren stond. Ter linkerzijde van +den koning namen zijne echte gemalinnen plaats. Nitetis zat naast +hem, dan volgde Atossa, dan de eenvoudig gekleede, bleeke Phaedime, +en naast de laatste gemalin van den koning zat de eunuch Boges. Nu +volgden de opperpriester Oropastes, eenige andere hooggeplaatste +magiërs, de satrapen van onderscheidene provinciën, onder welke +zich de Jood Beltsazar bevond, en eene menigte Perzen, Meden en +eunuchen, die hooge staatsambten bekleedden. Rechts van den koning +zat Bartja. Op hem volgden Cresus, Hystaspes, Gobryas, Araspes en +andere Achaemeniden, overeenkomstig hunnen ouderdom en rang. De +bijwijven zaten voor een deel aan het benedeneinde der tafel; voor +een deel stonden zij ook tegenover den koning, om door spel en zang +de feestvreugde te verhoogen. In haar midden en achter haar zag men +onderscheidene eunuchen, die moesten zorgen dat de vrouwen de oogen +niet naar de mannen ophieven. + +De eerste blik van Cambyzes gold Nitetis, die in al de pracht en +waardigheid eener koningin, bleek, maar boven alle beschrijving +schoon, in het vorstelijk purper naast hem zat. De oogen der verloofden +ontmoetten elkander. Cambyzes voelde, dat hem uit den blik zijner bruid +eene vurige liefde tegenstraalde. Toch bemerkte hij met het fijne +instinct der liefde, dat het dierbare meisje iets zeer onaangenaams +moest zijn bejegend. Een zekere trek van weemoedigen ernst speelde +heden om haar mond, terwijl een droeve, slechts voor hem merkbare +sluier haar anders zoo gelijkmatig helderen en opgeruimden blik +overtogen had. + +»Ik zal haar later vragen, wat haar is overkomen," dacht de koning; +»mijne onderdanen mogen niet opmerken, hoe lief ik dit meisje heb." + +Nu kuste hij het voorhoofd zijner moeder, zuster en naaste +bloedverwanten, sprak een kort gebed uit, waarin hij de goden voor +hunne genade dankte en een nieuw gelukkig jaar voor zichzelven en +voor alle Perzen afsmeekte; noemde de ontzaglijke som, waarmede hij +op dezen dag zijne landslieden begiftigd had; en gebood ten laatste +den stafdragers, allen die op dit feest der genade de inwilliging +van eenigen billijken wensch verwachtten, voor zijn aangezicht te +doen treden. Geen der verzoekers ging onbevredigd heen; den dag te +voren toch had ieder hunner den opperstafdrager zijn wensch moeten +openbaren, en zich omtrent het al of niet mogelijke der inwilliging +moeten laten onderrichten. Op gelijke wijze werden de verzoeken der +vrouwen, alvorens den koning te mogen worden voorgedragen, door de +eunuchen overwogen. + +Nadat de mannen wederom gezeten waren, voerde Boges de schaar der +vrouwen (alleen Cassandane bleef zitten) voor het aangezicht van +den monarch voorbij. Atossa en Nitetis openden den stoet. Phaedime +en eene andere schoone volgden de twee koningsdochters. De laatste +was allerprachtigst gekleed en opgetooid, en door Boges opzettelijk +naast de vernederde gunstelinge geplaatst, om den bijna armoedigen +eenvoud van deze te scherper te doen uitkomen. Intaphernes en Otanes +beschouwden hunne kleindochter en dochter, die zoo bleek en zoo +armoedig gekleed in deze feestzaal verscheen, met een somberen blik, +gelijk Boges wel vermoed had. + +Cambyzes, die van vroeger de verkwistende pronkzucht van Phaedime +kende, merkte, toen zij tegenover hem stond, met verbazing het +eenvoudige gewaad en de bleeke trekken der Achaemenide op. Zijn +voorhoofd werd bewolkt, en met barsche stem riep hij de voor hem ter +aarde neigende vrouw toe: »Wat beduidt dit bedelpak aan mijn disch +en op mijn feest? Kent gij dan niet meer de gewoonte van ons volk, +om niet dan prachtig gekleed voor zijn vorst te verschijnen? Ware +het heden een gewone dag, en ontzag ik u niet, als de dochter van +een onzer meest geliefde verwanten, ik liet u door de eunuchen in den +harem terugbrengen, opdat gij in de eenzaamheid zoudt kunnen nadenken +over hetgeen betamelijk is!" + +Deze woorden maakten der vernederde gunstelinge de taak gemakkelijker, +die Boges haar had opgelegd. Luid en bitter weenende, hief zij hare +blikken en handen zoo smeekend tot den in drift ontstoken vorst op, +dat zijn toorn in medelijden overging, en hij haar vroeg, terwijl +hij de knielende oprichtte: »Hebt gij eene bede op het hart?" + +»Wat zou mij nog begeerlijk kunnen schijnen, sedert mijne zon mij +haar licht onthoudt?" luidde haar, door snikken afgebroken, aarzelend +antwoord. + +Cambyzes haalde de schouders op, en vroeg nog eenmaal: »Begeert gij +dan niets? In vroegere dagen kon ik met geschenken uwe tranen drogen; +vorder gij dan ook heden een gouden troost." + +»Phaedime wenscht niets meer! Voor wie zou zij schoone kleederen en +opschik behoeven, sinds de koning, haar gemaal, het licht van zijn +oog niet meer op haar laat schijnen?" + +»Dan kan ik u niet helpen!" riep Cambyzes, zich met onwil van haar +afwendende. + +De raad van Boges, dat Phaedime zich het aangezicht met blanketsel zou +bedekken, was zeer goed geweest, want onder de witte verf gloeiden +hare wangen van toorn en schaamte. Toch wist zij zich te bedwingen +en gehoorzaamde het bevel van den eunuch, door zich diep en eerbiedig +zoo voor de koningin als voor Nitetis te buigen, daarbij hare tranen +vrijen loop latende, zoodat alle Achaemeniden ze opmerkten. Otanes en +Intaphernes verborgen slechts met moeite hunne verbittering over den +hoon, hunner dochter en kleindochter aangedaan. En menig Achaemenide +zag met innige deelneming op de ongelukkige Phaedime neder, met +heimelijken wrok tot de bevoorrechte, schoone vreemdelinge op. + +Alle ceremoniën waren nu afgeloopen, en de maaltijd nam dus een +aanvang.--Vóor den koning lag in een gouden korf een reusachtige +granaatappel ter grootte van een kinderhoofd [284], door andere +vruchten sierlijk omgeven. Thans merkte hij dezen op. Met het oog +van een kenner beschouwde hij de zeldzaam schoone en groote vrucht, +en vroeg: »Wie heeft dezen kolossalen appel gekweekt?" + +»Uw knecht Oropastes," antwoordde de overste der magiërs, zich diep +buigende. »Sedert vele jaren leg ik mij op het hovenieren toe, en heb +mij vermeten deze heerlijke vrucht, het schoonste resultaat van mijn +rusteloos pogen, aan uwe voeten neder te leggen." + +»Ik dank u!" was het antwoord. »Mijne vrienden, deze granaatappel +zal mij de keuze van een stadhouder gemakkelijker maken, als wij ten +strijde trekken. Bij Mithra, die een kleinen boom zoo zorgvuldig +verpleegde, zal ook in groote dingen getrouw zijn. Welk eene +vrucht! Wie zag ooit de weerga er van? Nog eens, ik dank u, Oropastes, +en wijl de dank van den koning niet alleen in woorden mag bestaan, +benoem ik u reeds heden, voor het geval dat er een oorlog mocht +uitbarsten, tot stadhouder van het gansche rijk. Ja, mijne vrienden, +wij zullen niet lang meer in vadsige rust onzen tijd verbeuzelen. De +Pers verliest zijne vroolijkheid als de krijg haar geen voedsel geeft!" + +Een goedkeurend gemompel doorliep de rijen der Achaemeniden. »Heil +den koning!" klonk het opnieuw. De wrok over de vernedering hunner +bloedverwante was weldra vergeten; gedachten aan veldslagen, droomen +van onsterfelijken roem en zegekransen, herinneringen aan vroeger +verrichte heldendaden deden de feestelijke stemming der aanzittenden +met ieder oogenblik klimmen. De koning zelf, die in den regel op dezen +dag matiger was dan anders, spoorde nu zijne gasten tot drinken aan, +en verheugde zich in de uitgelaten vroolijkheid en den opgewekten +strijdlust zijner helden. Maar vooral genoot hij in de aanschouwing +van de betooverende schoonheid der Egyptische, die marmerbleek aan +zijne zijde zat, uitgeput door de vermoeienissen en aandoeningen +van den morgen die voorafging, en bovendien gedrukt onder den haar +ongewonen last van den hoogen tulband. Zóo gelukkig als op dezen dag, +had Cambyzes zich nog nooit gevoeld. + +En wat ontbrak hem ook? Wat kon hij nog te wenschen hebben, hij, +wien de goden het geluk der liefde, en alle schatten die het hart +kan begeeren, in den schoot hadden geworpen? Zijne stugheid scheen +in zachtmoedige welwillendheid, zijne strenge hardheid in minzame +toegevendheid te zijn overgegaan, toen hij Bartja, die aan zijne zijde +zat, toeriep: »Welnu, broeder, hebt gij mijne belofte vergeten? Weet +gij niet meer, dat gij heden van mij moogt vragen wat uw hart begeert, +terwijl gij zeker kunt zijn dat het u zal worden toegestaan? Welaan, +ledig dan den beker en vat moed! Maar eisch geene geringe gunst. Ik ben +heden juist in eene stemming om groote geschenken te geven. Ha! gij +wilt mij in het oor fluisteren wat gij begeert? Kom dan nader bij +mij! Ik ben toch nieuwsgierig te vernemen, wat de gelukkigste jongeling +in mijn gansche rijk zoo vurig begeert dat hij als een meisje bloost, +zoodra men doelt op wat hij wenscht." + +Bartja, wiens wangen werkelijk van ontroering gloeiden, boog zich +glimlachend naar het oor van zijn broeder over, en verhaalde hem +fluisterend, in weinige woorden, de geschiedenis zijner liefde. De +vader van Sappho had zijne vaderstad Phocaea [285] tegen de legers van +Cyrus helpen verdedigen. Deze omstandigheid stelde de jongeling zeer +behendig op den voorgrond. Vervolgens betitelde hij zijne geliefde, +overeenkomstig de waarheid, als de dochter van een Helleenschen +krijgsman van adellijke afkomst, doch verzweeg, dat hij zich door +handelsondernemingen groote schatten had verworven [286]. Hij schetste +zijn broeder de bevalligheid, de beschaving en de liefde zijner +bruid, en wilde zich juist op het getuigenis van Cresus beroepen, +toen Cambyzes hem in de rede viel, en zijn voorhoofd kussende uitriep: +»Spaar uwe woorden, mijn broeder, en volg den wensch van uw hart. Ik +ken de macht der liefde, en wil u helpen om de toestemming onzer +moeder te verwerven." + +Bartja wierp zich, dronken van geluk en door het gevoel der +dankbaarheid overweldigd, aan de voeten van zijn koninklijken +broeder. Cambyzes richtte hem echter met minzaamheid op en riep, +zich in het bijzonder tot Nitetis en Cassandane wendende: »Let wel +op hetgeen ik u zeggen zal, geliefden! De stam van Cyrus zal nieuwe +loten schieten, want onze broeder Bartja heeft besloten aan zijn +ongehuwden staat, die den goden niet welgevallig was [287] een einde +te maken. Binnen weinige dagen trekt de verliefde jongeling naar uw +vaderland, Nitetis, om het tweede edelgesteente van de boorden des +Nijls naar ons bergachtig land over te brengen." + +»Wat schort u, zuster?" riep de jonge Atossa, eer Cambyzes had +uitgesproken. Nitetis was bewusteloos in hare armen neêrgezegen. Zij +trachtte haar bij te brengen, door het voorhoofd met wijn te +bevochtigen. + +»Wat scheelt u?" vroeg de blinde Cassandane, als de bruid van den +koning na weinige oogenblikken tot zichzelve kwam. + +»Welk eene vreugde, welk een geluk, o Tachot!" stamelde Nitetis. + +Cambyzes was, evenals zijne zuster, de in zwijm liggende ijlings ter +hulp gesneld. Toen zij zich geheel hersteld had, verzocht hij haar +zich met eene teuge wijns te versterken, bood haar zelf den beker aan +en vervolgde, zijne mededeeling herhalende en aanvullende: »Bartja zal +naar uw land trekken, mijne gemalin, en de kleindochter van eene zekere +Rhodopis, de dochter van een edelen krijgsheld, uit het heldhaftige +Phocaea, van Naucratis aan den Nijl, hierheen voeren als zijne gade." + +»Wat was dat?" riep de blinde moeder van den koning. + +»Wat schort u toch?" vroeg de vroolijke Atossa, op bezorgden, bijna +verwijtenden toon. + +»Nitetis!" riep Cresus zijne beschermeling vermanend toe. + +Maar deze waarschuwing kwam te laat, want reeds was de beker, dien +Cambyzes zijne geliefde gereikt had, aan hare handen ontgleden en +kletterend op den grond gevallen. + +De blikken van al de aanzittenden hingen in angstige spanning aan het +gelaat van den koning, die, bleek als de dood, met sidderende lippen +en krampachtig gebalde vuist, opnieuw van zijn zetel was opgesprongen. + +Nitetis zag met smeekend oog tot haren geliefde op, om zijne vergeving +af te bidden. Maar hij duchtte de betoovering van dien blik; daarom +wendde hij het hoofd af, en riep met heesche stem: »Breng de vrouwen +naar hare vertrekken, Boges, ik wil ze niet meer zien!.... Het +drinkgelag zal beginnen.... Slaap wel, mijne moeder, en wees op +uwe hoede, dat gij geene adders zoogt met uw hartebloed. Rust wel, +Egyptische, en bid de goden, dat zij u beter leeren veinzen. Vrienden, +morgen gaan wij ter jacht! Geef mij te drinken, schenker! Vul den +grooten beker! Maar proef goed, neem een fiksche teug, want heden vrees +ik voor vergif, heden voor de eerste maal. Hoort gij, Egyptische, +ik vrees voor vergif, en alle vergiften en artsenijen [288],--ja, +ja, dat weet zelfs ieder kind,--alle vergiften komen uit Egypte!" + +Nitetis verliet de zaal met wankelenden tred. Boges geleidde haar en +gebood den dragers spoed te maken. Bij de hangende tuinen aangekomen, +leverde hij haar over aan de eunuchen, die het huis moesten bewaken, +en voegde haar, terwijl hij in zijne handen wreef, met een duivelsch +lachje tot afscheid eenige woorden toe, die in 't geheel niet meer +van den vroeger haar betoonden eerbied, maar van eene onbetamelijke +gemeenzaamheid getuigden: »Droom van den schoonen Bartja en zijn +Egyptisch liefje, mijn wit Nijlkatje! Hebt gij niets te zeggen aan den +mooien knaap, wiens verliefdheid gij u zoo hebt aangetrokken?--Bedenk u +goed. De arme Boges wil u gaarne van dienst zijn. De verachte Boges +houdt veel van u. De nederige Boges zal zich bedroeven, als hij de +trotsche palm van Saïs ziet vallen. De ziener Boges voorspelt u een +spoedigen terugkeer naar Egypte, of een zachten slaap in de zwarte +aarde van Babylon. De goede Boges wenscht u een ongestoorde rust. Houd +u goed, geknakt bloempje, bonte adder, die zichzelve wondde, gevallen +pijnappel." + +»Onbeschaamde!" riep de koningsdochter in hare verontwaardiging. + +»Ik dank u," antwoordde het lachende monster. + +»Ik zal mij over uw gedrag beklagen!" dreigde Nitetis. + +»Wat zijt gij beminnelijk!" antwoordde Boges. + +»Verwijder u uit mijne oogen!" riep de Egyptische. + +»Ik gehoorzaam den minsten uwer wenken," fluisterde de eunuch, als +had hij haar een liefdesgeheim te openbaren. + +Vol walging en ontzetting over deze beleediging, waarin zij slechts +eene voorbode van nog diepere vernederingen zag, trad zij achteruit, +en snelde naar hare woning, terwijl zij Boges den rug toekeerde. Deze +echter riep haar nog na: »Gedenk mijner, schoone koningin, gedenk +mijner! Alles, wat u in de eerst volgende dagen overkomen zal, is +een geschenk van den armen, verachten Boges!" + +Zoodra de Egyptische verdwenen was, veranderde hij van toon, en +gebood den wachters, streng en uit de hoogte, de hangende tuinen +zorgvuldig te bewaken. »Wie van u een mensch, buiten mijn persoon, +deze plaats laat genaken, is des doods schuldig! Niemand, hoort gij, +niemand! Allerminst mogen boden van de moeder des konings, van Atossa +of van andere grooten den voet op deze trap zetten. Wanneer Cresus of +Oropastes de Egyptische begeert te spreken, dan wijst gij hen bepaald +af! Verstaan?--En ik herhaal, dat gij allen, zonder onderscheid, +den langsten tijd geleefd zult hebben, wanneer gij u door beden of +geschenken tot ongehoorzaamheid laat verleiden. Niemand, niemand +mag deze tuinen betreden, zonder mijne uitdrukkelijke mondelinge +toestemming! Ik geloof dat gij mij kent. Neemt deze gouden staters +bij voorbaat tot loon, voor uwen verzwaarden dienst, en hoort mij bij +Mithra zweren, dat ik den nalatige of ongehoorzame niet verschoonen +zal!" + +De wachters bogen zich, vast besloten hun overste te gehoorzamen. Want +zij wisten, dat hij niet met zich liet spotten, indien hij ernstig +dreigde; en ze vermoedden, dat er groote dingen op til waren, daar +de gierige Boges niet gewoon was zijne staters met zoo kwistige hand +uit te strooien. + +Dezelfde draagstoel, die Nitetis vervoerd had, bracht den eunuch +naar de feestzaal terug. De vrouwen des konings waren vertrokken, +doch de bijwijven stonden nog op de haar aangewezene plaatsen, en +zongen, terwijl niemand luisterde, hare eentonige liederen. + +De brassende gasten waren de Egyptische en wat er met haar gebeurd was +reeds lang vergeten. Iedere nieuwe beker deed het joelen en verwarde +schreeuwen in woestheid toenemen. Niemand bekommerde zich meer om +het verhevene karakter der plaats, of om de tegenwoordigheid van den +machtigen vorst. Hier sloeg een beschonkene de meest onzinnige taal +uit; daar omarmden twee krijgers elkaar, die eerst na het gebruik +eener groote hoeveelheid wijns bespeurd hadden, dat zij groote +vrienden waren; ginds werd een nieuweling in het zwelgen door sterke +knechten de zaal uitgedragen; een eind verder greep een oud drinker +eene kruik, in plaats van zijn beker, en ledigde ze in éene teug, +onder het gejubel zijner buren. + +Aan het hoogereind der tafel zat de koning, bleek als een doode, +onverschillig en ongevoelig voor wat om hem heen plaats had, in +zijn beker te staren. Telkens als zijn oog voor een oogenblik op +zijn broeder rustte, balden zich zijne vuisten. Hij sprak hem niet +aan en liet zijne vragen onbeantwoord. Hoe langer hij dus in somber +gepeins neerzat, des te vaster vestigde zich de overtuiging in hem, +dat de Egyptische hem bedrogen en liefde voor hem gehuicheld had, +terwijl haar hart Bartja toebehoorde. Welk een schandelijk spel +had zij met hem gespeeld! Hoe diep moest de trouweloosheid dezer +behendige huichelaarster niet wortelen, daar het bloote bericht, dat +zijn broeder eene andere liefhad, niet alleen te machtig was voor +hare bedrevenheid in het veinzen, maar zelfs voldoende om haar van +haar bewustzijn te berooven. + +Otanes, de vader van Phaedime, had, toen Nitetis de zaal verliet, +uitgeroepen: »De Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn +op de liefde harer zwagers; de Perzische zijn minder vrijgevig met +hare genegenheid, en besparen die geheel voor hare mannen!" + +De trotsche man had den schijn aangenomen, als had hij die woorden +niet gehoord. Gelijk de struisvogel sloot hij zijne ooren en oogen, +om het gemompel en de blikken zijner gasten, die onverholen te kennen +gaven dat hij bedrogen was, niet op te merken. + +Bartja kon geene schuld hebben aan hare ontrouw; zij alleen beminde +den schoonen jongeling, en wellicht te vuriger, daar zij geene hoop +durfde koesteren op beantwoording van haar hartstocht. Had hij den +geringsten argwaan jegens zijn broeder opgevat, zoo zou hij hem +gewis op staanden voet gedood hebben. Bartja was onschuldig aan deze +zijne teleurstelling en smart. Maar hij was er toch de oorzaak van, +en daarom ontwaakte opnieuw de oude wrok, die voor korten tijd was +ingesluimerd. En gelijk iedere instorting gevaarlijker is dan de +eerste aanval eener ziekte, woedde die wrok nu veel heftiger. + +Hij peinsde en dacht, maar kon niet tot een vast besluit komen, +hoe hij de valsche vrouw zou straffen. Haar dood bevredigde zijne +wraakzucht niet; neen, zwaarder moest zij boeten. Zou hij haar, met +smaad en schande overladen, naar Egypte terugzenden? O, neen! zij had +haar vaderland lief, en zou door haar ouders slechts met open armen +ontvangen worden. Zou hij, nadat zij hare schuld had bekend,--want hij +was vast besloten, haar deze bekentenis af te persen,--de trouwelooze +in een eenzamen kerker opsluiten, of haar als dienstmaagd zijner +bijwijven aan Boges overleveren? Dat was het beste! Zoo wilde hij de +huichelaarster, die zich vermeten had met hem, den machtigen koning, +een misdadig spel te spelen, tuchtigen en doen boeten. + +Vervolgens zeide hij tot zichzelven: »Bartja moet van hier, want vuur +en water zullen eer te zamen vrede hebben, dan dit gelukskind en ik, +beklagenswaardig mensch! Zijne nakomelingen zullen eens mijne schatten +deelen, en deze kroon dragen. Maar nog ben ik koning, en ik zal toonen, +dat ik het ben." + +Als een bliksemstraal schoot de gedachte aan zijne trotsche, almachtige +grootheid door zijn verhit brein. Uit zijne droomerijen tot de +werkelijkheid terugkeerende, wierp hij in wilde hartstochtelijkheid +zijn gouden beker midden in de zaal, zoodat de wijn, als eene +regenvlaag, over de aanzittenden werd uitgestort, en riep: »Houdt op +met dit ijdel gesnap, en dwaas getier! Laat ons, dronken als we zijn, +naar de gewoonte der Perzen [289], krijgsraad houden, en overleggen, +welk antwoord den Massageten zal gegeven worden. U, Hystaspes, +u vraag ik, als den oudste in onzen kring, het eerst naar uw meening!" + +De grijze vader van Darius antwoordde: »Het komt mij voor, dat de +gezanten dezer nomaden ons geene keus hebben gelaten. Tegen ontvolkte +steppen kunnen wij niet ten strijde trekken. Daar echter ons leger +nu toch marschvaardig is, en onze zwaarden reeds te lang gerust +hebben, moet er oorlog gevoerd worden. Om dezen te kunnen voeren, +ontbreken ons slechts een paar goede vijanden, en vijanden te maken, +is de gemakkelijkste zaak die ik ken!" + +De Perzen barstten bij deze woorden in luid gejubel uit. Doch toen de +stilte eenigszins hersteld was, vatte Cresus het woord op en zeide: +»Gij zijt een grijsaard, evenals ik, Hystaspes; maar als een echte +Pers, denkt gij slechts op 't veld en in den strijd gelukkig te +kunnen zijn. De staf, eenmaal het teeken uwer veldheerswaardigheid, +strekt u thans ten steun; en toch spreekt gij als een jongeling, wien +het warme bloed nog driftig door de aderen snelt. Vijanden, ik geef +het u toe, zijn gemakkelijk te vinden, maar slechts dwazen leggen +het er op toe zich vijanden te maken. Wie ze zich moedwillig op den +hals haalt gelijkt een misdadiger, die zichzelven verminkt. Hebben we +vijanden, dan betaamt het ons tegen hen te strijden, gelijk het den +wijze past het ongeluk moedig onder de oogen te zien!--Laat ons geen +onrecht begaan, mijne vrienden, en geen onbillijken oorlog beginnen, +die een gruwel is in de oogen der goden, maar wachten tot men ons +onrecht aandoe, en dan, met het volle bewustzijn voor een goede zaak +het zwaard te hebben aangegord, overwinnen of sterven." + +Een zacht goedkeurend gemompel deed den grijsaard afbreken. Het werd +echter onmiddellijk overstemd door het geroep: »Hystaspes heeft gelijk, +laten wij een vijand zoeken!" + +De gezant Prexaspes, die nu aan de beurt was om te spreken, riep +lachende: »Volgen wij den raad van beide edele grijsaards! Laten +wij wachten tot men ons eenig onrecht aandoe, en intusschen ons wat +gevoeliger toonen, en vaststellen dat ieder, die zich niet gewillig +en met blijdschap een medelid van het groote rijk van onzen vader +Cyrus mocht willen noemen, onder de vijanden van Perzië zal worden +gerekend. Beginnen wij bij voorbeeld met den Indiërs te vragen, of +zij niet trotsch zouden zijn zich onder uw schepter te mogen buigen, +Cambyzes. Zeggen zij neen, dan hebben zij ons niet lief, en wie ons +niet liefheeft is onze vijand!" + +»Niets van dat alles!" riep Zopyrus. »Wij moeten oorlog hebben tot +iederen prijs!" + +»Ik stem voor Cresus!" riep Gobryas. + +»Ik ook! riep de edele Artabazos. + +»Wij zijn voor Hystaspes!" schreeuwden de held Araspes, de grijze +Intaphernes, en andere oude strijdmakkers van Cyrus. + +»Geen krijg tegen de Massageten, die ons ontvluchten; maar oorlog +tot elken prijs!" brulde de veldheer Megabyzus, de vader van Zopyrus, +met zijne zware vuist op de tafel slaande, dat de gouden vaten tegen +elkaar stieten en verscheidene bekers omvielen. + +»Geen strijd tegen de Massageten, aan wie Cyrus door de goden zelve +gewroken is," zeide de opperpriester Oropastes. + +»Strijd! Strijd!" schreeuwden de dronken Perzen wild dooreen. + +Koel en rustig sloeg Cambyzes eenige oogenblikken de teugellooze +geestdrift zijner krijgers gade; dan stond hij van zijn zetel op, +en riep met donderende stem: »Zwijgt en hoort uw koning!" + +Als een tooverslag werkten deze woorden, zelfs de meest beschonkene +gehoorzaamde, haast zonder het zelf te weten, het bevel van zijn +vorst, die thans minder luid sprekende vervolgde: »Ik heb u niet +gevraagd of gij oorlog dan wel vrede begeert, want ik weet dat ieder +Pers aan de inspanning van den strijd de voorkeur geeft boven eene +roemlooze rust. Ik heb slechts willen weten, wat gij in mijne plaats +den Massageten zoudt antwoorden.--Acht gij de ziel van mijn vader, +van den man, wien gij uwe grootheid verschuldigd zijt, genoegzaam +gewroken?" + +Een dof gemompel van toestemming, slechts door enkele heftige +uitroepingen in ontkennenden zin afgebroken, was het antwoord. De +tweede vraag van den koning: »Zullen wij de voorwaarden der gezanten +die tot ons kwamen aannemen, en het verzwakte, door de goden zoo zwaar +bezochte volk den vrede schenken?"--werd door alle aan wezenden met +een levendig »Ja!" beantwoord. + +»Dat is het, wat ik weten wilde" vervolgde Cambyzes. »Morgen, als +wij nuchter zijn, willen we, naar oud gebruik, overwegen, wat we in +onzen roes besloten. Doorbrast de nog restende uren van den nacht; ik +verlaat uw kring en wacht u bij het laatste gekraai van den heiligen +vogel Parôdar [290] aan de poort van Bel, om met u ter jacht te gaan." + +Met deze woorden verliet de monarch de zaal. Een donderend: »Heil +zij den Koning!" deed hem uitgeleide. Boges, de eunuch, was vóor zijn +gebieder de zaal uitgeslopen. In den voorhof vond hij een knaap van +den boomkweeker op de hangende tuinen. + +»Wat zoekt gij hier?" vroeg hij hem. + +»Ik heb aan prins Bartja iets te overhandigen." + +»Bartja? Heeft hij uw heer dan om zaden of stekjes gevraagd?" + +De knaap schudde met een schelmsch lachje het hoofd, dat door de zon +half verbrand was. + +»Zijt gij dan door iemand anders gezonden?" vroeg Boges, die vermoedde +dat hier iets achter stak. + +»Ja, eene andere heeft mij gezonden." + +»Ah! De Egyptische laat haar zwager door u in 't geheim iets weten!" + +»Wie heeft u dit verraden?" + +»Nitetis sprak er mij van. Geef hier wat gij hebt, ik zal het Bartja +aanstonds ter hand stellen." + +»Ik mag het aan niemand geven, dan aan hem zelven." + +»Geef op! ik kan deze boodschap beter doen dan gij." + +»Ik mag niet." + +»Gehoorzaam mij, of..." + +Op dit oogenblik naderde de koning. Boges bezon zich eene wijle; +daarop gebood hij met luider stem den aan de deur wachthoudenden +zweepdragers, den onthutsten knaap te grijpen. + +»Wat gebeurt hier?" vroeg Cambyzes. + +»Deze vermetele knaap," antwoordde de eunuch, »is het paleis +binnengedrongen, om Bartja eene boodschap van uwe gemalin Nitetis +over te brengen." + +Toen de jongen den koning gewaarwerd, zonk hij op de knieën, met het +voorhoofd den grond aanrakende. + +Doodelijk bleek zag Cambyzes op den rampzaligen bode neder. Daarop +wendde hij zich tot den eunuch met de vraag: »Wat verlangt de +Egyptische van mijn broeder?" + +»De knaap houdt vol, dat hij slechts aan Bartja zelven mag +overhandigen, wat hij voor hem bij zich heeft." + +Met smeekenden blik tot den koning opziende, reikte de knaap thans +aan dezen een klein papyrus-rolletje over. + +Cambyzes ontrukte hem het blad, en stampvoette van toorn, toen hij de +Grieksche schrijfteekens zag, die hij niet in staat was te ontcijferen. + +Na eenige seconden herkreeg hij zijne bedaardheid, en vroeg den knaap, +terwijl hij zijn doorborenden blik op hem vestigde: + +»Wie heeft u dit gegeven?" + +»De kamerjuffer van mijne Egyptische meesteres, Mandane, de dochter +van den magiër." + +»Voor mijn broeder Bartja?" + +»Zij zeide dat ik dit blad, vóor den maaltijd, aan den schoonen prins +moest overhandigen, hem de groete van hare meesteres Nitetis doen, +en zeggen, dat uwe zuster Atossa hem morgen den inhoud van het briefje +verklaren zou." + +De koning stampvoette van gramschap en ongeduld, waardoor de knaap +zoo verschrikte, dat zijn stem hokte en hij slechts met moeite kon +uitbrengen: »Ik kon den prins vóor den maaltijd niet naderen, daar +hij naast u ging. Thans wacht ik hem hier op, want Mandane beloofde +mij twee goudstaters, als ik mijne boodschap goed ten uitvoer bracht." + +»Dat hebt gij niet gedaan!" bulderde de, gelijk hij meende, +schandelijk bedrogen vorst. »Dat hebt gij niet gedaan! Trawanten, +grijpt den knaap!" + +De jongen sloeg een smeekenden blik op den koning en bad om +genade. Doch vruchteloos, want, snel als de gedachte hadden de +zweepdragers hem gegrepen, en de koning, die zich ijlings naar zijne +vertrekken begaf, vernam zijn kermend smeeken om genade en vergiffenis +niet meer. + +Boges wreef zich weder de dikke handen, terwijl hij den vorst volgde, +en lachte met zijn gewonen duivelschen lach. + +Toen de uitkleeders zich van hunne taak wilden kwijten, wees de koning +hunne diensten toornig af, zeggende dat zij zich oogenblikkelijk +moesten verwijderen. Nadat zij hem met Boges alleen hadden gelaten, +zeide hij tot dezen: »Van dit uur belast ik u met het toezicht over +de hangende tuinen en de Egyptische. Bewaak haar goed! Wanneer iemand +of eenig bericht, zonder mijn weten, tot haar doordringt, dan hebt +gij uw leven verbeurd!" + +»Maar als Cassandane of Atossa iemand tot haar zendt?" + +»Zoo wijst gij de boden af en laat weten, dat ik iedere poging om +Nitetis te spreken te krijgen, als eene beleediging mij aangedaan +zal beschouwen." + +»Mag ik u om eene gunst bidden, o koning?" + +»Het tijdstip daartoe is slecht gekozen." + +»Ik gevoel mij zoo krank. Zoo gij slechts voor den dag van morgen +aan een ander het toezicht op de tuinen wildet toevertrouwen...." + +»Neen!--Verlaat mij!" + +»Eene hevige koorts doet mijn bloed koken. Heden heb ik tot driemaal +toe het bewustzijn verloren.--Indien op zulk een oogenblik eens +iemand...." + +»Wie zou u dan kunnen vervangen?" + +»De Lydische eunuchenhoofdman Candaules. Hij is eerlijk als goud, +en onverbiddelijk streng. Een dag rust zal voldoende zijn om mijne +gezondheid te herstellen. Wees genadig!" + +»Niemand wordt zoo slecht gediend als ik, de koning! Candaules mag +morgen uwe plaats vervangen. Geef hem strenge bevelen, en zeg hem dat +de kleinste nalatigheid hem zijn leven zal kosten.--Verlaat mij thans!" + +»Nog iets, mijn koning! Gij weet, dat morgennacht in de hangende +tuinen de zeldzame blauwe lelie in bloei moet staan. Hystaspes, +Intaphernes, Grobryas, Cresus en Oropastes, de beste beoordeelaars +der hovenierskunst aan uw hof, zouden ze gaarne zien. Mogen zij voor +enkele minuten de hangende tuinen betreden? Candaules zal wel zorg +dragen, dat zij de Egyptische niet naderen." + +»Als Candaules zijn leven liefheeft, zal hij zijne oogen +openhouden.--Ga!" + +Boges groette eerbiedig, en verliet 's konings vertrek. Den slaven, +die hem met fakkels voorlichtten, wierp hij eenige goudstukken toe. Hij +was recht gelukkig. Al zijne ontwerpen slaagden boven verwachting, +want het lot van Nitetis scheen hem zoo goed als beslist, en het +leven van Candaules, den man, wien hij een onbegrensden haat toedroeg, +hield hij in zijne handen. + +Tot aan den morgen liep Cambyzes in zijne vertrekken op en +neder. Toen de haan kraaide was hij tot het vaste besluit gekomen, +Nitetis eene bekentenis van haar misdrijf af te persen, en haar +dan, als dienstmaagd zijner bijwijven, in den grooten harem te +plaatsen. Bartja, de verwoester van zijn geluk, zou op staanden +voet naar Egypte reizen, en later als satraap naar eene afgelegene +provincie worden gezonden. Hij deinsde terug voor de misdaad van +broedermoord, maar kende zichzelven goed genoeg om te weten, dat hij +in een oogenblik van drift den gehaten jongeling zou kunnen dooden, +zoo deze niet buiten het bereik van zijn hartstocht was. + +Twee uren na het aanbreken van den dag stoof Cambyzes, op zijn +snuivenden en brieschenden hengst gezeten, zijn onafzienbaar, met +schild, zwaard, lans, boog en vangsnoer gewapend gevolg ver vooruit, +om een groote slachting aan te richten onder het door meer dan duizend +honden opgejaagd wild van den diergaarde van Babylon, die vele mijlen +uitgestrekt was [291]. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + +De jacht was afgeloopen. Wagens vol gedood wild, waaronder ettelijke +reusachtige evers, die Cambyzes met eigen hand geveld had, volgden de +huiswaarts keerende jagers. Voor de poorten van het paleis gingen dezen +uiteen, om in hunne woningen het oud Perzisch jachtgewaad van eenvoudig +leder met de schitterende Medische hofkleeding te verwisselen. + +Onder het jagen had de koning zijn broeder op schijnbaar minzamen +toon, schoon het hem moeite kostte zijn toorn te verbergen, het bevel +gegeven den volgenden dag te vertrekken, om Sappho af te halen en +naar Perzië te geleiden. Tegelijkertijd had hij hem de inkomsten +der steden Bactra, Rhagae en Sinope toegezegd, ter bestrijding der +meerdere kosten van den nieuwen staat, dien hij als gehuwd man zou +moeten voeren. Voorts schonk hij aan de jonge vrouw, als zoogenaamd +speldengeld, de opbrengst van haar vaderstad Phocaea. + +Bartja dankte zijn milden broeder met ongeveinsde hartelijkheid; +Cambyzes echter hernam zijn koele stugheid, riep hem eenige woorden +tot afscheid toe, en wendde zich van hem af, om het spoor van een +wilden ezel te volgen. + +Op den terugtocht noodigde de jonge held zijne vertrouwdste vrienden +Cresus, Darius, Zopyrus en Gyges uit, met hem een beker tot afscheid +te drinken. Cresus wilde zich eerst later bij hen voegen, daar +hij beloofd had bij het opkomen der Tistar-ster de blauwe lelie te +zullen komen zien. Toen de grijsaard in den vroegen morgen Nitetis +op de hangende tuinen had willen bezoeken, was hij door de wachters +onbepaald afgewezen; thans scheen het bloeien der blauwe lelie hem +eene gelegenheid aan de hand te doen om zijn geliefde beschermelinge, +wier gedrag bij gelegenheid van den feestmaaltijd hij zich niet +verklaren kon, en wier strenge bewaking hem zeer bezorgd maakte, +te zien en te spreken. + +Toen het begon te schemeren, zaten de jonge Achaemeniden in +een lommerrijk priëel van den koninklijken tuin, naast hetwelk +kristalheldere fonteinen ruischten, onder vroolijke gesprekken +bijeen.--Araspes, een voorname Pers en vriend van den overleden +Cyrus, had zich aangesloten bij de jongelieden, die druk aan het +praten waren, en deed zich te goed aan den voortreffelijken wijn, +dien de koningszoon met milde hand schonk. + +»Gelukkige Bartja," riep de oude vrijgezel. »Gij trekt weldra naar +een heerlijk land, om de vrouw uwer keuze af te halen, terwijl ik, +arme oude vrijer, door iedereen bespot, naar mijn graf voortstrompel, +zonder vrouwen en kinderen na te laten, die mij zouden kunnen beweenen +en de goden bidden om een genadig oordeel over mijne ziel." + +»Hoe is het mogelijk zulke gedachten te koesteren!" riep Zopyrus, den +beker opheffende. »Geene vrouw ter wereld is zóo volmaakt, dat het haar +echtgenoot niet minstens eenmaal per dag berouwt, eene vrouw te hebben +genomen! Wees blij te moede, vadertje, en bedenk, dat gij u beklaagt +over iets dat uwe eigene schuld of liever uwe eigene wijsheid is. Men +kiest vrouwen toch als noten, met enkel op de schaal te letten. Wie +kan vooruit weten, of er een goede, of een slechte, of in het geheel +geen kern in schuilt! Ik spreek uit ervaring, want ofschoon ik pas +twee en twintig jaar oud ben, heb ik reeds vijf uitverkorene vrouwen +en een ganschen stoet der schoonste slavinnen in mijn huis." + +Araspes glimlachte weemoedig. + +»En wie belet u, nog heden te huwen?" riep Gyges. »Gij zijt wel zestig +jaar oud; maar gij beschaamt menig jonkman door uwe forsche houding, +uwe kracht en uwe volharding. Gij behoort bovendien tot de edelste +bloedverwanten van den koning. Waarlijk ik verzeker u, Araspes, +dat gij nog wel twintig schoone vrouwen kunt krijgen." + +»Veeg het vuil maar weg voor uw eigen deur," duwde de oude vrijer +den zoon van Cresus toe. »In uwe plaats zou ik zeker niet tot mijn +dertigste jaar ongetrouwd zijn gebleven!" + +»Eene godspraak heeft mij verboden te huwen." + +»Gekheid! Welk verstandig mensch stoort zich aan eene godspraak! Alleen +in droomen openbaren de goden ons de toekomst! Ik zou toch meenen dat +gij uit het voorbeeld van uw eigen vader genoeg hebt kunnen leeren, hoe +schandelijk die Grieksche priesters hunne beste vrienden bedriegen." + +»Gij spreekt over dingen, die gij niet verstaat, Araspes." + +»En die ik niet verlang te verstaan, jonge vriend! Waarom anders +gelooft gij aan orakelen, dan omdat gij ze niet verstaat! Wat gijlieden +niet begrijpt, dat noemt gij in uw bekrompenheid een wonder, en in +alles wat u wonderbaar toeschijnt stelt gij meer vertrouwen, dan in de +eenvoudige waarheid, die voor de hand ligt. Het orakel heeft uw vader +bedrogen en in het verderf gestort; maar het orakel is een wonder, +en daarom laat ook gij u met het volste vertrouwen door dat zelfde +orakel van uw geluk afhouden!" + +»Gij lastert, Araspes. Is het de schuld der goden, wanneer wij hunne +uitspraken verkeerd uitleggen?" + +»Ongetwijfeld, want als zij ons waarlijk helpen wilden, moesten +zij ons met hunne woorden ook het noodige doorzicht schenken, om ze +te verstaan. Wat baten mij de schoonste toespraken, zoo zij worden +voorgedragen in eene voor mij onverstaanbare taal!" + +»Houdt op met dit nutteloos gekibbel!" sprak nu Darius. »Verklaar ons +liever, Araspes, waarom gij u zoolang door de priesters bestraffen, +bij de feesten terugzetten en door de vrouwen smaden liet; waarom gij +vrijgezel zijt gebleven, ofschoon gij iederen bruidegom zijn geluk +schijnt te benijden?" + +Araspes staarde een oogenblik peinzend op den grond; daarop hief +hij plotseling het hoofd op, nam een fiksche teug uit zijn beker, +en zeide: »Ik heb daarvoor mijne redenen, vrienden, maar ik kan u +die thans niet mededeelen." + +»Laat hooren, laat hooren!" + +»Ik kan niet, kinderen, ik kan niet! Dezen beker ledig ik op het +welzijn uwer schoone Sappho, gelukkige Bartja, en dezen wijd ik aan +uw toekomstig geluk, mijn lieveling Darius!" + +»Ik dank u!" antwoordde Bartja, terwijl hij den beker lustig aan de +lippen zette. + +»Gij meent het goed," prevelde Darius, die zeer bedrukt naar den +grond keek. + +»Zeg eens, gij zoon van Hystaspes," riep de oude krijger, toen hij +zag dat de jongeling op eens zoo ernstig was gestemd: »zulk een donker +gelaat past den bruidegom, wien een dronk gebracht wordt op het welzijn +zijner liefste, volstrekt niet! Is het lieve dochterke van Gobryas, +na Atossa, niet de aanzienlijkste van alle jonge Perzische meisjes? Is +zij niet schoon?" + +»Artystone bezit al de voorrechten en voordeelen eener Achaemenide," +antwoordde Darius, wiens gelaat echter bij deze verklaring nog geene +vroolijker uitdrukking aannam. + +»Nu wat verlangt gij dan nog meer, gij ontevredene?" + +Darius hief den beker op, en keek schijnbaar met aandacht in den wijn. + +»De knaap is verliefd, zoo waar als ik Araspes heet!" riep de oude. + +»Wat zijt gijlieden toch dwaas," sprak Zopyrus, die zich nu in het +gesprek begon te mengen. »De een is, in strijd met alle Perzische +gebruiken, vrijgezel gebleven; een ander trouwt niet, daar eene +godspraak hem vrees aanjaagt; Bartja wil slechts éene vrouw hebben, +en Darius zet een gezicht als een destoer, die de liederen der +dooden zingt, omdat zijn vader hem beveelt gelukkig te worden met +het schoonste maagdelijn uit gansch Perzië!" + +»Zopyrus heeft gelijk," zeide de oude man opgeruimd; »Darius is een +ondankbaar mensch!" + +Bartja wendde zijn blik niet af van den vriend, die dus al schertsend +werd doorgehaald. Hij zag 't hem aan, dat de woorden zijner makkers +eene teedere plaats in zijn hart pijnlijk aandeden, en drukte hem +de hand, omdat hij zijn eigen geluk dubbel gevoelde, zeggende: »Het +doet mij leed, dat ik bij uw huwelijksfeest niet tegenwoordig kan +zijn. Als ik terugkom, dan hoop ik, dat gij u met de keuze van uw +vader verzoend zult hebben." + +»Misschien," antwoordde Darius, met een smartelijk lachje, »kan ik u, +bij uwe terugkomst, wel eene tweede, ja eene derde vrouw toonen." + +»Dat geve Anahita," riep Zopyrus. »De Achaemeniden zouden spoedig +uitsterven, als allen deden gelijk Araspes en Gyges. Gij met uwe éene +vrouw, Bartja, handelt ook niet als het behoort. Om den stam van Cyrus +in leven te houden, moest gij eigenlijk drie vrouwen te gelijk huwen." + +»Ik haat het Perzische gebruik, van vele vrouwen te hebben," antwoordde +Bartja. »Door zoo te handelen stellen wij ons beneden de vrouwen, +van wie wij eischen, dat zij haar gansche leven ons trouw blijven, +terwijl wij, wien de trouw boven alles heilig behoorde te zijn, +vandaag deze, morgen gene vrouw eene eeuwige liefde zweren." + +»Bah!" hernam Zopyrus. »Ik sneed mij liever de tong af, dan een man +te misleiden; maar onze vrouwen zijn zulke bedrieglijke schepsels, +dat men geen kwaad doet haar met dezelfde munt te betalen." + +»De Helleensche vrouwen zijn geheel anders, daar zij anders behandeld +worden," antwoordde Bartja. »Sappho verhaalde mij van eene Grieksche +vrouw, zij heette geloof ik Penelope, die twintig jaren lang geduldig, +en met dezelfde liefde en trouw, op haren voor dood gehouden +echtgenoot [292] wachtte, ofschoon dagelijks vijftig vrijers haar +huis platliepen." + +»Mijne vrouwen zouden zeker niet zoo lang op mij wachten!" zeide +de vroolijke Zopyrus. »Ik beken ronduit dat ik mij ook niet zou +doodtreuren, als ik, na zulk een lange afwezigheid, bij mijne +terugkomst mijn geheele huis ledig vond. In de plaats van die ontrouwe +vrouwen, die intusschen tamelijk oud geworden zouden zijn, kon ik dan +jonge en schoone deerntjes in mijn harem opnemen. Maar niet iedere +vrouw vindt een minnaar om haar te schaken, en onze vrouwen hebben +nog liever een man die afwezig is, dan in het geheel geen." + +»Als uwe vrouwen u zoo eens hoorden spreken!" zeide Araspes, terwijl +hij hem lachend aanzag. + +»Zij verklaarden mij bepaald den oorlog, of, wat nog erger zou zijn, +ze sloten onderling vrede." + +»Hoe meent gij dat?" + +»Hoe ik het meen? Nu ik kan wel merken, dat gijlieden geen ervaring +hebt op dit gebied!" + +»Wijd ons dan eens in de geheimen van uw huwelijksleven in." + +»Zeer gaarne! Gij kunt u wel voorstellen, dat vijf vrouwen in éen huis +niet zoo vreedzaam samenleven als vijf duiven in éen til. De mijne ten +minste voeren onafgebroken strijd op leven en dood. Daar ben ik aan +gewoon, en het doet mij altijd genoegen, als de lieve schepseltjes zich +onderling zoo vermaken. Een jaar geleden waren zij het voor de eerste +maal eens, en deze dag des vredes was de ongelukkigste mijns levens." + +»Gij spotvogel!" + +»Neen, ik spreek in vollen ernst. De ellendige eunuch, die dit vijftal +moest bewaken, liet een ouden juwelier uit Tyrus bij haar toe. Ieder +koos zich een kostbaar tooisel. Toen ik tehuis kwam, viel Subade +mij aanstonds op het lijf, en bad mij om het geld voor het door +haar gekozen sieraad. Het ding was zóo duur, dat ik weigerde het +te betalen. Eén voor éen kwamen ook de vier andere vrouwen mij geld +vragen voor haar opschik, maar allen kregen hetzelfde antwoord en ik +ging naar het hof.--Toen ik weer terugkom, zitten al mijne vrouwen +bij elkaar te pruilen en te klagen. Zij omarmen elkaar, en noemen +elkaar vriendinnen en deelgenooten in het ongeluk. Met een waarlijk +aandoenlijke eensgezindheid staan ze alle vijf als vijandinnen tegen +mij op, en overladen me met scheldwoorden en dreigementen, tot ik +het vertrek verlaat. Ik wil me te slapen leggen, maar jawel, ik vind +vijf geslotene deuren. Den volgenden morgen begint het gejammer en +getier opnieuw. Ik neem wederom de vlucht en rijd met den koning +ter jacht. Vermoeid, hongerig en verstijfd, (het was in de lente, +en reeds was het hof te Ekbatana, terwijl de sneeuw nog ellenhoog +den Orontes bedekte) kom ik tehuis, en vind geen vuur aan den haard, +geen maaltijd gereed. Mijne lieve vrouwtjes hadden, om mij te straffen, +vrede met elkaar gesloten, het vuur uitgedoofd, den koks verboden hun +plicht te doen, en wat het ergste was, de juweelen behouden!--Nauw heb +ik den slaven geboden vuur aan te maken en een maaltijd te bereiden, +of daar verschijnt de onbeschaamde juwelier andermaal en vordert zijn +geld. Wederom weiger ik hem te betalen, breng opnieuw, door de vrouwen +buitengesloten, eenzaam den nacht door, en offer den volgenden morgen +om des lieven vredes wille tien talenten. Sedert ducht ik de eendracht +mijner vriendinnen evenzeer als de booze Diws, en heb niets liever, +dan dat zij elkander lagen leggen, krakeelen en plukharen." + +»Ongelukkige Zopyrus!" zeide Bartja lachend. + +»Ongelukkige?" hernam de echtgenoot van het vijftal. »Ik zeg u, +dat ik de gelukkigste sterveling op aarde ben. Mijne vrouwen zijn +jong en aanvallig, en als hun gelaat begint te rimpelen, wie zal +mij dan beletten schoonere in mijn huis te nemen? De leelijkheid der +verouderde vrouwen zal dan de schoonheid mijner jeugdige vriendinnen +te sterker doen uitkomen.--Hei daar slaaf, zorg voor lampen! De zon +is ondergegaan, en de wijn smaakt dan alleen als de tafel helder +verlicht is!" + +»Hoort, hoe schoon de vogel Bulbul slaat!" riep Darius, die buiten +het priëel onder den vrijen hemel was gaan staan, zijnen vrienden toe. + +»Bij Mithra, zoon van Hystaspes, gij zijt tot over de ooren verliefd," +viel Araspes den jongeling in de rede. »Wie den wijn laat staan om +naar den nachtegaal te luisteren, is door den bloesempijl der liefde +[293] getroffen, zoo zeker als ik Araspes heet!" + +»Gij hebt gelijk, vadertje!" zeide Bartja. »Philomele, gelijk de +Hellenen onzen Bulbul noemen, wien de liefde zoo schoone tonen in den +gorgel geeft, is bij alle volken de vogel der minnenden. Van welk +maagdelijn droomdet gij, Darius, toen ge straks in het duister ons +verliet, om naar Bulbul te luisteren?" + +»Ik dacht niet aan meisjes," antwoordde de jongeling. »Gij weet, +dat ik gaarne den sterrenhemel beschouw. De Tistar-ster kwam heden +zoo buitengewoon luisterrijk op, dat ik den wijn vergat om naar haar +te zien. Ik had echter mijne ooren wel moeten dichtstoppen, om den +welluidenden beurtzang der nachtegalen niet te vernemen." + +»Gij hieldt ze wijd genoeg open, want uwe opgetogene ontboezeming +bewees, dat het gezang van den vogel diep in uw hart was +gedrongen!" hernam Araspes plagende. + +»Genoeg!" riep Darius, dien deze scherts verdroot. + +»Onvoorzichtige," fluisterde nu de oude den jongeling toe, »nu hebt +gij u zelven verraden! Waart gij niet verliefd, zoo zoudt gij lachen +in plaats van dus op te vliegen. Maar ik wil u niet kwellen; zeg mij +liever wat gij in de sterren gelezen hebt?" + +Darius zag bij deze woorden nogmaals naar den hemel op, en hield zijne +blikken onafgewend op een helder lichtend sterrenbeeld gevestigd, dat +juist boven den horizont oprees. Zopyrus sloeg den astroloog opmerkzaam +gade, en riep zijnen vrienden toe: »Daarboven moet iets gewichtigs +plaats grijpen. Hé, Darius, deel ons mede wat de hemel u verkondigt!" + +»Niets goeds," antwoordde deze. »Ik wenschte u even alleen te spreken, +Bartja." + +»Waartoe dat? Araspes kan zwijgen, en wij hebben immers geene geheimen +voor elkaâr!" + +»Toch...." + +»Kom, spreek gerust!" + +»Neen, ik bid u, volg mij in den tuin." + +Bartja knikte de vrienden toe, legde zijn arm op Darius' schouder, +en ging met hem in het maanlicht naar buiten. Toen zij alleen waren, +vatte de zoon van Hystaspes beide handen van zijn vriend, en zeide: +»Heden voor de derde maal merk ik aan den hemel verschijnselen op, +die u niets goeds beloven. Uw boos gesternte nadert uwe heilbrengende +ster zóo dicht, dat men slechts geringe kennis van de hemellichten +behoeft te hebben, om te kunnen voorzeggen, dat u een groot gevaar +bedreigt. Neem uwe voorzorgen, Bartja, en reis nog heden naar Egypte, +want de sterren verkondigen mij, dat het ongeluk u aan de oevers van +den Euphraat, niet in het verre land zal overkomen." + +»Gelooft gij zoo vast aan de voorspellende kracht van die gesternten?" + +»Voorzeker! De sterren liegen nooit!" + +»Dan zou het eene dwaasheid zijn, zich te willen onttrekken aan +hetgeen zij ons voorspellen." + +»Gij hebt gelijk, de mensch kan niet ontgaan wat over hem besloten +is. Maar het noodlot heeft groote overeenkomst met de onderwijzers in +de krijgskunst, wien zulke leerlingen het liefst zijn, die het moedigst +en het behendigst met hen vechten. Reis nog heden naar Egypte, Bartja!" + +»Ik kan niet, want ik heb van mijne moeder en van Atossa nog geen +afscheid genomen." + +»Zend haar door een bode uw afscheidsgroet, en draag Cresus op haar +de reden van uw overhaast vertrek mede te deelen." + +»Zij zullen mij voor een lafaard houden." + +»Voor een mensch te wijken is een bewijs van lafheid; zijn noodlot +te ontvlieden, als men kan, is wijs." + +»Gij weerspreekt u zelven, Darius! Wat zou de leermeester in de +krijgskunst van den vluchtenden leerling zeggen?" + +»Hij zou zich verheugen over den krijgslist, waardoor een enkele aan +de overmacht tracht te ontkomen." + +»Die hem toch ten laatste inhalen en verdelgen zou.--Hoe zou ik een +gevaar, dat, gij zegt het zelf, niet kan worden afgewend, zoeken +te ontwijken! Als mij een tand pijn doet, laat ik dien aanstonds +uittrekken, terwijl vrouwen en lafaards zich weken lang kwellen +en angstig maken, om de smartelijke kunstbewerking slechts niet op +staanden voet, maar zoo laat mogelijk te ondergaan. Ik verbeid het +gevaar met onwankelbaren moed, en hoop dat het zich spoedig moge +vertoonen, om het des te eerder achter mij te hebben." + +»Gij kent er de grootte niet van." + +»Vreest gij voor mijn leven?" + +»Neen!" + +»Laat mij hooren, wat gij ducht." + +»Die Egyptische priester te Saïs, onder wiens voorlichting ik de +sterren gadesloeg, heeft uw horoscoop met mij getrokken. Hij was de +bekwaamste in de wetenschap der sterren, dien ik ooit ontmoette. Hem +ben ik veel van hetgeen ik weet verschuldigd, en ik wil u niet +verzwijgen, dat hij mij opmerkzaam heeft gemaakt op gevaren, die u +toen reeds boven het hoofd hingen." + +»Waarom mij dat verzwegen?" + +»Waarom u voór den tijd schrik aangejaagd! Thans waarschuw ik u, +daar ik zie, dat hetgeen u bedreigde nadert." + +»Ik dank u, en zal op mijne hoede zijn. Vroeger zou ik mij aan uwe +waarschuwing niet hebben gestoord; maar sedert ik bemin, is het mij +altijd als mag ik niet meer zoo vrij over mijn leven beschikken." + +»Ik begrijp dat gevoel..." + +»Gij begrijpt mij? Araspes heeft dan goed gezien?--Gij zegt niet neen?" + +»Ach, een droom zonder hoop!" + +»Welke vrouw zou u kunnen versmaden?" + +»Versmaden?" + +»Ik vat u niet. Ontzinkt u, den stoutsten jager, den sterksten +worstelaar, den wijste van alle jonge Perzen, ontzinkt u de moed en +het zelfvertrouwen, waar gij staat tegenover eene vrouw?" + +»Kan ik u vertrouwen, meer vertrouwen, dan ik mijnen vader vertrouwen +zou, Bartja?" + +»Dat kunt ge!" + +»Ik bemin de dochter van Cyrus, uwe en des konings zuster, Atossa!" + +»Heb ik u goed verstaan; gij bemint Atossa? Daarvoor dank ik u, reine +Amescha Çpenta [294]! Van nu aan geloof ik niet meer aan uwe sterren, +want in plaats van de gevaren, waarmede zij mij bedreigen, over mij te +zien komen, ontvang ik een onverwachten zegen. Omarm mij, mijn broeder, +en verhaal mij de geschiedenis uwer liefde, opdat ik in staat zij u +te helpen, en te verwezenlijken wat gij een droom zonder hoop noemdet!" + +»Vóor ons vertrek naar Egypte, trokken we, gelijk gij weet, met het +geheele hof van Ekbatana naar Susa. Ik had toen het bevel over de +afdeeling der Onsterfelijken, die de wagens van de gemalinnen des +konings moesten beschermen. Op den bergpas over den Orontes, gleden +de paarden uit, die den wagen uwer moeder en zuster trokken. Het juk, +waaraan de dieren bevestigd waren [295], brak van den dissel, en voor +mijne oogen stortte de zware vierwielige wagen in den afgrond. Bevend +van schrik zagen wij het voertuig verdwijnen. Wij gaven onze paarden +de sporen, zoodat hun het bloed uit de zijde sprong, en snelden toe +om, zoo mogelijk, nog hulp te bieden. Op de plaats van het ongeluk +gekomen, bereidden we ons reeds voor op het ijselijke gezicht van den +verbrijzelden wagen en van bloedende, vreeselijk misvormde lijken. Maar +de goden hadden de uwen onder hunne alvermogende bescherming genomen, +en de in den afgrond geslingerde wagen rustte, met gebrokene raderen, +in de armen van twee reusachtige cypressen, welker taaie wortels zich +diep in de spleten der steenrotsen hadden vastgewrongen, en die hunne +donkere kronen tot aan den rand van den weg verhieven. + +»Bliksemsnel sprong ik van mijn paard en klauterde, zonder mij een +oogenblik te bezinnen, langs een der cypressen af. Uwe moeder en zuster +riepen om hulp, en strekten hare armen naar mij uit. Zij verkeerden in +een ontzettend gevaar, want de houten wanden van den wagen, door den +geweldigen schok uit de voegen gelicht, dreigden ieder oogenblik van +elkaar te splijten. Dan zouden de vrouwen onvermijdelijk in den afgrond +zijn gestort, die peilloos diep en donker, als het verblijf der booze +Diws, bereid scheen de schoone offers in zijne kaken te verzwelgen. + +»Daar stond ik, mij aan den stam der cypres vastklemmende, voor den +zwevenden wagen, die ieder oogenblik bezwijken kon, en toen werd ik +voor het eerst getroffen door den smeekenden blik uwer zuster. Sinds +dat oogenblik beminde ik Atossa. Maar ik wist toen nog niet, wat er +in mijn hart omging, want daar was geen tijd om op iets anders, dan +de redding uwer dierbaren bedacht te zijn. In een ommezien hief ik +de vrouwen uit den wagen, die een oogenblik later in duizend stukken +sprong, en krakende in de diepte stortte. Ik ben sterk, maar toch zou +ik, zonder de uiterste inspanning mijner krachten, de beide vrouwen +en mij zelven niet zoo lang boven den afgrond zwevende hebben kunnen +houden, tot men koorden had afgelaten. Atossa hing aan mijn hals, +Cassandane rustte, door mijn linkerarm omklemd, aan mijn borst. Met de +rechterhand slingerde ik den strik om mijn lichaam. Men trok ons naar +boven, en weinige minuten later stond ik, met mijn kostbaren last, +behouden op den vasten bodem. + +»Nadat een magiër de wonde, die het sterk aangetrokken koord in +mijne zijde had gesneden, verbonden had, liet de koning mij roepen, +schonk mij deze halsketen en de inkomsten van eene geheele provincie, +en leidde mij in eigen persoon tot de vrouwen, die mij in de warmste +taal haren dank betuigden. Cassandane stond mij toe haar voorhoofd +te kussen, en deed mij al de sieraden, die zij op dat gevaarvolle +oogenblik gedragen had, voor mijne toekomstige gemalin ter hand +stellen. Atossa trok een ring van haar vinger, stak dien aan mijne +hand, en kuste die met hare gewone levendigheid, alleen gehoor gevende +aan de inspraak van haar dankbaar hart. Gij hebt te dien tijde dat +alles vernomen, maar wat gij niet weet, is, dat ik sedert dien dag, +den gelukkigsten mijns levens, uwe zuster liefheb, de goden alleen +weten hoe innig en teeder! Nochtans heb ik tot op gisteren avond +uwe zuster niet wedergezien. Bij den grooten feestmaaltijd zaten +wij tegenover elkander. Mijn oog ontmoette het hare. Ik zag niemand +dan Atossa, en ben overtuigd dat zij wederkeerig haren redder niet +vergeten heeft. Cassandane...." + +»O, mijne moeder zal u volgaarne als haar schoonzoon aannemen, +daarvoor sta ik u borg. Laat uw vader zich tot den koning wenden; +hij is onze oom, en mag met alle recht de dochter van Cyrus voor zijn +zoon tot vrouw verlangen!" + +»Herinnert gij u nog dien droom van uw vader? Sedert dien nacht heeft +Cambyzes nooit opgehouden mij te wantrouwen." + +»Dat is lang vergeten! Kort voor zijn dood droomde mijn vader, dat +gij vleugelen hadt; en nu vreesde hij op een dwaalspoor gebracht door +de droomuitleggers, dat gij, een achttienjarige knaap, naar de kroon +zoudt staan. Cambyzes kon dat gezicht maar niet vergeten, tot Cresus, +nadat ge mijne moeder en zuster hadt gered, verklaarde dat de droom +verwezenlijkt was; want alleen een gevleugelde arend of Darius was +in staat zoo behendig boven een afgrond te zweven." + +»Doch deze verklaring had niet de eer uw broeder te bevallen. Hij +wil de eenige adelaar in Perzië zijn. Cresus vleit echter nooit +zijn trots." + +»Waar zou hij toch zoo lang blijven?" + +»Hij is op de hangende tuinen. Mijn vader en Gobryas zullen hem +ophouden." + +»Dat noem ik toch waarlijk bijzonder beleefd!" liet zich op eens de +stem van Zopyrus hooren. »Bartja noodigt ons aan zijn disch, en laat +ons, terwijl hij geheimen behandelt, zonder gastheer zitten!" + +»Wij komen, wij komen!" antwoordde deze. Daarop vatte hij de hand +van Darius, drukte die en zeide: »Uwe liefde voor Atossa maakt mij +onbeschrijfelijk gelukkig. Ik blijf nog tot overmorgen, al bedreigden +mij ook de sterren met de verschrikkelijkste gevaren. Morgen zal ik +Atossa's hart peilen en eerst wanneer alles behoorlijk is voorbereid, +aanvaard ik mijne reis, aan mijn gevleugelden Darius overlatende op +eigene wieken zijn doel te bereiken." + +Dit zeggende ging Bartja naar het priëel terug, terwijl zijn +vriend andermaal den blik ten hemel richtte. Hoe langer hij de +sterren gade sloeg, des te somberder werd de uitdrukking van zijn +gelaat. Toen de Tistar-ster onderging, sprak hij bij zichzelven: +»Arme Bartja!" Zijne vrienden riepen hem en juist wilde hij tot hen +terugkeeren, als eene nieuwe ster zijne aandacht trok, waarvan hij +plaats en richting opmerkzaam gadesloeg. De ernst zijner trekken ging +in een zegevierenden glimlach over, zijne hooge gestalte scheen nog +te rijzen, en terwijl hij de hand op zijn hart legde, fluisterde hij: +»Gevleugelde Darius, gebruik thans uwe wieken; uwe ster zal u ter +zijde staan!" Daarop keerde hij tot de vrienden weder, die hem met +ongeduld zaten te wachten. + +Kort daarop naderde Cresus het priëel. De jongelingen sprongen van +hunne zitplaatsen op, om den eerwaardigen man welkom te heeten, die, +als door den bliksem getroffen, bleef staan, toen hij het gelaat van +Bartja herkende, dat door het maanlicht helder werd verlicht. + +»Wat is u overkomen, vader?" vroeg Gyges, terwijl hij bezorgd de hand +van den grijsaard vatte. + +»Niets, niets," stamelde deze nauw hoorbaar, drong zijn zoon op +zijde, naderde Bartja, en beet hem in het oor: »Rampzalige, zijt gij +nog hier? Verzuim geen seconde meer, en vlucht! De zweepdragers, +die uitgezonden zijn om u in hechtenis te nemen, volgen mij op de +hielen! Denk aan Sappho, en geloof mij als ik u zeg, dat gij, door +nog een oogenblik te aarzelen, uwe dubbele onvoorzichtigheid met den +dood zult bekoopen." + +»Maar Cresus, ik heb...." + +»Gij hebt de wet van dit land, van dit hof met voeten getreden en +althans in schijn de eer van uw broeder gekrenkt...." + +»Wat zegt gij?" + +»Vlucht, vlucht, zeg ik u! Want, al waart gij ook met de meest +onschuldige bedoeling op de hangende tuinen en bij de Egyptische +geweest, zoo zoudt gij toch alles te vreezen hebben. Hoe kondet gij, +die de opvliegendheid van Cambyzes kent, toch zoo dwaas wezen, zijn +uitdrukkelijk verbod te overtreden?" + +»Ik begrijp er niets van! Ik...." + +»Geene uitvluchten! Pak u weg! Gij weet niet dat Cambyzes u reeds +lang met een jaloersch oog aanziet, en dat uw nachtelijk bezoek bij +de Egyptische...." + +»Sedert Nitetis hier is, heb ik op de hangende tuinen geen voet gezet!" + +»Maak thans uwe overtreding niet nog erger door een leugen. Ik...." + +»Maar ik zweer u...." + +»Wilt gij eene daad van lichtzinnigheid door meineed tot eene misdaad +maken? De zweepdragers komen reeds, vlucht, vlucht!" + +»Ik blijf, want ik houd mij aan mijn eed." + +»Verblinde! Weet dat ik zelf, Hystaspes en andere Achaemeniden, u, +nog geen uur geleden, op de hangende tuinen gezien hebben...." + +Bartja liet zich in zijne verbazing, haast zonder het te bemerken, +door den grijsaard voortleiden; doch toen hij diens laatste woorden +had vernomen, bleef hij staan, riep zijne vrienden naderbij, en +zeide: »Cresus beweert, dat hij mij, nog geen uur geleden, op de +hangende tuinen heeft gezien. Gelijk gij allen weet, heb ik sedert +het ondergaan der zon deze plaats niet verlaten. Bevestigt hem toch +door ulieder getuigenis, dat hier een booze Diw met onzen vriend en +wie met hem waren zijn spel moet hebben gespeeld!" + +»Ik zweer u, vader," riep Gyges, »dat Bartja sedert de laatste uren +dezen tuin niet verlaten heeft!" + +»Dat bezweren wij allen," verzekerden Araspes, Zopyrus en Darius +levendig, als uit éen mond. + +»Wilt ge allen mij bedriegen, mij, uw besten vriend?" hernam Cresus op +klagenden toon, den een na den ander verwijtend aanziende. »Gelooft gij +dan, dat ik blind of krankzinnig ben? Meent gij dan, dat uw getuigenis +de verklaring der edelste grijsaards, van Hystaspes, Gobryas, +Intaphernes en den opperpriester Oropastes zal kunnen ontzenuwen? In +spijt van ulieder valsche eeden, die zelfs uwe vriendschap voor Bartja +niet billijken kan, is hij een kind des doods, als hij niet vlucht!" + +»Angramainjus moge mij verderven," riep de oude Araspes, den angstigen +grijsaard in de rede vallend, »als de zoon van Cyrus de laatste uren +op de hangende tuinen is geweest." + +»Noem mij uw zoon niet meer," liet Gyges volgen, »als ons getuigenis +valsch is." + +»Bij de eeuwige sterren!" wilde Darius uitroepen, als Bartja de door +elkander schreeuwenden het stilzwijgen oplegde, en met vaste stem +zeide: »Ginds komt eene afdeeling van de lijfwacht den tuin in. Ik +zal gevangen genomen worden en kan niet vluchten; omdat ik, onschuldig +zijnde, juist daardoor den schijn van schuld op mij zou laden. Bij de +ziel mijns vaders, bij de blinde oogen mijner moeder, bij het reine +licht der zon, zweer ik u, Cresus, dat ik u niet bedrieg!" + +»Zal ik u gelooven, ondanks het getuigenis mijner beide oogen, die +mij tot heden nog nooit bedrogen hebben? Ik wil u gelooven, jongeling, +want ik heb u lief en eer u. Of gij schuldig, dan wel onschuldig zijt, +weet ik niet en wil ik ook niet weten. Maar dit weet ik, dat gij +vluchten moet, in allerijl vluchten! Gij kent Cambyzes! Mijn wagen +wacht voor de poort. Ontzie de paarden niet, maar vlucht! De soldaten +schijnen te weten wat het doel uwer gevangenneming is, want het is +ontwijfelbaar dat zij zoo talmen, ten einde u, hun lieveling, den +tijd te laten om te ontkomen. Vlucht! vlucht! of het is met u gedaan!" + +»Vlucht, Bartja!" riep ook Darius, terwijl hij zijn vriend vooruit +drong, »en denk aan de waarschuwing, die de hemel zelf u in +sterrenschrift heeft gegeven." + +Bartja schudde echter zwijgend het hoofd, en zeide, terwijl hij +de vrienden afwees, die zich om zijnentwil zoo verontrustten: »Ik +ben nog nooit gevloden, en heb mij voorgenomen ook in deze ure pal +te staan. Lafheid schijnt mij vreeselijker dan de dood, en liever +lijd ik van anderen onrecht, dan dat ik mij zelven met schande zou +overladen.--Daar zijn de soldaten. Wees welkom Bischen! Moet gij mij +gevangen nemen? Ja? Wacht dan een oogenblik, tot ik mijn vrienden +vaarwel heb gezegd." + +Bischen, een oud hoofdman van Cyrus, die Bartja het eerste onderricht +had gegeven in het pijlschieten en speerwerpen, die in den krijg +tegen de Tapoeren aan zijne zijde had gestreden, en hem liefhad +als zijn eigen zoon, viel den jongeling in de rede, zeggende: »Gij +behoeft van uwe vrienden geen afscheid te nemen, want de koning, die +buiten zichzelven is van razernij, heeft mij bevolen, u, en allen, +die ik bij u mocht vinden, in hechtenis te nemen." + +Daarop liet hij fluisterend volgen: »De koning is woedend, en bedreigt +uw leven. Gij moet vluchten. Mijne lieden gehoorzamen mij blindelings +en zullen u niet vervolgen; ik ben echter oud en Perzië verliest er +niets bij, als ik met mijn hoofd mijne ongehoorzaamheid boeten moet." + +»Ik dank u, vriend," hernam Bartja, diep geroerd over dit blijk +van gehechtheid, »maar ik kan uw offer niet aannemen, want ik ben +onschuldig, en weet dat Cambyzes wel opvliegend, maar volstrekt niet +onrechtvaardig is. Komt, vrienden, ik geloof dat de koning ons nog +heden in het verhoor zal nemen." + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + +Twee uren later stonden Bartja en zijne vrienden voor den +koning. Doodsbleek en met holle oogen zat de sterke man op zijn +gouden zetel, waarachter twee lijfartsen, die allerlei vaatwerk en +instrumenten in de handen hielden, stonden. Cambyzes toch was eerst +voor eenige minuten weer tot zijn bewustzijn gekomen, nadat hij langer +dan een uur, onder een aanval dier vreeselijke krankheid, die lichaam +en ziel beiden uitput en sloopt, en die wij met den naam van vallende +ziekte of epilepsie bestempelen, had neergelegen. Sedert de aankomst +van Nitetis was hij van zulke aanvallen verschoond gebleven, maar heden +had de ziekte, tengevolge van gemoedsbewegingen van de laatste uren, +hem met vernieuwde woede aangegrepen [296]. + +Had hij Bartja een paar uur geleden ontmoet, hij zou hem met eigen hand +gedood hebben. Het toeval had evenwel zijne woede, zoo al niet geheel +neergezet, dan toch in zooverre doen bedaren, dat hij in staat was +beschuldigers en beschuldigden beiden te hooren. Rechts van den troon +stonden Hystaspes, de grijze vader van Darius, Gobryas, de toekomstige +schoonvader van dezen, de hoogbejaarde Intaphernes, de grootvader van +Phaedime, die ter wille van de Egyptische 's konings gunst verloren +had, de opperpriester Oropastes, Cresus, en achter dezen Boges, de +overste der eunuchen. Links stonden Bartja, wiens handen met zware +ketenen beladen waren, Araspes, Darius, Zopyrus en Gyges. Meer op den +achtergrond bevonden zich honderden waardigheidbekleeders en grooten. + +Na lang het stilzwijgen bewaard te hebben, hief de koning zijne +oogen op, liet ze een oogenblik vol afkeer en toorn op den geketenden +jongeling rusten, en sprak dan met doffe stem: + +»Opperpriester, zeg ons, wat hem te wachten staat, die zijn broeder +bedriegt, den koning onteert en beleedigt en zijn hart met zware +leugens bevlekt!" + +Oropastes trad vooruit en antwoordde: »Hem wacht, zoodra hij van zijne +misdaden overtuigd zal zijn, een pijnlijken dood in deze wereld en +een vreeselijk oordeel op de brug Schinvât [297]; want hij heeft de +hoogste geboden overtreden en, omdat hij drie misdaden begaan heeft, +de genade onzer wet verbeurd, welke hem die slechts eenmaal zondigt, +al ware het maar een slaaf, het leven laat behouden [298]." + +»Derhalve is Bartja des doods schuldig! Voert hem weg, wachters, +en verworgt hem! Voert hem weg!--Zwijg, ellendeling, ik wil +uw huichelachtig geteem nimmermeer hooren, nimmermeer in deze +leugenachtige oogen zien, die slechts tot verleiding geschapen zijn +en den Diws hunnen oorsprong danken. Voort met hem, wachters!" + +De hoofdman Bischen naderde, om het bevel ten uitvoer te leggen. Thans +trad echter Cresus voor den koning, wierp zich voor den troon neder, +raakte den grond met het voorhoofd aan, hief de handen smeekend op en +sprak: »Ieder jaar, iedere dag brenge u niets dan geluk! Aoeramazda +schenke u al het goede des levens en de Amescha Çpenta mogen de +wachters van uw troon zijn! Sluit uw oor niet voor de woorden van een +grijsaard, en bedenk dat Cyrus, uw vader, mij als uw raadsman heeft +aanbevolen. Gij wilt uw broeder doen ombrengen; ik waarschuw u echter +aan uw toorn geen gehoor te geven, maar met al de kracht die in u is +u zelven te beheerschen! Bedachtzaamheid is de plicht van wijzen en +koningen. Wacht u wel het bloed van een broeder te vergieten, want +weet, dat de dampen er van opstijgen ten hemel en tot wolken worden, +die al de dagen van een moordenaar verduisteren, en eindelijk den +bliksem der wrake op hem nederslingeren. Maar ik weet dat gij richten +en niet moorden wilt. Handel dus naar de wijze van hen, die bij het +rechtspreken beide partijen hooren, alvorens uitspraak te doen. Hebt +gij dit gedaan, is de misdadiger overtuigd geworden en heeft hij zijn +schuld moeten belijden, dan zal de bloedwolk uw levensstroom niet meer +verduisteren, maar u beschaduwen. In de plaats van de straf der goden +zult gij u den roem verwerven van een verstandig rechter te zijn." + +Cambyzes hoorde den grijsaard zwijgend aan, wenkte Bischen om terug +te treden, en beval Boges zijn aanklacht te herhalen. + +De eunuch boog en begon: »Ik was ziek, en moest daarom het opzicht +over de Egyptische opdragen aan mijn ambtgenoot Candaules, die zijne +onachtzaamheid met den dood bekocht. Tegen den avond voelde ik mij +veel beter, en beklom dus de hangende tuinen, om te zien of alles in +orde was, en de zeldzame bloem, die dezen nacht in bloei moest staan, +in oogenschouw te nemen. De koning, wien Aoeramazda zege verleene, +had geboden de Egyptische strenger te bewaken dan anders, wijl zij +zich vermeten had den edelen Bartja een brief..." + +»Zwijg," viel de koning den eunuch in de rede, »en blijf bij de zaak!" + +»Toen de Tistar-ster was opgegaan, kwam ik op de tuinen, en stond +eenigen tijd met deze edele Achaemeniden, den opperpriester en den +koning Cresus bij de blauwe lelie, want die was inderdaad betooverend +schoon. Daarop riep ik mijn ambtgenoot Candaules, en vroeg hem, +in tegenwoordigheid dezer aanzienlijke getuigen, of alles in orde +was. Hij beantwoordde deze vraag toestemmend, en voegde er bij, dat +hij juist van Nitetis kwam, die den ganschen dag geweend had en drank +noch spijze had willen gebruiken. Bezorgd voor de gezondheid mijner +hooge gebiedster, droeg ik Candaules op een geneesheer te halen, +en juist wilde ik, om mij zelven van den toestand uwer gemalin te +overtuigen, van de edele Achaemeniden afscheid nemen, toen ik in +den maneschijn eene mannelijke gedaante gewaar werd. Ik was zoo zwak +tengevolge der doorgestane koorts, dat ik ter nauwernood staan kon, +en had niemand tot hulp bij mij dan den tuinman. + +»Mijne onderhoorigen hielden op grooten afstand van ons, aan de +ingangen de wacht. Ik klapte in de handen, om te waarschuwen dat er +onraad was, en toen zij niet verschenen, naderde ik het huis, door +deze edelen vergezeld. De mannelijke gedaante stond voor de vensters +der Egyptische, en liet, toen wij in dezelfde richting voortwandelden, +een zacht gefluit hooren. Aanstonds verscheen, duidelijk zichtbaar +bij het heldere maanlicht, eene tweede gedaante, die uit het venster +van het slaapvertrek der Egyptische in den tuin sprong, en met haren +geleider ons te gemoet kwam. + +»Wie beschrijft mijne verbazing toen ik in den indringer den edelen +Bartja herkende. Een vijgenboschje onttrok de vluchtenden voor een +oogenblik aan ons gezicht. Eene minuut later snelden zij voorbij, +op geen vier schreden afstands van ons. zoodat wij gelegenheid hadden +hen nogmaals goed op te nemen. Terwijl ik mij nog bedacht, of ik wel +het recht had aan een zoon van Cyrus de handen te slaan, en Cresus +hem bij zijn naam riep, verdwenen de vluchtelingen plotseling achter +een cypres. Wij volgden hen, en zochten lang, doch te vergeefs naar +de op onverklaarbare wijze ontkomenen. Toen ik terstond daarop het +huis onderzocht, vond ik de Egyptische in onmacht op den divan in +haar slaapvertrek liggen." + +Al de aanwezigen luisterden in angstige spanning. Cambyzes verbeet +zich van woede, en vroeg met een verschrikkelijke stem: »Kunt gij de +woorden van den eunuch bevestigen, Hystaspes?" + +»Ja!" + +»Waarom hebt gij den misdadiger niet gevat?" + +»Wij zijn krijgslieden, maar geene gerechtsdienaars." + +»Zeg liever: wij hebben dien knaap liever dan onzen koning." + +»Wij eeren u, maar hebben een afschuw van den misdadigen Bartja, +gelijk wij den schuldeloozen zoon van Cyrus liefhadden." + +»Zijt gij wel zeker, dat Bartja die indringer was?" + +»Ja!" + +»En gij, Cresus, kunt gij mijne vraag ontkennend beantwoorden?" + +»Neen. Ik geloof in den maneschijn uw broeder, even duidelijk als hij +hier voor mij staat, gezien te hebben; en toch schijnt het mij, dat wij +allen door een onverklaarbaar gezichtsbedrog misleid zijn geworden." + +Bij deze woorden verbleekte Boges, die tot dusverre in zijn vuistje +had gelachen. Cambyzes schudde echter afkeurend het hoofd, en zeide: +»Wie zou ik mogen gelooven, wanneer de oogen mijner beproefde helden +zich hebben kunnen bedriegen? Wie zou nog rechter kunnen wezen, +wanneer getuigenissen, als de uwe, niet meer van kracht zijn?" + +»Andere getuigen, wier verklaring even geldig is, zullen u bewijzen, +dat wij stellig en zeker gedwaald moeten hebben." + +»Wie waagt het voor dezen misdadiger in de bres te springen?" vroeg +Cambyzes, terwijl hij opvloog en stampvoette van drift. + +»Wij!" »Ik!" »Wij!" riepen Araspes, Darius, Gyges en Zopyrus, als +uit éen mond. + +»Verraders, schurken!" schreeuwde de koning. Als echter zijn oog +den kalmen, afkeurenden blik van Cresus ontmoette, daalde zijne stem +aanmerkelijk, en sprak hij: »Wat hebt gijlieden dan ten gunste van +dezen misdadiger in te brengen? Bedenk u wel, eer gij spreekt, en +acht de straf die den valschen getuige bedreigt, niet te licht." + +»Wij hebben deze waarschuwing niet van noode," zeide Araspes; »maar +wij kunnen bij Mithra bezweren, dat wij, nadat we van de jacht tehuis +gekomen zijn, Bartja en zijn tuin geen oogenblik verlaten hebben." + +»En," liet Darius volgen, »ik, de zoon van Hystaspes, kan de +onschuld van uw broeder zonneklaar bewijzen, want ik sloeg met hem +de Tistar-ster gade, wier licht, volgens het getuigenis van Boges, +zijne vlucht moet hebben begunstigd." + +Hystaspes keek na deze verklaring zijn zoon met verbazing en vragend +aan. Cambyzes wendde, onderzoekend en besluiteloos, nu eens den blik +naar de eene dan naar de andere partij, die beide zoo volkomen zeker +waren van hunne zaak en elkander toch niet gelooven konden. + +Bartja had tot hiertoe gezwegen, en slechts weemoedig neergezien +op de ketenen, die zijne handen boeiden. Hij maakte nu gebruik van +de heerschende stilte, en zeide, terwijl hij diep ter aarde boog: +»Veroorlooft ge mij, eenige woorden te spreken mijn koning?" + +»Spreek!" + +»Onze vader gaf ons het voorbeeld, om slechts het goede en reine na te +streven; daarom was mijn wandel tot hiertoe onbevlekt. Kunt gij mij van +eene enkele booze handeling overtuigen, zoo geloof mij niet. Vindt gij +evenwel geene vlekken op mijn verleden, zoo vertrouw mijne woorden, +en overweeg, dat een zoon van Cyrus liever sterft dan een leugen te +spreken. Ik erken dat nog nooit een rechter in moeilijker toestand +verkeerde, dan gij thans. De besten van uw rijk getuigen tegen +den beste, de vriend tegen den vriend, de vader tegen den zoon. Ik +echter zeg u dat, wanneer geheel Perzië zijne hand tegen u ophief, +en allen bezweren wilden: Cambyzes heeft dit of dat bedreven, en +gij verzekerdet: 'Ik deed het niet,' ik, Bartja, geheel Perzië zou +logenstraffen en zeggen: Gij zijt allen valsche getuigen, want eer +zal de zee vuur uitwerpen, dan de mond eens zoons van Cyrus leugens +verkondigen! Wij beiden zijn van zoo hooge geboorte, dat gij slechts +tegen mij, gij echter alleen tegen u zelven moogt getuigen." + +Cambyzes zag na deze woorden minder toornig op zijn broeder neder. Deze +vervolgde: »ik bezweer u dus, bij Mithra en alle reine geesten, +mijne onschuld. Wanneer ik, sedert mijne terugkomst uit Egypte, op de +hangende tuinen ben geweest, wanneer mijn mond u thans leugens vertelt, +dan moge het leven mij ontnomen worden, en ik zonder nakomelingschap +ten grave dalen!" + +Bartja had dezen eed op zulk een vasten, overtuigenden toon afgelegd, +dat Cambyzes gebood hem zijne ketenen af te nemen. Na zich nog +eene wijle bezonnen te hebben, zeide hij: »Ik wil u gelooven, want +het is mij niet mogelijk u voor den verdorvenste aller menschen te +houden. Morgen zullen wij de sterrenwichelaars, zieners en priesters +raadplegen. Wellicht kunnen zij de waarheid aan den dag brengen. Ziet +gij eenig licht in deze duisternis, Oropastes?" + +»Uw knecht vermoedt, dat een Diw de gestalte van Bartja heeft +aangenomen, om uw broeder in het ongeluk te storten en uwe koninklijke +ziel met het bloed van den zoon uws vaders te bevlekken." + +Cambyzes en al de aanwezigen gaven door een teeken te kennen dat +zij hiermede instemden; ja, reeds wilde de koning zijn broeder de +hand reiken, toen een stafdrager binnentrad, en den koning een dolk +overhandigde. Een eunuch had dien onder het venster van Nitetis' +slaapvertrek gevonden. + +Cambyzes beschouwde het wapen, waarvan het kostbare gevest met robijnen +en turkooizen rijk bezet was, met onderzoekenden blik. Op eens werd +hij doodsbleek en wierp den dolk met zulk eene kracht voor de voeten +van zijn broeder, dat de edelgesteenten uit hunne kassen sprongen. + +»Dit is uw dolk, ellendeling!" brulde hij, en vloog andermaal in woeste +drift op. »Heden morgen hebt gij er den ever, dien ik geveld had, +den laatsten stoot mede gegeven. Ook gij, Cresus, moet hem kennen, +want mijn vader nam hem uit uwe schatkamer te Sardes. Thans zijt gij +overtuigd, gij, leugenaar en bedrieger! De Diws hebben geene wapenen +van noode en dolken als deze zijn niet overal te vinden. Gij grijpt +naar uw gordel? Gij verbleekt? Uw mes is verdwenen?" + +»Het is weg. Ik moet het verloren hebben, en een vijand van mij..." + +»Bind hem, boei hem, Bischen! Leid den verrader en zijne valsche +getuigen naar den kerker! Morgen worden ze allen geworgd. De dood +is de straf voor den meineed. Als zij ontkomen, dan verbeuren de +wachters hunne hoofden. Geen woord wil ik meer hooren; voort met u, +meineedige schurken! Gij Boges, spoedt u naar de hangende tuinen, +en breng de Egyptische vóor mij.--Maar neen, ik wil de slang niet +meer zien. Weldra breekt de morgen aan; omstreeks den middag zal de +verraderes met zweepslagen door de stad gedreven worden. Dan wil ik.." + +Hier verstomde de koning. Hij stortte op den marmeren vloer neder. Een +nieuwe aanval der vreeselijke ziekte had hem getroffen. + +In dit schrikkelijk oogenblik trad de blinde Cassandane, door den +grooten veldheer Megabyzus geleid, de zaal binnen. Het bericht +van het voorgevallene was tot in haar stil vertrek doorgedrongen, +en dadelijk had zij zich, ondanks dit nachtelijk uur, gereed +gemaakt om, zoo mogelijk, achter de waarheid te komen, en haar +eerstgeborene voor overijling te waarschuwen. Vast en onwankelbaar +was hare overtuiging betreffende de onschuld van Bartja en Nitetis, +schoon zij het raadselachtige in het gedrag der laatste, en van de +verschijning des eersten op de hangende tuinen niet vermocht op te +lossen. Bij herhaling had zij beproefd met de Egyptische een onderhoud +te hebben, doch het had haar niet mogen gelukken. Toen zij eindelijk +in persoon naar de hangende tuinen was gegaan, hadden de wachters de +stoutmoedigheid gehad haar af te wijzen. + +Cresus trad de edele vrouw te gemoet, deelde haar in vergoelijkende +bewoordingen mede, wat er had plaats gegrepen, versterkte de blinde +in haar geloof aan de onschuld der aangeklaagden, en leidde haar naar +het rustbed van haar zoon, den koning. + +De aanval der ziekte was ditmaal niet van langen duur. Uitgeput en +bleek lag hij op zijn gouden rustbed, onder een purperzijden dek. Naast +hem zat zijne blinde moeder, aan het voeteneind stonden Cresus +en Oropastes en aan het andere einde der zaal beraadslaagden vier +lijfartsen [299], zacht fluisterend, over den toestand van den lijder. + +Cassandane vermaande haar zoon met liefderijke woorden, om zich +toch te wachten voor dat hartstochtelijk opvliegen, en te bedenken, +hoe noodlottig iedere nieuwe vlaag van drift voor zijne gezondheid +moest zijn. + +»Gij hebt gelijk, moeder," antwoordde de koning, op smartelijken +toon. »Het zal noodig zijn alles wat mijne drift gaande maakt uit +den weg te ruimen. De Egyptische moet sterven, en mijn verraderlijke +broeder zal zijne boeleerster volgen." + +Cassandane gebruikte al hare welsprekendheid, om de onschuld der +veroordeelden te bewijzen en den woedenden man neder te zetten. Maar +beden, noch tranen, noch moederlijke vermaningen waren in staat +Cambyzes te doen wankelen in zijn besluit, om zich namelijk te ontdoen +van de gewaande moordenaars van zijn geluk en zijne rust. + +Eindelijk belette Cambyzes de weeklagende vrouw met hare verdediging +voort te gaan, en zeide: »Ik gevoel mij doodelijk afgemat, en kan +uw snikken en kermen niet meer aanhooren. De schuld van Nitetis is +bewezen. Een man heeft tegen den nacht haar slaapvertrek verlaten, +en deze man was geen dief, maar de schoonste van alle Perzen, aan +wien zij gisterenavond beproefd heeft een brief te doen toekomen." + +»Kent gij den inhoud van dat schrijven?" waagde Cresus te vragen, +terwijl hij het bed naderde. + +»Neen, het is in 't Grieksch gesteld. De trouwlooze kiest voor hare +misdadige boodschappen teekens, die niemand aan dit hof bij machte +is te ontcijferen." + +»Veroorlooft gij mij den brief voor u te vertolken?" + +Cambyzes wees met de hand op een elpenbeenen kastje, waarin het +gewichtig schrijven geborgen was, en zeide: »Neem en lees! Maar +verzwijg mij geen enkel woord, want morgen zal ik den brief nogmaals +door een der kooplieden van Sinope, die te Babylon wonen, doen +voorlezen." + +Cresus ademde nu weder vrijer. Nieuwe hoop bezielde hem, terwijl hij +den brief ontrolde. Maar als hij die gelezen had, stonden er tranen in +zijne oogen en zijne lippen fluisterden: »De sage van Pandora behelst +dan toch waarheid, en ik heb geene reden meer mij te vertoornen +op de dichters, die de vrouwen beschimpen [300]. Alle, alle zijn +valsch en trouwloos!--O, Cassandane, hoe misleiden ons de goden. Zij +schenken ons een hoogen ouderdom; maar alleen om ontbladerd te worden, +gelijk de boomen als de winter nadert, en om ons te doen ondervinden, +dat alles, wat wij voor goud hielden slechts koper is, dat hetgeen +waarvan wij verkwikking en sterkte verwachtten, enkel gif bevat!" + +En hij stortte zulk een vloed van tranen, dat hij de letters nauwelijks +kon onderscheiden. Cassandane weende met hem en scheurde haar kostbaar +gewaad. Cambyzes echter balde de vuisten, als Cresus met bevende stem +de volgende woorden las: + +»Nitetis, dochter van Amasis van Egypte, aan Bartja, zoon van den +grooten Cyrus. + +»Ik heb u, maar u alleen iets gewichtigs te zeggen. Morgen spreek ik u +misschien bij uwe moeder. Gij hebt het in uwe hand, een arm beminnend +hart te troosten en het alvorens het sterft, een gelukkig oogenblik +te doen smaken. Ik heb u vele en zeer treurige dingen mede te deelen, +en herhaal dus, dat ik u spoedig spreken moet." + +Het gelach van Cambyzes, dat klonk als de lach van een waanzinnige, +sneed Cassandane door de ziel. Zij boog zich over hem heen en +wilde een kus op zijn voorhoofd drukken; doch hij weerde hare +liefkoozingen af, met te zeggen: »Het is een twijfelachtige eer, +tot uwe lievelingen te behooren. Bartja heeft zich door de verraderes +niet tweemaal laten roepen, en zich door valsche eeden onteerd. Zijne +vrienden, de bloem onzer jongelingschap, hebben zich om zijnentwil +met onuitwischbare schande bedekt, en uwe meest geliefde dochter is +door hem.... Maar neen, Bartja heeft aan den misdaad van dit monster, +dat de gestalte eener Peri heeft aangenomen, geene schuld. Haar +leven was een samenweefsel van huichelarij, leugen en bedrog. Haar +dood zal u bewijzen, dat ik weet te straffen. Verlaat mij thans, +ik moet alleen zijn." + +Nauw hadden zich de aanwezigen verwijderd of Cambyzes sprong van zijne +legerstede op, en vloog als een razende het vertrek op en neder, totdat +de heilige vogel Parôdar het aanbreken van den dag verkondde. Toen +de zon was opgegaan, legde hij zich wederom te bed en verzonk in een +vasten slaap, die hem echter verkwikking noch rust kon schenken. + + + +Intusschen zaten de jeugdige gevangenen en de oude Araspes, nadat +Bartja Gyges een afscheidsbrief aan Sappho in de pen had gegeven, +onder een beker wijn bij elkander. »Laat ons vroolijk zijn," riep +Zopyrus; »want ik geloof, dat het met de vreugde spoedig gedaan zal +zijn! Ik wil niet langer leven, als wij morgenochtend niet allen, +zoo als wij hier zitten, dood zijn. Jammer dat wij menschen maar éen +hals hebben; hadden wij er twee, dan zou ik meer dan éen goudstuk +voor ons leven verwedden." + +»Zopyrus heeft gelijk," voegde Araspes er bij; »we moeten vroolijk +zijn, en de oogen ter dege openhouden, want ze zullen zich spoedig +genoeg en wel voor altijd sluiten." + +»Wie onschuldig den dood tegengaat, heeft geen reden om te treuren," +zeide Gyges. »Vul den beker, schenker!" + +»Hé, Bartja en Darius!" riep Zopyrus dezen toe, die zich fluisterend +met elkaar onderhielden. »Hebt gijlieden weer geheimen? Komt naderbij +en neemt den beker. Ik heb, bij Mithra, nog nooit naar mijn dood +gewenscht, heden echter verbeid ik met vreugde den zwarten Azis [301], +want hij zal ons allen tegelijk van de aarde doen verdwijnen. Zopyrus +sterft liever met zijne vrienden, dan dat hij zonder hen zou willen +leven." + +»Vóor alle dingen," zeide Darius, nu hij met Bartja plaats nam in +den kring der drinkers, »moeten wij beproeven het voorgevallene +te verklaren." + +»Mij is het onverschillig," riep Zopyrus, »of ik met dan zonder +deze opheldering sterf, zoo ik slechts weet, dat ik onschuldig ben, +en de dood van een valsch getuige niet verdiend heb. Bezorg ons +gouden bokalen, Bischen! Uit deze ellendige ijzeren kroezen smaakt +de wijn niet. Al verbiedt Cambyzes onzen vrienden en vaders ook ons +te bezoeken, hij zal toch wel niet van ons vergen, dat wij in onze +laatste levensuren gebrek lijden." + +»Niet de slechte beker, maar het smartelijke dat er in ligt zoo jong +te moeten sterven, verbittert u den wijn," zeide Bartja. + +»Zoo waar ik nog leef, neen!" riep Zopyrus. »Ik had bijna reeds +vergeten, dat op het worgen gewoonlijk de dood volgt." Dit gezegd +hebbende, stiet hij Gyges aan, en fluisterde dezen in: »Wees toch wat +opgeruimder! Ziet gij dan niet dat onzen Bartja het scheiden van de +aarde moeilijk valt? Wat zegt gij, Darius?" + +»Ik houd het er voor, dat het is gelijk Oropastes vermoedt, dat een +booze Diw Bartja's gestalte heeft aangenomen, en tot de Egyptische +is gegaan om ons in 't ongeluk te storten." + +»Dwaasheid, ik geloof niet aan zulke dingen." + +»Herinnert gij u niet de sage van koning Kawoes, aan wien ook een +Diw verscheen, in de schoone gestalte van een dichter?" + +»Zeker!" riep Araspes. »Cyrus liet deze sage zoo dikwijls onder den +maaltijd zingen, dat ik ze van buiten ken. Wilt gij ze hooren?" + +»Gaarne, gaarne! Zing op! Laat hooren!" riepen de jongelingen. Een +oogenblik bedacht Araspes zich, dan begon hij, halfsprekend, +halfzingend: + + + "Als Kawoes koning was van 't Perzisch rijk, + En er geen koning was aan hem gelijk. + Als hij de wereld voor zich beven zag, + Van pracht en rijkdom zich omgeven zag, + Zijn troon met goud en paarlen zag getooid, + Zijn kroon met diamanten overstrooid, + Zijn Thasir-paarden van het edelst bloed, + Zoo werd hij trotsch, en zwol van overmoed. + + Eens toen hij op zijn geurig rustbed zat, + En zich verzaadde aan fonklend druivennat + Vertoonde een Diw zich aan de poort van 't hof, + In zangerdos gehuld, en vroeg verlof + Om tot den koning in 't paleis te gaan: + 'Ik ben een zanger uit Masenderan [302],' + Zóo klonk zijn taal; 'ontga mij 't voorrecht niet + Des konings oor te streelen met mijn lied.' + 't Gedwee verzoek vond bij den koning gunst. + "Hij nader," sprak de vorst, "en toon zijn' kunst!" + Toen kwam de Diw en sloeg de snaren aan, + En zong dit loflied op Masenderan." + + +»Wilt gij het lied van Masenderan hooren?" + +»Zing steeds voort!" + + + "O vaderland, u klinkt mijn lied ter eer; + De zegen Gods dale op uw vlakten neer, + Waar zich de roos in wonderpracht ontplooit, + Waar anemoon en tulp de heuvlen tooit, + Waar 't groenend veld in eeuwgen feestdos prijkt, + De lentelucht voor koû noch hitte wijkt, + De nachtegaal in 't loof der wouden zingt, + De hinde langs den rug der bergen springt, + De lucht steeds klaar is en het leven zoet, + Waar alles zwemt in geur en kleurengloed, + Waar rozenwater stroomt door beek en vliet, + En weelde en wellust in de zielen giet;-- + Daar groeit de bonte tulp in elk seizoen: [303] + Daar slingert, tusschen nooit verwelkend groen, + De zilvren vloed zich voort; daar is de jacht + Nooit vruchteloos en toont de valk zijn kracht. + Daar schittert alles. Louter goud is daar + Het hoofdsieraad der achtbre priesterschaar. + De grooten spreiden er hun glans ten toon + In gouden borstborduursels, rijk en schoon. + Wie dáar den toegang zich geweigerd ziet, + Die kent het waar geluk des levens niet." [304] + + +»En Kai Kawoes luisterde naar de woorden van den Diw, die in de +gestalte van een zanger tot hem gekomen was en trok naar Masenderan, +alwaar hij door de Diws geslagen en van zijn gezicht beroofd werd." + +»Maar," viel Darius in, »Rustem, de groote held kwam, en sloeg den +Erscheng en de andere booze geesten, en bevrijdde den gevangene, en gaf +den blinde het gezicht weder, door hem het bloed der gedoode Diws in de +oogen te druppelen. Evenzoo zal het ons gaan vrienden! Wij gevangenen +zullen bevrijd, Cambyzes en onzen met blindheid geslagen vaders zullen +de oogen geopend worden, zoodat zij onze onschuld erkennen. Hoor +eens, Bischen, wanneer wij toch ter dood gebracht worden, ga dan tot +de magiërs, de Chaldeërs en den Egyptenaar Nebenchari, en zeg hun, +dat zij nimmermeer naar de sterren moeten opzien, want dat Darius ze +heeft leeren kennen als leugenaars en bedriegers." + +»Ik heb het altijd wel gezegd," viel Araspes hem in de rede, »dat +slechts droomen ons de toekomst kunnen onthullen. Voordat Abradat +in den slag voor de muren van Sardes viel, zag de onvergelijkelijke +Panthea in den droom, hoe hij door een Lydischen pijl doorboord werd." + +»Gruwzaam mensch!" riep Zopyrus. »Moet gij er ons aan herinneren, +dat het vrij wat schooner is op het slagveld te sterven, dan met den +hals in een strop?" + +»Gij hebt volkomen gelijk!" antwoordde de oude; »ik heb menigeen zien +sterven, wiens dood mij verreweg verkieselijker voorkwam dan de onze, +ja, dan het leven zelfs. Ach, kinderen, daar zijn veel betere tijden +geweest, dan de tegenwoordige." + +»Vertel ons iets uit die dagen!" + +»Verhaal ons, waarom gij nooit gehuwd zijt geweest. In de andere +wereld zal het u niet schaden, zoo wij soms uw geheim openbaar maken." + +»Ik heb geene geheimen; want hetgeen gij wilt, dat ik u verhalen zal, +kan ieder uwer vaders u mededeelen. Luistert dan!--Toen ik jong was, +vermaakte ik mij met de vrouwen, maar dreef den spot met de liefde. Nu +wilde het toeval dat Panthea, de schoonste van alle vrouwen, in onze +handen viel. Cyrus stelde mij tot haar bewaker aan, omdat ik mij +meermalen beroemd had een onkwetsbaar hart te hebben. Ik zag Panthea +dagelijks, en, mijne vrienden, ik deed de ervaring op, dat de liefde +sterker is dan onze wilskracht. Zij wees mijne aanzoeken af, bewoog +Cyrus mij uit hare nabijheid te verwijderen, en een verbond te sluiten +met haar echtgenoot Abradat. De trouwe, edele vrouw tooide daarna +haar gade, toen hij ten strijde toog, met al wat zij kostbaars had, +en zeide, dat hij de deugd van Cyrus, die haar als gevangene gelijk +eene zuster behandeld had, slechts met zelfopofferende vriendschap en +de grootste dapperheid vergelden kon. Abradat dacht gelijk zijne vrouw, +streed als een leeuw voor Cyrus, en viel. Bij zijn lijk doodde Panthea +zich zelve. Toen hare dienaren dit vernamen, maakten ook zij, bij het +graf der schoonste meesteres, een einde aan hun leven. Cyrus beweende +het edele paar, en liet te hunner eere een lijksteen oprichten, +die tot op den huidigen dag bij Sardes te zien is. Slechts deze +eenvoudige woorden zijn er op vermeld: 'Aan Panthea, aan Abradat, +en aan de trouwsten van alle dienaren!'--Ziet, kinderen, wie eenmaal +zulk een vrouw bemind heeft, kan voorzeker nimmermeer aan een andere +denken." [305] + +De jonge helden hadden den grijsaard zwijgend aangehoord en +bewaarden, nog lang nadat hij had opgehouden met spreken, het +stilzwijgen. Eindelijk hief Bartja de handen ten hemel, en riep: +»O, groote Aoeramazda! Waarom laat gij mij dit leven niet besluiten +als Abradat; waarom moeten wij als moordenaars een schandelijken +dood sterven?" + +Op dit oogenblik trad Cresus, door zweepdragers geleid, met geketende +handen, in den kerker. De vrienden snelden den grijsaard tegemoet, +en bestormden hem met vragen. Gyges wierp zich aan de borst van zijn +vader, en Bartja naderde den door hem zoo hooggeschatten man met +geopende armen. + +Het anders zoo opgeruimd gelaat van den grijsaard was somber en streng; +zijne heldere, zachte oogen stonden dof en bijkans dreigend. Met eene +koele, gebiedende beweging van zijne hand wees hij den koningszoon +terug, en zeide met bevende en verwijtende stem: »Raak mij niet +aan, verblinde knaap! Gij zijt de liefde niet waard, die ik u tot +op heden toedroeg. Trouweloos zonder wedergade, hebt gij uw broeder +bedrogen, uwe vrienden verleid, het arme kind, dat in Naucratis naar +u smacht, verraden, en het hart van de ongelukkige dochter van Amasis +vergiftigd." + +Aanvankelijk luisterde Bartja bedaard en lijdzaam toe; toen echter +Cresus het woord »bedrogen" uitsprak, balde hij zijne vuisten, en +stampvoetende riep hij op woesten toon: »Uwe jaren, uwe zwakheid en +de groote verplichting die ik aan u heb, beschermen u, oude; anders +ware deze uwe hoonende taal uw laatste woord geweest!" + +Cresus hoorde deze uitbarsting van rechtmatigen toorn gelaten aan, +en antwoordde: »Cambyzes en gij zijt van één bloed; dit bewijst +uwe dwaze opvliegendheid. Het ware u echter beter, zoo gij berouw +toondet over uwe euveldaden; zoo ge mij, uw leermeester en vriend, +om vergeving wildet bidden, en niet nog de ondankbaarheid voegdet +bij uwe trouweloosheid." + +Deze woorden deden den toorn van den beleedigden jongeling een weinig +bedaren. Zijne gebalde vuisten zonken krachteloos neder en zijne +wangen werden doodsbleek. + +Aan deze schijnbare teekenen van berouw kon het zachtmoedige hart +van den ouden man geen weerstand bieden. Zijne liefde was sterk +genoeg, dat zij zoowel den schuldigen, als den onschuldigen Bartja +kon omvatten. Hij sloeg zijn arm om 's jongelings hals, en vroeg hem, +gelijk eene moeder haar kind vraagt, als zij op het dierbare gelaat +de sporen van lijden meent op te merken: »Beken mij toch, mijn lieve, +arme zoon, hoe was het mogelijk, dat uw rein hart zich zoo snel aan +den booze overgaf?" + +Bartja hoorde deze woorden huiverend aan. Zijn aangezicht kleurde +zich wederom vuurrood, en zijne ziel werd met wrevel vervuld. Voor de +eerste maal in zijn leven gaf hij het geloof aan de rechtvaardigheid +der goden prijs. Hij noemde zichzelven het slachtoffer van een wreed, +onverbiddelijk noodlot. Hij gevoelde hetzelfde, wat het onschuldige +gejaagde wild moet ondervinden, als het nederstort en het rumoer van +het naderen der honden en jagers verneemt. Zijn teeder gemoed was +nog zoo kinderlijk gestemd, dat hij niet wist hoe zich onder deze +eerste ernstige slagen van het lot te gedragen. Men was er wel op +bedacht geweest zijn lichaam en zijn moed voor den strijd met aardsche +vijanden te harden en te ontwikkelen, maar zijne opvoeders hadden +hem, evenmin als zijn broeder geleerd, de slagen van het lot af te +weren. Want Cambyzes en Bartja schenen toch slechts bestemd te zijn, +om uit den beker van het geluk en der vreugde te drinken. + +Zopyrus kon de diepe neerslachtigheid van zijn vriend niet langer +aanzien. Toornig voerde hij den grijsaard tegen, dat hij hard +en onrechtvaardig was. Gyges zag zijn vader smeekend aan. Araspes +plaatste zich tusschen den bestraffenden grijsaard en den gekrenkten +jongeling. Doch Darius, die een tijd lang al de aanwezigen peinzend +had gadegeslagen, trad met kalm overleg op Cresus toe, en zeide: +»Gij kwetst en beleedigt elkaar, zonder dat de beschuldigde schijnt +te weten, wat men hem ten laste legt, en zonder dat de rechter zijne +verdediging aanhoort. Ik bid u Cresus, deel ons mede ter wille van de +vriendschap die ons tot heden toe aan elkander verbond, wat u toch +bewogen heeft Bartja, aan wiens onschuld gij nog zoo kort geleden +geloofdet, zoo hard te veroordeelen." + +De grijsaard voldeed aan dit verlangen, en verhaalde dat hij een +eigenhandigen brief van de Egyptische gelezen had, waarin zij Bartja +hare liefde belijdt, en tot eene geheime samenkomst uitnoodigt. Zijne +eigene oogen, het getuigenis der eerste mannen in het rijk, ja zelfs +de voor het huis van Nitetis gevonden dolk, dat alles had hem niet van +de schuld van zijn lieveling kunnen overtuigen. Maar die brief was als +een brandende fakkel in zijn hart geworpen, om het laatste overschot +van zijn geloof aan deugd en vrouwelijke reinheid te verteren. + +»Ik verliet den koning," zoo besloot hij, »vast en zeker overtuigd van +de werkelijkheid eener misdadige verbintenis tusschen uw vriend en de +Egyptische, wier hart ik tot nu toe voor den spiegel hield van al wat +goed is en schoon. Kunt ge het mij euvel duiden, dat ik hem berisp, +die dezen helderen spiegel en de niet minder vlekkelooze reinheid +van zijne eigene ziel zoo schandelijk bezoedelde?" + +»Hoe zal ik u mijne onschuld toch bewijzen?" riep Bartja, de +handen wringende. »Zoo gij mij liefhadt, zoudt gij mijne woorden +gelooven. Waart gij mij slechts genegen...." + +»Knaap! om uw leven te redden, heb ik weinige oogenblikken geleden +het mijne verspeeld. Toen ik vernam, dat Cambyzes werkelijk bevel had +gegeven tot uwe terechtstelling, spoedde ik mij tot hem, bestormde hem +met beden, en had de vermetelheid, ziende dat mijn smeeken ijdel was, +den billijk vertoornden man bittere verwijten te doen. Maar op eens +scheurde het dunne weefsel van zijn geduld, en opstuivende gebood hij +den trawanten mij onmiddellijk het hoofd voor de voeten te leggen. De +overste der zweepdragers, Giw, nam mij in hechtenis, doch schonk +mij tot morgen het leven. Hij heeft verplichting aan mij, en zal de +opschorting van het vonnis wel geheim weten te houden. Het verblijdt +mij intusschen, mijne zonen, dat ik u niet behoef te overleven en dat +ik onschuldig sterf. Mocht ik dit laatste ook van u kunnen getuigen!" + +Deze woorden verwekten eene nieuwe uitbarsting van de zijde der +verdachten. + +Alleen Darius bleef andermaal kalm en bedaard, te midden der algemeene +onstuimigheid. Hij verhaalde den grijsaard opnieuw, op welke wijze zij +te zamen den avond hadden doorgebracht, en bewees daardoor nogmaals +de onmogelijkheid van Bartja's schuld. Daarop eischte hij dat Bartja, +dien Cresus van trouweloosheid had beschuldigd, zelf zou spreken. Deze +ontkende zoo stellig en zoo beslissend, dat hij ooit eene samenkomst +met Nitetis zou hebben gehad, en bekrachtigde zijne verklaring met +zulk een duren eed, dat de overtuiging van Cresus begon te wankelen, +en hij ten laatste in het geheel geen geloof meer sloeg aan al de +tegen den jongeren zoon van Cyrus ingebrachte beschuldigingen. Toen +Bartja zweeg, zuchtte de oude man diep, als was zijne borst van een +zwaren last ontheven, en hij sloot den jongeling in zijne armen. + +Hoe zich de vrienden nu verder ook inspanden om het voorgevallene te +verklaren, hun peinzen en gissen bleef zonder vrucht. Hierin waren +allen het eens, dat Nitetis Bartja beminde, en den brief met booze +bedoelingen geschreven had. + +»Wie haar gezien heeft," riep Darius uit,--»op het oogenblik dat +Cambyzes den gasten mededeelde, dat Bartja zich eene vrouw had gekozen, +kan niet langer aan haar hartstocht voor hem twijfelen. Toen zij den +beker liet vallen, hoorde ik den vader van Phaedime reeds zeggen: +de Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde +harer zwagers." + +Gedurende dit gesprek was de zon boven de kim gerezen, en wierp haar +helder, vriendelijk licht in het verblijf der gevangenen. + +»Mithra wil ons het scheiden moeilijk maken," mompelde Bartja. + +»Neen," sprak Cresus, »hij licht ons slechts vriendelijk voor in +de eeuwigheid." + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + +Nitetis, de onschuldige oorzaak van al deze treurige verwikkelingen, +had, sinds den geboortedag van den koning, onbeschrijfelijk smartelijke +uren doorleefd. Na de harde woorden, waarmede Cambyzes de arme +jonkvrouw de deur der zaal had gewezen, wijl haar onverklaarbaar +gedrag zijn ijverzucht had opgewekt, was niet de minste tijding +van haar toornigen geliefde, van zijne moeder of zuster tot haar +gekomen. Sedert zij te Babylon aankwam, was zij iederen dag gedurende +eenige uren met Cassandane en Atossa samengeweest. Toen zij zich tot +de eerwaardige weduwe wilde doen brengen, om deze hare zonderlinge +houding te verklaren, verbood Candaules, haar nieuwe bewaker haar, in +weinige niet zeer eerbiedige bewoordingen, het huis te verlaten. Tot +dusverre had zij zich gevleid, dat eene vrijmoedige openbaring van wat +zij uit den brief harer moeder had vernomen, alle misverstand uit den +weg zou ruimen. In hare verbeelding zag zij Cambyzes reeds, berouw +gevoelende over zijne dwaze ijverzucht, haar om vergeving biddende +en de hand reikende. Eindelijk kwam er een weinig opgeruimdheid in +hare ziel, als zij zich een woord te binnen bracht, eens uit den +mond van Ibycus opgevangen: »Gelijk een krachtig man veel heviger +dan een zwak mensch door de koorts wordt aangetast, zoo oefent de +ijverzucht ook grooteren invloed uit op een waarlijk beminnend hart, +dan op een, dat slechts door oogenblikkelijken hartstocht in verrukking +is gebracht." Had de groote kenner der liefde de waarheid gesproken, +dan moest Cambyzes, wiens ijverzucht zoo snel en zoo heftig ontvlamd +was, haar wel vurig liefhebben. + +Maar te midden dezer gedachten, die haar weder eenige hoop gaven, +mengden zich voortdurend andere droeve herinneringen aan het land +harer geboorte en duistere vermoedens, voor welke zij haar hart niet +vermocht te sluiten. Toen de middagzon het aardrijk met hare gloeiende +stralen verzengde, en er nog altijd geene boodschap van hem, dien +zij beminde, tot haar werd gebracht, werd zij door eene koortsachtige +onrust overvallen, die van oogenblik tot oogenblik haar meer benauwde, +naarmate de nacht zijne schaduwen begon uit te breiden. Toen het begon +te schemeren, trad Boges in haar vertrek, en verhaalde haar in de +grievendste en beleedigendste bewoordingen, dat de koning in het bezit +was van haar brief aan Bartja, en dat de tuinmansjongen, die dezen +had moeten bezorgen, ter dood gebracht was. Hare gemartelde zenuwen +waren niet sterk genoeg dezen nieuwen schok te weerstaan. Alvorens +Boges haar verliet, had hij de bewustelooze in haar bijzonder vertrek +moeten dragen, hetwelk hij zorgvuldig van buiten had gesloten. + +Weinige minuten later klommen twee mannen, een jongeling en een oude +man, door de valdeur, die Boges twee dagen te voren zoo nauwkeurig +had onderzocht. De oude hield zich dicht aan den muur van het huis, +en bleef daar staan, terwijl de jongeling den wenk van eene uit +het venster wuivende hand volgde, en in de kamer sprong. Er werden +ettelijke verzekeringen van liefde en de namen Gaumata en Mandane +zacht gefluisterd, tal van kussen gewisseld en beloften van trouw +vernieuwd. Eindelijk klapte de oude in de handen. De jongeling gaf +onmiddellijk aan dit afgesproken teeken gehoor. Na de dienstmaagd +van Nitetis nog eenmaal omarmd te hebben, sprong hij wederom door het +venster in den tuin, liep haastig voort in de richting van de plek waar +de Achaemeniden zich bevonden, die toen juist de blauwe lelie kwamen +bewonderen, vloog deze rakelings voorbij, sloop met zijn geleider +door de opengelatene valdeur en sloot deze zorgvuldig boven zich dicht. + +Mandane spoedde zich nu naar het vertrek, waar hare gebiedster gewoon +was den avond door te brengen. Zij kende hare gewoonten, en wist, dat +zij alle avonden bij het opkomen der sterren nederzat aan het venster, +dat op den Euphraat uitzag, om van daar uren achtereen in den stroom +en over de vlakte te staren, terwijl zij de dienstjuffers, wier hulp +zij dan niet noodig had, de vrijheid liet dien tijd naar welgevallen +te besteden. Aldus had zij, zonder van deze zijde voor ontdekking te +vreezen te hebben, en door den overste der eunuchen zelven beschermd, +haar minnaar rustig kunnen verbeiden. + +Nauw had zij hare gebiedster in haren bewusteloozen toestand gevonden, +of zij hoorde hoe de tuin met menschen werd gevuld, hoe mannen en +eunuchen verward dooreenschreeuwden, en hoe de trompetten werden +gestoken om de wachters te verzamelen. In den beginne beefde zij voor +haar geliefde, vreezende dat hij ontdekt mocht zijn. Toen Boges echter +verscheen, en haar toefluisterde: »Hij is gelukkig ontkomen!" beval +zij de dienstmaagden welke uit het vrouwenverblijf, waar zij dezen +ter wille harer afgesproken samenkomst bevolen had te blijven, +in menigte kwamen aanloopen, de Egyptische in haar slaapvertrek +te dragen. Daarop wendde Mandane alle mogelijke middelen aan, om +Nitetis weder bij te brengen. En deze had nog ternauwernood de oogen +opgeslagen, toen Boges binnentrad en de twee eunuchen, die hem volgden, +beval de teedere armen van Nitetis te ketenen. + +Onmachtig om een woord uit te brengen, liet Nitetis de mannen begaan; +ja, zij dacht er zelfs niet aan iets te antwoorden, toen Boges haar +bij het verlaten van het vertrek toeriep: »Moge het u in uw kooitje +goed bevallen, mijn vogeltje! Zoo even heeft men uw heer het bericht +gebracht, dat zich een koningsmarter in zijne duiventil is komen +vermaken. Het ga u goed! Wees er den armen geplaagden Boges dankbaar +voor, als bij deze hitte de vochtige aarde u een weinigje zal afkoelen, +of misschien wel zeer koud maken. Ja, mijn duifje, in den dood leert +men zijne ware vrienden kennen; daarom zal ik u niet in een zak van +grof linnen, maar in een laken van zachte zijde doen begraven. Leef +gelukkig, mijn hartediefje!" + +De zwaarbeproefde vrouw hoorde deze woorden sidderend aan. Nadat de +eunuch zich verwijderd had, bad zij Mandane haar het voorgevallene +op te helderen. Overeenkomstig den raad, door Boges haar gegeven, +verhaalde Mandane haar, dat Bartja in de hangende tuinen was geslopen, +en door verscheidene Achaemeniden was opgemerkt, juist op het oogenblik +dat hij door een venster wilde klimmen. Men had den koning kennis +gegeven van het door zijn broeder gepleegde verraad, en vreesde nu +het ergste van 's vorsten ijverzucht. Het lichtzinnige meisje stortte +onder dit verhaal een vloed van tranen van bitter berouw, die een +balsem waren voor hare niets kwaads vermoedende meesteres, wijl deze +ze beschouwde als een bewijs van hare oprechte liefde en deelneming. + +Toen Mandane zweeg, zag Nitetis in doffe wanhoop op hare ketenen neder, +en er verliep een geruime tijd, eer zij zich eene tamelijk heldere +voorstelling van haar toestand kon maken. Zij las den brief van +hare moeder nog eens over, schreef op een briefje de enkele woorden: +»ik ben onschuldig," beval hare snikkende kamerjuffer na haren dood +beide aan de moeder van den koning te overhandigen, en doorwaakte +daarna een nacht, waarop geen dag meer scheen te zullen volgen. In +haar zalvenkastje was een middel ter verfraaiing van de huid, dat, +gelijk zij wist, den dood ten gevolge had, wanneer men er eene zekere +hoeveelheid van innam. Dit vergift liet zij zich brengen, en met +kalm overleg nam zij het besluit zichzelve het leven te benemen, +zoodra de beul tot haar mocht komen. Van nu af verheugde zij er +zich over, zoo spoedig te zullen sterven, en zeide tot zichzelve: +»Hij doodt u wel, maar hij doodt u uit liefde." Eindelijk kwam zij +op de gedachte hem een brief te schrijven, en hem daarin den omvang +en de diepte harer liefde te openbaren. Eerst na haren dood zou hij +dit schrijven ontvangen, opdat hij niet zou gelooven, dat zij het +gedaan had om haar leven te redden. De hoop, dat de onbuigzaam sterke +man dezen laatsten groet misschien met zijne tranen zou bevochtigen, +vervulde hare ziel met eene weemoedige vreugde. + +In weerwil van hare zware ketenen, schreef zij dus de volgende +woorden: »Cambyzes zal dezen brief eerst dan, wanneer ik niet meer +zijn zal, ontvangen. Dit schrijven strekt om mijn vorst te doen +weten, dat ik hem vuriger liefheb dan de goden, dan de wereld, ja, +dan mijn eigen jeugdig leven. Cassandane en Atossa mogen mij in +liefde blijven gedenken! Uit den brief van mijne moeder zullen zij +vernemen dat ik onschuldig ben, en Bartja alleen ter wille mijner +arme zuster verlangde te spreken. Boges heeft mij gezegd, dat mijn +dood onherroepelijk besloten is. Zoodra de beul nadert, zal ik zelve +een eind aan mijn leven maken. Ik bega eene misdaad aan mij zelve, +om u, Cambyzes, voor eene verachtelijke daad te bewaren." + +Dit schrijven stelde zij, met den brief van hare moeder in de handen +van de snikkende Mandane, met verzoek beide aan Cambyzes te doen +toekomen, wanneer zij niet meer onder de levenden zou zijn. Vervolgens +wierp zij zich op de knieën, verhief het hart tot de goden van haar +vaderland, en smeekte dezen om vergiffenis voor haren afval. + +Toen Mandane haar aanmaande om toch aan hare zwakte te denken, en toch +wat rust te nemen, antwoordde zij: »Ik behoef niet meer te slapen, +want ik heb nog maar korten tijd te waken!" + +Hoe langer zij bad en de oude Egyptische hymnen zong, des te inniger +wijdde zij zich weder met haar gansche hart aan de goden van haar land, +die zij, na zoo korten strijd, verloochend had. Bijna al de gebeden, +die zij kende, hadden betrekking op het leven na den dood. In het rijk +van Osiris, de onderwereld, waar de twee en veertig doodenrechters de +waarde of onwaarde der ziel, nadat deze door de godin der waarheid en +den hemelschrijver Thoth zou zijn gewogen, moesten beoordeelen, durfde +zij hopen hare dierbaren weer te zullen zien, indien ten minste hare +ongerechtvaardigde ziel niet den tocht door de lichamen der dieren +moest aanvaarden, indien ten minste haar lichaam, de woning van hare +ziel, behouden mocht blijven [306]. Dit »indien ten minste" bracht +haar in eene koortsachtige onrust. De leer, dat het geluk van de ziel +afhankelijk was van het behouden blijven van 's menschen stoffelijk +overblijfsel, was haar van kindsbeen ingeprent. Zij stond vast in +dezelfde overtuiging, die pyramiden had gebouwd en rotsen tot graven +uitgehold. Zij beefde, zoo vaak zij er aan dacht, hoe haar lijk volgens +Perzisch gebruik, aan honden, roofvogels en de vernielende machten +der natuur prijsgegeven, en daarmede aan hare ziel alle hoop op het +eeuwige leven ontnomen zou worden. Ook kwam de gedachte bij haar op +om andermaal de oude goden te verloochenen, en zich voor de nieuwe +geesten des lichts neder te werpen. Deze toch gaven het gestorven +lichaam terug aan de elementen, waaruit het gevormd was, en hielden +slechts gericht over de ziel van den overledene. Doch toen zij hare +handen tot de groote zon ophief, die zoo even met hare gouden stralen +de in het dal van den Euphraat hangende nevelen verdreven had, toen +zij wilde beginnen met zich tot Mithra te verheffen en liederen te +zingen, die zij pas had aangeleerd, begaf haar de stem, en in plaats +van Mithra, zag zij in het gesternte van den dag den god, dien zij in +Egypte zoo menigmaal geprezen en gedankt had, den grooten Ra Harmachis, +en in plaats van de hymne der magiërs, zong zij het lied, waarmede +de Egyptische priesters de opkomende zon plachten te begroeten: + + + "U, hoogverheven Ra, zij lof gebracht, + U, hemeltelg, verheft ons staamlend lied, + Dien elke dag door eigen scheppingskracht + Verjeugdigd en vernieuwd, herrijzen ziet. + + "U prijst ons hart. Gij schiept het schepslenheir, + Zoover 't azuren vlak des hemels strekt, + O bron des lichts, die uit het blauwe meir, + Daar boven zegen stort, en leven wekt! + + "Gij koestert en gij waakt. Uw stralenkrans + Roept vreugde en hoop in 't onbevlekt gemoed, + Zoo dikwijls Ge aan den ongemeten trans + Uw kreitsloop aflegt met gewiekten voet. + + "Zoo roepen mensch en goden blij te moê, + O hemeltelg! u 't welkom, welkom toe [307]." + + +Haar hart putte rijken troost uit dit gezang. Met vochtige oogen zag +zij, terwijl zij zich hare kindsheid weder voor den geest bracht, +in het licht der rijzende zon, welker stralen haar oog nog niet +verblindden. Dan liet zij haren blik over de vlakte weiden. Daar +kabbelde de Euphraat met zijne geelachtige golven, die haar deed +denken aan den geliefden Nijl. Evenals langs den reuzenstroom in haar +vaderland, vertoonden zich ook hier talrijke dorpen, te midden van +rijke korenvelden en vijgenboschjes. Naar het westen strekte zich +de diergaarde des konings, met hare hooge cypressen en noteboomen, +mijlen ver uit. Op ieder blad, op elken halm fonkelde de dauw, en +in de boschjes en struiken van den door haar bewoonden tuin lieten +tallooze vogels hunne liefelijke stemmen hooren. Daar verhief zich +een zacht koeltje, dat zoete rozengeuren tot haar voerde, en met de +kronen der palmen speelde, die langs de oevers van den stroom en op +alle akkers in de rondte, in eene ontelbare menigte verrezen. Dikwerf +had zij deze schoone boomen bewonderd, dikwerf had zij ze met +danseressen vergeleken, wanneer de wind hunne zware kronen aangreep, +en hunne slanke stammen nu naar deze dan naar gene zijde overboog. Hoe +menigmaal had zij niet tot zichzelve gezegd: hier moet het vaderland +zijn van den Phoenix [308], den vogel uit het palmenland, die, gelijk +de priesters verhaalden, om de vijfhonderd jaar naar den tempel van Ra +te Heliopolis kwam, waar hij zich in heilige wierookvlammen verbrandde, +om weder schooner uit zijne asch te verrijzen, en na drie dagen naar +zijn vaderland in het Oosten terug te keeren. En terwijl zij aan +dezen vogel dacht, en de wensch bij haar opkwam, evenals deze vogel, +uit de vernedering van het ongeluk tot een nieuw en schooner geluk +op te staan, vloog uit de cypressen, die de woning van hem, dien +zij liefhad en die haar zoo miskend had, voor haar oog verborgen, +een groote vogel met schitterende vederen op, die hooger en hooger +steeg, en zich ten laatste op een palmboom op kleinen afstand van +haar venster neerzette. Zulk een vogel had zij nog nooit gezien, en +het kon ook geene alledaagsche verschijning wezen, want een gouden +kettinkje hing aan zijn poot, en zijn staart bestond niet uit vederen, +althans naar zij meende, maar uit zonnestralen. Het was Benno [309], +de vogel van Ra. In deze godsdienstige stemming zonk zij andermaal +op de knieën en zong het oude Phoenix-lied, terwijl zij inmiddels +den blik niet afwendde van den prachtigen luchtbewoner: + + + "Ik roei door den ether, ik spreid aan den trans + Mijn kleuren ten toon, in haar vlekloozen glans. + Die dank ik den Schepper; zijn glorie en macht + Straalt af op mijn kleed, dat in rijkdom en pracht + Het bloementapijt evenaart, dat in Mei + Den akker bedekt en de grazige wei, + Of het blinkend gewaad, dat de godheid omgeeft, + Wier eeuwige hoede de wereld omzweeft; + 't Is kunstig geweven, 't is heerlijk gemaakt, + Als het kleed van den god, die de wolken bewaakt [310]." + + +Het met golvende vederen versierde kopje met de verstandige oogjes +nieuwsgierig her- en derwaarts bewegende, luisterde de vogel naar +dit gezang. Zoodra het geëindigd was vloog hij weg. Nitetis zag den +gewaanden Phoenix, een paradijsvogel, die het kettinkje gebroken had, +waarmede hij aan een boom van de diergaarde bevestigd was geweest, +met vriendelijken blik na. Zij was zoo wonderbaar te moede. Vertrouwen +op redding daalde in haar hart, daar zij geloofde dat de god Ra zijn +vogel tot haar gezonden had, welks gestalte zij als gezaligde geest +zou aannemen. Zoolang men nog wenscht en hoopt, kan men veel smart +dragen; en komt het geluk niet, dan blijft toch de verwachting er +van in ons levend, en met deze het zoet gevoel, dat tot het wezen +van het geluk behoort. Deze stemming is op zichzelve voldoende, om +eene soort van genot te schenken, dat ons de werkelijkheid kan doen +vergeten. Met vernieuwde hoop legde Nitetis zich, afgemat als zij was, +op den divan neder, en viel weldra tegen haar wil, zonder het vergif te +hebben aangeraakt, in een diepen door geene droomen verontrusten slaap. + +Ongelukkigen, die den nacht doorweenen, stort de opgaande zon +gewoonlijk troost in 't harte, terwijl dezelfde zon met haar rein +licht in den regel voor de schuldigen, die de duisternis zoeken, eene +onwelkome verschijning is. Terwijl Nitetis sliep, waakte Mandane, +gekweld door het vreeselijke knagen van haar geweten. Hoe gaarne zou +zij de zon, die hare meesteres door hare schuld den dood zou brengen, +teruggehouden en van nu af in een eeuwigen nacht geleefd hebben, +indien zij daardoor hare den vorigen dag gepleegde daden ongedaan +had kunnen maken. Het goede maar lichtzinnige schepsel hield niet op, +zichzelve eene verachtelijke moordenares te noemen. Honderdmaal nam +zij zich voor, alles overeenkomstig de waarheid te bekennen en Nitetis +te redden; maar telkens behaalden de begeerte om te blijven leven en +de vrees voor den dood de zege over haar zwak hart. Beleed zij, wat +zij gedaan had, dan was haar dood zeker, en het leven was haar nog zoo +lief, het graf was haar zulk een gruwel, zij hoopte nog zooveel van de +aarde! Had zij slechts eene levenslange gevangenschap te vreezen gehad, +dan zou zij misschien voor de waarheid zijn uitgekomen; maar sterven, +neen, sterven kon zij niet! En buitendien, zou de veroordeelde +door hare bekentenis te redden zijn? Had zij zelve dan niet den +ongelukkigen tuinmansjongen met een brief voor Bartja belast? Deze +geheime briefwisseling was ontdekt geworden, en dus zou Nitetis, +ook zonder hare medewerking, toch verloren zijn geweest! Nooit zijn +wij verstandiger en listiger, dan wanneer het er op aankomt het door +ons gepleegde onrecht in ons eigen oog te vergoelijken. + +Toen de zon opging, knielde Mandane bitter weenende neder voor den +divan, waarop hare meesteres rustte, en kon maar niet begrijpen, +hoe deze zoo gerust kon slapen. + + + +Ook Boges, de eunuch, had een slapeloozen, maar toch een +allergelukkigsten nacht gehad. Zijn plaatsvervanger en ambtgenoot +Candaules, dien hij met zijne gansche ziel haatte, was om zijne +onachtzaamheid, ja misschien wel omdat hij zich had laten omkoopen, +op bevel des konings op staanden voet ter dood gebracht, en Nitetis +was niet alleen in ongenade gevallen, maar zelfs tot een smadelijken +dood veroordeeld. De invloed der koningin-moeder was aanmerkelijk +minder geworden. Maar vooral verheugde hij zich over zijne eigene +slimheid, in de zekerheid dat zijn ontwerp volkomen gelukt was, en in +de hoop weldra weder, door zijn lieveling Phaedime, de alvermogende +gunsteling van voorheen te zullen worden. Het over Cresus en de jonge +helden uitgesproken doodvonnis was hem niet minder welkom geweest; +want waren zij in het leven gebleven, dan had eene ontdekking van +zijne duivelsche listen niet onder de onmogelijkheden behoord. De +dag begon reeds aan te breken, toen hij het vertrek van den koning +verliet, om zich naar Phaedime te begeven. + +De trotsche Perzische had zich nog niet ter rust begeven. In +koortsachtig ongeduld verbeidde zij den eunuch, want reeds was +de mare van het voorgevallene in het vrouwenverblijf en tot hare +ooren doorgedrongen. Slechts in een dun zijden hemd gekleed, en met +gele pantoffels, die van turkooizen en parelen schitterden, aan de +voeten, lag zij, door een twintigtal dienstmaagden omgeven, op den +purperen divan in hare kleedkamer. Zoodra zij Boges hoorde naderen, +zond zij hare slavinnen weg, sprong overeind en liep hem te gemoet, +hem overstelpende met een vloed van onsamenhangende vragen, die alle +betrekking hadden op hare vijandin Nitetis. + +»Bedaar, mijn duifje!" zeide Boges, zijne vleezige hand op haar +schouder leggende. »Bedaar! Zoo gij niet doodstil en zonder te +vragen mijn verslag kunt aanhooren, verneemt gij heden geen enkel +woord. Ja, mijne gouden koningin, ik heb u zooveel te zeggen, dat +ik niet voor morgen gedaan zou hebben, als ik u toestond mij naar +hartelust in de rede te vallen. Ach, mijn lammetje, ik heb heden nog +zooveel te doen! Vooreerst een Egyptischen ezelrit bij te wonen, ten +tweede getuige te zijn van eene Egyptische terechtstelling.... Maar +ik loop mij zelven vooruit, en wil van het begin af alles ordelijk +verhalen. Gij moogt weenen, lachen, ja juichen van blijdschap, zooveel +gij wilt; maar vragen is u verboden, totdat ik aan het einde ben.--Ja, +deze liefkoozing heb ik wel verdiend!--Zoo, nu lig ik goed en kan +beginnen.--Daar leefde in Perzië een groot koning, die vele vrouwen +had, van welke hij Phaedime het meest beminde, en boven al de anderen +stelde. Maar op zekeren dag kwam hij op den inval, de hand van de +dochter des konings Amasis van Egypte te vragen. Dus vaardigde hij +een groot gezantschap naar Saïs af, met zijn eigen broeder, als zijn +zaakgelastigde...." + +»Altemaal dwaasheid!" riep Phaedime, van ongeduld overmeesterd. »Ik +wil weten wat er heden is voorgevallen." + +»Geduld, geduld, mijn onstuimige Ader-wind [311]! Zoo gij mij nog +eenmaal in de rede valt, dan ga ik heen en vertel aan de boomen mijne +geschiedenis. Gun mij toch de vreugde de laatste maanden nog eens in +den geest te doorleven. Terwijl ik verhaal, voel ik me zoo recht wel +te moede, als een beeldhouwer, die den hamer uit zijne hand heeft +gelegd, en nu zijn voltooid werk beschouwt." + +»Neen, neen," begon Phaedime nogmaals, »ik kan thans niet aanhooren, +wat ik al lang weet. Ik sterf van ongeduld. Sedert uren wacht ik hier +in de vreeselijkste spanning. Elk nieuw gerucht, dat door den mond van +slavinnen en eunuchen tot mij kwam, deed mijn ongeduld stijgen. Ik heb +de koorts van verlangen en kan niet langer wachten. Begeer van mij, +wat gij wilt, maar verlos mij uit deze ontzettende spanning. Later +wil ik, zoo gij dat wenscht, dagen achtereen naar u luisteren." + +Boges glimlachte vergenoegd, en zeide, zich in de handen wrijvende: +»Reeds als kind kende ik geen heerlijker vermaak, dan een aan den +hengel spartelend vischje gade te slaan. Thans hangt gij, de schoonste +goudkarper dien mijne oogen ooit zagen, aan mijn snoer, en ik kan u +niet loslaten, voordat ik mij aan uw ongeduld verzadigd heb." + +Phaedime sprong nu van het rustbed op, dat zij met Boges had +gedeeld, stampte met den voet en ging te keer als een kind, dat om +de vervulling van zijn wensch dwingt. Den eunuch scheen haar woeden +en razen ontzaglijk te vermaken, want hij wreef zich onophoudelijk +de handen, lachte dat hem de tranen langs de bolle wangen biggelden, +en ledigde verscheidene bekers wijn op de gezondheid der gemartelde +schoone, alvorens hij op deze wijze zijn verslag vervolgde: »Het was +voor mij niet geheim gebleven, dat Cambyzes zijn broeder Bartja, die de +Egyptische hierheen had geleid, enkel en alleen uit ijverzucht tegen de +Tapoeren zond. Doch de hoogmoedige vrouw, wie ik niets bevelen mocht, +scheen naar mij docht, even weinig aan den schoonen knaap te denken, +als een Jood aan varkensvleesch, of een Egyptenaar aan witte boonen +[312]. Desniettemin besloot ik de ijverzucht van den koning aan te +wakkeren, door de onbeschaamde, wie het scheen te zullen gelukken +ons beiden uit de gunst van Cambyzes te verdringen, onschadelijk te +maken. Maar ik zocht lang tevergeefs naar een deugdelijk plan. + +»Toen eindelijk het nieuwjaarsfeest [313] daar was, verzamelden zich +alle priesters uit het rijk te Babylon. Acht dagen lang was de stad +het tooneel van gejuich, maaltijden en drinkgelagen. Ook aan het hof +was het een lustig leventje, en ik had weinig tijd, om over mijne +plannen te peinzen. Doch daar deed de goedgunstige Amescha Çpenta mij, +juist toen ik het allerminst uitzicht had op welslagen, een jongeling +ontmoeten, dien Angramainjus zelf voor mijne plannen scheen te hebben +geschapen. Gaumata, de broeder van Oropastes, was naar Babylon gekomen, +om het groote nieuwjaarsoffer bij te wonen. Toen ik den jongeling voor +de eerste maal zag bij zijn broeder, wien ik eene boodschap van den +koning moest overbrengen, meende ik een geestverschijning te zien, +zoo volmaakt geleek hij op Bartja. Nadat ik mijne zaken met Oropastes +had afgehandeld, geleidde de knaap mij naar mijn wagen. Ik liet hem +niets van mijne verbazing blijken, overlaadde hem met beleefdheden, +en verzocht hem dringend, mij een bezoek te komen brengen. Denzelfden +avond klopte hij aan mijne deur. Ik liet den besten wijn opzetten, +spoorde hem tot drinken aan, en deed bij vernieuwing de ervaring op, +dat de voortreffelijkste eigenschap van het druivensap deze is, dat het +den minst spraakzame aan het praten brengt. In zijn roes bekende de +jongeling, dat hij niet om het offer, maar ter wille van een meisje, +dat de betrekking van eerste kamerjuffer bij de Egyptische bekleedde, +naar Babylon was gekomen. Hij beminde haar van zijne kindsheid af, +zeide hij, maar zijn eerzuchtige broeder had hoogere plannen met hem +voor, en wist de schoone Mandane, alleen om die twee te scheiden, eene +plaats bij de nieuwe gemalin van den koning te bezorgen. Eindelijk +verzocht hij mij dringend, hem in de gelegenheid te stellen zijne +liefste te spreken. Ik hoorde hem bedaard aan, opperde een tal van +bezwaren, en verzocht hem ten slotte zich den volgenden dag nogmaals +bij mij aan te melden. Hij kwam. Ik zeide dat zich alles schikken zou, +indien hij beloofde mijne bevelen blindelings te volgen. Hij maakte +natuurlijk geene zwarigheid, reisde dadelijk op mijn verzoek naar +Rhagae terug, en kwam eerst eergisteren heimelijk binnen Babylon, +als wanneer ik hem in mijn huis eene schuilplaats bezorgde. + +»Intusschen was Bartja uit den strijd teruggekeerd. Nu kwam het er +op aan de ijverzucht van den koning opnieuw te doen ontbranden, en de +Egyptische met een enkelen slag te doen vallen. Door uwe vernedering +wekte ik den wrevel uwer bloedverwanten jegens de Egyptische op en +maakte verder alle toebereidselen tot de groote onderneming. Het lot +was mij bijzonder gunstig. Gij weet hoe, geheel buiten mijn toedoen, +bij gelegenheid van den feestmaaltijd, Nitetis zich aanstelde. Maar gij +weet niet, dat zij dienzelfden avond een tuinmansjongen met een brief +tot Bartja in den koningsburcht zond. De onhandige bode liet zich +betrappen, en werd in dien eigen nacht, op bevel van den woedenden +koning, een hoofd kleiner gemaakt. Ik droeg intusschen zorg, dat +Nitetis zoo geheel van alle gemeenschap met hare vrienden verstoken +bleef, dat zij als in het nest van den Simurg [314] leefde. Het +overige weet gij!" + +»Maar hoe ontkwam Gaumata?" + +»Door eene mij alleen bekende valdeur, die den vluchteling opeens aan +alle verdere nasporingen onttrok. Alles is uitnemend in zijn werk +gegaan; zelfs was het mij gelukt een dolk van Bartja, dien hij op +de jacht verloren had, in handen te krijgen, en ongemerkt onder het +venster van Nitetis te leggen. Om den prins te verwijderen, en hem te +beletten op het beslissend oogenblik bij den koning of in gezelschap +van andere invloedrijke getuigen te zijn, had ik den Griekschen koopman +Colaeus, die tegenwoordig te Babylon Milesische lakens verkoopt, en +veel voor mij overheeft, wijl ik hem al de voor het vrouwenverblijf +benoodigde wollen stoffen laat leveren, verzocht, een brief in de +Grieksche taal te schrijven, die Bartja namens zijne beminde, die +Sappho heet, uitnoodigde, zich geheel alleen, op het tijdstip van +het opkomen der Tistar-ster, aan de eerste pleisterplaats buiten +de Euphraat-poort te laten vinden. Doch met dien brief liep het mij +tegen, want de bode, die met de bezorging er van belast was, kweet +zich slecht van zijne taak. Wel beweert hij, dat hij den brief aan +Bartja zelven heeft ter hand gesteld, maar daar is geen twijfel aan, +dat hij hem aan iemand anders, waarschijnlijk aan Gaumata, bezorgd +heeft. Ik ontstelde hevig, toen ik vernam dat Bartja 's avonds met +zijne vrienden onder een beker wijn te zamen was geweest. Maar het +gebeurde kon niet ongedaan worden gemaakt, en getuigenissen als +die van uw vader, Hystaspes, Cresus en Intaphernes wogen rijkelijk +op tegen de verklaringen van Darius, Gyges en Araspes. Hier sprak +men tegen, daar vóor den vriend. Ten slotte kwam toch alles best +in orde. De jonge heeren zijn ter dood veroordeeld, en Cresus, die +zich als altijd aanmatigde den koning onbeschaamde dingen te zeggen, +zal zijn laatste uurtje reeds achter den rug hebben. Met betrekking +tot de Egyptische heeft de opperschrijver zoo even het volgende stuk +moeten opstellen. Hoor maar eens, mijn duifje, en wees blijde! + + + 'Nitetis, de overspelige dochter van den koning van + Egypte, zal, tot straf voor hare schanddaden, volgens al + de gestrengheid der wet worden terechtgesteld, en wel op de + volgende wijze: Men plaatse haar schrijdelings op een ezel, + en voere haar door de straten der stad, opdat het volk van + Babylon erkenne, dat Cambyzes de dochter van een koning even + streng weet te tuchtigen, als zijne rechters de geringste + bedelaars straffen. Na het ondergaan der zon zal de snoode + levend begraven worden.--Dit bevel wordt den overste der + eunuchen, Boges, ter uitvoering in handen gesteld. + + De opperschrijver Ariabignes, op last van den koning Cambyzes.' + + +»Nauwelijks had ik dit geschrift in mijne mouwen geborgen, toen de +moeder van den koning, door Atossa geleid, met gescheurde kleederen +de zaal binnenvloog.--Aan huilen, schreien, verwijtingen, vloeken, +beden en bezweringen geen gebrek! Maar de koning was onvermurwbaar, +en ik geloof waarlijk, dat Cassandane en Atossa, Cresus en Bartja naar +de andere wereld zouden zijn nagezonden, indien niet de vrees voor de +schim van zijn vader den zoon had weerhouden, de hand te slaan aan +de weduwe van Cyrus. Althans van woede stond hem het schuim om den +mond.--Ten gunste van Nitetis verspilde Cassandane overigens geen +enkel woord. Zij schijnt, even als wij, ten volle overtuigd te zijn +van hare schuld.--Den verliefden Gaumata hebben wij ook niet meer te +vreezen, want ik heb drie mannen gehuurd, die hem, als hij naar Rhagae +terugkeert, een koel bad in de golven van den Euphraat zullen doen +nemen. De visschen en wormen zullen vroolijke dagen hebben, ha, ha!" + +Phaedime stemde van ganscher harte in met dit gelach, overstelpte +den eunuch met de vleiendste namen, die zij van hem geleerd had, en +zich te dezer stonde herinnerde, en hing hem eene zware gouden keten, +met kostbare edelgesteenten bezet, als bewijs harer dankbaarheid om +den hals. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + +De tijding van hetgeen er voorgevallen en op handen was scheen, +eer de zon hare middaghoogte bereikt had, reeds tot in de armste +hutten van Babylon doorgedrongen te zijn. De straten waren opgevuld +met menschen, die het zeldzame schouwspel dat de terechtstelling +der trouwlooze gemalin des konings zou aanbieden, met ongeduld +verbeidden. De zweepdragers hadden de handen meer dan vol met het in +bedwang houden der elk oogenblik aangroeiende menigte. Toen zich later +het gerucht verbreidde van de op handen zijnde terechtstelling van +Bartja en zijne vrienden, openbaarde zich de belangstelling van het +volk, dat nog dronken was van den palmwijn, die op het geboortefeest +van den koning en de daaropvolgende dagen zoo mild had gevloeid, en +dus zijne opgewondenheid bezwaarlijk meester was, op gansch andere +wijze. Beschonkene mannen schoolden samen en trokken de straten door, +roepende: »Bartja, de goede zoon van Cyrus, zal vermoord worden!" De +vrouwen, die in hare afgelegene vertrekken waren neergezeten, +vernamen nauw dien kreet, of ze ontvloden hare bewakers, en volgden, +terwijl zij in drift zelfs hare sluiers vergaten, huilende de mannen, +wier brooddronkenheid met ieder oogenblik toenam. De vreugde over +de aanstaande vernedering eener, boven zoo vele andere, schoone en +bevoorrechte zuster, maakte plaats voor deernis met het lot van den +beminden jongeling. Mannen, vrouwen, kinderen schreeuwden, vloekten, +raasden en tierden, elkander onophoudelijk aanhitsende tot betoogingen, +die meer en meer een onrustbarend karakter aannamen. Alle werkplaatsen +liepen ledig; de kooplieden sloten hunne kelders, en de schoolknapen +en dienstbaren, die bij het geboortefeest van den koning gewoonlijk +acht dagen vacantie hadden, maakten van hunne vrijheid gebruik, +om hunne stemmen te oefenen, door boven allen uit te gillen, of +luidkeels te jammeren, meerendeels zonder te weten, waarom toch +zooveel misbaar werd gemaakt. Eindelijk werd het rumoer zóo groot, +dat de macht en het gezag der zweepdragers te kort schoten om de rust +te herstellen, en eene afdeeling van de lijfwacht moest oprukken, +teneinde de straten schoon te vegen. Zoodra het volk de glinsterende +wapenrustingen en lange lansen gewaarwerd, week het terug, bezette +de zijstraten, en rotte opnieuw samen als de soldaten voorbij waren. + +Bij de zoogenaamde Bel-poort, waar de groote weg een aanvang nam, +die naar het westen voerde, was het gedrang het grootst, daar het volk +vernomen had dat de Egyptische door deze poort, die zij eenige maanden +geleden met zooveel luister was binnengetrokken, op eene smadelijke +wijze de stad zou worden uitgevoerd. Zoo was dan ook te dezer plaatse +eene sterke bende zweepdragers geposteerd, wier plicht was ruimte +te maken voor de voetgangers, die door de poort moesten. Doch heden +verlieten slechts weinige inwoners de stad, want de nieuwsgierigheid +was sterker dan de drang der zaken, of het verlangen om zich buiten +te gaan ontspannen. Die echter van buiten kwamen, hoopten zich bijna +allen bij de poort op, toen zij vernamen welk belangwekkend schouwspel +door die woelige menschenmassa's verwacht werd. + +Reeds stond de zon hoog aan den hemel, en moest het nog maar enkele +uren duren, alvorens de ezelrit van Nitetis een aanvang zou nemen, +toen een reisgezelschap, bestaande uit eene zoogenaamde harmamaxa, +die met vier paarden bespannen was, een tweewielige kar en een met +muildieren bespannen goederenwagen, in vliegende vaart de poort +naderde. In het eerste voertuig zaten een schoon aanzienlijk man van +omtrent vijftig jaren, in Perzische hofkleeding, en een grijsaard +in een lang wit gewaad, terwijl onderscheidene slaven in eenvoudige +hemden, met breedgerande vilten hoeden en zeer kort afgeschoren haar in +de kar hadden plaats genomen. Naast deze laatste reed een oud man, in +de kleeding van een Perzisch dienstknecht. De menner van het vierspan +kon niet dan met de grootste moeite door de opeengepakte menigte voor +zijne, met kwasten en klokjes behangene paarden ruim baan maken! Dicht +voor de poort gaf hij den moed op en riep eenige zweepdragers ter +hulp. »Maak plaats!" schreeuwde hij een hoofdman der politiebeambten +toe, die met zijn volk tot bij het voertuig doordrong. »De koninklijke +post heeft geen tijd te verliezen, en ik heb een voornaam heer in +den wagen, die u voor iedere minuut uitstel zwaar zou doen boeten!" + +»Bedaar, mijn vriend!" antwoordde de hoofdman. »Gij ziet wel, dat het +vandaag gemakkelijker gaat, de stad uit, dan er in te komen. Wie is +die voorname heer?" + +»Iemand, die een vrijpas van den koning bezit. Kom, maak ons nu +spoedig plaats!" + +»Hm! Het gevolg ziet er niet bijzonder koninklijk uit!" + +»Dat gaat u niet aan! De vrijpas...." + +»Dien moet ik zien, alvorens ik u in de stad kan laten." + +Deze waarschuwing richtte hij half tot den reiziger, dien hij +aandachtig en wantrouwend opnam, half tot den koetsier. + +Terwijl de man die het Perzisch gewaad droeg in de mouwen van zijn +kleed naar den vrijpas zocht, wendde zich de zweepdrager tot een zijner +makkers, en zeide, op het onbeduidende gevolg wijzende: »Hebt gij +ooit zulk een wonderlijken stoet gezien? Mijn naam zal niet Giw zijn, +als deze vreemde snaken niet iets bijzonders in het schild voeren. De +minste tapijtlegger van den koning reist met viermaal grooter gevolg +dan deze kerel, die een vrijpas bezit, en de kleeding van 's konings +dischgenooten draagt." + +Thans overhandigde de verdachte persoon hem een, naar muscus riekend, +zijden rolletje, waarop 's konings zegel en eenige schrijfteekens +zichtbaar waren. + +De zweepdrager nam het aan, en onderzocht het zegel. »Dit is in orde," +mompelde hij. Daarop begon hij het schrift te ontcijferen. Maar +nauw was hij daarmede begonnen, of hij zag den reiziger scherp in de +oogen, en riep: »Nadert mannen, omsingelt den wagen: deze man is een +bedrieger!"--te gelijk de paarden bij de teugels grijpende. + +Nadat hij zich overtuigd had, dat de vreemdeling niet ontsnappen kon, +naderde hij hem andermaal en zeide: »Gij toont een vrijpas, die u niet +toebehoort: Gyges, de zoon van Cresus, voor wien gij u uitgeeft, zit +in de gevangenis, en zal nog heden terechtgesteld worden. Gij gelijkt +volstrekt niet op hem, en het zal u berouwen onder een valschen naam +hier te zijn gekomen. Stijg uit en volg mij." + +De reiziger gehoorzaamde niet aan dit bevel, maar verzocht den hoofdman +in gebroken Perzisch, zich naast hem in den wagen te zetten, daar +hij hem belangrijke zaken had mede te deelen. Een oogenblik aarzelde +de beambte; toen hij echter zag, dat eene nieuwe bende zweepdragers +aanrukte, wenkte hij deze voor de van ongeduld trappelende paarden +te blijven staan, en klom toen in de harmamaxa. + +De vreemdeling zag den hoofdman glimlachend aan, en vroeg: »Zie ik +er uit als een bedrieger?" + +»Neen, want schoon uwe spraak verraadt, dat gij geen Pers zijt, +zoo hebt gij toch geheel het voorkomen van een edelman." + +»Ik ben een Helleen, en hierheen gekomen, om Cambyzes een grooten +dienst te bewijzen. Gyges, die mijn vriend is, leende mij, toen hij in +Egypte was, zijn pas, voor het geval dat ik naar Perzië mocht willen +komen. Ik ben bereid mij zelven voor den koning te rechtvaardigen, en +heb niets te vreezen; integendeel zal de koning mij hoogst dankbaar +zijn voor de berichten, die ik hem breng. Laat mij, als uw plicht +zulks gebiedt, zonder uitstel tot Cresus brengen; deze zal borg voor +mij blijven, en u uwe lieden, die gij heden hoog noodig schijnt te +hebben, aanstonds terugzenden. Verdeel deze goudstukken onder hen, +en zeg met een paar woorden wat mijn arme vriend Gyges misdaan heeft, +en wat deze verbazende volksoploop beduidt." + +De vreemdeling had wel in gebroken Perzisch, maar met zulk eene +waardigheid en overtuiging gesproken, en zijn geschenk was zóo rijk +geweest, dat de dienaar, die gewoon was voor tyrannen te bukken en te +kruipen, tegenover een vorst meende te zitten, zijne armen eerbiedig +kruiste, verschooning vroeg voor zijne onheuschheid van zoo even, +en in korte woorden begon te verhalen wat er gaande was. Hij had +in den afgeloopen nacht, gedurende het verhoor in de groote zaal de +wacht gehad, en kon dus den vreemdeling van het voorgevallene tamelijk +nauwkeurig mededeeling doen. De Griek hoorde den man in groote spanning +aan. Meermalen, vooral toen er sprake was van de ontrouw van Amasis' +dochter en van den zoon van Cyrus, schudde hij ongeloovig het hoofd. De +gevelde doodvonnissen, vooral dat van Cresus, schenen hem diep te +treffen. Maar de droeve trek verdween allengs van zijn levendig gelaat; +ja, nadat hij eene wijle had nagedacht, nam het zelfs eene vroolijke +uitdrukking aan, waaruit was op te maken, dat zijn overleg tot eenig +goed resultaat had geleid. Op eenmaal begon hij hartelijk te lachen, +sloeg zich met de vlakke hand op het hooggewelfde voorhoofd, vatte met +de linker de hand van den verbaasden hoofdman, drukte die, en zeide: + +»Zou het u verblijden, als Bartja kon worden gered?" + +»Onuitsprekelijk!" + +»Welnu, dan beloof ik u plechtig dat gij ten minste twee talenten +[315] zult ontvangen, als gij mij in de gelegenheid stelt den koning te +spreken, voordat het eerste der doodvonnissen voltrokken is geworden." + +»Maar, hoe zou ik, een arm hoofdman...." + +»Gij moet, gij moet." + +»Ik kan niet!" + +»Ik weet wel, dat het voor een vreemdeling moeilijk, ja, bijkans +onmogelijk is, een gehoor bij uw gebieder te erlangen; maar mijne +boodschap duldt geen uitstel, want ik kan de onschuld van Bartja +en zijne vrienden bewijzen. Hoort gij, dat kan ik! Gelooft gij nu, +dat ge mij helpen moet?" + +»Maar, hoe zou het mogelijk zijn?" + +»Vraag niet, maar handel!--Zeidet gij niet, dat ook Darius tot de +veroordeelden behoort?" + +»Ja!" + +»Ik heb gehoord, dat zijn vader een zeer aanzienlijk persoon is." + +»Hij is de eerste in het rijk, na de kinderen van Cyrus." + +»Breng mij dan tot hem. Hij zal mij vriendelijk ontvangen, als hij +verneemt, dat ik het in mijn macht heb zijn zoon te redden." + +»Wonderlijke vreemdeling! Uit uwe woorden spreekt zulk eene hoopvolle +zekerheid, dat ik..." + +»Dat gij mij gerust kunt vertrouwen. Zorg nu maar gezwind, dat uw +volk ons door het gedrang helpt, opdat wij spoedig het paleis mogen +bereiken." + +Na den twijfel is er niets, dat zich schielijker verbreidt, dan de +hoop op de vervulling van een vurigen wensch, vooral wanneer die +hoop ons met volle overtuiging wordt voorgespiegeld. De hoofdman der +zweepdragers stelde opeens een onbeperkt vertrouwen in den zonderlingen +reiziger, sprong, zijn geesel zwaaiende, uit den wagen, en riep zijne +onderhoorigen toe: »Deze edele heer is gekomen, om Bartja's onschuld +te bewijzen, en moet aanstonds voor den koning gebracht worden. Volgt +mij vrienden, en maakt ons plaats!" + +Op dit oogenblik verscheen juist eene afdeeling van de lijfwacht +te paard. De hoofdman snelde op den aanvoerder toe, en bad hem, +ondersteund door het geroep der menigte, die reeds begreep wat de +bedoeling was, den vreemdeling naar het paleis te geleiden. Inmiddels +besteeg de reiziger het paard van zijn knecht en volgde de Perzen, +die hem ruim baan maakten. + +Snel als de wind verbreidde zich de heuglijke tijding door de +reusachtige stad. Hoe verder de ruiters kwamen, des te gewilliger +scheidden zich de volksdrommen, des te luider verhief zich het +gejuich der menigte, zoodat de rit van den vreemdeling ten laatste +een zegetocht geleek. Na weinige minuten hielden de ruiters voor +de poort van het paleis stil. Nog waren hun de metalen deuren niet +geopend, toen een tweede stoet opdaagde. Aan het hoofd van dezen reed +langzaam de grijze Hystaspes, in bruine, gescheurde rouwkleederen, +op een blauwgeverfd paard, welks staart en manen afgeschoren waren. De +grijsaard was gekomen, om den koning genade voor zijn zoon te smeeken. + +Nauwelijks werd de hoofdman der zweepdragers den edelen grijsaard +gewaar, of hij wierp zich vol vreugde voor zijn paard neder, en +deelde hem, met de armen op de borst gekruist, mede, welke hoop de +vreemdeling in hem had doen ontwaken. Hystaspes wenkte den reiziger, +die zich op zijn paard bevallig voor hem boog, en liet zich door dezen +de verklaring van den zweepdrager bevestigen. Ook in zijn hart werd +de hoop weder levend. Hij verzocht den vreemdeling hem te volgen, +voerde hem binnen het paleis en verlangde van den opperstafdrager, +dat hij hem voor den koning zou brengen. Hij gebood den Griek zoolang +aan de deur van 's konings vertrek te wachten. + +Cambyzes lag, op het oogenblik dat zijn grijze bloedverwant +binnentrad, doodsbleek op zijn purperen divan uitgestrekt. Aan +zijne voeten knielde een schenker, die bezig was met de scherven +op te rapen van een kostbaren glazen bokaal, dien de koning, wijl +de hem daarin geboden drank niet smaakte, ongeduldig op den grond +had geworpen. Eene menigte hofbeambten omgaven hun vertoornden +gebieder op eerbiedigen afstand. Het was allen aan te zien, dat zij +de opbruisende drift van den vorst vreesden, en zich liefst zoo ver +mogelijk van hem verwijderd hielden. Eene ademlooze stilte heerschte in +de uitgestrekte zaal, door welker geopende vensters het verblindende +licht en de drukkende hitte van een Babylonischen Mei-dag naar binnen +stroomden. Een groote hond, van edel Epirotisch ras, was de eenige, +die het waagde de diepe stilte af te breken. Cambyzes had met een +forschen schop het hem liefkoozende dier afgewezen, dat nu een kermend +gehuil aanhief. Voordat de stafdrager Hystaspes binnenleidde, was de +koning van zijn divan afgesprongen. Hij kon de vadsige rust niet meer +verdragen; hij dreigde van smart en woede te stikken. Het gehuil van +den hond deed aanstonds eene gedachte opkomen in zijn afgemarteld, +naar vergetelheid smachtend brein. + +»Op de jacht!" brulde hij, overeindspringende, zijne ontstelde +hovelingen toe. + +De jagermeesters, stalmeesters en de opperbewaker der honden spoedden +zich voort, om het bevel van hun heer ten uitvoer te leggen, +die hun nog toeriep: »Ik wil den ontembaren hengst Reksch [316] +bestijgen. Brengt de valken in gereedheid, laat al de honden los, +ontbiedt een ieder die de speer kan voeren! Wij zullen de diergaarde +eens terdege opruimen!" + +Als hadden deze weinige woorden zijn geweldig lichaam geheel +uitgeput, zoo viel hij opnieuw op den divan neder. Hij bemerkte +niet, dat Hystaspes was binnengekomen; zijne sombere blikken volgden +onafgebroken het vroolijk spel der stofjes in de door het venster +vallende zonnestralen. De vader van Darius durfde den vertoornden +vorst niet aanspreken. Om 's konings aandacht op zich te vestigen, +ging hij voor het venster staan, zoodat zijne schaduw de breede +lichtstraal verdeelde. + +Cambyzes sloeg eerst een toornigen, daarna een smartelijken blik op +dien man in zijne gescheurde kleeding, en vroeg: »Wat wilt ge? Waarom +knielt ge?" + +»Heil zij den koning! Uw arme dienaar en oom is gekomen, om de genade +van zijn heer in te roepen!" + +»Sta op en verwijder u! Gij weet, dat ik voor meineedigen en valsche +getuigen geene genade ken. Beter is het een dooden, dan een eerloozen +zoon te hebben." + +»Maar als Bartja eens onschuldig ware, en Darius...." + +»Gij vermeet u mijne uitspraak te bedillen?" + +»Dat zij verre. Wat de koning doet is goed, en duldt geene tegenspraak; +maar...." + +»Zwijg! Ik wil niet, dat men deze zaak opnieuw aanroere. Gij zijt +als vader te beklagen, maar mij hebben de laatste uren ook geene +vreugde gebracht. Ik heb medelijden met u, grijsaard, maar ik mag +het vonnis van uw zoon niet intrekken, evenmin als gij het bedreven +kwaad ongedaan kunt maken." + +»Maar zoo Bartja toch eens onschuldig ware. Wanneer de goden...." + +»Meent gij, dat de geesten des hemels bedriegers en meineedigen +ondersteunen?" + +»Neen, mijn koning! Maar een nieuwe getuige heeft zich opgedaan, +die...." + +»Een nieuwe getuige? Voorwaar, ik zou gaarne de helft van mijn rijk +geven, als ik overtuigd kon worden van de onschuld van zoo velen, +die aan mijn huis zoo nauw verwant zijn!" + +»Heil zij mijn heer, het oog des rijks! Buiten toeft een Helleen, +naar zijne gestalte en houding te oordeelen, een der edelsten van +zijn stam. Deze beweert de onschuld van Bartja te kunnen bewijzen." + +De koning hernam met een bitteren lach: »Een Helleen! Wellicht een +bloedverwant van de schoone, die Bartja voorgaf zoo hartstochtelijk +te beminnen? Wat zou deze vreemdeling van de aangelegenheden van +mijn huis weten? Maar ik ken die Ionische hongerlijders, vermetel +en schaamteloos mengen zij zich in alles, en meenen ons met hunne +listigheid om den tuin te kunnen leiden. Hoeveel hebt gij, oom, +voor dezen nieuwen getuige betaald? De Grieken zijn even mild met +leugens, als de magiërs met zegenspreuken, en ik weet zeer goed, +dat zij voor goud tot alles in staat zijn. Ik ben nieuwsgierig uw +nieuwen getuige te zien. Roep hem! Maar als hij mij bedriegen wil, +laat hem dan blijven waar hij is, en bedenken dat, waar het hoofd van +een zoon van Cyrus valt, het op de koppen van duizend Grieken niet +aankomt!"--Bij deze woorden fonkelde 's konings oog opnieuw van toorn; +Hystaspes antwoordde niets, maar liet den Helleen roepen. + +Alvorens deze binnentrad, bonden de stafdragers een doek voor zijn +mond, en zeiden hem, dat hij zich voor den koning moest nederwerpen. De +Griek trad in eene ongedwongene, edele houding naar den vorst toe, +die met zijn bliksemend oog tot op den bodem zijner ziel scheen te +willen doordringen, en wierp zich, overeenkomstig Perzisch gebruik, +voor hem neder en kuste den grond. + +Het innemend gelaat en de fiere gestalte van den vreemdeling, die +zijn blik rustig en met bescheidenheid beantwoordde, scheen een +gunstigen indruk op den koning te maken; althans hij liet hem niet +lang in zijne slaafsche houding, en vroeg hem, op vrij minzamen toon: + +»Wie zijt gij?" + +»Ik ben een Grieksch edelman, mijn naam is Phanes, mijne vaderstad +Athene. Tien jaren lang heb ik, als krijgsoverste en aanvoerder der +Grieksche soldaten, in dienst van Amasis niet zonder roem gestreden." + +»Zijt gij dezelfde, die de Egyptenaren de overwinning op Cyprus +deed behalen?" + +»Dezelfde." + +»Wat voert u naar Perzië?" + +»De roem van uw naam, o Cambyzes, en de begeerte, mijn zwaard en +mijne ondervinding aan u ten dienst te stellen." + +»Verder niets? Wees oprecht, en bedenk, dat een enkele leugen u het +leven kan kosten. Wij Perzen, hebben andere begrippen van de waarheid, +dan gij, Hellenen!" + +»Ook ik haat de leugen, al ware het alleen omdat zij de schoonheid van +'s menschen karakter misvormt." + +»Welnu, spreek dan!" + +»Gij hebt gelijk, o koning, er bestaat nog eene derde oorzaak, om +welke ik naar Perzië kwam, en deze zal ik u ook later doen kennen. Zij +betreft iets ongemeen belangrijks, tot de bespreking waarvan wij +echter veel tijd noodig hebben; heden echter..." + +»Juist heden wil ik gaarne iets nieuws hooren. Vergezel mij op de +jacht! Gij komt, als waart gij geroepen, want nooit had ik grootere +behoefte aan afleiding dan thans." + +»Ik zal u gaarne vergezellen, wanneer gij...." + +»Men stelt den koning geen voorwaarden! Zijt gij bedreven in de jacht?" + +»Ik heb menigen leeuw in de Lybische woestijn gedood." + +»Volg mij dan!" + +Bij de gedachte aan het jachtvermaak scheen de koning zijne uitputting +geheel te boven te zijn, en reeds wilde hij de zaal verlaten, toen +Hystaspes zich andermaal aan zijne voeten wierp, en met opgehevene +handen uitriep: »Moet mijn zoon, moet uw broeder dan onschuldig +sterven? Bij de ziel uws vaders, die mij zijn trouwsten vriend placht +te noemen, bezweer ik u, dezen edelen vreemdeling aan te hooren!" + +Cambyzes bleef staan. Hij fronste het voorhoofd, zijne stem klonk +dreigend en hol, en zijne oogen schoten vuur, toen hij den Griek +toeriep, terwijl hij zijne hand tegen hem ophief: »Zeg wat gij +weet! Maar bedenk, dat gij met het eerste leugenachtige woord uw +eigen doodvonnis uitspreekt!" + +Phanes hoorde deze dreigende woorden met de grootste kalmte aan, +en antwoordde, met eene bevallige buiging: »Voor de zon en voor mijn +koning kan niets verborgen blijven. Hoe zou een arm sterveling voor +den almachtige de waarheid kunnen bedekken? De edele Hystaspes zegt, +dat ik stellig de onschuld van uw broeder zal bewijzen; ik kan echter +slechts hopen en wenschen dat ik dit groote doel bereiken moge. Dit +is zeker, dat de goden mij een spoor hebben doen ontdekken, waardoor +'t mij mogelijk schijnt een geheel nieuw licht over de gebeurtenissen +van gisteren te verspreiden. Oordeel zelf of mijne hoop zoo geheel +ijdel is, en of ik mij met een droombeeld gevleid heb. Maar bedenk +steeds, dat het mijn oprecht verlangen was u te dienen, en dat mijne +dwaling, gesteld dat ik mij bedrogen heb, zeer vergeeflijk is. Bedenk, +dat er niets zekers op de wereld is, en dat een ieder geneigd is dat, +wat hij waarschijnlijk acht, ontwijfelbaar zeker te noemen." + +»Gij spreekt goed, en uwe woorden doen mij denken +aan... Vervloekt! Spreek, en maak het kort! Reeds verneem ik het +gebas der honden in het voorhof." + +»Ik bevond mij nog in Egypte, toen uw gezantschap daar aankwam om +Nitetis af te halen. In het huis mijner voortreffelijke, beroemde +landgenoote en vriendin Rhodopis maakte ik kennis met Cresus en zijn +zoon, terwijl ik uw broeder en zijne vrienden slechts vluchtig mocht +ontmoeten. Desniettemin bleef mij de herinnering aan het schoone gelaat +van den koninklijken jongeling zeer levendig bij; want toen ik later +te Samos de werkplaats van den grooten beeldhouwer Theodorus bezocht, +herkende ik dadelijk zijne trekken...." + +»Hebt gij hem dan op Samos ontmoet?" + +»Neen, maar Theodorus had aan het hoofd van een zonnegod, dien de +Alkmaeoniden voor den nieuwen tempel te Delphi bij hem besteld hadden, +de gelaatstrekken van uw broeder gegeven, die hij vast in zijn geheugen +had geprent." + +»Het begin van uw verhaal is reeds niet zeer geloofwaardig. Hoe was +het mogelijk, de trekken van een gelaat, dat men niet vóor zich heeft, +zoo trouw weer te geven!" + +»Theodorus heeft dit meesterstuk volbracht, en zoo gij zijne +kunstvaardigheid op de proef wilt stellen, zal hij u met genoegen +een tweede beeltenis van uw broeder...." + +»Ik begeer die niet. Ga voort!" + +»Op mijne reis herwaarts, die ik, dank zij de voortreffelijke +maatregelen uws vaders, in ongelooflijk korten tijd heb gedaan, +daar ik bij iedere vierde mijl van paarden wisselde...." + +»Wie heeft u vrijheid gegeven, als vreemdeling, van de postpaarden +gebruik te maken?" + +»De voor den zoon van Cresus opgestelde pas, die toevallig in mijn +bezit kwam, toen Gyges, om mijn leven te redden, mij dwong, zijne +kleederen met de mijne te verwisselen." + +»Een Lydiër bedriegt den vos, een Syriër den Lydiër; maar een Ioniër +beiden," zeide de koning zacht, terwijl er voor de eerste maal weer +een glimlach om zijne lippen speelde. »Cresus verhaalde mij deze +geschiedenis.--Arme Cresus!" Bij deze woorden trok er wederom een +wolk over Cambyzes' gelaat, en zijne hand beproefde de rimpels op +zijn voorhoofd glad te strijken. + +De Athener ging intusschen voort: »Zonder eenige ontmoeting vervolgde +ik mijne reis, tot ik hedenmorgen, in het eerste uur na middernacht, +door een vreemdsoortig voorval werd opgehouden...." + +De koning luisterde reeds met meerdere opmerkzaamheid, en drong den +Athener, die het Perzisch niet zeer vlug sprak, wat voort te maken. + +»Wij waren," ging Phanes met zijn verhaal voort, »tusschen het +laatste en voorlaatste posthuis Babylon genaderd, en hoopten reeds +vóor het opgaan der zon de stad te zullen bereiken. Ik dacht aan +mijn veelbewogen verleden, en mijn droeve, door de herinnering aan +ongewrokene beleedigingen gekwelde ziel vond geene rust, terwijl de +Egyptische grijsaard aan mijne zijde, door het eentonig geluid der +tegen het paardentuig bengelende klokjes, den gestadigen hoefslag +der paarden en het ruischen van den stroom slaperig geworden, +aan mijne zijde zachtkens ingedommeld was. De nacht was boven alle +beschrijving schoon en stil. De maan goot haar licht over den weg uit, +en vereenigde haar schijnsel met het flikkeren der tallooze sterren, +om het vreedzaam landschap in al zijne schoonheid voor mijn bewonderend +oog te ontsluieren. Sinds een uur hadden wij geen enkel voertuig, +geen enkelen ruiter gezien. De geheele bevolking uit de omstreken van +Babylon was, gelijk wij later vernamen, naar de stad getrokken om, +bij gelegenheid van uw geboortefeest, de pracht van uwe hofhouding te +aanschouwen en in uwe milde gaven te deelen. Op eens echter trof het +geluid van een onregelmatigen hoefslag en het geklingel van klokjes +mijn oor, en weinige oogenblikken later hoorde ik duidelijk om hulp +roepen. Mijn besluit was aanstonds genomen. Ik verzocht den Perzischen +dienaar, die mij te paard begeleidde, af te stijgen, wierp mij in +den zadel, beval den voerman van de kar, waarop mijne slaven zaten, +de muildieren niet te ontzien, maakte mijn dolk en mijn zwaard los, gaf +mijn ros de sporen, en rende naar de plaats van waar het hulpgeschrei, +dat ieder oogenblik luider werd, tot mij kwam. Nog geene minuut later +was ik getuige van een ontzettend tooneel. Drie knapen, van een woest +voorkomen, rukten een jongeling, die het witte kleed der magiërs +droeg, van zijn paard, begroetten hem met eene hagelbui van slagen, +en waren, toen ik op de plek aankwam, juist voornemens hun slachtoffer +in den Euphraat te werpen, die daar ter plaatse de wortels der palm- +en vijgeboomen langs den weg bespoelt. Zonder mij te bedenken hief +ik mijn Helleensch krijgsgeschreeuw aan, dat reeds menigen vijand +deed beven, en wierp mij op de moordenaars, die laf als alle lieden +van dat soort het hazenpad kozen, zoodra zij een hunner kameraden met +gekloofden schedel op den grond zagen liggen. Ik liet de ellendelingen +loopen, en boog mij over den zwaargewonden jongeling neder. Maar wie +beschrijft mijne verbazing, toen ik in hem uw broeder Bartja meende +te herkennen! Ja, dat waren volmaakt dezelfde trekken, die ik te +Naucratis en in de werkplaats van Theodorus gezien had, dat waren...." + +»Zonderling!" kon Hystaspes niet nalaten uit te roepen. + +»Misschien al te zonderling, om geloofd te kunnen worden," liet +Cambyzes volgen. »Neem u in acht, Helleen, en bedenk, dat mijn arm +ver reikt! Ik zal de waarheid van uw verhaal doen onderzoeken."' + +»Ik ben gewoon," antwoordde de Athener met eene diepe buiging, »de +leer te volgen van den wijzen Pythagoras, wiens roem misschien ook +tot uw oor is doorgedrongen, en steeds, alvorens ik spreek, bij mij +zelven te overleggen, of hetgeen ik zeggen ga mij vroeger of later +ook zou kunnen berouwen." + +»Dat klinkt schoon en wijs; maar, bij Mithra, ik heb een schepsel +gekend, dat den naam van denzelfden leeraar gestadig op de lippen had, +en zich in hare daden als de trouwste leerlinge van Angramainjus +heeft doen kennen. Gij kent de verraderes, die nog heden als een +giftige adder van de aarde zal worden verdelgd." + +»Zult gij het mij niet euvel duiden," vroeg Phanes, die de sporen eener +vreeselijke smart op het gelaat van den koning duidelijk opgemerkt had, +»als ik u eene andere spreuk van onzen grooten meester voorhoude?" + +»Spreek!" + +»Elk goed wordt even snel verloren, als verworven. Als dus de goden +u smarten toezenden, zoo draag ze met geduld. Mor niet onwillig, +maar bedenk dat de goden niemand zwaardere lasten opleggen, dan +hij vermag te dragen. Hebt gij eene wonde in het hart, zoo raak die +evenmin aan als een lijdend oog. Tegen zielelijden bestaan slechts +twee geneesmiddelen: hoop en geduld!" + +Cambyzes luisterde aandachtig naar deze gulden spreuken, uit den mond +van Pythagoras opgevangen, en lachte pijnlijk, toen hij het woord +»geduld" vernam. Maar het verhaal van Phanes had hem bijzonder geboeid, +en hij noodigde dezen dus uit voort te gaan. + +»Wij droegen," vervolgde Phanes met eene nieuwe buiging, »den +bewusteloozen jongeling in mijn wagen, en brachten hem naar het niet +ver meer verwijderde posthuis. Daar sloeg hij de oogen op, en vroeg, +mij angstig aanziende, wie ik was en waar hij zich bevond? De waard +uit het posthuis stond bij ons; daarom moest ik mij, om den vrijpas +niet te logenstraffen, die mij nieuwe paarden bezorgde, voor Gyges, +den zoon van Cresus uitgeven. + +»De gewonde scheen hem te kennen, wiens naam ik mij toeëigende, want +hij schudde zachtkens het hoofd en fluisterde: Gij zijt niet degeen, +voor wien gij u uitgeeft. Daarop sloot hij weder de oogen en kreeg +eene hevige koorts. Wij ontkleedden hem, deden hem eene aderlating +en verbonden zijne kwetsuren. Mijn Perzische dienaar, die Bartja had +gezien aan het hof van Amasis, alwaar hij de betrekking van opzichter +over de stallen bekleed had, en de Egyptische grijsaard, die mij +vergezelde, boden mij de behulpzame hand, en de eerste hield niet op te +verzekeren, dat de gekwetste niemand anders dan uw broeder was. Zelfs +de waard van het posthuis zwoer, toen we 's jongelings gelaat van het +bloed gezuiverd hadden, dat de aangerande zonder eenigen twijfel de +jongere zoon van uw grooten vader was. Intusschen was mijn Egyptische +reisgenoot naar buiten gegaan, en had uit de reisapotheek [317], zonder +welke een Egyptenaar niet dan ongaarne zijn vaderland verlaat, een +drank gekregen, waarvan hij den kranke een weinig ingaf. De droppels +werkten zoo wonderbaar, dat het door de koorts heftig bewogen bloed +na weinige uren tot rust kwam, en de jongeling bij het opkomen der +zon wederom de oogen opsloeg. Nu bogen wij ons voor hem neder, als +voor uw broeder, en vroegen hem of hij verlangde naar het paleis +te Babylon vervoerd te worden. Hij verzekerde ons echter met drift, +dat hij niet diegeen was, voor wien wij hem aanzagen, maar...." + +»Wie mag zoo sprekend op Bartja gelijken? Spreek! Ik ben nieuwsgierig, +dit te vernemen!" viel de koning den spreker in de rede. + +»Hij gaf voor de broeder te zijn van uw opperpriester, dat zijn naam +was Gaumata, en dat men dezen op den pas, die in de mouwen van zijn +kleed verborgen was, kon vinden. De waard van de herberg vond het +bedoelde stuk, en bevestigde de bewering van den lijder, die kort +daarop weder door eene nieuwe heftige aandoening van koorts werd +aangegrepen, gedurende welke hij allerlei onsamenhangende woorden +uitbracht." + +»Kondet ge ook verstaan, wat hij zeide?" + +»Voorzeker! Hij herhaalde onophoudelijk hetzelfde. De hangende tuinen +schenen vooral zijne gedachten bezig te houden. Hij moest kort +te voren aan een groot gevaar zijn ontkomen, en heeft op gemelde +plaats waarschijnlijk eene samenkomst gehad met zijne liefste, +Mandane geheeten." + +»Mandane!" prevelde Cambyzes voor zichzelven, »Mandane! Als ik mij +niet bedrieg, draagt de eerste kamerjuffer van de dochter van Amasis +dien naam." + +Aan het fijne gehoor van den Griek ontsnapten deze woorden niet. Eenige +seconden bezon hij zich; dan plooide een blijde glimlach zijne lippen, +en riep hij: »Stel de gevangenen gerust op vrije voeten, mijn koning, +want ik blijf u met mijn hoofd borg, dat Bartja niet op de hangende +tuinen geweest is!" + +De koning zag den koenen spreker verwonderd, maar vriendelijk +aan. Het opene en innemende gelaat, de vrije en ongedwongene houding, +waarmede de Athener tegenover hem stond, was hem iets geheel nieuws, +en oefende een wonderlijken invloed op hem uit, evenals de zeelucht +op iemand, wiens verhit voorhoofd voor de eerste maal door haar wordt +afgekoeld. Terwijl zijn grooten, ja zelfs zijne naaste bloedverwanten +hem slechts met gekromden rug durfden toespreken, stond deze Griek, met +zijne rijzige, fiere gestalte, als zijns gelijke voor hem. Terwijl de +Perzen ieder woord dat zij tot hun gebieder richtten, met bloemrijke +volzinnen en vleiende spreekwijzen plachten op te sieren, sprak de +Athener rond, eenvoudig en ongekunsteld. Daarbij ging zijne rede met +zulke bevallige gebaren en zoo sprekende blikken vergezeld, dat de +koning, ondanks Phanes' onbedrevenheid in de Perzische taal, hem beter +verstond, dan de, in den regel in gelijkenissen ingekleede berichten +zijner eigene onderdanen. Alleen tegenover dezen man en tegenover +Nitetis vergat hij, dat hij vorst was. Hier stond de mensch voor den +mensch; hier voelde de despoot niet meer, dat hij met iemand sprak, +wiens leven of dood een speelbal zijner luimen was. Zoo machtig werkten +de waardigheid van den man, het gevoel van eigenwaarde in een mensch, +die zichzelven bewust is rechtmatige aanspraak op vrijheid te hebben, +en de zedelijke meerderheid zelfs op den strengen dwingeland. Ook was +er nog iets anders, dat Cambyzes zoo snel voor dezen man innam. De +Griek toch scheen gekomen te zijn, om hem misschien den dierbaarsten +en reeds verloren geachten schat weder te geven. Maar kon het leven +van dezen vreemden avonturier als borg voor de zonen van de eersten +in Perzië worden aangenomen? En toch voelde zich de koning door den +voorslag van Phanes niet beleedigd. Hij glimlachte veeleer over de +stoutheid van den Helleen, die zich in zijn ijver van den doek, die +zijn mond en baard bedekte, bevrijd had, en riep: »Bij Mithra, het +komt mij voor, Helleen, dat gij het goed met ons meent! Ik neem uw +voorslag aan. Zijn de gevangenen in spijt uwer vermoedens, schuldig, +dan zijt gij verplicht uw leven lang als mijn dienaar aan dit hof te +blijven; gelukt het u echter datgene te bewijzen, waarnaar mijn hart +zoo vurig verlangt, dan verhef ik u tot den rijkste uwer landgenooten." + +Phanes maakte glimlachend een gebaar, als wilde hij zeggen, dat +hij dit niet begeerde, en vroeg: »Veroorlooft gij mij, tot u en uwe +hofbeambten eenige vragen te richten?" + +»Spreek en vraag, hoe en wat gij wilt!" + +Op dat oogenblik trad de opperjachtmeester in de zaal, en kondigde aan, +dat alles in gereedheid was. + +»Men wachte!" sprak de koning op barschen toon tot zijne dischgenooten, +die tengevolge van den gemaakten spoed, om 's konings bevel ten uitvoer +te leggen, bijkans buiten adem waren. »Ik weet niet, of er heden wel +van jagen zal komen. Waar is de hoofdman der zweepdragers Bischen?" + +Datis, het zoogenaamde oog des konings, het hoofd van alle +politiebeambten des rijks, snelde naar buiten en keerde binnen weinige +minuten, die Phanes zich ten nutte had gemaakt, om verscheidene der +aanwezige grooten over allerlei voor hem gewichtige bijzonderheden +te ondervragen, met den genoemden persoon terug. + +»Wat doen de gevangenen?" vroeg Cambyzes den voor hem op den grond +liggenden hoofdman. + +»Heil zij den koning! Zij verwachten rustig den dood, want het is +zoet door uw wil te sterven." + +»Hebt gij ook iets van hunne gesprekken afgeluisterd?" + +»Ja, mijn koning!" + +»Belijden zij elkander, dat zij schuldig zijn?" + +»Mithra alleen vermag in het hart te zien; maar gij, mijn vorst, zoudt, +als ik, uw armste knecht, aan de onschuld dezer veroordeelden gelooven, +als gij hen hoordet spreken." + +De hoofdman zag angstig tot den koning op, vreezende dat deze woorden +misschien zijn toorn zouden hebben opgewekt. Cambyzes antwoordde echter +met een blik van tevredenheid, in plaats van op te vliegen. Plotseling +deed eene sombere gedachte eene wolk over zijn voorhoofd trekken, en +nauw hoorbaar vroeg hij: »Wanneer is het vonnis aan Cresus voltrokken?" + +De hoofdman sidderde, toen hij dit woord vernam; het angstzweet parelde +op zijn voorhoofd, en slechts stamelend konden zijne lippen uitbrengen: +»Hij is.... hij heeft.... wij dachten...." + +»Wat dacht gij?" hernam Cambyzes, in wiens borst een straal van hoop +doordrong. »Hebt gij misschien mijn bevel niet op staanden voet ten +uitvoer gebracht? Leeft Cresus wellicht nog? Spreek, spreek, ik wil +de volle waarheid weten!" + +De hoofdman kromde zich als een worm aan de voeten van zijn gebieder, +en stamelde eindelijk, de handen smeekend naar hem opheffende: »Genade, +genade, mijn koning! Ik ben een arm man, en heb dertig kinderen, +van welke vijftien...." + +»Ik wil weten, of Cresus leeft of niet!" + +»Hij leeft! Ik dacht, dat ik niet misdeed, als ik hem, wien ik alles +verplicht ben, een paar uren langer in het leven liet, opdat hij...." + +»Het is genoeg!" riep thans de koning, ruimer ademhalende. »Ditmaal +zal ik u uwe ongehoorzaamheid niet toerekenen, en wijl gij zoovele +kinderen hebt, mag de schatmeester u vijf talenten uitbetalen.--Ga +thans naar de gevangenen; verzoek Cresus hier te komen, en zeg den +anderen, dat zij, zoo ze onschuldig zijn, goedsmoeds kunnen wezen." + +»Mijn koning is het licht der wereld en een oceaan van genade!" + +»Bartja en zijne vrienden behoeven niet langer opgesloten te +blijven. Zij mogen zich onder uwe bewaking in het voorhof van het +paleis begeven. Gij, Datis, ga dadelijk naar de hangende tuinen en +beveel Boges, de voltrekking van het vonnis der Egyptische op te +schorten. Wijders moet eene afdeeling der lijfwacht naar het posthuis +worden gezonden, waarvan de Athener gesproken heeft, om den daar +liggenden gekwetste herwaarts te brengen." + +Het oog van den koning wilde zich verwijderen. Phanes hield hem +evenwel terug, en vroeg: »Veroorlooft mijn koning mij éene opmerking?" + +»Spreek!" + +»Het komt mij voor, dat de overste der eunuchen ons de beste +inlichtingen kan geven. Die jongeling sprak terwijl hij ijlde zijn +naam meermalen uit, en wel in verband met dien zijner liefste." + +»Haast u, Datis, breng Boges dadelijk hier!" + +»Ook moet, dunkt mij, de opperpriester Oropastes, als broeder van +Gaumata, verhoord worden en evenzeer Mandane, die, gelijk mij zoo +even voor vast is verzekerd, de eerste kamerjuffer der Egyptische is." + +»Zend beiden hierheen, Datis!" + +»Wanneer men eindelijk Nitetis zelve...." + +Bij deze woorden van den Athener verbleekte de koning, en eene lichte +huivering voer door zijne leden. Hoe gaarne zou hij de geliefde +hebben wedergezien! Maar de sterke vorst vreesde de betooverende of +verwijtende blikken van deze vrouw. Daarom riep hij, naar de deur +wijzende, Datis toe: »Ga, en haal Boges en Mandane; de Egyptische +moet nog, onder goede bewaking, op de hangende tuinen blijven!" + +De Athener boog eerbiedig, als wilde hij zeggen: »Gij alleen hebt op +deze plaats te bevelen." + +De koning beschouwde hem met zichtbaar welgevallen, en zette zich +weder op zijn purperen divan. In gepeins verdiept, liet hij het hoofd +in de hand rusten, en vestigde zijn blik op den grond. Het beeld der +eenmaal zoo innig geliefde vrouw trad, ondanks alle inspanning om +het te verdrijven, telkens helderder voor zijne verbeelding, en de +gedachte, dat deze trekken onmogelijk die eener bedriegster konden +zijn, dat Nitetis misschien toch nog onschuldig was, verkreeg steeds +vaster voet in zijn voor de hoop opnieuw ontsloten hart. Bleek Bartja +werkelijk onschuldig te zijn, dan was ook iedere andere dwaling +denkbaar; dan wilde hij in persoon naar de hangende tuinen gaan, +hare hand vatten en hare verdediging aanhooren. Heeft de liefde een +man, in de kracht des levens, in het hart getroffen, dan slingert zij +zich, gelijk de aderen door het lichaam, door zijn gansche wezen heen, +en kan slechts met zijn leven worden uitgeroeid. + +Toen Cresus in de zaal verscheen, ontwaakte Cambyzes uit zijne +mijmeringen, hief den grijsaard, die zich aan zijne voeten geworpen +had, vriendelijk op, en zeide: »Gij hebt u aan mij vergrepen; ik +wil echter genade bewijzen, gedachtig aan het laatste woord van mijn +stervenden vader, waarmede hij mij gebood u als raadgever en vriend +te eeren. Neem uw leven uit mijne hand terug, en vergeet mijn toorn, +gelijk ik uwe oneerbiedigheid vergeten wil. Laat u thans door dien +man, die voorgeeft u te kennen, mededeelen wat hij onderstelt. Daarna +verneem ik gaarne ook uwe meening." + +Diep bewogen wendde Cresus zich tot den Athener, en liet zich door +dezen, na hem hartelijk welkom te hebben geheeten, in zijne vermoedens +inwijden. De grijsaard werd met ieder oogenblik oplettender, hief, +toen Phanes zweeg, zijne handen ten hemel op, en riep: »Vergeeft +mij, gij eeuwige goden, dat ik ooit aan uwe rechtvaardigheid heb +getwijfeld. Is het niet opmerkelijk, Cambyzes? Mijn zoon waagde zijn +leven, om het leven van dezen edelen mensch te redden, en thans voeren +de goden den geredde naar Perzië, om wat Gyges hem deed tienvoudig +te vergelden! Ware Phanes door de Egyptenaren vermoord geworden, dan +zouden wellicht reeds in dit uur de hoofden onzer zonen zijn gevallen." + +Bij deze woorden wierp Cresus zich aan de borst van Hystaspes, die, +gelijk hij, zijn geliefden zoon als ten tweeden male zag geboren +worden. + +De koning, Phanes en de Perzische grootwaardigheidsbekleeders +aanschouwden met diepe ontroering de elkander omarmende +grijsaards. Geen der aanwezigen twijfelde meer aan de onschuld van +Bartja, ofschoon die tot nog toe slechts door vermoedens kon worden +bewezen. Waar het geloof aan schuld zwak is, vindt de verdediger +gewoonlijk wijd geopende ooren. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + +Met echt Attische scherpzinnigheid had Phanes uit het gehoorde de ware +toedracht dezer treurige zaak opgemaakt. Hij had al spoedig begrepen, +dat ook de boosheid hare hand in het spel moest hebben gehad; want +Bartja's dolk kon niet anders, dan door tusschenkomst van een verrader, +op de hangende tuinen zijn gekomen. Terwijl hij dit zijn vermoeden +den koning te kennen gaf, werd de opperpriester Oropastes door de +stafdragers de zaal binnengeleid. + +De koning zag hem toornig aan en vroeg, zonder een enkel woord tot +inleiding: »Hebt gij een broeder?" + +»Ja, mijn koning. Hij en ik zijn de eenigen, die nog in leven zijn, +van zes broeders en zusters. Mijne ouders...." + +»Is deze broeder ouder of jonger dan gij?" + +»Ik was de oudste van ons allen, terwijl hij, de jongste, mijn vader +tot vreugde van zijn ouderdom geboren werd." + +»Hebt gij ooit eene in het oog vallende gelijkenis tusschen hem en +een mijner bloedverwanten opgemerkt?" + +»Ja, mijn koning, Gaumata gelijkt zoo sprekend op uw broeder Bartja, +dat men hem steeds in de priesterschool te Rhagae, waar hij zich +thans nog bevindt, den prins noemde." + +»Was hij in de laatste dagen te Babylon?" + +»Tijdens het nieuwjaarsfeest voor het laatst." + +»Spreekt gij de waarheid?" + +»Mijn kleed en mijn ambt zouden mij dubbel strafbaar maken, als ik +mijn mond opende om een leugen te zeggen." + +Het gelaat van den koning werd vuurrood van toorn, en met een barsche +stem riep hij: »En toch liegt gij, want Gaumata was gisterenavond +hier!--Gij beeft! Daartoe hebt gij alle reden." + +»Mijn leven behoort u, wien alles toebehoort; desniettemin zweer ik, +de opperpriester, bij den hoogsten God, dien ik dertig jaren lang +trouw gediend heb, dat ik er niets van weet, dat mijn broeder gisteren +binnen Babylon is geweest." + +»Uw aangezicht draagt den stempel der waarheid." + +»Gij weet dat ik, gedurende den gewichtigen dag van gisteren, geen +oogenblik uwe zijde verlaten heb." + +»Dat weet ik!" + +Andermaal openden zich de deuren, om de sidderende Mandane binnen te +laten. De opperpriester zag haar met verbaasden en vragenden blik in +het ontroerde gelaat. Aan het scherpziend oog van den koning ontging +het niet, dat de kamerjuffer in zekere betrekking stond tot Oropastes; +daarom vroeg hij dezen, zonder verder acht te slaan op de maagd, +die sidderend aan zijne voeten lag: »Kent gij deze vrouw?" + +»Ja, mijn koning. Door mijne voorspraak verwierf zij de hooge +betrekking van eerste kamerjuffer en opperste van alle dienstdoende +personen bij de Egyptische koningsdochter--Aoeramazda schenke haar +vergiffenis!" + +»Hoe kwaamt gij, een priester er toe, om deze jonge vrouw zoo uitermate +te begunstigen?" + +»Haar ouders stierven aan dezelfde pest, die mijne broeders +wegrukte. Haar vader was een eerbiedwaardig priester en een vriend van +ons huis. Daarom namen wij het meisje tot ons, gedachtig aan de leer: +»Geeft gij den reinen man en zijner weduwe en zijne weezen niets, dan +zult gij van de reine en onderworpene aarde in stekende brandnetels, +in gruwzaam lijden en in de vreeselijkste plaatsen geslingerd +worden." Aldus werd ik haar pleegvader, en liet ik haar met mijn +jongsten broeder opvoeden, tot deze naar de priesterschool vertrok." + +De koning wisselde een blik van verstandhouding met Phanes, en vroeg: +»Waarom behieldt gij het meisje, dat toch schoon van gelaat is, +niet bij u?" + +»Toen zij de oorringen had gekregen, oordeelde ik het voegzaam haar, +eene jonkvrouw, uit mijn priesterlijk huis te verwijderen, en haar +eene zelfstandige toekomst te verzekeren." + +»Heeft zij, als volwassen meisje, uw broeder nog weergezien?" + +»Ja, mijn koning. Zoo dikwijls Gaumata mij bezocht, liet ik hem met +Mandane als met zijne zuster verkeeren; toen mij echter duidelijk werd, +dat zich in de kinderlijke vriendschap de hartstocht der jeugd begon +te mengen, kwam het besluit meer en meer tot rijpheid om het meisje +uit mijn huis te verwijderen." + +»Wij weten genoeg," zeide de koning, den opperpriester door een wenk +te kennen gevende, dat hij zich ter zijde kon begeven. Daarna zag +hij op het meisje neder, en zeide op gebiedenden toon: »Sta op!" + +Mandane stond sidderende en bevende overeind. Haar anders zoo blozend +gelaat was bleek als de dood, en hare roode lippen hadden eene blauwe +tint aangenomen. + +»Verhaal, wat gij van den avond van gisteren weet; maar bedenk, +dat éen enkele leugen uw doodvonnis is!" + +De knieën van het angstige kind begonnen zoo sterk te knikken, dat +zij zich ter nauwernood staande kon houden. De vrees belette haar +een enkel woord uit te brengen. + +»Mijn geduld is kort!" riep Cambyzes haar waarschuwend toe. + +Mandane dreigde neder te zijgen; haar aangezicht werd nog bleeker, +hare tong was als verstijfd. Daar trad Phanes naar den vorst toe, +die opnieuw in toorn was ontstoken en vroeg hem bijna fluisterend +vergunning om het meisje te verhooren. Haar mond thans door angst +gesloten, zou met een zacht woord oogenblikkelijk geopend worden. + +Cambyzes gaf met een hoofdknik zijne toestemming. Wat de Athener +voorzien had, gebeurde; want nauwelijks had hij Mandane van de +welwillendheid van al de aanwezigen verzekerd, zijne hand op haar +hoofd gelegd, en haar vriendelijk toegesproken, of zij barstte +los in snikken, en een stroom van tranen bevochtigde hare bleeke +wangen. Hij wist den band, die hare tong gesnoerd had, los te maken, +en nu verhaalde zij, dikwerf met een snik afbrekende, alles wat zij +wist. Zij verzweeg niet, dat Boges die heimelijke samenkomst had in de +hand gewerkt, en het minnend paar in zijne bescherming had genomen, +en eindigde met de woorden: »Ik weet wel, dat ik mijn leven verbeurd +heb, en dat ik het slechtste en ondankbaarste schepsel van de geheele +wereld ben. Maar al dat kwaad ware voorkomen geworden, als Oropastes +zijn broeder toegestaan had mij te huwen!" + +Bij deze haastig uitgesprokene woorden, begon zij opnieuw te snikken +en biggelden groote tranen haar langs de wangen, terwijl de ernstigste +toehoorders, ja zelfs de koning, zich niet weerhouden konden even +te glimlachen. + +Deze glimlach redde haar leven, dat zeker ernstig werd bedreigd. Na +hetgeen Cambyzes gehoord had, ware het hem zeker onmogelijk geweest, +zijne lippen tot een lach te plooien, als Mandane niet, met dat fijne +instinct, dat der vrouw juist in de ure van het dreigendste gevaar +zoo gereedelijk ten dienste staat, geweten had, hoe den koning in +zijne zwakke zijde aan te tasten en daarvan partij te trekken. Veel +langer dan noodig was, had zij dus stilgestaan bij de verrukking van +Nitetis over de geschenken van haar koninklijken geliefde. + +»Duizendmaal," riep zij, »kuste mijne meesteres al de dingen, die men +haar van uwentwege, o koning, bracht. Maar vooral drukte zij dikwerf +hare lippen op den bloemruiker, dien gij, eenige dagen geleden, met +eigen hand geplukt hadt. En toen de ruiker begon te verwelken, nam +zij bloem voor bloem in de hand, breidde de fijne blaadjes zorgvuldig +uit, legde ze tusschen wollen doeken, en plaatste zelve hare zware +gouden zalfdoos daarop, om ze te drogen en als eene gedachtenis aan +uwe goedheid te bewaren." + +Zij merkte op, dat het gelaat van haar strengen rechter bij deze +woorden verhelderde, en schepte daaruit nieuwen moed, om harer +meesteres woorden in den mond te leggen, die zij nooit had geuit. Zij +beweerde honderdmaal gehoord te hebben, dat Nitetis den naam »Cambyzes" +met onuitsprekelijke teederheid in den slaap uitriep. Eindelijk zweeg +zij, na nog met eene door snikken nauw hoorbare stem om genade te +hebben gesmeekt. + +Zonder toorn, maar met diepe verachting zag de koning op haar +neder. Haar met den voet van zich stootende, riep hij: »Uit mijne +oogen, verachtelijk schepsel! Bloed als het uwe zou de bijl van den +beul slechts bezoedelen! Uit mijne oogen!" + +Mandane liet zich geen tweemaal zeggen de zaal te verlaten. Dat »uit +mijne oogen" klonk in haar oor als de liefelijkste muziek. Als eene +opgejaagde hinde vloog zij door de wijde voorhoven van het paleis, +om op de straat de saamgedrongene menigte als eene krankzinnige in +de ooren te gillen: »Ik ben vrij! Ik ben vrij!" + +Nauwelijks had zij de zaal verlaten, toen Datis, het oog des konings, +terugkeerde en den koning het bericht bracht, dat men den overste +der eunuchen overal tevergeefs gezocht had. Op eene raadselachtige +wijze was hij van de hangende tuinen verdwenen. Hij, Datis, had +echter zijne onderhoorigen gelast, den vluchteling op te sporen, +en hem dood of levend over te leveren. + +Deze boodschap deed den vorst in eene geweldige vlaag van toorn +uitbarsten, en hij bedreigde den politiebeambte, die van den +volksoploop opzettelijk voor zijn vorst had gezwegen, met zware +straf, indien men den voortvluchtige niet vóor den volgenden morgen +achterhaald had. + +Nauwelijks had hij uitgesproken, toen de stafdrager een eunuch van +de moeder des konings binnenleidde, door wien zij haar zoon om een +mondgesprek liet verzoeken. + +Cambyzes aarzelde geen oogenblik, om aan den wensch zijner blinde +moeder gevolg te geven. Hij reikte Phanes de hand ten kus, eene hooge +eer, die in den regel slechts aan dischgenooten werd gegund, en riep: +»Men stelle terstond al de gevangenen op vrije voeten. Gaat heen tot +uwe zonen, gij beangste vaders, en zegt hun, dat zij zich van mijne +gunst en genade kunnen verzekerd houden. Voor ieder hunner zal ik +wel een satrapie weten te vinden, ter vergoeding van dezen nacht van +onschuldige gevangenschap. U, mijn Helleenschen vriend, ben ik grooten +dank verschuldigd. Om mij daarvan te kwijten, en u aan mijn hof te +verbinden, verzoek ik u, u door onzen schatmeester honderd talenten +[318] te doen uitbetalen." + +»Zulk eene groote som zal ik ternauwernood weten te gebruiken." + +»Misbruik haar dan!" antwoordde de koning met vriendelijken +lach. Daarop verliet hij de zaal, vergezeld van zijn hofbeambten, +aan de deur zich evenwel nog eens omkeerende, om den Athener toe te +roepen: »Tot wederziens, aan den maaltijd!" + + + +Terwijl dit alles voorviel, heerschte er in de vertrekken van de moeder +des konings de grootste neerslachtigheid. Nadat Cassandane kennis +genomen had van dien rampzaligen brief aan Bartja, geloofde zij aan +de ontrouw van Nitetis, maar volhardde in hare overtuiging omtrent +de onschuld van haar geliefden zoon. Wien kon ze nu nog vertrouwen, +als het meisje, in hetwelk zij tot nog toe de verpersoonlijking van +alle vrouwelijke deugden had meenen te aanschouwen, eene verachtelijke +boeleerster moest worden genoemd, als de edelste jongelingen zich aan +meineed konden schuldig maken? Nitetis was erger dan dood voor haar; +Bartja, Cresus, Darius, Gyges, Araspes, met wie allen haar hart door +banden des bloeds en der vriendschap verbonden was, waren zoo goed als +gestorven. En zij durfde niet eens hare tranen den vrijen loop laten, +want de zware taak rustte op haar, de uitbarstingen der wanhoop van +haar woest kind te beteugelen. + +Atossa stelde zich aan als eene razende, toen zij vernam dat de +doodvonnissen geveld waren. De gematigdheid, die haar door den +omgang met de Egyptische eigen was geworden, verliet haar geheel, +en haar zoo lang bedwongen onstuimig karakter deed zich nu met +verdubbelde heftigheid gelden. Nitetis, hare eenige vriendin, +Bartja haar broeder, aan wien zij met hare gansche ziel hing, Darius, +wien zij, nu gevoelde zij het eerst recht goed, niet slechts als den +redder van haar leven een dankbaar hart toedroeg, maar dien zij met +de innigheid eener eerste liefde beminde, Cresus, dien zij als haar +vader vereerde;--kortom allen, die haar dierbaar waren, zou zij nu +met één slag verliezen. Zij scheurde hare kleederen, rukte zich de +haren uit, noemde Cambyzes een monster van wreedheid, en ieder, die +aan de schuld van zulke voortreffelijke menschen geloofde, blind en +krankzinnig. Dan smolt zij weder weg in tranen, en zond ootmoedige +gebeden tot de goden op, om weinige minuten later hare moeder te +bezweren, haar naar de hangende tuinen te vergezellen, en met haar +de verdediging van Nitetis aan te hooren. + +Cassandane beproefde het onstuimige meisje tot kalmte en berusting te +brengen, en verzekerde haar, dat iedere poging om Nitetis te spreken, +zou blijken ijdel te wezen. Nu begon Atossa opnieuw uit te varen, +zoodat de oude vrouw haar ten laatste met moederlijke gestrengheid +het stilzwijgen moest opleggen, en bij het aanbreken van den morgen +haar beval zich naar haar slaapvertrek te begeven. + +Het meisje gehoorzaamde, doch zette zich, in plaats van zich ter rust +te begeven, aan het open venster, dat haar het uitzicht gaf op de +hangende tuinen. Met betraande oogen tuurde zij naar het huis tegenover +haar, waarin thans hare vriendin, hare zuster, eenzaam, verlaten, +verstooten, een smadelijken dood verbeidde. Plotseling scheen, door +eene buitengewone inspanning van den wil, haar door tranen verduisterd +oog opnieuw te verhelderen. Het staarde niet meer in de onbegrensde +ruimte, maar vestigde zich onafgewend op een zwart punt, dat uit de +richting van de woning der Egyptische, van oogenblik tot oogenblik +grooter en beter te onderscheiden, recht op haar aankwam, en zich +eindelijk op eene cypres voor haar venster neerliet. Opeens verdween +de toornige uitdrukking van haar liefelijk gelaat; voor de eerste maal +sedert vele uren kon zij met verruimde borst ademhalen. Zij klapte +in de handen en riep uit: »O, zie! daar is de vogel Homaï [319], +de geluksvogel! Nu zal zich alles ten beste schikken!"--Dezelfde +paradijsvogel, welks verschijning in het hart van Nitetis zulk een +troostenden balsem had uitgestort, schonk ook Atossa nieuwe hoop. + +Zij nam den tuin nauwkeurig op, of ook iemand haar bespieden kon, +en toen zij niemand gewaarwerd dan den ouden hovenier, sprong zij, +bevende als eene achtervolgde ree, het venster uit, brak eenige +rozeknoppen en cypressetakjes af, en naderde daarmede den grijzen +tuinman, die hare bewegingen had gadegeslagen, terwijl hij zachtkens +het hoofd schudde. Zij streelde de wangen van den oude, als ware hij +haar vader geweest, legde hare bloemen in zijne grove hand, en vroeg: +»Hebt gij mij lief, Sabaces?" + +»O, meesteres!" zeide de grijsaard, waarbij hij den zoom van het +gewaad der koningsdochter in vervoering aan de lippen drukte. + +»Ik geloof u, vadertje, en wil u bewijzen, dat ik mijn ouden goeden +Sabaces vertrouw. Verberg deze bloemen goed, en begeef u, zoo snel +uwe krachten het u toelaten, naar het paleis van den koning. Zeg, +dat gij vruchten voor de tafel brengt. Naast de wachtkamer der +Onsterfelijken worden mijn arme broeder Bartja en Darius, de zoon van +den edelen Hystaspes, gevangengehouden. Zorg dat deze bloemen dadelijk, +maar hoort gij, dadelijk, met een hartelijken groet van mij, aan die +beiden ter hand worden gesteld." + +»De wachters zullen mij niet bij de gevangenen toelaten." + +»Neem dezen ring en druk hun dien in de hand. Men kan toch de +ongelukkigen niet verbieden, zich in de aanschouwing van bloemen +te verlustigen?" + +»Ik zal het beproeven." + +»Ik wist wel, dat gij mij liefhadt, goede Sabaces! Ga nu, en keer +spoedig terug!" + +De grijsaard verwijderde zich haastig. Atossa zag hem peinzend na, +en sprak bij zichzelve: »Thans zullen zij beiden weten, dat ik hen +tot aan hun dood heb bemind. De roos beteekent: ik bemin u; de altijd +groene cypres: trouw en onwankelbaar."--Na verloop van een uur keerde +de oude man terug, en bracht Atossa, die hem te gemoet snelde, den +ring van Bartja waaraan hij zoozeer gehecht was, en van Darius een +in bloed gedoopten Indischen doek. + +Met tranen in de oogen ontving Atossa deze panden uit de hand van den +grijsaard; daarop ging zij onder een breedgetakten plataanboom zitten, +drukte de beide voorwerpen afwisselend aan hare lippen, en zeide tot +zichzelve: »Bartja's ring beteekent, dat hij aan mij denkt; en de in +bloed gedoopte doek van Darius, dat hij zijn laatsten druppel bloed +voor mij veil heeft." + +Atossa lachte weemoedig, terwijl zij deze woorden fluisterde; en van +dat oogenblik was zij kalm, en dacht aan het lot harer vrienden met +bittere tranen. + + + +Weinige uren later bracht een bode van Cresus aan de aanzienlijke +vrouwen het bericht, dat de onschuld van Bartja en zijne vrienden +bewezen, en ook Nitetis zoo goed als gerechtvaardigd was. Onmiddellijk +zond Cassandane hare dienaren naar de hangende tuinen, om Nitetis uit +te noodigen onverwijld tot haar te komen. In vreugde even uitgelaten +als in droefheid, liep Atossa den draagstoel harer vriendin tegemoet, +en vloog van de eene harer dienstmaagden naar de andere, om haar +toe te roepen: »Allen zijn onschuldig; allen, allen zullen voor ons +gespaard blijven!" + +En toen de draagstoel met hare vriendin eindelijk naderde, toen zij +het voorwerp harer liefde, bleek als de dood, weerzag, barstte zij +in hevig snikken uit, viel Nitetis reeds onder het uitstijgen om +den hals, en bedekte haar gelaat met kussen, tot zij bemerkte, dat +de knieën der geredde knikten, en zij een krachtiger steun behoefde +dan haar zwakken arm. + +De Egyptische werd bewusteloos in de vertrekken van de moeder des +konings gedragen. Toen zij de oogen weder opsloeg, rustte haar hoofd, +dat bleek was als marmer, in den schoot der blinde, voelde zij den +druk van Atossa's warme lippen op haar ijskoud voorhoofd, en stond +Cambyzes, die onmiddellijk aan de roepstem zijner moeder gehoor had +gegeven, naast haar rustbed. + +Verbaasd en angstig zag zij den kring van hen, die haar zoo vurig +liefhadden, rond. Eindelijk herkende zij de haar omringenden. Nu +streek zij met de vlakke hand over het strakke voorhoofd, als wilde +zij een sluier verwijderen, die haar gezicht benevelde, lachte +allen vriendelijk toe en sloot dan hare oogen weder. Zij meende, +dat de liefderijke Isis haar een schoon droombeeld voortooverde, +en beproefde dit met al de kracht harer ziel vast te houden. + +Toen riep de driftige Atossa haar nogmaals met teederheid bij haar +naam. Andermaal opende Nitetis de oogen en deze ontmoetten opnieuw +de liefdevolle blikken dergenen, van wie zij meende gedroomd te +hebben. Ja, daar was hare Atossa, daar hare moederlijke vriendin, +daar, niet de vertoornde koning, maar de man die haar beminde. Thans +ontsloot ook hij de lippen en riep, zijn streng gebiedend oog smeekend +op haar vestigende: »O, Nitetis, ontwaak! Gij moogt, gij kunt niet +schuldig zijn!" Zij schudde zachtkens het hoofd, en een lachje van +geluk zweefde over haar beeldschoon aangezicht, als de adem der +jeugdige lente over een rozenbed. + +»Zij is onschuldig; bij Mithra, zij kan niet schuldig zijn!" riep +Cambyzes andermaal, terwijl hij zonder acht te geven op de aanwezigen, +op de knieën viel. + +Een Perzisch geneesheer naderde thans de als uit den dood verrezene, +en bestreek hare slapen met eene zalfolie, die een aangenamen geur +verspreidde, terwijl de oogarts Nebenchari, onder het prevelen van +bezweringsformulieren, haar hoofdschuddend den pols voelde, en haar +een drank uit zijne kleine apotheek ingaf. Nu herkreeg zij haar volle +bewustzijn, en vroeg, zich tot Cambyzes wendende, nadat zij zich met +moeite opgericht en de liefdesbetuigingen harer vriendinnen beantwoord +had: »Hoe kondet gij zoo iets van mij denken, mijn koning!" Geen +verwijt, slechts diepe smart sprak uit deze woorden, die Cambyzes +alleen beantwoorden kon met de stamelende bede: »Vergeef mij!" + +Cassandane dankte haar zoon voor dit bewijs van zelfverloochening, +met een vriendelijken blik harer blinde oogen, en zeide: »Ook ik, +mijne dochter, heb uwe vergiffenis noodig." + +»Ik heb geen oogenblik aan u getwijfeld!" riep Atossa, de vriendin +met zekeren trots en in verrukking op den mond kussende. + +»Uw schrijven aan Bartja bracht mijn geloof aan uwe onschuld aan het +wankelen," sprak de koningin-moeder. + +»En toch was het alles zoo eenvoudig en natuurlijk!" antwoordde +Nitetis. »Hier, mijne moeder, neem dezen brief uit Egypte. Cresus zal +hem wel voor u ontcijferen. Deze zal u alles verklaren. Misschien +ben ik onvoorzichtig geweest. Laat u door uwe moeder aangaande den +inhoud voorlichten, mijn koning! O, ik bid u, spot niet met mijn arme, +kranke zuster. Als eene Egyptische eenmaal iemand bemint, kan zij hem +niet meer vergeten.--Het wordt mij zoo benauwd! Mijn einde nadert! De +laatste uren waren zoo ijselijk! Het verschrikkelijke doodvonnis, +dat Boges, die vreeselijke man, mij voorlas, dat vonnis drong mij +vergif te nemen. Ach, mijn hart!" + +Dit zeggende, zonk zij weder in den schoot der blinde +neder. Nebenchari, de oogarts, sprong toe, gaf de kranke wederom eenige +droppels in, en riep: »Dacht ik het niet? Zij heeft vergif genomen, +en zal onherroepelijk sterven, ook al weerhoudt dit tegengif den dood +nog eenige dagen!" + +Bleek en als gevoelloos elke zijner bewegingen volgende, stond Cambyzes +naast hem, terwijl Atossa het voorhoofd der geliefde vriendin met +tranen besproeide. + +»Men brenge melk en mijne groote artsenijkast!" gebood de +oogarts. »Roept ook dienstmaagden, om haar weg te dragen, want vóór +alle dingen is rust noodig." + +Atossa snelde naar een zijvertrek; Cambyzes echter vroeg den arts, +zonder hem aan te zien: »Is er geene hope?" + +»Het vergif, dat zij genomen heeft, moet onfeilbaar den dood ten +gevolge hebben." + +Toen de koning dit woord vernomen had, stiet hij den arts van de +kranke weg, en riep: »Zij zal, zij moet leven! Ik beveel het! Hier +eunuch! Ontbied alle geneesmeesters uit geheel Babylon, roep alle +priesters en mobeds [320]! Zij zal leven, hoort gij, zij moet leven, +ik beveel het, ik, de koning!" + +Op dit oogenblik opende Nitetis de oogen, als wilde zij het bevel van +haar gebieder aanstonds vervullen. Haar gelaat was naar het venster +gekeerd. Dáar, op den cypres, zat nog altijd de paradijsvogel, met +het gouden kettinkje aan den voet.--De blikken der lijdende vielen +het eerst op den voor haar neergezonken geliefde, die zijne gloeiende +lippen op hare rechterhand drukte. Glimlachend fluisterde zij: »O, +welk een geluk!" Dan werd zij den vogel gewaar, wees er naar met de +linkerhand, en riep: »O, zie, zie! De vogel van Ra, Phoenix!" + +Hierop sloot zij de oogen, en lag kort daarop in eene hevige koorts. + + + + + + + + +DERDE BOEK. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + +Prexaspes, de koninklijke gezant, een der eerste beambten aan het hof, +had Gaumata, Mandane's minnaar, die inderdaad op Bartja geleek als twee +druppelen water, krank als hij was tengevolge der ontvangene wonden, +naar Babylon vervoerd. Hier verwachtte hij in den kerker zijn vonnis, +terwijl zijn verleider Boges, in spijt van de ijverigste nasporingen +der politiebeambten nergens te vinden was. De volksoploopen in +de straten van Babylon hadden zijne vlucht, die hem door de ons +bekende valdeur op de hangende tuinen mogelijk was geweest, zeer +begunstigd. Verbazende schatten vond men in zijne woning. Kisten vol +goud en sieraden, waarmede hij zich in zijne betrekking zoo gemakkelijk +had kunnen verrijken, werden teruggebracht in de koninklijke schatkist, +waaruit zij afkomstig waren. Maar Cambyzes had gaarne het tienvoudig +bedrag dezer rijkdommen uitbetaald, om den verrader zelven in handen +te krijgen. + +Twee dagen na de vrijspraak der beschuldigden deed hij, tot wanhoop van +Phaedime, al de bewoneressen van het vrouwenverblijf, zijne moeder, +Atossa en de met den dood worstelende Nitetis uitgezonderd, naar +Suza overbrengen. Onderscheidene hooggeplaatste eunuchen werden op +staanden voet van hunne ambten ontzet. De geheele kaste moest boeten +voor de misdaad van hun medelid, die zijne rechtvaardige straf was +ontloopen. Oropastes, die zijn post als plaatsvervanger des konings +reeds aanvaard, en zijne onschuld aan de overtreding van zijn broeder +ten duidelijkste bewezen had, begunstigde uitsluitend magiërs met de +opengevallene plaatsen. + +De volksbeweging, die van de zijde der Babyloniërs ten gunste van +Bartja had plaats gegrepen, werd den koning eerst bekend, nadat het +volk reeds lang uiteen was gegaan. In weerwil zijner bezorgdheid +voor Nitetis, aan wie hij bijkans al zijn tijd wijdde, deed hij zich +een nauwkeurig verslag geven van deze wanordelijkheden, en beval de +raddraaiers streng te straffen. Uit het voorgevallene meende hij met +grond te mogen afleiden, dat Bartja zich de gunst van het volk had +zoeken te verwerven en misschien zou hij hem zijn ongenoegen wel +duidelijk te kennen hebben gegeven, indien niet zijn beter gevoel +hem gezegd had, dat niet Bartja tegen hem maar hij tegen Bartja +misdaan had. Toch kon hij de gedachte, dat Bartja ook zonder zijn +toedoen, de oorzaak was geweest van de treurige gebeurtenissen der +laatste dagen, evenmin onderdrukken als den wensch, zich gansch +en al van zijne tegenwoordigheid te ontslaan. Daarom schonk hij +ook zijn onverdeelden bijval aan het verlangen van zijn broeder, +om de reis naar Naucratis geen oogenblik langer uit te stellen. Na +een teeder afscheid van zijne zuster en moeder, begaf Bartja zich, +twee dagen na zijne invrijheidstelling, op weg naar Egypte. Gyges, +Zopyrus en een talrijk gevolg, dat van Cambyzes kostbare geschenken +voor Sappho had medegekregen, vergezelden hem. + +Darius volgde hem ditmaal niet, daar zijne liefde voor Atossa hem niet +kon doen besluiten, Babylon voor zoo langen tijd te verlaten. Ook was +de dag niet verre meer, dat hij, op bevel van zijn vader, Artystone, +de dochter van Gobryas, huwen zou. Met een bezwaard hart scheidde +Bartja van zijn vriend, wien hij met betrekking tot Atossa den raad +gaf, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen. Cassandane was +in het geheim dezer liefde ingewijd, en had beloofd bij den koning +de voorspraak van Darius te zullen zijn. Zoo iemand, dan waarlijk +mocht de zoon van Hystaspes zijne oogen tot de dochter van Cyrus +opheffen, daar hij ten nauwste aan het regeerende huis vermaagschapt +was, en evenals Cambyzes tot de Pasargaden behoorde. Zijn stam was +eene jongere linie van de dynastie die thans het bewind voerde, en +daarom niet minder aanzienlijk [321]. Zijn vader heette het hoofd +van den geheelen rijksadel, en bestuurde als zoodanig de provincie +Perzië, het moederland, aan hetwelk dit onmetelijke wereldrijk en +zijn beheerscher hun oorsprong te danken hadden. Na het uitsterven +der familie van Cyrus, hadden de nakomelingen van Hystaspes een op +goede gronden steunend recht op den Perzischen troon. Daardoor reeds +was Darius, zijne persoonlijke voortreffelijke hoedanigheden nog +daargelaten, wel de meest geschikte echtgenoot voor Atossa. Toch +viel er vooralsnog niet aan te denken, de toestemming des konings +tot deze verbintenis te vragen. In de sombere gemoedsgesteldheid, +waarin hij sedert de laatste gebeurtenissen verkeerde, had hij licht +een weigerend antwoord kunnen geven, en zulk een antwoord moest onder +alle omstandigheden als onherroepelijk worden beschouwd. + +Aldus trok Bartja naar den vreemde, zonder een schijn van zekerheid te +hebben betreffende de toekomst van het hem zoo dierbare paar. Cresus +beloofde ook hier als bemiddelaar te zullen optreden, en bracht +Bartja kort vóor zijn vertrek met Phanes in aanraking. De jongeling +behandelde den Athener, van wien hij uit den mond zijner geliefde +niets dan schoons en goeds had vernomen, uiterst minzaam, en won +spoedig de genegenheid van den aan ondervinding zoo rijken man, +die hem menigen nuttigen wenk gaf, en een aanbevelingsbrief [322] +aan den Milesiër Theopompus te Naucratis. Hij verzocht hem eindelijk +om een mondgesprek onder vier oogen. Toen Bartja met den Athener in +den vriendenkring wederkeerde, scheen hij over iets gewichtigs te +denken en was er aanvankelijk op zijn gelaat hooge ernst te lezen; +maar weldra had hij de zorgen van zich gezet, en schertste hij met +de aanwezigen, terwijl de afscheidsbeker vroolijk geledigd werd. + +Voordat hij den volgenden morgen te paard steeg, liet Nebenchari +hem om een mondgesprek verzoeken. De oogarts werd tot hem geleid, en +bad hem zich met de bezorging te willen belasten van eene briefrol +voor koning Amasis, die tamelijk groot was. Deze rol behelsde een +uitvoerig verhaal van het lijden van Nitetis, en eindigde met deze +woorden: »Zoo zal dus dit arme offer van uwe eerzucht, tot wanhoop +gebracht, door het vergif dat zij innam, binnen weinige uren, te +vroeg een prooi van den dood worden. Gelijk de spons eene teekening +van de tafel wischt, alzoo vernielt de willekeur van de machtigen +dezer aarde het geluk van een mensch. Uit zijn vaderland verbannen, +van zijne eigendommen beroofd, kwijnt uw knecht Nebenchari in den +vreemde weg. Als zelfmoordenares ligt de ongelukkige dochter van een +Egyptischen koning te zieltogen. Overeenkomstig Perzisch gebruik zal +haar lijk door honden en gieren verscheurd worden. Wee hem, die de +schuldelooze het geluk dezer aarde en de rust der toekomst ontnam!" + +Bartja beloofde den in zichzelven gekeerden man, dit schrijven, +waarvan de inhoud hem onbekend bleef, te zullen medenemen. Bij zijn +vertrek richtte hij voor de poorten der stad, in tegenwoordigheid +eener juichende menigte, de steenen op, die hem volgens het Perzische +bijgeloof [323] eene gelukkige reis moesten waarborgen, en verliet +Babylon. + +Intusschen was Nebenchari reeds weder op weg naar het sterfbed der +Egyptische. Bij de metalen poort in den muur, die den tuin van het +vrouwenverblijf scheidde van de hoven bij het groote paleis, trad een +in het wit gekleed grijsaard op hem toe. Nauwelijks zag hij dezen, of +hij deed een paar schreden achterwaarts, en staarde die hooge, magere +gestalte aan als ware zij eene geestverschijning. Doch daar de oude +hem vertrouwelijk en vriendelijk toelachte, verhaastte hij weder zijne +schreden, stak hem de hand toe met eene hartelijkheid, waarvoor geen +zijner Perzische bekenden hem vatbaar zou hebben geacht, en riep in +het Egyptisch: »Mag ik mijne oogen gelooven?! Oude Hib [324], gij hier +in Perzië? Eer had ik kunnen verwachten den hemel te zien instorten, +dan dat ik mij met het vooruitzicht zou hebben durven vleien u hier +aan den Euphraat te zullen wederzien! Maar zeg mij spoedig in Osiris' +naam, wat u, oude ibis, heeft kunnen bewegen, uw warm nest aan den +Nijl te verlaten, en de verre reis naar het Oosten te ondernemen?" + +De oude, die zich intusschen met slap nederhangende armen diep gebogen +had, zag nu den geneesheer met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke +blijdschap in het gelaat, betastte met sidderende handen zijne borst, +en riep, zijne rechterknie buigende en de armen ten hemel opheffende: +»Heb dank, groote Isis, dat gij den armen zwerver onder uwe hoede hebt +genomen, en hem zijn meester aldus laat wedervinden. Ach, kind, welk +een angst heb ik om uwentwil uitgestaan! Ik had mij u voorgesteld +uitgemergeld, als een verhongerd gevangene uit de steengroeven, +ellendig en wegkwijnende onder uw verdriet; en ik zie u weder met +den blos der gezondheid, eerwaardig en krachtig als te voren! Ach, +ware de arme oude Hib in uwe plaats geweest, reeds lang zou hij van +louter ergernis gestorven zijn!" + +»Ik geloof het gaarne, oudje! Ook ik heb het vaderland slechts +gedwongen en met een bloedend hart verlaten. De goede goden wonen +alleen in Egypte aan den heiligen, gezegenden Nijl; het buitenland +behoort aan Seth [325]!" + +»Dat gezegend mocht ge wel weglaten!" bromde de oude. + +»Gij doet mij schrikken, vadertje, wat is er voorgevallen dat.....?" + +»Voorgevallen? Hm--Fraaie dingen waarachtig! Maar daarvan zult +gij spoedig genoeg hooren. Kunt gij dan denken, dat ik ons huis en +mijne kleinkinderen zou verlaten hebben, om op mijn tachtigste jaar, +als een Helleensch of Phoenicisch landlooper, onder die ellendige +vreemdelingen, die de goden verdelgen mogen, te gaan reizen, als het +in Egypte nog maar eenigszins uit te houden was?" + +»Maar spreek dan toch!" + +»Later, later! Thans moet ge mij, om te beginnen, medenemen naar +uw huis, dat ik niet zal verlaten, zoolang wij in dit Typhonsland +blijven." + +De grijsaard had deze woorden met zulk een onmiskenbaren afschuw geuit, +dat Nebenchari niet nalaten kon even te glimlachen en de vraag te doen: +»Heeft men u dan zoo onheusch behandeld, oudje?" + +»Pest en Chamsin [326]!" pruttelde de grijsaard.--»Al de Perzen zijn +het nietswaardigste Typhonsgebroed op de gansche aarde! Het verwondert +me, dat zij niet allen roodharig en melaatsch geboren worden. Ach +kind, reeds twee lange dagen zit ik in deze hel, en heb al dien tijd +te midden van godenverzakers moeten leven! Men zeide mij, dat ik u +onmogelijk te spreken zou krijgen, daar ge de sponde der stervende +Nitetis niet mocht verlaten. Die arme kleine! Ik heb het altijd wel +gezegd, dat dit huwelijk met een vreemdeling slecht zou afloopen. Nu, +Amasis krijgt slechts loon naar werken als zijne kinderen hem verdriet +aandoen. Aan u alleen heeft hij dat verdiend!" + +»Gij moest u schamen, oude!" + +»Kom, kom! Ik zal u zeggen hoe ik over den koning denk; dat moet er +toch eens uit! Ik haat dezen gelukzoeker, die, toen hij nog een arme +jongen was, de dadels van uws vaders boomen en de naamborden van de +huisdeuren stal! O, ik heb hem als kind gekend, den deugniet! Het is +eene schande, zich door zulk een mensch, die...." + +»Bedaar, bedaar toch oude!" viel Nebenchari den knecht in de rede, die +zich hoe langer zoo meer opwond. »Wij zijn niet allen van hetzelfde +hout gemaakt, en wanneer Amasis als knaap werkelijk niet meer was +dan gij, dan is het uwe schuld, dat gij op uw tachtigste jaar zooveel +minder zijt dan hij." + +»Mijn grootvader was tempeldienaar, mijn vader was het, daarom moest +ik het natuurlijk ook worden...." [327] + +»Gij hebt volkomen gelijk, alzoo luidt de wet der kasten, volgens +welke Amasis nooit iets anders had mogen zijn dan een arm hoofdman +der soldaten." + +»Niet iedereen heeft zulk een ruim geweten als dit gelukskind!" + +»Ge blijft toch altijd nog dezelfde! Schaam u Hib! Zoo lang ik u ken, +en dat is nu reeds een halve eeuw, spreekt gij om het derde woord +een scheldwoord. Toen ik nog kind was, gebruiktet ge mij voor een +wrijfpaal; thans is de koning het." + +»En met alle recht! Wist gij maar alles! Zeven maanden is het geleden, +dat...." + +»Ik kan u thans niet aanhooren! Bij het opkomen van het zevengesternte +wil ik een slaaf zenden, die u naar mijne woning zal geleiden. Tot +zoolang blijft gij, waar ge u tot nog toe hebt opgehouden, want ik +mag mijne zieke niet langer alleen laten." + +»Zoo, moogt gij niet?--Goed, ga dan, en laat den ouden Hib sterven. Ik +bezwijk, ik sterf, als ik nog een uur langer bij deze menschen moet +blijven!" + +»Maar wat wilt ge dan toch?" + +»In uwe vertrekken mij opsluiten, tot wij weder van hier gaan." + +»Heeft men u dan zoo smadelijk bejegend?" + +»Nog walg ik, als ik er aan denk wat ze mij gedaan hebben! Ze +hebben mij gedwongen met hen uit denzelfden pot te eten, en mijn +brood met hun mes te snijden. Een ellendige Pers, die lang in Egypte +gewoond heeft en met mij hierheen gekomen is, heeft hun gezegd wat +ons verontreinigt. Toen ik mij wilde scheren, ontnamen ze mij het +mes. Eene nietswaardige deern kuste me op het voorhoofd, voordat ik +nog begreep wat zij wilde. Gij behoeft niet te lachen; ik heb minstens +eene maand noodig om mij van al dat onreine te zuiveren. Toen eindelijk +het braakmiddel, dat ik genomen had, werkte, lachten ze mij in het +aangezicht uit. Maar dit was nog niet alles. Een verwenschte koksjongen +sloeg in mijne tegenwoordigheid een heilig katje zoo erbarmelijk, +dat het diertje het bijna bestierf. Een zalfbereider, die vernomen +had dat ik uw knecht was, liet mij vragen door denzelfden schavuit +Boebares, met wien ik gereisd heb, of ik ook verstand van oogheelkunde +had? Ik heb deze vraag half en half toestemmend beantwoord; want, +weet gij, in zestig jaren ziet men zijn meester wel iets van zijne +kunst af. En nu beklaagde zich de ellendige spotter,--Boebares +vertolkte mij alles,--dat hij zich zeer ongerust maakte over eene +verschrikkelijke oogkwaal. Toen ik hem vroeg, waarin die bestond, liet +hij mij antwoorden, dat hij in het duister volstrekt niet zien kon!" + +»Gij hadt hem moeten antwoorden, dat het eenige middel tegen deze +krankheid is, licht aan te steken!" + +»O, ik haat deze booswichten met een volkomen haat! Als ik nog éen +uur bij hen moet blijven, dan besterf ik het!" + +Nebenchari lachte, en antwoordde: »Gij zult u tegenover de +vreemdelingen zeker vrij dwaas aangesteld en hen boos gemaakt +hebben. De Perzen zijn over het algemeen zeer hupsche, beleefde +lieden. Beproef het nog maar eens met hen! Hedenavond wil ik u met +alle genoegen in mijn huis opnemen; vóor dien tijd kan het evenwel +onmogelijk geschieden." + +»Dacht ik het niet? Ook hij is veranderd! Osiris is dood en Seth +heerscht weder op aarde!" + +»Tot weerziens, tegen dat het zevengesternte opkomt, wacht u de slaaf +Pianchi, onze oude Ethiopiër, op deze zelfde plaats." + +»Pianchi de oude spitsboef, dien ik niet uitstaan kan?" + +»Dezelfde!" + +»Hm, het is altijd nog iets goeds, dat men blijft, wat men eenmaal +was. Ik ken wel lieden, die dat niet van zichzelve kunnen getuigen, +die, in plaats van zich bij hunne kunst te houden, ook inwendige +ziekten willen genezen, die een ouden trouwen knecht...." + +»Bevelen zijn mond te houden, en geduldig den avond af te wachten." + +Deze laatste in ernst gesprokene woorden misten hun doel niet. De oude +maakte nogmaals eene buiging, en zeide, alvorens zijn heer hem verliet: +»Ik ben onder de bescherming van den voormaligen krijgsoverste Phanes +herwaarts gekomen. Hij is zeer begeerig u te spreken." + +»Niemand zal hem beletten mij te komen opzoeken." + +»Maar gij zit den geheelen dag bij deze zieke, wier oogen zoo gezond +zijn...." + +»Hib!" + +»Nu, het kan mij niet schelen, al had zij de staar op beide hare +oogen. Mag Phanes dezen avond met mij komen?" + +»Ik wilde u gaarne alleen spreken." + +»En ik u; maar de Helleen schijnt groote haast te hebben, en weet +bijkans alles wat ik u te vertellen heb." + +»Hebt gij dan gebabbeld?" + +»Dat juist niet, maar...." + +»Mijn vader roemde uwe trouw, en tot heden toe heb ik u voor iemand +gehouden, die zwijgen kon." + +»Ik heb ook altijd mijn mond gehouden, maar deze Griek wist reeds +een groot gedeelte van wat ik weet, en het overige...." + +»Welnu?" + +»Het overige heeft hij behendig uit mij weten te krijgen; hoe, weet +ik zelf niet! Droeg ik niet deze amulet tegen booze blikken, dan...." + +»Ik ken den Athener, en vergeef u! Het is mij wèl, dat hij hedenavond +met u komt. Maar de zon staat reeds hoog, de tijd dringt, zeg mij in +weinige woorden, wat er gebeurd is!" + +»Ik zou meenen dat het hedenavond...." + +»Neen, ik moet in ieder geval in hoofdzaak weten, wat er is +voorgevallen, voordat ik met den Athener spreek. Wees dus kort!" + +»Gij zijt bestolen geworden." + +»Anders niets?" + +»Noemt gij dat dan niets?" + +»Antwoord mij! Anders niets?" + +»Neen!" + +»Vaarwel dan!" + +»Maar, Nebenchari....." + +De oogarts hoorde zijn knecht niet meer, want reeds had zich de deur, +die toegang verleende tot het verblijf van 's konings vrouwen, achter +hem gesloten. + + + +Toen het zevengesternte was opgekomen, zat Nebenchari in een +der prachtige vertrekken, die hem in den oostelijken vleugel van +het paleis, nabij de woning van Cassandane, ten verblijf waren +aangewezen. De minzaamheid, waarmede hij zijn ouden dienaar had +ontvangen, had weder plaats gemaakt voor den ernst, waardoor hij zich +onder de levenslustige Perzen den naam van somberen knorrepot had +verworven. Hij was een echte Egyptenaar, geheel en al een kind dier +priesterkaste, welker leden, zelfs in hun vaderland, met statigen +tred en hoog ernstig gelaat langs de straten gingen, en zich nooit +de geringste scherts veroorloofden; terwijl zij in den kring hunner +kastgenooten of van hun gezin alle gemaakte deftigheid vergaten, +en vrij en vroolijk, ja, dikwerf uitgelaten konden zijn. + +Nebenchari ontving Phanes zeer hoffelijk, maar koel, hoewel hij hem +reeds te Saïs had gekend, en gebood den ouden Hib, na eene korte +begroeting, hem met den overste alleen te laten. + +»Ik heb u opgezocht," begon de Athener in het Egyptisch, dat hij +volkomen machtig was, »omdat ik belangrijke dingen met u te bespreken +heb...." + +»Van welke ik reeds onderricht ben!" luidde het korte antwoord van +den arts. + +»Dat betwijfel ik," hervatte Phanes, met een ongeloovig gezicht. + +»Gij zijt uit Egypte verdreven; door den kroonprins Psamtik rusteloos +vervolgd en bitter gegriefd, en komt nu naar Perzië, om Cambyzes te +belezen het werktuig uwer wraakzucht tegen mijn vaderland te worden." + +»Gij bedriegt u! Jegens uw vaderland heb ik mij van geene schuld te +kwijten; maar des te meer heb ik op het huis van Amasis te verhalen." + +»Gij weet, dat in Egypte staat en koning éen zijn." + +»Ik meen daarentegen te hebben opgemerkt, dat de priesters van uw +vaderland zich gaarne de macht in den staat aanmatigen." + +»Dan zijt gij zeker beter op de hoogte dan ik. Ik hield tot dusver +de Egyptische koningen voor oppermachtig." + +»Dat zijn zij ook, zoolang zij zich onafhankelijk weten te houden +van den invloed uwer kaste.--Ook Amasis buigt zich thans voor de +priesters." + +»Dat is wat nieuws voorwaar!" + +»Alsof men het u niet sinds lang zou hebben medegedeeld." + +»Meent gij dat?" + +»Voorzeker! Maar nog zekerder weet ik dat het hem eene, hoort gij, +eene enkele maal gelukt is, den wil zijner meesters voor den zijnen +te doen buigen." + +»Uit het vaderland komt mij slechts weinig ter oore, ik weet dus +volstrekt niet, wat gij bedoelt." + +»Ik geloof u. Want zoo ge het wist, en de vuisten niet baldet, zoudt +ge niet beter zijn dan een hond die kwispelstaart, terwijl men hem +trapt, en den man die hem kwelt de handen lekt!" + +De arts verbleekte bij deze woorden, en zeide: »Ik weet, dat ik door +Amasis beleedigd ben geworden; maar ik verzoek u wel in overweging +te nemen, dat ik de wraak een te uitnemend gerecht acht, dan dat ik +het met een vreemdeling zou willen deelen!" + +»Goed gesproken! Wat evenwel mijne wraak betreft, ik vergelijk die +met een wijnberg, die zoo vol is, dat ik alleen niet in staat ben +den oogst te plukken." + +»En gij zijt hierheen gekomen om behulpzame arbeiders aan te werven?" + +»Zoo is het! En ik laat de hoop ook nog niet varen, dat gij den oogst +met mij zult willen deelen." + +»Gij dwaalt! Mijne taak is volbracht; de goden zelve hebben zich +daarmede belast. Amasis is er streng genoeg voor gestraft, dat hij +mij uit mijn vaderland, uit den kring van vrienden en leerlingen, +naar dit onreine land gezonden heeft, ter bereiking zijner eigene +baatzuchtige bedoelingen." + +»Gij meent zijne blindheid?" + +»Misschien!" + +»Zoo weet gij niet, dat uw kunstbroeder Petammon de huid, die +den oogappel van Amasis bedekte, doorgesneden, en hem het licht +teruggeschonken heeft?" + +Deze tijding trof den Egyptenaar als een donderslag. Hij werd +doodsbleek en knarste op de tanden. Maar spoedig was hij zichzelven +weer meester, en antwoordde den Athener: »Vervolgens hebben de goden +den vader in zijne kinderen gestraft." + +»Hoe bedoelt gij dat? Met Psamtik leeft Amasis, zooals hij thans +gestemd is, in de beste overeenstemming. Tachot, ja, is lijdende, +maar bidt en offert juist daarom te ijveriger met den vader. Wat +eindelijk Nitetis betreft, haar dood zal hem, dit weet gij zoo goed +als ik, niet zoo diep treffen." + +»Wederom begrijp ik u niet." + +»Hoogst natuurlijk, zoolang gij onderstelt, dat ik de schoone kranke +voor eene dochter van Amasis aanzie." + +De Egyptenaar ontroerde andermaal hevig. Zonder schijnbaar daarop +acht te geven, vervolgde Phanes: »Ik ben beter onderricht, dan gij +u kunt verbeelden. Nitetis is de dochter van Hophra, den onttroonden +voorganger van uw koning. Amasis heeft haar doen opvoeden, als ware +zij zijne eigene dochter, ten eerste, om uwe landslieden in den waan +te brengen, dat de van den troon gestooten pharao zonder nakomelingen +was gestorven; ten tweede echter, om Nitetis van alle aanspraak op +een troon, die van rechtswege haar alleen toekomt, te versteken. Aan +de oevers van den Nijl heeft ook de vrouw de bevoegdheid om te +regeeren!" [328] + +»Dit zijn altemaal vermoedens...." + +»Die ik door onomstootelijke bewijzen tot zekerheid kan maken! Onder +de papieren, die uw oude dienaar Hib in een kastje met zich bracht, +moeten zich brieven bevinden van uw vader, den zoo beroemden +vroedmeester...." [329] + +»Gesteld, dat dit zoo ware, dan zijn toch in ieder geval deze +geschriften mijn eigendom, en ben ik niet bereid daar afstand van te +doen; ten tweede zoudt gij in Perzië te vergeefs naar een man zoeken, +die in staat is het schrift van mijn vader te ontcijferen." + +»Vergeef mij, dat ik u weder op eenige dwalingen opmerkzaam moet +maken. Dat bedoelde kastje berust onder mij en zal, hoezeer ik anders +ook het eigendomsrecht eerbiedig, niet in uwe handen worden gesteld, +alvorens ik den inhoud er van aan de verwezenlijking mijner bedoelingen +dienstbaar heb gemaakt; ten andere woont hier te Babylon werkelijk, +door de goedgunstige beschikking der goden, een man, die in staat +is iedere schrijfwijze, die een Egyptisch priester kan verstaan, +te ontcijferen. Herinnert gij u toevallig ook den naam Onoephis?" + +Ten derden male ontstelde de arts merkbaar, en zoodra hij zich +eenigszins hersteld had, vroeg hij: »Zijt gij er wel zeker van, +dat deze man nog altijd tot de levenden behoort?" + +»Gisteren heb ik hem gesproken. Gelijk gij weet, is hij opperpriester +te Heliopolis geweest; vandaar dat hij in al uwe geheimen is +ingewijd. Mijn wijze landgenoot Pythagoras van Samos kwam indertijd +naar Egypte, en na zich aan eenige uwer ceremoniën te hebben +onderworpen, kreeg hij verlof het onderricht der priesterkaste van +Heliopolis bij te wonen. Hij won door zijne buitengewone geestesgaven +en zijne uitstekende hoedanigheden de liefde van den edelen Onoephis, +werd door hem met alle mysteriën [330] bekend gemaakt, en wist deze +dienstbaar te maken aan de ontwikkeling der menschheid. Ik zelf +en mijne voortreffelijke vriendin Rhodopis zijn er trotsch op, +ons zijne leerlingen te mogen noemen. Toen het uwe medepriesters +ter oore kwam, dat Onoephis de mysteriën verraden had, besloten +de priesterlijke rechters hem ter dood te brengen. Hij zou moeten +sterven door een vergif, dat men uit de pitten van den perzikboom kan +bereiden. De veroordeelde vernam nog intijds welk lot hem verbeidde, +en vluchtte naar Naucratis, waar hij in het huis van Rhodopis, van +wier edel karakter Pythagoras hem veel had verhaald, eene door den +vrijbrief des konings gewaarborgde schuilplaats vond. Hier maakte hij +kennis met Antimenidas, broeder van den dichter Alcaeus van Lesbos, +die jaren achtereen, tijdens hij op bevel van Pittacus, den wijzen +heerscher van Mytilene, als balling buiten zijn vaderland omzwierf, +te Babylon geleefd en onder Nebucadnezar, den toenmaligen koning +van Assyrië, bij het leger gediend had. Deze Antimenidas verschafte +hem aanbevelingsbrieven aan de Chaldeërs. Onoephis reisde naar den +Euphraat, zette zich te Babylon neder en moest naar eene broodwinning +omzien, daar hij in zeer bekrompene omstandigheden zijn vaderland +verlaten had. Hij vond dan ook een middel van bestaan door de +aanbeveling van Antimenidas. Op den huidigen dag nog voorziet hij, die +eenmaal tot de machtigsten van Egypte behoorde, zij het ook op karige +wijze, in zijn onderhoud, door de Chaldeërs, bij hunne sterrenkundige +berekeningen op den toren van Bel, met zijne uitgebreide kennis, +die hunne wetenschap verre overtreft, behulpzaam te zijn. Onoephis is +bijkans tachtig jaren oud, maar nog volkomen helder van geest. Toen +ik hem gisteren sprak en zijne hulp inriep, zeide hij mij die toe met +oogen, die van blijdschap straalden. Uw vader was een zijner rechters; +maar wel verre van zijn haat van den vader op den zoon over te dragen, +laat hij u door mij groeten." + +Onder het aanhooren van dit verhaal, had Nebenchari peinzend voor zich +gestaard. Toen Phanes zweeg, zag hij dezen aan met een doordringenden +blik, en vroeg: »Waar zijn mijne papieren?" + +»In handen van Onoephis, die daarin naar de oorkonde zoekt, welke ik +van noode heb." + +»Dat is natuurlijk! Heb de goedheid mij te zeggen, hoe de kist, +die Hib goedvond naar Perzië te brengen, er uitziet." + +»Het is een koffertje van zwart ebbenhout. Het deksel is kunstig +gesneden. Men ziet in het midden een gevleugelden kever en aan de +vier hoeken..." + +Nebenchari haalde weder vrij adem en zeide: »Dat bevat niets dan +eenige aanteekeningen van mijn vader." + +»Die misschien toch toereikend zullen zijn, om mij te doen slagen. Ik +weet niet, of men u verhaald heeft, dat ik mij verheugen mag in de +hoogste gunst bij Cambyzes te staan." + +»Des te beter voor u! Ik kan u verzekeren dat de papieren, die u van +het grootste nut zouden zijn, in Egypte zijn gebleven." + +»In eene groote, met vele kleuren beschilderde kist van sykomorenhout, +niet waar?" + +»Hoe weet gij dat?" + +»Omdat ik,--let wel Nebenchari,--omdat ik u naar waarheid kan +verzekeren,--ik zweer niet, want Pythagoras, de meester, verbiedt het +gebruik van den eed,--dat juist deze kist, met haar geheelen inhoud, +in het bosch van den Neith-tempel te Saïs, op bevel des konings +verbrand is." + +Deze woorden, die Phanes langzaam uitsprak, terwijl hij op +iedere lettergreep drukte, troffen den Egyptenaar als zoovele +bliksemschichten. De kalmte en de bezadigdheid, die hij tot dusver +had weten te bewaren, waren verdwenen. Eene onbeschrijfelijke woede +zette zijne wangen in gloed, en deed zijne oogen vlammen schieten; +maar ook slechts gedurende eene enkele minuut. Toen ging zijne woede +in eene ijzingwekkende bedaardheid over, zijne gloeiende wangen +verloren alle kleur, en zijn akelig vertrokken mond sprak koel en +gelaten: »Om mij tot uw bondgenoot te maken, wilt ge mij met haat +jegens mijne vrienden vervullen. Ik ken u, Hellenen! Uitgeleerd in +listen en streken, versmaadt gij geen enkel middel, hoe bedrieglijk +en leugenachtig ook, om uwe oogmerken te bereiken." + +»Gij beoordeelt mij en mijne landgenooten, gelijk dit van een +Egyptenaar te wachten is; dat is, gij houdt ons, als vreemdelingen, +voor de slechtste menschen die ge u denken kunt. Ditmaal echter +bedriegt gij u!--Laat den ouden Hib komen, en hij u herhalen, wat +gij uit mijn mond niet voor waarheid wilt aannemen." + +Nebenchari's gelaat nam weder eene sombere uitdrukking aan, toen Hib, +gehoor gevende aan 's meesters roepstem, het vertrek binnentrad. + +»Nader!" luidde Nebenchari's barsch bevel. De knecht gehoorzaamde, +de schouders ophalende. + +»Hebt gij u door dezen man laten omkoopen? Ja, of neen? Ik verlang de +waarheid te hooren, want het geldt mijn geluk of mijn ongeluk voor de +toekomst. Zijt gij in de listige en bedrieglijke strikken van dezen +meester verward geraakt, ik zal het u vergeven, wijl ik aan u, mijn +ouden getrouwen knecht, groote verplichting heb. Zeg de waarheid, +ik bezweer het u in den naam uwer Osirische vaderen!" + +Het geelachtige aangezicht van den oude was, gedurende deze +toespraak van zijn heer, vaalbleek geworden. Eenige oogenblikken +lang nokte hem, onder veel snikken, de stem in de keel. Eindelijk, +nadat het hem gelukt was de tranen, die met alle kracht in zijne +oogen wilden opwellen, terug te dringen, riep hij, half toornig, +half bedroefd: »Heb ik het niet dadelijk gezegd: Hij is in dit land +der smaadheid en rampzaligheid betooverd en bedorven. Zooals de waard +is, vertrouwt hij zijne gasten! Ja, zie mij maar boos aan, het kan +mij niet schelen. Waarover zou ik mij ook verder nog bekommeren, als +men mij, ouden man, die zestig jaren lang in hetzelfde huis trouw en +eerlijk gediend heb, voor een schurk, een spitsboef, een verrader, +ja, misschien wel voor een moordenaar uitmaakt!" + +Bij deze laatste woorden begonnen de oogen van den grijsaard, in +weerwil zijner geweldige inspanning om zich goed te houden, in heete +tranen te zwemmen. + +De fijngevoelige Phanes klopte hem op den schouder, en zeide, zich tot +Nebenchari wendende: »Hib is een trouw dienaar. Noem mij een schurk, +als hij een obool van mij heeft aangenomen." + +De geneesheer had deze woorden van den Athener niet noodig, om van de +onschuld van zijn knecht volkomen overtuigd te zijn. Hij kende hem +zoo lang en zoo door en door, dat hij in de, ook tot de geringste +veinzerij onbekwame trekken van den oude, als in een geopend boek +las. Hij trad dus naar hem toe, en zeide op den toon van zacht verwijt: +»Ik heb u van niets beschuldigd, oude. Wat behoeft gij u zoo driftig +te maken over eene bloote vraag!" + +»Ja, ik zou me zeker nog moeten verheugen over uwe schandelijke +verdenking?" + +»Neen, dat behoeft niet;--maar ik veroorloof u thans te verhalen, +wat er, gedurende mijn afzijn, in mijn huis is voorgevallen." + +»Eene mooie geschiedenis! Als ik daaraan denk, wordt het mij zoo +bitter in den mond, alsof ik een kolokwintappel kauw." + +»Gij zeidet dezen morgen, dat men mij bestolen had." + +»Ja, en hoe!--Zoo is nog niemand vóor ons bestolen geworden! Hadden de +spitsboeven slechts tot de dievenkaste [331] behoord, dan zouden wij +ons nog kunnen troosten; want vooreerst zouden we dan het grootste +deel van ons eigendom teruggekregen hebben, en ten andere er niet +slechter aan toe zijn geweest, dan vele anderen; maar...." + +»Blijf bij de zaak, want mijn tijd is beperkt!" + +»Ja, dat weet ik al! De oude Hib kan hier in Perzië niets naar uw +zin doen. Doch dat komt er niet op aan. Gij zijt meester en hebt +dus maar te bevelen; ik ben maar knecht en moet dus gehoorzamen. Ik +hoop het niet te vergeten. Nu dan, 't was juist in de dagen, dat +het groote Perzische gezantschap naar Saïs kwam om Nitetis te halen, +en zich door het gansche volk als een troep vreemde dieren te laten +aangapen, dat het schandelijke feit plaats greep. 's Avonds, terwijl +de zon ondergaat, zit ik op het muggentorentje, en speel met mijn +kleinzoon, den oudsten jongen van mijne Benra [332], die een heerlijk +dik ventje geworden is, en voor zijn leeftijd bijzonder verstandig en +sterk. De guit vertelt me juist, dat zijn vader, gelijk de Egyptenaren +plegen te doen, als hunne vrouwen de kinderen te veel alleen laten, +de schoenen zijner moeder had weggestopt [333], en ik lach, dat de +tranen me over de wangen loopen. Want ge moet weten, dat ik Benra, +die geen mijner kleinkinderen bij mij wil laten wonen, omdat ik, +zoo zegt zij, ze bederf, deze poets van harte gunde. Plotseling +wordt er met den klopper zoo geweldig op de huisdeur geslagen, dat +ik waarachtig meen, dat er hier of daar brand is, en den jongen van +mijne knie laat vallen. Zoo hard ik maar kan, loop ik de trappen af, +neem met mijne lange beenen telkens drie treden in eens, en schuif den +grendel terug. De deur vliegt open en eene gansche bende tempeldienaars +en politie-agenten,--daar waren minstens vijftien man,--dringt het +huis binnen, nog voordat ik den tijd heb te vragen, wat ze van mij +hebben willen. Pichi, de onbeschaamde tempeldienaar van Neith,--gij +kent hem wel,--duwt mij op zij, grendelt de deur van binnen dicht, +en beveelt den troep mij te knevelen, als ik niet terstond alles +doe wat hij mij gebieden zal. Ik laat het natuurlijk niet onder mij, +maar scheld hem braaf uit. Gij weet, heer, dat ik dit niet laten kan, +als iets mij ergert. En nu doet hij mij,--bij onzen god Toth, die +de wetenschap beschermt, ik spreek de waarheid, heer,--nu doet die +melkmuil mij de handen binden, verbiedt mij, den ouden Hib, verder een +woord te spreken, en zegt dat hij van den opperpriester in last heeft, +mij vijf en twintig stokslagen te doen geven, als ik mij niet zonder +tegenspraak aan al zijne bevelen onderwerp. Tegelijk toont hij mij den +ring van den opperpriester. Nu moest ik, of ik wilde of niet, dezen +schoft gehoorzamen, die niets minder eischte, dan dat ik hem dadelijk +alle geschriften, die gij hadt achtergelaten, zou overhandigen. Maar +de oude Hib is zoo dom niet, dat hij zich in den eersten strik den +besten laat vangen, hoewel menschen, die hem beter moesten kennen, +meenen dat hij omkoopbaar en de zoon van een ezel is.--Wat doe ik +dus? Ik stel me aan, alsof ik geheel van mijn stuk ben door het zien +van den zegelring, verzoek Pichi zoo beleefd mogelijk mijne handen +los te maken, en zeg dat ik den sleutel zal halen. Men maakt mijne +handen los; ik ren de trap op, bij vijf treden te gelijk, ruk de deur +van uwe slaapkamer open, duw mijn kleinzoon, die voor de deur staat, +naar binnen, en schuif er den grendel voor. Dank mijne lange beenen +ben ik de anderen zoo ver vooruit, dat ik den tijd heb, den knaap +het zwarte kastje, dat gij aan mijne bijzondere zorg hadt aanbevolen, +onder den arm te geven, het kleine kereltje door het venster te zetten +op het balkon, dat aan de zijde van den tuin langs het huis loopt, +en hem te bevelen het kostbare kastje dadelijk in de duiventil te +stoppen. Daarop open ik de deur, als ware er niets gebeurd, maak Pichi +wijs, dat de jongen een mes in den mond had gehad, en ik daarvan zoo +geschrikt was, dat ik uit angst op zulk een dwaze manier de trap was +opgevlogen, en den knaap voor zijn straf wat te luchten had gezet. De +vent, die zoo dom is als het broertje van een nijlpaard, gelooft me, +en laat zich nu het geheele huis door leiden. Eerst leggen ze beslag +op de groote kist van sykomorenhout met papieren, die gij mij bevolen +hadt niet minder zorgvuldig te bewaren, dan op de papyrusrollen +op uwe schrijftafel, en verder op alle geschrevene stukken, die in +het huis voorhanden zijn. Zonder ze eerst te schiften of in te zien, +smijten zij alles in de groote kist, en dragen die naar beneden. Doch +het zwarte kastje lag ongeschonden en veilig in de duiventil. Mijn +kleinzoon is de slimste jongen uit geheel Saïs! + +»Toen de kist het huis werd uitgedragen, kon ik mijne, tot dusverre met +zooveel moeite onderdrukte woede niet langer bedwingen. Ik dreigde den +onbeschaamden indringers, dat ik hen bij de rechters, en als dit niet +hielp, bij den koning zou aanklagen, en zonder twijfel zou ik ook het +volk tegen hen hebben opgehitst, als die vervloekte Perzen, die eene +wandeling door de stad deden, niet juist op dit oogenblik de geheele +aandacht der saamgestroomde menigte hadden getrokken. Dienzelfden avond +ging ik naar mijn schoonzoon die, gelijk gij weet, ook tempeldienaar +van de godin Neith is, en verzocht hem alles in het werk te stellen, +om het lot der gestolene schriften te weten te komen. Die goede +man is nog altijd dankbaar voor de rijke huwelijksgift, die gij aan +mijne Benra hebt geschonken. Drie dagen later kwam hij mij zeggen, +dat hij er getuige van geweest was, hoe men uwe fraaie kist, met +al de daarin geborgen rollen, verbrand had. Van louter ergernis +kreeg ik de geelzucht; doch mijne ziekte belette mij niet mijne +klachten voor de rechters te brengen. Deze ellendelingen zijn echter, +gelijk gij weet, zelve priesters, en wilden dus niets van de zaak +weten. Nu diende ik namens u een verzoekschrift bij den koning in, +maar werd door dezen afgesnauwd met de niet zeer malsche bedreiging, +dat men mij als landverrader zou beschouwen, als ik nog eens van +die papieren een woord durfde kikken. Nu had ik mijne tong [334] +te lief, om nog verder eenigen stap te doen. De grond brandde onder +mijne voeten. Ik kon niet in Egypte blijven, want ik moest u spreken; +ik moest u zeggen hoe men u beleedigd had; ik moest u, die zeker meer +vermoogt dan uw arme knecht, tot wraakneming aansporen; ik moest u ook +het zwarte kastje brengen, dat men mij misschien anders nog zou hebben +onttroggeld. Alzoo verliet ik mijn vaderland en mijn kleinzoontje +met een bloedend hart, om, zoo oud als ik ben, naar het typhonisch +buitenland te trekken.--Ach! de kleine jongen is zoo wijs! Toen ik hem +bij het afscheid kuste, zeide hij: 'Blijf bij ons, grootvader! Als de +vreemdelingen u verontreinigen, dan mag ik u niet meer kussen.'--Benra +laat u hartelijk groeten, en mijn schoonzoon doet u weten, uit goede +bron vernomen te hebben dat Psamtik, de kroonprins, en Petammon, +de oogarts, uw oude mededinger, de bewerkers dezer vervloekte daad +zijn. Daar ik mij niet aan de typhonische zee durfde toevertrouwen, +reisde ik met eene karavaan Arabische kooplieden tot Thadmor, de +palmrijke rustplaats der Phoeniciërs [335] in de woestijn, en van +daar met Sidonische kooplieden tot Karchemis aan den Euphraat, waar +zich de weg, die van Phoenicië naar Babylon voert, met dien tusschen +Sardes en Babylon vereenigt. Doodmoede zat ik in het boschje voor de +herberg, toen een vreemdeling, die met koninklijke postpaarden reisde, +daar aankwam. Aanstonds herkende ik in hem den voormaligen overste +der Helleensche soldaten." + +»En ik," viel Phanes den verteller in de rede, »herkende even spoedig +in u, oude, den langsten en twistzieksten mensch, dien ik ooit gezien +heb. Honderd malen heb ik te Saïs om u moeten lachen, als gij de +kinderen stondt uit te schelden, die u naliepen, zoo dikwijls gij, +met het artsenijkastje onder den arm, uw meester door de straten +volgdet. Ja, ik herinnerde mij zoodra ik u zag eene aardigheid, die +zich de koning eens te uwen koste liet ontvallen. Toen gij beiden +op zekeren dag voorbijkwaamt, zeide hij: »Die oude lijkt wel een +grimmige uil, die door kleine vogels omfladderd en voor den gek +gehouden wordt; en Nebenchari moet zeker eene booze vrouw hebben, +die hem, tot loon voor al de oogen die hij ziende maakt, zijne eigene +dreigt uit te krabben!" + +»Schandelijk, schandelijk!" riep de oude, in verwenschingen +uitbarstende. + +De arts had, zwijgend en in gedachten verzonken, het verhaal van +zijn knecht aangehoord. Van tijd tot tijd veranderde de kleur van +zijn gelaat. Toen hij hoorde dat men zijne papieren, de vruchten +van zoovele doorwaakte nachten, verbrand, met medeweten van zijne +standgenooten en van den koning vernietigd had, balde hij de vuisten, +en rilde hij over zijn gansche lichaam, als werd hij door eene heftige +koorts aangegrepen. + +Geene enkele beweging van den priester was den Athener ontgaan. Aan +menschenkennis ontbrak 't hem niet, en hij wist dat een woord van +spot de ziel van den eerzuchtige dikwerf dieper wondt, dan zware +beleedigingen. Daarom bracht hij juist nu de scherts te berde, die +Amasis zich eens, toen hij aan zijne neiging tot gekscheren toegaf, +had veroorloofd. Ook had zijne berekening niet gefaald, want hij zag +hoe Nebenchari, bij zijne laatste woorden, eene roos, die vóor hem op +de tafel lag, met de vlakke hand krampachtig platdrukte. Terwijl hij +een glimlach van voldoening haastig onderdrukte, vervolgde Phanes: +»Maar verneem thans in korte trekken het einde van de reisavonturen +van den braven Hib. Ik noodde hem mijn wagen met mij te deelen. Eerst +weigerde hij met zulk een verwenschten vreemdeling als ik op éen kussen +te gaan zitten. Doch eindelijk gaf hij aan mijn verzoek gehoor. Hij +had aan de laatste pleisterplaats gelegenheid, op den broeder van den +opperpriester Oropastes de proef te nemen van de handgrepen, die hij +u en uw vader heeft afgezien, en kwam eindelijk behouden te Babylon +aan, waar ik zelf hem in het paleis van den koning een onderkomen +verschafte, daar wij u, uithoofde der droevige omstandigheid waarin +uwe landgenoote zich bevindt, niet te spreken konden krijgen. Het +overige is u bekend." + +Nebenchari knikte even, ten teeken van toestemming, en gebood Hib +met een wenk het vertrek te verlaten. + +De oude gehoorzaamde brommend en tusschen de tanden scheldende. Toen de +deur zich achter hem gesloten had, trad de geneesheer op den krijgsman +toe, en zeide: »Ik vrees, Helleen, dat wij, in spijt van dit alles, +toch geene bondgenooten zullen kunnen zijn!" + +»En waarom niet?" + +»Omdat ik vermoed dat uwe wraak, in vergelijking met die, welke ik +mij verplicht acht te nemen, veel te zacht en te onbeduidend zal zijn." + +»Wat dat betreft, hebt gij niet te vreezen!" antwoordde de +Athener. »Mag ik u mijn bondgenoot noemen?" + +»Ja! Onder éene voorwaarde!" + +»Laat hooren!" + +»Gij moet mij in de gelegenheid stellen, met eigene oogen de uitkomst +onzer wraakoefening te zien." + +»Dat wil zeggen, als Cambyzes naar Egypte trekt, wenscht gij het +leger te volgen?" + +»Ja! En als mijne vijanden in smaad en ellende nederliggen, dan +wil ik hun toeroepen: »Ziet gij, lafaards, dit ongeluk hebt gij +te wijten aan den armen, verbannen oogarts!"--O mijne geschriften, +mijne geschriften! Zij waren mij even dierbaar als vrouw en kind, +die ik beiden verloren heb. Zij waren bestemd, om aan honderden te +leeren, hoe den blinden het licht weer te geven, hoe den zienden de +zoetste gave der goden, de bloem van het gezicht, de bewaarplaats +van het licht, het ziende oog voortdurend te doen behouden. Nu +mijne geschriften vernield zijn, heb ik tevergeefs geleefd! Met +mijne geschriften hebben die ellendelingen mij zelven verbrand! O, +mijne geschriften, mijne geschriften!"--Bij deze woorden snikte de +ongelukkige man, dat er 't hart van breken moest. + +Phanes trad nu op hem toe, vatte zijne rechterhand, en zeide: »U, +mijn vriend, hebben de Egyptenaren geslagen, ik ben echter door +hen nog schandelijker mishandeld geworden. Dieven zijn, ja, in +uwe woning gedrongen, maar mij hebben moordenaars huis en hof in +de asch gelegd. Weet gij, Nebenchari, weet gij, wat men mij gedaan +heeft?--Toen zij mij verdreven en vervolgden, waren zij in hun recht; +want volgens hunne wetten was ik des doods schuldig. Ware het daarbij +gebleven, ik had hun kunnen vergeven, want ik had dezen Amasis lief, +gelijk een vriend zijn vriend liefheeft. Dat wist de ellendeling, +en toch liet hij toe, wat bijna ongelooflijk schijnt. O, het is, +alsof mijne hersenen branden, als ik aan het ontzettende feit +denk!--Als wolven drongen zij in den nacht het huis eener weerlooze +vrouw binnen en stalen mijne kinderen, een meisje en een jongen, de +trots, de vreugde, de troost van mijn eenzaam leven. En wat deden zij +met de arme schepseltjes? Het meisje hielden zij gevangen, gelijk zij +voorgaven, om mij te verhinderen Egypte den vreemdelingen in handen te +spelen; den knaap evenwel, een toonbeeld van schoonheid en goedheid, +mijn eenigen zoon, heeft de kroonprins Psamtik, misschien wel met +medeweten van Amasis, doen vermoorden. Onder de smart der ballingschap +was mijn hart eerst ineengekrompen en daarna gevoelloos geworden; +thans echter gevoel ik, hoe de hoop op wraak het doet zwellen en van +blijde verrukking kloppen!" + +Nebenchari zag met blikken, gloeiende van een somber vuur, in de +vlammende oogen van den Athener, en zeide, terwijl hij hem de hand +reikte: »Wij zijn bondgenooten!" + +De Helleen vatte de rechterhand van den arts en antwoordde: »Thans +geldt het in de eerste plaats, ons van de gunst des konings te +verzekeren!" + +»Ik zal Cassandane het gezicht hergeven!" + +»Zoudt ge dat kunnen?" + +»De kunstbewerking, die Amasis ziende heeft gemaakt, heb ik +uitgevonden. Petammon heeft ze van mij geleerd uit mijne verbrande +geschriften." + +»Waarom hebt gij ze dan niet vroeger toegepast?" + +»Omdat ik niet gewoon ben mijne vijanden geschenken te doen." + +Bij deze woorden voelde Phanes zich door eene lichte huivering +aangrijpen. Hij herstelde zich evenwel spoedig, en zeide: »Ook +ik kan mij verzekerd houden van 's konings gunst. De gezanten der +Massageten zijn heden reeds naar hun land teruggekeerd. De vrede is +hun toegestaan, en...." + +Op dit oogenblik werd de deur opengerukt, een eunuch van Cassandane +vloog het vertrek binnen, en riep Nebenchari toe: »Onze meesteres +Nitetis is stervende! Maak u dadelijk gereed, en volg mij!" + +De arts groette zijn bondgenoot met een wenk, trok zijne sandalen aan, +en begaf zich naar het bed der stervende koningsbruid. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + +Reeds poogden de eerste zonnestralen heen te boren door de dichte +gordijnen voor de vensters van het vertrek, waarin de Egyptische +nederlag, toen Nebenchari nog altijd aan hare stervenssponde +neerzat. Nu eens betastte hij haar pols, dan weêr bestreek hij haar +voorhoofd en hare borst met geurige zalven, om daarna gedurende eene +korte poos voor zich te staren. Na een aanval van kramp scheen de +lijderes in diepen slaap gezonken. Aan het voeteneind van het bed +stonden zes Perzische heelmeesters bezweringsformulieren te prevelen, +terwijl Nebenchari aan het hoofdeinde zat, en van daar den Aziaten, die +zijne meerderheid als geneeskundige volgaarne erkenden, voorschriften +gaf. Zoo dikwijls de Egyptenaar den pols der kranke betastte, haalde +hij de schouders op, welke beweging zijne Perzische kunstbroeders +oogenblikkelijk eenparig navolgden. Van tijd tot tijd werd het +voorhangsel van het vertrek geopend, en vertoonde zich een lief +vrouwenkopje, welks blauwe oogen den geneesheer vragend aanstaarden, +om door dezen telkens met hetzelfde droeve schouderophalen beantwoord +te worden. Tweemaal was de lieve vraagster, Atossa, 's konings +zuster, terwijl zij het zware tapijt, een weefsel van Milesische +wol, nauwelijks met de teenen beroerde, tot aan het bed der lijdende +vriendin geslopen, om een zachten kus te drukken op het voorhoofd, +waarop groote zweetdroppelen parelden; maar telkens was zij door den +Egyptischen arts met strengen, afkeurenden blik naar het zijvertrek +verdreven. + +Hier lag Cassandane moedeloos neder. Zij verbeidde het laatste +bedrijf van dit menschenleven. Zoodra de zon verrezen en Nitetis in +slaap gevallen was, had Cambyzes haar vertrek verlaten en zich te +paard geworpen, om, door Phanes, Prexaspes, Otanes, Darius en vele, +plotseling uit hun slaap gewekte hovelingen vergezeld, in woesten +ren de diergaarde door te stuiven. Hij wist toch bij ondervinding, +dat hij iedere gemoedsbeweging het best onderdrukken of vergeten kon, +wanneer hij in het zadel van zijn wilden hengst was gezeten. + +Toen Nebenchari het dreunen der hoefslagen uit de verte vernam, +ontroerde hij van top tot teen. Met open oogen droomde hij, dat de +koning aan de spits eener onafzienbare ruiterschaar zijn vaderland +binnentrok, brandende fakkels in steden en tempels wierp, en met +geweldige vuistslagen de reuzengebouwen der pyramiden tot gruis +beukte. Te midden der rookende en smeulende puinhoopen der steden +lagen vrouwen en kinderen, uit de graven klommen de kermende stemmen +van de mummiën der gestorvenen op, en allen, priesters, krijgslieden, +vrouwen, kinderen, dooden en stervenden riepen zijn naam uit, en +vloekten hem, hem, den verrader van zijn vaderland. Eene koude, +koortsachtige siddering voer door zijne leden, krampachtig klopte +zijn hart, gelijk de aderen der stervende aan zijne zijde.--Wederom +opende zich het voorhangsel van het zijvertrek, wederom sloop Atossa +binnen, en legde ditmaal de hand op zijn schouder. Huiverend sprong +hij op, en ontwaakte. Drie dagen en drie nachten had Nebenchari bijna +onafgebroken aan dit leger doorgebracht. Was het wonder, dat zulke +droomen den overspannene en vermoeide overvielen? + +Atossa sloop naar hare moeder terug. Doodelijk stil was het in +de drukkend warme ziekenkamer. De Egyptenaar herinnerde zich zijn +droom van straks; hij hield zichzelven voor, hoe hij op het punt was +een verrader en een misdadiger te worden. Nogmaals trok alles, wat +hij in zijn half slapenden, half wakenden toestand had aanschouwd, +voor het oog zijner verbeelding voorbij. Maar ditmaal werden die +ontzettende droomgezichten door een nieuw beeld verdrongen. Nebenchari +zag zichzelven naast de met ketenen beladen gestalten van Amasis, +die hem gebannen en bespot, van Psamtik en de priesters, die zijne +werken vernield hadden. Zachtkens bewogen zich zijne lippen. Aan deze +plaats durfde hij de onbarmhartige woorden, die hij in den geest zijne +om genade smeekende vijanden toeriep niet uiten. Zie, daar wischt de +hardvochtige man zich een traan uit het oog. Zijne ziel doorleefde nog +eens de lange nachten, in welke hij, met de schrijfstift in de hand, +bij het matte schijnsel der lamp had neêrgezeten, en zijne gedachten +en ervaringen, terwijl hij iedere letter zorgvuldig penseelde, in de +fijnste hiëratische teekens had neergeschreven. Voor menige oogziekte, +die de heilige boeken van Toth [336] en de verhandelingen van een +oud, hoogberoemd arts van Byblos onherstelbaar noemden, had hij een +geneesmiddel gevonden. Maar hij wist wel, dat zijne ambtgenooten +hem van misdaad zouden hebben beticht, als hij zich vermeten had er +voor uit te komen, dat hij het gewijde boek wilde verbeteren. Daarom +had hij dit opschrift voor zijn boek gekozen: »Eenige nieuwe door +Nebenchari, den oogarts, gevonden geschriften van den grooten Toth, +betreffende de oogheelkunde [337]." Na zijn dood moest zijn werk +het eigendom der boekverzameling te Thebe [338] worden, opdat al +zijne opvolgers met zijne ervaringen hun voordeel mochten doen, +en ontelbare lijders de vruchten van zijn arbeid plukken. Erkenning +zijner verdiensten na zijn dood, dat was zijn ideaal; en om dat te +verwezenlijken had hij aan de wetenschap zijne nachtrust ten offer +gebracht. Hij dorstte naar roem, als belooning van zijn wroeten en +zwoegen, voor de kaste tot welke hij behoorde.--Zie, daar staat zijn +oude mededinger Petammon, na hem de uitvinding der staarsnede ontroofd +te hebben, aan de zijde van den kroonprins, in het heilige bosch van +Neith, en stookt het vernielend vuur op. De roode gloed der vlammen +verlicht de boosaardige trekken dier beiden, en--hoor! hun spotlach, +die om wraak schreit, stijgt met de vlammen ten hemel. Ginds stelt de +opperpriester aan Amasis de brieven zijns vaders ter hand. Hoonende +en spottende woorden vloeien van de lippen des konings, het gelaat +van Neithotep gloeit van helsche vreugde. + +Zoo geheel weggezonken was hij in zijne droomerijen, dat een +der Perzische geneesheeren hem waarschuwen moest, toen de kranke +ontwaakte. Hij knikte zijn kunstbroeder glimlachend toe, terwijl +hij op zijne zware oogleden wees, betastte den pols der lijderes, +en vroeg haar in het Egyptisch: »Hebt gij goed geslapen, meesteres?" + +»Ik weet het niet," antwoordde de kranke, met nauw hoorbare stem. »Wel +was het mij alsof ik sluimerde; toch zag en hoorde ik alles, wat +hier in het vertrek voorviel. Ik voelde mij zoo vermoeid, dat ik niet +onderscheiden kon, of ik waakte of droomde. Is Atossa niet meermalen +bij mij geweest?" + +»Juist." + +»En Cambyzes bleef bij Cassandane, tot de zon opkwam; toen ging hij +naar buiten, besteeg den hengst Reksch, en reed de diergaarde in." + +»Hoe weet gij dat?" + +»Ik heb het gezien!" + +Nebenchari zag onafgebroken met bezorgdheid in de glinsterende oogen +der jonkvrouw, die verder vroeg: »Heeft men ook niet vele honden in +den tuin achter dit huis gebracht?" + +»De koning wil waarschijnlijk beproeven door de jacht zijne smart +over uw lijden een poos te vergeten." + +»O, neen, dat weet ik beter! Orapastes heeft mij geleerd, dat bij +iederen stervenden Pers honden [339] worden gebracht, opdat de Diw +des doods in deze beesten vare." + +»Gij leeft nog, gebiedster, en...." + +»O, ik ga sterven, dat weet ik! Al had ik niet gezien, hoe gij en die +andere geneesheeren, telkens als gij mij beschouwdet, de schouders +ophaaldet, toch zou ik weten, dat ik nog slechts weinige uren te +leven heb. Het vergif is doodelijk!" + +»Gij spreekt te veel, meesteres; het spreken zal u kwaad doen." + +»Laat mij spreken, Nebenchari! Ik heb nog éene bede aan u te doen, +voordat ik sterf." + +»Beveel, ik ben uw dienstknecht!" + +»Neen, Nebenchari, mijn vriend moet gij zijn, mijn priester! Niet +waar, gij zijt niet meer boos op mij, wijl ik tot de Perzische +goden heb gebeden! Onze Hathor is toch altijd mijne beste vriendin +gebleven.--Ja, ik zie het op uw gelaat, dat gij mij vergeeft. Nu +moet gij mij ook beloven, mij niet door honden en gieren te zullen +laten verscheuren. O, de gedachte daaraan doet mij ijzen! Niet waar, +gij zult mijn lijk balsemen en met amuletten versieren?" + +»Als de koning het veroorlooft." + +»O, zeker! Zou Cambyzes mij dan mijn laatste verzoek kunnen weigeren?" + +»Mijne kunst staat u ten dienste!" + +»Ik dank u. Maar nog heb ik éene bede." + +»Maak het kort! Mijne Perzische ambtgenooten wenken mij, dat ik u +het stilzwijgen moet opleggen." + +»Kunt gij hen niet voor een oogenblik verwijderen?" + +»Ik wil het beproeven." + +Nebenchari naderde de magiërs. Hij wisselde enkele woorden met hen; +daarop verlieten zij het vertrek. Hij had hen diets gemaakt, dat hij +eene groote bezwering wilde beproeven, waarbij geen derde tegenwoordig +mocht zijn, en een nieuw geheim tegengift wilde aanwenden. + +Toen de beiden alleen waren, haalde Nitetis voor een oogenblik +vrijer adem, en zeide: »Geef mij uw priesterzegen mede op de lange +reis naar de benedenwereld, en bereid mij voor tot den tocht naar +het rijk van Osiris!" + +Nebenchari knielde aan hare sponde neder, en prevelde met nauw +verstaanbare stem eenige liederen, die Nitetis met zachte, plechtige +stem beantwoordde. De geneesheer stelde Osiris, den beheerscher der +benedenwereld, voor; Nitetis de ziel, die zich voor hem rechtvaardigt +[340]. + +Nadat deze ceremoniën afgeloopen waren, was het alsof er een nieuw +leven in de borst der kranke ontwaakte. Zij ademde vrij en geregeld, +als leed zij niet meer. Niet zonder aandoening zag Nebenchari op de +jeugdige zelfmoordenares neder. Hij was zich bewust deze ziel voor +de goden van zijn vaderland gered, en de laatste moeielijke uren van +eene schuldelooze verlicht te hebben. Gedurende deze oogenblikken was +hij, door zuiver medelijden en ware menschenliefde bewogen, zijn haat +en zijne wraakzucht vergeten. Maar toen de gedachte bij hem oprees, +dat Amasis ook over deze schoone maagd ongeluk had gebracht, werd +zijne ziel opnieuw door sombere gedachten verduisterd.--Nitetis, die +eenigen tijd zwijgend had neergelegen, keerde zich wederom vriendelijk +glimlachende tot haar nieuwen vriend, en vroeg: »Niet waar, ik zal +bij de doodenrechters genade vinden?" + +»Ik hoop en geloof het!" + +»Misschien vind ik Tachot voor den troon van Osiris, en mijn vader...." + +»Uw vader en uwe moeder verwachten u! Zegen in uw laatste uur hen, +aan wie gij uw leven verschuldigd zijt, en vloek hen, die uw ouders +troon en leven ontroofden." + +»Ik versta u niet." + +»Vloek hen, mijne dochter, die uw ouders troon en leven +ontroofden!" riep de geneesheer andermaal, zich oprichtende, en in +angstige spanning op de stervende nederziende. »Vloek de boozen, +mijn kind, want deze vloek zal u voor de doodenrechters hoogere +genade doen vinden, dan duizend goede werken!"--Onder het uitspreken +dezer woorden, greep de arts de hand der lijderes, en drukte die met +hevigheid in de zijne. + +Nitetis zag den toornigen man angstig aan, en lispelde, zonder recht +te weten, wat zij zeide: »Ik vloek!" + +»Vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden!" + +»Hen, die mijn ouders troon en leven ontroofden! O--ach--mijn hart! + +Uitgeput zonk zij in haar kussen neder. + +Nebenchari boog zich over de lijderes, drukte, voordat de geneesheeren +van den koning binnentraden, een zachten kus op het voorhoofd der +stervende, en mompelde: »Zij sterft als mijne bondgenoote. De goden +hebben den vloek der stervende onschuld gehoord! Niet slechts als +mijn eigen, maar ook als koning Hophra's wreker breng ik het zwaard +over Egypte!" + +Eenige uren later opende Nitetis nog eenmaal de oogen. + +Ditmaal rustte hare marmerkoude rechterhand in de handen van +Cassandane. Aan het voeteneind van het bed knielde Atossa; Cresus +stond aan het hoofdeinde, en ondersteunde met zijne zwakke armen +het ijzersterke lichaam van den koning, die, geheel overweldigd door +zijne smart, als een beschonkene waggelde. De stervende zag met een +helderen blik den kring rond. Zij was onbeschrijfelijk schoon. Cambyzes +boog zich over haar neder, en drukte een vurigen kus op de reeds +verstijvende lippen,--den eersten en den laatsten, dien hij haar had +mogen geven. Twee groote, warme vreugdetranen ontsprongen aan hare +brekende oogen, zachtkens ontgleed de naam Cambyzes aan hare bleeke +lippen; toen zonk zij in Atossa's armen, en ontsliep. + + + +Wij zullen niet beproeven eene nauwkeurige beschrijving te geven van +hetgeen er gedurende de eerstvolgende uren plaats greep. Want het +stuit ons in bijzonderheden mede te deelen, hoe, op een teeken van +den eersten Perzischen arts, alle aanwezigen, met uitzondering van +Nebenchari en Cresus, met overhaasting het vertrek verlieten; hoe men +honden bij het bed der overledene bracht, en hunne schrandere koppen +naar het lijk toekeerde, ten einde de Drukhs Naçus door deze dieren +te doen verdrijven; hoe, nadat de jonkvrouw den laatsten adem had +uitgeblazen, Cassandane en Atossa, met al hare dienstbaren, dadelijk +eene andere woning betrokken, om door het lijk niet verontreinigd +te worden; hoe men alle vuren in de oude woning uitdoofde, opdat het +reine element niet in aanraking mocht komen met de onreine geesten des +doods [341]; hoe men bezweringsformulieren prevelde; hoe eindelijk +ieder die en alles wat in de nabijheid van het lijk was geweest, +talrijke wasschingen met water en runderurine moest ondergaan. + +Aan den avond van dien dag werd Cambyzes weder door zijne oude kwaal, +de vallende ziekte, bezocht. Twee dagen later kreeg Nebenchari verlof, +om het lijk, overeenkomstig den laatsten wensch der gestorvene, +op Egyptische wijze te balsemen. De droefheid van den koning kende +geene perken; hij reet het vleesch van zijne armen, scheurde zijne +kleederen, en strooide asch op zijn hoofd en zijne legerstede. Al de +grooten van het hof moesten zijn voorbeeld volgen. De wachten betrokken +hunne posten, met gescheurde vanen en onder doffen trommelslag. De +cymbalen en pauken der Onsterfelijken werden met floers omwonden. De +paarden, die de overledene bediend hadden, en die, welke door het hof +gebruikt werden, moesten blauw geverfd en hunne staarten afgesneden +worden. Het geheele hofpersoneel was in donkerbruine, tot aan den +gordel gescheurde rouwkleederen gehuld, en de magiërs moesten drie +dagen en drie nachten zonder ophouden voor de gestorvene bidden, +wier ziel in den derden nacht bij de brug Chinvàt haar vonnis voor +de eeuwigheid te verwachten had [342]. Ook de koning, Cassandane +en Atossa onttrokken zich aan deze reinigingen niet. Zij zeiden, +als voor eene naaste bloedverwante, dertig lijkgebeden op, terwijl +Nebenchari in een buiten de stadspoort gelegen huis, volgens al de +regels der kunst, het lichaam begon te balsemen [343]. + +Negen dagen lang bleef Cambyzes in een bijna waanzinnigen toestand. Nu +woedend, dan dof en onverschillig, veroorloofde hij zelfs zijnen +verwanten en den opperpriester niet hem te naderen. Op den morgen +van den tienden liet hij den overste der zeven rechters komen, en +beval hem Gaumata, den broeder van Oropastes, zoo zacht mogelijk te +vonnissen. Nitetis had hem op haar sterfbed gebeden, het leven van +den ongelukkigen jongeling te sparen. Een uur later werd hem het +vonnis ter bekrachtiging voorgelezen. Het luidde aldus: + + + »Heil den koning! + + Naardien Cambyzes, het oog der wereld en de zon der + gerechtigheid, in zijne zachtmoedigheid, die even uitgestrekt + is als de hemel en even onuitputtelijk als de zee, ons bevolen + heeft, de misdaad van den magiërszoon Gaumata niet met de + strengheid van den rechter, maar met de toegevendheid eener + moeder te beoordeelen en te bestraffen, zoo hebben wij, + de zeven rechters van het rijk, besloten, hem het leven, + dat hij verbeurd had, te schenken. Daar echter door de + lichtzinnigheid van dezen jongeling de aanzienlijksten en + edelsten van het rijk in levensgevaar hebben verkeerd, en + het zeer wel mogelijk zou zijn dat hij zijn aangezicht en + zijne gestalte,--welke de goden, in hunne gunst en genade, + aan het gelaat en de houding van den edelen zoon van Cyrus, + Bartja, zeldzaam gelijkend hebben gemaakt,--nogmaals tot + schade der reinen en rechtvaardigen misbruikte, hebben wij + besloten zijn hoofd zoodanig te misvormen, dat de onwaardigste + in het rijk lichtelijk van den waardigste zal kunnen worden + onderscheiden. Daarom zullen, volgens den wil en op bevel + des koning, Gaumata de beide ooren afgesneden worden [344], + ter eere der rechtvaardigen en tot schande van den onreine!" + + +Cambyzes bekrachtigde aanstonds dit vonnis, 't welk nog dienzelfden +dag ten uitvoer werd gelegd. + +Oropastes had den moed niet, om een woord ten gunste van zijn broeder +te spreken; de schande hem aangedaan krenkte echter den eergierigen +man dieper, dan zijn dood hem zou hebben gesmart. Hij vreesde door +den verminkte veel van zijn aanzien te zullen verliezen, en beval hem +daarom zoo spoedig mogelijk Babylon te verlaten, en een landhuis te +betrekken, dat hij op den berg Arakadris [345] bezat. + +Gedurende de laatste dagen had zich een armoedig gekleede vrouw, +wier aangezicht achter een dichten sluier verborgen was, dag en +nacht voor de groote poort van het paleis opgehouden, en zich noch +door de bedreigingen der wachten, noch door de ruwe spotternijen der +koninklijke dienaars van haar post laten verdrijven. Geen enkele +der mindere beambten, die de poort verlieten, ontsnapte aan hare +nieuwsgierige vragen, eerst naar den toestand der Egyptische, dan naar +de gezondheid van Gaumata. Toen een spraakzaam lampenopsteker haar, met +een boosaardigen glimlach, het vonnis mededeelde, dat over den broeder +van den grooten opperpriester geveld was, stelde zij zich aan als eene +razende, en kuste het gewaad van den verbaasden man, die haar voor +eene arme krankzinnige aanzag, en haar eene aalmoes wilde geven. Zij +weigerde deze en bleef op haar post, zich voedende met het brood, +dat meêdoogende spijsuitdeelers haar toewierpen. Toen Gaumata drie +dagen later in eene gesloten harmamaxa, met een verband om 't hoofd, +de poort van het paleis verliet, ijlde zij den wagen na, en hield niet +op met roepen, totdat de voerman zijne muildieren tot staan bracht, +om haar te vragen wat zij wilde. Nu hief zij haar sluier op en toonde +den verminkten jongeling haar aanvallig, hoog blozend gelaat. Toen +Gaumata haar zag, ontsnapte hem een kreet van verbazing, doch zich +spoedig herstellende, vroeg hij: »Wat wilt gij van mij, Mandane?" + +De ongelukkige hief de handen smeekend naar hem op, en riep: »O verlaat +mij niet, Gaumata! Neem mij met u! Ik vergeef u al het ongeluk, dat +gij over mij en mijne arme meesteres hebt gebracht. Ik heb u zoo lief, +en wil u verplegen en voor u zorgen, als uwe geringste dienstmaagd!" + +De jongeling voerde in zijn hart een korten strijd. Reeds wilde hij +de deur van den wagen openen, en de geliefde zijner kindsheid in zijne +armen sluiten, toen hij den hoefslag van naderende paarden vernam. Hij +zag om, en werd een wagen vol magiërs gewaar, die naar den burcht +togen om te bidden, en herkende onder hen verscheidenen zijner oude +medeleerlingen aan de priesterschool. Schaamte overmeesterde hem; +hij vreesde door hen, die hij, als broeder van den opperpriester, +meermalen uit de hoogte had behandeld, te zullen worden gezien. Hij +wierp dus Mandane een beurs met goud toe, die zijn broeder hem bij +het afscheid gegeven had, en gebood den voerman zoo snel mogelijk +door te rijden. In wilde vaart sleepten de muildieren het voertuig +voort. Mandane schopte de goudbeurs weg, liep den wagen na en klemde +er zich aan vast. Een der raderen vatte haar kleed en rukte haar +neder. Met de kracht der vertwijfeling sprong zij overeind, haalde +de muildieren weder in, die, daar de weg bergopwaarts ging, minder +spoed konden maken en vatte ze bij de teugels. Nu maakte de voerman +van zijn driesnoerigen geesel gebruik; de dieren steigerden, wierpen +het meisje ter aarde, en joegen voort. Haar laatste angstkreet drong +als een dolksteek in de wonden van den verminkte. + + + +Op den twaalfden dag, na den dood van Nitetis, ging Cambyzes weder +jagen. Deze uitspanning met hare vermoeienissen, hare gevaren en +haar opwekkenden invloed, was het meest geschikt om hem afleiding te +geven. De grooten en waardigheidsbekleeders ontvingen hun heer met +daverend gejuich, waarvoor hij hen met een vriendelijk wuiven zijner +hand dankte. De weinige dagen smarts hadden den man, die nooit leed +of zorg had gekend, zeer veranderd. Zijn aangezicht was bleek, zijn +gitzwart hoofd- en baardhaar grauw geworden. Het bewustzijn zijner +kracht sprak niet meer zoo duidelijk als voorheen uit zijne blikken; +hij had toch de smartelijke ervaring opgedaan, dat er een sterker +wil was dan de zijne; dat hij wel verdelgen en dooden, maar een leven +dat hem zoo dierbaar was niet redden kon. Alvorens de stoet opbrak, +monsterde Cambyzes de jagers, riep Gobryas tot zich, en vroeg naar +Phanes. + +»Mijn koning heeft niet bevolen...." + +»Eens voor altijd is hij onze gast, en behoort hij tot ons +geleide. Roep hem, en volg ons!" + +Gobryas boog, keerde haastig naar het paleis terug en voegde zich na +een halfuur met Phanes wederom bij 's konings gevolg. + +Den Athener viel menige vriendelijke groet van de leden van den stoet +ten deel; eene omstandigheid, die des te meer bevreemding moest wekken, +omdat er in den regel geene afgunstiger menschen zijn dan hovelingen, +en geen sterveling meer verzekerd kan wezen, van door vele nijdige +oogen te worden aangezien, dan de gunsteling van een monarch. Doch +Phanes scheen eene uitzondering op dezen regel te maken. Hij was al +de Achaemeniden zoo ongedwongen en zoo vriendelijk tegemoet gekomen, +had ieder in het bijzonder zoo fijn weten te vleien, had door los +daarheen geworpen zinspelingen op een grooten krijg, die niet kon +uitblijven, in hunne zielen zoovele blijmoedige gedachten gewekt, en +de Perzen door zijne geestigheden, die hij op uitstekende wijze te pas +wist te brengen, zoo vroolijk gestemd, dat, op weinige uitzonderingen +na, allen het gezelschap van den Athener hoogst aangenaam was. Toen +hij zich van den stoet gescheiden had, om met den koning een wilden +ezel te vervolgen, moesten de jagers elkander toestemmen, dat zij +nog nimmer zulk een uitstekend mensch als Phanes hadden gezien. Men +bewonderde de wijsheid waarmede hij de onschuld der gevangenen +aan den dag had gebracht, de behendigheid waarmede hij 's konings +gunst had weten te winnen, de vaardigheid waarmede hij de Perzische +taal had aangeleerd. Daarbij werd hij door geen der Achaemeniden in +schoonheid en regelmaat van gestalte en gelaatstrekken overtroffen. Op +de jacht deed hij zich als een volmaakt ruiter kennen, en in den +strijd met een beer als een bij uitnemendheid stout en geoefend +jager. Toen de hovelingen op den terugtocht al deze eigenschappen +hemelhoog verhieven, riep de oude Araspes: »Ik stem volgaarne toe, +dat deze Helleen, die zich overigens ook reeds in den krijg van de +beste zijde heeft doen kennen, een zeldzaam man is; maar zeker zoudt +gij hem niet half zooveel lof toezwaaien, als hij geen vreemdeling, +als hij niet iets nieuws voor u was." + +Phanes had deze woorden verstaan, want hij bevond zich in de +onmiddellijke nabijheid van den spreker, hoewel dichte struiken hem +voor een oogenblik onzichtbaar maakten. Toen Araspes zweeg, voegde +hij zich bij de Perzen en zeide glimlachend: »Ik heb uwe gesprekken +verstaan en dank u voor uwe goede gezindheid jegens mij. Het tweede +deel van uwe samenspraak was mij bijna nog aangenamer dan het eerste, +daar het toch de door mij zelven reeds gemaakte opmerking bevestigde, +dat gij Perzen het grootmoedigste aller volken zijt, daar gij de +deugden van vreemdelingen gelijk stelt met, ja, zelfs nog hooger +aanschrijft dan uwe eigene." + +Al de aanwezigen, gevleid door dit woord, zagen hem glimlachend +aan. Phanes vervolgde: »Hoe geheel anders zijn bijvoorbeeld +de Joden! Deze houden zich voor het eenige volk, dat den goden +welgevallig is, en halen zich daardoor de verachting van alle +verstandigen en den haat der geheele wereld op den hals. En dan +de Egyptenaren! Gij kunt u niet voorstellen, hoe dwaas dit volk +zich aanstelt! Hing het alleen af van de priesters, die eene groote +macht hebben, dan werden alle buitenlanders vermoord, en het geheele +rijk van Amasis voor iederen vreemdeling ontoegankelijk gemaakt. Een +echte Egyptenaar lijdt liever honger, dan dat hij met een onzer uit +denzelfden pot zou eten. Nergens vindt men zoovele zeldzaamheden, +zooveel dat de bevreemding en verbazing wekt, als daar. Maar, om +billijk te zijn, moet ik ook bekennen, dat Egypte met recht als het +rijkste en best bebouwde van alle landen der wereld bekend is. Hij, +wien dit rijk toebehoort, behoeft zelfs de goden om hunne schatten niet +te benijden. En de verovering van dat schoone land zou niet de minste +moeite kosten. Een tienjarig verblijf in Egypte heeft mij met dat land +nauwkeurig bekend doen worden, en ik weet, dat de geheele krijgerskaste +van Amasis tegen eene enkele schaar, als die uwer Onsterfelijken, niet +is opgewassen.--Nu, wie weet, wat de toekomst nog brengt! Misschien +doen wij allen te zamen nog wel eens een uitstapje naar den Nijl. Ik +houd het er voor, dat uwe goede zwaarden tamelijk lang gerust hebben!" + +Algemeene en luide kreten van bijval waren het antwoord op deze +welberekende woorden van den Athener. + +Cambyzes had het gejuich van zijn gevolg nauw vernomen, of hij wendde +zijn paard om, en vroeg naar de oorzaak er van. Phanes haastte zich het +woord te nemen, en antwoordde, dat de Achaemeniden hunne blijdschap +niet hadden kunnen smoren, bij de gedachte aan de mogelijkheid van +een nieuwen oorlog. + +»Welken oorlog?" vroeg de koning, voor het eerst sedert langen tijd +lachende. + +»Wij spraken slechts over de mogelijkheid er van, in het algemeen," +antwoordde Phanes los weg. Daarop wendde hij zijn paard en reed +den koning op zijde. Zijne stem nam een welluidenden, tot het hart +doordringenden toon aan. Met welsprekenden blik zag hij den koning in +de oogen en zeide: »O, mijn vorst, wel ben ik niet als uw onderdaan +in dit schoone land geboren, wel mag ik eerst sinds korten tijd er +op roemen den machtigste aller vorsten te kennen, maar toch kan ik +de, misschien misdadige gedachte niet van mij zetten, dat de goden +mijn hart van mijne geboorte af, tot een innig vriendschapsverbond +met u hebben voorbestemd. Niet de groote weldaden, die gij over mij +hebt uitgestort, hebben mij zoo onbegrijpelijk snel en vast aan u +verbonden. Deze heb ik niet van noode, want ik behoor tot de rijken +mijns volks, en ik heb geen zoon, geen erfgenaam, wien ik mijne +schatten kan nalaten. Eenmaal noemde ik een knaap den mijne. Het was +een schoon, een heerlijk schoon kind!.... Maar dat wilde ik u niet +zeggen, ik..... Gij wordt toch niet boos over mijne vrijmoedigheid, +o koning?" + +»Hoe zou ik dat kunnen?" vroeg de monarch, tot wien, vóor den Athener, +niemand ooit op dergelijke wijze gesproken had, en die zich tot den +zonderlingen vriend met onweerstaanbare kracht voelde heengetrokken. + +»Tot op den huidigen dag was mij uwe droefheid te heilig, dan dat ik ze +had willen storen; thans echter is de tijd gekomen, om u aan uwe smart +te ontrukken en uw verkoeld hart opnieuw in gloed te ontsteken. Gij +moet thans dingen vernemen, waardoor gij u diep beleedigd zult voelen." + +»Er is niets meer, dat mij zou kunnen bedroeven!" + +»Mijne woorden zullen niet uwe smart, maar uw toorn opwekken!" + +»Gij maakt mij nieuwsgierig." + +»Men heeft u snood bedrogen; u, zoowel als de lieve maagd, die voor +weinige dagen in het schoonste tijdperk des levens werd weggerukt." + +Met fonkelende oogen zag Cambyzes den Athener vragend in het gelaat. + +»Koning Amasis van Egypte heeft zich veroorloofd, met u, den machtigen +beheerscher der aarde, een misdadig spel te spelen. Die schoone +jonkvrouw was niet zijne dochter, schoon zij zelve geloofde het kind +van Amasis te zijn. Zij..." + +»Maar dat is onmogelijk!" + +»Dat zou men oppervlakkig zoo zeggen, en toch spreek ik de zuivere +waarheid! Amasis heeft een net van leugen en bedrog geweven, waarin +hij een geheel volk, en ook u, o koning, heeft gevangen. Nitetis, het +schoonste schepseltje, dat ooit uit eene vrouw geboren werd, was ja +eene vorstentelg, maar niet aan den overweldiger Amasis, neen, aan den +onttroonden koning Hophra had deze parel het aanzijn te danken! Frons +het voorhoofd, mijn vorst, gij hebt er alle reden toe; want een gruwel +is het, voorwaar, door vrienden en bondgenooten bedrogen te worden!" + +Cambyzes gaf zijn hengst de sporen, en riep, nadat Phanes, om zijne +laatste woorden beter te doen werken, een tijdlang gezwegen had: +»Verder! Verder! Ik moet meer weten!" + +»De onttroonde koning had twintig jaren [346] lang in lichte +gevangenschap te Saïs geleefd, toen zijne gemalin, die drie kinderen +ter wereld en even zoovele ten grave had gebracht, andermaal zwanger +werd. Hophra was boven alle beschrijving gelukkig, en wilde, om +voor deze genade zijn dank te betuigen, in den tempel van Pacht +[347], eene Egyptische godin, aan wie de Egyptenaren den zegen der +zwangerschap toeschrijven, gaan offeren, toen een voormalige groote +van zijn hof, Patarbemis genaamd, dien hij in een oogenblik van +toorn ten onrechte verminkt had, hem met eene bende slaven overviel +en nedersabelde. Amasis liet de weduwe, die op het punt was van te +bevallen, dadelijk naar zijn paleis overbrengen, en voor haar een +vertrek in gereedheid brengen, naast dat zijner gemalin Ladice, die, +gelijk zij, met iederen dag de moedervreugde te gemoet zag. De weduwe +van Hophra schonk daar het leven aan een meisje, doch bezweek zelve +onder hare verlossing. Twee dagen later beviel Ladice, en ook zij +van eene dochter.--Doch wij zijn hier aan de poort van het paleis +genaderd. Zoo gij het mij wilt veroorloven, zal ik u het bericht +van den vroedmeester, die de hand heeft gehad in dit vroom bedrog, +doen voorlezen. Zijne aanteekeningen zijn, door eene wonderbare +beschikking der goden, waarvan ik u later meer zal verhalen, in mijne +handen geraakt. Onoephis, een voormalig opperpriester van Heliopolis +in Egypte, woont hier te Babylon en kent alle schrijfwijzen [348] +van zijn volk. Nebenchari, de oogarts, zal, gelijk zeer natuurlijk +is, weigeren een bedrog, dat zijn vaderland gewis in het verderf zal +storten, aan den dag te brengen." + +»Binnen een uur wacht ik u met dien man. Cresus, Nebenchari en al +de Achaemeniden, die in Egypte zijn geweest, zullen insgelijks bij +dit verhoor tegenwoordig zijn. Alvorens ik handel, moet ik zeker van +mijne zaak zijn. Uw getuigenis is mij niet voldoende, want van Amasis +zelven heb ik vernomen, dat gij reden te over hebt, om een wrok jegens +zijn huis te koesteren." + +Op den bepaalden tijd stonden de opgeroepene personen voor den +koning. De gewezen opperpriester Onoephis was een grijsaard van +tachtig jaren, wiens beenderig hoofd volkomen op een doodshoofd zou +hebben geleken, zoo niet zijne twee groote grijze oogen, vol geest +en gloed, de leden der vergadering hadden aangestaard. Daar zijne +verlamde leden hem niet gedoogden te staan, zat hij vóor den koning +in een leunstoel en hield een groote papyrusrol in zijne vermagerde +hand. Zijne kleeding was, gelijk het een priester betaamde, wit +als sneeuw, doch hier en daar gescheurd en gelapt. Voorheen was hij +misschien groot en slank van gestalte geweest; thans was hij echter +onder den last der jaren, en tengevolge van lijden en ontberingen, +zoo gebogen en ineengekrompen, dat zijn lichaam zich dwergachtig +klein, zijn hoofd zich daarentegen onnatuurlijk groot vertoonde. Naast +dezen vreemden man stond Nebenchari, die de kussens, welke 's mans rug +steunden, te recht schikte. De arts eerbiedigde in hem niet alleen den +in alle mysteriën ingewijden opperpriester, maar ook den hoogbejaarden +grijsaard [349]. Ter linkerzijde van den oude stonden Phanes, Cresus, +Darius en Prexaspes. + +De koning was op zijn troon gezeten. Zijn gelaat stond ernstig en +somber, toen hij, het stilzwijgen afbrekende, aldus begon te spreken: +»De edele Helleen Phanes, dien ik mijn vriend meen te mogen noemen, +heeft mij zeer vreemde mededeelingen gedaan. Amasis van Egypte moet +mij allersnoodst bedrogen hebben. Mijne overledene gemalin zou niet +zijne, maar de dochter van zijn voorganger geweest zijn!" + +Bij deze woorden liet zich een gemompel van verbazing hooren. + +»Die grijsaard hier tegenover ons is gekomen, om ons de bewijzen voor +dit bedrog te leveren." + +Onoephis boog het hoofd, ten teeken van toestemming. + +»Thans richt ik allereerst de vraag tot u, Prexaspes, mijn gezant: Is u +Nitetis uitdrukkelijk als de dochter van Amasis voorgesteld geworden?" + +»Uitdrukkelijk! Wel had Nebenchari in een onderhoud met uwe moeder +Cassandane de andere tweelingsdochter, Tachot, als de schoonste van +de twee koningstelgen geprezen, doch Amasis stond er op, dat Nitetis +naar Perzië zou gaan. Ik vermoedde dat hij u, met u zijn liefste +kleinood af te staan, een uitnemend blijk van vriendschap wilde geven, +en liet dus mijn aanzoek om de hand van Tachot varen. Want inderdaad +de overledene verdiende mijns inziens, zoowel in schoonheid als in +karakter, verre de voorkeur boven hare zuster. In zijn brief aan u +schreef hij ook, gelijk gij u wel zult herinneren, dat hij u zijn +schoonste en liefste kind toevertrouwde." + +»Dat schreef hij, ja!" + +»En Nitetis was stellig de schoonste en edelste van het +zusterenpaar," zeide Cresus, ter bevestiging van de verklaring van +den gezant. »Overigens kwam het mij voor, dat Tachot de lieveling +van den koning en van de koningin was!" + +»Zeer zeker!" liet Darius er op volgen; »Amasis plaagde Bartja eens +onder den maaltijd zeggende: »Zie niet te diep in de oogen van Tachot, +want al waart gij een god, toch zou ik niet gedoogen, dat gij haar +naar Perzië voerdet!"--De kroonprins Psamtik schrikte geweldig van +deze scherts zijns vaders, en riep hem waarschuwend toe: 'Vader, +denk aan Phanes!' Wij begrepen echter niet wat dit te beduiden had." + +»Aan Phanes?" + +»Ja mijn koning," antwoordde de Athener. »Amasis had mij eens, in +zijn roes, deelgenoot van zijn geheim gemaakt; Psamtik waarschuwde +hem nu slechts, zich niet andermaal te vergeten." + +»Verhaal mij ook dit geval!" + +»Toen ik als overwinnaar van Cyprus te Saïs terugkeerde,. werd er een +groot feest aan het hof gevierd. Amasis gaf mij op allerlei wijzen +blijken van zijne hooge ingenomenheid, omdat ik zulk eene schoone +provincie voor hem gewonnen had. Hij omarmde mij, tot ergernis +en verbazing der overige Egyptenaren. Hoe hooger zijn roes steeg, +des te vuriger werd hij ook in de uitdrukking zijner dankbaarheid en +vriendschap. Toen ik hem eindelijk met Psamtik naar zijne vertrekken +bracht, en wij die zijner dochters voorbijgingen, bleef hij staan, +en zeide: »Daar slapen de meisjes. Als gij uwe vrouw verstooten wilt, +Athener, dan geef ik u Nitetis tot gemalin! Ik zou u gaarne tot mijn +schoonzoon hebben! Het is een heel bijzonder geval met dat meisje, +Phanes! Gij hebt veel van haar vader gehoord, van Hophra...." Psamtik +liet den beschonkene niet voortgaan. Hij legde hem de hand op den mond, +en zond mij met een barsch woord naar mijne woning. Daar overdacht +ik het gehoorde, en kwam toen tot vermoedens, die mij gebleken zijn +de zuivere waarheid te wezen. Ik bid u, koning, dezen grijsaard +te bevelen, de op deze zaak betrekking hebbende bladzijden uit het +dagboek van den vroedmeester Imhotep voor u te vertolken." + +Cambyzes gaf den ouden man een teeken, en deze las nu, met eene zoo +luide en heldere stem, als niemand uit zulk een gebrekkig lichaam zou +verwacht hebben, het navolgende: »Op den vijfden dag der maand Toth +[350] werd ik bij den koning ontboden. Ik was daarop voorbereid, +want de koningin lag reeds in barensweeën. Met mijne hulp beviel +zij voorspoedig van een zwak dochterken.--Toen de min het kindje +had overgenomen, bracht Amasis mij achter het voorhangsel, dat het +slaapvertrek zijner gemalin in tweeën scheidde. Daar lag eene tweede +zuigeling, waarin ik het kort te voren ter wereld gekomene kind van +Hophra's weduwe, die op den derden dag van Toth onder mijne handen +gestorven was, herkende. De koning wees op het sterke, goed ontwikkelde +kindje, en zeide: »Dit is een ouderloos schepseltje. Daar de wet +gebiedt, dat men zich over de verlatene weezen moet ontfermen [351], +zoo hebben Ladice en ik besloten dit meisje op te voeden, als ware zij +onze eigene dochter. Nu is er ons veel aan gelegen, dat de waarheid +voor het volk en voor het kind zelf geheim blijve. Daarom verzoek +ik u het diepste stilzwijgen in acht te nemen, en te verbreiden dat +Ladice mij tweelingen heeft geschonken. Zijt gij ons hierin ter wille, +zoo ontvangt gij nog heden vijf duizend gouden ringen, en jaarlijks +zoolang gij leeft het vijfde van die som. Ik boog, zonder een woord te +spreken, gebood alle aanwezigen de kraamkamer te verlaten, en riep hen +eenige oogenblikken later terug, om de mededeeling te doen, dat Ladice +van eene tweede dochter verlost was. Het eigenlijke kind van Amasis +ontving den naam Tachot, het ondergeschovene werd Nitetis geheeten." + +Bij deze woorden sprong Cambyzes van zijn zetel op en doorliep de +zaal met groote stappen. Zonder zich een oogenblik te laten storen, +vervolgde Onoephis onmiddellijk: »Op den zesden dag der maand +Toth. Toen ik mij hedenmorgen, ten einde een weinig uit te rusten van +de vermoeienissen van den afgeloopen nacht, had nedergelegd, verscheen +een dienaar van den koning, met het mij toegezegde goud en een brief, +die het verzoek inhield een kinderlijkje te bezorgen, dat, alsof dit +het overleden dochtertje van Hophra ware, met groote plechtigheid zou +worden begraven. Niet zonder groote moeite heb ik, een uur geleden +de zuigeling van het arme meisje, dat heimelijk bevallen is, bij de +oude vrouw, die aan den ingang der doodenstad woont, gekregen. Zij +wilde van haar gestorven lieveling, die haar zooveel smart en schande +had gebracht, geen afstand doen; en eerst toen ik haar beloofde, dat +de kleine op de kostbaarste wijze gebalsemd en bijgezet zou worden, +gaf zij toe. In mijne groote artsenijkast, die ditmaal mijn zoon +Nebenchari, in plaats van mijn dienaar Hib dragen moest, brachten +wij het lijkje in de kraamkamer van Hophra's weduwe. Het kind van +het arme meisje zal met alle vorstelijke eer begraven worden. Durfde +ik haar maar mededeelen welk een heerlijk lot hare lieveling na den +dood wacht.--Zoo even werd Nebenchari voor den koning ontboden." + +Bij de tweede vermelding van dezen naam bleef Cambyzes staan, en +vroeg: »Is onze oogarts Nebenchari dezelfde, van wien dit geschrift +melding maakt?" + +»Nebenchari," antwoordde Phanes, »is de zoon van denzelfden Imhotep, +die de beide kinderen verruilde!" + +De oogarts keek somber voor zich. + +Cambyzes nam de papyrusrol uit de hand van Onoephis, beschouwde een +oogenblik, het hoofd schuddende, de schrijfteekens die ze bedekten, +naderde toen den geneesheer, en zeide: »Bezie deze teekens, en zeg +mij of uw vader ze waarlijk geschreven heeft?" + +Nebenchari viel op de knieën, en hief zijne handen smeekend op. + +»Heeft uw vader deze teekenen geschreven? vraag ik." + +»Ik weet niet, of.... Inderdaad...." + +»De waarheid wil ik hooren! Ja, of neen?" + +»Ja, mijn koning; maar..." + +»Sta op, en wees verzekerd van mijne genade! Het betaamt een onderdaan +zijn vorst getrouw te zijn. Vergeet evenwel niet, dat gij thans mij +als uw koning hebt te beschouwen. Cassandane heeft mij doen weten, +dat gij haar morgen door eene kunstbewerking het gezicht zoudt +wedergeven. Waagt gij niet te veel?" + +»Ik ben van mijne kunst zeker, o koning!" + +»Nog eens, wist gij van dit bedrog af?" + +»Ja--mijn vorst." + +»En gij liet mij in mijne dwaling?" + +»Ik had Amasis moeten zweren, het geheim te zullen bewaren, en +een eed..." + +»De eed is heilig!--Draag zorg, Gobryas, dat aan deze Egyptenaren een +deel van onzen tafel worde gebracht. Gij schijnt groote behoefte aan +betere voeding te hebben, oude!" + +»Ik heb niets van noode, dan lucht om te ademen, een stuk brood en +een dronk water, om niet van honger en dorst om te komen, een rein +gewaad om den goden en mij zelven te behagen, en een eigen kleine +kamer om niemand in den weg te staan. Nooit ben ik rijker geweest +dan op den huidigen dag." + +»Hoezoo?" + +»Ik sta gereed een koninkrijk weg te schenken." + +»Gij spreekt in raadselen." + +»Ik heb door mijne vertaling bewezen, dat uwe overledene gemalin een +kind van Hophra is geweest. Volgens onze wet heeft ook de dochter van +een koning recht op den troon, indien er geene zonen of broeders zijn; +wanneer deze wederom kinderloos sterft, dan is haar echtgenoot haar +wettige opvolger. Amasis heeft de kroon geroofd, terwijl Hophra en +zijn nakomelingen door het recht van geboorte aanspraak op den troon +hadden. Psamtik verliest alle recht op den schepter, zoodra zich +een broeder, een zoon, eene dochter of een schoonzoon van Hophra +opdoet. Alzoo begroet ik in mijn koning, den toekomstigen heer van +mijn schoon vaderland." + +Cambyzes nam deze hulde aan, en Onoephis vervolgde: »Ook heb ik in +de sterren gelezen, dat Psamtik zal ondergaan; maar dat de kroon van +Egypte voor u is bestemd." + +»Ik zal de sterren niet tot leugenaars maken!" riep Cambyzes, »U +echter, vrijgevige oude, beveel ik een wensch uit te spreken, het +komt er niet op aan welken." + +»Laat mij in een wagen uw leger volgen. Ik heb geene andere begeerte +meer, dan aan den Nijl mijne oogen te sluiten." + +»Het zij zoo! Laat mij thans alleen, vrienden, en zorgt dat alle +dischgenooten heden aan den maaltijd verschijnen. Onder het genot van +den beker zullen wij krijgsraad houden. Een veldtocht naar Egypte +schijnt mij oneindig meer de moeite waardig, dan een strijd tegen +de Massageten!" + +»Heil den koning!" riepen de aanwezigen jubelend, waarna zij zich +verwijderden, terwijl Cambyzes zijne aan- en uitkleeders ontbood, +om voor het eerst zijn rouwkleed met het schitterende koninklijk +gewaad te verwisselen. + + + +Cresus en Phanes begaven zich gearmd naar den tuin, die, met +zijne schoone boomen en fraaie heesters, grootsche waterwerken en +veelkleurige bloembedden, aan de oostzijde van het paleis lag. Het +gelaat van den Athener straalde van geluk, terwijl de onttroonde +koning bezorgd en weemoedig voor zich staarde. + +»Hebt gij wel bedacht, Helleen," begon de laatste, »welk een fakkel +gij zoo even in de wereld hebt geslingerd?" + +»Slechts kinderen en dwazen handelen onbedacht." + +»Gij vergeet de door hartstocht verblinden." + +»Tot dezen behoor ik niet." + +»Toch is de wraakzucht de vreeselijkste van alle hartstochten." + +»Ja, als men er in eene oogenblikkelijke opwelling gehoor aan +geeft. Mijne wraakzucht is zoo koel als dit ijzer; maar ik ken mijn +plicht." + +»De eerste plicht van ieder deugdzaam mensch is, zijn eigen geluk +minder te achten dan dat van zijn vaderland." + +»Dat weet ik...." + +»Gij verliest evenwel uit het oog, dat gij met het Egyptische rijk +ook uw eigen vaderland den Perzen overlevert!" + +»Dit ben ik niet met u eens." + +»Gelooft gij dan, dat Perzië het schoone Griekenland met vrede zal +laten, als het eens in 't bezit is van al de overige kusten der +middelzee?" + +»Volstrekt niet; maar ik ken mijne Hellenen, en houd het er voor, dat +zij alle legers der barbaren met roem zullen wederstaan, en als het +gevaar naakt, grooter zullen zijn dan ooit te voren. De nood zal al +onze afzonderlijke stammen vereenigen, ons tot een groot eendrachtig +volk maken, en de tronen der tyrannen omverwerpen." + +»Altemaal droomen!" + +»Die verwezenlijkt zullen worden, zoo waar ik hoop, dat ik weldra +gewroken zal zijn!" + +»Ik kan de gegrondheid uwer onderstelling kwalijk beoordeelen, daar de +tegenwoordige toestand van uw vaderland mij geheel vreemd is. Maar ik +houd u voor een verstandig man, die het schoone en goede liefheeft, +en te rechtschapen denkt, om uit bloote wraakzucht een geheel volk +in 't verderf te willen storten. Het is voorwaar wel vreeselijk, +dat eene gansche natie boeten moet voor de schuld van een enkele, +zoo die enkele eene kroon draagt! Doch verhaal mij thans, als gij +ten minste iets aan mijn oordeel hecht, welk onrecht uwe wraakzucht +zoo geweldig heeft doen ontbranden!" + +»Luister dan, en beproef nimmer weer mij van mijn voornemen af +te brengen! Gij kent den Egyptischen kroonprins, gij kent ook +Rhodopis. Eerstgenoemde was mijn doodvijand, om meer dan éene reden; +zij de vriendin van alle Hellenen, en in het bijzonder de mijne. Toen +ik Egypte verlaten moest, bedreigde Psamtik mij met zijn wraak. Uw +zoon Gyges redde mijn leven. Eenige weken later kwamen mijne kinderen +te Naucratis; van daar zouden zij mij naar Sigeum volgen. Rhodopis +nam hen in haar huis en onder hare bescherming. Een ellendeling had +het geheim weten uit te visschen, en het den kroonprins verraden. In +den volgenden nacht werd het huis der Thracische vrouw omsingeld en +doorzocht. Men vond mijne kinderen en voerde ze weg. Intusschen was +Amasis blind geworden; hij liet in dien toestand zijn verwenschten +zoon de handen geheel vrij, en deze ontzag zich niet, mijn eenigen +jongen.... te...." + +»Hij liet hem dooden?" + +»Gij zegt het." + +»En uw tweede kind?" + +»Het meisje is thans nog in zijne macht." + +»Maar men zal het arme schepseltje vermoorden, als men verneemt...." + +»Laat het sterven. Liever wil ik kinderloos, dan ongewroken ten +grave dalen!" + +»Ik versta u, en kan u thans niet meer laken. Het bloed van uw zoon +eischt wraak." + +Dit zeggende, drukte de grijsaard de rechterhand van den Athener, +die na zijne tranen gedroogd en zijne aandoening overwonnen te +hebben uitriep: »Kom, thans naar den krijgsraad! Niemand heeft +grootere redenen, om Psamtik voor zijne schanddaden te danken, dan +Cambyzes. Deze hartstochtelijke man deugt niet voor vredevorst." + +»En toch houd ik het voor de eerste plichten eens konings, om aan +de innerlijke welvaart van zijn rijk te arbeiden. Maar de menschen +zijn nu eenmaal zoo dwaas, dat zij hunne beulen hooger waardeeren +dan hunne weldoeners. Hoevele liederen zijn er niet ter eere van +Achilles gezongen, en wie is nog ooit op den inval gekomen, om de +wijze regeering van Pittacus te bezingen [352]?" + +»Er behoort dan ook meer moeds toe, om bloed te vergieten dan om +boomen te planten." + +»Maar meer goedheid en verstand, om wonden te heelen dan om wonden +te slaan.--Maar, voor dat wij de zaal binnengaan, moet ik u nog eene +dringende vraag doen. Zal Bartja, als Amasis met de ontwerpen van +den koning bekend wordt, zonder gevaar te Naucratis kunnen blijven?" + +»Waarlijk niet. Ik heb hem dan ook gewaarschuwd, en aangeraden daar +ginds vermomd en onder een valschen naam op te treden." + +»Was hij aanstonds daartoe bereid?" + +»Hij scheen ten minste van plan te zijn mijn wenk te gehoorzamen." + +»In ieder geval zal het goed zijn hem een bode na te zenden, om hem +aan te raden op zijne hoede te zijn." + +»Wij zullen dit den koning verzoeken." + +»Kom thans! Daar rijden reeds de wagens, die den maaltijd voor den +hofstoet bevatten, de keuken uit." + +»Hoeveel menschen worden er wel dagelijks door den koning gespijzigd?" + +»Omtrent vijftien duizend [353]." + +»Dan mogen de Perzen de goden wel danken, dat hunne koningen slechts +éen maaltijd daags houden!" + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + +Zes weken na de beschrevene gebeurtenissen naderde eene kleine +ruiterschaar in draf de poorten van Sardes. De paarden en hunne +berijders waren zeer bezweet en met stof overdekt. De eersten, +wier instinct hun de nabijheid van stal en kribbe deed vermoeden, +spanden hunne laatste krachten in, doch schenen voor het ongeduld +der twee mannen, die in Perzische hofkleeding aan het hoofd van den +troep reden, nog veel te weinig spoed te maken. + +De goed onderhoudene koningsweg, die over het eerste terras van +het Tmolus-gebergte nu eens rees, dan weder daalde, liep door +vruchtbaar bouwland van zwarte aarde, en door bosschen van allerlei +boomen. Olijven, citroenen, platanen, moerbeziën en wijngaarden +bedekten den voet der hoogten, terwijl hooger op de pijn-, cypresse- +en noteboomwouden groeiden. Aan den rand der akkers stonden vijge- +en granaatstruiken met vruchten beladen. In het gras der weiden en in +het lommer der bosschen bloeiden veelkleurige en geurige bloemen. Nu +en dan trof men bronnen aan ter zijde van den weg, zorgvuldig door +muren afgesloten; en daarnaast waren onder schaduwrijke struikgewassen +banken aangebracht, die de reizigers gelegenheid gaven om een wijle +te rusten. De weg liep over bergspleten en beken, die tengevolge der +zomerhitte half uitgedroogd waren. Op belommerde vochtige plaatsen +bloeide de laurierroos, terwijl daar, waar de zon het sterkst brandde, +slanke palmen met hunne sierlijke kronen wuifden. Een donkerblauwe, +volkomen wolkenlooze hemel welfde zich over dit rijke landschap, dat +zuidwaarts de besneeuwde toppen van het Tmolus-gebergte, ten westen +de blauwachtig schemerende Sipylus-bergen tot gezichteinder had. + +Thans voerde de weg door een boschje van berken, om welks stammen +zich, met een overvloed van druiven beladene wijnranken tot hoog in +de toppen slingerden, nederwaarts in een dal. Bij eene kromming, +van waar men een heerlijk vergezicht had, hielden de ruiters +stil. Vóor hen lag de hoofdstad van het voormalige Lydische +rijk, eens de residentie van Cresus, het gouden Sardes, in het +wijdvermaarde Hermusdal. Eene donkere steile rots stak hoog uit boven +de eenvoudige rieten daken van de tallooze huizen der stad. Op haar +top zag men reeds van verre een majestueus gebouw, uit wit marmer +opgetrokken. Het was de burcht, om welks driedubbele muren koning +Meles, vele eeuwen geleden, een leeuw had rondgedragen, opdat ze +onneembaar zouden zijn. De zuidelijke helling van den slotberg +was minder steil, en met huizen bebouwd. Noordwaarts van deze rots +verrees, op den oever van den stofgoud met zich voerenden Pactolus, +het voormalig paleis van Cresus. Aan gene zijde van het marktplein, +dat de van verrukking opgetogene reizigers als eene onbegroeide plek +te midden eener bloeiende weide voorkwam, ruischte de rosse stroom, +die zich westwaarts in een smal bergdal stortte, om daar den voet +van den grooten tempel van Cybele [354] te bespoelen. Oostwaarts +strekten zich groote tuinen uit, door welker geboomte men hier en +daar het kristalheldere Gygaeische meer zag glinsteren. Bont geverfde +speelvaartuigen, waarachter een tal van sneeuwwitte zwanen met hunne +lange halzen de diepte schenen te peilen, bedekten de oppervlakte +van het meer. Op omtrent een kwartier afstand van het water verhieven +zich talrijke, door menschenhanden opgeworpene heuvels, van welke drie +vooral door hunne aanmerkelijke grootte en hoogte de aandacht trokken +[355]. + +»Wat beduiden die vreemdsoortige aardhoogten?" vroeg Darius, de +aanvoerder van deze schaar, aan Prexaspes, den gezant van Cambyzes +die naast hem reed. + +»Dat zijn de graven van de oude koningen van Lydië," was het +antwoord. »De grootste heuvel, links, niet de middelste, die ter +eere van een vorstelijk echtpaar, namelijk Panthea en Abradat, werd +opgeworpen, is het gedenkteeken dat men voor Alyattes, den vader van +Cresus, opgericht heeft. De koop- en handwerkslieden en de maagden van +Sardes hebben dat uit liefde voor hun overledenen koning gesticht. Aan +de vijf zuilen op den top kan men lezen, hoeveel arbeids iedere +afdeeling van het volk aan dezen berg heeft verricht. De meisjes +hebben den grootsten ijver aan den dag gelegd. De grootvader van +Gyges moet een bijzonder vriend van het schoone geslacht geweest zijn." + +»Dan is de kleinzoon wel een tegenhanger van zijn grootvader!" + +»Hetgeen te vreemder is, omdat ook Cresus in zijne jeugd volstrekt +geen vijand van het vrouwelijk geslacht is geweest, en de Lydiërs +in den regel voor het mingenot geboren schijnen te zijn. Ginder in +het Pactolus-dal, nabij de groote goudwasscherij, staat de tempel +der godin van Sardes, Cybele of Ma geheeten. Gij kunt de witte muren +zien door de openingen van het bosch, dat hem omgeeft. Daar is menig +lommerrijk plekje waar zich de jonge lieden van Sardes, ter eere der +godin, gelijk zij zeggen, minnend en koozend vereenigen." + +»Even als te Babylon, op het feest van Mylitta." + +»Op de kusten van Cyprus bestaat dezelfde gewoonte. Toen ik op +mijne terugreis uit Egypte daar landde, werd ik door eene schaar +der schoonste maagden met liefelijk gezang ontvangen. Al dansende +onder den klank van cymbalen voerden ze mij naar het bosch van hare +godin. Daar moest ik eenige goudstukken nederleggen, en werd toen +door het bekoorlijkste meisje, dat gij u kunt voorstellen, in een +purperen tent geleid, die van de heerlijkste geuren vervuld en waar +ons een bed van roze- en leliebladeren gespreid was." + +»Zopyrus zal zich dan de krankheid van Bartja wel niet te sterk +aantrekken." + +»En zeker meer tijd in het bosch van Cybele, dan aan de zijde van den +lijder doorbrengen. Het verheugt mij, den opgeruimden jongen weldra +te zullen wederzien." + +»Hij zal die vlagen van neerslachtigheid, waarin gij sedert den +laatsten tijd zoo dikwijls vervalt, wel voorgoed verdrijven!" + +»Ik zal al mijne krachten inspannen ze voortaan te onderdrukken, +ofschoon die sombere stemmingen, welke gij met alle recht afkeurt, +hare oorzaak hebben. Cresus zegt, dat men slechts dan kwalijk geluimd +is, als men te traag of te machteloos is, om te worstelen met de +omstandigheden. Onze vriend heeft gelijk en men zal Darius noch +van zwakheid, noch van traagheid kunnen beschuldigen. Kan ik ook de +wereld niet beheerschen, dan wil ik toch voor het minst meester van +mij zelven zijn!" + +Dit zeggende, richtte zich de schoone jongeling hoog in den zadel +op. Zijn geleider zag hem met verbazing aan, en riep: »Waarlijk, +zoon van Hystaspes, ik geloof, dat gij tot groote dingen bestemd +zijt. Niet zonder doel hebben de goden hun lieveling Cyrus, toen gij +nog een knaap waart, dien droom ingegeven, die oorzaak was dat hij +u door uw vader deed opsluiten." + +»En toch heb ik nog geene vleugels gekregen." + +»Uw lichaam niet, maar wel uw geest. Jongeling, jongeling, gij zijt +op een gevaarlijken weg!" + +»Heeft de gevleugelde dan voor een afgrond te vreezen?" + +»Als zijne krachten hem begeven, ja!" + +»Maar ik ben sterk!" + +»Doch sterkeren zullen beproeven uwe vleugels te verlammen!" + +»Laat hen begaan! Ik weet, dat ik slechts wil wat goed is, en vertrouw +op mijn gesternte." + +»Weet gij ook hoe de naam van dat gesternte is?" + +»Anahita [356] is de naam der ster, waaronder ik geboren ben." + +»Ik geloof haar beter te kennen. Brandende eerzucht heet de zon, wier +stralen uwe handelingen besturen. Neem u in acht, jongeling! Ook ik +heb het pad bewandeld, dat òf tot roem òf tot schande, maar slechts +zelden tot waar geluk voert. De eergierige gelijkt een dorstige, die +zoutwater drinkt. Hoe meer roem hij oogst, hoe dorstiger hij wordt +naar eer en grootheid! Van gemeen krijger ben ik gezant van Cambyzes +geworden; maar wat blijft u nog na te jagen overig, gij, die thans +reeds na den koning de grootste in geheel Perzië zijt?.... Maar, +bedriegen mijne oogen mij niet, dan rijden Zopyrus en Gyges aan +de spits der ruiterschaar, die ons van de zijde der stad te gemoet +komt. De angaar, die vóor ons de herberg verliet, heeft zeker gezegd +dat wij in aantocht waren." + +»Ja, zij zijn het!" + +»Waarlijk! Zie maar, hoe Zopyrus met het palmblad, dat hij zoo even +afbrak, zwaait en wuift!" + +»Jongens, snijdt ons spoedig een paar takken van dezen struik!--Zoo +is het goed! Laat ons nu met purpere granaatbloesems de groene palmen +beantwoorden!" + +Weinige oogenblikken later omarmden Prexaspes en Darius hunne +vrienden. Daarop trokken de vereende ruiterbenden door de tuinen, +die het Gygaeische meer omgaven, en de voornaamste uitspanningsplaats +der bewoners van Sardes uitmaakten, de volkrijke stad binnen. De +zon neigde juist ten ondergang, en een frisch koeltje begon te +waaien. De burgers der stad stroomden de poorten uit, om zich in de +buitenlucht te gaan vermeien. Lydische krijgers met rijk versierde +helmen, en Perzische soldaten met cylindervormige tulbanden, liepen de +geblankette en bekranste deernen achterna. Dienstmeisjes brachten de +aan hare zorg toevertrouwde kinderen naar het meer, om hen de zwanen +te laten voederen. Onder een plataanboom zat een blinde grijze zanger, +die voor een vrij talrijk gehoor zijne weemoedige liederen met den +magadis, of twintig-snarige Lydische luit, begeleidde. Een groot aantal +knapen vermaakten zich met dobbelsteenen of met het kegelspel [357]; +half volwassene meisjes stonden naar deze spelen te kijken, en gilden +somwijlen van schrik, als eene harer door den met kracht geworpen +bal werd getroffen, of deze bij ongeluk in het meer te recht kwam. + +De zoo even aangekomene Perzen sloegen nauwelijks acht op dit +bonte tooneel, dat onder gewone omstandigheden in hooge mate hunne +belangstelling zou hebben gewekt. Nu echter wijdden zij hunne gansche +aandacht aan hunne vrienden, die hun veel van Bartja verhaalden, +en hoe hij de ernstige ziekte gelukkig te boven was gekomen. + +Aan de metalen poort van het paleis, dat Cresus vroeger bewoond had, +kwam hun de satraap van Sardes, Oroetes, te gemoet. Het was een deftig +man, die voor deze gelegenheid zijne, met kostbare versierselen +overladene hofkleeding had aangetrokken. Zijne kleine zwarte oogen +schenen, van onder een paar borstelige ineengegroeide wenkbrauwen, +met hun doordringend scherpen blik, de gedachte van alle menschen te +willen raden. De provincie, die door hem bestuurd werd, was eene der +belangrijkste en rijkste. Zijne hofhouding streefde die van Cambyzes +in glans en rijkdom op zijde, schoon zijne dienaren en vrouwen veel +minder in aantal waren, dan die van den koning. Toch werden de ruiters +aan de poort door eene groote schaar van lijfwachten, slaven, eunuchen +en sierlijk uitgedoste ambtenaren afgewacht. + +Het paleis, dat nog altijd prachtig mocht worden genoemd, was ten tijde +dat Cresus het bewoonde, de heerlijkste aller vorstenwoningen. Na de +inname van Sardes hadden echter de Perzische veroveraars het grootste +gedeelte der rijkdommen van den onttroonden koning naar de schatkamers +van Cyrus te Pasargadae overgebracht, en waren de schoonste kunstwerken +door ruwe handen vernietigd geworden. Toen die schrikkelijke dagen +voorbij waren, hadden de Lydiërs menigen verborgen schat weder te +voorschijn gehaald, en zich gedurende eenige jaren van vrede, onder +de regeering van Cyrus en Cambyzes, door kunstvlijt en werkzaamheid +zoover hersteld, dat Sardes thans wederom onder de rijkste steden van +Klein-Azië, ja, van de gansche wereld mocht gerekend worden. Schoon +Darius en Prexaspes aan de pracht eener koninklijke hofhouding +gewoon waren, verwonderden zij zich niettemin over de schoonheid en +den luister van het paleis van den satraap. Vooral troffen hen de +kunstwerken van marmer, zooals men er noch te Babylon, noch te Suza, +noch te Ekbatana vond [358]. Gebakken tegels en cederhout moesten +daar de plaats van deze kostbare steensoort vervullen. + +In de groote zaal vonden de vrienden Bartja, die er bleek uitzag, en +van de matras waarop hij lag de armen naar hen uitstrekte. Nadat de +hereenigde vrienden aan de tafel van den satraap den maaltijd hadden +gebruikt, begaven zij zich naar het vertrek van den herstellende, +ten einde ongestoord te kunnen spreken. + +Toen zij zich daar hadden neergezet, riep Darius Bartja toe: »Thans +moet ge mij allereerst vertellen, hoe gij aan deze ongelukkige ziekte +zijt gekomen." + +»Zoo gezond, als wij maar wenschen konden," begon de koningszoon, +»reisden wij, gelijk gij weet, van Babylon af, en bereikten +zonder eenige stoornis Germa, een klein stadje, aan den Sangarius +gelegen. Vermoeid van den forschen rit, verbrandt door de zon van +Chordât [359], en ontoonbaar door het stof dat op ons kleefde, sprongen +wij van onze paarden, ontdeden ons van onze kleederen, en wierpen +ons in den vloed, die voorbij de herberg stroomde, en wiens heldere +golven ons tot een bad schenen uit te noodigen. Gyges berispte ons om +onze onvoorzichtigheid; wij echter bouwden op onze geharde lichamen, +sloegen zijne vermaningen in den wind, en zwommen vroolijk in de +groene golfjes rond. Kalm en rustig als altijd liet Gyges ons begaan, +ontkleedde zich, nadat wij reeds met baden gedaan hadden, en ging toen +op zijne beurt te water. Twee uren later zaten wij weer in den zadel, +joegen als gold het dood of leven op de heirbaan voort, wisselden +bij iedere pleisterplaats van paarden, en maakten den nacht tot dag. + +»In de nabijheid van Ipsus kreeg ik hevige pijn in het hoofd en +door al mijne leden. Maar ik schaamde mij te bekennen, dat ik mij +niet wel gevoelde, en hield mij goed, totdat wij te Bagis versche +paarden moesten bestijgen. Toen ik mij in den zadel wilde werpen, +begaven mij mijne krachten en mijn bewustzijn, en viel ik neder." + +»Of wij ook schrikten, toen gij inéenzaktet," viel Zopyrus den spreker +in de rede. »En het was een zegen dat Gyges bij mij was. Ik had geen +raad geweten. Hij behield echter zijne volle tegenwoordigheid van +geest en handelde, na aan zijne boosheid lucht te hebben gegeven in +woorden, die voor ons juist niet zeer vleiend waren, als een omzichtig +veldheer. Die ezel van een geneesheer, die aanstonds kwam aanloopen, +zwoer bij hoog en laag, dat Bartja reddeloos verloren was, voor welk +bewijs van doorzicht ik hem een pak slaag heb gegeven." + +»Dat hij zich gaarne getroostte," lachte de satraap, »daar gij bevel +gaaft, op iedere striem een goudstater te leggen." + +»Ja, mijn lust om klappen uit te deelen heeft me reeds veel geld +gekost. Doch ter zake. Nauwelijks had Bartja de oogen weder geopend, +of Gyges droeg mij op naar Sardes te rijden, om een bekwamen geneesheer +en een gemakkelijken reiswagen te halen. Dien rit doet geen mensch +mij na! Een uur voor dat ik hier aankwam, stortte mijn derde paard +van vermoeidheid neder. Nu liep ik wat ik maar loopen kon op de poort +aan. De wandelaars moeten allen wel gedacht hebben, dat het mij in +de hersenen scheelde. Den eersten ruiter den besten, een koopman uit +Celaenae [360], rukte ik zonder een woord te spreken van zijn paard, +sprong er zelf op, en voordat een nieuwe dag was aangebroken, was ik +met den besten Sardischen arts en den voortreffelijksten reiswagen +van Oroetes bij onzen zieke terug, dien wij, zoo langzaam mogelijk +rijdende, naar dit paleis brachten, waar hij door eene kwaadaardige +koorts werd aangetast. Hij kraamde alle dwaasheden uit, die in een +menschenhoofd kunnen opkomen, en joeg ons zulk een angst aan, dat mij, +als ik aan die dagen denk, nog telkens het angstzweet uitbreekt." + +Bartja greep de hand van zijn vriend en zeide, zich tot Darius +wendende: »Hem en Gyges dank ik mijn leven. Zij hebben mij, tot op +het oogenblik dat zij ulieden te gemoet reden, geene minuut verlaten, +en mij verpleegd, gelijk eene moeder haar ziek kind. Ook aan uwe +goedheid, Oroetes, ben ik veel verplicht, en dubbel, wijl gij er u +zelven onaangenaamheden door hebt berokkend." + +»Hoe was dat mogelijk?" vroeg Darius. + +»Die Polycrates van Samos, wiens naam in Egypte zoo dikwerf genoemd +werd, heeft den beroemdsten geneesheer, op welken Griekenland ooit +trotsch mocht wezen, aan zich verbonden. Oroetes schrijft terstond, +nadat ik ziek in zijn huis ben gekomen, aan Democedes [361] en +verzoekt hem, onder de schoonste beloften, dadelijk naar Sardes te +reizen. Samische zeeroovers, die de geheele Ionische kust onveilig +maken, vangen den bode op, en brengen den brief van Oroetes aan hun +heer Polycrates over. Deze opent hem en zendt den afgezant naar hier +terug met de boodschap, dat Democedes in zijn dienst is. Als Oroetes +[362] hem noodig had, kon hij zich tot Polycrates zelven wenden. Onze +edele vriend vernederde zich om mijnentwille, en verzocht den Samiër +zijn geneesheer naar Sardes te zenden." + +»En Polycrates?" vroeg Prexaspes. + +»De hoogmoedige tyran van het eiland zond oogenblikkelijk den bekwamen +arts, die mij, zooals gij ziet, geheel genezen heeft, en eerst voor +weinige dagen met rijke geschenken Sardes verliet." + +»Overigens," viel Zopyrus zijn vriend in de rede, »kan ik zeer goed +begrijpen, waarom de Samiër niet lichtvaardig afstand doet van zijn +lijfarts. Ik verzeker u Darius, die man heeft zijn gelijke niet! Hij +is schoon als Minutscher, verstandig als Piran Wisa, sterk als Rustem +[363] en dienstvaardig als het heilige Soma [364]. Gij hadt eens +moeten zien, hoe hij metalen schijven, die hij discus noemde, wist +te slingeren! Ik ben geen kind als 't op worstelen aankomt, maar wij +waren geen minuut aan den gang, of ik lag reeds op den grond. En dan +kan hij geschiedenissen verhalen, dat den toehoorders er het hart in +'t lijf van opspringt." + +»Wij hebben een diergelijk man leeren kennen," zeide Darius, lachende +om de geestdrift van zijn vriend, »namelijk Phanes, den Athener, +die gekomen is om onze onschuld te bewijzen." + +»Democedes, de geneesheer, is uit Kroton, 't welk dicht bij de plek +moet liggen, waar de zon ondergaat." + +»Maar," liet Oroetes er op volgen, »dat evenals Athene door Hellenen +bewoond wordt. Weest op uwe hoede voor deze menschen, mijne jonge +vrienden, want ze zijn even listig, bedrieglijk en zelfzuchtig, +als sterk, verstandig en schoon." + +»Democedes is edel en waarheidlievend!" riep Zopyrus. + +»En Phanes," verzekerde Darius, »wordt zelfs door Cresus voor even +deugdzaam als dapper gehouden." + +»Ook Sappho," bevestigde Bartja, »heeft van den Athener niets dan goeds +getuigd, maar zwijgen wij van de Hellenen. Oroetes is hun vriend niet, +wijl zij hem door hunne weêrspannigheid de handen vol werk geven." + +»Dat weten de goden!" zuchtte de satraap. »Eéne Grieksche stad is +moeielijker in toom te houden, dan alle landen tusschen den Euphraat +en den Tigris." + +Terwijl de satraap sprak, was Zopyrus eens naar het venster gegaan +om uit te zien. Thans viel hij den spreker in de rede met te zeggen: +»De sterren staan reeds zeer hoog, en Bartja heeft rust noodig; +haast u daarom Darius, en verhaal ons wat van huis!" + +De zoon van Hystaspes knikte toestemmend, en deed nu omstandig verslag +van de voorvallen, die wij reeds hebben bijgewoond. Het uiteinde +van Nitetis vond vooral bij Bartja oprechte deelneming, terwijl het +ontdekte bedrog van Amasis allen met verbazing en onrust vervulde. + +»Nadat de eigenlijke afkomst der overledene onwederlegbaar bewezen +was," vervolgde de verhaler, na eene korte pauze, »scheen Cambyzes een +ander mensch te zijn geworden. Hij riep ons allen samen tot het houden +van krijgsraad, en had aan tafel, in plaats van rouwkleederen, voor +het eerst weder zijn koninklijk gewaad aan. Gij kunt u voorstellen, +met welk een gejuich het vooruitzicht op een oorlog met Egypte +begroet werd. Zelfs Cresus, die anders Amasis niet ongenegen is, en +gewoonlijk voor den vrede stemt, had ditmaal niets hiertegen in te +brengen. Den volgenden morgen werd, gelijk dit gewoonlijk geschiedt, +nogmaals overwogen, wat in den roes besloten was. Nadat velen hunne +zienswijze hadden doen kennen, verzocht ook Phanes het woord te mogen +hebben. Hij sprak wel een uur achtereen. Maar welk een taal! Het was +alsof de goden hem woord voor woord in den mond hadden gelegd. Onze +taal, die hij zich in ongelooflijk korten tijd eigen heeft gemaakt, +vloeide als honig van zijne lippen, en perste het eene oogenblik +ons allen heete tranen uit de oogen, om ons het volgende in een +stormachtig gejuich of in woeste kreten van verontwaardiging te doen +losbarsten. Iedere beweging zijner handen was bevallig als het wenken +eener danseres, en toch mannelijk en vol waardigheid. + +»Ik ben niet in staat zijne rede weder te geven, want mijne woorden +zouden bij de zijne klinken, als tromgeroffel bij donderslagen. En +toen wij eindelijk, door onze geestdrift weggesleept, eenstemmig +tot den krijg besloten, nam Phanes nog eenmaal het woord, en deed de +middelen en wegen aan de hand, om op de gemakkelijkste wijze de zege +te behalen." + +Darius kon niet voortgaan, want Zopyrus was, onder luid gejuich, +hem om den hals gevallen. Ook Bartja, Gyges en de satraap Oroetes +verheugden zich van harte over zijne mededeeling, en drongen bij den +verhaler aan, om hun het einde te doen kennen. + +»In de maand Farwardin [365]," begon de jongeling opnieuw, »moeten +onze legers aan de grenzen van Egypte staan, wijl in Murdâd [366] de +Nijl buiten zijne oevers treedt, en den marsch van het voetvolk zeer +zou bemoeilijken. De Helleen Phanes is thans op weg naar de Arabieren, +om een verbond met hen te sluiten. De zonen der woestijn moeten ons in +hun dor en onherbergzaam land van water en van gidsen voorzien. Verder +wil hij het rijke Cyprus, dat hij eens voor Amasis veroverde, in onze +hand stellen. De koningen van dit eiland hebben, op zijne voorspraak, +hunne kronen behouden, en zullen aan zijne raadgevingen onmiddellijk +gehoor geven. De Athener zorgt voor alles, en kent overal den weg, +als kon hij gelijk de Zon de geheele aarde overzien. Hij toonde ons +ook eene afbeelding van al de landen, op eene koperen tafel." + +Oroetes gaf over alles zijne goedkeuring te kennen, en zeide: »Ook +ik bezit zulk eene afbeelding van de wereld. Een Milesiër, Hecataeus +[367] genaamd, die voortdurend reizen doet, heeft deze geteekend, +en mij voor een pas ten geschenke gegeven." + +»Die Hellenen bedenken van alles!" riep Zopyrus, die zich niet het +flauwste denkbeeld kon maken van zulk eene voorstelling van de aarde. + +»Ik zal u morgen mijne tafel laten zien," zeide Oroetes; »thans echter +moeten wij Darius niet meer in de rede vallen.'" + +»Phanes trok dus naar Arabië," vervolgde de verslaggever, »terwijl +Prexaspes afreisde, om u, Oroetes, niet slechts te bevelen zoovele +soldaten als mogelijk is,--vooral Ioniërs en Kariërs, over wie het +bevel aan den Athener zal worden opgedragen,--bijeen te brengen, +maar ook om Polycrates een verbond met ons voor te slaan." + +»Een verbond met hem, met den zeeroover?" vroeg Oroetes, wiens gelaat +merkbaar betrok. + +»Met denzelfden," antwoordde Prexaspes, zich houdende, als ware hem +de trek van onwil op het aangezicht van den satraap ontgaan. »Phanes +heeft van den man, die over zoovele voortreffelijke schepen te bevelen +heeft, reeds toezeggingen gekregen, zoodat wij ons van den gunstigen +uitslag uwer zending verzekerd kunnen houden." + +»De Phoenicische, Syrische en Ionische oorlogsschepen," hernam de +stadhouder, »zullen meer dan voldoende zijn, om de Egyptische vloot +te overwinnen." + +»Daarin hebt gij volkomen gelijk. Maar indien Polycrates zich +tegen ons verklaarde, dan zouden wij ons bezwaarlijk ter zee kunnen +handhaven. Uit uw eigen mond toch hebben wij gehoord, dat hij in de +Aegaeische zee den schepter voert." + +»Desniettemin keur ik een verbond met den zeeschuimer ten sterkste af!" + +»Vóor alle dingen zoeken wij goede bondgenooten, en de zeemacht +van Polycrates boezemt ons ontzag in. Eerst wanneer wij met zijne +hulp Egypte veroverd hebben, dan komt de tijd, om zijn overmoed te +fnuiken. Maar wat ook verder van de zaak zij, ik moet u verzoeken allen +persoonlijken wrok ter zijde te stellen, en slechts op het welslagen +van het groote ontwerp bedacht te zijn. Deze woorden spreek ik in den +naam des konings, wiens ring ik draag, en verplicht ben u te toonen." + +Oroetes boog zich zwijgend voor dit teeken van het vorstelijk gezag, +en vroeg: »Wat verlangt Cambyzes van mij?" + +»Hij beveelt u, alle mogelijke pogingen in het werk te stellen, om +een verbond met den Samiër tot stand te brengen, en verder, dat gij +uwe troepen hoe eer hoe liever naar het hoofdleger in de Babylonische +vlakte laat oprukken." + +De satraap boog, en verliet in trotsche houding het vertrek. + +Zoodra men het geluid zijner schreden in de zuilengang van het +binnenhof hoorde, sprak Zopyrus: »De arme man! Het is bijster hard +voor hem, den overmoedige, die zich zoo menige beleediging jegens +hem veroorloofde, met zulk eene boodschap aan boord te komen. Denk +slechts aan de geschiedenis met den arts!" + +»Gij zijt al te toegevend," hernam Darius, zijn vriend in de rede +vallende. »Deze Oroetes bevalt mij niet! Zóo mag men een bevel des +konings niet opnemen. Zaagt gij niet, dat hij zijne lippen aan bloed +beet, toen Prexaspes hem den zegelring van onzen vorst toonde?" + +»In dezen man woont een hoogmoedig hart," voegde de gezant er bij. »Hij +verliet ons zoo spoedig, omdat hij zijn toorn niet langer meester was." + +»Toch moet ik u verzoeken," zeide Bartja, »het gedrag van den +satraap, wien ik grooten dank verschuldigd ben, voor mijn broeder +te verzwijgen." + +Prexaspes boog even, doch Darius hernam: »In ieder geval moet men dezen +man in het oog houden. Juist te dezer plaatse zoover van 's konings +poorten, te midden van vijandige volken, hebben wij stadhouders noodig, +die hun heer gewilliger gehoorzamen, dan Oroetes, die zich schijnt +te verbeelden koning van Lydië te zijn!" + +»Zijt gij verstoord op den Satraap?" vroeg Zopyrus. + +»Ik geloof ja," luidde het antwoord. »Als ik iemand ontmoet, dan +gevoel ik aanstonds iets, dat mij tot hem trekt, of dat mij een +onverwinnelijken afkeer van dien persoon inboezemt. Deze plotselinge, +onverklaarbare gewaarwording heeft mij nog nooit bedrogen. Oroetes +mishaagde mij reeds, voordat ik nog een woord uit zijn mond had +vernomen. Evenzoo ging het mij met den Egyptenaar Psamtik, terwijl +ik mij door Amasis voelde aangetrokken." + +»Gij zijt nu eenmaal geheel anders dan wij!" hernam Zopyrus in +scherts. »Maar doe mij het genoegen, en laat den armen Oroetes +rusten. Het is goed dat hij weg is, want nu kunt gij vrijer van huis +spreken. Hoe maakt het Cassandane en uwe godin Atossa? Hoe is het met +Cresus? Wat voeren mijne lieve vrouwtjes uit? Zij zullen binnenkort +eene nieuwe deelgenoote harer vreedzame uitspanningen krijgen, want ik +ben van plan morgen om de hand van het schoone dochterken van Oroetes +te vragen. Met de oogen hebben wij elkaar reeds allerlei lieve dingen +verteld. Ik weet niet, of de hare Perzisch of Syrisch spraken; maar +wij begrepen elkander toch volkomen." + +De vrienden lachten, en Darius riep, weder in de algemeene vroolijkheid +deelende: »En nu zult gij eene blijde boodschap vernemen, die ik +eigenlijk, als het beste, tot nagerecht bewaard heb. Hé! Bartja, +spits de ooren, vriend! Uwe moeder, de edele Cassandane, heeft het +gezicht teruggekregen!--Ja, ja, het is de zuivere waarheid!--Wie haar +genezen heeft?--Wie anders dan die Egyptische knorrepot, die nu zoo +mogelijk nog somberder en gemelijker is dan voorheen. Maar houd u nu +stil en laat mij voortgaan, anders wordt het nog morgen eer Bartja +kan gaan slapen.--Eigenlijk moesten wij u thans aan uw lot overlaten, +want het beste weet gij, en gij kunt daarvan dus droomen.--Gij wilt +niet? Dan moet ik in Mithra's naam maar verder verhalen, al bloedt +mijn hart er ook bij. + +»Laat mij met den koning beginnen!--Zoolang Phanes te Babylon was, +scheen hij zijne smart over het verlies der Egyptische niet te +gevoelen. De Athener mocht geen oogenblik zijne zijde verlaten. Deze +twee waren evenmin van elkaar te scheiden als Reksch en Rustem +[368]. In dit gezelschap had Cambyzes geen tijd om te treuren, +want de Helleen had ieder oogenblik nieuwe invallen, en hield niet +slechts den koning, maar ons allen op eene bewonderenswaardige +wijze bezig. Daarbij waren allen met hem ingenomen; ik geloof, +omdat niemand hem recht benijden kan. Zoodra hij toch alleen was, +welden er tranen in zijne oogen, bij de gedachte aan zijn vermoorden +lieveling. Daarom was zijne opgeruimdheid, die hij, beste Bartja, +ook in het hart van uw ernstigen broeder wist over te storten, +dubbel bewonderenswaardig.--Iederen morgen reed hij met Cambyzes en +ons allen naar den Euphraat, en vermaakte zich met het gadeslaan +van de oefeningen der jeugdige Achaemeniden. Als hij de knapen +spoorslags de zandheuvels zag voorbijrijden, en de potten die er op +geplaatst waren met pijlen zag doorschieten; als hij aanschouwde +hoe zij elkander met houtblokken wierpen en deze behendig wisten +te ontwijken [369], beleed hij, dat hij hun dit niet zou kunnen +nadoen. Daarentegen verklaarde hij met ons allen in het speerwerpen +en worstelen naar den prijs te willen dingen. Levendig als hij is, +sprong hij aanstonds van zijn paard, trok tot onzer aller ergernis +[370] zijne kleederen uit, en slingerde, tot groot vermaak der knapen, +hun onderwijzer in het worstelen als een veertje in het zand. Dan +liet hij eene menigte pochhanzen, die zich met hem meten wilden, +eene buiteling maken, en mij ware hetzelfde lot beschoren geweest, +als hij zich niet reeds teveel vermoeid had. Toch verzeker ik u, dat +ik sterker ben dan hij, en veel zwaardere blokken kan optillen. Maar +die Athener is onbegrijpelijk vlug en behendig, en slingert zich om +zijn tegenstander als de klimop om een stam. Zijne naaktheid kwam hem +ook goed te stade. Indien het niet onvoegzaam was, moest men eigenlijk +altijd ongekleed worstelen, gelijk de Hellenen, die zich bovendien de +huid met olijfolie inwrijven.--In het speerwerpen overtrof hij allen +evenzeer. Daarentegen vloog de pijl van den koning, die, gelijk wij +weten, trotsch is op den roem van de beste schutter in geheel Perzië te +zijn, veel verder dan de zijne. Hij roemde zeer de bij ons bestaande +gewoonte, dat na den worstelstrijd de overwonnene den overwinnaar de +hand kust. Eindelijk leverde hij een staaltje van eene nieuwe oefening, +het vuistgevecht. Doch de nuttigheid hiervan wilde hij niet toonen +door met een vrije te vechten; daarom liet de koning den grootste en +sterkste van alle slaven, Bessus, mijn stalknecht, komen, die met +zijne reuzenarmen de achterpooten van een paard samendrukt, zoodat +het dier staat te rillen en zich niet kan verroeren. Die geweldige +sladood, die minstens een hoofd langer was dan Phanes, lachte, en +haalde medelijdend de schouders op, toen hij hoorde, dat hij met dezen +vreemdeling een vuistgevecht moest houden. Zeker van zijn zegepraal, +stelde hij zich tegenover den Athener en deed oogenblikkelijk een +onbesuisden slag naar hem, die een olifant zou hebben gedood. Phanes +ontweek dien echter, en bracht op hetzelfde oogenblik den reus met de +bloote vuist zulk een geweldigen slag onder de oogen toe, dat een dikke +bloedstroom uit zijn mond en zijn neus sprong, en de onbehouwen kerel +huilend nederstortte. Toen men hem overeind had geholpen, geleek zijn +aangezicht op eene groenachtig blauwe pompoen. De knapen hadden niet +weinig pret hierover. Wij bewonderden de vlugheid van den Helleen, +en verblijdden ons in de goede stemming van den koning, die nog +duidelijker uitkwam, toen Phanes zijne stem met de luit begeleidde, +en vroolijke Grieksche liederen en dansmelodieën zong. + +»Intusschen had Cassandane, door de kunst van den Egyptenaar +Nebenchari, het gezicht teruggekregen, eene gebeurtenis die +natuurlijk veel bijdroeg, om 's konings zwaarmoedigheid te +verdrijven. Wij beleefden goede dagen, en reeds maakte ik plannen +om de hand van Atossa te vragen, toen Phanes naar Arabië vertrok, +en alles een geheel ander aanzien kreeg. Zoodra namelijk de Athener +de poort verlaten had, was het alsof alle booze Diws plotseling in +den koning gevaren waren. Somber en zwijgend ging hij in en uit, +en om zijne zwaarmoedige gedachten te verdrijven, gebruikte hij +reeds in den vroegen morgen kannen vol van den zwaarsten Syrischen +wijn. Des avonds was hij in den regel zoo dronken, dat men hem naar +zijne vertrekken moest dragen, terwijl hij 's morgens met heftige +krampen en hoofdpijnen ontwaakte. Overdag liep hij rond, als zocht +hij iets, en 's nachts hoorde men hem meermalen den naam van Nitetis +uitspreken. De geneesheeren waren zeer bezorgd voor zijne gezondheid, +en gaven hem dranken, die hij echter liet wegwerpen. Cresus had +volkomen gelijk, toen hij op zekeren dag tot de artsen zeide: 'Eer +men iemand wil gaan genezen, gij heeren magiërs en Chaldaeërs, +moet men weten aan te wijzen, welk gedeelte van zijn organisme +lijdt. Kunt gij dat?--Neen? Dan zal ik u zeggen, wat den koning +deert. Hij lijdt inwendig, en heeft eene onzichtbare wonde. Zijn +lijden is verveling, de wonde zit in het hart. Voor het eerste is de +Athener de beste geneesmeester, voor het andere weet ik geen middel, +want de ondervinding leert, dat zulke wonden of van zelve genezen, +of den lijder doen doodbloeden.' + +»'Ik weet een geneesmiddel voor den koning!' riep Otanes, toen hij dit +woord van Cresus vernam. 'Wij moeten hem zien te bewegen om de vrouwen, +of althans mijne dochter Phaedime, van Suza terug te ontbieden. De +liefde verstrooit de wolken der zwaarmoedigheid, en doet het bloed +sneller door de aderen stroomen!' Wij deelden alle zijne zienswijze, +en drongen bij hem aan, dat hij onzen vorst aan de in ballingschap +levende vrouwen zou herinneren. Otanes maakte van de gelegenheid, +die de eerste de beste maaltijd hem bood, gebruik, om Cambyzes het +voorstel te doen de vrouwen terug te laten komen, doch werd zoo ruw +door den koning afgesnauwd, dat het ons allen leed deed. + +»Kort daarop ontbood Cambyzes op een morgen alle mobeds en Chaldaeërs, +om hun de verklaring van een vreemdsoortig droomgezicht te vragen. Hij +had namelijk gedroomd, dat hij zich midden op een dorre vlakte bevond, +die glad en effen als een dorschvloer, niet het geringste halmpje +voortbracht. Ontstemd over het woest en treurig aanzien van die +plek, wilde hij andere, meer vruchtbare oorden op gaan zoeken, toen +Atossa verscheen, en zonder hem op te merken, op eene bron toeliep, +die eensklaps als door een tooverslag liefelijk ruischend uit den +dorren grond opborrelde. Verbaasd zag hij dit schouwspel aan, en +bemerkte hoe overal, waar de voet zijner zuster den verzengden bodem +had aangeraakt, slanke terpentijnboomen [371] opschoten, die grooter +werden en in cypressen veranderden, welker kruinen tot aan den hemel +reikten. Toen hij Atossa wilde aanspreken, ontwaakte hij. + +»De mobeds en Chaldaeërs beraadslaagden lang, en legden den droom alzoo +uit, dat Atossa, bij alles wat zij ondernam, door het geluk begunstigd +zou worden. Cambyzes stelde zich met dat antwoord tevreden, doch toen +hij in den volgenden nacht een diergelijk droomgezicht had, bedreigde +hij de mobeds met den dood, als zij hem geene andere verklaring +gaven. De wijzen bedachten zich lang, en antwoordden eindelijk: +'Atossa zal eenmaal koningin en de moeder van machtige vorsten worden.' + +»Over deze uitlegging was de koning volkomen tevreden, en met een +zonderling lachenden trek om den mond, vertelde hij ons toen zijn +droom. Dienzelfden dag werd ik bij Cassandane geroepen, die mij +waarschuwde dat ik, als ik mijn leven lief had, alle hoop op het +bezit harer dochter moest laten varen. Reeds wilde ik den tuin der +eerwaardige vrouw verlaten, toen ik Atossa achter een granaat-boschje +gewaar werd. Zij wenkte mij. Ik snelde naar haar toe. Wij vergaten +gevaar en smart, en namen eindelijk afscheid, voor eeuwig. Thans +weet gij alles. En terwijl ik nu afstand heb gedaan van het lieve +schepseltje, omdat alle verdere hoop op haar bezit razernij zou zijn, +moet ik mij zelven geweld aandoen, om niet gelijk de koning, ter wille +van eene vrouw aan het mijmeren te geraken en mij aan droefgeestigheid +over te geven. Ziedaar nu het einde der geschiedenis, dat wij reeds +meenden te voorzien, toen Atossa's roos mij, den ter dood veroordeelde, +tot den gelukkigste aller stervelingen maakte. Had ik ulieden in +die ure, die wij dachten dat onze laatste zou zijn, mijn geheim niet +verraden, het zou met mij in het graf zijn gegaan.--Maar wat bazel +ik! Weet ik dan niet, dat ik op uwe geheimhouding rekenen kan? Wat ik +u bidden mag, kijk me niet langer zoo droevig aan. Ik geloof dat ik +nog altijd te benijden ben, want ik heb een uur van geluk doorleefd, +dat tegen honderd jaren van ellende opweegt.--Ik dank u, ik dank +u!--Maar, laat mij nu spoedig eindigen! + +»Drie dagen na mijn afscheid van Atossa moest ik Artystone, de dochter +van Gobryas, huwen. Zij is schoon, en zou gewis ieder ander, behalve +mij, gelukkig maken. 's Morgens na de feestviering kwam de angaar met +het bericht van Bartja's ziekte te Babylon aan. Ik snelde dadelijk +naar den koning, vroeg en verkreeg verlof u te mogen gaan opzoeken en +verplegen, en u voor het gevaar, dat in Egypte uw leven bedreigt, te +waarschuwen. In spijt van de tegenwerpingen mijns schoonvaders, nam ik +van mijne nieuwe gemalin afscheid, en snelde, door Prexaspes vergezeld, +herwaarts, om u, Bartja, met Zopyrus naar Egypte te volgen, terwijl +Gyges den gezant als tolk naar Samos zal begeleiden. Alzoo beveelt de +koning, wiens gemoedsgesteldheid in de laatste dagen veel verbeterd is, +doordien hij in de wapenschouwing der aanrukkende legerafdeelingen +eene goede afleiding vindt, en de Chaldaeërs hem verzekerd hebben, +dat de planeet Adar [372], die hun krijgsgod Chanon toebehoort, den +Perzischen wapenen eene groote overwinning belooft. Wanneer denkt +gij de reis te kunnen hervatten, Bartja?" + +»Morgen, als gij wilt," antwoordde deze. »De geneesheeren verzekeren, +dat het zeetochtje mij volstrekt niet schaden zal. De reis over land +tot Smyrna is slechts kort." + +»En ik," liet Zopyrus er op volgen, »verzeker u, dat uw liefje u +spoediger gezond zal maken, dan alle artsenijmengers in de geheele +wereld!" + +»Laat ons afspreken, dat wij binnen drie dagen opbreken," hernam +Darius. »Want wij hebben nog velerlei zaken voor de afreis in orde +te brengen. Bedenk slechts, dat wij in een zoo goed als vijandelijk +land komen! Bartja moet, alzoo heb ik de zaak overlegd, zich voor +een tapijthandelaar uit Babylon uitgeven. Ik stel zijn broeder voor, +en Zopyrus is een koopman in sardisch rood [373]." + +»Zouden wij ons niet als krijgslieden kunnen vermommen?" vroeg +Zopyrus. »Het is wat al te vernederend, voor zulke bedrieglijke +schacheraars te worden aangezien. Hoe zoudt gij bijvoorbeeld er +over denken, als wij ons voor Lydische soldaten uitgaven, die in het +Egyptische leger dienst komen nemen, om eene straf in het vaderland +te ontgaan?" + +»Dat voorstel is zoo onaannemelijk niet," zeide Bartja. »Ook geloof +ik, dat men ons op 't uiterlijk eer voor krijgers dan voor kooplieden +zal aanzien." + +»Hierin zoudt gij u toch kunnen vergissen," antwoordde Gyges. »Zulk +een Helleensch groothandelaar en scheepsgezagvoerder draagt de borst +zoo hoog, als behoorde hem de gansche wereld toe. Overigens vind ik +den voorslag van Zopyrus nog zoo slecht niet." + +»Het zij zoo!" zeide Darius, na nog een oogenblik nagedacht te +hebben. »Dan moet Oroetes ons aan de kleederen van Lydische taxiarchen +[374] helpen." + +»Waarom zoudt gij u niet als chiliarchen laten aankleeden?" riep +Gyges. »Het zou stellig achterdocht wekken omdat gijlieden nog zoo +jong zijt." + +»Maar wij kunnen toch niet als gemeene soldaten optreden." + +»Neen, maar wel als hekatontarchen!" + +»Ook al goed," hernam Zopyrus vroolijk, »als ik maar geen koopman +behoefte wezen!--Binnen drie dagen aldus van hier. 't Doet mij +genoegen, dat gijlieden mij toch nog den tijd laat, om mij van +het dochtertje van dezen satraap te verzekeren, en nog eens het +Cybele-bosch te bezoeken, waar ik reeds sinds lang naar verlang. En +nu goeden nacht, Bartja! Slaap morgen een gat in den dag. Wat zou +Sappho wel zeggen, als gij met zulke bleeke kaken en zulke fletse +oogen tot haar kwaamt!" + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + +De zon van een gloeiend heeten hondsdag was over Naucratis opgegaan. De +Nijl was reeds buiten zijne oevers getreden, en had de velden en +tuinen van Egypte met zijn wateren bedekt. De haven in den mond der +rivier wemelde thans van schepen. Egyptische vaartuigen, bemand met de +Phoenicische kolonisten van de kust der Delta, brachten fijne weefsels +van Malta aan, metalen en gesteenten van Sardinië, wijn en koper van +Cyprus. Grieksche triëren brachten fijne oliën en wijnen, mastiktakken, +metaalwerken en wollen stoffen van Chalcidice; Phoenicische en Syrische +vaartuigen, met bont gekleurde zeilen, voerden purperstoffen, koper, +tin, edelgesteenten, specerijen, glas- en tapijtwerken aan, benevens +ceders van den Libanon, voor het bouwen van huizen in het aan hout zoo +arme Egypte, ten einde deze waren in te ruilen tegen de schatten van +Aethiopië: goud, elpenbeen, ebbenhout, veelkleurige tropische vogels, +edelgesteenten en zwarte slaven, maar vooral tegen het wereldberoemde +Egyptische koren, de wagens van Memphis, Saïtisch kantwerk en fijn +papyrusriet. Maar de tijd van uitsluitenden ruilhandel was reeds lang +voorbij, en de kooplieden van Naucratis betaalden hunne inkoopen niet +zelden met klinkend goud en zorgvuldig afgewogen zilver [375]. + +Langs de haven dezer Helleensche volkplanting zag men groote +magazijnen. Daarnaast stonden lichtgebouwde huizen. De muziek, het +vroolijk gelach, de verleidende blikken en stemmen van geblankette +deernen lokte daar vele ledigloopende matrozen binnen [376]. Roeiers +en stuurlieden, in de meest uiteenloopende kleederdrachten, +baanden zich, soms op een vrij onzachte wijze, een weg door het +gedrang van zwarte en blanke slaven, die zware balen op de schouders +droegen. Scheepsbevelhebbers, in Helleensche of kakelbonte Phoenicische +kleeding deelden bevelen uit onder hunne manschappen, of waren ijverig +in de weer, om den groothandelaars de voor hen bestemde goederen af +te leveren. Waar bijgeval twist ontstond, vertoonden zich dadelijk +Egyptische politiebeambten met hunne lange staven, en Helleensche +havenmeesters, die door de oudste kooplieden van deze Milesische +volkplanting waren aangesteld. + +Maar allengs verliet de menigte de haven, daar de tijd naderde +waarop de markt begon [377], en de vrije Helleen was niet gewoon deze +onbezocht te laten. Ditmaal echter bleven nog ettelijke nieuwsgierigen +achter, om een schoon gebouwd Samisch schip met langen zwanenhals, +de Okeia [378], op welker boeg een houten beeld van de godin Hera +[379] prijkte en dat zoo even de haven was binnengeloopen, aan +te gapen. Vooral wekten drie schoone jongelingen in Lydischen +krijgsdos hoog opzien, toen zij de triëre verlieten. Zij werden +door onderscheidene slaven gevolgd, die hun eenige kisten en pakken +nadroegen. De schoonste dezer vreemdelingen, in wie de lezer zonder +twijfel reeds onze jonge vrienden Darius, Bartja en Zopyrus heeft +herkend, wendde zich tot een havenmeester met verzoek, hem de woning +van zijn gastheer Theopompus, den Milesiër, te wijzen. Dienstvaardig +en beleefd zooals alle Grieken, ging de beambte den vreemdeling voor, +en leidde hem over de markt naar een deftig huis, het eigendom van den +aanzienlijksten inwoner van Naucratis, den Milesiër Theopompus. Juist +kondigde het luiden der klok de opening der markt aan. + +Maar niet geheel zonder oponthoud hadden de jongelingen hunne +bestemming bereikt. Aan den vrij lastigen aandrang van de vischventers, +die gaarne veel geld verdienden, hadden zij zich even gemakkelijk +weten te onttrekken, als aan de veelvuldige aanbiedingen van vleesch-, +worst- en groenteverkoopers, pottenbakkers en bakkers. Toen zij +echter de standplaats der bloemenmeisjes [380] naderden, klapte +Zopyrus hard in de handen, verrukt over het schouwspel, dat zich +hier aan hem voordeed. Drie allerbekoorlijkste meisjes, in witte, +bijkans doorschijnende kleeding met gekleurde zoomen, zaten daar op +lage stoeltjes, door eene vracht van bloemen omgeven, en vlochten +gezamenlijk een grooten krans van rozen, violen en oranjebloesem. Hare +schoone, bekranste hoofdjes geleken op de drie rozeknoppen, die een +harer, welke onze vrienden het eerst bemerkt had, hun aanbood, + +»Koopt mijne rozen, schoone heeren!" riep zij met heldere, welluidende +stem, »en steekt ze uwe beminden in het haar!" + +Zopyrus nam de bloemen aan, riep, de hand van het meisje vasthoudende: +»Ik kom zoo pas uit verre landen hier aan, lief kind, en heb nog +geene vriendin te Naucratis, laat mij dus deze rozen in uw eigen +blonde krullen steken, en dat goudstuk in uw blanke handjes drukken!" + +Het meisje schaterde het uit van blijdschap, toonde de buitengewoon +rijke gift aan hare zuster [381], en riep: »Bij Eros! Jongelingen +als gij zijt, kan het wel nimmer aan vriendinnen ontbreken! Zijt +gijlieden broeders?" + +»Neen!" + +»Dat is jammer, want wij zijn zusters!" + +»Gij wilt zeggen, dat wij anders drie aardige paartjes zouden zijn?" + +»Dat heb ik misschien gedacht, maar niet gezegd," hernam zij heel +ondeugend. + +»En uwe zusters?" + +De meisjes lachten, schenen met genoegen aan zulk eene verbintenis +te denken, en boden ook Darius en Bartja rozeknoppen aan. + +De jongelingen namen ze aan; betaalden insgelijks voor ieder ruikertje +een goudstuk, en konden zich niet van de schoonen afmaken, dan nadat +zij hunne helmen met laurierbladeren omkranst hadden. + +Het gerucht van de ongemeene mildheid der vreemdelingen verspreidde +zich intusschen onder de vele bloemenmeisjes, die linten, bloemen +en kransen te koop boden. Ieder maakte de vrienden op hare schoone +waar opmerkzaam, en noodigde hen door blikken en woorden tot koopen +uit. Zopyrus had gaarne, als zoo menig jongeling uit Naucratis, +nog veel langer bij de meisjes vertoefd, die zich bijna alle door +schoonheid onderscheidden, en wier genegenheid licht te winnen +was; Darius echter herinnerde hem, dat zij spoed moesten maken, en +verzocht Bartja den lichtzinnigen vriend te verbieden zich verder op te +houden. Eindelijk bereikten zij dan ook, na de tafels der wisselaars +en de burgers, die, op steenen banken gezeten, onder den blooten +hemel raad hielden, te zijn voorbijgegaan, het huis van Theopompus. + +Nauw had hun Grieksche gids den metalen klopper op de deur doen vallen, +of deze werd door een slaaf geopend. Daar de heer des huizes zich +op de markt bevond, werden de vreemdelingen door den portier, een in +het huis van Theopompus grijs geworden slaaf, in het andronitis [382] +geleid, met verzoek, de terugkomst van den meester daar af te wachten. + +Terwijl de jongelingen zich nog onledig hielden met het beschouwen +van het schoone schilderwerk op de wanden, en de kunstige bewerking +van den steenen vloer, keerde Theopompus,--dezelfde groothandelaar, +dien wij reeds in het huis van Rhodopis leerden kennen,--van de +markt terug, gevolgd door een aantal slaven, beladen met de door hem +aangekochte waren [383]. De Milesiër heette de vrienden welkom met +bevallige minzaamheid, en vroeg hun met de meeste voorkomendheid, +waarmede hij hen dienen kon. Na zich overtuigd te hebben, dat zich +geen ongeroepen getuige in de nabijheid bevond, stelde Bartja den heer +des huizes de briefrol ter hand, die Phanes hem bij het afscheid voor +Theopompus had medegegeven. + +Nauwelijks had deze den brief gelezen, of hij boog zich diep voor +den koningszoon neder, en riep: »Bij Zeus, die ons den plicht der +gastvrijheid oplegt, grootere eer dan die van uw bezoek, had mijn +huis wel niet kunnen te beurt vallen! Beschouw al wat ik heb als uw +eigendom, en verzoek ook uwe vrienden hun intrek in mijne woning te +nemen. Vergeef mij, dat ik u in uwe Lydische kleeding niet herkende. Ik +geloof dat uwe lokken korter en uw baard zwaarder zijn geworden, sedert +gij Egypte verliet. Vergis ik mij niet, dan wenscht gijlieden onbekend +te blijven?--Zooals gij wilt! De beste gastvrijheid bestaat daarin, +dat men zijne gasten geheel vrijlaat. O, nu herken ik uwe vrienden! Ook +zij hebben zich vermomd en gelijk gij het haar gekort. Ja, ik zou +durven bezweren, dat gij, mijn vriend, wiens naam..." + +»Ik heet Darius." + +»Dat gij, Darius, uwe haren zwart geverfd hebt. Is het zoo niet? Gij +ziet, dat mijn geheugen mij niet bedriegt. Toch mag ik daar niet al te +zeer op roemen; want meermalen heb ik u te Saïs gezien, en ook hier bij +uwe aankomst en uw vertrek. Gij, o koningszoon, zult misschien vragen, +of anderen u niet evenzeer zullen herkennen? Stellig niet! De vreemde +kleeding, het korte haar en uwe donkergekleurde wenkbrauwen hebben +u verbazend veranderd. Maar vergun mij, dat ik mij een oogenblik +verwijder! Mijn oude portier wenkt mij en schijnt eene belangrijke +boodschap te hebben." + +Weinige oogenblikken later keerde Theopompus terug, en riep: »Hoort +eens, waarde gasten, als gij onbekend wenscht te blijven, dan moet +gij u hier, te Naucratis, niet zoo aanstellen, als gij reeds gedaan +hebt! Gij hebt gekheid gemaakt met de bloemenmeisjes, en haar een +paar rozen betaald, niet als ontvluchte Lydische hekatontarchen, +maar als groote heeren, gelijk gij ook zijt. Geheel Naucratis kent +de schoone, lichtzinnige zusters Stephanion, Chloris en Irene, +die met hare kransen reeds menig jeugdig hart gevangen, en met hare +verleidelijke blikken reeds menigen blanken obool [384] uit de beurzen +onzer zorgelooze jongelieden hebben getooverd. Zoolang de markt duurt, +houden de jongelingen zich het liefst bij de bloemenmeisjes op, en +wat daar dan wordt verhandeld, wordt gewoonlijk in de stilte van den +nacht met meer dan éen goudstuk betaald. Maar voor een vriendelijk +woord en een paar rozen is men minder mild dan gij. De meisjes +hebben met uwe geschenken gepronkt, en haren schrielen vrijers +uwe goudstukken getoond. De faam is eene godin, die in den regel +vreeselijk overdrijft, en van een hagedis een krokodil maakt. Spoedig +kwam ook den Egyptischen hoofdman, die de wacht op de markt heeft, +sedert Psamtik de teugels van het bewind in handen heeft genomen, +het bericht ter oore, dat drie, kort te voren aangekomen Lydische +krijgslieden goud onder de kransvlechtsters hadden uitgestrooid. Deze +tijding wekte achterdocht en gaf den toparch [385] aanleiding, om een +beambte hierheen te zenden, ten einde naar uwe afkomst en het doel +uwer reis te vernemen. Ik heb eene list moeten gebruiken en den man, +die de boodschap bracht, iets wijs moeten maken. Overeenkomstig uw +verlangen, heb ik u voor rijke jongelingen van Sardes uitgegeven, +die aan den toorn van den satraap ontvlucht zijn.--Maar daar komt de +beambte met een schrijver, die u een pas zal brengen, opdat gij veilig +aan den Nijl zoudt kunnen vertoeven. Ik heb hem eene rijke belooning +toegezegd, als hij u behulpzaam wilde zijn, om onder de krijgslieden +van den koning te worden opgenomen. Hij is in den strik geloopen, en +gelooft mij op mijn woord. Omdat gijlieden nog zoo jong zijt, houdt +men zich overtuigd dat gij met geene geheime zending zijt belast." + +Nauwelijks had de woordenrijke Helleen uitgesproken, of de schrijver, +een mager in het wit gekleed man, trad het vertrek binnen. Hij ging +naar de vreemdelingen toe, en ondervroeg hen door tusschenkomst van +zijn tolk naar hunne afkomst en het doel hunner reis. De jongelingen +herhaalden, wat door Theopompus reeds was bericht, namelijk dat zij +uitgewekene hekatontarchen waren, en verzochten den beambte hun het +middel aan de hand te doen, om onder de Egyptische hulptroepen te +worden opgenomen, en hen van passen te voorzien. Nadat hun gastheer +zich borg voor hen gesteld had, aarzelde de beambte niet langer, +en stelde hen in 't bezit der verlangde stukken. + +Aldus luidde de pas van Bartja: + + + »Smerdes,--zoon van Sandon, uit Sardes,--ongeveer twee en + twintig jaren oud, hoog en rank van gestalte, met een schoon + gevormd gelaat, rechten neus en hoog voorhoofd, in het midden + waarvan zich een klein litteeken bevindt, mag zich, dewijl + voor hem een voldoende borg is aangewezen, daar waar de wet + vreemdelingen duldt, in Egypte ophouden. + + In naam des Konings. + Sachons, schrijver." + + +De passen van Zopyrus en Darius waren op dezelfde wijze gesteld [386]. + +Toen de beambten het huis verlaten hadden, wreef Theopompus zich +in de handen, zeggende: "Nu kunt ge u, zoo gij ten minste mijn raad +steeds wilt volgen, vrij en gerust in dit land bewegen. Bewaart deze +papierrolletjes zoo zorgvuldig als uwe oogen en houdt ze steeds +bij u.--Thans noodig ik u mij aan 't ontbijt te volgen, en mij, +als mijne vraag niet onbescheiden is, te vertellen, of het gerucht, +dat zich als een loopend vuurtje over de markt verspreid heeft, +niet als gewoonlijk gelogen heeft. Eene van Colophon komende triëre +bracht namelijk het bericht, dat uw machtige broeder, edele Bartja, +zich tegen Amasis ten strijde toerust. + + + +Aan den avond van den zelfden dag zagen Bartja en Sappho elkander +weder. Welk een heuglijke ontmoeting! De verschijning van den +koningszoon was voor Rhodopis' kleindochter eene verrassing, die hare +stoutste verwachting verre overtrof. De jonkvrouw kon gedurende het +eerste uur geene woorden vinden, om haar geluk, hare blijdschap en +hare dankbaarheid te uiten. Toen zij eindelijk weer alleen waren in +dat priëel van jasmijnen, waar zij den eersten liefdekus gewisseld +hadden, legde Sappho haar hoofdje aan het hart van den dierbaren +jongeling. Lang zaten zij sprakeloos naast elkaâr, en hadden geen +oog voor maan of sterren, die in den zoelen zomernacht, in de +diepste stilte, boven hunne hoofden de zooveel beteekenende cirkels +beschreven. Zij hadden geen oor voor het lied van de nachtegalen, +die als voorheen, in beurtzang al fluitend hun geliefkoosd »itys ito" +zongen. Zij gaven geen acht op den vochtigen dauw, dien de nacht over +hunne hoofden en de gesloten bloemklokjes uitgoot. + +Eindelijk vatte Bartja beide de handen zijner bruid, en keek haar lang +zwijgend aan, als wilde hij zich hare trekken voor immer onuitwischbaar +in de ziel prenten; zij echter zag blozend voor zich, tot hij eindelijk +uitriep: »Wanneer ik van u droomde, dan waart gij schooner dan alles, +wat Aoeramazda geschapen heeft; thans zie ik, dat gij zelfs mijne +voorstellingen in den droom in schoonheid nog verre overtreft!" + +En toen zij hem voor dit woord met een vriendelijken blik dankte, +sloeg hij nogmaals zijn arm om haar middel, drukte haar vaster aan +zijne borst, en vroeg: »Hebt gij aan mij gedacht?" + +»Alleen, alleen aan u!" + +»En hooptet ge, mij spoedig weer te zullen zien?" + +»Ach, uur en uur dacht ik: 'hij moet komen!' Als ik 's morgens in +den tuin trad, en heenzag naar het oosten, uw geboorteland, en een +vogeltje van de rechterzijde op mij toevloog, voelde ik een zeker +trekken in het rechter ooglid [387]; wanneer ik mijne kist opruimde, +en den laurierkrans vond, die u zoo heerlijk stond, en dien ik daarom +tot een aandenken bewaarde,--Melitta zegt, dat het bewaren van zulk +een krans de trouwe liefde onderhoudt,--dan klapte ik in de handen, +en dacht: »heden moet hij komen," liep naar den Nijl en wuifde ieder +vaartuig met mijn doek het welkom toe, want ieder nieuw vaartuig, +docht mij, kon u in mijne armen voeren. En als ik u niet komen zag, +keerde ik treurig naar huis terug, en zong een lied, en tuurde in +het vuur van den haard in het vrouwenvertrek, tot grootmoeder mij uit +den droom kwam wekken, zeggende: 'hoor eens, meisjelief, wie overdag +droomt, loopt gevaar des nachts den slaap niet te kunnen vatten, en +'s morgens droefgeestig, met afgematte hersenen en vermoeide leden, +van zijn leger op te staan. De dag werd ons gegeven, om te waken, +om onze oogen wijd open te houden, en te zorgen, dat geen uur onnut +voorbijga. Het verleden behoort aan de dooden. De dwazen hopen veel +van de toekomst. De wijze leeft slechts voor het tegenwoordige, dat +altijd jeugdig is en nieuw, en gebruikt dit, om alle gaven, die Zeus +ons verleend heeft, die Apollo, Pallas en Cypris ons schonken, door +arbeid zóo te gebruiken, dat zij met iederen dag in waarde rijzen, +volkomener en edeler worden, en ons denken, handelen, gevoelen en +spreken ten laatste zoo rein en welluidend zij, als de liefelijke klank +der accoorden van het snarenspel. Gij kunt den man, wien gij uw hart +geschonken hebt, en dien gij hooger dan u zelven stelt, wijl gij hem +liefhebt, niet beter dienen, en geene sprekender bewijzen geven van +uwe trouw, dan wanneer gij uw geest en uw hart, zooveel uwe krachten +toelaten, veredelt. Het schoone en goede, dat gij u eigen maakt en +aanleert, wordt voor uw geliefde een geschenk. Want als gij hem uw +gansche zijn toewijdt, dan ontvangt hij uwe deugden met u. Maar al +droomende heeft nog nooit iemand eene overwinning behaald. De dauw, die +de bloem der deugd laaft en leven geeft, noemt men zweet!'--Zoo sprak +zij; en beschaamd verliet ik ijlings den haard, greep mijn speeltuig, +leerde nieuwe liederen, of hing aan den mond mijner leermeesteres, +die mij,--in wijsheid overtreft zij menig man,--met woord en schrift +onderwees. Zoo gleed de tijd daarheen, een snel vlietenden stroom +gelijk, die, als de Nijl, van rusten noch toeven weet, en nu eens +eene, met bonte wimpels versierde, gouden boot, dan eene vraatzuchtige +booze krokodil voorbij ons stervelingen heenvoert!" + +»Thans zitten wij neder in die boot des geluks! Och, dat de +tijdstroom nu ophield te vlieten! Och, bleef het immer, gelijk het nu +is!--Allerliefst meisje, wat spreekt ge verstandig, hoe goed begrijpt +gij die schoone lessen, en hoe bevallig geeft gij ze weder. Ja, mijne +Sappho, ik ben trotsch op u! In uwe liefde bezit ik een schat, die +mij veel rijker maakt dan mijn heer en broeder, voor wien de halve +wereld zich buigt!" + +»Gij, trotsch op mij, gij, groote vorstenzoon, de schoonste en beste +van uw heelen stam?" + +»Ik vind in mij geen hooger waarde, dan die, dat gij mij uwer waardig +keurt!" + +»Groote goôn, hoe kan dit kleine hart zulk een volheid der hoogste +zaligheid bevatten, zonder te bersten als eene vaas, die men met +zuiver goud heeft overladen!" + +»Wijl een ander hart, het mijne, u dien last helpt dragen, wijl uwe +ziel de mijne ondersteunt. Met deze hulp tart ik de gansche wereld, +en al 't lijden dat de nacht ons brengt." + +»O, wek den nijd, den toorn der goôn niet op, wien toch te vaak 't +geluk der stervelingen verdriet. Sinds gij van ons zijt weggegaan, +hebben wij menigen dag van tranen doorleefd. De arme kinderen van den +goeden Phanes, een knaap, schoon als Eros, een meisje zoo zacht en +rooskleurig als een wolkje, dat liefelijk door het morgenrood beschenen +wordt, brachten eenige dagen door in onze woning. Grootmoeder werd weer +vroolijk en jong, toen zij de lieve, bloeiende kinderen aanschouwde. Ik +schonk hun van stonde aan mijn hart, schoon dit u geheel alleen +behoort. Maar met dat hart is 't zonderling gesteld. Gelijk de zon, +verbreidt het licht en warmte, en 't wordt toch niet koud; zelfs houdt +'t altijd nog gloed genoeg over, om wie daar aanspraak op hebben mede +te koesteren. Ach, die kinderen van Phanes, ik had ze zoo lief!--Op +een avond zaten wij met Theopompus alleen in het vrouwenvertrek, toen +zich voor het huis een woest getier liet hooren, en de deur als met +hamerslagen gebeukt werd. De oude Knakias, onze trouwe slaaf, spoedde +zich naar de deur doch had deze nog niet bereikt, toen ze reeds voor 't +geweld bezweek, en een bende woeste krijgsknechten door het voorportaal +in het andronitis, en van daar, na de middendeur verbrijzeld te hebben, +tot ons doordrong. Grootmoeder vertoonde hun den brief, bij welken +Amasis haar huis tot een onschendbare wijkplaats had verklaard. Maar +zij lachten met dat geschrift en toonden een gezegeld stuk, waarin +de kroonprins Psamtik uitdrukkelijk gebood de kinderen van Phanes op +staanden voet aan dien ruwen hoop over te leveren. Theopompus bestrafte +de soldaten over hunne onbeschoftheid, en zeide, dat de kinderen, die +onze gasten waren, te Corinthe tehuis hoorden, en niets met Phanes +gemeen hadden. De hoofdman der krijgslieden beantwoordde den edelen +man echter met smaad en spot, stiet mijne bezorgde grootmoeder ruw op +zijde, drong met geweld in haar slaapvertrek, waar naast hare kostbare +schatten, aan het hoofdeinde van hare eigene legerstede, de twee +kinderen vreedzaam sluimerden. Ze rukten de kleinen uit hunne bedjes +en brachten ze in eene opene boot,--het was een koude nacht,--naar +de koningsstad. Weinige weken later was het knaapje dood. Men zeide, +Psamtik had het jongske doen vermoorden. Het lieve meisje zucht nog +heden in een duisteren kerker, verlangende naar ons en naar haar +vader. O, mijn geliefde, spreek, is het niet hard, dat zelfs het +reinste geluk niet onvergald kan blijven? De traan van zaligheid in +mijn oog vermengt zich nu reeds met den bitteren traan der smart, +en deze mond, die straks nog lachte, kan nu geen woorden vinden, +sterk genoeg om 't lijden uit te drukken, dat dit hart gevoelt." + +»Ik voel, wat gij lijden moet, mijne liefste; doch klagen kan ik niet +als gij, teedere vrouw. Wat u slechts de tranen uit de oogen perst, +doet mij de vuisten ballen. De schoone knaap die u dierbaar was, +het meisje dat in den kerker wegkwijnt, zullen weldra gewroken +worden. Geloof, wat ik u zeg! Alvorens de Nijl andermaal buiten +zijne oevers treedt, zal een verbazend leger dit land binnendringen, +en rekenschap eischen van dien moord!" + +»O liefste vriend, hoe gloeien thans uwe oogen! Zoo schoon, zoo +heerlijk zag ik u nog nooit! Ja, ja, de knaap moet gewroken worden, +en niemand dan gij mag zijn wreker zijn!" + +»Mijne zachte Sappho wordt op eens krijgshaftig!" + +»Waar de boosheid over hare gruwelen juicht, daar behoort ook de +vrouw heldenmoed te toonen. Ook de vrouw verheugt zich als de misdaad +gestraft wordt!--Maar zeg mij, is de oorlog reeds verklaard?" + +»Nog niet, maar toch trekken reeds van alle zijden legerscharen naar +het dal van den Euphraat, van waar het groote leger moet oprukken." + +»O, reeds ontzinkt mij de moed, straks zoo snel ontvlamd. Ik sidder +bij het vernemen van het woord 'krijg.' Hoevele moeders maakt hij +niet kinderloos! Hoevele vrouwen hullen het jeugdig hoofd niet in den +sluier der weduwen, als Ares woedt! Hoevele legersteden worden niet +door tranen besproeid, als Pallas hare huiveringwekkende Aegis zwaait!" + +»Hoe verheft zich daarentegen de man in den woesten strijd, hoe +verruimt zich zijn borst, hoeveel krachtiger wordt zijn arm niet! En +rekent gij dan uwe vreugde voor niets, wanneer de geliefde held, +met roem overladen, als overwinnaar huiswaarts keert? Het hart eener +Perzische vrouw moet kloppen van geestdrift, als zij van veldslagen +hoort gewagen. Want is het leven van haar gade haar dierbaar, zijn +krijgsroem moet haar meer waard zijn." + +»Ga ten strijde! Mijn gebed zal u beschermen." + +»En de rechtvaardige zaak zal zegevieren! Eerst slaan wij het leger +van den pharao,--dan wordt Phanes' dochterke bevrijd...." + +»En dan de edele Aristomachus, die de plaats van den gevluchten +Phanes heeft ingenomen. Hij is opeens verdwenen; waar hij bleef, +weet niemand. Men beweert, dat de kroonprins den dappere, die hem met +zijn wraak dreigde over de mishandeling van Phanes' kinderen, in een +donkeren kerker heeft geworpen. Zoo hij hem maar niet--wat erger zou +zijn dan de pijnlijkste dood--naar eene afgelegene steengroeve heeft +doen sleepen. De arme grijsaard was door booze vijanden onschuldig +uit zijn vaderland gebannen. Op den dag zelven van zijn verdwijnen, +kwam er eene boodschap van wege de Spartanen hier aan den Nijl, waarbij +Aristomachus, door wiens zonen Sparta in aanzien was gerezen, met al +de eer, die Hellas een mensch kan schenken, naar de boorden van den +Eurotas werd teruggeroepen. Een schip met kransen versierd wachtte +den onvolprezen grijsaard, en aan 't hoofd van het gezantschap stond +zijn eigen roemrijke en krachtige zoon." + +»Ik ken dien man met zijn stalen wil, die zichzelven verminkte om +de schande te ontgaan. Bij de Anahita-ster, die ginds in het oosten +tintelend ondergaat, wij zullen hem wreken!" + +»Maar, mijn beste Bartja, is het reeds zoo laat? De tijd is +voor mij omgevlogen als een koeltje, dat onze voorhoofden kust en +voorbijsnelt. Hoort gij daar niet roepen? Ja, men wacht ons! Vóor het +aanbreken van den dag moet gij in de stad, in het huis van uw edelen +gastheer zijn. Vaarwel, mijn held!" + +»Geliefde, vaarwel! Binnen vijf dagen zingen wij het +bruiloftslied.--Gij beeft, als ging ik reeds ten strijde!" + +»Mijn zenuwen trillen bij de gedachte aan de grootte van ons geluk, +gelijk dit het geval is bij de aanschouwing van al wat grootsch en +ontzagwekkend is." + +»De goede Rhodopis roept al weder. Laat ons thans gaan! Ik heb +Theopompus verzocht, overeenkomstig het gebruik met uwe grootmoeder +te bepalen, wanneer en hoe het huwelijksfeest zal worden gevierd. Ik +blijf vermomd in zijn huis, tot ik u, als mijne geliefde gade, tot +mij mag nemen." + +»En ik zal u volgen!" + + + +Toen de jongelieden den volgenden morgen met hun gastheer in diens +tuin wandelden, riep Zopyrus: »Ik heb dezen ganschen nacht door van +uwe Sappho gedroomd, gelukkige Bartja! Zulk een lief schepseltje +werd er nog nooit geboren. Wanneer Araspes haar heeft gezien, zal +hij mij moeten toestemmen, dat Panthea niet de schoonste van alle +vrouwen was. Mijne nieuwe gemalin te Sardes, die ik voor een wonder +van schoonheid hield, komt mij thans als een nachtuil voor. Aoeramazda +is een verkwister! Met Sappho's bekoorlijkheden had hij drie vrouwen +gelukkig kunnen maken. Klonk haar stemmetje niet als muziek, toen +zij ons in 't Perzisch goeden nacht wenschte?" + +»Gedurende mijn afzijn," antwoordde Bartja, »heeft zij de taal van +mijn vaderland geleerd van eene oude vrouw uit Susa, echtgenoote van +een tapijthandelaar uit Babylon, die te Naucratis woont, en met dit +met zooveel moeite verworven geschenk verraste zij mij." + +»Zij is een voortreffelijk meisje!" riep de groothandelaar. »Mijne +overledene gade beminde de kleine, als ware zij haar eigen kind +geweest, en had haar gaarne met onzen zoon, die te Milete aan het +hoofd mijner zaken staat, zien huwen. Maar de goden hebben het anders +gewild! Toch zou mijne ontslapene gade zich verblijden, als zij de +bloemguirlandes ten huize van Rhodopis kon zien!" + +»Is het dan bij u gebruikelijk, de woning eener bruid met bloemen te +versieren?" vroeg Zopyrus. + +»Voorzeker!" antwoordde Theopompus. »Als gij eene met bloemguirlandes +behangene deur voorbijgaat, dan weet gij dat daar eene bruid is; +ziet gij een olijftak aan een huis hangen, dan zegt u dit zooveel als +dat daar een zoon ter wereld is gekomen; een wollen windsel boven de +deur strekt tot teeken, dat er een meisje is geboren [388]. Een vat +met water voor de deur beduidt, dat daar een sterfhuis is.--Maar het +marktuur is daar, mijne vrienden! Ik moet u verlaten, want gewichtige +zaken vorderen elders mijne tegenwoordigheid." + +»Ik vergezel u," riep Zopyrus, »om kransen voor het huis van Sappho +te bestellen!" + +»Ha! ha!" hernam de Milesiër lachend, »gij voelt u naar de +bloemenmeisjes getrokken? O, spreek mij niet tegen, ik heb het wel +geraden. Wanneer gij lust hebt, kunt gij gerust met mij gaan; maar ik +bid u wat minder mild te zijn dan gisteren, en aan uwe verkleeding +te denken, daar gij anders wel eens in gevaar zoudt kunnen geraken, +als er bijgeval stellige berichten kwamen, dat Egypte een oorlog met +Perzië boven 't hoofd hangt!" + +De Helleen liet zich door een slaaf de sandalen aanbinden, en begaf +zich, door Zopyrus gevolgd, naar de markt, van waar hij weinige uren +later terugkeerde. Er moest iets gewichtigs zijn voorgevallen, want +de anders zoo opgeruimde man keek bijzonder ernstig, toen hij zich +bij de achtergeblevene vrienden neerzette. + +»Ik vond de geheele stad in rep en roer," begon hij te verhalen, +»want het gerucht liep, dat Amasis gevaarlijk ziek was. Toen wij +zoo even, tot het afdoen van zaken, op de beurs [389] bijeenstonden, +en ik groote kans had op den geheelen voorraad van al mijne hoog in +prijs staande artikelen groote sommen te verdienen, die ik, ingeval de +prijzen door de zekerheid van den aanstaanden oorlog dalen mochten, +tot het aankoopen van nieuwe waren dacht te besteden--want dat ik +tijdig bekend ben met de toerustingen van uw machtigen broeder, +kan mij van ontzaglijk veel nut zijn--verscheen de toparch in onzen +kring, en bracht de tijding, dat Amasis niet alleen zeer krank was, +maar dat alle artsen hem hadden opgegeven. Met een uur kan het bericht +van 's konings dood en van een belangrijken ommekeer in den stand van +zaken tot ons komen. De dood van dezen vorst is het zwaarste verlies, +dat ons Hellenen kan treffen; want hij was ons ten allen tijde zeer +genegen, en begunstigde ons, waar hij maar kon. Zijn zoon daarentegen, +een verklaard vijand van de Grieken, zal alles in het werk stellen, +om ons zoo mogelijk allen uit Egypte te jagen. Naucratis met onze +tempels is hem sinds lang een doorn in het oog. Had zijn vader het hem +niet belet, en waren de Helleensche soldaten hem niet onontbeerlijk, +dan zou hij ons, gehate vreemdelingen, reeds voor lang uit zijn rijk +hebben verdreven. Als Amasis gestorven is, zal geheel Naucratis de +legerscharen van Cambyzes als vrienden begroeten. Wij Grieken weten +toch bij ondervinding, dat gijlieden ook achting hebt voor volken, +die geen Perzen zijn, en hunne rechten pleegt te eerbiedigen." + +»Ik zal er wel voor zorgen," zeide Bartja, »dat mijn broeder al uwe +oude vrijheden bevestigt, en er u nog meerdere verleent." + +»Moge hij spoedig Egypte binnenrukken!" riep de Helleen uit. »Wij +weten dat Psamtik, zoodra hij slechts de handen volkomen vrij heeft, +ons bevelen zal onze tempels, die hem een gruwel zijn, omver te +halen. Reeds sedert lang is ons het bouwen eener offerplaats te +Memphis verboden." + +»Hier evenwel", zeide Darius, »hebben wij schoone tempels gezien, +toen wij van de haven kwamen." + +»Wij bezitten er verscheidene.--Doch daar komt Zopyrus met mijn +slaven, die hem een berg van kransen nadragen. Hij ziet er zoo recht +opgeruimd uit, en heeft zeker al een zeer aangenaam onderhoud met +de bloemenmeisjes gehad. Goeden morgen, vriend! Gij schijnt u om de +treurige boodschap, die gansch Naucratis met rouw vervult, niet zwaar +te bekommeren!" + +»Ik gun Amasis nog honderd jaren!" was het antwoord. »Maar als hij +sterft, zal men wel wat meer te doen hebben, dan op ons acht te +geven. Wanneer denkt gijlieden naar Rhodopis te gaan, vrienden?" + +»Zoodra het duister wordt." + +»Breng dan de edele vrouw deze bloemen als een geschenk van mij. Ik +had nooit kunnen denken, dat eene oude vrouw zulk een indruk +op mij zou maken. Ieder harer woorden klinkt als muziek, en hoe +ernstig en verstandig het ook is wat zij zegt, het weet toch, als de +vroolijkste scherts, onze ooren binnen te dringen. Ditmaal kan ik u +niet begeleiden, Bartja, want ik zou u toch maar hinderen! Wat zijn +uwe plannen, Darius?" + +»Ik zou niet gaarne de gelegenheid verzuimen, om Rhodopis te spreken." + +»Dat kan ik denken! Gij moet altijd alles weten en leeren; terwijl +ik er veel van houd, alles te genieten. Wilt gij mij voor hedenavond +verlof geven, vrienden? Ziet eens...." + +»Ik weet alles!" viel Bartja den dartelen jongeling lachend in de +rede. »Gij hebt de bloemenmeisjes tot heden slechts bij dag opgenomen, +en zoudt ook gaarne weten, hoe zij er bij lamplicht uitzien." + +»Gij slaat den spijker op den kop!" antwoordde Zopyrus, die moeite +deed, om een ernstig gezicht te zetten. »In dit opzicht ben ik als +Darius zeer begeerig naar kennis." + +»Dan wenschen wij u veel genoegen bij de drie zusters!" + +»Liever niet;--slechts bij Stephanion, de jongste!" + + + +Toen Bartja, Darius en Theopompus het huis van Rhodopis verlieten, +brak de morgen reeds aan. Syloson, een aanzienlijk Helleen, een broeder +van Polycrates, door wien hij uit zijn vaderland gebannen was, had +ook den avond bij Rhodopis doorgebracht en keerde nu met Theopompus en +zijne gasten terug naar Naucratis, waar hij sedert jaren woonde. Deze +man, dien zijn broeder wel in ballingschap deed leven, maar het hem +evenwel nooit aan geld liet ontbreken, voerde den schitterendsten +staat van alle burgers van Naucratis, en was evenzeer beroemd om zijne +kwistige maaltijden, als om zijne kracht en behendigheid. Buitendien +onderscheidde Syloson zich door schoonheid en prachtige kleeding. Alle +jongelingen van Naucratis rekenden het zich tot eene eer, de snede +en de schikking der plooien van zijn gewaad na te volgen. Ongehuwd +zijnde en zonder bezigheden, bracht hij dikwerf den avond in het +huis van Rhodopis door, die hem onder hare beste vrienden telde, +en hem dan ook in het geheim harer kleindochter had ingewijd. + +Op dien avond was men overeengekomen, dat het huwelijk binnen vier +dagen, in alle stilte en heimelijk, zou worden voltrokken. Reeds had +Bartja den kweeappel met zijne geliefde, die op denzelfden dag Zeus, +Hera en de overige beschermgoden van het huwelijk hare offers gebracht +had, gegeten en zich door deze zinnebeeldige handeling plechtig met +haar verloofd [390]. Syloson had op zich genomen, voor de zangers van +het huwelijkslied en voor de fakkeldragers te zorgen. De feestmaaltijd +zou in het huis van Theopompus, als dat van den bruidegom, worden +aangericht. De kostbare bruidsgeschenken van den koningszoon waren +reeds aan Rhodopis ter hand gesteld. Bartja had het vrij aanzienlijk +erfdeel zijner geliefde van de hand gewezen en op hare grootmoeder +overgedragen, die echter bepaald geweigerd had zich dit te laten +welgevallen. Syloson geleidde de vrienden tot aan het huis van +Theopompus, en wilde juist afscheid van hen nemen, toen men, in de +stilte van den nacht, een geweldig straatrumoer vernam. Kort daarop +kwam er eene Egyptische patrouille voorbij, die een zwaar geboeid man +naar de gevangenis bracht. De gevangene scheen zeer boos te zijn, +en werd hoe langer zoo driftiger, naarmate de soldaten minder acht +sloegen op zijn gebroken Grieksch, en zijn vloeken in eene hun geheel +onbekende taal. + +Nauw hadden Bartja en Darius de stem van den gebondene gehoord, of +zij snelden op hem toe, en herkenden Zopyrus. Syloson en Theopompus +hielden de patrouille staande en vroegen den aanvoerder, wat hun +gevangene misdaan had. De beambte, die, als ieder kind te Naucratis, +den Milesiër en den broeder van Polycrates kende, maakte eene diepe +buiging, en vertelde, dat de vreemde jongeling een moord begaan had. + +Theopompus nam nu den hoofdman ter zijde, en beloofde hem veel geld, +als hij den gevangene wilde loslaten, doch kon van den Egyptenaar +niets meer gedaan krijgen, dan dat hij hem toestond met zijn gast +even te spreken. + +Toen de vrienden bij Zopyrus stonden, verzochten zij hem hun spoedig te +verhalen, wat er voorgevallen was, en vernamen dat hun levenslustige +vriend, bij het aanbreken van den nacht, de bloemenmeisjes bezocht +had, tot aan de eerste ochtendschemering bij Stephanion gebleven en +toen de straat opgegaan was. Nauwelijks had hij de huisdeur achter +zich gesloten, of hij werd door onderscheidene jongelieden, die hem +allerwaarschijnlijkst bespied hadden, aangevallen. Met een hunner, +die zich Stephanion's bruidegom noemde, had hij het 's morgens reeds +aan den stok gehad. De deerne had den lastigen vrijer op vrij snibbige +wijze den rug toegekeerd en Zopyrus bedankt, toen deze den indringer +met klappen dreigde. Toen de Achaemenide zag, dat hij geheel omsingeld +was, trok hij aanstonds zijn zwaard, en sloeg de slechts met stokken +gewapende aanvallers zonder moeite terug, doch had daarbij het ongeluk, +den jaloerschen vrijer, die vrij woest op hem indrong zoo zwaar te +wonden, dat hij nederstortte. Intusschen was de patrouille genaderd, +en wilde Zopyrus, op het roepen van den gewonde: »moordenaars, +roovers!" in hechtenis nemen. Doch de Pers was niet genegen, tot +zoo geringen prijs zijne vrijheid te verkoopen. Door het gevaar +waarin hij zich bevond nog meer aangevuurd, vloog de strijdlustige +jongeling met opgeheven zwaard op de soldaten los, en had zich reeds +ruim baan gemaakt, toen eene tweede bende toesnelde, en hem met de +eerste vereenigd opnieuw aangreep. Wederom zwaaide hij zijn wapen, +dat ditmaal een Egyptenaar den schedel in tweeën spleet. Een tweede +houw wondde een soldaat in den arm. Toen hij echter een derden houw +wilde doen, voelde hij plotseling, dat men een strik om zijn hals +slingerde, die hoe langer zoo vaster aangetrokken werd. Opeens kon +hij geen adem meer halen en verloor zijn bewustzijn. Toen hij weder +bijkwam, was hij gekneveld, en moest, in spijt van zijn pas en zijn +beroep op Theopompus de bende volgen. + +Nadat hij zijn verhaal geëindigd had, gaf de Milesiër den jongeling +op de ondubbelzinnigste wijze zijne ontevredenheid te kennen, hem +verzekerende, dat zijn ontijdige strijdlust de treurigste gevolgen +na zich zou kunnen sleepen. Daarop wendde hij zich nogmaals tot den +hoofdman, en bad dezen zijn vriend op vrije voeten te stellen. Hij +zou voor den gevangene borg blijven. Doch de man wees alle aanzoeken +koel maar stellig van de hand, en verzekerde dat hij zijn eigen leven +zou verspelen met den moordenaar de geringste gunst toe te staan. In +Egypte toch bestond eene wet, die ook den heler van een moord met de +doodstraf bedreigde [391]. Hij moest, zoo verzekerde de aanvoerder, +den misdadiger op staanden voet naar Saïs brengen, en daar aan den +nomarch overleveren, die zijn vonnis zou vellen. + +»Hij heeft," hiermede eindigde hij, »een Egyptenaar vermoord, en moet +daarom door een Egyptische rechtbank gevonnist worden. In ieder ander +geval ben ik tot uw dienst." + +Intusschen had Zopyrus met zijne beide vrienden gesproken, en hen +aangemaand niet bezorgd voor hem te zijn. »Ik zweer u, bij Mithra," +riep hij, toen Bartja hem te kennen gaf dadelijk er voor uit te willen +komen wie hij was, ten einde zijne vrijheid te verkrijgen, »dat ik mij, +zonder er een oogenblik over te denken, mijn zwaard in het hart stoot, +wanneer gij u om mijnentwille in de handen dezer Egyptische honden +overlevert. Reeds is het gerucht van den aanstaanden krijg door +de geheele stad verspreid; zoodra Psamtik verneemt, welke kostbare +vogels in zijn net zitten, zal hij zich niet lang bezinnen, maar het +spoedig dichttrekken, om u als gijzelaars te behouden. Aoeramazda +schenke u heil en zegen en reinheid! Leeft gelukkig, vrienden, en +denkt menigmaal aan den lustigen Zopyrus, die voor strijd en liefde +geleefd heeft, en voor liefde en strijd in den dood gaat!" + +De hoofdman had zich intusschen weder aan het hoofd der bende gesteld, +en zijnen lieden bevel tot oprukken gegeven. + +Eenige oogenblikken later was Zopyrus uit het gezicht der hem +nastarende vrienden verdwenen. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + +Volgens de Egyptische wet, moest over Zopyrus het doodvonnis worden +uitgesproken. Zoodra de vrienden dit vernomen hadden, stond het besluit +bij hen vast, op staanden voet naar Saïs te reizen, en te beproeven den +gevangene door list te bevrijden. Syloson, die daar bekend was en de +Egyptische taal verstond, bood uit eigen beweging aan hun behulpzaam te +zijn. Bartja en Darius maakten zich onkenbaar door haar en wenkbrauwen +te verven, en breedgerande vilten hoeden [392] op te zetten, zoodat +zelfs de vrienden zich in hen bedrogen zouden hebben. Bovendien liet +Theopompus ze uiterst eenvoudige Grieksche kleederen aantrekken. Een +uur na de inhechtenisneming van Zopyrus kwamen zij met den rijk +gekleeden Syloson aan den oever van den Nijl samen, en bestegen een +vaartuig, dat aan hun nieuwen vriend toebehoorde, en door diens slaven +geroeid werd. Na eene korte door den wind begunstigde vaart, waren zij, +eer nog de gloeiende zon der hondsdagen hare middaghoogte bereikt had, +te Saïs, dat zich als een eiland boven de overstroomde velden verhief. + +Op eene afgelegene plaats traden zij aan wal, en kwamen dadelijk +daarop in de wijk der handwerkslieden, die, in weerwil van de +verbazende hitte, met onverdroten ijver hun werk verrichtten. In den +open hof van een bakker zag men knechten, die het grove deeg met de +voeten, het fijne met de handen kneedden. Brooden van allerlei vorm +werden uit den oven gehaald, cirkelen langwerpig-rond gebakken, +wittebrooden in de gedaante van schapen, slakken en harten, in +manden gelegd. Sterke knapen plaatsten drie, vier of vijf dier +manden op het hoofd, en droegen deze vlug en handig naar de, in +de andere deelen der stad wonende klanten [393]. Een vleeschhouwer +slachtte vóor zijn huis een os, wiens pooten bijeengebonden waren, +terwijl zijne knechts op slijpsteenen hunne messen scherpten, om het +lichaam eener wilde geit te ontleden. Vroolijke schoenmakers riepen +uit hunne kramen de voorbijgangers aan, en timmerlieden, kleermakers, +schrijnwerkers en wevers [394] waren allen ijverig in de weer. De +vrouwen der ambachtslieden, met hare naakte kinderen aan de hand, +kwamen op straat, om inkoopen te gaan doen, terwijl eenige soldaten +naar den wijn- en bierschenker liepen, die zijne bedwelmende waar in +het openbaar op de straat uitventte [395]. + +Onze vrienden sloegen op dit alles echter geen acht; zwijgend volgden +zij Syloson, die, aan de wacht der Helleensche krijgslieden gekomen, +hen verzocht eenige oogenblikken op hem te wachten. De Samiër kende +bij toeval den dienstdoenden taxiarch, en vroeg hem dus of hij ook +van een moordenaar gehoord had, die men zeide dat van Naucratis naar +Saïs was overgebracht. + +»Zeker heb ik van hem gehoord!" luidde het antwoord. »Nauwelijks een +half uur geleden is hij hier binnengebracht. Men vond aan zijn gordel +een vollen buidel, en houdt hem voor een Perzischen spion. Gij weet +toch zeker, dat Cambyzes toerustingen maakt tot een oorlog tegen +Egypte?" + +»Dat is niet mogelijk!" + +»Het is de stellige waarheid! Den pharao is dit ook reeds bekend. Door +Arabische kooplieden, wier karavaan gisteren te Pelusium aankwam, +is dit bericht het eerst tot ons overgekomen." + +»Dit gerucht komt mij voor even dwaas te zijn als het vermoeden +betreffende den Lydiër. Ik ken dezen zeer goed, en beklaag den armen +jongen van ganscher harte. Hij behoort tot een der rijkste geslachten +van Sardes, maar is vandaar gevlucht, omdat hij een geschil had met den +Perzischen satraap Oroetes, en van diens geduchte vijandschap alles +vreezen moest. Ik zal u de geheele geschiedenis uitvoerig verhalen, +als gij mij binnen kort te Naucratis eens een bezoek brengt. Natuurlijk +zijt gij dan voor een dag of wat mijn gast, en brengt gij eenigen uwer +vrienden mede. Mijn broeder heeft mij van Samos een wijntje gezonden, +dat zeker alles overtreft, wat ge tot nog toe geproefd hebt. Slechts +eene fijne tong als de uwe gun ik dezen godendrank!" + +Het aangezicht van den taxiarch glansde van genoegen, terwijl hij, +Syloson bij de hand vattende, uitriep: »Bij den hond [396], vriend, wij +zullen niet op ons laten wachten, en uwe lederzakken eere aandoen! Wat +dunkt u, zoudt gij dan Archidike [397] en de drie bloemenmeisjes niet +bestellen, met een paar fluitspelers om 't ontbijt op te luisteren?" + +»Geene van die allen zal ontbreken! Maar gij brengt mij daar weer +op hetgeen ik u zeggen wilde; juist ter wille dier bloemenmeisjes +zit de jonge Lydiër thans gevangen. Een ijverzuchtige botmuil, door +eenigen zijner vrienden ondersteund, overviel den goeden jongen voor +haar huis. Mijn Lydische driftkop weerde zich dapper...." + +»En deed zijn belager den grond kussen?" + +»Zóo, dat hij wel nimmer meer zal opstaan." + +»Dan moet die knaap wel goede vuisten hebben!" + +»Hij had een zwaard bij zich." + +»Des te beter voor hem." + +»Neen, des te erger, want de verslagene is een Egyptenaar." + +»Dat is eene gekke geschiedenis, die zeker slecht zal afloopen. Een +vreemdeling die een Egyptenaar doodt, schiet er zoo zeker het hachje +bij in, als iemand die aan de galg [398] hangt te spartelen. In allen +gevalle zal hij eenige dagen tijd hebben, om zijne oploopendheid te +betreuren. Al de priesters zijn verdiept in gebeden voor den stervenden +koning, zoodat er geen tijd is voor gerechtszaken." + +»Het zou mij veel waard zijn, als men den armen schelm kon redden. Ik +ken zijn vader." + +»Och, in den grond heeft hij ook niets gedaan, wat niet ieder ander +zou doen, die hart in 't lijf heeft. 't Is toch van niemand te vergen, +dat hij zich gedwee zal laten afranselen." + +»Weet gij ook, in welke gevangenis de arme jongen is opgesloten?" + +»Ja! Het groote gevangenhuis wordt verbouwd; daarom is hij voorloopig +in het magazijn gezet, dat de hoofdwacht der Egyptische lijfgarde +van het bosch van den Neith-tempel scheidt. Ik ben zoo even eerst +hier gekomen, en zag den armen schelm er heenbrengen." + +»Hij is moedig en sterk, zou het hem met een weinig hulp van buiten +niet mogelijk zijn te ontsnappen?" + +»Onmogelijk! Het gebouw, dat hem tot gevangenis dient, is twee +verdiepingen hoog, en het eenige venster dat het heeft, ziet in het +bosch der godin uit, dat, gelijk gij weet, door tien voet hooge muren +omgeven is en als eene schatkamer bewaakt wordt. Aan al de poorten +zijn dubbele posten uitgezet. Alleen waar de muur door het water +bespoeld wordt, plaatst men tijdens de overstrooming natuurlijk +geene schildwachten. Deze dieraanbidders zijn zoo voorzichtig als +de kwikstaarten!" + +»Dat is jammer! Dan zullen wij den armen hals aan zijn lot +moeten overlaten. Vaarwel Daemones, geef spoedig gevolg aan mijne +uitnoodiging!" + +De Samiër verliet de wachtkamer, en ging aanstonds weder naar zijne +vrienden, die hem met ongeduld zaten te wachten, en zijn bericht in +de grootste spanning aanhoorden. + +Toen de Helleen hun de gevangenis beschreven had, riep Darius: »Ik +geloof, dat het ons met eenig overleg en een weinigje moed wel zal +gelukken Zopyrus te redden. Hij is behendig en vlug als eene kat, +en sterk als een beer. Ik heb een plan!" + +»Laat hooren!" zeide Syloson. »Maar laat mij u vooraf zeggen, dat +ook ik nog niet wanhoop." + +»Wij koopen touwladders, bindgaren en een goeden boog, bergen dat +alles in de boot en varen, zoodra het donker wordt, naar de onbewaakte +plaats van den tempelmuur. Gij helpt mij daarover te klauteren. Ik +neem de gekochte voorwerpen mede, laat het geluid van den arend hooren, +waaraan Zopyrus mij dadelijk zal herkennen, daar wij in onze jeugd er +ons meermalen op de jacht van bedienden, om elkaar te waarschuwen, +schiet den pijl met het bindgaren in het venster,--ik heb nog nooit +mijn doel gemist,--roep mijn vriend toe, aan het uiteinde er van +iets zwaars te hechten en dit neder te laten, en maak het garen +aan de touwladder vast. Dan haalt Zopyrus het reddingstoestel op, +slingert het om den ijzeren nagel, die in elk geval met de ladder +naar boven moet, daar wij toch niet weten of er in zijne cel iets te +vinden is, waaraan hij de ladder zou kunnen vastmaken, daalt naar +beneden, snelt met mij naar de plaats, waar gij met de boot wacht, +klautert met behulp van eene tweede ladder, die daar hangen moet, +over den muur, springt in de boot, en is gered!" + +»Heerlijk, heerlijk!" + +»Maar zeer gewaagd!" sprak Syloson. »Als wij in het heilige bosch +betrapt worden, kunnen wij verzekerd zijn, een zware straf op te +loopen. De priesters vieren daar des nachts zeer geheimzinnige feesten, +waarvan een oningewijde nimmer getuige mag zijn. Doch het meer in het +bosch [399] zal het tooneel der mysteriën zijn, en dat is tamelijk +ver van de gevangenis verwijderd." + +»Welnu, dan is het gevaar ook zoo heel groot niet!" riep Darius. »Maar +denken wij het eerst aan de hoofdzaak. Op staanden voet moet er eene +boodschap naar Theopompus, om hem te verzoeken eene snelzeilende +triëre voor ons te huren en zeilreê te doen maken. Reeds is hier de +tijding van Cambyzes' krijgstoerustingen aangekomen. Men ziet ons +voor verspieders aan, en zal dus Zopyrus en zijne bevrijders met den +grootsten spoed nazitten. Het zou dus onvergeeflijk zijn, indien +wij ons nutteloos aan gevaren blootstelden. Gij, Bartja, moet de +boodschap aan onzen gastheer overbrengen, en nog heden Sappho huwen, +want morgen moeten wij Naucratis verlaten, wat er ook gebeure. Geen +tegenspraak, mijn vriend, mijn broeder! Gij kent ons reddingsplan en +weet dat gij bij de uitvoering, waartoe slechts éen noodig is, een +werkeloos toeschouwer zoudt zijn. Ik heb den aanslag ontworpen, en +zal niet dulden dat iemand anders dien ten uitvoer brengt. Morgen zien +wij elkaâr weder, want Aoeramazda beschermt de vriendschap der reinen!" + +Lang wilde Bartja er niet van weten, zijne makkers in den steek te +laten; doch eindelijk gaf hij aan de vereende beden en voorstellen +van beiden gehoor, en begaf zich naar den oever, om daar eene boot +voor de terugreis naar Naucratis te huren, terwijl Syloson en Darius +de benoodigdheden ter uitvoering van het ontwerp gingen aankoopen. + +Om de ligplaats der huurvaartuigen te bereiken, moest de koningszoon +den tempel van Neith voorbij. Dit was echter gemakkelijker gezegd +dan gedaan, daar het volk zich in dichte hoopen voor de hoofdpoort +van het heiligdom geschaard had. Toen Bartja was doorgedrongen tot +bij de obelisken, die naast de met de gevleugelde zonneschijf en met +wapperende vanen versierde poort van den tempel stonden, werd hij door +de tempeldienaars, die den door sphinxen aangewezen processie-weg +vrijhielden, tegengehouden. De reusachtige deuren werden geopend, +en Bartja die tegen wil en dank in de voorste rij der toeschouwers +was komen te staan, zag nu een schitterenden stoet de voorpoort +uittrekken. De onverwachte aanschouwing van vele hem van vroeger +bekende aangezichten hield zoozeer zijne opmerkzaamheid bezig, dat hij +er nauwelijks acht op sloeg, hoe hem in het gedrang zijn breedgerande +vilten hoed van 't hoofd was geraakt. Uit het gesprek van twee achter +hem staande Ionische soldaten begreep hij, dat het gezin van Amasis +den tempel had bezocht, om voor den stervenden koning te bidden en +te offeren. + +Priesters, rijk getooid in pantervellen of lange witte kleederen, +openden den stoet. Op deze volgden hofbeambten, met gouden staven in +de handen, op welker spitsen pauwevederen en zilveren lotusbloemen +waren bevestigd. Daaraan sloten zich de pastophoren [400], die eene +gouden koe, het dier van Isis, op de schouders droegen. Nadat het +volk zich voor dit heilig voorwerp had neergebogen, verscheen de +koningin in priesterlijk gewaad, met een prachtig hoofdtooisel, +waarin de gevleugelde zonneschijf en de Uraeus-slang eene voorname +plaats bekleedden. Zij hield een heilig gouden sistrum [401], welks +klank de demonen moest verdrijven, in de linker en lotusbloemen +in de rechterhand. De koningin werd wederom gevolgd door de gade, +de dochter en de zuster van den opperpriester, in dergelijke doch +minder kostbare kleeding [402]. Dan verscheen de kroonprins in +rijken feestdos. Daarop volgde Tachot, de dochter van Amasis en +Ladice, de gewaande zuster van Nitetis. Zij werd in een draagstoel, +door vier jonge priesters in witte kleederen, gedragen. De wangen der +teringlijderes waren, tengevolge van de inspanning van het gebed en de +hitte van den zomerdag, met een licht blosje overtogen. Hare blauwe +oogen baadden in tranen en waren op het sistrum gevestigd, dat hare +zwakke uitgeteerde handen ter nauwernood meer konden vasthouden. + +Een gemompel van deelneming doorliep de menigte, die den stervenden +koning van harte bemind had, en zijne wegkwijnende dochter met +dat medelijden beschouwde, hetwelk men in den regel voor jeugdige +teringlijders zoo diep gevoelt en zoo ruimschoots toont, vooral +wanneer zij voor een schitterend en gelukkig leven geboren schijnen +te zijn. Menig oog was vochtig, toen het de schoone lijderes +gewaarwerd. Tachot scheen de liefderijke deelneming van het volk +op te merken, althans zij sloeg hare oogen van het sistrum op, en +zag de menigte met vriendelijken en dankbaren blik aan. Maar opeens +verdween het blosje van hare wangen, om voor eene doodelijke bleekheid +plaats te maken. Het gouden instrument ontzonk hare bevende handen, +en viel kletterend op het steenen plaveisel van den processie-weg +voor Bartja's voeten neder. De jongeling gevoelde dat hij herkend +was, en bezon zich een oogenblik, of het niet beter zou zijn zich +te verbergen achter degenen, die naast hem stonden. Maar slechts een +oogenblik weifelde hij, want spoedig had het ridderlijk karakter van +den jongen held alle vrees voor eigen veiligheid overwonnen. Haastig +raapte hij het sistrum op, en bood het der kranke koningsdochter aan, +zonder het gevaar van herkend te zullen worden te tellen. + +Alvorens Tachot het kostbare voorwerp uit zijne hand aannam, zag +zij hem vragend aan, fluisterde, slechts voor hem verstaanbaar: +»Zijt gij Bartja? Bij uwe moeder vraag ik u: zijt gij Bartja?" + +»Ik ben het," antwoordde hij even zacht, »Bartja uw vriend!" + +Meer kon hij niet zeggen, want de tempeldienaars drongen hem met geweld +onder de menigte terug. Toen hij weder op zijne vorige plaats stond, +bemerkte hij, dat Tachot, wier dragers zich opnieuw in beweging hadden +gesteld, nog eenmaal naar hem omzag. Hare wangen waren weder flauw +gekleurd, en hare thans schitterende oogen zochten de zijne. Hij +ontweek den blik der kranke niet, bukte nogmaals om eenen lotusknop, +dien zij hem had toegeworpen, op te rapen, en baande zich toen met +alle inspanning een weg door het volk, welks opmerkzaamheid hij in +hooge mate begon te trekken. + +Een kwartier later zat hij in eene boot, die hem naar Sappho en ter +bruiloft moest voeren. Zijne bezorgdheid voor Zopyrus was geheel +verdwenen; hij achtte hem reeds gered. Een zonderling gevoel van +gerustheid vervulde zijn hart, in spijt van de hem dreigende gevaren, +waarvan hij zichzelven geen rekenschap vermocht te geven. + +Intusschen was de kranke koningsdochter in het paleis teruggekeerd. Zij +had zich van de feestkleederen die haar benauwden laten ontdoen en +zich met haar rustbed op een balkon doen dragen, waar zij gedurende +de heete zomerdagen, door bladplanten [403] en een bij wijze van +tent gespannen doek overschaduwd, zich bij voorkeur ophield. Van +daar kon zij het groote, met boomen beplante voorhof van het paleis +overzien, dat op dezen dag wemelde van priesters en hovelingen, als +ook van legerbevelhebbers en nomarchen. Op aller aangezicht was eene +angstige spanning te lezen, want de oogenblikken die Amasis nog te +leven had waren geteld. Zonder zelve opgemerkt te worden, ving Tachot, +in koortsachtige opgewondenheid, veel op van hetgeen onder de menigte +daar beneden verhandeld werd. + +Thans, nu 's konings uiteinde met rassche schreden naderde, waren +allen, zelfs de priesters, vol van zijn lof. Hier hoorde men de +wijsheid zijner nieuwe instellingen, de omzichtigheid van zijn bestuur, +zijn onvermoeiden ijver, de gematigdheid, die hij steeds aan den +dag had gelegd, en zijn scherp vernuft hemelhoog roemen. »Hoezeer +is Egypte, onder zijn schepter, niet in bloei toegenomen!" zeide +een nomarch. »Welk een roem deed hij onze wapenen oogsten door +de verovering van Cyprus en den oorlog met de Lybiërs!" riep +een krijgsoverste. »En altijd was hij er op uit onze tempels te +verfraaien, en aan de godin van Saïs de eere te geven, die haar +toekomt!" liet een zanger van Neith er op volgen. »Hoe minzaam en +genadig was hij!" prevelde een hoveling. »Hoe behendig wist hij het +aan te leggen, om met de machtigste staten vrede te houden!" zeide de +overste der schrijvers; terwijl de schatmeester, die een traan uit +zijn oog pinkte, uitriep: »Hoe verstandig beheerde hij de inkomsten +van het rijk! Sedert Ramses III waren de schatkamers nooit zoo goed +gevuld als op den huidigen dag [404]!"--»Psamtik heeft eene groote +erfenis te wachten," fluisterde de hoveling; terwijl de krijgsman +uitriep: »Het is helaas niet te onderstellen, dat hij ze tot roemrijke +oorlogen besteden zal; de kroonprins handelt geheel overeenkomstig +den wil der priesters."--»Gij dwaalt," antwoordde de zanger; »sinds +geruimen tijd schijnt onze heer de raadgevingen zijner getrouwe +dienaren in den wind te slaan!"--»Den opvolger van zulk een vader +zal het onbegrijpelijk veel moeite kosten, aller liefde en eerbied te +winnen. Niet ieder bezit zulk eene verhevenheid van geest en zooveel +wijsheid als Amasis, en niet ieder dient het geluk, gelijk dit bij +hem het geval was!"--»Dat weten de goden!" mompelde de krijgsman. + +Tachot verstond dit alles, en liet aan hare tranen den vrijen loop. Wat +men tot heden toe voor haar verzwegen had, was haar thans op eens +duidelijk geworden. Spoedig zou zij haar geliefden vader verliezen. + +Nadat zij zich helder voor oogen had gesteld, welk een vreeselijke +slag haar bedreigde, en hare dienstmaagden vergeefs had gebeden +haar naar het bed van den beminden zieke te dragen, sloot zij haar +oor voor de gesprekken der hovelingen, en beschouwde het sistrum, +dat Bartja haar in de hand had gegeven en dat zij op het balkon had +medegenomen, als verwachtte zij daarin troost te zullen vinden. En zij +vond werkelijk dat, waaraan zij zoo groote behoefte had, want het was +haar, als werd zij door den klank der gouden ringen van het speeltuig +aan de werkelijkheid onttrokken, en in een lachend zonnig landschap +verplaatst. Eene zekere matheid, een gevoel van machteloosheid, dat +teringlijders meermalen overvalt, had zich van haar meester gemaakt, +en voerde haar geest in de laatste levensuren in het liefelijke land +der droomen. De slavinnen, die terwijl zij sluimerde met waaiers de +vliegen uit hare nabijheid verdreven, verzekerden later, dat zij Tachot +nooit zoo betooverend schoon gezien hadden als in die oogenblikken. + +Ongeveer een uur had zij dus gelegen, toen hare ademhaling in +een zwak rochelen overging, een lichte hoest hare borst deed +rijzen, en een weinig bloed van eene flauwroode kleur op haar wit +gewaad afvloeide. Thans ontwaakte zij, en zag verwonderd en bijna +teleurgesteld de haar omringenden aan. Toen zij hare moeder Ladice +bespeurde, die op dit oogenblik het balkon betrad, glimlachte zij +weder en zeide: »O, moeder, hoe heerlijk heb ik gedroomd!" + +»Het bezoek in den tempel is mijn lief kind dus goed bekomen?" vroeg +de koningin, met schrik de bloeddruppels aan de lippen der kranke +bemerkende. + +»O, moeder, zoo goed! Ik heb hem weder gezien!" + +Ladice zag de dienstmaagden harer dochter angstig aan, als wilde zij +vragen: »Is dan het verstand uwer arme meesteres gekrenkt?" + +Tachot begreep dien blik, en zeide, al hare krachten verzamelende: +»Gij meent dat ik ijl, moeder? Ik zeg u echter, dat ik hem niet +alleen gezien, maar zelfs gesproken heb. Hij gaf mij het sistrum +in de hand, en zeide dat hij mijn vriend was. Toen raapte hij mijn +lotusknop van den grond op en verdween in het gedrang. Zie mij niet +zoo bezorgd en verbaasd aan, moeder, ik spreek de zuivere waarheid, +en heb het niet gedroomd.--Daar, hoort gij het? Tent-roet heeft hem +ook opgemerkt. Hij is zeer zeker om mijnentwil naar Saïs gekomen, +en het kinder-orakel in het voorhof des tempels heeft mij dus toch +niet bedrogen! Thans voel ik ook niets meer van mijne ziekte, en ik +droomde dat ik in een veld lag van bloeiende papavers, zoo rood als het +versche bloed der jonge offerlammeren, en dat Bartja aan mijne zijde +zat, en Nitetis naast ons knielde, en o zoo schoone liederen speelde +op eene elpenbeenen nabla [405]. En in de lucht was er een geluid, +zoo liefelijk, dat mijn hart iets gevoelde, als werd ik gekust door +Horus, den lieven kleinen god van den morgen en de lente. Ja, moeder, +wees er zeker van, dat hij weldra zal komen, en als ik hersteld ben, +dan.... dan.... O! Ach!--Moeder, ik sterf!" + +Ladice knielde voor de rustbank harer dochter neder, en drukte +brandende kussen op de reeds gebrokene oogen der jonkvrouw. + +Een uur later stond de koningin voor eene andere sponde, het sterfbed +van haar echtvriend. + +Het aangezicht des konings was door het vreeselijk lijden zeer +vermagerd en verwrongen. Koud zweet parelde op zijn voorhoofd, en zijne +handen omklemden de gouden leeuwen, die de zijleuningen uitmaakten +van den diepen ziekenstoel, waarin hij rustte. Toen Ladice in het +vertrek kwam, opende hij de oogen, die nog altijd helder en levendig +schitterden, niettegenstaande zij een tijdlang van het licht beroofd +waren geweest. + +»Waarom brengt gij Tachot niet tot mij?" vroeg hij met eene heesche +stem. + +»Zij is te ziek, te lijdende om...." + +»Zij is dood!--Zij is gelukkig, want de dood is geene straf, maar +het einddoel des levens, het eenige doel, dat wij zonder moeite, +maar de goden weten het, ten koste van veel lijden bereiken. Ra voert +haar mede in zijn schuit met zijne getrouwen, en Osiris zal haar tot +zich nemen, want zij was zonder schuld. Ook Nitetis is dood. Waar is +de brief van Nebenchari?--Daar staat het: 'Zij benam zichzelve het +leven en stierf, onder het uitspreken van een zwaren vloek over u en +de uwen. Dit bericht, dat even waarachtig is als mijn haat tegen u, +zendt u de arme, verbannene, beleedigde en bestolene oogarts uit +Babylon naar Egypte toe.' + +»Verneem deze woorden, Psamtik, en laat u door uw stervenden vader +waarschuwen. Alle onrecht, dat u op aarde éen drachme genot verschaft, +zal u in de ure uws doods onder een talent wanhoop doen zuchten. Om +Nitetis' wil zullen vreeselijke rampen over Egypte komen. Het bericht, +door de Arabische kooplieden gebracht, is waarheid. Cambyzes maakt +zich gereed tot een oorlog met ons, en zal Egypte overvallen als een +verschroeiende woestijnwind. Veel van hetgeen ik tot stand bracht, +en waarvoor ik mijne nachtrust heb opgeofferd, waaraan ik mijne beste +krachten heb besteed, zal vernietigd worden. En toch heb ik niet +tevergeefs geleefd, want veertig jaren lang ben ik de zorgende vader, +de weldoener van een groot volk geweest. Het verre nageslacht zal +den naam van Amasis, als dien van een groot, wijs en menschlievend +koning, met eerbied vermelden, en op mijne stichtingen te Saïs en te +Thebe vol bewondering den naam van hun bouwmeester lezen, en van de +grootte zijner macht gewagen! Ja, ook Osiris en de twee-en-veertig +rechters in de onderwereld zullen mij niet veroordeelen, en de godin +der waarheid, de meesteres der weegschaal [406], zal bevinden, dat +het gewicht mijner goede daden dat mijner booze te boven gaat!" + +De koning zuchtte en zweeg een geruime poos. Eindelijk zag hij +zijne gemalin aan, met een weemoedigen blik, die van innige liefde +getuigde, en zeide: »Gij, Ladice, zijt mij eene trouwe, deugdzame +gade geweest. Ik dank u daarvoor, en bid u voor vele dingen om +vergeving. Dikwijls konden wij elkander niet begrijpen. Ja, het viel +mij gemakkelijker mij te verplaatsen in de denkbeelden van uw volk, +dan u, de godsdienstige begrippen der Egyptenaren te vatten. Gij weet, +hoe hoog ik de kunst van uwe landslieden schatte, hoe gaarne ik met uw +vriend Pythagoras verkeerde, hij, die zoo diep was ingewijd in hetgeen +wij weten kunnen en gelooven moeten, en hoeveel ik daarvan dankbaar +aannam. Hij, die den verborgen zin had gevat van leerstellingen, +die mij voorkomen boven alles heilig te zijn, ontzag zich wel met +waarheden te spotten, die de priesterschap misschien al te angstvallig +voor het volk verborgen houdt. Dat volk buigt zich gewillig voor +het onbegrijpelijke en die het verkondigen. Zou het niet schooner en +edeler zijn, wanneer men het de waarheid leerde verstaan, wanneer men +het ophief in plaats van het in onwetendheid te laten? Voorzeker, de +priesters zouden op deze wijze minder gehoorzame dienaars vinden, maar +de goden meer vrije en oprechte vereerders. Met onzen dierendienst, +Ladice, hebt gij u het minst kunnen verzoenen, maar ik acht het toch +beter en den mensch waardiger, den schepper in zijn schepsel dan in +steenen beelden te aanbidden. Bovendien hebben uwe goden alle zwakheden +met de menschen gemeen, en ik zou mijne koningin wel zeer ongelukkig +hebben gemaakt, als ik gelijk de Grieksche Zeus geleefd had." + +De koning zeide dit met een glimlach. »Maar weet gij, hoe dat +komt?" vervolgde hij. »Deze Hellenen stellen den schoonen vorm boven +alles; daarom is het hun niet mogelijk het lichaam, dat zij als het +voortreffelijkste van al het geschapene beschouwen, van de ziel te +scheiden; gelijk zij ook aannemen, dat in een schoon lichaam noodwendig +eene schoone ziel moet wonen. Derhalve zijn hunne goden niets dan de +veredelde menschen, terwijl wij ons voorstellen, dat de godheid als +een kracht in de natuur en in ons zelven werkt. Tusschen beiden in +staat het dier, dat niet als wij handelt volgens geschrevene wetten, +maar gehoorzaamt aan de eeuwige wetten der natuur. Gene zijn door +de menschen uitgedacht, deze echter hebben onmiddellijk aan de goden +haar ontstaan te danken. En welk schepsel haakt zoozeer naar vrijheid, +het hoogste goed, als het dier? Welk schepsel leeft zonder leering +en onderricht zoo gelijkmatig van geslacht tot geslacht voort, als +het dier?" + +Hier begaf den koning voor eenige oogenblikken zijn stem. Na eene +pauze vervolgde hij: »Ik voel dat mijn einde nadert; daarom zal ik +niet lang bij deze dingen stilstaan, maar u, mijn zoon en opvolger, +mijn uitersten wil doen kennen. Handel dienovereenkomstig, want het +is uit ervaring, dat ik tot u spreek! Maar helaas! Honderd malen heb +ik, gedurende mijn langdurig leven, gezien dat alle levensregels, +die anderen ons medegeven op onzen weg, nutteloos zijn. Geen mensch +kan voor een ander ervaringen opdoen; alleen door eigen schade en +schande wordt men wijs! Gij beklimt den troon op rijpen leeftijd, +mijn zoon, en hebt den tijd gehad om na te denken over al wat recht +en onrecht, heilzaam en verderfelijk is, en verschillende dingen te +zien en met elkander te vergelijken. Daarom geef ik u geene algemeene +lessen, maar stel mij tevreden met u enkele nuttige raadgevingen op +'t hart te binden. Ik geef ze u met mijn rechterhand, maar ik vrees, +dat gij ze met de linker zult aannemen. + +»Vóor alle dingen moet gij weten, dat ik gedurende de laatste +maanden, niettegenstaande mijne blindheid, slechts in schijn een +onverschillig toeschouwer was van uwe daden, en u met een bepaald +doel de handen vrijliet. Rhodopis vertelde mij eens eene fabel van +haar leermeester Aesopus: Een reiziger ontmoette een man, en vroeg +dezen, hoe veel tijds hij noodig zou hebben om de naaste stad te +bereiken. 'Loop!' was het antwoord.--'Maar zeg mij eerst, hoe lang ik +loopen moet om er te komen?'--'Loop! Loop maar!'--De reiziger meende, +dat de man hem voor den gek hield, en keerde dezen den rug toe, onder +vloeken en verwenschingen. Nadat hij eenige schreden gedaan had, riep +de ander hem terug, en zeide: 'Gij zult een uur noodig hebben, om de +stad te bereiken. Ik kon uwe vraag niet met zekerheid beantwoorden, +voordat ik eerst de snelheid van uw gang had gezien!' »Aan deze +fabel heb ik vaak gedacht, en zwijgend sloeg ik uw bestuur gade, +om u thans in uw eigen belang te kunnen zeggen, of gij te snel of +te langzaam wandeldet. Nu weet ik wat ik wenschte te weten, en bij +mijne bijzondere raadgevingen voeg ik dus de algemeene les: Onderzoek +zelf alle dingen! Op ieder mensch, maar vooral op een koning, rust +de verplichting, zich in eigen persoon te overtuigen van alles, wat +hun betreft, voor wier welzijn hij te zorgen heeft. Gij, mijn zoon, +ziet te veel door vreemde oogen, hoort te veel door vreemde ooren, +en put veel te weinig uit oorspronkelijke bronnen. Uwe raadslieden, +de priesters, bedoelen zeker niets dan wat goed is, maar,--Neithotep, +ik bid u, laat ons een oogenblik alleen!" + +Zoodra de opperpriester zich verwijderd had, vervolgde de koning: »Zij +willen wat goed is, maar slechts dat wat voor hen goed is! En wij zijn +niet koningen voor priesters en aanzienlijken, maar voor het volk. Geef +daarom niet uitsluitend acht op den raad dezer trotsche kaste, maar +onderzoek zelf, door met eigen oogen alle smeekschriften te lezen, +en trouwe, u toegedane en door het volk beminde nomarchen te kiezen, +die u leeren, wat den Egyptenaren ontbreekt, wat zij van u hopen en +wat zij behoeven. Weet gij nauwkeurig hoe het in het land gesteld is, +dan is het zoo moeilijk niet goed te regeeren. Kies gij maar bekwame +beambten; voor de juiste en doelmatige verdeeling van het rijk heb +ik gezorgd. Onze wetten zijn goed en proefhoudend bevonden. Houd u +daaraan, en vertrouw niemand, die zich voor verstandiger uitgeeft dan +de wet. Ik zeg u, de wet is altijd en in elk geval verstandiger dan +de enkele mensch, en die haar overtreedt heeft straf verdiend. Niemand +gevoelt dit zoo diep als het volk, dat zich voor ons te gewilliger alle +offers getroost, naarmate wij meer onze eigene inzichten aan de wet +ten offer weten te brengen. Gij bekommert u niet veel om het volk. De +stem des volks is in den regel wat ruw; maar meestal spreekt zij de +waarheid, en niemand heeft de waarheid meer noodig dan een koning. De +pharao, die uiterst gewillig den raad van priesters en hovelingen +volgt, zal de meeste vleierijen hooren. Daarentegen zal hij, wiens +streven het is, de wenschen van het volk te vervullen, veel te lijden +hebben van zijne omgeving. Met zichzelven zal hij echter vrede hebben, +en eere bij het nageslacht. Veel heb ik gedurende mijn leven misdaan, +en toch zullen de Egyptenaren mij beweenen, want ik kende ten allen +tijde hunne behoeften, en zorgde als een vader voor hun geluk. Een +koning, die zijne plichten kent, moet zich de liefde zijns volks +weten te verwerven; en dit zal hem niet moeilijk vallen. Daarentegen +is het een ondankbaar streven den bijval der grooten te zoeken. Bijna +onmogelijk acht ik het de tevredenheid van beiden te oogsten. + +»Herinner u steeds, dat gij en de priesters voor het volk, en +niet het volk voor u en de priesters bestaat. Houd den godsdienst +in waarde om zijns zelfs wil en als den hechtsten grondslag van +de gehoorzaamheid des volks jegens zijne koningen; maar doe haren +verkondigers steeds gevoelen, dat gij hen niet als de verpersoonlijking +doch als de dienaren der godheid beschouwt. Het is hun gelukt zich +in het bewustzijn der menigte boven de godheid te stellen, en van de +Egyptenaren gehoorzame priesterknechten in plaats van godendienaars +te maken. Dit werk van zoovele eeuwen kan de macht van een vorst +niet vernietigen, maar wij kunnen den priesters wel beletten het +belang van den staat ondergeschikt te maken aan hunne bijzondere +bedoelingen. Geloof mij, mijn zoon, de priesterschap zal, zoodra zij +den invloed harer kaste bedreigd ziet, zich niet ontzien het welzijn +van den staat in de waagschaal te stellen! + +»Houd, gelijk de wet u voorschrijft, aan het oude vast; maar sluit +nimmer de poorten van het rijk voor het nieuwe, dat beter blijkt te +zijn. Booze menschen alleen verwerpen haastig het oude; dwazen vinden +alles goed, wat nieuw en vreemd is, maar bekrompenen van verstand +of baatzuchtige bevoorrechten klemmen zich onvoorwaardelijk aan het +oude vast en noemen allen vooruitgang zonde. De wijze legt er zich op +toe datgene in stand te houden, wat in het verleden gebleken is goed +te zijn; dat wat blijken mocht schadelijk te werken af te schaffen; +wat beter is, onverschillig uit welke bron het voortvloeit, aan te +nemen. Mijn zoon, handel gij evenzoo! De priesters zullen beproeven +u terug te dringen, de Hellenen u voorwaarts te drijven. Sluit u +bij de eene of andere partij aan; maar wacht er u voor, tusschen +beide in te blijven staan en heden aan deze, morgen aan gene het +oor te leenen. Wie op twee stoelen tegelijk wil zitten, komt op den +grond te recht. De eene partij zij uw vriend, de andere uw vijand, +want beproeft gij beide te vriend te houden, dan zullen zij zeer +spoedig beide uwe vijanden zijn. De menschen zijn nu eenmaal zoo; +zij haten degenen, die hunne vijanden wèl doen. + +»Gedurende de laatste maanden, dat gij zelfstandig regeerdet, hebt +gij, door uw onzalig weifelen, beide partijen tegen u in het harnas +gejaagd. Wie, gelijk de kinderen, nu eens voorwaarts gaat, dan weer +terugkrabbelt, komt nooit vooruit en verbruikt geheel nutteloos +zijne krachten. Ik hield het met de Hellenen, en was de tegenstander +der priesters, tot ik mijn laatste uur voelde naderen. Voor het +maatschappelijk leven schenen mij de dappere en verstandige Grieken +bijzonder bruikbaar; nu ik ga sterven heb ik daarentegen hen noodig, +die mij een pas naar de onderwereld moeten bezorgen. Mogen de goden het +mij vergeven, dat ik, zelfs nog in mijn laatste uur, mijn mond niet +beletten kan een taal te spreken, die zoo lichtzinnig klinkt. Zooals +ìk ben, hebben zij mij gemaakt, en zij moeten het nu ook maar voor +lief met mij nemen. Ik wreef in mijne handen toen ik koning werd; +moogt gij de hand op uw hart leggen, als gij den troon bestijgt!--Roep +thans Neithotep weder binnen, u beiden heb ik nog iets te zeggen!" + +Toen de opperpriester aan zijne zijde stond, strekte de koning de hand +naar hem uit, en vervolgde: »Ik scheid zonder wrok van u, ofschoon ik +meen, dat gij uwe plichten als priester beter wist te vervullen, dan +die op u rustten als zoon van dit land en dienaar des konings. Psamtik +zal, geloof ik, gewilliger gehoorzamen dan ik. Eén ding echter druk +ik u beiden op het hart: Ontslaat de Helleensche krijgsbenden niet +uit uw dienst, dan nadat gij met hare hulp de Perzische legermacht +hebt bevochten, en zoo ik hoop overwonnen! Mijne voorspelling van +vroeger heeft geene waarde; men verliest zijne opgewektheid, en ziet +de zaken een weinig donker in, als de stervensure nadert. Zonder de +hulptroepen zoudt gij reddeloos verloren zijn; met hunne hulp is het +niet onmogelijk, dat het Egyptische leger de overwinning behaalt. Weest +bedachtzaam en brengt den Ioniërs aan het verstand, dat zij aan den +Nijl voor de vrijheid van hun eigen vaderland strijden. Cambyzes +zou na eene overwinning met Egypte niet tevreden zijn, terwijl de +nederlaag der Perzen den onderworpen Ioniërs de vrijheid zou kunnen +hergeven. Ik wist wel, Neithotep, dat gij het met mij eens zoudt zijn, +want in den grond meent gij het goed met Egypte. Thans verzoek ik u mij +de heilige gebeden voor te lezen. Ik voel mij zeer uitgeput; het zal +spoedig gedaan zijn. Kon ik die arme Nitetis maar vergeten! Had zij +recht ons te vervloeken? Mogen de doodenrechters en Osiris zich over +onze zielen erbarmen!--Zet u hier neder, Ladice, en leg de hand op +mijn gloeiend voorhoofd; en gij, Psamtik, zweer, in tegenwoordigheid +dezer getuigen, dat gij uwe stiefmoeder zult hoogachten en ontzien, +als waart gij haar eigen kind.--Arme vrouw! Gij zult mij spoedig +bij Osiris komen zoeken. Wat bindt u nog verder zonder echtgenoot en +kinderen aan deze aarde? Wij hebben Nitetis als onze eigene dochter +opgekweekt, en toch werden wij om harentwil zoo zwaar gekastijd. Maar +haar vloek treft ons alleen; niet u, Psamtik, niet uwe kinderen!--Breng +mij thans mijn kleinzoon. Ik geloof waarlijk, dat er een traan over +mijne wang rolt. Zoo gaat het gewoonlijk; te scheiden van kleine +dingen, waaraan men zich gewend heeft, kost ons de meeste moeite." + + + +Een nieuwe gast was dienzelfden avond in het huis van Rhodopis +aangekomen, namelijk Kallias, de zoon van Phaenippus [407], uit wiens +mond wij indertijd het verslag van de Olympische spelen vernamen. De +wakkere Athener was weinige uren te voren uit zijne vaderstad +wedergekeerd en als een oud, beproefd vriend met open armen door +Rhodopis ontvangen, en dadelijk ingewijd in de geheimen van haar +huis. Knakias, de oude slaaf, had wel-is-waar voor een paar dagen +de welkomstvaan ingenomen, maar wetende dat Kallias zijne meesteres +ten allen tijde welkom was, leidde hij hem even gerust tot haar, +als hij iederen anderen bezoeker afwees. + +De Athener had veel nieuws te vertellen, en toen Rhodopis zich +eindelijk om de eene of andere bezigheid verwijderen moest, volgde +hij Sappho, zijne lieveling, in den tuin, om daar naar den vriend +uit te zien, dien zij verlangend wachtte. Kallias plaagde haar niet +weinig, wijl zij zich na zulk eene korte scheiding reeds angstig +maakte. In het eerst lokte zijne scherts een glimlach om hare lippen, +doch langzamerhand nam hare bezorgdheid toe, en werd haar gelaat +ernstiger. Nu riep hij de oude Melitta, die bijna nog angstiger dan +hare meesteres den weg naar Naucratis opzag, en verzocht haar het +snarenspeeltuig, dat hij had medegebracht, in den tuin te brengen. + +Nadat hij de schoone, tamelijk groote luit van goud en elpenbeen aan +de jonkvrouw ter hand had gesteld, zeide hij: »Dit heerlijke speeltuig +heeft de uitvinder er van, de goddelijke Anakreon, op mijne bestelling, +opzettelijk voor u doen maken. Hij noemt het barbiton [408] en weet het +de heerlijkste tonen te ontlokken, die zelfs nog in het schimmenrijk +zullen voortklinken. Ik heb den dichter, die zijn geheele leven aan +de Muzen, Eros en Dionysos wijdt [409], veel van u verhaald, en hem +moeten beloven u het volgende liedje, dat hij op u heeft gemaakt, +als een geschenk van hem aan te bieden. Luister: + + + "Werd op Sipylos' gebergte, + In den tijd van 't grijs verleên, + Tot heur straf Amphion's gade, + Niobé, verkeerd in steen; + Is weleer Pandion's dochter, + In 't onmeetlijk ruim der lucht, + Als een vluggewiekte zwaluw, + Theseus wrekend zwaard ontvlucht;-- + Ik, ik wilde uw spiegel wezen, + Opdat mij ten allen tijd', + 't Harte door uw hemelsche oogen + Werd gekoesterd en verblijd! + 'k Wenschte steeds met heet verlangen, + Dat ik u ten mantel wierd, + Die u met zijn losse plooien + Langs de blanke schoudren zwiert! + Of ik zag mij gaarn veranderd, + In het helder bronkristal, + Dat, met oorenstreelend ruischen, + Kronkelt door het lomrig dal, + Opdat, als ge uw poezle leden + Wascht in 't zilverspattend vocht, + Ik, bij felle zomerhitte, + Die verkoelen, streelen mocht! + 'k Zag mij liever nog herschapen + In den balsem, lieve maagd! + Die er op uw vlechten druppelt, + En u door zijn geur behaagt; + In de paarlen, die er dartlen, + Stoeien langs uw' elpen hals, + Of in d'overkostbren gordel + Van uw golvend boezemmalsch! + Maar het liefste, dierbre schoone, + Als mijn hart zijn wensch bezat, + In uw schoentje, opdat gedurig + Mij uw kleine voet betrad." + + +»Gij duidt den zanger toch niet ten kwade, dat hij een weinig vrij +is geweest?" + +»Hoe zou ik dat kunnen! Met een dichter moet men het zoo nauw niet +nemen!" + +»Allerminst met dezen!" + +»Die zulk een uitstekenden zanger tot overbrenger zijner liederen +kiest!" + +»O, gij vleister! Ja, toen ik twintig jaren jonger was, werden mijne +stem en voordracht met recht geroemd; maar thans is dat lang voorbij!" + +»Gij bedelt om nog meer lof, ik laat mij dien evenwel niet +afdwingen. Maar is deze zoogenaamde barbiton, met hare zoete tonen, +ook voor andere liederen dan die van den Teër [410] geschikt?" + +»Zeer zeker! Neem het plektron [411] slechts, en beproef zelve eens +de snaren te tokkelen, die trouwens voor uw teedere vingers wel wat +zwaar zijn." + +»Ik kan niet zingen; ik maak mij te ongerust over Bartja en zijne +vrienden." + +»Dat is met andere woorden, dat het verlangen naar den beminde u +de keel als toeschroeft. Kent gij het lied uwer Lesbische moei, de +groote Sappho, dat de gemoedsgesteldheid schildert, waarin gij u in +dit oogenblik allerwaarschijnlijkst bevindt?" + +»Ik geloof het niet." + +»Zoo luister. Voorheen pronkte ik het liefst met dit gedicht, dat +geene vrouw, maar Eros zelf schijnt te hebben vervaardigd: + + + "Wel hem! die aan uw zij, uw teedre stem mag hooren; + Wiens blik den lach verrast, die kleurt op lip en koon; + Hij is door 't godendom ten lievling uitverkoren, + Hij evenaart de goôn. + + "Wen u mijn oog ontwaart, begint mij 't hart te jagen, + En 't bloed stroomt, als gezweept, door de adren op en neêr; + Mijn tong ligt zonder spraak, en om mijn leed te klagen, + Vinde ik geen klanke meer. + + "Een licht en vluchtig vuur komt door mijn leen gevlogen, + Een kil en machtloos zweet breekt me op 't voorhoofd door; + Het duister van den nacht omvangt de brekende oogen, + En 't suist en ruischt me in 't oor. + + "Als door een koorts vermand, vangt 't lichaam aan te beven, + Een vaal en doodlijk bleek bedekt mij 't aangezicht; + Ik kwijn, ik zwijm, ik schei, van eeuw'gen nacht omgeven, + Weldra van 't levenslicht." + + +»Welnu, wat zegt gij van dit lied? Maar, bij Heracles, kindlief, +wat zijt gij bleek geworden! Hebben deze regelen u zoo aangedaan, +of zijt gij alleen maar getroffen door de getrouwe voorstelling van +uw eigen smachtend hart? Stel u toch gerust, meisje, wie weet wat uw +geliefde zoo lang ophoudt." + +»Niets, niet met al!" klonk op dit oogenblik eene heldere +mannenstem. En weinige seconden later lag Sappho aan de borst van +den geliefden jongeling. + +Kallias zag zwijgend deze omarming aan, en glimlachte van genoegen +over de uitnemende schoonheid van dit jeugdige paar. + +»Vóór alle dingen," riep de koningszoon, nadat hij met Kallias kennis +had gemaakt, »moet ik uw grootmoeder thans opzoeken. In plaats van +binnen vier dagen moet nog heden de bruiloft gevierd worden. Ieder +uur vertragens kan ons gevaarlijk worden. Is Theopompus hier?" + +»Ik denk het wel," antwoordde Sappho, »want ik zou niet weten, waarom +grootmoeder anders zoolang in huis blijft. Maar wat zeidet gij daar +van de bruiloft? Ik geloof...." + +»Laat ons eerst naar binnen gaan, liefste; ik vrees dat er een onweder +opkomt. De lucht betrekt zwaar, en het wordt ondraaglijk drukkend." + +»Kom dan spoedig," riep Sappho, »zoo gij niet wilt, dat ik van +nieuwsgierigheid sterf! Over het onweder behoeft gij u zoo erg niet +te verontrusten. Zoo oud als ik ben, heeft het in Egypte om dezen +tijd nooit geweerlicht of gedonderd [412]." + +»Dan zult gij heden iets vreemds zien gebeuren," zeide de Athener +lachend. »Zoo even viel er een zware regendroppel op mijn kale +kruin. Toen ik hierheen kwam, streken de Nijlzwaluwen vlak over het +water heen. En zie, de maan verschuilt zich reeds. Kom maar spoedig +naar binnen, anders verrast de bui u nog. Hei daar, slaaf, draag +zorg dat er een zwart lam worde geofferd aan de goden der onderwereld +[413]!" + +In het woonvertrek van Rhodopis vonden zij, gelijk Sappho terecht +vermoed had, Theopompus. Hij had zoo even zijn verhaal van de +gevangenneming van Zopyrus en van de reis van Bartja en zijne vrienden +ten einde gebracht. Daar beiden uiterst bezorgd waren over den afloop +dezer zaak, was het eene groote vreugde althans den koningszoon zoo +geheel onverwacht voor zich te zien. In weinige woorden bracht Bartja +hen op de hoogte van de gebeurtenissen der laatste uren, en verzocht +Theopompus op staanden voet werk te maken van een zeilree schip voor +hem en zijne vrienden. + +»Dat treft uitnemend!" riep Kallias. »Mijne eigene triëre, die mij +heden naar Naucratis bracht, ligt in de haven gereed, en is tot uw +dienst. Ik heb slechts den stuurman te bevelen de manschap bijeen en +alles gereed te houden.--Gij hebt mij niet te danken, veel meer ben ik +u dank schuldig voor de eer, die gij mij bewijst. Hei daar, Knakias, +zeg dadelijk aan mijn slaaf Philomelus, die buiten in de voorzaal +wacht, dat hij zich naar de haven late roeien, en mijn stuurman +Nausarchus gelaste alles tot vertrek gereed te houden. Stel hem slechts +dit zegel ter hand, dat hem tot alles de noodige volmacht geeft!" + +»En mijne slaven?" vroeg Bartja. + +»Knakias zal mijn ouden hofmeester bevel geven, hen naar het schip +van Kallias te brengen," antwoordde Theopompus. + +»Als zij dit teeken zien, zullen zij geen bezwaar maken, om hem te +volgen," hernam Bartja, den ouden knecht zijn ring gevende. + +Toen Knakias met vele buigingen het vertrek verlaten had, vervolgde +de koningszoon: »En nu, mijne moeder, heb ik u een dringend verzoek +te doen." + +»Ik raad wat het is," zeide Rhodopis vriendelijk. »Gij wenscht, +dat men de voltrekking van uw huwelijk bespoedige, en ik zie wel in, +dat ik aan uw verlangen gehoor zal moeten geven." + +»Als ik mij niet bedrieg," riep Kallias, »dan hebben wij hier met twee +menschen te doen, die, zonderling genoeg, zich van harte verblijden +over het gevaar dat hen bedreigt." + +»Het kon wel zijn, dat gij juist geraden hadt," antwoordde Bartja, +heimelijk de hand zijner liefste drukkende. Daarop wendde hij zich +nogmaals tot Rhodopis, en bad haar, zonder aarzelen haar kostelijk +kleinood, waarvan hij alleen de waarde wist te schatten, af te staan. + +Rhodopis richtte zich hoog op, legde hare rechterhand op Sappho's, +hare linker op Bartja's hoofd, en zeide: »Er bestaat eene sage, +kinderen, die verhaalt, dat in het land der rozen een blauw meer +is, dat nu eens rustig kabbelt, dan heftig golft en woedt; dat +het water van dit meer nu eens zoet smaakt als honig, dan bitter +als gal. Gij zult de beteekenis dezer sage leeren kennen en in het +gewenschte rozenland van uwen echt, nu kalme dan onrustige, nu zoete +dan bittere uren doorleven. Zoolang gij kind waart, Sappho, zijn uwe +dagen zonder eenige droefenis, als een lentedag voorbijgegaan. Toen gij +als jonkvrouw leerdet, wat het zegt lief te hebben, heeft zich uw hart +geopend voor de smart, die u eene welbekende gast werd, gedurende die +scheiding van zoovele maanden, eene gast, die bij tusschenpoozen zal +terugkeeren en aankloppen zoolang gij leeft. Uw plicht, Bartja, is het, +den indringer, voorzooveel dit in uw vermogen is, van Sappho verwijderd +te houden. Ik ken de menschen, en voordat Cresus mij eenige verzekering +omtrent uw edel hart had gegeven, wist ik, dat gij mijner kleindochter +waardig waart. Daarom veroorloofde ik u met haar den kweeappel te +eten, daarom vertrouw ik u zonder vrees haar toe, die ik tot heden +als een heilig pand bewaard heb. Beschouw gij uwe vrouw evenzeer +als een geleenden schat, want niets is gevaarlijker voor de liefde, +dan de behaaglijke zekerheid van het uitsluitend bezit.--Men heeft +mij berispt, omdat ik het onervarene kind naar uw land laat trekken, +waar de vrouwen zoo weinig in tel zijn. Ik weet echter wat liefde is, +en dat er voor eene jonkvrouw die bemint geen ander vaderland bestaat, +dan het hart van den man, aan wien zij zich heeft overgegeven; dat een +door Eros getroffen vrouwenhart geen grooter ongeluk kent, dan dat van +gescheiden te moeten leven van den man harer keuze. En buitendien, +ik vraag u, Kallias en Theopompus, zijn dan uwe echtgenooten zoo +hoog boven die der Perzen bevoorrecht? Moet de Ionische, de Attische +vrouw niet, evenals de Perzische, in vrouwenvertrekken haar leven +slijten, en blij zijn als men haar eens eene enkele maal toestaat, +dicht gesluierd en door wantrouwige slaven vergezeld, over straat te +gaan?--Wat de veelwijverij der Perzen aangaat, deze vrees ik zoomin +voor Sappho als voor Bartja! Hij zal zijne vrouw trouwer zijn dan een +Helleen, want in Sappho zal hij vereenigd vinden, wat gij, Kallias, +eensdeels in uwe vrouw, anderdeels in de huizen der meer ontwikkelde +hetaeren vindt; ik bedoel: eene echte huismoeder en eene ontwikkelde +vrouw, die door aangename gesprekken den man weet te boeien.--Neem +haar tot u, mijn zoon; vol vertrouwen en gewillig stel ik Sappho in +uwe handen, gelijk een oud strijder aan zijn sterken zoon het beste +wat hij heeft, namelijk zijne wapenen, met vreugde overgeeft. Werwaarts +zij ook trekke, steeds zal zij toch eene Helleensche blijven en, dit is +mij een groote troost, in haar nieuw vaderland haar Grieksche afkomst +eere aandoen en het Grieksche volk nieuwe vrienden bezorgen. Ik dank +u voor uwe tranen, mijn kind! Ik ben in staat de mijne te bedwingen, +doch heb deze kunst aan het lot duur, zeer duur betaald!--Dezen eed, +edele Bartja, hebben de goden gehoord. Vergeet hem nooit, en neem +haar tot u als uw eigendom, uwe vriendin, uwe vrouw! Voer haar weg, +zoodra uwe vrienden wederkomen. De goden wilden niet, dat op Sappho's +huwelijksfeest de hymenaeus [414] gezongen zal worden!" + +Dit zeggende, legde de oude vrouw de handen der gelieven ineen, sloot +Sappho aan haar hart, en drukte een zachten kus op het voorhoofd van +den jongen Pers. Daarop wendde zij zich tot de beide Hellenen, op +wie dit tooneel een diepen indruk had gemaakt, en zeide: »Dat was een +stille huwelijksplechtigheid, zonder gezang en zonder fakkellicht. Moge +ze door een te gelukkiger huwelijksleven worden gevolgd!--Ga, Melitta, +en haal den bruiloftstooi der bruid, de armbanden en halsketens, die +in het bronzen kastje op mijne kleedtafel liggen, opdat onze lieveling +haar gemaal in een gewaad, dat de toekomstige vorstinne past, de hand +kunne reiken." [415] + +»Spoed u!" riep Kallias, die thans weder in zijne gewone opgeruimde +stemming kwam. »Ook mag de nicht der grootste hymenaeën-dichteres +[416] niet zonder zang en muziek haar bruidsvertrek binnentreden. Daar +het huis van den heer gemaal wat al te ver van hier is, zullen wij +onderstellen, dat het ledige andronitis zijne woning zij. Daarheen +geleiden wij door de middeldeur de jonge vrouw, en gebruiken aan +den huiselijken haard een vroolijk bruiloftsmaal.--Hier, slavinnen, +verdeelt u in twee koren. Gij neemt de rol der jongelingen en gij die +der maagden op u, en zingt voor ons de hymenaeus van Sappho: 'Zooals in +het gebergte'. Ik speel voor fakkeldrager [417], eene waardigheid, die +mij in ieder geval toekomt. Gij moet weten, Bartja, dat mijne familie +het erfelijk recht bezit, bij de mysteriën van Eleusis de fakkels te +dragen, waarom men ons dadoechen of fakkeldragers noemt.--Hei daar, +slaaf! Zorg voor kransen aan de deur van het andronitis, en beveel +uw onderhoorigen, dat zij ons bij ons binnentreden met suikerwerk +bestrooien [418]. Zie eens aan, brave Melitta, van waar hebt gij die +schoone bruids- en bruigomskronen van violen en mirten zoo spoedig +gehaald [419]?--Waarlijk, de regen stort bij stroomen door de opening +van het dak!--Ha! Ha!--Hymen heeft Zeus overgehaald ook een handje +te helpen, opdat er niets aan uw bruiloftsfeest ontbreke. Daar gij +het bad niet hebt kunnen nemen, dat bruid en bruigom, volgens oud +gebruik, aan den morgen van den bruiloftsdag moeten gebruiken, moet +gij voor een oogenblik hieronder staan en den regen van Zeus het +geheiligd bronwater laten vervangen! Heft gij thans het lied aan, +meisjes! Laat de jonkvrouw het verlies van haren maagdelijken staat +betreuren en de jongelingen het lot der jonggehuwden nemen." + +Nu begonnen vijf geoefende sopraan-stemmen op klagenden toon het lied +van Sappho te zingen: + + + "Zooals in het gebergte de hyacinth, door de voeten + Van den herder vertrapt, ten bodem zinkt, waar de purpren + Bloem verwelkt in het stof, geknakt, door ieder vergeten;-- + Zoo wordt de jonkvrouw, wanneer zij de bloem harer kuischheid + verspeeld heeft, + Door de mannen geminacht en door de maagden gemeden. + Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!" + + +Een koor van zwaardere stemmen antwoordde op jubelenden toon: + + + "Zooals de wingerd die treurt, wen ze eenzaam staat op de vlakte, + Maar aan de olmen gepaard omhoog schiet, ranken en druiven + Slingerend hoog om den top, tot innige vreugd van den landman;-- + Zoo wordt de vrouw, in den bloei harer jeugd den huw'lijksband + knoopend, + Innig bemind door haar man en verheugt zij het hart harer ouders. + Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!" + + +Hierna vereenigden beide koren zich in het: »Hymen kom, Hymenaeus" om +dit nogmaals en nogmaals op smachtenden en juichenden toon te herhalen. + +Plotseling verstomde het gezang, daar een bliksemstraal, gevolgd door +een zwaren donderslag, door de opening van het dak flikkerde, waaronder +Kallias het jonge paar had geplaatst. »Ziet gij?" riep de dadoeche, +zijne hand ten hemel heffende, »Zeus zelf zwaait de bruiloftsfakkel, +en zingt den hymenaeus voor zijne lievelingen!" + + + +Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of Bartja en Sappho +traden uit hun slaapvertrek den tuin in, die na het onweder, +dat den ganschen nacht door met heftigheid gewoed had, evenals het +aangezicht der jonggehuwden, met een waas van nieuw jeugdig leven was +overtogen. Het schoone paar was zoo vroegtijdig van het bruidsleger +opgestaan, wijl in Bartja's ziel de bezorgdheid over het lot zijner +vrienden, die hij in den roes van zijn geluk bijna vergeten had, +zich opnieuw en met onweerstaanbare kracht had doen gelden. + +De tuin lag op een kunstmatig aangelegden heuvel, die zich boven +de overstroomde vlakte verhief, en een uitgestrekt vergezicht +opende. Op den spiegel van den prachtigen stroom dreven witte en blauwe +lotusbloemen, aan den oever en op de ondiepe plaatsen vertoonden zich +dicht opeengedrongen groote zwermen watervogels. Zooals de sneeuwvelden +op het hooggebergte deden de aan de oevers van den stroom staande +zwermen zilverreigers zich aan het oog voor. Eenzaam beschreven +breedgevleugelde arenden groote kringen in de reine morgenlucht, +tortelduiven wiegden zich in de kronen der palmen, terwijl pelikanen en +eenden op den waterspiegel dreven, om, zoodra het gekleurde zeil eener +bark zichtbaar werd, snaterend en klapwiekend omhoog te stijgen. De +lucht was door het nachtelijk onweder afgekoeld. Er woei een frissche +noord-oostenwind, die reeds een vrij groot aantal vaartuigen over +de onder water staande velden de rivier opstuwde, ofschoon de zon +nog maar even boven de kim was gerezen. Het gezang der matrozen, het +plassen der riemen en het gekwinkeleer der vogelen vereenigden zich, +om het eentonige en toch bonte landschap van het overstroomde Nijldal +meer leven te geven. + +De jeugdige echtelingen stonden, elkaar met de armen omstrengelend, +voor den lagen muur, die den tuin van Rhodopis omgaf, en vermeiden +zich, onder het wisselen der teederste woorden, in de aanschouwing +van het liefelijke tooneel, tot Bartja's scherpe blik een vaartuig +ontdekte, dat door den wind en krachtige riemslagen met spoed +voortgedreven, recht op het landhuis aanhield. Weinige minuten later +legde de boot bij den tuin aan, en kort daarop stonden Zopyrus en +zijne bevrijders voor den koningszoon. + +Het plan van Darius was, dank zij het heftige en op dien tijd van het +jaar zoo zeldzame onweder, dat de Egyptenaren niet weinig had doen +ontstellen, uitnemend gelukt. Evenwel mocht er geen oogenblik verspild +worden, daar het wel te verwachten was, dat de Saïten den vluchteling +met al de hun ten dienste staande middelen zouden vervolgen. Na een +kort, maar daarom te teederder afscheid, scheurde Sappho zich van +hare grootmoeder los, en besteeg aan de hand van Bartja, gevolgd +door de oude Melitta, die haar naar Perzië zou vergezellen, de boot +van Syloson, en een uur later de sierlijk gebouwde Hygieia [420], +het snelzeilend zeeschip van Kallias. + +De Athener verwelkomde de vluchtelingen aan boord zijner triëre en +nam vooral van Sappho en Bartja een hartelijk afscheid. De laatste +hing den ouden man eene ongemeen kostbare keten om den hals, ten +bewijze zijner dankbaarheid; terwijl Syloson den edelen Darius, +tot een aandenken aan het gemeenschappelijk doorgestane gevaar, zijn +purperen mantel, een onschatbaar meesterstuk van Sidonische verfkunst, +dat de bewondering van Hystaspes' zoon had opgewekt, om de schouders +wierp. Darius nam dit geschenk met blijdschap aan en riep den broeder +van Polycrates bij het afscheid toe: »Herinner u steeds, Helleensche +vriend, dat ik u grooten dank schuldig ben, en stel mij zoo spoedig +mogelijk in de gelegenheid, u een wederdienst te bewijzen!" + +»Maar dan komt gij eerst tot mij, tot Zopyrus," riep de geredde, +terwijl hij zijn belangeloozen bevrijder omarmde. »Ik ben bereid mijn +laatste goudstuk met u te deelen, en wat meer zegt, mij om uwentwil +eene week lang te laten opsluiten in het verwenschte gat, waaruit +ge mij hebt verlost!--Maar reeds worden de ankers gelicht. Vaarwel, +dappere Helleen! Groet de drie gezusters, de bloemenmeisjes van mij, +vooral de kleine Stephanion, en zeg haar dat, tengevolge mijner +tusschenkomst, haar langbeenige bruidegom haar in lang het leven +niet zal verbitteren.--Ja, nog iets! Neem dezen buidel met goud voor +de vrouw en de kinderen van den Egyptischen wijsneus, die bij die +geschiedenis het leven verloor." + +Thans vielen de ankers rammelend op het dek neer; de wind vulde het +uitgespreide zeil, en uit het ruim der triëre steeg het eentonig +keleusma of roeierslied, waarbij de triëraules met de fluit maat en +toon aangaf [421]. Bartja en Sappho stonden op den achtersteven van +het vaartuig, naast het houten beeld van Hygieia, zijn beschermgodin, +en tuurden zoo lang in de richting van Naucratis, tot de oevers van +den Nijl voor hun starenden blik niet meer te onderkennen waren, +en de blauwe golven der Helleensche zee de boorden van de triëre met +haar schuim bespatten. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + +Reeds te Ephesus ontving het jonge echtpaar het bericht van den dood +van Amasis. Van daar leidde hun weg eerst naar Babylon, vervolgens +naar Pasargadae in de provincie Persis, alwaar zich Cassandane, +Atossa en Cresus ophielden. Eerstgenoemde had behoefte gevoeld, vóor +den tocht naar Egypte, dien zij zou medemaken, het praalgraf van haar +overleden echtgenoot te bezoeken, dat, volgens de mededeeling van +Cresus, onlangs voltooid was. De eerwaardige vrouw, die door de kunst +van Nebenchari het gezicht terug had gekregen, was hoog ingenomen, +zoowel met het ontwerp, volgens hetwelk de grafstede was gebouwd, +als met de uitvoering ervan, en bracht dagelijks uren achtereen door +in den heerlijken tuin, die ze omgaf. + +Het praalgraf van Cyrus bestond uit een reusachtigen sarkophaag +van marmerblokken, dat, gelijk een huis, op een basis van zes hooge +marmeren trappen rustte. Van binnen was de sarkophaag geheel als eene +kamer ingericht, en bevatte, behalve de gouden kist, die de door +de honden, gieren en elementen gespaarde overblijfselen van Cyrus +inhield, een zilveren bed, en eene tafel van hetzelfde metaal, waarop +gouden bekers stonden, en allerhande kleederen, alsmede de rijkste +sieraden van edelgesteenten lagen. Het geheele praalgraf was veertig +voet hoog. Lommerrijke paradijzen [422] en zuilengangen, volgens het +voorschrift van Cresus aangelegd, omringden het geheel. In het midden +der tuinen was de woning van de magiërs, aan wie de bewaking van het +graf was opgedragen. In de verte ontdekte men van hier het paleis van +Cyrus, dat, volgens den uitersten wil van den overledene, jaarlijks +gedurende eenige maanden den koningen van Perzië ten verblijf moest +strekken. In dit prachtige gebouw, dat veel op een vesting geleek, +bevond zich ook de schatkamer van het rijk, aangezien de plaats door +hare ligging bijna niet te genaken was. + +De frissche berglucht, die het graf van haar geliefden afgestorvene +omgaf, deed Cassandane onbeschrijfelijk goed, en met vreugde zag zij, +dat ook Atossa op deze stille, schoone plek hare oude vroolijkheid, +die sedert het sterven van Nitetis en het vertrek van Darius, haar +verlaten had, terugkreeg. Sappho hechtte zich zeer spoedig aan hare +nieuwe moeder en zuster, en zeide evenals deze niet dan met weerzin +het schoone Pasargadae vaarwel. + +Darius en Zopyrus waren bij het groote leger gebleven, dat in de vlakte +van den Euphraat bijeen werd getrokken, en ook Bartja moest alvorens +het opbrak naar Babylon terugkeeren. Cambyzes trok zijne huiswaarts +keerende betrekkingen tegemoet, en was niet uitgesproken over de +schoonheid zijner jonge schoonzuster, terwijl Sappho, gelijk zij Bartja +beleed, niet dan met vreeze tot den broeder van haar echtgenoot kon +opzien. De koning was in weinige maanden zeer veranderd. Zijn bleek +maar schoon gevormd gelaat van weleer was thans, tengevolge van het +onmatig gebruik van den wijn, opgezet en rood geworden. Zijne donkere +oogen hadden, ja, hun ouden gloed behouden, maar hun vuur was niet meer +zoo rein als voorheen. Zijn vroeger zoo weelderig, ravenzwart haar was +vergrijsd, en hing ordeloos om hoofd en kin; terwijl de zegevierende +trotsche glimlach, die eens aan zijne trekken een eigenaardig karakter +bijzette, plaats had gemaakt voor eene uitdrukking van gemelijkheid +en norsche strengheid. Alleen gedurende zijne dronkenschap, een +toestand die reeds sedert lang niet meer zeldzaam voor hem was, +hoorde men hem lachen, en dan lachte hij als een waanzinnige. + +Onafgebroken toonde hij den grootsten afkeer van zijne vrouwen, +en zelfs toen hij naar Egypte optrok, liet hij zijn harem te Suza +achter, terwijl al zijne grooten hunne echte vrouwen en bijwijven +met zich voerden [423]. Toch was er niemand, die zich over de +onrechtvaardigheid van den koning te beklagen had; integendeel, met +meer nadruk dan ooit drong hij op strenge handhaving van het recht +aan, en ontdekte hij hierin ook maar de geringste tekortkoming, dan +was hij onverbiddelijk en velde hij de vreeselijkste vonnissen. Toen +hem bijvoorbeeld werd medegedeeld, dat zeker rechter Sisamnes zich had +laten omkoopen tot het uitspreken van een onrechtvaardig oordeel, liet +hij den ongelukkige de huid afstroopen, en daarmede den rechterstoel +bekleeden; daarop benoemde hij den zoon van den gestrafte tot rechter +in zijns vaders plaats, en noodzaakte hem den verschrikkelijken zetel +in te nemen. Verder wijdde hij zich met onverpoosden ijver aan zijne +veldheersplichten. De oefeningen van de bij Babylon verzamelde troepen +werden met even veel krijgstucht als beleid door hem zelven bestuurd. + +Na het nieuwjaarsfeest [424] moest het leger opbreken. Na de viering +er van, die, overeenkomstig het verlangen van Cambyzes met den +grootsten luister plaats had, begaf de koning zich naar het leger, +bij hetwelk hij zijn broeder aantrof, die in de overmaat van zijn +geluk zijn gewaad kuste, en hem met zekeren trots mededeelde, dat +hij de hoop koesterde vader te zullen worden. Deze tijding deed den +koning sidderen; hij antwoordde den gelukkige geen enkel woord, dronk +aan den avond van dien dag zooveel, dat hij zijne bezinning verloor, +en riep den volgenden morgen de mobeds, magiërs en Chaldaeërs bijeen, +om hun eene vraag voor te leggen. + +»Gij weet," zoo begon hij, »dat gij, mijne droomen uitleggende, hebt +gezegd, dat Atossa bestemd was om een zoon ter wereld te brengen, die +eens koning over dit rijk zal zijn. Zou ik tegen de goden zondigen, +als ik mijne zuster tot vrouw nam, en verwezenlijkte wat mijn droom +voorspeld heeft?" + +De magiërs beraadslaagden eenige oogenblikken onderling; daarop wierp +Oropastes, de opperpriester, zich voor den koning neder, en zeide: +»Wij gelooven niet, dat gij met dat huwelijk zoudt zondigen; want in +de eerste plaats gebeurt het meer, dat de Perzen hunne bloedverwanten +huwen [425]; ten tweede zegt de wet wel niet, dat de reine zijne +zuster tot vrouw mag nemen, maar wel, dat de koning doen kan, wat hem +welbehaaglijk is. Handel gelijk gij wilt, en gij zult steeds gedaan +hebben, wat goed is!" + +Cambyzes liet de magiërs met rijke geschenken van zich gaan, en +gaf Oropastes de uitgestrektste volmacht als stadhouder van het +rijk. Vervolgens deelde hij aan zijne moeder, wier haren daarbij van +ontzetting en afschuw te berge rezen, mede, dat hij, zoodra hij de +Egyptenaren overwonnen en den zoon van Amasis gestraft zou hebben, +voornemens was Atossa tot vrouw te nemen. + +Eindelijk rukte het leger, dat meer dan achtmaal honderdduizend +soldaten telde, bij afdeelingen op, en kwam na twee maanden in de +Syrische woestijn aan, alwaar het de door Phanes tot bondgenooten +gemaakte Arabische stammen der Amalekieten en Gessurieten vond, +die de troepen van water voorzagen, dat zij op paarden en kameelen +aanvoerden. Bij Akko, in het land der Kanaänieten, hadden zich de +vloten der aan Perzië onderworpene Syriërs, Phoeniciërs en Ioniërs, +en de evenzeer door Phanes geworvene schepen der Cypriërs en Samiërs +vereenigd. Met de laatsten had hij een zeer bijzonder verbond +gesloten. Polycrates namelijk had de uitnoodiging van Cambyzes, +om hem met schepen bij te staan, als eene gunstige gelegenheid +beschouwd, om zich op eens te ontslaan van alle burgers, die met +zijne heerschappij niet tevreden waren. Daartoe liet hij veertig +triëren bemannen met achtduizend Samiërs, die op hem gebeten waren, +en zond deze den Perzen toe, met verzoek, niet éen dier lieden te +laten terugkeeren. Nauwelijks had Phanes deze voorwaarde vernomen, +of hij waarschuwde de Samiërs, die zoo den dood tegemoet gingen. In +plaats van tegen Egypte op te trekken, voeren ze naar Samos terug +en zochten Polycrates ten onder te brengen. Doch in een gevecht te +land werden zij door hem geslagen, waarop zij naar Sparta vluchtten, +om daar hulp tegen den tyran te zoeken. + +Ruim een maand vóor den tijd der jaarlijksche overstrooming stonden +de Perzische en Egyptische legers bij Pelusium, op de noordoostkust +van den Delta, tegenover elkander. + +Al de schikkingen en maatregelen van Phanes hadden zijn uitnemend +doorzicht doen blijken. De tocht van het leger door de woestijn, +die anders in den regel duizenden offers kostte, was ditmaal, dank +den Arabieren, die aan hunne beloften getrouw gebleven waren, zonder +verliezen van eenige beteekenis ten einde gebracht. Het gelukkig +gekozen jaargetijde stelde de Perzen in staat langs droge wegen en +zonder tijdverlies in Egypte door te dringen. + +De koning had zijn Helleenschen vriend met groote onderscheiding +ontvangen en hem vriendelijk toegeknikt, toen Phanes hem op eerbiedigen +en tegelijk vertrouwelijken toon toeriep: »Ik heb gehoord, dat gij +sedert den dood uwer schoone vriendin minder opgeruimd zijt dan gij +placht te wezen. Het past den man zijn smart lang te dragen, terwijl +de vrouw haar leed in onstuimige maar ras voorbijgaande klachten +uitstort. Ik gevoel met u, wat er in u omgaat, want ook ik verloor +het dierbaarste wat ik had. Danken wij den goden, dat zij ons de +beste middelen tegen de smart, namelijk strijd en wraak schenken!" + +Daarop vergezelde Phanes den vorst door het leger en naar den +disch. Verbazend was de invloed, dien hij op den woesten man wist +uit te oefenen. Opmerkelijk was het te zien, hoe kalm en opgeruimd +de koning werd, zoodra de Athener in zijne nabijheid was. + +Waren de strijdkrachten der Perzen verbazend groot, ook het aantal +der Egyptische krijgers was niet minder te achten. Het leger werd +in den rug gedekt door de muren van Pelusium, de grensvesting, die +gebouwd was om Egypte tegen de invallen der krijgszuchtige oostelijke +volksstammen te beveiligen. Door overloopers vernamen de Perzen, dat +het gezamenlijke leger van den pharao omtrent zesmaal honderdduizend +man telde. Behalve een groot aantal strijdwagens en dertigduizend +Karische en Ionische soldaten, en het gendarmerie-korps van de Mazaïoe +[426], hadden zich tweemaal honderd-vijftigduizend Kalasiriërs, +honderd-zestigduizend Hermotybiërs, twintigduizend ruiters [427] +en ongeveer vijftigduizend man hulptroepen, onder welke de Libysche +Mascha-wascha [428] zich door hun ouden krijgsroem, de Ethiopiërs +zich door hun groot aantal onderscheidden, onder de vanen van +Psamtik vereenigd. Het voetvolk was in regimenten en compagnieën +ingedeeld, die zich onder verschillende veldteekens [429] schaarden, +en iedere afdeeling had hare eigene wapening en kleeding. Men zag +zwaar gewapenden met groote schilden, lansen en dolken [430]; bijl- +en zwaardvechters met kleine schilden en korte knotsen; slingeraars, +en schutters, die verreweg de meerderheid van het leger uitmaakten, +wier ongespannen bogen de hoogte van een mensch bereikten. De ruiters +waren alleen met een schort gekleed, en hadden geen ander wapen dan +eene lichte knots in den vorm eener morgenster; terwijl daarentegen +de wagenstrijders, die tot de aanzienlijksten van de krijgerskaste +behoorden, zeer kostbaar uitgedost ten oorlog trokken, en zoowel +aan het tuig hunner schoone wereldberoemde paarden, als aan hunne +tweewielige voertuigen schatten besteedden. Het besturen van zulk een +strijdwagen was geheel aan de zorg van den wagenmenner opgedragen, +die naast den krijgsman stond; deze zelf dacht aan niets anders, dan +hoe hij het best gebruik zou maken van boog en lans.--Het voetvolk +van de Perzen was niet veel talrijker dan dat der Egyptenaren, doch +de Aziatische ruiterij was wel zesmaal sterker dan die der bewoners +van het Nijldal. + +Zoodra de beide legers tegenover elkander stonden, deed Cambyzes de +struiken en boomen der uitgestrekte Pelusinische vlakte weghakken, +en de zandheuvels die zich hier en daar verhieven slechten, ten einde +voor zijne ruiters en strijdwagens ruim baan te maken. Phanes stond +hem met zijne nauwkeurige kennis van de plaatselijke gesteldheid +getrouw ter zijde, en wist te bewerken, dat zijne, met groote +krijgskunde ontworpene plannen niet alleen door Cambyzes, maar ook +door den grijzen opperbevelhebber Megabyzus en de meest ervarene +Achaemeniden werden goedgekeurd. Zijne kennis van het terrein was +van te meer waarde, omdat de vlakte van Pelusium doorsneden werd door +moerassen, die door de Perzen, wilden zij den slag winnen, zorgvuldig +vermeden moesten worden. Na afloop van den krijgsraad verzocht de +Athener nog eens het woord, en nu sprak hij: »Thans mag ik eindelijk +ook uwe nieuwsgierigheid naar den inhoud der geslotene wagens, die ik +hierheen heb doen brengen, bevredigen. Die wagens bevatten vijfduizend +katten.--Gij lacht! Ik verzeker u echter, dat deze dieren ons van +meer nut zullen zijn dan honderdduizend zwaardvechters. Velen van +u zijn bekend met het bijgeloof der Egyptenaren, dat hun eerder de +hand aan hun eigen leven, dan aan dat eener kat zou doen slaan. Ik +zelf heb vroeger, door het dooden van zulk een dier, bijna mijn leven +verspeeld. Gedachtig aan dit bijgeloof, heb ik, waar ik ook kwam, +op Cyprus bijvoorbeeld, waar men prachtige muizenvangers vindt, op +Samos, Creta en in geheel Syrië, alle katten, die men maar meester +kon worden, doen vangen. Thans doe ik het voorstel deze dieren te +verdeelen onder de soldaten, die tegen de eigenlijke Egyptische troepen +zullen worden aangevoerd, opdat zij ze dan op hunne schilden binden, +en ze den Egyptenaren voorhouden. Ik ben overtuigd, dat ieder echt +Egyptenaar liever het slagveld zal verlaten, dan op een dier heilige +dieren schieten!" + +Met een schaterend gelach werd dit voorstel begroet, dat bij nadere +overweging met algemeene stemmen werd aangenomen. Cambyzes bood +den vindingrijken Athener de hand ten kus, vergoedde hem de gemaakte +onkosten met een zeer rijk geschenk, en drong bij hem aan, dat hij met +eene der aanzienlijkste Perzische vrouwen in het huwelijk zou treden +[431]. Daarop noodigde hij den Athener aan zijn avondmaaltijd. Deze +verontschuldigde zich echter, zeggende, dat hij noodzakelijk de +Ionische troepen moest gaan monsteren, over welke hem het bevel was +opgedragen, en die hij ter nauwernood kende. Hij begaf zich dus naar +zijne tent. + +Aan den ingang er van vond hij zijn slaaf, in vrij hevige +woordenwisseling met een zwaar gebaarden, in lompen gekleeden, +morsigen ouden man, die met alle geweld Phanes op staanden voet wilde +spreken. Phanes, meenende een bedelaar voor zich te zien, wierp hem +een goudstuk toe; doch de oude zag niet eens naar de rijke gift, die +aan zijne voeten nederviel, maar riep, hem bij den mantel vattende: +»Ik ben Aristomachus van Sparta!" + +Nu herkende Phanes zijn vriend, die door lijden en ontbering veel +had geleden, en bijna onkenbaar was geworden. Hij leidde hem in zijne +tent, liet hem de voeten wasschen en het hoofd zalven, versterkte hem +met wijn en vleesch, ontdeed hem van zijne lompen, en wierp hem eene +nieuwe chiton om de vermagerde maar nog altijd gespierde schouders. + +Aristomachus liet hem stil begaan. Nadat hij zich met de voedzame +spijs en den opwekkenden drank een weinig versterkt had, beantwoordde +hij eerst de vragen van den ongeduldigen Athener, en verhaalde hem +het volgende: »Toen Psamtik het zoontje van Phanes vermoord had, +was hij, Aristomachus, tot hem gegaan met de stellige verklaring, +dat hij al zijn volk zou aansporen den Egyptischen dienst te verlaten, +indien men niet onmiddellijk het dochterke van zijn vriend in vrijheid +stelde, en voldoende rekenschap gaf van de wijze waarop het knaapje +zoo opeens was verdwenen. De kroonprins beloofde de zaak in beraad +te zullen nemen. Toen de Spartaan twee dagen later zich des nachts +scheep begaf, om naar Memphis te varen, werd hij door Ethiopische +soldaten aangegrepen, gekneveld en in het donkere ruim van een +vaartuig geworpen, dat na eene reis van vele dagen en nachten, aan +een hem onbekenden oever het anker liet vallen. Nu bevrijdde men +den gevangene uit zijn bedompten kerker, en voerde hem, onder eene +brandende hitte, door eene woestijn langs rotsen van de zonderlingste +gedaante naar het oosten. Eindelijk bereikte men een gebergte, aan +welks voet een aantal hutten verspreid lagen. Het waren de woningen +der ontelbaren, die met ketenen aan de voeten, des morgens in de +schacht van een bergwerk werden gedreven, om daar uit den harden +rotssteen goudkorrels te hakken [432]. Velen dier ongelukkigen hadden +reeds langer dan veertig jaren in dit oord van jammer en ellende +doorgebracht; de meeste veroordeelden echter werden; tengevolge van de +geweldige krachtsinspanning, die van hen gevergd werd, en de bijkans +ondraaglijke hitte, die hun tegenstroomde, zoodra zij de koele schacht +verlieten, door een vroegen dood uit hun lijden verlost. + +»Mijne lotgenooten," vervolgde Aristomachus, »waren deels ter dood +veroordeelde moordenaars, doch die genade hadden gekregen, deels van +hunne tong beroofde staatsmisdadigers, deels menschen die voor den +koning gevaarlijk waren en door hem gevreesd werden, gelijk ik. Drie +lange maanden arbeidde ik in het gezelschap van dat gespuis, gedurig +bedreigd door den stok der opzichters, versmachtende in de hitte +van den middag, verkleumende wanneer de koele dauw van den nacht op +mijne naakte huid nederviel, den dood dagelijks voor oogen ziende, en +slechts staande blijvende door de hoop op wraak op mijne vervolgers. En +de goden bestuurden het zóo dat, bij gelegenheid van het feest van +Pacht [433], onze wachters, overeenkomstig de in Egypte heerschende +gewoonte, zich te buiten gingen aan den wijn, zoodat zij in diepen +slaap verzonken, en niet bemerkten hoe ik en een jonge gevangen Jood, +wiens misdaad was valsch gewicht te hebben gebruikt, en die daarom +van zijne rechterhand was beroofd geworden, op de vlucht gingen. Zeus +Lacedaemonius en de groote God van dien jongeling stonden ons ter +zijde, en sloegen onze vervolgers, wier stemmen wij dikwerf zoo dicht +achter ons hoorden, dat wij ze onderscheiden konden, met blindheid. + +»Met een boog, dien ik een onzer wachters ontstolen had, voorzag +ik in ons onderhoud. Waar zich geen wild opdeed, daar voedden wij +ons met wortels, boomvruchten en vogeleieren. De stand van zon +en sterren hielp ons den rechten weg vinden. Wetende dat de Roode +Zee niet ver van de bergwerken verwijderd was, en dat wij in het +zuiden van Memphis en Thebe hadden vertoefd, waren wij er op bedacht +altijd noordwaarts te trekken. Eindelijk bereikten wij het zeestrand, +waar wij menschlievende zeelieden vonden, die ons verpleegden, tot +wij aan boord van een Arabisch schip gingen, dat mij en den Jood, +die de taal dier lieden verstond, naar Ezeon-Geber, in het land der +Edomieten bracht. Daar vernamen wij dat Cambyzes met een machtig leger +tegen Egypte oprukte, en reisden met eene Amalekietische ruiterbende, +die de Perzen van water moest voorzien, naar Harma. Van daar zwierf +ik met de achterhoede van het groote Aziatische leger, bij welke ik +soms medelijdende kerels vond, die mij een eindweegs op hunne paarden +lieten rijden, naar Pelusium, en vernam daar dadelijk, dat gij den +grooten koning als krijgsoverste diendet.--Ik heb mijn eed gehouden, +en de belangen der Hellenen in Egypte getrouw behartigd; thans is de +beurt aan u, den ouden Aristomachus te helpen, en hem het eenige te +verschaffen, waarnaar hij smachtend verlangt: wraak op zijne vijanden!" + +»Die zal u gegeven worden," riep de Athener, terwijl hij de +hand van den grijsaard drukte. »Ik zal u aan de spits der +zwaargewapende Milesiërs stellen, en u volle vrijheid laten, +tegen onze gemeenschappelijke vijanden te woeden zooveel gij maar +wilt! Maar daarmede heb ik mij nog in lange niet van den plicht der +dankbaarheid gekweten, en ik prijs de goden, dat zij mij het geluk +beschoren hebben, u door een enkel woord gelukkig te maken.--Weet, +dat weinige dagen na uw verdwijnen een Spartaansch schip, onder bevel +van uw voortreffelijken zoon, te Naucratis is binnengeloopen, om u, +den vader van twee overwinnaars in de Olympische spelen, op bevel +der ephoren naar uw vaderland terug te brengen!" + +Bij dit bericht voer den grijsaard eene trilling van vreugde +door de leden; tranen welden er in zijne oogen, en zijne lippen +prevelden zachtkens een gebed. Daarop sloeg hij zich met de vlakke +hand voor het voorhoofd, en zeide met bevende stem: »Thans wordt het +verwezenlijkt,--thans zal het waarheid worden!--Vergeef mij, Phoebus +Apollo, dat ik aan de woorden uwe priesteres dorst twijfelen! Wat +beloofde de godspraak mij? + + + 'Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen + In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt, + Dan voert de ranke boot u, moe van 't ommedwalen, + Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt; + En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven + Wat gij zoo lang, met rouw in 't hart, moest derven.' + + +»Thans wordt vervuld, wat de god mij heeft toegezegd. Thans mag, +thans wil ik naar mijn vaderland terugkeeren! Eerst echter hef ik +de handen op en bid Dike, de godin der eeuwige rechtvaardigheid, +dat zij mij het zalige genot der wrake niet onthoude!" + +»Morgen breekt de dag der vergelding aan!" riep Phanes, met het +gebed van den ouden man instemmende. »Morgen breng ik aan de schim +van mijn zoon de doodenoffers, en ik zal mij niet ter ruste begeven, +alvorens Cambyzes, met de door mij gepunte pijlen, het hart van Egypte +heeft getroffen!--Kom thans, mijn vriend, en laat mij u aan den koning +voorstellen. Een man als gij zijt drijft een ganschen hoop Egyptische +slingeraars op de vlucht!" + +'t Was intusschen nacht geworden. Daar de onversterkte legerplaats +der Perzen ieder oogenblik blootlag voor een aanval van den vijand, +stonden de soldaten op den hun aangewezen post in het gelid. De +voetknechten leunden op hunne schilden en speren, en de ruiters hielden +zich bij hunne gezadelde en getoomde paarden naast de wachtvuren +strijdvaardig. Cambyzes reed de rijen zijner helden langs, en verhoogde +aller moed en strijdlust door groet en toespraak. Alleen het centrum +van het leger had zich nog niet geordend, daar dit was samengesteld +uit de Perzische lijfwachten, de stafdragers, de Onsterfelijken en +de bloedverwanten des konings, die onder zijn onmiddellijk bevel +tegen den vijand moesten oprukken. Verder hadden zich de Grieken uit +Klein-Azië op last van Phanes ter ruste begeven, in plaats van thans +reeds aan te treden. De Athener had begrepen, dat zijne soldaten al +hunne krachten voor den aanstaanden strijd van noode hadden, en hun +dus toegestaan zich, geheel gekleed en gewapend, te slapen te leggen, +terwijl hij over hen waakte. Aristomachus was door de Ioniërs met +groot gejuich ontvangen en door den koning met een vriendelijk woord +verwelkomd. Hij had van dezen den vereerenden last ontvangen, aan +het hoofd van de helft der Hellenen de linkerflank van het centrum +te dekken, terwijl Phanes met de andere helft aan de rechterzijde +der koninklijke garde zou strijden. De koning had zich voorbehouden +aan het hoofd der tienduizend Onsterfelijken, aan wier spits de +blauw-rood-gouden rijksbanier en de vaan van Kawe wapperde [434], +het gevecht te besturen. Bartja had het commando over het regiment +Perzische lijfwachten, duizend man sterk, en de van het hoofd tot +de voeten gepantserde cavalerie op zich genomen. Cresus eindelijk +voerde het bevel over de afdeeling van het leger, belast met het +bewaken van de onmetelijke schatten, die het leger met zich voerde, +van de vrouwen der edelen, en de moeder en zuster van den koning. + +Zoodra de lichtende Mithra boven de kim verrees, en de duistere geesten +van den nacht zich in hunne holen terugtrokken, werd het heilige vuur, +dat van Babylon aan de spits van het heir vooruit gedragen was, tot +eene verbazende hoogte opgestookt en door de magiërs en den koning +met kostbare reukwerken gevoed. Daarop bracht Cambyzes het offer, en +smeekte, terwijl hij de gouden schaal ophief, om overwinning en roem. + +Hierop gaf hij den Perzen het wachtwoord: 'Aoeramazda, helper en +aanvoerder', en stelde zich aan het hoofd zijner garde, wier tulbanden +met kransen waren versierd. Ook de Hellenen verrichtten hun offer, en +hieven een ontzaglijk gejuich aan, toen de priesters hun aankondigden, +dat de voorteekenen hun de overwinning beloofden. 'Hebe' was hun +parool [435].--Ook de Egyptische priesters hadden den dag met offer en +gebed begonnen, waarna de troepen zich in slagorde schaarden. Voor het +centrum reed Psamtik op een gouden wagen met booghouders van hetzelfde +metaal. Zijne paarden waren getooid met purperen dekken en schabrakken +van gouddraad, en droegen struisvederen op de fiere koppen. Zijn +wagenmenner stamde af van een aanzienlijk Egyptisch geslacht [436], en +stond met de teugels en de zweep in de hand ter linkerzijde van zijn +vorst, die de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte droeg. Links +van het centrum moesten de Helleensche, rechts de Carische soldaten +strijden. De ruiterij stond aan de uiterste einden van de beide +vleugels van het leger; de Egyptische en Ethiopische voetknechten +hadden zich rechts en links van de wagenstrijders en Hellenen in zes +gelederen geschaard. + +Psamtik liet zich langs de rijen zijner dapperen rijden en hield +eenige oogenblikken voor de Hellenen stil. Hij sprak hun op deze +wijze toe: »Het verheugt mij, gij helden, van wier dapperheid +Cyprus en Lybië getuigen kunnen, dat ik ditmaal uw roem zal mogen +deelen en uwe hoofden met nieuwe kransen sieren. Vreest niet dat ik, +wanneer wij onze vijanden verdelgd hebben, uwe vrijheden zal gaan +verkorten. Ik weet het: lasteraars hebben u in het oor geblazen, dat +gij zulk een snooden ondank van mij te verwachten hebt; ik verzeker +u echter dat, zoo wij overwinnen, ik u en uwe nakomelingen op alle +wijzen zal begunstigen en bevoordeelen, en de Hellenen ten allen +tijde de steunpilaren van mijn rijk zal noemen! Bedenkt verder, dat +gij heden niet alleen voor mij, maar voor de vrijheid van uw eigen +vaderland zult strijden. Het ligt toch voor de hand dat Cambyzes, +indien hij Egypte onder den voet krijgt, niet tevreden zal zijn met +deze éene zegepraal, maar al spoedig de begeerige hand zal uitstrekken +naar het schoone Hellas en zijne eilanden. Behoef ik u er nog op te +wijzen hoe deze juist ingesloten zijn door Egypte en het gebied uwer +Aziatische broeders, die reeds als slaven onder het juk der Perzen +zuchten?--Uwe toejuichingen bewijzen mij dat gij mij toestemt; ik +verzoek u mij nog slechts een oogenblik aan te hooren, want mijn +plicht gebiedt mij, den man te noemen, die niet alleen Egypte, maar +ook zijn eigen vaderland voor goud aan den grooten koning van Perzië +heeft verkocht. Die man heet Phanes!--Gij moogt niet morren als had +ik gelasterd, want ik zweer u, dat diezelfde Phanes de door Cambyzes +hem aangebodene schatten heeft aangenomen, en dezen beloofd hem niet +slechts den weg naar Egypte te wijzen, maar hem ook de poorten van +zijn en uw vaderland te openen. Deze man kent landen en volken door en +door, en is voor geld tot alles in staat. Ziet gij niet, hoe hij ginds +naast den koning op en neer gaat, hoe hij zich voor hem in het stof +werpt? Is dat een Helleen? Ik meen wel eens gehoord te hebben, dat de +Grieken zich slechts voor hunne goden dus vernederen. Maar in waarheid, +wie zijn vaderland verkoopt, houdt op een burger er van te zijn!--Gij +zijt het met mij eens? Gij weigert, den schelm langer uw landgenoot +te noemen? Welnu, zoo wil ik de dochter van dien ellendeling, die ik +als gijzelares heb moeten behouden, en die de vrek tegelijk met zijn +vaderland verkocht, in uwe handen stellen. Doet met het kind van een +schurk, wat u goeddunkt. Versiert het met rozen, valt voor hetzelve +neder; maar vergeet niet, dat het den man toebehoort, die den naam +'Helleen' te schande maakte, die u, die zijn vaderland verried!" + +De Grieken hieven na deze toespraak een geweldig geschreeuw +aan, terwijl zij het bevende meisje uit de handen van den koning +ontvingen. Een ruw soldaat hief het ongelukkige schepseltje in de +hoogte, en toonde het aan den vader, die haar duidelijk herkennen +kon, daar de beide legers slechts een boogschot van elkaar verwijderd +waren. Tegelijk brulde een Egyptenaar, die zich later door zijn luide +stem beroemd maakte [437], den bevenden vader toe: »Geef acht, Athener, +hoe men hier te lande verraders straft!"--Een Kariër greep het mengvat, +welks inhoud hem en zijne makkers bedwelmd had, stiet zijn zwaard +in de borst van het kind, liet het onschuldige bloed in het metalen +vat vloeien, vulde een beker met het afschuwelijke mengsel en ledigde +dien, als dronk hij het welzijn van den van woede en afschuw aan den +grond genagelden vader. Als krankzinnigen vielen de andere soldaten +op het mengvat aan, en slurpten, gelijk wilde dieren het door bloed +verontreinigde druivensap [438]. + +Op dit oogenblik schoot Psamtik, met een oog fonkelende van helsche +vreugde, zijn eersten pijl op de Perzen af. De soldaten wierpen het +lijkje van het kind met verachting van zich, hieven hun krijgslied +aan, dronken van het ingezwolgen bloed, en snelden hunne Egyptische +krijgsmakkers ver vooruit, den dood of de overwinning tegemoet. Maar +ook de gelederen der Perzen stelden zich thans in beweging, en Phanes +wierp zich, buiten zich zelf van woede en smart, gevolgd door zijne, +over de schandelijke wreedheid hunner landgenooten, verontwaardigde +zwaargewapenden, op dezelfde mannen, wier liefde hij door zijne +tienjarige trouw meende te hebben verdiend en verworven. + +Toen de zon hare middaghoogte bereikt had, scheen zich het geluk der +wapenen naar de zijde der Egyptenaren te neigen. Toen de dagtoorts +op het punt was van uitgebluscht te worden, hadden de Perzen eenig +voordeel behaald. En toen eindelijk de volle maan in al haar glans +aan den hemel stond, verlieten de Egyptenaren in overijlde vlucht +het slagveld, om den dood te vinden in de moerassen en in de golven +van den Pelusinischen Nijlarm achter hen of onder de zwaarden der +Aziaten, tot het laatste oogenblik voor de vrijheid van hun vaderland +strijdende. Twintigduizend Perzen en vijftigduizend Egyptenaren bleven +op het slagveld; de gekwetsten, verdronkenen en gevangenen waren +nauwelijks te tellen [439]. Psamtik was onder de laatsten geweest, +die het slagveld verlieten. Op een edel ros had hij, licht gewond, den +anderen oever van den Nijl bereikt, en met weinige duizenden zijner +getrouwen den weg naar Memphis ingeslagen. Want voor de versterking +en verdediging der pyramidenstad waren alle voorzorgen genomen. + +Van de Hellenen, die onder de vanen van Psamtik gestreden hadden, +waren slechts weinigen aan den dood ontkomen. Zoozeer had de naar +wraak dorstende Phanes met zijne Ioniërs in hunne rijen gewoed. Tien +duizend Kariërs werden gevangengenomen. Den moordenaar van zijn kind +velde de Athener met eigen hand. Ook Aristomachus had, in spijt van +zijn houten been, wonderen van dapperheid verricht. Toch was het +zoo min hem, als iemand dergenen die hunne wraak te koelen hadden, +mogen gelukken, Psamtik in handen te krijgen. + +Toen, na het einde van den slag, de Perzen juichend naar hunne +legerplaatsen terugkeerden, werden zij door Cresus, de achtergeblevene +priesters en soldaten met vreugdekreten ontvangen en met offers en +gebeden werd den goden voor de roemrijke overwinning dank gebracht. Aan +den anderen morgen riep de koning al de bevelhebbers bijeen, en +verdeelde onder hen, naar hunne verdiensten, allerlei eereteekens, +als: kostbare kleederen, gouden ketens, ringen, sabels en sterren +van edelgesteenten, terwijl hij onder de soldaten gouden en zilveren +munten deed uitstrooien. + +De hoofdaanval der Egyptenaren had het centrum van het Perzische +leger gegolden, dat door den koning in persoon werd aangevoerd, en +was zóo heftig geweest, dat de lijfwachten reeds begonnen te wijken, +toen Bartja op het juiste oogenblik met zijne ruiterij aankwam, +de vluchtenden met nieuwen moed bezielde, en eindelijk, vechtende +als een leeuw, door zijne dapperheid en behendigheid den slag ten +voordeele der Perzen besliste. + +De Perzen jubelden den jongeling te gemoet en noemden hem luide +»Overwinnaar van Pelusium" en »den beste der Achaemeniden". + +Dit gejuich drong ten laatste ook tot den koning door en vervulde hem +met spijt en wrok. Cambyzes was zich bewust, met waren heldenmoed +en reuzenkracht gestreden te hebben, zonder zijn leven te sparen; +en toch zou het met hem en zijn leger gedaan zijn geweest, zoo deze +knaap hem niet intijds was ter hulp gesneld. Zijn broeder, die hem +reeds het geluk verbitterd had, dat hem de liefde had kunnen schenken, +ontstal hem nu de helft van zijn krijgsroem. Hij gevoelde dieper dan +ooit dat hij Bartja haatte, en onwillekeurig balde hij de vuisten, +toen hij den jongen man, op wiens gelaat een edel bewustzijn van +eigenwaarde was te lezen, zag naderen. + +Phanes werd door zijne wonden aan zijn leger gebonden; naast hem lag +Aristomachus, die doodelijk gekwetst was. + +»Toch heeft het orakel gelogen," mompelde de Spartaan. »Ik sterf, +zonder mijn vaderland te hebben wedergezien!" + +»Het orakel sprak de waarheid!" antwoordde Phanes. »Hoe luidden de +laatste woorden der Pythia? + + + 'Dan voert de boot u, moe van 't ommedwalen, + Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.' + + +»Zoudt gij den zin dier woorden niet verkeerd hebben uitgelegd? Zij +doelen ongetwijfeld op de boot van Charon, die u naar uw eigenlijk +vaderland, naar de groote rustplaats van alle zwervers, naar het rijk +van den Hades zal overvoeren." + +»Ja, gij hebt gelijk, mijn vriend, naar den Hades is de reis!" + +»En de vijf, de ephoren, hebben u vóor uw dood vergund, wat zij u +zoo lang weigerden, namelijk, naar uw geliefd Lacedaemonië terug +te keeren. Gij hebt alle reden om den goden dankbaar te zijn, die u +zulke zonen en zulk een wraak op uwe vijanden schonken. Als ik van +mijne wonden herstellen mag, zal ik naar Hellas trekken en uw zoon +mededeelen, dat zijn vader een roemrijken dood gestorven is, na op +zijn schild van het slagveld te zijn gedragen." + +»O, doe dat, en breng hem mijn schild, opdat hij het als eene +gedachtenis van zijn ouden vader beware. Ik behoef hem overigens niet +te vermanen steeds deugdzaam te zijn." + +»Zal ik Psamtik, wanneer wij hem in onze handen krijgen, zeggen dat +gij niet weinig hebt bijgedragen tot zijn val?" + +»Dat is niet noodig, hij zag mij, alvorens te vluchten, en liet van +schrik over deze onverwachte verschijning zijn boog vallen. Die hem +vergezelden meenden, dat hij hun hiermede een teeken gaf, om hun heil +in de vlucht te zoeken, en gehoorzaamden onmiddellijk." + +»De goden verderven den booswicht door zijne eigene wandaden. Psamtik +liet den moed zinken, meenende, dat zelfs de geesten uit de onderwereld +tegen hem te velde trokken." + +»Hij had met de levenden reeds de handen vol genoeg! De Perzen hebben +goed gevochten. Niettemin zou zonder Bartja en zonder ons de slag +verloren zijn geweest!" + +»Ongetwijfeld!" + +»Zeus Lacedaemonius, ik dank u!" + +»Bidt gij?" + +»Ik prijs de goden, die mij vergunnen van de aarde te vertrekken +zonder zorg voor mijn vaderland. Deze bijeengeraapte benden zijn niet +gevaarlijk voor den Griekschen staat.--Hei daar, arts! Wanneer zal +ik sterven?" + +De heelmeester van Milete, die de Klein-Aziatische Grieken naar Egypte +gevolgd was, glimlachte droevig, en zeide, wijzende op den pijl, +die nog in de borst van den Spartaan stak: »Nog slechts weinige uren +blijven u te leven overig. Zoodra ik het wapen uit de wonde trek, +zult gij sterven." + +De Spartaan dankte den arts, zeide Phanes vaarwel, droeg hem de +groete aan Rhodopis op, en trok, voordat men het hem kon beletten, +met vaste hand den pijl uit zijne borst. Weinige oogenblikken later +was hij een lijk. + + + +Dienzelfden dag bracht een Lesbisch vaartuig een Perzisch gezantschap +naar Memphis, dat van den koning moest eischen zich en de stad op +genade en ongenade over te geven. Cambyzes volgde het op den voet, +na eene afdeeling van het leger onder Megabyzus te hebben afgezonden +om het beleg voor Saïs te slaan. + +Te Heliopolis kwamen hem gezanten van de Helleensche inwoners van +Naucratis en van de Lybiërs te gemoet, die hem baden om bescherming +en vrede. Zij brachten hem een gouden krans, benevens rijke +geschenken. Hij nam deze genadig aan, en gaf hun de verzekering +zijner vriendschap. De afgevaardigden van Cyrene en Barka wees hij +echter toornig terug, en hunne schatting, bedragende vijfhonderd +zilverminen [440], die hem al te onbeduidend voorkwam, strooide hij +met eigen hand onder zijne soldaten uit. Ter zelfder plaatse kreeg +hij ook het bericht, dat de inwoners van Memphis, bij de aankomst +van zijne gezanten, in menigte waren samengestroomd, het schip in +den grond geboord, en die er op waren, zonder aanzien van personen, +in stukken gescheurd en binnen de vesting gesleept hadden. Toen +Cambyzes dit vernam werd hij woedend, en riep: »Bij Mithra, voor +elken dezer vermoorden zullen tien inwoners van Memphis met hun +leven boeten!"--Twee dagen later sloeg zijn leger voor de poorten der +reuzenstad de tenten op. Slechts korten tijd duurde het beleg, daar +de bezetting veel te klein was om de vesting behoorlijk te verdedigen, +en de moed der burgerij na de nederlaag van Pelusium zeer gezonken was. + +Koning Psamtik zelf trok, aan het hoofd zijner voornaamste hofbeambten, +zijn overwinnaar te gemoet. De ongelukkige man had zijne kleederen +gescheurd en alle teekenen van rouw aangenomen. Cambyzes ontving hem +met een koel zwijgen, en gebood dat men hem en zijn gevolg in hechtenis +nemen en wegvoeren zou. De weduwe van Amasis, Ladice, die zich eveneens +aan den Perzischen koning kwam vertoonen, werd met achting bejegend, +en op voorspraak van Phanes, wien zij zich altijd genegen had betoond, +onder veilig geleide naar haar vaderland Cyrene gezonden, waar zij +bleef tot aan den val van haar neef Arkesilaus III, en de vlucht harer +zuster Pheretime [441]. Toen nam zij de wijk naar Anthylla in Egypte, +welke stad haar toebehoorde, en leefde daar in de grootste afzondering, +tot zij in hoogen ouderdom overleed. Cambyzes achtte het beneden zich, +het jegens hem gepleegde bedrog op eene vrouw te wreken, en koesterde +buitendien als Pers te grooten eerbied voor eene moeder, vooral voor +eene koninginne-moeder, om der weduwe van Amasis ook maar een haar +te krenken. Terwijl Cambyzes de residentie Saïs belegerde en innam, +vertoefde Psamtik in het paleis der pharao's streng bewaakt, doch te +gelijk bejegend met al de onderscheiding, waarop een vorst aanspraak +kon maken. + +Onder de voorname Egyptenaren, die het volk tot tegenstand hadden +aangezet, nam Neithotep, de opperpriester van Neith, de eerste plaats +in. Hij werd met honderd zijner ongelukkige medeschuldigen te Memphis +in boeien geklonken. Het grootste deel van de koninklijke hofbeambten +huldigde Cambyzes echter vrijwillig te Saïs. Zij noemden hem Ramestoe, +dat is kind der zon, en verlangden dat hij zich plechtig tot koning +van Opper- en Neder-Egypte zou laten kronen en zich volgens oud gebruik +in de priesterkaste zou doen opnemen. Cambyzes liet zich dit alles op +raad van Cresus en Phanes welgevallen, hoewel tegen zijn zin. Wat meer +zegt: hij offerde zelfs in den tempel van Neith, en deed zich van den +nieuwen opperpriester eene vluchtige verklaring geven van de beteekenis +der mysteriën. Eenige oude hovelingen nam hij in zijne omgeving op, +en aan vele rijksbeambten gaf hij hooge posten. Inzonderheid verstond +de admiraal van Amasis' Nijlvloot de kunst om zich in de gunst te +dringen, hij werd zelfs door Cambyzes tot zijn dischgenoot benoemd +[442]. Toen de Perzische vorst eindelijk de stad verliet, stelde +hij Megabyzus tot gouverneur aan. Doch nauwelijks had de koning Saïs +verlaten of het volk, dat zich met moeite had ingehouden, gaf aan zijne +woede lucht. Perzische wachten werden heimelijk vermoord, de bronnen +vergiftigd en de stallen der ruiterij in brand gestoken. Megabyzus +ging tot den koning, om zich over het voorgevallene te beklagen; +hij trachtte Cambyzes te doen inzien hoe zulke vijandelijkheden licht +tot openbaren opstand konden leiden, wanneer men ze niet onderdrukte +door krachtig op te treden. »Laat," zoo zeide hij, »aan de tweeduizend +jongelingen van Memphis, die gij ten zoenoffer voor den moord aan ons +gezantschap gepleegd ter dood veroordeeld hebt, op staanden voet hun +vonnis voltrekken. Ook zou het niet kwaad zijn den zoon van Psamtik, +om wien het volk zich anders eens zeker ten opstand scharen zal, +mede te doen sterven. De dochters van den vorigen koning en van den +opperpriester Neithotep moeten, gelijk ik vernomen heb, water dragen +voor de baden van den edelen Phanes." + +De Athener glimlachte, en zeide: »Cambyzes, mijn heer, heeft mij +op mijn verzoek toegestaan er zulke voorname dienstmaagden op na +te houden." + +»Maar u verboden," viel Cambyzes in, »een der leden van het gevallen +vorstenhuis naar het leven te staan. Slechts een koning mag koningen +straffen!" + +Phanes boog zich. Cambyzes wendde zich weder tot Megabyzus, en +beval hem de tweeduizend veroordeelden den volgenden dag, tot een +waarschuwend voorbeeld, ter dood te doen brengen. Betreffende het lot +van den koningszoon zou hij later wel een besluit nemen; intusschen +moest deze met de overige veroordeelden naar de gerechtsplaats +worden geleid. »Men moet zien," riep hij, »dat wij van plan zijn, +alle vijandelijkheden met de grootste gestrengheid te keer te gaan!" + +Toen Cresus het waagde om genade voor den onschuldigen knaap te +smeeken, glimlachte Cambyzes, zeggende: »Wees gerust, oude vriend, +het kind is nog in leven, en zal het misschien niet minder goed bij ons +hebben, dan uw zoon, die bij Pelusium zoo dapper heeft gestreden! Maar +ik zou gaarne weten of Psamtik zijn lot zoo gelaten en mannelijk weet +te dragen als gij, nu vijf en twintig jaar geleden." + +»Dat is gemakkelijk te onderzoeken!" riep Phanes, »zoo het den +koning slechts behaagt hem naar het slotplein te doen geleiden, +en de gevangenen en veroordeelden voor zijn aangezicht te laten +voorbijvoeren; dan zal het blijken, of hij zich als een man, dan wel +als een lafhartige gedraagt." + +»Dat zal geschieden!" antwoordde Cambyzes. »Ik zal mij verborgen +houden, en hem ongemerkt gadeslaan. Gij zult mij vergezellen, Phanes, +en mij den naam en den stand van iederen gevangene noemen!" + +Aan den morgen van den volgenden dag begaf de Athener zich met den +koning op het balkon, dat het uitgestrekte, met boomen beplante, +slotplein omgaf. De planten en bloemen hielden de twee mannen +verborgen, die de geringste beweging van menschen daar beneden opmerken +en ieder woord verstaan konden. Door eenigen zijner vroegere hovelingen +omgeven, leunde Psamtik tegen een palmboom en staarde met een somberen +blik onafgebroken op den grond, terwijl zijne dochter en het kind van +Neithotep, benevens andere aanzienlijke jonkvrouwen, als slavinnen +gekleed, het plein overgingen, gevulde waterkannen dragende. Zoodra +de meisjes den koning gewaarwerden, hieven zij luide klachten aan, die +Psamtik uit zijn gemijmer opwekten. Hij herkende de jammerende maagden +en boog zijn hoofd diep neder. Doch spoedig hief hij het weder op, en +vroeg zijne oudste dochter, voor wien zij water droeg? Toen hij vernam, +dat zij voor Phanes het werk van slavinnen verrichten moest, verbleekte +hij, liet het hoofd op de borst vallen, en riep de meisjes toe: »Gaat!" + +Weinige oogenblikken later betraden de gevangenen het plein, met +strikken om den hals en toomen in den mond, door Perzische wachters +geleid [443]. De trein werd geopend door den kleinen Necho, die de +handjes naar zijn vader uitstrekte, en hem bad de vreemde, booze +menschen, die hem wilden dooden te straffen. De Egyptenaren konden +hunne tranen niet bedwingen, toen zij deze woorden van den knaap, +hun kroonprins, vernamen. Doch de oogen van Psamtik bleven droog, en +wederom vestigde hij den blik op den grond, en wenkte den weenenden +knaap met de hand een laatst vaarwel toe. + +Kort daarop verschenen zij, die te Saïs in hechtenis waren +genomen. Onder dezen bevond zich ook de grijze Neithotep. De vroegere +opperpriester was in lompen gehuld en strompelde met moeite voort, +leunende op een stok. De poort binnentredende en de oogen opslaande, +zag hij zijn ouden leerling Darius. Vergetende waar hij zich bevond, +liep hij aanstonds naar dezen toe, klaagde hem zijn nood, bad hem +om zijne hulp en voorspraak, en eindigde met om eene aalmoes te +smeeken. Darius schonk hem een rijke gift, 't geen ten gevolge had, +dat de andere Achaemeniden, die in de, nabijheid stonden, den oude +schertsend tot zich riepen, en hem kleine muntstukken toewierpen, +die hij niet zonder moeite en met vele dankbetuigingen opraapte. Toen +Psamtik dit gewaarwerd, barstte hij in tranen los, riep op smartelijken +toon zijn ouden vriend bij den naam, en sloeg zich met de krampachtig +gesloten vuist voor het voorhoofd. + +Cambyzes verwonderde zich hierover, verwijderde de bloemen en +planten, waarachter hij zich tot dusver had verborgen gehouden, en +riep den ongelukkige toe: »Zeg mij, zonderling mensch, waarom gij, +bij de aanschouwing van uwe diep vernederde dochter, en van uw zoon +die den dood te gemoet gaat, niet geweeklaagd en geschreid hebt, en +jegens een bedelaar, die niet eens tot uw huis behoort, zoo groote +deelneming aan den dag legt?" + +Psamtik zag naar zijn overwinnaar op, en antwoordde: »Het ongeluk +van mijn huis, zoon van Cyrus, is te groot voor mijne tranen; het +lot van een vriend, die op hoogen ouderdom, van den aanzienlijksten +en gelukkigsten man in het rijk een ellendige bedelaar is geworden, +mag ik echter beweenen!" + +Cambyzes knikte den armen vorst minzaam toe, en toen hij zich +omkeerde, bemerkte hij, dat niet alleen in zijn oog een traan was +opgeweld. Cresus, Bartja en alle aanwezige Perzen, ja zelfs Phanes, +die beiden koningen tot tolk had gediend, waren diep geroerd. De +trotsche veroveraar had een welbehagen in deze tranen, en sprak, zich +tot den Athener wendende: »Mij dunkt, Helleensche vriend, dat wij +genoeg gewroken zijn.--Sta op, Psamtik, en beproef gelijk deze edele +grijsaard--dit zeggende wees hij op Cresus--u aan uw tegenwoordig lot +te gewennen. Het bedrog van uw vader is aan u en aan uw huis streng +genoeg vergolden geworden. Dezelfde kroon, die Amasis de dochter van +Hophra, mijne onvergetelijke gemalin, ontroofd heeft, heb ik u van +het hoofd gerukt. Om Nitetis' wil heb ik dezen oorlog begonnen; thans +schenk ik uw zoon het leven, wijl zij hem heeft liefgehad. Voortaan +moogt gij als onze dischgenoot in volle vrijheid aan ons hof verkeeren, +en de eer mijner grooten deelen. Ga den knaap halen, Gyges! Hij zal, +gelijk gij voorheen, met de zonen der Achaemeniden worden opgevoed." + +De Lydiër snelde naar de deur van het balkon, om dezen hem zoo +aangenamen last ten uitvoer te brengen, doch eer hij deze had +bereikt, riep Phanes hem terug. Met opgericht hoofd en een fier +gelaat plaatste zich de Athener tusschen den koning en Psamtik, +die van zalige verrukking stond te trillen, en zeide: + +»Uw gang, edele Lydiër, zou vergeefsch zijn; Necho, de zoon +van Psamtik, is reeds niet meer! Ondanks uw bevel, mijn vorst, +heb ik, onder voorwendsel dat ik eene volmacht van u bezat, den +beul doen bevelen den kleinzoon van Amasis, als zijnde de eerste +en aanzienlijkste van al de gevangenen, ter dood te brengen. Het +horengeschal, dat gij zoo even vernomen hebt, was het teeken dat +de laatste aan den Nijl geboren kroonprins van Egypte den adem had +uitgeblazen. Ik weet wat mij te wachten staat, Cambyzes, en bid niet +om een leven, welks hoogste doel thans bereikt is. Ook uw verwijtenden +blik, o Cresus, versta ik. Gij beklaagt de vermoorde kinderen; maar +och, het leven is zulk een samenweefsel van jammer en teleurstelling, +dat ik, met uw grooten raadsman Solon, hem het gelukkigst acht, wien +de goden, gelijk weleer aan Kleobis en Biton [444], een vroegen dood +geven. Zoo ik ooit genade in uwe oogen heb gevonden, Cambyzes, zoo +mijne raadgevingen u van eenig nut zijn geweest, veroorloof mij dan, +als eene laatste gunst, nog enkele woorden te spreken. Gij, Psamtik, +weet, wat ons tot vijanden heeft gemaakt. Gij allen, aan wier achting +mij veel gelegen is, zult het thans evenzeer vernemen. + +»Door den vader van dezen man werd ik in zijne plaats tot bevelhebber +der tegen Cyprus gezondene troepen benoemd en streed met roem, terwijl +hij slechts vernedering en schande had geoogst; tegen mijn wil, werd +ik bekend met een geheim, dat zeer gevaarlijk had kunnen worden voor +zijne aanspraken op den troon; eindelijk belette ik hem, eene deugdzame +jonkvrouw weg te voeren uit het huis harer grootmoeder, eene vrouw, +die door alle Hellenen hooggeacht en geëerbiedigd wordt.--Dat is het, +wat hij mij nooit heeft kunnen vergeven, en hem heeft bewogen mij, toen +ik den dienst van zijn vader verlaten moest, tot een strijd op leven +en dood uit te dagen. Thans is onze worsteling beslist. Gij hebt mijne +onschuldige kinderen doen vermoorden, en op mij als op een schadelijk +ondier jacht gemaakt; dat is uwe geheele wraakoefening geweest! Ik +heb u van den troon gestooten en u en uw volk tot slaven gemaakt. Ik +heb uwe dochter mijne slavin genoemd, uw zoon heb ik doen ombrengen, +en ik heb gezien hoe hetzelfde meisje, dat gij eenmaal vervolgdet, +de gelukkige gade van een held is geworden. Gij, gevallen koning, +hebt mij rijker en machtiger dan een mijner landslieden zien worden; +gij, ongelukkige, moest mij--en dit was het schoonste gedeelte mijner +wraak--van mededoogen met uw ijzingwekkend lot zien weenen!--Wie, +gelijk ik, de diepste rampzaligheid van zijn vijand slechts eene +seconde overleven mag, dien noem ik even gelukkig als de zalige +goden. Thans heb ik niets meer te zeggen!" + +Phanes zweeg en drukte zijn hand op zijn wond. Cambyzes zag hem +een tijdlang met de grootste verbazing aan, deed daarop een stap +voorwaarts, en wilde reeds den gordel van den Athener aanraken, een +teeken, dat met de onderteekening van een doodvonnis gelijkstond +[445], toen zijn blik op de keten viel, die hij den Athener, tot +belooning voor de behendigheid waarmede hij de onschuld van Nitetis +had bewezen, om den hals had gehangen. De gedachte aan de vrouw +zijner eenige liefde, en aan de dankbaarheid die hij verschuldigd +was aan dezen zeldzamen man, wegens verschillende door hem bewezene +diensten, onderdrukte zijn toorn, en deed zijne, tot het noodlottige +sein reeds opgehevene hand weder zinken. Gedurende enkele seconden +stond de strenge vorst tegenover den ongehoorzamen vriend, toen hief +hij andermaal, aan eene plotselinge ingeving gehoor gevende, zijne +rechterhand op, en wees gebiedend naar den uitgang van het plein. + +Phanes boog zich zwijgend, kuste het kleed van den koning en steeg +langzaam de trap af naar het plein. Psamtik zag hem na met verbeten +woede, sprong toen naar de borstwering van het balkon, doch zonk, +eer hij zijne lippen tot een vloek had kunnen openen, uitgeput neder. + +Cambyzes wenkte zijn gevolg, en gebood zijn jachtmeester de +toebereidselen te maken tot eene leeuwenjacht in de Lybische bergen. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK + + +De Nijl begon wederom te wassen. Sedert het vertrek van Phanes waren +twee maanden voorbijgegaan, rijk aan gebeurtenissen. Op denzelfden +dag, op welken de Athener Egypte verliet, had Sappho haar Bartja +eene dochter geschonken. Onder de verpleging harer grootmoeder was +zij spoedig zoo ver hersteld, dat zij aan een tochtje op den Nijl, +hetwelk op voorslag van Cresus plaats vond, bij gelegenheid van het +feest van Neith, deel kon nemen. Het jeugdige paar woonde niet meer te +Memphis, daar Bartja met 's konings toestemming het paleis te Saïs had +betrokken, om de uitbarstingen van woede van zijn broeder te ontwijken, +die sedert de vlucht van Phanes zeer waren toegenomen. Ook Rhodopis, +in wier huis de Lydiër met zijn zoon, Bartja, Darius en Zopyrus zich +vaak vereenigden, sloot zich bij het gezelschap aan. + +Aan den morgen van het feest besteeg men, omstreeks acht mijlen +beneden Memphis, een keurig versierde bark, en voer den stroom op, +door een gunstigen noordenwind en talrijke roeiers voortgestuwd. Onder +het deels vergulde, deels met bonte kleuren beschilderde houten dak, +dat het midden van het dek overwelfde, had zich het reisgezelschap +neergevlijd, om tegen de brandende zonnestralen genoegzaam beschut +te zijn. Cresus had aan de zijde der eerbiedwaardige matrone plaats +genomen; de Milesiër Theopompus zat aan hare voeten. Sappho liet +haar hoofdjen op Bartja's schouder rusten. Syloson, de broeder van +Polycrates, lag naast Darius, die, in gepeins verdiept, onafgebroken +in het water staarde, terwijl Gyges en Zopyrus van de bloemen, die +een Egyptische slaaf hun ter hand stelde, kransen voor de hoofden +der beide vrouwen vlochten. + +»Het is bijkans niet te gelooven," zeide Bartja, »dat wij den stroom +tegen hebben. De boot vliegt als eene zwaluw over het water." + +»Dat komt van den fikschen noordenwind, die ons het voorhoofd +verfrischt," antwoordde Theopompus. »Ook verstaan de Egyptische +roeiers hun werk in den grond." + +»En werken met verdubbelden ijver," liet Cresus er op volgen, »wijl +het tegen den stroom opgaat. Slechts dan, als we tegenstand vinden, +zijn wij gewoon al onze krachten in te spannen." + +»Terwijl wij ons zelven bezwaren scheppen," sprak Rhodopis, »wanneer +het lot onze levensboot met een kalmen, gunstigen stroom voortstuwt." + +»Zoo is het!" riep Darius. »De edele heeft een afkeer van dat +gemakkelijke met den stroom meedrijven. Onder werkelooze rust zijn +alle menschen gelijk; daarom hebben wij behoefte aan strijd, om te +kunnen toonen, dat wij beter zijn en meer vermogen dan anderen." + +»Maar de edele strijders moeten zich wachten, twist- en +tweedrachtstokers te worden," merkte Rhodopis aan. »Ziet gij ginds die +watermeloenen, die als gouden kogels over den zwarten grond verspreid +liggen? Had de landman het zaad met te milde hand uitgestrooid, geene +enkele vrucht zou tot rijpheid zijn gekomen. De al te weelderige ranken +en bladeren zouden ze verstikt en den oogst verijdeld hebben. Strijd +en arbeid, ziedaar 's menschen bestemming. Maar ook hierin moet +hij, gelijk in alle zaken, maat weten te houden, zal zijn streven de +gewenschte uitkomst hebben. Nimmer de juiste grenzen te overschrijden, +dat is het geheim van den wijze." + +»O, dat de koning u hoorde spreken!" riep Cresus. »In plaats van +met zijne groote verovering tevreden en op het geluk zijner tallooze +onderdanen bedacht te zijn, denkt hij er slechts aan, hoe hij nieuwe +overwinningen zal behalen. De gansche wereld zou hij gaarne onder den +voet hebben, terwijl hij zichzelf sedert de verbanning van Phanes, +bijna dagelijks door den Diw der dronkenschap ter aarde laat werpen." + +»Heeft dan zijne edele moeder volstrekt geen invloed meer op +hem?" vroeg Rhodopis. + +»Zij heeft hem niet eens kunnen afbrengen van zijn voornemen om +Atossa te huwen, en in eigen persoon heeft zij het bruiloftsmaal +moeten bijwonen!" + +»Arme Atossa!" fluisterde Sappho. + +»Als koningin van Perzië doorleeft zij ook geen gulden dagen," zeide +Cresus, »en haar leven, aan de zijde van haar broederlijken gemaal, +zal op den duur juist daarom te treuriger zijn, wijl zij niet minder +opvliegend is dan hij. Cambyzes moet haar helaas zeer achteloos +behandelen, daar hij in haar altijd nog slechts een kind ziet. De +Egyptenaren vinden overigens in dit huwelijk niets buitengewoons, want +ook bij hen worden niet zelden broeder en zuster man en vrouw." [446] + +»En ook in Perzië," merkte Darius aan, ofschoon hij niet het +geringste liet merken van wat er in zijn binnenste omging, »acht men +verbintenissen met bloedverwanten de beste huwelijken." + +»Om echter op den koning terug te komen," zeide Cresus, die, om den +zoon van Hystaspes te sparen, aan het gesprek zoo spoedig mogelijk +eene andere wending gaf, »ik verzeker u, Rhodopis, dat hij toch +volstrekt geen slecht mensch is. Op zijne, in hartstocht en toorn +begane misslagen, volgt altijd onmiddellijk een welgemeend berouw, +en nooit heeft hij opgehouden zich telkens opnieuw voor te nemen een +goed en rechtvaardig vorst te zijn. Onlangs bijvoorbeeld vroeg hij, +gedurende den maaltijd, voordat nog de wijn zijn geest beneveld had, +hoe de Perzen wel over hem, in vergelijking met zijn vader, dachten." + +»En wat was het antwoord?" vroeg Rhodopis. + +»Intaphernes redde ons handig uit de verlegenheid," zeide Zopyrus +lachend. »Want hij antwoordde den koning: 'Wij houden het er voor, +dat gij uw vader overtreft, omdat gij het gebied van Cyrus niet alleen +ongeschonden weet te bewaren, maar ons rijk door de verovering van +Egypte zelfs over de zee hebt weten uit te breiden!' Maar dit antwoord +behaagde den koning niet, want hij sloeg met de vuist op de tafel, +en riep: 'Vleier, ellendige vleier!' Intaphernes schrok geweldig van +dezen onverwachten uitval. De koning wendde zich vervolgens tot Cresus, +en vroeg dezen naar zijne meening. 'Mij dunkt,' antwoordde onze wijze +vriend, 'dat gij het hooge standpunt uws vaders nog niet hebt bereikt; +want'--voegde hij er vergoelijkend bij,--'u ontbreekt nog een zoon, +gelijk de doorluchtige afgestorvene in u achterliet.'" + +»Recht goed! Uitmuntend!" riep Rhodopis, in de handen klappende, en +den edelen man toelachende, »dit woord zou den behendigen Odysseus +tot eere hebben gestrekt! Maar hoe slikte de koning deze met zoeten +honig bestreken pil?" + +»Hij was er uitermate mede ingenomen, dankte Cresus voor dit antwoord, +en noemde hem zijn vriend." + +»En ik," sprak de grijsaard, »maakte mij deze gelegenheid ten nutte, +om hem af te brengen van zijn plan, om de langlevende Ethiopiërs, +Ammoniërs en Carthagers te gaan beoorlogen. Van het eerste der +genoemde volken verhaalt men allerlei fabelachtige dingen, en het is +zeker dat men, met het den oorlog aan te doen, ten koste van groote +offers, altijd slechts weinig zou winnen. De oase van Ammon is, +uithoofde van de woestijn die haar van Egypte scheidt, voor een groot +leger ter nauwernood bereikbaar, en mij schijnt het zonde krijg te +voeren tegen een God en zijne schatten, ook al behoort men niet tot +zijne vereerders. Wat eindelijk de Carthagers aangaat, zoo heeft de +uitkomst reeds de waarheid mijner voorspelling gestaafd. De matrozen +van onze vloot zijn bijna allen Syriërs en Phoeniciërs, en hebben +dus natuurlijk geweigerd, tegen hunne broeders te vechten. Cambyzes +spotte met mijne redenen, noemde mij een lafaard, en zwoer eindelijk, +toen de wijn zijn verstand begon te benevelen, dat hij, ook zonder +Phanes en zonder Bartja, in staat zou zijn moeilijke ondernemingen +door te zetten en groote volkeren tot onderwerping te brengen." + +»Wat beteekent deze toespeling op u, mijn zoon?" vroeg Rhodopis. + +»Hij heeft den slag van Pelusium gewonnen, en niemand anders!" riep +Zopyrus, zijn vriend voorkomende. + +»Maar gij," hervatte Cresus, »en uwe vrienden hadden voorzichtiger +kunnen zijn, en moeten bedenken, dat het hoogst gevaarlijk is de +ijverzucht van een man als Cambyzes op te wekken. Gij vergeet te vaak, +dat zijn hart gewond en zeer gevoelig is, zoowel voor het kleinste +verdriet als voor de felste smart. Het noodlot heeft hem de vrouw +die hij liefhad, en den vriend die hem dierbaar was ontnomen; thans +meent hij, dat het uw toeleg is hem ook nog het laatste dat hem ter +harte gaat, zijn krijgsroem, te betwisten." + +»Beoordeel hem niet te hard," riep Bartja, terwijl hij de hand van +den grijsaard vatte. »Mijn broeder is nooit onrechtvaardig geweest +en het is niet in hem opgekomen, mij mijn geluk,--want als verdienste +moet gij mij dien aanval op het juiste tijdstip niet toerekenen,--te +benijden. Gij weet, dat hij mij na den slag deze prachtige sabel, +honderd edele rossen en een gouden handmolen [447] schonk, als +belooning voor mijne dapperheid!" + +De woorden van Cresus hadden in Sappho's ziel eenige bezorgdheid +doen rijzen, die evenwel, na het geruststellend antwoord van haar +gemaal, weder spoedig verdreven werd, en geheel en al vergeten was, +toen Zopyrus zijn krans gereed had en dezen op het hoofd der oude +vrouw plaatste. + +Gyges bood den zijnen der jeugdige moeder aan, die het kroontje van +sneeuwwitte waterleliën op hare volle bruine lokken drukte, en met +dezen eenvoudigen tooi er zoo lief en schoon uitzag, dat Bartja, +ondanks de tegenwoordigheid van zoovele getuigen, niet kon nalaten, +haar op het voorhoofd te kussen. Het gesprek nam nu eene meer vroolijke +wending. Allen deden wat zij konden, om iets tot elkanders genoegen +bij te dragen; ja zelfs Darius vergat zijn ernst, om met de vrienden, +die de sedert eenige oogenblikken opgedragene spijzen en dranken eer +aandeden, te lachen en te schertsen. Toen eindelijk de zon achter +het Mokattam-gebergte was ondergegaan, plaatsten de slaven kunstig +gesneden stoelen, voetbanken en tafeltjes op het open dek, waarheen +het vroolijke gezelschap zich thans begaf, en waar zich een heerlijk +schouwspel aan hen vertoonde, dat aller verwachting overtrof. + +Het Neith-feest, dat de Egyptenaren het lampen branden noemden, en +door het geheele land met eene algemeene verlichting der huizen placht +gevierd te worden, had met het opkomen der maan een aanvang genomen. De +oevers van den stroom geleken onafzienbaar lange vuurstrepen. Iedere +tempel, ieder huis, iedere hut was, al naar het vermogen der bewoners, +met brandende lampen versierd. In de portalen der landhuizen, en +op de torentjes der grootere gebouwen flikkerden de pekvlammen in +steenen pannen; dichte rookwolken stegen op, die zich uitspreidden, +en te midden der talrijke vanen en wimpels bleven hangen. De palmen en +sykomoren, waarover de maan haar zilverglans uitgoot, spiegelden zich, +in allerlei wonderlijke vormen, in de golfjes langs den oever, die door +het schijnsel der vlammen tintelden met een rooden gloed. Maar al die +lampen en vuren waren op verre na niet toereikend, om ook het midden +van den reusachtigen stroom, waar de bark der spelevarende vrienden +zachtkens voortgleed, te verlichten. Het was als voeren zij tusschen +twee heldere dagen in een duisteren nacht. Soms ontmoette men barken, +die, met lampen verlicht, als vurige zwanen over het water dreven, +en als zij op den oever aanhielden, een stroom van gloeiend vloeibaar +metaal schenen te doorklieven. Sneeuwwitte lotusbloemen dobberden op +de golven, en vertoonden zich aan hen, die daar heenvoeren, als de +oogen der rivier. Niet het geringste geluid drong van de oevers tot +hunne ooren door, ofschoon zij zwijgend neerzaten. De kracht van de +door den noordenwind voortgedragen tonen was te gering, om het midden +van den stroom te bereiken. Alleen de riemslagen en het eentonige +gezang der matrozen braken de diepe stilte af van den helderen nacht. + +Lang vermeiden zich de vrienden, zonder een woord te spreken, in de +aanschouwing van dit zeldzaam en onvergelijkelijk schoon tafereel, +dat voor hunne oogen langzaam scheen voorbij te gaan. Eindelijk maakte +Zopyrus een einde aan de stilte, met een diepen zucht uitroepende: +»Hoezeer benijd ik u, Bartja! Als het was gelijk het behoort, dan +had ieder onzer in dit uur een lief wijfje aan zijne zijde!" + +»Wie heeft u dan verboden een uwer uitverkorene vrouwen met u te +nemen?" antwoordde de gelukkige echtgenoot. + +»Mijne vijf andere levensgezellinnen," zeide de jonge man met een +zucht. »Had ik Parysatis, het dochterke van Oroetes, de jongste mijner +lievelingen, alleen met mij genomen, dan zou dit gelukkig uur wel mijn +laatste wezen; want morgen zouden er zeker een paar oogen minder op +de wereld zijn geweest!" + +Bartja glimlachte en zeide, de hand van zijne Sappho drukkende: +»Ik geloof haast, dat ik mij mijn leven lang met éene vrouw zal +vergenoegen!" + +De jonge moeder beantwoordde den zachten druk der geliefde hand, en +zeide: »Ik vertrouw u niet, vriend Zopyrus, want het komt mij voor, +dat gij minder den toorn ducht dier schepseltjes, die u toch vrij +onverschillig zijn, dan wel terugdeinst voor eene overtreding van de +zeden en gebruiken van uw vaderland. Men heeft mij reeds verhaald, +dat men in de vrouwenvertrekken tegen mijn armen Bartja uitvaart, +omdat hij mij niet door eunuchen laat bewaken, en mij vergunt aan +zijne zijde het leven te genieten." + +»Hij verwent u schrikbarend," hernam Zopyrus, »en onze vrouwen +beginnen, wanneer wij haar een weinig korthouden, zich reeds te +beroepen op zijne goedheid en toegeeflijkheid. Let op, binnenkort +zal aan de poort des konings een oproer onder de vrouwen uitbarsten, +en de Achaemeniden, die de scherpste zwaarden en de best gerichte +pijlen niet vreezen, zullen met spitse tongen doorstoken en in een +zilten tranenvloed verdronken worden." + +»O, gij onbeschaamde Pers," sprak Syloson met een lach, »het zal +noodig zijn, dat wij u leeren wat meer eerbied te hebben voor de +evenbeelden van Aphrodite!" + +»Wilt gij, Hellenen, ons leeren?" vroeg de jonkman. »Bij Mithra, +onze vrouwen hebben het even goed als de uwe! Alleen de Egyptische +leven ongelooflijk vrij." + +»Dat is waar!" zeide Rhodopis. »De bewoners van dit vreemde land +kennen sinds duizenden jaren aan ons zwak geslacht dezelfde rechten +toe, waarop de mannen voor zich aanspraak maken. In vele opzichten +genieten wij zelfs nog grootere onderscheiding dan zij. De Egyptische +wet bijvoorbeeld beveelt niet den zonen, maar den dochteren hare grijze +ouders te onderhouden en te verplegen. Het gebod bewijst, hoe juist +de wijze voorvaderen van het thans zoo diep vernederde volk de natuur +der vrouw wisten te beoordeelen; hoe zij begrepen, dat wij u, mannen, +in trouwe zorg, oplettende hulpvaardigheid en opofferende liefde verre +overtreffen!--Spot niet met deze dierenaanbidders, die ik, ik beken +het gaarne, niet begrijp, maar daarom toch bewonder, daar Pythagoras, +de meester van alle wetenschap, mij verzekerd heeft, dat de wijsheid, +in de leeringen der priesters verborgen, even ontzagwekkend is als +de pyramiden." + +»En uw groote meester heeft gelijk!" sprak Darius. »Gij weet, dat ik +sedert verscheidene weken dagelijks met Neithotep, den opperpriester +van Neith, dien ik uit zijne gevangenis heb laten bevrijden, en met +den ouden Onoephis verkeer, of, beter gezegd, mij door hen laat +onderrichten. Hoeveel nieuws heb ik van die twee grijsaards niet +geleerd! Hoeveel treurigs vergeet ik niet, als ik naar hun onderwijs +luister! De geheele geschiedenis van den hemel en van de aarde is hun +bekend. Zij weten den naam van iederen koning, de toedracht van elke +belangrijke gebeurtenis sedert de laatste vierduizend jaren. Zij dragen +kennis van den loop van alle sterren, en van de werken en stelsels +van alle kunstenaars en wijzen gedurende hetzelfde tijdsverloop. Want +dat alles staat opgeteekend in groote boeken, die te Thebe in een +paleis, dat zij 'Inrichting ter bevordering van de gezondheid der +ziel' noemen, bewaard worden. Hunne wetten zijn eene rijke bron +van wijsheid, en de geheele staatsinrichting is met verwonderlijk +doorzicht geheel berekend voor de behoeften des lands. Ik wilde wel, +dat wij in ons vaderland op zulk eene orde, zulk eene regelmaat konden +roemen! Al hunne wetenschap berust op het gebruik der getallen, met +welker hulp het alleen mogelijk is de banen der sterren te berekenen, +het bestaande nauwkeurig te beschrijven en te bepalen, ja zelfs door +verlenging en verkorting der snaren de tonen te regelen. Het getal +is het eenig zekere, dat met alle willekeur en met elke uitlegging +spot. Ieder volk heeft zijne eigene begrippen van recht en onrecht, +iedere wet kan door veranderde omstandigheden onbruikbaar worden; +doch waarheden, die haar grondslag in getallen hebben, staan voor +eeuwig onomstootelijk vast. Wie zal ooit weerspreken, dat tweemaal +twee vier is? De getallen bepalen duidelijk en zeker den inhoud van +al het bestaande. Al wat bestaat is gelijk aan zijn inhoud. Daarom +vindt men in de getallen het ware zijn, het wezen van alle dingen!" + +»In naam van Mithra, Darius, houd op, het schemert mij voor de +oogen!" riep Zopyrus, zijn vriend in de rede vallende. »Wie u zoo hoort +spreken, moet wel denken dat gij uw geheele leven in het gezelschap +dier spitsvondige haarkloovers gesleten en nooit een zwaard gehanteerd +hebt! Wat gaan ons die getallen aan?" + +»Meer dan gij denkt!" antwoordde Rhodopis, »ook Pythagoras is in deze +leerstellingen, die tot de geheimenissen der Egyptische priesters +behooren, door denzelfden Onoephis ingewijd, die u, Darius, thans den +toegang tot de mysteriën ontsluit. Breng mij eens spoedig een bezoek, +dan zal ik u mededeelen hoe heerlijk schoon de groote Samiër de wetten +der getallen met die der tonen in overeenstemming heeft gebracht.--Maar +zie, zie, daar zijn de pyramiden!" + +De vrienden stonden van hunne zitplaatsen op, en bewonderden zwijgend +het grootsche schouwspel, dat zich aan hunne oogen voordeed. Daar lagen +op den linker oever van den stroom, door de maan met een zilverachtig +licht beschenen, de aloude reuzengraven van machtige heerschers, in +hunne ontzaglijke afmetingen, als zoovele bewijzen voor de scheppende +kracht van den menschelijken wil, als zoovele vingerwijzingen op het +ijdele van alle aardsche grootheid. Wat was er geworden van dien +Choefoe, die met het zweet zijner onderdanen steenen tot een berg +had opgestapeld; van dien Chafra, die de goden verachtte, en prat +op zijne eigene krachten, de poorten des tempels zou hebben gesloten +[448] om zichzelven en zijn naam te vereeuwigen door een grafteeken, +ter voltooiing waarvan een bijna bovenmenschelijke inspanning noodig +was geweest? Hunne ledige doodkisten leeren ons misschien, dat zij +door de doodenrechters onwaardig zijn gekeurd de rust van het graf te +genieten, en tot een nieuw leven te herrijzen; terwijl de bouwmeester +van de derde en schoonste pyramide, Menkera, die zich met een veel +kleiner grafteeken vergenoegde, en de deuren des tempels wederom +opende, ongestoord mocht rusten in zijne kist van blauw bazalt [449]. + +Daar lagen de pyramiden te midden van de nachtelijke stilte, door +de sterren verlicht, onder de hoede van den wachter der woestijn, +den reusachtigen sphinx, hare spitsen verheffende boven de naakte +rotsen der Lybische steenheuvels. Aan hare voeten sluimerden in +kostbare graven de mummiën van de getrouwe dienaars harer oprichters, +en tegenover het verhevene grafteeken van den vromen Menkera verrees +een tempel, waarin de priesters van Osiris voor de zielen van de +tallooze, in de doodenstad van Memphis bijgezette afgestorvenen gebeden +opzonden. Westwaarts, daar waar de zon zich achter de Lybische bergen +had verscholen, waar de vruchtdragende bodem vervangen werd door de +dorre woestijn, hadden de Memphiten hunne graven gebouwd. Daarheen +hielden de vrienden hunne blikken gericht, terwijl eene heilige +huivering en eene eerbiedige bewondering hunne lippen gesloten hielden. + +Toen het ranke vaartuig, door den noordenwind gestuwd, de rustplaats +der dooden en de ontzaglijke dammen [450], die de stad van Menes +tegen de overstroomingen van den machtigen vloed beveiligden, +voorbijgedreven was, en men de residentie der vorige pharao's nader +en nader kwam, en ten laatste de millioenen en millioenen lichten +zichtbaar werden, die ter eere der godin Neith allerwegen ontstoken +waren, raakten eindelijk de tongen los. Woorden van bewondering en +verrukking stroomden over de lippen, toen de reuzentempel van Ptah +[451], het oudste bouwwerk van dit eeuwenoude land, zich aan hunne +oogen vertoonde. Duizenden lampen verlichtten het huis van den god, +honderden vuren brandden op de poorten, op de tinnen der muren en +op de daken van het heiligdom. Tusschen de sphinxenrijen, die de +onderscheidene ingangen met het hoofdgebouw verbonden, gloeiden +brandende fakkels, en het ledige huis van den heiligen stier Apis +[452] glinsterde bij het flikkeren van ontelbare veelkleurige vlammen, +als een door het tropisch avondrood beschenen krijtberg. En boven +dien, langs al zijne omtrekken verlichten tempel fladderden wimpels, +en wapperden vanen, slingerden zich bloemfestoenen, en golfden de +welluidende tonen van muziek en gezang. + +»Heerlijk, heerlijk!" riep Rhodopis, die naar woorden zocht, om hare +opgetogenheid over dit betooverend schouwspel uit te drukken. »Zie +hoe die bont beschilderde zuilen en wanden schitteren; zie welke +zonderlinge schaduwen de obelisken en sphinxen werpen op den gelen +gladgepleisterden vloer der voorhoven!" + +»En welk een geheimzinnig donker," liet Cresus er op volgen, »heerscht +ginds in het heilige woud van den god! Nooit te voren heb ik iets +schooners gezien!" + +»Ik echter," verzekerde Darius, heb nog wonderlijker dingen aanschouwd, +en gij zult mij gelooven, als ik u zeg, dat ik getuige ben geweest +van de mysteriën van Neith." + +»O, verhaal ons daar iets van!" riepen de vrienden. + +»Neithotep weigerde eerst mij toegang te verschaffen. Toen ik hem +evenwel beloofde, dat ik mij verborgen zou houden en de vrijstelling +van zijn kind zou bewerken, bracht hij mij op zijne sterrenwacht, +vanwaar ik ver in het rond kon zien, en zeide, dat ik eene voorstelling +van de lotgevallen van Osiris en zijne gade Isis zou aanschouwen [453]. + +»Nauwelijks had hij mij verlaten, of ik zag vreemdsoortige, +veelkleurige lichten, die zulk een helderen gloed door het geheele +woud verspreidden, dat mijn blik tot in het binnenste gedeelte +kon doordringen. Voor mij lag een spiegelglad meer, door fraaie +boomen en bonte bloembedden omgeven. Vergulde booten dobberden op +het heldere water. In die booten zaten schoone knapen en meisjes in +sneeuwwitte kleederen, en zongen heerlijke liederen. Geen schipper +was er om ze te sturen, en toch gleden de vaartuigjes, met allerlei +sierlijke wendingen, als door eene tooverhand bestuurd over het effen +watervlak. Te midden dezer booten dreef een prachtig groot schip, +welks boorden flonkerden van edelgesteenten. Een schoone knaap scheen +de geheele bemanning uit te maken, maar het wonderbaarste was, dat +het roer hetwelk hij bestuurde, slechts uit eene witte lotusbloem +bestond, welker teedere blaadjes den waterspiegel te nauwernood +beroerden. In het midden van het vaartuig rustte op zijden kussens eene +met vorstelijke pracht uitgedoste vrouw van zeldzame schoonheid. Aan +hare zijde zat een man van meer dan menschelijke grootte, die eene +met klimop omkranste hooge kroon op de golvende lokken, een pantervel +om de schouders en een van boven omgebogen staf in de rechterhand +droeg. Op het achterschip stond, onder een dak van rozen, klimop en +lotusbloemen, eene sneeuwwitte koe [454], met gouden horens en een +purperen dekkleed over den rug. Die man was Osiris, die vrouw Isis, +die knaap aan het roer Horus, de zoon van het goddelijk paar, de koe +het heilige dier der onsterfelijke vrouw. Al de kleine booten voeren +het groote schip voorbij. Zoodra zij de bewoners des hemels naderden, +hieven de jongelingen en maagden een groot gejuich aan, welk eerbewijs +door een regen van bloemen en vruchten werd beantwoord. Eensklaps +barstte een onweder los, welks gerommel zich luider en luider +deed hooren, en ten laatste in een ijselijk gekraak overging. Toen +trad uit het donkerste gedeelte van het woud een vreeselijk man te +voorschijn. Hij was bedekt met de huid van een everzwijn, en zijn +afschuwelijk gelaat was omgeven door eene dichte massa roode verwarde +haren. Door zeventig mannen vergezeld, die er eveneens uitzagen, +sprong hij in het meer en zwom naar het schip van Osiris [455]. + +»Snel als de wind namen de kleine booten de vlucht, en de lotusbloem +ontzonk aan de bevende hand van den jeugdigen stuurman. Sneller dan de +gedachte wierp zich het monster op Osiris en versloeg hem, bijgestaan +door zijn ijzingwekkend gevolg, wierp het lijk in eene mummiekist en +deze in de golven, die als door tooverkracht de drijvende doodkist met +zich voerden. Intusschen had Isis in eene der kleine booten den vasten +wal bereikt, en dwaalde nu met loshangende haren, onder het uiten van +luide weeklachten en gevolgd door de jonkvrouwen, die evenals zij de +booten verlaten hadden, langs den oever. Allen zochten nu, onder het +uitvoeren van fantastische dansen en het zingen van roerende liederen, +waarbij de maagden met zwarte byssus-doeken, velerlei vreemde bogen +beschreven, het lijk van den verslagene.--De jongelingen bleven evenmin +werkeloos, maar brachten onder dans en hamerslag eene kostbare doodkist +voor het spoorloos verdwenen lijk in gereedheid. Toen deze voltooid +was, sloten zij zich bij de vrouwen van de droeve Isis aan, en zwierven +met haar, ijverig zoekende en treurliederen zingende, langs den oever. + +»Op eens vernam men eene zachte liefelijke stem, uit een onzichtbaren +mond, die, gedurig luider wordende, zong: + + + "Spoed u langs des Nijlstrooms boorden, + Treurende Isis, naar het Noorden; + Waar Egypte's heil'ge vloed + 't Brakke vocht van 't meer ontmoet, + Vindt gij den geliefde weder: + Aan den oever ligt hij neder, + Op zijn rietbed uitgestrekt, + 't Hoofd van leliën omgeven, + En door schom'lend groen gedekt. + Rozige flammingo's zweven, + Als zijn wachters dag en nacht + Om zijn goddelijke sponde, + En der nachtegalen klacht + Trilt weemoedig in het ronde." + + +»Alzoo zong die wonderbare stem, tevens meldende, dat het lijk van den +god naar Gebal [456] in Phoenicië was gedreven. De zoon van Neithotep, +die bij mij gebleven was, noemde dit gezang, dat mij in de ziel greep, +'den wind van het gerucht'. + +»Nauwelijks had Isis deze blijde tijding vernomen, of zij wierp haar +rouwgewaad af, en hief, begeleid door de stemmen van haar bekoorlijk +gevolg, een vroolijk jubellied aan. Het gerucht had haar niet misleid: +werkelijk vond de godin op den noordelijken oever van het meer de +lijkkist en het lichaam van haar god weder. Zoodra de kist onder zang +en dans aan wal was gebracht, wierp Isis zich op het geliefde lijk. Zij +riep Osiris bij zijn naam, en bedekte de mummie met duizend kussen, +terwijl de jongelingen een sierlijk grafgewelf van lotusbloemen en +klimopranken voor den doode vlochten. + +»Nadat het stoffelijk overschot van den geliefde was bijgezet, +verliet Isis de plaats van gejammer, om haar zoon op te zoeken. Zij +vond hem op den oostelijken oever van het meer, waar ik sedert lang +reeds een beeldschoonen jongeling had opgemerkt, die zich met andere +knapen van denzelfden leeftijd in het wapenspel oefende. Deze stelde +den intusschen veel grooter geworden Horus voor. + +»Terwijl zich de moeder in de aanschouwing van haar schoon kind +verheugde, ontstond er plotseling opnieuw een geweldig onweder, dat ten +tweeden male de nadering van den Typhon aankondigde. Het monster wierp +zich op het bloeiende graf van zijn slachtoffer, rukte het lichaam uit +de kist, en hieuw het in veertien stukken, die hij onder bazuingeschal +en zware donderslagen her- en derwaarts langs den oever strooide. + +»Toen Isis wederom het graf van haar echtgenoot naderde, vond zij niets +dan verwelkte bloemen en eene ledige kist; maar langs het meer vlamden, +op veertien verschillende plaatsen, in allerlei kleuren veertien vuren +op. De weduwe snelde met hare maagden op deze vuren toe, terwijl de +jongelingen met Horus aan hunne spits op den tegenoverliggenden oever +Typhon bevochten. + +»Ik wist niet, waarheen oogen en ooren het eerst te wenden. Hier +woedde, onder het ratelen van den donder en het geschetter van +trompetten, een verschrikkelijke krijg, waarvan ik de oogen niet +afwenden kon. Daar zongen lieftallige maagden, onder het uitvoeren +van tooverachtige dansen, onbeschrijfelijk opwekkende liederen. Isis +toch had bij ieder der plotseling ontvlamde vuren, waarvan ik zoo even +melding maakte, een der ledematen van haar echtvriend teruggevonden, +en vierde thans feest. + +»Dat dansen hadt gij moeten zien, Zopyrus! Het is mij onmogelijk u +de bevalligheid van al de bewegingen der jonkvrouwen te schetsen, +en gij kunt u evenmin voorstellen, hoe schoon het was, toen zij, na +schijnbaar in de grootste verwarring door elkander te hebben gezwierd, +op eens in onberispelijk regelmatige rijen tegenover elkaar stonden, om +dan opnieuw in een oogwenk de grootste verwarring met de volkomenste +orde te verwisselen. Bovendien schoten er gestadig verblindende +lichtstralen uit de dwarlende rijen. Ze werden veroorzaakt doordat +iedere danseres een spiegel tusschen de schouders had, die bij iedere +beweging eene flikkering teweegbracht, en wanneer zij stilstonden +het beeld van eene andere maagd weerkaatste. + +»Nauwelijks had Isis op éen na het laatste der ledematen [457] +van Osiris gevonden, of van den anderen oever werden jubelkreten +en zegeliederen gehoord. Horus had Typhon verslagen, en drong nu, +om zijn vader te bevrijden, de opene poort der onderwereld binnen, +die zich op den westelijken oever van het meer bevond, en bewaakt +werd door een grimmig vrouwelijk nijlpaard [458]. + +»Nu lieten zich al duidelijker en duidelijker liefelijke harp- en +fluittonen hooren. Een hemelsche geur steeg gestadig uit de aarde op, +en een rooskleurig licht verspreidde zich met toenemende helderheid +over het woud. Aan de hand van zijn roemrijken zoon verliet Osiris +de poorten der onderwereld. Isis snelde haar verlosten, haar uit den +doode verrezen echtgenoot in de armen, gaf den schoonen Horus opnieuw +in plaats van zijn zwaard eene lotusbloem in de hand, en strooide +bloemen en vruchten uit, terwijl Osiris zich onder een met klimop +omkransten troonhemel nederzette, en de hulde van al de geesten van +de aarde en den Amenthes [459] ontving." + +Darius zweeg. Na hem nam Rhodopis het woord. + +»Wij danken u voor uwe schoone beschrijving; maar nog grooter zou +onze erkentelijkheid zijn, als gij ons den zin wildet verklaren van +deze wonderlijke voorstelling, die toch zeker niet zonder hoogere +beteekenis is." + +»Uw vermoeden is juist," antwoordde Darius; »maar wat ik weet, moet +ik verzwijgen, want ik heb Neithotep onder eede beloofd, niet uit de +school te zullen klappen!" + +»Zal ik u zeggen," vroeg Rhodopis, »welke beteekenis ik, op grond +van de inlichtingen van Pythagoras en Onoephis, aan die voorstelling +hecht? Isis dunkt mij de liefderijke aarde te zijn, Osiris het water +dat de aarde drenkt, of de Nijl die haar vruchtbaar maakt, Horus +de jeugdige lente, Typhon de alles verzengende dorheid. De laatste +overwint Osiris, dat is de vochtigheid. De goede aarde, van hare +voortbrengingskracht beroofd, zoekt weeklagende den geliefden gade, +dien zij in het koelere noorden, waarheen de Nijl zich voortspoedt, +wedervindt. Eindelijk is Horus, de jeugdige groeikracht der natuur, +in sterkte toegenomen, en overwint nu Typhon of de dorheid. Osiris +was slechts schijndood, gelijk de vruchtbaarheid; hij stijgt nu +uit de onderwereld op, en regeert met zijne gade, de milde aarde, +opnieuw in het gezegende Nijldal." + +»En daar de verslagene God zich in de onderwereld loffelijk gedroeg," +schertste Zopyrus, »ontving hij, aan het slot dezer zonderlinge +vertooning, de hulde van alle bewoners van den Haméstegân, Duzakh en +Gorothman [460], of hoe men deze woningen van het geheele Egyptische +zielenheir ook noeme!" + +»Amenti wordt zij genoemd!" antwoordde Darius, terwijl hij een meer +opgeruimden toon aannam. »De geschiedenis van het goddelijk echtpaar +is echter niet alleen een zinnebeeld van het leven der natuur, maar +verkondigt ook dat de menschelijke ziel na den lichamelijken dood, +evenals de verslagen Osiris, niet ophoudt te leven." + +»Wel bedankt," antwoordde de ander; »ik zal er om denken voor het +geval, dat ik in Egypte sterf. In elk geval moet ik een volgenden +keer dit schouwspel bijwonen, het koste wat het wil." + +»Ik deel uw wensch," zeide Rhodopis, »gij zult het der oude vrouw +wel niet euvel duiden, dat zij nieuwsgierig is." + +»Gij blijft eeuwig jong!" viel Darius haar in de rede. »Uwe taal is +zoo schoon gebleven als uw aangezicht, en uw geest is even helder +als uw oog!" + +»Vergeef mij," riep Rhodopis, als had zij dit vleiend woord niet +gehoord, »dat ik u in de rede val. Van oogen sprekende, doet gij mij +denken aan den oogarts Nebenchari, en mijn geheugen is zoo verzwakt, +dat ik, voordat ik het vergeet, u eenige inlichtingen omtrent hem +moet vragen. Ik hoor niets meer van den kundigen man, aan wien toch +de edele Cassandane zoo veel verschuldigd is." + +»Hij is zeer te beklagen!" antwoordde Darius. »Reeds gedurende den +tocht naar Pelusium vermeed hij allen omgang met iedereen, zoodat +hij zelfs van zijn landgenoot Onoephis niets wilde weten. Niemand +dan zijn oude broodmagere knecht mocht hem bedienen en gezelschap +houden. Na den slag echter onderging zijn geheele wezen plotseling +eene verbazende verandering. Met een gelaat, waarop zijne verrukking +stond te lezen, trad hij voor den koning, om hem verlof te vragen, +Megabyzus naar Saïs te mogen vergezellen, en zich twee burgers dier +stad tot slaven uit te kiezen. Cambyzes meende den weldoener zijner +moeder geene bede, welke ook, te mogen weigeren, en voorzag hem dus +van de vereischte volmacht. In de residentie van Amasis aangekomen, +spoedde hij zich naar den tempel van Neith, deed den opperpriester, +die zich bovendien aan het hoofd had gesteld der oproerige burgers, +en een door hem gehaten oogarts in hechtenis nemen, en verklaarde +hun, dat zij, tot straf voor het verbranden van zekere geschriften, +van dien dag tot hun dood een Pers, aan wien hij hen zou verkoopen, +in den vreemde de gemeenste slavendienst zouden moeten bewijzen. Ik +was getuige van dit tooneel, en ik kan niet ontkennen, dat ik een +zekere vrees, waarvan ik mij zelven geen rekenschap kon geven, voor +den Egyptenaar gevoelde, toen ik hem zijn vijanden aldus hun vonnis +hoorde aankondigen. Neithotep liet hem uitspreken, en zeide toen, +zonder den minsten angst te laten blijken: 'Als gij, dwaze zoon, +ter wille van uwe verbrande geschriften, uw vaderland verraden hebt, +zoo hebt gij even onrechtvaardig als onverstandig gehandeld. Ik heb +uwe kostbare werken met zorg bewaard; ik heb ze in onzen tempel doen +bergen, en er een afschrift van gezonden aan de boekverzameling te +Thebe. Wij hebben niets doen verbranden, dan alleen de door Amasis +aan uw vader geschrevene brieven en eene oude kist, die geene waarde +had. Psamtik en Petammon waren daarbij tegenwoordig, en besloten, +u, tot dank voor uwe geschriften en als vergoeding voor de papieren, +die wij, om Egypte te redden, oordeelden te moeten verbranden, in de +doodenstad een nieuw erfelijk graf te doen bouwen. Op de wanden er +van zult gij in sierlijk schilderwerk het aantal en den inhoud uwer +werken, uw stamboom en vele andere schoone voorstellingen vinden, +die op u betrekking hebben.' + +»De arts verbleekte, en liet zich eerst bij zijne boeken, daarna +in zijn nieuw prachtig grafvertrek brengen. Hierop schonk hij zijne +slaven, die niettemin als gevangenen naar Memphis waren gevoerd, de +vrijheid, en ging, waggelend als een dronkaard en onophoudelijk de +hand over zijn voorhoofd strijkende, naar zijn huis. Hier stelde hij +zijn testament op, waarbij hij den kleinzoon van zijn ouden knecht Hib +als erfgenaam van al zijne goederen aanwees, en begaf zich toen, onder +voorwendsel dat hij zich plotseling ongesteld gevoelde, te bed. Den +volgenden morgen vond men hem dood. Door gebruik van het vreeselijke +strychnos-sap [461] had hij een einde aan zijn leven gemaakt." + +»Ongelukkige man!" riep Cresus, »Door de goden met blindheid geslagen, +moest hij, als verrader van zijn vaderland, in plaats van wraak, +wanhoop oogsten." + +»Ik beklaag hem van harte!" zeide Rhodopis zachtkens, als in +gedachten. »Maar zie, reeds halen de roeiers hunne riemen in. Wij +hebben onze bestemming bereikt; ginds wachten uwe draagstoelen en +wagens. Het is een heerlijk tochtje geweest! Vaarwel, vrienden, komt +mij spoedig te Naucratis opzoeken. Ik keer met Syloson en Theopompus +aanstonds derwaarts terug. Geef aan de kleine Parmys uit mijn naam +honderd kussen, en zeg aan Melitta, dat zij met het kind omstreeks den +middag niet buiten moet gaan. Dat is niet goed voor de oogen. Goeden +nacht, Cresus,--goeden nacht, vrienden! Vaarwel, beste zoon!" + +De Perzen verlieten, wuivende en groetende, het schip. Ook Bartja +keerde zich nog eens om, maar struikelde daarbij, en viel op den +grond. Zopyrus snelde toe en riep zijn vriend, die reeds zonder zijn +hulp was opgestaan, lachend toe: »Pas op, Bartja! Het spelt geen +geluk, als men bij het aan wal stappen valt.--Ook ik ben gevallen, +toen wij te Naucratis het schip verlieten." + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + +Terwijl deze Nijltocht plaats had, was de gezant Prexaspes uit het land +der langlevende Ethiopiërs, waarheen Cambyzes hem had afgevaardigd, +teruggekeerd. Hij gaf hoog op van de grootte en de lichaamskracht +dezer menschen, schilderde den weg naar hun gebied af als ten +eenenmale ontoegankelijk voor een groot leger, en verhaalde van hen +de wonderlijkste dingen. De Ethiopiërs waren gewoon den schoonste en +sterkste van hun volk tot koning te verkiezen, en gehoorzaamden hun +vorst onvoorwaardelijk. Velen hunner werden honderdtwintig jaren oud; +niet weinigen bereikten nog hoogeren leeftijd. Hunne spijs was gekookt +vleesch, hun drank versche melk. Zij wieschen zich in eene bron, +welker water een violengeur had, aan de huid een eigenaardigen glans +mededeelde en zoo licht was, dat hout er in zonk. Hunne gevangenen +droegen gouden ketenen, daar het ijzer bij hen bijzonder zeldzaam +en duur was. Hunne dooden werden met gips omgeven, en vervolgens met +eene glasachtige pap begoten. Men was gewoon deze lijkzuilen een jaar +lang in huis te bewaren. Gedurende dien tijd brachten zij offers aan +de nagedachtenis der afgestorvenen, en plaatsten ze later rondom de +stad op lange rijen. + +De koning van dit vreemde volk had de geschenken, hem vanwege Cambyzes +aangeboden, met een minachtenden lach aangenomen, en geantwoord, +dat hij zeer wel wist, dat den Perzen aan zijne vriendschap niets +gelegen was, en dat Prexaspes alleen kwam als verspieder. Indien +de Aziatische vorst rechtschapen was, zou hij zich vergenoegen met +zijn uitgestrekt rijk, en de vrijheid van een volk, dat hem nooit +iets in den weg had gelegd, niet belagen. »Breng uw koning dezen +boog," zeide hij, »en raad hem niet tegen ons te velde te trekken, +tenzij de Perzen wapenen als dit even gemakkelijk weten te hanteeren +als wij. Overigens mag Cambyzes de goden wel dankbaar zijn, dat het +den Ethiopiërs nog niet in den zin is gekomen, door veroveringen hun +gebied te vergrooten!" Dit gezegd hebbende, ontspande hij zijn boog, +en gaf dien aan Prexaspes. + +Deze stelde thans het kolossale, uit ebbenhout vervaardigde wapen zijn +vorst ter hand. Cambyzes maakte zich zeer vroolijk over den pochenden +Afrikaan, noodigde tegen den volgenden morgen zijne grooten uit, om +tegenwoordig te zijn bij de proefneming met den boog, en beloonde +Prexaspes voor zijne moeielijke reis, en de uitmuntende wijze, +waarop hij de hem toevertrouwde zending had volbracht. Dronken als +gewoonlijk begaf hij zich te bed, en sliep zeer onrustig. Hij droomde, +dat Bartja op den Perzischen koningstroon zat en met zijn hoofd aan +den hemel raakte. Deze droom, tot welks verklaring hij de hulp van +mobeds noch Chaldaeërs van noode had, maakte eerst zijn toorn gaande, +doch stemde hem vervolgens tot nadenken. + +»Hebt gij niet," zoo vraagde hij zichzelven af, »uw broeder +overvloedige reden tot wraakneming gegeven? Kan hij het wel vergeten +zijn, dat gij hem onschuldig in den kerker geworpen en ter dood +veroordeeld hebt? Ingeval hij tegen u opstond, zouden dan niet alle +Achaemeniden zich aan zijne zijde scharen? Want wat hebt gij ooit +gedaan, om u de liefde dezer veile hovelingen te verzekeren? En wat +kunt gij in het vervolg doen, om hen te winnen? Bestaat er sedert den +dood van Nitetis en het vertrek van dien zonderlingen Helleen nog een +eenig mensch, dien gij vertrouwen, op wiens liefde gij rekenen kunt?" + +Deze vragen brachten zijn verhit bloed zoozeer aan het koken, dat +hij van zijne legerstede opvloog, uitroepende: »De liefde wil niets +van mij, ik wil niets van de liefde weten! Anderen mogen het met +goedheid beproeven, ik moet onverbiddelijk streng zijn; anders toch +lever ik mij zelven over in de handen van wie mij haten, omdat ik +rechtvaardig ben geweest en zware overtredingen door zware straffen +heb doen boeten. In mijn bijzijn prevelen zij slechts vleitaal; +achter mijn rug vervloeken ze mij met luider stem!--Zelfs de goden +zijn mij vijandig, want zij ontrooven mij alles wat mij dierbaar +is, schenken mij zelfs geen zoon, en onthouden mij den krijgsroem, +die mij toekomt! Is dan Bartja zooveel beter dan ik, dat hem alles, +wat ik missen moet, honderdvoudig ten deel valt? Liefde, vriendschap, +eer, kinderen, alles wordt hem in den schoot geworpen, gelijk aan de +zee de wateren der stroomen toevloeien, terwijl mijn hart evenals de +woestijn steeds dorder wordt.--Maar nog ben ik koning; nog kan ik hem +toonen, wie van ons beiden de sterkste is, al reikt zijn hoofd ook +aan den hemel! Slechts éen mag de grootste zijn in Perzië! Hij of +ik, ik of hij! Binnenkort zal ik hem naar Azië terugzenden, en hem +tot satraap van Baktrië maken. Laat hij zich daar door zijne vrouw +liederen doen voorzingen en zijn kind in slaap sussen, terwijl ik +in den strijd met de Ethiopiërs roem verwerf, dien mij dan niemand +betwisten zal! Hei daar, aankleeders! Brengt mij mijne kleederen en +een fikschen morgendrank! Ik verlang de Perzen te toonen, dat ik de +rechte man ben om koning over de Ethiopiërs te zijn, en hen allen in +het boogspannen de baas ben! Nog éene teug! Ik zal het wapen spannen, +ook al ware de pees een scheepskabel, en de boog een cederboom!" + +Dit gezegd hebbende, ledigde hij in éen teug een reusachtigen, ten +boorde met wijn gevulden drinkbeker, en begaf zich daarop, in het volle +bewustzijn zijner geweldige kracht, en overtuigd van zijne aanstaande +zegepraal, naar den slottuin, waar al de grooten van het rijk den +koning wachtten, en hem met luid gejuich ontvingen, den grond met het +voorhoofd beroerende. Tusschen de geschorene hagen en rechtlijnige +boomrijen waren in der haast staken opgericht, met scharlaken reepen +aan elkaar gebonden. Aan gouden en zilveren ringen wapperden van den +top dier staken roode, gele en donkerblauwe vanen [462]. Talrijke +banken van verguld hout waren in een wijden kring gerangschikt, en +noodigden de aanwezigen uit, om zich neder te zetten, terwijl vlugge +schenkers in gouden vaatwerk wijn aanbrachten, dien zij allen, die +tot het spannen van den reuzenboog hier verzameld waren, aanboden. + +Op een wenk van den koning rezen de Achaemeniden uit hunne eerbiedige +houding op. Hij monsterde allen met zijne blikken, en scheen aanstonds +veel vroolijker gestemd, toen hij bemerkte, dat Bartja afwezig was. Nu +stelde Prexaspes den monarch het Ethiopische wapen ter hand, en toonde +hem eene, op vrij grooten afstand opgerichte schijf. Cambyzes lachte +over de grootte van den boog, woog dien met de rechterhand, en verzocht +de aanwezigen hun geluk vóor hem te beproeven. Hij overhandigde den +boog het eerst aan den grijzen Hystaspes, als zijnde de aanzienlijkste +der Achaemeniden. + +Terwijl eerst deze, vervolgens de hoofden der zes andere voornaamste +Perzische geslachten tevergeefs al hunne krachten uitputten, om het +ontzaglijke wapen te spannen, ledigde de koning beker op beker, en werd +des te vroolijker, hoe minder het een hunner gelukken mocht, aan de +door den Ethiopischen koning gestelde voorwaarden te voldoen. Eindelijk +kwam de beurt aan Darius, die beroemd was om zijne vaardigheid in het +spannen van den boog. Maar, ofschoon hij al zijn krachten verzamelde, +bracht hij het niet verder, dan dat hij het ijzerharde hout éen vinger +breed deed buigen. De koning knikte hem vriendelijk toe, en riep, met +trotschen blik zijne bloedverwanten en grooten aanziende: »Geef mij +thans den boog, Darius! Ik zal u toonen, dat er slechts éen in Perzië +leeft, die den naam van koning verdient, dat slechts éen berekend is, +om tegen de Ethiopiërs te vechten, dat slechts éen bij machte is, +dezen boog te spannen!" + +Nu vatte hij het wapen aan, omklemde het hout met de linker-, en de +vingerdikke pees van leeuwendarmen met de rechterhand, haalde diep +adem, kromde den breeden rug en trok, en trok, en raapte al zijne +krachten samen, en spande al zijne spieren, tot zij gevaar liepen +vaneen te rijten en de aderen op zijn voorhoofd dreigden te springen, +en werkte zelfs met de voeten, om het reuzenwerk te volbrengen;--maar +alles tevergeefs. Na een kwartier lang zijne krachten op schier +bovenmenschelijke wijze te hebben ingespannen, was hij volkomen +uitgeput, en hernam het ebbenhout, dat hij veel verder dan Darius had +saamgebogen, weder zijn rechten stand, spottende met al de pogingen +van dezen reus. Nu wierp de koning het wapen woedend van zich af, +en riep: »De Ethiopiër is een leugenaar! Geen sterveling heeft ooit +dezen boog gehanteerd! Wat mijne armen niet vermogen, kan niemand ter +wereld doen! Binnen drie dagen rukken wij naar Ethiopië op. Dan zal ik +den bedrieger tot een tweegevecht uitdagen, en u doen zien, wie van +ons de sterkste is. Raap den boog op, Prexaspes, en bewaar hem goed, +want ik wil den ellendigen leugenaar met de pees er van verworgen. Dat +hout is harder dan ijzer. Wie in staat is het te spannen, hem noem ik +volgaarne mijn meester, want hij is voorwaar van beter maaksel dan ik!" + +Nauwelijks had hij dit gezegd, of Bartja trad in den kring der +verzamelde Perzen. Een rijk gewaad omgaf zijne schoone gestalte. Zijn +gelaat straalde van geluk en in zijne trekken was te lezen, dat hij +zich van zijne kracht bewust was. Vriendelijk groetende, ging hij door +de rijen der Achaemeniden, die den geliefden zoon van Cyrus met blijde +verwondering verwelkomden, en trad naar zijn broeder toe, kuste diens +gewaad, en zeide, hem vrij en onbevreesd in de donkere oogen ziende: +»Ik kom een weinig over mijn tijd, en vraag u daarvoor vergeving, +mijn doorluchtige heer en broeder. Of ben ik nog ter juister ure +gekomen? Ja, waarlijk, ik zie nog geen pijl in de schijf, en begrijp +dus, dat gij, de beste schutter van de wereld, uwe krachten nog niet +beproefd hebt! Gij ziet mij vragend aan? Welnu, ik wil u bekennen, +dat ons kind mij een weinig heeft opgehouden. Het popje lachte heden +voor het eerst, en lag zoo lief in den schoot zijner moeder, dat ik +er de oogen niet van kon afwenden, en niet merkte, dat het intusschen +mooi laat werd.--Spot vrij met mijne dwaasheid, ik schaam er mij +haast over! En zie nu eens, daar heeft het kleine ding waarlijk de +ster van mijn halsketen gerukt! Welnu, beste broeder, als mijn pijl +het middenpunt van de schijf doorboort, zult gij mij zeker wel eene +nieuwe schenken. Mag ik het eerst schieten, of wilt gij, mijn koning, +een begin maken?" + +»Geef hem den boog, Prexaspes!" antwoordde Cambyzes, den jongen man +nauwelijks met een blik verwaardigende. + +Toen Bartja het wapen in de handen had genomen, en boog en pees +zorgvuldig wilde onderzoeken, zeide de koning met een smadelijken +lach: »Ik geloof, bij Mithra, dat gij dit wapen, evenals de harten +der menschen, met smeekende blikken wilt trachten te vermurwen. Geef +Prexaspes den boog maar terug! Het is gemakkelijker met schoone +vrouwen en lachende kinderen te spelen, dan met dit wapen, dat met +de kracht van mannen spot!" + +Bij deze op bitteren toon geuitte woorden werd Bartja's gelaat met een +blos van toorn en verontwaardiging overtogen. Hij nam den reusachtigen +pijl, die vóor hem op den grond lag, zwijgend in de rechterhand, +plaatste zich tegenover de schijf, verzamelde al zijne krachten, +trok met alle mogelijke inspanning de pees aan, spande den boog, +en deed den gevederden pijl de lucht klieven met zulk eene kracht, +dat de ijzeren spits diep in het midden van de schijf drong, terwijl +de houten schacht aan splinters vloog [463]. + +De meeste Achaemeniden hieven een luid gejuich aan bij de aanschouwing +van dit bewijs van reuzenkracht, terwijl de boezemvrienden van den +jongen overwinnaar doodsbleek werden, en zwijgend nu eens den van +woede bevenden koning, dan weer den niets kwaads vermoedenden Bartja +aanstaarden. Akelig voorzeker was het, den koning aan te zien. Het was +hem, als had de in de schijf gedrongen pijl zijn eigen hart, zijne +waardigheid, zijne kracht, zijne eer doorboord. Zijne oogen schoten +vuur, terwijl zijne wangen vaalbleek werden, en zijne rechterhand +krampachtig den arm van den naast hem staanden Prexaspes omklemde. Deze +vermoedde maar al te goed wat de greep van de koninklijke hand +beduidde, en zeide zacht tot zichzelven: »Arme Bartja!" + +Eindelijk gelukte het den koning zijne drift meester te worden. Zonder +een woord te spreken wierp hij zijn broeder eene gouden keten toe, +beval zijne grooten hem te volgen, verliet den tuin, en begaf zich naar +zijne vertrekken, waar hij rusteloos op en neder liep, en zijn wrok in +den wijn zocht te smoren. Plotseling scheen hij een bepaald besluit te +hebben genomen. Hij gebood al zijne hovelingen, met uitzondering van +Prexaspes, de zaal te verlaten, en riep dezen, toen de anderen zich +verwijderd hadden, met een waanzinnigen blik en heesche stem toe: +»Dit leven is niet langer uit te houden! Ruim gij mij dien vijand +uit den weg, en ik zal u mijn vriend en mijn weldoener noemen!" + +Prexaspes ontstelde hevig, wierp zich voor den monarch ter aarde en +hief smeekend de handen tot hem op. Doch Cambyzes had te veel wijn +gebruikt, en was te verblind door zijn haat, om dit gebaar van den +hoveling te verstaan. Hij meende, dat de gezant met dien voetval zijne +onderdanigheid wilde te kennen geven, gaf hem met een wenk te verstaan, +dat hij van den grond zou oprijzen, en fluisterde, als vreesde hij +zijne eigene woorden te hooren: »Handel spoedig en heimelijk! Niemand +buiten u en mij mag, als uw leven u lief is, aangaande den dood van dit +troetelkind der fortuin iets weten. Ga en neem, als de daad volbracht +is, zooveel uit mijne schatkamer als gij wilt! Maar wees voorzichtig, +want de knaap heeft een sterken arm en verstaat de kunst zich vrienden +te maken. Bedenk wel, als hij u met zijne gladde tong uw plicht doet +verzaken, dat uwe vrouw en kinderen in mijne macht zijn!" + +Dit zeggende ledigde hij opnieuw een beker vol onaangelengden wijn, +verliet met wankelende schreden het vertrek, en stamelde, terwijl +hij Prexaspes den rug toekeerde, alsof hij tot zichzelven sprak, met +een heesche keel en met gebalde vuist: »Wee over u en de uwen, indien +die vrouwenheld, dat gelukskind, die eerroover in het leven blijft!" + +Reeds lang had de koning de zaal verlaten, en nog altijd stond +Prexaspes op dezelfde plaats, als ware hij plotseling versteend. De +eerzuchtige, maar niet onedele hoveling was verplet door dien +vreeselijken hem opgedragen last. Hij wist dat, zoo hij weigerde +dezen ten uitvoer te brengen, dood of ongenade hem en de zijnen +bedreigde. Maar hij had Bartja lief, en gruwde bij de gedachte, dat +hij zich tot een sluipmoordenaar zou laten gebruiken. Hij had in zijn +binnenste een geweldigen strijd te strijden, die nog voortwoedde, +lang nadat hij het paleis reeds verlaten had. Op weg naar zijn huis +ontmoette hij Cresus en Darius. Hij verborg zich voor hen achter de +vooruitspringende poort van een groot Egyptisch huis, want het was +hem als moesten zij het hem aanzien, dat hij op het punt was het +pad der misdaad te betreden. Toen de twee mannen voorbijgingen, +hoorde hij Cresus zeggen: »Ik heb den voortreffelijken jongeling +bitter verweten, dat hij zoo ontijdig zijne krachten heeft getoond, +en wij moeten inderdaad de goden danken, dat Cambyzes in een aanval +van razernij zich niet aan hem vergrepen heeft. Hij heeft thans aan +mijn raad gehoor gegeven, en is met zijne vrouw naar Saïs geweken. Hij +moet in de eerste dagen den koning maar niet onder de oogen komen; +de wrok van Cambyzes mocht eens opnieuw ontwaken, en een dwingeland +vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren...." + +Bij deze laatste, nog ter nauwernood voor Prexaspes verstaanbare +woorden kromp hij van schaamte ineen, als had Cresus hem reeds in het +aangezicht dezen schandelijken moord verweten; hij besloot, wat er +ook de gevolgen van mochten zijn, zich rein te houden van het bloed +van zijn vriend. Nu trad hij weder met opgerichten hoofde voort, tot +hij het huis bereikte, dat hem tot verblijf was aangewezen. Aan den +ingang huppelden hem zijne twee zonen te gemoet. Zij waren voor een +oogenblik uit de speelplaats der jonge Achaemeniden, die als altijd het +leger waren gevolgd, weggeslopen om hun vader te begroeten. Met eene +buitengewone ontroering, van welke hij zichzelven geene rekenschap kon +geven, drukte hij de schoone kinderen aan zijn hart, en omarmde hen +nogmaals, toen zij zeiden naar de speelplaats te moeten terugkeeren, +zoo zij geene straf wilden oploopen. In zijne woning vond hij zijne +meest geliefde vrouw, met haar jongste kind, een aanvallig meisje, op +den schoot spelende. Zoodra hij haar zag werd hij bij vernieuwing door +die onverklaarbare ontroering aangegrepen. Hij bedwong haar echter, +om der geliefde vrouw zijn geheim niet te verraden, en zonderde zich +ijlings in zijn vertrek af. + +Intusschen was het nacht geworden. Tevergeefs poogde hij den slaap te +vatten; onophoudelijk wentelde hij zich op zijn leger heen en weder, +gefolterd door de ijselijke gedachte, dat zijne weigering om aan +'s konings verlangen te voldoen, ook zijne vrouw en kinderen in het +verderf zou sleepen. Ten laatste had hij de kracht niet meer bij zijn +edel voornemen te volharden, en hetzelfde woord van Cresus, dat een +beter gevoel in zijne borst de zege had doen behalen, bracht de stem +van zijn geweten thans tot zwijgen. »Een dwingeland vindt ten allen +tijde gewetenlooze dienaren!" Hierin lag eene beschuldiging tegen hem +opgesloten, ja, maar het gaf tevens te kennen, dat, zoo hij den koning +ook al trotseerde, honderd anderen bereid zouden zijn diens bevel ten +uitvoer te brengen. Nauwelijks was hem deze waarheid volkomen duidelijk +geworden, of hij sprong van zijn leger op, onderzocht de dolken, die +in geregelde orde boven hem waren opgehangen, en legde den scherpsten +op het voor hem staande tafeltje. Daarop liep hij de kamer in gepeins +op en neder, telkens naar het venster gaande, om te zien of het niet +begon te lichten, en om zijn gloeiend voorhoofd af te koelen. + +Toen eindelijk de duisternis van den nacht had plaats gemaakt voor +het heldere morgenlicht, en de klank van het metalen bekken, dat +de knapen tot het ochtendgebed opriep, hem opnieuw aan zijne zonen +herinnerde, onderzocht hij bij vernieuwing de scherpte van zijn +dolk. Toen eenige rijkgetooide hovelingen, die op weg waren naar +den koning, zijne woning voorbijreden, bevestigde hij het wapen aan +zijn gordel. Toen ten laatste het vroolijk lachen van zijn jongste +kind uit het vrouwenvertrek tot hem doordrong, zette hij met zekere +haast zijn tulband op, en ging, zonder zijne vrouw vaarwel te zeggen, +door verscheidene slaven vergezeld naar den Nijl, wierp zich daar in +eene boot, en beval den roeiers hem dadelijk naar Saïs te brengen. + + + +Eenige uren na het noodlottige boogschot had Bartja, gehoor +gevende aan den raad van Cresus, zich met zijne jonge vrouw naar +Saïs begeven. Daar vond hij Rhodopis, die naar Saïs was gegaan, +in plaats van naar Naucratis terug te keeren. Een onverklaarbaar +angstig voorgevoel had de oude vrouw daarheen doen trekken. Na dat +pleiziertochtje was Bartja gevallen, gelijk wij weten, en met eigen +oogen had zij gezien hoe een uil, van de linkerzijde komende, dicht +langs zijn hoofd was voorbijgevlogen. Waren deze slechte voorteekens +reeds meer dan voldoende om haar hart, dat nog niet geheel verheven +was boven het bijgeloof van dien tijd, te verontrusten, en in haar +den wensch te doen oprijzen, in de nabijheid van het jeugdig echtpaar +te blijven, de daaraan volgende nacht, in welken zij door allerlei +verwarde droomen als bestormd werd, bracht haar besluit tot rijpheid, +om te Saïs hare kleindochter op te wachten. + +Het vorstelijke paar verheugde zich hartelijk over de lieve onverwachte +gast, en voerde Rhodopis, nadat deze haar achterkleindochter, +die den naam Parmys [464] droeg, naar hartelust geliefkoosd had, +in de voor haar bestemde vertrekken. Het waren dezelfde, waar +de ongelukkige Tachot de laatste treurige maanden van haar leven +had doorgebracht. Met aandoening beschouwde Rhodopis al die kleine +voorwerpen, die niet alleen de kunne en den leeftijd der overledene, +maar ook hare neigingen en haar gemoedstoestand verrieden. Op de +kleedtafel stonden een aantal zalfpotjes en fleschjes [465] met +reukwerk, blanketsel en oliën. In eene doos [466] die met verrassende +juistheid de gedaante eener Nijlgans vertoonde, en in eene andere, op +welker eene zijde eene luitspeelster was geschilderd, werden eenmaal +de rijke gouden sieraden van de koningsdochter bewaard. Die metalen +spiegel, welks handvat eene sluimerende jonkvrouw voorstelde [467], +had meermalen het schoone, zacht blozende gelaat der afgestorvene +weerkaatst. Het geheele meubilair van het vertrek, van het sierlijke +rustbed, door leeuwenklauwen gedragen, tot de uit elpenbeen kunstig +gesneden kammen, die op de kleedtafel lagen, bewezen, dat de vroegere +bewoneres dezer vertrekken met haar geheele hart aan de uitwendigheden +des levens was gehecht geweest. Het gouden sistrum en de kunstig +bewerkte nabla, waarvan de snaren voorlang reeds gesprongen waren, +getuigden van de liefde der koningsdochter voor de muziek, terwijl +het in een hoek liggende gebrokene elpenbeenen spinrokken en eenige +begonnen netten van koralen [468] bewezen, dat zij ook niet afkeerig +was geweest van vrouwelijken arbeid. + +Met een weemoedig welgevallen beschouwde Rhodopis al deze +voorwerpen. In hare verbeelding maakte zij zich uit deze gegevens +eene voorstelling van het Egyptische leven, die slechts weinig van +de waarheid afweek. Eindelijk ging zij, door nieuwsgierigheid en +belangstelling gedreven, naar eene groote beschilderde kist, en opende +het lichte deksel ervan. Dadelijk viel haar oog op eenige gedroogde +bloemen: daarop ontdekte zij een bal, die door eene bekwame hand in +sinds lang reeds verdroogde rozebladeren was gewikkeld; vervolgens +zag zij eene menigte amuletten van onderscheidene gedaanten, waarvan +sommige de godin der waarheid voorstelden, terwijl andere bestonden +uit met tooverspreuken beschreven papyrusblaadjes, die in een gouden +doosje waren geborgen. Eindelijk zag zij eenige met Grieksche letters +geschrevene brieven. Zij kon de verzoeking niet weerstaan die in +handen te nemen, en bij het schijnsel der lamp te lezen. Het waren +brieven door Nitetis uit Perzië geschreven aan hare gewaande zuster, +van wier ziekte zij geene kennis droeg. Toen Rhodopis deze brieven weer +nederlegde baadden hare oogen in tranen. Het geheim der overledene lag +thans voor haar open en bloot. Nu wist zij, dat Tachot Bartja bemind +had, dat zij die verlepte bloemen van hem ontvangen en dien bal, als +eene gedachtenis aan het oogenblik, waarin hij haar dezen toewierp, +in rozen gewikkeld had. De amuletten waren voorzeker bestemd geweest, +òf om haar krank hart te genezen, òf om in de borst van den koningszoon +wederliefde op te wekken en aan te kweeken. + +Toen zij ten laatste deze brieven op hunne oude plaats wilde +nederleggen, en eenige doeken, die den bodem der kist schenen te +bedekken, met de hand aanraakte, bespeurde zij, dat zij een hard, +rond voorwerp verborgen. Zij lichtte ze dus op, en vond nu eene kleine +buste van gekleurd was, welke Nitetis voorstelde, en zoo volkomen +geleek, dat Rhodopis een kreet van verbazing niet kon onderdrukken, +en gedurende geruimen tijd de oogen van dit meesterstuk van Theodorus +den Samiër niet af kon wenden. Eindelijk begaf zij zich ter ruste en +sliep spoedig in, hare laatste gedachten aan het ongelukkige lot der +Egyptische koningsdochter wijdende. + +Den volgenden morgen trad zij den tuin in, dien wij bij het leven +van Amasis reeds eenmaal bezochten, en vond daar in een priëel van +wijngaardloof hen, die zij zocht. Sappho zat op een fijn gevlochten +stoel. In haar schoot lag haar zuigeling, geheel naakt. Het kindeke +strekte de mollige handjes en voetjes nu eens naar zijn vader, die +voor de jonge vrouw lag neergeknield, dan naar zijne moeder uit. Als de +vingertjes van het wichtje bij wijle verdwaald raakten in de lokken of +den baard van den jongen held, trok hij zijn hoofd zachtkens terug, +om de kracht van de kleine te meten en haar het gevoel te geven, +als had zij duchtig huisgehouden in zijne haren. Als de spartelende +voetjes zijn gezicht raakten, nam hij ze in de hand en kuste de roode, +fijn gevormde teentjes en voetzolen, die nog zoo zacht en teeder waren +als de wangen eener maagd. Als de kleine Parmys een zijner vingers +omklemde, deed hij alsof hij zijne hand niet los kon krijgen, en hield +hij niet op de mollige schouders, òf de kuiltjes in de ellebogen, +òf het blanke rugje van het aanvallige schepseltje te kussen. + +Sappho genoot onuitsprekelijk in de aanschouwing van dit onschuldig +spel, en beproefde de aandacht van het kind uitsluitend op den vader +te vestigen. Af en toe boog zij zich over de kleine heen, om een +kus te drukken op het gevulde halsje of op de koraalroode lipjes, +en dan gebeurde het wel eens, dat haar voorhoofd in aanraking kwam +met de lokken van haar echtvriend, die dan geregeld den voor het +kindje bestemden kus van hare lippen stal. + +Rhodopis was eenige oogenblikken ongemerkt getuige van dit schuldelooze +spel. Met tranen in de oogen bad zij de goden, dit onuitsprekelijke +reine geluk toch niet te verstoren. Ten laatste trad zij nader, +riep beiden een opgeruimd »goeden morgen" toe, en prees de oude +Melitta voor hare trouwe zorg, daar zij, met een groot zonnescherm +gewapend, gekomen was om de kleine Parmys te slapen te leggen en +aan het blakerende zonnelicht te onttrekken. De oude slavin was tot +eerste voedster van de vorstelijke zuigeling aangesteld, welk ambt +zij met de uiterste nauwgezetheid en met eene koddige waardigheid +bekleedde. Zij had de oude stramme leden in een rijk Perzisch gewaad +gestoken, en voelde zich onbeschrijfelijk gelukkig nu zij bevelen +mocht uitdeelen, iets dat haar nog nooit was overkomen, terwijl zij +de vele onder haar staande slavinnen met eene nederbuigende goedheid +bejegende en onophoudelijk in beweging hield. + +Sappho volgde de oude dienstmaagd op den voet, na nog haar molligen +arm om den hals van haar man geslagen en hem op vleienden toon in het +oor gefluisterd te hebben: »Zeg toch alles aan grootmoeder en vraag +haar, of zij u gelijkgeeft!" + +Voor dat Bartja haar kon antwoorden, had zij hem op den mond gekust, +en was zij de statig voortstappende Melitta nagesneld. + +De koningszoon zag haar lachend na, en vergat een oogenblik het +bijzijn der eerwaardige vrouw, weggesleept door zijne bewondering +van haar zwevenden tred en hare schoone gestalte. Spoedig echter +bezon hij zich, en vroeg, Rhodopis aanziende: »Vindt gij ook niet, +dat zij den laatsten tijd grooter is geworden?" + +»Dat schijnt maar zoo," was het antwoord. »Als maagd heeft de vrouw +zeker iets eigenaardigs en bekoorlijks: doch eerst de moedernaam +schenkt haar de rechte waardigheid. Als moeder mag zij 't hoofd met +meer fierheid oprichten. Wij meenen dan, dat zij lichamelijk grooter +is geworden, terwijl zij zich slechts door het bewustzijn, aan hare +bestemming beantwoord te hebben, innerlijk veredeld voelt!" + +»Ja, ik geloof dat zij gelukkig is," zeide Bartja. »Gisteren voor het +eerst verschilden wij van zienswijze. Toen zij ons daareven verliet, +verzocht zij mij ons geschil aan uw oordeel te onderwerpen, 't geen ik +volgaarne doe, daar ik uwe wijsheid en ondervinding even hoog schat, +als ik haar om hare kinderlijke onervarenheid liefheb." + +En nu verhaalde Bartja haar de geheele toedracht van de noodlottige +geschiedenis met den boog, en eindigde aldus: »Cresus berispte mijne +onvoorzichtigheid; maar ik ken mijn broeder, en weet dat hij, ja, +in zijn toorn tot iedere daad van geweld in staat is, en dat het niet +te verwonderen zou geweest zijn als hij mij op het oogenblik zijner +nederlaag vermoord had; maar wanneer zijn toorn een weinig heeft +uitgewoed, dan zal hij mijne vermetelheid vergeten, en er slechts naar +streven mij in het vervolg door edele daden te overtreffen. Een jaar +geleden was hij verreweg nog de beste schutter in geheel Perzië, en +dat zou hij nog zijn, als zijne reuzenkrachten door zijne onmatigheid +en door die booze krampen niet zooveel geleden hadden. Ik daarentegen +gevoel, dat mijne krachten met den dag toenemen." + +»Waarachtig geluk," viel Rhodopis den jongen man in de rede, »verstaalt +de armen van den man, gelijk het de schoonheid der vrouw verhoogt; +terwijl onmatigheid en kwalen lichaam en ziel zekerder sloopen dan +ziekte en ouderdom. Neem u in acht voor uw broeder, mijn zoon, want +even goed als zijn oorspronkelijk zoo krachtige arm kon verlammen, +kan zijne van nature edele ziel haar adeldom verliezen. Vertrouw +op mijne ervaring: deze heeft mij geleerd, dat hij, die de slaaf +van éen boozen hartstocht is geworden, zeer zelden zijne andere +driften meester blijft. Buitendien valt het geen mensch zwaarder eene +vernedering te dragen dan hem, die zedelijk daalt en zijne krachten +voelt afnemen. Nog eens, neem u in acht voor uw broeder, en vertrouw +eer de waarschuwende stem der ervaring, dan uw eigen hart, dat zoo +gaarne ieder ander hart voor edel en rein houdt, wijl het zichzelf +bewust is edel en rein te zijn." + +»Deze woorden," antwoordde Bartja, »doen me begrijpen, dat gij het +met Sappho volkomen eens zult zijn. Zij heeft mij toch gebeden, hoe +zwaar het haar ook moge vallen van u te scheiden, Egypte te verlaten en +met haar naar Perzië te trekken. Zij denkt dat Cambyzes, als hij mij +niet meer ziet en niets van mij hoort, zijn wrok vergeten zal. Maar +ik houd hare bezorgdheid voor mijne veiligheid voor ongegrond, en +zou mij zelven niet gaarne het genoegen ontzeggen, om den veldtocht +tegen de Ethiopiërs mede te maken...." + +»En ik," viel Rhodopis hem nogmaals in de rede, »bid u dringend haar +raad, die door eene juiste beoordeeling der omstandigheden en door +oprechte liefde is ingegeven, te volgen. De goden weten hoezeer mij de +scheiding van u zal smarten, maar toch roep ik u duizend en duizendmaal +toe: Keer naar Perzië terug en bedenk, dat slechts dwazen hun leven en +hun geluk doelloos op het spel zetten!--De oorlog tegen de Ethiopiërs +is het ontwerp van een waanzinnige, want gij zult niet te strijden +hebben met de zwarte bewoners van het zuiden, maar met hitte, dorst, +en al de verschrikkingen der woestijn. Dit geldt den voorgenomen +veldtocht in het algemeen; wat u in het bijzonder betreft, bedenk, +dat gij uw geluk en dat der uwen vergeefs op het spel zet, wanneer er +geen krijgsroem te behalen is; dat gij daarentegen, zoo gij u weder +mocht onderscheiden, slechts den toorn en de ijverzucht van uw broeder +opnieuw zoudt prikkelen. Ga naar Perzië, en wel zoo spoedig mogelijk!" + +Juist wilde Bartja beproeven de drangredenen der schrandere vrouw te +ontzenuwen, toen Prexaspes met een bleek gelaat naar hem toekwam. + +Na de gewone begroetingen en vragen fluisterde de gezant den jongeling +in het oor, dat hij hem alleen wenschte te spreken, en toen Rhodopis +zich verwijderd had, zeide hij, in zijne verlegenheid met de ringen +van zijn rechterhand spelende: »De koning zendt mij tot u. Gij hebt +hem gisteren zeer verbitterd door uw kracht te toonen. Hij wil u den +eersten tijd niet zien, en beveelt u daarom naar Arabië te reizen, +en daar zooveel kameelen [469] te koopen, als er maar te krijgen +zijn. Deze dieren, die langen tijd dorst kunnen lijden, moeten het +water en de levensmiddelen medevoeren voor onze legers, als wij naar +Ethiopië trekken. Onze reis duldt geen uitstel. Neem afscheid van +uwe vrouw en zorg,--aldus luidt 's konings bevel--dat gij vóor de +nacht valt tot vertrekken gereed zijt. Gij zult ten minste éene maand +uitblijven. Ik vergezel u tot Pelusium. Intusschen wenscht Cassandane, +uwe vrouw en uw kind in hare nabijheid te hebben. Gelast hun zoo +spoedig mogelijk naar Memphis te gaan, waar zij, onder de hoede van +'s konings edele moeder, het veiligst zullen zijn." + +Bartja had Prexaspes aangehoord, zonder dat het hem was opgevallen, +dat de gezant zoo kortaf sprak, als aarzelde hij zijn last te +volbrengen. Hij verheugde zich over de schijnbare gematigdheid van +zijn broeder en over dit bevel, dat hem verder allen twijfel benam +betreffende zijn al of niet terugkeeren naar Perzië. Hij reikte zijn +gewaanden vriend de hand ten kus, en noodigde hem uit hem in zijn +paleis te volgen. Toen het koeler begon te worden, nam hij van Sappho +en het kind, dat op Melitta's armen sliep, een kort maar hartelijk +afscheid, beval zijne vrouw zoo spoedig mogelijk naar Cassandane te +vertrekken, riep zijne schoonmoeder nog schertsend toe, dat zij zich +ditmaal in de beoordeeling van een mensch, namelijk van zijn broeder, +toch zeer vergist had, en wierp zich in den zadel. + +Toen Prexaspes zijn paard wilde bestijgen, fluisterde Sappho hem in: +»Pas toch goed op hem en herinner den waaghals, dat hij vrouw en kind +heeft, zoo hij zich soms noodeloos in gevaar mocht willen begeven!" + +»Te Pelusium moet ik hem reeds verlaten," antwoordde de gezant, +terwijl hij, om de blikken van de jonge vrouw te ontwijken, zich +hield als herstelde hij iets aan het tuig van zijn paard. + +»Dan mogen de goden hem beschermen!" riep Sappho, de geliefde hand +van den vertrekkende vattende en uitbarstende in tranen, die zij +vruchteloos beproefde terug te houden. + +En hij, zijne anders zoo moedige gade ziende weenen, werd evenzeer door +zekere tot nog toe hem onbekende ontroering aangegrepen. Liefderijk +boog hij zich tot haar neder, sloeg zijn krachtigen arm om haar middel, +hief haar tot zich op en drukte haar, terwijl haar voet op den zijnen +rustte, aan zijn hart, als moest hij voor eeuwig afscheid van haar +nemen. Daarop liet hij haar met vasten arm zacht op den grond neder, +nam nog eens zijn kind bij zich in den zadel, om het te kussen en +schertsend op het hart te drukken, dat het zoet moest zijn. Toen riep +hij Rhodopis nog een hartelijk woord tot afscheid toe, en vloog, +zijn hengst de sporen gevende, zoodat het edele dier steigerende +voortgaloppeerde, door Prexaspes gevolgd, de poort van het paleis +der pharao's uit. + +Nauwelijks was het geluid van den hoefslag der paarden in de verte +weggestorven, of Sappho wierp zich aan de borst van hare grootmoeder, +en weende lang onafgebroken, in weerwil van de ernstige vermaningen +en de strenge berisping van de oude vrouw. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + +Op den morgen van den dag, volgende op dien van Bartja's zegepraal, +had Cambyzes zulk een hevigen aanval van zijne ziekte gehad, +dat hij acht en veertig uur lang, krank naar geest en lichaam, +zijne kamer moest houden, en nu eens geheel uitgeput neerlag, dan +weer als een bezetene woedde. Toen hij eindelijk op den derden dag +weder tot zijn bewustzijn kwam, herinnerde hij zich aanstonds het +verschrikkelijke bevel, waaraan Prexaspes nu waarschijnlijk reeds +gevolg had gegeven. Hij sidderde bij deze gedachte, gelijk hij nog +nooit te voren gesidderd had, liet oogenblikkelijk den oudsten zoon van +den gezant, die den eerepost van schenker bij hem bekleedde, komen, +en vernam van dezen, dat zijn vader zonder afscheid te nemen Memphis +verlaten had. Dan ontbood hij Darius, Zopyrus en Gyges, die gelijk +hij wist door banden der innigste vriendschap aan Bartja verbonden +waren, en vroeg hun hoe het met hun vriend was. Van dezen vernam hij, +dat zijn broeder zich te Saïs ophield. Terstond zond hij het drietal +daarheen, hun gelastende Prexaspes, indien zij dezen mochten ontmoeten, +zonder verzuim naar Memphis terug te zenden. De jonge Achaemeniden +beproefden tevergeefs, zich het zonderlinge gedrag en de drift van den +koning te verklaren. Desniettemin gingen zij oogenblikkelijk op reis, +vreezende dat er iets gebeurd of op til mocht zijn, dat niet goed was. + +Intusschen had Cambyzes rust noch duur; in stilte verwenschte hij zijne +dronkenschap en gebruikte dien dag geen druppel wijn. Toen hij in den +tuin van het paleis der pharao's zijne moeder ontmoette, ontweek hij +haar, want hij gevoelde dat hij haar blik niet zou kunnen verdragen. + +Ook de volgende acht dagen verstreken, zonder dat Prexaspes terugkeerde +en schenen hem wel een jaar toe. Honderdmaal ontbood hij zijn schenker, +altijd om hem te vragen of zijn vader nog niet tehuis was gekomen, +en telkens was het antwoord ontkennend. Toen op den dertienden dag de +zon op het punt was van onder te gaan, liet Cassandane hem verzoeken +tot haar te komen. Nu begaf hij zich haastig naar de vertrekken van +de eerbiedwaardige vrouw, want hij verlangde vurig haar aangezicht +te zien. Het was hem, als moest hare aanschouwing hem de verloren +zielsrust wedergeven. + +Nadat hij de oude vrouw begroet had, met eene teederheid, die te +verrassender voor haar was, daar zij van hem zulk eene hartelijkheid +niet gewoon was, vroeg hij haar, wat zij van hem begeerde, en vernam +nu, dat Bartja's vrouw onder zeer bijzondere omstandigheden tot +haar was gekomen, en den wensch had uitgesproken hem een geschenk +aan te bieden. Dadelijk liet hij haar komen, en hoorde van haar, +dat Prexaspes aan haar echtgenoot het bevel had overgebracht, +om naar Arabië te reizen, en haar, uit naam van Cassandane, had +uitgenoodigd naar Memphis te komen. De koning werd doodelijk bleek +en zag de schoone vrouw van zijn broeder aan met een gelaat, dat +onmiskenbaar eene geweldige ontroering verried. De jonge Griekin +gevoelde, dat er in den koning iets buitengewoons omging, en kon, +door vreeselijke vermoedens beangstigd, slechts met bevende handen +het geschenk aanbieden, dat zij voor hem had medegebracht. + +»Mijn echtgenoot zendt u dit!" zeide zij, op de in een kunstig bewerkt +kistje besloten wassen beeltenis van Nitetis wijzende.--Rhodopis had +haar geraden juist dit als een geschenk ter verzoening, uit Bartja's +naam, den vertoornden broeder aan te bieden. + +Cambyzes gaf het kistje, waarvan de inhoud hem weinig belang scheen +in te boezemen, aan een eunuch over, sprak zijne schoonzuster eenige +woorden toe, die eene dankbetuiging moesten beteekenen, en verliet +daarop oogenblikkelijk het vrouwenverblijf, zonder zelfs naar Atossa +te vragen, die hij geheel scheen te zijn vergeten. Hij had gedacht +en gehoopt, dat het bezoek hem goed doen en tot kalmte brengen zou, +maar Sappho's mededeelingen hadden hem de laatste hoop en voor altijd +zijne rust ontnomen. Prexaspes moest den moord reeds begaan hebben, +of kon ieder oogenblik, misschien op datzelfde tijdstip den dolk +opheffen, om dien in de borst van den jongeling te stooten. Hoe zou +hij na Bartja's dood voor zijne moeder durven verschijnen? Wat zou +hij haar, en op de vragen van de lieve vrouw, die hem met hare groote +oogen zoo angstig had aangezien, antwoorden? + +Eene huivering greep hem aan, als eene inwendige stem hem toeriep, +dat de moord aan zijn broeder gepleegd, eene daad van lafheid en +vrees, eene onnatuurlijke en snoode daad zou worden genoemd. De +gedachte een sluipmoordenaar te zijn scheen hem onverdraaglijk. Zonder +gewetenswroeging had hij reeds menigeen ter dood laten brengen, maar +altijd óf in een eerlijken strijd, óf voor het oog van de geheele +wereld. Hij was koning, en wat hij deed was goed. Had hij met eigen +hand Bartja neergeveld, zoo zou hij zijn geweten wel tot zwijgen +hebben gebracht; maar nu hij bevel had gegeven hem heimelijk uit den +weg te ruimen, hem in stilte te vermoorden, zijn voortreffelijken +broeder, die zoo vele bewijzen gaf van mannelijken moed, waardoor +hij den hoogsten roem had ingeoogst, nu folterde hem de schaamte, +nu knaagde hem het berouw, dat hij tot nog toe nooit had gevoeld. Hij +was verbitterd op zichzelven over zijne onmatigheid en schandelijke +willekeur. Hij begon zichzelven te verachten. De overtuiging, dat hij +altijd slechts datgene wilde en volbracht wat billijk en recht was, +verliet hem, en het was hem thans, als waren al de op zijn bevel +gedoode menschen, evenals Bartja, onschuldige slachtoffers van zijne +woede geweest. Om deze gedachten, die van oogenblik tot oogenblik +ondraaglijker werden, te verdrijven, greep hij opnieuw naar het +bedwelmende druivensap. Doch ditmaal kon de dronkenschap de wroeging +niet uit zijne ziel verbannen. Zij werd de bron van nieuw lichaams- +en zielslijden. Zijn door het onmatig wijndrinken en de vallende +ziekte ondermijnd lichaam dreigde thans te zullen bezwijken onder +de menigvuldige heftige aandoeningen der laatste maanden. Nu eens +verstijvende van koude, dan weer gloeiende van eene ondraaglijke hitte, +was hij eindelijk gedwongen zich op zijn leger neer te werpen. + +Toen men hem ontkleedde, schoot hem te binnen, dat hij een geschenk van +zijn broeder had ontvangen. Oogenblikkelijk deed hij het kistje halen, +en beval den uitkleeders hem alleen te laten. Zoodra hij het Egyptisch +schilderwerk van het kistje zag, kon hij niet nalaten aan Nitetis +te denken, en zich af te vragen, wat de overledene wel van zijne +gepleegde euveldaad zou hebben gezegd. Rillend van de koorts, en met +een beneveld brein boog hij zich over het kistje, nam er de schoone uit +was gevormde buste uit, en staarde met ontzetting in de onbeweeglijke +glazige oogen van het beeldje. De gelijkenis was zoo treffend, en zijn +verstand door den wijn en de koorts zoo verzwakt, dat hij onder den +invloed eener betoovering waande te verkeeren. Toch was het hem niet +mogelijk den blik van die dierbare trekken af te wenden. Plotseling +kwam het hem voor, dat het beeldje de oogen bewoog. Een doodelijke +angst maakte zich van hem meester. Met kracht slingerde hij het kopje, +dat voor hem scheen te leven, tegen den wand, zoodat het holle, broze +was in duizend stukken vloog, en viel daarop steunende op zijn bed +neder.--Van dat oogenblik nam de koorts onophoudelijk in hevigheid +toe. Wakend droomende meende de ongelukkige den verbannen Phanes +te zien, die een Grieksch straatliedje zong, en hem zoo schandelijk +bespotte, dat hij zijne vuisten balde van toorn. Dan zag hij Cresus, +zijn vriend en raadsman. Deze dreigde hem, en riep hem weder dezelfde +woorden toe, waarmede hij hem, toen hij om de gewaande liefde van +Nitetis Bartja had willen vonnissen, gewaarschuwd had: »Wacht u wel +het bloed van een broeder te vergieten! Want weet, dat de dampen +daarvan ten hemel opstijgen en tot wolken worden, die al de dagen +van den moordenaar verduisteren, en eindelijk den bliksem der wrake +op hem nederslingeren!" + +En in zijne verhitte verbeelding werd dit werkelijkheid. Hij dacht, dat +uit de zwarte wolken bloed op hem nederstroomde, en deze afschuwelijke +regen zijne kleederen en handen bevochtigde. Toen het eindelijk +weder droog was, en hij naar den Nijl ging om zich te reinigen, trad +Nitetis hem te gemoet, met dien liefelijken glimlach om de lippen, +waarmede Theodorus haar had voorgesteld. Getroffen door dit heerlijk +visioen, wierp hij zich voor haar neder en vatte hare hand. Nauw had +hij ze aangeraakt, of aan iederen harer fijne vingertoppen vertoonde +zich een bloeddruppel, en met afgrijzen keerde de schoone maagd hem +nu den rug toe. Cambyzes smeekte de verschijning hem vergiffenis +te willen schenken, en tot hem terug te keeren; doch zij liet zich +niet verbidden. Nu ontbrandde zijn toorn, hij dreigde haar met zijne +ongenade, ja met de vreeselijkste straffen. Toen Nitetis zijn dreigen +met een zacht spottend lachen beantwoordde, ontzag hij zich niet +zijn dolk naar haar te werpen. En zie, daar viel de verschijning in +duizend stukken, gelijk kort te voren het wassen beeld tegen den wand +verbrijzeld was; maar het lachen duurde voort, en klonk al luider en +luider, en onderscheidene stemmen werden vernomen, die als met elkaar +wedijverden in het bespotten van den ongelukkigen koning. Die van +Bartja en Nitetis klonken boven al de andere uit, en schenen hem de +bitterste verwijten te doen. Maar hij kon deze akelige stemmen niet +langer aanhooren, en stopte de ooren dicht. Toen dit niet baatte, +bedolf hij zijn hoofd in het brandend heete zand der woestijn, dan +dompelde hij het in den Nijl, daarop weder in den gloed, dan andermaal +in het ijskoude water, tot hij niets meer zag en hoorde. Toen hij +ontwaakte, kon hij zich geen begrip vormen van de werkelijkheid. Het +was avond toen hij zich te bed begaf, en hij zag thans aan de zon, +die zijn rustbed met haar laatste stralen verguldde, dat het niet +dag was. gelijk het naar hij meende, moest wezen, maar bijkans +nacht. Hierin kon hij zich niet bedriegen, want hij hoorde het lied +der priesters, die den scheidenden Mithra den laatsten groet toezongen. + +Nu merkte hij ook, hoe zich achter een gordijn, dat men aan het +hoofdeinde van zijn leger had aangebracht, verscheidene menschen +bewogen. Hij wilde oprijzen, doch voelde dat hem de kracht daartoe +ontbrak. Na lang tevergeefs beproefd te hebben de werkelijkheid van +den droom, en den droom van de werkelijkheid te onderscheiden, riep +hij zijne aankleeders, en de andere hovelingen, die bij zijn opstaan +tegenwoordig plachten te wezen. Dadelijk traden deze binnen, gevolgd +door zijne moeder, Prexaspes, vele geleerde magiërs en eenige hem +onbekende Egyptenaren, van wie hij vernam, dat hij weken lang met eene +hevige koorts had geworsteld, en slechts door de bijzondere bescherming +der goden, de kunst der geneesmeesters en de onvermoeide zorg zijner +moeder van den dood was gered geworden. Eerst zag hij Cassandane, +dan Prexaspes vragend aan, en verloor toen weder het bewustzijn, +om echter den volgenden morgen na een verkwikkenden slaap met nieuwe +krachten te ontwaken. + +Vier dagen later was hij sterk genoeg, om in een leuningstoel te +zitten, en Prexaspes betreffende de zaak, die zijn geest uitsluitend +bezig hield, te ondervragen. De gezant wilde, met het oog op de +zwakheid van zijn vorst, een ontwijkend antwoord geven; doch als +Cambyzes zijne vermagerde hand dreigend ophief, en hem met den nog +altijd straffen blik van zijn oog aanzag, aarzelde Prexaspes niet +langer, maar zeide, in de meening dat hij den koning eene blijde +tijding ging mededeelen: »Verheugt u, mijn vorst! De jongeling, die het +waagde u den roem te betwisten, is niet meer. Deze hand versloeg hem, +en begroef zijn lijk bij Baal-Zephon [470]. Niemand heeft het gezien, +buiten het zand van de woestijn, en de onvruchtbare golven der Roode +Zee; niemand weet er van, dan gij en ik, en de raven en zeemeeuwen, +die om zijn graf zwerven!" + +Een gil, die door merg en been drong, ontsnapte aan de lippen van +den koning. Hij werd opnieuw door eene hevige koorts aangegrepen, +en zonk ineen, om andermaal gekweld te worden door de vreeselijkste +schrikbeelden. En nu verliepen er weken gedurende welke iedere dag +de laatste van 's vorsten leven dreigde te zullen zijn. Eindelijk +kwam zijn sterk lichaam deze gevaarlijke instorting te boven. Maar de +krachten van zijn geest waren niet bestand geweest tegen de demonen +der koorts. Zij waren geweken en keerden niet meer terug. + +Toen hij het ziekenvertrek weder mocht verlaten, en opnieuw kon rijden +en den boog spannen, gaf hij zich, nog teugelloozer dan voorheen, +aan het genot van den wijn over, en verloor zoo doende ook het laatste +spoor van zijn vroegere macht om zich zelven te beheerschen. Buitendien +had zich in zijn krank brein het denkbeeld genesteld, dat Bartja niet +dood, maar in den boog van den koning van Ethiopië veranderd was, +en dat de Feruer [471] van zijn overleden vader hem geboden had, hem +door de onderwerping van het zwarte volk zijne vorige gestalte weder +te geven. Deze gedachte, die hij aan ieder van de hem omringenden als +een groot geheim mededeelde, vervolgde hem dag en nacht, en gunde +hem rust nog duur, tot hij met een groot leger tegen Ethiopië was +opgetrokken. Maar hij moest onverrichter zake terugkeeren, nadat het +meerendeel zijner krijgsmacht, ten gevolge van hitte en van gebrek aan +voedsel en water, een smadelijken dood had gevonden. Een schrijver, +die bijkans tot zijne tijdgenoten behoorde, verhaalt [472], dat de +ongelukkige soldaten, na alle mondvoorraad verteerd te hebben, lang van +kruiden geleefd hadden. Doch nadat in de woestijn alle plantengroei had +opgehouden, zouden zij, door wanhoop gedreven, hunne toevlucht hebben +genomen tot een middel, dat de pen bijkans weigert te vermelden. Elke +tien soldaten wierpen namelijk onderling het lot, en aten hem op, +die op deze wijze ter slachting werd aangewezen. Toen het evenwel +zoover gekomen was, dwong men den waanzinnige terug te keeren, +om hem echter, zoodra men weder in bewoonde streken was gekomen, +getrouw aan het slaafsche karakter der Aziaten, onvoorwaardelijk te +gehoorzamen, ofschoon het wel voor niemand een geheim meer was dat +'s konings verstand was gekrenkt. + +Toen hij met het rampzalig overschot van zijn leger Memphis binnen trok +hadden de Egyptenaren juist een nieuwen Apis gevonden en vierden nu, +ter eere van de in het heilige dier verborgen en opnieuw verschenen +godheid, een groot feest. Daar Cambyzes reeds te Thebe vernomen had, +dat het leger, hetwelk hij tegen de oase van Ammon [473] in de Lybische +woestijn had afgezonden door den woestijnwind [474] vernield was, en +het krijgsvolk van de vloot, die Carthago voor hem veroveren moest, +geweigerd had tegen hunne stamgenooten op te trekken, meende de +koning, dat de Memphiten dit feest vierden uit blijdschap over zijn +tegenspoed. Hij liet dus de aanzienlijksten uit de stad ontbieden, +en vroeg hen waarom zij zich na zijne overwinning neerslachtig +en weerbarstig, doch na zijne nederlaag uitgelaten vroolijk hadden +getoond? De Memphiten verklaarden hem de oorzaak hunner feestvreugde, +en verzekerden, dat de verschijning van den goddelijken stier +telkens door gansch Egypte met feesten en optochten placht gevierd +te worden. Cambyzes schold hen voor leugenaars, en veroordeelde hen +ter dood. + +Vervolgens liet hij de priesters komen, die hem hetzelfde antwoord +gaven. Spottende met het bijgeloof van deze zijne onderdanen, +wenschte hij kennis te maken met den nieuwen god, en gebood dat men +dien voor hem zou brengen. De Apis werd voor den monarch geleid, die +men mededeelde dat dit dier uit eene maagdelijke koe geboren was, +door de aanraking van een straal der maan; hij moest zwart zijn, +op het voorhoofd eene driehoekige witte vlek, op den rug het beeld +van een arend, en op de zijde een wassende halve maan hebben. Zijn +staart moest uit tweeërlei haar bestaan, terwijl aan zijne tong een +uitwas zichtbaar moest zijn in de gedaante van den heiligen kever, +scarabaeus [475]. + +Toen de goddelijke stier voor hem stond, en hij er niets buitengewoons +aan kon ontdekken, werd Cambyzes woedend en stiet zijn zwaard in +de zijde van het dier [476]. Toen hij het bloed zag stroomen en +den Apis ter aarde storten, lachte hij zoo hard hij kon, en riep: +»Gij dwazen! Uwe goden hebben alzoo vleesch en bloed, en laten zich +straffeloos kwetsen! Voorwaar, zulk eene lafheid is uwer volkomen +waardig. Maar gij zult ondervinden, dat ik mij niet ongestraft laat +bespotten. Hei daar, trawanten! Geeselt deze priesters, en doodt allen +die gij bij deze waanzinnige feestviering betrapt!" Men gehoorzaamde +zijn bevel, en deed op deze wijze de woede en den wrok der Egyptenaren +ten toppunt stijgen. + +Nadat de Apis aan de ontvangen wonde gestorven was, begroeven de +Memphiten hem heimelijk in de bij het Serapeum gelegene graven der +heilige stieren, en beproefden onder aanvoering van Psamtik een opstand +tegen de Perzen. Deze opstand werd evenwel spoedig onderdrukt, en +kostte den ongelukkigen zoon van Amasis een leven, welks vlekken wel +verdienden vergeten te worden, ter wille van zijn rusteloos streven +om zijn volk van de heerschappij der vreemdelingen te verlossen, tot +bereiking van welk doel hij niet aarzelde voor de vrijheid te sterven. + +De waanzin van Cambyzes had intusschen een anderen vorm aan genomen. Na +de mislukte poging, om den, volgens zijn waan, in een boog veranderde +Bartja zijne oude gedaante te hergeven, nam zijne prikkelbaarheid +zoozeer toe, dat éen enkel woord, éen enkele blik, die hem mishaagde, +voldoende was, om hem tot razernij te brengen. Zijne trouwe raadsman +Cresus verliet ook nu zijne zijde niet, schoon de koning hem reeds +meermalen den trawanten had overgegeven om hem terecht te stellen. Maar +de trawanten kenden hun heer, en wachtten zich wel de handen aan +den grijsaard te slaan, daar zij zeker waren geen straf te zullen +beloopen wegens het niet nakomen van 's konings bevelen ten dezen +opzichte, omdat hij ze den volgenden dag reeds weder vergeten was, +of er berouw over had. Doch eens moesten de ongelukkige zweepdragers +voor hunne ongehoorzaamheid zwaar boeten, want, schoon Cambyzes zich +over het behoud van den grijsaard verblijdde, liet hij de redders van +het hem dierbare leven niettemin wegens hunne nalatigheid ombrengen. + +Het stuit ons tegen de borst, nog meer voorbeelden te vermelden van +de barbaarsche gruwelen, door den waanzinnigen koning in dien tijd +bedreven, toch kunnen wij enkele niet met stilzwijgen voorbijgaan. Op +zekeren dag, gedurende den maaltijd, vroeg hij Prexaspes, na zich +als naar gewoonte een roes te hebben gedronken, wat de Perzen wel +van hem zeiden. De gezant mocht zich in die dagen in de bijzondere +gunst van den monarch verheugen. Ten einde door edele, doch dikwijls +gevaarlijke daden zijn beschuldigend geweten het zwijgen op te leggen, +liet hij dus geene gelegenheid voorbijgaan, om weldadigen invloed +op den ongelukkigen vorst uit te oefenen. Daarom antwoordde hij, +dat het volk hem zeer prees, maar meende, dat hij zich aan den wijn +wel wat te veel te buiten ging. + +De waanzinnige ontstak door deze, op schertsenden toon uitgesprokene +woorden in woedenden toorn, en zeide: »Zoo, zeggen de Perzen, dat de +wijn mij het verstand doet verliezen? Welnu, ik zal bewijzen, dat zij +zelven niet meer in staat zijn juist te oordeelen!" Dit zeggende spande +hij zijn boog, mikte een oogenblik, en schoot den oudsten zoon van +Prexaspes, die als schenker in het achterste gedeelte der zaal op de +minste wenken van zijn gebieder lette, een pijl in de borst. Daarop gaf +hij bevel, den ongelukkigen jongeling te openen en te onderzoeken. De +pijl was midden in zijn hart gedrongen. Hierover verheugde zich het +monster, en lachende riep hij: »Nu ziet gij, Prexaspes, dat niet ik, +maar de Perzen het verstand verloren hebben. Wie is in staat, zoo +zeker zijn doel te treffen, als ik?" + +Prexaspes stond als versteend, gelijk Niobe aan den Sipylus [477], +toen hij bleek en roerloos dit ijzingwekkend tooneel aanschouwde. Zijne +slaafsche ziel boog voor de almacht van den dwingeland; zijne vingeren +omklemden niet, zelfs niet voor een oogenblik, het gevest van zijn +dolk, om dien den onmensch in het hart te stooten. Ja, toen de dwaze +vorst zijn vraag herhaalde, antwoordde de kruipende hoveling, de hand +op zijn hart leggende: »Geen God had zekerder kunnen treffen!" + +Weinige weken daarna vertrok de koning naar Saïs. Toen men hem daar +de vertrekken zijner voormalige geliefde wees, rees de sedert lang +onderdrukte gedachte aan haar met nieuwe kracht in zijne ziel op, +en tegelijk herinnerde hij zich, dat Amasis hem en haar bedrogen +had. Zonder zich de moeite te geven over de omstandigheden, die +tot dat bedrog aanleiding hadden gegeven, na te denken, vloekte hij +den overleden vorst, en liet zich woedend naar den tempel van Neith +brengen, waar zijne mummie was bijgezet. Hij rukte het gebalsemde lijk +uit de sarkophaag, deed het met roeden slaan, met naalden doorsteken, +de haren uitrukken, kortom op allerlei wijzen mishandelen, en het +eindelijk, in strijd met de godsdienstwet der Perzen, volgens welke +de verontreiniging van het reine vuur door lijken eene doodzonde is, +verbranden. De mummie van de eerste vrouw van Amasis, die te Thebe, +hare vaderstad, was bijgezet, veroordeelde hij tot hetzelfde lot [478]. + +Te Memphis teruggekeerd, ontzag hij zich niet zijne gade en zuster +Atossa met eigen hand te mishandelen. Op zekeren dag namelijk had +hij een kampgevecht verordend, waarbij onder anderen een hond met een +jongen leeuw vechten moest. Toen de leeuw zijn tegenstander overwonnen +had, rukte een andere hond, die met den verwonnene uit hetzelfde +nest was, zich van zijn ketting los, wierp zich op den leeuw, en deed +hem met hulp van den gewonde het onderspit delven. Deze vertooning, +die Cambyzes in verrukking bracht, deed Cassandane en Atossa, die op +'s konings bevel tegenwoordig waren, de tranen in de oogen wellen. De +verbaasde dwingeland vroeg naar de oorzaak daarvan, en kreeg nu van +de driftige Atossa ten antwoord: »Het dappere dier, dat voor zijn +broeder het leven waagt, doet mij aan Bartja denken, die ongewroken, +door wien zal ik maar niet zeggen, vermoord is geworden." + +Dit woord deed den toorn en het sluimerend geweten van den razende +voor een oogenblik weder ontwaken. Hij sloeg de vermetele vrouw met +vuisten, en zou haar misschien gedood hebben, zoo zijne moeder zich +niet in zijne armen had geworpen en zichzelve aan zijne slagen had +blootgesteld. Het eerwaardig gelaat en de stem van zijne moeder waren +voldoende, om zijne woede te beteugelen; uit haren blik echter, dien +hij juist had opgevangen, sprak zulk eene diepe verontwaardiging, +zulk eene onbegrensde verachting, dat hij die nimmermeer vergat, en +het dwaze denkbeeld in hem oprees, dat hij door de oogen der vrouwen +vergiftigd zou worden. Als hij na dat tijdstip eene vrouw ontmoette, +kromp hij van angst ineen, en verschool zich achter dezen of genen +die met hem was, tot hij eindelijk beval alle bewoneressen van het +paleis te Memphis, zijne moeder niet uitgezonderd, naar Ekbatana +te brengen. Araspes en Gyges ontvingen bevel, haar naar Perzië te +geleiden. + + + +De koninklijke vrouwen waren met haar geleide te Saïs aangekomen, +en daar in het paleis der pharao's afgestegen. Tot deze stad had +Cresus haar uitgeleide gedaan. Cassandane was in de laatste jaren zeer +veranderd. Diepe voren, door ergernis en lijden geploegd, ontsierden +haar vroeger zoo schoon gelaat; maar de smart had hare hooge, fiere +gestalte toch niet kunnen krommen. + +Atossa, hare dochter, was daarentegen, in spijt van onnoemelijk veel +verdriet, steeds schooner geworden. Het moedwillige meisje werd eene +volkomen ontwikkelde vrouw, die zich van hare eigenwaarde bewust was; +het onstuimige, weerbarstige kind eene krachtige echtgenoote, die het +aan vastheid van wil niet ontbrak. De ernst des levens en drie, aan +de zijde van haar razenden gade en broeder doorleefde treurige jaren +waren bijzonder geschikt geweest, om haar in geduld te oefenen, doch +hadden haar evenwel eene eerste liefde niet kunnen doen vergeten. De +vriendschap van Sappho bood haar eenige schadeloosstelling voor het +verlies van Darius. + +De jonge Griekin was, sedert het verdwijnen van haar echtvriend, geheel +veranderd. Het rozenwaas was sinds lang van hare wang weggevaagd, de +glimlach van geluk speelde niet meer om haar mond. Buitengemeen schoon, +in weerwil van hare bleekheid, hare saamgetrokken wimpers en lustelooze +houding, deed zij aan Ariadne denken, die de terugkomst van Theseus +verbeidde [479]. Smachtend verlangen sprak uit den opslag harer oogen, +uit den toon harer zachte stem, uit de statige langzaamheid van haar +tred. Vernam zij het geluid van een driftig naderenden voetstap, werd +er een deur haastig geopend, of liet zich plotseling een mannenstem +hooren, dan ontroerde zij geweldig, rees ijlings op en luisterde, om +onmiddellijk daarop teleurgesteld, maar toch nog niet zonder hope, +weder te gaan zitten en te peinzen en te droomen, gelijk zij reeds +als meisje zoo gaarne deed. + +Maar als zij met het kind speelde of het verzorgde, dan scheen zij +geheel de oude gelukkige moeder te worden, dan werden hare wangen +weder gekleurd, dan glinsterden hare oogen, dan was 't alsof zij weder +onverdeeld voor het tegenwoordige leefde, in plaats van in het verleden +of in de toekomst. Dat kind was haar alles. In dat kind leefde Bartja +met haar voort; op dat kind kon zij, zonder ook maar in het geringste +te kort te doen aan den onvergetelijke, die van haar was weggescheurd, +al de volheid harer liefde overbrengen; in dat kind had de godheid +haar een levensdoel gegeven, en een band, die haar hechtte aan eene +wereld, die anders, sinds het verdwijnen van den beminde, geene waarde +meer voor haar had. Menigmaal dacht zij, als zij het lieve wicht in +de blauwe kijkers staarde, die zoo sprekend op vaders oogen geleken: +»Ach, waarom is het geen jongen? Die zou met iederen dag meer op zijn +vader gelijken, en eindelijk als een tweede Bartja, gesteld dat er +zulk een zijn kon, vóór mij staan!" Maar dergelijke gedachten werden +in den regel even spoedig onderdrukt als zij in haar oprezen, en dan +sloot zij de lieve Parmys met verdubbelde teederheid aan haar hart, +en noemde zichzelve een dwaas en ondankbaar schepsel. + +Op zekeren dag had ook Atossa, getroffen door de gelijkenis van het +kindeke op zijn vader, uitgeroepen: »Jammer, dat Parmys geen jongen +is! Hij zou zijn vader eens evenaren en, als een tweede Cyrus, +over Perzië regeeren!" Weemoedig lachende stemde Sappho met hare +schoonzuster in, en overlaadde de kleine met kussen; doch Cassandane +zeide: »Merk hierin de goedheid van de goden op, mijne dochter, +dat zij u een meisje schonken. Ware Parmys een jongen, dan zou men +u het kind, zoodra het de zes jaren had bereikt, ontnemen, om het +met de zonen der andere Achaemeniden te doen opvoeden, terwijl het +dochterke nog lang onder uwe hoede zal blijven." + +Sappho huiverde bij de gedachte alleen, zich van haar kind te moeten +scheiden. Zij drukte het blonde kopje weder aan hare borst, en vond +van nu aan niets meer op haar kostbaren schat aan te merken. + +De vriendschap van Atossa werkte allerheilzaamst op het gewonde +hart der jonge weduwe. Met haar kon de bedroefde, zoo dikwijls en +zoo lang zij wilde, over Bartja spreken, en altijd vond zij in haar +eene geduldige en deelnemende toehoorderes. Want ook Atossa had den +spoorloos verdwenen broeder zeer liefgehad. Maar zelfs een vreemde +zou gaarne aan Sappho's vertellingen het oor hebben geleend. Want niet +zelden nam zij een hooger vlucht, en scheen, als ze de herinneringen +uit den bloeitijd van haar geluk in woorden kleedde, eene door de +goden bezielde dichteres te zijn. En als zij het snarenspeeltuig greep, +en de gloeiende, smachtende liederen van den Lesbischen zwaan [480], +waarin zij hare eigene gewaarwordingen terugvond, met hare zuivere, +zoo aandoenlijk klagende stem zong, dan was het haar of ze met den +geliefde, te midden van de stilte van den nacht, onder welriekende +jasmijn nederzat; dan vergat zij, door hare verbeelding weggesleept, +voor een oogenblik de koude, droeve werkelijkheid geheel en al. En +telkens, als zij het speeltuig nederlegde, om met een zucht zich +aan het rijk der droomen te ontrukken, wischte Cassandane, schoon +zij de Grieksche taal niet verstond, zich een traan uit het oog, +en boog Atossa zich over haar heen, om haar voorhoofd te kussen. + +Aldus waren drie lange jaren voorbijgegaan, in welke zij hare +grootmoeder slechts zelden had gezien. Volgens 's konings wil +toch mocht zij het vrouwenverblijf nooit zonder het geleide en +de toestemming van Cassandane of van de eunuchen verlaten. Thans +had Cresus, die haar nog gelijk voorheen als eene dochter liefhad, +Rhodopis naar Saïs doen overkomen. Sappho kon niet besluiten Egypte +te verlaten, zonder van hare trouwste vriendin afscheid te hebben +genomen, en zoowel Cassandane als de grijze Lydiër billijkten haar +verlangen naar Rhodopis. Buitendien had de weduwe van Cyrus zoo veel +goeds gehoord van de edele grootmoeder harer schoondochter, dat zij +hartelijk wenschte haar te leeren kennen, en haar, nadat Sappho de +beminde vrouw op de teederste wijze had verwelkomd, bij zich ontboden. + +Toen de beide grijze weduwen tegenover elkander stonden, had zeker +niemand, voor wie beiden vreemd waren, kunnen beslissen, wie van +de twee de koningin was. Hij zou ze voorzeker beiden voor vorstinnen +hebben gehouden. Cresus, die zoowel met de Griekin als met de Perzische +vorstin innig bevriend was, voorzag in de behoefte aan een tolk, +en wist, ondersteund door den buigzamen geest der Helleensche, het +gesprek langen tijd levendig en boeiend te houden. + +Nadat Rhodopis, met de haar alleen eigene toovermacht, Cassandane's +hart voor zich gewonnen had, meende de koningin, volgens Perzisch +gebruik, haar welgevallen niet beter te kunnen toonen, dan door haar +uit te noodigen den een of anderen wensch uit te spreken. Een oogenblik +aarzelde de Helleensche, toen hief zij de handen smeekend op en sprak +met bevende stem: »Geef mij Sappho, den troost en de kroon van mijn +ouderdom weder!" + +Cassandane's gelaat toonde eene pijnlijke teleurstelling. Zij +antwoordde: »Dien wensch kan ik niet vervullen, want onze wet gebiedt, +dat de kinderen der Achaemeniden aan de poorten des konings moeten +worden opgevoed. Ik mag de kleine Parmys, de eenige kleindochter van +Cyrus, niet van mij laten gaan en, Sappho zal, hoe lief zij u ook +hebbe, toch wel in geen geval van haar kind willen scheiden. Ook is +zij mij en mijne dochter zoo dierbaar, ja, ik zou haast zeggen zoo +onmisbaar geworden, dat ik haar, schoon ik uw verlangen naar haar +bijzijn zeer goed begrijp, aan niemand ter wereld zou willen afstaan." + +Zoodra Cassandane zag, dat er tranen opwelden in de oogen der Griekin, +vervolgde zij: »Maar ik weet, een goed middel. Verlaat Naucratis en +ga met ons naar Perzië. Daar zult gij uwe laatste jaren met ons en +uwe kleindochter slijten, en als eene vorstin behandeld worden." + +Rhodopis schudde het schoone, grijze hoofd, en hernam met nauw +hoorbare stem: »Ik dank u voor uw vriendelijk aanbod, edele vorstin; +maar ik gevoel, dat ik niet in staat zou zijn er gebruik van te +maken. Al de vezelen van mijn hart zijn in Griekenland vastgeworteld, +en zouden met mijn leven wegsterven, als ik mij voor immer van mijn +vaderland losrukte. Gewoon aan onafgebrokene werkzaamheid, levendige +gedachtenwisseling en onbeperkte vrijheid, zou ik binnen de enge +grenzen van den harem wegkwijnen en sterven. Door Cresus op uw gunstig +aanbod voorbereid, heb ik een zwaren strijd gehad, eer ik er toe kon +komen mij zelve te overtuigen, dat mijn plicht gebiedt, wat mij 't +liefste is voor mijn hoogste goed op te offeren. Zooveel moeilijker +het is, rein en goed, dan gelukkig te leven, zooveel roemrijker, +zooveel waardiger is het van eene Helleensche in plaats van het geluk +haar plicht te volgen. Mijn hart trekt met Sappho naar Perzië, mijne +geestvermogens en mijne ervaring behooren den Grieken. Als gij soms +te eeniger tijd mocht vernemen, dat in Hellas niemand buiten het volk +regeert, en zich dat volk voor niets dan zijne goden en wetten, het +goede en schoone buigt, denk dan dat het doel, waaraan Rhodopis haar +leven wijdde, in vereeniging met de besten onder de Hellenen bereikt +is. Duid het der Griekin niet ten kwade, dat zij, laat ik het maar +uitspreken, liever als eene vrije bedelares van verlangen sterft, +dan leeft als eene gelukkig geprezene, maar gebondene vorstin." + +Met verbazing had Cassandane de Grieksche vrouw dus hooren spreken. Zij +begreep haar slechts ten halve; doch zij voelde dat Rhodopis waarheid +gesproken had, en reikte haar dus, toen zij ophield met spreken, de +hand ten kus. Daarop zeide zij, na een oogenblik te hebben nagedacht: +»Handel, gelijk gij zult goedvinden, en wees verzekerd, dat het uwer +kleindochter, zoolang ik en mijne dochter leven, niet aan trouwe +liefde zal ontbreken." + +»Daarvoor zijn uw edel gelaat en de hooge roep uwer deugd mij zekere +waarborgen!" antwoordde Rhodopis. + +»Zoo ook beschouw ik 't als mijn plicht, wat men tegen uwe kleindochter +misdreven heeft, zooveel mijne krachten toelaten, weder goed te maken." + +De koningin slaakte een smartelijken zucht, en vervolgde: »Ook zal +de meest mogelijke zorg worden gewijd aan de opvoeding van de kleine +Parmys. Zij schijnt door de natuur rijk bedeeld te zijn, en zingt thans +reeds hare moeder de melodieën van haar vaderland na. Ik keur hare +neiging voor de muziek in 't geheel niet af, ofschoon ze in Perzië, +uitgenomen bij den godsdienst, slechts door menschen uit den geringen +stand pleegt te worden beoefend." + +Bij deze woorden raakte Rhodopis in geestdrift, en zeide: »Veroorlooft +gij mij, o koningin, vrij uit te spreken?" + +»Spreek onbevreesd!" + +»Toen gij straks zoo diep zuchttet bij de gedachte aan uw spoorloos +verdwenen, voortreffelijken zoon, dacht ik: misschien zou de jonge, +edele held nog in leven zijn, als de Perzen hunne zonen eene betere, +laat ik liever zeggen eene veelzijdiger opvoeding wisten te geven. Ik +heb mij door Bartja laten mededeelen, wat den Perzischen knapen zoo al +geleerd wordt. Boogschieten, speerwerpen, rijden, jagen, de waarheid +spreken, en soms eenige schadelijke en heilzame kruiden onderscheiden, +ziedaar alles, wat men bij u te lande oordeelt, dat zij noodig hebben +te weten. Onze Helleensche knapen worden evenzeer lichamelijk geoefend +en gehard, want de geneesheer is slechts de hersteller, de gymnastiek +de schepper der gezondheid. Maar gesteld dat een Helleensch jongeling, +door aanhoudende oefening, sterker dan een stier ware geworden, +waarachtiger dan de godheid, en wijzer dan de geleerdste Egyptische +priester, zoo zouden wij toch met minachting op hem nederzien, als +hem ontbrak, wat hem slechts door eene vroegtijdige en eene grondige +beoefening van de met de gymnastiek nauw verwante muziek kan worden +geleerd: zachtmoedigheid en gematigdheid.--Gij glimlacht, wijl gij +mij niet begrijpt; gij zult mij echter gelijk geven, als ik u zal +hebben aangetoond, dat de muziek, die u, naar hetgeen Sappho mij +verhaald heeft, zeer schijnt te treffen, van even groot belang voor +de opvoeding is als de gymnastiek. Beide dragen, het zal u misschien +vreemd in de ooren klinken, gelijkelijk bij tot de volmaking van +ziel en lichaam. Wie zich uitsluitend aan de muziek wijdt, zal in +den beginne, als hij woest van natuur is, week en buigzaam worden +als het erts in den oven, en zijne ruwheid zal verzacht worden. Maar +ten laatste zal zijn moed verslappen; in plaats van in drift op te +vliegen, zal hij over kleinigheden tranen storten, en nimmer een goed +soldaat worden, 't geen toch vóór alle andere dingen het streven der +Perzen is. Wie zich uitsluitend in de gymnastiek oefent, zal, ja, +als Cambyzes, eens de grootst mogelijke kracht aan dapperheid paren, +maar zijn ziel--hier houdt mijne vergelijking op--blijft stomp en +blind, terwijl zijne gewaarwordingen onzuiver zijn. Voor de rede zal +hij doof zijn, en, een tijger gelijk, met ruw geweld zijn wil trachten +door te drijven. Zijn leven zal waarschijnlijk een onbesuisd, geweldig +jagen en drijven zijn, zonder dat hij zachtmoedigheid of gematigdheid +kent. Daarom bestaat de muziek niet alleen voor de ziel, de gymnastiek +niet alleen voor het lichaam, maar beide ten nauwste verbonden moeten +het lichaam krachtig maken, en de ziel verheffende en tot kalmte +stemmende, den geheelen mensch eene mannelijke zachtmoedigheid en +eene zachtmoedige mannelijkheid geven [481]. + +Rhodopis zweeg een oogenblik, en vervolgde toen: "Wien zulk eene +opvoeding niet ten deel valt; wie buitendien van zijne jonkheid aan +zijne ruwheid vrij den teugel kan vieren, hoe en jegens wien hij wil; +wie nooit iets anders dan vleierijen, nooit eene gepaste vermaning +hoort; wie mag bevelen, alvorens te hebben leeren gehoorzamen; wie +eindelijk opgevoed wordt volgens het beginsel, dat uitwendige glans, +macht en rijkdom de hoogste, meest wenschelijke goederen zijn, hij kan +nooit tot die waarachtige, edele mannelijkheid opklimmen, welke wij van +de goden voor onze jongens afsmeeken. En als zulk een ongelukkige met +een heftige gemoedsgesteldheid en een zinnelijk hart geboren wordt, +zoo zal, zonder den verzachtenden invloed der toonkunst, tengevolge +der bloot lichamelijke oefeningen, zijne teugelloosheid steeds +toenemen. Het kind, dat wellicht niet zonder goeden aanleg ter wereld +kwam, zal, tengevolge der slechte opvoeding, eens een wild dier, een +zwelger, die zichzelven vermoordt en een waanzinnige woestaard worden." + +Hier zweeg de levendige matrone. Toen haar blik de vochtige oogen +der koningin ontmoette, gevoelde zij, dat zij te ver was gegaan, en +een edel moederhart diep gekrenkt had. Zij greep Cassandane's gewaad, +bracht den zoom er van aan hare lippen, en zeide op smeekenden toon: +»Vergeef mij!" + +Cassandane boog even het hoofd, ten teeken, dat zij der spreekster +het harde woord niet toerekende, groette haar, en maakte zich gereed +het vertrek te verlaten. Op den drempel keerde zij zich nog eens +om en zeide: »Ik ben niet boos op u, want uwe verwijten waren maar +al te gegrond. Doch beproef gij desgelijks te vergeven, want ik zeg +u dat hij, die het geluk van uw en van mijn kind verwoestte, wel de +machtigste, maar ook de beklagenswaardigste aller menschen is. Vaarwel, +en denk, indien gij ooit eenige hulp behoeft, aan de weduwe van Cyrus, +die u dank zegt voor uwe vrijmoedigheid, en er u in dit oogenblik +aan herinnert, dat men den Perzen vóor alle dingen grootmoedigheid +en vrijgevigheid leert." + +Dit gezegd hebbende, verliet Cassandane het vertrek. + +Op dienzelfden dag ontving Rhodopis de tijding, dat Phanes, nadat +hij te Croton den laatsten tijd in de nabijheid van Pythagoras had +doorgebracht, steeds lijdende aan zijne wonden, zich bezig houdende +met ernstige beschouwingen, eenige maanden geleden met de kalmte van +een wijze gestorven was. + +Rhodopis werd door deze tijding diep getroffen en zeide tot Cresus: +»In Phanes verliest Griekenland een zijner voortreffelijkste mannen; +doch reeds ontwikkelen er zich velen, die hem zullen gelijken. Daarom +vrees ik, evenals hij, niets van de toenemende macht der Perzen. Ja, +ik geloof dat mijn vaderland, met zijne vele kloeke mannen, als eene +roofgierige hand zich daarnaar uit mocht strekken, tot een reus zal +worden met een hoofd vol goddelijke kracht, die het ruw geweld zoo +zeker zal trotseeren als de geest over het lichaam heerscht." + + + +Drie dagen later nam Sappho voor het laatst afscheid van hare +grootmoeder, en volgde de koninginnen naar Perzië, waar zij, in weerwil +van de volgende gebeurtenissen, nog altijd aan de mogelijkheid van +Bartja's terugkomst geloovende, zich geheel wijdde aan de opvoeding +harer dochter en aan de verpleging der grijze Cassandane. + +De kleine Parmys groeide op tot een meisje van zeldzame schoonheid, en +leerde naast de goden niets zoo vurig liefhebben als de nagedachtenis +van haar vader, dien zij kende uit de vaak herhaalde beschrijvingen +van hare moeder, als had zij hem nog niet lang geleden gezien. + +Atossa bleef voor haar, niettegenstaande het groote geluk, dat weldra +haar deel zou worden, de oude vriendschap gevoelen, en placht haar +nooit anders dan 'zuster' te noemen. + +In den zomer bewoonde Sappho de hangende tuinen te Babylon, en gedacht +dan dikwijls in hare gesprekken met Cassandane en Atossa de Egyptische +koningsdochter, die de onschuldige oorzaak was geweest van zoovele +voor groote rijken en edele menschen noodlottige gebeurtenissen. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + +Wij zouden hier ons verhaal gevoeglijk kunnen besluiten, zoo wij +den lezer nog niet enkele mededeelingen schuldig meenden te zijn, +betreffende het uiteinde van den sinds lang reeds geestelijk gestorven +Cambyzes, en de verdere lotgevallen van eenige ondergeschikte personen +uit deze geschiedenis. + +Kort na het vertrek der koninginnen, werd te Naucratis de tijding +aangebracht, dat de satraap van Lydië, Oroetes, zijn ouden vijand +Polycrates door list naar Sardes had gelokt, en hem had doen +kruisigen. Aldus was de voorspelling van Amasis betreffende het +treurig uiteinde van den tyran verwezenlijkt geworden. De satraap +had zich vermeten deze daad te volvoeren, zonder medeweten van den +koning, omdat in het Medische rijk veranderingen plaats hadden, +die de dynastie der Achaemeniden met een volkomen ondergang bedreigden. + +Het lange oponthoud van den koning in een ver afgelegen land had +het ontzag voor zijn naam, dat voorheen de ontevredenen placht te +weerhouden in verzet of tot opstand te komen, zeer verzwakt. De +geruchten van den staat van krankzinnigheid, waarin hij verkeerde, +deden hem merkelijk dalen in de achting zijner onderdanen, terwijl +het bericht, dat hij uit louter overmoed duizenden landskinderen in +de Ethiopische en Lybische woestijn aan een onvermijdelijken dood had +prijsgegeven, de ontevredene Aziaten met een haat jegens hem bezielde, +die door de machtige partij der magiërs gevoed en aangeblazen, zeer +spoedig eerst de Mediërs en Assyriërs, doch daarna ook de Perzen tot +afval en openlijken opstand aanzette. + +De eerzuchtige opperpriester Oropastes, die door Cambyzes tot +stadhouder was aangesteld, plaatste zich aan het hoofd der beweging, +met oogmerk zichzelven te verheffen en te bevoordeelen. Hij zocht het +volk voor zich in te nemen door het afschaffen van belastingen, door +groote geschenken en nog grootere beloften, en beproefde ten laatste, +ziende hoe erkentelijk men was voor zijne zachtheid, door bedrog de +Perzische koningskroon in zijn geslacht over te brengen. Gedachtig +aan de zeldzame gelijkenis van zijn broeder Gaumata op Bartja, +den zoon van Cyrus, nam hij, zoodra hij bericht ontving van het +spoorloos verdwijnen van den, in Perzië algemeen beminden jongeling, +het besluit, Gaumata, den man zonder ooren, voor den vermoorde uit te +geven, en hem in de plaats van Cambyzes op den troon te zetten. Deze +list gelukte te gemakkelijker, daar de liefde van het gansche volk +voor Bartja sterker werd, naarmate de waanzinnige koning zich steeds +meer gehaat maakte. Toen eindelijk een tal van boden door Oropastes in +al de provinciën van het land werden rondgezonden, met de boodschap, +dat de jongere zoon van Cyrus, in spijt van het gerucht omtrent zijn +dood, nog in leven was, tegen zijn broeder was opgestaan, den troon van +zijn vader had beklommen, en alle onderdanen gedurende drie jaren volle +vrijheid van den krijgsdienst en van alle belastingen verzekerde, werd +de nieuwe heerscher door het gansche rijk met groote vreugde erkend. + +De valsche Bartja had zijn broeder, den opperpriester, van wiens +verstandelijke meerderheid hij zich volkomen bewust was, in alles +gehoorzaamd. Hij had het paleis te Nisaea [482], in de Medische vlakte, +betrokken, zich de kroon op het hoofd gezet, den harem des konings voor +den zijnen verklaard, en zich uit de verte aan het volk vertoond, dat +in zijne trekken die van den vermoorde meende te herkennen. Later hield +hij zich echter in het paleis verborgen, om eene mogelijke ontdekking +van zijn geheim te voorkomen, en gaf zich, het voorbeeld van andere +Aziatische vorsten volgende, geheel aan zijne lusten over, terwijl +zijn broeder met vaste hand den schepter voerde, en alle gewichtige +ambten en posten onder zijne vrienden en stamgenooten, de magiërs, +verdeelde. Toen hij vasten grond onder de voeten meende te hebben, +zond hij den eunuch Ixabates naar Egypte, met den last, om aan het +leger de verandering in de regeering mede te deelen, en het tot afval +van Cambyzes en tot het omhelzen van Bartja's partij over te halen, +welke laatste, gelijk wij weten, vooral door de soldaten afgodisch +bemind werd. + +De voor zijne boodschap uitmuntend berekende gezant kweet zich zeer +goed van zijn last, en had reeds een groot aantal soldaten voor den +nieuwen koning gewonnen, toen hij door eenige Syriërs, die op eene +goede belooning hoopten, gevangengenomen en naar Memphis gebracht +werd. In de pyramidenstad aangekomen, voerde men hem oogenblikkelijk +voor den koning, die hem, ingeval hij de volle waarheid aan het +licht bracht, vrijheid en leven verzekerde. En nu bevestigde de +gezant de tijding, die tot dusver als een los gerucht tot Egypte was +doorgedrongen, dat Bartja den troon van Cyrus had bestegen, en reeds +door het grootste deel van het rijk erkend was geworden. + +Cambyzes ontroerde bij dit bericht, als iemand, die een doode uit het +graf ziet opstaan. In weerwil dat zijne geestvermogens zeer verzwakt +waren, wist hij toch zeer goed, dat Bartja op zijn bevel door Prexaspes +vermoord was. Hij vermoedde thans, dat zijn gezant hem bedrogen en den +jongeling het leven geschonken had. Deze bliksemsnel in hem oprijzende +gedachte onverwijld uitsprekende, verweet hij Prexaspes met bittere +woorden het jegens zijn koning gepleegde verraad. De hoveling was +nu gedwongen met een duren eed te bezweren, dat hij den ongelukkigen +Bartja met zijne eigene hand gedood en begraven had. + +Hierop werd den bode van Oropastes gevraagd, of hij zelf den nieuwen +koning gezien had. Hij antwoordde ontkennend, met bijvoeging, dat +de broeder van Cambyzes slechts eene enkele maal zijne woning had +verlaten, om zich uit de verte aan het volk te vertoonen. Thans +doorzag Prexaspes het geheele weefsel van leugen en bedrog, door +den opperpriester gesponnen. Hij herinnerde den koning het onzalige +misverstand van vroeger, dat door de treffende gelijkenis van Gaumata +op Bartja ontstaan was, en bood zijn hoofd aan tot onderpand voor de +waarheid van zijn vermoeden. De geestelijk kranke koning, die met deze +uitlegging genoegen nam, dacht sedert dit oogenblik aan niets meer, +dan aan de gevangenneming en de terechtstelling der magiërs. + +Het leger moest zich marschvaardig maken. Aryandes, een Achaemenide, +werd tot satraap over Egypte benoemd, en zonder verwijl braken de +troepen naar Perzië op. Voortgezweept door het verlangen om wraak te +nemen op den trouwloozen stadhouder, gunde de koning zich geene rust, +en maakte den nacht tot dag. Maar plotseling werd hij in zijne dolle +vaart gestuit. Zijn paard, waarvan hij in zijne onstuimige drift al +te veel gevergd had, zeeg uitgeput neder, en onder het vallen had de +ruiter het ongeluk zich met zijn eigen dolk te kwetsen [483]. Nadat +hij dagen lang bewusteloos had neêrgelegen, sloeg hij de oogen op, en +verlangde eerst Araspes, dan zijne moeder, en eindelijk Atossa te zien, +ofschoon deze drie reeds voor maanden waren afgereisd. Uit al zijne +woorden bleek, dat hij de laatste vier jaren, sedert het begin dier +heftige koortsen, tot op het oogenblik zijner verwonding, als in een +diepen slaap had verkeerd. Alles wat men hem uit dien tijd verhaalde, +was hem geheel nieuw, en vervulde hem met groote smart. Alleen +van den dood zijns broeders bleek hij kennis te dragen. Hij wist, +dat Prexaspes dezen, op zijn bevel, vermoord en hem gezegd had, +dat Bartja op den oever der Roode Zee begraven lag.--In den nacht +die volgde op dit ontwaken, werd het hem zelven duidelijk, dat hij +langen tijd volkomen krankzinnig moest geweest zijn. Tegen den morgen +viel hij in een gerusten slaap, die hem zoo zeer versterkte, dat hij +Cresus bij zich ontbieden kon. Hij gelastte dezen hem uitvoerig mede +te deelen, wat hij in de laatste jaren gedaan had. + +De grijze raadsman voldeed aan 's konings verlangen, en verzweeg hem +geene zijner geweldenarijen, al wanhoopte hij ook, den aan zijne zorg +toevertrouwden vorst op den rechten weg te zullen terugbrengen. Zijne +blijdschap was daarom dubbel groot, toen hij bemerkte, dat zijne +woorden een diepen indruk maakten op het ontwaakte geweten van den +koning. Met tranen in de oogen verklaarde deze, dat zijne euveldaden +hem berouwden. Beschaamd als een kind, bad hij Cresus om vergiffenis, +dankte hem voor zijne trouwe liefde, en droeg hem eindelijk op, uit +zijn naam vooral Cassandane en Sappho, maar ook Atossa en allen die +hij ten onrechte had gegriefd, om vergeving te vragen. + +De eerbiedwaardige Lydiër weende tranen van vreugde, en hield niet +op den kranke te verzekeren, dat hij genezen en dan overvloedige +gelegenheid hebben zou, om al het misdrevene door edele daden +weder goed te maken. Cambyzes schudde evenwel ontkennend het hoofd, +en verzocht den grijsaard hem in de open lucht te laten brengen, +zijne legerstede op eene hoogte te doen plaatsen, en den Achaemeniden +te bevelen, zich om hun koning te verzamelen. Toen aan zijn bevel, +niettegenstaande de geneesheeren zich hiertegen verzetten, was voldaan, +liet Cambyzes zich overeind zetten, en sprak daarop met een stem, +die tot op grooten afstand verstaanbaar was, het volgende: + +»Het is thans tijd, Perzen, dat ik u mijn grootste geheim +openbaar. Door een droomgezicht misleid, door mijn broeder vertoornd +en gekrenkt, heb ik, in een vlaag van waanzinnige drift, last gegeven +hem te vermoorden. Prexaspes heeft, op mijn uitdrukkelijk bevel, +de schandelijke daad volbracht, die in plaats van mij de verlangde +rust te schenken, mijne hersenen geheel heeft gekrenkt en deze +stervensure voor mij zoo vreeselijk maakt.--Deze bekentenis moge +u overtuigen, dat mijn broeder Bartja niet meer onder de levenden +is. De magiërs hebben zich van den troon der Achaemeniden meester +gemaakt. Aan hun hoofd staan de, door mij tot stadhouder aangestelde +opperpriester Oropastes en zijn broeder Gaumata, die zoo sprekend op +den vermoorden Bartja gelijkt, dat Cresus, Intaphernes en mijn oom, +de edele Hystaspes, hem eens voor mijn broeder hebben aangezien. Wee +mij, dat ik hem gedood heb, die, als mijn naaste bloedverwant, den mij +door de magiërs aangedanen hoon had kunnen wreken. Maar ik kan hem niet +in het leven terugroepen en daarom benoem ik ulieden tot uitvoerders +van mijn laatsten wil. Bij den Feruer van mijn overleden vader, en +in den naam van alle goede en reine geesten, bezweer ik u, dat gij de +regeering niet in de handen der valsche magiërs laat. Hebben zij zich +door list van de kroon meester gemaakt, zoekt die hun dan door list +wederom te ontrukken. Hebben zij met geweld den schepter veroverd, +ontweldigt hun dien op gelijke wijze. Volgt gij dezen mijn laatsten +wil, zoo zal de aarde u rijke vruchten schenken, zoo zult gij in uwe +vrouwen en kudden gezegend worden, zoo zal ten allen tijde vrijheid +uw deel zijn. Mocht gij daarentegen de heerschappij niet meer in uw +geslacht terugbrengen, dan zult gij allen, ja, dan zal ieder Pers +even rampzalig aan zijn einde komen als ik!" + +Toen de Achaemeniden den koning na deze woorden zagen weenen en +uitgeput nederzijgen, scheurden zij hunne kleederen en hieven een +klaaggeschrei aan. Weinige uren later gaf Cambyzes in de armen van +Cresus den geest. In zijne laatste oogenblikken dacht hij aan Nitetis, +en hij stierf met haar naam op de lippen, en met tranen van berouw +in de oogen [484]. + +Nadat de Perzen het onreine lijk verlaten hadden, knielde Cresus er +voor neder, en riep, zijne hand ten hemel heffende: »Groote Cyrus! Ik +heb mijn eed gehouden, en dezen ongelukkige tot aan zijn dood als +zijn getrouwe raadsman ter zijde gestaan!" + +Den volgenden dag trok de oude man, met zijn zoon Gyges, naar de hem +in eigendom geschonken stad Barene, alwaar hij nog vele jaren leefde, +als een vader zijner onderdanen, door Darius in hooge eere gehouden, +door al zijne tijdgenooten geprezen. + + + +Na den dood van Cambyzes hielden de hoofden van de zeven +Perzische stammen [485] te zamen raad, en besloten zich vóor +alle dingen zekerheid te verschaffen, omtrent den persoon van den +overweldiger. Otanes zond heimelijk een getrouwen eunuch tot zijne +dochter Phaedime, die, gelijk men wist, met den geheelen te Nisaea +achtergebleven harem van Cambyzes, in het bezit van den nieuwen +koning was gekomen. Alvorens de bode terugkeerde, was het grootste +gedeelte van het leger verloopen, daar de soldaten met vreugde de +gunstige gelegenheid aangrepen, om na eene veeljarige afwezigheid tot +hunne haardsteden en betrekkingen terug te keeren. Eindelijk kwam de +eunuch, die met smart verwacht werd, terug, aan Otanes de volgende +boodschap brengende: »Phaedime was slechts een enkele maal door +den nieuwen koning bezocht geworden; zij had echter van zijn slaap +partij weten te trekken, om zich met groot gevaar te overtuigen, dat +hem werkelijk beide ooren ontbraken. Maar ook zonder deze ontdekking +had zij de zekerheid, dat de overweldiger, die inderdaad treffend op +den vermoorde geleek, niemand anders was dan Gaumata, de broeder van +Oropastes. Haar oude vriend Boges was wederom overste der eunuchen, +en had haar in het geheim der magiërs ingewijd. De opperpriester had +den vrouwendespoot als bedelaar in de straten van Suza ontmoet, en +hem zijne oude bediening teruggegeven met de woorden: »Wel hebt gij uw +leven verbeurd; maar ik heb behoefte aan menschen van uw slag."--Ten +slotte bad Phaedime haar vader alles in het werk te stellen, om den +magiër, die haar met de grootste minachting bejegende, van den troon +te stooten. Zij was, verzekerde ze, de ongelukkigste aller vrouwen. + +Ofschoon geen der Achaemeniden ook slechts een oogenblik geloofd +had, dat Bartja nog in leven was, en zich werkelijk van den troon +had meester gemaakt, waren zij toch blijde, toen zij door Phaedime's +tusschenkomst zulk een afdoende zekerheid betreffende den persoon des +overweldigers verkregen. Zij besloten onmiddellijk met het overschot +van het leger naar Nisaea te trekken, en den magiërs door list of +geweld de kroon te ontrukken. + +Nadat zij ongehinderd in de nieuwe residentie waren binnengetrokken, +en gezien hadden dat het meerendeel der bevolking tevreden was met +de verandering, die er in de regeering had plaats gehad, namen zij +den schijn aan als geloofden zij, dat de nieuwe koning waarlijk de +jongere zoon van Cyrus was, en als waren zij bereid hem hunne hulde +te brengen. De magiërs lieten zich echter zoo gemakkelijk niet om den +tuin leiden, hielden zich in hun paleis verborgen, verzamelden in de +vlakte van Nisaja een leger, aan hetwelk zij hooge soldij beloofden, +en zetten hunne bemoeiingen ijverig voort, om het geloof aan Bartja's +bestaan te versterken. Niemand, die hen hierbij meer kon tegenwerken, +of misschien van nut zijn, dan Prexaspes. Want deze stond bij alle +Perzen hoog aangeschreven, en kon dus door te verzekeren, dat hij +Bartja niet had vermoord, het meer en meer veld winnende gerucht +betreffende diens dood ineens doen logenstraffen. Derhalve liet +Oropastes den gezant, die sedert 's konings mededeeling door zijns +gelijken gemeden werd en als een balling leefde, bij zich komen, en +bood hem eene ontzaglijke som, indien hij een toren wilde bestijgen, +en aan het in het voorhof vergaderde volk verklaren, dat lastertongen +hem den moordenaar van Bartja hadden genoemd, terwijl hij zoo even +met eigen oogen den nieuwen koning had gezien, en in hem den jongeren +zoon van Cyrus, zijn vriend en weldoener, wedergevonden en herkend +had. Prexaspes verklaarde zich hiertoe bereid, nam, terwijl zich het +volk in het voorhof opeenhoopte, een teeder afscheid van de zijnen, +zond bij het heilige vuuraltaar een kort gebed tot de goden op, en +begaf zich dan met fieren tred en opgeheven hoofd naar het paleis. Op +weg daarheen ontmoette hij de hoofden van de zeven stammen. Toen hij +zag, dat zij voor hem uit den weg gingen, riep hij hun toe: »Ik verdien +uwe verachting, maar ik zal beproeven uwe vergiffenis te verwerven!" + +Toen Darius zich nog eens omkeerde, liep hij naar dezen toe, vatte +zijne hand, en zeide: »Ik heb u als een zoon liefgehad. Als ik niet +meer zijn zal, zorg gij dan voor mijne kinderen, en gebruik uwe wieken, +gevleugelde Darius!" + +Daarop beklom hij met trotsche houding den hoogen toren. De duizenden +burgers uit Nisaea verstonden hem woord voor woord, toen hij, zijn +stem zooveel hij kon uitzettende, het volgende sprak: »Gij allen weet, +dat de koningen, die tot dusver roem en eer over u hebben gebracht, +tot het geslacht der Achaemeniden behoorden. Cyrus regeerde over u +als een billijk vader, Cambyzes als een streng gebieder, en Bartja +zou u, als een bruidegom zijne bruid, hebben geleid, zoo hij niet +door deze mijne eigene hand aan den oever der Roode Zee verslagen +was geworden. Deze schandelijke daad, die ik, bij Mithra, met een +bloedend hart pleegde, volbracht ik, als een gehoorzaam onderdaan, +overeenkomstig het bevel van mijn heer en koning. Toch kon ik bij dag +noch nacht rust vinden. Als het opgejaagde wild werd ik, vier jaren +lang, door de geesten der duisternis, die den slaap van het leger eens +moordenaars verdrijven, vervolgd en gemarteld. Thans echter heb ik het +besluit genomen, dat leven vol angst en vertwijfeling met eene goede +daad te besluiten. Zal ik ook aan de brug Chinvat [486] geene genade +vinden, toch hoop ik mij bij de menschen den naam van een braaf man +weder waardig te maken, dien ik eens verbeurde. Weet dan, dat hij, +die zich voor den zoon van Cyrus uitgeeft, mij op dezen toren zond, +en eene groote belooning toezeide, als ik u bedriegen wilde, en de +verzekering voor u afleggen, dat hij Bartja, de Achaemenide, is. Ik +lach met zijne beloften, en zweer hier met den duursten eed, dien +ik ken, bij Mithra en de Feruers der koningen, dat hij, die thans +over u heerscht, niemand anders is, dan de van zijne ooren beroofde +Gaumata, de broeder van den opperpriester en stadhouder Oropastes, +dien gij allen kent! Wilt gij den roem vergeten, dien gij aan de +Achaemeniden te danken hebt, wilt gij niet alleen ondankbaar maar +ook laf en laaghartig zijn, welnu, erkent dan die ellendelingen als +uwe koningen. Maar verfoeit gij den leugen, en acht gij u zelven te +edel, om nietswaardige bedriegers te gehoorzamen, verjaagt dan de +magiërs, voordat Mithra den hemel verlaat, en roept den edelste der +Achaemeniden, in wien gij een tweeden Cyrus zult wedervinden, roept +dan Darius, den verheven zoon van Hystaspes, tot koning uit. Opdat +gij echter geloof moogt hechten aan mijne woorden, en niet meenen, +dat Darius mij hierheen heeft gezonden, om u voor hem te winnen, wil +ik thans eene daad volbrengen, die aan allen twijfel een einde maken +en bewijzen zal, dat mij de waarheid en de eer der Achaemeniden liever +zijn dan mijn leven. Weest gezegend, als gij mijn raad volgt; weest +vervloekt, als gij u niet op de magiërs wreekt, noch den schepter +in de handen der Achaemeniden overlevert! Ziet, ik sterf als een +waarheidlievend en braaf man!" + +Nadat hij dit gezegd had, beklom de spreker den hoogsten top van den +toren, stortte zich van boven neder en stierf, de eenige misdaad die +hij ooit gepleegd had met een schoonen dood verzoenende. + +Het volk, dat geen woord van zijne rede gemist had, en als het ware +den adem had ingehouden, om hem goed te verstaan, barstte nu los +in een geweldig gehuil van woede en wraak, verbrijzelde de deuren +van het paleis, en stond gereed om met den kreet: »De dood aan de +magiërs!" naar binnen te stuiven, toen de zeven stamhoofden der Perzen +den woedenden hoop in den weg traden. + +Zoodra de menigte hen bespeurde, klom hare geestdrift nog hooger, +en riep zij nog onstuimiger: »Weg met de magiërs! Leve koning Darius!" + +Door den volkshoop als in triomf voortgedragen, plaatste zich de +zoon van Hystaspes thans op eene verhevenheid, en deelde van daar +het volk mede, dat de magiërs zoo even, als leugenaars en roovers, +door de handen der Achaemeniden den dood hadden ontvangen. Met +nieuwe vreugdekreten werd dit bericht begroet. Nadat vervolgens de +bloedende hoofden van Oropastes en Gaumata den volke vertoond waren, +vloog de van woede en wraaklust uitgelaten menigte de straten door, +iederen magiër doodende, dien zij meester kon worden. Alleen de nacht +vermocht een einde te maken aan dat vreeselijke bloedbad [487]. Vier +dagen later werd de zoon van Hystaspes, op grond van zijne geboorte +en uitnemende hoedanigheden, door de hoofden der Achaemeniden tot +koning gekozen, en als zoodanig door de Perzen met geestdrift begroet. + +Darius had met eigen hand den magiër Gaumata gedood, op hetzelfde +oogenblik dat Megabyzus, de vader van Zopyrus, den opperpriester +doorboorde. Terwijl Prexaspes het volk toesprak, waren de zeven +saamgezworene stamhoofden Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, +Aspatines, Hydarnes en Darius, die zijn hoog bejaarden vader Hystaspes +verving, door eene onbewaakte deur in het paleis gedrongen. Spoedig +kwamen zij te weten, waar de magiërs zich ophielden, en waren dus, +daar zij de inrichting van het slot kenden en de meeste wachters het +toezicht moesten houden op het daar buiten naar de rede van Prexaspes +luisterende volk, zonder oponthoud tot de vertrekken genaderd, waar de +magiërs vertoefden. Hier beproefden eenige eunuchen, onder aanvoering +van den ons welbekenden Boges, hun den weg te versperren; doch in +weerwil van hun moedigen tegenstand werden zij allen gedood. Boges +stierf door de hand van Darius, die hem dadelijk herkend had, en daarom +met verdubbelde woede op hem was aangevallen. Verontrust door het +gekerm der stervende eunuchen, waren de magiërs toegesneld, en ziende +wat er gebeurde, hadden ook zij zich nog willen verweren. Oropastes +rukte den nederzijgenden Boges de lans uit de hand, stiet Intaphernes +een oog uit, en kwetste Aspatines aan het dijbeen, waarop een dolksteek +van Megabyzus een einde aan zijn leven maakte. Gaumata was in een +zijvertrek gevlucht, en wilde juist de deur dichtgrendelen, toen Darius +en Gobryas naar binnen drongen. De laatste omvatte den magiër met zijne +armen, wierp hem neder en belette hem, door zich op hem te werpen, +van den grond op te staan. Besluiteloos stond Darius naast die beiden +in het halfduistere vertrek, vreezende dat hij door toe te stooten +ook Gobryas zou treffen. Deze bemerkte dit en riep: »Stoot toe, al +moest gij ook ons beiden doorboren!" Darius gehoorzaamde, doch trof +gelukkig alleen den magiër. Dit was het uiteinde van Oropastes, den +opperpriester, en van den meer algemeen onder den naam van »pseudo" +of »valschen Smerdis" bekenden Gaumata. + +Ettelijke weken nadat Darius tot koning was uitgeroepen, waarbij hij, +gelijk de Perzen verhaalden, door wonderbare goddelijke teekens en +de list van een stalmeester [488] ondersteund was geworden, vierde +de zoon van Hystaspes te Pasargadae een prachtig kronings- en een +nog luisterrijker huwelijksfeest met de geliefde zijns harten, +Atossa [489], de dochter van Cyrus. De door het lijden ontwikkelde +en gerijpte jonge vrouw bleef, tot aan het einde van het werkzame en +roemrijke leven van haar gemaal, zijne vurig beminde en hooggeachte +gemalin. Gelijk Prexaspes had voorspeld, werd Darius een koning, +wiens daden en werken hem den naam van »tweeden Cyrus" en van »den +groote" ten volle waardig maakten. + +Als veldheer even omzichtig als dapper, wist hij zijn onmetelijk rijk +zoo uitmuntend in te deelen en te besturen, dat men hem in de kunst +van te regeeren onder de grootste vorsten van alle landen en tijden +moet rangschikken. Aan hem alleen hadden zijne zwakke opvolgers +het te danken, dat zich dat kolossale Aziatische rijk, hetwelk uit +zoovele landen bestond, nog twee eeuwen kon staande houden. Mild en +vrijgevig met zijne eigene schatten, en hoogst zuinig als het die +zijner onderdanen gold, wist hij waarlijk koninklijke geschenken +te geven, zonder ooit meer te vorderen dan hem toekwam. In plaats +van die willekeurige geldafpersingen, die onder de regeering van +Cyrus en Cambyzes telkens wederkeerden, voerde hij een geregeld +belastingstelsel in, en liet zich in het doorzetten van wat hij recht +en billijk oordeelde door geene zwarigheden afschrikken. De bespotting +van de zijde der Achaemeniden, die van niets wisten dan oorlog voeren, +en hem dus om zijne zuiver financiëele bemoeiingen »kramer" noemden, +deed hem geen haarbreed van den eenmaal ingeslagen weg afwijken. Het +is voorwaar niet een zijner geringste verdiensten, dat hij door zijn +geheele rijk, en aldus door de halve toen bekende wereld, een gelijk +muntstelsel invoerde. + +De zeden en godsdiensten der verschillende volken eerbiedigende, +veroorloofde hij den Joden, toen het document van Cyrus waarvan +Cambyzes niets had geweten, in het archief van Ekbatana was +wedergevonden, met het bouwen van hun tempel voort te gaan. Den +Ionischen steden vergunde hij hare gemeenten zelfstandig te +besturen. En nooit zou hij er toe gekomen zijn, zijne legers tegen +Griekenland te doen optrekken, als de Atheners hem niet beleedigd +hadden. + +In de staathuishoudkunde had hij, als in zoovele andere dingen, +veel van de Egyptenaren geleerd. Vandaar dat hij dit volk eene +bijzondere achting toedroeg en vele weldaden bewees. Zoo liet hij +onder anderen, tot opbeuring van den Egyptischen handel, een kanaal +graven, dat den Nijl met de Roode Zee verbond [490]. Gedurende zijne +gansche regeering deed hij zijn uiterste best de hardheid, waarmede +Cambyzes de Egyptenaren behandeld had, door zachtheid weder goed te +maken, en nog op hoogen leeftijd hield hij zich gaarne onledig met het +bestudeeren van de werken van dit wijze volk, welks zeden en godsdienst +zoolang hij leefde door niemand ooit mocht worden aangerand. De grijze +priester Neithotep, die eens zijn leermeester was geweest, mocht zich +tot aan den dood in de gunst van dezen vorst verheugen, die zich niet +zelden de sterrenkundige kennis van den ouden wijze ten nutte maakte. + +De Egyptenaren erkenden ook van hunne zijde de goedheid van den +nieuwen vorst, en noemden Darius, evenals hunne vroegere koningen, +eene godheid [491]. Desniettemin vergaten zij op het einde zijner +regeering de groote verplichtingen, die zij aan hem hadden, en +beproefden, toegevende aan hun verlangen naar zelfstandigheid, +het zachte juk van de schouders te werpen [492]. Hun edele vorst en +beschermer mocht het einde van dezen strijd niet meer beleven. Xerxes, +de opvolger en zoon van Darius en Atossa, was bestemd om de bewoners +van het Nijldal tot eene meer slaafsche onderwerping terug te brengen, +die juist daarom onmogelijk duurzaam kon zijn. + +Als een waardig gedenkteeken zijner grootheid, liet Darius op +den berg Rachmed bij Persepolis een heerlijk schoon paleis bouwen, +welks puinhoopen thans nog de verbazing en bewondering der reizigers +wekken. Zesduizend Egyptische bouwlieden, door Cambyzes indertijd naar +Azië gevoerd, hielpen dit werk tot stand brengen, en ondersteunden de +arbeiders, aan welke was opgedragen een koninklijk graf voor Darius en +zijne nakomelingen aan te leggen. De moeilijk toegankelijke rotskamers +dier begraafplaats hebben den tand des tijds getrotseerd, en strekken +heden nog aan tallooze wilde duiven tot woning. + +Op een gepolijsten wand van de rots van Bisitoen of Behistân, nabij +welke plaats Darius eens het leven zijner Atossa had gered, liet hij de +geschiedenis zijner daden uitbeitelen met zoogenaamd spijkerschrift in +de Perzische, Medische en Assyrische taal. Het Assyrisch en Perzisch +gedeelte dezer opschriften is thans met juistheid te lezen. Aldaar +vindt men ook eene mededeeling van de in de laatste hoofdstukken +geschetste gebeurtenissen, die vrij nauwkeurig overeenstemt met ons +verhaal en met de berichten van Herodotus. Onder anderen wordt er +gezegd: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik deed, geschiedde in +allen deele door de genade van Aoeramazda. Nadat de koningen afvallig +waren geworden, leverde ik negentien veldslagen. Door de genade van +Aoeramazda versloeg ik hen. Negen koningen nam ik gevangen. Een van +hen, Gaumata, een Mediër, loog, toen hij dus sprak: 'Ik ben Bardiya +(Bartja), de zoon van Cyrus.' Deze maakte Perzië afvallig." + +Verder vermeldt hij ook de namen der stamhoofden, die hem geholpen +hadden bij het ten onder brengen der magiërs, en op eene andere plaats +leest men: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik gedaan heb, dat +heb ik in allen deele door de genade van Aoeramazda gedaan. Aoeramazda +en de overige bestaande goden schonken mij hun bijstand, daarom, dat +ik niet twistgierig, geen leugenaar, geen gewelddadig heerscher was, +ik noch mijn geslacht. Wie mijne stamgenooten geholpen heeft, dien +heb ik begunstigd; wie vijandig jegens ons was, dien heb ik streng +gestraft. Gij, die na mij koning zult zijn, wees niet vriendschappelijk +gezind jegens den man, die een leugenaar of een oproerling is, maar +straf hem streng. Darius, de koning, spreekt: Gij, die later deze +tafel zult zien, die ik geschreven heb, of deze teekens, vernietigt +ze niet, maar bewaart ze zoolang gij leeft, enz." + +Ten slotte blijft ons nog over te verhalen, dat Zopyrus, de zoon +van Megabyzus, tot aan zijn dood de trouwste vriend van Darius +bleef. Toen een hoveling den koning eens een granaatappel toonde en +hem vroeg: »Welk geluk zoudt gij gaarne zoo veelvuldig bezitten als +deze appel pitten bevat?" antwoordde Darius, zonder zich te bedenken: +»Mijn Zopyrus!" + +Deze wist de goedheid van zijn koninklijken vriend weerkeerig met +vriendschap te vergelden. Toen Darius negen maanden lang vruchteloos +Babylon had belegerd, dat zich na den dood van Cambyzes aan de +Perzische heerschappij had ontworsteld, en reeds half en half besloten +was het beleg op te breken, verscheen Zopyrus bloedende, zonder neus en +ooren, voor den koning, en zeide, dat hij zichzelven dus verminkt had, +om den Babyloniërs, die hem even goed kenden als hij hunne dochteren, +wie hij zoo dikwerf het hof had gemaakt, eene poets te spelen. Hij +zou de overmoedige bevolking diets maken, dat Darius hem alzoo had +doen mishandelen, en hunne hulp inroepen om wraak te nemen op den +koning. Zij zouden hem dan troepen verschaffen, waarmede hij, om zich +het vertrouwen der burgers te verwerven, eenige gelukkige uitvallen +zou doen. Dan zou hij de sleutels der stad in handen zien te krijgen, +en voor zijne vrienden de Semiramis-poort openen. Deze op schertsenden +toon uitgesproken woorden, en het verminkte gelaat van zijn vroeger +zoo schoonen vriend, deden den koning zoozeer aan, dat hij tranen +stortte. Maar toen de door geweld onneembare vesting voor de list +van Zopyrus inderdaad bezweken was, riep hij: »Honderd Babels zou ik +willen geven, als mijn Zopyrus zich niet zoo verminkt had!"--Daarop +benoemde hij zijn vriend tot heer en meester van de reuzenstad, schonk +hem al de inkomsten er van en vereerde hem jaarlijks de kostbaarste +geschenken. In later tijd zeide hij meermalen, dat buiten Cyrus, +met wien geen sterveling vergeleken kon worden, niemand ooit zulk +eene edele daad had volbracht als Zopyrus. + +Weinige vorsten hebben op zulke edele vrienden kunnen wijzen +als Darius, daar weinigen als hij den plicht der dankbaarheid +in beoefening wisten te brengen. Toen Syloson, de broeder van den +vermoorden Polycrates, op zekeren dag te Susa kwam, en den koning er +aan herinnerde, wat hij eens voor hem gedaan had, ontving Darius hem +als zijn vriend, stelde schepen en soldaten te zijner beschikking, +en hielp hem de Samiërs onder zijne heerschappij terug te brengen. De +eilanders verweerden zich met den moed der wanhoop tegen de vreemde +krijgsbenden van den nieuwen tyran, en erkenden, toen zij zich ten +laatste overwonnen moesten verklaren, dat zij hunne onderwerping aan +de vriendschap van Darius voor Syloson hadden te wijten. + +Rhodopis beleefde nog, dat Hipparchus door Harmodius en Aristogiton +vermoord werd en den val van zijn broeder Hippias, de tyrannen van +Athene, en stierf eindelijk met vast vertrouwen op de hooge bestemming +der Hellenen, in de armen van hare beste vrienden, Theopompus den +Milesiër en Kallias den Athener. Geheel Naucratis beweende den dood +dezer edele vrouw. Kallias zond een bode naar Susa, om den koning en +Sappho bericht te geven van het afsterven zijner vriendin. Weinige +maanden later ontving de satraap van Egypte den volgenden brief van +de hand van Darius: + + + »Overmits wij de, onlangs te Naucratis gestorvene Helleensche + vrouw Rhodopis gekend en gehoogacht hebben,--overmits hare + kleindochter, als weduwe van een rechtmatigen kroonprins van + het Perzische rijk, op den huidigen dag nog de eere eener + koningin geniet,--overmits ik eindelijk de achterkleindochter + der overledene, Parmys, de dochter van Bartja en Sappho, + kortelings tot mijne derde echte gemalin heb verheven, schijnt + het mij recht en billijk toe, dat wij het stoffelijke overschot + van de grootmoeder van twee aanzienlijke vorstinnen koninklijke + eere doen genieten. Daarom beveel ik u de assche van Rhodopis, + die wij altijd voor de grootste en voortreffelijkste aller + vrouwen hebben gehouden, in de grootste en prachtigste + aller begraafplaatsen, namelijk in eene der pyramiden, met + vorstelijken luister te doen bijzetten. In nevensgaande + kostbare urn, die Sappho zelve zendt, moet de assche der + overledene worden verzameld. + + Gedaan in het + nieuwe rijkspaleis te Persepolis, + + Darius, zoon van Hystaspes, + koning. + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Naar de stad Canobus, niet ver van het tegenwoordige Rosette +gelegen. + +[2] Van welke schepen de Egyptenaars zich bedienden, kan men +o.a. zien bij Dümichen, Die Flotte einer Egyptischen Königin. De oude +gedenkteekenen doen ons duidelijk opmerken, welke vorderingen zij +langzamerhand in den scheepsbouw hebben gemaakt. Reeds op monumenten +uit den pyramidentijd vinden wij afbeeldingen van scheepstimmerwerven, +en in het museum te Leiden scheepsmodellen. Vgl. verder: Ebers, +Cicerone durch das alte und neue Aegypten en A. Erman, Aegypten und +ägyptisches Leben im Altertum. + +[3] Een lichte zomermantel van zeer fijne stof, die elegante Atheners +gewoon waren te dragen. De Dorische Grieken, met name de Spartanen, +droegen een eenvoudigen mantel (himation). + +[4] Deze stad lag in de zoogenaamde Delta, in de Saïtische provincie, +aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm. Zij werd omstreeks 749 +v. Chr. door Milesiërs gesticht. Door de zorg van de Egypt. Exploration +Fund werden in den jongsten tijd hare grondslagen teruggevonden. In +de nabijheid van deze bloeiende handelstad koos Alexander de Groote +later de plek tot stichting van Alexandrië. + +[5] Wij zijn in October, wanneer de rivier reeds begint te +dalen. Vgl. Ebers' Warda (vert.) Dl. I, blz. 169. + +[6] Spartanen droegen geen knevels. + +[7] Gelijk de Grieken hunne gastmalen door muziek opluisterden, zoo +vinden wij ook op de oud-Egyptische afbeeldingen bij de maaltijden +vrouwen, blazende op dubbele fluiten, blinde harpspelers, enz. + +[8] Alkman (Alkmaeon) leefde in Sparta omstreeks 650. Om de vele door +hem vervaardigde maagdenkoren (Partheniën), om zijne lofliederen op +de vrouwen, en om de vriendschappelijke betrekkingen, waarin hij +tot vele Spartaansche vrouwen stond, zou hij den Lacedaemonischen +"vrouwenvereerder" genoemd kunnen worden. Zijne liederen waren ook in +Egypte bekend, blijkens enkele die men op een papyrus heeft gevonden. + +[9] Meer bekend onder hare Romeinsche naam Gratiën (Aglaja, Thalia, +Euphrosyne). + +[10] De beste afbeeldingen zijn in de graven van Tel el Amarna (18e +dynastie) gevonden. Ze worden ook aangetroffen in de graven van de +doodenstad van Thebe, bijv. in het door Ebers ontdekte graf van Amen em +heb, die een groot liefhebber van bloemen was. Vgl. Lepsius. Denkmäler +aus Aegypten und Aethiopien. + +[11] Aan den ingang van Egyptische landhuizen stonden gewoonlijk +obelisken, waarop de namen van de eigenaars te lezen waren. Vanen +of wimpels komen bijna uitsluitend bij tempelpoorten voor, en men +kan nog de sporen der krammen zien, waar eens de vlaggestok werd +ingestoken. Uit opschriften blijkt, dat men had opgemerkt, hoe de +masten, die bij de pylonen (poorten) voor het hijschen van wimpels +soms werden opgericht, ook als bliksemafleiders dienst deden. De +vanen waren ook aan de Grieken niet onbekend. + +[12] Schikgodinnen. + +[13] De hoofdmaaltijd, het "deipnon," werd door de Atheners eerst +laat in den avond gebruikt. + +[14] Men kan de Grieksche hetaeren niet met onze lichte vrouwen +vergelijken. De beste onder hen hebben door vernuft en beschaving +uitgemunt. Men denke aan Aspasia. In de publieke opinie stonden zij +geenszins laag aangeschreven. Vgl. Becker, Charikles II, 51-69. + +[15] Volgens Xenophanes, zijn tijdgenoot, werd hij 154, volgens +Plinius 299 jaren oud. In 576 was hij te Sparta. + +[16] Zoo werd de Nijl oudtijds, bijv. in de gedichten van Homerus, +door de Grieken genoemd. + +[17] Een geboren Samiër van adellijke familie. + +[18] De bekende fabeldichter vertoefde werkelijk voor zijne vrijlating +tegelijk met Rhodopis bij Jadmon. + +[19] Een slaaf, die met de opvoeding der kinderen was belast, en zich +in den regel door fijnere beschaving onderscheidde. Hij vergezelde +de knapen overal, ook als ze naar de scholen gingen. + +[20] Volgens Herodotus was Rhodopis zoo schoon, dat iedere Helleen +haar naam kende. + +[21] Een der voortreffelijkste lierdichters der oudheid. Zijne liederen +getuigen van een vurigen geest en zijn onberispelijk van vorm. Het +lijdt geen twijfel of hij heeft zich met Charaxus ook te Naucratis +opgehouden. Vgl. over hem en andere hier genoemde Grieksche dichters: +enz. J. C. Spakler en J. Heemskerk. Handl. tot de studie der oudheid, +en W. Wägner, Hellas, vert. door J. C. van Deventer. + +[22] Dichteres, bekend door hare ongelukkige liefde voor Phaon. J. van +Lennep koos deze legende tot onderwerp voor een zangspel. Grillparzer, +voor een drama. Van haar zijn maar twee volledige oden en eenige +fragmenten bewaard gebleven. + +[23] Aldus genoemd in het O. Test. Bij de Grieken heet hij Apriës +en Uaphris; op zijn naamschild in hiëroglyphen Uah-ph-ra-het. Hij +behoorde tot de 26e dynastie en regeerde van 588-569. + +[24] Hij heet op de naamschilden (cartouches) Aahmes, d.i. jonge +maan. Zijn bijnaam was Se-Net, d. i. zoon van Neith. Zijn naam vindt +men o. a. op een monoliet-tempeltje van rood graniet in het museum +te Leiden. + +[25] Een bekend spreekwoord der oudheid, ontleend aan de gevaarlijke +rots en draaikolk in de zeeëngte tusschen Italië en Sicilië. + +[26] Ongerijmd voor zooverre men oordeelde naar de uiterlijke +vormen. De wijsheid der Egyptische priesters werd echter door de +Grieken zeer gewaardeerd. De Nieuw-Platonische wijsgeeren hebben +daaraan veel ontleend. + +[27] Het tegenwoordige Marseille, omstreeks 600 v. Chr. door Phocaeërs +gesticht. + +[28] In Egypte bestond een strenge politie. Amasis zou zich ten +opzichte van hare organisatie zeer verdienstelijk hebben gemaakt. Men +nam in dit corps bij voorkeur vreemdelingen op, gelijk uit talrijke +opschriften en papyrussen blijkt. + +[29] Kort vóor het tijdperk, waarin deze geschiedenis aanvangt, hadden +Pisistratus van Athene, Polycrates van Samos en Lygdamis van Naxos +de heerschappij van den adel doen vallen, en zich meester gemaakt +van het bestuur. + +[30] Vgl. Becker, Charikles, I, Pl. 1, bl. 166-205. + +[31] Over de beroemde plastische kunst der Aegineten kan men oordeelen +naar de groepen uit den gevel van den Athene-tempel op Aegina, +door Thorwaldsen gerestaureerd en naar de glyptotheek te Munchen +overgebracht. Afgietsels vindt men op het museum te Leiden. + +[32] Eene houtsoort afkomstig uit de oase van Jupiter-Amon in de +Libysche woestijn. Het was zoo kostbaar, dat Cicero ongeveer 96,000 +gulden betaalde voor eene tafel van dit hout. Egyptische stoelen +vindt men in de musea te Leiden. + +[33] Eene soort van cither. + +[34] Olie geperst uit de vruchten van den wonderboom (ricinus +communis). De Egyptenaars noemden de olie, die zij gebruikten om te +branden, en zich te zalven, en misschien ook den boom "kiki." + +[35] Reeds Salomo liet wagens en paarden in Egypte koopen. (1 Kon. X, +28 v.); een paard kostte ongeveer 135, een wagen 540 gulden. Paarden +en wagens komen op Egyptische monumenten veelvuldig voor. + +[36] Naam der priesteres te Delphi, die het orakel uitsprak. + +[37] beroemde Grieksche wijsgeeren. Vgl. Spakler en Heemskerk, +en Wägner. + +[38] Men herinnere zich Schillers lied. "Die Kraniche des Ibycus." + +[39] Stad in Beneden-Italië, berucht wegens hare weelderige +levenswijze. Een zwelger, een lekkerbek werd daarom een Sybariet +genoemd. + +[40] Het onderkleed, een soort van hemd. + +[41] Een bijnaam, dien men Apollo gaf, om zijne dubbelzinnige duistere +orakelspreuken. + +[42] In den regel had iedere gast zijn eigen tafeltje. Xenophanes +die ongeveer in dezen tijd leefde, geeft eene beschrijving van een +gastmaal, waarin eene tafel voorkomt, die hier tot model heeft gediend. + +[43] Sicilië. Deze kaas werd voor een bijzondere lekkernij gehouden. + +[44] De Grieken dronken altijd wijn met water, gewoonlijk in de +verhouding van 2/5 tot 3/5. Het drinken van onvermengden wijn, +behalve als geneesmiddel, was door Solon en Zaleucus streng verboden. + +[45] De Egyptenaars wisten evenals de Grieken keurige bekers en +drinkschalen te vervaardigen, hetzij van metaal, hetzij van fijne +kleiaarde met glazuur, zelden van glas. Zij komen in verschillende +vormen voor, bijv. van bloemen, van zoogdier- of vogelkoppen. In de +musea van Londen, Parijs, Berlijn, Turijn, alsmede te Leiden worden +er vele bewaard. + +[46] De vrouwen zaten aan tafel, meestal op een stoel met eene hooge +steile rug en armleuningen. In den regel koos men door het lot iemand, +die het gastmaal leidde (symposiarch). Hier was Rhodopis zelve de +aangewezen persoon. Een slaaf des huizes had het toezicht over de +andere bedienden, voor een deel door de gasten medegebracht. + +[47] Het drama was nog in zijne kindsheid. Thespis zou het eerst aan +de reizangers bij de Bacchus-feesten den vorm van een drama hebben +gegeven, door een gemaskerd persoon daarbij ten tooneele te voeren. + +[48] Naam der Spartaansche slaven. + +[49] Het symposium begon na den eigenlijken maaltijd. Gewoonlijk +werden ook nu eerst de hoofden bekransd, en wiesch men de handen met +een soort van zeep (smegma). + +[50] Een Egyptenaar, die in schulden zat, kon de mummiën zijner +voorvaderen verpanden. Vgl. Ebers, Warda, Dl. I. Hoofdst. II. + +[51] Memphis, waarvan de overblijfselen bij het dorp Mitrahenneh zijn +weergevonden, zou door Menes, volgens oude getuigenissen de eerste +koning van Egypte, aan den linkeroever van den Nijl gesticht, en door +kanalen en dammen tegen de overstrooming beveiligd zijn. Menes' zoon +en opvolger zou het paleis van Memphis hebben gebouwd. Hier stond eens +de tempel van den god Serapis (Serapeum), waarin de heilige stieren +(Apis) werden begraven, en een tempel van Ptah, en in later tijd het +kolossale standbeeld van Ramses II. De doodenstad (de pyramiden) is +het best bewaard gebleven. Mariëtte, een Fransch geleerde in dienst +van den onderkoning van Egypte, heeft zich door talrijke uitgravingen +en ontdekkingen voor de kennis van dezen ouden zetel der pharaonen +hoogst verdienstelijk gemaakt. + +[52] De Psametichus der Grieken, de eerste koning uit de 26ste +of Saïtische dynastie, die Egypte opende voor het verkeer met het +buitenland. Uit de opschriften op de Apis-graven weten wij, dat hij +den 5den Febr. 664 den troon besteeg. + +[53] De kat werd van alle dieren door de Egyptenaren voor het heiligste +gehouden en overál vereerd. Wie zulk een dier van kant had gemaakt, +werd zonder genade ter dood veroordeeld, of wel door het woedend +gepeupel op staanden voet omgebracht. De lijken dezer dieren werden +zorgvuldig gebalsemd, en kattenmummiën vindt men in alle musea, o.a. te +Leiden. Toch was er aan muizen geen gebrek. De papyrus-Ebers behelst +middelen tegen de muizen. Een papyrus te Turin vertoont een katten- +en muizenoorlog. + +[54] Bubastis was eene stad in Neder-Egypte, gelegen nabij Saqaziq, +thans Tell Bastah geheeten. De godin Pacht had hier haar voornaamste +heiligdom. Vele katten-mummiën werden daarheen gebracht. Men schijnt +Pacht ook vereerd te hebben als de beschermgodin van de geboorte en +de kraamvrouwen. + +[55] Mus, een eigennaam bij de Grieken zeer in gebruik, beteekent: +muis. + +[56] Hathor was bij de Egyptenaars de godin der liefde. Zij was eene +der voornaamste godheden, en had haar grooten tempel in de doodenstad +van Thebe (Ebers, Warda, Dl I, Hoofdst. XIV.) Zij is de hemelsche +moeder, die de moeders op aarde ter zijde staat, de geefster aller +zegeningen. Men beeldde haar af met een koekop, want de koe was haar +heilig dier, de zonneschijf tusschen de hoornen dragende. Zij heet de +moeder van den God Horus. De godin Isis is Hathor in bovenzinnelijke +vorm. Hathor was de lievelingsgodin der koninklijke vrouwen. + +[57] Een der beroemdste gebouwen van oud-Egypte, dat reeds dagteekende +van den vroegsten tijd, en door latere koningen telkens werd uitgebreid +en verfraaid. Ramses II richtte er standbeelden op voor zich, zijne +gemalin en twee zijner kinderen. Beelden, die Amasis er deed plaatsen, +lagen in den tijd van Herodotus reeds omver. + +[58] Het bestond uit dertig rechters, namelijk tien uit Memphis, en +even zooveel uit Heliopolis en Thebe. De voortreffelijkste werd tot +voorzitter gekozen. Klachten en verdedigingen moesten schriftelijk +worden ingebracht, opdat men door woord en gebaren geen invloed op +de rechters zou oefenen. + +[59] Volgens de Egyptische wet was hij, die van een misdrijf kennis +had gedragen, even schuldig als de dader. + +[60] Aanvoerder eener taxis of hoofdman eener compagnie. + +[61] Amasis had met goed gevolg een oorlog tegen Cyprus gevoerd. + +[62] Stad in het westen van Neder-Egypte. Vandaar kwam een van de beste +Egyptische wijnen. Op de gedenkteekenen komen ook nog verschillende +andere roode en witte wijnsoorten voor, o. a. van Kakem. + +[63] Oostelijke haven van Corinthe. + +[64] De Noordenwind. + +[65] Reeds in de oudheid bestond de gewoonte, om zijne vrienden van +eene reis kleine geschenken mede te brengen. Theocritus bracht voor +de vrouw van Nicias een elpenbeenen spinrokken mede, dat hij haar +zond met eenige dichtregelen, die door F. Rückert vertaald zijn. Ook +de Egyptenaars droegen armbanden in den vorm van slangen. + +[66] Cimon liet voor deze paarden, waarmede hij driemaal overwon, +nabij Athene een gedenkteeken oprichten. + +[67] Zij beroemden zich af te stammen van Ajax, gelijk de Alkmaeoniden +van Nestor, beide helden uit de gedichten van Homerus, Miltiades en +Cimon behoorden tot de Philaïden. + +[68] Zij, die bij de Eleusinische mysteriën fakkels mochten dragen, +welk recht in Kallias' familie erfelijk was. + +[69] Deze overwon drie Olympiaden later met zijne vier +hengsten. Phönix, Korax, Samos en Knakias, waarvoor hij gedenkteekenen +liet oprichten. + +[70] Spanje. Rhoda lag in het tegenwoordige Catalonië, Tartessus +in Andalusië. + +[71] De Zwarte zee. + +[72] Ongelooflijke wonderen werden van hem verhaald. Zevenmaal overwon +hij te Olympia, negenmaal te Nemea, zesmaal bij de Pythische, tienmaal +bij de Isthmische spelen. + +[73] Aan gehuwde vrouwen was het op doodstraf verboden bij de spelen +tegenwoordig te zijn. + +[74] Karthagers. + +[75] Een offer van honderd ossen, een feestoffer. + +[76] Het heilige plataan- en olijvenwoud, dat, door een muur +afgesloten, tusschen den Alphaeus en de beek Cladeus lag. Op de +plaats van het oude Olympia zijn, op kosten der Duitsche regeering, +uitgravingen gedaan en belangrijke kunstschatten gevonden. + +[77] De ruimte waarin de wedstrijden plaats hadden. + +[78] Spartaansche bakers waren door geheel Griekenland beroemd. + +[79] Stad nabij Olympia. Het lot bepaalde welke kampvechters tegen +elkaar zouden optreden, wanneer gebleken was, dat zij vrijgeborenen +waren, en dat er op hun leven niets viel aan te merken. + +[80] Titel van den persoon, aan wien in Sparta het toezicht over de +opvoeding was toevertrouwd. + +[81] Hij was uit Croton afkomstig. Na de Pisistratiden, Polycrates +en aan het Perzische hof gediend te hebben, keerde hij aldaar terug +en huwde de dochter van Milon. + +[82] Volgens de wetten van het kampgevecht, had de overwinnaar, +wiens tegenpartij stierf, geen aanspraak op den prijs. + +[83] Hij overwon in het vuistgevecht, in de 59ste Olympiade. + +[84] Oorspronkelijk aangesteld om de koningen te vervangen gedurende +den Messenischen krijg, had de adel zich van deze staatsbetrekking +bediend, om tegenover de macht der vorsten eene andere te stellen. Als +hoogste rechterlijke beambten, die tegelijk het toezicht hadden over +de opvoeding en eene zedelijke politie uitoefenden, wisten zij zich +in vele aangelegenheden zelfs boven het koningschap te plaatsen. + +[85] De Grieken lieten zich gewoonlijk door hunne slaven naar de +gastmalen begeleiden. + +[86] De bedden der oudheid waren van hout, brons of elpenbeen, +soms ook gemetseld in den vorm van eene 7-8 voet lange en 2-2 1/2 +voet hooge trede, waarvan de voorrand een weinig was verhoogd. De +matrassen en lakens werden daarop gelegd. + +[87] De Grieken droegen niet zelden amuletten, om zich te beveiligen +tegen gevaren of voortdurende gezondheid te genieten. Nog menigvuldiger +komen zij bij de Egyptenaren voor, niet alleen om het kwaad van de +levenden, maar ook van de zielen der dooden af te wenden. + +[88] Hij was de eerste Grieksche denker, die zich "philosophos", vriend +der wijsheid noemde en is zeker in Amasis' tijd in Egypte geweest. + +[89] Halicarnassus lag aan de zuidwest-kust van Klein-Azië, thans +Bodru. De opgravingen van Newton en Pullans, in 1850 aangevangen, +hebben hier de prachtigste overblijfselen van Grieksche kunst, +o. a. het graf van koning Mausolos, aan het licht gebracht. Ofschoon +Herodotus getuigt, dat Phanes uit deze stad afkomstig was, heeft +Ebers dezen tot een Athener gemaakt, omdat hij in den persoon van +Phanes opzettelijk een Joniër handelend wilde doen optreden. + +[90] Edelman. + +[91] Het meest westelijke der drie schiereilanden van Macedonië. + +[92] Zij werden om de vier jaren te Delphi gevierd, ter eere van +Apollo, den Python-dooder. + +[93] Hades (Pluto), de god der onderwereld. + +[94] Miltiades was door dezen volksstam, die den Thracischen +Chersonesus (het schiereiland Gallipoli) bewoonde, tot koning +uitgeroepen, omdat hij hunne naar Delphi trekkende gezanten had +geherbergd. + +[95] Zoo heet hij op koningsschilden, te Karnak en op het eiland +Philae gevonden. De Grieken noemden hem Psammetichos of Psamenitos. + +[96] Zoo komen zij voor op verschillende gedenkteekenen. Desgelijks +vindt men Isis en Hathor met het Horus-kind afgebeeld. Deze laatsten +schijnen tot model gediend te hebben van de oudste voorstellingen +van Maria met het Christus-kind. + +[97] Zulke stokken zijn bijna in alle musea aanwezig, ook te Leiden. Te +Thebe moet men er gevonden hebben van kersenhout, hetgeen dubbel +merkwaardig zou zijn, daar kerse- en pruimeboomen thans in Egypte +niet meer worden gekweekt. + +[98] Zulk een amulet stelde Ma voor, de godin der waarheid, die +een struisveder op het hoofd droeg. Zij werd ook afgebeeld met +geslotene oogen. De gansche priesterklasse of orde der Pterophoren +droeg struisvederen. Ook andere hoogere priesterorden sierden zich +daarmede het hoofd. + +[99] De pharao werd altijd begeleid door personen met zulke staven +in de hand. "Waaierdragers" was de gewone titel der hofbeambten. + +[100] In het Berlijnsch museum is zulk eene pruik aanwezig, waarvan +de krullen 2 voet 6 duim lang zijn. Het dragen van dit hoofddeksel, +dat den schedel voor de felle zonnestralen en de plotseling invallende +avondkoelte moest beschutten, had zijn oorsprong zeker te danken aan +het godsdienstig voorschrift om de haren te laten afscheren. + +[101] "Uw zeil was van gestikte zijde uit Egypte." (Ezechiël 27 vs. 7). + +[102] De Egyptenaars mochten geen zwijnenvleesch eten. In een graf +te Abd-el-Qoernah kan men dit verbod lezen. Het zwijn werd voor +een onrein dier gehouden. De god Typhon (Seth) had de gedaante van +een zwijn aangenomen. Zwijnenhoeders werden diep veracht. Alleen +bij het feest van Osiris en de Eileithyia werd zwijnenvleesch +geofferd. Waarschijnlijk is het Mozaïsch verbod aan de Egyptische +voorschriften ontleend. + +[103] Naar eene afbeelding in het museum te Berlijn. Alle aanzienlijke +Egyptenaars bezaten meer of minder kostbare Nijlbarken. Op een +graf uit den pyramiden-tijd vinden wij reeds gewag gemaakt van een +hoofdopzichter over deze talrijke schepen. In het Leidsch museum zijn +modellen van Egyptische vaartuigen. + +[104] Meer bekend onder den naam Smerdis, zooals de Grieken +hem noemden, men weet niet zeker waarom. Op de opschriften in +spijkerschrift van Bisitoen of Behistân heet hij Bartja of Bardiya, +Babylonisch Barzia. + +[105] De kleuren van het Perzische koningshuis. + +[106] Deze beschrijving van de Perzische kleederdracht is ontleend +aan Aeschylus, Xenophon, Curtius, het boek Esther en een te Pompeji +gevonden mozaïek, den slag bij Issus voorstellende, waarschijnlijk +afkomstig van eene Egyptische schilderes Helena, dochter van Timon. + +[107] Om deze laarzen noemde het orakel Cresus "weekvoetig." + +[108] De Grieken vereenzelvigden hun boozen god Typhon met dien der +Egyptenaars, Seth. + +[109] Zoo noemden de Egyptenaars zelve hun land, naar de donkere +kleur van den bodem. + +[110] De Persen hadden werkelijk onder de Achaemeniden geene tempels, +alleen altaren. Wat de dooden aangaat, het onreine lijk mocht noch de +reine aarde bezoedelen, noch aan het reine vuur of het reine water +worden overgegeven. Men legde dus dakhma's of begraafplaatsen aan, +die ten minste vier duim dik met cement bepleisterd en met touwen +omgeven moesten zijn. Dit beteekende, dat het geheele gebouw in de +vrije lucht hing. + +[111] Dat een vreemde volksstam van dezen naam, over welks herkomst +verschil van gevoelen bestaat, werkelijk meer dan 400 jaren over het +grootste gedeelte van Egypte heeft geheerscht, is uit monumenten en +papyrussen gebleken. Zij drongen de wettige koningen naar het Zuiden +terug. Hunne verdrijving, omstreeks 1600 v. Chr., had plaats onder den +laatsten koning van de 17de dynastie en den eersten van de 18de. De +vreemde indringers, die niet met de Joden verward mogen worden, werden +den aat-u, geesels, pestmenschen genoemd.--De Ethiopiërs voerden +later onder drie koningen heerschappij over Egypte, waarvan Taharka +(Tirhaka) de laatste was. Zij werden in 693 teruggedreven. + +[112] Onder het gevolg van Darius, dat Alexander de Groote gevangen +nam, waren 277 koks, 29 keukenjongens, 17 kuipers, 70 hofmeesters, +40 zalfbereiders en 66 kransenvlechters. + +[113] Het portret van Amasis als jongeling wordt in de werken van +Rosellini en Lepsius gevonden. Uit de trekken blijkt, dat Herodotus +het karakter van dezen vorst goed geteekend heeft. + +[114] Titel van Amasis. Alle andere pharao's voerden dergelijke +bijnamen en werden als goden vereerd, gelijk uit ontelbare +hiëroglyphische opschriften is gebleken. In de 26e dynastie komt de +titel Neb-pehti, heer van den krijgsroem, meermalen voor. + +[115] Ra, met het mannelijk artikel Phra, was het middelpunt van +den Egyptischen zonnedienst. Hij werd inzonderheid te Heliopolis +(Hebr. On. Egypt. An) vereerd. Hij komt op de gedenkteekenen voor +met eene roode kleur. De sperwer was hem geheiligd. Aan hem zijn +de meeste hymnen en gebeden gericht, en in het Doodenboek speelt +hij de hoofdrol. Plato, Eudoxus en waarschijnlijk ook Pythagoras +hebben aan de voeten zijner priesters gezeten. De obelisken, volgens +Plinius afbeeldingen van de zonnestralen, waren hem geheiligd. Als +lichtgod bestuurde hij de zichtbare schepping, gelijk Osiris de +geestenwereld. Ra was de openbaring van Osiris, gelijk deze weder de +ziel van Ra. Als Ra treedt Osiris elken morgen zichtbaar te voorschijn, +om 's avonds tot zijn eigenlijk rijk terug te keeren. De Osiris-, Isis- +en Horus-mythe gaf aan deze voorstelling een allegorisch-dramatischen +vorm. (Vgl. Ebers, Warda, Dl. I, bl. 115. v.). Tot zijn dienst +behoorde de phoenix (Bennoe), die om de 500 jaren uit het palmenland +(oost-Phoenicië) kwam, om zich in den tempel te Heliopolis te +verbranden en uit zijn asch te verrijzen. Zoo vernieuwden ook die +tijdperken zich eeuwig. Het zesmaal terugkeeren van dit tijdperk +bepaalde den tijd, dien eene ziel noodig had, om geheel gelouterd +uit hare omzwerving terug te keeren. + +[116] Grieksche berichtgevers niet alleen, maar ook de monumenten +kunnen dit getuigen. In sommige kamers heeft men de opschriften +gevonden in een toestand, die duidelijk bewees, dat ze opzettelijk +vernield waren. In de groote pyramide van Choefoe (Cheops), die het +volk met geweld had gedwongen aan zijn reusachtig graf te bouwen, +ja, de tempels had doen sluiten, opdat de godsdienst den arbeid niet +vertragen zou, vond men eene ledige en vernielde sarkophaag. + +[117] Elke menschelijke ziel werd beschouwd als een deel der +wereldziel, Osiris, waarmede hij zich na den dood des lichaams +weder vereenigde, om dan Osiris genaamd te worden. De Egyptische +kosmos bestaat uit hemel, aarde en onderwereld. Op den oceaan, die +het hemelgewelf omgeeft, vaart de zonnegod in een schuit, getrokken +door sterren en planeten. De goden wonen daarboven in eeuwige rust. De +mensch nu behoort, wat zijn ziel aangaat, tot den hemel, zijn lichaam +tot de aarde, zijne gedaante of schim tot de onderwereld. Bij zijn dood +worden deze tijdelijk vereenigde deelen gescheiden, om tot die drie +rijken weder te keeren. Het was een der voornaamste voorschriften in +de Egyptische godsdienstleer, dat het lichaam zoowel voor bederf als +voor vernieling bewaard moest worden. Misschien hebben de priesters, +bij het opstellen van deze verordening, ook wel de gezondheid op het +oog gehad. Daarbij stelde men zich voor, dat de ziel nog gedurende +een grooten cyclus van zonnejaren aan het lichaam gebonden was, dat +zij ook naar welgevallen verlaten kon, om zich in allerlei andere +gedaanten aan de menschen te vertoonen. + +[118] De door Ebers uitgegeven medische papyrus, die over het genezen +aller lichaamsdeelen handelt, heeft een aantal allermerkwaardigste +bijzonderheden omtrent de geneeskunst, de dokters en de geneesmiddelen +bij de Egyptenaars aan het licht gebracht. + +[119] De Egyptische zuilen stellen meestal palmen voor, gekroond +door bloemen of het zaadomhulsel van de lotusplant, wanneer men +ten minste de kapiteelen niet versierde met het gelaat van goden, +zooals te Dendera. Ook komen dikwijls zuilen voor in den vorm van +papyrus-schachten. + +[120] Volgens Herodotus zouden tweeduizend sterke schippers drie +jaren bezig zijn geweest, om dit gevaarte uit de steengroeven van +Syëne naar Saïs te brengen. + +[121] Het tafereel van dit gezelschap is ontleend aan muurschilderingen +die Lepsius, Wilkinson, Rosellini e. a. in hunne werken hebben +afgebeeld, en gevonden worden in de rotsgraven van rijke Egyptenaars, +vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den +overledene in de grafkamers zich vereenigden om te offeren, dan +brachten die muurschilderingen hun het leven van den afgestorvene weder +voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen, +enz. + +[122] De gewoonte om de oogleden te verven, bestaat in Egypte nog. Men +bezigt daartoe vooral het sap van de henna-plant. Het Arabische +spiesglas, dat zij "mestem" noemden, komt op de monumenten en ook in +den papyrus-Ebers voor. + +[123] Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste +hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en dan +beteekenen: dochter der godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een +Grieksche bijnaam, beteekenende: "de geëerde, de aangebedene." + +[124] Vgl. Ebers' Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt +zulk een koninklijk hoofdsieraad bewaard. + +[125] Anchnas, de weduwe van Psamtik II, schijnt Amasis' eerste vrouw +geweest te zijn. + +[126] Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon +gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers +van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn +inderdaad lieve gezichtjes, en ook bij de uitgravingen van Saqqara +heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden +in Egypte ook blondine's gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de +vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen, +die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars, +munten vele door schoonheid uit. + +[127] Afbeeldingen van danseressen en muzikanten vindt men in +de werken van Wilkinson e. a., muziekinstrumenten in de musea, +o. a. ook te Leiden. De zingende danseressen, zooals men in Egypte +nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoe en schijnen tot +het personeel van aanzienlijke heeren gehoord te hebben. Voorname +familiën hadden hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in +het graf van Neferhotep te Abd-el-Qoernah, waarbij een zijner niet +onverdienstelijke liederen te lezen staat. + +[128] Op de monumenten zijn zoowel beschonken mannen als vrouwen +afgebeeld. Bijv. een man wordt, bijwijze van een balk, door drie +slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander staat op zijn hoofd; +sommige dames zijn door het overtollig gebruik van wijn onpasselijk +geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes +tot het feestprogram te hebben behoord. Toch werd de dronkenschap +veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van +den dronkaard gezegd: "Gij zijt een tempel zonder godheid, een huis +zonder brood." + +[129] Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. De Grieken te Alexandrië +namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden +genius des doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest +men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: "Vergeet alle +zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote +reis, wanneer men aankomt in het rijk, waar alles zwijgt." + +[130] Vooral de Demawend in het Elburs-gebergte. + +[131] Deze verzekering heeft hij, gelijk blijken zal, tot waarheid +gemaakt. + +[132] Dat een koning van Egypte op deze wijze den dag verdeelde, +zooals Diodorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenen. + +[133] Opperbestuurder van eene nomos (Egypt. p--tasch of hesp) of +provincie. Wij weten thans dat het geheele land meestal in 26 Opperen +en 24 Neder-Egyptische provinciën was verdeeld, die genoemd werden +naar de hoofdplaatsen en elk weder drie onderafdeelingen hadden. + +[134] De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het +aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten +rekenden het zich tot eer voor deze werken te zorgen. Het is niet +onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis +deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Meuris +is gegraven om de overstrooming te regelen. + +[135] Herodotus en Xenophon verzekeren, dat het liegen bij de Persen +voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was +het zondigen tegen den alwetenden god des lichts. Darius zegt in een +opschrift van Behistân: "Ahoeramazda en de andere goden verleenden +mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was." + +[136] Vgl. voor Ramses II en het Egypte van zijn tijd: Ebers' Warda. + +[137] De Egyptenaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde, +zooals uit de afbeeldingen op de monumenten blijkt. + +[138] Typhon, Egyptisch Seth, was de god van het kwade. Eerst sedert +de dagen der Hyksos, die hem vereerden, schijnen de Egyptenaars hem als +eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heet "de almachtige +verwoester." De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn +bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel, +het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn +zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige menschen +heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook "roode" +genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of +nijlpaard, en met hangende borsten op den rug. + +[139] De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur had +zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden; Ammon (Jupiter) was +bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius) +wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed +oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen, +terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef. + +[140] De Egyptische tempels zijn zóo gebouwd, dat zij, daar de +op elkander volgende zalen steeds lager worden, den aanbidder +stemmen tot aandachtigen ernst. Zie eene beschrijving in Schnaase, +Kunstgeschichte. I, 394. + +[141] Dit meer (Sa-el-Hagar bij de ruïnen van Saïs) bestaat nog. Ebers +bezocht het. Zulke meren werden bij de meeste tempels gevonden. + +[142] Poortgebouwen, of wel de torens, die door een poortdoorgang +verbonden waren. + +[143] De jongste ontdekkingen hebben geleerd, dat volgens het +geloof der Egyptenaren de god Hor--Hoet (Horus) den booze en zijne +medestanders in de gedaante van eene gevleugelde zonneschijf +overweldigde, en dat, ter herinnering hieraan, de gevleugelde +zonneschijf met de Uraeusslang op alle tempels en heiligdommen moest +worden aangebracht. Dit symbool verkondigde dus den tempelganger, +dat het goede het kwade overwint, het licht de duisternis, de +vruchtbaarheid de dorheid en het leven den dood. + +[144] Dit Egyptisch gebod, dat zoo veel overeenkomst heeft met het +vierde der Tien Geboden, komt voor in den Papyrus-Prisse, het oudste +ons bekende hiëratisch handschrift. + +[145] Ethiopië. + +[146] De gemalin of zuster van Osiris. Zij is de natuur, waarin +de godheid zich openbaart. Zij kan ook beschouwd worden als de +verpersoonlijking van de door de godheid vruchtbaar gemaakte aarde. De +koe was haar geheiligd en meermalen wordt zij met een koekop afgebeeld. + +[147] Op de monumenten zien wij niet alleen geringe Egyptenaars, maar +ook de pharao's zich met dammen en dergelijke spelen bezighouden. Zoo +bezitten wij eene voorstelling van Ramses, spelende met zijne +dochter. In de musea van het Louvre en Boulaq worden schoone damborden +bewaard. + +[148] In alle musea vindt men zulke ballen, o. a. te Leiden. + +[149] De gedenkteekenen en koningslijsten bewijzen, dat ook vrouwen +konden regeeren. De echtgenoot van eene kroonprinses, werd door +haar koning. Vorstinnen hadden haar eigen inkomen, en wanneer +zij na haren dood onder de godinnen werden opgenomen, hare eigene +priesterschap. Kortom, uit alle getuigenissen blijkt, dat de vrouwen +bij de Egyptenaars gelijke rechten hadden als de mannen. + +[150] Simonides van Amorgos, de dichter der Pandora-sage, had +het vooral op de vrouwen gemunt, die hij vergelijkt met allerlei +onreine dieren. De vrouw die het karakter der bij had, was alleen +goed. Phocylides, een barsch, vinnig maar scherpzinnig man, en de +mismaakte Hipponax waren zijne navolgers. Onder de Egyptenaars waren +er niet minder, die op slechte vrouwen scholden, en ze met hyena's +en panthers vergeleken. + +[151] Over dezen scheldnaam, dien men later aan Darius gaf, nader in +het 3de Boek. + +[152] Aoeramazda (Ahoera-Mazda) wordt in de spijkeropschriften de +groote en reine god der Persen genaamd, meer bekend onder den naam +Ormuzd. Hij staat tegenover Angramainjus of Ahriman, den god der +duisternis en van het booze. + +[153] Nebucadnezar zou dit reuzenwerk hebben doen vervaardigen voor +zijne Perzische gemalin Amytis. + +[154] Uit zulke in Egypte opgevoede Hellenen zou Psamtik I eene +kaste der tolken hebben gevormd. Herodotus is zeker door zulk een +"dragoman" rondgeleid. + +[155] Zulke torentjes vindt men daar heden nog. + +[156] De handwerkslieden waren en zijn nog altijd gewoon in de vrije +lucht, of in wijdgeopende werkplaatsen te arbeiden. + +[157] Toovenaars en slangenbezweerders waren in het oude Egypte in +het geheel niet zeldzaam. Nog worden er ontelbare gevonden. Hekt was +de godin der magie. Choensoe komt op een schild in de bibliotheek te +Parijs voor als verdrijver der booze geesten. + +[158] Libyë heette de westelijke Nijloever, met het land daarachter. De +streek die aan de woestijn grensde, was rijk aan slangen. + +[159] Een eed bij Mithra, den zonnegod, was den Persen bijzonder +heilig. + +[160] Achaemeniden heeten de van Achaemenes (Hakhâmanis) afstammende +koningen en de met hen verwante edelen. + +[161] De Grieken bepaalden in den voormiddag den tijd naar het +bezoeken van de markt. Zij rekenden naar den tijd waarop de markt +begon, waarop zij gevuld was, en waarop zij weder ledig werd. Deze +tijdberekening is met onze uurindeeling niet overeen te brengen. De +grootste bedrijvigheid zal zoowat van 10 tot 1 uren geduurd hebben. + +[162] Vóor den tijd der Persen hadden de Egyptenaars geen gemunt +geld. Men woog de edele metalen af, en bracht ze in den vorm van +ringen, dieren, enz. in omloop. Op de monumenten zien wij menschen, die +goud afwegen tegen koopwaren; anderen, die hunne belastingen met gouden +ringen betalen. Deze ringen komen nog voor in den tijd der Ptolemaeën. + +[163] Volgens Diodorus. Plato meldt, dat de Egyptenaars in zijn tijd +bij de wet verplicht waren hunne beelden even schoon of liever even +leelijk te maken als voor duizend jaren; de gedenkteekenen bevestigen +dit. Toch heeft de studie der gedenkteekenen bewezen, dat elk tijdperk +zijn kunststijl had. In het oude rijk zijn de vormen gedrongen; +onder Seti I bereikt de schoonheid der proportiën haar hoogste punt; +onder de 20e dynastie begint de kunst te vervallen, om nog eens onder +de 26e, de dynastie der Psamtiks, te bloeien. + +[164] Het hier bedoelde standbeeld is dat van Chefren in het museum +te Boelaq, dat in 1867 op de tentoonstelling te Parijs algemeen de +aandacht trok. Hetzelfde museum bezit een houten beeld, te Saqqara +gevonden. Het is uit den pyramiden-tijd, en als kunstwerk niet genoeg +te roemen. + +[165] Toen de Alkmaeoniden voor Pisistratus gevlucht waren, namen +zij den bouw van den nieuwen tempel te Delphi op zich, waarvoor +de Delphiërs echter een vierde der benoodigde gelden moesten +opbrengen. Zij collecteerden o. a. in Egypte eene niet onbelangrijke +som.--Driehonderd talenten is ongeveer 810,000 gulden. + +[166] Candaules, die zich door het vermoorden van koning Gyges van +den troon had meester gemaakt. + +[167] Het oude Attische zilvertalent bedroeg zoowat 2700, een mine +45 gulden; een drachme was ongeveer 8 stuivers, een obolus iets meer +dan een stuiver. + +[168] De volkstammen, die rondom een gemeenschappelijk heiligdom +woonden, zooals dat van Delphi. + +[169] De rijke erfdochter van Clisthenes van Sicyon. + +[170] De Egyptische tandmeesters moeten zeer knap zijn geweest. Men +heeft werkelijk in de kaken van mummiën kunsttanden gevonden. + +[171] Eed van Rhadamanthus, den zoon van Zeus, om den naam der goden +niet op de lippen te nemen. + +[172] Het Nijlwater smaakt bijzonder lekker. Een reiziger noemde +het den champagne onder de wateren. De vrouwen uit den harem van +den sultan laten Nijlwater naar Constantinopel brengen. De Arabieren +zeggen dat Mohammed, bijaldien hij er van gedronken had, eeuwig zou +hebben willen leven. + +[173] Voorgebergte aan de westkust van Klein-Azië. + +[174] Naar eenige verzen van Theognis van Megara. + +[175] Naar de vertaling van Ten Kate en Van den Bergh, waarvan het +laatste couplet luidt: + + + Cytherea kuste 't wichtje. + "Voelt ge," sprak zij, "zulk een smart, + Enkel door eens bietjes angel, + Denk dan eens wat pijn zij lijden, die ge uw flitsen jaagt in + 't hart!" + + +[176] In het museum te Leiden is een ledepopje, een man voorstellende +die deeg kneedt. + +[177] Zoo heette de trouwe hond van Odysseus (Ulysses). Italiaansche +schoothondjes waren in de oudheid zeer beroemd. + +[178] Nog heden worden vriendschapsverbintenissen in Perzië feestelijk +gesloten, en wel op het zoogenaamde feest der navolging. "Twee Perzen," +verhaalt Brugsch, "die voor hun leven een verbond van vriendschap met +elkander willen sluiten, gaan tot den Mollah. Aan dezen openbaren zij +hun voornemen, waarna zij zich als 'brader hâ of broeders' plechtig +laten inzegenen." + +[179] De Perzen hadden ten tijde der Achaemeniden geene tempels en +godenbeelden. (Vgl. Tiele, De godsdienst van Zarathustra, bl. 71 +vv.). Het goede en het booze beginsel, Aoeramazda en Angramainjus, +waren onzichtbare wezens, die de gansche schepping vervulden met een +talloos heir van goede en booze geesten. De eeuwige tijd schiep het +vuur en het water. Hieruit ontstond Ormuzd, de goede geest. Deze +was rein, helder als het licht, en wilde alleen het goede. Nadat +hij in 12000 jaren den hemel, de aarde, het paradijs en de sterren +had geschapen zag hij den boozen geest, Ahriman (Angramainjus), +die zwart was en onrein, en niet anders wilde dan het kwade. Ormuzd +besloot Ahriman te vernietigen. Er ontstond een groote strijd, +waarin de booze werd overwonnen, om 3000 jaren lang machteloos +neder te liggen. Gedurende dezen tijd schiep Ormuzd het uitspansel, +het water, de aarde, de goede planten, den stier en het eerste +menschenpaar. Hierna kwam Ahriman weer te voorschijn. Hij werd opnieuw +bedwongen maar niet gedood. Men had Ahriman dan alleen kunnen dooden, +wanneer zijne onreinheid zich had kunnen veranderen in reinheid, zijne +duisternis in licht. Zoo bleef het booze voortleven, om, zoodra de +goede geest iets goeds en reins had geschapen, iets kwaads en onreins +er tegenover te stellen. Deze kamp zal voortduren tot den jongsten +dag. Dan zal Ahriman rein en heilig zijn. Deze leer is echter niet +ouder dan 220 jaren n. C. en schijnt zelfs veel jonger te zijn. + +[180] Nog staan de vuuraltaren der Perzen op de bergen. Zij kunnen +altijd bidden, als er maar vuur en water in de nabijheid is. + +[181] De koningen der oudheid waren reeds gewoon met dergelijke +geschenken de daden hunner onderdanen te beloonen. + +[182] In het oude Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen +te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden +overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en +godinnen, meestal de Hathors. + +[183] Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls +werd toegepast. + +[184] Zegelringen werden reeds vroeg door de Egyptenaars +gedragen. (Vgl. Genesis 41, 42.) In alle Egyptische musea, o. a. te +Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud +zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën. + +[185] De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere +liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren +af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen, +en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een +leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde +leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht. + +[186] Volgens Herodotus mocht een Egyptenaar geen vreemdeling kussen +of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet +aanroeren, dat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere +zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten. + +[187] Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babylon de eerste +sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van +astronomische tafels. + +[188] Zulk een orakel wilde Glycera raadplegen, toen haar minnaar, +de treurspeldichter Menander, door koning Ptolemaeus naar Egypte +was ontboden. + +[189] Zulk een bloemen-orakel, dat ons doet denken aan het uitplukken +van acacia-, rozen- en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in +den "Faust"), was in de oudheid niet vreemd. Men zegt dat meisjes in +Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen. + +[190] Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude +mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de +weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus +te wreken, door zijne eigene moeder Prokne geslacht werd. + +[191] Bijnaam van Aphrodite (Venus). + +[192] De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene +trad men met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling, +een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes. + +[193] Sappho's grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres, +was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër. + +[194] De stam van de zonen van Feridoen bleef door eene slavin +voortbestaan. + +[195] Klaaglied. + +[196] De Grieksche bruidskransen bestonden gewoonlijk uit viooltjes +en myrten. + +[197] Het lied, op welks maat de Grieksche matrozen gewoon waren te +roeien. De melodie werd meestal door een fluitspeler (triëraules) +aangegeven. + +[198] De Perzische koningsweg liep van Ephesus over Sardes, en verder +midden door Klein-Azië naar Susa en Babylon. Deze werd reeds door +Cyrus aangelegd en door Darius zorgvuldig onderhouden. + +[199] Dit voertuig komt het eerst bij Xenophon voor, die er eene +koningin in laat rijden. De Romeinen gebruikten het later als +reiswagen. + +[200] Een Oostersch peulgewas, dat in de omstreken van Babylon zeer +weelderig groeide, en uit welks zaden eene zoete, heldere olie werd +geperst. + +[201] Belangrijke handelsstad aan den Euphraat. Hier trok men +gewoonlijk den stroom over, want hier vereenigden zich de groote +handelswegen. Deze stad was ook het middelpunt der metingen van +Eratosthenes. + +[202] Het aardpek, thans nog in groote hoeveelheid dáar aanwezig, +werd door de Babyloniërs gebezigd om de muren te bepleisteren. + +[203] Gesnedenen. + +[204] Bijna alle Egyptische beelden, die zonen of dochters van pharao's +voorstellen, dragen zulke haarvlechten, die van het voorhoofd tot +aan den hals reiken. + +[205] Bij de overblijfselen van den Perzischen koningsweg, die de +steden Niniveh en Ekbatana verbond, vindt men thans nog de oude +mijlsteenen, die de tegenwoordige Koerden, keli-Shin, d. i. blauwe +zuilen, noemen. + +[206] Volgens het boek Esther was er in de dagen van koning Ahasverus +een eunuchen-overste voor de gemalinnen en een tweede voor de bijzitten +des konings. Boges bekleedt hier veel vroeger beide ambten tegelijk. + +[207] Het "moederlooze" getal heeft tot tien geen factor. + +[208] zie boven bl. 24. + +[209] Volgens Diodorus moet in het graf van koning Osymandyas (het +paleis van Ramses II te Thebe, het Ramesseum) een gouden cirkel +hebben gelegen, die een omtrek had van 365 el, éen el breed was, +en eenen volledigen astronomischen kalender bevatte. De te Parijs +aanwezige dierenriem van Dendera is eerst uit den laatsten tijd der +Ptolemaeën afkomstig. + +[210] Lapis lazuli was een in het oude Egypte zeer geliefkoosd +edelgesteente, dat men, evenals het smaragd, kunstig wist na te maken. + +[211] Eene Perzische munt, volgens Herodotus de eerste die geslagen +werd. + +[212] Naar voorstellingen op de gedenkteekenen, waarvan o. a. Layard +afbeeldingen heeft gegeven. + +[213] De kleederen en de opschik van den Perzischen koning zouden, +volgens Plutarchus, eene waarde van 12,000 talenten, d. i. ongeveer +27,000,000 gulden hebben gehad. + +[214] zie boven bl. 79. + +[215] Ook Themistocles leerde, volgens Diodorus, het Perzisch op de +reis naar Susa, ofschoon Nepos van een ander gevoelen is. + +[216] Deze opgaven zijn aan de berichten van Herodotus en andere +oude schrijvers ontleend. Volgens Aristoteles had Babylon niet de +grootte van eene stad, maar van een volk. De bouwvallen zijn nog +zoo ontzaglijk uitgebreid, dat men daaruit genoeg kan opmaken, hoe +verbazend groot die stad geweest moet zijn. + +[217] Exemplaren en afgietsels van deze voortbrengsels der oud +Assyrische kunst worden in het Britsch Museum, het Louvre, en in het +nieuwe museum te Berlijn gevonden. + +[218] Deze kleederdracht komt overeen met de afbeeldingen van +Assyriërs, die onder de vertegenwoordigers van vreemde natiën op de +Egyptische gedenkteekenen gevonden worden. + +[219] Volgens de beschrijving bij Herodotus (I. 180). + +[220] Deze tempel, waarvan Herodotus e. a. eene beschrijving geven, +wordt door sommigen voor den toren van Babel uit de Bijbelsche +overlevering gehouden. De ruïnen worden door de tegenwoordige bewoners +dier streken "Birs Nimroed," d. i. burg van Nimrod, genoemd. De +hoogte der eerste verdieping, die tot heden bewaard bleef, bedraagt +260 voet. De muren, die dezen tempel omgaven, moeten nog zeer goed te +herkennen zijn. Ze waren 4000 voet lang en 3000 breed. Dit reusachtig +gebouw moet tijdens Cambyzes nog in al zijn pracht hebben bestaan, +want wij weten dat Nebucadnezar het liet voltooien. + +[221] Nebucadnezar zou ook dezen burcht hebben doen optrekken. Althans +op de tegels, die men in de bouwvallen bij Hillah heeft gevonden, +komt in spijkerschrift de naam van dezen grooten koning voor. Men +vindt aldaar ook nog vele fragmenten van verglaasde reliëfs. + +[222] zie boven bl. 94. Aan den oever van den Euphraat in het +noordelijk gedeelte van Babylon vindt men een uitgestrekten +puinheuvel, Babil geheeten. Men heeft er bronnen en overblijfselen +van waterleidingen gevonden, die met de rivier in verbinding +stonden. Vgl. F. Mürdter, Geschichte Babyloniens und Assyriens +Stuttgart. + +[223] Men gaf de Perzische meisjes oorringen, wanneer zij op haar +vijftiende jaar huwbaar werden. Zoowel meisjes als knapen moesten zich +met den heiligen band, kuçti of kosti, omgorden. Alleen in den nacht +mochten zij zich van dezen ontdoen. De vervaardiging van zulk een +gordel is nog bij de tegenwoordige Perzen met allerlei formaliteiten +verbonden. Hij moet uit 72 draden bestaan. Er mag geen zwarte wol +voor gebruikt worden. + +[224] De zonne- en lichtgod der Perzen. + +[225] Zij woonden in de noordelijke provinciën van Perzië. + +[226] Een volksstam aan de oostkust van de Caspische zee. + +[227] Deze beambten kunnen eenigermate met onze politie-commissarissen +vergeleken worden. Cyrus liet, volgens Herodotus, als knaap een zijner +speelnooten de rol vervullen van "oog des konings". Het stelsel +van spionneeren bestond reeds onder de Meden. Ook op Egyptische +gedenkteekenen, bijv. in het graf van Amen em heb te Abd el Qoernah, +wordt gesproken van de twee oogen des konings van Opper-Egypte en de +twee ooren des konings van Neder-Egypte. + +[228] Plutarchus verhaalt echter, dat de moeder en de uitverkoren +gemalin des konings met hem aan tafel zaten. + +[229] De Grieken gingen, naar het oordeel der Perzen, nooit verzadigd +van tafel, omdat men bij hen na den maaltijd niets meer opdroeg. De +tegenwoordige Iraniërs houden nog veel van lekkernijen. + +[230] Hij doodde zijn gunsteling Clitus, die in den slag bij den +Granicus zijn leven had gered. + +[231] Volgens het boek Esther werd dit leerjaar besteed, om de vrouwen +te onderwijzen in het gebruik van zalven, specerijen en welriekende +oliën. Ebers merkt op, dat dit wel wat lang was, om deze zeker niet +ingewikkelde kunst te leeren, en dat het veel waarschijnlijker is, +dat men dien tijd besteed heeft, om vreemde vrouwen in te wijden in +de leer van Zoroaster. + +[232] Zoroaster, eigenlijk Zarathustra of Zeretoschtro, was een der +grootste godsdienststichters en wetgevers. De etymologie van zijn +naam is onzeker. Kern verklaart dien uit de woorden "zara", gulden, +en "thwistra" glanzend. Het is ook onzeker of hij in Baktrië, Medië +of Perzië geboren is. De geleerde Anquetil du Perron zegt, dat hij +het levenslicht aanschouwde te Urmi, eene stad in Aderbedjan. Zijn +vader heette Poroschasp, zijne moeder Dogdo. Hij beroemde zich +van koninklijke afkomst te zijn. Het tijdperk zijner geboorte is +"hopeloos" donker. Kern is zelfs van oordeel dat het bestaan van +Zoroaster tot de mythen gerekend moet worden. Wij bezitten dus +aangaande hem slechts onwaarschijnlijke tradities, en het is genoeg +te verzekeren, dat de leer van Zoroaster vóor het tijdsbestek waarin +deze geschiedenis speelt, reeds algemeen ingang had gevonden. Zie +Tiele, De godsdienst van Zarathustra en Versl. en Meded. der +kon. Akad. v. wetensch. Afd. Letterk. Amst. 1867. + +[233] De Perzische tuinen waren door de geheele oudheid beroemd en +werden, naar het schijnt, veel vrijer en ongedwongener aangelegd +dan de Egyptische. Zelfs de koningen stelden er eene eer in zich met +den tuinbouw bezig te houden, en de voornaamste Achaemeniden waren +gewoon schoone parken, die zij paradijzen noemden, met bijzondere +zorg aan te leggen. Hunne voorliefde voor slanke gewassen ging zoo +ver, dat Xerxes een bijzonder schoonen plataan, dien hij op weg +naar Griekenland aantrof, met een gouden sieraad tooide. Firdausi, +de grootste epische dichter van Perzië kent geen hooger lof voor de +menschelijke schoonheid dan het epitheton: "rank als eene cypres." + +[234] De beide zomer-residentiën, waar het vrij koud kon zijn. Ekbatana +lag in de omstreken van het tegenwoordige Hamadân, aan den voet van +het Elwend (Orontes) gebergte, Pasargadae niet verre van den Rachmed +op het hoogland van Iran, bij het tegenwoordige Sjiras. + +[235] Nergens werden in dien tijd fijner weefsels vervaardigd +dan aan den Nijl, volgens getuigenis der oude schrijvers en der +gedenkteekenen. Wat de prachtige inrichting van het woonvertrek van +Cassandane betreft, de details zijn ontleend aan Xenophon, Aeschylus, +e. a. + +[236] Volgens de sage bestond het volk der Amazonen alleen uit vrouwen, +die zich de rechterborst lieten afschroeien, om des te beter den +boog te kunnen spannen. Ook bij de Chineezen heeft men zulk eene +Amazonen-sage aangetroffen, gelijk o. a. blijkt uit eene afbeelding +in het ethnografisch museum te Jena. + +[237] In het Doodenboek (Zie Warda, Dl. II, bl. 3 v.) wordt +eene beschrijving gegeven van de ziel, waarvan het hart gewogen +en geoordeeld wordt. De rede die zij houdt, wordt hare negatieve +rechtvaardiging genoemd. Deze rechtvaardiging is dubbel merkwaardig, +omdat men daarin de geheele Mozaïsche zedenwet vindt. De ziel verzekert +voor de twee-en-veertig doodenrechters, dat zij de twee-en-veertig +doodzonden niet heeft begaan. Ook Pythagoras, die veel aan de +Egyptenaren ontleende, gebood: dat men zijn hart niet moest verteren, +m. a. w. zich voor berouw wachten. + +[238] Van het oogenblik dat een kind der Perzen den gordel "kostie" +droeg, moest het zich een schutspatroon kiezen onder de Yazatas en +een geestelijk raadgever onder de Destûrs (priesters). Evenals vader +en moeder de vleeschelijke ouders waren van het kind, zoo was deze +raadgever de geestelijke vader. + +[239] De godin der vruchtbare natuur, der alles voortbrengende aarde. + +[240] Anâhita of Ardî-çûra heette de godin der bronnen, die vaak met +de grieksche Aphrodite vergeleken is geworden. Uit de bron Anâhita +stroomde al het water, dat zeer stellig een reinigende kracht +bezat. Oorspronkelijk schijnt Anâhita wel eene Semietische godheid +geweest te zijn, die met den vrouwelijken Perzischen water-genius werd +samengesmolten. Haar vereering komt eerst onder Artaxerxes Mnemon voor. + +[241] Een bekende vrijgeest, die wegens zijne bespotting van de +Homerische godenwereld werd vervolgd. + +[242] In Perzië vermaken de mannen zich nog heden met het balspel. De +eene speler werpt of stoot den ander houten kogels toe, gelijk bij +ons kaats- of kolfspel en het Engelsche cricket-spel. + +[243] Januari tot April. + +[244] De Egyptische priester Horapollon maakt in zijn geschrift +(uitgegeven door C. Leemans) gewag van een boek der krankheden, +terwijl Manetho verhaalt, dat de opvolger van den eersten koning Menes, +Atothes, reeds anatomische boeken schreef. Daar geneeskundige werken +geacht werden van den god Toth afkomstig te zijn, kan wel aan dien +koning zijn toegeschreven, wat op den god betrekking heeft. Onder +de heilige schriften der Egyptenaren worden ook zes geneeskundige +boeken genoemd. + +[245] Gouverneurs der provinciën, die, als plaatsbekleeders van den +koning, eene vrij onbeperkte macht hadden. Tiele leidt het woord af van +"khshatra," heerschappij, en "pavan," beschermer. Op de gedenkteekenen +zien wij de grooten des rijks de zonneschermen achter de vorsten +dragen, doch het is de vraag of hiermede ook satrapen bedoeld zijn. + +[246] Hoewel de Chaldeërs in het bezit waren van sterrenkundige +berekeningen, die tot 2234 v. Chr. opklimmen, zoo is het toch boven +allen twijfel verheven, dat de astronomie der Egyptenaren nog veel +ouder is. Volgens de Egyptische priesters hadden de Chaldeërs alles +aan hun onderwijs te danken. + +[247] Deze namen, door Herodotus genoemd, zijn, hoewel in eenigszins +anderen vorm, in de opschriften van Behistân wedergevonden. + +[248] De geboortedag des konings was het grootste feest der Perzen, en +heette "het volkomene." Herodotus verhaalt, dat geen dag luisterrijker +bij de Perzen werd gevierd, dan een geboortedag. Er werd een kostelijk +maal aangericht, waarbij de rijksten zelfs een os, een paard en een +kameel lieten opdragen. Over het algemeen werd in de oudheid van +koninklijke geboortedagen veel werk gemaakt, o. a. heet het op een +gedenksteen in betrekking tot Ramses II: "vreugde was er in den hemel +op zijn geboortedag." + +[249] Zulk een vierhoekig, van twee tot zeven vingers breed stuk doek, +moeten alle Perzen voor den mond hebben als zij bidden. + +[250] Anquetil geeft in zijn Zend-Avesta eene beschrijving en +afbeelding van het geheele offergereedschap der hedendaagsche Perzen. + +[251] Priester. + +[252] Haoma of soma is de naam van een plant, waarvan het sap de goden +tot spijs gediend zou hebben. Bij sommige godsdienstige ceremoniën +werd dit sap gedronken en in het vuur gedruppeld. + +[253] Dit verheven gebed moest de Pers eigenlijk uitspreken, wanneer +hij uit den slaap ontwaakte. + +[254] In later tijd lieten de Perzische koningen zich echter ook +goddelijke eer bewijzen. + +[255] Deze optocht is beschreven naar de reliëfs, die door Layard +zijn uitgegraven, en een obelisk van Nimroed (Niniveh), waarvan in +verschillende musea afgietsels aanwezig zijn. + +[256] In dezen tijd waren de koningen van Perzië gewoon in +hun rijk schattingen te heffen, wanneer en zoo hoog als zij +verkozen. Darius, de opvolger van Cambyzes, voerde het eerst een +welgeordend belastingstelsel in. Daarom kreeg hij den bijnaam van den +"kramer." Zelfs nog in later tijd waren enkele gewesten verplicht, +zekere hoeveelheden van natuurproducten des lands aan het hof te +leveren. + +[257] De Feruer of Ferwer is het geestelijk deel van den mensch, +zijne met oordeel begaafde ziel. Deze bestaat reeds lang vóor +zijne lichamelijke geboorte, vereenigt zich met hem zoodra hij het +levenslicht aanschouwt, en verlaat het lichaam weder bij den dood. De +Ferwer strijdt tegen de Diws (booze geesten) en is de oorzaak van +ons behoud. Zoodra hij afscheid neemt van den mensch, moet het +lichaam noodzakelijk worden ontbonden. Na den dood wordt de Ferwer +onsterfelijk, zoo hij het goede heeft gedaan; heeft hij daarentegen +het booze liefgehad, dan wordt hij in de hel geworpen. Men moest den +Ferwer aanroepen en met offers om hulp smeeken. Hij brengt ook het +gebed tot de godheid over, weshalve hij wordt voorgesteld onder de +gedaante van eene gevleugelde schijf. + +[258] Deze "Onsterfelijken" dankten dien eernaam aan de omstandigheid, +dat, zoodra een hunner stierf of viel, er dadelijk een ander voor hem +in de plaats trad, zoodat hun aantal nooit verminderen kon en altijd +10.000 man moest bedragen. Cyrus zou deze garde reeds opgericht hebben. + +[259] De Urim en Thummim. + +[260] Zie Esra, VI, 2-12. Zacharia, 1-8. + +[261] Deze episode is aan Herodotus, Diodorus en Justinus +ontleend. Volgens Ctesias is Cyrus in een oorlog met de Derbiërs +aan een wond gestorven. Xenophon geeft hem een rustig sterfbed, +maar blijkbaar om den stichter van het Perzische rijk eene fraaie +afscheidsrede in den mond te leggen. + +[262] De Araxes (Aras) ontspringt in Armenië en ontlast zich in de +Caspische zee. + +[263] Deze trek is geheel overeenkomstig het Perzisch karakter. + +[264] Sidon was eene havenstad in Syrië. Met Astypalaia is de burcht +van Polycrates van Samos bedoeld, die met ronde torens was versterkt. + +[265] Een der noordelijke Cycladen. + +[266] Een scheepsgezagvoerder van Samos, die in de zevende eeuw +v. Chr. op een tocht naar Egypte werd verslagen. Hij was de eerste +Griek, die tusschen de zuilen van Hercules doorzeilde. + +[267] Vgl. Schillers Ballade: "Der Ring des Polykrates." De +hedendaagsche Arabieren vertellen eene dergelijke geschiedenis, doch +zij laten den held hunner geschiedenis den ring bij toeval verliezen. + +[268] Men boetseerde in dien tijd niet alleen vruchten maar ook +beeldjes in was. Zoo maakt de dichter Anacreon gewag van een wassen +Eros-beeldje, dat hij van een knaap voor negen stuivers kocht. + +[269] Bubastis lag ten oosten van den Pelusinischen Nijlarm, op de +hoogte van een kanaal, dat naar de Arabische golf liep. Herodotus +geeft van dit uitgelaten feest de volgende schildering: Mannen en +vrouwen varen te zamen in groote booten den Nijl af. Sommige vrouwen +houden kleppen in de handen, waarmede zij voortdurend klepperen. De +mannen spelen op de fluit, en het overige gezelschap klapt in de +handen. Komen zij aan eene stad, dan legt de boot aan en maken zij +allerlei zonderling misbaar. Te Bubastis worden dan groote offers +gebracht. Meer dan 700,000 menschen komen er gewoonlijk samen. Op dit +feest wordt meer wijn gedronken dan gedurende al de overige dagen van +het jaar.--Uit de opschriften weten wij, dat te Dendera een dergelijk +feest ter eere van Hathor werd gevierd. Ebers meende in de jaarmarkt +van Tanta, een stadje eenige mijlen van het oude Bubastis gelegen, +nog een overblijfsel van het oude feest te zien (Vgl. Ebers, Aegypten +in Bild und Wort, I, 88 f). + +[270] De Egyptische geneesheeren schijnen de krankheden dikwijls +bezworen te hebben. Er zijn verschillende papyrussen gevonden met +geneeskundige voorschriften, die allermerkwaardigste bijzonderheden +dienaangaande behelzen. Sommige ziekten worden er nauwkeurig +in beschreven, allerlei geneesmiddelen opgesomd. Van hetgeen +o. a. voorkomt in den medischen papyrus, door Ebers zelven ontdekt +en uitgegeven, heeft hij op meer dan ééne plaats in zijne Warda +gebruik gemaakt. + +[271] Egypte, dat door zijne oudste bewoners Cham, d. i. het zwarte +werd genoemd, naar de zwarte kleur van den grond. + +[272] De Egyptische oogziekte, die ook bij ons niet onbekend is +gebleven, moet reeds in de vroegste tijden aan de boorden van den +Nijl gewoed hebben. De Egyptische oogartsen waren in dezen tijd +reeds zeer beroemd. Herodotus zegt dat het in Egypte van oogartsen +wemelde, en op de gedenkteekenen vinden wij vele afbeeldingen van +blinden. Geweldige oogontstekingen worden heden ten dage zeer dikwijls +in Egypte aangetroffen. De door Ebers uitgegeven papyrus behelst ook +hierover belangrijke bijzonderheden. + +[273] De planeet Venus. Gelijk ons uit zeer oude gedenkteekenen +blijkt, waren de Egyptenaren reeds vroeg bekend met de identiteit +van de morgen- en avondster. + +[274] De Grieken noemden hem Smerdes. In de spijkeropschriften +leest men Goemata of Gaumata. Hij heet bij Justinus, Kometes. Aan +dezen schrijver is ook de naam Oropastes ontleend, dien Herodotus +Patizeithes noemt. + +[275] Rhagae, tijdens Alexander Europes, later door Seleuces Nicator +Arsacia, heden Rei genoemd, is eene der oudste steden van Perzië. Er +was eene beroemde priesterschool. Hier zouden Zoroaster en Haroen al +Raschid geboren zijn. + +[276] De Sirius of hondster. Zij werd als een helder en machtig +gesternte in Perzië aangebeden, omdat het den zoo noodigen regen +aanbracht. + +[277] Volgens Diodorus had de koning van Perzië zooveel vrouwen, +als er dagen in het jaar waren. In den slag bij Issus werden door +Alexander den Groote, de 329 vrouwen van den laatsten Darius gevangen +genomen. Men bedenke echter, dat deze cijfers betrekking hebben op de +bijwijven. Na het onderdrukken van den opstand der magiërs werd door +de edelen van het rijk vastgesteld, dat een koning alleen uit hunne +dochters zijne echte gemalinnen mocht kiezen. Hieraan schijnt men zich +sedert gehouden te hebben. Darius had later vier echte gemalinnen, +waarvan Atossa de voornaamste bleef. + +[278] Sommige vorsten gaven aan hunne vrouwen, als gordelgeld +(speldenduitje), het inkomen van gansche steden. + +[279] Deze naam beteekent: "uit het geslacht der Peri." + +[280] De wijn van Chios werd door de Grieken voor den fijnsten +gehouden. De wijn van Chelbon was in de oudheid inzonderheid om zijn +bouquet beroemd. Ezech. 27:18. + +[281] Xenophon roemt zeer de Perzische schenkers, wegens hunne vlugheid +en gratie. + +[282] Zóo heette in de oudheid de burcht van Susa, zelfs nog in de +dagen van Ctesias, die zich langen tijd aan het Perzische hof ophield. + +[283] Kamerheeren of ceremoniemeesters. + +[284] Het gewone pischkesch of gastgeschenk, hetwelk de Perzen heden +elkander nog vereeren, bestaat uit zoetigheden, of uit korven, die +sierlijk met de schoonste vruchten zijn gevuld. Men roemt den smaak, +waarmede zij het ooft weten te schikken. + +[285] Zie boven blz. 11. + +[286] De wet verbood den Perzen schulden te maken, aangezien een +schuldenaar in de noodzakelijkheid kwam om onwaarheid te spreken. Zij +hadden daarom een afkeer van geldzaken, waartoe hun oorlogzuchtig +karakter ook veel bijdroeg. Den handel lieten zij over aan de +overwonnen volken. + +[287] De godsdienst gebood den Perzen te huwen. De ongehuwden stelden +zich aan eene algemeene verachting bloot. Men stelde groote eer in +het bezit van vele kinderen. + +[288] Reeds in de dagen van Homerus was Egypte bekend als +bijzonder rijk aan artsenijen. In de opschriften op de wanden van +tempel-laboratoria, bijv. te Dendera en Edfoe, en in de medische +papyrussen worden een menigte drogerijen opgesomd. De Egyptische +vergiften, inzonderheid de strychnine, waren beroemd. + +[289] Volgens Herodotus waren de Perzen gewoon in dronkenschap over +de gewichtigste aangelegenheden te beraadslagen. Het beslotene werd +daarna, als zij nuchteren waren, nog eens overwogen. Iets dergelijks +verhaalt Tacitus van de Germanen. + +[290] De haan was een heilig dier bij de Perzen, want hij joeg de +duistere geesten van den nacht in hunne holen terug. Hij heette +Parôdarsh en werd ook onomatopoetisch Kahrkatâç genoemd. + +[291] De jachtstoet der Perzische koningen was natuurlijk even +grootsch en luisterrijk als hun reisgevolg. Daar de jacht tot de +lievelingsbezigheden van den Perzischen adel behoorde, werden de +knapen reeds in hun vroegste jeugd hierin geoefend. Zelfs koningen +beroemen zich op hunne grafschriften, dat zij groote jagers geweest +zijn. In de ruïnen van Persepolis is een reliëf gevonden, waarop de +koning wordt voorgesteld, eene leeuwin met den rechterarm wurgend, +eene symbolische voorstelling, waaraan geen historische waarde is +toe te kennen. Layard heeft te Niniveh vele schoone overblijfselen +van jachtpartijen gevonden, en de Grieken weten ons veel te verhalen +van de groote diergaarden der Perzische koningen en den jachtstoet, +die uit ruiters en voetknechten bestond. Ieder jager moest, behalve +met pijl en boog, nog gewapend zijn met twee lansen, een zwaard en +een schild. Ook maakte men gaarne gebruik van het vangsnoer. Reeds +sedert onheuglijke tijden was de valkenjacht aan de Perzen bekend. + +[292] Odysseus of Ulysses. Penelope werd, volgens de sage, gedurende +hare omzwervingen door meer dan honderd minnaars bestormd. Zij bleef +echter trouw, en verzocht uitstel totdat het lijkkleed voor haar +schoonvader Laërtes gereed zou zijn. Doch wat zij bij dag weefde, +tornde zij 's nachts weer los. Toen het eindelijk tot eene beslissing +zou komen, keerde Ulysses terug en doodde de minnaars. + +[293] Dit is ontleend aan de Indiërs, wier liefdegod Kama de harten +wondt met puntige bloesems. De nachtegaal speelt eene groote rol in +de liederen der Perzen. Hij is de vogel der verliefden, en zijn lied +werd gehouden voor de uitdrukking van al wat lieflijk is. + +[294] Heilige onsterfelijken. Zij kunnen vergeleken worden met de +aartsengelen der Joden. Zij omgeven den troon van Aoeramazda en +stellen zinnebeeldig de hoogste deugden voor. Later werd hun getal +op zes bepaald. + +[295] Aan het einde van den disselboom der Perzische wagens was +een juk bevestigd, dat op de ruggen der paarden werd vastgemaakt, +hetwelk gelijke diensten bewees als bij ons de borst- en disselriem. Op +dezelfde wijze werden ook de Egyptische paarden aangespannen. + +[296] Als Herodotus verhaalt, dat Cambyzes reeds geboren was met +den aanleg tot eene gevaarlijke krankheid, die sommigen "de heilige" +noemen, dan bedoelt hij daarmede waarschijnlijk de epilepsie. + +[297] Op den derden dag na den dood, zoodra de heldere zon opging, +werden de zielen door de Diws gevoerd naar de brug Schinvât, om +ondervraagd te worden over hetgeen zij gedacht en gedaan hadden. Daar +kampen de beide hemelsche machten om de ziel. De zielen der vromen +vinden steun bij de reine geesten Yazatas, en trekken zegepralend +den hemel binnen. De zielen der boozen worden door den Diw Vîzareshô +gebonden en naar de hel gesleept. Vgl. Tiele, a. w. bl. 251 v. + +[298] Volgens Herodotus mocht zelfs de koning niemand om een enkel +misdrijf laten ombrengen. Eerst wanneer na rijpe overweging bleek, +dat de misdaden menigvuldiger en gewichtiger waren dan de bewezen +diensten, mocht men aan zijn toorn den vrijen loop laten. + +[299] Het was natuurlijk dat de Perzen, die zulk eene hooge waarde +aan het leven hechtten, zich in 't bijzonder op de geneeskunst +toelegden. In de Avesta werden dan ook vele geneeskundige voorschriften +gevonden. Wij vinden daarin zelfs eene gedetailleerde opgave van +hetgeen men voor verschillende genezingen betalen moest, en welk examen +iedere geneesheer moest afleggen, alvorens hij bekwaam werd geacht. + +[300] Zie boven blz. 92. + +[301] Een booze geest, die de menschen doodt. + +[302] Eene streek aan den noordelijken rand van Iran, in de heldensagen +om hare vruchtbaarheid zeer geroemd, maar ook het verblijf van +booze geesten genoemd. Tegenwoordig wordt daar nog een tropische +plantengroei gevonden, terwijl de aanzienlijken zich, met zekeren +trots, Diws noemen. + +[303] In Maart, April, Mei en Juli, staat er in het oorspronkelijk. + +[304] Dit schoone gezang is ontleend aan het "Koningsboek" van +Firdusi. Deze werd omstreeks 940 n. C. geboren en bezong de oude +Perzische sage in zijne onsterfelijke epische liederen. Deze Kai Kawoes +behoorde tot de familie der Kajaniden, die niet met de Achaemeniden op +éene lijn gesteld mag worden, maar stellig lang voor deze regeerde; +of liever, stellig nooit regeerde. Kai Kawoes is een Vedische en +oud-Perzische vuurgodheid, die in het "Zend-Avesta" een heros geworden +is, en later in de legende opgenomen, door Firdusi als historisch +persoon werd opgevat. Daar Firdusi zich in zijne gezangen aan de +oud-Perzische traditie gehouden heeft, ofschoon hij haar bewerkte +als een poëet, meende Ebers vrijheid te hebben een dichter sprekend +te mogen invoeren, die zooveel eeuwen later leefde. + +[305] Het verhaal is van Xenophon, die het misschien verzonnen heeft +ter wille van zijn held Cyrus. + +[306] zie boven bl. 59, v. Daar de afgestorvene, volgens het +Doodenboek, zijne ledematen noodig heeft, moesten deze alle behouden +blijven. De Egyptenaren wisten de idee der onsterfelijkheid in alle +richtingen toe te passen. Evenals de zon des nachts niet sterft, +maar de benedenwereld verlicht, zoo is ook de gestorven Egyptenaar +niet dood. Zijne eeuwige ziel begint veeleer, na het scheiden van +deze aarde, eerst recht te leven. Zij gaat naar de onderwereld, +om daar, of gerechtvaardigd te worden, en dan in het reine licht +van het oosten in de vlakte Aloe heerlijke akkers te bezaaien, +tot zij rijp is als een deel der wereldziel in Osiris op te gaan, +of na vreeselijke martelingen uit de onderwereld gezweept te worden, +om door allerlei dierlijke lichamen om te zwerven. Na deze omzwerving +kan zij, gereinigd en verzoend, zich met Osiris vereenigen, of moet +zij opnieuw dezen reinigingsweg afleggen. + +[307] Naar een grafopschrift, dat in het museum te Berlijn wordt +bewaard. + +[308] zie boven bl. 59. + +[309] Naam van den phoenix in het oud-Egyptisch. + +[310] Vrije vertolking van het begin van het 83e hoofdst. uit het +Doodenboek, "het hoofdstuk van de verandering in den Benno-vogel" +geheeten. De zielen worden vaak in de gedaante van een phoenix of +van andere vogels voorgesteld. + +[311] Ader bet. Maart. + +[312] De Egyptenaren mochten inderdaad geene boonen eten. Pythagoras +ontleende dit verbod aan hen. In den papyrus-Ebers komen boonen als +geneesmiddelen voor. + +[313] In Maart, gedurende de voorjaars-dag- en nachtevening. + +[314] De Perzische wondervogel, die met den vogel Rock of Grijp te +vergelijken is. In het nest van dien vogel werd Sal, de vader van +Rustem, opgevoed. + +[315] 5400 gulden. + +[316] Zoo heet ook de beroemde hengst van Rustem. De naam beteekent +bliksem. + +[317] Zulk eene reisapotheek is tegenwoordig nog te zien in het museum +te Berlijn. Zij is zeer netjes en beknopt ingericht, en afkomstig uit +den tijd van koning Mentoehotep, dus uit het laatst van de 30ste eeuw +v. Chr. + +[318] Ongeveer 270,000 gulden. + +[319] Zoo heet in het Perzisch de paradijsvogel. + +[320] Een soort van priesters. Zij komen in de Avesta niet voor. + +[321] Een opschrift van Behistân behelst een stamboom van Darius, die +met de geslachtslijst van Herodotus in overeenstemming te brengen is. + +[322] De Grieken waren gewoon op reis aanbevelingen mede te nemen, +bestaande in brieven of afdrukken van zegels. Aristophanes vermeldt +van een buitenlandschen pas, en in een opschrift wordt gewag gemaakt +van zulke brieven of teekenen, die Straton, de koning van Sidon, +aan zijn gezant naar Athene zou medegeven. De Locriërs en Ozoliërs +voerden de avondster in hun zegel, de Samiërs de lier, enz. Bij eene +mummie uit den tijd der Ptolomaeën vond men zulk een aanbevelingsbrief +op papyrus geschreven. + +[323] Dit bijgeloof heerscht in Perzië nog. + +[324] Hib beteekent in hiëroglyphen-taal: ibis. Vele Egyptenaren +droegen den naam van heilige dieren. + +[325] Zie boven blz. 80. + +[326] De zuidwestenwind, zoo gevaarlijk voor het vruchtbare Nijldal, +die het meest waait in April en Mei. Het is de Samoem, dien de +reizigers door de woestijn zoo vreezen. + +[327] Gewoonlijk volgde de zoon den vader in diens betrekking +op. Er zijn lange stamboomen gevonden, waaruit bleek dat allen, +die er op voorkwamen, dezelfde betrekking hadden vervuld. Overigens +waren de kasten lang zoo streng niet afgescheiden als in Indië. Er +zijn voorbeelden, dat zonen van krijgslieden priesters werden en +omgekeerd. In den regel was een jongeling vrij in de keuze van zijn +beroep, ofschoon het bij alle volken der oudheid gebruikelijk was, +dat de zoon het werk van den vader voortzette. + +[328] Op de koningslijsten vindt men onderscheidene koninginnen. Dat +zij werkelijk geregeerd hebben is uit de gedenkteekenen gebleken. + +[329] Op de gedenkteekenen en in de papyrussen komen alleen +vroedvrouwen voor. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat in kritieke +gevallen ook de priesterlijke geneesheeren werden te hulp geroepen. + +[330] De Grieksche schrijvers van later tijd, en wel bepaald eenige +Neoplatonisten, verhalen ons veel van de Egyptische mysteriën. Maar wij +kunnen hunne mededeelingen niet vertrouwen, en het is daarom uiterst +moeielijk ons eene duidelijke voorstelling van het een en ander te +maken. Ofschoon veel over dit onderwerp in papyrussen voorkomt, +hebben toch de priesterlijke schrijvers zich van zulke duistere +termen bediend, dat hunne bedoeling zeer moeielijk te vatten is. Die +mysteriën, schijnen het uitsluitend eigendom der priesters geweest te +zijn. Ze omvatten de verklaring van hetgeen door de heilige ceremoniën +zinnebeeldig werd voorgesteld. Het geloof in een eenig goddelijk wezen +was waarschijnlijk de kern dier geheimzinnige leerstellingen, die zeker +veel schoons en voortreffelijks behelsden. Want Griekenlands grootste +wijsgeeren, Lycurgus, Solon, Thales, Pythagoras, Democritus, Plato +en zoovele andere, ontleenden daaruit veel voor hunne wijsbegeerte, +staatswetenschap, wis- en sterrenkunde. Het kan wel niet geloochend +worden dat Mozes, die een kweekeling der priesters was geweest, de +voornaamste zijner zedelijke en geneeskundige voorschriften aan die +mysteriën dankte. + +[331] Werkelijk bestond er zulk eene kaste. De Egyptenaren hadden +eene wet, volgens welke zij jaarlijks bij de overheid, op straffe +des doods, hun middel van bestaan moesten opgeven. Zij die zich als +dieven aangaven, stonden wel onder streng toezicht, maar werden niet +gestraft. Zie verder Warda, Dl. II. + +[332] De naam beteekent: palm. + +[333] Volgens Plutarchus hielden de Egyptenaren het voor zeer +onvoegzaam, barrevoets over de straat te gaan. De mannen stopten +daarom de schoenen der vrouwen weg, om haar tot huiselijkheid te +dwingen. Volgens Herodotus deden de huismoeders de inkoopen op de +markt, bij de Grieken geschiedde dit door de mannen. + +[334] Een staatsverrader moest, volgens Egyptische wetten, de tong +uitgesneden worden. + +[335] Thadmor, het latere Palmyra, werd door Salomo gebouwd als +rustplaats voor de karavanen die naar het oosten trokken. Het lag in +eene oase in het midden der Syrische woestijn, ontwikkelde zich spoedig +en bereikte weldra een hoogen trap van bloei. De trotsche ruïnen van +deze reuzenstad wekken nog de verbazing der reizigers. Karchemis aan +den rechter oever van den Euphraat, stroomafwaarts van Biredschik waar +Nebucadnezar en Necho elkander slag leverden, was het hoofdstation +van den grooten weg, die over Palmyra naar Babylon voerde. + +[336] Aan Toth, die met een ibis-kop werd afgebeeld, den +hemelbeschrijver, later door de Grieken met hun Hermes vergeleken, +schreef men de uitvinding toe van bijna alle wetenschappen. Hij, de +driemaal groote (Trismegistos), zou zes boeken over de geneeskunde +hebben geschreven, waarin o. a. ook over de oogheelkunde werd +gehandeld. Isis, en later ook Serapis, worden als goden der geneeskunde +geroemd. + +[337] In de geschriften, die tot ons kwamen, wordt dikwijls gesproken +van boeken, die onder het beeld van deze of gene godheid zijn gevonden, +of van oude koningen afkomstig zijn, om er op deze wijze hooger +waarde aan toe te kennen. Toch kennen wij de schrijvers van enkele +geschriften. Zoo is het sprookje van de twee gebroeders afkomstig van +zekeren Anana, die Ebers in Warda laat optreden. Van de hermetische +boeken was er een geheel aan de oogheelkunde gewijd, waarover ook in +den papyrus-Ebers zeer uitvoerig wordt gehandeld. In dezen papyrus +komt ook de arts Nebsecht voor, die in Warda zulk eene belangrijke +rol vervult. + +[338] De bibliotheek van Thebe, die volgens Diodorus ten opschrift +voerde: "Inrichting tot genezing der ziel", bevatte 20,000 +hermetische of priesterlijke boeken. Men vond haar in het Ramesseum of +Ramseshuis, dat door Ramses II in de veertiende eeuw v. Chr. gebouwd +werd. Champollion herkende deze boekenzaal in de ruïnen van het +Ramesseum. Op den wand vond hij de afbeeldingen van Toth, den god der +wijsheid, en van Safech, de godin der geschiedenis. Verschillende +hiëratische papyrussen, die thans nog aanwezig zijn, zijn uit deze +boekerij afkomstig, hetgeen niet zelden op Egyptische boekrollen +vermeld wordt. Lepsius vond bovendien te Thebe de graven van twee +bibliothecarissen onder Ramses II, vader en zoon. De titel van zulk +een bibliothecaris was, overste of "chef der boeken." Bibliotheken +schijnen altijd bij de tempels behoord te hebben, gelijk wij kunnen +opmaken uit opschriften in de tempels van Dendera, Edfoe en Philae. Ook +aan het Serapeum te Alexandrië was eene groote bibliotheek verbonden. + +[339] Zoodra er een Pers stierf, viel de onreine geest des doods, de +Drukhs Naçus in den vorm van een vlieg, op hem aan en zette zich op het +lijk van den afgestorvene en op een der aanwezigen neer, onreinheid +en vernietiging aanbrengende. Het brengen van honden bij een lijk +steunt op de oudste Arische mythologie, doch werd bij de latere Perzen +beschouwd als een middel om de booze Drukhs te verschrikken, daar deze +tegen de oogen van twee bijzonder gevlekte honden niet bestand is. De +Drukhs Naçus is de booze geest van de ontbinding na den dood. Zij is +eigenlijk de persoonsverbeelding van de onreinheid en het bederf, die +bij de lijken zich vertoonen. Vgl. Tiele, Godsd. v. Zarath. bl. 184. + +[340] zie boven bl. 182. + +[341] 's Winters mocht het vuur na verloop van negen dagen, 's zomers +eerst na eene maand in de woning van den overledene teruggebracht +worden. + +[342] Zie boven blz. 263. + +[343] Over het balsemen der lijken wordt door Ebers zeer uitvoerig +gehandeld in Warda, Dl. II. + +[344] Zulke straffen werden ook wel op Perzen van hoogen rang +toegepast, gelijk uit de opschriften blijkt. + +[345] Zoo genoemd in een opschrift van Behistân. + +[346] Herodotus zegt, dat Amasis zijn onttroonden voorganger niet hard +behandelde. Hij liet hem het leven, totdat hij door de Egyptenaren +overvallen en van kant gemaakt werd. Om het verhaal van Herodotus +te redden, laat Ebers Hophra zijn val zoovele jaren overleven, met +het oog op den leeftijd van Nitetis. Amasis kon toch den koning van +Perzië geene veertigjarige tot vrouw aanbieden. Men bedenke dat eene +vrouw van veertig jaren aan de oevers van den Nijl ouder is dan eene +Europeesche op den leeftijd van zestig. + +[347] zie boven bl. 24. + +[348] Ten tijde van Amasis bestonden reeds de drie schrijfwijzen +der Egyptenaren, hoewel het demotisch (volks- of briefschrift) +niet veel ouder schijnt te zijn dan hij. Het hiëroglyphen-schrift is +verbazend oud. De teekens van dit schrift zijn duidelijke afbeeldingen +van allerlei soorten van voorwerpen. Het werd voor opschriften en +sommige godsdienstige boeken, zooals het Doodenboek gebruikt. Het +hiëratische of heilige schrift was eene afkorting of vereenvoudiging +der hiëroglyphen, waarin de oorspronkelijke beelden meestal nog zeer +goed te herkennen zijn. + +[349] Het was bij de Egyptenaren een heilige plicht den ouderdom te +eeren. Men denke aan het vierde gebod van Mozes, dat bijna woordelijk +in den papyrus Prisse is weergevonden. + +[350] Deze maand duurde van 29 Aug. tot 27 Sept. De 5de was dus onze +2de Sept. + +[351] Niet alleen uit het Doodenboek, maar ook uit andere teksten +blijkt, dat den Egyptenaren steeds op het hart werd gedrukt weldadig +te zijn, vooral jegens weduwen en weezen. Een aanzienlijke stadhouder +beroemt zich in zijn graf te Benihassan, dat hij geen zwak kind +benadeeld, geene weduwe kwaad gedaan heeft. + +[352] Vgl. blz. 9. + +[353] Deze ongehoorde hofhouding zou dagelijks 400 talenten, dus +zoowat 1,080,000 gulden hebben gekost. + +[354] De groote, vruchtbaarmakende natuurgodin der Klein-Aziatische +volken. De daar wonende Grieken namen haar dienst over, en stelden +haar voor, rijdende op een leeuw, of in gezelschap van leeuwen. Zij +hield een tamboerijn in de hand, welk instrument ook bij hare +luidruchtige feesten werd gebruikt. Daar zij de verpersoonlijking +was van de voortbrengende natuurkracht, droeg ook hare vereering +een wellustig karakter. Aan de Niobe-sage ligt de mythe van Cybele, +d. i. de vruchtbare aarde, die in den herfst van hare kinderen wordt +beroofd, ten grondslag. + +[355] Het Gygaeische meer was Homerus reeds bekend. Herodotus +noemde de graven der Lydische koningen de stoutste werken, die +door menschenhanden waren tot stand gebracht, na de Egyptische en +Babylonische. De kegelvormige heuvels zijn nog te zien, niet verre +van het meer, bij de puinhoopen van Sardes. De grootste, het graf van +Alyattes, heeft nog altijd een omvang van 3400 en een hoogte van 650 +voet. De Pruisische consul Spiegelthal vond er een grafkamer in. + +[356] De planeet Venus. + +[357] Volgens Herodotus zouden de Lydiërs het spelen met dobbelsteenen +en met den bal hebben uitgevonden, maar niet het damspel. Dit laatste +schijnt wel van Egyptischen oorsprong te zijn. Het is ook zeker, +dat men aan den Nijl vroeger dan in Lydië het balspel kende. + +[358] Het paleis van Persepolis bestond toen nog niet. Dit +was gedeeltelijk uit den zwarten steen van den berg Rachmed, +gedeeltelijk uit wit marmer opgetrokken. Darius zou dien bouw reeds +hebben begonnen. Het paleis van Susa was van tegels gebouwd, dat van +Ekbatana van hout, dat met goudplaten van onschatbare waarde bekleed +en met tegels van allerlei edele metalen bedekt was. + +[359] Mei. + +[360] Eene groote handelsstad in Phrygië. + +[361] Zie boven blz. 36. + +[362] Dezelfde Oroetes wist Polycrates later met list naar Sardes te +lokken, en liet hem daar kruisigen. + +[363] Helden uit de Perzische sage. + +[364] Zie boven blz. 193. + +[365] Maart. + +[366] Juli. + +[367] Hij leefde in dezen tijd. Men zou hem "den vader der geographie" +kunnen noemen. Hij verbeterde de kaarten van Anaximander en schreef +eene "Reis om de Wereld", die helaas, op kleine fragmenten na, +verloren ging. Perzië en Egypte kende hij nauwkeurig. + +[368] Zie boven blz. 296. + +[369] Niebuhr zag op zijne Aziatische reis dit spel nog door jongens +te Schiraz spelen. + +[370] Ook toen hielden de Oosterlingen de ontblooting van het lichaam +voor hoogst ongepast, terwijl de Grieken niets schooners kenden dan +het naakt. + +[371] De koningen van Perzië moesten bij hunne kroning de vrucht van +een terpentijnboom eten. + +[372] Mars. + +[373] Eene kleur die in de oudheid zeer gezocht werd, en uit de +bloesems van den sandix-boom werd geperst. + +[374] Het Perzisch leger was volgens het tiendeelig stelsel +ingedeeld. Eene divisie telde 10,000 man, een regiment 1000, een +kompagnie 100. De Taxiarch was zoo wat gelijk aan een divisie-generaal +bij ons. Een hekatontarch stond aan hoofd van een kompagnie. Een +chiliarch was commandant van een regiment. Zij die later bij de Perzen +de waardigheid van chiliarch bekleedden, waren de eersten des rijks, +na den koning. + +[375] Zie blz. 101. + +[376] In elke havenstad der oudheid werden zulke huizen gevonden. Van +die aan den Canopischen Nijlmond maakt Strabo opzettelijk melding. + +[377] Hoe ijverig de Grieken waren om ter markt te gaan, bewijst +het volgend verhaal van Strabo. Een fluitspeler te Jasos werd door +allen verlaten, die naar hem stonden te luisteren, toen de klok het +marktuur aankondigde. Een bleef er bij hem staan. De muzikant dankte +hem dat hij zich althans niet in het luisteren had laten storen. "Ach," +riep de man, "heeft de klok dan al geluid?!" En meteen liep hij op +een drafje heen. + +[378] Het snelle schip. + +[379] Juno. + +[380] De onderscheidene waren werden binnen afgeslotene ruimten +uitgestald. De plaats der bloemenverkoopsters, die over het algemeen +voor meisjes van zeer verdachte zedelijkheid werden gehouden, heette +de myrten-markt. + +[381] Zulk een ruikertje was met een goudstuk meer dan +betaald. Aristophanes laat een slaaf van Lamachus een belachelijk +hoogen prijs bieden als deze voor een vette aal van Kopaï, 3 drachmen +(1 gulden 35 cts), en voor een paar lijsters, 1 drachme (9 stuivers) +geven wil. + +[382] Het mannenvertrek. + +[383] De aanzienlijkste Grieken schaamden zich niet, in gezelschap +van hunne slaven aankoopen op de markt te doen. Eerzame huismoeders +durfden zich niet op de markt vertoonen; gewoonlijk zonden zij hare +slavinnen er heen. + +[384] Zes centen. + +[385] Zie boven blz. 75. + +[386] Dergelijke signalementen zijn op papyrussen bewaard gebleven. + +[387] De vogel die van de rechterzijde kwam aanvliegen, bracht geluk +aan. Ook het trekken van het rechter oog gold voor een goed voorteeken. + +[388] Men ziet: de bekende Haarlemsche kloppertjes zijn al van oude +dagteekening. + +[389] De Grieken plachten daar hunne waren op monsters te verkoopen. + +[390] Plutarchus verzekert, dat de Atheensche bruiden, volgens een wet +van Solon, vóor de bruiloft een kweeappel moesten eten, die buitendien +voor de geliefden zeker eene bijzondere beteekenis had. Het lijdt +geen twijfel, dat ook de Grieken onze bruidsdagen hebben gekend. + +[391] De heler van een moord moest met den knoet gestraft worden, +en kreeg in drie dagen eten noch drinken. + +[392] De vilten hoeden (petasos) werden eerst door de Grieken, +daarna ook door de Romeinen gedragen, tot bescherming tegen de +zonnestralen. Op den beroemden ruiteroptocht van het Parthenon, in het +Britsche museum, dragen bijna alle ruiters den petasos. Dit hoofddeksel +komt ook als reishoed voor. Eene figuur met den breedgeranden hoed +op den rug duidt een reiziger aan. + +[393] Op de oude gedenkteekenen, bijv. te Thebe, Benihassan en Saqqara +vindt men het leven der nijvere handwerkslieden, zooals schoenmakers, +pottenbakkers, schrijnwerkers, vervaardigers van mummie-kisten, +timmerlieden, spinners en mattenmakers, glasblazers, goudsmeden, +schilders, beeldhouwers, slachters, enz. zeer aanschouwelijk +voorgesteld. Bij Ebers, Aegypten in Bild und Wort, Wilkinson e. a. kan +men hiervan afbeeldingen vinden. + +[394] Wevende en spinnende mannen en vrouwen komen op de monumenten +dikwijls voor. In het Berlijnsch museum zijn eenige Egyptische +spinrokkens; in het Leidsche vindt men een keurig spinstokje en eene +knoopnaald, met het roode garen er nog om, benevens vele monsters +van weefsels. + +[395] Het Egyptische bier, dat de Grieken 'zythos' noemden, was +algemeen bekend, maar stond niet hoog aangeschreven. Osiris zou het +met den wijn aan de menschen hebben geschonken. In oud-Egyptische +geschriften komt het dikwijls voor onder den naam: 'hek'. Het verdient +opmerking dat men Gambrinus, als een zoon van Isis, met Egypte, +het land waar men het eerst bier zou hebben gedronken, in betrekking +heeft gebracht. + +[396] zie boven bl. 110. + +[397] Eene beroemde hetaere van Naucratis. + +[398] Misdadigers, die ter dood veroordeeld waren, werden in Egypte +gewoonlijk opgehangen. + +[399] Zie boven blz. 84. + +[400] Priesters, die bij feestelijke optochten, de heilige dieren, +de godenbeelden, enz. moesten dragen. De priesters waren verdeeld in +opperpriesters, profeten, stolisten, die voor de godenbeelden en de +offers moesten zorgen, vederdragers of schrijvers der hiëroglyphen, +hiërogrammaten of wijzen, waartoe de horoscopen, astrologen, +kalendermakers en teeken-uitleggers gerekend werden, de heilige +vaders, waartoe ook de zangers behoorden, de priesters van lager +orde, namelijk de pastophoren, taricheuten of balsemers, neokoren of +tempeldienaars, enz. + +[401] Zie de beschrijving van dit instrument in Ebers' Warda, Dl. II +bl. 102. + +[402] Dergelijke optochten van vrouwen ziet men op de gedenkteekenen, +bijv. te Thebe, waar de vrouw van Ramses II en de moeder, de dochter +en de zuster van een priester naar den tempel gaan om te bidden. Er +waren in Egypte ook priesteressen. + +[403] Op de monumenten in Thebe vindt men de voorstelling van een +plattegrond eener villa, in vogelvlucht gezien. + +[404] Ramses III is de Rhampsinit, van wien Herodotus ons dat +aardige sprookje vertelt, hetwelk graaf von Platen stof gaf +tot een drama. De schat van Ptolomaeus Philadelphus zou 740,000 +Egyptische talenten, d.i. ongeveer 990,000,000 gulden bedragen +hebben. Doch misschien bedoelde men de gezamenlijke inkomsten van eene +acht-en-dertigjarige regeering. De Egyptische schatkist had inderdaad +enorme inkomsten. Volgens een opschrift in de schatkamer van Ramses den +Groote, zouden de goud- en zilvermijnen jaarlijks 1080,000,000 gulden +hebben opgebracht. Volgens Diodorus bedroeg de schat van Rhampsinit +5400,000,000 gulden. Door een gelukkig toeval heeft men in den tempel +van Medinet-Haboe eene voorstelling van zijn schatkamer gevonden. + +[405] Een Egyptisch snareninstrument. + +[406] De bijnaam "meesteres of beheerscheres der weegschaal" had zijn +grond hierin, dat de godin der waarheid de zielen der afgestorvenen +in de onderwereld afwoog. Van dit wegen vinden wij bijna in alle +doodenboeken eene voorstelling. + +[407] zie boven bl. 29 en 31. + +[408] Een snareninstrument, dat grooter was dan de lier. Het stond +in verhouding tot de luit als eene cello tot eene viool. + +[409] Antipater van Sidon vervaardigde op hem het volgend epigram: + + + Gij wijddet al uw dagen, o grijsaard, blij te moe, + Aan Dionysos, Eros en 't koor der Muzen toe. + + +[410] Anacreon was van Teos afkomstig. + +[411] Een klein staafje van elpenbeen, waarmede men de snaren tokkelde. + +[412] Hoewel een onweder in Egypte tot de zeldzaamheden behoort, +zoo komt het toch wel eens voor. Ebers trof in Januari 1870 een +onweder in Opper-Egypte nabij Antinoë. De bui was zoo hevig, dat +Arabische booten op den Nijl omsloegen en geweldige waterstroomen van +de bergen afdaalden. Fella-hutten werden medegesleurd en palmboomen +ontworteld. Herodotus vertelt als een wonder, dat het, juist in dezen +tijd, in Opper-Egypte had geregend. + +[413] De Grieken waren gewoon, als een onweder dreigde, aan de stormen, +die tot de goden der onderwereld behoorden, een zwart lam te offeren. + +[414] Zoo heetten de bruiloftsliederen, naar het refrein: "Hymen, +o Hymenaee." + +[415] Eene Helleensche bruid verscheen in feestdos, en ook zij die +haar geleidden droegen sierlijke gewaden. + +[416] Sappho. + +[417] De moeder der bruid ontstak de fakkel. De fakkeldrager moest +den God Hymen voorstellen. + +[418] Dit gebruik bestond later ook te Rome. + +[419] Zie boven blz. 145. + +[420] Het schip heette naar de godin der gezondheid. + +[421] zie boven bl. 145. + +[422] Perzische lusthoven. + +[423] zie boven bl. 165. + +[424] In onze maand Maart. + +[425] Ook de hedendaagsche Perzen houden een huwelijk tusschen +bloedverwanten in eersten of tweeden graad voor zeer gelukkig. + +[426] Een korps, gedeeltelijk uit vreemdelingen samengesteld, dat de +krijgsgevangenen moest bewaren en andere diensten bewijzen. + +[427] Wagenstrijders vindt men op bijna alle Egyptische +gedenkteekenen. Ofschoon daarop tot hiertoe niet meer dan vijf ruiters +zijn gevonden, blijkt toch uit geschriften en berichten van andere +volken, dat de Egyptenaren zich van ruiterij bedienden. Zoo zou Ramses +II 24,000 ruiters in het veld hebben gebracht. Volgens Herodotus +was het Egyptische leger verdeeld in Hermotybiërs en Kalasiriërs. De +laatsten, in het Egyptisch Klaschr, waren boogschutters. De eersten +ontleenden hun naam aan het schort Haemitybion, dat zij droegen. + +[428] Waarschijnlijk waren dit de door Herodotus genoemde +Noord-Afrikaansche Maxyers. + +[429] Van vele standaarden zijn afbeeldingen gevonden. Elke nomos +had ook zijn wapen. + +[430] Zoo gewapend vinden wij de troepen op de monumenten +voorgesteld. Verschillende der genoemde wapenen worden in de musea +gevonden, o. a. te Berlijn een dolk, waarvan de kling bestaat uit +een soort van brons, en het gevest uit elpenbeen, met eene scheede +van leder. + +[431] Toen Themistocles later aan het Perzische hof kwam, werd hem +insgelijks eene aanzienlijke Perzische vrouw ten huwelijk gegeven. + +[432] Deze mijnen lagen in het zuiden, niet verre van de Roode Zee. De +arbeiders waren deels krijgsgevangenen, deels lieden die men om de +eene of andere reden uit den weg wilde ruimen. Men heeft de sporen +van die mijnen weergevonden. Vgl. verder Ebers' Warda. + +[433] zie boven bl. 213. + +[434] Zoo worden de kleuren van de rijksbanier door Firdusi +opgegeven. De banier van Kawe bestond uit het schootsvel van een +dapperen smid, die volgens de legende alles te wapen riep tegen dan +boozen Zohak, en Feridun hielp, om dien gruwelijken verwoester van +het rijk ten val te brengen. + +[435] Dit was het wachtwoord der Grieken in den slag bij Mycale. + +[436] Dat die wagenmenners aanzienlijke personen waren, blijkt uit +de wijze waarop de vorsten met hen omgingen. Op een gedenkteeken te +Thebe werd Ramses II voorgesteld, in vertrouwelijk gesprek met zijn +wagenmenner. Hetzelfde blijkt uit het epos van Pentaoer (Vgl. Ebers +Warda). In een der papyrussen wordt van een wagenmenner gesproken, +die na een militaire school bezocht te hebben, van den pharao zelven +uit de koninklijke stallen de paarden ontvangt. + +[437] Herodotus verhaalt ons van een Egyptenaar, die op last van Darius +aan den oever van den Ister ging staan, om Histiaeus van Milete te +roepen, die hem hoorde en aanstonds deed wat de Perzische koning van +hem verlangde. + +[438] Herodotus geeft ons werkelijk het verhaal van dit verschrikkelijk +feit. + +[439] Het is een doorgaande regel, dat bij de oude schrijvers +de overwinnaars altijd veel minder manschappen verliezen dan de +overwonnenen. + +[440] Ongeveer f 22.500. + +[441] Zij was de gemalin van koning Battus III. + +[442] In het Gregoriaansch museum van het Vaticaan is het standbeeld +van een scheepsgezagvoerder; het opschrift behelst de bijzonderheden +omtrent Cambyzes' verblijf te Saïs, die hierboven worden medegedeeld. + +[443] Op de gedenkteekenen komen herhaaldelijk gevangenen voor, +met eene soort van houten boeien, waarin de handen zijn gesloten, +en die met een touw aan hun hals hangen. + +[444] Toen Solon den Lydischen koning bezocht, had deze den +wijsgeer zijne schatten getoond en hem gevraagd, wien hij wel +voor den gelukkigste hield, in de hoop dat hij zijn eigen naam zou +hooren. Solon noemde echter in de eerste plaats Tellus, een beroemd +burger van Athene, en daarna de broeders Kleobis en Biton. Deze schoone +jongelingen, die ook in den worstelstrijd den prijs hadden behaald, +trokken hunne moeder, toen de paarden niet intijds van het veld kwamen, +ten aanzien van het gansche volk, naar den ver verwijderden tempel. De +mannen van Argos roemden, de kracht der jongelingen, maar de vrouwen +wenschten de moeder geluk die zulke zonen bezat. En de moeder verrukt +over deze daad en den lof harer zonen, plaatste zich voor het beeld +der godin en bad, dat zij hun het beste mocht schenken wat een mensch +gegeven kon worden. Na dit gebed en het offer sluimerden de jongelingen +in, om niet meer te ontwaken, want zij waren gestorven. + +[445] De laatste Perzische koning, Darius Codomannus, verwees op +dezelfde wijze zijn uitstekenden Griekschen veldheer Memnon ter dood, +die hem door zijne vrijmoedigheid beleedigd had. Toen men hem wegvoerde +riep Memnon, zinspelende op Alexander, die reeds in aantocht was: +"Uw berouw over deze daad zal getuigen van hoeveel waarde ik voor u +was; mijn wreker is niet verre meer!" + +[446] De Egyptenaren huwden niet zelden hunne zusters of de weduwen +hunner overleden broeders. Ook bij de Grieken komen zulke huwelijken +voor. + +[447] Dit was het kostbaarste geschenk, dat een Perzisch onderdaan +van zijn vorst kon ontvangen. + +[448] Wat Herodotus dienaangaande verhaalt, is genoegzaam +uit Egyptische gedenkteekenen gebleken niet anders dan eene +overlevering te zijn, geboren uit den volkshaat. De nagedachtenis +dezer koningen (Cheops en Cephren) werd gebrandmerkt, omdat men de +zware heerendiensten nimmer vergeten kon. + +[449] De sarkophaag ging met het schip, dat dit kostbare voorwerp +naar Europa overbracht, op de Spaansche kust verloren. De Arabische +geograaf Idrisi verhaalt, dat men kort vóor hij schreef (1240) de +sarkophaag geopend en daarin een mummie gevonden had, benevens een +goudplaat, beschreven met onbekende schriftteekens. + +[450] Zie boven blz. 75. + +[451] Zie boven blz. 25. + +[452] Wanneer de heilige stier stierf, dan werd hij diep betreurd +en met fabelachtige staatsie begraven. Toen onder Ptolemaeus +Lagi de Apis van ouderdom bezweek, besteedden de priesters tot +zijne ter-aarde-bestelling niet alleen den geheelen tempelschat, +maar leenden nog bovendien van den koning 50 zilvertalenten (81,000 +gulden). Sommige hoofden van den Apis-tempel gaven voor de uitvaart van +dit dier 100 talenten uit. Men hield er voor den stier een ganschen +stal met koeien op na. De Egyptenaren meenden, dat hij de toekomst +kon voorspellen, en schijnen hem ook beschouwd te hebben als het +symbool van een tijdperk van 25 jaren. Dit is bevestigd toen het +Serapeum en de Apis-graven zijn ontdekt. Mariëtte vond een schoon +steenen beeld van den heiligen stier, dat naar Parijs is gevoerd, +alsmede een menigte kolossale Apis-sarkophagen. + +[453] Zulke tooneelvertooningen in het woud van Neith schijnen tot +de mysteriën behoord te hebben. Het tooneel was het nog bestaande +meer Sa-el-Hagar, waarbij zich een graf van Osiris bevond. "Deze +schouwspelen," zegt Herodotus, "moesten de lotgevallen van +bovengenoemde godheid voorstellen en heeten mysteriën." + +[454] De klimop was aan Osiris, de koe aan Isis gewijd. De laatste +komt op de gedenkteekenen bijna altijd voor met den kop van eene koe. + +[455] Men vindt dezen geheelen strijd geteekend in een opschrift van +den Horus-tempel te Edfoe. + +[456] Door de Grieken Byblos genoemd. + +[457] Het laatste lid werd vruchteloos gezocht, want Seth (Typhon) had +het in den Nijl geworpen. Volgens de sage liet Isis dat lid namaken. + +[458] Het dier, dat gewoonlijk voor Osiris in zittende houding wordt +afgebeeld, gelijkt nu eens op eene teef of leeuwin, dan weer het meest +op een nijlpaard. De Cerberus der Grieken heeft misschien aan dezen +"draak van Amenthes" zijn oorsprong te danken. + +[459] De onderwereld, eig. het westen, het doodenrijk, waar de ziel +heenging na den dood, gelijk de zon na haren ondergang. + +[460] Haméstegân is de plaats dergenen, wier goede daden tegen hunne +slechte kunnen opwegen; Duzakh is de hel, en Gorothman is het paradijs +der Perzen. + +[461] zie boven bl. 239. + +[462] De Perzische kleuren. + +[463] Dit verhaal is ontleend aan Herodotus, evenals hetgeen er +verder volgt. De Perzen waren zeer gesteld op den roem van goede +boogschutters te zijn. + +[464] Herodotus bericht, dat Darius eene dochter van Bartja (Smerdis), +Parmys geheeten, bij Atossa tot vrouw nam. + +[465] In alle musea, o. a. in het Leidsche, te vinden. De +gedenkteekenen leeren, dat de Egyptenaren reeds in zeer vroegen tijd +zich op allerlei wijze zalfden. De oogzalf, mestem, vinden wij reeds +onder de 12e dynastie. De mummiën bewijzen, dat de hedendaagsche +gewoonte om de nagels te verven, reeds in den tijd der pharao's +bestond. Welriekende haarlokken waren een eerste vereischte voor eene +schoone vrouw. + +[466] Het Leidsche museum bezit een exemplaar van zulk eene doos. + +[467] Zulk een handvatsel, en wel van eene doos, vindt men in het +museum te Leiden, waar ook nog vele metalen spiegels bewaard worden, +alsmede kammen, enz. + +[468] Op de musea vindt men bij de mummiën allerlei vlechtwerk van +koralen. Kapitein Henveys vond eenige jaren geleden een kolossale +koraal, waarop een hiëroglyphisch opschrift was gesneden. + +[469] Op de oude gedenkteekenen vindt men geene afbeeldingen van +kameelen, terwijl het bekend is dat de Arabieren en Perzen zeer veel +gebruik maakten van deze dieren, die tegenwoordig ook aan den Nijl +onmisbaar zijn geworden. Toch was de kameel daar ook in de oudheid +bekend, maar het schijnt dat de afbeelding van dit dier, evenals van +den haan, verboden was. + +[470] Eene stad nabij het noordelijk einde van de Roode Zee. + +[471] Zie boven blz. 197. + +[472] Herodotus doorreisde Egypte ongeveer zestig jaren na Cambyzes' +dood. + +[473] Op deze oase (thans Siwah) was een beroemd orakel, dat ook door +Cresus was geraadpleegd, en later meer bekend werd, toen de groote +Ammon verklaarde, dat Alexander de Groote de zoon eener godheid was. + +[474] De door de reizigers zoo gevreesde Khamsin der Lybische +woestijn. Een dergelijke wind, bekend onder den naam Samoem, wordt +door de Turken Schamyele genoemd. + +[475] De Apis zag er echter volgens de gedenkteekenen niet altijd +eveneens uit. Op een Apis-standbeeld, dat Mariëtte liet uitgraven en +thans te Parijs is, heeft men bovengenoemde kenteekenen gevonden, met +zwarte verf op het lichaam geschilderd. Sommige bronzen Apis-beelden +dragen den zonneschijf met den Uraeus-slang tusschen de hoornen. + +[476] Volgens Herodotus gleed het zwaard uit en trof het dier in de +dij, aan welke wond het bezwaarlijk kan gestorven zijn. Nu sterft +Cambyzes ook aan eene dijwond, en de geschiedschrijver is er blijkbaar +altijd op uit, om de vergelding van een misdrijf in een helder licht +te stellen. + +[477] De sage van Niobe, welker zonen en dochters door de kinderen +van Leto, Apollo en Artemis, werden gedood is bekend. De namelooze +smart over dit verlies deed haar versteenen. Zij was de rots op den +top van het Sipylus-gebergte. De Niobe-groep, die in 1583 te Rome werd +gevonden en thans te Florence wordt bewaard, is zoo niet het origineel +dan toch eene voortreffelijke navolging van het werk van Praxiteles. + +[478] De officieren van het Fransche fregat Luxor, die den bekenden +obelisk van Thebe moesten overbrengen, vonden te Abd el Qoernah de +mummie van Amasis' gemalin, half verbrand, in een lijkkist. + +[479] De Atheners moesten aan Minos van Creta eene schatting +leveren van zeven jongelieden en even zoo vele maagden. Toen deze +schatting voor de derde maal werd gebracht, liet Theseus zich onder +de jongelingen opnemen. Minos' dochter Ariadne verliefde op hem. Zij +gaf hem een draad, met behulp waarvan hij het labyrinth weder kon +verlaten, na het vreeselijk monster, den minotaurus, verslagen te +hebben. Theseus vluchtte met haar naar Athene, maar verliet haar in +stilte op het eiland Naxos. + +[480] zie boven bl. 9. + +[481] De hoofddenkbeelden zijn ontleend aan Plato's schets van een +idealen staat. + +[482] Herodotus laat alles te Susa gebeuren; doch in een opschrift van +Behistân leest men: "Daar is eene vesting, genaamd Cikathauvatis, een +streek genoemd Niçâya in Medië, daar heb ik (Darius) hem gedood." Het +valt echter moeielijk uit te maken, welke stad hier bedoeld is. + +[483] Uit de berichten van Herodotus en andere schrijvers, en uit +het opschrift te Behistân blijkt genoeg, dat Cambyzes zich doodelijk +wondde met zijn eigen wapen, zonder dat er grond bestaat om aan +opzettelijken zelfmoord te denken. + +[484] Herodotus maakt uitdrukkelijk gewag van Cambyzes' berouw in +zijne laatste oogenblikken. + +[485] Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes +en Darius Hystaspes. + +[486] Zie boven blz. 263. + +[487] De Perzen vierden daarna op dezen dag een groot feest, het +feest van den moord der magiërs. + +[488] Volgens Herodotus hadden de zeven saamgezworenen met elkander +afgesproken, dat zij te zamen buiten de stad zouden rijden. Hij +zou koning zijn, wiens paard bij het opgaan der zon het eerst +hinnikte. Weinige dagen te voren bracht de stalknecht van Darius eene +merrie op de plaats waar men heen zou rijden, terwijl hij deze door +den hengst zijns meesters liet dekken. Toen nu de saamgezworenen, +op den bestemden dag, die zelfde plek naderden, begon het paard van +Darius zijn loop te versnellen en luid te hinniken. Terzelfder tijd +zou het bij een helderen hemel geweerlicht en gedonderd hebben. Het +eerste verhaal is zoo geheel onwaarschijnlijk niet, omdat het paard +aan de zon geheiligd was en men het wel voor een goddelijk teeken +kon houden, wanneer het de opkomende Mithra tegenhinnikte. Voor +het overige kon Darius, ook zonder de list van zijn stalknecht, +deugdelijke aanspraken op den troon doen gelden. + +[489] Atossa wordt dikwijls de uitverkorene gemalin van Darius +genoemd. Hun zoon Xerxes werd door Darius tot zijn opvolger bestemd, +ofschoon de dochter van Gobryas hem reeds vóor de geboorte van +Xerxes drie mannelijke erfgenamen had geschonken. Herodotus verzekert +uitdrukkelijk, dat de invloed en het aanzien van Atossa zeer groot is +geweest. Aeschylus prijst haar in de "Perzen" als eene hooggeëerde, +achtenswaardige vrouw. + +[490] Ramses II werkte aan dit kanaal, waarvan reeds sporen worden +gevonden uit den tijd van zijn vader Seti I. Necho vatte het werk +weder op. Darius liet er vlijtig aan werken. Onder de Ptolomaeën werd +het voltooid. + +[491] Darius' naam komt op de Egyptische gedenkteekenen onder den vorm +Ntarioesch voor. Die naam wordt het meest gevonden in de opschriften +van den tempel in de oase el-Khargeh. Zeer merkwaardig zijn vooral +de Egypto-Perzische gedenkteekenen op de landengte van Suez, met +opschriften in hiëroglyphen en spijkerschrift. De Egyptische voornaam +van Darius luidt gewoonlijk: "de door Ammon en Ra geliefde." Overal, +bijv. op een porseleinen vaas te Florence en op papyrusrollen te +Parijs en Florence wordt hij genoemd met de goddelijke eeretitels +der pharao's. + +[492] De eerste opstand, die uitbrak onder den door Cambyzes +aangestelden stadhouder Aryandes, zou Darius, met een bezoek aan +Egypte te brengen, onderdrukt hebben, bij welke gelegenheid hij honderd +talenten beloofde aan hem, die een nieuwen Apis zou vinden. De tweede +opstand begon eerst vier jaren voor Darius' dood. Xerxes bedwong de +opstandelingen twee jaren na zijne troonsbeklimming, en benoemde zijn +broeder Acha emenes tot stadhouder. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Eene Egyptische Koningsdochter, by +Georg Moritz Ebers + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EENE EGYPTISCHE KONINGSDOCHTER *** + +***** This file should be named 28120-8.txt or 28120-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/8/1/2/28120/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
